-ocr page 1-
-ocr page 2-

Lu oct.

26g\'l

-ocr page 3-

FAILLISSEMEHTSWET

BENEVENS DE gt;VET TER

Invoering van de Faillissementswet,

MET VERWIJZING NAAR DE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN UITGEGEVEN ONDER TOEZIOHT VAN

Mr. J. C. MEIJER,

Advocaat-Procureur te Leeuwarden,

S N EE K, J. F. VAN DRUTEN. 1 Sept. 1896.

m-

Prijs 20 Cents.

r gt; - - v

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Zó, 54\'

FAILLISSEMENTSWET.

(Vastgesteld den 30aten September 1893, Stsbl. no. 140, uitgegeven den 6den October d.a.v.j gewijzigd by de wet van 6 Sept. 1895, Stbl. no. 155.)

TITEL I.

Van Faillissement.

EERSTE APDEELING.

VAN DE FAILLIETVEEKLAKING.

Art. I. De schuldenaar, die iu den toestand verkeert dat hij heeft opgebonden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zgner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard. \')

De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie. (P. 2—4, 6, 198.)

2. De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars. (É. 8 volg.)

Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd.

Ten aanzien van vennooten onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.

Indien de schuldenaar binnen het Rijk in Europa geene woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft, bevoegd.

Wordt in het geval van het derde of vierde lid of in dat van artikel 3 door meer dan ééne daartoe bevoegde rechtbank op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft de uitspraak van verschillende rechtbanken op denzelfden dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die in de wetten van 9

1) Het Iste lid van art. 1 aldus gewijzigd bq de wet van 6 Sept. 1895, Stbl. no. 155.

EAILL. WEI. I

-ocr page 6-

Van de faillietverklaring.

April 1877 {Staatsbladen nos. 74—78) het eerst genoemd wordt, rechtsgevolgen. (F. 14.)

Ten aanzien van naamlooze vennootschappen, wederkeerige ver-zekerings- of waarborgmaatschappijen, coöperatieve of andere, rechts-persoonlijkheid bezittende, vereenigingen en van stichtingen geldt, ter toepassing van dit artikel, de plaats, waar zij haren zetel hebben, als woonplaats.

3. De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of een eigen vermogen bezit, kan ook ter plaatse, waar zij dit doet of waar zij gevestigd is, in staat van faillissement worden verklaard.

4. De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met den meesten spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord.

Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.

Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad, op de minute uitvoerbaar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening. (F. 5, 10, 13, 166.)

5. De verzoekschriften, bedoeld in het vorige artikel en in de artikelen 8, 9, 10, 11, 67, 155, 166, 198 en 206, worden ingediend door een procureur.

6. De rechtbank kan bevelen, dat de schuldenaar worde opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De oproeping geschiedt bij brief door den griflBer.

De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantoonea, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen. \') (F. 166.)

7. Hangende het onderzoek kan de rechtbank den verzoeker toestaan den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden.

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in artikel 21, no. 1. (F. 166; S.R. 199; R.V. 658 v.)

8. De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, heeft gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, recht van hooger beroep.

Zoo by niet is gehoord, beeft hij gedurende veertien dagen, na den dag der uitspraak, recht van verzet. Indien hij tijdens de uit-

1) Het 3de lid van art. 6 aldus gewijzigd bg de wet van 6 Sept. 1895, Stsbl. no. 155.

2

-ocr page 7-

Titel I, 1. Arli. 3—11.

spraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot eene maand.

Van het vonnis, op het verzet gewezen, kan hij gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, in hooger beroep komen.

Het verzet of hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den schuldenaar van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep, alsmede van den tgd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot aan den procureur, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, kennis gegeven.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuideischer, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven. (P. 4, 166.)

9. Bij afwijzing van de aangifte of aanvraag tot faillietverklaring bestaat recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt bij vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, in welk geval van liet hooger beroep door den griffier van het gerechtshof, waarbij het is aangebracht, onverwijld wordt kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank die de vernietiging heeft uitgesproken. (F. 11.)

De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven. (F. 4, 5, 155, 156, 166.)

10. Elk schuideischer, met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na den dag der uitspraak.

Het verzet geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van hei rechtscollege, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken.

De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den verzoeker van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaar-ders-exploot kennis gegeven aan den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuideischer is verzocht, ook aan den procureur, die namens dezen het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar en van dien schuideischer.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.

11. De schuideischer of de belanghebbende, wiens in het vorige

3

1*

-ocr page 8-

4 Van de faillietverklaring.

artikel bedoeld verzet door de rechtbauk is afgewezen, heeft recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt, bij vernietiging der faillietverklaring door de rechtbank ten gevolge van dat verzet, voor den schuldenaar, den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft, en het Openbaar Ministerie, in welk geval tevens liet tweede lid van artikel 9 van toepassing is.

De instelling cn behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.

Is het verzet bij het gerechtshof gedaan, dan is hooger beroep V uitgesloten. (P. 4, 5.)

12. Van het arrest, door het gerechtshof gewezen, kunnen de schuldenaar, de schuldeischer die de faillietverklaring verzocht, de in art. 10 bedoelde schuldeischer of belanghebbende en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na deu dag der uitspraak, in cassatie komen.

Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4, 6 en S bepaald.

Indien de cassatie is gericht tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, geeft de griffier van den Hoogen Raad van het verzoek tot cassatie onverwijld kennis aan den griffier van bet gerechtshof dat de vernietiging heeft uit- ^ gesproken. (F. 4, 155, 156.)

13. Indien ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan.

Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot de vereffening van den boedel buiten toestemming van den schuldenaar worden overgegaan. (F. 4, 101.)

14. Het vonnis van faillietverklaring houdt in de benoeming van een der leden van de rechtbank tot rechter commissaris in het faillissement, en de aanstelling van een of meer curators.

Van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der telegrafie. (F. 99.)

Een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechter-commis-saris, van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag der uitspraak, alsmede van den naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is, wordt door den curator onverwijld geplaatst in de Nederlandsche Staalscourml en

-ocr page 9-

Titel ƒ, ]. Artt. 12—19.

in een of meer door den rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen. (F. 17, 64 v., 68 v., 74, 75, 37, 167, 178, 183, 193.)

15. Zoodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie is vernietigd, en in de twee eerste gevallen de termijn, om in hooger beroep of in cassatie te komen, verstreken is zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan den curator en aan de administratie der posterijen en der telegrafie.

De curator doet daarvan aankondiging in de bladen in artikel 14 genoemd. (F. 13, 99.)

16. Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft, kan de rechtbank, op voordracht van den rechter commissaris en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, gehoord te hebben, bevelen, hetzij de kostelooze behandeling, hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefailleerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit te spreken, de opheffing van het faillissement.

17. Elke in dezen titel bevolen plaatsing in de Nederlandsrhe Staatscourant geschiedt kosteloos.

Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel, dan die welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld in artikel 122.

Het bevel tot kostelooze behandeling van het faillissement heeft bovendien ten gevolge vrgstelling van griffiekosten. (F. 16.)

18. De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen, als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaald. Indien na eene dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. (F. 8—12, 14, 15, 16.)

19. Bij elke rechtbank wordt door den griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding der dagteekening, inschrijft:

1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is; (F. 2, 6, 8, 12, 13, 16.)

2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord; (F. 148 v.)

5

-ocr page 10-

Van de faillietverklaring.

3«. de ontbinding van het akkoord; (F. 165 v.)

4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening; (F. 179 v.)

5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16;

6°. de rehabilitatie. (F. 206 v.)

Omtrent vorm en inhoud van het register worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven. (K.B. 17 Jnni 1896, S. 97.)

De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.

Op het register bestaat een alphabetisohe klapper.

TWEEDE AF DEELING.

VAN DE GEVOLGEN DER FAILLIETVERKLARING.

Art. 20. Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. (F. 31, 56, 63, 203 v.)

21. Niettemin blijven buiten het faillissement: (F. 7, 98, 95.)

1quot;. de goederen vermeld in artikel 147, nos. 2—5 van bet

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de gelden of jaarwedden vermeld in artikel 756, 3°. van dat Wetboek, de gagie, indien de gefailleerde schipper of schepeling is, en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het eerste lid van artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, teazg in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel;

2°. hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechtercommissaris; (F. 67.)

3°. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht; (B.W. 375—384.)

4°. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten; (F. 67.)

50. de uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van artikel 373 van het Burgerlek Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet. (F. 63.)

22. Indien de gefailleerde wegens een ambt of bediening een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers allee i binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle

6

-ocr page 11-

Titel I, 1 en 2. Artt. 20—28.

rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde. (E.V. 757; Wet 24 Jan. 1815, S. 5; 9 Mei 1846, S. 24, art. 40.)

