-ocr page 1-

Ps/1 /SO - 03!

-ocr page 2-

PtK

-ocr page 3-

i

WELK NUT

DOOR

I }

i S. 0. II A L L

Hodacteur van hot Llt;)iid(.\'iischc Kuiistjournal.

GKAVKNUAGK,

H, C. VAX CAL CAR.

731

1 *85

(

PrK 150

-ocr page 4-

_ - , V.,

I

I

H

/

Pr^ |i

-ocr page 5-

731

WELK NUT

HEEFT

HET SPIRITUALISME?

DOOR

S. C. HALL

Redacteur van liet Londensche Kunstjournai.

-Jlt;X-

S GRAVENHAGE,

H. C. VAN CAL CAR.

-1885.

L

PrK 150

-ocr page 6-
-ocr page 7-

V

-

fiïM \'\' ft

,mK\' - . ?\'8.

WELK NUT

HEEFT

HET SPIRITUALISME?

DOOR

S. C. HALL

Redacteur van het Londensclie Kunstjournal.

H. C. VAN CAL CAR.

•1885.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

V O 0 E R E D E.

Onder de populaire en uitstekende schrijvers van onze dagen, die zonder vrees hunne belangstelling in het Spiritualisme betuigden en talent en goeden naam aan de verspreiding van deze verheven waarheid ten beste gaven, nemen de Heer en Mevrouw S. C. Hall een voorname plaats in; de eerste algemeen bekend als de uitgever van het Londensclie kunstblad (Art journal), waarvan hij gedurende twee en veertig jaren de redactie had, terwijl de schoone romans en andere werken Mevrouw Hall wereldberoemd hebben gemaakt. Het zou moeilijk zijn den uitgestrekten en zegenrijken invloed te overschatten, welke dit uitnemend tweetal in de zaak van het Spiritualisme uitgeoefend heeft. Zich bewegende in do hoogste rangen van de Europesche samenleving, was hunne woning het tooneel van lieflijke vercenigingen, waar begaafde Mediums en personen van de hoogste letterkundige en wetenschappelijke beschaving tosamen kwamen en samen werkten om een zegenrijken invloed te doen uitgaan, welke tot de hoogste intellectueele kringen van Europa doordrong. Het is nog maar weinig jaren geleden dat de schoone gestalte van de talentvolle auteur Maria S. C. Hall uit den schitterenden kring van hare bewonderaars verdween, om over te gann naar

-ocr page 10-

VOORREDE.

het land des lichts, waarop hare hand reeds zoovele droeve pelgrims vol geloof en hoop had gewezen. Na vijftig jaren van hart en zielvereeniging bleef de edele tachtiger S. C. Hall alleen op aarde, ten minste wat het uiterlijke leven betreft, maar nooit heeft de kracht van het Spiritualisme zich schooner geopenbaard dan in den moed en de gelatenheid waarmede deze werkelijk christelijke man de tijdelijke scheiding tusschen het sterfelijke en onsterfelijke draagt.

Op een talrijk bezochte receptie door de centrale associatie van Spiritualisten aan de begaafde conferencière Emma Har-dinge gegeven, slechts weinige maanden geleden, bij gelegenheid van haar bezoek te Londen, hield de Heer S. C. Hall de avondrede, en verklaarde in een vloed van de warmste bewoordingen, die ieders hart van vreugd en aandoening deed trillen en tranen ontlokte aan ieders oog dat het graf hem niet had kunnen scheiden van zijne engelvrouw ; dat hare voortdurende communicaties hem vertroostten en zijne eenzaamheid deden vergeten. Hij wist dat zij zijne sterfelijke schreden geleidde; hij ontving onophoudelijk de zekerheid, dat zij in den hemel en hij op aarde nu als vroeger één van hart, één van leven, één van streven en doel gebleven waren, zoodat zij in onwankelbare trouw en eenheid des geestes voortleefden en er dus van scheiding geen sprake kon zijn.

Welk een heerlijk voorbeeld van de kracht der gewisheid van het onsterfelijk leven, dat zegeviert over den dood des lichaams en van de waardij der zoo belachelijk gemaakte feiten der geestelijke gemeenschap door het Spiritualisme.

Mochten toch allen die daar hopeloos jammeren bij de graven der geliefde panden, deze rijke bronnen der vertroosting leeren kennen, welke voortvloeien uit een betere kennis van de toestanden na het sterven en de mogelijkheid van eene

IV

-ocr page 11-

voorrede.

aanhoudende geraoenschap tusschen de bewoners van gene zijde met ons, die nog in het land der schaduw vertoeven.

Opmerkelijk is de blijkbare vooruitgang en de toenemende gemakkelijkheid in het uitoefenen van het verkeer tusschen de vrienden van deze en die aan gene zijde van het voorhangsel, wanneer wij de gebrekkige en onduidelijke communicaties, verkregen door den vromen pre likant Oberlin, in de vorige eeuw 1783, vergelijken bij de schriftelijke manifestaties van Mevrouw Hall in 1883.

Men leze over Oberlin Ie deel van het maandwerk op do Grenzen van twee Werelden, hoofdst. de Profeet van het Steendal. Is het niet of in de dagen van Oberlin de sluier begon bewogen te worden, die thans al wijder en wijder opgeheven, ons inzichten gunt in de heerlijkheid van het eeuwige heiligdom en ons steeds nader voert tot de bestendige gemeenschap met de zaligen in het rijk des lichts !

Ook bevelen wij ter vergelijking aan: Berichten eines Visi-onars über den zustand der Seelen, nach dem Tode, aus dem Nachlasse Johan Friedrich Oberlins, gewesenen Pfarrer im Steinthale, mitgetheilt von Dr. G. H. v. Schubert, professor in München. Indien v. Schubert dit belangrijke document niet aan het licht gebracht had, zou niemand ooit vermoed hebben wat Oberlin had ondervonden, geleerd en gepredikt, want zijne beide rechtzinnige biographen hebben eenstemmig dat alles weggelaten, en hoevele biographieën zijn niet op dergelijke wijze door bekrompen sektarisme vervalscht geworden! Maar de waarheid overwint allengs allen tegenstand en onderdrukking en maakt alleen ons vrij.

De Vert.

V

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEID I X G.

Dit geschrift verscheen het eerst in 1863; in 1871 werd liet herdrukt en in 1870 werd het nogmaals uitgegeven, doch alleen voor vrienden en bekenden en kwam dus niet in don handel.

Op verzoek van den heer Nisbet te Glasgow, gaf de heer Hall het stuk op nieuw uit, nadat hij er veel aan veranderd maar de hoofdtrekken behouden had.

De schrijver geeft dit zoo nauwkeurig op om daarmede te bewjjzen dat zijn geloof in het Spiritualisme geene verandering heeft ondergaan. Integendeel, zogt hij : «ik ben nog evenzeer daarvan overtuigd als voor dertig jaren. Toch schenkt het mij niet meer het onverdeeld gehot van voorheen.quot; Wat was hiervan de oorzaak? De ernstige en edele heer Hall kende het verschijnsel in deszelfs verhevens\'e en schoonste openbaring onder wel voorbereide lieden, maar bij zijn groote uitbreiding heeft het Spiritualisme ook een schaduwzijde gekregen. Het publiek was er over het algemeen te weinig op voorbereid en menigeen meent dat hij dezen nieuwen wijn in den ouden lederzak van zijn voormalige wereldbeschouwing en levensopvatting moet trachten over te gieten. Het is dan ook voor velen zoo gemakkelijk niet om zich van oude meeningen geheel te zuiveren en nieuwe inzichten plaats te geven. Boven-

-ocr page 14-

4

dien ontbrak het bij het onderzoek te dikwijls aan verstandige leiding en genoegzame kennis van den aard der zaak.

Lichtgeloovigheid en ijdelheid brachten er de nieuwelingen toe, om alles wat zij van geesten vernamen, onvoorwaardelijk als orakeltaal aan te nemen, alsof de geesten van afgestorven menschen noodzakelijk wijzer en waarheidlievender moesten zijn danquot; de levende menschen over het algemeen worden aangetroffen. Wangestalten zijn onvermijdelijk bij alle hervormingen, maar zij doen den ernstigcn en voorzichtigen zoeker naar waarheid pijnlijk aan en bederven zijn vreugd over den gevonden schat. Want dat is het Spiritualisme inderdaad ; het heeft zich ondanks alle worstelingen gehandhaafd als eene waarheid. En zij die er hunne dwalende meeningen en begrippen in gemengd hebben, zijn geheel niet of te weinig bestreden door de goede en wijze lieden, die voorstanders van het Spiritualisme zijn, dat inderdaad, betuigt Hall, de zaak van God staande houdt en het geluk en de welvaart van den mensch bevordert.

Er zijn betrekkelijk weing Evangeliedienaren die voor deze zaak optreden, weinige die onderzoeken en hun, die liet doen, ontbreekt de moed om openlijk voor hun overtuiging uit te komen.

Ondanks dit alles maakt het Spiritualisme vorderingen en zal steeds voortgaan dit te doen. Tegenwoordig telt men de Spiritualisten bij millioenen waar men ze vroeger bij honderden telde. Het Spiritualisme thans te onderdrukken is onmogelijk; even gemakkelijk zou het zijn den oceaan terug te dringen door middel van een steenen muur.

Zij die de leidslieden des volks behoorden te zijn — onze leeraren en onderwijzers — laten deze sterke macht voort-werken, zonder zich er over te bekommeren. Is het wonder dat zij vaak in handen valt van hen die er misbruik van kunnen maken en dit maar al te dikwijls doen?

Het doel van dezen «briefquot; is ten eerste om aan te too-

-ocr page 15-

5

iien, dat het Spiritualisme waar is, en zoowel met ons verstand als met de Schrift overeenstemt; en ten tweede dat het bestemd is om te dienen tot een heiligen beschermengel, die ons de waarde en ernst van dit vluchtig leven leert verstaan, en ons openbaart welke de invloed is van al onze gedachten, gezindheden, woorden en daden op ons volgend bestaan — dat het ten derde ons een volledige wapenrusting aanbiedt in den strijd met de verzoekingen en een bron van onberekenbare troost ons ontsluit in het lijden, en eindelijk een machtig middel is om de verheven waarheden ons in het Evangelie geopenbaard, te bevestigen en een zuiver geestelijk Christendom te verbreiden.

-ocr page 16-

HET NUT VAN HET SPIRITUALISME.

De vragen mij door u voorgelegd over het nut, den oorsprong en het doel van hetgeen men tegenwoordig Spiritualisme noemt, wil ik in deze bladzijden trachten te beantwoorden.

Er zijn een menigte zaken waarvan het nut thans algemeen erkend en geroemd wordt, welke bij haar eerste ontdekking geheel doel- en nutteloos schenen, ja zelfs voor weinige jaren door velen als schadelijk en verderfelijk werden beschouwd, maar die nogtans do aandacht van de mannen der wetenschap boeiden en tot een onderzoek uitlokten, dat tot de meest verrassende en bevredigende uitkomsten voerde. Dit feit zou reeds voldoende moeten zijn om de denkers aan te sporen om te ontdekken wat het doel en het nut kan zijn van zoovele verschijnselen, wier aard wij nog te weinig kennen om er een nuttig gebruik van te maken.

De beweegkracht waardoor thans bijna alles op het gebied van nijverheid in werking wordt gebracht, de stoom, werd voor betrekkelijk korten tijd nog als geheel onnut aangezien, en het is nog zoo lang niet geleden dat een beroemd hoogleeraar den spot dreef met het denkbeeld, dat een schip een lading over den Atlantischen oceaan zou brengen door damp voortgedreven. In 1843 bespotten de leden van het Huis der Afgevaardigden professor Morse, en beschouwden zijn plan voor telegraphic als een ijdele hersenschim. En wie

-ocr page 17-

7

is er tegenwoordig over verbaasd als hij een telegram ontvangt, hoewel hij weet dat de afzonder misschien op een at-stand van drie duizend mijlen op zijn antwoord wacht.

Wat zijn er niet vele zaken waarvan wij het nut niet terstond, ja in het geheel niet inzien. Zoo is het bestaan van droomen een algemeen erkende waarheid, doch waartoe zij dienen weet nog niemand. — Van duizend droombeelden kan er niet één willekeurig teruggeroepen worden; onder een mil-lioen droomen is er misschien een enkele van eenige waarde.

Benjamin Franklin vroeg eens wat het nut was van een kind? Wat moet hij verwonderd zijn geweest, die voor het eerst aanschouwde hoe een magneet een stukje ijzer aantrok I Toen de telescoop en de microscoop pas waren uitgevonden, werden zij verworpen als goddelooze uitvindingen; men was van gevoelen, dat de mensch niet mocht trachten zijn gezichtvermogen te verhoogen, dit was een vermetel indringen in hetgeen voor hem verborgen moest blijven; wat nuttigheid kon het toch opleveren — en wie zou thans zulk een meening durven staande houden?

Hoewel het Mesmerisme of menscholijk Magnetisme nog geene algemeen erkende waarheid is, wordt hot door duizenden geloofd, die voor weinige jaren de verdedigers daarvan met vijandschap en smaad behandelden. Wij laten hier do verklaringen van den Aartsbisschop W hately volgen omtrent dit onderwerp. Zij zijn even toepasselijk op het Spiritualisme als op hot levens Magnetisme.

»Ik zelf weigerde gedurende vele jaren hardnekkig om aan het menschelijk Magnetisme te gelooven, maar ik werd ten laatste door feiten overtuigd. Eeno algemeen erkende waarheid kan evenmin geloochend worden door oen aantal ongegronde beschuldigingen, als dat men door eenige valsche muntstukken ooit kan aantoonen, dat een shilling en een souve-reign niet van zuiver zilver en goud zijn. — De geleerde prelaat voegt er nog bij: «Te veronderstellen dat wrij allen

-ocr page 18-

8

zoo dwaas zouden zijn om te gelooven, dat wij in wakenden toestand dingen gezien hadden, die zich inderdaad nooit aan ons oog hebben voorgedaan, en dat wij allen op hetzelfde punt krankzinnig zouden zijn, is volstrekt ongelooflijk. Niemand, die slechts de helft aanschouwd heeft van al hetgeen door mij gezien\'is, kan loochenen dat het Magnetisme eene ware en machtige werking is, hiervan ben ik ten volle overtuigd. Daarom moeten zij, die voorgeven er volstrekt geen geloof aan te hechten, tot één van twee klassen behooren : óf zij moeten deze wetenschap slechts hoogst oppervlakkig óf in het geheel niet onderzocht, ja het onderzoek vermeden hebben, anders zouden zij overtuigd zijn. •— Doch dit is het juist wat zij niet willen. Er zijn er echter ook die beter onderzocht hebben en in hun hart van de waarheid overtuigd zijn, maar dit niet openlijk durven bekennen, uit vrees van bespot te worden of naar een klooster te worden gezonden door de een of andere kerkelijke overheid.

Wat hebben wij slechts een geringe mate van kennis, zelfs van de eenvoudigste en meest gewone zaken. Van honderd menschen met een gewoon alledaagsch verstand is er misschien niet één die de werking van een uurwerk volkomen begrijpt, die kan verklaren, hoe men een werktuig heeft kunnen uitvinden, voorzien van wijzers, die zich voortbewegen, zoodat de een 00 maal in een minuut, de ander 00 maal in een uur een schrede voorwaarts doet. Is het dan zoozeer te verwonderen, dat een wilde Indianenstam een horloge beschouwt als eene godheid, die sterft wanneer het uurwerk ophoudt te tikken. Maar hadden dan onze voorouders, de An-gel-Saksers, een greintje meer verstand? Vraag het slechts aan die reusachtige steenblokken, waarop men aan de eene of andere godheid offerde, terwijl die godheid geen andere dan bloedige offeranden aannam. En toch beminden zij die steenblokken oven vurig als de Grieken hunne gouden en zilveren

-ocr page 19-

9

beelden, -waarvoor zij juichten: Groot is de Diana der Eph e z e rs.

Wat is er weinig noodig om onze waarneming te verhinderen van daadzaken, die toch in onze naaste omgeving plaats grijpen. Ik zit voor een venster in Kensington; zeer onduidelijk kan ik eenige voorwerpen onderscheiden. Ik weet dat er vele menschen aan de overzijde voorbijgaan; ik weet dit, omdat het hier een algemeene doorgang is, en omdat het op het midden van den dag is; ook verneem ik nu en dan den klank van een zwaren voetstap, maar ik zie niemand.

Den vorm der rijtuigen kan ik niet onderscheiden, hoewel ik het geratel der wielen zeer duidelijk hooren kan.

liet is alleen de dikke Londensche mist, die alle voorwerpen waarvan ik weet dat ze zich op die of die plaats in mijne nabijheid bevinden, geheel voor mijn oog verbergt.

Ik eet een ei, ik weet dat er een vogel uit voort kan komen, maar ik zie noch de vederen, noch den snavel, noch de pootjes van het kieken, waarvan al de bouwstof aanwezig is in het ei dat ik eet; toch weet ik dat de vogel daar is, al neem ik er niets van waar.

Niet lang geleden toonde een beroemde natuuronderzoeker mij door een vergrootglas een insect, dat zoo klein was, dat eenige duizend zulke diertjes zich zeer gemakkelijk te zamen op den knop van een speld konden bewegen, maar met hot bloote oog was alles onzichtbaar.

Ik zou nog vele voorbeelden aan kunnen halen om de waarheid der gevolgtrekkingen, die ik voornemens ben te maken, nader toe te lichten. Ik leid er eenvoudig het volgende uit af. Wij zijn namelijk niet scherpzinnig genoeg en onze organen zijn onvoldoende om alles om ons heen nauwkeurig te kunnen waarnemen wat toch werkelijk aanwezig is.

Wie zal durven beweren dat er niets bestaat wat nog voor ons oog verborgen is, en dat er geen microscoop kan uitgevonden worden, zóó sterk, dat wij in staat zouden zijn al dit

-ocr page 20-

10

verborgene te aanschouwen. Wie durft bevestigen dat er in het heelal geen schepselen bestaan, die ver boven den mensch verheven zijn en geen, kleiner dan een molecule, die toch kunnen gevoelen, lijden en zich verheugen. Misschien is het ons niet duidelijk, maar toch zal er zeker in den geest van den scherpzinnigsten zoowel als van den meest oppervlakki-gen denker, een twijfel overblijven, omtrent het al ot niet bestaan van wezens in deze en in andere spheren, welke niet door onze zintuigen zijn waar te nemen en die wij niet kunnen begrijpen met behulp van de tot dusverre verkregene kennis.

Wat gevoelen wij ons niet spoedig thuis in wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen, zoodra wij ze slechts weten toe te passen. Wat wij gisteren nog een wonder noemden, vinden wij heden iets zeer natuurlijks, en morgen beschouwen wij dat zelfde wonder als oene zeer gewone, alle-daagsche zaak en kunnen ons nauwelijks meer voorstellen hoe dwaas wij er ons nog kortelings tegen verzet hebben met argumenten welke nu meer dan bespottelijk blijken.

Vertel eens aan een goed ontwikkelden inboorling van Siam, dat een wagen een bevrozen meer kan oversteken, denkt gij dat hij u gelooven zou? Vertel hem eens dat water in damp kan veranderd worden, en dat men dien damp kan aanwenden om het vaartuig vijftig mijlen in een uur te doen afleggen. Wat verwacht gij anders van hem tot antwoord dan een ongeloovig lachje. James Montgomery, de Christelijke dichter, schreef eens het volgende : Laat de Wetenschap al de geheimenissen van het Heelal trachten te doorgronden; zij heeft voor niets te vreezen dan alleen voor dwaling; dwaling in het kleed der waarheid of de waarheid verbasterd en bedorven door dwaling. Elke waarheid, die ontdekt kan worden, moet eene nieuwe openbaring van God in zijn zichtbaar Heelal zijn, eene

-ocr page 21-

-11

nieuwe bevestiging van de waarheid van het Woord, dat het onzichtbare en het eeuwige aan ons openbaart. Dikwijls wordt eene uitgemaakte waarheid nog door negen tiende van de menscliheid verworpen en ontkend. Ga eens na hoeveel eeuwen er zijn verloopen, voordat een der latere openbaringen van de wetenschap voor ons van nut geworden zijn; hoe lang hebben electriciteit en magnetisme niet in hunne kindsche zwachtelen gebonden gelegen, en menigeen zal zich den tijd herinneren dat zij slechts als een soort van tijdverdrijf, tot vermaak der menschen dienden om vermakelijke voordrachten over de natuurkrachten op te luisteren. Wie weet of er nog niet een tijd zal komen, hoewel er misschien nog jaren moeten verloopen, eer dit geheim — want een geheim is hot voorzeker — voor ons even zoo duidelijk en algemeen aangenomen zal worden, als thans de telegraaf en zelfs de telephoon.

Ik ben oud genoog om mij te herinneren wat er gezegd werd toen de eerste berichten kwamen over het maken van portretten door licht.

ledereen kent de anecdote van mijn ouden vriend Stephenson, die ons vertelde, waarom hij niet aan het Hoogerhuis meedeelde, dat hij een volgeladen wagen binnen een uur 20 mijlen kon doen afleggen, daar zyn voorstel toch als ongelooflijk en onuitvoerbaar verworpen zou zijn geworden.

