871
GORCÜM\'S H.H. MARTELAARS.
Ton gobruike bij de processie dor „Ronde Venenquot; naar Brielic.
Ingezonden volgens de wot.
IJIET ÏN BEK HANDEL.
TE UTKECHT
Bij DEKKER amp; \\-AN DE VEGT,
:8S8.
Vak/59
- ■ -
jt I , ■gt;\' ■ * * \'\' / t , * ^ 1 «■ *
quot;fefii\' -VA \' I \'v.- ; lt;■!
n : . •;
V- • ■ v ■■.\'■ if\': Ïquot;v,.:\'r-
; v .:;-\'...
f ■ ■. ; ; :o\' .ry~
lt;.y
fiif,
■* !. ■ ■:
■
^•5;v\' V
■ quot; , ;■ ;
. tquot;: ..\' -i\'\'
-■ \' quot;.\' ; V\' -J; ■ v , •:
T-,^ :.VVr \'
-A •\'gt;. ,
;$.V ; • ■.•-. ■ ■ \'
7 -• ■ lt;.■; , V. ;•■
isd
F,:a
\' :;\'rgt;
Ï •\'■ ^ \'\\ \' ■: !i ■- \' \'•••••;■ . ■■4.VÉ- lt; -•■ ■? y ■ 1 ■quot;^ ■ ■■ \' ■; •••
i\'K^Ï MÉI
....., ,■; ■ v.-;- quot; \'
V v\' ;
--
......
7
W
NAAR BRIELLE.
1. Weer spoeden w\'ons ter beevaart
Naar Neerland\'s mart\'laarsstee,
Naar Bridle\'s heil\'ge bloemgaard,
Waar hulpe daalt en vreê;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen ; Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
2. Wij gaan eerbiedig knielen
Ter schandplaats van uw dood:
Ons is het moordend Brielle Een glorie overgroot;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen; Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
3. Wij roemen dat verleden.
Wij prijzen uwen moed.
Voor ons hebt gij gestreden,
Voor ons gestort uw bloed;
Q
2
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen: Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
4. Wij melden luid uw sneven,
Wij houden hoog uw eer,
Uw dood, hij bracht het leven Aan Neêrlands kerke weer;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen : Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
5. Hier vloeien steeds de stroomen Van heil en wond\'re kracht,
Tot allen die hier komen,
Vertrouwend op uw macht;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen: Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
6. Hier siert zich met uw bloemen
De dankbre pelgrimsschaar, Uw deugden zal zij roemen Bij \'t u gewijd Altaar;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen: Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt vcor ons.
7. Gij zult ons biddend smeeken
Niet laten onverhoord;
Maar ons ten goede spreken
3
Bij \'s Vaders Eeuwig Woord;
O groote Martelaren!
Bidt voor uw trouwe scharen: Gij onze, gij onze Mart\'laars bidt voor ons.
8. O heil\'ge Martelaren!
Verhoort toch onze beê,
O deelt aan onze scharen Uw zeek\'ren bijstand mee;
Vertrouwend op uw hoede,
Gaan wij thans blij te moede Naar Brielle\'s, naar Brielle\'s, Brielle\'s heil\'ge steê.
|s 2.
BEDE
aan Gorcuni\'s Martelaren.
, , U*
i. Komt, een loflied aangeheven Gorcum\'s Martelaars ter eer!
Onzen heil\'gen wien het leven
Minder woog dan Jesus\' leer:
Zingt hun ijver, roemt hun glorie.
Prijst hun overheerlijk loon!
Zingt hun strijden, hun victorie: I ,. Eeuw\'ge palmen zijn hun kroon, j ts\'
4
2. Laat uw loflied hooger stijgen,
Viert en prijst hen, Christen schaar! Laat uw danklied nimmer zwijgen Buigt uw knie voor hun altaar: Die der vaadrén vrijen gouwen,
Door hun kostbaar bloed genet, Tot den dood aan Jesus trouwen, |
Luid verkondden Zijne wet. ( ls\'
3. Martelaren , onze vaadren ,
Offers van de dwinglandij,
Ons, die op uw graf vergaadren,
Staat toch ons uw nakroost bij!
Sterkt ons in \'t oprecht gelooven, Ons geschonken in den doop,
Laat geen boosheid liefde rooven,
Door uw voorspraak steunt onz\' hoop.
4. Bidt dat zij ook wederkeeren,
Die door star vooroordeel blind, Dwalen buiten \'t Erf des Heeren :
Dat zij met ons eensgezind Eén geloof, één doopsel leeren;
Eéner liefde heil\'ge band Al d\'onzaal\'gen twist moog keeren ) ,. In ons dierbaar Vaderland. ( is\'
Tot de H.H. Martelaren van Gorcum, bijzondere beschermers der Kerk in Nederland.
Wij zingen blij met volle tonen
Aan Gorcum\'s Martelaars het lied; Van Neêrland\'s Kerke de patronen; Wij roemen hen, wij zwijgen niet, Patronen!
Hoort, o hoort de smeekgebeden. De zangen,
Die Nederland u biedt.
Kunt gij het lijden dan gedoogen. Den bittren nood waarin Gods kerke zucht?
