F. oct.
Qj-O
Zj
J U
GESCHENK
VAN
tw/ Jtawtscnd.\'lb amp;L
É[ oü^CéL^Hj, •-—----gt;
\' . lt; gt; .■ \' V „M * \\
gt; ;gt;r -\'i
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2802 159 4
J
„ Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn padquot;.
CHRISTELIJK DAGBOEK
GEDEUKT TER FLAEKEESCHE BOEKDEUKKEEIJ, MIDDELHAENIS.
De schrijvers van dit DAGBOEK bieden U dezen arbeid aan met de bede, dat de God van alle genade de lezing van dit werk zegene aan Uwe harten, opdat het voor velen zij een leidsman op den weg ten eeuwigen leven, en strekke tot verheerlijking van Gods nooit volprezen Naam en tot uitbreiding van Zijn gezegend Koninkrijk.
ERRATUM.
De ü lezer gelieve er op te letten, datJ door eene fout van den zetter, op \'bladzijde 29\' staat:^2[Cor. 4^ :18, terwijl afge» druktjis de tekst van Cor. 3: 18.; Men !leze |dus;
2 Cor. 4: 18: Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
1 JANUARI.
I JANUARI.
Hebreen 13: 8. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar. Met dezen oudvaderland-schen wensch steramen wij van harte in. Wat beters kunnen wij voor elkander begeeren? Heil is volkomen geluk; zegen de gunst van God over al onze wegen. Wie dit heeft, heeft veel; neen, wie dit heeft, heeft alles.
De vraag is maar waar zooveel goeds vandaan komen moet. En het antwoord daarop geeft Gods vredegroet: Jezus Christus, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Onze trouwe Borg en Mid delaar is voor allen die gelooven de levende oorzaak van vrede en zaligheid. Hij verzoent ons met God. Hij maakt ons tot zijne kinderen. Hij leert ons zingen in het vroolijke licht zijner eeuwige liefde De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
Groot is het voorrecht onder dit Evangelie te mogen verkeeren, doch onmisbaar de genade, door het levend geloof in Christus geborgen te zijn. Immers de wereld bevredigt niet; daarbij vergaat zij. Voor velen is het laatste jaar ingetreden. Wellicht zijn reeds voor onze doodkist de planken gezaagd. Maar bij al wat verandert, is onze Hei land dezelfde in genade, trouw en macht.
En Hij blijft dezelfde, opdat wij zouden veranderen.
\'tls zijne liefdemacht, die de onbekeerden verandert in de wedergeboorte door zijnen Heiligen Geest. Brave menschen worden arme zondaren, goddeloozen verbrokenen van hart, voor wie genade de eenige grond der zaligheid is. \'tls Jezus liefdemacht, die de zijnen verandert lanss den weg eener dagelijksche bekeering, dat voortdurend sterven van den ouden en opstaan van den nieuwen mensch, onder de leuze: Ik wensch niet te blijven in iets, wat mijnen Heiland mishaagt. \'t Is Jezus liefdemacht, die de levenstoestanden verandert. Droefheid maakt Hij tot blijdschap, verlies tot zalige winst, den schrik voor den dood tot een voorsmaak des hemels.
Eens zal de Heere Jezus alles veranderen, bij zyn wederkomst op de wolken in heerlijkheid. Dat zal het jubeljaar zijn der verlosten, waarin de gemeente des Heeren, den beelde van Gods zoon gelijkvormig, het einddoel bereikt van hare verlossing in Christus. Wij verwachten eene nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont.
Beproeven wij ons zeiven aan deze wet des koninkrijks en zij het
DAGBOEK. 1
ERRATUM
De l lezer gelieve er op te letten, dat,? door eene fout van den zetter, op \'bladzijde 29\' staat:j2[Cor. 4,: [18, terwijl afgedrukt is de tekst van^S Cor. 3: 18. :Men [leze jdus;
2 Cor. 4: 18: Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
1 JANUARI.
I JANUARI.
Hebreën 18: 8. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar. Met dezen oudvaderland-schen wensch stemmen wij van harte in. Wat beters kunnen wij voor elkander begeeren? Heil is volkomen geluk; zegen de gunst van God over al onze wegen. Wie dit heeft, heeft veel; neen, wie dit heeft, heeft alles.
De vraag is maar waar zooveel goeds vandaan komen moet. En het antwoord daarop geeft Gods vredegroet: Jezus Christus, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Onze trouwe Borg en Mid delaar is voor allen die gelooven de levende oorzaak van vrede en zaligheid. Hij verzoent ons met God. Hij maakt ons tot zijne kinderen. Hü leert ons zingen in het vroolijke licht zijner eeuwige liefde De Heere is mijn Herder, my zal niets ontbreken.
Groot is het voorrecht onder dit Evangelie te mogen verkeeren, doch onmisbaar de genade, door het levend geloof in Christus geborgen te zijn. Immers de wereld bevredigt niet; daarbü vergaat zij. Voor velen is het laatste jaar ingetreden. Wellicht zijn reeds voor onze doodkist de planken gezaagd. Maar bij al wat verandert, is onze Hei land dezelfde in genade, trouw en macht.
En Hij blijft dezelfde, opdat wij zouden veranderen.
\'tls zijne liefdemacht, die de onbekeerden verandert in de wedergeboorte door zijnen Heiligen Geest. Brave menschen worden arme zondaren, goddeloozen verbrokenen van hart, voor wie genade de eenige grond der zaligheid is. \'tls Jezus liefdemacht, die de zijnen verandert langs den weg eener dagelijksche bekeering, dat voortdurend sterven van den ouden en opstaan van den nieuwen mensch, onder de leuze: Ik wensch niet te blijven in iets, wat mijnen Heiland mishaagt. \'t Is Jezus liefdemacht, die de levenstoestanden verandert. Droefheid maakt Hij tot blydschap, verlies tot zalige winst, den schrik voor den dood tot een voorsmaak des hemels.
Eens zal de Heere Jezus alles veranderen, bij zü\'n wederkomst op de wolken in heerlijkheid. Dat zal het jubeljaar zijn der verlosten, waarin de gemeente des Heeren, den beelde van Gods zoon gelijkvormig, het einddoel bereikt van hare verlossing in Christus. Wij verwachten eene nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont.
Beproeven wij ons zei ven aan deze wet des koninkrijks en zij het
DAGBOEK. 1
2 JANUARI.
grootste heil, de rijkste zegen, die wij van den Heere begeeren; een gestadig veranderen, door dat de onveranderlijke Heiland in ons gestalte verkrijgt.
Die hoop moet al ons leed verzachten;
Komt reisgenooten! \'t hoofd omhoog!
Voor hen, die \'theil des Hoeren wachten,
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten!
O vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten;
En wjj, wij zijn in \'t vaderland.
Gezang 189: 6.
Lezen: Openbaring 20: 11. — 21: 8; — Psalm 103; — Hebreen. 12.
C. 13. OORTHUIJS.
2 JANUARI.
Hebreen 11; 27: Want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke.
Welk een heerlijk woord bij den ingang van het nieuwe jaar!
Toen Mozes uitging om Israël te verlossen, begreep zijn volk hem niet. Over de harde dienstbaarheid in hunne drukkenae slavernij is hij bewogen. Mokkend ziet hij ze iederen dag aan den zwaren arbeid, voortgezwiept door hunne drijvers. Het is zijn volk, het volk Gods. Met dat volk, kwalijk behandeld worden, dat wil hij liever ^dan leven aan het koninklijk hof in de genieting der zonde. Maar wanneer hij optreedt om zijn volk te verlossen, hebben ze geen plaats voor hun redder. Hij moet ze verlaten. Doch zijn geloof wankelt niet. Er is een woord van den Machtige Jacobs, die gesproken heeft, dat de verdrukking een einde zal nemen en God zal richten tusschen zijn volk en den dwingeland, die hen verdelgen wil. De groote Godsgedachte dat Hy zijn volk niet verstoeten zal, leeft in zijn binnenste. Zij is zijn steun. Als ziende den Onzienlijke, gaat hij heen, niet vreezende den toorn des konings.quot; In het bewustzijn van God geroepen te wezen tot Redder zijns volks, is er in zijne ziel eene heilige rust en voelt hij bij het dreigen des vyands, hij zal niet ontkomen. De aardsche macht doet hem niet sidderen. Hij is sterk. God zal komen op zijnen tijd. Zoo staat hij, overwinnaar van het ongeloof zijns volks. Onwankelbaar — het oog op God geslagen.
Daar ligt het geheim onzer geestelijke kracht, den Onzienlijke zien.
2 JANUARI.
En het is goed, dat wij het weten. Het gevoel onzer zwakheid maakt ons bevreesd. Wij zijn zoo zwak als een riet, dat door den wind ginds en wedej- bewogen wordt. Met een beklemd gemoed gaan we de toekomst tegen, en letten wij er op of de wind zich van deze of gene zyde verheft. Een heel jaar ligt voor ons, en het brengt nieuwe vragen bij de oude zorgen, waarvan we den last niet van de schouders weten te schudden. Het behoeft nog niet den toorn van Pharao te zyn, die ons nederdrukt. En de Christen, die zich zeiven kent, weet het nog beter, is er nog dieper van doordrongen, dat hij uit zich zeiven niots vermag.
Het oog naar boven. Uit dat zien op den Onzienlijke hebben de martelaren en bloedgetuigen te midden van het lijden, dat hier hun deel was, krachten geput tot een vrijmoedig belyden van hunnen Heiland. Zij hielden het oog gericht op den Onzienlijke, om wiens naam en woord dit alles hen overkwam. Dit geloof overwint de wereld en al hare bedreigingen.
Uit de volheid Gods mogen wij putten. Wij moeten God zien, in zijne heerlijkheid, in zijne oncferming, in zijne mogendheden. Wie den Zoon kent, kent óók den Vader. Wie in Zijnen Naam gelooft, voor dien is de wereld der eeuwige dingen ontsloten. Hij weet van eene liefde Gods tot redding van zondaren, die al ons denken te boven gaat. En die liefde zegt hem, dat de Heer onzer gedenkt. Wy aanschouwen eene goddelijke kracht, die machtig is te verlossen van de heerschappij der zonde. Die hand is niet verkort. Uit onzen inner-lijken zielestrijd zal zij ons uitvoeren. Wij ervaren eene trouw, die nooit bezwijkt en over de bergen onzer schuld heenkomt om vast te houden, wanneer wij als een Petrus wegzinken in de wateren. Gij kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld ?
Ziet op de groote mannen Gods, neen, ziet den Onzienlijke. Dan zijn wij sterk en moedig. Wij gaan onzen weg dit jaar. Wij houden ons vast aan den God des heils.
De Heei is mij tot hulp en sterkte.
Hij is mijn liad, mijn psalmgezang;
Hij was het, aio mijn heil bewerkte;
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men blij met dankbre psalmen;
Gods rechterhand doet grcote kracht!
Psalm. 118: 7.
Lezen: Hebr. 11: 1—27. — Joli. 15: 1—11. — Ps. 91.
J. WIEÏKN.
3 JANUARI.
3 JANUARI.
Psalm 39: 13: Ik ben een vreemdeling bij U.
Onwillekeurig vermenigvuldigen zich de gedachten als een jaar ten einde is, en eene nieuwe tijdkring weer is begonnen. In die eerste dagen zijn wij gedurig bezig nu eens terug te zien op den afgelegden levensweg, en straks weer richten wij vragend de oogen op de toekomst. Meer dan anders hebben wij oog voor het onbestendige van alles hier beneden, maar ook voor onze nietigheid en afhankelijkheid. Ook David, de dichter van onzen psalm, is, óf door krankheid, óf door andere tegenheden er aan herinnerd, dat hij een vreemdeling is op aarde. Hij leerde het verstaan, en wenscht dit nog meer te mogen doen, dat wij hier op aarde geene blijvende plaats hebben. Hoe wy ons ook hechten aan de dingen dezer aarde, hoe de mensch ook soms deze ernstige waarheid voor zich zelf wil verbloemen, als wij een oogenblik nadenken en stilstaan op den levensweg, predikt alles ons luide, dat wij op aarde zijn vreemdelingen en bijwoners, gelijk als onze vaders. Nu is het opmerkelijk hoe bij Israël, in onderscheiding van andere volken, de zorg voor de vreemdelingen groot was. Zij mochten in vele opzichten deelen in Israels zegeningen. David noemt zich ook een vreemdeling, maar zoo voegt hij er aan toe: by U. Hij is dus wel vreemdeling, maar weet zich beschermd, bewaakt, beveiligd door den Machtige Israels. Hij weet zich te midden van alles, wat hem tegen is, te midden van stormen en golven, wel bewaard in de schaduw der vleugelen des Almachtigen. Niuts kan hem daar deren. Alle dingen zullen moeten medewerken ten goede. Zulke vreemdelingen, die met David mogen zeggen, ja, maar bij ü, hebben dan ook een reisdoel. Zij zoeken de stad die fundamenten heeft en dat niet te vergeefs. Zij zoeken, maar met deze zekerheid, dat zij zullen vinden. Zij kloppen, maar met deze gewisse belofte Gods, dat hun zal worden opengedaan. In den tijdkring, die voor ons ligt, in de toekomst, die ons onbekend is, zal er veel zijn, dat ons pijnlijk aandoet, veel dat ons zal leeren, of er ons aan zal herinneren, dat wij vreemdelingen zijn. Als het door genade er bijgevoegd kan worden: bij U, dan weten wij, dat alle dissonanten op onzen weg zich eens zullen oplossen in een blij
Halleluja, eeuwig dank en eere,
Lof, aanbidding, wijsheid, kracht.
Word\' op aarde en in den hemel, Heere!
Voor uw liefd\' ü toegebracht. Gezang 96.
Lezen: Ps. 39. — Ps. 119: 17—32. — Ps. 146.
P. BOKMA.
4
4 JANUARI.
4 JANUARI.
Mattheus 11: 29: Neemt mijn juk op u.
Xeemt mijn juk op u. Zoo klinkt de roepstem van den oversten Leidsman aan den ingang van het weer ontsloten jaar tot alle vermoeiden, die tot hem gekomen zijn, om rust te vinden voor hunne zielen. Komt herwaarts tot mij, dat is de rechtvaardigmaking door het geloof; neemt mijn juk op u, dat is de heiligmaking in de liefde. Alles bij Hem, wat noodig is tot het hooge leven der ruste in God. Bij Hem alleen, wien alle dingen zü\'n overgegeven van den Vader.
Hü, die een juk oplegt, neemt er ook een af, een ijzeren juk, dat eon schrynende vore maakt in het vleesch. Wij dragen van nature allen dat ondragelijke juk der wet, dat ons tot een leven der ijdel-heid dwingt. Wij kunnen het uit ons zeiven niet verbreken, niet afwerpen. Hij, die het ons heeft aangespannen, heeft geweld over ons, is sterker dan wij. En als wij achteruitslaan, verwonden wij ons de verzenen aan de scherpe prikkelen des dry vers. Zoo ploegen we voort op den dorren levensakker, beladen met den vloek, die al onze levenskracht verteert. Maar, Gode zij de dank, Hü is gekomen, van wien geschreven staat in het profetisch woord: het juk van hunnen last hebt gy verbroken. En hij heeft het verbrijzeld, dat onverbrekelijke juk. En dat, door zelf er den schouder onder te buigen, dragende onzen last. De straf, die ons de rust aanbrengt, was op hem; door zijne striemen is ons genezing geworden. Hij heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Wie door den Zoon vrij gemaakt is, is waarlijk vrij van slaafsche banden, bevrijd van het juk der dienstbaarheid. Hij staat in de vrijheid en . .. buigt gewillig den hals onder het juk van Zyn\'Bevrijder. En dus toch weer onder het juk? Ja, maar welk een liefelijk, heerlijk juk! Geen juk, dat vermoeit en drukt, maar veeleer kracht en leiding geeft. En dat te meer, omdat wij het met Jezus dragen. Een juk wordt gedragen door twee. Welnu zooals in \'t Oosten de landman het onervaren jonge ploegbeest naast het oude rund inspant en het juk zóó schikt, dat de druk alleen op het moederdier komt, terwijl het aan het pasbeginnend jong slechts leiding biedt, om in het spoor te blijven; zoo ook spreekt Jezus van zijn juk, dat hy met zyne jongeren draagt, maar waarvan hij de last en zij de leiding hebben, om naast hem te loopen in het spoor van Gods geboden, ziende, gedurig ziende op hem, den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs. Wel blijft het juk van Jezus hard voor onze oude natuur, die gedurig uit het spoor wil, om op eigen
5
5 JANUARI.
paden rond te dwalen, maar voor het geheiligd hart, dat bij Jezus leeft, wordt het zacht. Hoe dichter bij den Heer, des te zachter zijn juk. Hebt ge het al op u genomen, mijn lezer? En draagt ge het gewillig? O, als het hard schijnt, zie dan op hem. Hoe hij het droeg: zachtmoedig en ootmoedig. En leer van hem. Leer het dragen zóó zachtmoedig, zóó ootmoedig als hij. Eens, aan den avond spant hij u uit. Dan is uw dagtaak voltooid. En dan zal hij u rust geven, u doen uitrusten in zijn schoot. En dan zult ge zeggen zonder eenige bedenking: Zijn juk was zacht en zijn last was licht.
\'k Zal dan gedurig bij u zijn,
In al mijn nooden, angst en pijn:
ü al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand wondt vatten.
Gij zult mij leiden door nw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid.
Opnemen in nw heerlijkheid.
Psalm 73: 12.
Lezen: Mattli. Jl ; 20—30. — Jes. S3. — Mare. 8: 34 — 9:1.
G. H. WAGENAAR.
5 JANUARI.
Ps. 37: 5. Wentel uwen iveg op den Heere en vertrouw op Hem, Hij zal het maken.
Dat is een gulden woord uit dien 37sten psalm, die het hoogste heil der vromen en daartegenover het vreeselijk lot der goddeloozen vermeldt. Hoe menig echtpaar is het op de levensreize meegegeven, hoe menig pelgrim is het in droeve uren tot troostwoord geworden.
En in deze eerste dagen des jaars is het een moedgevend woord voor het kind van God, bij de zorgen der toekomst, en de zwakheid van eigen kracht.
Wentel uwen weg op den Heere. Men is in het dagelijks leven gewoon slechts datgene te wentelen, wat men niet kan dragen.
Welk een voorrecht dan, bij de zorgen des levens, alles te mogen wentelen op dien Almachtige en Getrouwe, Wiens genade in alles en tot alles genoeg is.
Slaan wij Gods woord open, dan vinden wij in het leven van al
5 JANUARI.
Gods heiligen, de bevestiging van dat woord: Wentel „uwen weg op den Heere. In de psalmen wordt God genoemd; de rots, de burgt, het hoog vertrek, het schild, de hoorn des heils, de toevlucht van Zijn geestelijk Israël, hun sterkte als zij door droefheid kwijnen.
Vertrouw op Hem. Welk een woord in droeve dagen, te hopen op Hem, die door het leed des levens tot de hoogste vreugde de Zijnen wil opleiden, door den nacht tot het licht. Die wel eens door beproevingen nieuw leven geeft aan het gebed. Die door Zijne tuchtigingen gerechtigheid leeren wil aan Zijn volk. Maar Die ook Zijn Zoon voor hen niet spaarde en hun de bede in het harte geeft: Heere vermeerder ons geloof.
Hij zal het maken. Welk troostrijk woord, als wij krachteloos en moedeloos staan voor de donkere toekomst. God zorgt goddelijk, heilig en wijs. Beveel den Heere uwe wegen.
Hoe menig geloovige, wien in den loop der tijden de moed ontzonk en de last te zwaai werd, heeft bij ons psalmwoord kracht gevonden. En eenmaal zal het in de eeuwigheid blijken, dat God de Heere dit woord gegeven heeft, opdat Zijne zwakke kinderen erdoor verkwikt en gesterkt zouden worden te midden van den strijd en de zorgen des levens.
Och, mochten wij dan in ons eigen hart inkeeren, en ernstig onderzoeken, of het reeds onze kracht en steun is geworden, omdat wij dien grooten Verlosser kennen, door Wien wij vrijmoedigheid hebben gevonden, telkens te gaan tot den troon der genade.
Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,
Is fallen tijd een zon en schild;
Hij zal genad\' en eere geven;
Hij zal hun \'t goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer! die op U bouwt.
En zich geheel aan ü vertrouwt.
Psalm 84: 6.
Lezen:Ps. 37: 1—11. — Ps. 37: 12—2-t. — Ps. 37: 24—40.
J. DOORENBOS.
6 JANUARI.
6 JANUARI.
Mattheus 2: 11: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kin-deke met Maria, zijne moeder] en nedervallende hébhen zij het zelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken : goud en wierook, en mirre.
Welk een heerlijk oogenblik in het leven van deze mannen.
Lang was de reis geweest. Aan teleurstelling had liet hun niet ontbroken.
Waar zij gedacht hadden, dat geheel Jeruzalem zich zou verheugd hebben over den jong geboren Koning der Joden, hadden zü niet anders gevonden, dan teleurstelling, verbazing, ontroering.
Toch had hen dit alles niet afgeschrikt om Hem te zoeken, maar wien hunne zielen verlangden.
Voorgelicht door het Woord, den weg gewezen door de ster, gaan zij voort tot zü het huis bereiken, waar Immanuël toeft.
En zü vonden Hem, wel niet, zooals zü Hem wellicht gedacht hebben, van uiterlü\'ke praal en glans omringd, niet in een koninklijk paleis, maar zij vinden Hem.
En o, wonder van Gods genade; hun geloof wordt niet geschokt, hun liefde wordt niet verkoeld.
Zij vallen voor Hem neder, zij aanbidden Hem, als dengene, die ook het Licht des Hemels zou zijn.
Zij bieden Hem de kostbare schatten als bewijs, dat zij in Hem gelooven, als in den Koning, die komen zou.
Nog eens, welk een oogenblik in hun leven.
Heerlijk oogenblik, dat in ieders leven, wil het wel zyn, moet openbaar worden.
Hem te aanbidden, als onzen Koning; als dengene, die kwam, om ons te verlossen uit de macht van Satan en ons te verzekeren van het recht op eigen leven en eigen heerlijkheid.
Zonder zulk een oogenblik: geen vrede, geen rust.
Alleen aan zijne voeten, bij Hem, in züne gemeenschap is er leven en vrede.
Ja! elk der vorsten zal zich buigen En vallen voor hem neer;
Al \'t heidendom zyn lof getuigen.
Dienstvaardig tot zyn eer.
8
7 JANUARI.
\'t Behoeftig volk, in hunne nooden,
In hnn ellend\' en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hü ten redder zijn.
Psalm 72: 6. J.ezen Mattheus 2; — Psalm 67; — Psalm 87.
H. VAX GRIETHUYSEN Azr.
7 JANUARI.
Marcus 9: 2é: En terstond de vader des kinds, roepende] met tra nen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulp.
Wanneer we zien op die beeldengalerij van krachtige geloofshelden, die Paulus in den brief aan de Hebreen ons voorhoudt, zouden we allicht moedeloos worden, wanneer we een oogenblik er by vergaten, dat het geloof niet is uit ons, maar uit God, die ons behoudt, niet om, maar door het geloof. Dat geloof is geen grond, maar middel: „het is maar een instrument, waarmede wij Christus onze rechtvaardigheid omhelzen!quot; Onze redding is uit Hem, die redden wil niet om iets in ons, maar uit vrije ontferming. Zoo vertoont Hij zich aan ons oog in de genezing van een waanzieken en van den duivel bezeten knaap, onmiddellijk na zijne verheerlijking op den berg. Intusschen was do vader van dat kind tot de jongeren gekomen om genezing te zoeken. Vruchteloos hadden ze getracht den geest uit te drijven. Komt nu Jezus zelf, dan wendt de man zich tot Hem met zijn beklag. De ellende is groot. Zegt nu Jezus: „indien gij gelooven kunt, alle dingen zün mogelijk dengenen, die gelooftquot; dan roept hij, heete tranen schreiend: Ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulp. Ongekende zegen gewordt hem. Zijn kind is op \'t woord des Heeren Jezus genezen.
De Heere plaatst daar den geloofseisch op den voorgrond. Geloof in Hem persoonlyk, die zyne macht openbaart in ontfermende genade en voldoende hulp. Toch was dat geloof daar nog klein en zwak, met twijfel gepaard, geslingerd en onzeker. Maar dat juist bekennend en belijdend, neemt het daarom onvoorwaardelijk tot Hem de toevlucht.
Zulk een geloof, dat hulp zoekt tegen \'t ongeloof bij Hem, die zelf het voorwerp des geloofs is, is inderdaad alvermogend, vindt dus ook in hem alles.
9
10
Het ziet op zijn offer, om van zondeschuld en ellende bevrijd te worden, gerechtvaardigd te wezen voor God uit genade, gesterkt te worden tot den strijd tegen de zonde, die ons lichtelijk omringt, tegen de ongeloovige wereld, die ons gemakkelijk medesleept, de verleidingen des boozen, die omgaat als een brieschende leeuw, zoekende wien hy zou mogen verslinden, bewaard te worden van Hem door het geloof tot de gewisse zaligheid, die Hij den zijnen bereid heeft. Die zekerheid missen we door ons ongeloof en hebben dan geene hope. Niet, omdat het den Heere aan erbarming ontbreekt. Neen! nog wordt Hü innerlijk met ontferming bewogen. Maar wij missen wat aan Hem doet vasthouden en in onszei ven niets, roepen doet: „ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulp.quot; Met dat ongeloof tot Hem, aan zijne voeten neergezonken, uit de diepte onzer ellende geroepen en we zullen \'t gewaar worden, wij kunnen niet, maar Hij doet het, schraagt, helpt, redt en sterkt volkomen. En \'t geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijner goederen oudt.
Nooit kan \'t geloof te veel verwachten,
Des Heilands woorden zijn gewis;
\'t Faalt aardschen vrienden vaak aan krachten.
Maar nooit een\' vriend als Jezus is:
Wat zou ooit zijne macht beperken?
\'t Heelal staat onder zijn gebied,
quot;Wat zijne liefde wil bewerken,
Ontzegt Hem zijn vermogen niet.
Gezang 189: 4.
Lezen: Ps. 110: 1—19. — Hebr. 11: 1—40. — Matth. 17: 9—23.
D. H. ÏELJEK.
8 JANUARI.
Matth. 7: 13«: Gaat in door de enge poort.
Gode zij dank, daar is een poort die toegang geeft tot den troon der genade; open voor allen die de tollenaars bede verstaan; aan een Magdalena gestalte kennis hebben, en met den verloren Zoon uitroe pen; „Vader, ik ben niet waard. Uw kind genaamd te worden.quot;
Boven den ingang van die poort staat een kruis, en daaronder: „Vrede door het bloed des kruises.quot; Ter eener zijde leest ge: „Die hier wil binnengaan sta af van ongerechtigheid,quot; en ter anderer zijde: „Daar
8 JANUARI.
blijft een ruste over voor het volk van God.quot; En daar zijn reeds duizend maal duizenden van alle eeuw en alle kleur die poort ingegaan; vromen van den ouden dag en van latere jaren, patriarchen en profeten, apostelen en martelaren, en stillen in den lande, ook wier naam of huisnummer de wereld niet kende, en om wier heengaan zij zich volstrekt niet bekommerde, maar die met Jacob mochten juichen: „Op uwe zaligheid wacht ik Heere!quot;
Doch vergeten wij niet: dat er maar één poort is. Zijpoorten of nevendeuren zijn er niet. De menschen zouden ze wel maken willen, naar hunne verschillende meeningen, maar dat gaat nu eenmaal niet. God de Heer alleen heeft recht een poort voor het Vaderhuis te plaatsen, en binnen te laten wie Hij wil. En nu is de eenige voorwaarde tot toelating door den Heer gesteld, deze: „dat niet mag binnen komen wat onrein is,quot; alleen een ziel die ge wasschen is van de laatste zondevlek gaat in door de poort.
Daarom is die poort ook eng. Mammon kan er niet door, en de eigengerechtigheid niet, en de wereldliefde niet met haar vermaken en begeerlijkheden, en de hoogmoed niet, die op stelten loopt. Voor deze allen, en voor nog zoovelen meer, ons in Efez. 5: 5 en Openb. 22 genoemd is die poort te eng.
Haar te verwijden en hooger te maken is onmogelijk, want zij is gehouwen uit het graniet van Gods heilig welbehagen, en spot, o mensch! met het dynamiet, dat gij aan haren drempel draagt. Neen! die wil ingaan moet zijn wedergeboren en Christus kennen als zijn Heiland en Verlosser. Die niet wordt als een kindeke kan niet ingaan in het Koninkrijk Gods.
Hoe staat het met u? Kent gij Hem, die „de, Deurquot; is en zegt: „Niemand komt tot den Vader dan door Mij!quot; Op de kniëen dan bij zijn kruis. Daar reikt Hij zelf zyn verlosten de toegangskaart. En, zoekt tot de laatste ure Satan u het ingaan in de hemelpoort te verhinderen, wat nood! de Heere, die de zijnen kocht tot den prijs van zijn bloed, blijft getrouw, en zal u binnen leiden; en dan, in den hemel, valt ge neder aan de voeten van uwen Heiland, uitroepende, Heere! Gij hebt het gedaan; U zij eeuwig dank en eer.
Jezus is mijn Heer en Koning,
Die mij woning
In zijns Vaders huis bereidt;
Wat mij hier ook moog\' ontbreken,
In die streken,
Wacht mü rust en zaligheid.
Jiyn verwachting zal niet wijken.
Niet bezwijken.
1
J 2 9 JANUAEI.
\'k Sta op eene vots gegrond :
Jezus heeft mijn\' naam ten leven Opgeschreven,
Hij, die nooit beloften schond.
Gezang. 51: 1, 3.
Lezen: Lucas 13; 18—29. — Efeze 5: 1—21. — Openb. 22.
J. KRA.IJENBELT.
9 JANUARI.
Markus 10: 51: En Jezus antwoordende zeide tot hem: „Wat loilt gij dat Ik n doen zal?quot; En de blinde zeide tot Hem: „Rabboni. dat ik ziende mag worden.quot;
Eene treffende vraag wordt hier tot Bartimeus gericht, die. blind zijnde, nabij Jericho aan den weg zat, bedelende. Wie toch kan vragen: „Wat wilt gij dat Ik u doen zalquot; aan een blinde en nog wel op het oogenblik, dat deze in zijn voortdurend en volhardend roepen: „Jezus, Gij Zone Davids, ontferm u raunerquot; meer dan een aalmoes verwacht; zelfs m«t zulk een vertrouwen verwacht, dat hij den tegenstand der schare, die Jezus omringt, trotseert?
Wie vermag aldus te vragen? De Zoon van Maria, die de Zoon des Allerhoogsten zou genaamd worden en gekomen is om het verlorene te behouden! Zijne reddende liefde en macht straalt in de vraag door. Wat nu zal de arme antwoorden? Is zijn vertrouwen sterk genoeg tot de bede eener gave, welke de Nazarener alleen, die de werken zyns Vaders doet, kan geven? Bartimeus gelooft! Hoort slechts: Rabboni, dat ik ziende mag worden! De heerlijkheid van den Eengeboorne des Vaders wordt aanschouwd. Die zeggen kan: „Ik en de Vader zijn Eenquot; kan ook zeggen: „Ga heen, uw geloof heeft u behouden.quot; De blinde is ziende. Dankbaar volgt hij zijn Redder!
Deze geschiedenis trekt ons niet waar? daar wij van nature geestelijk blind zijn door de zonde. Hebbeh wij dat leeren verstaan door het Woord en den Geest des Heeren? Is onze hoogste behoefte ziende te worden ?
Jezus Christus, Gods Zoon kan haar vervullen. Hy is voor de zonde gestorven op het kruis en heeft door de opstanding uit de doo-den bewezen Gods Zoon te zijn. Hjj neemt de zonde en de duisternis der zonde weg van een iegelijk die in Hem gelooft. Hem dan volhardend en vurig gebeden in vertrouwen op Zijn woord: „Die tot
10 JANUAEI.
Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Hij opent der blinden oogen. Die in Hem gelooft deelt in Zijn licht. Hij is het Licht der wereld. Die Hem volgt in gehoorzaamheid des geloofs zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben. Volgen wij Hem, geleid door Zijn Woord en Geest, Hem ter eere! tot eene getuigenis: „Hij opent der blinden oogenquot; en „Hij is het Licht der wereld.quot;
\'c Is de Heer, wiens mededoogen Blinden schenkt liet lieflyk licht;
Wie in \'t stof lag neergeboger.,
Wordt door Hem weer opgelicht.
God, die lust in waarheid heeft,
Mint hem die rechtvaardig leeft.
Psalm 146: 0.
Lezen: Mark. 10; 40—52. — Ps. 14G. — Jlattb. 11; 1 — 19.
G. GASEMIER
10 JANUARI.
ilattheus 8:8: Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dek zoudt inkomen.
Als een beschamend voorbeeld wordt de hoofdman van Kaper-naüm aan Joden en Christenen voorgesteld.
Opmerkelijk mag het wel heeten, dat de ouderlingen der Joden bij Jezus kwamen pleiten voor iemand, die in dienst stond der Romeinen. Gewoonlijk immers, werd zoo iemand met afkeer en minachting door hen bejegend.
Een uitnemend getuigenis legden zij van hem af: „Hij is waardig, dat Gij hem hulp bewijst!quot;
Door zijne liefde voor Gods volk, door zijne belangstelling in den dienst van Jehova en door Zijne milddadigheid in het bouwen der Synagoge te Kapernaüm, had hij zich de achting en liefde der Joden verworven. Ook bleek hij een goed meester voor zijne onderhoorigen te zijn.
De menschen roemden zijne daden, achtten hem hoog en oordeelden hem daarom des Heeren hulp waardig.
Hoe geheel anders dacht de hoofdman zelf. Hij zond tot Jezus, die op weg was om tot hem te komen, dit bericht: „Ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen!quot;
18
11 JANUARI.
Kleinachtlng van zich zeiven, en hoogachting voor Jezus gingen bij hem hand aan hand.
Ja, zoo groot vertrouwen stelde hij in Jezus\' macht om te helpen, dat hij er vast op ging: Eén woord van Jezus zou genoegzaam zijn, om zijn kranken dienstknecht gezond te maken.
Over dezen man heeft de Heilland zich verwonderd, en van hem verklaard: Ik zegge ulieden, ik heb zoo groot geloof, zelfs in Israël niet gevonden! —
Wat dunkt u? Zou ons geloof eene vergelijking met dat van dezen Romein kunnen doorstaan? Of zou de Heere bij ons veeleer oorzaak vinden, om zich te verwonderen over ons ongeloof, zooals eenmaal te Kazareth ?
Dringen de behoeften onzer ziel ons telkens op nieuw tot den altoos machtigen Eedder, en kenmerkt zich ons toevlucht nemen tot Hem, door waren ootmoed, diepen eerbied en een onbepaald vertrouwen?—
Er is eene valsche nederigheid, welke uitroept : Ik ben niet waardig, dat de Heere zich tot mij zou wenden, en die van hem verre houdt.
De ware nederigheid gevoelt diep: Ik ben ieder gunstbewijs des Heeren gansch onwaardig: maar, steunend op Gods genadige beloften, geeft zij den moed niet verloren, en blijft pleiten: „Mij geschiede naar uw Woord!quot; -
De Heer betoont Zijn welbehagen.
Aan hen, die nederig naar Hem vragen.
Hem vreezen. Zijne hulp verbeiden.
En door Zijn hand zich laten leiden;
Die, hoe het ook moog\' tegenloopen.
Gestadig op Zijn goedheid hopen. —
O, Salem! roem den Heer der Heeren,
Wil uwen God, o Zion, eeren! —
Ps. 147: 6.
Lezen: Luc. 7: 1—10. — Ps. 138. — Openb. 3: 14— 22.
14
W.~v. d. BIJTEL Jr.
II JAMUARI.
Ps. 35: 3. rZt(j tot mijn ziel: Ik hen uw heil!quot;
Ziedaar wel een zeer korte dagbede, makkelijk te onthouden, maar tevens, wat inhoud en gewenschte verhooring betreft, o zoo heel rijk.
1
Begin hiermede maar den dag; ga voort tot den middag; reik tot aan den avond, zoo gij hetmoogt doen, dan hebt gij den lieven God voor heden waarlijk wat te zeggen, te vragen gehad, waarover gij u niet hebt te schamen aan den avond van heden en u niet hebt aan te trekken zeker woord bij Jacobus (4: 3). — lederen dag wordt er nog al wat gebeden. Geen wonder, want heeft iedere dag genoeg aan zijn zelfs kwaad, dan is er ook wel veel te vragen, dat wij het kwaad, ook van heden, mogen doorkomen en wij het behoorlijk zouden dragen. Maar hoeveel bidden is er, helaas, dat \'s morgens aanvangt, \'s middags niet aflaat, neen, tot den avond reikt, — maar de verhoo-ring blijft uit; \'tis zóó zwaar den nacht in te gaan. — Nu gaat het zoo gemakkelijk op hoogen toon, erg vroom, elkaar toe te voegen: gij bidt zeker niet goed; gij hebt zeker te kort gebeden; \'tis tot uw nut dat de verhooring uitblijft enz, enz. Och, zoo trachten gedurig vrome menschen, de lieve menschen te troosten; maar in den grond blijft het toch een slechte vertroosting, \'k Zou u raden maar niet veel over uw bidden en gebedsverhooring al of niet, met de lieve menschen te spreken. Beter is, voor u zeiven te weten, dat gij het kortst maar ook het meest omvattend, den lieven God. Vader van onzen Heere Jezus, heden hebt te zeggen, te vragen; morgen, middag, avond, gedurig en telkens weder: „Zeg tot mijn ziel: Ik hen tnv heil! Zeg tot mij, tot mij persoonlijk; zeg mij, dat ik het inwendig ervare, gedurig, dit, niets meer; maar dit: \'tzal mij heden voor morgen, middag en avond, voor leven en sterven genoeg zijn, als Gij het mij wilt zeggen; maar uw zeggen is tevens doen: Ik, de God des heils. Vader van onzen Heere Jezus Christus en om zijnentwille, uw God en Vader, Ik ben uw heil; niet zal zijn, maar ben het, om het eeuwig te blijven.
O, laat deze bede uw dagbede zijn; en het antwoord daarop, van boven voor uwe ziel; de blijmoedige belijdenis voor heden: de God des heils toil mij ten Herder ivezen; \'kheb geen gevaar, \'kheb geen gebrek te vreezen. Ja, zoo moge het zyn! Maar dan ook niet vergeten wat de waarheid zegt: die uw naam kennen, die zullen op Uvertrouwen.
Ja, dien naam kennen; niets minder. Maar aan dat kennen is zoo heerlijk verbonden de belofte: die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen: loopen en niet moede; wandelen en niet mat ivorden.
Een ander zij vervuld met schrik,
Wanneer hy God hoort noemen;
Ik mag m\' in Hem beroemen,
Ik vrees voor Hem geen\' oogenblik:
En waarom zou ik vreezen?
Hij wil mijn Vader wezen:
12 JANUARI.
Mijn trouwe Vader, die zjjn kind,
Hoe zeer \'t ook af moog zwerven,
En tegen Hem \'t bederven,
Als \'fc zwarte van zijn oog bemint:
Die \'t geen ik heb misdreven Mij altyd wil vergeven.
Mijn goede Vader stelt zijn eer In eindeloos ontfermen.
Hij luistert naar mijn kermen:
Kom ik tot Hem in Christus weêr,
Met tranen en met zuchten.
Zoo heb ik niets te duchten.
Gezang 80: 1, 2, 3.
Lezen Matth. G: 24—34. — Hand. 12: 1—17. — Epb. 1: 1—23.
C. J. BRYCE.
12 JANUARI.
Marcus 8: 38: Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijk heid zijns Vaders met de. heilige engelen.
Jezus eischt dat zij, die Hem liefhebben, voor hunne liefde uitkomen. Zich voor iemand schamen dat is: niet durven uitspreken, dat men hem kent; terwyl men iemand ziel, doen alsof hij er niet ware; terwijl men aan iemand verwant is hem te behandelen als een vreemde. Zich Jezus schamen dat is: den naam Jezus belijden, naar den naam des Heeren genoemd worden, werkelijk bü Hem behooren, en toch!— in\'tleven dien Heiland ter zijde stellen; Hen?, verloochenen; niet gehouden willen worden voor een, die Hem liefheeft; terwijl het geweten klopt, er niet voor durven uitkomen, dat de Zone Gods de eenige Verloseer is. Zich Jezus en zijner tüoorden schamen, dat is: des Heeren verschijning, ontvangst, lijden en sterven, des Heeren woorden en eischen kennen en in het leven toonen,dat men niet wenscht Hem te volgen, Hem ter eere te leven.
De Heiland spreekt hier van het „overspelig en zondig geslacht,quot; dat is het trouwelooze en verdorven geslacht. Allen, die daartoe behooren, zullen eens van Hem hooren, ook al zouden zij nog zooveel opnoemen, dat in hun oog heerlijk is: „gaat weg van my, ik heb u
13 januari.
nooit gekend.quot; Ontzettende gedachte; wij gaan een oordeel tegen! Xaar Gods Woord heeft de Vader al \'t oordeel aan den Zoon gegeven. Hij is gesteld tot Redder en daarom zal Hij wezen Rechter. Hü zal allen, die zich voor Hem schaamden, verwijzen naar de plaats der smarte.
Belijden en beleven hooren bijeen. O, dat allen, die den naam van Christus belijden, zich onderzoeken. Voor overtreding is vergeving. Indien wij de ontrouw belijden, Hü is getrouw, dat Hij ons de zonde vergeve. Daarom allen, die den Heiland liefhebt, smeekt om meerder trouw, — belijdt uwe lauwheid, uw gebrek aan moed. Komt voelden Heere Jezus uit! In de binnenkamer is kracht te verkrijgen voor het leven. De wereldling schaamt zich niet om te laten zien, wat hij liefheeft — laten des Heilands discipelen en discipelinnen smeeken om de genade, den Heere Jezus te belijden en naar zijne woorden te luisteren. Het trouw zijn is een strijd. Wie trouw is tot den einde zal zalig worden en hooren: „Kom in, gij gezegende mijns Vaders, beërf het Koninkrijk, dat voor u is weggelegd van voor de grondlegging der wereld.quot;
De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij was het, die mijn heil bewerkte;
Dies loof ik Hem, mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men bly, met dankbre psalmen,
Gods rechterhand doet groote kracht!
Ps. 118: 7.
Lezen; Matth. 16: 13—38. — Rom. 1: 1—17. — 2 Tim. 1: 1—18.
N. M. DE LIGT.
13 JANUARI.
2 Thessalonicensen 3; 2b; Het geloof is niet aller.
Zijn bede „verlost te mogen worden van de ongeschikte en booze menschenquot; dringt Paulus aan met het redegevende: „ivant het geloof is niet aller.quot; Die tegenstanders zijn schijn- of waangeloovigen in \'t midden der Gemeente. Zij nopen den apostel tot de verklaring: „het geloof is niet het deel van allen, die zich geloovig noemen.quot; Toen of thans maakt geen verschil. Ook ons geslacht geldt de oude waarschuwing. Op den akker der Kerk wassen tarwe en onkruid. Op den dagboek. 2
17
13 JAKüARI.
dorsclivloer der Godsgemeente liggen koren en kaf dooreen gemengd. Onze Belijdenis des geloofs spreekt van personen, die zich tot de Kerk gevoegd hebben, „en hier intusschen van de Kerk niet zijn.quot; Wee het kaf! Het wordt met onuitblusschelijk vuur verbrand. Heil het goede zaad! Het wordt ingedragen in de hemelschuur. Zelfonderzoek is gebiedend noodzakelijk. Het worde onpartijdig en biddend ingesteld. Het Woord Gods is een onbevooroordeelde beschrijving van den Christen. Het kind, de jongeling, de man in de genade; het groot en klein, sterk en zwak geloof; het beginsel, de eerste levensuiting, de daad, de oefening of wandel, en de volkomenheid des geloofs; het geloof en het ongeloof, de lafheid en neerlaag, en de kracht en triomf des geloovigen; de bakens in zee en de wolke der getuigen; dit alles en meer staat ons met goddelijke stift in den Bijbel geteekend. Daarom zij het Woord rechter. En de Geest verzegele de uitspraak des Woords aan de ziel. Wie in de Schrift eigen zielstoestand niet als dien eens geloovigen geteekend vindt, die hope niet, dat hij desondanks wèl als geloovig eenmaal zal openbaar worden. Hij bidde veeleer om verstoring van zijn valschen vrede, en om de gave des waren geloofs. Wie in Gods Woord zich zelf als een waren, schoon onvolmaakten geloo-vige beschreven ziet, die vreeze niet, maar danke God in dezen deele. Want de uitspraak des Woords hier beneden en de uitspraak Gods voor den troon dekken elkander volkomen. Dat Woord oefent tweevoudige werking op den zondaar, die er door behouden wordt. Het is een wrekend beulenzwaard, dat den misdadiger velt. En tevens een geneeskundig lancet, dat den gewonde behoudt. Het Woord verdoemt en spreekt vrij. Zalig, die doodvonnis en vrijspraak op zich zelf leerde toepassen. Hij belijdt thans: „het geloof is niet aller.quot; Hij beleeft straks: alle waar geloof behoudt.
Komt, luistert toe, gij Godgezinden!
Gy, die den Heer van harte vreest !
Hoort, wat mij God deed ondervinden,
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
\'k Sloeg heilbegeerig \'t oog naar boven.
Ik riep den Heer ootmoedig aan.
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, die alleen mij bij kon staan.
Psalm 66; 8.
Lezen : Jes. 40; 1—11; — Psalm 27; — 1 Petr. 2: 1—10.
Dr. F. J. LOS.
18
14 JAKUAEI.
14 JANUARI.
Psalm 71: 14: Doch ik zal gedurig lijk hopen en zal al uwen lof nog grooter maken.
„Doch ik zal geduriglijk hopen,quot; dat is een goed en uitnemend woord en vooral, zooals hier in den Psalm op de lippen van een grijsaard, van een, die veel heeft doorleefd en ook heeft geleden. Hij is oud (vs. 9.) en zwaar beproefd (vs. 10—12)\'; maar hoe droef deze toestand zü\'n mag; „hij zal geduriglijk hopen.quot; Een recht geloofswoord is het, want het scheen, of alle grond der hoop hem ontzonken was, en menigeen zou niet meer hebben kunnen hopen; maar niet alzoo onze dichter: wat hem ontzonken is, de hope niet, omdat zijn God hem is bijgebleven!
Er is veel in ons leven, dat de hoop komt bestryden. Wel laten wij haar niet spoedig varen en vindt zij diep in ieder menschenharteen plaats; maar menigmaal is het toch een zware taak in de hoop te volharden.
Wat kan het een mensch benauwd worden gemaakt! De spot huwt zich nog dikwerf aan de beproeving om het uitzicht te verduisteren en ook zonder buitengewone \'oorzaken is reeds het klimmen der jaren op zichzelf oorzaak van ontmoediging, waar het met toenemende zwakheid of zorgen gaat gepaard.
In de jeugd . . .! dan is alles hoop en verwachting.
Maar naarmate onze jaren klimmen, krimpt de hoop wel eens in en hebben wij menig ideaal moeten laten varen, dat ons voorheen kon bekoren. Aan pijnlijke ervaringen en herinneringen worden wij met de jaren rijker en daaruit klinkt ons niet zelden als met hoorbare stem tegen: „Durft gij nog te hopen?quot;
Nu, het is er by de wereld ook dikwerf een hoop naar!
Van de geestelijke gestalten bootst het natuurlijke leven het meest die der hope na; maar een hoop zonder geloof of liefde en verdwijnend in den natuurlijken bodem, uit welken zij opwies. De wereld is vol ijdele hoop en velen snellen er de eeuwigheid mede tegen. Dan zult gij niet geduriglijk hopen; maar wanhoop moet het einde zijn.
Wat is de grond van de hope des psalmdichters?
De zekerheid en de toezegging Gods!
„Gij zijt jmijne verwachting, HEERE, HEERE! mijn Vertrouwen van mijne jeugd aan.quot; (vs. 5 en 6)
15 JANUARI-
Als dat de grond is, dan is er bij alle bestrijding onzer hoop, niet minder, dat haar rechtvaardigt.
„Dit zal ik mü ter harte nemen; daarom zal ik hopen,quot; zegt de dichter der Klaagliederen (Hoofdst. III: 21 — 26):
„Het zyn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn; dat zijn barmhartigheden geen einde hebben; zij zijn alle morgen nieuw. Uw trouw is groot.quot;
„De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.quot;
Stemt ons hait daarmede in?
Zonder God is zonder hoop in de wereld, zegt Pciulus (Efeze II: 12.) maar met den Heere maakt geen donkere toekomst ons vervaard. Dan is er geen onoplosbare duisternis meer, omdat de buitenste duisternis en hare schaduw in ons hart is overwonnen; dan zeggen wij het den grijzen dichter na en het is ons goed het te kunnen doen; „Doch ik zal geduriglijk hopen.quot;
Zegt gij dat ook, mijn Lezer of Lezeres? Of leeft het geloof nog niet in uw gemoed als de vaste grond der dingen, die men hoopt? (Hebr. XI: 1.) Het is van de oprechte Godzaligheid zulk een rijk voorrecht geduriglijk te mogen, te kunnen, te durven hopen. Ook als de wereld zegt: „Het is buiten hoopquot;; als alles ontzinkt en het oog wordt verduisterd. Word in deze schole der hoogste levenswijsheid geduriglyk en ook dezen dag ingewijd en blijf „geduriglijk hopen,quot; totdat eenmaal de hoop volkomen wordt vervuld.
Mijn hart zal steeds op U vertrouwen,
Mijn mond vindt tot uw\' lof Gedurig ruimer stof,
En zal uw recht en heil ontvouwen.
Schoon ik de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten.
Ps. 71: 10.
Lezen : Psalm 71. — Jesaia 28: 9—20. — Rom. S.
D. ,T KARUKS.
15 JANUARI.
Marcus 1: 41: Ik wil, word gereinigd \'.
Die gezond zijn of wanen gezond te zijn loopen den medicijnmeester onverschillig voorbij, maar die ziek zijn en het willen erkennen.
15 JANUARI.
dat zij ziek zijn, £;aan op het gerucht van den medicijnmeester af om hulp te verkrijgen in den nood. Zoo de melaatsche. Een melaatsche Israëliet was als een doode en verontreinigd als een doode. Geen mensch kon hem helpen, en hij was uit de samenleving verbannen. Alleen Gods bizondere tusschenkomst kon hem redden.
Zulk een ongelukkige kwam op het gerucht van Jezus\' wonderdaden tot Hem, viel op de knieën aan Jezus\' voeten, en sprak zijn geloof kort en klaar uit: „Indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen.quot;Treffende ontmoeting: een ongelukkige, kinderlijk geloovig, en een machtige Behouder, innerlü\'k met barmhartigheid bewogen. Zij passen bij elkander. Jezus bukt zich over den melaatsche, raakt hem aan, en la.it kracht van zich uitgaan met het woord: „Ik wil, word gereinigd.quot; En de diep ongelukkige wordt overgelukkig. Zoo redt Hij, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.
Zien wy in dien melaatsche ons beeld? Gy zegt immers niet: zijn wy dan ook krank? Wij toch lijden bewust of onbewust aan eene krankheid erger dan de melaatschheid, een krankheid, die, tenzij wij er door Jezus van gered worden, op den eeuwigen dood uitloopt. Onze zonde maakt ons, behalve doodschuldig, ook onrein, zij snydt de gemeenschap af met den heiligen God, de Bron des eeuwigen levens. Nu komt het goede gerucht van Jezus tot ons. Slaan wij er acht op? Hechten wij er geloof aan? Zoeken wij Jezus? Vallen wij voor Hem op de knieën? Dringt ons een onuitstaanbare nood, en tegelijk eene onweerstaanbare aantrekkingskracht tot Hem te zeggen: „Heere, indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen?quot; Ziet, dan hebben wij, door genade ontdekt aan de afschuwelijkheid en schriklijke gevolgen onzer zonde, leeren afzien van eigen kracht en gerechtigheid, en ook aanvankelijk het welbehagen en de innerlijke ontferming van den medelijdenden Zielearts ervaren. Ja, dan zingt het in uw binnenste:
Loof Hem, die u, al wat gü hebt misdreven.
Hoeveel het zy, genadig wil vergeven,
Uw krankheên kent en liefderijk geneest.
Die van \'t verderf uw leven wil verschoonen.
Met goedheid en barmhartigheên u kronen,
Die in den nood uw redder is geweest.
Psalm. 103: 9.
Lezen; Marc. 1: 35—45. — Luc. 5: 12—20. — Ps. 130.
J. KROMSIGT.
21
16 JANUARI.
16 JANUARI.
Lucas 11: 5—8: En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen\'. Vriend! leen mij drie brooden;
Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;
En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om u te geven?
Ik zeg idieden: hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid tuil zal hij opstaan, en hem geven, zooveel als hij er behoeft.
Op hoe velerlei wijze heeft de Heiland ons, zwakke, kleingeloovige zondaren, aangemoedigd en opgewekt om te bidden, om te blijven bidden, zelfs op hoop tegen hoop! En wat zegt Hij hier? „Wie van u zal een vriend hebben,quot; en zal in tyd van nood en verlegenheid ftiet een beroep doen op zijne vriendschap? En zal die vriend in zoodanig geval weigerachtig zijn te helpen? Hoe beschamend! Zie, een vriend onder de menschen, onder de menschen, die immers boos zijn, schenkt men vertrouwen. Maar waarom rekent men dan niet op God, die toch voorwaar niet minder is dan een mensch ? Evenwel verdient het opmerking, dat die smeekende vriend niet vraagt: „t/ee/-mij,quot; maar „leen mij drie brooden.quot; Of is niet alles, wat wy van God ontvangen, zijn eigendom, eene onverplichte en onverdiende gave zijner barmhartige liefde, en juist daarom zulk eene, waardoor wij zijne schuldenaars worden, en die wij besteden en gebruiken moeten tot zgne eer? Gewis, elke zegen, dien wij genieten; elke weldaad, die wij ontvangen; alle dingen, die wy bezitten — het is alles geleend goed, een geleende gave, een ons toevertrouwd talent, waarvoor wij rekenschap schuldig zijn, eene gave, die door dankbare liefde behoort weder te keeren tot den Gever, gelijk geschreven staat: „uit Hem, en door Hem, maar ook tot Hem zijn alle dingen.quot;
Geen bidder mag dat ooit vergeten! Dan weten wij ook, dat wü den Vader nooit ongelegen komen, vooral dan niet, wanneer wij in de donkerheid zitten, d. i. „te middernachtquot; uitgaan, omdat wij het belijden moeten: „ik heb niets en ik bezit niets om müzelven te helpen .... ik zal het gaan vragen bij een vriend, een rijken vriend, die, al woont en troont Hij in den Hemel, toch dicht genoeg nabij ni Hem mijne nooden to kunnen klagen en te gaan aanklop-
22
17 Januari. 23
pen aan zijne deurquot; En die deur blijft niet gesloten. Wel wordt „die van binnen, antwoordende,quot; ondersteld te zeggen: „Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om u te geven.quot; Zóó gaat het, ja, onder de menschen. Doch hier volgt dan ook een vraagteeken, en dan voorts, om aan te duiden, dat al deze dingen louter tegenstellingen zijn met de handelwijze van den Vriend en Vader in den hemel, dit woord van den Zoon: „ik zeg ulieden:quot; God is niet gelijk aan een mensch, Hij kan en wil helpen te bekwamer tijd. Wie dat niet gelooft, en dus weigert, gehoor te geven aan des Heeren woord : „klopt, en u zal opengedaan worden,quot; die is onbeschaamd in den ergen zin des woords. Maar een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
„Opent uwen mond,
„Eischt van Mü vrijmoedig,
„Op mijn trouw verbond;
„Al, wat u ontbreekt,
„Schenk Ik, zoo gij \'tsmeekt,
„Mild en overvloedig.
Psalm 81: 12.
Lezen : Joh. 16: 23—33. — I.ukas. 18: 1—8i. — Matth. 6: 5—13.
Dr. E. H. v. LEEUWEls.
17 JANUARI.
Hebreen 13: öb: Zijt vergenoegd met het tegenwoordige; ivant Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.
Mijn buurman, die soms wat socialistische bitterheden in zijn hart heeft, zou, als hij onzen dagtekst hoorde, opspringen en zeggen: \'t is wat fraais! Vergenoegd te zijn met het tegenwoordige! En er is zooveel ellendigs. Die ellendige rijken, die liefst geen armen ontmoeten! — die ongelukkige armen, aan wie zelfs geen menschwaardig bestaan gegund wordt! — En dan die ellendige verhoudingen, die er overal zijn. Maar dan zou ik toch zeggen: „Vriendlief! gij vergist u; dat zegt de Bijbel ook niet. Want even te voren heet het in dezen brief: „onze God is een verterend vuur.quot; En als iïy nu een verterend vuur is voor alle onrecht en onrechtvaardigheid — dan behoeven tw}\' er zeker geen genoegen meè te nemen. Waarmeê hebben wij genoegen te nemen? In verband en samenhang, zegt ons dagwoord: „Zijt vergenoegd met hetgeen God u geeft.quot;
17 JANUAEI.
Onmiddellijk aan onze woorden gaat vooraf; „uw wandel zij zonder geldgierigheidquot; d i. „wees tevreden met hetgeen God in den weg zijner leidingen u wil schenken.quot;
Is uw hart recht voor Hem — geloof dan ook, dat Hij u zal geven, wat goed is. Is het minder dan dat van anderen — geniet het met dankbare tevredenheid, want als ge waarlijk Gods kind zijt, weet gij óók, dat „uw Vader weet wat goed isquot; en dat uw Heiland zegt: „mijne genade is u genoeg.quot;
En waarlijk — niet alleen voor Hebreeuwsche Christenen, maar voor allerlei geloovigen, te allen tijde, aan alle plaatsen, in alle hoeken, staat de belofte van \'sHeeren ondersteuning vast en zijn er allerlei zaken, die tot de gelukkige gemoedsstemming moeten leiden, om „vergenoegd te zijn met het tegenwoordige.quot;
Wat hebben wij — ook bij veel ontbering misschien — veel, dat wij niet genoeg op prijs stellen, en dat ons nog veel ongelukkiger zou maken, als we het moesten missen! En dan — \'t is immers niet waar, mijn broeder of zuster! dat onze eigenlyke vergenoeging afhangt van gelukkige omstandigheden. Onze ervaring zegt immers, dat wij onder dezelfde omstandigheden den eenen morgen ontwaken: wr-genoegd en den anderen morgen: onvergenoegd. Waar hangt het van af? Of er is zielerust; crediet voor God; een vasthouden aan zijne beloften, en een „gedenken, hoe voor dezen ons de Heer heeft gunst bewezen.quot; Dat is de quaestie. Leven wij Gode? En schuilen we, ook als „de golven ons bedekken, met een oceaan van smart,quot; aan het hart van onzen Heiland? Zeg dan geduriglijk tot u zelf, en tot allen, die des Heeren zijn: „Weest vergenoegd met het tegenwoordige.quot;
Ps.almzingt, Gods gunstgenooten! geeft.
Geeft lof den Heer, die eeuwig leeft !
Zijn vlekkelooze heiligheid Zy ter gedachtenis verbreid:
Een oogenblik moog\' ons doen beven;
Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
Perst eens de bittre tegenspoed Des avonds het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag;
Nauw rijst des morgens vroeg de dag,
Of God verleent, in plaats van Hjden,
Weêr stof tot juichen en verblijden.
Psalm 30: 3, 4.
Lezen; Hebr. 13: 1—15. Ps. 94. Matth. 6: 25—34.
J. H. WIERSMA.
24
18 JANÜAEI.
18 JANUARI,
Luk. 19: 9: En Jezus zeide tot hem: heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is.
De aangehaalde woorden gelden Zacheüs, een heilig ontevreden tollenaar te Jericho, ja! een overste der tollenaren.
Heilig ontevreden. \'tKan zijn, mijn lezer! dat gij in dit karakter Zacheüs, die een welbekend persoon is in de evangelie geschiedenis, nooit hebt bezien. Volgens een geijkte \'-pvatting wel als een nieuwsgierige, ofschoon wjj geene nieuwsgierigheid in hem kunnen bespeuren. Maar des te meer heilige ontevredenheid.
Ziet toch, Zacheüs is rijk. Toch dacht hij Jezus te zien, wie hij is. Met Calvijn zeggen wij: „het zaad der godsvrucht was in hem gevallen.quot; Xeen, Zacheüs was door de goddelijke genade, hoe dan ook, aan zichzelven ontdekt, en daarom bij zichzelven verlegen. Ja! met een heilig en rechtvaardig God had hu te doen gekregen, zoodat behoefte aan genade bij hein was ontwaakt. Och! wat kon hem nu al zijn geld baten? wat zal iemand geven tot lossing zijner ziel? Die kreet verstond hij.
Heilig ontevreden. Gelijk allen, ook Zacheüs heeft van Jezus gehoord. Geen wonder, Jezus stelde in tollenaren en zondaren het levendigste belang. Bij tollenaren en zondaren was Hij geliefd. En ziet, daar neemt Jezus zijne wandeling door Jericho. De heilig ontevreden Zacheüs moet Hem zien, en dat niet zonder hope om door Hem bevredigd te worden. Klein van persoon beklimt hij een vijgeboom. De Heere bespeurt hem. Reeds zag de Heere hem vóór hij dien boom beklom. Immers, de Heere roept hem van den boom en wil bij hem overnachten. De onheilig ontevredenen maken aanmerking en zeggen: „Hij is tot een zondigen man ingegaan om te herbergen.quot; Zacheüs echter ontvangt den Heere met blijdschap en geeft de treffendste blijken van bekeering, maar ook hiervan, dat hij de genade van Christus heeft verstaan, zoodat de Heere het zegel op hein zetten kan en zeggen: „heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.quot;
Een zoon van Abraham. Dat is met nadruk gesproken. Het wil zeggen: een heilig ontevredene, die door \'tgeloof is voldaan. Of, was dit niet met Abraham het geval? Is dit niet de karaktertrek van den vader der geloovigen, en dus ook van zijn kinderen? Ongetwijfeld, het zaad, dat in hen is, verraadt, dat zü naar betere, naar meerdere, naar
2
26 19 JANUARI.
hoogere dingen wachten en smachten en daarop wachten. 0 neen, zij minachten tijdelijke en voorbijgaande zegeningen en weldaden Gods niet, maar, gelijk Izak bij den Vader der geloovigen om des Verbonds wil boven alles ging, zóó ook gaat het heil in Jezus Christus eiken zoon en elke dochter van Abraham, eiken geloovige, boven alles.
En zij worden voldaan. Gewis Abraham is voldaan. Izak kwam na 25 jaren. Zacheüs is voldaan. Jezus kwam en sprak: „Zacheüs! haast u en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven.quot;
Gelukkige Abraham; gelukkige zonen en dochteren van hem! Gelukkig wij, die rijk (in zeker opzicht zijn wij toch allen rijk) en nochtans heilig ontevreden verlangen om Jezus te zien! O zeker, eens kwam Hij ook tot ons, eens komt Hij, steeds komt Hij met zijne zielsbevredigende genade om onze harten zóó te verkwikken, dat wij als Zacheüs wel de helft van, ja! wel al onze goederen willen afstaan om de kennis van Zijn rijkdom en heerlijkheid.
Pracht en schoonheid moog wat schijnen,
\'t Is aan d\' ijdelheid gelijk;
By \'t gebruik zal \'t al verdwijnen.
Goud en zilver is als slijk:
Niets, o Jezus! dan uw bloed,
Geeft voldoening aan \'t gemoed;
quot;Wat wij lieven in dit leven.
Niets kan ons voldoening geven.
Gezang 43: 2.
J.ezen: Hebr. 11: S—16. — Job. 6: 27—35. — Jes. 55.
P. BA.RTSTRA.
19 JANUARI.
Efeze 5:8: Eertijds icaart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere. Wandelt als kinderen des lichts.
De zonde hulde alles in duisternis. Onze afval van God veroorzaakte alle mogelijke ellende. Ons verstand werd verduisterd, onze wil ten kwade geneigd, onze hartstochten ongeregeld, onze natuur totaal verdorven. Met de woorden: gij waart eertijds duisternis, wil de apostel den allertreurigsten toestand, in welken de onherboren, de van God en Christus vervreemde mensch zich bevindt, omschrijven. Hij zegt niet: gij verkeerdet, gij zat, gy wandeldet of gij bevondt u
19 JANUAEI.
in duisternis. Neen! maar gij ivaart duisternis. Gij zelf, uw persoon, uw wezen, uw zijn, was duisternis. Nu, dat wordt ieder gewaar, die door Gods genade wordt aangegrepen, door Gods Geest ontdekt aan zijn vervreemd zijn van Hem, die hemel en aarde gemaakt heeft. O! hoe schrikt zoo iemand voor zich zeiven, hoe erkent hij zijne on-wetenheid en dwaasheid!
Maar nu — tegenover het gij ivaart eertijds, stelt de aposte! zijn: maar nu. Nu gij wedergeboren zijt en tot God bekeerd; nu gij gelooft in Jezus Christus, nu zyt gij licht in den Heere. Nu ziet gij de zonde en gij verfoeit ze, nu erkent gij uw schuld en betreurt ze, nu is het u duidelijk, dat gij den dood, het verderf, de eeuwige verwoesting waard zijt en gij smeekt om genade, en gij zoekt het leven en den vrede in Christus en gij gelooft in de verzoening en verlossing door Hem. Wandelt als kinderen des lichts. Blijft bij Hem, die het licht der wereld is, houdt u aan Hem vast.
Lezer, gy zijt een kind des lichts, zoo gij in Christus gelooft. Is dat zoo, dan is er zeker eene groote verandering, een algeheele ommekeer bü u gekomen. Wat ge vroeger niet zaagt, ziet gij nu, nl. dat gij in u zeiven enkel zonde, enkel duisternis zijt en dat de Heere Jezus het waarachtige licht is. Welnu, wie hiervan diep en wezenlijk overtuigd is, dit eerlijk, onomwonden erkent en beaamt, is licht in Hem en wandelt als een kind des lichts.
Welgelukzalig, wie door de genade des Heeren dit voorrecht deelachtig mag zijn.
Halleluja! \'tloflied rijze!
Hem, die onze banden slaakt.
Hem, die ons, zijn\' naam ten pryze,
Koningen en Priesters maakt;
Die ons opkweekt onder lijden,
En ons, door zijn\' Geest bestuurd,
Door zün\' kruisdood aangevuurd.
Waken, bidden leert en strijden;
Hem zij heerlijkheid en macht,
Eeuwig, eeuwig toegebracht.
Gezang 50: 3.
Lezen : Joh. 3: 1—16. — Jer. 17: 1—14. — Ps. 23.
S. DIJKSTRA.
2
20 JANUARI.
20 JANUARI.
Jak. 1: 19 : Zoo dan, mijne geliefde broeders! een iegelijk mensch zij rasch om te hoeren, traag om te spreken, traag tot toorn.
Hoe zinrijk is deze apostolische spreuk! Dit wil zij allereerst van ons, dat wij altoos en terstond zullen hooren naar de stemmen Gods. Wie Hem vergeefs laat roepen, noodzaakt Hem op straffer toon te spreken of — eeuwig te zwygen. Zijt rasch om naar Hem te hooren. Wie weet, hoe kort gy er nog den tijd toe hebben zult!
Bedenkt, hoe gereed de Heer is om naar ons te hooren. Daarom mag ons ook het hooren niet verdrieten naar anderen, door wie Hij ons toespreekt, hetzij om ons getrouwen raad te geven, hetzij om de waarachtigheid onzer belijdenis, de echtheid onzer liefde, de mate onzer barmhartigheid te beproeven. De zelfverloochening, waartoe Hij roept, vereischt een geduldig, zachtmoedig, medelijdend en bedachtzaam aanhooren van den naaste. De ootmoedige leent liever aan anderen gehoor, dan dat hij ze dwingt om naar hem te luisteren.
Rasch om te hooren en traag om te spreken, dat behoort bü\'een. Het is niet goed het hart op de tong te hebben. Veeleer moeten wij de wacht houden over onze lippen, opdat wij niet zondigen door voorbarig of lichtvaardig, hoogmoedig of hardvochtig, leugenachtig of boosaardig spreken. Laat ons, eer wij den pijl afschieten ons bezinnen, waar hij treffen moet of kan, en eer wij spreken, bedenken, dat wij van ieder ijdel woord rekenschap zullen moeten geven.
Zullen wij, naar des Apostels les, rasch zijn, om te hooren en traag om te spreken, dan moeten wjj ook traag zijn tot toorn. Die haastig is tot toorn verstaat zich evenmin op het hooren als op het spreken. Hij laat de beide hoofdpoorten der ziel onbewaakt en ligt bloot voor Satans geweld. De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. Wat in drift geschiedt, kan Hij niet goedkeuren, den naaste geen goed doen, en slechts naberouw baren. Jezus heeft den zachtmoedige zalig gesproken, en het voorbeeld ons gegeven van niet weerom te schelden en onder het lijden niet te dreigen, maar alles over te geven aan Dien, die rechtvaardig oordeelt.
Maar, wie is tot deze dingen bekwaam? Slechts hy, die zich laat leiden door den H. Geest. Die Geest alleen leert zóó te hooren als tegenover God en menschen betaamt. Hij heiligt het woord en breidelt de tong. Hu maakt de ziel stil tot God. stort in het hart die liefde uit, die alle dingen verdraagt, en vervult het met een goeden schat, waaruit in woorden en werken goede dingen worden voortgebracht.
28
21 JANUARI. 29
Leer mij stil op paden wandlen.
Waar uw oog alleen mij ziet,
Stil verdragen, zwijgend handlen,
Al ziet mij de wereld niet:
Jezus! Gij kunt, door uw leering Harten vormen tot bekeering;
Bron van ootmoed! leer Gij mij Stil ootmoedig zijn als Gij.
Gezang 67; 2.
Lezen: Jak. 1; 13—27. — Ps. l-Jl — Pred. 3: 1—15.
[P. J. VAN MELLE.
21 JANUARI.
2 Corinthen 4: 18: En wij alleiyinet ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eemtr^éspiegel aanschouwende, icorden naar hetzelfde beeld in gedaantepefanderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren GeeüC
Het valt niet te ontkennen: ook met betrekking tot dit woord van Paulus, scheiden de menschen zich in twee partyen.
De groote helft acht het eene dwaasheid; de kleine helft bewondert het als wijsheid Gods. Ook hier echter blijkt het, dat „meerderheidquot; nog geen „waarheidquot; is en dat de munt, die op dit gebied het meest in omloop is, valsche munt moet heeten.
Dit valt duidelijk in het oog, indien wij Paulus woord toepassen op die dingen, welke de mensch het meest „aanmerkt.quot;
Kennis b. v. — God wil geen onkunde, maar kennis, waarachtige kennis, die rekent met het hoogepriesterlijke woord uit Johannes 17: 3.
Satan echter geeft, van de dagen van het Paradijs af, etne valsche munt uit die „Kennisquot; heet; menschenwijsheid, die zich richt tégen God, tégen zijnen Gezalfde, tégen Zijne openbaring in woord, natuur, geschiedenis en geweten.
En de menschen merken in grooter deel op de tijdelijke, valsche munt, die zij zien, en letten niet op de echte eeuwige, die hun oog ontgaat.
Vrijheid b. v. — Is zij niet de gave Gods aan den mensch oni; door geen slavenboei der zonde gehinderd, zich te kunnen wijden aan zijn waar levensdoel: eén te zijn met zijn God?
21 JANUARI.
Satan echter geeft eene valsche munt, die deze vrijheid niet brengt, maar juist gebondenheid aan het tegengestelde.
En de menschen merken in meerderheid op de tijdelyke valsche munt, die hun tegenschittert en letten niet op de echte, die eeuwig is.
Vreugde b. v. — God wil, dat de mensch zich verblijden zal en Hü opent daartoe in zijne gemeenschap de fonteinen, die springen tot in \'t eeuwige leven, fonteinen van heilige, waarachtige blijdschap.
Satan echter geeft ook hier weder valsche munt, die „vreugdequot; heet, maar goddeloos, dus onheilig is en bittere nasmaak van wroeging en ellende brengt.
En de meerderheid der menschen let op de valsche munt, die voor een tyd schittert, zonder te merken op de echte, die eeuwig is.
Zoo gaat het met alle andere gaven, vvelke God aan zijn kinderen biedt: met grootheid,quot; met „rijkdom,quot; met „rust.quot;
Wie leert aan de arme menschen, dat zij bedrogen uitkomen met die valsche munt?
Wie kan het anders dan Hü, die ons leidt in alle waarheid: de Heilige Geest?
O, dat het ons Gebed zij bij aanvang en voortgang, om Paulus woord te verstaan en de spreuk van Calvijn in onze levensbanier te durven schrijven:
rIk houde vast als ziende den Onzienlijke!quot;
Heer, ai! maak my uwe wegen
Door uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zyn gelegen,
En waarheen G\' uw treden wendt.
Leid my in uw waarheid, leer IJvrig my uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer!
\'k Blijf U al den dag verwachten.
Psalm. 25: 2.
Lezen: Ps. 119 25—40. — Spr. 8: 1—21. — 2 Cor. 4.
J. C. MONTIJN G. Czn
22 JANUARI.
Romeinen 11: 18amp;: Gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
Gods kerk aller eeuwen is één, één lichaam, in de schaduw gezien onder het oude Verbond, onder het Nieuwe in de werkelijkheid
30
22 JANXJAEI.
zichtbaar geworden, en de oorzaak van alle leven in haar, is de Christus, de Middelaar des Verbonds, de wortel Davids. In Hem ligt de levenseenheid zijner gemeente, uit Hem alle leven in haar, de planting des Heeren, hier in het beeld van don olijfboom geteekend. Zijn nu eenige der takken afgebroken (vs. 17), zijn in de plaats daarvan spruiten van een wilden olijfboom op den stam geönt, geroepenen uit de heidenen in de gemeente Gods ingelijfd, en alzoo mede het leven uit den wortel deelachtig geworden, hoe dwaselijk, indien nu die spruiten zich gaan verhoovaardigen, de geroepenen uit de heidenen tegenover de verworpene Joden, alsof zij geen enten waren, van nature onvruchtbaar, der genade onwaardig, die niet den wortel dragen, maar van den wortel gedragen worden. Voorwaar in Christus de levenseenheid\'zijner gemeente. Hij de oorzaak van alle leven, van haren bloei en wasdom. Ziedaar ook het antwoord op de vraag, weleer door Mozes bij den berg Gods gedaan, waarom de brandende braambosch, medo een beeld van Gods kerk, brandt en nochtans niet wordt verteerd; waarom \'s Heeren gemeente in haren strijd, haren nood, hare vervolging bewaard blijft ook bij het woeden harer vijanden. Neen, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u. Christus, Hij is de Heere, onze gerechtigheid, in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont; door Hem ontvangt zijn Israël, zijne gemeente alles, wat zij noodig heeft; uit dien wortel haar leven, haai bestaan, genade, schuldvergeving, eeuwig leven. Zoo de gemeente, zoo de geloovige u, hoofd voor hoofd, door dien wortel zelve gedragen; alle bloei door Hem; niets bezittende dan wat Hü schenkt, niets vermogende dan waartoe Hij bekwaam maakt door den Heiligen Geest, door het geloof van Hem ontvangende genade voor genade. Dat snijdt allen roem en hoogmoed af. Het geloof, door Christus gedragen, ondervindt het, dat alles op dien wortel aankomt, uit wien het ontvangt krachtin zwakheid, moed in den strijd, in wien het van de overwinning verzekerd wordt en den waarborg bezit van zijn gedurig bestaan. Alles door Hem alleen, niets zonder Hem; gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
Hoe menigwerf is zulks voorbij gezien door hen, die daar gingen vergeten, hoe het -illeen de wortel is, die het leven in boom en takken onderhoudt; door hen, die het „zonder Mij kunt gij niets doenquot; langs den weg van diepe verootmoediging moesten leeren verstaan. Wel hem, wien het, uit zichzelven tot niets bekwaam, in alles om den Heere Jezus Christus te doen mag wezen, te mogen putten uit de schatten der wijsheid, des lichts en der kracht in Hem geschonken, door Hem, den wortel, te worden gedragen, uit Hem te leven en dan in het geloof de vervulling der belofte te ervaren: „Die in het huis des Heeren
22 JANUARI.
geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.quot;
Gij toch, Gij zyt hun roem, de kracht van hunne kracht.
Uw vrye gunst alleen wordt d\'eere toegebracht:
Wij steken \'t hoofd omhoog en zullen d\'eerkroon dragen Door U, door U alleen, om \'teeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in \'tstrijdperk van dit leven En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89: 8.
i Lezen: Kom. 11: 1—20. — Ps. 92. — Joh. 15: 1—17.
Dr. E. J. W. POSTHUMUS MEYJES.
23 JANUARI.
Ruth 1: 16c: Uic volk is mijn volk, en uw God is mijn God.
Niet gemakkelijk was het voor Euth die keuze te doen en hare schoonmoeder te blijven vergezellen. Hoe veel moest er worden verzaakt en wat moest zij niet al verlaten. In Moab was zij geboren. Door banden des bloeds was zij aan de inwoners van Moabs velden verbonden. Hare jeugd had zij onder dat volk doorgebracht. By de goden van dat land was zü opgegroeid. Zou zij nu dat alles vaarwel zeggen en Vaderland, vrienden en maagschap verlaten?
Ja, welke opofferingen er ook aan verbonden mochten zijn, Ruth overwon al de verzoekingen, die haar aanspoorden om terug te keereo. Zij had hare schoonmoeder lief, en niet alleen Naomi, maar in haar had zij ook het volk van Israël, en bovenal den God van Israël lief gekregen.
Voortaan zou zij niet meer de afgoden, maar den waren God die hemel en aarde gemaakt heeft, dienen. Zij gaat met Naomi naar het land, door God aan Israël ten erfdeel gegeven. En in dat rijk gezegende land wordt ook Ruth gezegend. De Heer leidt haren weg tot Boilz, en hoewel in de velden van Moab geboren en onder de heidenen opgegroeid is Ruth door God uitverkoren om te worden opgenomen in de heilige linie, waaruit de Verlosser der wereld is geboren.
Nog altijd is het niet gemakkelyk om aan den dienst des Heeren ons te verbinden. In de velden van Moab, dat is in den dienst der zonde en der wereld zijn wij geboren, en alleen de kracht van Gods
24 JANUARI.
genade kan de banden verbreken, die ons kluisteren aan het leven der ongerechtigheid.
Gevoelen \\vy ons nu aangetrokken tot de kinderen Gods, en nauw en innig verbonden aan degenen, die den Heer liefhebben, dan is er in ons een nieuw leven aangevangen. Kunnen wy naar waarheid zeggen, dat het volk van God ons volk is, dat wij met dat volk wenschen te leven en den Heere groot te maken, dan is de God van Israël ook onze God. Wü zyn dan opgenomen in de armen en in het hart van den Losser onzer ziel, onzen Heere Jezus Christus. En Hü, de getrouwe Zaligmaker, zal ons eenmaal binnenvoeren in het Vaderhuis daarboven, om in eeuwige volmaaktheid onze lof-en dankliederen Gode en het Lam te wijden.
Hallelujah! onze zangen
Zijn voor eeuwig Hem gewijd.
Die liet Godsrijk heeft ontvangen,
Als den loon op Zynen strijd;
Die aan \'t kruis zich liet verhoogen,
En ons minde tot den dood,
Met een liefd\' ondenkbaar groot.
Met een god\'lijk mededoogen;
Hem, die ons onrein gemoed Heeft gewasschen in Zijn bloed.
Gezang 50: 2.
Lezen: Ruth 1. — Ruth 2. — Ruth 4.
S. K ALMA.
24 JANUARI.
Marcus 10: 14m: Laat de kinderkens tot Mij komen!
Het kind! Wat al wereld van illusiën roept de gedachte aan het kind ons voor den geest; wat al wenschen doet het bij ons ontwaken; wat al vragen ontlokt het niet aan het hart! „Wat zal dit kindeken wezen?quot; vraagt nog altijd een ieder, die in het opkomend geslacht de toekomst van vaderland en kerk aanschouwt.
Hoe groot evenwel de welwillendheid zij, waarmee men in onze
DAGBOEK. 3
§4 \'24 JANÜAËI.
dagen het kind tegenkomt, uiteenloopend zijn echter de denkbeelden omtrent zijn verleden, heden en toekomst. Terwijl het kind zich nog weinig bewust is van die wereld, waarin het werd geboren — is hij het voorwerp van een strijd, die over zijne vorming beslist en van welks uitslag zoo oneindig veel kan afhangen- Menigeen wil dan ook aan het kind ontnemen, wat het sinds de vestiging der Christelijke kerk immer genoot; het deelen namelyk in die voorrechten en zegeningen, die door Jezus ons deel werden. Hoe aantrekkelijk de voorstelling ook zij, die in menige woning de wanden versiert: Christus op het oogenblik, dat Hij de kinderen zegent — zoo ziet men toch, dat menige ouder alles doet om de kinderen van Jezus af te houden en bevreesd is, dat de jeugd te vroeg met den Heiland zal kennis maken.
Dat in het aanvallig kind een zondaar schuilt, die redding behoeft; dat de Heere Jezus in de wereld kwam om ook kinderen op te zoeken en zalig te maken; dat de Heilige Geest ook het kinderlijk gemoed tot Zijn tempel wil maken — hoe weinig wordt het bevroed en door hoe weinigen het kind opgewekt om bij Jezus zijn geluk te zoeken. In de opvoeding wordt alles opgenomen, wat voorwaarde is voor een deugdelijk maatschappelijk leven, maar, omdat alles hierin opgaat, schiet er geen tijd over om op den ernst des levens te wijzen en het kind ook op te voeden voor een ander, hooger leven, dat met den dood niet eindigt. De Heere Jezus zegt ons evenwel, dat Hij in de eerste plaats recht op het kind heeft; dat het Hem toebehoort en dus aan Hem moet gewijd worden, en dat daarom van onze zijde geene hinderpalen in den weg mogen gezet worden, waardoor het kind verhinderd wordt tot Hem te komen. O. hoe dikwerf doen wij dit in strijd met onze belijdenis, in strijd ook met de gelofte, bij den doop onzer kleinen afgelegd! quot;Wie het evenwel ernstig meent met het eeuwig welzijn van zijn kroost — zal ook over deze zonde zich voor God willen verootmoedigen en tevens den Heere smeeken om meer liefde tot zijne kinderen. Wie het meest over zijne kinderen tot den Heiland spreekt, zal het gemakkelijkst over den Heiland totzijne kleinen spreken. Wie voor zich zeiven het eigendom van Christus is geworden en dus weet, hoe zalig het leven in Zijne gemeenschap is, zal niet rusten, voor dat alles uit den weg is geruimd, wat het kind belet om tot den Heiland te gaan. Doch laten de kinderen dan ook nooit vergeten, wat ouders voor hen gedaan hebben om ze vroeg tot den grooten Kindervriend te brengen. De heilige taak, die op de schouders van Vader en Moeder rust, legt ook, waar zij vervuld wordt, eene groote verantwoordelijkheid op het kind. Wie veel ontvangen heeft, van dien zal ook veel geëischt worden!
25 JANUARI. 35
Geen vader sloeg met grooter mededoogen,
Op teeder kroost ooit zyn ontfermend\' oogen,
Dan Isrels Heer, op ieder, die Hem vreest;
Hij weet, wat van zijn maaksel zij to wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten En dat wij stof, van jongs af, zyn geweest.
Psalm 103: 7.
Lezen: Hand. 2 : 37—47. — Ef. G ; 1—9. — Ps. 103 : 1—14.
H, MALCOSIESITJS.
25 JANUARI.
Lucas 18: 13: O God! wees mij, zondaar, genadig.
Ziet daar de taal van het door zonde en schuld neergebogen harte.
Is het bij den Pharlzeör een te pronkstelling voor God van zijn deugden, de aan zich zelf ontdekte ziel kan niet anders dan met den tollenaar slechts eene zachte tot God slaken, maar eene zuchte uit het diepst van het harte geweld.
„O God! wees mij, zondaar, genadig,quot; welk een schuldbelijdenis zien wij hier. En waarlijk, waar de Heilige Geest met zijn licht in de ziele is nedergedaald, daar wordt geene zonde meer bedekt of bemanteld, maar moet zij beleden worden, want als lood drukt zij ons neer.
Gelijk bij den verloren Zoon is het ook hier een neerzinken, een verootmoedigen, een belijden voor Gods heilig aangezicht. Niet meer als een rechtvaardige, maar als een zondaar nadert zulk een tot den Heere, wetende, dat daarin nog een troost is voor het schuldige harte.
Geen bezoedeld werk of niet te volbrengen belofte zien wy hier voor God brengen, maar in de bede: „O God! wees mij, zondaar, genadig,quot; zien wij alleen een beroep op de ontfermende liefde Gods.
En met die bede vlucht hij dan ook tot God alleen.
O zoovelen, die eerst naar de bergen en heuvelen gaan en, waar alles te vergeefs is, eerst dan tot hun God de toevlucht nemen.
Niet alzoo hier deze tollenaar.
Hij weet het, hij gevoelt het, er is geen hope voor hem, dan bij dien God alleen, die in Zijn woord het ons toeroept: Al waren uwe zonden als scharlaken. Ik zal ze maken als witte wol,
86 26 JANUARI.
En die zóó tot zijn God mag vluchten, zal niet te vergeefs zyn neergebogen aan de voeten van den Genadige.
O, mocht dan ook uwe ziele nog heden als die tollenaar vluchten tot God. Mocht ook bij al uwe zonden en afdwalingen uwpleitgrond zijn alleen op de ontfermende genade Gods.
De Heere, die gister en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is en blüft, Hij zal ook u hooren en verhooren, en ruste en vrede zullen neerdalen in uw nu zoo ontroerd en geslingerd hart.
Gena, o God! gena, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar uw barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet,
Ai! wasch mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb uw wet geschonden;
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit.
En reinig mij van al mijn vuile zonden.
Psalm 51: 1.
iLczen: Luc. 18: 1—15. — Vs, 51. — Gen. 32: 24—32.
G. NIJHÜIS.
26 JANUARI.
2 Kon. 17 : 41; Maar deze volken vreesden den Heere en dienden hunne gesneden heelden; ook doen hunne kinderen en hunne kindskinderen, gelijk als hunne ouders gedaan hebben, tot op \'dezen dag.
Bijna geen kwaad is zoo algemeen onder de zon als dat, hetwelk in deze woorden ons wordt voorgesteld. „Zoo doen hunne kinderen en hunne kindskinderen tot op dezen dag,quot; zegt de heilige schrijver, en nog, na zoovele eeuwen, blijft hetzelfde euvel voortwoekeren van geslacht tot geslacht. De volken, die naar het land der tien stammen waren overgebracht, namen zooveel van den dienst van Jehova over, als hun goeddacht en profijtelijk voorkwam, maar zij bleven tevens met hunne oude afgoden op een goeden voet. Zij bewandelden een weg, die alle eeuwen door een weg blijft naar het arglistige hart des menschen, een weg, waarop zij duizenden van trouwe volgelingen hebben.
Het is er verre van af, dat onder hen, die in het Christendom geboren en opgevoed zijn, al de altaren der afgoden zijn afgebroken.
26 JANUARI.
Daar is b.v. een afgod, — Bacchus noemden hem de oude Grieken,— die wel zijn naam, maar geenszins zijne heerschappij verloren heeft. Huiselijk geluk, liefde, vrede, gezondheid, welvaart, alles gaat op in de vlam van zijn altaar, welks steenen nat gemaakt worden met de tranen van duizenden bedrogen vrouwen en ellendige kinderen. Daar is een andere afgod, dien onze Heere Jezus Christus den Mammon noemt, en die in hooge eere is bij de menschen van dit geslacht. Goud en zilver moet er worden verzameld, want goud en zilver openen de poorten van het genot, en brengen eer en aanzien aan. Bovendien zijn er vele andere afgoden, waarvoor de menschen zich nederbuigeu. Maar vrees voor den Alwetende en voorzichtige berekening weerhouden velen om deze afgoden te dienen met hun gansche hart. Zij trachten het onvereenigbare te vereenigen. Zij vreezen den Heere, terwijl zij tegelijkertijd hunne afgoden dienen.
Dit kwaad kan niet uitgeroeid worden door de wet. De wet kan wel de [zonde veroordeelen, maar daar de zonde het hart des menschen beheerscht, prikkelt het gebod hem tot overtreding. De Heere God stelt tegenover deze en elke zonde de genade. De natuurlijke boom moet in een anderen grond worden overgeplant. Liefde tot God moet de drijfkracht worden van \'s menschen handel en wandel, want deze liefde laat geen plaats voor den dienst der valsche goden. Hij moet geëerd en gediend worden, Hij alleen.
quot;Weerhoud, o Heer! uw knecht.
Dat hij zijn hart niet liecht.\'
Aan dwaze hoovaardij.
Heerscht die in mij niet meer.
Dan leef ik tot uw eer,
Van groote zonden vry.
Laat U myn tong en mond En \'s harten diepste grond Toch welbehaaglijk wezen,
O Heer, die mij verblijdt,
Mijn rots en losser zijt!
Dan heb ik niets te vreezen.
Psalm 19: 7.
liezen; Matth. G: 19—24. — Rora. 6: Ifi—23. — 2 Kon. 17 : 21—41.
J. P. KRINGA.
37
27 JANUARI.
27 JANUARI.
Psalm 31: 20: O hoe groot is uw goed, dat Gij loeggelegd hebt voor degenen, die U vreezen! dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betroinven, in de tegenwoordigheid der menschenkinderen!
Er zijn dus goederen ook voor hen, die God niet vreezen?
Zeker, en zy zijn evenals hunne zonden, zonder maat en zonder tal.
„Alle goede gaven en volmaakte giften zijn van den Vader dei-lichten afdalende!quot;
„De aarde is des Heeren en hare volheid.quot; Ieder zintuig opent den mensch een bron van genot. Verstand en hart, kunst en wetenschap verrijken zijn leven. Wat meer zegt, God houdt niet op bemoeienis met hem te maken, laat zich aan hem niet onbetuigd en verleent bem zelfs zyne algemeene genade, waardoor alles wat edel en góed is iu de menschenwereld wordt bewaard en gewrocht.
Wat men in den van God vervreemden mensch, den heiden, den ongeloovige, den wereldling te bewonderen of te prijzen vindt is van boven, van God, die, naar luid van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, een overvloedige fontein van alle goeden is. Van den mensch is alleen de zonde en de ellende, die van deze zonde onafscheidelijk is.
Maar, er is een goed weggelegd voor hen, die God vreezen.
Zü ontvangen even als Jozef, de zoon van Jakob en Rachel, hun deel van de algemeene erfenis, naar de maat van de Genade Gods, d. i. naar \'s Heeren eigen, vrije beschikking, maar evenals Jozef ook een bijzonder deel, dat voor hen is weggelegd; „uw goed,quot;in geheel bijzonderen zin, van God onafscheidelijk en van Hem afdalende.
Wat dat goed is, zegt de psalmist niet, maar het is iets, dat alle leed verzacht en ieder gemis verzoet. Hij weet\'het, want, wat wij van zyne omstandigheden in den Sisten Psalm te weten komen, is waarlijk niet berekend om onze afgunst op te wekken; zijn lijden is onbeschrijfelijk groot. Juist daarom heeft deze uitroep: „O! hoe groot is uw goed, dat Gij hebt weggelegd voor degenen, die u vreezen,quot; zoo groote waarde; hij bewijst, dat dit, goed niet alleen ieder ander overtreft, maar ook, indien het er op aankomt, ieder ander overbodig doet zijn.
Het is weggelegd, derhalve verborgen, maar evenwel onvervreemdbaar, nog niet volkomen gekend, en ook niet in dadelijk bezit, en evenwel, een schat, waarvan het heet „wij zijn in hope zalig geworden.quot;
Neen, oneindig beter dan dit! Het wordt gewrocht voordeoogen
28 JANÜAEI. 39
der menschenkinderen. De erfenis is niet beschikbaar, maar zy is niet gelijk aan eene levensverzekering, die eerst na den dood wordt uitbetaald. Dit goed werpt nu reeds rente af. Het behoort aan allen, die God vreezen, derhalve aan hen, die Hem kennen, want eerst met die kennis, die door omgang wordt verkregen, komt het besef van \'sHeeren grootheid en Majesteit, dat kinderlijk ontzag werkt. Maar het wordt toebedeeld aan en verwezenlijkt voor alien, die God vertrouwen, zoodat de wereld nu reeds ziet, wat de geloovige aan zynen God heeft.
Wat het kind van God in de toekomst wacht, verkrügt het reeds nu in beginsel. Dat doet het roemen ook in verdrukkingen, ofschoon het verlangend uitziet naar het oogenblik, waarin alles, wat nu nog ten deele is, zal worden te niet gedaan.
Wat vreê heeft elk, die uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinlerpaal zich stooten,
Ik, Heer! die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten;
\'k Doe uw geboön oprecht en welgezind.
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Psalm 119: 83.
Lezen: Ps. 73. — Eom. 8: 18 v.v. — Ps. 31.
Dr. Ph. J. HOEDEMAKER.
28 JANUARI.
Eom. 12: 12a: Verblijdt U in de hoop.
Hoe is het toch mogelijk, dat de gedachte nog vrü algemeen is, dat Gods Woord en vreugde twee elkander uitsluitende begrippen zijn? „Gods Woord moge misschien goed zijn voor oude menschen, voor lieden, die gaarne pruilen en desnoods voor allen in droevige omstandigheden, maar verder is het onbruikbaar, „want vreugde wordt er niet in gekend.quot;
Zoo wordt geredeneerd en nog veel meer gedacht. Toch is het onjuist en is de waarheid gansch anders. In het hier aangehaalde Schriftwoord heet het althans: „verblijdt u;quot; dus wel degelijk een opwekking om vreugde te hebben. En niet alleen hier, maar op tal van andere plaatsen vinden wij hetzelfde. Herhaaldelijk wordt ons toegeroepen ons te verblijden, soms zelfs met de bijvoeging: „ten allen tijde.quot;
Het is er dus verre vandaan, dat God geen plaats zou laten voor
40
vreugde; integendeel wil HU, dat er voortdurend blijdschap zij. Maar welke blijdschap? Want de vreugde, die er steeds wezen zal, moet een bepaald karakter dragen, zal de opwekking er toe waarheid bevatten. Wij verkeeren immers zoo dikwijls in omstandigheden of worden er deelgenoot van gemaakt bij anderen, die ons smartelijk aandoen en het ons onmogelijk maken blijde te zijn.
.Niettemin wordt ons, ook dan, van Godswege toegeroepen, gelijk het voor dezen dag gekozen Schriftwoord leert: „Verblijdt u,quot;en wel „in de hoop.quot; Dit beteekent niet, dat wij slechts in het algemeen met het oog op de toekomst ons verblijden zullen, die misschien weer vreugde brengen zal. Want in dat „misschienquot; ligt meer reden, ten minste evenveel reden tot vrees als tot hoop. En wanneer niet eenmaal de hoop zeker is, hoe zal er dan blijdschap zijn? Neen, maaide hoop door den apostel bedoeld, is de verwachting, die in Jezus Christus als in een onwrikbaren grond vast ligt, en die enkel heerlijkheid bevat. Alleen is de onmisbare voorwaarde om deze hoop te koesteren, het geloof in Jezus Christus.
„Verblijdt u in de hoopquot; onderstelt, dat er eerst gemeenschap zij met Hem, die de schatten der eeuwigheid heeft wedergebracht.
Zonder geloof is het onmogelijk te hopen, maar zoo gij gelooft, verblijdt u dan in de hope. Wat deze dag u brenge, laat uw hoogste vreugde zijn: de gewisse verwachting van te deelen in hetgeen Christus voor u heeft bereid. Die vreugde alleen is duurzaam en volkomen, zoodat gij ook in de tijdelijke verdrukking, wanneer die er wezen mocht, geduldig kunt zijn, gelijk de apostel verder vermaant. Alleen vergeet dan niet, gelijk hij ook vervolge, te volharden in het gebed. Want het is God zelf, die tot deze, alles te bovengaande, vreugde^be-kwamen moet. „De God nu der hoop vervulle u met blijdschap en vrede in het geloof, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hóóp door de kracht des Heiligen Geestes.
Die hoop moet al ons leed verzachten:
Komt, reisgeaooten ! \'t hoofd omhoog!
Voor hen, die \'theil des Heeren wachten,
Zijn borgen vlak en zeeën droog.
O zaligheid, niet af te meten!
O vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten;
En wij, wij zijn in \'t vaderland!
Gezang 189; 6.
Lezen; Eora. 12. — Jesaia 35. — Eom. 15; 1—13.
Mr. J. SCHOKKING.
29 JANUARI.
29 JANUARI.
Efeze 5; 14: Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de dooden, en Christus zal over u lichten.
Ook in de uitnemende gemeente van Efeze was geestelijke loomheid en slaapzucht niet onbekend. Toch moesten zij als kinderen des lichts wandelen, over wie God de zon der waarheid had doen opgaan. Daarom zegt Hij — zegt Paulus — ontioaakt!
Maar wie zegt dat? Ta vergeefs beroept men zich opJes. 60: 1. Dat is geene aanhaling. Reeds de oude kerkvader Theodoretus verzekert ons, dat Paulas hier de eerste woorden aanhaalt van den morgenzang, waarmede de eerste Christenen, samenkomende, den dag aanvingen. Het is dus de Heilige Geest, die hier spreekt in het morgenlied der kerk en als \'t ware in Jezus\' legerplaats de reveille blaast.
De Heilige Geest is dus de wekker der gemeente; Hij heeft van haar geene groote gedachten. Als Hij haar aanspreekt, is het meest in hetgeen zij niet heeft, ook omdat wij daarvoor het meest vatbaar zijn. Daarom hier: „gij, die slaapt, staat op uit de dooden.quot; Niet alleen is de natuurlijke mensch overgoten met diepen slaap, maar ook de geloovigen zjjn geneigd om in te slapen. „Ik sliep, maar mijn hart waaktequot; d. i. zooals een moeder slaapt bij de wieg van het kranke kind. Eén kreet van dal kind doet haar ontwaken.
Is het echter geen ijdel werk, wanneer de Heilige Geest den natuurleken mensch tot ontwaken roept? Geenszins; ook een Jona werd wakker, op het geroep: „wat is u, gij hardslapende?quot; „Lazarus, sta opquot;, en de doode zat overeind. Waarom? Jona en Lazarus hadden een oor om den wekker te hooren. En op dat oor komt het aan, van dat oor hangt alles af, en dat oor noemt de Schrift geloof. Slapenden, indien gij gelooft, dat de Heilige Geest u tot ontwaken roept, dan ontwaakt gij. Dooden, indien gü gelooft, dat het den Heiligen Geest te doen is om u tot leven te wekken, dan staat gü op uit de dooden. Begeert gij een middel, om in uw slaap of in uw doodsslaap rustig te volharden? Twijfelt dan aan dit woord; zegt dan: ik weet niet of ik bedoeld ben; indien de Heilige Geest mij tot ontwaken wil brengen, dat Hij dan de moeite slechts neme, om mij met geweld aan mijn rustbed te ontscheuren. Indien gij zoo denkt, gewis, gij zult blijven slapen, maar het ontwaken-zal vreeselük zijn. Indien gü echter gelooft, dan ligt er goddelü\'ke kracht in dat woord, dat Christus als uw heilzon over u zal doen opgaan.
41
42 30 JANUARI.
Leer mjj, o God van zaligheden!
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gy zyt mijn God, vat Gij mijn hand:
Uw Goede Geest bestier\' riyn schreden,
En leid\' mij in een effen land!
Ps. 143: 10.
Lezen :\'Matth. 25: 1—13. — Matth. 26: 40—43. — Openb. 3: 15—22.
J. W. FELIX.
30 JANUARI.
Matth. 4; 10: „Ga weg, Satan!quot;
Satan zoekt der menschen val en dood.
Over een heir van verzoekingen beschikt hij, en listig vat hij den mensch juist op zijn zwakste punt aan.
In Quarantanië\'s woestijn was hij den Heiland nageslopen.
Na twee malen in den strijd het onderspit te hebben gedolven, nadert hij opnieuw.
Hü voert Jezus een hoogen berg op, en laat al de koninkrijken der wereld voor zijn oogen voorbijgaan.
Daar ziet Jezus hun trotsche gebergten en bekoorlijke dalen. Hun groene weiden, hun bloeiende akkers, hun wouden en stroomen.
Hun weelderige steden en rustige dorpen.
Niets van dit alles verborg satan voor zijn oog om zijn begeerlijkheid te prikkelen.
Nu, roept hij Christus toe, hebt gij \'tgezien?
Dit alles zal ik u geven, indien — natuurlijk is daar een voorwaarde aan verbonden; zoo grooten prijs ontvangt men niet om niet; — indien gij, nedervallende, mij aanbidt.
Versta de zwaarte dier verzoeking!
Christus heeft gezegd: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde;quot; maar, wanneer zei Hij dat?
Toen hij die macht, lijdend en strijdend had veroverd.
Als God heeft Christus de oppermacht over alle dingen van eeuwigheid. Maar als Middelaar moest Hij zich die opperheerschappij verwerven door zijn kruisdood.
Tegen dien dood heeft Jezus zwaar opgezien.
Denk slechts aan Gethsemané!
31 JANUARI.
Nu roept satan: ik zal u de heerschappij over alles geven zonder lijden of dood, indien gij slechts neervalt en mij aanbidt.
Maar, zonder zich een oogenblik te bedenken, voegt hij den duivel toe: „ga weg, satan!quot;
Niet in onderhandeling met hem treden. Op eens afslaan.
Toen Eva in het paradijs werd verzocht, weifelde zü, wikte, woog, en trad met den duivel in gesprek, en natuurlijk, toen viel zij.
Want, de duivel is doorzettend van aard. Wie aarzelt, bezwijkt dus voor zijn vastberadenheid. En voor hem bezwijken, is den dood in de armen vallen.
Wie weet. met welk wegslepende en verleidelijke verzoekingen satan u lieden zal pogen te verrassen.
Wees daarom gedachtig aan de twee groote wachtwoorden, waar-meê de Heiland de zijnen de wereld inzendt: waakt en bidt!
Sta op uw post en waak!
Zoodra gij den vijand ziet naderen, roep hem uw: „ga weg satanquot; toe.
En rü\'ze tegelijkertijd de bede uit uw hart: God des vredes! verpletter Gjj zelf den satan onder mijn voet.
Bescherm ons in den bangen tijd Van ziel verzoeking en van strijd;
Laat nooit den boozen vijand toe,
Dat hij ons eenig hinder doe.
Avondzang vers ü.
Lezen Matth. 4: 1—11. — [Efez. 6: 10—17. — 1 I\'etr. 5: 6—11.
J. W. H. KALKMAN.
31 JANUARI.
Matth. 19: 20: Wat ontbreekt mij nog?
De geschiedenis van den rijken jongeling, wat is zij aandoenlijk en leerzaam en waarschuwend, omdat zij, God weet het, de geschiedenis is van zoovelen van wie elders gezegd wordt, dat zij zullen zoeken in te gaan, maar niet kunnen. Aandoenlijk, omdat zij ons bekend maakt met het treurig lot van een jongeling, die zooveel beminnelijks bezat, zelfs in des Heilands oogen Kostelijke hoedanigheden deden hem reeds op jeugdigen leeftijd ieders achting verwerven en daardoor de betrekking van overste der synagogen. Zijne rijkdommen (want hij
43
31 JAKUAEI.
had vele goederen) stelden hem in-staat veel wèl te doen. Het was hem ernst met al wat de wet eischte.
Toch bleef er een ledig in zijn hart. Hij dacht: misschien deed ik nog niet genoeg om Gods gunst te verwerven. Vandaar zijn vraag: wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven beërve.
De Heere Jezus wijst hem eerst terecht over zijn lichtvaardige opvatting van wat goed is. Daarna stelt Hü het verkeerde van zijn geheele stelsel in \'t licht n.1. door goeddoen, door de werken, zalig te worden. Onderhoud de geboden, zegt Jezus tot hem. De bekende geboden der wet. Maar dat deed hü reeds van zijne jeugd afaan . . . wat ontbreekt mij nog? zoo zegt hij overmoedig.
Treurige zelfverblinding! Hij meende reeds alles te bezitten overeenkomstig de wet en hem ontbrak nog het rechte gezicht op de heiligheid der wet van God, geluk als op zich zeiven. Als Jezus hem daarover maar even het rechte licht laat opgaan, dan bezwijkt hij, dan valt zijn heele stelsel ineen. Hij had vele goederen, hij was rijk en nu moest hy arm worden en dat wilde, dat kon hij niet. Daarom gaat hij heen om, als hij nooit arm tot Jezus wederkwam, met al wat hij had voor eeuwig om te komen.
Zü het ons tot waarschuwing! Wij kunnen in de oogen van God en menschen veel beminnelijks hebben en voor de eeuwigheid daarvan een valschen grond maken. Hij, die voor onze zonden gestorven is. Hij moet ook onze gerechtigheid zyn. Daarom zullen wij tot Hem moeten vluchten, opdat het worde: Jezus en Jezus alleen
Zoo gy in \'tracht wilt treden,
O Heer, en gadeslaan Onze ongerechtigheden.
Och, wie zal dan bestaan;
Maar neen daar is vergeving,
Altijd bij U geweest.
Dies worde gij. Heer, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.
Ps. 130: 2.
Lezen: Ps. 32. Rora. 3: 19—28.—Matth. 19: 15—26.
J. F. DE KLERK.
44
1 FEBKUAE1. 45
I FEBRUARI.
Amos 3: 3; Zullen twee te zamen ivandelen, tenzij zij bijeengekomen zijn?
Deze vraag, zoo eenvoudig en spoedig te beantwoorden, geefS rijke stof tot onderzoek, in betrekking bovenal tot onzen omgang met den Heere.
Wandelen met God zonder bijeengekomen, overeengekomen te zijn met Hem, is onmogelijk.
Alleen toch in de geloofsvereeniging met den Christus zijn wij het met God eens geworden. En wederom die geloofsgemeenschap is alleen mogelijk door tot onszelven gekomen en als aan \'s Heilands hand tot den Vader te zijn gebracht.
Dan toch eerst hebben wij geleerd door den H. Geest, te vragen naar het Woord onzes Gods, te luisteren naar Zijnen wil, te treden in Zyn spoor en zien wij onzen wil in de wille des Vaders verslonden en luisterend Hem volgende, wandelen wij aan Zijn hand tot Zijne eere in Zijne vreeze.
Mochten wij het dan maar eens worden met Hem; leera Hij ons dat dagelijks meer óók in eiken weg, dien Hij ons leidt. Hij is de getrouwe Bonds-God, en Zijn verbond, dat Hij met ons gesloten heeft, wankelt niet in eeuwigheid.
quot;Wend, wend mijn oog van d\'ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door uwe wegen;
Dat mij \'t betreen dior paden vreugd verschafT,
Bevestig toch aan uwen knecht den zegen.
Waartoe uw woord hem blijde hope gaf;
Hij ia oprecht tot uwe vrees genegen.
Ps. 119; 19.
Lezen: Psalm 1. — I\'salm 25. — Amos 3.
W. J. G. AALDEUS.
46
2 FEBRUARI.
Job 2; 4 1. w.: JJ wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
Dit is een der weinige woorden, die ons in den Bijbel bewaard zijn uit den mond van den satan, „den vader der lengenen.quot; Dit woord evenwel spreekt deze groote waarheid uit, dat de mensch zeer sterk aan het leven gehecht is, zóó sterk, dat hy er alles voor over heeft om dit kostbare pand te verdedigen en te behouden. De liefde tot het leven is den mensch ingeschapen. Enkele uitzonderingen zijner: menschen, die in krankheid van zinnen naar den dood verlangen, zelfs zichzelven, o schrikkelijke gedachte, in den dood werpen. Maar die uitzonderingen bevestigen den regel, dat het leven een dierbaar bezit is. De dood is een vijand, van wien men den diepsten afkeer gevoelt. Het sterven wordt beschouwd als het laatste en het grootste der ongelukken, dat men ondergaan moet en niet ontkomen kan. Een ieder hoopt op een lang leven. Hoevele pogingen zijn er niet gedaan om een levenselixer te vinden, dat het leven eindeloos verlengen zou! Wat wordt er gereisd om het kranke leven te herstellen ! En toch, hoe roekeloos speelt menigeen met leven en gezondheid, hoe dikwijls wordt het leven lichtzinnig in gevaar gebracht.
Wat is de mensch toch een wonderlijk wezen! Telkens handelt hij in strijd met zyn eigen belang. Maar, hoe kostbaar het leven ook zij, niettemin heeft God er een grens aan gesteld. Ook het langste leven is in vergelijking met de eeuwigheid slechts één hand breed. Het helpt ten laatste niet, alles to willen geven om het te behouden. Tegen den dood is geen remedie. En vrij moogt gij trachten dien koning der verschrikking te vergeten of te ontloopen, gij komt dien, desondanks met ieder oogenblik meer nabij. De jeugd snelt heen, de rijpere levensjaren vliegen voorby, en, gelijk de wateren der rivier afvloeien in de zee, zoo vloeit ook uw levenstijd straks over in den oceaan der eeuwigheid. Stelt u uw levenstijd zoo lang en zoo genoegelljk mogelijk voor, - al werdt gij honderd jaar, gij moet den weg op van alle uwe vaderen. Straks, onverwacht, ongedacht snel waarschijnlijk, komt die dag, waarop geen dag meer voor u volgen zal, die u brengt naar uw eeuwig huis, een huis van licht of duisternis, van vreugde of smart, van zaligheid of rampzaligheid.
3 FEBRUARI. 4?
Beschouwt dan uw leven uit het rechte oogpunt, erkent het in zyn groote beteekenis, als beslissend voor de eeuwigheid. Laat u dwingen om dat kostelijke leven recht te gebruiken. Heiligt uw leven aan den dienst van den God des Heils. Wijdt uw leven aan Hem, die de opstanding is en het leven. Geeft alles, wat gij hebt, wat gij kostelijk acht en dat toch vergankelijk is, om het onvergankelijk leven te verkrijgen. Gelooft in Hem, die gezegd heeft: „Ik leef en gij zult leven.quot;
Dit aanzijn zal u ras begeven,
O mensch, gebruik het wijs;
Het heeft, verknocht aan \'t volgend leven,
Een eindeloozen prijs.
De kleinst\' ontwikkling houdt haar waarde,
Wat ooit de tijd verstoort;
Maar \'tzaad, dat hier verstikt in d\' aarde,
Brengt nimmer vruchten voort.
Gezang 31: 4.
Lezen: Joh. 14: 1-13. — Ps. 90. — Mare. 8 : 34 — 38.
J. NIERSÏRASZ.
3 FEBRUARI.
Luk. 12: 20: Maar God zeide tot hem: „Gij dwaas, in dezennackt zal men uwe ziel van u afeischen, en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?quot;
Er wordt van zeker koning, die er aan zijn hof een nar op nahield, verhaald, dat hij dezen nar bij gelegenheid een zoogenaam-den narrenstaf gaf, met het bevel, dien staf zoolang te houden, tot hy iemand vond, die grooter dwaas was dan hij.
En wat nu gebeurt? De Koning wordt ziek, wordt ernstig ziek, de koning gaat sterven. En als de nar nu komt aan des vorsten legerstede, en deze hem zegt, dat hü een reis gaat ondernemen, vraagt hy den koning, hoe lang die reize zal duren. Een week ? neen, langer; een maand ? neen, langer; een jaar? neen, langer; de koning zegt, dat hij gaat maken een reis, van welke hij niet weder zal komen, dat hij gaat maken de eeuwige
48 3 FEBEUAEt.
reis. En als de nar zijn meester nu vroeg, of hij voor die reiseenige voorbereidselen gemaakt had, en het antwoord des konings ontkennend moest luiden, reikte hij den koning den narrenstaf toe, want wie is een grooter dwaas dan de mensch, die een eeuwige reis moet gaan maken, en voor die reis geen voorbereidselen getroffen heeft?
Maar hoevele zulke dwazen worden er nog niet gevonden, die ook slechts denken aan hetgeen voor oogen is en aan anders niet. Wee echter den mensch, die zulk een dwaas is, die daarhenen leeft zonder aan de eeuwigheid te denken, zonder dat hij naar den Eene heeft gevraagd, die de staf op die eeuwige reize kan en wil zijn; wee dien dwaas, want de reis zal hij maken, maar de goede uitrusting zal hij missen, want naar dateene, dat niemand\'kan ontberen, zal hij ten minste de reis goed kunnen doen, naar dateene heeft hij juist niet gevraagd.
Ja, wee dien dwaas, want dat hy mist, het is zijn eigen schuld, hij heeft aan dat eene niet aan gewild, moedwillig ging hü Jezus voorbij, hoe menigmaal het ook was, dat zich Jezus ook nog aanbood aan hem, en hem Zyne roepstemmen deed hooren. O, dat zich een iegelijk dan toch nauw onderzoeke, opdat het ook tot ons niet zal worden gezegd: gy dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziele van u afeischen, en hetgeen gy bereid hebt, wiens zal het zijn?
Gelyk het gras is ons kortstondig leven,
Gelyk een bloem, die, op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;
Wanneer de wind zich over \'tland laat hooren.
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
Maar \'sHeeren gunst zal over die Hem vreezen. In eeuwigheid altoos dezelfde wezen:
Zijn trouw rust zelfs op \'t late nageslacht.
Dat zjjn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van zyn wet afkeerig d\'ooren wenden,
Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.
Psalm 103: 8, 9.
Lezen: Lucas 12: 16—21. — Lucas 12: 22—31. — Lucas 12: 32 -40.
H. A. HEIJER.
4 FEBRUARI.
4 FEBRUARI.
Ps. 51; 8a: Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste.
De waarheid Gods kan. om zoo te spreken, in het^erstoidof ook in het gevoel van een mensch blijven hangen, zonder nog tot heb binnenste door te dringen. In het verstand; zóó is het bij den leerheilige, die even prat is op zijne zuivere leer, als de werkheilige op zyne werken. Men heeft dan een zeker verstandelijk vermaak in de leer der waarheid. Men bewondert dat welsluitende geheel en weet vrij gemakkelijk eene afwijkende meening te ontdekken. Doch intusschen maakt men van dat alles een verborgen grond, waarom men zich rechtvaardig acht voor God. Men kan dan druk ijveren voor de waarheid, er zelfs veel geld, inspanning en opoffering voor over hebben, terwijl men toch nog in het diepst van zijn hart vijandig staat tegenover God en zijn naaste, terwijl er dus nog niet is, „waarheid in het binnenste.quot; Ook kan echter de waarheid Gods blijven hangen in het gevoel. Zóó is het bij den tijdgeloovige en bij allen, voor wie de godsdienst niet meer is dan het spel eener licht ontvlambare verbeelding, bij wie de godsdienst niet werkt op den wil, byquot; wie het altijd weer is: „Ik ga, Heere,quot; doch, die per slot van rekening niet gaan. Men hoort dan gaarne een indrukwekkende prediking. Als men maar eens bij tijden ernstig aangegrepen is of schijnbaar getroost, dan is het genoeg. Men blijft hinken op twee gedachten. En zoo tracht dan de Satan zulke zielen met een halve bekeering in het verderf te storten. Hebreen 6 nu toont ons, hoever zulk een gevoelschristendom wel kan gaan, zonder dat, het nog is „waarheid in het binnenstequot; en tevens roept het ons toe, dat, wie speelt met gevoelschristendom, speelt met vuur. Hier is een ontzettende grens. Er zyn er, die tegen zeer diepe geestelijke overtuigingen toch zijn ingegaan en die daarom nu gansch onbekeeriyk daarheen leven.
Neen, daar is achter het verstand en achter het gevoel des men-schen nog iets anders, nl. „het binnenste,quot; „\'s harten diepste grond,quot; het middenpunt van eens menschen persoonlijkheid; en alleen, als de waarheid Gods daar is ingebracht, dan kan hy niet meer verloren gaan, dan is ny waarlijk „wedergeboren door den H. Geest.quot; Dan beheerscht ook die waarheid van uit zijn binnenste èn verstand èn gevoel èn wil, d. i. zijn ganschen persoon.
Indien deze dingen alzoo zijn, mijn lezer, „onderzoek dan uzelven, of gij in het geloof zijt.quot; „Onderzoek nauw.quot; Onderzoek naar het Woord.
DAGBOEK. I
49
5 FEBRDAHI.
Wie kan zijn eigen hart vertrouwen,
Zijn hart, zoo vol arglistigheid?
Gij blijft het, Heer! geheel doorschouwen.
Daar \'tvoor U naakt en open leit.
Treft G\\j mij aan op booze wegen,
Zoo leid mij op de rechte baan;
Dan lacht my in het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan.
Gezang 9: 6.
Lezen; Hebr. 6: 1—12. — Ps. 51. — Ps. 139.
Dr. P. J. KROMSIGT.
5 FEBRUARI.
Psalm 62: 6: Doch gij, o mijne ziele, zwijg Gode, ivant van Hem is mijne v ene achting.
Het is een bange tijd voor de gemeente des Heeren. Moest niet veeleer de harp aan de wilgen gehangen, dan een psalm aangestemd ? Het land is vol onvruchtbre werken en gaat zwanger van allerlei goddeloosheid. De Filistijnen zijn over de Simsons gekomen, die zich laten boeien en verblinden. Houdt Gods goedertierenheid op, heeft de toezegging een einde?
Zwijg, o myne ziel, zwijg, al, wat binnen in mij is. God ziet en hoort u. Twist niet met uw Maker als met een makker. Gij moogt niet alles zeggen, wat gij denkt, en, ook niet alles denken. Gedachten zijn voor God niet tolvrij.
Gij hebt te klagen, gelijk de dichter van dit lied. over menschen; och, wie zijn wij?
Gij klaagt over God en vraagt: waarom mij, nü, zóó, alsof\'tleem den pottebakker ter verantwoording mag dagen. Is God dan niet vrij en wijs en rechtvaardig en goed? Heeft de zonde geen bestraffing meer noodig? Is Gods hand die van een beul of van een arts? Moet Hij barmhartiger zijn voor u, dan voor zijn heilig kind Jezus, Wien Hü het bangste en wrangste niet spaarde? Zwijg, al rolde de donder door \'t luchtruim en let op \'tdoel, namelijk, zuivering van den dampkring. Dan leert de ziel jubelen van de goedertierenheden des Heeren, Die \'t bruisen der golven stilt en \'t rumoer der volken; Wiens woord niet faalt: Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en verlost, op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. Daarom zwyg.
6 FEBRUARI. i
niet als een doode, maar als een gespeend kind. En, is zwijgen goud, bidden is kostelijker. Geef uwe ziele Gode in het gebed lucht. Zeg Hem, wat er in u omgaat; hoe, onder een effen watervlakte vele gedrochten elkander bestrijden, of, boven de wateren de wervelwinden loeien; in zyn mond is macht om door één woord vrede en stilte te bereiden. Stel uw ziel daarom in zijne hand zonder bedillen, bedingen, bedenken. Uw God beschikt over een wacht over de lippen en voor de ziel. Hij leert u, dat \'t beter is zélf stiller te worden, dan dat anderen zich stil houden. Van Hem zü al uwe verwachting, ook deze, dat gij over zijne trouw moogt juichen: al wat binnen in mij is loof zijn heiligen naam!
Doch gij, mijn ziel! het ga, zoo \'twil.
Stel u gerust, zwijg Gode stil.
Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken.
Hij is mijn rots, mijn heil in nood,
Mijn hoog vertrek; zijn macht is groot;
Ik zal noch wank\'len, noch bezwijken.
Psalm 62: 4.
Lezen : Psalm 62 ; Psalm 42 ; Jeremia 18 : 1—10.
A. H. DE KXERCK.
6 FEBRUARI.
Mattheüs 6 : 10amp;: „ Uw wil geschiedequot;.
De bede: „Onze Vader, die in de hemelen zijt! Uw wil geschiede!quot; wordt gemakkelijk uitgesproken, wanneer alles voor wind en stroom gaat, wanneer wij met de onzen gezond zijn en er voorraad is, om in onzen nooddruft te voorzien. Maar, hoe geheel anders wordt dit, wanneer wij een moeielijken weg hebben te betreden, of, wanneer krankheid of dood onze vensteren binnenklimt. Vraag dit aan de we duwe, wie haar steun op den weg door dit moeielijk leven ontviel; vraag het den man, die zijne levensgezellin ten grave moest brengen; vraag het den wees, die onverzorgd en verlaten achterbleef; vraag het den diep bedroefden ouders, die hun kind, een deel van hun eigen leven, aan den schoot der aarde moesten overgeven, — zij .allen zullen u antwoorden: er behoort voor ons bijzondere genade van God toe om die bede op te heffen.
Te gelooven, dat Gods wil altijd wijs, volmaakt en goed is, niet
6 FEBRUARI.
alleen in \'t algemeen, maar, zooals die zich over ons openbaart en voorts zich zal openbaren, zonder, dat wij hem nog kennen, het is eene zware zaak. Hoe spoedig toch wordt ons zwak hart heen- en weergeslingerd! Gods wil is altijd heilig en goed, o ja! wij belijden het, maar ach! wat is ons innerlijk leven en de practyk er menigmaal mede in tegenspraak. Wat moet er bij den mensch niet worden afgebroken; hoeveel moet er bü hem niet in den doodgaan, eer hij er toe komt, om zich onder den wil des Heeren te buigen en dien goed te keuren! Zal de mensch hiertoe in waarheid komen, dan moet hij hebben leeren verstaan, als eigen ervaring, wat Godvruchtige Levieten betuigden; „Heere, Gij hebt Uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzenquot; (Neh. 9 : 20). Dan wordt deze bede gebeden en dan is er ook het doen van den wille Gods, ofschoon men dat op het eigen oogenblik niet verstaat, opdat men zich niet zou verheffen. Den almachtigen en genadigen Vader in de hemelen is geen ding onmogelijk. Dus weet Hij ook wel alles te scheppen, wat er zijn moet bij een mensch, en wat er nochtans niet is. Gewis, het valt ons vaak zwaar om eigen wil te verzaken, en tegelooven, dat het alleen dan goed met ons zal gaan, wanneer de wil des hemelschen Vaders geschiedt. En toch — zijn wil geschiedt en zal geschieden met ons en met de onzen, hetzij door voor- of tegenspoed, door vreugde of smart, door leven of dood; maar ons heil bestaat daarin, dat wij geborgen zu\'n in den genadigen wil onzes Gods, die zijn Zoon overgaf, opdat die zijn wil volbrengen en zijn Naam heiligen zou voor verloren Adamskinderen. Welgelukzalig de mensch, die dit in vindenstijd leert verstaan; die, te midden van alles, wat hem overkomt in deze wereld, met een opgericht hoofd den Heere Jezus Christus uit de hemelen verwacht, en alzoo voorwaarts trekt met de bede in het hart:
„Uw Avil geschied\'. Uw wil alleen,
Als in den hemel, hier beneên;
Uw wil is altijd wijs en goed;
\'tls majesteit, al, wat Gij doet;
Dat ieder stil daarin berust\',
En Uw bevelen doe met lust.quot;
Gebed des Heeren; 4.
Lezen ; Mattheüs 6: 5—lö, — Muttheüs 25; 37^40. — Johannes ^G: 35—40.
K. HAVING A.
7 FEBKUAEI.
7 FEBRUARI.
Mattheüs 6: 34; „Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, ivant de morgen zal voor het zijne zorgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.quot;
Dit is wel een les van onzen gezegenden Heiland, die wij dagelijks noodig hebben. Hoeveel rustiger en kalmer zou ons leven zijn, wanneer wij meer her. oor leenden aan zijn goddelijk onderwijs, wanneer wij niet zoo vergeetachtig waren! Hoeveel moeite en verdriet zouden wij ons zeiven besparen, als wij wat meer geneigd waren als nederige leerjongeren ons te plaatsen aan de voeten van Christus!
Al gelooven w;i van harte, dat onze Heiland de beste leermeester is en dat het ons nooit berouwen zal naar zijne stem te hooren; al weten wij bij eigen ervaring, dat zijn onderwijs kostelijker is dan goud en dan zilver en in waarheid spijze voor onze ziel, toch handelen wij zoo menigmaal in strijd met de woorden van Hem, in wien alle schatten van kennis en wijsheid verborgen zijn. Waar is het kind van God, dat steeds bij dit woord leeft en steeds met dit woord rekent? Hoe moeten wij ons ten diepste schamen, dat wij zoo vaak bezorgd zijn tegen den morgen, ofschoon wij tallooze bewijzen hebben ontvangen van \'sHeeren zorgende liefde! Wie bij de vermaningen dei-Heilige Schrift geen aanklacht tegen zich zei ven voelt oprijzen, heeft ze zeker nog nooit goed gelezen.
Wij maken plannen en berekeningen en worden beangstigd bij de gedachte, dat het wel eens geheel anders kon gaan, dan wij het ons voorgesteld hebben. Wij vermeerderen en verzwaren de zorgen des daags door ons te veel in de toekomst te verdiepen, in plaats, dat wij ons in allen eenvoud laten leiden door het woord des Heeren, dat ons eeuwig en tijdelijk geluk bedoelt.
Gewis, omtrent onze eeuwige belangen kunnen wij niet te bezorgd zijn. Met allen ernst moet gedacht worden aan onze voorbereiding voor de eeuwigheid en gestadig stijge het gebed op tot den troon der genade, dat de reis naar de eeuwigheid voor ons de reis moge zijn naar het hemelsche Sion.
Maar juist, als wij onze eeuwige belangen behartigen, wordt voor ons de weg gebaand tot die heilige zorgeloosheid, die ons hier wordt aanbevolen.
Dezelfde Geest, die den zondaar zoekende maakt en den honger en dorst in de ziel verwekt naar de gerechtigheid, brengt hem er toe.
53
54
zijn lot blijmoedig te stellen in de handen des heraelschen Vaders en dan ook met dit woord des Heeren rekening te houden.
Ja, de morgen zal voor het zijne zorgen. Ook de morgen zal aanbrengen aan lief of leed, wat in den raad des Heeren is bepaald. Met al ons zorgen kunnen wij niet tegenhouden, wat de Alwijze voor ons beslist. Vragen wü Hem om een kinderlijk hart, om een hart, dat rust in het welbehagen des Heeren. Om een hart, dat gevoed wordt met het goddelijk onderwijs des Heeren Jezus. Alleen aan zijne hand kunnen wij gemoedigd en onbevreesd de toekomst tegengaan. Als Hij ons leidt, gaan wij veilig en kunnen wij, het oog naar boven geslagen, blijmoedig uitroepen, denkende aan den weg, die vóór ons ligt; „De Heere zal het voorzienquot;!
God heerscht als Opperheer;
Dat elk Hem juichend eer\'!
Gy, aarde, zee en eiland!
Verheugt u in uw Heiland;
Hem dekt, met majesteit.
Der wolken donkerheid;
Hij vestigt zijnen troon Op heilige rijksgeboön.
Vol recht en wijs beleid.
Psalm 97: 1.
LezenI Matth. 6: 19—34. — Ps. 37: 1—19. — Gen. 22: 1—19.
W. KOELMAN.
8 FEBRUARI.
Mattheüs 14; 27b: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.
Dit is een heerlijk woord voor de beangste discipelen. Terwijl hun schip in nood van de baren is, zien zy eene gedaante wandelen op de zee, en, daar zij vreezen, dat deze een spooksel is,-schreeuwen zij van angst.
In deze oogenblikken klinkt Jezus\' stem even liefelijk en vertroostend als altijd en maant hen tot gerustheid aan, want immers. Hij is het, die tot hen komt.
Het is duidelijk, dat Jezus hen wil herinneren aan Zijne macht en genade, waardoor zij niets te vreezen hebben, nu Hü bij hen is.
En werkelijk, wanneer Jezus ons ter zijde staat, kunnen wij goeds-
8 FEBKUAEI. 55
moeds zijn. Wat zoude ons kunnen overkomen, wanneer Hij ons beschermt. De verleiding heeft geen vat op ons, de rampen des levens worden geduldig gedragen, en een „de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd,quot; komt uit de ziel, die haar Jezus liefheeft.
Zou iemand vreezen, wanneer hij is bij den Heiland, die de nooden kent en daarin voorziet; bij dien Christus, die de dorstigen roept tot de wateren des levens om niet, en die hem, die geen geld heeft, vergunt om te koopen zonder geld en zonder prijs, wijn en melk, ja, bij dezen Eengeborene des Vaders, die zelf het Brood des Levens en het Levende water is. Hij heeft zijne liefde voor de zijnen zoo groot gemaakt, dat Hij zijn leven heeft overgegeven tot in den dood van het kruis, tot een rantsoen voor velen.
O, er zijn wel menschen, die meenen, goedsmoeds te kunnen zijn, hoewel zy Jezus niet naast zich hebben. Hun gerustheid is echter valsch, want zeker is het waar, dat alleen vrede, geluk en zaligheid het deel is van hem, die Jezus kent. Zonder Hem is het leven dor, koud en akelig ; met Hem is het leven bezield, en is er warmte in het hart.
Dat gij het eigendom van Christus zijn mocht! De Geest des Heeren ontvlamme uwe harten met een heilig vuur van liefde voor Christus, want dan zgt gij in leven en in sterven zonder angst, en juicht gij eenmaal by Christus in Zijn Vaderhuis.
Ruwe stormen mogen woeden.
Alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God, zal mij behoeden.
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang zijn hulp verbeiden,
Zijne liefde blijft my leiden;
Door een\' nacht, hoe zwart, hoe dicht,
Voert hij mij in \'t eeuwig licht.
Gezang: 58: 7.
Lezen: Matth. 14: 22—32. — Openb. 1: 9—20. — Psalm 9S.
M. A. v. RHIJN.
56 9 FEBRUARI.
9 FEBRUARI.
Lucas 5: 32: Ik hen niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.
\'kWeet het wel, waarom ge wel eens zoo stil kunt zijn, zoo ingetogen in: uzelf, zoo afgetrokken den ganschen dag, alsof ge voortdurend met uwe gedachten bij éénzelfde punt zijt.
Ik heb het wel opgemerkt, dat \'t u zóó menigmaal niet één dag, maar meerdere gaat; dat \'t gisteren zoo was, en morgen wellicht nog zoo zijn zal, en ik heb gedacht: wat mag dat toch zijn?
Maar ik heb niet lang behoeven te denken, want ik vond zoo iets, als ik bij u had opgemerkt, bij mijzelven terug.
Zou \'t ook wezen kunnen, mijn broeder, mijne zuster, dat \'t u ging als mij, en dat ge bij tijden zoo eens meer een blik op en in uzelven werpt, dan wel doorgaans; want immers, we leven in een wereld, waarin de tijd ons noopt tot voortgaan, en dan die negentiende-eeuwsche wereld leeft zoo gejaagd! En toch, \'t gebeurt ons, dat we zoo op eenmaal eens even moeten stilstaan, hoe \'t komt, weet ge zelf soms niet, en dan voelt ge het; ik kan toch niet met die wereld mee; ik wil ook niet van die wereld zijn, ik wil van Jezus zijn; en als ge dat zegt, dan schrikt ge onwillekeurig van uzelf, want gü gevoelt het, dat er dan toch nog zooveel anders in u moest zijn. Gij wilt niet van de wereld zijn, gy wilt van Jezus zijn, en gij doet zoo vaak, alsof gij niet van Jezus en wel van de wereld waart.
Zie, dat vervult u het harte met weedom, en daarover zijt ge dan zoo in uzelf teruggetrokken, niet waar, omdat ge niet zijt, die ge zijn moest, \'t Is dat gevoel, waarvan Paulus spreekt, als hy zijn strijd des gemoeds beschrijft; \'t is dat gevoel, dat een zieke bevangen kan, die wel weet, dat het niet met hem is, zooals \'t behoort, en zich onwillekeurig indenkt, hoe hij zich gevoelen zou, als hy nu die pu\'n eens niet had, en als de rechte lust er maar weer eens was. Dat is geen aangenaam gevoel, geen liefelijke stemming des gemoeds, en nochtans zeg ik u, het is een goed teeken, want voor u is raad: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn, en Jezus laat dan volgen: „Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering.quot; Zie, mijn broeder, zie, mijne zuster, zóó kan Jezus u helpen, zóó wil Hij u helpen, zóó is het juist Zijn lust, om u verlangend naar Hem te zien. Wees gij zoo maar ingekeerd tot uzelf. Zoek gij aldus maar de eenzaamheid, en stort uw hart maar eens uit voor Hem, die zoo gaarne opricht en weldoet, en naarmate Hij wel
10 FEBETJAEI. 57
eens toeft, des te grooter weldaad bewijst. Laat Hij u dikwijls zoo op de knieën vinden. Hij weet, wat u deert, en zal u eindelijk ten volle genezen, gerechtvaardigd en geheiligd overbrengen naar die plaats, waar geen inwoner meer zal zeggen; „Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.quot; Dan zult ge den overgang nog oneindig beter en rijker beseffen dan de dichter van den 42sten psalm, die, na het „0, mijn ziel, wat buigt g\' u neder!quot; ook leerde aanheffen „Maar, de Heer zal uitkomst geven,quot; want dan is de volle uitkomst, reeds gevonden door hem, ook gevonden door u.
O, mijn ziel! wat buigt g\' u neder?
Waartoe zijt g\' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in \'sHoogsten lof uw lust.
Want, Gods goedheid zal uw druk Eens verwisslen in geluk.
Hoop op God; sla \'t oog naar boven;
Want ik zal zijn naam nog loven.
Maar, de Heer zal uitkomst geven,
Hy, die \'sdaags zijn gunst gebiedt;
\'k Zal in dit vertrouwen leven.
En dat melden in mijn lied.
\'kZal zijn lof, zelfs in den nacht,
Zingen, daar ik Hem verwacht.
En mijn hart, wat mij moog\' treffen.
Tot den God mijns levens heffen.
Psalm 42 : 3, 5.
Lezen: Jes. 55. — Luk. 5: 27—32. — Filip. 2: 5—13.
Dr. W. J. M. ENGELBERTS.
10 FEBRUARI.
Matth. 6; 11: Geef ons heden ons dagelijksch hrood.
Luther, eens predikend op een dorp, had onder zijn gehoor een eenvoudig boertje. Dit boertje had niet aandachtig zitten luisteren. Hij was verstrooid. Met moeite had zijn vrouw hem bewogen ook eens dien prediker te gaan hooren, van wien zulk een roep uitging. Mijn hoofd staat er niet naar, ik heb wel over wat anders te denken; wat moet er van ons worden, had hij geantwoord. Hy was pacht ten achter, zyn verkregen uitstel was verstreken, doch betalen kon hy niet.
58 10 FEBRUAEI.
Hij verwachtte elk oogenblik van de hoeve gezet te worden en dan te moeten gaan bedelen. Eindelijk, op haar herhaald aandringen, was hij medegegaan, maar ook onder de prediking was hij vervuld met wat hem dag en nacht bezig hield — zijn aardsche toekomst. De prediking was ten einde en Luther, gelijk hij meer deed, mengde zich onder zü\'n hoorders om met dezen en genen nog een enkel woord te spreken. Zoo kwam hij, neen, het was geen toeval, ook bij ons boertje en vroeg hem: Vriend, kent gij de 12 artikelen des geloofs? Bevend van ontroering begon hij stootend; Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige . . . Halt! zeide Luther, gelooft gij waarlijk, dat God almachtig is, dat Hij dus u kan helpen uit eiken nood, hoe groot ook en al begrijpt gij zelf niet hoe? en dan dien God Vader te noemen; man, wat zijt gij gelukkig, wat moet gij een gerust en kalm leven leiden. Luther ging weer verder; doch dit woord was voor dezen bedrukten man het middel om tot God de toevlucht te nemen, eene toevlucht, die niet faalde. Mijn lezer, de 4lt;ie bede van het „Onze Vaderquot; is u even goed bekend, als aan dat boertje de 12 artikelen. Gij hebt deze 4lt;3e bede reeds meermalen geuit. Geuit, wellicht ook, als gü in tijdelijken nood verkeerdet, maar uit gewoonte uw dagelijksch gebed niet naliet. Hebt gü dan wel eens bij deze bede nagedacht? Zij is tocli geen wanhoopskreet. Dat is geen der beden van het „Onze Vader.quot; Bidden wij haar, dan belijden wij, dat wij en alle menschen van God afhankelijk zijn. Hij alleen geeft ons brood voor eiken dag. De rijkste, zoowel als de armste, eet in den letterlijken zin des woords genadebrood. quot;Wat onschatbaar voorrecht dus dien God onzen Vader te kunnen noemen. Dan gelooven wij, dat het ons aan niets ontbreken zal, en Hij, die ons het levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is, schonk, Zijn aardsche voorraadschuren voor ons niet sluiten zal. Mijn lezer, moge dit geloof u bezielen, zoo vaak gij deze 4lt;3e bede zacht of luide uitspreekt.
Van de velden, uit de stroomen,
Uit de diepten van de zee.
Uit de wolken, van de boomen
Deelt G\' ons milden zegen meê;
Jaren, dagen, maanden, stonden,
Altijd, Vader! ondervonden Wij Uw liefde, wij Uw macht:
Eeuwig zij U eer gebracht.
Gezang 29: 6.
Lezen Luk. 12: 1—34. — Ps. 72. — Matth. 7: 7—11.
J. S. TICHELMAN.
11 FEBRUARI.
II FEBRUARI.
Mattheüs 5: 16: Laat uw licht alzoo schijnen voor de rnenschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en meen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
Iemand heeft naar waarheid gezegd: „een christen gaat niet incognito door de wereld.quot; Is de zon ter westerkim ondergegaan, zy laat een blinkend spoor achter aan den hemel in \'t vriendelijk avondrood. Paulus heeft verklaard, dat de geloovigen een brief van Christus zijn, bekend en gelezen onder alle menschen. En onze hooggeloofde Heiland zelf? Doet zich niet telkens Zyne stem hooren over \'t rond der aarde? Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Daar is de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker van verlorenen, de Trooster van treurende harten, de Redder uit verlegenheid, zouden we ons niot hebben te beijveren om dien hoog vereerden Gast de deur te ontsluiten? Zouden we niet met den Zoon van Jona moeten zeggen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch! Och, of \'t zoo ware! Vele andere stemmen klinken ons in de ooren, waaraan we maar al te dikwijls gehoor geven, zoodat we naar verkeerde leidslieden luisteren. De zonde roept ons toe: als ge mij dient, zal geluk uwe dagen volgen, en, eer we \'t weten, worden we hare gedienstige slaven, om dan te ondervinden, dat zij een harde meesteres is; de wereld wil ons door haar klatergoud verblinden en we zien in menig geval den schijn voor \'t wezen aan. De vader der leugenen verleidt ons door zijn woord; „Gij zult gelijk God zijn.quot; Maar, nu de Heiland ons roept tot het leven in Zijne gemeenschap, tot de toewijding van al onze krachten aan Zijn dienst, zeggen velen: voor ditmaal ga heen, als \'t mij meer gelegen komt en beter toeschijnt, zal ik U tot mij roepen. Maar, in spijt-van allen tegenstand, zet de Heiland den loop des Overwinnaars voort door de wereld. Hij is gekomen in de volheid des tijds. Hij komt in den loop der eeuwen. Hij zal komen bij de voleinding der wereld op den wolkenwagen. Welk een woord, dat de Zaligmaker tot de discipelen spreekt, waarover we, waarde lezer, heden nadenken! Een woord, gesproken op den Berg der Zaligsprekingen, een woord, gevloeid van de lippen van den Koning der Waarheid! De christen, geroepen tot lichtverspreiding! De christen, een beelddrager van zyn Heer. Zijn leerlingen noemt Jezus het licht der wereld en van Zichzelven ver klaart de Eengeboorne des Vaders: „Ik ben het Licht der wereld.quot; Hoe kunnen wij die uitspraken met elkaar in overeenstemming brengen? Mij komt het voor, dat het antwoord op die vraag niet moeilijk
59
11 FEBEUAKI.
60
te geven is. Ontleenen de sterren hare stralen aan de zon, de geloo-vigen zijn uitstralingen van de Zon der gerechtigheid. Zij hebben geen licht, geen kracht of vrede in zichzelven. Wat zü zu\'n, hebben of vermogen, zij danken \'t aan Christus, die den Geest der genade en dei-gebeden in de harten heeft uitgestort. Waren zy eertijds duisternis, nu zyn zü licht in den Heere, om met Paulus te spreken, geroepen, om als kinderen des lichts te wandelen. Eene stad, die op een\' hoogen berg ligt, kan niet verborgen zijn. Het licht mag niet onder de tafel staan, maar dient op de tafel gezet te worden. Dan kunnen allen, die in het huis zijn, van het licht genieten. En daarop vermaant de Heiland zoo ernstig den Zijnen: Laat uw licht alzoo schijnen voor de men-schen, dat zij moe goede loerken mogen zien. Wij kunnen dus op onderscheiden wijze de krachten en gaven, ons geschonken, gebruiken. Niet weinigen houden er van aan den weg te timmeren. Zij pralen met hun gaven, zooals de pauw doet met den veelkleurigen staart, zij bazuinen alles, wat zij doen, in \'t ronde, zy dragen er roem op, dat zij zoo ijverig zijn in den dienst des Heeren, dat zij zoovele steenen aandragen tot den opbouw van Gods Kerk. Anderen hebben met de goede werken, die zy doen, allerlei bij-oogmerken, wat de medemenschen van hen zeggen, hoe zij hen als om stryd prijzen en op \'t schild verheffen. Daar worden er gevonden, wien \'t alleen te doen is om eigen eer. Dat staat den christen niet vrij, hy heeft zijn talent te gebruiken tot zegen van den naaste, terwijl het einddoel moet wezen: de verheerlijking van den Vader, die in de hemelen is. Al ons werken, al ons streven dient daarheen gericht, dat onze medemenschen niet meer ons zien, maar onze goede werken, dat niet wij de kroon op \'t hoofd krijgen, maar de Heere God alleen geprezen wordt. Heeft God u de gave des geloofs toebedeeld, \'t geloof behoort zich te openbaren. Ge zyt dan in de gelegenheid om de kleinmoedigen te sterken. Is de kennis van den weg der zaligheid u geschonken, tracht er naar uw naaste tot Christus te leiden. Leeft en werkt in u het beginsel dei-liefde, uwe liefde zal nimmer moede zijn des gevens! Wanneer de natuur is ontwaakt uit den winterslaap, ontplooit zich allerwegen het volle rijke leven in bladerendosch en bloemenpracht. Alle tonen smelten saam tot één loflied; „De Heere is groot en zeer te prijzen; Zijne goedertierenheid duurt van geslacht tot geslacht.quot; Waarde Broeder of Zuster. Beproef u zelf. Gaan reeds van u lichtstralen uit in uwe omgeving? Heeft Gods genade in Christus uw hart vernieuwd? Maak u dan op en ga heên in de mogendheid uws Heeren. Bezwaren van allerlei aard zullen overblijven. Op den weg der navolging van Christus zjju vele hoogten te slechten, vele dalen te vullen, vele vyanden te overwinnen, maar is de eindpaal bereikt, dan klinkt u de
12 FEBRUARI.
stem uws Heeven in de ooren; „Gezegende mijns Vaders! beërf het Koninkrijk, u beschoren.quot; Het is uwe beUidenis, de belijdenis van \'s Heeren volk onder het kruis:
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort,
Zij wand\'len, Heer! in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort;
Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden,
Uw goedheid straalt hun toe. Uw macht schraagt hen in \'t lijden
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen.
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.
Psalm 89; 7.
Lezen; Matth. 5: 1—16. — Ps. 97. — Jes. 58: 1—8.
L. F. A. WESTERBEEK VAN EERTEN.
12 FEBRUARI.
Joh. 2:2: „En Jezus was ook genood, en zijne discipelen, tot de bruiloft.quot;
Wie onzer kent niet de geschiedenis van de bruiloft te Kana in Galilea? Dat „beginsel der teekenen, waar Jezus zijne heerlijkheid heeft geopenbaardquot; (vs. 11), en waarvan gemeld wordt „en Zyne discipelen geloofden in Hem.quot;
Ons wordt daaruit betuigd: Laat bij inzonderheid,maar
tevens bij alle gebeurtenissen in ons leven, niet het minst bij bruiloften, alles onder ons geschieden als voor het oog des Heeren; eeriyk en met orde, met matigheid en bezadigdheid; ons bewast zijnde van Zijne heilige tegenwoordigheid!
Zij, die toenmaals den Heere Jezus en zijne discipelen noodigden tot de bruiloft, deden iets, wat elk belijder Zijns Naams natuurlijk moest voorkomen. Zij vragen Hem om, — niet alleen op den Sabbat, die immers onder de acht dagen dat een huwelijksfeest onder de Joden duurde voorviel, met Hem of onder Zijnen voorgang in de Synagoge te zijn, maar ook bij hen in huis, omdat zij met Jezus\' moeder en Hemzelven bevriend waren. Ziet, op bruiloftsdagen, evenals bij andere huiselijke feesten is men liefst met zulken samen, op wie men de meeste betrekking heeft. En op Wien, zelfs boven ouders en de innigste bloedverwanten of vrienden, moesten wij meer betrekking hebben dan op Jezus! Wie deed voor ons, zondaren als wij zijn; wie A;cm voor ons doen, en moet en ivil voor ons doen, hulpeloozen, ellendigen, machte-
61
62 12 FEBHUABI.
loozen, als wij toch eigenlijk in ieder opzicht en altijd in dit leven /-.ijn, als de Heer, als de Heiland en Hij alleen! Het „blijf bij ons, Heer!quot; van de Emmaüsgangers (Luc. 24: 29) uitgesproken, zoowel uit den drang der innigste behoefte, als uit dien der teederste liefde, moet de leus van ons hart in alle de dagen en oogenblikken van ons leven worden en blyven! En dit, niet alleen om den eerbied en de betrekking, die jegens Hem moeten gevoeld worden, maar ook, omdat Hij als Verlosser, als Zegenaar, als Gods Zoon alleen, m den huwelijksstaat en daarbuiten, reinigen, bewaren, vereenigen, heiligen en zegenen kan.
Toch deden zij, die Jezus en zijne discipelen tot de bruiloft noo-digden, iets, wat nog zelfs in een Christenland, ja! zelfs onder wie zich belijders van den Christus noemen, lang niet overal de gewoonte is. Op huiseiyke feesten, vooral bij bruiloften, wil men „pretquot; hebben; liefst zooveel mogelijk de ernst geweerd en de luidruchtigheid ingehaald; geen godsdienstige gesprekken, geene mededeelingen, die maar van verre zouden doen vermoeden uit de dingen des Geestes te zijn. Nu ja: huwelijksinzegening, dat kan! „Men zou anders haast niet weten, getrouwd te z\\jn!quot; Maar is die afgeloopen en heeft men de deuren van het Bedehuis achter zich, dan; weg met den ernst! „De wereld wat en God wat.quot; Ja! de wereld wat, en zij het leeuwendeel! Maar in huis onder het feest: liefst geen gebed om —, veel minder, later dank voor zegen. — Of is het niet veelal zoo? De dingen des vleesches voorop .... „het vleesch begeert tegen den geest!quot;
Hoe wijs dan echter zij, die heden ten dage het nog anders doen; dat kuddeke, dat onder alle voorval des levens nog het eerst denkt aan Jezus: of Hij wel met-, en in- en door zijne belijders genood zij om in het midden te zijn met Zijn raad, Zijn licht, Zijn Woord; ja! ook met dat Woord uit Zijn Woord, dat spreekt van Zyn bloed, dat de consciëntie reinigt van doode werken en waardoor alleen ons, als door een verschen en levenden weg, de toegang geopend is tot den Troon der genade, om genade en barmhartigheid te verkrijgen, nu het nog heden is; eer de nacht, de voor ongeloovigen en onbe-keerden en onbeslisten en weifelenden schrikb\'re eeuwige nacht der duisternis en der ontgoocheling uit de bedwelmingen dezes levens komen zal! — Die geloovig met allen nood en in iedere behoefte tot den Heere vlucht, in dien weet Jezus als op Kana\'s bruiloft het ge-brekende weg te nemen en het ontbrekende vol te maken, ook en het liefst, naar den inwendigen mensch!
Tot zulk een geloof kome het; by zulk een geloof blijve het; en uit zulk een geloof doe het harteen gedurig „Jehova nissiquot; („de Heere Is mijn Heilquot;) verrijzen!
13 FEBRUARI.
De Heer is my tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte;
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men bly met dankbre psalmen:
Gods rechterhand doet groote kracht!
Psalm 118: 7.
Lezen: Ps. 118; 1—9, en 14—21. — Joh. 2: 1—11. — 1 Joh. 1: 5—2: 6.
W. H. J. BAART DE LA FAILLE.
13 FEBRUARI
Johannes 9; 4amp;; „De nacht komt, wanneer niemand werken kan.quot;
Één slechts heeft altijd met dit woord rekening gehouden. Het is onze Heere Jezus Christus. Hij werkt de werken desgenen, die Hem gezonden heeft, altijd; Hij, de Zone Gods, heeft den Vader in alles gehoorzaamd. Hij vervult de wet volkomen. Hij geeft Zich in den dood des kruises. Aan het vloekhout kan Hij uitroepen: „Het is volbracht!quot; Dan eerst komt voor Hem de nacht, dat wil zeggen: de dood, de rust. — Als wij denken aan ons zeiven, hoe ernstig wordt dan dit woord van dan Christus Gods. De nacht komt! Onze levensdag spoedt ten einde! Het moge voor ons morgen zijn of avond — de nacht komt! Steeds dichter treden wij hem nader. Of wij onze levenszon een oogen-blik zouden willen doen stilstaan, het baat ons niet. Zij vervolgt haren loop, altijd en altijd. Wij kunnen niet eens berekenen, wanneer zy zal ondergaan. De dag des eenen duurt zooveel langer, dan die des anderen, en nu eens kan men duidelijk de voorboden van den nacht zien komen, dan wêer is het een plotseling overgaan van het helderste licht in den donkeren nacht des doods. —
De nacht komt, maar is er voor ons nog niet. Wij kunnen nog werken. Wij doen het ook. Misschien staan wij voor een nieuwen dag met zoovele plannen, dat wij ons niet eens den tijd gunnen rustig Gods Woord te lezen. Misschien is de avond gekomen voor ons, vermoeiden, na veel zwoegen en slaven. Maar zijn wij daarom zoo ijverig in ons beroep, omdat de gedachte in ons leeft: Straks komt de dood? Och, die zoo rusteloos bezig zijn, houden er niet eens rekening mede, dat zij onverwachts kunnen weg/dnken in een eeuwigen nacht van jammer en geween. —
4 14 FEBRUARI.
Maar Gods kinderen worden door dit woord herinnerd aan de vermaning; „Alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe dat mei al uwe macht.quot; Niet, wat wij zoeken, maar, wat wij vinden, moeten wij doen. Niet, wat wy gaarne willen, maar, wat de Heere ons oplegt, niet o»s werk, maar Zijn werk. Al onze gaven en krachten gewillig en met vreugde aanwenden tot heil van den naaste, tot eere Gods. —
En bij onze ontrouw zij er deze troost, ook als eenmaal voor ons de nacht des doods komt: Jezus Christus heeft het werk Gods volbracht, ook voor mij! —
Dat ieder oogenblik van \'t leven Mij boven alles dierbaar zij!
Geen uur, mij tot myn nut gegeven,
Ga immer ongebruikt voorbij.
Nog is het dag; straks komt de nacht,
Mijn taak zy voor zijn komst volbracht.
Ik zie mijn\' tyd daar henen snellen,
O Heer van tijd en eeuwigheid!
Leer mij myn oogenblikken tellen.
En houd my tot uw komst bereid;
Elk stipje van myn\' levenstijd.
Zy U geheel, alleen gewijd!
Gezang 161: 2, 3.
Lezen; Psalm 90. — Prediker 12; — 1 Thess. 5: 1—15.
G. SPIJKERBOER.
14 FEBRUARI.
Joh. 9: 255: Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.quot;
Blind, blind van de geboorte af — kan het treuriger?
De Heere, omringd door zijne discipelen, ziet zulk een ellendige.
Voor hem is het nacht!
De zon gaat stralend op aan den hemel, — vroolijk gaan de menschenkinderen heen tot den arbeid — voor den blinde blijft het nacht. —
De natuur ontluikt; verrukt staart ieder oog op de bloemen, schooner bekleed dan Salomo in al zijne heerlijkheid, - de blinde ziet het niet, — het blijft voor hem nacht!
Het kind ziet zijne ouders en het kinderhart verblijdt zich in
14 FEBEUABI. (
dien aanblik, — arme blinde, nooit zaagt ge uw vader of moeder in het van liefde stralend oog, — liet bleef voor u nacht!
En daar de wereld, de koude wereld — ze moge u beklagen, — helpen, redden kan zij niet.
Ach, ze wordt aan alles gewoon, ze blijkt ongevoelig voor, onverschillig bij het lijden te zijn.
Soms, ja, men spreekt over den ellendige, maar — nóg een bitteren druppel mengt ze in den toch reeds zoo bitteren lijdensbeker, — „wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders?quot; (vs. 2.)
Goddank, — Eén, die zich ontfermt, die niet slechts beklaagt, maar redt, — in Wien het profetisch woord wordt vervuld: — de oogen der blinden zullen zien!quot; (Jes. 29: 18).
Hij is met macht bekleed, — niets is Hem te groot, te wonderbaar.
Hij is het Licht der wereld. (Joh. 8: 12).
Hij opent het oog van den armen blinden bedelaar.
Welk een overgang, van blind ziende te worden.
Wat deert hem het ijdel twisten der Farizeën?
Hy stoort zich niet aan hunne bedenkingen, aan al hunne tegenwerpingen, — hoort zijne uitspraak: „één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.quot;
Die weldaad wordt hem de band, die hem voor goed vereenigt met den Heer. Het oog des lichaams geopend, — straks het oog dei-ziel ontsloten!
Daar valt hij zijn Redder te voet met de belijdenis: ik geloof, Heere!
Hü aanbad Hem. (vs. 38).
Herkent gij in den blindgeborene uw beeld?
Weet gij niet, dat gij zljt ellendig, jammerlijk blind en naakt? (Openb. 3: 17).
Wie zal u redden ?
Do wereld is gevoelloos, ook bij uwe smart, bij uw lijden. Ze is volstrekt machteloos, als het ook voor u aankomt op hulpe.
Nóg — het is de Heer. Hij alléén, die redt.
\'tls de Heer, wiens mededoogen Blinden schenkt het lieflijkst licht.
Blinden, dat ook in u de werken Gods geopenbaard worden!
Wij vragen voor u geen rijkdom, geen aanzien, geen eer — slechts dit ééne, dat ge klaar en onderscheiden moogt zien. (Ps. 119: 14).
Dat ge met ontsluierd zielsoog den Heiland moogt zien als uwen Redder, uwen Zaligmaker! En dan, niet gelijk de ouders van den blindgeborene gevreesd voor de menschen (vs. 22), maar als de bewelda-
DAGBOEK. 5
66 15 FEBRUAEI.
digde zelf vrijmoedig getuigd — voor de wereld uwen Heiland beleden !
Dat anderen twisten, oordeelen, veroordeelen, — wij, dat we den Heer te voet vallende, waarlijk in Hem geloo^ende, al den lof en al de vreugde van ons hart samenvatten in het heerlijk woord: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie!
\'tls de Heer, wiens mededoogen Blinden schenkt het liefiyk licht.
Wie in \'t stof lag neergebogen,
Wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft.
Mint hem, die rechtvaardig leeft.
Psalm 146: 6,
Lezen: Jes. 29: 13—24. — Luc. 4. 16—24. — Joh. 9: 1—14.
