429 G
17
SOUVENIRS EN PHANTASIEËN.
^ . rj
G, HULSMAN,
Souvenirs ^
en Phantasieën.
INHOUD.
Düitschland en Bismakck. — De Keizee. — Theateb en Opera. — Siegfried en GötterdSmmerdng. — Waoner en de Nieuwe Letterkunde. — Fritz von Uhde en zijne Christus-Conceptie. — Luther en het Protestantisme. — Re Katholische Hofkirche van Dresden en het Katholicisme. — De Sixti.tnsche Madonna en het vrouwelijk ideaal. — Mionon. — De Natuur. — Weimar en het Humanisme. —
Thüringen. — Door het Land der Schaduwen.
HAARLEM,
DE EK VEN LOOSJES 1899.
VOORftEDE.
Een weinig hekend Hollandsch dichter, Jacob Zeeuws, wien het wegens kommervolle omstandigheden niet geoor loofd was, zijn domicilie te kiezen in een centrum van beschaving, laat staan een kijkje te nemen huiten zijn vader land, heeft eenmaal, balling als hij zich gevoelde in een vergeten plaats als Zevenbergen, zijn wanhoop uitgezongen in deze woorden:
„Het Duitsche Tomos vreeze ik zal
Mijn wieg en kerkhof zijn. Rampzalig ongeval!quot;
Deze klacht is begrijpelijk. Een mensch kan het niet altijd in zijn gewone omgeving uithouden. Men moet er van tijd tot tijd eens uit. De banaliteit van het alledaagse he moet eens worden afgeschud. Men moet eens andere menschen spreken, andere toestanden leeren kennen, andere hemelen zien blauwen.
„Wem Gott will rechte Gunst erweisen,
Den schickt Er in die weite Welt!quot;
Het is een onschatbaar voorrecht, zoo nu en dan eens op reis te kunnen gaan. Het is een genot, een enkele maal met een oud-vaderlandsch geleerde zijn landje toe te mogen
VIII
roepen: „Patrio, da veniam, rustica terra tua estquot;, afscheid te nemen voor eenige weken en te gaan dwalen door verre, vreemde landen.
Reeds dikwijls is dit voorrecht mij te beurt gevallen. Het schoonste van Europa heb ik mogen zien, maar zelden had ik aangenamer herinneringen dan die van mijn laatste reis door Buitschland. Wij bezochten Berlijn, Wittenberg, Leipzig, Dresden, Weimar, Eisenach e*ï Cassel en wie de namen van deze steden hoort, moet reeds onmiddellijk hegrijpen, welk een wereld van schoonheid in natuur, kunst en poësie ons daar in verrukking heeft gebracht. Onvergetelijke souvenirs hield ik van deze plaatsen en het is mij een vreugde hiervan in de volgende bladzijden wat te mogen vertellen en naar aanleiding daarvan wat te redmeeren en te phantaseeren over enkele belangrijke vragen van onzen tijd. De lezer moge dit boekske met sympathie doorbladeren, maar vergete niet, dat hij met studiën te doen heeft, die geen andere pretensie maken, dan die van geordende reisherinneringen te zijn. *)
G. HULSMAN.
ZANDVOORT, 1 October 1899.
\') De schetsen, die reeds verschenen zijn in de „Stemmen voor Waarheid en Vredequot; zijn geheel onveranderd weergegeven.
I.
DUITSCHLAND EN BISMARCK.
Souvenirs en PhantasieEn.
1
Duitschland is het levend geworden sprookje van Keizer Barbarossa, dat Kückert zoo schoon heeft bezongen. De dichter zegt:
„Der alte Barbarossa,
Der Kaiser Friederich, lm unterird\'schen Schlosse Halt er verzaubert sicb.
Er ist niemals gestorben,
Er lebt darin noch jetzt; Er hat im Schlosz verborgen Zum Schlaf sich hingesetzt.
Er hat hinabgenommen
Des Eeiches Herrlichkeit, IJnd wird einst wiederkommen Mit ihr zu seiner Zeit.quot;
Dit sprookje is gebleken een profetie geweest te zijn. Het idealisme, waaruit het ontsprong en dat onuitroeibaar ligt op den bodem van het menschelijke hart, heeft zoovele volken in dagen van verval van een schoone toekomst doen droomen, maar gewoonlijk te vergeefs. Doch
Duitschland is niet teleurgesteld geworden____De berg
Kyffhauser, waar de groote keizer der Midden-Eeuwen zyn tijdelijken doodslaap moet slapen, heeft gebeefd. De zwarte raven, symbolen van het noodlot, dat op Duitsch-
DUITSCHLAND EN BISMARCK.
land rustte, zijn verdwenen. De keizer is opgestaan uit
zijn graf, en---- het rijk is met hem opgestaan uit de
dooden!
Vijftig jaren geleden kon Heine nog over die voorspelling lachen en spotten over de 3000 lands vaderlijke vorsten, die met valhoedjes op hun gekroonde hoofden in kinderstoelen \'s rijks inkomsten verdeelden en verteerden, — voor die 3000 despoten is de ééne keizer in de plaats gekomen en de 3000 versnipperde staatjes zijn versmolten tot het ééne groote machtige Duitschland, dat de wereld regeert. Vijftig jaren geleden kon de geestige satiricus nog schertsen:
„Deutschland ist noch kleines Kind Doch die Sonne ist seine Amme,
Sie saugt es nicht mit stiller Milch,
Sie saugt es mit wilder Flamme.
Bei solcher Nahrung wachst man schnell Und kocht das Blut in den Adern.
Ihr Nachbarskinder, hütet euch Mit dem jungen Burschen zu hadern!quot;
Ja, — Heine mocht gekscherend Duitschland vergelijken bij den jongen Siegfried en den zuigeling leggen aan de borst der zonne, die hem minnemoerspap van vlammen bereidde, — Duitschland is met dat al maar de reus geworden, dien hij voorspelde, en de Nachbarskinder die het met hem te kwaad kregen, zijn er slecht afgekomen.
Maar, om thans de sprookjeswereld te laten voor wat zij is en Barbarossa en Siegfried weer naar hun mythologische regionen te verbannen en tot de werkelijkheid terug te keeren, — Duitschland heeft zi,jn resurrectie te danken aan een niet-fictieven, maar wezenlijken reus, aan den grooten man, van wiens val nog zoo kort geleden de wereld heeft gedreund, aan vorst von Bismarck.
4
DUITSCHLAND EN BISMAECK.
Bismarck,____ hij hoort tot de hero\'s, die de bedding
verleggen van den stroom der wereldgeschiedenis. Hij had het organiseerend talent van een Peter den Groote, het stoïcisme van een Daendels, de oorlogsmanie van een Napoleon, en van, een Richelieu had hij de kunst afgezien, om de feodale machten voor altijd te vernietigen en het volk te persouifleeren in de luisterrijke gestalte van den vorst. Bismarck zag Duitschlands glorie gesymboliseerd in één mensch, den keizer, zijn keizer, zijn eenigen meester.... In de rouwkamer op Friederichsruhe, waar zijn katafalk stond, was alles wat maar eenigszins het licht weerkaatste omfloerst, doch boven de baar hing, open en bloot, in gouden lijst, één schilderij, — de schilderij
van zijn keizer. Bismarck en de keizer____ ook in den
dood waren zij niet gescheiden!
Bismarck, de reus, de kolos, de Gigant, de Titaan,----
heeft voor zijn koning, later zijn keizer, onder het logge gevaarte van Duitschlands gevallen grootheid zijn schouder geplaatst, en wat krachteloos ter aarde nederlag, werd groot en sterk. Welk een loopbaan heeft Bismarck gehad! Hij, de onhandelbare gymnasiast, de brooddronken student, de onbekende dijkgraaf, ds armoedige erfgenaam van het vorstendom Scbötihausen, werd afgevaardigde voor den landdag; van afgevaardigde voor den landdag klom hij op tot den rang van attaché aan de legatie van den Duitschen Bond; van gezantschapssecretaris te Frankfort steeg hij tot den rang van koninklijk gedelegeerde te Petersburg en te Parijs! — Maar nog was zijn roem niet volkomen. — Scherpzinnig cynicus en handig diplomaat als hij was, begon hij langzamerhand het raderwerk van Europa\'s politiek te begrijpen. Aan eigen hof, in eigen vaderland hoort hij voortaan thuis. Hij zal de teugels van het wereldbestuur in handen krijgen en ze nooit meer loslaten. Hij
5
DUITSCHLAND EN BISMARCK.
wordt minister van Buitenlandsche Zaken. Zijn koning wordt keizer en hij____de ijzeren kanselier!
Wat heeft deze ééne man al niet tot stand gebracht. Toen hij nog student was, kende hij geen ander Duitsch-land, dan dat, hetwelk Heine bespotte. Tusschen staatjes van een steenworp lengte, heerschten de kinderachtigste geschillen. Alle welvaart en handel belemmerende privileges ruïneerden den rijkdom en de geestkracht van het volk. Hij vond een Augiasstal. Hij begreep, dat geen sen-timenteele wereldbeschouwing hier klaarheid zou kunnen brengen. Al vroeg verstond hij: „ Virtus et summa potestas non coëunt.quot; Hij verkocht zijn ziel aan den Booze, om Duitschland een oogenblik van verademing te kunnen geven. En hy toog als een Hercules aan het werk. Al de kleine veeten en voorrechten, — weg er mee! De postpaarden in de eerste plaats moesten flink door kunnen rijden. De XIXde eeuw, dit begreep hij, zou de eeuw worden van stoom, post en telegraphic. Eén koninklijke post moest hy hebben. En jawel, het tolunie-parlement kwam tot stand. De XIXd0 eeuw, dit besefte hij verder, staat nog ver af van het duizendjarig rijk. Het „vrede op aardequot; was voor hem een leuze en de stelling stond voor hem vast, dat van de twee mogelijkheden, „trappen geven of trappen krijgenquot;, de eerste de meest verkieselijke was. Daarom moest hij een leger hebben! De leger-organisatie was zijn tweede werk en strenge legerwetten werden uitgevaardigd. Bismarck werd langzamerhand een persoonlijkheid. Zijn politiek werd een ieder duidelijk. Het groote doel, waarvan hij in dichterlijke visioenen had gedroomd, begon geest en leven te verkregen. Het ééne vrije Duitschland, het herboren rijk van Barbarossa, dit grootheids-Ideaal begon eerlang het eigendom van velen te worden. H« ontworstelde zich steeds meer aan den invloed van
6
DUITSCHLAND EN BISMAKCK.
Oostenrijk. In Duitschland zelf streefde hij er naar, aan Pruisen de hegemonie te bezorgen. Hij sloot een offensief en defensief verbond met Baden, Beieren en Wurtemberg. Hij stichtte den Noord-Duitschen Bond van tweeëntwintig
staten. Hij maakte een Bondsraad en Rijksdag____Zijn
illusie werd al meer en meer werkelijkheid.
Maar intusschen, de Nachbarskinder Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk zaten ook niet stil. Zij kuipten en spionneerden; zij knoeiden en konkelden; zij werden onrustig; zij konden gevaarlijk worden. Bismarck dacht: „Wer den Augenblick ergreift, der ist der rechte Mann.quot; En knoeiende, liegende, bedriegende, telegrammen verval-schende, tegenstanders belasterende, insinueerend enintri-gueerend, wist hij altijd op het rechte oogenblik een oorlog uit te lokken. Op zijn leger kon hij vertrouwen, dit wist hij. Als Spartanen zijn zijn recruten gedrild. Denemarken
valt. Oostenrijk wordt geslagen,____ en Frankryk, het
machtige Frankrijk, de geweldige tegenstander sedert eeuwen. Frankrijk wordt vernietigd. Op den 10den Januari
van het jaar 1871 wordt zijn keizer, zijn keizer____de
keizer, dien hij zich had gedroomd en had geschapen.... het belichaamd symbool van Duitschlands eenheid.... gekroond____ in de spiegelzaal van het paleis te Versailles,.... te Versailles, waar de residentie was geweest van de roemruchtige koningen zijner vijanden.
Bismarck heeft succes gehad, maar men moet niet vragen, hoe hij dit succes heeft verkregen. Geen ernstiger getuigenis tegen zijn karakter en wijze van heerschappij voeren, dan het boek, dezer dagen uitgekomen over zijn leven, van zijn geheimsecretaris Dr. Busch. De zinspreuk van zijn ouderdom moge geweest zijn: „Alles den Heerequot;, deze zinspreuk is wat laat in zijn blazoen geschreven. In 1862 had hij nog den moed in de vergadering van de
7
DUITSCHLAND EN BISNABCK.
begrootingscommissie van den landdag het historische woord te spreken: „De groote vragen des tijds worden niet opgelost door redevoeringen en meerderheids-besluiten, maar door bloed en ijzer!quot; Hij kende geen wetten boven zich. Hij hield zich niet aan de regelen van een enkele moraal. Hij plaatste zich in de Kamers boven de disciplinaire macht van den president. Hij regeerde met en zonder begrootin?. Hij was zich zelf. Hij was eerst de reactionnaire jonker, later de felle anti-semiet en andermaal de beruchte anti-papist, maar dit alles alleen ter wille van het ideaal, dat hij voor Duitschland in het hoofd had. Diefstal op groote schaal gaf hij den schoonen naam van annexatie en de vrije stad Frankfort, het hertogdom Sleeswijk-Holstein, het koninkrijk Hannover, het vorstendom Hessen .... het een na het ander werd ingepalmd.
En toch, op dit gevaarlijke pad van zoovele voetangels en klemmen, was hij altyd gelukkig. Een goed gerichte stoot op zijn borst in een der vele duels, die hij als student doorstond, had de wereldgeschiedenis waarschijnlijk anders gemaakt, maar Bismark was onkwetsbaar. Als Napoleon had hij iets fatalistisch over zich en in geen hagelbui van kogels zou hij het hoofd ter zijde buigen. Cohen-Blind en Kullmann mochten een aanslag op zijn leven beproeven, Bismarck zou ongedeerd blijven, totdat .....voor eenige maanden God kwam en de groote
man voor den rechterstoel van den Almachtige werd opgeroepen. Terecht zei één onzer staatslieden: „Wij zien von Bismarck niet zonder huivering van ons gaan!!quot;
Welk een verschil met Gladstone.....Over het graf van
Gladstone strooide men stof uit van den hof van Gethsemané en .... Bismarck werd in de illustraties en tijdschriften verwelkomd in „Walhallaquot;. Ja, een Thor, een Wodan, een Germaansche reus, een ruwe Heiden is Bismarck geweest, —
8
DUITSCHLAND EN BISMARCK.
maar zijn doel is bereikt.... zijn wensch vervuld.....
zijn Duitschland is groot!! —
Ja, Duitschland is groot! Welk een heerlijk land om te doorreizen. Frankfort, Hamburg, Hannover, Keulen, Baden-Baden, München, Dresden, Berlijn, welke schoone steden! Het Parlementspaleis in de hoofdstad en het Hooggerechtshof in Leipzig, welke monumentale gebouwen! De Dom van Keulen en de catliedraal van Straatsburg, welke wonderwerken van architectuur! De Pinacotheek van München en de Dresdener Gemalde-Galerie, welke schathuizen van kunst! Wat een stations en een fabrieken! Wat een bruggen en kanalen! En Berlijn, welk een indrukwekkende residentie! Londen en Parijs mogen drukker zijn, — Londen kolossaler, geweldiger, reusachtiger, Parijs nieuwer, coquetter, artistieker, — Berlijn kan toch mogelijk, als de Duitsche keizer nog onlangs zei, worden: „die schönste Stadt der Weltquot;. Welk een verrukkelijk uitzicht heeft men, wanneer men uit de witte zaal van het Keizerlijk paleis zijn blik laat weiden over den nieuwen Dom, het oude en het nieuwe museum, het tuighuis en dan door de open allee der Linden heenstaart in de richting van de Brandenburger poort, waar de tinnen van het nieuwe Eeichs-tags-gebaude zich blinkend opheffen uit het groen van den uitgestrekten T hier gar ten!
Duitschland is een aantrekkelijk land. Wat een welvaart! Wat een handel! Wat een orde! Wat een gemoedelijke bevolking! Wat een aangename opvatting van het leven! Wat een eenvoud in de kleeding! Wat een gezelligheid op plaatsen van samenkomst! Die vroolijke concerten! Die flinke militairen! Die echte moeders met groepen van hakende en breiende dochters! Dat wel wat leuke en plichtmatige, maar toch door het voorbeeld van den keizer aangewakkerde positieve geloof in het Evangelie!
9
DDITSCHLAND EN BISMARCK.
Die schoone natuur! Dat Schwarzwald, de Haiz, Saksen en Thüringen! Duitschland is een bekoorlijk land. Land en volk roept dan ook in toon en houding zijn glorie uit. Overal ziet men in het centrum der steden de tropheeën en zegeteekenen van 1870 en 71, en boven alles uit, rijst, hoog en machtig, in het Niederwald de Germania, die de gansche wereld toeroept:
„Es braust ein Euf wie Donnerhall,
Wie SchwertgeMirr, wie Wogenprall:
Zutn Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rbein!
quot;Wer will des Stromes Hüter sein? —
Lieb Vaterland, magst rullig sein, —
Fest steht und treu die Wacht am Ehein!quot;
10
II.
DE KEIZER.
Duitschland is op het oogenblik waarschijnlijk het machtigste rijk der wereld en aan het hoofd van dit rijk staat één man, ... de Keizer.
Eén man. — De positie is bijna te hoog voor één mensch. Men moet wel een sterken geest hebben, om zulk een taak te kunnen aanvaarden. Wij kunnen begrijpen, dat de Czar van Rusland, de evenknie van Wilhelm II, sidderde op den dag zijner kroning. Bauer, de bekende etser en correspondent van de Kroniek, die de feesten in Moskou bijwoonde, schreef 5 Juni 1896: „De keizer werd gekroond... Te midden van een drom dragers, naast de keizerin, die schitterde van zilver en van paarlen, liep, neen, waggelde de jonge keizer, het vaalbleeke smalle gelaat, gebogen onder de enorme diamanten kroon, de schitterende scepter en appel tegen de borst geklemd, de schouder gebukt onder het gewicht van hermelijn, waarover een zware diamanten keten hing. Met moeite sleepte hij den goud-brocaten mantel en onder de armen werd hij gesteund door grootwaardigheids-bekleeders ...quot; „Het was vreeselijk om te zien,quot; zegt Bauer, „het was geen vorst, bewust van zijn majesteit, die zich koninklijk aan zijn volk vertoonde, het was een man niet alleen gebogen onder den last van goud en juweelen, maar tevens onder het nog zwaarder juk van zijn ontzachelijk rijk. Hulpeloos keek hij rond, en langzaam trok hij verder, een slachtoffer van zijn volk en ondanks zijn praal beklagenswaardig!quot;
DE KEIZER.
Zoo schryft de ooggetuige en wij verwonderen ons niet. Maar, — wie er duizele bij het gewicht zijner roeping, tot heden niet de vriend en broeder van den Czar aller Russen, Willem de Tweede, de Koning van Pruisen, de Keizer van Duitschland. Wij zagen hem verscheidene malen in Berlijn, in Catharinenholz, dichtbij en van verre. Wat een blik! Wat een houding! Men zegt, dat de Engel-sche gezant na de eerste ontmoeting met onzen vroegeren koning verklaard moet hebben: „C\'est la première fois, que j\'ai vu un roi,quot; — maar ik kan mij voorstellen, dat iemand, na den Keizer van Duitschland gezien te hebben, uitroept: „Dat is nu de eerste maal, dat ik weet, wat een Keizer is! — Wat een gevoel van eigenwaarde in die stroeve trekken. Wat een bewustzijn van macht in dien toegeknepen mond! De Romeinsche imperatoren lieten bij een triumphtocht een heraut voor zich uitroepen: „Herinner u, o veldheer, dat gij een mensch zijt!quot; maar de Duitsche Keizer heeft een voorkomen, alsof hij steeds een koning van wapenen hoort verklaren, „dat hij een god is.quot; — Die man voelt zich een god! Wij zagen hem nu maar gewoon, zonder veel gevolg, met zijn tweespan van schimmels snellen langs de Linden en nu reeds teekende het gelaat een trots, als men zich gewoonlijk alleen verbeeldt in het aangezicht van een Olym-pischen Zeus; — maar hoe moet deze man zich gevoelen, als hij bij groote ceremoniën het middelpunt is van aller oogen?
En toch, die oogenblikken komen voor hem. Die oogen-blikken komen, als hij te midden van zijn bondsvorsten, ministers, prinsen, gezanten, generaals en stafofficieren, zich het hoofd moet weten van een veertig millioen onderdanen, als hij zijn rijksdag opent, zijn monumenten inwijdt, de eerste steenen legt voor zijn reuzengebouwen, een eersten tocht doet op nieuwe kanalen of spoorwegen, of zijn
14
DE KEIZEE.
revue houdt over de honderdduizenden zijner soldaten. Die oogenblikken komen voor hem, als hij in schitterglans van gouden uniformen en kostbare toiletten, de bloem van Europa\'s adel vereenigt aan zijne Keizerlijke festijnen. De aarde geeft hem haar rijkdommen, de menschen geven hem hun eerbewijzen, de wetenschap vraagt om zijn bescherming, de kunst om zijn bewondering. Wandelt hij op het balcon van zijn paleis in de residentie, dan moet hij zich een Beltsazar gevoelen en hij weet, dat Berlijn zijn Babel is. — Zoekt hij rust en kalmte, wil hy genieten van de stilte der natuur, of zich in den kring van het familieleven terugtrekken, tien, twaalf lustverblijven staan voor hem open, en hij kan kiezen tusschen Sanssouci, Neu-Babelsberg, Stolzenfels, Coblenz, Wiesbaden, Hannover of Cassel, en, — waar hij komt staan de paarden klaar in de stallen, bloeien de parken van zeldzame bloemen en dui-zende handen zijn gereed om hem een waardige ontvangst te bereiden. De wereld staat buigend voor hem. Zijn wil is wet en alsof de omstandigheden nog niet voldoende waren om hem te doen duizelen van grootheid, komen daar nog de vleiers en verklaren hem voor iets als „een opperste manifestatie der levensmagnificentie, die de dalende zon van konings- en keizerschap toezendt aan de steeds glansloozer wordende aarde.quot;
Die man voelt zich een god! Hij wierp Bismarck uit zijn hemel, als Zeus het eenmaal Hephaestus deed, en de ijzeren kanselier stond voor het eerst van zijn leven verbaasd te kijken. Hij spreekt zijn goedkeuring uit over het gedrag van zijn grootmoeder Victoria, maar zy moet zich niet te veel verbeelden, want dan zal hij Paul Kruger gelukwenschen met het vernietigen van de Engelsche legermacht. Hij omhelst in Warschau den Czar van Rusland, gelijk een oudere broeder het een
15
DE KEIZER.