O sterkt ons, strijders, uit den hooge. Slaat Satan\'s legerbenden op de vlucht. Wij zingen blij, enz. (als boven.)
Geweldig slaan de woeste golven. Onstuimig dreigend Petras veege boot;
Ja lang, lang waar\' zij reeds bedolven, Waart gij voor haar geen redders in den nood. Wij zingen blij, enz. (als boven.)
Gij helden in \'t belijden krachtig, Verwinnaars in den smadelijksten strijd,
6
Gordt ons met \'t zwaard des geloofs zoo
machtig,
Toont dat Gij Neêrlands schutspatronen zijt. Wij zingen blij, enz. (als boven.)
Wie, die op uwen bijstand bouwde, Is ooit bezweken in den felsten strijd?
Toont dat wij niet vergeefs betrouwden, Op u, die Neêrlands martelaren zijt. Wij zingen blij, enz. (als boven.)
Ai 4.
TOT ONZE HELPERS.
1. Wie kan \'t lijden, \'twee ontvluchten
Op dit aardsche tranendal,
Welke ziele slaakt geen zuchten Bij de rampen zonder tal? — Christen ach, laat af met klagen, \'t Lijden brengt de gloriekroon; \'t Oog op God bij alle slagen! Na den strijd volgt Eeuwig loon.
2. Ziekte en dood doen tranen vloeien,
Rouw vult \'t hart met droefenis, Tegenspoed en rampen groeien: Zeg mij waar haar eindpaal is?
7
Christen zijt gij. daarom strijden!
Zijt gij meer dan \'s Vaders Zoon? Zie op Jesus\' kruis en lijden,
Op zijn smaad en bittren hoon.
3. Eind\'lijk daagt een blijde morgen
Na den langen , ban gen nacht,
Maar elk uur baart nieuwe zorgen,
Dubbel zwaar en onverwacht.
Word toch nimmer moe gestreden,
Torsch met moed het zware kruis, U wacht na het korte heden Eeuw\'ge blijdschap in Zijn huis.
4. Heden door het vleesch geprikkeld,
Morgen door de hoovaardij,
Steeds in satan\'s strik gewikkeld;
Nimmer van bekoring vrij!
O mijn ziele wil niet vreezen,
Gods genad\' is u genoeg Hij zal steeds uw redder wezen Hij, die satans macht versloeg.
5. Laster, haat, verdriet en zonde
Storten alsem in mijn hart,
O waar ik toch hulpe vonde.
Waar genezing voor mijn smart? Hoort het Woord: „Gij welbeminden
„Van uw God: Mijn juk is zoet, „Kunt gij nergens ruste vinden, „Komt tot Mij, uw hoogste Goed.quot;
8
6. „Wendt uw blik naar \'s hemels dreven,
„Naar uw Mart\'laars hoog gevierd, „Ziet hen in Mijn glorieleven
„Met den palmtak blij gesierd; „Wie van u werd zoo vertreden,
„Wie op aard\' als zij gehoond?
„Voor den strijd zoo trouw gestreden „Zijn zij thans zoo hoog beloond.
7. „Houdt hun voorbeeld dan voor oogen;
„Zwaar, doch kort slechts, was hun strijd; „Rampen, hoe z\'u treffen mogen
„Kort is \'t leven, kort de tijd.quot;
Moedig \'t moeilijk pad betreden!
Ons behoort een eeuw\'ge kroon, Ons wacht in Gods zaligheden Eeuw\'ge glorie, eeuwig loon.
JV» 5.
EEREBOETE
aan het H. Sacrament.
- -
(ow 1 i. Eeuw\'ge koning van t Altaar,
Jesus, Bruidegom der zielen,
Offerand\' en offeraar,
Voor Wien aard en hemel knielen; Jesus, U zij lof en eer, j ^
Groote God en zoete Heer. i
Hier vergaat der heem\'len pracht,
Hier geen glans of gloriestralen,
Hier omsluiert zich Uw macht,
Toch, wie kan Uw grootheid malen? Jesus, U zij lof en eer, j
Groote God en zoete Heer. i
Hier moet \'t harte sneller slaan,
Hier de zangen breeder vloeien,
Hier de geestdrift hooger gaan,
Hier de liefde feller gloeien,
ü ten lof en U ter eer i ,.
Zoete Jesus, zoete Heer ! )
Maar waar wordt Gij meer miskend,
Meer onteerd en meer vertreden. Dan in \'t heilig Sacrament,
Waar ooit hebt Gij meer geleden? Daarom U dit lied der eer, i ,. Zoete Jesus, zoete Heer! !
\'t Zondig kind ligt aan Uw voet,
\'t Bloedend harte vraagt herleving, Ach, stort uit Uw overvloed
Van genade, van vergeving;
Jesus, ach zie op ons neer, i Biddend zingen w\' U ter eer. j
Zie toch op Uw Mart\'laars, Heer!
