-ocr page 1-

HET

A. B. C. DES GELOOFS,

OF

VERFf AN DELING

VAN DE BENAMINGEN

PES

\' ZALmiARENDEN GELOOFS

yÓLGENS HE LETTERS VAN HET ALPHABET

DOOR

ALEXANDER COMRIE,

\\ SCOTOBKITTANïftrS.

A. L, M. Phil. Doctor en Predikant te Woubrngge.

(Onveranderde Uitg-ave volgens 1746.)

LEIDEN.

- D. DONNER.

Prijs 80 Cen\'

-ocr page 2-

CA-iiam

gunning

26

JkW ^ M/ ^

r^r7^t7?t7Yt7T1 iufniT£5^Rfon j

-ocr page 3-
-ocr page 4-

1600 2127

7.

)t h

i l

1

3

-ocr page 5-

jW\' HET

B. C. DES GELOOi\'S,

0F Girt-Vmi /Vtf ^ f 0.

VERHANDELING

VAN DE BENAMINGEN

ZALIGMAKENDEN GELOOFS

VOLGENS DE LETTEES VAN HET ALPHABET

ALEXANDER COMRIE,

SCOTO-BBITTANNÜS A, L, M. FhxlosophitB Doctor en Predikant te Woubrugge,

(Onveranderde Uitgave volgens 1746.)

tflQhu^Jk

RUKSUHIVERSiTEiT UTRECHT.

-ocr page 6-

APPROBATIE.

ondergeschrevene Visitatores van de Weleerv -assis van Leiden en Neder-Rijnland hebben in he joek van Ds. Alexander Comrie, Scoto-Brittannuf A. L. M. Philosophise Doctor, en Predikant te Wou brugge: genaamd het A. B. C. des Geloofs, of Verhan deling van de Benamingen des Zaligmakend en Geloof volgens de letters van het Alphabet, niets gevoadei strijdig tegen de Leer der Waarheid, die naar de God zaligheid is, mogen derhalve lijden dat hetzelve gemeei gemaakt worde; doch met naricht, dat zijlieden sommig uitdrukkingen, door den Eerw. heer Auteur gebruik laten tot zijne verantwoording.

Gegeven binnen Leiden, den IS0611 Maart 1739.

David van de Walle.

Nicolaus Holtiijs.

Petrus Vergbnst.

-ocr page 7-

OPDRACHT

AAN MIJNE HOOGGEACHTE EN ZEEK TEEDEB GELIEFDE MOEDER MEJUFFROUW

mejuffrouw KORNELIA BERDENIS,

WEDUWE WIJLEN DEN HEER

MUNEEER JAN DE HEYDE,

EN DEN WELEERWAABDEN EN ZEERGELEERDEN HEER

mijnheer JAN WILLEM DE HEYDE,

Getrouw en Geacht predikant te Purmerland,

MIJN GELIEFDEN EN GEACHTEN BROEDER.

De koning Hiskia zijne werkzaamheid verhalende, nadat de dood en ook de verlossing van dien door Jesaja hem aangekondigd werd, zegt Jes. 38 : 17: Ziet, in den vrede is mij de bitterheid bitter geweest, maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd.

God had hem vrede van rondom gegeven: de As-syriërs werden geslagen door den Engel des Heeren, ten getale van honderd vijf en tachtig duizend; hun koning Sanherib werd in het huis zijns afgods door zijne eigene zonen gedood, Jes. 37 van vers 36 tot het einde. God gaf hem vrede in zijn rijk, in zijn huis, en buiten allen twijfel ondervond hij vrede in zijn hart, een vrede, die alle verstand te boven gaat.

Terwijl hij nu in het blijde genot van dien vrede was, werd hem op het alleronverwachtst aangekondigd, dat hij bevel aan zijn huis moest geven, en zich bereiden om te sterven; dat alles te verlaten en tot de wormen te

-ocr page 8-

OPDEACHT.

zeggen: dat zij zijne zusters en broeders waren: dit was het, dat hem zoo smartelijk viel, het bittere dat bitter was, ja zeer bitter, onbeschrijflijk bitter: dit deed hem zijn aangezicht keeren naar den wand, en bitterlijk weenen, ja piepen als een kraan of zwaluw, en kirren doorgaans als een duif.

Ondertusschen roepende tot God in de benauwdheid van zijne ziel, hoort God, die het gebed zijner kinderen hoort, dezen kermenden en weenenden koning, en schoon hij niet altijd leven zou, werden er evenwel vijftien jaren tot zijnen leeftijd toegedaan; de Heere dus zijne bedroefde ziel in de bitterheid, die hem bitter was, omhelzende als een teederhartige Vader, die in al de benauwdheden van zijne kinderen met hen benauwd is.

Eer hij dit verhalen wil, laat hij het aandacht opwekkende ziet voorafgaan, om den lezer hierbij te bepalen tot het leeren van twee groote lessen. De eerste is, dat niemand, als alles van rondom hem toelacht, en dat de vrede groot is, zijn hart daarop zetten zou, alsof het onmogelijk ware, dat zijn licht kon verduisterd worden, en zijne zon door een wolk verborgen worden; hij had vrede, maar ziet in dien vrede was hem de bitterheid bitter, ja zeer bitter geweest. Het is hier niet, dat men eene ongestoorde rust kan hebben, schoon God veel rust en vrede geeft, het is zyne verandering onderworpen. Daarom ziet, zegt onze koning, hoe het met mij ging, opdat uw hart, in \'t genot van vrede, tot gewaarwording van droefheid, ja zeer bittere droefheid mag bereid worden. De tweede les, die Hiskia leeraren wil door dit woordje ziet, is, dat, wanneer iemand in bitterheid is, die hem uitnemend bitter is, waarin hij zijn aangezicht naar den wand keert, piept en kirt als een kraan of zwaluw en duif, waarin zijne ziel weg-druipt van treurigheid, en zijn uitroep is: Is iemands droefheid zooals de mijne! dat hij dan, niettegenstaande dit alles, zijne breuk niet moet aanmerken, alsof er geen heelen aan was, want in zijne bitterheid, die hem zeer bitter was, omhelsde God zijne ziel zeer liefelijk; en Hij zal het doen aan allen, die uit hunnen druk, angst en bittere droefheid door het geloof tot Hem roepen: O Heere!

IV

-ocr page 9-

opdracht.

ik worde onderdrukt, wees Gij mijn borg; de duisternis kan nooit zoo dik zijn, of God kan het licht uit die duisternis doen voortkomen. Laten dan Gods kinderen hunne ziel toeroepen: Gij toch, o mijne ziele! zwijg Gode, want van Hem is al mijne verwachting; is God de Heere het deel van zijne kinderen, laat hen vrij op Hem hopen; als de bitterheid hun bitter is, als de oven zevenmaal heeter is dan ooit te /oren, de Heere zal de ziel zijner gunstgenooten liefel : omhelzen, de oven zal niet zijn om te verslinden, lar eene smeltkroes, om van den droesem te zuiveren; en in dien oven is met hen niet alleen een, gelijk een van de zonen der goden, maar de Zone Gods zelf, die de waarachtige God en het eeuwige leven is.

Waarde, hooggeachte en geliefde Moeder en Broeder! Hoe billijk ik in vele opzichten Hiskia\'s woorden de mijne mag maken, zien UÈd. bij den eersten opslag zeer licht.

Ik moet erkennen Gods goedheid aan mij, van den eersten dag af, dat ik mij in den echt begaf met mijne hartelijk geliefde echtgenoote, Juffr. Johanna de Hetdb, UEd\'s eenigste en zeer geliefde dochter en beminde zuster. Meer dan ééne zaak maakte het huwelijk met haar Ed. mij tot grooten troost en uitnemende blijdschap. Zag i1- op haren stillen en zachtmoedigen geest, zij bezat j alle opzichten datgene, dat het rechte sieraad dei. \' ouwen is; zag ik op hare bescheidenheid, die was aan lie menschen, grooten en geringen, openbaar, heb-benu3 zij steeds op haar hart beseffen van Gods nabijheid ; zag ik op haar nederigheid in gevoelen en in gewaad, elk, die haar kende, moest zeggen, dat zij een voorbeeld in zulk eene oedorvene eeuw was; zag ik op haar gezetheid om God te dienen, gelijk God zijne vrees zeer vroeg in haar harte had ingelegd, dezelve straalde door in het naarstig waarnemen van alle godsdienstplichten, in \'t openbaar en in \'t bizonder, haren tijd gedurig uitkoopende, om den goeden en welbehagelijken wil Gods te kennen, en met haren God te wandelen in dit tranendal! Zag ik op de liefde, die tusschen mijne dierbare Echtgenoote en mij was: o, wat was die teeder,

t

-ocr page 10-

OPDRACHT.

innig en wederzijds vast, en nooit afnemende, maar aangroeiende, indien eenige toeneming in zulk eene liefde zijn kon; dit was UEd. tot groote blijdschap te zien, dat wij niet alleen door den echt, maar vooral in liefde één waren. Zag ik op haar zorg om mij wel te doen en van alles te bezorgen, wat mij eenige verkwikking kon toebrengen: het was zonder weerga, zij zoude hare oogen bijna uitgerukt hebben. Zag ik op de zoete hulp in mijne studiën, en hare geoefendheid in de Goddelijke waarheid: zij was machtig in de Schriften, haar toeleg was om mij gedurig aan te zetten, om te prediken niet dingen, die boven het begrip van een gemeenen toehoorder gingen. Zij zeide dikwerf; gij kunt niet genoeg gelooven, hoe onvatbaar de menschen zijn; was ik nedergebogen over de vruchteloosheid van de middelen, wat sprak mijne allerliefste vrouw mij moed in \'thart! Zulk eene stille kalmte gaf mij God met mijne lieve vrouw, en hoe aangenaam dit was voor mij, kan elk nagaan, die weet, dat ik, een vreemdeling, verkeer in een vreemd land, en dat ik door zooveel tegenheden ben geleid geworden van der jeugd af aan; is rust aangenaam voor eenen vermoeide, troostelooze en voort-gedrevene, immers dat genoegen, dat ik had, kan ik niet uitdrukken.

Hier kwam nog bij, tot volmaking van onze blijdschap, (indien er nog iets aan mocht ontbreken) dat de Heere ons zegende met de gewenschte vruchten van het huwelijk, ons gevende een lieve welgeschapene dochter, naar UEd., waarde Moeder! genoemd, en de Heere gaf zulk eene gezegende en voorspoedige verlossing, dat ik en mijne hartgeliefde vrouw dikwerf moesten uitroepen: Looft den Heere, die ons met zijne goedertierenheid bekroont, als met een rondas. Daar kwam nog bij, tot mijne groote verkwikking, dat de Heere uit zijne oneindige goedheid mijne zeer lieve vrouw op eene zonderlinge wijze verzekerde van haar aandeel, daar zij altoos met veel ongeloof te worstelen had. Dus had ik alles, dat mijne ziel op den aardbodem be-geeren kon.

Maar ziet, in den vrede is mij de bitterheid bitter,

VI

-ocr page 11-

OPDKAOHT.

ja zeer bitter geweest. God liet niet alleen den dood aankondigen door sterke en aanhoudende koortsen, maar hem zelfs, als een zeer wreede tiran, mijne zeer lieve vrouw van mij wegrukken. Dit was UEd., als een zeer liefhebbende moeder en broeder, bitter, omdat zij uwe eenigste, liefhebbende dochter en zuster was. Maar mij was het bitter, zeer bitter, ja onuitsprekelijk smartelijk; als ik er aan gedenk, mijn hart wordt overstelpt, ik moet mijn aangezicht met Hiskia dikwerf naar den wand keeren, en mijn bitter bedroefd hart in tranen loozen, terwijl mijne ziel wegdruipt van treurigheid, en mijne smart in geengt;, schaal kan gewogen worden; deze smart doet mijne zi 4 kwijnen, en verandert mijne kracht in zomerdroogtu^ Vele smarten heb ik ondervonden, maar deze gaat boven alle; ze krenkt het hart, en doet mij doorgaans piepen als eene zwaluw en kirren als eene duif.

Ik kan in dit alles nochtans niet ontkennen Gods goedheid; de Jehova omhelst wel meer dan op ééne wijze mijne ziel; wanneer ik mij vast voorstelde wegens de droefheid van mijn hart buiten staat te zijn tot mijnen predikdienst. God gaf eenen moede kracht, meer dan eens; ja dat is tot opbeuring van mijne ziel, dat ik met grond kan gelooven, mijne lieve vrouw niet verloren, maar weggezonden te hebben, daar ik haast, hoop ik, volgen zal. De Heere beurt ook wel nu en dan mijne ziel op door vele troostrijke beloften, onder welke deze een groote klem op mijn hart heeft, die mijne lieve vrouw mij zeide, mijne groote droefheid ziende: God zal voor u zorgen, zoek Hem en dien Hem, Hij zal der weezen Vader en Richter zijn, en der weduwen Man; dit waren hare laatste woorden; en die tot mijne bemoediging gezegd hebbende, gaf zij terstond den geest. Deze stervende woorden beuren mij nu en dan op, om al mijne zorgen op den Heere te wentelen, geloovende in mijne bittere droefheid, dat God het wel zal maken, en voor mij, bitter bedroefden vreemdeling, zorgen, en mij leiden niet alleen tot den dood, maar met zijnen stok en staf mij in die donkere vallei en schaduw ondersteunen. Daar komt

VII

-ocr page 12-

opdracht.

bij tot mijne opbeuring \'s Heeren goedheid omtrent mijn klein weesje, TJEd. liefde en teedere zorg in alle opzichten omtrent mij en de mijne, welke ik hoop altoos dankbaar te erkennen; en dit laatste is wel een zeer liefelijke omhelzing, dat \'s Heeren zaligheid, waarop mijne ziel wacht, nu nader is dan toen ik eerst geloofde; de tijd zal voorts maar kort zijn, dan zal eene wildernis met een Kanaan verwisseld worden, en de duisternis in een zeer kostelijk licht; want droefenis en zuchting zullen eeuwiglijk wegvlieden, en alle smarten vergeten worden, als de tranen van de oogen zullen worden afgewischt.

Laat ons dan, zeer lieve en geachte Moeder en Broeder! in onze bitterheid, die ons in den vrede overkomen is, niet al te veel verzinken; de Verbonds-God kan en wil de zielen dergenen, die tot Hem roepen in de bitterheid, die haar zeer bitter is, op . eene liefelijke wijze omhelzen. Laat ons vertrouwen op den Heere, want ia den Heere Heeke is een eeuwige rotssteen.

Dewijl de volgende bladen het licht zouden zien, was daar meer dan ééne reden, om dezelve aan UEd. op te dragen, om te betuigen mijne liefde en achting voor UEd. die mij met uwe wederliefde zeer aan UEd. verbindt; ja, omdat UEd., nevens mijne dierbare en zeer lieve vrouw, de oorzaken van de uitgave zijt. Velen uit mijne geliefde gemeente hielden sterk aan, met anderen buiten deze gemeente, dat ik, hetgeen ik in \'t jaar 1735 over de benamingen des geloofs gesproken had, zou laten drukken, opdat zij, hetgeen hun toenmaals in \'t hooren zeer verkwikte en versterkte, mochten hebben om zich te versterken in \'t verborgene; maar de bewustheid van mijne geringheid en onbekwaamheid, welke dagelijks toeneemt, gelijk UEd. weet, (ik hoop niet, dat het tot moedeloosheid zal overslaan) dead mij alle aanhoudende aanzoeken gedurig van de hand wijzen. Maar hetgeen anderen niet konden verkrijgen, heb ik een weinig vóór het overlijden van mijne zeer lieve vrouw toegestaan; ik kon niet langer weigerig zijn aan eene dierbare echtgenoote en liefhebbende moeder.

vin

-ocr page 13-

OPDRACHT,

Ik hoop dan, dat TJEd. dit werkje wel zult willen aannemen, en hetzelve doorbladeren. Ik bid God, dat Hij er zijn schijnsel op zal geven; dat Hij UEd. wil leiden door geloof hier, en uwe ziel liefelijk omhelzen met de uitlatingen van zijne gunst, en dat Hij u na-maals vaderlijk wil inleiden in die stad, die fondamenten heeft, waar noch dood, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite meer zijn zullen, vermits de eerste dingen zullen voorbijgegaan zijn. En dus blijve ik

Mejuff. en zeer geliefde Moeder! en Eerw. en veel geachte Heer Broeder!

Uwer edelhedens liefhebbende en zeer bedroefde zoon en broeder

ALEXANDER COMRIE.

IX

-ocr page 14-

AANSPRAAK AAN MIJNE ZEER GELIEFDE GEMEENTE VAN WOÜBRUGGE.

Waarden en zeer geliefden in den Heere!

Hetgeen waarnaar gijlieden verlangdet, (sedert het jaar 1735, wanneer wij deze stoffe verhandelden) wordt UI. nu in de handen gegeven, opdat gij het tot nattigheid van uwe onsterfelijke zielen gebruiken zoudt. Ik heb de inleiding tot elke benaming, alsmede de aanwijzing van den samenhang der teksten, waarin de benamingen voorkomen, en ook de bizondere toepassingen van elke benaming, afgelaten; ik hoop niet, dat gij zulks kwalijk zult nemen; het is geschied, opdat het werkje niet te groot zou worden, en dus boven veler maeht, om hetzelve te koopen.

Ik kan niet twijfelen, of het zal u aangenaam zijn ! dit werkje als eene nagedachtenis te ontvangen, hoe gering het ook zijn mag. Uwe voorbeeldige naarstigheid 1 in \'t opkomen onder het gehoor van deze Leerredenen, 1 gepaard met die van aTdere plaatsen, bemoedigde mij , om het Werkje ten eind te brengen, en het verzoek I van velen, dat ik het zou laten drukken, doet mij ge-looven, dat gij het met veel lust zult aannemen.

Het eenigste, dat ik u te bidden heb, is, uw eigen hart bij het lezen van elke benaming na te gaan, dan zult gij er door overtuigd kunnen worden, of gij de groote zaak mist, dan of gij er deel aan hebt. God zelve zende zijn licht bij de waarheid. Hij werke bet geloof, daar het niet is; Hij versterka het, daar het is; en Hij zegene al onze geringe pogingen tot uwe eeuwige zaligheid! Dit is de bede van

Uwen Dienstwillig en Dienaar in den Heere,

Woubragge, ALEXANDER COMRIE.

4 Februari 1739.

-ocr page 15-

■■:7 .....■.

/

| •

AAN DEN LEZER.

Waarde Lezer!

Het kan niet anders zijn dan tot mijn groote blijdschap, dat ik niet alleen mondeling en schriftelijk getuigenis heb, dat mijn geringe arbeid tot zegen is door alle provinciën van dit gezegend Land; maar dat ik ook zie en bespeur, dat het vertier van dit Traktaat zoo groot is, dat ik na al voor de vijfde maal verzocht word het uit te geven. Ik wensch in diepen ootmoed en zelf-verontwaardiging dit te erkennen voor den Heere en zijn volk, en terwijl ik niet weet, waarin de Heere mijn gering talent wil gebruiken, of voor deze mijne Gemeente of ook voor anderen, zoo zal ik mij zoeken, en in \'t prediken en ook in nu en dan een werk tot stichting uit te geven, bezig te houden.

Ik had deze Verhandelingen kunnen vergrooten, maar ik wil den koopers van he4; voorgaande geen nadeel, noch in \'t vermeerderen van deze, noch andere werken 1 toebrengen. Ik hoop, dat de Lezer dezen druk zeer accuraat izal vinden. En ik bid Gid, dat Hij schijnsel op het werk (geven mag, en dat de Lezers veel hart en opgewektheid i zullen vinden, om mij in hunne gebeden te gedenken. Blijve

I Vw Dienaar in den Heere

I Woubrngge, ALEXANDER COMEIE.

I 9 September 1746.

1 ■

I

-ocr page 16-

\\

BLADWIJZER DER GELOOFSBENAMINGEN,

WELKE IN DIT WERKJE VERHANDELD WORDEN.

Blz.

Aandoen........................................... 6

Aanhangen........................................ 21

Aanhouden......................................... 25

Aankleven......................................... 34.

Aannemen......................................... 38;

Amen............................................. 39

Armoede.......................................... 46:

Beginnen.......................................... 60

Bekennen van ongerechtigheid........................ 65

Betrouwen......................................... 93

Blijven in Christus.................................. 102

Dorsten........................................... li,).!

Dragen............................................ 119

Drinken........................................... 121 i

Eten.........................................123 i

Geven............................................ 126

Geven van zijn hart............................... 126

Geven van de hand aan den Heere.................. 135

Gewennen................................X........ 138 ,

Hongeren.......................................... 150

Hooren.................................\'vV........ 160

Kiezen.......................................... 169

Komen........................................ 173

Kussen.......................................... 175

Leggen van Christus tot zijn fondament................ 177

Leunen op Christus................................. 181;

Nemen............................................ 19i

Schrijven met de hand.............................. 19t

Verlaten........................................... 196

Verwachten........................................ 209

-ocr page 17-

VERHATOELING

VAN DE

BENAMINGEN

DES

ZALIGMAKENDM GELOOFS.

I Is LEIDING tot de volgende Verhandeling van het Zaligmakende Geloof. Is LEIDING tot de volgende Verhandeling van het Zaligmakende Geloof.

A. Paulus\' woorden Hebr. 11 : 6, Maar zonder jeloof is het onmogelijk Gode te behagen, geven |rond tot veel nauwkeurige onderzoeking van zijne del, aangaande den staat en werkzaamheid der ziel n \'t verborgen voor God; of de mensch dat ware 3u ongeveinsde geloof inderdaad bezit, en daaruit werkt, in een teedere afhanging van de Goddelijke invloeden, en door de kracht van Christus; dit is Gode welbehagelijk, en zonder dit kan niemand Gode behagen.

B. Betreffende deze woorden: wij zullen die zoo behandelen in onze zeer korte uitbreiding, dat wij die eenigszins zullen toelichten, en tot ons oogmerk toepassen.

A. Aangaande de uitbreiding. Deze woorden zijn een algemeen besluit uit hetgeen de apostel van Henoch gezegd had, en meteen wijzen zij aan, dat Henoch het geloof had, want hij behaagde Gode;

-ocr page 18-

INLEIDING.

nu, zonder het geloof is het onmogelijk Gode te hehagen. Onze apostel spreekt

S. Van het Geloof. Versta hier niet het historische geloof, waardoor de mensch alles voor waarachtig, vast en onfeilbaar houdt, wat God in zijn eeuwigblijvend Woord geopenbaard heeft. Dat kan de mensch door nagaan van de Goddelijke waarheden hebben, die een zekere kracht van betoog aan de conscientie hebben tot overtuiging, dat God alleen de Auteur van zulk eene openbaring is. De duivelen zeiven gelooven in dezen opzichte, en zij beven. Versta ook niet het geloof der wonderwerken; want in dien grooten en algemeenen dag zal Christus die aanzeggen, die in zijnen naam duivelen uitgeworpen hebben: Gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid, Ik ken u niet. Versta ook niet het tijdg-e-loof; want dat heeft geenen wortel, kan ook de hitte van tegenspoeden en vervolging niet uitstaan. Maar versta met mij dat dierbare zaligmakende geloof, \'twelk Gods dierbare gave is; waardoor de overtuigde, belaste en beladen zondaar uit zichzelven en al zijne gerechtigheid tot Jezus uitgaat. Hem omhelst, en aangrijpt; dit is het geloof, waaruit de rechtvaardige leeft, en deel aan al de verbondsgoe-deren ontvangt, waardoor wij zalig kunnen worden.

Van dit zaligmakende geloot zegt onze apostel, dat men zonder hetzelve Gode niet behagen kan; dit zijnde de leer van Gods dierbaar Woord, dat alles, wat niet uit den gelóove is, zonde is; en derhalve onbehagelijk voor God zijnde, spreekt het diegenen, die op hunnen zedigen en burgerlijken wandel, op hunne belijdenis en kennis berusten, zonder ooit de hartveranderende genade Gods ondervonden te hebben, weinig troosb toe. Wat zeg ik?

2

-ocr page 19-

INLEIDING.

Het wijst hun aan, dat alles wat zij doen, vermits het niet uit het geloof voortkomt, Gode mishaagt, ja vertoornt. En de waarheid hiervan zal aan uwe Christelijke aandacht blijken:

ot,. Als wij op God letten, met wien de mensch te doen heeft. Hij is de rechtvaardige Rechter van den ganschen aardbodem, de driemaal heilige God, staande met den onherboren zondaar in de betrekking van het werkverbond; in \'twelk al zijne deugden en volmaaktheden tegen den zondaar gewapend zijn, en zijn zwaard uit de schede getrokken, om hem te verdoen; zijne tranen, zuchtingen en verbetering van leven, en zoeken van God, kunnen hem in geenen deele voldoen; zijn recht moet voldaan worden, eer Hij vriendschap met den zondaar oefenen kan; maar noch engelen, noch menschen kunnen dat voldoen: het is alleen de Immanuël, die het gedaan heeft, maar niemand heeft deel aan Dien, zonder geloof. Derhalve God rechtvaardig zijnde, kan men Hem zonder geloof niet behagen.

/3. Letten wij op den mensch. Schoon hij eenen schijn van deugd heeft, vele dingen, die in het stoffelijke goed zijn; vermits zij uit geen herboren beginsel voortkomen, zijn zij loutere ondeugden voor God; gelijk Augustinus zeide: blinkende zonden. De geheele wereld is verdoemelijk voor God; en daar is niemand, die goed doet. zelfs niet tot een toe, Rom. 3:19, 12. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, Rom. 8: 7. Hoe kan nu datgene, dat zonde is, Gode behagen? De mensch kan zonde niet met zonde boeten; derhalve zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

y. Letten wij eindelijk op het Geloof zelve: dat is die eenswilligheid met God; dat goedkeuren en

3

-ocr page 20-

INLEIDING.

toestemmen en aanbidden van de deugden en volmaaktheden van God, zooals de Heere dezelve heeft gelieven te openbaren in den weg van des zondaars zaligheid, zonder eenige zijne gerechtigheid, alleen door de volwichtige gerechtigheid van Christus, hem toegerekend, en alleen door geloof aangenomen. Het tegengestelde nu van het geloof is het ongeloof, \'twelk deze wijsheid Grods dwaasheid acht en zijne behoudenis in wat anders zoekt; maar daardoor kan men Gode niet behagen. Het blijve dan eene voldongen waarheid, dat het onmogelijk is zonder geloof Gode te behagen.

B. Dit nu zoo zijnde, mijn hartgeliefde Gemeente! dat het onmogelijk is zonder geloof Gode te behagen, zal elk met mij moeten besluiten, dat het geloof dat ééne ding is, dat ons alleen ten uiterste noodig is, zullen wij getroost leven en zalig sterven, en op een goeden grond verwachten een zaligen ingang in die stad, niet met handen gemaakt, wiens Kunstenaar en Bouwmeester God is, waar het geloof in een zalig aanschouwen zal veranderd worden. Ja, Geliefden! gij zult wel met mij besluiten, dat voor ons allen aan de kennis van dit geloof veel gelegen is, opdat wij, den aard, natuur en werkzaamheden daarvan kennende, onszelven zouden kunnen onderzoeken en beproeven in des Heeren vreeze. Daarom hebben wij opgewektheid gevonden, om uitvoeriger van het geloof te spreken; en, eer wij tot nadere onderhandelingen over deszelfs natuur zouden overgaan, eerst van de Benamingen te spreken; welke zeer vele zijn in Gods Woord; welke indien elk naging, hij zou ontdekken de veelvuldige wijsheid Gods, en de onnoodige verschillen zouden ophouden, en ook het hard behandelen van kleinen. Want dan

4

-ocr page 21-

INLEIDING.

zouden wij zien, hoe een en hetzelfde geloof onder andere benaming voorkomt; en wij zouden zoekenden en heilbegeerigen, schoon deze en gene zaken onder zekere benamingen opgesloten niet ondervindende, niet voor het hoofd stooten en slingeren, als zij de zielswerkzaamheden, onder een andere benaming begrepen, ondervonden. De eene geloovige zal veel van het geloof hebben onder de benaming van vertrouwen, maar een ander zal meer\'werkzaam zijn in \'t vluchten tot Jezus; beide zijn werkzaamheden van hetzelfde geloof; en daarom heeft de een den ander niet te verdenken, noch hard te behandelen.

Terwijl wij deze benamingen hebben zoeken na te gaan, waren wij op zekere orde uit. Wij dachten dan om deze, dan om die, maar vonden in alle schikking, dat, om de kleinen niet te bedroeven, noch de verder gevorderden te lang staande te houden bij de werkzaamheden der zuigelingen, een alfabe-thische orde de beste zijn zou, om dit oogmerk te bereiken. En dus zullen wij de benamingen des geloofs volgens de letters van het A.B.C. verhandelen, en de Christelijke Gemeente een A.B.C. van het ééne ding, dat noodig is, toedienen, tot onderzoeking en bemoediging van des Heeren erfdeel.

Och, dat God zelve licht en schijnsel geven wilde, en deze zaken doen gedijen tot opbouw, versterking en bemoediging van allen, die God kennen en lust hebben tot waarheid in het binnenste!

II. Wat die benamingen nu zelve betreft. Om van de Hebreeuwsche en Grieksche thans niet te spreken.

A. Onder de letter A. vinden wij

A. Een nadrukkelijke benaming des geloofs bij Paulus, Gal. 3: 27, Want zoo velen als gij in Christus

5

-ocr page 22-

AANDOEN.

gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Zoodat het geloof ons hier voorkomt onder de kundigheid van

AANDOEN.

Welk Aandoen betrekkelijk wordt gemaakt tot Christus in de aangehaalde woorden, en tot den nieuwen mensch, en de wapenen des lichts, Efez. 4:24 en Kom. 13:12. Wij zullen nu van dit Aandoen spreken, zooals het

N, Tot Christus betrekkelijk gemaakt wordt, Gal. 3:16.

u. De letter hier betreffende, wordt van de geleerden met recht onderzocht, waarop Paulus in deze zinspeling zijn oog heeft.

a. In het algemeen staan allen toe, dat er op het aandoen van kleederen gezinspeeld wordt; maar welke die kleederen geweest zijn, en bij welke gelegenheid die aangedaan werden, is eenig verschil in de opvattingen.

b. In \'t bizonder, om alle gedachten niet op te halen, die de geleerden bij Wolfius en Deylingius lezen kunnen, komen ons beide de twee volgende gedachten allerwaarschijnlijkst voor.

a. Of, dat er gezinspeeld wordt op het aandoen van de kleederen des hoogepriesters onder den tweeden tempel, waaronder de kleederen en sieraden wegens gebrek aan vele heilige dingen vermeerderd werden, en in het aandoen van welke er een zekere orde moest gehouden worden; terwijl niemand anders voor hoogepriester erkend werd, of hij moest deze kleederen aan hebben. Zoodat volgens deze zinspeling de volgende zaken te kennen gegeven worden.

1. Dat, zal iemand een priester des Allerhoogsten zijn, hij met Christus\' dadelijke en lijdelijke gehoor-

6

-ocr page 23-

AANDOEN.

zaamheid, door het geloof aangetrokken, moet bekleed worden. Daarom zocht Paulus boven alles in Christus gevonden te worden, Filipp. 3:9. En hieruit zal die spreekwijze zeer wel kunnen opgehelderd worden, dat de geloovigen een Koninklijk Priesterdom zijn, een heilig en verkregen vólk, dragende tot hun kleed Christus\' schoone gerechtigheid. Jer. 23:5. Jehova onze gerechtigheid.

2. Moesten de priesters een bizondere orde bewaren en stipt nakomen, in het aandoen van de kleederen; zoo ook diegenen, die Christus willen aandoen, moeten Hem aannemen eerst tot recht-vaardigmaking, om door Hem met God verzoend te worden; daarna tot heiligmaking. Want zoo is Hij van God geworden, eerst rechtvaardigmaking, daarna heiligmaking 1 Cor. 1:30. In Hem moet men zijn, en daarna vruchten dragen, Joh. 15:4, 5. Zoodat wij zien, hoe nutteloos en verkeerd diegenen werken, die maar met al hunne macht werken om heiligheid uit Christus, den grond van de rechtvaardigmaking voorbij ziende, en de rechte orde niet houdende in het aantrekken van de kleederen.

3. Was het zoo, dat die priesters alleen voor priesters erkend werden, wanneer zij hun gewaad, hunne kleederen aanhadden; zoo is het met de geloovigen; zij zijn dan priesters Gods en van het Lam. Maar ook geen werk, dat zij doen, wordt erkend, noch zij aangenomen, of zij moeten in Christus\' gerechtigheid staan. Hem telkens aandoende, en in Hem tot den Vader naderende. Zeide Jozef eens tot zijne broeders, dat, tenzij zij Benjamin medebrachten, zij zijn aangezicht niet zien zouden, zoo is het hier gewis-selijk ook gelegen.

b. Ondertusschen schoon deze gedachte op zich

7

-ocr page 24-

AANDOEN.

zelve niet onaardig is, komt ons echter gevoeglijker voor, wegens het voorgaande, dat hier gezinspeeld wordt op de gewoonte der christenen in de eerste tijden gebruikelijk bij den doop, dat hun, in het water ingedompeld zijnde, een wit kleed werd aangetrokken, \'twelk Christus\' gerechtigheid te kennen gaf, en hunne verplichting tot heiligmaking; zoodat Paulus\' woorden en hier en tevens Rom. 13:14, meteen opgehelderd, en deze beide plaatsen genoegzaam verklaard worden voor een navorscher van den zin van des Heeren woorden.

(3. Het een en ander dus in de letter nagegaan hebbende, kunnen wij zoete zaken in de woorden vinden, om ons eenige bevatting te geven van het geloof.

a. Als onze apostel hier spreekt van een aandoen van Christus, wil hij daarmede te kennen geven, dat elk zondaar en nakomeling van Adam een kleed heeft van nature, in \'twelk hij gaat, in \'twelk hij dikwerf pronkt, op \'twelk hij grootsch is, meenende dat niemand zijns gelijke is. En het is zoo: elk heeft de kunst van kleeren maken van nature. Adam maakte zich schorten van vijgebladeren, en elk een, hoe onvernuftig in wat anders, nochtans hierin is hij een kunstenaar, een volmaakte werkbaas. De kleederen nu, die de niensch aanheeft, kunnen wij nagaan.

a. Ten aanzien van hun getal. Hij heeft er meer dan een.

1. Daar is een grof bovenkleed, te weten, van zonde en ongerechtigheid, dat velen in hunnen natuurstaat aanhebben, zijnde bij uitnemendheid zondaren, goddeloozen, met opgeheven handen tegen God zondigende, en hun vermaak daarin hebbende, om de allerbooste daden te plegen, en zelfs in dat hun doen te pronken en te roemen. Ofschoon dit

8

-ocr page 25-

AANDOEN.

een grof kleed is, hoe velen zijn er niet onder Neêr-lands volk en onder mijne waarde toehoorders, die daarmede omhangen zijn, hunne overtredingen met Sodom vrij uitsprekende.

2. Daar is een fijner kleed van burgerliikheid uit beschaafdheid, of uit het karakter van de men-schen voortkomende; of wegens de ontdekkende middelen, waaronder zij lang geleefd hebben; of wegens de ambten, die zij bekleeden; of wegens den hoon en kleinachting, waaronder zij bemerken, dat grove zondaars liggen; of uit tijdelijke belangen; of uit overtreding van hun geweten. Dit kleed maakt men zich, en daarin gaat men gekleed, pronkende en trotsch voorttredende met de hoogmoedige farizeën, anderen als zondaren, onreinen en onwaardig hun gezelschap of woorden aanmerkende, zeggende: wijkt van ons, wij zijn heiliger dan gij.

3. Daar is nog een kleed nader aan \'t lijf, een hemd, een lijnvvaadkleed van eigen werk, van eigengerechtigheid, \'twelk de mensch in overtuiging met veel welnemendheid, ernst en ijver maakt, om, ware het mogelijk, bedekt te worden voor den toorn des Heeren. Met zulk een kleed was de jongeling gekleed, tot wien Christus zeide, dat hij niet ver van het koninkrijk der hemelen was, en hij had hem lief; ook die jongeling, die Christus volgde met een wit lijnwaadkleed op zijn naakt lichaam, maar van de anderen aangerand, zoo verliet hij zijn kleed, en hij liep naakt henen van Christus, Mark. 14:51, 52; en Paulus, toen hij een Saul was, zijnde omtrent de wet onberispelijk, en dus in zijne oogen Gode levende, Rom. 7:10 en wel fraai gekleed Fil. 3:5, 6. Met het een of ander van deze kleederen is elk mensch van nature gekleed.

9

-ocr page 26-

AANDOEN.

6. Wilt gij ondertusschen de eigenschappen daarvan weten, o let dan wel, mijne aandachtigen!

1. Het is een oud kleed, maar geen nieuw kleed; daarom vinden wij, dat alles, wat de mensch in zijnen natuurstaat heeft, oud genoemd wordt; de oude mensch, welke is het lichaam van zonde en dood; en daarom, als er van de zalige verandering van den mensch gesproken wordt, vind ik dat er gezegd wordt: het oude is voorbijgegaan, \'t is alles nieuw geworden. Ook spreekt Paulus van een aandoen van den nieuwen mensch, in tegenstelling van den ouden mensch. Ik beken wel, dat elk mensch juist niet gedragen heeft altijd al de genoemde kleederen, bizonder het laatste niet; want zulk een kleed van eigen werk wordt gemaakt, en aangetrokken in het voorbereidende werk van den Geest tot overtuiging. O dan, wanneer men ziet zijnen verlorenen toestand, dan begint de ziel zich tot het maken van dat kleed, dat is, tot alle plichtsoefeningen, te zetten; te veranderen van leven en daden, ernstig te zijn, te bidden, lezen, ook over zijn hart te waken, te vasten en zich te bedwingen, ja verbonden met God te maken enz., daar nochtans geene zaligmakende kennis is van den Middelaar. Ondertusschen kan zelfs dat alles oud genoemd worden; deels, omdat het alles geschiedt uit de oude natuurkrachten, die, schoon zij onbekwaam zijn tot eenig waar geestelijk goed, nochtans onder eenen prang van overtuiging kunnen zij in \'t stoffelijke doen alles, wat een waar begenadigde doen kan, ja somtijds veel overtreffen; het is gelijk als met \'t water, wanneer het\'geperst wordt, kan het in de hoogte met groot geweld steigeren; zulks zien wij in Achab, Herodes en anderen; ondertusschen alles geschiedt maar door de oude na-

10

-ocr page 27-

AANDOEN.

tuurkrachten. Het kan ook oud genoemd worden, omdat het naar de aloude mode, patroon of voorbeeld geschiedt; het is ouderwetsch naar de oude mode, want sedert dat Adam na zijnen val vijgebladeren maakte, zoo is het de praktijk van al zijne nakomelingen, zich met een wettisch kleed te bekleeden; schoon de een zijn kleed beter naar de wijze van het Evangelie door redeneeringen en verstandsb grippen kan snijden en naaien dan de ander; alles is nochtans zoo naar het oude voorbeeld, dat een nauwkeurig oog het kan nagaan, en van het rechte kleed ondersc\\eiclen. Het is ook oud, omdat het moet en zal uitgetrokken worden van al de godzaligen, welke in plaats van dat een nieuw kleed aantrekken.

2. Het is een kleed van hun eigen maaksel, en even daarom hebben zij het lief. Ten aanzien van de stof: zij hebben het uit hunne eigene ingewanden, gelijk de spinnekoppen, zeer fijn gesponnen en uitgehaald, en zij hebben het samen gemaakt door plichten op plichten te hoopen met ernst en welmeenendheid; alle zeer sterke draden, zoodat zij niet van de ongenoegzaamheid zijn te overreden, totdat een dag van Gods kracht op hun harte komt.

3. Het is een kleed, dat niet volkomen is, maar samengelapt; nieuwe deugden op hun ouden rok aannaaiende, waartegen de Zaligmaker waarschuwt, Matth. 9:16.

4. Het is na alle moeite, die er aan besteed wordt, maar een nietdeugend kleed van lorren en lappen samengesteld; het kan geen warmte geven; als de noordewind van overtuiging waait, o dan kunnen al die plichten geen vrede toebrengen.

5. Eindelijk, het kan ook de schande van de naakt-

11

-ocr page 28-

AANDOEN.

heid niet voor God bedekken. O! de oogen des Heeren kunnen zien, hoe kaal, hoe versleten, hoe gelapt dit kleed is; hoe menige ongestopte plaatsen er nog zijn, schoon het van verre wat vertoont. Daarom zegt de Heere, Jes. 28:28, dat het deksel te . smal is, dan dat men zich daaronder voege.

d. Het geeft te kennen, dat deze kleederen wor-deit uitgetrokken, dat de mensch naakt van alles worde gemaakt, eer hij tot een ware aandoening van een ander gewaad komt. Dus zien wij, dat Adam Gen. 3: 21, die schorten uitgetrokken werden, en dat God zelve hem kleederen maakte. Jakob mocht tot des Heeren altaar niet naderen, eer hij zijne kleederen had uitgetrokken, en andere aangedaan. Gen. 35:1. De vrouwspersoon, die een vreemdeling was, als zij met een Joodschen man trouwen zou konde tot des Heeren vergadering niet toegelaten worden, of zij moest hare kleederen afleggen en andere aandoen, Dent. 21; 13. Den verloren zoon, als hij wederkeerde, werden zijne oude kleederen uitgetrokken, en een nieuw kleed aangedaan.

Zoo is het; och! eer Christus door geloof wordt aangedaan, gebruikt God tot dat aankleeden zonderlinge middelen.

a. Ten opzichte van dat ruige kleed der goddeloosheid, brengt de Heere somtijds op het harte:

1. Dat, zoolang men zoo grof goddeloos is, men zelfs van burgerlijke deftige menschen geen gezel kan zijn, en met dezelve geen omgang kan hebben, of men moet er anders uitzien, en andere kleederen hebben.

2. Dat zulk een weg van leven niet in den hemel zal brengen; want zal men daar komen, men moet heilig zijn, tenminste zijn best doen.

12

-ocr page 29-

AANDOEN.

8. Dat zijn toorn op zulkeri blijft. Want een Wreker is de Heere, en dat zeer grimmig, Nah. 1:2. Die den •schuldigen geenszins zal onsclmldig houden, Exc\'.. 34:7. Zij vergaderen zich toorn als eenen schat tegen den dag des toorns en der openbaring Tan Gods rechtvaardig oordeel, Rom. 2:5. Hetgeen jden mensch op \'t verbeteren van zijne levenswijze loet denken; de ruige basten worden afgetrokken, lij vloekt, hij slaat niet meer; hij verlaat zijne ijdele .vermakingen en spotachtige gezelschappen; hij wordt •n die plaatsen niet meer gevonden, maar in des m huis, maar bij zulken, waar van geen zondige

gesproken wordt, enz.

Zoodat hij nu een fijner kleed aanheeft van al alie uitwendige deugden; dat God ook aftrekt, hem .aantoonende door zijn Woord, dat het niet een Jood j£s, die het in \'t openbaar is, maar die het in \'t ver-yporgen is, zoodat een uiterlijke godzaligheid den f!;isch der wet niet voldoen kan, en niet meer is, jjlan die, welke de Farizeën hadden.

j c. Maar het lijnwaadk1 eed wordt ook almede, schoon (;ie ziel er veel tegen stribbelt, afgetrokken, en hij vvordt naakt gesteld voor God en voor zichzelven, (;n moet uitroepen: Ik verga, wee mij dat ik een £iian van onreine lippen ben. O! wat schaamte wordt y.T nu veroorzaakt! hoe zou de ziel zich verbergen! jjioe hopeloos en radeloos ziet het er aan alle kanten , roor die u c!

c. Maar eer de kleederen worden aangetrokken, , 500 worden zij eerst gewasschen, eerst ingedompeld i.n het zuiver en reinigende bloed van Jezus, \'twelk ( ie fontein is, die geopend is tegen de zonde en tegen «ie onreinheid, Zach. 13:1. Daarom zegt Paulus: die waart gij ook eertijds sommigen, maar gij zijt afge-

13

-ocr page 30-

AANDOEN.

wassclien, maar gij zijt geheiligd, 1 Cor. 6 : 11. Daarom lezen wij, hoe de Heere belooft rein water op hen te sprengen, opdat zij rein zouden zijn, Ezech. 36:25. Daarom lezen wij, dat Hij ook den drek van de dochteren Zions zal wegnemen, Jes. 4:4.

Dit wordt ons zeer levendig en zielroerend voorgedragen Ezech. 16, waar onze arme, naakte en hulpelooze toestand zoo nadrukkelijk vergeleken wordt bij een nieuw geboren kind, \'twelk in zijn bloed ligt te wentelen, maar in \'t 9ae vs. zegt de Heere: daarna wiesch Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af. Ik bekleedde u ook. O! Christus neemt eerst de schuld van de zonde en onreinheid weg, daarna kleedt Hij de ziel met de kleederen des heils.

Nu doet hij Christus aan. Waarbij wij te letten hebben: -j

a. Op ons woord door aandoen vertaald. Het kan, ) ! gelijk de uitleggers aanmerken, of in een lijdelijken 1 zin opgevat worden, zoodat het zoude luiden: wordt met Christus aangedaan; dus zeei zoetelijk ons voorhoudende, hoe in de rechtvaardigmaking God als!, Rechter den zondaar Christus\' gerechtigheid toerekent, hem daarmede aangordt. Maar wij houden \'t liever met onze taalmannen, die het in een dadelij-ken zin overzetten, zoodat het \'t werk van de ziel in de rechtvaardigmaking wil te kennen geven; waarin zij dadelijk ook Jezus\' voldoening omhelst; wij dan door het geloof, als eene hand, Christus aangrijpende, hebben vrede met God.

h. In de zaak dan zullen wij zien :

1. De billijke reden, waarom Christus\' verdienste hier bij een kleed vergeleken wordt.

AA. Zijn de kleederen gevolgen van de zonde, zoo-

14

-ocr page 31-

aandoen. 15

at zij in den staat der volmaaktheid niet van noode raren, zoo is Christus\' voldoening alleen om voor e zonden te voldoen, en God met den zondaar te erzoenen; was de mensch in de volmaaktheid gelieven, wij zouden geen Middelaar van noode gehad nebben. ^

eb. Zijn de kleederen om de schande van de naaktheid te bedekken; zoo is ook Christus\' gerechtigheid om de naaktheid van den zondaar en zondares voor Grods heilige en rechtvaardige oogen te bedekken; daarom wordt Hij eene verberging genoemd.

cc. Zijn de kleederen tot bescherming tegen de ongemakken der lucht en tot verwarming; immers noch de wet, noch de conscientie, noch de satan zullen eenig geweld de ziel kunnen toebrengen, die met Christus\' gerechtigheid gekleed is. Wie zal beschuldiging kunnen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

dd. Zijn de kleederen ook eindelijk tot sieraad, zoo is ook Christus\' gerechtigheid; hierdoor zijn de geloo-vigen geheel verheerlijkt inwendig niet alleen, maar zij zijn ook versierd met gestikt werk van fijn borduursel. Wilt gij er eenige eigenschappen van hebben? XX. O, het is een kleed van God, des Vaders uitvinding; daarom moet het dierbaar wezen, daarom mag men er veilig op aan; Hij heeft hulpe besteld bij een Held.

33. Het is een kleed, mag ik zoo spreken, door Christus zeiven gesponnen, geweven en gemaakt met veel moeite, en zulke zware kosten, eer het in alle ojpzichten voltooid en volbracht werd.

I JJ. Het is een veelvervig kleed, niet alleen wit, n,aar ook rood, gelijk Hg zelve daarom blank en r»od genoemd wordt.

-ocr page 32-

AANDOEN.

Tl, Het is een nieuw kleed, zoodat zijne voldoening versch en nieuw is.

nn. Het is een algenoegzaam kleed, lang en breed genoeg om de ziel te bedekken, al waren het nog zulke mannen van groote lengte, en zondaars bij uitnemendheid, gelijk Manasse, Maria Magdalena en anderen.

quot;)quot;l. Het is een kleed, dat onverslijtbaar is. O! was het zoo met de Joden in de woestijn, dat hunne kleederen niet verouderden: het is zoo met het kleed van Jezus\' gerechtigheid, het is altijd even nieuw, even sterk, even genoegzaam voor de ziel.

?ï. Het is een kleed, dat noodig is voor rijken en armen; elk een, al was hij met fluweel omhangen, is naakt, heeft hij het niet; al was hij naakt naar het lichaam, heeft hij dit kleed, dan is hij bedekt.

nn. Het is een kleed, dat wonderbaar van pas is voor grooten en voor kleinen, voor jongen en voor ouden; elk past het, niemand heeft te veel, noch ook gebrek.

tOtt. Het is eindelijk een kleed, \'twelk elk vrij mag aandoen; het wordt eiken zondaar geraden te i koopen, op de markt van vrije genade, daar geen geld gangbaar is, maar alles om niet gegeven wordt, te koopen witte kleederen, Openb. 3:18.

2. De werkzaamheid des Geloofs omtrent dat kleed is, hetzelve aan te doen, aan te trekken, of met één woord, de gerechtigheid van Christus te omhelzen, en zich in Jezus zoo te dekken, gelijk het Kchaain bedekt wordt met de kleederen, en bizonder die; der Oosterlingen, die tot de teenen nederhingen; opdat de ziel zoo alles mag hebben van Jezus, wat men door kleederen heeft. Het zal klaar zijn, wr/ dit zeggen wil, wanneer wij op de gemoedsbewe-

16

-ocr page 33-

aandoen.

ingen letten, die gevonden worden in zulke zielen. aa. O, hoe verlangen zij naar dit kleed van dien lijd af aan, dat zij met nadruk zagen, dat hun vorig kleed moest uitgetrokken worden, en dat zij den kouden, guren, en barren noordenwind van krach-;ige overtuiging hadden ondervonden; daarom vin-len wij, dat het geloof een verlangen naar God fenoemd wordt, een innig begeeren naar Hem.

be. O, hoe staan zij verwonderd, dat God zelf zulk een kleed, zoo gepast, zoo kostelijk voor hun heeft uitgevonden en hun aanbiedt; daartoe zullen zij eene

(eeuwigheid van noode hebben, om Hem te aanbidden, en over de rijkdommen van zijne goedertierenheid zich te verwonderen.eeuwigheid van noode hebben, om Hem te aanbidden, en over de rijkdommen van zijne goedertierenheid zich te verwonderen.

cc. Hoe staan zij beschaamd, dat zij zoo lang dit iJdeed veracht, en naakt, in de oude kleederen, daar henen geloopen hebben; weinig zielen worden ooit te recht gebracht, of zij zijn beschaamd, dat zij zoo lang buiten Jezus gebleven zijn.

dd. Hoe hartelijk en met hoeveel blijdschap omhelzen zij Hem, trekken zij dit kleed van zijne gerechtigheid geheel, dat is, dadelijk en lijdelijk, aan\' tot hunne verberging.

be. Hoe staat dan de ziel beschaamd en verwonderd, dat zulken, die verdiend hadden met eeuwige iuisternis omgord te worden als met eenen zak, dat hun de koninklijke kleederen gegeven worden.

ff. Hoe ondervinden zij, dat de Hemelsche Vader, ja de Drieëenige God hen omhelst, op hun hart sralt, zijne gunst en de teedere bewijzen van zijne iefde uitlatende.

gg. Wat vinden zij een geheiligde gewilligheid i)m zich in deze aangedane kleederen te vertoonen por God en menschen, opdat de kostelijkheid van \\ 2

17

ii

-ocr page 34-

aandoen.

hun gewaad gezien en erkend mag worden, en Grode alle roem, lof en eere mag toegebracht worden, die hunne schande zoo goediglijk uit loutere ontferming bedekt heeft.

hh. Eindelijk, die dit schoone kleed van de Borg-gereclitigheid aandoen, daar is de zorg en naarstigheid zeer groot, om zich rein en zuiver te bewaren; de ziel is dan bevreesd zelfs voor den schijn des kwaads, wetende, dat zij heilig moet zijn, gelijk Hij, die haar geroepen heeft, heilig is; dit doet waken over het hart; mijden van alle gelegenheid tot zonde; bevreesd zijn voor de zonde, die haar lichtelijk omringt; en steeds tot haren dierbaren Borg uitroepen: Heilige Jezus, heilig mij, ik moet heilig zijn als Gij.

2. Maar gelijk het zaligmakende geloof Jezus als een kleed aandoet, zoo doet het ook aan de wapenen des lichts, om in den geestelijken krijg tegen zonde, satan en wereld te strijden; hiertoe vermaant Pau-lus de geloovigen te Rome, Rom. 13:12, De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen: Laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts. Hier komen twee zaken in aanmerking.

a. Hetgeen Paulus tot eenen grond van zijn volgende stelt. De nacht was voorbijgegaan, en de dag was nabij gekomen.

a. de nacht was voorbijgegaan. Versta door den nacht, niet den staat der Kerk onder het Oude Testament, naar den natuurstaat, de pikzwarte duisternis, waarin elk onherboren zondaar leeft zonder eenige betamelijke of geheiligde kennis Gods, zooals Hg de God des verlorenen zondaars zijn wil; en zonder kennis van zijnen eigenen verlorenen toestand en de boosheid en vijandschap van zijne ziel. en aller der-

18

-ocr page 35-

AANDOEN. 19

reiver vermogens, tegen God en den weg der zalig-aeid. Deze staat mag wel een nacht, om de akelig-jeid, velerlei gevaar, en nochtans stille zorgeloosheid les menschen daaronder, genoemd worden.

Ondertusschen was deze voorbijgegaan in hunne zalige verandering, waardoor zi] licht waren in den Heere.

• b. Daarom was de dag nabij gekomen, dat is, die heuglijke tijd van hunne verlichting in de kennis fan Christus, en van hunne blijdschap in God, wegens liet trekken van hen uit de macht der duisternis, en overstellen in het koninkrijk des Zoons zijner liefde. 1 /3. Dit zoo zijnde, is de tweeledige vermaning van Ij Paulus zeer billijk.

a. Dat zij zouden afleggen al de werken der duisternis, dat is, alle zonden van welk soort of aard zij zijn mochten; hiervan en waarin dit afleggen bestaat, hebben wij onlangs gesproken en breed aan uwe Christelijke aandacht getoond, en herhalen het daarom niet.

b. Dat zij zouden aandoen de wapenen des lichts. a. Hij spreekt van wapenen des lichts, welke anders niet zijn, dan de geheele wapenrusting Gods, Efez. 6:14—17 zeer breed beschreven. Ons oogmerk laat het niet toe, die op te tellen. Zie het zeer nuttig werk van den Eerw. Heer De Freyn, predikant te Middelburg, hierover.

h. Deze moesten zij aandoen. Welk aandoen als eene daad des geloofs de volgende zaken te kennen zal geven.

1. Dat zoodra als het zaligmakende geloof in eenigermate, zelfs in de allereerste beginselen, in de ziel gewrocht wordt door den Heiligen Geest, dat er oorlog tegen al de vijanden van Jezus in de

i

--f--1 T

-ocr page 36-

20 AANDOEN.

ziel wordt uitgeroepen, en dat de ziel in Gods mo- * gendheid Yoornemens is, nooit naar eenige voor- i slagen van vrede met een eenige zonde te luisteren, r maar integendeel tot alle te zeggen: henen uit, henen . uit! Dit is de eigen aard van het geloof, dat het het harte reinigt. Een geloof, dat niet in oorlog is r met alle zonden, hoe lief en profijtelijk die zijn \' mogen, is niet het geloof der kinderen Gods, maar een loutere inbeelding. Het einde, waarom Christus I door het geloof in het hart woont, is om de wer- \' ken des duivels te verbreken. Wil de ziel met eenige\'! 1 goedkeuring of vereeniging naar de zonde omzien, f al was het maar met een half oog, God zal haar niet hooren.

2. Dat, gelijk het geloof den oorlog aanzegt, zoo ook hetzelfde geloof den werkelijken haat en afkeer van zonde, wereld en satan levendig en fleurig houdt; en het geloof leidt de ziel tot dit einde veel in overdenking van Gods heilige en voortreffelijke natuur, van de betamelijkheid en overeenkomst met die, in zooverre een eindige natuur daarvoor vatbaar is; het doet zien de smarten en zielsangsten, die Jezus heeft uitgestaan, om het recht Gods te voldoen; het herinnert de bitterheid, die zij wegens de zonde hebben ondervonden en nog wegens de overblijfsels ondervinden. Welke werkzaamheden dei-ziel doen haten alle valsche pad; trouwens hoe meer de liefde Gods ontstoken is in \'t hart, hoe meer werkelijke haat en afkeer er is van de werken der duisternis.

3. Het geloof, ondervindende de werkelijke kracht van zonde en eigen machteloosheid, komt tot het magazijn van Gods Woord, waar een schild en helm en borstwapen is om de ziel instaat te stellen om

-ocr page 37-

\'.L

)

aanhangen. 21

staande te kunnen blijven in den dag der verzoeking.

4. Het geloof grijpt dadelijk deze wapenen aan, onder vele zuchtingen tot Jezus, als den oppersten Leidsman huns geloofs, opdat Hy hunne handen wil leeren tot den oorlog, en hunne vingeren tot den strijd.

5. Eindelijk het geloof herinnert, dat er nooit rust moet zijn, en doet de ziel in de wapenen staan, uitziende en wachtende naar de volkomen overwinning, wanneer het geloof zal in aanschouwen veranderd worden, en de ziel een volmaakte en ongestoorde rust in en bij God vinden.

Deze eerste geloofsbenaming roept u en mij toe, mijn zeer geliefde gemeente, dat wij onze zielen de gestelde zaken zouden voorleggen, en onszelven afvragen, of wij Christus hebben aangedaan, en of wij Hem geduriglijk aandoen, om onze naaktheid te bedekken? De Heere zelve bepale elk daarbij, en Hij verlieve onze harten op des Middelaars gerechtigheid. Amen.

B. Een tweede benaming des geloofs komt ons voor 1 Cor. 6; 17, waar het de apostel een

AANHANGEN

noemt, zeggende: Die den Heere aanhangt, is een geest met Hem.

X. Wat de zinspeling van den apostel hier betreft, het is niet onwaarschijnlijk, dat onze apostel hier zinspeelt op de leer der Kabbalisten; of tenminste zijne woorden kunnen uit hunne leer eenigszins opgehelderd worden. Zij stellen dat de zielen, welke zich gedurig bezighouden in Gods beschouwing en zoete gemeenschap, zoo met God vereenigd worden, dat zij, als het ware, ééne ziel met Hem uitmaken;

-ocr page 38-

20 AANDOEN.

I

ziel wordt uitgeroepen, en dat de ziel in Gods mogendheid voornemens is, nooit naar eenige voorslagen van vrede met een eenige zonde te luisteren, maar integendeel tot alle te zeggen: henen uit, henen uit! Dit is de eigen aard van het geloof, dat het het harte reinigt. Een geloof, dat niet in oorlog is met alle zonden, hoe lief en profijtelijk die zijn mogen, is niet het geloof der kinderen Gods, maar een loutere inbeelding. Het einde, waarom Christus j door het geloof in het hart woont, is om de werken des duivels te verbreken. Wil de ziel met eenigej goedkeuring of vereeniging naar de zonde omzien,! al was het maar met een half oog, God zal haar\' niet hooren.

2. Dat, gelijk het geloof den oorlog aanzegt, zoo ook hetzelfde geloof den werkelijken haat en afkeer van zonde, wereld en satan levendig en fleurig houdt; en het geloof leidt de ziel tot dit einde veel in overdenking van Gods heilige en voortrefielijke natuur, van de betamelijkheid en overeenkomst met die, in zooverre een eindige natuur daarvoor vatbaar is; het doet zien de smarten en zielsangsten, die Jezus heeft uitgestaan, om het recht Gods te voldoen; het herinnert de bitterheid, die zij wegens de zonde hebben ondervonden en nog wegens de overblijfsels ondervinden. Welke werkzaamheden der ziel doen haten alle valsche pad; trouwens hoe meer de liefde Gods ontstoken is in \'t hart, hoe meer werkelijke haat en afkeer er is van de werken der duisternis.