16
jongere doet, — een tooneel voor Ezau en Jacob. Hij geeft zijn zwager, den kroonprins van Griekenland, met de chambrière en neemt het den Sultan van Turkije niet kwalijk, dat hy hem verder afranselt. Hij zet een neef in den hoek, als een schooljongen, omdat hij een fortuintje met hasardspel heeft verloren. Hij verdeelt zijn liefde tus-schen het warme Zuiden en het koude Noorden. Hij wandelt op den gloeienden Vesuvius en ankert aan de Noord-Kaap. Op de doorreis gaat hij een misje knappen bij den Heiligen Vader, maar de Heilige Vader moet zich evenmin al Victoria te veel arrogantie aanmatigen, want dan roept hij zijn gezant terug. Hij complimenteert Bismarck op zijn SO^ten verjaardag en stuurt hem een flesch fijnen wijn, om te gebruiken bij de kievietseieren van de getrouwen van Jever. Hij heeft medelijden met den moord van Carnot en condoleert diens echtgenoote. Hij heeft twee jaar later weer medelijden met het vergaan van de Bourgogne en betuigt zijn deelneming aan Felix Faure. Hij wil eigenhöchsthandig Prof. Harnack afzetten, omdat deze te ver gaat met zijn N. T.8ohe critiek. Hij neemt het zijn zuster kwalijk, dat zij tot den Griekschen godsdienst overgaat en verwijt zijn schoonzuster, dat zij een Roomschen man trouwt, maar gaat plotseling, ziel en zaligheid vergetende, logeeren in Constantinopel bij den man, door Gladstone voor altijd betiteld als „den grooten moordenaarquot; van minstens 100,000 Armeniërs, om daarna als Reintje de Vos in theatralen pelgrimsrnantel naar Jeruzalem te trekken en, in de oorkonde van de pas gestichte Protestant-sche kerk aldaar, alle volken der wereld op te roepen, om zich onder de banier des kruises te scharen. Hij meent alles in allen te kunnen zijn. Hij dicht zijn zang aan Aegir. Hij componeert er de muziek bij. Hij ontwerpt teeke-ningen voor monumenten en cadeaux. Hij schildert in
DE KEIZER.
symbolische gestalten de loeping der groote mogendheden. Hij geefc college aan marine-officieren in zeevaartkunde en Oostersche politiek. Hij bidt bij het lijk van Bismarck. Hij leidt persoonlijk de godsdienstoefeningen aan boord voor de matrozen en te midden van zijn jachtpartijen en huiselijke genoegens met zijn vrouw en kinderen, bezet hij in het oosten de haven van „Kiau-tschiouquot;, om vast een stapelplaats in China te hebben, wanneer over eenige jaren de groote Siberische spoorweg gereed zal zijn.
Die man voelt zich een god! En toch, — ook hij is slechts een mensch. Achter Berlijn ligt Charlottenburg .... Daar geven koningin Louise en haar echtgenoot aan God de kronen terug. Daar staat de Engel der opstanding. Daar hangt de weegschaal der gerechtigheid. Bij het mausoleum ligt het kerkhof ook van den armste der onderdanen, maar in het mausoleum of buiten het mausoleum, daar, op den akker der dooden, wordt de profetie vervuld van Job III: „Daar zal men nederliggen met de koningen en de raadsheeren en de vorsten, die goud hadden, die hunne huizen vulden met zilver. Daar rusten de vermoeiden van kracht. De kleine en de groote is daar!quot;
..... Ook de Keizer.....de Keizer zal daar eenmaal
17
nederliggen!
Souvenirs en Phantasieëk.
III.
THEATER EN OPERA.
Alle groote wereldsteden tellen onder hun hoofdgebouwen een theater en een opera. Wie op reis gaat en niet als Pie ter Spa thuis wil komen, maar kennis wil vergaderen van menschen en toestanden om zijn oordeel te vormen, niet naar de conventioneele uitspraken van den bepaalden kring, waartoe hij hoort, maar naar eigen ervaring en ondervinding, moet deze instituten van beschaving ééns of meermalen bezocht hebben. — Ik heb gezien „Nathan der Weisequot; van Lessing in Amsterdam, toen ik nog student was. Later op verschillende reizen heb ik gezien den „Faustquot; van Gounod en „Lohengrinquot; van Wagner in Londen, „Tannhauserquot; van quot;Wagner in Parijs, „Mignonquot; naar Goethe\'s „Wilhelm Meisterquot; in Dresden, „Othelloquot; van Shakespeare in Dresden en uit den „Ring der Nibelungenquot; van Wagner de twee beroemde drama\'s „Siegfriedquot; en „Gotterdammerungquot; in Berlijn.
Voor ik echter overga om te vertellen,welken indruk ik kreeg van de stukken, die ik in Berlijn zag spelen, moet ik eerst eens de belangrijke vraag ter sprake brengen, wat men als Christen, moet denken van het bezoeken van opera en theater.
Vooreerst moeten wij in deze quaestie eens te rade gaan met het oordeel van mannen, met wier inzicht valt te rekenen. Dr. A. Kuyper zegt in zijn „Calvinisme en de Kunstquot;, p. 26: „Ware de gesteldheid der geesten er naar geweest, om een eerbaar drama, tragisch zoowel als komisch, zonder actrices, gelijk eens te Athene, te verkrijgen, het protest zou niet gehoord zijn. Niet tegen het ideale,
THEATER EN OPERA.
maar tegen het zichzelf verlagend drama ging de strijd. En wie uit Breederoo\'s tijd de tooneelen van zijn Lucelle naslaat, waarbij zelfs een Tesselschade lustig toekeek en in onze dagen iets van het leven achter en voor de schermen in onze groote steden hoorde, kan kwalijk de klacht onderdrukken, dat de overprikkelde genotzucht, die het publiek naar den schouwburg trekt, met kunstzin weinig meer dan den naam gemeen heeft, en ons volk, niet enkel ethisch maar ook aesthetisch, eer verarmt dan verrijkt ... En moge nu al een volk, dat, gelijk in Zuid-Europa, op straat leeft, het drama niet ontberen kunnen, een Calvinistisch volk, dat zich bij voorkeur in het drama, zoo komisch als tragisch, van het huislijk leven verdiept, blijft van het open-lijk drama verre, zoodra dit niet anders dan tot den prijs van zedelijke verachtering te genieten is.quot; Zoo spreekt Dr. A. Kuyper en de Standaard roept het hem tijdens zijn afwezigheid nog kort geleden na: „Het tooneel is door ons Calvinisten „Van meetaf\' weerstaan!quot; Dit oordeel is streng en veelszins gerechtigd. De uitspraak is echter te apodictisch, te weinig gemotiveerd. Zoo\'n uitspraak is goed om een partij te leiden, maar niet om het zoekend en strijdend en denkend gemoed van een meer ontwikkelde te bevredigen.
Dr. Schaepman sprak anders in zijn onderhoud met den Heer Elout, die in Elseviers Maandschrift, 6de Jaargang, afl. IV, een verslag geeft van zijn interview. De beroemde doctor zegt daar p. 372: „Ik houd het tooneel in \'t algemeen niet voor veroordeelenswaard, maar omtrent het hedendaagsche tooneel ben ik zeer sceptisch gestemd . . . Ik geloof, dat een groot euvel van onzen tijd ligt in het dagelijksch genieten. Men moest het tooneel genieten zooals de passiespelen te Oberammergau, die zeer spaarzaam worden gegeven. Dat stemt; dat geeft er de wijding aan, die de oude Grieken ook aan hun tooneel gaven ...
22
THEATER EN OPEEA.
zooals Wagner ook gedaan heeft____Dan zal men alleen
goede stukken te zien krijgen en de stijl van de comedie zal weer stijgen tot Aristophanes en die van de tragedie tot Sophocles en Euripides. Ik kan bij voorbeeld wcardee-ren, dat de menschen naar Bayreuth gaan, enz.quot;
Dit oordeel van Dr. Schaepraan is billijker. Hij veroordeelt alles, wat slecht is in het tooneel: lichtzinnige stukken en gemeene intrigues, frivole spelers en luchthartige speelsters, ijdele toeschouwers en geld en naam en tijd te grabbel gooiende habitué\'s van dergelijke instellingen, maar de menschkundige priester kan zich gevallen voorstellen, waarbij een gang naar den schouwburg niet bepaald is af te keuren.
Hiertegenover staan geheele scharen van meer luchthartige leidslieden, die beweren: „Het tooneel is van bedenkelij-ken invloed, doch het geeft nu eenmaal zooveel pleizier en dus in \'s hemels naam... de wereld Is nu toch eenmaal niet volmaakt te krijgen,... de een sterft jong ter wille van de maatschappij in een phosphorusfabriek, de ander in een kwikzilver-mijn, een derde vindt zijn vreugdeloozen arbeid in de steenkolengroeven, onder de aarde,... welnu, laten anderen als harlekijnen en hansworsten op het koord dansen en laten de acteurs en actrices op de planken blijven, al mogen er velen daar zedelijk verloren gaan, dat is nu eenmaal zoo. De vivisectie is een noodzakelijk bestanddeel van de medische wetenschap, de doodende concurrentie de schaduwzijde van het Manchester-systeem en de immoraliteit het noodwendig aanhangsel van de tooneel-wereld. Laissez-faire! Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Dat is de wereld. Het leven bestaat nu eenmaal uit scherpe tegenstellingen. Het hoofd van Johannes den Dooper is in de ontwikkeling der wereldgeschiedenis even noodig als het hoofd van Emile Henry, den anarchist, en de Fransch-
23
thkateb en opera.
man had gelijk, die een tooneel-directeur deze woorden toevoegde:
„Vriend, zoo gij wilt voldoen door deugd en zedelessen.
Dan vrees ik, dat gij arm gelijk de mieren wordt:
Volg nu eens dezen raad: Zoek jonge danseressen.
Maak uw balletten lang en hare rokken kort!quot;
(D. J. van Lennep.)
En wat zullen wij nu tot deze dingen zeggen ? Eén ding staat vast: lm Groszen und Ganzen is de tooneelwereld slecht, gevaarlijk, diep gezonken. Plato was er reeds van overtuigd en hij wilde de acteurs uit zijn Republiek verbannen hebben. Plato ging dus nog verder dan Dr. A. Kuyper, die een tooneel van enkel mannelijke tooneelspe-lers nog zou kunnen dulden. Savonarola heefd over de gan-sche dramatische kunst zijn banvloek uitgesproken. De Catholieke kerk heeft den grooten Molière niet in gewijde aarde willen begraven. Busken Huet — en dit is zeker een onvervalscht getuige — Busken Huet spreekt op verschillende plaatsen zeer ongunstig over de acteurswereld. Hij beweert nü eens, dat men door het tooneel eer gevormd zal worden tot een held dan tot een braaf man; dan weer dat op het tooneel passie thuis hoort en passie nu juist niet bepaald olie is in de heilige lamp der deugd; andermaal dat een tooneelschrijver zich aan voorwaarden moet onderwerpen, die noch hem noch het publiek tot eer strekken en ten slotte, dat zelfs „het spelen van rollen, het zich verplaatsen in den gemoedstoestand van anderen, aan eigen overtuiging schade kan toebrengen.quot; Het verst gaat van Deyssel in een lyrische beschouwing van Vosmeer de Spie, wanneer hij op zijn bombastische wijze proclameert: „Het tooneel is de allerhoogste expressie van het bordeel, het is een ideaal bordeel, een tempel-bordeel,quot; en J. H.
24
THEATER EN OPERA.
Eössing zei nog onlangs, naar aanleiding van de lezing van Juffrouw Eva Westenberg over: „Lezen, tooneelspelen, critiek en tooneel-beheerquot;; „Een geestelijke, die iemand, vooral een jonge vrouw, waarschuwt voor de moeilijkheden en gevaren van het tooneel, doet niet meer dan zijn plichtquot;. Mij dunkt deze getuigenissen spreken. De veroordeeling is algemeen en niemand zal kunnen zeggen, dat het requisitoir is opgemaakt door mannen van uitsluitend Puriteinsche principes.
De tooneelwereld is slecht, zsgen wij, maar dit staat vast, dat, wanneer de tooneelwereld niet anders dan ongerechtigheid en zonde bevatte, haar invloed niet zoo verbazend groot zou zijn. Neen, — de tooneelwereld bevat ook ideale elementen. De schouwburg speculeert niet alleen op de lagere hartstochten der menschelijke natuur, integendeel, hij kent een hoogere roeping. De schouwburg is de tempel van de kunst, de schoonheid en de levenswijsheid van de grootste genieën, die onder ons menschen zijn opgetreden, van een Shakespeare, Molière, Goethe, Schiller, Ibsen, Wagner en Maeterlinck. Hier wordt het hart ontleed van den mensch in zijn hoogere en lagere aspiratiën, in zijn bangen strijd tegen zichzelf, in zijn nederlaag en overwinning. Als dienaresse der kunst blijft de tooneelwereld belangrijk voor ieder ernstig mensch, die op de hoogte wil blijven van zijn tijd. — Geen wonder dan ook, dat, tegenover de ongunstige oordeelvellingen, die wij boven aanhaalden, andere beschouwingen aangevoerd kunnen worden. — George Sand teekende reeds jaren geleden in haar „Consueloquot; de ideale reine actrice. Edna Lyall schilderde later in haar „Knight Errantquot; den idealen, nobelen acteur. Een Duitsch predikant. Pastor Gerok van Stuttgart, de zoon van den bekenden Karl Gerok der „Palmblatterquot;, raadt in zijn belangrijke brochure „Die Gebildeten und die Kirchequot; de predikanten zelfs
25
THEATER EN OPERA.
aan een enkele maal de publieke opinie te trotseeren en naar de comedie te gaan om zich over Hauptmann, Suder-mann, Ibsen en anderen een oordeel te kunnen vormen. De Keizer, die anders nog al streng is in zijn censuur, sprak nog onlangs, in zyn toespraak voor de tooneelspelers aan den Koninklijken Schouwburg in Berlijn, van de schoone taak „den Idealismus im Volke zu pflegenquot;. En wat ons land betreft, de vrome Alberdingk Thijm, van wien getuigd is, „dat zijn liefde voor \'t schoone ineenvloeide met de vereering van den Schepperquot;, hij dweepte met het tooneel en was jaren lang theater-reporter. Ja, — het tooneel heeft in ons land nog altijd zoozeer de publieke opinie van de beschaafde wereld op zijn hand, dat men het een plicht acht van de Koningin, bij haar officieel bezoek aan de hoofdstad, niet alleen een gang naar de kerk te doen, maar tevens een tocht naar de comedie te ondernemen en bij die gelegenheid ziet men de geheele aristocratie, nog grootendeels orthodox en kerksch, in van paarlen en diamanten fonkelende toiletten, neerstrijken in de fluweelen fauteuils en met bewondering staren naar de kunst der zoogenaamde Bohémiens en Bohémiennes.
Het tooneel, zagen wij, heeft een treurig-realistische zijde, maar bevat, als spreekgestoelte der kunst en moderne beschaving, een wel anti-Christelijke maar toch ideale bedoeling. Als zoodanig houdt het in de groote wereldsteden mogelijk duizenden nog terug van slechtere plaatsen, maar deze ideale roeping wordt helaas geneutraliseerd door het onweersprekelijke feit, dat de schouwburgen op den duur alleen kunnen leven van de banale, lubrieke en gepassioneerde voorstellingen. En nu, ten slotte dit alles in aanmerking genomen, wat moet men op Christelijk standpunt zeggen van het bezoeken van opera en theater? Ik heb er veel op mijn reizen over nagedacht, daar men
26
theater en opera.
27
letterlijk overal weer, telkens op nieuw, voor dit probleem wordt gesteld. Mijn eindoordeel moet ongunstig luiden. Ik vind dat een ontwikkeld man, die weer anderen moet voorgaan en in hun overtuiging moet sterken, ééns of meermalen eenige stukken van groote meesters moet gezien hebben. Een enkel bezoek aan den schouwburg kan geen man van karakter kwaad doen, daar de uitwendige omgeving waarlijk niet verschilt van die van een groot diner, een receptie of een andere plechtigheid, waar de ernstige menschen de wereld plegen te ontmoeten. Wanneer men Sophocles, Euripides, Molière, Shakespeare, Ibsen, Hauptmann leest, bestudeert, er studies over geeft, dan kan men even goed, ter bevestiging van zijn oordeel, hun stukken in al hun glans van taal, klank, muziek en scènerie zien opvoeren. Geen edel mensch zal er eenige zedelijke ver-achtering van ondervinden of schade lijden aan zijn gemoedsleven. Een herhaald bezoek, een geregeld gaan naar de come-die, een echt pleizier hebben in het tooneel acht ik voor mij hoogst bedenkelijk en ik geloof, dat een Christen, naar mate hij krachtiger wordt in geloof en overtuiging, des te sterker deze schijnwereld zal veroordeelen en wel om de volgende redenen De schouwburg is de kansel van het ongeloof. De wereld verkondigt hier haar theorieën, haar moraal, haar sceptisch idealisme, maar het ongeloof doordringt alle voorstellingen. Vooral het gebed wordt misbruikt en hindert, daar het te heilig is voor poëzie. — De edele stukken zijn zeldzaam, de schouwburgen bestaan van het geven van gepassioneerde voorstellingen. — De groote massa, het volk wordt door de lagere kunst bedorven en begrijpt van de hoogere kunst niets. Eq onder de meer ontwikkelden zijn ook maar betrekkelijk weinig karakters, zoo standvastig en gevormd, dat zij tegen de verleiding en bekoring van het tooneel bestand zijn. — Het kunstgenot, dat een nobel
THEATER EK OPEEA.
mensch er bepaald smaakt onder de opvoering van schoone stukken, wordt nog gekocht voor den prijs van den zedelijken ondergang der spelers ea speelsters. Het schijnt nu eenmaal onmogelijk in deze atmosfeer rein te kunnen blijven. De Spectator mag in één zijner afleveringen van 1896 verklaren, dat tooneelspelers tegenwoordig gelijk staan met artisten en geleerden, en allen mogen wii weten, dat Clairon, Pauline Garcia, Rachel, Patti, Jenny Lind, Sarah Bernhardt en Marie Seebach als vorstinnen In glorie getroond hebben en Talma, Irving, en Possart met lauweren overladen zijn, wij zouden toch bedroefd zijn, wanneer een broeder of zuster zich aan het tooneel ging verbinden. — Ea ten laatste, wij zouden het vrecselijk vinden, iemand op de planken te zien sterven, niet in schijn, maar in werkelijkheid, gelijk het gebeurde met Kitty Tirrel, die stierf 25 December 1894, spelende in een van Londens theaters, in de Kerst-pantomime, van den tijd naar de eeuwigheid gaande, met een zorge-loozen lach op het plotseling verbleekend aangezicht.
Ik weet, welke gravamina men tegen deze bezwaren zal hebben. Ik weet, dat men zal zeggen; De geheele wereld is vol ongeloof, en wie het ongeloof wil ontvluchten moet de wereld ontvluchten; schijn is er ook in de kerk, ja, het meeste Phariseïsme wordt in de heiligdommen gevonden. Het tooneel veroordeelt juist de Tartufferie. — Wanneer de schouwburg leeft van edele en onedele stukken, veroordeel dan de slechte, maar begunstig de goede. — Indien het tooneel misbruikt wordt door velen, is het in zich zelf als instituut van kunst en beschaving nog niet afkeurenswaardig. Wat wordt niet misbruikt? Luther antwoordt reeds: de sterren, de vrouwen en de wijnstok, maar hij vindt het toch dwaas, om daarom het licht der sterren te blusschen, de vrouwen van kant te maken en den wijn te laten loopen. Moet iets verwerpelijk geacht worden omdat
28
THEATER EN OPEHA.
het door dommen en dwazen misbruikt wordt? — Gij veroordeelt het tooneel wegens de immoraliteit der acteurs en actrices, maar hoe staat het met de zedelijkheid in de wereld, waaronder gij uw kennissen en vrienden telt ? — En dan ten slotte, wa.t het sterven betreft,____ onvoorbereid sterven is altijd aangrijpend en niemand zal een onverwachten dood verkiezen. Wat ons bij zulke gevallen doet sidderen is niet de mensch, die sterft, de plaats waar het gebeurt, de arbeid, waaronder het geschiedt. Neen, wat ons doet huiveren, is het plotselinge van den dood, die ons menschen allen kan overvallen. Zoo kan men antwoorden op mijn bezwaren en al weer terecht!
Ik weet dit alles. En daarom, omdat ik het weet, vind ik de gangbare, preutsche opvatting bespottelijk, alsof het een doodzonde zoude zijn, naar den schouwburg te gaan. In Christelijke kringen kan er dikwijls van allerlei by door, — gelijk Anna de Savornin Lobman zoo razend scherp en toch dikwijls zoo treffend waar heeft gehekeld in haar „Vragensmoedequot;, — maar men heeft zoo willekeurig een index purgatorius gemaakt van dat wat mag en dat wat niet mag. Men vindt het niet zoo erg, om te plagen, kwaad te spreken, en zich, in spijt van zooveel rondom schreiende armoede, in weelde te baden, maar____een gang
naar den schouwburg is onvergefelijk. Ik ken deze casuïstiek, van zekere geloovige kringen, maar... al kan ik daarom een bezoek aan het theater niet altijd afkeuren, al zou ik het sommige karakters met vaste overtuiging durven aanraden, — ik kan mij in het algemeen voor het tooneel niet laten winnen. De liefde beslist ook al weer in dezen. De liefde voor God en zijn medemenschen. De liefde treurt, ook onder de schoonste opvoeringen, over het ongeloof dat durft te bidden; de liefde treurt over de leugen, dat de kunst hier doel zou zijn, terwijl morgen of overmorgen de
29
THEATER EN OPERA.
kunst wordt opgeofferd aan de hebzucht, die de gemeenheid durft voorstellen; de liefde treurt over de jonge harten, die hier op deze zelfde plaats, door schijn verblind, door muziek bedwelmd, door passie verleid, mogelijk bedorven kunnen worden; de liefde treurt over die ongelukkige acteurs en actrices, die daar knielen, terwijl zij aan geen God geloove^ die daar lachen, terwijl zij mogelijk inwendig schreien, die daar spelen in schoonheid, om straks waarschijnlijk na afloop van het stuk, de prooi te worden van de booze hartstochten, die zij bij rijke wellustelingen hebben opgewekt; de liefde treurt over die gedachteloozen en lichtzin-nigen, die ieder oogenblik voor den troon van God kunnen geroepen worden. Neen, — de liefde kan zich in den schouwburg niet gelukkig gevoelen. Wat daar goed en rein en nobel is in ons binnenste, is daar niet op zijn gemak. Het is er onrustig. Het is er niet thuis!