In dit en het vorige artikel wordt onder „gefailleerdequot; mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.

23. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zgn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt nitgesproken, die dag daaronder begrepen.

24. Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faillietverklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat. (F. 52.)

25. Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.

Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht. (F. 30, 68, 78.)

26. Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde op geene andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie. (F. 78.)

27. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van den gedaagde geschorst, ten einde dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator tot overneming van het geding op te roepen.

Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den boedel.

Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen. (F. 29, 30.)

28. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te roepen.

Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.

Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toestemt, zijn de proceskosten van de tegenpartij geen boedelschuld.

Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 25 niet toepasselijk. (F. 30.)

7

-ocr page 12-

Van de gevolgen der faillietverklaring.

29. Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding. (F. 80, 31, 122.)

30. Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van ^rtikel 25 en de artikelen 27—29 niet toepasselijk.

De artikelen 27—29 worden weder toepasselijk, indien het geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, ten gevolge van zijne beslissing wordt voortgezet.

31. Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 29 tegen een schuldeischer wordt voortgezet, kan door den curator of door dien schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was. (F. 25, 42 v., 87.)

32. In de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of voortgezet, of in liet geval van artikel 122 tegen een schuldeischer gevoerd, kan de rechter den gefailleerde de eeden opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek.

33. Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelgk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bg lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.

Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87. (F. 8—12, 20.)

34. Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning zgner roerende of onroerende goederen zoo ver was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel laten voortgaan. (F. 67.)

35. Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan de door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde overschrijving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de akten genoemd in artikel 315 van laatstgemeld Wetboek de inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer geschieden. (R.V. 505.)

8

-ocr page 13-

Titel I, 2. Artt. 29—41.

36. Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge.

37. Indien eene wederkeerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederparty in het geheel niet of slechts gedeeltelik is nagekomen, is deze laatste bevoegd den curator te sommeeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen; verklaart de curator zich daartoe wel bereid, dan is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de richtige nakoming der overeenkomst.

Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op overeenkomsten, waar-hij de verbintenis van den gefailleerde eene uitsluitend door dezen persoonlijk te verrichten handeling inhoudt. (F. 38. 68, 78; B.W. 1375, 1302 v. 1515.)

38. Indien in het geval, bedoeld by het vorige artikel, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrakt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en kan de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederparty verplicht deze te vergoeden. (B.W. 1302 v.)

39. Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Yan den dag der faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld. (j!\\ 68, 78; B.W. 1302 w.)

40. Alle bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerde, kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig door den curator hunne betrekking opgezegd worden, met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der faillietverklaring af is het salaris boedelschuld. (F. 68, 78; B.W. 1687 v.)

41. Erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefailleerde

9

-ocr page 14-

Van de gevolgen der faillietverklaring.

opkomende, worden door den curator niet anders aanvaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving. (B.W. 1070 v.)

Tot het verwerpen eener nalatenschap behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris. (B.W. 1103 v.)

42. Onverminderd de bijzondere bepalingen in de artikelen 44—46 omtrent schenkingen gemaakt, kan ten behoeve van den boedel de nietigheid ingeroepen worden van alle vóór de faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zyn. (F. 31,49; B.W. 1377.)

43. Indien de handeling, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, verricht is binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aanvang van dien termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van het vorige artikel bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan:

1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijie overtreft;

2°. bij handelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor eene niet opeischbare schuld; (F. 47.)

3°. bij handelingen, door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot in den derden graad verricht. (F. 238; B.W. 345 v.)

44. Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane schenkingen in te roepen, kan de curator volstaan met aan te toonen* lat de schuldenaar op het oogenblik der schenking wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde. (F. 49.)

45. Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn gedaan met de wetenschap, dat de schuldeischers daardoor benadeeld worden. (B.W. 1703 v.)

Deze termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde een b\'.oed-of aanverwant tot in den derden graad van den schenker is. (F. 49, 238.)

46. De begiftigde, van wien niet blijkt dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was, is niet verplicht het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre hij aantoont, dat hg, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet was gebaat. (F. 51.)

47. De nietigheid van de voldoening, door den schuldenaar, aan eene opeischbare schuld kan alleen dan worden ingeroepen, wanneer

10

-ocr page 15-

Titel /, 2. Aril. 42—52.

wordt aangetoond, hetzij dat hij, die de betaling ontving, wist dat het faillissement van den schuldenaar reeds aangevraagd was, het-zij dat de betaling het gevolg was van overleg tusschen den schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebbende laatstgenoemde door die betaling boven andere schnldeischers te begunstigen. (F. 43, 49.)

48. Krachtens het vorige artikel kan geene terugvordering geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was.

In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzy dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld. (F. 49, 54.)

49. Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 42—48, worden ingesteld door den curator.

Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating eener vordering bestrijden. (F. 119, 122.)

50. Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafsland inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars. (F. 161.)

51. Behoudens het bepaalde bij artikel 46 moet hetgeen door de nietige handelingen uit het vermogen van den schuldenaar gegaan is, door hem, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven worden.

Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ontvangene niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht.

Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd.

Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daarvan, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen. (F. 46, 49.)

52. Voldoening na de faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, aan den gefailleerde gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóór de faillietverklaring aangegaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.

Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking

11

-ocr page 16-

12 Van de gevolgen der faillietverklaring.

der faillietverklaring aan den gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woonplaatse langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van den curator om aan te toonen, dat zij hem toch bekend was.

In elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen. (F. 14, 24, 49.)

53. Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.

De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld. (B.W. 1461 v.)

54. Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen den gefailleerde verkregen, noch de schuldeischer zijne vordering met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een derde overgenomen, terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen nimmer in vergelijking gebracht worden. (P. 48.)

55. De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil ver-

felijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehou-eu te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier. (F. 48; K. 204, 209.)elijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehou-eu te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier. (F. 48; K. 204, 209.)

56. Hg, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aangegane schulden af te houden.

57. De hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt, en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware. (B.W. 1196 v.)

Is hunne vordering eene zoodanige als vermeld in de artikelen 130 en 131, dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag, waarvoor de vordering is erkend, (F. 1amp;0, 182, 190.)

58. De hypothekaire schuldeischer en de pandhouder, in het vorige artikel bedoeld, zijn verplicht hunne rechten uit te oefenen vóór

-ocr page 17-

Titel 1, 2. Ar((. 53—61.

het verstrijken van ééne maand, nadat de insolventie is begonnen, behoudens de bevoegdheid van den rechter commissaris om dien termijn te verlengen. Na verloop van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen, en deze, evenals de verhypothekeerde goederen, behoudens het recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen op de wijze bij artikel 174 omschreven. (B.W. 1201 v.) )-gt;•

De curator kan te allen tijde het verpande voorwerp lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met de interesten en kosten. (F. 07, 68, 78, 173.)

59. De hypothekaire schuldeisclier of pandhouder, die van zijne rechten gebruik heeft gemaakt, is verplicht de opbrengst van het verbonden goed aan den curator te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde met de interesten en kosten te boven gaat. (F. 182.)

Indien die opbrengst niet toereikende is om den hypothekairen schuldeischer of den pandhouder te voldoen, treedt deze, zoo hij zijne vordering heeft doen verifieeren, voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer in den boedel op.

60. De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houdeu, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van den schuldenaar dit recht van terughouding niet. if. 94, 153, 175; B.W. 1652.)

61. In geval van faillissement van den man, neemt de vrouw alle roerende en onroerende goederen, welke haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen, terug.

De aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelyks buiten de gemeenschap gehouden, wordt bewezen zooals bij artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

Van de roerende goederen staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet, in geval van geschil, blijken op eene der wijzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven.

De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelejjging van gelden aan de vrouw buiten de gemeenschap toebehoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen, mits die belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, zij bewezen.

Indien de goederen, haar toebehoorende, door haren man zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met den faillieten boedel aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.

Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw als schuldeischeres op. (B.W. 174, 205, 221.)

13

-ocr page 18-

Van de gevolgen der faillietverklaring.

62. De vrouw heeft geen aanspraak op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken. Wederkeerig kunnen de schuldeiscbers geen genot hebben van de voordeelen, die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd. (B.W. 223 volg.)

63. Het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van artikel 21, alle goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeiscbers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Indien de echtgenoot, die failliet verklaard is, goederen bezit, die niet in de gemeenschap vallen, worden ook deze onder het faillissement begrepen, maar zijn alleen aansprake-lijk voor de schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden is.

De bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van een in gemeenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie der echtgenooten deze verrichtte. (P. 105, 106.)