3. Het geloof, ondervindende de werkelijke kracht van zonde en eigen machteloosheid, komt tot het magazijn van Gods Woord, waar een schild en helm en borstwapen is om de ziel instaat te stellen om

-ocr page 39-

AANHANGEN.

\'twelk evenwel zoo niet te verstaan is, gelijk de Platonischen en de Mystieken drijven, alsof de zielen van dezulken één met God waren, door een insmelten in het Goddelijke Wezen. 0! neen; alleen ééne ziel met Hem, dat is, datzelfde willen, datzelfde doen gelijk Hij doet; welke spreekwijze in alle talen zeer gemeen is.

3. Wat dit nu als eene benaming van het geloof betreft, zal het deze werkzaamheden uitdrukken.

Volgens deze Nederlandsche overzetting.

a. Dat de geloovige, na lang tobben en naarheid, en zoeken naar Jezus, als den Borg en eenigen Middelaar, Hem eindelijk vindt, Hem niet van verre maar van nabij ziet, als een gepasten, als een noodzakelijken en als een hooggeachten persoon voor zijne ziel. Dit is hetgeen gewisselijk altijd in \'t geloof moet ondersteld worden. Hij openbaarde zijne heerlijkheid, en zijne discipelen geloofden in Hem; en Azaf zal zeggen: Wien heb ik nevens U in den hemel? Ps. 73:25.

b. Dat de ziel Dezen aangrijpt, en volkomen en alleen omhelst, voor haar goed, voor haar geluk, en eenigen grond van troost in leven en in sterven, en dat wel met de uiterste aandoening van alles wat in haar is.

a. Christus hoogachtende boven alles, zulk eene prijs en roem op Hem stellende, dat alles daalt in vergelijking van dezen Jezus in hare achting; gelijk Paulus deze werkzaamheid duidelijk in zich bevond: Ik acht alles schade en drek, om de kennis van Christus, opdat ik in Hem mag gevonden worden, mijne gerechtigheid niet hebbende maar de zijne. Pil. 3:8. Wien, zegt daarom de psalmist, heb ik nevens U in den hemel, en nevens U lust mijne ziel

22

-ocr page 40-

AANDOEN.

ziel wordt uitgeroepen, en dat de ziel in Gods mogendheid voornemens is, nooit naar eenige voorslagen van vrede met een eenige zonde te luisteren, maar integendeel tot alle te zeggen: henen uit, henen uit! Dit is de eigen aard van het geloof, dat het het harte reinigt. Een geloof, dat niet in oorlog is met alle zonden, hoe lief en profijtelijk die zijn mogen, is niet het geloof der kinderen Gods, maar een loutere inbeelding. Het einde, waarom Christus door het geloof in het hart woont, is om de werken des duivels te verbreken. Wil de ziel met eenige goedkeuring of vereeniging naar de zonde omzien, al was het maar met een half oog, God zal haar niet hooren.

2. Dat, gelijk het geloof den oorlog aanzegt, zoo ook hetzelfde geloof den werkelijken haat en afkeer van zonde, wereld en satan levendig en fleurig houdt; en het geloof leidt de ziel tot dit einde veel in overdenking van Gods heilige en voortreffelijke natuur, van de betamelijkheid en overeenkomst met die, in zooverre een eindige natuur daarvoor vatbaar is; het doet zien de smarten en zielsangsten, die Jezus heeft uitgestaan, om het recht Gods te voldoen; het herinnert de bitterheid, die zij wegens de zonde hebben ondervonden en nog wegens de overblijfsels ondervinden. Welke werkzaamheden dei-ziel doen haten alle valsche pad; trouwens hoe meer de liefde Gods ontstoken is in \'t hart, hoe meer werkelijke haat en afkeer er is van de werken der duisternis.

3. Het geloof, ondervindende de werkelijke kracht van zc 1,1 en eigen machteloosheid, komt tot het magazi, .n Gods Woord, waar een schild en helm en borstwapen is om de ziel instaat te stellen om

20

-ocr page 41-

aanhangen.

staande te kunnen blijven in den dag der verzoeking.

4. Het geloof grijpt dadelijk deze wapenen aan, f onder vele zuchtingen tot Jezus, als den oppersten : Leidsman huns geloofs, opdat Hij_ hunne handen

wil leeren tot den oorlog, en hunne vingeren tot f den strijd.

5. Eindelijk het geloof herinnert, dat er nooit rust moet zijn, en doet de ziel in de wapenen staan, uitziende en wachtende naar de volkomen overwinning, wanneer het geloof zal in aanschouwen ver-

1 anderd worden, en de ziel een volmaakte en onge-, stoorde rust in en bij God vinden.

Deze eerste geloofsbenaming roept u en mij toe, mijn zeer geliefde gemeente, dat wij onze zielen de gestelde zaken zouden voorleggen, en onszelven afvragen, of wij Christus hebben aangedaan, en of wij Hem geduriglijk aandoen, om onze naaktheid te i bedekken? De Heere zelve bepale elk daarbij, en 1 Hij verlieve onze harten op des Middelaars gerechtigheid. Amen.

B. Een tweede benaming des geloofs komt ons voor 1 Cor. 6:17, waar het de apostel een

AANHANGEN

noemt, zeggende: Die den Heere aanhangt, is een geest met Hem.

X, Wat de zinspeling van den apostel hier betreft, het is niet onwaarschijnlijk, dat onze apostel hier zinspeelt op de leer der Kabbalisten; of tenminste zijne woorden kunnen uit hunne leer eenigszins opgehelderd worden. Zij stellen dat de zielen, welke zich gedurig bezighouden in Gods beschouwing en zoete gemeenschap, zoo met God vereenigd worden, dat zij, als het ware, ééne ziel met Hem uitmaken;

21

-ocr page 42-

I

AANHANGEN.

\'twelk evenwel zoo niet te verstaan is, gelijk de Platonischen en de Mystieken drijven, alsof de zielen van dezulken één met God waren, door een insmelten in het Goddelijke Wezen. 0! neen; alleen ééne ziel met Hem, dat is, datzelfde willen, datzelfde doen gelijk Hij doet; welke spreekwijze in alle talen zeer gemeen is.

3. Wat dit nu als eene benaming van het geloof betreft, zal het deze werkzaamheden uitdrukken.

cc. Volgens deze Nederlandsche overzetting.

a. Dat de geloovige, na lang tobben en naarheid, en zoeken naar Jezus, als den Borg en eenigen Middelaar, Hem eindelijk vindt, Hem niet van verre maar van nabij ziet, als een gepasten, als een noodzakelijken en als een hooggeachten persoon vóór zijne ziel. Dit is hetgeen gewisselijk altijd in \'t geloof moet ondersteld worden. Hij openbaarde zijne heerlijkheid, en zijne discipelen geloofden in Hem; en Azaf zal zeggen: Wien heb ik nevens [J in den hemel? Ps. 73:25.

b. Dat de ziel Dezen aangrijpt, en volkomen en alleen omhelst, voor haar goed, voor haar geluk, en eenigen grond van troost in leven en in sterven, en dat wel met de uiterste aandoening van alles wat in haar is.

a. Christus hoogachtende boven alles, zulk eene prijs en roem op Hem stellende, dat alles daalt in vergelijking van dezen Jezus in hare achting; gelijk Paulus deze werkzaamheid duidelijk in zich bevond: Ik acht alles schade en drek, om de kennis van Christus, opdat ik in Hem mag gevonden worden, mijne gerechtigheid niet hebbende maar de zijne. Pil. 3:8. Wien, zegt daarom de psalmist, heb ik nevens U in den hemel, en nevens U lust mijne ziel

22

-ocr page 43-

AANHANGEN.

niets op de aarde; bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, Gij zijt de rotssteen mijns harten, en de menigvuldige verlossing mijns aanschijns, Ps. 73:25, 26 en 42:12.

h. Met de allerinnigste liefde, zuiver uit \'s harten grond voortkomende: Hoe hartelijk heb ik U lief, o Heere, mijne sterkte, Ps. 18:2.

c. Met alle genegenheid van de ziel, zooals de kerk, die Hem begeerde in den nacht met hare ziel, die Hem ook vroeg zocht met den geest, die in het binnenste van haar was, Jes. 26:9.

c. Dat deze zielswerkzaamheid zeer nauw is, gelijk uit de woorden blijkt: Zij worden een geest met Hem, en uit de uitdrukking des Bijbels: Ik in hen en zij in Mij; Ik de wijnstok en zij de ranken, Joh. 15:4, 5.

d. Dat de ziel in dit aanhangen strijd vindt.

a. Somtijds vindt zij, dat Jezus van haar vertrekken wil, aanstalten maakt om haar te verlaten, maar, gelijk Jakob, hangt de ziel Hem zoo aan, dat zij Hem niet wil laten gaan; en gelijk de Bruid, die zegt: Ik hield Hem vast. Ja, gelijk de Emmaüsgangers; zij dwingen hem met geweld, om bij hen te vertoeven, \'twelk toegaat met veel worsteling, belijdenis van schuld, nieuwe uitgangen der ziel door geloof, vasthouden tot den einde.

b. Ja \'t is somtijds, dat zij ondervindt, dat de satan en haar ongeloovig hart haar terugtrekken, om, als het ware, haar houvast, haar grijp van Jezus los te laten. Maar zij hangen Hem nochtans aan, blijven omtrent Hem werkzaam, in allen opzichte met Job aan hunne oprechtheid vasthoudende tot den einde toe.

/3. Zoet is het, de kracht van het grondwoord na te

23

-ocr page 44-

AANHANGEN.

gaan; het geeft te kennen gelijmd, zij die met Christus gelijmd zijn, hetgeen te kennen zal geven:

a. Dat zij niet aan Hem van te voren vast waren; want als zaken aan elkander gelijmd worden, is dat een bewijs, dat zij van elkander gescheiden waren; zoo ook hier, zij waren niet Christus\' eigendom van nature, o neen, zij zijn uit hunnen vader, den duivel, kinderen des toorns, gelijk anderen, Efez. 2:3.

h. Dat Hij hen opgenomen heeft uit die afgescheidenheid, hen trekkende uit den muil des hel-schen leeuws, en rukkende als een brandhout uit het vuur, ingaande met een geweldige hand om dien sterke van zijne vaten te berooven en met Zich zeiven te vereenigen.

c. Wordt er de hand van den werkman vereischt om gescheidene stukken met elkander vast te maken, zoo hier: de Heilige Geest brengt Christus Jezus door de inwendige verkondiging van het Woord aan de ziel, en de ziel tot Christus, het geloof in het hart werkende, en haar daardoor met Christus vereenigende in hare krachtige roeping.

d. Wanneer zaken van elkander gescheiden, dus volgens de zinnebeeldige beteekenis vereenigd worden, dat geschiedt door een vocht, door een vloeibare stof; zoo hier, de vereeniging, waardoor dit aanhangen teweeggebracht wordt, geschiedt daardoor, dat Christus\' bloed op de ziel gesprengd wordt, en dat geschied zijnde, zoo is het een vaster lijm, dan dat hel en dood het zouden kunnen losmaken.

e. Is dat zoo, dat, als zaken aan elkander gelijmd worden, er een wederzijdsche aangrijping wordt vereischt tot de vastigheid, o zoo is het hier: Laat de ziel trachten Christus zooveel aan te hangen, als zij wil: daar zal geene vereeniging zijn, tenzij Hij eerst van

24

-ocr page 45-

AANHOUDEN.

zijnen kant aangrijpt. Het is toch God die eerst liefheeft, en daarom trekt Hij in goedertierenheid.

f. Is dat zoo, dat, als stukken te zamen gelijmd worden, zij dan tot één wórden; zoo, wanneer Christus en de ziel dus vereenigd worden, zij worden tot één, tot één lichaam, waarvan Hij het hoofd is.

Immers een allerdierbaarste benaming des geloofs dan, zoo in \'t eene als in \'t andere. Mochten wij Hem aanhangen met ons gansche hart en ziel, en ondervinden tot onzen troost, als een blijk, dat wij Jezus aanhingen, dat de Geest van Christus in ons woonde! C. Onder deze letter verdient de benaming van

AANHOUDEN

hare opmerking. Ik beken wel, dat aanhouden meest zijne betrekking tot het gebed heeft, waarin de ziel, niettegenstaande alle beletselen, blijft worstelen in \'t gebed tot God met alle zuchting en smeeking, niet kunnende noch willende God laten gaan, voordat Hij haar zegent, en hare begeerte schenkt. Nochtans ik twijfel niet, of het geloof is die genade, welke die kracht en drang geeft om aan te houden. Ja wat meer is, het aanhoudende werk der ziel met Christus wordt geloof genoemd, Matth. 15 : 28. O vrouw, groot is uw geloof. Opdat wjj nu zouden zien, hoe het geloof de ziel doet aanhouden, dachten wij dat het beter zou zijn, zulks in een voorwerp of twee te zien, dan de zaak in \'t afgetrokkene met uwe aandacht te verhandelen.

X. Een van de nadrukkelijkste voorbeelden van aanhouden vinden wij in de Kananeesche vrouw, Matth. 15:22—29. Welke zaken wij bijwijze van aanmerkingen liever willen voorstellen, dan de woor-

25

-ocr page 46-

AANHOUDEN.

den letterlijk verklaren. Die de geschiedenis maar inziet, zal met mij zien en aanmerken:

a. Dat voor en aleer Jezus Christus van nabij tot een armen verloren zondaar nadert om Zich aan hem in zijne gunst te ontdekken, en hem tot een gemeenzame oefening des geloofs in eene verbondsonder-handeling toe te laten; dat God, door zijne alwijze regeering, bestiering en toelating, beschikt eenige zaken of omstandigheden omtrent dat onderwerp, \'twelk hem kwellen, zonder eenige rust of vrede toe te laten, een knagende worm gevende, die het sap van alle genoegen en vertroosting wegneemt. Zoo was het met de bekeerden op het Pinksterfeest, Hand. 2:37, hunne harten waren doorpriemd. Zoo is het met deze vrouw; hare dochter was deerlijk van den duivel bezeten; dit was het, wat deze vrouw dreef en aanzette om naar Christus te gaan; dit maakte haar aanhoudende. Zoo is ook Gods weg nog heden ten dage met velen. Hij doet hen onder de roede der verdrukking doorgaan, eer Hij hen onder den liefelijken band van zijn verbond brengt, Ezech. 20:11, 12. Hij zendt plagen, oordeelen en vele engten, waardoor de conscientie ontwaakt wordt, en de mensch rusteloos en radeloos en hulpeloos gemaakt wordt; zijn gelaat verandert, hij kan niet leven zooals voorheen; daar is inwendig benauwdheid, die de fleur van zijn leven wegneemt, schoon hij dikwijls niet weet, waar het aan schort. Ik geloof, dat velen tot God door dezen weg gebracht worden. Leest met een nauwkeurige aandacht, Ps. 107, daar zijn voorbeelden van alle soorten van menschen, uit benauwdheid tot God roepende, die God helpt. Konden kleinen, in wie een beginsel van Gods werk is, schoon zij het niet weten, dit

26

-ocr page 47-

AANHOUDEN.

opmerken, het zoude voor moedeloosheid bewaren; immers het eerste dat de H. Geest werkt, is dit; en waar het in waarheid is, zal het ook de Geest verder brengen.

/3. Maar wij kunnen er ook uit leeren, ^at, zal \' Jezus naderen, de zaken nader op de ziel gebracht 7 worden; datgene, wat voordezen wel in \'t gemeen kwam te benauwen, wordt een huisplaag, iets, waarmede de ziel dagelijks omgaat, \'twelk zij dagelijks voor oogen heeft als de oorzaak van de benauwdheid en rusteloosheid. Deze hare dochter in 1 haar huis wordt van den duivel gekweld. Zoo ge-j schiedt het ook nog heden ten dage. Zal het den I mensch ernst worden, het moet hem zeiven drukken; hij kan treuren als bet zijnen naaste overkomt, maar hoeveel hartelijker, wanneer hij zelve de man is, die van den duivel gekweld wordt wegens de zonde! Dan eerst begint het ernst te worden, dan ziet hij uit, i ja dan houdt hij aan, clan kan bij niet langer rusten. ■y. Merkt aan, dat nu Jezus, gelijk de woorden te kennen geven, meer van nabij komt, schoon Zich-* zeiven zoo niet openbarende. O! Christus komt tot zulken, al ware het in Tyrus en Sidon, de allergod-delooste hoeken, steden of familiën, om te helpen : en te redden. Hij komt door het Woord en de 1 verkondiging daarvan, uitroepende, dat Hij zulk een I is, die alle geestelijke kwalen geneest. En schoon de ziel langen tijd niet kan medewerken met het woord van aanbieding voor zich in \'t bizonder, het 1 bewaart echter voor wanhoop, en het doet de ziel ernstig gebonden blijven aan de middelen der genade, ja het doet de ziel duizendmaal van haren kant zich aan God opdragen en overgeven, om Christus tot een eigendom te zijn.

|

|

|

27

-ocr page 48-

aanhouden.

§. Leer er nu ook uit, waar wij tot dat aanhouden zelve komen; waaruit wij zien kunnen

a. Dat de ziel nu aan \'t roepen komt, deze aanhoudende en gelijk de Kananeesche vrouw uitroept: Heere, gij Zone Davids, ontferm U mijner! Waaruit wij leeren kunnen.

a. Hoe de ziel in dat aanhouden Christus aanmerkt. O! het zijn niet onbepaalde en gemeene gedachten, die zij van Hem heeft, gelijk velen, die zoo bij het werk der verlossing niet bepaald worden ; maar zij, en elk recht aanhouder, merkt Hem aan .

1. Als Heere. Namelijk dit ons grondwoord Kupis, Heere, geeft wel zoodanig eenen te kennen, die ontzaglijk is; het werkwoord, waarvan het afgeleid wordt, te kennen gevende autoriteit en gezag; zoo-dat deze vrouw Hem erkent als een ontzaglijk\' Persoon, den Heere van alles, en die derhalve haar helpen kan; maar het is niet onaangemerkt voorbij te gaan, dat dit woord overeenkomt met het He-breeuwsche woord Jehova; zoodat zij Hem erkent als den waarachtigen God. Dit is een onmededeelbare naam; want Heebe is zijn naam, en zijne eere wil Hij niet aan een ander geven, noch zijnen lof aan de gesnedene beelden. Derhalve zal elke rechte aan -houder het voorbeeld van deze vrouw in het oog moeten hebben, en in zijne geloofswerkzaamheid den Borg moeten aanmerken als den eeuwigen God, eens -wezens met den Vader en den Geest. Zonder dat zou Hij geen Verlosser kunnen zijn.

2. Maar zij merkt Hem ook aan als den Zone Davids; een mensch, en waarachtig mensch niet alleen, maar als den Zone Davids naar ons Evangelie. Zoodat uwe aandacht ziet, hoe eigenaardig deze vrouw Christus aanmerkt als God en mensch in één per-

28

-ocr page 49-

aanhouden.

oon; was dat niet, tij zou deze vrouw niet kunnen geholpen hebben, nocb het voorwerp van haar voor-leeldig aanhouden zijn.

;; h. Deze vrouw nu roept om ontferming, het is: mtferm U mijner!

1. Ontferming zegt in God zijnen lust en genegen-aeid om aan ellendigen wel te doen, om hen te belpen en te redden. Derhalve deze komt niet als jeene opgeblazene, steunende op eigen verdiensten m waardigheid, maar als eene ellendige, met den j^trop om den hals, als een worm en zondig niet, om ontferming te bidden en aan te houden. En dit is nu het wonderlijke, dat in het geloof is, en in al jdeszelfs benamingen in Gods Woord, het is een ziel-ledigende genade, den mensch bedel-arm makende, en verootmoedigende, om die als gewillig te willen jontvangeu om niet. \'tWelk regelrecht tegen de sondige opgeblazen en eigen werkelijke natuur strijdt, jdie zich niet wil onderwerpen aan den weg van vrije ilontferming, Rom. 10:12, noch met Paulus, Filip. p: 8, alles als schade en drek achten; voor en aleer een lialmachtige arm Gods het in de ziel teweegbrengt. Die derhalve uit een bevindelijke kennis van de pietigheid en Godonteerendheid, zelfs van zijne beste werken, enkel om ontferming bij God aanhoudt, die neeft de vereischte zielsgestalte; en God zal hem niet wegzenden, maar veeleer zullen zijne Goddelijke jingewanden over hem rommelen, Jer. 31:20. 1 2. Deze riep om de ontferming, dat geeft te kennen: j aa. Dat zij overreed was, dat zij ontferming van \'noode had; zonder deze overreding zoude de vrouw eens anderen hulp niet gezocht hebben. O! dan roept de ziel: ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg!

be. Dat het innige gevoel en de gemoedsaandoe-

29

-ocr page 50-

AANHOUDEN.

ning over haren toestand haar aanporde, om heil en redding bij een ander te zoeken.

cc. Het roepen geeft haren ijver, haren ernst in dezen te kennen; het ging haar ter harte, daarom riep zij God aan in den dag harer benauwdheid om de redding en om hulp. Maar hoe geschikt ook haar gebed was, Jezus antwoordde niet één woord.

b. Waarbij wij aanmerken kannen :

a. Dat een gebed zeer wel kan geschikt worden, op \'twelk Jezus in \'t eerste niet antwoordt, noch eenige blijken geeft, dat Hij hetzelve hoort; daarom vinden wij dikwerf klachten der heiligen hierover: Waarom verbergt Gij U? Waarom staat Gij van verre ? Als wij roepen, hoort Hij niet.

h. Dat dit ondertusschen geen teeken is, dat zulk een geloofsaanhoudend roepen Gode onaangenaam is; o neen! Schoon Jezus niet sprak tot haar met zijnen mond, daar ging verborgen kracht van Hem uit tot hare ziel, en dit deed haar nog aanhoudender roepen.

c. Dat een geloovige het niet ten eerst e moet opgeven, als de Heere Jezus niet antwoordt, noch zijne werkzaamheid daarom in twijfel trekken, alsof het niet recht was, omdat Jezus niet antwoordt; o neen! Daarom zegt de Evangelieschrijver : Doch, hoe recht deze riep, Jezus sprak niet één woord .

d. Leert met mij, dat waar het recht om te doen is, weigeren niet zal doen ophouden, maar te ernstiger maken, gelijk het met deze vrouw was, zooals wij het opmaken kunnen uit de woorden van de apostelen, waar zij zeggen: Heere, Iaat ze van U, want zij roept ons na.

a. Hier vinden wij hare aanhoudendhe id. Jezus ging op den weg voort, stond niet stil, m aar hoe

30

-ocr page 51-

AANHOUDEN. 31

hard Hij ging, zij riep Hem na. Men kan zich genoegzaam verbeelden, met wat kracht, met wat ernst deze vrouw aanhield, en wat drangredenen zij gebruikte. En ondertusschen, naar den uiterlijken schijn, èr wordt niets tot haar gezegd.

h. Daarenboven is het ook te denken, dat de discipelen die vrouw ook hard hebben gevallen, eer zij tot Christus zeiden; Laat ze van U, enz. hetgeen zelfs kan toonen, hoe Christenen zei ven jonge jbeginners hard kunnen vallen, meer uit wrevel en verkeerdheid, dan wel uit een zuiveren lust voor julk een persoon. En weet de ziel, dat het haar met ernst om de zaak te doen is, laat dan het hard en wrevelig behandelen den lust nooit uitblusschen, maar liever tot Grod in \'t verborgen drijven, die de tranen ziet en de zuchtingen kent.

i d. Wanneer Jezus nu al sprak, het was als om (de zaak onmogelijk te maken. Hij was tot de Joden gezonden, en niet tot Heidenen, zoodat Hij dit ook afslaat. Hetgeen Gods weg wel somtijds is, dat Hij toelaat in dat eerste werk, dat de ziel te doen vindt met de verkiezing, dat Christus komt om de uitverkorenen, en niet om haar, die zoovele teekenen van verwerping heeft. Wilde ik mij hierin uitlaten, daar «m wat gezegd worden, om zulk eene te troosten, en den steen van het graf te wentelen; maar ziet, hoe er deze vrouw mede handelt.

e. Wat doet deze vrouw? Geeft zij het daarmede op? O neen! zij komt voor Hem, en aanbidt Hem, zeggende: o, help mij! Zij erkent nu, dat Hij waardig is gediend te worden, om Zijns zelfs wil; en den nood dringende, houdt zij aan om hulp. O! wat zal het gezicht van deze vrouw nederig geweest zijn! Wat zullen hare oogen gevloeid hebben van eenen

f

-ocr page 52-

AANHOUDEN.

tranenvloed! Wat zullen er niet bij haar ellendige klachten geweest zijn, en nare kermingen tot dezen Ontfermer! Alles zal zoo onnagaanhaar geweest zijn, dat noch tong het uitspreken, noch pen het beschrijven kan. En het gaat ook zoo nog, als God iemand tot zaligheid bewerkt; wanneer zij in engten gebracht worden, door de verkiezing, zoodat het dringt, o, dan zien zij de onbetamelijkheid van den dienst der zonde, en de betamelijkheid van den dienst Gods; zij willen Hem aanbidden en erkennen, dat, schoon Hij hen verwierp, Hij rechtvaardig is. Ondertusschen zoo kan Hij helpen, zij roepen uit: Help mij, Heere!

f. Stond Jozef eens bij zijne broeders, zich verbergende, ondertusschen met zijn gemoed omtrent hen vol, zoodat hij weenen moest. Gen. 31 en 45; wat mogen wij ons nu niet van Jezus verbeelden, als vol liefde en aandoening omtrent deze vrouw:\'. Die had zijn hart ingenomen; doch Hij wil nog haar geloof beproeven. Hij zegt: Vrouw, het is niet geoorloofd, het brood der kinderen aan de honden te geven; gij nu zijt een heidin, een hond; en met deze woorden toetste Hij hare nederigheid. Het was wel een hard antwoord, maar de vrouw maakte er haar geestelijk gebruik van.

g. Daarom, zij stemt Hem toe. O, de ziel, die, recht bewrocht is, wil geen wreveligheid hebben tegen Christus\' woorden; zij stemt toe, dat alles, wat uit den mond der waarheid voortkomt, waarachtig is. Het is zoo, zegt de vrouw; o! ik erken mij ook onwaardig als een hond; ik wil ook in de uiterste ootmoedigheid als een hond aan uwe voeten kruipen; wilt gij mij geen heel stuk van het brood der kinderen geven, omdat ik zoo onwaardig ben, geef evenwel een kruimel; maar het is mij niet even-

32

-ocr page 53-

AANHOUDEN»

fveel, wat kruimel, het moet evenwel van het brood der kinderen zijn. Dies hield deze vrouw aan; dit Kvas geloot niet alleen, — schoon een kleine ziel het dikwerf niet voor geloof erkent, — maar het was een «geloof, waarover Christus verwonderd stond, het was een groot geloof. O, kleine zielen! ontkent dan Iniet meer het werk van God; dat aanhouden, dat \'komen als een hond om een kruimpje, is geloof, ja ■een groot geloof, een geloof, waarover Christus ^verwonderd staat.

Wij hebben nog twee nadrukkelijke voorbeelden van dit aanhouden; een in Jakob, die den ver-bonds-engel niet wilde laten henengaan, totdat hij gezegend werd; waarvan ik niet spreken zal, overmits vele zaken met het gezegde overeenkomen; maar een uitdrukkelijk voorbeeld van dit stuk is Bartimeus de blinde, Mark. 10:46, waarover wij Aanmerken:

x. Dat alles, wat in de andere vrouw was, als anhouden, ook in dezen te zien is.

/3. Maar wij vinden de volgende zonderlinge zaken:

a. Deze zit op den weg; hij was in den ingestel-V en weg, en daar riep hij; waaruit wij leeren kunnen, dat, schoon God nu en dan, hetgeen een wonder |ran zijne vrije genade is, dezen en genen komt te toepen, als zij niet op den weg van de middelen sijn. O! op dien weg is Gods zegen met grond te verwachten; nergens anders. Als eene ziel zich van de middelen onttrekt, dan mag zij ruim gelooven, segt Owen, dat zij is in de ure der verzoeking, in de seef van den satan, en zij zal nooit zegen te verwachten hebben, maar van erger tot erger voortgaan.

b. Deze werd geroepen van Jezus, eer hij komen \'ion, of zijn mantel van hem kwam aftewerpen; zoo

3

33

-rv ir;

\'

li

-ocr page 54-

34 AANKLEVEN.

is het ook met elk recht ontdekte en aanhoudende ziel. Zij zoude nooit tot Christus kunnen komen, noch den mantel van hare eigengerechtigheid weg-;] werpen, of Christus moest haar bij name roepen, er hierin is een waar onderscheid tusschen recht werk en nabijkomend werk. 0! de nabijkomenden kunnen zoo dikwerf in hun oordeel komen als zij willen,1 maar die ontdekt worden, vinden, dat het onmogelijk is te komen, vóór de roeping.

c. Leert dit, dat doorgaans voordat de ziel krachtdadig geroepen wordt, dat er ontstaat wat twijfelmoedigheid, wat moedeloosheid, om het, als \'t ware, buiten hoop te stellen; daarom komen dezen tot Bartimeus, en zeggen: zijt goedsmoeds. Hij roept u in \'t bizonder.

d. Leert, dat alsdan hetgeen van te voren het allerzwaarste was, nu het allerlichtste wordt; als hif inwendig geroepen wordt tot Jezus, hij staat op.

e. Leert, dat de ziel alles wegwerpt, wat haar beletten zou om tot Jezus recht te komen; o! deze wierp zijn mantel van zich, zoo ook de ziel werpt dien ouden mantel van eigengerechtigheid weg, eer, zij recht komt. j

f. Dat de ziel weet, waarom zij komt, wat zij van noode heeft. Jezus vraagde hem: wat wilt gij, dat Ik u doen zal? O, Heere, zeide hij, dat ik ziende worde.

D. Een vierde dierbare benaming van het geloof, onder deze letter, is

AANKLEVEN.

Ps. 63:9, Mijne ziel kleeft ü achteraan; uwe rechterhand ondersteunt mij.

X, Dan hij spreekt van de werkzaamheid des geloof! zelve, dezelve noemende een aankleven aan God.

taak.

-ocr page 55-

AANKLEVEN.

x, Wat ons grondwoord p31 betreft. Het geeft

\' T

te kennen als met zijn gansche lichaam ergens op gehecht te wezen, en als onlosbaar vast. Zoo vinden wij het gebruikt om een nauwe vereeniging uit te drukken, Job 38: 38, Als het stof doorgoten is tot vochtigheid en de kluiten samenkleven. Zie ook Ps. 44:26, waar van een kleven van den buik aan het stof gesproken wordt. En Ps. 119:25 zegt de dichter, dat zijne ziel kleefde aan het stof, enz.

(3. In \'t zakelijke, en zoo verre als dit eene benaming des geloofs is, deszelfs werkzaamheid uitdrukkende, zal het zeggen

a. Een zeer nauwe verbondsonderhandeling tus-schen God en de ziel, zooals Hij zich aan de ziel wil schenken, en mededeelen; en zij van haar kant Hem wil omhelzen; hiertoe vinden wij aanleiding Jer. 13:11, Gelijk de gordel kleeft aan de lendenen eens mans, alzoo heb ik het gansche huis Israels en Juda aan Mij doen kleven.

b. Het zal zeggen dat innige voornemen en vereenigen tusschen God en de ziel uit kracht des verbonds; zoodat God het leven van hunne ziel geworden is, en zij leven in zijne beschouwing en gemeenschap, door de invloeden van zijnen Geest; zooals het gebruikt wordt van het huwelijk. Daarom zal een man vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven. Gen. 2; 24.

c. Het zegt de blakende liefde, waardoor God aan de ziel en de ziel aan God gehecht wordt; gelijk van Sichem gezegd wordt, dat zijne ziel kleefde aan Dina, en hij had de jongedochter lief en sprak naar haar hart. Gen. 34:3.

d. Het zegt ook die nabijheid van God, waardoor

35

-ocr page 56-

AANKLEVEN.

zij altjid bij Hem leven mogen en verkeeren, Hand. 8:29. In dezen zin beval God Filippus: ga toe en voeg u bij dezen wagen. Zie ook Ps. 78:23, Ik zal dan geduriglijk bij U zijn. Hierin gewennen zij zich aan God en hebben vrede.

e. Het zal zeggen die zalige werkzaamheid, waardoor zij zich aan God hechten, met het innigste, met het allerteederste van hunne gedachten, gelijk in \'t voorgaande; en Ps. 39:17, 18, Hoe kostelijk zijn mij uwe gedachten, o God! worde ik wakker, zoo ben ik nog bij U; in welke

a. De ziel haren Heere zoekt aan te kleven met haar gansche hart in het gedurig herhalen van de Yerbondsoprichting, erkennende God waardig het kostelijkste van haar hart, hebbende een vast voornemen, om met haar hart bij den Heere te blijven, Hand. 11:23.

amp;. Hiertoe behoort dat nauwkeurig wandelen in den weg van heiligmaking: Ik heb verkoren den weg der waarheid, Ps. 119:30.

c. Gedurige uitgangen van levendige en werkzame zielszuchting tot God door zijnen Zoon, opdat Hij Zich wel te genieten wilde geven, zoodat de ziel zich in God moge verlustigen.

d. Reikhalzen en verlangen in de ziel, om God in zijne heerlijkheid te aanschouwen, gelijk Bernhardus zegt: Desidero te, miïlies, o Jesu, quando venies, dat is; Ik begeer u duizendmaal, o Jezus, wanneer zult gij I komen. Ziet ook het tweede vers. i

f. Dit aankleven zal ten laatste zeggen, volstandig en onbezweken standvastigheid van de ziel in \'t begeeren van God. Gelijk ook iemand dat zeer zoet uitdrukt:

36

-ocr page 57-

——

AANKLEVEN.

Ik zal standvastig wachten blijven,

Ik zal niet wijken, ook geen vinger breed; Niemand zal mij van deze plaats drijven.

Daar ik tot dood en leven ben gereed. En schoon mij nimmer wordt opgedaan. Zoo zal ik blijven aan den dorpel staan: ■ Ja, zoo men mij de deur niet openstelt. Ik moet er in, met bidden of met geweld. 3. Dit was nu een achter aankleven, dat ons onder deze benaming voorkomt, en hierbij is ons dit te binnen gekomen:

I «.Of dat David niet wilde vooruit loopen, maar den Heere navolgen, \'twelk een dierbare werkzaamheid van liet geloof is. Hebr. 12:2. Ziende op den Oppersten Leidsman des geloofs.

j3. Of, het zal zeggen, en te kennen geven de zalige verandering, welke in de ziel veroorzaakt wordt als het geloof veroorzaakt wordt. Vóór dien tijd moet God haar naroepen, maar Hij ontvangt geen antwoord; maar het geloof gekomen zijnde, o! zij roepen God achterna: Mijn vader, mijn vriend, maak ü op tot mijne hulpe!

y. Of, het zegt dit; dat God somtijds Zich onttrekt, , somtijds Zich verbergt voor den huize Jakobs; maar daar kleven zij Hem achteraan, opdat Hij raag verschijnen, blinkende door de traliën.

5. Of, om te toonen, hoe het hier gaat op aarde; het is maar een weinig, dat ondervonden wordt; het bestaat meermalen maar in reikhalzen, begeeren van de zalige nabijheid. Immers, zoodra wij ons nu dit alles te binnen brengen, zoo moeten wij zien, dat het is een allerzoetste en eigenaardige benaming van het geloof, waaraan elk zich kan onderzoeken, of hij zulke werkzaamheden vindt of niet.

37

V

Ir

wi

il

-ocr page 58-

AANNEMEN.

E. Wij vinden nog een zeer nadrukkelijken naam onder deze letter van het geloof, dat het genoemd wordt een

AANNEMEN.

Joh. 1:12. Zoo velen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te zijn. N. Hier wordt nu in deze benaming veronderstelt: x. Dat iets, hetgeen het voorwerp des geloofs is, aangenomen wordt. En dit is Christus Jezus in alles, waarin Hij van God geworden is voor den zondaar. Meer zal ik niet zeggen, omdat het naderhand te pas zal komen, als wij van het voorwerp des geloofs spreken zullen.

/3. Dat deze Jezus wordt aangeboden, niet alleen door de uitwendige verkondiging des Evangelies aan alle menschen, maar zonderling aan zulk een in \'t bizonder; dit noemt God in zijn Woord een roepen van hen bij namen.

Het stelt of zegt deze zaken:

x. Dat de ziel toestemt Gods aanbieding aan haar in \'t bizonder. Daarom hooren wij een nadrukkelijk getuigenis van het geloof, dat het is een toezetten van dat zegel, dat God waarachtig is.

/3. Dit is een hartelijk willen van Jezus Christus, door \'twelk het geloof meermalen voorgehouden wordt: Die wil, die kome en neme van het water des levens om niet.

•y. Het zegt een loslaten van alle zijne houvasten, de hand opendoende en die loslatende; dus komen die mannen van groote lengte over, zeggende: het is buiten hope.

5. Het zegt Jezus alleen en Hem geheel te omhelzen met zijn gansche hart, met zijn gansche ziel;

38

-ocr page 59-

AMEN.

zoodat de ziel ziet, dat zi] niet meer van noode heeft, en met minder kan zij het ook niet stellen. Breeder zullen wij hiervan spreken, als wij tot een bizondere verhandeling van de geloofsdaden komen.

F. Het woordje

AMEN

zooals het verscheidene nadrukkelijke geloofsdaden uitlevert, komt nu in onze overweging. Ik zal uwe christelijke aandacht niet ophouden met deze en gene letterlijke aanmerking over het woord, noch over deszelfs afleiding; het een en het ander hebben wij bij een andere gelegenheid gedaan; het zal ook niet noodig zijn te bevestigen, dat amen eene geloofs-benaming is; alle uitleggers stemmen het met onzen christelijken onderwijzer toe; en de zaken, die wij hooren zullen, zullen het ons bevestigen. Wij merken maar alleen aan, dat dit amen te kennen zal geven, als eene geloofsbenaming, twee voorname zaken, namelijk de volkomen toestemming van de ziel, en dat waarachtige vertrouwen des harten op God in Christus, aangaande alles, dat Hij uit vrije ontferming belooft te willen zijn, en doen voor zijn volk. Van beide deze zaken zullen wij zoo kort en klaar, als mogelijk is, spreken en wel:

X. Van het woord, zooals het de volkomene toestemming van de ziel te kennen geeft. In de toestemming, onder dit amen opgesloten, zal niet alleen een enkele toestemming zijn; maar ook een volkomen eenswilligheid met God, gelijk zekere Godgeleerde aanmerkt, dat het voornaamste van het geloof bestaat in de eenswilligheid der ziel met God. Van beide zullen wij iets tot stichting en zelfonderzoek spreken: en wel zoo, dat wij

39

-ocr page 60-

AMEN.

a. Van de toestemming zelve spreken zullen. Uwe christelijke aandacht weet, dat als wij iets toestemmen, wij dan zekere zaken voor waarachtig houden, erkennen, en aan die ons zegel hangen. Zoo is het hier: het geloof, als het zielsamen, is een toestemmen van deze en gene zaken, die God en in zijn Woord, en door de krachtdadige werking des Heiligen Geestes aan den mensch openbaart, aangaande zijnen staat en toestand voor God, met Wien wij alleen te doen hebben, en voor Wien wij alleen in dien grooten en vr\'eeselijken dag zullen verschijnen. Wilt gij deze zaken weten, let maar op dit volgende:

a. Zegt God tot de ziel in zijn Woord, \'twelk de Heilige Geest zoo op het harte brengt met kracht, dat de ziel alles aanmerkt, als tot haar in \'t bizonder gesproken te zijn: Mensch! gij zijt een zondaar, een overtreder van mijne allerheiligste majesteit; uwe dagelijksche bezigheid en werk is anders niet dan mijnen toorn tegen u, als een vurige oven, te ontsteken, en n zeiven te vergaderen toorn als eenen schat tegen den dag des toorns en der openbaring van mijn rechtvaardig oordeel. Ja, uw gansch leven is eene samenknooping van allerlei ongerechtigheden; tot het kwaad, om dat te doen, zijt gij uit-termate vernuftig, maar om iets göeds te doen, zijt gij ten eenenmale afkeerig. Hierop, en ook op andere zaken meer, die God op het hart drukt, antwoordt de ziel: amen, het is zoo, o God! Wat ik mij heb ingebeeld van de deugdelijkheid en burgerlijkheid van mijn leven; ik zie nu, dat ik daarin gansch bedrogen ben geweest; ik ben een van de allergrootste der zondaren; ik ben van u afgedwaald, van den buik af aan; o! wat zijn mijne zonden meer in \'t getal dan de haren mijns hoofds, dan het zand

40

-ocr page 61-

AMEN.

aan den oever der zee! Wat zijn ze hooggaande, hemeltergende! Ze zijn als scharlaken en karmozijn; met recht zoudt Gij mij kunnen verstooten; en \'t allermeeste, waarover ik mij moet verwonderen, is, o God, dat Gij mij draagt en spaart. Die de minste kennis van zielswerkzaamheden heeft, zal met mij weten, met wat verlegenheid en beschaamdheid de ziel in deze voor God aangedaan is; hoe de ziel met Efraïm op de heup zal kloppen; en met den tollenaar op hare horst slaan, zonder de oogen te durven opheffen. Zoo lang de mensch God en de zonde maar kent door het hooren der ooren, en verstandsbeschouwing, zal hij deze inwendige zielsbevindingen niet hebben; maar als God Zich ontdekt, en den weg van den mensch hem openlegt, het wordt zoo ondervonden, dat er geene woorden in staat zijn, om hetgeen, dat er tusschen God en den mensch omgaat, uit te drukken. Leest Ezra 9:6. Job 42:5, 6. Jer. 31:18, 19. Luk. 18 :13.

b. Zegt God in zijn Woord: arme zondaar! uw weg is niet alleen zondig en zeer bedorven, maar uw hart is boos, arglistig en bedriegelijk boven eenig ding, het is als een voortgedrevene zee, gedu-riglijk, oogenblikkelijk opwerpende slijk en modder, het is enkel en alleen, op zijn best genomen, vijandschap tegen God, Rom. 8 : 7. Jes. 57 : 20. Waarop de ziel zegt: het is zoo, Heere! Ik heb lang gedacht, dat, schoon mijne daden zoo niet waren ingericht naar den volmaakten eisch van uw wet, evenwel mijn hart het meende, en dat mijne voornemens goed waren. Ik heb nooit den zin van die woorden verstaan: maakt eerst den boom goed en dan de vruchten, en daarom heb ik niet kunnen nagaan, waaraan \'t mij dikwerf ontbrak in mijne

\\

-ocr page 62-

AMEN.

•vruchtelooze poging tot het onderbrengen van mijne zonden, en om heilig te leven voor uw aangezicht. Maar nu zie ik het, dat mijn hart beroofd is van uw beeld, en dat het gedichtsel der gedachten enkel en alleen boos is, het kwaad is in mij, en wordt dit steenen hart door uwe Goddelijke en onwederstan-delijke genade niet weggenomen, het zal onmogelijk zijn iets goeds te doen, want een onreine fontein kan anders niet dan stank en vuil water opgeven.

c. Zegt God tot de ziel: dit is het alleen niet; maar hierdoor zijt gij ellendig en jammerlijk, o mensch, niet beter waardig dan uit mijnen mond uitgespuwd te worden, Openb. 3:16. Daarop zegt de ziel: Het is zoo, Heere! van den hoofdschedel af tot de voetzolen toe, ben ik vol striemen, wonden en etterbuilen, daar is niets geheels noch gezonds aan mij. Ik ben een gansch melaatsche. Ik lig in mijn bloed te wentelen, en ik moet een walg van mijzelven hebben, o, Heere! hoeveel te meer dan Gij, die te rein van oogen zijt, dan dat Gij het kwade zoudt kunnen aanschouwen.

d. Zegt God nog al verder: zondaar! weet gij, dat wie de zonde doet, ligt onder den vloek van mijne allerheiligste wet, die eiken overtreder verplicht, om de allerminste overtreding, te ondergaan tijdelijke, geestelijke en eeuwige straffen aan ziel en lichaam beide. Waarop de ziel zegt: het is zoo, Heere! vervloekt is een iegelijk, die niet blijtt in alles, wat geschreven is, om dat te doen. Ik ben onder dien vloek geboren, en hij heeft zwaar op mij gelegen van den buik af aan tot op dezen dag toe, schoon ik het niet gevoeld heb; maar nu dringt het in, in mijne ziel, en angst grijpt mij aan, uwe vurige pijlen zijn nu in mij nedergedaald, en mijne ziel

42

-ocr page 63-

AMEN.

druipt weg van treurigheid; ondertusschen ik moet zeggen, dat het rechtvaardig is, en in den volsten nadruk billijk en recht bij U, o rechtvaardige God! dat Gij zoo met mij handelt, want ik ben schuldig voor U, Rom. 3:19.

e. Zegt God tot de ziel; ellendig zondaar! dat alles is uw to estand en staat niet alleen, maar daarenboven zijt gij dood in zonden en in misdaden, ten ee nenmale machteloos om uzelven te helpen uit dezen staat of eenig rantsoen te vergelden. Het is zoo, zegt de mensch, noch engelen, noch menschen zgn in staat om dooden levend te maken. Schoon de hemel door een goede begeerte kon verkregen worden, dat zelfs was voor mij zoo onmogelijk, als het onmogelijk is voor een moorman zijn huid te veranderen, of dat een luipaard zijne vlekken zoude kunnen veranderen. Maar, o God, daar ik nu hulpeloos en radeloos en machteloos in mijn bloed lig te wentelen, zonder een oog om medelijden met mij te hebben, o! laat mijn tijd een tijd der minne zijn, laat uwe ingewanden van ontferming over mij rommelen, trek nu al uw berouw tezamen, en zeg tot mij: in uw bloed leef, ja leef.

/3. Maar de toestemming zal mede insluiten de volkomene eenswillendheid van de ziel met God, de overeenkomst van de ziel met den Heere, aangaande den weg van des zondaars zaligheid. Dit zullen wij tot de volgende zaken brengen.

a. Vra agt God de ziel in hare onmacht, schuld en diepe on waardigheid liggende: Ziel, wilt gij zalig worden? Ik heb u gehoord, uzelven en uwen staat beklagende. Ik heb uwe tranen gezien, uw kermen en roepen uit de diepte gehoord; wilt gij nu door mijnen Zoon zalig worden, zonder eenige van uwe

43

-ocr page 64-

AMEN.

verdiensten, uit loutere genade en souvereine ontferming? Daarop zegt de ziel: Amen, o God! hei is om de behoudenis van mijne ziel, dat ik roep en kerm tot U, om als een brandhout uit het vuur gerukt te worden, en mijne ziel als een buit uit te halen; en aangaande al mijne gerechtigheden, ik acht die maar als schade en drek om in Christus gevonden te worden, Filip. 3:8. Uit genade moet ik zalig worden! Mijne ziel aanbidt en omhelst dien weg, ik zie, o God! al uwe deugden daarin op het allerheerlijkste uitblinken, en dat deze weg eigenlijk en Gode betamelijk, en gepast voor mijne ziel is, en alschoon ik duizend zielen had, ik gaf die allen op de volstrektste en onbepaaldste wijze aan U over, o Heere God!

b. Zegt God: Maar overweegt het toch terdege, wie een discipel van Christus Jezus wil zijn, die moet afstand doen van alles, vader, moeder, vrouw, kinderen, en vooral afstand van alle zonden, geene uitgezonderd, doen. De ziel zegt: Amen, het zij zoo, o God! Ps. 73:25, Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde; en de zonde betreffende, mijne ziel roept tot alle, geene uitgezonderd: henen uit, henen uit! Die vijanden breng ik voor uwe voeten, opdat Gij ze verplettere als een pottebakkers vat.

c. Zegt de Heere: Maar ziel, weet het toch wel: wie Jezus\' eigendom wil zijn, die zal in deze wereld verdrukking hebben, die zal gehoond, gesmaad, gehaat en verdrukt worden, het voorwerp zijn van den toorn van booze menschen en van de woeding van den helschen leeuw. De ziel zegt: het zij zoo, o Heere! als Gij maar kracht wilt geven, en mijne ziel versterken, kruis en tegenspoed zal mijne kroon

44

-ocr page 65-

AMEN.

zijn, vermits die lichte verdrukkingen zullen gevolgd worden van een eeuwig gewicht van heerlijkheid.

d. Zegt God: Ja maar mensch! verloochening is de eerste les in Christus\' school, gij moet eigen wijsheid, zin en kracht verloochenen. De ziel zegt; Ik geef mi] aan U over, zonder iets uit te bedingen, ik geef schoon papier in uwe hand, schrijf er maar op wat IJ belieft, wat Gij ziet \'t meest tot uwe eer en mijne zaligheid te strekken! O, leid mij maar door uwen raad, en breng mij in uwe heerlijkheid. Zijn uwe wegen dan zoetheid of zuurheid, ik hoop door uwe genade, mij daartoe bekwaammakende, stil te zwijgen en al uwe wegen blindelings te prijzen.

e. Zegt God: Maar gij moet heilig zijn. De ziel zegt amen, en roept uit: heilige Jezus! heilig mij, opdat ik heilig zij in alle opzichten, gelijk als Gij. Als Gij mijn hart zult verwijd hebben, zal ik loopen in het pad van uwe geboden; daar is niets, waaraan ik grooter lust heb, dan heiligheid des harten en des levens.

2. Ten tweede: Amen, als eene geloofsdaad, zegt ook het zielsvertrouwen op God in Christus Jezus, dat de almachtige, wijze en goedertieren God al hare zaken zal besturen en uitvoeren, haar nimmermeer verlaten, maar dat Hij haar zal leiden tot den dood en over den dood, om zijn aanschijn in gerechtigheid te aanschouwen. Maar hiervan zal het niet noodig zijn, thans breeder te spreken, het vertrouwen zal in \'t vervolg ons voorkomen. Immers een dierbare benaming, de kleinste in de genade, het alles nagaande, kunnen er door versterkt worden, en de allergeleerdste moet zeggen, dat hij een vreemdeling van zulk een bevinding is.

45

-ocr page 66-

ARMOEDE.

Cr. De laatste benaming van het zaligmakende geloof, onder deze letter, is de

ARMOEDE.

Waarvandaan de geloovigen doorgaans uit des Heeren dierbaar Woord armen genoemd worden. Matth. 5:4, Zalig zijn de armen van geest. Ps. 10:13, Op TJ verlaat zich de arme; en dergelijke plaatsen meer. Het zal niet noodig zijn te bevestigen, dat geestelijke armoede een werkzaamheid van het zaligmakende geloof is, en dat het geloof arm maakt. Christus spreekt ze zalig. Alle rechtzinnige uitleggers merken ook de armoede des geestes aan als eene geloofswerkzaamheid. Trouwens nooit is er zulk een arme geweest, nooit zal er zulk een arme zijn, dan alleen door het geloof. Iemand zal mogelijk zeggen; hoe, een geloovige een arme? Het geloof een armmakende daad? daar de geloovigen zoovele schatten bezitten, en het geloof hun een -wezenlijk recht tot alles geeft? Wilt gij weten, in wat opzicht zij niet arm zijn en in wat opzicht wel? Wij zullen het u, hartelijk geliefden! zeggen, en dus de vraag beantwoorden.

Ontkennenderwijze, mijne geliefden! de ware gnnstgenooten van Jehova zijn niet arm, maar rijk in de volgende opzichten :

x. Zij zijn niet arm, maar rijk in Grod; daarom nu, dat zij Gods kinderen zijn, zijn zij erfgenamen Gods, Hom. 8:17, zoodat zij met den psalm ist mogen zeggen; Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, Gij zijt de rotssteen mijns harten, en myn deel in eeuwigheid. De snoeren zijn hun in liefelij ke plaatsen toch gevallen, en in dezen opzichte is een schoone, rijke en uitmuntende erfenis hun geworden. Wilt

46

-ocr page 67-

*RES^S23S

T

ARMOEDE.

gij het weten, wat een rijkdom liet te kennen geeft, God tot zijn deel te hebben ? Let er op, ik zal liet 1 u kortelijk zeggen.

a. Hun rijkdom is daarin gelegen, dat God hun (tGod is, \'twelk een groote rijkdom is, naar luid der Ibelofte: Ik ben uw schild en loon zeer groot, Gen. !) 15:1. Ik zal hun tot een God zijn, en zij Mij tot

een volk. Een rijkdom, die blijven zal, wanneer alle andere zullen verteerd worden.

b. Zij zijn rijk, hebbende Gods liefde van eeuwigheid en in den tijd omtrent hen werkzaam; \'twelk zooveel zegt, dat het niet uitgedrukt kan worden; want in zijne liefde is Hij onveranderlijk, in zijne liefde is Hij teederhartig, vaderlijk en liefhebbend, meer dan eene moeder omtrent hare teedere zuigelingen.

c. Zij zijn rijk in God, omdat al zijne eigenschap-\'■j pen, als een groot goed, daartoe zijn om hunne

ledigheden te vervullen, en hen te troosten.

a. Zijne barmhartigheid, zijnde zijne rommelende ingewanden tot hen, verrijkt hen met de vergeving der zonde, welke is een uitmuntende rijkdom; van straf bevrijd te worden, dit geeft den geloovigen groote schatten.

r 1. Dat Hij hun vergeven wil, waar Hij anderen jiunne zonden houdt; maar tot zijn volk zegt Hij; ik. Ik ben het, die uwe zonden uitdelg om Mijnentwil.

2. Dat Hij de groote zoowel als de mindere vergeeft, al waren ze als scharlaken en karmozijn, Hij ;!al ze wit maken als sneeuw en witte wol, Jes. 1:18. Van hunne onreinigheid en hunne drekgoden zal Ik ze reinigen, zegt Hij, Ezech. 36:25.

3. Dat Hij ze alle wil vergeren, die begaan zijn ^dadelijk en die geschieden zullen, door nieuwe in-

.spraken en toeëigening van de vergeving op hunne

47

vi

tl

i

I \\

1 iif

\\\\

-ocr page 68-

ARMOEDE.

boetvaardigheid; bij Hem is vergeving, opdat Hij gevreesd worde, Ps. 130:4.

4. Dat Hij ze alle vrijwillig wil vergeven, Ik ben het, die ze uitdelg, om mijns Naams wil, Jes. 43:25.

5. Dat Hij die nooit meer zal gedenken. O! rijkdom en onuitputtelijke schatten van vrije barmhartigheid !

h. Maar zijne heiligheid is ook hun rijkdom, om hen zijn beeld gelijkvormig te maken, waardoor zij geheiligd zullen worden, in heiligheid toenemen en bestendig blijven.

c. Zij zijn rijk in Gods alwetendheid; zijne oogen -doorwandelen de gansche aarde, daar is niets bedekt of verborgen; derhalve Hij ziet alle vijanden, al hunne nooden en zwarigheden, om hen door zij.ae almacht te trekken uit den strik en uit den kuil, waar geen water in is. Waar zou ik beginnen en . eindigen, indien ik van al de rijkdommen, die elk ï kind van God in God heeft, spreken wilde.

/3. Gelijk zij in Gode rijk zijn, zoo zijn zij ook rijk in Gods eenigen en natuurlijken Zoon, hunnen Borg, in welken opzichte zij volmaakt, zonder gebrek genoemd worden, en met Hem aireede gezet in de hemelen. Christus\' armoede is hun rijkdom, zijn dood hun losgeld, zijne opstanding hunne recht-vaardigmaking, zijn opvaren, om plaats te bereiden en bezit van den hemel voor hen te nemen, zijne voorbidding de voldoening voor dagelijksche zonden, zijne wijsheid voor hunne blindheid, zijne macht om hen te ondersteunen; met één woord, alles is hunne, gt; want zij zijn van Christus en Christus is Gods. j

y. Zij zijn rijk in den Heiligen Geest. Zijne inwoning, zijne werking, zijne leiding, zijne hulp, het is alles het hunne; uitnemende schatten!

48

-ocr page 69-

ARMOEDE. 49

S. Zij zijn rijk wegens hun gefondeerd en gegrond recht tot een groot goed; iemand nu heeft recht öf door geboorte, öf door testament; dit op beide wijzen, zij zijn kinderen Gods door de wederbarende \'l genade des Heiligen Geestes, en naardien zij kinderen zijn, zoo zijn zij ook erfgenamen, erfgenamen Gods, ■ Rom. 8:17. Christus geeft hun recht tot dezen grooten l rijkdom door zijn laatsten, zijn uitersten wil, door 1 zijn bloed bevestigd, in zijn dood met kapitale let-| ters onderteekend. Luk. 22:29.

£. Zij zijn niet arm, maar rijk door het verbond r \'Ier genade, dat God met hen opricht en ingaat. Ik tal een eeuwig verbond met hen maken, en hun geven de gewisse weldadigheden Davids. Waarom zij in alle tijden mogen zeggen: was het geloof maar levendig! Al is mijn huis zoo niet bij God, gewisselijk Hij heeft een verbond met mij gemaakt, in alles wel geordineerd en vast, daarin is al mijn heil, schoon Hij het nog niet doet uitspruiten.

Zij zijn niet arm, maar rijk in beloften, welke, om zoo te spreken, zoovele obligatiën zijn onder het groot zegel gepasseerd; zij allen dragen het Goddelijk merk en karakter; daarom, hun rijkdom bestaat zoozeer niet in geld, dat zij in de hand hebben, als wel in obligatiën, die zij bezitten. Nu, deze zijn vele; daar is niet ééne belofte van Gen. 3:15 af tot het einde van de Openbaring toe, of zij is de hunne. O! mocht de ziel het kunnen gelooven.

jj. Zij zijn niet arm, maar rijk in hunnen staat. O! elk is een Koningskind; elk is van een hooge afkomst, daar is geen onderscheid in dezen onder Gods volk, want zij zijn allen zonen en dochteren j des Allerhoogsten, en zoo zonen, dat zij nooit bastaarden zullen of kunnen worden.

-ocr page 70-

ARMOEDE.

S\'. Zij zijn rijk in genade; de Geest Gods geeft elk, die geboren wordt door het Woord der waar- i heid, al de leden en deelen van een mensch in Christus Jezus. Daar is geen wezenlijke genade, of de een heeft ze alzoowel als de ander; schoon dezelve sterker en aanhoudender zich in den eenen ^ boven den anderen vertoont: de leep- en beschreide oogen kunnen zoowel geweld op Christus\' hart doen, als de heldere en sterker doorziende.

i. Eindelijk zij zijn rijk in verwachting; een ge-loovige heeft een grooten geest, een uitstekenc1^ verwachting, al het geschapene zou er niet aan kui nen voldoen; o neen! het is, dat zij na het ontwaken met Gods beeld zullen verzadigd worden; als de leemen hut uit elkander gezet en afgebroken wordt, hebben zij een gebouw van God, eene stad, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen, welker kunstenaar en bouwmeester God is; zoodat zij elkander kunnen toeroepen: Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, maar wij weten, ge-looven en verwachten, dat wij Hem zien zullen, gelgk Hij is. Ziet daar dan den rijkdom in God en zijne genade, die blijven zal, wanneer wereldsche koninkrijken vernietigd zullen worden, en aardsche schatten door het vuur verslonden zullen worden: God doet zijne liefhebbers beërven, dat bestendig is, overmits de raad en het wezen bij Hem is.

3. Stellenderwijze worden Gods kinderen, niettegenstaande dit alles, armen met groot recht en nadruk in \'t Woord genoemd; schoon wij belijden moeten, dat het armen zijn, die veel goed hebben. I Wilt gij weten in wat opzichten zij al armen zijn, i let er op, ik zal het u zeggen, mijn hartelijk geliefde toehoorders!