De liefde zal op den duur geen vreugde hebben aan een wetenschap en een kunst, die niet veredelt.
De liefde zal op den duur geen wetten of staatsinstellingen kunnen dulden, die het onrecht bestendigen.
De liefde zal op den duur geen behagen scheppen inde luxu-rieuse maaltijden, waar in één avond wordt verknoeid, wat zooveel armen weken lang voor kommer en ellende zou behoeden.
De liefde zal op den duur geen vrede hebben met een leven, dat anderen niet ten goede komt.
De liefde zal op den duur meer voelen voor „theater-missionquot; dan voor het theater zelf.
De liefde zal op den duur het tooneel moeten veroordee-len, omdat het artistieke genot, daar gesmaakt, gekocht wordt voor den zedelijken ondergang van velen.
Alles gaat voorbij.
De liefde alleen vergaat nimmermeer.
30
IV.
SIEGFRIED EN GÖTTERDAMMERUNG.
„Siegfriedquot; en „Götterdammerungquot;, twee meesterstukken van den beroemden Wagner mocht ik in Berlijn zien opvoeren. Gelijk ieder weet zijn de helden en heldinnen van deze treurspelen ontleend aan het M. E. heldendicht der „Ni-belungenquot;, en welke soort van poëzie in dit epopee wordt aangetroffen, vinden wij meesterlijk geteekend in een citaat van Heine, hetwelk Busken Huet inleidt en vertaalt met de volgende woorden („Litt. Fant. en Krit.quot; D IX, p. 174): „Heinrich Heine,quot; zegt Huet, „vraagt aan de Fran-schen: „„quot;Wilt gij, nette heertjes en dametjes, u een voorstelling leeren vormen van het Nevelingelied en van de reuze-hartstogten, die daarin ten tooneele verschijnen? Verbeeldt u dan een helderen zomernacht met sterren, zoo groot als zonnen, en bleek als de maan en daar beneden een onafzienbare vlakte, waar alle kathedralen van Europa elkander bescheiden hebben. Daar komt de dom van Straatsburg aan, de dom van Keulen, de dom van Florence, de dom van Rouaan, en allen maken het hof aan de schoone
Notre-Dame van Parijs____ Of eigenlijk, neen: zelfs op
die wijze bekomt ge geen goede voorstelling van de helden en heldinnen van het Nevelinge-lied. Geen toren is zoo hoog, geen graniet zoo hard, als de grimmige Hagen en de wraakgierige Ghrimhilde.quot;quot;
Dit is de geestige beoordeeling van Heine. Het is zulke ur poëzie, die Wagner verwerkt heeft in zijn dichterlijke
Souvenirs en Phantasieën. 3
SIEGFRIED EN GOTTEEDaMMERUNG.
scheppingen. De genoemde opera\'s „Siegfriedquot; en „Götter-dammerungquot; zijn de twee laatste van een quadrilogle, wier eerste zangen den naam dragen van „Rheingoldquot; en „Wal-kyre.quot; Het gaat niet aan hier de volle beteekenis van deze meesterlijke schepping te behandelen. Er zou een zelfstandige maanden-lange studie noodig zijn, om al de diepten van dit drama te peilen en aan te toonen, welke philoso-phische ideeën san de poëtische symbolen ten grondslag liggen. Het zij hier voldoende een overzicht te geven, in vogelvlucht van den majestueusen gang der machtige gedachten, die, in verschillende stemming van de wanhopigste droefheid tot de hoogst-jubelende blijdschap geen ander doel hebben, dan een materialistische wereldbeschouwing te veroordeelen, waarin het goud als een godheid wordt verheerlijkt en het idealisme der liefde te verdedigen, dat over een pad van zonde en boete, van misdaad en verzoening leidt tot heroïeke daden, en ondergaat in een apotheose van troostend licht en zalige voldoening.
In „Rheingoldquot; hooren wij reeds onmiddellijk van het goud, den grooten schat, den Nibelungen-hort, die bewaard wordt door de dochters van den Rijnstroom, door Woglinde, Wellgunde en Plosshilde. Aan dit goud is een vloek en een zegen verbonden, een zegen, die geboren wordt uit den vloek. Wie dit goud namelijk verovert en hiervan een ring weet te smeden, die zal heerschappij voeren op aarde. De Wurd, het noodlot, de wreede voorbeschikking der fataliteit heeft zulks gewild. Wellgunde roept het uit:
„Der Welt Erbe
gewanne zu eigen wer aus dem Eheingold
schüfe den Ring der masslose Macht ihm verlieh!quot;
34
SIEGFRIED EN GÖTTERDilMMEEUNG.
Het goud wordt gestolen. De ring wordt gesmeed en valt achtereenvolgens in handen van Alberich, quot;Wotan, Fasolt en Fafner, Brünnhilde, Siegfried en Hagen, tot eindelijk de vloek van het fatum is voldragen en de oorspronkelijke bezitsters haar schat terug ontvangen. De ring komt achtereenvolgens in verschillende handen, in de macht van een dwerg en een paar monsters, in de macht van Goden en menschen, van den God des hemels en ziin uitverkoren dochter op aarde, van den gepersonifleerden haat en de gepersonifieerde liefde. Maar waar de ring komt, brengt hij smart en ellende. De macht brengt steeds ongeluk aan den bezitter. Telkens en telkens wordt deze gedachte uitgesproken, maar door niemand schooner dan door Waltraute, de lievelinge en bode van Wotan tot de Walkyre Brünnhilde, als zij deze de wanhoop van Walhalla\'s Gebieder beschrijft, waar de vloek van het goud de wereld verwoest en vernietigt. „O Wotanquot;, — zegt zij, — „Wotan dacht niet meer aan strijd en slagveld. De helden des hemels wilde hij niet meer ontmoeten. Als een pelgrim ging hij treurend in de gestalte eens menschen over de aarde. Als een wezenlooze kwam hij terug. Zwijgend zette hij zich neer in den raad der Goden. Zelfs Holda\'s appelen konden hem niet bekoren. De Walkyren wierpen zich troostend aan zijn borst en eindelijk, Brünnhilde,quot; zoo zegt Waltraute, — „eindelijk bleek het, dat hij aan u dacht. Hij gaf een zucht en als in den droom riep hij u toe:
„Des tiefen Eheines Töchtern
gabe den Eing sie wieder zurück,
von des Fluches Last erlös\'t war\' Gott und Welt.quot;
Intusschen, — de vloek duurt voort. De waternymphen
35
SIEGFRIED EN GOTTEEDilMMERDNG.
en nixen klagen. De nornen zuchten. De Walkyren waarschuwen. Wij zijn getuigen van moord en doodslag, van echtbreuk en bloedschande, van tweegevecht en verraad, van strijd onder Goden en menschen. Wij zien ontzettende tooneelen bij schrille maanlichten, bij donkere avonden, onder benauwende hemelen, en uit die hemelen regent het vuur en sulfer van smart en wanhoop, haat en strijd, hemelen gelijk aan Byron\'s „skies, which rain their plagues on men like dew, — disease, death, bondage, — all the woes, we see — and worse the woes, we see not, — which throb through the immedicable soul, with heart-aches ever new.quot; Deze stroom van bloed en tranen gaat ons voorbij, totdat wij aan een aangrijpend rustpunt komen. De schuldige Brünnhilde wordt op een rots, omringd van grijpende vlammen in slaap gekust door Wotan en terwijl Wotan haar kerkert in den vuurgloed van zijn toorn, roept hij zijn liefde uit voor de gevangene, die Insluimert en zegt:
„Leb\' wohl, du kühnes
herrliches Kind!
Du meines Herzens
heiliger Stolz,
Leb\' wohl! Leb\' wohl! Leb\' wohl!quot;
en op hetzelfde oogenblik, dat Brünnhilde, te midden der vlammen insluimert, ruischt er iets als een profetie van verlossing van Wotans lippen, wanneer hij verklaart:
„Wer meines Speeres
Spitze fürchtet durchschreite das Feuer nie!quot;
Ja, één zou die speer niet vreezen en zich den weg dooide vlammen banen, - die eene, die held, dat ideaal, die verlosser is.... Siegfried.
36
SIEGFRIED EN GÖTTERDaMMERÜKG. 37
Siegfried... Siegfried... uit een wereld van misdaad en zonde zien wij dit heldankarakter opbloeien. Siegmund en Sieglinde waren broeder en zuster en hun verbintenis was een ongeoorloofde, maar uit deze zondige verhouding wordt toch weer het ideale geboren. Siegfried is er de vrucht van. Wij zien Siegfried voor onze oogen opgroeien tot een verheven gestalte, tot den edelen kampioen, die als Hamlet worstelt met angstige voorgevoelens, maar die tusschen zijn angsten en zijn vreezen door de hoop niet verliest voor de toekomst. Het zwaard van zijn vader, dat den naam van „Nothungquot; draagt, eenmaal sterk als Roiands Durendal, maar, helaas, in tweeën gebroken, bij al te harden slag tegen den reuzeneik der realiteit, vindt Siegfried terug, en smeedt het weer tot een nieuw en krachtig zwaard. Wij zien Siegfried voor het aanbeeld. Wij zien de vonken vliegen van het staal. Wij hooren Siegfrieds zegekreet: „Nothung! Nothung!
Neu und verjüngt!
zutn Leben weckt\' ich dioli wieder.quot;
Wij hooren den jongen held vragen naar zijn moeder, met deze aandoenlijke woorden;
„Aber, wie sah
meine Mutter wohl aus?
Das — kann ich nun gar nicht mir denken! —quot;
Wij zien Siegfried in het woud met de vogels, en de vogels zingen hem profeteerend voor, wat zijn roeping zal zijn. O dat heerlijke koor der vogels en dat antwoord geven van Siegfried op zijn dwarsfluit, die hij snijdt uit het riet en die overgang van dit haperende deuntje tot den vollen toon van zijn zilveren jachthoorn! Wij zien Siegfried komen tot ontdekking van zijn plicht en zijn loeping.
Siegfried hoort van Brünnhilde. — Hij hoort van den
38 SIEGFRIED EN GOTTERDailMEHUNG.
schat en den ring. Hij hoort van de booze machten, die hem bewaken. Siegfried ziet thans helder en klaar, den weg, die door hem gevolgd moet worden. Wij zien den idealen strijder de worsteling beginnen. Wij aanschouwen het duel met Wotan, wiens speer in tweeën wordt geslagen. Wij bereiden ons voor op de ontmoeting met Fafner, die doodelijk wordt getroffen. De profetie der verlossing nadert haar vervulling. Wij zien Siegfried eindelijk breken door het cordon van vlammen en te midden van den op-flikkerenden vuurgloed.... stilstaan.... in spanning en in bewondering, bij de aanschouwing van Brünnhilde, die in boeiende schoonheid nog al döbr ligt te sluimeren, naar den vloek van den Al vader, over haar hoofd uitgesproken.
Wij zien Siegfried zwijgen----tot____tot hij losbreekt in
den juichkreet:
„Erwache! Erwache!
heiliges Weib!quot;
tot----tot hij Brünnhilde ziet ontwaken en zich jubelend
in haar armen werpt, met den uitroep;
„Durch das Feuer drang ich das den Fels nmbrann;
Ich erbrach dir den festen Helm:
Siegfried heiss\' ich,
der dich erweckt\'.quot;
Aangrijpend oogenblik om te aanschouwen! Wij zien in Siegfried de ideale liefde breken door tegenstand en gevaren om de hoogste schoonheid te bereiken. Het is een moment van spannenden hartstocht, van zegepralende blijdschap, van treffende emotie.
Doch, wij weten Let. Het is zoo duizendmaal reeds gezegd en ervaren. De liefde moet geheiligd en gelouterd worden. De liefde gaat door smart en tranen. Wij vinden dit thema terug in alle groote werken van kunst, in do
SIEGFRIED EN GÖTTERDaMMEBÜNG.
meesterstukken der Grieksche tragici, in Dante en Shakespeare, in den „Paustquot; van Goethe en ook in de „Götter-dammeruDgquot; van quot;Wagner.
„Götterdammerung.quot; — Wij zijn thans gekomen aan het laatste der drama\'s. Wij vinden in dit laatste treurspel van den „Ring der Nibelungenquot;, in ontroerende tafereelen geschilderd, den strijd, den val, de heiliging en de opstanding der liefde. Wij zien hier optreden de macht der verzoeking. Gutrune namelijk, de zuster van Gunther, den vorst van Gibichungen aan den Rijn, is jaloersch op Brünn-hilde en wil Siegfried in haar strikken vangen.
Hagen, — de menschelijke Loki, de Mefisto van het stuk, de booze geest, type van koppelaar en verleider, — beraamt met Gutrune een schandelijk plan. De list wordt beraamd Siegfried bij ontvangst een beker der bedwelming aan de lippen te zetten, om hem de liefde voor Brünnhilde te doen vergeten. Wij zien het M. E. kasteel. Wij aanschouwen de ridderzalen, waar Siegfried zal ontvangen worden. Wij zien den held binnenkomen en hooren de begroeting van Gu-trune, terwijl zij den beker overreikt:
„Willkommen Gast,
in Gibich\'s Haus!
Seine Tochter reicht dir den Trank.quot;
Wij zien Siegfried drinken. Wij zien hem zijn liefde vergeten. Wij zien hem als In bsdwelming zondigen tegenover Gutrune. Wij hooren de woede en de bedreiging van Brünnhilde. Wij aanschouwen haar wanhoop en haar teleurstelling. Maar ook in dezen strijd zal ten slotte het goede zegepralen. Het drama neemt een treffende wending. Siegfried heeft uit den beker der bedwelming gedronken, maar onverwacht zal hem de kelk der herinnering aan de lippen gezet worden. Siegfried drinkt. Wij zien Siegfried drinken.
39
40 SIEGFRIED EN GÖTTERDaMMEEUMG.
Wij zien hem door den nieuwen drank uit den droom opwaken. O, bange tweestrijd! O, pijnigend berouw! O, kwellende wroeging! Siegfried gedenkt zijn zonde. Maar over deze zonde zal verzoening gedaan worden. Het drama loopt uit in den dood. Gunther valt. Hagen stort zich in den vloed. Siegfried sterft, maar met Brünnhilde verzoend, en, — als Siegfried, naar Germaansche wijze uit het vuur van den brandstapel opklimt naar het Walhalla der Goden, dan werpt zich Brünnhilde met haar ros Grane in de vlammen en beider zielen, de ziel van Siegfried en Brünnhilde, zij stijgen op, gelouterd en geheiligd, naar het zalige rijk van eeuwige vergetelheid en onbewuste droomen,... terwijl, als een echo van het gansche gedicht naklinkt dit woord:
„Nicht Gut nicht Gold
noch göttliche Pracht;
nicht Haus, nicht Hof
noch herrischer Prunk:
nicht trüber Vertrage
trügender Bund,
noch heuchelnder Sitte
hartes Gesetz;
selig in Lust und Leid lasst — die Liehe nur sein! —quot;
Dit alles is betooverend schoon. Het is een wonderwereld van aangrijpende poëzie. De samenstelling der geheele quadrilogie is grootsch en geniaal en alle kleinere too-neeltjes zijn in het groot geheel als zoovele kostbare stukjes van een heerlijk mozaïek. En dan, — behalve de dichterlijk-wijsgeerige ideeënwereld en de daaraan verwante eeuwig-menschelijke gevoelens, die den geest boeien, heeft men de schoonste muzikale geluiden voor het oor en het prachtigste decoratief voor het oog. Nu is men in een volmaakte ridderzaal, dan in een onderaardsche grot, nü
SIEGFEIED EN GÖTTEBDaMMEEDNG.
in een woud op de jacht, dan aan een vroolijk drinkgelag, nü is het morgenrood van klimmenden dageraad, dan ondergang van zonnegloed in bloedroode wolken; het ééne oogeublik is men aan de oevers van den Rijn, dien men in lichtgroene golven ziet bewegen, het ander oogenblik op een naakte rots, die omspoeld wordt van hoogslaande en grijpende vlammen. Men ziet reuzen en dwergen, jonkvrouwen in staatsie-gewaad en ridders in blinkend harnas. Men ziet Goden in menschelijkc gestalte en hemelgeesten, die lucht en wolken, als op bovennatuurlijke wijze doorklieven. De hemel is helder en klaar öf het regent, het onweert, het bliksemt. Bij donkeren hemel ziet men nü eens een enkele in eenzamen tweestrijd, een zieleklacht uitstootend, en dan weer aanschouwt men bij lachende zonne een jachtpartij van ridders en schildknapen, enkel smaakvolle bewegelijkheid en gelukkigen jubel.
Men ziet de grootste afwisseling van houdingen, standen, groepen, kleuren, tinten. Het is een droom, een dichterlijke droom, een droom, waarin de meest boeiende tafereelen op elkander volgen, en waardoor henen ruischt een betoove-rend schoone muziek, die in de stille mijmering van een viool-passage of den zwellenden hartstocht van het gansche orkest, tooneelen begeleidt van rijzende sterren of opkomende stormen of hevige onweders.
Dit alles is de onvergelijkelijke poëzie van den „Ring der Nibelungenquot; en vooral van „Siegfriedquot; en „Götterdamme-rung.quot; Dit alles is de Gesammtkunst van Richard Wagner. Zulke kunst te hebben mogen bewonderen, in eea der eerste schouwburgen van Europa, waar de opvoering technisch de volmaaktheid schier bereikt, — was een zeldzaam aesthetisch genot, dat nog lang in het hart bleef natrillen met wonderlijke emotie.
41
V.
RICHARD WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE.
Aan de beschrijving van Wagner\'s drama\'s, die ik in Berlijn zag opvoeren, ging een beschouwing vooraf over het bezoeken van opera en theater, en thans dient nog een nabetrachting te volgen over de beteekenis van den grooten meester voor de nieuwe letterkunde en de zaak van het Christendom. Gelijk wij allen reeds hebben kunnen opmerken, verdedigt Wagner het Heidendom, maar het Heidendom in zijn edelste aspiratiën. Bij hem vinden wij niet een bepaald slechte wereld, de gemeene laagzinnelijke wereld, die haar triomphen viert in tingeltangels en café-chantants, in een Moulin-Rouge of Folies-Bergères, in een Empire of Aquarium, neen, bij Wagner vinden wij in plastische, half-historische, half mythologische gestalten belichaamd de heidensche wijsbegeerte in haar optimistische en pessimistische beschouwingen, hier en daar zwevend in rose nevelen van stralende mystiek. Wij vinden bij dezen dichter van Bay reu th de herleving van het antieke ideaal. Wij vinden bij hem slechts het groote mysterieuze heelal, en daarin den mysterieuzen mensch, die onbewust geboren, al zondigend, strijdend, worstelend, door haat en liefde heen, volgens het gesternte van het noodlot, tot bewustzijn komt, tot bewustzijn, ja, waarvan____ van zijne onwetendheid en zijn wanhoop om, niet wijzer dan toen hij kwam, door den dood heen te gaan naar het groote on-
46 EICHAED WAGNEH EN DE NIEUWE LETTERKUNDE.
bekende. De invloed van Wagner is ontzettend groot. Hij heeft het vaandel der mystiek en de banier van het idealisme geplant op den puinhoop van naturalisme en materialisme en is hierdoor geworden, gelijk Camille Mauclair nog onlangs zoo schoon heeft aangetoond, de vader van het symbolisme, dat moeilijk te omschrijven, algemeen-heerschende letterkundige verschijnsel, dat de quintessens van moderne Duitsche, Engelsche, Deensche, Russische en Amerikaansche wijsgeerige ethische en aest-hetische gedachten en gevoelens heeft trachten te belichamen in ideeön-incarneerende, representatieve figuren.