DERDE AFDEELING.

VAN HET BESTÜUR OVER DEN FAILLIETEN BOEDEL.

§ 1. Van den rechler-commissaris.

Art. 64. De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

65. Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te geven, is de rechtbank verplicht den rechter-commissaris te hooren.

66. De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.

De getuigen worden gedagvaard namens den rechter commissaris.

Bij niet-verschoning of weigering om getuigenis af te leggen, zijn de artikelen 116—119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.

De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere afkomelingen en de ouders en grootouders des gefailleerden kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen. (F. 105; R.V. 893; S.R. 192.)

67. Van alle beschikkingen van den rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hooger beroep op de rechtbank. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden. (F. 5.)

14

-ocr page 19-

Titel /, 2 3, § 1, 2. Artt. 62—73.

Niettemin valt geen hooger beroep van de beschikkingen vermeld in de artikelen 21 2°. en 4quot;., 34, 58, eerste lid, 79, 94, 98, 100, 102, 125, 127, vierde lid, 173, 174, 175, 177, 179 en 180.

§ 2. Van Hen curator.

Art. 68. De curator is belast met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatie-geschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40 en 58, tweede lid, behoeft de curator machtiging van den rechter commissaris. (F. 14, 64, 72, 85, 86, 101, 173.)

69. Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.

De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te hebben, binnen drie dagen. (F. 67.)

70. Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen eene beslissing van den rechter-commissaris vereischt. (F. 67.)

De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

71. Het salaris van den curator wordt in elk faillissement door de rechtbank vastgesteld.

In geval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.

72. Het ontbreken van de machtiging van den rechter-commissaris, waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk.

73. De rechtbank heeft de bevoegdheid den curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van den rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeischers, de commissie uit hun midden, of den gefailleerde.

De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator. (F. 5, 78, 85; E.V. 886.)

15

-ocr page 20-

j 16 Van het beduur over den faillieten boedel.

§ 3. Van de commissie uit de schuldeischers. Zoo 1

v Ujt 1

Art. 74. Bij het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere comm beschikking kan de rechtbank, zoo de belangrijkheid of de aard des rator boedels daartoe aanleiding geeft, uit de haar bekende schuld- der c( eischers eene voorloopige commissie van een tot drie leden benoe- ten. ( men, ten einde den curator van advies te dienen, zoolang over ^ de benoeming van de in liet volgende artikel genoemde commis-

2 sie geen beslissing is genomen. (F. 14.)

Indien een lid van de voorloopige commissie zijne benoeming v niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtbank, uit

0 eene voordracht van een dubbeltal door den rechter-commissaris,

in de daardoor ontstane vacature.

] 75. Hetzij al of niet eene voorloopige commissie uit de schuld-

f eischers is benoemd, raadpleegt de rechter-commissaris op de verifi

catievergadering de schuldeischers, na afloop der verificatie, over de éé[ie ( benoeming van eene definitieve commissie uit hun midden. Zoo de vor(je

vergadering deze wenschelijk acht, gaat hij dadelijk tot de be- „e[)ra noeming over. üok deze commissie bestaat uit een tot drie leden. g j ( Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het pro- £

ces-verbaal der vergadering opgenomen. g2

Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commis-saris in de daardoor ontstane vacature. g3

76. De commissie kan te allen tijde inzage van de boeken en be- rjno. \' scheiden, op het faillissement betrekking hebbende, vorderen. De jatgre curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde in- „e(jaa lichtingen te verstrekken. (F. 73.) oproe

77. Tot het inwinnen van het advies der commissie vergadert de r£n o curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze ver- gƒ

^ gaderingen zit hij voor en voert hij de pen. wordl

78. De curator is verplicht het advies der commissie in te win- ^ re nen, alvorens eene rechtsvordering in te stellen of eene aanhangige C0[n|:l] voort te zetten of zich tegen eene ingestelde of aanhangige rechts-vordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatie-geschil- voorv len; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf des ge- j.]ee(i failleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40,

58, tweede lid, 73, tweede lid, 100, 101 eu 177, en in het alge- der

meen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den m[ns)

boedel en het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen. r e

Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de com- mej^

missie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een ver a

bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er geen 0 advies wordt uitgebracht. (F. 26 v., 68, 72, 104, 173, 1(8, 179,

180.)

79. De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Ai

Ar

comm De met a 81.

genon schnh

pa:

é

-ocr page 21-

Titel ƒ, 3, § 3, 4, 5. AM. 74—85

Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van den Techter-latere commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart dit te doen, is de cu-d des rator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies huid- der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te schor-enoe- ten. (F. 64, 67, 69, 72, 73.)

over

[jjjjjg. § 4. Van de vergaderingen der schuldeischers.

Art. 80. In de vergaderingen der schuldeischers is de rechtercommissaris voorzitter.

De tegenwoordigheid van den curator of van iemand die hem met goedviuden van den rechter-commissaris vervangt, is verplicht.

81. Op de vergaderingen van schuldeischers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt ieder schuldeischer ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede ééne stem uitgebracht. (F. 145, 146.)

Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwerven.

82. Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldeischers, alsmede de toonder eener ten name van „toonderquot; geverifieerde schuldvordering. (F. 125, 130 v., 134.)

83. Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.

84. Behalve de door deze wet voorgeschreven vergaderingen, wordt er eene vergadering van schuldeischers gehouden, zoo dikwijls

. de rechter-commissaris dit noodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuldeischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan. (F. 67.)

In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats der vergadering, waartoe de stemgerechtigde schuldeischers ten minste tien dagen van te voren door den curator worden opgeroepen, bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp.

§ 5. Fan de rechterlijke beschikkingen.

Art. 85. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de ver-PAILL.WET. 2

17

ming , uit saris,

mld-erifl-er de oo de 3 be-eden. pro-

ming imis-

n be-. De

rt de ver-

chil-

ge-

, 40,

algeden en. com-een geen 179,

-ocr page 22-

Van hel bestuur over den faillieten boedel.

effening des faillieten boedels betreffende, worden door de rechtbank in het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald.

86. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, ook die welke niet uitgaan van de rechtbank, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald.

VIERDE AFDEELING.

VAN DE VOORZIENINGEN NA DE FAILLIETVERKLARING EN VAN HET BEHEER DES CURATORS.

Art. 87. De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den curator of van een of meer der schuldeischers en na den rechtercommissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zijne eigene woning onder het opzicht van eenen dienaar der openbare macht. (F. 65.)

Het bevel hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.

Dit bevel is voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden. (F. 33, 106.)

88. De rechtbank heeft de bevoegdheid, op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen. (F. 106.)

Het bedrag der zekerheidstelling wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des gefailleerden ten voordeele des boedels.

89. Het verzoek tot inbewaringstelling van den gefailleerde moet toegestaan worden, indien het gegrond is op het zonder geldige reden opzettelijk niet nakomen van de verplichtingen hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116. (F. 106.)

90. In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, zal hij, zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van den rechter-commissaris uit de bewaarplaats kunnen worden overgebracht.

18

-ocr page 23-

Titel I, 4. AM. 86—97.

De last hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd. (F. 106.)

91. Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter commissaris zijne woonplaats niet verlaten. (F. 89, 106.)

92. De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding zijner betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de boeken, gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te geven. (F. 93, 95, 102 v.)

93. De curator doet, zoo hij of de rechter-commissaris dit noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen. (F. 7.)

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter.

Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de artikelen 21, no. 1 en 92, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit wordt voortgezet. (F. 67, 69, 94, 98.)

94. De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het opmaken van eene beschrijving des faillieten boedels.

De boedelbeschrijving kan onderhands worden opgemaakt en de waardeering door den curator geschieden, een en ander onder goedkeuring van den rechter-commissaris.

De leden der voorloopige commissie uit de schuldeischers zijn bevoegd by de beschrijving tegenwoordig te zijn. (F. 67, 69,93; 11.V. 669 volg.)

95. Van de goederen, vermeld in artikel 21, no. 1, wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 92, worden in de beschrgving opgenomen.

96. De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van eenen staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner blijken. (F. 66, 89, 105, 106.)

97. Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder nedergelegd, ter griffie van de rechtbank en van het kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank, waarbij het faillissement aanhangig is, geschiedt de neder-legging uitsluitend ter griffie van dit college. (F. 2, 3.)

De nederlegging geschiedt kosteloos. (F. 17.)

19

2*

-ocr page 24-

Fa» de voorzieningen na de faillietverklaring enz.

98. De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde, voort te zetten. Indien er geene commissie uit de schuldeischers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris noodig. (F. 13, 64, 67, 78, 79, 93, 176.)