Is het nu te verwonderen dat do verschijnselen, van welke de Spiritualisten spreken, als waargenomen met gezonde zinnen, tegenspraak vinden, en dat de wereld glimlachend de schouders ophaalt voor de wonderen die in de tegenwoordigheid van Mediums en sensitieve personen plaats grijpen?

Men treedt deze nieuwe ontdekkingen over het algemeen met onbillijke en veel te hooge eischen tegemoet en eischt een afgerond systeem, een welsluitende alles verklarende the-

-ocr page 22-

12

orie — terwijl deze nieuwe wetenschap nog pas in hare geboorte of althans in hare kindschheid is.

Wij zijn pas aan het opzamelen en rangschikken der verschijnselen waarover wij geen meester zijn, en die wij niet willekeurig kunnen produceeren of herhalen, evenmin als de grootste natuurkundige een luchtverschijnsel kan te voorschijn roepen — hij heeft het alleen gade slaan. Dit wordt uit het oog verloren. Vandaar komt het dat het Spirutualisme, in zijn tegenwoordigen toestand, ons bij tijden niet alleen niet voldoet en ons tot geen vaste regels of eindbesluit leidt, maar zelfs tot tegenstrijdige en zich zelf schijnbaar weersprekende opvattingen aanleiding heeft gegeven. Zooveel is echter zonneklaar en wordt uit alle verschijnselen waar en door wie ook waargenomen, bevestigd, dat liet Spiritualisme slechts één doel heeft, namelijk; «om het Materialisme te wederleggen en te vernietigenquot;, en tevens een duidelijk en overtuigend bewijs te geven, dat God aan elk menschelijk wezen een ziel heeft gegeven, die niet vergaat wanneer het lichaam sterft, en dat aan de ziel, na zich losgemaakt te hebben van deze aardsche woning, dikwijls toegestaan wordt, de aarde weder te bezoeken, om de plichten te vervullen, die de Almachtige Vader haar oplegt.

Dat is nu wat ik u zal trachten te bewijzen. Indien ik er in slaag, zult gij gelooven dat het Spiritualisme een werk van God is, dat dient om het tijdelijk zoowel als het eeuwig welzijn der menschheid te bevorderen. Was het niet onze Heer zelf die zeide: «Gij zult niet gelooven, voor gij teekenen en wonderen gezien hebtquot;, en deze worden ons thans alom gegeven.

Het komt mij intusschen voor, dat al ziet iemand niet aanstonds al het nut in van het Spiritialisme, men toch reeds daardoor verplicht zou zijn het te onderzoeken, omdat er zoo velen aan gelooven, en omdat men onder die aanhangers ver-

-ocr page 23-

■13

scheiden van de edelste en verstandigste menschen onzer eeuw telt; dezulken, die door hun gemoedsgesteldheid, opvoeding en levensrichting, het bewijs leveren van ernstig naar waarheid te streven, en die daardoor een sterk contrast vormen met den grooten hoop — de oppervlakkige menigte, die zich tevreden stelt met nageprate theorieën en oudbakken gemeenplaatsen, en die in hunne verbeelding allerlei onmogelijke voorstellingen vormen.

De bespotters van het Spiritualisme zijn bijna uitsluitend zij, die er niets van gezien hebben, niets van weten en toch weigeren het te onderzoeken. Evenmin als ik het recht zou hebben om de woorden van Professor Owen te wederleggen, die eens verklaarde, dat eenige indrukken in een steen, die mij toeschenen niets anders te zijn dan zeer gewone gleuven, de afdruksels waren van do klauwen van een voorwereldlijken vogel, evenmin heeft iemand, die niets van het Spiritualisme afweet, het recht om anderen, die er veel van gezien en gelezen hebben, te willen overtuigen, dat zij misleid en bedrogen worden, wanneer zij datgene deuken te zien, te hoo-ren en te gevoelen, waarvan hij volstrekt niets ondervonden heeft.

Wij zijn echter verplicht deze tegenwerpingen altijd met zachtmoedigheid te ontvangen, niet alleen omdat men iemand altijd gemakkelijker door zachtheid overtuigt, maar omdat ik zelf dat onderwerp gedurende geruiraen tijd met argwaan en weerzin beschouwde, dus mag ik het niemand ten kwade duiden, indien hij het bedrog of misleiding noemt, want ook ik weigerde herhaaldelijk de getuigenis aan te nemen of zelfs aan te hooren van hen wier ervaringen en bewijsgronden zoo overtuigend mogelijk waren.

De verschijnselen van het Spiritualisme komen voor door middel van de zoogenaamde mediums, die onmisbaar zijn.

-ocr page 24-

14

om overtuigende manifestaties te verkrijgen. Ik gebruik het woord overtuigend daar ieder mensch krachtens zijn geestelijke natuur in meerdere of mindere mate medium is, en vaak ervaringen van geheel persoonlijken aard opdoet van de nabijheid en de hulp van onzichtbare Avezens, doch dit zijn geene feiten om ongeloovigen te overtuigen.

Deze eigenlijke mediums of bemiddelaars tusschen de zichtbare en onzichtbare wereld, hebben hunne kracht uit een bijzondere lichamelijke gesteldheid, welker natuur wy echter nog niet genoegzaam kennen, en deze eigenaardigheid schijnt niet met hun verstandelijken of zcdelijken toestand in verband te staan, vandaar dat Mediums niet altjjd met een groot verstand begaafd behoeven te zijn, integendeel, dikwijls staan zij op een zeer lagen trap van ontwikkeling en beschaving. Evenmin onderscheiden zij zich altjjd door een hoogere mate van zedelijk of godsdienstig gevoel. Toch is hunne tegenwoordigheid onmisbaar voor manifestaties, en door middel van hune eigen-domtnelijke kracht — waarschjjnljjk de zenuwuitstraling — kunnen do geesten zicli met ons in gemeenschap stellen, hetgeen zij niet kunnen doen, wanneer er geen Medium aanwezig is, daar het Medium voor de geesten even noodzakelijk is als de tafel voor het Medium — namelijk het middel om tot een doel te geraken, dat is zich te uiten. Ik zal echter aan-toonen dat er gevallen zijn waarin Mediums volstrekt niet altijd noodzakeljjk zjn, evenmin als de tafels.

Hot is onnoodig hot Spiritualisme thans op dezelfde gronden te verdedigen als eenige jaren geleden, toen het uitgekreten werd voor «een schandelijk bedrogquot;, »eene laffe bedriegerijquot;, «eene walgelijke kwakzalverijquot;, «schaamtelooze misleidingquot;, »eene verzwakking der geestvermogensquot;, «uitgevonden door bedriegers om dwazen te verschalkenquot; — aangenomen «alleen door personen zonder verstand en gewetenquot;, •)godlasterljke afgoderjjquot;. Deze liefelijke benamingen zijn aanhalingen uit nieuwsbladen van voor vijf en twintig jaren.

-ocr page 25-

-15

De waarheid wordt nu in Engeland vrij algemeen beter erkend. Er zijn zulke overtuigende bewijzen in ons midden geleverd, de getuigen staan zoo ver boven alle verdenking, zijn zoozeer boven misleiding verheven, sluiten elke zweem van bedrog uit, dat de tegenstanders geen uitvlucht meer overblijft dan de feiten voor iets geheel anders uit te geven, namelijk voor eene werking van den duivel. Het volgende is in waarheid gezegd geworden door iemand, die niet alleen een zeer geleerd man, maar een Christelijk geestelijke was; »De bewijzen zijn zoo overvloedig en met elkaar overeenstemmend geweest, dat of de feiten zoo moeten zijn als zij vermeld worden, of de mogelijkheid om waarheden te bewijzen door men-scheljjke getuigenis moet niet meer bestaan.

))De bewijzen zijn van alle kanten toegestroomd, zoo aanhoudend en overweldigend, dat er omtrent dit onderwerp geen twijfel meer overblijft.quot; Dit is het oordeel van T. Perrone, een ijverig Roomsch Katholiek geestelijke, die het Spiritualisme beschouwt als ))het vereeren van den duivel.quot; Een schrijver, die zijn woorden aanhaalt in de «Dublin Reviewquot;, een Roomsch Katholiek nieuwsblad, voegt er bij: «Wij hebben hier te doen met daadzaken — feiten, die geheel vallen onder de zinnelijke waarneming, feiten, waargenomen door alle zintuigen, meest door het gezicht, het gehoor of het gevoel : feiten en gebeurtenissen, die nogmaals en nogmaals ontelbare malen herhaald zijn; in het grootste deel van Europa en Amerika, en tot heden toe ieder jaar weder opnieuw waargenomen zijn door allerlei slag van menschen. liet is niet mogelijk dat zulk een groote menigte menschen omtrent deze verschijnselen bedrogen zoude zijn. Wij stappen dus hiervan af en de feiten constateerende, besluiten wij met aan te toonen, dat het alles een werk van den duivel is, dat het alleen de duivel is, die zich uitgeeft voor de ziel van gestorvene vrienden en betrekkingen.quot; En dit is ook de uitvlucht van onze orthodoxe protestanten.

-ocr page 26-

10

Ik heb dus het recht om dit onderwerp te behandelen, in de vooronderstelling, dat de verschijnselen waar zijn, dat de waarnemingen waarop het Spiritualisme gegrond is, veel en echt zijn, daaromtrent bestaat dan ook bij alle ernstige onderzoekers geen twijfel meer, hiervan ten minste zijn zij die het onderzocht hebben, allen volkomen overtuigd. vDaar er velen zijn, die deze verzekering niet kunnen en niet willen aannemen, zal ik trachten te verklaren op welke gronden het Spiritualisme gevestigd is. Er is echter veel zedelijke moed toe noodig om het Spiritualisme te verdedigen, hetzij het beschouwd wordt als eene nuttige waarheid, of als een middel van God gegeven om Zijn wijs en heilig doel te bereiken. De aanhangers van het Spiritualisme worden zelfs nu nog menigmaal met smaad en laster overladen; in een bespottelijk daglicht gesteld te worden is nog een van de geringste belooningen, die zij voor eene openhartige bekentenis hunner overtuiging kunnen ontvangen, voor het rondweg uitkomen voor de waarheid. Zij worden dikwijls niet alleen bejegend met een vijandelijkheid waartegen zij zich onmogelijk kunnen verdedigen, maar zelfs met eene huivering van afschuw aangezien. Velen, die er evenveel geloof aan hechten als ik, weigeren om die reden om er voor uit te komen; zij vreezen het gevaar waarin het hen kan brengen, de verdenking van gekrenkte geestvermogens, waardoor zij in hunne loopbaan kunnen tegengewerkt worden, of zij zijn bevreesd voor de verachting, die zij te verdragen hebben, wanneer zij voor hunne gevoelens moeten uitkomen. Dit alles heeft op mij niet den minsten invloed; evenmin zal het op u eenigen invloed hebben, indien gij overtuigd wordt, dat het een gave van God aan de menschheid is.

Dikwijls vraagt men waarom het Spiritualisme, indien het inderdaad eene zegen is, zoo lang voor ons verborgen is geweest. Ik geloof, dat het ons nu geschonken is, omdat er thans meer behoefte aan is dan ooit te voren — nu, dat Revolutie

-ocr page 27-

17

en haar trouwe bondgenoot Ongeloof, de beschaving met de voeten treden, nu leerstellingen strijdig met het Woord Gods en de rede, ons van het preekgestoelte tegenklinken, nu er boeken worden uitgegeven en behandeld met toegevendheid, zoo niet met eerbied, boeken, die alle geloof omverwerpen, alle verantwoordelijkheid ontkennen, die alle hoop op een leven hiernamaals, zoowel als het vertrouwen op eene wijze Voorzienigheid doen verdwijnen. Ja, zelfs in een van de bloeiend-ste steden van i\'.iigt\'land, zijn vele honderden personen overeengekomen, om een bekend Atheïst als hun vertegenwoordiger naar het Parlement te zenden, op geen anderen grond dan dat hij seen erkend Atheïstquot; is.

Ik zou u nog eenc lange reeks van personen op kunnen noemen, beroemd in letterkunde, wetenschap en kunst; verstandige, praktische rechtsgeleerden; gevestigde bankiers kooplieden en industriëelen; geestelijken, niet alleen van do gevestigde kerk, maar van alle richtingen; dokters, ehirur-gijns, wiskunstenaars, beoefenaars der electricitcit, natuur-, sterre- en scheikundigen, in één woord, mannen van doorzicht en ervaring, die de waarde van liet Spiritualisme openlijk erkend hebben. Ik haal slechts de woorden van een van de voornaamsten aan, een beroemd rechter van New-York, Edmonds, die tot verdediging, het volgende schreef:

«Het is nu meer dan vijltien jaren geleden, dat ik openlijk beleed te geloovon aan do gemeenschap tusschen geesten en levenden, liet was toen dat er juist algemeen over de helderheid van mijn verstand gesproken werd. Ik had mijn ontslag genomen uit het — (Court of Appeals) — het hof waar men voor t laatst in hooger beroep kon komen. Ik was toenmaals presideerend rechter van het Hoog Gerechtshof in onze stad, met de macht om een beslissende en noodlottige uitspraak te doen over het leven, de vrijheid, de eigendommen en

-ocr page 28-

-18

naam van duizondon men sell cn. De toestand van de openbare rechtsbcdecling was van dien aard, dat iedereen er de aan-daclit op gevestigd hield. De handelingen en uitspraken van den Spiritualist zou men niet gespaard hebben. Na mijne openlijke verklaring bleef ik lang genoeg op den rechterstoel om het volk in staat te stellen om te oordoelen of ik een man was om mij door een plomp bedrog te laten vangen, en in de vijftien jaren, die nu verloopen zijn, bon ik voor de wereld opgetreden als oen rechtsgeleerde in praktijk, als een staatsman, werkzaam in het vormen van eene rcpubli-keinsche partij; als letterkundige was ik schrijver en uitgever van een groot aantal boeken, die al of niet tot mijn gebied behooren, terwijl ik als een spreker in \'t openbaar, aan allen ruimschoots de gelegenheid verschafte om zich te overtuigen of mijn geestvermogens verzwakt waren.

Als gij vraagt hoeveel aanhangers dit geloof reeds telt, zult gij hooren dat er reeds 20 millioenen zijn, dat zij in alle wereld-deelen voortdurend toenemen en dat het toch slechts zeven en dertig jaren geleden is, dat een kleine kamer gemakkelijk allen, die er aan geloofden, kon bevatten; nu wordt men bestreden met woorden van spot, soms mot persoonlijke aanvallen, het verlies van betrekkingen, verwerping uit de maatschappij, scheiding van vrienden of het verbreken van nog nauwere banden, de eenige vervolgingen die onze \'10e eeuw toelaat, terwijl men twee eeuwen geleden, door zijne overtuiging uit te spreken, zeker de galg of den brandstapel verdiend zou hebben.

Gelukkig leven wij in een tijd, die geen vervolging meer zal dulden, zooals in oude tijden en zelfs nog voor weinige jaren. «Want wat deze sekte aangaat, wij weten dat zij overal bestreden wordt,quot; werd op hen toegepast, die hot eerst Christus den Verlosser predikten. Allen, die eenig nieuw licht in de we-

-ocr page 29-

19

reld brachten, hadden de vijandschap tegen het licht te verduren.

Of leert ons het alcude verhaal van Noach niet reeds dat hij bespot werd omdat hij waarschuwde voor een op handen zijnden watervloed. Vervolging is het erfdeel der waarheidzoekers. Luther, Huss. Fox en Wesley, alle hervormers van den godsdienst, zijn zoo bejegend.

Er zijn weinig voorname steden in Engeland, waar niet een kring van Spiritualisten gevonden wordt. Aleer dan driehonderd boekdeelen verspreiden hunno denkbeelden in Engeland cn meer dan duizend in Amerika. Hier worden zij vertegenwoordigd door verscheidene tijdschriften, en er is nauwelijks oene enkele stad in de Vereenigde Staten, die er ten minste niet één telt. Zij stijgen reeds tot over de honderd.

Deze zaak mag dus niet als onbeduidend over het hoofd gezien worden. Zjj neemt alom snel maar tevens met kracht toe — hetzij zjj dan goed of kwaad aanbrengt, en dat zullen wij onderzoeken.

Spiritualisten eischen dat men hen aanhoort, op grond, dat hun voorgaand leven recht geeft op vertrouwen, zoowel in hunno oprechtheid en waarheidsliefde als in hunne bevoegdheid om juiste gevolgtrekkingen te maken, uit hetgeen zij met hunne eigene zintuigen hebben waargenomen en waarvan het verstand hun de verklaring heeft gegeven, omdat zij het Spiritualisme getoetst hebben door alle middelen welke de Almachtige ons geschonken heeft om de dwaling te onderkennen van de waarheid — omdat dit alles niet in het verborgene gedaan wordt — omdat deze feiten bevestigd zijn door honderden, neen door duizenden, die er op verschillende tijden en plaatsen, dan in dit en dan in dat gezelschap, getuige van zijn geweest, bevestigd, niet door domme, onwetende menschen, maar door mannen en vrouwen met een ontwikkeld verstand en van groote ondervinding in alle le-

-ocr page 30-

20

Yenstoestanden — knappe en praktische denkers die verklaren, dat indien hunne getuigenis aangaande dit onderwerp niet door rechtvaardige en verstandige beoordeelaars kan aangenomen worden, men hen als onbruikbaar voor alles en voor iedereen moet beschouwen, daar zij alsdan ongeschikt zijn voor het vervullen der plichten als burgers.

Alvorens voort te gaan met hot behandelen van de meer belangrijke punten van mijn onderwerp, wil ik eenige inlichtingen geven omtrent de zwakkere tegenwerpingen, die er tegen gemaakt worden.

Spiritualisten hooren voortdurend bedenkingen, die gegrond zijn op de onbeduidendheid der communicaties, die zij ontvangen en de nutteloosheid der wonderen, die zij aanschouwen. Ik stem echter geenszins toe, dat dit waar is. Ik zou u van vele wonderbaarlijke genezingen kunnen vertellen, bewerkt door hen, die de gave hebben ontvangen anderen te genezen, van communicaties, waaruit veel goeds ontstaan is, maar ik bepaal mij bij de hoofdzaak: — dat het Spiritualisme een machtige helper is om het materialisme te vernietigen, het godsdienstig onderwijs te steunen en ons tot het geloof in Christus te leiden.

Al waren de verschijnselen nog zoo onbeduidend, het zou toch daarom niet minder een plicht zijn ze te onderzoeken. Het tikken en kloppen en liet zoogenaamde «dansenquot; van tafels, waarop de tegenstanders voortdurend schimpen, zijn slechts de laagste sporten van den ladder der geestma-nil\'estaties en zijn misschien hot best geschikt tot overtuiging van onverschilligen en oningewijden; zij hebben hun doel niet gemist; de nieuwsgierigheid is er door geprikkeld en daaruit volgen dikwijls ernstiger gedachten en onderzoekingen. Het is meer gebeurd dat juist de groote eenvoudigheid der zaken de waarde er van twijfelachtig maakte.

-ocr page 31-

21

Naaman maakte tegenwerpingen om zijne melaatschheid te laten genezen door zulk een eenvoudig middel, als het scheen om zich zevenmaal in het water der Jordaan te dompelen: ja, hij keerde zich om en ging verbolgen heen, toen hjj zulk een onbeduidenden raad ontvangen had ; maar toen zijn dienaar aanmerkte: »Als de profeet u geboden had, iets groots te verrichten, zoudt gij het dan niet gedaan hebben?quot; gaf hij toe en word genezen. De gemakkelijkheid van het middel, waardoor men manifestaties verkrijgt, is voor velen het grootste bewijs voor de onmogelijkheid. Zij. die zich verbeelden dat tafeldraaiing en kloppingen de eenige manifestalies van geesten zjjn, verkeeren in eene groote dwaling; er zijn manifestaties, die hiervan zooveel verschillen als een enkele steen van een voltooid gebouw, of het alphabet van een gedrukt boek. Dikwijls stelt een enkele vonk ons in staat verborgene waarheid te ontdekken. Newton had vele wonderbaarlijke dingen gezien, voordat hot vallen van een appel van een boom voor hem een boekdeel van Openbaring werd. Toen Franklin zijn vlieger opliet, scheen het den omstanders toe dat hij zich alleen met een stuk kinderspeelgoed bezighield. Wat was de gedachte van James Watt wel, toen hij zat te peinzen over het geklep van het deksel van den theeketel door den stoom. De ondervinding bevestigt het spreekwoord; Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen.

Vijf- en vijftig jaren geleden zag ik mijn vriend Professor Wheatstone eens een pop ten toon stellen, die hij om een tafel liet dansen. Toen hij ons vertelde dat de beweging door «bliksemquot; veroorzaakt werd, hoorde men hem aan met een schaterenden lach; toch was het do kiem van den electri-schen telegraaf. Sir John Herschel zeide; Uit de geschiedenis van alle wetenschappen leert men — dat uit do oogenschijnlijk nietswaardige proefnemingen bjna altjjd de nuttigste toepassingen voortgekomen zijn. Dezelfde geest van onverstandige tegenwerpingen zou den Zaligmaker veroordee-

-ocr page 32-

22

lcn om dat Hij zijne Apostelen gekozen heeft uit de laagste klasse der Joden — onontwikkelde en onwetende mannen — in plaats van uit de Gamaliels, de scliriftgeleerden. Het waren geen verheven wondermenschen, die door engelenbezoek en bijstand begunstigd werden.