W. v. ROGGEN.
15 FEBRUARI.
Marcus 2:5: En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uwe zonden zijn u vergeven.
Kent iemand heerlijker woord dan dit: „uwe zonden zijn u vergeven.quot; De lijder op zijn draagbed zeker niet. Het is hem blijkbaar eene hemeltaal,quot; die te meer verrast en vertroost, naarmate met den last des lijdens hem ook die der zonden heeft gekweld. En bij wien zou dat niet zoo zijn? Immers ieder hart — tenzij alle hoogere stemmen dan die dezer aarde daarin zijn gesmoord — gevoelt, dat dit de hoogste behoefte en de grootste weldaad is te weten, dat de zonden voor God zijn ultgedelgd. Die wetenschap, de Heere schenkt zeindh woord aan dezen lijder en dat Hij daartoe macht heeft. Hij toont het in het „sta op en wandelquot; dat Hij terstond laat volgen. Maar, dat Hij ook macht heeft die aan allen te schenken, het Golgotha der kruisiging bewijst het ons, dat niet alleen een woord van schuldvergeving doet hooren, maar veel meer eene daad van schuldvergeving doet zien, die het „de zonden vergevenquot; zoo duidelijk uitspreekt, dat er slechts noodig is een oor, geopend om te hooren, een hart, gestemd om te verstaan. Maar dat is dan ook noodig, immers „hun geloof ziendequot; sprak Jezus dit woord. Hun geloof, dat is van dezen lijder met de
16 FEBRUARI. 67
mannen, die, door het dak heen, hem aan Jezus voeten brengen en daarin hun verlangen en ijver toouen. Maar, zoo Jezus ook slechts iets van dat geloof ziet, eene ontwakende behoefte, eer onbewust verlangen reeds komt Hij vriendelijk tegemoet met dat „zonden vergeven,quot; dat eerst de werkelijkheid der behoefte doet gevoelen, maar tegelijk de volheid der vervulling doet zien. Indien iets van dat geloof aanwezig is, dat aan het woord des Heeren genoeg heeft, wordt zeker ook wel gekend dat „de zonden zijn u vergevenquot;, dat de heerlijkste rust voor de ziel, de schoonste troost voor het leven, deblijdste nope voor de eeuwigheid schenkt. En dat genot zal meer wezenlijk zijn, werkelijk duurzamer blijken en telkens heerlijker worden, naarmate er meer gekend en betoond wordt van dat geloof, dat met het „uwe zonden zijn u vergevenquot;, ook verstaat dat „sta op en wandel\'\', dat, opstaande van het pad der zonde, leert te wandelen op het pad der nieuwe gehoorzaamheid ter verheerlijking Gods.
Loof He.u, die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;
Uw krankheên kent en liefderijk geneest,
Die van \'t verderf uw leven wil verschoonen.
Met goedheid en barmhartigheid u kronen.
Die in den nood uw Eedder is geweest.
Psalm 103; 2.
Lezen; Mare. 2: 1—12. — Ps. 32. — 1 Joh. 1.
H. VAN DEX BIJTEL.
16 FEBRUARI.
Joh. 4: 10: Jezus antivoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, die tot u zegt: Geef mij te drinken; zoo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.
Kennis ontdekt van vele dingen de schoonheid; geestelijke kennis de heerlijkheid van God-Drieëenig en van alles, wat Zijns is. — Verachting en geringschatting van de parelen, door den Heere uitgesti ooid en van de parel van groote waarde komt door onwetendheid, zoo dat, naarmate zelfs de natuurlijke kennis van geestelijke dingen afneemt, de verachting (en verachtering) moet toenemen, \'t Staat daarom
68 16 FEBRUARI.
in één versje, dat God wil, dat alle — allerlei — menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen. Zonder rechte kennis door den H. Geest is er geene zaligheid mogelijk. Die rechte kennis van Christus heeft haar merk in begeerten, welke uügaan naar God en geestelijke dingen.
Indien gij de gave Gods (d. i. Christus) kendet, zoo zoudtgijvan Hem begeerd hebben, omdat Hij is het Hoofd, dat geheel het lichaam voedt, de Fontein, waaruit alle genade en zegeningen tot ons kunnen komen. Daarom roept Paulus ook: Hoe zal Hij ons ook mei Hm niet alle dingen schenken?
De H. Geest doet Christus kennen en dit geestelijk kennen doet van Hem begeeren, met aandrang in de ziele „levend waterquot;, omdat de mensch dan komt te zien, dat hij versmacht van dorst, dat hy wat anders noodig heeft dan water ter lessching van lichamelijke behoefte; eerlijke behoefte aan den H. Geest is bewijs van eenige geestelijke kennis van Christus en deze gaat uit naar meer.
En. zulke begeerten kroont de Heere, die rijk is over allen, die Hem aanroepen, Hy, die wacht om zijn volk genadig te zijn, zal levend water geven, ja, geven, als ze het komen begeeren. Niet en nooit is gebrek van barmhartigheid en weldadigheid bij Hem; maar HU wil er altijd door den huize Jacobs om gevraagd worden.
Te mogen vragen als arme van geest is genade en een eere voor menschen; te moeten vragen eveneens; te geven is Gods eere en Hy doet het in trouwe om Zijns Naams wil.
God heb ik lief, want die getrouwe Heer
Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen.
Hij neigt zijn oor; \'kroep tot Hem al mijn dagen;
Hij schenkt my hulp, Hij redt mij keer op keer.
„Och, Heer! och, wierd\' mijn ziel door U gered!quot;
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig;
De Heer is groot, genadig en rechtvaardig
En onze God ontfermt zicli op \'t gebed.
Lezen: Joh. 4: 1—30. — Joli. 4: 31—54. — 1 Tim. 2.
D. M. BOONSTRA.
17 FEBRUARI. 69
17 FEBRUARI,
Joh. 4: 13, 14: Jezus antwoordde en zeide tot haar: „Eenieder, die van dit ivater drinkt, zal loeder om dorsten; maar, zoo iv ie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot;
Op welk een treffend tafereel richt deze belofte van den rustenden Heiland onzen blik! De Zaligmaker, vermoeid van de reize bij den waterput van Jacob en tegenover Hem de Samaritaansche, aan wie zich straks Zijne ontferming zoo majestueus zal verheerlijken! Deze vrouw moest het weten, dat niets hier beneden in staat is het leven te geven, dat alleen den naam van leven kan dragen. Van vele fonteinen toch, waaruit de wereld hare dienaren laaft, geldt het als van den beroemden Jacobsput, die met zijn water\'s menschen dorst slechts voor een tijd kon lesschen: „wie van dit water drinkt, zal wederom dorsten.quot; De rechte voldoening wordt by geen dier fonteinen gevonden. Door niets van wat dezer aarde is, wordt het ledig der ziel aangevuld en die verborgen wonde, zoo kenmerkend „het bloedig littee-ken onzer afscheuring van Godquot; genoemd, genezen. Neen, het hart kan niet rusten, voordat het, in het door den Heiligen Geest gewerkte leven, de ware ruste heeft gevonden; vóór dien tijd blijft het immer naar bevrediging uitzien.
Heerlijke belofte! Wie tot Hem komt, in zichzelven niets dan den dood vindend, ontvangt op de ootmoedige smeekbede het leven, in zich blijvende, gelijk de rank het leven van den wijnstok leeft, en wie eenmaal van dat levende water dronk, behoeft nimmer zijnen dorst er naar onbevredigd te laten. De Levensvorst toch schenkt den Zijnen meer dan den toegang tot de bron: een teug uit den zilveren stroom van het goddelijke leven wordt telkens weêr bronwel eener nieuwe fontein, profetie en waarborg biedend eener volkomene vervulling in den hemel.
Welk eene uitlokkende noodiging! En wat eischt de dierbare Verlosser van ons ter verkrijging en ter vermeerdering van die weldaad? In den grond der zaak niets, dan dat we Hem onze gedaante toonen!
Heerlijk Evangelie! het klinke voort, altijd verder, beel de wereld door! het kome tot aan de uiterste einden der aarde — en gij, onze ziel, gun u geen rust, vóór de bede der Samaritaansche, door de kracht
18 FEBRUARI.
des Geestes, voor het eerst of bij vernieuwing, de uwe is geworden: geef mij dat water, opdat ik niet dorste.quot;
Waar is een vreugd, een kalmt\', een heil,
Zoo zalig, als dit hoogst genot?
Het vloeit uit God, en keert tot God,
Het heeft noch maat, noch perk, noch peil:
In Jezus is mijn zalig lot Verborgen by mijn\' God;
Hij is mijn lust.
Ook als mijn stof eens rust.
O! prijst Hem, mijn gezangen!
Ik blijf zijn komst verlangen;
Hij is mijn lust!
Gezang 49: 5. Lezen: Jes. 55. — Ezech. 47; 1—12. — Joh. 4: 1—15.
P. F. VAN DKN NIEinVENHtHZEN.
18 FEBRUARI.
Col. 1: 19: Het is des Vaders ivelhehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zoude.
De gemeente van Christus roemt in een rijken Jezus. „Al de volheidquot; vindt zij in Christus. Hij is juist daarom de Zaligmaker voor een arm en ellendig volk. Zij hebben niets aan te brengen, maar vinden alles in Jezus, en hebben uit Zijne volheid slechts te ontvangen genade voor genade. Geene tekortkomingen behoeven ons meer te doen vreezen, geen gebrek bedreigt ons: alles, volstrekt alles is in Jezus. Gevoelen wij een nieuw hart noodig te hebben. Hij belooft: „Ik zal hun een nieuw hart geven, en Ik zal een nieuwen geest gever, in het binnenste van hen.quot; Wij moeten bekeerd worden en vergiffenis van zonden ontvangen: Christus is verhoogd om bekeering en vergiffenis van zonde te geven. Wij zijn zwak, ja, minder dan zwak: Hij is de sterke Held. bij wien God hulpe besteld heeft, en vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft. In Christus zegt God tot ons: „Alles is uwe!quot;
O, vergaten wij minder, dat al de volheid in Christus woont, wü zouden voor veel moedeloosheid bewaard worden! Wij zouden meer afzien van alle eigengerechtigheid en de hoop alleen vestigen op alle
19 FEBRUARI.
schatten, die in Jezus Christus verborgen zijn. Twijfel en vrees zal verdwijnen op het gezicht van Zijne Middelaars-volheid. Ruste ons geloof in Christus alleen, of wij zijn niet gekomen tot de schatkamer, waarin al de volheid bewaard wordt. Wij hebben niets in ons, al de volheid blijft in Christus, naar het welbehagen des Vaders. Ja, het was Gods welbehagen, dat in Christus al de volheid wonen zou, en dat welbehagen was genade voor Zyne gemeente. Wij kunnen nu niets meer verliezen of bederven, alles is in Christus. Geen gebrek meer aan eenig goed, in Christus is al de volheid van gerechtigheid en heil. Komen wij dan steeds tot die volle fontein om lafenis, putten wij alle hoop en alle kracht uit Immanuël. In Christus is al de volheid gelegd en uit Chriotus moeten wy die ontvangen, zullen wij niet ledig bevonden worden. Christus is de plaats der ontmoeting voor God en den zondaar.
Maar, trouwe God! Gy zijt
Het schild, dat mij bevrijdt,
Myn eer, mijn vast betrouwen.
Op U vest ik het oog;
Gij heft mijn hoofd omhoog En doet m\' uw gunst aanschouwen.
\'kRiep God niet vruchtloos aan;
Hij wil mij niet versmaan In al mijn tegenheden;
Hy zag van Zion neer;
De woonplaats van zijn eer.
En hoorde mijn gebeden.
Psalm 3: 2.
Lezen : Col. 1: 1—20. — Joh. 1: G—18. — Col. 2 : 1—15.
J. G. KLOMP.
19 FEBRUARI.
Coloss. 2: 10a; „Gij zijt in Hem volmaakt.quot;
Dit heerlijk Schriftwoord beantwoordt ten eenenmale aan hetgeen de Apostel Johannes schrijft in het eerste hoofdstuk van zyn Evangelie, waar hij van het vleeschgeworden Woord getuigt: „uit Zijne volheidquot; — uit de volheid der Godheid, die in Hem is - „hebben wij; allen ontvangen, ook genade voor genade,quot; d. i. de eene genadegave
71
19 FEBRUARI.
voor, de andere na. Zoo was \'t ook met de geloovigen te Colosse. „Gy zijt in Hem volmaakt,quot; zoo schrijft Paulus aan hen, of, gelijk er eigenlijk staat, gü zijt in Hem vervuld; door uwe geloofsvereeniging met Hem, die het Hoofd is van alle overheid en macht, zyt gü vervuld met al de gaven der genade, die uit Hem, als uit e m vollen oceaan van genade, neervloeien in allen, die met Hem, door het geloof zijn verbonden. Wie zal den rijkdom uitspreken der gaven, die in die woorden ligt opgesloten! Zelfs geen Johannes, geen Paulus zou dat hebben kunnen doen! Zij zouden daartoe eene volledige kennis hebben moeten bezitten van \'t geen elk hunner medegeloovigen, sedert hun komen tot den Heere Christus, van Hem ontvangen, door en uit Hem genoten hadden eiken dag, elk uur, elk oogenblik van hun nieuw, van hun geestelijk leven. Dit leven van de gemeente in \'tal-gemeen, van elk der geloovigen in \'t bijzonder, was eene aaneenschakeling van genadegaven, gevloeid uit de onuitputtelijke volheid van Christus. En zulks uit te spreken, neen, dat was eene onmogelijkheid. Zóó is \'t nog, waar eene waarachtige ziels vereeniging met den Heere Jezus Christus door den Heiligen Geest is gewerkt. En, waar die bestaat, daar kunnen wij, op grond der H. Schrift, ook volgens de gebruikelijke beteekenis van het woord „volmaaktquot;, van de geloovigen zeggen: „Gij zijt in Hem volmaakt.quot; Alzóó dan ons tekstwoord beschouwende, beteekent het, dat zij in Hem volkomen zijn, zóó zijn als zy wezen moeten, om voor het oog des Vaders te kunnen bestaan. Zijn en blijven zij in zichzelven ellendige, rampzalige, gansch verdorven en doemschuldige zondaren, en moet een heilig en rechtvaardig God, hen als zóódanigen aanziende, ze voor eeuwig van Zijn aangezicht verwerpen, — in Christus zijn zij volmaakt! En nu ziet Hij hen niet aan, zooals zij in zichzelven, maar zooals zij in Christus zijn, zooals zij zijn als leden van Zijn geestelijk lichaam, die in alles dee-len, waarin Hij, het Hoofd, deelt. In Hem zijn zij gekruisigd, in Hem gestorven aan de zonde, in Hem hebben zij aan Gods gerechtigheid voldaan, in Hem zijn zij opgestaan tot een nieuw leven, in Hem zijn zij reeds ten Hemel gezet. In Hem zijn zij heilig en rechtvaardig, en ziet God hen aan, alsof zy nooit eene enkele zonde hadden gedaan, en alsof zij de wet in al haren omvang en in volkomenheid hadden volbracht. Mogen wij in dat geloof staan, dan hebben wij daarin eene vertroosting, die onuitsprekelijk is. Met niets minder kunnen wij het ook stellen, zoo wij waarlijk gerust zullen zijn bij de gedachte aan dood en eeuwigheid. O! zalige geloofsvereeniging, waardoor zulk eene vertroosting gesmaakt wordt. Al moeten wij dan ook aan den eenen kant met Paulus zeggen: „niet, dat ik het aireede verkregen heb, of aireede volmaakt benquot;, wy kunnen, wij mogen dan toch ook, op onze
73
vereeniging met Christus ziende, betuigen: in Hem ben ik volmaakt! Gode zij eeuwig lof voor die onuitsprekelijke gave!
Waar is een vreugd, een kalmt\', een heil,
Zoo zalig, als dit hoogst genot?
Het vloeit uit God, en keert tot God,
Het heeft noch maat, noch perk. noch peil:
In Jezns is mijn zalig lot Verborgen bij mijn\' God;
Hij is mijn lust,
Ook als mijn stof eens rust.
O! prijst Hem, mijn gezangen!
Ik blijf zijn komst verlangen :
Hij is mijn lust!
Lezen: Jes. 54. — Coloss. 2.^— 1 Petr. 2.
L. SCHOUTEN Hzn.
20 FEBRUARI.
Lukas 10: 38 — 42: En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en eene zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
En deze had eene zuster, genaamd Maria, ivelke, ook zittende aan de voeten van Jezus, zijn woord hoorde.
Doch Martha was zeer bezig met veel dienen, en daarbij komende, zeide zij: Heere! trekt Gij U dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen la,at dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe!
En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha! gij bekommert en ontrust u over vele dingen;
Maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal lueggenomen worden.
Een huismoeder heeft haar drukten en zorgen, telken dage op nieuw, en ook de huisvader heeft zijn bezigheden en drukten, die nimmer eindigen. Hun arbeid eischt gewoonlijk al hun tijd en krachten. Zullen wij klagen, dat het zoo is? Is het niet veel meer eene wijze bestiering des Heeren, dat, na den zondeval, aan den mensch werd gezegd: „in het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten!quot; Voorzeker, druk te zijn, veel te moeten arbeiden, niet ledig aan de markt te staan, maar met zyn talenten en gaven, \'t zij die vele of
20 FEBEUAEI.
weinige zijn, te woekeren, - dat is een zegen, een zegen van God.
Toch werd Martha, de bedrijvige Martha, hier door den Heere Jezus berispt, terwijl de werkeloos daar neerzittende Maria geprezen werd. Maar, kan de mensch dan leven by brood alleen? Heeft hij dan niets anders te behartigen, dan zijn wereldsche belangen? En heeft dan ook de levendgemaakte ziel niet dagelijks voedsel noodig, %
tot versterking van zijn geestelijk leven ? Dat kon Martha thans in haar drukte vergeten, al had zü Jezus ook lief, terwijl Maria er een oogenblik afnam, om rustig neer te zitten aan de voeten van haren Heiland, opdat zij niets verliezen mocht van het zalige Zijner gemeenschap. Daarom kwam tot Martha het woord; „gij bekommert en ontrust u over vele dingen, — één ding is noodig.quot; — Ook ons worde dat woord heden herinnerd, gelijk het gedurig herinnerd mag worden,
aan alle kinderen Gods, die hier op aarde zooveel drukten en zorgen hebben. Neen, voor den christen mag de binnenkamer geen enkelen dag gesloten blijven, waar het heilig eenzaam, met God gemeenzaam wordt genoten, tot versterking van het leven der ziel. Die oogenblik-ken van stille afzondering kan de mensch niet missen, te midden van eene drukke en zondige wereld — de mensch, die eene eeuwige bestemming heeft, en wiens ziel blijft kleven aan het stof. Voor den christen blijft het noodig tot zijne heiliging en vertroosting, en om steeds meer te worden toebereid voor Let hemelsche leven. Och, dat alle menschen de behoefte daaraan meer kenden, want de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid. Zonder de wedergeboorte toch van het zondige, wereldsche hart kan niemand deel hebben aan het Koninkrijk Gods, kan niemand het eigendom van Jezus zijn, kan niemand ingaan ten leven. Och, dat ieder zondaar dan maar leerde klagen en bidden: „mijne ziel kleeft aan het stof, maak mij levend naar uw woord.quot; Maak mij levend door uwen H. Geest. \'tBlijveook de klacht en bede van alle Maria\'s en Martha\'s!
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mü in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in \'t rond.
Dat onbedacht zijn herder heeft verloren.
Ai, zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond.
Want hij volhardt naar uw geboön te hooren.
Psalm 119; 88.
Lezen: Luc. 12: 16—31. — Luc. 12: 32—40. — Ps 42.
J. G. P. MULLER.
74
21 FEBRUARI.
21 FEBRUARI.
Mattheüs 22: 42a; Wat dankt u van den Christus?
Elk Christen moet daarop het antwoord weten te geven, want gij noemt u naar zijn Naam, gij verwacht van Hem uwe zaligheid. De rust van uw leven, de troost van uw sterven, uwe hoop voor de eeuwigheid hangt af van de beantwoording van deze vraag. quot;Wiens Zoon is Hij? Is Hij de Zoon van Maria of is Hij de Zoon van God? Is Hy voor u alleen de volmaakte mensch en niets meer, dan is het hechten aan Zijn vóórbestaan, aan Zijne nederdaling uit den hemel, aan Zijn deelgenootschap van de goddelijke natuur bijgeloof; dan is het vertrouwen op Hem ijdelheid, dan is het aanbidden van Hem afgoderij. Is de Christus waarlijk de Messias, van wien Mozes en de profeten geschreven hebben, het vleesch geworden Woord, de Zoon van God, die van eeuwigheid af heeft geleefd, dan is het niet erkennen van Hem naar Zijne Goddelijke natuur, ongeloof, ontkenning van Zijne hemelsche afkomst en grootheid, en verwerping van Hem. of schoon men Hem als voorbeeld, als Leeraar, als volmaakt mensch met den mond vereert en roemt. Het moet ons duidelijk zijn, wie de Christus is, zullen wij voor ons zeiven weten, Wien wij aan Hem hebben. Is het ééne gevoelen waarheid, dan is het andere leugen. Zijn eigen woord moet het beslissen, en Hij zelf heeft gezegd, dat Hij Gods Zoon is. En de Vader heeft het ook krachtelijk bewezen, dat Jezus Zijn Zoon was door Hem op te wekken uit de dooden. De diepte dezer verborgenheid kan de eeuwigheid zelve niet omvatten. Maar de barmhartigheid Gods, die zulk ten Middelaar aanwees, én de wonderbare liefde des Zoons, om de Zoon des menschen te worden, zijn zaken des geloofs, niet der rede. Is Christus gestorven voor zondaren en uit het graf verrezen, dan opent Hij een weg voor doodschuldige, onreine, veroordeelde on verlorene zondaars om tot dien Heiligen God te naderen, die de schuldigen geenszins onschuldig kan houden. Wat gij ook aangaande u zeiven moogt meenen, als Christus u dierbaar is, zult gü eerlang met Hem zyn!
Gij maakt eerlang mij \'t levenspad bekend.
Waarvan, in druk, \'t vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
Schenkt mij in \'tkort verzadiging van vreugde;
De lieflijkheen van \'t zalig hemelleven Zal eeuvriglijk uw rechterhand mij geven.
Psalm. 16; 6.
Lezen: 1 Joh. 5; 1—12. — Matth. 22: 41 v. v. — Psalm. 110.
C. BOUTHOORN.
75
22 FEBRUARI.
22 FEBRUARI.
Mattheüs 17: 8: „En hunne oog en opheffende, zagen zij niemand
dan Jezus alleen.quot;
De Apostelen Petrus, Johannes en Jacobus zijn met den Heere Jezus geklommen op den berg, en op dien berg hebben zy Diens heerlijkheid aanschouwd; in tegenwoordigheid van Mozes en Elia hebben zü Hem verheerlijkt gezien. De zoo begrijpelijke vraag van Petrus, om daar tabernakelen te bouwen, om te midden dier heerlijkheid te blijven, is beantwoord met een stem uit den hemel; verschrikt en zeer bevreesd zijn zij ter aarde nedergevallen en als zij, bij de aanraking van Jezus hand, hunne oogen weder ophieven, zagen zij niemand dan Jezus alleen. — Wij weten het allen zeer wel, dat al onze aandacht, bij Jezus alleen bepaald moet zijn, maar laten wij het dan ook niet vergeten, dat dit juist plaats heeft, omdat wij te voren zooveel naar de dingen beneden, naar de zinnelijke dingen hebben gezien. Als gij door zonde en schuld verslagen uw oogen niet op durft heffen, — als gij, van uw ontrouw en kleingeloof uzelven bewust, bijna niet op durft zien; — en gij ontvangt de genade opwaarts te staren, dan geniet gij hetzelfde, als de apostelen weleer, gij ziet, wat uw geweten ook klaagt, hoe zwaar de schuld u ook drukt, niemand dan Jezus alleen. En wat verlangt gij nog meer? Laten we niet voor-overbukkende op onze zonden alleen blijven zien; de oogen van de zonden gewend en gezien op Jezus alleen. Daar wordt zooveel gelet, helaas! op de menschen, die beter en vromer zijn dan wij; vergeten wij \'t nimmer, dat in het Koninkrijk Gods niet de een op den ander, maar dat allen zien op Jezus.
Als de bloedvloeiende vrouw van deze gedachte niet vervuld was geweest, had zij nooit het gewaagd zoo door de menschen te dringen, om Jezus te vinden.
Mijn lezer! dit welbekende woord uit de H. Schrift moge ons geheel losmaken van al dat steunen en leunen op personen en zaken en leere ons onze hope en verwachting alleen te vestigen op Jezus. Laten wij onszei ven afvragen, met het oog op de eeuwigheid; waarop is onze hope gevestigd? Is die gevestigd op iets aardsch, iets men-schelijks, iets zinnelijks; — dan zullen we, helaas, eenmaal onze oogen opslaan, zijnde in de pijn, — dan zullen we alles zien, behalve juist Jezus. En Jezus alleen geeft ons kracht, om te leven, lust om te sterven, hoop om vernieuwd te ontwaken in den dag Zijner toe komst; — doch ook — Jezus alleen.
76
77
Zend, Heer\' mv licht en waarheid neder,
En breng mij, door dien glans geleid,
Tot uw gewade teute weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid.
Daar mij uw gunst verbeidt.
Psalm 43: 3.
Lezen: Psalm 24; — Daniël 10: -1—119. — Col. 2: i—15.
J. BOKR KNOTTNERUS.
23 FEBRUARI.
Lucas 9: 51 -56; En het geschiedde, als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte Hij zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.
En Hij zond boden uit voor zijn aangezicht, en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden.
En zij ontvingen Hem niet, omdat zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.
Als nu zijne discipelen Jacobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heerel icilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft?
Maar zich omkeerende bestrafte hij hen, en zeide: Gij iveet niet van hoedanig en geest gij zijt.
Want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.
Welk oen heerlijke openbaring van het groote doel, waartoe Gods Zoon in de wereld kwam, vinden wy in dit eenvoudig verhaal. —
De Heere Jezus wist, dat zijne opneming in het hemelsche Sion aanstaande was, maar eerst wilde hij nog naar het aardsch Jeruzalem gaan. Voor Hem was er geen kroon zonder kruis, de heerlijkheid aan de rechterhand des Vaders kon alleen langs den lijdensweg worden verkregen, want juist in Jeruzalem moest Hij het Hoogepriesterlijk offer brengen, waardoor Hij allen, die in Hem gelooven, de oorzaak zou worden van eeuwige zaligheid. — In Jeruzalem! ... daarom ontvingen de Samaritanen hem niet, en daarom wilden de Joden, die wel wisten, dat Jezus\' oog altoos naar het/iemefec/je JmtscfZewi was gewend, hem óók niet ontvangen. En is het thans wel anders geworden? Ach neen, de zondaar, die aan zichzelven genoeg heeft, ontvangt dien Jezus,
78 28 FEBRUARI.
die ons van onze zelfzucht wil verlossen, evenmin, als toen de Samaritanen, en staat, bij schijnbaren eerbied voor Zijn woord, in den grond der zaak nog even vijandig tegenover Zijn persoon. —
Dat is zeker smartelijk voor des Heeren discipelen, en daardoor werd eertijds bij Johannes en Jacobus de onheilige begeerte wakker om met vuur van den hemel die onbeschaamde Samaritanen te verteren, die er rond voor uitkwanen, dat Zij geen plaats hadden voor hen, noch voor hunnen Meester!
Hoe weinig was de zelfzucht nog in hun hart, overwonnen! maar als wij nu eens bedenken, dat wij óók om Jezusivil, door velen niet worden ontvangen, kunnen wij dan die geringschatting rustig dragen, wetende „dat de dienstknecht niet meer is dan zijn Heer?quot; Eerst dan, wanneer wij dat geleerd hebben, verstaan wy Zijn woord:. De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden! \'
Niet verderven — maar behouden, daarom ging Jezus naar Jeruzalem, om daar den grooten verderver te verslaan en zondaren te behouden voor het hemelsch Jeruzalem! Als dus de Booze u kwelt, wees getroost. — Jezus is gekomen om u te behouden; als de wereld u lokt, wees gerust, Jezus is machtig om u te behouden, en als er voor u, oprechte discipel, geen plaats hierbeneden meer is, wees verblijd, dan getuigt Gods Geest met den uwen, dat Hij is gekomen om te behouden en — door Hem geleid, trekt gij heen naar het Jeruzalem daarboven!
Waar is een vreugd\', een kalmt\', een heil,
Zoo zalig, als dit hoogst genot?
Het vloeit uit God, en keert tot God,
Het heeft noch maat, noch perk, noch peil:
In Jezus is mijn zalig lot Verborgen bij myn\' God;
Hij is mijn lust.
Ook als mijn stof eens rust.
O! prijst Hem, mijn gezangen!
Ik blijf zijn komst verlangen;
Hij is mijn lust!
Gezang 49: 5.
Lezen; Matth. 5: 11—19. — Joh. 4: 4—21. — Efz. 5: 1—10.
H. A. van OOSTROM SOEDE.
24 FEBRUARI.
24 FEBRUARI.
Joh. 16; 33a: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.
Sinds oude tijden werden de weken voor Paschen bepaaldelijk gewijd aan de overdenking van het lijden des Heeren. Memand kan toch de vertroosting van dat feest des levens genieten, die geen vrede heeft gevonden door het bloed des kruises.
In den nacht, in welken de Heer verraden werd, heeft Hij daarom tot zijn discipelen veel gesproken over zyn smartvol heengaan, opdat de Goede Vrijdag hen niet wanhopig zou vinden endePaasch-morgen hen zou doen juichen.
„Deze dingenquot;, zeide de Heer eindelijk, „heb ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.quot; En welke waren deze dingen? De Heer had gesproken van Zijn lijden en sterven. Hij had gezegd, dat één uit de twaalven Hem zou verraden, dat Petrus Hem driemaal zou verloochenen, dat zijn jongeren Hem een tijd lang niet zouden zien, dat zij zouden verstrooid worden en Hem alleen zouden laten. Nog veel meer had de Heiland gesproken: „beteekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.quot;
Diezelfde dingen vormen nog steeds den treurigen inhoud der lijdensverkondiging. Zij doet ons den Christus volgen van Gethsémané naar Golgotha. Zy doet ons den Heiland der wereld aanschouwen, gevangen, veroordeeld, gesmaad, gegeeseld, met doornen gekroond, genageld aan het kruis.
Wel droevig is die prediking en dat te meer, omdat Hij zoo leed voor ons. Hij is verwond, maar om onze overtredingen. Hij is gegeeseld, doch om onzentwille. Hij is aan het vloekhout genageld, maar alleen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten. Hij is van God verlaten, opdat wij nimmermeer zouden verlaten worden. Hoe gruwelijk is dan de macht onzer zonden, die den Rechtvaardige brachten aan het kruis! Hoe groot is dan onze schuld voor God, waaraan alleen door den Christus aan Golgotha\'s vloekhout kon worden voldaan!
Maar, omdat Hij voldaan heeft, doet Hij ons nu deze dingen verkondigen en dat nog in de lijdensweken met hetzelfde doel, waarmede Hij er over tot zijn jongeren sprak, n.1. „opdat gij in Mij vrede hebt.quot;
De goddeloozen hebben geen vrede; geen vrede met God, voor Wien zij beangst zijn; geen vrede met de menschen, die hun vaak zoo hinderlijk zijn; geen vrede met de wereld, die dag aan dag teleur-
i!5 FEBRUARI.
stelt; geen vrede met hun goddeloos en zondig leven, waarin zij geen rast vinden; geen vrede met zich zeiven, want over alles, ook over zich zeiven, zijn zij ten slotte ontevreden.
Vrede is rust, steunende op recht. Waar onrecht is, is geen rust. Maar die gerechtvaardigd is bij God door den dood des Zoons, heeft vrede; vrede door de genade Gods, en de vergeving met Hem in het bloed des Kruises. Op de groote levenszee moge hij worden heen en weder geslingerd, nu eens worden opgevoerd op de toppen der golven, dan eens neergestort in de diepte der wateren, toch zal hij vrede hebben. Zooals het kind veilig sluimert in moeders armen, ook als het zich bevindt in het slingerend schip, zoo heeft ook vrede, zoo gevoelt zich ook veilig bij God ieder, die in de prediking van het lijden des Heeren geloovig kent de verkondiging van eigen zonde en schuld, van eigen naar recht verdiend oordeel, maar gedragen en vergeven door Hem, die deze dingen verkondigt, opdac wij vrede zouden hebben in Hem.
De God des Heils wil mij ten Herder wezen.
\'k Heb geen gebrek, \'k heb geen gevaar te vreezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden.
Aan d\' oevers van zeer stille watren leiden.
Hij sterkt mijn ziel, richt, om zijn naam, mijn treden
In \'t effen spoor van zyn gerechtigheden.
Psalm 23: 1.
Lezen: Joh. 10. — Eom. 5: 1—11. — Colos. 1.
H. J. 1.. POORT.
25 FEBRUARI.
Jos. 53: 6: Wij dwaalden allen als schapen, wj keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.
Niets kan onder den zegen des Heeren ons meer verootmoedigen, dan de overdenking en wetenschap, in welk een nood wij verkeerden, toen wij den Eeuwiglevende nog niet kenden. Wij waren als schapen, die, lichtzinnig en ondankbaar, zich van hunnen getrouwen Herder Imdden afgekeerd. Beladen met schuld, blind voor een dwaasheid, die ons den dwaalweg deed verkiezen boven het rechte spoor, zwierven wij dagelijks verder van God af, de ellende, den dood tegemoet. Menige
80
\'25 FEBRUARI. 81
Evangelieroepstem, die daar drong om tot Hem terug te keeren, bereikte ons oor, maar in de boosheid van ons hart bleven wij wandelen op onzen zelf gekozen weg. En, waar genade ons eindelijk deed zien, waarop die eigen weg moest uitloopen, daar zagen wij tevens, dat wij onbekwaam waren zelf een middel tot ontkoming, tot redding, uit te denken.
Maar dit was ons heil.
God heeft in Zijne ontferming zelf het middel aangewezen; want alzoo luidt het Evangelie; „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.quot; Zie daarom op Jezus, als uw Plaatsbekleeder, verhoogd aan \'t bloedig kruis, bedekt onder uwe zonden, die Hem zijn toegerekend. Zie op den lijdenden en stervenden Jezus, tegen Wien, naar Gods bestel, al uwe ongerechtigheden aanstormden, gelijk de onstuimige golven tegen den rots in zee en verheug u, dat God, u in Hem aanziende, geene ongerechtigheid in u ontdekt. Verschuil u achter dezen sterken rots, achter Christus, die op deze wijze uwe zonde werd, ter wijl gij Zijne gerechtigheid zijt. Leer in uw Plaatsbekleeder met God verzoend en vereenigd met vasten tred den weg der zaligheid betreden. Herinner u, hoe in Christus\' dood uwe zonden zijn weggezonken als in het graf der eeuwige vergetelheid, zoodat Gods aangezicht weder in gunst tot u is gekeerd; en laat deze gedachte u er toe brengen om in de kracht van dezen. Zich tot een schuldoffer stellenden Heiland, aller zonden vijand te zijn. Bid om den Heiligen Geest, dat Die u beware voor de smartelijke ervaring door woord of daad zulk een liefdevollen Heiland opnieuw te kruisigen, waardoor de vrucht van Zijn plaatsbekleedend offer zich niet in u zou kunnen openbaren.
Geen geruide zijn wij waard;
Maar in d\' Evangeliebladen Heeft ons God zijn gunst verklaard:
Dat wij, hoe met schuld beladen,
Dan geloovig tot Hem gaan,
Jezus neemt de zondaars aan!
Als een herder wil Hij trouw
\'t Schaap, in een woestijn aan \'t dwalen,
Daar \'t zich zelf verliezen zou.
Van den doolweg wederhalen,
Brengen op de rechte baan:
Jezus neemt de zondaars aan!
Gezang 39; 2, 3.
Lezen: Jes. 53 : 1—7. -- 1 Petr. 2: 13—25. — Joh. 10: 1—18.
J. L. DIPPEL.
6
DAGBOEK.
26 FEBRUARI.
26 FEBRUARI.
Joh. 3; 14, 15; En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet ook de Zoon des menschen verhoogd worden-, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hehbe.
De bedoeling van God met zijn volk, in al de leidingen door dit leven, is hunne heerlijkmaking, maar op die leidingen zeiven, toeleidingen daartoe, is ook heerlijkheid door Hem gelegd. Dat nu zien zij menigmaal niet, vooral voor de heerlijkheid der lijdenswegen is te veel het oog gesloten; staande in het lijden, staande tegenover een graf, antwoorden zij op vertroostende beloften uit Gods Woord met Martha dikwijls; „ik weet, dat de heerlykheid komen zal, doch: ten laatsten dage.quot;
Maar is dan het woord niet waarachtig, dat, wie gelooft, ook te midden der donkerheden dezes levens, de heerlykheid Gods ziet?
Do Heiland noemt duidelyk in het aangehaalde woord tot Nico-demus, voor Hemzelven, zoowel Zijne toekomstige heerlijkheid, als den kruisweg daarheen, verhooging, en hetgeen waar is voor den Oversten Leidsman hunner zaligheid, is ook waar voor de kinderen, die, door het geloof met Hem verbonden, tot de heerlijkheid geleid worden. „Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, moet de Zoon des menschen verhoogd worden,quot; daarin kondigt de Heere Jezus zijn kruisiging aan. Het hangen aan de schandpaal, het sterven als een gevloekte is noodzakelijk, om den zondaar te doen zien, wat de zonde hem waardig maakte, om de gerechtigheid Gods te doen uitblinken, doch ook om Zijne liefde tot verlorenen te toonen in het eenige middel des behouds, ook omdat, als het tarwegraan niet sterft, het geene vrucht voortbrengen kan. Die kruisiging is eene verhooging; in Zijne vrijwillige vernedering ligt des Heilands heerlijkheid. Jezus Christus is groot, omdat Hij zich tot zonde maken liet, omdat Hü gehoorzaam is geworden tot den dood des kruises. De ^nesier maakt zijn bediening heerlijk, juist, wanneer hij offert. De/«enter-toont zich de goede herder, ivaar hij zijn leven stelt voor zijne schapen. De Zoon des menschen is verhoogd aan het kruis; „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbequot;; zonder dat kruis ware Hij geen Verlosser.
Wie dan ook door genade op den Gekruisigde leert zien, en hij alleen, gaat het leven in; doch dat leven wordt het onze door den dood heen; tot de heerlijkheid der kinderen Gods komen we niet, dan door vernedering en vernietiging. Ziet hier de weg tot verhooging
27 FEBRUARI. !
zelf eene verhooging. De pijnlijke snede in \'t zwerend vleesch is de aanvang der genezing; hefc uitgraven van den bodem voor \'t fondament het begin van den bouw. De kreet om behoud uit \'t verbrijzeld hart is het eerste levensteeken; de behoefte aan Jezus\'genade is Gods werk, dat Hij voleindigen zal. Het neerzinken als een onwetende, machte-looze, doemschuldige was de omzetting van Paulus, \'s Heeren vijand, in Paulus, \'s Heeren dienaar.
Jezus discipelen hebben van noode alle dagen te sterven, maar daarin ligt ook hun adeldom, daaruit weten zq, dat zij geen bastaarden, maar kinderen zijn. Het kruis, Hem nagedragen, schittert in\'t geloofs-oog met een glans van Jezus\' kruis afstralend. Vertroost er uwe zielen mede, lijdende broeders en zusters, dat het litteekenen van uw Heiland zijn, die u sieren. Opziende tot Hem, die zich lijdend liet verhoo-gen, zult gü kracht hebben, ja, blijdschap onder smart en gemis; en de Gekruisigde blijft voor alle gewonde harten borg staan, uitnoodi-gend tot genezend en vertroostend zien.
Christus heeft het kruis verdragen en schande veracht, om de vreugde. Hem voorgesteld; Hij is, na verhoogd te zijn op Golgotha, verheerlijkt als Middelaar aan \'s Vaders rechterhand; zijn verloste gemeente, tot zijn lijdend lichaam verhoogd, wordt, na verheerlijkt te zijn in de toebereiding, opgenomen in de heerlijkheid zijns troons.
\'k Zal dan gedurig bij ü zün.
In al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gü mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in uw heerlijkheid.
Psalm 73: 12.
Lezen: Job. 3 : 1—21. — Jes. 26. — 2 Cor. 4.
C. PLUG.
27 FEBRUARI.
Johannes 10: 15: G-elijherwijs de Vader Mij kent, alzoo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.
Lieflijker beeld kon Johannes ons al niet schetsen, om de innige, teedere verhouding aan te geven tusschen Christus en de zijnen, dan
27 FEBRUARI.
die van een goeden trouwen Herder en zijne schapen; maar ook geen grooter voorrecht denkbaar, voor dit en het toekomende leven, dan een schaap van dien goeden Herder, hier bedoeld, te mogen zijn uit genade.
Immers kent Hij ze allen bij name, en wordt van hen gekend; met koorden der goedertierenheid zijn ze aan Hem verbonden, hooren Zijne stem, volgen Hem, en, naarmate zij zich dichter bij Hem aansluiten, zijn zij veiliger bij alle mogelijke aanvallen. Niemand zal ze uit Zijne hand rukken. Hij heeft ze Zich geöigend, gekocht met Zijn bloed, verlost van alle geweld des doods, naardien Hij Zijn leven stelt voor Zijn schapen. Die schapen waren door niets anders te redden, brandoffers en slachtoffers konden niet baten, voldeden niet aan den eisch der gerechtigheid, noch aan de eer des Heeren.
De ongerechtigheid des lands zoa op eenen dag worden weggenomen, maar dan moest de goede Herder ook Zijn leven stellen voor Zijne schapen, en dan, maar ook niet eerder, was er plaats voor het danklied „de Heere is mijn Herder, my zal niets ontbreken.quot; Wel is waar gaat de tocht niet altijd door grazige weiden, langs de oevers van zeer stille wateren of door het gezaaide, integendeel, menigmaal leidt Hij de Zijnen in de woestijn, maar Godlof, ook in die wildernis kan een ziel het soms nog zoo goed hebben onder de leiding van den goeden Herder. Hoort, wat Hij in Hozea\'s Godspraak ons toeroept; Daarom, zie. Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. Menschen spreken ons licht naaiden mond. Hij, de goede Herder, spreekt naar ons hart, te weten, naar deszelfs diepste behoeften, zoo wij, to midden van den strijd des levens, blijde en goedsmoeds kunnen juichen, „gij zijt verlost, o, mijne ziel, God heeft u welgedaan.quot; Dan wordt de woestijn ons een paradijs, de wildernis een grazige weide, dan zijn de bergen vlak en de zeeën droog.
Zjjt gy al een schaap van dien goeden Herder, trekt gij reeds aanvankelijk op onder Zijn staf, o, wat een veilig voortreizen dan en blij vooruitzicht, want, wie onder Hein mag optrekken, in eeuwigheid gaat zulk een ziel niet verloren, want Hij, de goede Herder, die haar voerde in de woestijn, stelt Zyn leven voor Zijne schapen. Zijt gij soms aan het dwalen, welk een troost dan voor uwe bekommerde ziel, dat Hij de Zijnen kent en ze zal leiden in het rechte spoor. Zoo dikwijls als gij dan het rechte spoor bijster zijt, zij er maar een roepen tot God uit de diepte uwer ellende, een vragen, dat Hij u zoeke, een belijden, dat gij van Hem zijt afgeweken, en dan zult gij ervaren, hoe Hij als trouwe Herder u den slingerpteen der genade weet toetewerpen, om u tot Hem terug te voeren. Dan gunt Hij weer leven aan uwe ziel en
84-
28 FEBRUARI. I
geeft u psalmei in den nacht. Door de woestijn liep voor Israël de weg naar Kanaftn, en om daar in te komen, moesten zij de Jordaan over. Niet anders is het met de schapen van Christus. Ook hun weg loopt door de woestijn, zoo komen ze, en niet anders in hetKanaan der ruste, over de Jordaan des doods.
Maar geen nood o, schapen Zijner weide!
Weet gij waarom ?
Omdat Hij, de Herder uwer ziele. Zijn leven voor u heeft gesteld en afgelegd.
Als een herder wil Hij trouw \'t Schaap, in een woestijn aan \'t dwalen,
Daar \'tzich zelf verliezen zou.
Van den doolweg wederhalen,
Brengen op de rechte baan:
Jezus neemt de Zondaars aan!
Gezang 39: 3.
Lezen: Psalm 23. — Ezechiël 34: 12—23. — Jesaia 40: 1—11.
H. FEIJKES.
28 FEBRUARI.
Johannes 17: 3: En dit is het eeuwige leven, dat zij Ukennen, den e enig en waarachtig en God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Zóó spreekt, in het Hoogepriesterlijk gebed, de Zaligmaker zelf.
En de Heer spreekt deze woorden eenvoudig uit, zonder nader bewijs. Dat de zon verwarmt, behoeft niet bewezen te worden. In het midden eener schuldige wereld proclameert de Heer eenvoudig, dat in de kennis van Hem en den Vader het leven is. Als rotsen, zegt Bet-tex eigenaardig, zet de Heer de eeuwige waarheden neer, en Hij doet geen moeite ze te bewijzen. Als rotsen, voegen wy er aan toe, waarop de heilbegeerigen vertrouwen kunnen, en waarmede wereld en satan te rekenen hebben, die ze onmogelijk, hoe zij ook knagen, kunnen doorgraven.
In de kennis van God den Vader is het leven.
De Heidenen kennen God niet. Hun is Hij een schrikbeeld.
Maar de geloovige, de christen, mag den heiligen en rechtvaardigen God kennen ook als den genadige, die voor zondaren zijnen Zoon
86 28 FEBRUARI.
op de aarde zond, gelijk de jongste zoon in de gelijkenis het barmhartig vaderhart leerde kennen.
Maar niet in de kennis van God den Vader alleen, maar in de kennis Gods en van Jezus Christus is het leven.
Ik ben godsdienstig, zeggen sommigen, maar zjj willen van Christus als Middelaar niet weten. Maar dan zijn zy ook niet, in goeden zin, godsdienstig, dan dienen zy\' slechts den God hunner verbeelding. Want tot God den Vader hebben wü, schuldige zondaren, alleen toegang door Jezus Christus, door den Vader tot Middelaar bestemd, die als Borg voor zondaren de straf der zonde droeg.
Het is duidelijk, niet een verstandelijk kennen wordt hier bedoeld. Ook de duivelen gelooven, maar zy sidderen. Maar een kennen na wedergeboorte, een kennen door het licht des Heiligen Geestes, bij zonde- en schuldbesef. Een vertrouwend kennen.
Lezer! bezit gij het hier bedoelde leven? Ernstige vraag! Straks komt de dood. En in de stervensure kunnen wij alleen getroost zijn, zoo wij het eigendom zijn van den Heere Jezus, die met zijn dierbaar bloed voor zondaren betaalde.
Satan legt het er op allerlei listige wijzen op toe, dat wij niet gelooven, vertrouwend kennen.
Maar er is, door Gods genade, een machtige Zaligmaker, in Wier..s naam onze zonden vergeven, ons hart gereinigd kan worden, vertroostingen, te midden van onwaardigheid, kunnen ervaren worden. En zoo ons geloofsoog hiervoor helder is, dan wordt reeds hier iets gesmaakt van het leven, dat straks volmaakt zal wezen.
Eeuwig, onbegrijplyk Wezen,
Vader, Zoon en Heiige Geest!
Leer mij daaglijks meer U kennen,
ü gelooven allermeest;
\'t Heil van zondaars voert uw liefde
Tot den allerhoogsten top:
Amen! Godlijk Evangelie!
Amen! Zegt mijn ziel daarop.
Gezang 52: 13.
lezen: JoIj. iquot;. — EzccMël 33: 1—11. — Joh. 3: 1—16.
A. GULDENARM,
29 FEBEUAEI.
29 FEBRUARI. (Schrikkeljaar)
Lucas 19 : 41 : En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.
Onder de jubelkreten des volks is Jezus aan den voet van den Olijfberg gekomen, en zag Hij de stad Jeruzalem aan.
Maar, zooals Hij, de hoogste Profeet, die stad aanzag, zag haar geen ander.
Menschen zien aan. wat voor oogen is. Voor andere dingen, dan wereldsche grootheid heeft de groote menigte geen oog en geen hart.
Maar Jezus ziet met Zijn alwetenden blik eene stad vol zonde en ellende.
Wel werd in dat Jeruzalem de afgodendienst verfoeid, wel stond er de tempel in zijn pracht, en de priesters offerden in zyne voorhoven aan den God der vaderen.
Maar Hy, die niet oordeelde naar den schijD, wist, dat vormen en letterdienst, het aanbidden in Geest en Waarheid vervangen hadden.
Hoogmoedig verhief men zich op nauwgezette wetsbetrachting, en tegelykertijd maakte men Gods geboden krachteloos door men-schelijke inzettingen. Hij zag een volk, dat God naderde met de lippen en dat het hart verre van Hem hield. Daarom weende Hij, terwijl alles te Zijner eer jubelde. De hardnekkige zonde van dit volk was Zijn zwaarste lijden.
Want Hij is ook de medelijdende Hoogepriester. Hij staat gereed Zijne ziel te stellen tot een rantsoen voor velen. Hy weet, straks zal datzelfde Jeruzalem Hem zien, als den man van smarte. DanzalGeth-semané\'s hof, Kajafas\' rechtzaal, Pilatus\' rechthuis, Golgotha\'s kruis uitroepen: God heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aan-loopen!
Ziet, dat is de Zone Gods, menschgeworden om zondaren zalig te maken, dat is de Verlosser door Zijn eigen bloed, de Hoogepriester, die het offer voor de schuld brengt, en voorbidt bij den Vader.
Maar dat is ook de Koning, die met den adem Zijner lippen de goddeloozen zal dooden, doch ook het heerlijk vrederijk stichten zal.
Hij deed Zijn intocht niet over lyken, maar over palmtakken.
Als Jezus Zijn intocht doet in een menschenhart, dan leert Hij weenen over de zonde, dan ontdekt Hij ook dien zondaar aan zich zeiven, die meende, dat hij zeer godsdienstig was, en inderdaad leefdn voor de wereld.
Dan leert Hij zien. wat verborgen was voor\'t natuurlijk oog; het
87
88 1 MAART.
heil in Christus, den vrede, dien do ziel smaakt van hem of haar, die een onderdaan is geworden van dezen Koning.
Zou Jezus ook over u weenen? Of was daar reeds over u vreugde bij de engelen des hemels?
Dun zal, na zooveel gunstbewijzen,
\'t Gezegend heidendom \'t Geluk van dezen Koning prijzen,
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheèn;
De Heer, in Israël geprezen.
Duet wond\'ren, Hg alleen.
Psalm 72: 10.
Lezen: Lucas 19: 36—18. — Hebreen 4: U—10. — Jesaja 11: 1—9.
J. DOORENBOS.
I MAART.
Johannes 11: 50: En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk en het geheele volk niet verloren ga,
quot;Wanneer op den Goeden Vrijdag in de Pieterskerk te Rome het lijden des Heeren wordt herdacht, dan is die groote kerk geheel in het duister gehuld en maar één lichtbundel wordt daar ontstoken, namelijk bjj het groote kruis, dat midden in de kerk is geplaatst.
Dat geschiedt, opdat aller oog zich daarop zou richten en bij dat kruis alleen aller gedachten zich zouden bepalen.
Zoo gaat het ook in deze lijdensdagen, dia wij nu weer mogen beleven.
Vóór alles wordt onze aandacht getrokken in deze dagen naar het kruis, waar Gods Zoon stierf, om Zyn Sion te redden en te verlossen. En van zelf valt dan, waar wij nog in het voorportaal van dat lijdensheiligdom staan, ons oog op den man, die, als hoofd van Israels Sanhedrin, met alle kracht het vonnis van Jezus bespoedigde.
Als Hoogepriester bezorgd voor Israels uiterlijke Kerk is zyn hart vol vreeze, waar zooveel volks den profeet van Xazareth volgt.
Door Lazarus\' opwekking uit den dood, zijn veler oogen geopend geworden en keeren meerderen zich van het Sanhedrin af, om zich naar Jezus te wenden.
2 MAART. 80
En waar dat de angst van den nood vergroot, daar spreekt hij dat doordringende, maar ook profetische woord; Het is ons nut, dat één mensch voor het volk sterve en het geheele volk niet verloren ga.
En ja, Kajafas, wat gü daar door haat gedreven uitspreekt, het is juist het doel, waartoe Christus kwam.
Het volk, dat verloren lag onder zonde en schuld, het volk, dat-met den vloek beladen zijn stervensweg opging, moest gered worden. In dat volk zelve was daartoe geen kracht, machteloos a\'.s het neerlag onder den staf des drijvers, iederen weg tot zelfredding afgesneden hebbend.
Maar Gods rommelende ingewanden zijn over dat volk, en het zal niet verloren gaan. God geeft het Zijn Zoon als een Borg en Goel. En waar nu straks het kruis rijst, door uw toedoen, o, Kajafas, opgericht, daar wordt nu door Zijn sterven uw woord, maar in andoren en hoogeren zin vervuld: „Het is nut, dat één mensch voor het volk sterve, en niet het gansche volk verloren ga.quot;
O aanbiddelijke wijsheid Gods, die, wat menschen bedachten, liet volvoeren, opdat zoo Zijn Eaad tot zaligheid en redding van Zyn volk ten volle werd vervuld.
Geen ding geschiedt er ooit gewisser,
Dan \'thoog bevel van \'sHeeren mond:
Zijn godd\'lijk\' almacht spreekt en \'tis er,
Zijn wil gebiedt, en \'t wordt terstond.
Schoon de heid\'nea samen List op list beramen,
God verbreekt hun raad;
Schoon de mogendheden Snood\' ontwerpen smeden,
Hij belacht haar haat.
Psalm 33: 5.
Lezen: Johannes 11: 45—57. — Psalm 22: 1—25. — Jesaja 53.
G. NIJHUIS.
2 MAART.
Matth 16: 6 — 13: En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdeesem der farizeën en sadduceën.
En zij overlegden hij zichzelven, zeggende: Het is, omdat wij geene brooden mede genomen hebben.
2 MAART.
En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzeiven, gij kleingeloovigen! dat gij geene broaden mede genomen hebt?
Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijfduizend mannen, en hoeveel korven gij opnaamt ?
Noch aan de zeven brooden der vierduizend mannen, en hoeveel manden gij opnaamt?
Hoe verstaat gij niet, dat Ik u niet van brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der farizeën en sad-duceën ?
Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdeesem des broods, maar van de leer der farizeën en sadduceën.
Als nu Jezus gekomen was in de deel en van Cesaréa Filippi, vraagde Hij zijnen discipelen, zeggende: Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben?
Nog eenmaal toefde de Heiland in het vriendelijke Bethanië, ofschoon thans niet in het bevoorrecht gezin van Lazarus en zijne zusters, maar in het huis van Simon den melaatsche.
Aan Simons avonddisch aanzittende ontving de Heer een liefdeblük van Maria, de zuster van Martha en Lazarus.
Zij toch kwam aldaar tot Hem, „hebbende een albasten flesch met zeer kostelüke zalf.quot; Meermalen aan \'s Heilands voeten gezeten, om „de woorden des eeuwigen levensquot; ie hooren, had zij bij het licht des H. G-eestes ook in dezen Jezus eene heerlijkheid aanschouwd „als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid,quot; in Hem leeren gelooven en Hem leeren belijden en aanbidden als haar Goël en Losser. Met teedere liefdebanden aan Hem verbonden, wil zij zich ook nu aan Zijne voeten stellen, doch thans om Hem blykente geven van haar oprechte liefde en innige dankbaarheid. Haar albasten flesch nemende, giet zij deszelfs inhoud uit op \'s Heilands hoofd, zoodat het geheele huis vervuld wordt met den reuk der geurige zalf. Het oordeel der menschen gaat echter over haar liefdewerk, verricht naar de inspraken van haar hart. Immers Judas en de andere jongeren, haar doel en liefde miskennende, namen het haar „zeer kwalu\'k.quot; In hun liefdeloos en onbillijk oordeel betreuren zy het verlies dezer zalf, terwijl Judas, achter den schijn van nauwgezetheid en zorg voor de armen snoode bedoelingen verbergende, zelfs verzekert, dat zij voor „drie honderd penningen had kunnen verkocht wordenquot; ten bate der armen. Doch nu laat ook Jezus, die elke daad der liefde naar haar bron beoordeelt, er Zijn oordeel over gaan. Hy keurt Maria\'s daad goed en spreekt beschamende woorden voor de discipelen met het
2 MAART.
oog op hun ontijdige zorg voor de armen en bemoedigende woorden voor Maria, wier oprechte liefde Hij kende. Tot meerdere vertroosting voor haar verzekert de Heiland bovendien, dat zij dit heeft gedaan tot eene voorbereiding van Zijne begrafenis. Haar liefdewerk had dus een hoogere beteekenis, als in verband staande met \'s Heilands verlossingswerk en inzonderheid met Zijne begrafenis, en was dus profetisch. Of Maria hiervan zich ten volle bewust was? Wie zal zeggen, waardoor somwylen een door den H. Geest vernieuwd harte er toe gedreven word:, om den Heere eere te geven en een offer der dankbaarheid te brengen, juist als Hij dit voor Zijn werk, Zijn rijk, of voor een Zijner discipelen noodig heeft? Ook in dit opzicht zijn do genadeleidingen Gods menigmaal wonderlijk. Van Maria\'s liefdeblijk zal dan ook gesproken worden „alwaar dit Evangelie gepredikt z^l worden in de geheele wereld.quot; zoo verzekert do Heiland en het is lot heden bevestigd. „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft,quot; schrijft een van \'sHeeren Apostelen. Dat sprak Maria uit in haar liefdedaad. Hiermede stemmen alle verlosten des Heeren in, dit belijdende niet alleen, maar ook openbarende in daden van liefde en barmhartigheid, want een goede boom brengt goede vruchten voort. Van dezulken geldt het dan ook: „Ik ken de mynen, en worde van de mijnen gekend.quot; Trooste en bemoedige dit allen, die den Heere Jezus, geluk Maria belijden, liefhebben en eere geven! Wekke de overdekking van \'s Heilands lijden, onder den zegen des H. Geestes bij hen de wederliefde op! Met het oog op hun arbeid der liefde, als vrucht van het oprechte geloof, zullen zij éénmaal het woord huns Konings hooren: „Voorwaar zeg ik u: voor zooveel gij dit een van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan.quot;
Wie zou Hem geen\' dank bewijzen,
Hem niet prijzen.
Hem niet loven? wie zich niet Aan dien Herder overgeven,
Die zijn leven Voor zijn schapen niet ontziet?
Wie Hem niet tot Heer begeeren,
Hem niet eeren.
Die ons van \'t verderf behoedt.
Ons gekocht heeft door zijn bloed?
Gezang 107: 0.
Lezen: Jes. 53. — Joh. 12: 1—16. — Coll. 3: 1—17.
JAC. EBINGA.
91
? MAART.
3 MAART.
Mattheüs 26: 39. Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker voor Mij voorhij gaan; dochniet, gelijk Ik icil.maar, gelijk Gij wilt.
Gelijk de Vorst der duisternis in de woestün van Juda den Heere Jezus aanviel, en trachtte Hem te doen terugtreden door de voorstelling van eer en macht, alzoo gebruikte hij in Gethsemané de voorstelling van lijden en schande. Bij het betreden van den hof dei-olijven begon Jezus droevig en zeer beangst te worden. „Züne ziel werd bedroefd tot den dood toe.quot; Het was Hem, alsof Hij onder zijne smarten zou bezwyken. Had Hij eerst gebeden, dat zijne geliefden met Hem zouden waken, de droefheid der ziel werd zóó hevig, dat zelfs hunne tegenwoordigheid voor Hem ondragelijk werd. Zoo ging Hij alleen dieper den hof in. Daar wierp Hij zich in het stof, en bad den Vader om wegneming van dezen drinkbeker, tevens zich onderwerpende aan des Vaders wil.
Het is ons niet gegeven het zielelijden des Heeren in zijne ontzettende diepte te kennen. Eerst de eeuwigheid zal aan de gemeente openbaren, wat in die donkere lanen is geleden. Wat gij ook onder den drinkbeker verstaat, hetzij den toen doorleefden zieletoestand, hetzy zijn dood aan \'t kruis, gü zult op dien geheel eenigen Lijder met huivering zien, bedenkende, dat, wat Hij daar leed, een deel was van wat Hij tot uwe behoudenis lijden moest, en ook lijden wilde. Aanmerk, u zeiven op de borst slaande, den Man van smart en verzocht in krankheid! Zie Hem lijden, hoor Hem klagen; hoor Hem bidden om wegneming van den bitteren lijdenskelk, en belijd het; „\'t Zijn ook mijne zonden, die U al dat lyden hebben aangedaan!quot; Maar denk dan ook aan dat: „Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede!quot; En zie dan met schaamte op het lijden door u verdiend, en met \'s Heeren lijden vergeleken van weinig beteekenis; in weerwil daarvan door u niet in stilheid, niet met eenswillendheid en onderwerping, maar klagend en morrend gedragen. Nauwelijks begint uw lijden, of gy opent reeds den mond, menigmaal om den dag uwer geboorte te vervloeken, althans om te jammeren, dat gij zoo ongelukkig zijt, en te vragen, waarmede gij dit] lijden verdiend hebt. Hoe noodig is het toch voor u, te begeeren, dat die groote, die geheel-eenige Ly\'der u in zijnen schoot neme, waar gg leeren zult nederig, kinderlijk en stil u naar den wille Gods te voegen. Bedenk, dat aan de verhooging de vernedering voorafgaat.
92
■i MAART.
Dan draag ik al, wat mij de Heer Heeft opgelegd, al waar \'t nog meer;
Zou Hy my met een\' laat bezwaren,
Die niet mijn kracnt zou evenaren?
Dies zwyg ik Hem; al wat Hij doet Is altijd heilig, wijs en goed;
Drukt mij zijn hand een poos ter neêr,
Ik vrees niet, want Hij redt mij weêr.
Gezang 132; 3-2.
I-ezen: Mattb. 26: 3G—54. — Ps. 22: 1—12. — Ps. 22: 13—32.
J. G. VERHOEFF.
4 MAART.
Mattheüs 26: 1 — 5: En het is geschied, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijne discipelen zeide:
Gij weet, dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd icorden, om gekruisigd te worden.
Toen vergaderden de over priesters, en de schriftgeleerden en de ouderlingen des volks, in de zaal des hoogepriesters, die genaamd was Kajafas;
En beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden.
Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.
Wij vinden hier twee zaken op treffende wijze byeengevoegd. Vooreerst eene bladzijde uit Gods raadsbesluit, die hier door Jezus voor do discipelen wordt opengelegd, waaruit zü tevens konden zien, dat Hij alles, wat over Hem komen zou, met volkomen bewustheid uil, vrijwillige gehoorzaamheid (Fil. 2: 8) op zich nam. En voorts zien wij hier goddeloozen, geheel handelende, alsof zij vrij spel hadden, alsof er geen rechtvaardig God in den hemel woonde, het in arren moede uitroepend: „Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpenquot; (Ps 2: 3), — en die toch tegelijkertijd geen oogenblik verder kunnen gaan, dan Hij het toelaat, ja, die ten slotte met al hun woelen en werken slechts dienstbaar zijn aan de vervulling van Gods Raad. Hoe listig wordt dat daar beraamd: „niet op het feest.quot; Want men was bang voor een oploop van het volk. Het kon zijn, dat het volk Hem nog zou willen bevryden. Men gevoelde zich onzeker, gelijk
93
4 MAAET.
de goddelooze zich altijd onzeker voelt. Hoe begeerig men ook was naar den dood van dien gehaten Jezus, men stelde het nog een weinig uit, uit „listigheidquot;. Doch God zeide: wel op het feest, en „Gods Raad zou bestaan.quot; God wilde, dat het Pascha der Gemeente ook op het oude Paaschfeest zou worden geslacht. Let er intusschen op, opdat gy ziet, hoezeer zij niet te verontschuldigen zijn, hoe de overpriesters en schriftgeleerden handelden zonder eenigen dwang, maar geheel uit de vrijwillige begeerte van hun booze hart. Zij handelden niet om Gods Raad te volvoeren, niet om God te verheerlijken, maar enkel uit wraakgierigen lust om eigen moedwil bot te vieren. En zoo blijft dan hunne zonde. En zoo worden zij dan ook nu om deze hunne zonde rechtvaardiglijk gestraft.
Ontzaglijke gedachte, dat de goddeloozen, ook dan, wanneer zü aan hun moedwil toegeven en handelen, alsof er geen God in den hemel ware, slechts dienstbaar zijn aan de volvoering van Zijn Raad. En toch, dit leert ons deze geschiedenis zoo duidelijk. Verdiep u daarin, mijn lezer. En, indien gij nog onbekeerd zijt, o, zij het u dan tot breking van uw trots, van uw moedwil, tot ternederwerping voor God Almachtig! Weet, dat de Heere regeert en geon Satan en ook geen ijdel menschenkind, en dat Hij uit al het ijdel woelen der goddeloozen zich ten slotte nog een vrucht bereidt tot Zijne eere, namelijk in hunne rechtvaardige veroordeeling! Dat het u dan nog tot inkeer, tot bekeering leide in het heden der genade! En zijt gy een discipel van Jezus Christus, o, verblijd u, verblyd u hierin, dat uw God en Vader regeert en dat „alle dingen alzoo in Zyne hand zijn, dat zij tegen Zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kunnenquot; (Catech. Antw. 28.).
Geen ding geschiedt er ooit gewisser.
Dan \'t hoog bevel van \'sHeeren mond:
Zijn god\'lijk\' almacht spreekt, en \'t is er.
Zijn wil gebiedt, en \'t wordt terstond.
Schoon de heidnen samen List op list beramen.
God verbreekt hun raad;
Schoon de mogendheden Snood\' ontwerpen smeden.
Hij belacht haar haat.
Laat ons alom zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wij op zijn naam vertrouwen.
Dien naam, zoo heilig, groot, en goed.
Goedertieren Vader,
Milde Zegenader!
94
95
Stel uw vriend\'lyk hart,
Op wiens gunst wij hopen,
Eeuwig voor ons open:
quot;Weer steeds alle smart.
Psalm 33: 5, 11.
Lezen; Psalm 2. — Psalm 33. — Psalm 97.
Dr. P. J. KROMSj\'GT.
5 MAART.
Johannes 18: 1 — 7: En vóór het feest van het pascha, Jezus, wetende dat zijne ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzoo Hij de zijnen, die in de ivereld ivaren, liefgehad had, zoo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivelin het hart van Judas, Simons zoon Iskariot gegeven had, dat hij Hem verraden zou,
Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan ivas, en tot God heenging,
Stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende eenen linnen doek, omgordde zich zeiven.
Daarna goot Hij water in het hekken, en begon de voeten der discipelen te ivasschen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.
Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere! zult Gij mij de voeten ivasschen?
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, loeet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.
Het Paaschfeest is in aantocht. De Heer weet, dat hij weldra zal sterven, maar tevens, dat zijn sterven zal zijn een overgaan uit deze wereld met al hare boosheid tot zijnen Vader, van Wien hij is uitgegaan en in de wereld gekomen. Zijne discipelen verliest Hij evenwel niet uit het oog. Zij blijven vooreerst nog in de wereld. Alléén zal hij hen daarin achterlaten. Dat stemt zijn liefdevol harte tot deernis. Hun ontbreekt nog zooveel; vooral aan liefde en nederigheid tegenover elkander, die warsch is van allen rangstrijd. Dies gaat Hij hun zijne liefde bewijzen door een nederig dienstbetoon, hun tot een onvergetelijk voorbeeld, al zullen zij het pas na dezen ten volle verstaan. Van den disch, waaraan Hij met zijne jongeren is aangelegen, staat Hij op.
5 MAART.
legt zijne kleederen af\', kleedt zich als een huisslaaf, giet water in het op den vloer gereedstaande bekken, bukt voor zü\'ne discipelen neêr, wascht hun één voor één de voeten — eene groote verkwikking in het heete Oosten, die, bij gebrek aan een slaaf, had moeten achterwege blijven —, en doet zijn werk niet ten halve, maar droogt de voeten ook af met den linnen doek, waarmede Hij zich heeft omgord. Zóó diep vernedert Hij zich — hun Meester en Heer! Zoo vurig heeft Hy hen lief! — Doen wij zeiven desgelijks? Zoeken ook wij degenen, die Hem liefhebben, in liefde te dienen, eenvoudig en stil*? Heeft de Heer het niet al den zijnen geboden? Indien Hij ons zoo voorgegaan is, mag hoogmoed ons daarvan weerhouden? Is koelheid geen zonde? O, waar bergen we ons wegens al ons gebrek in dezen, en zijne verschooning? Gods eeniggeboren Zoon, de Heilige, heeft zijne jongeren aldus bejegend. En wij, zondige menschenkinderen, durven van Hem verschillen, al is het niet in de leer, toch iu de praktijk, en evenwel Hem Meesteren Heer noemen! Ook missen we daarom zooveel geluk. Want „zaligis het niets te wezen in ons eigen oog voor Godquot;\', en zoo onzen broeder of onze zuster in den Heer door nederigen liefdedienst te verkwikken. O, Hij, Die om onze zonden aan het kruis zelfs zich heeft laten hinden als een slaaf, delge uit al onze schuld in zyn bloed, en leere ons, van zijne goddelijke genade jegens ons vervuld, in alle hartelijkheid elkander van dienst zijn, niet uit de hoogte en zonder eenig vertoon, tot eere zijns Naams!
Hallelujah! onze zangen
Zijn voor eeuwig Hem gewijd,
Die het Godsrijk heeft ontvangen.
Als den loon op Zünen strijd;
Die aan \'t kruis zich liet verhoogen.
En ons minde tot den dood Met een liefd\' ondenkbaar grooi,
Met een god\'lljk mededoogen;
Hem, die ons onrein gemoed Heeft gewasschen in Zijn bloed.
Gezang 50: 2.
96
Lezen; Rom. 12: ü—21. — ilebr. 13: 1—3. — 1 Tim. 5: 8—10.
H. A. LEENMANS Jr.
6 MAART.
6 MAART.
Johannes 13: 34, 35: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander Hef hebt: gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander lief hebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander.
Een vorst is kenbaar aan zijn kroon, een adellijk heer aan zün wapenbord, een „geestelijkequot; aan zijn gewaad, maar een G/ïWslt;ew? Hij mist alle uiterlijke onderscheiding. Christus bemint geene uniformen, ook decoreert Hij hier beneden de Zijnen niet. Toch heeft de Heiland voor al Zijne discipelen het onderscheidingsteeken aangewezen — geen kleed, geen kleur, geen dracht — maar een kenteeken, geheel
naar de wijze van het Koninkrijk der hemelen, dat niet komt met uiterlijk gelaat, maar dat in het verborgen zijne veroveringen maakt op het gebied van den geest 1 Het is de liefde, de onderlinge broederlijke liefde! het ware, het hemelsche sieraad van den christen, waaraan engelen en menschen hem herkennen moeten als geboren uit God, Wiens Wezen liefde is, en die in Jezus Christus de volle, alles overwinnende liefde heeft geopenbaard!
Manr kennen de kinderen dezer wereld dan geen liefde? Geven zij niet telkens van die liefde hoog op? Is er geen ontroerende moederliefde, die zichzelven ten doode kan wijden voor het kind haars schoots? Kent zelfs het heidendom niet beroemde voorbeelden van de edelste zelfopoffering van den eenen vriend voor den ander? Gewis, maar, wanneer gij de roerselen der liefde nauwlettend gadeslaat, ziet gij, dat, hoe zwaar ook vermomd, deze liefde in den grond zichzelven zoekt: eene verfijnde eigenliefde is. Het eigen-ik blijft daarvan het middelpunt. De christelijke broederliefde gaat geheel van zichzelven uit, vergeet, verloochent dat Ik! Het is een nieuw gebod, omdat haar ideaal is de liefde, zooals Christus die aan zijne discipelen bewees — een liefde ongeëvenaard, volstrekt belangeloos, geheel zich gevend aan de onwaardigste voorwerpen, en sterker dan de dood! Zulk een gebod had van Sinaï niet geklonken. Dat kon ook niet. Zulk een liefde moet eerst vleesch en bloed worden, alvorens zu kan worden begrepan door een zelfzuchtigen mensch. Maar nu zij begrepen en gelast is — nu die liefde haar „via sacraquot; heeft bewandeld tot aan haar hoogsten triumf — nu ook, discipelen van Jezus, achter Hem aan, nu uw treden gezet in Zijn spoor, nu uw wapenbord niet bezoedeld\'. Zij het nu onze dage-lijksche bede: „Heere Jezus, doorstroom ons met uw Geest, opdat de
DAGBOEK. 7
97
7 MAART.
wereld nimmer recht hebbe van ons te spotten: Hoe, zij christenen? Onmogelijk, want zij hebben de liefde niet.
Gy, Jezus! die ons saam verbindt,
Wil zelf dien band versterken,
Laat liefde liefde werken;
Dat, waar ons ooit de wereld vindt,
Zti, uwen naam ter eer.
Van ons ook liefde leer.
Gezang 69: 7.
Lezen: Rom. 12: 1—11. — Joh. 2 : 3—11.— Luc. 10 : 25—37.
H. J. DE. ZWART.
7 MAART.
Mattheüs 26: 30: En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
Dit woord brengt ons in de opperzaal te Jeruzalem. De Heere Jezus Christus is daar op den laatsten avond voor zijnen dood met zijne discipelen om het Pascha te vieren. Het was toen eene gewoonte in Israël om op dat feest Psalm 113-118 te zingen en daarna met Psalm 186 te besluiten. Deze Psalmen droegen den naam van „den lofzangquot; of „het groote hallelujaquot;. Hoe merkwaardig is dit! De Heer der heerlijkheid zingende met zijne discipelen, zingende in den nacht, in welken Hy verraden werd, zingende van zijn lijden en sterven en van de zegeningen, die daaruit voortvloeiden! Hoe getuigt dit zingen van de blijmoedige stemming der ziel, waarin de Heiland zijnen dood is tegengegaan! Hadde Hy geweend, ware Hij uitgebarsten in een vloed van tranen, \'t had ons niet mogen verwonderen. Niet minder heerlijk toont ons dit zingen, hoe de lijdende Heiland zich volkomen had overgegeven aan den wil van zijnen Vader. Wij, menschen, zingen, als wij den weg der vreugde bewandelen, maar Hij heeft gezongen op het pad des doods! Is iemand onzer in lijden, dat hü denke aan zijnen zingenden Heiland. Er is nog altijd menigGethsemané op aarde en elk mensch moet van tijd tot tijd door de donkere dreven van zulk een olijvenhof heen. Is zulk een ure ook voor u gekomen, vergeet dan niet, dat uw God, uw Maker, uw Vader in Christus geeft de psalmen in den nacht. Ook de discipelen zongen met den Heiland meê. En zij hadden wel reden om op het feest van Pascha Jehova blüde lofpsal-
8 MAART. 99
men te zingen. En, indien wij in waarheid des Heeren discipelen zijn, is onze zingensstof dan ook niet groot? Zijn ook wij dan niet bevrijd door eenen machtigen arm en is dan het bloed van het Lam Gods niet tot verzoening op de posten onzer harten gesprenkeld? Immers, toen zij den lofzang gezongen hadden, waar gingen zy toen heen? Toen gingen zij naar den Olufberg. Toen ging uw Zaligmaker naar Gethsemané! Keeren wij hier tot ons zeiven in en zeggen wij: „o mijne ziel, zie Hem gaan. Waar hadt gij moeten heengaan, had uw Heiland dezen gang voor u niet gemaakt?quot; Opdat ons leven niet zou zijn een heengaan naar het zwaarste gericht, onze toekomst een wegzinken in een onuitblusscheltjk vuur, daarom ging de Heiland, den lofzang gezongen hebbende, naar Gethsemané. Omdat Hü daarheen ging, is voor u de weg naar den hemel ontsloten.
Gij Jezus! die ten troon verheven,
Door duizend, duizenden omgeven,
Goplaatst zijt aan Gods rechterhand,
En daar uw vreugde ziet volmaken,
Nu al die duizenden reeds smaken De vruchten van uw offerand.
Gij ziet ook duizend, duizend zielen Hier op uw voetbank nederknielen.
En bij die duizenden ook mij.
Voor U, die met uw bloed en tranen Den toegang ons tot God woudt banen.
Voor uwe voeten knielen wij.
Gezang 45 : 1, 2.
Lezeu : Psa\'.m 116. — Psalm 113. — Psalm 1.38.
H. VAN SELJIS.
8 MAART.
Mattheüs 26: 47 — 49. En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem eene cjroote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. En die Hem verried, had hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, dezelve is het, grijpt Hem. En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet. Rabbi! en hij kuste Hem.
„Een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvan-
100
gen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood.quot; Eene kleine sneeuwklomp, losgeraakt van den berggletscher, rolt eerst langzaam naar beneden, maar steeds grooter wordt de massa, steeds woester wordt de vaart. Straks sleurt de lawine alles mede, en werpt zich met donderend geraas in het dal. Judas gaf toe aan de begeerte naar het goud; eerst nam hij eenige penningen uit de gemeenschappelijke beurs, en straks wordt die begeerte bij hem zóó machtig, dat hij komt tot die zonde, die te alle tijden met eene zwarte kool staat geteekend: het verraad.
Het teeken van vriendschap en eerbied zal het teeken des ver-raads zijn. De leidsman der bende ontmoet Zijnen Goddelijken Meester op de verwachte plaats. Hij ziet dat liefderijk gelaat, waarop nog de sporen van het bitter zielelijden niet zijn uitgewischt, hij ziet dat oog, dat doordringt in zijne zwarte ziel, maar hij slaat den blik niet neder. Hij treedt op Hem toe, eu Hem kussende, spreekt hü : „Wees gegroet, Rabbi!quot; Tegenover de Goddelijke liefde, treedt de menschelijke boosheid in een des te vieeselijker licht. Alle menschelijke ondeugden legeren zich als bloedgierige wolven rondom het Lam Gods; haat en wraakzucht, laster en verraad, hoon en spot. Maar waarom heeft de Heer, die wist, wat in den mensch was, althans een\' Judas niet uit den kring Zijner apostelen verwijderd? Het Hoogepriesterlijk gebed geeft ons het antwoord: „niemand uit hen is verloren gegaan,dan de zoen der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.quot; Ook deze bittere teug moest in den lijdensbeker gemengd worden.
Wy kennen het uiteinde van Judas. Toen de bliksemstralen dei-wet in zijn hart vielen, ontwaakte zijn geweten, en hij wierp zich in wanhoop den dood in de armen. Deze is de bezoldiging der zonde, hare vreeselijke vrucht. Maar nu nog een laatst en ernstig vermaan: „Vriend! waartoe zijt gij hier?quot; Voor het oog een vriend, in zijn hart een verrader! Met welk eene Goddelijke lankmoedigheid worden de vaten des toorns verdragen!
Zelfs hij, op wien ik voormaals heb vertrouwd
Mijn vree- en dischgenoot.
Verhief zijn hiel, en sloeg mij fier en stout,
Terwijl hij at mijn brood.
Maar Gy, o Heer! schiet tot mijn hulpe toe;
Bewijs gena en red,
En richt mij op; dat ik vergelding doe,
En d\' ontrouw palen zett\'.
Psalm 41: 5.
Lezen: Joh. 12: 1—8. — Matth. 26: 47—54. — Jlatth. 27: 1—8.
J. P. ERINGA.
9 MAART. 101
9 MAART.
Mattheüs 26: 57, 59 —68a; Die nu Jezus gevangen hadden, leiden Hem heen tot Kajafas, den hoogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren. En de overpriesters en ouderlingen en de geheele raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doo-den mochten, en vonden niet. En hoewel er vele valsche getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. Maar ten laatste kwamen ticee valsche getuigen en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods af breken en in drie dagen denzelven opbouwen. En de hoogepriester, opstaande, zeide tot hem: Antwoordt gij niet? wat getuigen dezen tegen U? Doch Jezus zweeg stil.
Wie, die dit leest, gevoelt niet de gedachten daarbinnen in hem vermenigvuldigen ? Wat laaghartige boosheid en fijn gesponnen list, hier tot in bizonderheden geteekend, als de rechtshandel aanvangt, waarin de Hoogepriester des O. V. zich plaatst tegenover dien des N. V!
Hier zitten, als rechters, de overpriesters en de ouderlingen, t n de geheele groote raad, de opperste vierschaar van Israels volk, de wachters van Jehova\'s heiligdom, en de handhavers van Zijn dienst en eere. En deze rechters zoeken valsche getuigenis, (leg op ieder dier woorden den klemtoon) met het bepaalde doel: „dat ze Hem dooden mochtenquot; en als zü niet vinden, zoeken zü verder, üverig, geen moeite en kosten ontziende. Met duivelsche slimheid worden de getuigenissen der velen, die toegekomen waren, getoetst, niet, of ze waar zijn, maar of zij dienen kunnen om \'t doel te bereiken en als zij toch niet vinden, worden nieuwe middelen beproefd, tot, ten laatste, als een uitkomst, een tweetal zich aanbiedt, met wier getuigenis men schijnt iets te kunnen doen. Wat taaie volharding op den weg van de misdaad, wat drieste onbeschaamdheid, die van geen terugschrikken meer weet. — Blijkt \'t ook hier niet op ijzingwekkende wijze, hoe de zonde verlaagt en hoe ze haar slaaf niet laat stilstaan, maar immer dieper laat zinken? A.mbt en eere en eed, alles had dezen Kajafas en den zynen zulk een bedrijf onmogelijk moeten maken, maar ook\'t priesterkleed is een te zwak harnas tegen de zonde en naarmate haar slaaf verder van en hooger boven haar moest staan, schijnt zijn slavernij volkomener en zijn zondigen te gruwelijker te worden. Wat is bij \'t licht van dezen gruwel, de zonde, de moeder daarvan, die ook in onze harten zetelt en woont. Maar ook tegenover die duisternis hier, welk een licht. Wat Majesteit in dezen Koning, als Hij den geveinsden rechter met zijn stilzwijgen verplettert, wat onuitputtelijke
102 10 MAART.
liefde in dezen Heiland, als Ily, ook met een bepaald doel en wel, dat de zijnen leven mochten, hier zwijgend het schreiendbte onrecht lijdt en draagt. Straks in den morgen der opstanding, zal Hij antwoorden met daden en dan zal \'t blijken hoe, ondanks allen schijn, ook hier de Heilige God bezig was den raad van Zijn welbehagen te volvoeren. — Hoe groot is de genade Gods ons in Zijnen Zoon gegeven en bewezen. Hoe ernstig wordt hier \'t woord bevestigd; Die niet voor Mij is, die is tegen Mij en toch, hoe welt ook weer uit dezen bitteren bron voor de ziel \'t heerlijkste zoet, want — als deze zelfde Heiland nu onze Yoorbidder is bij den Vader, mag ons lijden en last hem niet blijmoedig betrouwd. Hem, die, proefondervindelijk weet, wat we, onrecht lijdende, behoeven? En te midden van alle onrecht en last, is het geen heerlijke wetenschap, ook hier en ook nu wordt de raad mijns Heeren volvoerd? Leerden wij slechts, ziende op Hem, meer tegenover de menschen te zwijgen om te spreken met onzen God, die door druk Zijne kinderen verheft en daartoe — Heere, vermeerder ons \'t geloof.
Gij, Isrels Vorst, Gods eigen Zoon!
Gevangen en gebonden,
G\' ontvangt der overtreedren loon.
En Gij, Gij kent geen zonden;
Men lastert 17, Gij, groot van moed.
Verdraagt en zwijgt; men eischt uw bloed,
Gy laat het willig stroomen.
Om met dat bloed tot God te gaan,
Zijt Gij, met onzen vloek belaan,
In \'t uur des doods gekomen.
Gezang 119: 4.
Lezen: Malth. 26: 57—«C. — 1 l\'etr. 2: 19—25. — Hand. 8: 26—39.
H. van EYCK van HESLINGA.
10 MAART,
Mattheüs 26: 67, 68: Toen spogen zij in zijn aangezicht en sloegen Hem met vuisten. En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus! wie is het, die U geslagen heeft 1
Vreeselijk schouwspel, treffende leerspiegel: Jezus, bespoten mishandeld door de leden van het Sanhedrin. Mannen van stand, beschaving en geleerdheid, dienaars van het heiligdom, leeraars der wet en geroepen handhavers van het recht, te zamen met hunne knechten hunne woede koelende, al hunne boosheid botvierende aan den Hei-
10 MAART. 103
lige, die weerloos in hunne handen is overgegeven. Is het alleen in die Joodsche raadsvergadering vertoond, dat Pharizeën en Sadduceën, hunne onderlinge veeten vergetende, zich eendrachtig tegen Christus keeren, en de vijandschap tegen Hem hoogst fatsoenlijke lieden alle achting voor zichzelven doet vergeten? Ach, hoe vaak is hei, alsof alleen de Christus staat buiten het gemeene recht en men even achtbaar blijft, wat men zich tegenover Hem en Zjjne zaak ook veroorlooft.
Ofschoon verheven boven alle lichamelijke beleediging wordt Jezus Christus toch nog steeds in en door de vijandige wereld bespot en gehoond. Het zyn de Joden niet alleen, die Hem nog, zoo zij konden, in het aangezicht zouden spuwen. Het zijn de erkende ongeloovigen niet alleen, die over Zijne heeriykheid sluiers van smaadheid werpen. Ach, hoevelen, die naar Zijnen Naam zich noemen en Hem ook wel voor een profeet houden, ja voor meer dan dat, drijven openlijk den spot met Hem door hun gedrag. Zijn gezegenden Naam mengen 7Aj lachende in onheilige gesprekken, en met hunne zonden schertsen zij; als ware \'t hun gehikt Hem te blinddoeken. Men vindt zyn genoegen in het bespotten en aan de kaak stellen van Jezus\' vrienden; en zoo men al niet hunne belijdenis, maar hunne gedachten belacht, kiest men toch bij voorkeur hen tot mikpunt van den spot en zoo is het de Christus wederom, die het ontgelden moet.
Hij lijdt en zwijgt in groote liefde. Maar eerlang zal Hij toonen te weten, wie Hem geslagen heeft, ook onder schijn van vriendschap. Wee hun, die op Zijne schijnbare machteloosheid gerekend en op Zijne lankmoedigheid gezondigd hebben. Zalig daarentegen zij, die Hem de slagen en de verachting, waarmede de wereld voortgaat Hem te overladen, zoeken te vergoeden door warme liefde en oprechte trouw, die zwijgend verdragende Zijne voetstappen navolgen en op de openbaring Zijner heerlijkheid hopen.
Gy, Isrels Vorst, Gods eigen Zoon!
Gevangen en gebonden,
G\' ontvangt der overtreedren loon.
En Gij, Gü kent geen zonden;
Men lastert U, Gij, groot van moed.
Verdraagt en zwijgt; men eischt Uw bloed.
Gij laat het willig stroomen.
Om met dat bloed tot God te gaan,
Ztjt Gij, met onzen vloek belaan,
In \'t uur des doods gekomen.
Gezang 119: 4.
Lezen: Matth. 26: 59—68. — Jes. 00. — 1 Petr. 2; 11—25.
P. J. VAN MELLE.
11 MAART.
II MAART.
Lucas 22: 62: En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.
„De droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid.quot; Dit woord des Apostels is volkomen bewaarheid in de levensgeschiedenis van den man, die tot het uitverkoren drietal van Jezus\' discipelen behoorde, en van wien wij lezen: „Naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.quot; Wat toch heeft Petrus gedaan, dat hem zulke bittere tranen afperste? Wat hü gedaan heeft? Ondanks zijne herhaalde verzekeringen van getrouwheid, heeft hij den trouwsten vriend van zijn leven, den Heiland zijner ziel, den Koning van zü\'n hart verloochend, tot wien hij eenmaal heeft gesproken: „Heere! tot wien zou ik heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens?quot;
Wat is gebeurd? In den hof van Gethsemané is Judas met de bende gekomen, en als Judas Jezus verraadt met een kus, grijpt Petrus, vol vuur en ijver voor Jezus, het zwaard, en slaat des Hoogepriesters dienaar, Malchus, het oor af. Hij heeft, gedurende den strijd en de ziele-angst van Jezus in den hof der Olijven, wel niet één uur kunnen waken, maar nu meent hij zijn Meester te moeten verdedigen met het zwaard. Hij heeft immers betuigd, dat hij bereid is met Jezus in den dood te gaan? En toch, niet zoodra grijpt de bende Jezus, vangt er. bindt Hem, of al de discipelen, ook Petrus, verlaten den Heiland door een schandelijke vlucht. Petrus komt echter terug; want, als de krijgsknechten Jezus wegleiden en Hem iu het huis des Hoogepriesters brengen, zoo volgt Petrus van verre. En, als zij vuur ontstoken hebben in het midden van de zaal en zij te samen nederzitten, zit Petrus in het midden van hen. Het was in dien nacht des lijdens van Jezus bizonder koud. Petrus is ook koud, koud van buiten en van binnen; het liefdevuur voorden Heiland is aan het doo ven; de Satan zift hem ook daar als de tarwe, en behaalt overhand op zijne ziel.
Hier wordt zijne liefde op den proef gesteld; hier hoort hij den Hoogepriester tot Jezus spreken over Zijne discipelen en leer; hier hoort hu roepen: „Hij is des doods schuldigquot;; hier slaat hem de schrik om het hart, (ach, wat is een mensch, als de Heere hem een oogenblik aan zich zeiven overlaat!) hier verloochent Petrus den Heere Jezus tot driemalen toe. Ach! Petrus kende zich zeiven niet, toen hij zeide:„Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.quot; Hij stond te hoog bij zich zei ven; zijne liefde meende het zoo goed, maar zij leed schipbreuk toen het er op aankwam zijn woord gestand te doen: „Al moest ik ook met U sterven, zoo zal
104
11 MAART. 105
ik U geenszins verloochenen.quot; Hij verloochent den Heiland, ondanks de liefderijke waarschuwing des Heeren: „Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gü driemaal zult geloochend hebben, dat gij mü kent.quot; En, als hij driemaal geloochend heeft Jezus te kennen, dan kraait de haan; dan keert Je7Ais zich om, ziet Petrus aan, en de blik des Heeren dringt tot in het binnenste zijns harten. 0, in dien zieldoorvlijmenden blik ligt diepe smart te lezen, maar toch ook, en dat voelt Petrus, indachtigmakende, reddende en vergevende liefde; en toch kan hij het in de nabijheid des Heeren niet langenuthouden; „naar buiten gaande, weende hu bitterlijk.quot;
Zóó gaat het den mensch, die het door Geestesovertuiging gevoelt, wat het is, tegen de heiligste Liefde gezondigd te hebben; daar is droefheid naar God; daar is behoefte om in de eenzaamheid de zonden voor Zijn aangezicht te beschreien. En kan de ziel in zulk een oogen-blik niet anders dan genade ter vergiffenis bidden; in den liefdevollen blik des Heilands staat het troostwoord te lezen: „Zalig, die treuren, want, zij zullen vertroost worden.quot; Zóó houdt Jezus woord en trouwe. Klemt er u aan vast, die met Petrus uwe zonden gevoelt en beweent, niet aan éen zal de Heere zijne belofte vertragen: „Als uwe gedachten binnen in u vermenigvuldigen, zullen Mijne vertroostingen uwe ziel verkwikken.quot; En al mag er dan nog veel zyn, wat u in \'t lage stof doet weenen, reist nochtans hoopvol uwen weg; nog een spanne tijds God wischt alle tranen van de oogen der zijnen af, en dan;
Geen traan wordt meer geschreid,
In \'t land der zaligheid.
En Hij, die voor u stierf.
Heeft u daar plaats bereid.
Die hoop moet al ons leed verzachten;
Komt, reisgenooten! \'t hoofd omhoog!
Voor hen, die \'t heil des Heeren wachten.
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet aftemeten!
O vreugd, die alle smart verbant!
Daar is dé vreemdlingschap vergeten;
En wy, wy zyn in \'t vaderland!
Gezang 189; G.
Lezen: Lucas 22; 47—62. — Luc. 18: 10—14. — I\'s. 32.
A. J. VAN WIJNGAARDEN
12 MAART.
12 MAART.
Mattheüs 27: 3— 10. vgl. Hand. 1; 18, 19: Toen heeft Judas, die hem verraden had, ziende, dat hij veroordeeld was, beromv gehad, enz.
Ontzettend levenseinde!
Hoe heel anders stierf Stéfanus, die geopende hemelen zag. En Paulus, die wist, dat hij een gebouw van God zou hebben in de hemelen, als zijn aardsche huis gebroken werd.
Judas, de verrader des Heeren, werpt als de Heer aan Pontius Pilatus is overgegeven, de zilveren penningen, nadat hij ze eerst had willen teruggeven, in den tempel, in wanhoop uitroepende: Ik heb gezondigd, verradende onschuldig bloed! En door zelfmoord maakt hij, in het dal Hinnom, waarschijnlijk door ophanging aan een boomtak, een einde aan zijn leven. Angstig alsjSpira, wanhopig als Voltaire sterft Judas. Den Gezalfde Gods heeft hij verworpen, verraden; zijn heilig ambt ontwijd; om de waarschuwingen des Geestes zich niet bekommerd, tegen zijne boezemzonde, geldzucht, niet gestreden. Judas, hy is verloren gegaan. Akeldama, akker des bloeds, heet nog heden, tot eene getuigenis, de doodenakker, die voor het geld des verraads werd gekocht, in welken ook nu nog vreemdelingen begraven worden.
Judas was Apostel, en toch.....verloren. Neen, betrekkingen,
bedieningen, Christelijke werkzaamheden maken niet zalig. Onder dit alles kan een onbekeerd hart verborgen zijn. Treurig, als het zóó is!
Judas pleegde zelfmoord. Zijn er misschien onder die dit lezen, die ook wel eens aanzettingen tot zelfmoord hebben gevoeld? Van Satan komen deze aandryvingen. Hij werpt maar liefst uit tijdelijke smart en wroeging den mensch onmiddellijk in eeuwige ellende.
Judas streed niet tegen zijne boezemzonde. Waken, bidden, strijden wij ? De een heeft tegen deze, de ander tegen gene zonde het meest te stryden. En die niet, door de kracht des Heiligen Geestes. overwint, wordt gemakkelijk overwonnen. Judas werd overwonnen.
Ook wij gaan straks sterven. En dan openen zich de eeuwige archieven, waarin niets ontbreekt, de hemelsche gedenkboeken. Zouden misschien angstig stervenden die gedenkboeken zich zien openen?
Ontzondig mij met hysop, — zy onze oprechte bede. Nog leven wij in het heden van genade.
Wat zal ook in de hel een bloedgeld, een onrechtvaardig verkregen geld worden teruggeworpsn. Maar, daar is het te laat.
Wel ons, zoo wij zijn afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd, in den naam van den Heere Jezus, door den Heiligen Geest.
ice
13 MAART.
Zoo Gü in \'t recht wilt treden,
O Heer! on gadeslaan Onz\' ongerechtigheden;
Ach! wie zal dan bestaan ?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, Heer: met beving.
Recht kinderlijk gevreesd.
Psalm 130: 2. Lezen; Ps. 130. — Matth. 12: 31—45. — Joh. 15.
A. GULDENARM.
13 MAART.
Mattheüs 27: 2: En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.
Niet door sluipmoord, niet bij een oproer is de Heer omgebracht, gelijk zijne vijanden wel zouden gewild hebben. Neen, Gods raad was anders. De vijanden zeiven moesten dien raad dienen. Niets vermogen zü, dan wat God hun toelaat. Zij hebben Jezus gevangen, gebonden, geslagen en ter dood veroordeeld. — Nu zijn hun echter de handen gebonden. Zy moeten Jezus overgeven aan de heidenen. Zoo wordt de Schrift vervuld, Gods raad volbracht, Gods doel bereikt. —
Al de overpriesters en ouderlingen des volks, de geheele raad dei-Joden en de geheeie menigte volks leidden den gebonden Jezus van Kajafas naar het rechthuis van Pilatus, den Romeinschen stadhouder.
Voegen wij ons in de gedachten bij hen. Welk een eenstemmigheid in het kwade! Wat leest gij op die aangezichten? Gloeienden haat tegen Jezus, vermengd met vreugde over den triomf, dien zij behaald hebben. Die mannen zijn vroom, zij houden geen gemeenschap met heidenen, zü gaan niet in het rechthuis, foei, neen!
Pilatus komt tot hen uit, doch laat zich niet tot beul gebruiken maar treedt op als rechter. Gekrenkt antwoorden zij hem; doch nu laat hij hen hunne onmacht uitspreken: „Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden.quot; — De schepter is van Juda geweken. Nog een weinig tijds, en de prachtige tempel en het schoone Jeruzalem liggen in puin, en de overgeblevenen van Israel zijn verstrooid over de aarde. Die daar nu gebonden staat, zal heerschen, en de heerschers van heden zullen door zijnen toorn vergaan, tenzij dan, dat zij zich bekeeren.
10
14 MAART.
Zie, het Lam Gods, tegelijk de Leeuw uit Juda\'sstam! Gebonden is de Christus, de gezalfde Koning, opdat Hij ons zou ontbinden van nog andere dan ijzeren boeien. Is Hij uit genadedoor geloof onze Verlosser van de boeien van zonde en dood? Dan ook nooit vergeten, welk een smaad en smart Hij om onzer zonde wil heeft verdragen, maar Hem geliefd, gehoorzaamd en geloofd!
Verlosten, juicht! hebt Jezus lief, dat wij.
Dat wij ons saam in dat gevoel vereenen:
Laat dankbaarheid aan zijne voeten weenen.
Wie, wie verdient die tranen, zooals Hij ?
Gezang 65: 8.
Lezen : Joh. 18: 21—32. — Matth. 20: 17—28. — Ps. 2.
J. KROMSIGï.
14 MAART.
Johannes 28; 33 —38; Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de koning der Joden?
Jezus anhuoordde hem: Zegt gij dit van u zeiven, of hehhen het u anderen van Mij gezegd?
Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde: mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe hen Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort mijne stem.
Pilatus zeide tot Hem: Wat is ivaarheid! En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geene schuld in Hem.
Jezus staat vóór Pilatus en ontplooit er, in zijn volkomen rust en verzekerdheid, een Majesteit, die niet van deze wereld is.
Maar Pilatus gevoelt, dat hij hier staat tegenover een onbegrepen en onoplosbaar raadsel, dat juist door de moeilijkheid van zjjn oplossing hem kwelt en ergert.
]08
14 MAART.
Zijt gü de Koning der Joden? dus klinkt zijn vraag; maar, wat hij ook verwacht, zeker niet dat antwoord; „Zegt gü dit van uzelven of hebben anderen het u gezegd?quot; Hoe, dus wil de Heiland doen ge voelen, ik;zou een Koning, de Koning, in aaidschen zin, van dit oproerig volk der Joden zijn en gy zoudt mij niet kennen, Pilatus? En wanneer nu Pilatus driftig wordt en toornig vraagt: -Ben ik een Jood? Uw volk en overpriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij gedaan?quot; dan belijdt onze Hoogepriester, dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is; dat anders immers zijne dienaren /oor hem gestreden zouden hebben; dat nu echter duidelijk blijkt, dat zijn Koninkrijk niet van hier is.
„Zijt gij dan toch een Koning?quot; dus vraagt Pilatus verbaasd. Gij, gebonden man, gevangene, beschuldigde, maar tegenover wien Pilatus, bij toeneming zijn minderheid gevoelt. Als uw Koninkrijk niet van deze wereld is, wat maakt Gij als Koning dan hier? Het korte antwoord luidt: „opdat ik der waarheid getuigenis zou geven,quot; wie uit de waarheid is, dat is: wie in haar leeft, omdat hij uit haar werd herboren, hij hoort, d. i. hij verstaat mijne stem.
Maar daarvan verstaat Pilatus niets en met een gemelijk : „Wat is waarheid!quot; op de lippen, keert hij zich van den raadselachtigen gevangene af, van wien hij zich thans meer dan ooit verwijderd gevoelt. Hij vindt geen schuld in hem, maar iets begeerlijks evenmin.
Van dezen Romein verwondert ons dat niet. Het ging hier om de openbaring en de plaats der waarheid in deze wereld van leugen en zonde.
Heeft Cliristus daarin zijn taak, het doel Zijner komst volkomen beschreven ?
Hij is gekomen: „om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.quot;
„Om den Zijnen Gods Naam te openbaren.quot;
„Om Zijn schapen het leven te geven, en overvloed.quot;
Maar gij begrijpt: dit zou Pilatus heel niet verstaan hebben. Als er van waarheid gesproken wordt, komt de Heer hem daarmede tegemoet. Kende hij de Grieksche fabel niet van de Waarheid, die op aarde geen herberg kon vinden?
Eischte hü als rechter geen Waarheid in formeelen zin van beschuldigden en getuigen? En nu had dit gesprek hem kunnen openbaren, dat men om „waar te zijnquot; in het bezit van de Waarheid in materieel en zin moet wezen; de Waarheid moet hebben, om van haar te kunnen getuigen ?
De Hoogepriester onzer gerechtigheid heeft de Waarheid, die uit God is, hier op de nadrukkelijkste wijze gehandhaafd. Hij heeft het
14 MAART.
Licht ontstoken, waardoor alle dwaallichten en schaduwen in hun donkerheid openbaar zijn geworden, en de i\'echte verhouding tusschen Schepper en schepsel, Hemel en aarde, Gods recht en onze overtreding weder openbaar is geworden. Hij heeft dat gedaan ten koste van zyn overgave in den dood en daarin zijn gezindheid van liefde tot zondaren, van volkomen gehoorzaamheid aan den Vader, geopenbaard. De menschen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht, omdat hunne werken boos waren; maar Hij heeft hun nimmer ontweken en van zijn roeping bewust staat Hij ook hier voor Pilatus volkomen zeker van zijn eeuwige zegepraal!
Zeg niet, mijn Christen: „Wat is waarheid?quot; Zoo twijfelend als Pilatus dit vroeg. Van alle zijden gaan stemmen op, die beweren de waarheid te vertolken; luister toe, of er\'s Heilands stem in vernomen wordt, want een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Zijne stem. — Misschien hebben allerlei belijders der waarheid wel eens uw ergernis of ontevredenheid gnande gemaakt, maar wat hebt gij, wat kunt gij hebben tegen dezen Getuige der Waarheid? BUif niet in uw trots met Pilatus tegenover Hem staan; maar buig u diep voor Hem neder; laat uw gemoed beschijnen door Zijn licht en koester geen hooger eerzucht dan onderdaan te worden in Zijn rijk, dat niet van deze wereld is, maar dat nu ook met deze wereld niet voorbijgaat, doch zijn luister ontvouwen zal tot in eeuwigheid. . . God geve dit ook tot uwe vertroosting!
Gij toch, Gü zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.
Uw vrije gunst alleen word d\'eere toegebracht;
Wij steken \'t hoofd omhoog en zullen d\' eerkroon dragen Door ü, door ü alleen, om \'t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in \'t strijdperk van dit leven
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89: 8
Lezen: Ps. 89; 1—19. — Joh. 8: 30-59. — 1 Tim. 6: 3—16.
D. J. KARRES.
15 MAART. Ill
15 MAART.
Lukas 23; 9. En Herodes vraagde Hem met vele ivoorden; doch Jezus antivoordde hem niets.
Zoovaak wij eene bladzijde der geschiedenis van \'s Heeren aardsche werkzaamheid lezen, krijgen wij den indruk, dat onze Heiland voor ieder die met Hem in aanraking kwam, een vriendelijk woerd, een woord van liefde en ernst, van vermaning of vertroosting had. In den geest zien wy Hem tegenover de lijdende menschheid staan met een blik vol mededoogen, en hooren wij Hem spreken, tot een blinden bedelaar: „word ziende, uw geloof heeft u behouden!quot; of tot een melaatschen man: „ik wil, word gereinigd!quot; of tot een diepgezonkene: uwe zonden zijn u vergeven!quot; En het woord, dat Hij spreekt is tevens een daad van almachtige liefde. Want de ongelukkigen, die tot Jezus gekomen zijn, worden genezen en vertroost. Niemand wordt door Hem afgewezen, niemand vraagt Hem te vergeefs om hulp of troost. Daarom treft het ons des te dieper als wij in de lijdensgeschiedenis zien, dat de Heer tegenover Koning Herodes met een onverbrekelijk stilzwijgen staat. „Herodes vraagde Hem met vele woorden doch Hij antwoordde niets.quot;
Wü gevoelen terstond, dat dit geen luim of willekeur is in den Heiland, maar dat Hy gegronde redenen voor dit zwijgen had.
De vragen, die Herodes den Heer voorlegde, zullen wel zóó onbe duidend geweest zijn, dat de Evangelist ze niet der opteekening waardig keurde. Herodes had voor de geestelijke majesteit van Jezus geen oog; misschien hield hij Hem voor een soort van toovenaar of wonderdoener. Jezus\' zwijgen tegenover hem is welsprekender, dan menig woord uit zijn mond kon zijn. Het veroordeelt hem op ontroerende wijze. Voor den koninklyken moordenaar en zyne lichtzinnige hovelingen, te zamen tot een huiveringwekkende diepte verzonken in ongeloof en ongerechtigheid, kon de Heer geen woord hebben, dan een verpletterend : „wee u!quot;
En al sprak zijn mond dit niet uit, heeft men het misschien niet gelezen in Zijne zieldoordringende oogen?
0, als wij zien, dat de ontfermende Heiland zelfs geen woord van vermaning meer heeft voor den zondaar, die al dieper en dieper wegzinkt in den afgrond van zondelusten vyandschap, waarin hij moedwillig nederdaalde; en nu door zijn zwijgen verklaart: „gij zyt reeds geoordeeld!quot; dan is dat ook voor ons wel een hoogsternstige roepstem, die ons waarschuwt tegen de ontzettende macht der zonde; die ons dringt
16 MAART.
tot zelfonderzoalc; en die ons noopt, eens voor het eerst en nooit voor het laatst tot Hem te komen met de bede om genade en verlossing, die Hij nooit onbeantwoord laat.
O Jezus! groot, waar \'toog hier staart,
Gij spreekt, zoo spreekt geen mond op aard,
Gij zwügt, uw zwijgen velt de snoodheid;
Uw grootheid rijst bij spot en hoon,
Uw kruis strekt U ten glorietroon\'
Hier is veel meer, dan menschen grootheid.
Gezang 121: 5,
Lezen; Lukas 23: 5—10. — Markus 0: 14—34. — 1 Petrus 2: 21-25. en 4: 1—8.
H. A. K UEINECKEN.
16 MAART.
Mattheüs 27: 21?): Welken van deze hvee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-ahhas.
Pontius Pilatus, de Pomeinsche landvoogd, voor wien de Heiland gebracht is, bevindt zich in een tweestrijd. Sterker en sterker wordt de indruk, dien hy ontvangt van de onschuld van Hem, Dien de Joden als een schuldige voor hem stelden; de vermaning van zijne huisvrouw: „heb niet te doen met dien Rechtvaardigequot; vindt weerklank in zijn binnenste, hij wil dien gevangene loslaten, maar ... de Joden, de ongenade des keizers! Voorwaar, de trotsche Romein gelijkt veelszins een riet van den wind her- en derwaarts bewogen. Maar zie, hy meent een uitweg gevonden te hebben, de gewoonte, jaarlijks op het Paasch-feest eenen gevangene los te laten, kan hem wellicht het beoogde deel doen bereiken. Daar is een berucht gevangene, een moordenaar, in oproer gegrepen, Bar abbas genaamd. Zoude het nog twijfelachtig kunnen zijn, zoo hij de schare plaatste voor de keuze tusschen hem en Jezus, Die genaamd wordt ChristLis, wie hunner door den wensch der menigte, van zijne boeien ontheven, zoude worden losgelaten? Immers neen, zoo meent hij. Hoezeer vergist hij zich! Op zijne vraag: welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten, is het antwoord der schare, door overpriesters en ouderlingen opgehitst: Bar abbas, Bar abbas!
Snoode misdaad der Christus verwerping, de loslating begeerd van eenen, wiens hand bevlekt was met het bloed van den naaste, eenen, in wien openbaar worden de werken des vleesches, nijd en moord.
112
17 MAART.
vijandschappen en twisten; de veroordeeling, de dood gezocht van Hem, Die gekomen was om den gevangenen vrijheid wit te roepen, om een des doods schuldig volk te redden van het eeuwig verderf. Voorwaar, bittere druppelen uit den Lijdensbeker, Hem door den Vader gegeven, smaakte ook in deze ure de Zoon. Zal Hij straks aan het vloekhout der schande met de misdadigers worden gerekend, hier wordt Hy nog beneden hen geacht. Ook deze diepe versmading wordt Hem niet bespaard. Maar immers, daartoe is Hij bereid, gekomen om zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Ja, ook hier bestaat de Eaad des Heeren. Door dien „bepaalden raad en voorkennisse Godsquot; is Hij overgegeven; gelijk straks in Zijn sterven, staat Hij ook hier in Zijn lijden als de groote Hoogepriester over het Huis Gods, de schuldovernemende Borg, op Wien de Heere „ons aller ongerechtigheid deed aanloopen.quot; Zalig, die dat verstaan mag; die, door het geloof, in die banden des Heilands zijne vrijmaking, in Diens veroordeeling zyne vrijspraak gevonden heeft; wien het Middelaarswerk van dien alge-noegzamen Zaligmaker het eenig rustpunt in leven en sterven geworden is! Worde in hen door Gods genade ook steeds meerder de strijd tegen de zonde openbaar, en alzoo beleden de Volzalige Naam van Hem, „Wiens zij zijn, Wien zij dienen mogen.quot;
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bittre smart Of bangen nood, mijn vleesch en hart,
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!
Psalm 73: 13.
Lezen: Luc. 23: 1—25. — Jes. 53. — Filipp. 2: 1—18.
Dr. E. J. W. POSTHUMUS MEYJES.
17 MAART.
Johannes 19: bb: Ziet, de mensch!
„Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de mensch!quot; Eeuwenlang heeft de gewijde kunst getracht dit tafereel ons voor te stellen op het doek. Maar elke voorstelling daarvan laat onvoldaan. Hoe diep de indruk
DAGBOEK. 8
113
114
ook zij, welke zulk een schilderwerk op u maakt, gij denkt het u toch schooner, grootscher. Jezus met de doornenkroon is u het beeld van den mensch in zijn grootste ellende en van God in Zijn eeuwige zondaarsliefde.
Jezus niet de doornenkroon! Ziet, de mensch in zijn ellende. Dat is de Mensch, op wien de Heer ons aller ongerechtigheid deed aan loopen. Ziet of er ééne smart is gelijk Ztjne smart. Hij staat daar voor de schare als de verbrijzelde en gevloekte om onzentwille. Hy is het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.
Hoe aanschouwen wij in Hem de macht onzer zonde, die in ellende stort, verderft, doodt! Den Heilige Jezus spaart zy niet. Onze zonden vlochten Hem die kroon. Onze ongerechtigheden maakten Hem tot den mensch, die zelfs Pilatus\' medelijden opwekt. Al die jammeren zijn Hem aangedaan door onze overtredingen. Ziet, de mensch! Hy diaagtden toorn Gods, onder welke wij eeuwig zouden verzinken, als Hij dien niet
had gedragen voor ons.
Maar zóó diep buigt de Heiland zich tot ons neder, om ons te redden en tot zich op te heffen. Hij heeft de zondaars lief.
Liefde is lust hebben in levensgemeenschap. Liefde strijdt rusteloos en onvermoeid tegen al wat die gemeenschap in gevaai brengt. Ware liefde acht daartoe geen kosten te groot, geen moeite te veel. geen inspanning te zwaar. Liefde zoekt, als zij haar voorwerp verloren heeft. Zooals de machtige bergstroom rusteloos voortjaagt, dijken en dammen, welke hinderen mot geweld uit den weg ruimt, totdat hij zich met de golven van den oceaan heeft vereenigd, zoo zoekt en strijdt de liefde en rust niet, tot zij heeft gevonden, wat zij zocht.
Zoo is ook de liefde Gods jegens ons. God zoekt ons, roept ons, maar wij doen als Adam en verbergen ons voor God. Evenals Jona liever omkwam in de baren der zee, dan dat hij sHeeien wil zou volbrengen, werpt een zondaar zich liever in de armen van den dood, dan dat hij zich door God zou laten vinden. Daarom zijn door Israël de profeten gedood en de Godsgezanten gesteenigd.
Eindelijk zond God Zijnen Zoon. Deze, als de goede Herder, stelt Zijn leven voor de schapen. Hij draagt voor hen doornenkroon en kruis. Ziet dan in Hem, den Mensch, hoe lief God zondaren heeft. Die mensch, met doornen gekroond en in het purperen kleed, predikt krachtiger dan de oude psalm: Barmhartig en genadig is de Heer, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Ziet, de mensch! Ziet, uit hoe grootequot; ellende gij moet gered worden! Ziet met hoe groote liefde God u heeft liefgehad! Ziet Hem, wiens sterven het leven Zijner discipelen is geworden; wiens smarte alle vromen met dankbare blijdschap vervult; wiens kruis en doornen-
18 MAART. 115
kroon een eeuwige kroon der eere verzekeren aan eiken zondaar, die tot Hem vliedt.
Van Zinzendorf wordt verhaalt, dat hü te Dusseldorf tot inkeer kwam door de aanschouwing van een beeld des iHeeren met de doornenkroon, waaronder geschreven stond; „Dit deed Ik voor u, wat doet gij voor Mij?quot;
Wel hem, die door Gods genade tot inkeer komt bij het zien op den Man van Smarten, en belijden kan: door Zijne striemen is my genezing geworden.
Ja, ik kost Hem die slagen.
Die smarten en dien \'hoon;
Ik doe dat kleed Hem dragen.
Dat riet, die doornenkroon.
Ik sloeg Hem al die wonden,
Voor mij moet Hij daar staan,
Ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamren aan.
Gezang 123: 2.
Lezen : Jes. 53. — Joh. 10; 1—18. — Hom. 5: 1—10.
H. J. L. POORT.
18 MAART.
Johannes 18: 38a; Wat is waarheid1?
Zoo vroeg Pilatus, maar hij kreeg geen antwoord. Deze vraag immers was geen vraag in den mond van den heiden, die zich voor niets warm maakte, dan voor de wereld en haar voordeelen. Waarheid was hem lastig. Daar kon hij niet mede vooruitkomen in zijn ambt, daar kon hij het volk niet mede regeeren en afpersen, en den keizer niet mede te vriend houden.
De meeste rnenschen zijn nog Pilatussen. Eten en drinken en dit leven genieten, dat is waarheid. Dat dit alles eigenlijk maar schijn is en de waarheid buiten den mensch ligt — dat wordt vergeten in het rumoer der wereld, onder de drukte van den arbeid, onder het klinken der geldstukken, onder het byeenbrengen van schatten, die, sneller dan ze kwamen, vergaan.
Een ander, veel kleiner deel, vraagt met ernst „wat is waarheid?quot; . . . doch vindt het \'tbest maar te blijven vragen, en het eenig antwoord, dat er is, af te wijzen met het schijnbaar nederige
19 MAAET.
„er is geen waarheid, er naar te zoeken is het hoogstequot;. Maar, wat voor de wijzen en verstandigen verborgen is, dat is den kinderkens geopenbaard. Er is een antwoord, maar een antwoord, dat op aarde nergens was te vinden, en dat door God zelf uit den hemel aan Zijn kinderen wordt gegeven. Gij kent het, niet waar? En gy weet ook wel, dat het uit de menschen niet komen kon, omdat zij kinderen zijn van den vader der leugen. Toch wilde God niet, dat alle menschen in duisternis zouden blijven rondtasten. Hij gaf de waarheid, Zijne gave, opdat ze zou zyn een licht op het pad en een lamp voorden voet der reizigers naar de toekomende stad.
Begeert gij de waarheid te kennen ? U zal geschieden naar uwen wil. Gods Woord is de waarheid. De Heilige Geest leidt in alle waarheid. Bovenal, het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond — de waarheid is mensch geworden! Houden wü het dan nog altijd, houden wij het ook heden voor oogen: Jezus Christus, de Eeuwige, zeide van zich zelf: „Ik ben de waarheidquot;, en vanu: „Wie uit de waarheid is, hoort Mijne stemquot;.
Amen! Jezus Christus! Amen!
Ja, Gij zult in \'t groot heelal \'tEijk der duisternis beschamen,
Tot het niet meer wezen zal.
Woon, o Heiland! in ons midden:
Onder Uwe heerschappij Zijn wij zalig, zijn wij vrij;
Leer ons strijden, leer ons bidden!
Amen! heerlijkheid en macht Word\' U eeuwig toegebracht!
Gezang 50: 4.
Lezen: Psalm 119: 07—112. — Johannes 14: 1—14. — 1 Corinthen 2.
F. W. C. L. SCHXJLTE.
19 MAART.
Johannes 19: 12b : „Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des keizers vriend niet.quot;
Niet Jezus recht doen, maar Hem kastijden en loslaten. Ziedaar het hoogste, waartoe de officiëele vertegenwoordiger van „het volk des rechtsquot; kan gebracht worden. Pilatus\' zelfoverwinning werd echter neerlaag, toen de volksuitroep weerklonk: „Indien gy dezen los-
116
19 MAART.
laat, zoo zyt gij des keizers vriend niet.quot; Menschengunst is een machtige Satansstrik. Tusschen den Koning der waarheid, die geen enkelen vetten post of eerambt te begeven had, en den Caesar te Rome, den wereldbeheerscher, viel de keuze licht. De volksstem een Godsstem. Als uit Gods eigen mond gaat het woord tot ons uit: „Indien gij dezen Jezus loslaat, zoo zijt gij des keizers vriend niet.quot; De toenmalige keizer was do groote heer te Rome. Maar onze Heere woont in de hemelen, Hy, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, en die beide bezit. Het was vóór achttien eeuwen een groot voorrecht, bü den heer-scher aan den Tiber een witten voet te hebben, in den glans van quot;s keizers aangezicht zich te spiegelen. „Ik ben een Romeinsch burger,quot; konden millioenen; „ik ben\'s keizers vriend,quot; konden slechts weinigen zeggen. Doch in alle eeuw is het een oneindig grooter, een hemelsch privilege, bij den Regeerder der uit goud gebouwde Godsstad in de gunst te staan, en te ervaren\' „In het licht van des Koningsaangezicht is het levenquot;. „Ik ben een geboren Christenquot;, kunnen millioenen; „ik ben een herboren Christenquot;, kunnen slechts weinigen zeggen. Velen namen Jezus en de waarheid verstandelijk, uitwendig, in eigen kracht aan. Zij zijn de ingebeelde gunstelingen des hemels, die straks aan de hemelpoort afgewezen worden. De ware geloovigen namen den Christus met hun hart, innerlijk en wezenlijk, door des Geestes kracht aan. Zij zijn des Konings ware vrienden, die door de paarlen poorten en op de gouden straten zullen gaan. Want zy leerden hier beneden Jezus aangrijpen, daar zij van Christus Jezus gegrepen z\\jn. Zy grepen Hem aan als hun „Verhoorder van des Konings wegequot;. Hun alleen roept de Geest met nadruk toe: „Herboren Christenen! houdt den Christus vast, met uw geloof en hoop op Hem, met uw liefde en lof voor Hem, met uw leven en sterven in Hem. Indien gij dezen Jezus loslaat, zoo zijt gij Godes vriend nietquot;.
Jezus! bron dier hemelvreugde,
Die ons hart eens smaken zal;
Wat ons ooit op aard verheugde,
Gij verheugt ons bovenal!
Daar Gii ons reeds hier bereidt
Voor des hemels heerlijkheid,
Waar w\' U eeuwig lieven, loven;
Jezus! trek ons hart naar boven!
Gezang 43 : 5.
Lezen - Jesaja 53. — Johannes 19; 1—10. — Filippansan 3; 1—14.
Du. F. J. LOS.
117
20 MAART.
20 MAART.
Mattheüs 27: 24 — 26: ,, A Is nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer, dat er oproer werd, nam hij ivater en iciesch de handen voor de schare, zeggende: Ik hen onschuldig aan het Moed dezes rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
„En al het volk, antivoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen!
„Toen liet hij hun Bar-abhas los, maar Jezus gcgeeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te ivorden.quot;
quot;Welk een pijnlijken indruk heeft het gemaakt, dat Pilatus, in plaats van recht te doen en Jezus vrij te spreken, zich aan eon beslissing heeft trachten te onttrekken. Hij heeft haar aan het volk overgegeven door een bekenden gevangene, Bar-abbas, tegenover Jezus te stellen en het volk te vragen, wie nu zou worden losgelaten. Doch pynlyker nog doet het aan, wat wij uit de volgende mededeeling van den evangelist Mattheüs vernemen: „Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veelmeer, dat er oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: „Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen.quot;
Is dit dezelfde, die nog kort te voren zulk een hoogen toon voerde tegenover den beklaagde, en nu zich op de meest onteerende wijze voor de volksmenigte vernedert, al merkt deze het niet op? Het is dezelfde, de hooge, trotsche Eomein, die juist overeenkomstig den zondigen trots zich met den schijn zoekt te dekken, tegen het gemis aan alle ware zedelijke kracht. t)e Romein, die, hoewel wetende, dat de begeerte des volks onrecht is, zich daarvoor buigt, maar dit doet onder den schyn van het recht.
Naar ons wordt verhaald, waren de Romeinsche rechters gewoon, alvorens vonnis te vellen, hun handen te wasschen, hierdoor te kennen gevende, dat zü persoonlijk onschuldig waren aan wat den veroordeelde zou worden aangedaan. Schoone en verheven symboliek, waardoor aangewezen werd, dat het niet was: de eene mensch, die over den ander vonnis velde, maar, dat in naam van het voor allen geldend recht, dat geschonden was, straf werd geëischt. Hieraan denken wij liever, wanneer wij van Pilatus lezen, dat hij zijne handen wiesch, alvorens Jezus feitelijk te veroordeelen door Hem ter kruisiging over te geven, dan aan een Joodsch gebruik, dat zyn oorsprong heeft in hetgeen Deut. 21 gelezen wordt, en dat door Pilatus zou overgenomen zijn.
118
21 MAAET. 11
Maar zoo wordt, hier dan het schoonste misbruikt. Want, door de
eischen van het hem ter handhaving toevertrouwde recht te miskennen
is hij juist persoonlek schuldig geworden en baat hem de wassching
zijner handen niet.
Gelijk in het algemeen bü Jezus Christus tegenover Pilatus de tegenstelling lusschen het koninkrijk Gods en dat der wereld op het machtigst uitkomt, wordt die hier ook in haren diepsten aard aanschouwd. Pilatus, de vertegonwoordiger der wereldmacht, d.\'e tot in de vormen toe onder den schijn van het recht te eeren, de waarheid in het aangezicht slaat — Jezus Christus, die eerder in alles den schyn van een misdadiger aanvaardt, dan een oogenblik te wijken van de waarheid en het recht Gods.
Doch hierdoor is Jezus Christus dan ook de eenige, die ons, schuldigen, voor God niet slechts vrijspreken, maar ook vrijmaken kan.
Kome zijn bloed niet als een oordeel, maar ter verzoening over ons en onze kinderen.
Gij, door die liefd\' ondenkbaar groot,
Gij schuwt geen smaad, geen lijden,
Geen angst, geen kruis, geen vloek, geen dood,
Zoo \'t zondaars kan bevrijden.
Zoo \'t zondaars redt, zijt Gij bereid
De zond\' op \'t kruis te dragen;
Gy, \'t beeld van \'s Vaders heerlijkheid,
Gij \'s Vaders welbehagen!
Gezang 4-6: 28, 29. J.ezen : Matth. 27: 11—26. — Psalm 146. — Rom. 3; 19 31.
Mr. J. SCHOKKING.
21 MAART.
Lucas 23: 26-32: En als zij Hem wegleidden, namen zij eenen Simon van Gyrene, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgden Rem, welke ook weenden en Hem beklaagden.
En Jezus zich tot haar keerende, zeide: Gij dochteren van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over u zeiven en over mee kindereni
21 MAAET.
Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren en de huiken, die niet gehaard hebben en de horsten, die niet gezoogd hebben.
Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de her gen: Valt op ons\', en tot de heuvelen: Bedekt ons!
Want, indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschiedenquot;?
En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.
„Een kruis met rozen is \'t raenschenlot . . . maar ik vraag u; waar zijn hier de rozen? Wij krijgen hier niets in \'toog dan een weg eindigende in kruis en kruisdood. En alles, wat, we op dien weg aanschouwen, profeteert niets dan kruis en kruisdood. Alle lichtstralen, ze vallen op \'t kruis neer en alle schaduwen, zij voorspellen den kruisdood.
Maar geene rozen. En ook geen bloeiende amandel, geen saprijke vijg, geen kleurige druif! Integendeel, hier bloeit zelfs geen vygeboom, en de wijnstok geeft geen vrucht en \'t werk van den olijfboom liegt. Want een Simon van Cyrene is slechts een middel om te spoediger \'t kruis te bereiken. En het medelijden der vrouwen laat de waarheid der profetie maar te scherper gevoelen: „Ik heb de pers alleen getreden en niemand der volkeren was met Mij.quot; En de twee kwaaddoeners, ze doen te krachtiger uitkomen \'t eeuwenoude onderscheid tusschen \'t gericht der menschen en de gerechtigheid Gods.
En de Heer zelf, hoe is Hij onder dit alles gestemd? Hij beeft, maar niet voor eigen lot, niet voor \'t kruis, dat Hem wacht. Hij beeft gedachtig aan het oordeel, dat \'t volk Gods zich op den hals haalt; innige smart grijpt Hem aan bij de gedachte, hoe dat volk eenmaal zal kermen: „bergen, valt op ons, heuvelen, bedekt ons.quot;
Maar voor zich zeiven is Hij stil, berustend, vertrouwend. Want Hij ziet \'t genoeg: „?t lot is in den schoot geworpen,quot; maar Hij gelooft ook: \'t geheele beleid is van den Heere.quot;
En het heilig willen van Zijn hart beantwoordt zóó geheel aan het heilig moeten van den Eaad Gods, dat Hij in vollen vrede kruis en kruisdood te gemoet gaat.
Hoe vreeselijk zal \'t zgn als de wereld zal smeeken en vruchteloos smeeken: „bergen, valt op ons, heuvelen, bedekt ons.quot;
Maar, hoe veilig ook aan den voet van dat kruis, waar Jezus vloek en dood overwon, gerechtigheid en leven aan \'t licht bracht.
Dat mijn ziel, met woord en daden,
Op mijn paden.
120
22 MAAKT. 121
Zich dan gansch aan Hem gewenn\';
Laten al mijn levensdagen
Blijken dragen,
Dat ik Jezus eigen ben.
Gezang 51: 6.
Lezen: Jez. 2: 10 enz. — Hos. 10: 8 enz. — Openb. 6 : 9 enz.
J. H. GESELSCHAP Wzn.
22 MAART.
Markus 15: 22 — 25, 27, 28; En zij brachten Hem tot de plaats Gol-gotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Eoofdscheêl-plaats.
En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken, maar Hij nam dien
niet.
En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, ivat een iegelijk wegnemen zou.
En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem.
En zij kruisigden met Hem tivee moordenaars, eenen aan zijne rechter- en eenen aan zijne linkerzijde.
En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.
„Verschrikkelijk, maar tegelijk ook heerlijk Evangelie dat ons hier verkondigd wordt,quot; om met Luther te spreken.
Verschrikkelijk, als we alles ons indenken, wat ons hier voorde oogen wordt gesteld! Wij toch weten, wie Hij is. Dien men naar Golgotha henenleidt! Hij, over wiens komst in de wereld Gods Engelen hebben gejuicht, en nu - zulk een uitvaart wordt Hem bereid! Hem wiens voetstappen, overal waar Hij kwam, drupten van zegeningen — als een pest der menschheid zien wij Hem uitgeworpen! Den schand-heuvel moet Hij beklimmen, den smadelijksten, smartelijksten dood sterven, den dood aan \'tkruis, aan het vloekhout! En — tusschen twee moordenaren wordt Hij gehangen, alsof Hij hun gelijk ware!
O, wilt ge weten, wat de zonde is, waartoe de zonde leidt, ook
uwe zonde, gaat henen naar Golgotha en ziet, wat menschen, van gelijke beweging als gij, gedaan hebben! Het zijn uwe broeders, die aan den Heer der Heerlijkheid zich vergrepen! Het is uw eigen vleesch en bloed, dat den Heilige Gods heeft aan het kruis gebracht!
Ja, wel — verschrikkelijk Evangelie!
Maar ook . . . welk eene Genade wordt ons hier verkondigd!
23 MAART.
Niet alleen door, ook om uwe zonden kwam de Christus aan het kruis! Al die smarten, al dien smaad aanvaardde Hij, met de vrijwilligheid der hoogste liefde. Hij laat zich met zondaren gelijk stellen, met zondaren, die den vreeseli,jksten\'dood hebben verdiend! Biedt men Hem een verdoovenden drank aan om de smarten der Kruisiging te verzachten. Hij proeft dien even, doch neemt dien niet, om met onbenevelde zinnen Gods raad te volbrengen en den vloekbeker te drinken, die den Zijnen ten troostbeker worden zal! Ja, Gods Raad volbrengt Hij in Zijn schuld betalend lyden en sterven. Hij, die door Zijn vlekkeloos leven aan Gods gehoorzaamheid-eischende gerechtigheid voldeed! Hij heeft geheel in de plaats van dood- en doemschuldige zondaren zich gesteld! Hij leed, Hij droeg, wat gij verdiendet!
Ben ik dan zóó slecht, dat Gods Zoon voor mij moest sterven? Ja, rnaar ook zóó lief heeft de Heere U, dat Hü om U te zaligen, zich voor U ten Borg wou stellen! O, leert Hem als een Koning erkennen! Speelt, en dobbelt niet langer onder de schaduwen van dat kruis! Rust niet vóór gij door Genade, moogt zeggen; En dat al deed de Christus voor mij!
Jezus! Uw verzoenend sterven
Blijft het rustpunt van ons hart.
Als wij alles, alles derven,
Bljjlt Uw liefd\' ons by in smart.
Och! wanneer mijn oog eens breekt,
\'t Angstig doodzweet van mij leekt,
Dat uw bloed mijn hoop dan wekke,
En mijn schuld voor God bedekke.
Gezang 130: 6.
Lezen: Matth. 27: 26—3-. — Jes. 53 — Rom. 5: 6—17.
E. B. GUNNING.
23 MAART,
Johannes 19: 196; En er was geschreven: JEZUS DE NAZA-RENER, DE KONING DER JODEN.
„Jezus de Nazarener, de Koning der Jodenquot; — alzoo luidde het opschrift, door Pilatus geplaatst boven het kruis, ongetwijfeld om de Joden te grieven. En dat dit doel niet werd gemist, het bleek uit de
122
28 MAAPT. 123
vraag, door de overpriesters tot den landvoogd gerichr. (vs. 21). Doch wat Pilatus ook heoogde, de stift, waarmede de woorden in de was werden gegrift, werd in den diepen grond bestuurd door Hooger hand. Daarom zou ook uit Pilatus\' mond worden gehoord; „Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,quot; want God zelf had het opschrift alzóó gewild. Niet als een, die zich voor den Messias had uitgegeven, maar als degene, die waarlyk de Messias was, zou de Heere Jezus hangen aan het hout. Ook door het opschrift zou het der wereld worden verkondigd: „Alleen in den Gekruisigde is het heil; wie met het oog des geloofs op Hem ziet, is gered, is behouden voor eeuwig.quot;
„Jezus de Nazarenerquot; — alzoo wordt genoemd, om Hem als „den verachtequot; te kenmerken, (vg. Joh. 1: 47) en toch moet Hij alzoo heeten, opdat Hij als „de SPRU1TEquot; worde aangeduid (vg. Matth. 2: 28). En die Spruit is uw Koning, o Joden; is de Koning, door God over Sion gezalfd ; is Vorst Messias, aan de Vaderen beloofd.
Een Vorst, een Koning, en dan — aan het kruis!
O, onbegrijpelijk raadsel voor eene wereld, die zich vergaapt aan uitwendige schittering en glans, die met het eindig verstand wil doorzoeken de onnaspeurlijke wegen Gods!
En toch — heerlijke heilrijke waarheid! Voor allen, die gelooven, de oorzaak van eeuwigen dank!
Het kruis immers spreekt van oneindige liefde — het w^st op een „dienen tot in den dood.quot; En zulk dienen, het is immers het kenmerk van het ware koning zijn.quot;
Ja, waarlijk, Koning ook aan het kruis!
Maar meer nog.
Koning — ook door het kruis!
Het mocht schijnen of op Golgotha de duisternis sterker was geweest dan het licht, het zou blijken, dat Jezus Christus juist door het kruis volkomen had getriumfeerd. Als koning der eere zou hij ingaan in zijn geducht paleis.
Jezus, de Gekruiste, is Hy ook uw Koning?
Zalig zijt gij, zoo gij kunt zeggen: ja. Want dan maakt Hij u van harte gewillig en bereid Hem te dienen, uw kruis op te nemen en Hem te volgen, waar Hy u leidt. Dan is het ook voor u zeker, dat de kroon u wacht.
Geloofd zy \'sVaders een\'ge Zoon!
Hij bracht ons van zijns Vaders troon
De rijkste zegeningen:
Hem. onzen helper in den nood,
Hem, onzen redder van den docd,
Moet al wat ademt zingen.
124 24 MAART.
Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer!
Voor U knielt uw gemeente neêr,
Lofzlngend in uw woning.
Eens wordt alom U toegebracht Lof, eer en heerschappij en macht;
Zoo heerscht Gr\' als aller Koning.
Lezen: Psalm 2. — Jesaja 42; 1—12. — Job. 19: 13—22.
Dr. B. VAN MEER.
24 MAART.
Lukas 23: 34a: En Jezus zeide: Vader, vercjeef het hun, ivant zij wden niet, wat zij doen.
Welk eene goddelijke liefde openbaart de lijdende Borg in dit woord! Zijne handen zijn aan den kruispaal geklonken en Hij kan ze niet vouwen. Maar nu spreekt Zijn heilige mond het eerste woord uit en dat is eene bede voor Zijne vijanden.
Vader, vergeef het hun! zoo roept Jezus uit, pleitende op de oneindige barmhartigheid van dien God, Dien Hij ook nu nog met den dierbaren Vadernaam blijft toespreken. Zij weten niet, wat zü doen. Neen, deze bede bepaalt zich niet uitsluitend tot die Romeinsche krijgsknechten, opgevoed zonder teugel en wet. Zij geldt ook het volk Israël, want Petrus heeft gezegd: ik woet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk alsook uwe oversten. Paulus schrijft; want, indien zij Hem gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. Hoe wordt ons dus dit woord de openbaring eener geheel eenige liefde. Het is ons een kostbaar onderpand van Christus\' genade, die bij den Vader de voorspraak wil zijn van doemwaardige zondaren, alzoo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
En de Vader, die zynen Zoon altijd hoort, heeft dan ook deze bede met eene milde verhooring bekroond. Eenige uren later verheerlijkt de hoofdman Hem bij het kruis en zegt: waarlijk deze mensch was rechtvaardig. Op den eersten Pinksterdag worden er omtrent drie duizend zielen tot den Heere bekeerd als eerstelingen van den oogst. En die oogst is groot geweest. Ieder zondaar, die gered wordt van den eeuwigen dood, geniet in die verlossing de vrucht dier ladende en biddende liefde. Immers, de Schrift zegt, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij Zijne vijanden waren. Door de jammerlijke verblindheid der zonde verwerpt de natuurlijke mensch den eenigen
25 MAAET. 125
naam, die onder den hemel ons tot zaligheid geschonken is. Hij kent de heerlijkheid der groote genade niet. Maar, als hij wederom geboren wordt door de krachtdadige genade des Heiligen Geestes, dan heeft zich immers de dierbare Zaligmaker over dezen vijand ontfermd en de overwinning behaald over diens natuurlijke vijandschap.
En het kind des Heeren, dat hier zoo menigmaal in velen struikelt, mag altijd weer op zijn Borg en Middelaar zien. Johannes zegt immers: indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve en ons reirüge van alle ongerechtigheid. En, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader: Jezus Christus den Rechtvaardige. Heerlijke wetenschap: de Zone Gods bidt in den hemel Zijner heerlijkheid voor ons.
quot;Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor \'t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mensch, wien \'tmag gebeuren.
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die, in \'t vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank\' oprechtheid voedt.
Psalm 32: 1.
Lezen : Jes. 53. — 1 Joh. 1. — 1 Joh. 2.
J. H. WENS1NCK.
25 MAART,
Johannes 19: 26, 27a: Jezus nu ziende zijne moeder, en den disci-pel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot zijne moeder: Vrouw,
zie, uw zoon!
Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, moe moeder!
Welk een heerlijken blik geeft dit tweede kruiswoord ons in het liefdevol hart onzes Heeren. Ofschoon zelf ten prooi aan de ergste lichaams- en zielesmart, klaagt hij niet over eigen ellende, maar gedenkt Hij aan den nood van haar, die Hy liefheeft en giet Hü in de wonde haars harten lenigenden balsem. Waarlijk, dit mag onbaatzuchtige, heilige liefde heeten, die geheel zichzelven vergeet om aan
25 MAABT.
haar, die men liefheeft te denken, en wel wordt hier aan \'t kiuis de waarheid bevestigd, dat de Heere Jezus de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad heeft tot het einde.
quot;Wat Hij nu was voor de zijnen gedurende de dagen zijns vlee-sches, is Hij ook nu nog, nu Hy verheven is in heerlijkheid. Ookiui draagt Hij hen met al hun behoeften op zijn hoogepriesterlijk hart, en gelijk Hij de smart en den strijd van Maria zag, zoo ziet Hij ook nu allen nood en kommer der zijnen! „Hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn dierbaar in zijn oog.quot; En waar de Heer den nood der zijnen ziet, daar voorziet Hy er ook in. „Wat zijne liefde wil beweiken, ontzegt Hem zyn vermogen niet.quot; Voor eiken nood der ziel, of des lichaams is bü Hem vervulling te vinden. Aardsche troosters zijn vaak machteloos, maar de troostbron, die in Hem en aan zijn kruis ontspringt, droogt nimmer op en vloeit nooit onvoldoende!
Een ieder, die, waarlijk verslagen en verbroken van hart, aan den voet van zyn kruis leert knielen en den blik des geloofs, vol begee-rig verlangen op Hem, den man der smarts, leert richten, ontvangt hiervan de ervaring.
Nog meer dan Maria by het kruis heeft ontvangen, wil Hy den treurenden schenken. Niet slechts een Johannes geeft Hij hun, maar Zich zeiven biedt Hij hun aan. Hij zelf, de volle, de rijke Christus, in Wien alle schatten van gena zijn verborgen, is de overvloeiende gave, die Hij der treurende ziel tot hare vertroosting bereid heeft.
Zalig dan een ieder, die met zijn smart leert vluchten tot Hem. Yoor dien wordt het schijnbaar verlies tot eeuwige winst.
Weet gij dit bij ervaring, mijn lezer of lezeres, omdat gij, eerst door zijn kruis veroordeeld en verbroken, er ook zijn troostwoord tot uwe ziel hebt vernomen: „mijn zoon, mijn dochter, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergevenquot;?
Zoo ja, toon dit dan ook in uw leven, door met al wat u overkomt, met eiken nood en elke bestrijding der ziel en met allen kommer des lichaams allereerst tot Hem te gaan.
Alles, moogt gij Hem zeggen. Niets is er voor Hem te groot of te klein Werp dan alle uwe bekommernissen op Hem, zoo zal Hij het gewisselijk maken en ook u steeds weer opnieuw de ervaring schenken, dat zalig zijn, die treuren aan den voet van zijn kruis, omdat Hij ze goddelijk troost.
Liefd\'! in U is al ons leven,
G-ij, Gij zijt ons hoogste goed;
Ja, Uw kruis heeft ons gegeven Wat ons eeuwig juichen doet.
126
26 MAART. 127
O, hoe zijn w\'aau U verbonden,
Jezus, Redder, \'s Vaders Zoon!
Onze harten, onze monden Juichen dankbaar tot Uw troon.
Gezang 120: 4.
Lezen: 1 Joh. 4 : 7—21. — Psalm 23. — Jesaja 55.
J. D. J. IDENBURG.
26 MAART.
Lukas 23: 42b: Heere! gedenk mijner.
Is deze verzuchting de onze, dan is een goede dag ons gewaarborgd. God geve dit door zijnen Heiligen Geest.
Wie bad deze bede? Een man van bekende vroomheid, een ijverig betrachter van \'sHeeren geboden? Het tegendeel is ons bekend; moordenaar is hij. Om zijn misdaad veroordeeld, is hy aan het kruishout geklonken en zoo ervaart hij op zeer vreeselijke wijze, dat de bezoldiging der zonde de dood is. In de bitterheid zijns gemoeds hoonde hij straks den lijdenden Heiland nog mede: Ook die met Hem gekruist waren, lasterden Hem. Maar ziet het wonder van Gods genade: ter elfder ure is dat stugge hart verbroken. Nu kan het niet langer zoo. Waarschuwend bestraft hü zijn woedenden lotgenoot. Daarbij billijkt hij God in eigen rechtmatige straf: Vreest gij ook God niet, zoo klaagt hij, daar gij in hetzelfde oordeel zjjt? En wij toch rechtvaardiglijk; want wij \'ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
Ontzettend is zijn toestand. De dood dreigt, de eeuwigheid grimt, de smart vermeerdert duizendvoudig met elk oogenblik. In dit alles gevoelt hij slechts de maat zijner zonde. Wie kan hier helpen? Beneden hem toornt de wraak en boven hem brandt Gods rechtvaardigheid. Slechts één weg blijft over: de Verlosser van zondaren. En tot dien Eénen wendt hij zich met de smeeking: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn.
Zietdaar het zaligmakend geloof in zijne levende kenmerken. Van vijand Gods wordt hy boeteling, van boeteling bedelaar bij den ge-kruisten Christus, van bedelaar rijk begenadigde, door de koninklijke vrijspraak des Heeren: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Dit moordenaarsgeloof moet het onze worden, zal het wel met ons zijn. Immers, wat hy was, zyn wij, zondaren, moordenaars ook.
27 maart.
door ons aandeel in de overlevering van den Heere der heerlijkheid. Eu al zijn wij niet gekruist, toch liggen wij onder den vloek van Gods wet. De Heilige Geest kan ons dit leeren zieu. Dan krygen wij noodig, wat htf noodig had, en het gebed gaat uit tot den Middelaar Gods en der menschen: Heere, gedenk myner.
De Heiland is na volbrachten strijd in zijn koninkrijk gekomen om er dezulken binnen te leiden. Hem is gegeven alle macht om zalig te maken, wie uit diepte van ellende vluchten tot Hem. Zoo komt de Paradijsvreugde weder, hier bij aanvang en eens in volkomenheid.
Rijke wereld buiten Christus, hoe groot is uwe armoede!
Arm volk van God, wat zijt gij rijk met zulk een Zaligmaker!
Behoud, o Heer, wil bijstand zenden,
Verlos, bewaar, verschoon,
Die Koning hoor\', als w\' in ellenden Aanbidden voor zijn troon.
Psalm 20; 5.
Lezen: Lun. 23: 33—48. — Joh. 10: 1—16. — Mattb. 20: 1—16.
C. B. OORTHUIJS.
27 MAART.
Mattheüs 27; 46; En omtrent de negende ure riep Jezus met eene (jroote stem, zeggende: Eli, Eli, Lama Sabachthani! dat is: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten!
„Eli, Eli, Lama Sabachthani!quot;\' „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!\'\' Ontzettende uitroep, getuigende van de diepste smart, van het vreeselijkste lijden. Christus betreedt de vallei van den geestelijken dood. Het heilige leven Gods komt in den toesiand van den dooi God geoordeelden zondaar. Vroeger had het weerklonken: „Vader, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niez, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.quot; En nu! — des Vaders wil is geschied. De Zone Gods is ingetreden in de volle ellende des zondaars en draagt al de gevolgen der zonde,; de geheele straf, die geëischt wordt, de tijdelijke en de eeuwige straf. Van God verlaten! Volkomen duisternis is neergedaald op den Zone des levenden Gods, alle smarten der hel stormen aan, alle ellende der hel wordt gevoeld. Van God verlaten! De Zone Gods ziet niet het oog des Vaders, voelt niet de hand des
128
27 MAAET.
Vaders, hoort niet de stem des Vaders. Da Costa zegt zoo schoon: „Zes uur lijden van den eeuwigen Zoon van God is gelijk met het lijden des zondaars.quot;
In het oogenblik dat het weerklonk: „Eli, Eli, Lama Sabachthaniquot; was het lijden op \'t hoogst. Wij kunnen niet indenken, wat het ge weest is voor den Eeuwig Reine. Wij kunnen indenken, wat lijden is, dat verdiend is, — maar onschuldig en toch schuldig, rein en toch verloren, één met den Vader en toch verlaten — wij hebben er geen begrip van. Door Gods genade kunnen wij leeren knielen en dunken. Zoo wij verstaan, dat Christus onze Borg en Middelaar is, dat Hij in dezen toestand is ingegaan uit liefde, dan heet het: „God is barmhartig en genadig! Christus heeft door zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helsche kwalen, in welke Hij in Zijn gansche lijden (maar inzonderheid aan \'t kruis) gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost!quot;
Mij verlost! dat is: mij in mijnen God gegeven een Vader, tut Wien ik komen mag en komen kan met al de nooden naar lichaam en ziel - een Vader, tot Wien ik komen mag met ieder „Waaromquot; dat in de ziel opklimt. By het kruis is het antwoord te vernemen op ieder „waarom.quot; Bü het kruis voelt men; „God verlaat nooit.quot;God is nabij in \'t licht en in \'t donker, in leven en in sterven, in de ure des doods. Het kruis verzekert den arme neergeknielde: „De Heere is altijd nabij!quot;
Dat heet gadelooze ontferming,
Dat genade, rijk en vrij!
God schenkt redding, schenkt bescherming.
Schenkt z\' aan zondaars, schenkt z\' ook mij; Dan zelfs, als mijn onvermogen,
Als mijn diep bederf my smart.
Toont my \'t godlijk Vaderhart Zijn verlossend mededoogen.
God is liefd\', o Englenstem,
Menschentong, verheerlijkt Hem!
Gezang 38: 6.
Lezen: Psalm 22. — Matth. 27; 36—47. — Hebr. 5.
129
N. M. DE LIGT.
9
DAGBOEK.
130 28 MAART.
28 MAART.
Joh. 19: 28, 29. Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht ivas, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden eene spons met edik, en omleiden ze met hyzop, en brachten ze aan Zijnen mond.
Ontzettend schouwspel! Mij dorst, zoo sprak de lijdende Zaligmaker, die reeds zes lange uren aan het hout der vervloeking op Golgotha aan de bespotting en verachting van zijne vijanden blootgesteld was geweest. Mij dorst, zoo sprak Hij, die de Schepper is van alle bronnen, die de fonteinen leidt door de dalen en de sluizen des hemels opent, opdat zy het dorstig aardrijk drenken. Mij dorst, zoo sprak Hij, die op de bruiloft te Kana in Galilea water in wijn veranderde, die met een kleinen voorraad aan duizenden in de woestijn spijze gaf, en die niet slechts den dorst des lichaams, maar ook die der ziel lesschen kan, en die voor haar fonteinen opent, die springen tot in het eeuwige leven. Welk een diepte des lijdens, welk eene onuitsprekelijke beproeving vonr onzen Verlosser. Welk eene volkomene onderwerping aan den wil des Vaders, en getrouwe volbrenging van Zijn verzoeningswerk. Welk eene oneindige en onuitsprekelijke liefde tot zondaren. Immers, om der zonden wil leed de Heer ook die onbeschrijfelijke dorst aan het kruis. Wij hebben door onze zonden ons onderworpen aan het oordeel der eeuwige verdoemenis in de plaats der pijniging, waar geen enkele droppel tot verkoeling van de branding der tong wordt aangeboden. Maar Jezus leed dien dorst aan het kruis, opdat de dorst onzer ziel gelescht zou worden door \'t geloof in Hem.
Welk eene verkwikking werd den Heer toegereikt in do bange lijdensure? Eene spons, gevuld met edik, een zuren drank,zoo weinig geschikt om rechte lafenis aan te brengen. Bij den geringste onder de menschen zijn er in den regel deelnemende betrekkingen en vrienden, om de laatste uren der srnarte op het sterfbed te verzachten; maar bij Jezus geen hand der liefde om het koude doodzweet af te wisschen.
Ach, wij zijn zoo spoedig gereed om te klagen, wanneer wij iets moeten ontberen, en de Hoer, die niet voor eigen zonde en schuld maar om onzentwil leed, moest zelfs aan het kruis nog klagen over dorst. Hoezeer moesten wij in ootmoed ons nederbuigen en voor iedere lafenis den Heer danken. En, al hebben wij niet gestaan aan-den voet van het kruis, wij kunnen ook nu nog den Heiland verkwikken
29 MAART. 1\'
door Zijn naam te belijden, Zijne liefde te verheerlijken en aan de zijnen hulp en vertroosticg te bieden.
\'fc Hijgend hert, der jacht ontkomen.
Schreeuwt niet sterker naar \'t genot Van de frissche waterstrooinen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den Heer;
God des levens ! ach! wanneer Zal ik nad\'ren voor Uw oogen;
In Uw huis Uw naam verhoogen?
Psalm 42; 1.
liezen: Ps. 69. — Jes. 55. — I\'s. 42.
S. KALMA.
29 MAART.
Johannes 19; 30: Hd is volbracht.
Dit woord is zeker het meest gewichtige woord, dat ooit hier op aarde gesproken is. Het is een triomfkreet, waarmede de Heiland het der wereld verkondigt, dat de vijand overwonnen is. De Leeuw uit Juda\'s stam heeft gezegevierd over den brullenden leeuw, die rondgaat om te verslinden.
Het is volbracht, maar — wat is volbracht? Het groote werk der verlossing, vastgesteld in Gods eeuwigen vrederaad. Alles wat een heilig God eischen moest, zou Hij met doodschuldige zondaren weder in gemeenschap kunnen treden, — het is voldragen door dezen Middelaar voor Zijn volk. Alles, wat een genadig God schenken wilde aan verlorene schepselen om hen te zaligen, — het is aangebracht door dezen plaatsbekleedenden Borg. Het eeuwige leven, dat Christus geven zal aan de Zijnen, — het is verworven.
Kunt gij heerlijker zaak bedenken ? De zonde, die den mensch bracht onder het oordeel Gods, is verzoend, de schatten van Gods genade volheid zijn ontsloten. Als gij, door Gods Geest aan u zeiven ontdekt, tot het bewustzijn zijt gekomen van God vervreemd, een vy-and van God te zijn; ;ils gij tot erkentenis zijt gekomen van uwe armoede, van uwe machteloosheid om u zeiven te verwerven, wat u zoo onmisbaar noodig is, hoort dan hier, wat Christus voor zulken gedaan heeft. Hij bracht de redding aan uit de ellende. Kan er aantrek-
132
keiijker waarheid u worden verkondigd dan deze? En dat geschiedt niet door een mensch, maar door den Zoon van God, Die gekomen was om het groote werk van \'s Vaders liefde te verrichten.
Christus volbracht volkomen; maar dan hebben wij niets aan te brengen; dan is al wat wij nog zouden willen doen, een miskenning van Zijn werk. Hoeveel wordt dit vergeten bij het gevoel van zonde. Zeker, uwe zonden zijn onnoemelijk veel, onberekenbaar zwaar. Dat moet gij beseffen, voordat dit woord u van vertroosting kan spreken. Maar als dit u drukt, hoort dan, dat Gods genade, in Christus\' bloed die allen kan wegnemen-
Wat hebt gü nu te doen? De toevlucht te nemen tot Christus, u te laten redden. Dat is Zijn werk, waarin Hij Zijne heerlijkheid toont.
Ja, \'tis volbracht, en Gij mijn Vader
Berust in !t offer van Uw\' Zoon Och dat ik op Uw roepstem nader.
En U door twijfeling niet meer hoon.
Uw gift is uit genade, Heere!
Uit onverdiende gunst alleen;
Wat kan een zondaar, U ter eere.
Dan op uw woord slechts toetetreèn?
Gezang 128; 3.
Lezen: Psalm 40. — Jesaja 53. — Marcus 15; 22 — 41.
P. C. VAN DER HORST.
30 MAART.
Lucas 23: 46b: Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest!
In het laatste kruiswoord beveelt Jezus Zijnen geest in de handen Zijns Vaders. Hu\' predikt daarmede de vrijwilligheid van Zijn sterven, waardoor deze dood onderscheiden is van dien van alle men-schenkinderen. „Als wij stervenquot; — schreef eens iemand — „dan wordt onze ziel van ons afgeëischt; wij ondergaan den dood; wü stellen het oogenblik daarvan niet vast. Jezus daarentegen geeft den laatsten snik; zelf het oogenblik van Zijnen dood bepalende en dien aankondigende, en sterft in het bezit van al Zijne krachten en vermogens. Hü sterft, omdat Hij het wil.quot; En een ander merkte eens op: „Simeon heeft uitgeroepen: „Nu laat Gij, Heere! Uwen dienst-
30 MAART.
knecht gaan in vrede, naar Uw woordquot; — toen hij in den tempel Jezus in zyne armen nam. En waarom? „Omdat,quot; zegt hij, „mijne oogen Uwe zaligheid hebben gezien.quot; Simeon zag de zaligheid slechts in de verte door het geloof. Maar Jezus ziet de zaligheid van alle verlosten door Zijn dierbaar bloed, door Zijne verdiensten, door Zijne gehoorzaamheid, door Zijne smarten gekocht; de zielen, wier veroordeeling aan het kruis is gehecht en wier vijai;den Hij gevankelijk wegvoert. Hij kan het zeggen; „Mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien; ja Vader! Uwe zaligheid, die Ik heb uitgewerkt, Uwe vergiffenis. Uwe genade, die Ik voor arme zondaren verkregen heb. En nu snijdt Jezus de banden af, die Hem nog aan het zwakke en sterfelijke lichaam kluisteren.quot;
Jezus beveelt Zijnen geest in de handen des Vaders en stelt dezen daarmede onder de krachtige bescherming Gods. In diezelfde handen, van wier onweerstaanbare kracht Hij zich bewust is, geeft Hij Zijnen geest. Hij weet: daarin is hij veilig en trots alle vijanden wèl bewaard.
Zoo stierf Jezus in kalme rust. De boosheid heeft niets meer te zeggen, de haat heeft uitgewoed, de hel heeft haar laatste pijl op Hem gericht. Bondom het kruis zwijgen de zondaren en op het kruis iser vrede in den Middelaar. Hij is toch de gehoorzame Zoon gebleven, wiens spijze het was, den wil des Vaders te doen. Bij ons sterven kan het zondenregister nog wel eens benauwen, maar Jezus sterft in het volle bewustzijn, al het werk te hebben volbracht, dat Hij in den Vrederaad op Zich heeft genomen.
Jezus sterft in kinderlijk vertrouwen en in blijde hoop. In het volle vertrouwen op Zijnen Vader, die Hem steeds nabij zal blijven, ook al treedt Hij het leven uit en al legt Hij daarmede de dienstknecht-gestalte af. In de vaste overtuiging, dat, nu Hij Zijne ziel tot een schuldoffer gesteld heeft. Hij ook zaad zal zien, stelt Hij zich in de handen des Vaders. De trappen der vernedering. Hem aangewezen, is Hü één voor één afgedaald, en stervende, weet Hij, dat de Vader Hem zal bekwamen, om op den derden morgen den eersten trap van Zijn Middelaarsverhooging te bestijgen en al hooger en hooger te klimmen. Majesteit en heerlijkheid zal Hem worden toegevoegd, opdat Hy als Zions\' Koning over al Zijne vyanden heersche en van hemel en aarde lof en eere ontvange!