Camille Mauclair zegt in de „Nouvelle Revuequot; van 15 October 1897 in zijn studie „Le mouvement symboliste en Francequot;: „Lorsqu\'on commenga, grace aux concerts
Lamoureux et Colonne---- a connaïtre les fragments
symphoniques de Wagner, lorsqu\'il fut clairement prouvé que ses dons musicaux étaient ceux d\'un grand génie, la minorité voulut faire un pas de plus et expliquer que l\'idéologie des poèmes du maitre de Wahnfried était encore plus féconde en enseignement et plus prodigieuse que leur commentaire musical. Alors commencèrent les exodes a Bayreuth, d\'oü revinrent des convertis sans cesse accrus. On apercut derrière l\'orchestrateur incomparable un poète et un métaphysicien comme l\'AUe-magne n\'en avait plus vu depuis Goethe. „La question Wagnerquot; s\'élargit; elle ne mit plus aux prises seule-
ment les mélomanes, elle atteignit la littérature____quot; en
dan vervolgt hij: „Dés lors, cette intervention du wagné-risme dans les lettres allait directement a rencontre des théories naturalistes. Ces conceptions d\'un théatre héroïque, fictif, synthétique, légendaire, a personnages abstraits, démentaient toutes les tendances a Ja fameuse „vérité immédiate.quot; quot;
EICHARD WAGNER EN DE NIEÜWE LETTERKUNDE. 47
Zoo schrijft Camille Mauclair, de bekende Fransche litterator. En Inderdaad, Wagner\'s kunstopvattingen hebben de aesthetische theorieën beheerscht, die in letterkunde en schilderkunst in geheel Europa, den strijd begonnen tegen de machtspreuken van het oppervlakkige en eigenwijze naturalisme, dat meende den sleutel van alle levensraadselen gevonden te hebben. Wagner\'s poëzie heeft het gedachtenleven gedragen van mannen als Mal-larmé, Paul Verlaine. Villiers de l\'Isle-Adam, L\'ujardin, Barrès, Jules Laforgue, André Gride, enz. Ja, Wagner\'s idealistische geest schijnt vaardig geworden te zijn over de groote dichters en denkers van alle beschaafde landen. In Engeland strijden voor dezelfde ideeën de praerafaëlie-ten als Rossetti, Hunt, Burne Jones, Morris, Crane en anderen als Swinburne en Browning. Holland heeft zijn Helène Swarth en van Eeden, en van Deyssel, de oude naturalist wordt ook al gewonnen. België roemt op den held van het oogenblik, den symbolist bij uitnemendheid op Maurice Maeterlinck. Wij weten, dat velen dezer schrijvers zich zelfstandig ontwikkeld hebben en dat het zeer moeielijk zou zijn tusschen sommigen van hen een direct verband met Wagner aan te wijzen; maar dit is zeker, allen staan ouder den invloed van dat machtige geestelijke verschijnsel, dat men tegenwoordig symbolisme pleegt te noemen, en waarvan Wagner de eerste groote representant is geweest. Welke ondsrlinge verschillen deze mannen mogen verdeelen, zij allen komen hierin met elkander overeen, dat zij genoeg hebben van het grof-zinnelijke realisme en een bizonder oog hebben voor het raadselachtige, het geheimzinnige, het mystieke in den mensch zelf en de wereld rondom hem. In volslagen agnosticisme tegenover den oorsprong van en het doel voor het leven bepalen zij zich bij hun gevoel, en de smarten en vreugden der men-
48 KICHAED WAGNEE EN DE NIEUWE LETTEEKUNDE.
schelijke ziel klagen of jubelen zij uit in muziek van schoons taal en kleuren.
Wagner vertegenwoordigt in zijn persoon de gansche nieuwe letterkunde der beschaafde volken van Europa. Hij heeft met alle moderne artisten de lundamenteele beginselen gemeen. Hij wordt door velen als een profeet geëerd en op een lijn gesteld met Goethe, Shakespeare, Dante en Homerus, allen dichterlijke corypheeën van de beschaving hunner dagen. Hij wordt door sommigen zelfs de meester genoemd. Welnu, deze meester heeft den schouwburg tot zijn spreekplaats gekozen en van deze spreekplaats verkondigt hij de moraal van liefde en medelijden als hoogste efflorescentie van de weemoedige agnostische, fatalistische wijsbegeerte van Schopenhauer, zijn biechtvader, en staande in dit idealisme van een fijngevoelend hart, predikt hij niet onmiddellijk, maar stilzwijgend den ondergang van het positieve Christendom.
„Götterdammerung,quot; — terwijl dit laatste stuk werd opgevoerd zei een argeloos toeschouwer die mij vreemd was: „Gelukkig zijn het niet onze Goden, die ondergaan.quot; Het was de plaats niet, om een antwoord te geven, maar de gedachte ging mij door hef. hoofd: „Götterdammerung beteekent meer dan de ondergang der Germaansche Godenwereld.quot; Wagner, de mysticus, de idealist, de meester der humaniteit is de vijand van alle positief geloof. Voor de ramen der boekwinkels in Berlijn lag juist in de dagen, dat ik er vertoefde een pas uitgekomen brochure „Christenthum\'s Ende.quot; Ik heb het werkje niet gekocht, — men kan niet alles meênemen, wat men op reis tegenkomt, — ik ken den inhoud van dit boekje dus niet, maar, wonderlijk, nog lacg bleef de titel van deze verhandeling gecoördineerd in mijn geheugen liggen naast den naam van Wagner\'s drama. „Götterdammerungquot;, —
EICHAED WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE. 49
Christenthum\'s Ende... ik kon de twee denkbeelden niet van elkander scheiden. Voor Wagner zelf en duizenden \' zijner idealistische bewonderaars vloeien deze begrippen ineen. Wagner haat het stellige Christendom, en zijn haat ligt als een gevaarlijk fluïde verborgen in de gansche, symbolistische letterkunde van onzen tijd, ook in die, welke wij in onze eigen taal te lezen krijgen.
Wagner en met hem de gansche moderne litteratuur sinds \'80 haat het positieve Christendom. Het is zoo goed, dat wij in Christelijke kringen deze waarheid in het oog houden. Het is zeer verkeerd in kloosterachtige afzondering de wereld te verlaten en te mijden. Wij hoeren in de wereld en moeten tevens trachten te zijn niet van de wereld. Paulus, de groote Apostel, die zulk een gezonden blik had op het leven, zegt het zoo schoon 1 Cor. 5:9 ten opzichte van een bepaalde klasse van wereldlin-gen: „Gij moet u niet met hen vermengen, doch,quot; zegt de Apostel —, „versta dit goed, gij kunt ze niet overal vermijden, want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.quot; Dit is een bizonder schoon en behartigenswaardig woord. Wij moeten ons telkens met de wereld in contact blijven stellen, op gevaar af van tijd tot tijd tot haar gerekend te worden. Zoo past het ons ook van niet-Christelijke kunst en kennis ons op de hoogte te houden, willen wij niet spoedig de geestelijke versterving der monachale eigenliefde ondervinden. Van wat er schoon en liefelijk is, van den logos spermaticos der Gnostieken mogen wij genieten, als wij maar goed weten: dat de niet-Christelijke wereld niet-Christelijk is. „Geen verflauwing der grenzen,quot; zegt Dr. Kuyper, en hij heeft gelijk. De principieele lijnen moeten scherp getrokken worden, of het waarachtige Christendom wordt verwaterd en geseculariseerd. En wat is nu het juiste kenmerk om het echt Christelijke van
Souvenirs en Phantasieën. 4
50 RICHARD WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE.
het niet-Christelijke te onderscheiden, in wetenschap, kunst en poëzie? Busken Huet geeft op deze vraag een schoon antwoord in zijn artikel „De Toekomstquot; („Litt. Fant. en Krit.,quot; D. III, p. 191). Hij zegt daar: „Het juiste criterium is de erkenning van de Godheid van Caristus, waarmede,quot;— verklaart hij, — „al het eigenaardige van den Christelijken godsdienst staat en valt.quot;
Daar alleen valt als Christen, geheel vrijmoedig en onbekommerd, te juichen en dankbaar te zijn, waar Christus wordt erkend als eeuwige Zoon van God. Daar alleen, in dat boek, bij zulk een toespraak, in zulk een omgeving, bij zulke wijsbegeerte en letterkunde kan een Christen volkomen onbezorgd genieten, waar geloofd of ondersteld wordt, dat God in Jezus Christus tot ons gekomen is, dat het eeuwige Woord in Hem is vleesch geworden, dat de waarheid niet meer behoeft gezocht te worden, maar in Hem gegeven is, dat het koninkrijk Gods het rijk van gerechtigheid, waarheid en eeuwig leven in zijn lijden en sterven, in zijn opstanding en hemelvaart geopenbaard is, reëel, in volle werkelijkheid en dat de verzoeningsdood van den Zoon Gods de schuld der wereld heeft weggenomen. Daar alleen waar wordt gejubeld met Da Costa:
„De Christus... Zijn hand heeft mijn oogen bestreken, En \'t hartenbewindsel des ongeloofs viel.
Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken,
De hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!quot;
Er bestaat nu evenwel tegenwoordig bij verschillende voornamelijk jonge Christelijke schrijvers een neiging om het Christendom ethisch te verwateren en overal maar het Christendom te zien en het Koninkrijk Gods te vinden waar zij eenig teer gevoel, zonde-bewustzijn, behoefte aan verlossing, ziele leven en ziele-worsteling in profane
BICHARD WAGNER EN DE KIEUWE LETTERKUNDE. 51
litteratuur ontdekken. Prof. Is. van Dijk is met deze methode begonnen en idealiseert naar mijn inzicht de jongste letterkunde, die in binnen- en buitenland, eenzelfde algemeen karakter draagt. Ik zal niet zeggen, dat hij de grenslijn tusschen het positieve en relatieve geheel uit het oog verliest. Integendeel, — hij ziet in de nieuwe strooming des geestes het herlevend paganisme. Doch, hij vindt blijkbaar de nieuwe Heidenen zoo frisch in hun twijfel, zoo bekoorlijk in hun illusie, zoo wegslepend in taal en kracht van woorden, dat hij den schijn heeft voor één gevoeligen paganist honderd geloovige dominee\'s cadeau te willen geven. Zulk een inschikkelijkheid is te ver gedreven. De Utrechtsche school meent, onder invloed van de bijbelcritiek losgemaakt van de uitwendige autoriteit van de Schrift en derhalve op gevoelsmystiek aangewezen, kinderlijk optimistisch overal maar het Koninkrijk Gods te bespeuren, waar zij lezen van ziel en geest, en de mysteriën van het leven. Dr. Gerretsen zegt in de „Stemmenquot; van Maart 1897 aan het einde van zijn studie over de schilderkunst van symbolisten als Toorop, Boecklin, Carrière, enz.; „Er is een toenemend besef van de waarde van het spiritueele waar te nemen. Het ziele-leven des menschen en de geheimzinnige achtergrond van dat ziele-leven houden de besten (de besten N.B) van ons geslacht bezig, de artisten,quot; en dan volgt: „Mij dunkt, zulke tijden zijn goede tijden voor de gemeente van Jezus Christus.quot; „Laat naar je kijken, Dominee,quot; dit kwajongensgezegde is het eenige behoorlijke antwoord, op zulke naïeve zelfverblinding. En Ds. Haspels, de artistieke prozadichter, op wien wij anders zoo terecht trotsch mogen zijn, jubelt in „Onze Litteratuur en Onze Evan-gelie-predikingquot; p. 13: „O, gelukkig is teruggekomen de gedachte, die, nog wankel van veel vermoeienis klopt
52 EICHAED WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE.
aan der schoonheid deur. En al bezitten wij nog niet onze litteratuur, wier goedheid ons verteedert en wier schoonheid ons opricht en opsterkt. wij verwachten haar, ja wij verwachten haar. En wat is zaliger dan te wachten op de zeer geliefde? Trotsch, heerlijk en sterk zullen wij zijn, als wij haar bezitten, maar het zaligt met een volle zaligheid haar te verwachten, ja te verwachten!quot; „Zeg, Collega,quot; — zouden wij hierop willen uitroepen, „als ge Dr. Kuyper rhetoriek verwijt, hoe noemt ge dan deze ezcla-matie?quot; Och, wat een beminnelijke menschen zijn toch die Utrechtsche theo\'ogen! Omdat van Deyssel, die zich zelf N.B. jaren lang als het ideale God-Beest heeft geïntroduceerd, die de profanie van Zola heeft verheerlijkt, welke in „La Terrequot; een gerneenen wellusteling den naam van Jezus Christus heeft durven geven, die met zijn romans „Een liefdequot; en „Een kleine Republiekquot; in goddelooze taal mogelijk honderde harten heeft bezoedeld en bedorven, omdat deze onsympathieke bombastische taai-virtuoos, die toch ook niet achter kan blijven en voor het versleten naturalisme het meer moderne symbolisme gaat bewie-rooken, omdat deze vijand van het Christendom onder den invloed van Maeterlinck een enkele maal in beeldspraak durft te getuigen van de gedachte, als een vrome pelgrim kloppend aan de poort der schoonheid... zit onze Kra-lingsche studie-makker te jubelen, in afwachting van de teergeliefde letterkunde, die zal geboren worden uit de bekeering der moderne kunstenaars. Zulk een blijdschaps-betuiging is holle declamatie. Daar zal nog heel water door het Kralingsche veer moeten loopen vóór de H.H. Kloos, van Deyssel, Gorter, enz. tot de positieve Christenen kunnen gerekend worden. Het verst gaat in zijn idealisme Dr. J. D. Bierens de Haan, die in alle mystieken en metaphysici broeders ziet, en in pathetische lofverheffing van onbe-
EICHABD WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE. 53
grijpelijke bewoordingen, vol van droomende extase, hen tegentreedt met een welkomstgroet als deze: „Seid Um-schlungen, Millionen! Diesen Kusz der ganzen Welt!quot;
O, al deze jonge schrijvers zijn uitstekende menschen. Op hun gaven en karakter is niets af te dingen, maar... het eenige, wat ik onuitstaanbaar vind in dit begaafde driemanschap is het oppervlakkig en onmogelijk optimisme. Dit optimisme kan ik maar niet deelen. Het zien van Wagner\'s opera\'s heeft mij opnieuw onder den indruk gebracht, dat de tijdgeest tegen ons is. De wetenschappelijke en artistieke wereld heeft totaal met het positieve Christendom gebroken. — Hoe ze in Utrecht zoo beminnelijk worden begrijp ik niet, maar wij Amsterdammers zijn meer nuchter. — Ik ben het eens met Dr. Van Nes, als hij zegt in zijn lezing: „Naar het Heidendom terugquot; („Elthetoquot; 16 Juni 1898): „In werken als van Maeterlinck en van Eeden zie ik den weg naar Christus niet inslaan... niet de scherpe kantjes afslijpen maar ons Christendom toonen, met de scherpe kanten, die wel wonden, maar ten leven.quot; Ik ben het eens met Prof. Dr. Chantepie de la Saussaye, wanneer hij verklaart in de „Overdenkingenquot; („Tweede Jaargang, Tweede Bundel,quot; p. 78): „Terwijl het Christendom zoo groot een macht is gebleken in de wereld, terwijl de wereld waarin wij leven doortrokken is van ideeën van christelijken oorsprong, zijn er honderden, ja duizenden wien de christelijke prediking niets meer schijnt te zeggen. Goethe heeft den diepen indruk doen gevoelen, dien het Paaschlied der geloovigen op den zoekenden Faust maakte: het bracht herinneringen uit zijn jeugd terug, het riep een gevoel van leven in hem wakker. In onzen tijd echter vragen wij vaak met huivering en verbazing of dan het woord van opstanding en eeuwig leven geen enkele snaar meer doet trillen in het hart van
54 RICHAED WAGNER EN DE NIECWE LETTERKUNDE.
de kinderen dezer eeuw. Het schijnt wel zoo te wezen. „God is doodquot;: zoo klinkt veler leus.quot;
Deze woorden zijn uit mijn hart genomen. Ik heb gezien dezen geest van het scepticisme in mijn werkkring op een badplaats, aan de universiteit, in de studentenwereld, by de professoren, in de eerste kringen der aristocratie, in de letterkunde, op mijn reizen in het buitenland, — ik heb den geest van het ongeloof gevoeld onder de opvoering van de „Götterdammerungquot; van Wagner, den profeet dei-tegenwoordige beschaving, den representant der heden-daagsche litteratuur, den phiiosoof van het huidige symbolistische idealisme. Welk een aesthetisch genot het was, te mogen genieten van de machtige poëzie, van den klank en de taal en de kleur der boeiende tafereelon, die ons voorbijgingen, — het diepste werd gekrenkt, het hoogste werd beleedigd, het heiligste werd gemarteld en geplaagd. — Uit de heerlijkste koren, die des menschen liefde en medelijden verheffen, klinkt nog de vloekzang over iedere positieve overtuiging. In die toover-wereld van muziek en taal en licht schijnen daemonen te leven van twijfel en van ongeloof. Terwijl wij staren op die tooneelen van haat en liefde, van zonds en vei lossing, die luchthartig en ernstig voor onze oogen afgespeeld worden, voelen wij zoo diep, dat het alles spel is, spel van verbeelding en wij beseffen, dat de geheele wereld, het geheele leven als spel bedoeld wordt en opgevat. Het schemert ons. Het maakt verward. Het laat duizelen. Wij voelen ons verplaatst een cogenbük midden in de wereld van het ongeloof, die geen andere passie kont, dan die van de dingen schoon te zien. En terwijl wij Brünnhiide aanschouwen in haar opstand tegen den hemel, en Siegfried in zijn worsteling met de Godheid zelve, herkennen wij des dichters Prometheus-gestalte op den achtergrond van het tooneel en rondom
RICHARD WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE. 55
zijn heldenfiguur rijen zich de groote twijfelaars der eeuwen. Wij herkennen in een verbijsterend perspectief van licht en glans en gloed de donkere schimmen van Voltaire, Laplace, Hobbes en Locke, Feuerbach en Büchner, Spencer en Huxley, Taine en Renan, Vogt en Moleschott. Wij zien Goethe en denken aan zijn klacht: „Die Botschaft hör\' ich wohl; allein mir fehlt der Glaube.quot; Wij zien Bayle en denken aan zijn laster: „Ce qui excuse Dieu, c\'est qu\'il n\'existe pas.quot; Wij zien Heine, die vragend opziet naar boven en die beweert, dat hij geen doel voor de wereld kan vinden. Wij zien Berthelot, die verklaart dat alle mysteriën eenmaal zullen opgeheven worden en dat er feitelijk geen mysteriën meer zijn. Wij zien Louise Ackerman die den hemel tart en zegt: „Je hais Dieu et je le nie.quot; Wij zien Allard Pierson, maar hem in tranen en hij klaagt: „Door het Christendom is een altijd bloedende wonde in het menschelijk hart gekomen.quot; Wij zien Huet en hij voorspelt: „Komende geslachten zullen eenmaal schrijven in de rol der historie: „En het was in de dagen der 19de eeuw, dat de menschen ophielden aan de Voorzienigheid te gelooven.quot;quot; Wij zien... maar genoeg... zij allen en nog velen met hen hieven een lofzang aan op den mensch, zijn krachten en zijn gaven. O, terwijl daar feitelijk geheel andere gestalten op het toon eel voor het voetlicht zich vertoonden en de muziek zich voortbewoog in afwisselende tempo\'s en telkens klom en daalde van piano en adagio tot een maestoso, een fortissimo of een tempestuoso... werd ons als \'t ware een tweede gezicht gegeven op de denkwereld achter de stralende symbolen verborgen, die ons voor oogen getooverd werden. Wij zagen de denkwereld van den twijfel en in deze denkwereld hoorden wij een uitdaging als deze: „Hier is het humanisme: het rijk van den mensch. Het wil niets,
56 BICHAED WAGNER EN DE NIEUWE LETTERKUNDE.
dat niet voor en door den mensch zij. Het weet, dat de mensch zich zeiven helpen moet en niemand noch in,, noch boven de wereld hem helpt, zoo hij het verzuimt,quot; en terwijl wij door dit tweede gezicht staarden in die denkwereld van het humanisme, die geboren scheen te worden uit die muziek en taal, uit dat spel en dat licht, zagen wij plotseling te midden van die sceptischlachende en idealistisch-hoopvolie gestalten een donkere gedaante verschijnen, de gestalte van Nietzsche, den vriend van Wagner. Hij lacht over al die schoone idealen en mompelt iets als Dammes Zeug en spottend met de illusie\'s van liefde en medelijden, verkondigt hij den üebermensch en zegt: „De Christus is gestorven. Ihr höhere Menschen, dieser Gott war ihr gröszte Gefahr. Seit er aber im Grabe liegt, nun erst kommt der grosze Mittag, nun erst wird der höhere Mensch... Herrüquot;
VI.
FRITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUSCONCEPTIE.
■■ •
Berlijn heefc natuurlijk zijn musea. „Das neue Museumquot; is in het bijzonder beroemd door de Wandgemalde van Kaulbach, -waarop de wereldgeschiedenis is voorgesteld in zes tafereelen: De Torenbouw van Babel, de Verwoesting van Jeruzalem onder Titus, de Inneming van Jeruzalem door de kruisridders, de Bloei van Giiekenland, de Hun-nenschlacht onder Attila en ten slotte het Tijdperk der Hervorming, — reuzenschilderijen, waarmede men de wanden van den hemel versierd zou kunnen denken. „Das alte Museumquot; heeft vele preciosa van Dürer, Holbein, Cranach. De Spaansche, Italiaansche, Hollandsche en Vlaam-sche schilderscholen zijn er ruim vertegenwoordigd. Die Gemalde-Galerie bevat meer kunstwerken van moderne artisten, van Boecklin, Spangenberg, Menzel en Defregger. Het is een onbegonnen werk om musea te beschrijven. Busken Huet zegt ergens: „Daar zijn diagen, die eenvoudig niet beschreven kunnen worden,quot; en hij noemt dan als voorbeelden een sneeuwstorm in de Alpen en een orkaan aan de Kaap. Tot de gevallen, waarbij de kunst baar diensten weigert en de evenredigheden der werkelijkheid zekere grenzen overschrijden, hoort ook de beschrijving van een museum. Musea moet men zien, maar men kan ze eenvoudig niet weergeven. Wil men eenig vruchtbaar werk verrichten, dan neme men uit de massa één schilderij en bepale daarbij al zijn aandacht. Om der-
60 TEITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE.
halve de gansche schilderijen-menigte van Berlijn maar stilzwijgend voorbij te gaan, wensch ik slechts een oogen-blik opmerkzaam stil te staan voor één beroemd doek van een modernen artist en eenige opmerkingen te maken naar aanleiding van de schilderij: „Herr Jesu, sei unser Gast,quot; een meesterwerk van Fritz von TJhde.