Een ander punt van tegenwerping is, dat hot aantal mediums beperkt is, en dat zij die deze gave hebben in niets boven hunne evenmenschen uitmunten. Hebben allen de gave van genezen? Spreken allen vreemde talen? Dienen allen als vertolkers? riep Paulus reeds den Corinthiërs toe.

Wie kan verklaren waarom men mediums noodig heeft om manifestaties te ontvangen ? Ik zeg eenvoudig wat mijne gedachten omtrent deze vragen zijn, namelijk dat deze kracht gewoonlijk, misschien wel uitsluitend voortkomt uit eenige aangeboren lichamelijke eigenaardigheden, die niet iedereen eigen zjjn, en dat de mediums den geesten dienen ter bereiking van hetzelfde doel als dezen de tafel, om welke wij gezeten zijn. Gewoonlijk onderscheiden mediums zich volstrekt niet van andere menschen door eene grootere mate van zedelijke of verstandelijke ontwikkeling. Zelfs behooren sommige mediums tot de geringste klasse van menschen. Er zijn echter ook vele uitzonderingen: men telt er onder mannen en vrouwen, even aanzienlijk, verstandig en rechtschapen als zij, die wagen zich tot hunne rechters op te werpen.

Het komt dikwijls voor, dat men mediums daar het meest aantreft, waar men die het minst zou verwachten, in familiekringen, waar men do wonderen van het Spiritualisme nooit aanschouwd heeft; soms onder hen, die men er zóó voor gewaarschuwd heeft, dat zij er met angst voor terugdeinzen en soms onder hen, die nooit het woord Spiritualisme hebben hooren noemen.

Wie denkt, dat alleen zij mediums zijn, die er blijken van hebben gegeven, verkeeren in groote dwaling. Alle menschen zijn, in meerdere of minderen mate, mediums met ver-

-ocr page 33-

23

schillende gaven en in verschillende graden, maar die aanleg blijft sluimeren tot dat zij door omstandigheden wordt opgewekt.

Evenmin kunnen wij verklaren waarom wij somtijds zulk een overvloed van afwisselende manifestaties verkrijgen, terwijl wij een ander maal, oogenschijnlijk onder dezelfde omstandigheden, niets bijzonders ja soms in het geheel niets verkrijgen, hoewel toch dezelfde personen bijeen zijn, en met behulp van hetzelfde medium.

Eenige mannen van de wetenschap zijn overeengekomen, om te onderzoeken, na vooraf een «programmaquot; opgemaakt te hebben; d. w. z. om vooraf eenige «voorwaardenquot; vast te stellen, die, daar waren zij zeker van, elke manifestatie onmogelijk zouden maken. Charles Wheatstone vertelde mij, dat hij een piano kon doen spelen, zonder dat eene hand haar aanraakte; echter weigerde hij mij de omringende voorwerpen te laten onderzoeken of zelfs een enkelen draad door te snijden, die met het instrument in verbinding stond.

Een van de grootste geleerden kan allerlei wonderen te aanschouwen geven in een kamer, die echter geheel droog en zelfs zonder eenigen vochtigen damp moet wezen.

Men heeft aan twijfelzieke wijsgeeren herhaaldelijk aangeboden zich door proeven tot overtuiging te laten brengen ; en inderdaad is proefneming het eenige middel om de waarheid te ontdekken.

Sommigen hebben dit gewaagd en zijn overtuigd geworden ; anderen volharden in hun weigering van te onderzoeken, tenzij men hun toestaat hunne eigene voorwaarden te stellen. Een groote schaar echter, erkent wel deze verschijnselen en schrijft ze toe aan de een of andere kracht, die tot nog toe onbekend is, doch die in hunne denkbeelden omtrent den Schepper en

-ocr page 34-

24

liet loven hiernamaals, volstrekt geen verandering brengt. Men verhaalt, dat een geleerde zou gezegd hebben: »De geest is wel het allerlaatste waarmede ik mij bezig zou houden.quot;

Vinden wij niet dezelfde gesteldheid in den Bijbel vermeld? Toen de Apostelen aan hunnen Heer vroegen waarom zij geen wonderen konden verrichten werd hun geantwoord; »door uw ongeloof.quot; Toen de lieer in zijn eigen land terugkwam, kon hij zelf daar geeno groote werken verrichten. Het bad van Bethesda, had alleen invloed op hem, die er zich dan eerst indompelde, nadat een engel het water had aangeroerd. In de dagen van Elias, toen er een hevige hongersnood door het geheele land heerschte, waren er vele weduwen in het land van Israël; maar naar geen van haar werd Elias gezonden behalve: »in Sarepta eene stad van Sidon, naar eene vrouw die weduwe was. Welnu, vraag van duizend verschillende zaken «waarom,quot; en het ecnige antwoord dat mogelijk zal zijn is — «omdat het zoo is.quot;

Wat mij betreft, ik bon verzekerd dat het geloof in het Spiritualisme niet alleen niet in tegenspraak is mot het verstand, en ondersteund wordt door de ondervinding, maar dat het zelfs bekrachtigd wordt door de openbaring van het verheven Bijbelboek: dat het een heerlijke en uit don Hemel voortgesproten waarheid is.

Het geloof in bovennatuurlijke invloeden schijnt onafscheidelijk van de menschheid te zijn. Het maakt een dool uit van onze natuur en het is ontstaan en aangekweekt bij alle volken en in alle tijdon. Het is niet alleen algemeen onder beschaafde en ontwikkelde, maar ook bij de Indische volken en tot aan de uiterste grenzen der beschaving. Een van de welsprekendste schrijvers onzer eeuw. Lord Lytton Bulwer zegt dat de grootste denkers hot geloof van den nederigsten

-ocr page 35-

25

Christen deelen, omdat zij, die geen vertrouwen hebben in den godsdienst, gewoonlijk die menschen zijn, welke aan nachtmerries gelooven. en haalt tevens Julius Caesar en den grooten twijfelaar Lord Herbert van Cherbury tot voorbeelden aan. Julius Caesar, die niet in een leven hiernamaals geloofde en hot denkbeeld van een ziel en een Godheid verwierp, mompelde toch eene tooverspreuk, wanneer hij in een wagen stapte en ging den Rubicon niet over, alvorens de (orakels) voorteekens geraadpleegd te hebben. Lord Herbert, die een boek tegen de openbaringen schreef, vroeg een teeken van den hemel om hem daardoor mede te deelen of zijn werk door zijn Schejjper werd goedgekeurd; de man, die niet kon gelooven in de wonderen van zijn Zaligmaker, verlangde in ernst dat er een wonder ten zijnen behoeve zou geschieden.

Het Oude Testament spreekt telkens van Engelen, terwijl ik in het Nieuwe Testament veel vind dat op geesten betrekking heeft of op geestelijke krachten en invloeden. Daarentegen vind ik in geen der beide boeken iots, dat spreekt van eenig gevaar dat kon voortkomen uit dit geloof.

(Come out from among them, and be ye separate) is con van de vele waarsclunvingen tegen hot verkeer met gevaarlijke personen; voorzeker hoeft het ook betrekking op onze onzichtbare booze tegenstanders Wij worden gewaarschuwd tegen verleidende geesten, die ons leerstellingen der duivelen mededeelen, terwijl ons geboden wordt de geesten te beproeven of zij van God zijn. Er is dus grond om ons te waarschuwen zoowel als om ons aan te moedigen, doch niets dat belet, dit geloof als een nieuw bewijs aan te voeren van de liefde van God, wiens wegen altijd onnaspeurlijk zijn.

Wij zien, dat de Apostel Paulus ons niet onwetend heeft willen laten omtrent de geestelijke gaven en dat een van de schoonste gebeden onzer Kerk zegt: »dat God ons genadig

-ocr page 36-

20

zij en ons toesta, dat zijne Heilige Engelen, die Hem steeds in den Hemel dienen, door zijn wil ons steunen en behoeden op aarde.quot;

Moet ik u herinneren geachte lezer, dat niet alleen de Apostelen en hunne onmiddellijke opvolgers, maar ook brave menschen in alle tijden en van alle lauden onbetwistbaar geloofd hebben in onze gemeenschap en ons vorkeer met engelen en geesten — in hunne bemoeiingen met aardsche zaken en in den invloed, die zij uitoefenen op onze gedachten, woorden en daden. De jaarboeken, der Roomsch-Katholieke kerk zijn er vol van; toch, en dit is inderdaad zeer vreemd, zijn de lioomsch-Katholieken over \'t algemeen sterk tegen het Spiritualisme; zij erkennen geen andere wonderen, dan die, welke door de Kerk geheiligd zijn. En toch, wie zal al hunne gedenkschriften verklaren voor leugens of voor slim uitgedachte fabelen?

Het geloof, dat de ziel na het lichaam verlaten te hebben de herinnering behoudt van de daden, die door den mensch op aarde gedaan zijn, wordt niet alleen gesterkt door het Woord Gods en door het verstand, maar zonder dat geloof zou het leven hiernamaals geen doel hebben en zou de ziel in een staat van verdooving geraken.

«Steeds duurt eu werkt \'t geheugen voort Wanneer de geest een schooner oord Zich na den dood geopend ziet :

Herinnering verlaat hem niet En wordt zij in den Hemel een oorzaak tot verblijden Zoo is zij in de Hel de bron van bitter lijden.quot;

De hoofden dor Engelsche kerk en de orakelen van hen. die zich van deze kerk hebben afgescheiden, verklaren, dat do wonderen nog niet geeindigd zijn, maar dat zij

-ocr page 37-

27

nog steeds plaats grijpen, niet alleen door goede engelen, maar ook door booze geesten.

Bisscjiop Hall schreef het volgende: szoo zeker als het is dat wij allen menschen gezien hebben, oven zeker is hot dat de Heiligen engelen gezien hebben.quot;

Het volgende is van den Aartsbisschop Tillotson ; «De engelen zyn evenmin dood ot\' werkeloos als in don tijd van Jakob en van onzen Zaligmaker 011 zoowel goede als kwade geesten zijn, elk op hunne wijze, rondom ons aan het werk.quot;

Bisschop Beveridgo beweert dat: «hoewel wij de geesten niet kunnen zien in hun gewonen toestand, zoo kunnen wij dit wel, wanneer zij, zooals zij somtijds doen, een lichame-lijken vorm aannemen.quot;

Ik haal de volgende woorden aan uit de verhandeling van Bisschop Pierson over de geloofsartikelen — «Indien ik in gemeenschap sta met een van Gods heiligen, terwijl hij hier op aarde leeft, moet ik nog gemeenschap met hem kunnen hebben, wanneer hij van hier is weggegaan, want hot is onmogelijk dat deze gemeenschap zou verbroken worden door den dood.quot; «Daarom moet ik eerst het volgende aanmerken als eene zekere waarheid, die de menschheid noodig heeft te weten; dat de ziel van hem die dit leven v e r-laat, niet sterft, maar nader tot Hem komt, die haar geschonken heeft, om geheel onder Zijn wil te staan. — Dit berust op den raad, die do Zaligmaker ons gegeven heeft; «Vreest niet voor hen, die wel het lichaam, maar niet de ziel kunnen: dooden.quot; Het boste deel onzer natuur blijft dus na den dood voortbestaan en leven: de ziel wordt, hetzij door hare geestelijke en onverderfelijke eigenschappen, of door den wil van üod en door zijn macht, die ons staande houdt, voor vernietiging bewaart. Welnu, de ziel, die voortleeft na de scheiding van het lichaam, in etherischen vorm, bevindt zich inderdaad op de eene of andere bepaalde jjlaats. Ook moet men zich niet voorstellen dat de ziel in haar bestaan na den

-ocr page 38-

28

dood in een toestand van slapen verkeert of beroofd is van al hare levenskrachten. Neen, zij behoudt al haar verstandelijke vermogens en ondervindt nog aandoeningen van vreugde of verdriet.quot;

Ik denk aan de woorden des dichters: »Wie durft staande houden dat quot;God heeft gezegd, berouw is vergeefs aan do over-zjjde des grafs, of dat hij, die tot do geesten durft prediken, welke wij dooden noemen, door Gods almacht zelfs niet zou zijn te redden quot;

Ik kon u nog vele aanhalingen doen van geachte en beroemde Christenen, die gelooven, dat de ziel bewust blijft voortbestaan na den dood.

Het Spiritualisme leert ons, steunende op de Heilige Schrift en door de ontwikkeling van ons geestelijk wezen, dat er geen Dood bestaat.

Dood is slechts een naam, dien men geeft aan de uitvaart van de ziel uit het lichaam.

William Howitt.

Er is een natuurlijk en een geestelijk lichaam.

Paulus

))Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren, werd niet tot de ziel gesproken.

Longfellow.

Nog onlangs, 14 Januari 1884, bevatte de Times in een stuk, getiteld: Hervorming van begrafenis en rouwplechtigheden, deze woorden: »De maatschappij der hervorming van de begrafenisplechtigheden van de kerk van Engeland wenscht op den voorgrond te stellen de christelijke opvatting van den dood als een overgang van een toestand van bestaan tot een hoogeren.quot;

Ik verheug mij van dit belangrijk feit melding te kunnen maken, want het pleit voor een verandering, waarvan ik lang een voorstander ben geweest, zooals kan blijken niet alleen uit mijn «Terugblik op een lang levenquot;, maar ook uit mijne

-ocr page 39-

29

andere schriften — ik bedoel eene algemeene hervorminn-

o O

van de dwaze, hoewel thans reeds verminderde gebruiken en ijdele praalvertooning bij begrafenissen; die overtollige weelde moest verminderd of wel geheel afgeschaft worden.

Onder de Dissenters zijn vele invloedrijke personeu, die er evenzeer over denken en spreken.

Baxter zegt betreffende verschijningen van geesten : «Ik heb ontwijfelbare bewijzen van de waarheid hiervan ontvangen. \' Wie kan er aan twijfelen dat John Bunjan een overtuigd Spiritualist was? Isailc Watts zegt, dat «het verschijnen van overledenen een sterk bewijs is voor den middentoestand, van waar zij met bepaalde goddelijke bedoelingen kunnen terug-keeren.quot; »Ik weet, zegt de goede mevrouw Fletscher van Madeley, sonze vrienden zjjn niet werkelijk van ons gescheiden ; zij zijn slechts onzichtbaar en voor ons gezicht verborgen, anders zouden wij er te veel op vertrouwen.quot;

De geschiedenis van den vader van John Wesley is genoeg bekend; in de bovennatuurlijke verschijnselen, waarvan hij een breedvoerige beschrijving geeft, geloofde John Wesley volkomen; op zulk een getuigenis kon hij het geloof niet van zich werpen. Zijne preeken over goede en booze engelen, bevatten bijna alles wat er onder de moderne Spiritualisten voorvalt.

Voor zijn betoog over de goede geesten nam hij den text: »Zijn zij niet allen dienstvaardige geesten, uitgezonden ten dienste dergenen die de zaligheid zullen beërven?quot; Voor den invloed van do booze geesten koos hij do woorden; «Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de heer-schers der duisternis dezer wereld, tegen do geestelijke boosheden in hooge plaatsen.quot; Do eerwaardige stichter van het Methodisme zegt niet alleen dat goede en booze geesten in de apostolische tijden werkten, maar dat zij thans evenzeer werk -

-ocr page 40-

30

zaam zijn als toen, om goed on kwaad te doen, om dienstknechten te werven onder de banier van Christus en voor de legers van het rijk der duisternis! En hij bevestigt die leer met de afdoende redeneering, zeggende dat «wanneer booze geesten ons naar ziel of lichaam belagen kunnen, zullen de goeden ten minste even sterk, even wijs en even waakzaam zijn.quot; — Dat «God in alle eeuwen niet slechts het werk van menschen, maar ook van engelen heeft gebruikt, om de aanslagen, do boosheden en de listen van booze geesten to overwinnen : en hoewel hij in die redevoering niet zegt dat zij in zichtbaren vorm verschijnen kunnen, wat hij elders doet, verklaart hij toch dat de waarachtigheid van hunne werkelijke tegenwoordigheid niet minder blijkbaar is; hij besluit zijn zeer schoone en welsprekende redevoering over de goede engelen aldus: «Zij helpen ons in hot zoeken naar waarheid, verwijderen vele bezwaren en moeilijkheden van ons, werpen licht op hetgeen te voren duister en donker was en bevestigen ons in de waarheid die naar de godzaligheid is. Zij waarschuwen ons voor gemaskerd kwaad en plaatsen wat goed is in een helder licht. Vriendelijk neigen zij onzen wil om te doen wat goed is en te ontvlieden wat slecht is. Vaak vuren zij onzen ijver en waakzaamheid aan, doen onze heilige hoop of kinderlijke vrees toenemen en steunen ons om Hom bestendig lief te hebben, die ons eerst heeft liefgehad. Ja, zjj worden van God gezonden om het schoone gebed te beantwoorden dat de vrome Bisschop Ken ons in den mond legt.

O, mogen uwe Engelen, terwijl ik slaap,

Rondom mijn bed wacht houden ;

Mij engelenliefde in de ziel storten,

Eiken toegang voor verkeerdheid afsluiten;

Mogen zij hunne hemelsche vreugde en vrede

mij deelachtig maken En van ziel tot aiel met mij spreken.

-ocr page 41-

31

Dr. Isaac Watts meent dat de ziel na haar heengaan van de aarde terugblikt op haar gezindheden en daden in dit leven: »zij is zich bewust van hare deugden en ondeugdenquot; — en voegt Dr. Southey er bij: «zij heeft een nimmer eindigende lente van vrede en blijdschap in zich of wordt gekweld door de knagingen van het zelfverwijt.quot;

In 4 800 schreef Southey ;

«Ik heb vijf kinderen; drie tehuis en twee onder moeders hoede in den hemel.quot;

De eerwaarde John Keble schreef:

sWant in waarheid, \'s menschen geest kent geen dood maar overschrijdt de beperking van liet vleesch. Ilij treedt in gemeenschap met dingen die onzichtbaar zijn. even alsof zij nog bij ons waren.quot;

Dr. Johnson schreef aldus:

»üat de dooden niet meer gezien kunnen worden, wil ik niet volhouden tegen den stroom en de onveranderlijke getuigenis van alle eeuwen en alle natiën. Addison sprak van zulk een geloof «bevestigd door de algemeene getuigenis der mensch-heid.quot; Isaac Watts, sprekende van tien text: «Wanneer een geest of een engel tot dezen man heeft gesproken, »wie zegt dat een geest hier iets anders is als een engelen vraagt : «Wat kan het anders bedoelen dan eene verschijning van een menschelijke ziel, die het lichaam heeft verlaten ?quot;

»En zult gij niet onzichtbaar om ons heen zweven meteen zachte drijving van liefelijken invloed?

Aldus schreef Adam Clarke in zijne commentaren :

»Ik geloof dat er is een bovenaardscbe en geestelijke wereld, waarin menschelijke geesten, beiden goede en slechte in een toestand van volkomen bewustheid leven. Ik geloof dat ieder van deze geesten, volgens Gods bevel, volgens de wetten hunner woonplaats, gemeenschap hebben met deze wereld en voor stervelingen zichtbaar zijn.quot;

«Dit is zeker; engelen dalen uit de reien der zaligen ne-

-ocr page 42-

32

der en zijn werkzaam (ot vertroosting der lijdenden; deze engelen keeren na gedaan werk naar de sferen der gelukkigen weder, en kunnen wij dan veronderstellen dat zij zwijgen zullen over wat zij hebben gezien en wie zij beneden hebben geholpen?

Ik schrijf den volzin af uit de welsprekende redevoering van den Eerw. Dr. Gumming , hij was aan de eene zijde Spiritualist, maar aan den anderen kant een heftig en onredelijk tegenstander van het Spiritualisme. Toch in de volgende zinsnede uit een andere zijner preeken, verkondigt en leert hij bijna alles waarvoor do Spiritualisten strijden :

»Zij die ons voorgegaan zijn herinneren zich deze wereld en allen die zij hebben achtergelaten. Het schijnt mij een niet te weerspreken zaak. dat zij, die voor ons vertrokken zijn, zich moeten herinneren de vrienden die zijn achtergebleven. Het leven dat nu is, vormt het leven dat komen zal; de indrukken die wij in den tijd ontvangen, kunnen wij nimmer vergeten in do rijken der eeuwigheid. Wanneer gij onzen wasdom hier, scheidt van onze herinneringen daar, dan scheidt gij het individu van den persoon zelf. Werd het verleden uitgevvischt. bijvoorbeeld uit het geheugen van iemand, die in den hemel was toegelaten, hij zou niet gelooven dat hij dezelfde persoon was. Zoolang als ik ergens geplaatst ben, zoolang moet het i k zich herinneren wat het was, wat het ervaren en geleden heeft, welke invloeden het heeft ondergaan of uitgeoefend, welke beweegredenen het hebben geiu-spireerd en welke vorderingen het gemaakt heeft. Wanneer gij in mijne herinnering mijn verleden van mij zelven scheidt, dan vernietigt gij mij en schept een geheel ander en ve.1-schillend wezen. Wij kunnen ons geen denkbeeld vormen, dat herinnering zou uitgewischt zijn in den hemel, omdat wij ir.et kunnen aannemen dat het individu daar vernietigd zou worden.quot;

Het Spiritualisme openbaart ons eene onzichtbare wereld

-ocr page 43-

33

met ongekende krachten, die aanhoudend op de zichtbare inwerken en komt daardoor in strijd met de geleerden, ■welke beweren dat de geheele natuur in het zichtbare begrepen is, dat altijd dezelfde dingen moeten gebeuren onder dezelfde omstandigheden; zij betwijfelen alles in het plan der schepping wat niet mathematisch bewezen kan worden, zeggende; onze ervaring is alle ervaring; en zij willen niet toestaan dat er iets buiten de ons bekende wetten kan geschieden, door welke de natuur beheerscht schijnt. Maar kent de wetenschap dan reeds alle wetten ? Zij vergeet dat de verklaring, die zij ons thans aan de hand geeft, niet de verklaringen zijn, die zij morgen verkondigt en nimmer de verklaringen zullen zijn die zij morgen te geven heeft als zij niet stil staat.