Gjj zijt alleen, (wat zou ik vreezen?)
Mijn rots, mijn burcht, o Heer!
Ja, Uwen naam ter eer.
Zult Gij mij tot een herder wezen.
133
80 MAABT.
keiijker waarheid u worden verkondigd dan deze? En dat geschiedt niet door een mensch, maar door den Zoon van God, Die gekomen was om het groote werk van \'s Vaders liefde te verrichten.
Christus volbracht volkomen; maar dan hebben wij niets aan te brengen; dan is al wat wij nog zouden willen doen, een miskenning van Zijn werk. Hoeveel wordt dit vergeten bij het gevoel van zonde. Zeker, uwe zonden zijn onnoemelijk veel, onberekenbaar zwaar. Dat moet gij beseffen, voordat dit woord u van vertroosting kan spreken. Maar als dit u drukt, hoort dan, dat Gods genade, in Christus\' bloed die allen kan wegnemen
Wat hebt gü nu te doen? De toevlucht te nemen tot Christus, u te laten redden. Dat is Zijn werk, waarin Hij Zijne heerlijkheid toont.
Ja, \'tis volbracht, en Gij mijn Vader
Berust in !t offer van Uw\' Zoon Och dat ik op Uw roepstem nader.
En U door twijfeling niet meer hoon.
Uw gift is uit genade, Heere!
Uit onverdiende gunst alleen;
Wat kan een zondaar, U ter eere,
Dan op uw woord slechts toetetreên?
Gezang 128: 3.
Lezen: Tsalm 40. — Jesaja 53. — Marcus 15: 22 — 41.
P. C. VAN DER HORST.
30 MAART.
Lucas 23: iamp;b: Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest!
In het laatste kruiswoord beveelt Jezus Zijnen geest in de handen Zijns Vaders. Hy predikt daarmede de vrijwilligheid van Zijn sterven, waardoor deze dood onderscheiden is van dien van alle men-schenkinderen. „Als wij stervenquot; — schreef eens iemand — „dan wordt onze ziel van ons afgeëischt; wy ondergaan den dood; wü stellen het oogenblik daarvan niet vast. Jezus daarentegen geeft den laatsten snik; zelf het oogenblik van Zynen dood bepalende en dien aankondigende, en sterft in het bezit van al Zijne krachten en vermogens. Hij sterft, omdat Hij het wil.quot; En een ander merkte eens op: „Simeon heeft uitgeroepen; „Nu laat Gij, Heere! Uwen dienst-
132
SO MAART. 133
knecht gaan in vrede, naar Uw woordquot; — toen hij in den tempel Jezus in züne armen nam. En waarom? „Omdat,quot; zegt hij, „mijne oogen Uwe zaligheid hebben gezien.quot; Simeon zag de zaligheid slechts in de verte door het geloof. Maar Jezus ziet de zaligheid van alle verlosten door Zijn dierbaar bloed, door Zyne verdiensten, door Züne gehoorzaamheid, door Zijne smarten gekocht; de zielen, wier veroordeeling aan het kruis is gehecht en wier vijanden Hij gevankelijk wegvoert. Hij kan het zeggen: „Mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien; ja Vader! Uwe zaligheid, die Ik heb uitgewerkt, Uwe vergiffenis. Uwe genade, die Ik voor arme zondaren verkregen heb. En nu snijdt Jezus de banden af, die Hem nog aan het zwakke en sterfelijke lichaam kluisteren.quot;
Jezus beveelt Zijnen geest in de handen des Vaders en stelt dezen daarmede onder de krachtige bescherming Gods. In diezelfde handen, van wier onweerstaanbare kracht Hij zich bewust is, geeft Hij Zijnen geest. Hij weet: daarin is hij veilig en trots alle vijanden wèl bewaard.
Zoo stierf Jezus in kalme rust. De boosheid heeft niets meer te zeggen, de haat heeft uitgewoed, de hel heeft haar laatste pijl op Hem gericht. Rondom het kruis zwijgen de zondaren en op het kruis is er vrede in den Middelaar. Hij is toch de gehoorzame Zoon gebleven, wiens spijze het was, den wil des Vaders te doen. Bij ons sterven kan het zondenregister nog wel eens benauwen, maar Jezus sterft in het volle bewustzijn, al het werk te hebben volbracht, dat Hij in den Vrederaad op Zich heeft genomen.
Jezus sterft in kinderlijk vertrouwen en in blijde hoop. In het volle vertrouwen op Zijnen Vader, die Hem steeds nabij zal blijven, ook al treedt Hij het leven uit en al legt Hij daarmede de dienstknecht-gestalte af. In de vaste overtuiging, dat, nu Hij Zijne ziel tot een schuldoffer gesteld heeft, Hij ook zaad zal zien, stelt Hij zich in de handen des Vaders. De trappen der vernedering. Hem aangewezen, is Hy één voor één afgedaald, en stervende, weet Hij, dat de Vader Hem zal bekwamen, om op den derden morgen den eersten trap van Zijn Middelaarsverhooging te bestijgen en al hooger en hooger te klimmen. Majesteit en heerlijkheid zal Hem worden toegevoegd, opdat Hjj als Zions\' Koning over al Zijne vyanden heersche en van hemel en aarde lof en eere ontvange!
Gy zyt alleen, (wat zou ik vreezen?)
Mijn rots, mijn burcht, o Heer!
Ja, Uwen naam ter eer,
Zult G-ij mij tot een herder wezen.
31 MAART.
Mijn Helper, scheur de netten,
Die z\'in \'t verborgen zetten.
\'k Beveel mijn geest in Uwe handen;
Gij, God der waarheid! Gij,
O Heer! verlostet mij.
Ik haat hen, die het reukwerk branden Ter eer van valsche goden;
Op U steun ik in nooden.
Psalm 31: 3 en 4.
Lezen: Psalm 22: 20—32. — Jesaja 12. — Filipper.sen 2: 1—11.
H. MALCOMESIUS.
31 MAART.
GOEDE VRIJDAG.
Filippenzen 2:8: Hij heeft zich vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruizes.
Den allerschrikkelijkste in de reeks der dagen roept ons die sterfdag van den Heere Christus in de herinnering. Drie kruizen staan opgericht op den heuveltop en het middelste is bedekt met het lichaam van Hem, die nooit iets onbehoorlijks gedaan had. De zegenende handen zijn doorboord; duisternis omgeeft het hoofd van Hem, die het Licht was; haat en verachting grijnzen Hem tegen, die de Liefde was, en de knokkerige gestalte van den dood wacht aan de voeten van Hem, die het Leven was.
De Simson des nieuwen Verbonds is gekluisterd met meer dan zeven versche zeelen, welke Hij echter zal verbreken, zoodra het bevel Zijns monds daarnaar uitgaat.
Gekruisigd hangt onze dierbare Jezus ten spot eener wereld, die in den Booze ligt, die Hij evenwel stervende zal overwinnen — en zegenen.
Een der Kerkvaders meent, dat wie het kruis uitvond wel eene wolvin tot moeder moet gehad hebben, en de geloovige zingt met weemoed:
„Is dat, is dat mijn Koning,
„Dat aller vaad\'ren wensch?quot;
Dat was het einde der vernedering en der gehoorzaamheid. Dat sterven was de laagste diepte, waarin gehoorzaamheid aan den wil
134
31 MAAKT. 135
en den raad des Vaders Hem dreef. Maar in die diepte des lijdens moest de Heiland dalen om den diepst gezonkene te kunnen redden. Door geene deugd en goede werken; door geene heiligheid of godzaligheid kon de vrede tusschen den Heilige en den onheilige hersteld worden. Wij waren des doods schuldigen; maar Hij ging in den dood en droeg de straf der schuldigen; ja, Hij droeg den vloek der schuldigen door den dood des kruizes te dragen. Op den dorren bodem van Golgotha druppelden zijne bloeddruppelen, maar daaronder werden de zonden bedolven van het volk, hetwelk Hij zich ten erfdeel had verkoren, [en bloeide op de vrede des harten, voor wie daar in den geloove neerknielt.
Zalig wie zijne hand mag leggen op dat volkomen offer dervol-komenste gehoorzaamheid. Geen Engel, geen Cherub, geen profeet, geen priester konden cns verlossen van de straf en den vloek der zonde; maar Christus kon ons verlossen en wilde ons verlossen en heeft daarom ons verlost uit liefde, welke wij niet kunnen verstaan, welke wij echter mogen aanbidden en gelooven. Zijne liefde was sterker dan onze zonde en wie in den geest neerknielt aan den voet van Zijn kruis, ziet nogmaals Zijne hoogepriesterlijke lippen zich bewegen tot de voorbede: „Vader, vergeef het hun quot;
Daarom juicht het hart van den verloste:
„Golgotha! zoetst plekje op aarde,
Heerlijk, heiige heuveltop!
Ik, met zonde en zorg bezwaarde,
Hef tot U myn zielsoog op.quot;
Gij Jezus! hebt den last gedragen,
Dien zond\' en schuld te dragen gaf,
God zag uw werk met welbehagen.
En wendt van ons zijn straffen af;
Wij schuliig, snood, van God verdreven,
Wij bleven ver van Eden staan,
Maar \'t kruis werd ons de boom van \'t leven,
Dien wees uw Vader zelf ons aan.
Gezang 127: 2.
Lezen: Joh. 10: 1—18. — Filipp. 2: 1—11. — Luc. 23: 33—44.
D. G. POST MA.
136 1 APRIL.
I APRIL
Johannes 12: 24: Voorwaar, voorwaar zeggeiku, indien het tar we-graan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen; maar, indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.
Dat tarwegraan is Jezus. Onaanzienlijk en gering als die korrel, zonder gedaante of heerlijkheid, maar een gansche wereld van wonderen Gods in zich verbergende. Laat dien korrel liggen en hy blijft alleen; werp hem ia de aarde en daar ontkiemt leven; hij spruit uit; de halm wordt zichtbaar; in den halm komt de aar, en tal van nieuwe korrelen komen voort uit dien eersten. Maar deze is gestorven in de aarde; twas noodzakelijk, dat hij stierf, opdat zoovele andere door hem zouden leven.
Zoo moest ook Jezus sterven; sterven, om het recht der wet te voldoen, die daar sprak: do ziel, die zondigt, zal sterven; en om de meest volkomen mate der gehoorzaamheid te betoonen en vrijwillig ook zelfs het lijden des doods op zich te nemen. Had Hij dat niet gedaan Hij ware alleen gebleven; alléén in de heerlijkheid Gods, die Hij van eeuwigheid had; maar geen millioenen verloste zondaren zouden dan staan rondom Zijnen troon, om Hem voor hun verlossing te danken. Maar nu is Hij gestorven en welk een ryke oogst is voortgekomen uit dat enkele graan! De gansche gemeente der geheiligden hier op aarde is er de vrucht van. Hun aller lied ruischt over den akker, waar dat tarwegraan in de aarde is gelegd. Van dat sterven alleen Is de zaligheid van Gods kinderen de vrucht. Hij heeft ons Gode gekocht door zijn bloed.
Zoo moeten ook wij sterven; sterven aan de wereld, aan onze zonde, aan ons zeiven; ééne plant worden met Christus in de gelijkmaking zijns doods; met Hem in den dood gaan, om met Hem te leven, om ten eeuwigen leven te worden gewekt. En tal van nieuwe korrelen, vruchten van geloof en heiligmaking zullen zich vertoonen; het leven wordt geboren uit den dood.
Zoo zullen ook wij sterven. Maar al wordt ons lichaam in de aarde gelegd, — eens staat het daaruit op, heerlijken rein. Ook uit dat gestorven tarwegraan komt schoone vrucht. Ook daar is het: door den dood tot het loven. En zooveel als de gevulde aar de korrelin schoonheid overtreft, zooveel te heerlijker dan het aardsche, zal ook dat hemelsche lichaam wezen. Wat hier de zonde verdierf, zal daar niet meer worden gezien.
137
Gij hebt, o Heer, in \'t doodlijkst tijdsgewricht Mjjn ziel gered, mijn tranen willen drogen,
Mijn voet geschraagd; dies zal ik voor Gods oogen Steeds wandelen in \'tvroolijk levenslicht.
Psalm 116: 5.
Lezen: Kom. 6: 1—11. — Joh. 6 : 30—40. — 1 Cor. 15: 35—50.
W. de LANGE.
2 APRIL.
EERSTE PAASCHDAG.
Amos 5: 8m. Die de doodsschadinven in den morgenstond verandert; Heere is Zijn naam.
Doodsschadinven! — Daarvan kon Hij spreken, wien wij thans, als Overwinnaar van den Dood, palmen vlechten, maar die in diepten van ellende heeft verkeerd, zooals niemand vóór of na Hem. Bij den hof van Jozef, die ons nu vriendelijk tegen lacht en van leven en opstanding spreekt, nadat de Paaschzon daarover opging — was de heuvel Golgotha gelegen en wij weten, wat daar is geleden. Het Opstandings-Pascha staat met het Lijdens-Pascha in zeer innig verband; o het eerste kon niet gevierd worden, tenzij het laatste voorafging. Jezus Christus heeft geleefd op de macht en op de trouw van Zijnen God, die de doodssclia-duwen in den morgenstond verandert en in dit vertrouwen ging Hij in den dood. Hoe is dat vertrouwen bespot door den vijand, toen aan het kruis de klacht der verlatenheid werd geuit! Hoe is het betwijfeld door discipelen en discipelinnen, die gehoopt hadden, dat Hij Israël verlossen zou. Hoe vele aanvallen zijn er gericht op de ziel van den heiligen Lijder, om Hem in dat Godsbetrouwen te doen wankelen! Het lichaam op vele plaatsen gescheurd en aan brandende zonnestralen ten prooi, die ziel, met vele smarten doorstoken, die kleine kudde uiteengeslagen en verstrooid, toen de Herder geslagen was — voorspelden niet anders, dan dat de zwarte doodsschaduwen, op Jezus\' kruis en op Jezus\' ziele neêrgedaald, voor altijd zouden blijven. Waarheen het oog zich immers richt, overal bespeurt men op Golgotha niet anders dan diepten van ellende, afgronden, dan waarin geen enkele lichtstraal vallen kan.
En toch — op Goeden Vrijdag is Paaschzondag gevolgd; uit het Lydens —, is het Opstandings Pascha geboren. „Hij is hier niet, maar Hy is opgestaan!quot; is de inhoud van het Paasch Evangelie, waarin hulde gebracht wordt aan dien God, die, voor den Zoon van Zü\'n welbehagen, de doodsschaduwen in den morgenstond heeft veranderd. Voor den dood het leven; voor de schande de eer; voor de smart de
2 APRIL.
vreugde, voor den arbeid Zijner ziel het goddelijk loon — zietdaar, wat het Paaschfeest verkondigt! \'t Is nu aan Jezus alles veranderd en terwijl Hij de Zoon ia gebleven, nochtans blinkt thans de kroon der eer om dezelfde slapen, waaromheen voor drie dagen een doornkrans was gevlochten. Toen was het: „Schouw My aan en zie, of ééne smart aan de mijne gelijk zij!quot; — nu roepen wij uit: „Alles, wat wij aan Hem zien, is gansch begeerlijk!quot; Toen moesten wij het gelaat bedekken, van wege de afgrijselijke ellende op het vloekhout der schande — nu aanschouwen wij de heerlijkheid van den Eeniggeborenen des Vaders en vallen met Thomas voor Hem neder uitroepende: „Mijn Heereen mijn God!quot;
Die God leeft nog en op dit heerlijk feest geeft Hij u de verzekering, dat Hij machtig is, om ook uwe doodsschaduwen in den morgenstond te veranderen. Hij, die eeuwig leeft, wil ook u leven schenken, ontruste en door onweder voortgedrevene! die u thans meer op den Kruisberg dan in Jozefs hof thuis gevoelt. Hij, die sieraad voorasch en vreugde-olie voor treurigheid beschikt, kan en wil ook in uwen donkeren toestand verandering brengen, indien gij haar slechts van Hem verwacht. Zoek dan toch den Levende niet bij de dooden! Verwacht niet van uzelven, wat de Heere God u alleen geven kan! Vraag om een geloof, dat door de donkere wolken heenboort, om de Zon der gerechtigheid te ontmoeten, wier licht aan uwe ziel niet alleen een nieuwen glans, maar ook een nieuw leven meedeelt, zoodat ge in verrukking moogt uitroepen: „Hallelujah! Jezus is opgestaan! Gestorven voor mijne zonden, is Hij opgewekt tot mijne rechtvaardigmaking!
Komt, heffen w\' onzen lofzang aan!
De Heer is waarlijk opgestaan;
Ons past gejuich in plaats van klagen;
De Levensvorst heeft door zijn kracht
Den dood den doodsteek toegebracht:
De laatste vijand ligt verslagen.
Dat vrees noch angst ons hart beknell\';
Hij leeft voor ons: Immanuël
Kan, wil, noch zal ons ooit begeven;
Verwon Hij niet voor ons den dood?
En nu, wat zegt otiz\' aardsche nood?
Wij zullen eeuwig met Hem leven.
Gezang 139: 1, 3.
Lezen: Psalm 21. — Mattb. 28: 1—10. — Openb. I: 10—18.
H. JIALCOMESIUS.
138
3 APRIL,
3 APRIL.
TWEEDE PAASCHDAG.
1 Cor. 15: 14. Eh, indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook mv geloof.
„Gedenk uwen voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben.quot;
Dat is een goed werk, ook voor den tweeden Paaschdag. Maar, denk nu eens, dat b. v. van de dagen der Hervorming af alle verkondigers van het woord Gods in Nederland leugenaars zijn geweest; dat allen, voor wie z;] het middel in Gods hand geweest zyn, om hen tot het geloof in een levenden Heiland te brengen, bedrogenen zijn geweest; dat allen, die door hen getroost zijn geweest, in leven en sterven misleiden zijn geweest!
Vreeslijk, hoe vreeslijk zou die gedachte zyn!
Maar dat kan niet.
Ouze dagtekst zegt het duidelijk en dwingt ons om te gedenken den eersten Christus-prediker in Europa.
Hij, die weleer bloed- en brandbrieven schreef tegen de gemeente des Heeren, schrijft nu brieven tot hare opwekking, vertroosting en versterking in het geloof.
De opstanding van Jezus Christus is de pilaar, waarop elke apostolische prediking rust.
De opstanding van Jezus Christus is de bevestiging der verzoening op Golgotha.
De opstanding van Jezus Christus volgt uit de éénheid der gemeente.
Eén lichaam is het. Vele leden; vele gaven; vele ambten; vele handreikingen van Hem, die het Hoofd is. Maar als dat Hoofd nu dood is, dan loopt immers heel die vlammende rede over de éénheid der gemeente Gods uit in doode asch en verwelkt die gemeente tot een doode romp ?
Laat ons dit opmerken: welk thema de groote Apostel behandelt, hetzij het wezen Gods, of het Zoonschap van Christus, of de heiliging des zondaars, het levend worden der enkelen, of het levend zijn der gemeente, of hare verwachtingen van een eeuwig zalig leven, altijd slaat hij er op in met dit zwaard: „is Christus niet opgestaan, dan is onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof. —quot;
Dan is ook de kerk geen Zendingshuis meer, maar een lijkenhuis; dan is de Paaschklok geen Paaschklok meer, maar een doodsklok en dan keere zich het menschelyk geslacht gerustelijk tot de slang, die al haar voedsel met stof vermengt.
139
MO
Maar neen — Christus is opgewekt. Ons Paaschfeest heeft het ons weer heerlijk herinnerd. Heft vrij een jubelzang aan, o, gemeente des Heeren! een Paaschlied van blijdschap en hope — de verrijzenis uws Heeren is onderpand van een onuitsprekelijk heil.
Hallelujah. —
Verhoogt, o poorten! nu den boog;
Rijst, eeuwge deuren! rijst omhoog!
Opdat de Koning in moog rijden.
Wie is die Vorst, zoo groot in eer?
\'tls God, d\'almachtig Opperheer!
\'tls God, geweldig in het strijden.
Verhoogt, o poorten! nu den boog Rijst, eeuwge deuren! rijst omhoog;
Opdat g\' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die vorst, zoo groot in kracht ?
\'tls \'t Hoofd van \'s hemels legermacht:
Hem eeren wij met lofgezangen.
Psalm 24; 4, 5. Lezen: 1 Cor. 15: 1—23. — Ps. 24. — 2 Cor. 5: 1—10.
J. H. WIERSMA.
4 APRIL
Marcus 16 : 22: En na dezen is Hij geopenbaard in eene andere gedaante aan tivee van hen, daar zij icandelden, en in het veld gingen.
Goed gezelschap te hebben op den weg, is ook een gave Gods; goed gezelschap voor anderen te zijn, is een zake onzer benaarstiging overwaard,
Wy beschouwen gaarne voor goed gezelschap iemand, die het met ons eens is, met wien we zoo ^vlakquot; zyn, al weten we wel, dat dit lang niet altijd een kenmerk is.
quot;Wel, sprak die man tot iemand, door hem op reis ontmoet, \'tis bizonder, dat wü, die elkaar nooit tevoren spraken, het zoo goed met elkaar eens zijn. Dat zou, was het wederwoord, ons toch geen bewijs zijn, dat we voor elkaar goed gezelschap zijn; maar, dat we zoo goed passen, door genade, bij die oudvaders, die al voor drie en vier duizend jaren op den weg des levens wandelden, dat is ons beter bewijs.
\'k Wil niet ontkennen, dat die twee in ons tekstversje — \'t waren
4 APRIL. 141
twee van hen — voor elkaar goed gezelschap waren; doch twee men-scheu, ook meerderen in getal, kunnen, als ze aan een zelfde gebrek lijden, in een gelijke dwaling of ongestalte verkeeren, elkander zeer schadelijk zijn. Wij zijn dan gevaarlijk ons geweten af te stompen en door de wetenschap, dat die vriend ook zoo gevoelt en oordeelt als wy, geneigd zijn gevoelen ons meer als regel te stellen en ons zeiven daardoor te sterken, dan dat we naar den regel van Gods woord oordeelen.
De Emmaüsgangers — wie heeft er niet met hen in\'t veld gewandeld? — zijn onverstandig en traag van harte en daardoor in\'t duister van Jeruzalem afgegaan en hebben de vergadering van Gods kinderen verlaten.
En daar voegt zich Jezus bij hen, „Zich openbarende in eene andere gedaante.quot; Altijd dezelfde, is Hij gedurig anders; \'twas daarom, dat iemand zeide: „ik vond hem telkens nieuw;quot; in overdrachtelijken zin komt Hij bij al zijn volk onverwacht „in andere gedaantequot; en altijd Jezus, do Christus.
Deze derde was absoluut goed gezelschap, omdat Hij hen onderwees aangaande hunne dwaasheid en onverstand door de klare Schrifture en .... in het veld heeft Hü cZcti voornamelijk gedaan en hunne harten aangeraakt door Zijnen Heiligen Geest.
Als de Heere een armen dwaler in \'t veld komt te onderwijzen en het harte brandende maakt, dan is Hy zoo goed; dan gaat het toch weer op Jeruzalem af en door de kracht Zijner heerlijkheid en \'t geloof Zijner opstanding wordt de nacht dikwijls dag.
\'sHeeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing, hen, die dwalen.
Brengen in het rechte spoor;
Hy zal leiden \'t zacht gemoed
In het elfen recht des Heeren:
Wie Hem ned\'rig valt te voet.
Zal van Hem zijn wegen leeren.
Psalm 25 : 4.
Lezen: Luc. 24. — Mare. 16. — Ps. 122.
D. M. BOONSTRA.
5 APRIL.
5 APRIL.
Openbaring 1: 18: En die leef, en ik ben dood geweest, en zie, ik hen levend in alle eemcigheid. Amen.
Hoe langer wtf op deze woorden staren, des te rijker wordt hun inhoud. De verhoogde Heiland spreekt van den troon zijner heerlijkheid in den hemel. De volkomen zegepraal van den Christus Gods over dood en graf verkondigen zij.
Ik ben dood geweest. Ja, de smarten des doods heeft H\\j gesmaakt. Op Golgotha heeft Hij gehangen aan het kruis. Hij is zonde voor ons geworden en heeft den vloek gedragen, dien de wet over ons heeft uitgesproken. Het is werkelijkheid geworden. Hij heeft zijne ziel gesteld tot een schuldoffer. Hij is doorgegaan tot dien vreeseiijken en smadelijken dood. Hij heeft geworsteld in Getsemané en gebeden: Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan — maar, toen de beker aan de lippen gezet werd, hem ook geledigd. O, wat is die dood voor den Heere geweest! Den toorn Gods tegen onze zonde heeft Hij daarin gevoeld, en zijne ziel heeft geleden, onuitsprekelijk veel. Meer, dan wij het ons kunnen voorstellen. Maar uit dien dood is Hij opgestaan. ïen derden dage verrezen. Na de opstanding de hemelvaart, plaats nemen aan de rechterhand des Vaders, gekroond met eere. Zoo ziet Johannes Hem. De dood verslonden tot overwinning — de zeven sterren in zijne rechterhand en het aangezicht, gelijk de glans van het volle zonnelicht.
Maar hier is ook de profetie onzer verheerlijking. Door de opstanding uit de dooden is het werk der verlossing verzegeld met het goddelijk Amen des Vaders. Ik leef en ik ben dood geweest en ik ben levend in alle eeuwigheid, wordt door de verrijzenis des Heeren onze geestelijke levensgeschiedenis. Ik leef, zegt Paulus, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, leef ik door het geloof des Zoons van God. Achter dat leven ligt een verleden, waarvan het geldt, ik ben dood geweest. De verloren zoon was dood en is levend geworden. Bij den een heeft dat verleden langer geduurd dan bij den ander, maar allen zijn het eens, Christus is de opstanding en het leven. Wie aan dat zondig verleden denkt, wordt bedroefd over zich zeiven, en het is hem tot smart. Maar, opgewekt tot een nieuw leven, wordt het ook bij ons waar, ik leef — ik leef tot in alle eeuwigheid.
En die jubel zal niet ophouden. Het beste, wat de wereld ons biedt, moeten we eens loslaten. De ure van scheiding maakt de banden los. Maar, wie in den Heer gelooft, zal leven, al ware hij ook
6 APRIL.
gestorven. De laatste vijand beproeft wel ons te verschrikken, maar in het dal van de schaduwen des doods zullen wij geen kwaad vreezen. Door den dood héén leidt onze weg, de weg tot onze volkomene verlossing.
Welk een heerlijk vooruitzicht wordt ons hier ontsloten! Deryke, volle zin van het leven, ach, we weten er hier zoo weinig van. De donkere schaduwen breiden zich vaak zoo verre uit. Dagen van opgewekt zieleleven worden gevolgd door andere, waarin wij klagen over dorheid. Daar drinken wij uit de fontein des heils, de rivier Gods is vol water, en de boom des levens heeft zijne vruchten voor ons. Daar is de volle ontplooiing van het leven, het leven, dat nu met Christus verborgen is in God.
Daarnaar verlangen Gods kinderen. Ook gij?
/ou mij dood en graf doen beven?
ïieen, ik weet op Wien ik bouw:
Jezus leeft, en ik zal leven.
Eeuwig blijft zijn woord getrouw.
Jezus leert den dood verachten,
Jezus overwon zyn krachten;
Hij is \'t hoofd van al zijn leên,
Zijne zeeg\' ia hun gemeen.
Gezang 191: l.
Lezen: Openbaring T. — Johannes 5; 17—20. — Romeinen S: 1—10.
J. WIETEN.
6 APRIL.
Johannes 14: 19^: Ik leef en gij zult leven.
Welk een bemoedigend woord voor Jezus\'jongeren! En welke rijke vertroosting nog voortdurend voor zijne gemeente, die met blijde verrukking zijne verzekering opvangt: „Ik leef en gij zult leven.quot; Vraagt ge, wat het leven is, waarvan Jezus spreekt, dan zijn er nauwelijks woorden te vinden om het te beschrijven. Tusschen leven en leven is een groot onderscheid. Gij kunt leven en toch dood zijn: dood voor God en dood voor de eeuwigheid. De lichamelijke dood bestaat in de scheiding tusschen ziel en lichaam, en de geestelijke dood is de scheiding tusschen de ziel en haren God. Door de zonde zijt gij van God gescheiden, derhalve geestelijk dood. Aan uzelven overgelaten, zult gij voor eeuwig van God gescheiden blijven; d. i. den eeuwigen dood
143
144 7 APRIL.
ondergaan. Nu spreekt Jezus hier v. n het geestelijk leven en noemt zichzelven de bron van dat leven. Hij is het, doordat Hij de scheiding te niet doet in zijn bloed, een volkomen rantsoen voor de zonden aangebracht hebbende. In den dood van Christus hebt gij, geloovige, den dood van uwen geestelijken dood, want gij ontvangt vergiffenis in Jezus\' zoenofferande en de scheiding van God is voor u te niet gedaan. In het volbrachte werk en in den persoon van Christus ligt, bij aanvang en steeds bij vernieuwing, de éénige oorzaak van uw leven. In uzelven vindt gij steeds den dood, maar ook weder het leven in uw schuldovernemenden Borg, in „den Heere onze Gerechtigheid.quot; — De zekerheid van dat leven ligt voor u hierin, dat, Christus leeft. Christus is, in Zijne opstanding, voor u een bewijs van dat leven in Godsgemeenschap, want Zijne opstanding is een onderpand, dat de offerande door den Vader is aangenomen. „Christus is opgewekt tot onze recht-vaardigmakingquot;, de levende Christus is uwe rechtvaardigheid. „Ik leefquot; daarin ligt uw onderpand, dat uwe zonden zyn verzoend en gij den geestelyken dood niet meer ondergaan kunt. Het lichaam zal deelen in de heerlijkheid van haar Hoofd. „Ik leef en gjj zult leven,quot; hoe nauw worden de woordjes „ikquot; en „(/yquot; hier verbonden! Jezus en Zijne gemeente zijn één. Driewerf gelukkig, indien er zulk eene nauwe ver-eeniging is tusschen u en Christus!
Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen.
Verzadigd met uw godlijk beeld.
Psalm 17: 8. Lezen: Joh. 14: 1—21. — Psalm 31. — Openb. 1.
J. G. KLOMP.
7 APRIL.
Johannes 20: lom: Wat weent gij\'? Wien zoekt gij?
Gü allen, lezers, kent dit woord, die vragen, door den herrezen Heiland weleer tot een Maria Magdalena gericht. In Jozefs\'hof zocht zü het Ijjk haars Meesters. Zij treurde over het verlies van Hem, dien zij zoo vurig liefhad en beminde. Moedeloos en hopeloos staart zij in het rond. Maar, als de Heiland, dien zij voor den hovenier houdt, haalbij heur naam noemt, wordt haar als de sluier van voor de oogen
7 APRIL.
weggenomen, de loodzware last van hare ziel afgewenteld en hare namelooze dioefheid in onuitsprekelijke blijdscliap veranderd. Wordt die blijdschap ook bij u, die dit leest, aireede gevonden? Weet het, medezondaren, slechts, waar zich Jezus in het harte openbaart, wordt in de vreugde gedeeld, die haar hart vervulde. Maar, is er nu ook bij u een treuren over het gemis van Jezus? Helaas! het antwoord luidt zoo verschillend, waar de Heere Jezus aan ons vraagt: Wat weent gy ? wien zoekt gij? Velen beweenen teleurgestelde verwachtingen, dierbare panden, door den dood hun ontrukt of onherstelbare verliezen. Anderen zoeken troost waar die niet is te vinden; genot, waar de bevrediging hunner wenschen hun bittere nasmaken zal bereiden, vrede, waar hunne conscientie hen steeds zal blijven aanklagen. Wel ons daarentegen, wanneer wij weenen om onze zonden voor God. Dan is er ook bij ons, evenals bij de Magdaleensche, een verlangen naar Jezus Christus, den Silo, den Rust- en Vredeaanbrenger. O wanhoopt dan niet, waar gij door den H. Geest aan u zeiven wierdt bekend gemaakt en u leerdet kennen als een overtreder van Gods heilige geboden, als een afvallige en wederspannige tegen den hoogen God. De Zaligmaker is gekomen om den gevangenen vrijheid uit te roepen. Tot Hem dan gevloden en niet geeindigd met zoeken, voordat gij Hem hebt gevonden, Dien uwe ziele noodig heeft. Weet het, de Heere Jezus slaat u reeds in liefde gade. Hij zal zich te Ztjner tyd aan u bekend maken in de volheid Zijner genade, zich openbaren aan uwe ziele. Dan zullen geene tranen van droefheid, maar tranen van blijdschap worden gestort, en het harte, met vroolijkheid vervuld, zal instemmen met de taal: „Heere! ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, Gij hebt myne banden losgemaakt.
Dat zal den Heer veel aangenamer zijn.
Dan 0i3 of var, die hunnen klauw verdeelen.
De blijdschap zal het hart der vromen streelen,
Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.
Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet!
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vroolyk leven.
Xooddruftigen, veracht zijn goedheid niet;
Nooit zal Hij zijn gevangenen begeven.
Psalm 69: 13.
Lezen; Joh. 20: 1—18. — 2 Cor. 7: 1—10. — Psalm 42.
145
W. VAN DER WAAL
10
DAGBOEK.
8 APRIL.
8 APRIL.
2 Timotheüs 2: 11amp;: Indien wij met Hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met Hem leven.
Wij moeten in de gemeenschap met Jezusgeestelijk zijn gestorven, om met Hem te kunnen leven, om te kunnen deelen in de heerlijkheid des hemels. Ging aan des Heeren opstanding zijn dood vooraf, alleen op des zondaars hellevaart kan zijne hemelvaart volgen. Dat leven in zijne volheid is een leven, bevrijd van alle moeiten en smarten, maar ook van alle bevlekking, alle onheiligheid, \'tls een wandelen in het reine licht des hemels, \'tls een voortdurend verkeeren met de reeds ontslapen godvruchtigen. \'t Js een bestendig bezig zijn in de werken des lichts; een bestendig volgen van \'t verheerlijkte Godslam. Die getrokken is uit de macht der duisternis, en overgebracht in \'t koninkrijk van den Zoon der liefde Gods, is het leven Gods deelachtig geworden, dat zich hier openbaart in haat eri strijd tegen al, wat niet uit God is, en daar in \'t genot van een volkomen zegepraal. De begeerte tot dat leven in te gaan, omdat de zonde hier de zwaarste last is geworden, is een heerlijk bewijs voor de werkelijkheid van het dsr zonde gestorven zyn, een bijbelsch kenmerk van de vernieuwing des harten. Het ingaan in de vreugde des Heeren, om altyd met Hem te zijn, is \'t heerlijk einde van het in de ziel aangevangen werk Gods,
Pijnlijk is het sterven van \'t oude leven. En het is dan ook niet te verwonderen, dat menigeen voor dien overgang huivert, gelijk menig Christen tegen \'t oogenblik van sterven opziet. Maar, gelyk voor den stervende de wetenschap zoo vertroostend is, dat Jezus hem op zijn tocht door \'t donkere doodsdal niet verlaat, en hem door dat dal heen brengt op den top des bergs, waar \'t eeuwig licht is, — alzoo is het voor den mensch, in de bange ure der worsteling tusschen duisternis en licht, zoo vertroostend en moedgevend te weten, dat het de hand des Heeren is, die niet alleen in \'t strijdperk heeft gebracht, maar ook aan dien strijd een einde maakt.
De nieuwe mensch wordt niet zonder veel smart voor de eeuwigheid geboren. Maar die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Hier is het: Verliezen om te winnen. In dien zin is het sterven eon wegwerpen van alle valsche steenen, om de parel te verkrijgen, die eene eeuwige waarde bezit.
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag.
Met zijne gunstbewijzen.
146
9 APRIL.
Die God is onze zaligheid!
quot;Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eeroied pry zen?
Die God is ons een God van heil; ^
Hij schenkt uit goedheid, zonder peil,
Ons \'t eeuwig, zalig leven;
Hy kan, èn wil, èn zal in nood.
Zelfs bij het naadren van den dood.
Volkomen uitkomst geven.
Psalm 68: 10.
Lezen: Hom. 6: 1—14. — Rom. 8: 1—12. — Col. 3: 1—11.
J. G. VKRHOEFF.
9 APRIL.
Joh. 20: 19: Vrede zij u!
Vrede zij u! Als de verrezen Heiland met dit woord zijne jongeren verrast, zyn zij in Jeruzalem, misschien wel in de zaal, die hen voor \'t laatst met den Meester saam zag, vergaderd. Ofschoon enkelen hunner reeds tot geloof zijn gekomen, en Simon juichte: „Ik heb den Heere gezien,quot; zijn toch de meesten diep bedroefd en verslagen, want hun geloof heeft schipbreuk geleden bij doornenkroon en kruis. Zij treuren om den geliefden Meester; om hunne teleurgestelde verwachting. Zij voelen zich zoo eenzaam.
Daar staat eensklaps de Heiland in hun midden, zeggende : Vrede zij u! en nu gaat er een licht voor hen op, de onrust wijkt, de nacht van den twijfel verdwijnt, de Meester leeft! en zoo lezen wij; „de discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.quot;
Heerlijk, als de avondgroet in de Paaschzaal te Jeruzalem, u de mo7-gengroel is geworden van een nieuwen levensdag.
Immers, als Gods kind ontwaakt uit den nacht der zonde, ziet hij tusschen zijn hart en den hemel een klove, zoo breed; en een berg van zonde, zoo hoog; en een schuldboek, tot aan den rand toe vol geschreven. En dan wordt het zoo donker voor het oog der ziel, en komt het tot een roepen: Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen; en dat roepen wordt een worstelen voor den troon der genade, totdat de hemel zich boven den worstelaar opent en de Heiland hem influistert: „Vrede zy u.quot; Ik heb voor u voldaan; uw schuld betaald, de kloof gedempt, en u plaatse bereid in den hemel! O zalig! dan
147
10 APRIL.
gaat de zon op; dan wordt de regenboog der belofte gezien; dan biedt Gods Engel u den olijftak, en zingt de ziel haar psalm!
Vrede zij u! Wel u, als dit ook de morgengroet is van teen dag, dan gaat uw arbeid zoo goed, dan is er troost in droefheid, kracht in zwakheid, en een rots om aan te leunen en een staf om op te steunen in moeielijke levensuren.
Moge, aan den laatsten morgen en bij de laatste ure, uw Heiland u groeten met een; „Vrede zij u!quot; om dan in te gaan in zijn Koninkrijk, waar het eeuwig vrede is.
Aarde! ken uw Heer,
Christnen! geeft Hem eer.
Zondaar! hoor zijn stem,
Englen hoeren Hem;
Hij, de hel te sterk,
Hij voltooit zijn werk,
Leef, o Koning! leef.
Dat U niets weerstreev\';
Geef, dat w\' aan uw hand ïreên naar \'t vaderland:
Maak ons los van d\' aard\',
\'t Spoor loopt hemel waart.
Gezang 138: 3.
Lezen: Joh. 20: 19—23. — Ps. 30. —Rom. 5: 1—1.1.
J. KRAIJENBELT.
10 APRIL.
Galaten 2: 20?gt;. „Ik lesfquot;
Voor Paulus, den Apostel der Heidenen, was er een tijd geweest, dat hij moest zeggen; „ik ben dood.quot; ofschoon hij meende te leven. Het was in dien tijd, toen hij in onwetenheid de Gemeente Gods vervolgde. —
Doch als \'tden Heere behaagde Zijn Zoon in hem te openbaren, kon ook hy zeggen; „ik ben met Christus gekruist: ik leef.quot;
Licht is opgegaan, waar vóórheen^nacht — leven, waar vroeger de dood heerschte. Hij was in één woord, een nieuw schepsel geworden, bij wien al \'toude was voorbijgegaan. —
De liefde Gods was in zijn hart uitgestort door den Heiligen Geest en wat hem vroeger ten leven was is hem nu ten doode geworden. —
148
10 APRIL. 149
Van dat leven was hij zich bewust. Hij idsi in Wien hij geloofde. Met Christus gestorven, was hij ook met Hem opgestaan. Christus leefde in hem. — Christus had hem liefgehad en Zich zelf voor hem in den dood overgegeven, hoe zou hij dan nu weêr den dood in de armen snellen?
Al moest hij dan ook nog uitroepen: „ik ellendig mensch,quot; — nochtans was hij verzekerd van zijn leven, waarover de duivel geene heerschappij had. —
Uit. dat nieuwe levensbeginsel werkte hij nu ook om Zijn God en Zaligmaker op aarde te verheerlijken. Als dienstknecht van dien Heere en Christus, wenschte hij ook getrouw in alles te zu\'n. Hij mochten kon zeggen: „ \'t zij dat ik leve \'tzij dat ik sterve, ik ben nu en eeuwig des Heeren.quot; —
Kunt ook tri/ dat getuigen?
Ach! velen zeggen wel met Christus gestorven te zijn. maar staan met Hem niet op uit, \'tgraf der dooden. O gij, die waant gestorven te zijn en toch niet met Christus zijt opgestaan, gij zyt nog zóó verre van \'t leven, dat den dood overleeft.
Wat zal \'t vreeselijk wezen, meenende eens te zullen ingaan en niet te kunnen wegens ongeloof.
Zalig gy, die weet, dat Christus in U leeft. — Al is :t veelal nevel en donkerheid en denkt gij: „nu ontglipt mij allesquot; — dan zal de Levende Christus uw moede hoofd opbeuren — uwe ziele met dit woord verkwikken: „Ik leef en Gij zult fereïiquot; en Gy gaat eens over uit \'tland der schaduwen der doods naar de eeuwig bloeiende velden der heerlijkheid. —
Als ik, omringd door tegenspoed.
Bezwijken moet.
Schenkt Gy mij leven;
Is \'t, dat mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand Zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw, als sterk;
Hij zal zijn werk Voor mü volenden:
Verlaat niet, wat uw hand begon,
O Levensbron!
Wil bijstand zenden:
Psalm 138: 4.
liezen: Colossensen 3: 1—15. — Openb. 3: 1—G. — Rorasinen 14: 7—12. —
Chr. YNZOXIDES.
11 APEIL.
II APRIL.
Joh. 20: 27c: Wees niet ongeloovig, maar geloovig.
Thomas had van \'s Heeren opstanding gehoord, maar Hem zeiven gezien had hü niet. Zijn hart was bitterlijk bedroefd, omdat Jezus van hem weggenomen was. En toch, hij weigerde vertroost te worden. Dat duurde acht dagen iang. En liet zou nog langer geduurd hebben, als Jezus zelf zich niet aan hem had geopenbaard. Maar de goede Herder kwam dit schaap zijner kudde opzoeken, om het te leiden in de grazige weide van die vreugde, die slechts Jezus geven kan. Daar zag Thomas zijn Jezus weder, daar hoorde hij ook zijne stem; ja, zelfs riep Jezus hem op, om nu het teeken te ontvangen, dat hij gesteld had. Maar, daarbij ontvangt hij ook de zacht verwijtende vermaning: „wees niet ongeloovig, maar geloovig.quot; — O! wat is het ongeloof toch een krachtig wapen in Satans hand! De schapen van den goeden Herder uit zijn hand rukken kan hü\' niet. Maar hij kan wel, door ongeloof, Gods kinderen de blijdschap [des geloofs ontrooven, zoodat ze neerzitten in zak en assche. Wellicht gaat het zóó met u. Dat ge ziet op het ééne talent, dat ge hebt ontvangen en vreest, dat ge aan de genade geen kennis hebt, omdat ge geen tien talenten hebt. Dat ge ziet op de jaren, die achterliggen, waarin ge uw schuld zoo ontzettend verzwaard hebt en de verzenen geslagen tegen de prikkelen en nu vreest, dat uwe zonde te groot is, dan dat ze vergeven zou worden. Dat ge ziet op uw dagelijksch gebrek, op uw ontrouw, op zooveel, dal gansch anders moest zijn en nu vreest, dat ge het huis uwer hoop op een zandgrond hebt gebouwd. Dat ge niet meer zulk een opgewekt leven kent, als in den tijd der eerste liefde en nu vreest, dat ge in de genade verachtert. Zie, als het zóó gaat, dan onderscheppen de wolken des ongeloofs het licht van de Zonne der Gerechtigheid. En dan kan haar warmte u niet verkwikken. En dan zit ge neer in treurigheid, want het is u om Jezus te doen en ge weet niet, dat uw Verlosser leeft. Maar, openbaart Jezus zich aan uwe ziel en roept Hij uw harte toe: „Wees niet ongeloovig, maar geloovig,quot; dan wordt het anders. Dan komt er vreugde en blijdschap des geloofs. En dan roept ge met Thomas uit: „mijn Heere en mijn God.quot;
Want Hij is onze God, en wij Zyn \'tvolk van zijne heerschappij,
De schapen, die zijn hand wil weiden;
150
12 april. 151
Zoo gij zijn stem clan lieden hoort,
Gelooft zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Psalm 95: 4.
Lezen: Joh. 20: 24—29. — 1 Joh. 1. — Matth. 12: 38—42.
B. J. VAN HEI J XING KN.
12 APRIL
Johannes 21: 1—8: Xa dezen openbaarde Jezus zich zeiven wederom dm discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde zich aldus:
Er waren te samen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Gcdiléa was, en de zonen van Zehedeüs, en twee andere van zijne discipelen.
Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.
En als het nu morgenstond geworden was stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.
Jezus dan zeide tot hen: Kinder kens! hebt gij niet eenige toespijs1? Zij antwoordden Hem: Neen.
En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken van icege de menigte der visschen.
De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, hoor end e dat het de Heere ivas, omgordde het opperkleed, want hij ivas naakt, en wierp zich zeiven in de zee.
En de andere discipelen kwamen met het scheepje, want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen, slepende het net met de visschen.
j, Hebt gij Mij lief?quot; Deze vraag, tot driemalen herhaald, was beschamend voor den discipel, die zoo vurig den Heere had beleden in zijn: „Heere, tot wien zullen wij heengaan?quot; Maar Simon heeft ook driemalen den Heere verloochend, zwerende: „ik ken dien mensch niet.quot; De herhaalde vraag van Jezus sneed hem, die eenmaal betuigde: „Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgdquot;, door de ziel. Doch veel voor de zaak des Heeren gedaan te hebben, is niet altijd een bewijs van liefde tot Jezus, dikwerf werd het „eigen ikquot; daarin gezocht. De Heere vraagt daarom ook ons: „Hebtgü 7¥y lief?quot; Schuwen
12 APRIL.
wij die vraag niet, zij is eene allesbeslissende vraag voor den zondaar. Liefde tot Jezus in het hart is het beste kenmerk, dat wij uit Hem zijn en in Hem vergiffenis onzer zonden hebben, dat wij kinderen Gods mogen heeten. „Indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij Mij liefhebbenquot;, sprak Jezus tot de Joden. Het is dan ook onmogelijk een kind van God te zyn en Jezus niet lief te hebben, want wie ooit van een kind des Satans een kind van God werd, die werd het door Jezus. Indien gij hope hebt op den hemel, dan hebt gij het door Jezus alléén. Waar alle zegeningen uit Christus vloeien, daar is het niet mogelijk, dat gij de zegeningen deelachtig zoudt zijn en Christus niet liefhebben, die ze voor u verdiend heeft. Het antwoord, dat wij op Jezus\' vraag moeten geven, bewijst of wij leven dan wel dood zijn, een erfenis hebben in de hemelen of in de hel. Die vraag is ook eene nood,zakelijke voor ons, stervelingen. Alles hier beneden gaat voorby, de heerlijkheid der aarde houdt op te bloeien en alle liefde vergaat. Alleen, wie hielde verschijning van Christus heeft lielgehad, bezit eene liefde, die eeuwige vruchten afwerpt: „Die Mij lief heeft, zal van mijnen Vader geliefd worden.quot; „Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft, dien, die Hem liefhebben.quot; Maar „indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking.quot;
Heiland! Liefdebron vol liefde.
Die U diep in \'t harte griefde,
\'t Leven kostte met uw bloed.
Stook, och, stook een liefdegloed In ons koud gemoed genadig.
Sterk dat liefdevuur gestadig,
Dat het, in geluk en nood,
Altijd gloeie tot mijn dood!
Gezang 64; 6.
152
Lezen: 1 Cor. 13. — Job. 8: 12—59. — Ps 116.
J. G. KLOMP.
13 APRIL. 158
13 APRIL.
Johannes 21: 15 — 17: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jona\'s zoon, hebt gij Mij liever dan deze? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik Uliefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lammeren\'.
Hij zeide wederom tot hem ten ticeeden male: Simon, Jona\'s zoon, hebt gij Mij lief? Hj zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijne schapen\'.
Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, Jona\'s zoon! hebt gij Mij lief? Petrus icerd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem: Heere\'. Gij lueet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijne schapen\'.
„Petrus naar buiten gaande, weende bitterlijk.quot; Reeds toen werd de zondaar begenadigd, maar de Apostel in zijn ambt nog niet hersteld. Wel de eenzaamheid, maar niemand zijner medeapostelen was van zijne vrijspraak getuige. Ziedaar: Simon voor de vierschaar zijns Meesiers! De plechtige vraag: „Simon, Jona\'s zoon, hebt gij Mij lief?quot; predikt krachtig: heilig, alwetend, majestueus, genadig is de Rechter.
De nieuwe naam (Petrus = rotsman) is verbeurd; bij Simons ouden naam, herinnering aan zijne oude natuur, vraagt hem de Heere: „Hebt gij Mij liever dan deze?quot; Houdt gij nog vol: „Werden allen geërgerd, ik nimmermeerquot;?
Gepaste vraag: „Simon, Jona\'s zoon, hebt gij Mij lief ?quot; De Heere grijpt in de snaren van Simons hart. Hij vraagt niet: „Bewondertgij Mij; hebt gij Mij gepredikt en wilt gij Mij blijven prediken: gelooft gij in Mij; hebt g;j veel voor Mij kunnen doen?quot; Dit alles had kunnen geschieden zonder ware liefde.
Liefde: \'t hoogste, \'t heiligste, algeheele toewijding van hart en leven vraagt Jezus tot driemaal, gelijk Petrus Hem driemaal verloochend had. Werd de verloochening steeds sterker, de vraag gaat telkens dieper: „Hebt gü Mij lief meer dan deze? Hebt gij zonder eenige vergelijking Mij lief? Bemint gij Mij teederlijk?quot;
Veel genade had Jezus aan Simon verheerlijkt. Nochtans werd Hij door hem verloochend. Had Jezus geen recht dfen ontrouwen jonger te verwerpen als Zijn Apostel, als Zü\'n kind? — Doch neen; Hü vergeeft en verwijt niet, maar herstelt!
Gevallen Petrussen, waar bergt gij u, als Jezus \'t verhoor met u opent?
Petrus voelt \'t hemelsch oog tot in de diepste schuilhoeken zijner
4 14 APRIL.
ziel dringen. Weenend staat hij daar met neergebogen hoofd, dat vol is van verootmoedigende en bedroevende gedachten. Spreken is moeie-lijk, maar zwijgen onmogelijk. „Ja, Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb,quot; is zijn bescheiden antivoord.
Zoo werd het goud van Simons trouw tot driemaal in den oven gelouterd.
Jezus reikt Zijnen herstelden Apostel den kwijtbrief en herdersstaf uit. „Weid mijne lammeren, hoed mijne schapen, weid mijne schapen.quot; Welke genade en eere voor Petrus: Jezus\'lammeren en schapen in de grazige weide des Woords langs de levende fonteinen der waterente leiden!
Hebt gij Jezus lief? Wat doet gy voor Hem?
God heb ik lief, want die getrouwe Heer Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen.
Hij neigt zijn oor; \'k roep tot Hem al mijn dagen;
Hij schenkt my hulp, Hij redt mij keer op keer.
Ik lag gekneld in banden van den dood,
Daar d\' angst der hel mij allen troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
Maar riep den Heer dus aan in al mijn nood:
„Och, Heer! och, wierd mijn ziel door U gered!quot;
Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig;
De Heer is groot, genadig en rechtvaardig,
En onze God ontfermt zich op \'t gebed.
Psalm 116; 1, 2, 3.
Lezen: Joh. 21. — 1 Cor. 13. — 1 Petr. 5.
E. POSÏMA.
14 APRIL.
Johannes 21: 18, 19: Foorwaar, voorwaar zeg Ik u: toen gij jogger ivaart, gorddet gij u zeiven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar, wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, tvaar gij niet wilt.
En dit zeide Hij, beteekenende, met hoedanig en dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij\'.
Wat ontzaglijke lotsverandering wordt in dit woord voorgesteld
14 APRIL.
aan Petrus, die, na de belijdenis zijner liefde tot Jezus, zooeven in zijn apostelschap was hersteld. — Was hij in zijne jeugd vrij om te doen, wat hem goeddacht en te gaan, werwaarts hu wenschte, in zyn later leven zou het niet meer nddr, maar tegen zijn zin gaan; harde lessen van zelfverloochening zou hij leeren; van handelen zou het komen tot dragen en dulden. Hiermede voorzegde de Heere hem den kruisdood, waardoor Petrus, naar de overlevering der Kerk, als martelaar God heeft verheerlijkt. En die lots- en levensverandering zou voor Petrus niet na korter of langer voorbjreidingstüd volgen, neen, terstond moet hy den weg op van Zijn Meester, die hem achter zich roept met het ernstig: „Volg mij!quot; —
Petrus\' leven heeft het antwoordjop dien eisch des Heeren gegeven, een eisch, die ook nog in het heden, voor zoover wij waarlijk Jez is\' discipelen begeeren te wezen, aan ons wordt gesteld. En nu mogen wij niet denken, dat de Heer hier eigenlijk een te strenge eisch aan ons stelt, want Hij, die Petrus liefhad, wil daarmede ook ons öe/icwd!
Juist, omdat Jezus ons liefheeft, wil Hij, dat wij iïem volgen; Hij wil ons brengen, waar wij wezen moeten; omdat Hij lust aan ivuarhtid heeft, gaat Hij den koninklijken weg; Hij wekt geen valsche voorspiegelingen, Hij wil ons ook niet als bij verrassing aan zich verbinden; Hij wil ons gehéél hebben en niet ten deele, en daarom spreekt Hij het duideiyk uit, icddr het héén moet met ieder, die Zijn discipel begeert te worden en te blijven.
Zeg nu niet bij u zeiven: „Wie is hiertoe bekwaam?quot; want waar blijft het, dat niemand tot dat waarachtig vólgen achter Jezus komt dan door Gods genade, maar — die genade wordt ons betoond, en is nog altoos gereed om genoten te worden door allen, die willen,
dat al hunne kracht ligt in dien Heiland, die gestorven is om onze zonden en opgewekt werd tot onze rechtvaardiging: die dus, als de Overste Leidsman, ons is voorgegaan van het kruis naar de kroon! — Bid, dat gy dit steeds meer moogt leeren verstaan, dat des discipels plaats nérgens anders mag zijn dan „achter Jezusquot;, want, dan zult gij „alle dingen leeren schade achten om de uitnemendheid van Christus en reeds hier vrede genieten bij het groote mysterie van het Christe lijk leven, dat wij misschien eenigszins in de eeuwigheid zullen mogen doorzien; „door lyden tot heerlijkheid!quot;
Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij wand\'len, Heer! in \'tlicht van \'tgodlijk aanschijn voort;
Zij zullen, in uw naam, zich al den dag verblijden.
Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in \'t lijden.
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
155
156 15 APRIL.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vry\'e gunst alleen wordt d\'eere toegebracht;
Wij steken \'t hoofd omhoog en zullen d\'eerkroon dragen Door ü, door U alleen, om \'t eeuwig welbehagen Want God is ons ten schild in \'t strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89: 7, 8. Lezen: Joh. 21: 18—25. — Philipp. 3: 1—14. — 1 Joh. 4:1 — 14.
U. A, VAN OOSÏEOJI SOEDE.
15 APRIL
Joh. 14: 19; Ik leef en gij zult leven.
Deze verzekering en belofte is van uitnemende vertroosting voor een iegelijk, die in Christus door het geloof leven, gerechtigheid en zaligheid zoekt.
De alwetende en medelijdende Hoogepriester spreekt tot de zijnen, gelijk zü noodig hebben, zoowel op hunnen lijdensweg, als in het aangezicht van den dood.
Door den levenden Heiland, die krachtelyk is bewezen te ztjn de Zoon van God door de opstanding uit de dooden, zal de geloovige leven en niet sterven.
De Heiland verwierf door Zijnen dood het leven der zijnen en krachtens Zijne wederopstanding schenkt Hu hun het leven.
De Heere Jezus is de Levende.
Van eeuwigheid heeft Hij van Zjjnen Vader ontvangen het leven te hebben in zich zeiven. Hij is de waarachtige God en het eeuwige Leven.
Toen het lichaam des Heeren in het graf van Jozef rustte, en de vrouwen weenende zaten tegenover het graf, en de discipelen den dood van hunnen Meester betreurden, toen was de Heere het Leven evenzeer als op het oogenblik, waarop Hij het afgelegde leven zijneraan-genomene menschheid weer tot zich nam.
Juist, omdat de Heere leeft, kon Hij door den dood niet gehouden worden.
En de Heere leeft om Zijne beloften te vervullen, om de verworvene zaligheid te schenken, aan zondaren, dood, door de zonden en de misdaden.
16 APRIL.
quot;Wie zal den Heiland dit beletten? De dood heersclit niet meer over Hem. Hij heeft getriumfeerd over alle vijandschap.
Gü, die in Christus gelooft, zult leven. Door de kracht van Christus zijt gö gekomen tot een nieuw leven, en zult gy bewaard worden tot Gods koninkrijk.
Een hout kan onder water gedrukt worden, doch zoodra net weder vrij komt, rijst het naar boven. Men kan de vensters sluiten voor de zonnestralen, doch niet beletten, dat de zon aan den hemel schijnt. Zoo zal de Christen in de wereld verdrukking hebben, zijn invioed worden afgesloten, maar niemand kan het schaap uit de hand des trouwen Herders rukken. -
De Satan verleidt en bestrijdt; het vleesch begeert altijd, maar het geestelijk leven zal niet eindigen.
Gij zult leven, o! welk eene sterkte in het leven bij het dagelijksch sterven, o! welk eene vertroosting in zielsbenauwdheid en gevaar. De dood zelfs zal ons niet scheiden van de liefde van Christus.
Ja, Jezus leeft! veel duizend harten Gevoelden in de bangste smarten
Den hoogen troost, dat Jezus leeft;
In heeten strijd met boezemzonden,
In bangen doodstrijd ondervonden Veel duizend harten, dat Hij leeft.
Gezang 130; 5.
I.ezen; Deut. 30: 11—20 — Ps. 36: 1—13. 1 Joh. 5: 9—21.
JOU. OOSTJÏRHUIS.
16 APRIL.
Habakuk 3: 17 en 18: Alhoeiuel de vijgeboom niet bloeien zal, en geene vrucht aan den loijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geene spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen ivezen zal;
Zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.
De mensch der wereld vindt al zyn genot in de gewenschte dingen der aarde. quot;Wanneer de vleeschelyke genietingen worden weggenomen, heeft hij niets meer. Alle moed en vreugd is dan weggevloden. Zoo
157
158 16 APRIL.
is het niet met den mensch, die God vreest. Als de bron der aardsche verkwikkingen is opgedroogd, geen vrucht, zoet voor het gehemelte geproefd wordt en de beker van opwekkende lafenis ontbreekt; als zelfs de gewassen des velds mislukken en de stallen ontbloot worden van groot en klein vee, zoodat de staf des broods gebroken is, en men tot den bedelstaf geraakt, ja, in den donkersten toestand kaa de christen goeden moed hebben. De blüdschap van den geloovige is niet afhankelijk van de lekkernüen der aarde, van de voortbrengselen des lands, van zijn veestapel, maar zyn vreugde ligt in God, de Fontein van al het goede, van Wien is de vrucht des aardrü\'ks, Wien behoort het vee op duizend bergen. Wat dan den mensch Gods ontvalt, alle aardsch schoon én voordeel én rijkdom, hij houdt God over, den algenoegzamen God, in Wien al zijn lust én heil én eer is door het geloof in Jezus Christus. Want het koninkrük Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. Het kind van God behoeft dus in de hach-lijkste omstandigheden, niet zwaarmoedig te zijn, omdat God verre daarboven verheven is, en in duren t\\jd en hongersnood zijn volk niet begeeft. Gaan uwe zaken achteruit in weerwil van uw ijver en arbeid, valt de oogst tegen, vermindert de bron van inkomsten bü den dag, moet ge uw levensstaat verlagen, is het rondom u treurigheid, hetzij gü aan de stervenssponde staat van geliefden, of zelf op het ziekbed ligt uitgestrekt, o, mensch, die God vreest, vertwijfel niet, maar houd goeden moed, want in uwen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, hebt ge een Hoorn des overvloeds en dies een oorzaak van roem in de verdrukking. Wat ook moge verkwijnen, versterven, te niet gaan, uw God leeft en door Zijn hand wordt gij gevoed, in Hem is de bron uwer inkomsten, in Hem zijn uwe zalige genietingen, door de liefde, waarmede Hij u in Christus heeft liefgehad, en die Hij in uw hart heeft uitgestort door den Heiligen Geest.
Bezwykt dan ooit, in bittre smart,
Of bangen nood, mijn vleesch en hart.
Zoo zult Gij zyn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!
Psalm 73: 13amp;.
Lezen: 1 Sam. 30: 1—6. — Ps. 34: 10—23. — Matth. 6: 25—34.
Y. DOORNVELD.
17 APRIL.
17 APRIL.
2 Koningen 4; 2Gb : Is het wel met u?
Met de vraag, waarover wij nu eenige oogenblikken willen nadenken, hebben wij misschien elkander heden morgen reeds begroet. Wy doen haar in den regel alleen met het oog op het lichamelijk welvaren en wanneer wij meenen, dat de gezondheid niet te wenschen overlaat, wachten wij ternauwernood op antwoord. De knecht van Ellsa doet haar, terwijl hij bij zichzelven wel zal gedacht hebben: het kan met haar wel eens niet goed gesteld zün.
Wij willen onszelven ook eens vragen: hoe is het met u? Hoe is het met uw lichaam ? Wij mogen ons misschien verheugen in een uitnemende gezondheid, \'t Is een groot voorrecht, zeker nooit meer gewaardeerd dan in zieke dagen. Zonder gezondheid zullen wij niet kunnen genieten van de goede gaven Gods in het rijk der natuur. En nu meent gij op de vraag: ,,Is het wel,quot; te mogen antwoorden: o ja, zeer wel, en ge prijst ii gelukkig boven de kranken, die van pijn krimpen of wegteren.
En toch zou het kunnen zijn, dat die zieken, met meer recht dan gy, zouden kunnen zeggen: „het is wel met mijquot;. Het is dan toch alleen wel met u. wanneer uw lichaam is een tempel des Heiligen Geestes, dus wanneer ge uw lichaam stelt in den dienst Gods. Dan is het wel met u, naar lichaam en ziel, en dan zult ge in gezonde en zieke, in blijde en droevige dagen kunnen getuigen: het is wel, want door de genade Gods heb ik alles Hem mogen geven, die het eeuwig wel zal maken met zijn volk.
Daar is bij velen zooveel zorg voor het lichaam. „Wat zullen wy eten of drinken, waarmede zullen wij ons kleedenquot;, zijn by velende voornaamste vragen. Wy leven in zulk een drukken tijd, datdemen-schen bijna geen tijd hebben zich bezig te houden met de vraag: „zal het wel met mij zijn, wanneer God mij zal onderzoeken?quot; En God zal u eens onderzoeken. Of ge het druk hebt of niet, ge zult eens sterven, en dan zal het alleen wel zyn met hen, die als krijgsknechten Gods hun lichaam en hunne ziel den Heere hebben gegeven.
Mochten wij daarom dikwyls met deze vraag tot onszelven in-keeren. Telkens moeten wij zeggen: het is niet wel. Wat is er weinig toewijding bij hen, die zich het eigendom weten van den getrouwen Zaligmaker. De inwonende zonde doet hen voortdurend afwijken van het pad der geboden des Heeren, en wanneer zij ontdekt worden aan die ellende, roepen zy uit: „Heere! het is niet wel met mij.
159
160 IS APRIL.
Wat een murmureeren, een zoeken van de aarde, een listig zoeken van waterbeken, die niet vloeien uit de rivier Gods. Als zij op zich-zelven zien, zyn zij genoodzaakt uit te roepen: neen, het is niet wel met mü. Maar, wanneer zij mogen zien op Hem, die het alles heeft volbracht en het wèl heeft gemaakt, dan mogen zij zeggen: ja, het is wel — in ziekte en gebrek, en dood en nood is het wel, want Jezus Christus, mijn Verlosser, blyft dezelfde, eeuwig de barmhartige Hoogepriester.
Wie heeft lust den Heer te vreezen,
\'t Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal zelf zijn leidsman wezen;
Leeren, hoe hij wand\'len moet:
\'t Goed, dat nimmermeer vergaat.
Zal hij ongestoord verwerven.
En zijn Godgeheiligd zaad Zal \'t gezegend aardrijk erven.
Psalm 25: C.
J.ezen : 2 Kon. 4; 18—37. — Rom 8: 1—lü. — Psalm 119: 33—56.
1\'. F. J. VAN IJK PLASSCIIE.
f8 APRIL.
Job 15: 11a: Zijn de vertroostingen Gods u ie klein\'?
Dit was de vraag, welke eenmaal Elifaz, de Themaniet, deed aan den diep verslagen Job. Gij kent hem, nietwaar, dien man der beproeving bij uitnemendheid, eerst staande op den bergtop des geloofs, doch daarna nederstortende in de diepte, den dag vau zijn geboorte vervloekende en met zyn Maker twistende.
Welnu, onder deze omstandiglieJen klinkt de vraag hem tegen van zyn vriend Elifai;: „zijn de vertroostingen Gods u te klein?quot;
En zie, met die vraag tot zich zeiven lukeerende, kon het antwoord niet anders dan ontkennend luiden.
De vertroostingen Gods te klein! hoe zou dit mogelijk wezen? Denkt daartoe aan den hemelschen oorsprong dier vertroostingen, gevloeid uit het hart van Hem. Die reeds van eeuwigheid met gedachten des vredes over de zijnen vervuld was. Denkt aan den rijken inhoud dier vertroostingen, die alles in Christus omvatten. Denkt aan de heilzame strekking dier vertroostingen, waardoor het hart niet slechts
18 APRIL.
verkwikt, maar ook genezen, gereinigd en geheiligd wordt. Denkt aan de bizondere kracht dier vertroostingen, waardoor de geloovige lijder zelfs vermag te roemen in de verdrukking en psalmen te zingen te midden van den bittersten lijdensnacht.
O, getuigt er slechts van, vertroosten des Heeren! Waren de vertroostingen Gods u te klein, toen de pijlen van Gods gramschap, gelijk Job klaagt, ook uwe ziel getroffen hadden, doch God uwe ziel kwam te vertroosten met Zijne volkomene genade, die in Christus Jezus is?
Waren de vertroostingen Gods u te klein, toen ook gij in een weg van kruis en van druk verkeerdet, al was het dan geen Jobsweg, doch God uwe ziel kwam te vertroosten met de toepassing Zijner trouw- en bondsbeloften ?
Waren de vertroostingen Gods n te klein, zoo dikwijls gij onder strijd en aanvechting verkeerende tot God uw toevlucht mocht nemen, in Hem u sterken, op Hem u verlaten mocht?
En zullen die vertroostingen Gods u te klein zijn, wanneer straks de ster vensure slaat? alsof Zijn verbond ooit wankelen. Zijn trouw beschamen. Zijne beloften falen zouden!
O! moet niet uw bekentenis wezen: niet Gods vertroostingen, maar ach! miju geloof was dikwerf te klein. Neen, voorwaar! Hij legt den mensch niet te veel op en Hjj, Die uit zes benauwdheden redt, doet ook in de zevende het kwaad niet genaken.
Wel is waar, o zeker! kan het den beproefde en bezochte somtijds toeschijnen, alsof werkelijk Gods vertroostingen te kort schieten, wel is waar kan het hem wezen, alsof de laatste troostbron is opgedroogd. O! dat zijn bange dagen, waarin de klacht opstijgt uit den geprangden boezem, gelijk \'t ook die van een Job was: „Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou! Zie, ga ik voorwaarts, zoo is Hij er niet, of aciiter-waarts, zoo verneem ik Hem niet.
Dagen, welke ons toeroepen met dienzelfden Elifaz, zooals hij volgen laat: „schuilt er eenige zaak bij u?quot; Nochtans o! wanneer wij aan die zaak mogen ontdekt en het hart hierover verslagen mag worden, dan vloeit alweèr die Godsrivier van ware vertroosting in Christus Jezus, — om eenmaal geleid te worden tot die levende fonteinen der wateren, waar God alle tranen van de oogen zal afwisschen.
161
Ten slotte een vraag: hebt gij kennis aan die vertroostingen Gods? Neen, uw antwoord kan niet bevestigend luiden, tenzij gij eerst een droefheid hebt leeren kennen naar God, want alleen zij, die naar God bedroefd ztin, worden ook door Hem vertroost, gelijk eene moeder hare kinderen troost.
11
DAGBOEK.
19 APRIL. i62
O, mvjn ziel! wat buigt g\' u neder?
Waartoe zijt g\' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in \'sHoogsten lof uw lust.
Want, Gods goedheid zal uw druk Eens verwis] en in geluk.
Hoop op God; sla \'t oog naar boven;
Want ik zal zijn naam nog loven.
Psalm 42; 3. Lezen: Hebr. 12; 1—15. — Jes. 42: 1—16. — Psalm 91.
\' J. A. VAN BOVEN.
19 APRIL.
Romeinen 5; 10: „Want indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door zijn leven.quot;
In dit tekstwoord leert ons de apostel, dat Jezus Christus onze Zaligmaker is, niet slechts door Zijn dood, maar ook door Zijne opstanding. Een waarheid, die, al moge zij bij eenig nadenken, volkomen beaamd worden, toch nog te weinig bedacht wordt. Nog te veel wordt de zaligheid beperkt tot een verzoening der zonden door het kruis, en wordt de verlossing uitsluitend opgevat als verzoening. Zoodoende kan de indruk gewekt worden, alsof de opstanding van Christus van minder belang is. Daartegen treedt ons tekstwoord waarschuwend op; en leert ons, dat wij, verzoend zijnde met God door den dood Zijns Zoons, veel meer behouden worden door Zijn leven. En immers bij eenig nadenken zullen wij den apostel volkomen gelijk moeten geven. Onze behoeften als zondaar vereischen het, dat wij, verzoend zijnde, nog behouden moeten worden. De zonde ontnam den mensch het eeuwig leven en schonk hem den eeuwigen dood. Christus\' dood,ztjn ingaan in den eeuwigen dood, verloste de Zijnen van den eeuwigen dood, die door God gezet was als een straf op de zonde. De bezoldiging der zonde is de dood. Maar de verlossing van den eeuwigen dood dooiden dood van Christus is niet voldoende. Om als een uit genade gezaligd zondaar voor God te kunnen bestaan, hebben wü noodig tweeërlei weldaad van God te ontvangen. De eene is verzoening met God door den dood Zyns Zoons, en de tweede is behoudenis door het leven van den Levensvorst. Die eerste weldaad ontvangen wij door den dood
19 APRIL.
van Christus en daarom kan het geloof ook zingen ; Zijn Middelaarsdood bracht ons verzoening aan, verloste ons van den eeuwigen dood. Maar het eeuwig leven ontvangen wij terug in en door den Opgewekte, die gesproken heeft: ,.Ik leef en gij zult leven.quot; Hoe noodzakelijk en gewichtig het ook voor het geloof moge zu\'n te weten: Christus is voor mij gestorven, het geloof heeft nog iets meer noodig; Christus is ook opgewekt. Overgeleverd om onze zonden, maar opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Het verheerlijkt leven van den Opgewekte, dat een aanvang nam op den morgen der opstanding, bezat de Levensvorst niet voor zich zeiven, maar voor de Zynen om het hun medetedeelen. Die mededeeling van \'t leven van den Opgewekte aan Zyne verlosten, maakt hunne behoudenis uit. Langs dien weg worden de vruchten van Zijn verzoeningswerk toegepast aan de harten der Zijnen. Is de zondaar met God verzoend door den dood Zijns Zoons, dan moet de verzoende zondaar nog behouden worden door Zijn leven, door de kracht, die van den Opgewekte uitgaat en overgestort wordt in de Zijnen van oogenblik tot oogenblik. Want: uw loven is met Christus verborgen in God. Zoo innig is de levensband, die de verlosten verbindt aan hun Verlosser. Om ons te kunnen verblyden in de troostvolle waarheid, door Paulus uitgesproken, moet deze vraag eerst bevestigend beantwoord kunnen worden: Zijt gü met God verzoend door den dood Zijns Zoons? Eerst, als ge u -door Christusquot; dood verlost weet van dén eeuwigen dood, dan is er levensgemeenschap tusschen uwe ziel en den Opgewekte mogelijk. Dan ervaart ge de zegenrijke kracht van Zy\'n woord, gesproken bij een geopend graf: „Ik ben de Opstanding en het leven, die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.quot;
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid!
Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hü schenkt uit goedheid zonder peil Ons \'t eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood.
Zelfs bij het naadren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
Psalm 6S: 10.
Lezen; Rom. 6: 1—14. — Joh. 15: 1—14. — Coll. 3: 1—14.
H. L. A. FEIJKES.
163
20 APRIL.
20 APRIL
1 Petrus 4: 18. En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen\'?
Wijzen deze woorden onzekerheid omtrent of gevaar voor den gun-stigen uitslag van liet werk Gods in de ziel des rechtvaardigen?
Geenszins.
God is getrouw, zijnen eenmaal aangevangen arbeid laat Hij niet varen. Allen, door Hem tot het leven bestemd, komen er toe; zij zyn van hunne plaats in den hemel gewis.
Deze woorden zien op de moeilijkheid en den strijd, dien de rechtvaardige ontmoet op den weg, die hem naar de gewesten van eeuwige heerlijkheid voert.
Wat al verzoekingen! Wat al beproevingen! Wat al strijd van buiten en vrees van binnen! En de christen is zoo zwak! Zijn hart is zoo arglistig! Zijn bederf is zoo diep ingeworteld! Met een hart, waarin de macht der zonde nog heerscht en temidden eener wereld, die van God aftrekt, zóó te wandelen, dat het aangezicht schier altijd naar Sion is gericht, kost inspanning.
De rechtvaardige wordt „nauwelijks,quot; d. w. z. met moeite, langs een weg van strijd, zalig. Hij bezit nog te veel eigenliefde: hij is nog zoo gehecht aan het aardsche; zijn oog is niet genoeg op de onver-derfeliike erfenis. God nu is een jaloersch God. Hij kan die zonde in Zijne kinderen niet ongestraft laten. Zijne straffen komen soms over hen. Wel worden zij niet aangewend om te verderven, maar om te louteren.
Ja! zij zijn wijze lessen, bewijzen van Gods liefde jegens Ztin volk, evenwel, zij zijn straffen.
Van wege zijne zonde is de ziel des rechtvaardigen meermalen een woestijn en eene huilende wildernis.
O! niet zelden is het hem, als zal zijn boot, door de golven heen en weer geslingerd, zich op de rotsen stuk stooten. Maar geen nood! God is getrouw. Geen Zijner kinderen zal omkomen. Allen, die in Christus gelooven, landen aan \'shemels kust.
Zij worden wel „nauwelijks,quot; maar gewis zalig.
Zij daarentegen, die niet tot het geloof in den Heere Christus komen, zij worden geen deelgenoot van de hemelsche gelukzaligheid.
O neen! „indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal ile goddelooze en zondaar verschijnen?quot;
De natuurlijke mensch is vervreemd van God. In Adam ontvielen
164
21 AP1UL
wjj Hem. Van nature zyn wij dood „door de misdaden en de zonden.quot; En wie onherboren blijft, wie met zijne schuld en zonde niet berouwhebbend tot den Heere komt, zal niet kunnen bestaan in het gericht, aan het einde des tijds door Jezus te houden.
Een iegelijk onderzoeke zich, of hy voor God in Christus rechtvaardig en op grond van de toegerekende gerechtigheid des Zoons vrijgesproken is. Die vrijspraak brengt ons, waar geen strijd meer is, geene zorgen meer kwellen, geene tranen meer vlieten; die vrijspraak brengt ons daar. waar wij Jezus zullen zien, gelijk Hij is. -
Amen! Jezus Christus! Amen!
Ja, Gij zult in \'t groot heelal \'tEijk der duisternis beschamen,
Tot het niet meer wezen zal.
Woon, o Heiland! in ons midden;
Onder uwe heerschappij Zijn wij zalig, zijn wij vry;
Leer ons strijden, leer ons bidden!
Amen! heerlijkheid en macht Word\' U eeuwig toegebracht!
Gezang 50: •).
Lezen: Joh. 16: 25—33. — Gal. 5: 16—26; — 1 Petr. 4: 12—1!».
J. C. KLOMP.
21 APRIL.
Jacobus 3: 2a. Want wij struikelen allen in vele.
De Apostel Jacobus, die in het vorige vers vermaant: „zijt niet vele meesters,quot; waarschuwt alzoo tegen alle meesterachtigheid en hard oordeelen over anderen. Dit komt zooveel voor, maar is niets anders dan een droef bewijs van gebrek aan zelfkennis en een uitvloeisel van den verfoeilijken hoogmoed, die in ons aller harte heerscht. En kon de Apostel zijne waarschuwing wel beter en sterker aandringen dan door ons te herinneren aan eigene onvolmaaktheid in velerlei opzicht? Wij allen immers struikelen in vele, d. w. z. wij doen gedurig verkeerde stappen, mispassen, wij doen allerhande dingen, die niet goed zyn, zondigen wij niet gedurig tegen God en den naaste? Zondigen
165
21 APEIL.
wij niet met gedachten, woorden en werken? Zün wij wel ooit zoo, als wy behoorden te zijn, en handelen wij wel gelijk het ons betaamt? Welk gebod Gods is er, waartegen wij niet dagelijks, bewust of onbe wust, overtreden? Of — zoudt gij dit durven ontkennen? Wij allen, zegt Jacobus, struikelen in vele. Wij — hij sluit er zich zei ven in; en, als een Apostel des Heeren dit eerlijk zegt, een Apostel, tegen wien wij opzien, die zooveel hooger staat in zedelijk en geestelijk leven dan wij, wie durft het dan tegenspreken? Alle heiligen hebben voor God en menschen hun onreinheid en onvolmaaktheid beleden, allen hebben gebeden, „treed niet met ons in \'t gericht, o God.quot; Johannes verklaart dan ook: „Indien wij zeggen, dat wij geenezonden hebben, zoo verleiden wij ons zei ven, en de waarheid is in ons niet.quot;
Bekennen ook wij dan eerlijk voor God onze ontrouw, en ondank, onze afdwalingen en tekortkomingen. Zien wij af van elke gedachte om ons zeiven voor God te rechtvaardigen. „Indien wij onze zonden belijden, H;j is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve.quot; Laat ons dankbaar erkennen, dat God ons niet doet naar onze zonden, en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden. Wanneer ons moeite en lijden treft, doen wij dan niet, alsof ons iets vreemds overkwame, alsof God ons onrecht deed, maar bekennen wij zijne wijze liefde, die ook door de tuchtroede der kastyding ons van onze verkeerdheden wil genezen. Kennende de arglistigheid van ons booze hart moeten wij voorzichtig wandelen, waken en bidden, opdat wij niet zooveel struikelen mogen.
Maar dan moet de overtuiging van eigen onvolmaaktheid ons ook minder veeleischend doen zijn tegenover anderen. Leeren wij toch wat zachter over onzen naaste te oordeelen. Dragen en verdragen wy onze medemenschen met geduld en vallen wij hen niet hard over hun gebreken, zetten wij ons dagelijks meer aan de voeten van den Heiland, die zachtmoedig was, en die gezegd heeft: „oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt — en, met welke mate gij meet zal u weder gemeten worden.quot;
Welzalig zyn d\' oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des Heeren wet betrachten;
Die Hij op \'tspoor der godsvrucht wandlen doet; Welzalig, die, by dagen en by nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem, als \'thoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.
Die, wars van \'t kwaad, niet in de zonde leeft;
Maar zijnen gang bestiert naar \'s Heeren wetten.
Gij, groote God. die ons bevelen geeft!
166
22 APRIL. 167
Gij eischt, dat w\' op uw woord gestadig letten,
En dat w\' ons hart. aan xiwen wil verkleefd, Geduriglijk op uwe wegen zetten.
Psalm 119: 1, 2. Lezen; Jacobus 3: 1—13. — Psalm 1. — 1 Johannes 1.
J. NIERSTRASZ.
2 APRIL
Hebreën 12: 1. Daarom dan ook, alzoo loij zoo groot eme wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loophaan, die ons voorgesteld is.
„Laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.quot; Welk kind des Heeren heeft niet noodig gedurig bij deze vermaning des Apostels bepaald te worden. O zeker — Gode zij dank — er zijn oogenblikken in ons geloofsleven, dat wij als een McZ het pad des levens loopen en met een van vreugde stralend gelaat onzen tocht-genooten toeroepen; „De Heere is goed; Hij verkwikt mijne ziel. Hij leidt my in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil. Maar ach, hoe menigmaal vervallen wij ook in eene zwaarmoedige, doffe, geestelooze stemming! Wij loopen en worden zoo moede, wij wandelen en worden zoo mat. Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zegt Jesaja, en ach, wij zijn dan meer den huismusschen gelijk, die laag bü den grond vliegen, de vleugelen met het stof der aarde bezwaard. Wat kunnen wij toch soms dagen en weken tobben over dingen, die, in het licht der eeuwigheid beschouwd, geen zucht waard zijn! Wat kunnen wij ons menigmaal heiasten met veel, dat ons slechts hindert in onzen loop en doet omzien van achter den Heere! Laat ons afschudden dat stof, afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt. Zij vooral steelt onze beste levenskrachten, en wee ons, indien wij in plaats van ten bloede toe tegen haar te strijden, met deze vijandin onzer ziel een wapenstilstand sluiten. Dan is de verwoesting, die zij in ons zieleleven aanricht, niet te overzien.
Laat ons tot onze bemoediging zien op de wolk der getuigen in de triomfeerende kerk. Die patriarchen, profeten en apostelen (Hebr. 11) waren toch ook menschen van gelijke bewegingen als wij! Zij
23 APRIL,
zjjn door veel dieper en veel donkerder wegen geleid dan wij, en toch hebben zij overwonnen in de kracht van Hem, die den moede kracht geeft en vermenigvuldigt de sterkte dengene, die geen krachten heeft. Nu staan zij voor den troon, met de palmtakken in de handen, ons toeroepende: Worstelaars, houdt moed ! De Heere is getrouw en, wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden.
Laat ons bovenal zien op Jezus Christus, die, voor de die
Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en uit de hoogwaardige heerlijkheid ons toeroept: die overwint. Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk Ik heb overwonnen en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon.
Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is \'t, dat mijns vyands gramschap brandt. Uw rechterhand Zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw, als sterk;
Hij zal zijn werk Voor mij volenden:
Verlaat niet, wat uw hand begon,
O Levensbron!
Wil bijstand zenden.
Psalm 138: 4.
Lezen: Hebr. 11. — Hebr. 12: 1—15. — 2 Cor. 12: 1—10.
M. J. SANDERS.
23 APRIL
1 Koningen 8: 39amp;. Gij alleen kent het hart van alle kinderen der menschen.
De woorden van dezen dagtekst zijn een klein, doch veelomvattend gedeelte van het smeekgebed van Salomo, uitgesproken op den dag der inwijding van \'sHeeren tempel.
Een der meest gewichtige oogenblikken zijns levens is voor den koning Israèls aangebroken. Hij staat met de Oudsten, de hoofden dei-stammen, met de gansche gemeente in den tempel voor het aange-zichte des Heeren, en als hij God heeft gedankt voor zijn trouw in het vervullen van Zijn Woord tot David, Zijn knecht gesproken, dan
168
100
wordt de geesb des gebeds vaardig over hem, en door dien Geest, die met onuitsprekelijke verzuchtingen bidt, spreekt Salomo deze waarheid uit, onveranderlijk als God zelf: „Gij alleen kent het hart van alle kinderen der menschen.quot; Vergeten wij het niet, ook niet dezen dag, die weer over ons is aangelicht, dat God onze harten kent, en weet, wie wij zijn, en Hij zich niet vergenoegt met den bedriegelijken schijn. Waarlijk, een heilige siddering moet ons door de ziele gaan, als wij bedenken, dat deze Alwetende, als de heilige God, geen gemeenschap met de zonde kan hebben; en dat Hij, als de Rechtvaardige, zonder aanzien des persoons ons richten zal door Jezus Christus, om een iegelijk te geven naar aPe Zijne wegen, gelijk Hij Zijn hart kent.
Ja, Hij alleen kent uw hart, mensch, zondaar, sterveling, m. a. w. Hij kent uw inwendigen mensch met al zijne bewegingen, roerselen en krachten; Hij alleen kent uw diepst en innerlijk wezen, en Hij weet, dat er niemand rechtvaardig, niemand verstandig is, dat er niemand is, die goed doet, ook niet tot één toe.
En toch, ondanks de diepe verdorvenheid uws harten, betoont diezelfde Alwetende, Heilige, en Rechtvaardige God zich als de Bai in-hartige en Genadige.
In Jezus Christus, die door zijne zelfofferande alles volbracht en aanbracht, wat er noodig was om menschen met zulke verdorven harten weêr met God te verzoenen, vergeet God niet genadig te zijn en roept Hy op duizendvoudige wijze: „Keert weder, gü afkeerige kinderen, en Ik zal uwe afkeeringen genezen.quot;
Welgelukzalig de mensch, die dat onder al Gods genadeleidingen heeft mogen doen. en die, met beschaamdheid des aangezichts wedergekeerd, bij overtuigende kracht des Geestes weet, dat zijn onrein hart is gereinigd en vernieuwd door het bloed en den Geest van Christus.
O, zoo gij dat weet, bedenk dan steeds, dat uw keuze onverdeeld moet wezen. Een hart, tusschen God en de wereld gedeeld, kan Hem niet behagen. Hü gaf voor dat hart een algenoegzamen Zaligmaker. De Heilige Geest, door Christus verworven, is dat hart een Leeraar, die in al de waarheid leidt. Heb Hem dan lief met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, en al struikelt gü ook in dit opzicht dagelijks in vele, weet dit: r/de Heere kent degenen, die de zijnen zyn, enHij laat niet varen de werken Zijner Handen.quot;
Laat dan uw aangezicht naar Hem gericht zyn; leer zóó afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt. Dit is gewis, zoo uw hart Hem ten eigendom is geworden, al zal het u een eeuwig wonder wezen, het troostwoord des Konings in den strtjd zal in het stervensuur uwe ziel verkwikken: „Zalig de reinen van hart want zij zullen God zien.quot;
170
Wie kan zijn eigen hart vertrouwen
Zijn hart, zoo vol arglistigheid ?
Gij blijft het, Heer! geheel doorschouwen,
Daar \'t voor U naakt en open leit.
Treft Gy mvj aan op booze wegen.
Zoo leid mij op de rechte baan;
Dan lacht mij in het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan,
GEZANG 9; 6. L»zen; Psalm 139. — 1 Kon. 8: 22—39. — Hebr. 4.
A. J. v. AVIJNGAARDEN.
24 APRIL
1 Timotheüs 1: 13. „Maar mij is barmhartigheid geschied.quot;
Maar mü is barmhartigheid geschied, zoo spreekt een apostel tot zijnen geliefden zoon Timotheüs.
Ach, hoe spreekt hij in dat enkele woordeke maar ons van dat droeve eertijds, waaraan hy niet zonder ontroering kan denken.
Inderdaad hij had een treurig verleden, gelijk hü zei ven getuigt „die te voren een Godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker.quot;
Wanneer een Paulus dit uitspreekt, dan doet hij dit niet met een zekeren trots, alsof hij zeggen wilde, zoo\'n man was ik, maar nu ben ik tot deze hoogte opgeklommen, maar dan is heel zijne ziele vol schaamte en berouw.
Meen niet, dat wij hier te doen hebben met een lichtzinnigen jongeling, die tegen den raad zijner ouders in, den breeden weg desver-derfs bewandelt — neen, maar met een man die gloeide van ijver voor den Heere, die brandde van liefde voor zyn volk en wiens wandel een voorbeeld heeten mocht, naar de wet toch onberispelijk.
En toch, hoe rijk en verrijkt hy ook meent te zijn, hij weet niet, dat hij ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt is.
Hoeveel heeft dat droevig eertijds van den apostel ons te zeggen.
Mij dunkt, er is geene geschiedenis in Gods woord, die ons
24 APRIL.
meer op het hart heeft te binden dan hei eertijds van dezen man.
Lees het iade Hoofdstuk van den eersten brief aan de Corinthiërs met het oog op dat verleden, en liet zal u duidelijk worden, waarom de apostel kan schrijven: „en al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geene nuttigheid geven.quot;
Hebt gü, mijn lezer, dit verstaan?
Wat is wysheid en wetenscliap, zoo het harte onherboren blijft en niet leert spreken van de hoogste wetenschap, ;,God geopenbaard in het vleesch?quot;\'
Wat is Schriftgeleerdheid, zoo deze niet door den Geest der genade is geheiligd aan het harte?
Wat is een braaf en burgelijk leven, zoo dit niet een uitvloeisel is van een hart, dat leerde stamelen: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Saulus van Tarsen zou de eerste zijn om ons toe te roepen, menschenkind, buiten de levensgemeenschap met den Christus, zijt gij niets anders dan een zondaar, die tot opschrift heeft „dood in zonden en in misdaden.quot; En laten wij dit er aan mogen toevoegen, in den grond der zaak kan ook van ons niets anders gezegd worden, een godslasteraar, een vervolger, een verdrukker.
O mocht God de H. G. ons dit maar doen verstaan, want immers wij overdryven niet.
Dring eens door tot op den bodem van uw hart, in dagen van tegenspoed, hoe ontdekt gij daar wrevel; dring eens door tot op den bodem van uw hart en is het niet waar? vijandschap is ons bedenken; dring eens door tot op den bodem van uw hart en bemerkt ge dan niet, hoe wy het eigenlijk met Satan houden en zoo wij konden, des Heeren volk zouden vertrappen en verdrukken.
Zoo wij dan blyven, die wij zyn, en geen hart vernieuwende genade tot ons uitgaat, wij zullen reddeloos verloren gaan. O, zal het wèl zijn, dan moet ook onze belijdenis zijn; Maar mij is barmhartig heid geschiedt.
Gena, o God! gena, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar uwe barmhartigheden;
Delg uit myn schuld, vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
171
24 APRIL.
170
Wie kan zyn eigen hart vertrouwen
Zijn hart, zoo vol arglistigheid ?
Gij blyft het, Heer! geheel doorschouwen.
Daar \'t voor U naakt en open leit.
Treft Gij mij aan op booze wegen.
Zoo leid mij op de rechte baan;
Dan lacht mij in het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan,
GEZANG 9: 6. Lezen; Psalm 139. — 1 Kon. 8: 22—39. — Hebr. 4.
A. J. v. WIJNGAARDEN.
24 APRIL.
1 Timotheüs 1: 13. „Maar mij is barmhartigheid geschied.quot;
Maar mü is barmhartigheid geschied, zoo spreekt een apostel tot zijnen geliefden zoon Timotheüs.
Ach, hoe spreekt hij in dat enkele woordeke maar ons van dat droeve eertijds, waaraan hij niet zonder ontroering kan denken.
Inderdaad hij had een treurig verleden, gelijk hij zei ven getuigt „die te voren een Godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker.quot;
Wanneer een Paulus dit uitspreekt, dan doet hü dit niet met een zekeren trots, alsof hij zeggen wilde, zoo\'n man was ik, maar nu ben ik tot deze hoogte opgeklommen, maar dan is heel zijne ziele vol schaamte en berouw.
Meen niet, dat wij hier te doen hebben met een lichtzinnigen jongeling, die tegen den raad zijner ouders in, den breeden weg desver-derfs bewandelt — neen, maar met een man die gloeide van ijver voor den Heere, die brandde van liefde voor zijn volk en wiens wandel een voorbeeld heeten mocht, naar de wet toch onberispelijk.
En toch, hoe rijk en verrijkt hij ook meent te zijn, hij weetniet, dat hij ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt is.
Hoeveel heeft dat droevig eertijds van den apostel ons te zeggen.
Mij dunkt, er is geene geschiedenis in Gods woord, die ons
24 APRIL. 171
meer op het hart heeft te binden dan het eertijds van dezen man.
Lees het iade Hoofdstuk van den eersten brief aan de Corinthiërs met het oog op dat verleden, en liet zal u duidelijk worden, waarom de apostel kan schrijven: „en al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geene nuttigheid geven.quot;
Hebt gij, mijn iezer, dit verstaan?
Wat is wysheid en wetenschap, zoo het harte onherboren blijft en niet leert spreken van de hoogste wetenschap. .,God geopenbaard in het vleesch?quot;\'
Wat is Schriftgeleerdheid, zoo deze niet door den Geest der genade is geheiligd aan het harte?
Wat is een braaf en burgélijk leven, zoo dit niet een uitvloeisel is van een hart, dat leerde stamelen; Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Saulus van Tarsen zou de eerste ztjn om ons toe te roepen, menschenkind, buiten de levensgemeenschap met den Christus, zyt gij niets anders dan een zondaar, die tot opschrift heeft „dood in zonden en in misdaden.quot; En laten wy dit er aan mogen toevoegen, in den grond der zaak kan ook van ons niets anders gezegd worden, een godslasteraar, een vervolger, een verdrukker.
O mocht God de H. G. ons (Ht maar doen verstaan, want immers wij overdrijven niet.
Dring eens door tot op den bodem van uw hart, in dagen van tegenspoed, hoe ontdekt gij daar wrevel; dring eens door tot op den bodem van uw hart en is het niet waar? vijandschap is ons bedenken; dring eens door tot op den bodem van uw hart en bemerkt ge dan niet, hoe wy het eigenlijk met Satan houden en zoo wij konden, des Heeren volk zouden vertrappen en verdrukken.
Zoo wij dan blyven, die wij zyn, en geen hart vernieuwende genade tot ons uitgaat, wij zullen reddeloos verloren gaan. O, zal het wèl zijn, dan moet ook onze belijdenis zijn: Maar mij is barmhartigheid geschiedt.
Gena, o God! gena, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar uwe barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld-, vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.
23 APRIL.
Ai! Wèisch mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb uw wet geschonden;
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit.
En reinig mij van al myn vuile zonden.
Psalm 51: 1.
Lezen: 1 Tim. 1: 12—17. - Ps. 139. — lïf. 2: 1—13.
J. HOEKSTRA.
25 APRIL
1 Timotheüs 1: 13: ,,Maar mij is barmhartigheid geschied.quot;
Mij dunkt, dit woord kon door een Paulus niet worden geschreven, zonder dat hij ook dacht aan een zalig heden.
Mij zegt hij, en dit zegt hij niet zonder aandoening, want hij kent zich zelven door Gods genade, als de voornaamste der zondaren.
Mij zegt hij, en daar is in dit oogenblik in zijn hart geen twyfel, die woekerplant, die zich oin ons zieleleven kan slingeren, om ons het welleven te ontrooven.
Niet altijd siond hij zoo ruim voor zich zeiven. Er waren ook andere tijden, waarin hij moest roepen: wie zal my verlossen van het
lichaam dezes doods?
Dan wat wonder, dat hij zoo welbewust zich mag uitspreken:
maar mij is barmhartigheid geschied, want duidelijker dan ooit stond ze hem voor den geest, die onvergetelijke ontmoeting bij de poorten van Damaskus.
Het is hem, alsof hij nog eens die stemme hoort. „SauL Saul, wat vervolgt gü mij? Het zal u hard zijn de verzenen tegen de prikkelen te slaan, om daarna nog eens te vernemen: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. O, welk eene ontdekking en ontmaskering!
Hij meende dat Jezus gestorven en dat daarmede tevens zyne Messiaswaardigheid verdwenen was. En nu komt hij tot de ontdekking, dat Jezus leefde, niettegenstaande Hij gestorven was, en wel leefde als de verheerlijkte Heiland aan de rechterhand des Vaders. Het was dus waar, dat Hij van uit de dooden was opgestaan. O, \'t zwaard, dat hij had uitgetrokken tegen allen, die den Heere Jezus minden, ontblootte hij mi voor zich zeiven.
Ja, toen werd deze zondaar ontmaskerd, de blinddoek werd hem van het oog afgenomen en wie zal zeggen, wat da-.ir in zijn hart is omgegaan. Toen hij binnen Damaskuswerd geleid, niet alc een ziende, maar
172
26 APRIL.
met nadruk als een blinde, niet als een overwinnaar, maar als een overwonnene, niet meer als een vijand, maar als een vriend van den Christus, die zijne liefde tot de^en uitverkorene deed zegevieren in zijn hart.
Mij is barmhartigheid geschied, zoo spreekt dan de apostel en dan ligt al zijn zaligheid van het heden in de barmhartigheid van ziinen God.
Barmhartigheid heeft hij ondervonden, dat wil zeggen, dat innig medelijden des Heeren over den in zich zeiven verloren zondaar.
Barmhartigheid heeft hij ervaren, d.w.z. die wondere ontferming,, waarmede de Heere hem als een vuurbrand uitredde.
Barmhartigheid is hem geschied, en nu zijn al zyne zonden hem vergeven, en proeft hij hier reeds de voorsmaak van de zaligheid, die eens zijn deel eeuwig en altijd worden zal. O, die barmhartigheid moet ook het deel zijn van u, mijn lezer en lezeresse, en anders zal uw sterven geen gewin kunnen zijn.
Want ik gevoel de grootheid van miin kwaad;
Mijn zonde zie \'k mij steeds voor oogen zweven.
\'k Heb tegen U, ja U alleen misdreven;
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.
Ik heb gedaan, wat kwaad was in uw oog:
Dies ben ik, Heer! uw gramschap dubbel waardig;
\'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog üw doen is rein, uw vonnis gansch rechtvaardig.
Psalm 51: 2.
Lozen: Hand. 9: 1—8. — Zach. 3: 1—4. 1 Petr. 1: 1—12.
J. HOEKSTRA.
26 APRIL,
1 Timotheüs 1: 13: „Maar mij is barmhartigheid geschied.quot;
Kan het ons verwonderen, dat het hart van den apostel hiervan meer dan eens vervuld is?
Aan de Corinthiërs schrijft hij dan ook, „ten laatste van allen is hij van mij als van een ontijdig geborene gezien, want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb.quot;
En aan de Efeziërs kan hij niet nalaten te schrijven :
174 26 april.
„Mij, den allerminste der heiligen is deze genade gegeven.quot;
Zoo vatten wij ook den juichtoon in het 12de vers: „en ik dank Hem, die mü bekrachtigd heeft, n. 1. Christus Jezus, onzenjHeere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende.quot;
O, daar is voor Gods volk geen heerlyker gedachte dan verzekerd te mogen zijn van die barmhartigheid Gods, die Hü geopenbaard heeft in Jezus Christus den Zoon van Zijn welbehagen.
Dan proeven en smaken wij eene blijdschap en vrede, die alle verstand te boven gaat.
Het mij is de zenuw van ons geloofsleven, en ach, hoe moeielyk is het ons soms, om dit mij zonder aarzeling uittespreken.
Kleinmoedigen . . . . gy verstaat dit, want, o, hoe groot zijn soms de worstelingen, om te zien de dingen, die men niet ziet.
Toch moeten wij elkander waarschuwen, opdat wij ons niet blind turen op mannen als Paulus, Luther, Calvijn en wie wy meer zouden kunnen noemen.
Men heeft wel eens gezegd, de Heere verwekt niet ieder honderd jaar een man als Paulus, die zoo wèl toegerust was om een getuige der waarheid te zijn.
O, wanneer wij altijd staren naar den hoogsten bergtop, die ons oog kan bespieden, dan vergeten wij wel eens het heuveltje, waarop wij ons bevinden. Ach hoevelen onder des Heeren volk maken zich aan eene schandelijke ondankbaarheid schuldig, door voorbij te zien, wat de Heere in hunne ziele uitwerkte door de wondoren van zijne genade.
Men wil een Paulus zijn en men vergeet, dat het reeds zalig is een dorpelwachter te wezen in het huis onzes Gods.
quot; Wanneer de Heere \'tons doet zien, dat al onze gerechtigheid een wegwerpelijk kleed gelijk is, wanneer de Heere ons doet hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, wanneer de Heere in ons hart de bede van den tollenaar legt, wanneer het ons als Zacheus om Jezus te doen is.....dan hebben wij genade ontvangen en wy mogen het uitspreken, al is het met beving in de ziele „mij is barmhartigheid geschied.quot;
Ziet, myne broederen en zusteren, laat ons dan beginnen, dat te erkennen, te belijden, daardoor wordt de Heere verheerlijkt, en langs dien weg zullen wij ook door de genade Gods opwassen en toenemen. —
\'t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf Neen, \'kben in ongerechtigheid geboren;
Mijn zonde maakt my \'tvoorwerp van uw tooren Reeds van het uur van rayn ontvangnis af.
175
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in \'t gemoed;
Gij, Heer! die weet al, wat ik heb misdreven;
Gij, die mijn geest met wysheid hadt gevoed.
En in mijn ziel uw godlijk licht gegeven.
Psalm 51: 3. Lezen; Ps. 23. — Joh. 9: 1—14. — Ezech. 33; 1—11.
J. HOEKSTRA
27 APRIL.
1 Timotheüs 1: 13amp;: Maar mij is barmhartigheid geschied.
Mij is barmhartigheid geschied; wat dunkt u, heeft de apostel, toen hij dit uitsprak, ook niet gedacht aan groote lankmoedigheid, hem bewezen?
Ziet, van deze lankmoedigheid spreekt hij in het 16 vers: Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijne lankmoedigheid zou betoonen.
Inderdaad al Gods lankmoedigheid, die ooit gezien werd, is in hem tentoongesteld.
Met welk een geduld deed de Heere de prikkelen der genade tot hem uitgaan, maar altijd keerde hij de boot der genade van zich af.
Tegen elke roepstemme Gods verhardde hij zich in, hij sprak door woord en daad: „Ik wil niet, dat Jezus over mijn hart koning zvj.quot;
Met welk eene vergenoegdheid was hij getuige van Stefanus dood.
Ach, zoo is het van nature bij ons, het is altijd weer het oude lied: ik wil niet, ik wil niet, om zich ten langen leste in den schuilhoek der onmacht weg te bergen, in stede met die schandelijke en vervloekte zonde van onze onwilligheid tot den Heere te gaan.
Ja, wel is het waar, dat de Heere ons te sterk moet worden.
Hoe groot was Gods lankmoedigheid over hem .... en ook over ons.
Of was het geen lankmoedigheid, door hem in het leven te sparen, toen hij daar voortholde, het zwaard in de vuist, om allen, die den Heere Jezus minden, zoo het kon te verdelgen? Was het geen lankmoedigheid, door hem in het leven te laten en hem de mogelijkheid te gunnen op de vergeving der zonden?
Was het geen lankmoedigheid, om hem ten slotte krachtdadig te roepen ?
28 APHII,.
Dan, hoe gaat. ook over u mijn lezt-r en lezeresse deze zelfde lankmoedigheid Gods.
Nog zü\'t gij gespaard gebleven in het leven — nog is het: heden, zoo gij zijne stemme hoort .... tot hoe lange zal dit heden voor u zijn?
\'t Is waar, geen stemme uit den hemel op hoorbare wijze uitgesproken mogen wij verwachten, maar nog altijd klinkt ook tot u: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?quot;
Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt?
Zoo gy in \'t recht wilt treden,
O Heer! en gadeslaan
Onz\' ongerechtigheden:
Ach! wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, Heer! met beving,
Eecbt kinderlijk gevreesd.
Psalm 130: 2-Lezen: Kom. 2: 1—11. — Psalm 05. — Hand. 26: li)—32.
J. HOEKSTRA.
28 APRfL
1 Timotheüs 1: \\3b: Maar mij is barmhartigheid geschied.
Mij dunkt, nooit heeft de apostel aan deze barmhartigheid van zijn God kunnen denken, zonder, dat ook het heerlijk doel, \'t welk de Heere daar mede had. door hem werd gevoeld.
Al, wat de Heere doet, het geschiedt met de beste en de heerlijkste bedoelingen.
O, hoe komt dit in deze geschiedenis uit.
Immers, de apostel verklaart dit zelf met deze woorden, dat de Heere al Zijn lankmoedigheid in hem betoond heeft: tot een voorbeeld dergenen, die in Hem gelooven zullen ten eeuwigen leven.
Wel mogen wij vragen, wie heeft den zin des Heeren gekend?
Hoe ver strekken zich Gods gedachten en daden uit?
Wie zou ooit vermoed hebben, dat de Heere, door dezen zondaar te gqjpen, hiermede ook u, mijnen broeder en zuster op het oog had? Dat Saulus gegrepen werd door vrijmachtige genade, Saulus de voor-
17C
177
uaamste der zondaren, het zou tot een voorbeeld strekken dergenen, die in Hem gelooven zullen ten eeuwigen leven.
Saulus bekeering stond dus niet op zich zeiven, maar daarmede heeft de Heere ook anderen op het oog, die Hij roepen wil tot zyn heil, om hen by het gezicht van zonde en schuld te bemoedigen en op te beuren en te vertroosten. O, wanneer wij naar de bergen van onze zonden door Gods Heiligen Geest worden heengeleid, dan glydt ons zoo gemakkelijk het Kaïn\'s woord van de lippen: mijne misdaad is grooter, dan dat zij mij vergeven worde.
Ik weet niet hoe, het met u is, mijn lezer en lezeresse, maar, zoo gij hier iets van gevoelt, o, vergeet dan nooit, de Heerc schoot niet te kort in genade, om de zonden van Saulus van Tarsen toe te dekken, en van dezen zondaar een mensch te scheppen, wiens levensdoel is, den Heere te dienen en Zu\'nen Naam groot te maken.
Gods genade is zoo oneindig groot. Zend op deze zee een schip uit naar het noorden en zuiden, naar het oosten en westen, en wanneer gij den bootsman vraagt, waar zijn de oevers van deze zee, dan zal het antwoord zijn, deze zee kent geene oevers.
O, welgelukzalig zijn zü, die hiervan iets mogen verstaan, en al is het, dat zü de breedte en de diepte van Gods genade in Christus niet kunnen peilen, zij zullen met den apostel leeren roemen: maar mij is barmhartigheid geschied.
Zoo dit inderdaad uwe geschiedenis is, hebt gij dan al eens over wogen, om wiens wille gij bekeerd zyt?
O, dat is een ernstige vraag, waarover moet worden nagedacht. Deze gedachte gaf Paulus vrijmoedigheid, om aan anderen hetEvan-gelium te boodschappen, deze gedachte was hem een innerlijke drang iu zijne ziele, om, trots allen tegenstand en vijandschap voort te gaan, de zaligheid in Christus te boodschappen.
O, mocht door Gods genade al Gods volk dit verstaan, opdat steeds meerderen mogen uitspreken: maar mij is barmhartigheid geschied.
De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte;
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men blij met dankbre psalmen:
Gods rechterhand doet groote kracht!
Psalm 118 : 7.
Lezen: 2 Cor. 5. — Psalm 103. — Eom. 8: 28—39.
J. HOEKSTRA.
12
DAGBOEK.
29 APRIL.
29 APRIL.
Lukas 18: 17: Voorwaar zeg ik u: zoo ivie het koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeke, die zal geenszins in hetzelve komen.
„Jezus de kinderen zegenende,quot; dat liefeiyk tooneel is meermalen door pen en penseel verheerlijkt. Wij betwijfelen echter, of wel altijd de gedachte, die aan deze handeling des Heeren ten grondslag ligt, goed gevat en juist vertolkt is. Het was niet de aanvallige onschuld, die Jezus in deze kinderen aantrok. Hij wist, dat er zelfs van kinderlijke onschuld geen sprake kon zijn op eene aarde, waar de zonde woont en heerscht. Alle loten en twijgen van den boom des mensche-lijken geslachts zijn vergiftigd door de beet der oude slang. Neen, Hij zag die kinderen aan als lammeren Zijner kudde, die Hij in Zijne armen moest vergaderen. Daarom omhelsde en zegende Hij hen.
De kinderen worden ons door den Heer ten voorbeeld gesteld. ,-Zoo wie het koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeke, die zal geenszins in het zelve komen. Het koninkrijk Gods, dat is de samenvatting van alle zegeningen des verbonds, die God aan arme zondaren schenkt om Christus wil. Maar deze zelfde uitdrukking wordt ook gebruikt voor de burgers van het koninkrijk Gods, de ware leden van het lichaam van Christus. Uit die twee beteekenissen vloeit voort dat de Heer in hetzelfde vers spreekt van „het koninkrijk ontvangen en „in het koninkrijk ingaan.quot; Eerst moeten wij de genadeweldaden Gods in ons hart ontvangen, en uit kracht daarvan worden wij burgers van dat koninkrijk, dat zich uitbreidt van eeuw tot eeuw onder alle geslacht, en taal en volk. —
Dat koninkrijk Gods moet ontvangen worden, zooals een kindeke het ontvangt. Het geloof is in de oogen der wereld iets eenvoudigs, iets kinderlijks, zoo niet iets kinderachtigs. En toch is een kinderlijk geloof een oprecht geloof. Wij, groote menschen, zijn vaak zooverre verheven boven zulk een kinderlijk geloof. Herinnert gij het u nog, lezer! toen gij het eerst als een kind naar het verhaal van den Hee-re Jezus en Zijne zondaarsliefde luisterdet? Niet waar, toen naamt gij eenvoudig aan, wat u werd medegedeeld, en uw hart zocht dien liefdevollen Zaligmaker. Hebt gij nu, als man of vrouw, teniet gedaan, hetgeen eens kinds was? Hebben de zorgvuldigheden dezes levens misschien het goede zaad verstikt? O, keer dan terug en word wederom een kind, een kind in het geloof, een kind van God!
178
30 APRIL. 179
\'sHeeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwalen, Brengen in het rechte spoor; Hij zal leiden \'tzacht gemoed In het effen recht des Heeren: Wie hem ned\'rig valt te voet, Zal van Hem zyn wegen leeren.
Psalm 25: 4.
Lezen: I\'s. 131. — Matth. 18: 1—11. — Luk. 18: 15—17.
J. P. ERINGA.
30 APRIL.
1 Timotheus 1: 15; Dit is een getrouw ivoord, en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de ivereld gekomen is om zondaren zalig te maken, van toelke ik de voornaamste hen.
Welk een voorrecht te leven onder de verkondiging van dat getrouwe woord, te weten, dat Christus Jezus ia de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken! Dagelijks wordt die blijde boodschap ons onder de aandacht gebracht, maar inzonderheid deze rustdag komt ons bij vernieuwing wijzen op de onuitsprekelijke genade van onzen Heiland, die het verlorene zoekt en redt. Deze dag roept ons weder onder de prediking des Wooids, en herinnert ons zoo nadruk-kelijk aan hetgeen God tot vervulling onzer geestelijke behoeften heeft geschonken.
Kennen en gevoelen wij die geestelijke behoeften aanvankelijk? Erkennen wij niet slechts met den mond, maar zijn wij er waarlijk van overtuigd, dat wij zondaren, verloren zondaren zijn? Hebben wij, bij het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, een blik leeren werpen in de diepte van schuld en verderf, en alzoo die ware verootmoediging voor God leeren kennen, die ons met den Apostel doet zeggen; ik ben de voornaamste der zondaren? O, welk eene genade is het dan, dat de Heere tot ons komt met dat getrouwe, dat zekere en vaste woord, dat ons zegt: Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken! Hij kwam niet om te vragen, of wij waardig zijn door Hem geholpen te worden, maar, Hij kwam om arme, verlorene zondaren te redden, om eene verzoening, eene bedekking te zijn voor hunne zonden, en hun eene volkomene gerechtigheid te
1 MEI.
schenken, die hen als gerechtvaardigden voor Gods heilig aangezicht doet staan. Dat zegt ons zijn heilig Evangelie, dat is de boodschap des Heeren, die het hart der treurenden mag troosten. Dat is het aller aanneming waardige woord, dat aan de behoeften van den armen zondaar voldoet, en dat zonder eenig voorbehoud geloovig mag worden aangenomen door allen, die met den nood hunner ziel tot Jezus lee-ren vluchten.
Moge dat woord ook op dezen dag een Goddelijk troostwoord voor velen zijn, ook voor kranken, voor zwakken en hoogbejaarden, die niet met de gemeente kunnen opgaan naar het huis des gebeds. Schenke God daartoe genadig zijnen Geest aan degenen, die het woord prediken, en aan hen, die het hooren of overdenken.
Nooddraftigen zal Hij verschoonen.
Aan armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing toonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zoo hoog,
Hun bloed, hun tranen on hun Ujden Zijn dierbaar in zijn oog.
Psalm 72: 6.
Lezen: Jes. 55. — Joh. 3: 1—21. — Eph. 2: 1—10.
J. A. de VLIEGER.
I MEI.
Hooglied 2: 11 — 13; Want zie, de winter is voorbij; de plasregen is over; hij is overgegaan;
De bloe.nen worden gezien in het land; de zangtijd genaakt, en de stemme der tortelduif wordt gehoord in ons land;
De vijgeboom brengt zijne jonge vijgskens voort, en de wijnstokken geven reuk m \'t hunne jonge druif kens. Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom.
Wij vinden hier eene der liefelijkste tafereelen geschetst, die in het heerlijk Hooglied van Salomo, dat wel terechtin het Hebreeuwsch den naam van „Lied der liederenquot; draagt, voorkomen. Het is eene korte, maar zakelijke beschrijving van de bekoorlijkheid der Ooster-sche lente, die den winter en het eerste voorjaar met hunne vaak zoo
180
1 MEI. 181
sterke plasregenen heeft vervangen. Alles in de natuur heeff: door de koesterende zon een geheel ander aanzien verkregen. De Heere Goi, gedachtig aan Zyn trouwverbond met Mrach en zijn zaad opgericht, heeft het gelaat des aardrijks wederom veranderd. Wat dor was, groeit op nieuw; wat verstorven scheen, herleeft weer; millioenen en mil-lioenen veldbloemen, met de heerlijkste kleuren versierd, en de liefelijkste geuren verspreidend, overdekken wederom, als een onmetelijk tapijt, de vlakten van Jizreël en van Saron; de vijgeboom belooft weer zfine overvloedige vrucht, en het vroolijk gevogelte, waaronder ook de tortelduif, doet weer, elk op zijne wijze, en met de stem door God aan elk geschonken, een loflied hooren ter eere van den Schepper! Voorwaar geen wonder, dat de godvruchtige bruidegom, zooals wy dat in het verband van onze tekstwoorden, zien aangegrepen door die goddelijk schoone verandering, zijne zielsbeminde bruid opwekt om buiten haar verblijf te treden, en met hem de blyde en dankbare getuige te zijn van de tallooze wonderen, door God in de natuur gewrocht!
Moeten ook wij tot zulk eene verheerlijking van God ons opgewekt gevoelen, telkens als ook wij het gelaat des aardrijks zien veranderen, laat ons \'t wel bedenken, dat, gelijk \'t Hooglied in zijn geheel, zóó ook de woorden, aan het hoofd van dit stukje aangehaald, eenen veel dieperen zin, eene geestelijke beteekenis hebben. Bü het licht des Heiligen Geestes beschouwd, dat alleen het ware licht over den waren zin der H. Schrift doet opgaan, zien wy in die woorden, als in de liefelykste beelden, voorgesteld de oneindig heerlijker, de zalige vernieuwing en verandering, die door de almachtige genadewerking des Heiligen Geestes plaats vindt in het hart van den wedergeboren zondaar. Bij zulk een zondaar is de koude en onvruchtbare winter van geestelijke dorheid, doodschheid en ongevoeligheid voorbij gegaan, en het hart begonnen warm te kloppen voor zijn God en voor zijn Verlosser. Bij zulk een\' zijn de plasregenen van verwoesting, in de H. Schrift zoo menigmaal een beeld van Gods toorn, die de on-bekeerden dreigt, vervangen door den liefelijken zonneschijn van de Zonne der gerechtigheid. Bij zulk een\' ontluiken en bloeien bloemen en vruchten van Godzaligheid in waarlijk goede werken, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. En geiyk de stemme der tortelduif zich doet hooren in den lande, zoo ook doet de H. Geest Zijne zachte stem vernemen in de ziel, en wekt haar op om den Heere te verheerlijken vanwege de wonderen der genade, die Hy in haar en aan haar heeft groot gemaakt. Mag \'t zóó ook bü ons zijn, dan wacht ons zeer zeker, naar de belofte van dien God, Die trouwe houdt tot in eeuwigheid, een eeuwig en heerlijk lentefeest in den Hemel.
2 MEI.
Looft God! want Hy is ons nabij,
Zingt alle zijne heiren!
De Heer is ons alom nabij
In heemlen, aarde, meiren:
U looft, o God, ons hart en mond;
G\' omringt ons, waar wij zijn in \'t rond,
Met uwe gunst en liefde.
Gy geeft al wat ons hier verheugt.
Gij, gever aller gaven!
Maar wil ons eens met hooger vreugd.
Uit Jezus volheid, laven:
Omhoog looft U der Englenschaar,
En och! dat wij ü ook eens daar,
Als zij onsterflijk, loven.
Gezang 163: 5, 8. Lezen : Psalm 104. —Moogl. 2. — Openb. 22.
L. SCHOUTEN Hz.
2 MEI.
Genesis 8: 4: Toen zeide de slang\'tot de vrouwe: Gijlieden zult den dood niet sterven.
Wij lezen in Joh. 11: 33, dat „de Heiland zeer bewogen werd en zichzelven ontroerde,quot; toen Hij Maria, de zuster van Lazarus aan Zijne voeten zag weenen om het verlies van haar broeder en zijn vriend. Hij was dus diep bedroefd. Maar Zijne droefheid bleef niet staan bij het verlies, zij zag meteen, wat haar en Hein dit verlies had berokkend. In het oorspronkelijke toch, dat in onze Nederlandsche vertaling van het bericht der opwekking van Lazarus, op de hierboven aangegeven wijze wordt weergegeven, is spraak van „eene toornige ont roering.quot; De Heiland had bij het graf van Lazarus den vijand ontdekt, die den mensch, óók den Redder „die de oogen van den blindgeborene heeft geopendquot; zijne machteloosheid doet gevoelen.
Wie is die vijand? De satan. Waardoor heeft hij deze macht over den mensch gekregen? Door middel van den leugen. Waarin bestaat deze leugen? Hij heeft den mensch bedrogen en belogen, toen hy zeide: „Gij zult den dood niet sterven!quot;
Te zeggen: „Gy zult den dood niet sterven, al overtreedt gij het
182
2 mei. 183
gebod Gods! al scheurt gij u van God los!quot; is te ontkennen, dat God de bron van alle leven, de fontein van alle goed is.
Indien de Satan waarheid had gesproken, zou men het eeuwige leven, het waar genot, de hoogste volkomenheid buiten God kunnen vinden, — maar dan zou God geen God zijn.
De satan heeft dit gezegd — dat is de leugen.
De mensch heeft dit geloofd — dat is de zonde.
Maar, de dood heeft geheerscht van A.dam tot Mozes en van Mozes tot Christus, dat is het recht, waardoor God zichzelven handhaaft.
God lof! de dood heeft geheerscht óók over den mensch, die één was en\'één bleef met God, óók over Christus, die het leven bezat en bracht. Dat is voor den mensch, die God in het recht stelt, d. i. die én den satan én zichzelven oordeelt, de bron van alle heil en van alle leven. God wordt langs dezen weg weêr voor hem wat Hij in den beginne was en altijd had moeten blijven - de eerste en de hoogste, ja, de eenige in leven en in sterven.
Ten Kate zong eens:
Hebt gij God in \'s levens duistre stonden,
God in \'s werelds stikdonkre nacht.
God bij het graf der geliefden gevonden,
Dan heeft de droefheid u zegen gebracht.
Maar, om Hem daar en zóó te vinden, moeten wij niet bij het verlies blyven staan. Wij moeten, evenals de Heiland doordringen tot den diepsten grond van het verlies, de zonde. Wij moeten in de zonde den satan ontdekken, derhalve God in het recht stellen, en in dat recht de genade leeren grijpen en verheerlijken.
Gij maakt eerlang mij \'t levenspad bekend,
Waarvan, in druk, \'t vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
Schenkt mij in \'t kort verzadiging van vreugde;
De lieflijkheen van \'t zalig hemelleven
Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.
Psalm 16 : 6.
Lezen; Ps. 39. — Joh. 11. — Rom. 6.
Dr. Ph. J. HOEDEMAKER.
3 MEI.
3 MEI.
Galaten 6: 14; Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door welkende wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
De Apostel Paulus had vóór zyne bekeering kunnen roemen op natuurlijke voorrechten en aangeboren geestesgaven. Hij had na zijne befceering roem kunnen dragen op zijn arbeid en ijver, want hyquot; was „in geen ding minder dan de uitnemendste der apostelenquot; Maar van allen roem had hij een diepen afkeer, hij roemde alleen in het kruis van Christus. Dat kruis was voor hem de openbaring van de almacht, wysheid, liefde en genade Gods. Door dat kruis waren God en men-schen tot elkander gebracht. Bij dat kruis waren gerechtigheid en genade verzoend. Dat kruis deed hem schouwen ineen ge jpenden hemel, waar nu plaats bereid was voor „den voornaamste der zondaren.quot; die met God verzoend was door den dood Zijns Zoons.
Op den heuvel Golgotha waren aan de rechter- en linkerzijde van het kruis des Heeren twee andere kruisen opgericht voor de kwaaddoeners. Paulus spreekt ook van twee andere kruisen naast het kruis van Christus. Aan het eene wordt de wereld gekruisigd, aan het andere het eigen ik. Sedert de Apostel had leeren roemen in het kruis van Christus, had de wereld hare macht over hem verloren. Wanneer hij de wisheid dezer wereld had gezocht, dan had men hem gerekend onder de „mannen van beteekenis in zijne eeuw, maar nu riep zijn volk: „Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.quot; Doch de wereld was voor hem gekruisigd, dood, en hij rekende niet met eene doode wereld, maar met een levenden Zaligmaker, wiens kruis de grond zijner hope was.
184
Op het andere kruis was z(jn eigen ik gestorven. Hij had langen tijd eigen zin en wil gevolgd, maar op weg naar Damaskus leerde hij vragen: „Heere! wat wilt Gü, dat ik doen zal?quot; Toen had Christus Zijn troon in het hart van Paulus opgericht, en nu was zijn eigen ik onttroond, neen meer, het werd gekruisigd, gedood en begraven. Als de kracht van Christus\' kruis aan het hart eens zondaars wordt toegepast, dan zullen altijd deze kruisen moeten worden opgericht, zal de bekeering oprecht zijn en het einde des geloofs, de zaligheid onzer zielen worden verkregen.
Gij Jezus! hebt den last gedragen, Dien zond\' en schuld te dragen gaf.
4 MEI.
God zag uw werk met welbehagen,
En wendt van ons zijn straffen af:
Wü, schuldig, snood, van God verdreven,
Wü hieven ver van Eden staan,
Maar \'t kruis werd ons de boom van \'t leven,
Dien wees uw Vader zelf ons aan.
Gezang 127: 2.
1 Cor. 1: 17—24. — Phil. 3: 4—11. — Gal. 6: 11—18.
J. P. ERINGA.
4 MEI.
1 Petrus 3: 15b: „Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeischt van de hope, die in u is, met zacht-moedigheid en vreezet
Dit is een woord voor Chiistenen, zooals gij en ik. Petrus onderstelt van de Christenen en dus van u en mij, dat er hoop in ons is. En zoo is het immers ook. „Geene hope hebbende\' staat er van de Heidenen.
Niet, dat wij zeggen als velen; „wij zullen er \'t beste maar van hopen, alles komt terecht,quot; neen, wij bezitten eene op \'s Heeren beloften gegronde verwachting van eene eeuwige zaligheid voor ons zeiven. Van deze hoop wordt den Christen nu en dan rekenschap gevraagd. Petrus had dat zelf van vriend en vijand ondervonden. Wij ervaren het eveneens. Nu eens met woorden, dan zonder woorden; hier op spottenden, daar op ernstigen toon; van de z^\'de van de wereld, doch ook door onze medechristenen worden wij op de proef gesteld; soms in onze naaste omgeving. En dat komt niet bij geval; de Heere schijnt dat voor ons noodi^ te achten; ook doet \'tonsniet dan goed.
Maar, hoe nu bij zulke gelegenheden te handelen ? Ziet, daarvoor geeft \'t Schriftwoord, hier boven gesteld, den regel aan, waarvan geen Christen straffeloos zal afwijken.
quot;Wü moeten zijn „bereid tot verantwoording,quot; De bekwaamheid daartoe, de genegenheid en ook de vrijmoedigheid daartoe mogen ons niet ontbreken.
En wy moeten „altüdquot; bereid zyn. Voelt ge wel, hoe daarmede onze dorre tijden geoordeeld zijn?
IS
5 MEI.
„Bereid tot verantwoording aan een iegelijk.quot; Dus aan onze meerderen niet alleen, maar ook aan onze minderen. Zelfs een kind hebben wij geduldig te woord te staan.
„Met zachtmoedigheid.quot; Niet bits of scherp, om van een lastigen vrager maar af te wezen. Als wij de gelegenheid, om den Naam van onzen Jezus te belijden voor de menschen, zóó gebruiken, verraadt dat niet veel goeds.
Eindelijk „met vreeze,quot; dat is eerbiedig van de heilige dingen gewagende; vreezende voor zelfmisleiding; vooral vreezende ons schooner en beter voor te doen dan wij zijn.
Wilt gij dit een en ander van daag eens overdenken en ook nog daarna ? Herinner u daarbij:
De groote Sctiepper aller dingen
Ziet, uit het ongenaakbaar licht,
Het gansch gedrag der stervelingen;
Niets is bedekt voor zijn gezicht.
Uit zijn vaste woning,
Daar Hü heerscht als Koning,
Daar zijn lof, zijn eer,
Klinkt door al de bogen,
Zien zyn godlij k oogen Op al \'t menschdom neer.
Psalm 33: 7.
Lezen: 1 Petr. 3. — Matth. 10. — Joh. 21.
C. P. S. RUTGERS.
5 MEI.
Mattheus 19: 24: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods.
Ook dit verpletterend woord is gevloeid van de lippen, waarop genade was uitgestort. Wat Jezus deze harde wonderspreuk doet zeggen is de ernst, de hooge ernst zyner liefde. Wij glijden over deze schriftuurplaats zoo gemakkelijk heen met een glimlachend hoofd schudden, omdat we het er voor houden, dat het hebben van vele goederen integendeel een groot gemak is. En oppervlakkig beschouwd is dat ook zoo. Wie nijpende geldzorgen heeft, weet welk een groot bezwaar er ligt in het niet-hebben van goed. En, omdat de meeste menschen oppervlakkig denken, beheerscht de gelddorst zoo veler
186
5 MEI.
leven. Maar Jezus, die de dingen op den bodem ziet en niet slechts op de oppervlakte, wijst ons niet op het groot gemak, doch op het groot gevaar, dat in het rijk-zijn is gelegen. En dat groote gevaar is: niet ingaan in het koninkrijk van God.
Het heengaan van den rijken jongeling, die tot Hem was gekomen met de vraag naar het eeuwige leven, doet den Heer opnieuw aan dat gevaar denken. Hij ging bedroefd weg, zoo lezen we, want hü had vele goederen. Het heengaan kostte hem tranen, want hij gevoelde, dat bij dezen Jezus het eeuwige leven was te vinden. Maar taaier dan de band, die hem aan den goeden Meester bond, was de strik van zijde, sterker de boei van goud, die hem aan het schijnleven van den rijkdom kluisterde. Dezen Jezus bewonderen, dat was heerlijk; voor dezen Jezus iets, veel, over hebben, dat ging; maar dezen Jezus volgen met opoffering van alles en daartoe zijn rijken staat voor dien der arme discipelen inruilen, dat was te veel gevergd. Daartoe kon hij onmogelijk besluiten. Hij wilde in elk geval de rijke jongeling blijven..... En, als Jezus hem ziet heengaan tot zijne vele goederen,
waarmede hij eenmaal voor eeuwig omkomt, dan rijst uit zyn medelijdend hart een zucht, die lucht zoekt in de klacht tot zijne arme jongeren: voorwaar zeg Ik u, dat een rijke bezwaarlijk in het koninkrijk Gods zal ingaan. En, als ze ontsteld tot Hem opzien met een vraag op het hart, die ze niet durven uiten, klinkt het snijdend scherp, als om alle tegenspraak af te snijden, van zijne lippen; het is lichter, dat een kemel ga door het oog eener naald dan dat een ryke inga in het koninkrijk Gods.
Hij ontleent de beeldspraak aan de karavaan. Evenmin, als de kameel met zijn rijke vracht van oosterwaren onder de lage stadspoort door kan, tenzij hij vooraf ontladen worde, kan de ryke als rijke ingaan door de poort van Gods koninkrijk. Ja, ten opzichte van dezen schat van aardse he goederen waarvan hij niet kan scheiden, wordt die poort eng, zoo eng, als betoog eener naald.
Verschrikt zien ze elkander aan en zeggen ze tot elkander: wie kan dan zalig worden? Ze waren niet ryk, deze discipelen. Ook hadden ze alles verlaten en waren Jezus gevolgd. En toch gevoelden ze, dat dit woord ook hen verpletterde. Immers, niet slechts aan het vele, maar ook aan het weinigje, dat hij heeft, kan hy hangen, de mensch van aarde, die zijn hoop stelt op den ongestadi-gen rijkdom en niet op den on veranderlijken God. En dan, ook dit gevoelden de jongeren, dat er allerlei goed is, waarop de mensch zijn vertrouwen zet. En dat hij dus zou kunnen verkoopen, al wat hij heeft, en in stede van den schat des hemels zich een schat van hoogmoed vergaderen, waarop het woord van den kemel en de naald niet
187
6 MEI.
minder van toepassing is. Ja, dat het zelfzuchtig, maar ook het hoogmoedig hart onmogelijk kan zalig worden, dan door een wonder van Gods almachtige genade.
Myn lezer, maak dan ernst met dit ernstige woord, voordat de poort der Godsstad u nog enger wordt dan het oog eener naald. Maar, als het u verslagen heeft en aan het verbrijzeld hart de vraag heeft ontlokt; „hoe kan ik zalig worden?quot; hoop dan volkomenlijk op de genade. Want, wie gelooft, dien zal geen dingon-mogeiyk zijn. Tot zijne discipelen sprak de Heere, als Hij ze in hunne verslagenheid aanzag met een oog vol ontferming, om ze op te beuren in hun angst: bij God zijn alle dingen mogelijk. En, indien Hü ook bü u mag aanschouwen, dat in eigen onvermogen wegzinkende hart, gewis, dan ziet Hü ook u aan met een blik, waarin ge leest de oplossing van het raadselachtig woord van den kemel en het oog der naald.
Jezus! bron dier hemelvreugde.
Die ons hart eens smaken zal;
Wat ons ooit op aard verheugde,
Gy verheugt ons boven al!
Daar Gij ons reeds hier bereidt Voor des hemels heerlykheid,
Waar w\'U eeuwig lieven, loven;
Jezus! trek ons hart naar boven!
Gezang 43: 5.
Lezen: Mattheüs 19: 16—30. — Lucas 12: 15—21. — Lucas 13 : 23—30.
G. H. WAGENAAU.
6 MEI.
Klaagliederen 3: 26: Het is goed, dat mm hope, en stille zij op het heil des Heeren.
Klaagliederen zijn klaag —en treurzangen, ontboezemd in tijden van kommer en gevaar, opwellende in de harten, voortvloeiende uit de beklemde boezems van menschen, die als Jeremia kunnen zeggen: rik ben de man, die de ellende gezien heb!quot;
De profeet Jeremia heeft den ondergang van stad en tempel door Nebucadnezar beleefd. Toen alles, wat groot en edel was, werd weggevoerd, bleef hij achter bij \'tvolk, dat als wijngaardeniers en hoveniers, onder Gedalja was achtergelaten. Uit dien tijd zijn de Klaag-
188
6 mei. 189
liederen. In het derde treedt zijn persoon meer op den voorgrond. Het is duidelijk, dat hij, behalve zijn deel in den algemeenen rampspoed, nog vervolgingen had ondergaan, waaruit hij voor \'t oogenbiik wel verlost was, doch wier herinnering, door het aanschouwen zijner land-genooten gescherpt, hem nog geheel neerdrukt, zoodat hij \'t oordeel over zijne vijanden aan God den Heere overlaat. Niet onwaarschijnlijk, dat deze klacht door hem ge\'laakt werd na den verraderlijken moord op Gedalja gepleegd, toen de overgeblevenen te recht voor derChal-deën wraak beducht waren.
Hoeveel leed z^j echter uitdrakken mogen, duidelijk is, dat hij er \'tongelukkigst aan toe is, die alleen kan klagen en geene hoop heeft. Groot is evenwel \'tonderscheid, of \'tis een klagen huiten God, of met God.
In \'tlaatste geval is er hoop en uitzicht, al verstomt het klagen niet. Als dan \'toog zich richt op \'tgeen de Heere reeds wrocht, iser een moed grijpen en stil vertrouwen op de genadige hulp des Heeren.
En, als we dan vragen, wat in tijden van kommer en gevaar goed is? dan antwoorden we met het woord van den profeet „hopen en stille zijn op het heil des Heeren!quot; Of hebben we nooit tijden van droefheid, smart en ellende gekend? O, misschien niet in den zin van Jeremia, maar is er geene ellende dan de zijne?
Hoe zal \'tland en volk gaan, is toch eene vraag, die ook wel dringt om op de teekenen der tijden te letten en op\'tgerommel in de ingewanden der volkeren acht te nemen zonder luchthartigheid, of ho-pelooze verslagenheid, of een vermetel willen doordringen in Gods Raad. Maar goed, d. i. gelukkig, is, onder alles in stilheid te hopen op het heil des Heeren, te leeren berusten in zijne soms donkere wegen.
Stille zyn, geen stil zitten, maar aangrijpen, wat Hij ons op de hand stelt om met kracht te doen, omdat hij den Heere volgt in de wegen, waarin Hü leidt, in \'tgevoel onzer afhankelijkheid van Hem, Wien eere en aanbidding toekomt.
Dan zullen we ons wachten voor alles, wat den Heere mishaagt. En als we klagen, is \'t dan over onszelven, ons ongeloof, ons ongeduld, ons miskennen van de beschikkingen en voornemens Gods? Maar ook dat klagen brengt tot het heil des Heeren in Christus Jezus. En\'t staat voor ons vast, hoe donker of duister ook, de Heere weet juist, wat wij behoeven. Hij begeeft en verlaat ons niet. Gaarne zeggen we \'t den dichter na:
Mijn Heiland neemt mij in zijn hoede,
\'tis, of myn ziel zijn aanschijn ziet;
En \'khoor zijn stem, wees wel te moede,
Uw Vader, kind! vergeet n niet
190 7 mei.
De Heer toch slaat der menschen wegen ga En wendt alom het oog van zyn gena Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar \'theilloos spoor der boozen zal vergaan.
Psalm 1: 4.
Lezen; Klaagl. 3: 1—33. — Lucas 12: 22— 40. — Ps. 130 en 131.
D. IT. TEL.IEK.
7 MEI.
Psalm 84; 3: Mijne ziel is heg eer ig en bezivijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heer en; mijn hart en mijn vleeamp;ch roepen uit tot den levenden God.
Het is heden een rustdag des Heeren, door Hemzelven gewijd aan Zijnen dienst. Hij komt tot ons in Züne lieflyke, stille woning, om Zich aan ons te openbaren; om Zich aan ons mede te deelen in Zijn Woord, met Zynen Geest, by Zün avondmaal en ons zoo te doen gevoelen, hoe goed het is in Zijne nabijheid. In Zijn huis treedt Hij ons in \'t bijzonder tegemoet als de levende God; als een met ons in Christus verzoend Vader, Die, in verband met onzen weg en toestand, tot ons hart wil spreken.
Onderzoek u dan heden, waarom het u te doen is, dat gyZUn huis binnentreedt. Hebt gij dat huis lief, omdat de Heere het is. Die gezegd heeft: Aldaar wil Ik wonen. Wordt gij, in tegenstelling metzoovelen, die uit gewoonte Zijn huis bezoeken, er henen gedreven door het vurigst verlangen om des Heeren aangezicht op u te zien rusten in vrede en goedertierenheid? Zijt gy aangegrepen door eenen levenden honger en dorst naar Zijn woord, dat u aldaar verkondigd wordt? David spreekt er van, hoe zijne ziel bezwijkt van verlangen naar de voorhoven des Heeren; een verlangen, des te sterker, naarmate hij door zijn zwei vend leven meer verhinderd was er gebruik van te maken.
Christenen, God stelt u voortdurend en ongestoord in de gelegenheid op uwen weg naar het Hemelsche Sion, het rustoord te bezoeken, waar Hij, om Jezus\' wille, met u in gemeenschap wil treden. O, verderf dat genadevoorrecht niet, gelijk sommigen doen tot hun eigen schade, door, bij gemis\'aan geestelijke behoefte, toe te geven aan den prikkel van het zondige vleesch. Integendeel, zit heden in Gods huis neder,
8 MEI
vurig van geest; met eên lichaam, overgegeven aan \'s Heeren dienst, en laat het bij u zijn een rusten in den God uws levens, in den God aller genade. Roep Hem aan in vereeniging met allen, die aldaar Zijne eere zoeken, en gü zult ervaren, dat zulk een opgaan Gode-verheerlijkend is en uwe ziel tot eene blijvende winst zal zijn.
\'t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar \'t genot Van de frissche waterstroomen,
Dan myn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den Heer,
God des levens, ach! wanneer Zal ik nad\'ren voor uw oogen,
In uw huis uw naam verhoogen ?
Maar de Heer zal uitkomst geven.
Hij, die \'sdaags zijn gunst gebiedt;
\'kZal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied.
\'kZal zün lof, zelfs in den nacht.
Zingen, daar ik Hem verwacht;
En myn bart, wat mij moog\' treffen,
Tot den God mijns levens heffen.
Psalm 42: 1 en 5.
Lezen: Ps. 84. — Hebr. 4 : 1—12. — Ps. 27 : 4—14.
J. L. DIPPEL.
8 MEI.
Marcus 8: 37; Wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel\'?
Kent gij iets van meerdere waarde voor een mensch, dan zijne onsterfelijke ziel? Weet gij iets ontzaglijkers, dan zijne ziel te verliezen ?
Schade te lijden aan geldelijk vermogen, aan eer of goeden naam, het is pijnlijk; doch — het kan vergoed worden. Maar schade te lijden aan de ziel, dat is vreeselijk, - èn het is onherstelbaar.
Daarom is vóór alle dingen noodig onze ziel in veiligheid te brengen. Deze levensverzekering is voor allen, zonder onderscheid, van het allerhoogste belang.
Wat zal nu een mensch geven tot lossing, tot vrijkooping zijner des doodsschuldige ziel?
Welke losprys zal daarvoor kunnen voldoen? —
191
8 MEI.
Niet een losprijs, welken wy in staat zijii te geven.
Kostbare offers en zware zelfkastijdingen vermogen niet den toorn Güds, wegens onze zonde, van ons at te wenden. Onze gebeden en tranen, onze goede werken en aalmoezen, evenmin als de nauwgezetste plichtsvervulling, maken onze schuldige zielen vry.
De heiden moge zich dit inbeelden, en de eigenwillige godsdienst zoodanige losmiddelen aanbevelen. De Heilige Schrift leert ons nadrukkelijk, dat de weg om door doen of door geven behouden te worden, te eenenmale afgesneden is.
Al gaven wij onze lichamen over, otn verbrand te worden, en al stelden wij al onze goederen beschikbaar om onder de armen verdeeld te worden, zoo zoude daardoor onze groote schuld geenszins uitge-wischt zijn.
Er is maar één losprijs, waardoor onze verloren zielen kunnen bevrijd worden van schuld en oordeel. Hij is: het dierbaar bloed van den eenigen Middelaar, onzen Heere Jezus Christus, die, naar den Eaad des Vaders Zijne ziel gegeven heeft tot een rantsoen voor velen.
Wij kunnen geen losgeld geven aan God; maar God heeft in Zijne groote barmhartigheid een algenoegzaam losgeld gegeven aan ons; opdat wij dat rantsoen, dat God heeft aangenomen, waarnemende, behouden zouden worden uit vrije genade.
O! zien wy dan geheel af van iedere verwachting, op wat wij gedaan hebben of zijn; nemen wij dagelijks opnieuw, alsreddeloozen in ons zeiven, tot den Heere Jezus Christus de toevlucht, volkomen hopende, en ootmoedig pleitende op de genade, waarvan het dierbaar kruis van den plaatsbekleeder van zondaren ons spreekt; dan wordt dit geloof ons toegerekend tot rechtvaardigheid, en wy zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid! —
Triomf! triomf, luimauël Verrijst; de macht van dood en hel Moet voor Zijn grootheid bukken;
Lof, eer den Held, die overwon,
Die ons met God verzoenen kon.
En aan den dood ontrukken!
Triomf! triomf! Hij zegepraalt;
De volle losprijs is betaald,
De kwijtbrief afgegeven;
God spreekt van Zijn genadetroon:
„\'k Berust in \'t offer van mijn Zoon,
Hij leeft en gy zult leven!quot;
Gezang 141: 2.
Lezen: Mare. 9: 27—38. — Ps. 103: 1—14. — Hebr. 9: 1—15.
W. v. (i. BIJTEL.
■
9 MEI.
193
1
9 MEI.
Romeinen 8:1: Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.
Welk een uitnemend hoofdstuk is en blijft altijd dat, achtste hoofdstuk van den Romeinenbrief. Het is zoo recht geschikt om eene neergebogene ziel op te beuren en zich weer te doen verblijden in de r;jke voorrechten, die haar in en door Christus zijn ten deel gevallen. Hier klinken tonen, die \'t hart, moede vau het bidden en worstelen om tot, de zekerheid des geloofs te komen, o, zoo vertroosten kunnen. Het is naar waarheid gezegd, dat niemand tot Rom. 8 komt dan die Rom. 7 heeft doorgemaakt, maar zoo is dan ook in 8 het rustpunt in het geestelijk leven. Wat worden wij hier klaar gewezen op de zalige vrucht van het als een zondaar geloovig zien op Jezus, van wien al het volk des Hoeren juicht: Hij is om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door zijne striemen is ons genezing geworden.
Van hen wordt hier gesproken als die in Christus Jezus zijn. Want dat is het zaligmakend geloof. Niet een belijdenis der lippen alleen, maar een Christus ingelijfd, ingeplant zijn; een met Hem zoo innig vereenigd zijn, als de rank, die in den wijnstok is, met dezen is vereenigd. Voor hen, die hun levenswortel niet meer in den ouden stam, Adam, hebben, maar in den groenen stam Christus, is er, o, zaligheid! geen verdoemenis.
Buiten Hem wèl die ontzettend donkere verwachting — nu niet meer! Welk een verademing voor de ziel, die zich der verdoemenis waardig leerde kennen. Welk een voorrecht, voor geen schatten van goud te ruilen. Te kunnen zeggen: ik heb Jezus en stervende kan ik niet verloren gaan!
Gelooft ook gy in den Zone Gods met een geloof, door God gewerkt? Beproef u zeiven, myn lezer, want zulk een geloof openbaart zich in een wandel niet naar het vleesch, maar naar den geest. Zulk een geloof reinigt en heiligt. Daaraan is het te herkennen als van God, door Zijn Geest gewrocht. Die in de genade des geloofs roemen mag, die kan geen dienaar der zonde blijven. Moge Gods Geest zulk een geloof in u werken of versterken en geve Hü, dat gy uit uwe goede werken en godvruchtigen wandel u daarvan ten volle verzekerd moogt houden. Dan roemt gij ook in zijn zalige vruchten!
DAGBOEK. 13
r
.1
I lt;1
m
:|
I
194 10 MEI.
Wil, U ter eer,
Steeds meer en meer,
\'t Geloof in ons versterken.
Dan zullen v-\'ij,
Gereed en blij,
Uit liefde \'t goede werken.
Gezang 83: 6. Gal. 3; 1—11. — Joh. 15: 1—S. — Rom. 8: 1—18.
J. P. DE KLERK.
10 MEI.
Jcsaia 40; 81: Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet moede worden, zij zullen wandelen, en niet mat worden.
Welke stoute woorden van den profeet!
Verloren kracht vernieuwen. Met arendsvleugelen opvaren. Loopen, zonder moede; wandelen, zonder mat worden.
Bij de meesten is liet juist andersom.
Zij loopen met den pelgrimsstaf in de hand van de wieg naar hun graf, en zijn ten slotte levensmoe en onvoldaan.
De wereld laat ieder onbevredigd, en vervult de verwachting van niet één, en zoo vindt men, teleurgesteld, den dood.
Die den Heere verwachten, vergaat het echter zoo niet.
Zij stellen geen vertrouwen op heuvelen en bergen, maar op den levenden God. In Christus werd Hü hun een verzoend Vader, die de liefde hunner zielen heeft. Daarom beminnen zy Zijn nabijheid, zoeken Zü\'n omgang, en vinden geen rust, vóór Hij Zijn lamp doet schijnen over hun hoofd.
En wat zij dan ervaren ?
Dat Jesaia\'s woord waarachtig is.
Op de hoogste toppen van Gods bergen huizen de arenden. Daar bouwen zij zich woningen in de kloven der rotsen, ontoegankelijk voor den mensch. Zij wonen altyd in de hoogte; zoo ver mogelijk van de woelige aarde, zoo dicht mogelijk by den stillen hemel. En, alsof dit nog niet genoeg was; opziend naar de zon, stygt de arend naar boven, hooger dan eenige andere vogel. Geen vogel kan het scherpe zonlicht in de oogen verdragen, aileen de arend wel. Hij slaat de
11 MEI.
sterke vleugels klapwiekend, uit, en vliegt, tot waar geen vogel zich meer waagt, de zon in het aangezicht ziende.
Ziehier het beeld van die den Heere verwachten!
Zij gaan voort, en zinken niet afgemat neer.
Zij loopen, en verbruikte kracht wordt hun vernieuwd.
Maar van zoo iets hoordet gu in het werkely\'k leven misschien nooit! Geen kind van God zei u immer, dat het hem zoo ging!
Dat kan zijn.
Lees Jesaia\'s woord dan evenwel goed!
Die den Heere verwachten, icanneer zij dat doen, en zoolang zij dat doen, stijgen met arendsvleugelen op boven de aarde met haar zonden en moeiten, en vinden bij hun God geloofsmoed en kracht. Zoodra zü hun God echter kwijtraken uit oog en hart, voelen zij afmatting, inzinking, uitputting.
Zalig daarom die, op de wereld levend, niet op een teleurstellende wereld bouwt, maar alleen, en steeds, op een waarachtig en almachtig God!
Hoe groot is \'tgoed. dat Gij zult geven Hem, wiens oprechte geest Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is \'theil, dat G\' in dit leven.
Ver boven bed\' en wenschen!
Reeds wrocht voor \'toog der menschen!
Psalm. 31: 15,
Lezen: Ps. 40: 1—G. — Jes, 25: 1—9. — Jes. 40: 2.3—f 1.
.T. W. H, KALKMAN.
II MEI.
HEMELVAARTSDAG.
Romeinen 8: 34: Die ook ter rechterhand \'jrods is, Die ook voor ijiis bidt.
De hemelvaart is eigenlijk niet een wonder. Dat het Woord vleesch werd, dat Gods Zoon Zich heeft vernietigd, de gestalte der dienstbaarheid aannemende, dat het Heilige, vrijwillig gehoorzaam tot in den dood des kruises, voor ons een vloek wilde worden, dat is en bluft de verborgenheid der godzaligheid. Maar, dat de Middelaar Gods en der
195
11 MEI.
menschen, nadat Hü alles heeft volbracht, tot den Vader wedergekeerd is en een naam ontvangen heeft boven allen naam, dat is geen wonder, maar het noodzakelijk gevolg van de opstanding, en de geheele geschiedenis van den Christus zou een raadsel worden, wanneer deze ontknooping daarbij werd gemist.
Hij is gezeten ter rechterhand Gods, m. a. w.: Hu deelt het koninkrijk, de macht en de heerlijkheid des Vaders, en dat wel, als biddende Hoogepriester. Een heerlijk onderpand ligt daarin voor Zvjne gemeente. „Geliefden, indien wü gezondigd hebben, wü hebben een Voorspraak bij den Vaderquot;. (1 Joh. 2: 1.) Hü is in alles verzocht geweest als wy, maar Hij weent en klaagt en zucht niet meer, en wij staan met de geheimen van ons hart niet meer alleen, geheimen van bederf, ontrouw, maar ook van doornen en tranen, die in de binnenkamer worden gevoeld en daar alleen worden beweend. Wij staan er niet meer mede alleen; zü zü\'n afgeluisterd, zij worden gedeeld en verzoend door den mensch Jezus en zalig wy, zoo onze binnenkamer zich vrijwillig voor Hem opent.
Ja, nog meer. Wat daar aan Gods rechterhand zit, wat daar kroon en schepter draagt, dat is mijn vleesch en been. Ik, de balling uit het Paradijs, zie, dat de hemel zich slechts niet alleen heeft geopend, maar dat mijn oudste Broeder daar de kroon draagt.
En wat waarborgt mij, dat dit geene bloot vrome inbeeldingen zijn? Ik geloof juist enkel en alleen, omdat myn biddende Heiland ter rechterhand Gods zit. Hij trok mij tot Zich, Hy opende mijn blind oog. Hij leerde my, als verloren in mijzei ven, myn heil in Hem te zoeken, Hy maakte my een bidder en ik weet en ben verzekerd, dat ik in eeuwigheid geen bidder zou geworden zyn, wanneer niet Jezus eerst mijn Voorbidder geworden was bij den Vader.
Sla iedre zucht, mijn hart ontgleden,
Opmerkend ga; schenk my \'t genot Uws heils, myn Koning en myn God!
Ik zal tot U, met mijn gebeden Eerbiedig treden.
Psalm 5: 2.
t6
Lezen: Mare. 16: 15—20. — Rom. 8: 31—39. — Col. 3: 1—4.
J. W. FELIX.
12 MEI.
12 MEI.
Handelingen 1: 9: En als Hij dit gezegd had, loerd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en eene wolk nam Hem weg van hunne oogen.
Op den Hemelvaartsdag verwijlde de gemeente bij de kroning haars Konings, verblijdde zij zich om de heerlijkheid haaramp; Hoofds, haar eigen erfdeel, naar Zijn toezegging. Van den Hemelvaartsberg echter daalt meer dan één zegen af, hen na, die er geloovig verwijlden. Ook deze: dat God zijn kinderen beweldadigt, zoowel door te nemen als door te geven, dat er heerlijkheid is, zoowel in Zijne omhullingen, als in Zy\'ne onthullingen. Dit houdt het woord, hierbij afgeschreven, ons zoo duidelijk voor.
Groot was het voorrecht der discipelen van Jezus, dat zij den Meester zoolang hadden mogen bezitten in persoonlijken omgang, uit Zijn mond geleerd worden, in Zijn oog Zijn liefde lezen, dooide werken Zijner handen Zijn goddelijke zending weten; maar nu zullen zy ook kennen de nuttigheid, die er is in Zijn heengaan, de zaligheid der geestelijke gemeenschap met den verheerlijkten Zone Gods. Was dat voorrecht minder groot?
Het was eene uitnemende genade verkoren te wezen om getuigen te zijn Zijner opvaart, te zien met het lichamelijk oog, dat Hij opgenomen werd, maar nu zullen zij ook ontwaren, dat de verheerlijking, welke hun Jezus ontvangt, oneindig grooter is dan zij kunnen nagaan, en zullen zij de zaligheid ervaren van het leven door \'t geloof. Was die genade minder uitnemend ?
De kern der geschonken gave bleef, werd heerlijker, genotvoller: de Zoon kwam met den Vader door den Geest woning maken in hun hart; wat daarin genomen werd, konden, moesten zij missen, gelijk de man te niet kan en moet doen, hetgeen eens kinds is.
Het voorwerp des aanschouwens veranderde niet, maar kwam te staan in hooger licht, en daardoor konden zij het beter, in heilrijke diepte waardeeren; wat er van bedekt werd, was hetgeen enkel voor een tyd hnr zichtbaar zijn kan, om in hemelsche heerlijkheid ontplooid, eeuwig aanschouwd te worden.
Elke gave Gods is een schat voor die niets heeft in zichzelf, is genadegave, maar \'t is een reeks, die steeds stijgt, waarbij de vroegere vorm voor uitnemender wijken moet, gelijk de geestelijke gaven aan de gemeente des ouden dags geschonken, vervangen werden dooide ruimer en klaarder bedeelingen des Nieuwen Verbonds.
A.ls God dan van ons neemt, wat wij zoo gaarne zouden behou-
13 MEI.
den, laat ons, waar wij gelooven mogen Zijne kinderen te zijn geworden. van \'t gebeurde op den Olijfberg leeren het onzen Vader over te laten, als Zijne wijsheid en liefde daardoor plaats maken wil voor hooger genade. Daarin is nooit verlies, altijd winst voor ons geestelijk leven, winst in het losmaken, in het alleen op Hem leeren zien, winst als beproeving des geloofs.
Elke openbaring Gods is ontsteken van licht in onze duisternis, is naderbij brengen van de waarheid, die vrij maakt en zaligt; het is een leiden van licht tot licht en dit naar onze behoeften en vatbaarheid; en, naarmate het geloof wast, en het zienlijke voor hem wegvalt, ziet de geloovige meer van God en goddelijke dingen.
Als Hij dan een wolk plaatst, laten wij ons dan herinneren uit hetgeen de ervaring was der discipelen, dat de wolk de zon niet wegneemt, maar haar schittering vriendelijk temperen moet, dat de omhullingen noodig zijn van wege onze onvolmaaktheid beneden, dat zij schaduwen zijn in Gods hand, veelbelovende profetien van rijken zegen.
Bij \'s werelds aanvang sprak uw mond:
„Het licht zij daar!quot; en \'t was terstond.
De duisternis werd luister;
Zoo zal eens \'t heil ons toegezeid,
Op uw bevel, met majesteit
Verrijzen uit het duister.
Laat Heer! uw licht zijn zachten gloed In ons verkleumd en stug gemoed.
Door levens wekking toonen;
Dan zal ons hart, dat U verwacht,
In \'t licht uws aanschijns, ook bij nacht.
Getroost en zeker wonen.
Gezang 15:2.
Lezen: Hand. 1-. 1—14. — Jes. 45. — Joh. 14.
C. PLUG.
13 MEI.
Johannes 14: 18: Ik zal u geene weezen laten-, Ik kom weder tot u.
In schoone en verheven taal wordt ons in den Bybel het doel van Jezus\' heengaan van deze zondige aarde geleerd. Beteekenisvol mogen wij bovenal het hier boven neergeschreven woord noemen, door Hem
198
13 MEI.
gesproken, toen Hij voor de laatste maal vóór zijn bitter en smartvol lijden, zijne geliefden rondom zich vereenigde, en met dit woord zijne treurende jongeren met zijn naderend heengaan verzoende.
Neen, Jezus zou de zijnen geen weezen laten ! In den nacht zou dat woord voor hen een licht blijven ! In de bitterste droefheid en nood des levens zou deze hoop hen verblijden; Jezus komt weder!
Dit woord, lezer oflezeres, door Jezus tot de zijnen gesproken, geldt ook nu nog allen, die in zijnen Naam gelooven. Bij deze heerlijke belofte leeft dan ook elke arme ziel, en een rijke bron van vertroosting wordt haar hierin ontsloten, wanneer zij in donkerheid en duisternis verkeert.