50

-ocr page 71-

mmmgm

51

ARMOEDE.

x. Zij worden armen genoemd wegens hunnen uitwendigen staat, veeltijds, naar de Goddelijke bedeeling. 1 Cor. 1:26.

a. Ten aanzien van \'s werelds goed zijn zij er veeltijds van ontbloot; zij zijn armen in de wereld. De ware godsvrucht wordt zeer zeldzaam in de hoven en koninklijke paleizen gevonden: want zoo onmogelijk als het is, dat een kemel door het oog van een naald kan doorgaan, zoo onmogelijk is het voor die in. het koninkrijk Gods in te gaan. Daarom zegt 0 ülus: Gij ziet uwe roeping, broeders, niet vele quot; zen, machtigen en edelen, 1 Cor. 1: 26. Dit was het,

aat Jezus gaf als een teeken, dat Hij de ware Messias was: Den armen wordt het Evangelie gepredikt. En dit is doorgaans Gods weg, de Godzaligen te laten in de hutjes; moest Christus mensch worden, het was uit eene arme Maria; moest Hij discipelen hebben, het moesten zijn Galileërs; moest Hij prediken, het moest zijn aan armen; en God heeft hier zijne groote wijsheid betoond, dat Hij het goede zaad zaait door de doornen en distelen van wereld-sche zorgen, dat ze het echter niet kunnen verstikken.

b. Ten aanzien van hunne afkomst zien wij dikwerf, dat de kinderen der edelen en machtigen niet geroepen worden, maar de kinderen van de geringen; daarom zegt dezelfde Paulus, dat God kiest de onedelen, en verachten naar deze wereld, 1 Cor. 1:28.

c. Ten aanzien van lichaamsgestalte, zwakke, brooze, pijnlijke; \'twelk ook al mede te kennen gegeven wordt in de gelijkenis, daar wij lezen, dat de dienstknechten lammen, kreupelen, verminkten en blinden zouden dwingen om in te gaan; het zijn de zwakken om de sterken te beschamen.

\\S\\

1 IJL

5

/I

V

-ocr page 72-

ARMOEDE.

d. Eindelyk, ten aanzien van vermogens, onnooze-len, onkundigen, en dwazen, gelijk Paulus ze noemt; ondertussclien, dit is niet volstrekt te begrijpen, maar quot; het is de gemeene weg Gods; dit is ook zoo niet te begrijpen, alsof de gansche armoede hierin bestond, o neen! let wel, wij zullen meer redenen van deze benaming geven.

/3. Zij zijn dan vooral armen naar den geest, die wij in \'t oog hebben, die uit bewustheid van hun gebrek roepen tot God, die ook Matth. 5:3 zalig gesproken worden, die hier verhoord zullen worden. Deze nu worden genoemd armen: ,

a. Overmits God hen arm maakt. Wanneer God i in de bediening des Woords door zijnen Geest de arme verlorene zondaars komt opzoeken, de Heere vindt ze, of als den hoogmoedigen Farizeër, God dankende, dat hij niet is gelijk andere menschen: hij is, schoon naakt, blind, jammerlijk, arm en ellendig, met Laodicea rijk en verrijkt, geens dings gebrek hebbende; of als de zorgelooze, in den top van den mast slapende, en op geen gevaar denkende; of gelijk de jongeling, vele goede dingen door een ontwaakt geweten doende. Nu, Gods eerste werk is zulk eenen te ontblooten, uit te schudden, te ontledigen en arm te maken.

a. Door hem te overtuigen, en door overtuiging te doen ontwaken uit zijnen slaap, op deze wijze:

1. God doet hem zien, dat hij meer schuld dan kapitaal heeft; zijne zonden worden hem in hare veelheid en verscheidenheid onder het oog gesteld, zoodat hij moet zeggen, dat hij tienduizend ponden schuldig is, zonder eenen kwadrantpenning te hebben om te betalen; hetgeen een groote beweging maakt in zijn hart.

52

-ocr page 73-

AEMOEDB.

2. God doet hem zien, dat hij dagelijks achteruit gaat, nieuwe schulden bij zijne oude voegende, ja dat zijne beste dingen onreine zijn, zoodat ze als schade en drek moeten gerekend worden.

3. Ja, hij wordt overtuigd, dat zijne munt niet gangbaar bij God is; de wet niet zoo zeer eischende een goeden wil, voornemens en begeerten, maar de volmaaktheid in alles, zoo de mensch zoodanig iets zal kunnen teweegbrengen, om zijne ziel in het leven ie houden.

4. Hij wordt overtuigd, dat hij erfelijk een schuldige arme is, door de moedwillige ongehoorzaamheid van Adam, zoodat hij, als een arme, van alles beroofd in de wereld is gekomen, en geleefd heeft, schoon hij het met indruk niet geloofde.

5. Eindelijk door de overtuiging laat God de schuldeischers los, die dezen naakt als uitstroopen, en in den uitersten, ellendigsten en armoedigsten toestand liggen laten.

b. God maakt niet alleen arm, door overtuiging, maar hij maakt ook arm door de zielen te bepalen en te arresteeren bij hare armoede, ellende en gebrek. O, hier missen het de meesten! Velen hebben eenig besef van hunne armoede; maar het is in \'t gemeen, het is voorbijgaande, het schiet geene wortelen; maar als God arm maakt. Hg bepaalt er de gedachten op. Hij doet het levendig zien, met aandoening en smartelijk gevoel gelooven. Daarom mag de wensch van eiken navolger van Christus, vooral van de getrouwe leeraren, voor al de onbekeerden, die zijn, dien Christus wenschte omtrent Laodicea: Och, dat gij wist, dat gij zijt blind, naakt, enz. Openb. 3:17.

c. God hen dus arm makende, maakt hen ook

53

-ocr page 74-

ARMOEDE.

zoekende om brood, opdat zij niet vergaan zouden. Ziet het in Efraïm, ontdekkend licht in zijne armoede ontvangen hebbende: hij is bezig om zich te beklagen en te roepen: Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn! ja berouw hebbende, beschaamt en schaamrood zijnde voor den Heere, en op de heup kloppende.

b. Zij zijn armen, omdat zij zich zeiven als armen aanmerken; zij zien, dat zij naakt zijn van nature, zonder de kleederen des heils, jammerlijk, ellendig, even gelijk een kind, geworpen op de vlakte des velds, liggende in zijn bloed te wentelen. Het leven kunnen zij niet meer in hunne hand vinden, zeggende daarom: Het is buiten hope, het is buiten hope! Daarom is \'t met hen, gelijk met den Psalmist, die zegt: Uwe pijlen zijn in mij gedaald, uwe hand ligt zwaar op mij. Ps. 38:3.

c. Gods volk zijn armen in \'t geestelijke, overmits zij als arme Enossen werken.

a. De armoede noodzaakt hen om hunnen nood te kennen te geven. O! dit doet uitroepen: Help Heere, ik verga van honger, ik word onderdrukt, o God, wees Gij mijn Borg!

b. Hij komt als een ootmoedige om genade te smeeken en geen recht, met den strop om den hals. Daar is geen snooder schepsel dan een hoogmoedig bedelaar. Maar een ootmoedig smeekeling zoekt hulp en komt met beschaamdheid en schaamroodheid; niet, omdat hij eene aalmoes zoekt, maar omdat hij zoo ellendig is, en alles doorgebracht heeft, en daarom roept hij uit met Ezra: Ik ben beschaamd en schaamrood. Ezra 9:6.

c. Het bedelen om vrije genade ongewoon zijnde, heeft een ootmoedig smeekeling dikwerf geen woorden, om zijne armoede en ellende uit te drukken;

54

-ocr page 75-

ARMOEDE.

hij vindt wel zuchtingen, die hij geen naam geven kan, het is geen kirren als eene duif, en piepen als een zwaluw; de heldere tranen biggelen in grooter getale langs de wangen, dan er wel woorden te voorschijn komen; de gebeden zijn afgebroken, stamelende klopt zulk een bedelaar, zulk een arme, op de borsten, zeggende: o God, wees mg arme zondaar genadig!

d. Dus neemt hij geen neen aan; o! de nood dringt, hij kan nergens anders geholpen worden, hij blijlt daarom zeer aanhoudend roepen en kloppen, dat hem toch iets mag gegeven worden; daarom zegt zulk een uit den grond des harten:

Ik zal dan standvastig wachtende blijven, Ik zal niet wijken, ook geen vingerbreed; Niemand zal mij van deze plaats drijven.

Daar ik tot dood en leven ben gereed: En schoon mij nimmer wordt opgedaan. Zoo zal ik blijven aan den dorpel staan: Ja, zoo men mij de deur niet openstelt, Ik moet er in, door bidden of geweld.

e. Wordt zulk een arme geweigerd; zegt deHeere, dat Hij niet is gekomen dan tot het opzoeken van de verlorene schapen des huizes Israëls; dat het kinderbrood aan de honden niet gegeven wordt: o! dan komt bet er nog meer op aan.

1. Dan is de ziel ootmoediger dan ooit; de armen spreken toch smeeking; zij wil als een onwaardige doode hond maar een kruimel hebben.

2. Dan wordt het hart geperst, dan kookt dat vuur, zoodat de oogen zijn als springaders; dan is het:

Hoe het zij, mijn droeve oogen!

Laat uw springbron nooit verdrogen;

55

-ocr page 76-

ARMOEDE.

Houdt van schreien nimmer mat,

Steeds mijn wang en leger nat.

3. Dan slaat zulk een arme wel eens een droevig oog naar boven tot God, welks taal is: Is mijn God nog te bewegen!

4. Dan begint hij pleitredenen te gebruiken, van Gods deugden, van Christus1 algenoegzame voldoening ontleend, en van zijne eigene ellende.

5. Dan openbaart hij zijne wonden en etterbuilen, zooals er niets geheels aan hem is, van den hoofdschedel af tot de voetzolen toe; hetgeen God doet, met eerbied gesproken, al zijn berouw te zamen-trekken.

f. Zulk een, als hij iets ontvangt, o! hij is ermede tevreden. De allerminste genade merkt hij aan als groot en onwaardeerbaar, als hij zich te binnen brengt, hoe onwaardig hij is, en dat alles onverdiende genade is.

g. Zulk een, eindelijk, houdt nochtans gestadig aan om meer; o! de kruimpjes, die hij ontvangt, zijn zijn gehemelte zoo zoet, kostelijk en liefelijk, dat hij uitroept: o Jezus! mocht ik meer vanUhebben! zet mij als een zegel op uw hart! o Christus! mocht ik meer ontdekkende, vergevende en heiligende genade hebben! 0 Heelmeester! giet van uwe olie nog al meer in mijne wonden!

d. Gods volk wordt arm genoemd, omdat zij altoos arm blijven, klein en nederig onder alle genietingen; hoe meer van God, hoe armer en handelbaarder en ootmoediger; de huichelaars worden door hunne bevindingen opgeblazen; maar hier is het met Abraham, dat ik mij onderwonden heb, om met den Heere te spreken, hoewel ik stof en asch ben! Gen. 18:2!7\'.

56

X

d

-ocr page 77-

ARMOEDE.

Ja, armen blijven zij, zij kunnen niet met het ont-vangene werken, maar moeten telkens nieuwe invloeden, opwekkingen en voorkomingen van den Heere hebben, eerst uit zijne hand ontvangen, en dan Hem wederbrengen.

Armen blijven zij, omdat zij azen en leven alleen op enkele genade en goedheid.

Armen, omdat zij uit de hand van een ander gedurig onderhouden worden; en missen zij die da-gelijksche invloeden, dan roepen zij en kermen, hijgen, dorsten en verlangen naar God, in een land dor en zonder water.

Armen, omdat zij hoe langer hoe meer verloochend worden aan eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid; zij worden blinder, onkundiger en dwazer, en zon-diger in hunne eigene oogen; zij hebben niet, zij kunnen niet, zij roepen uit met Azaf, den man Gods, dat zij hoe langer hoe meer een groot beest zijn voor God.

Armen, omdat God zorg draagt, uit oneindige goedheid, om dezen arm te houden; de wilde boomen worden niet gesnoeid, maar de wijngaarden van Gods eigen planting worden door het snoeimes voor weelderige takken bewaard, en het doode hout wordt er uitgehaald. Wanneer God den eersten mensch Adam als het hoofd van het gansche menschelijke geslacht geschapen had, gaf Hij hem al het kapitaal, om zoo te spreken, voor zich en zijne nakomelingen in de hand, om het beste gebruik daarvan te maken; maar als een doorbrenger bracht hij het terstond door. God nu ziende, dat het niet veilig was, zulk een groot goed meer in de bewaring van menschen te geven, en voornemens zijnde een tweeden Adam, als een tweede Verbondshoofd, te openb* m, zoo

57

-ocr page 78-

ARMOEDE.

heeft het den Almachtige behaagd, dat alle volheid niet in zijn volk, maar in Christus hun Hoofd zou wonen; en zij spaarzaam maar daaruit ontvangen, zoo lang zij minderjarig zijn. O gezegend bestel! was het in onze hand, wi] zouden het oogenblik-kelijk doorbrengen.

Vraagt iemand, hoe houdt God zijne kinderen arm? Ik zal het u zeggen, mijne aandachtigen!

а. God houdt hen arm, door het verbergen dikwerf van hunnen genadestaat, hun kindschap en deel aan de Verbondsgoederen voor hen; zij hebben wel bevinding, zij durven niet zeggen, dat zij totnogtoe altijd zijn ontbloot geweest, dat nooit een licht, Christus ontdekkende, in hun hart is opgegaan, dat zij zich niet hebben overgegeven. Maar zelfbedrog is groot, en zoo gevaarlijk en beklage-lijk; hetgeen, op het hart wegende, hen bekommerd maakt, gedurig hen aanhoudende maakt, hen doet als ledigen komen, hun kleine beseffen geeft van zichzelven, en hen stilletjes doet henengaan.

б. Anderen worden klein gehouden, door het verbergen van de genaden, die zij bezitten, voor hen; schoon zij gelooven, genade in Gods oogen gevonden te hebben, en er vele genaden, gelijk ootmoed, verloochening, licht in Gods weg, gezetheid op de oefening van ware Godzaligheid, en teedere liefde voor God, zijn volk, en zijne zaak, zich openbaren aan allen, die hen zien; het blijft voor hen verborgen, of door de eene of andere verborgene zonde, die niemand dan God en zij weten; of dat zij zoo veel walgelijkheid in hen doen zien, dat zij bijna onbekwaam zijn het goede en zuivere te zien; het maakt hen bang, dat anderen van hen zulke gedachten hebben; zij denken, zaagt gij mij maar

58

-ocr page 79-

ARMOEDE.

inwendig, wist gij de zonde, die ik niet overwinnen kan, gij zoudt zulks niet van mij, een der allerellendigste tollenaren, denken.

c. Anderen, dat zij veel bij hunne verdorvenheid en zondelijken aard worden bepaald en gezet, zoodat zij zien de booze neigingen en onrechte hellingen van den wil en de genegenheden; hetgeen hen doet uitroepen: Wat is er niet in mij eene macht van ongerechtigheid, werking der zonde, en een lichaam des doods, ik ben maar een doode hond! En dit verwekt dat teeder aanhouden om vergevende genade, dat onophoudelijk roepen, dat Jezus als Koning wil inkomen: Kom in, Gij Gezegende des Heeren! Dit doet hen laag blijven staan in belijdenis en verfoeiing van zichzelven voor den Heere.

d. Anderen houdt God klein, hen doende zien hunne diepe onkunde en ongevoeligheid; zulken zeggen, O! wat ken ik weinig van God, van Christus\' dierbaarheid, van ellende! en ken ik wat, ik ben indrukke-loos, gevoelloos onder alles; het hart is niet week, het smelt niet weg, anderen hebben dat meer dan ik, zoodat zij gevoelig over ongevoel geraken.

e. Anderen worden arm gehouden door het gedurig woelen en werken van de kracht der verdorvenheden ; die gaan overal na, die verleiden gedurig, die zijn nooit stil; dit deed Paulus zeggen: Ach ik, ellendig mensch!

f. Anderen worden arm gehouden door het inhouden van de gevoelige bekendmaking van hunne zonden, die zij begaan, die zijn in den weg om de toenadering te beletten, die maken scheiding; die liggen zwaar op het hart, het hart blijft gesloten, daar is ^..endig beschuldiging, daar wordt geen verruiming gevonden; dit maakt, dat men als een

59

-ocr page 80-

BEGINNEN.

worm, als een gedaagde sdhuldige zich gedurig stelt onder het oog van God, den Rechter van de gansche aarde.

g. Anderen houdt God arm en klein door het inhouden van zijne gevoelige genade, hen meer leidende langs een bedaarden en effen weg, hetwelk hunne ziel dikwerf in vreeze brengt, vooral, als zij bi] zulke christenen komen, die op een zeer gevoelige wijze bewrocht worden.

Ji. Anderen door een zeer beklemde leiding, waardoor zij weinig troost van het genadewerk, dat aan hen geschied is hebben, met Heman doodbrakende van de jeugd af aan geweest zijnde. Ps. 88; 16.

B. Dus hebben wij met uwe aandacht over de eerste letter van ons alfabet zeer zoete en eigenaardige benamingen des geloofs ingezien; namelijk, dat het is een Aandoen, een Aanhangen, eenAan-houden, een Aankleven, een Aannemen, een Amen, en een Armoede. Wij gaan dan tot de letter B, om uwe aandacht de benamingen onder die letter voor te dragen.

A. De eerste benaming van het geloof is hier, dat het genoemd wordt een

BEGINNEN.

Gal. 3:3 spreekt Paulus van te beginnen met den Geest.

N, Wat deze woorden nu, op zichzelven aangemerkt, betreffen, heeft uwe aandacht te weten, dat er, in Paulus\' tijd, zulke ketters uit de Joden waren, die, schoon zij voorgaven tot het geloof van Christus overgekomen te zijn, nochtans zichzelven vasthielden aan den ouden zuurdeesem van de wet, lee-rende, dat het noodig was, om gerechtvaardigd te

60

-ocr page 81-

BEGINNEN.

worden, dat men stipt de wet der zeden en der ceremoniën moest gehoorzamen; dezen, zijnde Fari-zeën van nature, waren niet ongenegen, om land m zee te doorreizen, konden zij maar eenen proseliet lt; naken; en daarom zij maakten geen klein oproer in de gemeenten, gelijk blijkt uit Hand 15 en uit hdezen geheelen brief, waar onze apostel de zuivere ;!en goddelijke leer van de vrije rechtvaardigmaking des zondaars handhaaft; en daarom wil onze apos-(jtel in onze tegenwoordige woorden .lt; a. Den Galaters voorhouden, hoe zij met ijver \'hadden begonnen, dat is, door geloofstoestemming; Idat zij Jezus Christus, den gekruiste, door P au lus\' dienst hun verkondigd en aangeboden, als de eenige oorzaak der zaligheid met een volkomen hart, en uiterste bereidwilligheid hadden omhelsd en aange-aomen. Dat was nu met den Geest te beginnen; hetgeen zoo genoemd wordt,

a. Of, omdat de Geest de eenige werkende en ondersteunende oorzaak was van hun geloof, bij aan-

: rang en bij voortgang.

b. Of het zal zegger. met den Geest, met de leer Fan het Evangelie va? een gekruisten Jezus; daarmede ha-Men zij begonnen, hmnen vorigen weg verlatende, cn nu door geloof wandelende; welk Evan-felie meermalen Geest genoemd wordt. De letter jfoodt, maar de Geest maakt levend. En dat wij hier 1\'oor den Geest de geestelijke leer des zaligen Evan-■es moeten verstaan, is klaar uit tegenstelling van yleesch; want de Galaters waren geen vleeschelijke, ongebondene, goddelooze menschen, maar uiter-inate deugdelijk, werkheilig; waarom zij ook hunne ^gerechtigheid in \'t stuk der rechtvaardigmaking in .Rekening brachten, stellende, dat ze deels door

61

-ocr page 82-

BKGINNEN.

Christus\' gerechtigheid, deels door hun onderhouden van de wet der zeden en ceremoniën, gerechtvaars digd werden; dat is dat ondragelijk juk, dat noch wij, noch onze voorvaderen hebben kunnen dragen. Hand. 15 : 10, 20. Waaruit blijkt, hoedanig men mistast, de plaats brengende alleen tot de onderhouding der ceremoniën; dat was zulk een ondragelijk juk niet; maar die te onderhouden, om er door gerechtvaardigd te worden, dat is ondragelijk. Ik bid u, mijne aandachtigen! vergelijkt Hand. 15:1 en 10.

/3, Dat zoo zijnde, leidt onze apostel daaruit lt;ii, hoe snood en onverantwoordelijk het zijn zou, met het vleesch te eindigen; of wij door het vleesch de zonde of de wet, welke zoo wegens haar zwakheid en gebrekkelijkheid genoemd wordt, verstaan wilden, is ons om het even; wij verstaan de onderhouding van de wettische ceremoniën allerliefst.

3. Wat nu het geloof onder deze benaming betreft:

». Zoo vooronderstelt het

a. Of, dat, wanneer het geloof in de ziel eeniger-mate gewrocht wordt, alsdan de oogen opengaan om te zien, dat zij op een valschen weg zijn, welke in Gods Woord genoemd wordt de breede weg, aan welks einde de dood en het eeuwige verderf vast i^ zoodat elkeen, die waarlijk begint met den Gee£ ziet, hoe hij heeft afgedwaald, zijne wegen verdraaiend\' als eene snelle kemelin, vervreemd van God, v$ den buik af aan; daarom vind ik nadrukkelijk vf\' David, schoon bekeerd, als hij wenschte het wederom opnieuw te beginnen, dat hij uitroept : Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uwen knech Ps. 119:176. De Joden zouden ook zeggen, als tot Christus, na zijne verhooging, in de eerste eet

62

(•\'

I

| I

quot;\\

-ocr page 83-

BEGINNEN.

de kerk zouden komen. Wij hebben gedwaald verlorene schapen. Jes. 53 : 6.

]■). Of, het zal vooronderstellen, dat zg alles, dat gedaan hadden, voordat het geloof in eeniger-,te gewrocht werd, dat zij dat alles als onge-,n werk aanmerkten, ja als schadelijk werk, Fil.

en als een maanstondig kleed, — hoe welmee-nd, hoe hartelijk en aanhoudend het ook mocht a. Zoo wrocht dat geloof immers in Paulus, in (| aangehaalde plaats Fil. 3:8, en in de kerk, 1 64:6.

//■\'. Maar dit beginnen, zooals het geloof is, stelt, t zij leven ontvangen hadden, dat er een ander ginsel in hen was gekomen, dan zij ooit te voren dervonden hadden, en dat zij nu ook anders werk-i. Wilt gij het met mij nagaan, o! het zal ons ilroerende zaken tot onderzoek voorhouden.

a. Als \'t geloof dan een beginnen genoemd wordt, dat zal ons eerst voorhouden, dat de oogen be-inen te zien zaken, die zij nooit te voren gezien dden, en nooit met zulk een licht.

Nu ziet de ziel andere zaken, nu begint zij te m:

God op een heel andere wijze, dan ooit, en in |ie andere betrekking tot haar; want eer het za-makende geloof komt, ziet de ziel God wel, in de t, donderende tegen haar, wtgens hare zonde, ek en toorn en gramschap; maar nu begint zij te zien.

,A. Wel als rechtvaardig, die de zonden niet ver-\'en kan, maar straffen moet in den zondaar of in ten Borg; maar nu ziet zij, dat God tot het zwaard t, dat iet ontwaken zal tegen den man, die zijn ;gezel is. Zach. 13:7, opdat zij veroordeelde

63

/

-ocr page 84-

64 beginnen.

moge ontvlieden; en derhalve, dat Hij is rechi vaardig en rechtvaardigende diegenen, die in Chris tus gelooven. Rom. 8; 33, 37.

eb. Zij beginnen zijne heiligheid nu te zien.

die is in Christus ook voldaan, en is ten beste vai hen, om hen te heiligen, en met Zich gelijkvormi te maken. Ezech. 36 r 25.

cc. Nu begint de ziel God te zien in zijne barn hartigheid, goedheid, en waarheid; zij ziet alles t( haar nut, tot haar voordeel; zoodat door dit alles zijne ingewanden rommelen tot arme, ellendige zielen. 0! heerlijk begin! 0! dierbaar gezicht! \\

2. Maar beginnen zij God in Christus zoo te zien) dan beginnen zij zichzelven, anders dan ooit te voren, te zien; zij zien wel, dat zij dood waardig zijn, maar nochtans geroepenen, genoodigden, zulken.i die God hebben wil, in wie Hij zijne deugden ! verheerlijken wil. O! wat geeft dat de ziel een hee ander gezicht dan zij ooit had! te voren zouden d( zonden haar belet hebben, tot Hem te komen, maai nu zijn de zonden drangredenen, 1 Tim. 1 : 15 Het is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomei is, om zondaars te zaligen, van welke ik de voor naamste ben.

h. Dit is ook met een ander licht; te voren was \'t maar met het licht der natuur, schoon zij Evangelische begrippen hadden; maar nu is het met een Goddelijk licht, \'twelk hun ontdekt de zaken, zooali-ze zijn. God, die geboden heeft, dat het licht uit de duisternis zou opgaan, gebiedt ook dat dat licht zijner Goddelijke genade hunne zielen bestrale in \'t Goddelijke Evangelie. Efez. 1:17, 18. Opdat de God onzes Heeren, enz. en Efez. 5:8. Eertijds waart gij

-ocr page 85-

BEKENNEN VAN ONGEEECHTIGHEID.

luisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wan-lelt als kinderen des lichts.

\' b. Zij beginnen nu ook iets anders te smaken; zij maken en proeven, dat God goed is, en dat ver-■ult hunne ziel met aanbidding, met verwondering. Iet geloof is toch eten en drinken; en als de ziel be-i\'int geloof te oefenen, zij begint den smaak van de (enade te kennen, dat het haar boven alles dierbaar vordt; zijne vruchten zijn haar gehemelte zoet. loogl. 2:3.

c. Waar het geloof begonnen is, daar komt ook «n ander gevoelen, namelijk, een hoog gevoelen ■an God, een klein gevoelen van zichzelven; hun litroep is: Hij moet wassen en ik moet minder worden!

d. Andere zielsuitgangen: O! hoe teeder, hoe har-.elijk, hoe aanhoudend zijn de zielsgestalten naar lezus! Hem meer aanklevende dan een gordel aan ;le lendenen eens mans.

e. Een beginnen op eenen anderen quot;weg te gaan, lamelijk dien quot;weg, die eng is, die den verstandige laar boven leidt, dien weg des geloofs, en dat is loor eene andere kracht, steunende en leunende op dien liefsten, Jezus Christus. Immers mag dan het geloof met recht een beginnen genoemd worden.

B. Onder deze letter vind ik, dat het geloof ook voorkomt onder de benaming van een

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

Ps. 32:5. Jer. 3:13. Ik weet zeer wel, dat dit allermeest ziet op een zuivere ongeveinsde en boetvaardige bekeering der ziel van alle zonden tot God, met een hartelijk en innig leedwezen daarover en een oprecht voornemen der ziel, om God voortaan te gehoorzamen met zijn gansche hart, met zijne

s

I

65

-ocr page 86-

66 BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

gansche ziel, en al wat in hem is; ondertusschen| wanneer ik mij te binnen breng wat de Heere hier-• aan vastmaakt, de vergeving der zonden, de recht-/ vaardigmaking; gelijk uwe aandacht ziet; en dat het geloof de oorsprong van deze werkzaamheid is en door de gansche werkzaamheid doorvloeit; zoc zal niemand van mijne geliefde toehoorders hei kwalijk nemen, dat wij de geloofswerkzaamheid de) ziel onder deze benaming verhandelen; waartoe ilj verkoren heb de woorden van Ps. 32; 5amp;, en 601 vermits bekennen en belijden van zijne overtredin\' gen hier hetzelfde is. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde, Sela 5 Hierom zal een ieder heilige ü aanbidden in vindens-tijd. Deze woorden zullen wij wat breeder behandelen, omdat ze niet alleen een voorbeeldige betrachting bevatten, maar ook tot eenen grond van bemoediging strekken moeten voor alle belaste en bela-dene zondaren en zondaressen, en wij vinden in de woorden deze twee voorname hoofddeelen:

X. In het eerste deel ontdekt ons de Psalmist zijn betamelijk en billijk voornemen, en de groote weldaad, welke daarop volgt; Ik zeide: Ik zal belijdenis doen van mijne overtredingen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela!

a. De Psalmist ontdekt zijn voornemen: Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere.

a. Onze Psalmist dan spreekt van zijne overtredingen, in \'t meervoudig getal, die zichzelven toeëigenende: mijne overtredingen.

«. Ons grondwoord Peschang welks wortel

-ocr page 87-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

is JJïyö, beteekent afwijking, overtreding, en vooral

rebelleeren, \'twelk uit de plaatsen blijkt, in welke dit woord gebruikt wordt: 1 Kon. 12:19, Alzoo vielen de Israëlieten van liet huis Davids af, tot op dezen dag; hetgeen eigenlijk zegt, dat zij de ver-bondsverplichting, om zich aan het huis Davids te onderwerpen, overtraden, en tegen die rebelleerden; wij vinden het ook gebezigd Amos 1 : 9, om de rebellie van het eene volk tegen het andere te kennen te geven, uit kracht van een verbond; waarvandaan het is, dat de zonde der Heidenen ten opzichte van God nooit in \'slleeren Woord, zooveel het ons voorkomt, Peschang genoemd wordt; maar Adams overtreding wordt alzoo genoemd, Hosea 6:7 en Rom. 5:14.

I). Derhalve als onze David spreekt van zijne overtredingen, zal hij, volgens deze opheldering van ons grondwoord, eigenlijk te kennen geven zijne zonden, als van een bondeling, waardoor hij het juk van zijn hals wierp; dit spreekwoord ontleend zijnde aan losbandige ossen, die onder het juk niet gaan willen, maar in de ruimte, gelijk Efraim weiden wilde.

1. Overtredingen. Hiermede wil onze belgder te kennen geven, in dit geloofsbekennen van zijne zonden:

AA. Dat hij in eene verbondsbetrekking stond, waardoor hij tot gehoorzaamheid verbonden en verplicht was, het woord dat eigenlijk uitdrukkende; en het was zoo: God had met hem een verbond der genade opgericht, en hem bekwaamgemaakt, om dat verbond toe te stemmen en zich daarin volkomen over te geven. Waarvandaan de weldaden van het genadeverbond genoemd worden de gewisse

67

-ocr page 88-

68 bekennen van ongerechtigheid.

weldadigheden Davids, en hij zelf getuigt, dat, schoon zijn huis zoo niet met God was, dat evenwel de Heere een verbond met hem gemaakt had, waarin al zijn heil was, schoon Hij het nog niet deed uitspruiten.

eb. Dat hij in dat verhond niet was getrouw gebleven; daarom zal hij in Ps. 143 uitroepen: Treed niet in \'t gericht met uwen knecht, want ik zou niet kunnen antwoorden op een uit duizend. Ja, hij zal betuigen, dat hij zijne overtredingen had, die meer in getal waren dan de haren zijns hoofds, die hem ook tot een zwaren last waren, hem te zwaar, Ps. 38:5. Dit weten wij, dat hij in de zaak van Uria en Bathseba had, maar ook in andere opzichten meer, niet op te halen.

cc. Dat zijne zonden ook zwaarder waren dan die van anderen; want zij waren die van eenen bondeling, zij waren meer tot Gods oneer; zij waren ook tegen zijne verbintenissen en overgeven van zich aan God, en de dure betuigingen, en uitroepen om hulp daartegen; daarom hooren wij hem eens zeggen: Vergeef mij mijne zonden, want ze zijn groot.

dd. Dat zijne zonden waren onverschoonlijk; hij kon niets inbrengen om zichzelven te verdedigen. Hij had de wet van God, als een licht voor zijnen voet en eene lamp voor zijn pad; het geweten, als des Heeren licht, om van alles te onderwijzen, hem beschuldigende, of ontschuldigende; God had hem met weldaden boven anderen gezegend; van achter de schapen genomen en gesteld over zijn volk. On-dertusschen hij had zijne zonden, die een Peschang, eene rebellie waren,

ee. Hg wil, zijne zonden dus noemende, daarmede te kennen geven, dat hij zag en overreed was van i

-ocr page 89-

bekennen van ongerechtigheid.

den stouten aard van zijne zonden; zooals elke zonde is eene ontkenning van Gods eigendom aan zich en recht om gehoorzaamheid te vorderen; ja zelfs zich in Gods plaats te stellen, en de wetten te verwerpen. O ja! zag men de zonde recht, men zou ze noemen eene rebellie tegen den Heere.

ff. Dat zijne zonde was een gestaltelijk overgaan onder den wil, macht en heerschappij van den satan; dat maakt eigenlijk eene rebellie uit, dat men het juk van zijnen souvereinen rechtmatigen gebieder afwerpt, en overgaat in vijands dienst; daarom is het waarheid: wiens willen men gestaltelijk doet, diens dienstknecht is men ook gestaltelijk; want daarom is Jer. 2; 13, de zonde een verlaten van de fontein des levenden waters.

gg. Dat zijne zonden, uit en volgens hare eigen natuur, allerlei, ja de zwaarste straffen, beide in dit en in het toekomende leven, waardig zijn. Rebellie is doodwaardig; zoo ook de zonde: de bezoldiging toch van die, zegt Paulns, is de dood. De godvruch-tigen erkennen dit gaarne, dat zij dagelijks doemwaardig zijn wegens hunne zonden en snoode overtredingen.

hh. Eindelijk, in zoover de gelijkenis van eenen wilden os ontleend is, zich van het juk onttrekkende, zal het zeggen, dat onze dichter zijne zonden en zichzelven aanmerkt:

XX. Als het onredelijkste werk, dat bedacht kan worden, een werk van een ontam dier. O ja! gaat men de zonden na, het is onredelijk om ze te bedrijven, zij brengen anders niet dan benauwdheid en angsten, Rom. 1:18—32.

32, Dat erkende hg, dat zijne natuur een sterke geneigdheid had tot de zonde; Efraïm is een los-

69

-ocr page 90-

BEKENNEN VAN ONGEEECHTIGHEID.

handige koe, die gaarne in de ruimte weiden wil; er is een kwaad inwendig, \'twelk zoo ellendig maakt; de natuur heeft eene huiging tot het kwaad.

JJ, Ja eindelijk, dat, waren eens zijne verdorvenheden aan \'t hollen, hi] dan onmachtig was, om ze te beteugelen, onder toom te brengen, zoodat een sterkere moet komen, en dat woeden ten onderbrengen.

2. Deze zonden van hem, die hij belijden wilde, noemt hij in \'t meervoudig getal overtredingen. Om hiermede aan te toonen, hoe hij die aanmerkt in hare veelheid en velerleiheid; ze waren in getal meer dan de haren zijns hoofds; ze waren van allerlei soort, die op zijn hart lagen, en zijn hart doorknaagden; zonden des harten, des monds, en der daden; zonden tegen God, tegen de Wet, tegen zijn naaste, tegen zichzelven; van nalatigheid en van bedrijf, met boosheid en zonder die, openbare en verborgene. Dit is toch de eigene aard der vromen, dat zij gaarne de zonden willen opzoeken, dat zij gaarne de zonden in getal willen vermeerderen, dat zij gaarne veel schuld willen erkennen. Mijne zonden heb ik niet voor ü verborgen; daar integendeel de onherborenen hunne zonden willen bedekken en verkleinen, waarom zij ook niet zullen voorspoedig zijn. Spreuk. 28 :13.

3. Hier komt nog bij, dat hij zegt: mijne overtredingen, die zichzelven toeëigenende.

AA. Deels, om daardoor te toonen, dat hij de schuld niet leggen wil op eenige oorzaak, buiten hem, waartoe de mensch toch door de zonde maar zeer geneigd is; onze vaders hebben onrijpe: druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden; de vrouw, zegt Adam, die Gij mij gegeven

70

-ocr page 91-

bekennen van ongerechtigheid.

hebt, gaf mij van de vrucht, en ik heb gegeten. Maar hij wil de schuld op zichzelven leggen, hij wil erkennen, dat hij de oorzaak is van de zonde in zijne daden.

eb. Deels, dat hij in de gestalte is van een rechten belijder, dat is om de schuld op zich te nemen, dat is, ik, ik heb gezondigd, en kwaad gedaan in uwe oogen. Totdat men hiertoe komt, zal de Heere zeggen: Ik zal henengaan, en tot mijne plaats wederkeeren, totdat zij zich schuldig kennen, en Mij zoeken; als het hart bange is, zullen zij Mij vroeg zoeken.

b. Zijn voornemen nu zelf was: Ik zeide: Ik zal belijdenis doen voor den Heere.

a. Hij spreekt van den Heere, als het voorwerp van zyne voorgenomene werkzaamheid, aan of wien hij belijdenis doen zou; het is voor den Heere. Wij weten nu, dat Heere of Jehova, zegt: Leven, en dat het te kennen geeft den eeuwiglevenden God, die het leven in Zichzelven heeft, en die de oorzaak is van alle leven buiten zich; die de Wezenaar is, en bestaat uit kracht van zijne natuur; ook deVerbonds God is, trouw en waarheid tot eenen gordel zijner lendenen hebbende. Wanneer onze Psalmist spreekt van den Heere, voor wien hij belijdenis doen wilde:

1. Dat zal niet uitsluiten, dat men niet somtijds, als de gelegenheid daartoe roept, voor de menschen eene belijdenis doen zal van zijne overtredingen; Jakobus leert het tegendeel. Ondertusschen zal het zeggen, dat men in het belijden voor menschen niet moet rusten, maar hooger klimmen, tot God gaan, Hem alles voorleggende, gelijk de Psalmist deed in de zaak van Uria: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in uwe oogen.

71

-ocr page 92-

bekennen van ongerechtigheid.

2. Maar God, voor wien hij belijdenis doen zou, bij zijnen gedenknaam Jehova noemende, zal hij te kennen geven:

aa. Hoe dat hij God als Jehova aanmerkte.

SN. Hem Heeee noemende, zal hij Hem als den God des Verbonds aanmerken; niet zoo zeer van een werkverbond; want de geloovigen zijn trouwens niet onder de wet, maar onder de genade. Ja, als een God in \'t werkverbond, is er niets tot belijdenis noch hoop van vergeving van zonde op te wekken of uit te lokken, want alle des Heeren deugden zijn gewapend tegen den zondaar, zoodat Hij geene gemeenschap kan houden met de werkers der ongerechtigheid. Maar van een genadeverbond, \'twelk wegens deszelfs vastigheid en duurzame onveranderlijkheid goed genoemd wordt, een zoutverbond en de gewisse weldadigheden Davids. Hierin ontdekt zich God, zijne grimmigheid afleggende, genade en vrede voor zijn aangezicht latende uitgaan, deu schepter der genade aan zondige rebellen en een ieder van vergeving van alle zonden verzekerende, die op zijne genade in den Middelaar hunne toevlucht willen nemen.

33. Als een genadigen en barmhartigen God, die geenen lust heeft in des zondaars dood; daarom vinden wij zijne eedzwering; Zoo waarachtig als Ik leef! Ik heb geenen last in den dood des zondaars. De gansche natuur, nadat Gods genadig voornemen is ontdekt geworden, roept uit, dat Hij barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid is voor arme, overtuigde zondaren en zondaressen.

JJ. Ja, dat Hij gereedstaat, om als de Jehova deze barmhartige vergeving te bewijzen; daarom.

72

-ocr page 93-

bekennen van ongerechtigheid.

eerdat gij nog roept, zal Ik antwoorden, betuigt God; toen er geen oog was om medelijden te hebben, ging Ik u voorbij, en zag u in uw bloed, en in uw bloed zeide Ik: Leef, ja leef!

Tl. Jehova, omdat Hij kan en wil de overtredingen, waarover men is verootmoedigd geworden, vergeven; Hij kon de zonde onder den alouden dag zoo volkomen vergeven als nu, wegens Jezus1 gerechtigheid, die zekerlijk aangebracht stond te worden; Hij kan het nu doen, overmits aan alle gerechtigheid volkomen voldaan is geworden tot den minsten kwadrantpenning toe. En dat Hij het doen wil, getuigt elke bladzijde ran Gods Woord: Ik, Ik ben het, die uwe ongerechtigheid uitdelg om Mijnentwil, Jes. 43:25.

nn. Jehova, om daarmede te kennen te geven, dat dagelijksche zonden, opstanden en schulden de vergeving niet zullen beletten aan een waren bondgenoot, die in \'t verbond staat; zij kunnen eenigen tijd ten aanzien van den mensch, het onderwerp zelf, als onvergeven voorkomen, maar zijn staat zal er niet door veranderd worden; o neen! Ik ben de Heeee, zegt God, en Ik verander niet, en daarom worden de kinderen Jakobs niet verteerd; onze ontrouw zal Gods getrouwheid niet teniete doen.

ft. Ja eindelijk. Jehova, om daarmede te kennen te geven, dat hij God in dit verbond aanmerkte als dien God, die in zulk eene betrekking, wegens zijne getrouwheid, en in \'t verbond verzegeld, de overtredingen van zijn bondvolk zou in genade moeten uitdelgen. O ja, indien zij overtreden. Hij zal hen met de roede kastijden; maar zijne liefde zal niet van hen wijken tot in der eeuwigheid, noch zijn trouw van geslacht tot geslacht.

73

-ocr page 94-

bekennen van ongerechtigheid,

be. Dit zoo aan te merken in God, als den Jehova, gaf onzen Psalmist grond:

Nfct, Om te stellen, dat er vergeving mogelijk was voor hem. O! dat is veel, als een benauwde en beangstigde ziel daartoe kan gebracht worden, om te gelooven voor zich in \'t bizonder, dat het nog mogelijk is, dat God op zulk een monster van goddeloosheid ook wil zien met een ontfermend oog.

13, Dit gaf hem grond, om de vergeving waarschijnlijk te stellen. O! was God zulk een Jehova, die lust had tot ontferming, dit gaf grond van waarschijnlijkheid om te denken, dat daar de zonden vele waren, de genade nog overvloediger kon worden.

JJ. Ja, dit gaf een werkelijken reikhalzer den lust en begeerte tot een genadigen God in Christus Jezus. Iets van deze genade, al was het maar een allerkleinste straal van genade, kan het h.xrt versmelten, daar benauwdheid het hart verstokt.

TI, Ja, daarenboven gaf het eenige vrijmoedigheid, om tot den troon der genade met al zijn schulden en hooggaande overtredingen te gaan, steunende op de gewisse gronden. Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Joh. 6:37; en geen wonder, deze gewisse gronden hebbende, laat ons, zegt Paulus, toegaan in volle verzekerdheid des geloofs, Hebr. 10:22, dat is, eigenlijk toegaan tot God als een behouden haven, gelijk een gekrakt scheepje met volle zeilen voor den wind in eene haven zijner begeerte inzeilt.

6. Daarom is zijne werkzaamheid deze: Ik zeide: Ik zal belijdenis doen. Hier vinden wij:

1. Zijn werk zelve, dat hij doen wilde: Ik zal belijdenis doen.

aa. Ons grondwoord, in den toekomenden tijd

74

-ocr page 95-

bekennen tan ongerechtigheid. 75

door, ik zal belijdenis doen, vertaald, betreffende, merken wij bier aan aangaande onze vertaling, dat onze taalmannen weinig nadruk hebben gesteld in ons grondwoord Gnali, \'bj?, overmits zij schijnen deszelfs

kracht niet uitgedrukt te hebben in hunne vertaling, de woorden maar overzettende: Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heeee, dit woord ten eenenmale uitlatende \'); daar nochtans de LXX en de gemeene Latijnsche overzetting het vertaald hebben; tegen mijzelven, zoodat in dit opzicht de vertaling zijn zou: Ik zal tegen mijzelven belijden. Ons ander woord Oode miN in

V J

Fut. Hiph., indien wij het afleiden van eenen wortel Nidda HU zou het eigenlijk zeggen: iets dat onrein

T *

is, dat weggedaan en uitgezuiverd moet worden, open te leggen, om weggenomen te worden; daarom wordt het van de maandstondige kleederen gebruikt, en in een eigenlijken en oneigenlijken zin: onze gerechtigheden zijn als een maandstondig kleed. Anderen zoeken het af te leiden van Jadah PT, \'twelk belijden te kennen geeft; of, gelijk de Ethiopische overzetters, beschuldigen. Dit alles nu zoo ingericht zijnde, dat het een onder het ander geschikt is, ja dat het een het ander verklaart, en de zaak uithaalt, zullen wij de natuurlijke orde volgen.

eb. In deze zaak dan, volgens de vertaling der woorden, vinden wij:

itfirt, Dat onze Psalmist spreekt van belijden tegen zichzelven.

\') Zie Michaëlia oyer deze woorden.

-ocr page 96-

BEKENNKN VAN ONGERECHTIGHEID.

aa. Hü zou belijdenis doen, dat volgens den gelegden grond zal zeggen:

aa. Dat hij als een walgelijk onreine zich voor den Heere zou willen stellen, als een, van den hoofdschedel af tot de voetzolen toe onreine; onreine, vol wonden en striemen en etterbuilen, die genezen moeten worden; zoo komt de kerk voor bij de aanvankelijke bekeering, Ezech. 16 ; zoo stelt zich David voor in zijnen boetpsalm; zoo moest de melaatsche zijne bovenste lip bewimpeld hebben; en zoo stond de tollenaar van verre om genade biddende.

bb. Belijden, dat zijne zonden alle, hoe groot ze zijn mochten, voor God bekend en open liggen; dit is hetgeen de Heere tot vergiffenis alleen eischt: Alleen kent uwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere gezondigd hebt, Jer. 3 :13.

cc. Het is een rechte schaamte, ootmoed, en leedwezen van \'s harten grond te vertoonen, voor den Heere uitroepende: o God! ik ben beschaamd, ja schaamrood geworden.

dd. Dat hij vond een oprechten lust, om tak en wortel van zijne verdorvenheid uitgeroeid te hebben, opdat hij bekwaam mocht zijn Gode in alle opzichten te leven.

ee. Dat hij zichzelven beschuldigde, veroordeelde, en tot God kwam als met den strop om den hals, oogende op de gerechtigheid van het genadeverbond.

/3/3. Daarom is hier nadrukkelijk dat Gnali,

tegen mij zeiven, zoodat hierdoor de Psalmist toonen zal, hoe hij in zijne belijdenis te werk wilde gaan.

aa. Hij wil tegen zichzelven de partij van eenen beschuldiger en aanklager nemen voor Gods gericht, hij wil zuiver oprecht al zijn zonden openleggen, en van de zondigheid en doemwaardigheid van zijne

76

-ocr page 97-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

daden onderrichting doen: even zichzelven als een gedaagden vijand en rebel aanmerkende, niets uit eigen liefde of om eigen voordeel verbergende.

bb. Als richter ook in zijne belijdenis het vonnis des doods over zichzelven uitspreken; want dit is het werk, wanneer men aan een eenige zonde ontdekt wordt, dat men zegge; alle vleesch is schuldig voor God, en dat wij ons zeiven veroordeelen.

33. Het is niet zonder opmerking, dat onze Psalmist zegt, Ik zal het doen.

x.?*. Hiermede wil hij te kennen geven, dat zich zeer veel tegen dit werk kwam aan te kanten, en het is zoo; het is geen gemakkelijk werk voor iemand, die levendig schuld ziet, tot belijdenis te komen op de gezegde wijze: het hart bevindt dikwerf, dat zij onder een benauwd pak gaan, dat de wereld hun te bang is; zij hebben geen inzien in den Middelaar, in de aanbieding en roeping; daarom zit het hart in beklemdheid, als tusschen twee rijen van steenen, kan niet vlotten, kan niet van den kant steken, en op vrije genade het laten aankomen.

/3/3. Of dit, ik zal, zal zeggen, wat zijn voornemen was onder al de lasten van schulden: o, niet om te bedekken, maar zijn geluk daarin te stellen, om ze eens vrijmoedig uit te spreken voor den Heere. De zonde is het allerbitterste; maar in stille eenzaamheid die alle te belijden en te betreuren voor God; o, elke traan is zoeter dan honig en honigzeem; ja men wilde in dat veroordeelen, verfoeien en walg hebben van zichzelven gaarne verdrinken, al wee-nende, al treurende sterven.

yy. Of het zal zijn vertrouwen op de belofte Gods te kennen geven, in dier voege: was zijn hart thans niet in eene weeke, treurige en ootmoedige gestalte,

77

-ocr page 98-

quot; ^

78 bekennen van ongerechtigheid. j

maar hard, zoodat zijn band niet los kon komen,! noch zijn beklemde en angstigmakende benauwdheid wijken, hij steunde op Grods getrouwheid in zijn Woord, dat hij het eerlang vinden zou, naar des Heeren belofte in \'tverbond: Ik zal maken, dat zij een walg aan zichzelven hebben.

2. De schikking nu tot dit alles vinden wij in weinig woorden en omstandigheden: Ik zeide. Dit kunnen wij zoo opvatten:

aa. Dat het zal te kennen geven zijne schikking van zichzelven tot dat werk, zijne wegen en zijne daden overleggende, opdat hij uit het nagaan van alles stof mocht hebben, om zich als in des Heeren tegenwoordigheid bezig te houden; dit wordt althans vereischt. Onderzoekt u zeiven nauw, ja nauw.

eb. Of het zal zeggen, dat het zijn wenach en be- j geerte was om tot dit werk te komen, gelijk dit j woord beteekent in Ps. 14: De dwaas zegt in zijn hart, dat is, hij wenschte het; zoo hier: o, zijne begeerte was om zij a hart te loozen. Het is uit al het gezegde klaar te zien, dat onze Psalmist nog niet eigenlijk tot het werk zelf was gekomen, maar in de poging daarnaar. Ondertusschen, God zal Zich niet onbetuigd laten, maar de woorden bewaarheden. Eer zij roepen, zal Ik antwoorden.

(3. Trouwens, hier vinden wij een levendig blijk er van: En Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela! Hier komt ons in overweging :

a. De weldaad aan onzen Psalmist bewezen: Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.

a. De Psalmist spreekt van de ongerechtigheid zijner zonde.

1. Wat de letter hier betreft. Hier vinden wij twee zelfstandige t naamwoorden bij elkander gesteld, die

1

-ocr page 99-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

en en dezelfde zaken uitdrukken, hetgeen zeer emeen is in de taal des Greestes, in \'t Woord spre-ende. Ps. 16:5, De Heere is liet deel mijner erve; f het deel mijns deels, dat is, alles, dat ik tot mijn eel in leven en sterven stel; zoo ook hier: de on-erechtigheid mijner zonde, dat is, om klem, om adruk en vergrooting hij te zetten; mijne zware, ardnekkige en hemeltergende zonde; of men zou eze woorden, die hier te zamen gevonden worden, oo opvatten, dat onze spreker door het eerste Grna-on de hoedanigheid, die de zonde vergezelt, wil

itdrukken, namelijk de schuld, welke hem tot het ndergaan van de straf verplichtte; en dan komt de preekwijze, in haar geheel genomen, zeer wel over-en met den eigen aard van de vergeving; want eigenlijk gesproken. God vergeeft de zonden niet, zonden blijven zonden, zonden zijn altoos en in alle onderwerpen, op zich zeiven aangemerkt, dood en verdoemenis waardig; maar als God de zonden vergeeft, zoo bevrijdt Hij; Hij doet te niet de verbintenis, waaronder het onderwerp ligt, en dit is de schuld. Gnavón zegt eigenlijk, onrecht, verkeerd, omgekeerd; zoodat het onderste boven komt; gelijk dit laatste schijnt de eerste beteekenis te zijn, Jez. 24:1, Ziet, de Heere maakt de aarde ledig, en Hij keert derzelver gestaltenis cm, of eigenlijk derzelver aangezicht of oppervlakte keert Hij om. Ons tweede woord, Xton Chata, zegt eigenlijk een missen; zijnde ontleend aan een boogschutter, die naar een wit schietende hetzelve bezijden schiet; waarom het overgebracht wordt om de zonde te kennen te geven.

2. In \'t zakelijke, mijne aandachtigen! indien wij ons wilden uitlaten, om u van hetgeen vergeven

79

-ocr page 100-

bekennen van ongerechtigheid.

werd, uitvoerig overeenkomstig de opheldering der woorden te spreken, de tijd zou ons ontbreken.

aa. Om aan te toonen, hoe de zonde in den mensch alles ten onderste boven gezet heeft, de leidende vermogens van verstand en oordeel in onderwerping heeft gebracht aan de dierlijke vermogens van de hartstochten.

eb. Hoe de mensch ten eenenmale mis is in alles, wat hij doet, zoo lang hi] door Gods Geest niet wedergeboren wordt; dit wordt overvloedig gedaan bij eene andere gelegenheid; alleen het is aanmerkelijk, dat de Psalmist, van zijne zonde sprekende, de woorden, als \'t ware, had opgezocht om de boosheid en gruwelijkheid daarvan te kennen te geven, opdat dus de genade des te meer zou verheerlijkt worden.

I. Daarom getuigt hij, dat God hem die vergave. Hier vinden wij:

1. De weldaad der vergeving. Indien wij konden, mijne zeer geliefden! wij hadden veel hierover aan uwe aandacht voor te dragen, over de kracht van ons grondwoord Nasa waardoor de eigen

aard van deze weldaad wordt uitgedrukt; maar wij moeten het noodwendig sparen voor eene andere gelegenheid. Thans zullen wij \'t maar met den vinger aanroeren.

aa. Vergeving dan, gelijk wij weten, is een eigenlijke bevrijding van schuld, waardoor de persoon, die wezenlijk onder verbintenis lag om straf te ondergaan, daarvan bevrijd wordt, en gesteld in den staat, alsof hij zulk een misdaad niet begaan had; dit komt met het formulier des Avondmaals overeen: Evenalsof hij alle gerechtigheid in eigen persoon volbracht had. Deze vergeving is tweeërlei: er is eene vergeving op de eerste daad des ge-

80

-ocr page 101-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

loofs, welke medebrengt eene staatsverandering; waarin de persoon van toorn en vloek bevrijd wordt, zoodat hij daaronder nooit zal komen; er is een dagelijksche vergeving van zonde, welke maar alleen verschilt van de eerste, dat het onderwerp, dat dit gewaarwordt, niet wordt aangemerkt buiten God en Christus, maar een kind van God te zijn. Dit kan aan uwe aandacht klaar blijken.

NN. In geloovigen wordt een dagelijksche schuld bevonden. De rechtvaardige valt zevenmaal des daags.

53, Er zijn over de dagelijksche schulden der geloovigen beschuldigers. De beschuldiger der broederen is bezig dag en nacht, Openb. 12:10, en ook de wet beschuldigt; want schoon het waar is, dat die hare verdoemende kracht verloren heeft, ten aanzien van de geloovigen, nooit echter verliest zij hare beschuldigende kracht om hen aan te klagen over hunne misdaden.

JJ, Er zijn opeischers van schuld; dat is, dat de verdiende straf mag uitgevoerd worden; deze zijn ook de wet en de gerechtigheid Gods.

~n. Er is een Voorspraak voor de dagelijksche zonden, 1 Joh. 2:1, en deze is Jezus Christus, de rechtvaardige, die ook eene verzoening voor onze zonden is.

nn. Er moet ook om deze dagelijksche schulden kwijt te raken, een waarachtig geloof en aannemen van des Middelaars gerechtigheid geoefend worden. Zoodat uwe aandacht ziet. dat deze laatste vergeving niet eene staatsverandering onderstelt, en derhalve niet is in alle opzichten van dezelfde natuur met de eerste, en het overige is maar onder recht-zinnigen grootelijks een woordenverschil, waarvan de een losser, de ander nauwkeuriger spreekt; ge-

81

-ocr page 102-

lt;

82 bekennen van ongebechtigheid.

lijk wij breedvoerig getoond hebben over de vijfde bede eb. Van deze vergeving merken wij, behalve het gezegde in \'t gemeen, dat er zijn:

In Gods Woord overkrachtige spreekwijzen Dan wordt het genoemd eene niettoerekening; Go( was in Christus de wereld met Zichzelven verzoe nende, hare zonde haar niet toerekenende; dan eene uitdelging; Ik, Ik ben het, die uwe ongerechtigheid uitdelg, om Mijnentwil, Jes. 43 ; 25; dan een werpen achter den rug, enz.

23. Maar om andere spreekwijzen voorbij te gaan, zullen wij het kunnen ophelderen uit de beteekenis van ons woord, zooals het beteekent:

u.y,. Een oplichten. Dan komt ons de zonde er de beschuldiging van het geweten over dezelve voor als een zware last, als een looden plaat op het geweten; de vergeving als een oplichten van dien; gelijk dus de geloovigen het ondervinden op hunne geloofsoefeningen, dat somtijds de last van hun hart opgelicht wordt.

/3/3. Een dragen. Waardoor eigenlijk de vergeving te kennen gegeven wordt, zooals Christus bij der armen, belasten en beladenen zondaar komt zeggen | Werp uwen last op Mij, Ik zal dien dragen en r ruste geven.

yy. Een opheffen van onderen. Waardoor de zie, begrepen wordt door droefheid te zgn in een kuiquot;\' zonder water, in een modderig slijk en diepe klei en dat haar touwen onder de okselen, de dierbare\' beloften van het genadeverbond, gegeven worden,0 om haar van onderen op te beuren.

SS. Een sparen. Waardoor zij begrepen worden,, gelijk als Izak gebonden, en het slachtmes van de1 j Goddelijke wraak opgeheven; en dat de Borg tus- !

-ocr page 103-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

de komt, zeggende: Laat ze in den kuil niet en, Ik heb verzoening gevonden.

ndelijk, om alles niet op te halen, zegt het lezen. Daar dan het geweten van schuld 3 etterbuil wordt voorgehouden, als eene .oorknagende, gelijk in \'t voorgaande; en iving als een gieten van olie van genade in en, gelijk de Samaritaan deed, enz. t iemand, hoe David dit zeggen kon ? anderen gt;ver beducht; wat zijn dan de gronden ? Wij ien:

j kon dit opmaken uit de belofte van het h woord, daar op boetvaardigheid verge-oofd wordt. Maar o! dat kan niet veel aan iuwd gemoed teweegbrengen. Nathan zeide eene andere gelegenheid, maar hij kon het )oven.

ogelijk kwam God tot hem naderen, en op htige wijze van vrede spreken, Ps. 85:9. i dat hij vond een ruimen toegang in zijne tot God.

\', dat hij vond op zijne belijdenis eenige veren verwijding van zijn hart.

ir hier is een zoete spraakwending. In \'t ide zou hij het doen voor den Heere, nu : Gij vergaaft. Konden wij, wij zouden die bewegingen van onwaardigheid, van erken-m aanbidding en verwondering, en lust om s Heeren aangezicht dit te erkennen, uitha-ir doet het thuis gekomen zijnde.

83

nu van des Heeren weldaden getuigd heb-lat hij er op volgen het pauseerende woord

igaande dit woord en deszelfs gebruik in

-ocr page 104-

BEKENNEN VAN ONGEEECHTIGHEID.

de heilige liederen mogen wij zeggen, zijn zo hoofden, zoo vele zinnen; wat ons \'tbestevooi deelen wij mede.

h. Namelijk, daar zijn uitleggers, die meenei

1. Dat dit zou te kennen geven eenige bew des gemoeds, zonder die te bepalen; ondertus is dit zoo: wat zullen er niet sterke gemoedsl gingen in onzen Psalmist geweest zijn; dat vreeze en hoop, liefde en verwondering, aanbii en verfoeiing en walging van zichzelven bij verg geweest zijn, dat God tot zulk eenen de gen; vergeving sprak.

2. Anderen, dat het overeenkomt met I

het is waarheid, dat is, ik heb gronden om dit, ik gezegd heb, te gelooven.

3. Anderen, dat het zou aantoonen, dat de zen, waarin het voorkomt, tweemaal moeten gel worden, wegens derzelver nadrukkelijkheid.