Kan de wetenschap den invloed verklaren welke de naald tot den magneet trekt? Kan zij de geur van de roos zien ? of de wetten berekenen waardoor de bloem honig geeft aan de bij ?quot;

Maar welke philosophie is het, die niet tracht nieuwe waarheid te ontdekken, al is het dat dit pogen ons dringt tot het verlaten van oude wegen en algemeen heerschende stellingen? Het is de philosophie, niet van Galilei, maar van de monniken, die hem wilden verbranden. Het is niet de philosophie van Jenner, maar van het college van dokters, die het er op toelegden, hem als een bedrieger te brandmerken. Het is niet de philosophie van den ongelukkigen man, die het eerst de meening verkondigde dat de stoom een kracht was, maar van hen, die hein in het krankzinnigengesticht van Bicêtre opsloten. Het is niet de philosophie van onzen Heer, maar van de Joden, die Hom kruisigden! Het is de philosophie van Lot\'s huisvrouw, die alleen achterwaarts wilde zien!

»lk geloof.quot; zegt de laatste onder deze philosophen, »dat water nat is, dat ijzer in water zinkt, dat vuur brandtquot;; en het is geheel onmogeljk om door redeneering iemand te overtuigen, dat er omstandigheden bestaan kunnen, die het vuur onschadelijk maakten voor menschen, die er door omge-

3

-ocr page 44-

32

der en zijn werkzaam tot vertroosting der lijdenden; deze engelen keeren na gedaan werk naar de sferen der gelukkigen weder, en kunnen wij dan veronderstellen dat zjj zwijgen zullen over wat z[j hebben gezien en wie zij beneden hebben geholpen?

Jk schrijf den volzin af uit de welsprekende redevoering van den Eerw. Dr. Cuimning , hij was aan de eene zijde Spiritualist, maar aan den anderen kant een heftig en onredelijk tegenstander van het Spiritualisme. Toch in de volgende zinsnede uit een andere zijner preeken, verkondigt en leert hij bijna alles waarvoor de Spiritualisten strijden ;

»Zij die ons voorgegaan zijn herinneren zich deze wereld en allen die zij hebben achtergelaten. Het schijnt mij een niet te weerspreken zaak. dat zij, die voor ons vertrokken zijn, zich moeten herinneren de vrienden die zijn achtergebleven. Het leven dat nu is, vormt het leven dat komen zal; de indrukken die wij in den tjjd ontvangen, kunnen wij nimmer vergeten in de rijken der eeuwigheid. Wanneer gij onzen wasdom hier, scheidt van onze herinneringen daar, dan scheidt gij het individu van den persoon zelf. Werd het verleden uitgewischt. bijvoorbeeld uit het geheugen van iemand, die in den hemel was toegelaten, hij zou niet gelooven dat hij dezelfde persoon was. Zoolang als ik ergens geplaatst ben, zoolang moet het i k zich herinneren wat het was, wat het ervaren en geleden heeft, welke invloeden het heeft ondergaan of uitgeoefend, welke beweegredenen het hebben gein-spireerd en welke vorderingen het gemaakt heeft. Wanneer gij in mijne herinnering mijn verleden van mij zeiven scheidt, dan vernietigt gij mij eu schept een geheel ander en verschillend wezen. Wij kunnen ons geen denkbeeld vormen, dat herinnering zou uitgewischt zijn in den hemel, omdat wij niet kunnen aannemen dat hot individu daar vernietigd zou worden/\'

Het Spiritualisme openbaart ons eene onzichtbare wereld

-ocr page 45-

33

met ongekende krachten, die aanhoudend op de zichtbare inwerken en komt daardoor in strijd met de geleerden, welke beweren dat de geheele natuur in het zichtbare begrepen is, dat altijd dezelfde dingen moeten gebeuren onder dezelfde omstandigheden; zij betwijfelen alles in het plan der schepping wat niet mathematisch bewezen kan worden, zeggende; onze ervaring is alle ervaring; en zij willen niet toestaan dat er iets buiten de ons bekende wetten kan geschieden, door welke de natuur beheerscht schijnt. Maar kent de wetenschap dan reeds alle wetten? Zij vergeet dat de verklaring, die zij ons thans aan de hand geeft, niet de verklaringen zijn, die zij morgen verkondigt en nimmer de verklaringen zullen zijn die zij morgen te geven heeft als zij niet stil staat.

Kan de wetenschap den invloed verklaren welke de naald tot den magneet trekt? Kan zij de geur van de roos zien? of de wetten berekenen waardoor de bloera honig geeft aan de bij ?quot;

Maar welke philosophic is het, die niet tracht nieuwe waarheid te ontdekken, al is het dat dit pogen ons dringt tot het verlaten van oude wegen en algemeen heerschende stellingen? Het is de philosophic, niet van Galilei, maar van de monniken, die hem wilden verbranden. Het is niet de philo-soplue van Jenner, maar van het college van dokters, die het er op toelegden, hem als een bedrieger te brandmerken. Het is niet de pliilosophie van den ongelukkigen man, die het eerst de meening verkondigde dat de stoom een kracht was, maar van hen, die hem in het krankzinnigengesticht van Bicêtre opsloten. Het is niet de philosophic van onzen Heer, maar van de Joden, die Hem kruisigden! Het is de pliilosophie van Lot\'s huisvrouw, die alleen achterwaarts wilde zien!

»Ik geloof.quot; zegt de laatste onder deze philosophen, »dat water nat is, dat ijzer in water zinkt, dat vuur brandtquot;; en het is geheel onmogeljk om door redeneering iemand te overtuigen, dat er omstandigheden bestaan kunnen, die het vuur onschadelijk maakten voor menschen, die er door omge-

3

-ocr page 46-

34

ven bleven, die het water verdeelden om er menschen met drooge kleederen te doen doorgaan, of te maken dat ijzer niet zonk op den bodem van het meer.

De wonderen van het Spiritualisme zullen misschien voor professor Tyndall doen wat het geschreven Woord en de lee-ringeavan heilige mannen niet vermochten. Hij zal de wonderen van gister kunnen gelooven, door getuige te zijn van wat er heden ten dage geschiedt. Aldus is het met velen van zijne voorgangers in de wetenschap gegaan.

De redeneering van Ernest Renan in zijn boek »de Apostelenquot; is aldus, wat de wonderen betreft. «De eerste twaalf hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen zijn een weefsel van wondoren; zulke feiten zijn nimmer bewezen; al de zoogenaamde mirakelen zijn, nauwkeurig onderzocht, tot illusie of bedriegerij te brengen: discusie en onderzoek zijn noodlottig voor mirakelen.\'\'

Hij geeft toe dat een mirakel voor ervaren geleerden te Parijs gebracht, een eind aan allen twijfel zou makon, maar zegt er bij: «helaas, zoo iets nooit is gebeurd. Ik hoop dat Ernest Renan de wonderen zal aanschouwen, die ik gezien heb in tegenwoordigheid van ervaren geleerden, zoo knap als Parijs er kan opleveren. Wanneer dit gebeurt, zal hij gewis berouw hebben over het boek dat hij heeft geschreven en toestemmen dat er ^850 jaren geleden ook wonderen hebben kunnen gebeuren.

Ja, tot al degenen die alleen waarheid willen erkennen door de evidentie hunner zintuigen, die geen geloof willen aannemen, dat niet gesteund is door tastbare bewijzen, is dit nieuwe licht van het Spiritualisme gezonden.

Krachten en teekenen waren de geloofsbrieven van de Joodsche profeten en zij werden aangevoerd door onzen Heer en zijne Apostelen om de waarachtigheid van zijne zending te bewijzen. «Wanneer ik niet doe de werken mijns vaders, geloof mij niet. Maar wanneer ik die doe, en gij in mij niet

-ocr page 47-

35

gelooft, gelooft dan de werken.quot; «Zij geschieden, zeide onze Heer bij eene andere gelegenheid, «opdat gij zoudt ge-loo ve n.quot;

Dat zijne machtige werken het doel bereikten, waarvoor zij bestemd waren, hiervan hebben wij de klaarste en meest overtuigende bewijzen; niet alleen na de opstanding van Lazarus, maar bij vele andere gelegenheden, riepen duizenden, die de werken gezien hadden uit: «Zeker nooit deed eenmenschwat Hij deedquot; — en geloofden in Hem, omdat zij gezien hadden, die niet zouden geloofd hebben, wanneer een mondelijk getuigenis hun eenig bewijs zou geweest zijn. Duidelijk blijkt het inderdaad, dat toen iemand uit den dood opgewekt werd, velen in Christus geloofden als een onmiddelijk gevolg van dat krachtsbetoon. Daar zijn nog andere voorbeelden, zooals dat van Tabitha, waarbij dezelfde oorzaak hetzelfde uitwerksel ten gevolge had.

Toch zijn er velen die zeggen dat de wonderen hebben opgehouden ; die staande houden dat er wonderen geschiedden om getuigenis te geven van de hoogere zending van Christus en als middel tot bekeering tot de waarheid, en echter ontkennen dat zij nu gebeuren, nu er op aarde honderden mil-lioenen meer zijn dan in de apostolische tijden, en hoewel zij weten dat het Materialisme zich wijd heeft verbreid en zich uitstrekt over de geheele wereld. Wanneer wonderen gebeurden, zoo als gij weet dat het geschiedde, met do bedoeling, opdat gij zoudt gelooven, zijn die krachten dan nu niet van beteekenis, die voor achtien honderd en vijftig jaren van zoo groote beteekenis waren? Zij bleven geschieden tot op het laatste tijdstip van het Schriftverhaal, wanneer werd dat vermogen teruggetrokken van de discipelen? Was het bevel «gaat heen tot alle natiën met de kracht om door wonderen tot geloof te brengen, dan slechts aan do twaalven gegeven, of aan de zeventigen?

-ocr page 48-

30

«Tenzij gijlieden teekenen en wonderen ziet, zult gij geloo-venquot; kan heden ten dage met even veel recht gezegd worden als toen onze Heer de woorden sprak : «geloof mij om de werken.quot; «Wij wreten dat gij een leeraar zijt van God gezonden, want geen mensch kan de teekenen doen, die gij doet, indien God niet met hem is;quot; deze woorden zijn even goed heden van toepassing als in vroegere eeuwen. De woorden van onzen Heer «Hij, die in mij gelooft zal ook de werken doen, die ik doe, en grooter werken dan deze.quot; waren tot geen tijdpunt of plaats begrensd. Zulke werken gebeurden er te Epheze vijftig jaren na zijne hemelvaart, en door mensehen die den Heer nooit op aarde hadden gekend, maar zelfs onder degeen waren, die zijne discipelen hadden vervolgd, zooals ten minste Paulus geweest is.

Wat is er onredelijks in dit geloof — het geloof dat de hcengeganen van de aarde met hen, die op aarde blijven gemeenschap kunnen oefenen en dit werkelijk doen? De schrift vloeit zoo over van bewijzen hiervoor, dat hij geen Christ en kan zijn, die hieraan twijfelt. Duidelijk is het dat engelen in raenschelijken vorm zijn verschenen: Jacob worstelde met een engel. Lot onthaalde engelen. Onze verrezen Heer werd dooide vrouwen bij het graf voar een hovenier aangezien. Hij wandelde en sprak met zjne discipelen te Einmaus en vertoonde zich aan zijne Apostelen «toen de deuren gesloten waren.quot;

Was het een booze geest dien Cornelius hoorde en zag en hem belaste den Apostel Petrus te Joppe te gaan opzoeken? Was het een booze geest die tot Petrus zeide: «Ga twijfel niet, ik ben met uquot;? Was het een engel of een booze geest, die toen Petrus in de gevangenis slapend nederlag zeide : «Werp uwe boeien van u, en volg mijquot;, die hem door de ijzeren poort leidde, «die van zelf zich opendequot;, en hem vrij gemaakt hebbende «heenging? Was het een booze kracht, dia

-ocr page 49-

37

Paulus op den weg naar Damascus ontmoette, toen zij «die met hem waren het licht zagen, maar niet de stem welke tot hem sprak hoordenquot;. Wij worden dikwijls gewaarschuwd niet alleen voor valsche profeten, maar voor valsche Christussen, die »groote teekenen en wonderen zullen doen.quot; Maar wat zou do waarschuwing beteekenen, wanneer de ware profeten en de ware Christus het vermogen niet bezaten om zich van de anderen te onderscheiden? Het zaad van de gelijkenis viel zoo wel in goeden grond als op onvruchtbare rotsen en tusschen doornen Is het moeilijk te gelooven aan ontelbare legioenen van engelen als wij lezen van hemelsche heirscharen? «Millioenen van geestelijke wezens wandelen onzichtbaar over de aarde. Zoowel wanneer wij waken als slapen.

Ik wend mij alleen tot degeen, die, hunne geloofsbelijdenis moge zijn wat zij wil, in een hier nam a a Is gelooven, in een onsterfelijkheid, verschillend van dit tegenwoordig leven in een geestelijk zoowel als een natuurlijk lichaam en hen vraag ik : wat is er onredelijks in dit geloof aan geestelijke gemeenschap ? Op welken grond betwijfelen zij het ? De ziel is toch ergens als zij het lichaam heeft verlaten. Het is zooals een wijs mensch gezegd heeft; »de hemel kan geen toestand zijn van een verheerlijkte luiheid.quot; God heiligt geen stilstand in eenige zijner werken.

Daar zijn er niet alleen die zeggen »dat de eeuw van wonderen voorbij isquot; dat de dagen van boven natuurlijke verlichting voorbij zijn; maar er zijn er, die de wonderen aan periodieke impulsies van God toeschrijven — geloovende dat ze nu en dan gebeuren, maar deze vergeten de nadrukkelijke verklaring van onzen Heer, sik ben altijd met u! en Ik ben dezelfde, heden, gister en in eeuwigheid!

-ocr page 50-

38

F-crw Heer, onze strijd als Spiritualisten wordt vooral gevoerd met hen, die niet aan een hier namaals gelooven. Het tegenwoordige geslacht heeft behoefte aan feitelijke bewijzen. Meer dan eens in mijn leven is mij gezegd : »Ik zou alles wat ik bezit in de wereld willen geven om volkomen en geheel en zonderquot; schaduw van twijfel in een toekomstig leven te kunnen gelooven.quot; In de Christelijke zoowel als in de Joodsche kerk zijn Sadduceërs, die niet in een opstanding gelooven »Want de Sadduceërs zeggen; daar is noch opstanding, noch engel, noch geest.quot; Het waren niet alleen vorsten, maar geleerde mannen aan wie Paulus vroeg. «Waarom zou het door u ongelooflijk geacht worden, dat God iemand van de dooden opwekte.quot;

Aan de geleerde Corinthers vroeg hij : «Waarom zeggen sommigen van u dat er geen opstanding uit den dood is ?quot; —-Bij een zekere gelegenheid zeide hij, «Men heeft mij gevraagd over de opstanding van de dooden.quot;

Eerwaarde Heer. Wie weet hoe velen er in uwe gemeente zijn, die niet in een toekomst na dit leven gelooven ? . , .

Ja, wordt niet nu en dan den preekstoel beklommen dooi: predikers, die zelf niet in een hier namaals gelooven ?

Velen zijn er die de tegenwoordige wonderen verwerpende, toch gelooven aan de wonderen in het verleden.. Onredelijk trachten zij inderdaad de wonderen van de Schrift vast te houden, terwijl zij de mogelijkheid ontkennen van iets wat niet in de Heilige Schrift wordt vermeld.

Zij weigeren aan te nemen dat Home en anderen zonder hancted of andere zichtbare kracht is opgeheven en door een kamer heeft gezweefd, maar zeggen dat zij gelooven dat Phi-lippus werd opgenomen en van Gaza naar Azote gevoerd; zij gelooven Daniel wanneer hij zegt: «Hij bracht den vorm te voorschijn van een hand en nam mij bij mijn achterhoofd, en

-ocr page 51-

39

de geest hief mij op tusschen de aarde en den hemel.quot;

Zij willen niet gelooven dat een eenvoudig onopgevoed boeren meisje Grieksche volzinnen heeft geschreven en een arbeider een Latijnsche oratie heeft gehouden : maar zeggen te gelooven dat op don Pinksterdag, ongeleerde visschers, de Apostelen en discipelen, vreemde talen spraken zoo als de geest hen te spreken gaf,quot; Zij willen niet gelooven in de genezende krachten van sommige menschen, die heden ten dage leveni maar verklaren wel te gelooven, dat er aan de poort, genaamd de Schoone, een persoon werd genezen, die lam was van zijne geboorte.

Zij willen niet gelooven dat een zware tafel, zonder aanraking van een menschelijke hand van de vloer tot de zoldering werd opgeheven ; maar zeggen te gelooven dat de steen van de deur van het graf door engelen werd weggerold. Zij willen niet gelooven dat er muzikale stemmen worden gehoord, als er geen levende lippen zich bewogen, en zeggen wel te gelooven dat de herders stemmen hoorden, die met duidelijke woorden lot zongen, /ij willen niet gelooven in het Moderne trance mediumschap, maar zeggen wel Ezechiel te gelooven als hij schreef. «En de geest ging tot mij in als hij tot mij sprak, en zette mij op mijne voeten, dat ik hoorde wat hij tot mij sprak.quot; Zij willen niet gelooven in den kouden wind, en de hevige schuddingen van kamers, die dikwijls de communicaties voorafgaan, wanneer Spiritualisten «eendrachtig in een plaats bij een gekomen zijnquot; — en zeggen wel te gelooven in het ruischen van den stormwind, die het huis schudde, waar de Aposten vergaderd waren. Zij willen niet gelooven in de hoorbare stemmen, die door Spiritualisten ge-gehoord worden en zeggen te gelooven in de stem, die door Paulus gehoord werd op den weg naar Damascus, welke de bijstanders niet hoordenquot; en in de stem, die onzen Heer verheerlijkte, door sommigen gehoord, «hoewel anderen zeiden dat het donderde.quot; Zij willen niet gelooven in direct geesten-

-ocr page 52-

40

schrift, hoewel zij zeggen te gelooven dat Jehoram een geschreven communicatie ontving van Elia, vier jaren nadat hij reeds van de aarde was opgenomen. Zij willen niet gelooven, dat schriften en teekeningen, thans zonder opzet, bedoeling of wil voortgebracht worden, maar zeggen wel te gelooven dat David- op deze wijze onderricht ontving om den tempel te bouwen, »Dit alles deed de Heer mij verstaan in schrift door Zijne hand. tot zelfs al de werken van dit model.quot; Zij willen niet gelooven dat heden ten dage, zichtbare of onzichtbare handen hebben geschreven, wat niemand heeft geweten; maar zeggen te gelooven in het handschrift op den muur bij het feest van Koning Belsazar, en dat Ezechiël waarheid sprak, toen hij zeide. »Toen ik opzag, zie een hand werd naar mij uitgestrekt, en zie een rol boeken was in die hand.quot;

Zij willen niet gelooven dat een brandende kool zonder een enkel haar tezengen geplaatst is op het hoofd van een grijsaard, en zeggen dat zij wel gelooven, dat drie mannen in den gloei-enden oven geworpen zijn en er ongeschonden zijn uitgekomen. Met andere woorden dat engelen en geesten nu nog gemeenschap hebben met mannen en vrouwen, die op aarde leven, willen zij niet gelooven, maar wel dat engelen de goede tijding van groote blijdschap aan de herders verkondigden ; dat een menigte van het hemelsche heirleger hen aanmaande om naar den stal te Bethlehem te gaan ; zij nemen aan dat Mozes en Elias met onzen Heer op den berg spraken ; dat het een geest was, die er Johannes van terug hield, toen deze voor hem neder wilde vallen, »zie toe dat gy dit niet doet, want ik ben uw mededienstknecht, een van uwe broederen de profeten.quot; Gij kunt zulke gevallen vermeerderen, en ik kan aantoonen dat de wonderen in de Heilige Schrift verhaalt gelijksoortig, zijn met die van de jongste ervaring.