Zij weet het, van den berg der olijven is haar Heiland ten Hemel gevaren, maar met de handen zegenend over de zijnen uitgestrekt. Er. die handen heeft Hij niet teruggetrokken, al worden zij vaak door het beneveld oog van den zvvakgeloovige niet aanschouwd. Hij heeft de zijnen lief met eene eeuwige liefde, en zal hen niet begeven of verlaten, want zij zijn Hem dierbaar. Hij is hun Hoofd eu zij zijn zyne leden. In Hem is alle volheid, opdat Hij hen daarmede zou vervullen en hun geven, wat zij voor tijd en eeuwigheid van noode hebben.
Iedere Hemelvaartsdag predikt het ons dan ook luide: Jezus ging en gaat nooit henen van de zijnen dan om tot hen terug te keeren, en dan is het met blijdschap en vrede door den H. Geest.
Welk een heerlijke stonde zal dat wezen voor de zijnen, als Jezus wederkomt! Dan zullen zij met de goddeloozen niet ter linkerhand worden verwezen, maar aan zijne rechterhand gesteld, door Hem binnengeleid worden in zijne heerlijkheid, en de waarheid zijner woorden ervaren: „Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn quot;
Laat al de stroomen vrooUik zingen,
De handen klappen naar omhoog;
\'t Gebergte, vol van vreugde, springen En hupplen voor des Heeren oog;
Hü komt. Hij komt om d\' aard te richten,
De wereld in gerechtigheid;
Al \'t volk, daar \'t wreed geweld moet zwichten.
Wordt in rechtmatigheid geleid.
Psalm 98; 4.
Lezen: Joh. 14 : 1—20. — Hand. 1: 1—11. — 1 Thess. 4.
W. VAN DER WAAL.
199
14 MEI.
14 MEI.
Lukas 24: 47: En in Zijnen Naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
We hebben in het woord, dat boven dit stukje staat, eene getuigenis van den verrezen Heiland, zéér waarschijnlijk gesproken in de laatste samenkomst van den Heer met de zijnen, kort vóór Zijne verhooging in den hemel.
Hoe heerlijk, nietwaar, dat onze Koning telkens in Zijn onderwijs de aandacht der zijnen vestigt op de Heilige Schrift: Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage. De Raad des Heeren Heeren moet volbracht worden. Die Raad is in den kruisdood van Christus en de daarop gevolgde opstanding duidelijk gebleken. Het Kruis is de Boom des levens voor de wegstervende geslachten en de opstanding des Heeren Zijne verheerlijking door den Vader.
Maar nu is dan ook de lastbrief door den Verrezene den discipelen in handen gegeven, het uitdrukkelijk bevel, waaraan zij, die de zijnen zich noemen, gehoorzaamheid verschuldigd zijn: En in Zijnen Naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
De prediking van bekeering en vergeving der zonden moet geschieden in den Naam van den Hoere Jezus Christus, d. w. z. opZyn last, op Zyn bevel, zoodat de predikers zijn kanalen, waardoor het water des levens vloeit. De gezant heeft \'t woord zijns konings, de krijgsknecht de dagorder van den legeraanvoerder zonder tegenspraak op te volgen.
„Bekeert u van uwe booze wegen, waarom zoudt ge sterven,quot;die ernstige roepstem komt tot allen, omdat allen, zonder onderscheid, zondaars zijn en Gods heerlijkheid derven.
We hebben bij de bekeering te denken aan een geheele vernieuwing van hart en leven door den Heiligen Geest, waardoor we ons afkeeren van onze zonden, onzen hoogmoed, onze zelfzucht, onze eigen gerechtigheid, onze gehechtheid aan het goed der aarde, om ons te keeren tot den levenden God, tot Zijn dienst, tot het leven in Zyne gemeenschap, de overgave, de toewijding des harten aan Hem, die in Christus tot ons spreekt van genade en vrede!
Wat is derhalve de verkondiging, waarmede de gezanten van Christus de wereld rondgaan?
200
14 mei. 201
Geen andere dan deze; Bekeert u van uwe verkeerde wegen tot God. Zoekt den Heer en leeft!
Hoe wordt die prediking ontvangen? Op verschillende manier! Velen, die in \'slevens lente zü\'n, spreken: Het is voor ons te vioeg, in later jaren, wanneer de dag der grijsheid komt, zullen we ernst maken met de bekeei ing, alsof \'t nooit te vroeg zoude zijn gelukkig te wezen. Het is nooit te vroeg, maar eenmaal zeker te Iaat, als ons uurglas is leeggeloopen.
Anderen me.enen de bekeering niet noodig te hebben. Dat moge goed zijn voor dieven, dronkaards, zedelooze lieden, niet voor hen, zooals zij meenen in] hunne verblinding; zij zijn vroom. Omdat wij allen zonder onderscheid zondaars zijn, overtreders van Gods wet, moeten wij allen bekeerd worden.
Daar zijn er ook, die een schromelijk misbruik van de leer der onmacht maken, als zij zeggen: wij kunnen ons niet bekeeren. Willen zij met die uitvlucht niet verklaren: wij willen ons niet bekeeren ?
Ziedaar de eene waarheid, die gepredikt moet worden. Zij wordt gevolgd door eene andere, welke niet uit het oog mag verloren worden : de vergeving der zonden. Dat is het Evangelie in het Evangelie. God heeft ons vergeven door Christus. Hel bloed des Heeren reinigt ons van alle zonden.
Mijne vrienden, iemand heeft terecht gezegd: daar staan in den Bijbel galden woorden, waardig in elke binnenkamer duide-itik leesbaar aan den wand te staan. Zulk een gulden woord hebben we thans voor ons. Het feest van de verhooging des Heeren in den hemel ligt weder achter ons, straks breekt de blyde Pink sterdag aan. De blyde boodschap moet gepredikt worden onder alle volkeren. Meer en meer behoort de gemeente hare roeping te gevoelen tot het heerlijk werk der zending in te gaan. De heidenen strekken den Heiland de handen tegen, de eilanden wachten op Zijne leer, de landen zijn wit om te oogsten, in 400 tongvallen wordt Jezus glorie gebracht. De prediking moet beginnen van Jeruzalem. Bü de zending onder de Heidenen mag de Evangelisatie onder\'s Heeren oude volk Israël niet vergeten. Jeruzalem was eene zeer goddelooze stad en toch wil de verheerlijkte Middelaar, dat daar het eerst het Evangelie gepredikt zal worden. Laten we nimmer denken, dat iemand te goddeloos is, om behouden te worden. Zij, die ver afgeweken en diep gezonken zijn, zijn de bizondere voorwerpen van de liefde des Heilands.
Mün lezer, heeft die prediking u verblijd? Zijt ge geleid uit het diensthuis der zonde en gebracht tot de vrijheid der heerlijkheid dei-kinderen Gods0 Dank uw Heiland en wandel aan Zijne hand. Het
15 MEI.
Pinksterfeest nadert: het. feest der vervulling van Gods heerlijke beloften. Nog draagt deze aarde het arbeidskleed, eenmaal krijgt zij den Paasch- en Pinksterrok aan. Houden wy Gods beloften vast en wachten wij de rijke vervalling daarvan in den dag der eeuwigheid. Dan wordt oi3 het Pinksterfeest de bede de onze:
Geest des Heeren, steun der kerk,
Zegel van \'t verlossingswerk,
Aller namen hoogst verlangen,
Heilig, heilig onze zangen!
Hij heeft gedacht aan Zijn genade.
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al \'s aardrijks einden gade,
Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
Juich dan den Heer met blijde galmen.
Gij, gansche wereld, juich van vreugd;
Zing vroolijk in verheven psalmen Het heil, dat d\' aard in \'t rond verheugt.
Psalm 98: 2.
Lezen; Luk. 24 : 36—53. — Ps. 98. — Rom. 8 : 28— 39.
L. P. A. WESTERBEEK VAN EEETEN.
15 MEI.
Hebreën 2: 9a: Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond.
Wij hebben ons eigen vleesch en bloed in den hemel, zegt onze Catechismus. Ons vleesch en bloed, dat is: den deelgenoot onzer natuur, onzen Broeder, die mensch is als wy, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Dat is ons eene zeer liefelijke vertroosting. Want, waar Hij is, daar zullen ook wy, zoo wy, door het geloof, deel hebben aan Hem, eenmaal komen. Ja, wij mogen nog sterker spreken: met Hem zyn wij reeds in den hemel gezet. Zoo goed als wij in Hem waren en Hy ons vertegenwoordigde in het gericht, toen Hij hing aan het kruis en de vreeselykste smarten des doods voor ons droeg, zoo goed zijn wij ook in Hem en vertegenwoordigt Hy ons op den troon, in de heerlijkheid des hemels.
Wat dan ook gebeure, die heerlijkheid kan ons, die gelooven, niet meer ontgaan; in Christus is ze reeds ons deel en ons recht; wij mo-
202
16 mei. 203
gen er op rekenen, dat ze ook eens in ons bezit zal wezen. Zien wij dus hier den mensch nog niet, bekleed met alle heerlijkheid, waartoe God hem schiep; — zien wij hier ons zeiven nog in smaadheid en ellende vanwege de zonde, gebukt onder het kruis en door droefheid verteerd, — wij zien Jezus, het Hoofd der door Hem verloste mensch-heid, met heerlijkheid en eere gekroond. Zien wij hier nog onze ziel door zonden verrast, door Satan benauwd, door smart verscheurd, — wij zien Jezus, onzen eerstgeboren Broeder, in heerlijkheid opgenomen en gereed om ons daar te ontvangen, ja, alles gereed makende om ons den ingang blijde te maken.
Laat ons dan onze harten en oogen opheffen tot Hem en het kruk niet achten, maar zien op de kroon, die Hem is geschonken en die in Hem ons deel reeds is. Ook de zonde, ook de gansche wereld gaat ons niet meer aan, wanneer zóó ons burgerschap in de hemelen is; ons vleesch moge nog op aarde wezen en daar blijven, zoo lang het Gode behaagt, wij zeiven zyn in Christus en zullen voor eeuwig bij Hem wezen.
Die hoop moet al ons leed verzachten;
Komt, reisgenooten! \'thoofd omhoog!
Voor hen, die \'theil des Heeren waclnen,
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O, zaligheid, niet af te meten!
O, vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten,
En wij, wij zijn in \'t Vaderland!
Gez. 189: 6.
Lezen; Psalm 8. — Hebr. 2: 1—10. — Rom. 8: 28—89.
W. DE LANGE.
16 MEI.
Handelingen 1: life; Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo kornm, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Dat was het Evangelie, dat, uit der Engelen mond voortgekomen, den naar den hemel starenden jongeren in de ooren klonk. De opvarende Heere toont reeds nu hen niet te vergeten en stort door dit woord een rijken troost in hunne wankelmoedige harten, en doet hen staat maken op de vervulling van Zijne belofte:
16 MEI.
„Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.quot;
Zoo gingen zij dan ook geinoedigd den berg af het donkere dal door, de donkere stad in, en zoo de donkere toekomst tegen ; en straks, aangedaan met kracht uit de Hoogte, gaan zij uit en prediken niet alleen den Gekmisten en den Opgestanen, maar ook den Wederkomenden Christus, in heerlijkheid verhoogd.
Ja, Jezus komt weder; de gemeente des levenden Gods belijdt het in het zevende artikel van haar algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Het ongeloof mag er mee spotten en de wereld er om lachen, gelyk reeds in de dagen van ouds; zij houdt er aan vast, fly zal wederkomen; de Heere, de Rechter, die nu nog als Redder rondgaat in Zijn Woord en Geest om het verlorene te zoeken. Hy zal als dezelfde komen, des Menschen Zoon, dezelfde gestalte, de kruisge-stalte. die voor ons verwond is, welke dood was en nu echter leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Hü zal op dezelfde wijze wederkomen; op de wolken des hemels; li eer Hik en zichtbaar; omgeven van de hemelsche heirscharen.
Wanneer? De engelen hebben het niet gezegd, ja, ook de Heere zelf heeft het tijdstip niet aangeduid. De bruidegom kwam immers onverwacht.
Daarom, wees gij bereid; die den Geest des Heeren niet heeft, die komt Hem niet toe.
Beef, zondaar, beef, die buiten Hem leeft en buiten Hem sterft, en onbekeerd dien dag tegensnelt.
Dag der wrake, waar het heeten zal:
„Gaat weg van mij, gü, die de ongerechtigheid hebt gemerkt. Ik heb u nooit gekend!quot;
Dag van blijdschap voor allen, die Zijne eerste verschijning hebben liefgehad, waar de Heere zeggen zal: „Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.quot;
Voor het heden moge de toekomst des Heeren tot ernst en werkzame vlijt aansporen, dewijl de opdracht aan de Zijnen is: „doet handeling, totdat ik kome.quot;
De bede vervulle onze harten:
Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij uw komst verbeidt!
O Jezus! dat ik nooit vergeet,
Dat G\' over alles, wat ik deed,
Hierna de Rechter eens zult wezen :
Opdat ik hier, bij eiken plicht.
204
205
Bij ieder werk, door mij verricht,
üw uitspraak afwacht\' zonder vreezen,
En juich\', daar ik uw toekomst eer;
Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer!
Mijn Heiland! dat uw toekomst mij Tot troost in mijne loopbaan zij,
Tot baak en richtsnoer van mijn\' handel, Ter noordstar, die mij veilig leidt Op mijne reis naar d\' eeuwigheid;
Opdat ik als een wijze wandel\'.
En juich\', daar ik uw toekomst eer;
Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer!
Gezang 158: 1, 7.
Lezen: Openb. 22. — Ps. 96. — 1 Thess. 4.
W. VAN SLOTEN.
17 MEI.
Johannes 14: 16: En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.
Hy, die op aarde voleindigd had het werk, dat de Vader Hem gegeven had, om te doen, is heengegaan naar den hemel om verheeriykt te worden met de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was. Maar Hij is niet heengegaan om zyne discipelen, zijne gemeente op aarde te vergeten. Neen, Hij, die, als de ware Hoogepries-ster het binnenste heiligdom is ingegaan, is daar den zijnen ten goede werkzaam, en is hun voorbidder bij den Vader. Vóór zijn heengaan heeft Hij hun beloofd, dat Hy den Vader zal bidden, opdat Hy hun een anderen Trooster, een Plaatsvervanger geve, die by hen zal blijven in der eeuwigheid. Die belofte zijner voorbede is voor de zijnen van het hoogste gewicht; want Hij, hun Middelaar en Heiland, weet ten volle, wat zij behoeven, en wat Hü voor hen vraagt, zullen zij ook ontvangen. Zoo zal dan de Trooster, de Heilige Geest, hun geschonken worden, en daardoor zal het gemis der lichamelijke tegenwoordigheid van Christus hun vergoed worden. Die Geest zal in hen getuigen van Christus, zal hen indachtig maken, wat Hij tot hen gesproken heeft, zal hen in al de waarheid leiden, en hen bekwaam maken om getuigen van Christus in de wereld te zijn. Die Geest zal hen leeren, vermanen, bestraffen, besturen en sterken, heiligen en vernieuwen, naar
18 MEI.
het beeld huns Verlossers. En die Geest zal ook bij hen blijven in der eeuwigheid, zoodat Hij voor hen het zeker onderpand is van hunne aanneming tot kinderen Gods en van hunne volkomen verlossingen zaligheid.
Nog enkele dagen, en weder komt het Pinksterfeest ons aan de vervulling van des Heeren belofte herinneren. Moge dat feest een ryk gezegend feest zijn voor ons, en voor de gemeente van Christus aan alle plaatsen. Er is zooveel behoefte aan de krachtige werking des Heiligen Geestes tot verlevendiging van het kwynend geloofsleven. O, worde die behoefte gevoeld en biddend erkend voor God, opdat wy het mogen ondervinden, dat Hij den Heiligen Geest geeft dengenen, die Hem bidden. Het is de Heilige Geest, die ons verlicht, vernieuwt en heiligt, die ons toepast, wat wij in Christus hebben, en die ons van ons hemelsch erfdeel verzekert. Moge de gezegende werking diens Geestes meer en meer openbaar worden in de gemeente en in ons huis.
Ik geloof van ganscher harte
In den Heilgen Geest, dien Geest,
Die Gods Kerk en heilgezanten
Steeds ten Leeraar is geweest;
Die ook mij wil troosten, leiden.
En, betracht ik eenig goed,
Beide \'t willen en \'t volbrengen Godlijk in mij werken moet.
Gezang 52 : 8.
Lezen : lJs. 143. — Joh. 16: 1—15. — 1 Cor. 12: 1—13.
J. A. DE VLIEGER.
18 MEI.
Handelingen 1: 14: Deze allen waren eendrachtig volhardende in het hidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met zijne broeders.
Nadat de Engelen van hen weggevaren waren, begaven zich de Apostelen van den Olijfberg weder naar Jeruzalem. Welk een treffend gezelschap vinden wij daar in de opperzaal: de, Apostelen, de getuigen van Jezus\' hemelvaart; de vrouwen, dieaan den Paasclunor-gen zich aan Jezus\' graf bevonden; de moeder des Heeren, die het ontzaglijk kruisigden haars Zoons herdacht en thans Hem verheer-
206
18 MEI.
lijkt weet aan de rechterhand Zijns Vaders; eindelijk Zyne broeders, weleer ongeloovig, maar nu geloovig geworden!
De verhoogde Heiland heeft allen, trots alle verscheidenheid innig saam vereenigd door den band des geloofs en der liefde. Hun hart heeft Jezus lief, hun mond bezingt Zijn\' lof; zij zijn vervuld van \'sMeesters triomfeerend heengaan len hemel. \'tWas hun daar beter dan ergens elders. Wel mocht die opperzaal, \'s hemels beeld, weergalmen van het: „Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders te zamen wonen.quot;
Zij volharden in het bidden en smeeken. De vurige Petrus vooraan, storten allen bij beurt \'t hart uit voor den Hoorder der gebeden. Zij bidden geloovig, pleitende op de beloften van den scheidenden Meester, die hun „den Trooster zal zenden van den Vader,quot; en geloovig bidden wordt immer verhoord.
Hoezeer is voor hen zulk bidden noodig!
De Apostelen zyn geroepen getrouw het Evangelie aan alle volken te prediken.
Maar ach, wat zijn zij klein in getal, gering in kracht, weerlooze schapen te midden eener wereld vol wolven! Arme schapen, wat vermoogt gij tegenover zoovelen, voor wie de prediking van den gekruisigden en opgewekten Christus een ergernis of dwaasheid is!
Nochtans zullen zij, door den H. Geest aangegord met kracht uit den Hooge, aanvangen de wereld te winnen voor Koning Jezus.
Hebben ook wü geene drangredenen om te smeeken om dien Geest? Voorzeker! Drangredenen voor ons zelf: opdat onverschilligheid en lauwheid plaats maken voor heiligen ijver, vurige liefde, kinderlijk geloofsvertrouwen en teedere Godsvrucht; voor ons kroost: opdat ongehoorzaamheid en wederspannigheid wijken voor een vragen naar den God huns doops, naar bekeering des harten. Is een vuurdoop des Geestes niet noodig over de geloovigen, opdat scheuringen, verdeeldheid en liefdeloosheid ophouden?
Dan zal weer onderlinge aanroeping van den Heere, eendrachtige samenwerking voor de zaak van het Godsrijk, en vereenigd bouwen op den grond van Gods Woord onder ons gezien worden.
Moge de Heere op het naderend Pinksterfeest Zijne genadestroo-men over ons uitgieten, naar Zijne belofte:
„Ik zal water gieten op de dorstigen en stroomen op het droge. (Jes. 44: 3.)
Ai ziet! hoe goed, hoe lieflik is \'t, dat zonen Van \'t zelfde huis als broeders samenwonen,
Daar \'tliefdevuur niet wordt verdoofd:
\'tls als de zalf op \'s Hoogepriesters hoofd.
207
J 9 MEI.
De zalf, waarmee üij is aan God gewijd,
Die door haar reuk het hart verblijdt.
■Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen,
Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen En \'t leven tot in eeuwigheid.
Psalm 133: 1, 3.
I.ezen Jesaia 5fi. — Joh. 14: 1—21. — Ps. 133 en 134.
E. POSTMA.
19 MEI.
Mattheüs 28: 20: En ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot de voleinding der wereld.
Alleen te staan, rondom bedreigd; geen hart, dat ons verstaat, geen schild, dat ons beveiligt. Pijnlijke toestand!
Hoe bemoedigt dan het woord; „Ziet, Tk ben met ulieden, alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld.quot;
Wien geldt dit? Elk geloovige.
„Ziet,quot; let er op; al ziet gij Mij niet, gelooft nochtans. Over u mijne genade, myne heerschappij, mijne trouw! Al ziel gy, rondom of vooruit, niets dan vijanden, dan duisternis, dan zonde, dan dood, ziet opwaarts, want: Ik ben met u. Ik begeef u niet. Ik laat u geen weezen.
Maar gy voelt u zoo verlaten; waar is de Heere, op Wiens woord gij bouwt?
Wees stille, leg \'toor te luisteren en in uwe ziele ruischt \'t u tegen: Zie, hier ben Ik, Ik omring uw gaan en liggen. Viel ooit éen mijner woorden ter aarde?
Ja, dat „Ikquot; sta met groote letter.
Ons schrift maakt ons óók openbaar. Die „Ikquot; is de „Ik hen,quot; de Immanuël: God met ons. Met ons, alle dagen, waarbij ook de nachten behooren. Dat maakt ze alle tot zon-dagen. Zonder Hernzyn ze alle donder-dagen; maar „Hij met onsquot; dan wordt de sterfdag zelfs de heerlijkste geboortedag; laten dan, boetvaardige moordenaar, getrouwe Stephanus, mokerslagen of steenworpen uw leden verbrijzelen, zij verhaasten het genot van onafgebroken gezelschap van uw hemelschen vriend.
Och, dat dit gezelschap door u, alleen, altijd wierd begeerd. Geen zoo
2ÜS
20 mei.
leerzaam, zoo heilzaam. Daarna geen kwelling des gewetens, geen schaamrood op het aangezicht. Het kost niets en is zoo kostelijk.
Zoo eens uit zijn mond gehoord werd: Ik ben tegen u?
De voleinding des levens komt, zoowel als die der wereld. En daarna het oordeel. Gods Geest, als in de Bruid, drijve u, terwijl het nog tijd is, tot een ernstig: Kom, Heere Jezus! totdat gy ervaart, dat Hij in u en dan ook met u is. Onder zijn invloed wordt het: blyf met ons!
Geen vader sloeg met grooter mededoogen Op teeder kroost ooit zijn ontfermend\' oogen Dan Isrels Heer op ieder, die Hem vreest;
Hij weet, wat van zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten En dat wij stof van jongs af zijn geweest.
Psalm 103: 7.
Lezen : ,Ies. 1; 1—9. — Joh. 14: 16—27. — Matth. 24: 38—51.
A. H. DE KLEliCK.
20 MEI.
Hebreën 10: 86, 37: Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij, den teil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.
Want: nog e$n zeer weinig tijds, en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
Naar de letter hoorden de Apostelen bovenstaande woorden niet tusschen Hemelvaart en Pinkster, naar den geest hebben zy ze zeker ervaren.
Zij hadden lijdzaamheid van noode, opdat zij, den wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis mochten wegdragen.
Lijdzaamheid is een parel van groote waarde. De vrome verwart haar nooit met haar namaak, met die onverschilligheid, die alle pijn van lichaam en ziele lijdt met de onaandoenlijkheid der Stoïcijnen.
Evenmin met die berusting, die zich met een vloek in het hart, buigt voor de gepantserde vuist, tegen welke elk verzet als dwaasheid wordt erkend.
Evenmin met die lijdelijkheid, die van de wegen des Heeren spreekt, als van blind Noodlot, tegenover hetwelk zelfs de Goden machteloos staan.
Lijdzaamheid is niet passief, maar actief: niet zoozeer de activiteit, dagboek. 14
20 MEI.
die haar kracht zoekt in drukte en schitterende daden, maar die, welke zich uit in stille en toch krachtige volharding op de loopbaan en in het worstelperk, door God ons aangewezen.
Volkomen verwerkelijkt door den Christus in leven en lijden, is er achter Hem aan lijdzaamheid in de ziekenkamer des Christens, evengoed als in de folterkamer, in den verborgen strijd des harten, evengoed als in den openbaren kamp tegen de wereld, in het dulden van den doorn in het vleesch, evengoed als in het torschen van het kruis.
Lijdzaamheid is het, door de kracht des Heiligen Geestes, krachtig eigen wil weerstaan om Gods wil te doen.
Lijdzaamheid schrijft met de martelaressen van den toren Constance, op diens ruwe muren, onder hare namen alleen het woord; „résistez.quot; (Volhardt.)
De Apostelen hadden deze parel noodig ook in de moeilijke dagen tusschen Hemelvaart en Pinkster: geen koudo onverschilligheid,geen berusting vol opstand, geen machteloos buigen onder het Noodlot, maar lijdzaamheid, opdat zij, de wille Gods gedaan hebbende, de beloftenis des Heiligen Geestes mochten wegdragen.
Ook voor ons is het thans nog zeer weinig tijds en de Trooster, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven.
Laat ons dan bidden om die lijdzaamheid, die de beloftenis doet wegdragen, omdat de lijdzaamheid bevinding werkt en de bevinding hoop, en de hoop niet beschaamt, wijl de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven.
Leer mij, o Heer! den weg, door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren.
Geef mij verstand, met godlijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt,
Dan zal zich \'thart met mijne daden paren.
Psalm 119: 17.
Lezen: Roni. 5: 1—10. — Coll. 1. — Hebr. 12: 1—15.
J. C. MONTIJN.
210
21 MEI.
21 MEI.
EERSTE PINKSTERDAG.
Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken.
„En zü werden allen vervuld met den Heiligen Geest.quot;
Ziedaar de eigenlijke hoofdzaak der heilrijke Pinkstergeschiedenis; daarin ligt haar onvergankelijke waarde en haar blijvende beteekenis. De uiterlijke teekenen, wind, vuur, en vreemde talen, waren iets tijdelijks en voorbijgaande, hoewel niet zonder afschaduwende beteekenis voor alle volgende eeuwen en geslachten, voorzoover daar ook maar immer kan sprake zijn van het woord en werk des Heiligen Geestes.
Want op het Pinksterfeest kwam de Heer zelf, en komende door den Geest, kwam daar van den hemel niet maar eene onpersoonUike kracht, of eene van Hem uitgaande werking of een levenloos element, maar kwam de Heer zelf, geesteiyk-persoonlijk, gelijk Hij het ook beloofd had aan zijne jongeren: „Ik (Ik persoonlijk) kome weder tot u.quot; en gelijk ook de apostel getuigt: „de Heer nu is de Geest, en waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.quot; Vrijheid, en dus geen gebondenheid noch eenvormigheid. Want zy, die vervuld werden met den Heiligen Geest, begonnen te spreken, ja, met andere talen, maar, zooais de Geest hun gaf uit te spreken.
Waarin nu bestaat het wezenlijke van dat talenwonder op het eerste Pinksterfeest? Niet in de vreemde talen als zoodanig — immers niet in haar onverstaanbaarheid, maar juist het tegendeel: in haar al-gemeene verstaanbaarheid, „want een iegelijk hoorde hen in zijne eigene taal sprekenquot; (vs. 6).
Ook nu nog is er, nevens de menigvuldigheid en verwarring dei-spraken, toch ééne taal, die verstaanbaar is voor allen, voor ieder in\'t bijzonder, ja, die een iegelijk, wien zij geldt, als zijn bijzondere moederspraak in de ziele klinkt — het is dezelfde taal, die op het eerste Pinksterfeest getuigenis gaf van de groote werken Gods. \'t is het Evangelie van Jezus Christus. Ieder Evangeliebelijder spreekt die taal op zijn eigene wijze, zooals de Geest hem geeft uit te spreken; en het Evangelie spreekt elke taal voor elke ziel, want het is de alles omvattende taal, waarin God spreekt tot den raensch. De ééne Vader spreekt door deze ééne taal tot al zijne kinderen, zoo onderscheiden zij mogen zijn van volk en taal, van tong en geslacht. En elke Pinkster-
211
22 MEI.
dag roept het ons tegemoet; „wordt vervuld met den Geest, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteeren.quot;
Den Heilgen Geest zij eer en prijs!
Hij wil, door godlijk ondenvvjs,
Ons in zijn waarheid leiden.
Hij, van ons erfdeel \'t onderpand,
Hy wil ons door zijn eigen hand
Ten hemel toebereiden.
O, Geest van God! bestuur ons hart.
Verbeter ons, troost ons in smart.
Schenk moed en kracht in lijden!
Zoo zullen wü, door U geleid.
Eens in volmaakte zaligheid Ons eindeloos verblijden.
Gezang 2 : 4.
Lezen; 1 Cor. 14: 1—12. — Joel 2: 28—32. — Joh. 1G; 7—15.
Prof. Dr. E. H. VAN LEEUWEN.
22 MEI.
TWEEDE PINKSTERDAG.
1 Corinthe 2: 10; Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest; ivant de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
De apostel Paulus beschrijft in het 1ste en 2de hoofdstuk van zijn brief aan de Corinthiërs de scherpe tegenstelling tusschen de wijsheid, die van deze aarde, en de wijsheid, die van boven is. Tegenover de hemelsche dingen, tegenover de werken des Heeren op geestelijk gebied staat de natuurlijke mensch met een spotlach. Hij begrijpt daarvan niets. Er is slechts één middel om te verstaan de dingen, die betrekking hebben op \'s Heeren Koninkrijk; — er is slechts één middel om over het leven, over het graf met blijmoedigheid in een eeuwigheid te staren; — er is slechts één middel om het werk der verlossing, voor verlorenen tot stand gebracht, te leeren kennen, en dat is; de openbaring van den Heiligen Geest. God heeft voor zondaren bereid een heerlijkheid, die geen oog heeft gezien, een heerlijkheid, niet voor te stellen zóó groot, niet in te denken zóó rijk, niet te verwachten zóó zalig. Het natuurlijk verstand staat hierbij stil. Be Heilige Geest wü de werkelijkheid der eeuwige dingen openbaren. De Heilige Geest wilde
212
23 mei.
innerlijke zekerheid eener eeuwige zaligheid geven, wil doen zien op den Almachtige, brengt op de knieën, leert den Oneindige kennen, leidt in de verborgenheden van Gods Raad en Wil.
God heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Het beeld, hier gebruikt, is dat van het peilen van de diepte der zee. De gansche volheid Gods,— alles, wat Zijn wezen. Zijn eigenschappen, Zy\'n gedachten, Zyn plannen, Zijn raad uitmaken, — onderzoekt de Geest Gods. De Almacht des Heiligen Geestes vestigt het oog op God en doet indrinken, wat wordt aangeboden, doet doordringen tot het Onzichtbare. Geen beter middei om, door den Geest geleid, de openbaring Gods te genieten dan het gebed. De Heilige Geest doet uitroepen: „vroeger was ik blind, nu zie ikquot; — de Heilige Geest doet God kennen eerst als Rechter, dan als Redder, eindelijk als Vader. Hij leidt van schrede tot schrede. Verstandswerk maakt opgeblazen — openbaring des Heiligen Geestes maakt zalig. Geesteswerk schenkt blijdschap, doet jagen, doet leven, legt een loflied op de lippen. De Heilige Geest geeft zekerheid van het kindschap en van een heerlijke erfenis. Wie zich kind weet, heeft lief. Hy begeert telkens meer den Vader te kennen en in te denken, wat het zal wezen om den Onvolprezene te zien, zooals Hij is.
Eeuwig, onbegrijplijk Wezen,
Vader, Zoon en Heiige Geest!
Leer mij daaglijks meer U kennen,
U gelooven allermeest!
\'t Heil van zondaars voert Uw liefde Tot den allerhoogsten top;
Amen! godlyk Evangelie!
Amen! zegt mijn ziel daarop.
Gezang 52: 13.
Lezen: 1 Joh. 4: 1—21. — Rom. 8; 22—39. — Joh. 14: 1—31.
213
N. M. DE LIGT.
23 MEI,
jSTumeri 11: 29. Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? och, of al het volk des heeren profeten waren, dat de heeee Zijnen Geest over hen gave!
Jozua is in vleeschelijken ijver voor Mozes opgetreden. Hij meent, dat het profoteeren van Eldad en Medad nadeel zal doen aan Mo-
23 MEI.
zes\' gezag en dat de ongeregeldheid, welke in hun optreden lag, zeer te bestraffen is. Hij bedilt des Heeren wijsheid in het uitdeeien van Zijne genadegaven, recht ingaande in zijn oordeel tegen de liefde, die zich verblijdt in anderer gaven, omdat toch bij slot van rekening God door zijn eigen werk wordt verheerlijkt en, wat Hij in endoorande ren werken wil, ten goede komt aan geheei het lichaam van Christus.
Het is genade bij God niet te verwerpen, dien Christus niet verwerpt. Mozes heeft die genade en is ruim van harte om de engheid in Jozua tegen te staan, en zijne heilige begeerte uit te spreken tot den wasdom in genade voor geheel de Kerk des Heeren. Bij \'tvolk was een roepen om vleesch, bij den man Gods begeerte naar des Heeren Geest. En deze tegenstelling komt gedurig uit. Eiken dag bij ons en bij anderen. En dan gaat Jozua\'s gezindheid van dat oogenblik nog uit om ons in afgunst en nijd te zetten en ons in te zetten in \'tenge kluis van eigen kring in \'tkleine land!
Benijdbare, af te smeeken genade, welke Mozes ontving, opdat ons oordeel beheerscht worde door godzaligheid, en wij in oprechtheid ons kunnen verblijden in anderer genade!
Kome er van mij, wat de Heere goed vindt; kome Zijn Geest over al het volk, opdat Zijn Naam maar heerlijk zij!
Zoo gaat het, als \'t een mensch gegeven wordt niet zijn eigen eere te zoeken, maar Desgenen, die hem gezonden heeft. \'tGing Jo hannes den Dooper, toen hij de heerlijkheid van Christus zag, zóó naar \'thart, dat hij minder werd, omdat hij zag, dat de Heere meerder werd; „zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden.quot;
Mag God maar eere hebben; mag al het volk — en niet alleen mijne vrienden — profeten des Heeren zijn en Zijneu Geest ontvangen !
Ontvangt al het volk dien Geest, dan — ben ik ook bij die begenadigden en mijn huis.
Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!
Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken;
\'k Hield dan uw wet. dan leefd\' ik onbevreesd,
Dan zou geen schaamt\' mijn aangezicht bedekken.
Wanneer ik steeds opmerkend waar\' geweest,
Hoe uw geboon mij tot uw liefde wekken.
Psalm 119; 3.
Lezen: Num. 11. — Joh. 3. — Ps. 62. —
D. M. BOONSTRA.
24 MEI.
24 MEI.
Handelingen 2: 12: Wat icü toch dit zijn?
„Wat wil toch dit zijn?quot;Deze vraag werd met ontroering gedaan door de menigte, die op het Pinksterfeest de wonderen en teekenen te Jeruzalem zag en hoorde. De apostel Petrus heeft op die vraag antwoord gegeven, hierop neerkomende: God vervult zijn belofte, God vernieuwt het verbond.
Ook wij, op ons Pinksterfeest de groote werken Gods overdenkende, herhalen die vraag „wat wil toch dit zijn?quot; En reeds bij een blik in de wereld rondom ons heen, wordt het ons mogelijk op die vraag een antwoord te geven.
Wel moet van die wereld worden getuigd, dat het in menig opzicht nog treurig met haar gesteld is, maar toch, haar vergelykende met de heidenwereld, is zij een wonder in onze oogen. Immers, wij aanschouwen eene verandering ten goede zoo groot, wij zien zooveel onreinheid, zooveel heidensche zonden en gruwelen verbannen, zooveel goeds in de staatsinrichtingen, in de wetboeken, in de verzorging van hulpbehoevenden, van kranken en armen, van weduwen en weezen tot stand gekomen, dat, wanneer iemand uit de heidenwereld in onze maatschappij kon terugkomen, deze mensch als uit eene onherbergzame woestijn naar een aard van licht en vrede ware overgebracht. Dit is door Gods alvermogen, door \'s Heeren Geest alleen geschied.
En nog beter leeren wij de beteekenis van den eersten Pinksterdag verstaan, wanneer wij op de vraag „wat wil toch dit zijnquot; rondzien in de gemeente des Heeren. Die duizenden tempels, allerwege opgericht op de aarde, de verkondiging van het Evangelie, daarin gehoord! de psalmen en lofgezangen, daarin gezongen, de rust gevonden, de vrede daar gesmaakt, de hope des eeuwigen levens daar gewekt — de Schepper van dit alles is de Heilige Geest, wiens nederdaling uit den hemel wij heden gedenken.
Toch bovenal moet de vraag „wat wil toch dit zynquot; daarop beantwoord kunnen worden met een blik in deze kleine wereld van eigen hart en leven. Wat de Heilige Geest daar werkt, noemt de bijbel in zijne krachtige taal een wedergeboorte, ja, een overgang van den dood in het leven. Wanneer anderen heden van het Pinksterwonder vragen „wat wil toch dat zijnquot; kunt gij dan in stilte uwen God danken, dat Hij door zijnen Geest ook u heeft levend gemaakt? Indien neen, weet dan uit der discipelen ervaring, dat de Heere goed is voor de ziel, die
215
216
met smeeking Hem zoekt, en indien ja, leert dan te wandelen als kinderen des lichts in uw huis en in de wereld.
Komt, luistert toe, gij godgezinden!
Gy, die den Heer van harte vreest!
Hoort, wat my God deed ondervinden,
quot;Wat hij gedaan heeft aan mijn geest.
\'k Sloeg, heilbegeerig, \'t oog naar boven;
Ik riep den Heer ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, die alleen mij bij kon staan.
Psalm 66: 8. Handel. 2: 1—11. — Jes. 64. — Matth. 7: 7—11.
H. VAN SELMS.
25 MEI.
25 MEI.
Handelingen II; 39: Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoo velen, als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
Met deze troostrüke belofte bemoedigde Petrus „de verslagenen van hartquot; op het Pinksterfeest. Hy spreekt hier tot hen van de Ver-bondsbelofte des H. Geestes, die hun als het zaad Abrahams gold, en aan hen zou vervuld kunnen worden, als vrucht van \'s Heilands verzoenend lijden en sterven.
Reeds onder het O. Verbond, opgericht met Abraham en bevestigd bij den Sinaï met Abrahams zaad, was er herhaaldelijk geprofeteerd van de inwoning van Gods Geest in het hart des zondaars. Israëls gansche geschiedenis van Sinaï tot de ballingschap en van de ballingschap tot de kruisiging des Heilands sprak het dan ook luide uit, dat dit volk in zich zelf onwillig en onmachtig was, om overeenkomstig den eisch des Verbonds den Heere te dienen. Het voltooit de mate zijner ongerechtigheden door den Erfgenaam buiten den wijngaard te werpen.
\'tWas echter de belofte Gods: „Ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in mijne inzettingen zult wandelen.quot;
Met allen ernst heeft Petrus zijne hoorders echter eerst gewezen op hun zonden, als hij hen dringend tot bekeering en geloof aanspoor-
25 mei. 217
de. „Vol des H. Geestesquot; gewaagt hij daarby ook van de groote genade Gods, van de vrucht van het Middelaarswerk, waarvan het Pinksterfeest zulk een wondervol bewijs was, als hij verzekert: „Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen.quot; Hoeveel bemoedigends lag er dus in die belofte, ook voor deze boetvaardigen, met het oog op hunne bekeering!
Doch deze belofte, omtrent den H. Geest gold meerderen, daarin Abraham alle geslachten des aardrijks zouden gezegend worden. Hieraan gedachtig, voegt Petrus er dan ook aan toe: „en allen, die daar verre zijn, zoovelen, als er de Heere, onze God, toe roepen zal. Niet indringende in den verborgen raad Gods, spreekt Petrus hier uit, dat hier acht gegeven moet worden op de roeping Gods. Uitwendig kwam deze thans tot die groote gemengde schare van Joden en Heidenen in vs. 9 — 11 genoemd.
De inwendige roeping door de werking des H. Geestes werd daarbij ook op verrassende wijze zichtbaar in de „verslagenen van hart,quot; in de „drieduizend zielen,quot; die zijn woord gaarne aannamen en gedoopt werden.
Hoeveel bemoedigends ligt er dus ook in deze belofte voor hen, die, onder het N. Verbond levende, het geklank des Woords hooren, doch bovendien het teeken en zegel van het Verbond der Genade in hun Doop ontvingen!
Ouders, pleit er op met het oog op uwe kinderen, opdat zij niet, naarmate zij meer bevoorrecht zijn, in een zwaarder oordeel vallen, maar tot genade mogen komen!
Kinderen, die het teeken en zegel van het verbond der genade aan uwe voorhoofden draagt en toch zwaar en menigmaal misdreven hebt, maakt gebruik van \'s Heeren toezegging, opdat de roeping Gods, tot u komende in Doop, in onderwijs in de H. Schriften en in de prediking des Evangelies, door de toepassing des H. Geestes u tot schuldbelijdenis, bekeering en geloof moge leiden, en de Heere u moge gedenken naar het welbehagen tot Zijn volk en u moge bezoeken met Zijn heil! Dan zult gij, wat reeds uw Doop afbeeldde, inderdaad met Christus begraven worden in Zynen dood en opgewekt worden met Hem, tot heerlijkheid des Vaders, om in nieuwigheid des levens te wandelen.
Zóó ingeleid, door God zelf in de arke der behoudenis Christus, zult gij voor tijd en eeuwigheid beveiligd zijn, en het verstaan, dat gij dit alles dankt aan de genadige verkiezing Gods in Christus Jezus, onzen Heer!
„God zal zijn waarheid nimmer krenken;
„Maar eeuwig zijn verbond gedenken.
„Zijn woord wordt altoos trouw volbracht
26 MEI.
„Tot in het duizendste geslacht.
„\'t Verbond met Abraham, z\\jn vrind,
„Bevestigt Hij van kind tot kind.
Ps. 105: 5.
Lezen: Ezech. 36: 22—38. — Hand. 2: 22—47. — Efez. I.
Jac. EEINGA.
26 MEI.
Luk. 11: 13: Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zul de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem hidden1?
De Heiland spreekt dit treffend woord tot allen, die waarlijk bidden. Helaas, dat zooveel bidden heet, wat het voor God niet is. Wanneer de Alwetende God Zijn heiligen adem laat gaan over den wierook dei-gebeden. dan wordt de offergeur vaak tot een verpestenden walm! Ongeloovige, hoogmoedige, zelfzuchtige, vormelijke gebeden ziet Hij uiet aanl Maar tot een lieflijken leuk voor Hem wordt elke stamelende klank uit een verbrijzeld, kinderlijk gemoed! Zulk een gemoed verstaat, dat vóór alle dingen noodig is de inwoning van den Heiligen Geest; om dien Geest zucht en worstelt het, opdat de wildernis daarbinnen in een hof Gods worde herschapen, en het leven triumfeere over den dood! Zulk een smeeking blijft nimmer onverhoord; dan wordt het anker des gebeds uitgeworpen in een vasten bodem, die der belofte Gods.
In eene aandoenlijke tegenstelling toont de Heiland Zijnen discipelen de noodzakelijkheid aan van de verhooring van zulke gebeden! Hij doet een beroep op de consciëntie, op het Vaderhart! De Heer zegt: Zoudt gy twijfelen aan de bereidheid Gods, om u het onmisbaarste te schenken ? Zou de barmhartige God in den hemel dan lager staan dan de booze mensch op aarde? Is het niet uw voortdurende zorg, uw voorrecht en uw lust, uwen kinderen wel te doen, hun steeds datgene te verschaffen, wat zij waarlijk behoeven en uit gebrek waaraan zij sterven moeten? Zou een aardsche vader, hoe barbaarsch hy zij, in staat zijn het kind, dat hem schreiend zijn honger zou klagen, voor brood een steen in den mond te duwen ? En wat moogt gü dan van den Hemelschen Vader niet verwachten ? Zou Hij iets doen, waartoe gy zelfs een vader uit een rooverhol niet of nauwelijks in staat
218
27 mei. 219
acht? Zou Hij misdeelen, kwalijk bejegenen, ruw wegstooten het kind, dat om het allernoodigste tot Hem schreit, zonder hetwelk het niet alleen voor den tijd ongelukkig is; maar een eeuwigen dood sterven moet!
Daarom, hongerige ziel, leg uw vinger vrijmoedig bij dit heerlijk: Hoeveel te meer! Bekommerde, nooit kunt gij grooter zekerheid erlangen! Niet, omdat God zeer goedertieren, maar alleen reeds, omdat Htj „geen barbaar\'\' is, daarom moogt gij geen oogenblik twijfelen, of op Zijn tijd zal Hij uwe ziel volkomen verzadigen. Gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen!
Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht;
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;
Dat, ongeveinsd, in \'t midden der ellenden
Zich naar Gods troon met zijn gebeen blijft wenden.
Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen;
Hun bede Heeft Hij nimmer afgewezen.
Ps. 145: 0.
Lezen: Luk. 11: 1—13. — Matth, 6: 6—13. — Luk. 18: 1— .
H. J. DE ZWART.
27 MEI.
1 Thessalonicensen 5: 19: Bluscht den Geest niet uit!
Ja, dat roept ons ook het onlangs gevierde Pinksterfeest toe.
Nochtans, is er ééne zonde, waaraan \'sHeeren volk zich komt schuldig te maken, dan is het deze.
Vandaar, dat de apostel met nadruk vermaant: „Bluscht den Geest niet uit!quot; Hierbij het oog hebbende op het heilig vuur op den altaar, alsmede het licht des gouden kandelaars in Jeruzalem\'s heiligdom.
Welnu, evenals dat licht niet mocht worden uitgebluscht, of ook dat vuur uitgedoofd, — bluscht ook gij alzoo dat licht des Geestes in ii, o Thessalonicensen! ontstoken, dat vuur der liefde in u brandende, niet uit!
Maar hoe, zoo vraagt gij wellicht, de H. Geest worden uitgebluscht? Is Hij dan niet in Zijn werking onwederstaanbaar, en heeft Christus zelf niet beloofd, dat de H. Geest Zijne discipelen in al de waarheid zou leiden en bij hen blijven zou in der eeuwigheid?
O, Voorzeker! Evenwel de H. Geest werkt ook middellijk,en nu.
27 MEI.
wat die middellyke werking des H. Geestes betreft, hierin kan Hy wel degelijk wederstaan, bedroefd en uitgebluscht worden.
Zoo, bijvoorbeeld, blusschen wij als geloovigen in Jezus Christus den H. Geest in ons uit, wanneer wij in de duisternis wandelen in plaats van onze roeping te verstaan om als kinderen des lichts te wandelen, gelijk de apostel in dat zelfde Hoofdstuk schrijft: „Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags. Zoo laat ons dan niet slapen, gelijk de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn.quot; Zoo blusschen wy den Geest in ons uit, wanneer wij, in plaats van dat vuur des Geestes in een weg van heiligmaking in ons aan te wakkeren, dit in ons dooven. In ons dooven door aards-gezindheid en wereldgelijkvormigheid; of ook door struikeling en afdwaling; of ook, door niet tegen de zonde te waken, te bidden en te strijden.
En nu, wat is het gevolg hiervan? Wat anders, aan dat die Geest der liefde zich onttrekt en de liefde tot de wereld de overhand krijgt.
Andermaal, wij blusschen den Geest in ons uit, wanneer wij in wegen van kruis en van druk met dien Geest twisten. O! dat twisten, dat murmureeren en opstaan tegen \'s Heeren Geest, het sluit ons hart voor Zijne vertroostingen, en heilzame werkingen in die wegen, alsmede voor de ware verootmoediging en oprechte zielsvernedering dooiden H. Geest gewrocht.
Of ook blusschen wij den Geest in ons uit, wanneer onze wandel niet is in reinheid en oprechtigheid des harten. Immers, de H. Geest is de Geest der waarheid, der reinheid, der gerechtigheid.
En daarom, wanneer wij onoprecht en geveinsd zijn, als wy in handelingen gewikkeld zijn, waarmede wij niet vrijmoedig voor God durven komen, — dan wijkt die Geest en houdt Hij Zjjn licht voor ons in.
Nog eenmaal; wy blusschen den Geest in ons uit van wege onze twijfelmoedigheid en ons ongeloof. Wanneer wij datgene, wat kennelijk een vrucht is des H. Geestes, toeschrijven aan een algemee-nen, ja, zelfs boozen geest; of ook door meer geloof te schenken aan de inblazing des duivels of de inspraak van ons bedorven hart, dan aan het onfeilbaar getuigenis Gods; of ook door steeds te streven naar buitengewone werkingen, en bevindingen des Geestes, die buiten het Woord omgaan.
o. Laat ons toch toezien, dat wij dien heiligen, die teederen en dierbaren Geest, wiens uitstorting wy zoo kort geleden herdacht heb ben, niet bedroeven of uitblusschen.
En vraagt gü dan nochtans o, mijn heilzoekende lezer, dien het om waarheid en klaarheid te doen is, hoe kan ik het weten, of het een vrucht van den waren dan wel valschen geest is? Welnu, geef
221
er acht op, wat die ware Geest werkt, als daar is: ootmoed,zeltkennis, een droefheid naar God, een toevluchtnemend geloof tot het kruis der verzoening, een zich laten zakken en zinken in den geloove op dien eeuwigen Rotssteen, Wiens werk volkomen is.
Zie, inoogt gij deze en dergelijke kenteekenen bij u bevinden, blusch dan den Geest niet uit, maar geef u aan Zijne leidingen over, met de bede, dat Hij u in al de waarheid leide, en het zegel drukke op dit zijn eigen werk!
Leer mij, o God van zaligheden!
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gü zijt intfn God, vat Gy myn hand!
Uw goede Geest bestier\' myn schreden En leid\' mij in een effen land!
Psalm 143: 10 Lezen: Rom. 8: 1—14. — Hebr. 12: 1—15. — Gal. 5: 16—26.
J. A. VAN BOVEN.
28 MEI.
Openbaring 1: 10a: En ik ivas in den Geest op dtn dag des Heer en.
De apostel Johannes, die om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus, d. i. ter oorzake van de verkondiging van het zalig Evangelie, verbannen was op het toen ten tijde onbewoonde water* en houtlooze rotseiland Pathnios, getuigt in het bovengeschreven woord: „ik was in den Geest op den dag des Heeren.quot;
De eenvoudige uitlegging dezer woorden is deze: ik was door den H. Geest onttogen aan de gewaarwording der uiterlijke dingen, en alzoo door Hem bereid voor de dingen, die boven zijn.
Mijne vrienden! zou het niet nog ons noodig wezen op eiken en ook op dezen eersten dag der weke alzoo door den H. Geest te worden bewerkt en bereid ?
Zeer zeker, meer dan ooit beseft kan worden, want uit de aarde zijn wij aardsch, wij hebben behoefte aan de genade des H. Geestes. Ja! het is juist bij klimmende ervaring, dat de geloovigen die behoefte leeren kennen in alle omstandigheden en op al hunne wegen. O, ja! de geloovigen, zij bidden wel; zij lezen en onderzoeken getrouw wel Gods Woord en getuigenis; zij gaan wel gaarne op naar des Heeren huis om de redenen Zijns monds te vernemen; zij nemen in één woord Zijne inzettingen in alle nauwgezetheid wel waar; zij zouden niet gaarn^ al de voorgeschreven middelen verzuimen, die de Heere ook
222 28 mei.
wil zegenen tot hun leering, troost, sterkte en heiliging; — maar toch, het is de Geest des Heeren, die in de raderen moet komen, zal de wagen loopen, dit is, de Geest des Heeren is maar noodig om de onderhouding zijner inzettingen levend, krachtig, gezegend en vruchtbaar te maken.
Mijne vrienden! de dag des Heeren, de eerste dag der weke, geheiligd door Zijne verrijzenis, geheiligd ook door de uitstorting des Heiligen Geestes, die Hij voor Zijne duurgekochte gemeente verdiend en verworven heeft, brak heden weer aan over onze hoofden. Onge twyfeld, deze eerste dag der weke draagt het zegel, dat de Gemeente gezegend is met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus, en al wie gelooft, heeft dezen dag lief, — maar, zal deze eerste dag der weke een waren zegen medebrengen, dan diene reeds vroeg in den morgen erkend, in stille verzuchting, in gebed en smeeking: o. Heilige Geest! \'tis mij noodig, dat mijne ziele door Uwe kracht ontvoerd worde aan, en geledigd wordt van alle aardscho beslommeringen, en mij door U geschonken een hart, dat vatbaar is voor de geestelijke zegeningen in Christus. Ach! hoe vele eerste dagen der weke, hoevele dagen des Heeren zijn er wel en worden er ook wel door ons doorleefd, zelfs na onze verlichting door den Heere, in dorheid en donkerheid, zonder eenigen zegen! Van waar dat? Och! er zijn zoovele redenen voor. Maar zouden al die redenen niet hierop neer komen; wij waren niet in den Geest, het ontbrak ons aan die genade, die voor een zegen den weg baant?
o, Gewis; en daarom, dat de behoefte ook heden ons doe zuchten : „Kom, o Geest des Heeren! bereid mijn hart!quot; Dan, van al \'t aardsche ontledigd, zal een zegen in Christus Jezus ook heden ons verkwikken, toegevoegd aan die vele, die onze ziele reeds smaakte en waarvan de eeuwige sabbath nog gewagen zal tot Gods lof en eere. Zóó zü \'t. Amen!
\'t Voegt ons met blijde klanken Door \'t voorbedachte lied Hem, die het al gebiedt.
Op harp en luit te danken.
Gij hebt door uw vermogen,
O Heer! mijn hart verheugd;
Ik zal, verrukt van vreugd,
Uw groote daan verhoogen.
Psalm 92: 2.
Lezen: Hebr. 4: 1—12. — Jes. 56: 1—9. — Ps. 100.
P. BARTSTRA.
29 MEI.
MEI.
Efeze 2: 18: Want door Hem hebben ivij heiden den toegang door éénen Geest tot den Vader.
Deze woorden spreken van een heerliik voorrecht. Niet allen evenwel noemen dit een voorrecht. Alleen zij, die het weten, dat hun waarachtig heil is gelegen in hereeniging met God in Christus, onverschillig, of zy uit de Joden, of uit de Heidenen zijn. God toch heeft de Zijnen verkoren om Zijnen lof te verkondigen, onder alle geslacht, en taal, en volk, en natie. Hen heeft ds Heere tot Zijne kinderen aangenomen, niet om hunne voortreffelijkheid, maar om de verdiensten Zijns Eengeborenen, o! Hoe zalig is het dien aangenomen kinderen te weten, dat God hun Vader is. De almachtige en getrouwe Verbondsgod hun Vader. Hij, die in alle benauwdheid dezes levens Zijn volk vertroostend toeroept: „Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten.quot; Tot hunnen Vader mogen zij naderen. En zij komen nooit ongelegen om Hem hunne nooden te klagen, hunne behoeften bekend te maken, hunne zonden te belijden.
Ja! zij hebben den toegang, den vrijen toegang tot hunnen hemel-schen Vader.
Doch, let wel! door Christus. Hij is de Middelaar. In en door Hem heeft hunne verschijning voor \'s Heeren aangezicht plaats. Hij, de waarachtige God en waarachtige en rechtvaardige mensch tevens, Hij heeft voor allen, die gelooven en zullen leeren gelooven. aan het recht Gods voldaan en eene eeuwige verzoening teweeggebracht. Daarom zijn zij in hunnen Borg Gode dierbaar. En is er bij ons van nature geen berouw over de zonde, geen schuldbesef, geene belijdenis van ongerechtigheid, geen begeerte om in Gods gunst hersteld te worden, tenzij bewerkt door den Heiligen Geest, die werking des Goddeliiken Geestes blijven wij noodig hebben. Zij alleen zijn kinderen Gods, die door den Geest Gods geleid worden. Door dien Geest gaan wij door Christus tot den Vader. Door dien Geest, welke het ware leven wekt en onderhoudt in onze harten, hebben wij gemeenschap met Christus in den hemel en zoo toegang tot den Vader.
Niet te waardeeren is het voorrecht, dat wij, die den eeuwigen dood hebben verdiend, zoovelen wij door Gods genade gelooven, door Christus den vrijen toegang weten te hebben tot den Vader door éénen Geest.
Ons dan onderzocht, of wij dit gaan tot God waarlijk kennen!
Van nature zijn wij er vreemd aan. En zoo heerlijk en zegenrijk
223
224 30 mei.
het leven in de genadige tegenwoordigheid Gods, zoo vreeselijk het leven buiten den Heere.
Zij onze bede maar veel: o God! leid ons door Uwen Geest tot Uwe gemeenschap.
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar zijn vrees in woont;
\'t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden,
Naar zijn vreeverbond, getoond.
D\' oogen houdt mijn stil gemoed
Opwaarts, om op God te letten;
Hij, die trouw is, zal mijn voet.
Voeren uit der boozen netten.
Psalm 25: 7.
Lezen: Joh. 10: 1—18. — Gal. 4: 1—7. — Efeze 2; 11—22.
J. C. KLOMP.
30 MEL
Romeinen 8: 14 — 17: Want zoovelen, als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door ivelken wij roepen: Abba, Vader!
Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
En, indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods, en mede-erfgenamen van Christus; zoo wij anders met Hem lijden, opda,t ivij ook met Hem verheerlijkt worden.
Welk een groot gewicht wordt, blijkens den dagtekst, door Pau^ lus aan de inwoning van den Pinkstergeest gehecht! Wie toonen, dat zij door dien Geest geleid worden, bewijzen daardoor kinderen Gods te zijn, bezitten daarin van dat kindschap het kenmerk. Met hoeveel tekort dezulken telkens weer tot hunnen God hebben te komen, zij leven niet meer naar de inspraken van het onherboren hart, maar dooden, door dien Geest, de werkingen des lichaams.
Kind Gods te zijn! Heerlijk denkbeeld! Moet Paulus niet gevoeld hebben: „hier is vastheid noodigquot;? Hoe zal hij er zich daarom over verheugd hebben, dat die grondslag hier niet behoeft te ontbreken! De apostel wijst er de geloovigen op, waar hij hunne aandacht vestigt op den in hen wonenden Geest. Deze toch was niet een Geest, die hen.
30 MEI.
met betrekking tot den Volzalige, in een toestand plaatste als van den slaaf tegenover zijn meester, maar in dien van het kind tegenover zijn vader. Hoe rijk aan troost, hoe vast, hoe Godverheerlijkend is deze grondslag!
En schijnt deze \'sHeeren kinderen nog niet vast genoeg, dan vinden zij zich nog een tweeden grond van gewisheid geboden, in de getuigenis van den Heiligen Geest, die, met het nieuwe levensbeginsel daarbinnen getuigende, telkens weer allen twijfel aan hunkindschap bant.
Heilige verborgenheid in het zieleleven van Gods kinderen ! Hoe juist vergeleek een Godgeleerde haar eens bij den naam uit de Openbaringen, „dien niemand kent, dan die hem ontvangtquot;! O, onuitsprekelijke zaligheid door het hart gesmaakt, dat de verzekering hoort „gij zijt Gods kindquot; en den zielsblik vestigt op het vergezicht hier geopend! Het kind des vaders is immers diens erfgenaam? Welk eene verwachting, tot zuo hoogen rang verheven, straks van\'s Heert n heerlijkheid deelgenoot te zijn!
Ieder, die deze verwachting heeft, zegge met Paulus: „het lijden dezes tegenwoordige!! tijds is niet te waardeeren tegen de heerlijkheid, die straks zal geopenbaard worden!quot;
De leiding des Heiligen Geestes; verzuime niemand er zich aan te toetsen om te weten, of de Geest van het Pinksterfeest al dan niet de Leidsman op de levensreize is! En ontvingtgij vrijheid om „Abba, Vaderquot; te roepen, o, wil het nimmer vergeten, dat uw lichaam een tempel des Geestes is!
Den Hei\'gen Geest zy eer en prijs!
Hij wil, door godlijk onderwijs,
Ons in zijn waarheid leiden.
Hij, van ons erfdeel \'t onderpand,
Hij wil ons, door zijn eigen hand
Ten hemel toebereiden.
O. Geest van God! bestuur ons hart.
Verbeter ons, troost ons in smart.
Schenk moed en kracht in lijden!
Zoo zullen wij, door U geleid,
Eens in volmaakte zaligheid Ons eindeloos verblijden.
Gezang 2 : 4.
I.ezen: Psalm 25. — Rom. S: 12—27. — 1 Petr. 1.
225
P. F. VAN DEN NIEUWEN HUIZEN.
15
DAGBOEK.
31 MEI.
31 MEI.
Handelingen 2; 42a: En zij warm volhardende in de leer der apostelen.
In de christelijke gemeente van de eerste helft der eerste eeuw onzer jaartelling werd vol genoten van de gemeenschap der heiligen. Als broeder en zuster van hetzelfde huis leefden zij, samensprekende over de belangen hunner ziel, over de heerlijke dingen van het Koninkrijk Gods, over hun Heere en Christus.
Het was geen volmaakte gemeente. Daar werden er ook toen in Jeruzalem gevonden, die den naam hadden, dat zij leefden en zü waren dood. Het werd zoo duidelijk openbaar in die treurige geschiedenis van Ananias en Safflra.
Hot was ook geen gemeente van volmaakten. De ware leden zullen de eersten geweest zijn om te bekennen, dat er bij hen meer ellende werd gevonden en openbaar werd, dan zij uit konden spreken. Maar de ware kinderen Gods ontmoetten elkander hier, konden elkander opbouwen, dienden elkander in de liefde, zonder door hooge kerkmuren gescheiden te zijn. De Heilige Geest is op die broeders en zusters nedergedaald en deze verbindt hen aan den Heere Christus en aan elkander en doet hen tevens volharden bij het allerheiligst geloof, dat hun gegeven is. Deze doet volharden bü de leer van apostelen en profeten.
Die leer was de leer des kruises, den Jood eene ergernis, den Griek een dwaasheid.
De Joden zullen dikwijls getracht hebben hen af te trekken van dezen vasten grond. De wereldwijzen zullen hun mond niet gehouden hebben. De duivel roerde zich en koningen en overheden zochten hen door belofte en dreiging afvallig te doen worden. Maarzij volhardden bij die leer. Zij zullen wel veel gesproken hebben over het Woord Gods, dat de apostelen verkondigden en zullen wel onderzocht hebben telkens weer, of die dingen alzoo waren.
Hoe meer wij Gods woord onderzoeken, des te wonderbaarder wordt ons deze gave. Het volk, dat, gebogen liggende over dat dierbaar getuigenis, roept om licht en kracht, is onoverwinnelijk. Och, mochten wij dit toch telkens bedenken! Hoe licht kan het in bestrijdingen der ziele niet worden, wanneer wij onzen troost zoeken in het woord! Dan is het soms, of de Heere zelf spreekt. Dan bepaalt Hij ons menigmaal by een enkel woord, waarop wij vroeger niet zoo gelet hebben en het wordt ons gegeven als een scherp wapen legen den duivel en de wereld, als een staf in de hand. En welk
1 JUNI.
een voorrecht is het om over die waarheden der Schrift te spreken met elkander!
De Heere wil de broederen gebruiken tot elkanders vertroosting. De Heere geve ons dikwijls de genade gezamenlijk ons te scharen rondom het geschreven Woord, totdat wij het levende Woord zien van aangezicht tot aangezicht.
Leer mij, o Heer! der. weg, door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren.
Geef mij verstand, met godlijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht m\\jn ziel ook dwaalt,
Dan zal zich \'thart met mijne daden paren.
Psalm 119: 17.
Lezen: Handelingen 2: 32—einde. — Ps. 119: 129—152. — 1 Cor. 13.
F. F. J. VAN DE PLASSCHE.
I JUNI.
Handelingen 2: 47ö; „En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden.quot;
Velen verwonderen er zich volstrekt niet over, dat in Jeruzalem, na den Pinksterdag, voortdurend nieuwe scharen kwamen tot waarachtig geloof. Welk eene kracht ging er niet uit van de bezielende prediking van Petrus! Welk eene aantrekkelykheid had niet de jeugdige gemeente!
En toch, \'tis de Heer alleen, die Zijne kerk op aarde uitbreidt. Neen, „niet door kracht, niet door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden,quot; is des Heeren woord. Alleen door de almachtige werking des Heiligen Geestes kan het hart des zondaars worden verbroken, alleen door Zijn licht de duisternis der zonde weggenomen, alleen door Zijn vuur de bij aanvang verloste gelouterd.
Gelukkig, dat de uitbreiding der gemeente, de komst van het Godsrijk niet een werk is van menschen, maar van den Heer alleen. Wij hebben nu niet te wanhopen!
Laat de tegenstand toenemen, laat de vijandschap feller worden, Christus houdt zijne kerk niet slechts in stand, maar Hij zal haar ook uitbreiden door Zijn woord en door Zijnen Geest.
In de dagen der apostelen „deed de Heere cto/eZyTcs tot de gemeeu-te, die zalig werden,quot; maar Hij doet dit ook in onzen tijd. Velen
227
228 2 juni.
durven er aan twijfelen. En zijn er, die klagen, alsof er geene gemeente des Heeren op aarde meer is, en zij zonderen zich afin hunnen kleinen kring en zuchten: Wij zijn alleen overgebleven!
Is het wel wonder, dat wij niets bespeuren van den zegen des Heeren, als wij ons in de eenzaamheid opsluiten?
Moet het ons geboodschapt worden, wie de knieën niet voor Baal buigen, maar voor Jehova?
Als rondom ons henen geen enkele droppel regen valt, kunnen dan niet elders waterstroomen over het dorstige land worden uitgegoten ?
Als wij gelooven in den Heiligen Geest, dan moeten wij ook ge-looven, dat er dagelijks zijn, die zalig zcordew. En daarover moeten wij ons verblijden, maar dit zal dan alleen mogelijk zijn, wanneer wij niet ons zeiven rekenen tot de kudde des Heeren, niet geteld worden door menschen tot de leden der Christelijke kerk, maar door den Heere zijn toegevoegd tot de gemeente, die zalig wordt.
Is het zoo reeds bij ons?
Zingt, gij afgelegen landen!
Zingt, gij verste volken! zingt;
Jezus reikt u zelf de handen;
Volken, hoort! zijn heilstem dringt
Ook in \'teinde tot u door;
Al wat leeft dank Hem daar voor.
Ja, wij zien ontelbre scharen Luistren naar zijn liefdestem.
Hier beschaafden, daar barbaren,
Vrijen, slaven dienen Hem;
Dalen, rijst! zinkt, bergen, neer!
Baant den weg voor onzen Heer!
Gezang 155: 1, 3.
Lezen; Psalm 67. — jland. 2; 37—47. — 1 Cor. 3.
G. SPIJKERBOER.
2 JUNI.
Handelingen 3: 6: En Fetrus zeide: Zilver en goud. heb ik niet; maar het geen ik heb, dat geef ik u: in den naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel!
Het goud en zilver, zoowel als \'t vee op duizend bergen, is des Hee-
229
ren. Zijn wettig eigendom en eerste recht te mogen erkennen, is\'t voorrecht van sommigen; velen zien dit eigendomsrecht voorbij, geheel voorbij en doen niet met hunne goederen naar de wille van den Eigenaar, naar uitwijzing van Zijn Woord, maar naar eigen lust en zijn van oordeel, dat het „zilver en goudquot; er is, niet om Gods wilie tot Zijn eer, maar alleen voor hun genot en hunne eer of ook om zaken te doen.
Daarom hebt ge het, in ons gevallen geslacht, dat men er zich op beroemt goud te hebben en zilver en anderen beoordeelt naar den staat der kas. In dien kring van gedachten beteekenden Petrus en Johannes niet veel, omdat ze moesten zeggen: Goud en zilver heb ik niet.
\'tis met alle dingen in dit leven, als met water en vuur, die, naar het zeggen der ouden, goede knechten, maar slechte /ieerewzijn. \'t Bezit der dingen is een weldaad, als genade er den mensch heerschappij over doet hebben; maar „zilver en goudquot; te missen is niet een ernstig gemis, omdat men daarbuiten wel gelukkig kan zijn in Zijn God en een zegen kan zijn voor anderen; ware het anders, Petrus en velen van Gods lieve discipelen waren te beklagen.
Onze apostelen waren geen „mannen van geld,quot; doch mannen des geloofs en der liefde. De Heere wekt deernis in hunne harten, zoodat ze sterk op dezen man, op dien arme, moeten zien; de Heere geeft Zün bevel en geloof, door den Heiligen Geest, tot genezing van den kreupele.
Petrus heeft een bevel van Zijn Jezus, den verhoogde, en spreekt: Sta op en wandel en steekt hem vast de hand toe in volle overtuiging, dat zijn Jezus alles doet, wat Hem behaagt en door Zijn woord zijne kracht mededeelt en verheerlijkt.
Dat heeft Petrus, dat bevel én de genade des geloofs én die der barmhartigheid tegenover den jammer van dezen Enos of Lazarus en hij geeft het hem. De man is er wèl bij gevaren.
\'t Is alzoo niet erg geen man van geld te ztfn, \'tis niet zoo belangrijk het wél te weten, of wij zeggen moeten: zilver en goud heb ik niet, of heb ik wél.
Moeten we daarentegen zeggen: geloof en liefde (over het echte gaat het!) heb ik niet, \'k heb geen God voor mij zei ven en dus de rechte kracht ten zegen voor anderen niet, dan zijn we te beklagen en staat ons ernstig te bedenken, dat de Heere genade geeft, dien, die ze van Hem begeert.
God doet wonderen aan en door mannen en vrouwen des geloofs en der barmhartigheid en daarom zij het onze eerste bekommernis in Christus te zü\'n om ten zegen te wezen.
3 JUNI.
„Hoort Mij,quot; zei Ik toen,
„Onder u betnigen,
„Wat gij hebt te doen;
„Och! dat Israël „Zich op mijn bevel Onder Mij wou buigen!
„Opent uwen mond;
„Eischt van Mij vrijmoedig,
„Op mijn trouw verbond;
„Al wat u ontbreekt,
„Schenk Ik, zoo gy \'t smeekt,
„Mild en overvloedig.
Psalm. 81: 9 en 12. Lezen: Hand. 3 —Mattb. 6; 25—34 — Matth. 6: 19—24.
D. M. BOONSTRA.
3 JUNI.
Handelingen 5: 41: Zij dan gingen heen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om zijns naams wil smaadheid te lijden.
In dezen tekst is van Petrus en andere Apostelen sprake. De haat tegen Jezus had den Hoogepriester bewogen, de discipelen in de gevangenis te sluiten, doch de Engel des Heeren had de deuren geopend, hen uitgeleid, en hen bevolen in den Tem^pl te getuigen. Hiermede hielden de Apostelen zich bezig, toen de Hoogepriester hen voor zich daagde, nadat hij hen eerst te vergeefs in den kerker had laten zoeken. Alzoo voor den Hoogepriester en den raad, die inmiddels was bijeenverzameld, geplaatst, spraken de Apostelen van het geloof, dat in hen was en predikten Jezus, den gekruisten, maar óók den verhoogden Heiland, duidelijk daarbij aanwijzend de schuld van de mannen, voor wie zij stonden. In woede ontstoken, beraadslaagde men hen te dooden, doch Gamaliel raadde aan hen te lacen gaan, want, zeide hij: indien deze raad of dit werk uit menschen is, zoo zal het gebroken worden, maar indien het uit God is, zoo kunt gy dat niet breken; opdat Gij niet misschien gevonden wordt ook tegen God te strijden. Na hen gegeeseld te hebben, lieten zij de Apostelen gaan.
Hoe onbillijk de handelwijze, waaraan deze laatsten hadden blootgestaan. Wy zouden het ons kunnen begrijpen als zij misnoegd en rnur-
230
4 JUNI.
mureerende waren heengegaan. Hoe geheel anders is echter hunne stemming. Blyde, verheugd is hun hart, want immers, zij hebben het kunnen toonen, hoe lief zy hun Heiland hebben. Voor Hem hebben zij alles over; en dankende ontvangen zy de slagen, die hun rug met bloed bedekken. Jezus toch heeft zooveel voor hen overgehad, zouden zy dan niet alles voor Hem over hebben?
Zullen zij het dan geen voorrecht achten, om Zijns naams wil smaadheid te lyden?
Welk een geloof, welk eene liefde, welk eene overgave! Hoe staat het met ons ten dezen opzichte. Door Gods genade kunnen wij alleen zoover komen.
Zijn Geest schenke ons dit voorrecht, en make ons begeerig naar zulk eene liefde, als waarvan de Apostelen blijken gaven.
\'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen,
Uw waarheid \'tallen tijd vermelden door mijn reen.
Ik weet, hoe \'tvast gebouw van uwe gunstbewijzen.
Naar uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen;
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken.
Zoo min zal uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
Psalm 89: 1.
Lezen. Handel. 16: 16—31. — Ps. 68: 12—21. — Marcus. 4: 30—34.
M. A. VAN RHIJN.
4 JUNI.
Jesaia 56: 2: Welgelukzalig is de mensch, die zulks doet, en des menschen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zoodat hij dien niet ontheiligt, en die zijne hand beivaart van eenig kwaad te doen.
Vrucht der wedergeboorte is, dat een inenschenkind begint te vragen, welke de goede, welbehagelijke, volmaakte wille Gods zij. Zie het maar bij Saulus op weg naar Damascus. Die wille Gods is geopenbaard in Zijn heilige wet, en die wet bevat ook een voorschrift voor den sabbat en wel in het vierde gebod. Als Jesaia spreekt van den sabbat houden, dan wil dit nog iets meer zeggen dan een rusten na zesdaagsche vlijt, dan hebt gy niet alleen uw winkel te sluiten, maar ook uwe ooren te openen voor wat de Heere des sabbats u uit en door Zijn woord te zeggen heeft; dan hebt gij, wel is waar, te rusten van uw werk, maar daartegenover ijverig bezig te zijn in de
231
4 JUNI.
dingen van het Koninkrijk Gods; dan hebt gij niet slechts de onderlinge bijeenkomsten in het huis des Heeren getrouw bij te wonen, maar ook te zoeken, te bedenken en te betrachten de dingen, die Boven zijn en niet die op de aarde zijn.
Daartoe komt het niet, voor en alleer gij uw sabbat leert beschouwen als een gave uws Gods, een goedheid van den Alzegenaar, dan, maar ook niet eer, ziet gij in, dat hec u volstrekt niet vrij staat om op dien dag te doen en te laten, wat gij nu eens wilt of niet wilt, maar dat gij u stiptelijk hebt te houden aan de ordinantiën uws Gods. De sabbat hier beneden is dan ook een stille voorbereiding voor dien daar Boven in den tempel van Gods glorie alwaar de eeuwige sabbat aanvangt en gij altijd met den Heere zult zijn.
Die den sabbat houdt, is naar Jesaia\'s Godsspraak welgelukzalig. Heil u, zoo ge dit inziet, en genade zal het z;jn, zoo gij er iets van moogt kennen by eigen ervaring, want van nature komt een men-schenkind er niet toe, en voor niet weinigen is de Zondag helaas een ware zondedag, waarop men wel geen vrede vindt voor de arme ziel, maar toch heel wat zingenot. Dat genot is echter niet onvermengd, doch dit wordt eenvoudig niet ingezien. David begreep het beter, toen hij zong: „Wat vree Heeft elk, die Uwe wet bemint, zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten.quot; Wat voor het kind der wereld eene onmogelijkheid is, blijkt voor het kind van God een waar genoi: te zijn; hij toch noemt gaarne den dienst des Heeren een liefdedienst, die hem nog nooit heeft verdroten en allerminst op den sabbat, juist, omdat deze hem beeld en profetie is der eeuwige sabbatsrust in het Kanaan der ruste, alwaar eene ruste overblijft voor al het volks Gods.
Moge zoo iedere sabbat, die aanbreekt, u daarheen wijzen en welbesteed worden in den dienst des Heeren. O, weet het wel. Hij, de Heere, die u Zijn sabbat gaf, is het zoo overwaardig, het komt Hem zoo toe, dat gÜ dien houdt, en gij zijt het zoo duur verplicht, dat gy niet alleen alle de dagen uws levens van booze werken viert, maar ook en vooral den sabbat heilig houdt. Dan brengt de Sabbat u een zegen van Godswege, dan voert hij u hooger op en vormt u voor de eeuwigheid, en dan smaakt uwe ziel bereids een heerlijke vrucht der wedergeboorte.
Mijn ziel! herdenk met heilig beven,
Hoe God, met majesteit bekleed,
Zijn wet op Horeb heeft gegeven.
Daar Hij deez\' woorden hooren deed:
„Gedenkt en viert met vee en magen „Den sabbat na zesdaagsche vlyt;
„God schiep \'t heelal in zooveel dagen „En heeft den sabbat zich gewijd!
232
5 JUNI.
Och, of wij uw geboon volbrachten!
Gena! o hoogste Majesteit!
Gun, door \'t geloof in Christus, krachten,
Om die te doen uit dankbaarheid.
Tien Geboden des Heeren vs. 1, 5, 9.
Jesaia 58; 11—14. — Ezechiel 20: 11—21. — Hebreen 4: 1—11.
H PEIJKES.
5 JUNi.
Hand. 7: 56: Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des men-schen staande ter rechterhand Gods.
Opmerkelijk, overal elders wordt van Christus gesproken als zittende ter rechterhand Gods. Deze uitdrukking is dan ook overgenomen in de 12 artikelen des geloofs. Doch hier is het: staande. De reden heeft reeds Gregorius de Groote aangegeven, als hij zegt: zitten is de zaak van den Rechter en Heerscher; staan van den Strijder en Helper. Bij zitten denken wij dus aan de majesteit en glorie van den ten hemel gevaren verheerlijkten Heer, van waar Hij eenmaal komen zal om te oordeelen; bij staan aan Zijne trouwe hulp.
En dien trouwen Helper aanschouwde Stefanus, als hij vermorzeld werd door de steenen zijner vijanden, met den blik des geloofs. Die vyanden zagen niets; al wenschte deze martelaar in zijn: „Heere, reken hun deze zonde niet toequot; voor hen, wat Eliza te Dothan voor zijn jongen bad. Later is deze bede voor een hunner vervuld (Saulus). Gelukkige Stefanus - ook bij zijn schrikkelijk lijden. Hij was de eerste, die stierf om het Christelijk geloof, en op vreeselijke wijze de waarheid ondervond van \'sHeeren profetie: zij zullen U vervolgen. Maar niet minder ervoer hij de heerlijkheid Zijner belofte; Ik ben met u.
Mü\'n lezer, indien gy een kind Gods zijt, hebt gij weieens te klagen over smaad van menschen, haat van vyanden, achteruitzetting om uwe belijdenis, hoewel uw lijden lang zoo erg niet is als dat van den eersten martelar. Al ziet gij, juist daarom, dan ook niet de hemelen geopend en Christus staande ter rechterhand Gods gereed om u te helpen, geloof dan toch dat uw Heer in den hemel voor u bidt, voor ii waakt, voor u zorgt, opdat uw geloof niet ophoude. Wees er van verzekerd, dat Hij, hoever naar het lichaam van u verwijderd, toch met Zijn geest en genade steeds by u is en dat Hij, die met
233
234 6 juni.
ii is, meer is dan allen, die tegen u zijn en laat dit geloof uw kracht zijn bij allen tegenstand.
Wat een onderscheiden gevolg heeft toch de eene prediking in vergelijking van de andere. Petrus predikte op den eersten Pinksterdag en 3000 werden bekeerd, Stefanus predikte niet minder vurig en krachtig — en algemeene woede ontstond er. Hier weerstond men den Heiligen Geest. Wij willen gaarne reeds hier de overwinning van • ons geloof aanschouwen, doch dit gunt ons God nietaltyd; maar ook dan moeten wij gelooven, dat Christus gereed staat ons en Zijne Gemeente te helpen en Hij haar en ons op Zijn tyd en Zijne wijze zal redden en de overwinning geven.
Treedt stout door \'tijslijk schrikdal heen Der schadmve des doods;
Vreest daar geen kwaad. Ik ken die paan.
Ik zal daar bij u zijn.
Ja, Zijn verbond staat eeuwig vast.
Zoo staat geen berg, geen rots;
En toeft Hij al. Hij kent Zijn tijd.
Hij komt, Hij komt gewis.
Gez. 13: 4, 7.
2 Kon. 6: 8—23. — Luc. 21 : 12—22. — Hand. 7 : 44—60.
J. S. TICHELMAN.
6 JUNI.
Handelingen 8: 39c; Hij reisde zijnen weg met blijdschap.
Blijmoediger dan hij naar Jeruzalem gekomen was, keerde de Kamerling van de Koningin van Candacé naar het Moorenland terug.
Vanwaar die blijdschap? Was zij een vrucht van zijn doop ? Was het, omdat hij nu behoorde tot de volgelingen van Jezus van Nazareth? Maar immers eene indompeling in het water alleen kon hem den waren vrede des gemoeds niet geven. En in Jeruzalem had hij wellicht gezien en gehoord, hoezeer de volgelingen van Jezus werden gehaat, mishandeld en vervolgd. Zijne eer zou er niet door vermeerderen. Neen, zijn geloof, zijn hartelijk geloof in den Heere Jezus Christus was de oorzaak van zijne blijdschap, was zijne blijdschap zelve. Hij erkende den Heere Jezus als den Zoon van God, en geloofde in Hem als in zijnen Verlosser en Zaligmaker. Gelijk de H. Geest Filippus tot den Kamerling gebracht had, zoo ook bracht dezelfde Geest den
7 JUNI. 235
Kamerling tot Jezus. Door geene ongeloovige redeneeringen liet hij zich terughouden. Hij achtte zijne zonde niet te veel, want hij zag op den rijkdom der liefde van Christus, die hem verkondigd was. Hy twijfelde niet aan \'s Heeren gewilligheid. Hij vroeg niet, of hij wel tot het getal der uitverkorenen behoorde. Hij sprak niet over zijne onmacht om te gelooven. Hij stond niet angstvallig en twijfelmoedig van verre. Het innerlijk gevoel zijner ziel drong hern tot Jezus te gaan en te zeggen; Ik geloof. Ja, hij geloofde, en nu vond hij iu Jezus meer dan hij had kunnen vermoeden, nu vond hij in Jezus alles: vrede, gemeenschap met God en zalige vertroosting. Filippus mocht van hem zijn weggenomen; dit verstoorde zijne blijdschap niet. De gemeenschap met zijn Heiland was hem meer waard dan de tegenwoordigheid van \'s Heeren dienaar. Het onderwijs van den H. Geest gaf hem meer dan het uitnemend onderwijs van den Jeruzalemschen diaken geven kon. Hij gevoelde zich door koorden van geloof en liefde nauw en innig verbonden met zijn Zaligmaker, en reisde zijn weg met blijdschap.
Waarom reizen wij zoo weinig onzen levensweg met blijdschap ? Het is, omdat wij zoo weinig gemeenschap oefenen met den Heere Christus, en het licht van \'s Heilands liefde in onze ziel verdonkeren door zonde en ongeloof. Willen wij onzen weg met blijdschap reizen, dan moet ons hart nabij den Heere zijn.
Wat blijdschap smaakt mijn ziel.
Wanneer Ik voor U kniel In \'t huis, dat Gij U hebt gesticht!
Hoe Hef heb ik uw woning.
De tent, o Hemelkoning!
Die G\' u ter eer, hebt opgericht.
Psalm 26: 8.
Lezen; Hand. 8: 26—40. — Jes. 54. — I\'s. 116.
S. KALMA.
7 JUNI.
Handelingen 9: 11amp;: „Want zie, hij bidt.quot;
Wij allen weten, waar en wanneer dit woord werd gesproken. Het is een getuigenis des Heeren tot Ananias, om daarmede te kennen te geven, dat de alom gevreesde vervolger van de gemeente des Heeren uit den dood was overgegaan tot het leven.
7 JUNI.
„Want zie, hij bidt. Dat moest voor Ananias een onbedriege-lijke toetssteen zijn, dat Paulus, al was het nog maar aanvankelijk, uit de duisternis gekomen was tot het licht. Een goed werk was in Paulus begonnen door Hem uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn. Zijn bidden was er een bewijs van. Genade deed hem bidden. Wel had hij te voren als Farizeër veel gebeden,maar met dat al was hij dood voor God gebleven, en was op hem van toepassing het woord des Heeren: „Ik weet uwe werken, dat g!j den naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood.quot; Maar, nadat de Heere hem had levend gemaakt op den weg naar Damaskus, ving het ware bidden aan, en werd aan hem ook bevestigd; „Wanneer God een mensch bekeert, dan begint hij te bidden.quot; Dan spreekt ons zulk een bidden van de worsteling van één, die door den Ontfermer is gegrepen, maar die thans nog het woord der verzoening moet leeren grijpen door het geloof. Zulk een bidden verkondigt ons de aanwezigheid van het nieuwe leven, dat uit God is, en dat, hoe zwak en gering ook, toch een eeuwige, onvergankelijke kracht bezit. Zulk een bidden teekent ons den geestelijken mensch, die uit God geboren is, die met den tollenaar de oogen niet ten hemel durft opheffen, die smeekt om genade en geen recht. Bij zulk een is de dageraad van een nieuwen morgen aangebroken uit den nacht der zonde en des doods. Zulk een gebed is de noodkreet eener ziel om redding, is een roepen uit de diepten der zonden tot Hem, diein Christus vergeving schenkt, en in dezen Middelaar den zondaar wederom in genade aanneemt. Want, wie zóó bidt, als Saulus van Tar-sen deed, die verootmoedigt zich, diens ziel buigt zich neer door de verschrikkingen Gods, die ervaart, dat \'t vonnis van een heilig en rechtvaardig God over elke gestalte der zonde in hem geveld wordt. Zulk een gebed kan alleen opklimmen uit het gemoed, door schuldbesef getroffen en verslagen.
Wanneer de heiligheid Gods zich aan den zondaar openbaart, wordt ook in de ziel die heilige bekommering geboren, die zich uitspreekt in Davids belijdenis: „Ik ben bekommerd van wege mijne zonden.quot; Dan heeft de zondaar den dood in zichzelven leeren vinden, en ziet uit naar het leven. Alleen van een van zonde overtuigd zondaar kan getuigd worden: „Want ziet, hij bidt.quot; Wie zóó bidt, toont reeds niet meer dood te zijn, maar te leven. De levenwekkende adem des geestes is heengevaren door de dorre doodsbeenderen. Het nieuwe leven is geboren, al is het nog maar de eerste, zwakke ademhaling. Dan is zulk een gebed de bedding, langs welke de genadestroom de ziel zal toevloeien, opdat\'t schemerlicht uitbreke tot het volle, heerlijke licht.
Zulk een bede wordt ook eenmaal gewisselijk verhoord. God laat
237
niet varen de werken zijner handen. Maar de voltooiing van \'t werk van Gods genade geschiedt op het gebed van den ontwaakten zondaar. In \'thart van zulk een bidder, van zulk een worstelaar om het leven, daalt zeker eenmaal de vrede des gemoeds, die gevolg is van ontvangen genade en den jubelzang doet uiten: „Ik leef, maar nietmeer ik, maar Christus leeft in mij.quot;
Uit diepten van ellenden Roep ik met mond en hart.
Tot U, die heil kunt zenden :
O Heer, aanschouw mijn smart;
Wil naar imjn smeekstem hooren;
Merk op mijn jammerklacht;
Verleen mij gunstig\' ooren,
Daar \'kin mijn druk versmacht.
Hoopt op den Heer, gij vromen!
Is Israël ia nood.
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gansch Israël eens vrij
Van ongerechtigheden.
Zoe doe Hij ook aan mij 1
Psalm 130: 1, 4.
Lezen: 51. — Psalm 130. — Hand. 9: 1—18.
H. L. A. FEIJKES.
8 JUNI.
Jesaja 44: 8: Ik zal icater gieten op de dorstigen en stroomen op het droge; Ik zal mijn Geest op uw zaad gieten en mijn zegen op uwe nakomelingen.
Ziet daar een belofte van rijken zegen. En de Belover is niemand minder dan de getrouwe, de almachtige, de genadige Verbonds God. Wat Hij belooft, zal Hij doen, want Hij wil het, dewijl Hij barmhartig en Hij kan het, dewijl Hij almachtig is.
Water op de dorstigen. Dit is heilige beeldspraak, van welke vooral de oude profeten zich meermalen bedienden. De bedoeling is duidelijk. Dorstigen, daarmede worden aangeduid die menschen, die met David
238 8 juni.
kunnen zeggen: mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God. Het zijn de door Gods Geest overtuigden van zonde, gerechtigheid en oordeel, die het leven niet in eigen hand hebben, maar zich arm, ellendig, jammerlijk en ontbloot weten. Zulk een was de boetvaardige zondaresse, die weenend en snikkend aan Jezus\' voeten lag, de tollenaar, die met neergeslagen oog, op de borst slaande, bad: o God, wees mij zondaar genadig! Aan dezen belooft de getrouwe God en Zaligmaker, op Wiens woord men staat maken kan, een overvloed van genade, van heil en van vrede. Zij zijn de kleinen, tot wie de Heere zijn hand zal wenden, de nederigen, die door Hem zullen worden verhoogd, de armen, die rijk zullen worden in barmhartigheid.
Stroomen [.op het droge. Dat zegt eigenlijk hetzelfde, maar dieper opgevat. Het gevoel van ellende grooter, en de genade rijker. Hoe grooter onze ledigheid is, des te overvloediger zal de Heere ons begenadigen.
Lezer! wie zijt gij? Kent gij li als een droge, dorre aarde voor God? Is het bij u om en om verloren? Zijt gij in u zeiven een onvruchtbare boom? En veroorzaakt dit u smart en leed en nood, zoo dat gij voor den Heere moet weenen en treuren en klagen? Welaan, grijp de belofte vast. De Heere zegt: Ik zal, Ik zal. En doen zal Hij het. Uw heil ligt in Zijn hand, uwe zaligheid is zeker. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou;
Mijn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zoo daalt zijn kracht op u in .zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer.
Psalm 27: 7.
Lezen: Joel 2: 23—32. — Luc. 10: 1—10. — Psalm 111.
S. DIJKSTRA.
239
9 JUNI.
Handelingen 12 : 1: En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te handelen.
Twaalf jaren zijn heengegaan, sedert de uitstorting des Heiligen Geestes. De bloeitijd der Jeruzalemsche gemeente is voorbij, een bange tijd brak aan. Maar, wat wtj dikwijls betreuren en beweenen, en vaak niet zonder recht, dat geeft later stof tot hartverblijding; zoo ook hier.
Herodes! het noemen van den naam is voldoende om u te doen huiveren en niets goeds te doen verwachten. Een Herodes was de Bethlehemsche kindermoorder; een Herodes deed des Doopers hoofd vallen, en nu deze, kleinzoon van den eerste, neef van den tweede: de verstoorder der eerste gemeente.
Eeeds is Jacobus, „Zoon des dondersquot; met het zwaard onthoofd; Petrus gevangen; aan meerderen de hand geslagen. Het waren de dagen der ongehevelde brooden, lijdenstijd in de gemeente des Heeren, maar, gelijk aan het feest der opstanding de dag des kruises voorafgaat, zoo gaat het ook hier door lijden tot verhooging. Herodes mag vrij woeden; hij vermag evenwel niets. De Heilige Geest uitgestort, werkt in de gemeente; maakt levend; bidt in hare leden naar God. Tegenover den goddeloozen koning alzoo die godvruchtige, biddende schaar (vs. 5).
Hoe liefelijk zulk een Pniël. „Een biddende gemeente kan God niet afslaan,quot; zeide Chrysostomus. Heerlijk is dan ook de gebedsver-hooring 1 De Heere, die Jacobus tot Zich nam, verloste Petrus op wonderbare wijze uit den kerker. Herodes komt om en heeft een el-lendigen dood en in hem is het te zien, hoe vreeselijk het is voor den zondaar te vallen in de handen van den levenden God.
En de slotsom is: „het Woord Gods wies en vermenigvuldigde.quot; Ook hier leest men de spreuk: het bloed der martelaren is het zaad der kerk.
Zoo weet de Heere uit den nacht van zonde en lijden, het licht der verlossing te doen rijzen.
Laat dus in tijden van lijden en smart, van nood en dood oog en hart naar Boven gericht zijn. Hij, die gezegd heeft: „roep Mij aan in den dag der benauwdheid en Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eerenquot;, vervult nog altijd dat woord der belofte.
10 JUNI.
In God is al mijn heil, mijn eer,
Mijn sterke rots, mijn tegenweer;
God is mijn toevlucht in het lijden.
„Vertrouw op Hem, o volk, in smart;
„Stort voor Hem uit uw gansche hart;
„God is een toevlucht te allen tijde.quot;
Psalm 62; 5.
Lezen: Hand. 12. — Psalm 62. — Psalm 27.
W. VAN SIJOIEN.
10 JUNI.
Jeremia 10: 23: Ik iveet, o Heer\', dat bij den mensch zijn iv eg niet is; \'tis niet bij den man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
Met deze vaste wetenschap komt de godsman Jeremia heden tot ons. — De toekomst ligt in mijn hand, ik moet mijn eigen weg maken ; ik moet fortuin maken, zoo redeneert telkens de vleeschelijke mensch. Alles heb ik in orde, alles verzorgd; \'tkan niet missen, van een goeden uitkomst ben ik zeker. —
Begint gij mogelijk dus den dag? Jeremia dacht er anders over. De ervaring slaat zoo gedurig al onze verwachting in het aangezicht. Als wij den avond van een dag hebben bereikt, hoe menigmaal heeft die ons dan juist het tegendeel gebracht van al onze schoone verwachting. Dat had ik niet kunnen denken, niet kunnen verwachten! \'t Is waar, maar menigeen heeft ook niet willen weten, dat bij den mensch zijn weg niet is; \'tis niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. — \'t Gaat niet aan, zelfs niet voor één enkelen dag, onzen eigen weg te maken; dwaasheid is het, ons eigen lot te willen regelen. —
Afwenden, wat God ons beschikt, quot;t is, hoe vermetel wij ook denken en spreken, toch onmogelijk. God alleen bepaalt weg en doel. Armzalig de verwaande voorstelling van het vleesch; allertreurigst de gedurige teleurstelling. Wij hebben, ook voor heden, wat anders noodig, dat veiligheid en rust geeft.
Vooreerst, dat wij geleerd hebben niet langer eigen meester te willen zijn, maar ootmoedig gestemd door Gods genade, te mogen ervaren; de Heer heeft mijn voeten gericht op den weg der gerechtigheid des levens in Jezus Christus. Maar is dit aanvankelijk het geval, het komt er dan ook op aan, telkens en telkens den Heer te vragen,
i,
11 juni. 241
dat wij niet alleen den rechten weg mogen weten, maar van Hem
1 i ij
genade ontvangen om in dien weg bestendig te volharden. De Heer
moet bü eiken stap onze voeten en enkelen vastmaken, opdat wij ji\'lj
niet struikelen.
Zoo volkomen waar zegt het lied:
Ik kan mij zelf geen wasdom geven,
Niets kan ik zonder U, o Heer!
In uw gemeenschap kiemt er leven En levensvolheid meer en meer.
\'t Is zoo noodig iederen dag, in diepen ootmoed voor \'s Heeren aangezicht ons te stellen, met al ons voornemen, onze ondernemingen,
onze belangen. Hoe lager bij den grond, op de knieën, des te veiliger.
De diepte voert naar boven. Wil, Heer, mij \'t ware heilsspoor wijzen! —
Maar beginnen wij dan ook den dag, om voort te gaan tot den middag,
en te reiken tot den avond, dat wij ons telkens en telkens tot Hem wenden. Die zegt: „die tot Mij komt, dien werp Ik niet uit.quot;
O, Heer! mijn rotssteen, mijne sterkte!
Gij hebt mij steeds tot heil verstrekt,
En in den strijd, daar \'telk bemerkte,
Mijn hoofd als met een schild bedekt.
Psalm. 140: 7.
Lezen : Ps. 147. — Ps. 143. — Kom. 8: 28—39.
C. J. BRYCE.
I
II JUNI.
Mattheüs 11: 12: En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe, wordt hel Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de ge-loeldigers nemen hetzelve niet geteeld.
Na Maleachi was er onder Israël geen profeet opgestaan. Het Woord des Heeren was schaarsch. Toen dan ook Johannes de Dooper optrad, en na hem de Heere Jezus, kwamen groote scharen uit Judea en Galilea om hunne prediking te hooren. Hoe zal er gedrongen zijn, geworsteld, geweld gedaan om in de eerste rijen te komen, ten einde hunne woorden te hooren, en vooral om de wonderen des Heeren gade te slaan! Christus heeft voorzeker, dat tooneel van strijd en worsteling ziende, deze woorden uitgesproken.
dagboek. 16
Üïl)
w
11 JUNI.
Dikwijls wordt van zulk een geweld doen om het Koninkryk der hemelen binnen te gaan, gewaagd; nu eens is het strijd om in te gaan, en straks wordt er gesproken van de hand aan den ploeg slaan. Wie dan ook door den Heiligen Geest is aangegrepen, kan niet stil zitten, maar moet zyns zelfs zaligheid uitwerken, juist, omdat hü gelooft; het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Zij, die dan ook met ernst, met gebeen, Gods aangezicht zoeken, hebben in dit woord eene r^jke belofte. Zalig, die het heimwee hebben want zij zullen thuis komen heeft eens iemand treffend gezegd. Welgelukzalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden, en hier: de geweldigers nemen hetzelve met geweld. Er wordt niet gesproken van eenigen leeftijd, van veel of weinig geweld, alleen staat er geschreven: de geweldigers nemen hetzelve met geweld. Vergeten wij het echter niet: zij ook alleen.
Hoevelen gaan dezen dag op naar het huis des gebeds.
Bij hoevelen is het heden: laat ons den rustdag wijden.
Hoe weinigen echter zijn er, die geweld doen, die ernst maken met de zaligheid hunner ziel.
Er wordt dikwijls geklaagd over weinig zegen, dien men geniet onder de prediking of by het lezen der Heilige Schriften. De oorzaak daarvan hebben wij te zoeken hierin, dat er zoo weinig geweld wordt geoefend, gestreden op de knieën. Misschien zijn er ook, die met den gewijden dichter klagen: Ik heb den Heere langverwacht. Welnu, dit woord belooft het u, dat gij eens met dienzelfden dichter blijmoedig zult kunnen getuigen: maar Hij heeft zich tot mij geneigd.
Komt, laat ons samen Isrels Heer,
Den rotssteen van ons heil, met eer,
Met Godgewijden zang ontmoeten;
Laat ons zyn gunstrijk aangezicht Met een verheven lofgedicht
En blyde psalmen juichend groeten.
Psalm 95: 1.
Lezen: Matth. 11; 1—15. — Matth. 5: 3—16. — Coll. 3: 1—14.
P. BOKMA.
242
12 JUNI.
12 JUNI.
1 Petrus 1; 18, 19; Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;
Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraf-lijk en onbevlekt Lam.
Een treurige, diep treurige toestand in banden te verkeeren.
Vraag het den galeislaaf, wat dit beteekent en gij ontvangt een woord zóó droevig, dat ge tot diep medelijden wordt genoopt.
Hoeveel is er niet geschreven en gesproken over de vrijmaking der slaven om dezen te redden uit hun diep ellendigen toestand.
En niet zonder gelukkige uitkomst.
Maar er is een toestand, treuriger dan die van den galeislaaf, ellendiger dan die van den slaaf in Amerika.
Het is de toestand van den zondaar, die gevangen zit in de macht van Satan, die daar verkeert onder den toorn van een rechtvaardig God.
De toestand van den galeislaaf is voor een tijd, maar de toestand van den gebondene in de macht van Satan is voor tijd en eeuwigheid.
Welk een heerlijke prediking is dan de prediking van den Apostel der hoop aan de verstrooide Christenen!
De prediking niet van tijdelijke, maar van eeuwige redding, van redding, niet door zilver en goud, niet door tijdelijke dingen, (die vergaan, maar door het bloed, het dierbaar bloed van Christus, hetwelk eene eeuwige waardü heeft.
Eene prediking, wier inhoud tot in eeuwigheid de stoffe zal uitmaken van alle verlosten, om er den Drieënigen God voor te loven en te prijzen.
Want toch, door geen ander middel, heeft het Gode behaagd de Kerk zalig te maken, door geen ander rantsoen konden Gods kinderen vrijgekocht worden.
Als onder het Israël van den ouden dag de zonde verzoend moest worden, moest daarvoor een lam dienen, volkomen afgezonderd van de kudde, en daarom heilig, opdat het bloed van zulk een volkomen en heilig lam, de zonde zou bedekken voor Gods heilig aangezicht. Niet, dat het in het bloed van dat lam zat, maar alleen in zooverre het symbool was van het bloed van Immanuël.
En daarom zou eenmaal, in de volheid des tijds, voor alle Gods
243
244 13 juni.
uitverkorenen van alle eeuwen, de zonde worden verzoend, de schuld betaald, dan moest de Christus Gods Zijn bloed, en in Zijn bloed, Zyn leven geven tot volkomen bedekking, tot volkomen verzoening.
En Gode zij dank, die verlossing heeft plaats gehad.
Maar, waar het nu op aankomt is dit, dat ook wij verzekerd zyn van deel te hebben aan die verlossing.
Dat geeft alleen vrede, dat schenkt alleen rust.
Dan kunnen wij getroost leven, dan kunnen we eenmaal zalig sterven.
Zonder de wetenschap, dat Hij ons gekocht heeft met Zijn bloed en verlost, blijft het harte onrustig, blikt de toekomst donker tegen.
Met die wetenschap mag men blij vertrouwen, dat God zal leiden door Zijn Raad en daarna opnemen in heerlijkheid.
Wie vet is eet, en knielt voor Isrels Heer:
Wie \'t stof bewoont, bukt mede voor Hem neer,
En wie zijn ziel bij \'t leven nu niet meer
Heeft kunnen houden.
Het vrome zaad van die op God betrouwden Zal, door zijn kracht,
Hem dienen; voor Hem leven;
Het zal den Heer eens worden aangeschreven In \'t nageslacht.
Psalm 22: 15.
Lezen: Jesaia 53: i—12. — Hebr. 9: 11—28. — 1 Petr. 1: 13—25.
H. VAN GRIETHUIJSEN Azn.
13 JUNI.
Mattheus 7: 13a: Gaat in door de enge poort.
De poort, die leidt naar het Jeruzalem, dat boven is, is eng, zóó eng, dat niet een iegelijk er door kan treden. Om er te kunnen doorgaan moet men gansch zijn ontkleed, moet men gansciizijn ontbloot van alle eigengerechtigheid.
Zoo kunnen zij er dan niet door, die zeggen van zich zeiven, ik ben rijk en verrijkt geworden, en ik heb geen dings gebrek; zij niet, die zich hebben bekleed met een kleed, dat zü zeiven hebben vervaardigd uit eigen goede werken, uit deugden, die echter geen deugden zijn voor God en daarmede meenen den hemel te kunnen verdienen. Die allen zijn zóó groot, dat de poort voor hen te eng is.
13 JUNI.
Maar weet gij, voor wien die poort niet te eng is? Voor hem niet, die daar gebogen gaat onder zijne zonden, die zich verootmoedigt over zijne ongerechtigheid, die op al zijne werken den dood heeft leeren schrijven en het gevoelt, dat hij is een ellendige, een overtreder van alle de geboden des Heeren, maar die nu tevens uitziet naar Jezus, en op dien Jezus alleen zijn verwachting, zijn hope heeft leeren bouwen.
Maar dat pak der zonden dan, kan dat dan ook door die poort ? Gy hebt, mijn lezer, wel eens gehoord van de pblgrimsreize van Bunyan. In dat boek is een plaat, waarop gij Christen ziet afgebeeld, zwaar gebogen onder den grooten last zijner zonden. Maar, daar komt hü aan een plaats, waar een kruis is en daarbenevens een graf, en zoodra heeft Christen die plaats niet bereikt, of de last valt van zijne schouderen weg in de geopende groeve. Zie, zoodra de zondaar bij Jezus komt, zyn die zonden geen beletsel meer, maar neemt Jezus ze af. Jezus, die ze voor hem reeds droeg aan Zijn kruis.
Lezer, slechts nog één vraag. Kunt gij ook door die poort? O, zalig zijt gij, als uw antwoord „jaquot; mag wezen, maar wee u, als het „neenquot; luiden moet, gü zoudt voor eeuwig buiten zijn, en eeuwige ellende uw deel wezen.
Wanneer de Heer uit \'svijands macht,
\'t Gevangen Zion wederbracht En dat verlost\' uit nood en pijn,
Scheen \'tons een blyde droom te zijn.
Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven \'s Heeren naam en zongen Toen hieven zelfs de heid\'nen aan:
„De Heer heeft hun wat groots gedaan.quot;
Die hier bedrukt met tranen zaait,
Zal juichen, als hij vruchten maait.
Die \'t zaad draagt, dat men zaaien zal,
Gaat weenend voort, en zaait het al;
Maar hy zal, zonder ramp te schromen.
Eerlang met blijdschap wederkomen En met gejuich, ter goeder uur.
Zijn schoven dragen in de schuur.
Psalm 126: 1, 3.
Lezen: Lukas 13: 23—30. — Matth. 10 : 32—39. — Matth. 16: 21—28.
H. A. HEIJER.
245
246
14 JUNI.
Mattheüs 25: 1 — 4: Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom te gemoet.
En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.
Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geene olie met zich.
Maar de wijzen namen olie in hare vaten, met hare lampen.
De gelijkenis der tien maagden spreekt van een bruiloft, en van een bruidegom, die door haar aan den avond van den eigenlijken bruiloftsdag met lichtende lampen moest ingehaald worden, waar hij zijne bruid naar zijne eigene woning voerde Vijf, de wijze, hadden de behoorlek met olie gevulde lampen brandende; de andere, de dwaze, hadden verzuimd hare lampen in gereedheid te hebben, en werden daarom niet toegelaten tot de bruiloft. — Een beeld, van wat in de kerk des Heeren bij Zijne wederkomst zal worden gevonden, als Hij zijne uitverkorene Bruid, als eene door Hem toebereide maagd Zijnen Vader voorstellen zal. Dan zullen er zijn, die in den weg der boetvaardigheid, der bekeering en der heiligmaking, door Hem ten leven zijn gekomen; maar daarentegen ook, die door lichtzinnigheid, ongeloof en vleeschelijke gerustheid achterlijk worden bevonden en niet ten leven zullen kunnen ingaan.
Overwegen wy nu onze gelijkenis verder, dan merken wij het volgende op:
De lamp is het beeld van ons wezen. De olie is, wat uit den Heiligen Geest in ons moet gevonden worden; de vijf wijze maagden, de aandraagsters van wat die olie (/oede olie doet zijn ; de dwaze maagden, het beeld van de listige omleidingen en krachten des Satans, die van liet Licht der waarheid verre, doen blijven.
Uw levenslamp, lezer, moet gevuld zijn met die olie, die de eerste der vijf maagden aandraagt, welke wy noemen behoefte. Vol toch van zonde als wij zijn, zijn wij ledig voor God; en wij weten niet eens, dat wij arm zijn en ellendig, ja, blind en naakt. Wij voeden onze ziel met wat geen brood is, en doen arbeid om wat niet verzadigen kan. Alleen een recht geestelijk inzichtervan, en dit ontstaat uit den Heiligen Geest, doet ons schijn van wezen, maar ook wezen van schijn onderscheiden; en dan, ja! dan voelen wij behoefte, dat het anders, dat het juist omgekeerd bij ons worde als het was, en niet langer de wereld met haar klatergoud ons versiere, maar de Heere zelf met de gaven Zijner genade het hart vervulle. — Doch, zijn wij
247
het waard, dat die behoefte, waar zij gevoeld wordt, worde voldaan? Immers neen! wij hebben alles verzondigd en daarom mag bijdeoZie der behoefte, die van ootmoed, waren, ongeveinsden ootmoed, die de tweede der wijze maagden aandraagt, niet ontbreken. De verbrokenen van hart toch en de verbrijzelden van geest; die zijr; het, die God niet verachten zal. Doch, hoe goed ook, onze levenslamp kan niet anders dan flauw branden, zoo de pittigheid des vertrouwens, die de derde maagd aandraagt, ontbreekt. Wat toch is een Christen zonder vertrouwen op den Heerquot;? Het is als een schip zonder roer, dobberend op de fel ontstoken baren; als een huis zonder fondament. En „in vertrouwen immersquot;, de Heere zelf zegt het, „in vertrouwen op Hem, den levenden God, door den zoendood Christi henen, zal alleen onze sterkte zijn.quot; — Maar, vragen wij weder, kan de liefde ontbreken, die de kostelijke nardus is in de flesch, welke Gods kinderen te plengen hebben over het heilig reukaltaar? „Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen!quot; Zie, hoe ijverig zij die komt aandragen, die, als de vierde der wijze maagden, ook haar aandeel van olie gieten wil in onze levenslamp! Maar de vijfde dei-wijze maagden is geenszins de minste te achten, waar zij tot ons nadert met de olie des Gebeds. Wat is een mensch toch, wat is een Christen zonder-gebed! En daarentegen: hoe rijk gevoelt zich Gods kind, als het tot hem, als eenmaal tot Hanna, Samuëls moeder, mag heeten; de God Israels zal u de beden geven, die gij van Hem gebeden hebt! Ja, „alle ding, die gij biddende begeertquot;, zegt Jezus, „ge-loovende zult gij ontvangen.quot;
Vrienden des Zaligmakers! als gij die uit zulke vijf kostelijke bestanddeelen gestooten olie hebt, — en God geve haar u, — zal uwe levenslamp steeds brandende en gij van de genadige tegenwoordigheid uws Hollands u voortdurend bewust zijn! Ziet toe, dat de onzinnigheid der dwaze maagden geen vat op u krijge en gü door tiaagheid eens zoudt blijken achtergebleven te zijn, ten dage als uw Heiland komt. Eigenwijsheid en eigengerechtigheid, eigenwaarde, eigenliefde en eigenkracht: deze vijf (de treurige beeltenis der dwaze maagden) och, brengt ze nu, brengt ze dagelijks, brengt ze als machten, die gü haat, omdat God ze in u haat; brengt ze voor de voeten van Jezus, en Hij, de Bruidegom en Losser uwer ziele, zal u geven door Zü\'ne genade, dat gij gestadig wandelen moogt in Zijn lieflijk levenslicht !
Waak, Christen! vvaak, blijf in \'t geloof.
Dat niemand u die kroon ontroov\'.
Gedraag u man\'lijk, wees kloekmoedig
In \'s Heeren aanbevolen werk,
14 JUNI.
248
Standvastig, onbeweeg\'lijk, sterk,
Volijv\'rig, altijd overvloedig:
Uw arbeid zal in onzen Heer Niet ijdel wezen; Hem zij d\'eer!
O God! sta met uw\' Geest ons bij,
Opdat dit alles in ons zij,
Steeds meerder in ons word\' bevonden;
Dan znllen wij met waar gevoel Het heilig, U betaamlijk doel
Van \'t groot verlossingswerk doorgronden.
Och! dat ons zoo de jongste dag Niet ledig, niet onvruchtbaar zag.
Gezang 77: 1 en 4. Lezen Matth. 25: 1—13 — Joh. 3: 17—36. — Jesaia 60.
W. H. J. BAART DE LA FAILLE.
15 JUNI.
Genesis 22: 14amp; : „De Heere zal het voorzien!quot;
Wonderbaar woord des geloofs, door Abraham gesproken, toen hy naar het land Moria toog, om daar, op Gods bevel, zynzoonlzak te offeren.
„De Heere zal het voorzien!quot; — sterre der hope in zoo menig donkeren nacht des lijdens, in zoo menig bangen weg van angst, rouw en smart. Wy zien vaak niet anders dan wolken en donkerheid, wanneer wij de toekomst indenken. Vreeze sluipt menigwerf ons harte binnen, wanneer we denken aan ons dagelijksch brood, om met God en eere door de wereld te komen; angstige bezorgdheid maakt zich van ons meester, als we een geliefd pand voor onze oogen zien wegkwijnen. Het is ons zoo eigen, dat wij willen regeeren in plaats van achter den Heere, onzen God te zyn en Hem de teugels van het wereldbestuur, maar ook van het leven en het lot van ons en de onzen toe te betrouwen. Wat baat het murmureeren tegen de wegen en leidingen zijner Voorzienigheid? Ons heil en onze troost bestaan immers daarin, dat wij, in allen nood en dood, onze toevlucht nemen tot den levenden God.
Om ons hiertoe te brengen snydt Hü in zyne wijsheid en liefde vaak alles bij ons af. Dit te mogen verstaan, en hierdoor tot Hem te mogen worden gebracht, dat reeds is zaligheid.
16 JUNI.
Denkt eens terug met Asaf, denkt eens aan vroegere dagen , aan de jaren van ouds. Heeft de Heere niet trouw voor u gezorgd van kindsbeen af aan; heeft Hij u ooit verlaten? Zou zü\'ne hand nu dan verkort wezen om hulp, om uitkomst te geven ? Leeft Elia\'s God niet meer? Wordt het ook nu nog niet ondervonden, dat Hü aan elk, die Hem verbeidt, trouwe houdt in eeuwigheid? Houdtu dan, tegen alles in, aan Hem, aan het woord zijner genade, aan Zijnen Christus, en Hij zal Isrels ervaring ook de uwe doen zijn: „Op uw noodgeschrei, deed Ik groote wonderen.quot;
Maar laat het uwe allereerste zorg zijn Christus te bezitten, om in Hem te hebben vergeving der zonden, dagelijksche reiniging in Zijn bloed. Dan — hoe het ook ga — dan zullen u alle dingen medewerken ten goede (Rom. 8: 28). Alle dingen: ook het kruis, dat gij hier hebt te dragen; de tranen, die gij vergiet over uwe kernverdorvenheid, en het niet-blijven in de geboden Gods; ja, zelfs de dood moet daartoe medewerken, want hij is de wagen van Elia, die u overvoert in zalige gewesten, waar gelooven in aanschouwen wordt verwisseld.
„De Heere zal het voorzienquot;, ook daarin, dat in uwe laatste ure de Heilige Geest het verlangen krachtig in u doe zijn: „Kom, Heere Jezus! Kom haastelü\'k!quot;
Men blijv\' eerbiedig God verbeiden,
En zwijg\' den Heer ootmoedig stil;
Hij zal ons naar Zijn\' raad geleiden,
\'t Is goed en heilig, wat Hü wil;
Vertrouw het aan Zyn wijsheid vrij,
Hy weet, wat elk het nuttigst zij.
Gezang 17 ; 3.
Lezen : Genesis 22 : 1—18. — Hebr. 11: 8—19. — Psalm 33.
249
K. HAVINPA.
16 JUNI.
Rom. 8: 316: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen\'? Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Zoo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Ja, wie ter wereld? Van welken vijand is dan ook meer het geringste gevaar te duchten? Wie moet dan niet onderdoen voor den Almachtige, die
250
niet tegen ons is, maar voor ons. Indien Hij voor ons is! Maar is dat zoo? Kunnen wij het er werkelijk voor houden? Is het te verwachten? Hebben wij er aanspraak op? Hebben wij het er naar gemaakt? Zijn wij zoo, met hart en ziel, voor God geweest, dat wij kunnen denken: Hy is naar recht zeker voor ons? Helaas!
Wij zijn van nature niet vóór Hem, maartegen; niet vriend, maar vijand. Want, hebben wij niet zijne wet overtreden? Zijn wij niet zeer veel meer voor ons zeiven dan voor Hem geweest? Hoe kan God dan vóór ons zyn, de Heilige en Rechtvaardige God? Heeft Hij niet alle reden tegen ons te zijn, en het ons te doen ondervinden?
Ja, buiten het offer van Golgotha hebben wij niets anders te verwachten èn voor deze èn voor de overzijde des grafs; en wel hebben we daarmee te rekenen; want, indien wij God tegen ons hebben, wat zal het ons baten, dat zelfs de geheele wereld vóór ons is? Wat zijn we dan diep rampzalig.
Toch, God is voor ons; Hij heeft zijne vijanden lief. Hü bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. In Hem schenkt Hij ons vergeving van zonden. In Hem steekt Hij ons een hand der vergeving toe. Zoo wij die hand hebben aangenomen, van heeler harte door het geloof in Christus, zijn wij met Hem verzoend. Niet als vijanden meer, maar als vrienden, ja, als zijne kinderen merkt God ons aan, die Hij erfgenamen van de eeuwige heerlijkheid heeft gemaakt. Ja, dan hebben wij God, den Almachtige, geheel en al voor ons, tot in eeuwigheid, en dan mogen wij rustig zijn en blijde! Hij zorgt en waakt voor ons als onze Vader, en brengt ons ten laatste binnen zijn Huis daarboven.
Dat is het onuitsprekelijk voorrecht der kinderen Gods. — Beproeven we ons dus wèl, of wij vóór zijn of tegen. Indien soms nog tegen, laat ons niet tegen blijven, geen oogenblik langer, maar tot bekeering komen. Indien wij God tegen hebben, we hebben het alléén aan ons zeiven te wijten, omdat wij Zijne Genade in Christus verwerpen. Want God wil zijn vóór ons! Hij leere ons bij aanvang of voortgang verstaan, welk een heil daarin ligt besloten, en ons doe door het oprechte geloof, ons zeiven met een verbroken hart daarin verblijden.
Uw goedheid, Heer! is hemelhoog;
Uw waarheid tot den wolkenboog;
Uw recht is als Gods bergen;
Uw oordeel grondloos; Gü behoedt.
En zegent menscb en beest, en doet Uw hulp nooit vruchtloos vergen.
Hoe groot is uw goedgunstigheid!
Hoe zijn uw vleuglen uitgebreid!
16 JUNI.
17 JUNI.
Hier wordt de rust geschonken;
Hier \'tvette van uw huis gesmaakt;
Een volle beek van wellust maakt Hier elk in liefde dronken.
Ps. 36: 2.
H. A. LEENMANS. Jr. Lezen; Psalm 3. — Psalm 23. — Jea. 12.
17 JUNI.
Joh. 14: 2: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anders zins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
Behalve de belofte des Heiligen Geestes, die de discipelen des Hee-ren in de Waarheid zou leiden, en die hun zou meedeelen een volheid van geestelijk leven, ontvingen zij ook, toen de Meester van hen scheiden ging, de heerlijke belofte van het huis des Vaders, waar Hij hun plaats ging bereiden. En die belofte van het Vaderhuis is daarom te heerlijker, omdat wij ons daarvan, eenigszins althans, een voorstelling maken kunnen. Al bestaat het hier op aarde ook nergens, omdat de zonde nergens is buiten gesloten, toch kunnen wy ons denken, een ouderlijk huis, waar liefde de band is, die allen samenbindt, waaide ouders leven voor de kinderen, en de kinderen voor de ouders, waar allen te samen leven om elkander gelukkig te maken, en waar niets ooit den vrede verstoort. Zóó nu zal het zijn, in het hemelsch Vaderhuis, op volmaakte wijze. De Vader is er alles in allen. Des Vaders wil is aller welbehagen. Geen wanklank der zonde wordt er immer gehoord. De Zaligheid is er volkomen. Allen zijn daar kinderen Gods, wier eenige lust is de grootmaking des Vaders, en de groot-making des Lams, eenmaal op aarde voor hun zonde geslacht.
In dat volzalige Vaderhuis ging de vernederde Menschenzoon de plaats zijner heerlijkheid weer innemen, en daar zou Hij ook plaats bereiden voor al de Zijnen. Niet alleen voor Zijne toenmalige disci-len en vrienden, maar ook voor al de lateren. Want in dat Vaderhuis zijn vele woningen. Er is plaats voor die gansche schare, die niemand tellen kan. Er is dus plaats ook voor ons. Heerlijke, troostvolle verzekering! Zien wij evenwel niet voorbij, dat de Heere Jezus ook gezegd heeft, toen Hy die heerlijke verzekering deed: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door Mij.quot; Alzoo is die belofte alleen, voor wie niet meer wandelen op
252
hun eigen weg, naar het goeddunken des vleesches, op den breeden weg der zonde en der wereldschgezindheid, waarop wij allen wandelen van nature, — maar voor hen wien Jezus Christus de Middelaar mocht worden, die hen met den Vader verzoende, terwijl Hij ook hun zondig hart vernieuwde door Zijnen levendmakenden Geest. Zijn deze dingen ons vreemd — o, vleien we ons dan met de heerlijke belofte van het Vaderhuis niet. Maar, leeren wij nu, in het heden der genade nog bidden om een nieuw hart, en nemen we, als arme zondaren, de toevlucht tot den eenigen Middelaar, die den verloren zoon niet afwijst, als hij terugkeeren mag, met droefheid naar God en die voortdurend blijft roepen: „Keert weder, gij afkeerige kinderen, en Ik zal uwe afkeeringen genezen.quot;
Zoo worde de belofte van het Vaderhuis, ook voor ons nog eene troostvolle belofte, gelijk zij dat is voor alle kinderen Gods.
\'k Zal dan gedurig by U zijn,
In al rayn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door uw raad,
O, God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid.
Opnemen in uw heerlijkheid!
Ps. 73: 12.
Lezen: Joh. 14; 1—6. — Hebr. 7. — Openb. 7: 13—17.
J. G. P. MULLER.
18 JUNI.
18 JUNI.
Johannes 8: 36: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.quot;
De zoon des konings, die 18 Juni 1815 op Waterloo\'s slagveld den Corsikaan weerstond, en de staatkundige vrijheid van het herboren Nederland, behooren als oorzaak en gevolg bijeen.
De Zoon des jnenschen, die den kop der slang vermorzelde, en de geestelijke vrijheid der wedergeboren kinderen Gods, hebben, als opperste Gever en hoogste goed, nog oneindig krachtiger eenheid. Jezus Christus is de ware bevrijder van een iegelijk, die gelooft. Adam\'s paradijs-neerlaag onttroonde den koning der schepping, den mensch, en verhief een rebel van buiten af, den Satan, op den wereldzetel. Doch hier-
18 JUNI.
toe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. Jezus\' heilig leven, Jezus\' verzoenend sterven ontwrong Satan de teugels van het wereldbestuur, en de vrije beschikking over de gegevenen des Vaders. De overwinnaar der Draak slaakte de banden der uitverkorenen.
De geloovigen zijn waarlijk vrij, vrij van Satan en zijn geweld. De geweldhebber dezer wereld siste en spuwde uit de volheid zijner daemo-nennatuur iets in het hart van alle kinderen der menschen. Die de zonde doet, is uit den duivel. Doch als de Zoon Gods den aan Satan ontrukten prooi vrijmaakt, dan gaat heel de duivelskapel in het men-schenhart tegen den grond, en op haar puinhoopen verrijst een tempel des Heeren. Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel.
De geloovigen zijn waarlijk vrij, vrij in beginsel van hun eigen vleesch met al zijn booze werkingen. Satan is niet slechts een geestelijke boosheid in de lucht. In de menschen, die hem dienen, is de Booze geïncarneerd, vleesch en bloed geworden. De wereld ligt in het booze. De onheilige menschenwereld bedreigt het geestelijk zieleleven der kinderen Gods van alle kanten. Doch hun geloof overwint de wereld. Die hen uit de wereld heeft uitverkoren, bewaart hen in de wereld. Christus\' Geest in hen is Christus\' garnizoen in de veroverde veste huns harten. De geloovigen zijn waarlijk vrij, vrij van de wereld en haar verleiding. De wereld ligt geketend in Satans boeien, en droomt van vrijheid. Gods kind staart op gebroken kluisters, en heft liederen der bevryding aan. O, Hoofd van \'shemels legermacht, drievoudige Bevrijder van driedubbele slaven! met U is geen aardsche vorstenzoon te vergelijken. Oranje verwon te Waterloo. Vrede zij zijner assche! Gij triomfeerdet aan het kruis. Glorie zij Uw naam!
Geef, Heer! den Koning uwe rechten.
En uw gerechtigheid
Aan \'s Konings zoon, om uwe knechten Te richten met beleid.
Dan zal Hij al uw volk beheeren,
Eechtvaardig, wijs en zacht;
En uw ellendigen regeeren;
Hun recht doen op hun klacht.
Psalm 72; 1.
Lezen; Jesaia 62. — Joli. 8; 23—36. — Gal. 5: 1—18.
Dr. F. J. LOS
253
254 19 juni.
19 JUNI.
Galaten 6: lb: Want, zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.
Aangrijpend woord eens de gemeente te Galatië toegeroepen en dat haar en ons nog immer wil zijn een onderwijzer, een prediker, een profeet en een rechter. De vluchtige mensch — leert dit woord — doet altijd en overal een ernstig werk. Hij zaait met woorden en daden, door al wat van hem uitgaat, zelfs door zijn zwygende tegenwoordigheid alleen. Want dat alles heeft beteekenis en invloed en macht op ons zeiven en op hetgeen ons omringt. En als hij zaait, doet hy dit, niet alleen voor dezen tijd, maar ook voor de eeuwigheid, waarvoor hy bestemd is. En deze zaaier voor tijd en eeuwigheid, hy zaait — dat predikt dit woord, — dat zal hy ook maaien. Tus-schen zaad en vrucht is een onafscheidelijk, onverbrekelijk verband. Leest men ook van den distel vijgen en van de doornen druiven ? Geen onkruidaalm bracht ooit een korrel tarwe voort. Hetzelfde, wat als kiem werd gezaaid, wordt eens honderdvoudig vermeerderd, als vrucht geoogst. Zoo kan dan uit het zaad de vrucht en hare aard voorspeld, en als dan nu al het gezaaide met hare vrucht tot twee soorten kan teruggebracht, tot een zaaien in het vleesch en een zaaien in den geest? Wat dan ? — Ernstige profetie dan — dewelke profeteert dit woord — „die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien; maar, die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.quot; Wij zijn bezig voor te bereiden en tegen te gaan, den oogst-tijd van één dezer beiden. Als wij dan dit woord als rechter over ons laten richten, hoe zou het vonnis moeten luiden, dat het over ons velt? Wat al dagen doorleefd zonder één enkele gedachte aan het werk des zaaiens, dat wij bezig waren te doen ! Wat al onkruid met vergiftigende vruchten door ons gezaaid, zelfs onbewust met ijdele woorden en ondoordachte daden! Wie moet niet sidderen, als hij acht geeft op zijn akker en \'tdoor hem gezaaide en dan denkt aan de vrucht, die hij maaien, die hy eens bovenal honderdvoudig oogsten zal? Neen, wat wü noodig hebben, het is bewaard te worden voor dien oogst, het is schulduitdelgende en hartvernieuwende genade, het is op en in dien vernieuwden akker des harten nieuw levenszaad. Dan nog blijft er te worstelen met het onkruid en den steenachtigen bodem en met de hitte des daags maar — de rechter, die ons richtte, werd ons dan ook een vriend, die ons troost.
„Die zaaiden met tranen, zij zullen maaien met gejuich.quot;
20 juni.
Heer! door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in \'tschuld vergeven;
Wie u aanroept in den nood,
Vindt uw gunst oneindig groot.
Heer! neem mijn gebed ter ooren;
Wil naar mijne smeekstem hooren;
Merk, naar uw goedgunstigheen,
Op de stem van mijn gebeên.
Leer mij naar uw wil te handlen,
\'k Zal dan in uw waarheid wandlen.
Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van uwen naam.
Heer, mvjn God! ik zal ü loven,
Heffen \'tgansche hart naar boven;
\'kZal uw naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid.
Psalm 86: 3, 6. Lezen: Luc. 16: 19—31. — Rom. 2: 1—11. — Rom. 8: 1—14.
H. van EYCK van HESLINGA.
20 JUNI.
Mattheüs 16: 24 : Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis en volge Mij.
Zoo iemand meent, dat dit woord des Heeren van weinig betee-kenis is, die heeft zeker nimmer de woorden goed gelezen, nog minder de beteekenis der uitdrukkingen waarlijk ingedacht en allerminst de werkelijkheid der uitspraak geplaatst tegenover den mensch, voor wien het bestemd is, want dan blijkt het, dat alles, wat hier wordt genoemd, in lijnrechten strijd is met wat zijne neigingen hem ingeven. Immers, die achter Mij wil komen, die, dat is het eerste, verloochene zichzelven, dat is, doe geheel afstand van zichzelven om onverdeeld het eigendom des Heeren te worden, en — de mensch wil alles liever laten varen dan het eigen ik. — Die, zoo volgt daarop, neme zijn kruis op en toone de waarheid der overgave, door vrijwillig te aanvaarden en blijmoedig te dragen al het pijnlijke voor het vleesch, dat er verbonden is aan of gepaard gaat met het eigendom van Jezus te zijn en dat wel als een kruis niet naar willekeur gekozen, maar juist, zooals het door den Heer wordt aangewezen en
255
256 20 juni.
— de mensch, hij zoekt tot eiken prijs, al wat pijnlijk is te ontwijken. — Die, zoo is liet slot, volge mij en toone den ernst van het Hem toebehooren door Hem alleen en in alles in woord en voorbeeld tot leidsman te kiezen, op wien men staart en — den mensch is de lust tot eigen weg kiezen zóó ingeschapen, dat hec woord „volgenquot; al genoeg is om hem af te schrikken. En toch, niets minder vraagt de Heer tot het volgen van Hem en zoekt Hij bij allen, die waarlijk zijn volgelingen zijn.
Zullen wij dien eisch te hoog noemen? Maar neen, iets daartegen inbrengen, wij mogen het niet, omdat Hij slechts vraagt, waarin Hij zelf is voorgegaan : dat verloochenen van zichzelven, dat zijn kruis opnemen, dat volgen van den wil des Vaders, dat zijngeheele verschijning doet zien en zijn toppunt bereikte op Golgotha. Zullen wij die voorwaarde onmogelijk noemen, omdat zij zoo moeielijk is? Dat is ze zeker, zelfs geheel onmogelijk, en toch, — zoo spreken, wij kunnen het niet, omdat Hij niets meer vraagt, dan waartoe Hij zeil: kracht schenkt door gemeenschap met Hem, zichzelven verloochenende, zijn kruis opnemende en volgende den wil des Vaders tot onze ver lossing, eene gemeenschap, die, waarlijk ervaren, den tegenstand doodi en de gezindheid wekt tot het bewandelen van dien weg. Zullen wij dan klagen, dat die weg zoo moeilijk is? Dat is hij zeker, dat zal hij ook blijven ten einde toe, — en toch, er afdoen, wij willen het niet, omdat hü niets eischt dan die dooding van zonde er vleesch, die ons doet smaken nu reeds bij en eens in volmaaktheid de zaligheid, die Hij, ioor zijne zelfverloochening, en door zijn zich schikken naar \'s Vaders wil, voor al de zijnen voorsmaak, heeft aangebracht.
Zalig! zalig, niets te wezen,
In ons eigen oog, voor God,
Eigen\' zin en lust te vreezen.
Steeds te rusten in ons lot,
Needrig, kinderlijk en stil.
Ons te voegen naar zijn\' wil.
Is ons zielverdervend eigen Nog zoo dikwerf ongezind.
Om zich tot dien wil te neigen.
Waar het hart maar rust in vindt;
Warp die trotschheid dan, o Heer!
Door uw\' Geest in ons ter neer.
Gezang 68; 1, 2.
Lezen: Matth. 16; 21—28. — Joh. 15: 1—10. — 1 Petr. 2: 21 — 25.
H. VAN DEN BIJTEL.
21 JÜNI. 257
21 JUNI.
Mattheüs 7; 24—27: Een iegelijk dan, die deze mijns woorden hoort en ze doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft;
En er is slagregen neder gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben geivaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.
En een iegelijk, die deze mijne ivoorden hoort en ze niet doet, die zal bij een dwaas man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;
En de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen en het is gevallen en zijn val ivas groot.
Ziedaar twee huizen, welke de Heer ons voor oogen stelt. Treft \'tu niet, welk een overeenkomst tusschen die twee woningen? Zoo voor \'toog verschillen ze niets. Men zou haast zeggen: of ik \'teene hier bewoon of \'t andere, \'tkomt op hetzelfde neer.
Twee huizen. De leermeester uit den hemel geeft zich zelfs niet de moeite om \'t uiterlijk van die huizen te omschrijven, wantzezijn gansch één; geen verschil van deuren, geen hoogere of lagere poort, geen venster meer of minder, geen kenteekenend kleurtje aan\'t een, geen blinkend verfje aan \'t ander. Neen, twee woningen naar\'t uitwendige geheel één.
Maar, zegt ge: „wie weet, welk verschil van lot en lotgevallen die huizen wacht?quot; Welnu, ook daarin geen verschil. Dezelfde beproevingen, dezelfde ervaringen doen beide huizen op. Het eene huis wordt doornat van den slagregen, maar \'tandere ook; \'teene wordt bestookt door waterstroomen, \'t tweede niet minder; straks komt de wind, die \'teene pand droogt, maar ook \'tandere wordt er van door-waaid. En slagregen én waterstroomen én wind, ze hebben \'t op het eerste huis voorzien, maar \'t tweede gaan ze evenmin voorbij.
En toch is \'t verschil oneindig groot. Want, ten slotte zegt Jezus aangaande \'teene: „en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrondquot; en omtrent \'t andere: „en het is gevallen en zijn val was groot.quot;
Welk een onderscheid dus! een onderscheid alleen te zoeken en te vinden in — het fundament.
Slechts het fundament verschilt! slechts het fundament! Maar
DAGBOEK. 17
22 juni.
dan toch ook weer het fundament. En daardoor bleef \'teene staan; en doordoor kwam \'t andere ten val.
Waarop bouwen wij? of liever nog: waarop zijn wij gebouwd?
Krijgt nu \'t woord van Paulus niet te meer beteekenis voor ons: „niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus?quot;
Bepalen we ons ten slotte tot de vraag: „maar wie is nu de voorzichtige man?quot; Zou hij \'t niet zijn, die de raadgeving van Jakobus ter harte neemt; „indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere!
Maar, Heer, wie is de man.
Die op \'t nauwkeurigst kan Zijn dwalingen doorgronden?
O, Bron van \'thoogste goed!
Wascb, reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.
Psalm 19: 6ö.
Mattheus 7; 13 enz. — 1 Corinthe 3: 9 enz. — Jakobus 1: 2—18.
J. H. GEZELSCHAP. Wzn.
22 JUNI.
Lucas 17: 5: Vermeerder ons het geloof.
De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Geloof is de band dei-gemeenschap met Christus, Die het leven is, het aanbracht voor, het mededeelt aan de Zijnen. Door het geloof wordt uit de volheid van \'s Heeren genade levenskracht en levenstroost geput. Indien het mogelijk ware, dat deze band verbroken werd, gij zoudt terugzinken in der. dood. Maar dan ook, naarmate deze band inniger is en vaster, zult gij levendiger zijn en krachtiger.
De toestand van den geloovige gaat op en neer met zijn geloof. Is het zwak, dan gaat hij bekommerd en beangstigd zijn weg, maalais het sterker is, wandelt hij moedig en blyde voort. Dat dit geloof hem zou worden ontrukt is onmogelijk, want het is het werk van God, en God zal voor Zijn eigen werk zorgen. Zijne genadegift en roeping is onberouwelijk.
Maar dit geloof wordt aangevochten, en daardoor wordt het vaak zoo geschokt. De kracht van het ongeloof is zoo sterk in het hart,
258
23 juni.
en zoo weinig is er noodig om des Heeren belofte en trouw te doen wantrouwen. Dat is de ervaring van ieder, die waarlijk het leven in God door Christus leerde kennen. Zelfs een Abraham, die tegen hoop op hoop geloofd heeft, moest dit ondervinden, en hoe dan zij, die wandelen in de voetstappen des geloofs van Abraham, maar ver achter hem. Dat drukt u zoo vaak neder, omdat gij niet ontkennen kunt, dat het zonde is, een miskennen van uwen God, Die immers Zijne beloften heeft gegeven, en Die deze ja en amen voor u maakte in Zijn Zoon.
Hoe tot die geloofskracht te geraken, die eenvoudig doet vertrouwen op den Heere, ook dan als het donker is en de bezwaren zoovele, schijnbaar zoo onoverkomelijk zijn?
Dat is alleen te vinden bij Hem, Die het geloof in u werkte. En tot Hem staat de toegang open. Zijne hand is niet verkort. Zijn oor is niet zwaar geworden. Hij kent u in uwe zwakheid. Hij weet uwe behoefte. Maar Hij is dan ook groot van erbarming. Hij wil u geven, al wat gij bohoeft, ook het blijven bij en het toenemen in dat geloof, waardoor gij alleen Gode kunt behagen.
Ik roep tot God. den Koning van \'t heelal.
Tot God, Die \'twerk aan mij voleinden zal.
Die van omhoog mij redt uit mijn ellenden;
En, hoe men woed\', mijn vijand brengt ten val,
God zal Zijn gunst en waarheid nederzenden.
Psalm 57: 2.
Lezen: I\'s. 33. — Jee. 50. — Hebr. 11.
P. C. VAN DER HORST.
23 JU M.
1 Samuël 2: 12, 26: Doch de zonen van Eli ivaren kinderen Btlials, zij kenden den Heere niet.
En de jongeling Samuël nam toe en werd groot cn aangenaam, heide hij den Heere en ook bij de menschen.
Welk eene scherpe tegenstelling ligt er in deze twee verzen! Wel waren zij van verschillende ouders; maar tóch woonden ze onder één dak, en ook over Hannas kind had vader Eli het toezicht.
Ook Samuël was door Eli opgevoed; want „het jongsken was zeer jong,quot; toen het onder het dak van Eli kwam; aan éénen disch at het en onder dezelfde leiding kwam het als Eli\'s jongens.
En töch,*welk een verschil tusschen Hofni en Pinehas en Samuël!
23 juni.
Natuurlijk lag voor een groot deel de schuld daarvan in opvoeding en karakter. Eli was de rechte vader niet; want zijn vermaan, met bloemzoet gezicht, maakte op zijne zonen niet den minsten indruk.
En hoewel de jonge Samuël in die omgeving leefde, hield de genade Gods hem staande. Zonder twijfel was die genade Gods werkzaam in het hart van den knaap in linnen lijfrok. Reeds vóór zijne geboorte was hy den Heere gewijd; na de geboorte was hij gedragen door de innigste gebeden eener godvreezende moeder, en gewend en gehoorzaam aan de tucht des Heeren.
Wanneer de vrome Harina telken jare uit Ramathaïm-Zoflm kwam, om haren zoon een door hare hand vervaardigden kleinen rok te brengen, wat zal zij dan dat kind wederom met heilige moederweelde aan haren boezem gedrukt hebben, met de innige bede voor zijn eeuwig behoud; met vurige smeeking, dat de Heere hem mocht bewaren, ook in die verpestende omgeving.
Ja, wie zal berekenen, hoe groot het aandeel der moeder geweest is in die lofspraak over dien jongeling, die „toenam en groot werd en aangenaam was bij den Heere en ook bij de menschenquot; en hoe groot, aan den anderen kant, ook het aandeel geweest is van Eli in het booze gerucht over zyne kinderen.
Van Hanna weten wij, dat zü veel en innig voor haar kind heeft gebeden; maar van Eli weten wij zulks niet. Zulke moeders echter zijn goud waard! Zulk eene moeder geldt voor honderd.onderwijzers.
Van Richard Cecil lezen we, dat hij in zijne jeugd zyn uiterste best gedaan had om een ongeloovige te worden, maar, dat hij nooit over de edele en welsprekende godsvrucht zijner moeder heen kon komen.
Heil, zulke moeders! Gezegend, zulke kinderen, die het in de ure der verleiding voelen aan de stem hunner consciëntie; mijne moedar bidt voor mij; die het weten: zij waakt nog en volgt mijne gangen in den geest, maar met innige worsteling om mijn behoud.
Mocht het u gegeven zijn zulk eene moeder te hebben, lezer of lezeres; en dan, onder de,genade des Heeren, moge ook van U geschreven staan: „hij of zij werd aangenaam, beide bij den Heere en bij de menschen.quot;
Welzalig hij, die in der boezen raad Niet wandelt, noch op \'t pad der zondaars staat,
Noch nederzit, daar zulken samenrotten,
Die roekeloos met God en godsdienst spotten Maar \'s Heeren wet, blijmoedig, dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
260
24 juni.
De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
En wendt alom het oog van zijn gena Op zmken, die, oprecht en rein van zeden,
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar \'t heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Psalm 1 : 1, 4.
F.ezen: 1 Sam. 1: 26 — 2: 10. — Jes. 49: 13—26. — 1 Sam. 2; 12—36.
D. G. POSTMA.
24 JUNI.
2 Corinthen 12: 10b : Want, als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
De leer der onmacht is, gelijk alle waarheden der Schrift, opzettelijk en onopzettelijk misverstaan. De wereld spot er mee, de satan bedient er zich van, de zondaar verschuilt er zich achter, maar de Christen roemt er in, de geloovige vindt er vertroosting bij: wie geen kracht heeft in zich zelf, wordt machtig in zijnen Heer.
Paulus is machtig geweest op verschillende wijzen.
Als hy, met het deksel op het aangezicht en den Christushaat in het hart, komt om de stille belijders van Jezus, die sidderen bij het gerucht van zijn nadering, op te zoeken en te dooden, meewihy, dat hij machtig is. Maar bij Damaskus leert hij wat anders. Ziet\', hij is verslagen, gebroken, vernietigd; als een kind wordt hij by de hand geleid, hij is blind, blind van het licht, dat hij zag, totdat het God, tegen Wien hij zich erger dan een Bileam had gesteld, behaagt hem op te richten en hem te onderwijzen Dan wordt hij, na langdurige voorbereiding, leeraar, evangelist, apostel. Dan is hij machtig. En welk een macht ontwikkelt hij nu! Nooit vermoeid, nooit zwak als andere menschen! Met heilige jaloerschheid vragen wij, als Delila aan Simson: „Verklaar mij toch, waarin uwe groote kracht zylquot;
De machtige apostel verklaart ons het geheim van de kracht zyner kracht: het is... zynezwakheid! Dat is het geheim van aZ Gods kinderen. Ze moeten strijden, maar, wee, als ze\'het doen met wapenen van hen zeiven, want hun eenige ware kracht ligt alleen in Hein, die hen als Zy\'n eigendom bezit. Alles, wat zij doen. doen niet zij, maar de genade Gods in hen. De Almachtige is hun macht, hun sterke toren, hun burg, hun schild, hun beukelaar. Alzoo moet het zyn, opdat de grond dei-zaligheid vast zij. Gods eeuwige trouw beteekent toch meer, dan onze
261
258
dan toch ook weer het fundament. En daardoor bleef \'teene staan; en doordoor kwam \'t andere ten val.
Waarop bouwen wü? of liever nog: waarop zijn wij gebouwd?
Krijgt nu \'t woord van Paulus niet te meer beteekenis voor ons: „niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus?quot;
Bepalen we ons ten slotte tot de vraag: „maar wie is nu de voorzichtige man?quot; Zou hij \'t niet zijn, die de raadgeving van Jakobus ter harte neemt: „indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere!
Maar, Heer, wie is de man.
Die op \'t nauwkeurigst kan Zijn dwalingen doorgronden?
O, Bron van \'thoogste goed!
Wasch, reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.
Psalm 19: 6ft.
Mattheus 7: 13 enz. — 1 Corinthe 3; 9 enz. — Jakobus 1: 2—18,
J. H. GEZELSCHAP. Wzn.
22 JUNI.
Lucas 17: 5: Vermeerder ons het geloof.
De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Geloof is de band dei-gemeenschap met Christus, Die het leven is, het aanbracht voor, het mededeelt aan de Zijnen. Door het geloof wordt uit de volheid van \'s Heeren genade levenskracht en levenstroost geput. Indien het mogelijk ware, dat deze band verbroken werd, gij zoudt terugzinken in den dood. Maar dan ook, naarmate deze band inniger is en vaster, zult gij levendiger zijn en krachtiger.
De toestand van den geloovige gaat op en neer met zyn geloof. Is het zwak, dan gaat hij bekommerd en beangstigd zijn weg, maar als het sterker is, wandelt hij moedig en blqde voort. Dat dit geloof hem zou worden ontrukt is onmogelijk, want het is het werk van God, en God zal voor Zijn eigen werk zorgen. Zijne genadegift en roeping is onberouwelijk.
Maar dit geloof wordt aangevochten, en daardoor wordt het vaak zoo geschokt. De kracht van het ongeloof is zoo sterk in het hart,
23 juni.
en zoo weinig is er noodig om des Heeren belofte en trouw te doen wantrouwen. Dat is de ervaring van ieder, die waarlyk het leven in God door Christus leerde kennen. Zelfs een Abraham, die tegen hoop op hoop geloofd heeft, moest dit ondervinden, en hoe dan zij, die wandelen in de voetstappen des geloofs van Abraham, maar ver achter hem. Dat drukt u zoo vaak neder, omdat gij niet ontkennen kunt, dat het zonde is, een miskennen van uwen God, Die immers Zijne beloften heeft gegeven, en Die deze ja en amen voor u maakte in Zijn Zoon.
Hoe tot die geloofskracht te geraken, die eenvoudig doet vertrouwen op den Heere, ook dan als het donker is en de bezwaren zoovele, schynbaar zoo onoverkomelijk zijn?
Dat is alleen te vinden bij Hem, Die het geloof in u werkte. En tot Hem staat de toegang open. Zyne hand is niet verkort. Zijn oor is niet zwaar geworden. Hij kent u in uwe zwakheid. Hij weet uwe behoefte. Maar Hij is dan ook groot van erbarming. Hij wil u geven, al wat gij bohoeft, ook het blijven bij en het toenemen in dat geloof, waardoor gij alleen Gode kunt behagen.
Ik roep tot God. den Koning van \'theelal.
Tot God, Die \'twerk aan my voleinden zal.
Die van omhoog mij redt uit mijn ellenden;
En, hoe men woed\', mijn vijand brengt ten val,
God zal Zijn gunst en waarheid nederzenden.
Psalm 57: 2.
Lezen; Ps. 33. — Jes. 50. — Hebr. 11.
P. C. VAN DER HORST.
23 JU 41.
1 Samuël 2: 12, 26: Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials, zij kenden den Heere niet.
En de jongeling Samuel nam toe en werd groot en aangenaam, beide bij den Heere en ook bij de menschen.
Welk eene scherpe tegenstelling ligt er in deze twee verzen! Wel waren zy van verschillende ouders; maar tóch woonden ze onder één dak, en ook over Hanna\'s kind had vader Eli het toezicht.
Ook Samuël was door Eli opgevoed; want „het jongsken was zeer jong,quot; toen het onder het dak van Eli kwam; aan éénen disch at het en onder dezelfde leiding kwam het als Eli\'s jongens.
En tf)ch,--welk een verschil tusschen Hofni en Pinehas en Samuël!
259
23 juni.
Natuurlijk lag voor een groot deel de schuld daarvan in opvoeding en karakter. Eli was de rechte vader niet; want zijn vermaan, met bloemzoet gezicht, maakte op zijne zonen niet den minsten indruk.
En hoewel de jonge Samuël in die omgeving leefde, hield de genade Gods hem staande. Zonder twijfel was die genade Gods werkzaam in het hart van den knaap in linnen lijfrok. Eeeds vóór zijne geboorte was hij den Heere gewijd; na de geboorte was hij gedragen door de innigste gebeden eener godvreezende moeder, en gewend en gehoorzaam aan de tucht des Heeren.
Wanneer de vrome Hatina telken jare uit Ramathaïm-Zofim kwam, om haren zoon een door hare hand vervaardigden kleinen rok te brengen, wat zal zij dan dat kind wederom met heilige moederweelde aan haren boezem gedrukt hebben, met de innige bede voor zjjn eeuwig behoud; met vurige smeeking, dat de Heere hem mocht bewaren, ook in die verpestende omgeving.
Ja, wie zal berekenen, hoe groot het aandeel der moeder geweest is in die lofspraak over dien jongeling, die „toenam en groot werd en aangenaam was bij den Heere en ook bij de menschenquot; en hoe groot, aan den anderen kant, ook het aandeel geweest is van Eli in het booze gerucht over zijne kinderen.
Van Hanna weten wij, dat zij veel en innig voor haar kind heefi; gebeden; maar van Eli weten wij zulks niet. Zulke moeders echter zijn goud waard! Zulk eene moeder geldt voor honderd.onderwijzers.
Van Richard Cecil lezen we, dat htj in zijne jeugd zijn uiterste best gedaan had om een ongeloovige te worden, maar, dat hij nooit over de edele en welsprekende godsvrucht zijner moeder heen kon komen.
Heil, zulke moeders! Gezegend, zulke kinderen, die het in de ure der verleiding voelen aan de stem hunner consciëntie: mijne moeder bidt voor mij; die het weten: zij waakt nog en volgt mijne gangen in den geest, maar met innige worsteling om mijn behoud.
Mocht het u gegeven zijn zulk eene moeder te hebben, lezer of lezeres; en dan, onder de.genade des Heeren, moge ook van U geschreven staan; „hij of zij werd aangenaam, beide bjj den Heere en bij de menschen.quot;
Welzalig hij, die in der boozen raad Niet wandelt, noch op \'t pad der zondaars staat.
Noch nederzit, daar zulken samenrotten.
Die roekeloos met God en godsdienst spotten Maar \'s Heeren wet, blijmoedig, dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
260
24 juni.
De Heer toch slaat der menschen wegen ga, En wendt alom het oog van zijn gena Op zulken, die, oprecht en rein van zeden.
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar \'t heilloos spoor der boozen zal vergaan.
Psalm 1: 1, 4.
f.ezen: 1 Sam. 1: 26 — 2: 10. — Jes. 49; 13—26. — 1 Sam. 2; 12—36.
D. G. POSTMA.
24 JUNI.
2 Corinthen 12; 10Ö: Want, als ik zivuk hen, dan ben ik machtig.
De leer der onmacht is, gelijk alle waarheden der Schrift, opzettelijk en onopzettelijk misverstaan. De wereld spot er mee, de satan bedient er zich van, de zondaar verschuilt er zich achter, maar de Christen roemt er in, de geloovige vindt er vertroosting bij: wie geen kracht heeft in zich zelf, wordt machtig in zijnen Heer.
Paulus is machtig geweest op verschillende wijzen.
Als hij, met het deksel op het aangezicht en den Christushaat in het hart, komt om de stille beladers van Jezus, die sidderen bij het gerucht van zijn nadering, op te zoeken en te dooden, meent hij, dat hij machtig is. Maar bij Damaskus leert hij wat anders. Ziet\', hij is verslagen, gebroken, vernietigd ; als een kind wordt hij by de hand geleid, hij is blind, blind van het licht, dat hij zag, totdat het God, tegen Wien hij zich erger dan een Bileam had gesteld, behaagt hem op te richten en hem te onderwijzen Dan wordt hij, na langdurige voorbereiding, leeraar, evangelist, apostel. Dan is hij machtig. En welk een macht ontwikkelt hij nu! Nooit vermoeid, nooit zwak als andere menschen! Met heilige jaloerschheid vragen wij, als Delila aan Simson: „Verklaar mij toch, waarin uwe groote kracht zü!quot;
De machtige apostel verklaart ons het geheim van de kracht zijner kracht: hetis... zijnezwakheid! Dat is het geheim van aZ Gods kinderen. Ze moeten strijden, maar, wee, als zejhet doen met wapenen van hen zei ven, want hun eenige ware kracht ligt alleen in Hein, die hen als Zijn eigendom bezit. Alles, wat zij doen, doen niet zij, maar de genade Gods in hen. De Almachtige is hun macht, hun sterke toren, hun burg, hun schild, hun beukelaar. Alzoo moet het zijn, opdat de grond dei-zaligheid vast zij. Gods eeuwige trouw beteekent toch meer, dan onze
261
262 25 juki.
wil en onze kracht, die verandert en vergaat! Als wij ons zei ven kennen, dan danken wij er voor, dat het alzoo is. Laten wij daarom be-geeren veel van onze kracht te verliezen, en onze macht te vinden in Israels God, die krachten geeft, daar, waar onze kracht ophoudt.
Alle roem is uitgesloten!
Onverdiende zaligheen Heb ik van mijn\' God genoten,
\'kRoem in vrije gunst alleen.
Ja, eer ik nog was geboren,
Eer Gods hand, dit alles schiep,
Iets uit niet tot aanzijn riep.
Heeft zijn liefde my verkoren:
God is liefd\', o Englenstem,
Menschentong, verheerlijkt Hem!
Gezang 38: 1.
Lezen; 2 Cor. 12. — Ps. 91. — Efeze 6: ]0—24.
F. W. C. L. SCHULTE.
2 5 JUNI.
Jakobus I: 2Iamp;: „Ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt, hetwelk mee zielen kan zalig maken.quot;
Hot is heden de dag des Heeren. Zijne gemeente heft een lied op den sabbatdag aan. Zyne dienstknechten gaan uit met het evangelie des vredes; zij zaaien, planten en maken nat, verkondigende de genade Gods in Christus, opdat het: „die in Hem gelooft, zal zalig wordenquot; d\'ior den Heiligen Geest aan menige ziel worde bevestigd.
De mensch heeft genade tot zaligheid van noode, daarom ook, laat gij, mijn lezer, de onderlinge büeenkomsten niet na, gelijk sommigen de gewoonte hebben, nietwaar? Maai neem dan deze apostolische vermaning uit onzen dagtekst tevens ter harte. Ontvang met zachtmoedigheid het woord. Laat uw hart eenvoudig zijn. Bid om de leiding des Heiligen Geestes voor den prediker, om zijne inwoning in uw hart. Hoor met zachtmoedigheid het woord aan; neem het in u op en be waar het, gelijk Maria de woorden, van haar kind gesproken, be waarde, die overleggende in haar hart. Laat de getuigenis van zonde u niet afschrikken; zoek het schadelijke, speur het verborgene op in al uw doen en denken. Verootmoedig u tot de ontvangst van den ze
263
gen Gods, die woont bij dien, die eens verbrijzelden en nederigen geestes is.
Geloof en gehoorzaam het woord, dat in u geplant wordt, dat de Heilige Geest doet nederdalen in het verslagen en ootmoedig hart, als in een wel toebereide aarde. Laat het diep ingeplant worden om bestand te zijn tegen verdrukking of vervolging en tegen de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms, want het kan uwe ziel zalig maken.
Het kan, maar het kan ook niet. Het is, of een reuk des levens ten leven of een reuk des doods ten doode. Ontvang het dan met zachtmoedigheid tot zaligheid. Bedroef den Heiligen Geest niet, die het in u moet, maar ook wil bevestigen. Die het woord hoort en bewaart, draagt in Christus vrucht tot zaligheid; want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden en.... de zaligheid is in geenen anderen.
Maak, door uw voord, ons zoo bekend Met ons bederf en diep eiland,
Dat wij in ootmoed die betreuren;
En geef, dat uw getuigenis
Van \'t geen uw Zoon voor zondaars is.
Ons uit die droefnis op moog beuren.
Gezang 92: 3.
Lezen: Jak. J : 19—27. — Jes. 55. — Ps. 119: 97—112.
G. CAZEMIER.
26 JUNI.
Marcus 10: 26, 27; En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de menschen is het onmogelijk, maar niet bij God] want alle dingen zijn mogelijk bij God.
„Wie kan dan zalig worden?:\'
Gansch natuurlijk is de verslagenheid des harten, als deze vraag over de lippen komt.
De reiziger, na een langen en gevaarlijken tocht .... wat gaat er in hem om, als de pijnlijke gedachte opkomt in het hart ... ik kan het duel der reis niet bereiken.
26 juni.
De zeevaarder, lang heeft hij geworsteld in bange vreeze met de trouwelooze baren .... daar ligt de kust .... straks het anker uitgeworpen in de veilige haven .... beseft ge, hoe hij innerlijk wordt verscheurd, als plotseling de noodstorm zich verheft, en het bang vermoeden dra schriklijke zekerheid voor hem wordt: ik kan door de branding niet heen!