99. De curator opent de brieven en telegrammen aan den gefailleerde gericht. Die welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hg terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratie der posteryen en der telegrafie is, na van den griffier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld iu artikel 15. (F. 14.)

Protesten, den gefailleerde betreffende, worden gedaan aan den curator.

100. De curator is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter commissaris vast te stellen som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren. (F. 21, 67, 69, 78, 176.)

101. De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zoo ver de vervreemding noodzakelijk is ter bestrgding der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den hoede! bewaard kunnen blijven.

De bepaling van artikel 174 is toepasselgk. (F. 13, 67, 69, 78, 79.)

102. De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijne onmiddellgke bewaring, tenzij door den rechter commissaris eene andere wijze van bewaring wordt bepaald.

Gereede gelden, die voor het beheer niet noodig zijn, worden door den curator belegd ten name van den boedel op de wgze door den rechter-commissaris goed te keuren. (F. 67, 78, 92.)

103. Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken. (F. 92.)

104. De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en akkoorden of schikkingen aan te gaan. (F. 67, 69, 72, 73, 78.)

105. De gefailleerde is verplicht voor den rechter-commissaris, den curator of de commissie uit de schuldeischers te verscbijnsn en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hg daartoe wordt opgeroepen.

Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te geven op

20

-ocr page 25-

Titel I, 4 en 5. Artl. 98—111.

ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld heeft. (F. 63, 89, 106, 116; S.R. 194.) \'

106. Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, weder-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting zijn de bepalingen der artikelen 87—91 op de bestuurders, die van artikel 105, eerste lid op bestuurders en commissarissen toepasselük. (F. 63, 116, 117.)

107. De griffier is verplicht aan eiken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, die ingevolge eenige bepaling dezer wet ter griffie worden nedergelegd of zich aldaar bevinden. (F. 19, 97, 114, 137, 148.)

VIJFDE AFDEELING.

VAN DE VERIFICATIE DER SCHULDVORDERINGEK.

Art. 108. De rechter-commissaris bepaalt binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan;

1°. een termijn, vóór welks afloop de schuldvorderingen ingediend moeten worden; (F. 127, 178, 186. 191.)

3°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal gehouden worden.

De termijn, onder 1quot;. vermeld, gaat in op den achtsten dag nadat de beschikking is genomen.

Tusschen het einde van den onder 1°. vermelden termijn en den dag der verificatie-vergadering moeten ten minste veertien dagen verloopen. (F. 114, 127, 178.)

109. De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14.

110. De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den curator door de overlegging eeiier rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag, der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van eene opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of recht van terughouding aanspraak wordt gemaakt. (F. 36.)

De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbe-wijs te vorderen. (F. 113.)

111. De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de boeken en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating eener vordering bezwaar heeft, met den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook inzage zijner boeken eu der oorspronkeiyke bewijsstukken te vorderen.

21

-ocr page 26-

Van de verificatie der schuldvorderingen.

112. De curator brengt de vorderingen, die hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, die hij betwist, op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden der betwisting. (F. 114.)

113. In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven, en aangegeven of zij naar de meening van den curator bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, of wel ter zake der vordering recht van terughouding kan worden uitgeoefend. Betwist de curator alleen den voorrang, of het recht van terughouding, zoo wordt de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen gebracht met aanteekening van deze betwisting en de gronden daarvan.

114. Van ieder der lijsten, in artikel 112 bedoeld, wordt een afschrift door den curator ter griffie van de rechtbank, en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht nedergelegd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatie-vergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos.

115. Van de krachtens artikel 114 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de verificatie-vergadering voegt en tevens vermeit of een ontwerp-akkoord door den gefailleerde ter griffie is nedergelegd. (P. 109, 138 volg.)

r 116. De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij, teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. De schuldeischers kunnen den rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen. De vra-

fen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoor-en worden in het proces-verbaal opgeteekend. (P. 89, 105, 106, 117; S.R. 194.)en aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoor-en worden in het proces-verbaal opgeteekend. (P. 89, 105, 106, 117; S.R. 194.)

117. Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, weder-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorig artikel den gefailleerde opgelegd. (P. 89.)

118. De schuldeischers kunnen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie. (P. 17.)

119. Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst der voorloopig erkende en die der door den curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder der op die lijsten voorkomende schuldeischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering en hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen, of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde recht van terug-

22

-ocr page 27-

Titel /, 5. Artt. 112—122.

houding te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit.

De curator is bevoegd op de door hem gedane voorloopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuld-eischer de deugdelijkheid zijner noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevesti-ge; indien de oorspronkelijke schnldeischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede moeten verklaren, dat zij ter goeder trouw gelooveu dat de schuld bestaat en onvoldaan is. (B.W. 2010.)

Bestaat er behoefte aan verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechter-commissaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet. (F. 49, 112, 113, 122.)

120. De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of dooreen daartoe bijzonder gemachtigde afgelegd in handen van den rechter-commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den recbter-commissaris te bepalen dag. De volmacht kan onderhands worden verleend. (B.W. 1982.)

Indien de schnldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging bepaalden dag.

De rechter-commissaris geeft den schnldeischer eene verklaring van de eedsaflegging, tenzg de eed wordt afgelegd in eene vergadering van schuldeischers, in welk geval van de aflegging aantee-kening wordt gehouden in het proces-verbaal dier vergadering.

121. De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op eene in het proces-verbaal op te nemen lijst van erkende schuldeischers. Op het papier aan order en aan toonder wordt door den curator de erkenning aangeteekend.

De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door liet al of niet afleggen van den eed, op den bij het eerste lid van artikel 120 bedoelden tijd, over hare toelating definitief zal zyn beslist.

Het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griflier.

De in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erkenning eener vordering heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog kan de curator vernietiging daarvan vorderen. (F. 126, 134, 178, 186, 191, 193, 196; B.W. 1364.)

122. De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt. (F. 17, 26.)

De procureurs, die voor partijen optreden, verklaren dit bij de oproeping der zaak ter terechtzitting.

23

-ocr page 28-

24 Fan de verificatie der schuldoorderingen.

De zaak wordt summier behandeld.

Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hg geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter de vordering.

Schuldeischers, die ter verificatie-vergadering geene betwisting hebben gedaan, kannen in het geding zich niet voegen noch tas-schenkomen. (P. 32, 49, 119, 126; R.V. 285 volg.)

123. De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewgs gehouden, dan hg tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leveren.

124. Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellgk kennis van de gedane betwisting en verwijzing. (P. 122.)

De schuldeischer kan zich in het geding op het ontbreken dier kennisgeving niet beroepen.

125. Vorderingen, die betwist worden, kunnen door den rechtercommissaris voorwaardelijk worden toegelaten tot een bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist wordt, kan deze door den rechter-commissaris voorwaardelgk worden erkend. (P. 67, -\'.43, 181, 189.)

126. Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzg voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zich te verzetten. In dit geval geschiedt in het procesverbaal aanteekening van de betwisting en van hare gronden, zon. der verwijzing van partgen naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd. (P. 196, 197.)

Betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelgk aanwgst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt. (P. 122, 162, 195.)

127. Vorderingen, na afloop van den in art. 108, 1°. genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bg den curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.

Vorderingen, daarna ingediend, worden niet geverifieerd.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zgn niet toepasselijk, indien de schuldeischer buiten het rgk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden. (P. 178, 187.)

In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld, of van geschil over het al dan niet aanwezig zgn der verhindering, in het

-ocr page 29-

Titel I, 5. Artt. 123—135.

derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd. (F. 67, 178, 186.)

128. Interesten, na de failliet-verklaring loopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeisoher uit deze verificatie geene rechten ontleenen. (B.W. 1229.)

i 129. Eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde wordt i voor het geheele bedrag geverifieerd, onverminderd de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt. (P. 189; B.Wquot;. 1301.)

130. Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring. (B.W. 1299.)

Indien de cnrator en de schuldeischers het niet eens kannen worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vordering voor i het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten. (F. 125, 18), 189.)

131. Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid on-\' zeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt

geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring.

Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den dag, \'/ waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar sedert den aanvang van het faillissement.

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.

132. Schuldeischers, wier vorderingen door hypotheek of pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantoonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van

: concurrente schuldeischers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang. (F. 143.)

133. Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in Nederlandsch geld of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld.

134. Schuldvorderingen aan toonder kunnen ten name van „toon-| derquot; geverifieerd worden. Iedere ten name van „toonderquot;\' geverifieer-t de vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeisoher beschouwd. (F. 82, 121.)