4. Maar liefst is het om te doen pauseeren,

stil te houden, opdat zij met een nauwkeurige dacht en opmerking de zaak zouden beschou-quot; en hun geestelijk gebruik daarvan maken, naar aard der zaak, en naar hunne gestalte en oms digheid; Sela! Het is dan in dit opzicht, a onze heilige Psalmist tot een overtuigde ziel ze Belaste en gebogene onder den last van uwe zon en overtredingen, die met den tollenaar van vi staat, slaande op de borst, die wegens de grootl van uwe zonden met schaamte en schaamrood! overtrokken zijt, in dier mate, dat gij tot het bl der besprenging niet durft toenaderen: Iet nu ij aandacht op mij, op Gods barmhartigheid en vri, ontferming aan mij, en uw ongeloof zal moete

84

-ocr page 105-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

verstomd staan, en uwe geloofsvrijmoedigheid zal opgewekt worden. Wilt gij het nu eens nagaan:

AA. Hij wil daarmede zeggen tot den lezer en hoorder van deze woorden: herinner u den persoon, die een bondeling is, en die heeft overtreden; twijfel dan niet aan uwen genadestaat, omdat gij uwe feilen hebt, de rechtvaardigste valt zevenmaal daags, en ondertusschen wordt hij niet weggeworpen.

eb. Ja maar, zal de ziel zeggen: o! het kan wel zijn, David! dat de Heere u uwe zonden vergaf, die waren zoo hooggaande niet als de mijne; de mijne zijn rood als scharlaken en karmozijn; de mijne zijn tegen de dierbaarste verplichtingen, tegen licht, overtuiging en beschuldiging van mijn geweten aan; hoe zullen die kunnen vergeven worden? Eu tot deze zal hij zeggen; Sela! blijf er bij staan! het was niet alleen zonde, die ik zeide, dat ik belijden wilde, maar het was volle overtreding, het was rebellie tegen God, en een stout en hoogmoedig aankanten van mijne ziel tegen den Heere, schoon de allerdierbaarste verbondsverplichtingen op mij lagen. Ja, wat meer is, het was niet ééne overtreding, maar overtredingen, vele herhaalde, aanhoudende, hardnekkige, onverschoonlijke overtredingen; en nochtans vergaf God die. Sta derhalve niet bij uwe schuld te lang, staroog er zoo niet op, dat gij van het bloed van Christus zoudt afblijven en in kleinmoedigheid wegzinken, maar gedenk aan mij, en hoe God mij hielp in den dag, als ik tot Hem riep; trouwens gij hebt des Heeren dierbaar Woord der toezegging om geloofsuitgangen op te wekken, Jes. 1:18, Komt dan, laat ons te zamen in \'t gericht treden: al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als wol, al waren zij als karmozijn,

85

-ocr page 106-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

zij zullen wit worden als sneeuw. Ezech. 33:11, Zoo waarachtig als Ik leef, zoo Ik lust heb in den dood des zondaars! maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere en leve. O wonder van vrije genade! Wat mag men niet uitroepen: O God! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt; dat zondig stof, dat Gij hem zulke gronden van geloofsvrijmoe-digheid schenkt!

cc. Ja, zal de ziel, die hare zonden ziet, mogelijk zeggen: dat verwondert mij niet, dat uwe zonden u vergeven waren, want gij hebt ze op een geloovige wijze kunnen belijden en bekennen voor den Heere, en het bloed van Christus omhelzen tot verzoening. Maar helaas! mijn hart is zoo hard als een steen; ofschoon ik mijn zonde opzoek, die overdenk, het Godonteerende nagaat, mijn ziel onder het oog stel de vloeken van Gods wet tegen de zonde, het blijft even hard, even verstokt, ik kan geen tranen vinden, mijn hart is als een diamant. En deze zal onze David toeroepen: Sela! blijf maar op mijn woorden letten, ik zeg niet, dat ik dadelijk bezig was in \'t bekennen en belijden van mijne ongerechtigheid, maar ik had een voornemen, om het te doen; en de Heere verraste mij: Hij sprak van vrede tot mij, eer ik dadelijk aan \'t belijden was. Wie weet nu arme belaste, of God ook u zoo schielijk zal verrassen; het is ook Gods weg meer zoo te handelen; den verloren zoon van verre ziende, gaat de teederhar-tige en ontfermende God dien te gemoet; o, als God bespeurt eene gewilligheid in de ziel, zijne ingewanden rommelen, en Hij trekt zijn berouw niet alleen, maar al zijn berouw te zamen; gave God, dat wij hierbij bleven staan! het zou niet vruchteloos zijn.

Trouwens in ons tweede deel verzekert zich de

86

-ocr page 107-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

Psalmist, dat elke heilige een goed gebruik hiervan maken zal: Hierom zal een ieder heiligeTJ aanbidden in vindenstijd. Hier vinden wij:

x. Dat de Psalmist aanwijst het gebruik, \'twelk de heiligen hiervan maken zullen: een ieder heilige zal U aanbidden in vindenstijd. Hij spreekt dan:

a. Van de werkzaamheid der heiligen: een ieder heilige zal U aanbidden.

a. De onderwerpen, die aanbidden zouden, zijn: 1. De heiligen. De geleerde uitleggers merken zeer wel aan, dat het grondwoord, hier door heiligen vertaald, beteekent een medelijdende, liefdragende en barmhartisre. \'tWelk een uitnemend kenmerk is van Gods kinderen en gunstgenooten. Daarom spreekt Christus dezen zalig, Matth. 5 : 7, Zalig zijn de barm-hartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. Ondertusschen deze deugd wordt nooit gevonden op de rechte wijze, dan alleen in een geheiligd onderwerp. Laat ik dan met een woord iets van beide aanroeren, volgens de opheldering.

AA. Die het recht gebruik zal maken van het voorgaande, en die zielswerkzaamheid overeenkomstig met het gezegde van David hebben, die is een barmhartige. Een barmhartige nu is zulk een,

XS. Die met aandoening der ziel nauwkeurig acht-geeft op de ellenden en engten van een ander, en zijne ingewanden laat rommelen over dien; hij draagt zich verstandiglijk daaromtrent, met innige ontferming.

Ü. De barmhartige is zulk een, wiens ziel daarop uit is, om wegen en middelen te bedenken, om de ellendigen met raad of daad te hulp te komen, Spreuk. 14:22.

JJ, De barmhartige overweegt de dingen niet in zijn hart, maar hij wil tijdig een ellendige helpen.

87

-ocr page 108-

BEKENNEN TAN ONGEKECHTIGHEID.

-H. De barmhartige, ofschoon de ellendige hem benadeeld heeft, o hij vergeeft gaarne, en wil de misslagen van den ellendige niet strengelijk opzoeken; maar, gedenkende, hoe hij tienduizend talentponden schuldig is voor God, wil hij gaarne eene kwadrantpenning zijnen evenmensch vergeven.

nn. Eindelijk, die stelt zich dikwerf in de plaats van den ellendige, en Christus1 guldenspreuk in zijn hart geschreven zijnde, al wat hij wilde dat aar hem in zulk een ellendigen toestand mocht geschieden, dat tracht hij van ganscher harte aan een andex te doen. O dierbare deugd!

BB. Of wilt gij bij de vertaling blijven, welke zeer krachtig is, h e i 1 i g e n ? De geloovigen zijn heilig, niet volmaakt, de besten hebben hunne gebreken; indien, iemand zegt, dat hij geene zonde heeft, die bedriegt zichzelven, en de waarheid is niet in hem; de volmaaktheid wordt voor den hemel bewaard.

NN. Maar de geloovigen zijn heilig, vermits zij vernieuwd worden in al de vermogens van hunne ziel; zij zijn naar Grods evenbeeld geschapen in kennis, in gerechtigheid en ware heiligheid.

ai. Heilig, omdat zij zonderling op de oefening van de heiligmaking gezet zijn; hunne begeerte is, dat, gelijk Hij, die hen geroepen heeft, heilig is, zij ook zeiven heilig mogen zijn in al hunnen wandel; daarom zoeken zij de zonde ten onder te brengen, geene middelen te verzuimen, waardoor de heiligmaking kan bevorderd worden. De heiligmaking, naar de vermaning van Paulus Hebr. 12:14, jagen zij na, vermits zij weten, dat zonder die niemand God zien zal.

2. Een ieder heilige, geen van de ware geloovigen uitgezonderd; de kleinen zoowel als de grooten

88

-ocr page 109-

BEKENNEN VAX ONGEEECHTIGHEID.

en verder gevorderden in de heiligmaking zullen het recht gebruik hiervan maken; niet dat zjj in de zonden zouden blijven, opdat de genade des te overvloediger zou worden, dat zij verre! dat is maar een achten van het bloed des verbonds als iets onreins, en een maken van Christus tot een dienstknecht van de zonden; hetgeen het eigen werk van ongeheiligde gemoederen is; daar integendeel al Gods weldaden en zegeningen een gewenschte uitwerking hebben in de harten van Gods kinderen, om hen tot deugdsbetrachting uit een vernieuwd beginsel aan te zetten, en hen met een heiligen Paulus in dat oordeel te brengen, dat, indien een voor allen gestorven is, wij ook allen behoorden gestorven te zijn.

6. Trouwens, dit vertrouwde onze Psalmist, gelijk uit de beschrijving van hunne werkzaamheid blijkt: zij zullen U aanbidden.

1. Het voorwerp van hunne werkzaamheid is niemand anders dan de Jehova, de Heere, die David zoo genadiglijk zijne zonden had vergeven, en de Jehova alleen moet zijn het voorwerp van alle aanbidding Joh. 4:24. Hem komt de lof toe; daarom zullen de heiligen zich opwekken om den Heere te loven, die hunne ongerechtigheden vergeeft, die hunne krankheden geneest, Ps. 103 :3, 4, 5.

2. Hunne werkzaamheid zoude zijn, aanbidden. Wat ons grondwoord betreft: ik heb gevonden in het nasporen van de geleerde uitleggers, dat zij aanmerken, dat het van het gericht ontleend is, te kennen gevende de ootmoedige smeeking van een gedaagde, die zich schuldig vindt voor zijn rechter, om kwijtschelding van zijne schuld, en om een vrij pardon; ondertusschen deze, ziende zijnen Rechter met majesteit en heerlijkheid zoo bekleed,

89

-ocr page 110-

BEKENNEN VAN ONGEKECHTIGHEID.

waarover hij ten uiterste moet verbaasd en verwonderd staan, waardoor aanbidding in zijne ziel veroorzaakt wordt, zoo kan men het met onze geachte taalmannen door aanbidden vertolken; zulk een aanbidden nochtans in \'t oog houdende, dat in eene ziel veroorzaakt wordt door de ontdekking van God als een rechtvaardig Rechter, en nochtans genadig Vergever, welk beide de oorzaak van aanbidding zijn zal in tijd en eeuwigheid. Paulus voegt beide bij elkander, Kom. 3:25. Hier was nu een ruim veld, om uwe aandacht aan te wijzen het gebruik, \'twelk de heiligen van het voorgaande maken zouden; bij aanvang, als zij eerst op den weg gebracht worden; bij vernieuwing, als zij met hunne dagelijksche zonden tot den Borg Jezus komen, om de vergeving van die gewaar te worden; hoe zij als gedaagden komen, zich tien duizend talenlponden schuldig belijdende, met het vonnis van den dood en doemwaardigheid in hunnen mond; hoe zij hunnen Rechter om genade bidden, en de volmaakte genoegdoening van Christus aangrijpende, daarop de kwijtschelding van schuld begeeren; hoe zij met verwondering staan, als zij zien, hoe God als de rechtvaardige Rechter, behoudende zijn onkreukbaar recht, in eenen weg van de allerstrengste rechtvaardigheid zijne genade kan en wil verheerlijken aan de allervoornaamste der zondaren en zondaressen. Ik zeg, van dit alles en van de gemoedsbewegingen, die in \'t aanbidden samenloopen, zal ik niet spreken, dit gedaan hebbende bij gelegenheid dat wij predikten van de rechtvaardigmaking, en van het ware aanbidden in geest en in waarheid.

b. Wanneer zouden de heiligen nu den Heere alzoo aanbidden? De Psalmist, niet uitsluitende dat

90

-ocr page 111-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

bidden en aanbidden zonder ophouden en ten allen tijde, 1 Tbess. 5:17, zegt in vindenstijd. Om vele zaken voorbij te gaan; onze Psalmist zal

a. Veronderstellen, wanneer hi] spreekt van een wel aangenamen, gelegenen, of vindenstijd, dat door verzuim van de genade Gods en uitstel van de bekeering, en verwaarloozen van de middelen, door God ingesteld, dat er wel een vindenstijd kan voorbijgaan; wij weten ook, dat het alzoo is. God gaf honderd en twintig jaren aan de eerste wereld; die tijd was een vindenstijd; die tijd voorbij zijnde, zij mochten zoeken en roepen, God lachte in hun verderf. Schoon wij dit niet durven bepalen, wanneer de vindenstijd voorbij is, nochtans waarschijnlijk zullen wij iets tot waarschuwing zeggen:

1. Dan is het te vreezen, dat een vindenstijd voorbij is, wanneer men ongevoelig blijft onder des Heeren slaande hand, zoodat men geene pijn gevoelt, tot geene bekeering gebracht wordt, maar integendeel de overtredingen des te grooter maakt; dan zal God billijk zeggen: Efraïm is met de afgoden vergezeld, laat hem varen, Hos. 4:17.

2. Wanneer de ziel onder een reeks van overtuigende middelen onbekeerd blijft, dan is het te denken, dat God het Woord zal maken tot een reuk des doods ten doode, en den kandelaar van zijne plaats zetten, Openb. 2:5.

3. Wanneer de ziel vele benauwdheid en overtuiging ondervonden heeft, en op de noodzakelijkheid van bekeering levendig gezien heeft, en veel gereformeerd heeft onder dien angst, maar naderhand zijnen vorigen weg inslaat; dan brengt de duivel er nog zeven, erger dan de eerste was.

4. Wanneer men zich met een burgerlijken grond

91

-ocr page 112-

BEKENNEN VAN ONGERECHTIGHEID.

vergenoegt, op zijne kerkvoorrechten en goede gedragingen nederzet: hoeren en tollenaars zullen eerder zalig worden dan dezulken.

5. Wanneer de ziel door hooren, lezen, of bestu-deeren van geestelijke waarheden een nette en be-scheidene kennis van bevindelijke waarheden zich machtig maakt, en de bevindelijke kennis mist; er zijn nooit ergere vijanden van Gods ware volk geweest, dan even zulken, die niets hebben dan de letter.

6. Maar een vindenstijd, dat is;

1. Wel, behalve het gezegde, zoo God het niet verhoedt, alle dag; God roept en noodigt dagelijks. , 2. Vooral de jeugd; o! die God vroeg zoeken, zullen Hem vinden. Wat is het eene zaligheid, in zijne jonkheid de eerste beginselen van Gods weg te leeren door een Christelijke opvoeding! zoodat men aan zijnen Schepper gedenkt in de dagen van zijne jongelingschap, Pred. 12:1.

3. Tijden van overtuiging en zielsbenauwdheid, Hos. 5; 15, Als het hun bange is, zullen zij Mij vroeg zoeken.

4. Tijden van Gods dierbare noodiging door het Evangelie tot zijn gemeenschap; indien de ziel maar haar oor neigt en hoort, de ziel zal leven en het goede genieten.

/3. Hierom, zegt David, zouden de heiligen zoo werkzaam zijn; namelijk, als zij hetgeen hij getuigde ondervonden te hebben, aandachtiglijk nagingen; dat zoude krachtig op hun hart kunnen werken en hen tot een betamelijk gedrag omtrent God brengen.

Mocht nu de toehoorder het een en het ander aandachtiglijk overwegen in Gods vreeze.

De geruste zondaar zou bespeuren, dat hij nooit

92

-ocr page 113-

BETEOUWEN.

tot dat rechte bekennen van zijne zonden was gekomen.

De verlegene en belaste zondaars kunnen bemoedigd worden, en aangespoord om hunne zonden te bekennen, en als schuldigen en doemwaardigen met den strop om den hals te komen tot Christus, die zoo liefelijk noodigt.

De verzekerde heilige zou God om de grootheid van zijne goedertierenheid aanbidden, en hetgeen David zegt, verzegelen.

God zelve brengt het op onze harten, zoodat wij onze zonden niet alleen mogen bekennen en belijden, maar ook ondervinden, dat de Heere de Jehova al onze ongerechtigheden uitdelgt om zijns Naams wil.

C. Een derde dierbare en zeer nadrukkelijke benaming des geloofs is: i

BETROUWEN.

nDn Chasa in \'t Hebreeuwsch. Ps. 34:23. De Heere verlost de ziel zijner knechten; en allen die op Hem betrouwen zullen niet schuldig verklaard worden. Hier in deze woorden komen twee voorname zaken in aanmerking:

De Psalmist stelt terneder een zeer trooste-lijke waarheid voor allen, die den Heere vreezen, in hunne allerzwaarste droefheid, angsten en velerlei verdrukkingen:De Heere verlost deziel zijner knechten. Hier hebben wij

x. Het voorwerp van des Heeren goedertierene verlossing, de ziel zijner knechten:

a. De personen, die de verlossing ondervinden zouden, worden beschreven: knechten des Heeren. Meermalen hooren wij van knechten melding maken

93

-ocr page 114-

BETROUWEN.

94

in des Heeren dierbaar Woord. De Messias zelve, wegens zijne onderwerping van Zich aan den Vader in den raad des vredes, wordt Gods knecht genoemd, Jes. 42:1, Ziet, miin knecht, dien Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in denwelken mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb mijnen Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen. De koningen worden ook des Heeren knechten genoemd, Jer. 25:9, en Paulus\' eer is, dat hij een dienstknecht Gods is. Tit. 1:1. Ondertusschen is dit een gemeene benaming van al des Heeren kinderen; zij zyn zijne knechten; zij hebben de zonde en den satan en de wereld den dienst en gehoorzaamheid opgezegd, zij hebben zich aan den Heere geheel en al overgegeven, om Hem tot knechten te zijn; zij staan naar de ware onderwerping van zich in alles aan zijnen Goddelijken wil; zij gehoorzamen Hem met bereidwilligheid, hunne eer, leven, blijdschap, genoegen, vrijheid en zaligheid in zijnen dienst stellende; zij wachten op zijne wenken, gedurig uitroepende : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal! Zij klagen niet van harte over iets, dat Hij hun oplegt, maar zeggen liever: zijne geboden om te doen en te lijden, zijn niet zwaar; zij zijn niet traag, maar ijverig in \'t benaarstigen; zij willen in geen anderen dienst overgaan, hoe zij daartoe ook gelokt worden. En zoo werkzaam zijnde, geeft God hun geestelijk voedsel, Christus zelf en de goederen van het genadeverbond; deksel ook, de schoone gerechtigheid van Christus; en Hij zal hunnen geringen dienst en poging om Hem te gehoorzamen uit vrije genade beloonen en bekronen, wanneer hun zal worden toegeroepen: Kom, gij getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, Ik zal u over

-ocr page 115-

BETROUWEN.

iel zetten; ga in, in de vreugde uws Heeren, atth. 25:21.

b. De verlossing zou hare betrekking hebben om-jnt de ziel van des Heeren knechten. De ziel irdt somtijds wel genomen voor het leven, en dat eft eenigen doen denken, dat de zin hier zijn zou, t God hun leven verlossen zou; maar wij we-i, dat, ofschoon de dood der knechten des Hee-i geen eigenlijke straf der zonde is, die zij on-gaan moeten, dat echter de knechten des Heeren iwel als anderen, sterven. In dezen is het, gelijk in andere zaken: eenerlei wedervaart den recht-rdige en den goddelooze. De ziel wordt hier, r een figuurlijke wijze van spreken, gesteld voor geheelen persoon, het voornaamste deel voor geheel. Gelijk meermalen gebruikelijk is in des ren Woord: al de zielen die naar Egypte afgin-Om dit nu recht te verstaan, moeten wij twee m in acht nemen:

Elk mensch ligt van nature door Adams bond-ik onder een tweeërlei schuld.

Om Adams zonde, die hem toegerekend is, ligt gt;nder eene verplichting om Gods toorn en vloek ■iglijk te moeten ondergaan; zoodat hij de ge-aschap met God verloren heeft, en verbonden is al de ellendigheid van dit leven, den dood zeiven 3 pijnen der hel tot in eeuwigheid, Rom. 5:12. Als een gevolg vfn Adams schuld, welke aan toegerekend wordt, die bijwijze van de gelijke voortteling van hem voortkomen, is er inklevende schuld, welke bestaat in de ontbering de oorspronkelijke gerechtigheid, waarmede msch naar Gods beeld geschapen was, in ken-ferechtigheid en ware heiligheid; dit ontberen

95

-ocr page 116-

BETEOÜWEN.

na den val alle menschen, God als een rechtvaard Rechter handelende, zoodat elks natuur verdorv

is, het verstand duisternis, de wil vijandig teg je yn niet

j— — i_____i.___ ______ •\' \'

God, al de genegenheden en hartstochten ongeregeld; en, om het met één woord uit te drukkert jëzus* zi de mensch is dood in zonden en misdaden, en tótT alle goed volstrekt onmachtig en ten eenenmale onbekwaam.

I. Hier komt nu nog bij, dat des Heeren kinderen velerlei droefheden, angsten en smarten hebben, ja kruisen, verdrukkingen en wederwaardigheden; zij moeten door een dal der moerbezieboomen doorgaan, hunne tegenspoeden zijn vele, wegens Gods oneindige wijsheid en vaderlijk hart, waardoor Hij,

in hen met de roede te kastijden bewijzen wil, dat zij geene bastaarden, maar lieve kinderen zijn, die Hij vroeg met kastijding wil bezoeken, Hebr. 12:6—111

/3. Dit nu gezien hebbende, om een begrip van de verlossing in derzelver uitnemendheid te hebben,

zegt nu onze Psalmist, dat de Heere hen verlossen zal: de Heere verlost de ziel zijner knechten.

Het grondwoord, hier door verlossen vertaald, geeft niet een gemeene verlossing te kennen, maar een verlossen door prijs, door volkomen te betalen van al datgene, \'twelk de ziel verplicht was op te brengen; ziet, dit is het eigenlijke gebruik des woords,

Exod. 13:13, 15. 34:20. Lev. 27:27. Num. 3:48,

49, 51, en op andere plaatsen meer.

96

ï ?endien quot; verkoren(

Dit dan leidt ons op, om te denken aan den weg van des zondaars zaligheid door de dadelijke en lijdelijke gerechtigheid van Christus Jezus, waardoor de Borg volkomen aan de gerechtigheid Gods voldaan heeft, en God niet alleen in staat gesteld heeft om de zonden te kunnen vergeven, maar bo-

goud,

-ocr page 117-

BETEOUWEN. 97

rendien volkomen verzoend; hierom worden de uitverkorenen en geroepenen gezegd, duur gekocht te zijn, niet door vergankelijke dingen, gelijk zilver en ^oud, maar door het dierbaar bloed van Christus J ezus; zaken, die wij bij andere gelegenheden breedsprakig beweren tegen de Socinianen en Remonstranten, waarin wij ons nu niet kunnen inlaten; seggende maar alleen:

a. Dat God verlost de ziel zijner knechten, door bet geven van een middel der verlossing, Rom. 8:32. Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij tms ook met Hem niet alle dingen schenken? En de Zoon Gods verlost de ziel zijner knechten, Zichzel-ren overgevende aan den dood, zijne ziel stellende tot een rantsoen voor velen; de Geest verlost, dit alles toeëigenende aan de ziel, en het geloof in hun hart werkende, waardoor zij met Christus vereenigd worden.

b. De Heere verlost, wanneer Hij in de recht-vaardigmaking de ziel vrijspreekt van zondenschuld, haar al hare ongerechtigheden vergevende, hare zonden uitdelgende, Jez. 43 : 25.

c. De Heere verlost de ziel zijner knechten; wan-ueer Hij hen hoe langer hoe meer heiligt, en rei-trigt van de smet der zonde; dit was Christus\' bede: Heilige Vader! heilig ze in uwe waarheid, uw

roord is de waarheid, Joh. 17 :17.oord is de waarheid, Joh. 17 :17.

d. De Heere eindelijk verlost de ziel zijner knech-;en, wanneer Hij hen verlost van het lichaam der sonde en des doods, en inbrengt in dat nieuwe Jeruzalem, \'twelk vrij is; waar noch zonde, noch smart, loch tegenspoed haar zullen kunnen benadeelen; naar zij ruste hebben van al hunnen arbeid, terwijl

7

-ocr page 118-

BETEOUWEN.

hunne werken hen ondertusschen volgen zullen. I

2, Uit die gestelde waarheid trekt onze Psalmist] een heuglijk besluit, en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.

a. Hier hooren wij spreken van allen, die op Hem, namelijk den Heere, betrouwen. Hetgeen ons brengt tot hetgeen wij eigenlijk in de woorden beoogen, om van het geloof als een betrouwen te spreken; \'twelk wij alzoo doen zullen, dat wij

a. Van het woord spreken zullen. Het grondwoord, \'twelk hier voorkomt, is Chasa; \'twelk onze geachte taalmannen vertaald hebben na eens door betrouwen, dan door vertrouwen; welke beide hollandsche woorden hetzelfde te kennen geven, namelijk een uitgaande daad van de ziel, waardoor die, door overreding van de genoegzaamheid van een ander, ten aanzien van deszelfs trouw en waarheid, hare zaken met een volkomen gerustheid en zekerheid op dien laat aankomen. De geleerde uitleggers en taalkundigen, de kracht des woords navorschende, merken aan, dat het te kennen geeft een vluchten en loopen uit gevaar, namelijk van het gevaar, waarin men zich bemerkt, tot een plaats van veiligheid. \'tWelk zeer wel den eigen aard des geloofs uitdrukt, en met grond aan de godgeleerden gelegenheid geeft om te spreken van een toevluchtnemend betrouwen of vertrouwen. \'tWelk zoetelijk kan opgehelderd worden uit de geschiedenis van den onnoozelen doodslager, vluchtende van het aangezicht dca hloedwrekers naar de vrijstad, waarin hij mocht volkomen ver trouwen in veiligheid te zijn, als hij maar zoo gelukkig was, dat hij in de vrijstad kon gsraken, eer hij van den bloedwreker achterhaald werd.

b. Wat nu dit betrouwen in het zakelijke betreft:

98

-ocr page 119-

BETROUWEN.

die geen vreemdeling te Jeruzalem is, weet zeer wel, wat hevige verschillen er onder Godgeleerden en andere Christenen daarover zijn, waardoor de \'efde, eendracht en nuttigheid voor elkander dikwerf elet wordt. Ons aangaande, wij zijn niet van voor-etnen ons in de verschillen in te laten, maar honen het liever met Paulus, die zegt: Is iemand tot wist genegen, dat is onze gewoonte niet, noch die 1er gemeente Gods. Ach! dat elk zich van twist-aken mocht mijden, en dat Godgeleerden en die an God geleerd zijn met een heiligen ijver Gods ochten aangedaan zijn, om veel het geloof werk-aam te hebben door de liefde, en in de ware Evangelische heiligmaking, uit geloofsvereeniging met hristus, te vorderen! dat zoude ons den Heere doen \'enen met eene eenparigen schouder, daardoor zonen de zwaksten zijn als David.

Wij zullen maar alleen van dit betrouwen spreken, olgens de gegeven opheldering des woords.

a. Dit zal dan te kennen geven, dat de ziel zich-elve bespeurt te zijn in het alleruiterste gevaar, \'en overtuigde ziet, dat hij is op vijands bodem, hij s overreed, dat Gods toorn als een brandende oven ntstoken is tegen den armen zondaar, die buiten hristus is en leeft; zag men geen gevaar, men zou nooit zijne toevlucht tot zijne wapenen nemen, of anders zijne dapperheid in \'t vluchten stellen. h. Het zal inwikkelen, dat dit gevaar hoe langer oe nader en onvermijdelijk is; dat doet de ziel eerst n de engten komen, als zij levendig bespeurt, dat lie Gods deugden en volmaaktheden tegen haar ge-apend zgn, dat de wet, als zijn boog, gespannen s om de vurige pijlen van God in \'thart te schie-en, welker vurig venijn haar geest verteeren zou,

99

-ocr page 120-

BETEOUWEN.

als zij den helschen leeuw ziet met zijnen muil wij open, om haar te verslinden; dit is de eigen aa en natuur des geloofs, om de dingen, die met gee natuurlijk oog gezien worden, nabij te brengen, di aan de ziel een wezen en tegenwoordigheid te geven Hebr. 11:1.

c. Het sluit mede in, dat aan deze redde- en rade looze bij zichzelven, niet wetende, waar hij zie keeren of wenden zal, bekend worde gemaakt, da er een weg van ontkoming, eene vrijstad, een schuil plaats, een sterke toren is, waarheen hij vliede mag: dit doet God door de prediking des Woord door de noodiging en roeping van belaste en beladen zondaren, Matth. 11: 28.

cl. Hierop ontstaat in de ziel die hartelijke be geerte naar Christus, dat hongeren en dorsten naa de gerechtigheid, Matth. 5:6, dat hoogachten e prijsstellen op Jezus boven alles, dat roepen o de Goddelijke trekking. Hoogl. 1:4.

e. Het zal ook zeggen, uit aanmerking van be voorgaande, dat zij beginnen te gelooven, dat nie alleen anderen tot Jezus vluchten mogen, maar da zij ook in \'t bizonder het doen mogen: dat is d ziel van het geloof, dat bizonder toepassen aan zich zeiven, 1 Tim. 1:15, Het is een getrouw woord e alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in d wereld gekomen is, om zondaars zalig te maken het geloof nu door toepassing zegt: van welk ik de voornaamste ben.

ƒ. Het zal zeggen, dat de ziel dadelijk naar de Heere, den Drieëenigen God vlucht. Elk persoo komt in aanmerking. Tot den Vader kunnen zij nie gaan, dan door den Zoon, noch vrede met den Vade maken dan door zijne sterkte aan te grijpen. Je

100

-ocr page 121-

BETROUWEN.

27:6. Tot den Zoon kunnen zij niet komen, dan door den Heiligen Geest, die het geloof werkt, waarvan Hij de Geest des geloofs genoemd wordt. Dit zal nu toegaan met de uiterste snelheid, met inspanning van alle krachten, met innigheid van al de genegenheden; daarom wordt het vergeleken bij het vluchten van eene duif tot hare vensters.

g. Dat zij eindelijk tot den Heere zeiven komen, Hem met hunne gansche ziel voor zich in \'t bizonder omhelzende en aannemende, Joh. 1:12, en zich op de bepaalde wyze op Hem verlatende en hunnen geheelen persoon met al wat zij hebben en doen kunnen aan den Heere bereidwillig en volvaardig overgevende tot hunne uiterste blijdschap en gegronde verheuging. Zie hierover het woord aannemen.

h. Eindelijk, naar de mate van de ontdekking van den Verbonds-God en van de werkzaamheid van de ziel, dat zij betrouwen, dat noch dood, noch duivel hen van den Heere scheiden zal; maar dat Gods wijsheid hun raad zal geven, zijne macht hen redden en bewaren, zijne goedheid hun vergeven, en zijne lankmoedigheid hen, niettegenstaande hunne struikelingen, dragen.

j3. Die allen nu, geene uitgezonderd, die het gezegde in den allerkleinsten trap wezenlijk hebben, zoowel als die het in den grootsten trap hebben, zullen niet schuldig verklaard worden, Rom. 8:33, 34. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Het is God, die rechtvaardigt, wie zal verdoemen? enz.

O heuglijke en troostrijke waarheid, voor diegenen, die in hunne ziel ondervinden de gestalte van eenen dienstknecht, en het leven buiten zichzelven in den Borg Jezus zoeken. God gunne het ons, opdat

101

-ocr page 122-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

■wi] Gods zaligheid mogen ondervinden hier en hiernamaals !

D. Eindelijk onder deze letter vind ik, dat het geloof genoemd wordt een

BLIJVEN IN CHRISTUS.

Joh. 15 : 5, Die in Mij blijft, en Ik in hem, zal veel vrucht dragen. Uwe Christelijke aandacht ziet, dat de groote God en Zaligmaker, die gewoon was door gelijkenissen te spreken, en dus geestelijke zaken door natuurlijke op te helderen, in dit hoofdstuk bezig is, om onder de gelijkenis van een wijnstok, waarvan de Vader de Landman is, en de geloovigen de ware ranken zijn, op te helderen de zeer nauwe wezenlijke en wederzijdsche vereeniging tusschen Hem en de ware geloovigen; en tevens hun plicht, om uit deze vereeniging vruchten van heiligmaking voort te brengen tot verheerlijking van hunnen Vader in Christus, die de ware Landman is. Spreekt nu Christus van een blijven in Hem als den waren wijnstok. Hij zal daarmede onderstellen, dat de ware geloovigen, die in Hem zijn en blijven moeten door geloof, waarlijk zijn afgehouwen uit dien ouden stam Adam, waarop zij uit kracht van het werkverbond groeien, Rom. 11:16—24, en dat zij door het ware zaligmakende geloof in Hem ingeënt zijn, levenskracht uit Hem, als den waren stam, moeten halen tot groei en vruchtbaarheid. Om nu van het een en het andere, volgens onzen gelegden grond, te spreken, zullen wij

X. Aanwijzen: Hoe de ziel, als een natuurlijke rank van den ouden stam, den eersten Adam, afgebracht, en in dezen bovennatuurlijken stam ingelijfd worde; zaken, ieders overweging dubbel waardig.

102

-ocr page 123-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

a,. Betreffende het eerste stuk, hoe de ziel uit dien ouden stam afgebracht wordt. Hoe meer wi] deze zaken hebben overwogen, hoe meer redenen wij vonden, tegen onze gewoonte aan, om ons te bedienen van hetgeen de zeer godvruchtige Mr. Thomas Boston hiervan geschreven heeft, in zijn werk genaamd: De viervoudige staat des menschen, blz. 298, en volg., des te meer, omdat hij, in eene andere taal zijnde, voor elk niet toegangbaar is. Hij zegt dan:

a. Wanneer de Geest des Heeren in den zondaar begint te werken, om dien tot Christus te brengen, vindt Hij den zondaar in de gestalte van die van Laodicea, in een slaap, in stille gerustheid, zich inbeeldende eeuwiglijk zalig te zullen worden, schoon hij jammerlijk, ellendig, blind en naakt is, Openb. 3:17. Derhalve het eerste, wat Gods Geest doet, is een straal van goddelijk licht in de ziel in te laten, waardoor de mensch zichzelven beschouwt als een arm verloren zondaar, indien hij het blad niet omkeert, zijn leven verandert en verbetert; zoodat Gods Geest, als een Geest van dienstbaarheid in zijne ziel werkende, daarin een vierschaar opricht, waarvoor de arme mensch gedaagd en schuldig verklaard en gevonnisd wordt, als een man des doods, wegens de overtredingen van Gods allerheiligste wet. Joh. 16:8. Nu kan de mensch niet langer in zijnen zorgeloozen slaap en vorigen levenstrein blijven. Dit is de eerste slag op de rank, om die af te kappen van den ouden stam.

b. Hierop verlaat nu de mensch zijne vorige levenswijze. Hij vloekt, steelt, liegt niet meer, noch neemt zijn vorig vermaak meer op des Heeren dag; ofschoon al die zonden hem zoo dierbaar waren als

103

-ocr page 124-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

zijn rechteroog, wil hij ze liever laten dan zijne I ■,

kostelijke ziel, die voor eene eeuwigheid geschapen 1 1 is, verliezen. En nu begint de mensch zich in zijn

hart te zegenen; en deze verandering strekt hem 1 j

tot zekere bewijzen van hemel en zaligheid. Luk. 1 j

18:11, O God! ik dank U, dat ik niet ben als an- 1 \'

dere menschen. Maar terstond komt een andere slag 1 2

door de wet, als een bijl, om hem af te kappen; I i

hem overtuigende, dat die alleen kunnen zalig wor- I

den, die doen gelijk geschreven is in het boek der I \\

wet; dat eene ontkennende godzaligheid niet genoeg I (

is, om te bevrijden voor den toorn Gods; zoodat, 1 1

schoon alleen zijne dadelijke zonden voordezen op 1 ]

zijn hart lagen als een zware last, hem nu ook I (

zwaar vallen zijne zonden van nalatigheid, en hij I 1

ondervindt, dat de wet over die in zijn ziel toorn M 1

werkt. ■ lt;

c. Hierop zet zich de overtuigde ziel tot de da- I (

delijke oefening van alle Godzaligheid. Hij bidt, hij I (

leest, hij onderzoekt de goddelijke waarheid, om die I i

te verstaan; hij is naarstig onder de middelen; met ■ (

één woord, daar is een groote overeenkomst van .l {

zijne daden met beide de tafelen van Gods Wet. I ]

Nu is er waarlijk een groote verandering; elk die IB 1

het ziet, let er op; hij wordt tot het gezelschap 19

van vromen toegelaten. Velen van die denken het I i goede van hem, en hunne goedkeuring doet hem

ook het goede van zichzelven denken. D:it is een I

gevaarlijke klip, waaraan velen schipbreuk lijden. ■ Maar de uitverkorene rank, nog in den ouden stam

blijvende, wordt verder geslagen; zijn geweten over- ■

tuigt hem van eenige verkeerdheid in zijn wande- I len, en dit wordt gevolgd door de krachtige werking van de Wet, hem levendig overredende, dat ■

104

-ocr page 125-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

wie aan ééne schuldig is, een overtreder van de ge-heele wet is.

d. Hierdoor moet de menscli een andere zalf voor zijne wonde zoeken. Hij gaat tot God, hij belijdt zijne zonden, hij belooft beterschap, en dat hij in \'t vervolg zal trachten een nauwkeurige wacht over zich tè houden. Hierdoor komt hij nu tot eenige rust, vooral als hij zich te binnen brengt, dat Gods Woord, 1 Joh. 1:9, zegt: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij onze zonden vergeve. Op deze wijze handelen velen hun gansche leven lang, anders niet doende dan belijden en beloven, en hierop zich verzekerende van den hemel, schoon zij tot geen ware geloofsonder-handeling met Christus komen. Maar ofschoon velen hier sterven, de uitverkorene rank, nog in den ouden stam groeiende, wordt nog een slag gewaar, de Geest hem doende zien, dat het gezegde maar eene uiterlijke uitwendige heiligheid is; en dus wordt zijn hart omgeroerd; de booze verdorvenheid daarvan hem ontdekt, als het gebod komt, worden de zonden levendig, en hij leert een nieuwe les, dat hij namelijk niet een Jood is, die \'t in het openbaar is, maar die het in \'t verborgen is, Rom. 2:28.

e. Hierop gaat hij nu verder dan ooit; hij is uitermate ernstig, hij treurt over zijn hartezonden, hij zoekt het onkruid, dat in den verwaarloosden hof van de ziel groeit en opkomt, uit te rukken. Hg toont zijne driften, hij zoekt op een gevoelige wijze aangedaan te zijn in \'t bidden, lezen en hoo-ren van Gods Woord. Verwondert a hierover niet, want daarin is niets boven hetgeen een natuurlijk geweten onder een prang van overtuiging doen kan. Maar de wet komt om hem te doen zien, dat hij

105

-ocr page 126-

BLIJVEN IN CHEISTDS.

een overtreder is van den buik af aan, dat hij in de wereld gekomen is onder Gods toorn en vloek wegens Adams toegerekende en inklevende schuld, en dus zal hij tot den minsten kwadrantpenning toe moeten hetalen.

f. Hierop roept hij uit: Hebt een weinig geduld, en ik zal u alles betalen; en zoo gaat hij te werk, om God met zich te bevredigen; hij vernieuwt zijn berouw; hij draagt zijne tegenheden geduldig; hij betreurt zijne zonden met bittere tranen, en eenigen tijd hierin geweest zijnde, dringt hij het naar zich-zelven, alsof hij nu voldaan heeft voor zijne begane zonden, en hij hoopt in \'t toekomende zich te wachten voor ongerechtigheid. Maar de slag gaat nog dieper: God ontdekt hem in den spiegel van zijne^ Wet, dat zelfs dat alles, dat hij nu doet, zondig, helen doemwaardig is, Gal. 3 :10. Mal. 1:13, 14.

g. Hierop wil hij, als een koopman, die achteruit gegaan is, met zijnen schuklheer het afmaken; kan hij het altemaal niet betalen, hij zal doen zooveel als hij kan, en hij hoopt dat God uit eeuwige goedheid en barmhartigheid den wil voor de daad zal aannemen, in \'tgeen, waarin hij te kort komt. Maar de Geest werkende in dezen, toont hem aan, dat Gods recht voldaan moet worden, dat de wet niet alleen eischt willen, maar dadelijk betalen.

h. Alle hoop nu afgesneden zijnde, om het ooit met de wet en gerechtigheid Gods af te kunnen maken, gaat hij aan \'t leenen van Christus, zoekende en begeerende, dat daar hij te kort komt, Christus\' gerechtigheid dat overdekken mag. Hier slapen velen gerust, kunnen nooit wakker gemaakt worden, voor en aleer de eeuwigheid het doet, hen latende zien, dat een bedrogen hart hen ter zijde afgeleid

106

-ocr page 127-

BLIJVEN IN CHRISTUS,

heeft; dit was, gelijk ik zeide, de dwaling van die van Galatië. Maar daar komt dezen nog een slag over: dit doet zien, dat God geen tweeërlei gerechtigheid hebben wil. dat Jezus Christus alleen het doen moet, of dat Hij het nooit doen zal.

i. De arme mensch het niet kunnende afmaken, noch ter leen hebben, gaat nu aan \'t bedelen bij Christus, maar het is altoos met eenige gedachten van zijne eigen waardigheid, eenigszins steunende op zijne gestalten en tranen, totdat God hem doet zien, dat zijne tranen niet beter dan Ezau\'s tranen zijn, zijn berouw niet beter dan Judas\' berouw; zoodat nu in plaats van eenige waardigheid te hebben, als eenen grond van zijne vrijmoedigheid, zijne onwaardigheid hem doet terug blijven; zegt men hem nu, dat hij welkom bij Christus zal zijn, hij roept uit: Zou ooit Christus naar zulk een onwaardige willen omzien! en dus, van alles afgedreven, valt hij uit dien ouden stam. En hieruit gevallen zijnde,

(3, Wordt hij opgenomen, en in Jezus, den waren Wijnstok, ingelijfd.

a. Chris tus grijpt hem door zijnen Geest, en trekt hem tot Zich 1 Cor. 12:13, want door éénen Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt.

b. De Geest werkt nu dat dierbaar geloof in hem, zoodat hij Jezus geheel en Jezus alleen aangrijpt Ef. 3:17. 2 Cor. 4:13. Tot dusverre deze treffelijke Schrijver, wiens woorden wij in \'t kort uwe aandacht medegedeeld hebben. O! wat zullen er weinigen zijn uit den ouden stam gevallen. En schoon wij wel bekennen, dat elkeen al het gezegde in die orde niet ondervindt; wij zijn nochtans verzekerd, dat elk geheel en al uit Adam moet afgebroken

107

-ocr page 128-

BLIJVEN IN CHEISTÜS.

worden, zal hij door Jezus, als den tweeden Adam, leven en groeien.

3. Wat nu het blijven in Christus betreft;

at. Wij zouden uwe Christelijke aandacht wel kunnen aantoonen, hoe de ziel, die als een ware rank in Christus ingeënt is, in Hem blijft, als profeet, priester en koning: ja, in Hem als den Rotsteen, wiens werk volkomen is, in Hem, als in een kleed, en als in den waren stam, door gedurige aangrijping en herhaalde directe uitgangen des geloots, door hoogachting, liefhebben, door standvastig blijven bij zijne keuze, schoon de wereld en satan zoeken te verleiden, door een opzettelijken lust tot heiligmaking, en wat dergelijke zaken meer zijn.

/3. Maar vermits dit blijven in Christus bizonder zijne betrekking heeft tot het dragen van vruchten, dachten wij, dat het allerbest zijn zou, het gemelde thans voorbij te gaan, en in eenige opzichten uwe aandacht voor te dragen, hoe het geloof in Christus blijft, ten aanzien van de heiligmaking, om die op een Evangelische wijze in en door Christus, deelachtig te worden.

a. Het geloof, met Jezus Christus vereenigd zijnde, doet de ziel gedurig staan naar eenige m ate van verzekering van haar aandeel aan Christus Jezus. Dit is niet alleen genoegelijk voor de ziel, maar vooral is het noodzakelijk tot de ware oefening van Evangelische heiligheid. Want, zoolang men met het ongeloof te tobben heeft over zijnen siaat, is men zekerlijk niet recht bekwaam, om gedurig bij herhaalde daden uit zijn eigen onmacht in Christus1 volheid in te gaan. \'tWelk ondertuss chen zoo niet begrepen moet worden, alsof twijfelende geloovigen geen ware heiligmaking hadden, o! neen ; maar het

108

-ocr page 129-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

is om de noodzakelijkheid van de verzekering aan [te dringen.

b. Het geloof, in Christus blijvende, overreed de ziel, dat de zaligheid van een redelijk schepsel nergens dan in heiligheid en geliikvormigheid met God gelegen is; ja, dat elke zonde een beginsel van de hel is, een eigen werking des satans, en dat de knaging daarover maar in eenige trappen onderscheiden is van dat weenen der oogen en knersen der tanden der verdoemden. Omdat de mensch dit niet aanmerkt, dat heiligmaking de zaligheid zelve is, maar een moeielijke weg, om er toe te geraken, zetten weinigen hun hart er op; anderen, die het schijnen te doen, en zwarigheid gewaar wordende kee-ren weder met de gewasschene zeug tot het wentelen in het slijk. Hiervandaan komt het, dat wij vinden vele zieken, kranken en slapenden.

c. Het geloof brengt de heiligmaking zoo onder het oog, dat de ziel derzelver heerlijkheid en bekoorlijkheid ziende, ten eenenmale door liefde daartoe ontstoken wordt, welke liefde sterker is dan de dood: het is een vlam des Heeren, die vele wateren niet zullen kunt1\'n nitblusschen; deze liefde moet de oorsprong van al daden in de heiligmaking zijn; de liefde is de volbrenging van de gansche wet, en het geloof is altoos door de liefde werkzaam.

d. Het gelooi, blijvende in Christus, doet het geweten zeer nauwkeurig nagaan, om te zien, of daar eenige zonden liggen, waarover men zichzelven nog niet heeft verootmoedigd voor den grooten God, het |aloed zijns Zoons Jezus Christus, \'twelk alle zonden

egneemt, aannemende, en voor die zonde in \'t bi-onder. Want, ofschoon de zonde der geloovigen en onder geen eigenlijk gezegde schuld of verdoe-

109

-ocr page 130-

110 BLIJVEN IN CHRISTUS.

menis brengt, zij in de eerste rechtvaardigmaking daarvan ten eenenmale bevrijd zijnde: nochtans dage-lijksche zonden maken hen schuldig om vaderlijke kastijdingen te dragen; ja, brengen duisternis en vervreemding van God teweeg, en onvrijmoedigheid en een geweten van zonde, en een stilstaan; zoodat deze door dadelijk aannemen van Jezus be-, vredigd moet worden, eer de ziel in de heiligheid ■ eenigen voortgang kan hebben.

e. Het geloof, blijvende in Christus, om in de Evangelische heiligmaking toe te nemen, tracht naar eene bijblijvende en overtuigende overreding van zijn eigen blindheid, en geneigdheid om in elke daad van God af te wijken; ja, dat men is van zichzelven ten eenenmale onmachtig en onbekwaam tot eenig goed werk, woord of gedachte. De Zaligmaker leert het in de bekende woorden: Zonder Mij kunt gij niets doen. Het is klaar, dat Gode niets behagen kan, of het moet eerst van Hem afdalen, die de Vader der lichten en Gever van alle gaven en volmaakte giften is. Werkheiligen hebben hiervan geen besef, doen nooit iets Gode behagelijk, vermits zij het in eigen krachten doen. Geloovigen zijn, uit gebrek van dit, veelszins werkzaam gelijk een natuurlijk mensch, zich tot het werk begevende onbesuisd, waarom hunne pogingen ijdel, nietig, en vruchteloos zijn, om een eenig welbehagelijk werk te doen.

f. Het geloof, in Christus blijvende,\' doet nauwkeurig niet alleen nagaan de vijanden, die meest geweld doen, de verzoekingen, die meest verleiden; maar zonderling al de genaden. Nu weten wij, da geloof, hoop en liefde, de drie voorname deugden zijn, waaruit al de andere, die Paulus optelt Gal. 5 voortvloeien. Deze moet men niet alleen in \'t ge-

-ocr page 131-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

een nagaan, maar ook in hare bizonderheden, wende, wat wezenlijk tot elk behoort, en de toeval-heden van die, bij voorbeeld, dat tot geloof be-ort kennis, toestemming en toevertrouwen; dat t geloof somtijds sterk, somtijds zwak is, enz. it moet men daarom doen, opdat de ziel het geel geestelij Ie leven Gode mag voorstellen, opdat het in elk opzicht mag versterkt en bekwaam gemaakt worden tot heiligheid. Want in elke goede daad van de Evangelische heiligheid moet elk van de genade in een waar christen, die gezet is op ware heiligheid, inderdaad groeien. Derhalve moet men trachten, niet in eene genade alleen, als, bij voorbeeld, hoe men met zijne dagelijksche zonden moet werken; maar in al de genaden, en in alles, dat wezenlijk daartoe behoort, zoeken te groeien; anders zal men nooit kunnen vorderen, noch eenigen voortgang maken, maar in eenen trein leven van zondigen, en toevlucht nemen, daar ondertusschen zoo vele andere zaken nevens dit geeischt worden.

g. Het geloof, in Christus blijvende, doet in \'t begin, eer wij iets ondernemen, aanvaarden of beginnen, door directe uitgangen des geloofs tot Jezus, in wien al de volheid van de Godheid woont, uitgaan, om uit de volheid genade voor genade te ontvangen Joh. 1:16, dat is, voorkomende, medewerkende en achtervolgende genade; dit hebben wij voordezen in de bruid gezien, zij hing leunende op haar liefste; dat dit zoo is, blijkt klaar uit het gezegde.

h. Het geloof, in Christus blijvende, doet, als men \\ dus uitgaat tot Jezus bij aanvang, niet twijfelen aan ■v f zijne macht, goedheid en bereidwilligheid, om de

enade, die wij noodig hebben, ons te schenken; ant Hij heeft al de volheid, als Middelaar, niet

Ill

-ocr page 132-

BLIJVEN IN CHRISTUS.

voor zichzelven, maar ten behoeve van zijne uitverkorenen, om hun dezelve mede te deelen ter bekwa-| mer tijd. Ja, dat meer is. Hij heeft deze volheid, mag I ik zoo spreken, niet als zijn eigen, maar als derl geloovigen goed, als een getrouwe voogd, om hetl aan de minderjarigen te geven. Hiertoe leidt mij de 1 uitdrukking van Gods Woord: alles, dat wij in zijnen naam geloovende begeeren, zal geschonken worden; daar integendeel die niet gelooft, is niet alleen een baar der zee gelijk, maar die moet niet denken, dat hij iets, naar Jakobus\' leer, ontvangen zal | van God.

i. Het geloof, in Christus blijvende, doet in en onder elke daad, dit werk des geloofs in de heiligmaking naar het Evangelie niet nalaten, noch verzuimen; maar steeds elk oogenblik op Jezus zien, als de ordinantie Gods tot heiligmaking. Dit vind ik zoet in Ps. 34 naar onze vertaling van dien: Zij zagen op Hem, en werden verlicht, en hunne aangezichten werden niet schaamrood. Zoodra het geloof ophoudt in zijne oefening, dan wordt de genade niet\' medegedeeld, want, om zoo te spreken, het geloof is de pijp, waardoor het genadewater vloeien moet; zal derhalve water uit de fontein in den ledigen bak van onze ziel komen, de pijp moet met de fon- | tein werkelijk vereenigd zijn.

k. Voegt er nog bij: het geloof, blijvende in Christus, om vruchten te dragen, doet de ziel gedurig in \'t gebed meer plechtig, of bij uitschieten en opheffen van zijn hart tot den Heere, blijven. Dit is de dierbare vermaning van Paulus: Bidt zonder ophouden, 1 Thess. 5:17. Er is immers een geslacht, dat niet zal uitgaan, dan door vasten en bidden. Bidden is niet alleen de adem, maar ook een zonderling

112

-ocr page 133-

BLIJVEN IN CHEISTÜS.

[onderhouder van het leven des geloofs; hoe sterker \'t geloof, hoe vuriger in het gebed.

1. Het geloof in Christus blijvende, maakt de ziel keer oplettend op de wederkeering des gebeds en van hetgeen zij ontvangt op hare geloofsoefening;

vertrouwt niet veel op de daden, die niets uit IChristus in de ziel brengen. En deze oplettendheid lis noodzakelijk, deels om Gode eere te geven, en |deels om dat ontvangene aan te leggen tot dat einde, vaartoe God het gaf. Het is een slechte zaak in ti, dat zij vele woorden kunnen voortbrengen, Ivele zaken in \'t gebed begeeren, met eenige uit-Igangen van het hart; maar dat werk gedaan zijnde, Idenken zij er niet meer op van den morgen tot den Imiddag, van den middag tot den avond. Ja dikwerf, lals men vraagde: wat hebt gij begeerd? zij zouden Ihet niet eens een halfuur daarna weten? even alsof het |genoeg ware eene reeks van zaken voor te stellen laan God: dit, indien men zoo met een ontzaglijk Imensch handelde, zou als spotten aangemerkt wor-Iden. Het rechte werk des geloofs is, onder het oog jte houden, wat men begeerd heeft, of men er wat Ivan ontvangen heeft, of men ondertusschen in stille j afhankelijkheid gepoogd heeft dat te betrachten, dat [men uit God begeerd heeft te ontvangen.

m. Het geloof nu, blijvende in Christus, bewaart | de ziel voor ongeloovig haasten, en doet haar tijd, wijze, mate, trappen en plaats aan den Heere overgeven ; vermits de ziel weet, dat in stilheid en ver-| trouwen haar sterkte is.

n. Eindelijk, het geloof blijvende in Christus, om vruchten te dragen, doet de ziel lage gedachten van zichzelve hebben, de ziel onder alle genietingen klein en nederig en verloochend houdende, opdat Jezus,

113

-ocr page 134-

- 1

doesten.

haar lieve hoofd, alles mag worden en zij nietmeta

God zelve leere ons zoo te werken om Jezus\' dan zal het pad van den rechtvaardige zijn als schijnend licht, voortgaande en lichtende tot dj vollen middag, en hij zal eens ten volle verheerlijl worden.

C. Wat deze letter betreft, overmits C in \'t lezt] maar een zachter uitspraak van de K is, zullen alles, \'twelk wij tot deze letter zouden kunne! brengen, afhandelen onder de letter K, naar dq aard van de Nederlandsche spelling.

D. Wij gaan derhalve over met uwe aandacht t(J de volgende letter D., namelijk:

A. Hier vinden wij, vooreerst, dat het geloof eel

DORSTEN

genoemd wordt, Jes. 55:1, O, alle gij dorstigeri komt tot de wateren. Hiervan zullen wij jtf, op ziel zelve spreken, en 2. iets tot opheldering bijvoegeif N, Wat het dorsten nu betreft, zullen wij a. Met uwe aandacht aantoonen, waarin het ge| legen zij.

a. Het zal zeggen, een geestelijk gebrek, waarij de ziel ligt, zoolang zij van God vervreemd is, zijnd ontbloot van alle ware geestelijke verkwikking, blincj naakt en jammerlijk ellendig; van God en al d| heilgoederen ten eenenmale verstoken; niet ten aar zien van eenige bewustheid, dat er zulke heilgoede ren zijn; want dat weet de ziel tenminste door dl uitwendige verkondiging van het Evangelie, ander zou er nooit dorst ontstaan! maar ten aanzien vaJ bezit en deel er aan te hebben; waarom Paulus oob beschrijft een mensch van nature, dat hij is mei de Efeziërs een vreemdeling van de verbonden dei]

114

-ocr page 135-

DOESTEN.

belofte, zonder God, Christus en hope in de wereld, Ef. 2:12.

b. Het zal zeggen, dat de ziel nu eenige bewustheid en gewaarwording van dit haar gebrek heeft. Voordezen waren zij gebrekkig, hadden niets; maar zagen het niet, zij geloofden het niet, maar dachten dat zij rijk en verrijkt waren, schoon zij inderdaad blind, naakt en jammerlijk ellendig waren. Maar nu is er niets, waarvan zij meer overreding en innig gevoel hebben, dan van dezen hunnen gebrekkigen toestand.

c. Het zal zeggen, dat zij een innige smart hebben, zoodat zij, als \'t ware, aan het versmachten zijn, om de genade des Evangelies voor hunne amechtige zielen: Mijne ziel dorst naar God, naaiden levenden God; gelijk een hert schreeuwt naar de waterbeken, alzoo schreeuwt mijne ziel naar God, naar den levenden God, Ps. 42:2, 3, en 63:2.

d. Het zal zeggen, dat er zoodanige onvergenoegdheid in zulk eene ziel is, dat zij niet rusten kan, maar slaat alle middelen en wegen in, opdat zij van de genadewateren moge drinken. Wat zal ik doen om zalig te worden? Aldus God begeerende in den nacht met hare ziel en Hem met haar gansche hart vroeg zoekende, en uitroepende met sterke aanhouding in \'t gebed:

Is er nog, o groot Ontfermer!

Is er voor een naren kermer,

Voor een schreier nog gehoor,

115

Is er nog een open oor?

/3. En wilt gij weten, waarom zij dorsten? Het is niet om eigenlijk water, maar:

-ocr page 136-

DOKSTEN.

a. Het is naar God, naar het volzalig Wezen, om aan dezen grooten en geduchten God deel te hebben; gelijk een hert schreeuwt naar de waterbeken, zoo dorst mijne ziel naar God.

b. Het is naar Jezus alleen, en naar Hem geheel, om door Hem lafenis voor hunne ziel te vinden, en vrede en gemeenschap met den Drieëenigen God: Zalig zijn zij dus, die dorsten naar de gerechtigheid, Matth. 5; 6.

c. Het is om geloof, om een oog, opdat zij den Waarachtige zien zouden, en Hem kennen, Wien te kennen het eeuwige leven is. Joh. 17:3. Om eene hand, om Hem aan te nemen, te omhelzen en zich toe te passen, opdat zij kinderen Gods mogen zijn, Joh. 1; 12. Om een voet des geloofs, opdat zij tot Hem zouden komen en rust voor hunne belaste en beladene ziel vinden. Matth. 11:28.

d. Eindelijk, het is om de goederen van het ge-nadeverbond; om met den tollenaar wegens diepe bewustheid van schuld uit te roepen om vergeving van zonden: Heere, wees mij zondaar genadig! Luk. 18:13. Om heiligmaking, dat er in \'t binnenste van hem een vaste geest vernieuwd mag worden, Ps. 51:12. En om eeuwige zaligheid, om met de woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden.

3. Over dit dorsten nu vinden wij, dat er hevig verschil is onder de ware geloovigen, die meer verstand van zielswerkzaamheden hebben dan duizenden; of dit dorsten en vervolgens het hongeren daden des geloofs zijn of niet. Dezen meenen van ja, anderen meenen van neen; maar het zal gemakkelijk beslist kunnen worden, als wij aanmerken:

x. Dat alles, wat wij er over aangemerkt hebben, zoozeer de allerwezenlijkste daad des geloofs niet te

116

-ocr page 137-

DOBSTEN.

kennen geeft, welke bestaat in een dadelijk aannemen van Jezus en overgeven van zichzelven aan flem: Die Hem aangenomen hebben, die beeft Hij macht gegeven kinderen Gods te zijn; dit is mee-rendeels een reikhalzen daarnaar.

/3. Ondertusschen gelooven wij, dat er geloof in is. Want wij hebben voor ons zulke goede gedachten van een verdorven natuur niet, dat wij zouden denken, dat die zulke kruiden zou voorttelen, als deze aanhoudende en uit zielegrond voortkomende krachtige en rustelooze begeerte naar Jezus, daar de apostel ons van het hart getuigt, dat het vijandschap is tegen God, Rom. 8:7; waarbij komt, wat de Zaligmaker zegt, en als de mond der waarheid hen zalig spreekt, hetgeen nooit gedaan wordt op een werk, dat alleen uit onzen akker voortkomt: o neen! de zaaiing zelfs van de goddeloozen is den Heere een gruwel. De kerk zegt: dat alles is als een maandstondig kleed.