En wat dan, als het gaat orn de zaligheid. Pas werd de jongeling afgewezen, zoo rijk in deugd, zoo rijk in goed, — één ding ontbrak hem.
Eén ding — hij kan van het goed der aarde niet scheiden. Hij kan niet ingaan — eer gaat de kemel door het oog der naald.
Onwillekeurig vergelijken de discipelen des Heeren zich zeiven met hem. Die vergelijking valt niet in hun voordeel uit, — wie kan dan zalig worden?
Die ernstige vraag mag ons allen bezig houden eiken dag van het leven — elke dag kan de laatste zijn! Gelukkig, als wij reeds vroeg beseffen: bij de menschen is dit onmogelijk. Den rijken jongeling — één ding ontbrak hem.
Steken wij de hand in den boezem, — alle dingen getuigen tegen ons, verbeuzelde uren, verzondigde roepstemmen, de schatten van het vaderlijk erfdeel in weelde doorgebracht, de ons vertrouwde talenten onder de aarde begraven!
Onze schuld is zoo eindeloos groot, onze kracht in den noodlot-tigen dienst der zonde zoo jammerlijk gebroken . . . stemme ons hart het getrouwe woord des Heeren toe: onze zaligheid bij de menschen onmogelijk.
Gode zij dank, dat de Heiland er een zoo vertroostend woord voor zijn volk heeft bijgevoegd: alle dingen zijn mogelijk bij God!
Dus ook onze zaligheid!
Ja, want daartoe kwam de Heiland op aarde, opdat Hij zondaren zou zalig maken.
Daartoe ging Hij in in onze beperktheid, in onzen nood, ons in alle dingen gelijk, doch zonder zonde. In Hetn, onze overtredingen worden uitgedelgd als een nevel, onze ongerechtigheden worden verzoend. In Hem, — ziet, zondaren gaan vrij uit — ze zijn rechtvaar-heid Gods in Hem.
Gelooft gü in dien Heer, die gestorven is om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking? In Hem, die, Zelf de weg, het pad heeft gebaand en het spoor geëffend voor den voet, opdat zondaren — mocht het zijn ook wij! — zalig zouden worden?
Wijdt Hem ook op dezen dag de offers van uwe wederliefde, van uw leven!
264
27 juni.
Een stroom van ongerechtigheden
Had d\' overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G\' uit al \'t aardsch gedruisch Doet naadren, en uw heilstem hooren,
Ja, wonen in uw huis.
Psalm 65; 2.
liezen: Psalm 86. — Hebr. 2: 1—10. — 1 Petr. 1: 1—9.
W. VAN ROGGEN.
27 JUNI.
Psalm 119: 19: Ik hen een vreemdeling op de aarde, verberg uwe geboden voor mij niet.
Dit psalmwoord vertolkt ons de ervaring en het gebed des ge-loovigen.
Immers, wie kent zich in waarheid als een vreemdeling op de aarde? Niet de mensch, gelyk hij is van nature als uit de aarde aardsch, bedenkende de dingen, die beneden zijn, maar hij, die daar werd overgebracht uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, wien de Heore de zienlyke dingen als vergankelijk ontdekte. Dat zijn de pelgrims Gods, wedergeboren tot eene levende hope, burgers van dat koninkrijk, dat niet is van deze wereld. Zij belijden hunne vreemdelingschap op de aarde.
Ook by de zaligste oogenblikken, smakende den verborgen omgang des Heeren, doen de eerstelingen, die zij hier mogen genieten, hen te meerder zuchtend verlangen naar die toekomst, als geen zonde hen meer benauwt, als zij kennen zullen, gelijk zy gekend zijn, en hunne voeten, hier reeds staande in Jeruzalems poorten, zullen ingaan in de stad des grooten Konings om Hem te aanschouwen. Die op aarde vreemdeling werd om hunnentwil, opdat zij door zijne armoede ryk zouden worden.
O gewis, de namen dier pelgrims staan van eeuwigheid ten leven opgeschreven. Hü, Die hen vrijkocht en verloste, zal hen ten einde toe bewaren, maar ach, hoe talloos de gevaren, die hen dreigen, de stemmen der verleiding om hen henen! Welt daar niet menigwerf de verzuchting „mijne ziel kleeft aan het stofquot;, woelen daar niet
265
27 juni.
zijne doodvijanden, de duivel, de wereld en zijn eigen vleesch? Dat dringt hem tot de bede uit het geprangd gemoed, vreemdeling als ik ben op de aarde, verberg uwe geboden voor my niet, o Heere!
Wat heeft hij immers meer van noode dan juist de onderwijzing des Heeren, Diens Woord, toegepast op zijn harte quot;door den Heiligen Geest, opdat hij als vreemdeling in alles van den Heere afhankelijk, toch niet vreemd moge zyn aan den weg, die hem naar zijn vaderland henenvoert. Hoe donker immers, indien dat zeer vaste Woord, uitgegaan uit den mond zijns Gods, zijnen weg niet verlicht als de lamp voor zijnen voet, zoo hij niet, met dat Woord raad en daad houdende, al wat hem op den weg ontmoet bij het licht daarvan mag beschouwen.
Maar, onschatbaar zijn voorrecht, waar dat Woord hem, zuchtende in zijne zwakheid, spreekt van de sterke Rechterhand des Heeren; als zijne ontrouw hem smart, hem verzekert, dat zijn God niet veranderd. wordt; als hy bekommerd is vanwege zijne overtredingen hem verkondigt de gerechtigheid van zynen Middelaar, Wiens bloed reinigt van alle zonden!
Vreemdelingen op de aarde, uit God geborenen, zij het uw lust op den wenk des Heeren te staren; hier het land der ruste niet, maar toch reeds hier het beginsel der eeuwige vreugde in uw hart gevoelend, totdat gij uwen wensch zult verkrijgen en uw voet het land der belofte betreden zal, door \'s Heeren ontferming van de Nebo\'s des geloofs reeds hier op aarde aanschouwend, en uwe stemme door genade zich mengen mag in de schare, die daar lofzingt ter verheerlijking Gods!
Verwerp mij van uw aangezicht toch niet!
Ai! laat van mij uw Heiligen Geest niet scheiden.
Die kan alleen op \'t rechte spoor mij leiden,
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet;
Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest.
De blijdschap weer; doe op uw heil mij hopen;
Laat mij, gesterkt door eenen eedlen Geest,
Volvaardig \'t pad van uw geboden loopen.
Psalm 51 : G.
Lezen ; Psalm 39. — Hebr. 12: 1—14. — Openb. 7: 9—17.
Dr. E. J. W. POSTHUMUS MEYJBS.
266
2S juni.
28 JUNI.
Kom. 13; 14a; Maar doet aan den Heere Jezus Christus.
Ieder mensch zoekt naar iets om zich voor het aangezicht Gods te verbergen. Daartoe dringen ons het pijnlijk kloppen van een ontrust geweten, het vaag bewustzijn van zonde en schuld, ook het snol naderen van den denkeren dood. De een tracht door een kleed van onverschilligheid zijn innerlijken angst voor God en menschen te bedekken. Een ander trekt een gewaad van uiterlijke beschaving aan, opdat daardoor niemand de zonde van zijn hart en leven kunne bemerken. Een derde wil door uitwendigen godsdienst en plichtsbetrachting zijn vleeschelijke begeerten en zijn afkeer van God schuilhouden voor het alziende oog des Heeren. Maar, zooals de gescheurde mantel, waarmede zeker wijsgeer zich tooide om als een nederig mensch ge ^iezen te worden, juist zijn hoogmoed te sterker deed uitkomen, zoo wordt de goddelooze ongerechtigheid eens menschen te meer openbaar door die dingen, waarmede hij in den regel zich kleedt om zyn zonden onzichtbaar te maken.
Het woord Gods spreekt ook van een kleed, Jezus Christus. Paulus zegt. Hem moeten wy aandoen, dat is, wy moeten Hem door het geloof aannemen en met Hem vereenigd worden, gelijk men met een kleed vereenigd is, zoodat men gansch door Hem is gedekt en geborgen. Hij toch kan alleen onze zonden bedekken voor het aangezicht Gods. Hij alleen kan en wil ons zü\'n een verberging, ons behoeden voor benauwdheid, ons omringen met vroolijke gezangen van bevry-ding. Zijn dierbaar bloed is eene verzoening, d. i. bedekking voor onze zonden. In Hem is zulk eene volkomen vergeving, dat, als in den laatsten dag de zonden zullen gezocht worden van een mensch, die Christus aandeed, zij niet zullen gevonden worden, want de Heer heeft ze vergeven.
De uitdrukking „iemand aandoen,quot; oudtijds meermalen gebruikt, beteekent de gedachten en handelwijze van een ander zóó aannemen, dat men in woord en werk diens beeld vertoont. Dit bedoelt ook Paulus, als hij ons vermaant Christus aan te doen.
Wie in den Heer waarlijk is geborgen, moet zijn beeld vertoonen. Indien men een oosterling ziet in de breede plooien van zijn laag afhangend gewaad, ziet men eigenlijk niet hem, doch alleen zijn kleed. Welke beweging hij make, slechts de golvende beweging van zijn gewaad wordt aanschouwd. Zoo móet in een Christen niet het eigen ik, doch het beeld van Jezus Christus te zien zijn. Hij moet
267
29 juni.
spreken de woorden van Christus, werken de werken van Christus, betoonen de barmhartigheid en de liefde van Christus.
Niemand echter kan het kleed Jezus Christus dragen, die niet eerst in Hem geborgen is en heeft gevonden verlossing door zijn bloed. Niemand kan het kleed Jezus Christus aandoen, die niet eerst het oude kleed der zonde en der eigengerechtigheid heeft afgelegd.
Laat ons dan dat oude kleed uittrekken. Kennis noch beschaving, hoe hoog ook te waardeeren, behouden ons. Plichtsbetrachting en vroomheid zonder bekeering kunnen niet redden van oordeel en dood. De schoonste godsdienstvormen kunnen onze zonden niet verzoenen. Niets bedekt onze zonde voor het alziend oog des Heeren, dan het kleed Jezus Christus.
Bij Hem alleen is een verberging en een volkomen verlossing.
quot;Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt.
Voor \'t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mensch, wien \'tmag gebeuren,
Dat God, naar recht, hem niet wil schuldig keuren;
En die, in \'t vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank\' oprechtheid voedt.
Psalm 32: 1.
Lezen: Psalm 32. — Jes. 44; 22—28. — Coll. 3; 1—17.
H. J. L. POORT.
29 JUNI.
2 Korinthen 12: 9a: Hij heeft tot mij gezegd: mijne genade is u genoeg.
Paulus schreef aan de gemeente te Filippi- ik heb geleerd vergenoegd te zü\'n in hetgeen ik ben. Hy had dus veel geleerd. En waarlijk, de Apostel was geen kind der weelde. Hü wist, wat het zegt: vernederd te worden. Hij was in alles alleszins onderwezen: beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed en gebrek te hebben.
Hij kon evenwel vergenoegd zijn in en onder alles, omdat hij door Gods genade de parel van groote waarde, den schat in den akker verborgen, gevonden had. Hy kon betuigen: hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. Ja gewisselijk; ik acht ook alle dingen schade te zyn om de uitnemendheid der kennisse
268
29 juni.
van Christus Jezus mijnen Heere, om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.
Paulus had heerlijke gezichten en openbaringen des Heeren ontvangen. Op die bizondere genade van zijnen Heer zou hij roemen. Maar, opdat hij zich daarop niet zou verheffen, was hem een scherpe doorn in het vleesch gegeven en hij had den Heere driemaal gebeden, dat hij van hem zou weggenomen worden. Maar de Heere verhoorle deze bede niet volgens den zin van Paulus. Hy ontving het antwoord: mijne genade is u genoeg.
De mensch zoekt in zijne natuurlijke blindheid datgene, wat genoeg is, op allerlei wegen, en hij vindt het nimmer. Er is een weg, die iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods. Al de genietingen des levens buiten God zijn den witgepleis-terden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid.
quot;Wat waarlijk genoeg-blijkt is Gods rijke genade in Christus Jezus. Zij is onmisbaar noodig, maar ook in waarheid voor het leven en het sterven voldoende Uit genade ontdekt de Heere ons aan onze zondaarsbehoeften, aan onze diepe ellende en wijst ons den weg der verlossing, \'t Is alles vrije genade. Wij hebben den Heere niet eerst liefgehad, niet uitverkoren, maar Hij ons. Genade is het begin, de voortgang en het einde van den weg des heils.
Onbekeerden, vergaapt u dan niet langer aan den schijn der dingen. Bekommerden, niet uw werk, maar \'s Heeren genade zij u genoeg. Kinderen Gods, bij u is zwakheid, bij den Heere kracht.
Als ik, omringd door tegenspoed.
Bezwijken moet,
Schenkt Gij my leven;
Is \'t, dat mijns vyands gramschap brandt.
Uw rechterhand Zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw, als sterk;
Hy zal zijn werk Voor mij volenden:
Verlaat niet, wat uw hand begon,
O Levensbron!
Wil bijstand zenden.
Psalm 138: 4.
Lezen: 2 Korinthen 12; 1—11. — Filippensen 4: 4—13. — Ps. 119: 10—16.
J. H. WBNSINCK.
269
30 juni.
30 JUNI.
1 Corinthen 7 : 29a: „Maar dit zeg ik, broeders! dat de tijd voorts kort is.quot;
De apostel Paulus schreef deze woorden aan de gemeente in Corinthe met het oog op een bepaalde aangelegenheid, zooals uit het vervolg van dit vers blijkt. Intusschen zou het moeilijk zijn eene aangelegenheid te noemen, waarbij die herinnering niet past: „Dit zeg ik u, dat de tijd kort isquot;. Kent gij een opmerking, die algemee-ner, bekender, gebruikelijker is dan deze? Maar ook, kent gü een waarheid, die minder wordt verstaan en dientengevolge ook minder wordt betracht?
Zoowel op den tijd als geheel, waaronder wij den duur van een menschenlevsn kunnen verstaan, als op ieder onderdeel, tot het kleinste toe, is het van toepassing, dat de tyd kort is. Verstaan wordt het eerst, als de tijd voorbij is. Vraag het den oude van dagen maar, hoe hij nu eerst toestemt, dat het leven is, als een damp, die voorbij trok, terwijl hy vroeger, aan het begin staande, het einde zóó verre zag, dat het eigenlijk eindeloos moest heeten. Vraag het den man en de vrouw, die, zelfstandig in het leven opgetreden, zich nauwelijks kunnen indenken, dat de tijd voorbij is, waarin zij de zorg van anderen genietende, onbezorgd de schoonste en zoetste droomen van die toekomst hadden. Vraag het uzelf af bij het einde van een jaar, hoe gij bij het begin ook wel wist, dat de tijd kort was, maar toch niet, dat hij zoo snel voorbij zou gaan. Ja, hoe is de ervaring niet iederen avond, dat de dag, die zooveel tijd scheen te bieden, om buiten den gewonen arbeid nog allerlei andere bezigheid te verrichten, toch te kort bleek en niet zóó werd gebruikt, als dat moest.
Dit zeg ik u, die thans een nieuwen dag voor u hebt, dat de tijd kort is. Gij meent dit wel te weten, doch weet het niet. Indien op eenig punt de schijn bedriegt, dan is het hier. Men heeft geen tijd voor dit, en geen tijd voor dat. Naarmate de tijd der menschheid voortschrijdt, en de tijd van het eigen leven voortspoedt, is er voortdurend minder tijd. Nauwelijks is er meer tijd om Gods Woord te lezen. Van waar komt toch dit? Door geen andere oorzaak, dan omdat de tijd niet genomen wordt, althans niet gebruikt om het hier aangehaalde woord der Schrift op de rechte wijze te overwegen. Wanneer eerst aan het einde ontdekt wordt, dat de tijd werkelijk kort was, is het ook tevens te laat. Aan het begin moet dit worden verstaan toch wordt het dit niet, tenzij Godzelf het ons leere.
270
1 JULI.
Daarom, niet het minst met betrekking tot den tijd, hebben wy noodig, God den Heere te bidden: „leer ons te arbeiden in den dag, voordat de nacht komt, waarin niemand werken kanquot;, en „leer ons zóó onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomenquot;.
Loer mij, o God van zaligheden!
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand!
Uw goede Geest bestier\' mijn schreden En leid\' my in een effen land!
Psalm 143: 10.
Lezen : Jesaia 40: 1—11. — Psalm 90. — Matth 25: 1—12.
Mk. J. SCHOKKING.
I JULI.
1 Thess. 4: 175: En alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen.
Heerlijk uitzicht den geloovigen te Thessalonica geopend! Ontrustte men zich over hen, die reeds in Jezus waren heengegaan, of dezen wel deelen zouden in al de heerlijkheid, hun toegezegd, die de wederkomst van Christus beleven zouden, Paulus verzekert hier, (wat hy\' schrijft zegt hij, door het woord des Heeren, eene hem gewordene bijzondere openbaring) dat dit geenszins het geval zou zijn. Als de Heere wederkomt, zullen op het bazuingeschal des Archangels alle dooden worden opgewekt, en de zielen der in Christus ontslapenen bekleed met het nieuwe, aan dat van Christus gelijkvormige lichaam. Dan zullen zij, die levend zijn overgebleven, in één punt des tyds worden veranderd, het sterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen, en zij zullen met elkander vereenigd, den Heere tegemoet gevoerd worden in de lucht!
En dan? Het is alsof de geloovigen uitroepen: „wat dan, Paulus? hebt ge nog niet een woord des Heeren voor ons?quot; „Ja,quot; antwoordt de Apostel, nog één, een onuitsprekelijk heerlijk woord: „dan zullen wij altijd met den Heere wezen.quot; „Altijd met den Heere!quot; Wie vertolkt ons die woorden, die zooveel ons laten voorgevoelen.
„Altijd met den Heere? Met Wien? Maar Wien anders kan Paulus bedoelen dan Hem, den Verheeriykten Heiland, dien Jezus, die voor hem, en allen die gelooven, het leven, hun lust en hun leven is! Ach, hoe weinig zien wij hier, door onze zonden, van de heer-
2 JULI.
lijkheid van Christus; maar dan, als het lichaam der zonde zal zijn afgelegd, als al dat leelijke, dat van ons is, tot het stof zal zijn weergekeerd en wat God in ons werkte, naar den Hemel gaat, dan zullen we eerst recht den Koning in Zyne schoonheid aanschouwen!
Altijd met Hem! Door niets meer van Hem gescheiden! Altijd wandelen by \'t licht, dat van Zyn aangezicht afstraalt! Altijd leven van Zijn leven, genieten van Zijne liefde! Vereenigd met allen, die op Christus hoopten! Dan . . . eerst recht verstaan, hoe genade, rijk en vrij, ons redt, ons binnenbracht! Dan . . . eerst recht zien, hoe alle Gods leidingen met ons op aarde, liefdeleidingen waren! O, datPau-lus\' woord ons allen gold. Broeders, vertroost elkaar met deze woorden! Vergeten we niet, om eens met Christus te wezen, moeten we hier geleerd hebben in Christus te zijn!
\'k Zal dan gedurig bij U zyn,
In al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij myn rechterhand woudt vatten.
Gy zult mij leiden door uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En my, hiertoe door ü bereid.
Opnemen in uw heerlijkheid!
Ps. 73: 12.
Lezen: 1 ïhess. 4: 13—5: 11. — 1 Cor. 13: 35—58. — Psalm 73.
E. B. GUNNING.
2 JULI.
Amos 4: 12b: Zoo schik u, o Israël, om uwen God te ontmoeten.
God ontmoeten - inderdaad, de weer aangebroken rustdag, zóó met nadruk heenwyzend naar de dingen, die boven zijn, roept het hart zich daartoe te schikken. God ontmoeten — de ziel, die Hem vreest, doet het, zoo vaak zij, in de binnenkamer neergebogen, met de Fontein haars levens spreekt, als zag zij den Onzienlijke en, bij Hem, al wat drukt neerleggend, aan Zijn koesterend Vaderhart zaligheid genieten mag. Is dan niet hij rijk bevoorrecht te achten, voor wien deze Zondag, zóó opgevat, een dag des ontmoetens mag zijn en is er uitlokkende!quot; bezigheid denkbaar dan tot zulk eene ontmoeting zich te bereiden ? Maar was dan het aangehaalde woord niet eene
272
2 JULI.
uitdaging des Heeren tot, zijn weerbarstig volk en wie heeft moed om dat hooge Wezen onder de oogen te komen?
\'tis zoo; we speuren hier iets van de heiligheden des Heeren; dat woord was eene uitdaging van den getergden God, die, de bezoekingen, over Israël gebracht, opsommend, het een vreugdeloos lied scheen voor te zingen, waarvan het refrein telkens somber weerklonk : „nochtans hebt ge u niet bekeerd.quot; In dat woord kondigde Hij zich-zelven aan ten gerichte komende, als een krijgsman, die over de bergen nadert, toegerust ten strijde, bereid tot verdelging. Toch had dit woord voor het hart, dat, door bezoeking klein gemaakt, onder het recht des Heeren leerde bukken, een liefelijken klank; het bevatte er de vriendelyke noodiging voor: „keer weder; want Ik heb u verlost.quot;
En zou het anders zijn voor u, die in diepen zondenrouw, tot Hem mocht weerkeeren? Neen, ook uw zielsoor mag er heden, als ge u voor den genadetroon stelt, de heerlijke sprake in beluisteren: „het oordeel verkondigd tot nederwerping van al wat hoog is daarbinnen, maar dan ook het Evangelie der genade gepredikt tot redding van verslagen harten.quot;
Perse de Almacht des Heeren, die er alleen toe in staat is, uit zoo menig van Hem verwijderd zondaarshart de bede om de kleederen des heils, zonder welke niemand in de gemeenschap van den Heilige kan verkeeren en leere Zijn Geest, alle vrees bannend, zijnen kinderen, ondanks alles, op Gods eeuwige trouw te pleiten, ja, met sabbats-vrede vervuld, hunnen Goël, \'s Zondags vooral, een vroolijk lofgedicht te zingen.
Komt, l:iat ons samen Isrels Heer,
Den rotssteen van ons heil, met eer.
Met Godgewijden zang ontmoeten;
Laat ons zijn gunstrijk aangezicht Met een verheven lofgedicht En blijde psalmen juichend groeten.
Want hij is onze God, en wy Zijn \'tvolk van zijne heerschappij.
De schapen, die zijn hand wil weiden;
Zoo gij zijn stem dan heden hoort.
Gelooft zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Psalm 95: 1, 4.
Lezen: Ps. 103. — Amos 4: 2—13. — Rom.ïS: 1—16.
273
P. F. VAN DEN NIECWENHÜIZEN.
18
DAGBOEK.
274 3 juli.
3 JULI.
Ps. 40: 18: Ik hen wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijne Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God, vertoef niet.
Als wij in den Bijbel den dag beschreven vinden is dit anders dan bij ons. Bij ons beginnen wij den dag met den morgen, de avond is het einde. In den Bijbel is het: het was avond geweest, het was morgen geweest, de eerste dag. De avond, de duisternis is dus het begin, de morgen het einde.
Is het alzoo ook niet met den levensweg der menschenkinderen? Velen zijn er, wier levensdag alzóó kan worden beschreven: hun leven begon met een blijden morgen; voorspoed, eer, licht was hun deel, maar hun levenseinde was duisternis, de eeuwige, buitenste duisternis. Gode zij dank, zijn er ook anderen. Duisternis, droefheid, strijd, ellende was het begin, maar een heerlijke morgen, eeuwig licht was het besluit.
Zulk een dag wordt in onzen psalm, zooveel beteekenend „Davids psalmquot; genoemd, bezongen. Het begin was donker. Het begin was strijden, worstelen, om te ontkomen uit den ruischenden modderkuil, om bevrijd te worden van kwaden zonder tal, om verlost te worden van ongerechtigheden, die aangrepen. Kon dit wel anders? De dichter leerde verstaan, dat hij ellendig was en nooddruftig. Toen werd het, wel na lang wachten, licht; de morgen rees hem op, want hij mocht het ervaren, hij, de ellendige, en nooddruftige, dat de Heere,de Hooge en Verhevene aan hem dacht, zoodat de dichter het uitspreekt voor de groote gemeente door alle geslachten, tot troost voor allen, die het waarlijk verstaan, dat zij ellendig zijn en nooddruftig: „Gij, o Heere, hebt Uwe weldaden vele gemaakt.quot;
David was gedurende zijn leven blootgesteld aan allerlei gevaren, omringd door tallooze moeilijkheden, maar steeds weer werd het door hem ondervonden, hoe de Heere hem hielp, en hem uitredde. „O, mijn God, vertoef nietquot; z(5ó eindigt Davids lievelingslied. Vol heimwee, vol verlangen is de dichter, om te mogen kennen, gelijkerwijs hij ook gekend was, naar dien dag, dat het kennen ten deele zal ophouden.
Hoe weinig wordt dit heimwee gevonden. Hoe weinigen kunnen blijmoedig getuigen: „Gij zijt, o Heere, mijn Hulp en mijn Bevrijder.quot; Bij hoe weinigen is Davids psalm, de levenspsalm, het reislied. Is,
4 JULI.
het niet, omdat zoo weinig wordt verstaan: „Ikben ellendig en nooddruftig?quot;
Alle roem is uitgesloten!
Onverdiende zaligheen
Heb ik van mijn\' God genoten,
\'kEoein in vrije gunst alleen;
Ja, eer ik nog was geboren,
Eer Gods hand, die alles schiep,
Iets uit niet tot aanzien riep,
Heeft zijn liefde mjj verkoren:
God is liefd\', o Englenstem,
Menschentong verheerlijkt Hem!
Gezang 38; 1.
Lezen. Ps. 40. — Rom. 15; 5—13. — 1 Cor. 13.]
P. BOKMA.
4 JULI,
Psalm 127: 1 : Zoo de Hee7\\ het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszeifs bouwlieden daaraan; zoo de Reere de stad niet beivaart, tevergeefs waakt de wachter.
Aan \'s Heeren zegen is liet al gelegen. Niet op één gebied, maar op elk gebied; niet alleen in het geestelijke, maar ook in het stoffelijke; niet alleen in de steden, maar ook in de huisgezinnen moet dit erkend worden. Niets is er evenwel, waartegen de natuurlijke mensch zich meer verzet dan juist tegen deze Godverheerlijkende waarheid, want hij wordt hier gewezen op zijne machteloosheid in geestelijke, zoowel als in stoffelijke zaken, en getroffen in zy\'n zelfzucht en trotsch-heid. De nieuwe mensch daarentegen kan zich erin verblijden, wanneer hij dit erkennen en zich alzoo met al zijn weg en werk in de hand Gods stellen mag, van Wien hij de uitkomst zijner paden wacht.
Zoo onderricht God dan ook zijn kind door Zijn woord en het voorbeeld der vrome ouden. Nadrukkelijk wordt er overal heengewezon in de Schrift dat wij al onze begeerten door bidden en smeeken met dankzegging bekend zullen maken bij God. Immers de gebeden tot Hem opgezonden en de offers den Heere gebracht door Israels godvruchtige Vaderen, zij spreken van afhankelijkheid van en overgave aan Hem. Doch ook de ervaring bevestigt het psalmwoord in het leven van den christen zoo duideiyk.
76 5 juli.
Met onzen arbeid is opzichzelf niets gedaan. Gelijk een kaartenhuis, door eene kinderhand gebouwd, door de minste windvlaag ineenvalt, zoo stort het gebouw onzer aardsche verwachtingen dikwijls in een oogwenk ineen.
Met onze moeite komt niets klaar en door onze zorg wordt niets bewaard. Noch die plant is iets, noch die nat maakt; als God niet met zijn zegen kroont het werk onzer handen, gelukt niets.
Daarom wordt hier de vermaning als tusschen de regels gelezen: verhef u niet op eigen werk, maar leer u buigen voor Gods macht; meen niet zelf te kunnen, maar stel alles in Gods hand; hoop op Gods goedheid, bid om zijnen zegen en ga zoo getroost de toekomst tegen, In dien weg verstaat men dit woord: een dag zonder gebed is een dag zonder zegen.
Met God beginnen, met God ophouden ontneemt iederen dag zijn eigen plaag.
Laat de Heere dus in alle dingen het begin en het einde zijn, zoo zult gij zeker wandelen op uwen weg, zoodat uw voet zich niet zal stoo-ten. Zoo krijgt God de eer en wordt de lofzegging de onze: „Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.quot;
Vergeefs op bouwen toegelegd;
Vergeefs, om \'thuis voltooid te zien,
Gezwoegd, gezweet, o arbeidslien!
Zoo God zijn hulp aan \'twerk ontzegt.
Vergeefs, o wachters! is uw vlyt,
Zoo God niet zelf de stad bevrijdt.
Psalm 127: 1.
Ps. 127. — Matth. 6; 19—34. — 1 Cor. 3.
w. van sloten.
5 JULI.
Jesaia 44; 22: Ik delg moe overtredingen uit als eenen nevel, m uwe zonden cils eene wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.
Welk eene heerlijke vertroosting ligt er in deze woorden desAl-lerhoogsten voor een hart „door schuldbesef gebroken en verslagenquot;!
Hadt gij ooit gedacht, lezer! dat uwe schuld, zoo groot en zwaar, als een nevel zou kunnen worden weggevaagd? Gij gevoeldet u door uwe zonden gedrukt als door een last, dien gij niet langer torsen kondt,
27
en die u zou neertrekken in de diepte van een eeuwig verderf. Maar zie, daar komt de levensadem Gods en die last wordt als een lichte nevel, die weggedreven wordt. Gij leert zien op den Man van smarten, die om uwe overtredingen verwond, om uwe ongerechtigheden verbrijzeld is. Van het kruis des Middelaars straalt een lieflijk licht U tegen, dat. spreekt van genade en verzoening. Geloof deze gewisse belofte van God, dut u al uwe zonden vergeven zyn om de eemge offerande van Christus. Dan trekt de nevel rondom u op, evenals gij de lichte morgennevelen dikwijls hebt zien optrekken bij het stijgen der zon.
Waar eene wolk is, daar is donkerheid, en donkerheid heerscht in uwe ziel, zoolang gij een dienstknecht der zonde zijt. Gij hebt niet geleerd in den dag te wandelen, want het licht des levens is niet in u, en daarom stoot gij u telkens. Gij stoot u aan de wet, die gij voor eene strenge en harde meesteres houdt. Gij stoot u aan het evangelie, omdat het tot u komt met den eisch van zelfvernedering en zelfver-oordeeling. Gij stoot u aan God zeiven, daar gtj het hard en onbillijk vindt, dat Hij in Zijne wet van u eischt, wat gij niet doen kunt. Maar kom tot het volbrachte werk van Christus, en het zal licht worden op uw pad. Gy zult het woord verstaan: „Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel en uwe zonden als eene wolkquot;.
Wat verhindert u nu, om gehoor te geven aan die lieflijke roepstem: „Keer weder tot Mij, Ik heb u verlost!quot; Niet „Ik zal u verlossenquot;, maar „Ik heh u verlostquot;\'. Al wat noodig was, om uwe terugkeer mogelijk te maken, is volbracht. Het handschrift uwer zonden is uitgewischt, uwe overtredingen zyn verzoend. De nevels zijn verstrooid, de wolk is Terdreven. Kom, koester u in dat licht, en gij zult ii verlustigen in grooten vrede.
Heer! door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in \'tschuld vergeven:
Wie ü aanroept in den nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot.
Heer! neem mijn gebed ter ooren;
Wil naar mijne smeeking hooren;
Merk, naar Uw goedgunstigheen.
Op de stem van mijn gebeen!
Psalm 86: 3.
Lezen: Psalm 103: 6—14. — Jes. 1: 12—20. — Jes. 55: 1—7.
J. P. ERINGA.
278 6 juli.
6 JULI.
Colossencen 3: 3 en 4 ; Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.
Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn. die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard zijn in heerlijkheid.
Hier wordt over het nieuwe leven gesproken, dat uit den dood van den ouden mensch voortkomt, en dit wordt een verborgen leven genoemd. Geen wonder, want wel openbaart het Christelijke zich ook naar buiten, maar de wortel van dat leven ontvangt zijne kracht uit eene onzichtbare wereld.
De wereld kent het niet, omdat zij Christus niet kent als de bron, de kracht, de steun der Zijnen, hun leven.
Er is veel van dat leven nu nog voor hen zeiven bedekt; het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, maar eenmaal zal hec volmaakte gekomen zijn.
Gü zijt gestorven, schrijft Paulus, en wel mogen wij het onszel-ven afvragen,-of reeds veel in ons oog begon te verbleeken, van wat op aarde zoo schittert voor het vleeschelijk hart; of datgene, wat de mensch, in zijne vervreemding van God, een levensvoorwaarde noemt, bij ons stierf.
Is er reeds zelfverloochening? Kwam het tot een dooden van het vleesch? Zonder dat heeft geene wedergeboorte plaats gevonden, is er geen gegronde hope voor een ingaan in het koninkrijk der hemelen.
Maar ook al mag het geloof na ernstig zelfonderzoek zeggen, ja het eigen ik is door Gods genade gestorven, dan is het nog een verborgen leven. Of is het ons altijd duidelijk, waarom God ons heeft doen geboren worden, doen wonen en werken in den kring, waarin wij ons bevinden? Zien wij altijd, wat God er mee voorheeft, als Hij eerst uit Zijne groote ontferming onzen honger opwekte naar de onvergankelijke spijze, en daarna, ons voor ons gevoel, verlaat, zoodat ons geloof wordt bestreden ? Ja, ons leven is verborgen in God, maar met Christus, en dat woord herinnert ons aan Gods onuitsprekelyke liefde.
Met Christus zal God alles schenken, in dat geloof moeten wij in diepe afhankelijkheid van Hem leeren wandelen, ook waar ons veel verborgen blijft.
Wij moeten er uit leeren, niet op het gevoel te steunen, want licht en duister wisselen in het Christelijk leven, maar in \'t geloof ons vast te houden als ziende den Onzieniyken.
7 JULI. 279
Eenmaal worden al de Zijnen, ook de stilste en onbekendste burgers van het Godsrijk openbaar. Dan blijkt het, dat een arme Lazarus een koningszoon was, maar ook, hoe rampzalig het lot van den mensch eeuwig zal zijn, die hier zijn wereldsch leven behield en het ware leven verloor.
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar zijn vrees in woont;
\'tHeilgeheim wordt aan zijn vrinden iSTaar zijn vreeverbond, getoond.
D\' oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten;
Hij, die trouw is, zal mijn voet,
Voei\'en uit der boozen netten.
Psalm 25: 7.
Coloss. 3 ; 1-11. — 1 Joh. 3 : 1—10. — Psalm 30 ; 1—13.
J. DOORENBOS.
7 JULI.
Johannes 3: 30: Hij moet wassen, maar ik minder tvorden.
Ziedaar een schoon en beteekenisvol woord van Johannes den Dooper, de stem des roependen in de woestijn. De woorden voor „wassen en minder wordenquot; in den grondtekst gebruikt, beteekenen den aanwas en de vermindering van lichamen in hunne grootte, omvang of uitgebreidheid, gelijk b. v. de op- en ondergang van zon en maan. Waarschijnlijk is dit beeld ook hier door Johannes bedoeld. Zoodra de zon opkomt, wordt het maanlicht flauwer. Hoe meer de zon wast, opklimt, des te meer treedt de maan op den achtergrond en wordt nauwelijks meer gezien.
Zoo ging het ook Johannes. Toen Jezus kwam moest Johannes wijken, en hij deed het gaarne, want hij wist, dat hij niet waardig was den riem zijner schoenzolen te ontbinden. Hij verbleekte gelijk de maan en ging geheel onder, toen hij in Herodes\' kerker onthoofd wierd.
Mijn Lezer of Lezeres, is het woord van den Dooper door genade reeds het uwe geworden?
Weet het, dit schoone woord als met gulden letteren in onzen dierbaren Bijbel geschreven, is de leuze, het devies van den Christen.
280 8 juli.
Naar de mate, dat Christus gestalte in hem verkrijgt, naar die mate leert hij meer in diepe afhankelijkheid van den Heere leven en meer eigen ellende, onbekwaamheid en onwaardigheid gevoelen. Dan wordt Jezus Christus hem dierbaarder en noodiger, en steeds meer zijn eenige troost, beide in leven en sterven. Dan ontvalt hem alles, waarop hij vroeger steunde, en waar alles in hemzelf hem steeds meer ontzinkt, daar vindt hij dat terug in zijn Heiland en Heer.
Och, of dit van allen die dit woord van Johannes lezen, kon gezegd worden! Dan smart ons het minder worden niet, wijl wij met Israël kunnen zeggen: Ik heb alles.
In Jezus Christus vinden wij een steun, die niet ontvalt, eene rots, waarop wij veilig staan, temidden van het beroeren der golven op de groote levenszee. Blijmoedig gaan wij dan onzen weg, geduldig het kruis torsende, dat ons op de schouderen is gelegd. Zijn woord zal ons sterken en bemoedigen: „Mijne genade is u genoeg, mijne kracht wordt in zwakheid volbracht,quot; en eenmaal zullen ook wij dan met de Kerke daarboven, als zij uit de groote verdrukking komt, zingen: „Het Lam, dat geslacht is en ons Gode heeft gekocht met zijn bloed, is waardig te ontvangenden rijkdom, de sterkte, den lof en de aanbidding tot in eeuwigheid.quot;
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bittre smart Of bangen nood, mijn vleesch en hart,
Zoo zult Gij zyn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!
Psalm 73: 13.
Joh. 3; 22—36. — Filippenzen 3: 1—16. — Hom. 1: 13—23.
w. VAN der WAAL.
8 JULI.
Johannes 6: 20: Ik hen het, zijt niet bevreesd.
Al meenen wij soms, dat een zekere afstand ons van den Heere Jezus scheidt, toch is Hij, als de Goede Herder, den zijnen juist daar
8 JULI.
nabij met Zijn liefde en macht, waar zij zijne nabijheid niet kunnen missen.
Dat ondervonden de discipelen op de zee van Galilea. - Op Jezns\' bevel waren zij afgevaren naar de andere zijde, terwijl H:j de opgewonden schare van zich liet. \'t Werd nacht. Jezus beklom den berg om alleen te zijn met den Vader.
Op het meer, ingesloten door hooge bergen, valt plotseling een hevige storm. De discipelen kunnen niet voort, en zijn in gevaar vau de baren. Jezus ziet het en is tot hulp gereed, maar zij missen Hem uit het oog.
Doch terwijl zij worstelen tegen wind en baren, wat zien zij daar op korten afstand? Is \'teen spooksel?
En die mannen schreeuwen van vreeze.
Een vriendelijke stem echter dringt door duisternis en storm henen tot hen door: „Ik ben het, zijt niet bevreesd!quot; \'tls Jezus, die op het juiste tijdstip en op de juiste plaats zijne discipelen bijstaat. Nu wordt het licht en de storm gaat liggen, ook de storm binnen in hen.
Nog meermalen spreekt Jezus — zij het dan niet met lichamelijk hoorbare stem — tot züne bevreesde, door duisternis en stormen overvallen discipelen en discipelinnen: „Ik ben het, zijt niet bevreesd !quot;— en zijn woord is zelfopenbaring en machtsbetooning.
Ons levensgeluk schijnt verwoest, onze levensvreugde voor goed verdwenen door krankheid of teleurstelling, of door het lijden en den dood van echtgenoot of kind, van nabestaande of vriend. Wanneer wij echter in dien treurigen toestand het oor der ziel in geloovig gebed te luisteren leggen, laat de Heer ons nog wel zijn vriendelijke stem vernemen; „Ik ben het, zijt niet bevreesd!quot; Dan wijken de spooksels onzer bange verbeelding en \'s Heeren kracht wordtin onze zwakheid openbaar tot wonderbare ondersteuning en zalige vertroosting. Neen, de Heere kan zijne discipelen en discipelinnen niet aan hunne hulpeloosheid overlaten. Hü leert hen inzien, dat alle dingen geschieden naaiden aiwijzen raad Gods, gelooven in zijn liefdevolle leiding en verwachten, dat zij ook in den storm des doods bemoedigd zullen worden door zijn vriendelijke stem; „Zijt niet bevreesd, ik ben het.quot;
Als gevaren mij omringen.
Wil ik zingen
Van genade, trouw en macht;
Zelfs in onbewoonde streken Vloeien beken.
Lichten starren nacht op nacht.
Dat mijn ziel, met woord en daden,
Op mijn paden
281
282 9 juli.
Zich dan gansch aan Hem gewenn\';
Laat vooral mijn laatste dagen
Blijken dragen,
Dat ik Jezus eigen ben.
Gezang 51: 5, 6.
Lezen: Joh. 6: 16—21. — Jes. 43: 1—13. — Matth. 14: 22—34.
J. KROMSIGT.
9 JULI.
Ps. 119: 54:: Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
Welkom, lieve Zondag! Een vriendelijke stem roept: „rust een weinig.quot; En dat hebben we wel noodig op onze pelgrimsreize. Heil ons, indien we het woord van den dagtekst verstaan : „Uwe inzettingen, (o God!) zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.quot;
Pelgrims-ZMcMm zijn er legio, maar in de tenten dergenen, die God vreezen, zijn ook Pelgrims-san^m.
„Uwe inzettingen,quot; zegt de gewijde dichter, zyn mij „gezangen.quot; „Uwe inzettingen;quot; eigenlijk iets, dat vastgesteld is; alles, wat uit \'sHeeren mond is uitgegaan; zoowel beloften als bewtew van het Verbond der Genade. De geboden, die bestraffen, ontdekken, schuldig ons stellen en bedel-ann ons verklaren aan gerechtigheid, en die doen hongeren en dorsten naar een gerechtigheid, waarmee we voor God kunnen bestaan. De beloften, die in Jezus verzegeld ziin; de beloften van verzoening, aanneming tot kinderen, bewaring, leiding, verheerlijking; de beloften, alle beloften Gods, die betrekking hebben, zoowel op dit als het toekomend leven — dat zijn voor Gods kinderen de „Pelgrims-zangen.quot; En daarom hebben zij Zijn woord zoo lief, dat hun een regel is voor hun geloof en leven; een reisgids door het land hunner vreemdelingschappen.
Gij zaagt wel eens een vreemdeling met zoo\'n reisboekje in de hand ? \'s Morgens, \'s middags, \'s avonds, ziet gij den reiziger in vreemde landen, met zoo\'n Baedeker of iets van dien aard.
Wy hebben misschien zelf wel een tochtje gemaakt — een stad bezocht — een berg beklommen.
En wat is dan zoo\'n plattegrond of zoo\'n reisgids ons onmisbaar!
10 juli. 283
Welnu — voor alle pelgrims op weg naar den hemel zijn Gods „inzettingenquot; die reisgids. Daarbij zingen zij. Of neen — de psalmist zegt eigenlijk niet, dat hij zong, maar die inzettingen Gods hebben voor zijne ooren gezongen. God zelf tokkelde als \'t ware de snaren — speelde de harp — en des dichters ziel was in verrukking.
Dat is muziek!
Ach, de wereld zingt ook. Maar God zegt (als in Ezechiöl 26) tot alle wereld-kinderen: „eenmaal zal ik het gedeun uwer liederen doen ophouden, en het geklank uwer harpen zal niet meer gehoord worden.quot; Daarentegen de gemeente van Jezus Christus vindt in de getuigenissen van haren grooten God en Zaligmaker, de fonteinen van hare blijdschap.
En straks rolt zy de tente harer vreemdelingschap op, en — eeuwige blijdschap zal op haar hoofd zijn! —
Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt; zie, wy staan Gereed, om naar Gods huis te gaan;
Kom, ga met ons en doe als wij.
Jeruzalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad! onze voeten.
Jeruzalem is wèl gebouwd,
quot;Wel saamgevoegd; wie haar beschouwt.
Zal haar voor \'s Bouwheers kunstwerk groeten.
Ps. 122: 1.
Lezen; Ps. 84. — Ps. 119: 49—56 — Hebr. 11: 1—13.
J. H. WIERSMA.
10 JULI.
1 Sam. 30: 6b; Doch David sterkte zich in den Heere, zijnen God.
Kent gij dat voorrecht, dat David smaken mocht bij de ruïnen van Ziklag, het voorrecht van „zich te sterken in den Heere, zijnen God?quot; Weet gij, wat dat in heeft? Ziet het aan David zeiven. Zijn toestand was verre van benijdenswaardig. Hij is beroofd van alles, wat hem lief en dierbaar is; zijne sterkte ligt in puin; zijn eigen
284
manschappen staan tegen hem op en dreigen hem met den dood; gansch alleen, verstoken van alle menschelijke hu]p; bevindt hij zich te midden van een muitenden troep. Geen wonder, dat het hem voor een oogenblik zeer bange wordt; ziet hij aan, wat voor oogenis, dan heeft hij het ergste te vreezen, dan zal hij door zijn eigen leger worden vermoord. Doch dat „bange zijnquot; duurt niet lang. Weldra komt er kalmte in zijn binnenste en de hoop op een anderen „uitgangquot; leeft op; hij begint vastelijk te vertrouwen, dat die schare daar tegenover hem hem geen leed kan doen, dat hij met zijne lieven zal worden heree-nigd. Vanwaar die ommekeer? Had er in de uitwendige omstandigheden eene verandering plaatsgegrepen? O, neen; die waren dezelfde als tevoren. De ommekeer kwam daarvandaan, dat David de dingen in een ander licht kreeg te zien, dat zijn oog des geloofs over de bezwaren heen gericht werd op den levenden God.
De Heere zelf leidde hem in in de beloften, die Hij hem had gegeven. Hij zou immers Koning wezen, want tot Koning was hij gezalfd; maar zoo kon hy dan ook niet sterven, voordat het voornemen Gods was vervuld. Aldus wordt het David duidelijk, dat hetgeen hem wedervaart eene beproeving is voor zijn geloof. En de zekerheid ontwaakt daarbinnen: „De Heere zal mij niet begeven, noch verlatenquot; en het vertrouwen wordt levendig: „Die met mij is, is meer dan die tegen mij zijn.quot; En David, die zwak was in zichzelf, wordt sterk in de kracht zijns Gods.
Wat hebben wij nu noodig om in dit voorrecht tedeelen? Inde eerste plaats, dat wij met David kunnen zeggen: „De Heere is mijn God;quot; dat wij weten door en in Jezus Christus met God verzoend te zijn.
Zyt gij daarvan verzekerd? Zoo ja, dan zult gij steeds meer ervaren, doch dan ook roemen: „Mijn God is mijn kracht.quot;
Ruwe stormen mogen woeden.
Alles om mij heen zü nacht,
God, mijn God zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang zijn hulp verbeiden.
Zijne liefde blijft mij leiden:
Door een\' nacht, hoe zwart, hoe dicht,
Voert Hij mü in \'t eeuwig licht.
Maar, wat lot of dood of leven.
Smaad of eer, mij ooit verwacht\',
Jezus zal mij nooit begeven;
Ben ik zwak, bü Hem is kracht:
Gunst van menschen, raad van vrinden,
11 juli. 285
Bittre haat van kwaadgezinden,
Hoogte, diepte, vreugd of rouw,
Kiets ontrooft mij aan Gods trouw.
Gez. 58: 7, 9. 1 Sam. 30: 1—25. — Psalm 62. — Rom. S: 23—39.
Dr. B. VAN MEER.
II JULI.
2 Samuël 8; Qb: „En de Heere behoedde David overal, ivaar hij henentoog.quot;
Deze woorden verklaren ons den voorspoed, dien David had in het bestrijden zijner vele en machtige vijanden. Philistijnen en Moabie-ten, Syriërs en Edomieten werden door hem verslagen en onderworpen. Zijn leven was rijk aan afwisseling, maar ook rijk aan gevaren.
Doch dezelfde trouwe God, die hem gered heeft uit de hand van Saul, heeft hem van al zijne vijanden verlost en den weg voor hem gebaand door dit moeilijk leven.
Dat God hem overal behoedde, lezen wij nog eens in ditzelfde hoofdstuk en ook tweemalen in 1 Kronieken 18. De H. Schrift vestigt dus op dit korte bericht al onze opmerkzaamheid.
Niet hier en daar maar overal werd hü behoed door zijn almach-tigen God en getrouwen Vader. God behoedde hem naar ziel en lichaam en wat in Psalm 91 geschreven staat aangaande de bewaring, die de Allerhoogste zijnen gunstgenooten verleent, dat is David, den man naar Gods hart, rijkelijk ten deel gevallen.
Zij, of worde het ons toch eene levendige behoefte des harten om door God Almachtig bewaard en behoed te worden! Wij zijn, zonder er ons altijd van bewust te wezen, van gevaren omringd; van gevaren, die onze ziel en ons lichaam bedreigen. En de eerste zijn niet de minste. Wat Gods Woord ons zegt van de listen des satans en de verleiding der wereld en de onbetrouwbaarheid van het eigen hart, dat is voor ons zulk eene ernstige waarschuwing, dat wij toch ootmoedig den Hoorder der gebeden vragen ons wakende en biddende te maken, opdat wij strijden in zijne kracht onder de banier van Jezus Christus, die al de zijnen leidt en ze bewaart op al de wegen, die zij te gaan hebben.
Wij kunnen in geen enkelen strijd bestaan en geen enkele overwinning behalen, tenzij de Heere met ons is. Maar, als Hij voor ons
286 12 juli.
aan de spitse treedt, als Hij zijn vriendelijk aanschijn in Christus over ons doet lichten, dan juicht onze ziel: „De Heere der heirscharen is met ons. De God Jacobs is ons een hoog vertrek.quot;
De weg kan dikwerf zoo moeilijk zijn en het hart zoo ontroerd, al heeft het ook door Gods genade geleerd zijn Eben-Haëzer op te richten. Maar welk een troost ligt er dan niet voor allen, die met hun nood en ellende de toevlucht nemen tot den troon der genade in dat woordeken: overal!
Waar de weg ook heenleide, in voor- of tegenspoed, in leven of of in sterven, God zal de zijnen behoeden. En als de nood hoog stygt en de gevaren steeds dreigender worden en de smarten zich vermenigvuldigen, dan legge ons de H. Geest het gebed van David in de ziel: „wees mij genadig, o God! wees mij genadig; want mijne ziel betrouwt op U en ik neem mijne toevlucht onder de schaduw uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij gegaan zijn!quot;
Waar ons geen schepsel helpt, helpt Hij,
Als alles vlucht, staat Hij naby;
In rust en vreugd, in nood en strijd,
Blijft Hij dezelfde t\' allentijd.
Als wij de doodsvallei betreen,
Laat ons elk aardsche vriend alleen;
Maar Hy, de beste vriend in nood,
Verzelt ons over graf en dood.
Gezang 20: 7, 8.
Lezen; 2 Sam. 22: 1—30. — Ps. 91. — Hand. 12: 1—17.
W. KOELMAN.
12 JULI.
Klaagliederen 3: 39: Wat klaagt dan een levend mensch? Een ieder klage van wege zijne zonden.
Dat in de hel geklaagd wordt, is begrijpelijk. Daar sterft de worm van den angst niet, wordt het vuur niet uitgebluscht. Daar is het eeuwig nacht. Daar is geen enkele lichtstraal van hoop meer.
Maar, zeggen bovenstaande woorden, een levend mensch, d. w. z. een mensch, die nog is in het land der levenden, moest niet klagen. Niet anders dan over zijne zonden.
Maar, of dan niet de smarten des levens zwaar knnnen zijn? O
287
zeker, de tegenspoed kan groot, het lijden des lichaams bijna ondragelijk, het zwaard van armoede scherp, de behandeling door menschen boosaardig zijn. Groot is het lijden der wereld, wat op eene door God gevloekte aarde niet anders te verwachten is. En geenszins hebben wij onder dit alles ongevoelig te zijn. Stoïcünsche onverschilligheid zou onmenschelijk zijn. Maar niet mogen wij morren, niet klagen, alsof ons iets onbehoorlijks overkwam.
Om de zonde is er smart op aarde. Ware er geene zonde, er zou ook geen lijden zijn. En nu mogen de tegenspoeden, voor ons weggelegd, vele zijn, wij hebben niets anders verdiend. En wtj bevinden ons nog in het heden der genade, waarin ook de uitwendige smarten nog getemperd zijn. Zij, die ia de hel zijn, zouden gaarne naar de aarde terug willen. Maar het mag niet, voor hen is de genade-bedeeling voorbij. Als wij hieraan denken, en aan onze zonde, onwaardigheid, dan is de weg gebaand, om tot Christus onze toevlucht te nemen, en dan gaat de smart haar prikkel verliezen.
Komt niet, roept de profeet uit, uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? God bestuurt alles. Hij weet juist, wat voor den mensch goed is. Hoogmoed doet dikwerf wrokkend opstaan. Maar God weet juist, wat noodig is om dien hoogmoed te verbreken, den mensch in eigen oog een zondaar te doen zyn. God, zegt Luther eigenaardig, verstaat meesterlijk de kunst, om den eenen zondaar zelfs door den anderen te kastijden. En wy\' meenen dan, dat het kwaad ons van menschen overkomt. Maar het komt van God, die ons kastijdt ons ten nutte. Hoe dankbaar moesten wij onder smarten zijn, dat God zich met ons, nietige menschen, wil bemoeien, ons niet aan ons zeiven overlaat.
Door den Heiligen Geest alleen kan de goede stemming in ons gewerkt worden.
De kinderen Gods, in Gods heiligdommen ingegaan, als zij in goede stemming zijn, meenen niet, dat alle dingen tegen hen zijn, maar danken gaarne; het is mij goed, verdrukt te worden.
\'kBekend\', o Heer! aan U oprecht mijn zonden;
\'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd geyonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg.
Mijn booze daan; Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot ü een ieder van de vromen,
In vindenstijd, met ootmoed, smeekend komen.
Een zee van ramp moog met haar golven slaan;
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
Psalm 32: 3.
Lezen: Ps. 32. — Rom 3: 10—26. — Ps. 73.
A. GULDEN ARM.
12 JULI.
88 13 juli.
13 JULI.
Luc. 12: 18: En hij zeide: Bit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken, en grootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijne goederen.
In deze woorden hebben wij de overdenking van een rijken dwaas.
God heeft hem zeer gezegend met tijdelijk goed. Wat was de oogst medegevallen — zoozeer, dat hij na nauwe berekening tot de slotsom komt, dat zijne schuren al zijn graan niet bevatten kunnen. Verkoo-pen wil hij het niet. Daarom zal hij zijne schuren afbreken en nieuwe, grootere bouwen. En dan, wanneer de drukte van het bouwen en het hoofdbreken hierover voorbij is, breekt er een heerlijk leven voor hem aan! Hij ziet zich in zijne verbeelding reeds genietende van zijn schatten, geëerd door zijne bekenden en vrienden, die natuurlijk velen zullen zijn. \'tZal zijn één rustig, rijk. benijd genot, zijn verder leven!
Was dit overdenken nu zoo dwaas? Had hij misschien er over moeten peinzen, hoe hij zijn geld (door het verkoopen van zijn oogst te verkrijgen) het best voor zijne medemenschen zou kunnen besteden, hetzij door geld te laten verdienen, hetzij door het weg te geven? O, neen. — De Heere vindt het zeker goed, dat de rijke geniet van zijne goederen, mits hij de armen niet vergeet en bovenal God als den Gever van alles in gedachtenis houdt. Abraham en Job werden door Hem rijk gemaakt.
Maar het dwaze van dezen rijke was, dat hij zichzelf beschouwt als eigenaar van zijn oogst, van de macht om van de gaven Gods te genieten, van zijn levenstijd. Zijn bezittingen konden hem door roovers, door brand of watersnood ontnomen worden. — De Heere heeft vele dienaren om ze hem te ontnemen; hij kon krank van lichaam en zinnen worden en van genot zou dan geen sprake zijn. En — zijn levenstijd is in \'sHeeren hand — hij kon sterven. En dan? Ziet, dit is de dwaasheid van dezen mensch en van eiken natuurlijken mensch, dat hij niet gevoelt met God te doen te hebben, die hein heeft gemaakt om Hem te eeren. De wijze weet, dat hij alles ontvangt dooide lankmoedigheid Gods ondanks zijne zonden en dat Hij alles een maal zal moeten verantwoorden.
Bedenkt gij dit? Dan hebt ge u ook nedergebogen voor den Heere en gezegd; Heere! mij ontbreekt de overweging, hoe ik U alles, wat ik heb, zal teruggeven in dankbaarheid. En dan zult ge bij het gezicht van do goede gaven Gods en uw boos hart roepen om de genade in rijkdom of armoede, in nood en dood den Heere Christus als uw
14 JULI.
Verlosser te mogen omhelzen. In Hem liggen alle schatten en gaven. Gij zult dan ook denken: wat zal ik doen ? En het antwoord, dat dooiden Geest aan het volk Gods wordt gegeven, luidt: dit moet gij doen: den ouden mensch bestrijden, opdat Jezus Christus wasse en gij minder wordt.
Wend, wend mijn oog van d\'ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door uwe wegen;
Dat mij \'t betreên dier paden vreugd verschaff\',
Bevestig toch aan uwen knecht den zegen.
Waartoe uw woord hem blijde hope gaf;
Hij is oprecht tot uwe vrees genegen.
Ps. 119: 19.
Lezen: Lnc. 12: 13—32. — Ps. 33. — Matth. 5: 19—48.
F. F. J. VAN DE PIjASSCHE.
14 JULI.
Nahum 1: 3: De Heere is lankmoedig, doch van groote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig.
Ziedaar een woord van den profeet Nahum, dat htf uitriep tegen Ninevé, als hij bü\'na zeven eeuwen vóór Christus in den naam zyns Gods profeteerde. Hoe machtig en aanzienlijk was onder Sanherib en Assarhaddon het rijk van Assyrië geworden, dat ook de tien stammen Israels overwonnen en in zich opgenomen had. Hoe rijk en overmoedig was inzonderheid de hoofdstad Ninevé, waar de schatten van vele overwonnen koningen en volken verzameld waren! Maar ook, welke stroomen van ongerechtigheid waren daarover uitgegoten, zoodat hare zonden luide tegen haar getuigden!
Om hare honderd voet hooge muren en zware poorten, alsmede door hare gunstige ligging aan den Tigris werd Ninevé voor onoverwinnelijk gehouden.
Toch voorspelde Nahum haren ondergang. En na ruim zestig jaren is die profetie vervuld.
De machtige wereldstad werd een reusachtige puinhoop. In de laatste halve eeuw zijn er schatten van kunst en wetenschap uit die puinhoopen opgegraven, die als met luider stemme roepen: „hier „stond eens Ninevé!quot; Een reiziger, die daar vertoefd heeft, schrijft: „nooit „heeft de heilige Schrift zulk een overweldigenden indruk op my ge-DAGBOEK. 19
289
290
„maakt, als toen ik op de puinhoopen van ISTinevé gezeten de profetie „van Nahum las.quot;
„De Heere is lankmoedig, doch van groote kracht!quot;
Langen tijd had G-od de inwoners van Ninevé met geduld gedragen, en misschien hadden zij Gods lankmoedigheid voor zwakheid aangezien. Maar eindelijk werd Gods groote kracht hun openbaar, die den schuldige geenszins onschuldig houdt.
Ook nu meenen vele menschen, dat Gods lankmoedigheid uit zwakheid voortkomt. Het tegenovergestelde is waar. Juist, omdat Hij groot van kracht is en onweerstaanbaar, is Hij lankmoedig. Hij wacht, tot de zondaar zich bekeert.
De Heere is lankmoedig! O, van dat woord mag een mensch, die den Hemel zoekt, wel een loflied maken: want Gods lankmoedigheid is onze behoudenis. Als Hij met ons in het gericht wilde treden, en met ons doen naar onze zonden, wie zou voor Zijne Majesteit bestaan ?
Dat gevoelen en belijden wij met diepen ootmoed, als ons oog geopend is voor onze zondeschuld, en wij geleerd hebben ons zeiven te veroordeelen. Welk een voorrecht is het dan voor het verslagen hart te weten, welk een troost het te hooren: „de Heere is lankmoedig!quot;
Maar wee den zondaar, die daarvan misbruik maakt en zijne zonden zou willen vergoelijken met dat woord; wee den zondaar, die met Gods genade speelt en voor zijne roepstem zich doof houdt! Hij zal het ervaren, dat de Heere groot van kracht is, en den schuldige geenszins onschuldig houdt!
Vaak reeds hier op aarde, maar zeker eenmaal in de eeuwigheid! Behoede God u, mijn lezer, - dat gij het zoudt ondervinden.
Al \'t aardrijk smeek\' U, neergebogen:
Het heff\' de schoonste psalmen aan.
Gezangen, die uw naam verhoogen,
De glorie van uw wonderdaan.
Komt, allen, ziet Gods wijze wegen;
Wat is zijn werking hoog geducht.
Hetzij Hij \'t menschdom met zijn zegen Bezoekt, of met zijn strenge tucht!
Psalm 66: 2.
Lezen: Rom. 10 : 1—21. — Malleacbi 3. — Nahum 1.
H. A. E HEINECKEN.
15 juli. 291
15 JULI.
1 Koningen 8: 18b: „ Gij hebt welgedaan, dat het in mu hart geweest is.quot;
Zoo sprak de Heere door Nathan tot David. Pavid woonde in een cederen huis. En, omdat hij den Heere liefhad, kon hij het niet aanzien, dat de arke Gods woonde in het midden der gordijnen. Daarom nam hij zich voor een huis te bouwen, zijnen God waardig. Evenwel, dat mocht niet, want David was een man des bloeds. Maar toch kreeg hij de belofte, dat zyn zoon Salomo zou doen, wat hem niet vergund werd. En wat zijne begeerte aangaat, om voor zijnen God een tempel te bouwen, daarvan ontving hij de heerlijke verzekering: „Gij hebt welgedcian, dat het in uw hart gewtest is.quot;
Het was er dus David om te doen, om zijnen God te verheerlijken. En daarin deed hij wel. Maar hoe kwam David aan die begeerte? De Heere had hem een hart gegeven, waarin die begeerte leefde, een niemv hart, en daarom was David ook een man naar Gods hart. Van zich zelf had David zulk een hart niet, evenmin als eenig mensch dat van nature heeft. quot;Want van het menschelijk hart, zooals het is, zoolang Gods genade het niet verandert, zeide de Heere Jezus, dat er uit voortkomen booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen en lasteringen. En van deze dingen heeft de Heere een gruwel. Daarom kan Hij in menschen, die een hart hebben, waarin deze dingen gevonden worden, geen welgevallen nemen. Maar die een hart ontvingen, dat niet de zonde liefheeft, maar Gods eere en de vervulling Zijner geboden bedoelt, die zijn Hem welgevallig.
Hoe is het met uw hart? Daarop komt het vooralaan.Zeker.de Heere slaat ook der menschen wegen ga, ook op uwe daden let Hij en uwe ivoorden hoort Hij. Maar toch — Hij ziet verder. De mensch ziet aan, wat voor oogen is, maar God ziet het hart aan. Al reinigt ge dus het buitenste van den drinkbeker, het is niet goed met u, zoolang ge van binnen vol onreinheid blijft. Maar hebt ge een hart, als David, dat Gods eere zoekt, al struikelt ge ook dagelijks in velen, laat dit u dan troosten, dat de Heere op uw hart wil zien.
Doorgrond m\' en ken mijn hart, o Heer!
Is \'t geen ik denk niet tot uw eer?
292 16 juli.
Beproef m\', en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlvjks voedt;
En doe mij toch, met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden!
Psalm 139: 14.
Lezen : 2 Sam. 7: 1—17. — Psalm 119: 9—16. — Matth. 15: 10—20.
B. J. VAN HEIJNINGEN.
16 JULI.
Lukas 4: lê: En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge.
De Heere Jez.us, de eigen Zoon van God, heeft in den dag Zijner omwandeling op aarde den sabbat steeds gehouden.
Hoewel Hij nooit alleen was, maar God de Vader met Hem, hoewel Hij zonder mate met den Heiligen Geest was gezalfd, vertoefde Hij, ten gezetten tijde, in het huis des Heeren.
Hoewel in de synagoge grof ongeloof, streng farizeïsme, koud sadduceïsme en list des satans den Heere hebben mishaagd. Hij verscheen getrouw in de vergaderplaatsen der Joden.
Hoevelen zich ook aan den Christus ergerden, de Heere week niet van Zijne plaats. Hü maakte er zelfs eene gewoonte van, op den sabbat te gaan naar de synagoge. Hij, die altijd was in de dingen Zijns Vaders.
De onderlinge bijeenkomst sta dus bij ons in groote eere. Indien Christus in ons woont, wonen wij gaarne in des Heeren huis.
De godvreezende opvoeding bevordert de heiliging van den dag des Heeren.
Het gebod des Heeren, dat in de harten der kinderen Gods wordt geschreven, en dat door geloof en liefde wordt gehoorzaamd, gebiedt de heiliging van den rustdag. Wie den Heere zoekt, terwyl Hy te vinden is, zoekt Hem ook in Zijn huis, onder de prediking des Woords.
De ondervinding leert, dat de zegen des sabbats troost schenkt voor leven en sterven, kracht geeft voor het kruis, steun biedt voor de samenbinding met het volk Gods, en verlangen doet naar de rust, die voor hen overblijft.
Wie met Christus niet vergadert — en God staat in de vergadering Godes — die verstrooit.
17 JULI.
De gewoonte kan zijn een vorm, waaraan inhoud ontbreekt, maar zii kan ook als eene flesch den kostbaren nardus bewaren of als een kanaal den stroom des levens leiden.
Velen verwerpen de gewoonte, weinigen kennen haar groot voordeel.
De gewoonte stijft in de zonde, de gewoonte laat ook volharden op den engen weg.
De gewoonte van vloeken doet den Naam des Heeren misbruiken zonder opmerking — de gewoonte van de huiselijke en openbare godsdienstoefening leidt tot den Heere en Zijnen dienst.
Gewen u toch aan den Heere, daardoor zal u het goede overkomen. Oefen uwe zinnen door de gewoonte tot onderscheiding des goeds en des kwaads.
Laat ons den rustdag wijden Met psalmen tot Gods eer.
\'t Is goed, o Opperheer!
Dat w\' ons in U verblijden.
\'t Zij d\' uchtendstond, vol zoetheid Ons stelt uw gunst in \'t licht,
\'t Zü ons de nacht bericht Van uwe trouw en goedheid.
Psalm 92: 1.
Lezen: Jac. 1: 21—27. — Mare. 4: 3—20. — Psalm 122.
J. OOSTERHUIS.
17 JULI.
Spreuken 8: 17a: Ik heb lief, die Mij liefhebben.
Zoo spreekt Hij, die in ditzelfde hoofdstuk de Wijsheid genoemd wordt; die betuigt van eeuwigheid gezalfd te zijn; die verklaart, dat bij Hem rijkdom en eer is, duurzaam goed en gerechtigheid; die verzekert, dat Hu zijn liefhebbers doet beërven, dat bestendig is, dat Hij hun schatkameren zal vervullen.
Voor ons, die het Oude Testament lezen bij het licht van het Nieuwe Verbond, is het niet onzeker, wie hier als Spreker wordt voorgesteld ; dat het niemand anders is, dan de van ouds beloofde Verlosser, de Zaligmaker der wereld, onze Heere Jezus Christus, die eenmaal aan Simon, Jona\'s zoon, vroeg: ,,Hebt gij Mij lief.quot;
293
294 17 juli.
Plechtig spreekt de Heiland: „Ik heb lief, die Mij liefhebbenquot;, en zoo geeft Hij de zaligste verzekering, die ooit iemand ontvangen kan; eene verzekering, waarin de kostelijkste zegeningen toegezegd worden aan allen, die tot de „beminden des Heerenquot; behooren.
Wat kan uitnemender zijn, dan een voorwerp te wezen van de liefde des Verlossers, die de zijnen heeft liefgehad met eene liefde tot in den dood, met eene liefde, die almachtig, eeuwig en onveranderlijk is? Hij maakt alle de zijnen tot kinderen en erfgenamen des Hemelschen Vaders, en schenkt hunnen zielen vrede, vreugde en allerlei vertroosting.
Wij allen hebben behoefte aan liefde. Maar wat is ook de uitne-mendste liefde, die wij op aarde kunnen ontvangen, dan dwaas en zwak en armelijk in vergelijking met de liefde, waarmede de Heiland de zijnen liefheeft? Neen! daar is niets, dat ons gelukkiger kan maken, dan de innerlijke overtuiging te hebben, dat deze verzekering des Heeren ook ons persoonlijk geldt. De zekerheid van Jezus\' liefde maakt rustig, getroost, rijk, blij onder alle omstandigheden des levens; die zekerheid doet ons vrijmoedig en vol hope de toekomst, elke toekomst, ook de eeuwige toekomst, tegengaan.
Hebt gij den Heere Jezus lief? en weet de Heiland het van u, Hij, die de harten, ook uw hart, kent en doorgrondt? Onderzoek uzelven, hoe het gesteld is in uw hart tegenover Hem, voor wiens rechterstoel gij geopenbaard zult worden.
Indien gij Jezus niet liefhebt, is het niet te verwonderen, dat gij nog dikwijls zoo onvredig en ongetroost zijt. Ook over u is de Heiland met innerlijke ontferming bewogen. Geef u rekenschap, wat zijne liefde voor u leed en deed! Laten uwe gedachten verzinken in dien oceaan zijner liefde, en bid, dat de Heere u geve Hem wederom lief te hebben.
Is het beginsel dier liefde door Gods Geest gelegd in uw hart, verheug u dan in uw Heiland, vertrouw aan zijne liefde u toe, en toon uwe liefde voor den Heere in een leven. Hem gewijd, door handel en wandel naar zijn gebod.
\'kHeb Jezus lief! Hij is mijn licht en kracht,
Waarheen ik mij in angst en droefheid wende;
Och, wierd alom dien Redder uit ellende,
Van mij, van elk die hulde toegebracht!
\'kHeb Jezus lief! Hü reinigt mijn gemoed.
Door woord en Geest, van mijn onreine vlekken.
Die Hem tot smart, en mij tot schande strekken,
Daar Hij zyn beeld in mij herleven doet.
18 juli. 295
\'kHeb Jezus lief! Hij leidt mij langs ziin pad,
En stiert daarop mijn kinderlijke schreden,
Hij ziet vooruit het wanklen mijner treden,
En, eer ik val, heeft Hy mijn hand gevat.
Gezang 65: 1, 3 en 4.
Lezen: Spreuken 8 : 13—3G. — 1 Joh. 2: 1—6. — Joh. 15: 1—11.
J. NIEESTKASZ.
18 JULI.
Philippensen 3:14: Vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.
Wedstrijden zijn aan de orde van den dag. Nieuwsbladen vullen er hunne kolommen mede, en de telegraaf vertelt het heinde en ver, wie hier of daar op het sportterrein overwinnaar is gebleven. —
Hebben wij ook kennis aan den wedstrijd, dien de wereld niet kent, maar waarvan Paulus spreekt op \'t heilig bijbelblad ? Hij gebruikt het beeld van den Griekschen wedlooper, die in \'trenperk voortsnelt naar de paal, waaraan de kroon is opgehangen, die het hoofd van den overwinnaar sieren zal. Hij ziet niet om en staat niet stil, maar snelt vooruit, den prys in \'t oog. Al korter wordt de afstand, nog een wijle met inspanning van alle krachten voort, en dan.....
Zoo is ook des Christens roeping in het leven. Vergeten hetgeen achter is; geen eigen roem, geen rusten op reeds behaalde lauweren,— maar voort.
Wat heeft Paulus door de genade zijns Gods reeds mogen doen voor het Koninkrijk der hemelen? Hij, de laatst geroepene; in eigen oog van al de Apostelen de geringste; lees, wat hij schrijft 2 Corinthe 11. Maar dat alleen is hem niet genoeg. Neen! Zoo roept hij uit: „niet, dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt ben, maar, vergetende hetgeen achter is, jaag ik naar hetgeen voor is.quot; Zijn wij in dezen aan den Apostel gelijk?
Helaas! de aardschgezinde mensch beschaamt zoo vaak het kind Gods. Wat krachten worden door dezen ingespannen om vooruit te komen, en de eerekroon te behalen; terwijl de Christen nederzit met trage handen en slappe knieën. Maar zoo komt ge niet verder op den weg der heiligmaking. Zoo wordt het kind geen knaap, de knaap geen jongeling, de jongeling geen man in het geloof.
19 JÜLI.
Voort! benaarstigt u, om uwe roeping en verkiezing vast te maken. Hier geen rust. Rust roest. De zendeling Xaverus had als leuze in z^\'n banier: Verder! Verder! terwijl Marnix van St. Aldegonde de zinspreuk op zijn wapenschild schreef: de rust is elders. Zoo zijn zij allen ons voorgegaan, de groote wolk van getuigen, die nu staan voor den troon van het Lam, en de Kroon der eere dragen, door hunnen Heiland hun uitgereikt.
Jaagt naar die kroon, kinderen Gods! en ziet tegen al de moeite niet op. \'t Kan o zoo zwaar zijn in de Christelijke loopbaan. Oogen-blikken kunnen er komen, waarop men dreigt neer te zinken, en hygend klaagt: „ik kan niet meer, ik ben zoo moe.Maar, Die u roept is getrouw. Hij geeft den moeden kracht, en vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
Doet ge mee aan dien wedstrijd, waarin Paulus en een schare, die niemand kan tellen, u zijn voorgegaan? Bidt daartoe om Gods genade en Geest. Bidt om kracht uit den hooge. De beste strijder zal de beste bidder zijn. Eerst in de binnenkamer, dan komt ge in de renbaan het snelst vooruit.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds Toert;
Elk hunner zal in \'t zalig oord
Van Zien haast voor God verschijnen.
Let, Heer der legerscharen! let Op mijn ootmoedig smeekgebed:
Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;
Leen mij een toegenegen oor,
O, Jakobs God! geef mij gehoor.
Psalm 84: 4.
Lezen : Philipp. 3. — 2 Cor. 11: 1—15. — 2 Cor. 11 : 16—33.
J. KRAYENBELT.
19 JULI.
Lucas 2: 4:9b: Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?
Hoe weet de Heer in weinige woorden aan Maria zijne heerlijke roeping duidelijk te maken!
Zij heeft Hem gezocht op den weg, onder het gezelschap der vrienden, die mede opgegaan zijn om het Paaschfeest te vieren. En zij
296
297
mist Hem. Allerlei vragen bestormen het verontruste moederhart, dat zichzelf gaat verwijten, dat hare liefde waakzamer moest geweest zijn over haar kind. En eindelijk vindt zy Hem, zittend in de vergadering der Schriftgeleerden, sprekend over het Koninkrijk Gods. Zij is ontstemd, haar toon heeft iets bestraffends.
De Heer wijst op zijne roeping. Voor den twaalfjarigen Jezus is het de spijze, te doen den wil zijns Vaders. Zijn levea is niet voor zich zei ven. Zijn rieken is in de vreeze des Heeren, heeft de profetie van Hem beschreven. Waar wij den Heer ook aantreffen, aan den vriendendisch, in he: gezelschap der discipelen, reizende, op den weg, geheel het openbaar leven, is den Vader toegewijd. In de eenzaamheid der woestijnen, op de bergen van Galilea, waar de Heer zich in de nachtelijke stilte afzondert tot het gebed, Hij is altoos in de dingen des Vaders. Opgaan in den Vader, in Zijne eer, en Zijnen wil is het eenige doel zijns levens. Prediking en teekenen, lijden en sterven, opstanding en hemelvaart, dat geheele leven is ééne daad, één volbrengen van wat de Vader Hem geboden heeft. Het is een heilig moeten, een moeten van den Zoon, die den Vader verheerlijkt. Getrouw in zijne bediening op aarde, getrouw nu in den hemel als onze gezegende Hooge-priester, die altoos bezig is in de dingen, in het huis des Vaders.
„Zijn in de dingen des Vaders,quot; is het verlangen van allen, die van Christus zijn. Een innerlijk dringen, een moeten naar de wet des geestelijken levens, brengt hen gedurig weer tot deze heilige dingen. We zijn er veel te weinig. Wij dalen, wanneer wij op die hoogte staan, zoo spoedig weer naar de laagte der aardsche dingen. De heilige ernst ontgaat ons vaak. Vormelijkheid in onzen godsdienst benevelt onzen blik. Het was Maria ook te hoog, dat woord des Heeren. En als wy ernst maken met ons leven en dat een bezig zijn in de dingen des Vaders wordt, wij daarmede vervuld worden, dan heet dat overspannen, geestelijk overdreven. Maar het zijn de beste oogenblik-ken van ons leven, wanneer wij ons door den Heiligen Geest laten leiden en Hij in ons werkt, ons inleidende in de verborgenheden van het koninkrijk Gods.
Het kind der wereld is vreemdeling in de dingen des Vaders. Hem trekken ze niet aan. Maar wie uit God is, zoekt, de dingen, die Boven zijn. Zoo wordt dit woord des Heeren een toetssteen, ons in handen gegeven ter zelfbeproeving.
Laat ons de gelegenheden niet verzuimen, om naar de ware behoeften onzer ziel, in de dingen des Vaders te zijn. Het zal eens onze vreugde zyn, onze zaligheid, niets anders te zoeken, niets anders te zien. — Dan zijn wy in het huis met vele woningen, door Christus ons bereid.
20 juli.
Jezus! bron dier hemelvreugde,
Die ons hart eens smaken zal;
Wat ons ooit op aard verheugde.
Gij verheugt ons hoven al!
Daar Gij ons reeds hier bereidt Voor des hemels heerlijkheid,
Waar w\'U eeuwig lieven, loven;
Jezus! trek ons hart naar boven!
Gezang 43: 5.
Lezen: Lukas 2: 41—52 — Philippenzen 2: 1—11, — Johannes 17: 1—17.
J. WIKTEN
20 JULI.
Romeinen 10; 10a: Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid.
Het is naar waarheid gezegd, dat het geloof is het ophouden van het groote misverstand, dat wij nog iets tot het verdienen van onze zaligheid moeten aanbrengen. Met het geloof wordt dan ook te niet gedaan het steunen op eigen deugd, om ons geheel op de gerechtigheid van Christus te verlaten; het afgaan op eigen wijsheid, om ons enkel te laten voorlichten door de Zon der Gerechtigheid, het pogen in eigen kracht, om ons geheel te laten bezielen door Hem, Wiens bijstand ons onmisbaar is geworden. Want, gaat aan het geloof vooraf een worsteling om in eigen kracht zich tot de rechtvaardigheid, die voor God geldt, te verheffen — het geloof geeft die worsteling op, om. zich werpende in de armen des Verlossers, te zeggen; „Heere Jezus! Gij zijt mijne gerechtigheid en ik ben Uwe zonde!quot;
Het geloof is het orgaan, waarmee de zondaar ziet, hoe alleen de gerechtigheid van Christus hem voor God kan bedekken en tegelijk de hand om aan te nemen, wat ons in Christus is geschonken. Wanneer wij gelooven, dan geven wij ons aan den Heer; Zijn woord wordt dan niet betwijfeld; Zijn yezag niet verworpen; dan is er eenstemmigheid dei-ziel met den Vei\'osser, men geeft zich geheel aan Hem.
Het geloof, dat ons rechtvaardigt, moet tot zetel hebben : het hart. „Met het hart,quot; : chrijft Paulus, „gelooft men.quot; Met het verstand kan men vele dingen als waarheid aannemen, doch uit het verstand wordt geen liefde geboiCii en liefde is onafscheidelijk aan een geloof, dat den mensch behoudt. Gelijk in ons lichaam het hart de verborgen bron is van het dierlijk leve:;, dat het bloed ontvangt en voortstuwt
98
20 juli. 299
door heel ons lichaam — zoo heet het ook in de Schrift het middelpunt van ons persoonlijk leven, waarvan de uitgangen des levens zijn. Uit dit middelpunt worden de verschillende vermogens van den menschelijken geest beheerscht en zoowel verstand als gevoel en wil worden door het hart geregeerd.
Gelooven met het hart beteekent dus evenmin eene verstandelijke als eene gemoedelijke overtuiging, maar een vertrouwen op Christus, dat zich uitspreekt in ons denken, zich meedeelt aan ons gemoed en de richting geeft aan al onze begeerten.
Zetelt het geloof dus niet in het hart, hoe kan het dan invloed uitoefenen op onze gansche persoonlijkheid? En omgekeerd: is het hart voor God gewonnen, zijn wij dan niet Zijn eigendom en spiegelt zich dan ook in ons leven niet iets af van die gerechtigheid, die in Christus volmaakt is te zien gegeven? Want is Hij in ons hart opgenomen, dan heerscht Hij ook binnen in ons door Zijnen Heiligen Geest; dan wordt het oordeel juister gevormd, het geweten fijngevoeliger en de wil gebogen om te doen, wat God van ons vordert. Dat wat den niensch tot mensch maakt, namelijk zijn hart, is dan voor Christus gewonnen en dit maakt hem tot een nieuwen mensch, naar God geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid, maar die nu ook in eene zondige wereld zijn licht moet laten schijnen, opdat God verheerlijkt worde en anderen voor Christus gewonnen.
Zetelt het geloof ook bij u in het hart?
Welzalig hy, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor \'t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mensch, wien \'tmag gebeuren.
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die, In \'t vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank oprechtheid voedt.
Psalm 32: 1.
hezen: Hora 10: 1—10. — Hebr. 11: 1—6. — Psalm 116.
H. JIALCOMESIUS.
300 21 juli.
21 JULI.
Handelingen 26: 286 : Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.
Aldus sprak eenmaal Koning Agrippa bij gelegenheid van Pau-lus\' verhoor. De beschuldigde Paulus daagt hier zyn rechter ter verantwoording en deze spreekt door zijn geweten gedrongen zijn eigen vonnis uit.
Zoo vreesde ook Herodes voor Johannes den Dooper, dien hij, niettegenstaande zijne bestraffing, gaarne hoorde. Zoo riep ook Felix uit, toen Paulus tot hem sprak van rechtvaardigheid, matigheid en toekomend oordeel: „Voor ditmaal ga heen, en zon wanneer ik gelegener tijd zal bekomen hebben, zoo zal ik u tot mij roepen.quot;
En zoo gaat het altijd. Want, waar ooit het Woord der waarheid niet in eigen, maar in Gods kracht gepredikt wordt, daar oefent het invloed uit, — ten zegen of ten vloek. En zoo werd dan ook Agrippa bewogen, doch slechts bijna — een Christen te worden. De machtvan het kwaad was sterker dan de afkeer van de zonde. Een oogenblik was hij geroerd, bewogen, aangedaan, maar niet van harte. Straks grypt hij bij vernieuwing naar den zondebeker, om eiken indruk voor goed te verbannen.
Evenwel Koning Agrippa is niet de eenige geweest, dien het aldus gegaan is. Of kent ook gij wellicht ze niet, mijn lezer, die oogenblikken, hetzy onder het ernstige woord der prediking en vermaning, of in de ure uwe bevestiging tot lidmaat, öf aan den H. disch, of op het ziekbed, öf aan het geopende graf van een uwer dierbaren, — dat ook gij, o zoo geroerd, aangedaan en bewogen waart voor uw gevoel, dat er tranen langs uwe wangen vloeiden, ook al zocht gij ze voor het oog der wereld te verbergen. Gij gevoeldet toen de kracht dei-waarheid in het ontwaakte geweten.
Gij zaagt in, op welk een treurigen weg gij waart. Gij traadt als uw eigen beschuldiger en aanklager op. Het stond bij u vast, het moest anders, beter met u worden, en zoo niet, dan viel er voor u niets te hopen, maar alles te vreezen.
Evenwel, het kwam ook niet verder, niet dieper bij u. Want, toen straks die eerste indrukken voorbij waren, en de stem uwer veroordee-lende eonscientie begon te zwijgen, toen keerdet gij u van lieverlede van Christus af, met een Demas de tegenwoordige wereld alweer liefkrij-gend, want uw gemoed was wel bewogen, maar uw hart niet verbroken; gü\' waart wel overreed, maar niet door den Heiligen Geest overtuigd van zonde.
21 juli. 301
En daarom o! dat „bijnaquot; heeft zulk een diep ingrijpende betee-kenis en ver gaande strekking. Denk aan de vrouw van Lot, die bijna gered was, en toch nog omkwam. Denk aan dien wetgeleerde, die niet verre was van het koninkrijk Gods en toch geen onderdaan van dat koninkrijk Denk aan de dwaze maagden die bijna binnen waren, en toch bultenbleven.
Vraagt gij met het oog hierop : hoe kan ik voor zelfbedrog bewaard blijven? Welnu, laat ons u enkele kenteekenen ter zelfbeproeving mogen voorhouden.
De bijna — christen byv. betreurt zijne zonden, d.w.z. zondige daden of staat slechts stil bij de gevolgen; de ware Christen daarentegen daalt af tot don wortel en betreurt de zonde in het diepst van haar oorsprong en wezen, beiden in- en uitwendig.
De bijna — Christen maakt zijn grond van zyn aandoening, gestalten en bevindingen, maar de ware Christen vindt zijn grond alleen in Christus, terwijl het andere hiervan uitvloeisel is. De bijna-Chiisten is evenals Jonas wonderboom in èèn nacht groot en steekt het hoofd in de hoogte; de ware Christen echter is een treurwilg gelijk, en zoekt het juist in de diepte.
De bijna—Christen is afkeerig van zelfonderzoek, terwijl het daarentegen den waren Christen nog gedurig eene behoefte is zijn hart en wandel bloot te leggen voor het oog van den Alwetende, opdat, wanneer daar een schadelijke weg zü, deze hem op den eeuwigen weg lelde.
Zie, mijn lezer, toets u aan deze en dergelyke kenteekenen en geve God u in Zijne onuitsprekelijke genade uw beeltenis te mogen zien in Noach\'s duive, welke geen rust vond voor het hol van haren voet, dan voordat zy in de ark was opgenomen. Want alleen binnen de Ark is behoudenis; alleen binnen die ware Vrijstad, Jezus Christus, is ontkoming, ja, het eeuwige leven te vinden.
Weer snood bedrog, o God! van myn gemoed.
Laat uw gena mij uwe metten leeren;
Ik kies den weg der waarheid voor myn voet.
Om mij van \'t pad der zonden af te keeren :
Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,
Steld* ik mij voor; die wil ik needrig eeren.
Psalm 119; 15.
Lezen. Ps. 139. — Hand. 26. — 1 Joh. 2: 15_29.
J. A. VAN BOVEN.
302 22 juli.
22 JULI.
Jeremia 49: 11: Laat uwe iveezen achter: Ik zal ze in het leven behouden, en laat moe weduwen op Mij vertrouwen.
Menige bange verzuchting is daar uit het vader- en moederhart opgestegen, menige weemoedige klacht van de lippen eens vriends vernomen, als daar de dag in het verschiet was, dat zij van hunne kinderen, en toebetrouwde panden moesten scheiden. Wat zal er van hen worden in die onbekende toekomst, in die booze wereld, was en is de stille alleenspraak van menig rnensch bij het heengaan van deze aarde. En de geloovige, dien de Heilige Geest heeft geleerd tot vergeving van al zü\'ne zonden te vertrouwen alleen op de offerande van Jezus Christus, den Zoon G-ods, kan ten opzichte van zijn kroost en betrekkingen, die hij achterlaat, zich nog meermalen bezwaard gevoelen.
Welk een troost, dat God heeft gedacht aan de weezen en weduwen, die daar alle eeuwen door, op de wereld zouden zijn. Ook van deze bekommernis wil Hij ons bevrijden, door bovenstaand woord. De almachtige God en getrouwe Vader om Christus Ziins Zoons wil, noodigt ons de kinderen aan Hem toe te vertrouwen. Daar is geenerlei verdienste in ons, noch ook in onze kinderkens, doch om Zijn eeuwig welbehagen heeft God in Zijnen Zoon een weg gebaand tot behoudenis van ons en ons kroost. Daarom wil Hij. die den hemel en de aarde regeert voor onze zonen en dochteren zorgen, ook als wij niet meer zijn, en kunnen wij God op zijn Woord geloovende, hen veilig achterlaten.
Och! de kinderen, zij weten dikwijls zoo weinig van het verlies hunner ouders, zij vergeten zoo spoedig hun smart, maar de weduwen — veel ontvalt haar in den man harer keuze, én aangename omgang, én gemeenschappelijk overleg en vriendelijke steun, én dikwerf ook de broodwinning.
Waar voor dit alles vergoeding te vinden? Bij den Drieëenigen God. De broodicmwer moge gestorven zijn, de BvooAgever leeft. Op Hem mag de weduwe door Christus Zijnen Zoon al hare zorgen werpen, voor Hem haar treurend en bezwaard hart uitstorten, aan Hem om raad vragen in de kleinste dingen. Hij wil haar niet slechts door den tijd helpen, maar in Zijn Zoon haar Zijn gunstrijken omgang schenken door den Heiligen Geest, en door Zijn Woord haar troosten en leiden al de dagen haars levens.
\'tis do Heer, die vreemdelingen Met een wakend oog beschouwt:
23 juli.
Weeuw en wees in twistgedingen En in kommer staande houdt;
Maar zijn arm, der vromen hoop,
Stuit de boozen in hun loop.
Psalm 146: 7. Lezen. Jer. 7; 1—14. — Pe. 68: 1—7. — Ps. 146.
Y. DOORNVELD.
23 JULI.
Micha 6:6: Waarmede zal ik den Reere tegenkomen, en mij huk ken voor den hoogen God?
Zoo brak dan ook heden weer de liefelijke sabbat voor u aan en roepen de kerkklokken u op, om naar Gods huis te gaan.
O, liefelijk zijn ook u daar, niet waar, de voeten dergenen, die vrede boodschappen, vrede door het bloed des kruises!
Maar nu, waar gij gereed staat om op te gaan naar Gods huis, is daar nu ook in uw harte de vraag: Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hoogen God?
Ach, wij zijn zoo gewoon iets mede te brengen en met ledige handen verschijnen wij niet gaarne.
En zalig, waar zoo de drang van het harte is, want het is een teeken, dat ook in uwe ziele de Da vidstaal levend is geworden: „Wat zal ik den Heere vergelden vour al Zijne weldaden, aan mij bewezen.quot;
En die weldaden zijn zoo onnoemlijk vele. Gij ziet ze met een dankbaar oog, wanneer gij ook op dezen Sabbatsmorgen het oog terugslaat op de week, die weer achter u ligt.
Welnu, waarmede zult gij dan, waar gij heden opgaat om uw dankpsalm te mengen in het koor der gemeente, den Heere tegenkomen ?
Ach, niet waar, waar gij ook zoekt, nergens vindt gij iets, dat den Heere waardig is. Uw onbesneden lippen kunnen Hem geen lof naar waarde toebrengen. De goede werken uwer hand zijn bezoedeld en met zonden bevlekt.
Maar zult gij dan zoo maar gaan ?
Is er dan niets, waarmee gij u kunt neerbukken voor den Heere, uwen God, Die met zooveel verbeurde zegeningen en onverdiende weldaden u omringde op uw levenspad?
24 juli.
Ja, één ding is er, één iets, wat de Heere niet zal afwijzen, wat zelfs Hem welbehagelijk is. En wat is dat?
Een gebroken en verslagen hart.
Ja, een hart, verbroken door schuld en zonde, en verslagen door c\'e kennis uwer onmacht, om Hem te vergelden, wat Hy u deed.
Maar hebt gy zulk een hart?
O neen, niet waar, dat is ook een gave van Zijne genade, gewerkt door Zijnen Heiligen Geest.
O, smeek dan, dat Hij dat in u moge werken, en buk u daarmee neder voor den Heere, uwen God. Dan zal uw Sabbat rijk gezegend zyn.
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,
Dien trouwen Heer voor Zijn gena vergelden?
\'kZal, bij den kelk des heils, Zijn naam vermelden. En roepen Hem, met blijd\' erkent\'nis aan.
Psalm 116: 7.
Lezen: Micha 6: 1—8. — Psalm 84. — Joh. 2: 12—25.
G. NIJHUIS.
24 JULI.
Jesaia 34: 16a: Zoekt in het hoek des Heeren, en leest.
G\\j leest toch lederen dag in uwen bijbel, niet waar, in dien bijbel, waaruit uwe moeder u zoo heerlijk vertellen kon, toen gij zelf nog niet lezen kondet; vertellen, zooals eene moeder alleen dat kan.
Ja, gij leest iederen dag in uwen bijbel, dat geloof ik van u; ook nu ligt hy opgeslagen voor u, en toch is uw leven den eenen dag zoo geheel anders dan den volgenden.
Dat is niet de schuld van uw bijbel. Dat is uw eigen schuld, omdat gij bij oogenblikken met uwen bybel doet, als die jonkvrouw, die bloemen wilde garen, heerlijke bloemen van één en dezelfde kleur, voor een bepaald doel, maar de vogelen daarbuiten, ze jubelden zoo blij, en ze kweelden zoo liefelijk, dat zij meer luisterde naar der vogelen gezang, dan dat zij lette op der bloemen kleur. Toch ging zij voort, al voort, en zij plukte, en zamelde, een ruiker vol, totdat zy aan \'t einde was van het veld, waar die bloemen groeiden, en ja, zij had wel een bloemruiker, maar de bloemen vormden nitet één geheel voor \'tdoel, waartoe zy ze had willen zamelen.
Zou \'tzoo niet menigmaal met uw bijbellezen gegaan zijn, of nog wel gaan?
24 juli. 305
Zonder dat ge \'tzelf wilt, worden uwe gedachten dikwijls zoo afgeleid, en voorwaar, niet altijd tot een sfeer als die, waarin de vogelen hun lied zingen, maar gewoonlijk veel lager; want, o, die aarde met al haar aardsche nietigheden, die voor den mensch zoo groot kunnen schijnen, die aarde met al haar leed — maar toch ook haar liefs — doet u menigmaal in eene stemming verkeeren, dat ge ongeschikt schijnt, om aan de hemelsche dingen te denken.
Maar alweer niet de schuld van de aarde, maar de uwe, omdat gij als zondaar die aarde telkens weer niet beziet, zooals ze bezien moet worden.
Hoe moet ge ze dan bezien? — Zoekt in het boek des Heeren, en leest; zoekt ernstig, zoekt biddend, leest met aandacht, met een luisterend oor. evenals een, die zijn handen laat gaan over het klavier van een machtig orgel, en die wil weten, wat er in dat orgel zit. Zie, daar trekt hij een register open, hoe liefelijk dat geluid, als verneemt hij er de stem in: „hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die het goede boodschappenquot;; hij trekt nog een register open; \'t geluid wordt iets voller, en \'t ruischt zachtkens, maar treffend: „werp al uwe bekommernissen op Mij, Ik zorg vooruquot;; en als dan de bourdon open gaat, dan klinkt het als eene machtige diepe grondtoon er door, ja, als een groote stem: ,,Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlykheid, en dankzeggingquot;. En zoo gaat het voort, \'teene register voor, \'tandere na: „komt tot Mij, gy allen, die vermoeid en belast zyt, en Ik zal u ruste geven,quot; en steeds voller wordt de jubel, tot eindelijk het volle werk met macht het uitroept: „Ik leef en gij zult le^enquot;, en gij, overweldigd en medegesleept door al dat, toongemengel, paart er uwe stemme aan, zwak in vergelijking van dat orgellied, maar krachtig en vol, omdat het is de stemme des geloofs: Amen, Heere! Ik heb gezocht en ik ben gevonden; ik heb gelezen en ben geleerd; ik heb geklaagd, maar ben tot zingens toe verheugd. Amen. Heer! U zij de dank!
Ik zal, o God! bepeinzen uwe wet,
In \'t onderzoek van uw bevelen waken;
Terwijl mijn ziel op uwe paden let.
In uw geboon zal zich mijn geest vermaken.
En daar ik hulp verwacht op mijn gebed,
Uw heilig woord vergeten, noch verzaken.
Psalm 119: 8.
Lezen : Jesaia 51: 1—6. — Prediker 3 : 1—8. — Hebr. 11; 1—6.
Dk. W. J. M. ENGELBERTS.
20
DAGBOEK.
806
25 JULI.
Genesis 32: 26b; Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Wij zien bij Jacob, waartoe gemis aan eigen kracht brengt.
Niet tot lijdelijkheid, die moedeloos doet spreken; Ik zal maar wachten, of het den Heere behaagt nog bemoeienis met mtj te maken. Evenmin tot ongeloof, dat in des Christens ziel de zondige gedachte wekt; God wil mij niet helpen. Neen, het rechte gemis aan eigen kracht doet ons tot den genadetroon vluchten met onze smeekingen, leert den Heere aangrijpen, als eene Hulp in benauwdheid.
Merk op, wat een hongerig bedelaar doet, wanneer het hem gelukt is uwe woning binnen te komen. Hy weigert te vertrekken, aleer gij hem eene gave gegeven hebt.
Zoo ook Jacob. Hij klemt zich met eene stoutmoedigheid, die uit zondaarsarmoede geboren is, vast aan God, Die rijk is in barmhartigheid, zeggende; Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent.
Als de ziel geheel ontledigd is van alles, wat zij in haarzelve meende te bezitten, dan wordt God haar eerst recht onmisbaar; dan blijft al worstelende Zijne genade haar eenig uitzicht. Als de golven zich boven ons hoofd dreigen te sluiten, dan roepen wij, zonder ons door iets te laten weerhouden, tot den Heere om eene verbeurde, maar toch onmiddellijke uitredding. Juist het besef onzer machteloosheid is dan de overwegende reden, dat wij aanhouden in het gebed. Immers onze God ontfermt zich over Zijne kinderen, waar hun noodgeschrei opklimt tot Hem. Geen zondaar, die uit een onder schuld verslagen hart, een biddend en volhardend beroep deed op Zijne liefde, is ooit door Hem afgewezen.
En daarom, laat ons vragen om genade, die ons dagelijks leert sterven aan eigen kracht; die ons leert breken met ieder steunpunr, in onszelven.
Laat ons zoo op iederen kruisweg, waarop God ons leidt in diepe afhankelijkheid biddend tot Hem opzien om hulp en zegen.
O weet, hoe Hij in Zijne liefde zoo diep tot ons afdaalt, dat Hij zich door ons worstelen laat overwinnen.
Nader dan met alles, wat u zorgen baart voor tijd en voor eeuwigheid tot Hem, en geef het niet op met uw gebeds- en geloofsstrijd, vóórdat gij uit Zijne volheid ontvangen hebt genade voor genade.
26 juli.
Wien lieb ik nevens U omhoog?
quot;Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit. in bittre smart Of bangen nood, mijn vleesch en hart.
Zoo zult Gy zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel. mijn eeuwig goed!
Psalm 73: 13.
Lezen; Gen. 32; 24—32. — Luk. 18; 1—13. — Ps. 116.
J. L. DIPPEL.
26 JULI.
Mattheüs 7: 21 — 23; „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is.
Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan1?
En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend: gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt.quot;
Elk een diep ernstige waarschuwing is er in deze woorden vervat! En zij zou niet met zooveel nadruk door Jezus gezegd zijn, bestond er niet menigvuldige aanleiding toe. Daar is, hoe vreemd het ook schijne, zooveel godsdienst zonder God; vele menschen pronken met gestolen veeren; menigeen dient in de livrei des hemels, die hij stal, feitelijk den duivel. En het is volkomen begrijpelijk, dat men zoo doet, omdat niemand gaarne voor een heiden of godloochenaar wordt aangezien. Daar wordt zooveel gedaan, zooveel beleden op godsdienstig terrein, zonder dat het geloof daarvan de oorsprong mag heeten.
Het laatst van de 19de eeuw is rijk aan Godsverachting, helaas! maar ook rijk aan vroomheid, die geen diepte van aarde bezit. We zouden wel blind moeten zijn, om de werkelijkheid en het gevaar van dit laatste vooral voorbij te zien. Wat een vreeselijke bedwelming is het toch, om nog voor het eeuwig gericht te durven zeggen: „Heere! hebben wij niet in Uwen naam geprofeteerd?quot; Wat kan een mensch toch een vreemdeling zijn in zijn eigen hart! Uitwendige
307
3C8
vormen zijn niet meer dan ledige emmers in een uitgedroogde put.
Bedrog, mijn lezer! is een van de grootste listen des duivels, — dat heeft hij reeds getoond in het Paradijs, en dat toont hü nog altijd door.
Laten wij toch met allen ernst onszelven onderzoeken, of het doel van onzen godsdienst alleen is de eere van God. Vergeten wij het nooit, dat het oneindig beter is duizendmaal te hebben getwijfeld, dan zich éénmaal te hebben vergist. — En toch, de Heere God moet van alle dingen de eere hebben en natuurlijk wel het meest van al datgene, wat Zijn koninkrijk aangaat. —
Moge dan de H. Geest geheel ons ontblooten van allen eigenge-maakten godsdienst, opdat we niet tevreden zijn met een uitwendig belijden, maar geheel ons leeren verlaten op de gerechtigheid van Jezus Christus, in Wien de volheid Gods volkomenlijk woont.
Wie kan zijn eigen hart vertrouwen Zijn hart, zoo vol arglistigheid ?
Gij blijft het. Heer! geheel doorschouwen.
Daar \'t voor ü naakt en open leit.
ïreft Gij mij aan op booze wegen,
Zoo leid my op de rechte baan;
Dan lacht mij in het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan.
Gezang 9: 6.
Lezen; Fs. 25: 10—22. — Zach. 7 : 7—14. — Matth. 7: 13—29.
J. BOER KNOTÏNERUS.
27 JULI.
Jeremia 2: 10 en 11: Want, gaat over in de eilanden der Chitteers en ziet toe, en zendt naar Kédar, en merkt er wel op; en ziet, of\' desgelijks geschied zij.
Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel deze geene Goden zijn? Nochtans heeft mijn volk zijne eere veranderd in hetgene geen nut doet.
Het tekstwoord voor dezen dag is een der scherpste woorden uit de aangrijpende profetiën van Jeremia. Hij voert daarmede zijn volk in de leerschool der heidenen, om er waar te nemen, dat zelfs die heidenen niet zoo diep gezonken zijn als Juda en Jeruzalem; want zij
27 juli.
hebben hun goden niet veranderd, hoewel deze geen goden ziin; nochtans heeft des Heeren volk zijn Eere, fdat is ztfn God) veranderd in hetgeen geen nut doet.
De Heidenen hebben goden en vereeren deze. Zij openbaren daarin hun diepste behoeften en tegelijkertijd hun onkunde. quot;Wat de Heidenen offeren, zegt Paulus (1 Cor. 10: 20) dat zü den duivelen offeren. Zy doen dit met zware offers dikwerf; met een toewijding, die ons ïref-fen moet. Veranderen van goden, gaat ook niet gemakkelijk. Hoe zou het ook? Het z\\in goden naar hun beeld en gelijkenis, de uitdrukking menigmaa.1 van hun eigen zonden en zwakheden. Hen te verloochenen is zichzelven te verloochenen; daarom veranderen zij die goden niet en het is de kroon der Christelijke zending, dat onder tal van Heidensche volken de afgoderü overwonnen werd en de goden werden onttroond.
Ook voor de gemeente van den nieuwen dag is er in de landen van „Overzeequot; nog veel te leeren.
Daar wordt ons het uitnemend voorrecht ontvouwd van het licht der openbaring. Met ons eigen licht zouden wy ook niet verder zijn gekomen dan deze natuurvolken; dan zouden wij ook vruchteloos hebben gezocht en getast naar Hem, die niet verre is van een iegelijk van ons en de hoogste openbaring onzer diepste behoeften zou geweest zijn het altaar aan den onbekenden God gewijd. Maar, heil ons, dat wü roemen mogen in de openbaring van onzen Heere Jezus Christus! Meer zelfs, dan onder Israëls schaduwdienst van het welbehagen Gods openbaar werd, heeft Hij ons bekend gemaakt. Van Hem zingt de dichter zoo terecht: 1)
„En wat de Heidnen vruchtloos zochten
„Met boetedienst en plechtgebaar,
„Wat ram en varre niet vermochten,
„Geslacht op Sions brandaltaar;
„Dat, Hoogepriester toI erbarmen,
„Bestaat Gij in Uvv Heiligdom :
„Gij leidt het kind in \'s Vaders armen,
„De ziele tot heur God weerom.quot;
309
Maar dan moeten wij ook te dieper onze schuldige ontrouw erkennen en betreuren. Wat is daar by ons een gebrek aan offervaardigheid en toewijding om des Heeren wil. Wij hebben geen afgods-heelden; zouden wij ook geen afgoden hebben? In hoe menig hart leeft het „Ikquot; ongestoord voort en heerscht op den troon; in hoe menig hoofd is een valsch gedachtenbeeld van het Goddelijk Wezen gevormd, om daarvoor neder te knielen! Geen toetsen van onze voorstellingen aan
1
J. J. L. ten Kate.
28 juli.
het Woord; maar een wringen van dat Woord naar onze begrippen!
Zij hebben hun heerlijkheid veranderd in hetgeen geen nut doet en doen ons denken aan wat de psalmdichter in een ander verband eenmaal uitsprak:
„Hun weelde is als een droom vergaan,
„O Heer! wanneer Gij op zult staan,
„Zult Gij hun toonen, onverwacht,
„Hoe gij hun ijdel beeld veracht!quot; 1)
Keer met Jeremia\'s woord veel tot u zeiven in. Dat maakt dankbaar voor onze christelijke voorrechten en het doet neerbuigen in oprechte verootmoediging by zoo telkens gebleken ontrouw. Het stemt tot een steeds trouwer getuigen voor den Heere en Zijne waarheid en legt de gemeente en hare leden het lied op de lippen;
„Wij, weerspannig, tegenstrevend,
„Spottend met Uw hoog gezag;
„Gij, verschoonend, graag vergevend,
„Steeds ontfermend al den dag;
„Wij gevoelen, wij gevoelen
„God! daar is geen God, als Gij,
„Gij alleen zyt waard, dat wij „Onze liefd\' en ons bedoelen „Eeuwig richten naar U heen,
„Vader! ja, naar ü alleen!
Gez. 63: 4.
Lezen: Jeremia 2. — Jesaia 1. — I Cot. 10.
D.;j. karres.
28 JULI.
Jeremia 8: 96: Ziet, zij hebben des Heer en woord verworpen, ivat wijsheid zouden zij dan hebbenquot;?
310
Wij kunnen zeggen, dat deze dagtekst den sleutel bevat voor de gansche wereldgeschiedenis. Reeds in het Paradijs zien wij dit woord bewaarheid. Doch letten wij thans eens meer in het bijzonder op onzen eigen tijd. Immers, juist, helaas in onze dagen openbaart zich bij velen een steeds driestere verwerping van Gods Woord. Maar
1
Pb. 73: 10b.
311
tot welk een wijsheid men dan komt, begint ook steeds daidelijker aan het licht te treden in ontevredenheid, revolutiegeest, socialisme, ondermijning, ook van de meest eenvoudige wetten der zedelijkheid. O, het klonk zoo schoon, toen men pas begon te spreken van „het nieuwe licht,quot; de „tweede hervorming,quot; den godsdienst der beschaving en der humaniteit. O, de wijsheid der wereld, wanneer zij pas begint af te wijken van het Woord, heeft nog eenigen schoonen schijn, n;aar hoe verder zij gaat, hoe consequenter zij wordt toegepast, hoe meer zij de dwaasheid „zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden (Eom. 1: 22), ganschelijk gelijk wordt. Let er eens op, hoe sommige wereldwijzen dan ook reeds de wanhopige vraag begonnen te doen, „of het leven wel waard is om geleefd te worden.quot; Let ook vooral eens op de literatuur van den dag of wat zoo al mooi gevonden wordt door onze hedendaagsche beschaafde pers. Paulus zegt van het heidendom, dat God het, omdat het Hem niet in gedachtenis heeft gehouden, overgegeven heeft tot onreinigheid. Welnu, geschiedt thans niet hetzelfde met onze nieuwste beschaving, met dit moderne heidendom? Alleen is de onzedelijkheid nu nog verfijnder en nog ontzettender, daar nu ook de schuld der zonde, meer dan bij de eigenlijke heidenen, wordt weggeredeneerd. En dit is ook geen wonder, daar hec altijd dubbel erg is, „wanneer de hond tot zyn uitbraaksel wederkeert.quot; (2 Petrus 2: 22. — Matth. 12: 45.)
Intusschen, wees niet bevreesd, mijn broeder of mijn zuster, die nog in oprechtheid wenscht te buigen voor Gods woord. De Heere regeert. Hij bewaart zich ook in de bangste tijden een „overblijfsel, dat naar de verkiezing der genade isquot; en onze Heiland zorgt ervoor, dat de poorten der hel Zijne Gemeente niet zullen overweldigen.quot; Maar besef gij intusschen uwe dure roeping. Wacht u ook voor de geringste afwijking van Gods Woord. Pas het toe, zoowel op verstandelijk als op zedelijk gebied: „Gij kunt niet God dienen en den Mammon.quot; En bedenk, dat er geschreven staat: „Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord heeft.quot;
Doe bij uw knecht weldadigheid, o Heer!
Opdat ik leev\', uw woorden moog\' bewaren.
En dat uw Geest mij ware wijsheid leer\',
Mijn oog verlicht, de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de wondren zie en eer.
Die in uw wet alom zich openbaren.
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mjjn pad ten licht, om \'t donker op te klaren.
Ik zwoer en zal dit met een blij gemoed
312 29 juli.
Bevestigen in al mijn levensjaren,
Dat ik uw wet, die heilig is en goed.
Door uw gena bestendig zal bewaren.
Ps. 119 : 9, 53.
Leien; Jer. 8: 4—22, —Hebr. 4. — Psalm 119; 129—139 en 161—168.
Dr. P. J. KROMS1GT.
29 JULI.
Jesaja 58; 11a: De Heere zal u gedurig lijk leiden.
Des Heeren geleide is de eenig vertrouwbare waarborg van zegen en veiligheid.
Wat \'s Heeren geleide beteekent, dat heeft Gods oude bondsvolk ervaren, toen het met sterke hand uit Egyptische dienstbaarheid verlost, 40 jaren lang, veilig en wel verzorgd in die groote en vreeselijke woestijn heeft doorgebracht.
De wolk- en vuurkolom waren onderpanden van Gods bestendige wacht over zijn volk.
Zullen wij veilig onzen weg reizen, dan hebben wij aan niets minder genoeg.
Wanneer Gods gunstryk aangezicht niet met ons gaat, wanneer Zijne hand ons niet vasthoudt en geduriglyk leidt, op wien zullen wij dan bouwen?
Te vertrouwen op menschen of op eigen inzichten en vermogen heeft ons reeds menigmaal beschaamd doen uitkomen.
Op goed geluk het te wagen, daarvoor is het leven veel te ernstig en de eeuwigheid te lang.
Neen, van stap tot stap hebben wij noodig te staan onder de veilige hoede van eenen machtigen, wijzen en getrouwen Leidsman, die met goedertierenheid ons draagt, met zorgvuldigheid onze wegen afbakent, en ons geleidt tot den dood toe.
Zoodanig een geleide wordt toegezegd aan al degenen, die in waarheid den Heere vreezen, en door een oprecht geloof in Christus kinderen Gods geworden zijn.
Laat het u niet te groot zijn, deze belofte te aanvaarden, ziende op eigen onwaardigheid!
Laat het u niet te zwaar zyn eigen inzichten en gedachten gevangen te geven, en gewillig en vertrouwend te volgen, waar ook uw herder u leidt!
30 juli. 313
Bind in \'s Heeren kracht den strijd aan tegen alle onwaarheid, ijdelheid, en zucht om te bedillen, want deze dingen maken u schuldig en belemmeren den vrede uwer ziel.
Is waarlijk van den Heere uwe verwachting, — durf het dan met uwen God ook wagen, en ga vroolijk en moedig den u aangewezen weg; want Hij zal gestand doen, wat Hij beloofd heeft; „Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten.quot;
Het onverbroken en in eigen gedachten hooge menschenhart moge zich te groot rekenen om gedurige leiding des Heeren noodig te hebben en te begeeren; — de door Gods Geest aan zich zelf ontdekte ziel zal dagelijks behoefte gevoelen om te bidden:
„Heere! maak mij Uwe wegen bekend, leer mij Uwe paden. Leid mij in Uwe waarheid en leer mij. Want Gü zijt de God mijns heils, U verwacht ik den ganschen dag.quot;
\'sHeeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal hij door
Ondenvyzing hen, die dwalen.
Brengen in het rechte spoor;
Hij zal leiden \'t zacht gemoed In het effen recht des Heeren;
Wie Hem ned\'rig valt te voet,
al van Hem zijn wegen leeren.
Psalm 25: 4.
liezen ; Jes. 58. — Job. 10: 1—16. — Psalm 23.
W. v. d. BIJTEL.
30 JULI.
Openbaring 1: 10a: En ik was in den geest op den dag des Heeren.
Welk een Zondag zal dat voor onzen Johannes geweest zün. Lezen wy toch o. a. vers 17, dan zien wij, dat h;j den Gekruisten en Verrezenen, den Vernederden en Verhoogden, den Eeuwiglevenden en Onveranderlijken mocht zien en Zijne gemeenschap genieten.
\'t Kan niet anders, of wij worden jaloersch op \'t genotvol aanschouwen hem gegeven, niet waar? Vergeten wij daarbij niet, dat hij in den geest, in eene bijzondere mededeeling des Heiligen Geestes mocht verkeeren, en dus onze jaloerschheid ons moet brengen op de knieën, opdat wij althans in de onmisbare werking des Heiligen Geestes deelen mogen.
314
In den Heiligen Geest biddend werkzaam, zullen ook wjj den dierbaren Jezus zien. Van nature vreemd aan en gekeerd tegen dien Geest, is de mensch werkzaam in het vleesch. Ja, zelfs de geloovigen, en vooral in dezen onzen geesteloozen tijd, zij worden zoo weinig in den Geest bevonden.
In den Geest werkzaam, zijn wij met, naar en op \'t Woord Gods werkzaam, en zullen ook wij, al is het niet op dezelfde wijze als Johannes, met het oog des geloofs den Christus zien, en met het geestelijk oor Zijne stem hooren, en \'t recht Zondag, d. i. dag des Heeren voor ons zijn.
quot;Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gü roeit hen uit, die afhoereeren En U den trotschen nek toekeeren;
Maar \'t is mij goed, mijn zaligst lot,
Naby te wezen bij mijn God!
\'k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den Heer, wiens werk ik roemen zal!
Psalm 73: 14.
Lezen: Openb. 1: 1—18. — Hosea 2: 13—22. — Ps. 73: 23—28.
W. J. G. AALDERS.
31 JULI.
Palm 91: 1: Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Wat de vrysteden vnor Israël waren, dat is de schuilplaats des Allerhoogsten, God de Heere, voor Zijn volk, en gelyk de palmboo-men en waterfonteinen, te Elim voor Israël eene verkwikking waren op de reis naar Kanaan, zoo biedt in nog veel hooger mate die schuilplaats eene verkwikking aan de ziel, op den weg en de reize naar de eeuwigheid.
Aan die schuilplaats heeft een kind van God behoefte, daar kan hij nu eenmaal niet meer buiten, sedert hij zich door genade als een bewoner en vreemdeling heeft leeren kennen hier op aarde, sedert hy weet, wat het zegt, te liggen onder een gebroken werkverbond; sedert hy den heiligen eisch der wet „doe dat en gij zult levenquot; wel verstaat en beaamt, maar onmogelijk kan vervullen, wetende, dat in hem, dat is, in zijn vleesch geen goed woont en trouwens uit de werken der wet niemand kan gerechtvaardigd worden.
31 JULI.
Wanneer wij zeggen, dat een kind van God behoefte heeft aan de schuilplaats des Allerhoogsten, dan doen wij dit met opzet, naardien het kind der wereld, de mensch van nature ganschelijk geen behoefte er aan heeft. Schuilen verraadt gevaar, ziet op nood, en de na-tuurlijke mensch is rijk en verrijkt en heeft geen dings gebrek naar luid der Heilige Schriftuur, en kan dus die schuilplaats, o, zoc best missen, en komt het al eens voor in zijn leven, dat hij er tijdelijk een noodig heeft, dan zoekt hij die bij de wereld. Doch die geeft op den duur niet wat een arm zondaarshart van noode heeft; en vergaat straks die wereld, dan ook die eigen gemaakte schuilplaats en wordt de noodkreet vernomen: „Bergen, valt op ons en heuvelen, bedekt ons.quot;
De schuilplaats des Allerhoogsten daarentegen is veilig en verkwikkend, de koude des nachts, noch de hitte des daags wordt er gevoeld en voor alle ziel, die een schuldeischer heeft, of bitterlijk bedroefd is, biedt zü uitkomsten aan zelfs tegen den dood.
Kennen en begeeren wij deze schuilplaats reeds, zijn wij door genade er in gezeten, dan zijn wij welgelukzalig, want dan vernacht onze ziel in de schaduw des Almachtigen, dan wordt ons klein-geloof beschaamd en het zwakke gesterkt.
In die schaduw trekken de nevelen op, wordt het morgenrood geboren, gaat de dageraad op voor de bekommerde ziel, die veeltijds angstig vroeg: „Wie zal ons het goede doen zien?quot; Neen, de wereld weet niet, wat zij mist en de eeuwigheid zal niet te lang zijn om God den Heere te loven en te prijzen voor al hetgeen in en door die schuilplaats der ziele ten goede komt.
Reeds op aarde proeft en smaakt gij des morgens in deze schuilplaats, dat de Heere goed is, op den middag is het er koel, des avonds is het er licht en des nachts is Zyn lied bij u, de psalm des lofsen der bevrijding, die u vroolijk doet jubelen ; „Geloofd zij God, die Zijn genade aan mij heeft groot gemaakt.quot; „Amenquot; zegt het geloof, want Gij, o God, zult uw volk ter schuilplaats wezen en dies zullen zij eeuwiglijk behouden en bewaard zijn in de schaduw des Almachtigen.quot;
Gy zult uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht Van \'t godlijk aangezicht.
Daar zij geen leed van trotschen vreezen;
Een hut, waarin zü \'t woelen Den twist der tong niet voelen.
Psalm 31: 16.
Lezen : Ps. 31 ; 15—25. — Rom. 8: 28— 39. Ef. 2: 1—10.
H. PEIJKES.
315
1 AUGUSTUS.
I AUGUSTUS.
Zacharia 18: 1: Een fontein tegen de zonde.
De profeet Zacharia heeft Israël verlost gezien uit de smart der ballingschap; maar hoe droevig was de toestand! Wat moest er veel gestreden worden om de oude Godsstad weer te doen schitteren in hare vroegere heerlijkheid. Zacharia spoort aan tot voltooiing van het huis des Heeren, hij ziet bovenal vooruit en mag voorspellen de komst van den Messias. „Te dien dage,quot; zoo roept hij, „zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.quot;
De Christus wordt voorgesteld als een fontein, middel tot reiniging. Heerlijk beeld! Beeld van vreugde! De fontein doet denken aan altijd frisch en levend water. Rusteloos, onafgebroken stort de fontein haren inhoud uit over alles, wat zich onder haar stelt.
Glinsterend als diamanten flonkeren de droppels. Van uit de bron komt een sterke straal, maar hij breekt en stort zich uit in duizend en duizend droppels. Welnu, op geestelijk gebied zal God een fontein verstrekken tot reiniging van zonde. Gelijk het water de onreinheid van het lichaam wegneemt, zoo zal de fontein, door God gesteld geestelijke onreinheid wegnemen. Christus is deze fontein. Door de offerande van Christus weerklinkt het in het land van schuld en zonde: „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde.quot; Er is een geopende fontein! Dat woord moet gebracht tot verlorenen. Bij deze fontein is voor iederen zondaar hulpe te vinden, voor \'t eerst en telkens bij vernieuwing. Erken uwe zonde, en het Woord en de Geest zullen u leiden tot de plaatse der reiniging. Van af de hoogte van Gods liefde, — van de bergen, vanwaar de hulpe Gods moet komen — dalen de stroomen van Gods ontferming neer, en — in de diepte onzer ellende en zonde is de bron, Christus, die reinigt. Zalig, die als verlorene leert knielen; — nooit komt een zondaar in de diepte, of hij wordt geholpen.
Een geopende fontein is er. In den hemel gaat niet in, dat onrein is, en toch — de onreine kan binnen door Christus en zal Hem eeuwig danken voor Zijne Ontferming.
O Gij, die onze schuld woudt boeten Door Uwe gadelooze pijn,
O Heiland! leer mij aan uw voeten In eigen oog een zondaar zijn.
Met al mijn deugd, bij al mijn werken,
16
2 AUGUSTUS.
317
Vind ik geen troost, die my kan sterken.
Geen hoop, dan die ik op U bouw;
Op Uw genade zal ik leven.
Op Uw gena\' den doodssnik geven,
0 Heer! aan wien ik mij vertrouw.
Gezang 54 : 5.
Ps. 87: 1—7. — Joh. 4; 1—14. — Openb. 7: 9—17.
N. M. DE LIGT.
2 AUGUSTUS.
Ephesen: 2:19: Zoo zijt gij dun niet meer vreemdelingen en bij-woners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods.
Vreemd te zijn, als vreemdeling rond te zwerven te midden van koude en onverschillige harten, zonder thuis, zonder verwarmende gemeenschap der liefde, zie, dat is een droevig leven. En wat moet dan de Kanaaniet onder Israël hebben gevoeld, als hij altijd onder Israels kinderen vreemdeling bleef. Voor hem geen toegang tot Israöls heiligdom, geen gemeenschap met Israels kinderen, geen eigendom aan Israöls beloften, geen deel aan Israels zegen. Alzoo waren ook wij.
Te huis op deze aarde, waren we vreemd aan Gods kinderen, vreemd voor den genadetroon, vreemd in Gods binnenste Heiligdom, vreemd aan de verbonden der belofte en hun heil. Naar Gods Vaderhuis trok ons het hart niet. Daar was geen heimwee naar de voorhoven des Heeren. Ons hart smachtte niet naar een woord van liefde, van welgevallen, van goedkeuring van Hem. Maar hoe is dat anders geworden door het geloof. In Christus ingeplant, hebben we deel aan al Zü\'ne schatten en gaven, ja aan Hemzelven.
Dan zijn wij geen vreemden meer, maar in Israël ingelijfd, medeburgers der Heiligen en huisgenooten Gods. Dan hebben wij deel aan hetzelfde heil als Abraham, David, Johannes.
Dan is, wat aan Henoch en Paulus werd geschonken, voor ons niet meer onbereikbaar. Rachab, als ze gelooft in Israëls God, ontvangt erve en lot, in Israëls land; de Moabitische Ruth wordt moeder van Israëls Koningshuis, ja van den Christus Gods, zooveel het vleesch aangaat. Dan zyn wij leden van dat groote huisgezin, dat tot God opziet als tot den huisvader, om van Hem gevoed, bewaard, beveiligd te worden, om op Zijne liefde te rekenen, om naar
318 3 AUGUSTUS.
Zijnen wil te vragen. Dan zijn wij thuis in Z\\ine woningen, dan trekt ons het hart naar Hem, die als een Vader al die millioenen kinderen met de armen Zijner liefde omvat. Dan is één blik des welgevallens van Hem ons meer waard dan een geheele wereld, en bedenken w;j wat Boven is, waar Christus is ter rechterhand Gods. Maai\' dan mogen we ook niet klagen, als onze weg hier op aarde wat moeielijk is. Dan is ons leven een reize naar ons eeuwig tehuis. Soms zie ik reeds de deur geopend en mijn Heiland, die my wenkt. Ja Heere, ik kom Gryp Gij, mijn hand! Gij hebt my immers daar reeds een plaatsje bereid!
God zal ze zelf bevestigen en schragen En op zijn rol, daar Hij de volken schrijft,
Hen tellen, als in Isrël ingelijfd,
En doen den naam van Sions kindren dragen.
Psalm 87 ; 4.
Lezen ; 1 Petr. 1 : 17—25. — Epbes. 2; 11—22. — Psalm 84.
W. DE LANGE.
3 AUGUSTUS.
Psalm 119; 49: „Gedenk des woords, tot Uwen knecht gesproken.quot;
Had David hierbij het oog op eenig woord, rechtstreeks tot hem gesproken ? Ja, maar niet meer dan het woord Gods komt tot ons. De ontkenning hiervan sluimert in elks hart. Het ongeloof in zijnal-gemeenen vorm is de verloochening van den Bijbel als mijn Bijbel. En wat geeft gij om een brief, die niet aan uw adres is? Daarom heeft Gods Woord voor ons weinig of geene waarde, want slechts, wat ons eigendom of voor ons bestemd is, trekt ons hart aan. Daarom is het leven van de meeste menschen een leven zonder Gods woord, al hebben zy ook vele Bijbels met goud beslagen in hunne handen en woningen.
Zoodra ons de oogen beginnen open te gaan, leeren wij al het nadeel hiervan kennen, schoon de oorzaak ons lang verborgen blyft. Zoolang gij onverzoend met God daarhenen leeft, hoort gy, ja! het woord uwer leeraars, die tot u spreken, en het woord van uw geweten, dat u het; „gij zult en gij zult nietquot; der wet herinnert, maar dat God rechtstreeks tot u iets zegt, dat weet gij niet, en in oogen-blikken van oordeelen en beproevingen zegt gij tot uwe leeraren, wat Israel tot Mozes zeide aan Sinaï\'s voet: „spreek gjj voor ons tot den
4 AUGUSTUS. 319
Heere, want wü zullen de stemme Gods niet kunnen hooren en leven.quot; Het is, omdat wij niet weten, dat wy tot het genadeverbond be-hooren; omdat wij niet gelooven, wat Petrus zegt Hand. 2 ; 89: „ülieden komt de belofte toe en uwen kinderen en allen, die daar verre zijn.quot; Vandaar dan ook de verwarring, die zich gewoonlijk van onze ziel meester maakt, als schuldgevoel in ons wordt opgewekt. Onze aandoeningen, onze vrees en smart, onze behoeften en begeerten worden de bodem, waarop wij staan, waarop wy geslingerd worden, omdat altijd bü ons de zwarigheid overbiyft, of wij wel ootmoedig, wel oprecht in keus en gebed zy\'n, en slechts door geesteiyke armoede kunnen wij er toe gebracht worden, om met Maria van Bethanië te gaan zitten aan Jezus\' voeten, om te luisteren naar en te pleiten op hetgeen Hij tot ons spreekt.
Woord, waarop wjj bouwen,
Daar wij op vertrouwen,
Evangeliewoord!
Bergen mogen wijken,
Gij zult nimmer wijken,
quot;Want gij zijt Gods woord!
Dat ons. Heer! Den troost dier leer Geene twijfling ooit ontroove!
Sterk ons in \'t geloove!
Gezang 36: 5.
Lezen: Psalm 119: 49—56. — Rom. 4: 16—22. — Hebr. 11: 17—21.
J. W. FELIX.
4 AUGUSTUS.
Zacharia 3: 5: Dies zeg Ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kleederen aan; en de Engel des Heer en stond daarbij.
In het vierde nachtgezicht van den profeet Zacharia zien wij den Hoogepriester, Jozua, zonder ambtsgewaad, die op dezen grond onwaardig wordt geacht, zy\'n ambt te bedienen. De Satan toch, die aanklager der broederen, staat aan zijne rechterhand, als beschuldiger, en ontziet zich niet hem aan te klagen in de tegenwoordigheid van den Engel des Heeren. Met het volste recht.
Alle eigenwillige godsdienst is den Heere een gruwel. In dezen dienst is niets aan het goedvinden van den mensch overgelaten. God
320 4 AUGUSTUS.
heeft in Zijne wet voorgeschreven, waar en wanneer, door wien en op welke wijze, Hij door den rnensch gediend wil worden, en in welk gewaad de dienaar van het heiligdom voor Zijn aangezicht moet verschijnen.
Maar, deze Jozua is uit de ballingschap wedergekeerd. Hij is als een brandhout uit het vuur gerukt en de Satan is van oordeel, dat met het uiterlijk teeken van zyne waardigheid, óók de waardigheid zelve ontbreekt, om zijn ambt te bedienen.
Maar, hoe kan de rechter Hem dan vrijspreken en zijn recht erkennen, om zonder Ephod en borstlap, zonder priesterkleed en priestermuts, de hoogepriester van de uit Babel teruggekeerde gemeente te zijn!
Hij is een wonderteeken, een wonder, want, dat Hij daar staat te midden van de puinhoopen van het huis Gods, is geen gevolg van zuiver natuurlijke oorzaken, maar is rechtstreeks aan de tusschen-komst des Heeren te danken; een teeken, want hij staat daar, de uitdrukking van eene Godsgedachte, de waarborg en het onderpand van de vervulling der heilsbelofte, eene tastbare profetie.
Jehova heeft Jeruzalem, en in, en om Jeruzalem de bediening der verzoening, de ambten, Jozua en Zerubbabel verkoren, omdat zijn knecht, de Spruite, zal komen.
Onder de rookende puinhoopen van een koninklijk lustslot ligt een kostelijk edelgesteente, waardig de kroon van den koning te sieren. De schare ziet alleen een tooneel van verwoesting, maar de koning laat de plaats afzetten, waar de vlammen hebben gewoed, en ze onder zijn eigen oog nauwkeurig onderzoeken. Als straks het kleinood zal zijn gevonden, zal men ten volle verstaan, waarom dat verwerpelijke een voorwerp van zijne belangstelling is geweest.
Het raadsel is opgelost, waarom God Israël, Jeruzalem, de tempel, het ambt, waarom Hij Jozua verkiest. De is gekomen, die nu nog als eene gedachte Gods in Israël verborgen lag.
Om Christus wil is de wereld geschapen, gespaard, verlost.
Hier ligt de kracht en de troost, als de Satan beschuldigt — Christus in ons.
Wij hebben geen antwoord op de beschuldiging van den aanklager der broederen, die zich tegenover ons op het recht, op de wet kan beroepen. Maar, onze rechter is onze pleitbezorger; die Hij geroepen heeft, rechtvaardigt, die Hij rechtvaardigt, heiligt Hij.
Een stroom van ongerechtigheden Had d\' overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij.
5 AUGUSTUS.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G\'uit al \'fcaardsch gedruisch Doet naad\'ren en uw heilstem hooren,
Ja, wonen in uw huis.
Psalm 65: 2.
Lezen: Zacharia 3. — Rom. 8: 1—11. — Psalm 32.
Dr. Ph. J. HOEDEMA.KER.
5 AUGUSTUS.
Psalm 12; 2: Behoud, o Heere! want de goedertierene ontbreekt, lüant de getrouwen zijn iveinig geworden onder de menschenkinderen.
\'tls, alsof David met dit woord onzen tijd op \'toog heeft gehad. .,De goedertierene ontbreekt,quot; de gunstgenoot Gods (Ps. 4 : 4), de man, de vrouw, die op meer dan gewone hoogte staan op geestelijk gebied: vaders en moeders in Israël, wier godzalig leven afstraalt op hun gelaat, die een innige gemeenschap met God kennen, aan wie Hij zijn heilgeheim openbaart. Waar zijn ze onder ons, de Henochs en Simeons, de volmaakten, die slechts vaste spijze behoeven?
„De getrouwen zijn weinig gewordenquot;\', zij, die althans den dienst des Heeren altijd en overal boven dien van de wereld kiezen en van ganscher harte den Heere aanhangen. Ze zijn haast te tellen. Doe \'teens. Kunt ge bij u zeiven beginnen?
En daartegenover neemt \'taantal toe van hen, die zeggen: „wie is Heer over onsquot;, en \'t aantal der dubbelhartigen, die God en de wereld tegelijk pogen te dienen en \'t aantal der naam christenen; een nieuw heidendom tiert welig rondom ons. De plaatsen vermenigvuldigen zich, waar geofferd wordt aan den afgod: vermaak. De dag des Heeren is een vrije dag aan ons geworden, zeer geschikt om er allerlei feesten op te houden . . . waar gaan wjj heen?
Spiegel u, mijn Christen, aan den dichter van Psalm 12. Hij klaagt als gij; hij gevoelt smart als gij, doch niet om quot;t nu daarbü te laten. „Behoud, o Heere!quot; zoo schreit hij ten hemel en in die kreet klinkt diepe droefheid niet alleen, maar medelijden tevens.
„Behoud, o Heere!quot; dat is: laat weer een goedertierene onder ons gevonden worden, laat \'t getal der getrouwen toenemen; vooral, Heere, ontferm u over zoovelen, die zonder uwe ontferming verloren gaan.
DAGBOEK. 21
]2 6 AUGUSTUS.
Wilt gij bij dit gebed u niet aansluiten ? „De hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen,quot;
Gods rechterhand is hoog verheven;
Des Heeren sterke rechterhand Doet door haar daan de wereld beven,
Houdt door haar kracht Gods volk in stand.
Ik zal door \'svyands zwaard niet sterven.
Maar leven, en des Heeren daan.
Waardoor wij zooveel heil verwerven.
Elk, tot zijn eer, doen gadeslaan.
Psalm 118: 8.
Lezen: Psalm 12. — Jesaia 63. — Mattheüs 6.
C. F. S. ROTGERS.
6 AUGUSTUS.
Judas ; 20: Bouwt gij u zeiven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest.
De door God bevolen prediking op den dag des Heeren is de prediking van Jezus Christus, „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.quot;
Wel hem, die uit overtuiging dat predikt; gezegend de gemeente, die dat Woord met blijdschap ontvangt, die het aanneemt, die er bij blijft. Als het ook heden u wordt verkondigd, dank er Hem voor, die in dat woord der genade, der vergeving, des levens tot u komt, en werp voor die parel alle valsche parelen weg. - Hierin bestaat de ware levenswijsheid. „Verlaat ze niet en zij zal u behoeden, heb ze lief, en zij zal u bewaren.quot; Is het blijven bij dat woord de roeping van den prediker, \'tis ook de roeping der gemeente. Wij moeten bij dat geloof blijven, d. i. bij de geloofswaarheid, den heiligen overgeleverd (vs. 3); maar om dat te kunnen doen, moet die waarheid ge-loovig door ons zijn omhelsd, moet zij aan ons hart zyn geheiligd. Wij moeten onszei ven op dat geloof bouwen; op den door God gelegden grondslag blijven staan, — en scherp toezien, opdat wij niet van het Christelijk geloof afvallig worden! Vooral bij de onrustbarende vermenigvuldiging van het getal verleidende en zoo machtige geesten is dit noodig.
Nü vooral wordt door het rijk der duisternis met kracht beproefd den grondslag, waarop gij staat, te ondermijnen. —
323
Gij zult zeggen: „Velen, veel meer gefundeerd dan ik ir: de heilswaarheid, zijn bezweken, hoe zou ik dan staande blijven? Maar let dan toch op dat biddende in den Heiligen G-eest.quot; —
Biddende in den G-eest. Het is de H. Geest, die woont en werkt in de harten, die tot het geloof zijn gekomen, tengevolge waarvan zij in eene ootmoedige biddende gemoedsgesteldheid verkeeren: zoodat zij, ziende op den eisch „zich zei ven op hun geloof te bouwen,quot; maar ook op al de bezwaren daartegen, hunne harten tot Hem verheffen, van Wien de zoo noodige kracht uitgaat, en die gezegd heeft: „Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht!quot;
Doe ons gelooven op uw wooiM,
Dat Gij ons, arme zondaars, hoort,
Niet om onz\' eigen waardigheen,
Maar om uw\' Zoon, om Hem alleen
Geef ons, dat uw getuigenis En woord, dat eeuwig zeker is,
Ons alles zij in vreugd en smart,
Als \'t eenig rustpunt van ons hart.
Gezang 82: 2, 5.
Lezen: 2 Petr. 3. — 1 I\'etr. 2. — Ef. 4: 11 — 32.
J. G. VERHOEFF.
7 AUGUSTUS.
Openbaring 22: óa: En aldaar zal geen nacht zijn.
Dag en nacht wisselen elkander in dit ondermaansche steeds af. Dit is al zoo geweest van de schepping af aan, d. i. van het oogen-blik af, dat de tijd ontstaan is, en zal zoo zijn, totdat de sterke engel afkomt van den hemel en zweert bij dien, die leeft in alle eeuwigheid, dat er geen tijd meer zijn zal. (Openb. 10: 6.)
Dan houdt die wisseling en worsteling tusschen licht en duisternis op. Dan is er weer alleen eeuwigheid, gelijk er vóór de schepping alleen eeuwigheid was. Dan breekt de eeuwige dag\' aan voor hen, die zijn in het Jeruzalem, dat boven is, en de eeuwige nacht voor hen, die Christus hebben verworpen en daarom geen dageraad meer zien zullen. En zoo ontzettend die nacht der eeuwige rampzaligheid zal zijn, zoo heerlijk die dag, waarop de zon nimmer ter kimme zal neigen.
324 8 AUGUSTUS.
Daar geen nacht meer voor het oog des verstands. Hier tasten wij zoo menigmaal in nevelen om en moeten zoo vaak op eene vraag, die ons gedaan wordt of\' welke onze denkende geest zelf doet, antwoorden: „ik weet het niet,quot; — daar zullen wij den Heere kennen, gelijk wij van Hem gekend zijn. Hier zegt ons geloof in lijdenswegen ; wat God doet is wèlgedaan, maar daar zullen niet alleen alle tranen van de oogen worden afgewischt, maar ook alle levensraadselen worden opgelobt. En vandaar den weg overziende, dien wij hierbeneden hebben afgelegd, zullen wij slechts kunnen aanbidden en danken, en dat niet het minst voor de diepe en donkere wegen, die God met ons hield.
Daar ook geen nacht meer voor het oog der ziel. O, die altijd ons nog aanklevende sonde! Zij schuift een gordijn voor onze ziel, waar de lichtstralen der genadezon soms maar flauwtjes doorheen dringen. Zij sluipt ons zelfs in ons bidvertrek na, bezoedelt onze heiligste handelingen, rooft onzen vrede. Maar, hallelujah! het liclit zal triomfeeren. De Heere laat niet varen het werk zijner handen en in Imtnanu-ëls land gaat de zon niet onder. Daar zal geen Satan meer ziften, geen strijd meer tegen vleesch en bloed, geene vervloeking meei tegen iemand zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite, noch dood. Daar is alles licht en leven, zaligheid en heerlijkheid. Een eeuwige dag — zonder nacht.
Die hoop moet al ons leed verzachten:
Komt, reisgenooten! \'t hoofd omhoog;
Voor hen, die \'t heil des Heeren wacnten Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O, Zaligheid, niet af te meten;
O vreugd, die alle smart verbant;
Daar is de vreemdlingschap vergeten;
En wij, wij zijn in \'t vaderland.
Gezang 189: 6
Lezen ; Openb 22. — 2 Cor. 5: 1—10. — Ps. 16.
M. J. SANDERS.
8 AUGUSTUS.
Openbaring 3: 20a: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Deze woorden stellen ons op eene zeer liefelijke en aangename wijze de werkzaamheden van den medelijdenden Hoogepriester voor. Ziet gij Hem niet staan? hoort gij Hem niet kloppen?
8 AUGUSTUS.
Hy staat buiten aan uw deur en roept: Doe mij open, m^ne zuster, mijne vriendin! want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdruppen.
Hij is gekomen om den eenzamen woestijnbewoner op te zoeken en naar het hart fe spreken. Het is donker, wellicht nacht, want de deur is gesloten en Hü wil, o zoo gaarne, zijn intrek by u nemen. Daarom roept Hij met luider stem: zie, geef acht, och, luister naar mijne stem. Ik ken u, die hier binnen in dit huis woont. iTc sta hier! Herkent gü mijne stem niet meer? Ik ben het, die gekomen is om u op te zoeken, te redden en te helpen. Ik heb u lief gehad met eene eeuwige liefde. Ik sta aan uwe deur. Laat mij, ik smeek u, niet lang buiten staan. Ik ben gekomen om u zalig te maken.
Zijn staan aan uwe deur bewijst u zijn geduld en lankmoedigheid. Hij klopt, om daardoor uw hart te vermurwen en week te maken, opdat gij Hem uw hart zult geven. Och kom, ontsluit voor mij de grendels van uw hart. Laat mij tot u inkomen, zoo roept Hij als \'t ware, door zijn kloppen u toe. Hij belooft een ieder, die voor Hem de deur zijns harten ontsluit, dat Hij tot hem zal inkomen om avondmaal met hem te houden, en dat Hü hem zal overladen met alle geestelijke zegeningen. Zijn doorboorde hand blijft kloppen, en in Zijn vriendelijk gelaat stralen de oogen zacht en teeder van uw Heer, die wachtend staat. Wijs Hem aan uwe deur niet af, want:
Dit is, dit is de poort des Heeren;
Daar zal \'t rechtvaardig volk door treen.
Om hunnen God ootmoedig te eeren,
Voor \'t smaken zijner zaligheen.
Ik zal uw naam en goedheid prijzen:
Gy hebt gehoord; Gij zijt mijn\' geest.
Door uw ontelbre gunstbewijzen,
Tot hulp en heil, en vreugd geweest.
Psalm 118: 10.
Lezen: Openb. 3: 14—22. — Openb. 3: 1—6. — Openb. 3: 7—13.
C. BOUTHOORN.
325
326 9 augustus.
9 AUGUSTUS,
Spreuken 2: 7a; Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen.
Dit woord mag wel een doodsteek voor den eigengerechtigen mensch genaamd worden.
Door de zonde verblind, waant hij in eigen kracht te kunnen, wat God Almachtig alléén vermag, vandaar ook dat dit woord ons wijst op den Heeee God. Hij is de Alfa, de Bronader des levens.
Hij nu, de God der waarheid, heeft een gruwel aan alle geveinsdheid en onoprechtheid. Doch, wie nu door Zijne genade in oprechtheid des harten voor Zijn heilig aangezicht mogen wandelen, hebben er ook op te rekenen, dat hun na afgelegde woestijnreize, een ruime ingang verleend zal worden in den hemel der heerlijkheid.
Hier mogen tranen hunne spijze zijn dag en nacht, en spotters hun vragen: „waar is nu uwe hope en verwachting?quot; Maar dan kunnen zij hen wijzen op den God huns levens, die trouwe houdt in eeuwigheid.
Kunt ook gij getuigen: „Hioeee! Gij weet, dat ik in oprechtheid voor uw aangezicht wandelquot;? Zalig Gij dan: maar diep ongelukkig zijt gij, wanneer dat oprechte hart u ontbreekt.
Vraag er den Heere God om, mijn arme zondaar, want dan wacht ü op \'t einde der levensreize eeuwige blijdschap.
Zijt gij er verzekerd van, dat God u heeft uitverkoren in den Zoon Zijner liefde, dan mag u veel, ja alles op aarde ontvallen, maar dat bestendig wezen — die eeuwige heerlijkheid — is voor u wegge legd van vóór de grondlegging der wereld.
Gelijk de Heere die hemelsche zaligheid voor u heeft weggelegd, zoo bewaart Hij u ook voor haar.
Verzinken zult gij niet, want uw huis is op den Rotssteen der eeuwen gegrondvest.
Ik vraag u: zijt gij niet overgelukkig, nu gij door \'t woord uws Gods op zulk eene zalige belofte gewezen wordt?
Voor wie niet in oprechtheid wandelen, ontvalt eens alles. Zij hebben niets dan zandgrond onder hunne voeten, maar u is \'t uit genade gegeven den weg der oprechtheid te betreden.
Dank er uwen God voor op gebogen knieën. Klem u vast aan \'t woord, hierboven geschreven. Laat \'t honig zijn voor uw gehemelte: ook dit woord van den eeuwig Getrouwe:
„Let op den vrome en zie naar den oprechte, want \'t einde van dien zal vrede zijn.quot;
10 AUGUSTUS. 3-27
Welzalig zijn d\' oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des Heeren wet betrachten;
Die Hij op \'tspoor der godsvrucht wandlen doet;
Welzalig, die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem, als \'thoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.
Psalm 119; 1.
Lezen: Psalm 37 : 34—40. — 2 Cor. 1: 1—12. — Micha 7: 1—9.
Chr. YNZONIDES.
10 AUGUSTUS.
1 Johannes 5 : 21; Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden.
Merkwaardig slot van dezen eersten brief van den Apostel Johannes; hoogst ernstig en toch zoo teeder! Geboren uit de bekommering der liefde, opdat de ziel der kinderen in Christus geen schade lijden mocht. Want groot is de schade voor een ziel, die zich niet van de afgoden weet te bewaren
Het verduistert den geloofshemel; het stoort de blijdschap in en den omgang met den Heer; het brengt een grooten toorn over haar van een ijverig God ! De Geest Gods kan in Zyn tempel met geen afgod samenwonen — Dagon moet vallen, of Hij gaat henen!
Daarom, als onze ziel recht staat voor God, dan rijst de bede omhoog tot den grooten Tempelreiniger: „Heere Jezus, neem deze dingen van hier weg. Ban Gijzelf ze uit mijn hart! Wat heb ik meer met de afgoden te doen. U alleen behoort mijn hart!quot;
Of zou er iemand onder Gods kinderen gevonden worden, die zegt: „Ik ben ongevoelig voor de bekoring der afgoden?quot; Hebben wij allen er niet dagelijks mede te strijden? Is hun naam niet Legio? Komen er by vermeerdering van het ontdekkend licht des Heiligen Geestes niet telkens nieuwe te voorschijn, wier bestaan wij nimmer hadden vermoed?
Welk een machtige factor is ook in het leven van den Christen nog vaak het geld\\ Snoert de zilveren koorde hem niet menigmaal de keel dicht, zoodat er geen geluid meer door kan ter eere zijns Gods? Als de psalmist het niet overbodig, vond te bidden: „Laat gierigheid mij in haar strik niet vangenquot;, kunnen wij dat gebed dan zonder schade verzuimen?
Hoe licht maken wü ook een afgod van vleesch en bloed! Wy
328 11 AUGUSTUS.
zeggen wel van onze kinderen: \'t Is maar geleend goed! — maar, als G-od dat geleende goed werkelijk opvraagt, als dat lieve, blozende gelaat doodsbleek wordt, wat dan? Ligt dan niet vaak een afgod vergruisd aan onze voeten?
En dan, dat afschuwelijk monster; Ae eigengerechtigheid! Worden wij daar niet telkens heengetrokken, ook waar wij weten „door genadequot; verlost te zijn? En toch, zoodra wij weder „ietsquot; worden, valt er een slagschaduw op den Christus in ons, die alleen onze heiligmaking is, en wijkt Zün vrede uit ons gemoed!
Kinderkens! om de eer vau uw Heiland en de rust uwer ziel — bewaart uzelven van de afgoden!
Geeft dan eeuwig eer Onzen God en Heer!
Klimt op Zion, toont Eerbied, daar Hü woont.
Daar Zijn heiligheid Haren glans verspreidt ;
Heilig toch en t\' eeren Is de Heer der heeren!
Pe. 99: 8.
Lezen: 2 Kon. 17; 6—18. — 1 Joh. 5. — Ps. 19; 8—15.
H. J. DE ZWARÏ,
li AUGUSTUS,
2 Koningen 5: 10: Ga henen en wasch u zevenmaal in den Jor-daan en uw vleesch zal u wederkomen en gij zult rein zijn.
De geschiedenis van Naaman is een getuigenis van de wonderen des Heeren in het genezen van de ellendigste krankheden des lichaams. Doch zij is tevens een spiegel, waarin wij de nog veel grooter wonderen aanschouwen, die diezelfde God in en door Christus doet om van de ellendigste krankheid der ziel te verlossen, nl. de zonde.
En wat is er dan veel uit te leeren: ellende, verlossing en dankbaarheid, alles, wat wij, zondaren, noodig hebben ter zaligheid te kennen.
Al zijn wij rijk en gezond door de goede gunst Gods, toch geldt van ons, wat van Naaman geschreven staat; „doch melaatsch.quot;Melaatsch van zonde zijn wij, van \'thoofd tot de voetzolen.
Kent gij, mijn lezer of lezeres, reeds uwe ellendigheid? Als gij die recht kent, kunt gij er niet by stilzitten, dan zoekt gij
12 AUGUSTUS. 329
naar een geneesmiddel. En gij zult het vinden, ai tast gij door natuurlijke blindheid eerst nog dikwijls mis. Gij moet leeren afzien van alle hulpmiddelen van eigen vinding om alleen het middel aan te leeren grijpen, dat God u in zyne genade heeft gegeven in Jezus Christus en zijn zoenbloed. Hier is de Jordaanstroom. Het bloed van Jezus Christus, Gods zoon, reinigt u geheel, reinigt volkomen. Wonderlijke weg, dwaze weg voor den natuurlijken mensch en toch de weg, de eenige weg. Ga heen en wasch uzelvea zevenmaal d. i. herhaaldelijk in den Jordaan. H;j stroomt nog, zoolang het nog het heden der genade voor u is. Mocht dan alle tegenstaan bij li overwonnen worden, gelijk bij Nailman. Gevoelt gij u ellendig, aarzel niet langer: Zeg; „Heere Jezus, wasch mij geheel, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.quot; En hoorde Hij u, weet gij u door Hem verlost, gereinigd, zou dan de dankbaarheid wel kunnen uitblijven? Immers neen. Naaman deed, wat hü kon, door den God Israels een altaar te bouwen van de aarde uit het heilige land.
In het hart van eiken verlosten zondaar sta een altaar opgericht voor dien Heiland, die zich over den ellendige ontfermde.
Kunt gy daar ook reeds van spreken en getuigt daarvan uw leven?
Ja, elk der vorsten zal zich buigen
En vallen voor Hem neer;
Al \'t heidendom zijn lof getuigen,
Dienstvaardig tot zijn eer.
\'t Behoeftig volk in hunne nooden,
In hun ellend\' en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hy ten redder zyn.
Psalm 72: 6.
Lezen; Psalm 51. — 2 Kon. 5. — Openb. 7; 9—17.
J. F. DE KLERK.
12 AUGUSTUS.
Psalm 92: 13a: „De rechtvaardige zal groeien als een palmboom.quot;
Rechtvaardig wordt in de Schrift de man genoemd, die door Gods wondere genade de kromme paden der zonde leerde haten, en den rechten weg voor zijn voet zich koos. Eertijds ging hy voort op den breeden weg, die zich slingert van ijdelheid tot ijdelheid, maar sinds
330 12 AUGUSTUS.
God hem trok door de machtige werking van zijn Geest, zocht hy het smalle pad, dat rechtuit loopt op Jeruzalem.
Zulk een rechtvaardige wordt in zijn groei den palmboom geiyk gesteld.
Te midden van de uitgestrekte zandvlakten, waaraan de keerkringsstreken zoo rijk zijn, groeien en bloeien de palmen. Van uit het dorre zand, waarin geen enkele plant kan tieren, verheffen zij hun loodrechten stam met een looverdak van bladeren, die waaiers of struisveeren gelijken. Des hemels dauw drenkt hun kruin, en hun wortels, die door het onvruchtbare zand dwalen, vinden in het dorre nog vochtigheid en voedsel.
Zij zijn echter kinderen der woestijnen, en tevens — een zegen der woestenijen.
De vederachtige bladen, trillend op het minste zuchtje der lucht, wuivende vermoeide en bestoven karavaan reeds van verre het welkom toe, en noodigen om in hun schaduw rust te nemen, en te eten van hun zoete vrucht.
Want, al zou men dit in zoo dorre oorden niet wachten, de palm draagt in de woestijn zijn vrucht soms tot 600 ponden zelfs toe.
Aldus de rechtvaardigen in hun groei.
Door Gods genade zijn zij als palmboomen geplant te midden van de zandwoestijn dezer zondige wereld.
Rondom hen is alles dor en dood, — hen maakte God levend.
Sinds is God zelf hun als de dauw, die hen laaft en verkwikt, en worstelen zij in Christus, uit Wien hun groeikracht en levenssap toevloeien.
Maar van daar dan ook hun vruchten.
„Uwe vruchtquot; zegt God, „is uit Mij gevonden.quot;
Vruchten van een ootmoedig en biddend leven in vreeze Gods.
Van voorbede en voorbeeld, om anderen te trekken tot des Hee-ren dienst.
Of ook van klachten over dorheid en doodigheid, als men inzonk en kwijnt.
Wee, als zulke vruchten ontbreken !
Dan onteert men zijn God; benadeelt zich zelf; en brengt smaad over des Heeren Naam, welke gelasterd wordt door een wereld, die in het saamwonen met de rechtvaardigen moet worden gezegend.
De rechtvaardige moet niet alleen groeien als de palmboom, hij kan dat niet slechts doen; neen, hij zal het doen.
Wat dunkt u, zijt gij dan een rechtvaardige?
En groeit en bloeit gij ook gelijk de palmen in de wildernis?
13 AUGUSTUS. 331
Welzalig hij, die in der boozen raad Niet w.-indelt, noch op \'tpad der zondaars staal.
Noch nedorzit, daar zulken samenrotten,
Die roekeloos met God en godsdienst spotten,
Maar \'sHeeren wet blijmoedig dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Want hij zal zijn gelijk een frissche boom,
In vetten grond geplant bij eenen stroom,
Die op zijn tijd met vruchten is beladen En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen :
Hij groeit zelfs op in ramp en tegenspoed;
Het gaat hem wel; \'t gelukt hem, wat hij doet.
Psalm 1: 1, 2.
Lezen: Psaltn 34: 13—23 — Psalm. 92: 6—16. — 1 Joli. 3: 3—10.
J. W. KALKMAN.
13 AUGUSTUS.
Hebr. 9: 9, 10: Welke was eene afbeelding voor dien tegenwoordig en tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengenen, die den dienst pleegden, niet konden heiligen naar het geweten.
Bestaande alleen in spijzen en dranken, en verscheidene ivasschingen, en rechtvaardigmakingen des vleesches tot op den tijd der verbetering opgelegd.
„Er blijft dan eene rust over vcor het volk van God,quot; dat mag wel inzonderheid op den dag des Heeren eene overdenking zijn van alle kinderen Gods. Hun eigen harte eenigszins kennende, weten si}\'immers wat al onrust en ellende de zonde op aarde heeft gebracht. Maar ook, de wereld rondom hen met al haar jammeren en ellenden openbaart het dagelijks, dat het hier de rust niet is. En, ofschoon zij als vermoeiden en belasten rust leerden vinden by Jezus hun Zaligmaker, toch leert ook weer de ervaring hun iederen dag, dat het ook daar binnen evenmin altijd rustig is, als daar buiten. Dies verstaan zij het zoo goed, wat het in zich sluit, dat de Sabbatsruste van het lieflijk Eden met het Paradijs verloren ging.
Maar daarom is ook voor dezulken de Sabbat een dag bij uitnemendheid. En waar de wereld rusteloos jaagt naar een op aarde nooit te hervinden Paradijs en den dag, dien de Heere gezegend en geheiligd heeft, misbruikt en ontheiligt, daar is die stille dag des Heeren voor
332 13 ADGDSTDS.
wie den Heere vreezen eene afspiegeling van de Sabbatsruste der eeuwigheid. Dan vindt inzonderheid des Dichters woord weerklank in hunne ziel (Ps. 84: 2, 3), ja somwijlen kan op den rustdag hier beneden een heimwee naar den eeuwigen Sabbat daarboven zich van de ziele meester maken. Welnu, gij, die uwe rustdagen hier op aarde liefhebt en viert, weest getroost en bemoedigd!
Wel is het hier nog niet het land der ruste voor u en wordt nog telkens de Zondag afgewisseld met zes dagen, waarop het woord vervuld wordt ,,in het zweet uws aanschijns zult g;j uw brood eten,quot; maar toch wacht u de rust elders.
„Er blijft dan eene rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in zyne rust, heeft zelf ook van zijne werken gerustquot; d.w.z. uw Heiland en Heer heeft ook van zijn arbeid gerust aanvankelijk reeds in Jozefs graf, nadafHij aan het kruis stervende zijn werk had „volbracht.quot; Daarna, toen Hij als Hoogepriester in zijn heerlijk heiligdom inging
Zoo rustte Hij van zijne werken, gelijk God van de zijne, toen deze zag, dat, al wat Hij gemaakt had „zeer goedquot; was. Zeer goed was ook het werk van Uwen Middelaar, gelijk de Vader getuigde door Hem op te wekken uit de dooden. Zijn ingaan in de rust is de waarborg voor uw ingaan in de rust, die er overblijft voor het volk Gods. zoo gij met al uw zondaarsnooden, zwakheden en onrust berust in zijn volmaakten en volbrachten arbeid. Daarin die rust zullen alle verlosten Gods dag en nacht dienen in Zijnen tempel, en er zal geen smart of onrust zija. Daar in het Vaderhuis met zijn vele woningen is geen zonde noch dood meer en daarom is dit het hervonden Paradijs, de Sabbat der Sabbatten!