Waarom zij nu tastbaarder zijn dan zij in de vervlogen eeuwen zijn geweest, kunnen wij evenmin zeggen, als dat God in zijne wijsheid thans vele dingen voor ons tot ontdekking

-ocr page 53-

41

heeft laten komen, waarvan Hij ons in vroeger tijden onwetend hield. Maar ik geef geenszins toe dat de verschijnselen van het Spiritualisme in de laatste jaren zich voor het eerst vertoond hebben — evenmin als dat alle wonderwerken waarvoor heiligen gecannonizeerd zijn, louter verdichtsels waren.

En nu Eerwaarde Heer, kom ik tot een ander punt van mijn onderwerp en wend mij tot hen, die volle geloof schenkende aan de realiteit der manifestaties, maar dezelve aan Satanischen invloed toeschrijven, en ons op dien onnatuurlij-ken en onchristelijken grond weerstaan, zeggende dat terwijl God toelaat dat booze geesten bij ons zouden zijn, met ons zouden spreken, ons onder hun invloed brengen en ons leeren, Hij onvoorwaardelijk zou verbieden, dat rechtvaardige en goede geesten tot ons zouden komen, al ware het maar alleen om een tegenwicht te stellen aan de booze invloeden, waaraan zij gelooven dat wij bloot staan. In waarheid, dit vol te houden is niet alleen Gods ontferming, maar ook Gods rechtvaardigheid te verdonkeren.

Zij die weten dat zij «strijden niet alleen tegen vleesch en bloed, maar tegen «geestelijke boosheden,quot; beschouwen den strijd met ernst, want hj is niet zonder gevaar. Gewone middelen om tegen over deze onzichtbare vijanden te stellen baten niet; zij zien den vijand niet, dien zij ontmoeten; zij zijn buiten machte het gevaar te overzien zooals de rede, de zintuigen en zelfs het instinct ons anders toelaten bij gevaren, die voorzien of begrepen kunnen worden. Tegen vleesch en bloed kunnen zij gemakkelijk strijden, maar tegen »de geestelijke boosheden in de luchtquot; kunnen zij alleen met Gods hulp en zijne beschermende en besturende engelen de overwinning behalen.

Wie zal dan durven beweren dat God zou weigeren hen in antwoord op hun ernstig en geloovig gebed, hulp te zenden ? Zeker, het is juist voor de zoodanigen dat de indrukwekkende woorden werden gesproken; »Vreest niet,want ik ben met u; weest niet bevreesd, want Hij zal zijne Engelen

-ocr page 54-

42

gebieden.quot; Wie kan er aan twijfelen dat deze dikwijls bij ons zijn, om ons in gedachtenis te brengen de straf der zonde en de belooning der gerechtigheid, de zegepraal der deugd en de verschrikkelijke kwelling der wroeging. Onmogelijk is het aan te nemen dat booze invloeden niet alleen ellende op aarde brengen, maar tevens een toekomst voorbereiden, waarin zelfs hoop en berouw uitgesloten, ja voor eeuwig uitgesloten zijn?

Te gelooven dat God de booze geesten vrij spel zou laten en de goede geesten verbieden hulp te verleenen is niet alleen ongerijmd, maar zou tot moedeloosheid, ja tot wanhoop voeren.

Wie kan het leven verdragen, wanneer hij gelooft dat hij uitsluitend is overgelaten aan de invloeden van booze machten, waartegen de goeden niet het minste vermogen ; ja dat het den Almachtige mishagen zou indien de goede geesten ter hulpe snelden voor degeen, die aan de werking van de booze geesten bloot gesteld zijn.

Des Heeren Engel legert zich rondom degenen die Hem vreezen en redt hen uit — zal wel niet op een enkel tijdvak van toepassing zijn, maar is de ervaring van alle tijden.

«Wanneer wij konden zien, roept Luther uit, «aan hoeveel Engelen een duivel werk geeft, wij zouden wanhopen !quot; Maar wij zouden niet wanhopen wanneer wij ook de goede engelen konden zien, door wie de duivel en zijne bondgenooten worden wederstaan, beteugeld en overwonnen !

Ja wij weten dat er aanhoudend booze geesten om ons zijn; het Spiritualisme geeft klaardere en meer doorslaande blijken dat zij altijd nabij zijn en verlangen venijn in hart en ziel te storten, booze gedachten in ons op te wekken, onreine begeerten wakker te maken, tot verkeerde daden aan te zetten, zonde te bemantelen en onrecht te verontschuldigen. Is een gevaar nu gevaarlijker dat gezien wordt dan wat niet gezien wordt ? — Is de geheele wapenrusting Gods meer of minder krachtig tot verdediging, wanneer wij weten dat wij haar

-ocr page 55-

43

noodig hebben en gewaarschuwd worden om gereed te zijn bij de niet te ontkomen ontmoeting?

ioKunnen wij aannemen, schrijft Dr. Gumming dat booze geesten het hart zouden kunnen bereiken, tegen den wil van den eigenaar, en dat goede engelen dit niet zouden kunnen doen.quot; En hij voegt er bij : »Ik kan niet gelooven dat een booze geest waarheid zal spreken en de inspiratie van den bijbel erkennen, want wanneer een rijk in zich zelf verdeeld is hoe kan het bestaan?quot;

Spiritualisten gelooven aan vooruitgang, nadat de ziel dit leven reeds heeft verlaten. Het onderwerp is te breed om hier naar eisch te behandelen.

De «vele woningenquot; zijn bereid voor vele zielen. En evenals er hier op aarde geen stilstand is, en zij die niet vooruit streven, achteruitgaan, zoo is het ook in de plaatsen die ginds voor ons bereid zijn. Southey, aan een zijner vrienden schrijvende spreekt over een toestand «waar geen scheiding-meer zal zijn en geen verandering dan die, welke voortvloeit uit voortdurende progressie, en innerlijken wasdom van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid. Dit is een punt waaromtrent gij mij beter kunt onderwijzen dan ik u inlichten.

Ik ben bereid op de tegenbedenking dat de van het lichaam gescheiden ziel pijn moet lijden, door de verkeerdheden of rampen van hen die nog op aarde vertoeven. De afgestorvenen worden niet alwetend en komen niet te weten dan wat zij moeten weten tot hun nut en loutering. Trapsgewijze worden zij tot inzien gebracht van al wat zij noodig hebben te verstaan, maar ik geloof vast dat zij dikwijls niet zien wat God hen niet wil laten zien en dat er veel is wat door de goddelijke goedertierenheid voor hun gezicht verborgen blijft. Wij weten dat het hier reeds vaak zoo is. De vrouw ziet zelden de misslagen in haar echtgenoot die anderen zien, het mis-

-ocr page 56-

44

vormde kind, waarop maar zeer weinigen zonder een schamperen blik neerzien, is gewoonlijk de meest geliefde bjj de moeder.

Ik ken eene vrouw die ik dikwijls door achterbuurten heb zien wandelen, waar men vuilnishoopen in alle hoeken aantrof. Zij zag ze nooit, maar zij zag wel de liefelijke overhangende takken van de wilde roos en de kamperfoelie over de bouwvallige heining.

Ons leven begint op aarde om voortgezet te worden in een reeks van opvolgende sferen of ontwikkelings trappen Na het afleggen van het tijdelijke werktuig, het stoffelijk organisme, ontluiken de schoonste krachten en komt elks aanleg, hoe ook op aarde belemmerd, tot zijn recht.

Maar die vooruitgang komt niet eensklaps over de ziel; zij gaat van stap tot stap en van indruk tot indruk in nauwe aansluiting aan de aardsche toestanden en hoedanigheden die elk leven kenmerken.

Mijn overtuiging is dat zalige geesten in do volgende sfeer, welke een voorbereidende is, weinig meer weten dan toen zij in deze sfeer waren; dat zij v o or u i tgaan daaraan is geen twijfel; zij deden het toen zij op aarde waren ; heiligen van heden waren gisteren vijanden ; de ruwe John Bunjan werd later de auteur van »de pelgrimsreisquot; en Saul van Tarse, die naar Damascus ging om de Christenen te vervolgen, was later de heilige Paulus, die de heerlijke zendbrieven schreef.

Niettegenstaande alles wat ik heb geschreven is het mogelijk dat gij blijft vragen : Van wat nuttigheid is het Spiritualisme ? — Ik geloof echter niet dat gij het nog zult vragen, als gij een weinig verder hebt gelezen. Ik zou u de namen van velen kunnen noemen die langs dezen weg van ongeloof en twijfel tot geloof zijn gekomen, sommigen zelfs van een totaal ongeloof tot een volkomen geloof? Inderdaad, ik kan proefhoudende bewijzen bijbrengen, dat het Spiritualisme Gods werk doet en een krachtig hulpmiddel kan zijn voor

-ocr page 57-

45

zijne predikers. Laat ik u Dr. Eliotson noemen, een naam door geheel Europa bekend, die in een brief aan een geacht en eerwaardig predikant van de Engelsche kerk (een ernstig voorstander van het Spiritualisme) aldus schreef:

»Gij vraagt mij of ik geloof in het Christendom.quot; Ik geloof alles wat gij als oen Christelijk leeraar gelooft en misschien meer.quot; De gevoelens van Dr. Eliotsen zooals zij in zijne geschriften zijn blootgelegd, vereischen geen commentaar 1). Zij naderen liet atheïsme. Hij drukte zjno diepe dankbaarheid jegens den almachtigen God uit voor do gezegende verandering, die door liet Spiritualisme in zijne ziel en hart was gewrocht. Een even merkwaardig geval is dat van professor Hare, een zeer beroemd schei- en natuurkundige in Philadelphia.

Een bekend ongeloovige, dio volgens zijn verklaring aan rechter Edmonds geheel zijn leven een vijand van den chris-telijken godsdienst, een ontkenner van de mogelijkheid dei-openbaring en een ongeloovige in God en in onze onsterfelijkheid geweest was.quot; Hij had inderdaad uittreksels uit den Bijbel gepubliceerd met de bedoeling om alles te ontkennen. Kort voor zijn heengaan van de aardo zeide professor Hare tot den rechter Edmonds, tot onuitsprekelijk welbehagen van dien uitnemenden menseh ; «ik geloof thans in openbaringen en bovenal in do openbaring door Jezus van Nazereth.quot; Ik ben een Christen. Ik werd onderwezen door don geest van eene zuster, die een vrome Christin was en jaren geleden van de aarde heengegaan. Het Spiritualisme en hot Spiritualisme alleen

-l) Dr. Eliotson verliet cle aarde nadat dit was g schreven ; hij had Wet echterJgelezcn, machtigde mij in een brief, die nu voor mij ligt, het te laten drukken. Ik ben bekend met een predikant, die bij hem zittende hem den Bijbel in zijne hand zag nemen en hoorde zeggen, »Dit is nu mijn troost en mijn hoop.quot; Dezelfde predikant, die hem kende in de twee tijdperken van zijn leven, beschrijft mij dat de uitdrukking van zijn gelaat in zijn laatste periode meer aan een engel dan aan een mensch deed denken.

-ocr page 58-

46

had dit werk volbracht. Laat mij mogen spreken van een ander merkwaardig man, hoewel ik geen recht heb in den gewonen zin van het woord te zeggen, dat hij ooit een ongeloo-vige geweest is, maar hij geloofde niet in wonderen voor hij wonderen gezien had. Ik bedoel Robert Chambers, een van de meest geachte zoo wel als een van de meest verlichte mannen die ik ooit gekend heb. Hij was door en door Spiritualist, hoewel hen de moed ontbrak openlijk voor zijne meeningen uit te komen. In een brief van hem aan mij gedateerd 1 Sept. 1866, schrijft hij:

»Hoe rijk is toch het Spiritualisme : konden de lieden der wereld er maar toegebracht worden het eerlijk onder de oogen te zien.quot; En eens zeide hij tot mij : «Wanneer ik niet kon gelooven dat de geesten van hen, die weg gegaan zijn van de aarde, zich kunnen onderhouden en zich, werkelijk onderhouden met ons die op aarde achterbleven, dan zou ik niets kunnen gelooven.quot; Hij verhaalde mij ook dat toen hij door het Spiritualisme was overtuigd, hij al de handschriften vernietigde, waarvoor hij vele jaren het materieel had bijeen verzameld — namelijk eene geschiedenis van het bijgeloof. Ik weet niet zeker of hij niet de schrijver was van de Sporen der schepping; ik heb redenen dit te veronderstellen, maar als hy dat boek heeft geschreven, volkomen zeker ben ik er van dat hij het niet zou hebben uitgegeven, nadat hij een Spiritualist geworden was.

Ik verlang niet mijn eigen zieletoestand te beschrijven voor ik overtuigd werd door het Spiritualisme, dat wil zeggen, tot de erkentenis gebracht, dat de dooden niet dood zijn ; dat er een eeuwig leven is, waarvan het begin en de voorbereiding is, wat mij thans ons leven noemen ; dat de aarde slechts de eerste van de vele woningen is, waarin de mensch leeft; dat, in één woord God in ieder van ons een geest schept, welken

-ocr page 59-

47

wij ziel noemen en Hij wil niet dat deze verloren zal gaan.

Hoe ben ik daartoe gekomen? Alleen hierdoor dat ik werd vereerd en begunstigd door de geestelijke communicaties van mijne zalige vrouw, wier leven in deze sfeer een aanhoudende voorbereiding was voor het leven in een andere en aan wie het, nadat zij de aarde verliet, genadig was toegestaan haar invloed voort te zetten, mij raad te geven, mij boodschappen te brengen, mijn hart te verootmoedigen en mij tot de kennis van mijn Zaligmaker op te leiden, een werk dat zij iu het vleesch te vergeefs had trachten te volbrengen. Wij hadden de zekerheid van hare tegenwoordigheid bij ons na haar heengaan even duidelijk, gewis en beslissend, als toen zij nog aan onze zijde «in het lichaamquot; met ons aanzat. Het was bijna even reëel als toen zij nog slechts een inwoonster der aarde was.

Indien gij nog kunt vragen of het Spiritualisme voor mij eenige nuttigheid heeft gehad, dan antwoord ik ootmoedig en eerbiedig; «ik dank God dat Hij door dit middel al m ijn e twijfelingen heeft verwijderd! Ik kan nu alles geloo-ven, wat do Bijbel mij leert aangaande de uitwerking en het onbeschrijfelijk geluk van het gebed, aangaande de kracht van het geloof, aangaande de aanhoudende zorg der Voorzienigheid, aangaande het middelaarschap van den Verlosser — in één woord ik bon een Christen.

Het is zeer natuurlijk dat gij met zooveel geestelijken ons zegt: «Wij hebben don Bijbel en dat boek is ons voldoende ter behoudeniB.quot; Maar hoe hebben de leeraars de bevoegdheid gebruikt om ons den Bijbel recht te leeren verstaan? — Verstaat gij wat gij leest? was de vraag door Philippus gedaan. «Hoe kan ik verstaan zonder dat iemand het mij uitlegt,quot; was het antwoord van den Moorman. Ik ontken, met droefheid, dat de gewone theologische uitleggingen voldoende zijn om de overtuiging bij het tegenwoordig geslacht te vestigen van de mysterieuse waarheden van het Christendom.

-ocr page 60-

48

Voor mijn verstand en hart waren ze niet voldoende, want ik geloofde niet en kon niet gelooven in wonderen, hoewel ik van mijne jeugd af was onderwezen in de schriften en geleid ben geworden door Christen mannen van de bestaande kerk.

JJe hemelsche Vader voorziet in al onze nooden en opent nieuwe wegen om zijne kinderen tot zieh te trekken. Hij omringt ons op nieuw met wonderen om onzen wetenschappelijke waan te bestrijden en te beschamen. De wonderen van den dag kunnen getoetst en beoordeeld worden; ze zijn niet door eeuwen van ons gescheiden of door overleveringen twijfelachtig en onbestemd geworden. God weet dat de nood van dit geslacht teekenen eischt en God geeft alom teekenen cn krachten en wonderen.

Maar hoe worden deze gaven ontvangen ? Is het niet alsof de mensch Gods daden wil bedillen en met Hem twisten over de keus van zijne wegen cn middelen ? Zij keuren het niet goed dat Gods gedachten niet zijn als hunne gedachten. Zij ergeren zich dat Hij het noodig oordeelt tot behoudenis zijner kinderen, die in het duister omtasten nog meer licht te geven —• bij het reeds ontvangene, wanneer dit niet meer voldoende is. En wie zal zich durven beklagen, wanneer Hij het eerst tot eenige weinigen en niet tot allen te gelijk zendt? — Jona was boos op God omdat de Ninevieten gespaard werden, wier ondergang, de profeet als zeer nabij voorspeld had. En onze orthodoxe Chrislenen maken het niet beter.

Sommigen hebben op het Spiritualisme tegen juist om de-gelfde gronden en twisten met den Almachtige, dat Hij een nieuw licht heeft gezonden voor allen, die het licht van de schriftuitleggers onvoldoende vonden, maar die, geleid door nieuwe lichtstralen, de schriften eerst recht loerden waardee-ren en verstaan.

Er zijn er velen die mijn recht betwisten om dezen weg te bewandelen, hoewel ze tot Christus heeft geleid, omdat het niet hun weg was.

-ocr page 61-

49

«Gezegend zij die niet gezien en nogtans geloofd hebben,quot; zeggen zij, maar ik antwoord: Niet minder zijn zij gezegend, die gelooven, omdat zi.i hebben gezien, en die uitroepen, wij getuigen wat wij weten, wat onze oogen gezien en wat onze handen getast hebben.\'

Verre ben ik er van af te zeggen dat het Spiritualisme voor alle Spiritualisten is geweest, wat het voor mij geworden is. Integendeel, ik geloof dat het voor vele verkeerd geleide en onvoorbereide zielen met dwalingen is vermengd; maar ik ben er zeker van, dat het niemand van God en Godsdienst heeft afgeleid, terwijl er duizenden door het Spiritualisme tot Christus zyn gebracht. Op aarde zoekt hot gelijke het gelijke, zoo is het ook met degenen, die van de aarde zijn heengegaan en gemeenschap zoeken met hen, die op aarde blijven.

Maar allen, die in het Spiritualisme gelooven, zijn nader bij het Christendom dan zij zijn geweest; zo zijn althans in een toestand van voorbereiding om het te ontvangen, omdat zij ten minste bereid zijn de waarheden van het Evangelie te hooren en niet trotsch de roepstem zullen verwerpen, die aanmaant tot bekeering en vergiffenis van zonde verkondigd voor allen, die met schulderkentenis en berouw tot den Vader willen gaan.

Allen die de wonderen zagen, die Jezus deed, waren geen geloovigen in Hem; sommigen bespotten Hem, anderen noemden dezelve bedriegerij en nog weer anderen riepen uit: Hij werpt de duivelen uit door Belsebub, den overste der duivelen terwijl de boosaardigsten het uitschreeuwden «kruist Hem! kruist Hem ?quot; Gelooft gij dat iemand minder geneigd zal zijn om te gelooven in de verscheidenheid der geestelijke gaven van welke Paulus spreekt, wanneer hij zelf getuige van dergelijke wonderbare verschijnselen geweest is ? Zal hij kunnen betwijfelen dat sommige Apostelen het vermogen hadden zieken te genezen, en demonen uit te werpen wanneer hij der-

-ocr page 62-

50

gelijke werken gezien heeft\'! Indien wij menschen nooit met geesten in aanraking kunnen of mogen komen, wat voor onzin is het dan om van eene gave der onderscheiding van geesten te spreken, of den raad te geven de geesten te beproeven — sommige geesten niet te gelooven. En wanneer wij nu proefondervindelijk de wijsheid van die waarschuwing ervaren bij onzen omgang met de thans voor ons ontsloten geestenwereld, wordt de waarde en kracht der schrift dan niet krachtdadig bevestigd ? Ja dan worden die oude wonderverhalen, te overijld als fabelachtig ter zijde geschoven, weer eerbiedig opgeslagen en geraadpleegd, ja gelezen en herlezen onder een verhelderd en verrassend licht.

Ja voorwaar, God heeft zijn volk bezocht in deze dagen en voor hen, die zaten in het land der schaduw des doods, is een groot licht opgegaan, want wat was zwarter schaduw dan die van twijfel en ongeloof?

Geloof op de schrift gegrond schijnt voor u zeer gemakkelijk ; wellicht hebt gij nooit eenige twijfelingen gekend. Maar verwondert het u dat het niet zoo gemakkelijk voor anderen is geweest? Herinner u hot geval van een der Apostelen van Christus — Thomas. Er waren tien getuigen, allen omtrent de verschijning van Christus overeenkomende; toch geloofde Thomas hunne woorden niet, dat zij den Heer gezien hadden ! Hij beschuldigde de tien van lichtgeloovigheid en misleiding ; zij waren slachtoffers van eenig bedrog, want hij zal wel niet verondersteld hebben dat zij slechts verdichtten wat zij verklaarden gezien te hebben. Toch was Thomas getuige geweest van de wonderen die Jezus verrichtte ; Inj had de profetieën gelezen en wist dat het lichaam van zijn Heer uit het graf, waarin het gelegd was, was verdwenen. Zonder twijfel trachtten zij hem door redeneeringen en argumenten te overtuigen ; toch gelukte het hen niet; hij hield vol een bewijs te eischen van een afdoenden aard, waardoor hij alleen voldaan zou zijn.