Mijn zalige overgroot-oom, Meester Fraser, in zijn Tractaat over het Geloof, spreekt zeer aanmerkelijk in dit opzicht, als hij zegt: Geloof begonnen, of het zaad des geloofs, is hoop van zaligheid door Christus\' algenoegzaamheid, kracht, dierbare naturen en gezegende ambten; begeerte tot dezen, uit gezicht van noodzakelijkheid, en liefde tot dit alles wegens deszelfs voortreffelijkheid, zooals het in \'t Evangelie geopenbaard wordt, is geloof begonnen. En een weinig verder zegt hij: Wanneer hope, begeerte en liefde op Christus gevestigd zijn, dan wordt de embryo, het eerste stamsel van \'t geloof, in de ziel geformeerd; schoon het gebouw niet voltrokken is, de eerste fondamentsteenen worden nu gelegd. Nu, ofschoon velen, die nooit zalig worden,

117

-ocr page 138-

DOESTEN.

Tele begeerten schijnen te hebben naar Jezus, wegens hunne zielsangsten, zijn deze in vele opzichten onderscheiden van de begeerten der ware uitverkorenen.

a. Deze begeerten, dit dorsten van nabijkomenden en anderen, zijn onderscheiden in den oorsprong: De begeerten van tijdgeloovigen ontstaan maar uit de gemeene overtuiging des Geestes; maar zoodra de Heilige Geest in een uitverkorenen begint te werken, is dat een bizonder werk. Alles wat de Geest in hem doet, Hy doet het uit kracht van hetgeen Christus voor hem door zijn dierbaar bloed verworven heeft. Wat heeft Jezus nu verworven? Niet alleen de zaligheid van de uitverkorenen, maar alles wat noodig is, bij aanvang tot de zaligheid te brengen; immers dit is de belofte des Vaders aan den Zoon in den eeuwigen Vrederaad, Ps, 110:3, Uw volk zal zeer gewillig zijn; en uit dien hoofde begint het zaligmakende werk van den uitverkorenen zondaar met zijne overtuiging. Joh. 16:8.

b. Dit is onderscheiden in \'t dorsten zelve; hoe sterk de begeerten in tijdgeloovigen zijn mogen, hunne ziel begeert nooit Jezus Christus zeiven, nooit zijn persoon, maar iets van Christus; hadden dezen maar eenigen vrede, eenig mindere smart en angst, zij zouden nooit naar Jezus zeiven vragen. Even gelijk het met een zieke, is, die begeert den medicijnmeester, hij is blijde, als hij van dien hoort, maar het is alleen om genezen te worden, niet uit een innige liefde tot den persoon des medicijnmeesters. Maar hier is het heel anders gelegen met de kleinsten in de genade; hunne begeerte is op Jezus persoon zeiven gevestigd, en de goederen van Hem willen zij alleen hebben uit kracht van vereeniging

118

-ocr page 139-

DRAGEN.

met den Persoon. Als men een kleingeloovige, een gekrookt rietje vragen wou: zondt gij niet tevreden zijn, als het geweten u zoo niet kwelde, en dat gij vrede hadt? hij zou zonder zich veel te bedenken zeggen: och, vrede! zonder deel aan dien lieven Jezus zeiven te hebben, zou ik verwerpen, en al mijne kommer is, dat ik vrede mij zou toeeigenen, eer ik waarlijk met Jezus vereenigd ben; daarom bid ik God, dat ik nooit rust mag hebben dan door wezenlijk aangrijpen van Jezus\' Persoon.

c. Dit is te onderscheiden in de uitwerkselen: de begeerte van den luiaard doodt hem, de begeerte van tijdgeloovigen strekken hun tot gronden, waarop zij buiten Jezus rusten; maar deze begeerten zijn aanhoudende en doen schrikken voor bedrog.

d. Eindelijk zijn zij onderscheiden in de gedurigheid; de tijdgeloovigen begeeren maar nu en dan, als het hun bang is, hunne gerechtigheid is maar als een morgenwolk; en dat is aanmerkelijk, zij vallen altijd af; maar daar het in waarheid is, het blijft, hoe het van wereld en vleesch onderdrukt wordt.

B. Ten tweede komt ons het geloof voor onder de benaming van

DRAGEN.

Welke zeer gepast is, als wij letten op de kracht des grondwoords Heëmin, zooals het eigenlijk wordt afgeleid. Schindlerus en anderen zeggen ons, dat het zegt, zich te laten dragen in de armen, gelijk een zuigeling zich werpt in de armen van eene min, om van haar gedragen te worden; gelijk het dus Spreuk. 8:30 door eenen voedsterling vertaald wordt, en op vele andere plaatsen meer. Zoodat het de volgende zaken te kennen zal geven:

119

-ocr page 140-

DRAGEN.

Dat er in de genade des geloofs een zekere onbeschrijfelijke kennis en genegenheid aan Jezus, als den Voedsterheer van zijn volk is, waaruit de kleine en zuigeling in de genade Hem van alle anderen kent en onderscheidt; dit wordt ons ook opgehelderd Joh. 10: 27, wanneer Christus zegt, dat zijne schapen, de ware geloovigen, zijne stem kennen, namelijk, volgens het zinnebeeld, door iets ingeschapens in dat geestelijke leven; \'twelk beter be-sefd kan worden door de gewaarwording, dan door woorden uitgedrukt worden. Daar is iets in de ware geloovigen, waardoor zij aan Hem zoo gewend zijn, dat zij kunnen zeggen: Deze is mijn liefste, deze is mijn vriend, ziet Hij komt! Hoogl. 2:8; zoodra Christus zeicle tot de vrouw: Maria! kende zij Hem, zij wilde zich in zijne armen werpen, en. Hem omhelzen, zij roept: Rabbouni! Meester!

3, Dat de genade des geloofs, zoolang het werkzaam is, de ziel voor vreemde, voor andere voedsters benauwt en bang maakt; o! schoon de wereld kwam met al hare lokazen, en de duivel wist al de schoonheid van dien voor oogen te stellen, zij zouden uitroepen: Schoon iemand mij al het goed van zijn huis gave voor deze liefde, ik zoude hem toch verachten. Wien (is de taal van het geloof) heb ik nevens U in den hemel, en nevens ü begeert mijne ziel niets op de aarde, Ps. 73:25.

j. Dat, schoon moeite en geweld wordt aangewend om te trekken uit Christus\' armen, de genade des geloofs hem vasthoudt, en dat hij schreeuwt en weent over het geweld, hem aangedaan: Ik word onderdrukt, o wees mijn Borg. Ja, weenen en treuren zal niet ophouden, tenzij Jezus het lammetje in zijne armen neemt, en in zijnen schoot draagt, Jes. 40:11.

120

-ocr page 141-

DRINKEN.

■(. Dat de genade des geloofs, zoolang het eenigs-zins werkzaam is, de ziel houdt in een kinderlijke machtelooze gestalte. Wanneer hoogmoed, trotschheid, staan op zijn eigen beenen, volgen van eigen zin en wil bespeurd wordt, het is een teeken, dat het geloof niet werkzaam is, en God laat zulken wel toe, dat zij op hunne eigen beenen staan en wat gaan, totdat zij hun hoofd stooten, totdat zij \'t onderste boven tuimelen en zich deerlijk kwetsen, tot die mate, dat zij moeten met schaamte wederkee-ren; maar dat kleine, dat machtelooze leven, dat is eigenlijk het leven des geloofs, om als een machteloos lammetje zich in Christus\' armen en schoot ce laten dragen, Jes. 40:11.

H. Eindelijk, dat de genade des geloofs veel zich in Christus, op zijnen schoot liggende, verlustigt en vermaakt met innige blijdschap en verheuging; \'twelk de aard van het geloof is, zich in den Verbonds-God te verheugen en te verblijden, schoon er geene vruchten aan den wijnstok gevonden worden, Hab. 3:17.

C. Nog een andere benaming des geloofs is \'t, dat het een

DRINKEN

genoemd wordt: Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, Joh. 6:54. \'tWelk wel het ware geloof voorhoudt in de dadelijk toepassende en aannemende daad deszelfs, Christus Jezus dadelijk gebruikende als zijn hemelschen drank, tot laving van den dorst van zijne amechtige en dorstende ziel; maar overmits wij bij eten dezelfde zaken zouden moeten hebben, gaan wij dit voorbij, om hetzelve niet tweemaal te moeten herhalen. Ondertusschen als een ge-

121

-ocr page 142-

DRINKEN.

volg van dat drinken aanmerkende, dat somtijds het geloof genoemd wordt een drinken tot dronkens zijn toe. Zij worden dronken uit de beken uwer wellusten, Ps. 36:9. Word dronken, o liefste! Hoogl. 5:1. \'tWelk moet opgevat worden in een geestelijken en betamelijken zin, te kennen gevende een meer dan gemeene genieting des geloofs, zooals God zijne kinderen niet met eigenlijken wijn onthaalt, maar met zijne liefde, die, als zij in \'thart wordt uitgestort, veroorzaakt op een geestelijke wijze hetgeen wijn, tot dronkens worden toe ingenomen, veroorzaakt. En wilt gij eenige zaken of eigenschappen van deze geestelijke dronkenschap door het geloof weten, let met mij op de navolgende;

Het hart wordt warm. O! die liefde, in \'thart uitgestort, ontdooit en verwarmt de ziel van een oprechte zoodanig, dat vele wateren dezelve niet zullen kunnen noch mogen uitblusschen; al dat te voren stijf en lam was, is nu als de pen eens vaardigen schrijvers, Ps. 45 ; 2.

3. De ziel bespeurt vreugde en verkwikking, zoo zacht, zoo streelend en liefelijk, dat zij geen woorden hebben om het uit te drukken. De liefde Gods, in \'thart uitgestort, gaat alle verstand te boven.

J, De voorgaande armoede, naarheden, duisternis en aanvechtingen worden vergeten, zij verdwijnen, en de ziel door liefdeondervindingen vergeet haar verdriet ; zij zegt nu: er is maar één oogenblik in zijne toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid.

1. De tong wordt los. O! dan, in deze geestelijke dronkenschap, zingt de ziel des Heeren lof, roemt Hem en roept uit: Maak den Heere met mij groot, want Hij heeft aan mijne ziel welgedaan.

n. De mensch is nu spraakzamer dan ooit. De

122

i W

i li

-ocr page 143-

ETEN.

tong, die wegens droefheid aan het gehemelte kleefde, is nu heftig in \'t spreken van Gods wegen en handelingen; zondaren uitlokkende, opdat zij de vreeze des Heeren leeren zouden niet alleen, maar alles vertellende aan de ware vromen, wat God aan zgne ziel gedaan heeft; hij zegt nu: Mijn hart geeft een goede rede op; ik zeg mijne gedichten uit van een Koning, die schooner is dan de menschen-kin-deren, Ps. 45 :2, 3.

1. De verborgene geheimen en zaken, die zij anders nooit zouden durven openbaren of bekendmaken, worden nu uitgehaald; zij verbergen niets voor den Heere, maar zij vertellen al hunne wegen. Ps. 119, als zij in dit zalig eenzaam met God zijn gemeenzaam.

t. Hoe meer zij genieten en drinken uit de beken van Gods wellusten, hoe meer zij ook willen drinken, totdat zij in dit wijnhuis moeten zeggen: Ondersteunt mij met de fiesschen, en versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde, Hoog. 2:5.

n. Eindelijk, het maakt onverschrokken en zonder vrees, manmoedig als een jonge leeuw, om de dapperste vijanden onder de oogen te zien. De liefde drijft de vreeze uit; daarom, schoon David zou gaan door de vallei der schaduwe des doods, hij zou niet vreezen, Ps. 23:4.

E. Nu gaan wij over tot de letter E, alwaar wij thans alleen van het zaligmakende geloof spreken zullen onder de kundigheid van

ETEN.

A. Yooraf hebben wij aan te merken.

N. Dat het dierbare geloof meermalen onder deze benaming in Gods Woord voorkomt. Ps. 22:27, De zachtmoedigen zullen eten. Jes. 55:1, 0! alle gij

123

-ocr page 144-

ETEN.

dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Joh. 6:53, Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, tenzij gij het vleesch des Zoons des menschen eet, en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in u zeiven.

Daar is aan te merken, dat deze benaming het geloof voorstelt in een hoogeren trap, dan hongeren en dorsten; nochtans dat is het wonderbare van het geloof, dat er in hongeren eenig eten is, en daar de honger waar is, zal de ziel gewisselijk het goede eten en verzadigd worden.

Wat dit eten zelf betreft, zullen wij uwe christelijke aandacht aanwijzen :

X. Wat het te kennen zal geven.

a,. Het veronderstelt:

a. Dat er eene gepaste en bekwame spijze voor de ziel in \'t geestelijke is; en het is zoo, Christus zelf is de spijs: Mijn vleesch is waarlijk spijs. Joh. 6: 55. Hij is in allen opzichte voor den ellendigen zondaar zoo gepast, dat Hij uit aanmerking van zijne gepastheid moet uitroepen met de Bruid: Al wat in Hem is, is gansch begeerlijk, Hoogl. 5:16. Dat kan uwe aandacht uitbreiden.

b. Dat er honger is naar de spys, om, was het mogelijk, een kruimel van dit ware brood deelachtig te worden, opdat de ziel niet vergaan zou wegens geestelijk gebrek.

/3. Het zal de volgende zaken te kennen geven: a. Dat de ziel nauwkeurig van alle kanten de geestelijke spijs beziet, die voor ellendigen opge-discht wordt in dezen overvloedigen maaltijd, waartoe zij gelokt en genoodigd wordt. Het geloot wordt meermalen een zien genoemd, Ps. 34:6, Zij hebben op Hem gezien, ja. Hem als een waterstroom aan-

124

-ocr page 145-

ETEN\'.

geloopen, en hunne aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

b. Het zal zeggen en te kennen geven de zielsaandoening, waarmede de geestelijke gast aangedaan is over het overvloedige en volop, dat hem voorgesteld wordt; ziet het in de Bruid: Terwijl de Koning aan zijne ronde tafel is, geeft mijn nardus zijnen reuk, Hoogl. 1:12. Alles is nu werkzaam, geloof, hoop en liefde, en de ziel, zittende onder de schaduw van den geestelijken appelboom, vindt daar groot vermaak, Hoogl. 2 ; 3.

c. Het zal zeggen, dat de ziel met de uiterste ootmoedigheid en dankbaarheid aanneemt, hetgeen haar tot voedsel van het geestelijk leven gegeven wordt: Die wil, die kome, en neme van de wateren des levens om niet, Openb. 22; 17.

d. Dat de ziel op eene geestelijke wijze dat nuttigt; dit geschiedt door een bizonder toepassen aan zichzelven, \'Welk de ziel is van het geloof, en leven en kracht medebrengt, evenals kauwen en inslikken van voedsel doet. Dit nu zoo gebruikende, zegt de geloovige eter met de Bruid, dat het zijn gehemelte zoet is; en geen wonder, want als Jezus, het ware zielevoedsel, gebruikt wordt, wordt het hart verkwikt, de krachten hersteld, zij wordt bemoedigd, in diermate, dat zij wandelen kunnen meer dan veertig dagen in zijne kracht, zonder moede of mat te worden.

Over dit eten merken wij aan:

x. Dat, ofschoon geloof een eten is, de ziel lang kan hongeren, eer zij tot dit bewust en verzekerd eten komt; maar die waarlijk hongert, zal verzadigd worden, Matth. 5 :6.

|3. Dat de smakelijke aandoeningen het eten niet uitmaken, gelijk eenige eerstbeginnenden meenen;

125

-ocr page 146-

GEVEN VAN ZIJN HART.

men kan somtijds eten zonder veel smaak; schoon ik moet bekennen, dat het geestelijk leven dan niet wel gesteld is. O! mocht elk naar dit eten staan, opdat het hart met genade versterkt worde, en niet door spijs en drank.

F. Onder deze letter F is ons geene geloofsbena-ming voorgekomen.

G. Ik ga dan over tot de volgende letter G, alwaar wij deze en gene zeer zoete geloofsbenamin-gen vinden zullen.

A. Dus komt ons het zaligmakende geloof voor onder de uitdrukking van

GEVEN.

Welk geven tot meer dan ééne zaak betrekkelijk wordt gemaakt. Wij zullen alles onderzoeken aan elkander.

Het is een

Geven van zijn hart.

Mijn zoon! geef Mij uw hart. Spreuk. 23 :26.

x. Hier hooren wij melding maken van het hart, dat is hetgeen, hetwelk het geloof geeft aan God, als den God des Verbonds; dat is ook hetgeen, dat de oneindige Majesteit eischt van den mensch, geen offeranden en brandofferen, maar een gebroken hart, en een verslagen geest; daarom vernedert zich hier de groote God, die een ontoegankelijk licht oewoont, en bij wien geen duisternis is, om van zijne schepselen te zoeken als eene gave, hetgeen Hem met recht toekomt: Mijn zoon! geef Mij uw hart. 0 wonder aller wonderen! Staat hierover verbaasd, gij hemelen, en wordt beschaamd en schaamrood alle gij inwoners der aarde; en zegt en antwoordt op

126

-ocr page 147-

GEVEN VAN ZIJN HART.

zulk een Goddelijken eisch: Ziet, tot U komen wij, o Koning der heerlijkheid! Geheel ons hart en persoon geven wij U, opdat het U tot een eigendom zijn mag tot in alle eeuwigheid. Door het hart dan hebben wij hier te verstaan niet den vleezen klomp, welke wel een voornaam deel van den mensch is, o, neen! maar de ziel met al hare vermogens, bewegingen en krachten. Daarom vinden wij, dat wij met het hart gelooven tot rechtvaardigheid, Rom. 10:10, en dat de kerk Gods met hare ziel begeerde in den nacht, en dat zij Hem met het hart, dat in het binnenste van haar was, vroeg zocht, Jes. 26:9.

(3, Wat dit geven nu van het hart, als het eigen werk des geloofs betreft, zullen wij

a. Aantoonen, waarin het geven van het hart gelegen is.

a. Dat dan zal te kennen geven, dat het onderwerp, waarin het geloof als de oorsprong van alle werkzaamheid is, zijn hart voor Jezus, die lang heeft staan kloppen aan de deur, openzet, opstaat uit het bed van zorgeloosheid, en een graf des diepen slaaps, om voor Christus de ziel open te zetten, Hoogl. 5: 2, Openb. 3:20.

b. Het zegt eene gewill\'^^d, om Christus niet alleen aan te nemen voor eeu Zaligmaker, maar ook zonderling voor een Koning, om daar zijn troon op te richten, den schepter van zijn gebied te zwaaien, en al de lusten ten onder te brengen en te verpletteren als een pottebakkersvat. Andere hee-ren hebben over ons geheerscht, maar wij zullen voortaan bij den naam des Gods Jakobs genoemd worden.

c. Het zegt zijne gedachten aan den Heere te geven; het hart wordt dikwerf voor de gedachten in

127

-ocr page 148-

GEVEN VAN ZIJN HART.

men kan somtijds eten zonder veel smaak; sclioon ik moet bekennen, dat liet geestelijk leven dan niet wel gesteld is. O! mocht elk naar dit eten staan, opdat het hart met genade versterkt worde, en niet door spijs en drank.

F. Onder deze letter F is ons geene geloofsbena-ming voorgekomen.

G. Ik ga dan over tot de volgende letter G, alwaar wij deze en gene zeer zoete geloofsbenamin-gen vinden zullen.

A. Dus komt ons het zaligmakende geloof voor onder de uitdrukking van

GEVEN.

Welk geven tot meer dan ééne zaak betrekkelijk wordt gemaakt. Wij zullen alles onderzoeken aan elkander.

N, Het is een

Geven van zijn hart.

Mijn zoon! geef Mij uw hart, Spreuk. 23 :26.

x. Hier hooren wij melding maken van het hart, dat is hetgeen, hetwelk het geloof geeft aan God, als den God des Verbonds; dat is ook hetgeen, dat de oneindige Majesteit eischt van den mensch, geen offeranden en brandofferen, maar een gebroken hart, en een verslagen geest; daarom vernedert zich hier de groote God, die een ontoegankelijk licht bewoont, en bij wien geen duisternis is, om van zijne schepselen te zoeken als eene gave, hetgeen Hem met recht toekomt: Mijn zoon! geef Mij uw hart. 0 wonder aller wonderen! Staat hierover verbaasd, gij hemelen, en wordt beschaamd en schaamrood alle gij inwoners der aarde; en zegt en antwoordt op

126

-ocr page 149-

GEVEN VAN ZIJN HART.

zulk een Goddelijken eisch: Ziet, tot U komen wij, o Koning der heerlijkheid! Geheel ons hart en persoon geven wij U, opdat het U tot een eigendom zijn mag tot in alle eeuwigheid. Door het hart dan hebben wij hier te verstaan niet den vleezen klomp, welke wel een voornaam deel van den mensch is, o, neen! maar de ziel met al hare vermogens, bewegingen en krachten. Daarom vinden wij, dat wij met het hart gelooven tot rechtvaardigheid, Rom. 10:10, en dat de kerk Gods met hare ziel begeerde in den nacht, en dat zij Hem met het hart, dat in het binnenste van haar was, vroeg zocht, Jes. 26:9.

/3, Wat dit geven nu van het hart, als het eigen werk des geloofs betreft, zullen wij

a. Aantoonen, waarin het geven van het hart gelegen is.

a. Dat dan zal te kennen geven, dat het onderwerp, waarin het geloof als de oorsprong van alle werkzaamheid is, zijn hart voor Jezus, die lang heeft staan kloppen aan de deur, openzet, opstaat uit het bed van zorgeloosheid, en een graf des diepen slaaps, om voor Christus de ziel open te zetten, Hoogl. 5 : 2, Openb. 3 :20.

I h. Het zegt eene gewilligheid, om Christus niet . alleen aan te nemen voor een Zaligmaker, maar j ook zonderling voor een Koning, om daar zijn troon op te richten, den schepter van zijn gebied te zwaaien, en al de lusten ten onder te brengen en te verpletteren als een pottebakkersvat. Andere hee-ren hebben over ons geheerscht, maar wij zullen voortaan bij den naam des Gods Jakobs genoemd worden.

c. Het zegt zijne gedachten aan den Heere te geven; het hart wordt dikwerf voor de gedachten in

127

-ocr page 150-

GEVEN YAN ZIJN HAKT.

des Heeren Woord gesteld. Eliza zegt daarom tot zijn geldzuchtigen knecht (iebazi: Ging miin hart niet met u; dat is mijne gedachten; zoodat Christus mag worden het eerste voorwerp des morgens en het laatste des avonds, waarmede de ziel zich bezighoudt, Ps. 139:17, Hoe kostelijk zijn mij uwe ge dachten, o God!

d. Het zegt een geven van al zijne genegenheden en liefde aan den Heere, om alles te achten in ver gelijking van Hem smakeloos, als het wit van ee dooier. 0 gelukkige! die in waarheid zeggen kan Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lus mij ook niets op de aarde!

e. Het zal eindelijk zeggen, dat men een onbe rouwelijke keus van Christus doet, boven alles, om in leven en sterven zijn eigendom te zijn, zich zoo aan God overgevende en opdragende, opdat er nooit een scheiding komen mag.

b. Maar laat ons, om klaarder achter dit werk met onze gedachten te komen, op eenige hoedanigheden en eigenschappen van hetzelve letten.

a. Het geloof geeft het geheele hart aan God, als den God des Verbonds. De ziel weet, dat de eisch is, God lief te hebben met haar geheele hart en hare geheele ziel en haar geheel verstand; daarom willen zij het allerminste niet uitzonderen, geen deel aan God geven, en het andere aan de wereld, want God en de Mammon kunnen niet gelijk gediend worden; geen deel aan Jezus om daarin te komen, en een deel aan eene geliefde zonde; maar de taal is: henen uit! Ja, indien zij maar naar de ongerechtigheid zouden omzien, om daarin eenig vermaak te scheppen, en niet een gewilligen afstand van alles doen, God zou hen niet hooren. Alles dat op het

128

-ocr page 151-

GEVEN VAN ZIJN HAET.

altaar moest opgeofferd worden, behoefde juist niet het kostelijkste te zijn, maar elke gave, hoe gering ze was, werd aangenomen, als het maar volkomen was. Daarom de dubbelhartige en de man des be-drogs zijn beiden den Heere een gruwel. Derhalve, als de kerk God wil zoeken, het zal met hare ziel n met den geest in \'t binnenste van haar zijn, dat ij het doen wil. O! het geloof geeft het geheele art aan den Grod des Yerbonds.

ö. Het geloof geeft het hart aan den Verbonds-God et de uiterste vrijwilligheid; het is dan geen ge-wongen werk, zoodat de ziel het tegen zin en wil et, maar het is gewillig; daarom zal de ziel, naar id van Ps. 110, zeer bereidwillig zijn op den dag n Gods heirkrachten; zij komen dan met het hart de hand, en roepen: O God! neem mijn hart oals het is, beter kan ik het niet maken, neem t dan maar aan.

c. Het geloof geeft den Verbonds-God zijn hart een zeer hartelijke wijze; de geheele mensch is bij; het is met de uiterste zielsaandoening dat het geven, \'twelk te kennen gegeven wordt in de plaatsen, waarin gezegd wordt, dat men met

t hart gelooft, Rom. 10; 10.

d. Het geloof geeft zijn hart aan den Verbonds-d met de uiterste blijdschap; zij zien, dat zoolang hun hart zelf houden, dat het in duizende geren is; maar o! als God het nemen wil, als een ring geschenk, gunnen zij het Hem zoo gaarne,

zijn zoo blijde en gerust, dat het in zijne hand, zijne bewaring is, dat noch tong noch pen het drukken kan; daarom lezen wij, dat, als zij het rt geven, het genoemd wordt een dag van onder-uw, om de blijdschap uit te drukken, Hos. 2:18,19.

129

-ocr page 152-

GEVEN VAN ZIJN HART:

Ja, dat Aj dan meer vroolijkheid hebben, dan de goddeloozen, wanneer derzelver koren en most vermenigvuldigd wordt.

e. Het geloof geeft het hart in alle oprechtheid, trouwe waarheid en ongeveinsdheid. O! zij schrikken voor onoprecht handelen in dat verbond, voor bedrog van zichzelven, dat zij zich zouden inbeelden hun hart gegeven te hebben, als het zoo niet was; daarom roept de ziel uit: o God! maak dat mijn werk, volgens uwe Goddelijke belofte, in der waarheid zijn mag; dit is eene eigenschap van een oprechte, en van een oprecht geven van het hart, dat zij altijd achterdochtig zijn over hun geven van het hart kunnen nooit tot hunne voldoening het oprecht genoeg geven, herhalen derhalve deze claad des ge loofs duizendmaal, opdat het oprecht zijn mag, e als zij het doen tot God, keeren zij wederom ir gebeden, zeggende: Onderzoek mij, o God! en be proef mij, en zie of er nog een schadelijke weg bij mij is.

f. Het is een geven, dat onberouwelijk is, zij hebben nooit berouw van hetgeen zij gedaan heb ben, zij wenschen niet, dat zij het niet hadden ge geven. O neen! de oogen dergenen, die gezien heb ben, zullen nooit terugzien; de eenige wensch va hunne ziel is, dat hun hart zoo in Gods hand ma blijven, dat het nooit wederom naar hen toe moch rollen; maar dit geschiedt zoo dikwijls, en het i hun tot droefheid en zet hen tot een nieuw over geven van hun hart wederom aan, om tot den Heer te roepen met den Psalmist: Vereenig mijn hart to de vreeze van uw naam.

c. Vraagt nu iemand ten derde, waartoe zij he hart zoo aan God geven? Ik zal het u zeggen, mijn

130

-ocr page 153-

GEVEN VAN ZIJN HART.

aandachtigen! en uit hetgeen gezegd zal worden, zult gij het kunnen billijken.

a. Zij geven hun hart aan Jezus, opdat het zijn eigendom mag worden, zij zien, dat zij van nature het eigendom zijn van den satan; maar daarin is geen leven of troost, noch in leven noch in sterven; derhalve opdat zij Christus\' eigendom zouden zijn, zoo geven zij zich aan Hem over; en dat is waarlijk een schoone reden.

h. Zij geven het aan Jezus over, opdat Hij door zijnen Geest daar wonen en huisvesten mag; Hij is Koning over Zion, Hij moet ook Koning over hen zijn.

c. Opdat Hij het hart zuivere; zij merken, dat hunne ziel is als een kooi van onreine vogelen, vol van alle boosheid en verdorvenheid; derhalve moet Jezus die reinigen, alles uitdrijvende, gelijk Hij eens den tempel van de duivenverkoopers, en de banken van de wisselaars zuiverde.

d. Opdat Jezus daar als Koning heersche, en zijne vijanden ten onder brenge. O! de ziel geeft daarom haar hart aan Jezus, opdat alles onder zijn gebied en heerschappij zijn mag tot in eeuwigheid. Andere koningen hebben over ons geheerscht, maar wij zullen voortaan bij den naam des Gods Jakobs genoemd worden.

d. Maar opdat Gods kinderen niet neerslachtig mogen zijn over het eene of het andere, zullen wij eenige toevalligheden van dit geven van zijn hart met uwe aandacht aanmerken.

a. Dit is aan te merken, dat sommige van de ge-loovigen ondervonden hebben, dat alles, om zoo te spreken, in een oogenblik toeging zonder vele en herhaalde beschouwingen van hunnen staat, en van hun zijn buiten God, kinderen des toorns en lijf-

131

-ocr page 154-

GEVEN VAN ZIJN HABT.

eigenen van den satan, maar als zij er zich toe kwamen te zetten, dat er zoo veel goddelijk en geestelijk licht in hunne ziel is opgegaan, dat zij ten eerste hart en ziel aan God hebben gegeven. Zulks vind ik in Zaccheus, die klom op een boom, maar ten eerste zegt Christus tot hem: Heden is de zaligheid in uw huis gekomen; zoodat het schijnt, dat er maar één punt des tijds tusschenbeide geweest is, waarin hij gewisselijk in alle bedaardheid alles niet kon nagaan; ondertusschen bleek zijne oprechtheid in de gulle liefde tot Jezus, en zucht voor rechtvaardigheid; zijnde een tollenaar, had hij een misslag gehad, hij zou het nu vergoeden. Derhalve laat geen der vromen ooit geschud worden, dat hij dit en dat niet gezien heeft, dat anderen zagen; daarin bestaat het werk niet, maar in overgeven; en zijn zij door Gods goedheid daartoe gebracht zonder al de wettische woelingen, des te meer hebben zij reden om Gods zachte handeling te roemen.

h. Dit is aan te merken, omtrent het geven van het hart, dat er velen zijn, die lang in wettische werkingen en naarheden gebonden worden, eer zij hun hart kunnen overgeven; die als Paulus bezwijken, en wegens hun wanhopenden toestand als dood ter aarde nedervallen. Dit is Gods weg wel met zeer velen, en zij hebben de voorgaanden niet verdacht te houden, omdat die het niet zoo ondervonden hebben; maar denken, dat zij weerbarstiger dan die waren; zij hebben ook hun toestand niet verdacht te houden, omdat zij zoo zacht niet zijn behandeld geworden, gelijk het somtijds gebeurt; want, met eerbied gesproken. God kan het wegens onze verdorvenheid nooit van pas maken; maar zij hebben God te loven, dat Hij hen op het allerbit-

132

-ocr page 155-

GEVEN VAN ZIJN HAET.

terste heeft willen behandelen, vermits Hij hen wilde noodzaken tot hun beste.

c. Moeten wij nu hierin aanmerken, dat de ziel dikwerf haar hart in wearheid en oprechtheid kan overgeven aan den Heere; maar God geeft van zijn kant het niet aan de ziel te zien, dat Hij hare gave aanneemt, maar laat haar lang werkzaam zijn zonder zich te ontdekken en te openbaren, schoon Hij een innig genoegen in haar werk heeft. David, o! hij had liefde voor Absalom, maar liet het niet aan Absalom blijken; anderen die hem kenden, konden het nagaan; hij laat Absalom naar Jeruzalem weder-keeren, zijn hart was vol liefde, maar hij liet Absalom zijn aangezicht niet zien. Zoo kan God lang handelen, en wij hebben niet uit deze handeling eenig besluit te trekken, maar op ons werk acht te geven, en te zien of het welmeenend en oprecht is, dan kunnen wij verzekerd zijn dat het Gode aangenaam is.

d. Is aan te merken, dat eenige Christenen, als zij van het hart aan God over te geven spreken, van zonderlinge aandoeningen en hartstochtelijke aandoeningen weten te spreken; hetgeen op zich-zelve goed is, maar het moet geen regel voor anderen zijn; de een is van gesteldheid meer hartstochtelijker dan de ander, de een kan ten eerste geraakt worden en in tranen wegdruipen, daar een ander dat niet ondervindt; wij hebben maar te letten, hoe wij gesteld zijn, want tegen de gesteldheid van de natuur werkt God zeer zeldzaam.

e. Er zijn anderen, die het hart geven, maar het is meer uit overreding, het is meer met bedaardheid der ziel; deze hebben niet, als zij het maar doen, te twijfelen; want de aandoening maakt het werk

133

-ocr page 156-

GEVEN VAN ZIJN HAET.

niet vaster en waarachtiger; o neen! het komt maar op de opdracht en de gave der ziel aan. Die Jezus in oprechtheid aanziet, die geeft ook zijn hart aan Hem waarlijk over.

f. Er is ook aan te merken, dat velen op dat geven van het hart zulke verwijdingen en vervroo-lijking en vrede vinden, dat het niet uit te spreken is; dat is wel dierbaar, maar zulk eene wederom-stuitende daad moeten wij van het gelooi zeiven onderscheiden, want dat is een vruchtgevolg des geloofs; de ziel zou het ware geloof kunnen oefenen, en dat niet ondervinden, gelijk blijkt uit Jes. 50, Die in duisternis wandelt, en geen licht ziet. Ondertusschen zien wij het er gaarne bij, en geloo-ven, dat de ziel zeldzaam tot vastigheid zonder dat komen kan, immers elke oprechte is er op gezet, en staat er naar.

g. Er is eindelijk aan te merken, dat de eene wel, wanneer hij zijn hart overgeeft, meer vruchten van heiligmaking vindt dan de ander, en langer voor zonde bewaard wordt dan de ander, hetgeen een oprechte dikwerf aan zijn staat doet twijfelen, omdat hij zoo schielijk in de zonde valt; maar dit is aan te merken, dat de vruchtgevolgen van het geloof even lang blijven als het geloof werkt, gelijk met het licht, dat is zoolang de zon schijnt; derhalve kan het geloof zeer werkzaam zijn in het eene oogenblik, maar terstond ophouden in zijne werking, en dan houden de vruchtgevolgen op. Petrus op den berg had het geloof, terstond mist hij het in zijne werkzaamheid, daarom zeide Christus tot hem: Ga achter Mij, satanas!

3, Wij vinden ten tweede, dat het geloof is een

134

-ocr page 157-

GJ2VEN YAN DE HAND AAN DEN HEEEE.

Geven van de hand aan den Heere.

Geeft den Heere de hand, 2 Kron. 30:8. Hiertoe wekt Hiskia die godvruchtige koning gansch Israel op, door zijne boden en zijne zeer godvruchtige brieven, zeggende niet alleen: Bekeert u in vs. 7, maar ook, dat zij Gode de hand zouden geven: Geeft den Heere de hand.

«. Noodzakelijk moeten wij met uwe aandacht tot verstand van deze zaak op de zinspeling letten. Wij vinden dat het in aloude tijden het gebruik is geweest, dat men eenige werkzaamheid met de handen in den godsdienst oetende: daarom spreekt Job van eene plechtigheid in zijnen tijd al gebruikelijk in den dienst van de zon en maan, dat zij , de handen kusten. Job 31:27; en David wilde tot betuiging van zijne onschuld zijne handen in onschuld ■ wasschen en dus rondom Gods altaar gaan. Bij de ouden vinden wij, dat zijne hand te geven aan iemand het geloof, trouw, liefde en standvastigheid uitdrukte, gelijk Cicero en anderen aanmerken; maar ook was het een teeken, dat men de voorgaande vijandschap kwam af te leggen, met een voornemen om in een vast en onverbreekbare vriendschap te 1c /en. Het een en het ander zal in deze werkzaamheid des geloofs zijn.

(2. Derhalve ga ik over tot de zaak zelf.

a. Dit geven van zijne hand aan den Heere zegt, dat er een staat van afkeerigheid was, waarin de ziel met den Heere leefde. O ja! zoo is een mensch zoo lang hij in zijnen natuurstaat is: hij kan zich wel inbeelden, dat hij den Heere liefheeft; maar het is maar alleen inbeelding, welke tegen het Woord strijdt, Rom. 8:7, Het bedenken des vleesches is

135

-ocr page 158-

GEVEN VAN DE HAND AAN DEN HEEEB.

vijandschap tegen God. En de bevinding leert elk een, die tot geloofswerkzaamheid gebracht wordt, dat zijn hart de boosheid zelf is, en geneigd om God en zijnen naaste te haten.

b. Het zegt, dat de ziel dadelijk hare vijandschap en dwaasheid ziet, als zulk eene onbetamelijke en Godonteerende zaak, welke gewisselijk tot haar eigen verderf zal keeren, en worden als een kanker om de ziel te verteren en te niet te brengen; komt zulk een zien niet, nooit zal de vriendschap tusschen God en de ziel getroffen worden, zijnde het Gods einde onder anderen in \'twerk der genade, om zijn Woord te bevestigen door de ondervinding van allen, die Hij tot zijne gemeenschap brengt; maar hoe zal dat kunnen teweeggebracht worden? niet slechts, dat zij de geopenbaarde waarheden toestemmen, maar dat zij die uit eene overtuigende overreding van hun hart toestemmen.

c. Het zegt, dat hunne harten door onwederstaan-lijke en zielbuigende en hartvermurwende genade ingenomen en handelbaar, en zoodanig overwonnen worden, dat zij deze hunne vijandschap afleggen, \'twelk in bizonder te kennen gegeven wordt van de Joden en Heidenen in het laatste der dagen, als Christus zijn koninkrijk met luister zal oprichten, Jes. 11:6; maar ook in \'tgemeen is het waar door al de tijden van de kerk henen: Zij zullen de zwaarden tot spaden slaan; de leeuw zal met het lam verkeeren, en de luipaard met den geitenhok, en een jonkske zal ze drijven.

d. Het zal zeggen een ongeveinsden en hartelijken lust in de ziel tot den vrede en verzoening met den God der genade; zoodat de ziel zich niet huichelachtig gedraagt, zich in \'t verbond gedragende met

136

-ocr page 159-

GEVEN VAN DE HAND AAN DEN HEEEE.

het oude vleeschelijk Israël, tot God naderende met den mond en lippen, maar met het geheele hart: gelijk wij onlangs gezien hebben, sprekende van het geven van het hart.

e. Het zegt ook, zgne hand dadelijk uit te steken: gelijk wij vinden van Tyrus, dat zij hare handen zal uitbreiden; en van David in Ps. 143: Ik breide mijne handen uit tot U; mijn hart is als een dorstig land voor U. Sela.

f. Het zegt niet slechts zulk een uitbreiden van de hand, maar een blijven, totdat zij vinden dat God zijne hand tot hen wendt; gelijk hij belooft, zijne hand tot de kleinen te wenden, Zach. 13:7. 0! die op de werkzaamheid van dat uitsteken van de hand aan hunnen kant gerust kunnen nederzitten, en niet uitzien naar Gods toenadering, die hebbe n te ge-looven, dat hun werk niet van de rechte soort is, maar louter inbeelding en bedrog.

g. Het zegt ook een verbinden van zich aan den Heere, om den vrede te houden, en door zijne kracht te bewaren, en in allen opzichte te doen wat Hij gebiedt, en te laten wat Hij verbiedt: hiertoe, om zich aan den anderen te verbinden, gaven de ouden elkander de hand, en de eigen lust en het werk van het geloof is, de liefde tot een oprechte en teedere en standvastige gehoorzaamheid op te wekken; daarom vind ik, dat het hart door het geloof gereinigd wordt, Hand. 15:2. Ja allen, die in \'t verbond overgaan, God de hand gevende, gaan even daarom in \'t verbond over, om zijne inzettingen zeer te bewaren.

B. Onder deze letter wordt het geloof ook genoemd een

137

-ocr page 160-

GEWENNEN.

GEWENNEN.

Job. 22:21, Gewen u toch aan Hem, en heb vrede.

X, Over deze plaats hebben wij wel voordezen gesproken, en uwe aandacht, als \'t ware, een kort begrip van de praktikale Godgeleerdheid gegeven, niet slechts die dingen noemende, maar telkens in \'t bizonder aantoonende, hoe de ziel zich gemeenzaam met God in die stukken moet maken; van welke zaken wij nu niet spreken zullen; maar alleen naar \'t oogmerk, den eigen aard van het geloof\' in deze .en gene werkzaamheden voorhouden.

Ondertusschen moet ik uwe aandacht te binnen brengen, dat het grondwoord Sakan, pD zonderling

nadrukkelijk is van beteekenis; gelijk de heer Coc-cejus aanmerkt, dat het beteekent een wagen op eene zaak ot persoon; of anders een hazardeeren, om proeven te maken van de krachten der zaken, of hoedanigheid der personen, en die goed en deugdzaam bevonden hebbende, gewent men dan daaraan, zoodat men er mede gemeenzaam wordt, hetgeen, als de tweede beteekenis van het woord, zeer zoetelijk het geloof te kennen geeft.

3. De zaak dan zelve betreffende. Wanneer het geloof een gewennen, een gemeenzaam keeren van zich tot Jehova genoemd wordt:

a. Het zal vooronderstellen

a. Dat de Heere de Jehova, als de God des een-zijdigen verbonds, alles willende schenken en geven uit louter niet, als een gave, niet zeer bekend is. Het is wel waar, dat er eenige kennis van God door zijn eigenen vinger in \'t hart is ingeschreven, \'twelk Paulus noemt het kennelijke Gods, Kom. 1:19, enz.,

138

-ocr page 161-

GEWENNEN.

waaruit een mensch in den natuurstaat kan hebben niet alleen, maar inderdaad heeft eenige beschuldigende of ontschnldigende gedachten; waarbij komt dat men van het Evangelie, wonderbaar door rede-neerkracht en het verbeelden der vermogens kan toenemen, en eigenaardige bevattingen der zaken hebben; welke kennis enkel duisternis, enkel onkunde is; niet een kennis van God, maar van eigen denkbeelden en bevattingen, en wordt derhalve duisternis zelve, Efez. 5:8, genoemd; \'twelk Christus mede aan de Joden te kennen geeft, wanneer zij vraagden: zijn wij ook blind? Er is ook wel eene gemeene kennis Gods door de wet, waarin Hij quot;waarlijk met angst, smart en benauwdheid gekend wordt, als de waarachtige en heilige God, die noodwendig de zonde straffen moet, opdat Hij den zondaar niet zou gelijk zijn, in Ps. 50. Er is ook nog een kennis door veel verlichting van den persoon des Middelaars, en van God in Hem, Hebr. 6, welke plaats elks ernstige opmerking dubbel waardig is, opdat hij zijne ziel in zulk een hoognoodig stuk, als haar eeuwig belang is, niet zou misleiden.

Laat ons als in \'tvoorbijgaan de zaken inzien: a. Dezen hadden verlichting; hun verstand en oordeel waren met een licht bestraald, \'twelk zij van nature niet hadden, en was derhalve in hunne ziel opgegaan, omtrent de Evangelische zaken, waarheden, verborgenheden, en zonderling, omtrent Christus, en de eerste beginselen van geloof en bekeering, gelijk uit het voorgaande blijkt, dat is verlichting in de taal des Geestes. Alles wat openbaar maakt is licht, \'twelk Bileam had in een wonderbaren trap, Num. 24:15, Toen hief hij zijne spreuk op, en zeide: Bileam, de zone Beors, spreekt, en die

139

-ocr page 162-

GEWENNEN.

man, wiens oogen geopend zijn, spreekt; de hoorder der redenen Gods spreekt; en die de wetenschap des Almachtigen weet, die des Almachtigen gezicht ziet, die verrukt wordt, en dien de oogen ontdekt worden.

h. Dezen hadden de hemelsche gaven gesmaakt, welke zijn vrede, vreugde, troost en blijdschap; en het smaken zal derzei ver aangenaamheid en ziel-strelendheid te kennen geven. Gelijk dus ook de tijd-geloovigen in de gelijkenis van den zaaier beschreven worden.

c. Zij waren ook des H. Geestes deelachtig; dat is, zij hadden deel aan zijne werking, Hij was in hen, overtuigende van zonde, gerechtigheid en oordeel.

d. Zij hadden gesmaakt het goede Woord Gods, \'twelk is het Evangelie, in tegenstelling van de wet, welke is een woord der verdoemenis, en de krachten der toekomende eeuw; dat kan zoo opgevat worden, dat het hen krachtig naar de toekomende eeuw deed verlangen.

Ziedaar kennis en ondervinding te zamen gepaardt waardoor dezen duizenden te boven gingen, nochtans mis, nochtans niet genoegzaam tot zaligheid; daarom konden zij afvallen. Ik zal het eens daarbij laten staan blijven, opdat het een spiegel voor huichelaren en nabijkomenden zijn mag: twee woorden maar bijvoegende, en, als iemand verlegen dan is, zal ik in de samensprekingen, er wat bijvoegen tot opheldering .

1. Dat eene ziel somtijds Jezus Christus zeer van nabij kan zien, en veel heerlijkheid in Hem, waardoor zij als dooden nedervallen; maar zij doen niets omtrent dien Christus; zij zien maar, en verwonderen zich in \'t gezicht, en stellen dat tot eenen grond van vastmaking van hunnen staat; maar daar ware genade is, dezen zien niets of zij grijpen het terstond

140

-ocr page 163-

GEWENNEN.

aan, trekken het naar zicli toe; en dit is het rechte, want de huichelaren zullen Jezus nog heerlijker zien, dan zij Hem nu ooit gezien hebben in den dag des oordeels, doch zullen nochtans door dat zien niet zalig worden. Die dit recht vat, heeft een sleutel om de woorden van Paulus te openen, en die zich recht te binnen brengt het onderscheid, waarvan ik onlangs breeder gesproken heb, tus-schen het aannemen van Christus\' persoon of zijne gaven, behoeft niet over al het gezegde zeer geslingerd te worden.

2. Dat dezen altoos afvallen, dat is, niet tot grove zondige daden komen; want een waar geloovigekan zelfs in alle zonden vallen, uitgezonderd de zonde tegen den H. Geest, en kan de een langer, de ander korter er in blijven liggen, gelijk David ook bijna een jaar op zijn minst deed. Maar dezen vallen zoo af, dat zij er lust in hebben, dat zij den vorigen weg lasteren en een heimelijken haat hebben tegen al de ware vromen, of het moesten zulken zijn, die hen beschermen, en helpen in ongelegenheden. En God is hierin rechtvaardig, dat Hij zulks doet, opdat Hij toont de valschheid van zulken, daar Hij toelaat, dat burgerlijken in zulke zonden niet vallen, dezen wil Hij het masker afnemen. 0! verwonder u daarom niet, als znlken vallen, want ik vind het altoos in Gods Woord, dat nabijkomenden afvallen in dit leven, daarentegen een oprechte, niettegenstaande zijne struikelingen, getrouw blijft tot in den dood.

Ondertusschen om tot onze zaak weder te keeren. Daar het geloof in \'t hart komt, daar komt terstond overreding in de ziel van hare diepe en onbeschrijfelijke onkunde van God, zoodat zij uitroepen: dat zij onvernuftig zijn, en geen menschenverstand heb-

141

-ocr page 164-

GEWENNEN.

ben; ja met Azaf, dat zij zijn als een groot beest voor den Heere, hebbende oogenzalf noodig voor hunne blinde oogen, opdat zij ziende mogen werden, Openb. 3:18, en daarom is dat onder de heerlijke werken van den Messias, dat Hij licht uit en in de duisternis doet opgaan.

b. Dat vooronderstelt, moeten zij zich aan Hem gewennen, en dus vrijer met Hem maken, dat er geen kleine vrees in de ziel is, wegens het nagaan van zijne hoogheid en hare eigen laagheid; want het geloof geeft altoos hoog en verheven gedachten van God, als den Verbonds-God, maar zeer lage gedachten van zichzelven; zoo was het met David, is dit naar de manier der menschen. 0 Heere, Heere! Ik heb, zegt Job, van U gehoord, met het hooren. des oors, maar nu zie ik ü met mijne oogen; daarom verfoei ik mij in stof en asch. De arme tollenaar stond derhalve wegens vrees voor Gods hoogheid van verre, en hij riep uit: o God! wees mij, een verdoemelijken zondaar, genadig! En de vrouw, die den vloed van bloed had, raakte Hem steelswijze derhalve maar aan. Schoon vrijmoedigheid, wanneer die op een goeden grond steunt, zeer kostelijk is; nochtans de kleinhartigheid, bevreesdheid, en deemoedigheid is liefelijk in een eerstbeginnende, en in een Christen, die uit gebreken begint op te staan, zijnde een gewis en waarachtig teeken van zijne welmeenendheid en oprechtheid.

c. Dat zij overreed worden, dat zij mogen komen, om in zijne vriendschap, door gewennen van zich aan Hem, vrede te hebben. Tot Bartimeüs wordt gezegd: Wees goedsmoeds, de Heere roept u. Ja recht zoo, de knechten van God moeten de hand toesteken met woord en daad, om zulk een ziel als een

142

-ocr page 165-

GKWENNEN.

ningsdochter tot den Koning te brengen; Hij ad uit zijne knechten bij de wegen en bij de beg-n, om dezen en genen, armen, blinden en kreupelen dwingen, om in te komen.

/3. Het stelt dan:

a. Dat zij zich tot God keeren, tot deze grooté ijesteit zich begeven. O! wat zonderlinge bewe-igen worden er nu bespeurd, als de ziel zich dus gint aan God te gewennen.

a. Wat is er niet een verfoeien en vergeten van hare oude boelen, en zich schamende, dat zij zich o lang met zulke nietige en zielverderfelijke gelschappen ophield; andere beeren hebben over s geheerscht, maar wij zullen voortaan bij den am des Gods Jakobs genoemd worden.

b. Wat is er een hoogachten van zijne gunst en iendschap boven alles; daar is nu niets op aarde o boog in haar oog.

c. Wat is er een sterke begeerte tot God; \'t is: slijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, soo dorst mijne ziel naar God, naar den levenden )d, Ps. 42 :2, 3.

d. Wat is er een verlegenheid in \'thart, hoe de ;1 voor zijn aangezicht zal verschijnen; zullen zij men met duizenden van rammen, met tienduizenden n oliebeken, met de vrucht huns buiks voor de nde hunner ziel? o neen, zij moeten komen naakt nder kleed, en ledig zonder geld, wetende dat die ït God gemeenzaam willen zijn door gewennen, t zij ondeugenden bij zichzelven moeten zijn; de ierellendigsten in hunne eigene oogen zijn de ge-biksten voor Jezus.

e. Wat zij zeggen zullen; zij brengen woorden in n mond, maar het is; Mijn vader is een Amoriet,

143

-ocr page 166-

GEWENNEN.

en mijne moeder eene Hethietische; ik ben een op- !verij standeling, anders niet dan een doode hond; o Zone yjj zf Davids! ontferm n mijner, o God! wees mij zon- jjpme] daar genadig; dus spreekt de arme smeekeling. iz ,/eg,

f. Wat is er nu verlegenheid wat zij doen zullen, | a ] hoe zij zich gedragen zullen voor zijn aangezicht; ,een maar tot hunne onderrichting staat geschreven dat \' \\ 5 hun werk maar aannemen en toestemmen is van alles, wat er gezegd wordt, en zich klein en ootmoedig te gedragen voor den Heere. Hetgeen doet, dat zij door zijn eigen werking in hunne ziel in dit gewennen, zijn hart innemen. Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, o bruid! met één van uwe oogen, met een keten van uwen hals; wend uwe oogen van mij af, zij doen mij geweld aan, Hoogl. 4:9 en 6:5.

y. Dus komt door gewennen een nauwe en een wederzijdsche vriendschap, welke nooit zal verbroken worden, schoon duivel en zonde en booze menschen het zoeken omver te stooten. Wie zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus,

Rotn. 8:39.

b. Dit gewennen en gemeenzaam worden zal te kennen geven een zonderling opmerkende en nauwkeurige werkzaamheid van de ziel over alles wat zij zien, hooren, smaken en tasten van het Woord des levens en van den levenden God zeiven, zoodat in elk, die zich aan God gewend heeft, een zeer nauwe onderscheiden kennis van alles is voor zich-zelven, waarbij zij hunne eigene werkzaamheden en die van anderen weten kunnen en oordeelen, niet onfeilbaar, maar waarschijnlijk, of zij zich recht aan God hebben gewend of niet; ook van hunne eigene volgende ondervindingen, om. het nabijkomend

144

ichap ) ja! ran ] rerel

2.:

mnm ij nc

3.:

)m n k bi len, ran e ngaa vann e ze larte )m i t ge net mtfe en:

4. p ]

hris

eg arn oei

-ocr page 167-

gewennen.

0Pquot; jverk in zichzelven van het ware te onderscheiden; 3116 ,vij zeggen, dat er is een zonderlinge nauwkeuriger onquot; opmerking; en vraagt iemand waarover? ik zal het \'i zeggen, mijne aandachtigen! luistert er maar naar. en\' ] a. In dit gewennen letten zij nauwkeurig op het-jeen zij zien.

Tl? «-»

rlat; 1. Zij zien, dat zij van tevoren in geene vriend-\'an ichap, maar vijandschap met dezen God leefden. 0^quot; ) ja! Grod toont hun, dat zij vreemdelingen waren ,e*\' ran het verbond, zonder God en Christus in de rereld, Efez. 2 :12.

2. Zij zien en letten, dat, voordat dat licht in jiunne ziel opging, zij enkel duisternis waren, schoon ij nog zoo veel kennis hadden.

3. Zij zien eene deur, welke zij moeten ingaan, |)m met dezen God bevredigd te worden. Joh. 10:9, k ben de deur. Ja, dat aan deze deur velen ston-en, die niet konden ingaan, vermits zij zich niet an eigen gerechtigheid wilden ontkleeden, en naakt

611 ngaan: de weg is nauw, die ten leven leidt; zoodat, IS\' vanneer zij hunnen voet op den dorpel kwamen ;e zetten, alles hun dan ontviel, dat zij met veel lartelijkheid uitriepen; ik acht alles schade en drek, ,vquot;i )m in Christus gevonden te worden; dit blijft in t geheugen, dat er op de deur stond geschreven r(^ net gouden letters: Vrije genade, vrije genade en mtferming! en dat ook elk er onder kwam te schrij-er ren: Amen, ik ga in met den strop om den hals. a~ 4. Dat zij zagen al de deugden van God, elkander !11 )p het liefelijkste ontmoetende en kussende in Christus, als den Borg, door lijden volmaakt, in den ^ veg van des verlorenen zondaars zaligheid, zoodat )armhartigheid en waarheid in dezen elkander ont-poet hebben, en gerechtigheid en vrede elkander

145

dit art we we glen en en

i!

-ocr page 168-

gewennen.

gekust hebben; dit is het aanbiddelijkste, dat, ver mits de vastigheid van Jehova\'s troon is gerechtig heid, voldaan door de oefening van gericht in dei Borg, dat nu voor zijn aangezicht barmhartigheii en waarheid tot den zondaar uitgaan.

5. Zij zagen, dat er een almachtige en goddelijk hand van Jezus zeiven kwam, om hen door di( deur in te trekken, Joh. 6 en 8.

6. Zij zagen zoodanige uitnemende en onbeschrijfelijke heerlijkheid in den Middelaar, dat schoon zr engelentongen hadden, zij zouden het niet kunnen beschrijven, maar terstond hunne reden sluiten, zeggende; Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk Evenwel blijft het geheugen door dat nauwkeurig opletten van al wat zij gezien hebben in \'t gewennen over, dat zij Hem uit duizenden van millioenen zouden kunnen onderscheiden en zeggen, schoon Hij van verre stond: Deze is mijn liefste, zie Hij komt!

h. Zij letten ook nauwkeurig op alles, wat z: hooren; niet alleen op \'t gegalm van engelen, he verblijdende, maar op de genaderijke woorden t hunne ziel gesproken, hoe diep die ingingen, m wat voor verontwaardiging van zichzelven zij aa gedaan waren, als God zeide: Ik ben uw God, I heb uwe zonden uitgedelgd. Ik zal u nooit verlate Ik zal u in den hemel brengen, enz. O! hoe graa hoorden zij alles, en zeiden: Wilt Gij de God va zulk een dooden hond zijn, en wat zal ik mee zeggen, het zij zoo. Amen. Het zij zoo!

c. Zij letten ook op de smaken van hetgeen proefden, het was zuur en zoet onder elkander, da geeft den alleraangenaamsten smaak, het maakt vruchten voor hun gehemelte zoet, namelijk, zure smaak over hunne zonden, maar er onder ver

146

-ocr page 169-

GEWENNEN. 147

mengd de zoetigheid van vergevende genade. 0! dit doet uitroepen: Nu, ondersteun mij met deflessclien, versterk mij met de appelen, want ik ben krank van liefde; nu ontstaat wat nooit ontstond: een rechte Evangelische droefheid over de zonde, zoodat het hart smelt als was voor het vuur.

d. Zij letten op hetgeen zij tasten en voelen. Voordezen in bedrog wandelende, namen zij dikwerf een schijn voor de zaak, een Jezus in hunne verbeelding voor den waren; maar nu grijpen zij Hem aan in de daad en waarheid, en kunnen zeggen: ik heb Jezus gevonden. Op het een en het ander lettende kunnen zij naderhand zien, of hun gewennen recht is of niet, kunnen ook gemakkelijk onderscheiden en ontdekken den mond-christen.

c. Dit gewennen zal zeggen, dat het geloof zulk een genade is, dat gedurig denzelfden weg uit wil; opnieuw alle dagen zich keerende tot Jezus, om des te meer familiaarheid en gemeenzaamheid met Hem te maken. O ellendig geslacht van menschen, die zich met werk van over twintig jaren kunnen helpen! Neen! het leven des geloofs is dagelijks opnieuw aan God zich te gewennen, overmits dagelijks vrede alleen daaruit ontstaan moet.

d. Dit gewennen zal zeggen, dat men met beschaamdheid niet meer zoo is aangedaan, namelijk, wanneer het geloof werkzaam is om tot Jezus zich in alle verlegenheden en zwarigheden te begeven, en door Hem tot God, als tot zijn eigen Bondsgod en Yader. Jezus alleen is de grond, waarop de vrijmoedigheid van de ziel rust, niet hare gestalte, tranen of gevoel; en deze grond altijd even genoegzaam zijnde, heeft de ziel door Hem toeleiding om met vrijmoedigheid tot God te gaan, Rom. 5:2.