Gij maakt eerlang mij \'t levenspad bekend,
Waarvan, in druk, \'t vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend.
Schenkt mij in \'t kort verzadiging van vreugde;
De lieflijkheen van \'t zalig hemelleven
Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.
Psalm 16 ; 6.
Lezen; Gen. 2: 1—17. — Ps. ^4. — Hebr. 4.
JAC. ERINGA.
333
14 AUGUSTUS.
Psalm 9 11: En die uwen naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere! niet verlaten hebt degenen, die u zoeken.
Hoe zalig en hoe veilig zijn Gods kinderen! Minachtend trekken niet zelden de kinderen der wereld, die de inbeeldingen te boven gaan, maar omkomen als in een oogenblik, voor hen de schouders op. Wat meer is, overmeesterd door de droeve omstandigheden, waarin zy zoo dikwijls verkeeren. beschouwen Gods kinderen zich zelven als de ellen-digsten van alle menschen, gelijk Asaf zong in psalm 73; 14 „ik ben den ganschen dag geplaagd, mijne straffing is er alle morgens.quot;
Geen wonder, dat Gods kinderen niet geacht zijn in de wereld, zij, die door den Almachtigen dien heerlijken naam hebben ontvangen, want de wereld kent hen niet. Zij zijn toch gelijk aan den tabernakel van ouds, bedekt met onooglijke dassenvellen, maar toch zijn zij daaronder verscholen als kostelijk sittemhout met louter goud overdekt. En geen wonder, dat Gods kinderen in moedeloosheid zich-zel-ven vaak beklagen. Doch niet als \'t oog gericht is op \'t éénige, waarin alleen hunne kracht en roem is te vinden.
Wat is dan dat eenige? David spreekt \'tuit in den tekst hierboven. Zij hebben een Naam, dien zij kennen, \'tls de naam des Heeren. Die Naam is hunne heerlijkheid, hunne zaligheid en veiligheid, \'tls de Heere zelf. \'tls hun Heere en hun God. Hu is het, die hen verkoren, hen gemaakt heeft en geëigend, \'tls de almachtige, genadige en getrouwe God des Verbonds. \'tls de God — Vader van den Heere en Heiland Jezus Christus, die de zijnen niet begeeft en verlaat, gelijk Hij \'taltijd heeft getoond en nog bewijst.
Of heeft Hij zijn naam niet altijd groot gemaakt aan zijne geloo-vigen? Ga slechts, mijn lezer! zijne gangen na met al zijne lievelingen. Wat meer is, ook! ga zijn gangen na met u zeiven, waar gij zün Naam kent en op Hem vertrouwt. Niet waar? dan geeft gü het David gewonnen, en gij roept \'t met den lieflijken psalm uit: „neen, Heere! Gij hebt mü niet verlaten, waar ik U zocht!quot;
O, vergeet dan quot;sHeeren daden niet, zijne menigvuldige redding en hulp. Laat de bevinding hope bij u werken. Hy, die zoo vaak u verlost heeft, even als David, Hij zal u nog verlossing zenden. Hij is de menigvuldige verlossing uws aangezichts, en Uw God. Vertrouwt daarom steeds op den Heere. In spü\'t van alle minachting der wereld, ja! in spijt van uwe eigene kleinmoedigheid, de Heere zal het met u in alles maken. Zelfs in de grootste nooden zal Hij uw uithel-
15 augustus.
per wezen. Ja! vertrouwende op den Naam des Heeren, zullen ook in het dal der schaduwe des doods zijn stok en zijn staf\' li vertroosten.
O, Kinderen des allerhoogsten ! Gij zijt zalig en veilig, gij hebt niets te vreezen, vroolijk kunt gij zingen:
Laat ons alom zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wy op zijn naam vertrouwen,
Dien naam, zoo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader,
Milde Zegenader!
Stel uw vriendlijk hart.
Op wiens gunst wij hopen,
Eeuwig voor ons open;
Weer steeds alle smart.
Psalm. 33: 11
l.ezen: Psalm 113. — Rom. 8; 17—28. — Jesaia 40: 21—31.
P. BARTSTRA.
15 AUGUSTUS.
Micha 7:7: .Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op dew God mijns heils, mijn God zal mij hooren.
Tussohen de onweerswolken des gerichts, waarmee de profeet Jeruzalem eu Samaria bedreigd zag, blonk een ster van hoop voor het Zion Gods. Juda, zoowel als Israël, heeft zijn weg bedorven voor God. Het oordeel, de openbaring van Gods toorn, kan niet uitblijven. De profeet blijft echter hoop koesteren voor het overblijfsel der erfenis Gods. (vs. 38). Met dat overblijfsel, dat onder de tuchtigende hand Gods tot verootmoediging en bekeering is gekomen, voelt hij zich één, en spreekt in helder bewustzijn dier eenheid zijn hoop op goddelijk heil in het verre verschiet uit: „Ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils, mijn God zal mij hooren.quot; Dat is de taal van een hart, dat gelooft in de onwankelbare trouw van den God des ver-bonds, ondanks zelfveroordeeling en gericht. En die hartetaal strekt tot verheerlijking van God.
Het ongeloof doet ons God verdenken, maar het geloof leert ons van alles afzien, en verlangend en vertrouwend uitzien naar God, zeer bepaald naar den God onzes heils. Laten wij ons heden door den profeet onderwijzen, wij zullen er wèl bij varen. Micha ziet en erkent de
16 AUGUSTUS.
zonde zijns volks, en houdt zich er niet vreemd van. Integendeel, hij belijdt: „Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd!quot; Toch klemt hij zich vast aan Gods trouw, en kan wach ten op Gods heil als de verhooring van zyn gebed. „Hij zal mij uitbrengen aan het licht.quot; — Al vertoeft God om ons uit te helpen; al sart- ons de vijand met allerlei vragen, als: „Waar is nu uw God, terw^\'l gij in duisternis nederzit, onder beproeving gebukt gaat,quot; de God onzes heils komt ons op zijnen tijd uithelpen, en dan verrassend, wonderbaar. Hij zal het gebed der nooddruftigen hooren om Zijns zelfs wil, maar ook om Zijner beloften wil, die toch alle in Christus Jezus ja en amen zijn. Daarom niet wanhopen, maar biddend en vertrouwend verwachten.
Ik blijf den Heer verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop in al mijn klachten Op zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den Heer,
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach ! wanneer?
Psalm 130: 3.
Lezen: Micha 7. — Jes. 59. — 1 Thess. 5.
J. KROMSIGT
16 AUGUSTUS.
1 Johannes 4: 19: „ Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.quot;
Menig Christen klaagt, en terecht, over de gebrekkige overeenstemming tusschen zyn belijdenis en zijn wandel. H\\j zou wenschen geheel van God te leven en een meer gelijkend beeld van Christus te vertoonen; vandaar menigmaal een zwijgen met schaamte, in plaats van getuigen met blijmoedigheid. Het is wel, dat gij zucht over uzelf, uw inwonend bederf betreurt; als gij daarbij niet vergeet te jagen om te grijpen, waartoe gij van Christus gegrepen zijt; als gij niet nalaat, wat gij nimmer behoeft te doen, te getuigen van hetgeen God, in Christus, voor u is en wat gij voor Hem zijt geworden.
Dan zal uwe belijdenis wel niet altijd met die van uw medege-loovigen overeenstemmen, zelfs niet altijd gelijk zijn aan die, welke
335
16 AUGUSTUS.
gij voorheen afleggen kondet of straks uiten moogt, omdat zij onderscheiden is naar de verschillende mate des geloofs, waarin gij leeft; toch zal er in de uiting van een waarlijk wedergeborene steeds de eigenlijke levenstoon zijn; in de waterdruppels spiegelt zich de zon af evenzeer als in de zee.
Zulk een belijdenis, waarin de kern te proeven is, die haar vasten grond in zich opneemt, waarmee elk waar Christen altijd kan instemmen, vertolkt Johannes ons in het aangegeven vers.
Of is niet het nieuwe leven saam te vatten in de betuiging: „wij hebben God lief?quot; Dat is het, waarin wij onderscheiden zijn van de wereld ; dat kenden ook wij voorheen niet. Die liefde vergaat nimmermeer; zij is het leven zelve, zonder haar zou er de dood zijn. Deze belijdenis is beslist en belijnd. Niet, wij zullen Hem liefhebben, of, mochten wij Hem liefhebben, maar wij hebben Hem lief leeft op den bodem dei-ziel; niet, iets zwevends, heeft mijn genegenheid, niet, Gods gaven stel ik op prijs, maar G-odzelf is \'t voorwerp van mijn liefde, al mijn hoop, al mijn lust.
Een ware belijdenis moet het antwoord zijn op de getuigenis Gods in de ziel, de erkentenis van wat uit genade haar deel werd, en zal alzoo Hem moeten verheerlijken. Dit woord spreekt dat uit en geeft daarmee haar veiligen grond aan: „wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.quot; Hierin ligt het wonder, dat een mensch van natuur vervreemd van, vijandig aan God, Hem kan beminnen, zóódat Hij die liefde zich laat welgevallen. Hij heeft eerst liefgehad. Zijn liefde geopenbaard in de overgave Zijns Zoons, Zijn liefde in onze harten uitgestort, daarvan ons verzekering doende door de getuigenis Zyns Geestes, daarvan ons de heerlijke ervaring latende genieten. Wij geven het Hem uit Zijne hand.
Ieder kind des Heeren beaamt deze belijdenis ten volle en altijd; de kleine zoowel als de groote, de aanvanger zoowel als de verder-gebrachte in de genade; ook waar het geloof klein is en de schuld drukkend, onder tranen wegens verloochening des dierbaren Meesters, onder schaamte en diep gevoel van de billijkheid der strenge tucht, moest het er uit by Petrus, met een beroep op \'s Heeren alwetend heid: „Gij weet, dat ik U liefheb.quot; Als er niets overblijft, blijft die innige band nog. Deze liefde kan sluimeren, maar zij behoeft slechts opgewekt te worden, om hoog te branden. Zij behoeft verdieping, maar kan nooit meer voor haat plaats maken.
Hebt gij God lief? dat is de groote vraag, waarvan alles afhangt. Hij heeft alzoo liefgehad een verloren wereld, dat Hij Zijn Eenigge-borene gaf.
Beken Zijne onbegrijpelijke liefde, verlegen zondaar, totü; vraag
336
17 Augustus. 337
het licht Zijns Geestes; en moge zij bij allen, die Hem kennen, in \'t aangezicht van Christus tot nieuwen gloed opvlammen.
God heb ik lief, want die getrouwe Heer
Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen.
Hü neigt zijn oor; \'k roep tot Hem al mijn dagen,
Hy schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer.
Ik zal uw naam met dankerkentenis.
Verheffen, ü al mijn geloften brengen:
\'k Zal liefd\' en lof voor TJ ten offer mengen In \'t heiligdom, waar \'t volk vergaderd is.
Ps. 116: 1, 10.
Lezen; 1 Johannes 4. — Psalm 45. — Romeinen 5.
c. plug.
17 AUGUSTUS.
Mattheus 4: 4 : De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle tvoord, dat door den mond Gods uitgaat.
Niet bij brood alleen. Hoe moeten wy dit opvatten ? Velen verstaan het aldus: niet bij het brood alleen, maar toch ook bij het brood. Voor de ziel het woord Gods en voor het lichaam het brood. Deze opvatting voert dan tot de wereldbeschouwing : het dagelijksch leven van en dus voor het brood en het godsdienstig leven-door en dus voor het woord Gods.
En deze levensopvatting wordt dan omgezet in de booze practijk dit aardsche leven gewijd aan de zorg voor het brood; en voor wat achter dit leven ligt.... nu, daarvoor zal God wel zorgen.
Zoo spreken, of als ze dit niet zoo ronduit zeggen, zoo denken duizenden bij duizenden, die zich Christenen noemen. Zij splitsen hun leven in twee stukken, waarvan het eene en wel verreweg het grootste feitelijk omgaat buiten God en waarvan het andere, waarbij nog met\' God en Zijn woord rekening gehouden wordt, zich in nevelen verliest. En zoo leven ze bijna al hunne levensdagen bt) brood alleen. Een goddeloos leven, dat de doodsteek is voor de godzaligheid, welke ze in de „uren aan den godsdienst gewijdquot; nog wat pogen bij te houden. Vandaar, dat de verzoeker zijn prooi zoo gemakkelijk vermeestert, als het brood ontbreekt.
Het brood, dat is ons menschelijk bestaan, gelijk dit bij onzen le-
DAGBÜEK. 22
338
vensstaat hoort op de plaats, die wij innemen in de samenleving. En indien dit bestaan er nu niet is ondanks alle zwoegen en zorgen, dan breekt de mensch, die bij brood-alleen tracht te leven, los in eene bittere aanklacht tegen zijn God, Die het brood, waarop hij als schepsel recht heeft, van hem weert. En dit murmureeren tegen Gods wegen slaat over in een aantasten van Zijne rechten, om op welke wijze dan ook aan brood te komen. Satans raad: zeg, dat deze steenen brooden worden, wordt dan in practijk gebracht.
De sociaal-democratie, die van de sociale kwestie eene broodkwestie maakt, beoogt dan ook niets anders dan brood alleen te maken en den mensch van dit brood te doen leven. Vruchteloos, want wij leven er niet van; wij sterven er bij, ook te midden van den overvloed. Leven, dat doet de mensch van alle woord, dat uit Gods mond uitgaat. Van alle woord. In \'t oorspronkelijk staat: van alle ding. Alle ding gaat uit van God. Hij is de overvloedige Fontein aller goeden. Het gaat uit door Zijnen mond. Hij spreekt en het is er. Zijn zegen is het beginsel van alle levenskracht. Ook het brood is zijn. Hij geeft het, en in dit brood ons menschelijk bestaan. En leven kunnen we als mensch dus alleen, zoo wij bij onze behoeften als mensch leven van God en dus de vervulling daarvan verwachten van God.
Eerst, als we met God rekenen ook in ons aardsche leven, komen we de verzoeking te boven, om onze levenskracht te verwachten van het \'brood-alleen, van het brood op zich zelf, van het brood als schepsel buiten den Schepper om. Eerst dan wagen wij het om te zeggen : liever met God zonder brood, dan met brood zonder God. Zoo heeft dan ook Jezus den verzoeker geantwoord, als hem ten laatste hongerde in de woestijn. ..Gij, Satan,quot; heeft Hij gezegd, „spiegelt mij voor, dat Ik ook uit de steenen brood kan scheppen, omdat Ik Gods Zoon ben. Maar, schoon Ik dit zou kunnen, kan Ik toch bij dit brood als mensch niet leven, want zonder God heeft het brood geen kracht. De mensch leeft niet bij brood alleen, maar van Gods kracht in het brood. Op dien zegen wil Ik wachten, totdat God hem geeft. Kom Ik om, dan wil Ik omkomen met God.quot;
En gij, mijn lezer, waarvan leeft gij ? Hebt gij aan het brood genoeg ? En als uw brood bedreigd wordt, wat zegt gij dan tot den verzoeker? Zie op Hem, die verzocht geweest is, gelijk als wij, ook in het brood; maar die overwonnen heeft voor ons, en de zonde veroordeeld heeft in zijn vleesch, opdat wij door Hem staande zouden blijven. En als gij zinkt, klem u aan hem vast, die medelijden heeft met uwe zwakheden. Want hij is een barmhartig Hoogepriester, die u te hulp komt in de ure der verzoeking. En met Hem zyt gij in alles meer dan overwinnaar.
18 AUGUSTUS.
Grü zijt het dan, op wien ik hoop In \'t moeilijk: perk van mijnen loop.
Tot daar de kroon in \'t eind mij wacht. Waarnaar mijn hart zoo hijgend smacht:
Heer! sta in allen str\\jd mij bij,
Dat ik door U verwinnaar zy.
Gezang 75: 8.
Lezen: Mattheus 4: 1—11. — Joh. 6: 24—40. — Joh. 6: 47—59.
G. H. WAGENAAR.
18 AUGUSTUS.
Juna 3 : 4 en ha: En Jona begon in de stad te gaan, ééne dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé ivorden omgekeerd.
En de lieden van Ninevé geloofden aan God.
Jona, Amittai\'s zoon, werd door den Heere gezonden naar Ninevé, om tegen haar te prediken. Niet zijn woord, zijne gedachten — maar zegt de Heere: „die ik tot u spreek:quot; dus hetgeen God, de Heilige Geest, hem op de lippen zou leggen.
Jona heeft in dat werk geen lust. Hij tracht te ontkomen, doch de Heere verhindert zijn ijdel pogen. Overboord geworpen, wordt hij door een van den Heere beschikten visch opgeslokt, en na drie dagen verootmoedigd op \'tdroge uitgeworpen, waarna hij, niet op grond van eigen berouw, maar na vernieuwde lastgeving, gaat ea den Ni\'ne-vieten boete en bekeering predikt.
Het verdorven Ninevé was door den Heere aangezien. Hij koesterde daarover gedachten van vrede en genade, \'t Was eene groote stad, die hoofdstad Assurs. Drie dagen waren er noodig om haar door te gaan. Haast twee nüllioen menschen woonden er in weelde en overdaad, wellust en dronkenschap. Eene stad rijp voor den ondergang.
Die diepgezonkenen wil de Heere redden. Uit Israël zendt Hij zijn Profeet.
Jona ziet den gruwel der godvergeten heidenen aan. Niet minder dan Sodom en Gomorrha zijn ze rijp voor \'t oordeel. En als hij daarna hun ondergang zit af te wachten, blijkt uic zijn toorn over de redding, dat hij tot die prediking geen lust had. Toch moest hij spreken, wat God hem beval, het naderend oordeel wegens hunne
340 18 AUGUSTUS.
zonden met beslistheid aankondigen. Nog 40 dagen, dan wordt Ni\'ne-vé omgekeerd.
Nu was er maar één uitkomst, die niet uitdrukkelijk als verkondigd wordt vermeld, maar zonder welke toch die onkundige heidenen niet tot het „geloof aan Godquot; gekomen waren en zich verootmoedigd en bekeerd zouden hebben, \'t Was toen als eeuwen later: „het geloof is uit het gehoor en het^ gehoor door het Woord Gods.quot;
Jona komt met \'tgeen hem God gebiedt. Gods Woord werkt dat uit. Jona zelf had er geen lust in. Hij betoovert ze niet door zyne redenen. Evenmin maakt hij zich door een geroep van „Vrede, Vrede en geen gevaar!quot; bij hen aangenaam.
Zijne ronde en duidelijke woorden zijn niet mis te verstaan. Hunne zonden worden niet verbloemd ; wat er geschieden zal, hun ontdekt. Elk oogenblik is kostbaar; wat hij spreekt kan niet geloochend, is duidelijk en klaar. Dat is \'t kenmerk van Gods woord gebleven. De zondaar is verloren ; niet na 40 dagen, maar dagelijks in gevaar voor eeuwig om te komen. Doch redding is er uit genade door den Zoon ; een wonder van genade in al Gods kinderen, die in Hem vrede hebben, openbaar.
De uitwerking van Gods Woord is ook nu nog vertwijfeling en wanhoop, of boete en bekeering, verootmoediging voor en vluchten tot God. \'t Laatste de Ninevieten. En niet zonder vrucht. Was \'t volksbekeering, daarom nog niet hoofd voor hoofd zaligmakend; toch was \'t een waar werk Gods, dat dadelijke redding aanbracht.
De Ninevieten gelooven God op Zijn Woord en zullen daarom in \'t oordeel tegen vele zoogenaamde Christenen getuigen, die zich niet onvoorwaardelijk op Gods Woord verlaten, maar dit Woord in hunne wijsheid, of door hun wantrouwen, of door hunne eigengemaakte gevoelsbeweging van de ware kracht berooven. Denk aan Jona, waar de meerdere dan Jona met zijn zaligmakend getuigenis tot u komt. Er is nog ontkoming in het heden der genade. Nog 40 dagen ? Misschien voor u maar 40 seconden ! Wees elk oogenblik gereed! Keer eindlijk. Heer! toch weder,
Mijn ziel buigt zich terneder.
Ai, red haar van \'t verderf;
Sla mijn ellende gade.
Tot roem van uw genade.
En help mij, eer ik sterf.
Psalm 6: 4.
Lezen ; Psaim 29: 1—13. — Jona 3; 1—10. — Mattheus 12; 10—42,
D. H. TELJER.
19 AUGUSTUS. 34
19 AUGUSTUS.
Genesis 19: 14amp;: Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de Heere gaat deze stad verderven.
Toen „Christenquot; de stad genaamd „Verderfquot; wilde ontvlieden, werd hij bespot. Iets van dien aard hebben wij hier. Het geroep van Sodom was groot en hare zonde zeer zwaar. De Heere had daarom zijne Engelen gezonden ten einde die stad te verderven. Doch Lot en Lots huisgezin vonden genade in de oogen des Heeren. Ook de aanstaande schoonzonen van Lot. Zij werden door Lot gewaarschuwd met deze trouwhartige woorden: „maakt u op, gaat uit deze plaats, want de Heere gaat deze stad verderven.quot; Maar zij geloofden hem niet, en Lot was in de oogen zijner schoonzonen als jokkende.
En nu wij? Ook wij wonen in eene wereld, van welke geschreven staat, dat zy in het booze ligt en ook ons dreigt, even als den schoonzonen van Lot, een werkelijk gevaar, het gevaar van met die wereld te vergaan, het gevaar van dien grooten dag Gods, waarop, naar het profetisch woord, de hemelen, door vuur ontstoken zynde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.
Maar ook wij worden, gelijk de schoonzonen van Lot gewaarschuwd. Omdat er tegen dat gevaar alleen veiligheid is in Christus Jezus worden wij van Godswege op Hem als onzen Redder gewezen. Al dalen geen Engelen tot ons neder, toch komen er menigvuldige roepstemmen tot ons, uit Gods woord, door de prediking, van godvruchtige ouders. „Gaat uitquot; zoo roepen deze ons toe, „gaat uit uit deze wereld, die zeer haastig voorbijgaat. Redt uwe zielen en ziet toe, dat gij niet omkomt.quot;
Maar helaas, even als door de schoonzonen van Lot worden deze roepstemmen Gods door velen lichtzinnig versmaad.
En wij, willen wij ons door \'s Heeren woord tot bekeering laten leiden? En als de verkondiger van het Evangelie tot ons spreekt van wedergeboorte, bekeering, vernieuwing van hart en leven, is deze dan nooit als jokkende in onze oogen ? Dat wij denken aan het treurig uiteinde van Lots schoonzonen, zij zijn met Sodom vergaan. Opdat ook wij niet eenmaal met onuitsprekelijke smart en te laat aan zoovele verzondigde uren en verdartelde roepstemmen terug moeten denken, laat het woord van David het onze zijn: „God heeft één ding tot my gesproken, tot tweemaal toe heb ik het gehoord.quot; —
20 AUGUSTUS.
Maar ach! dat dierbaar godlijk woord Wordt schaars van zondaars recht gehoord, Hun dwaas, hun onbekeerlijk hart,
In \'s werelds woest gedruisch verward,
Is voor die stem der liefde doof.
En wordt aan \'twls bederf ten roof.
Och Heer! och Heer! leen ons gehoor.
Och! open zulken dooven \'t oor,
Och! wierden z\'eens hun groot gevaar,
Met ernst, met diep gevoel, ontwaar:
Elk levensuur kan \'t laatste zijn.
En ach; wat zal dan \'teinde zijn?
Gezang 157: 2, 3.
Lezen - Gen. 1\'J; 12—24. — 2 Tetr. 2: 1—10. — 2 Petr. 3.
H. VAN SELMS.
20 AUGUSTUS.
Lukas 24; 47: „Bekeering en vergeving der zonden.quot;
Bekeering en vergeving van zonden moet er in \'s Heilands naam gepredikt worden onder alle volken. De zilveren trompetten des evangelies moeten weerklinken van oord, tot oord tot aan de einden der aarde, om het aangename jaar des Heeren, het jaar der vrijlating, uit te roepen tot troost voor verslagen harten. Het moet alom luide worden verkondigd: „Uw heil, uw troost, o mensch! spruit niet voort uit uw doen, uit uwe offers, uit uwe goede gezindheid; maar berust eeniglijk en alléén in hetgeen de God aller genade in Christus heeft gegeven. Buiten uzel-ven, in Hem ligt uw behoud, in zijne standvastige gehoorzaamheid aan den Vader, in zijn volkomen vervullen der wet, in zijn verzoenend lijden en sterven. Bekeer u dus van uwe meening, dat gij eerst dit of dat moet doen of terechtbrengen, eer gij tot Christus zoudt mogen komen; bekeer u van uwe wijsheid, want gij staat er Hem mede in den weg, die onze hoogste Profeet en Leeraar is, die ons den verbolgen raad en wil van God tot onze zaligheid volkomen geopenbaard heeft; bekeer u van de dwaling, dat gij door allerlei offers uwe rechtvaardiging voor God zoudt kunnen verdienen: gij kunt uw eigen priester niet zijn; de ware Hoogepriester, die met zijn eigen bloed in het heiligdom inging, heeft in zijn offer alle offers besloten en voleindigd.quot; Bekeer u van den waan, dat ge uzelven zoudt kunnen regeeren: de
•2
20 AUGUSTUS.
eeuwige Koning, die nu aan \'s Vaders rechterhand zit, leidt, onderwijst en regeert door Zyn Woord en Geest allen, die het erkennen willen, dat zij den rechten weg niet weten te kiezen of te houden.\'
Dit moet gepredikt worden in \'s Heilands Naam. Die Naam doet alle aanklachten van wet, zonde en dood verstommen en behoudt voor eeuwig.
Zijt ge zoo van al het uwe afgekomen, dan geldt u het troostwoord van vergeving der zonden. Het geloof verstaat dit, en verblijdt zich in den God des verbonds en des eeds. Door dat geloof reinigt Hy onze harten, zoodat we op Christus alléén steunen, evenals de geloovige offeraar leunde op den kop van het offerdier, dat straks in rook en vlammen opging, terwijl hij gerechtvaardigd henen ging. Zoo ontvangen we vergeving van zonden, hoe groot, hoe talrijk, hoe snood ze ook mogen zijn; zoo ontvangt ze een iegelijk, die als een veilorene komt; hij ontvangt ze als een geschenk van vrije ontferming, eene onverdiende weldaad. Dat geeft vrede in den H. Geest; men gevoelt het, dat de last van de schouders is genomen, en dat men gesteld is in de vrijheid der kinderen Gods. Welaan dan, gü, wiens hart den Heere zoekt, doch tot nogtoe den vrede en de blijdschap des geloofs mist, heft uwe oogen opwaarts! Zie, de toegang tot den troon der genade staat open, de weg naar de ware vrijheid is wèlgebaand, alle steenen en alle hindernissen zijn weggeruimd; belijd het, al is het met verbrijzeld hart: „Heere Jezus! U laat ik niet los; uw werk is mij voldoende, daarop verlaat ik mij in leven en in sterven. Verloren ben en blijf ik in mij zeiven, doch met U opgewekt en mede gezet in den hemel, in ü rechtvaardig voor God!quot;
Ik geloof de schuldvergeving Enkel om des Midlaars bloed ;
In mijn eigen werk en waarde Is geen troost voor mijn gemoed.
Alles, alles is genade:
Hoe strafschuldig ik dan zij.
Ja, mijn Vader! ik geloove Al mijn schuld vergeeft Gy mij.
Gezang 52: 10.
Lezen: Ps. 103: 1—14. — Jes. 52. — Luk. 24: 15—47.
K. HAVINGA.
343
21 AUGUSTUS.
21 AUGUSTUS.
Psalm 25 ; 15 : Mijne oogen zijn gedurig lijk op den Heere, want Hij zal mijne voeten uit het net uitvoeren.
David bedoelde met het net, waarvau hij hier spreekt, gewis de listige aanslagen zijner vijanden, die zijn ondergang zochten. Hij wist, hoe gevaarlijk dat net voor hem was; ja, hy gevoelde, datz|jn voet er reeds in verward was geraakt. Nu zocht hij in zi,jn nood hulp en uitkomst bij zijn God, en hy deed dit in het vast vertrouwen, dat de Heere zijden voet gewisselijk uit het net zou uitvoeren. In dat vertrouwen waren zijne oogen geduriglijk op den Heere: hij smeekte zonder ophouden, en bleef steeds verlangend en wachtend uitzien naar den Almachtige en Getrouwe, die hem verlossen zou.
Och, dat het geloof, het vast vertrouwen van David ook steeds bij ons gevonden werd! Al verkeeren wy in andere omstandigheden, al wordt ons geen net gespannen door menschen, die ons vijandig zijn, toch zijn er ook voor ons zoovele moeilijkheden en bezwaren, die ons drukken. En bovendien, er zijn geestelijke vyanden, die onzen voet willen verstrikken in hun net, om ons te doen vallen, en ten verderve te brengen. Zoo lichtelijk geraken wij door traagheid en zorgeloosheid in dat net verward, en dan gevoelen wij, dat wij onzen vrede, onze blijdschap moeten missen. Zijn wij zoo door eigen schuld in duisternis gekomen, eigen kracht kan ons niet daaruit verlossen. Neen, wij moeten met onzen nood tot den Heere, die ons verlossen kan en wil. Wy moeten tot Hem met de bede: „Om uws naams wil, Heere! vergeef myne ongerechtigheid, want die is groot.quot;
Als wy ons oprecht voor God verootmoedigen, en geloovig steunen op Zijne genade in Christus Jezus, onzen Zaligmaker, zullen wij ook vrijmoedigheid hebben om onze oogen geduriglijk op den Heere te richten en van Hem onze hulp, ons heil te verwachten. Wij zullen daarmede niet beschaamd uitkomen: de trouwe God des Verbonds zal onze voeten uit het net uitvoeren. Hij zal ons doen ervaren, dat de moeilijkheden en bezwaren des levens ons niet kunnen scheiden van Zyne liefde, maar door Zijne beschikking ons moeten medewerken ten goede. En de strikken onzer zielevijanden zal Hy genadig verbreken, om ons te doen wandelen in het spoor der gerechtigheid. Welgelukzalig dan hy, wiens oogen geduriglijk zijn op den Heere!
Gods verborgen omgang vinden Zielen, daar zijn vrees in woont;
344
22 Augustus. 345
\'tHeilgeheim wordt aan zijn vrinden,
Naar z\\jn vreeverbond, getoond.
D\'oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten;
Hij, die trouw is, zal mijn voet Voeren uit der boozen netten.
Psalm 25: 7.
Lezen ; Psalm 25. — Psalm 119 : 57—80. — Matth. 7 : 7—11.
J. A. DE VLIEGER.
22 AUGUSTUS.
1 Koningen 17; ö, 6; Hij ging dan henen, en deed naar het ivoord des Heer en; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan den J or daan is.
En de raven brachten hem des morgens brood en vleesch; desgelijks brood en vleesch des avonds; en hij dronk uit de beek.
Elia, de dienstknecht des Heeren, is hier in de eenzaamheid, aan de beek Krith. Hij is er achter het gebergte van Ephraïm, te midden van dichte wouden, verborgen. Koning Achab weet niet, waar hy is. O, indien hij het wist, hoe zou hij zich verblijden! Hoe zich op hem wreken! Want, heeft Elia hem nist aangezegd, tot straf op zijnen Baalsdienst: vooreerst geen dauw, noch regen? Maar hij kan het niet te weten komen, aan wien hy het ook vrage: niemand is het bekend.
Eiia is hier heengezonden door God. In het eigen gebied van Achab, niet ver van zijne hoofdstad, is hij hier veilig!
Zoo weet God zijn knecht te beschermen. Dien God bewaart, is wèl bewaard. Wees getrouw aan uwe roeping! Spreek, wat God u gebiedt te zeggen; en God zal voor u zorgen, en u weten te beschermen voor uw machtigsten vijand.
Elia heeft het hier ook zoo goed. Beschermd wordt hij niet alléén, maar ook verzorgd. Waarvan zal hij leven in deze wildernis, waar geen menschenkind de schreden heenricht? God weet raad. Hij gebruikt zijne vogelen. De raven vliegen uit, om hun spijze, komen weder, en laten het geroofde vallen. Dagelijks hetzelfde, des morgens en des avonds, brood en vleesch! Het noodige, ja, overvloed! En het levend water uit de beek lescht zijnen dorst. In Gods hand zijn alle zijne schepselen. Hij doet al wat Hem behaagt, in den hemel en op aarde. Geen ding zal bij Hem onmogelijk zijn.
346 23 augustus.
Hoe donker het ook sta geschapen, stel op God uw vertrouwen! Hij is een levend God. Hij kan redden uit lederen nood; voorzien in alle behoeften, van lichaam en ziel. En HijwiZhet. Te twyfelen daaraan is zonde. Hij begeeft nooit, die Hem vreezen. Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken?
Elia wordt ook gesterkt tot zijne taak. In het eenzaam is hij met God gemeenzaam. Hü voelt zich genoopt tot het gebed, en . . . ontvangt. Hy voelt zich geheel afhankelijk van zijn God, en . . . Deze gedenkt hem. Hij ziet zich gansch hulpeloos, en . . . vindt zich uitgered. Dus: zijn geloof wordt beproefd, maar ook gezegend, zijn vertrouwen gesterkt, zijn leven nog meer Gode geheiligd. Dat helpt hem, om op den Karmel te kunnen staan, en het vol te houden tegen een koning als Achab, en heel een volk; dat leert hem, het met zijnen God alléén te wagen. Door het donker tot het licht; door zwakheid tot kracht; door nederig buigen tot staan als een cederboom Gods. Zoo voedt God de Zijnen op.
Laat u dan leiden door Hem, naar Zijn raad. In het eenzaam, in het donker, in de diepte, leer vasthouden aan Hem, u oefenen in het gebed, en het zal u blijken ten zegen. Het zal u stemmen tot danken en loven. Indien althans van u waar is, wat de naam Elia beteekent; mijn God is de Heer. Is dat geloof en die keuze ook de uwe?
\'tls de Heer, die \'t recht der armen.
Der verdrukten gelden doet;
Die, uit liefderijk erbarmen,
Hongerigen mild\'lijk voedt;
Die gevang\'nen vrijheid schenkt.
En aan hun ellende denkt.
Psalm 14t5: 5.
Lezen: Matth. 6 : 25—34. — 1 Kon. 17 : 1—7. — Psalm 37 : 1—11.
H. A. LEENMANS JE.
23 AUGUSTUS.
Romeinen 12: Sb: Gelijk als God aan een iegelijk de mate des ge-luofs toegedeeld heeft.
Deze eenvoudige uitspraak ontsluiert ons het geheim van de kracht van den apostel der heidenen.
23 AUGUSTUS.
Waar hij zich verblijdt in het bezit der uitnemendste gaven, weet hij, aan Wien hij alles moet dank weten, — alléén aan dien God, die Hem genade bewezen bad, die Zelf hem gebracht had tot een krachtig, levend geloof in Jezus als den Christus.
De ervaring des apostels blijft door de eeuwen heen de ervaring van alle geloovigen.
Het komt aan. niet op een verstandelijk aannemen of toestemmen der waarheid, — niet op de aandoeningen van een licht bewogen gevoel, — niet op beloften of voornemens, vaak gelijk aan een morgenwolk of een vroeg komenden dauw, die henengaat (Hos. 6; 4).
Het komt aan op gelooven, d. i. gelyk by den apostel, op een metó zijn, opdat Christus alles in ons zij.
En ach, hoevele bezwaren, die zich vermenigvuldigen, — wat al steenen des aanstoots op den weg!
Hier de door de zonde verduisterde rede, die „wijs wil zijn, boven hetgeen men behoort wijs te zijn.quot;
Daar de wereld, die door de schittering van hare tooverglansen, door haar verleidelijk sirenenlied niet ophoudt ons te verlokken, opdat wij „der wereld gelijkvormig zouden zijnquot; (vs. 2).
Waarlijk, met al ons worstelen en ijveren, komen we mei, komen w;i nooit tot een waar en levend geloof, — nooit, tenzij ook ons als den apostel genade geschiede, tenzij God ons geve te gelooven en met eigen hand ons leide tot den Zoon zyner liefde.
Gelooft gij reeds waarlijk in den Heere? Beproeft u zeiven, en zij dit u tot een teeken.
Als ge waarlijk gelooft, — ge verheft u zeiven dan niet, ge dankt slechts uwen God, die ook over u Zijne barmhartigheid heeft groot gemaakt.
Als ge waarlijk gelooft, ge zoekt u zei ven niet, — ge bedoelt slechts uwen God te verheerlijken, en al de gaven, die Hij u schonk, dienstbaar te maken aan het heil der gemeente, aan de opbouwing van het lichaam van Christus.
Als ge waarlijk gelooft, dan gaat ook van u, als van den apostel kracht uit om te getuigen, te vermanen, om, zelf gezegend, anderen ten zegen te zijn.
Ziet, daar ligt de wereld, in het booze verzonken.
Nog gisten in haar voort dezelfde beginselen des verderfs, die de apostel in den naam en in de kracht des Heeren bestreed.
Bidt voor haar als de apostel „door de ontfermingen Godsquot; (vs. 1).
Bidt, dat de Geest van God moge dalen, opdat zondaren, nu „dei-wereld gelijkvormigquot;, veranderd worden door de vernieuwing desge-moeds (vs. 2).
347
348 24 Augustus.
Bidt, dat steeds meerderen verstaan mogen, „welke de goede en welbehageiyke en volmaakte wil Gods zyquot; (vs. 2).
In de verhooring dier bede ligt de verheerlijking van uwen God, en voor u zeiven — zaligheid.
Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij wand\'len. Heer! in \'t licht van \'t godlyk aanschijn voort;
Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden.
Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in \'t lyden.
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.
Uw vrije gunst alleen wordt d\' eere toegebracht;
Wij steken \'t hoofd omhoog en zullen d\' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om \'t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in \'t strijdperk van dit leven En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89; 7, 8. Lezen: Psam. 24: 7—14. — Hebr. 11: 1—11. — 1 Petr. 1—16.
W. VAN ROGGEN.
24 AUGUSTUS.
Psalm 73: 23 — 26: Ik zal dan geduriglijk bij Uzijn; Gij hebt mijne rechterhand gevat.
Gij zult mij leiden door uwen raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Wien heb ik nevens U in den hemelquot;? Nevens ü lust mij ook niets op de aarde.
Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten, en mijn deel in eeuwigheid.
Voor Asaf was een wijl de tegenspoed der godvruchtigen, de voorspoed der goddeloozen een raadsel in het Godsbestuur. Zijn hart geleek een door storm beroerde zee, die echter op den wenk des Al-machtigen kalm en effen wordt. God hervindend, smaakt hij waar levensgeluk. Kent gij zijne levenskeus: „Ik zal dan gedurig bij U zijnquot;? De natuurlijke mensch leeft ver van God in de zonde, gelijk ^.de verloren zoon.quot;
Asaf ziet God in \'t heiligdom der schepping, waar hem Gods Vadergunst in de grootheid Zijner werken tegenademt; in\'t heiligdom
24 AUGUSTUS.
der verlossing, waar hem Gods genadestroomen uit Zijne rijke schatkamers toevloeien; in de eenzaamheid, waar bij het verstommen van de tonen der wereld de stemmen Gods te luider in zijn hart spreken. „Gedurigquot;, bestendig blyve hij by zü\'n God, bij Wien alleen \'t hem zoo onuitsprekelijk goed is.
Tot deze levenskeus komt de geestelijk doode niet dan door Asafs levenskracht. Was hij niet levendgemaakt door God, Die, om hem uit satans macht te redden, zijne\'.rechterhand gevat had, om haar (want God is getrouw!) nooit meer los te laten? Immers, „dien Hü mint, mint Hij eeuwig; dien Hij greep, houdt Hij vast.quot;
Kind van God, met liefde wordt ook gij door uwen God omhelsd, met eere geadeld, met macht ondersteund.
Niet door toeval of \'t blinde noodlot, „door Gods raadquot; wordt hij geleid. Zou die levensverwachting hem niet geduldig maken in tegenspoed, dankbaar in voorspoed, voor de toekomst vertrouwend? Zijn God zal hem „daarna opnemen in heerlijkheid.\'\'Asaf blikt, door\'t welverzekerd geloof in den Messias, onbeneveld; onbevreesd overdooden graf in de eeuwigheid. Mensch zonder God, zonder Christus, wat zal het „daarnaquot; eenmaal voor u zijn?
Gelukkige Asaf, een rijk levensgoed is uw deel. Alles buiten God in hemel en op aarde, hoe begeerlijk en kostelijk ook, heeft voor hem zijn waarde verloren. Zün hoogste goed bestaat in de gemeenschap met den algenoegzamen, volzaligen God.
Deze rijkdom schenkt Asaf zaligen levenstroost. Al bezwijken vleesch en hart, zijn God begeeft hem niet. Zjjn almacht, genade en trouw blijven hem over. Op Hem wil hu\' bouwen als op eene veilige en onwankelbare rots.
Wie is uw Leids- en Raadsman?
Die hoop moet al ons leed verzachten:
Komt, reisgenooten! \'t hoofd omhoog!
Voor hen, die \'t heil des Heeren wachten,
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid, niet af te meten!
O vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemdlingschap vergeten;
En wij, wü zyn in \'t vaderland!
Gezang 189: 6.
Lezen: Psalm 73. — Matth. 6: 19—34. — Eom. 8: 1—18.
E. POSTM.A
350 25 Augustus.
25 AUGUSTUS.
Nehemia 8; lib: De blijdschap des lieer en, die is uwe sterkte.
Een hoogst belangrijken tijd heeft Israël doorworsteld. Eerst die ballingschap, toen den terugkeer. En wat vonden zij in het land hunner vaderen ? Een verwoeste stad, een geschonden tempel, geplunderde woningen, ledige akkers. Maar biddend hebben zij gewerkt, met het houweel in de handen en het wapen aan de zyde. En als de vijanden spotten: Wat willen die amechtige Joden? klonk in fleren geloofsmoed het antwoord: God van den hemel, zal het ons doen gelukken en wij, \'s Heeren knechten, zullen ons opmaken en bouwen.
De uitkomst is schoon. Stad en tempel zijn herbouwd, de bressen toegemuurd. Het volk is samengekomen. Vreugde straalt van de aangezichten.
Doch als Ezra op hun verzoek het wetboek ontsluit, dat hun aantoont, hoever zij zijn afgeweken, is de schrik des Heeren op hen gevallen. Het gansche volk weent. Daarom spreekt nu Nehemia dit vriendelijk woord der vertroosting: „De blijdschap des Heeren, die is uwe sterkte.quot;
De blijdschap des Heeren; niet de blijdschap, die een mensch kan gevoelen over de goddelijke dingen. Hier wordt gesproken van wat omgaat in het hart onzes Gods. Het souvereine Wezen des Heeren leeft niet teruggetrokken in Zich zeiven, zonder Zich in te laten met de vreugde of de droefheid zijner menschenkinderen. Hij toornt over de zonde, maar let ook met teedere deelneming op hunne nooden, en verblijdt zich in alles, wat strekken kan tot onze redding en zaligheid. De blijdschap der engelen over éénen zondaar, die zich bekeert, is de afstraling van Gods eeuwig welbehagen.
Hoe zullen wy den Heere danken voor deze openbaring zijner ontferming. Gods wetboek is altijd over ons open, tot onze beschaming. Maar, waar door Gods Geest dit doel wordt bereikt, is dezelfde blijdschap des Heeren ook daar tot onze vertroosting. God geeft en gunt ons in Christus: vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid, volkomen zaligheid. Ja, gelijk een bruidegom vroolijk is over zijne bruid, alzoo zal de Heere over de zijnen vroolijk zijn.
Daarin ligt de sterkte van allen, die gelooven, ook bij den arbeid in het koninkrijk Gods. Een machtig leger van bestrijders en spotters maakt zich op van binnen en van buiten. En ons geloof is zoo zwak, onze kracht zoo gering! Maar geen nood: als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?
26 AUGUSTUS.
Moedig voorwaarts ook op dezen dag. Onze God is de levende God. Zijns is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
\'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen,
Uw waarheid fallen tijd vermelden door mijnreen.
Ik weet, hoe \'tvast gebouw van uwe gunstbewijzen,
Naar uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen.
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zoo min zal uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
Psalm 89 : 1. Lezen: Luk; s 15. — Nehemia S. — Mattheus 5: 1—16.
C. B. OORTHÜIJS.
26 AUGUSTUS.
Genesis 32; 30: En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël want, zeide hij, ik heb God\' gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is gered g etc eest.
God te kennen, den eenig waarachtige en Jezus Christus, die dooiden Vader uit den hemel op deze aarde is gezonden, dat is, volgens het woord des Heilands het eeuwige leven, het leven, verheven boven en onafhankelijk van de stofwisseling.
God te zien. Ziedaar voorrecht van de reinen van harte. Lieve lezer, deze dingen zijn heerlijk, onze overpeinzing dubbel waardig. Maar, kan de mensch God leeren kennen? Heeft niet de zonde ons van de gemeenschap met God beroofd? Mozes, de man Gods, deed in een merkwaardige ure van zijn leven de vraag; Toon mij nu Uwe heerlijkheid. En welk antwoord ontving hij? Gij zult Mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij zal geen mensch zien en leven.
De vraag: Wie zal klimmen op den berg des Heeren, wie zal staan op de plaats zijner heiligheid, is door den Psalmist duidelijk beantwoord: „Die rein van handen en zuiver van hart is, die zijne ziel niet opheft tot ijdelheid en niet bedriegelijk zweert, zal zegen ontvangen van den Heere en gerechtigheid van den God zijns heils!quot; Maar de vraag, kan de mensch den Eeuwige zien, behoeft geen onbeantwoorde vraag te blijven, indien wij bij dat aanschouwen niet aan een zinnelijk zien gedacht willen hebben, maar aan een zien met de oogen des geloofs.
De woorden, van onzen tekst, zijn door den patriarch Jakob ge-
26 AUGUSTUS.
sproken in een gedenkwaardige periode van zijn leven. In \'t nachtelijk uur bij het veer van den Jabbok heeft de geheimzinnige worsteling plaats tusschen den man, die van Godswege tot hem gezonden wordt en Jakob. De knecht des Heeren laat zich niet in de engte drijven ; hij houdt vol, hij volhardt en spreekt: ik zal U niet verlaten.tenzij Gij mij zegent. Al wordt in dien bangen stryd het gewricht zijner heup verwrongen, hij ontvangt in dien nacht een nieuwen naam: Israël, omdat hij zich vorstelijk heeft gedragen met God en demenschen. De dienstknecht des Heeren is als overstelpt door de weldaden, die hij ontvangen heeft.
De plaats, waar zijn God hem verscheen, zal hem steeds eene plek blijven, waaraan hü met liefde denkt.
Naar de gewoonte van dien tijd, heeft hij die plaats een bijzonderen naam gegeven: Pniël, want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is gered geweest! Pniël, d. i. het aangezicht des Heeren. Gelukkige Israël, hij had den Koning der Eere gezien en was verzekerd van zijn gunst. De oppermachtige had hem geleid uit het diensthuis der slavernij en den dag der verlossing hem doen zien.
Derhalve zal de zonde in zijn leden niet meer heerschen, maar een nieuw leven door hem begonnen worden, een leven in gemeenschap met God! Ongetwijfeld heeft Jakob de overwinning niet behaald. dan na hardnekkigen strijd, die zijn sporen achter liet in het hinken aan de rechterheup. Indien we in \'s Heeren kracht in den geestelijken stryd niet het onderspit delven, maar de zegepraal wegdragen, is die overwinning de kroon op eene bange worsteling, die bloed en tranen heeft gekost.
Onze zonden houden niet op ons aan te vechten, zij maken scheiding tusschen God en ons harte, zij willen ons den vrede rooven in gemeenschap met den Heere, maar de Geest des levens voert ons ter overwinning. Waar de Zone Gods gekomen is, om ons het verstand te geven, dat we den Waarachtige kennen, zullen we, geUjk Jakob, een Pniël leeren kennen. Was \'t u geen Pniël, toen duizend zorgen, uw angstvallig hart kwelden in de binnenkamer neer te knielen, en te stamelen: Abba, Vader, Uw wille geschiede, en te ondervinden, dat des Heeren Engel zich legert om allen, die Hem vreezen! Geen Pniël, waar in den strijd met zonde en satan de geestelijke wapenen niet tevergeefs door u ter hand zijn genomen ? Geen Pniël in de dagen, waarin ge uw vreemdelingschap hebt gevoeld door allerlei beproevingen, toen de beekjes der stille vertroosting voor u vloeiden door dorre landen? Geen Pniël, wanneer de hand van den Vader in de hemelen zegenend op u rustte terwijl zyn woord u vrien-
26 Augustus. 353
delijk toesprak: Gij zijt mijn kind, door Mij in liefde gekend?
lu Christus is God zichtbaar geworden. Door den Zoon spreekt de Vader tot zijn afgedwaald kind van genade en eeuwige heerlijkheid.
Wenscht ge de Almacht des Scheppers te eeren, zie op den Zoon. Hij beheerscht de krachten der natuur. Verlangt ge Gods wijsheid te zien, zet aan \'sHeilands voeten u neder. quot;Wie sprak als Hij? Wie der oude profeten is met Hem te vergelijken ? En dorst uw hart naar een God, die liefde en genade den doodsschuldige bewijst, laat u \'t beeld van den Heiland voor den geest staan. Uit liefde voor u en voor mij ging Hij in den dood ; Zijn liefde redt onze zielen. O, mijne ziel, verblijd u dan en richt uw Pniöl op. Heil u, lieve lezer, wanneer de natuur van een Jakob bij u is overwonnen en ge een Israel zijt geworden. Dat is genade van Hem, die de getrouwé getuige is. Toen Jakob door Pniël gegaan was, rees de zon voor hem op en hij was hinkende aan zijne heup. Treffend beeld van \'t leven der geloovigen aan deze zijde dei-graven. Al is de zon van Gods genade voor ons opgegaan, we zijn en blijven in zekeren zin hinkende lieden, we dragen onze lastenen torsen ons kruis. Maar eens zal de blijde dag komen, waarop het geloof verwisseld is in aanschouwen en alle nevelen zijn weggevaagd. Mijn lezer, zyn die uitzichten de uwe, laat dan uw oog telkens zijn op dien Heere, die wonderlijk van raad is en groot van daad. Onze God geleidt de zijnen van Mara naar Eiim en door deze woestyn naar het Pniël des Hemels. Daar zal \'t lied van Sions kinderen beter door ons verstaan worden:
Maar (bly vooruitzicht) dat my streelt,
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen;
U in gerechtigheid aanschouwen Verzadigd met uw godlijk beeld.
Psalm 17: 8.
Lezen ; Genesis 32. — Psalm 91. — Johannes 15.
L. P. A. WESTERBEEK VAN EERTEN.
DAGBOEK.
27 AUGUSTUS.
27 AUGUSTUS.
Psalm 27; 6m: Ik sal in Zijne tent offeranden des geklanks offeren.
Het moedig geloofsvertrouwen op de hulpe zijns Gods doet David, ofschoon nog door vijanden bedreigd, reeds roemen in het vooruitzicht der afgesmeekte overwinning, en geeft hem de gelofte in, dat hij straks, onder blijden jubel, in het heiligdom aan Jehova zijne dankoffers zal brengen.
Is dit geen kostelijke wenk voor alle beweldadigden, omtrent hetgeen hun betaamt jegens hun Verlosser en Helper? Ook het dankbare lofgezang, waarvan der vromen tent weergalmt, wanneer hun gebed verhoord of ongedachte zegen hun in den schoot geworpen werd, is den Heere eene liefelijke offerande des geklanks, maar het godvruchtig gemoed gevoelt daarbij de behoefte om Hem het danklied toe te zingen, in het midden Zijner gemeente; en deze behoefte moet eene aantrekkelijkheid te meer verleenen aan den opgang naar het bedehuis. Hoe heerlijk is het, daar, in het besef van \'s Heeren onverdiende, onvolprezen gunstbewijzen, uit volle borst het „Geloofd zij God met diepst ontzag!quot; mee te mogen aanheffen! De menschen mogen de afzonderlijke stem in het gemeenschappelijk gezang niet onderscheiden, de Heer merkt er wel op, hoe het lied over de lippen komt. Ook in des Eeuwigen oor maakt de toon de muziek, en het is alleen naar de stem des harten, dat Hij luistert. Waar de ziel overstelpt is door het levend gevoel van Zijne genade, daar heeft zelfs het gebrekkigst zingen voor Hem geen minder weiluidenden klank dan de volmaakte Hallels Zijner Serafijnen.
Blijft dan niet achter, gezegenden des Heeren! met het offer van uwen dank, ter plaatse, waar Hij het wacht, nadat gij het Hem in uwe binnenkamer hebt gebracht. Doet het uwe, opdat het gezang der gemeente Hem waarlijk en waardiglijk prijze. Al blijft de kunsteloo-ze zang, uit oprechten boezem geweld. Hem kostelijker offer dan de fraaiste uitvoering, die geene andere dan kunstwaarde bezit, toch is Hij waard, ook in Z^jn huis verheerlijkt te worden met het beste, wat de kunst vermag te geven.
Doch, opdat ons dankofiax geen ijdel klank-oïïer blijke, laat het vergezeld gaan van tastbare offers ook in het heiligdom des Heeren, gewijd met blijmoedig hart en milddadige hand, en achtervolgd worden door een godverheerlijkenden wandel, waarin steeds meer de wanklanken verstommen, en alle krachten en gaven medewerken om
354
28 AUGUSTUS.
van ons leven te maken één Godgevallig offer, één zuiver klinkend loflied op de deugden van onzen grooten God en Zaligmaker.
O goedheid Gods! nooit recht geprezen!
Heet hij een mensch, dien gy niet treft?
Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,
Die \'t hart niet vroolük tot U heft!
Neen! alles aan God dank te weten
Zij steeds mijn plicht, mijn werk, mijn lied!
De Heer heeft nimmer mij vergeten;
Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!
Gezang 12: 1.
Lezen : Psalm 27. — Jesaia 12. — Openbaringen 5.
P. J. VA.N MELLE.
28 AUGUSTUS.
Jesaia 44; 23: Zingt met vreugde, gij hemelen! ivant de lieert heeft het gedaan; juicht, gij benedenste deelen der aardel gij bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bosschen, en alle geboomte daarin! want de Heere heeft Jakob verlost, en zich heerlijk gemaakt in Israël.
De Heere Jehova heeft Zijn stem doen hooien en gesproken van volkomen vergeving. De zware wolk van Gods toorn over de zonde des menschelijken geslachts bedekte den troon der genade voor het oog der menschenkinderen. Maar het zaad der vrouw, de Middelaar Gods en der menschen, verscheen en maakte vrede door het bloed Zijns kruises. Het liefelijk licht van de Zonne der gerechtigheid omstraalde schuldige zondaren, evenals het licht der zon de groene aarde met zachten glans beschijnt, nadat het on weder, dat het gelaat des hemels ontstelde, afgetrokken is.
De heerlijkheid van dit onderwerp grijpt de ziel des profeten dermate aan, dat hij de gansche onbezielde natuur oproept om het lied der verlossing aan te heffen. Hemel en aarde, berg endal.bosch en beemd moeten de heerlijkheid Gods verkondigen. Was de aardbodem niet om des menschenwil vervloekt? Zucht het gansche schepsel niet op hoop, dat het eenmaal zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods? Dat lied der verlossing werd reeds aangeheven door het koor
355
29 AUGUSTUil.
der engelen, toen in den raad des vredes de Zoon zich aanbood als de Plaatsvervanger en Plaatsbekleeder van gevallen en doodschuldige zondaren. Mensctien leerden het zingen, toen de Heere zijn raad en wil van hunne verlossing met steeds toenemender duidelijkheid openbaarde. Maar voor hen, die met het oog des geloofs den eenigen Zaligmaker aanschouwen als overgeleverd om hunne zonden, en opgewekt tot hunne rechtvaardigmaking, verkrijgt dat lied eerst\' leven en beteekenis. Eens zullen alle verlosten een volledig koor vormen, wanneer de Heer der heerlijkheid op de wolken verschijnt om Zijne bruid binnen te leiden in het huis zijns Vaders. Dan zal alles in den nieuwen hemel en op de aarde samensmelten in dien jubeltoon: „De Heere heeft Jakob verlost, en zich heerlijk gemaakt in Israël.quot;
In letterlijken zin kunnen alleen verloste zondaren dat lied zingen. Zij, die gezucht hebben in den kerker der zonde, maar door den sterken Held verlost zijn, doen de liederen ter eere van God en het Lam weerklinken. Zij beginnen hiermede op deze aarde, en zetten het voort in eene eindelooze eeuwigheid, wanneer de eeuwige sabbat is aangebroken.
Geloofd zij \'s Vaders eenge Zoon!
Hij bracht ons van zijns Vaders troon De rijkste zegeningen:
Hem, onzen helper in den nood,
Hem, onzen redder van den dood,
Moet al, wat ademt zingen.
Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer!
Voor U knielt uw gemeente neer,
Lofzingend in uw woning.
Eens wordt alom U toegebracht Lof, eer en heerschappij en macht;
Zoo heerscht G\' als aller Koning.
Gezang 2; 3.
Lezen: Ps. 148. — Luk. 1: 67—75. — Openb. 5: 9—14.
J. P. ER1NGA.
29 AUGUSTUS.
1 Sam. 7: 12: En Samuël nu nam eenen steen, en stelde dien tus-schen Mispa en tusschen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij seide: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen.
Waar Jehova zoo groote verlossing had gegeven, richtte Samuël dezen gedenksteen op. Wat geeft hij ons hierin eene ernstige roep-
29 ATJRDSTUS.
stem om te gedenken aan den zegen door God geschonken! Of bestaat geene aanleiding daartoe? Vele, zeker, zijn de smarten, de tegenspoeden des levens. Wie zal ze kunnen tellen? Maar is dat wel zoo vreemd ? Is dat niet het noodzakelijk gevolg van de zonde, die den vloek Gods bracht over de aarde? En is ook hierin Gods ontferming nog niette bespeuren? Hij toont daarin ons nog niet over te willen laten aan ons zeiven. Het zijn roepstemmen, die dringen moeten terug te kee-ren tot Hem. Hij doet de liefelijke weide der wereld tot eene doornige woestijn worden om zoo te bewegen ons af te wenden van die paden, die ten doode voeren. En dat wij nog niet vergaan zijn, dat reeds is \'s Heeren goedertierenheid.
Zjjne barmhartigheden hebben nog geen einde. Zij zijn eiken morgen nieuw. En op deze letten wij zoo weinig. Toch zijn zij zoovele. Wy behoeven niet eens op buitengewone zegeningen te zien. Is niet iedere zegen, dien wij ontvangen, het leven zelfs, dat God ons nog laat, een groot voorrecht? Wordt het niet grooter, als wij bedenken, dat dit louter genade is? Wij hebben daarop niet de minste aanspraak. Verbeurd, verzondigd, dat moet bij alles worden erkend. Ook dit alles is eene vrucht van Golgotha\'s kruis. Ja, dat dit kruis met zyne boodschap van verzoening nog gepredikt wordt, is het niet groot? Ziet op de aanbieding, wellicht moogt gij reeds zeggen de mededee-ling van die vrije genade in Christus. Wat was daarvan de vrucht voor uw hart en leven? De vrucht daarvan moet zijn, datgijG-odde eere brengt, waarop Hij recht heeft. Dat gij aan dien genade vollen God u leert toevertrouwen en onderwerpen met ziel en lichaam. Dat gij met schuldbelijdenis u buigt aan de voetbank van dien troon, waar barmhartigheid is te verkrijgen en genade te vinden.
Loof, loof den Heer, mijn ziel! met alle krachten;
Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t\'achten.
Och, of nu al, wat in mij is, Hem preez\'!
Loof, loof, myn ziel! den Hoorder der gebeden;
Vergeet nooit één van zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; \'t is God, die z\' u bewees.
Ps. 103; 1.
Exodus 15. — Psalm 103. — Jacobus 1.
P. C. VAN DER HORST.
357
30 AUGUSTUS.
30 AUGUSTUS.
Psalm 5:9: Heer\', leid mij in Live gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt uwen weg voor mijn aangezicht.
Een morgengebed is deze Psalm, zooals met, name uit het 4de vers blijkt: „des morgens, Heer! zult Gij m;jne stem hooren; des morgeus zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.quot; Zoo moet het ztjn — welk christenmensch weet het niet? Een dag, begonnen zonder God, is erger nog dan een verloren dag. Maar wat te bidden ? De Heilige Geest zal het ons leeren naar de behoeften en den toestand van het oogen-blik. Doch er is één grondtoon, die nimmer ontbreken mag, en die, zoo wij onszelven en onze behoeften hebben leeren kennen, ook nimmer ontbreken zal voor het aangezicht Gods: de grondtoon, die, alis het ook met andere woorden, zal heenklinken door ieder morgengebed: „Heer! leid mij in Uwe gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uwen weg voor mijn aangezicht.quot;
Heer! leid mij. Dit allereerst. Want geen dag en geen uur kunnen wij Gods leiding ontberen, en wel de leiding Gods door ofin zijne gerechtigheid, m. a. w. zyne genadeleiding. Voor den Christen is dat de bede om door God geleid te worden naar zijn heilsraad in Christus, den Heer onze gerechtigheid. Dat ook alleen is ter eere Gods. Daarom volgt er ook: „om mijner verspieders wil.quot; Want, gelijk David zijne vijanden en belagers had, die hij terecht z^jne verspieders noemt, omdat zij zijne gangen nagingen met vijandige bedoeling, of zij iets konden vinden, wat tegen hem getuigde, zoo bespiedt de wereld nog met scherpe blikken den handel en wandel van hen, die zich.Christe-nen noemen. Het is dan ook niet zonder goede reden, dat de Apostel vermaant: „houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat, in hetgeen zij kwalijk van U spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien. God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.quot;
Daarop moet dan ook d s bede volgen: „richtUwen weg voor mijn aangezicht.quot; Want het is de bede, dat God Zijnen weg ons doe kennen, voor ons effene en toebereide, opdat wij, zonder af te dwalen, onverhinderd daarop mogen wandelen. Dit is de ware wijsheid: Gods weg te kennen, dien te willen kennen en te willen bewandelen. En Christus heeft het ons gezegd: „Ik ben de Weg, en quot;de Waarheid en het Leven.quot; Wie Hem volgt, zal in de duisternis niet wandelen, want hij heeft in Hem de verhooring der bede: „richt, o God! Uwen weg voor mijn aangezicht.quot;
358
359
Heer, ai! maak my uwe wegen,
Door uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen.
En waarheen G\'uw treden wendt.
Leid mij in uw waarheid, leer Uvrig mij uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer!
\'k Blijf U al den dag verwachten.
Psalm 25: 2.
I.rtzen: 1 Petr. 2. — Psalm 5. — Psalm 25.
PROF. Dr. E. H. VAN LEEUWEN.
31 AUGUSTUS.
1 Timotheüs 2: 1, 2: Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen;
Voor koningen en allen, die in hoogheid zijn-, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.
quot;Wanneer de Apostel Paulus deze ernstige vermaning, eens gericht tot de gemeente te Efeze en haren voorganger Timotheüs, omzette in deze vraag tot de gemeente van later eeuw;
Hebt gij nooit vergeten om te bidden voor uwe Koningen en allen, die u regeeren, zou hij niet moeten klagen, dat z^j het niet alleen niet „vóór alle dingen,quot; maar vaak zelfs in het geheel niet gedaan had ?
En wanneer Paulus die vraag heden richtte tot Neerlands volk en zijn voorgangers, zouden die allen zich, in deze zaak, niet ernstig hebben te onderzoeken ?
Heden, op 31 Augustus, is het immers feestdag injNederland en in zijn overzeesche bezittingen voor allen, die belyden, dat het Gode belieft ons door de hand onzer Koningin te regeeren; voor allen, die zich dankbaar buigen voor den Koning der Koningen, omdat Hy Haar weder een jaar gespaard heeft; voor allen, die Hem bidden, dat Hij Zijne zegenende, bewarende hand ook in dit nieuwe levensjaar opheffe boven Haar hoofd.
Nog trilt in duizenden harten de naklank der smeekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen, die op de kroningsfeesten, in alle kerken in Nederland werden opgezonden naar den troon der Genade.
1 SEPTEMBER.
En voor allen, die haar waarlijk hooren, is het niet een wegstervende klank, die al zwakker en zwakker wordt om straks volkomen te verdwijnen in het geraas en gewoel van den partijstrijd op allerlei gebied; neen, de klank dier gebeden wordt eiken Zondag hernieuwd, en klinkt niet \'t minst op den geboortedag onzer geliefde Vorstin, met nieuwe kracht, Neerlands volk in \'toor.
Heden wappert de driekleur van alle torens ver in het rond en sieren zich met haar onze woningen, der Koningin tot eere.
Heden wil de Heer, dat wij ons ook voor Hem zullen buigen om onze Vorstin te gedenken met smeekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen, en, waar Gods hand sinds eeuwen een band gelegd heeft tusschen Nederland en Oranje, daar wordt de zegen dier gebeden door de bidders zeiven ervaren, want God zal ons geven, door Haar regeering, „een genisten stil leven in alle Godzaligheid en eerbaarheid.quot;
De Koningskroon is geen ijdel ornament aan het gebouw van Staat, evengoed door ander ornament te vervangen. Zü is ons het heilig zinnebeeld van de regeering, welke op dit gebied, in \'s Heeren Naam, door onze Koningin wordt uitgeoefend.
O, volk van Nederland, dat bidden geleerd hebt, vergeet dan op dezen nationalen feestdag niet, om uwe Koningin te gedenken in uwe smeekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen.
Geef. Heer! den Koning uwe rechten,
En uw gerechtigheid
Aan \'sKonings zoon, om uwe knechten Te richten met beleid.
Dan zal Hij al uw volk beheeren,-Reohtvaardig, wijs en zacht;
En uw ellendigen regeeren;
Hun recht doen op hun klacht.
Psalm 72: 1.
Lezen: Ps. 72. — Matth. 22: 15—21. — 1 Timoth. 2: 1—8.
J. C. MONTIJN.
i SEPTEMBER.
Exodus 17: 1; Mozes dan zeide tot Jozua: kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek. Morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Godes zal in mijne hand zijn.
Amalek heeft Israel den oorlog aangedaan. De beslissende slag
1 SEPTEMBER.
moet worden geleverd. Maar, hoe zal het kleine, zwakke Israel hem tot een goed einde kunnen brengen ?
Mozes weet het; op eigen kracht steunend vermag het niets tegen een volk, zooveel grooter in aantal en sterker in kracht.
Daarom verwacht hij alle hulp van Zijnen God, Die de overwinning geeft, aan wien Hij wil. Zijn aangezicht zal hij in de gebeden voor de strijdenden zoeken, opdat Hij Zijn kracht in des volks zwakheid volbrenge.
En bij zijn gebed zal de staf Gods in zijne hand zijn. De staf, door welken hij op Jehova\'s bevel wonderen van gena voor Israel gewrocht had; welken hij in Egypte had opgeheven naar den hemel, zoodat het plagen regende over Farao en zijn volk; dien hij uitgestrekt had over de Eoode zee, opdat haar wateren uiteen weken, een weg banend voor het volk des Heeren en met welken hy, nu nog kort geleden, stroomen waters uit de steenrots had te voorschijn geroepen.
Zijn aanblik zou den strijders herinneren aan hetgeen de Heere in vroeger dagen voor hen had gedaan en hun moed geven, als zij dreigden te bezwijken.
Welnu, ook in onze dagen kan het opnemen van den staf Gods, het gedenken aan de bewijzen Zijner macht en genade, die de Heere ons vroeger schonk, bewaren voor moedeloosheid en vertwijfeling.
Waardoor toch zijn wij dikwijls zoo bekommerd en kleingeloovig ? Is \'triiet, doordat wij niet gedachtig zijn aan hetgeen de Heere weleer voor Zijn volk en ook voor ons heeft gedaan? Ware \'tbij ons meer als bij David:
\'kZal gedenken, hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen;
\'k Zal de wond\'ren gadeslaan,
Die Gij hebt van ouds gedaan,
dan zou menige vrees, die ons beangst, menige bekommering, die onzen vrede rooft, zonder grond blijken te zijn en door dit gedenken aan de ondervonden bewijzen van Gods liefde en macht ons nieuwe levenskracht en nieuwe levensmoed worden geschonken en wij erdoor gemaakt worden tot nieuwe menschen, die, in stee van moedeloos terneder te zitten, den psalm des betrouwens aanheffen;
De Heere is bij mij — ik zal niet vreezen; want met Hem loop ik door eene bende en met mijn God spring ik over een muur.
Daarom, mijn lezer of lezerês, neem, in dagen van ingezonkenheid, maar veel den staf Gods in handen, opdat hij u bemoedige. En als hij tot u, wat uw persoonlijk leven betreft, ook eene sprake richt van groote daden, die de Heere aan uwe ziel heeft gedaan, hef hem dan, als
361
362 2 SEPTEMBER.
Mozes, op naar den hemel en laat hem roepen tot God; Heere, Gij hebt een groot werk aan mij begonnen te werken; laat het werk Uwer handen niet varen, maar voleind het voor mij. „Geef mij weder de vreugde uws Heils en de vrijmoedige Geest ondersteune mij.quot;
\'kZal g-edenken, hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen;
\'k Zal de wondren gadeslaan.
Die Gij hebt van ouds gedaan;
\'k Zal nauwkeurig op uw werken En derzelver uitkomst merken;
En, in plaats van bittre kracht,
Daarvan spreken dag en nacht.
Psalm 77: 7. T.ezen: Exodus 17: S—19. — Psalm 77. — Psalm 20.
J. D. J. IDENBURG.
2 SEPTEMBER.
Spreuken 23; 17, 18; Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreeze des Heer en ;
Want zekerlijk, er is eene belooning; en uwe verwachting zal niet afgesneden worden.
Welk eene ernstige waarschuwing geeft ons dit woord, allereerst; uw hart zij niet nijdig over de zondaren. Do Spreukendichter wil zeggen; uw hart zij niet afgunstig of jaloersch. Het woord „nijdigquot; heeft dus dezelfde beteekenis als in den 73sten Psalm; ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. Neen, ons hart zü niet nijdig over hen, die verre van God en Zijn gebod leven, al hebben zij het voor het uitwendige goed. Zij vinden toch nergens, wat zij zoeken, want het waarachtig geluk des harten wordt daarin niet gevonden. Hoe noodig is deze vermaning! Der goddeloozen voorspoed is en blijft een raadsel in de Voorzienigheid des Heeren voor het kind Gods.
Gij, die dit niet kunt vereffenen, denk veeleer aan de trouwe vermaning; maar zijt te allen dage in de vreeze des Heeren. Niet alzoo voor een oogenblik, als het te pas komt, maar altyd, ieder oogenblik, daar de godzaligheid een groot gewin met vergenoeging is. Zy heeft de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
Ach, voor hoevelen is de godsvrucht als een zondagskleed, dat des avonds uitgetrokken wordt. Hoevelen hebben door de beslomme-
3 SEPTEMBEE.
ringen dezer wereld geen tijd, om het Woord Gods te overdenken, of te peinzen over het heil hnnner onsterflijke ziel. Als z;j jong zijn, verschuiven zij den tijd, totdat zij man of vrouw zijn. En wie weet niet, wat tal van zorgen dan den mensch verstrikken? Wanneer zij in de kracht des levens zijn, stellen zij de vreeze Gods uit tot den ouden dag. En op dien leeftijd zeggen zij: ik heb geen kist in al deze dingen.
Kind des Heeren, wien Zijne vrees bekoort: verlustig u in den Heere te allen dage. Immers, de vaste verzekering geldt toch ook u door Gods genade: want zekerlijk, er is eene belooning; en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. De Heere Jezus komt en Zijn loon is met Hem. Uwe verwachting, die op den Heere gebouwd is, zal niet wankelen of bezwijken. Hij, Die rechtvaardig oordeelt, doet, naar hetgeen in het lichaam geschied is, hetzij goed, hetzij kwaad. De oogen des Heeren zijn aan alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. Hij zal u leiden door Zijn raad en daarna opnemen in Zijne heerlijkheid.
Pracht en schoonheid moog wat schijnen,
\'t Is aan d\' ijdelheid gelijk:
By \'t gebruik zal \'t al verdwijnen.
Goud en zilver is als slijk;
Niets, o Jezus! dan uw bloed,
Geeft voldoening aan \'t gemoed;
Wat wij lieven in dit leven,
Niets kan ons voldoening geven.
Gezang 43: 2.
Lezen: Ps. 73. — Matth. 1G: 24—27. — 1 Tim. 6: 6—21.
J. H. WENSINCK.
3 SEPTEMBER.
Jesaia 55: 7: De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Geachte lezer of lezeres, zijn de roepstemmen des Heeren, die tot ons komen, vele, bovenal is dit eene ernstige roepstemme Gods, waarmede Hij bij monde van zijnen dienstknecht Jesaia tot u komt op dezen rustdag, aan Zijn dienst gewijd en geheiligd. Dit woord van
363
364 3 SEPTEMBER.
Jesaia herinnert ons aan het schoone woord des Heilands totNico-demus: Indien iemand niet geboren wordt uit water en geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan.
Wedergeboorte door den H. Geest, vernieuwing des harten, die dan ook door het breken met de zonde en de werken der duisternis zal gevolgd worden, is noodig voor een iegelijk zondaar, die in Adam, zijn stam- en verbondshoofd gevallen, een kind van God, een erfgenaam des eeuwigen levens worden wil. Want, zoolang wij dat nieuwe leven uit God missen, zijn wij goddeloos, zonder God, zonder Christus en zonder hope voor de eeuwigheid. En, waar dan op dezen rustdag de dienstknechten des Heeren u bij vernieuwing zullen waarschuwen en vermanen, verhardt dan uwe harten niet, maar laat u leiden.
Gevoelt gij u in uzelven onbekwaam tot eenig geestelijk goed, en geneigd tot alle kwaad, zij het dan bovenal heden uwe bede: Heere. keer U tot ons met Uwe genade, zoo zullen wij ons tot U wenden, door ware boetvaardigheid. Heere, bekeer Gij ons door Uwen H. Geest, zoo zullen wij bekeerd zijn, open onze oogen, opdat wij onze diepe verdorvenheid mogen inzien en bij ons eene droefheid worde geboren, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt. Daarom, gij, die dit leest, neemt ter harte, wat op dezen dag door de getrouwe leeraren u weer zal gepredikt worden.
Medezondaren, die op reis zijt naar de eeuwigheid, verlaat uwe zondige wegen en wendt u naar den Heere toe, opdat Hij uwe schreden richte op Zijne wegen. Nog staat de weg naar het Vaderhuis voor ons open. Dien weg tot den Vader heeft Christus gebaand door Zijn bloed. Ook voor u is er nog genade bij God te verkrijgen in en door Jezus Christus Zijn Zoon. Hü wil zich ook over u ontfermen, want Hij vergeeft menigvuldiglijk en heeft nog nimmer tot den huizo Jakobs gezegd; Zoek My te vergeefs.
Welzalig hij, die al zyn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen:
Steekt hen de heete middagzon
In \'tmoerbeidal, Gij zijt hun bron
En stort op hen een milden regen.
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt en hun tot zegen strekt.
f
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort Elk hunner zal, in \'t zalig oord Van Sion. haast voor God verschijnen.
Let, Heer der legerscharen! let
4 SEPTEMBEE.
Op mijn ootmoedig smeekgebed;
Ai, laat my niet van druk verkwijnen;
Leen mij een toegenegen oor,
O, Jakobs God! geef mij gehoor.
Psalm 84: 3, 4. liezen; Jes. 55. — Ps. 103. — Joh. 3: 1—16.
W. VAN DER WAAL.
4 SEPTEMBER.
Efeze 5:2: En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en zich zeiven voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slachtoffer Gode, tot eenen welriekenden reuk.
Ons leven, het leven der meeste menschen, is eene aaneenschakeling van kleine bezigheden, vaak te midden van de groote schommelingen in de maatschappij.
Het is het beginsel des levens, dat die „kleine dingenquot; groot maakt.
Is ons beginsel, door genade, in de vreeze Gods; is er oprecht geloof door den H. Geest in onze ziele gewerkt, en uit dat geloof de liefde werkzaam als veerkracht, als drijfkracht des levens, dan wordt door de liefde de geringste bezigheid groot in \'t oog van dien God, Die de „bekertjes koud waterquot; en den deelnemenden handdruk en het bemoedigend woordeke in Zijn Naam gebracht, niet vergeet. — De weg naar den Hemel is de weg des geloofs, en daarom ook die der liefde; hij schittert soms heerlijk voor \'t oog, als \'t harte vervuld is met iets van Gods liefde.
„En wandelt in de liefdequot; is een noodig vermaan, opdat ons pad een lichtend pad zij voor Gods eere, en tot der menschen stichting. Juist dit doet de gerechtigheid van Gods volk meer zijn dan die der Farizeen.
De Geest, Die liefde uitstort, is tevens de Geest der ootmoedigheid en dit is noodig, omdat het pad der liefde, de heirbaan van Gods uitverkorenen, niet anders te bewandelen is dan met een nedrig hart. Mag de Geest, door Christus verworven, heerschappü hebben, dan gaat het vrijwillig en met vermaak.
Wandelen doet men voor zijn genot, al weet men ook, dat het bevorderlijk is voor den lichamelijken welstand; alzoo geeft wandelen
365
O SEPTEMBER.
in de liefde verlustiging en bevordert, naar \'s Heeren ordening, ziele-welstand.
De apostel wyst op het exempel, „gslijkerwüs Christus ook ons liefgehad heeft.quot; Christus heeft gewandeld in de liefde, zooals deze zich niet alleen wat opoffering getroost en moeite, zooals deze niet slechts vele goede dingen doet geven, maar zooals zij sichzelven geeft voor anderen, en dat nog wel vijanden en, indien God ons alzoo liefgehad heeft, zoo zijn wij ook schuldig elkander lief te hebben.
Wie is tot deze dingen bekwaam? Niemand. —
Wie geeft de genade des geloofs en der liefde? De Heere, om Zijns Naams wil.
Besluit: Dan zal ik moed vatten, of de Heere onze harten richte tot de liefde Gods.
Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten,
Ik, Heer! die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten;
\'k Doe uw geboon oprecht en welgezind.
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Psalm 119: 83.
hezen: Efeze 5. — Joh. 13. — Matth. 25.
D. M. BOONSTRA.
5 SEPTEMBER.
Galaten 3: 24: Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester tot Christus geweest, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd icorden.
Als men menig zoogenaamd Christen in deze dagen vraagt: zijt ge blij een Christen te wezen; acht gij u bevoorrecht, dat gij niet Jood of Mahomedaan of Heiden zijt? zal hij u verwonderd over die vraag aanzien, en, zoo hij oprecht wil zijn, u antwoorden; „daar „heb ik eigenlijk nooit over gedacht, maar nu ik er over denk, moet „ik verklaren, dat het me niets schelen kan, of ik al of niet Chris-„ten heet!quot; — Dat is: eene groote gunst onzes Gods miskennen. Maar wat zou dan het middel kunnen zijn tot anders worden en beter en om reeds in dit leven veel van Christus inwendig te mogen ontvangen, zoodat wij dit voorrecht van Gods gunst kwamen te waardeeren ? Paulus, komt daarop in de boven aangehaalde woorden; hij spreekt daarin
366
367
van de wet, als ware zü een persoon, en toont ons, vooral ook uit eigen ervaring, den weg aan, waardoor het geloof der Schriften ons ten zegen kan worden.
De wet noemt hij een tuchtmeester. En al dadelijk willen wij opmerken, dat hij bij „de wetquot; natuurlijk denkt aan die der Tien Geboden, maar ook aan die bewustheid Gods, die iecieren mensch is ingeschapen, om hem besef te geven van zijn plicht door het geweten. Maar zóó is de wet dan een onderrichter, opdat wij weten zouden, wat van ons wordt geöischt; een waarschuwer, om ons sf te manen van wat niet mag; een onderzoeker, opdat wy de gesteldheid van ons willen, denken en voelen zouden weten; een rechter, die ons om onze af-keerigheden veroordeelt, en eindelijk een tuchtmeester, die, gelijk een opperste onder de slaven zijnen medeslaven, die nalatig zyn, doet, als hij zijn langen geesel over hunne ruggen zwiept, ook geestelijk, inwendig ons zwiept over onze jammerlijke onvolmaaktheden en booze overtredingen.
Maar ziet, nu zijn er, die wel alzoo geslagen worden, maar toch geen pijn gevoelen, gelijk die ongehoorzamen onder de slaven, die vooraf hunne huid zoo goed als onkwetsbaar gemaakt hebben.
Er is een geestelijk chloroform, waardoor het geweten wordt verkracht en het gevoel verstompt! Doch houd ik mij van dat chloroform (en zij heet hardigheid des harten!) vrij; maak ik mij niet, of niet langer, er door onkwetsbaar voor de slagen des „tuchtmeesters,quot; dan voel ik tweëerlei: angst, benauwdheid en vreeze, schuld voor den heiligen God. Dit ten eerste, en ten andere gevoel ik behoefte aan verlossing en heb een begeerte met den heiligen God verzoend te worden. Verzoend: maar dat kan ik niet doen; dat kan geen medezondaar; dat kan de wet evenmin; maar dit doet zij, dat zij mij uit mijne diepzondige veste uitjaagt en voortjaagt, tot ik, naar de Schrift, Dien vinde, Immanuöl, Die voor onze schuld heeft voldaan. Zich onzer heeft aangenomen, en wie tot Hem komen, aanneemt en bevrijdt. Jezus Christus, onze Heiland en Heer, Hij kan dit doen, omdat Hij door Zijne ééne offerande tot in eeuwigheid heeft voldaan voor wie door Hem tot God gaan. Hij tuil het doen, als Die zondaars roept en brengt tot bekeering. En Hy doet het werkelijk, blijkens de geloofservaring van wie met David mogen zeggen: eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik, o God! Uw woord;quot; en met Hiskia „bij deze dingen is het leven van mijnen Geest.quot; Ja, Christus zal en kan en wil het nog doen, totdat de volkomenheid der gemeente zal zijn bereikt. Daarom Zijne noodiging „komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zyt,quot; en die andere by Jesaia „komt allen, gij dorstigen, koopt zonder geld en zonder prijs wyn en melk.quot;
6 SEPTEMBER.
Ja, heeft de ziel Christus gevonden, ze weet zich, door \'t geloof, in Christus gerechtvaardigd voor God, d. i. niet langer een kind des toorns, een verlorene, maar een uitverkorene, een voorwerp van Gods eeuwige liefde en daarom een getrokkene des Vaders ! Ze weet zich behouden, geliefd en bewaard ; wel vaak nog tot vallens toe bedreigd, maar van Gods wege gedragen door Zijne trouw, Tiijne omvankelbare trouw!
Maar, zou ze dan nu banddoos zijn, nadat zij behouden is geworden ? Wat zegt Paulus: doen wij dan de wet te niet door \'t geloof, — neen, maar wij bevestigen veeleer de wet. Tuchtmeester is zij, voor wie Christus ingelijfd werden, niet meer, maar een voorschrift tot goede werken, opdat wij daarin zullen wandelen en toenemen ! En de ge-loovigen hebben de wet lief, want ze maant hen dagelijks tot het openbaren van het nieuwe leven, waartoe Christus hen gebracht heeft. En dit is het nieuwe leven : den Heere met een Abba Vader in het hart en op de lippen aan te hangen, te vertrouwen en te dienen krachtens die liefde, die de Heilige Geest uit Christus in het hart gestort heeft. Och, ontsta er, en zij er geen vuriger begeerte in ons dan naar dat nieuwe leven, waartegen de pijlen des doods afstompen, omdat de groote Overwinnaar beide over zonde en dood daartegen het veilige en beveiligende schild is!
Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij wand\'len. Heer! in \'tlicht van \'tgodlijk aanschijn voort;
Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden.
Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in \'t lijden.
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen.
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
Psalm 89: 7.
Lezen: Jesaia 38. — Lucas 7: 36—50. — Galaten 3: 19—29.
W. J. H. BAART DE LA FAILLE.
6 SEPTEMBER.
Genesis 39: 23: De overste van het gevangenhuis zag gansch op geen ding, dat in zijne hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dal deed de HEEBE ivel gedijen.
„Ik ben mijn eigen meester, kan doen zooals ik wil.quot; — Neem aan, dat dit waar is; — maar \'tis een leugen. En tóch, wanneer gij voor
368
6 september. 369
heden in ijdelen waan dit leugenachtig beginsel in toepassing komt te brengen, o \'tzal u ook voor heden tot naamlooze ellende kunnen zyn. Hoe meer, zonder dadelijk toezicht ons wordt toevertrouwd, des te zwaarder de verantwoording; bij verzuim zyn wy te schuldiger. Ons te verontschuldigen met de redeneering: men had mij maar niet zooveel zonder opzicht moeten laten en aan my zeiven overlatec ; deze redeneering heeft geen waarde.
Hoe is het me; uw dagtaak voor heden? Gevoelc gij u, \'tzijjcng of oud, vrij wel uw eigen meester in doen of laten ? O, hoe beklaag ik u ! en tevens een aanklacht brengen wy in tegen ieder, die toezicht op u had moeten houden, maar het niet deed.
„Uw eigen meesterquot; \'tkan dan toch voor heden niet goed gaan met u. Slechts in één geval kan het gaan. t\' Is het geval, waarin Jozef mocht verkeeren volgens de mededeeling jjvan onzen dagtekst. Zie, die Jozef was in het gevangenhuis, eigen meester en toch in waarheid meester af; vrij en toch gebonden.
Gebonden aan dit ééne beginsel, van morgen tot middag; van middag tot avond: wat wil de Heer van my ? hoe zal Hy willen, dat ik hierin handel ?
Is dit nu reeds uw beginsel en niet om het weieens, maar juist heden in praktijk te brengen ?
Is God de Heere, de Vader van zijn Zoon Jezus Christus, mm;
reeds, en door de inwoning des Geestes uw leven Hem toegewijd? Durft gij reeds als een eenvoudig, oprecht christen belijden: Jezus Christus Heer te zijn; Heer in alles?
Och, laat dan maar de menschen omtrent u: zien op geen ding-, u schijnbaar aan u zeiven overlaten; genoeg, als gij ervaart: de Heere ziet op u en gij op Hem. In uw zien op den Heere ligt de regel voor doen of laten bij een kind van God, voor iederen dag. Maar ook in dat zien op Hem ontvangt gij een wenk van vaderlyke goedkeuring : Kind ! zoo is het goed ! \'t Zal heden wel goed met u gaan, door dik en dun, door hoog en laag.
Ja, \'tzal wel goed gaan, wees maar niet bang, al gaat het soms anders dan gy u voorsteldet, \'tzal toch goed gaan; mijn oog is op u ; \'t moet goed gaan. Eén ding doen van morgen tot avond : dicht, myn God, bij u! heden noch dichter dan gister. Alles is dan voor heden : voor eeuwig goed.
Leer mij naar uw wil te handlen,
\'k Zal dan in uw waarheid wandlen.
Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van uwen naam.
24
DAGBOEK.
370 7 SEPTEMBER.
Heer, mijn God! ik zal U loven,
Heffen \'t gansche hart naar boven :
\'k Zal uw naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid.
Psalm 86 : 6.
Lezen: Psalm 1. — Joh. 15 : 1—16. — Matth. 7; 13—27.
C. J. BRYCE.
7 SEPTEMBER.
Hosea 12; 7c; „Wacht geduriglijk op uwen God.quot;
Het is van groot belang den dagtekst van heden voor altijd te bewaren en te betrachten. Zalig toch is het wachten op onzen God, hoe moeilijk en verdrietig wachten anders ook kan zijn. Het is een uitzien naar den zegen der beloften, terwijl de ziel, als een andere Jacob, door het geloof zich vastklemt aan haar God, met de bede; „Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent.quot; Die gelooven haasten niet, maar wachten geduldig, Ujdzaam, onderworpen, volhardend, vertrouwend in de hoop; „Meer dan een vader zich ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vreezen.quot;
Wacht alzoo geduriglijk op uwen God! te allen tijde, in alle omstandigheden! Vertraag niet! Ga in iedere verdrukking tot uwen God. Pleit op Zijne beloften. Hoop op Zijne redding. Wacht op Hem onder lijden en smart; in verzoeking en beproeving; bü teleurstelling en tegenspoed; onder geklag en geween. Hoop op Hem, wanneer de booze aanvalt of de zonde te machtig schijnt. Laat in stil zijn en betrouwen, bij eene naarstige betrachting van hetgeen mogelijk is, uwe sterkte zijn. Wacht in gebeden, in dankzegging, in stille overpeinzing van het Woord, en in gehoorzaamheid aan de getuigenis des Heiligen Geestes! Zoodanig wachten heeft en geeft kracht om te verwachten en zij, die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen.
Hij verlaat en begeeft de Zijnen niet. Hij maakt Zijn woord waar. Hij is genadig, weldadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Bij Hem is geen verandering, noch schaduw van omkeering. Hij houdt trouwe tot in eeuwigheid. Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ? In den Zoon zijn Zyne beloften; Ja en Amen. Hij weet echter den juisten tijd en de beste wijze ter vervulling. Hjj ziet over de omstandigheden heen. Zijn doel is wjysheid
371
en liefde. Wachten wij dan op onzen God, gelijk wachters op den morgen; want zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Ik blijf den Heer verwachten;
Mijn zie] wacht ongestoord,
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen.
Wacht sterker op den Heer,
Dan wachters op den morgen;
Den morgen! Ach! Wanneer?
Psalm 130: 3.
Lezen: Luk. 12: 35—48. — Ps. 130. — Matth. 6: 22—34.
G. CAZEMIEH.
8 SEPTEMBER,
Mattheüs 5:3; Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het koninkrijk der hemelen.
De Zaligmaker van zondaren, Die een evangelie bracht, dat in geen menschenhart ooit was opgeklommen, vangt met de zaligsprekingen de bergrede aan.
Eeeds in dit eerste woord zien wij, dat de geest van het koninkrijk der hemelen lijnrecht tegenover dien der wereld staat.
Een arme is toch een mensch, die nauwelijks de noodzakelijkste levensbehoeften bekomen kan; ook wel iemand, die onder schulden gebukt gaai.
Een geestelijk arme mist ook, wat hij het meest van alles behoeft: licht op z^\'n pad, vrede voor zijn hart; en, wat kan hij een heilig en rechtvaardig God toonen, waarin hij geen schuldenaar is ?
Een geestelijk arme klaagt: Ik ken mijne ongerechtigheid en mijne zonde is steeds voor mij, en roept als de verloren zoon uit: „ik verga van honger.quot;
Als een Simeon kan hij niet sterven, indien hij den Verlosser niet omarmen kan, als een Nathanaël knielt hij onder zijn vijgeboom, uitziende naar den Zone Gods en den Koning Israels.
Hij is ons geteekend in dien hoofdman met zijne betuiging: Ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt ingaan, en in Simon Petrus met zijn: ,.Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch
372
Die geestelijke armoede blijft Gods kind het gansche leven bij, want daar blijft zooveel tegen hem getuigen, waardoor hy moet bidden: ga niet met my in het gericht.
Al prezen alle menschen hem als een toonbeeld van deugd en godzaligheid, hij heeft zich zeiven in een ander licht leeren kennen, en heeft geen anderen roem, dan: „door de genade Gods ben ik, die ik ben.quot;
Die stille nederige wandel, waarin men zich verblijdt, als men het goede mag zien, op den Heere hoopt en Zijn heil, en dagelijks bedenkt: „Hij moet wassen en ik minder worden,quot; is het kenmerk van den arme van geest.
Het is een vrucht van den Heiligen Geest, Die niet alleen van zonde overtuigt, maar door het geloof te werken geeft, dat Hij eene gestalte in ons verkrijgt, ;Die kon zeggen: „Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte.quot;
Jezus sprak die armen zalig. Moogt gij op die zaligheid hopen, omdat gij iets van de vrucht der genade, een stillen en zachtmoedi-gen geest in u zeiven ontdekt?
Wie is aan onzen God gelijk,
Die arruen opricht uit het slijk;
Nooddruftigen, van elk verstooten.
Goedgunstig opheft uit het stof En hen, verrijkt met eer en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgrooten?
Psalm 113: 4.
Lezen; Matth. 5: 1—12. — Matth. 11: 25—30. — Job 5: 16—27.
J. DOORNBOS.
9 SEPTEMBER.
Jes. 50: 10a: „ Wie is is onder ulieden, die den Heere vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort?quot;
Op zekeren dag gingen twee menschen uit een hof. Zij gingen hand aan hand, zij gingen met onvaste schreden, zij gingen een eenzamen weg. En die twee menschen hebben zich vermenigvuldigd tot duizenden en die duizenden tot millioenen, maar nog altoos komt \'t menschenkind met onvaste schreden en gaat \'t langs een eenzamen weg.
10 SEPTEMBER.
En moet dat nu zoo blijven?
Neen, want tegenover dat onvaste, eenzame menschenkind staat een God Die roept, een God Die zoekt.
Ge bemerkt \'taan ons tekstwoord. Is dat niet de taal van een roepend God, van een zoekenden Christus?
„Wie is er onder ulieden, die den Heere vreest?quot; Is dat niet de taal van een God, Die wel zeer hoog boven ons staat, maar Die ook tot ons afdaalt en neerdaalt, met vragen en toezeggingen, met eischen en beloften. Zich tot ons neerbuigt? Ons tekstwoord geeft ons zelfs aan, hoever God is gegaan in dat roepen en zoeken. Hii heeft het niet gelaten by een algemeen: „Adam, waar zijt gij.quot; Hij heeft Zich niet bepaald tot een verbond met Abraham, maar Hij zond zelfs Zijn Zoon en vraagt ons dan: „Wie is er, die naar de stem Mijns Knechten hoort?quot;
Gij klaagt: „God is zoo heilig, God staat zoo hoog, hoe zou ik tot Hein kunnen en durven naderen?quot; Welnu, hoor dan naar de stem Zijns Knechten, naar Hem, Jezus Christus, die beide verstaat: \'t harte Gods en \'t hart des menschen.
Heerlijke gedachte! Want zie, wat \'t kind aan vader niet durft zeggen, vertrouwt \'t moeder toe. En wat een mensch soms op \'t hart heeft tegenover z\\jn koning, waagt hij niet hem zeiven te zeggen, maar wel den hoveling. Zooveel te meer, wat gij, o zondig schepsel, zoo onvast in uwe schreden, zoo eenzaam van gang, behoeft, zeg \'t Hem, vertrouw \'t Hem toe, den Heilige Gods on Zijn Christus, en Hy zal uwe zaak rechten bü God.
Een vorst heet groot, wien alles dient,
Wien gansche volken vreezen;
Maar Jezus komt, om \'s menschen vriend.
En \'s Vaders knecht te wezen.
Lezen: Jesaja 50: 1—11. — Psalm 105: 1—10. — Romeinen 8: 31 enz.
373
J. H. GESELSCHAP. Wzn.
10 SEPTEMBER.
Psalm 84: 11: Want een dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.
Welk een sterk verlangen had de dichter van onzen Psalm naar
4 10 SEPTEMBER.
de voorhoven des Heeren ! Hij kan zelfs de musch en de zwaluw benijden, die in de nabijheid van het Godshuis nestelen mogen. En één dag in \'s Heeren voorhoven is hem beter, dan duizend elders.
Hij kende dus eene dringende behoefte, om op te gaan met de schare, naar het huis des Heeren, en daar te genieten de gemeenschap met zijn God.
Kennen ook wij die behoefte? Is er ook bij ons een levende begeerte, reeds midden in de week, bij al onze drukten en beslommeringen, naar den rustdag, om dan neer te zitten onder de prediking des Woords. en met de Gemeente ons te vereenigen in gebed en gezang, in de verheerlijking Gods? Kennen wij de behoefte aan de spijs, die daar ontvangen wordt, tot verkwikking en versterking van ons geestelijk leven, om bemoedigd en getroost onzen levensweg te kunnen bewandelen, onder alle lijden en strijd? Gelukkig zij, die althans iets van die behoefte en begeerte mochten leeren kennen, en voor wie misschien het opgaan naar het huis des Heeren het middel mocht worden, tot hunne ontdekking en bekeering; die daardoor, onder de prediking des Woords, geheiligd aan nunne ziele door dsn Heiligen Geest, in Jezus hun Heiland mochten vinden, hun Koning en Heer, Dien ze na wenschen groot te maken in hun leven, waartoe ze telkens ook weer versterking zoeken in het huis des ge-bebeds. O, dan stemmen zij van harte in, met dat „hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,quot; — zoo dikwijls het door de gemeente wordt aangeheven, en ook te voren, in hunne woningen, is het in hun hart, om het aan te heffen.
Geve de Heere ons heden, en zoo dikwijls wij mogen opgaan, den zegen der vertroosting in Christus, den zegen van het opwassen in Hem, die het Hoofd is, den zegen der gemeenschap met God, en dat steune en sterke ons, bij al onzen arbeid, en bij al onzen strijd, en bij al onze beproevingen, in het midden der week.
Zoo worde hier reeds iets gesmaakt en ervaren, bij oogenblikken althans, van de Sabatsrust, die er overblijft voor het volk van God, in het Vaderhuis, dat boven is.
Mocht het evenwel zijn, dat die behoefte door ons niet werd gekend, en onttrekken we ons daarom misschien gaarne aan onze onderlinge bijeenkomsten, och, blijven we ons niet onttrekken. „Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God.quot; Heden of morgen allicht, grijpt de Heere ons door dat woord in het hart, en wordt het ons tot eeuwige winst.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
O Heer! der legerscharen God!
Zijn my uw huis en tempelzangen!
11 SEPTEMBER.
Hoe branden mijn genegenheen,
Om \'s Heeren voorhof in te treen!
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen:
Mijn hart roept uit tot God. die leeft En aan mijn ziel het leven geeft.
O God! die ons ten schilde zijt En ons voor alle ramp bevrijdt,
Aanschouw toch uw gezalfden Koning !
Eén dag is in uw huis mij meer,
Dan duizend, waar ik U ontbeer;
\'k Waar\' liever in mijns Bondsgods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d\'ijdle vreugd in \'sboozen tent.
Psalm. 84: 1 en ö.
Lezen: Psalm 84. — Hebr. 10 : 19—25. — Psalm 92.
J. G. P. MULLER. Jr.
II SEPTEMBER.
Marcus 5: 36: En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: „ Vrees niet, geloof alleenlijk.quot;
Hoe teekent dit woord de majesteit en dierbaarheid van den Een-geborene des Vaders. Midden tusschen de kranken (beeld van alle volgende tyden) staat Hy hier als de Geneesheer. Hij is een bekwaam en een volkomen betrouwbaar, een machtig en een liefdevol, ja zelfs onfeilbaar Geneesheer.
Ontving Hij niet Zijn lastbrief van den Vader? Prijst Hem niet aldus de onafzienbare ry der doodelijk kranken, die Hij voor goed genas en, ook al zwegen zij allen, zou dit woord \'tniet zeggen, duidelijk genoeg?
Neen, Jairus ziet zich niet in dezen Machtige bedrogen. Hij is oogenblikkelyk gereed met hem te gaan en daar nu oponthoud komt en den daardoor zoo zwaar beproefden vader geboodschapt wordt, dat \'tnu reeds te laat is, — dan hoort Hij iersiowd dat woord en weet, wat \'tin dat Jairus\' hart uitwerken zal en voorkomt het door Zijn vriendelijk: „Vrees niet, geloofalleenlyk.quot;
Aanbiddelijke Heiland! Hoevelen genas en redde Hü en van die velen niet één, die zonder Hem ooit geholpen ware geweest,
375
11 SEPTEMBER.
niet één, die, ofschoon doodelijk krank, Zijn hulpe waardig was. Met één, die oorspronkelijk naar Hem wilde hooren, zij allen meenden in \'teerst, dat \'tbest buiten hem kon. Niet één, die genezen ware geworden, als Hü zich had laten afwijzen. Maar, dat wilde Hü niet. Hij wist \'tbeter dan zij, hoe onherroepelijk verloren zij waren zonder Hem en zoo hield Hy aan en zocht ze altijd weer op, tot ze zich volkomen verloren zagen en gaven, en naar Hem vraagden. En als ze dit deden, heeft Hij dat woord altijd herhaald; „Vrees niet, geloof alleeniyk.quot; „Vrees niet,quot; al schijnt zelfs alles verloren. Geloof alleenlijk. Geef \'tMij over en vertrouw \'tMij toe. Verlaat u op My en Ik zal \'tmaken. Hij zeide niet: span uw eigen krachten in, verhef en veredel uzelven, help uzelven, althans voor een deel. Hy zeide en zegt; Laat \'tgeheel en alleen voor Mijn rekening: „alleenlijk: geloof.quot; En nooit kwam iemand met dien raad bedrogen uit, hoe wonderlijk en onmogelijk deze weg om geholpen te worden ook bij den aanvang scheen. Jairus en duizenden met hem hebben \'t ervaren.
Hij is niet alleen een aanbiddelijke Heiland, maar Hij heeft ook een aanbiddenswaardige geneeswijze, en nog staat Hij daar, eeuwig dezelfde, midden in een wereld vol zonde en schuld en ellende des levens en vreeze des doods.
Mochten slechts immer meer Jairus\' harten met al hun vreeze en smart uitgaan tot Hem. En, zoo we Hem vonden, mochten wij tegenover iedere schuld, in allen nood, op geheel den geloofsweg en dus ook aan den morgen van iederen nieuwen dag Zijn handdruk op onzen schouder voelen on Zyn stem hooren, die nog even hartelijk al den Zijnen dat woord herhaalt: „Vreest niet, gelooft alleenlijk.quot;
Nooit kan \'t geloof te veel verwachten,
Des Heilands woorden zijn gewis;
\'t Faalt aardschen vrienden vaak aan krachten.
Maar nooit een\' vriend als Jezus is:
quot;Wat zou ooit Zijne macht beperken?
\'t Heelal staat onder Zijn gebied,
Wat Zyne liefde wil bewerken.
Ontzegt Hem Zijn vermogen niet.
Gezang 189: 4.
Lezen: Luc. 9: 41—56. — Jes. 43: 1—11. — Num. 21: 1—10.
H. VAN EYCK VAN HESLINGA
376
12 SEPTEMBEE. 377
12 SEPTEMBER.
Mattheüs 11: 28c: Ik zal u ruste geven.
Welk een strijd en wat een onrust is er in de wereld! Overal moeiten, zorgen, bezwaren en bekommernissen, droefenis, over wat achterligt vaak en vreeze, bij wat te wachten staat.
Waarlijk, de toorn Gods wordt wel van den hemel geopenbaard over de zonden der menschenkinderen. Want, was er geen zonde, het zou zoo niet zyn. Dan zou het hier een vredeland zijn, maar nu is het een land vol van strijd.
Maar, daarom is het zulk eene goede gave Gods, dat Hij ons een wekelükschen rustdag schenkt. Want op dien dag wil Hij ons toeroepen: „Rust een weinig, want de weg zou u teveel zijn.quot; Op dien dag wil Hy ons sterken, opdat we zouden kunnen voortgaan op de loopbaan, die ons is voorgesteld. En op dien dag wil Hy ons heenwijzen naar den eeuwigen Sabbatdag, naar de eeuwige rust.
Wellicht hebt ge een diepen weg achter u. Wellicht bracht de afgeloopen week u teleurstelling en smart. Wellicht ziet ge donkere wolken over uw levenspad hangen en vraagt ge u af: wat zal het nu weer zijn? En, klinkt het u dan niet als een woord van hemelsche vertroosting in de ooren, wat Jezus heeft beloofd; Ik zal u ruste geven?
Maar aan wie geeft Hü die? Aan alle onrustigen? Ook, aan wie van Hem niet willen weten?
Neen, aan vermoeiden in den stryd, om Gode welbehagelyk te zijn; aan beladenen met hunne zonden, die met den tollenaar uitroepen: o God, wees mij, zondaar, genadig! Aan zulken, die klagen vanwege hun schuld voor God. En die roept Hij allen tot zich en hun belooft Hij ruste te zullen geven. En die belofte zal Hij vervullen. Eens volkomen. Want, als Gods kind zyn moegestreden arm krachteloos eens voelt nederzakken en het matte hoofd wordt op de stervens-peluw neergelegd, dan wordt het woord bevestigd: ,,Er blijft dan eene ruste over voor het volk van God.quot; Daar in het Vaderhuis is de strijd gestreden en de laatste traan wordt daar gedroogd; daar rusten ze aan het Vaderhart. Zy deze rustdag ons eene profetie van die eeuwige rust, die Jezus heeft beloofd en geven zal.
Zelfs vindt de musch een huis, o Heer!
De zwaluw legt haar jongskens neer In \'t kunstig nest, bij uw altaren.
Bij U, myu Koning en myn God,
v8
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot;
Geduchte Heer der legerscharen!
Welzalig hij, die bij U woont,
Gestaag u prijst en eerbied toont.
Psalm 84: 2.
Lezen\': Matth. 11 : 20—30. — Job 14: 1—13. — Hebr. 4: 1—9.
B. J. VAN HEINYNGEN.
13 SEPTEMBER.
Johannes 3: 36: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Hebt gij dat wel gehoord, gij, die niet gelooft, gij, die nog leeft in deze wereld, gij, die u niet bekommert, hoe het met u voor de eeuwigheid zal zijn? Hebt gij dat wel gehoord, gij, die nog nooit hebt gebeden, gij, die nog nimmer voor Jezus u boogt? Hebt gij dat wel gehoord: die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods biyft op hem?
Kunt gij dien toorn dragen, missen dat leven ? O, gy meent nu van wel, nu op dezen oogenblik, nu, terwijl gij gezond zyt en sterk, maar gij zijt van uw leven niet zeker, en op de stervenssponde krijgt alles voor den mensch zulk een gansch ander gezicht. En zult ge nu maar roekeloos verder gaan, lichtzinnig spelen met het kostelijkste, dat de zondaar kan ontvangen? O mensch, wat doet gij, wat zal het u alzoo vreeseiyk zijn in den dag des gerichts!
Maar moogt gij daarentegen zeggen, tot roem van Gods genade, dat gij gelooft in den Zoon, welnu, gij bezit het beste deel, dat gij kondet verkrijgen, gij bezit dan Jezus, en in Jezus het eeuwige leven.
Of, wat voorrecht is met dit te vergelijken? Dat het dan ook maar bij toeneming worde uw innigste behoefte om van den Heere te worden geleerd, om Hem alleen te dienen, om Hem te volgen, waar Hij ook gaat. En waar het dan nog dikwerf geschiedt, dat de zonde u overmeestert, dat de zonde een scheiding maakt tusschen u en den Beminde uwer ziel, daar mag u dat met recht doen zjjn bedroefd, maar ontmoedigen moet het u nooit, want Hij, die u leerde strijden, heeft aan het einde u vaa de overwinning verzekerd, ja, reeds zijt gij meer dan overwinnaar in Hem, die u heeft lief gehad. Vrees dan ook niet, als de laatste vijand staat aan de poorten, want op denzelfden
379
oogenblik, dat de engel des doods u afmaait met zijnen zilveren sikkel, klimt uwe ziele, vrijgemaakt van het lichaam der zonde, op tot God, om daar in volle en algeheele mate te genieten de belofte, door God zei ven aan u gedaan: die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.
Welzalig zij, die, naar zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer!
Welzalig zy, die vast op Hem betrouwen!
Psalm 2: 7.
Lezen: Job. 3: 1—18. — Joh. 3: 22—36. — Psalm 2.
H. A. HEIJER.
14 SEPTEMBER.
Pilippensen 3; 21; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam.
In deze wereld des doods heeft God de belofte des eeuwigen levens gegeven. Christus is gekomen om den dood te niet te doen, niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk. Daarom is het ook de éénige troost des christens, dat hij niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam voor rekening van Jezus staat.
Wij moeten sterven, maar Christus zal wederkomen om ons vernederd lichaam te veranderen, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam. Ons lichaam is vernederd door de zonde; de christen ondervindt het gedurig, waar de geest wel gewillig, maar het vleesch zwak is. Het lichaam is zoo dikwerf een struikelblok in het dienen van den Heere. Het lichaam moet daarbij eenmaal de diepe vernedering van den dood ondergaan. Maar Christus kwam in ons vleesch, nam ons vernederd lichaam aan, legde het af bij den dood en nam in de opstanding een nieuw, een „heerlijk lichaamquot; aan.
Naar dat lichaam, waarin de heerlijkheid van Christus straalt, zal ons lichaam veranderd worden. Want „wij zullen Hern gelijk wezen.quot; Wij wonen hier in het [hchaam onzer vernedering en moeten die vernedering dragen alle onze dagen, maar Christus komt weder en zal ons lichaam aan zyn verheerlijkt lichaam gelijk maken. De lichamen der heiligen zullen, gelijk het lichaam van Christus, volmaakt zijn; zonder gebrek of zwakheid. Alle geloovigen zullen deze wonder
14 SEPTEMBER.
volle verandering in een oogenblik oudergaan, „want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.quot;
Heerlijke toekomst voor de kinderen Gods! De opstanding van Christus heeft ons wedergeboren tot eene levende hoop en voor ons den dood verslonden tot overwinning. „Want indien wij gelooven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.quot; Leggen wij dan onze geliefde dooden neder in de groeve, met de vertroostende zekerheid, dat het vernederde lichaam geUikvormig zal zijn aan Jezus\' heerlijk lichaam.
Neemt dan uw pelgrimsstaf op, reist voort langs den weg, dien God u leiden zal, met den psalmtoon in \'t hart: „Maar, blij vooruitzicht dat mij streelt, ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen; U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw godlijk beeld!quot;
Op uw stem, staat op gü dooden!
Staat de dood zijn zeeg\' U af;
Op uw stem, staat op gij dooden!
Rijst het leven uit het graf:
Leven, leven, eeuwig le^en,
Zal uw liefde mij dan geven,
En geen zonde, smart of pijn,
Zal in eeuwigheid meer zijn.
Och! versterk in mij die hope,
Opdat ik, met nieuwe kracht,
Juichend mijne loopbaan loope,
Aan wier eind de kroon mij wacht:
Met het oog op U geslagen.
Kan geen last mijn\' loop vertragen;
Wat is \'t leed, dat hier ons beidt.
Bij de vreugd der eeuwigheid?
Gezang 191 ; 4-, 6 Pilip. 3: 7—21. — 1 Oor. 15: 20—58. — Job 19.
J. G. KLOMP.
380
15 SEPTEMBER.
15 SEPTEMBER
Jesaia 2; 11: De hooge oogen der menschen zullen vernederd ivorden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen loorden, en de Heere alleen zal in dien dag verheven zijn.
God de Heere alleen is groot, verheven boven alles, wat groot genoemd wordt onder de kinderen der menschen, boven de zichtbare, boven de onzichtbare dingen. Zijn „de volken geacht, als een druppel van een emmer,quot; hoe onderwindt zich dan een „wiens adem in zijnen neus isquot; zich tegenover den Heere te verheffen. Die hem immers door een wenk tot verbrijzeling doet wederkeeren.
Zoo denkt, zoo spreekt nochtans de zondaar in zijn diepen val, hoogmoedig, iets willende zijn tegenover God; zoo verheft zich het trotsche hart des menschen, steunende op zichzulven, op eigen kracht, op gaven, op vergankelijk bezit, in hoogheid de oogen verheffend, vergetend, dat hy niets heeft dan wat hij heeft ontvangen. Maar eens, eens komt de dag, dat die hooge oogen der menschen worden vernederd, dat de hoogheid der mannen wordt nedergebogen, de groote dag, reeds geprofeteerd door de oordeelen üods, toen de hand desHeeren volkeren deed beven, Babels torenbouw, bedoelende zich een naam te maken, den God des hemels ten trots, verstoorde, toen Zijn machtige arm een Farao ten val deed komen, een Nebucadnezar tot de erkenning bracht van Zijne heerschappij, een Sanherib toonde, dat de Heilige Isrels zich niet laat bespotten.
Ja, de dag des Heeren der heirscharen komt. Dan wordt ten volle openbaar, dat de Heere alleen verheven, alleen groot is, en worden beschaamd allen, die in zelfbedrog niet hebben gerekend met Hem, hebben gewandeld naar het goeddunken van hun zondig harte, die, geen lust hebbende aan de kennis Zijner wegen, Hem, Wien alle eere toekomt, de eere niet hebben gegeven. Verbleeken zal alsdan alle aardsche glans en roem en hoogheid voor de Majesteit van Dien, Die zich met het licht als met een kleed bedekt; rechtvaardig zullen Zijne oordeelen zijn, vreeselijk zal het dien hoogmoedigen wezen, te vallen in de handen van Hem, Die Zijn eere aan geen ander wil geven: ja, de Heere God alleen zal in dien dag verheven zijn!
Wat zal die dag ons baren? Beproeven wij, onderzoeken wij ons-zelven. Wel hem, die in het heden der genade met dien God te doen kreeg; die niets is geworden voor Hem, tegen Wiens Almacht hij zich dwaselijk verzette; die bij het licht des Heiligen Geestes zichzelven leerde kennen, „de hooge oogenquot; mocht nederslaan, staande van verre.
381
382 16 SEPTEMBER.
met het, „o G-od, wees mij zondaar genadig!quot; der ontdekte ziele. In dezulken wordt de hoogheid ternedergeworpen, daar de roem in het schepsel uitgesloten, een bukken voor Gods macht, een billijken van Gods recht, daar de eigengerechtige zichzelven verliest. Maar Hij, Die hen vernederde, zal hen verheffen; den nederigen toch geeft Hij genade, genade in Hem, den Heere Jezus Christus, hun tot volkomen verlossing geschonken.
Breke dan de dag des Heeren der heirscharen aan, de dag, waarin in volkomenheid Zijns het rijk. Zijns de eere en de roem zal wezen. Ziet, ten volle zullen zij verhoogd worden door Zijne gerechtigheid en in vreugde zich verblijden. Hem kennende, prijzende en verheerlijkende eeuwiglijk en altoos. Die alleen God, Die alleen groot en verheven is.
Gij, koninkrijken! zingt Gods lof!
Heft psalmen op naar \'t hemelhof,
Vanouds zijn troon en woning;
Waar Hij, bekleed met eer en macht.
Zijn sterke stem verheft met kracht,
En heerschi als Sions Koning!
Geeft sterkt aan onzen God en Heer!
Hij heeft in Israël zijn eer En hoogheid willen toonen.
Erkent dien God; Hij is geducht;
Hij doet zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen!
Psalm 68: 16.
Lezen: Psalm 115. — Jesaja 2. — 2 Petr. 3.
Dr. E. J. W. POSTHUMUS MEY.TES.
16 SEPTEMBER.
Richteren 6\' 37a: Zie., ik zal een wollen vlies op den vloer leggen: indien er dauw op het vlies alleen zal zijn en droogte op de gansche aarde, zoo zal ik weten, dat Gij Israël door mijne hand zult verlossen.
Welk een heerlijke teerheid des gomoeds merken wij op bij dien Gideon, den kleinste in zijns vaders huis, uit den armsten stam in Manasse.
16 SEPTEMBER.
Dat kon Gideon niet gelooven, dat hij nog eenmaal zóó groot zoude wezen, als die andere kloeke helden, die Israël hadden verlost in vroeger dagen en tegen wier statige figuren hij vol eerbied op-blikte.
Zie hem daar staan, den zoon van Joas, met een stok beukende de kleine hoeveelheid tarwe in den kelder van het huis zijns vaders.
Hy zal de tarwe verbergen voor de stroopende Midianieten, die daar als sprinkhanen, in talloos heir, komen rooven; niets overig latende, geen leeftocht en geen klein vee, geen os en geen ezel!
Maar de Heere heeft hem geroepen: „Gij strijdbare held! Ga henen in deze uwe kracht; heb Ik u niet gezonden?quot;
En Gideon gehoorzaamt. Stillekens, in den nacht, breekt hy het altaar van Baal af, velt den haag rondom het altaar, brengt Jehova een offer en wijdt het land tot een eigendom des Heeren. Ja, hij blaast de bazuin in het land. Op! ten kamp tegen de Midianieten ! Op, Abiez-rieten, op, Manasse, Aser, Zebulon, Naphtali, ten strijde!
Maar in de stille eenzaamheid beeft de hand van den held. Hij had zich moedig gehouden tegenover de mannen; maar voor God staat hij als een bevend riet. Zal hij kunnen? Zal hij volbrengen? Hij, de zwakke, de machtelooze? En in die angstige ure vraagt hü van den Heere een teeken.
O, zegge niemand, dat zulks God verzoeken was. Voor de wereld kan het kind van God soms, o zoo kloek zijn, maar in de eenzaamheid komt de twijfel. Dan sidderen wij om eigen onwaardigheid en knielen neer om bij Hem schuil te gaan.
Toen Gideon de bazuin aan den mond zette om, staande op de toppen der bergen, zijne landslieden op te roepen ten strijde, was er niets dan kloeke energie in houding en fierheid in blik. Maar dat was de Gideon van de binnenkamer niet. In de binnenkamer zocht zijn zwak geloof sterkte en daar ontving hy van den Heere, wat h;j zocht.
Daar kwamen de aanvechtingen, maar ook daar vond de aange-vochte verhooring zijner gebeden.
De Heere laat geen bidder staan. Hij zal om Christus wille hoo-ren het gebed van zyn kind, dat in de eenzaamheid klaagt over zwak geloof en twijfel. Hij zal waterstroomen gieten op het dorre; kracht zal komen en moed zal rijzen en in Zijne kracht mag dan het kind Gods vroolijk voorttreden, om den strijd aan te binden tegen alle Midianieten, die den vrede der ziele rooven.
Ja, Amen! Vader, ja!
Gij slaat ons smeeken ga\',
O ij zult ons niet- beschamen:
383
384 17 SEPTEMBER.
Het woord van uw gena\'
Blijft, Vader ! eeuwig ja,
In Christus, ja en Amen.
Gezang 87: 1.
Lezen : Jacobus 1: 1—12. — Psalm 138.^— Richteren 6: 33—40.
D. G. POSTMA.
17 SEPTEMBER.
Psalm 34; 19: De Heere is nabij de gebrokenen van harte en Rij behoudt de verslagenen van geest.
Zoo is dan weer een heerlijke rustdag aangebroken.
Alom staan de bedehuizen open. o! Mochten velen een zegen wegdragen van de prediking des woords. Zij het evangeliegeklank menigeen ter verbreking des harten en allen gebrokenen van hart en ver-fclagenen van geest eene olie, zacht voor hunne wonden!
Wie nu zijn die gebrokenen van hart en verslagenen van geest?
Onder gebrokenheid van hart en verslagenheid van geest verstaan wij een toestand van zieleleed, veroorzaakt door de rechte kennis van onze zonde, van hare grootheid en van haren aard, van de bron, waaruit zij voortvloeit en van de straf, welke zij met zich brengt.
Tegenovergesteld aan zulk een hart is een „steenen hart.quot; Alzoo heet ons hart, zoolang wij nog in onzen ongelukkigen natuurstaat ons bevinden, nog on wedergeboren zijn. Wordt ons hart verbroken en onze geest verbrijzeld door den Heiligen Geest, dan leeren wij ons kennen als zondaar; verdorven, schuldig, ellendig zijn wij dan in eigen oog. De taal des dichters is dan de onze: „Mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zwaren last zijn zij mij te zwaar geworden,quot; en wij roepen: „Zoo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan?quot;
In dien toestand is het ons bange. Wij gevoelen ons geestelijk krank. Van onze krankheid moeten wij genezen worden. En wie kan genezen? Christus Jezus. Op Hem valt ons oog. Tot Hem vluchten wy. In Hem zien wij den eenigen, onmisbaren, algenoegzamen, bereid-willigen Zaligmaker.
Is die toestand nu benauwend, toch is hij een gelukkige. Hij is voor onze schreiende, naar God dorstende zielen de aanlichtende morgen van den nieuwen levensdag. De tranen, welke wij dan schreien,
18 SEPTEMBEB.
zijn zalige tranen, wijl zij geschreid worden in het gezicht van Golgotha\'s kruis.
Immers, nog altijd staat het teeken des kruises daar, den gebro-kenen van hart en verslagenen van geest, den vermoeiden en belade-nen tot een palmtak des vredes, tot een waren vrijheidsboom in Hem, Wiens handen en voeten er aan genageld waren en Wiens stervende lippen er het woord van eeuwige victorie lieten hooren: „Het is volbracht!quot;
En wat meenen zij nu, wier hart verbroken en geest verslagen is?
Niet zelden, dat God verre van hen is.
Daarin vergissen zij zich evenwel. De Heere is nabij, met en in hen, zij zullen niet verloren gaan. De Heere behoudt hen. Hij geleidt hen door dit leven naar het Jeruzalem, dat boven is.
Gods offers zyn een gansch verbroken geest.
Door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan uw heilig oog behagen,
\'tls nooit, o God! van U veracht geweest.
Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val Uw goedheid niet van zijne burgren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit ziju muur en wal Door uwe straf voor \'s vijands macht bezwijken.
Psalm 51: 9.
Lezen: Ps. 51. — Jes. 61. — Ps. 147: 1—11.
J. C. KLOMP.
18 SEPTEMBER.
Mattheüs 5:4: Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Wat al reden tot treuren bestaat er niet voor de kinderen der menschen in dit aardsche leven. Geen wonder! Waar de mensch van God is afgeweken, daar is droefheid zijn deel, omdat alleen in Gods gemeenschap geluk is, vrede en zaligheid. Gij kent ze, de oorzaken en de omstandigheden, waarom u de tranen uit de oogen vloeiden. Nu eens was het achteruitgang, die u griefde, dan weer teleurstelling, die u bedroefde en eindelijk geleden verliezen, die u zeer deden.
O zoo zeer! En bij al deze gelegenheden was uw hart bedroefd; en deze aandoening was zeer natuurlijk, want welk mensch zoude den invloed van de wederwaardigheden dezer wereld niet gevoelen?
DAGBOEK. 25
385
386 SEPTEMBEE.
Hier worden de treurenden zalig gesproken door Jezus\' mond. Maar de bovengenoemden zijn het niet, welke de Heiland in Zijne zaligspreking aanwijst. Christus Jezus heeft diegenen op het oog, die treuren over zichzelven, over hunne zonden en ongerechtigheden. — En, zoo waar het is, dat er oorzaak tot droefheid is, telkens opnieuw in het leven, zoo waar is het zeker, dat de voornaamste reden tot smart, die over de zonden zijn moet. Zoo gij door den Heiligen Geest dit treuren kent, zult gü vertroost worden en eenmaal zijn, waar God alle tranen van de oogen heeft afgewischt. —
Dat is een heerlijke toekomst! Geen zonde, maar ook geene droefheid meer. — Zoude zij uw deel zijn? Gewis, zoo gij in oprechtheid des harten hebt getreurd over uwe zonden. Hiertoe brenge u de Almachtige God en Vader van onzen Heer Jezus Christus op uw ootmoedig gebed.
Vest in bang\' en droeve dagen Al uw hoop op Hem alleen,
Schroom niet Hem om hulp te vragen:
Vest in bang\' en droeve dagen Al uw hoop op Hem alleen.
Hij kan helpen, Hij alleen.
Ja, in duizend bange stonden
Heeft Hij steeds getroost, gered,
Eeuwig wordt Hij trouw bevonden:
Ja, in duizend bange stonden
Heeft Hij steeds getroost, gered,
Op het kinderlijk gebed.
Gezang 28: 3, 5.
Leaen: Luk. 6: 20—49. — Klaagl. 3: 31—42. — Ps. 146,
M. A, VAN RHIJN.
19 SEPTEMBER.
Psalm 139; 23, 24: Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten.
En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg. —
Hebt gü er wel eens aan gedacht, deze bede tot de uwe te maken? Maar misschien klinkt deze vraag beleedigend. Het is toch zulk een bekende bede, dat het bijna niet anders kan, of de gedachte daaraan moet te eenigen tijd opgekomen zijn.
Welnu, vragen wij dan liever: — is deze bede ook de uwe ? Zijt gij
19 SEPTEMBER,
van hare voortdurende noodzakelijkheid overtuigd ? Zoo niet, dan is het ongetwijfeld hoog tijd, dat zij aan alle andere gebeden voorafgaat. Want het bewijst, dat gij uzelf meent te kennen; dat gij in dit opzicht althans nog de beschouwing der Heidensche oudheid deelt, dat het voor den mensch mogelijk is, zichzelf te kennen en dat hü alzoo aan den overigens rechtmatigen en van een hooge levensopvatting getuigenden eisch; „ken u zelf,quot; kan voldoen. God leert het door Zijn Woord anders, en doet hierin wel onze diepste vernedering uitkomen, dat Hij ons het vermogen ontzegt onszelf te kennen. Want, waartoe zou anders de bede dienen, dat God ons doorgronde, ons hartkenne, ons beproeve, én onze gedachten onderzoeke? Neen, zij is welheton-dubbelzinnig getuigenis, dat wy evenmin in staat zijn zonder goddelijke tusschenkomst onszelf in den diepsten grond van ons leven te kennen, als dit voor ons bü anderen mogelijk is. Ware het slechts genoeg te weten, dat er een weg des levens en een ten doode is, zoodat wij nist bewustheid in alles den een of anderen gingen; maar het hart is arglistig en bedriegelijk, meer dan eenig ding.
Door den leugen is er niet alleen strijd in de buitenwereld, maar eveneens binnen in het hart; en alleen de genade Gods in Jezus Christus, ook als de waarheid geopenbaard, kan aan den schijn, zoowel inwendig als uitwendig ontrukken.
God de Heere, Die harten en nieren proeft, rechtvaardig oordeelt en niet liegen kan, moet door Zijnen Geest overtuigen van den schadelijken weg, waarop wü ^\'n, of ons verzekeren van Zijne leiding op den eeuwigen weg.
In de bede zelf, in oprechtheid voor Gods troon opgezonden, ligt eerst de rust voor het hart. Want, dan is bij de bange onzekerheid aangeklopt bij Hera, Die alleen zekerheid geven kan. Ja, meer nog, Die bovendien in veiligheid leiden wil. Die met geen ander doel den mensch aan zichzelf leert twijfelen, dan opdat hij op Hem zou vertrouwen, Die geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve.
Doorgrond m\'en ken myn hart, o Heer!
Is \'tgeen ik denk niet tot uw eer?
Beproef m\' en zie, of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed\';
En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden.
Psalm 139: 14.
Lezen : Psalm 139. — Eom. 1. — Jer. 17: 5—10.
Mr. .f. SCHOKKING.
387
388
20 SEPTEMBER.
Hosea 14: 6: Ik zal Israël zijn als de dauw, hij zal bloeien als de lelie.
Luther zegt ergens, dat er beloften zijn. in het Woord des Heeren, zoo schoon en zoo heerlijk, dat zij waardig zijn, op de knieën van Rome naar Wittenberg te worden gehaald. Dit woord is een van die beloften, die ons doen aanhefien: ik ben wel ellendig en nooddruft;g, nochtans denkt de Heere aan Mij.
Israël was als eene overspelige vrouw. Het had zijnen God verlaten en zich gebogen voor andere goden. Het volk, door den Heere opgezocht, uitverkoren, begunstigd, beweldadigd, en menigmalen, na zwaren val, begenadigd, was trouweloos geworden. Hoewel het ernstig was gewaarschuwd door den mond der profeten, had het niet gehoord naar de ernstige roepstemmen. Van alle kanten komen dreigende wolken, die het naderend oordeel aankondigen.
Samaria zal verwoest worden. De inwoners zullen door het zwaard vallen. Te midden van zoovelen, die niet luisterden naar de vermaningen van den profeet, die weigerden te zeggen: „Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zoo zullen wij betalen de varren onzer lippenquot;, zijn er ook anderen, die hunne knieën voor de Baals niet buigen, die wel in deze wereld zijn, maar niet van deze wereld. Zij pleiten op de woorden: „Immers zal een wees bij u ontfermd wordenquot;. Zij hooren van Hem, die de afkeering geneest, die vrijwillig liefheeft, omdat de toorn is gekeerd, de toorn Gods tegen de zonde is gedragen, deze verzekering: Ik zal Israël zijn als de dauw. Al valt geen regen neder, die alles verkwikt. Ik zal zijn als de dauw. Elders lezen wy van een dauw, die aan den wortel raakt, die dus in het leven behoudt, doet groeien en bloeien, al zijn ook de zonnestralen fel en brandende.
Hij zal bloeien als de lelie. De Heere Christus heeft ons gewezen op de heerlijkheid der leliën. Hare heerlijkheid is grooter dan die van Salomo, en dat niettegenstaande zij niet arbeiden en niet spinnen.
Zoo is het ook met hen, die waarlijk gelooven, zy arbeiden niet en spinnen niet, zij hopen volkomenlijk op de genade, die er is in Christus Jezus. Zij ondervinden in tegenheid en voorspoed, in alle omstandigheden des levens de bedauwing des H. Geestes, omdat zij zijn de voorwerpen Zijner eeuwige liefde.
21 SEPTEMBER.
O, wonderbare gunstbetooning!
O, licht, dat zich van \'t kruis verspreidt!
Hier schittert Gods gerechtigheid,
Hier straalt genadige verschooning.
Gezang 125- üo. Lezen: Hos 14. — Luk. 12: 16—30. — Hoogl. 2: 1—7.
P. BOKMA.
21 SEPTEMBER.
Spreuken 23: 26a: Mijn zoon, geef mij uw hart.
Wie gevoelt niet, hoe ernstig, liefderijk en getrouw deze roepstem Gods is. Dat hooren wij reeds in mijn zoon, dat wijst op een hart dat vaderlijk klopt; dat zien wü in geef, dat getuigt, niet van gebiedend eischen, maar vriendeiyk vragen; dat gevoelen wjj in mijn zoon, geef mij uw harte, dat niet den indruk maakt van den strengen tuchtmeester, maar van den harteiyken raadgever.
Waarlyk, zoo de hooge God aldus spreekt tot den nietigen mensch, past dezen slechts een geopend oor, een ontvankelijk hart, een bereidwillig gemoed, dat opmerkzaam luistert en gaarne gehoor geeft, ook, waar Hij niet weinig vraagt, maar onnoemelijk veel.
Immers dit is zoo. Want het hart is zoozeer het middelpunt en de ziel van het menschelijk wezen, dat het niets minder aanduidt en omvat dan den geheelen mensch; en dat te geven en wel aan God, het sluit niets minder in dan zichzelf Gode te wijden, met die geheele overgave, die het kenmerk draagt, dat God te allen tijde voor oogen staat en Hij alleen voor ons alles is.
Zullen wij zeggen, „het kan Hem, die zoo liefderijk spreekt, niet zoo ernstig gemeend, althans niet zoo streng door Hem bedoeld zijn ?quot; Maar neen, want wij bedenken, dat Hem, die zoo vraagt, alles ten eigendom is, en allermeest dat harte, dat Hü schiep, schiep voor Zich, schiep, opdat het Hem zou toebehooren en, dat geheel of gedeeltelijk te laten varen, het zou niets minder zü\'n, dan afstaan een schepsel, dat geheel Hem verheerlijken moet, niet minder, dan prys geven aan de diepste ellende den mensch, die onmogelijk buiten God kan gelukkig zijn.
Zullen wij dan aan die roepstem gehoor weigeren, omdat ze zooveel tegenspraak vindt? Het is zeker waar, vele stemmen in het hart
389
390 22 SEPTEMBER.
zelf en niet minder daar buiten, komen er luide tegenop, maar, wat bewijst die tegenstand anders dan juist Gods recht op dat hart; zich daardoor te laten leiden is niet anders dan strijd voeren tegen God, die, ieders geweten bevestigt dit, allen vrede uit het hart, allen troost in het leven, alle hoop voor de toekomst wegbant.
Moeten wij dan voor het opvolgen terugschrikken om den strijd, de zelfverloochening, de opoffering, die deze toewijding aan God medebrengt? Daarvan kan en zal zeker niet weinig gevonden worden op dien weg, omdat het in lijnrechten strijd is met den weg des menschen, maar dat alles is reeds gemakkelijk gemaakt, door wat God van Zijne zijde begonnen is re geven; het wordt ruim vergoed, door den zegen, een God voor het hart te vinden en te hebben, in Wien het waarlijk rusten kan; het vindt zich rijk beloond door die goedkeuring Gods, die reeds hierbij aanvang, en eenmaal in volmaaktheid ondervonden wordt in het volle genot van Zyn Vaderlijke liefde en gemeenschap.
Leer mij naar uw wil te handlen,
\'k Zal dan in uw waarheid wandlen.
Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van uwen naam.
Heer, mijn God! ik zal U loven,
Heffen \'tgansche hart naar boven;
\'kZal uw naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid.
Psalm 86: 6.
Lezen: I Samuel 3: 1—10. — Psalm 34; 12—23. — Prediker 12.
H. VAN DEN BIJTEL.
22 SEPTEMBER.
Hozea. 2: 19; En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof.
Menig huwelijk wordt uit zelfzucht gesloten, om geld, vleesch, eer. Dan bouwt men zijn huis op zandgrond. Menigeen verwerpt het hu-welyk. Dat is niet naar Gods wil. Maar, zijt gij, gehuwd of eenzaam, zoo gelukkig als de tekst voorspiegelt? Hoe ellendig de bruid, maar hoe heerlijk de Bruidegom en hoe zalig dat huwelijk. —
Diep vernederend hoofdstuk. Wat teekening der bruid! Zij mist wijsheid, gerechtigheid, reinheid. Geen kleed tot dekking, geen penning ter afdoening, geen reden tot verontschuldiging. Meer nog: zy is dwaas, goddeloos, diep schuldig. Was zij nog schoon, bezat zij nog liefde,
22 SEPTEMBER.
was zy nog ongerept! Afzichtelijk is haa.i tronie, koud als de dood is
haar hart; diepgezonken is de boeleerster!.....Wij allen, derven
de hnerlijkheid Gods. Wü, wij hebben allen gezondigd! ....
Onooglijk, en toch vraagt een hooggeplaatste, een Koningszoon haar ten huwelijk. Gewoonlijk zoeken elkander gelijken van afkomst, staat, bezit. Geen Maria Magdalena durft ooit hopen een hemelsche bruid te worden en dochter des grootsten Konings. Wie toch is heerlijker dan Jezus? Zoo heilig, zoo rijk, zoo machtig, zoo liefdevol. Ja, veel schooner dan de menschenkinderen. En hierom is geen roem bij ons, dan alleen in den Heere. Deze toch zegt: Ik zal, tot driemalen toe, (zie dit en het vorige vers), u Mij ondertrouwen in trouw, in oprechtheid. Ik, de Amen, die niet lieg, of Mij zei ven zoek, naar üw afkomst, noch liefde, noch schoonheid vraag. Ik, Die harder dan Jacob om Rachel heb gearbeid. Die daartoe alle gerechtigheid vervulde en alle gericht droeg. Die uit afgrond en hel opvoerde. Hoe heerlijk staat die Bruidegom in zijn purperen smaadkleed, met zijn doornenkrans, U met zijne bloedende handen omvattend!
Zalig dat huwelijk! Geen huwelijksvoorwaarden. Het is altijd bruiloft. Wat zachtmoedige leiding, wat trouwe onderwijzing, wat krachtige bescherming, wat voorzien in alle nooden en behoeften. Al zijn wij ontrouw, Hij blijft getrouw. Hoe wordt onze woning een paleis! En geen echtscheiding, want noch dood noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten zullen u scheiden van zijne liefde, u, wiens Maker uw Man is.
Dit huwelijk behaagt God, is heilig, is vruchtbaar en kan niet als dat van Esau of Simson onzen ouders mishagen. Hiertoe roept u Jezus; en gij behoeft niet de toestemming uwer ouders of voogden, of vrienden. En; In den hemel wordt niet ten huwelijk gegeven of genomen: dit Huwelijk blijft. —
Zijn goedheid klom ten top;
Hij nam zijn Isrel op Naar \'theil, zijn knecht beschoren,
Gelijk Hij, ons ten troost.
Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen.
Lofzang van Maria va. 7.
Lezen: Ezech. 16: 1—14. — Hos. 2: 13—22. — Mare. 12: 18—27.
A. H. DE KLERCK.
391
392 28 SEPTEMBER.
23 SEPTEMBER.
2 Samuel 22: 36amp;: Door uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.
„Door het kruis tot het licht.quot; Deze spreuk geldt den Christus, en verre den meesten, die Hem toekomen. Jezus\' kruis leidde rechtstreeks tot de middelaarskroon. ,,De overblijfselen der verdrukkingen van Christusquot; zijn als zoo vele hemelpoorten, waardoor wij moeten ingaan.
Reeds David droeg daar kennis van. Ten aanzien van het geestelijk leven spreekt hij van klein zijn, verootmoedigd worden, groot gemaakt worden.
Het beginsel des nieuwen levens is aanvankelijk uiterst klein. Bij al, wat van nature gering en weerloos is, wordt het in de Schrift vergeleken. De geloovige heet een lam van Jezus\' kudde, een kind in Sion geboren. Wat God bij de wedergeboorte in hem wrocht, is slechts een zaad Gods, een mosterdzaad, de wortel eener hemelsche plant. Wat zal het zijn, als zulk een kind in de genade, nog wel dooide Almacht zelve, wordt onderdrukt? David gewaagt van „Uw verootmoedigen.quot; \'tWoord beduidt neerbuigen, omlaagdrukken. De psalmist denkt aan het onderdrukken Gods. De Heere onderdrukt Zijn volk niet slechts in het diensthuis der zonde, maar ook na de uitleiding uit het geesteiyk Egypte, op de gansche lange woestynreis naar het hemelsch Kanaan. De zanger gedenkt ook het bedroeven Gods. De hemelsche Vader hanteert de roede tegen Zijn verdervende kinderen. Zijn hakbijl kapt de doode takken uit den boom des ge-loofs weg. Zijn Geest rukt de ergernissen uit lichaam en ziel des ge-loovigen uit. Israel\'s koning bezingt ook het vernederen Gods. Sara vernederde Hagar, Saul vernederde David. God vernedert Zijn volk. Meesttijds binnenshuis, voor de vierschaar der consciëntie. Somtijds pijnlijker nog, voor het oog van vriend en vreemde. In één woord, vlijmende levenspijn, diepgaand zieleleed, een doorn in het vleesch schenkt God de Heere aan zeer velen Zijner kinderen. Met welken uitslag ? De dichter-profeet antwoordt;
„Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.quot; Groot ten spijt van Satan, die al zijn woede aan mij spilde. Groot, wat betreft mijn geloof, dat gewassen is. Groot in uw hemelsch koninkrijk, voor den troon en hier beneden. Wie dit met David beleefde, belijdt als hij; „Uit verlies winst. Door den dood tot het leven. Ik groei, als de palmboom, onder den druk.
24 SEPTEMBER. 393
Ik weet, o Heer! dat Uw gerichten zün Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken
Uit enkle trouw. Och, dat Uw gunst verschijn.\'
Om mij uit angst en nijpend leed te rukken.
\'Troost mij, Uw knecht, die nu angstvallig kwijn; Mij is die troost beloofd in ongelukken.
Psalm 119: 38.
Leaen: Jesaia 12. — 2 Cor. 12: 1—10. — Hebr. 12: 1—11
Dr. F. J. LOS.
24 SEPTEMBER.
Prediker 4; 17a: Bewaar uwen voet, als gij tot het huis Gods ingaat.
De Prediker, niemand minder dan de wijste der koningen, heeft met krachtige stem de vergankelijkheid van alle grootheid en eere, van alle rijkdommen en genietingen dezer aarde verkondigd. In niets van dit alles is troost en geluk voor den mensch, die zondaar is, sterveling, reiziger op weg naar de eeuwigheid en het oordeel. Toch is het mogelijk getroosten gelukkig te zijn. Die troost, dat geluk is gelegen in den dienst, in de aanbidding van God, in de innige gemeenschap met den Heere, den alleen machtigen, wijzen, rijken en ontfermenden God. Men behoeft niet op een vorstentroon te zitten of aan de hoven te verkeeren, om het waarlijk goed te hebben. Noodig is het. diep ootmoedig te knielen voor den troon van den Koning der koningen en met kinderlijk vertrouwen het hart op te heffen tot het he-melsch paleis, den hof der hoven. Dat moet geschieden van dag tot dag, in geest en waarheid. Om dat leven der gemeenschap met Hem te wekken of te sterken, gaf de Heer ons den rustdag, en verordende Hij den dienst Zijns Woords in Zijn huis. Maar\'tis niet onverschillig, hoe gij ten huize Gods ingaat.
Menigeen heeft het jaren gedaan zonder anders, beter, gelukkiger te worden, zonder nader te komen tot den Heiland, tot den Hemel, tot den God des Hemels. Van waar dit droef verschijnsel? Hebt gij er u rekenschap van gegeven? Hoe zijt gij naar de kerk gegaan en hoe hebt gij daar gezeten? Was het niet telkens, zonder vooraf ernstig gebeden te hebben? Was het niet, vervuld met allerlei aardsche gedachten, zorgen en bekommernissen? Zulk kerkgaan is ijdel, zondig. Die mensch meene niet iets van den Heer te zullen ontvangen. Die geheiligd wil worden in allen, die tot Hem naderen.
394
Daarom vermaant u de Prediker, dat „gij uwen voet zult bewaren.quot; Had hij hierbij wellicht het oog op Gods bevel aan Mozes: (Exod. 8: 5) „Trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat is heilig land ?quot; Doelde hy misschien op de instelling Gods voor de priesters, die niet in mochten gaan tot de tent der samenkomsten, niet naderen mochten tot het altaar, zonder handen en voeten gewasschen te hebben? (Exod. 40: 30—32). In ieder geval vermaant hij goed toe te zien, wat men doet, als men Gods huis ingaat, om het te doen met diepen ootmoed en heiligen eerbied, om al het wereldsche stof af te leggen, om alle wereldsche gedachten, en zorgen en beslommeringen uit te bannen. Bedenk ook gy dan, dat gy straks in Gods huis, in de tegenwoordigheid van den Heilige zult verschijnen. Bereid er u op voor, schik u om uwen God te ontmoeten. Doe het met de vurige bede: „Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van uwen naam.quot; Ga, om Gods woord te hooren, en het weg te leggen in uw hart, ga, bereid om te gelooven, wat God zegt en belooft, om straks te doen, ook wat God gebiedt, en gij zult niet ongezegend wederkeeren. G^quot; zult ervaren, dat God goed en nabij is, en dat Hij verkwikt de ziel, die naar hem dorst.
Heiland! Gij hebt aan uw Kerk Uwen Heilgen Geest gegeven,
Die \'t geloof in \'t harte werk\'
Door uw woord ten eeuwgen leven;
Dat ons nimmer iets op aarde Bij uw heilleer koom in waarde.
Zet ons harte door dien Geest Voor uw liefdelessen open,
Dat wij daagljjks onbevreesd Op uw heilbeloften hopen,
Totdat G\'ons geloofsvertrouwen Eens verwisselt in aanschouwen.
Gezang 93: 2, 3.
.\'.ezen: Mat tb. 13: 18—23. — Maleachi 3. — Psalm 121.
J. NIERSTRASZ.
395
25 SEPTEMBER.
Filippensen 4; 13: Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.
Zoo sprak eenmaal de apostel Paulus; zoo spreekt ook nu nog de geloovige. Maar alleen de geloovige, en dan slechts, wanneer hij van zijn geloof verzekerd is. Hij gevoelt het telkens weer op nieuw, dat hij zelf niets is en niets kan, maar zu\'n verlangen is om in gemeenschap met Christus die kracht te ontvangen, die liem doet lachen om den spot der wereld, die hem sterk maakt in den strijd tegen den booze, die hem de overwinning geeft over de zwakheden des vleesches.
Het is roemtaal, stoute roemtaal: , ik vermag alle dingenquot;, maar die tevens getuigenis geeft van den diepsten ootmoed, immers het is: „door Christus, die my kracht geeft.quot;
De discipel van Jezus Christus weet het wel, en ervaart het wel, dat het is, zooals de Heer zeide: „Zonder Mij kunt gij niets doen.quot; De rank kan geene vrucht voortbrengen, zoo zy niet indenwynstok blyft, maar ook uit den waren wijnstok stroomen de levenssappen mild en overvloedig in de ranken, om vrucht te dragen, en de hemel-sche Landman zal wel snyden en snoeien naar Zijne wijsheid en liefde, opdat de vrucht meerder en beter worde.
Hebben wij dit reeds ervaren? Het is de vraag niet, of wy een even vast geloofsvertrouwen hebben als Paulus, of wij durven roemen als hy. Indien wy er iets van verstaan, wat het is genade te kennen, zal die genade ons wel zoo klein hebben gemaakt, dat wij ons niet vergelijken met den grooten heiden-apostel. Maar dit moeten wij kennen als hij: in ons zei ven niets zijn, niets hebben, niets kunnen, en al onze kracht alleen van Christus verwachten.
Er zijn zwakken, tragen naar de wereld, zonder moed, zonder inspanning, die weinig vermogen ook in dit leven, en ook weinig willen. Onverschilligen omtrent het aardsche levenslot, nog meer onverschillig omtrent hun eeuwig welzijn.
Er zijn ook sterken en moedigen, vol yver, vol levenslust, die veel kunnen en veel doen op elk gebied, die gelukkig heeten in dit leven en toch niet zullen kunnen bestaan voor den rechterstoel van Jezus Christus.
Zalig zijn wij alleen dan, als wij eigen onmacht zoo leerden verstaan, dat wij de toevlucht moesten nemen tot Jezus Christus. Dan willen wij telkens nog veel doen in eigen kracht, ook onze
26 SEPTEMBKE.
zaligheid werken, om toch weer te ervaren, dat het God is, die in ons werkt, beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen.
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zon:
Myn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den Heer, godvrnchte schaar, hond moed!
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht : verlaat u op den Heer.
Psalm 27: 7. Lezen : Psalm 27. — Joh. 15: ]—14. — Filipp. 4: 8—20.
G. SPIJKERBOER.
26 SEPTEMBER.
Jeremia 9: 28, 24: Zoo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom;
Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere.
Toen het Rijk van Juda onder Jojakims wanbestuur met rassche schreden het einde van zijn zelfstandig bestaan tegemoet ging, kondigde Jeremia het strafgericht des Heeren aan, maar het volk, in hoogmoed en zelfgenoegzaamheid, bleef doof voor de stem der bedreiging en der waarschuwing.
Om nu van dien ijdelen waan, en van het steunen op eigen wijsheid, kracht en rijkdom hen af te brengen, wijst de profeet op den éénigen en waren roem: de kennis van Jehova en Zijn dienst, en het betrachten van die dingen, die den zondaar een welgevallen doen vinden in de oogen des Heeren, . . . ach! hadden ze maar naar dat profetisch woord geluisterd en de lankmoedigheid Gods voor zaligheid geacht, wat al jammer en ellende zouden zij zich hebben bespaard!
Dit profetisch getuigenis echter geldt óók nog in het heden, want het zegt ons, dat zij, die den Heere versmaden, licht zullen geacht worden, maar dat zegen neerdaalt op allen, die zich beroemen in den Heere!
396
26 SEPTEMBER.
Het dringt ons om afstand te doen van allen ijdelen waan, en te zoeken naar gemeenschap met dien God, die in Christus weldadigheid, recht en gerechtigheid doet, als ons hoogste goed en onze eenig-ste roem!
De hoogmoed openbaart zich tegenwoordig in den vorm van menschelijke wijsheid, stoffelijke kracht, vergankelijk goed, drie afgoden, die overal geprezen worden en wier roem nochtans ijdel is! Wie in zijne wijsheid zich beroemt, vergeet, dat de zondaar verduisterd is van verstand; wie op zyne sterkte steunt, ziet voorbij, dat óók de sterkste üdelheid is; wie op rijkdom vertrouwt, bedenkt het te weinig, dat het ons niet baat, al gewonnen wij ook de gansche wereld, zoo wij schade moesten lijden aan onze ziele!
Neen, de kennis van God, den Onveranderlijke en Getrouwe, die barmhartigheid doet en in zegenen een welbehagen heeft, ziedaar de éénige en ware roem! Hem te kennen is wijsheid; in Z\\jne gemeenschap te leven is kracht; Hem tot zijn deel te hebben is rijkdom, want dan hebben wij voor tijd en eeuwigheid genoeg!
Vragen wij onszelven daarom dagelijks ernstig af, waarin wij ons beroemen, wat ons licht, ome kraclit, onze rijkdom is. Waken wij biddend tegen den vijand onzer ziel, die er op uit is om het onheilig vuur van den hoogmoed telkens in ons te ontsteken; strijden wij tegen alles, wat den Heere niet kan behagen; en smeeken wij gedurig om die genade, die de getuigenis des Heiligen Geestes daarbinnen doet hooren: „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde, want Gij zijt mijn Rotssteen en mijn deel in eeuwigheid!quot;
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bittre smart Of hangen nood, mijn vleesch en hart.
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!
Psalm 73; 13.
Lezen; Psalm 73. — Jes. 40: 1—11. — Rom. 8: 1—9.
H. A. VAN OOSTROM SOEDE.
397
398
27 SEPTEMBER.
Jesaja 54; 10; Want hergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet loijken, en het verbond mijns vredes zal niet ivankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.
Welk eene verzekering wordt hier aan Gods volk gegeven!
Eer zullen de bergen wijken, eer alle heuvelen wankelen, dan dat iets zal vallen, van al wat de Heere God, de God des Verbonds, den Zynen heeft toegezegd! Ja, als deez\' aarde aan Gods plan met haar zal hebben uitgediend, zal eenmaal al, wat van deze wereld was, voorbijgaan, doch, wat ook valle, wissele of verkeere, in eeuwigheid zal Zijne goedertierenheid van al Z;jn volk (de kleinen zoowel als de grooten) niet wijken, het Verbond Zijns vredes niet verbroken worden!
Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat deze heerlijke belofte niet alleen Israel gold, maar ook van kracht blijft voor ons, die onder de Nieuwe Bedeeling leven, zoovelen wij waarlijk kinderen des Verbonds zijn. Gods Verbond is een eeuwig Verbond. Van eeuwigheid stelde Hij de Zijnen, in Christus, tot voorwerpen Zijner Barmhartigheid. Zijne beloften, ook deze, zijn dus ook niet voor hen alleen, die, gedurende den dienst der schaduwen, als door de nevelen heen, op Hem zagen en hoopten. Die als de Verlosser van Sions treurigen komen zou; zij zijn ook voor ons, die met het Evangelie der Vervulling begenadigd, geleerd hebben den Christus te erkennen in de kracht Zijner zoen verdiensten!
En hoe heerlijk nu zich deelgenoot van dat Verbond te mogen weten! Bracht de Profeet zijne vertroostende Godsspraak tot Israël, dat om zijner zonden wil in allerlei ellende verkeerde, ook ons mag deze belofte een star der hope zijn in den nacht van allerhande smart en lijden. Veel, alles moge ons ontvallen, in Christus ontvalt de Heere den Zijnen nooit! Zijn Verbond is op Hem gegrond. Die, door Zijne zoenverdiensten, alles heeft aangebracht, om in Hem zondaren tot voorwerpen van Gods eeuwige liefde te doen zijn! Zoo min de liefde des Vaders tot den Zoon kan verbroken worden, zoo min ook de liefde tot die gemeente, die de Zoon door Zijn bloed zich verwierf! In Hem kunnen dan ook alle Gods leidingen met Zijn volk niet anders dan de heerlijkste bedoelingen hebben! Al Zijne beloften zijn in Christus Ja en Amen! Heerlvjke bron van verheerlijking! Maar ook... beproeven we ons ernstig, of wij, door \'tgeloof in Christus, waarlijk kinderen, deelgenooten Zijns Verbonds zijn!
28 SEPTEMBER. 399
Kuwe stormen mogen woeden,
Alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God zal mjj behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang zijn hulp verbeiden,
Zijne liefde blijft mij leiden:
Door een\' nacht, hoe zwart, hoe dicht,
Voert Hij mij in \'t eeuwig licht.
Gezang 58: 7.
Lezen: Jesaia 56: 1—10. — Ps. 25: 4—18. — Rom. 8: 28—39.
E. B. GUNNING.
28 SEPTEMBER.
1 Thessalonicensen 5: 16: Verblijdt u te allen tijde.
Al, wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij, door lüdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben.quot; (Rom. 15: 4.) Dit geldt dus ook van het woord: „Verblijdt u te allen tyd.quot;
Paulus spreekt in dit hoofdstuk over de wederkomst van Christus, over zijn komen ten oordeel. Hij vermaant de Christenen om nuchteren te zijn, om in het geloof en de liefde te blijven, en hoopvol uit te zien naar den dag hunner kroning. Zij hadden alzoo te staan naar eene Christelijke blijdschap, te midden van alles, wat hun hier overkwam.
Daarover hadden zij zich te verblijden, dat de Heer getrouw is, dat Christus dezelfde blijft en al de genadebeloften in Hem gegeven.
De blijdschap der wereld gaat welhaast voorbij. In dat lachen zal het hart smart hebben, en het laatste van die bltjdschap is droefheid (Spr. 14: 18); doch de blijdschap in God, „het beginsel der eeuwige vreugdequot; — zooals de catechismus zegt — gaat alle aardsch genot zeer verre te boven.
Die blijdschap doet ons hoofd opheffen, schoon zevenmaal vertreden ; zij aanmerkt niet, wat welhaast voorbij gaat, maar richt het oog op Christus, die overwon en nu aan \'s Vaders rechterhand is verheven in eer en heerlijkheid. Aanmerkt dien Hoogepriester onzer belijdenis; verlaat u op Hem alleen, en blijdschap door den Heiligen Geest zal uw hart vervullen. Gods waarheid zegeviert, en die zich daarop verlaat, daarbij blijft, niettegenstaande eigen diep bederf, die
10 29 SEPTEMBEE.
zal in en met die waarheid behouden zijn. Hij zal daarbij volharden, en alzoo de werking van het Woord der gerechtigheid in het diepst zijner ziel ondervinden, en zoo zal er vreugde in God zijn, al is hij hier ook door menige droefenis omgeven.
„Verblijdt u te allen tijdquot;— hoe het in deze wereld ook ga, hoezeer ge ook den smaad des kruises hebt te dragen. „Verblijdt u te allen tijd,quot; want Christus leeft, Hij sterft niet meer. Hij waakt. Hij zorgt, Hij helpt wonderbaar. „Verblijdt u te allen tijd,quot; en de vrucht des Geestes zal blijdschap zijn in God. Gij zult den Heere prijzen, dat Hij het zoo goed met u gemaakt heeft; dat Hij voor u zorgde van kindsbeen af; dat Hij u Zijnen Christus, Zijn Lam, voorhield, die het verlorene in genade tot het Vaderharte Gods weerbracht. O, als het hart dit verstaat, dan prijst het de eeuwige ontfermingen des Heeren, de hope wordt levend, het verlangen strekt zich uit naar de erfenis, die in de hemelen bewaard wordt, en de blijdschap wordt volkomen, wanneer de reisstaf wordt neergelegd en men daar ingaat, waar de bergen der specerijen zijn en waar de rivier Gods vol water is.
Gods vriendlijk aangezicht
Heeft vroolijkheid en licht Voor all\' oprechte harten
Ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen! om uw lot;
Verblijdt u steeds in God;
Roemt, roemt zijn heiligheid;
Zoo word\' zijn lot verbreid Voor al dit heilgenot.
Psalm 97: 7.
Lezen: Ps. 100.— Pilipp. 4: 1—8. — 1 Thess. 5.