Fritz von Uhde. — Daar is toch altijd een baas boven baas, een facile princips, een primus inter pares. Fritz von Uhde is dit op het gebied der nieuwe Duitsche schilderkunst. Hij is de meester der moderne godsdienstige schilderschool. — Vertaald uit het Duitsch lezen wij omtrent hem in de „Stemmenquot; van April 1898, p. 314: „Naar zijn beroemden naam heet de richting, welke de Bijbelsche tafereelen verplaatst in het heden en ze geheel en al hult in het gewaad van onzen tijd. Buitensporige lof en heftige tegenspraak werden door zijn schilderijen uitgelokt. Tegen het streven op zich zelf, om de Bijbelsche tafereelen als in onzen tijd te verplaatsen, kunnen wij geen principieel bezwaar hebben. Dat hebben voorheen de groote meesters ook gedaan... en wat hun vrijstond, mag een talentvol schilder uit onzen tijd niet verboden worden... Jezus en de apostelen behoeven geen Semieten, Maria en Martha van Bethanië behoeven geen joodsche jonge dochters te zijn... Von TJhde logenstraft den spot der naturalisten met het „gedachten-schilderen,quot; want hij maakt gedachten en ideeën, als nauwlijks iemand anders...quot; en ten slotte wordt de vraag gesteld: „Zou misschien aan het in zoo menig opzicht van Christus vervreemde geslacht onzer dagen niet de beteekenis der Evangelische heilsgeschiedenis duidelijker worden, en meer eigen, indien zij op schilderijen in \'t gewaad van het volk hun werd aangeboden; zou misschien de overtuiging dan ook voor onzen tyd en voor de menschen van dit ons heden, dat Jezus de Heiland
FRITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE. 61
en Verlosser is, niet beter en kiachtiger gevestigd worden?quot; —
Merkwaardige woorden. — Fritz von Uhde stelt Christus voor in het gewaad van onze dagen. Hij is een moralist met het penseel. Hij is het met Ruskin, den grooten aestheticus, eens, dat de schoonste kleuren-compositie in een schilderij het gemis aan gedachten niet kan vergoeden. Fritz von Uhde schildert Christelijke ideeën van barmhartigheid en medelijden, maar in de kleedij onzer dagen. Vóór wij overgaan tot de beantwoording van de vraag of deze manier van doen geoorloofd is, moeten wij eerst eens afrekenen met het bezwaar of de Heiland in het algemeen wel voorgesteld kan worden. De oplossing van dit probleem heb ik eens schoon weergegeven gezien in het doek van een anderen schilder, wiens naam mij ontgaan is. Op dit doek was voorgesteld een jonge artist zittende voor zijn ezel, en op den ezel in teekening een houtskool-brouillon van een Christus-gelaat, half uitgevlakt en weggedoezeld. En, terwijl de gezichts-expressie van den schilder de wanhoop teekent van zijn machteloosheid om het goddelijke in den Heiland ook maar eenigszins weer te kunnen geven, verschijnt op den achtergrond een Engel, die hem wijst op de bladzijde van den Bijbel, waar geschreven staat: „Gij zult u geen beeld noch eenige gelijkenis maken!quot;
De gedachte van deze schilderij is schoon. Evenmin als het goddelijke in den Vader is uit te drukken, is het goddelijke in den Zoon weer te geven. Gelijk men echter duizende malen het eeuwige mysterie van den Almachtige heeft trachten te symboliseeren in heerlijke beeldhouwwerken, in wondervolle kleuren-combinaties en wegslepende klanken-harmonieën, zoo heeft men ook in marmer, kleur en toon het goddelijk-geheimzinnige van
62 FBITZ YON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE.
den Heiland -willen uitdrukken. Hoevele honderde, ja duizende schilderijen worden er niet gevonden met voor-stellingen en afbeeldingen van den Christus! Al de kunstwerken der oudheid hebben hun edele lijnen en nobele trekken moeten leenen aan de Christus-conceptie der nieuwere tijdrekening. De schoonheid der schooaheid, de liefde der liefde, de smart der smart heeft het innigste wezen van haar stralende blijdschap en vlijmende droefheid moeten afstaan, om hiermede de voorstelling van den Heiland te heiligen en te vergoddelijken.
Hoe de Christus er eigenlijk uitgezien heeft, weet niemand. Geen nauwkeurige beschrijving, geen standbeeld, geen doek is van hem gemaakt of bewaard gebleven. Maar langzamerhand heeft zich een voorstelling van den Heiland als spontaan, van zelf gevormd. De Christusgestalte schijnt haar edele figuur het eerst ontleend te hebben aan beroemde goden-beelden der oudheid. Busken Huet zegt in zijn reisbeschrijving „Van Napels naar Amsterdam,quot; p. 94: „Heeft Aesculapius de trekken geleverd voor den Christus der Bergrede, genezing belovend aan de gekneusde ziel en alle vermoeiden tot zich noodi-gend, is de Indische Bacchus het voorbeeld geweest voor den Christus, die aan den ingang staat van den lijdensweg en den stroom der bitterste teleurstellingen zich over het hoofd voelt golven, Laöcoön is de prototype van den Ecce Homo.quot; De schoone beelden van den God der genezing, den God der verzoening, den God van het lijden schijnen hun aandeel te hebben gehad aan de voorstelling, die men zich in later dagen van den Heiland vormde. Legendarisch is het bericht der Grieksche kerk, dat Jezus Christus zelf zijn beeltenis zou gezonden hebben aan Ab-garus, den koning van Edessa, en even legendarisch is de weemoedige bizonderheid, dat de Heilige Veronica Christus
FRITZ VON ÜHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE. 63
op de via dolorosa een doek zou gereikt hebben, om zich hiermede de tranen van het gelaar te wisschen en daarin, tot haar belooning, bij terug-ontvangst een conter-feitsel, een afdruksel, een beeld van des Meesters gezicht zou bespeurd hebben. De Oostersche kerk heeft de voorstelling geleverd van dat vrouwelijke Christus-gelaat, dat zoo lijdend de menschheid aanziet uit de omlijsting van donkere lokken, die, op de kruin gescheiden, in bevallige lijning het edel gezicht omsluiten en langs de schouders afhangen. De Westersche kerk heeft tallooze voorstellingen van den Heiland geschapen. De schilders der Italiaansche Renaissance, de meesters der Spaansche, Vlaamsche, Hol-landsche en Duitsche scholen hebben, van alle conventie zich emancipeerend, met geniale verven een elk op zijn eigen wijze een Christus-conceptie gevormd en de schat van Christus-beelden en Christus-typen vermeerderd.
Het gaat niet aan om in een algemeen overzicht hier een volledige opgave te doen van de meest beroemde Christus-doeken. Vele meesterstukken moeten wij overslaan. Wij beperken ons tot de vermelding van de allervoornaamste schilderijen, die van een beroemde Christus-conceptie dragers zijn geworden. Wij hebben den „Heiligen Nachtquot; van Correggio en zien het Christus kind badend in het eeuwige licht, dat, van hem uitstralend, do gelukkige moeder. Jozef en de Herders in de oogen schittert. Wij hebben die heerlijke, verrukkelijke, aangrijpende schilderij van Murillo, waar Christus wordt voorgesteld als een Lam, dat door Johannes den Dooper, een knaap nog, in Amor-gestalto, omhelsd wordt. Wij hebben den verheerlijkten Christus van velen, maar ook van Titiaan en Ludovico Carracci, den Christus van den eerste, van goddelijken glans overgoten en den Christus van den tweede, van den Thabor tot Mozes en Elia naar den Hemel een oogenblik
64 FEITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE.
opvarend. Wij hebben den Christus aan het Avondmaal van Leonardo da Vinei, die schoone compositie van kleuren en figuren, die verduizendvoudigd In tallooze reproducties. prenten, platen en olieographieën de woningen siert ook van de armen en eenvoudigen. Wij hebben den Christus van Guido Reni, die alle aandacht alleen heeft gewijd aan het hoofd en ons niets, niets laat zien dan dat smart-gelaat, gedrukt door een kroon van doornen en overspat met bloed, den bekenden Ecce Homo, die reeds vele harten met weemoed heeft vervuld. Wij hebben den Christus uit de pinacotheek van München, evenals de Ecce Homo van Guido Reni alleen voorgesteld als hoofd, maar met deze bizonderheid, dat de toeschouwer nabij meent te zien het gelaat van een stervende, en van verre het gelaat van een, die gestorven is. Wij hebben den Christus voor Pilatus van Munkacsy, dat wonderschoone doek, dat eenige jaren geleden, in een met rouwfloers behangen zaal in Amsterdam is tentoongesteld en vele bezoekers tot tranen toe heeft bewogen. Wij hebben Christus in Gethsemané van Carlo Dolci, Christus onder het kruis van Raphael, Christus aan het kruis van Albrecht Dürer, Christus in het graf van Van Dyck, — letterlijk de kleur geworden smart van Maria, — Christus afgenomen van het kruis van Rubens, — de eeuwig-stille predikatie in de cathedraal van Antwerpen, — wij hebben Christus, opgestaan van de dooden van Crispi, en ten slotte Christus als wereldrechter in de Sixtijnsche kapel te Rome, van Michel Angelo Buonarotti, den meester aller meesters in het rijk der kleuren.
Wij hebben den Christus van Garofalo, Sassoferrato, Palma, Tintoretto en Veronese, maar genoeg, of neen, nbg niet genoeg. De Christusgestalte blijft de wereld boeien en bezighouden. Men spot, men lacht, men zondigt, men
FHITZ VON UHDE EN ZIJN CHEISTUS-CONCEPTIE. 65
5
twijfelt, men lastert, maar de Christus blijft der menschen-zielen verteederen. En de stroom houdt niet op van Chris-tus-lypen en Christus-beelden. Negen Duitsche schilders hebben een paar jaar geleden als bij wedstrijd hun voorstelling van den Christus op doek gebracht. De professoren Ferd. Brütt, Arthur Kampf, Carl Marr, Gabriel Max, Skar-bina, Frans Stuck, Hans Thoma, Ernst Zimmerman en Fritz von Uhde hebben allen Christus-schilderijen gemaakt, die op vele plaatsen, ook in Amsterdam in de zaal van Arti, tentoongesteld zijn geworden. De beroemdste van allen is Fritz von Uhde. Wij vinden bij hem en zijn geestverwanten een geheel nieuwe en oorspronkelijke voorstelling van den Christus, een voorstelling, bewust of onbewust samenhangend met den grooten omkeer, die heeft plaats gegrepen in de geloofsovertuiging van Europa, dat door zijn wetenschappeUjke critiek Christus het goddelijke aureool van de slapen heeft genomen en het menschelijke in de Christus-figuur op den voorgrond heeft gesteld. Deze verandering van geloofsovertuiging heeft sommigen gemaakt niet tot ernstige twijfelaars, maar tot lasterende spotters. Akelig realistisch bijvoorbeeld zijn de schilderijen van Bé-raud. Hij en velen met hem, vooral in Frankrijk, hebben Christus een kleedij gegeven, die profaneert. Men heeft den zondigen moed gehad, den Heiland voor te stellen in een rok, een uniform of Hem uit te dossen met een monnikspij. Van die zondige tendenz is niet het realisme van Fritz von Uhde. Deze schilder is een hoog-ernstig man. Hij tracht bepaald den Christus zijn volk nader te brengen. Wij laten het in Amsterdam geëxposeerde Christusbeeld onbesproken, maar vestigen de aandacht op de schilderij, die we in Berlijn mochten bewonderen en reeds door ons genoemd werd, het doek, dat den naam draagt: „Herr Jesu, sei unser Gast!quot;
SOUVENIKS EN PHANTASIEEN.
66 FEITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE.
Het tooneel, hier geteekend, is aandoenlijk van teeder-heid. Wij zien het open vertrek van een armoedige hut. Een vader, een moeder, een grootmoeder en eenige kinderen hebben zich juist aan tafel gezet om het eenvoudige maal te gebruiken, als de Heiland binnenkomt, een eenvoudig man, een profeet als Tolstoï, een pelgrim in blauwen mantel! Men kan het gelaat van den Christus niet zien. Men ziet den Heiland nog meer van achteren dan van ter zijde, doch welk een betooverende goedheid en liefde van des Meesters heilig aangezicht moet stralen, laat zich vermoeden uit de uitwerking, die Zijn verschijning heeft op den gemoedstoestand der misdeelden. De oude vrouw is enkel devotie en aanbidding; haar lippen schijnen te trillen-, haar magere handen worden reikend gestrekt; de ouders zijn stille aandacht en ontzetting; de kleine kinderen zijn blijmoedig verwonderd en zien toe, zonder vrees. Al die blikken, die oogen, die handen, die houdingen van die ouden en jongen, zij schijnen één richting uit te gaan, één emotie te gevoelen, één bede te stamelen, of de Heiland wil blijven en met hen wil deelen het brood der armoede. Deze schilderij is buitengewoon van samenstelling en expressie. Wat de Heiland is kan men niet aan Hem zelf gewaar worden, want men kan Hem niet eens in het aangezicht staren, maar wat de Heiland is, wordt wonderlijk schoon gevoeld, beseft, vermoed, mysterieus ervaren uit een blik op de blijdschap en verwondering van die arme menschen, die door des pelgrims verschijning letterlijk betooverd zijn. Hoe schoon en boeiend de schilderij echter is, de voorstelling kan den geloovige niet voldoen. Het geheele tooneel riekt te veel naar de critiek van Strausz en Eenan. De hoofdpersoon van hst doek doet te veel denken aan le doux Galiléen, le charmant docteur, le délicieux moraliste van den Fianschen geleerde, om onz®
FRITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE. 67
godsdienstige behoefte te kunnen bevredigen en het schoonheidsgevoel te treffen, dat onder den invloed der geloofsovertuiging bepaalde eischen stelt. Plaatst men zich eenmaal op het standpunt van het nuchtere ontledende verstand, dan vindt men de schilderij een versleten anachronisme. Dan veracht men de laffe poëzie, die de magen van hongerige menschen en kinderen met een fictie wil vullen. De geloovige daarentegen heeft een ander aesthetisch ideaal. Hij mist hier het mysterie, en het goddelijk-geheim-zinnige mag in de Christus-conceptie niet gemist worden.
Het goddelijk-geheimzinnige, — gelukkig zijn er ook nog in onzen tijd schilders, die het idealisme des geloofs weten te handhaven in de kunst. Tegenover Fritz von Uhde, met zijn poging Christus menschelijker te maken, om Hem daardoor den volke nader te brengen, stellen wij Joh. Mich. Heinrich Hofmann met zijn streven den Christus goddelijk-mysterieus te laten en het volk tot Hem op te heffen. Tegenover de schilderij: „Herr Jesu, sei unser Gast!quot; van Fritz von Uhde, stellen wij den „Twaalfjarigen Jezus in den Tempelquot; van Hofmann, de beroemde schilderij uit de Galerie van Dresden. O, Fritz von Uhde slaat de plank geheel mis. Christus is als mensch niet denkbaar in den tegenwoordigen tijd. Christus, de eenige Zoon Gods, die één is met den Vader, de Koning van het rijk van gerechtigheid, liefde en eeuwig leven, moge zijn van alle eeuwen en van alle tijden, maar Christus, als mensch, als tijdelijke belichaming van het goddelijke in een menschelijke gestalte, de zichtbaar geworden nunc stans der scholastieke wijsbegeerte, is alleen denkbaar dèar, waar de Vader Hem in de volheid des tijds heeft doen geboren worden, heeft doen lijden en sterven. — Heinrich Hofmann heeft de eeuwige gedachte begrepen. Hij heeft het mysterie, het goddelijk geheimzinnige wonderschoon weergegeven, voor
68 FEITZ VON UHDE EN ZIJN CHBISTUS-CONCEPTIE.
zoover dit met het penseel te bereiken is. Hofmann geeft Christus dan ook het gewaad Zijner dagen en plaatst Hem in zulk een kader, als waarin wij Hem alleen denken kunnen.
O, die schilderij van Hofmann, — welk een meesterstuk! Het goddelijk idenal belichaamd in inenschelijke gestalte en zoo werkelijk, zoo begrijpelijk, zoo eenvoudig, dat de twijfel zelfs niet opkomt. Christus, Week, met ovaal gelaat, met heerlijke, sprekende, groote, open Engelen-oogen en hoog, denkend voorhoofd, en dit voorhoofd omlijst van ravenzwarte lokken, door geen aureool, maar door iets als een aureool, een licht-fluïde omgeven, het voor een knaap van twaalf jaren vrij rijzige lichaam in een wit kleed met groenen gordel en geelgouden zoom, — Christus staat in het midden, en wijst, de majestueuze houding aannemend van een, die zich bewust is reeds als kind te moeten zijn in de dingen des Vaders, met den vinger van de linkerhand omlaag, naar de Schriften, terwijl de rechterarm kalm leunt op een lessenaar. Christus staat in het midden, het open gezicht schuinrecht naar voren, schijnbaar in ernstig betoog. Het volle licht valt op Zijn God-menschelijke verschijning. Vijf Rabbijnen staan rondom en luisteren aandachtig of spottend toe. Eén Rabbijn staat bovenaan rechts; zijn baard is wit, de oogen worden fanatiek toegeknepen, de gestalte is zwaar gebogen, en duikt weg in rooden mantel, de schouders zijn omplooid van hoog-gelen omslagdoek, de handen leunen op een stok, een sceptische sneer ligt op het aangezicht. Een tweede Rabbijn staat aan dezelfde zijde. Hij is gekleed in zachtgroen gewaad, dat schoon afsteekt tegen den mantel des eersten. Gelaatsuitdrukking en handgebaar schijnen te spreken van een vraag, die hij gedaan heeft en waarop Christus een antwoord geeft. Zijn wijsvinger doelt op de Schrift, evenals die van den knaap in het midden. — Een derde Rabbijn, aan dezelfde zijde, zit
FKITZ VON TJHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE. 69
op een rijk gebeeldhouwden zetel. De Schrift, waarop Christus en de tweede Rabbijn wijzen, ligt open op zijn knieën. Zijn houding is fier, zijn gelaat, waarvan een lange grisonneerende keizerbaard neerhangt over een purperen mantel, is edel en de uitdrukking spreekt van luisterenden ernst en eerbiedige bewondering. Links staan nog twee andere Rabbijnen, in verschillende rijke kleedij, de een onverschillig, de ander in diep gepeins verzonken, de eerste op den achtergrond, bedekt, — de tweede op den voorgrond in het licht, het hoofd gesteund op de linkerhand en de linkerarm leunende op denzelfden lessenaar, waarop ook de hand van den Heiland rust, terwijl de rechterarm zich kalm naar achter buigt en de hand, die rust op de heup, de boekrol houdt van één van Israels profeten.
Dit is het tafereel. De ordonnantie der figuren is meesterlijk. De geheele groep is geest en leven. Het coloriet, de kleur-nuanceering is betooverend. Harmonieus zijn de overgangen van donkerrood en zachtgroen, van sneeuwwit en goudgeel en lichtblauw. Het Joodsche type der figuren stemt volkomen met den achtergrond der tempelzuilen. Het geheele tooneel is zuiver historisch-realistisch. De Rabbijnen zijn echt, uit het leven genomen. Cynisme en bewondering trekken hun divergeerende lijnen en groeven in de verschillende aangezichten. De conceptie van het geheel is vrucht vau zuiver geschiedkundig realisme, en in deze historische werkelijkheid, straalt in den twaalfjarigen Jezus het mysterie, het goddelijk-geheimzinnige. het weergaloos ideale. Deze schilderij is iets geheel anders dan de geïdealiseerde werkelijkheid van het doek van Fritz von Uhde. Hofmann heeft rekening gehouden met het mysterie. Daar bestaat een schoon verhaal van Socrates. Socrates vroeg aan een zijner leerlingen eens een definitie van het hoogste schoon. Toen de junge man al te spoedig gereed
70 FRITZ VON TJHDE EN ZIJN CHKISTUS-CONCEPTIE.
dacht te zijn met zijn antwoord, viel hem de meester in de rede en zeide: „Wees voorzichtig, denk even na, het hoogste schoon mocht anders eens boos worden,quot; Aan dit verhaal denkt men onwillekeurig by vergelijking van beide schilderijen die wij bespraken. Fritz von Uhde is te spoedig gereed geweest met zijn antwoord. Hij maakt Christus tot een idealen pelgrim, een menschenvriend, een trooster voor de ongelukkigen, maar niet wetend hoe hij het hoogste schoon zou kunnen uitdrukken in het gelaat van Christus, verbergt hij het geheele aangezicht en laat alleen den weerglans er van afstralen op de omstanders. Hofmann is langzaam geweest in zijn antwoord. Hij heeft rekening gebonden met het mysterie en getracht dit eeuwige wonder in kleuren te vertolken. Zijn werk komt de volmaaktheid nabij. Hem komt de palm der eere toe. Het goddelijk-geheimzinnige boeit in zijn werk op onweerstaanbare wijze.
Ja, wie van Jezus Christus een voorstelling wil geven, moet hiermede rekening houden. Christus is het heerlijk mysterie van Gods genade, alleen denkbaar als middelpunt der Godsopenbaring ia de werkelijkheid van de volheid des tijda. Laat mij een beeld mogen gebruiken! Tot de vele goede proza-schrijvers, die wij de laatste twintig jaar in ons land gehad hebben, behoort ook Jac. van Looy. Zijn meesterstukje is zeker de „Nachtcactusquot;. De schrijver schildert daar, in geniale taal, de dierlijke volksvreugde, die bij een groot nationaal Oranjefeest in de hoofdstad de ontzinde, halfdronken menigte der achterbuurten vervult en haar, onder het uitbrullen van duizendmaal herhaalde feest-iefreinen, als een troep krankzinnige derwischen laat holien langs grachten en kanalen, ■door straten en stegen. Hij beschrijft met sprekende kleuren die walgelijke massa van vieze mannen en krijschende vrouwen, in opgedrilde omslagdoeken en burgerlijke man
FKITZ VON UHDE EN ZIJN CHRISTUS-CONCEPTIE. 71
tels, die arm aan arm door het duister van den nacht ronddwalen en zich in dierlijke opgewondenheid overgeven aan hun ongetemde hartstochten. Tegenover al dit vuil-dierlijke en laag-menschelijke, teekent hij het reine, mysterieuze opengaan en bloeien van een zeldzame bloem. De hortulanus had hem gewaarschuwd. Te middernacht was hij te bestemder plaatse. De kostbare bloem bloeide maar ééns in zooveel jaren. En ja, — op den verwachten tijd gingen de teere bladerzwachtels uiteen. De kelken ontplooiden zich in smettelooze reinheid. De zeldzame bloem bloeide, straalde, schitterde, bij het licht van des hoveniers lantaarn, in het donker van den nacht een oogenblik, om na enkele uren in wegsmeltende schoonheid te vergaan en den volgenden morgen verwelkt te zijn. Welk een treffende tegenstelling! Welk een schoone vinding! Die dierlijk joelende menschen-massa, in donkerheid van den nacht van ongerechtigheid en zonde, en te midden daarvan die wondervolle bloem, naar de woorden van den schrijver „zoo stil, zoo streng schoon in zijn zuivere eenvoudigheid als een opgelost probleem, in zijn klankrijke helderheid, al iets dat er volmaakt is, — zoo scheen de bloem in het volle licht.quot; Welk een meesterlijke antithese! Dit is voor ons een beeld van wat de Christus voor ons is. De gansche wereld is gelijk aan zulk een stad, die in den nacht der zonde zich overgaf aan haar begeerte, om te doen dingen, die niet betamen, en te midden van deze wereld is, in den donkeren nacht der zonde, in Jezus Christus ontbloeid de mysterieuze, eenzame bloem van Gods genade, en in de reine kelk van haar liefde straalt wondervol het goddelijk geheimzinnige, waarin wij menschen ons eeuwig zullen mogen verheugen. Hoog zal steed blijven staan een schilderkunst, die met dit mysterie rekening blijft houden!