-ocr page 63-

51

»Tenzij ik liet teeken van de nagels in ziine handen zie en mijn vingers leg in het teeken der nagelen en mijn hand plaats in zijne zijde, zal ik niet gelooven.

En het behaagde God Hem dat bewijs te geven ; hij werd overtuigd, dat hetgeen hij voor onmogelijk had gehouden, mogelijk en werkelijkheid was en riep uit in een uitbarsting van berouwvolle beschaamdheid: mijn Heer, en mijn God!

Toch werden zulke overtuigende bewijzen zelden door onzen Heer gegeven. Er kwam geen antwoord toen de mokkende ongeloovigen op den Calvariënberg uitriepen: «verlos U zelf en kom af van het kruis!

Aan God komt het toe en niet aan den mensch om te beslissen door welke middelen Hij zich aan zijn schepselen wil openbaren of hun onderwijs verstrekken omtrent hun toekomst.

In de vroegere uitgaven van dezen brief ga,f ik een aantal feiten op, die mij tot bewijzen gediend hadden en de bases zijn waarop ik mijne overtuiging grondde. Deze sla ik thans over, daar die feiten, hoe vreemd en verbazend zij ook zijn, tegenwoordig door veel sterker en wonderbaarder verschijnselen overschaduwd zijn geworden. De openbaringen der krachten van het Spiritualisme toch zijn, nadat mijn brief de eerste maal werd gedrukt veel wonderbaarder geworden. Zij zijn bovendien reeds zeer nauwkeurig medegedeeld en zooveel mogelijk verklaard in het weekblad »Light een hoofdorgaan van de Engelsche Spiritualisten. Lezers, die er meer van willen weten, worden verwezen naar dat nuttig en veel omvattend Blad.

Ik heb nog een andere reden voor deze uitlatingen. Ik wil eenige meerdere bijzonderheden hier inlasschen, meer met myn eigen ervaring in verband staande om verder het nut van het Spiritualisme aan te wijzen en de uitkomsten waartoe het

-ocr page 64-

52

heeft geleid, niet alleen in mijn geval, maar ook met betrekking tot duizenden andere vertrouwbare getuigen.

Ik zal mij dus vergenoegen met een korte opsomming van de feiten die ik heb ervaren ; in elk geval kunnen zij bevestigd en gesteund worden door getuigen omtrent wier waarheidsliefde \'en gezond verstand niet den minsten twjjfel bestaat.

In 1878 toen de fameuse goochelaars Maskelijne en Cook met de aankondiging voor den dag kwamen dat zij alles konden te weeg brongen, wat de Spiritualisten deden, noodigde ik die heeren uit tot een proefneming mij verbindende een som van vijftig ponden te betalen aan een liefdadige instelling naar hunne keuze, indien zij slechts één van de acht zaken zouden ten uitvoer brengen, die ik opnoemde.

Ik maakte de volgende lijst van mijne persoonlijke ervaringen ; ik eischte dat alles in mijn zitkamer moest geschieden in tegenwoordigheid van twee personen door hen uitgenoo-digd en drie door mij. Ik voegde er bij; de voorwaarden moeten Tolkomen gelijk zijn aan die, waaronder ik de verschijnselen heb waargenomen welke ik verlang te zien namaken. Deze acht feiten, die ik in mijn kamer heb zien gebeuren, heb ik n,eer dan eens waargenomen. Niemand zal afzonderlijk in de kamer komen, allen te gelijk, maar de Heeren Maskelijne en Cook zullen moeten toelaten voor zij binnen treden onderzocht te worden en evenzoo de andere heeren ; bovendien zal de kamer en elk stuk huisraad onderzocht moeten worden, l\'e personen, door mij gekozen, zullen mannen zijn van een hooge positie in letteren of in wetenschap en de twee heeren, medegebracht door de Heeren Maskelijne en Cook, zullen niet van hunne helpers mogen zijn, maar onpartijdige mannen, wier namen den waarborg geven, dat zij alleen zullen helpen om de waarheid in het licht te stellen.

1. Maskelijne zal uit een brandenden haard in mijne kamer een gloeiende kool in zijne hand nemen, dezelve tusschenraijn wit hoofdhaar plaatsen, ze daar twee minuten laten liggen

-ocr page 65-

53

zonder dat er een haar gezengd wordt.

2. Hij zal gaan zitten op oen van mijn stoelen en zich van daar opheffen tot het plafond, waar hij een potloodteoken zal maken, daarop naar beneden dalen en weder op den stoel gaan zitten. Dit moet in voldoend licht geschieden, opdat de toeschouwers al zijne bewegingen kunnen zien.

3. Een dichte met een slot gesloten piano, op een afstand van de tafel, zal de melodie van een goed bekend air, gedurende vijf minuten spelen,

4. Hij moet een naam lezen door mij met potlood op een stukje papier geschreven, welk stukje papier ik eerst in een zeven .dubbel enveloppe heb gewikkeld.

5. Hij moet in voldoend licht maken dat een tafelbel door een etherische hand van de tafel wordt opgenomen en in verwijderde deelen van de kamer belt, zoowel als boven de hoofden der aanwezigen.

6. Hij moet in het donker een teekening maken, die door bevoegde rechters zal bevonden worden uit te munten als een kunstwerk, het onderwerp kan door den Heer Maskelijne of mij gekozen worden.

7. Of een landschap schilderen in olieverf, waarvoor de verf door mij verschaft wordt, en door mij met kwasten en gekenmerkt penceel op mijn tafel geplaatst wordt.

8. Hij moet mijn accordion nemen, deze in de eene hand houden, terwijl zijn andere door een van de tegenwoordige personen wordt vastgehouden en deze alsdan goede, en schoone muziek laten spelen, gedurende vijf minuten.

Het zou gemakkelijk voor mij zijn deze lijst grootelijks uit te breiden, maar dit is onnoodig. Ik zou nog wel een twintigtal andere dingen kunnen noemen, die ik mediums heb zien doen, en waarvan ik zeker ben dat de heeren Maskelijne en Cook dit niet kunnen, tenzij hen worde toegestaan vooraf hunne zaakjes in gereedheid te brengen, waarvoor ik zorg zal dragen dat zij zulks niet zullen kunnen doen.

-ocr page 66-

54

Ook zou ik zaken -weten op te geven, meer buiten den gewonen loop der natuur dan deze acht, maar ik bepaal mij tot deze, waarvan ik zelf getuige was, en welke ik onder eede wil bevestigen, wanneer de heeren Maskelijne en Cook dit verlangen; mijne verklaringen wil ik steunen door de getuigenis van meer dan een dozijn personen, wier verklaring zonder den minsten wijfel even onbetwistbaar zou worden aangenomen over eenig ander onderwerp door allen die hen kennen.

De uitdaging werd niet aangenomen. De heeren Maskelijne en Cook wisten te goed, dat zij deze dingen niet konden doen. Zeer verschillend was het resultaat toen een ander beroemd goochelaar Robert Ilodin een gelijke uitdaging ontving en terstond verklaarde, dat hij niets van dien aard door goochelarij kon te weeg brengen. »Er wasquot;\', zeide hij, »iets in het Spiritualisme dat boven zijn kunst\'ging.quot;

Toch moot ik nog eenige van de wonderen die ik gezien heb mededeelen, maar zal zoo kort mogelijk zijn. Wil men meer getuigen voor zoodanige wonderen, zij zijn gemakkelijk te verkrijgen, ik durf zeggen bij honderden, die volkomen vertrouwbaar zijn.

Ik heb een Duitsche jonge dame, die geen woord Engelsch kende, sneller dan ik het kon doen, een lange aanhaling uit Milton zien schrijven, zonder een enkele fout.

Er zijn vele voorbeelden van dienstmeisjes, die lange spreuken Grieksch schreven, welke door geleerden volkomen juist bevonden werden, die ze vertaalden, en van boeren, die in het Latijn schoone redevoeringen hielden.

Ik heb eene piano hooren bespelen, en wel een uitnemend schoone melodie, niet op de toetsen, maar op de snaren, op de manier van een guitaar, terwijl het instrument was gesloten en het deksel met boeken overladen.

Ik heb met een geest gesproken, wiens stem helder en dui-

-ocr page 67-

(Jta)

delijk was, gedurende vijf minuten ; hij beantwoordde al de vragen, die ik hem deed en hij besloot ons onderhoud, met een zeer treffend gebed in de uitgezochtste bewoordingen.

Ik heb een klein landschapje dat in donker is geschilderd. Er zijn verschillende kleuren in. Het gebeurde onder het trance-mediumschap van David Duguid, een schrijnwerker van Glasgow, ten huize van den geaehten heer Nisbet. In zijn normalen toestand is hij geheel onbekwaam om iets van dien aard voort te brengen. Bedriegerij was hier onmogelijk gemaakt, dewijl ik eerst een hoek van de kaart had afgescheurd, waarop daarna het landschap werd geschilderd, en dit stukje bewaar ik met de teekening. Het landschapje (het is zoo fraai, dat ik het in mijn salon zou kunnen ophangen, werd in drie minuten geschilderd. Onder dezelfde omstandigheden zijn honderden van deze schilderijtjes door geestelijken invloed geschilderd — altijd in het donker en de kleuren zijn altijd nog nat als het schilderijtje voltooid is.

Eens schreef ik met potlood een naam op een stukje papier en plaatste het in zeven enveloppen. Ik ontmoette het Medium in het huis van een vriend, legde den brief in zijne hand en zeide, dat ik hoopte een communicatie te zullen ontvangen van iemand, wiens aardsche naam in het enveloppe was gesloten. Weinige minuten daarna zeide hij ; »Er is een geest aan uwe zijdequot; en voegde er bij: «Zijn naam is Hamilton Hall.quot; Het was de naam, dien ik had geschreven. Hij gaf mij een boodschap over een merkwaardig voorval dat met ons gebeurde, toen wij beiden kinderen en nog te zamen waren.

Ik heb met acht personen aan mijn eigen eettafel gezeten, toen de tafel, die bedekt was met de gewone benoodigdheden van een dessert, werd opgeheven en staan bleef met een hoek van 45 graden, en niets viel er af, noch viel er een droppel vocht uit de volle glazen.

-ocr page 68-

56

Ik heb een zware tafel, waaraan acht menschen zaten, ver boven ons bereik van den grond zien opheffen, totdat zij aan het plafond raakte, toen over den kring zweven en weder naar beneden komen zoo zacht als een blad van een boom valt. Ik heb dit verscheiden malen in mijn eigen kamer zoowel als in de kamers mijner vrienden gezien.

Hier moet een onzichtbare kracht aan het werk geweest zijn. Eens werd een kleine tafel gedurende drie minuten in de hoogte geheven, terwijl de handen van vier personen er op rustten en bij elke opgenoemde letter van het alphabet werd zij opgeheven en neergedrukt om ons een lange mededeeling van ruim honderd letters te geven.

Vaak heb ik een stokje papier en potlood onder een tafel geplaatst, waaraan onder helder licht, acht of tien menschen zaten. Ik heb het krassen van het potlood op het papier gehoord en een boodschap er op geschreven gevonden. Zoo on-noozel was ik niet, of ik zou de bedriegerij ontdekt hebben, als er iets van dien aard bestaan had.

Ik heb in verschillende deelen der kamer lichtjes gezien, soms twintig tegelijk, welke phosphoriek schenen en eenigc minuten daarna werd het hoofd van een jongen, die medium was, met een lichtkrans omgeven.

Ik heb een gewone tafel zoo zwaar zien worden, dat ik haar met al mijn kracht niet kon bewegen, en weinige oogen-blikken later was deze zoo licht, dat ik haar met een vinger kon opheffen.

Ik heb de hand van een mijner vriendinnen voorwerpen uit de natuur zien afteekenen van een alles overtreffende schoonheid. Uit eene natuur namelijk alleen voor hare oogen zichtbaar, maar niet voor de mijne.

Ik heb mijn huwelijksring in een glas water geplaatst en onder de tafel gehouden, waaraan wij zaten, welke uit dat glas werd genomen en mij gegeven en er weer ingelegd, zonder dat er een droppel gemorst werd.

-ocr page 69-

57

Op eene seance ten huize van den heer en mevrouw Eve-ritt 1).

Door mevrouw Everitt als Medium, hield ik een gesprek van een half uur, met een geest, die .zich John Watt noemde, die ons veel vertelde van de geschiedenis van zijn aardsche leven, van zijn tegenwoordigen toestand en zijne ervaringen in een hoogeren en beteren toestand van bestaan De stem was diep en bij zijn heengaan sprak hij dit gebed uit: «Moge God en onze Heer Jezus Christus u zegenen, u troosten, u helpen en u heil geven in deze wereld en in die, waarin ge weldra zult komen. Moge zijn licht u geleiden en zijne hulp met u zijn hier en hiernamaals. Amen.quot;

Er was een pianino in de kamer; zij was dicht en gesloten. Ik nam de boeken, een grooten inktkoker en andere dingen van de tafel en plaatste die op de piano. Het Medium Everitt zat iu trance aan het einde van de tafel ver van de piano af. De kamer is een klein vertrek met nauwelijks ruimte genoeg voor de tien personen, die er bijeen waren, üp eens hoorden wij een zachte liefelijke melodie, niet op de toetsen, maar op de snaren spelen ; het was alsof er op een harp

1) De lieer Everitt was een geacht koopman in Pentonville. Sedert heeft hij zich uit zijne zaken teruggetrokken. Hij en zijne vrouw waren onderwijzers op een Zondagsschool, en zeer geachte lieden in het maatschappelijk leven als ouders, vrienden en menschenvrienden. Het zijn Christenen en leden van eene noncorfornüsten kerk; nooit houden zij séance zonder te bidden, een lied te zingen en een hoofdstuk uit het Nieuwe Testament te lezen, en wel dat wat hen wordt opgegeven door de onzichtbaar tegenwoordig zijnde geestelijke vrienden.

Onder zulke omstandigheden bedriegerij te veronderstellen, zou al te laag zijn en geheel ongelooflijk, dat zij op de meest goddelooze wijze Gods hulp en zegen zouden inroepen, terwijl zij de bepaalde bedoeling hadden een schelmstuk uit te voeren. Het zijn geen betaalde Mediums, en ik ben er zeker van, dat zij in de waarachtigheid dezer manifestaties even vast gelooven als .Maria en Martha geloofden in de opwekking uit den doode van Lazarus hun broeder.

-ocr page 70-

gespeeld werd. Deze melodie duurde vijf minuten ; de aanzit-tenden die zeer muzikaal waren, bewonderden deze muziek ais zeer schoon en van een groote originaliteit; zij was nu eens luider, dan weer zachter, en wegstervende in een fijn geluid en een echo nalatende van eene alles overtreffende fijnheid \'en liefelijkheid.

Ik ben er bij tegenwoordig geweest, toen een honderdtal bloemen, meestal klokbloemen, die spoedig verwelken, zoo frisch alsof zij pas geplukt waren, in alle hoeken van mijne kamer werden rondgestrooid. Het Medium was door mevrouw Hall en eene andere dame zorgvuldig onderzocht. En ik ben er tevens bij tegenwoordig geweest, dat, door het mediumschap dezer zelfde dame. een stuk ijs op de tafel werd geplaatst, dat ten minste 30 pond woog. Haar werden vaak levende vogeltjes gebracht.

Ik ben er bij tegenwoordig geweest ten huize van de weduwe van een Indischen rechter, die lang in Burmah had gewoond, dat een aantal zware bronzen Burmahnsche afgodsbeelden door de kamer werden geworpen. In mijn eigen kamer heb ik een groote piano een voet van den grond zien opheffen, terwijl het gesloten instrument onderwijl een melodie speelde.

Dit «wonderquot; gebeurde in mijn zitkamer. Ik schrijf hier het volgende af uit een brief door mevrouw Hall aan den graaf van Dunraven geschreven en door hem opgenomen in zijn boek over het Spiritualisme. ))De heer Home stond van zijn stoel op, wandelde langzaam naar den haard, hield zijne handen boven het vuur en nam een stuk rood gloeiende kool uit den vuurhaard, niet van boven, maar midden uit het vuur: hij nam deze kool in beide handen, ging naar de tafel waaraan wij zaten en plaatste dezelve roodgloeiend op het hoofd van den heer Hall, zijn witte haren er om heen schikkende. Toen zij daar langer dan een minuut had gelegen, nam hij die er af en gaf ze aan een dame, de echtgenoote van een

-ocr page 71-

predikant, die tegenwoordig was. Zij deinsde echter terug. «Klein geloovige,quot; fluisterde Home. Toen begaf hij zich naar mij en plaatste de gloeinde kool in mijn open hand. Ik voelde dat ze warm was, maar niet brandend; hij deed hetzelfde bij een onzer gasten. Voor hij het stuk vuur weer in den haard leidde, plaatste hij het op een papier dat op de tafel lag; het papier verzengde geheel. Ik bezit het nog. Geen haar was gezengd op het hoofd van den heer Hall, maar toen hij het den volgenden morgen uitkamde, kamde hij er een vijftig stukjes sintels uit, die van de kool waren afgesprongen. Terwijl dit plaats had stonden er twee lampen op den schoorsteenmantel te branden en brandde het gas in de aangrenzende kamer, die door vouwdeuren was gescheiden, maar die thans open waren.

Bedriegerij was hier onmogelijk en even onmogelijk was het, dat men zich had kunnen bedriegen. Al de acht personen, die hier tegenwoordig waren, zullen, ik ben er zeker van, de nauwkeurigheid van deze beschrijving willen bevestigen. Lord Dunraven was er niet bij tegenwoordig, wel Lord Lindson. Lord Dunraven geeft in zijn boek bijzonderheden van de drie zittingen, waarbij hij tegenwoordig was toen er dergelijke feiten gebeurden op drie verschillende plaatsen.

Eens had het plaats ten mijnen huize, toen de heer Sergeant Cox en Prof. Crookes mijne gasten waren. De gloeiende kool werd toen niet op iemands hoofd geplaatst, maar wel gebeurden de andere dingen.

Persoonlijk had ik weinig of geen ervaring van hetgeen men materialisatie noemt, en dit rijke onderwerp sla ik daarom over. Van anderen kunt gij hieromtrent veel meer vernemen, dan ik u zou kunnen vertellen.

Maar al de hier vermelde feiten zullen wellicht weinig be-teekenen voor vele Spiritualisten, die getuigen geweest zijn

-ocr page 72-

60

van oneindig grootere dingen. Ik spreek alleen van mijne eigene ervaringen, die volle zekerheid voor mij hebben.

Eerwaarde heer. Ik heb tot dusver getracht u en andere lezers te overtuigen, dat het Spiritualisme goed verstaan en begrepen, de bondgenoot is der gerechtigheid. Ik ben overtuigd dat gij niet alleen een steun voor deze openbaring kunt zijn, maar dat gij dit verplicht zijt, door uwe gelofte jegens God en uw naaste en de geheele menschheid. Gij zult daardoor krachtig medewerken om den voortgang van het materialisme en het ongeloof te stuiten, wat de hoofdkwestie is van onzen tijd. Ik smeek u om grondig te onderzoeken, bij den eed dien gij als een Christenleeraar voor God en menschen hebt gezworen, opdat gij niet moogt bevonden worden tegen God te strijden en het licht uit te dooven dat Hij thans uitstorten wil.

Ik ben getuige geweest van zoovele pogingen om het Spiritualisme uit te roeien en belachelijk te maken, door perso-sonen die meenen te kunnen bewijzen, dat het een zelfbedrog of snoode bedriegerij is, dat ik moede ben op deze vergeef-sche pogingen terug te komen. In alle nederigheid geloof ik, dat er deugdelijker en meer afdoende blijken moesten gegeven worden dan door zulke bestrijders worden aangevoerd, die gewoonlijk hun protest beginnen met de naïve verklaring: dat zij niets van het onderwerp weten. Ik ken niemand die de zaak waarlijk eerlijk onderzocht heeft en tot het besluit is gekomen, dat zij geheel op zelfmisleiding of bedrog rust.

Mijne ervaringen echter, hoe verbazend zij ook zijn, betee-kenen nog slechts weinig in vergelijking met die, welke door anderen zijn verkregen; die er meer van willen weten verwijs ik nogmaals naar het weekblad »Lightquot; en naar de ver-

-ocr page 73-

61

schillende andere werken die over dit onderwerp in het licht zijn verschenen.

Voor ik dezen brief eindig, welke tot een boekje is aangegroeid, wil ik nog eenige mededeelingen doen uit mijn eigen persoonlijke ervaring, in de hoop, en laat mij er bijvoegen in het vertrouwen, dat ik u zal kunnen overtuigen, dat het uw plicht is, het geloof dat ik belijd aan te kweeken en niet te onderdrukken, dat gij mij moet steunen en niet belemmeren op den weg, dien ik heb ingeslagen — een weg waarop ik leerde de voetstappen van den goddelijken Meester te drukken.