K. HAVINGA.
29 SEPTEMBER.
Filippensen 3: 12; Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Onvolmaaktheid, en nogmaals onvolmaaktheid is de sprake, die de gansche schepping ons vertolkt op elk gebied des levens. De onvolmaaktheid behoort bij de aarde, de volmaaktheid bij den hemel. Oorspronkelijk werd ook op aarde de volmaaktheid gevonden. Aan
29 SEPTEMBER. 401
het einde van \'t scheppingsverhaal toch lezen wij; „En God zag, al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed.quot; Maar sinds het oogen-blik, dat de zonde is in de wereld gekomen, is ook de onvolmaaktheid er in gekomen, en blijft er, totdat gekomen zullen zijn de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Daaruit volgt noodwendig, dat het leven des geloofs, zoolang het op deze aarde geleefd wordt, in die bij deze aarde beboerende onvolmaaktheid deelt.
Zoolang de geloovige \'t lichaam der zonde met zich omdraagt hier beneden, zal genade zich nimmer in hare volkomenheid kunnen openbaren, maar zal immer in hare ontwikkeling den storenden invloed der zonde ondervinden. Voor \'t geloof blyft hier op aarde het woord des Apostels van kracht; „Want wij kennen ten deele, en wy\' profe-teeren ten deele.quot; Volkomen heiligheid, zondeloosheid is dan ook niet anders dan een droombeeld, een ijdele waan van trotsche zielen. Beluisteren wij dan liever een man, aan wien wij toch een rijke ervaring des geloofs niet ontzeggen kunnen. Niet, dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben.
Zoo spreekt het geloof, wanneer het eenerzyds-\'t klemmende van de hooge eischen Gods gevoelt; „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is, en anderzijds iets bij ervaring wTeet van dien strijd tusschen vleesch en geest, zoodat het met den apostel beleden moet worden; „Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?quot; God eischt van zyn kinderen zoo ontzaglijk veel, niets meer en niets minder dan de volmaaktheid zelve, en wij blijven in dit leven zoo ontzaglijk beneden de volmaaktheid. Wel een ernstige reden tot verootmoediging, vooral, omdat de oorzaak dier onvolmaaktheid is gelegen in ons, in de zonde, die nog in ons is overgebleven. Waarlijk, ziende op de hooge roeping, waartoe het geloof geroepen is; „Maar, gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gijzelve heilig in al uwen wandel,quot; past ons wel ootmoed en schuldbesef bij \'t levendig besef van onvolmaaktheid. Maar in die bewustheid van blijvende onvolmaaktheid ligt juist voor het geloof een krachtige prikkel tot heiligmaking, om in de kracht van Hem, die gesproken heeft: „Zonder Mij kunt gij niets doenquot; ernaar te jagen om het te grijpen, waartoe hij van Christus gegrepen is. Verootmoedigd, maar niet ontmoedigd. De overtuiging van onvolmaaktheid moet het geloof er toe dringen om te jagen naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is.
Dat is alleen mogelijk in en door Hem, Die beloofd heeft: „Mijne genade is u genoeg. Mijn kracht wordt alleen in zwakheid volbracht.quot; Steeds toenemende levensgemeenschap met den verheerlijkten en verhoogden Middelaar doet ons toevloeien dien storm van goddelijke krach-
DAGBOEK. 26
30 SEPTEMBER.
ten, waardoor het ook aan ons bevestigd zal worden: „Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort.quot; En de profetie der toekomstige volmaaktheid ligt opgesloten in dit feit; „Wij zijn van Christus gegrepen tot de volmaaktheid.quot; In beginsel in Hem volmaakt, zullen we eenmaal daar, waar geen zonde meer zijn zal, met Hem volmaakt zijn. De Heere zal het voor mij voleinden, uwe goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken uwer handen.
Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
Nog vrees ik niet; \'k verlaat my op den Heer;
Al wil men my door eenen oorlog dwingen,
\'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer.
Deezquot; ééne zaak heb ik begeerd van God,
Daar zoek ik naar; dit zy mijn zalig lot!
Dat ik, zoo lang mij \'t levenslicht bescheen,
In \'s Heeren huis mocht wonen hier beneen.
Psalm 27: 2.
Lezen: Hebr. 12: 1—14. — Col. 3: 1—17. — Efz. 6: 10—20.
F. L. A. FEIJKES.
30 SEPTEMBER.
Genesis 42: 36c: Al deze dingen zijn tegen mij.
Deze verzuchting welt vaak op uit onze ziel. Ons hart is vol van zorgen; ons hoofd moede van denken. Het loopt ons ook zoo tegen; het is, of alles samenloopt om ons het leven bitter te maken en den levenslast ondragelijk. Mijne spijze is alsem, klaagt hier een man, ginds eene vrouw, dag aan dag. Wü zullen niet loochenen, dat het op deze aarde bang kan zijn. Moeite en verdriet is er ontroerend veel. Maar toch, gij, die zoo klaagt, let op Jacob. Van zijne kinderen werd hij beroofd, meende hij. Jozef is er niet; Simeon is er niet; Benjamin wilde men nu wegnemen. Hij zag geen andere toekomst, dan dat zijn grauwe haren met droefenis ten grave zouden dalen. Niets dan ellende en bittere tegenheen bespeurde hij. En op ditzelfde oogenblik was zijn trouwe God bezig hem een rijke vertroosting te geven voor zijn doorgestaan leed en een kalman levensavond in een goed land te midden zyner kinderen te bezorgen.
Immers, dezen weg had God beschikt om hem Jozef weer te doen
402
1 OCTOBER.
vinden en in Gozen \'s Heeren wonderlijke leiding met hem en zijn kinderen te overdenken.
Gij, die ook klaagt: al deze dingen zijn tegen mij, let op Jacob. Gij zijt immers geen ongeloovige, die slechts een noodlot aanneemt even hard als onontkomelyk ?
Gij gelooft toch in een God, die geheel uw leven en alle omstandigheden leidt en bestuurt? Het zou kunnen, dat uw God, wiens trouw gij zoo vaak ondervondt, bezig was juist langs dezen weg, die U zoo donker is, het licht te doen opgaan.
Jacob zag later liet onbillijke, ja, onware van zijn klacht in en zal toen wel om vergeving gebeden hebben. Gij, die zijn klacht op U zeiven toepast, let op Jacob en, indien gü Jacobs God uw Vader in Christus kunt noemen, staak dit klagen, ja bid om vergeving, want het is zonde. Alles, wat Uw God u toezendt, is goed. Dat gij dit niet inziet, ligt aan uwe kortzichtigheid.
Die Vader kan zijn kind geen wezenlijk kwaad toezenden. Dit gelooft gij toch?
Zalig hij, die in dit leven,
Jacobs God ter hulpe heeft!
Hij, die, door den nood gedreven.
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop in \'thachlijkst lot,
Vestigt op den Heer zijn God!
Psalm 146: 3.
Lezen: Genesis 42- 19—38. — Klaagl. 3; 15—42. — 2 Cor. 11: 23—33.
J. S. TICHELMAN.
I OCTOBER.
Psalm 116: 12, 9: ,, TFat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden aan mij betvezen ?
Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren in de landen der levenden.quot;
Zietdaar een vraag en een antwoord des geloofs, wanneer wij hebben aangezeten aan den disch des Nieuwen Verbonds, en wij den dood des Heeren herdacht hebben bij brood en btf beker. Groote weldaden schenkt ons God de Heere aan de tafel des Nieuwen Verbonds. De belofte der schuldvergevende liefde Gods in Christus wordt onze ziele opnieuw toegefluisterd, wanneer wij toetreden, gehuld in het
403
404 1 OCTOBEE.
boetgewaad van den tollenaar. Genaderd tot God met de eenige offerande, die Hem alleen behagen kan, met een door schuldbesef getroffen en verslagen gemoed, wijst God ons aan den disch des Nieuwen Verbonds op de eenige offerande van Christus aan het kruis volbracht, en roept ons toe vol ontferming en liefde: „Ik berust in het offer van Mijn Zoon. Hij leeft gij zult leven.quot; Datschenkt weer leven aan de ziel, weer een zingen van de goedertierenheden Gods, en zich verblijden in Hem, den God onzes Heils. Wanneer de ziel, ternederge-bogen door schuldbesef en zondenrouw, mag vernemen: „Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel en uwe zonden als een wolk; keer weder tot Mij; want Ik heb u verlost,quot; dan gaat het ons, evenals het ging met den kamerling uit Moorenland. Wij/eizen onzen weg met vrede en blijdschap. Dan zeggen wij het den dichter uit eigen zielservaring na; „Mijne ziel, keer weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan,quot; en is \'ü met denzelfden dichter: „Wat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden, aan mij bewezen?quot; Taal van \'tgelouf, dat weet, dat de schuld verzoend is. Taal des ootmoeds, ziende op de diepte der schuld, maar ook op de grootte van de genade Gods in Christus.
Den Heere voor al die weldaden vergelding toebrengen. Wie kan dat naar waarde? Immers niemand. De eeuwigheid zal haast nog te kort zijn om God naar waarde te kunnen danken. Toch vraagt God aan zijne kinderen vruchten der dankbaarheid. Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. Dat is het eenige, dat God eischt.
Hoe kunnen die vruchten der dankbaarheid beter geopenbaard worden, dan door te wandelen voor \'t aangezicht des Heeren in de landen der levenden. De natuurlijke mensch wandelt van God af, ontvlucht God, wendt Hem den rug toe, en vraagt met den trotschen Farao: „Wie is de Heere, dat ik Hem dienen zou.quot; Maar de mensch, die zich in Christus met God verzoend weet, wandelt niet meer op een weg van God af, maar op een naar God toe. Hij wandelt mei. God, onder zijn veilige hoede en bescherming al de dagen zijns leven, om eens altijd met den Heere te zijn.
Wandelt voor mijn aangezicht, en weest oprecht. Deze uiting van dankbaarheid vraagt God van de zijnen, als Hij hen gezegend heeft met de geestelijke zegeningen in den hemel in Christus: het leven in al zijn uitingen te doen strekken ter eere Gods voor de verkregen verlossing, steeds in toenemende mate, al is het onder veel struikelen en vallen, te volbrengen den wil des Vaders, die in de hemelen is; steeds te vragen; „Heere wat wilt Gij, dat ik doen zal.quot;
2 OCTOBER. 405
En Is zulk een wandelen voor \'t aangezicht des Heeren nog veelszins zoo gebrekkig en onvolmaakt, nog met zooveel zonde ver- • mengd, eens, wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is te niet gedaan worden. Dan, verlost van zonde en pijn, zal het voor alle vrijgekochten des Heeren zijn: een viitgaan en weide vinden, nu en tot in eeuwigheid.
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,
Dien trouwen Heer voor zijn gena vergelden?
\'k Zal, by den kelk des heils, zijn naam vermelden.
En roepen Hem met blijd\' erkentenis aan.
Nu zal ik voor de weldaan, die \'k genoot.
Aan Hem naar mijn geloften eer bewijzen.
Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen.
Hoe kostlijk is in \'sHeeren oog hun dood!
Psalm 116: 7, 8.
Lezen: Psalm 145. — Romeinen 12. — Efeze 4: 1—16.
H. L. A. FEIJKES.
2 OCTOBER.
Openbaring 3: 12a: Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan.
Indien het naar „groote krachtquot; en naar „machtige dadenquot; ging in het Koninkrijk Gods, was ons denkelijk de naam der gemeente te Filadelfia niet bewaard gebleven; nu de Heere oordeelt naar oprechtheid en getrouwheid en lijdzaamheid staat Filadelfia in eer; alhadze „kleine kracht,quot; ze had groote genade en mocht deze betoonen en oefenen in dagen van strijd.
Deze genade, door Hem geschonken, onderhoudt Hij of doet Hij toenemen door middelen; daarom is er allerlei aanmoediging in den strijd tegen den vijand.
Wien de Heere Christus eere gunt, dien maakt Hij krijgsknecht, zoodat een ieder, die geen lust heeft aan den strijd des levens zich zeiven te recht verdacht mag houden. Al wie in den strijd geleid is en wettiglyk strijdt tot den einde, die overwint en God zal hen eeren, die Hem eeren.
Daar staan geen monumenten op de pleinen der steden, daar staan geen gedenknaalden op de hoogten der bergen voor de strijders en overwinnaars in den geestelijken kamp.
2 OCTOBER.
Wonderlijk zorgt de Heere, dat de naam des rechtvaardigen in zegening is. Wij kennen in onze omgeving namen van mannen en vrouwen, die, in het stille leven van smart en allerlei lijden, versierd waren met oprechtheid, getrouwheid en lijdzaamheid. In den tempel mijns Gods zie ik waarlijk menigen pilaar staan voor hen, die dooide wereld veracht waren als mannen van „kleine kracht;quot; die ook zeiven in nedrig gevoelen van eigen zwakheid verkeerden, doch men-schen waren van groote genade.
Laat Absalom voor zich een pilaar in \'t dal zetten; laat alle volk zijne dapperen vrij eeren; de Heere zal, in \'t bizonder in de triomiee-rende Kerk, eere geven, om Jezus wil, aan allen, die Hem in lijdzaamheid en trouwe mochten volgen, en wier harte gericht mocht zijn om God te zoeken.
Ze zullen daar niet meer uitgaan, want die tempel met zyn pijlers staat onwrikbaar. Alle eeretitel en monument dezer wereld zinkt spoedig weg; maar de burgers van het hemelsch Jeruzalem zien hunne eere bestendigd. Eerst strijd, dan victorie! Eerst een arm tollenaar in den tempel beneden, daarna een pilaar in den tempel mijns Gods boven.
Maar \'t vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd.
Daar zij hun wensch verkrijgen;
Hun blijdschap zal dan, onbepaald.
Door \'tlicht, dat van zijn aanzicht straalt.
Ten hoogsten toppunt stygen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan Laat al, wat leeft. Hem eeren;
Bereidt den weg, in Hem verblyd.
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is Heer der Heeren!
Psalm 68: 2.
Lezen. Openb. 3. — Efeze 2. — 1 Tim. 6: 10—20.
D. M. BOONSTRA.
8 OCTOBER.
3 OCTOBER.
1 Petrus 1; 24, 25: „Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen.
Maar het woord des Reeren blijft in der eeuwigheid: en dit is het woord, dat onder u verkondigd is.\'
Ook de natuur heeft een stem, en spraak en taal.
Als de koude herfstwind de bloemen stukwaait, en de boomen ontbladert; als de invallende vorst de laatste herinnering aan den zomer wegvaagt, dan hebben stormwind en vrieskou een stem; en die daar een oor voor kreeg, hoort het najaar roepen: alle vleesch is als gras, en al zijn heerlijkheid als een veldbloem; het gras verdort, en zyn bloem valt af!
Gelyk een tapijt bedekt het gras de weide, maar in den oogsttijd legt de zeis van den maaier het in lange rijen neer, en wat na dien uitspruit, verstijft onder den killen adem van den komenden winter, en dort weg. . . , zoo is alle vleesch!
Alle vleesch, als het zijn tijd heeft uitgediend, wordt gegrepen door de koude hand van den dood, en, weggerukt uit het land dei-levenden, gelegd in het stof des doods.
Tusschen dat gras bloeien de bloemen.
Als sneeuwvlokken of vuurvonken schitteren zij op het groene veld.
• Maar wat zijn bloemen ?
Zij ontluiken, bloeien en verwelken.
Zoo is alle heerlijkheid van den mensch!
Uw heerlijkheid is uw kracht, — maar die vergaat.
Die is uw gezondheid, — maar haar verliest gij.
Die is het schoone kleed, dat gij draagt, uw vreugde, uw voorspoed, — maar dat is alles als de verdorrende veldbloem.
Wat uit stof is neemt een end Door den tijd, die alles schendt.
Gij ziet in het rond, en klaagt: vergaat dan alles gelijk de natuur, voor welke de lijkwade reeds wordt geweven?
Neen, o neen!
Het quot;Woord des Heeren niet. Dat biyft in eeuwigheid.
Het Woord van den eeuwigen God is zelf ook eeuwig.
Gods Woord, zoowel in zijn bedreigingen als in zijn beloften.
Het wee, den goddelooze bedreigd, komt.
407
408 4 OCTOBEE.
En het wel, den rechtvaardige toegezegd, wordt vervuld.
Niet één van Gods uitspraken zal falen.
Leert er voor danken, dat terwijl alles als het gras en zyn bloemen vergaat, een eeuwigblijvend Woord ook u wordt verkondigd.
En rust niet, vóór gij van zijn eeuwigblijvende bedreigingen niets meer te vreezen, maar integendeel van zyn eeuwigblijvende beloften alles te verwachten hebt.
Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem, die, op het veld verheven,
quot;Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;
Wanneer de wind zich over \'t land laat hooren,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
Psalm 103: 8.
Lezen: Ps. 103: 8—18.°— Jes. 40: 1-8. — 1 Petr. 1: 22 — 2: 5.
J. W. H. KALKMAN.
4 OCTOBER.
Jesaja 40: 29a: Hij geeft den moeden kracht.
Zoo sprak de profeet in den naam Gods om het zuchtend volk te vertroosten, dat bij Babels stroomen gezeten, schier wanhoopte aan redding en uitkomst. Wat Babel voor Israël was, dat is in zekeren zin de wereld voor iederen Christen en daarom ligt er ook voor ons een schat van licht en troost, als het ware, onder het zegel van ieder woord, hetwelk in onzen tekst voorkomt, besloten. Hoe liefelijk ontmoeten de vermoeiden en de Eustaanbrenger hier elkander.
Gelijk Jehova tot Israël, zoo komt de Heere Jezus ook tot u, gü vermoeiden en belasten, gij geestelijk weggevoerden, gewonden en doodelijk kranken, om u te helpen en te troosten, en u rust te geven. Onder uw getal zijn ook de treurenden begrepen, die over hunne zonden klagen en daarover boetetranen storten; die het beweenen, dat zij de lessen en geboden van den Heere niet gadegeslagen, maar die verwaarloosd hebben; die erkennen en gelooven, dat er geen goed in hen woont, en dat zij eene wet in hunne leden hebben, die strijdt tegen de wet huns gernoeds, en hen gevangen neemt onder de wet dei-zonde, en die deswege in zichzelven zuchten- Ik ellendig mensch! Deze treurigen in Sion behooren mede onder hen, aan wie Jezus toezegt: „Ik zal u ruste geven.\'quot;
5 OCTOBEB.
Daar is velerlei vermoeidheid en krachteloosheid en aan alle vermoeiden kan en wil Hij, die den moeden kracht geeft, rust bereiden, zooals Hij dit deed aan Jacob, toen deze naar Laban vluchtte. God geeft den moeden kracht door allerlei middelen, als door Manna uit den hemel en water uit de rotsen, zelfs raven staan God ten dienste. Ook hun, die moede zijn door menigerlei verzoekingen, treurigen, die de vijand aanzet om de hoop maar op te geven, op wie hij zijne vurige pijlen, bestaande in allerhande jammer, afschiet, geeft Hij kracht. Ook hen versterKt Hü, die angstig onderzoeken, of hun geloof wel van het echte soort is, die er zich over bekommeren, of zij niet bedrogen zouden kunnen uitkomen, na het volbrengen van de pelgrimsreis.
Hij, die uw\' naam in waarheid kent,
Zal, Heer! op U, in zyne ellend\'
Vertroivwen, wij] Gjj nooit liet zuchten Hen, die geloovig tot U vluchten.
Psalm 9: 10.
Lezen : Jes. 40: 26—31. — Ps. 91. — 2 Cot. 12: 1—10.
C. BOUTHOORN.
5 OCTOBER.
Jesaia 41: 14: Vrees niet, gij worrnpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik helpe u, spreekt de lieere, en uw Verlosser is de Heilige Israels!
Treurig was het in de dagen, dat dit woord werd gesproken, gesteld. Israël ging. tot straf van zijn zonde, gebukt onder het juk der dienstbaarheid, door Babel\'s verdrukkers hun opgelegd en was gelijk geworden aan een worm, die, vertreden, onder doodsmarten zich kromt in het stof.
Nochtans;
Zou God zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
O, neen! want hoe bondbreukig en trouweloos Israël ook moge geweest z^jn, God gedacht, evenals in Egypte, aan Zijn Verbond, eenmaal met de vaderen opgericht en sprak als zoodanig: Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels!
O! wat is er geringer en onbeduidender in de schepping dan een worm? Zoolang hy zich verschuilt in de holen der aarde is hij veilig.
409
5 OCTOBER.
doch komt hy daaruit te voorschijn, alsdan loopt hij gevaar om dooiden voet vertreden of door het gevogelte verslonden te worden.
En toch, met zulk een geringen en onbeduidenden worm vergelijkt hier de Heere de kinderen Jakobs, het volk Israels, hetwelk Hij Zich ten erve verkoren heeft.
Want ja, evenals een worm gering en veracht is, zoo kennen ook zij zich als geringen en onwaardigen in zich zeiven en bij de wereld. Evenals een worm als een onrein en walgelijk dier wordt beschouwd, zoo belijden ook zij: „wij zijn als een onreine, en al onze gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed.quot; Evenals een worm kruipt in het stof, zoo liggen ook zij daar neder in het stof. met een Abraham belijdende, dat zij „stof en asschequot; zijn. Gelijk een worm steeds gevaar loopt van vertrapt en vertreden te worden, zoo staan ook zij gedurig bloot aan verdrukking en bestrijding hunner in- en uitwendige vijanden.
Doch ziet, hoe vertroostend roept alsnu Jakobs God den zoodani-gen toe: Vreest niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Wantik helpe u, en uw Verlosser is de Heilige Israels! Met dien Heilige Israels den Verlosser bedoelende. Die komen zou.
Want ja, hoe heeft ook Hij in het bang Getsémané in het stof gekropen, als een worm en geen man, een smaad van menschen en veracht van het volk; hoe heeft ook Hy geklaagd: „Gij legt Mij in het stof des doods!quot;
Evenwel door den Vader verhoord en vertroost zijnde, treedt Hij moedig als een leeuw het strijdperk van Golgotha binnen om eene eeuwige en volkomen verlossing voor Zijn volk teweeg te brengen.
En daarom, vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls, want in al uwe benauwdheid was Hij benauwd, door Zijne liefde en genade heeft Hy u verlost.
O, gelukkig degene, die zich nu maar in den weg van ontdekking en algeheele ontblooting door den Heiligen Geest, als een ellendigen, nietswaardigeu worm mag leeren kennen en als zoodanig mag kruipen en liggen aan Jezus voeten. Want aan die kruipers, aan die armen van geest, aan die ware zielsvernederden en in het stof terneder ge-bogenen wil Hij genade bewijzen, aan hen wil Hy Zyn heil openbaren, voor hen heeft Hij verlossing bereid.
Zoo die Heilige Israëls met ons is, wie of wat zal dan tegen ons zijn? Zoo Hü onze Verlosser is, wie zal ons dezen grootsten schat des levens kunnen ontrooven? Zoo Hij ons ondersteunt, hou zouden wij dan wankelen? Zoo Hij ons sterkt, hoe zouden wij dan bezwijken?
O, laat ons, ook op dezen dag onszelven en elkander aan de trouwe hoede diens almachtigen Verlossers, by Wien uitkomsten zijn tegen den dood, in den geloove mogen aanbevelen. En doe Hy ook bezwaarden
6 OCTOBER. 411
en verslagen harten dit woord Zijner bemoediging verstaan; „Vrees niet, Ik ben met u; wees niet verslagen, want Ik ben uw God!quot;
God is een toevlucht voor de zijnen.
Hun sterkt\', als zij door droefheid kwijnen.
Zij werden steeds zijn hulp gewaar In zielsbenauwdheid, in gevaar;
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
Schoon d\' aard uit hare plaats mocht wijken.
Schoon \'t hoogst gebergt uit zijne stee Verzet wierd in het hart der zee.
Psalm 46; 1.
Lezen : Jes. 43 : 1—15. — Jes. 41 : 8—14. — Jes. 54: 10—17.
J. A. VAN BOVEN.
6 OCTOBER.
Maleachi 3: 16—18: Alsdan spreken, die den Heere vreezen, een ieder tot zijnen naaste: De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den Heere vreezen, en voor degenen, die aan Zijnen Naam gedenken.
En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal. Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschoonen, gelijk als een man zijnen zoon verschoont, die hem dient.
Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.
Er gaan onderscheiden stemmen op in het midden der wereld over allerlei zaken. Zoo ook over den godsdienst, of beter nog over de vreeze des Heeren.
Wij weten het evenwel, da.t er vaak geoordeeld wordt als een blinde over de kleuren.
Niet waar? zal men recht kunnen oordeelen over een zaak, dan moet er zaakkennis zijn.
De bovengemelde woorden der Schrift leeren ons, dat alleen zü, die den Heere vreezen, een oordeel kunnen vellen of \'t goed is, ja of neen. Hem te dienen.
Immers, welk een andere taal spreken zij dan, de vele te sterke sprekers tegen den Heere, in Maleachi\'s dagen, die, ingenomen met
6 OCTOBEE.
zichzelven en tevreden over zichzelven en niet genoeg beloond, uitriepen, vs. 14: „het is te vergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zü\'ne wacht waarnemen, en dat wij gaan in het zwart voor het aangezicht des Heeren der heirscharen? En nu, wij achten de hoograoedigen welgelukzalig; ook die goddeloosheid doen worden gebouwd; ook verzoeken zij den Heere, en ontkomen.quot;
Mijne vrienden! wij behoeven niet eens fijnproevers te zijn, om te weten, dat hier eigengerechtigen aan het woord zijn, dat hier werkheiligen zich laten hooren.
O! hoe eenvoudig, hoe naar waarheid, hoe liefelijk is daartegenover de taal van hen, die in waarheid en oprechtheid, die ootmoedig, nederig en klein, die met verslagen harten verbroken geest den Heere hunnen God mogen vreezen, die leven naar Zijn G-oddelijk bevel. Tot leering, tot stichting spreken zij tot hunne naasten, tot aansporing en opwekking om God te vreezen: „de Heere merkt er toch op en hoort; en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven voor hen, die den Heere vreezen, en voor hen, die Zijn Naam gedenken. En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij ten eigendom zijn, en Ik zal hen verschoonen, gelijk als een man zijnen zoon verschoont, die hem dient.quot;
O ja! het schijnt wel vaak en lang, als of .het te vergeefs is den Heere te vreezen en Zijn Naam te gedenken. Vele zijn de smarten en groot de beproevingen, zwaar de bezoekingen der rechtvaardigen, zelfs tot den laatsten snik. Toch is \'t niet te vergeefs.
Nog eens, de blinde eigengerechtige, de hooggevoelende loondienaar moge dat: „te vergeefsquot;, op luiden toon tegen den Heere uitroepen, en och! zelfs de wel eens van \'t rechte spoor gegleden oprechte moge \'t al eens meenen, toch is \'t niet te vergeefs.
Neen, in de heiligdommen ingegaan, leert de Heere zelf, door een geloovig zien in belofte en bedreiging. Zijn lieven kinderen en erfgenamen, hoe goed en zalig \'t is om Hem in liefde te vreezen, en hoe kwaad \'t is dit niet te doen
Wat zien zij toch in Gods heiligdommen, in Zijn huis, Zijn woning? Wat? Te dien dage, ten laatsten dage, belofte en bedreiging prediken het beide: „dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.quot;
Mijn lezer! \'t zij u tot ontdekking, opwekking of versterking. Vraag om een oog in belofte en bedreiging. Gij zult dan zien, dat de Heere rechtvaardig is, Die, als gij Hem vreest u door veelleed voor-en toebereiden moet en zal voor Zijne heerlijkheid, terwijl alle godde-loozen zullen verzinken in verderf en ondergang.
412
7 OCTOBER.
Ons hart verheugt zich, dat by God \'t Bestuur is van geheel ons lot,
Dat Hij ons vreugd, of ongeval,
Naar wy behoeven, zenden zal.
Komt! treen wy dan gemoedigd voort In vast vertrouwen op zijn woord;
Hoe moeilijk; ons de weg ook schijn\',
Het eind zal zeker zalig zijn.
Gezang 20: 1 en 9.
Lezen: Job 21 : 1—15. — Psalm 34; 1—11. — 2 Thess. 1.
F. BARTSTRA.
7 OCTOBER.
Romeinen 10: 13 ; Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
Er is een ijdel gebruiken van den Naam des Heeren, waarop de straf van God bedreigd wordt. Er is een prevelen van den Naam des Heeren, onwaar en zonder geloof. Er is een ongoddelijk ijdel roepen, dat in meerder goddeloosheid doet toenemen, doch er is ook een aanroepen van den Naam des Heeren, uit de diepte, in oprechcheid, en dat is het kenmerk van het kindschap Gods. Dat aanroepen is een levensteeken. De onwedergeboren mensch doet het niet. Hij moge in zijn eigen schatting bidden, maar nooit is het bij hem gekomen tot een aanroepen van den Naam des Heeren, omdat hij zichzelven nooit in het licht van de heiligheid des Heeren ais een verloren zondaar leert kennen, en daarom ook nimmer tot den dierbaren Zaligmaker, dien God heeft gegeven, de toevlucht heeft genomen.
Maar de mensch, dien de Heilige Geest uit den doodslaap heeft wakker geschud en aan zijne zonden en ellendigheid heeft ontdekt en geleid tot den Christus der Schriften, roept tot den levenden God om genade, roept in het licht des Evangelies den Heere Jezus aan, den eenigen Redder, Die machtig en gewillig is, hem te behouden.
In dat aanroepen wordt God verheerlijkt, want het komt uit het hart van den mensch, die zich hulpeloos gevoelt, geene verdiensten, maar enkel \'schuld heeft, geen loon, maar enkel straf zich waardig weet, en alleen zijne verwachting heeft van de erbarming Gods, die
413
4 8 OCTOBER.
daar straalt op Golgotha, in den gekruisten Christus, die voor verlorenen genade verwierf in den weg van rechtvaardigheid. Het doet niets ter zake, wie hij is, die Hem aanroept; hij moge een uitvaagsel der maatschappij zijn, een bedelaar, een stumperd, geen som van deugden, geen tal van werken, geen schoone gebeden worden gevraagd, maar een iegelijk, wie ook, die in den Heere Jezus Christus gelooft, een iegelijk, die den Naam des Heeren aanroept, zal zalig worden.
Ik roep U aan, \'k blijf op ü wachten.
Omdat G\', o God! mij altoos redt:
Ai! luister dan naar mijn gebed En neig uw ooren tot mijn klachten.
Psalm 17: 3b.
liezen: Eomeinen 10. — Psalm 27. — Joël 2: 12—32.
Y. DOORNVELD.
8 OCTOBER.
Matth. 24: 35: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbij gaan.
Gezegend zij heden uw ingang en uitgang van des Heeren Huis!
Hoe verheven klinkt ons tekstwoord op dezen Gode gewijden dag. Bespottelijke onzin, indien Hij, die het uitsprak niet meer was dan louter een mensch. Zóó kon Hij alleen spreken, die de waarachtige God en het eeuwige leven is.
De vastigheid van Zijne woorden vergelijkt Hij met de vaste dingen, maar waarvan Hij, die het Woord zelve is, de vergankelijkheid verkondigt.
Deze aardsche huishouding zal voorbijgaan; een nieuwe hemel en eene nieuwe aarde is en blijft de verwachting van Gods kinderen, van allen, die de zonde hebben leeren haten, maar ook dan nog blijven Zijne woorden, die dan geheel verstaan en vervulde beloften zijn. Levenswoorden blijven het voor al de zijnen.
De waarheid dezer uitspraak zien wij in de ervaring des levens. Veel is in den loop der eeuwen veranderd; de tand des tijds deed veel vergaan, — maar Zijne woorden bleven.
„Laat ons Zijne banden scheurenquot; zoo luidde wel van tijd tot tijd de opstandskreet, maar voor het oog des geloofs verschijnt nog
8 OCTOBER.
altijd de vliegende Engel uit de Openbaring, hebbende het Eeuwig Evangelie.
„Beraadslaagt een raadquot; zoo mag het heeten. „en hij zal verbroken worden; spreekt een woord en het zal niet bestaan, want God is met ons!quot;
Bij al wat wisselt en wijkt rondom ons, is er rijke troost! iets dat blijft, waaraan men zich kan vasthouden, het is het woord des Eeuwigen met zijn raad en bestuur te midden van donkerheid en beproeving; met zijn opbeuring en vertroosting ten tijde van inzinking en smart!
Ontzaglüken ernst predikt dit woord. Van Samuël is gezegd : „de Heere laat niet één van al Zijne woorden op de aarde vallen,quot; hoeveel te meer zal dat gelden van Hem, die meer was dan eenig Profeet of Koning.
„Dit Evangelie des Koninkryks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis aller volken.quot; Zonder doel wordt hei Woord des Zoons niet verkondigd. Het zal zijn tot een getuigenis!
Wee dengene, die Zijne woorden veracht, de middelen der genade verzuimt. Zijn bloed vertreedt, want Hü zal eeuwiglijk moeten omkomen.
Welzalig hy, die, door genade geleid. Zijne woorden ter harte neemt, en het woord der prediking met zachtmoedigheid ontvangt, hij zal ervaren, nu en later, dat het Evangelie is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft!
Woord, waarop wij bouwen.
Daar wij op vertrouwen.
Evangeliewoord!
Bergen mogen wijken,
Gy zult nimmer wijken,
Want gij zijt Gods woord!
Dat ons. Heer!
Den troost dier leer Geene twijfling ooit ontroove!
Sterk ons in \'t geloove !
Gezang 36: 5.
Jesaia 55. — 2 Cor. 5. — Matth. 7: 13—29.
W. V AN SLOTEN.
315
416 9 OCTOBEB.
9 OCTOBER.
Openbaringen 7; 13, 14. En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Bezen, die hekleed zijn niet de lange ivitte kleederen, wie-zijn zij, en van ivaar zijn zij gekomen?
En ik sprak tot hem: Heere! Gij iveet het. En hij zeide tol mij: Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.
De weg, die den geloovige leidt van deze aarde naar de eeuwige heerlijkheid, is een weg van groote verdrukking. Indien de Heere de zijnen, op hun doortocht naar het nieuwe Jeruzalem, niet staande hield, zij zouden onder hun druk bezwijken.
Immers bij den aanvang hunner reis gevoelen zij den vroeger on-gekenden druk hunner zonden ; bij de voortzetting den druk, verbonden aan den strijd tusschen het vleesch en den geest; bij het einde den druk veroorzaakt door de hand van den koning der verschrikking, die hen aanraakt.
En toch, die laatste ure is voor den Christen de overgang van alle smart tot de hoogste zaligheid, een overgang, daarom zoo tretfend, omdat juist dan de reinigende kracht van Christus\' bloed zoo heerlijk wordt ervaren. Immers, daar worden stemmen gehoord in den hemel, die jubelend getuigen; „Deze, die uit de groote verdrukking komt, is een dergenen, die hunne lange kleederen hebben gewasschen in het bloed des Lams.quot;
Dankt, dan den Heere, Die u deed zien, hoe bezoedeld uwe kleederen waren met het stof der zonden; Die u er aan ontdekte, hoe de gescheurde mantel uwer eigengerechtigheid u verhinderde deel te hebben aan de bruiloft des Lams en Die u de vrijmoedigheid gaf hei kleed van Christus\' gerechtigheid, u tot eene bedekking, aan te grijpen.
Christen, welk eene vreugdevolle zekerheid bezit gij dan op den reisweg, waarop de doornen u niet gespaard blijven. Ziende op uwe inwendige verdorvenheid zoudt ge het niet wagen voor God in Sion te verschijnen; en toch. Hij beschouwt u in Christus gereinigd en heilig, hersteld naar Diens beeld !
Iedere voltooide dagreis herinnert u, dat uwe verdrukking weldra tot het verleden behoort; dat gij de poort der Godsstad nadert. Als een arm zondaar, die verdiende te worden afgewezen, zult gij daar staan, maar, besprengd met het bloed des Zoons, zult gij als wettig erfgenaam binnen gelaten worden.
10 OCTOBER. 417
Trek dan gemoedigd voort, dagelyks u stellend onder \'sHeeren leiding; biddend om kracht, het u opgelegde kruis tot het einde toe den Heiland blijmoedig achter aan te dragen, gesterkt door de volza-lige zekerheid, dat het sterven u zal zijn de doorgang tot het eeuwige leven.
Euwe stormen mogen woeden,
Alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God zal mü behoeden.
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang zjjn hulp verbeiden,
Zijne liefde blijft mij leiden :
Door een\' nacht, hoe zwart, hoe dicht,
Voert Hij mij in \'t eeuwig licht.
Jezus Christus is gestorven,
Is verrezen ook voor mij;
Heeft de zegepraal verworven.
Die verworven ook voor mij.
Aan Gods rechterhand gezeten.
Zal Hij nimmer mij vergeten;
Neen, uit deernis met mijn lot.
Treedt Hij voor mij in bij God.
Gezang 58: 7, ü.
Lezen: Openbaring 21: 1—7. — 2 Cor. 5: 1—10. — Romeinen 8: 28—39.
J. Ij. UIPPKL.
10 OCTOBER.
Psalm 116: 3, 4a: Be banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
Op den donkersten nacht volgt niet zelden de helderste dag. Waar \'savonds geween is, kan \'s morgens gejuich zijn. Alle heiligen Gods hebben zulks ondervonden. In de hierboven gestelde woorden beschrijft de Psalmdichter een allerdroefsten toestand, welken hij had doorworsteld. Een heirleger van nooden had hem omringd. De vijanden zijner ziel hadden hem aan alle kanten ingesloten en vielen verwoed op hem aan. In zich vond hij niets dan zonde, onreinheid en gruwelijkheid. Hij wist zich overtreder van Gods goede geboden, schuldenaar voor het heiligst gericht. De wet veroordeelde hem, de duivel
DAGBOEK. 97
41^2 11 OCTOBEB.
dreigde hem, de wereld spotte met zijn jammer en het oordeel der verdoemenis sneed door zijn arm hart. Dat maakte hem bang, dat deed hem beven en sidderen en weenen. Verloren! van God verworpen ! van de genade verstoken! zoo schreeuwde alles in hem en om hem. Hij zat vast en kon nergens heen; het zwaard des gerichts wondde zijne ziel. Hij zag en gevoelde niets dan ondergang en omkomen. Hij noemt dit: banden des doods en angsten der hel.
Maar . . . , o daar kwam een gezegend maar. De nood drong hem, de angst werd een veerkracht in zijne ziel, hü durfde niet, hij kon niet bidden, maar hu moest. En ... de Heere gaf uitkomst! Hij maakte de benauwde ziel ruimte en deed het licht opgaan in de duisternis.
Lezer! Kent gij iets van dien bangen zielenood? Ziet, zelfkennis, kennis van eigen zonde, zoo als de H. Geest die geeft, leidt er toe.
En deze kennis, en de nood, welken zij veroorzaakt, is noodig, zal het ooit met ons tot de waarachtige verlossing kunnen komen. Als do Heere ons opbouwen wil, dan breekt Hij ons eerst af. Hij doet ons het leven verliezen, opdat wij het leven vinden.
O, het is genade van God, als Hij het zoo weet te besturen, dat wy, door den nood gedreven, tot Hem vluchten, tot Hem roepen en van Hem alleen hulpe wachten.
Ik lag gekneld in banden van den dood,
Daar d\'angst der hel mij allen troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
Maar riep den Heer dus aan in al mijn nood:
„Och, Heer! och, wierd\' mijn ziel door U gered!quot;
Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig:
De Heer is groot, genadig en rechtvaardig
En onze God ontfermt zich op \'t gebed.
Psalm 110: 2, 3. Lezen: Psalm 116. — Psalm 126. — Psalm 142.
S. DIJKSTRA.
II OCTOBER.
Hebreen 12: 22 — 24: Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het Jiemélsche Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;
Tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God den Bechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;
419
En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der hesprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.
In heerlijken kring, genadigen toestand, zijn, door wedergeboorte, de kinderen G-ods overgeplaatst geworden.
Vroeger, toen zij nog natuurlijke menschen waren, behoorden zy in wezen tot den kring van Satan, der daemonen van de hel.
Maar nu, Jez\'.is Christus is hun Zaligmaker geworden. God. den Kechter over allen, de vastheid van Wiens troon gerechtigheid en gericht is, mogen zij, besprengd met het bloed des Middelaars, gedekt door zijne gerechtigheid, hun Vador noemen. En het hemelsche Jeru zalem, de stad des levenden Gods, is hun toekomstige woonplaats; zij zijn daar reeds in Christus gezet; hun schat ligt daar; vertroostingen, hunne levenskrachten ontvangen zij vandaar. En de engelen, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die de zaligheid zullen beërven, die hen vroeger niet hunne vrienden mochten noemen, willen nu hunne broeders heeten. Tot de eene, heilige, algemeene. Christelijke kerk be-hooren zij, na wedergeboorte, die, öf reeds zegepraalt in den hemel, öf nog strijdende is op aarde, maar opgeschreven in de hemelen. — Op dit alles wijzen de boven aangewezen woorden.
Kinderen Gods! hebt gij oog voor den heerlijken kring, waarin gij door genade zijt geplaatst geworden?
Duister is het soms. Men heeft niet altijd voor die omringende heerlijkheid oog.
Heere! open zijne oogen, dat hij zie! zoo bad Elisa voor zijn knecht. En de Heere opende zijne oogen, en hij zag den berg vol vurige paarden en wagenen, die er reeds waren, maar, die hij eerst zag, toen zijne oogen er voor geopend waren. Laat ons, zegt de bekende Murray, dit gebed ook bidden, en wij zullen de heerlijkheden zien, tot welke wij gekomen zijn.
Maar dan ook, kracht behoort van dit zien uit te gaan.
Begenadigden, gezalfden zijn de kinderen Gods. Zij zün de heerlijken der aarde.
Hoe kan soms reeds hier hemelsche verheuging in hun oog tintelen, hemelsche heerlijkheid van hen afstralen. Zij zien dan druiven van Eskol, die hun zeggen, dat het in Kanaan heerlijk is. Zy ontvangen dan manna uit de woonplaats Gods.
En hoe zullen zij straks zich verheugen, als gelooven hun wordt verwisseld met aanschouwen!
Hoe zal \'tmij dan, o dan eens zijn!
Als ik, verlost van smart en pyn.
12 october.
Ontwaak tot liooger waarde,
Door geene zonde meer misleid,
Ontheven van de sterflijkheid,
Niet meer de menscli van aarde;
quot;Wees blij In mij,
Voel, tot sterking,
Hier de werking Van dat leven.
Ziel! dat God u daar zal geven.
Gezang 181: 1.
Lezen; Openb. 21: 1—22: 5. — Hebr. 8. — Jes. 11: 1—9.
a. guldenakm.
12 OCTOBER.
1 Corinthe 7: 23o: Gij zijt duur gekocht.
Als gü veel geld hebt moeten besteden of u veel moeite moeten geven om een stuk van hooge waarde in uw bezit te krijgen, dan zal li dit de waarde er van vertioogen. Evenzoo, als aan eenig goed treffende herinneringeQ voor u verbonden zijn, doordat het u doet denken aan geliefden, die niet meer zijn of, als eene laatste gave, wellicht met stervende hand u werd toegereikt. Dan houdt ge het in eere en dan verwaarloost ge het niet en dan ziet ge toe, dat ge het niet weder verliest. —
Dit moet door Gods kinderen wel bedacht. Ze zijn dienstknechten van Christus en de anderen dienstknechten van Satan. Nu was oudtijds een dienstknecht het eigendom van zijn meester en werd soms voor veel geld gekocht. Zoo heeft ook Christus zijne dienstknechten gekocht; niet met goud of met zilver, maar met zijn eigen bloed, dat Hjj op Golgotha voor hen liet vloeien. Daarmee heeft Hij ze vrij gekocht van den dienst der zonde en van hun zware schuld en van Gods toorn en van de eeuwige pijn. En nu behooren ze hun Jezus toe, die zijn leven voor hen iu den dood heeft gegeven, opdat zij, van den dood verlost, het eeuwige leven zouden beërven. —
Maar nu moet een dienstknecht zijnen meester ook gehoorzamen. Niet zijn eigen wil mag hij doen, maar, naar wat zijn meester wil moet hij vragen. En zoo, wie een dienstknecht van Christus is, heeft te vragen: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?quot; en die moetalles voor Jezus over hebben. Want dat is Jezus waard.
420
13 OCTOBEE.
En cloetdat nu ook een elk, die doo.r Jezus zich vrijgekocht weet? Ach, niet waar, zelfs bij den meest begenadigde komt zoo vaak de klacht op de lippen: ,als ik het goede wil doen,quot;dan ligt het kwade mij bij.quot; En zoo vaak moet het oog vol schaamte ternedergeslagen. Maar daarom is het zoo noodig te bedenken, tot wat duren prijs Jezus zijne knechten gekocht heeft. quot;Want wie dat verstaat, die zal ook alles voor zijn Jezus willen zijn, en Hem zoeken aan te hangen met al de liefde van zijn hart.
Leer mij naar uw\' wil te handlen;
\'k Zal dan in uw waarheid wandlen,
Neig mijn hart, en voeg het saam Tot de vreez\' van uwen naam.
Heer\', mijn God! ik zal ü loven.
Heffen \'tgansche hart naar boven;
\'k Zal uw\' naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid!
Psalm 86: 6.
Lezen: 1 Oor. 7; 19—24. — 1 Petr. 1: 13—21. — Joh. 10: 11—18.
B. .T. VAN HEIJNINGEN.
13 OCTOBER.
Genesis 19; 27; En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.
Abraham maakte zich des morgens vroeg op naar de plaats, „waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.quot;
Anderen zouden daar niets bizonders hebben opgemerkt; maar voor den Aartsvader leeft hier alles.
Er waren vele plaatsen, waar Abraham den Heere een altaar had opgericht; doch als deze was er slechts een. Nergens toch had de Heere ooit zóó zijn welbehagen in zijn vriend geopenbaard, als toen Hij vroeg: „Zal ik voor Abraham verbergen, wat ik doe?quot; en nergens had Abraham zóó nog met zijn God geworsteld, als toen hij zich „onderwonden had met den Heere te spreken,quot; als voorbidder van Sodom en Go-morra.
Dit alles behoorde tot de aangrijpendste herinneringen uit Abraham\'s leven en tot de heiligste ook.
421
422 13 OCTOBEE.
Zijn er zulke plaatsen en herinneringen ook in ons leven?
In een der paleizen van onzen Prins Willem I was de plaats uitgehold, waar hij placht te bidden en ieder gaan daarheen had, als dat van Abraham, iets van een bedevaart. Al zijn er nu nog zulke plaatsen in onze woning niet; (doch er kunnen er zijn bij de lezers dezer bladzijde) in ons leven komen zij zeker voor.
Wij hebben allen voor den Heere gestaan, als wij Zijn Naam hebben beleden. Wat hebben de wanden onzer bedehuizen al beluisterd in dit opzicht en al weten wij, dat de Heere aan geen plaatsgebonden is, er zijn in des christens leven altijd plaatsen, waar wij meer dan elders zeker zijn van de tegenwoordigheid, de beloften en de ontfermingen Gods; plaatsen, waaraan rijke, onvergetelijke herinneringen zijn verbonden.
Abraham zag naar Sodom op de plaats, waar hij stond en hij zag rook opgaan, als de rook eens ovens. Wat tegenstelling met den stillen vrede om hem heen. Hij wist nog niet, dat Lot was gered; maar al had hij het geweten, hij zou zijn oog niet hebben kunnen sluiten voor de tegenstelling tusschen Mamre en Sodom; Abraham\'s deel en Lot\'s vroegere keuze, die beide hier in hun ware gedaante aan het licht treden.
Zoo ziet de christen naar de wereld uit.
Door haar schoon niet bekoord, door haar ondergang niet verschrikt. Op iedere plaats, waar wij voor het aangezicht des Heeren komen mochten, wordt ons het psalmwoord op de lippen gelegd; Eén dag, Heere, in uwe voorhoven, is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. (Ps. 84: 11.)
Abraham bleef te Mamre; maar daar werd, op de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had, z^jn geloofsvertrouwen krachtig gesterkt.
De vervulde bedreiging aan Sodom werd hem onderpand van de vervulling der aan hem gedane belofte. De Heere vervult, zoowel in de bedreiging als in de belofte, Zijn woord; Hij laat niet met Zich spotten; maar Hü spot ook met Zijn kinderen niet.
Wel doet Hij ons dikwerf wachten.
Het oordeel wordt menigmaal haastiger volbracht dan de belofte; maar voor het eerste is de mensch ook rijp; voor het laatste niet.
Abraham naar Sodom\'s ondergang uitziende is beeld van Gods genade. Zijn wij uitnemender? zoo doet hij ons vragen; „ganschelijk niet!quot; Het is genade, indien wij de belofte van Mamre mogen gevonden en verkozen hebben boven de heerlijkheid van Sodom en het wekt tot aanbidding, indien daarvoor ons oog werd geopend.
14 OCTOBER.
Daar moet het in ons leven ook toe komen.
De rijkdom der openbaring in Christus overtreft de ervaring dei-schoonste oogenblikken bij Mamre\'s eikenbosschen doorleefd en daarbij reikt toch ook onze klimmende levenservaring aan die van den Aartsvader de hand. De Heere geeft Zijn heil in Zijn weg; niet in den onzen. Als Hij roept, laat ons Zijn stemme gehoorzaam zijn. Hij moest uitgaan uit het Zijne en toen mocht hij menigmaal uitgaan tot de plaatsen, waar hij voor \'s Heeren aangezicht mocht staan. Daarheen ga ook onze ziele telkens uit; óók dezen dag, totdat \\n uitgaan en staan voor des Heeren aangezicht, al onze zaligheid zal wezen:
O God! die ons ten schilde zijt,
En ons voor alle ramp bevrijdt,
Aanschouw toch uw gezalfden Koning!
Een dag is in uw huis mij meer,
Dan duizend, daar ik U ontbeer,
\'k Waar liever in mijns Bondsgods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d\' ijdle vreugd in \'s boozen tent.
Psalm 84: 5.
Lezen: Genesis 18. — Psalm 73. — Romeinen 4.
D. J. KARRES.
14 OCTOBER.
Jesaia 40: 1: „Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen.quot;
Wij hebben aan niets meer behoefte dan aan goddelijken troost. Er is zooveel ellende rondom ons en in ons, dat wij nooit gemoedigd kunnen voortgaan op onzen weg, wanneer wij dien moeten reizen, zonder de vertroostingen des Heeren. Maar deze zijn dan ook voldoende in eiken strijd, onder alle smart, bü al, wat ons ontroert en terneder drukt. Het is onmogelijk, dat de smart ons overstelpt, dat de duisternis der ziel blijft aanhouden, wanneer de Almachtige ons troost. Hij troost zóó goddelyk, zóó wonderbaar, zóó volkomen, dat ook de zwaarste druk wordt verlicht en de bangste zorgen wegvlieden.
IJdel zijn de troostredenen der wereld. Zij spoort ons aan om te vergeten, wat wij niet vergeten kunnen. Zij wil. dat wij in vermaken of in verstrooiing,, of in gestadigen arbeid zullen trachten de smart
423
14 OCTOBER.
zooveel mogelijk af te leiden, en wat zij tot ons heeft te zeggen Is zóó onbeduidend, dat daarin zich genoegzaam de leegte openbaart van troostredenen, die geen troost bevatten.
Wü hebben een troost noodig, die ons niet ontvalt, ook niet bij het naderen van den dood. Een troost, die onze smart niet wegredeneert, maar die ze heiligt. Een troost, die geen duivel of wereld ons kan ontrooven. En die troost is alleen te vinden aan den voet des kruises. Die troost wordt dan alleen ons deel, wanneer wij tot den Heiland opzien, als tot onzen eenigen Eedder en door Gods genade mogen gelooven „de zonden zijn vergeven.quot;
Als God door den profeet Jesaia zijn volk laat troosten, dan blijkt het, dat alleen het Evangelie, dat van Christus getuigt, de blijde hood-schap is, welke den treurenden en bekommerden zondaar toeroept: wees getroost, uwe ongerechtigheid is verzoend. In datzelfde hoofdstuk wordt gesproken van de vergankelijkheid des menschen. maar aan de menschen, die gelijk zijn aan een bloem des velds, die wel, haast afvalt, wordt het onvergankelijk, het eeuwig Evangelie gebracht. En als wij vragen in onze smart en ellende: wie zal ons troosten en wie zal ons helpen, dan roept de H. Schrift ons toe, wijzende op Jezus Christus: „zie, hier is uw God.quot; Hier is uw Trooster, hier is uw Helper. Buig u voor dien Heiland neder en zoek zijn gunstrijk aangezicht. Hij is gekomen om de treurenden te troosten en de gebro-kenen van harte te genezen. Elke troostgrond, dien wij aan ons zeiven ontleenen, is onhoudbaar; maar de troost, die in Christus wordt gevonden en, dien Hü allen deelachtig maakt, welke tot Hem de toevlucht nemen en zijn heiligen naam van harte aanroepen, dat is de eenige, de ware troost. Zijn naam is Jezus, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonde. Als wij in dien naam tot den Vader gaan, zal het ons aan geen troost ontbreken. Als de H. Geest de ziel des zondaars breekt en verootmoedigt, wordt de behoefte geboren en versterkt om tot Jezus te gaan. En de Geest is het, die aan de harten der geloovigen het heerlijke psalmwoord verzegelt: „als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt.quot;
O! zoo mijn hart, nog afgeleid Door mijne diep\' onwaardigheid,
Uw liefde kon mistrouwen;
Hoe zinkt mijn laatste twijfling neer,
Als ik op uw geschenk, o Heer!
De gift uws Zoons, mag schouwen.
Och! dat ik starend op dien Zoon,
Altijd tot uw genade troon,
424
15 OCTOBER. 42
Vertrouwend, vroolijk nader.
En, veilig in uw liefdeschoot.
Tot U nog stamel in den dood,
„Myn Schepper en mijn Vader!quot;
Gezang 53: 3. Lezen: Job 14. — Psalm 42. — Joh. 14.
W. KOELMAN.
15 OCTOBER.
Psalm 31: 3b: Wees mij.... tot een zeer vast Huis.
Wegens koude en guurheid hebben wij onze huizen gebouwd. Ware er geen storm of koude of gevaar, wij zouden buiten wonen. Daarom doet „huisquot; ons denken aan warmte en veiligheid, aan rust. Gelukkig, wie heeft een ouderlijk huis of een eigen, waar hij zijne vreugde kan uitjuichen en zijn smart uitschreien, veilig voor vreemde oogen en kouden spot; die, als hij zegt: „ik ga naar huisquot;, denkt aan een vredig plekje, waar hem liefde ontvangt.
Toen wij jong waren, bouwden wij ons luchtkasteelen, ze waren nog wankeler dan onze kaartenhuisjes. En wij doen het soms nog. Als God zijn stormwind uitzendt, storten onze sterkste huizen ineen wanneer Hij den adem des levens van onze geliefden neemt, dan hebben wij geen ouderlijk huis meer, dan is het eigen huis zoo leeg en wij worden onrustig, als wy er aan denken.
Zalig hij, die woont in het huis Gods! Op dezen dag der ruste hebben wij misschien een huis Gods bezocht of wij zullen het bezoeken. Welk een voorrecht om te mogen opgaan en, gedachtig aan de belofte, dat de Heere Zijn volk zal verblijden in Zijn bedehuis, daar te mogen nederzitten, vragende: Heere! geef Uw Geest den prediker en ons, die gekomen zijn om te hooren! Arme kranken, of wettig verhinderden, ongelukkige onwilligen! Wy beklagen hen, die het gezamenlijk zingen en bidden moeten missen. Wie gevoelt te moeten gaan naar wet en getuigenis, blijft niet tehuis, wanneer het Woord in getrouwheid wordt gebracht, en zulk een mag menigmaal een zegen ontvangen.
Eenmaal zullen ook deze gebedshuizen vergaan — dan, wanneer de gemeente Gods zal zijn ingezameld in het huis des Vaders, waarin vele woningen zijn. Daarom worden wij op den sabbatdag bepaald bij de bede: Heere! wees mij een sterke steenrots, een
426
vast huis. Welk een geluk de stormen te gevoelen en onrustig te zijn ! De storm van Gods toorn gaat over de menschenkinderen. Wie gevoelt een kind des toorns te zijn, rust niet, voor hij weet in te wonen bij den Heere; den nacht des doods ziende met zijn verschrikkingen, vlucht de ziele tot dien trouwen Verbondsgod, Die niet wankelt in goedertierenheid.
De Heere blijft eeuwig dezelfde. Hij, die gegrepen heeft, heeft voor eeuwig de hand gevat van altijd in zichzelf ellendige kinderen. Daarom hebben zij dit altijd te bidden in hulpeloosheid, ziende op de onmacht om zelf een huis te bouwen en wetende, dat er geen steemots is dan de Heere. Wanneer het hart dan gevaar en koude en ellende rondom en in zich ziet, mag het uitroepen; „het vaste huis Gods -is er, wees Gij mijn Godquot; en wegsmeltend voor den Heere, mag er gejubeld worden de sabbatsjuichtoon: „de Heere is mijn heil.\'
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
O Heer! der legerscharen God!
Zijn mij uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheen,
Om \'s Heeren voorhof in te treen!
Myn ziel bezwijkt van sterk verlangen;
Mijn hart roept uit tot God, die leeft En aan mijn ziel het leven geeft.
Psalm 84; 1.
Lezen: Ps. 84. — 1 Cor. 3. — Ps. 31:1—9.
F. F. J. v. d. PLASSCHE.
16 OCTOBER,
Jes. 57: 15: Alzoo zegt de Hooge en Verhevene, Die in de eeuwigheid ivoont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Wanneer ons een rijke belofte gedaan wordt, is er ons alles aan gelegen, of de belover betrouwbaar is en bij machte om zijne belofte te vervullen.
Wie kondigt zich hier als belover aan? Wat wordt beloofd, en aan wie komt de belofte ten goede?
16 OCTOBEE. 427
God is het, Die spreekt bij monde van den profeet. De hooge God, Die den hemel der hemelen vervult met Zijne heerlijkheid; de Verhevene, Wiens doen majesteit is en heerlijkheid; de Eeuwige, Die de oorsprong van zijn bestaan heeft in Zichzelveu en bij Wien geene verandering is; de Heilige, voor Wiens aangeziciit de reine engelen de aangezichten met hunne vleugelen bedekken. Jehova openbaart zijne gedachten des vredes en der ontferming aan zijn arm, geteisterd volk. En die gedachten, in beloften uitgesproken, zijn eeuwig geldend. Ik woon, zegt Hij, bij den verbrijzelde en nederige van geest.
Welk een heerlijke belofte! Als Gods oordeel over de afgoderij en het bijgeloof der spotters voltrokken wordt, zullen dezen uit angst tot hunne goden schreeuwen, maar tevergeefs. Die goden zijn machteloos; de ijdelheid neemt ze weg. — Maar die op Mij betrouwt, zegt de Heere, door myne hand zal hij gered worden. —
De Heere is nabij den gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. Juist als onze eigenwijsheid bankroet gaat en onze eigen kracht gebroken is bij het zien en gevoelen, dat onze zonden scheiding maken tusschen God en ons hart, is God nabij. Den nederige geeft Hij genade. Wilde God wonen bij, Zijne beschermende en vertroostende nabijheid bestendig geven te ervaren aan den ooc-moedigen Israëliet, om hem op te beuren en moed in te boezemen, niet minder gewis ervaart de Christen de zalige vervulling dezer beloften door de inwoning des Heiligen Geestes in het hart, dat naar Christus schreit. Alzoo levend gemaakt, opgebeurd en bemoedigd, niets van onszelven verwachtend, maar alles, alles van onzen Heiland, zingen wij ootmoedig blijde:
Zingt, aard en hemel! zingt uw Heer!
Het driemaal heilig meld\' zijn eer!
Zingt Hem op hooge tonen!
De lof van God vervuil\' \'t heelal,
Die is, Die was. Die komen zal.
En onder ons wil wonen.
Gezang 2: 5.
Lezen : Jesaja 57. — Psalm 34. — Efezen 3.
J. KROMSIGT.
428 17 ÜCTOBEH.
17 OCTOBER.
Job 2: 9, 10a: Toen zeide zijne huisvrouw tot hem: houdt gij nog vast aan mee oprechtigheid? Zegen God, en sterf.
Maar hij zeide tot haar: gij spreekt als eene der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen\'?
Is het niet zoo, gelijk geschreven staat (Spreuken 25; 14): „het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met eene kijfachtige huisvrouw?quot; Job\'s huisvrouw was zulk eene; ja nog erger. Want zij zocht haren man in opstand te brengen tegen God, en hem te beroo ven van het beste, dat hij nog bezat; zijne lijdzaamheid en zijn geloof.
Denk niet, licht over deze verzoeking! Niemand kent zijn eigen hart, die het niet verstaat, dat de wrevel daar kan post vatten, ja, dat de wraakgierigheid eene eigenschap is, aan niemand van nature vreemd. Of hebt gij het nimmer opgemerkt, hoe zelfs het lieve kind zich wil wreken op het levenloos voorwerp, waaraan het zich bezeerde, ja, hoe het zelfs boos kan worden op zijn ouders, als hunne wijsheid het iets onthoudt, of hunne liefde het moet bestraffen? Welnu, veler ongeloof vindt zijn diepsten grond in deze ontzettende eigenschap van het men-schelijk hart. Sommige menschen — het is vreeselijk om te zeggen, maar het is niet anders — zijn boos geworden op God, omdat zij mee-nen, dat Hij hen niet goed behandeld heeft, hun weg en lot niet zóó geregeld, als zij het gaarne gewild hadden, en zij zijn bezweken voor de booze vraag, die de Satan ook den vromen Job door de schijnwijsheid zijner eigen huisvrouw voor de voeten liet werpen; wat baat het u nu, of gij al in God gelooft. Hem dient en eert — gij ziet het immers, dat het u niets geeft; laat Hem varen, gelyk Hij u laat varen, d. i. zegen God, en sterf!
Welk wapen tegen dezen vijand? Job heeft het gehanteerd. Tegenover de vraag der zotheid „houdt gij nog vast aan uwe oprechtigheid ?quot; de vraag van de vreeze des Heeren, welke is het beginsel der wijsheid; „zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?quot; Wij, christenen, weten meer nog dan Job. Uit ons hart klinke de vraag; „die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ?quot; En, als de Oud-testamentische wijsheid vraagt; „wie weet, wat goed is voor den mensch in dit leven, gedurende het getal der dagen van het leven zijner ydelheid, welke hij doorbrengt als eene schaduw?quot; (Pred. 6: 12), dan heeft de Nieuwtes-
429
tamentische wijsheid het antwoord gereed (Rom. 8: 28): „wij weten, dat dengenen, die God lief hebben, alle dingen medewerken tengoede.quot; Dit zij ons genoeg!
Diepe wysheid zijn uw paden,
Wijsheid zonder eind of paal Zijn, o hooge God! uw daden,
Zijn uw wegen altemaal;
Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid,
Wy aanbidden, zwijgen stil:
Want de wezenlijke Goedheid Maakt het goed met dat Zij \'twil.
Gezang 21: 4.
Lezen: Hebr. 12; 1—H. — Job 2: 1—10. — Rom. 8: 31—39.
Prof. Dr. E. H. VAN LEEUWEN.
18 OCTOBER.
18 OCTOBER.
Lukas 17: 32: Gedenkt aan de vrouw van Lot.
Op gevaarlijke punten pleegt men teekens ter waarschuwing te plaatsen. Wie kent niet, om één voorbeeld te noemen, die drijvende tonnen, die den stuurman aanwijzen, waar ondiepten in het water zijn? Welnu, wat menschen voor menschen doen, dat heeft ook God de Heere voor ons gedaan. Hij heeft „bakensquot; gesteld, die van de grootste beteekenis zijn voor ons geestelijk welzijn. In 1 Cor. lOtoch zegt de apostel Paulus, sprekende over hetgeen den Israelieten in de woestijn wedervaren is: „En deze dingen alle zijn hunlieden overko men tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.quot;
Tot de „bakens Godsquot; nu behoort ook de vrouw van Lot. Immers de Heere Jezus zelf vermaant ons nadrukkelijk, om aan haar te „gedenken,quot; d. i. om ons te spiegelen aan hetgeen haar getroffen heeft.
Wat haar overkomen is, is ons bekend. Wij weten, hoe zij uit Sodom uitgeleid, nochtans is omgekomen; hoe zij midden op den weg des behouds den dood gevonden heeft. Tegen Gods hand in zag zij achterwaarts: haar hart hing blijkbaar nog aan alles, wat zij te Sodom had moeten achterlaten. En zoo staat zij daar als zoutpilaar om ons toe te roepen, wat het lot is van hen, wier harte blijft hinken op twee gedachten, die niet komen tot de besliste keus.
430 19 OCTOBER.
Houden wij ons dus voor gewaarschuwd!
Er zijn er, helaas! die zich wel met den naam van „christenquot; tooien, die wel naar het uitwendige behooren tot de kerk, tot de vergadering van hen, die uit de wereld zijn uitgeleid en gebracht zijn op den weg des levens, maar wier hart tuch eigenlijk nog alleen uitgaat naar de wereld en naar de genietingen, die zij geeft. Hun schat is niet in den hemel, maar op de aarde.
Er zijn wederom anderen, die, begonnen zijnde met den Geest, eindigen met het vleesch, die, gelijk een Demas, de wereld weder lief krijgen en opnieuw zich haar toewenden.
Zien wij dus wel toe, dat wij niet slechts in schijn, maar in werkelijkheid ons bevinden op den weg des levens. Onderzoeken wij ons nauw, of wij in waarheid gered zijn in en door Jezus Christus, en vergeten wij het niet: Wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden.
De Heiland zelf roept ons toe; „Gedenkt aan de vrouw van Lot.quot;
Mijn Heiland! dat uw toekomst mij Tot troost in mijne loopbaan zy.
Tot baak en richtsnoer van mijn\' handel,
Ter noordstar, die mij veilig leidt Op mijne reis naar d\'eeuwigheid;
Opdat ik als een wijze wandel\'
En juich\', daar ik uw toekomst eer:
Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer!
Gezang 158; 7.
Lezen: Gen. 19: 1. — 20 — Luc. 17: 20—37. — 2 Petr. 2.\'
Dr. B. VAN MEER.
19 OCTOBER.
Hebreen 2: 3a: Hoe zullen wij ontvlieden, indien ivij op zoo groote zaligheid geen acht nemen?
Wanneer het licht van Gods genade over de ziel opgaat, dan zingt alles binnen in haar een Hallelujah! Dan is er een plechtig voornemen om den Heere in alles te dienen en nimmer te vergeten, wat God aan haar heeft gedaan. Hoe zou het hart ooit koud kunnen zijn voor hetgeen het eerst zoo brandende heeft gemaakt? En toch, het
19 OCTOBER. 431
onbegrijpelijkste gebeurt; het ongehoordste geschiedt. Men kan koel, gevoelloos, werkeloos worden ten opzichte van het voorwerp, dat de oorzaak van ons eeuwig geluk is. De groote zaligheid, die ons eerst, overstelpt van heilgenot, aan Jezus\' voeten deed neerzinken, kan ons zoo koel en onverschillig laten! Welk een omkeer! Voor de zachtheid der lente is dan de guurheid van den herfst gekomen; voor den blauwen hemel het donkere zwerk; voor de rozen de distelen, voor het paradys de woestijn!
Doch zien wij de inzinking van het eertijds opgerichte, de neerdaling van wat zoo heerlijk omhoog steeg; den worm, in het stof kruipende, die eertijds de kapellenvleugelen in het goddelyk zonlicht mocht uitslaan.
Geen acht nemen op de grootste schat, die voor eeuwig ons rijk maakt - is het niet onverantwoordelijk? Jezus vergeten en verloochenen, aan wien wij alles te danken hebben en die nog altijd leeft om onze voorspraak te zijn — is dit te verschoonen ? Komt het te pas voor iemand, die het heil der verlossing in Christus heeft gevonden, om zich neer te zetten aan de wateren der zonde en zich krank te drinken aan hun zoet vergif? Mogen wij aan de gouden appelen die de Verleider in den Ohristelijken loopbaan werpt, allen aandacht wijden en de kroon uit het oog verliezen, aan het einde der baan opgehangen?
De gepastheid van \'sHeeren eisch moet ons daarom een diepen indruk geven van onze verantwoordelijkheid. Want het is geene zonde jegens een mensch, maar jegens Jezus Christus gepleegd; niet jegens een vreemd, maar jegens een vriend, indien wij de zaligheid niet achten. Het is den Heiligen Geest bedroeven, Christus smaadheid aandoen, den Vader vertoornen. Of prentte de Heilige Geest ons geen andere roeping in; heeft de Heere Jezus niet gansch wat anders aan ons verdiend; heeft de Vader ons daartoe tot zijne kinderen aangenomen ? Blijft de Heiland niet altijd onze Zaligmaker en kunnen wij Hem, ook maar één oogen-blik, tot ons eeuwig behoud missen ? Denkt Hij niet gestadig aan ons met innerlijke ontferming; draagt Hij ons niet te allen tijde op Zijn hoo-gepriesterlijk hart; zijn wij niet in Zijne handpalmen gegraveerd en is eene liefde met de Zijne te vergelijke? Wat dunkt u, heeft dan de waarschuwing, eens tot de Christenen uit de Hebreen gericht, ook geene ernstige beteekenis voor ons: „Hoe zullen wij ontvlieden indien wü\' op zoo groote zaligheid geen acht nemen?quot;
Verbreek in mij nu, voor altijd.
De neiging tot de zonden.
Geef mij, dat ik in dezen strijd Verwinnaar wordt bevonden;
20 OCTOBER.
Versterk mijn kracht tot alle goed,
Dat ik, met een oprecht gemoed,
Godvruchtig voor U wan lel\'.
Gezang 33: 6.
Lezen: Hebr. 2; 1—9. — Psalm 95. — Hebr. 12: 18—29.
H. MALCOMESIDS.
20 OCTOBER.
1 Johannes ö: 40: Dit is de over winning, die de ivereld overwint, namelijk ons geloof.
Er zijn er wel, die het geloof zouden willen beperken tot het een of ander hoekje van het persoonlijk zieleleven van den mensch. Maar we zien hier, dat de H. Schrift er anders over denkt. En het is inzonderheid de eere van de Gereformeerde Kerk, dat zij die waarheid tegenover allerlei Doopersche dwaling heeft gehandhaafd.
Ja, de christen heeft in de wereld de wereld, d. i. het zondige, te bestrijden en tevens de wereld, d. i. het door God geschapene in zijn wijdsten omvang, te herwinnen. Want immers: „de aarde is des Hee-ren, mitsgaders hare volheid.quot; En hoewel de Satan genoemd wordt „de vorst dezer wereld,quot; zoo is deze heerschappij toch slechts eene, onder Gods ondoorgrondelijke toelating aangematigde heerschappij, en zoo moet dan ook die wereld en al haar volheid door diegenen, die in beginsel van de banden des Satans zijn bevrijd, voor den Heere hunnen God en voor zijnen gezalfden Koning weer opgeëischt worden.
„De wereld en hare woZ/ieid,quot; d. vv. z. er is geen enkel gebied van het menscheiyk leven, dat als een soort neutraal terrein aan Zijne heerschappij mag worden onttrokken. Christus moet als Koning heerschen. niet alleen in Zijne Kerk, maar ook in den Staat en ook in de gan-sche maatschappij, m. e. w. in het gansche, volle, rijke menschen-leven in zijne veelzijdige vertakkingen, niet alleen op het gebied van den godsdienst in engeren zin, maar op dat van wetenschap en kunst en van de onderlinge samenleving, van rijk en arm, van heeren en dienstbaren. Dan pas eischt de gemeente van Jezus Christus van Satan op datgene, dat hij wederrechtelijk omvangen houdt.
Mijn broeder, naamt ge reeds dienst in dezen heiligen oorlog? Vergeet dan niet te „beginnen bij Jeruzalem.quot; Zijtge een „medearbeider Godsquot; in de heiliging van uw persoonlijk karakter? Zijtge pries-
432
433
ter in uw gezin? Zijt ge dienstknecht van Ctiristus ook in uw dage-lijksche roeping en in elke roeping, die God u verder gaf om invJoed te oefenen op de maatschappü ? —
En nu, indien ge vraagt: wie komt hierin niet te kort. wie is tot \'deze dingen bekwaam?quot; — is Christus dan niet, indien gy toch Zijn discipel ztjt, uw Hoofd en Middelaar? Hebt gij in Hem niet alles? Is Hij niet uwe rechtvaardigheid voor God? Zijt ge niet in Hem volmaakt? Zijt ge niet „in Hem meer dan overwinnaar?\'\' Welnu, mijn broeder, „geloof a.leenltjk.quot;
Waak, christen, waak, blijf in \'tgeioof,
Dat niemand u die kroon ontroov\',
Gedraag u manlijk, wees kloekmoedig;
In \'s Heeren aanbevolen werk Standvastig, onbeweeglijk, sterk,
Volijvrig, altijd overvloedig:
üw arbeid zal in onzen Heer Niet ijdel wezen; Hem zü d\'eer.
Gezang 77: 1.
Lezen: 1 Joh. 5. — 1 Tim. u. — Rom. 10.
J. KROMSIGT.
21 OCTOBER,
Philippensen 1: 6: Vertrouwende dit zelve, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus.
Welk godvreezend gemoed, dat soms naar de daarboven gesmaakte zaligheid hunkerde, zag niet vaak om naar den waarborg zijner eigen zegepraal in \'s levens zwaren kamp? Voor dat hart is de dagtekst een uitnemend woord: het komt verzekeren, dat de grond der zalige verwachting van de bevoorrechte erfgenamen niet in hen, maar in de heerlijke deugden Gods ligt.
Het goede werk, het werk der waarachtigquot; bekeering, dat in iede-ren zondaar moet plaats hebben, zal hij uit de duisternis worden geleid, was in de Philippensen aangevangen door den Volzalige, die het, daarvan was Paulus verzekerd, tot volmaaktheid brengen zou, wanneer heel zijn volk zonder vlek of rimpel voor Hem staan zou.
De mensch, in wien dat werk een aanvang nam, leert zijne verwijdering van God zien en begint de zonde te verfoeien; komt in den
DAGBOEK. 9g
434
door God gestelden weg tot de zalige geloofsomhelzing van den Heiland, opdat hy, door Hem in de gunst Gods hersteld, den vrede geniete, die alle verstand te boven gaat.
Maar daar moet meer zijn: daar moet een voortgaan zijn op den weg, ondanks zooveel belemmeringen; een volharden in \'sHeeren dienst, ondanks zooveel, dat naar de aarde trekt; een vasthouden aan de hoop, ondanks zooveel, dat vrees aanjaagt. En zie, nu wordt die voortgang van het goede werk in dit woord gewaarborgd: al wat deze Beginner uit de duisternis trekt, leidt Hij ook voort tot de heerlijkheid, waartoe Hij het heeft verkoren! Heeft heerschappij voerende genade in den aanvang verstand en wil omgebogen, haar komt ook bij den voortgang de eer toe en zoo jubelt dan elke wedergeboren ziel in Paulus\' geest: „Die mij naar zijn eeuwig voornemen riep en rechtvaardigde, zal my ook heiligen en volmaken.quot;
Hoe hecht is dan ook de grondslag van dit gebouw der hope! Hoe toch zou die God het werk Zijner handen kunnen laten varen?
Niet slechts de zaligheid der Zijnen, maar ook de eer van Zijn eigen Naam staat of valt met de voltooiing van dat Godswerk in de harten der Zijnen.
Is dit goede werk in ons aangevangen? Bekommerd en verontrust gemoed, zij de Heere Jezus en het Zijne steeds meer het plechtanker uwer hoop; houd moed, wat gü tot voortgaan noodig hebt, is ruimschoots in Hem te vinden!
Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is \'t, dat mijns vyands gramschap brandt. Uw rechterhand Zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw, als sterk;
Hij zal z;in werk Voor mij volenden;
Verlaat niet, wat uw hand begon,
O, Levensbron!
Wil bijstand zenden.
* Psalm 138: 4.
Lezen: Psalm 62. — Psalm 116. — Philipp. 1: 1—11.
P. F. VAN DEN NIEUWENHUIZEN.
22 OCTOBEE. 4
22 OCTOBER.
2 Kronieken 29: 10a: Nu is het in mijn hart, een verbond temaken met den Heere, den God Israels.
Eon vroom Nederlandsch dichter uit langverleden tijden, die de ontheiliging van den Christelijken Rust- of Sabbatdag in zijne dagen diep betreurde, zong en bad eens ongeveer aldus: „Maak, Heere! den Sowdagh, dyn Soonsdagh, thans zoo vaak een .Sowd\'dagh. tot een Soen-daghquot;.
De beteekenis van deze woorden is wel voor niemand onduidelijk, die, als deze dichter en bidder denkt aan Paulus\' bede (2 Oor. 5:20): „Wij bidden van Christus\' wege, laat u met God verzoenen.quot;
Spreke die bede ook tot ons harte. Zü het ons voor ons zeiven, onze gezinnen en ons volk, om heiliging, meerdere heiliging van den Zondag als Christelijken rustdag te doen. Laat ons daarbij ons niet verloopen in eene letterknechterij, als van de zoogenoemde Sabbatisten, die den eersten voor den zevenden dag inruilen willen. En verga het ons als Hizkia, om, desnoods voor tienduizenden, van den Koning der koningen, openlijk, als van de daken, het te verkondigen: „Nuis het in mijn hart, een verbond te maken met den Heere, den God Israels.quot;
Voorzeker kan en moet zulk een besluit te allen dage opkomen in wie besluiteloos zijn. Maar wanneer dringt en roept en maant het geweten, voorgelicht door het woord onzes Gods, er wel meer toe dan op den Zondag? Dan „behooren wij naarstig tot de gemeente van God te komen, om Zijn woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God den Heere openlijk aan te roepen en Hem door Zijnen Geest in ons te laten werken, opdat de eeuwige Sabbat der verlustigingen van \'s Heeren volk in de hemelsche Tabernakelen, iu dit leven voor ons reeds aanvangequot;. (Catech. 38.)
Hizkia deed reeds, als 25-jarige, „wat recht is in de oogen des Heerenquot;. Dien geestelijken zin had hij niet van zijnen goddeloozen vader (2 Kron. 28: 15); hij is gelukkig een toonbeeld, dat ongenade zoomin als genade een erfgoed is; eene levende persoonlykheid, van wie het in het Nieuwe Testament heet: „zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hy macht gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk, die in Zijnen Naam gelooven; welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.quot;
En nu? In tegenstelling met Hizkia, wat ziet men bij maar al te velen in deze dagen? Jongelieden en jonge dochteren van aanzienlijken, ook van niet aanzienlijken huize „gaan niet in de wereldquot;, worden niet „gepresenteerdquot; aan hoogen of minder hoogen, vóór zij be-
436 22 OCTOBER.
lydenis hebben gedaan en bevestigd zijn en „voor het eerst mede aan (n.1. het Heilig Avondmaal) geweest zijn.quot; Maar dan, nadat dezew»--melijke, uitwendige verbondssluiting tusschen den mensch en den Heere, (of wat anders dan verbondssluiting met den Heere is eigenlijk geloofsbelijdenis en bevestiging), wat dan? Dan gaat het naar bals, comedies, partijtjes, kortom, naar wat zoo recht uit de wereld, in de wereld, met de wereld en wereldsch is!
„Het vleesch tegen den Geest!quot; „De natuurlijke mensch bedenkt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, ze zijn hem dwaasheid!quot; Maar wat is hij voor den Rechtvaardige? Die een vriend, een mededoener der wereld is, is een vijand van God!
Och! laat ons den Zondag, wijl Christelijken Rustdag, in eere houden en gebruiken waardiglijk den Heere. Zondag was eens de dag onzes Heiligen Doops! Zondag, vooral de dag der prediking van Gods Raad, in den voor onze zonden aan het kruis gestorven Christus, tot behoudenis van zondaren! De dag, voor het meerendeel van wie ge rechtvaardigd zijn door Christus\' bloed, dat zij Christus Jezus hebben aangenomen, en namen van dat brood en dronken van die lafenis, die verkwikken ten leven!
Laat ons dien dag niet „gemeen makenquot; door zelf mede te doen met het toongevend ongeloof. Laat ons dien dag niet gemeen laten maken, door wie doen vreezen, dat op hen gevallen is een geest des diepen slaaps!
Christenen, vrijgekochten des Heeren, laat ons wakker, teeder, moedig en wakende zijn! Wakende door het voorbeeld; door het vermaan, door het woord - en meest door het gebed. Laat, de Zondag, zoo vevhonds-sluiting met den Heere onzen God onzerzijds reeds geschied mocht zijn, ons. zoo vaak hij mag aanlichten, een dag der wekelijksche verhonds-vernieuwing zijn, plechtig, openlijk, zichtbaar voor de oogen van God en de menschen, zooveel maar mogelijk! En dan geschiede ons uit genade naar de belofte; „Ulieden, die Mijnen Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen; ja, gij zult uitgaan en toenemen!quot;
Gij, Jezus! die ons saam verbindt,
Wil zelf dien band versterken.
Laat liefde liefde werken;
Dat, waar ons ooit de wereld vindt,
Zij uwen naam ter eer,
Van ons ook liefde leer\'.
Gezang 69: T.
Lezen: 2 Kronieken 29, — Ezecli. 20; 12—44. — 1 Cor. 16: 1—14.
W. H. J. BAART DE LA FAILLE.
23 OCTOBER.
23 OCTOBER.
Hosea 2 : 13: Ziet, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn en Ik zal naar haar hart spreken.
Wat is toch menigmaal het leven van Gods lieve kinderen zwaar en moeilijk in dit Mesech! Vooral dan, als donkerheid in de ziele is en zij zich omringd zien van zooveel, wat hun Gods vriendeliik aangezicht verbergt.
En toch. juist dan, in die moeilijke oogenblikken des levens, verlaat God de Zijnen het minst, maar spreekt ook dan een woord tot de vermoeide ziel, een woord van troost en kracht.
Daarom zegt de Heere ook zelf in zijn Woord; Ziet, Ik zal ze lokken en voeren in de woestijn, en Ik zal daar naar hun hart spreken.
En juist dat is gemeenlijk de weg, dien de Heere met de Zijnen houdt.
Wanneer de ziele, ontdekt door den Heiligen Geest, aan Gods voeten is neergezonken en Zijne vergevende genade heeft gesmaakt, dan brengt God haar wel eens, om haar te beproeven, in de woestijn. Hy lokt haar, zegt de profeet, en ja, dat doet Hij, gelijk een hen hare kiekens, en Zijn volk moet Hem dan volgen.
Maar dan niet alleen op een Thabor der heerlijkheid, maar ook in een Gethséniané der benauwdheid of op een Golgotha des lijdens.
Maar ook daar worden zij van Hem niet verlaten, hoewel zij zich dat dikwijls voorstellen.
Feen, God komt daarjuist tot hen, om naar hun hart te spreken.
Waar, gelyk in een woestijn, zij zich zoo eenzaam gevoelen, daar spreekt Hij naar hun hart en toont Hij hun, hoe Zijne zalige nabijheid hen vermag te troosten en zü mogen leeren aan den Heere alleen genoeg te hebben.
Daar leert Hy hen, gelijk Hy Zijn Israël in de woestijn leerde, op Hem alleen te vertrouwen en bij den dag uit Zijne hand te leven.
En is dat ook uwe ondervinding geweest, dan kunt gij ook niet anders getuigen dan: ook daar was het mij goed.
In de woestijn des lydens sprak Hij naar uw hart van den balsem in Gilead.
In de woestijn der krankheid wees Hij u op den eenigen Heelmeester.
In de woestijn des levens sprak Hij tot u naar weg, staat en toestand noodig had.
43
438 24 OCTOBER.
O, laat dan ook verder niet droevig uwe oogen staren en hopeloos uw harte treuren, waar ook een woestijnweg uw deel wordt.
In de woestijn is ook uw God, en die God zal daar tot u spreken, naar al, wat uw hart noodig heeft en behoeft.
Merk op, mijn ziel! wat antwoord God u geeft;
Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft,
Zijn gunstgenoot, van blijden troost en vreê.
Psalm 85: 3a.
Lezen : Hosea 2: 5—22. — Psalm 43. — Lucas 15: 11—24.
G. NIJHUIS.
24 OCTOBER.
Openbaring 16: 15: Ziet, Ik kom als een dief.
De Heere Jezus waarschuwt tegen het oogenblik van Zijne komst in gelijkenis. Hij zal komen als een dief. Hij zal dus komen onverwacht: niet eerst in den grijzen ouderdom, maar ook op jeugdigen leeftijd, niet alleen tot kranken, maar ook tot gezonden; niet slechts op feestmalen, als Beltsasar en Jobs kinderen ondervonden, doch ook in kommer en gebrek.
Hij zal komen onzichtbaar, ook daar, waar men Hem niet verwacht.
Hij zal komen met kracht; zelfs de onwillige, de onvoorbereide, de onbekeerde moet op Zijne roepstem het tijdelijke met het eeuwige verwisselen.
Hij zal komen ongewenscht. De rijke zal zijne schatten, de we-reldling zijne zondige vreugde moeten verlaten. Niemand mag denken: ik ben op deze wereld, in mynen kring, onmisbaar. Zoodra de Heere Jezus komt, eindigt het heden der genade; de mogelijkheid der bekeering wordt weggenomen, en de lankmoedigheid Gods spaart niet meer.
De Heere Jezus is niet een dief, Hy komt als een dief. Hij komt bü onzen dood en bij zyne eindelijke wederkomst.
Dat wij de waarschuwing des Heeren ter harte mogen nemen! Dat wij zoeken veilig bij Jezus te zijn tegen het stelen, slachten en verderven van den echten dief, den Satan!
De Heere Jezus komt niet alleen als een dief, maar ook als de hemelsche Bruidegom.
Wie zijn wij? Nog steeds vijanden en vreemdelingen van de ver-
25 OCTOBER. 439
bonden en de beloften der genade, zonder ware belangstelling in het heil onzer ziel, zonder lust in het Woord Gods, zonder begeerte naar het leven door geloof, zonder God en Christus, midden in de wereld? Of zijn wij, door genade, van harte veranderd, wijze maagden, de bruid van Christus?
De Zoon des menschen, als Hij komt, zal Hij geloof bij ons vinden ?
De Heere Jezus komt verschillend, hier in gunst, daar in toorn, als een lam, ook als een leeuw, als Eechter, ook als Vrijspreker.
Vreeslijk za. het zijn, zoo wij ons goed in dit leven hebben gehad en in eeuwigheid smart lijden. Die niet heeft, zal zich ook zelfs de meening zien ontrukt, dat Hij Gode behaagde.
Zalig, die geloovig, biddende verwachten de komst des Heeren; die waken, omdat zij niet weten, wanneer hun Heere komt. Als de Heere komt, neemt Hij hen weg uit schuld en leed, uit strijd en zwakheid, en mogen zij ingaan in de vreugde huns Heeren.
\'t Juich\' al voor \'t aangezicht des Heeren.
Hij komt, die d\'aarde zal regeeren En richten, vol van majesteit:
De wereld zal gerechtigheid,
Het menschdom zy\'ne waarheid eeren.
Psalm 96 ; 9.
Lezen; Matth. 24: 42—51. — Matth. 25; 1—13. — i ïhess. 5.
JOH. OOSTERHTTIS.
25 OCTOBER.
Ezra 8: 21—23; Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken eenen rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have.
Want ik schaamde mij van den koning een heir tn ruiters te hegeeren, om ons te helpen tegen den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar zijne sterkte en zijn toorn over allen, die Hem verlaten.
Alzoo vastten wij, en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.
25 OCTOBER.
Onze dagtekst wijst ons op een bidstond, gehouden aan een rivier, nu ruim 2300 jaar geleden.
Ezra, een man uit het hoogepriesterlijk geslacht van Aaron, een schriftgeleerde (de eerste, die dezen naam draagt,) leidde hem. Met een uitgestrekte volmacht van zijn vorst voerde hij eene kolonie van 1900 mannen naar Jeruzalem om daar alles, overeenkomstig de wet te regelen, wat sedert Jozua\'s en Zerubabels dood in wanorde was geraakt.
De reis door de woestijn werd, onder bizondere goddelijke bescherming, gelukkig in vier maanden volbracht, en met vroolijke dankoffers werd de aankomst gevierd.
Helaas ! op hoeveel afval stuitte hij weldra ! Op ieder gebied moest reformatie ter hand genomen worden. En hoe wekte dit de vijandschap van velen op! Eerst 13 jaren later kon hij, op het Loofhuttenfeest, het wetboek voorlezen, den troost des geloofs meedeelen voor een berouwhebbend volk en de plechtige oorkonde vervaardigen van het verbond, dat Israël weer met zijn God aanging.
Dan verdwijnt Ezra uit de geschiedenis. Zijn volk noemt hem den tweeden Mozes en kent hem groote verdiensten toe, wegens de verzameling der H. Schrift.
Die man leidt aan de rivier Ahava den bidstond. Persoonlijk had hij reeds gebeden (Ezra 7: 6 — 15.) Maar nu moet het volk zich verootmoedigen, door vasten en gebed.
Waarom ? Och, toen hij uitging, presenteerde de Koning hem voetvolk en ruiters tot geleide. Neen, had de kloeke man gezegd: „Jehova is onze Beschermer.quot;
Maar nü — maar nü ?
Gevaren dreigden van alle kant. Het zal er op aankomen. En als er straks hervormd most worden!
De eer van Jehova is er mee gemoeid. Neen, neen, hij wil geen hulp vragen bij een heidensch vorst, te meer, daar hij ze eerst afwees. De God Israels is getrouw — mits het volk niet tot dwaasheid keere, of als het afgekeerd is, wederkeert.
„Alzoo vastten wij en verzochten zulks van onzen God, en Hy liet zich van ons verbidden.quot; Heerlijke vrucht van dien bidstond. Straks vieren zij het Loofhuttenfeest als weleer, en Jehova komt aan Zijne eere.
En wat zegt die bidstond tot ons ? Denken wij er heden over na. En de Geest der genade en der gebeden en der verootmoediging kome over ons en de onzen!
440
26 OCTOBER.
Gedenk niet meer aan \'tkwaad, dat wij bedreven;
Onz\' euveldaad word\' ons uit gunst vergeven;
Waak op, o God! en wil van verder lijden
Ons klein getal door uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig Heer!
Uw grooten naam ter eer;
Uw trouw koom\' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade !
Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden.
In eeuwigheid uw lof, uw eer verbreiden;
En zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, uw roem, uw onverwinbre krachten.
Psalm 79: 4 en 7.
Lezen : Ezra S : 21—32. — Psalm 79. — Lukas 18; 1—8.
J. H. WIERSMA.
26 OCTOBER.
Numeri 20; 23 — 27: De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land Edoms, zeggende:
Adron zal tot zijne volkeren verzameld worden, want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, om dat gijlieden mijnen mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Mériha.
heem Aaron, en Eledzar zijnen zoon, en doe ze opklimmen tot den berg Hor.
En trek Adron zijne kleederen uit, en trek ze Eledzar, zijnen zoon, aan; want Aaron zal verzameld worden, en daar sterven.
Mozes nu deed, gelijk als de HEEBE geboden\\had; ivant zij klommen tot op den berg Hor, voor de oogen der gansche vergadering.
„Het zal geschieden, dat het licht zal zijn ten tijde des avonds, alzoo heeft eens de profeet Zacharia gesproken. Dit woord is op my nigen herfstdag van toepassing. Meermalen hangt er in den herfst des morgens en ook nog tegen den middag een nevel over de aarde, maar na den middag gebeurt het, dat die nevel optrekt en de avondzon vriendelijke stralen over het aardrijk verspreidt.
Dit profetenwoord is nog meer van toepassing op het sterven van Gods kinderen. Ook op het sterven van Aaron, den dienstknecht des Heeren.
44)
26 OCTOBER.
Oppervlakkig beschouwd zouden wij zeggen : „zoo was het bü Aaron juist niet. Zyn woestijnleven was in menig opzicht een lange, donkere dag van veertig jaren en het was voor hem nog donker ten tijde des avonds.quot; Jehova toch was nog niet vergeten, dat Aaron bij de wateren van Meriba had gezondigd ; het wordt Aaron aangezegd, dat hij sterven moet. Tijd en plaats van ziinen dood worden hem bekend gemaakt en er wordt aan toegevoegd: „hij zal niet komen in het land, dat Ik den kinderen Israels gegeven heb.quot; Dat goede land, om hetwelk hij voor het aangezicht des konings, den toorn van Farao had verdragen, om hetwelk hij bijna veertig jaren zich de ontberingen der woestijn had getroost — hij zal er niet inkomen, hü zal het niet zien. Was het voor hem niet donker ten tijde des avonds ? Het moge zoo schijnen, doch het is zoo niet. Zie hem den berg Hor beklimmende. Zü\'n uur om te sterven was gekomen, maar hij was om te sterven bereid. Zie hem op den top des bergs, zoo ver van de aarde, zoo dicht bij den hemel, zie bij hem Mozes, zijn broeder, Eleazar, zijn toebeminden zoon.
Ontdekken wij daarin niet eene beschikking der liefde zijns G-ods ? — En konden wij hem in de eeuwigheid volgen, wij zouden hem zien uit de woestijn in het vaderland, uit den stryd overgebracht in de rust, die overblijft voor het volk God.
Zal het voor u licht zijn ten tijde des avonds? Laat dan de ure van uw heengaan, die laatste, de eerste zijn in uwe gedachten. Zie van Hor naar Golgotha. Geloof in Hem, die daar ook uwe zonden droeg op het hout. Laat Christus over u lichten, en het zal in alle eeuwigheid licht voor u zijn.
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hü overlaadt ons, dag aan dag.
Met zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid!
Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hü schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons \'t eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
Zelfs bij het nadren van den dood.
Volkomen uitkomst geven.
Psalm 68: 10.
Lezen: Num. 20: 1—13. — 2 Cor 5. — Hebr. 4.
H. VAN SELMS.
442
27 OCTOBER.
27 OCTOBER.
2 Kron. 83; ISa: Toen erkende Manasse, dat de Heere God is.
Hoe heerlijk is dit getuigenis van den eertijds zoo goddeloozen en wellustigen Koning! Toen eerst, en derhalve moet er een tijd geweest zijn, dat Mariasse dit niet erkend had. Zoo is het. Ach, wat zedelijk monster was deze goddelooze zoon van Hizkia in de eerste jaren zyner regeering! Hoe zien wij het dus ook hier weer, dat genade geen erfgoed is, dat eene godsdienstige opvoeding en het goede voorbeeld van een vromen vader niet in staat zijn de macht der zonde in het kind te breken! Hoe menigmaal zal toch Hizkia met en yoorzijn kind gebeden hebben; hoe menigmaal hem gesmeekt hebben toch den God zijns Vaders in erkentenis te houden, als hij eenmaal den troon zou beklommen hebben! Tevergeefs; hij holde toomloos voort op den breeden weg des verderfs. Tevergeefs? neen, vrome vader. God heeft uwe gebeden gehoord en zal ze op Zijn tijd verhooren, ook al zult gij het niet beleven. Dit kind van zooveel tranen en gebeden zal niet verloren gaan. In de ure des welbehagens zal de ifeere dit stugge hart breken, dezen onreine herscheppen. Wat de lokstemmen Zijner liefde niet vermochten, zullen Zijne oordeelen en kastijdingen uitwerken.
Hij, die den verloren zoon als zioijnenhoeder tot zichzelven deed komen, zal dezen in zijn ketenen tot de belijdenis brengen, dat de Heere God is.
Hier in den kerker overtuigt hem de H. Geest van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zijn bezoedeld verleden doemt voor zijn geest op. Wat een zedelijk monster is hij nu in eigen oogen\\ En, terwijl de tranen van oprecht berouw over zijn vermagerde kaken biggelen, werpt hij zich op den harden kerkergrond op de knieën en bidt: „gena, o God, gena voor mij, den grootste der zondaren.quot;
En de Heere, die nooit een bidder staan laat, liet zich van hem verbidden.
Na lange en bange worsteling rijst hij op met de zekerheid der schuldvergiffenis in het hart. En daar de Heere nooit half werk doet, maakt Hij, het doel der kastijding bereikt zijnde, ook den gevangene los, om als een nieuwgeborene weer den troon te bestijgen.
Zoo aanbiddelijk zijn Gods wegen!
Vrome ouders, houdt dan sterk aan in het gebed voor uw afgedwaald kind! Diep gezonkenen, wanhoopt dan nooit aan de genade,
443
28 OCTOBER.
maar zegt: „indien er voor zulk een monster als Manasse nog genade was, dan ook voor mij.quot;
Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden.
Vreest niet, gelooft alleenlijk.
\'k Bekend\', o Heer! aan U oprecht mijn zonden;
\'k Verborg geen kwaad, dat. in mij werd gevonden ;
Maar ik beleed, na ernstig overleg Mijn booze daan; Gij naarat die gunstig weg.
Dies zal tot ü een ieder van de vromen,
In vindenstij d, met ootmoed smeekend komen.
Een zee van ramp moog met haar golven slaan;
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
Psalm 32. 3.
Lezen ; 2 Kron. 33 : 1—20. — Jes. 1 : 1—18. — Luk. 15 : 11—24.
M. J. SANDERS.
28 OCTOBER.
Psalm 106 : 4 en öa: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot ino volk, bezoek mij met uw heil.
Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen.
In bovenstaande verzen spreekt de psalmist zijne wenschen uit als eene bede, om het aanschouwen van het goede der uitverkorenen des Heeren: d. i. mede blijdschap te hebben met de blijdschap van Gods volk en zich mede te mogen beroemen in hetgeen aan \'s Heeren erfdeel te beurt valt.
De wensch is den zegen der bekeering mede te mogen genieten, dus niet bloot de waarheid erkennen en belijden, dat de rechtvaardigen welgelukzalig zijn en de goddeloozen \'s Heeren wrake ondervinden, — maar mede deelen in de gerechtigheid. Daarom „gedenk mij naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil.quot;
Wat ge Uw volk beloofd hebt, worde ook mijn deel, opdat ook bij mij het doel bereikt worde, het goede, dat weggelegd is voor uwe uitverkorenen, waarin zij zich verblijden, waarin zü roemen, te aanschouwen, ja, meer dan dat, te genieten.
Dat is, tegenover de zonde en hare gevolgen in dezen psalm beleden, het goede deel.
444
28 OCTOBER. lt; 445
Waar een gedenken is van de eindelooze genade in \'s Heeren daden, wordt er voor heel een volk gesproken, maar, uit het opwekken tot persoonlijke bekeering en liefde tot den Heere, blijkt toch, dat het voor elk in \'t bizonder op het leven der ziele aankomt.
Het Is maar niet iets goeds, iets liefelijks naar menschelijke gedachte, want de mensch gaat met zijne overleggingen uit naar de wereld. Ook zij, die voor zichzelven wat anders en beters mochten leeren kennen, doen het nog.
Vraag een vriend of verwant naar een der zijnen, elders toevend: O! is \'tantwoord: ze hebben \'tgoed! D. w. z. ze hebben eten, drinken, kleederen! Alsof \'s Heeren Woord niet meer gold, dat wij toch niet, als de heidenen, zouden vragen: waarmede zullen we ons kleeden ? Wat zullen we eten en drinken? —
Neen! zegt een ander: daar is meer voor noodig en intusschen verzekert hij u, hoe goed hij \'twel eens gehad heeft en men aarzelt en wyfelt!
Ook dat niet. Niet, — iets goeds, maar het goede. En wel üwei-uitverkorenen.quot; Dus dergenen, die de Heere Zich verkoos, die Hy uit eeuwig vrije genade tevoren tot Zijn heil bestemde, wat niet in de wereld, maar in de gemeenschap met den trouwen Bondsgod is gelegen. Daarom alléén zij \'tons te doen. Daarnaar gaan onze verzuchtingen uit. Mochten we ;t heden vinden, wat in den weg der recht-vaardigmaking uit \'t geloof, om niet door Gods genade in Christus Jezus gevonden wordt!
Welzalig elk, die \'t recht betracht,
Die \'tallen tijd zijn wetten acht.
O Heer! laat mü naar \'t welbehagen.
Dat G\' in uw volk steeds hebt getoond.
Ook roem op uw bescherming dragen En met uw zegen zijn bekroond.
Geef dat mijn oog het goed\' aanschouw\',
\'tWelk Gij uit onbezweken trouw Uw uitverkoornen toe wilt voegen.
Opdat ik U mijn rotssteen noem\',
En, deelend in uws volks genoegen,
Mü met uw erfdeel blij beroem\'.
Psalm 106: 2, 3.
Psalm 80 : 1—20. — Rom. 8 : 24—34. — Psalm 106 : 1—15.
D. J. TEIJER.
29 OCTOBER.
29 OCTOBER.
Psalm 39: 8: En nu, wat verwacht ik, o Heere, mijne hoop, die is op U.
Als de dichter dit uitroept, dan is het geen ydele roemtaal, geen pralen met zün ongeschokt geloofsvertrouwen, geen verheffen van zich zeiven in zijn goed toevoorzicht op de hulpe van Jehova. Immers er volgt: „Verlos mij van al mijne overtredingen,quot; en ook hierdoor heeft hij gezondigd, dat hij veel durfde verwachten van zich zeiven. — „Ik zeide: „Ik zalquot; ... en zijne zonden vermenigvuldigden, hü gevoelt zijne zwakheid, en er is voor hem geen andere weg, dan het toevlucht nemen tot zijnen God. —
Ook bij ons was het zoo menigmaal: „Ik zalquot; — en zooveel zouden wij doen, zooveel zouden wij nalaten; wy zouden strijden en overwinnen en hoe droevig eindigden al onze goede voornemens. —
Zoo mag het heden niet zijn. Op den eersten dag der week willen wü rusten van onzen arbeid, willen wij hooren naar de prediking van het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus, om al onze verwachting te hebben van den Heere, onzen God, al onze hope te bouwen op Zijne genade. -
Zoo moeten wij den dag des Heeren vieren. Zoo alleen ontvangen wij een zegen. —
Wij kunnen ook niets verwachten van ons zeiven. Niets van onze deugd, die voor den Heilige is als een wegwerpelijk kleed, niets van onze vroomheid, die zelfs in onze eigen oogen zoo innig niet is, niets van onzen ernst, die menigmaal blijkt niet zoo diep te gaan, niets van ons kerkgaan, waaraan wij ons misschien dikwijls om allerlei redenen durven onttrekken, ook niet van on^ geloof, dat telkens en telkens weer wordt geschokt, maar alles door het geloof, dat uitroept: „En nu, wat verwacht ik, o Heere, mijne hoop, die is op ü.quot;
Maar o, de gedachte kan in ons opkomen : Mag die roemtaal wel zijn op mijne lippen? Wij denken aan onze vele zonden, aan ons ongeloof, en er is geene vrijmoedigheid om op genade alleen te hopen. En toch, wij hebben niet te vreezon, indien wij maar in oprechtheid bidden: „Verlos mü van al mijne overtredingen;quot; indien wij maar be-^eeren naar den troost van dat Evangelie, dat ons zegt, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. — Onze verwachting, al onze hoop zij alleen van Zijne genade!
446
30 OCTOBER.
O Gr ij, die onze schuld woudt boeten,
Door uwe gadelooze pijn,
O Heiland! leer mij aan uw voeten
In eigen oog een zondaar zijn.
Met al myn deugd, bij al mijn werken,
Vind ik geen troost, die mij kan sterken,
Geen hoop, dan die ik op U bouw;
Op uw genade zal ik leven,
Op uvv gena\' den doodssnik geven,
O Heer! aan wien ik mij vertrouw.
Gezang 54: 5.
Lezen: Psalm 39. — 2 Tim. 2: 11—19. — 1 Joh. 1 : 5—2: 2.
G. SPIJKERBOER.
30 OCTOBER.
Handelingen 15: 26: Menschen, die hunne zielen overgegeven hehhen voor den naam van onzen Heere Jezus Christus.
Dit kostelijk getuigenis geldt Paulus en Barnabas, \'t Staat in een brief, namens de apostelen en ouderlingen en de geheele gemeente van Jeruzalem, gericht aan de Christenen te Antiochie, waar hun gezag te lijden had van „sommigen uit Judea.quot;
Wat mag \'t wel beteekenen? Paulus en Barnabas zyn eerlijk, betrouwbaar godsdienstig? Zeker, dat alles ook, maar toch in de eerste plaats nog iets anders en beters.
„Hunne zielen overgegeven.quot; Niet hun lichaam, hun geest of hun hart, maar hunne zielen, hun leven, geheel hun bestaan is als eene offerande den Heere toegewijd. „Voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus;quot; de bekendwording van dien Naam, de eer van dien Naam. Dat de zondaar dien eenigen Naam leere kennen, leere huldigen, leere aanbidden Hem, die hem draagt, dat is voor Paulas en Barnabas \'t hoogste genot. Eigen eer en voordeel worden niet bedacht. Het leven is hun Christus. En dat alles niet om straks te kunnen zeggen: „ziet, hoeveel ik deed voor Jezus;quot; neen, hunne leuze is: „niet ik, maar de genade Gods.quot;
En dat staat geschreven, niet van engelen, maar van „menschen.quot; Een farizeër uit Tarsen en een Leviet van Cyprus, menschen van gelijke beweging als wij, kinderen des toorns van nature als wij. En nu zóó. Gij weet, wat daar tusschen ligt: een wonder Gods, \'t wonder hunner bekeering.
447
31 OCTOBER.
Mag ik eens vragen aan u, die dit in ons dagboek leest: „hebtgij uwe ziel al overgegeven voor Jezus\' Naam? Zeg nu niet: „datis voor mij niet noodigquot;, want dat weet ge wel beter. Ook niet: „Ik ben immers godsdienstigquot;, want wat beteekent uwe godsdienstigheid, als dit merg er aan ontbreekt9
Doch neen, dat zegt gij ook niet; gij hebt een betere tegenwerping gereed; gij zegt: „de bekeering is Gods werk.quot; En dat is waar. Vooral voor u. Waarlijk, de bekeering van een, die nog achter zulk eene waarheid zich durfi verschuilen, kan slechts het werk zijn van een almachtig God.
Maar wiens werk is uwe terughouding, uw aanzien bij de wereld? Weg met uwe uitvluchten! Ook van uwe ziel vraagt Jezus de overgaaf.
Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoeten.
Ik, Heer! die al mijn blijdschap in U vind.
Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten.
\'k Doe uw gehoon oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mü nog nooir verdroten.
Psalm 119: 83.
Lexen. Hand. 15. — Daniël 1. — Philipp. 3.
C. F. S. RUTGERS.
31 OCTOBER.
HERVORMINGSDAG.
Johannes 17: 17: Heilig ze in uwe \'waarheid, uw woord is de waarheid.
Wij hebben hier eene bede van onzen grooten Voorbidder bij den. Vader en eene plechtige en nadrukkelijke verklaring van Hem, Die óók de Waarheid in persoon is, en Die in de wereld gekomen is „om der waarheid getuigenis te gevenquot;. Eene bede en eene verklaring door Hem uitgesproken, in de zoo zeer aandoenlijke ure, die onmiddellijk aan Zijn heilig lijden voorafging, en die voor ons zijn bewaard gebleven in het terecht geheeten „Hoogepriesterlijk gebed.quot; Eene bede en eene verklaring, die diep moeten zijn ingegaan in de ziel van Johannes; die hij met geene mogelijkheid vergeten kon, ook al had de
31 OCTOBER.
Heiland die belofte niet gedaan, die aan hem en aan zijne medejongeren is vervuld: „de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijnen naam, Die zal u alles leeren, en zal u indachtig maken, alles wat Ik u gezegd heb.quot;
Met die bede bad de Heiland, dat de Vader zelf Zijne discipelen mocht inwijden tot den dienst, tot welken zij zouden geroepen worden, tot den dienst der goddelijke waarheid, welke zij zouden hebben te verkondigen, en waartoe zij uit zich zeiven onbekwaam waren.
En met die verklaring betuigde Hij, dat het Woord, namelijk de leer, die Hij van den Vader ontvangen had, en die Hij daarom „uw Woordquot; noemt, zuivere waarheid, enkel waarheid was.
Is nu die bede verhoord geworden, heeft de Vader zelf des Hei-lands jongeren, door de uitstorting des Heiligen Geestes gewijd tot verkondigers van de leer, die zij gepredikt hebben, beginnende van Jeruzalem, en was die leer zuivere waarheid, enkel waarheid, o! welk een dank moeten wij dan Hem en den Vader toebrengen, dat die waarheid, door middel der Hervorming, ook tot ons gekomen is. Toen zij in Rome\'s kerk jammerlijk onder eene koornmaat was verborgen, toen zij onkenbaar was geworden door een tal van mensche-lijke en met haar strijdende instellingen, toen het onzinnigste bijgeloof met de grofste afgoderij gepaard, de overhand hadden genomen, toen heeft Gods erbarming mannen verwekt, die het licht der waarheid wederom op den kandelaar hebben geplaatst, die de H. Schrift in verstaanbare taal onder het volk hebben gebracht, en voor ontelbaren ten zegen zijn geweest.
Nu hebben wij maar onszelven ernstig, en voor Gods heilig aangezicht, te onderzoeken, hoe wij ten aanzien van dat woord Gods, dat ook wij mogen bezitten, staan. O! laat ons, laat ons óók op dezen gedenkdag der Hervorming, Gode vurig voor het bezit van dat Woord dank toebrengen. Bidden wij, telkens als wij het in ons huisgezin en in de eenzaamheid lezen, dat bij die lezing Zijn licht in onze zielen moge nederdalen. Alleen bij dat licht kunnen wij het verstaan tot onze zaligheid.
Wachten wij ons onze wijsheid, die dwaasheid is bü Gods wijsheid, tegenover dat Woord te stellen. Wij moeten niet dat Woord, maar dat Woord, moet ons critiseeren. Verootmoedigen wij ons, zoo wij \'t moeten bekennen, dat het maar al te weinig vruchten bij ons tot hiertoe heeft gedragen. En smeeken wij, dat allen, die het verkondigen ook door God in Zijne waarheid mogen worden geheiligd, en het ook in onze Hervormde Kerk alom in zuiverheid en met kracht en gloed des Heiligen Geestes moge worden gepredikt. Dan zal de vrucht daarvan jgewis ook daarin gezien worden, dat de Heere Jezus
DAGBOEK. 29
1 NOVEMBER.
450
Christus ook meer en meer gekend en beleden zal worden als „de weg, de waarheid en het levenquot; tot zaligheid.
Hoe wonderbaar is uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel die ook getrouw bewaren;
Want d\' oopning van uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren;
Zij geeft verstand aan slechten, wien \'t gemis Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.
Maak in uw woord mijn gang en treden vast,
Opdat ik mij niet van uw paan moog\' keeren!
En wordt mijn vleesch door \'t kwade licht verrast,
Ai! laat het mij toch nimmer overheeren!
Verlos mij. Heer! van \'s menschen overlast.
Dan zal ik U naar uw bevelen eeren.
Psalm 119 : 65, 67.
Lezen: Psalm 119: 105—112. — Psalm 119: 129—1S6. — Joh. 17.
I.. SCHOUTEN Hzn.
I NOVEMBER.
Psalm 90; 10b; Wij vliegen daarheen.
Die stemme des weemoeds vertolkt ons de herfst, dien wij zijn ingetreden! Hoe kort was de tijd van bloeien en groenen, en zie, nu reeds gaat hij henen! Geen zangvogel lokt meer tot luisteren; geen bloem meer tot stilstaan; ruwe najaarsvlagen drijven het dorrend blad tegen ons vensterglas, en met stille ontroering zien wij dat vallen en vervallen aan! \'tls het beeld van ons eigen leven.
Snel rolt onze levensbeek voort en sleurt alles mede, wat bekoorde en bedroefde, een glimlach of een traan ontlokte; rusteloos voort gaan hare wateren den oceaan der eeuwigheid tegemoet. Ons leven is een droom met bonte dooreen warreling van allerlei lotswisselingen, maar die alle tezamen een beslissenden invloed hebben op ons ontwaken in de eeuwigheid.
Wij vliegen daarheen\' Maar waar vliegen wij heen? En wat zal de oogst zijn van dat vluchtige leven, als ijlings de zeis des doods ons vellen zal? Zullen wij dan onzen God niet anders toonen dan vallende bladeren, wegkwijnende bloemen? Maar geen vruchten\'? En,
2 NOVEMBER.
als eens spoedig over den onvruchtbaren vijgeboom het vonnis werd geveld: Houw hem uit! zou \'t niet dubbel verdiend zijn?
Wij vliegen daarheen! Onze tijd is kort. Dat wij de kostbare oogenblikken niet verbeuzelen! WH verbeuzelen die, ook, als wij menschen zyn van onzen plicht, mannen van zaken, zorgvuldige huismoeders, maar onder dit alles het eene noodige vergeten, en niet zoeken het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid! Van zulk leven blijft geen spoor achter! Maar ook het kortste, onaanzienlijkste leven is niet vergeefsch, als wü daarin leerden „onze zaligheid uitwerken met vreezen en beven,quot; en in het hoekje van den wijngaard, door den hemelschen Hovenier ons toevertrouwd, in Zijnen naam hebben geplant en gezaaid! Wij mogen zelf dan vervliegen, onze arbeid vervliegt niet. Wat in God gedaan is, is voor de eeuwigheid!
Wij vliegen daarheen! Neen. dit woord verschrikt ons niet, als wij Jezus toebehooren! Hij blijft eeuwig Dezelfde! Hij maakt, dat Gods kinderen hier beneden vertoeven als uu,n de deur van het Vaderhuis en met blij verlangen de ure tegemoet zien, wanneer die deur zich openen zal! Zijt gij reeds een kind Gods? Anders is het laatste station van den sneltrein dezes levens: de buitenste duisternis!
Daarvoor beware u de Almachtige!
Ik zie mijn tijd daar henen snellen,
O, Heer van tijd en eeuwigheid!
Leer mij mijn oogenblikken tellen.
En houd mij tot uw komst bereid;
Elk stipje van mijn levenstijd Zy ü geheel, alleen gewijd!
Gezang 161; 3.
[Lezen: Ps. 90: 1—12. — Ps. 91. — Luk. 12: 16—31,
H. J. DE ZWART.
2 NOVEMBER.
Jesaia 40: 8b: Het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid.
Zóó spreken zeer velen in onzen tijd. Ja, dat Woord wordt zelfs op de lippen van hen genomen, die de bazuin aan den mond leggen en den volke verkondigen: „onderwijst alle volken.quot;
Met den Bijbel in de hand wordt den heidenen de Christus der
451
2 NOVEMBER.
Schriften gepredikt, doch ziet, dan komt men later met de critiek en ontneemt hun den grond, waarop zij hunne voeten zetten.
Wat de wijsheid der wereld ook maken moge van\'t Woord onzes Gods, — laat u niet door deze slangenphilosophie afvoeren van \'t eene ware standpunt, waarop gij door Gods genade moogt staan.
Laat vallen, wat niet kan blijven staan; laat breken, wat niet wil blijven kleven, maar laat af van \'t Woord, dat gij uit de hand uws Gods hebt ontvangen. De Drieëenige God toch is de Auteur des Woords en wat zou de nietige mensch tegen Hem vermogen?
Neen, dat Woord zal niet verstuiven als de bloemen, en vergaan als \'t gras op\'t veld. Het zal blijven tot in eeuwigheid.
Het is niet een willekeurig woord — maar hei Woord, waarop gij bouwen kunt. Het zal u een staf wezen op de reize door dit leven, het troostboek voor uw hart, wanneer smart en lijden komen ; het zal nog uwe verkwikking zijn in de ure des stervens!
Maak van u zelf geen Bijbel, hecht u niet aan den mensch, die eigen inspraken boven \'tWoord onzes Gods stelt; maar buig met al uwe wijsheid en wetenschap voor \'t Woord onzes Gods!
Vertreed \'t niet met onreine voeten, want wie \'tdoet, sielt zich als nietige worm tegen den Almachtige en op hem is van toepassing; „Zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden ze dan nog hebben.quot;
Put er wijsheid en kracht uit, mijn diep verslagen zondaar, wanneer gij in bekommering ter neer zit. Laat het een lamp voor uwen voet, een licht voor uw pad zijn, kinderen Gods, als de bestrijdingen van den Vorst der duisternis vele zijn.
Laat Gods Woord, uwe vermaking en raadsman zijn.
Zalig gij, als gij getuigen moogt; het Woord mijns G-ods bestaat in eeuwigheid en Gods beloften in Zijn woord zullen de eeuwigheid verduren.
God zal zijn waarheid nimmer krenken.
Maar eeuwig zijn verbond gedenken,
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht Tot in het duizendste geslacht.
\'t Verbond met Abraham zijn vrind.
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Psalm 105: 5.
Lezen: Ps. 119: 9—24. — Mattheus 13: 10—23. — 2 Petrus 1: 10—21.
Chr. YNZONIDE8.
3 NOVEMBER,
3 NOVEMBER.
Handelingen 8; la; Sauhis had mede een welbehagen aan zijnen dood.
2 Corinthe. 12: 10a: Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus\' wil.
Hier is, goed bezien, sprake van een drievoudig welbehagen.
Welk een vreeselijk welbehagen was niet dat, hetwelk Saulus had in den dood van Stefanus!
Niets roert zijn hart; noch de liefde van diens diaconaat, noch de treffende Christusbelijdenis voor het Sanhedrin, noch de hemelsche glans, die schittert op het aangezicht van den martelaar, noch de bede om vergiffenis van een stervende voor zijn beulen.
Is dat nu dezelfde man, die aan de Corinthiërs schreef, dat hij een welbehagen had in zwakheden enz. om Christus\' wil?
Welk eene reusachtige verandering! Al, wat hij te voren had gehaat, zal hü nu liefhebben.
Al zijne overtuigingen aangaande den vrede der wet zijn vergaan ; voortaan zal het zijn: „Vrede door het bloed des Kruises.quot;
Van waar die verandering?
Het antwoord is even kort als diep.
Tusschen dat eerste en dat tweede welbehagen staat een derde, dat eigenlijk het eerste is; het welbehagen Gods!
Zonder dat welbehagen Gods blijft dat des Apostels volkomen onverstaanbaar.
Op geen enkel gebied, noch op dat der natuur, noch op dat van den geest wordt het lente, tenzij de Heer de zon van zijn welbehagen laat schijnen. Uit Hem, door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. De verandering van Saulus is geen ontwikkeling uit hetgeen was, zij is omverwerping van het bestaande, zij is „een nieuw schepsel.quot; Zü is bekeering, die niet wortelt in eigen kracht, maar in wedergeboorte uit den Heiligen Geest, dus in het welbehagen Gods.
Welk een daad van souvereine macht is dat omzetten van een Saulus. in een Paulus! De Heer roept zijne arbeiders naar zijn welbehagen en dan vindt hun leven zijn beeld in den golfstroom, die door wonderbaar vuur verwarmd, levend en levenwekkend naar de noordpool stroomt. En toch, hoe diep ootmoedig is Paulus niet! Zelfs, als hij ziet op de breede lichtbaan, die achter zijne schreden door het
453
454 4 NOVEMBEE.
heidendom schittert, is hij niet hoogmoedig; hij roemt niet in eigen kracht, hij roemt in het Kruis van Christus, dus in het welbehagen Gods.
Op den levensweg van ieder kind van God staan nog altijd de drie mijlpalen met het woord: Welbehagen.
Staan ze ook op onzen weg?
De lofzang klimt uit Sions zalen Tot ü met stil ontzag!
Daar zal men ü, o God! betalen Geloften dag bij dag;
Gij hoort hen, die uw heil verwachten,
O Hoorder der gebeen!
Diss zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treen.
Een stroom van ongerechtigheden Had d\' overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren.
Dien G\'uit al \'taardsch gedruisch
Doet naad\'ren en uw heilstem hooren,
Ja, wonen in uw huis.
Psalm 65: 1, 2.
Lezen; Ps. 65. — Handel. 7: 51—8; 3.-2 Cor. 12; 1—12.
J. C. MONTIJN.
4 NOVEMBER.
Deuteronomium 18: 13: Oprecht zult gij zijn met den Heere, v/wen
God.
Een woord van Mozes tot het volk Israels, dat hij 40 jaren lang geleid had in de woestijn, toen hü van hen scheiden ging, om niet het aardsche, maar het hemelsche Kanaan te beërven.
Dit meer bizonder wil hij hun ten slotte nog eens op het harte drukken: „Oprecht zult gy zijn met den Heere, uwen God.quot;
Zou het ons niet meer behoeven herinnerd te worden ? En zou de Heere God dat allereerst, niet eischen van Zijn menschenkinderen? Zou Hij ons anders willen zien, dan we innerlijk zijn. Hij, Die de Alwetende is, de Kenner van ons hart, voor Wien we niets verbergen
4 SOVEMBEE. 455
kunnen? \'tis immers ook het eigen woord des Heeren: „Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprechtquot;?
Och, mocht dat maar altijd door ons gevoeld worden, bij ons verkeer onder de menschen, en ook, en vooral, als we ons schikken tot het gebed, of, drukken we niet menigmaal met onze lippen uit, wat niet in ons harte is, ja zelfs, wat in lijnrechten strijd is met ons innerlijk wezen ? Of verbergen en bedekken we niet menigmaal, wat we voor den Alwetende niet moesten verbergen ? Zijn we altijd oprecht in de belijdenis onzer zonden vooral ? Zijn wij er altijd aan toe, om ons zeiven, in al onze naaktheid voor den Heere bloot te leggen, — onze zondige gedachten, onze zondige woorden en werken? En dan toch alleen, als de tollenaarsgestalte de zyne is, zal Gods genade in Christus, zich aan den zondaar kunnen verheerlijken. En dan toch alleen zal ook de Christen, het kind van God, zich in die genade kunnen verblijden.
Als die volle oprechtheid ontbreekt, dan is dat een beletsel, om geestelijken zegen te kunnen ontvangen, om den vrede Gods te kunnen genieten. Er is dan iets, dat niet recht is, tusschen ons en den Heere. Staat er niet geschreven: „het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrooüjkheid voor den oprechte van hartequot;? Neen, daar kan geen geestelijke blijdschap zijn, geen zaligheid in God, geen blij-moedig geloofsvertrouwen, zonder die volle oprechtheid. Daarom zegt David: „Welgelukzalig is de mensch, in wiens eest geen bedrog is; en hij laat er op volgen, omdat hij dat bij eigen bittere ervaring zoo goed wist: „toen ik zweeg van mijne zonden werd mijn sap veranderd in zomerdroogte, d. w. z. toen kwijnde mijn geestelijk leven.
Vergeten we het dan niet, ook heden niet, — de Heere wil ons zien, zooals we zijn, en zonder de bedekking van een enkele zonde! Bidden we Hem, dat Hij den Geest der waarheid ons schenkel Voor dezulken is er genade en vrede en blijdschap in den eenigen Middelaar; maar voor dezulken dan ook alleen.
Beproef vrij van omhoog,
Mijn hart, dat voor uw oog,
Alwetende! steeds open lag.
Doorzoek mij, toets mijn gangen,
Doorgrond al mijn verlangen.
En stel mijn oogmerk in den dag.
Psalm 26: 2.
Lezen: Psalm 32. — Spreuken 2. — Psalm 26.
J. G. P. MULLER.
5 NOVEMBER.
5 NOVEMBER.
Handelingen 3: 2; En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf. werd. gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schoone, om een aalmoes te hegeeren van degenen, die in den tempel gingen.
De arme man bij de deur, bij de sierlijke deur, van echt Corin-tisch koper wellicht; bij de deur van den tempel.
Een man met een houten been of eene vrouw, eene arme vrouw met twee kinderen, kiezen nog lichtelijk een plaatsje bij een kerk deinen dan liefst bij een Schoone poort, waardoor de meeste „rijkequot; men-schen gaan.
Onze man — \'k zou hem haast Lazarus willen noemen — heeft zijn plaatsje, en op dat plaatsje heeft hij ons heel wat te zeggen.
Waarom is daar die arme kreupele man? Waarom zijn er nog onder ons van die menschen? Omdat ze ons moeten bepalen bij de natuurlijke weldaad, welke wij genieten, als we loopen kunnen, waar we moeten of willen zijn. — Wat onderscheidt ons en onze kinderen? Waarom moet ik niet gedragen worden, en waarom niet bedelen?
Ontferming Gods gaf het antwoord. Dit is allereerst door ons op te merken op dezen dag. —
Maar had die kreupele dan geene familie? Misschien niet, want een kreupele man, als hij arm is, heeft nooit een groote familie. Toch heeft hij vrienden. Dat kan wel zijn, en \'t kan ook wezen, dat ze met hem dagelijks te dragen naar zijn plaats een kleinigheid „verdienenquot;. Hij deukt er niet aan en zij niet, dat ze zóó de sc/icmde van de Kerk, de verachtering van Israels volk, openbaren.
Daar mocht in Israël geen bedelaar zijn; daar moest in Christus Kerk geen bedelaar wezen, al zullen er altijd wèl armen zyn; dat er bedelaars zijn, is, ten minste gedeeltelijk de schuld en de schande van \'s Heeren Kerk. —
Allerlei gebrekkigen, behoeftigen, ellendigen hebben een roepstem, door ons te hooren. —
En dat hij bij de deur des tempels neerzit, zegt ons toch, dat de Kerk eigenlijk geroepen is om barmhartigheid te oefenen en de rechte en echte godsvrucht haar kracht toont en zegel heeft in Christelijke liefdadigheid.
De menschen gingen naar den tempel tot offerande en gebed. Nu is het terecht opgemerkt, dat offerande en gebed saam hooren; de offerande van Christus de grond voor \'t gebed, en de kracht van
456
457
het gebed des G-eestes wordt openbaar in hulpvaardigheid, in het letten op de nooden van anderen met een nedrig en bewogen gemoed.
Christus\' offerande maakt biddende menschen, en een mensch. die bidt, moet anderen helpen.
Wij moeten onze collecten houden, ook in de plaats des gebeds, en als wij van morgen bidden, mocht het wel zijn om genade, opdat wij onze roeping verstaan, de roepstem van armen en gebrekkigen hooren, opdat wij den Heere eens danken mogen voor al zijne weldaden en anderen een vriendelijke „handreikingquot; doen. —
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan,
Dien trouwen Heer voor zijn gena vergelden?
\'k Zal, bij den kelk des heils, zijn naam vermelden,
En roepen Hem met blijd\' erkentenis aan.
Nu zal ik voor de weldaan, die \'k genoot,
Aan Hem naar mijn geloften eer bewijzen,
Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen.
Hoe kostlijk is in \'sHeeren oog hun dood!
Psalm. 116: 7, 8.
Lezen : Hand. .3. — Mare. 16. — .Tae. 2.
D. M BOONSTRA
6 NOVEMBER.
Mich a 7: 8: Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin\', wanneer ik gevallen hen, zal ik weder opstaan; ivanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn.
Zoo spreekt het geloovig Israël, dat de tuchtroede des Heeren billijkt, en onder de gerichten zich vasthoudt aan de ontferming van dien God, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel zijner erfenis voorbij gaat.
Dat geloovig volk gevoelt zich zwaar gedrukt onder de slagen, die de vijandige wereldmacht het toebrengt. Maar in dien nood blijft het steunen op de trouw van zijn God, en daarom durft het die vijandige macht toeroepen; „Verblijd u niet over mij; wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan. Meen niet, dat mijne vernedering mij ten ver-derve zal zijn; neen, ik zal daaruit verlost worden. En terwijl ik in vernedering ben, en in duisternis zal gezeten zijn, zal het mij niet aan troost ontbreken, want de Heere zal mij tot een licht zijn.quot;
•7 MOVEMBER.
Ziet, dat is kloekmoedig vertrouwen temidden van bangen nood. O, zalig de zwaar beproefde, fel bestreden ziel, die iets kent van dit vertrouwen, dat de dochter Sions tot sterkte was in de donkerheid!
Er komen in het leven van iederen geloovige tyden van donkerheid en van bestrijding; tijden, waarin, bij uitwendige bezwaren, ook de inwendige bekommeringen zich vermenigvuldigen, en alle hoop dreigt weg te zinken. Maar de Heere laat de zijnen niet varen, en geeft hen niet over in de macht des satans, die hen begeert te ziften als de tarwe. Hij, Die uit genade de ongerechtigheid vergeeft, blijft de Getrouwe. Als wij Hem kennen als onzen Vader in Christus, en steunen op Zijne liefde en trouw, mogen wij ook zeggen: Verblijd u niet over mij, o mijn vijand! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan, en in de duisternis zal de Heere mij een licht zijn. Hij zal mij in den nood niet verlaten, maar mij, ook door de zwartste duisternis heen, voeren in het eeuwig licht.quot; Maar zulk een kloekmoedig vertrouwen is ook dan alleen mogelijk, als wij zien op den Heere onzen God.
Zien wij op ons zeiven, dan vinden wij wel zonde en zwakheid, maar niets, dat ons grond geeft om te verwachten, dat wij over de macht der duisternis zullen triumfeeren. Doch, is ons oog gericht op Hem, Die de overtreding van het overblijfsel zijner erfenis voorbijgaat, dan mogen wij gelooven, dat Hij in allen nood ons heil, in alle duisternis ons licht zal zijn.
Ik ken uw gunst, ik ken uw trouw hieraan,
Dat zich mijn vijand niet Beroemen zal, noch ik ten gronde gaan;
quot;Wijl Gij mij bijstand biedt,
Mij onderhoudt in mijn oprechtigheid.
En, voor uw aangezicht.
Met teedre zorg en trouwe hulp, geleidt Naar \'t eeuwig, zalig licht.
Psalm 41: 6.
Lezen : Micha 7. — Psalm 62. — Psalm 41.
J. A. DE VLIEf-\'ER.
7 NOVEMBER,
1 Johannes 5: 12a: Die den Zoon heeft, die heeft het leven.
Het geloof in den Zoon is het middel, waardoor men, met Hem vereenigd, zyn leven deelachtig wordt. Johannes spreekt over de dadelijke vrucht van het geloof, terwijl Paulus, predikende, dat hy, die
458
7 NOVEMBER. 459
den naam des Heeren aanroept, zalig zal worden, het oog heeft gericht op de heerlijke toekomst van hen, die den Xaam des Heeren aanroepen. Dit aanroepen van Zijn Naam is een gelooven in Hem. Die Hem aanroept, erkent, dat Hu\'de Verlosser is en heeft het oog, met ootmoed, maar ook met vertrouwen, op Hem gericht.
Jezus Christus is het leven. Die in Hein is en dus met Hem versenigd, heeft derhalve het leven. Dat leven is eene onvervreemdbare, eeuwige bezitting. Hu is de Waarheid. En die Hem bezit, heeft dus waarheid in zich. Geen macht der wereld, hoe geducht ook, kan er hem toe brengen die waarheid prijs te geven.
Het is heerlijk, dit leven te bezitten, als een levend gemaakte in deze wereld te verkeeren, waar alles van wegkwijnen en sterven spreekt! Welk een voorrecht, dat heerlijke leven Gods in zich te hebben, terwijl het steeds verzwakkend lichaam predikt, dat de dood niet meer verre is! Hoe gelukkig gevoelt gü u, levend gemaakte! Zelfs in oogenblikken van den zwaarsten strijd en van de felste smart, denkende aan zooveel, dat voor do macht des doods^bezweken en dus u ontnomen is.
Is reeds uwe vreugde zoo groot bij \'t genot van den zielevrede, dien Hij, de Levende, u mededeelt: hoe groot wordt zij, als gij\'t oog richt op de toekomst, wanneer ook al het onvolmaakte en gebrekkige in uw leven door den levenden Heiland voor eeuwig is weggedaan en door uw oog zal worden gezien en door uw oor vernomen en door uw hart genoten, wat uwe stoutste verwachtingen overtreft.
Dat alles, èn wat ge nu geniet, èn wat u wacht, is de gezegende vrucht van het geloof in den Zoon. Door middel van het gehoor des Woords tot het geloof in Hem gekomen, wordt gij met kracht gedrongen bij dat Woord te blijven, \'tls de rots, waarop gij moet staan, — het schild, waarmede gij u moet bedekken, — de staf, waarop gij moet leunen, in die vele bange oogenblikken, die gü nog moet doorleven, eer uw voet het land mag betreden, waar het gelooven aanschouwen is geworden.
Heugelijke tijding.
Bron van hartverblijding.
Evangeliewoord;
Woord van God gegeven,
Woord van eeuwig leven,
Zalig, die u hoort;
Zalig hij.
Wiens harte gü.
Met een onvervvrikt vertrouwen.
Leert op God te bouwen!
8 NOVEMBER.
Woord, waarop wij bouwen.
Daar wij op vertrouwen,
Evangeliewoord!
Bergen mogen wijken,
Gij zult nimmer wijken.
Want gij zijl Gods woord!
Dat ons, Heer!
Den troost dier leer Geene t wij fling ooit ontroove!
Sterk ons in \'t geloove!
Gezang 36: 1, 5.
ijer.en : Rom. 10: 1—17. — Joh. 3: 14—21. — Joh. 3: 27—36.
J. G. VERHOEFF.
8 NOVEMBER.
Hebreön 12: 6: Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij en Hij (jeeselt eenen iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.
Dit woord is onverstaanbaar voor wie God niet kent. Hij meent, dat wie in Gods bizondere gunst deelt, het wel altijd aangenaam en goed zal hebben in den zin, dien hij aan deze woorden hecht.
Toch ondervindt elk kind van God hier kastijding, ja, somsgeese-ling. Neen, hij heeft het op aarde niet aangenaam en niet goed in den oppervlakkigen zin, waarin de aardschgezinde dit verstaat. Werkelijk : vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen.
Wie God niet kent, vat dit niet, omdat hij zich zeiven niet kent. Salomo kan hem anders reeds leeren, waar hij Gods doen met zijn kind vergelijkt met een vader, die juist den zoon, in wien hij een welbehagen heeft, kastijdt. De rechte ouderliefde is niet die van een Eli, die zijne zonen, wat kwaad zij ook deden, niet eens zuur aanzag. Een goed vader kastijdt een kind, zoo vaak het dit verdient, opdat het een afschrik van het kwade krijge en meer naar zijn vader luistere.
En nu, Gods kinderen hebben, helaas, vaak kastijding noodig en verdienen zelfs soms een geeseling. Telkens wijken zij van den Htere af en worden der wereld gelijkvormig. Dan komt God hen tegen in hun werkkring, in hun gezin, in hun lichaam — om ze weer tot Hem terug te drijven. Die kastijding is een bewijs van Gods liefde, dat Hij nog bemoeiing met hen heeft.
Maar ook, een aardsch vader kan door drift zijn kind te hard
460
9 NOVEMBER.
slaan, dit kan hun hemelsche Vader niet. Deze geeft hun geen en kelen slag meer of zwaarder, dan goed voor hen is.
Wat zalig voorrecht ons lijden zoo te mogen beschouwen. G-ij, die dit kunt, treur in uw lijden niet te zeer; maar laat het de vrucht hebben, waartoe uw God het u zendt. Aangenaam is kastijding nooit; maar, indien gy er door geoefend wordt, zal zij een vreedzame vrucht der gerechtigheid geven en zult gij eenmaal God danken zelfs voor het lijden, dat gij doorworsteldet, wijl Hij u alzoo bekwaamde voor Zijn hemelsch Koninkrijk.
Ons hart verheugt zich, dat bij God \'tBestuur is van geheel ons lot.
Dat Hy ons vreugd of ongeval.
Naar wij behoeven, zenden zal.
Komt! treen wij dan gemoedigd voort,
In vast vertrouwen op zijn woord;
Hoe moeilijk ons de weg ook schijn.
Het eind zal zeker zalig zijn.
Gezang 20: 1, 9.
Lezen: Ps. 34. — Spreuk. 3: l—20. — Hebr. 12: 1—13.
J. S. TICHELMAN.
9 NOVEMBER.
Psalm 73; 28a: Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te
zijn.
De verlangens der menschen zijn zeer verschillend. —
De een wenscht een leven in de wereld, de ander rijkdom en eer, een derde schoonheid en pracht. — Van dit alles spreekt onze dichter niet. Hij kent hoogere, betere begeerten. Zijn ideaal is nabij God te wezen, en dit grootste voorrecht, dat eene menschenziel kandeelachtig worden, heeft hij, door Gods genade, erlangd.
Nabij God, in voorspoed en geluk, om Hem te loven en te prijzen met een dankbaar hart voor Zyne weldaden, welke alle zijn verbeurd.
Nabij God in droefheid en smart, om het uit te kunnen roepen, met een traan in het oog op gebogen knie: „niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.quot;
Nabij God, alle dagen des levens, onder arbeid en inspanning, onder moeite en strijd.
461
10 NOVEMBER.
Nabij God, om door Zijne kracht te kunnen overwinnen, onder aanvechting en in verleiding.
Nabij God eindelijk, om door de gemeenschap met dezen Vader in Christus, eenmaal zalig te kunnen sterven.
Ons gaan tot den Heer zij een vluchten tot Hem bij het dreigen des gevaars, evenals de kiekens eener klokhen zich verzamelen onder hare uitgespreide vleugelen en zich, zoo dicht zij maar kunnen, in het dons harer vederen dringen, omdat daar de levenswarmte is, daar bescherming tegen gevaar is te vindon! Ja, het zij als een strengelen van de vezelen onzer ziel om den Heer, gelijk zich om den eik het klimop slingert, daar wij behoefte aan steun hebben en op onszelven niet vertrouwen kunnen. Wat meer zegt, het zij als een schuilen onder de vleugelen des Almachtigen, en een rusten aan Zijn Vaderhart, om weer levenswarmte in te drinken voor onze verkleumde ziel, voor ons arm hart, dat in den guren dampkring der wereld, zoo kil en koud, zoo verstijfd en versteend is geworden.
Hoe heerlijk het leven met God! Zij het uw deel, geliefden ! De Heer schenke het u om Christus\' wille, en Hij leere u verstaan, dat het het beste is, wat de Hemelsche Vader u kan schenken.
Wie, ver van U, de weelde zoekt.
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereeren En U den trotschen nek toekeeren;
Maar \'tis mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God!
\'k Vertrouw op Hem, geheel en al,
Den Heer, wiens werk ik roemen zal!
Psalm 73: 14.
Lezen Psalm 73: 11—28. — 2 Tim. 4: 1—8. — Matth. 17: 1—9.
M. A. VAN RHIJN.
10 NOVEMBER.
Hebreën 11: 24 — 26: \'Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao\'s dochter genoemd te worden;
Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben;
462
10 NOVEMBER. 463
Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des Zoons.
„Door het geloofquot;, zoo lezen wij, by het licht, dat God er over laat
schijnen, boven een bladzijde uit Mozes\' leven, die, in \'t oog van de
Egyptenaren en Israëlieten van dien tijd, slechts getuigenis gaf van
zijn dwaasheid of vermetelheid, terwijl ook wy, enkel ziende op
de feiten en de naaste gevolgen in Exodus 2: 11 —15 vermeld, allicht
geneigd zouden zijn, zijn toenmalig optreden toe te schrijven aan
zondigen overmoed, voor het minst aan ijver zonder verstand. Was
het niet ondankbaar een omgeving te verlaten, welke hem van een
vroegen dood gered, jaren lang met weldaden overstort had en een
schitterende toekomst beloofde? Was het niet onverstandig, op de
wijze als hü deed, medelijden te toonen met een verdrukt volk ? Was
het niet overschatten van eigen kracht om alléén den strijd aan te
binden tegen het machtige rijk van Farao? Was het niet een te vroeg
en dies \'afkeurenswaard verlaten van de plaats, waar zoo blijkbaar
de zorgende hand der Voorzienigheid hem had gebracht? En heeft
niet de teleurstelling, de schande, de langdurige werkeloosheid ten op-
\\
zichte van Israels redding, het zegel gezet van een misstap op Mozes\' stoute onderneming?
Ondanks het gebrekkige, dat Mozes in dezen aankleefde, ondanks de misslagen, welke hij beging, was er wat goeds in voor Gods aangezicht. De wortel der zaak werd bij hem gevonden; geloof was de reine drijfveer van zijn besluit en handeling.
Mozes had Gods stem verstaan, die hem toen riep om Farao\'s hof te verlaten en in het geloof heeft hij gehoorzaamd; zonder dien god-delijken drang ware hij gebleven. Mozes stond voor de keuze om kwalijk gehandeld te worden met Gods volk, of voor een tijd de genieting der zonde te hebben. Hij heeft gekozen, \'t Zal dezen mensch van gelijke beweging als wij, gewis een langen, bangen strijd gekost hebben om rust en roem, weelde en wetenschappelijk genot op te geven voor moeite en verachting, voor armoede en leven onder een onwetend herdersvolk; in zulken strijd geeft alléén geloof den doorslag en de overwinning. Mozes begeerde de versmaadheid van Christus boven de schatten van Egypte; het geloof alleen ziet heerlijkheid in het kruis; het geloof was het, dat de geestelijke zegen, in de goddelijke belofte aan de vaderen, voor Mozes het uitnemendst van alles deed zijn.
En juist, omdat het beginsel, waaruit hij leefde en handelde. Jehova behaagde, nam Hij Mozes onder de leiding Zijner heilzame, louterende tucht; bracht Hij hem in de hoogere school des lijdens, ten einde daarin voor zijne uitnemende roeping bekwaamd te worden;
11 NOVEMBER.
schonk Hij hem, zij het langs een ongedachten weg, de begeerte zijns harten; en dien weg heeft Mozes leeren goedkeuren als den eenige rechte.
Is de bron van uw leven, de drijfveer van uw werken zulk een geloof, door Gods Geest geplant in uw ziel? Zonder dat hebt gij geen waarachtig leven, is al uw arbeid zonde.
Maar is er genade aan u verheerlijkt, weet God de drijfveer van uw werk, dat gij daarbij Zijn eere bedoelt, als gij dan in groote moeilijkheden komt en daarom twijfelt, of gij wel recht handeldet, gij, die erkennen moet ook in vele verkeerdheden te zijn gevallen, en als gy daarom moedeloos terneer zit, laat het u tot troost zijn, wat de Heere van Mozes\' geschiedenis zegt. God wil het ook voor u opklaren; volg Hem door de paden, die gij niet geweten hebt; juist, wijl zij u verootmoedigen, zullen zij u ten zegen zijn. Op den weg des geloofs moet dat geloof geoefend worden, en \'t arbeiden voor Hem geleerd, zoodat Hij alleen er de eere en wij er de zalige vrucht van krijgen.
Dit geloei geeft moed en krachten.
Staaft, dat God waarachtig is:
O! hoe blijft mijn harte smachten,
Hoe naar dat geloove trachten.
Dat, bij voorspoed en gemis.
Leeft op Gods getuigenis.
Blyf in leven en in sterven,
\'t Eenigst rustpunt van mijn hart!
Wat, wat kan myn ziel niet derven.
Blij ft G\' in leven en in sterven.
Onder voorspoed, onder smart,
\'t Eenigst rustpunt van mijn hart.
Gezang 84; 10, 12.
Lezen; Hebr. 11. — Psalm 72. — Lucas 8: 41—56.
C. PLUG.
II NOVEMBER.
Openbaring 14 : 136: Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven.
Welk een vriendelijk troostwoord! Maar heilig ernstige waarschuwing tevens. Geef er u rekenschap van, gü, wien het óók gezet is eenmaal te sterven en geoordeeld te worden. God, de getrouwe en ont-
464
11 NOVEMBER. 465
ferraende God, laat uit den hoogen hemel eene liefelijke stem weerklinken over deze aarde, waarin gedurig een diep en donker graf wordt gegraven, eene stem, die „zaligquot; prijst, onuitsprekelijk gelukkig roemt, alle diegenen, maar ook die alleen, die sterven in de innigste levensgemeenschap met Christus, den Zaligmaker; alle diegenen, maar ook die alleen, die als arme en verloren zondaars en zondaressen, het leven, het eeuwige leven gezocht en gevonden hebben in \'den eeniggeboren Zoon van God, die de Schuldverzoener en Doorlsover-winnaar is.
Zalig zijn zij, van stonde aan, dat zij sterven. Onmiddellijk na den dood vangt voor hen de heerlijkheid van dat hemelleven aan. O, wat zal het voor hen zijn, als zij uit dit leven vol last en leed overgaan in het vaderhuis met zyne vele woningen! Daar zullen zij rusten van allen arbeid en moeite aan de pelgrimsreize verbonden. Daar is de drukkende levens- en de bange geloofsstrijd geëindigd. Daar worden zij gekleed in de lange, witte priesterkleederen, gewasschen in het bloed des Lams. Daar staan zij voor den troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. Daar worden zü overschaduwd door Hem, Die op den troon zit, zoodat zij niet meer hongeren noch dorsten. Daar zal het Lam ze weiden en hun Leidsman zijn tot de levende fonteinen der wateren. Daar zal God alle tranen van de oogen af-wisschen.
Zalig vooruitzicht! Gij verzoent ons met den moeitevollen levensweg; gij bemoedigt ons onder kruis en rampspoed; gij verheft ons hart boven liet aardsche; gij maakt den dood tot een engel der verlossing; gij doet ons verlangen: uit te wonen uit het lichaam en in te wonen bij onzen Heer.
Maar zijn zij zalig, die daar sterven in den Heer, — rampzalig zijn dan zij, die leven en sterven in de wereld, in de zonde. Welk eene aangrijpende waarschuwing! Is uw leven Christus gewijd, zoodat uw sterven gewin zal worden? Indien uw hart hierop nog niet „amenquot; kan zeggen, dan zij het u gebeden, om u nu nog in het heden der genade te benaarstigen om in die ruste te mogen ingaan, die daar blijft voor Gods volk, voor de schapen van den goeden Herder. Neem ook gij uw toevlucht tot het bloed der besprenging van Christus Jezus, en word den Heiland gehoorzaam. Dan komt gij niet bedrogen uit.
\'kZal dan gedurig by U zün,
In al mijn nooden, angst en pijn;
ü al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
30
DAGBOEK.
466
Gij zult mij leiden door uw raad,
0 God, mijn heil, mün toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid.
Opnemen in uw heerlijkheid!
Psalm 73: 12.
Lezen: Openb. 14: 13—20. — 2 Cor. 5: 1—11. — Jes. 49: 8—13.
J. NIERSTRASZ.
12 NOVEMBER.
Psalm 84: 2; Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heere der heir-scharen!
Zoo is hij dan heden weder aangebroken, de stille en gezegende eerste dag der week. En voorzeker, wy beschouwen hem nog altijd als een der grootste weldaden door den Heere God aan ons, Zijne menschenkinderen, geschonken. En wie onzer zal naar waarde het groote voorrecht roemen, dat wij kunnen en mogen opgaan naar het huis des Heeren?
Daar hebben reeds duizenden vóór ons een stillen zegen gesmaakt, in de woningen, toegewijd aan de vereering van den eenigen waar-achtigen God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft om zondaren zalig te maken. Hier hoort gü u het woord der waarachtige vertroosting verkondigen, dat balsem druppelt in de wonden van het hart, dat verslagen is en bekommerd over zijne zonden. Het Evangelie is immers de blijde boodschap bij uitnemendheid, waar het ons de verkondiging brengt: Jezus Christus is gekomen om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen, om te verbinden de gebroke-nen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den ge-bondenen opening der gevangenis; om alle treurigen te troosten, om den treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Hier worden de kinderen Gods versterkt in hun geloof uit de onuitputtelijke volheid van \'s Heeren beloften.
In het bedehuis worden de strijders op den smallen weg des ge-loofs zoo menigmaal bemoedigd, want zij hooren het zich hier toeroepen: de eeuwig Getrouwe zal niet verlaten, wat zijne hand begon, maar het werk der genade volenden; vallen kunt gij, maar vervallen in der eeuwigheid niet
46
Vermoeiden en belasten hooren hier de vriendelijke roepstem van den goeden Herder weerklinken: komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.
Ja, indien wij den zegen aan het opgaan naar \'s Heeren voorhoven verbonden, op deze wijze beschouwen, dan zal onze ziel verstaan, dat de Heere daar in het bizonder tot haar spreekt. Neen, dan heeft zij niet genoeg aan de stille binnenkamer, want zij ervaart het: er gaat een volle, rijke zegen uit van de gemeenschappelijke belijdenis van \'s Heeren Naam, van het gezamenlijk zoeken van Zijn aangezicht, van het grootmaken van Hem, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
O Heer! der legerscharen God!
Zijn mij uw huis en terapelzangen !
Hoe branden mijn genegenheen.
Om \'s Heeren voorhof in te treen!
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen;
Mijn hart roept uit tot God, die leeft En aan mijn ziel het leven geeft.
Psalm 84: 1.
Lezen: Ps. 84. — Ps. 95: 1—8a. — Markus 2: 23—28.
J. H. WENSINCK.
13 NOVEMBER.
2 Koningen 7: la: Toen zeide Eliza: Hoort het ivoord des Heeren.
„Hoort het woord des Heeren.quot; En dat woord wijst u hier op een toestand van ellende, die alle beschrijving te boven gaat. Immers, Samaria, de weelderige hoofdstad van het rijk der tien stammen, in ligging oneindig schooner dan Jeruzalem, is door een vijandelijk leger omsingeld. Uit het hooge toren venster van den koninklijken burcht ziet ge de wachtposten en veldtenten van een gansch zeer groot heir, dat de benarde vesting zoo nauw mogelijk houdt ingesloten. De ellende klimt; hongersnood en pestilentie vertoonen zich, en dingen gebeuren, zoo vreeslijk, als in het 28^e vers van het vorige hoofdstuk staan aangeteekend.
Gode zij dank! een toestand als die te Samaria, kennen wijniet.
Niemand onzer heeft dagen beleefd van oorlog of hongersnood binnen onze grenzen. Maar worden wij niet bestookt door een andere macht, wie het te doen is om onze hoogste vrijheid te rooven en ons eeuwig tot slaven te maken; eene macht, die niet onze driekleur.
i8 13 NOVEMBER.
maar oneindig meer, de heilsbanier aan flarden wil scheuren, die het wapen draagt van den Leeuw uit Juda\'s stam?
Die vijandelijke macht bestaat uit legioenen, wier aantal is Legio. Kent gij ze niet, die zich opmaken tegen den Heere en zijne gemeente? Ziet ge hare banieren niet, die zich al stouter en hooger verheffen? Ongeloof, bijgeloof, vrijgeesterij, wereldzin,.... maar waartoe meer namen genoemd? Alom worden zij gezien. In iedere stad, en in ieder dorp van ons Vaderland. En wat daarvan het gevolg is? Jammer en ellende op ieder gebied.
Waar men zich losscheurt van God en Zijn Woord; den Bijbel weert van de school; Gods dag verwaarloost, en spot met Gods Naam, daar nadert het oordeel, en betrekt de lucht. De Heere laat Zich niet bespotten; zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.
Och, of het tot een algenieene verootmoediging komen mocht, tot een algerneene schuldbelijdenis, waarin men het voor den Heere uitspreke, dat ook wij hebben gezondigd, zoowel als onze vaderen; beginne die schuldbelijdenis, die verootmoediging bij ons eigen huis, bü ons eigen hart. Maar doe dan ook, zondaar, al wat ge slechts kunt, om den vijand te weerstaan, de zonde te bestrijden, en de banier des geloofs hoog te houden. Kom uit voor den naam en de zaak van den Heere. Waak en bid! dan is er ook grond om te hopen. Hoor het woord des Heeren!
Myn geroep, uit angst en vreezen.
Klimt tot God, het Opperwezen,
God, die in mijn ongeval d\' Ooren tot my neigen zal.
\'k Zocht Hem in mijn bange dagen;
\'k Bracht de nachten door met klagen;
\'kLiet niet af, mijn hand en oog Op te heffen naar omhoog.
Zou God zijn gena vergeten; )
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij zijn barmhartigheen Door zijn gramschap afgesneen?
\'kZei daarna: „Dit krenkt my \'tleven:
„Maar God zal verandring geven;
.,d\'Allerhoogste maakt het goed;
„Na het zure geeft Hij quot;tzoet.quot;
Psalm 77 : 1 en 6.
Lezen: 2 Kon. 6: 25—33. — Jes. 43: 11—28. — Efez. 6: 10-18.
J. KRAYENBELT.
14 NOVEMBER.
14 NOVEMBER.
2 Koningen 7: la: Toen zeide Eliza: Hoort hvt woord des Heeren.
Joram, Israels koning, gaat wanhopend door de zalen van zijn paleis. Hij is radeloos, omdat hij] ziet, dat het beste wapen regen iederen vijand, ook tegen dien trotschen vijand daar buiten, is een paar gevouwen handen.
Joram acht den toestand van zijn land reddeloos, omdat hij niet weet, dat er in en om Samaria zijn, die tot de familie van de 7000 behooren, en worstelen voor den troon der genade. Ook Eliza bidt, en de Heere verhoort zijn gebed en zegt: ga tot den koning. En Eliza gaat op des Heeren bevel en spreekt: O! koning, hoor het woord des Heeren 1 En wat dat woord te zeggen had ? Het predikte nitredding en verlossing, en dat op zoo wonderbare wijze, dat het aan de spotters de vraag ontlokte, of God vensteren in den hemel maken zou. Zie zelf, wat u daaraan 2 Koningen 7 bericht.
Hoor het woord des Heeren! O land! land! terwijl het nog heden is. Onze volkshistorie getuigt blad voor blad, wat de Heere aan Nederland deed, en, indien Neerlands zonen en dochteren herdenken, hoe de Heere ons en onzen Vaderen heeft gunst bewezen, als wij de werken gadeslaan, die Hij heeft van ouds gedaan, en waaraan deze No-vembermaand zoo luide herinnert, wat stoffe dan van denken en danken! Maar, als onder zooveel barmhartigheid Nederland zich niet verootmoedigt, maar er het ongeloof voortvaart, wat zal het dan zijn!
O, zie, Samaria, ofschoon door den Heere genadig verlost, bleef wierooken aan hare goden en werd verwoest, en Xineve, door des Heeren lankmoedigheid gespaard, ging weer op den ouden weg voort, en werd verwoest, en Babyion, als een geesel in de hand Gods voor het weerspannig Juda, bleef in zijne zonden en werd verwoest.
En zoo is het geschied met landen en volken, en op het pad der historie stoot zich telkens weder de vost aan een puinhoop, waar boven het is of men de stem verneemt: „Omdat gij niet gehoord hebt naar des Heeren woord, daarom dit oordeel over u!quot;
O, mijn Vadefland! stad mijner woning, nog is het de tijd van genade: Hoor het woord des Heeren: ^één oogenblik zal Ik spreken over een volk en een koninkrijk, dat Ik zal bouwen en planten, maar indien het doet, wat kwaad is in Mijne oogen, zoo zal Ik berouw hebben over het goede, waarvan Ik zeide, dat Ik het wèl doen zoude.quot;
O, Nederland! zou het u, als Samaria, vergaan?
469
14 NOVEMBER.
Zou de naneef moeten zeggen: Hier was eens eene wel kleine, maar toch bloeiende stad; een. schoone stad?
O, mijn volk! terug tot de Wet en de getuigenis, zoo zij niet spreken naar dat woord: het zal zyn, dat zij geen dageraad hebben zullen.
Met al hun schoone woorden.
Met al hun stout geschreeuw,
O. laten z\' u niet hebben,
De Goden dezer eeuw!
Maar klem, klem u vast aan de banier van het kruis, dan zal het u wèl zijn. \'tls waar;
Een natie kan ook vallen
Met eer ter eer van Hem,
En houden geheel geloovig,
Zijn standaard vast met klem.
Daar zün ook martelaren
Op Neerlands grond geweest!
Geen Lodewijk, geen Willem Heeft ooit die keus gevreesd.
Volk van Nederland! Het blijve er bij: \'tzij het lied van u en uwe kinderen:
Met al hun schoone woorden,
Met al hun stout geschreeuw.
Zij zullen ons niet hebben.
De Goden dezer eeuw,
Tenzij het woord des Zwijgers
Moedwillig werd verzaakt:
\'k Huh met den Heer der Heeren Een vast verbond gemaakt.quot;
(Da Costa.)