135. De schuldeischer, die door borgtocht is verzekerd, komt op voor zijne schuldvordering onder aftrek van hetgeen hij van den borg heeft ontvangen. (B.W. 1857 volg.)

35

-ocr page 30-

26 Van de verificatie der schuldvorderingen.

De borg heeft recht voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt. (F, 189; B.W. 1876 volg.)

136. Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer in staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in ieder faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten.

De hoofdelijke schuldenaar, die op den faillieten boedel recht van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voor zooverre de schuldeischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toegelaten, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.

Indien in het geheel meer dan honderd percent beschikbaar mocht zijn, worden die meerdere percenten naar de onderlinge rechtsverhouding verdeeld. (F. 198; B.W. 1314 volg.)

137. Na afloop der verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel, en geeft hij daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen. Het verslag woidt, met het proces-verbaal der verificatie-vergadering, na afloop dier vergadering ter griffie nedergelegd ter kostelooze inzage van ieder belanghebbende. De nederlegging geschiedt kosteloos. (F. 107.)

ZESDE AFDEELING.

VAN HET AKKOOED.

Art. 138. De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden. (F. 173.)

139. Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie der schuldvorderingen, ter griffie van de rechtbank en van het in art. 97 aangewezen kantongerecht heeft nedergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 141.

Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan den curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers. (F. 74, 75, 107, 114,115.)

140. De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.

141. De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later te bepalen vergadering uitgesteld:

-ocr page 31-

Titel I, 5 en 6. Arlt. 136—148. 27

1quot;. indien staande de vergadering eene definitieve commissie uit de sohnldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorloopige, en de meerderheid der verschenen schuldeischers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt; (F. 75.)

2°. Indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is neergelegd en de meerderheid der verschenen schuldeischers zich voor uitstel verklaart.

142. Wanneer de raadplegingen stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, wordt daarvan door den curator onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis gegeven, bij brieven vermeldende den summieren inhoud van het akkoord. (F. 112, 121, 125, 130.)

143. Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de hypotheek- of pandhoudende en bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt, tenzij zij, vóór den aanvang der stemming, van hun hypotheek, pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand mochten doen.

Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen. (F. 123, 132, lé5.)

144. De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.

145. Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der erkende en der voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. (F. 143; R.V. 896.)

146. Indien twee derde der ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen, waarvoor stemrecht kan worden uitgeoefend, verte-

fenwoordigende, in het akkoord bewilligen, zal ten hoogste acht agen later eene tweede stemming gehouden worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem. (P.enwoordigende, in het akkoord bewilligen, zal ten hoogste acht agen later eene tweede stemming gehouden worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem. (P.

147. Latere veranderingen, in het getal der schuldeischers of in het bedrag der vorderingen, hebben geen invloed op de geldigheid van de aanneming of verwerping van het akkoord. (F. .125, 130.)

148. Het proces-verbaal der vergadering vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen der verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag der

-ocr page 32-

Van het akkoord.

stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt na voorlezing onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.

Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kostelooze inzage van het proces-verbaal verkrijgen. (F. 107.)

149. Zoowel de schnldeischers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd. (F. 150—152.)

150. Indien het akkoord is aangenomen, bepaalt de rechter commissaris vóór het sluiten der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen.

Bii toepassing van artikel 149 geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in hare beschikking. Van deze beschikking geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk kennis.

De terechtzitting zal gehouden worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 149, na de beschikking van de rechtbank. (F. 152.)

151. Gedurende dien tijd kunnen de schuldeischers aan den rechter commissaris schriftelijk de redenen opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenschelijk achten. (F. 152.)

152. Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenscht of haar bestrgdt. (F. 151, 186, 187.)

De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging zijner belangen op te treden.

153. Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.

Zij zal de homologatie weigeren:

1°. indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gamp;an; (F. 60.)

2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd; (F. 165.)

3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt. (F. 154.)

Zij kan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.

28

-ocr page 33-

Titel I, 6. Ar It. 149—162.

154. Binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank knnnen, zoo de\'homologatie is geweigerd, zoowel de schuldeischers, die vóór het akkoord stemden, als de gefailleerde; zoo de homologatie is toegestaan, de schuldeischers, die tegenstemden of bji de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hooger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de sclmldeischers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 153 onder 3°. genoemd.

155. Het hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. Igt;e voorzitter bepaalt terstond dag en nnr voer de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen. Van het hooger beroep wordt door den griffier van het rechtscollege, waarbij het is aangebracht, onverwijld kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven.

Op de behandeling van het hooger beroep zijn, met uitzondering van het bepaalde omtrent den rechter-commissaris, artikel 152 en artikel 153, eerste lid, toepasselijk. (F. 5.)

156. Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze aangeteekend en behandeld.

157. Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zg al dan niet in het faillissement opgekomen zijn. (P. 126, 159, 196.)

158. Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen akkoord meer aanbieden. (F. 170.)

159. Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.

160. Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en mede-schuldenaren van den schuldenaar.

161. Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement. (R.V. 896.)

162. Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan, is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commissaris rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen.

Indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geeft de curator aan den schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle goederen, gelden, boeken en papieren tot den boedel behoo-rende.

29

-ocr page 34-

Van het akkoord.

163. Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kannen maken, alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen van den curator worden gestort, tenzij deswege door den schuldenaar zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoorende onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.

Wanneer ééne maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is verloopen, zonder dat vanwege den schuldenaar de voldoening van een en ander is gescliied, zal de curator daartoe overgaan uit de voorhanden baten des boedels.

Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begroot. (F. 113, 119.)

164. Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag waarop het voorrecht aanspraak geeft.

165. Ontbinding van het gehomologeerde akkoord kan door el-ken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen.

Op den schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.

De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar uitstel van ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen. (F. 153, 2°.; B.W. 1302.)

166. De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en heslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6—9 en 12 is voorgeschreven. (F. 5.)

167. In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van eenen rechter-commissaris en curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers, indien er in het faillissement reeds eene geweest is.

Bij voorkeur zullen daartoe de personen gekozen worden, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.

De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 14, derde lid, voorgeschreven. (F. 165.)

168. De artikelen 13, eerste lid, 15—18 en die, welke vervat

30

-ocr page 35-

Titel 1, 6 en 7. Artt. 163—173. 31

zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel, zijn bg heropening van het faillissement toepasselijk.

Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie der schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die niet reeds ] vroeger geverifieerd werden.

\' Niettemin worden ook de reeds geverifieerde sehuldeischers tot I bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt, te be-\' twisten.

169. De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zyn voor den boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 43 en volgende zoo daartoe gronden zijn. (P. 2é.)

170. Na de heropening van het faillissement kan niet opnieuw een akkoord aangeboden worden.

De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.

171. Indien tijdens de heropening jegens eenige schnldeischers reeds geheel of gedeeltelik aan het akkoord is voldaan, worden bij

t de verdeeling aan de nieuwe sehuldeischers en diegene onder de

t oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het akkoord toe

gezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald.

In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alle schnldeischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld.

172. Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl door Lem aan het akkoord nog niet volledig is voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard.

ZEVENDE AFDEELING.

VAN DE VEREFFENING DBS BOEDELS.

t Art. 173. Indien op de verificatie-vergadering geen akkoord

aangeboden, of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de t homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechts

wege in staat van insolventie, en gaat de curator onmiddellijk tot g vereffening en te-gelde-making van alle baten des boedels over, zon

der dat, daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde \' noodig is.

3 Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad, door den rechter

commissaris aan te wijzen, worden gelaten. (F. 13, 67, 78, 79, 101, t 141,178.)

-ocr page 36-

32 Van de vereffening des boedels.

174. üe goederen worden in het openbaar of met toestemming van den rechter-commissaris onderhands verkocht. (F. 67, 78, 79.)

175. Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de wijze door den rechter-commissaris goed te keuren.

Voor zooveel dit in het belang is van den boedel, brengt de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terughouding uitoefenen, door voldoening der vorderingen, waaraan dit recht is verbonden, in den boedel terug. (F. 60, 67, 78.)

176. De artikelen 98 en 10Ü houden op van toepassing te zijn als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 173 is begonnen.

177. De curator kan ten behoeve der vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene door den rechter-commissaris vast te stellen vergoeding. (F. 67, 78.)

178. Nadat de boedel insolvent is geworden, kan de rechtercommissaris, op door hem te bepalen dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers beleggen, ten einde hen te raadplegen over de wijze van vereffening des boedels, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben der schuldvorderingen, die na afloop van den in artikel 108, no. 1 bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111—114. Hij roept de schuldeischers, ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14. (F. 84, 187.)

179. Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zgn, beveelt deze eene uit-deeling aan de geverifieerde schuldeischers. (F. 67, 69, 78.)