Sedert mijn echtgenoote deze aarde had verlaten, den 30 Januari 1881, heb ik dikwijls berichten van haar ontvangen. Zij zijn tot een getal van 100 geklommen, en werden mij verstrekt door vijf of zes Mediums; maar 35 van deze 100 zijn door direct schrift verkregen, dat wil zeggen, niet door een hand van Mediums, maar door haar zelve onder omstandigheden, dat misleiding of bedriegerij geheel onmogelijk was; over het algemeen zijn zij kort, maar sommige bevatten meer dan 150 woorden. Ik herken het handschrift van mijne echtgenoote; ik kan mij hierin niet bedriegen. Dit zal iedereen moeten in het oog vallen, die deze schriftelijke boodschappen naast de brieven legt, die zij schreef, toen zij nog in leven was. Zij bevatten dikwijls zinspelingen op personen en voorvallen, die met geen mogelijkheid aan iemand anders als aan mij, bekend konden zijn — en er zijn nog vele andere, niet minder onbedriegelijke kenmerken van echtheid. Jkbener zoo zeker van als ik maar met mogelijkheid van eenig feit kan zijn, dat deze directe boodschappen zoowel als de overige die aan een Medium gedicteerd zijn, in waarheid zijn wat zij voorgeven te zijn, mededeelingen van mijne echtgenoote, die berekend zijn voor mijn onderricht en tot besturing van mijn

-ocr page 74-

62

denken en handelen, tot vertroosting in smart, tot steun in moeite, en vooral bestemd om mijn geloof en vertrouwen in de leiding der Voorzienigheid te schragen, mijn hart te bewerken tot onderwerping, tot vertrouwende hoop op de goddelijke wijsheid en liefde.

Maar dat is niet alles; herhaaldelijk werd het mijne vrouw toegestaan mij in ziekte geneesmiddelen voor te schrijven en mij verlichting te geven wanneer ik leed door toevallige ongesteldheden; mijn verzwakt gezicht te versterken door een of ander vocht op mijne oogleden te brengen en zoo de ontsteking te doen verdwijnen. Op nog vele andere wijzen mocht zij het mij duidelijk maken dat zij door goddelijke vergunning mijn beschermster is in mijne nooden en behoeften. Zij heeft echter nog veel hooger en heiliger zending, wier aard en bedoeling het best zullen begrepen en gewaardeerd worden, wanneer men de boodschappen leest waarmede ik begunstigd ben geworden.

Ik leg deze mededeeiingen niet voor den lezer bloot om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, maar opdat zij de grondslagen mogen kennen voor mijne vaste overtuiging en in de hoop ook hem dat geluk deelachtig te maken.

Door het Mediumschap van mevrouw A. ontving ik op 5 September 1881 het volgend schrijven :

sMijn eenige lieveling, het wordt mij toegestaan aanhoudend bij u te zijn en u de bewustheid van mijne tegenwoordigheid in te storten om u te vergewissen van mijne onveranderlijke en onsterfelijke liefde. Het verblijdt mij te zien, dat gij, die altijd liefderijk waart, nog altijd liefderijker zijt geworden door het lijden; ik dank God hiervoor. Ik ben bij mijn lieve moeder en andere geliefden, en wanneer de nacht van uw aardsche leven is voorbij gegaan, zult gij ons in deze hoogere sferen van een eindeloozen dag ontmoeten.

Herinner u dat wij niet gescheiden zijn, nog kunnen gescheiden worden. Laat uw hart rustig op God vertrouwen en

-ocr page 75-

63

zijn tijd afwaehten. Menschelijke begeerten zijn blind en wij moeten ons op de goedheid verlaten van Hem, wiens wijsheid onbegrensd is, hetzij Hij uwe dagen verlengen of verkorten zal op aarde. Laat ons des morgens en des avonds te zamen bidden, gij in de schaduw en ik in het licht, opdat wij beiden naar zijn volmaakten wil gevormd mogen worden.quot;

Door Daniël Home te St. Petersburg 30 Januari 1882 den eersten verjaardag van haar heengaan van de aarde:

«Lieveling, voor u scheen het jaar zeer lang te zijn en soms onbelangrijk. Uwe ziel heeft met de mijne van tijd tot tijd gemeenschap gehad, en al uwe gebeden, en iedere hooge en heilige inspiratie, die u vervulde, heb ik gevoeld en gedeeld.

Voor mij bestaan er geen jaren meer, maar ik weet dat gij dezen dag als een geboortedag beschouwt. Gij zijt altoos de mijne zooals ik de uwe ben — onveranderd, slechts dichter bij mijn Verlosser en uw geliefden die met mij op uwe komst ■wachten. Mijne Marie is nog uwe Marie, en dat voor altijd.quot;

Door mevrouw Jencken, \'23 Mei 1882;

»Ik zie voor u liefste Carter, een lange lijst van werkzaamheden, voor ik aan do gouden poort kan komen en u in mijne armen nemen, en tot u zeggen; thans gaan wij voor altijd het zomerland binnen. Ik zal u eenmaal rondleiden door onze wereld en o, zoo velen zullen u hier ontmoeten, zoo velen die u op aarde beminden, uwe moeder, mijn vader, uw vader, zusters, broeders, vrienden, dienstboden, allen zullen mij vergezellen naar de gouden poort, wanneer Gods tijd voor u komt, mijn lieve, maar werk geduldig voort, haast u niet, go hebt nog vrij wat werk te verrichten.quot;

Door mevrouw Jencken, 19 Nov. 1882;

».Mijn lieve Carter, geef mij geen smartelijke gedachten door droefgeestigheid — geef mij, om mijne liefde gelukkige gedachten.

Laat ons van avond een kleine wandeling doen — bij de meeren — en laat ons daar te zamen denken, ik zal u de gelukkig-

-ocr page 76-

64

ste ideeën teruggeven. Toen wij in voorspoed voorttraden weergalmden dagelijks onze lofzangen, mijn geliefde — laat ons die dagen nimmer vergeten, want zij waren zeer koste lijk. Herdenk die gelukkige uren, toen wij alle zorgen ter zijde konden zetten, en onze plannen maakten voor de toekomst. Wat hield ik veel van de kinderen als die bij mij kwamen, terwijl ik in mijn bloementuin wandelde.

Op den G Januari 1883 (haar geboortedag) schreef ik haar een briet (zooals vele jaren mijn gewoonte was geweest). Denzelfden dag ontving ik het volgende antwoord. Het was twee ure in den namiddag bij volle licht. Mevrouw Jenc-ken was alleen tegenwoordig. Mij werd gezegd papier en potlood onder de tafel te houden. Ik deed het. Bijna onmidde-lijk daarna hoorde ik het papier ritselen en kreeg het bericht : neem het op.

Ik vond het papier terug op beide zyden volgeschreven en toegevouwen; het was een directe boodschap, «direct schriftquot;) in haar eigen handschrift. Het geheele voorval duurde geen twee minuten. Al dien tijd had ik met mevrouw Jencken gesproken. liet is het meest overtuigend en afdoend bewijs, dat ik ooit door «direct schriftquot; ontvangen heb. Ootmoedig en hartelijk dank ik er God voor.

»Dit is mijn geboortedag en ik verheug mij tot u te komen. Ons kind is ook hier. Ik heb uw brief gelezen en beantwoord denzelven nu eigenhandig. Laat uw hart niet bekommerd zijn. Wij zien hier zoo klaar. Wij weten dat alles goed zal gaan. Ik ben jong, niet meer oud, en mijn leven is geen werkeloos leven. Ik vind veel te doen. Mijn bezoeken bij u zijn menigvuldig en het onderwijzen van de kleine kinderen, die uur aan uur deze onsterfelyke wereld binnenkomen, neemt veel van mijn tijd in. Sommigen voelen zich zoo ongelukkig, wanneer hunne aanverwanteu niet hier zijn om hen te ontvangen. In zulke gevallen neem ik hen in mijne armen en breng hen naar hunne moeders en verpleeg hen

-ocr page 77-

65

en leer hen hoe zij met hunne ouders kunnen spreken. Ik heb dit leven lief, en hoewel ik mij bewust ben, dat ook gij hier bij uitnemendheid gelukkig zult zijn, wensch ik toch dat gij nog op aarde blijft om veel goeds te doen, om hen die bekommerd zijn te vertroosten, die uwe hulp noodig hebben te steunen, en de blijde boodschap te verkondigen, dat de nacht die de aarde dekt, in den dag zal veranderen.

Uwe Maria.quot;

Op den verjaardag van den dag van haar dood, 30 Januari 1883.

«Liefste Carter. Herinnert gij u nog hoe ik twee jaren geleden een lijderes was in den sterfelijken vorm, uitgeput door pijnen? Gij voeldet mijn verlies diep. De leegte was groot en scheen onherstelbaar. Maar als gij mij hadt kunnen zien toen mijn verloste geest zijn onverderfelijk kleed aantrok, dan zoudt gy hebben gezegde »God zij dank; mijn Marie is bevrijd van alle lijden, vereenigd met haar kind en hare moeder, hare verwanten en vrienden —• hoe gelukkig is zij. En als gij mij hadt kunnen zien dicht bij u, waarlijk bij u, naast u, met mijne handen op uw voorhofd en deze woorden in uw hart fluisterende: «Ween niet, ik ben hier,quot; hoe zoudt gij u hebben verheugd. Maar nu ben ik twee jaren oud in het zonlicht des hemels met de engelen van het eeuwige leven. Mijne bloemen bloeien alle frisch. Mijn lief vogeltje is hier en mijn kleine Blackie 1) en mijn kind, ons kind Carter; en wanneer zijt gij niet bij mij?quot;

1) Blackie was haar lievelingshondje, dat altijd bij haar was; op haar bed toen zij stierf. De naam van het hondje was Minnie, maar zij noemde het vaak Blackie, om het van mijn lieveling te onderscheiden, een wit Maltheser hondje, dat Whitie heette. Ik geloof niet dat velen, ooit het hondje Blackie hoorden noemen. Het stierf kort na zijn meesteres, die er zeer veel van hield. Hoewel door de Spiritu-

-ocr page 78-

66

Maart 1883. Te zamen reizen wij naar de eeuwige woning, waar geen scheiden meer is. Wees niet droevig. God is zoo liefderijk, en gij doet ernstig uw best om hem welbehagelijk te zijn; want tracht gij niet anderen te helpen? Voor de verschijning van Christus kon de wereld twijfelen aan Gods liefde, maar na de komst van Gods zoon, en zijn dood op het kruis — wie durft zeggen dat de liefde des Vaders niet onbegrensd is — God in Jezus en Jezus in God? — Hij is de mijne en ik ben de zijne — Zelfs menschelijke liefde — de uwe en de mijne —- wat heeft die niet uitgewerkt? Welk een heerlijk werk heeft onze liefde volbracht, en Gods liefde voor zijne kinderen is zoo oneindig grooter. Vertrouw op Hem, mijn geliefde.quot;

■16 Sept. 1883. »Gij moet vooruit en niet achteruit zien en uw oog vestigen op alles wat heerlijk is om op te merken. Alles zal u gegeven worden wat gij noodig hebt en meer nog om goed mede te doen. Gij wordt altijd bewaakt, bestuurd en geleid. Ik ben zoo gelukkig, bij uitnemendheid gelukkig. Zou ik het kunnen zijn, zoo er een wolk uwe toekomst verduisterde ?quot;

De volgende schoone en welsprekende mededeeling ontving ik van mijne geliefde vrouw bij volle zonneschijn op den middag, op Zondag den 4den September 1883, door direct schrift, toen er niemand tegenwoordig was als het Medium, mevrouw Jencken en ik. Door het gewone kloppen werd mij gezegd:

alisten niet wordt aangenomen dat de dierlijke ziel voortleef; als het dier sterft, zoo is het echter gebleken, dat het magnetisme der liefde van den mensch de dierlijke ziel bestendigen kan en zoolang in stand houden, als dat begeerd wordt door den persoon, die het geliefkoosde dier met zijn leveusfiaide doordrongen heeft.

-ocr page 79-

67

«plaats een papier onder de tafel.quot; Ik deed het en hoorde onmiddellijk op het papier krassen. Daarop werd te kennen gegeven; «Neem het blad.quot; Ik nam het op. Er waren nauwelijks twee minuten verloopen sedert het oogenblik dat ik het papier onder de tafel plaatste en weer opnam. De boodschap was op beide zijden van een groot vel papier geschreven. Mevrouw .lencken zou evenmin zulke heerlijke taal hebben kunnen voortbrengen als zij het Verloren Paradijs zou hebben kunnen schrijven.

»Als gij tot onze heerlijke woning komt, zult gij u verblijden, maar gij moogt nog niet komen; wees geduldig. Ik heb alle smart achter mij gelaten, want de aarde is vol droefenis. Hier is geen droevig rusteloos jagen; hier verschrompelt geen gure windvlaag de teedere bloesems; hier klopt geen hart meer beklemd van angst voor naderende nooden of gevaren. Hier zijn geen koude huizen zonder liefde, geen eenzame harten zonder hoop; hier is geen ziekte of pijn, geen teleurgestelde verwachting, geen ontrouw, die het harte breekt. Hier zijn geen gescheiden vrienden, geen treurige verwijderingen door misverstand of miskenning, want allen zijn hier harmonisch hereenigd; geen sterfbed meer waarbij liefhebbende harten dreigen te bezwijken, en vermoeide oogen zich blind wee-nen; geen rouw is hier meer en geen dood. Hier zijn geen verwelkte bloemen of verdorde bladeren, geen vernietiging van uitzichten, geen roemlooze strijd: geen twist of ergernis stoort den vrede des hemels, maar een vriendelijk koor zingt in de hemelsche sferen het lied der overwinning. Hef het hoofd omhoog, gij die zoo diep zijt neergebogen onder de moeite des levens; uw gewond hart zal geen smart meer gevoelen bij het ineenstorten van uw aardsch omhulsel. De schaduw des doods zal u zoet zijn, als gij een discipel zijt geweest van den grooten Meester.quot; Uwe Marie. 1)

1) Wie het schrift van deze Communicatie vergelijkt met haar

-ocr page 80-

68

7 October 1883, direct schrift.

»Houd deze woorden in gedachtenis: Laat uw hart in niets bekommerd zijn; geloof in de belofte van den grooten Meester. Hij zal u niet verlaten, noch zal Hij het kruis te zwaar op u laten wegen. Hij zal u leiden en bewaken tot het einde. Wanneer gij het licht in uwe kamer ziet, herinner u dan dat dit mijn teeken is van liefde en trouw, want ik ben altijd bij u; vele andere teekenen zal ik u geven en gij zult niet langer voelen dat gij alleen zijt of dat ik uwe zijde verlaten heb.

De uwe voor eeuwig en altoos.

Marie.

Men heeft onophoudelijk groote bezwaren tegen het houden van donkere zittingen ingebracht, en deze moeten ook niet gehouden worden zonder de grootste voorzorgen en in den vertrouwden familiecirkel. De ervaring heeft echter in alle landen geleerd, dat donkerheid, hoewel niet volstrekt noodig op de zittingen, toch dikwijls een krachtig bevorderingsmiddel is; voor enkele Mediums is het zelfs eene noodzakelijkheid, terwijl anderen er niet mede gediend zijn. Daniël Home was er gewoonlijk tegen in eene donkere kamer te zitten.

Sommige ervaren Spiritualisten meenen dat licht beweging is en dat deze trilling het magnetisme, dat hier de werkkracht is, uiteendrijft en niet concentreert, waardoor vele verschijnselen vertraagd of verzwakt worden, ja soms niet tot stand kunnen gebracht worden door de geesten. Sterren zijn altijd aan het uitspansel, maar worden slechts in het donker van den nacht gezien. De photograaf kan niet slagen als hij niet door duisternis wordt geholpen; maar ik herhaal het, duisternis moge een hulpmiddel zijn, ze is geen noodzakelijkheid.

handschrift, uit den tijd toen zij nog op aarde toefde, zal moeten getuigen. dat beide schrifturen van dezelfde hand zijn.

-ocr page 81-

69

De wonderlijkste dingen die ik heb gezien en de geschreven mededeelingen, die ik heb ontvangen, gebeurden bjj volle licht, hetzij op den middag of bij gas- of kaarslicht.

Alle Spiritualisten hebben van de verschijningen van lichtjes in de duisternis gehoord, velen hebben ze gezien; ik heb ze ook waargenomen in het bijzijn van Home of mevrouw Jencken. Bij eene zitting zag ik er wellicht meer dan twintig tegelijk. Maar lichten te zien als or geen Medium tegenwoordig is. is meen ik, het voorrecht van zeer weinigen. Nog onlangs mocht ik het smaken.

Het zal den een vroolijk maken, den ander verwonderen, wellicht sommigen aanstoot geven als ik zeg; «Mijn geliefde vrouw zie ik dikwijls als ik mij te slapen heb neder-gelegd. Ik zal het zoo nauwkeurig mogelijk trachten te beschrijven, maar kan het niet zoo duidelijk maken als ik wel zou willen. Ik heb de gewoonte om alvorens ik mij te ruste leg, mijn gehed te doen en een paar vertroostende psalmen te lezen, of het avondlied van bisschop Ken te herhalen. »Hoe kan ik één oogenblik twijfelen o God! aan uwe eindelooze liefde.quot;

Terwijl ik dan alzoo met mijn avondaandacht bezig ben, wordt de ruimte tusschen het voeteneind van mijn bed en den muur zacht verlicht; (te voren was hot op die plaats geheel donker), wolken of schaduwen glijden er eerst doorheen; spoedig daarop worden zij weggevaagd en lichte wolkjes nemen hun plaats in; een aantal zulke lichte vlokken schijnen rond te wemelen ; langzamerhand komen zij bijéén en nemen een gestalte aan, de menschelijke gestalte, waarvan het bovengedeelte verlicht is, het lagere gedeelte gelijkt op een ruime witte kleeding.

Dit visioen, om het aldus te noemen, verschijnt bijna eiken nacht voor mij in meerder of minder duidelijkheid, met uitzondering echter als ik gedurende den dag erg vermoeid ben geweest, dan zie ik niets.

-ocr page 82-

70

Het is bij de Spiritualisten genoeg bekend, dat bij vermoeienis of uitputting, de atmospheer van levende menschen niet geschikt is voor manifestaties, die alsdan te veel levenselementen zouden onttrekken aan ons organisme.

Mijne lezers zullen mij nu vragen, hoe ik weet, dat dit de gestalte mijner echtgenoote is. Ik zal het u zeggen. Door het mediumschap van mevrouw Jencken ontving ik verscheiden mededeelingen van mijne vrouw, waarin duidelijk werd gesproken over deze lichtverschijnselen en gestalte. Ik zal er iets van overschrijven.

«Twijfel niet aan mijne tegenwoordigheid, wanneer gij het bewijs ontvangt in de schoonste van alle teekenen, het licht, dat altijd gelukkige geesten vergezelt. Slechts weinige menschen zien dat licht zooals gij. Dit is een tweede geluk, gevoegd aan mijne kroon van gelukzaligheid, dat ik in staat ben u een teeken van mijne tegenwoordigheid in licht te geven ; inderdaad acht ik dit een nieuw geluk, zooals iemand voelt die na een lange scheiding, een geliefde de hand drukt en omhelst.

Het licht dat gij ziet is een teeken dat ik kom. De lichtwolkjes zijn de mijne: ik geef u dien lichtglans als een zichtbaar bewijs van mijne tegenwoordigheid; het zal schitterender worden als ik. sterker werken kan. Spoedig zal ik in staat zijn het licht dicht bij u te plaatsen en u door de lichten te antwoorden.quot;

Laat het u voldoende zijn wanneer ik zeg, dat ik er niet meer aan twijfel, of ik in deze lichtverschijnsels de actueele persoonlijke tegenwoordigheid van mijne geliefde vrouw ervaar, dan ik er aan twijfel dat ik thans met pen en inkt op wit papier schrijf. Ik ben even goed in staat om een juist oordeel te vellen over het een als het ander en voor beide zaken heb ik gelijke gewisheid.

Ik geloof dat er voor velen van ons een tijd komt, zooals die voor mij gekomen is, dat men geen mediumschap

-ocr page 83-

71

meer zal behoeven om met de zaligen te verkeeren.

Ik heb hier geen van de communicaties medegedeeld die ik van geliefde vrienden en dierbare betrekkingen, die vooruitgegaan zijn, heb ontvangen, hoewel ik deze in groote menigte heb verkregen. Daar zijn er onder van personen, waaraan ik wellicht gedurende een halve eeuw niet meer had gedacht en wier handteekeningen mij niet weinig verbaasden. Van sommigen waren mij zelfs de voornamen geheel onbekend. Anderen hadden pas onlangs de aarde verlaten; onder dezen onze dokter 1), die een bekende vrijdenker was, toen hij nog op aarde vertoefde, maar die thans anders spreekt.

Ja, zeker! Dit leven is slechts een voorbereiding voor een hooger leven. Gelukkig zij die op aarde de brug bouwen, waarover zij blijmoedig de rivier kunnen overtrekken.