-ocr page 170-

GEWENNEN.

e. Dit zegt, dat zij door gewennen ook beginnen staat op zijn Woord en toezeggingen te maken, omdat zij zoo menigmalen proeven hebben, boe getrouw Hij is, boe vast zijn Woord is, en dat bunne ontrouw zijne getrouwheid niet teniete zal doen.

f. Dit zal zeggen, dat zij terstond kunnen bemerken, dat er bet allerminste ongenoegen in den Heere tegen ben is; dat kunnen zij uit zijne gedraging zien, overmits zij aan Hem gewend zijn; en daarom zij keeren zich wederom tot Hem, zij vallen op bun vlak, zij belijden schulden, en dus wordt alles uit den weg geruimd: Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Menschenhoeder?

g. Dit zal zeggen, dat zij één hart met God en Christus hebben. O! alles wat Hij wil, willen zij als geloovigen, in wien dit gewennen is; daarom zeggen zij: Uw wil geschiede! David en Jonathan waren één hart en ziel; de ziel. die den Heere aanhangt, is één geest met Hem, 1 Cor. 6:17.

h. Dit zegt ook, dat zij ééne zaak, ééne beooging hebben. God nu beoogt zijne eer in al zijne werken, en zij door bet gewennen zeggen: kunnen wij maar zijnen lof versterken. Hij doe ons drijven of zinken, al wat Hij doet is even goed; zoodat zij dit ook voor de wereld en hunne mede-christenen in gulheid des harten toonen: wij zijn niet dan voor den Heere; wij leven niet onszelven, in baat, nijd en boosheid, maar ons leven is verborgen met Christus in God, en het leven, dat wij leven, is door bet geloof des Zoons Gods.

i. Dit gewennen aan Hem, familiaar zijn met Hem, zal zeggen, eene zonderlinge teederlieid voor Hem, en voor zijne zaak en voor zijn volk; zoodat men gedrukt en gebogen gaat, als er om onzent of ande-

148

-ocr page 171-

GEWENNEN.

ren wil kwalijk gesproken wordt; men zou alles, wat daaraan nadeel kon toebrengen, met bloed en tranen wegdoen, was bet mogelijk. Waar bet zoo niet is, daar is bet ware gewennen niet.

k. Dit gewennen van zicb aan den Heere zegt, een gulle openhartigheid tot den Heere, om al onze zaken, verborgenheden en wegen aan Hem bekend te maken; want David handelde zoo, zijne wegen aan God vertellende, in den 119den Psalm, en God doet het ook aan zijn volk, Ps. 25:14.

1. Dit gewennen zal te kennen geven de zielsge-zetheid om bij God te zijn, aan Jehova te denken, en van Hem te spreken; \'s Heeren nabijheid is den zoodanigen goed, Ps. 73: 28.

m. Als zij van Hem zijn, zijn zij ongerust, ontevreden, zij kunnen het niet stellen, maar zijn gelijk als een visch buiten het water. De ware geloovigen hebben menigmaal meer tranen om God, na hunne bekeering uitgestort, dan vóór hunne bekeering. Ziet Ps. 10, 13 en 42, hoe hartelijk dequot; ziel om Hem roept.

n. Als Hij hen toelaat, omdat zij aan Hem gewend zijn. O, wat betuigingen van liefde! Wat vallen te voet om vergiffenis! Wat gulle opdragingen! Wat vernieuwingen van vriendschap! wat een hartelijke lust om het nooit van hunnen kant te verstoren!

o. Dit gewennen aan Hem zal zeggen, dat vermits de ziel zulke aangenaamheid in zijn bijzijn en liefde ondervindt, zijne gunst beter zijnde dan het leven, dat zij onmogelijk aan scheiden kunnen denken. O! wil Hij verder gaan, zij dwingen Hem met de Emmaüsgangers, zij houden vast met de Bruid, zij weenen bitterlijk, zoodat zijn hart vermurwd wordt tot hen.

149

-ocr page 172-

HONGEREN.

Ziedaar, behalve vele andere zaken, dit gewennen, zulk eene familiaarlieid uit grond des harten! Het is maar een begin, een voorsmaak van hetgeen gebeuren zal voor de oprechten van harte; daarenboven zullen zij in eene eeuwige en onverstoorde vriendschap leven, eeuwiglijk en altoos.

H. Onder deze letter H komt het zaligmakende geloof voor A. Onder de benaming van

HONGEREN.

Vooraf hebben wij aan te merken, dat het ons oogmerk niet is, hiervan als een wijsgeer te spreken, dat zou van weinigen verstaan worden, en zou derhalve geen nuttigheid toebrengen. Wij zullen ook niet van het geestelijk hongeren zelve spreken,quot; vermits wij al reeds onder de letter D. van het geloof als een geestelijk dorsten gesproken hebben; en schoon hongeren en dorsten twee woorden zijn in klank onderscheiden, hier in \'t zakelijke geven ze hetzelfde te kennen, namelijk, de aanhoudende zielsbegeerte naar de gerechtigheid, om in Gods vierschaar vrijgesproken te worden, en heilig voor God te leven uit een gerechtvaardigd grondbeginsel ; want beide deze zaken, Matth. 5:6, zoo het ons voorkomt, zijn het voorwerp van dat hongeren en dorsten, dat zalig gesproken wordt. Ons voornemen is thans eenige zaken, bijwijze van aanmerking, voor te stellen, opdat niemand zichzelven op een lossen grond de zaak zou toeëigenen, en opdat Gods kinderen, vooral de zwakken en kleinen, zouden bemoedigd worden.

Om dan ter zake te komen. Elk opmerkende ziet, dat hongeren en dorsten zegt een aanhoudende

150

-ocr page 173-

HONGEKEN.

en onverzadelijke begeerte naar een tweeërlei gerechtigheid. Elk nu, die met aandacht op de men-schen let in \'t godsdienstige, bemerkt zeer licht, dat er twee soorten van menschen zijn; aan de eene zijde zulken, die hunne begeerten stellen tot hunnen grond van behoudenis; dezen zijn het, wier begeerten, gelijk Salomo zegt, hen doodt; aan de andere zijde gaat menigeen gebukt en bedroefd, vermits hij bevreesd is, dat zijne begeerten maar louter inbeeldingen zijn. Derhalve:

a. Wij moeten aanmerken, dat wanneer het Woord van God, het geloof, een begeeren, een hongeren noemt, dat hier niet alle honger, niet alle begeerte, dat eigenlijk hongeren des geloofs is, o neen! Want in de tijdgeloovigen zijn er ook al eenige begeerten; gelijk in Bileam, die begeerde den dood des rechtvaardigen te sterven; zoo ook in de dwaze maagden. En deze begeerten kunnen voortspruiten uit verscheidene oorzaken:

a. De tijdgeloovigen kunnen eenige ontdekking hebben van hun ellendestaat, van hun gebrek, hetgeen hen zeer bedroeft, vooral, als het op sterven aankomt, en zij zich in het strijdperk moeten begeven met den koning der verschrikking; nu Christus, nu het bloed des verbonds, nu een leidsman door het dal der schaduwe des doods. Hiervandaan zullen menschen onder oordeelen, benauwdheid en beschuldiging van het geweten, en op hun doodbed bidden, roepen, kermen en begeeren, die het anders zeer zeldzaam in hun leven gedaan hebben, dan uit enkel gewoonte, zonder lust en hart, met een formulier-gebed, — en de menschen, die weinig licht van God hebben, spreken dezulken zalig; sterven zij, zij gaan gewis, zegt men, naar den he-

151

-ocr page 174-

152 HONGEREN.

mei. Ondertusschen, wanneer wij Gods Woord en de bevinding raadplegen, zullen wi] voorbeelden ondervinden van zulken, die begeerte gehad hebben, vele begeerten, en die nochtans eeuwig, zoo het \'schijnt, verloren zgn gegaan. Zie Amos 8:11, 12; daar dreigt God een honger te zenden niet naar brood, maar naar het Woord van den levenden God. Hier vinden wij, dat zij hongeren zullen naar dat Woord; elk zal hongeren, daar zal een algemeene honger zijn. Maar is het nu te denken, dat elk hoofd voor hoofd hongeren zal op eene zaligmakende wijze? Verre daarvandaan. Voegt hierbij hetgeen wij lezen van Simon den toovenaar, Hand. 8:24, daar hij niet alleen zelfs door de dreigementen zal begeerig geweest zijn, maar hij verzoekt de begeerten en gebeden van de gansche kerk, van al de ware vromen voor zich. Een voorbeeld, dat wij zeiven bijgewoond hebben, moet ik uit de ervarenheid verhalen. Te Edinburg, de hoofdstad van Schotland, werd eene Margaretha Dichson gevangengenomen, wegens het vermoorden van haar eigen kind; zij was een zeer goddeloos, onkundig en ongodsdienstig persoon. Maar in het gevangenhuis zijnde, scheen zij zoo aangedaan te worden over hare zielsbehoudenis, dat zij niet anders deed, dan bidden en kermen dag en nacht. Eenigen tijd in veel benauwdheid zijnde, betuigde zij aan de leeraren en vromen, die haar ge-duriglijk bezochten, dat zij veel vrede in hare ziel tot God ondervond door Jezus Christus, dat zij gereed was om te sterven. De leeraren en vromen, naar alles ondervragende, vonden zulk eene kennis en bevinding in deze vrouw, dat zij haar aanmerkten niet alleen als eene ware bekeerde, maar als een wonderwerk van Gods genade. Alom werd dit ver-

-

-ocr page 175-

HONGEREN.

spreid en God werd geprezen in \'t openbaar en in \'t verborgen, over zijne genade aan deze bewezen. De vrouw werd gehangen; zij stierf, zoo het scheen, zeer gemoedigd, en even vóór de uitvoering bad zg zoo krachtig en verzekerd, dat elk, die het hoorde, in tranen wegsmolt.

Maar wat gebeurt er? Deze vrouw haren tijd in den strop gehangen hebbende, (want in Schotland is dat de gewoonte, dat zij zekeren tijd maar stellen, daar het in deze landen is, dat de dood er op volgen moet), begeerden hare vrienden het doode lichaam, om dat te begraven. Het werd aan hen gegeven; zij legden het op eene kar, om het over te voeren tot de begraafplaats. Nadat zij de kar omtrent een uur van de stad gedreven hadden, bespeurden zij beweging in de kist, waardoor zij zeer verschrikten; zij bleven wat staan, de beweging werd hoe langer hoe sterker, hetgeen hun deed besluiten, de kist te openen, hetwelk gedaan zijnde, bespeurden zij dat de vrouw weder levend geworden was. Het geheele land was vol van het verhaal van de opstanding van deze uit de dooden. V. len dachten, dat God dit deed, om de waarheid van hare bekeering te bevestigen. Maar wat gebeurt er? zij slaat haren vorigen goddeloozen levensweg in, een jaar na deze opstanding, vermoordt zij nog een kind, en werd zoo gestraft, dat zij nooit uit de dooden opstond. Dit is omtrent in \'t jaar 1723 voorgevallen, en het geheele rijk door bekend. Ik verhaal dit, om het gezegde te bevestigen, en om te leeren, wat staat men te maken heeft op de begeerten van menschen in angst en op een doodbed, die weinig of geen werk van begeeren en dienen van God in hun leven gemaakt hebben. Ja ook, om

153

-ocr page 176-

HONGEREN.

de Christenen tot voorzichtigheid op te wekken omtrent zulken, die eerst beginnen; men moet er zoodra het stempel niet opzetten, maar wachten, en zien, wat de tijd leeren zal. Er zijn in deze dagen velen, die gelijk Jona\'s boom, in éénen nacht opgroeien, en zoo van hoogmoed opgeblazen worden, dat zij zich komen aanmatigen dat meesterachtig oordeelen, ja somtijds veroordeelen van oude en beproefde christenen; het placht zoo niet te zijn; God zelve kome zijne kerk te hulp!

b. De tijdgeloovigen kunnen door gemeene verlichting zien eenige heerlijkheid in de genade en in Gods kerk en volk, vooral, als de kerk zuiver is, en Gods kinderen teeder en gezet zijn op de heiligmaking en gemeenschapsoefening met God; dit kan eenige begeerten opwekken en de ziel gaande maken. Zie dit in Bileam: hij zag de heerlijkheid van Israël, hoe dat het van God gezegend was; hij wil den dood der rechtvaardigen sterven, zijn uiteinde zij gelijk het hunne. Abimelech ziende, dat God Izak zegende en met hem was, wil een verbond met hem ingaan, Gen. 26 :26.

c. De tijdgeloovigen kunnen ook eenigen smaak, hebben van de aangenaamheid der genadegoederen, Hebr. 6; 5, welke hen ook eenigen tijd kan doen hongeren daarnaar, Joh. 6:34, Heere, geef ons altijd van dit brood. Johannes de Dooper was een brandend en schijnend licht, en de booze Joden zeiven verheugden zich daarin voor een korten tijd. Luk. 13:16. In dien grooten en vreeselijken dag zal de honger sterk zijn om in te gaan, maar zij zullen hooren: Gaat weg. Ik ken u niet. Ik zal thans geen andere zaken melden, waaruit honger en dorst kunnen ontstaan; elk zij toch getrouw met zijne eigene

154

-ocr page 177-

HONGEREN.

ziel! Maar ik hoor iemand zeggen: moeten wij getrouw zijn met onze eigene ziel, opdat wij ons niet bedriegen, opdat onze begeerten ons niet dooden, wijs ons dan aan eenige kenteekenen van de valsche en ook van de ware begeerten. Indien gij daarnaar begeerig zijt, let op de volgende:

a. De kenmerken van de valsche begeerten zijn:

1. De valsche begeerte, dat hongeren, dat niet goed is, is zoodanig, dat het zeer schielijk, zeer gemakkelijk ontstaat, zonderdat men gewaargewor-den is, dat eene almachtige kracht Gods er toe van noode is, om de ziel begeerig te maken; de tijdge-loovigen groeien schielijk op.

2. Dat hongeren, dat niet recht is, kan bestaan in dezelfde ziel met eene alzoo groote begeerte naar wat anders, dan naar de genade; er was nooit een tijdgeloovige, in welks hart de begeerten naar genade heerschende waren, al de andere begeerten onderwerpende onder de begeerten naar genade: neen, maar de begeerte naar genade is onderworpen aan de andere, Jak. 4; 3, zij begeerden, maar het was om het ontvangene in hunne lusten door te brengen. Versta juist niet grove lusten, daar zijn heimelijke, geestelijke lusten, zoowel als openbare en vleeschelijke.

3. Dat is geen recht hongeren of begeeren, daar geen aanhoudende en bijblijvende strijd is, om al datgene ten ondergebracht te zien, \'twelk de ziel van het genieten van de begeerde zaak afhoudt. Ik belijd zeer gaarne, dat er eenige strijd in tijdgeloo-vigen is; maar hun strijd is tusschen het eene vermogen en het andere, tusschen hun geweten, hen overtuigende, tusschen licht en tusschen hunne genegenheden. Maar in de oprechten is de strijd in

155

-ocr page 178-

■w

156 HONGEREN.

hetzelfde vermogen, tusschen verstand en verstand, tusschen wil en wil; want Gods beeld wordt ten deele in elk vermogen opgericht; en het onhernieuwde in hetzelfde vermogen strijdt tegen het vernieuwde in dat eigen vermogen.

4. Eindelijk, de valsche begeerten gaan altijd over: deze gerechtigheid is als eene morgenwolk, en een vroegkomende dauw; men zal God niet altijd zoeken, zegt Job, daar het hart onoprecht is.

h. De kenmerken van de rechte begeerten kunnen de volgende zijn:

1. Zij zijn ontstaan uit eene diepe overreding van de noodzakelijkheid van de begeerde zaak: hetgeen elk tijdgeloovige ontbreekt, is eene diepe overtuiging van hunne ellende, enj Christus\' noodzake-lijkheid daaruit voortvloeiende; daarom mogen zij zooveel gaven en letterkennis hebben als zij willen, van dat kermen, staan voor God als hunnen Rechter, van dat verfoeien, en gevoelig wegsmelten voor God, weten zij niet; zij zijn dikwerf de allerbitterste er tegen. Maar daar God dat rechte werk begint, de Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Joh. 16; 8. Ditzelfde wil onze dierbare onderwijzer : hij spreekt eerst van de ellende, en uit die doet hij vragen, of er eenig middel van verlossing is.

2. De rechte begeerten zijn onbepaald: de ziel wil en begeert den geheelen Jezus, in alles en tot alles, de geheele heiligmaking in hart, woorden en daden; in \'t verborgene voor God, in \'t openbaar voor en bij alle menschen; daar een onoprechte n ooit wil, dat Jezus in allen opzichte heersche over hem; hij mag zoo nabij komen als hij wil, daar is altijd eenige zonden, waaraan hij gekleefd is, die hij in \'t leven wil sparen.

we

0

1 des

\\ E

-ocr page 179-

HONGEREN.

3, De rechte begeerten zetten de ziel aan, om wegens de dierbaarheid, die zij in Jezus en in de heiligheid jit Jezus zien, alles zoo te schikken, dat het tot dit roorname einde dient, hetzij dat men eet of drinkt, )f iets anders doet, o! mocht dat zijn om Jezus in

• illes, in allen opzichte gelijkvormig te worden!

4. De rechte begeerten zijn altoos met eenige smarten aangedaan, zelfs onder hare genietingen, dat zij zoo min van God in Christus kennen, en zoo weinig in de heiligmaking toenemen: Ach mij ellen-

^ ;.g mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam des doods!

\\ 5. De rechte begeerten zijn altoos aanzettende tot ielswerkzaamheid, tot naarstigheid en vlijtigheid n \'t geestelijke en ook in \'t lichamelijke, om waar-iglijk het Evangelie van Christus te wandelen, en unne eigene zaligheid met vreeze en beven uit te \'erken. Christus wil geen luie, werkelooze onder-anen in zijn rijk hebben; het is hier kampen, vech-en, worstelen, strijden om in te gaan.

6. Eindelijk, daar het hongeren recht is, de ziel :an niet hare begeerten stellen tot eenen grond, om r op te rusten, zonder de begeerde zaak. Verre aarvandaan, want de begeerte, die uitgesteld wordt, :renkt het hart; daarom dorst de ziel naar God in en land, dor en mat zonder water.

(3. Onze tweede aanmerking is, dat, die in zich de rechte begeerten, dat rechte hongeren vinden, dat zij zich moeten troosten, en hunnen staat volgens de gezegde kenmerken opmaken. Vele eenvou-digen dwalen zonderling, omtrent het werken met de kenteekenen: eenigen stellen bij zich zeiven, dat zij hunnen staat niet zullen opmaken, of zij zullen zoo veel gevoel en geloofsomhelzingen moeten heb-

157

-ocr page 180-

HONGEREN.

ben, schoon ik zulks niet afkeur; men mag, men moet op gevoel gesteld wezen; het geloof bij elke nieuwe uitgaande daad brengt gevoel in \'t hart, maar de ziel moet dikwerf in de duisternis wandelen, niets van de Zon der gerechtigheid zien; wat zullen zij nu doen? zullen zij hunnen staat in twijfel moeten trekken? dat zij verre! zij moeten de kenmerken, niet van menschen, maar die God in zijn Woord geeft, nagaan, opzoeken, en hun hart beproeven of zij die ondervinden. Dit zal troosten. Dit is de weg, langs welken de Geest getuigt met onzen geest. Indien de ziel zich niet met de kenmerken van genade mocht troosten, maar naar nieuwe voorkomingen wachten, de eene helft van den Bijbel was tevergeefs geschreven. Trouwens, voorkomingen moeten door de kenmerken van Gods Woord getoetst worden; en de aard van een kenmerk brengt dat mede, dat het van de zaak zelve, welker waarheid bewezen moet worden, onderscheiden moet zijn. Ik kan deze zaken niet uitbreiden, ik noem ze maar. Indien iemand zegt: ik word door de kenmerken niet verwijd in mijne zielsgestalte; ik antwoord daarop: het

zaligmakende geloof met direkte uitgaande daden tot il Jes Christus werkzaam zijnde, dat brengt eenig gevoel en verwijding aan; maar datzelfde geloof omtrent de kenmerken werkende, ofschoon het dat verwijden niet aanbrengt, nochtans het geeft eenigen steun en stille bedaardheid, waardoor de ziel met Job aan hare oprechtheid vasthoudt, tot den einde toe. Daarom tot troost dergenen, die in zich waarlijk bevinden dat rechte hongeren en dorsten, dient:

a. Zij hebben ten minste de beginselen van het genadeleven, dat openbaart zich daarin allereerst in \'t zoeken en roepen tot God in Christus, uit een ge

158

licht ot i vel rerdi ligen zegt van biddi mem lijk, b. en d zaai ligh dert aanl aan;

c, mee ziel al i

Hij

wis zul

ZO(

gel

etf he va

ge

-ocr page 181-

HONGEREN.

icht en gevoel van gebrek; daarom zeide God eens ot Ananias, Hand. 9:11, Ga naar Paulus; er kon el veel in zijn hart opkomen: Heere, hij is een erdrukker, hij is nu op ^veg om het bloed der heigen te vergieten, enz., maar om alles op te lossen, zegt de Heere: zie! hij bidt; daar is nu een beginsel van geestelijk leven in hem, dat blijkt uit zijn bidden; Ananias! vrees nooit voor een biddend mensch. Zoo hier; Ziel! hongert en dorst gij waarlijk, vrees niet!

b. Laat dit u troosten; ofschoon gij niet veel eet en drinkt, dat uwe ziel bezig is en aanhoudend werkzaam omtrent het allerzaligste, Christus en de heiligheid des levens. Wie zou niet meer dan acht en dertig jaren, ja tot het laatste oogenblik toe, willen aanhouden, vooral, als iemand zijne onwaardigheid aanmerkt ?

c. Laat dit u troosten: gij hebt te doen met een medelijdenden Jezus. O! Hij ziet, Hij kent uwe zielsgestalte, en Hij draagt zorg, dat uwe ziel niet al te veel onderdrukt wordt: De lammeren vergadert Hij in zijne armen, Hij draagt ze in zijnen schoot,» Jes. 40; 11. Hij leert Ef\'raïm gaan, schoon hij niet wist, dat Hij de Heere was, die hem genas. Ik moet zulken zeggen, schoon zij met de bruid zeggen: Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; vrees niet, gij gekrookt rietje, gij zoekt Jezus!

Eindelijk, om er niet meer bij te voegen, gij zult eten en drinken; is liet niet hier tot verzadiging, het zal daarboven zijn, want gij hebt het Woord van den God Amen, om u daarvan te verzekeren.

B. Ten tweede wordt het geloof onder deze letter genoemd een

159

-ocr page 182-

—r-»-r—:-L\' quot; quot;.■ . ■ —

160 H00KEN.

HOOREN.

daan den te v veel b. van met mag loo1 hefl one

Jes. 55:3, Neigt uw oor, en hoort, enz. Ik laalr( mij thans niet in, om de verscheidene gedachten dei zeer geleerde uitleggers mede te deelen, noch ooi n den de sprekende personen hij beurtwisselingen in dii cing £ hoofdstuk voorkomende. Jezus Christus, na zgne^oord verhooging aan \'s Vaders rechterhand, is hier de sijds al sprekende persoon, gelijk de Vader in \'t volgende, [ijk ho Wij gaan tot hetgeen ons oogmerk is, om van het y. 1 zaligmakende geloof als een hooren te spreken, nederz eerst op zichzelve, en dan zullen wij pogen eenige acVit \\ vragen van de ziel te beantwoorden. vinder

X. Betreffende het hooren zelve. Elk bemerkt de H.lt; lichtelijk, dat wij hier een uitwendig lichamelijk gunsti hooren zoozeer niet te verstaan hebben; het is wel T 5. \' waar, dit wordt verondersteld, want het geloof isfeijn c uit het gehoor, en het gehoor is uit het Woord len da Gods, Rom. 10:17. Maar het hooren hier is gees-1 a. telijk, waardoor de ziel, welke een geestelijk wezen is, leven kan en zal; en dit geestelijk hooren zal de volgende zaken te kennen geven:

«. Het zal zeggen, dat de ziel Jezus Christus, den lieven Zaligmaker, aanmerkt als een die spreekt gelijk nooit een mensch sprak, als den grooten hemeltolk, den uitlegger, een uit vele duizenden, op wiens lippen genade is uitgestort, die een tong der geleerden heeft, om met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken. O! Jezus\' lippen in dit opzicht zijn als leliën, druipende van vloeiende mirre, Hoogl. 5:13.

/3. flet zal zeggen, dat men zijn oor van alle andere stemmen afwendt. Zoodra eene ziel begint

Jezus g ,e wer( oekt i ele zw it zal

-ocr page 183-

J

hooeen, 161

ezus gehoor te geven, daar komt veel op de been, le wereld trekt af, de satan dreigt, het booze hart oekt zich tegen Jezus\' woorden aan te kanten; ele zwarigheden worden •voorgesteld, dat zal baten, it zal schaden; maar dit hooren zal zijn, dat alles den wind te slaan, en zijne aandacht en opmer-

\'n dit jjug alleen te geven aan hetgeen Jezus m zijn

zijne

Woord tot de ziel zegt; daarom vind ik, dat som-er kijds al hetgeen God eischt, genoemd wordt: Alleen-ende. jjjj hoort.

n het Het za| zeggen, dat men zich bedaardelijk e ent nederzet, om zonder eenige belemmering nauwkeurig acht te geven op hetgeen de Zone Gods zegt; dit vinden wij in David, Ps. 85:9, Ik zal hooren wat de Heere spreken zal; want Hij zal tot zijn volk en gunstgenooten van vrede spreken.

Dat men zoekt recht bezig en werkzaam te zijn omtrent datgene, wat Jezus tot de ziel spreekt;

en dat is men:

a. Wanneer men in zijn gemoed er over aange-zen Idaan is, zoodat er een diep gevoel en eerbied voor za^ Iden spreker en het gesproken woord ontstaat, om ■te vragen: wat wil dit? Hand. 2:12. God klaagt ,usgt; Iveel over gebrek hiervan. Zie Ps. 97:8 en Ps. 58.

ïkt 1 b. Wanneer men zich geheel en al aan dat woord en Bvan Christus onderwerpt, zonder te rade te gaan iDgt; ■met zijne verdorven rede, met vleesch en bloed,

1S\' I maar gelijk Abraham, op hope en tegen hope ge-r(i I loevende, Rom. 4:18. Alle hoogten, die zich ver-\'it I heffen tegen de kennis van Christus, moeten ten egt; I onder gebracht worden, 2 Cor. 10:4, 5.

I c. Wanneer men met de uiterste bereidwilligheid e | en volvaardigheid tot Jezus, op zijne noodigende ƒ

I stem komt, alles verlatende, zijn volk en vaders /

k laa en dej h ooi

ïnige

terkt ehjk wel \'f is lord ees-

( ^

I 1 i

quot; J

I

ii

-ocr page 184-

HOOEEN.

huis, Ps. 45:11. Dit geeft het woord te kennen Jes. 1:19.

Deze zaken hebben wij maar zeer kort willenl voorstellen, de uitbreiding aan uwe christelijke over-f denking overlatende.

3. Het tweede, dat wij in aanmerking nemenl zouden omtrent dit hooren, was, eenige vragen te beantwoorden.

a. Iemand zal mogelijk zeggen: wij hooren well spreken van te neigen zijn oor en te hooren, maarl waar en hoe spreekt Jezus Christus tot de ziel? Ikl zal het u zeggen. Vóórdat er een beschreven Woordl was, sprak God Drieëenig tot de menschen door| openbaringen, gezichten, droomen en hoorbare stemmen; maar nu het gansche Woord beschreven is,| houdt dat op; God en Christus spreken nu maarl alleen door het gegeven Woord, \'twelk de Heilige! Geest op het hart drukkende, krachtig wordt totj zaligheid der uitverkorenen. Wij moeten niet ver-l voerd worden met de geestdrijvers om het Woordl te verachten, gelijk helaas! velen de gewoonte heb-l men; maar het Woord, het beschreven Woord moet| ons kostelijk zijn, daarnaar moeten wij gaan, alles | daaraan alleen toetsende, daarop lettende als op eenl licht schijnende in een donkere plaats; de bevindin-[ gen, die niet door, volgens en overeenstemmig metl het Woord zijn, zijn maar wijsmakingen van den| duivel, loutere inbeelding en hersenschimmen.

/3. Iemand zal mogelijk vragen; Maar wat voorl een Woord is dat, dat Jezus hebben wil, dat wij hooren zullen? Ik antwoord:

a. In \'t gemeen, Christus eischt, dat wij naar het gansche Woord hooren zullen; naar de Wet, om ons te overtuigen en uit onszelven tot Jezus te

162

-ocr page 185-

HOOEEN.

drijven, en naar het Evangelie, \'twelk het heil den zondaar aankondigt; naar de Wet, om volgens den nooit ophoudenden eiscli van die al onze daden [ naar de Wet, als onzen eenigen regel, in te richten; naar het Evangelie, dat ons aanwijst, in wien onze kracht is, om de Wet te gehoorzamen. O! hoe zoet is het, tusschen Sinaï en Zion te wandelen, tot Jezus steeds te gaan, om kracht, om al datgene te doen, dat God in zijne eeuwig blijvende Wet af eischt.

b. Maar in \'t bizonder, daar zijn deze en gene woorden, die Christus voornamelijk wil, dat wij hooren zullen. O! let er toch op, opdat gij ze hoort en leest.

a. In \'t voorgaande vinden wij een vragend woord: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen, dat geen brood is? en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Het is, alsof Jezus elk onherboren mensch afvraagde: arm mensch! wat beweegt u toch om uwen kostelijken tijd zoo door te brengen, uwe moeite en arbeid zoo te besteden, en dat wel voor hetgeen uwe ziel niet zal kunnen helpen ten tijde der benauwdheid? 0! mocht elk het zich afvragen, opdat men tot het geestelijk hooren gebracht mocht worden!

h. Dit woord, dat Jezus wil, dat men boore, is zijn uitlokkend woord: Komt alle gij belasten en beladenen tot Mij! en gij zult rust vinden, Matth. 11:28, 29. Zoodat, indien gij bekommerd en verlegen zijt, radeloos bij uzelven. Hij lokt u uit tot Zich.

c. Het is zijn weenend woord; nabij Jeruzalem komende, weende Hij, en zeide: 0 Jeruzalem! hoe dikwerf wilde Ik uwe kinderen vergaderd hebben, als eene klokhen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen; maar gij hebt niet gewild. O Wou-

163

?

ii...

H

-ocr page 186-

HOOEEN.

brugge! zegt Jezus, Ik heb u lang willen Tergade-ren, Ik wil het nog doen. Ik sta te weenen; zal niemand in tranen wegsmelten, als Jezus over de hardheid van het hart weent? Dan zal Jezus moeten zeggen: Woubrugge! gij hebt niet gewild. Moet een steenen hart niet smelten, als de God-Mensch in een tranenvloed smelt ? O! het zal verdragelijker zijn voor Tyrus en Sidon, dan voor dezulken.

d. Het is Jezus1 aanbiedend woord; heden komt Christus in het Evangelie onder ons als in een gevangenhuis, en Hij brengt een algeheele vergiffenis met zich mede voor de allergrootste opstandelingen; Hij zegt: Man en vrouw, oud en jong, dienstbaar en vrij, rijk en arm, hoe groot uwe schuld is, hier is vergiffenis, wilt gij het aannemen ? Ik bie.d het u welmeenend en vrijwillig aan, gij hebt niets te doen, dan het aan te nemen; mensch! nu wordt de deur der gevangenis opengesteld, wee hem! die het pardon niet wil aannemen.

e. Ja, voegt er nog bij: het is Jezus\' bemoedigend woord. Iemand zal mogelijk zeggen: O! ■wat een wonder is dat, maar mijne zonde is te groot; juist toL-dien heeft Hü een woord van bemoediging : Al waren ze als scharlaken en karmozijn. Ik zal ze maken als sneeuw en witte wol; ach dat elk zeide: Het is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

f. Het is zijn wachtend woord. Hoort Hem, Hij zegt, dat Hij wacht om genadig te zijn. O wonder! de Schepper te wachten naar het believen van zijn schepsel, en wel zoo, dat zijne haarlokken nat worden van den dauw des nachts! Hoe kan

164

-ocr page 187-

HOOEEN.

men langer liggen op het bed van zorgeloosheid?

g. Eindelijk, het is Jezus\' woord van eed zwering. Hij zegt, opdat alles uit den weg zoude geruimd worden, tot de bekommerde ziel: Zoo waarachtig als Ik leef, zoo Ik lust heb in den dood des zondaars! maar daarin heb Ik lust, dat de godde-looze zich bekeere en leve, Ezech. 33:11. En God is nu onze getuige, dat wij u dit woord van Jezus verkondigd hebben; die het niet hooren wil, het was hem beter nooit geboren te zijn, dan op zulk eene groote zaligheid geen acht te geven.

y. Zegt iemand: Gij spreekt van zulke uitnemende woorden, maar wat moeten wij daaromtrent doen? Ik zal het u zeggen: Gij moet dit hooren:

a. Als tot u in \'t bizonder gesproken. Het is wel waar, God spreekt u in zijn Woord niet aan met naam en toenaam, maar het Woord is tot elk in \'tbizonder; tot u, o mensch! roep Ik en doe aanbieding in dat Woord; wat Jezus u verkondigt, is in \'t bizonder tot u gesproken, alsot uw naam en toenaam in den Bijbel geschreven stond. 0! dit is het, dat eerst des zondaars hart gaande zal maken.

b. Dit moet gij hooren, als een woord, waarin gij het alleruiterste belang hebt. Het is om u te zaligen, om u te bevrijden van het allergrootste kwaad, en u toe te brengen het allergrootste goed. Indien een geloofwaardig man onder u kwam om te verkondigen, dat een machtig koning liet uitroepen, dat elk, die tot hem kwam, van alle armoede bevrijd zou worden; zou elk niet naar hem toevluchten? Maar het is zoo hier, wij verkondigen, dat God in Christus genade en eere wil geven, en niets goeds onthouden: o! arm mensch, verwaarloos dit niet!

c. Dit woord moet gij aanmerken als ingericht, om

165

-ocr page 188-

166 HOOKEN.

al uw zwarigheden op te lossen. Indien elk maar zeide, wat liem terughield van Jezus, in \'t Woord is er genoeg, om het alles op te lossen.

d. Gij moet u wachten voor twijfelen aan de waarheid van het Woord, of aan de gewilligheid van Jezus, die het spreekt. Hij is duizendmaal gewilliger, niet alleen om anderen maar u in \'t bizonder, wie gij ook zijt, te helpen, dan gij zijt, om geholpen te worden.

e. Gij moet dit Woord toestemmen, het jawoord aan Jezus geven: dat is, het Woord gelooven, het zegel toezettende, dat God waarachtig is. Het geloof, schoon het boven ons vermogen is, is maar een licht werk: het bestaat niet in vele plichtsoefeningen, het is maar een toestemmen, een amen, een gewillig zijn, om uit vrije genade gezaligd te worden, om niet; o! gelukkige ziel, die het hoort, uwe ziel zal leven, hier in genade, en namaals in heerlijkheid.

5. Zegt iemand: O! wat is het eene gelukzaligheid, het Woord te hooren en toetestemmen: ik hoor het Woord, ook nu en dan in \'t verborgen, er komt mij wel eens eene belofte op het hart tot uitlokking en moedgeving: maar ik kon er geen troost uit hebben, want ik vrees gedurig, dat ik mij zeiven zou bedriegen, door mij de belofte toe te passen; ik ben bekommerd, of zij van den Heere mij gegeven wordt, dan of mijn eigen verstand de belofte voortbrengt, en of de Duivel zelve die niet brengt, om mij stil en gerust op een verkeerden grond te maken; zeg mij toch eens, hoe ik weten kan, dat de belofte, dat is het Woord, dat ik hoor, van den Heere zeiven is? Hier was eene gelegenheid, om veel te zeggen; wij zullen u maar eenvoudiglijk zeggen, hetgeen de bevinding ons geleerd heeft.

a.

-ocr page 189-

HOOREN.

a. Ziel! geef nauwkeurig acht op den tijd, wanneer de belofte u is voorgekomen; of gij eene belofte van noode hadt wegens uwe omstandigheden, uiten inwendig? de tijd der benauwdheid en duisternissen en angsten is de tijd, wanneer de ondersteuning door beloften noodig is. Zie het in Mozes, Abraham, Jeremia, Johannes en anderen. Beloften te ontvangen van God is geen dagelijksche spijs.

b. Zoek zonderling acht te geven op het Woord zelf, dat u voorgekomen is, of dat gepast is voor uwen toestand, behelzende juist dat goed, waarom gij verlegen zijt; is de ziel gelegen onder schuld, de Heere zal niet tot blijdschap opwekken, maar een woord der vergeving op de ziel brengen, dat en dat alleen kan in zulk een geval de banden losmaken.

c. Als God het woord der belofte op de ziel brengt, het komt met eenige mate van Goddelijk licht; den trap wil ik niet bepalen, zoodat de ziel ziet meer in dat woord, dan ooit van te voren; zij bespeurt, dat het voor haren toestand gepast is, en dat God zelf daarin spreekt tot de ziel; de bevinding leert dit, en de natuur der zaak vereischt het, zal de ziel door het woord vertroost worden, hetgeen des Hee-ren oogmerk is, in \'t geven van dat woord aan de ziel.

d. Als het woord van den Heere is, het dringt in tot het binnenste van de ziel, en zoo, dat al de vermogens en genegenheden innerlijk bewogen worden tot God.

e. Eindelijk, als het van God is, dat wekt op den eerbied voor God, en de aanbidding over zijne vrije goedheid, het doet de ziel wegsmelten over hare onwaardigheid en haren zondigen aard, en \'t neigt haar zoetelijk tot heiligmaking, om in ootmoed, en Chris-telijke waakzaamheid waardig het Evangelie te wan-

167

maar Poord

-ocr page 190-

HOOBEN.

delen. Ik laat de uitbreiding aan u over; het is genoeg de dingen hier aantewijzen voor diegenen, die eenige bevindelijke kennis hebben.

e. Iemand zal nog mogelijk ten laatste zeggen: het is zoo, maar wij dachten de belofte en het Woord alzoo gehoord te hebben; maar daarna schijnt de Voorzienigheid direkt tegen de belofte te strijden. Ja, wij zien, dat de zaak, die wij meenden dat God ons beloofde, niet kan gegeven worden; en dit brengt twijfeling over alle andere bevindingen bijna, omdat wij in deze schijnen misgetast te hebben? Ik zal u zeggen:

a. Het is Gods gewone weg met zijne kinderen, die Hij door beloften leidt, nadat zij de belofte omhelsd hebben, alles \'donker te maken, zoodat de Voorzienigheid tegen de belofte schijnt te strijden; ziet het in Abraham en zijn zaad: God belooft Ka-naan, maar de Voorzienigheid maakt hen eerst slaven in Egypte. God laat David zalven tot koning, maar eer hij tot den troon kwam, moest hij schuilen in veel gevaar in de woestijn, en andere voorbeelden meer. Dit doet God, om het geloof te beproeven, en de ziel te doen zien boven al de tweede oorzaken, op Hem, die het gezegd heeft, die het ook doen zal.

b. En aangaande het andere zeer mismoedigmakend geval heb ik twee woorden te zeggen:

a. Ziel! zoek na te gaan in wat gesteldheid uwe ziel was, wanneer gij de belofte ontvingt, die onmogelijk kan volbracht worden, door de omstandig-digheden van achteren; was uw hart zeer op de zaak gezet? hadt gij bepalingen? Dan heeft God tot u gesproken naar den afgod, dien gij in uw hart hadt opgericht. Lees met aandacht Éichteren

168

-ocr page 191-

I

- Sfc- r..-jaztf \\.,-

HOOEEN.

20, daar spreekt God tweemaal, hun wat belovende, en zij ondervonden het tegendeel; maar wanneer hun wil onder den wil Gods gebogen was, dan spreekt God en het is met zegening achtervolgd. Zullen wij recht in staat zijn, om de belofte in de omstandigheid te ontvangen, wij moeten blank papier in Gods hand geven.

b. Het gebeurt ook wel, dat de Heere de belofte waarlijk geeft, en dat de ziel het waarlijk in sommige opzichten door het geloof hoort, omhelst en aanneemt; maar dat zij besluiten daaruit tot andere zaken maken, dan teilen zij, en worden bedrogen, niet in hetgeen zij door geloof omhelsd hebben, maar in hun besluit, \'twelk niet uit het geloof was.

God zelve opene onze ooren en harten om zijn Woord te hooren, en voor ons ten nutte te gebruiken!

1. Wij zouden nu overgaan tot de letter I, maar wij hebben geene bizondere geloofsbenamingen onder deze letter in de Nederlandsche taal kunnen vinden.

K. Onder de letter K zullen ons ook eenige geloofsbenamingen voorkomen, onze overweging dubbel waardig.

A. Het geloof wordt hier genoemd een

KIEZEN.

Jozua 24:15, Kiest u heden, wien \'gij dienen zult, enz. Ps. 119:30, Ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe rechten heb ik mij voorgesteld. Vergelekt ook vs. 173, Laat uwe hand mij te hulp komen, want ik heb uwe bevelen verkoren. Jes. 56 :4 wordt van de gesnedenen gesproken, die verkoren datgene, waarin God lust heeft. Om nu iets met uwe Christelijke aandacht van het zaligmakende geloof als een kiezen te spreken, zullen wij

169

die

M

I

jl

-ocr page 192-

kiezen.

eene aanmerking vooraf laten gaan, en dan de zaak zelve uithalen.

N. De aanmerking is, dat bijna in al de plaatsen, waar kiezen, verkiezen voorkomt, hetzelve tot zijn voorwerp heeft het Woord, de hevelen van God, datgene, waaraan God lust heeft; zoodat uwe Christelijke aandacht met mij kan opmaken, dat, ofschoon Jezus Christus het voorwerp van het zaligmakende geloof is, als de groote H oogepriester in de recht-vaardigmaking van den zondaar in Gods vierschaar, dat datzelfde zaligmakende geloof ook andere voorwerpen van deszelfs zaligmakende werkzaamheden heeft. O ja! wat God in zijn Woord geopenbaard heeft, is een voorwerp van de zaligmakende werkzaamheid des geloofs. Niets anders behoef ik tot bevestiging van deze zaak bij te brengen, dan\'het llae hoofdst. van Paulus\' Brief aan de Hebreen; wie dat nagaat, en de zeer geleerde en godvruchtige verklaring van den grooten Owen, zal daarin niet alleen bevestigd worden, maar groot licht ontvangen van het geloof in deszelfs verscheidene werkzaamheden; had men dit meer in \'t oog, men zoude de werkzaamheden van zichzelven en anderen dikwerf zoo niet veroordeelen, omdat Jezus Christus op eene uitgewikkelde wijze er niet in voorkomt.

x. Wat de zaak nu betreft; ofschoon de mensch dood is in zonden en misdaden, God handelt evenwel met hem niet alsof hij een blok was, maar als met een redelijk schepsel, de zaken, betreffende zijne eeuwige zaligheid, in zijne keuze gevende, en hem door zijne onwederstandelijke genade bekwaam makende om recht te kiezen. Zie Deut. 30:19, Ik neem heden tegen ulieden tot getuige den hemel en de aarde: het leven en den dood heb ik u voorge-

170

-ocr page 193-

quot;quot;

■ -

KIEZEN.

h. 1

171

steld, den zegen en den vloek! kiest dan het leven, opdat gij leeft en uw zaad. En Ps. 110:2, 3, De Heere zal den schepter uwer sterkte nit Zion zenden, zeggende: Heersch in het midden uwer vijanden; uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht; zoodat dan dit kiezen der ziel door Gods voorkomende genade zal bestaan:

k. In een bedaard nederzitten, in stille eenzaamheid zich van al wat in de wereld is afzonderende en stellende onder het alziende oog van God, om twee groote zaken te overwegen.

a. De ziel overweegt, wat de zonde en de bezoldiging van die is. Hij zoekt het masker van de zonde af te trekken; zoolang de arme mensch zonder nadenken leeft, heeft de zonde een streelende en betooverende kracht op de ziel, de zondige daden brengen hem eenige verkwikking toe; de hoogmoedige verheugt zich in zijn opschik, de dartele in zijn lichtvaardige medemakkers, een dronkaard in den wijn, de wereldsche mensch in zijne schatten, de trotsche in zijne ambten en bekwaamheden; elk is daarmede verblijd. Maar de ziel begint nu te denken, dat dit alles maar tijdelijk is, voorbijgaande en met vele smarten vergezeld. Ja, dat de zonde, schoon ze vele voorstanders heeft, anders niet is dan een aankanten van zich tegen den Almachtige, met dikke verhevene schilden; en dat zij hem legt onder Gods toorn en vloek; ja hem, zoo hij in dien zondigen weg voortgaat, onvermijdelijk in de hel, in de eeuwige verdoemenis brengen zal, waar anders niet ondervonden zal worden tot loon van die kortstondige ijdelheid, dan weening der oogen en knersing der tanden, vermits God om alle dezen hem in \'t gericht zal brengen, Pred. 11:9.

I \\

1

Vi

]

1

-ocr page 194-

KIEZEN.

b. Aan de andere zijde beschouwt hg de deugd, den weg van Godzaligheid; zooals die brengt genoegen en blijdschap in de ziel, schoon er geene belooning van was; hij ziet met David, dat in \'t houden van dien groote loon is, en hij beschouwt het leven, \'twelk God in zijne zalige nabijheid geven wil allen dengenen, die Hem in waarheid en zonder geveinsdheid gezocht hebben. Zal men tot eene keuze komen, het eene moet tegen het andere overgesteld worden, en met nauwkeurigheid beschouwd worden, opdat men niet kiest hetgeen eeuwiglijk zal berouwen; zonde stelt de ziel tegen deugd, en leven tegen dood; welke zaken de beweegraderen zijn van doen en laten; want vreeze schrikt af, en liefde doet omhelzen. Vrees en hoop zijn de twee voornaamste dingen, waarop elk godvruchtig leeraar moet zoeken te werken.

/3. Het kiezen zal zeggen, dat de mensch tot het eene overslaat, met verwerping van het andere, na dit bedaard overwegen. De ziel kiest nu Christus en den weg der godzaligheid boven alles, wat in de wereld is. Ja, de ziel komt tot dit besluit, om voortaan al hare vorige wegen te verlaten, en haar heil en leven ten allen tijde in God te zoeken; want hij zal zich nu afvragen: Ziel. waar helt uwe genegenheid het meest naar toe, naar de zonde en wereldsch vermaak, of naar Jezus en het leven bij God? En dan zal hij uitroepen: Tot Jezus en Hem alleen, al het andere is maar schade en d rek.

Nu komt de ziel met Mozes, zelfs de smaadheden van Christus grooter rijkdom te achten, dan al de schatten van Egypte, Hebr. 11: 26.

y. Die recht kiest, berust in zijne keuze; zijne ziel hunkert niet wederom naar de vleeschpotten

172

-ocr page 195-

KOMEN.

van Egypte; de oogen, die gezien hebben, zullen niet terugzien, het berouwt nooit, maar de ziel heeft een standvastig voornemen, om altijd bij den Heere te blijven; dood noch leven kan zijn hart aftrekken.

5. Eindelijk, het zegt een innig verblijden van zich over zijne keuze, en een danken van God voor zijne bekwaammakende genade, om die keuze te doen, gelijk wij van gansch Israël vinden, dat zij zich verblijdden over den eed.

Andere zaken, tot ons oogmerk niet dienende, gaan wij voorbij; wenschende, dat God de onher-boren zondaars, die de keuze nog niet gedaan hebben, genade wil geven, om het leven te kiezen, opdat zij leven mogen in der eeuwigheid! en dat \'s Heeren kinderen hunne keuze mogen vernieuwen, en zich in God over hunne keuze verblijden!

B. Het geloof komt ons onder deze letter nog voor als een

KOMEN.

Jes. 55:1, O alle gij dorstigen, komt tot de wateren. Openb. 22:17, Die wil, die kome. Joh. 6:37, Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Uwe Christelijke aandacht bemerkt lichtelijk, dat als het geloof een komen tot Jezus genoemd wordt, dat wij geen lichamelijk werk verstaan moeten, maar een geestelijk werk; daarvan zeide een van de ouden zeer wel: Het is niet een komen met zijne voeten, maar met zijne zielsgenegenheden. En wilt gij weten, waarin het bestaan zal, let op de volgende zaken:

Het zal te kennen geven, dat de ziel de kracht van Jezus\' noodiging en aanzoek ondervindt en hoort, en daardoor bewogen wordt, Ps. 62:12, God

173

-ocr page 196-

komen.

heeft het eens gesproken, ik heb het tweemaal ge- )ain)^el hoord, dat de sterkte Godes is. üierbar

Dat de ziel ziet de rampzalige verkeerdheid ^ in zichzelven met diepen indruk en besef, ja, het gevaar, waarin zij is, tenzij de ziel bij Jezus eene schuilplaats vindt, en daarom ziende het gevaar, stervende van honger, Luk. 15:17, ontstaan er voornemens van de ziel, om op te staan.

J. Dat de ziel onder het oog krijgt de genoegzaamheid en volheid van Gods Zoon. Zij ziet dat al de volheid in Hem woont, die de Vader niet dan in, met en door Hem schenken wil, dat in zijne wonden schuiling is, dat men op zijn woord mag aangaan, en daarom zegt de ziel: Gewisselijk in den Heere Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen, Jes. 45:24.

quot;I, Dit veroorzaakt in de ziel een onverzadelijke begeerte, om deel aan Hem te krijgen, ziende zich zeiven zoo rampzalig, en den Heiland in al zijne graveerselen, zoo vol, zoo rijk, zoo bereidwillig, en zoo aantninnelijk; de ziel roept uit: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterbeken, alzoo dorst mijne ziel naar God, naar den levenden God, Ps. 42:2.

H. De ziel ziet nu, dat zij niet kan voornemen uit zichzelve, doch wil het evenwel ernstig en opzettelijk doen; dit kan niet anders zijn, of de ziel moet Jezus1 eisch inwilligen, en daarom staat de ziel op met den verloren zoon. Luk. 15; 17, en zij roept uit; Trek mij, en ik zal U naloopen, Hoogl. 1:4.

I. Eindelijk komt het werk zelf; nu gaat de ziel haar voornemens ten uitvoer brengen ; vlucht uit Sodom naar Zoar, uit de wildernis naar Kanaan,

ziet in de woeste zee om naar een behouden haven;

daar gaat de ziel met al haar gebrek, ellende en

174

de

-ocr page 197-

KUSSEN.

ge. jammer naar toe, zich zelve ten eigendom aan den jdierbaren Jezus overgevende, zich naar Jehova wentel pende, om behouden te worden, Jes. 45:22. het | Tot dit komen, mijne lieve toehoorders! heeft elk ïene Pe grootste noodzaak; o! buiten Jezus is enkel ge-aar, paar. Ja tot dit komen moedigt Jezus elk aan, zeg-)or- jgendefDie komt, wie hij ook is, hoe groot, hoe angdurig en hemeltergend zijne zonden zijn, die komt sal Ik geenszins uitwerpen; ja, als Jezus maar pogingen ziet om te komen, en kermen hoort om getrokken te worden. Hij gaat de ziel te gemoet. De zaligheid, rust, troost en veiligheid, die er in Jezus, als den eeuwigen Rotssteen is, behoorde ons aan te zetten, om tot Hem te gaan. God zelve trekke u! want niemand kan tot Jezus komen, tenzg de Vader liem trekke met liefdekoorden en m enschenzeelen. O. Wij vinden dat het geloof een

KUSSEN

genoemd wordt, Ps. 2:12, Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne. Om nu de werkzaamheid van het geloof in dezen opzichte na te gaan, kan dat niet Jeter, onzes bedunkens, geschieden, dan dat wij op de plechtigheid van het kussen in Gods Woord letten.

X. Kussen wordt gebruikt, om eerbied en dienst ;e kennen te geven; waarom men in Jobs tijd de lianden kuste, als men de zon en maan kwam te zien. 1 Kon. 19:18, had God zoo vele duizenden, die de knieën voor Baal niet gebogen hadden, en alle monden, die Hem niet gekust hadden. Zoodat dit kussen, als een daad van het geloof, zal zeggen den inwendigen eerbied en hoogachting van de ziel tot Jezus, als haar eenigen wetgever en koning: Dewijl

175

-ocr page 198-

KUSSEN.

Hij uw Heere is, zoo buig u voor Hem neder, Ps. 45:12.

5. Kussen waren ook somtijds een teek en, om te betuigen de erkentenis van het hart aan iemand, en gehoorzaamheid aan hem. Dus vinden wij, dat Samuel Saul kuste, hem als koning erkennende, 1 Sam. 10:1; in dezen zin wordt het ook hier ter plaatse gebruikt, zoodat het geloof, als een kussen, zegtj Jezus te gehoorzamen, de wet uit zijnen mond tel ontvangen en zich tot een vrijwilligen onderdaan\' aan Jezus\' heerschappij te onderwerpen, zonder het allerminst tegen een eenig van Gods bevelen te heb-; ben, maar die verkiezende tot mannen van zijne rechterhand.

J. Kussen werden gegeven ten blijke van aflegging van voorgaande vijandschap, en ingaan van nieuwe en oprechte vriendschap. Daarom kuste Jozef zijne broederen, en David zijnen zoon Absalom. Zoodat het dan zal zeggen, hoe het geloof dat oude slangen venijn en dien salamandersaard aflegt, om in nauwe vriendschap en familaarheid met Jezus te komen.

1. Kussen werden ook oudtijds gegeven tot een teeken en uitlating van teedere liefde van den een tot den ander; daarom wil Paulus hebben, dat de Christenen elkander groeten zouden met een heiligen kus; zoodat het zal zeggen, zijne innige hoogachting voor Jezus boven alles te betuigen, zijne ongeveinsde liefde tot Hem in alle teederheid, in alle oprechtheid en innige zielsaandoening, waarom de bruid zegt: Och, dat gij mij tot eenen broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder!

n. Kussen werden gegeven na eenigen tijd afzijn van elkander, schoon er zoo vele voorgaande verwijdering niet was, om den een den ander te ver-

176

-ocr page 199-

LEGGEN VAN CHRISTUS TOT ZIJN FONDAMENT. 177

welkomen, en de blijdschap over zijne komst uit te drukken; welk een kus van verwelkomen, is het eigen werk des geloofs; de ziel, zoodra zij haren liefste vindt, zij verwelkomt Hem duizendmaal, zij vertelt al haar wedervaren en droefheid over en onder zijn afzijn; o! dat elk, om Gods toom te ontvlieden, Gods Zoon kussen mocht!

L. Wij gaan over tot de letter L, daar het geloof ons voorkomt,

A. Als een

LEGGEN VAN CHRISTUS TOT ZIJN FONDAMENT.

1 Cor. 3: 10, 11. Een ander fondament kan niemand leggen dan dat aireede gelegd is, Christus Jezus.

X. Vooraf merken wij aan, dat deze benaming juist niet uitdrukkelijk, maar meer ingewikkeld in deze plaats te kennen gegeven wordt. Het fondament is aireede gelegd in den eeuwigen vrederaad tusschen Vader en Zoon. Maar gelijk het geloof de zielsecho is van alles wat God spreekt, dat wederom uitsprekende, nasprekende: zoo is het geloof in eenige opzichten een nadoen van hetgeen God aireede gedaan heeft. Elk weet, dat hetgeen God gedaan heeft, om een fondament te leggen, niemand gelukkig zal maken, tenzij hij voor zich in \'t bizonder dit fondament legt. Wij zouden onder de letter B van het geloof als een Bouwen gesproken hebben, maar hebben dat voor deze letter overgelaten.

D. Derhalve, ten tweede in \'t zakelijke; als het geloof een leggen van een fondament genoemd wordt, zal dat te kennen geven:

12

-ocr page 200-

178 LEGGEN VAN CHRISTUS TOT ZIJN FONDAMENT.

x. quot;Vooreerst een diep opgraven en uitroeien van alle oude fondamenten, waarop men gebouwd heeft, en waarlijk, hier komen eenige zoete zaken in aanmerking. j a. Dat houdt ons voor, dat elk mensch, die onder het Evangelie leeft, en nadenken heeft over zijne ziel, voor eene aannaderende eeuwigheid, (want ik spreek niet van ongebondene zorgelooze menschen) dat elk van die een fondament heeft, goed of kwaad, waarop hij bouwt zijne hope van zaligheid, waarop zijn troost in een stervend ure steunt. En waarlijk, de ondervinding leert ons, dat menschen zulke fondamenten leggen, die zoo belachelijk zijn, dat een opmerkend oog die ziende, en zich te binnen brengende, van hoe groot een gewicht de zaligheid is voor de zulken moet beven. Alle deze fondamenten op te noemen, is onmogelijk voor eenig mensch, overmits elk iets bizonders heeft; schoon zij allen hierin overeenkomen, dat zy op een ander fondament, dan Christus den Heere bouwen. Eenige zullen wij opnoemen, vele bij andere gelegenheden ontdekt hebbende, die wij nu niet zullen aanroeren.

a. Velen hebben geen ander fondament, dan hunne goede voornemens om eens voor God te leven, en hunne zaligheid te betrachten; meenende, dat dit alles is, schoon die voornemens nooit tot daden doorbreken, of breken zij eens door, het is by vlagen, zoo lang er ongerustheid blijft, dat overgaat Efraïms gerechtigheid, gelijk als eene morgenwolk en een vroegkomende dauw, die terstond overgaat, h. Velen stellen tot hunnen grond de overtuiging, den kommer, de aanhoudende beschuldiging van hun geweten, meenende dat zulks alles van den Heere komt, en een teeken zij, dat God in hen werkt, en

-ocr page 201-

LEGGEN VAN CHRISTUS TOT ZIJN FONDAMENT. 179

dat zij wat anders hebben dan hunnen evennaaste, die zorgeloos leven. Maar Saul 1 Sam. 15:24, riep [uit: Ik heb gezondigd; gelijk mede Farao en Judas. 0! het is geen goed teeken, als men zijne overtuiging tot eenen grond stelt, zonder te letten of ooit het bloed van Jezus op de ziel komt, tot bevrediging van die met God.

c. Velen stellen tot hun fondament, dat hunne overtuigingen zijn gevolgd geworden, van eenige doorbrekingen en verandering hunner daden, zoodat zij niet alleen de voorgaande zonden verlaten, maar de tegengestelde deugden betrachten; gelijk dus He-rodus vele dingen deed, door de krachtige prediking van Johannes, Mark. 6 :20.

d. Velen stellen tot hun fondament, hun heilig leven in de betrachting van de godsdienstplichten, hun hartelijk bidden, hun naarstig bijwonen van de middelen, hunne liefde tot de leeraren, niets meer hebbende dan Micha in het Boek der Richteren, die meende, dat alles wel zijn zou, omdat hij een Leviet tot zijn priester had; zoo ook Matth. 25, Wij hebben gegeten, enz.

e. Velen stellen hunne kennis niet alleen van historische waarheden, maar hunne geoefendheid in de Goddelijke kennis en hun verstand van Gods Woord tot hun fondament; ondertusschen is er eene kennis die opgeblazen maakt, en eene wijsheid, die uit God is.

f. Velen stellen tot hunnen grond de goedkeuring van anderen. Zij hebben dezen of genen leeraar of vrome gesproken in hunne verlegenheid, hunnen weg aan dien verhaald; en die schenen met hunne uitdrukkingen het stempel er op te zetten; nu is alles wel, geen kommer, geene pijl kan hen nu treffen; die heeft het gezegd; daarom, anderen mogen den-

Vv

-ocr page 202-

180 LEGGEN VAN CHEISTUS TOT ZIJN FONDAMENT.

ken en zeggen wat zij willen, zij trekken het zichl niet aan, maar gaan verloren met eene leugen in de rechterhand.

g. Anderen stellen tot hun fondament hunne ge-I rustheid; zij hebben wel voordezen benauwdhedenl gehad en lang getreurd, maar nu zijn zij stil, hetgeen een teeken is van vrede met God, vermits del goddeloozen zijn als eene voortgedrevene zee; onder-tusschen de jongeling, Luk. 18, was ook gerust.

li. Anderen wederom hunne buitengemeene gavel van bidden, waarin zij vele oprechten verre te boven gaan; maar o! men moest onderscheid maken tus-schen getneene en zaligmakende gaven, en alsdan beven.

b. Dit zegt, zal men de oude gronden wegwerpen, dat men bevindt dat zij beginnen te daveren, dat zij schudden, als er op de ramshoornen van Gods ontdekkend Woord geblazen wordt, dat zij niet in staat zijn, om het uit te kunnen staan.

c. Dat evenwel de mensch, ziende het gevaar, waarin zijn huis is, alle krachten aanlegt, om het te verbeteren en te versterken, opdat hy tegen de gevaren staande zoude blijven.

d. Dat men somtijds vindt zoodanige stormen en vloeden, waardoor de fondamenten weg worden gespoeld, zoodat alles van boven nedervalt.

e. Dat, overmits men een fondament hebben moet, dat wel is, men nu er op voorzien is om een, dat goed is, te hebben, zoodat men zich deels op de rots Christus zet, daar er nog een ander deel is, dat op een zandgrond steunt; dat zijn menschen, die ten deele Christus aannemen, zij zijn zondaars, kunnen voor God niet bestaan, en dus nemen zij Jezus aan voor de voorbijgegane schuld, maar zij zullen

-ocr page 203-

LEUNEN OP CHRISTUS.