VIL
LUTHER EN HET PROTESTANTISME.
Van Berlijn liep onze weg over Wittenberg naar Dresden en Eisenach met den Wartburg was het einde van onzen tocht. Ter wille van Wittenbergs beteekenis past het evenwel met de beschrijving van den Wartburg te beginnen, want Wittenberg en Wartburg hooien bij elkaar!
De Wartburg.... Het was in den donkeren avond van den 25sten Juni van het jaar 1898, dat wij met den trein van Liebenstein te Eisenach arriveerden. Toevallig was de Wartburg geheel en al verlicht, ter eere van des Groot-hertogs tachtigsten geboortedag. Reusachtige reflectors wierpen den glans van hun zoek licht door de duisternis. Het eene oogenblik was alles donkerheid en nacht. Het volgende oogenblik stond de Wartburg als een Thabor dei-verheerlijking in de lichtbaan der vreugde op de duistere vlakte van Thuringen, Het was een heerlijk schoon gezicht. Wij hadden deze gewijde plek onder geen gunstiger auspiciën kunnen naderen. De Wartburg als een berg des lichts in de duisternis, — schooner symbool van zijn glorie is niet denkbaar. Zóó ligt de Wartburg stralend en blinkend, van glms des geloofs overgoten, in den donkeren nacht van bijgeloof en geestelijke verdrukking op de groote vlakte der wereldhistorie, ten bewijze van de eeuwige actualiteit der woorden van Jezus Christus: „Een stad, boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Noch steekt men een kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen,
LUTHER EN HET PEOTESTANTISME.
die in het huis zijn!quot; De Wartburg is een stad op een berg. De Wartburg is een kandelaar. Op dien kandelaar is geplaatst het licht der vertroosting en dit licht heeft geschenen voor allen, die wonen in het groote huis der menschheid.
De Wartburg is een berg des lichts. De Wartburg is merkwaardiger dan de Albrechtsburg bij Meissen, dan de lustsloten van Wettin en Torgau, dan die van Coburg en Petersburg, dan alle andere kasteelen van Saksen en Thu-ringen. Eerbiedwaardig is de trotsche Romaansche bouw. Ruw, massief, schilderachtig is de steenmassa. Maar door die robuste schoonheid worstelen in hoogstrevende diversiteit reeds al de geestelijke lijnen, die in de Gothiek der 14de en 15de eeuw heur volmaaktheid zouden bereiken. Wij missen nog de spiritueele kalmte van deze rustige, statige, biddende architectuur, maar wij bewonderen toch reeds een bouworde, die zich ontworstelt aan de Latijnsche en Bysanthijnsche koepelvormen en zich zelfstandige motieven stelt door een eerste navolging der natuur. Kolossaal, een stuk wilde natuur, echt middeleeuwsch lijkt het geheel. Grillig, veranderlijk, onregelmatig is het decoratief. Maar in dit natuurlijk grootsche en grillig-verscheidene kan men toch reeds opmerken, den serenen ernst van het geloof, dat na het jaar 1000 zich opnieuw krachtig ontwikkelde en vooral in de Romaansche kunstwerken haar eerste geestelijke enthousiasme belichaamde door exuberantie van overtollige en nog ingebreidelde levenskracht. Maar hoe interessant de bouwkundige structuur van deze vestingwoning mag zijn, haar ligging isnietminder te prijzen. Hoog verheft zich de burcht op zijn berg boven de vlakte der Weser en door de ramen der geschilderde boogvensters heeft men een verrukkelijk vergezicht over een dal als het dal van Maria en een berg als de berg der „ Hohe Sonnequot; en over de heuvelen van Ruhla en Friedrichroda.
76
LUTHEB EN HET PROTESTANTISME.
De Wartburg is een berg des lichts. Dichterlijke sagen en legenden zijn met zijn geschiedenis vervlochten. De zalen van den landgraaf, van de middel-eeuwsche Meister sang er, van de heilige Elisabeth bewaren in kleurrijke muurschilderingen do poëtische herinneringen uit het verre verleden. Hier woonde Lodewijk de Springer, die den berg ziende op den jacht, het eerst uitriep: „Wart\' Berg, die solist mir ein Burg werden!quot; die in de jaren 1067 of 1069 zijn plan volvoerde en de stichter van het gebouw geworden is. Hier woonde zijn kleinzoon Lodewijk, de tweede Landgraaf van Thuringen, die het verdrukte volk te hulp kwam tegen den overmoedigen adel, op aandringen van een smid, die hem in zijn hut een oogenblik mocht ontvangen, en het gloeiende ijzer smedend, begon te zingen:
„O vorst, word toch hard!
Gy sterkste van allen Versla de vasallen O vorst, word toch hard!quot;
een deuntje, schijnbaar onverschillig op de lippen genomen, maar gelijk de vorst begreep, vol van diepere bedoeling. Hier woonde Elisabeth, de vierjarige Hongaarsche, zoo jong reeds als bruid verloofd met Lodewijk, den zoon van den landgraaf Herman en in den jare 1221, op veertien-jarigen leeftijd wettelijk met hem door den echt verbonden; de heilige, wier leven was een aaneenschakeling van daden der barmhartigheid, die uitging tegen den wil van haar gemaal om hongerenden te spijzigen, wier broeden bij ontdekking door een wonder in rozen veranderd werden; de eenzame, die het slachtoffer werd van veel geweld en tyrannie; de milddadige die haar paarlen en diamanten liet strooien onder de armen; de weduwe, die den eenvoud van het kloosterleven verkoos boven de weelde der ridder-
77
LUTHER EN HET PROTESTANTISME.
schap en vorstinne-roem; de godvruchtige die haar dagen doorbracht in stil gebed en overpeinzing; de schoone en begaafde, die bestemd was een jongen dood te moeten sterven, om daarna, — gelijk het zoo dikwijls reeds gegaan is met veel dat edel was op aarde en verheven, — om daarna eerst gewaardeerd te worden, door een Paus te worden gecanoniseerd, door een keizer, in haar kist nóg te worden gekroond, en ten slotte voor de verbeelding van haar getrouwen, door Engelen naar den Hemel te worden gedragen. Hier woonde de heilig-verklaarde, wier graf nog altijd een pelgrimsplaats is voor vele vromen, wier grafzerk nog altijd door die vromen bij gelegenheid van plechtige pro-cessie\'s omkranst wordt met rozen en met leliën.
De Wartburg is een berg des lichts. Hier hoorde Hein-rich van Ofterdingen thuis, de hoogstwaarschijnlijk ongenoemde dichter van het „Lied der Nibelungen,quot; door von Scheffel zoo geestig verheerlijkt in zijn verrukkelijk schoon gedicht „Der Heini von Steier ist wieder im Land.quot; Hier liepen vol nieuwsgierigheid en enthousiasme, naar de vroo-lijke beschrijving van de volgende coupletten, de oude mannen uit op hun stokje, de oude wijven weg van hun spinnewiel; de jongens werden dol en de meisjes verliefd; de rentmeester en de pachter konden de knechts niet meer bij het werk houden; de herder keek niet meer om naar zijn schapen, wanneer de zanger naderde, die als de Horant van het Westen en de Orpheus van het Oosten, menschen en dieren met zijn stem en harpspel betooverde. Hier speelden de tooneeltjes van verzen als deze:
„Schon schwirren zur Linde, beriickt und entzückt Die lieblichen Kinde, mit Kranzen geschmückt: quot;Wo saumen die Freier? Manch Herz steht im Brand.... Der Heini von Steier ist wieder im Land!quot;
78
LUTHER EN HET PEOTESTANTISME.
„Und wer schürzt mit Schmunzeln den Bock sich züm Sprung?
Groszmutter in Eunzeln, auch sie heut wird jung----
Sie stelzt, wie ein Reier, dürrbeinig im Sand----
Der Heini von Steier ist wieder im Land!quot;
„Der Hirt lasst die Heerde, der Wirth lasst den Krug,
Der Knecht lastt die Pferde, der Bauer den Pflug Der Vogt und der Maier kommt scheltend gerannt: Der Heini von Steier ist wieder im Land!quot;
Be quot;Warlburg is een berg des lichts. Hier was het middelpunt der middel-eeuwsche zangers en dichters. Hier had in 1207 de beroemde zang en muziekwedstrijd plaats tus-schen Heinrich, den scribent, Walther von der Vogelweide, Reinmar von Zweter, Wolfram von Eschecbach, Biterolf, en Heinrich van Ofterdingen, de wedstrijd, waarbij deze laatste, deze voortreffelijke, de voortreffelijkste niet zou zijn. — Het was een gewichtig en hartroerend oogenblik, een tournooi in klanken en geluiden, een onbloedig steekspel van harpen en violen. Het adellijke hof van Thuringen zag toe. Sophia, de landgravinne, zou uitspraak doen en den overwinnaar bekransen. Heinrich van Ofterdingen zong en speelde schooner dan ooit. Vijf tegenstanders
moesten reeds zwijgen____ maar de zesde, de zesde....
Wolfram van Eschenbach zou blijken ditmaal onoverwinnelijk te zijn. Heinrich, in zijn booze vertwijfeling, valt neer aan de voeten der gravinne en vraagt een jaar uitstel.,.. Na een jaar zal de strijd hervat worden. Heinrich krijgt vergunning bij eigen onmacht een plaatsvervanger te mogen stellen. Heinrich siddert voor een tweede ontmoeting. Zijn kracht, zijn zekerheid, zijn zelfbewustheid is gebroken; en waar de trots gebleven was, en die trots zou en moest overwinnen en die hoogmoed geen nederlaag kon verdragen, daar pleegde Heinrich verraad. Door be-
79
LUTHER EN HET PROTESTANTISME.
middeling van Klingsor, den Hongaarschen meester der zwarte kunst, stelt hij zich in betrekking tot den Booze, en de Booze neemt de gestalte aan van een engel des lichts, een schoonen jongeling, een beroemd harpspeler, die den naam draagt van Nasian. In de blinkende gestalte van Nasian plaatst zich de Satan, als paranymph van den geslagen Heinrich van Ofterdingen, na een jaar tegenover den edelen Wolfram van Eschenbach. De wedstrijd zal voor een tweede maal gehouden worden.
De Wartburg is een berg des lichts, Satan-Nasian tegenover Wolfram van Eschenbach. — De ridders en de edelvrouwen zitten opnieuw geschaard. De lauweren liggen opnieuw gereed. De aandacht is gespannen. De verwachting is groot. Het dichterlijke steekspel begint. — Nasian sang von der Schöpfung der Welt und dem Fleisch gewordenen ewigen Wort. De Satan zingt van de schepping der wereld, van de schoonheid der natuur, van de harmonie in \'t heelal, van de vastheid en onveranderlijkheid harer wetten en als opperste bloesem der natuur bezingt hij den Zoon des Menschen, in wien het goddelijke der wereldorde zijn hoogste en schoonste openbaring vindt, — de Booze is hier de dienaar der schoonheid, de zanger der natuur, de dichter der humaniteit, — aber Wolfram erwiderte in Weisen von solcher Schönheid über die Lehre und den Tod Christi, dasz Nasian schweigen musste und entwich. Wolfram schildert de macht der zonde. Hij zingt van den donkeren achtei grond van smart en dood, maar op dien achtergrond teekent hij de lichtende gestalte van Jezus Christus, die in het rijk der zonde komt prediken een koninkrijk Gods. Wolfram zingt van het kruis, waaraan Christus is gestorven en den dood der verzoening; hij stelt de genade tegenover de zonde, het behouden worden tegenover het verloren gaan, het leven tegenover den dood; hij denkt niet
80
LUTHER EN HET PROTESTANTISME. 81
in de eerste plaats aan de schoonheid der natuur, maar voornamelijk aaa de eischen van het zedelijke leven; hij grijpt zijn toehoorders in de ziel; hij treft hun in het geweten, hij ontroert, hij sleept mee, hij overweldigt. Nasiau .... sluipt weg. Hij wil van het kruis r.iet hoo-ren .... en .... het gehoor barst Jos in daverende toejuichingen. Gravin Sophia verklaart Wolfram van Eschenbach voor koning van het spel.
De Wartburg is een berg des lichts. Maar hoe schoon zijn architectuur, hoe diepzinnig zijn legenden en sagen, hoe ernstig de wedstrijd der middel eeuwsche zangers, zij allen zijn niet in staat den Wartburg tot een berg des lichts te maken. Zij allen zijn slechts profetieën van dat, wat. eenmaal zoude komen. Het herlevend geloofsenthousiasme van de Romaansche bouwkunst moest gezuiverd worden van zijn ruwheid en zijn bijgeloof. De oorlogzuchtige ridderburcht moest worden „een vaste burgquot; van Gods genade. Geen ja\'-htlievend edelman, maar de Christus zelf\' moest die plaats tot zijn lustoord verkiezen. Hij alleen moest als koniuu\' heerschen en de vasallen der Heiiigen, die •/.ich lang-zamerhand van de Christelijke kerk hadden meester gemaakt, moesten uitgeworpen worden. Het overdreven ascetisme der kloosterachtige vroomheid van een heilige Elisabeth, dat de eigengerechtigheid in de hand werkt en uitloopt op menschenvergoding, moest omgezet worden in het blijde leven des geloofs, waaruit de rechtvaardige alleen mag leven. In den wedstrijd van het humanisme der Renaissance en het geloofsleven der Christelijke kerk moest het laatste eens voor altijd zegepralen. Wanneer dit alles gebeurd zou zijn, dan eerst zou de Wartburg worden een berg des lichts. Dit is gebeurd. Do Wartburg is een berg des lichts geworden, omdat Luther er zijn vesting van heeft gemaakt en door Gods genade al de profetieën heeft
SODVENIRS EN PHANTASIEËN. 6
LUTHEK EN HET PROTESTANTISME.
mogen vervullen, die in de historiën en legenden van des burchts verleden verborgen lagen.
De Wartburg is een berg des lichts. — Want hier is de Bijbel vertaald; hier is het arsenaal der Hervorming gesticht; hier is de geschiedenis tot een van haar schoonste hoogte-punten geklommen; hier leefde en streed en zong en werkte en worstelde een man, in strijdlust de gelijke dei-middel eeuwsche ridders, in zangdrift de evenknie der middel-eeuwsche dichters, in zedelijken ernst de tegenhanger van de middel-eeuwsche Elisabeth, de monnik, de denker, de geleerde, de held en hervormer.... Maarten Luther. Op den rijksdag te Worms had hij zoo moedig alleen gestaan voor den keizer, voor de rijksvorsten, voor prelaten en kardinalen en zijn historisch woord gesproken: „Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij,\'* eu, — de donderwolk van des Pausen en des Keizers toorn had zich angstwekkend opgedaan aan den einder en haar eerste verontrustend gerommel doen hooren. Frederik de Wijze, Luthers vriend en beschermer, de keurvorst van Saksen had die donderwolk van verontwaardiging en verbolgenheid op zien komen en, toen Luther van Worms huiswaarts keerde, had hij hem op doen lichten en naar den Wartburg doen brengen. Hier woonde de groote man veilig, van 4 Mei 1521 tot 6 Maart 1522 onder den naam van Jonker George. Hier mocht hij de thans nog vertoonde ridderrusting dragen als symbool van de wapenrusting des geloofs, waarmede hij zich had omgord. Hier mocht hij de den volke zoo lang onthouden en hielen daar in kloosters aan ketenen geklonken Bijbel in de volksspraak overzetten. Hier mocht hij de brandstof ophoo-pen, waarmede hij de Katholieke kerk in Noord-Europa voor altijd, der menschheid tot zegen, zou verwoesten.
De Wartburg is een berg des lichts .... omdat Luther hier heeft gewerkt en gestreden. Luther, — welk een heros
82
LTTTHEE EN HET PROTESTANTISME.
is hij geweest in het rijk des geestes! De bekende en reeds genoemde schilder Kaulbach heeft hem verheerlijkt in zijn wandbeschildering waarop hij het tijdperk der Reformatie heeft vereeuwigd. In één enkele reuzen-conceptie heeft hij alle groote mannen bij elkander gebracht, die in de dagen vóór, tijdens en na de Hervorming een belangrijke rol gespeeld hebben. Hij heeft ontworpen een geweldige vergadering van keizers, koningen, vorsten, dichters, denkers, ontdekkers, theologen, philologen, humanisten, schrijvers, schilders.... en, — hij laat deze vergadering beheerschen door den held van den Wartburg. Hij schildert bij en naast elkander de sprekende koppen van Zwingli en Calvijn, van Huss en Erasmus, van Petrarca en Reuchlin, van Abelard en Savonarola, van Raphaël en Michel-Angelo, van Copernicus en Galilei, van Gutenberg en Laurens Koster, van Gustaaf Adolf en Willem van Oranje, van Frederik den quot;Wijze en Johan den Bestendige en te midden van deze superieure geesten en machtige genieën plaatst hij als aller hoofd en meester Maarten Luther, heilige handen opheffende en daarin dragende de Schrift, den Bijbel, het Boek der boeken en op den achtergrond van deze schilderij teekent hij een breed majestueus orgel, als wilde hij leven geven aan de strakke figuren en ernstige gestalten en de gedachte wekken, dat op het machtige geluid der geweldige pijpen uit aller borst een lied der verlossing op zal klimmen als dit van den Hervormer :
„Een vaste burg is onze God,
Een toevlucht voor de zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
83
LDTHER EN HET PBOTESTAUTISME.
Met opgestoken vaan;
Hjj draagt zijn rusting nog
Van gruwel en bedrog,
Maar zal als kaf verdwijnen!quot;
De Wartburg is een berg des lichts, want hij is de vesting geweest van Luther. Welk een genot door de kamer van Luther te mogen dwalen! Wel is er van den groeten man niet veel overgebleven, maar toch, — dit weinige wordt met gretige oogen verslonden en met dankbaarheid aangestaard. Een bed, een tafel, een stoel, eenige drinkkannen, eenige manuscripten en portretten, een inktvlak aan den wand, waar hij den Booze zou getroffen hebben... zie daar alles! En toch, — hoe vreemd het lijkt, het is een zeldzaam genoegen, deze voorwerpen te mogen bewonderen. De gedachte stemt reeds, te denken: in deze zelfde ruimte leefde eens de grootste held der nieuwe geschiedenis, aan deze zelfde tafel zat hij te werken, door ditzelfde raam staarde hij naar den einder en peilde zijn profetische blik do mysteriën der toekomst. De verbeelding ontvlamt met zalige ontroering, wanneer men zich maar door de gedachte laat bezielen, dat men zich bevindt in een veldheerstent van het Protestantisme. Als men hieraan denkt, vindt men alles interessant en geniet als men de kamer verlaat, nog in het voorportaal bij het lezen van des grooten mans levensspreuken :
„Das Christenherz auf Eosen geht,
Wenns mitten unterm Ereuze steht,quot;
„Der Glaub\' ist gar ein neuer Sinn,
Weit über die fünf Sinne hin.quot;
„Licht ist Licht Und siehts der Blind\' auch nicht!quot;
en dankbaar onthoudt men Bechstein\'s opschrift:
84
LUTHEE EN HET PROTESTANTISME.
„Hier ists, wo Luther einst, der grosze deutsche Mann, Als er zu Worms entkam den drohenden Gefahren,
Den Schutzort fand, entführt, um vor des Pabstes Bann Und vor des Kaisers Zorn ihn sicher zu bewahren!quot;
Ja, de Wartburg is een berg des lichts, doch — en hiermede komen wij op ons uitgangspunt terug — doch wat zou de Wartburg geworden zijn zonder Wittenberg? Gelijk men den Sinaï niet kan denken zonder de wetstafelen van Mozes, kan men zich den Wartburg niet voorstellen zonder (ie twee deuren der slotkerk van Wittenberg, waar Luther in den nacht van den 31stei1 October op Allerheiligen van het jaar 1517 de bekende 95 stellingen heeft aangeslagen, die een eerste oorlogsverklaring behelsden aan de Katholieke kerk. Wittenberg is een merkwaardige stad. Wij hebben er rondgedwaald en gezien het huis, waar Luther woonde, de zaal waar hij college gaf, de boomen, die hij plantte, de plaats waar hij voor altijd rust naast zijn vriend Melanchton. Wij hebben er honderde curiositeiten betast, bezien, bewonderd, maar wat kan halen bij de beteekenis der twee bronzen poorten, die de historische houten deuren der slotkerk vervangen hebben en waar ten eeuwigen dage de beroemde 95 thesen te lezen staan? Deze bronzen deuren zijn een schooner standbeeld dan het eigenlijke standbeeld op de markt van Wittenberg. Heur inscripties zijn nog merkwaardiger dan het moedige opschrift van diens voetstuk, dat getuigt;
„Ists Gottes Werk, so wirds bestehn, Als Mensclienwerk wirds untergehn.quot;
Deze bronzen deuren evenaren in waardij de bronzen poorten van het Baptisterio te Florence, het meesterstuk van Ghiberti, en Dante zou ook van de laatste hebben kunnen getuigen, wat hij van de eerste zeide, dat zij waard waren om het Paradijs te sluiten.
85
LUTHEB EN HET PROTESTANTISME.