O, Gij, der vaadren vast vertrouwen,
Hun hulp en toevlucht in \'tgevaar!
Waar kan ons oog deez\'grond aanschouwen
Daar niet uw almacht zichtbaar waar?
Geheel het oude Nederland Was steeds een wonder van uw hand.
Hoe diep in \'t stof zonk \'t nakroost neder.
Sinds \'tü, der vaadren God verliet;
Ach God! Ach God! keer tot ons weder
Wij zinken, red uw\' almacht niet;
Eeeds oogsten w\' op onz\' eigen paan,
De wrange vruchten onzer daan.
470
15 NOVEMBER. 471
Wij pleiten, Heer! op uw genade,
Die nooit den boeteling verstoot;
Ook z\\] kwam \'t voorgeslacht te stade,
En blijft nog altijd eindloos groot:
Wij pleiten, knielend voor uw\' troon.
Op \'t bloed van uwen lieven Zoon.
Red, schraag, versterk door uw vermogen,
Wat eens uw hand gewrocht heett, Heer.
\'t Vaderland slaat dankbaar\' oogen
Van nieuws op U, zijn\' Redder, weer:
Zoo word\' door voor- en nageslacht Uw\' naam de glorie toegebracht.
Gezang 171; 8 — 11.
Lezen: 2 Kon 7. — Ps. 46. — Ps. 48.
J. KRAYfiNBELT.
15 NOVEMBER.
1 Johannes 2: 20: Doch gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingen.
Dit roept de apostel niet aan zijne me^eapostelen, maar aan zijne medegeloovigen toe, en voegt er iets verder bü: „en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere, want zij onderricht u omtrent alle dingenquot;, die noodig zijn tot den vrede uwer ziel en de vervulling uwer roeping. De zalving, welke hij bedoelt, is de verlichting met het licht der ware kennis, welke God door den H. Geest schenkt aan hen, die ge-looven.
Deze verlichting maakt geen onderricht van menschen overbodig, maar bekwaamt om de leeringen der menschen te toetsen aan den keursteen der waarheid, ons in de H. Schrift gegeven. Zij deelt geene bizondere, wonderbare kunde mede aangaande dingen, die voor anderen nog geheim moeten blijven, maar maakt wijs tot zaligheid en geeft verstand om den levensweg wel aan te stellen. Zij laat veel onzeker en onbekend, wat het ongeheiligd verstand zoo gaarne binnen den kring van zijn weten zou trekken, maar leert de verborgen dingen nederig overlaten aan den Heere onzen God en met de geopenbaarde winste doen voor zichzelven en zijn Rijk.
De jonge en de oude, de dienstknecht en de dienstmaagd, die van den Heere geleerd is, is met de kennis van het eene noodige wijzer dan de
472 16 NOVEMBER.
wereldwijzen, die niet geleid worden door den Geest, en waar de geleerde twijfelaars slechts vraagteekens weten te plaatsen, daar zegt ieder met den H. Geest gezalfde: „wij ïüeien de dingen, die ons van God geschonken zijn.quot; „Wij kennen Hem, die van den beginne isquot;; en zij ook hun kennen en profeteeren nog ten deele, wat hun geschonken is, waarborgt datgene, wat voor de toekomst nog is beloofd; het kennen, gelijk zij ook gekend zijn.
Wat uitnemend voorrecht, dat arme zondaren, van nature verduisterd in het verstand en blind voor de dingen des Geestes Gods, verwaardigd worden tot eene kennis, zóó hoog en heerlijk ! Maar deze zalving, die hare deelgenooten zoo hoog verheft, maakt hen tegelijk nederig, zachtmoedig en bescheiden in het uitspreken van wat God hun heeft geleerd.
Zij leert en dringt hen om — wel verre van zelfzuchtig te teren op de kennis van zijn heilgeheimen — anderen daarmede te leeren en te stichten, en te leiden tot de kennis des Heiligen, die ze hun heeft geopenbaard.
Christen! tot getuige van uwen Heere geroepen en gezalfd, zijn de kenmerken dezer zalving in u openbaar?
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar zijn vrees in woont;
\'t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden,
Naar zijn vreeverbond getoond.
D\'oogen houdt myn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten;
\'Hu, die trouw is, zal mijn voet.
Voeren uit der boozen netten.
Psalm 25: 7.
Joël 2: 21—32. — 1 Joh 2: 15—29. — Joh. 15: 11—27.
P. J. VAN MELLE.
16 NOVEMBER.
1 Koningen 22: 34: Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot den koning van Israël tusschen de gespen entus-schen het pantsier. Toen zeide hij tot zijnen voerman-. Keer uwe hand, en voer mij uit het leger, want ik hen zeer verwond.
God, die liefde is, is ook een vreeselijk God. Hij weet den godde-
16 NOVEMBER.
looze wel te vinden. Hoe zou hij Hem kunnen ontkomen? Hij be-proeve het, en scherpe zijn verstand, \'tis al te vergeefsch.
Zie het o. a. aan Achab! In zijn goddeloos leven is hy wèl gewaarschuwd geworden. Maar hij heeft zich verhard: is van kwaad tot erger voortgegaan. Wat heeft hij al op zijn geweten! Niet alléén den dienst van den Baal, maar ook het voortgaan er mee, ondanks de openbaring des Heeren op den Karmel door vuurlvan den hemei; en in de jarenlange droogte, en den daaropgevolgden heerlijken reger. Bo vendien den moord van den onschuldigen Naboth!
Nu is hij niettemin alweer gewaarschuwd geworden. Hij wilde de stad Eamoth in Gilead op den koning van Syrië nemen. Honderd profeten vleiden als uit éénen mond; \'tZal u gelukken!
Alléén Micha. de zoon van Jimla, de echte profeet, sprak tegen; sprak het woord des Heeren: gij gaat een zekeren dood tegemoet.—
Toch zou hij gaan. En waarom dan nu eerst zich verkleed, ja, onherkenbaar gemaakt9 Dus toch ongerust? Ja; want hij begreep: Micha had de waarheid gesproken, Micha, die niet voor zijn genoegen zijn wensch had getrotseerd, en zachtmoedig er zich voor in de gevangenis had laten brengen. Dus was hij bang.
Nu echter is hij het schijnbaar niet meer, want hij heeft zich verkleed. Maar ach, wat baat hem dat? Koning Josaphat, zijn vriend, moge in den strijd voor hèm aangezien worden! En hij, die het bewerkt, zich daarom wegens zijne voorzichtigheid gelukwenschen! Op eens — daar komt een pijl hem te treffen op de eenige kwetsbare plaats van zijn lichaam, en hij kromt zich in zijnen wagen: het is zijn dood! Een man had in zijne eenvoudigheid zijn boog gespannen, niet bedoeld hem te treffen. Dat was van God! Hij leide als het ware zi.jne hand op die van den man, en trof zijnen vijand, die zich voor Hem dacht te verschuilen.
Het is vreeseiiik, in Gods handen te vallen. Verbergen wij ons voor Hem niet, vasthoudende aan onze zonde! Trachten we niet. Hem te ontloop-n! Toonen we ons voor Hem, zooals we zijn! Dan hebben we niets te vreezen. Wat we ook op ons geweten hebben, belijden we het Hem, met waar berouw, ootmoed en schaamte. Al zijn onze ongerechtigheden als scharlaken, ze zullen worden als sneeuw.
In Christus is God oneindig rijk in genade. Maar wee hem, die zich tegen Hem verhardt. Lang kan het goed gaan, zooals men zegt. Maar o, die onrust van binnen! En ... één wenk uit den hooge, één noodlottig toeval, gelijk men zegt, maar ook door God bestuurd, dan staat men voor den Rechterstoel en — op duizend vragen een eeuwig verstommen!
473
17 NOVEMBER.
Vreest \'sHeeren macht en dient zijn Majesteit;
Juicht, bevend op \'tgezlcht van zijn vermogen,
En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,
Eer u zijn toorn verdelg\' voor aller oogen;
U op uw\' weg tot stof doe wederkeeren.
Wanneer zijn wraak, getergd door uw gedrag, U, onverhoeds, zou door haar\' gloed verteren Tot staving van zijn lang gehoond gezag.
Psalm 2; 6.
J.czen : 1 Kon. 22: 1—38. — I\'s. 103. — Ezech. 18: 20—32.
H. A. LEENMANS.
17 NOVEMBER.
Efeze 2: ]0: Want ivij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.
Wij zü\'n Gods maaksel. Dat is in den hoogscen zin waarheid van Gods kinderen. Zij zijn het gewrocht zijner scheppende almacht; al, wat er heerlijks in Hem is, heeft Hü aan hen ten koste gelegd, en al, wat er aan en in hen leeft, is door Hem geschapen.
Of was het uwe wijsheid, die het beste koos? C/we voorzichtigheid, die u \'tverderf deed ontvlieden? Uwe liefde tot God, die u de zonde deed haten? Uwe vatbaarheid voor de eeuwige dingen, die u naar iets blijvends deed grijpen? Maar gij belijdt: Zijne hand heeft mij toebereid. Dat er een ure in uw leven kwam, dat gij, ontdekt aan schuld en ellende, tot God om genade gingt roepen; dat uw oog uitzag naar een Middelaar en Borg; dat gij Jezus den Gekruiste aanschouwdet; het was de vonk des levens, door God in uwe ziel geworpen. En in Christus vondt gij alles terug, wat, bij de schepping u geschonken, dooide zonde verloren ging. Nu wordt weer het verstand bestraald met goddelijk licht om te komen tot geheiligde kennis van den Drieëeni-ge. Nu is de schuld weggenomen door het bloed van Hem, die stierf aan het kruis. Nu is de wil geheiligd om vreugde te vinden in het doen van Gods wil, en gaat de liefde weer uit om Hem te behagen. Zoo is tr weer gelijkenis met God, als van kinderen met hunnen Vader.
In Christus is de grond onzer begenadiging, maar ook de bron onzes levens. Niet de afgesneden rank draagt vrucht, — die verdort;
474
18 NOVEMBER.
maar de rank, die uit den wijnstok haar levenssappen zoekt, die draagt vrucht. De liefde van Christus dringt tot liefde, en die waarlijk liefheeft, gehoorzaamt ook.
En om die vrucht is het te doen; geschapen tot goede werken. En klaagt gy dan: „Ik ellendig mensch,quot; hoort ook dit andere: welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Dan mag ik den moed niet opgeven; dan wil ik niet vreezen voor den strijd. Dat leven der heiligmaking is een weg, mij door God ter bewandeling aangewezen. Maar dan wil Hij opdien weg ook aan mijne rechterhand zijn. Dan wil ik al mijne bekommernissen op Hem werpen; Hij zal het maken. En als ik dan, aan het einde gekomen, de rekening mijns levens opmaak, wil ik alles, wat ik leed. en streed en verloochende, plaatsen onder hetgeen niet jfe aan GocZ, maar Hij aan mij gaf, en nog met bevende hand daaronder schrijven: alles is genade.
Wil, U ter eer,
Steeds meer en meer \'tGeloof in ons versterken!
Dan zullen wij.
Gereed en blü.
Uit liefde \'t goede werken.
Gezang 83; 6.
f.ezen. Efeze 2: 4—10. — 1 .foli. 3; 1—11. — Gal. 2: 16—21.
w. up: LANGE.
18 NOVEMBER.
Genesis 50 : 14 : Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij, en zijne broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijnen vader te begraven, nadut hij zijnen vader hegraven had.
Hebben hier, naar de taal van lijkbezorgers, Jacobs familie en vrienden .de laatste eerquot; aan den overledene bewezen ? De plechtigste uitvaart is minder een bewijs van eer dan een vervulling van plicht. Velen meenen, helaas! dat alles met den laatst en gang is volbracht en de doode in het vergeetboek kan worden geplaatst. Goed bedacht, wat is eigenlijk een eerbewijs aan een lijk? Hulde aan wat \'smen-schen schande uitmaakt!
Hoeveel hooger staat eigenlijk niet een Maria, die den levenden Vriend zalft met kostbaren nardus, dan de discipelen, die Jezus\' lijk balsemen, terwijl zij Hem het hoogste eerbewijs onthouden door de
]8 NOVEMBER.
waarheid Zijner woorden te betwijfelen, die Hij van Zijne opstanding sprak.
De rechte Jozefs vervullen hun plicht wel ten opzichte hunner geliefde dooden. maar denken er niet aan hun de „toa/s/e eerquot; te bewijzen. Het is hun eene voortdurende behoefte hen en hun nagedachtenis in eere te houden. Jozef eerde zijn vader door getrouw te wandelen met den God zijns vaders, van zijne jeugd tot zijne grijsheid. Hij eerde zijn vader, doordien hij het gebod zijns vaders hield en de wet zijner moeder niet vergat; want, een tuchteloos kind is hun schande.
Hij eerde zijn vader door stipte vervulling zijner wenscheu aangaande zijne begrafenis.
Hij eerde zijn vader in den ijver en in de trouw, waarmede hij \'t gewichtig ambt, door God hem toebetrouwd, waarnam. Hij eerde zijn vader in de oprechte liefde tot zijns vaders zonen, zijne broeders, schoon zij niets dan wrake verwachtten.
Waarin ligt het geheim van zulke eere te geven wien zij toekomt9 Om iels te geven, moet men ielquot;s hebben ontvangen. Alle goede gave is van God. Hij geeft genade èn eere. ,,De pottenbakker heeft macht over het leem om daaruit een vat ter eere te maken,quot; „geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goede werk toebereid.quot;
Kent gij die genade? Dan zoekt gij Gods eere. Die genade is u genoeg, al gaat het door eer en oneer. Gij hebt de belofte. Ja en Amen in Christus: die Mij eeren, zal Ikeeren.
Gij eert dan ook steeds uwe dooden, wier Losser ook over hun stof zal opstaan, hen verheerlijken in hun opgewekt, onverderfelijk, hemelsch lichaam. Dan moogt gij verwachten, dat hun en u de „laatste,quot; de hoogste, wijl blijvende „eerquot; te beurt zal vallen: als Koningen en Priesters aan de rechterhand Gods te worden gezet. Hoe nietig zal dan elke menschelijke eerbetooning ons voorkomen, waarvoor zelfs een kind van God hier op aarde niet ongevoelig is! —
Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,
Is \'tallen tijd een zon en schild;
Hü zal genaad\' en eere geven;
Hij zal hun \'t goede niet in nood
Onthouden, zelfs niet in den dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer! die op U bouwt En zich geheel aan u vertrouwt.
Psalm 84: 6.
Lezen; Genesis 50. — Prediker 12. — Psalm 112.
A. H. DE KLKKCK.
19 NOVEMBER.
19 NOVEMBER.
Handelingen 16: 14, 15: En eene zekere vroinv, met name Lydia, eene purper ver koopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de lieer e heeft geopend, dat zij acM nam op het gene van Paidus gesproken werd.
En als zij gedoopt was, en haar huis, had zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zoo komt in mijn huis en blijft er. En zij dwong ons.
Aan den oever van den Strymon zit op den Sabbat te Philippi, een kleine vrouwengroep neder. Paulus wil ook hier „niets weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.quot; Bezielend is zyn woord, dat de eere Gods en de redding van menschen beoogt.
Een lieflijk schijnsel voor zijn geloof is hem, na ondervondun teleurstelling, de bekeering van de purperverkoopster van Thyatira. Paulus dankt zijnen Zender, Die wonderbaar hem voor het eerst naar Europa had geleid.
Arbeiders in \'s Heeren wijngaard, ondervindt gij teleurstellingen, houdt goeden moed en volhardt in gebed en arbeid. De vrucht zal gewis niet achterblijven.
Lydia\'s bekeering is een krachtig bewijs van Jezus\' genade. Van godsdienstig zondares wordt zij levend christin, „wedergeboren uit water en Geest.quot; Dat doet de almachtige en vrijmachtige Zaligmaker, die den sleutel heeft van \'s menschen hart en dat opent door Zijn Geest en Woord. Hoe heerlijk! Wenscht gij, dat ook u die genade ten deel valle, zoekt zulks bij Jezus alleen. Zij Gods Woord u dierbaar, worde de prediking door u biddend en getrouw gehoord.
Lydia\'s bekeering is tevens een heerlijk begin van haar geloofsleven.
Zij gelooft en wordt met haar huisgezin gedoopt. Door den doop worden haar alle dierbare beloften verzegeld, die den geloovige toekomen en in Christus Jezus Ja en Amen zijn.
Eenvoud en ootmoed zijn de schoone, kostbare parelen van Lydia\'s godvreezend hart. Zij is een Maria, die luisterend neerzit aan de voeten harer leeraren; een Martha, die hen met de teederstezorgen omringt.
Zoo betoont zü dankbare liefde en beoefent gemeenschap der heiligen. Zij gevoelt zich gelukkig. Zij heeft gedronken van helderder water dan dat van den Strymon; zij is bekleed met kostbaarder gewaad dan Thyatira\'s purper.
47
478 20 NOVEMBER.
Lydia predikt door woord en wandel. Zij volhardt, trots tegenstand en vijandschap. En heengegaan van de aarde, is haar door Jezus plaats bereid in \'s Vaders huis, waar zij eeuwig jubelt rondom den troon des Lams.
Zij Lydia\'s geloof, hoop en liefde ook uw deel!
De kerkklokstonen nooden u op dezen Zondag naar \'s Heeren huis. Moge iederen levensdag het sabbat in uw hart zijn en iedere sabbat u een voorsmaak geven der hemelsche sabbatsvreugde!
Dit is de dag, de roem der dagen.
Dien Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen.
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Och Heer! geef thans uw zegeningen!
Och, Heer! geef heil op dezen dag!
Och, dat men op deez\' eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag!
Psalm 118: li.
I.ezen : Hand. 16: 9—18. — Psalm 92. — Psalm 87.
E. POSTMA.
20 NOVEMBER.
] Joh. 3: 14a: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in hei leven.
Dood en leven ; welk eene ontzettende tegenstelling! De dood is de vreeselijke bezoldiging der zonde; het leven is de zoete en zalige gemeenschap met God.
Met God of zonder God; voor den Heer of voor de zonde\'en den duivel; de hemel in het oog of de hel in het verschiet. Onder het vonnis des doods en der verdoemenis zijn wij geboren door onzen afval van God; het leven is een heerlijke en liefelijke vrucht van het werk des Heiligen Geestes.
Gezegende overgang! Van den dood tot het leven. Van een kind des toorns een kind Gods; van een erfgenaam des verderfs een burger van het Koninkrijk des hemels; van een slaaf der ongerechtigheid een verloste, een vrijgemaakte des Heeren; van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.
Maar, kunnen wij voor ons zei ven van dezen gezegenden overgang
21 NOVEMBER. 479
ten volle verzekerd zijn ? O gewisselijk. De Apostel der liefde vermoedt het niet alleen en wenscht het niet alleen; maar bij zegt; wij weten het. Aan de vrucht wordt de boom gekend. Het leven openbaart zich op ieder gebied in levenswerkzaamheden. Het leven van den Heere Christus, door wedergeboorte in ons hart gewerkt, openbaart zich in ootmoed, geloof, hoop en liefde. Het is dan de innige en vurige begeerte onzer ziel om in oprechtheid te wandelen voor het aangezicht des Heeren, en in Zijne kracht en mogendheid iedere zonde te dooden en den wil des Heeren te volbrengen.
Is dit heerlijk voorrecht door Gods genade ons geschonken,dan kunnen wij met eene blijmoedige dankbaarheid terugzien op de diepte der ellende, waaruit wij verlost zijn. Niet aan ons zeiven, maar aan onzen getrouwen Zaligmaker hebben wij die weldaad te danken. Mogen de vruchten van het nieuwe leven des geloofs zich maar veel in ons openbaren, opdat de Naam des Heeren verheerlijkt worde ! Dan gaan wij met vrede onzen levensweg. Dan heffen wij blijmoedig en dankbaar het oog des geloofs ten hemel. Dan zeggen wij: De hemel is mijn Vaderland. Ik ben met Christus gestorven en ik leef. Het leven is mij Christus, het sterven is mij gewin. Gode zij dank voor Zijne onuitsprekelijke genade!
Eens zullen wij met Jezus leven.
Dan voelt, dan kent men geen verdriet ;
Dat uitzicht moet ons nooit begeven.
Zij, die gelooven, haasten niet.
De dood zal ons die ruste schenken,
Dies stappen wij met vreugd naar \'tgraf;
Blijmoedig aan het graf te denken
Is ook een vrucht, die \'t kruis ons gaf.
Gezang 189: 2.
Lezen: Rora. 5 1—11. — Rom. 6. — .Tesaia 26.
S. KALMA.
21 NOVEMBER.
Matth. 11; 16; Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken ?
Eigenaardige voorstelling, die de Heere Jezus eenmaal gaf van de verhouding zijner tijdgenooten tegenover de prediking van de weten het Evangelie. En toch, wat is zij waar!
Zijne tijdgenooten hadden Johannes den Dooper gehoord, eerst
21 NOVEMBER.
met belangstelling, daarna met toenemende on verschilligheid, die eindelijk in volslagen vijandschap overging. Hadde Johannes alleen aangestuurd op eene zedelijke verbetering voor groote zondaars, zy konden het dragen, zelfs prijzen. Den eisch der/je/cemm/en dien, gebracht tot allen, verdroegen zij niet. Liefelijker scheen hun eerst de leer van Jezus, die Gods liefde vertolkte en vergeving van zonden predikte. Doch hun haat keerde zich daarna niet minder, eer nog beslister, tegen Jezus.
Zij scholden den liefelijken prediker zelfs verschrikkelijk uit, toen het hun bleek, dat Hij toch de wet niet ontbond, maar bevestigde als heilig, wijs en goed en genadige vergeving predikte aan hen, die zich daaraan schuldig hadden leeren kennen. Daarom richtte Hij zich tot boetvaardige tollenaars en zondaars, meer dan tot de in eigen oog rechtvaardigen.
Dat was hun onverdragelyk. Daarom verwierpen zij beiden.
En, zoo er veel veranderd is, is het menschelijk hart wel veranderd ? En hoe is de algemeene geest? En als Jezus terecht zyn tijdge-nooten vergeleek met de kinderen, spelende op de markt, die tenslotte in geen enkel spel behagen hebben, hetzij van droefgeestigen of blijden aard, had Hij daarin niet gelijk? En is dat nog niet van toepassing op onzen tijd ? Het is altijd hetzelfde.
De waarheid geeft geen reden om er afkeerig van te zijn. Maar... gij wilt lot Mij niet komen. En daarom, zij wordt slechts gerechtvaardigd door hare kinderen. Zij moet bij ervaring gekend, beleefd zyn, dan bevestigen wij, dat zij uit God is. De waarheid moet tot het hart en het hart door den goddelijken Geest tot de waarheid gebracht. Dan leeren wy beide kennen: zonde en genade. Dan eeren wij Johannes den Dooper en Jezus. Beiden meenen het dan goed. Maar, niet waar, niet in Johannes, maai\' in Jezus kan de ziel rusten.
Zalig gij, mijn broeder of zuster, indien Johannes u een gids tot Jezus werd en gij niet meer tot dat geslacht behoort, waarvan Jezus zoo ernstig sprak; geen middenweg aanhangt, maar gelooft in Hem, die de Weg is.
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Myn pad ten licnt, om \'t donker op te klaren.
Ik zwoer en zal dit met een blij gemoed Bevestigen in al mijn levensjaren.
Dat ik uw wet, die heilig is en goed,
Door uw gena bestendig zal bewaren.
Psalm 119: 53.
Lezen: Psalm 19. — Matth. 11 : 16—30. — Lucas 19: 1—10.
J. F. DE KLERK
480
\'22 NOVEMBER.
22 NOVEMBER.
Hebreën 5:9: Ji\'ene oorzaak der eeuwige zaligheid.
Het geheele werk van het zaligen van zondaren is van het begin tot het einde den Heere Jezus opgedragen. Welk eene troostvolle waarheid! Wel is zu diep vernederend voor den mensch, die zoo gaarne zelf iets is en aan zich zei ven iets toeschrijft. Maar zij is toch zoo vol goddelijke vertroosting voor wie aan zijne zaligheid leerde wanhopen, omdat hij door Gods genade het verderf van zijn hart leerde kennen. Christus, de oorzaak der eeuwige zaligheid, dan hebben icij daaraan niets toe te brengen; dan mogen wij in onze rampzaligheid tot Hem ons wenden, opdat Hij Zijn werk in ons verrichti\\ Manr dan ligt ook daarin de zekerheid van wie dezen Heiland leerde erkennen.
Hij, de oorzaak der zaligheid, dat woord sluit alles in zich; het geeft den grond aan, waarop de zaligheid berust. Maar het doet ook de kracht vernemen, waardoor zij tot stand komt. Christus, de oorzaak, dat wil zeggen: de reden, waarom de zondaar behouden wordt, ligt volstrekt niet in hem, niet in zijne werken, niet in zijne gezindheden, doch geheel alleen in den persoon en in het werk van dezen Middelaar.
Zoo gij, discipel des Heeren, dat meer geloofdet, wat zoudt gij dan minder moedeloos wezen bij het zien van uwe zonden en gebreken. Wat zou dit juist meer u dringen te vlieden tot Christus, te steunen op Zijne trouw. Christus heeft niet allet-n den grond gelegd voor de zaligheid der Zijnen, doordat Hij de verzoening heeft aangebracht voor hen, neen. Hij is het ook, Die, door Zijn Geest, hen tot het deelgenootschap aan die verzoening brengt. En dan is Zijn werk nog niet af-geloopen. Hij bewaart hen en zal hen brengen tot de volkomen zaligheid. Dit is het werk, dat H\\i op Zich heeft genomen. Daartoe is Hü verhoogd, en daartoe zal Hij Zijne heerschappij aanwenden. Hoe zwak gij zijt. hoe groot de kracht van den vijand is. Hij is de sterke Held. Gij hebt u dus niet te beangstigen bij het zien op de bezwaren, die zich opdoen, gij hebt deze slechts over te laten aan uwen Zaligmaker. Deze zal niet rusten, voordat Hij Zijn werk in u volbracht heeft.
Mjjn verwachting zal niet wijken,
Niet bezwyken.
481
\'k Sta op eene rots gegrond.
31
DAGBOEK.
482 33 NOVEMBER.
Jezus heeft mijn naam ten leven
Opgeschreven Hij, die nooit beloften schond.
Gezang 51; 3.
Lezen: Matth. 18. — Hebr. 5. — Hebr. 2.
P. C. VAN DER HORST
23 NOVEMBER.
Exodus 33: 18: Toon mij nu uwe heerlijkheid.
„Mij zal geen mensch zien en levenquot;. Met dit woord wijst de Heere voormelde bede van Mozes af. Maar, zoo vragen we, wat beweegt Mozes tot die bede ? drijft ijdele nieuwsgierigheid of dwaze hoogmoed hem daartoe ? wil Mozes maar weten om te weten wie en wat God innerlijk is? of beeldt hij zich soms in, dat hij Gode gelijk is ?
quot;We hebben waarlijk geen grond om zoo over Mozes te oordeelen. Immers, hij had al een lange leerschool achter den rug; en in die leerschool veel geleerd, aangeleerd aangaande God en Zijne deugden, afgeleerd aangaande zich zeiven en zijne begeerlijkheden.
Wat hem tot die vraag bewoog, was gansch iets anders. Mozes stond voor een groot raadsel. En dat raadsel op te lossen, hij zager geen kans toe, hij stond er voor en bleef er voor staan. Mozes begreep namelijk niet (en welk kind Gods, dat werkelijk van God geleerd is, bekent niet dikwijls: „dat begrijp ik nietquot;) hoe God rechtvaardig kan zijn en tevens genadig, hoe Hij zijn heilig recht kan handhaven en tevens verzoening sluiten met een zondig volk. En daarom, en daarom alleen, wenscht Mozes in te dringen in \'t verborgen Wezen Gods.
Maar de Heere wijst zijne bede af, want: geen mensch zal God zien en in \'t leven blijven. Wij kunnen de zon niet in \'t aangezicht zien, zonder de oogen te sluiten.; hoe zou een mensch dan God in \'t aanschijn kunnen zien en leven ?
Daarom met recht Mozes toegeroepen: „Mozes, ge weet niet, wat ge vraagt! gij wordt overmoedig, gij vergeet uwe plaats, gij miskent de heerlijkheid Gods!quot;
En toch ook weer: eerbied voor Mozes! ook voor zyne begeerte en bede. Want hij vraagt \'t enkel uit begeerte om \'t heilgeheim te leeren kennen, \'t heilgeheim Gods. Eerbied voor Mozes! want zie als de Heere dit heeft geantwoord, dan laat Mozes ook af, af, als de ge-
24 NOVEMBER.
lioorzame knecht, af, als \'t gespeende kind en geeft zich in vertrouwen over aan den Heere, dat is — in geloove.
Maar bovenal eerbied voor God! eerbied voor Hem, Die uit goedgunstigheid de bede weigert, eerbied voor Hem, die zoo heerlijk Is, dat geen mensch Hem kan zien en leven. Eerbied voor Hem, Die, al weigert Hy in een oogenblik te openbaren, wat Mozes begeert, toch op Zyn tijd en Zijne wijze daaraan zal voldoen, want;
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar zijn vrees in woont,
\'tHeilgeheim wordt aan zijn vrinden,
Naar zijn vreeverbond getoond.
Psalm 25 : la.
Lezen: Ex. 33: 11 enz. — Jes. 40: 1—11. — Joh. 1 : 1—14.
J. H. GESELSCHAP. Wz.
24 NOVEMBER
Psalm 18: 7: Als mij bange was. riep ik den Heere aan; en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit zijn paleis en mijn geroep voor zijn aangezicht kwam in zijne ooren.
De woorden van onzen tekst zeggen ons, wat David van zijn God had ondervonden. Hij was in levensgevaar geweest door de vervolging van Saul en andere vijanden, die zijn verderf beraamden, en had in zijn nood zich tot den Heere gewend, opdat Hij hem uithelpen zou. En Deze had hem niet beschaamd! Hij had acht gegeven op de stem zijner smeeking en hem in de ruimte gesteld. Dies was David verblijd en roemt hij dankbaar in den God zijner sterkte, zün Steenrots en Uithelper, en deelt hij in zijn lied allen, die het zouden hoo-ren, zijne ervaring mede, opdat ook zij, in al hun benauwdheid, zouden doen als hij.
Welnu, als een wekstem daartoe komt dit woord heden ook tot ons.
Het is mogelijk, dat gij, bij het lezen ervan, juist in moeilijke omstandigheden verkeert, in velerlei bekommering van stoffelijken of geestelijken aard, zoodat het ook u zeer bange is.
Het woord van onzen tekst w;jst u den weg, dien gij te gaan hebt. Als door David, moet ook door u tot den Heere de toevlucht worden genomen. Hij zelf geeft u daartoe verlof, want Hij roept u toe: werp al uw bekommernis op Mij. Ik zal het maken! Maak
483
iSi 9b NOVEMBER.
van dit voorrecht, dat Hij u verleent, dan gebruik en stort uwe ziele voor Hem, den Hoorder des gebeds, uit.
Menschen zijn dikwijls zulke slechte troosters en machtelooze helpers — maar zoo is onze God niet. Zywe vertroostingen zijn nimmer te klein. Zijne hulp faalt nooit. Wat Zijne liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet.
Dit ervoer David en heeft met hem \'s Heeren gemeente menig-vuldigUl\'k ondervonden.
Dit zal ook uive ervaring zijn, als ook gij tot Hem roept! Hij hoort onze stem uit Zijn paleis, en ons geroep voor Zijn aangezicht komt zeker in Zijne ooren. Hij heeft \'t immers zelf beloofd: Ten dage, dat gij zult roepen, zal Ik antwoorden, en als gij zult schreeuwen, zal Ik zeggen: Zie, hier ben Ik.
Waag het- dan op deze belofte en werp voor uw God u ter neer, Hem bekend makend al uw behoeften. Dan zal Hij ook aan u het betoonen, dat Zijn arm niet is verkort sinds de dagen van ouds, en Zijn oor niet moede geworden van hooren, en dat het juist Zijn lust is de wolken weg te vagen en het harte met vreugde te vervullen.
\'k Riep tot den Heer in \'t midden dier ellenden,
Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden:
Mijn klaagstem drong tot in Zijn troonzaal door;
Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.
Psalm 18 : 2a.
liezen; Ps. 18: 1—7. — Luc. 18: 1—8a. — Ps. 34.
J. 1). J. IDENBURG.
25 NOVEMBER.
Romeinen 8: 35a: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ?
Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Met zoodanigen roem begint de apostel het hoofdstuk, aan welks einde hij in zijne stijgende roemtaal durft vragen: „wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?quot;
Kunnen wij reeds met hem instemmen, misschien minder krachtig, evenwel overtuigd van de zekerheid ervan en van onze oprechtheid? Niet in eigen kracht, maar om de genade Godsin Christus, Die zich zei ven voor ons heeft overgegeven tot een zoenoffer!
Deze roem is betamelijk! Hij grondt zich immers in de liefde van
26 NO /EMBER.
Christus tot ons! Christus heeft ons eerst liefgehad, Hij, Die eeuwig, onveranderlijk, gisteren en heden Dezelfde is in der eeuwigheid; Die ons heeft gezocht, de heerlijkheid, welke Hij bij den Vader had, eer de wereld was, om onzentwille verlatende, zichzelven vernederd hebbende tot de gestaltenis eens dienstknechts; Die Zich voor onze zonden heeft overgegeven tot in den dood des kruises en zelfs voor zijne moordenaren bad. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Ook is Hij de machthebbende, Die met recht van onze gevreesde vijanden kan verklaren: „de satan heeft aan Mij nietsquot; en „de wereld heb Ik overwonnen;quot; Die door de kracht Zijner opstanding den dood heeft te niet gedaan en door Z\\jn bloed reinigt van alle zonden. Verder is Hem gegeven all« macht in hemel en op aarde, zoodat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus 1
Maar meer nog! Hij is onze medelijdende Hoogepriester, Die, dooide hemelen doorgegaan, een naam heeft ontvangen, welke boven allen naam is; Die, verhoogd aan de rechterhand der Kracht Gods, met ons is alle de dagen tot de voleinding der wereld. Hij blijft met de Zijnen en heeft hun den Heiligen Geest tot een onderpand Zijner gemeenschap geschonken. Hij ziet uit den hooge op hen neer en laat hen in Zijne zorg alle dingen ten goede medewerken. Onder zijn scepter zijn zij veilig, want niemand zal ze uit Zijne hand rukken. Wie zal ons dan scheiden van de liefde van Christus? Laat ons, biddende om den Heiligen Geest, er voor waken in Hem te blijven!
Maar, wat lot, of dood of leven.
Smaad of eer, mü ooit verwacht\',
Jezus zal mij nooit begeven;
Ben ik zwak, bij Hem is kracht;
Gunst van menschen, raad van vrinden,
Bittre haat van kwaadgezinden.
Hoogte, diepte, vreugd of rouw.
Niets ontrooft mij aan Gods trouw.
Gezang 58: 9.
liezen: Joh. 15: 1—17. — Rom. 8 ; 28—39. — 1 Joh. 4.
485
G. CAZEMIER.
26 NOVEMBER.
Handelingen 16: 13a: En op den dag des Sabbats, gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden.
„Kom over en help ons!quot;
486 26 NOVEMBER.
Dat woord heeft Paulus te Troas beluisterd.
Het klonk hem in de ziel als eene eigen opdracht Gods.
Reeds is hij te Filippi.
Dra zal hij beseffen, waarom de Geest hem verhinderd had in Azië het quot;Woord te spreken.
Het is Sabbat! Heerlijke dag voor allen, die God in waarheid vreezen ! Een dag, die, zoo vaak hij wederkeert, het gebod des Heeren herhaalt: „Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt!quot;
Paulus met z^jne reisgenooten gaan naar de plaats, waar het gebed placht te geschieden, — misschien eene onaanzienlijke synagoge. gebouwd aan de rivier, met het oog op de wasschingen door de Wet voorgeschreven.
Weldra spreekt de apostel tot de vergaderde vrouwen. Hij predikt het Evangelie. En die prediking — van hoever strekkende betee-kenis was zij!
Het licht gaat op over Europa. Het woord wordt bewaarheid: Ja-feth wone in de tenten van Sem.quot; (Gen, 9: 27.)
Lydia wordt gewonnen. Haar huis wordt een herberg, voor de kerk.
De vogel heeft een huis, de zwaluw een nest gevonden.
Wederom hoordet gij de Sabbatsklokken luiden over velden en beemden.
Vriendelijke tonen - roepstemmen Gods! De Heere wil niet. dat de boog altijd gespannen zij, dat het wiel altijd zal draaien. Hy wil, dat er ruste zij!
In de woestijn van het leven bereidt Hij eene lieflijke oase, een „Elimquot; met palmboomen en fonteinen, en eene stem fluistert ons tegen: rust een weinig!
Hij wil ons voor een pooze losrukken uit de zorgvuldigheden en beslommeringen des levens — de mensch zal bij brood alléén niet leven!
Die ons eiken dag de spijze gaf voor het lichaam, wil ons óók het voedend manna bereiden voor de ziel.
Hij wil ons indachtig maken aan onze hoogere bestemming, en van de aarde den moeden blik ten hemel richten. Hij wil niet, dat de mensch „alleenquot; zij, maar. dat hij zich een levend lid gevoele van Zijne duur gekochte Gemeente.
Hij, Dien de hemel der hemelen niet kan omvatten, wil wonen in den tempel. Hem op aarde gewijd en Zich wenden tot het gebed Zijner knechten. (1 Kon. 8: 28.)
Elke Sabbat vertolkt ons het woord: „Ziet, hoe goed en lieflijk is het, dat broeders ook samenwonen.quot; fPs. 133: 1)
487
Door alle eeuwen heen de kinderen Gods gevoelden zich heengedreven naar de voorhoven des Heeren.
Daar vond Hanna vertroosting in hare smart, als ze hare ziel uitgoot voor het aangezicht des Heeren (1 Sarn. 1:15) — daar dankte Hizkia zijnen God voor de redding hem geschonken, (2 Kon. 20; 5) — daar werd Simeon, waggelend aan den rand van het graf, heengeleid om de „zaligheid des Heeren te aanschouwen. (Luc. 2: 80.)
Waar de wereld den rustdag aan den dienst des Heeren onttrekt, en daardoor den heerlijksten zegen derft, — dat wij de banier opheffen, waarop met gouden letterschrift het woord is gegrift: „Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten.quot; (Hebr. 10; 25.)
Lieve vrienden, als aan L3,dia bereide de Heere ook u op dezen dag een rijken Sabbatszegen!
Opene Hij uwe harten — doe Hij u de vertroostingen kennen van Zijn dierbaar Evangelie!
Och! mocht ik in die heilige gebouwen,
De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.
Zijn lieflijkheid en schoenen dienst aanschouwen!
Hier weidt mijn ziel met een verwondrend oog .\'
Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt\',
In ramp en nood versteken in zijn hut;
Mij bergen in \'tverborgen vrm zijn tent.
En op een rots verhoogen uit d\' ellend\'.
Psalm 27; 3.
Lezen: Jes. 11: 1—10. — Joh. 10; 7—16. — Rom. 11: 25—36.
W. VAN ROGGEN.
27 NOVEMBER.
Mattheüs 6: 24: Niemand kan twee heeren dienen; want, of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebhen, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.
Onder de vele en velerlei ongerijmdheden, die zich voortdurend in het leven voordoen, behoort ontegenzeggelijk ook de zucht om twee heeren te dienen. Met God en Zijn dienst bepaald breken, neen, dat doet men niet, men is geen Turk of Heiden, en bovendien, men kan toch niet geheel zonder godsdienst. Maar om zich nu geheel aan den Heere te geven, af te zien van de wereld en hare begeerlijkheden
27 NOVEMBER.
gaat wel wat moeilijk; en daarom, het hart, dat zoo arglistig is, weet er wel wat op te vinden: aan beide wordt een plaats gegund. God zal dus moeten deelen met de wereld, ieder wat, en zoo wordt het onmogelijke kunststuk beproefd, om twee ongelijksoortige grootheden te vereenigen, bij elkaar te voegen, op te tellen als \'t ware. In de wiskunde gaat zulks eenvoudig niet, blijkens een harer bekende grondstellingen, doch op \'t gebied van \'t geestelijk leven wordt het door ieder van nature beproefd.
Doch, zoodra het tot de besliste keuze bij ons is gekomen, het nieuwe leven, dat uit God is, by ons aanvangt, dan wordt de vraag in de ziel geboren: Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? Niets is dan ook nadeeliger voor uw geestelijk leven, en houdt den bloei en wasdom er van meer tegen, dan het beurtelings dienen van God en de wereld. Dan is men noch koud, noch heet, maar lauw; dan heeft uw God niets aan u en de wereld heeft niets aan u; dan zijt gij niet waar voor God en op den duur houdt gij het toch niet uit met zoo\'n halfslachtig leven te leiden. Dan zijt gij een dubbelhartig rnensch en die is ongestadig in al zijne wegen, en ten leste weet niemand ter wereld, wat men eigenlyk aan u heeft, want gij mist de kenteekenen der ware genade, het kenmerk van het kindschap Gods, want de oogen, die eens gezien hebben, kunnen niet terug, en, wie eenmaal door genade aan den Heere en Zyn zaligen dienst zich verbonden gevoelt, roept, zoo dikwijls de zonde hem aanlokt met Jozef uit: „zoude ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God, dat zij verre !quot;
Zalig, wie het verstaat en begrijpt, maar het dan ook in praktü\'k brengt door den Heere God alleen te dienen, want nog nooit heeft een meester zóó zijne dienaren beloond, als Hij de Zijnen. Hij geeft hun het leven en overvloed, te weten het teuwige, zalige hemelleven, verworven en aangebracht door den dood Zijns Zoons, Die het kruis heeft verdragen en de schande veracht.
Niemand kan twee heeren dienen. Hebt gij het verstaan en begrepen ? O, zeg dan toch den dienst der wereld op. Die wereld belooft wel veel, maar beloont zoo uiterst slecht. Weet gu waarmee? Met het eeuwig verderf. Uw Heiland daarentegen belooft hier weinig. „In de wereld,quot; zoo roept Hij Zijnen dienaren toe, „zult gij verdrukking hebben, maar, hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen en als vrucht daarvan geef Ik u straks het eeuwige leven.quot; De loonstandaard is dus anders dan die der wereld, ook de arbeidsduur, want wie slechts één uur gearbeid heeft, of wilt gij, eerst ter elfder ure geroepen wordt, ontvangt hetzelfde loon, n. 1. het eeuwig leven in het Koninkrijk der hemelen, hem bereid van voor de grondlegging der wereld.
488
489
Zoo uw gena niet voor mij henen gaat.
Geen aanvang maakt, niet wekt, niet mee wil werken,
Niet bij mij blijft, wie zal mijn arm dan sterkenquot;?
Helaas, mijn God! dan weet ik troost noch raad.
Schenkt Gij geen licht, zoo kan mijn oog niet zien:
En zie ik niet, wat goeds zal ik bedrijven?
Verlaat Gij mij, dan zal ik moeten vlien.
En moet ik vlien, hoe zal ik bij ü blijven?
Gezang 76: 2.
Lezen ; .lozua 24: 14—25. — Matth. 6 : 24—34. — Openb. 2: 1—7.
H. PEIJKES.
28 NOVEMBER.
2 Timotheüs 2: 19: Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De iTecre kent degenen, die Zijne zijn: En: Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
Dat fundament is niet bloot de leer van de opstanding uit de dooden, die door Hymenaeüs en Philetus bestreden werd, zooals sommigen willen. De opstanding van onzen Heere Jezus Christus en de opstanding der Zijnen met Hem vormt veeleer de sluitsteen van dat Gods-gebouw, dat zijn diepsten grondslag vindt in Gods eeuwig welbehagen. De Apostel beschouwt dat eeuwig en onveranderlijk genadeplan Gods tot behoudenis van verloren zondaren als een fundament, en dat fundament draagt een dubbel opschrift. Het eerste spreekt van den grondlegger van het fundament, het tweede van het doel, waar toe dat fundament gelegd werd.
Dit dubbel opschrift wordt een zegel genoemd. Wij zouden ook kunnen zeggen: een stempel. In de dagen der Farao\'s werd het ko ninklijk stempel ingedrukt in eiken steen van de gebouwen, die op hun bevel werden opgericht. Zoo ook draagt niet alleen het gansche gebouw der gemeente Gods dit opschrift, maar ook iedere levende bouwsteen is van dit dubbel stempelwerk voorzien. Levende bouw-steenen zijn zij, die door God zeiven op dat onwankelbare fundament worden opgebouwd. Degenen, die naar Zijn Goddelijk voornemen geroepen zijn, worden ook door Zijn Geest en Woord gewillig gemaakt om aan te nemen, wat Hij hun uit genade schenkt. Nu, het wordt niet als een kenmerk van deze bouwsteenen opgegeven, dat sy staan, d. i vaststaan, want zij worden nog dikwijls bewogen van de hope
29 NOVEMRRR.
des Evangelies. Maar het fundament staat .vast, de voorw erpelijke grond hunner zaligheid kan niet bewogen worden. God is getrouw. Hij kent degenen, die Zijne zijn. Wat wij noodig hebben, is; ons dooiden grooten Bouwmeester te laten vastleggen op het onwankelbare fundament Christus. Het Godsgebouw rijst zijne voltooiing te gemoet.
Het andere opschrift bevat eene vermaning tot heiligheid des levens. „Een iegelijk, die den naam van Christus noemt,quot; dat is, die belijdt, dat in Jezus Christus al Zijn heil en zaligheid gelegen is, „sta af van ongerechtigheid.quot; De rank kan echter geene vrucht dragen van zich zelve, zoo zij niet blijft in den wijnstok; alzoo ook de geloovige niet, zoo hij niet blijft in Christus. „Indien iemand in Christus Jezus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.quot; En dat moet zich openbaren in vruchten der gerechtigheid, Gode tot heerlijkheid door ons. —
\'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen,
Uw waarheid fallen tijd vermelden door mijnreen.
Ik weet, hoe \'tvast gebouw van uwe gunstbewijzen,
Naar uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen.
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken.
Zoo min zal uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
Psalm 89 1.
f.ezen : Jes. 43: 1—7. — 1 Thess. 5. — 2 Tim. 2 : 11—19.
J. P. ERINGA.
29 NOVEMBER.
Jesaia 57: 2i: De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede.
Zoo heeft Jesaia gesproken en zijn woord zou als opschrift kunnen geplaatst boven de levensgeschiedenis van allen, die daar waren en zijn, zonder God en zonder hoop in de wereld. Of is hier niet hun naam, hun vloek en hun gemis genoemd en wie dit woord hoort, kan hij nalaten te vragen: „Ben ik \'t Heere?quot;
Goddeloozen — het zijn kinderen der overtreding, die in buitenspori ge zonden wandelen, maar zijn het ook, die vruchten der goddeloosheid voortbrengen in het verborgen, dat openbaar is voor God. Zij zijn het ook die, dit doende, misschien zeggen: „Wij zijn vroom.quot;Een iegelijk is het, wiens hart en leven is „zonder God,quot; omdat hjj is zonder Christus. Wie zal ze tellen, die met dezen naam zyn genoemd ?
490
29 KOVEMBEH.
En dezen allen, zij hebben geen vrede. Daarbinnen jaagt en vraagt de hartstocht, de lust, de begeerte en dry ft hen, als de zweep des drijvers, voor:, rusteloos voort. Zij hebben geen vrede naar buiten, want een hart vol onvrede rooft ook \'t leven alle rust.
Alleen moet de weg betreden, de last gedragen, het kruis getorst en de mensch zonder God, kent slechts den wrevel en de wanhoop, die door kunstmatigen slaap worden verzacht. En dit alles — omdat er geen vrede is met God. Met de Zonde drijft de schuld rusteloos voort. Het geweten beschuldigt en klaagt aan. De zorgen knellen en kwellen en voor zonden en zorgen heeft hij geen plaats bij zijn God. Neen, want hy heeft zich dien God tot een vijand gesteld. Hij vreest en verbergt zich voor den Heilige. Zijn roepstemmen zijn Hem hatelijk. Zijn beproevingen wekken zijn toorn. Zijn wil is hem een walg. Op den weg naar den dood draagt dat hart vol onreinheid en vijandschap zijn vonnis reeds in zich en bij zich, dat Jesaia\'s woord bij \'t licht der eeuwigheid, op schrikkelijke wijze, bezegelen zal.
Geen erger vloek kon genoemd — en toch hoe menige Saul, en Judas, hoe veler morren en jagen, gepaard aan een verdooven van de stem der beschuldiging, hoeveier kreten van jammer en wanhoop, hoe menig leven en sterven zegt het en heeft het gezegd; De godde-loozen hebben geenen vrede. —
Heil ons, wier aller beeld van nature met dit woord werd getee-kend, dat de God der genade zijn Eengeborene zond om, komende, vrede te verkondigen, dien, die nabij en verre zijn. Mocht tegenover dit woord, dat andere, voor \'teerst of opnieuw, het onze zijn; „Hij is onze vredequot; om het te blyven iederen dag onzes levens. Ook het einde van dien man (maar ook het zyne alleen) zal vrede zijn.
Doorgrond m\'en ken mijn hart, o Heer!
Is \'t geen ik denk niet tot uw eer?
Beproef m\' en zie, of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed\';
En doe mij tocli met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden.
Psalm 139; 14.
Lezen: Jes. 57: 15—21. — Kom. 6: 12 -23. — Efeze 2: 11—22.
H. VAN EYCK VAN HESL1N6A.
491
30 NOVEMBER.
30 NOVEMBER.
Psalm 23: 3, 4; Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om zijns naams wil.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen; want. Gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij.
Bizondere zegeningen zijn het, waarvan David in den schoonen 23sten Psalm gewaagt. In beeldspraak belijdt hij geloovig: „De Heere is mijn Herder, mii zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille waterenquot;. En in vs. 3 spreekt hij: „Hij verkwikt mijne ziel.quot; Dus aan Gods gunst en aan de onmisbare genadeleidingen des H. Geestes ontbreekt liet hem niet. Aan beide heeft een door Gods genade aan zich zeiven ontdekte dan ook steeds behoefte op zijn aardsche woestijnreis.
Welgelukzalig daarom hij, die, gelyk David .hier, van deze lieflijke en vertroostende leidingen Gods kan spreken ; niet alléén, omdat, zij bestaan, maar omdat hij ze zelf voor z^jn eigen harte geniet.
Daarin ligt dan ook het geheim van Davids kalme, blijde gemoedsrust. „Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wilquot;, zoo gaat hij voort. Ook aan deze leiding, om in het „spoor der gerechtigheidquot;, dat is het pad van Gods geboden, te blijven, heeft hij telkens behoefte. Hij zou ook nog gedurig eigenwillig en eigendunkelijk in zijn eigen spoor gaan, indien de Heere hem niet leidde. Immers is zulk een afwijken van den rechten weg meermalen ook het werk van een discipel des Heeren. Maar ook dan leidt de groote Herder der schapen de zijnen weer in het „spoor van zijne gerechtigheidquot;, zoo noodig onder kastijdingen of beproevingen of louterend lijden.
„Om Zijns Naams wilquot;, dus is ook alle roem hier uitgesloten want deze leiding Gods vloeit ook voort uit het Goddelijk welbehagen.
Maar weet de dichter dan van geen gevaren en moeiten, van geen strijd en aanvechtingen? O, gewis; maar ook dan is hij gerust. „Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen.quot;
Zijn er in dat dal dan geen kwaden, die ook zelfs den geloovige vrees aanjagen? O, zeker! golven des twijfels, verleden en tegenwoordige zonden, ofschoon vergeven, aanvechtingen des satans, duisternis en donkerheid, een eigenschap van deze doodsvallei, waardoor het licht des kruises van Golgotha geheel schijnt overvleugeld te zullen worden, omringen hier den geestelijken pelgrim.
492
1 DECEMBER.
En toch zegt David: „ik zou geen kwaad vreezenquot;. En waarom niet? Hij belijdt: „want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mijquot;. Stok en staf zijn in het natuurlijk leven de zinnebeelden van de leiding en regeering der kudde, in het rijk der genade van genadeheerschappij en genadezorg.
Onder deze, in de nabijheid zijns Gods, weet de dichter zich overal veilig. Zij zijn voor hem de geruststellende waarborg, dat geen kwaad hem zelfs in het doodsdal zal verschrikken. Of David dan altijd zoo vol geloofsvertrouwen is geweest? O, neen! zijn harp heeft ook doffer geklonken. Klaagzangen uit de diepte, boetpsalmen vol smartelijke klachten over bedreven kwaad, heeft hij ook doen hooren. Ook in dit opzicht zijn de ervaringen van alle Gods kinderen in meerder of minder mate van eenerlei aard. En toch. . . ? David is niet beschaamd geworden, noch een der duizenden, die op den Heere hebben vertrouwd!
Daarom, houdt moed! gij volgers achter Jezus, ook al leidt Hij u .angs een doornen pad en in een lijdensweg, want éénmaal zullen alle verlosten het in hooger en volmaakter zin kunnen belijden : „Hij doet mij nederliggen in grazige weiden ; Hij voert mij aan zeer stille wateren; Hij verkwikt mijne ziel.quot;
Die gezegende vrucht van het kruis uws Heilands zal u althans ten deel vallen aan de zilveren stroomen van het Hemelsch Kanaan !
De God des hells wil mij ten herder wezen,
\'k Heb geen gebrek, \'k heb geen gevaar te vreezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,
Aan d\' oevers van zeer stille watren leiden.
Hy sterkt mijn ziel, richt, om zijn naam mijn treden In \'t etfen spoor van zyn gerechtigheden.
Psalm 23: 1.
Lezen ; Ps. 103. — Joh. 10: 1—16. — Openb. 7.
JAC. ERINGA.
I DECEMBER.
1 Corinthe 13: 13: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.
De herfstadem heeft het woud ontbladerd. Ritselend vielen ze neer voor onzen voet, de verschrompelde kinderen van den zomer.
De nachtvorst brak ook de laatste stengels; de aarde ging zich wikkelen in haren wintermantel, de doodssprei, waarvan de witte rijm ons de stof schijnt, uit welke zij geweven werd.
493
494 1 DECEMBER.
Zoo ging ook al dat schoons voorbij, ons predikende in zijne snelle vlucht, dat ook icij daarheen vliegen. Het leven des menschen is als eene bloem des velds; als een sprookje, verteld en vergeten; als water, op den grond gestort, waarvan het spoor dra is verloren.
Toch is d^ar iets blijvends ons op de levensreis geschonken. De liefde vergaat nimmermeer. Profetieën zullen in vervulling gaan; talen houden op — immers de doode talen prediken het ons, — kennis stompt af en verdwijnt, maar de liefde blijft. Zij is het, die het geloof en de hoop moet reinigen, beheerschen.
Zij is het welriekende van het geloof; het licht der hoop Zonder haar is het geloof dood. Een geloof zonder liefde is het geloof dei-duivelen.
Daarom zegt de Apostel: „maar de meeste van die is de liefde.quot; Want straks gaat het geloof over in aanschouwen; de hoop wordt niet beschaamd; maar de liefde smelt nooit meer weg.
Immers, wanneer na dit korte leven der aarde hot oog van den verloste den Verlosser mag zien, op Wien hij in dit leven heeft gehoopt, zal de liefde tot meerdere volmaaktheid rijpen en hare stem, die hier nog zoo dikwerf beefde van angst en zorg, verheffen niet meer als zacht rietgesuisel, maar als een zilveren klank des lofs in het koor der gezaligden. Het geloof bracht ons, omdat het in ons hart gewrocht was door den Heiligen Geest, aan de voeten van den dierbaren Heiland van zondaren; in Hem vond de hoop al haar voedsel en troost in de angstige uren des levens, in den nacht des doods; maar de liefde zet er haar stempel op en maakte ons mede erfgenamen van Christus. Of liever, zij maakt, dat de erfgenaam van zijne erfenis geniet en de zalige stemming doorleeft van het gevoel, dat de verlossing door genade ook zijn deel werd. Geloof kan dood zijn, en hoop kan valsche hoop wezen; maar de liefde is onbe-driegelijk; zij heeft het kenmerk van oprechtheid in zich zelve en ook daarom is zij de meeste.
Liefde! met wat medelijden
Zaagt Gy Adams kindren aan ;
Voor die snooden wondt gij strijden,
Zulken van den vloek ontslaan;
Ja, Gij storttet bloed en tranen
In het bang Gethsemané,
Om voor ons den weg te banen Naar \'t gewest van rust en vree.
Gezang 120: 2.
Lezen ; 1 Cor. 13. — Jos. 40: 1—11. — 1 Joli. 4.
D. G. I\'OSÏMA.
2 DECEMBER. 495
2 DECEMBER.
Joh. 9: 3öamp; : Gelooft gij in dm Zoon van God ?
Gewichtige vraag! Er zijn vele gewichtige levensvragen, die beantwoord moeten worden, zullen de rust van ons hart en het heil onzer onsterfelijke ziel vast gegrond ziin, maar geen van die alleis toch gewichtiger dan deze : Gelooft gij in den Zoon van God ? Van de beantwoording dezer vraag hangt toch ons eeuwig wel of wee af, want: „die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar, die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.\'\'
Onderzoekt dus U zeiven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven ! Zegt niet: „dat Jezus deze gewichtige vraag deed aan dien blindgeborene was vrij natuurlijk, want hij kende Jezus nog niet als den Zone Gods, maar voor ons is die vraag geheel overbodig. Wij zijn immers in Zijnen naam gedoopt; wij hebben reeds op den schoot onzer moeder gehoord van dien liefelijken Naam, die ruischt langs de wolken ; w^j hebben Hem, in de heiligste ure onzes levens, beleden als onzen Zaligmaker.quot; — Dwaalt niet; zouden wij dan waarlijk kunnen zeggen; zooveel gedoopten met water, zooveel gedoopten met den Heiligen Geest; zooveel geschrevenen in het lidmatenboek der gemeente, zooveel geschrevenen in het boek des Lams; zooveel kerkgangers, zooveel aanbidders Gods in geest en waarheid; zooveel rechtzinnigen, zooveel liefhebbers des Heeren ? Gij weet beter. Het geloof is niet aller. Menigeen, die voor de waarheid ijvert en terstond zijn antwoord gereed heeft op de vraag; „ wat dunkt u van den Christus, Wiens Zoon is Hij,quot; is nochtans geheel onbekend met de innige ziels- en levensgemeenschap, die er tusschen den Heer en zijne verlosten bestaat. En, hoeveel wordt er ook in onze dagen voor geloof uitgegeven, \'t geen het merk des Heiligen Geestes mist.
Ieder vrage zich dus aan den morgen van dezen dag des Heeren ernstig af: geloof ook ik reeds in den Zone Godsquot;? Heb ik Hem reeds mijn hart gegeven? Is Hij reeds het leven van mijn leven, het licht van mijn licht, de kracht van mijne kracht? Geloof ik waarlijk, dat Hij ook al mijne zonden gedragen heeft aan het hout en ook voor mij een eeuwige gerechtigheid heeft verworven? Niet ? O, ga dan toch niet op naar het huis des Heeren, voordat gij in uwe binnenkamer gesmeekt hebt, dat het den Heiligen Geest behagen moge, heden net geloof, door het Evangelie, in uw hart te werken.
4:96
Door ?ijn vredeboden Doet God zondaars nooden
Tot het hoogste goed :
God heeft ons vergeven,
God schenkt ons het leven Door des Heilands bloed.
Ja, de Heer wil nog veel meer,
Boven bidden, boven denken.
Alles aan ons schenken.
Gezang 36: 2.
Lezen : Joh. !). — Rora. 3: 19—31. — Hebr. 11.
M. J. SANDERS.
3 DECEMBER.
Hebreen 11: IScZ: £n hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde ivaren.
De vriend der wereld gevoelt zich hier tehuis en wenscht wel altijd op aarde te blijven. Niet alzoo de mensch, die wedergeboren is, bedroefd naar God is geworden. In de wereld met hare genietingen en ijdelheden, op deze aarde vol veranderende tooneelen van zonde en ziekte en dood vindt hij de rust niet.
Zijn anker der hoop is in het hemelsch heiligdom, waar Christus zijne gemeente is voorgegaan, nadat Hy voor onrechtvaardigen gestorven was. Daarboven is zijn schat, waar de Zaligmaker van zondaren aan Gods rechterhand is gezeten. Eiken dag kort zijn pelgriinsreis in en komt hij nader bij huis. Laat de wereld dan zeggen : hij of zij behoort in onzen kring niet, het is een eervol getuigenis voor den vreemdeling, den vriend van God. die zijn burgerrecht en wandel in de hemelen heeft door het geloof in Christus. De vreemdeling heeft op reis dikwijls ontberingen, en moet zich schikken, want hy is niet in zyn huis.
En het kind van God ondervindt ook de moeilijkheid, aan het vreemdelingschap verbonden, in verloochening van zich zeiven en kruisiging des vleesches en verdrukkingen. Maar, hij mag zijn bezwaard hart uitstorten voor God; er is een briefwisseling tusschen den hemel en de aarde in een overvloed van verzoekschriften, in een reeks van gezangen, opgezonden naar het hof der hoven in den naam des grooten Konings, Jezus Christus onzen Heere.
4 DECEMBER.
De aangename rustpunten ontbreken niet op den tocht door de woestijn, waar de Heere door zijn Woord en Sacrament den vermoeide en bedroefde van harte verkwikt en troost. Wat de vreemdeling op aarde kan missen, het Woord Gods niet, dat zijn reisboek is, waardoor de getrouwe Leidsman, de Heilige Geest, den onwetende den weg wijst, die uitloopt in de hemelstad.
Daarom zong ook de zoon van Isaï:
Ik ben, o Heer! een vreemdling hier beneen!
Laat uw geboon op reis mij niet ontbreken ;
Eaar mijne ziel. omringd door duisterheen.
Zoo dikwijls van verlangen is bezweken.
Om u te zien ter hooge vierschaar treen,
Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.
Psalm 119: 10.
Lezen: Hebr. 4. — Psalm II!): 17—24. — Psalm 119: 33—40.
Y. DOORNVELU.
4 DECEMBER.
Psalm 71: 5a: Gij zijt mijne Verwachting, Heere, Heere!
Augustinus heeft eens gezegd: „ons hart blijft onrustig in ons kloppen, totdat het rust in God heeft gevonden.quot;
Ach, de mensch zoekt wel veel, ja alles, in de wereld en zich zeiven, maar hier zal hij niet vinden, wat in eeuwigheid blijven zal.
Wel zijn er heel wat verblinden door de zonde, die meenen, dat er iets geestelijk goeds in den mensch sluimert, dat door eene elec-trische vonk slechts behoeft te worden aangeblazen, doch God leert ons geheel iets anders in Zijn Woord.
Neen; niet de mensch, niet de schepping, maar Gquot;d alléén is de Bron der vernieuwing. De mensch zelf is gelijk aan een boom, die in den bloeitijd van den stam is afgekapt, en nu onmogelijk vruchten kan voortbrengen.
Maar, wanneer \'t nu den Heere God heeft behaagd, ontfermend op dien armen zondaar neer te zien en met den Geest der genade woning te maken in zijn hart, ziet, — met hoeveel vijanden hij dan ook heeft te worstelen en hoe zwaar zijn lijden mag wezen, hij kent dan ook de oogenblikjes op aarde, waa.rin hij met den Psalmdichter mag getuigen:
„Ik zal U loven, mijn f^oi; ik zal U psalmzingen, o/Töt7i(/e Israé\'Zs.
DAGBOEK. 32
497
498 5 DECEMBER.
Myne lippen zullen juichen en mijne ziele, die Gij verlost hebt.quot; Ja, nu wordt do Heere Heere alléén zijne eenige verwachting!
Velen zitten op aarde ter neder bij de bouwvallen van hunne grootheid en in plaats van tot den God huns doops en hunner belijdenis toevlucht te nemen, verdooven zij zich zeiven met groote hoeveelheden chloroform, totdat ze eindelijk in een vreeselijken nacht ontwaken.
O gij, wier verwachting de Heere Heere niet is, uw scheepke dobbert op onrustige baren. Straks slaat \'t tegen de rotsen te pletter! Och! dat \'t de bede eens worden mocht: „Heere! erbarm U onzer, wij vergaan!quot;
Is de Heere Heere uwe eenige verwachting, dan rust uw voet op een grond van graniet en hebt gü niets te vreezen, ofschoon gü weet, dat vulcanische gangen dien grond ondermijnen! Wie den Heere verwachten, zullen in eeuwigheid niet beschaamd worden.
Veel kan u tegenvallen - veel op aarde ^ich vereenigen, waardoor uwe hope wordt teleurgesteld — „zwijgt echter Gode, want van Hem is uwe verwachting!quot;
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou;
Myn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
quot;Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de bron van alle _goed;
Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer.
Psalm 27: 7.
Lezen ; Psalm 146. — Jes. 25: 1—9. — Hom. 8 : 18—39.
Chr. YNZONIDES.
5 DECEMBER.
Efeze 3: 20, 21; Hem nu, die machtig is, meer dan overvloedig te doen, boven al, wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt.
Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen!
Hoe machteloos, hulpeloos en verlegen gevoelt zich menigmaal de geloovige.
5 DECEMBER.
Ziende op de verdorvenheid van zijn hart, de zwakheid van zijn geloof, de geringheid zijner kracht, en de veelheid zijner nooden en bezwaren dreigt hem de moed te ontzinken; als ware daar geen machtige Helper, op Wien h\\j zijne hope bouwen mag.
Voor den zoodanige bevat dit woord des apostels eene overvloedige bron van leering en troost.
Is de door kommer en vrees gekwelde ziel gelijk aan een schip, dat door de golven wordt heen en weder geslingerd, dan wijnt dit woord hem een vasten ankergrond aan, waarop hij zich in alle omstandigheden verlaten kan:
„ God is machtig meer dan overvloedig te doen hoven al, wat wij bid ■ den of denken.quot;
Door een overvloed van besliste bewoordingen lokt de apostel ons uit de volle kracht dezer waarheid te overzien en in beoefening te brengen.
Nimmer kunnen Gods kinderen te veel van hunnen genadigen God en Vader verwachten. Op het gebed in Christus\' Naam zijn hun groote dingen toegezegd.
Meer dan overvloedig is Hij machtig door Zijne kracht hen te bekwamen tot iedere roeping en hen uit te helpen uit iederen nood.
Die God, Die Zich machtig betoond heeft de jongelingen in den gloei-enden oven en Daniël in den kuil der leeuwen te beveiligen, leeft nog! Geen ding zal voor Hem te groot of te wonderlijk zijn. —
Niet altoos doet Hij naar ons bidden en denken... Gelukkig! ... Want ons bidden is zoo gebrekkig en ons denken dikwyls zoo dwaas.
Maar Hij zal doen boven al, wat wij bidden en denken, en zóó, als Hij het maakt, zal het ten slotte blijken wèlgedaan te zijn. —
Wel onzer, zoo wy, bouwende op \'s Heeren beloften, al onze belangen in Zijne handen leggen, blijmoedig Hem volgend, en alzoo met daden eeren den al wij zen en alles machtigen God, Wien toekomt de heerlijkheid door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid, Amen! —
Men blijv\' eerbiedig God verbeiden.
En zwijg\' den Heer ootmoedig stil;
Hij zal ons naar zijn\' raad geleiden,
\'tls goed en heilig, wat Hij wij;
Vertrouw het aan zijn wijsheid vrij,
Hij weet, wat elk het nuttigst zij.
Gezang 17 : 3. liezen: Efeze 3: 8—21. — Lucas 11 ; 1—13. — Psalm 91.
W. V. D. BIJTEL. Jr.
499
500 6 DECEMBER.
6 DECEMBER.
Exodus 4; 20b: En Mazes nam den staf Gods in zijne hand.
Zoo ooit eene veel omvattende taak door eene geringe daad werd aanvaard, dan is liet wel in: Mozes nam den staf Gods in zijne hand. Want die staf is een eenvoudige herdersstaf en die taak niets minder dan Israels leidsman te zijn bij de verlossing uit Egypte. Zeker, als Mozes zich tegen deze roeping verzet, dan is dit ongehoorzaamheid, niet vrij te pleiten van eigenzinnigheid, maar dat het opzien daartegen niet zonder grond was, het blijkt wel, als wij opmerken, al wat er straks in bleek opgesloten te liggen.
Wat biedt dan die staf, dat de onwillige tot een gewillige wordt? Hoe geeft dan die staf den vreesachtigen moed? Kan het opnemen van dien staf hun dan kracht tot uitvoering schenken? Ja, want hij is hem, door al, wat hem daarin is getoond en geschonken, een staf Gods geworden, die het onderpand is, dat God met zijne macht, genade en trouw in alles nabij is.
Neen, zoo Mozes dat in dien stal ziet, verwondert het ons niet, dat hij met het opnemen daarvan die roeping durft en gaat aanvaar den. En, zoo Mozes straks telkens ondervindt, dat hij met dien staf niet bedrogen uitkomt, begrijpen wij het ten volle, dat wij hem, dien hier opnemende en eiken dag weder opnemende, niet zien nederleggen, voordat hij rust bij Hem, die hem dezen staf geschonken heeft. Wel, mogen we dan Mozes met dien staf rijk en gelukkig prijzen, maar niet minder ons eigen geluk verheffen, dat God het ook op onzen levensweg aan zulk een staf niet laat ontbreken.
Welke is die staf? Het is die openbaring van Gods vaderlijke liefde en troostrijke nabijheid in Zijn woord bekend gemaakt, in Christus geschonken, in den geloove ervaren, die, veel meer dan uitwendige wonderen, dat groote wonder der verlossing ten grondslag en middelpunt heeft, waarbij de zoon van Adam tot een kind van God, de drager des toorns tot een erfgenaam van zegen, het kind der hel tot een burger des hemels verheven wordt. Indien wij dien staf geloovig opnemen, zoodat wij hem aangrijpen als eene openbaring Gods ook aan ons geschonken en daarbij gehoorzaam gebruiken, zoodat wij hem kiezen tot onzen gids, door wien we ons in alles laten leiden, tot onze troostbron, bij wie wij bij alles uitkomst zoeken en dien staf volhardend vasthouden, zoodat we hem niet afleggen, maar telkens weder opnemen, wat zou ons dan nog ontbreken op den levensweg, waar een zekere gids, een onfeilbare toevlucht, een veilig einde gewaarborgd is.
501
\'t Geloof aan God verhoogt den moed,
Het troost ons hart in tegenspoed,
En leent in nood en dood ons krachten.
Och! dat w\'ootmoedig, needrig, kleen.
Met dit geloof ons pad betreen.
Van dit geloove troost verwachten!
Stort, Vader! ons dien kinderzin,
Dat onbepaald vertrouwen in
Op uwe leiding door dit leven.
Dat wij gerust aan uwe hand
Hier spoeden naar het vaderland.
En op uw woord den doodsnik geven.
Gezang 88: 8, 9.
Lezen: Ex. 4: 1—20. — Ps. 105; 26—45. — Ps. 119: 80—112.
H VAN DEN BIJTEL.
7 DECEMBER.
7 DECEMBER.
Lukas 18: 41. 42; Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden!
En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.
„Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?quot; Zou het wel mogelijk zijn ooit heerlijker tijding te vernemen? Met deze vraag gaf Jezus den blinde de vrijheid om tot Hem te gaan, en deze redeneerde nu niet langer, of het denkbaar en mogelijk, was; dat Jezus hem van zijne kwaal verlossen zou, maar hij liet zich terstond tot den Heere leiden, omdat hij gevoelde, dat nergens dan bij Jezus redding voor hem waste vinden. — En indien gij, gebukt onder den last van uwe schuld, nog van dien Jezus eene genadegave begeert; indien het u waarlijk te doen is, om van uwe blindheid verlost te worden, aarzel dan niet, laat u door geene bedenkingen weerhouden, want.Jezus staat nog stil op uwen weg; Hij hoort nog het geroep van den smeekeling; Hij heeft reeds zoo menigen blinde genezen!
Maar — gij moet den Heere wat te zeggen hebben! — Die blinde, die ziende wilde worden, wist wel, wat hij antwoorden moest, en hij werd niet teleurgesteld, hij ondervond op zijne bede: „Heere, dat ik ziende mag wordenquot;, dat de Zoon des menschen waarlijk gekomen is, om den blinden het gezicht te hergeven!
„Word ziende, zoo spreekt Jezus, uw geloof heeit u behoudenquot;!
502 8 DECEMBER.
Maar — waarin bestond dan b\\j dien blinde het f/etoo/quot;? Hierin, dat hii zijne blindheid erkende, doet gij dat ook ? — Hij wenschte genezen te worden. Wilt gij dat ook? — HO vertrouwde, dat Jezus hem redden kon. Doet gij dat ook? — Hij redeneerde niet: „Zou Jezus mij wel kunnen en willen genezen, maar hij riep: Heere, ontferm u mijner! Nog eens; doet gij dat ook\'? Welnu, dat was (/etoo/quot;, zeide de Heere; en dat is ook nü nog geloof, want er bestaat ten slotte geen ander geloof, dan dat zonder redeneering regelrecht naar Jezus gaat, om zich door Hem te laten genezen, om zich aan zijne genade onvoorwaardelijk over te geven.
Al waart gij nog ellendiger er aan toe, dan die blinde, tot zijn geloof moet gij komen, want Jezus vraagt thans nog niets anders van u, dan toen van hem: „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?quot; En wanneer het waarlijk uwe bede wordt: „Heere, maak mü ziende!quot;\' dan zal Jezus u ziende op Hem maken, en uw geloof zal u behouden, al doorgrondt gij \'t volstrekt niet, en uw God zal in uwe behoudenis worden verheerlijkt.
Zend, Heer! uw licht an waarheid neder,
En breng my, door dien glans geleid.
Tot uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid.
Daar mij uw gunst verbeidt.
Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt.
Mij eindeloos verheug!.
Psalm 43 : 3, 4. Lezen; Ps. 66. — Ps. 146. — Joli. 12: 35—50.
H. A. VAN OOSTROM SOEDE.
8 DECEMBER.
Romeinen 8: 82; Die ook Zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ?
Liefde is de bron, waaruit geheel de zending en de komst van den Christus voortvloeit.
8 DECEMBER. 503
Zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggebo-ren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. O, wonderbare liefde, God schonk niet alleen der wereld zijn eigen Zoon, maar, wat meer zegt, heeft Hem ter slachting overgegeven. Hij spaarde zijn eigen Zoon niet, maar gaf Hem over in ellende en dood en alle zondestraffen der menschen. Het liefste, wat Hij had, gaf Hij hun, en in deze volledige overgave van Zijn geheele Wezen hield Hij niets achter, dat Hij niet gegeven heeft. Door Christus te geven, gaf God alles. Hij heeft Hem overgegeven tot eene verzoening voor onze zonden, als wy nog zondaars waren. W ie kan naar eisch deze liefdedaad Gods indenken en zijn hart verheffen om de gift te begrijpen, welke God schonk?
Maar óók de liefde des Zoons is onbegrijpelijk groot geweest, Die bereid was om den wil zijns Vaders te doen. Hij verliet zijns Vaders schoot en nam ons vleesch aan, leed en stierf aan het vervloekte hout, om door eenen verdienstelijken dood Gode een welbehagelijke offerande te brengen, waardoor de zonde van alle kinderen Gods voor eeuwig uitgewischt zoude worden.
Dat God Zijnen eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen beeft overgegeven, is het beste bewijs, dat Hij ons ook met Hem alle dingen zal schenken. Alle dingen zal God schenken zonder bepaling, zonder uitzondering! Niet alleen wijsheid van God en rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar ook volkomen verlossing zal hun geschonken worden, die in Hem gelooven; maar, die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Och, zaagt gij eens de schatten,
Die God, de Vader, heeft!
En kondet ge eens bevatten,
Het heil, dat Jezus geeft;
Verwondering hield uwe oogen.
Verrukt om ui het goed,
Dat God uit mededoogen.
Ons schenkt om Jezus bloed.
Welzalig zij, die, naar zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Zions Vorst erkennen voor hun Heer!
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen!
Psalm 2: 7.
Lezen: 1 Cor. 1: 18—31. — 1 Cor. lfgt;: 18—28. — Gal. 3: 13—29.
C. BOUTHOORN.
9 DECEMBER.
9 DECEMBER.
2 Corinthe 8:9: Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden.
„Ontvangen van den Heiligen G est, geboren uit de maagd Maria.quot; Die woorden doen ons aanstonds denken aan Jezus\' komst op aarde. Zy\' had plaats in de volheid des tijds. Vóór die komst was Jezus Christus rijk. zijnde bij Zijnen Vader in de hemelen. En Hij, Die langs eenen weg van diepe vernedering naar het oord van jammer en ellende kwam, was „de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.quot; Hij genoot de liefde en de aanbidding aller engelen. In zuivere tonen zongen zij Hem hunne lofliederen toe. Zij bogen zich in heilige aanbidding voor Hem neer.
Toen ook was Hij in het volle en rijke genot van de liefde Zijns Vaders. „Hij, was dagelijks zijne vermakingen, te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende.quot;
Dat was rijkdom, onuitsprekelijke, heerlijke rijkdom. En Hij, Die rijk, hemelsch rijk was. Hij werd arm. De Hem lofzingende troon-geesten liet Hij achter. „Hij heeft Zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden.quot;
Jezus Christus was rijk, hemelsch rijk, en Hij werd arm.
Die armoede prediken Zijne geboorte in een stal, de schamele doeken, waarin Hij gewikkeld was, de kribbe, welke Hem tot wieg diende, de verachting en miskenning, waaraan Hij bloot stond, het lijden, geheel Zijn leven door, want gansch Zijn leven was lijden, maar vooral het lijden aan den avond Zijns levens, het sterven aan het smadelijk en smartelijk kruis.
Jezus Christus was rijk, hemelsch rijk, en Hij werd arm.
Diep gevoelig leed Hij die armoede, waarin Hij vrijwillig en bereidwillig was ingegaan.
En waartoe werd Jezus Christus ann?
Had de Zoon van God dien hemelschen rijkdom verbeurd?
Geenszins.
Om onzentwille werd Hij arm. Zijne armoede moest ons den weg banen tot waren rijkdom.
Christus moest de straf dragen, die ons den vrede zou aanbrengen.
Dat arm worden van Jezus Christus, om ons, schuldige, arme zondaren rijk te maken, dat is genade.
504
505
Wèl ons! zoo wij die genade verstaan, aan onze zonde en söhuld, aan onze geestelijke armoede ontdekt en door een waarachtig geloof, Jezus Christus ingeplant zijn geworden. Wij hebben dan alles in Hem, Die den Zijnen alles is en eeuwig zijn zal.
Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan uw eisch, noch eer;
Toen zeid\' ik: Zie, ik kom, o Heer!
De rol des Boeks is met mijn naam vervuld,
Mijn ziel, U opgedragen.
Wil ü alleen behagen :
Myn liefd\' en ijver brandt:
Ik draag uw heiige wet,
Die Gij den stervling zet,
In \'t binnenst ingewand.
Psalm 40: 4.
Lezen: Ps. 40. — 2 Cor. 4. — Filipp. 2: 1—11.
J C. KLOMP.
10 DECEMBER.
Openbaring 21: 22: En ik zag geenen tempel in dezelve.
Geen tempel! En dat in de plaats der volmaaktheid, zóó heerlijk, dat geen schilder zou kunnen malen, wat de pen van Johannes hier schetst. Op aarde overal tempels, in den hemel niet één. Zou Johannes zelf er misschien een verwacht hebben, of geweten hebben, dat wij er een zouden zoeken? Neen, maar de Heilige Geest wil ons leeren, dat kerken tot den tijd der onvolmaaktheid, tot de bedeeling der zonde behooren.
Dit bevat een vertroosting. Al die afzonderlijke kerkformaties en kerkgebouwen, die de „gemeenschap der heiligenquot; tot een hersenschim schijnen te maken, zijn daar weggevallen, opgelost tot de eenheid, de volle eenheid, de eenheid in alles; het lichaam van Christus, volkomen, onbevlekt, heilig! — Niet maar enkele oogenblik-ken, of enkele uren zijn de verlosten in de nabijheid des Heeren, maar zü zjjn altijd zalig, d.w.z. vol in God; — het leven is daar het verkee-ren met, het verheerlijken van, het spreken over Hem, en over alles, wat Hij heeft gedaan voor doodschuldigen door het Lam, daar op den troon van goud en van vuur, waarvoor alles buigt en knielt en juicht en bidt!
506
Het bevat ook een waarschuwing. Om daar te kunnen zijn is kerkgaan niet voldoenda. Ons leven moet Christus wezen. Kerkdienst alleen is geen godsdienst. Menig kerkganger zal in de plaats, waar geen tempel is, worden gemist, en menigeen zal niet kunnen ingaan, omdat hij de prediking heeft versmaad, en alzoo het middel, waardoor de Heilige Geest het geloof werkt, heeft veronachtzaamd.
Als de dingen, die haast geschieden zullen, zijn gekomen, hoe zal het dan zijn met u? Zult gij dan verkeeren in de plaats, waar Christus alles is en in allen, en dat altijd? Daar is geen afzonderlijke kerk, geen afzonderlijke kerkgang meer noodig of mogelijk, omdat daar de Heere, de almachtige God en het Lam de tempel is. In die stad, onmetelijk groot, waar God zelf de tempel is, komen al de levende lidmaten (maar ook dezen alleen) van de heilige, algemeene. Christelijke kerk, door God tot het eeuwige leven uitverkoren, door Christus van het begin der wereld tot aan het einde vergaderd, beschermd en onderhouden.
\'k Zal dan gedurig bij U zyn,
In al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult my leiden door uw raad,
O God, myn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid.
Opnemen in uw heerlijkheid !
Psalm 73: 12.
Lezen; Psalm 84. — 1 Cor. 3. — Jesaia 11: 1—10.
W. F. C. L. SGHULÏE.
II DECEMBER.
Meleachi 3: Ia: Ziet, Ik zend Mijnen engel, die voor mijn aangezicht den weg bereiden zal.
Deze engel is, volgens den Heere Jezus zeiven, Johannes de Doo-per, de bode van God gezonden om den weg Zijns Zoons te bereiden. Hy kwam in den geest en de kracht van Elia. Vóór Jezus uit ging de Dooper, de ongewone, de machtige prediker, de laatste profeet van het oude, de eerste van het nieuwe verbond, met zijn eenige, onverbiddelijke boodschap: „Bekeert ulquot; — Ziet! daar staat hy als een levend protest tegen de zonden der beschaving, en de menigte stroomt
12 DECEMBER. 507
toe om hem te hooren, terwijl hij, als profeet der woestijn, in den ongemeten tempel van den God der donderen, zijn stem verheft tegen de . . . godsdienstigheid van zijn tijd.
Tegen wie zou Johannes het hebben in onze dagen?
Zou hij het hebben tegen uw buurman, die wereldsch gezind en onverschillig en lauw is? Tegen die breede schare, die optrekt onder de vanen van ongeloof en opstand ?
Ook dit. Maar, en vergeet dit toch niet, hij zou het ook hebben tegen u, die christelyk, die orthodox, die gereformeerd wilt zijn, zonder berouw over den dienst uwer afgoden, zonder gehoorzaamheid aan Gods wet; tegen u, die wel van zonde wiltspre/cew, maar ze niet nalaten. De Dooperis de van God gezonden adventsprediker. Zonder naar hem te luisteren ook nu voor u geen kerstfeest. Ziet toch toe, dat de groote blijdschap, die al den volke wezen zal, u niet wederom, gelijk zoo vaak, voorbijga. Wat staat u in den weg? Hebt gij al eens onderzocht, wat u af houdt van den zegen, dien het Kerstfeest brengt? God zelf geve u dac te verstaan.
Beproeft het toch eens, hoe- heerlijk het is, als Hij u ontdekt, en gij naar Zijne woorden, hoe streng ze ook klinken, luistert.
Na Johannes kwam Jezus in de wereld; na Johannes komt Hij ook in het hart. Zijt gij al onder het gehoor van dezen bode des hemels geweest? — Dan kunt gij opgaan naar Bethlehem. De geboren Koning heet Jezus, want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.
Heer! open Gü mijn lippen door uw kracht,
Zoo zal mvjn mond uw lof gestaag vermelden.
Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
Behaagd\' U dat, straks wierd het U geslacht.
Indien Gij lust in brandend\' offren hadt,
Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken
Ik spaarde dan noch zorg, noch vlyt, noch schat,
Maar zou \'t altaar van offervee doen rooken.
Psalm 51: 8,
Lezen: Luc. 1: 5—23. — Mal. 3: 12 — 4:6. — Matth. 11: 1—15.
W. F. C. L. SCHCiLTE.
12 DECEMBER.
Mattheus 11 ; 3: Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten ivij eenen anderen?
De adventsdagen herinneren ons het oude profetische woord: Verheug u zeer, gij dochter Slons! Zie, uw Koning komt.
508 12 DECEMBER.
Laat ons onszelven rekenschap geven van onze Messiasverwach-ting. Dwaze en ijdele verwachtingen zijn er, die nimmer vervuld worden. Wat hopen wij eigenlijk van het kindeken, dat in Bethlehem geboren wordt, wat begeeren wij van Hem? On-se verwachtingen klimmen, naar mate wij dieper ingaan in onze behoeften.
Met Israël staat het treurig. De gouden eeuw van glorie en roem behoort tot het ver verleden. Het is een volk, veracht en vertreden van de heidenen. Uit dien druk wil het zich verheffen, en het hoopt op een verlosser, die den dwingeland zal verdrijven. Voor de geestelijke nooden heeft het geen oog. Het is godsdienstig. Schriftgeleerden leggen de wet van Mozes uit in de synagogen, farizeën en sadduceën twisten, de een houdt zich vast aan de letter en de ander meent zich boven de Schrift te kunnen plaatsen en aan de rede de beslissing te kunnen laten, wat al of niet aangenomen moet worden. Het is bij beiden; geestelijk blind voor de ware levensbshoeften. De boetprediking van Johannes doet een oogenblik opschrikken, maar het verbroken hart ontbreekt. Men wil een aardschen koning. Vlee-schelijke verwachtingen worden gekoesterd. Jezus stelt hen teleur. Jezus\' woord is hun te diep. Zij hooren en verstaan niets. Zij hebben het leven in zichzelven niet verloren. Daarom kunnen zij het leven niet ontvangen. Eedding uit geestelijken nood vragen ze niet. En een Heiland, die deze brengt, verwerpen ze.
Johannes weet beter. Hij heeft gepredikt van dien meerdere, Wien hij niet waardig is, nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden. Hy heeft Hem gedoopt, en bij dien doop den Geest zien nederdalen en gehoord de stem des Vaders: Deze is rnyn Zoon, mijn Geliefde, in Denwelken Ik mijn welbehagen heb. En toch laat hij vragen, of Jezus in waarheid de lang verwachte is. In de eenzaamheid zijner gevangenis wordt het hem donker.
Johannes verwacht iets anders van Jezus, dan die werken, welke hij hoort. Hoe is het nu? Zal Jezus niet optreden en de getrouwen verzamelen om als Koning zich te laten kronen? Vergeet Jezus zijn vriend, zijn heraut, die voor Hem henengaat? Het wordt hem alles onbegrijpelijk.
Zooals het Johannes gaat, gaat het ons ook vaak. Wij ergeren ons aan Jezus\' doen. Optreden als rechter, de volkeren oordeelen en de vijanden treffen met den adem zyns monds, ja, dat wil er bij Johannes wel in. Dan zal Israël weer het volk, het geëerde volk Gods zyn. En wy willen dien weg ook wel op. Het Evangelie wordt gepredikt, maar waarom gaat de toebrenging van zondaren niet vlugger ? Wij zouden het geheel anders willen.
Jezus is koning, waarom is dan niet het koninkrijk Gods krachti-
509
ger in zijn optreden ? Waarom die nederlagen en die vijandschap geduld? Het ongeloof maakt veroveringen — en het behoeft den Heer toch maar weinig te kosten, en zijne gemeente zou, in plaats van de vernedering, heerschen over de wereld, die Hem smaadt!
Vragen we niet meer — ergeren we ons niet.
Ziet hier het beeld van den Heiland — Hij komt om te behouden. Hij vervult de priesterlijke bediening der barmhartigheid. Met ontferming is Hij bewogen. Hij verbindt, onze wonden. Hij maakt Israël vrü van al zijne ongerechtigheden. Laat ons maar ontdekt worden aan onze ware behoeften door den Heiligen Geest en gevoelen, wat wij noodig hebben. Een Verlosser, die tot ons afdaalt, die onzer één wordt, die onze natuur aanneemt, en ons aangrijpt met de verlossende macht zijner goddelijke liefde. Dan worden we niet beschaamd. Uit de diepte roepen tot Hem — Hij is het, die ons redt. Wij verwachten geen anderen. Hij maakt ons volkomen zalig.
Hoopt op den Heer, gij vromen!
Is Israël in nood.
Er zal verlossing komen;
Zyn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gansch Israël eens vrij Van ongerechtigheden,
Zoo doe Hij ook aan mij!
Psalm 130 : 4.
Lezen: Matth. 11 ; 1—15. - Hebr. 8. — Ps. 130.
J. WIETEN.
13 DECEMBER.
Genesis 1: 3: En God zeide: Baar zij licht! en daar werd licht.
Roerloos lag de sluimerende schepping, wachtende op de almachtige hand des Heeren, Die, als door tooverstaf de lichttrillingen te voorschijn riep. Wel heette geen wiegend blad den morgenstond der schepping zijn welkom; geen ontwakende vogel kweelde nog morgenhymnen; maar toch waren de trillingen des lichts reeds geboren. Straks zou de Heere God het centraalpunt des lichts scheppen; dan zouden uit dat lichtpunt, de zon, de golvingen des lichts voortstroomen, welke nu reeds neergleden over de woeste en ledige aarde.
Welk een ontzaglijk oogenblik moet dat geweest zyn. Welk
13 DECEMBER.
een heerlijk oogenblik tevens! Want in de duisternis konden wij niet leven. De duisternis zelve is zóó verschtikkeiijk, dat de Heere, wanneer Hij eene plage over de aarde zendt, de duisternis laat neerdalen over Egypte. En toen later in de wereldgeschiedenis die verschrikkelijke ure aanbrak, waarin een verdwaasd volk zijnen Redder kruisigde, viel er zulk eene duisternis over de aarde, dat zelfs heidensche schrüvers er melding van maakten, zeggende; „het scheen, alsof de god der natuur in lijden wasquot;.
Paulus noemt het begrip „zondequot; met het woord „duisternisquot;, en de Heiland noemt de verschrikkingen der hel „eene buitenste duisternisquot;.
Maar was dat woord; ..Er zij licht!quot; een heerlijk machtwoord bij \'s werelds aanvang; heerlijker was het, toen in den morgen der herschepping, het licht rees in den nacht der volkeren, en de kribbe te Bethlehem het lichtpunt werd, waaruit de lichtgolvingen voortkwamen, tot verlichting van het door de zonde verduisterde hart van den gevallen mensch.
Zonder dat licht uit Efrata\'s velden kan evenmin eene zielleven, als eene plant kan leven in de duisternis. Zonder Jezus is ook het leven woest en ledig en zonder Hem, Die gezegd heeft; „Ik ben het Licht der wereldquot;, heerscht er donkerheid in de diepe kolken des harten.
Het leven der wereld zonder Christus is dan ook zóó zwart en somber, dat men zich afvraagt: „Waarom leef ik toch eigenlijk?quot; terwijl de ander zucht: .Was ik maar dood!quot; In het hart zonder Jezus wordt nöch vreugd\', nöch vrede gevonden; nöch levenslust, noch stervensmoed ontdekt.
Maar zalig het hart, waarover de stem des Ahnachtigcn mag klinken; „Er zij lichtquot;! Want, wie zóó licht, mag ontdekken in zijn donker hart, hü mag het koninkrijk Gods met al zijne schatten en heils-goederen zien. Hy ziet ook de zonde van zijn eigen hart, maar tevens het licht der vergevende liefde Gods. De Heiland der wereld houdt zelf de fakkel bij, en Hij, Die in Zijn leven op deze aarde van zijne 32 geboekte wonderen, 6 wonderen deed aan blinden. Hij wil tot de blinden nog zijn machtwoord spreken: „Er zij lichtquot;! Wie dat woord heeft gehoord, vreest niet meer voor den nacht der zorgen des levens, nöch ook voor den verschrikkelijken nacht des doods, want hij ziet het licht rijzen in elke duisternis en weet, dat na eiken nacht een heldere morgen terugkeert.
Bi.] \'s werelds aanvang sprak uw mond;
„Het licht zij daar!quot; en \'twas terstond,
De duisternis werd luister:
Zoo zal eens \'t heil, ons toegezeid.
510
14 DECEMBEE.
Op uw bevel, met majesteit Verrijzen uit het duister.
Laat, Heer! uw licht zijn zachten gloed In ons verkleumd en stug gemoed.
Door levenswekking toonen;
Dan zal ons hart, dat ü verwacht,
In \'t licht uws aansctnjns, ook by nacht.
Getroost en zeker wonen
Laat eens de glans van zon en maan Bij \'s werelds avond ondergaan.
Ons zal geen licht ontbreken.
Als \'t Lam de kaars is daar omhoog:
Daar zal eerst voor \'t verhelderd oog
De schepping zichtbaar spreken;
Daar zal natuur op ieder blad.
Dat zij op aard verzegeld had,
Geheimen ons doen lezen.
Hier is de wysgeer slechts een kind;
Maar, die hier Jezus meest bemint.
Zal daar de wijste wezen.
Gezang 15: 2 en 8.
Lezen: Johannes 9: 1—27. — Jes. 60. — 1 Joh. 12: 35—50.
D. G. POSTMA.
14 DECEMBER.
Genesis 5: 29m: „Deze zal ons troosten.quot;
De vrome Lamech, uit de heilige linie der aartsvaderen, vóór den zondvloed, gevoelde diep in zijne ziel behoefte aan troost. Ach! er was zoo nameloos veel, dat hem gedurig tot smarte was en tot droefheid stemde. In den moeilijkeii arbeid zijner handen, die hem- vaak zoo zwaar viel, ondervond hij, dat, om der zonde wil, het aardrijk door God vervloekt was. En hoe zag hij de zonden zijner tijdgenooten stijgen als tot hemelhooge bergen ! Toen hem nu een zoon geboren werd, noemde hij hem, naar de behoefte van zijn hart: Noach, zeggende, naar de beteekenis van dat woord: „Deze zal ons troosten.quot;En voorzeker, in zijne verwachting van dien zoon werd hij niet geheel teleurgesteld. Hij mocht hem zien opgroeien en al zijne overige levensjaren door God gespaard zien tot zijne vreugde en dankensstof. Die zoon wan-
511
14 DECEMBER.
delde met God, gelijk ook hij zelf met God wandelde, en heeft zeer zeker menigen traan van zijne oogen afgewischt.
Maar welk eenen troost Noach zijnen vader ook kon schenken, wiet dien, welken ook wij allen behoeven, om waarlijk zalig te leven en te sterven; niet dien eenigen troost, die zoo heerlijk wordt beschreven in den eersten zondag van onzen Heidelbergschen Catechismus!
„Deze zal ons troosten,quot; dat woord geldt in zijn volle kracht, in zijn rijkste beteekenis alleen van een oneindig beteren, van een oneindig heerlijker en machtiger Zoon dan Noach was. Dat woord geldt alleen van den Heere Jezus Christus, Wiens geboorte in menschelijk vleesch ons eerlang wederom, zoo de Heere wil en wij leven, op \'t Kerstfeest zal worden verkondigd.
Ja, Hij zal ons troosten, als onze droefheid eene droefheid naar God is, zoo als alle vromen en alle engelen te zamen\'t niet zouden kunnen. Hij zal de heelende hand op onze ziele-wonde leggen, üi}\' zal den waren balsem in onze door zonde en schuld verscheurde en bloedende harten uitstorten. Hij zal tot onze zielen van troost spreken, en „sieraad geven voor assche, vreugdeolie voor treurigheid, eo het gewaad des lofs voor een benauwden geest.quot; Dat alles zal iïy doen. Die juist daartoe op aarde kwam, en daartoe ook, benevens zich zeiven, in de offerande Zyns kruises, „gebeden en smeekingen, met sterke roepingen en tranen aan Zijnen Vader heeft geofferd.quot;
Komt, gaan wij dan tot Hem in al onze droefenissen, en moge onze grootste droefenis die over onze zonden zijn! Dan zullen wij \'tin tüd en eeuwigheid beide ondervinden, dat Hij ons troosten zal.
O! wat hoop aan u in \'tleven,
In dit voege jammerdal,
Op uw moeilijk pad gegeven
Tot een leidstar door dit leven,
Als \'t u donker vallen zal!
Jezus! in uw machtig\' armen Wordt de zoetste troost gesmaakt,
Als zich niemand scheen t\' erbarmen.
Hebben uwe machtig\' armen IJzren ketens losgemaakt.
Gezang 24: 2.
Lezen: Jesaia 40: 1—11. — 2 Cor. 1: 1—10. — Jes. 61.
1,. SCHOUTEN. Hz.
15 DECEMBER.
15 DECEMBER.
Psalm 89; 20, 21: Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van mven heilige,, en gezegd: Ik heb hulpe besteld bij eenen held; Ik heb eenen verkor ene uit het volk verhoogd-,
Ik heb David, mijnen knecht, gevonden; met mijne heilige olie heb Ik hem gezalfd.
Onder de Messiaansche profetiën is er geen enkele, die zich zoo nauw aansluit bij de Paradijsbelofte, zóó rechtstreeks daarop terugwijst als deze.
De mensch is van God afgevallen, in de macht van de zonde, den satan, den dood. God alleen weet, hoe noodig de hulp, hoe volstrekt onmisbaar de Helper is.
Toen de stad Jabesh in Gilead genoodzaakt was zich aan den vijand over te geven, die haar, Israël tot schande, eene voorwaarde had gesteld, hard en wreed, waarop hij lijfsbehoud had toegezegd, bedong zy eenige dagen uitstel, of het wellicht nog mogelijk zou zijn te Gi-bea Benjamins een helper te vinden
Haar, hoe gewenscht de hulp ook ware voor de mannen van Jabesh, zij is meer noodig, waar het niet gaat om het rechter oog, maar om eeuwig wel of wee, en hoe gering de kans ook ware, dat in geheel Israël iemand te vinden zou zijn, in staat en bereid zich met den geweldenaar te meten, de hulp is meer noodig in een geval, waar zij door den mensch niet wordt begeerd of gezocht of van den mensch niet te wachten is.
Het grootste gevaar is in vele gevallen reeds voorbij, wanneer de mensch tot de overtuiging komt, dat hij hulp noodig heeft en zich opmaakt haar te zoeken.
Wanneer een krankzinnige zegt: Ik ben krank van zinnen, weet de geneesheer, dat hij weer bij zijn verstand is gekomen.
De toestand van Adam, na den val, zou niet zoo hopeloos zijn geweest, indien de zonde hem niet van het vermogen had beroofd tot God weder te keeren. Maar, dit is juist het vreeselijke van de zonde: zij staat niet buiten den mensch, zooals Xahas stond buiten de wallen van Jabesh. De hulp moet hier dienen tegen den satan, maar eigenlijk tegen den mensch zeiven.
Er is geene zaligheid voor den mensch buiten de gemeenschap met God en geene gemeenschap met God zonder heiligheid en geene heiligheid zonder geloof en geen geloof zonder liefde en geene liefde
DAGBOEK. 33
513
514 16 DECEMBER.
zonder de ervaring, dat God ons liefheeft en God kan ons zijne liefde niet doen ervaren, zoolang wij zondaren zijn.
Dit is de noodlottige samenhang, die hem bindt aan het eeuwig verderf.
Hulp? Er is geene hulp in dezen grooten nood der ziel, waarin de mensch zoekt, wat hem verderft en vlucht, wat hem zou kunnen behouden. God zelf kan hem niet helpen. Hij zou zichzelven moeten verloochenen.
Neen, Hij toch, God heeft hulpe besteld bij eenen Held, een mensch, in wien Hij zijn welbehagen heeft. Hij heeft hem geroepen en gerechtigd verlossing te bewerken. Gij hebt u zei ven bedorven, maar in Hem is uwe hulp. Jozua beteekent: helper en Jozua is Jezus. De Heere helpt! Niet alleen uit de macht van de zonde en den dood, maar uit alle beproevingen, alle lijden. Daartoe is Hij zoo hoog verheven, opdat Hij machtig zou zijn, om te behouden.
Hij maakt, evenals Saul, de zaak van zijne verdrukte broeders tot zijne zaak.
Laat ons met vrijmoedigheid toegaan, om genade te vinden en geholpen te worden ter bekwamer tijd.
De Heer is aan de spits getreden
Derganen, die mij hulpe bien;
Ik zal, gered uit zwarigheden.
Mijn lust aan mune haatren zien.
\'t Is beter, als w\' om redding wenschen,
ïe vluchten tot des Heeren macht.
Dan, dat men ooit vertrouw\' op menschen.
Of zelfs van prinsen hulp verwacht.
Psalm 118; 4.
Lezen; Jes. 53. —. Ps. 89 : 1—15. — Ps. 89: 16—38.
Dr. Ph. J. HOEDEMAKEE.
16 DECEMBER.
Jesaia 29: 18, 19: En te dien dage zullen de dooven hoor en de woorden des Boeks; en de oogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.
En de zachtmoedig en zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftig en onder de menschen zullen zich in den Heilige Israels verheugen.
16 DECEMBER. 51
Ook de Kerk onder het Oude Verbond heeft zich mogen troosten met de blijde boodschap van Immanuëls komst.
Gods volk onder Oud- en Nieuw Verbond heeft in beginsel uit dezelfde Troostbron levenskracht en levensmoed geput.
Jesaia\'s Godspraak strekt ons daarvan tot bewüs.
Htj spreekt van de woorden des Boeks.
Hij voorspelt, dat de dooven die woorden zullen hooien, dat de oogen der blinden zullen zien, uit de duisternis en donkerheid te voorschijn gebracht.
Hü troost, dat de zachtmoedigen, d. i. de ellendigen, vreugde op vreugde zullen hebben en de behoeftigen zich zullen verheugen.
Wie dezen zijn, is niet onzeker.
Het zijn zij, die zichzelven hebben leeren kennen als gansch ellendigen en behoeftigen.
Het zijn zij, wien de ooren zijn doorboord, en de blinde zielsoogen zijn geopend.
Het zijn zij. die behoefte hebben en behoefte hebben leeren gevoelen aan redding, troost, zaligheid en vreugde, die het leven bij zichzelven niet kunnen houden, die het leven in eigen hand hebben verloren.
En wat zal dit Boek verkondigen?
Maar immers, niet minder, dan dat Immanuël zou verschijnen.
God met ons!
Dat er raad is voor den radelooze, redding voor den reddelooze.
Dat er een geopende weg is voor een iegelijk, die op alle eigen wegen den dood heeft leeren schrijven, een geopende weg tot Gods genadetroon.
Dat Immanuel zou verschijnen, opdat het Evangelie der genade zou kunnen ruischen : Uw schuld is betaald, uw zonde is verzoend, uw ontrouw is vergeten, o, gij, die in waarheid u door Gods machtige ontferming als verloren zondaars hebt leeren kennen.
De woorden des Boeks zouden zijn woorden van troost en bemoediging voor het harte, dat schreiend vluchtte tot den grooten Ont-fermer, voor de ziele, die dorstte naar schulduitdelging.
Woorden van blijdschap en verheuging voor alle degenen, die het bij de wereld, bij zich zeiven, niet kunnen vinden.
Woorden van verkwikking voor de zielen, die in waarheid het bittere van de zonde en het schrikkelijke van de ellende hebben leeren ervaren.
Welk een heerlijke bemoediging!
Straks ruischt het weer: Eere zij God in de hoogste hemelen!
Straks staan wij weder, zoo God wil, als in den geest bij de kribbe.
Zij er dan, door Gods genade, een recht zien, een recht hooren. en
16 IT DECEMBER.
een verstaan van de heerlijkheid van de woorden des Boeks!
Van de heerlijkheid, dat Gods Zoon onze menschelijke natuur aannam en daarom voor al Gods kinderen bereiden zou en bereid heeft ontkoming aan het eeuwig doemvonnis en het recht om ecuwig te leven in Gods ingestelde gemeenschap.
Maar \'tvrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd.
Daar zij hun wensch verkrijgen:
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door \'tlioht, dat van zijn aanzicht straalt.
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft. Hem eeren:
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is Heer der Heeren!
Psalm 68: 2.
Leaen: Jesaia 29: 14—24. — Joh. Ü. — Job. 1: 1 ■ 4■
H. VAN GRIKIHUIJ-EN Azn.
17 DECEMBER.
Jesaia 9: 5b; En men noemt Zijnen Naam:, Wonderlijk.quot;
Wij kunnen geen betere voorbereiding hebben voor de ons wachtende Kerstdagen, dan ons voor oogen te stellen, welk een volheid van zegeningen ons wacht in Hem, Wiens komst in het vleesch wij dan gedenken.
Sinds aloude tijden heeft de naam, dien iemand diaagt, een groot gewicht gehad; wenschelijk was het, en is het nog heden, dat een ieder zooveel mogelijk door zijn naam te kennen geeft, wie en wat hij is. En - is er juist onder ons, zondige menschen, te veel een schrille tegenstelling tusschen naam en persoon, - de profeet Jesaia, door den Heiligen Geest verlicht, zou van den komenden Messias niet durven zeggen: „en men noemt Zijnen Naam, als niet die vijf namen, welke hij vermeldt, als zoodanig vijf bundels van stralen waren, waarin zich de volle heerlijkheid van den Christus vertoont.
Wel terecht mag Zijn Naam „ Wonderlijkquot; heeten in de eerste plaats.
Door Zijn eeuwige generatie van den Vader, als Zoon, laginZijn
17 DECEMBER.
gansche bestaan een wondervolle diepte van de wijsheid Gods, die de kennisse der engelen en menschen te boven gaat; wonderlijk was Zijne geboorte, wonderlijk het samenwonen van twee naturen in één Persoon ; verwondering bracht Hij teweeg door Zijn woord en werk, en waren Zijn wonderen zelf niet de afdrukselen van Zijn wondervollen Persoon ?
Van de kribbe naar het kruis, van het kruis naar de kroon, was Zijn gansche leven één wonder. En het grootste wonder van Hem was wel dit, dat Hij, Die zonder zonde was, zonde gemaakt is voor ons, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
En, bedenk het, mijn lezer! ook in den oordeelsdag zal Hij blijken te zijn een wonder van stipte rechtvaardigheid! Maar ook. Godlof! een wonder van liefde. Want juist daaraan heeft Hij nog het meest Zün naam van „Wonderlijkquot; te danken, dat Hij door Zijn Evangelie het wonder der verzoening aan ons laat prediken en ook door Zijnen Geest dit bewerkstelligt.
En is het geen wonder, wanneer wij, die van natuur kinderen der duisternis en vijanden zijn. worden veranderd in vrienden en kinderen des lichts? Wonderlijk is de naam en de werking des Heeren, als ik zien mag de verandering in mijn harte teweeggebracht, maar ook, als ik let op de onvergankelijkheid van Christus\' Kerk hier op aarde.
Buige dan al wat er leeft en gij, mijn ziele ! het meest, voor Hem, Wiens Naam is : Wonderlijk.
De steen, dien door de tempelbouwers Verachtlijk was een plaats ontzegd,
Is, tot verbazing der beschouwers.
Van God ten hoofd des hoeks gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen.
Door \'s Heeren hand alleen geschied;
Het is een wonder in onz\' oogen;
Wv zien het, maar doorgronden \'tniet.
Psalm 118; 11.
Lezen: Ps. 118; 19—29. - 1 Cor. 1: 18—31. — Coll. 1 : 13—23.
J. BOKR KNOTTNERUS.
olJ 18 DECEMBER.
18 DECEMBER.
Jesaia 9: ób: En men noemt Zijnen Naam: „Baad.quot;
Niet met geweld, maar met zachtmoedigheid dringt de Vredevorst de Zijnen tot gehoorzaamheid aan Zijnen wil, en Hij weet daardoor hen te maken tot een gewillig volk op den dag Zyner heirkracht; zelfs het lauwe Laodicea komt Hij nog tegen met het zachtmoedige; „Ik raad u, dat gij van Mij koopt.quot;
Niemand meerder dan Hij had dan ook het recht den beteekenis-vollen naam van Eaad te dragen. Zittende in den eeuwigen Vrede-raad ging Hij met den Vader te rade, op welk een wijze Zijn volk van zonde en straf kon worden verlost.
Hij was het. Die als het vleeschgeworden Woord den eeuwigen Kaad Gods aan de menschen bekend maakte ; Die, niet alleen als Messias van de hoogste geboorte, maar ook als Messias van de hoogste wijsheid zeggen kon; „Raad en vastigheid zijn mijne, ik ben het verstand, mijne is de sterkte.quot;
En in wat velerlei zin wordt Zijn Eaad openbaar! Reeds dooiden mond van Jesaia noodt Hy de dorstigen, om tot Hem te komen en het water des levens te nemen om niet en met krachtvolle stem spreekt Hij zelf het uit: „komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.quot;
Ach! dat de wijsgeer, gekomen aan het einde van zijn nadenken, dat de levensmoede, de door droefheid bezochte, de radelooze de toevlucht wilde nemen tot Hem, Wiens naam Raad wordt genoemd ! We toonen in onzen dagelijkschen handel zooveel behoefte te hebben aan raad, maar we zoeken dien meer bij vrienden en geburen dan bij Hem, Wiens Naam reeds ons uitnoodigt tot Hem slechts te komen.
Rehabeam zocht het bij zijn jeugdige vrienden en Achab bij zijn zondige vrouw, en, ja! hoe menige bladzijde van ons eigen leven staat donker gekleurd, omdat we naar verkeerden raad hebben geluisterd!
Myn lezer! laat u raden; laat u leiden door den hoogsten Profeet Jezus Christus. We kunnen niet beter de komende Kerstdagen, ja, de eeuwigheid zelve tegemoet gaan, dan zittende als Maria van Bethanië aan de voeten van Jezus, om te luisteren naar alle woord, dat uit Zijn mond uitgaat. —
Buige dan al, wat er leeft en gij, mijne ziele! het meest, voor Hem, Wiens Naam is; Baad.
19 DECEMBER.
Gij zijt mij, Heer! ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren. G\' omringt me, daar Ge mij in ruimte stelt.
Met blü gezang, dat mjjn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o, mensch! naar \'t recht doen handlen. En wijzen u den weg, dien gij zult wandlen;
Ik zal u trouw verzeilen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Psalm 32: 4.
Lezen; Spreuken 8: 6—21. — Joh. 1; 1—14. — Openb. 3: 14—22
J. BOER KNOTTNERUS.
19 DECEMBER.
Jesaia 9; bh: En men noemt Zijnen Naam: „Sterke God.quot;
Wel dienen bij alle menschen en vooral bij vorstelijke personen raad en daad, of liever, raad en macht gepaard te gaan; want, wat geeft een goede raad, als men nier bij machte is dien ten uitvoer te brengen ?
In het koninkrijk Gods heerscht gelukkig op elk gebied volmaaktheid. De gekroonde Koning van Sion geeft niet alleen den besten raad, maar is ook het meest bij machte dien zelf toe te passen; want Zijn Naam is: Sterke God. De Vader zelf getuigt van Hem: „Ik heb hulpe besteld bij een Held. En was Hy niet in symbolischen zin: de Leeuw uit Juda\'s stam?
Maar, zegt niet hier de uitdrukking van Jesaia het meest: wie is sterker dan God; en was Christus niet God ? Hij heeft de sterkte van Gods toorn verdragen. Hij ondersteunde zichzelf door eigen kracht, — Hij heeft de pers alleen getreden, „daar was niemand, die hielp.quot; Hij heeft meer dan een Simson verricht, want duivel, zonde, dood en graf zijn door Hem alleen verwonnen.
Laten wij, die dit weten, mijne lezers! die gebogen gaan, maar al te veel, onder de belemmerende lasten der zonden en de verleidende machten der wereld, meer vol vertrouwen gaan achter den Voleinder van ons geloof. Die als de sterke God ook eens onzen onwil brak en nu ook voor ons de wereld en haar machten verbreken wil. Alleen Hij is „wijs van hart en sterk van macht; wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad ?quot;
Mocht de wereld in haar verharding tegen den Gezalfde dit meer
520 20 DECEMBER.
bedenken! En laten wij, als we gelooven, meer met dankbaarheid zijn vervuld jegens Hem, Die al onze zonden gedood heeft als de Sterke God, - Simson doodde bij zijn dood meer Filistijnen, dan bij zijn leven, maar Christus doodde door zijn sterven alle zonden, die ons van God verwijderd hielden. O, de gemeente des Heeren heeft in al haai zonden, haar zwakte, haar strijd, haar lijden en haar overwinning alles te hopen van dezen sterken God, en aan Hem allen dank te wijten. Niet ons, niet ons, Zijn naam alleen zij eer. —
Buige dan al, wat er leeft en gij, mijne ziele ! het meest voor Hem, Wiens Naam is; Sterke God.
Hoe groot, hoe vreeslijk zp G: alom,
Uit uw verheven heiligdom,
Aanbidlijk Oppenvezen!
\'tis Isrels God, die krachten geeft,
Van wien het volk zijn sterkte heeft.
Looft God! elk moet Hem vreezen!
Psalm 68: 17.
Lezen: .les. 11: 1—10. — Openb. 1: 9—20.— Jes. 33: 13—24.
J. BOER KNOTTNERUS.
20 DECEMBER.
Jesaia 9: 5amp;; „En men noemt Zijnen Naam: „Vader der eeuwigheid.quot;
Reeds van oude tijden af kon niemand grooter eerenaam gegeven worden, dan die van „vader.quot; De knechten van Naaman den Syriër legden een duidelijk getuigenis af van hunne vriendschappelijke gezindheid tegen hunnen heer, toen zij hem noemden: mijn vader! En ,Vader des vaderlandsquot; te wezen, was ook zonder twijfel de hoogste eeretitel voor den eersten Prins van Oranje.
Ja, profeten en rabbijnen om strijd achtten zich, aldus aangesproken, het meest geëerd. Toch komt, in geestelijken zin, die naam alleen toe aan God. En - God de Vader, de eerste Persoon der Goddelijke Drieëenheid verdient dien naam wel het eerst. Toch komt aan den Zoon, als den tweeden Persoon, die titel evenzeer toe. Hij toch is het beginsel der eeuwige zaligheid; Hij is de oorsprong van het eeuwig geluk van de Zijnen; en die verlossing, door Hem teweeggebracht,is een eeuwige geweest; heeft Hij niet een eeuwige gerechtigheid voortgebracht ?
21 DECEMBER.
En, als reeds Abraham de vader aller geloovigen rcag heeten, dan mogen zeker de geloovigen ook wel kinderen genoemd worden van den tweeden Adam : Christus.
— Vader der eeuwigheid! Ja, zoo aanbidt Lr, o, Christus! uw kerk hier op aarde; al sterven wij op aarde, we zullen leven in TJ. Uw macht, o eeuwige Koning Uwer Kerk, gaat niet alleen over ons heden, maar ook over onze toekomst! Wij danken ü, dat wij het weten, dat Gij gisteren en heden Dezelfde zijt en tot in eeuwigheid!
Ach! dat allen, die in Hem nog niet geloofden, geen eeuwigheid zich mochten droomen zonder Hem, Die de Vader der eeuwigheid is.
Welk een troost echter ligt er in dezen naam voor allen, die ge-looven, kinderen van Dien Vader te zijn, dat is, deelgenooten te wezen van Zijn koninklijke belofte; „Ik zal u geene weezen laten, Ik kom weder tot u.quot; Ja, daar ligt in dien éénen Naam een veelheid van gedachten : een eeuwige verlossing, een eeuwige bewaring, een eeuwige gerechtigheid, een eeuwige vertroosting, een eeuwige voorbidding, een eeuwig verbond. Zalig, die het ervaren mag.
Bulge dan al, wat er leeft en gij, mijne ziele! het meest, voor Hem, Wiens Naam is: Vader der eeuwigheid.
Trotsche bergen zullen wijken,
Vaste rotsen eens vergaan,
Zijne trouw zal nooit bezwijken.
Zijn verbond blijft eeuwig staan:
Laat de wereld zelfs vergaan!
Zijne trouw blijft eeuwig staan:
quot;Wat ooit wanklen moog of wijken.
Zijn verbond zal nooit bezwijken.
Gezang 55 : .
Lezen: Psalm 89: 30—38. — Joh. 6: 30—40. — Hebr. 1: 1—13.
J. BOER KNOÏTNERUS.
21 DECEMBER.
Jesaja 9: öh: En men noemt Zijnen Naam: „Vredevorst.quot;
Met welk woord kan een uitnemender zaak geschetst en een begeerlijker toestand worden gepredikt, dan met dat ééne woord: Vrede?
Vrede in \'t algemeen doet denken aan een toestand van rust en welstand.
5-21
522 21 DECEMBER.
En van wien zoude dan eerder vrede zijn te wachten en te hopen dan van Hem, Wiens geboorte in het vleesch den mensch werd verkondigd met een engelenlied van: „Vrede op aarde?quot;
0, als gü bij het licht van den Geest der waarheid uw natuurlijke vijandschap tegen God en den naaste hebt leeren kennen, laat dan het Kerstevangelie u de blijde boodschap mogen brengen, dat het Kindeke in Bethlehems stal juist kwam om vrede te stichten tus schen uw geweten en God, tusschen u en uwen broeder.
Als een Vorst heeft Hij slechts den vrede te gebieden en deze is er, is er in uw hart en uw leven. Als de Koning des Vredes, de Koning van Salem, is Hij\'vol van goedertierenheid en zachtmoedigheid, bluscht Hij de rookende vlaswiek niet uit en verbreekt evenmin ook het riet, dat gekrookt is. Niet, die het meest naar den oorlog verlangt, maar het meest den vrede begeert, die is welkom, — al vraagt hij het bedelend, als een\'dorpelwachter, — in het Koninkru\'k van Hem, Die een verbond des vredes gemaakt heeft, dat niet wankelen zal. En is in dezen zin Salomo in \'tOude Verbond niet Zijn type, die als een vorst des vredes den tempel des Heeren mocht bouwen, terwijl het zijnen vader David, die zooveel bloed had moeten vergieten, niet was ver gund?
Laten wij met al den ernst, die in ons is, deze waarheid niet vergeten. — En al schijnt vaak de ervaring der geloovigen, die weten te spreken van strijd en van lijden, hiermede in tegenspraak te zijn ; — vergeten mag het niet, dat de Psalmist volkomen gelijk had, toen hij zong: „Let op den vrome en ziet naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn.quot; —
Toch. het mag niet worden vergeten, dat de wereld juist, gedachtig aan deze fundamenteele waarheid van het Koninkrijk Gods, haar jubelzang zingt van: vrede, vrede en geen gevaar! terwijl het gevaar aan alle zijden dreigt. Zij het u en mij, mijn lezer! gegeven den waren vrede alleen te vinden en te hebben in Hem, Wiens naam is Vredevorst.
Buige dan al, wat er leeft en gij, mü\'ne ziele! het meest, voor Hem, Wiens Naam is: Vredevorst.
O Vredovorst! Gij kunt gebieden Den vreed\' op aard\' en in mijn ziel!
Doe eiken zondaar tot U vlieden,
Dat al wat ademt, voor U kniel!
Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van \'t recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d\'aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van \'s hemels boog;
22 DECEMBEH.
D;in zal de Heer ons \'tgoede weer doen zien:
Lan zal ons \'fcland zijn volle garven bien,
Gerechtigheid gaat voor zijn aangezicht,
Hij zet z\'alom, waar Hij zijn treden richt-
Psalm 85: 4. Lezen: Ps. 37: 28—40. — Jes. 52: 1—10. — Ps. 45.
J. BOER KNOTTNEKUiS.
22 DECEMBER,
Mattheüs 1: 23: Gij zult Zijnen naam heeten, Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.
„Immanuelquot; was de naam, welken Jesaia gaf aan een koning, die Juda verlossen zou. Dienzelfden naam gaf later de engel, die aan Jozef, den timnierman, verscheen, aan den zoon van Maria, Jezus Christus, onzen Heer. Een koning Hizkia of een ander vorst, door wien God toonde, dat Hij Zijn volk niet verlaten, maar verlossen wilde, mocht met eenig recht Immanuel: God met ons, genoemd worden; Jezus Christus, Die ons tot den Vader brengt en uit den grootsten nood verlost, heeft op dien naam alleen volkomen recht. Hij is de waarachtige Immanuel: God met ons.
Daar is eene scheiding tusschen God en ons, een klove tusschen Schepper en schepsel. Onze ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen ons en onzen God en onze zonden verbergen Zijn aangezicht voor ons, dat Hij ons niet hoort. Wij bouwen den scheidsmuur onzer zonden steeds hooger, stapelen ongerechtigheid op ongerechtigheid, zonde van zelfzucht op zonde van wereldliefde, zonde van hoogmoed op zonde van eigengerechtigheid, zonde van bijgeloof op zonde van ongeloof, zonde van gehuichelde vroomheid op zonde van vleeschelijken godsdienst, en wij bouwen altijd hooger, trachten zelfs achter dien scheidsmuur voor God weg te schuilen, en menig dwaas zegt dan in zijn hart: „er is geen God!quot;
Zooals de verloren zoon ver van zijn vader afdwaalde, omdat hij de liefde zijns vaders niet waardeerde, voor het gebod zijns vaders niet wilde buigen, het bestraffend oog zijns vaders haatte, zoo dwaalt een zondaar zonder God in deze wereld, omdat hij het evangelie der liefde Gods veracht, aan het gebod Gods niet wil gehoorzamen, de heiligheid Gods haat.
Doch het evangelie van den Immanuel doet alle geloovigen spre-
523
524 23 DECEMBER.
•
ken: „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, maar ... de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem, God met ons, doen aanloopen.quot; Daardoor toch is Hij onze Immanuel geworden. Hij heeft den middelmuur des afscheidsels weggenomen. Hij is eene verzoening voor onze zonden. Hij leidt door Zijn Woord en G-eest verloren zonen en dochteren terug tot den Vader, opdat zij. komende met ootmoedige schuldbelijdenis en een oprecht „ik ben niet waardig uw kind te heeten,quot; vergeving zouden vinden in de genade Gods en rust in de liefde des Vaders.
Daarom verheugen zich alle geloovige christenen als de advents-weken telkens den Immanuel verkondigen. Want wel verliest, wat jaarlijks eenvormig wederkomt, meesttijds den gloed der nieuwheid, maar de prediking van Immanuel is een woord des levens, dat altijd nieuw is, evenals het dagelijksch brood; hetwelk men nuttigt, en evenmin eentonig wordt en verveelt, als het water, hetwelk meniederen dag weer drinkt.
Wij mogen echter nooit vergeten, dat het water moet gedronken worden, het brood moet gegeten worden, Immanuel door ons moet uangenomon worden door het geloof. Alleen, als wü met Thomas kunnen zeggen tot den Heiland; „myn Heer enGodquot;, kunnen wu met recht van Immanuel getuigen: „in Hem is God met mij.quot;
Dies loven w\' U, Immanuel!
Uw dood verwint èn dood èn hel.
Uw dood maakt ons van zonden vrij:
Dies juichen en aanbidden wij.
Gezang 114: 11.
Lezen; Psalm 24. — Efeze 2. — Efeze 3: 13—21.
H. J. L. POORT.
23 DECEMBER.
Maleachi 4: 2a; ülieden daarentegen, die mijnen naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder zijne vleugelen.
Maleachi schittert als de avondster aan den hemel des Ouden Verbonds. Hij herinnert zijn volk nog eens aan die sterren van de eerste grootte: Mozes en Elia, die weleer het firmament der oude Kerk hadden verlicht. En hoevele Godsmannen en Profeten hadden
23 DECEMBEB. 525
naast en na hen hun licht verspreid, een licht, dat te heerlijker uitblonk tegen den donkeren achtergrond van de zonden des volks!
Straks volgde de nacht, een lange, donkere nacht. Maar, gelijk op eiken avond en eiken nacht een morgen volgt, zoo zou ook deze nacht wijken, als de morgenster der Nieuwe bedeeling de opkomst van da Zonne der gerechtigheid zou aankondigen.
Die Zonne der gerechtigheid is opgegaan. Zondaren, als wij zijn, bezitten wij geene gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan. De wet staat daar als een gestrenge tuchtmeester en eischt eene volkomen gehoorzaamheid van ons. Hoe kunnen wij deze betoenen, daar wy die wet dagelijks overtreden met gedachten, woorden en werken ? Maar nu legt Christus Zijne gerechtigheid in de schaal tegen onze overtredingen. Nu kunnen zij ons niet meer in het verderf nedertrek-ken. Zij worden bedekt voor het aangezicht van een heilig en rechtvaardig God door het bloed des Middelaars. Christus is de Zon op onzen donkeren levensweg. Nu begint er voor ons een nieuw leven. Nu zijn wij niet meer kinderen des toorns, maar aangenomen tot kinderen Gods, door het geloof in Christus. Hij, de Zoon des huizes, kwam in dienstknechtsgestalte onder ons wonen, opdat wij, dienstknechten der zonde, zonen en dochteren des huizes zouden worden.
„Er zal genezing zijn onder zijne vleugelen.quot; Vele zijn de zegeningen der zon: zij schenkt ons licht en warmte, en daardoor leven en wasdom. Maar groot is ook hare genezende kracht. Duizenden van lijders, die daartoe de middelen hebben, ontvluchten onzen kouden, somberen winter in zuidelijker streken, waar de zon onbeperkt heerscht, en de kille nevelen, zoo nadeelig voor hun gestel, verdrijft. Nu, deze Zon draagt genezing onder Zijne vleugelen tegen die krankheid, die de gansche menschheid heeft aangetast, en haar den eeuwigen dood tegemoet voert. Kent gij deze krankheid? Hoe levendiger gij haar gevoelt, des te ernstiger moet gij die genezing zoeken.
Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,
Is \'tallen tijd een zon en schild;
Hij zal genaad\' en eere geven;
Hij zal hun \'t goede niet, in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer! die op U bouwt En zich geheel aan U vertrouwt.
Psalm 84: 6.
Lezen : Psalm 84 : 6—13. — Jesaia 60 : 15—22. — Maieachi 4.
J. P. ERINGA.
94 DECEMBER.
24 DECEMBER.
Lukas 1: 46 —47 : En Maria zeide: Mijne ziel maakt groot den Beere;
En mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker.
Als bij het wijken van een zoelen zomernacht de vroege morgenzon gereed staat de slapende natuur wakker te kussen, wordt het in den schemer van het morgenrood gehulde aardrijk eerst stil, nog stiller dan gedurende de plechtige stilte van den nacht.
Het is, alsof al wat leeft de komst der lichtaanbrengendezonnestralen met zekere spanning in diep zwygen wacht.
De zachte koelte van den nacht houdt een oogenlilik den adem in; het gevogelte in \'t dichte loover blijft roerloos zitten op zijn tak; het vee in de wei steekt zwijgend don kop naar de purperen oosterkim uit; heel de schepping, als bezield met eerbiedige vrees bij de worsteling tusschen duisternis en licht, verbeidt de zege der zon ... Doch daarna, als de eerste gulden stralen den nevelachtigen dampkring doorboren, ontwaakt met het licht ook het leven en het ontwaakte leven uit zich, naar onbewusten drang, in een veelstemmig lied.
quot;Welnu, zooals het is gesteld, by het verrijzen der zon in het rijk van Gods schoone natuur, zoo ook was het bij het opgaan van de Zonne der Gerechtigheid in het heerlijk Rijk van Gods genade. Lang, zeer lang had de nacht geduurd; eeuwen lang had de heilige psalmadie gezwegen; geen lofzang was er meer getokkeld op de harpe Sions; maar wapengekletter was vernomen, gedurig weer; ruwe kreten van wraak waren opgegaan, luid en luider van het Noorden tot het Zuiden; vurige gebeden om verlossing waren opgezonden .... en toen Immanuël te komen stond, werd het in gansch Juda nog stiller dan voorheen. Een voorgevoel van de groote dingen, die aanstaande waren, hield de harten van allen, die de vertroosting Israels verwachtten, in hooge, maar stille spanning. De herders zwegen in het veld van Efrata, de oude Simeon en Anna in den tempel op Sion, de sprakelooze Zacharias en Elizabeth in het gebergte van Juda. . .allen zwegen; ook de moedermaagd uit Nazareth, de hoog begenadigde Maria,, zweeg; .... maar daarna, als de eerste stralen van de Heils-zon doorbreken, raken de tongen los en breken zij in een jubelzang uit. De moeder des Heeren zingt van haar God en Zaligmaker. Destom-me Zacharias zingt den lof van Israels God; straks zal de oude Simeon den tempel van de zaligheid zijns Heeren doen weergalmen,... ja, engelen en menschen te zamen, zij allen heften aan het nieu-
526
25 DECEMBER. 527
we lied van vervulde hoop; „Mijn ziel maakl groot den Heere!quot;
Zoo bracht ook daar de komst van het Licht leven en dit leven zocht, onder den inspireerenden drang des Geestes, tot zingen uiting in een; eere zij God.
Mijn lezer, zingt gij het mede, dat nieuwe loflied van hoop en vreugde? Maar, wat is de achtergrond van uw jubeltoon, als de Kerstnacht weer wordt ingeluid en de kerkklok u tegengalmt; naar Bethlehem? Is het reeds de vreugde in God uwen Zaligmaker, die u tot zingen drijft? Kent gy ook dien zwijgenden nacht, die aan de komst van het licht der genade moet voorafgaan in uw hart? Eerst dan is uw Kerstvreugde werkelijkheid, en gewis, dan zal morgen ook uw Kerstlied waarheid wezen. Maar dan zult ge ook iets verstaan van de zaligheid, die op het Kerstfeest Gods kinderen doortintelt, als zij aanheffen het nooit uitgezongen Magnificat; Mijne ziel maakt groot den Heere!
Myn ziel verheft Oods eer;
Mijn geest raag biy den Heer Mijn Zaligmaker noemen,
Die in haar lagen staat Zijn dienstmaagd niet versmaadt,
Maar van zijn gunst doet roemen!
Want ziet, om \'s Heeren daan Zal elk geslacht voortaan Alom mij zalig spreken:
Wijl God, na ramp en leed Mij groote dingen deed.
Nu is zijn macht gebleken.
Lofzang van Maria vs. 1, 2.
Lezen: Lucas 1: 39—56. — Lukas 1 ; 67—80. — Psalm 33.
G. H. WAGENAAR.
25 DECEMBER.
EERSTE KERSTDAG.
Lucas 2; 11; ü is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.
Het Kerstfeest is daar. Uit Jeruzalem, en uit Hebron, en uit an-
528 25 DECEMBKR.
dere steden en dorpen van Palestina gaan een tal van pelgrims op naar Bethlehem, de Davids-stad.
Ook wij mogen ons in den geest onder de feestvierenden scharen en gaan mede om het Kindeken te zien, dat, in een beestenstal geboren, in schamele windselen gehuld, op een handvol stroo gepeluwd is en Wiens naam is, Wonderlijk, Raad, Sterke, God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst; het Kind, dat een Koning zal zijn, Wiens Koninkrijk geen einde neemt, en voor Wien zich eens buigen zal alle knie dergenen, die in den hemel en op de aarde zijn; het Kind, dat eew pro/ee^ zal zijn, Die.een licht zal doen rijzen over raadselen der Godheid, raadselen der eeuwigheid, raadselen van het menscheUjk hart; het Kind, dat een Hooge-priester zal zijn, Die medelijden heeft met onze zwakheden, en door één offerande, een zelf offerande, verlossen zal zoo velen, als door Hem tot God gaan.
In Beth\'.ehems kribbe ligt de reeds in het Paradijs Beloofde, van Wien Jesaia zong; „Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Om onze overtredingen is Hij verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den Vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden.quot;
Dat Kind is het vleesch geworden Woord, de eenige Zoon des Vaders, Die in den Vrederaad sprak: Vader, zend Mij! en in de volheid der tijden op aarde kwam, om, in eene kribbe geboren, straks aan een kruis te sterven!
O, zondaarsliefde, liefde zonder wederga! Wat wonder, dat engelen neerdalen, om er in den Kerstnacht in Efrata\'s velden van te zingen; maar, in de eerste plaats moeten menschep, zingen, want niet voor engelen, maar voor zondaren was het, dat de Heiland den hemel verliet. Zij moeten zingen een feestlied, niet, zooals de wereld zingt, en ook op dit feest weer zingen zal, maar, zooals de verloste zondaar zingt, die op de knieën neervalt, en de handen opheft, en naar den hemel opziet en jubelt: „Op aarde gekomen ook voor mij! O, wonder der genade Gods. Eeuwig worde ü lof en eere toegebracht!quot; In dat lied is een weerklank van het lied, dat de verlosten in den hemel zingen.
Kinderen Gods: \'t is feest; en in feestgewaad knielen wij in Bethlehem\'s stal, niet in een gewaad, zooals de wereld hare kinderen ziet dragen, die naar hare feestzalen heengaan, maar in het kleed van ootmoed en liefde en geloof; dat is des Christens feestgewaad; daarmede kan hij de staldeur van Bethlehem in.
Bidt er uwen God om. En dan, in uwe handen een feestgeschenk. Zal Bethlehems kiibbe voor u zijn een schatkist, met veel goederen gevuld, dan moet gij iets aan het kindeken brengen, zooals de wereld
26 DECEMBER.
niet brengen kan, en niet brengen wil, n. 1. uw hart, uw ledig, uw zondig hart, dat bedroefd is.
Ja, geeft dat; geeft dat aan Jezus! dan ontvangt gü van Hem een hemelschen zegen; een Kerstzegen, dan hebt ge een heerlyk feest. Dat geve de Heere!
O, Zoon van God! den mensoh gelijk,
Voor wie verlaat G\' uw\' troon en njk,
Voor wie wordt G\\j in \'tstof verneerd,
Die met een\' wenk \'t heelal regeert?
Voor wie? voor heilig\' englen? neen!
Die zingen \'t heil der aard alleen:
Voor zondaars daalt der englen Heer,
Voor arme zondaars daalt Hij neer.
\'t Is hier, waar niets dan zonde woont,
Dat God zijn welbehagen toont:
„Geluk voor d\' aard, den ihensch gena\'!quot;
Zoo juicht Gods koor: Halleluja!
Ons hart herhaal nog eens dat lied,
Wij hooren \'t, maar doorgronden \'tniet.
Gena\' den mensch, Gods Zoon daalt neer,
Geluk, o aarde. God zij d\' eer.
Gezang 114; 3—6.
Lezen : Luc. 2: ]—14. — Joh. 2; 11—2:. — Matth. 1: 18 —25.
J. KRA YEN BE [/T.
26 DECEMBER.
TWEEDE KERSTDAG.
Hebreën 2; 14a: Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derselve deelachtig geworden.
Niets was er, wat het „Kindeke in de kribbequot; naar het uitwendige onderscheidde van andere kinderen, dan wellicht juist dit: dat het armelijker was gehuisvest dan eenig ander. En toch was er over zijn geboorte vreugde in den hemel en zou er over Zijne komst blijdschap zijn op de aarde. Geen stralenkrans omgaf het hoofd, geen fonkeling van majesteit lag op het gelaat en toch kwamen herders om dit kindeke te aanbidden en wijzen uit het Oosten om zich voor Hem ter neder te buigen in het stof.
DAGBOEK ^
529
530 26 DECEMBER.
Wat was het dan, waarom juist dit kindeke de hemelsche heir-scharen deed jubelen: „Eere zij God ;quot;waarom het eene hulde ontving, zooals geen ander kind ontvangen kan, ontvangen mag?
O, wü weten het: dat kindeke, het was het zichtbaar, het tastbaar bewijs van de vervulling van de groote belofte des Heils, diejin het Paradijs voor het eerst was gehoord en sinds tallooze malen was bevestigd en bekrachtigd. Dat kindeke, het was de beloofde Messias, het was de verwachte Zaligmaker, het was de machtige Held, Die de volkomen verlossing bewerken zou. In dat kindeke zien wij dan ook het ondoorgrondelijk mysterie: „God is geopenbaard in het vleesch.quot;
Buigt dan met de herders, met de wijzen u ter neder en roept het „Hosiannaquot; uit voor Hem, Die komen wilde op deze aarde.
Want Hü kwam, om die groote worsteling te aanvaarden, waarvan reeds in het Paradijs werd gewaagd; Hij kwam, om over den satan te triumfeeren en „te niet te doen dengene, die het geweld des doods hadquot; en daardoor te „verlossen al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.quot; Zietdaar dus het doel van Zü\'ne komst: Verlossing van den dood en verwerving van het leven. Doch dit doel kon niet worden bereikt dan door den dood heen, en alzoo was het noodig, dat Hij sterven kwam.
Aanschouwt dan de aanbiddelijke liefde van den eeniggeboren Zoon des Vaders, dat Hij onze natuur wilde aannemen, om in die natuur zich te kunnen laten binden door banden des doods.
Doch zoo blijft dan ook dit de feestjubel van het Kerstfeest, dat, overmits de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo ook Jezus Christus desgelijks derzelve deelachtig geworden is; dat de dierbare Heiland den broederen in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde.
Hij heeft gedacht aan zijn genade,
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al \'saardrijks einden gade,
Nu onze God zijn heil ons schenkt.
Juich dan den Heer met blijde galmen,
Gij, gansche wereld, juich van vreugd;
Zing vroolijk in verheven psalmen Het heil. dat d\' aard in \'t rond verheugt.
Psalm 98: 2.
Lezen; Jes. 40: 1—11. — Joh. 1: 1—14. —■ Philip. 2: 1—11.
Dr. B. VAN MEER.
531
27 DECEMBER.
Lucas 2: 35a; Kn ook een zivaard zal door uwe eigene ziei gaan.
De grijze Simeon staat daar voor ons een der oude profeten, met den Heiligen Geest bezield. Met zalige verrukking neemt hij het kindeken Jezus in zijne armen en profeteert van het heil, dat dit kindeken Israel en den volken zal aanbrengen. Maar ook op Maria en Jozef richt zich zijn blik. De zegen van dezen profeet, van dezen man Gods, wordt in den naam des Heeren over hen uitgesproken en daarna tot Maria o. a. het veelbeteekenend woord gericht; en ook een zwaard zal door uwe eigene ziel gaan.
Ook deze profetie is vervuld. Het zwaard is door Maria \'s ziel gegaan. Wat op Golgotha is geschied met den Christus en, wat daaraan is voorafgegaan, is de vervulling van het woord door Simeon gesproken. Doch Maria heeft het leeren verstaan, dat dit zwaard, volgens Gods raadsbesluit tot verlossing van verloren zondaren, door hare ziel moest gaan, en er haren God en Zaligmaker voor leeren danken, dat in Christus een weg ter verlossing is geopend, dien niemand heeft kunnen uitdenken, maar, die door den Almachtige beraad is in de diepte der eeuwigheid. En is er ook een zwaard door hare ziel gegaan, de goddelijke vertroostingen, die van Golgotha afvloeien, hebben hare gewonde ziel verkwikt en gesterkt.
Welzalig allen, wien zulks mag gebeuren ! In erger mate nog dan door lichaamssmarten, kan onze ziel gekweld en gefolterd worden. Er zijn smarten en nooden, angsten en zorgen, die als een zwaard door de ziel gaan, en ons machteloos en bloedende ter aarde werpen. Smarten en zorgen, die niet kunnen uitblijven, maar, die ons tot een zegen worden, als wij de genade erlangen op Christus te zien. Christus heiligt de smarte, en van Golgotha drupt de heelende en versterkende balsem weder in de gewonde en verslagen ziel.
Wij stellen ons Maria voor, onafgewend den blik op het Kindeken gericht houdende, dat Simeon in zijne armen hield. Een Simeon kon profeteeren en van het zwaard spreken, dat komen moest, maar de Heelmeester, de Trooster is die Heiland, in Wiens komst ailen zich verheugden, die Israels vertroosting verwachtten.
O, laat ons bidden, dat het ons gegeven worde in onze nooden en smarten, op Jezus te zien!
Die blik des geloofs is noodig. Het ongeloof houdt den blik op Hem niet gevestigd, zelfs, al spreekt het over Hem. Maar het geloof ziet op Hem, op ziin kruis, op zijne verdienste en klemt zich aan Hem vast.
532 28 DECEMBER.
Er is geen zorg, er is geen smart, die Hü niet kan verlichten. En uit den diepsten nood wordt de heerlykste zegen geboren, wanneer wij door Gods genade op Christus mogen zien en tot Hem mogen vluchten.
Al gaat er ook een scherp zwaard door onze ziel, wij zullen niet omkomen, wij zullen in onze ellende niet blijven liggen, als Christus onze toevlucht is. Hy is de Zon der gerechtigheid, onder Wiens vleugelen genezing is. De Geest der Genade en der gebeden stemme onze harten tot het ootmoedig en volhardend smeekgebed: Zon der gerechtigheid, verlicht ons, troost ons, heilig ons!
Wanneer ik zei; „mijn voeten glyden,quot;
Toen hebt gy my gesterkt in \'t lijden.
Wanneer mij \'t afgepeinsd© hart Door al mijn denken werd verward;
En in druk schier was gestikt.
Toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt.
Psalm 94: 10.
Lezen: Luc. 2; 22—35. — Jes. 53. — Joh. 1: 1—17.
W. KOELMAN.
28 DECEMBER.
Jesaia 35; 5, 6a; Alsdan zullen der blinden oogen opengedaan worden, en der dooven oor en zullen geopend worden.
Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen.
Hij heeft gedacht aan Zijn genade.
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt.
Zoo heeft het geklonken op het pas gevierde Kerstfeest, en vooral dan wordt die psalm der gedachtenis tot Gods eere aangestemd, als het hart door genade iets heeft gesmaakt van de heerlijke vruchten van Jezus\' komst in de wereld.
En die vruchten, wat zyn zij niet velerlei. Jesaia wijst er ons op, en ook deze profetische Godsspraak vindt hare vervulling, als Jezus Christus zijne eeuwige heerlijkheid verlaat en in de woestijn dezer aarde nederdaalt.
Of heeft Jezus deze machtige daden, waarvan Jesaia profeteert, niet verricht? Heeft Hij er zich niet op beroepen, als op onwraakbare
533
getuigenissen, dat Hij Diegene was, van Wien de profeten gesproken hadden? Denkt aan den blinden Bartimeus; denkt aan den doovein de landpalen van Decapolis; denkt aan den acht en dertig jaar kranke te Bethesda; denkt aan den mensch tot Je/:us gebracht, stom en van den duivel bezeten; éene aanraking, éen wenk, éen woord van Zyne almachtige liefde is genoeg om allen te genezen.
En toch, de woorden van Jesaia hebben nog een dieper\' zin. Lichamelijke ziekten en kwalen te genezen is groot, maar wat is het, by de genezing van geestelijke krankheden en kwalen door de zonde in de wereld gebracht? En om dat te doen, daartoe is Jezus Christus in de eerste plaats verschenen.
Hy is gekomen om de oogen des verstands te openen van zulke blinden, die in de duisternis blijven rondtasten, indien hunne oogec niet worden geopend om bij Geesteslicht, in Jezus, het licht der wereld, Gods heerlijkheid te aanschouwen.
Jezus is gekomen om de ooren te openen dergenen, die doof zijn voor de stem van Gods getuigenis, opdat zij in dat getuigenis Zijn stem zullen hooren, als de stem van den goeden Herder, die de Zijnen bij name kent.
Jezus is gekomen, om degenen, die kreupel zijn door de zonde, aan voeten en enkels te sterken door Zijn genadekracht, en om de stommen te doen spreken, die, bü koningskroon en scepter, ook de stem des profeten verloren, opdat hunne lippen Gods lof zouden verkondigen.
Zietdaar, de heerlijke en gezegende vruchten van Jezus\' komst in de wereld. En, opdat die vruchten door zulke ellendigen, gelijk wü allen van nature zijn, konden genoten worden, verwieif Hij, op het kruis, den Geest der genade en des levens, door Wiens hart-vernieuwende werking al dat heil tot stand gebracht wordt, door Jesaia ons geteekend. En nu is het de vraag: „kent gij voor uzelven reeds iets van dat heil?quot; Zoo neen, staat er dan naar, biddend en verzuchtend, om het in den dag der genade deelachtig te worden.
Zoo ja, gedenkt dan, dat gij geroepen zyt bltjmoedige getuigen van die Godsdaden te wezen. Nu Hij met Zijn licht, uw duisternis verlichtte, hebt gij uw licht op den kandelaar te plaatsen. Wat Hy u gepredikt heeft in het oor, hebt gij op de daken uit te roepen. Nu Hij uwe voeten en enkels heeft gesterkt, hebt gij te verkondigen, wie Hy is, die u gezond gemaakt heeft. En heeft Hij uw tong losgemaakt om andere talen te spreken, laat niet na van Hem te getuigen, opdat anderen door uw getuigenis mogen worden gewonnen.
Weest dan getrouw in het minste, en al komt dat getuigen op veel strijd te staan, geen nood! De getrouwe belijders siert eenmaal
534
de kroon, de Koning zal hen eeren en hen plaatsen aan Zijn rechterhand.
Verheerlijkte Heiland! maak allen getrouw, aan wier hart Gij de vrucht van uw komst hebt gezegend, opdat ook anderen door hun woord in U mogen gelooven. Die te prijzen zijt tot in eeuwigheid. Aaien!
Geloofd zij \'s Vaders eenge Zoon !
Hi.) bracht ons van zijns Vaders troon
De rijkste zegeningen:
Hem, onzen helper in den nood.
Hem, onzen redder van den dood,
Moet al wat ademt zingen.
Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer!
Voor U knielt uw gemeente neer,
Lofzingend in uw woning.
Eens wordt alom ü toegebracht.
Lof, eer, en heerschappij en macht;
Zoo heerscht G\' als aller Koning.
Gezang 2: 3.
Lezen; Jesaja 35. — Matth. U: 27—38. — Psalm 146.
A. J. VAN WIJNGAARDEN.
29 DECEMBER.
Mattheüs 1: 21; Gij zult Zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden.
Hoeveel ligt er niet in deze weinige woorden! Het kind, dat uit Maria\'s schoot stond geboren te worden, moest, op Gods bevel, Jezus worden genaamd. Jezus, omdat Hij Jezus is en Jezus zich betoonen zou; Jezus, de Zaligmaker. En hoe duidelijk wordt ons hier de aard van het door Hem aan te brengen heil verkondigd: „Hü zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden.quot;
Wat ons reeds in dit leven ongelukkig doet zijn, neen! hetzyn niet de omstandigheden, die ons deel zijn; evenmin als tfteonswaar-achtigen vrede geven kunnen. „De zondequot; zegt terecht ons heerlijk AvoDdmaals-formulier, „is de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer;quot; de zonde: „onze zondelijke aard,quot; zooals de Catechismus het uitdrukt; de zonde: ons zondig bestaan voor God, waaruit alle zowden voortvloeien — ziedaar de onzalige bron van alle smart, van welken
30 DEChIMBKR. 535
aard, die ook zij; van wat ons voor eene eeuwigheid verderft!
O, driewerf gelukkig hij, die door Gods genade aan zich zeiven ontdekt, onder alles, wat hem in dit leven drukt en beangst, allereerst en allermeest over dat zondaar zijn in hart en leven, voor het aangezicht des Heiligen, des Rechtvaardigen, zich leert bekommeren en ontrusten! Van dat volk geldt het; „Hij, die Jezus, zal hen zahgma-ken.quot; Dat volk toch is Zijn volk. Immers, waarachtige zonde kennis is uit God. Zulke, hunne zonden gevoelende zondaars, vindt de Heere niet! Hij maakt ze! Maar dan ook doet de God, Die krank maakt, doch om te heelen, het heerlijk zien en gevoelen, hoe in dien Jezus ons alles wordt aangeboden, wat we voor onze levensvreugde, voor onzen troost in smart, onze kracht bij eiken strijd, onze hope voor de eeuwigheid behoeven! Hij is rt. Die alles heeft aangebracht, wat wij voor onzen waarachtigen en eeuwigen vrede van noode hebben! Hij bedekt met Zijne zoen verdiensten de zonde Zy\'ns volks; Hij verlost hen van hunne zonden, door hen Dien te doen leven. Die voor hen gestorven is en leeft!
Wilt gij zalig worden, hier reeds aanvankelijk, o, laat dan die Jezus u zalig maken! Zoekt het nergens anders dan bij Hem! Maar nogmaals, weet, om Zijne heerlijkheid te zien. Zijne zaligheid te gevoelen, is het zondaars oog van noode, is onmisbaar het zondaarshart!
Nooddruftigen zal Hy verschoonen,
Aan armen uit gena Zyn hulpe ter verlossing toonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zoo hoog,
Hun bloed, hun tranen en hun lyden Zijn dierbaar in zijn oog.
Psalm 72 : 7.
Lezen: Matth. 1: 1H—25. — Psalm 73. — Joh. 6: 27—40.
E. B. GUNNING.
30 DECEMBER.
Romeinen 6: 1: Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?
Tegenstanders van de leer der rechtvaardiging des zondaars voor God, zonder de werken als werken der wet, zijn van ouds af met de
536 30 DECEMBER.
beschuldiging komen aandragen, dat deze leer zorgelocze en godde-looze menschen maakt. Wat tot troost van het door schuldbesef getroffen en verslagen gemoed in Gods Woord geleerd wordt, wordt door den eigengerechtige aangegrepen om eigen afgoden te blijven naloopen en af te wijken van den levenden God. Nergens leert de Heilige Schrift ons, dat genade door zonde wordt verworven; maar wel geeft zij ons het hartsterkend woord mede op onze levensreize, dat de stroom dei-genade machtig is om al onze zonden te bedekken, weg te nemen voor het oog des Heeren, weg te nemen voor Zijne heilige wet. Immers het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde (1 Joh. 1: 7) Dat getuigt de H. Geest aan het hart van een iegelijk, die in Christus Jezus gevonden heeft gerechtigheid en sterkte, en alzoo, van het gebied der wet der zonde en des doods, overging op het gebied dei-wet des Geestes des levens in Hem. (Rom. 8: 2).
Hebt ge ooit genade gesmaakt, dan kan uw lust, uw leven niet meer in de zonde zyn, en, wordt ge toch telkens weer door haar verrast, dan zal dit weer nood over u brengen, en de H. Geest zal door Z;ine verborgen werkingen u weer uitdrijven tot het gebed om op nieuw den troost te mogen vatten, dat de zonde over u niet heerschen zal (Rom. 6; 14), al doet zij nog menigmaal haar geweld u ondervinden, \'tGeloof verstaat het, dat Christus onze zonden met Zich in Zu\'n graf begraven heeft, en dat wij met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven.
Troostvol is deze waarheid, wanneer de H. Geest ons daarover zijn licht doet opgaan; doch zoodra het den zielevijand gelukt om dit evangelie van voor onze oogen weg te too veren, dan buigen wij het hoofd gelijk eene bieze en vervolgen moedelooSj ons pad, „In uw licht zien wij het lichtquot; (Ps. 36: 10) dit was Davids ervaring, en de H. Geest deed hem naar dat licht weer begeerig zijn, juist, wanneer hij het om zijner zonden wil moest derven. De Heere alléén is waardig om geëerd, geprezen en gediend te worden, en als zijne liefde hart en zinnen vervult, dan kan men in den dienst der zonde en der jjdel-heid zijn rust en zijn lust niet meer vinden. Dan is er eene begeerte om van hare banden losgemaakt te zijn ; het hart trekt naar boven en het geloof leeft in de eeuwige dingen in. Dan is er een zoeken van dien vrede, die alle verstand te boven gaat, en die machtig is om over dood, zonde en graf heen te zien, om aan den Heiland zich vast te houden met smeeking en gebeden, en, om, op \'s Heeren tijd welgetroost af te reizen naar het huis des Vaders, waar vele woningen zün.
Leer mij, o God van zaligheden!
Mijn leven in uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;
31 DEOEMBEK. 537
Uw goede Geest bestier mijn schreden,
En leid\' my in een effen land.
Psalm 14S: 10.
Lezen: Ps. 32. — Rom. 4: 1—12. — Gal. 6: 7—18.
K. HAVINGA.
31 DECEMBER.
Psalm 103: 8; Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Zoo staan wij dan weer aan den laatsten dag des jaars. En gelijk de reiziger, op zijn tocht door het vreemde land, bij eene kromming van het pad, onwillekeurig een oogenblik stilstaat om den afgelegen weg in gedachten te meten en zijne ervaringen op te teekenen, zoo worden ook wü thans geroepen, om de sprake te beluisteren, die het afgeloopen jaar tot ons richt.
Voor een iegelijk onzer zal ze, naar onze onderscheiden levensomstandigheden, eene bijzondere zijn. Maar toch zal ook weer in ons aller overdenking een zelfde grondtoon klinken: die van het hier boven staand schriftwoord; Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Spraken toch de dagen, die achter ons liggen, ons niet van Gods goedertierenheid en genade, waar ze zoo menige zegening aanschouwden, door Hem ons beschikt?
Zegening, des te meer door ons te waardeeren, daar zij zoo geheel was verbeurd.
En, wat hebben wij tegenover dit alles nu te stellen ? Immers niets dan zonde en ongerechtigheid. God heeft ons in Zijne lankmoedigheid gedragen en het leven gespaard, maar, werd dit nu ook in Zijn dienst besteed, en was het onze begeerte onszelven, als levende dankoffers den Heere toe te wijden ?
Hoevele malen heeft ook God in het afgeloopen jaar ons niet op onzen weg ontmoet en, nu eens door het woord der prediking, en dan weer door de leiding onzes levens. Zijne roepstem doen hooren : „myn zoon, mijne dochter, geef mij uw hart!
Hebben wij ze ook ingewilligd en zijn wij, die ten vorigen jare nog verre waren, nu gekomen tot dien God, Die ons, zoovele malen en op zoo velerlei wijzen, tot Zich riep ?
En indien het, door Gods genade, hiertoe bij ons kwam en de Hee-
538 31 DECEMBER.
re ons nu telkens opwekte, otn in Zijne kracht tegen de zonde te strijden en op te wassen in de genade, hebben wy ook dan Zyne roepstem gehoor gegeven, en kunnen wij spreken van winst voor ons geestelijk leven, in het afgeloopen jaar behaald? Och, wie is er, die bij al deze vragen, hem, als in Gods tegenwoordigheid gedaan, vol schaamte het aangezicht niet moet bedekken ?
Wie, die zich niet heeft te verootmoedigen, over zooveel onwil, zooveel verkleefdheid aan \'tstof zooveel hardleerschheid en ongehoorzaamheid ?
Waarlijk, indien de Heere ons deed naar onze zonde, wij zouden niet kunnen bestaan. Maar, als wij dit nu mogen gevoelen en onze ziel zich onder het gewicht onzer zonde terneerbuigt, dan komt het woord van onzen tekst ons weer vertroosten: Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Dit te weten is een lichtstraal in de duisternis onzer ziel. Dit is ons een anker der hope, waar het geweten ons aanklaagt.
Maar dan ook tot Hem de toevlucht genomen en Hem onze zonden beleden, met de bede, dat Hij er verzoening over doe, om de wille van Hem, Die eene verzoening is voor onze zonden.
Doch, als wij dit nu ook waarlijk uit den diepsten grond onzer harten doen, zal de Heere ons niet ongetroost van Zich zenden, maar dan wil Hij ons, op ons gebed, de zekerheid schenken van de vergiffenis onzer zonden, zooals de apostel ons dit verzekert; „Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.quot;
God geve ons, ook op den laatsten dag des jaars, hiervan de ervaring.
Barmhartig is de Heer en zeer genadig;
Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig.
De Heer is groot van goedertierenheid.
Psalm 103: 4amp;.
Lezen : Ps. 103. — 1 Joh. 1. — Ps. 90.
J. D. J. IDENBURG.