; zichlnu door Gods goedheid voor Hem leven; gelijk in del duizenden wel Christus voor Priester aannemen, en ■ niet voor Koning. Die van Galatië wilden ook zoo 5 ge-l Christus tot hun fondament leggen, deels op zijne edenl gerechtigheid, deels op hun eigen bouwende.

het-M f. Maar zullen de oude fondamenten weg zijn, zij s de ■ moeten zichzelven zien, buiten eenigen grond of eenige der-B verwachting, om voor den Heere te kunnen bestaan, I zeggende: het is buiten hope, om het in zijne hand fave I te geven.

ven I /3. Zoodat het leggen van een fondament zal zeggen: tus-i a. Vooreerst, dat zij Gods gelegde fondament on-dan I der het oog krijgen, zooals dat gelegd is in den I vrederaad, in den dood van den Middelaar, en in de ■en, I aanbieding van het Evangelie.

zij I b. Het zal zeggen, een afzien van alle andere fit- I gronden.

lat I c. Het zal zeggen, een laten zakken op dit vast I en onveranderlijk fondament, voor tijd en voor eeuwig-ir, I heid, enz.

iet I d. Een laten dragen van zich op dit fondament, de I zoodat men nooit zoekt iets anders tot zijn fonda-

I ment te stellen.

;n I B. Er is nog eene geloofsbenaming, onder de L, a- I welke het zaligmakende geloof voorstelt in zijne I\' werkzaamheid omtrent Jezus, zooals de geloovigen t, I Hem gebruiken in hunnen optocht door deze woestijn it I naar het Kanaan daarboven; zij komen op, niet e I alleen als rookpilaren, in krachtige en ernstige ge-t beden, maar zonderling

\' j LEUNENDE OP HUNNEN LIEFSTE.

i | Hoogl. 8:5. Om nu deze werkzaamheid van de Igeloovige ziel na te gaan, zullen wij

181

-ocr page 204-

LEUNEN OP CHRISTUS.

Iets van ons grondwoord met uwe aandacht moeten aanmerken; namelijk ons grondwoord Dafak p3T gelijk Coccejus en Schindlerus aanmerken, be-

\' — T

teekent een metgezel, in zijne eerste beteekenis, waarvan het in eene tweede beteekenis zegt leunen, overmits het zeer gemeen is, dat de zwakkere metgezel leunt op den sterkere, en zijn hoofd in diens boezem legt, zoodat het nader voor eenen elleboog en een kussen gebruikt wordt, en onzes bedunkens, hebben onze taalmannen het zeer wel in zijne tweede beteekenis vertaald door leunen, overmits de omstandigheden van de plaats zulks al medebrengen, daar de andere en de verklaringen niet buiten te sluiten zijn.

3, Wat nu dit leunen betreft als eene werkzaamheid van het zaligmakende geloof in een Christen, die op zynen weg is naar dat Jeruzalem, dat daarboven is, zullen wij de zaken uithalen, volgens de beteekenis des woords:

«. Zoodat wij eerst deze geloovigen en Jezus in hunnen optocht als metgezellen, makkers en vrienden werkzaam zullen zien. Meermalen komen de geloovigen in des Heeren Woord als vrienden Gods en Christi voor. Joh. 3:29, De vriend des bruidegoms, die staat en hoort hem, en verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Hoogl. 5:1, Eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste! En zonderling is de lof van onzen vader Abraham, dat hij Gods vriend genoemd wordt. Jak. 2:23, En de Schrift is vervuld geworden, die zegt: En Abraham geloofde God, en het was hem tot rechtvaardigheid toegerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest. En waarlijk, tot dit leunen wordt

182

-ocr page 205-

I/EUNEN OP CHRISTUS.

de vriendscliap eerst vereischt. Want hoe zullen de geloovigen als Henoch met God wandelen, tenzij zij eerst zijn overeengekomen en zijne vrienden zijn. Wilt gij het een en ander hiervan weten? Let met mij op de volgende zaken:

a. Deze vriendschap, waardoor Jezus en de ziel metgezellen zijn, zal te kennen geven eene nauwe en innige kennis tusschen beiden, want anders kan er geen rechte vriendschap zijn. Maar zoo is het:

a. Jezus kent hen:

1. Uit de gift des Vaders van hen, aan Hem in den eeuwigen Vrederaad, daar God de Vader deze ellendige massa aan Hem opdroeg. Joh. 17:6, Uwe waren zij, maar Gij hebt zij Mij gegeven.

2. Hij kent hen uit zijn eeuwig en vrij willig stellen van Zich in hunne plaats tot eenen Borg en Middelaar, voor hen instappende, en zeggende: Laat ze toch niet in \'t verderf nederdalen. Ik heb verzoening gevonden. Zie, ik kom, o God! om uw wil te doen, Ps. 40: 9.

3. Hij kent hen wegens zijn dadelijk lijden, daar Hij voor hen allen dadelijk in eigen persoon voldeed, en als de Hoogepriester, met al hunne namen op zijnen borstlap geschreven, in \'t binnenste heiligdom is ingegaan.

4. Hij kent hen, omdat Hij hen in den tijd der minne heeft geroepen, en tot Zich overgebracht, zoodat zij de zijnen zijn.

5. Hij kent hen uit zijn omgang met hen, uit de liefdeblijken aan hen bewezen, in alle gevallen, en in alle gelegenheden. Ziet, hoe het eene en het andere voorgesteld wordt, Jer. 1:5, Eerdat Ik u in \'s moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, Rom. 8:29 en nadrukkelijk Jes. 48:8; \'twelk een

183

-ocr page 206-

LEUNEN OP CHRISTUS.

geloovige met wonderbare opmerking behoorde te lemind

lezen. Ifleni- ^

h. De geloovigen nu kennen Jezus, overmits Hij look de

Zich aan hen geopenbaard heeft, op eene andere Idood, n

wijze dan Hij Zich aan de wereld openbaart; en |o neei

daaruit is \'t dat zijne schapen Hem kennen en vol- iBem i

gen, Joh. 10; 27. Illem, lt;

b. Dit zal zeggen, zij zijn gezellen en innige I d. E

makkers, dat dit ontstaat uit naspeuren van aange- Imet e

name hoedanigheden in elkander. Dit is gewisselijk Igen 1«

de band van vriendschap. O! welke aangename hoe- Ikendn

danigheden bespeurt de ziel al niet in Jezus! Inig g\'

Hoe lieftallig zijn zijne woorden, die van zijne 1 Chris

scharlaken lippen druipen! IHij 1

Hoe zachtmoedig is zijn aard, zonder eenigen I Abra

hoogmoed of opgeblazenheid! Matth. 11:29. . iHem

Hoe openhartig om alles aan hen bekend te maken: I maki

zoude Ik het niet aan Abraham bekendmaken! I e.

Hoe gesloten, zonder ook iets aan Hem toevertrouwd I mon

te openbaren en aan anderen bekend te maken! I tot

Hoe vergevende in zijne liefde! 1 is t

Hoe rijkelijk in zijne onthaling, hun alles Tolop I kan

toedienende, en zich verblijdende, om hun wel te doen! I ken

Hoe handelbaar en gemeenzaam! om andere hoe- I met

danigheden meer voorbij te gaan. I van

Daar ondertusschen de ziel geene zulke hoedanig- I zeilt;

heden heeft, maar het tegengestelde in alle opzich- I f

ten; welke nochtans liefelijk zijn, in zooverre als I der

Jezus\' bloed en macht daarin kunnen verheerlijkt I me

worden. 1 dei

c. Het zal zeggen, dat zij wonder verkleefd zijn de

aan elkander. O ja! Christus1 hart is zoo vast tot hï

hen, dat z\\] zijn gelijk zijn oogappel. Zij zijn in sa

beide zijne handpalmen gegraveerd; zij zijn zijne te

184

-ocr page 207-

LEUNEN OP CHRISTUS*

beminden, zijn lust is aan hen, en de hunne aan ïem. Want het is: Mijn liefste is de mijne, ik ben ook de zijne; wat zal dan scheiden? immers noch Idood, noch vuur, noch verdrukking, noch eenige zaken. lO neen! Door Hem willen zij voor Hem en met IHem in den dood gaan; want zij kleven vaster aan |Hem, dan een gordel kleeft aan de lendenen eens mans.

d. Het zal zeggen, eene zonderlinge openhartigheid Imet elkander. O ja! was men meer in dat verbor-[gen leven met Jezus, Hij zoude alles zeggen en be-Jkendmaken aan de ziel: maar daar er zoo wei-I nig gemeenschapsoefening met God is, zoo vertrouwt [Christus hun zjjne verborgenheden niet toe, daar jHij het gewisselijk anders doet aan zijnen vriend

Abraham: Gods verborgenheid is voor diegenen, die Hem vreezen, om zijn verbond aan hen bekend te [ maken, Ps. 25:14.

e. Het zal ook zeggen, dat zij onderhouden vele mondelijke samenspraken, waarin God en Christus tot de ziel spreken en zij wederom tot God. 0! dit is het dierbaarste van de vriendschap, en iemand kan wel zijne nabijheid aan God hieraan toetsen en kennen. Want des konings vrienden spreken dikwerf met Hem en Hij met hen, gelijk het Hooglied hiervan vol is, schoon de wereld het niet kent; de Bruid zeide: Het is de stem mijns liefsten; ziet hij komt!

f. Het zal ook zeggen, dat, gelijk het onder vrienden is, wanneer zij niet bij elkander kunnen komen, zij evenwel door briefwisseling met elkander de gemeenschap onderhouden. O, het is zoo! de vrienden van den Bruidegom zijn hier in \'t land hunner vreemdelingschap, worden niet altoos tot het samenspreken toegelaten, om in de binnenkameren te zijn. Ondertusschen zij zenden hunnen brief tot

185

-ocr page 208-

LEUNEN OP CHRISTUS.

hunnen vriend, welke ik de gebeden en zuchtingei mag noemen, waarin zij Hem al hunne toestandei en benauwdheden bekendmaken, ook de toestanden van de kerk in \'t gemeen, en van dezen en genen in het bizonder; zoodat zij er de antwoorden ook wederom op ontvangen, in de verhooring van hunne zuchtingen, in de belofte, die God op hun hart indrukt of door inleiding van hen in zekere gevallen in \'t Woord, waaruit hij wonderbare dingen leert.

g. Het zegt ook, dat gelijk vrienden tot zekerheh van vriendschap elkander zekere teekenen en pan den geven, dat dit ook tusschen hen is. O! Jezus geeft hun zijn Woord, zijn hart, zijn hand, zijn Avondmaal tot panden, dat bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar dat zijne goedertierenheid in der eeuwigheid niet zal wijken, noch het verbond zijns Vredes wankelen, en zij geven Hem hnn hart, gelijk wij gezien hebben, en ook haar hand, 2 Kron. 30:8.

h. Het zal ook zeggen, dat de eene veel, ja zeer veel vermag op den ander. Spreuk. 19:7. O! het is, als \'t ware, met eerbied gesproken, dat door hen de Almachtige overwonnen wordt; gelijk in Jakob, die vermocht; gelijk met Loth; God kon niets doen, eer Loth uit Sodom was gedreven; en Abraham, die stof en asch was, vermocht zoo veel, dat Sodom om tien rechtvaardigen zoude behouden zijn geworden; en Hij vermag ook alles op hen, alles is voor den Heere.

i. Het zegt, dat zij veel kunnen van elkander verdragen. O! God zwijgt in zijne liefde, en handelt niet met hen naar de wet van vergelding, maar heeft | menigvuldige vergevingen, opdat Hij gevreesd wordt, j En zij, wanneer zij in een goeden toestand zijn, leggen de hand op den mond, zeggende. Mijne ziel

186

-ocr page 209-

LEUNEN OP CHRISTUS.

zwijgt; Gode, want van Hem is al mijne verwachting: ik zal des Heeren gramschap dragen, vermits ik tegen Hem gezondigd hebbe, Mich. 7:9. O zalig bevredigde toestand! een makker, een vriend van Jezus te zijn!

/3. Maar nu overmits vrienden, in hunnen optocht zijn tot ondersteuning, bemoediging, en onderschraging van elkander; zoo is de tweede beteekenis des Woords een leunen, \'twelk moet voortvloeien uit vriendschap, en kan zonder die in \'t allerminst niet zijn. Wij zullen derhalve van dit leunen zoo spreken, dat wij met uwe aandacht

a. Zullen inzien, wat het vooronderstelt, dat gezien en gevoeld moet worden

In Jezus, op wien de ziel leunt; o! in dien moeten zij zien zijne algenoegzaamheid, en zijne Goddelijke kracht, en uitnemende bereidwilligheid, en liefdra genheid zullen zij hun geheele gewicht op hem laten aankomen. Christus nu is zoodanig een in alle opzichten: Hij is de El-Gibbor, de sterke God, en een gewisse hulp in den tijd der benauwdheid.

h. Maar zij merken zich zeiven aan als zwakken, tot den voortgang op den weg naar den hemel. O! bij hen is geene kracht, om de zware zanden van Baccas dal door te klauteren, ja niet alleen zwak, maar in alle opzichten onmachtig, zoodat zij zonder Hem en zyne Goddelijke invloeden geenen voetstap op den weg willen of kunnen voortgaan; dus is het, niet meer zij, die leven, maar het is Christus, die in hen door geloof leeft: die doet hen blijven in Christus Jezus, als een rank in den waren wijnstok.

b. Derhalve zal dit leunen de volgende zielswerk-zaamheden volgens het zinnebeeld te kennen geven:

a. Dat zij opgetrokken zijn, of opgewekt van het

187

-ocr page 210-

LEUNEN OP CHKISTÜS.

bed der zorgeloosheid, waarop de geloovigen dikwerf nederliggen, Hoogl. 5:2, of uit zware moedeloosheden en twijfelmoedigheden, waarin zij zinken als in klei en modder, en dat hunne voeten zijn op een rotssteen gezet. O! dat is het eerste, dat Jezus doet, wanneer Hij zijne hand tot de kleinen wendt.

1). Dat zij nu op hunne voeten staan, die geschoeid hebbende met de bereidwilligheid des Evangelies. Efez. 6:15, met lust en hart om voort te treden op den weg van des Heeren geboden. O ja! zij slapen nu niet meer, maar zijn opgestaan uit de doo-den; bij hen is lust om den Heere in alle opzichten welbehaaglijk te wandelen.

c. Dat zij gelijk een zwakke en machtelooze dadelijk hunne hand uitsteken, om Jezus, den eenigen houvast, aan te grijpen, Jes. 27:5, zij grijpen zijne sterkte aan, zij, klein van krachten zijnde; de nood dringt hen om Jezus te grijpen, \'twelk een eigenwerk des geloofs is, waarom in Ps. 37 het genoemd wordt een wentelen van zijnen weg op den Heere, en een vasthouden: ik hield Hem vast.

d. Het zal zeggen, dat zy hun geheele gewicht op Hem, op den Christus, laten aankomen. O, zoo lang de mensch deels op Jezus steunt en leunt, en deels op de plichten, gewisselijk de linkerhand zal door den rietstok van Egypte, der wettische plichten en eigene krachten, doorboord worden. Hier moet men leunen op Hem alleen en niemand anders ; want anders zal men altoos verkeerd zijn in de werkzaamheid.

e. Dat zal zeggen de onvolmaaktheid van hunne treden; die met zijn geheele lichaam op iets anders leunt, hinkt, hij gaat mank, gelijk Israël was hinkende op twee gedachten. O! zoo is de weg van de leun-ders op Jezus: zij hebben het nog niet verkregen, de

188

-ocr page 211-

LEUNEN OP CHRISTUS.

volmaaktlieid namelijk, maar zij jagen\'er naar; hun doen is met veel zonde, ja hun beste doen is wegens het vleesch als een wegwerpelijk kleed.

f. Het zegt ondertusschen, dat er de meeste kracht is aan de leunende zijde. O ja! daar de ziel op Jezus leunt, daar heelt zij kracht in \'t vernieuwd en wedergeborene deel; maar daar is een andere zijde, een verdorven beginsel, dat zijgt naar beneden; wanneer Paulus het goede wilde, het kwade lag hem nabij en deed hem naar de laagte zakken, Rom. 7:21.

g. Het zegt, dat zy bij eiken stap, dien zij voortgaan, eene zucht geven, als ademloozen. O ja! in \'t geestelijke, die recht op Christus leunt, die is gedurig zuchtende, als een amechtige, een machtelooze, om het alles uit des Heeren hand alleen te ontvangen en deelachtig te worden; zonder U kunnen wij niets doen.

h. Het zegt, was er geen moed op Hem, op wien zij leunen, dat zij kunnen nederzitten en in wanhoop vergaan, om ooit een anderen voetstap voort te zetten. Indien God, Gods Woord, alle Davids vermaking niet geweest ware, hij zou al lang in zijn druk hebben vergaan. O! was dat niet, dat de ziel wist, dat de Rotssteen Israels altiid dezelfde blijft, de ziel zou het opgeven en nooit meer probeerea; maar God zijnde onveranderlijk, hebben zij op Hem altijd moed.

i. Het zegt ook, dat zij al gedurig, eer zij nog wederom een voet willen bewegen, wederom door nederdrukking van zichzelven op Jezus, kracht daartoe moeten ontvangen. O ja! men moet in alles, zoowel in de opgewektste als in een lage gestalte, gedurig nieuwe en direkte uitgangen van geloof op

189

-ocr page 212-

LEUNEN OP CHRISTUS.

Christus oefenen; en dat moeten niet zulke daden zijn, waarmede men in de hoogte gaat door gevoel en opgeblazenheid, maar in de laagte valt op Jezus, als een geheele ellendige en machtelooze; dat maakt eerst een recht leunen, wanneer men als een samenknooping van ongerechtigheid op Jezus zakt.

1c. Het zegt ook, dat dan alleen de kracht komt, en dat de ziel in de hoogte gebracht wordt, als zi] met de hand op Jezus leunt, Ps. 18 : 30, Met U spring ik over een muur, enz.

I. Het zegt ook de innige en ongeveinsde liefde-bewijzen, die de ziel Jezus vertoont bij eiken stap, dien zij voortzetten, zeggende: Indien Gij mij niet geholpen hadt, ik zou al lang in mijnen druk vergaan hebben; zoodat zij een Eben-Haëzer en ge-denksteenen oprichten, en schrijven daarop: Tot hiertoe heeft de Heere mij geholpen, en voegen er bij: Hij zal nog helpen en uitredden.

m. Het zegt ook de nauwe oplettendheid van de ziel omtrent Christus\' gedrag, of Hij voortgaat ot stilstaat. Moest Israël niet voortgaan, zoolang de vuur- en wolkkolom stil bleef staan, en moesten zij op de beweging van die in de woestijn hunne plaats veranderen; o! zoo is \'t ook hier; de leunende let op Christus\' wil, wanneer Hij stilstaat, zal ik stilstaan en ook met Hem voortgaan; zij willen Hem niet vooruitloopen noch nablijven, maar Hem volgen, waar Hij ook henengaat.

n. Het zegt, een gedurig gebruik maken van Hem om kracht, licht, gerechtigheid en alles, wat zij van noode hebben in tjjd en in eeuwigheid; overmits al hunne bekwaamheid uit God is.

o. Eindelijk, een betrouwen van al hunne belangen aan Hem, tijdelijke, geestelijke, en ook eeuwige;

190

-ocr page 213-

NEMEN.

;iet, zegt Job, zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?

C. Nog is het geloof een Loop en. Maar ik zal iaarvan niet spreken, het genoegzaam gedaan heh-)ende over het toevluchtnemende betrouwen of ver-irouwen.

M. Wat deze letter M betreft, hebben wij geen nzondere benaming onder die gevonden, of het moest geweest zijn, dat het geloof is een maken yan een verbond met God, waarin de ziel amp;ods verbond der genade toestemt en zichzelve in dat verbond ingeeft, zich ook onder de allernauwste verplichting brengende om des Heeren te zijn en voor den Heere in alle nauwkeurigheid te leven; maar hiervan hebben wij bij eene andere gelegen-lieid gesproken, Ps. 50:5, Vergadert mij mijn volk. Mie het verbond maken met ofi\'eranden. \' N. Derhalve gaan wij over tot de volgende letter N, waar het geloof genoemd wordt

A. Een

NEMEN.

Deze benaming van het geloof, deszelfs werkzaamheid te kennen gevende, vinden wij bizonderlijk in de instelling van des Heeren Avondmaal, daaromtrent het gegeven brood de werkzaamheid zijn moet nemen, maar \'t wordt ook betrekkelijk gemaakt tot Christus Jezus, Matth. 11:29.

i S. Vooraf merken wij aan, dat wij aireede van het geloof gesproken hebben als een aannemen van Christus, en in en met Hem van al de weldaden van het genadeverbond, die, als een vrij, uitnemend, voortreffelijk, nuttig en weergaloos geschenk, aan den armen zondaar recht overtuigd en ontbloot van alles, voorgehouden en aangeboden worden; van deze

191

-ocr page 214-

nemen.

zaken zullen wij in \'t allerminste niet spreken maar eenige zaken, die wij overhielden voor dez benaming, uwe aandacht voordragen.

2. Om dan tot onze zaak met uwe aandacht te komen, zullen wij nagaan eenige eigenschappen o: hoedanigheden, van dit nemen van Christus gehee en alleen, als Gods gave, waaronder de werkzaam\'

heden des gemoeds zullen gevonden worden:

a. Het is een nemen met de uiterste erkentenii van des gevers milddadigheid, zoo vrij en boven alle verdienste. O! wat wordt de ziel in dit nemen a niet nedergezet by Gods liefde en goedertierenheic aan het menschelijke geslacht, niet alleen hun hetlzeid( leven op deze aarde gevende, en hen met spijs en huis vroolijkheid vervullende, hun goeddoende van den\'is d hemel, en in zijne lankmoedigheid dragende, maar maa zonderhng bij zijne uitnemende, wonderbare en on- spro gehoudene liefde tot eenige weinigen van de nako- men melingen van Adam, zijn eigen Zoon schenkende niet alleen als een voorwerp, alle liefde waardig, zijnde Hij de waarachtige God; maar als een voorwerp, die door lijden voor al hunne zonden voldaan heeft:.

Ziet, met hoe groote liefde, zegt daarom Paulus,

heeft ons God liefgehad, dat Hij zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, Rom. 8:32. Ps. 86:5.

(3. Het is een nemen met de overtuigendste en gevoeligste erkentenis van eigen onwaardigheid en nietigheid; zij merken overtuigend aan, dat er niets bij hen is of zijn kon, om ooit zulk een geschenk van den Heere af te persen; maar dat zii wegens erfelijke en dadelijke schuld, al Gods weldaden ten eenenmale onwaardig zijn; daarom zegt Paulus: Mij den allerminste is deze genade geschied.

192

7-van 1 ten, pastl hun zijne: hem S. en s( dat wore in, e

tot Hee: £. het opzi gew mak wen eige

4) !

[Tav e ■ Vlid

vat

ie

-ocr page 215-

1

193

nehek.

y. Het is een nemen met de uiterste hoogachting van het geschenk; zij beschouwen dat aan alle kanten, en in deszelfs dierbaarheid, grootheid en gepastheid in alle opzichten voor hunne ziel, \'twelk hun doet uitroepen: Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, of de zoon des menschen, dat Gij hem met den opgang uit de hoogte bezoekt.

S. Het is een nemen met beschaamdheid; schaamte en schaamroodheid bedekt hun aangezicht zoodanig, dat de ziel in de uiterste verlegenheid gebracht wordt, 2 Sam. 7:18, 19, Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere! of wat is mijns vaders is en j huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt; daartoe den\'is dit klein in uwe oogen geweest, Heere Heeke! naar maar Gij hebt ook over het huis uws knechts ge-on- sproken tot van verre heen; en dit naar de wet der menschen, Heere Heere ! En wat zal David nog meer tot TJ zeggen? want Gij kent uwen knecht, Heere Heere !

£. Het is een nemen met een lust en zucht, om het geschenk, namelijk den dierbaren Jezus in alle opzichten betamelijk te gebruiken, zooals Hij van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomene verlossing voor de ziel; o! Jezus wenschten zij in alle opzichten te gebruiken als hun eigen, dus trachtende te grijpen hetgeen, waartoe SÜ gegrepen zijn.

Het is een nemen met lust, om zich nooit de jave onwaardig te maken, en Gods goedheid nooit verachten. O! wanneer Jezus, als de geschonken Middelaar en Gods groote gave genomen wordt, jrat is niet de lust, om met Hiskia zachtkens voort gaan, uitroepende: Wat zal ik den Heere veris

-ocr page 216-

schrijven met de hand.

gelden voor al zijne weldaden, die Hij aan mij bewezen heeft?

B. Onder deze letter vinden wij nog eene benaming des geloofs, dat het is een Noemen van den naam Jakobs; maar hiervan mogelijk in \'t vervolg, Jes. 44: 5.

O. enz. Wat deze letter en de volgende tot aau de S. toe betreffen, daar zijn wel deze en gene ge-loofsbenamingen voorgekomen, maar wij bemerkten, dat het zakelijke daarvan öf gezegd was in het voorgaande, of gezegd moet worden in de Verhandeling van het geloof zelve; dus gaan wij ze dan voorbij, om niet tweemaal hetzelfde te moeten zeggen. | S. Gaan wij dan voort tot de letter S.

A. Onder dezelve vinden wij, dat Let geloof genoemd wordt een

SCHRIJVEN MET DE HAND.

En deze zal met zijne hand schrijven: Ik ben des Heeken, Jes. 44:5.

Wat nu de verscheidene vertalingen en uitleggingen van deze plaats betreft, gelijk ook de gewoonten, waarop gezinspeeld mocht worden, daarmede zullen wij uwe aandacht niet ophouden, het bijna een geheele leerrede vereischende; wij zullen zonder verder onderzoek thans dienaangaande bij deze vertaling blijven, en de zaak u voordragen, die wij als geloofswerkzaamheden er onder bevonden hebben.

3, De zaak dan hier betreffende:

x. In \'t gemeen vinden wij, dat de uitleggers meenden, dat dit te kennen geeft met God op een verbondswijze niet alleen te handelen, maar schriftelijk dat verbond oprichtende; naar het voorbeeld

194

-ocr page 217-

SCHKIJVEN MET DE HAND.

an Gods aloude Israël op zoovele plaatsen, Exod. i: 27. Joz. 24 : 26 en andere plaatsen. Dit hebben \'ij voordezen aangedrongen en in onze voorbe-bidingsleerrede een kort formulier van verbond-jiaken op een schriftelijke wijze aan uwe aandacht nedegedeeld.

/3. In \'t bizonder zal het zeggen:

a. Hoe de ziel op de allervaste en nauwste wijze q dit aannemen van Christus zich aan den Verbonds-ïod verbindt, om de zijne te zijn, en voor Hetn te leven. De mensch is toch als Efraïm, een losbandige koe, die in de ruimte wil weiden; dat is de natuur ran de zonde, dat die eene onwettelijkheid is; daarom le ziel dit wetende, wil zich vast, gewis en zeker Verbinden en onder den eed brengen: Ik heb gezworen. Zie Neb. 9:38.

b. Hoe dat het voornemen der ziel bestendig is, en het onveranderlijk geschreven blijft. Daarom fceide Pilat\'us: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Joh. 19:22. O! die Jezus oprecht omhelst, het is niet bij een optocht, zoodat alles als pene morgenwolk en vroegkomende dauw is; maar hare bestendige zucht, lust en gezindheid is, om

tltoos bij den Heere te blijven.ltoos bij den Heere te blijven.

c. Hoe de ziel hierin met bedaardheid te werk aat; daar men iets schrijft, onderschrijft, dat moet net bedaarde zinnen geschieden; zoo ook zij over-eggen en overwegen alles wat zij schrijven.

d. Het zal zeggen, dat zij dit doen, eindelijk, tegen iet toekomende, of tot ondersteuning, zoodat het ien getuige tegen hen in afgezaktheden zijn mag.

V. Zonder van het geloof als eene toestemming e spreken, of een toezetten van het zegel, dat (iod Vaarachtig is; overmits wij hierover in onze Ver-

195

-ocr page 218-

T—---------—---—----—

196 YEELATEN.

handeling van de natuur des geloofs spreken moeter gaan wij derhalve over tot de volgende letter V daar wij vinden, dat het geloof genoemd wordt A. Een i

VERLATEN.

Ps. 10:14. Op ü verlaat zich de arme.

N. Wat nu ons grondwoord betreft, deszelfs he-teekenis is wel in verlaten gelegen, ondertusschen wordt het gebruikt:

a. Somtijds in een kwaden zin. Wanneer de mensch van God afwijkt, zijn vrees niet voor oogen hebbende, noch van zijne hulp, vertroosting en raadgevingen afhangende, gelijk wij vinden van Israël tot hunne beschaming aangeteekend, dat zij den Heere, den springader des levenden waters verlaten hadden, en zich bakken uitgehouwen, die geen water houden kunnen, Jes. 2:13, 17.

/3. Somtijds wordt het in een goeden zin gebruikt, of om de ziel op te wekken, dat zij alles buiten God zoude verlaten en daarvan afzien en den Heereaankleven, gelijk een gordel kleeft aan de lendenen\' eens mans, met het gansche hart. Hiertoe wordt de Joodsche kerk opgewekt: Verlaat uws vaders huis en volk, en de koning zal lust hebben aan uwe schoonheid, Ps. 45:11, 12. Somtijds geeft het te kennen het werk van een belaste, verlegene, en radelooze, zijne zaken op een ander verlatende, alle goede uitkomsten van hem afwachtende; gelijk als het hier gebruikt wordt, om de eigen werkzaamheid van Gods arm en verdrukte volk te kennen te geven omtrent den Heere in alle hunne verlegenheden en radeloosheden, waarin zij geenen raad met zich zeiven weten: Op U verlaat zich de arme; en dus komt deze werk-

-ocr page 219-

VERLATEN.

zaamheid overeen met eene andere benaming des ge-loofs onder de letter W. namelijk het wentelen van zijnen weg op den Heere, geloovende dat Hij het wel maken zal, Ps. 37; 5, Derhalve zullen wij van beide spreken onder deze benaming van een verlaten van zich op den Heere.

Wat de zaak dan betreft, uwe aandacht kan bemerken:

x. Dat de onderwerpen van deze werkzaamheid zijn ware geloovigen in druk en tegenspoed, wegens de wreedheden van de goddeloozen, die niet ophouden aan Gods ware volk wreedheden aan te doen; gelijk dus de roede der goddeloozen dikwerf komt te liggen op het lot der rechtvaardigen; en daarom worden zij met eene benaming van Gods ware kinderen beschreven, welke de kleinheid en ootmoedigheid en ontblootheid van des Heeren volk uitdrukt; gelijk het is met al de namen die zij dragen. Zij zijn armen en nooddruftigen; en dat is wel met recht op hen toegepast.

a. Ten aanzien van hunnen uiterlijken toestand, welke meerendeels armoedig is, zoodat er weinige rijken naar de wereld zijn uitverkoren; want zoo onmogelijk het is, dat een kemel door het oog van een naald zoude kunnen doorgaan, zoo onmogelijk is het voor eenen rijke in \'t koninkrijk der hemelen te kunnen ingaan. Waarom de apostel 1 Cor. 1: 26—28, zegt: Gij, mijne waarde broeders en zusters, ziet uwe roeping: niet vele wyzen, rijken of edelen, maar God heeft de armen uitverkoren. En waarlijk, de bevinding leert het, dat zij meer in de hutjes gevonden worden, dan in de paleizen.

b. Maar bizonder zijn deze onderwerpen, die zich op God verlaten, en hunnen weg op Hem wentelen.

197

-ocr page 220-

VERLATEN.

Armen in \'t geestelijke, niets ter wereld in of bg zich hebbende, moetende ten eenenmale oogenblikke-lijk van Gods goedertierenheid en milddadigheid afhangen; zaken, die wij voordezen over de Armoede des geestes hebben voorgedragen; wij mogen ze niet herhalen.

/3. Gaan wij derhalve met uwe aandacht voort tot de werkzaamheid van de ziel, hier gesteld of vereischt, van zich te verlaten op den Heere, of wentelen van zijnen weg op God, daar wij zoo geestelijk en praktikaal, als mogelijk is, zijn zullen, zoodat wij zien zullen:

a. Wat dit al veronderstelt, namelijk:

a. Dat elk christen en ware geloovige een zaak of weg hebben, welke zij op God verlaten of wentelen moeten. Dit is bekend, dat het levensbedrijf,\'de daden en werkzaamheden van de ware geloovigen in Gods Woord door eenen weg worden uitgedrukt, en hunne oefening op denzelven een wandel genoemd; daarom wordt er in Ps. 1:6 gezegd, dat God kent den weg der rechtvaardigen, en Gen. 5:24, Henoch wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam dezen getrouwen en godzaligen man weg tot zich, zoodat hij den dood niet gezien heeft, Hebr. 11:5. Vraagt uwe aandacht, wat een geloovige al op God moet verlaten en wentelen? Ik antwoord, dit is een zeer ruime stof, welke wij nochtans met één woord kunnen beantwoorden, zeggende: men moet alles op den Heere wentelen, alle zijne wegen, zaken en lasten; want het is des Apostels vermaning, in geen ding bekommerd te zijn, maar al zijne begeerten aan God bekend te maken; met gebeden niet alleen, maar ook met dankzegging; ondertusschen kunnen wij deze drie bizonderheden in acht nemen:

198

-ocr page 221-

VERLATEN.

1. Deze armen en nooddruftigen hebben een kostelijk pand, welker verlossing kostelijk is, niet teweeggebracht kunnende worden door vergankelijke dingen, zilver en goud; deze moet men op God wentelen en verlaten. Daarom spreekt Paulus er van als van zijn pand bij God weggelegd; en als men deze wentelt en verlaat op God, zoo zal dat ook mede insluiten, dat men al de middelen om geloof, bekeering en heiliging van de ziel aan God toevertrouwt, wetende, dat de wasdom alleen van den Heere afhangt. Hoe zoet is Christus eiken waren Christen hierin voorgegaan, zeggende: Vader! Ik beveel TJ mijnen geest.

2. God stelt zijne geloovigen elk op eenen zekeren zekeren post, geeft elk zeker werk, waarin zij overeenkomstig de toestanden, waarin zij gesteld worden, Hem moeten verheerlijken, en hun wandel en weg moet in alles zijn als een schijnend licht, voortgaande tot op den vollen middag toe, zonderdat zij er in vertragen. Dit is nu een zware zaak, een moeielijke weg, bij welke, om er in te vorderen, men geduriglijk op God, om zijne voorkomende, medewerkende en achtervolgende genade, zich wentelen en verlaten moet, overmits Hij het is, die alleen het willen en het volbrengen beide in de ziel zijner gunstgenooten werkt, Fil. 2:13.

3. Elk heeft ook zijn talent van God ontvangen, Luk. 19:13, welke talenten zij ontvangen elk in \'t zijne, hoe groot of klein, niet om die te begraven, of te verbergen, maar met één woord, om die wel te gebruiken en op geestelijken woeker aan te leggen, tot zijn eigen en anderer geestelijke stichting; maar dit is een zware, een nadrukkelijke zaak.

amp;. Het vooronderstelt, dat des Heeren welmeenend

199

-ocr page 222-

VEKLATEN.

volk, die een oprecht voornemen hebben om voor den Heere te wandelen en in alle opzichten getrouw bevonden te worden; dat zij door inzien van het een en het ander radeloos en overstelpt zijn, geen weg noch uitkomst dikwerf zien, hoe zij in dezen zullen te werk gaan. O ja! dat wordt in al die plaatsen te kennen gegeven, waar men hiertoe opgewekt wordt, Ps. 55 :23, Spr. 16 :3, 1 Petr. 5: 7. Dit zal nu blijken:

1. Als wij nagaan de grootheid van de zaak, die zij te doen en te lijden hebben; was het mafir in dit, of dat, dat een geloovige, die goede pogingen heeft, bezig zijn moest, het was veel, het was meer dan hij doen kon; want bij is uit zichzelven tot geen een ding, hoe klein het ook zijn mag, bekwaam, 2 Cor. 3:5. Maar het is hier een algemeene heiligheid in alle opzichten, tot elk gebod, e.n dat wel in alle opzichten, als schepsel tot zijnen Schepper, als overheid en onderdaan, als leeraar en lidmaat, als vader en kind, als dienstbare en vrije, als koo-per en verkooper; en dit alles in alle gelegenheden, plaatsen, gezelschappen en onder alle voorzienigheden; en dat wel zoo, dat men de volmaaktheid in dit alles in \'t oog moet hebben, nooit zich met eenigen trap vergenoegende; waarbij komt dat deze zijn weg en plicht van een hooge natuur is, \'t moet alles door geloof gedaan worden, dat is, uit Jezus\' kracht, door Jezus\' Geest; want alles dat niet uit \'t geloof is, dat is zonde; dit alles is nu groot.

2. Ja zij zijn verlegen, schoon zij goede pogingen hebben, wegens de zwarigheden, die hen ontmoeten; hun weg is niet voor den wind, o neen \', zij hebben wind en stroom tegen, hebbende een boos hart, een verleidende wereld, welke beide hen dikwerf bezwa-

200

-ocr page 223-

VERLATEN.

ren, en aan hunnen erfvijand, den duivel, verraden. Dit overstelpt, zoodat zij moeten uitroepen Ps. 93:3, De rivieren verheffen zich, Heere! de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen hare aanstootingen.

3. Laat mij er nog bijvoegen, ten derde, hunne eigen krachteloosheid en geheele onmacht, ja hunne dwaasheid, zoodat zij dikwerf in de engten gebracht worden, niet kunnende weten, wat goed of kwaad is, billijk of onrecht, 2 Cor. 3:5; dit nu doet hen dikwerf in \'t dal der moerbeziënboomen, of liever in \'t dal van Bacca, als een onmachtige, arme en adem-looze nederzitten, indien de ziel zoekt eene nauwe godzaligheid te betrachten.

4. Eindelijk, dat bijna alles overtreft, schoon zij welmeenende en goede pogingen hebben, bemerken zij nochtans in zich een boos en tegengekant hart tegen God en hunnen plicht, het hart ziende als een snelle kemelin, om hunne wegen te verdraaien, dat zoo boos, verkeerd en arglistig is, dat niemand het kennen kan noch nagaan. Dit deed Jeremia in zijn 10ae hfdst. vs. 28 uitroepen: O Heere! Gij weet, dat de weg van een mensch niet bij hem is, hij kan zijne voetstappen niet besturen. Paulus, deze tegen-gekantheid vindende, en eene wet in zijne leden, hem gevangen leidende onder de wet van zonde en dood, was ten eenenmale overstelpt en riep uit, Rom. 7:24, Wee mij ellendig mensch! wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Die nu met aandacht het gezegde nagaan, kunnen zien den ge-loovige ajs een Enos, een ellendige, een arme en nooddruftige, zwaar belast en zwaar beladen onder zijne lasten, welke hij derhalve noodwendig op een ander wentelen moet.

201

-ocr page 224-

yeklaten.

c. Dit veronderstelt, wanneer er gezegd wordt, dat de armen zich op God verlaten, en hunnen weg moeten wentelen of eigenlijk overrollen op Hem, dat dit de plicht is van hen, niet hunnen zwaren last zeiven op te torsen, op hunne eigene schouders te dragen, maar het op God, als den Adonai, die een vast fondament en steun is, het te laten aankomen, en dus den last van zich op hunnen dierbaren Jezus, hunnen trouwen metgezel, hunnen weg te laten aankomen. Want Hij wordt toch in al hunne benauwdheden met hen benauwd; maar dit stuk ruim zijnde, zullen wij er over opmerken:

1. Dat er zoo iets is, dat wezenlijk in de bevinding der vromen gevonden wordt, als zijne lasten op Jezus te leggen, te wentelen, en daardoor wezenlijke rust gewaar te worden.

aa. Dit blijkt uit de wezenlijkheid van hunnen last; de mismoedigheid en zware angsten van een geloovige ontstaan niet uit loutere inbeelding en melancholieke gedachten, maar zij worden in waarheid onderdrukt; derhalve dit zoo zijnde, dat er niemand is, die een bedroefden geest kan opbeuren; o! God in Christus moet de ware en eenige steun van zulk een ziel zijn; maar dat is Hg, wanneer zij zich op Hem verlaten.

eb. Er zijn in de ziel wezenlijke werkzaamheden des geloofs omtrent de zwarigheden, die haar ontmoeten; zoo zijn er ook wezenlijke verlossingen van haren last; want geloofs eigen werk is, alles op Jezus te leggen.

cc. Dit zoo zijnde, blijkt uit de bevinding. Paulus, 2 Tim. 1 : 12, wist, dat hij niet beschaamd zou worden; hoe wist hij dat? hij wist, in wien hij geloofd had, en dat Die machtig was zijn pand, bij

202

-ocr page 225-

VEELATEN.

Hem weggelegd, te bewaren. Ik heb van een martelaar gelezen, dat hij wel te voren tot wankeling gebracht was, zoodat hij met zijne hand het Room-sche geloof onderschreef; maar naderhand hield hij de hand standvastig vast in . \'t vuur zonder te bewegen, getuigende, dat hij geene pijn gevoelde; en bisschop Riddly, een martelaar voor Jezus, zeide: Och! ik ben klein van kracht. Ik beef voor den dood, hoeveel te meer voor het vuur, om daarin verbrand te worden; maar mijne zaak is goed. Jezus kan mij helpen, mijne leer te bevestigen en te verzegelen. En zoo was het; want \'snachts tevoren,eer hij verbrand werd, op de doorluchtigste wijze met groen hout, opdat zijne pijn des te grooter door de langdurigheid zijn zou, ontbood hij de vrienden tot zich, en was blijde den ganschen tijd; hij ging al vroolijk zingende naar de vlammen, zong den lof van God den ganschen tijd in de vlammen, totdat zijn adem uitging. O! wonderbaar tot bevestiging, dat v/anneer de ziel niet op eigen beenen staat, maar haren weg op Jezus wentelt, zij wezenlijk geholpen worden. Zie den 18den Psalm en Lodensteijn, de Gevangene niet zweeg.

2. Het zegt, dat men zijn weg en last verlaten en wentelen mag. O ja! dit zal ook klaar voor uwe aandacht zijn, als wij de gronden maar een weinig nagaan;

AA. Indien onze zaak goed is, Gods natuur geeft grond om ze op Hem te verlaten en te wentelen. Door zijne oneindige wijsheid kan hij uitdenken wegen en middelen, tot redding van zijne arme sukkelende kinderen, en door zijne goedheid wil Hij ook doen boven en tegen al hunne verwachting aan, en zijne kracht kan die middelen niet alleen

203

-ocr page 226-

VEELATKN.

werkstellig maken, maar doen gedijen tot het ge-wenschte einde, zoodat men zeggen mag: Indien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? Rom. 8:31.

eb. Zijne voorzienigheid is hier een vaste grond, die gaat niet alleen over alles, groote, kleine, noodzakelijke en vrijwillige daden; maar Hij kan het licht uit de duisternis brengen, het kromme tot recht maken; daarom geene zaak zoo verward, of Hij kan uitkomst geven.

cc. Zijne zoete en aangename noodigingen en dierbare beloften geven grond het op Hem te verlaten en te wentelen; daarom vinden wij in Ps. 50:15: Roept Mij aan in den dag der benauwdheid, Ik zal u zekerlijk helpen en uitredden. Spr. 3:6 wordt daarom gezegd: Ken God in al uwe wegen.

dd. Maar een zoete grond is het, dat dit ook , Gode zeer aangenaam is; Hij verwelkomt de belaste geloovigen, als zij met al hunne zwarigheden komen. Joh. 6:37, Die tot Mij komt, wat voor een last hij ook heeft, zal Ik geenszins uitwerpen; immers de allerkrachtigste spreekwijze, die gebruikt kan worden, om de ziel hiertoe in alle gevallen te bemoedigen en op te wekken.

3. Het zegt, dat de geloovige niet alleen mag, maar dat hij zijn weg noodzakelijk op God verlaten en wentelen moet.

AA. Dit is nu noodzakelijk uit kracht van des Heeren gebod. O! God weet, hoe traag, hoe angstvallig zijn volk is, om al hunne belangen, niet het allerminste uitgezonderd, op Hem te verlaten; daarom, om den schroom weg te nemen, maakt Hij het tot een noodzakelijken plicht, door zijn gebod, Spr. 3:5, 6, 7, Vertrouw op den Heere met uw gansche hart, en steun op uw verstand niet; ken Hem in al

204

-ocr page 227-

teblaten.

é uwe wegen, en Hij zal uwe paden recht maken; en e zijt niet wijs in uwe oogen. Vrees den Heere, en i* wijk van het kwade; het zal zijn eene medicijn voor I nwen navel, eene bevochtiging voor uwe beenderen, c eb. Dit is noodzakelijk, vermits God hierdoor ver-t heerlijkt wordt; want wentelen en verlaten op God i verheerlijkt zijne macht en zijne wijsheid en goed-a heid, erkennende dus, dat alles van Hem moet ko-\' men, en dat de ziel in \'t allerminste geen kracht 9 of vermogen heeft; zoodat hij nu, zich ten eenen-i male ledig, uitgeschud en ontbloot ziende, van den ï Heere afhangt.

cc. Het is alleen de weg van verlossing; zonder l-\' God kan de ziel geene redding wachten, en zij wil a het alleen ook van Hem hebben; maar dit kan zij ■r niet deelachtig worden, dan door wentelen en ver-^ laten van zich op Hem.

0 dd. Dit is noodzakelijk in \'t begin van alle zaken; w overmits onze eigene wijsheid ons bedriegen kan, en

1 in de gevallen gebracht zijnde, ontbreken dikwerf o de krachten; met wat voor beschaamdheid moet

iemand worden aangedaan, wanneer hij zichzelven S\' in een geval gebracht heeft, waar hij niet doorko-V\' men kan, om daarmede naderhand tot God te komen. Daarom moet men God in alles eerst erkennen, zijn wil weten, en van Hem afhangen.

a eb. Dit is noodzakelijk ten aanzien var. het einde, ^ hetgeen zonder wentelen en verlaten op God be-n gonnen is. God zal, indien Hij iemand liefheeft, het d verijdelen, tot rook en damp doen verdwijnen, en d het de ziel van achteren bang maken,

ff. Eindelijk, dit is noodzakelijk vanwege Gods zegen over alles, dien men erlangt. Wat zou het e baten, zoo God al eens toestond, dat men de ge-

205

-ocr page 228-

veklaten.

heele wereld zou hebben, dat alles naar zijnen wensch zou gaan; of het moet zijn in zijne gunst, het moet zijn, dat zulks op geloofswerkzaamheid van verlaten en wentelen van zich op den Heere voortvloeit. Immers eene bete broods en een dronkje koud water in zijne vreeze is beter dan geheel de wereld. O! laat dan het gezegde de ware Sionieten opwekken, om zich gedurig op den Heere te verlaten, en door deze woestijn op te gaan, oogenblikkelijk op Jezus leunende en steunende; Hij zal het alsdan wel doen gelukken.

b. Maar nu, om van dit verlaten en wentelen zelve te spreken, zullen wij a. aantoonen, waarin het gelegen is, b. de tijden in \'t bizonder, waarin men het doen moet, c. de voordeelen daaruit voortvloeiende.

a. Wat dan dit verlaten en wentelen zelve betreft:

1. Dit zal niet te kennen geven een afzien van de gewone middelen, van God ingesteld, tot bereiking van zijn einde; o neen! dat ware een gruwelijke zonde; de hand des vlijtigen maakt rijk. Geloof en een naarstig gebruik van de middelen gaan altoos tezamen.

2. Maar het is:

aa. Een afzien van alle eigen kracht en vermogen omtrent al onze belangen, 2 Kron. 20: 12, Bij ons is de allerminste kracht niet tegen deze groote menigte, maar onze oogen zgn op U geslagen.

eb. Een openhartig, gul en oprecht openleggen van al hunne zaken, wegen, gevaren en omstandigheden voor den Heere, in hunne zelfsverwardheid en radeloosheid, niets voor Hem verbergende, maar met David hunne wegen vertellende, Ps. 119.

cc. Een dadelyk overgeven van hunne zaken en

206

-ocr page 229-

verlaten. 207

\' lunne personen aan den Heere, het van zich afschuddende en op Hem werpende; dit is het werpen iran zijne zorg op den Heere, en Hij zal het wel maken, | Ps. 55. Spr. 16:3. 1 Petr. 5: 7.

dd. Eene geloovige verwachting, dat God in zijne jneindige wijsheid, raad en uitkomst zal geven, zijnen ^iaam heerlijk, en hun tot zaligheid, en de ziel luttig; dit is \'t eigenlijk, hetgeen \'t geloof, als een ventelen, doet; nadat zij vinden en overreed zijn, lat de gegevene zaak van den Heere in de hand genomen wordt, hebben zij de innigste hoop, dat ïij het wel zal maken voor hen in alle opzichten.

be. Waarom er ontstaat, ten vijfde, een stille be-■usting van de ziel, zonder angstigheid, zonder veriaasten ; maar alles aan God overlatende ten aanzien tan de wijze, tijd, plaats, omstandigheden en trappen van hunne redding: Wie gelooft, zal niet haasten. 0 gelukkige ziel! die het zoo van zich op God kan wentelen en verlaten; een werk geheel tegen onze natuur strijdig, daar wij allermeest geneigd zijn, onze eigene lasten te dragen.

amp;. Vraagt nu iemand, wanneer en in welke gelegenheden moeten wjj dus onszelven op den Heere verlaten en den weg wentelen? Ik zal het u zeggen, mijne aandachtigen!

1. Men moet dit doen ten allen tijde, met de allergeringste gevallen zoowel als met de allergrootste: Vertrouw op den Heere ten allen tijde; zoo moet men in \'t begin, in \'t voortgaan, en einde alles op den Heere werpen, en Hij zal dan de zaken ons wel doen gelukken.

2. Maar in \'t bizonder:

aa. Wanneer de ziel geroepen wordt, om door etn engen, benauwden en onbekenden weg door te

-ocr page 230-

208 verlaten.

H

gaan, daar alle hulp van tweede oorzaken niets kan1 toebrengen. O! dan heeft men een zonderlinge roe-\' ping, om het op God te verlaten, gelijk in de af-1 j gelezene woorden; en een nadrukkelijk voorbeeld\' t vinden wij hiervan in David, Ps. 142:4, 5, 6, Als^ mijn geest in mij overstelpt was, zoo hebt Gij mijnquot; pad gekend; zij hebben mij een strik verborgen op\' den weg, dien ik gaan zou. Ik zag uit ter rechter-1quot; hand, en zie daar was niemand, die mij kende, daar8 was geen ontvlieden voor mij, niemand zorgde voor11 mgne ziel. Tot ü riep ik, o Heere! Ik zeide: Gij zijt mijne toevlucht, mijn deel in \'t land der levenden. 11 eb. Wanneer de ziel onder hare lasten quot;begint te:11 bezwijken en moedeloos te worden; o! de recht-,11 vaardige moet dan vertrouwen, zelfs in den dood. Zie hoe David dit deed in Ps. 42:6, Waarom wordt gij neder gebogen, o mijne ziel? waarom zijt gy on- \' rustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog1.11 i loven. Zie ook Ps. 61:3, Van het einde des lands\'1-roep ik tot U, als mijne ziel overstelpt is; leid mije„ op een rotssteen, die hooger is dan ik. 0 II

cc. Wanneer de ziel bemerkt, dat er gevaar is,08 I dat de ziel op iets anders zou vertrouwen; o! men j is gereed, wanneer de waarschijnlijkheden zich schoon 1 opdoen, den Heere te vergeten; maar dan is het \'n ook zonderling de tijd, om opnieuw van alle tweede 118 oorzaken afziende, zich op God te verlaten en niet e\' op een vleezen arm te vertrouwen.

dd. Eindelijk, een zonderlinge tijd, om zich op 311 God te verlaten, is, wanneer de voorzienigheden ?~ schijnen te strijden met Gods dierbare belofte. De 1 Heere geeft eene belofte van overwinning over ar vijanden, maar terstond worden zij krachtiger; daarom moet men op het woord gedenken, zich !n

-ocr page 231-

VERWACHTEN.

opnieuw op God wentelen, met Abraham, op hope en tegen hope gelooven, dat de Heere het wel zal maken, tot zijn lof, en dat zijn Woord niet feilen zal.

c. Geen wonder, dat de ziel dit zoude doen, want de nuttigheden zijn uitnemend groot; om ze maar te noemen:

1. Die zijnen weg op God verlaat, die verlaat eerst zijn persoon.

2. Alles zal voor die medewerken ten goede. Kom. 8 : 28.

3. Die zullen vele ondervindingen hebben van i Gods reddingen, Ps. 9.

4. Die zullen in alles, in zeer vele gerustheid kunnen leven. God is aan \'t roer, geen nood van schipbreuk te lijden.

B. Eene tweede benaming onder deze letter is. dat het geloof genoemd wordt een

VERWACHTEN.

Jes. 40:31, Die den Heere verwachten, zullen de krachten vernieuwen, enz. Deze nu zijnde eene dierbare geloofsbenaming en de laatste in ons alphabet; (want over de volgende letters is ons niets als eene geloofsbenaming voorgekomen, of het is aireede verklaard): zullen wij de woorden wat uitgewikkeld met uwe aandacht behandelen. In de woorden, zonder u op te houden met den samenhang, zijn twee ^aken te overwegen: De onderwerpen van deze be-ofte, zooals zij van eene dierbare werkzaamheid omrent den Heere beschreven worden; en de belofte | .elve, die aan hen gedaan wordt.

X. Wat het eerste aangaat, alwaar de onderwer-oen dezer heugelijke toezeggingen ons beschreven gorden, als die den Heere verwachten. Hier is i w

209

N

-ocr page 232-

210 VERWACHTEN.

x. Het voorwerp hunner verwachting, de Heere de Jehova. Zij stellen geen vertrouwen op de bergen of menigte der heuvelen, maar al hunne verwachting is van den Heere, die hemel en aarde geschapen heeft; in wien ook alles is, dat tot eener steun van hoop en verwachting strekken kan. Wanl Hij is, gelijk in \'t voorgaande gezegd is, de machtige en eeuwige God, die het doen kan, en de gewillige, die het doen wil, overmits Hij trouw en waarheid heeft tot eenen gordel zijner lendenen. En daarom vinden wij, hoe al de heiligen niet hebben vertrouwd op eenen vleezen arm, wetende, dat dezulken vervloekt zijn; maar op den Heere Heere! bij wien is een eeuwige rotssteen, in wiens schaduw veiligheic en sterkte is. O gelukkige! want die op Hem vertrouwen, zijn gelijk de berg Zions, die in eeuwighek niet wankelen zal; maar die zullen staande blijven schoon hun vleesch en geest bezwijkt, Hg is d\' rotssteen huns harten en hun deel tot in der eeu\', wigheid.

/3. De onderwerpen zijn beschreven, verwachter te zijn van den Heere.

a. Ons grondwoord Vekovee, welks worte

is rvp, wordt somtijds overgezet door wachten, som

T T

tijds door hopen, en ook door verwachten, gelij hier ter plaatse van onze geachte taalmannen; h( beteekent eigenlijk met de allersterkste begeerte d( ziel naar iets uit te gaan, om dat waarlijk tot zij deel en bezitting te hebben; \'twelk ontleend is v; de sterkste samenvloeiing der wateren, waarin i op het allersnelste komen te loopen, gelijk oij woord in de tweede buiging dit te kennen geefj Zoodat uwe christelijke aandacht licht kan bemef

m

)

-ocr page 233-

VERWACHTEN.

ken, dat deze werkzaamheid zal te kennen geven: het aanhoudend, gegrond, ernstig uitzien van de ziel, om zulke zaken van God deelachtig te worden, die Hij in zijn verbond beloofd heeft te willen geven, en die de ziel noodzakelijk aanmerkt.

b. Laat ons die zaak maar uithalen, opdat gij van de dierbare werkzaamheid der ziel omtrent den Heere eenig begrip moogt hebben, en zoo zullen wij nagaan, a. Waarin dit verwachten bestaat, 6. Wat de ziel al verwacht, c. Waarin zij den Heere verwachten, d. Eenige eigenschappen aanwijzen, e. Alsmede hetgeen met deze werkzaamheid vergezeld gaat.

a. Waarin dit verwachten al bestaat, waarvan hier gesproken wordt en op vele andere plaatsen meer, alsof dit verwachten alleen de zaak uitmaakt, waarin alle godzaligheid gelegen is. Het is zoet na te gaan, hoe dierbaar en veelvuldig de Heere van deze werkzaamheid spreekt, Ps. 27 :14, Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja wacht op den Heere. Ps. 37:34, Wacht op den Heere, en houd zijnen weg. Micha 7:6, Ik zal wachten op den Heere, en uitzien naar den God mijns heils; en honderden van plaatsen meer. Ondertus-schen, ga de zaak met mij na.

1. Ontkennender wijze; dit wachten op den Heere, deze verwachting.

AA. Zal daar niet in bestaan, dat de mensch onverschillig moet zijn omtrent God en zijn dierbaar Verbond; dat leggen de natuurlijke menschen ten laste van Gods beste kinderen. Maar o, mijne toehoorders, zoodra als God de heerlijkheid van zijne deugden en de dierbaarheid van den Verbonds-Mid-delaar, en de goederen van dat verbond openbaart, ontstaat er eene liefde en hoogachting der ziel,

211

-ocr page 234-

VERWACHTEN.

zoodat deze liefde is als vurige kolen, vlammen des Heeren, welke vele wateren niet kunnen uitblusschen; zoodat in plaats van onverschillig, de ziel zegt: hoe hartelijk heb ik U lief, o Heere, mijne sterkte! Ja, wat hooger gaat: als zij onder gemis van de uitlating van Gods goedheid zijn, zeggen de oprechten, dat zij krank van liefde zijn.

eb. Het bestaat niet in werkeloosheid, waarin de ziel alle werkzaamheid van de tweede oorzaak zoude willen ontkennen, en maar stil blijven zitten, zonder zich naar God te wenden, gelijk de gruwelijke leer van Spinoza en van Hattem den mensch geheel en al lijdelijk wil maken. God stellende als de alleene oorzaak der daden; daar de ware leer God als de eerste, maar den mensch ook als een tweede oorzaak van al zijn doen aanmerkt. De onbedrevenen in de geestelijke waarheden beschuldigen zulke christenen, die afhankelijk werken en van wachten spreken, dat zij eene werkeloosheid zouden willen drijven, en alle tweede oorzaken ontkennen; maar het tegendeel is waar bij allen, die de grensscheiding tusschen licht en duisternis weten, in wier hart de gebaande wegen zijn; de ware verwachters roepen onder gemis van hunnen God uit: Gelijk een hert dorst naar de waterbeken, alzoo dorst mijne ziel naar God, den levenden God. Ik zoek ü, o God, in den dageraad, mijne ziel dorst naar ü in een land, dor en mat zonder water: \'twelk somtijds zoo verre gaat, dat zij bezwijken van verlangen.

2. Stelliger wijze, dan zullen wij deze verwachting nagaan in \'tgeen

AA. Het veronderstelt; namelijk:

XN. Het veronderstelt, dat zaken en personen, die men verwacht, bekend en ontdekt zijn in eenige

212

-ocr page 235-

VEBWACHTEN.

mate aan deze wachtende onderwerpen: de verwachting van de goddeloo^en is verbolgenheid, Spr. 11: 23. Maar God, naar zijne oneindige barmhartigheid, geeft den waren verwachters van Hem ontdekte en verlichte oogen der ziel, waardoor zij eene nauwe kennis van Hem hebben, en van de zalige goederen van zijn dierbaar verbond, en van zijnen schoonen hemel, welke de erfenis is dergenen, die Hem vreezen. Ik hoor daarom spreken in Gods Woord van de zalving, die de geloovigen hebben, welke hun alle dingen leert; en Johannes, aan de kinderen schrijvende, zegt, dat zij den Vader kennen. Hoe zoet als in eene schilderij wordt ons dit vertoond in Gods handeling met den aartsvader Abraham, God hem tot geloof, hoop en verwachting van groote zaken willende opleiden; Hg leidt hem uit, Hij openbaart die zaken aan hem; waarvandaan Christus zegt, dat Abraham zijnen dag zag en zich verblijdde; evenzoo handelt God met zijne bondelingen; Hij leidt hen bij de hand, hij openbaart de zaken aan hen, welke nooit uit de gedachten gaan, en maakt ze standvastig in \'t uitzien en reikhalzen en jagen daarnaar.