Bij de beoordeeling van geest-communicaties wordt vooral door pasbeginnende onderzoekers vaak te veel uit het oog verloren dat de geesten menschen zijn en niet terstond over alle mogelijke vraagstukken een beslissend oordeel uitspreken kunnen of een onfeilbare inlichting geven. Gedurende den toestand, of liever deze toestanden van loutering en ontwikkeling der vermogens behoudt de ziel na de verwijdering van de aarde nog veel van hare aardsche natuur en inzichten. In

1) Meestal heb ik naar bewijzen gevraagd, waardoor ik de geesten kon herkennen en heb ze bijna altijd verkregen. Een enkele boodschap mij dooi- dr. L. gezonden, deel ik hier mede : »Uwe lieve vrouw is zoo vriendelijk voor mij als ooit. Ik zie haar dikwijls. God is zoo liefderijk dat Hij toestaat dat zij mij hooger en hooger opvoert. Gij weet dat ik niets geloofde toen ik op aarde was Ik was een onge-loovige, hoewel geen bepaald atheïst; uwe vrouw heeft mij uit de duisternis tot hot licht gebracht.quot;

Te vergeefs hadden wij bij zijn leven getracht hem van de onsterfelijkheid der ziel te overtuigen.

-ocr page 84-

72

geenen deele neem ik aan dat de geesten, zelfs van de beste en reinste mannen en vrouwen, niet meer aan dwaling onderhevig zouden zijn, veel minder aan kortzichtigheid dan zij op aarde waren; zij leeren langzamerhand en zijn nog vatbaar voor dwalingen. Zjj gaan van trap tot trap voorwaarts, zooals zij zouden hebben gedaan als zij nog op aarde gebleven waren, en als zij opklimmen, om zoo te spreken, en verder van de aardsche sfeer verwijderd worden, kunnen zij meer zien dan toen hun lichamelijk en geestelijk gezichtsveld begrensd was door aardsche invloeden 1), maar zij worden daar-

i) Onervarenen zijn ook soms veel te haastig om eene communicatie te verwerpen, die hun ongerijmd voorkomt, vergetende hoe moeie-lijk het vooral bij een eerste poging voor de onzichtbaren is zich aan ons verstaanbaar te maken.

Vele jaren geleden had ik eene séance met mevrouw A. over wie ik reeds vroeger heb gesproken. Aan de tafel werd mij eene communicatie gegeven, die geheel wartaal scheen; zij was ten eenemnale onbegrijpelijk. De communicatie die mevrouw Hall en ik ontvingen door het opnoemen van de letters van het alphabet, was deze:

«De zegen van den Verlosser zij met u, mijne dierbare kinderen.quot; O, zeide ik, deze mededeeling wordt ons gegeven door onze lieve moeder, de moeder van mevrouw Hall, een van de beste, reinste en oprechtste vrouwen, die ik ooit gekend heb. Zij had ons meermal3n communicaties doen toekomen, gelijk aan die welke ik hierboven mededeelde. Het antwoord was tot mijne verbazing: «Neenquot; door eene gewone enkele tik. Na meer dan eens de vraag te hebben herhaald en hetzelfde antwoord te hebben ontvangen, werd bepaald gevraagd; Van wien komt zij dan? Het antwoord luidde. uThoodclambquot;, deletters liepen in elkander. Kom, zeide ik, dat is wartaal Thootlelamb. »Neen,quot; werd geantwoord. Ik verzoek u doe mij de beteekenis verstaan. Men beantwoordde mijn verzoek. De letters met tusschenruim-ten gelezen en het woordje »enquot; er ingelascht, gaven mij de oplossing. Wie geeft mij de communicatie? T. Hood en O. Lamb, die thans komen voor uwe zeer ver gevorderde moeder.quot; Beide deze heerlijke geesten waren mijne persoonlijke vrienden geweest. De eenvoudige en natuurlijke uitlegging was deze: Zij waren dicht genoeg

-ocr page 85-

73

om nog niet de vraagbaken voor alle wijsgeerige, theologische en wetenschappelijke vraagstukken. In sommige opzichten schijnen zij daar minder vermogen te hebben om ons te helpen dan zij hier hadden en hebben daarom Mediums noodig. En toch, wie zal zeggen hoeveel onze geestelijke beschermers, onze liefhebbende vrienden voor ons gedaan hebben in bange uren en gevaren waarvan wij niets weten. Een dakpan kan van een huis vallen terwijl een onzichtbare hand zijn gevaarlijken val heeft afgeweerd.

Hoe menigmaal is er een reisplan gemaakt dat plotseling werd verhinderd om een ongeluk te voorkomen dat ons bedreigde. Ik heb vele gevallen van dien aard gelezen en gehoord en ik weet dat mijn leven meer dan eens door zulk een tusschenkomst gered is. Denk eens welk een blijdschap en troost het voor ons is, die weten dat wij bewaakt worden, geleid en behoed in gevaren door de zalige geesten van geliefde vrienden, die wij hebben liefgehad en nog altijd liefhebben.

Welk een aansporing om Gods werk te doen ten dienste der menschheid! Welk een waarschuwing om niemand leed te doen, maar al het goede wat in ons vermogen is.

Hoe weinig vermoedden wij voorheen hoezeer wij het geluk en den zaligen vrede van onze dierbare afgestorvenen kunnen vergrooten en hunne bekommerdheid of smart verminderen. Want zij voelen op den grootsten afstand de gemoedsgesteldheid van degeen, die hen het dierbaarste waren op aarde, en deelen nog zoo innig in al hun lief en leed

bij haar om hare mededeeling te ontvangen en dicht genoeg bij ons hare lieve kinderen, om ons de communicatie te kunnen overbrengen. Zij was vooruitgestrcefd en te ver van de aardsche sfeer verwijderd om in directe gemeenschap met ons te kunnen komen.

-ocr page 86-

74

Onze gelatenheid en geduld, onze getrouwheid en volharding in het goede zijn hun tot vreugde; ons verzet tegen God en ons geweten bekommert en verontrust hen, want de geesten werken niet alleen op de menschen, maar ook de menschen op de geesten. Het is eene aanhoudende wisselwerking en gemeenschap en invloed. Wij strijden en lijden, wij genieten en overwinnen te zamen, want de onzichtbaren en de zichtbaren behooren allen tot een gezin, tot eene kudde onder een Herder.

Welke nuttigheid heeft dan het Spiritualisme?

Is het zoo weinig in uw oog dat het het geloof in den al-machtigen Schepper verlevendigt en daardoor de uitbreiding van het Materialisme tegenhoudt? Is het te weinig dat het de waarheid van de Schriften krachtig bevestigt en ondersteand door de ervaringen van alle natiën en volken waarvan verhalen zijn bewaard. Is het te weinig dat het een leven ontsluiert dat ons verzoent met de raadsels van den tijd door dit eene woord onsterfelijkheid -— een woord dat nu geen onzekere klank meer is, die niet meer beteekent dan een onbewezen machtspreuk, sedert millioenen geestelijke wezens in aanhoudende gemeenschap zijn met de stervelingen, al worden ze niet gezien of gehoord dan in zeldzame gevallen — en die ons de bewijzen leveren dat de bewustheid en de herinnering niet door den dood worden uitgewischt!

Is u dat te weinig? Ik zeg u het is een groot werk. En deze bladen zouden ijdel en nutteloos zijn als zij niet voortvloeiden uit ervaringen, die moeten medewerken tot de bevestiging van het geloof, dat de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, die ons zijn voorgegaan, maar die evenmin dood zijn als toen zij bereikbaar waren voor het oor, voor het oog, voor de aanraking in het sterfelijk kleed — in voortdurende gemeenschap zijn met hen, die nog het kleed der sterfelijkheid dragen, waarin de ziel tijdelijk is besloten. Op dit oogenblik

-ocr page 87-

75

kunnen de meeste menschen de gestalten nog niet zien, die ik zie, of hooren en lezen wat ik hoorde en las, maar dit zal steeds menigvuldiger worden en alom waargenomen in antwoord op het vurig en ootmoedig gebed.

Het Spiritualisme heeft geen vrije beschikking over de eeuwige krachten van het onsterfelijke wezen en kan de communicaties en manifestaties niet willekeurig te voorschijn brengen op verzoek van dezen of genen ongeloovige of weetgierige. Het zijn gaven en op en b ar in gen, die onder hoog er leiding en macht staan., maar het lijdt geen twijfel of het is een goddelijke beschikking, welke in deze donkere dagen van twijfelmoedigheid door teekenen en krachten het goddelijke woord wil bekrachtigen en toelichten, om een nieuw licht voor de gemeente te doen opgaan in een tijdsgewricht waarin de kerk van Christus door tallooze leden wordt verlaten, omdat zij geen voedsel vinden voor hun honger, geen levend water voor hun dorst — en alle kracht en leven schijnt te verdwijnen onder kouden letterdienst en een theologie, die geen hervorming gedoogt.

Alvorens afscheid te nemen van dit onderwerp, de gemeenschapsoefening met mijne geliefde vrouw, die ik thans eiken avond zie, wanneer geen medium er bij is, moet ik nog dit vermelden. Soms schrijft zij mij boodschappen wanneer ik slaap. Ik schrijf er een paar van over. «Ik ben hier om u te beschermen en te hoeden.quot; «Mijn geliefde, slaap gerust, ik ben bij u.quot; — Ik vind deze woorden geschreven op stukjes papier op een tafel bij mijn bed geplaatst. Zekerlijk zal dit haar vermogen nog toenemen. Zij zal in staaf zijn haar woord te houden en des nachts, als ik slaap, zal zij op de vragen, die ik schriftelijk zal doen, antwoorden.

Het is niet altijd in een lichtwolk dat mijne vrouw mij verschijnt; somtijds zie ik een star, waarvan stralen uitgaan, en

-ocr page 88-

70

somtijds is het maar een enkele vonk van een verwonderlijke schittering. «Als een fonkelend diamant aan den hemel!quot;

God gaf ons slechts een kind, een dochter, die maar tien dagen leefde. Zij komt nu met hare moeder tot mij. In direct schrift heb ik brieven van haar ontvangen en hare moeder heeft mij het volgende over haar geschreven: «Gij kunt niet gelooven dat ons dochtertje een volwassen meisje is geworden, een liefelijke jongvrouw. Zij heeft blauwe oogen en haar een weinig blonder dan het mijne. Zij is een band tusschen onze beide zielen; zij is een van mijne grootste zegeningen. Des nachts, wanneer gij slaapt, neem ik u in mijn armen en ons lief kind rust aan uw andere zijde met ons beiden.quot;

Het heeft voor mij volle zekerheid dat het mijne dochter is, die mij schrijft, die dikwerf mijn voorhoofd kust en die mij vertroost en steunt; die hare moeder vergezelt, wanneer zij in een lichtgestalte tot mij komt, en ik weet dat zij met mijn dierbare lieve gezellin ons hemelsch huis zal sieren als ik weggenomen zal worden van de aarde.

Ik deel dit mede niet alleen als een bewijs van de liefderijke en sterke vertroostingen die door het Spiritualisme tot ons komen, wanneer het goed begrepen en toegepast wordt, maar om de ouders te vertroosten, die kinderen verloren in teederen leeftijd of in de bloei der jeugd.

Ik vraag u met de woorden van den dichter Soothey:

Wanneer een moeder ginds omhoog

Het kind terugvindt dat ze op aarde vroeg moest derven.

Smaakt zij dan niet voor al haar tranen En smart, in slapelooze nachten,

Vergoeding, die de scheiding doet vergeten?

Moeielijk is het zich een grooter geluk voor te stellen dan het deel wordt der moeders door de overtuiging dat haar heengegaan kind een van hare beschermengelen is geworden, door den Meester gemachtigd om haar door de donkere

-ocr page 89-

77

vallei te voeren, haar te troosten en te bemoedigen, te leiden tot de gouden poorten, waar zij in aanbidding nederzinkende de woorden hooren: »Ga binnen, gij goede en getrouwe dienstmaagd.quot;

Longfellow spreekt in dien zin;

Het is niet dood, het kind yan onze liefde.

Maar naar die school gegaan.

Waar \'t veilig is voor aardsche smetten.

Door Christus zelf bestuurd.

En van Moore:

Ween niet om haar, die in den vroegen morgen

Des levens voor ons oog omsluierd wordt,

Voordat de middagzon de teedre bloem kon zengen. Of gure avondwind zou knakken.

Wat voor den hemel was bestemd.

Ik kan mij niet weerhouden nog eenige regels over te schrijven van Sir Theodore Martius, uit het Leven van den Prins gemaal, die niet enkel in Engeland, zijn aangenomen vaderland, maar door de geheele wereld als de goede vorst bekend is, een titel veel hooger en heerlijker dan de koningin van Engeland en de keizerin van Indie hem kon hebben gegeven.

Volgens zijne inzichten was de dood slechts een voorportaal tot een toekomstig leven, waarin hij een voortzetting verwachtte onder gelukkiger verhoudingen, van wat het beste was in hem en in allen die hij liefhad, bevrijd van de zwakheden en niet meer belemmerd door de verlokselen van zondige neigingen en van de dwalingen door verkeerde begrippen, ja van al de smarten van het aardsch bestaan.quot;

Het onderwerp is te delicaat om hier breeder behandeld te worden. Ik laat het aan mijne lezers over dit aan te vullen, in geloof en met dankzegging.

-ocr page 90-

78

Van de millioenen, die de koningin beminnen en eeren, is er niemand die haar minder zal liefhebben en hoogachten, om haar geloof dat zij bewaakt, bestuurd en geleid -wordt en onophoudelijk gesteund door den Prins die thans een van Gods engelen is.

En nu, Eerw. Heer, wend ik mij tot u en door u tot andere geestelijken, hetzij predikanten of leeraars van elke Christenbelijdenis. Wees er zeker van dat ik dit boekje niet heb geschreven zonder ernstig gebed tot God om leiding, dat Hij mij zijne engelen en de geesten der rechtvaardigen zou zenden om mij te helpen als ik schreef. Mijn gebed is, gelijk ik nederig vertrouw, verhoord geworden.

Geloof mij, gij kunt den voortgang van het Spiritualisme niet meer stuiten, maar gij kunt het besturen — en door het een zuivere richting te geven, het tot een hulpe maken voor de Christenheid. Het heeft zich, zooals ik u heb getoond, snel en krachtig over de gansche aarde verspreid en deze nieuwe openbaring van een oud vermogen in den mensch zal gewisselijk toenemen.

Ik koester de hoop dat gij en de mannen wier ernstige plicht het is, niet alleen te bidden en te prediken, maar ook de beoefening der leer bij het gebed te voegen, nu welhaast zult opstaan om allen, die gij meent dat dwalen en bedrogen zijn, tot den weg der waarheid terug te brengen in plaats van hun een diepe onverschilligheid of bittere vijandschap te betoenen. Mocht gij en de mannen van uw stand eerlang tot ernstig onderzoek en vaste overtuiging komen, opdat gij de Christelijke Spiritualisten ter zijde zult kunnen staan in hun kamp met de «geestelijke booshedenquot; in hooge en lage plaatsen en ons steunen in den goeden strijd des geloofs. De Spiritualisten, die in waarheid Christenen zijn, strijden even kloekmoedig en met meer succes tegen de verbreiders van het ongeloof dan gij, en de mannen die als gij een plech-

-ocr page 91-

79

tig verbond met God en menschen hebt aangegaan om de heilige en vertroostende en zalige waarheden van het Evangelie te verbreiden; gij moet in de voorhoede komen en niet langer op den achtergrond toeven, of door van verre te blijven staan, indirect, maar toch zeker, degenen steunende, die zoowel onze vijanden als de uwe zijn. Kunt gij het aanzien dat wij met de machten der duisternis strijden en wilt ge geen hulp verleenen aan hen, die de banier des eeuwigen levens omhoog houden? Ziet gij dan niet dat wij de bewijzen leveren, welke de kerk is schuldig gebleven voor hare goddelijke zending.

En nu, Eerw. Heer, eindig ik. Ik heb u mijn vaste overtuiging volkomen blootgelegd en die met feiten gestaafd, dat God niet alleen zijn heilige engelen tot boden maakt, maar dat Hij ook onze afgestorvenen toestaat de aarde te bezoeken en te spreken met ons, die nog in het lichaam zijn, opdat wij beter ingelicht zouden worden omtrent het leven der zielen na de scheiding van het vleesch. Ik heb u bewezen dat mijn geloof gesteund wordt door de getuigenis van alle eeuwen, door God zelf in de geïnspireerde schriften zijner profeten, door het getuigenis van onzen Heer en Zaligmaker en door de herhaalde en overtuigende verklaringen van zijne Apostelen. Ik heb aangetoond dat honderd duizenden, ja mil-lioenen, dat geloof aannemen en liefhebben, overtuigd dat het van God geschonken is en dat wij allen in meer of mindere mate de geschiktheid bezitten om deze nieuwe openbaring te ontvangen en te verbreiden, zoodat wij kunnen bewijzen dat de dooden niet dood zijn, niet vernietigd of in slaap gedompeld, maar dat zij tot een anderen vorm van bestaan zijn overgegaan op hetzelfde oogen-blik, waarin zij den ouden vorm van bestaan verlaten, die wij het leven noemen.

Het is het groote kenmerk van deze nieuwe bedeeling dat zij die heengegaan zijn, terug mogen keeren om gemeenschap

-ocr page 92-

80

te oefenen met de levenden, en het zal eens genoemd worden het grootste feit, de hoogste zegen dezer eeuw, dat God ons toestaat de bewijzen te erlangen, dat wij onsterfelijke wezens zijn en met onsterfelijken kunnen verkeeren.

Eerwaarde Heer, gij zult toch niet beweren dat die zinsnede van het gebed niets beteekent, die wij aan het graf uitspreken: »een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid en een geestelijk lichaam wordt opgewekt.quot; »Almachtige God, met wien de geesten, die in den Heer sterven, leven en met wien de zielen van de geloovigen, nadat zij van de banden des vleesches bevrijd zijn in blijdschap en gelukzaligheid wonen, enz.quot;

Maar er is nog meer. Het is niet genoeg dat wij zelven in blijdschap en gelukzaligheid wonen; wij zijn allen als schakels verbonden aan vele andere schakels in den grooten keten der levende zielen. De goeden maken de boozen goed; de gezonden genezen de kranken; de gelukzalige kan niet eeuwig blijde zijn als anderen rampzalig blijven.

Voorzeker, wanneer de macht om te redden ons gegeven is gedurende het verblijf op aarde, zou het ons dan ontzegd worden als wij hooger trap bereikt hebben, om het welzijn, het geluk en de deugd te bevorderen van die geliefde vrienden, die wij niet hebben opgehouden te beminnen.

Het Spiritisme heeft ons geopenbaard, dat geen zalige geest te zelfzuchtig is om zijn paradijs te willen verlaten ten einde een diep gezonken afgedwaalden bloedverwant of vriend uit de donkerste sferen op te zoeken. Ja, zij zoeken de verlorenen zelfs in de buitenste duisternis om hen door hunne liefde te overwinnen en uit te lokken om zich op te heffen en in ootmoed en niet schuldbelijdenis het aangezicht des Vaders te zoeken.

Het Spiritualisme heeft ons door de werking der Mediums een veel dieper blik op de behoudende ontfermende liefde Gods geopenbaard en nog ruimer inzicht in het Evangelie

-ocr page 93-

81

der verlossing geschonken, dat geene perken kent en wordt voortgezet in alle eeuwigheid.

«Gelukkig te zijn in het gelukkig maken van anderen Is ware hemelvreugd.

Ach! hoe weinigen genieten op aarde Deze hoogste blijdschap der zaligen!quot;

Hoewel ik het geloof, dat ik liefheb, deel met vele van de meest verlichte mannen en vrouwen dezer eeuw, mannen en vrouwen van groot verstand, oprecht van gezindheden en rei-nen wandel, boven verdenking van eenige bedriegerjj verheven of geschikt om dupe te worden van zelfbedrog of het spel van sluwe bedriegerij. Ja, hoewel de schitterendste namen van wetenschappelijke beroemdheden in onze rang blinken, blijft men altijd maar voortgaan om geruchten te verspreiden over de gevaren en de verkeerde uitwerkselen welke van het Spiritualisme te duchten zijn. Indien er eenige feiten zijn voorgekomen, die deze verdenking schijnen te wettigen, aan wie dan de schuld? Is het niet aan de predikantenen de geleerden? die dit krachtig vermogen in de handen der on-mondigen hebben gelaten zonder behoorlijke voorlichting of leiding? Zeker, er zijn gevaren op dezen weg voor den on-voorbereiden en den onwetenden. Ernstig waarschuw ik daarom nieuwsgierige onderzoekers en nieuwelingen, zich te wachten met Mediums in aanraking te komen, die onder den invloed van lage, booze en slechte geesten grondbeginselen leeren, die terecht leeringen der demonen mogen heeten.

Wij erkennen dat het Spiritualisme in sommige cirkels misbruikt en verkeerd toegepast is, maar dit alles neemt niet weg dat het steeds meer blijkt te zijn, het machtigste wapen tegen het alles veroverend Materialisme en wij zijn overtuigd

-ocr page 94-

82

dat het tot een onbegrijpeljjk, onmetelijk heil zal leiden. Wij bidden van God dat Hij, ons verlicht hebbende door deze heerlijke openbaring, ons ook maken zal tot zijne werktuigen om dat licht onder onze medeschepselen op aarde te verspreiden — en wij bekeerd zijnde, onze broederen mogen versterken.

-ocr page 95-
-ocr page 96-
-ocr page 97-
-ocr page 98-
-ocr page 99-