180. De curator maakt telkens de nitdeelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te ontvangen nitkeering. (F. 71.)

Voor de concurrente schuldeischers worden de door den rechtercommissaris te bepalen percenten uitgetrokken; voor de bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen zij, wier voorrecht betwist wordt, en de pand- en hypotheekhoudende schuldeischers, voor zooverre zij niet reeds overeenkomstig de bepaling van artikel 57 voldaan zijn, het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen, waarop zij bevoorrecht of die aan hen verbonden waren. Zoo dit minder is dan het geheele bedrag

-ocr page 37-

Titel 1, 7. Arlt. 174—186.

hunner vorderingen, worden voor het ontbrekende, — zoo de met het voorrecht belaste of aan hen verbonden goederen nog niet verkocht zijn, voor hunne geheele vordering — gelijke percenten als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken. (F. 67, 78, 79, 189, 190, 192.)

181. Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken. (F. 82, 125, 130, 135, 189.)

182. De algemeene faillissementskosten worden omgeslagen ove: ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen overeen komstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of hypotheek hondenden schuldeischer zelf is verkocht. (F. 59.)

183. De door den rechter-commissaris goedgekeurde uitdeelings lijst ligt gedurende tien dagen ter griffie van de rechtbank ter kos telooze inzage van de schuldeischers. (F. 192.)

Een afschrift wordt door den curator met hetzelfde doel neder gelegd ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht De nederlegging geschiedt kosteloos.

Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator aan kondiging gedaan in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. (F. 79. 180, 188.)

184. Gedurende den in het vorige artikel genoemden termijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdeelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.

185. Zoo er verzet gedaan is, bepaalt de rechter-commissaris, onmiddellijk na afloop van den termijn van inzage, den dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld zal worden. Deze beschikking ligt ter griffie ter kostelooze inzage van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan de opposanten en den curator schriftelijk mededeeling. De dag van behandeling mag niet later gesteld worden dan veertien dagen na afloop van den termijn van artikel 183.

Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan de curator en ieder der schuldeischers in persoon of by gemachtigde de gronden uiteenzetten ter verdediging of bestrijding van de uitdeelingslijst.

Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking. (F. 85.)

186. Ook een niet-geverifieerde schuldeischer kan verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, zijne vordering bij den cura-

FAILL.WET. 3

33

i

-ocr page 38-

ran de vereffening des boedels.

tor indiene, een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd te worden. (F. 188,191.)

De verificatie der vordering geschiedt alsdan op de wijze, bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.

Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schnldeischer geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schnldeischer. (F. 108.)

187. Door verloop van den termijn van artikel 183, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen vonnis, wordt de nitdeelingslijst verbindend.

Tegen het vonnis, op het verzet gewezen, staat geen beroep in cassatie open. (F. 85.)

188. De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hypothe-kaire inschrijvingen, waarmede een tot den boedel behoorend onroerend goed is bezwaard, zoodra de nitdeelingslijst, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen, verbindend is geworden.

Op verkoop, door den curator, van tot den boedel benoorende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.

189. De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schnldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet omtrent zijne vordering beslist zal zyn. Blijkt het ten slotte dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel of ten deele ten bate van de andere schnldeischers. (F. 82.)

Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang betwist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit te keeren, gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang. (F. 125,135, 180, 181, 183, 184, 194.)

190. Indien eenig goed, waarop een bepaald voorrecht, een hypotheek of pandrecht rust, verkocht wordt, nadat aan den bevoorrechten hypotheek- of pandhondenden schnldeischer, ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel 180, reeds eene nitkeering is gedaan, wordt dezen bij eene volgende nitdeeling het bedrag, waarvoor hg op de opbrengst van het goed batig gerangschikt is kunnen worden, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten, die hij reeds te voren over dit bedrag ontving. (F. 192.)

191. Aan schnldeischers, die, ten gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen heb-

34

-ocr page 39-

Titel I, 7 en 8. Artt. 187—197.

ben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schnldeischers reeds genotene, vooruitbetaald.

Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schnldeischers bij voorrang is toegekend.

192. Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkee-ringen, waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 189 gereserveerd zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën gestort.

193. Zoodra aan de geverifieerde schnldeischers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slotuitdeelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 194. Door den curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 14 bepaald. (F. 195.)

Na verloop van eene maand doet de curator rekening en verantwoording van zgn beheer aan den rechter-commissaris.

De boeken en papieren, door den curator in den boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar afgegeven.

194. Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten. (F. 193.)

ACHTSTE AFDBELING.

VAN DEN RECHTSTOESTAND DES SCHULDENAARS NA AFLOOP VAN DE VEREFFENING.

Art. 195. Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst herkrijgen de schnldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hnnne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar. (F. 131, 193, 197.)

196. De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatie-vergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.

197. De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist is.

3*

35

-ocr page 40-

36 Van het faillissement eener nalatenschap.

NEGENDE AFDEELING.

VAN HET FAILLISSEMENT EENER NALATENSCHAP.

Art. 198. De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeiscliers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen. \') (F. 1, 5.)

199. Het verzoek wordt gericht tot de rechtbank, welke tijdens het overlijden des schuldenaars bevoegd was de faillietverklaring uit te spreken. (F. 2 v.)

De erfgenamen worden op het verzoek gehoord of daartoe opgeroepen bij een exploot, aan het sterfhuis te beteekenen, zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn, bij brieven van den griffier. (R.V. 4 al. 6.)

200. De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek is omschreven. (F. él.)

201. De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoolang niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en tevens zes maanden na het overlijden van den schuldenaar zgn verstreken.

202. De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillissement eener nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de achtste afdeeling, tenzij de erfenis zuiver is aanvaard.

TIENDE AFDEELING.

BEPALINgEN VAN INTERNATIONAAL RECHT.

A.rt. 203. Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden. (F. 20.)

204. De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

1) Art. 198 aldus gewyzigd bg de wet van 6 Sept. 1895, Stbl. no. 155.

-ocr page 41-

Titel 1, 9, 10 en 11. Artt. 198—212.

De overdracht wordt, behoadens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap, dat de t\'ailliet-verklamp;ring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

205. Gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel rust op hem, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, welke daardoor in staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door deze wet niet toegelaten schuldver-gelüking te beroepen. (F. 53 volg.)

Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk. (B.W. 1461 v.)

ELFDE AF DEELING.

VAN REHABILITATIE.

Art. 206. Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 161 of 193 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van art. 198, bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank, die het faillissement heeft berecht. (F. 5.)

207. De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeiscliers, ten genoegen van elk hunner, zgn voldaan.

208. Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Neder-landsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.

209. leder erkend schuldeischer is bevoegd om binnen den tijd van twee maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Dit verzet zal alleen daarop kunnen gegrond zijn, dat door den verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 207 is voldaan.

210. Na verloop van de voormelde twee maanden zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toestaan of weigeren.

211. Van de beslissing der rechtbank wordt noch hooger beroep, noch cassatie toegelaten. (F. 85.)

212. Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aan-teekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde register.

37

-ocr page 42-

Van surséance van betaling.

TITEL II.

Van Surséance van Betaling.

Art. 213. De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aantoont dat er vooruitzicht bestaat, dat hg na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, kan surséance van betaling bekomen.

214. Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoor-lijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel 96, bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in artikel 2 of artikel 3. (F. 221.)

215. Het verzoekschrift met bijbehoorende stukken wordt ter griffie van de rechtbank neergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder.

De griffier doet van de indiening van het verzoek en van den overeenkomstig het eerste lid van het volgende artikel bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen. (F. 221.)

216. De rechtbank beveelt dadelijk, dat de in Nederland wonende schuldeischers, benevens de schuldenaar, tegen een door haar op korten termijn bepaalden dag, door den griffier, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve den dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld.

Ieder schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen.

217. Ten bepaalden dage worden de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers door de rechtbank in raadkamer gehoord, en kan den schuldenaar voorloopige surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der verschenen schuldeischers, of houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233, nos. 1—6 genoemde schuldvorderingen, zich daartegen verklaren. (F. 236.)

Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechtbank.

Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden, indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is. (F. 225.)

Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren.

Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.

38

-ocr page 43-

Titel II. Aril. 213—221.

De beschikking op het verzoek wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting. (F. 219.)

218. Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in

feval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of in geval e voorloopige surséance verleend is, ieder schuldeischer, die zich tegen het verleenen daarvan verklaard heeft, recht van hooger beroep-eval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of in geval e voorloopige surséance verleend is, ieder schuldeischer, die zich tegen het verleenen daarvan verklaard heeft, recht van hooger beroep-

Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, door den verzoeker en zijnen procureur onderteekend, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling.