23. Het veronderstelt de allerinnigste liefde en hoogachting tot den Heere en zijne goederen, die Hij in Christus schenkt aan zijn volk; want daar men geenen prijs opstelt, daar zal men onverschillig omtrent zijn; maar bij eenen vrome, schoon er duizenden van werelden waren opgewogen, schoon zij in zijne keur gesteld waren, God en Christus zouden het overwicht hebben; immers zal de ziel met Bruid zeggen: Schoon iemand mij gave al het goed van zijn huis voor deze liefde, ik zal hem verachten ; de Psalmist Ps. 31:20, zal uit hoogachting uitroepen; O! hoe groot is dat goed, dat Gij weg-

213

-ocr page 236-

VEEWACHTEN.

gelegd hebt voor degenen, die U vreezen; en elders zeggen: Hoe hartelijk heb ik TJ lief, o Heere,mijne sterkte! Trouwens dit is een vruchtgevolg van de vereeniging der ziel met Christus, dat de liefde Gods in \'t hart wordt uitgestort door den Heiligen Geest.

JJ. Het veronderstelt, dat de ziel ontvangen heeft de getrouwe en gewisse beloften Gods, dat de zaken haar geschonken zullen worden. Hier is onder anderen een groot onderscheid tusschen de verwachting der huichelaren, die afgesneden zal worden; zij hebben verwachting, maar ze is niet gegrond, ze steunt niet op de belofte, die God op de ziel brengt, en daarom zal ze als rook verdwijnen; maar als God iemand tot zijn volk wil aannemen. Hij brengt hen onder den band des verbonds. Hij gaat een verbond met hen aan op zijn Goddelijk Woord, waarin Hij Zichzelven verbindt hun God te willen zijn, en hen tot een volk des eigendoms aan te willen nemen; zij ook omhelzen dat verbond met al deszelfs beloften en dierbare goederen, zich daarin inlatende en overgevende, \'twelk met Bijbelsche taal uitgedrukt wordt door een schrijven met de hand, dat men des Heeren zijn wil; op deze werkzaamheid ontstaat hope, en er wordt een vaste en onfeilbare grond voor de verwachting der ziel gelegd, ik vind dit doorgaans in Gods onfeilbaar Woord, 2 Sam. 23:5, Al is mijn huis zoo niet bij God, Hij heeft echter een eeuwig verbond met mij gemaakt, wel geordineerd in alles, en vast; daarin is al mijn heil en zaligheid, schoon Hij het nog niet doet uitspruiten. Dezelfde Psalmist zegt ook elders: Gedenk hr^ woord, waarop Gij mij hebt doen hopen, Ps. 119:49.

n, Het veronderstelt, dat schoon de ziel de beloften heeft, dat zij nochtans het volkomen bezit der

214

-ocr page 237-

verwachten.

zaken niet heelt; nadrukkelijk spreekt Paulus in dit opzicht: In hope zijn wij zalig geworden; de hoop nu die gezien wordt, is geen hoop, want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen, liom. 8:24; en Hehr. 11:13, zegt dezelfde Apostel: Deze allen zijn in \'t geloof gestorven, de beloften, of anders, de beloofde zaak, niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd en omhelsd, en beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren op de aarde. Nu, schoon wij weten, dat er eenig onderscheid geweest is tusschen het geloot van de ouden en het onze in \'t voorwerp, zij moetende gelooven in een toekomenden Verlosser, wij in den Zoon en dat kind, dat ons geboren en gegeven is; ondertusschen Gods weg ten aanzien van andere zaken was toen en is nog, zijne kerk door beloften te leiden, en naderhand in \'t volle bezit van alles te stellen. Het is door \'t geloof des Zoons Gods, en niet door onmiddellijke genieting, dat wij in deze huilende wildernis leven moeten, hopende en verwachtende het toekomende; en schoon er somtijds troost komt door geloofsoefeningen op de belolte, als het woord van dien God, bij wien geen ja en neen is; nochtans de dadelijke vervulling wordt uitgesteld, zoolang de erfgenaam nog een kind is; en daarom zegt Paulus, dat altijd de drie hoofdgenaden blijven zullen 1 Cor. 13:13, Nu blijft geloof, hoop en liefde.

eb. Deze werkzaamheid der ziel, welke de profeet ^en verwachten van den Heere noemt, zal in de Tvgende stukken wezenlijk bestaan:

215

XN. Het zal bestaan in een schikken en toebereiden van zijn ziel en zijne gestalte, om God in Christus, hier de Jehova genoemd, op een betamelijke wijze, ware het mogelijk, te ontvangen en te

)

-ocr page 238-

VERWACHTEN.

onthalen. Ik vind, dat Jezus, wanneer Hij zijne Bruid onthalen wil, en haar opwachten, dat Hij zegt, dat Hij zijnen wijn met zijne melk heeft gemengd; en wanneer de Bruid de nabgheid van haren Bruidegom wilde hebben, heeft zij edele vruchten, waarmede zij Hem onthalen wilde. Ja Hoogl. 7:13, Ue dudaïm geeft zijnen reuk, en aan de deur zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude, en deze zijn voor u, o liefste! zegt de Bruid. Daar zijn slordige menschen, die van verwachten spreken, daar hunne daden hun den leugen geven, want zij weten niet, wat het is den tijd door te brengen in opwekken van zichzelven door gebeden, en sterven aan alles buiten God, opdat de genaden levend zouden zijn; maar die recht wachten wil, die bereidt zijn hart om Jehova te ontmoeten in eene betamelijke ziels--gestalte.

Het verwachten van den Heere zal ook in de allerinnigste begeerten naar Jehova bestaan; daarom vind ik in Job 6:8 dat \'t beide tezamen gevoegd wordt. Och of mijne begeerte kwarae, en dat God mij mijne verwachting gave. Er wordt geene werkzaamheid meer in \'t Woord gevonden, dan het innig begeeren en reikhalzen van een bondeling naar den Verbonds-God, en de vervulling van de belofte: Gelijk een hert dorst naar de waterbeken, alzoo dorst mijne ziel naar God, den levenden God, Ps. 42:2, 3. Met mijn hart heb ik ü begeerd in den nacht en met mijne ziel zal ik U vroeg zoeken Paulus, die in deze werkzaamheid was, het nog ni „ hebbende verkregen, jaagde daarnaar. Gods Woord houdt mij wel voor, dat eene ziel nu en dan God mist, dat zij ondertusschen door geloof moet leven, maar nooit dat zij begeerteloos moet zijn; o! al de

216

-ocr page 239-

VERWACHTEN.

heiligen hebben dit nooit dan in ongestalte gehad: anders waren zij zeer ijverig in \'t verlangen.

JJ, Het zal ook zeggen, een werkelijk inslaan van al de ingestelde middelen, met ernst en met getrouwheid in Gods vreeze en tegenwoordigheid, een naarstig nasporen van het Woord, verdubbeling van de gebeden, naarstig bij het Woord, als dat gepredikt wordt, te komen; want verzuim van een eenig middel is eene zonde, en zal eene scheiding maken, en het geweten zal, als die teeder voor God is, het hart slaan en beschuldigen. Ik vind daarom, dat Job zich naar voren en achteren, ter rechter- en ter linkerzijde keerde. De Bruid, Hoogl. 3:2, ging rondom de stad, en hfdst. 5:8 vraagt zij aan de dochteren van Jeruzalem naar haren liefste. En waarlijk, zoolang de ziel dat niet heeft, is haar uitzien en verwachten geen ernst, niet van harte; God heeft het alzoo ingesteld, dat Hij in den weg van de middelen wil gevonden wordeu; niemand moet verwachten Hem anders te vinden.

n. Het zal ook te kennen geven de ongerustheid en hartklopping onder uitstel van de nadering Gods aan het hart; in dit opzicht komen de uitroepen der heiligen te pas: Waarom verbergt Gij U, waarom staat Gij van verre? Hoelang, Heere! hoelang zult Gij U verbergen! O, hoe zal een oprechte ziel hare werkzaamheden nu verdenken! Hoe zal het hart beven! Wat zal men in verlegenheid der ziel staan voor den Heere, als een bevende voor den wind! Dat woord komt niet zonder beweging van tranen en aandoening van de gansche ziel uit den mond: Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; en, schoon de wereld het niet verstaat, de droefheid maakt zulk eenen als een ongetrooste en voort gedrevene,

217

7

-ocr page 240-

VERWACHTEN.

in wien de gedachten zich vermeDigvuldigen, en de wateren tot aan de lippen toe komen.

nn. Het zal ook te kennen geven, een nagaan van al de oorzaken van uitstel en vertraging der toenadering, waarop de ziel zoo gesteld is; o! schoon eene ziel weet, dat God geene rekenschap van zijn doen geeft, nochtans weet zij, dat er ten meesten tijde verborgene redenen bij baar schuilen; daarom onderzoekt zij, of er niet een Achan, een ban is, een verborgene Delila, en of het verwachten wel zoo ernstig en zoo aanhoudende en hartelijk is, O! in zulk een tijd onderzoekt de ziel nauw, ja zeer nauw.

Het zal ook te kennen geven, een kanten van zich tegen de redeneering des vleesches, die eene ziel zonder uitstel zoo veelvuldig ondervindt, dat het maar gelegenheid tot zonde zou geven dezelve te noemen; daarom, wanneer Abraham zich in deze school moest oefenen, wat zegt Paulus, Rom. 4, dat zijne gestalte was? hij ging niet te rade met vleesch en bloed; zoo zoekt eene ziel zich daarvoor te behoeden, opdat zij niet van post, plicht en voorrecht zou afgetrokken worden; het is aanmerkelijk, dat de geestelijke wapenen ook alle hoogten moeten ten onderbrengen, die zich tegen Jezus opwerpen.

U. Het zegt ook, getrouw op zijnen post te blijven; veeltijds vindt eene geoefende ziel, dat zij, eer de tijd bij God was bestemd, maar van den post wilde afgelost worden; het strijden en niet overwinnen valt zoo hard. Ondertusschen daar het verwachten recht is, brengt de ziel zich te binnen: God heeft mij in deze posten gesteld, ik moet zoolang het zijn Goddelijke wil is, getrouw blijven staan, ik zal standvastig wachtende blijven staan, ik zal ook niet wijken een vingerbreed.

218

-ocr page 241-

VEEWACHTEN.

im Het zal mede insluiten, dat de ziel van zins en willens zij, al het moeielijke uit te staan, met Jakob niet alleen de hitte des daags, maar ook de koude des nachts. Velen -wilden den Heere wel verwachten, maar de verzoekingen, de inwendige benauwdheden, de uitwendige hoon en smaad en verdrukkingen doen tijdgeloovigen verdorren; maar in \'t recht verwachten zal niets scheiden, al moet de ziel door eene hel gesleept worden, Rom. 8; 39, Niets zal ons scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus, onzen Heere.

totO. Het zal zeggen, dat de ziel onder al het uitstel het aan God overgeeft, zoekende hare ziel in lijdzaamheid en stilte tot God te bewaren, vermits zij weet, dat de almachtige en eeuwige God best weet wat haar het nuttigst is in dezen; daarom vind ik, dat David, terwijl hij in deze gestalte was, uitroept: Gij toch, o mijne ziel! zwijg Gode; in stilheid van overgeven en vertrouwen zal toch de sterkte zijn; niet in al dat woelen en overhoop halen. Er zijn Christenen, die het al te gemakkelijk kunnen stellen; er zijn anderen, die te veel murmureeren; o! de middelweg is de stille, effenbare, werkzame gestalte der ziel in \'t overgeven van hare zaken en al hare belangen aan God.

quot;1quot;). Eindelijk zal het een geloovig vasthouden aan Gods beloften te kennen geven, waardoor de ziel staat maakt op Gods Woord, zoekt goedertie-rene indrukken van Gods handelingen te hebben, en verwacht, dat Hij op zijnen tijd al hare zaken zal verrichten, en als Hij haar gelouterd heeft, haar in \'t licht zal voortbrengen. Dit vinden wij in een ■wonderbaren trap in Job; hij zou willen vertrouwen op God, ofschoon God hem dooden wilde; dit is

219

I

-ocr page 242-

YEEW ACHTEN.

het: Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem; want Hij, die komt, zal zekerlijk komen, en niet achterblijven. O zalige werkzaamheid, waarin de geheele ziel bezig is omtrent God en zijn zalig verbond, meer naar God verlangende dan een wachter naar den morgen, en een daglooner naar het naken van den avond.

a. Vraagt uwe aandacht, wat een geloovige al verwacht? Ik moet u zeggen, mijne geliefden! dat alle ware begenadigden zeer uitgestrekte begeerten hebben; hun hart is hol en hunne begeerten zoo uitgestrekt, dat niets dan een oneindig God en een oneindig goed hunne schatkameren vervullen kan. Wilt gij er ondertusschen iets van in \'t bizonder weten:

a. Let toch met mij op de volgende zaken:

1. Zij verwachten dan den Heere zeiven, gelijk onze woorden het medebrengen: die den Heerever-wachten. Het behaagt den Drieëenigen God somtijds nabij zijn volk te komen, en Zich als Vader, Zoon en Heilige Geest aan \'t hart van zgn bondsvolk, in zijne heerlijkheid en glansrijkheid en Goddelijke toegenegenheid tot hen, zoo te openbaren, dat zij er niet aan twijfelen kunnen; dit vervult hun hart met zoodanige verwondering, en aanbidding, en blijdschap, en geloof, en liefde, dat hun berg schijnt vast te staan door zijne goedgunstigheid, zoodat het is, alsof zij in eeuwigheid niet zouden wankelen; nu wordt de ziel met Mozes op den top van Pisga gezet, zij ziet het beloofde land van verre; met de discipelen staat zij nu op Thabor, en wenscht daar wel tabernakelen te maken; dit wordt in des Hee-ren Woord genoemd vreugd op vreugd te hebben, nabij God te zijn, te zitten onder den appelboom,

220

-ocr page 243-

VEEWACHTEN.

en te ondervinden, dat de vrucht haar gehemelte zoet zij, ja, een zien van den Koning in zijne schoonheid, een zien van het gewenschte land. Ondertus-schen deze oogenblikken zijn maar zeer kort van duur, gelijk Bernardus zegt; rara hora, brevis mora; de Heere vertrekt, zij missen Hem, derhalve hunne zielsbegeerten gaan uit, zij moeten nu verwachten dengenen, die hen placht te troosten; waarvandaan het is, dat er nergens van eene werkzaamheid van een geloovige meer gelezen wordt dan van deze, Ps. 25:5, Leid mij in uwe waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganschen dag. Micha 7:7, Ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij hooren.

2. Zij verwachten de vervulling van deze en gene Goddelijke belolte. Elke belofte is het eigendom van eiken bondgenoot, in zooverre als die behelzen algemeene goederen van het genadeverbond; derhalve ziet de ziel uit naar de vervulling en waarmaking van al de beloften aan zich, dat God het vleezen hart wil geven, zijnen Geest en heiligmakende genade; ondertusschen, als wij Gods Woord nagaan, vinden wij, dat God, die zijn volk door beloften altoos heeft willen leiden, hen nochtans niet door gemeene, maar door bizondere beloften geleid heeft. Onder het Oude Testament leidde God zijn volk door de beloften van den Messias; maar Hij leidde ook Abraham en zijn geloovig zaad vierhonderd jaren door de belofte van Kanaan, als een onderpand van den hemel. De kerk in Babel leidde Hij door eene belofte van verlossing na eene zeventigjarige gevangenis. Na Davids tijd was de bizondere belofte, dat de Messias uit den afgehouwen tronk van Isaï zou

221

-ocr page 244-

VERWACHTEN.

voortkomen. De kerk des Nieuwen Testaments leidt God door eene gemeene belofte van Christus\' toekomst; ondertusschen in zekere tijden dan door deze, dan door gene bizondere belofte van zijn Woord. Zoo is het hier; elk geloovige heeft eenige bizondere belofte, behalve de algemeene, waarvan hij zeggen kan op eene meer nadrukkelijke wijze, dat ze de zijne is, dat God ze hem toepast. Deze nu wordt niet ten eerste vervuld, God uitstellende deze vervulling tot oefening en beproeving des geloofs; waaruit voortvloeit, dat de ziel naar de vervulling moet zien, lettende op al de wegen van de Godde-lijke voorzienigheid, en die met Gods eeuwigblijvend Woord vergelijkende; daarom in den 119aen Psalm vind ik den Psalmist zeer bij God aanhouden, dat Hij gedenken zou aan het Woord tot zijnen knecht gesproken. Dit is het leven des geloofs; deze genade, bestaande in eene bizondere toeëeigening, werkt in \'t bizonder, in de verwachting naar de vervulling van de Goddelijke toezeggingen, aan zich in \'t bizonder gedaan.

3. Zij verwachten Goddelijke instralingen van den Heere in de verborgenheden van het zalige Evangelie, en in hen zeiven, en in het werk van God in hunne ziel. De geloovige ziel ondervindt, dat het redelicht valsch is; zij ondervindt, dat schoon zij hebbelijk licht in haar verstand van God ontvangen heeft, dat dat licht niet in staat is om de voorwerpen naar vereischte met eene hartsmeltende en verkwikkende kracht voort te brengen; en daarom zijn de heiligen om dit licht altoos zeer ijverig geweest, Ps. 43:3, Zend uw licht en uwe waarheid, laat die mij leiden. Ps. 119:18, Ontdek mijne oogen, opdat ik de wonderen van uwe wet mag aanschouwen.

222

-ocr page 245-

VERWACHTEN.

Hiertoe vind ik, dat de eilanden naar zijne wet, de wet des geloofs, zouden wachten, Jes. 42:4, De eilanden zullen naar zijne leer wachten.

4. Zij verwachten redding uit hare ongelegenheden. Wij weten, dat de tegenspoeden der rechtvaardigen zeer vele zijn; somtijds komen de wateren van tegenspoed zich verheffen, ja, tot aan de lippen toe; in dezen toestand was David, Ps. 42:12, zoodat hij moest uitroepen: Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij mistroostig in mij! hoop op, of eigenlijk verwacht, Grod, want ik zal Hem nog loven, namelijk, vanwege de redding, die ik verwacht. Dit schijnt ook hier te zijn: Israel zeide, dat hun weg voor den Heere verborgen was, dat is, dat de vijanden zoo veel macht hadden, en de zware drukken zoo vele waren, dat het scheen, dat de Heere hunner vergeten had; de kerk was, Jes. 59:9, in dezen opzichte wachtende naar licht, dat is, redding, en er was geene.

5. Zij verwachten, dat God hun recht wilde handhaven. Somtijds staan vromen en onvromen op tegen eene oprechte ziel, om die te verdoemen en te ver-oordeelen, gelijk in Jobs geval, en meermalen in David, en het valt niet gemakkelijk; maar de ziel, die hare oprechtheid bewust is, wil hare zaak aan Gods beslissing overgeven, en wachten naar recht, Jes. 59:11, en zeggen uit Mich. 7:9: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, totdat Hij mijne twistzaak twiste, en mijn recht uitvoere.

6. Zij verwachten van den Heere geestelijke overwinningen over de vijanden, die inwendig zijn in \'t hart, en die hen zoo zeer kwellen. Daar is een ongeloovig hart, daar is eene kracht van inwonende

223

-ocr page 246-

VERWACHTEN.

zonde, waardoor zij, schoon de ziel in Gods vreeze eenen lust tot het goede heeft, nochtans het goede, dat zij willen, dat doen zij niet, en het kwade, dat zij niet willen, dat doen zij. Zij worden weggevoerd als een blad voor den wind, moetende uitroepen: o wee mij, ellendig mensch! wie zal mij verlossen? Ondertusschen is de verwachting van hunne ziel, dat zij van zonde zullen ontbonden worden met Zacharias, om God eens zonder vreeze te dienen.

7. Zij verwachten Goddelijke versterkingen. Een arme ziel wordt dikwijls, als die geoefend wordt in Gods weg, als een lederen zak in den rook; de krachten van ziel en lichaam vergaan in vele opzichten; door dat verlangen komen zij nu en dan te bezwijken, zoodat de krachten zich veranderen in zomerdroogten; ondertusschen zij verwachten, dat God zijne erfenis zal versterken, als die moede en mat geworden is; welke verwachting steunt op voorgaande ondersteuningen: die ons verlost heeft, en nog verlossen zal.

8. Zij verwachten vrede van God in hun geweten. De zonde is van dien aard, dat de ziel er over eene scheiding tusschen zich en God ondervindt, en benauwdheid der ziel; ondertnsschen de ziel ziet uit naar het bloed der Verbonds, om dat te omhelzen en aan te grijpen; in dit opzicht vind ik, dat de kerk vrede verwacht, Jer. 8 :15.

9. Zij verwachten raad en leeringen in duistere gevallen. Somtijds wordt de ziel in omstandigheden gebracht, waarin zij Gods wil niet weet, noch tusschen zonde en plicht kan onderscheid maken, hetgeen zeer eng moet vallen, vermits in doen en laten de ziel zich tegen den Heere bezondigen kan; daarom vinden wij, hoe \'t beide tezamen gevoegd wordt, Ps. 25:5, Leid mij in uwe waarheid en leer mij,

224

-ocr page 247-

VBEWACHTEN.

want Gij 7A]i de God mijns heils; U verwacht ik den ganschen dag.

10. Zij verwachten van God, op grond van zijne jhelofte, de heiligmaking en verandering van hunne geheele ziel naar het Goddelijke beeld; o! daarop is hunne ziel verliefd, dat zij zich honderdmaal voorstellen, opdat Hij in haar wil werken al het welbehagen van zjjnen wil en het werk des geloofs met kracht.

11. Zij verwachten de aanneming tot kinderen; gelijk de Apostel ons dit schrijft, dat zij, die de eerstelingen des Geestes hebben, zelfs de aanneming tot kinderen verwachten, Rom. 8:23, waarover ik mij niet uitlaten zal.

12. Eindelijk, zij verwachten eene stad, niet met handen gemaakt, een gebouw van God, waar zij Hem zien zullen, gelijk Hij is. O! dierbare verwachting Tan des Heeren gunstgenooten! welke niet ijdel zal lijn in den Heere, vermits God zelf beloofd heeft aet te schenken. \'

c. Vraagt nu uwe christelijke aandacht, waarin een geloovige Jehova zijnen God al komt te verwachten? Ik antwoord: in alles wat hem voorkomt, wat hij doet of laat, opdat hij daarin Gods hand, hulp, bijstand en bekwaammaking mag ondervinden en gewaar worden. Want vindt hij Jehova niet, kan hg geene gemeenschap in alles met den Heere hebben, zijne ziel kwijnt, en zijne oogen treuren, opdat zijn God en deel bij hem ondervonden mag worden; hij ondervindt, dat het tevergeefsch is heil te verwachten van de bergen, of van de menigte der heuvelen; en daarom ziet hij in alles uit naar God, den God zijns heils, meer dan een wachter uitziet naar den morgen, ja naar den morgen,

15

225

-ocr page 248-

VERWACHTEN.

226

Jer. 3:23, Ps. 130: 6. En hierin is een groot onder scheid tusschen nabijkomend werk en het ware; d( eersten zijn tevreden met de betrachting van hunnei plicht en met eenige aandoening daaronder; maai een oprechte verwachter ziet uit, hij let nauwkeurig, of God in zijn bidden, lezen, tranen, enz., is; en mist hij dat, dan verfoeit hij zich en heeft eene walg van al zijn doen, hetzelve rekenende als een wegwerpelijk kleed. Ondertusschen, geliefden! het zal niet ondien-l stig zijn in eenige bizonderheden u voor oogen te stellen, waarin de geloovigen den Heere verwachten 1. Zij verwachten God in hunne gebeden, die zij tot Jehova uitstorten. De gebeden zijn de ziels\' alleenspraken tot en met God, waarin zij tot hunnen Vader, die in den hemel is, toenaderen me: kinderlijke vreeze, eerbied en liefde, om al hui weg, Ps. 119, aan Hem te vertellen, en bekend t| maken, en alle nooden als \'tware met den vingej aan te wijzen. Waarin zij somtijds eenen vrijen toe] gang vinden door Jezus, die de weg, de waarheiJ en het leven is; zoodat zij met levendigen ernst, aanl drang, en vele worsteling kunnen blijven aanhoudenl en met het innigste vermaak en verkwikking zie# bezig houden in het uitschudden van hun hart voojii den Heere in hunne verborgene plaatsjes, nooit meen naar iets verlangende, dan om gelegenheid te hebV ben, om in \'t eenzame met God gemeenzaam om t« gaan. Ondertusschen, het gaat altoos zoo niet in dt\' bevinding der heiligen; zij moeten somtijds van verre staande ondervinden, dat de weg is toegesloten, dat zij zelfs geene woorden hebben, om hunnen nood bekend te maken; hunne tong kleeft aan hun gehemelte; het valt zwaar eenige oogenblikken in \'tgebed te blijven; alles is zoo loom, zoo traag,

-ocr page 249-

verwachten.

zoo harteloos, ernsteloos, oneerbiedig, ongevoelig, dat zij eene walging moeten hebben van zich zeiven en uitroepen: Gelijkt dat naar bidden! Nochtans waar deze bedaarde wachtende of verwachtende gestalte is, verwachten zij God den Heere in de gebeden:

aa. Dat Hij uit oneindige barmhartigheid den weg van toenadering voor hen wil openen en ontdekken, opdat zij niet als blinden naar den wand tasten mochten, \'twelk David in \'t oog zal gehad hebben, Is hij zegt: Van het einde des lands roep ik totU, Is mijne ziel overstelpt is; leid mij tot de steenrots, die mij te hoog zou zijn. O! wat moet eene oprechte ziel niet dikwerf sukkelen, eer zij dezen weg onder het oog krijgen kan.

be. Dat zij in de oefeningen des gebeds mochten gewaarworden den wind des Geestes, om de begeerten te verlevendigen, te bezielen, en hen met eene verborgen kracht, met aanhoudende drangredenen te vervullen, opdat de tong mocht zijn als de pen eens vaardigen schrijvers, en zij God mochten aan-loopen als een waterstroom, Ps. 42.

cc. Dat zij het zoo ras niet mochten opgeven, en buiten hope en herstel stellen; maar tot dezelve blijven wachten met alle smeeking en werkzaamheid, Efez. 6:18.

dd. Dat zij zouden vinden, dat de beletselen mochten weggeruimd worden, en dat zij hun vorig vermaak en genoegen in deze oefening mochten gewaarworden, en den God hunner blijdschap en verheuging vinden en ontmoeten; hetgeen Job zal gewenscht hebben, wanneer hij begeert, dat het met hem mocht zijn als in de vorige dagen.

2. In hunne meditatiën of overdenkingen, waarin de ziel zich tracht te bepalen, zonder eenige mid-

227

-ocr page 250-

VEEWACHTEN.

delen van schrijvers, of iets dergelijks, om Gods wegen na te gaan, om zich God in zijn deugden en volmaaktheden voor te stellen, het werk der ver-| lossing, de naturen, ambten, en staten van den Mid-j delaar; hierin verwacht de ziel Goddelijk licht, 01% haar alles in zijne heerlijkheid te ontdekken, opdat\' zij zijne heerlijkheid moge zien als in eenen spiegel ten minste, en in eene duistere rede, opdat zi veranderd moge worden van heerlijkheid tot heer] lijkheid als door des Heeren Geest. Dat hare over denkingen haar strekken mochten tot voedsel vai het geestelijke leven, en stofte van hare gebeden voo: den Heere, vermits de gebeden zonder de overdenkingen niet bestaan kunnen; ja zij verwachten den Heere hierin, opdat Hij hunne harten wil bepalen en van verstrooide gedachten bewaren, en elke overdenking doe zijn van eene hartsmeltende krach! in zijne Goddelijke vreeze; dit wil David, als hij zegt: Vereenig mijn hart tot de vreeze uws naams.

3. In hun onderzoek van zichzelven, aangaande hunnen eeuwigen staat. Een arm sukkelend geloo-vige kan dikwerf niet komen tot die daad des ge-loofs, waarop de weerslag op zijne ziel komt, daarom moet hij zijnen staat volgens een rechte sluitreden opmaken; ondertusschen vindt hij, terwijl hij poogi dit te doen, dat het voor den meesten tijd van weinige kracht is; daarom al doende en zich al bezighoudend^, verwacht hij God in dit werk, dat de Jehova hem inleiding wil geven in hetgeen het wezen van de genade uitmaakt, en in zijne bevindingen wil inleiden; en daarbij, als hij een besluii wil maken, dat het bekrachtigd mocht worden door de werking des Geestes aan zijne ziel, zoodanig, dat hij het daarvoor houden mocht, dat hij der

228

-ocr page 251-

VERWACHTEN.

zonde gestorven is, hetgeen Paulus zakelijk voorstelt, als hij zegt, Rom. 8:16. De Geest Gods getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

4. In hun vasten; daar eene ziel uit bewustheid van haar onbetamelijk gedrag en de hardnekkigheid van hare zonde, zich ootmoediglijk tracht voor God te buigen, wetende, dat zulk een geslacht niet uitgaat, dan door vasten en bidden. Hierin verwacht een oprechte den Heere, dat Hij hem levendig wil inleiden in den verdoemelijken aard van zijne verdorvenheden, zijn hart met Josia wil week maken, en hem verwaardigen tot standvastigheid in zijne kracht en vermogen tegen alles, en al zijne feilen en tekortkomingen genadiglijk wil uitdelgen; dit is het bekeeren van zich tot den Heere met vasten en met tranen, enz. Joël 2:12, en letten of God er in en onder gevonden wordt.

5. In hunne betrachtingen. De ziel, die God vreest, zoekt zich in \'t verborgene en in \'t openbaar bezig te houden omtrent God en haren evennaaste in de oefeningen van haren plicht; maar om dit- gewillig te doen met volvaardigheid van de ziel, zien de oogen uit naar God om gewilligheid, volvaardigheid en getrouwheid in alles. Want dat is toch het grootste, dat zij begeeren zouden, dat zij getrouw mochten bevonden worden, en om zoo te zijn, worden zij gewaar, dat voorkomende genade, om hen op te wekken, te onderwijzen en gaande te maken, ten uiterste noodig is; ja ook medewerkende genade, om in het begonnen werk niet te verflauwen, maar voort te gaan; en ook achtervolgende genade, om het werk te bekronen; zoo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eere.

6. In hunne geloofsoefening. Eene oprechte ziel

229

-ocr page 252-

VEBWACHTEN.

heeft geloof te oefenen omtrent drie zaken: het verledene, tegenwoordige en het toekomende; zij heeft geloof te oefenen omtrent haren staat en hare gestalten; zij heeft geloof te oefenen omtrent het geestelijke en lichamelijke. Een verwachter van den Heere poogt in al deze opzichten naar die daad, waardoor hij uit ledigheid in volheid overgaat, en zijne zaken in de hand van eenen Borg gerust kan overgeven en toevertrouwen; derhalve poogt hij veelmalen zich te verlaten aan den Heere, en hij let gedurig, wat rust en kalmte en ontheffing van zijne zwarigheid hij ondervindt in zijn doen.

7. In hunne verlatingen en hunnen afged waalden toestand, opdat de Heere hen wilde komen opzoeken, zeggende: Keert weder, keert weder, gij afkeerige kinderen! en hen dus tot Zich trekken met liefdekoorden en menschenzeelen, en hen van hunne afkeerigheid genezen, en hen stellen in hunnen vorigen ijver, sterkte en ernst, en hen levend maken naar zijn Woord: gelijk dus David uitziende was, wanneer hij zegt, Ps. 119:176, Ik heb gedwaald als een verloren schaap; Heere, zoek uwen knecht!

8. Eindelijk, in al Gods voorzienigheden, waarin een opmerkende geloovige tracht op alles te letten, en zijne voorzienigheden na te gaan, om daaruit onderwezen te worden in des Heeren goeden en welbehagelijken wil, opdat hij niet met drift en eigenzinnigheid zich in zaken zou inlaten, waarover hij zich naderhand deerlijk berouwen zou; een nadrukkelijk leerbeeld hiervan is Abrahams knecht, Eliëzer geweest; en die op God in dezen weg wacht, zal er ook de vruchten van hebben.

d. Gij zult mogelijk zeggen: hoe of op wat wijze dan verwacht de ziel den Heere? Ik zal er u iets van zeggen, mijne geliefden!

230

-ocr page 253-

VEEWACHTEN.

1. Met groote hoogachting van den Heere, schoon uit het oog, nochtans niet uit het hart; schoon tegenwoordig Zich achter eene wolk verbergende, zoodat zij Hem niet zien kunnen, zij hebben Hem nochtans lief, dat is in den grond van het hart eens rechten wachters: Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U begeert mijne ziel ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vleesch en hart. Gij zijt de rotssteen mijns harten, en mijn deel tot in eeuwigheid, Ps. 73:25, 26.

2. Met ootmoed en nederigheid der ziel uitroepende, met den hoofdman, dat zij niet waardig zijn, dat de Jehova onder hun dak zou komen. Paulns in dit opzicht merkt zich aan als den minste der heiligen, en als den grootste der zondaren. Ja Ps. 34 roept David als een ellendige tot den Heere, en als hij de verwachte zaak van den Heere ontvangt, zegt hij: Ik ben een arme en ellendige, doch God denkt aan mij.

3. Met een standvastige en bijblijvende overreding van de noodzakelijkheid van des Heeren toenadering tot hunne hulp en tot hunnen troost; gaat dit over, verflauwt het, o! dat verwachten verflauwt ook naarmate van dien, waarom de Kerk zal zeggen tot Jehova: Ik zal uitzien naar den Heere, en wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij hoeren.

4. Het is ook met een herinneren en zich te binnen brengen, en, als \'t ware, nalezen van die liefde-letteren, die zij van Jehova hebben; \'twelk in de Bijbelsche taal zegt: een gedenken aan de dagen vanouds, waarin David zich bezighield, in Ps. 42, met te gedenken aan Gods goedertierenheid uit het land der Jordaan; en ook Azaf in Ps. 77. O! het kan tot groot |nut zijn voor eene ziel vorige bevindingen na te gaan; somtijds geeft het zulk eene

231

-ocr page 254-

VEEWACHTEN.

kracht aan dat geloovig verwachten, dat zij kunnen uitroepen: Die ons verlost heeft, en nog verlossen zal.

5. Met een nagaan van de gronden van hunne hoop en verwachting, zooals God in zijn Woord belooft, dat die den Heere verwachten, niet zullen beschaamd worden, noch te schande worden; zooals zij zien, hoe de heiligen deze genade zonderling geoefend, en het er wel bij bevonden hebben.

6. Met sterke begeerten en verlangens naar den Heere, Ps. 42.

e. Wilt gij nog eenige eigenschappen van het verwachten van Jehova hebben?

1. Dit verwachten is een geloovige werkzaamheid; het is anders niet dan de oefening des geloofs omtrent zaken, die de ziel niet heeft, maar volgens het Woord, dat de Heere tot haar gesproken heeft, waarop Hij haar heeft doen hopen, dat zij omtrent die blijft uitzien en vertrouwen, dat de Heere die op zijnen tijd schenken zal tot zijne eer en haar heil en beste.

2. Het is een betamelijke werkzaamheid; God is niet verplicht eenige rekenschap van zijne daden te geven, veel minder eenige genade en voorkoming aan eenen doemwaardige mede te deelen; is God een sóuvereine Geest, doet Hij alles om Zijns zelfs wil, wat kan er dan betamelijker zijn, dan dat zijn schepsel, indien Hij vertoeft. Hem verbeidt, en blyft uitziende naar den Heere.

f. Deze werkzaamheid is nochtans vergezeld met eenige zaken, waardoor ze moeielijk valt, en er ver-eischt worde zeèr veel bedaardheid en standvastigheid in den weg van God; wilt gij eenige zaken weten, let op de volgende:

1. Deze werkzaamheid is vergezeld met vele angsten des gemoeds. God is verre, de ziel kan Hem niet

232

-ocr page 255-

VERWACHTEN.

onder het oog krijgen, zij is in duizend nooden; daarom vind ik, dat David kwijnende, gebogen en krom ging; en Salomo zegt: De begeerte, die uitgesteld wordt, krenkt het hart.

2. De ziel vindt, dat er werk toe van noode is, om haar stil tot God te houden; dat murmureeren, dat haasten, die ongebogenheid is niet om te boven te komen; daarom vind ik, dat David, Ps. 27:14, zegt: Wacht op den Heere, ja, ik zeg, wacht; zijn hart wilde hem niet gehoorzamen, wanneer hij voor do eerste maal zeide: wacht; hij moet het herhalen met een sterk gebiedend woord, om, als \'t ware, banden op zijne ziel te leggen: ja, ik zeg, wacht.

3. Het is eene werkzaamheid, vergezeld met vele bestrijdingen en aanval. Gods weg is somtijds, alles donker te maken, hunnen weg toe te metselen, en zijne handelwijzen, in zooverre als zij het zien kunnen, zijn recht tegen hunne verwachting, waardoor zij somtijds, omdat zij zoo ervaren niet zijn in Gods handelwegen, uitroepen: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij; mijne hope is vergaan van den Heere; waarbij ook somtijds komt, dat het hart zich begint te veroordeelen in de donkere gevallen: dat is het loon van uwe ongerechtigheid, uw verwach\'en wordt nu afgesneden, tot een blijk, dat gij een huichelaar zijt; was uw wachten recht. God zou u voorkomen. En de vijand^ die op zijn loeren ligt, zoekt dit op allerlei wijze waarschijnlijk te maken; hij drijft het hart er in voort met groot geweld, en hij bepaalt de aandacht omtrent alles, dat de ziel ongeloovig kan maken; hij zoekt en stelt voor oogen oude zonden der jeugd en nieuwe zonden; hij toont den on-afscheidelijken samenhang, die er tusschen zulke

233

-ocr page 256-

VERWACHTEN.

zonden en de straf is; zoodat de arme ziel, als \'t ware, tusschen twee rijen van steenen is, de wateren tot de lippen, en bijna buiten staat op haren post te staan, zij schijnt het gewonnen te geven. O sterk geloovige! die nu met Job 13:15 kan zeggen: Ofschoon Hij mij doodde, ik zal op Hem hopen; die nu vasthoudt aan zijne oprechtheid tot den einde toe, en die op zijn post kan blijven, zonder te wijken een vingerbreed; die uitroept: al moet ik sterven, ik zal aan zijne voeten sterven, als een wachter en reikhalzer naar vrije genade en oneindige barmhartigheid om Jezus\' wil, heeft een groote mate des geloots.

3, Betreffende ons tweede deel: Zij zullen de krachten vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden.

x. Wat de letter hier betreft, wij zouden u gemakkelijk kunnen mededeekn, hoe de oude overzet-ters, in navolging van Luther, hoe de Engelschen en Zeventigen het hebben; maar ik acht dat vergeefsch werk, vermits onze overzetting geen licht daarvan hebben kan; ik dacht ook het een en het ander van de arenden gezegd te hebben uit den zeer geleerden Bochart en andere schrijvers, maar oordeel dat het niet nuttig kan zijn, vermits de zeer nuttige Mengelstoffen van den eerw. en zaligen heer Hel-lenbroek in uwe handen zijn, die dit zeer geleerde-lijk gedaan heeft: leest hem na, thuis gekomen zijnde. 13. Wat de zaak aangaat, uwe aandacht ziet: a. Dat er vernieuwing van krachten beloofd wordt. Zij zullen de krachten vernieuwen. Wij zullen aan uwe aandacht aanwijzen:

a. Waarin dat vernieuwen zal bestaan. 1. In \'t gemeen zal het gelegen zijn in de nieuwe

234

-ocr page 257-

yeewachten.

bekwaamheden, die zij in de betrachting van de godzaligheid ondervinden zullen, om voor den Heere te leven en te wandelen en te zegepralen over al hunne vijanden. Geloof, hoop en liefde, als de krachten vernieuwd worden, worden opgewekt, verlevendigd en versterkt, de zwakken worden als David, de slappe handen breken een stalen boog, en de lamme kan over een muur springen, en door eene bende gaan.

a. In \'t bizonder zal dit vernieuwen van krachten zeggen:

aa. Dat de verwachtende ziel moed begint te scheppen. In de moedeloosheid laat men de harpen aan de wilgen hangen; maar als God de krachten begint te vernieuwen, het eerste, dat eene ziel gewaarwordt, is, dat de Heere op eene verborgene wijze moed inboezemt, waardoor men het zoo hopeloos niet stelt, als voorheen; de ziel begint grond te vatten van Gods deugden, van des Heeren beloften, van \'s Middelaars genoegdoening, van voorgaande beloften en ondervindingen, en dus begint men te zeggen: Misschien zal God mij hooren en uithelpen, Joël 2:14. Schoon dit zoo groot in \'t begin niet schijnt te zijn, het baant nochtans den weg tot meer, en beurt de arme verwachtende ziel op, en maakt aanhoudende; evenals het een krijgsknecht opbeurt, op een gevaarlijken post staande, dat hy begint te herdenken, dat zijn overste getrouw en medelijdend is; en zijne eer daarin stelt om zwakken liever te hulp te willen komen, dan dat zij door den vijand zouden overrompeld worden.

be. Dit vernieuwen van krachten zal bestaan hierin, dat de genaden, die, als \'t ware, begraven en bedolven lagen, beginnen te herleven en te voor-schün te komen; evenals het met een boom is, die

235

-ocr page 258-

VERWACHTEN.

in den winter schijnt dood te zijn, zonder vrucht, blad en bloesem, dat die allengskens herkomt, blijken geeft, dat hij niet geheel dood en gestorven was; of met iemand, die in eene flauwte lag, dat hij al langzamerhand begint te betoenen, dat hij leeft; zoo ook, als de krachten vernieuwd worden, de genaden beginnen zich te vertoonen; zulk een veroordeelt zich, hij rechtvaardigt God in al zijn handelingen, hij begint met liefderijke en goedertierene indrukken omtrent God werkzaam te zijn, hij bestraft zijne ongeduldigheid, hij zoekt aan de beloften Gods door geloof, hoop en liefde te hangen; dit is het, dat de Zaligmaker zegt: Die in mij gelooft, al ware hij gestorven, zal nochtans weder leven of herleven.

cc. Dit vernieuwen van krachten zal bestaan daarin, dat de genaden niet alleen werkzaam zich betoonén, maar met gemakkelijkheid; evengelijk een mensch, die gezond wordt, hij doet zijn werk met gemak; zoo hier, het valt dan de ziel zoo moeielijk niet meer, maar door de levenskrachten, die zij ontvangt van boven, vrij gemakkelijk, dit wordt ons vertoond in \'tvervolg van ons tekstvers: Zij zullen loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat wo rden; en in de reizigers door het dal der moerbezieboomen gaande: Zij zullen gaan van kracht tot kracht, Ps. 84:7,8.

dd. Het zal ook bestaan daarin, dat zij met blijdschap werken zullen; in navolging van Jezus wordt het hunne spijs en drank, den wil van hunnen hemel-schen Vader te doen; in welk opzicht de zachtmoe-digen vreugde op vreugde hebben, en zij met den Moorman in Hand. 8:39, hunnen weg met blijdschap reizen, achtende de tegenwoordige verdrukking niets, vermits die voor hen uitwerken een eeuwig gewicht van heerlijkheid.

236

-ocr page 259-

vekwachten.

be. Het zal ook daarin bestaan volgens de letter, dat zij kracht voor kracht zullen hebben; nieuwe krachten voor de nieuwe gevallen en omstandigheden, waarin zij gebracht worden; dit is de eene ge-inade voor de andere genade na, \'twelk mede te ken-|j nen gegeven wordt Joh. 1:16, als er gezegd wordt, idat zij uit zijne volheid genade voor genade zullen ontvangen, dat is, nieuwe voorkomende en medewerkende en achtervolgende genade, om de andere hebbelijke genaden te versterken, die anders niet in staat zouden bleven om te werken.

ff. Eindelijk, dit vernieuwen van krachten zal zich uitstrekken tot al de genaden, tot geloof, hoop en liefde. Want de ziel moet niet alleen in het eene toenemen, maar in alles; als het wel gaat in de vernieuwing van krachten, men is gelijk de mestkalveren. I 6. De middeloorzaken van deze vernieuwing zijn kortelijk de volgende.

! 1. Door verborgene ondersteuningen, die eene ziel juist in het tegenwoordige niet gewaarwordt, maar naderhand ziet zij het, en kan God daarover loven Jen grootmaken; gelijk het met David was: Mijne ziel kleeft U achteraan, uwe rechterhand onder-isteunt mij.

2. Door inbrengen van nieuwe beloften in het hart, met een Goddelijken blijk, welk de Heere in deze quot;iot de ziel spreekt: Hij zal tot zijne gunstgenooten van vrede spreken.

3. Door herinnering van voorgaande bevindingen, Jonder het oog brengende al hetgeen zij ondervonden

hebben voordezen.

4. Door opklaring van hun aandeel aan Jezus, dat zij evenwel, schoon het er anders naar uitziet, Christus\' eigendom geworden zijn.

237

-ocr page 260-

VERWACHTEN.

5. Door beteugelen van hunne vijanden, zoodat die de vorige kracht en geweld niet kunnen oefenen.

6. Door verruiming en openzetten van den genadeweg voor de ziel, zoodat, schoon zij de toenadering Gods zoo gevoelig niet ondervindt, zij echter haar klacht kan uitstorten. \'1 \'j \' 7. Eindelijk, door de goedgunstige toenadering van Jehova. Ik durf het niet uitbreiden.

c. Hiermede gaat vergezeld:

1. Verwondering, als God de gevangenen zijns volks wederbracht, waren wij als menschen, die -droomden.

2. Hartelijke liefde tot God in Christus.

3. Oprechte gehoorzaamheid.

b. Het tweede, dat de Heere belooft, en hetgeen

ook van de arenden afgeleid wordt, is, dat zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden.

a. Gelijk de voorgaande belofte aan de ware verwachters van den Heere ons onder het oog stelde, hoe de zwakke en versletene kracht hersteld wordt, zoodat zij beginnen te herleven en vermogens te ontvangen, om hunnen plicht te oefenen, in de vreeze Gods; alzoo zal deze onze hen als dadelijk in de oefening voorhouden, bezig zijnde in de hemelsch-gezindheid, vergetende hetgeen achter is, en zwevende met eene volle vlucht naar boven, waar hun hoofd, hun schat, hun alles is, die alles in allen vervult : Zij zullen opvaren met vleugelen, als de arenden.

5. In \'t bizonder, om iets van deze hemelschge-zindheid der geloovigen te spreken, zullen wij 1) hun 1 opvaren zelve nagaan volgens het zinnebeeld, 2) aan- \'1 wijzen de tijden wanneer, en 3) de zaken waarin zij | alzoo opvaren. j

1. Het eerste betreffende, daar wij spreken zouden

238

-ocr page 261-

verwachten.

van de betrachting der geloovigen in den weg naar den hemel, zooals dezelve vergeleken wordt bij het opvaren op vleugelen, gelijk de arenden, dat zal haast blijken, waarin dat alles bestaan zal, als wij de bizonderheden van de arenden in hunne vlucht nagaan, zooals de zeer geleerde Bochart ons opgeeft, waaruit andere uitleggers de zaken ontleend hebben, en waaruit wy ze ook nemen zullen.

aa. Is de vlucht der arenden, wegens de veelheid hunner vederen en uitgebreidheid hunner vleugelen, zeer licht en gemakkelijk, waarom van Saul en Jonathan gezegd wordt, dat zij lichter waren dan de arenden 2 Sam. 1:23, dan zal dat hier te kennen geven, de gemakkelijke lichtheid, die zij vinden zullen om hunnen weg te spoeden en hunne reis af te leggen. Christus toch zegt van zijne geboden, dat zijn juk en last niet zwaar, maar zacht en ook licht is; want het is den rechtvaardige blijdschap wel te doen. Vindt men somtijds moeielijkheid, het is niet van den weg zeiven, maar van de trage en boozenatuur; het vleesch dat niet mede wil, maar dat gedurig strijdt tegen den geest: waarom een opgewekte David zal zeggen, dat hij in den weg van Gods getuigenissen vroolijker was dan over allen rijkdom.

eb. De vlucht der arenden, wegens de sterkheid hunner vlerken, is zeer vast, waarvandaan zij hunne jongen op hunne vleugelen dragen; en waarom de Heere tot Israel zegt, dat Hij hen gedragen had op arends vleugelen; alzoo zijn ook de geloovigen, wanneer de krachten vernieuwd worden, sterk in den Heere; want Hij stelt hunne voeten op eene steenrots, hunne gangen vastmakende tot lof van zijnen naam.

cc. De vlucht der arenden is zeer standvastig en onvermoeid; gelijk de dichters ons wonderbare zaken

239

-ocr page 262-

veewachten.

daarvan verhalen, dat een arend op éénen dag alles kan afvliegen, wat tusschen het oosten en westen is; dit drukt dan uit, hoe de geloovigen in hun opvaren onvermoeid in \'twerk des Heeren, ja overvloedig, standvastig en onbeweeglijk zijn, zonder in hunne werkzaamheid afgetrokken te kunnen worden door \'s werelds snoode vleierij, of ook door de dreigementen; want eens gezien hebbende, zullen zij niet terug zien, overmits zij met een voornemen des harten alleen blijven bij den Heere, zoo veel zoetigheid en smaak in dien weg vindende, dat alles in vergelijking is maar als draf, ja als schade, en enkel niet.

dd. De vlucht der arenden is zeer snel; er is geen vogel, die sneller vliegt, waarom eemgen hunne vlucht en bij den noordenwind, en bij eenen bliksem vergeleken hebben; dit was een van de dingen, die Sa-, lomo te wonderlijk waren, de vlucht van eenen arend in den hemel, Spr. 23:5 en 30:19. Een schoone prent van het opvaren der geloovigen: in een oogen-blik verlaten zij somtijds de aarde, hebben de maan onder hunne voeten, en dringen in de hemelsche zaken, waar hun schat, hun lust, hunne blijdschap is; dit is het vergeten van hetgeen achter is, en een jagen naar het wit tot den prijs der roeping Grods, die van boven is in Christus Jezus, Fil. 3:15; en alzoo is het pad des rechtvaardigen als een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen middag toe, Spr. 4:18.

eb. Eindelijk, hunne vlucht is zeer hoog, waarom Obadja vs. 4 zegt: Al verbieft gij u gelijk de arend, en steldet uw nest tusschen de sterren, enz. Een schoone prent van den hoogen staat en gestalten van desm Heeren kinderen, waarvandaan zij genoemd worden heiligen der hooge plaatsen, en gezegd worden

240

-ocr page 263-

verwachten.

aireede met Christus in den hemel gezet te zijn.

2. Vraagt iemand, wanneer de geloovigen alzoo opvaren als op arends vleugelen: ik zal het u zeggen, mijne geliefden!

aa. Wanneer zij gejaagd worden, zoodat zij geene veiligheid hier beneden vinden, wegens al de vijanden, die hen omringen en omsingelen. Dat is Gods weg dikwerf met zijne kinderen, dat Hij, wanneer zij zulks het minst denken, in den vrede de bitterheid bitter maakt, Jes. 38:17, en toelaat, dat de vijanden van alle kanten opkomen, om ze zoo wakker te maken, gelijk de Psalmist eens zeide, dat zij meer in \'t getal waren, dan de haren zijns hoofds. Wat doet nu zoo een: hg vaart op als met arends vleugelen, van het einde des lands roepende tot God, als zijne ziel in hem overstelpt is, dat hij geleid mag worden tot een steenrots hem te hoog; gelijk ook Hiskia uitroept: Ik word onderdrukt, o God! wees Gij mijn Borg. Zoo zal nood bidden leeren, en de vijandelijke aanvallen de ziel driemalen God ernstiglijk doen zoeken, 2 Cor. 12 : 8.

eb. Als zij eene dappere overwinning over hunne vijanden willen behalen. Somtijds vinden de god-vruchtigen, dat zij vele malen tegen de vijanden zichzelven vruchteloos aangekant hebben, dat de vruchteloosheid ontstaan is uit verzuim van geloofs-efeningen en van zich in den Heere te sterken; |ieze nu opkomende, zoo heft de ziel, om dapper de overwinning te behalen, zich omhoog, om in alles gesterkt te worden, met dien koning uitroepende: Bij ons is geene kracht tegen zoo eene groote me-ligte, maar onze oogen zien op U. O! het is nooit ■eilig zich in den strijd in te laten, of de ziel moet ich eerst in den Heere sterken; zij moet achter den

16

241

I

li

-ocr page 264-

verwachten.

daarvan verhalen, dat een arend op éénen dag alles kan afvliegen, wat tusschen het oosten en westen is; dit drukt dan uit, hoe de geloovigen in hun opvaren onvermoeid in \'twerk des Heeren, ja overvloedig, standvastig en onbeweeglijk zijn, zonder in hunne werkzaamheid afgetrokken te kunnen worden door \'s werelds snoode vleierij, of ook door de dreigementen; want eens gezien hebbende, zullen zij niet terug zien, overmits zij met een voornemen des harten alleen blijven bij den Heere, zoo veel zoetigheid en smaak in dien weg vindende, dat alles in vergelijking is maar als draf, ja als schade, en enkel niet.

dd. De vlucht der arenden is zeer snel; er is geen vogel, die sneller vliegt, waarom eenigen hunne vlucht en bij den noordenwind, en bij eenen bliksem vergeleken hebben; dit was een van de dingen, die Salomo te wonderlijk waren, de vlucht van eenen arend in den hemel, Spr. 23; 5 en 30:19. Een schoone prent van het opvaren der geloovigen; in een oogen-blik verlaten zij somtijds de aarde, hebben de maan onder hunne voeten, en dringen in de hemelsche zaken, waar hun schat, hun lust, hunne blijdschap is; dit is het vergeten van hetgeen achter is, en een jagen naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus, Fil. 3:15; en alzoo is het pad des rechtvaardigen als een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen middag toe, Spr. 4:18.

eb. Eindelijk, hunne vlucht is zeer hoog, waarom Obadja vs. 4 zegt: Al verhieft gij u gelijk de arend, en steldet uw nest tusschen de sterren, enz. Een schoone prent van den hoogen staat en gestalten van des Heeren kinderen, waarvandaan zij genoemd worden heiligen der hooge plaatsen, en gezegd worden

240

-ocr page 265-

verwachten.

aireede met Christus in den hemel gezet te zijn.

2. Vraagt iemand, wanneer de geloovigen alzoo opvaren als op arends vleugelen: ik zal het u zeggen, mijne geliefden!

aa. Wanneer zij gejaagd worden, zoodat zij geene veiligheid hier beneden vinden, wegens al de vijanden, die hen omringen en omsingelen. Dat is Gods weg dikwerf met zijne kinderen, dat Hij, wanneer zij zulks het minst denken, in den vrede de bitterheid bitter maakt, Jes. 38:17, en toelaat, dat de vijanden y van alle kanten opkomen, om ze zoo wakker te maken, gelijk de Psalmist eens zeide, dat zij meer in \'t getal waren, dan de haren zijns hoofds. Wat doet nu zoo een: hij vaart op als met arends vleugelen, van het einde des lands roepende tot God, als zijne ziel in hem overstelpt is, dat hij geleid mag worden tot een steenrots hem te hoog; gelijk ook Hiskia uitroept: Ik word onderdrukt, o God! wees Gij mijn Borg. Zoo zal nood bidden leeren, en de vijandelijke aanvallen de ziel driemalen God ernstiglijk doen zoeken, 2 Cor. 12: 8.

eb. Als zij eene dappere overwinning over hunne vijanden willen behalen. Somtijds vinden de god-vruchtigen, dat zij vele malen tegen de vijanden zichzelven vruchteloos aangekant hebben, dat de vruchteloosheid ontstaan is uit verzuim van geloofs-oefeningen en van zich in den Heere te sterken; deze nu opkomende, zoo heft de ziel, om dapper de overwinning te behalen, zich omhoog, om in alles gesterkt te worden, met dien koning uitroepende: Bij ons is geene kracht tegen zoo eene groote me-tiigte, maar onze oogen zien op U. O! het is nooit reilig zich in den strijd in te laten, of de ziel moet lich eerst in den Heere sterken; zij moet achter den

241

-ocr page 266-

veewaciiten.

Heere staan, geloovende, dat de overwinning des Heeren is, die de handen leert ten oorlog, en de vingeren tot den strijd.

cc. Als zij bevinden, dat zij tot een post geroepen zullen worden. Het is Gods gewone weg met zijne kinderen, dat eer Hy hen tot posten roept. Hij hen eerst daartoe bekwaammaakt, door ongemeene uitlatingen en zielsverwijdingen, waarin zij èn geloof èn liefde werkzaam vinden, zoodat zij dan opvaren; ziet het in Abraham, Jakob, David en anderen, Paulus niet te vergeten; en hierin worden zij op een uitnemende wijze gesterkt, om uit te staan de hitte des daags en de koude des nachts.

dd. Ondertusschen vooral, zij varen op, wanneer zij ondervinden Goddelijke trekkingen, waarin de ziel verwijd wordt, waardoor de ziel Gode achteï-aan kleeft, zijne rechterhand haar- ondersteunende; o! dan kleven zij God aan, en kunnen gemakkelijk en blijmoedig God liefhebben, en naar boven zweven, want zij vinden hunne eigene zwaarte niet.

eb. Als zij iets van \'s Konings heerlijkheid zien, waarin Hij hun voorkomt als die, die de banier draagt boven tienduizenden, als die schoonste onder de menschenkinderen; dan dringt Christus\' liefde hen, dan verfoeien zij alles wat onder de zon is, dan is hun hart niet alleen boven, maar zij zoeken ook zelfs, dat ziel en lichaam beide daar zijn mogen.

ff. Als zij in eenige overdenkingen verwaardigd worden, \'s werelds nietigheid te beschouwen, en de ijdelheid van al het geschapene, o! dan is het:

Hoog omhoog, mijn ziel naar boven,

Hier beneden is het niet:

\'t Rechte leven, lieven, loven,

Is maar daar men Jezus ziet.

242

-ocr page 267-

verwachten. 243

:

/j gg. Eindelijk, als zij uit posten verlost worden, tar God zoo handelt boven en tegen alle verwach-ig aan, dat zijne hand en vinger klaar gezien en | | 3speurd wordt, dan is de ziel vol van zijnen lof L an ganschen dag, dan worden zij gelijk die uit Babel quot;i | jrlost werden, zij zijn als menschen die droomen, ,1 od wegens zijne goedertierenheid en trouw groot-\'1 lakende den ganschen dag.

3. Vraagt gij nu nog: waarin of waardoor? k zeg:

aa. Door hunne geheiligde kennis; hun is het ge-1 \' geven de verborgenheden van Gods Koninkrijk te verstaan.

ƒ bb. Door hunne zeer geestelijke en ernstige verlangens naar den Heere, die hen gemaakt heeft, om ; 1 eeuwiglijk bij Hem te zijn.

cc. Door hunne gebeden.

dd. Door hun geloof, hetgeen hun de zaken ver-tegenwoordigt, Hebr. 11:1.

ee. Door hunne liefde, want de ziel is meer daar j zij lieft, dan daar zij leeft.

ff. Eindelijk, door hunnen geheelen wandel, volgens het woord van Paulus, Filipp. 3:20, Onze wandel is in den hemel.

Dus hebben wij ten einde gebracht de Verhandeling van de Benamingen des Geloofs; God zelve werke in ons al het welbehagen zijns willens, en het i werk des geloofs met kracht! Amen.

-ocr page 268-
-ocr page 269-
-ocr page 270-
-ocr page 271-
-ocr page 272-