De bronzen deuren van Wittenberg\'s slotkerk, — wij hebben er tijden lang voor gestaan, om het oude Latijn van dit eerste Hervormings-manifest te ontcijferen. Hardop hebben wij de woorden gelezen:
„Amore et studio elucidandae veritatis: haec subscripta disputabuntur Wittenbergae Presidente R. P. Marthino Luther: Artium et S. Theologiae Magistro: euisdemque ibidem lectore ordinario. Quare petit: ut, qui non possunt verbis presentes nobiscum disceptare: agant id Uteris absentes. In nomine Domini nostri Jesu Christi. Amen.quot;
Wij lazen deze inleiding. Wij lazen hot vervolg. Wij lazen zijn uitspraken over de zonde, over de boete, over de onmacht van den Paus om de zonden te kunnen vergeven. Wij lazen zijn verontwaardiging over de kwade praktijken der diep gezonken Katholieke kerk, die den Christus had onttroond, een zondig mensch in Rome had vergood, het Evangelie had verduisterd, en een geldzaak had gemaakt van dat, wat een mystieke emotie, een heilige aandoening, een zalig geheim hoort te zijn van den mensch tegenover zijn God. Wij lazen zijn ernstige echt-Evangelische slotwoorden: „Steil. 92: Weg met de valsche profeten, die zeggen: vrede, vrede, en het is geen vrede. Steil. 93: Welkom zijn de dienaren Gods, die het kruis verkondigen, maar het kruis is het hoogste niet. Steil. 94: Men moet den Christenen prediken, dat zij hun Heiland door kruis, dood en graf hebben te volgen in de eeuwige heerlijkheid en daarom Steil. 95: moet er de nadruk op gelegd worden, dat men niet door een valschen vrede maar door strijd en lijden het koninkrijk der hemelen alleen kan binnengaan.quot;
Ja, — de Wartburg is een berg des lichts, maar alleen om-
86
LUTHER EN HET PROTESTANTISME.
dat in Wittenberg de zon der waarheid is opgegaan en deze zon der waarheid zijn toppen het eerst met haar gouden glans heeft overgoten en deze burcht daar nu voor altijd, blinkend en stralend, staat op de donkere vlakte der wereldgeschiedenis als de welsprekendste getuige van het onvergankelijke beginsel der Hervorming!
Het beginsel van het Protestantisme! Wat is het beginsel van het Protestantisme? Luther is zoo groot geweest, dat alle mogelijke richtingen hem tot hun geestelijken vader willen maken. Prof. Bolland zegt in zijn „Wereldraadselquot; p. 384: „Het is onder weemoedig terugzien naar den God mijner Eoomsche kindsheid, dat ik mij beijverd heb om een beginsel-vast en thorough going protestant te zijn.quot; Prof. Bolland,, de merkwaardige leerling van von Hartmaan en Schopenhauer, de pessimistische wijsgeer van ons vaderland, ziet in de autonoom-verklaring van den natuurlijken, den denkenden en den willenden mensch, het beginsel van \'het Protestantisme. Dr. van den Bergh van Eysinga zegt in zijn pas uitgekomen „Studiesquot; pag. 205: „Het Protestantisme is de godsdienst van het Ik. Hier is zijn roem en zijn zwakte, zijn pijn en zijn adeldom. Duizendwerf is het verteld in breedo Lutherzangen----dat, toen
opstond de held van Wittenberg, de verminkte ikheid uitschreide haar verbrijzeld recht en ten slotte brak met de blijkbaar onvatbare moederkerk.quot; De moderne theologen noemen de volstrekte vrijheid van onderzoek en de ethisch-critische, meer spiritualistische godgeleerden de verwerping van de uitwendige autoriteit het voornaamste beginsel van het Protestantisme. Wij weten dat Luther bizonder vrij was in zijn oordeel en dikwijls tegenstrijdige uitspraken gedaan heeft, waarop de sceptische, moderne en cri-tische rich tic gen zich schijnbaar met recht kunnen beroepen. Wij weten, dat hij, onbewust en onschuldig den grondslag
87
88 LUTHEE EN HET PROTESTANTISME.
heeft gelegd van het scepticisme, toen hij zich, sterk in spontane genialiteit, alleen dorst te plaatsen tegenover het gezag van de Katholieke kerk, die eeuwenlang geacht werd de waarheid te bezitten. Wij weten, dat hij zich vrij uit kon Jaten over kerkvaders en apostelen en den brief van Jacobus een strooien brief heeft durven noemen. Maar wij mogen het beginsel van het Protestantisme niet zoeken in enkele inconsequente uitspraken van den grooten man. Luther stond voor een berg van nieuwe moeieiijkheden en kon de portée der meeste vraagstukken, die ontstonden uit de losmaking van de moeierkerk nog niet. overzien. Wie het beginsel van het Protestantisme wil leeren kennen, moet de grondgedachte nemen van het ganse he leven van Luther en de geheele beweging der Hervorming.
Wanneer wij deze grondgedachte dan naspeuren, dan komen wij tot deze overtuiging. Het beginsel van het Protestantisme was: den mensch los te maken van den mensch, van het gezag der Katholieke kerk en haar booze praktijken en hem alleen te binden aan God en zijn Woord. Luther heeft geen autonomie van den natuurlijken mensch, geen absolute vrijheid van onderzoek, geen verwerping van alle autoriteit gewild. Luther heeft den mensch willen binden aan zijn God, gelijk wij hem kennen uit de H. Schriften. \') Luther heeft deze H. Schriften niet kleingeestig opgevat als ingegeven van het begin tot het
i) Prof. C. H. van Rhijn zegt zoo terecht in zijn studie over Ma»rten Luther (St. v. quot;W. on Y.quot; Nov. 99, p. 1060): „Het is een dwaalbegrip, te denken, dat de Hervorming niets anders zou zijn dan de afschaffing van kerkelijke misbruiken en het streven naar vrijheid van geweten, dan een protest tegen alle gezag in godsdienstige dingen. quot;Wie zoo spreken, kennen de Hervorming niet. Zij is do vrijheid van geweten, maar met gehondenheid aan het Woord; een protest tegen gezag, maar met gehondenheid aan het Woord; het absoluut recht van het individu, maar met gebondenheid aan het Woordquot;
LUTHEK EN HET PROTESTANTISME.
89
einde, en is daardoor nooit vervallen tot dwaze scholastiek en kinderachtige systematiseering. Zoo iemand, — dan heeft hij den Bijbel beschouwd als een levend organisme, vol van den Heiligen Geest, en in dit organisme heeft hij ten slotte niets gezocht dan Jezus Christus, den verhoogden Heer en Heiland. Het was hem om geen letterknech-terij te doen. Het was hem alleen te doen om dio groote goddelijke liefde, die de Vader in den Zoon heeft geopenbaard en die alle zonde verzoent door de genade en de smart van kruis en (Jood wegneemt door de belofte van het eeuwige leven. Staande in deze vrijheid des geloofs en in deze kracht der liefde is hij wel eens vrij geweest in zijn oordeel over sommige teksten en bijbelboeken, maar hiermede heeft hij nooit de autoriteit van de Schrift aan willen randen, in de voorstelling van den grooten gang der Godsopenbaring, van den Giepsten val. door den verzoeningsdood der liefde, tot de hoogste zaligheid der toekomst. Zijn positieve uitspraken zijn voor het grijpen. Hij heeft gezegd: „Das Wort mollen sie stehen lassen!quot; Hij heeft verklaard: „met niemand te willen disputeeren, die in zijn redeneering niet uitging van de Schrift.quot; Hij heeft allen twijfel aan Gods woord verklaard voor zonde, ja voor doodzonde. Hij heeft alle spiritualisme afgewezen en gezegd: „Wij moeten ons niet in de war laten brengen, doordat sommigen zich beroepen op den geest en de Schrift minachten ... Ach lieve vriend, met al dat geleuter van geest... ik ben ook in den geest geweest en heb geest gezien, maar de duivel heeft niet zooveel respect voor mijn geest als voor mijn Schriftkennis en mijn pen, die van de Schrift-kan getuigen.quot; Zoo spreekt Luther. Zijn beginsel, tevens het beginsel van het Protestantisrae is geweest: „den mensch de hoogste maatschappelijke, zedelijke en godsdienstige vrijheid te verzekeren door ham te hinden aan God en zijn
LUTHER EN HET PROTESTANTISME.
Woord, gelijk wij dat kennen, door het geloof, niet logisch-juist, maar heilig-innig en zedelijk-rein door de profeten en Jezus Christus, onder den invloed van den Heiligen Geest.quot;
Dit beginsel is heerlijk en onovertroffen. De Wartburg Is alleen daarom een berg des lichts, omdat hij, in welsprekend zwijgen, dit beginsel aan de wereld verkondigt. — Ongelukkig allen, die dit beginsel verwerpen! — Ongelukkig, de Katholieken, die, ter instandhouding van een vermolmd kerk-instituut zich onderwerpen aan de dwaze machtspreuken van een fictieven stedehouder van Christus in Eome. Ongelukkig de sceptische geesten die zeggen: „wat is waarheid?quot; en hun levens illusie\'s latea wegdor-ren in don kerker van het ongeloof. Ongelukkig de moderne vromen, die zoo gaarne willen bidden, willen gelooven, willen vertrouwen en altijd door de wanhoop vervolgd worden, zich een God opgebouwd en zelf geschapen te hebben uit den puinhoop hunner levensidealen. Ongelukkig de spiritualistische geloovigen, die door hun verstandskritiek losgemaakt van het geloof in de vertrouwbaarheid der Schrift, zich uit mystieke aandoeningen een Christus-beeld vormen, dat altijd zwevend is en het denken toch niet bevredigt, — maar gelukkig, — wie het beginsel van het Protestantisme leert berijpen en moede en mat van denken en strijden, tot de Schrift komt en opnieuw, stil, kinderlijk-eenvoudig, leert vertrouwen in Jezus Christus als den Zoon, om door den Zoon tot de groote liefde van den Vader te gaan! De quot;Wartburg is een berg des lichts! Hij predikt de waarheid van Luther\'s lied:
90
LUTHER EN HET PROTESTANTISME. 91
„Gods woord houdt stand in eeuwigheid
En zal geen duimbreed w^ken.
Beef, Satan, Hij die ons geleidt Zal u de vaan doen strijken.
Delf vrouw en kindren \'t graf,
Neem goed en bloed ons af, — Het brengt u geen gewin;
Wij gaan ten hemel in En erven koninkrijken!quot;
VIII.
DE KATHOLISCHE HOFKIRCHE VAN DRESDEN EN HET KATHOLICISME.
Dresden, de hoofdplaats van de Sachsische Schweiz is een buitengewoon merkwaardige stad. Het is een plaats van rijke irdustrie, van schoone natuur, van muziek en kunst. Tot de heerlijkste plekjes op aarde behoort haar Belvedère, vanwaar men een zeldzaam uitzicht heeft over de Elbe, die, tusschen de Alt- en Neustadt door, onder de reusachtige parallel-loopende Marien-, Carola- en Albert-brücken voortstroomt en haar zilveren gordel vlecht door de heuvelen van Loschwitz, Pillnitz en Blasewitz, die de uitloopers zijn van de in de verte tegen het Zuiden hoo-ger-biauwende Saksische bergen. — Dresden heeft haar Johannaeum, een gebouw als de Romer van Frankfort, het Hotel des Invalides in Parijs en de Tower in Londen, een interessant museum, met historische merkwaardigheden; haar Albertinum, met beeldhouwwerken en gipsafgietsels van de voornaamste meesterwerken uit oudeie en nieuwere tijden; haar koninklijk paleis met het bekende Grüne Gewölbe, een soort van juweelkamer, waar afgelegde koningsmantels en andere vorstelijke preciosa bewaard worden; haar beroemde Gemalde-Galleiie. met kostbare doeken van alle bekende meesters, uit alle verschillende schilde! scholen; haar theater en opera, waar de eerste musici en artisten het zich een eer rekenen op te mogen treden. Dresden heeft ook haar heiligdommen en daaronder een schoone cathedraal, de zoogenaamde Kathoiische Hof-
96 DE KATHOLISCHE HOFKIKCHE VAN DRESDEN
kirche. Deze kerk is, naar ik meen, niet zoo bizonder merkwaardig door architectuur of decoratief, en toch speelt deze kerk in onze herinnering een eerste rol. In Wittenberg herdachten wij den gezegenden invloed van het Protestantisme, en in de cathedraal van Diesden woonden wij, na den gewonen ochtenddienst, een wereldsch concert bij van opera-zangers en opera-zangeressen eu zagen hierin een treffend symbool, van dat, wat juist de vloek van het Katholicisme genoemd moet worden, de secularisatie, de verwereldlijking van het Christendom.
De Koomsch Katholieke kerk.... o haar macht is nog zoo groot en haar invloed nog geweldig! Waar men zich wende of keere, overal komt men de oude tegenstandster tegen. De oude tegenstandster. Inderdaad, — duizenden bij duizenden blijven in het Katholicisme zien de afschuwelijke openbaring van geestelijke tyrannie en gewetens-verkrachting, de incarnatie van den Booze. Niemand heeft dit sterker en welsprekender gedaan dan de Russische schrijver Dostojewski in zijn studie: „DeGroot-Inquisiteur,quot; een fragment uit „de Gebroeders Karamasowquot;, een am-grijpend schoon verhaal, waarvan de Kroniek van 8 November 1898 een vertaling gaf, waaruit wij het volgende uittreksel meêdeelen. Het tooneel speelt in de dagen der 16de eeuw in Spanje, in de stad Sevilla, waar de inquisitie woedt met de gevangenis en brandstapel tegen allen, die Hervormings-gezind waren. De voorstelling nu is deze. Jezus Christus heeft een oogenblik de hemelsche heerlijkheid verlaten en wandelt ia menschelijke gestalte rond op aarde, waar hij 1600 jaren geleden aan het kruis was geslagen. Hij daalt niet neer op een plaats in het Heilige Land, — het Heilige Land is in de handen der Mahome-danen. Hij gaat niet door de straten van Jeruzalem, — Jeruzalem ligt in puin. Hij daalt neer op een plaats in
EK HET KATHOLICISME.
Spanje, — Spanje, een centrum van Christelüke godsvrucht en Christelijke beschaving. Hij gaat door de straten van Sevilla, het middelpunt der heiligste devotie. Doch wat moet de Heiland daar aanschouwen? Wat zal de Heiland daar ondervinden?
Christus ziet, dat Zijn kerk is verbasterd, dat Zijn woord is verduisterd, dat zijn Evangelie is vergiftigd. Hij ziet, dat de Satan triumpheert in Zijn eigen Heiligdom. Hy ziet, dat de kerk, de diep gezonken en schandelijk ontaarde kerk, juist hen, die het waarachtige Evangelie liefhebben en aanhangen, verdoemt, vervloekt, verbant, vermoordt, vernedert. Christus schreit over Sevilla, gelijk Hij eenmaal schreide over die stad, die de profeten doodde, en die stee-nigde, degenen die tot haar gezonden werden. Christus gaat zwijgend voort en mengt zich onder de schare, doch... Hij wordt herkend... „Zie, de Christus, de Christus!quot; zoo wordt gefluisterd, en als een loopend vuur gaat Zyn naam van mond tot mond. De menigte wijkt terug. Angst en ontzetting houdt de harten bevangen. Christus gaat langs één der cathedralen. De groote deuren staan open. Toevalligerwijze zal juist eon jonggestorven meisje van 17 jaren op een baar voor het altaar gebracht worden... De menigte smeekt om erbarming voor de lieve doode... zy ligt zoo bleek in haar kussen van bloemen. De Heiland luistert naar de smeekgebeden. Hij spreekt op nieuw zijn „Thalita KOmi, — dochtertje, sta oplquot; en de jonge doode gehoorzaamt. Het lieve kind keert terug tot het leven; zij rijst op uit haar bloemen en wordt aan de moeder teruggegeven.
De moeder omhelst het kind. Het kind omhelst de moeder. Aangrijpend tooneel van smart en liefde, van liefde en leven. Het volk ziet verwonderd toe. Het wil neervallen en aanbidden... Doch op dit ocgenblik gaat de Groot-
SOUVEKIBS EN FHAKTASIEËW.
97
98 DE KATHOLISCHE HOPKIRCHE VAN DRESDEN
Inquisiteur voorbij. De man, een grijsaard van 90 jaren, herkent den Christus. Hy siddert bij diens verschijning. Hij huivert voor de gevolgen van diens wonder. Hij beseft, dat het eeuwige belang van de gansche Katholieke kerk op het spel staat... Een oogenblik va,n aarzeling, van weifeling, van zieleworsteling, van tweestrijd, van beraad... Hij heeft gewikt en gewogen. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. De Christus is niet meer bruikbaar in de wereld... Hij weet, hoe het volk hem, den grooten rechter, aanhangt. Hij weet, dat het cene wonder van Christus zijn jarenlangen invloed niet zal kunnen uitwis-schen. Hij weet, dat ook zijn verschijning iets is en het volk kan fascineeren. En dus, hij beveelt... hij ziet den Heiland uitdagend aan...! Hij strekt zijn arm uit en hij gebiedt het volk Hem te grijpen. Hem te boeien en naar den kerker te brengen. En het dwaze volk, ontzind, verschrikt, verslagen, betooverd door den blik van den man, die met ijzeren wil hen regeerde, het dwaze volk... leidt Christus ten tweeden male uit, ten tweeden male, even dweepzuchtig als in de dagen van Kajafas, naar de gevangenis, om daar geoordeeld te worden. De Groot Inquisiteur ziet met blijdschap dat zijn woord wordt gehoorzaamd, maar hij is inwendig onrustig. De Heiland weer op aarde... dit feit plaatst hem onverwacht voor zooveel nieuwe problemen. Hij kan ze zoo plotseling niet overmeesteren. Een geheimzinnige angst en aantrekkingskracht drijft hem heen naar den Christus. De Heiland ligt in zijn cel, op een bed van stroo, in boeien. De Groot-Inquisiteur, de trouwe dienaar der Katholieke kerk treedt binnen, hij ziet Christus vragend aan en na een oogenblik twijfelens en aarzelens zegt hij: „Zijt Gij het — Gij? — Waarom zijtGij ons komen storen?quot;
Na een korte woordenwisseling ontwikkelt zich een aangrijpend gesprek. De Groot-Inquisiteur weet, dat de Katho-
EN HET KATHOLICISME.
lieke kerk bederven is. Hij weet, dat zij het Evangelie heeft veranderd. Hij weet, dat het koninkrijk Gods een staatsinstituut geworden is. Hij weet, dat de kerk zich met de macht van den Satan in betrekking heeft gesteld. Hij weet dit ailes, en doelende op de verzoeking van Jezus in de woestijn zegt hij: „Wie had gelijk? Gij of de ondervrager? Herinner ü.....quot;, en, — na een ontróerenden
dialoog van diabolische brutaliteit en Godmenscheiyk zwijgen, zegt de Groot-Inquisiteur: „Er zijn op aarde slechts drie machten, die altijd het bewustzijn der zwakke opstandelingen kunnen onderwerpen, tot hun bestwil, dat zijn: het wonder, het mysterie, het gezag. Gij hebt het wonder gebruikt om te genezen, het mysterie om de harten te bekeeren, het gezag om allen te onderwerpen aan de macht der liefde. Welk een dwaasheid! Het lijden der wereld kan toch niet weggenomen worden; steenen kunnen eerder veranderd worden dan menschelijke gemoederen, en de werkelijkheid des levens lacht met het idealisme dei-liefde. Neen, de wereld moet geregeerd, gedwongen, tot haar bestwil getyranniseerd worden. Dit kan alleen door het wonder, het mysterie, het gezag. Zie, dit alles hebt Gij laten varen... wij hebben uw werk verbeterd... Wij hebben onze macht gevestigd op het wonder, op het mysterie, op het gezag. Luister dan... wij zijn niet met ü, wij zijn met den Satan, wij zijn met hem! — ziedaar ons geheim. Ons rijk zal verrijzen... Ik herhaal u, dat morgen op een tee-ken van mij, gij zult sterven. Wie inderdaad verdiende meer den brandstapel dan gij ?... Morgen zal ik u verbranden...quot;
Dit is het door mij zelf aangevulde en voor de duidelijkheid hier en daar gewijzigde uittreksel van Dostojewki\'s aangrijpend en diepzinnig verhaal. De beroemde Rus ziet in de Katholieke kerk slechts de belichaming van een daemonische macht, die wil heerschen. Deze overtuiging
99
100 DE KATHOLISCHE HOFKIBCHE VAN DRESDEN
wordt gedeeld door velen, ook in ons vaderland. De H.H. Dr. Zuldema, Quast en Schouten staan als Archangels met bliksemend zwaard voor de poorten van het Protestantsche Paradijs, om den leugengeost van het Katholicisme er buiten te houden. En het welsprekendst getuigenis tegen Rome\'s macht en invloed wordt gegeven door den afgevallen zoon der Katholieke kerk, door Prof. Bolland, die maar niet ophoudt in brochure op brochure tegen haar leer en praktijken te waarschuwen. Nu eens tracht hij uit de historie te bewijzen, hoe ongegrond het leerstuk is van de onfeilbaarheid van den Paus, dan weer hoe leugenachtig het dogma der Onbevlekte Ontvangenis van de maagd Maria, en andermaal richt hij zijn aanval op het episcopaat van den Apostel Petrus. Al zijn grieven vat hij samen in zijn studie: „Onleerstellig Christendom,quot; een redevoering, die den 2isten November 1894 gehouden is in de „Vrije gemeentequot; te Amsterdam. Hij zegt in deze voordracht, opgenomen in zijn bundel „Wereldraadselquot;, p. 606: „De groote zonde van de Roomsche kerk bestaat hierin, dat zij het Christendom bijna geheel veruiterlijkt, verheidenscht heeft. Het Romanisme van den Paus en diens trawanten is eigenlijk niet veel anders dan de als kerkelijke pretensie herleefde aanspraak op de wereldheerschappij der oude Caesars; de Roomsche kerk is het herborene Romeinsche rijk, waarin de imperator met zijne administratieve machinerie van sanatoren, praefecten, enz. als H. Vader met kardinalen en bisschoppen is herleefd, enz., — en heftig gaat hij dan verder te keer tegen haar ijzeren, gewetenlooze administratie, haar geestdoodende liturgie, haar paganistische ceremoniën, tegen haar bedel-orden, processies, beatificaties en canonisaties, tegen haar moraal en haar politiek \').
\') De Heer Bolland heeft de laatste maanden, gelijk ieder weet, zyn
EN HET KATHOLICISME.