Indien het hooger beroep door een schuldeischer is ingesteld, geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien, waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan den procureur, die het verzoek tot surséance heeft ingediend, bij deurwaarders-exploot kennis van het hooger beroep en van den tijd voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar.

De griffier van het gerechtshof doet van het hooger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald, aankondiging in de nieuwsbladen waarin het verzoek tot surséance volgens art. 215 is aangekondigd. Tevens geeft hij van het ingestelde hooger beroep aan den griffier der rechtbank kennis, neemt van dezen de in artikel 214 bedoelde stukken over en legt die op zijne griffie voor een ieder ter kostelooze inzage. (JF. 8, 9, 227.)

219. Bij de behandeling van het hooger beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.

De behandeling heeft plaats in raadkamer; het arrest wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Tegen het arrest, in hooger beroep gewezen, staat geen beroep in cassatie open.

220. De uitspraak der rechtbank wordt, niettegenstaandé het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd.

De artikelen 13 en 15 zijn ook hier toepasselijk, indien eene krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring wordt vernietigd.

Op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van artikel 230, eerste lid, blijft, indien bij vernietiging der verleende voorloopige surséance de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, de bepaling van het tweede lid van dat artikel van toepassing. De bevoegdheid, aldaar den bewindvoerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissement. (E. 230.)

221. De beschikking waarbij voorloopige surséance wordt toegestaan, houdt de benoeming in van:

39

-ocr page 44-

Van surséance van betaling.

1°. een of meer bewindvoerders, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren; (F. 229, 239.)

2°. een of meer deskundigen; ten einde, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd kan worden, de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden te verifieeren, den stand des boedels te onderzoeken en een beredeneerd verslag van hunne bevinding uit te brengen. (P. 239.)

De beschikking, houdende verleening van voorloopige surséance, wordt aangekondigd gelijk in artikel 215, tweede lid, is voorgeschreven. (F. 230.)

222. Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en het gegronde van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling van alle schulden zal volgen, met aanduiding van den tijd waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben. (F. 229.)

De deskundigen leggen hun verslag neder ter griffie van de rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos.

223. Onmiddellijk na de nederlegging van het verslag, worden de schuldeiscbers, benevens de schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen door den griffier bij brieven opgeroepen, tegen een door de recbtbank te bepalen, uiterlijk drie weken daarna invallenden dag.

224. Ten bepaalden dage worden de verschenen schuldeiscbers in raadkamer geraadpleegd over het verleenen vau definitieve surséance aan den schuldenaar, De schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen zijn verplicht alle ophelderingen en inlichtingen te geven, welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve, hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeiscbers, zal vragen. (S.R. 184.)

225. Indien twee derde der verschenen schuldeiscbers, houders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233, nos. 1—6, genoemde schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve surséance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid, voorzien aanwezig is. Het tweede en het zesde lid van artikel 217 zijn toepasselijk. Bijaldien de definitieve surséance niet verleend wordt, kan de schuldenaar In staat van faillissement worden verklaard. (F. 145, 146.)

226. Surséance van betaling wordt verleend voor eeaen tijd, niet langer dan één en een half jaar, gerekend van den dag, waarop de voorloopige surséance is toegestaan.

De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.

Gedurende één jaar na afloop der surséance kan zij niet opnieuw worden verleend.

40

-ocr page 45-

Titel II. Artt. 222—232.

227. Wordt door het gerechtshof, in hooger beroep van eene afwijzende beschikking der rechtbank, voorloopige surséance verleend, dan hondt het de zaak aan zich, ten einde, met inachtneming van de wijze van behandeling in de artikelen 221—-226 voorgeschreven, ook over de verleening der definitieve surséance te beslissen.

Tegen het arrest staat geen beroep in cassatie open.

228. De beschikking van de rechtbank, waarbij definitieve surséance verleend of geweigerd wordt, is vatbaar voor hooger beroep. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 zijn daarop toepasselijk.

Hangende het hooger beroep blijft de voorloopige surséance van kracht.

Bij vernietiging der verleende definitieve surséance is artikel 220 derde lid, toepasselijk.

229. Het rechterlijk college, dat de bewindvoerders en deskundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun verzoek, of op verzoek van een of meer der schuldeischers, of van den schuldenaar, of wel ambtshalve, ontslaan en door anderen vervangen.

Na het verleenen vau definitieve surséance wordt door de bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een verslag over den toestand van den boedel uitgebracht. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het tweede en derde lid van artikel 222 is voorgeschreven. (F. 236 5°.)

230. Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders, eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen.

Indien de schuldenaar in strijd met deze bepaling gehandeld heeft, is zoodanige handeling voor den boedel niet verbindend, tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereisclit wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden. (F. 236 1°, 3n.)

231. Gedurende den loop der surséance kan de schuldenaar niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaakt.

Alle aangevangen cxecutiën blijven gedurende dien tijd geschorst. Gelegde beslagen vervallen. Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het vonnis houdende verleening der surséance in kracht van gewijsde is gegaan. (F. 236 1quot;.)

232. De surséance stuit den loop niet vau reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.

Indien niettemin de rechtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot na het einde der surséance.

41

-ocr page 46-

r

42 Van surséance van, betaling.

De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen, welke

rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onder- d( werp hebben, noch eischende noch verwerende in rechten optreden,

zonder medewerking der bewindvoerders. h

233. De surséance werkt niet ten aanzien: o] 1°. van de vordering van rijks-, provinciale of gemeentelijke

belastingen, en van waterschaps-, veenschaps- of veenpol- w

derlasten, met de vervolgingskosten; di 2°. van schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand, of

bevoorrecht op bepaalde goederen; w 3U. van levensonderhoud, door den schuldenaar uit kracht van de

derde afdeeling van den vijftienden titel van het eerste boek g\' van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd; (B.W. 375 volg.)

4°. van huren en pachten; d

5°. van loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden; o;

6°. van schuldvorderingen wegens noodwendigheden, tot ge- z:

woon onderhoud van den schuldenaar en zyn huisgezin v

geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór de surséance; g (B.W. 1195 5».)

7°. van reclame en zakelgke rechten. (F. 217, 225.) h

Voor zooverre bij executie blijkt dat de vorderingen, onder no. d 2 vermeld, op de verbonden zaak niet verhaald knnnen worden, l

werkt de surséance wel ten aanzien van deze vorderingen. s\'

234. De betaling van alle andere schulden, op het oogenblik van n de verleening der voorloopige surséance bestaande, kan, gedurende de d surséance, niet anders plaats hebben, dan aan alle schuldeischers n gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen. d

235. De surséance werkt niet ten voordeele van de medeschulde- v naren en borgen.

236. Het rechterlijk college, hetwelk de surséance verleend heeft, a kan die, op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer der schuldeischers, intrekken: li

1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop der surséance, d aan kwade trouw in het beheer van den boedel schuldig maakt;

CF. 217.) d 2n. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen; A ti

3quot;. indien hij handelt in strijd met artikel 230, eerste lid;

4°. indien hg nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan moest worden;

5°. indien, hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruit gegaan, dat het vooruitzicht is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance. (F. 229.)

In het laatste geval kan de intrekking ook op verzoek van den schuldenaar worden uitgesproken.

-ocr page 47-

Titel II en Slotbepaling. Artt. 233—240.

In de gevallen, vermeld onder nos. 1 en 5, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.

De bewindvoerders en de schuldenaar worden, indien zij niet zelve het verzoek gedaan hebben, daarop gehoord of daartoe behoorlijk

.. (F. 237.)

p grond van de bepalingen van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaring van den schuldenaar worden uitgesproken.

Gedurende de surséance kan de faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd. (F. 231.)

De beschikking, houdende intrekking der surséance, wordt aangekondigd gelflk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.

237. De schuldenaar is steeds bevoegd van het rechterlijk college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zgne betalingen te hervatten. Op dit verzoek worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.

Deze oproeping, gelijk mede die bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel, geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door het rechterlijk college te bepalen dag. (F. 226.)

238. Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken overeenkomstig eene der bepalingen van dezen titel of wel binnen ééne maand na de afwijzing van het verzoek tot surséance of na de intrekking of den afloop van de surséance, wordt het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van het verzoek tot verleening van surséance is bekend gemaakt.

De curator oefent dan de bevoegdheid uit, in het tweede lid van artikel 230 aan de bewindvoerders toegekend.

239. Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de bepaling van artikel 221 2quot;., en van de bewindvoerders wordt bepaald door de rechtbank en bij voorrang voldaan.