Om hun bloed en om hun leven. Dat zij brachten U ter eer,
IO
Wil aan ons ontferming geven Jesus , ach zie op ons neer, j , Dankend zingen w\' U ter eer. i
7, U zij hart en ziel verpand,
U ons doen, ons zijn, ons leven, Tot w\' in \'t hemelsch Vaderland
Eens Uw hoogen troon omzweven; Eeuwig met het Hemelsch heir,i ^ \'t Loflied zingen U ter eer. i
M 6.
SMEEKZANG.
1. Martelaars! (h\'s.)
Wilt onz\' bede hooren,
Smaadt deez\' hulde niet;
Uit uw hooge koren
Hoort ons biddend lied, Martelaars! (fa\'s.)
Gij door God zoo hoog verheven, Helpt ons in dit moeilijk leven: Hoort ons toch! (fa\'s.)
2. Martelaars! (h\'s.)
Luid alom geprezen,
Strijders voor Gods eer;
O wilt voor ons wezen Helpers meer en meer;
Martelaars! {bis.)
Ach, wij moeten \'t droef verkonden, Groot en veel zijn onze zonden: Helpt ons toch! {bis.)
Martelaars! {bis.)
Telgen van deez\' gronden.
Nauw aan ons verwant;
Hoort den lof verkonden In uw Nederland;
Martelaars! {bis.)
Kunt gij \'t eigen kroost versmaden, Ons de kindren, ons de zaden Van uw bloed? {bis.)
Martelaars! {bis.)
Bitter was uw lijden.
Groot en trouw uw moed,
Na des levens strijden
Maakt ons \'t sterven zoet : Martelaars! {bis.)
Dat uw voorbeeld ons moog\' stalen, Dat ook wij den prijs behalen Door uw gunst! {bis.\')
Hoort ons toch! {bis.)
Dierbre, zoete heil\'gen.
Die Gods glorie ziet.
Gij zult ons beveil\'gen
Gij versmaadt ons niet: Martelaars! {bis.)
Voert ons eens na \'s levens zorgen Tot den eeuwig schoonen morgen Voor Gods troon. (Ins.)
M 7.
BEDE voor de Geioovige Zielen in het Vagevuur.
1. Hoort, o hoort de vuur\'ge bede,
Mart\'laars in dit feest\'iijk uur,
Deelt uw hulp den zielen mede Lijdend in het vagevuur, [bis.)
2. Zij, die om verlossing vragen
Van haar folterende pijn.
Martelaars \'t zijn onze magen:
Wilt daarom haar voorspraak zijn. (to.)
3. Vraagt aan God om haar bevrijden.
Vraagt ontheffing van haar straf. Vraagt verlossing uit haar lijden;
Droogt haar laatste tranen af. (to.)
^3
4- Hoort de beê dier teerbeminden
Redt haar uit haar vrees\'lijk leed, O, dat zij ontferming vinden,
Die de zwakheid vallen deed. (bis.)
5. Martelaars, wilt haar bevrijden!
Och, dat deze pelgrimstocht Redding brenge van haar lijden:
Alle straf volboeten mocht! (bïs)
6. Voert haar uit de kerkernachten
Tot de rust en \'t eeuwig licht;
Brengt haar \'t loon waarnaar zij smachten. Voert haar voor Gods aangezicht! (bis.)
7. Uwe hulpe, \'tis de glorie,
Uwer martelie ten loon:
Deelen zij in uw victorie,
\'t Zijn weer parels aan uw kroon, (b/s.)
14
M 8.
AFSCHEIDSLIED.
1. Weer mochten we knielen
ter heilige steê,
Daar brengen onz\' hulde
in zang en gebêe;
O Heil\'gen U .
zoo machtig en goed, I ^ Thans zingen w\' u (
ten afscheid en groet.
2. Gij Mart\'laars gekroonden
in \'t hemelsche heir , Gij hoordet ons smeeken,
Gij zaagt op ons neer;
O Heil\'gen U
Zoo groot in den strijd, f ,. U roemen wij t,
In \'t lied u gewijd.
3. Met moed en met hope
zoo keeren we weer,
Want gij blijft onz\' voorspraak
bij God onzen Heer;
i5
Aan u steeds trouw j
in leven en dood, (
Op u het oog i
In al onzen nood.
U machtige heil\'gen
Behoort heel ons hart,
Gij blijft onze helpers
in voorspoed en smart
U nogmaals dank .
In \'t feestelijk lied I
Blijft onze hoop , _ (
Wij wankelen niet.
Aanvaardt onze hulde
Aanhoort onze groet,
Hoe prijzen w\'U allen
Met dankbaar gemoed
Uit onzen strijd |
Uit kommer en drnk (
Leidt gij ons eens |
Naar \'s hemels geluk.
INHOUD.
Bladz.
1. Naar Brielle.........i
2. Bede aan Gorcum\'s Martelaren . . 3
3. Tot de H. Martelaren van Gorcum enz. 5
4. Tot onze helpers.......6
5. Eereboete aan het H. Sacrament. . 8
6. Smeeking..........10
7. Bede voor de Geloovige Zielen in
het Vagevuur.......12
8. Afscheidlied.........14
IMPRIMATUR.
|
MA ARS EN, 12 Juli 1888. |
J. G. H. C. ESSINK, Libr. Sens. |