43

Dit laatste is ook van toepassing op hunne verschotten en op die, door den griffier ten gevolge van de bepalingen van dezen titel gedaan. (1. 71.)

Algemeeke slotbepaling.

240. Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet te bepalen tijdstip. \')

1) Bij art. I der Invoeringswet van 20 Januari 1896, Stsbl. no. 9, is dit tgdstip vastgesteld op 1 September 1896. (Zie blz. 44.)

-ocr page 48-

quot;WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT HET IN WERKING TREDEN VAN DE WET OP HET FAILLISSEMENT EN DE SURSEANCE VAN BETALING, DE WIJZIGING VAN BESTAANDE WETTEN IN VERBAND DAARMEDE EN DEN OVERGANG VAN DE OUDE WETGEVING TOT DE NIEUWE.

(Vastgesteld den ZOsten Januari 1896, Stsbl. no. 9, uitgegeven don 23sten Januari d.a.v.)

Art. I. De wet van 30 September 1893 {Staatsblad no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Staatsblad no. 155), treedt in werking op den 1 sten September 1896.

2. Op het in artikel 1 vermelde tijdstip zijn afgeschaft: de artikelen 1515, 1820 en 1880, 2quot;. van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 198, 205 en 285 benevens het derde boek van het Wetboek van Koophandel; het tweede lid van artikel 705, en de artikelen 707, 709 tot en met 720 benevens de zevende titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 441 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 17 van de wet van 17 November 1876 {Staatsblad no. 227) tot regeling der coöperatieve vereenigingen.

3. De artikelen 1377 en 1881, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden gelezen:

Artikel 1377. Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onverpligt verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, mits bewezen worde, dat bij het verrigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling van de schuldeischers het gevolg zoude zgn.

Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goederen, die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.

Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan met aan te too-nen, dat de schuldenaar op het oogenblik der handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.quot;

„Artikel 1881, eerste lid. Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval hij no. 1 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zgn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.quot;

In het eerste lid van artikel 1490 van gemeld Wetboek vervallen

-ocr page 49-

Wet ter invoering van de Faillissemeniswet. 45

de woorden: „(daaronder begrepen die waarvan bij artikel 1377 wordt gehandeld)quot;.

In het tweede lid van gemeld artikel wordt achter de woorden: „ontbinding des huwelijks;quot; ingevoegd eene nieuwe alinea luidende:

„Ingeval van nietigheid, waarvan in artikel 1377 wordt gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor de nietigheid ver-eischte wetenschap bestond;quot;.

4. In het Wetboek van Koophandel wordt in het eerste lid van artikel 84 in plaats van „854, 855 en 856 van het Wetboek van Koophandel\'\', gelezen: „57, 58 en 59 van de Wet op het faillissement en de surséance van betalingquot;;

en in het eerste lid van artikel 199 de aanvang daarvan: „Wanneer echter de houder, hetzjjquot; vervangen door: „Wanneer de houder van eenen geprotesteerden wisselbrief, hetzijquot;.

5. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ondergaat de volgende wijzigingen:

In artikel 126 wordt het dertiende lid gelezen als volgt:

„In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen hoogeren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd.quot;

Van artikel 505 wordt het vijfde lid gelezen;

„De door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken, na den dag der overschrijving van het proces verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengenquot;.

Van artikel 566 wordt het laatste lid gelezen:

„Vroeger afgegeven pand- of verhand-brieven kunnen na den dag dier overschrijving niet meer worden ingeschrevenquot;.

Van artikel 585 wordt het eerste lid, lu. gelezen:

„1°. Wegens stellionaat, hetwelk bestaat:

wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft dan die met welke die goederen bezwaard zijn.quot;

In artikel 596, 3°., vervallen de woorden: „den vrijwillige of geregtelijkenquot;; in het opschrift van den derden titel van het derde boek de woorden: „en de vormen van dienquot;; en in artikel 708, eerste lid, de woorden: „hetzij vrijwillig, hetzij geregtelijk.quot;

In artikel 706 wordt de aanvang daarvan : „Öe vrijwillige boedelafstand is die, welke de schuldeischers vrijwillig aannemen en die geen ander gevolg heeftquot; vervangen door: „Boedelafstand be-

-ocr page 50-

46 Wet ter invoering van de Faillissementswet.

hoeft de vrijwillige aanneming van de sohuldeischers. Hij heeft geen ander gevolgquot;.

6. Het Wetboek van Strafrecht ondergaat de volgende wijzigingen ;

In artikel 194 worden de woorden; „of als bestnurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging,quot; vervangen door: „of als echtgenoot van een gefailleerde, met wien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting,quot;.

In gemeld artikel vervallen de woorden: „of ze overeenkomstig de wet te beëedigen,quot;.

In art. 344, lü. en 2°. vervallen de woorden „van een koopmanquot;.

In gemeld artikel worden de woorden: eenig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;quot; vervangen door: „indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd, eenig goed aan den boedel onttrekt, of betaling aanneemt hetzij van eene niet opeischbare schuld, hetzg van eene opeischbare schuld, in het laatste geval wetende dat het faillissement van den schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met den schuldenaar;quot;.

In artikel 345 wordt het slot van het tweede lid gelezen: „gefailleerde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, die zoodanige overeenkomst sluit.quot;

In artikel 346 wordt achter: „koopman te zijn,quot; ingelascht: „in staat van faillissement is verklaard, ofquot;.

In gemeld artikel wordt achter: „vervreemd, hetzijquot; ingelascht: „ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, of op een tijdstip waarop hij wist dat het een of het ander niet kon worden voorkomen,quot;.

In artikel 442 wordt de aanvang van 2°. gelezen:

„2°. de bestuurder of commissaris eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting welkequot; enz.

7. Op aangiften, verzoeken of requisitoiren tot faillietverklaring ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aanhangig, en op de faillissementen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkomstig artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing, met uitzondering van de artt. 850, 887 en 892—898 van het Wetboek van Koophandel.

Het faillissement eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewijsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

-ocr page 51-

Wet ter invoering van de Faillissementswet. 47

Nadat het faillissement is geëindigd, kan de schuldenaar, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aantee-kening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register. Te dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

8. Een faillissement, waarin vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is geëindigd door rehabilitatie van den schuldenaar, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien het geval voorzien by artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op de in het vorige lid bedoelde faillissementen van toepassing.

De schuldeischers herkrijgen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register. Te dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

Het bepaalde in het vorige lid is ook van toepassing op den schuldenaar, wiens faillissement vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving door de homologatie van een akkoord is geëindigd maar die vóór dien dag niet is gerehabiliteerd. Mocht een verzoekschrift tot rehabilitatie reeds zijn ingediend, dan wordt dit overeenkomstig de oude wetgeving behandeld en afgedaan.

9. Op vorderingen tot verklaring in staat van kenlijk onvermogen ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aanhangig en op die gevallen van verklaard kenlijk onvermogen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkomstig artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing met uitzondering van artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het kenlijk onvermogen eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewgsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Nadat het kenlijk onvermogen is geëindigd, kan de schuldenaar.

-ocr page 52-

48 JTet ter inooeriny van de Faillissementswet.

overeenkomstig de artikelen 306, 212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

10. Verklaard kenlijk onvermogen, waarin vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is opgeheven overeenkomstig artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien het geval voorzien bij artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op het verklaard kenlijk onvermogen in het vorige lid bedoeld van toepassing.

De schuldeischers herkregen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling, verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

11. Van een akkoord, gehomologeerd onder de oude wetgeving, kan de ontbinding worden gevorderd overeenkomstig de nieuwe. De artikelen 165—167 der wet op het faillissement en de surséance van betaling zijn alsdan toepasselijk.

Indien het akkoord is gesloten in een boedei die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard, wordt door den rechter in het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, heropening van den staat van kenlijk onvermogen bevolen.

Op het heropende faillissement of kenlijk onvermogen is de nieuwe wetgeving van toepassing.

12. Indien een verzoekschrift om tot boedelafstand te worden toegelaten, is ingediend vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving, is de oude wetgeving daarop van toepassing.

13. Indien een verzoekschrift, als bedoeld in de artikelen 902 en 903 van het Wetboek van Koophandel, vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving aan de rechtbank is ingediend, is de oude wetgeving daarop van toepassing. (R.V. 705 volg.)

14. De wet van 30 September 1893 [Staatsblad no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 [Staatsblad no. 155), kan worden aangehaald onder den titel van „Faillissementswetquot;, en deze wet onder deu titel van „Wet ter invoering van de Faillissementswetquot;.

15. Deze wet treedt in werking op den Isten September 1896.

-VCfQ 4/ r / v

-ocr page 53-
-ocr page 54-