Inderdaad, — deze mannen hebben gelijk. De Katholieke kerk is een gevaarlijke en geheimzinnige macht. Zij offert het geluk der volken op aan een schadelijke fictie, verkracht de gewetens door een casuïstische moraal en maakt onvaderlandslievende gemoederen, die ieder oogenblik het belang van eigen volk en land kunnen verloochenen, om het onbegrepen belang te verdedigen van het vaderland, dat ligt ultra monies\'). De Roomsche kerk mag een lichaam zijn, dat een gevaarlijke politiek drijft, zij is nog iets anders. Zij heeft, gelijk Bolland zegt, de zuivere godsvrucht wereldsch gemaakt en vermengd met allerlei treurige bestanddeelen van aller-onredelijkst en aller-onzedelijkst bijgeloof. Ik heb een eenvoudigen boer hier eens een geestig oordeel over hooren vellen. De onkundige maar verstandige man zeide i zoo typisch juist: „De Roomsche kerk is een goede moeder | geweest, maar nu is ze kindsch en ze speelt met de poppen!quot; \' Beter kan het niet gezegd worden. De godsdienstige leerstellingen en praktijken zijn dikwijls dwaas kleingeestig, zoo los van alle zielsbehoefte en gemoedsaandoening. quot;Wat een poppenspel, — die vereering van een Paus, die den ouden Pontifex Maximus van Rome is opgevolgd, — die aanbidding van Maria, die de plaats van Jezus heeft ingenomen, — die veneratie vaa alle Heiligen, die even zoovele Romeinsche Laren en Penaten vertegenwoordigen. Wat een poppenspel, — dat dagelijks buigen en bidden en zingen en wierookbranden voor de hostie, het stukske brood, dat in het lichaam van Christus heet veranderd te worden, — ter biecht gaan en zielsmissen lezen, terwijl geen menschen de zonden kunnen vergeven en de afgestorvenen zijn in
polemiek voortgezet in zijn stadie „Oude Gegevensquot; en zijn „Open Brief aan Dr. Schaepmanquot;.
\') Men denke aan de rol door het Jezuïtisme gespeeld in het proces van Dreyfus.
101
102 DE KATHOLISCHE HOFKIRCHE VAN DRESDEN
handen van den levenden God, — dat betalen en altijd weer betalen voor geestelijke zegeningen, die om niet ontvangen zijn en om niet aan anderen hooren uitgereikt te worden. Inderdaad... de eenvoudige man had gelijk. „De Eoomsche kerk is een goede moeder geweest, maar nü is zij kindsch en zij speelt met de poppen!quot;
Het hinderlijkst vind ik voor mij echter nog altijd de vereering der reliquieön, waarbij zoovele argelooze zielen op het smartelijkst bedrogen worden \'). Lees Lourdes, en heb medelijden wanneer daar geteekend wordt hoe duizenden altijd weer beet genomen worden met dat dwaze verhaal van de openbaring der Heilige Maagd aan Beroadette, het herderskind, dat in een toestand van transe der ziel Maria zag verschijnen en deze hoorde verklaren: „Je suis rimmaculée Conception!quot; Heb medelijden met die tallooze slachtoffers van priesterbedrog, die ziek, blind, kreupel als zij zijn, geen grootere vreugde kennen, dan wanneer het „Hoog-Waardigquot; den volke vertoond wordt „d\'etre jeté a terre, d\'être foulé, d\'être piétiné par toute la processionquot;, („Lourdesquot;, pag. 416). Lees Heine „Die Wallfahrt nach Kevlaarquot; en heb medelijden, wanneer daar gezongen wordt:
„Die Mutter-Gottes zu Kevlaar Tragt heut ihr bestes Kleid;
Heut hat sie viel zu schaffen.
Es kommen viel\' kranke Leut\'.quot;
„Die kranken Leute bringen Ihr dar als Opferspend\'
Aus Wachs gebildete Glieder,
Viel wachserne Füsz\' und Hand\'.quot;
\') De dogmatiek, moraal en politiek laten wij in deze studie verder onbesproken.
EN HET KATHOLICISME.
„Und wer ein Wachshand opfert,
Dem heilt an der Hand die Wund,
Und wer ein quot;Wachsfusz opfert,
Dem ■wird der Fusz gesund!quot;
\'
Zelf heb ik deze kwade en kleingeestige praktijken van de Roomsche kerk bijgewoond en met eigen oogen aanschouwd. Ik heb mij geërgerd bij het binnentreden van de „Eglise du Sacré Coeurquot; te Parijs, waar mij op den drempel in handen werd gedrukt een vliegend blaadje met een beschrijving en aanprijzing van „La medaille miraculeuse de l\'Immaculée Vierge Marie,quot; die zich in deze eeuw moet geopenbaard hebben aan een zekere Catharine Labourée en bij deze openbaring de instelling moet bevolen hebben van een gedenk-penning „qui fait jouir d\'une protection toute spéciale de la mère de Dien.quot; Ik heb mij geërgerd in Antwerpen, waar ik Job niet tot eei fictieven maar tot een echten bedelaar-heilige zag geproclameerd op een altaar, dat gerestaureerd moest worden en waaronder te lezen stond:
„Brengt hulde aan het Jobsaltaar.
quot;Wil den profeet gedenken,
Zoo zal hij u ook eens, voorwaar.
Het eeuwig leven schenken!quot;
Ik heb mij geërgerd in tallooze cathedralen van Brussel, Trier, Keulen, Arenberg, Florence en Milaan, waar abso-lutio plenaria werd beloofd aan allen, die geld gaven sur Ausmalung des Chors of sur Beschaffung des Altars. Ik heb mij geërgerd in het heiligdom van Padua, waar tientallen geknield lagen voor een brons van den Heiligen Antonius, waaronder te lezen stond: „II santo risana il piede ad un giovane,quot; in de hoop van hun lichaamsgebrek nog eenmaal genezen te zullen worden. Ik heb mij geêr-
103
104 DE KATHOLISCHE HOFKIBCHE VAN DRESDEN
gerd in de cathedraal te Ferrara, waar op een heiligdag velen geknield lagen voor de piëta van de Santa Maria della Rosa, en ik een kind zag naderen met een offer van bloemen, een werkman zag neervallen, zóó blijkbaar van de steigers weggeloopen, een oud gerimpeld vrouwtje zag binnen-strompelen en neerstrijken, schijnbaar op boodschappen uit, te oordeelen naar een haan en twee kippen, die zij onder haar boezelaar verborgen hield, welke dieren bij het afrissen der rozenkrans en het slaan van het kruis der oude, aan de pooten vastgebonden als zij waren, in hun moeielijke positie waarschijnlijk gemarty-riseerd werden en hun wonderlijke kippen-geluiden mengden onder het lippengeprevel der devoten. Ik heb mij geërgerd in de Jacobus-kerk te Luik, waar honderde menschen waren binnengestroomd, die zieke oogen hadden en hoopten genezen te worden, doordat de priester hun voorhoofd zou aanraken met het tandje van de Heilige Odilia! Nooit zal ik dit oogenblik vergeten! De kerk was vol menschen. Een schelletje ging.... Daar vertoonde zich de priester. Hy had een ivoren staafje in zijn handen, waar de kostbare reliquie in gevat was, als een diamant in den glas-snyder van een schilder. Het schelletje ging weêr.... De zieken met allersmerigste oogen, grijsaards, mannen, vrouwen, kinderen, zelfs heele kleine kinderen op den arm hunner moeders snelden naar voren en wierpen zich op de bidstoelen van het koor... Het wonder zou een aanvang nemen... De priester ging onverschillig, zonder eenige wijding, van hoofd tot hoofd... Ieder voorhoofd werd even aangeraakt. In enkele minuten tijds waren honderden aangeraakt geworden... De priester ging voort... en achter hem volgde een dienaar, een koster of een kapelaan, ik weet niet, wat het voor een soort van waardigheids-bekleeder was. Maar dit weet ik nog wel... De man had
EN HET KATHOLICISME.
105
een groote offerbus... Hij bleef de priester op de hielen... Hij rammelde met de bus, dat het heiligdom er van weerklonk... Wie aangeraakt was door het tandje moest betalen. O, als ik nog denk aan al die menschen met leep-oogen, die uit hun roode kassen zoo wezenloos omhoog staarden en aan die twee nare mannen met dat tandje, dan voel ik de oude ergernis weer opkomen, en besef de waarheid van de satire, die ligt inde woorden: „Quomodo itur ad paradisum? Hoc dicunt nobis campanae monasteri: dan-do! dan-do! dan-do \')!
Het meest heb ik mij evenwel geërgerd in Maastricht en Aken. Daar mocht ik een paar jaar geleden de „Zevenjarige Heiligdomsvaartquot; bywonen. Wat een bespottelijke comediel Wat een afschuwelijke dweperij! De heerlijke dom van Aken en do schoone kerk van Maastricht waren in uitdragerswinkels herschapen. De catalogussen liggen nog voor mij van de vodden, die hier te zien waren. Tentoongesteld waren prullen, die voorstelden den gordel van de H. Maagd en den mantel van Jozef. Er waren een paar spiertjes gras, die hooi uit de kribbe moesten verbeelden. Eenige lorren vertegenwoordigden luiers van Jezus Christus. Er was wierook van de Drie Koningen Caspar, Balthasar en Melchior. Voor bizonder merkwaardig golden verder nog eenige hoofdharen van Maria Magdalena, stukjes van het kruis, doornen uit de kroon van Jezus Christus. Verder kon men er bewonderen enkels, ribben, ellepijpen en schedels van vele Heiligen en Martelaren. Men had er overblijfselen van den heiligen Monulphus, Gondulphus, Aman-dus, Candid us, Laurentius, Mauritius, van Alexius en
1) „Hoe komt men in het paradijs? Dit vertellen ons de kloosterklokken: door te geven! door te geven! door te geven!quot; (Van Xouhnjjs, Letterk. Opstellenquot;, p. 254).
106 DE KATHOLISCHE HOFKIRCHE VAN DRESDEN
Walericus, van Switbertus en Ludgerus en van honderd andere onbekende grootheden. De hoofdschotel was evenwel de rok of het hemd van Maria. Trier roemt op den rok van Christus, Aken heeft een dergelijk kleedingstuk van Maria. Dit alles werd tentoongesteld in gouden foudralen, in zilveren etuiën, en in elpenbeenen schrijnen.... Vele schedels en ribben waren bezet met onyx, smaragd, topaas, met paarlen en diamanten. Het was een smerige rommel van oude botten en beenderen, van vodden en lorren, maar gevat in bedriegelijk kader van goud en edelgesteente.
Duizenden by duizenden stroomden de kerken binnen, die met bloemen en vlaggendoek versierd waren. Het was een lange processie, waar geen eind aan scheen te komen. Langzaam trok men voort in parochiale afdeeiingen, geleid door geestelijken; al biddend en zingend, in eentonigen dreun, trok men, met door de massa vertraagden gang, de heiligdommen binnen. De aandacht der menigte was gespannen. Feestpredikatiën en opwekkingswoorden waren overal verspreid en verkocht als die van Pater van de Looveren, waar wij het enthousiasme der geloovigen hooren aanwakkeren met rhetorische wendingen als deze: „Hier mogen wij de lippen drukken op den mantel van den H. Jozef, den kuischen bruidegom van de allerzaligste Maagd Maria, op een ribbe van de H. Anna, hare bevoorrechte moeder, op da relieken van de H. Elizabeth, hare gezegende nicht. Hier kussen wij eerbiediglijk een groote reliquie uit het voorhoofd van den onvergetelijken voorlooper des Verlossers, den H. Johannes den Dooper, die door Christus zelf als de grootste onder de menschenzonen werd geprezen!quot; Door zulke toespraken is de verbeelding der eenvoudige zielen ontvlamd geworden. Nieuwsgierig en veel verwachtend zien zij rond met fanatieke oogen. Zenuw-
EN HET KATHOLICISME.
107
achtig tellen zij hun rozenkrans. De Ave Maria\'s zweven op hun lippen. Bewonderend staren zij de overblijfselen der Heiligen aan... Langzaam golft de menschenstroom voort... De optocht gaat langs den rok van Maria, die als het middelpunt van het feest moet beschouwd worden. De grauwe linnen lap hangt slap als een vaatdoek in zijn gouden kapstok. De reliquie fungeert hier voor een banier des geloofs. Ter wederzijde van het kleed zaten twee priesters, die zweetend en zuchtend de honderde rozenkransen moesten aangrijpen uit dringend toegestoken handen, opdat zij langs het heilig gewaad zouden gestreken worden en daardoor de goddelijke genade en wonderkracht deelachtig zouden worden, die aan dit kleed verbonden zijn. Langen tijd stonden wij. Protestanten veilig achter een pilaar, dit tooneel aan te staren. Het was een interessant, maar weemoedig gezicht. Een groote menschenmassa rolde voorbij: mannen, vrouwen, ouden van dagen, kreupelen, blinden, geleid door anderen, een enkele zieke, die gedragen werd, stedelingen, boeren van het platte land in eigenaardig bonte kleederdracht, corporaties van werklieden met hun vaandel, een troep seminaristen, pastoors en kapelaans, een koor van 16 nonnen, scholen met honderde kinderen, een kinderkruistocht van kleine geloovigen ... Het was akelig om te zien... die zinnelooze rok in het midden, die transpireerende, gedachteloos paternosters er langs strijkende priesters er naast, die menigte daarvóór; die verbaasde en aanbiddende oogen, die dweepzieke aangezichten, die geloovige kinderen, dat dwaze, dat bijgeloovige, dat bedriegelijke,.... het was akelig om te zien. Carrasco, de Spaansche zendeling onder de Katholieken, pleegt — zoo hoorde ik onlangS; — een Eoomsch-Katholiek geestelijke altijd te noemen een „philoxéra de la vigne du Seigneur,quot; maar inderdaad, sinds ik de Heiligdomsvaart
108 DB KATHOLISCHE HOFKIECHE VAN DRESDEN
in Aken en Maastricht heb bijgewoond, kan ik deze uitdrukking begrijpen. De Roomsche kerk, die beloofde een moeder te zullen zijn voor hare kinderen, is inderdaad een financieele onderneming geworden van een eerzuchtige priesterschap, die vooral door haar reliquieën-vereering het bijgeloof in de hand werkt en de menigte brengt tot groots geldelijke offers, ten bate van haar tijdelijke belangen.
Als men de boven beschreven toestanden kent, dan vraagt men zich onwillekeurig af: hoe is het mogelijk dat verstandige en goede menschen nog tot de Katholieke kerk kunnen hooren of zelfs tot haar willen overgaan? Er zijn toch zielkundige raadselen. De Heer J. A. Alberdingk Thijm was toch een achtenswaardig man, uitblinkend door karakter en gaven, hoe is het mogelijk dat zulk een man altijd beweerde „Catholique avant toutquot; geweest te zijn en zelfs een Da Costa durfde toezingen:
„Ach, dierf ik, wat gij derft — de Heer is mijn getuige — \'k Bracht myn geloof den doodsteek toe: —
En daarom — schoon mijn hart niet voor uw dwaling buige — Gun, dat ik plicht van ootmoed doe!—
Dr. Schaepman is toch een achtenswaardig man. Geen gezelliger causeur is denkbaar! Wat een humorist aan tafel! Wat een charmeur in gezelschap! Hoe is het mogelijk, dat zulk een geleerde en levenslustige man zich nog altijd leent voor feest-predikaties bij dwaasheden als de Maastricht-sche reliquieën-vereeniging, en in den Paus van Rome een stedehouder van Christus op aarde kan erkennen en hem kan toezingen (Nieuwe Gedichten p. 13;:
„Wij bidden en wij weenen
Van schaamte, smart en rouw Maar door de tranen henen Weerklinke onze eed van trouw:
EN HET KATHOLICISME.
Als alle wereldrijken
Gericht staan tegen u, —
Wij kunnen wel bezwijken Maar blijven trouw als nü.quot;
Dr. Kuyper is toch een achtenswaardig man. Wat een begaafdheid!... Professor, redenaar, politicus, kamerlid, demagoog... O laat ik eindigen. Hoe is het mogelijk, dat zulk een genie, zulk een fout kan begaan en met onderdrukking van zijn Protestantsch instinct, een coalitie met Rome verdedigen? \') Hoe is het mogelijk, dat ontwikkelde Protestanten tot de moederkerk kunnen terugkeeren? Hoe is het mogelijk, dat mannen als Des Amorie van der Hoeven, Jan Holland en nu onlangs weer Ds. Bruna troost kunnen zoeken bij de leer der Ultramontanen? Dit zijn dingen waar men voor staat. De Spreukendichter noemt eenige dingen op, die hem te wonderlijk zijn, als daar zijn: de weg van den arend in den hemel, de weg van een slang op een rotssteen, de weg van een schip in het hart der zee... maar ik zou er bij willen voegen... de weg der logica in het hoofd van een verstandig man, die heil verwacht van Rome.
109
De Katholieke kerk is een verderfelijke macht op aarde, maar.,. maar — en nu volgt een gewichtige tegenstelling, — welke bezwaren men tegen haar leer en praktijken moge hebben, erkend moet worden, dat zij de tempelbewaarster is en blijft van de kunst, van de schoonheid, van de Diana en poëzie. Allard Pierson zegt in zijn „Intimisquot;, p. 47, na de eerste kennismaking met het Katholicisme in België:
l) Dr. Kuyper -wordt niet door aesthetische, maar door intellectualistische motieven gedreven. Hij plaatst het Calvinisme en het Katholicisme met hun supranaturalisme tegenover het naturalisme van de beginselen der Revolutie. Zijn reusachtig verstand misleidt zijn spontaan gevoel. Zjjn intellectualism» verzwakt zijn Protestantsch instinct. Hoe is het mogelijk?
110 DE KATHOLISCHE HOFKIECHE VAN DRESDEN
„Een onbekende wereld ging mij open ... Een deel mijner liefde werd zij machtig, de hoogbejaarde moeder van ontelbare kinderen. De biddende architectuur der eerbiedwaardige Kathedrale, het welluidend koorgezang, de wierook met hare geheimzinnige wolken, de schilderstukken met hunne sombere schaduwen, en dat statig altaar, waaraan Gods tegenwoordigheid wonderlijk verbonden is, het heeft alles zijn machtigen indruk nagelaten op mijn gemoed. Ik heb geklaagd met den diepen minor van het klagende miserere, ik heb gejuicht met den breeden major van het juichend gloria.\'quot; — En wil men verder de bewondering hooren van een wereldling, een frivool artist, een viveur, die onlangs tot bekeering kwam, dan moet men eens luisteren naar Huysman\'s „En routequot;, pag. 407. De bekende Fransche schrijver vertelt daar, hoe hij het eerst onder den indruk is gekomen van de machtige kunst der Katholieke kerk en hij geeft onder meer in verrukkelijk proza een be-schrijvicg van den cyclus der liturgische kerkzangen, die in den loop van het gansche jaar worden gezongen en de groote heilsfeiten verheerlijken von het drama der Christelijke prediking. Tijdens het Kerstfeest verneemt men de afwisseling van het „Jesu Kedemptorquot; en het „Adeste fideles,quot; en nog weken lang, als men zich Christus mag denken toenemende in genade bij God en bij menschen, hoort men den nagalm van het „Gloria in excelsis.quot; Langzamerhand nadert men de lijdensdagen en men verneemt het voorspel van de smarten in het „Misererequot;. In de lijdensweken zelve zingt het koor zijn „Attende Domine.quot; De klaagzangen schieten echter op den Palmzondag plotseling uit in jubeltonen en het „Gloria, laus et honorquot; klimt op als een fontein van geluk. Maar dit „Gloriaquot; gaat in de stille week onder in het wanhopig-bedroefde: „Stabat Mater.quot; De smart bij dood en graf
EN HET KATHOLICISME.
wordt echter overwonnen door de Paasch vreugde. Het lied der opstanding weerklinkt in het „Victimae Paschali lau-desquot; en in het „O filü et filiae.quot; Met Hemelvaart en Pinksteren eindelijk stijgt de jubel ten top. Hoog-op galmen het „Veni Creatorquot; en het „Veni Spiritus.quot; En ten slotte, — alle Christelijke emoties eindigen in de stille afwachting van het oordeel, — alle heilsliederen loepen uit op het „Dies Irae, Dies illa!quot; Prachtig is deze beschrijving! Men gevoelt de schoonheid der Roomsche liturgie. Men kan begrijpen, dat gevoelige harten altijd weer opnieuw onder de bekoring komen van deze geweldige kunst. Men kan het billijken dat de schrijver, na zijn uitweiding, plotseling afbreekt en zijn enthousiasme lucht geefc in deze woorden: „Quel immense bien-fonds de pcésle, quel incomparable fief d\'art l\'Egiise possède!quot;
Inderdaad, uit het oogpunt van kunst en poëzie is de Roomsche kerk nog altijd een verleidelijke en wegslepende macht. Men moet niet denken aan den eeredienst van een dorpskerk, waar een eenzame pastoor staat te officieeren en een boerenjongen in een goor hemd met een wierookvat staat te zwaaien. Neen, dan moet men een cathedraal binnengaan als de Dom van Keulen, als de Dom van Milaan of Notre-Dame van Parijs. De tempel zelf is daar getuige van de heerlijkste architectuur. Het machtige geloof is daar belichaamd in hoog strevende zuilen en machtig-gebouwde gewelven. De atmosfeer is vreemd en bedwelmend van de wierooklucht. Het licht is gedempt en wordt mat gebroken door kleurrijke vensterglazen, die allen de heerlijkheid van Gods Woord verkondigen. De omgeving, de geweldige ruimte, de plechtige stilte in die ruimte zijn reeds op zich zelve aangrijpend. En aan het einde van het heiligdom, in de koor-omsluiting, staat het altaar, vol met brandende kaarsen, symbolen van reinheid en waarheid.
111
112 DE KATHOLISCHE HOPKIRCHE VAN DRESDEN
En voor dat altaar staat een priester in goudbestikt misgewaad en naast hem terzijde staan twee koorknapen met bronzen wierookvaten en rondom staat een veeltallig priester-college, grijsaards, mannen, kinderen, allen in goud en wit. De officieerende priester stamelt een enkel woord, hij knielt en het gansche koor van mannen en kinderstemmen
valt in..... de geweldige orgels dragen de menschenge-
luiden op hun machtige muziek opwaarts naar boven, naar den hemel, naar God... Plotseling zwijgt het koor, de mannen zwijgen, de kinderen zwijgen, de orgels zwy-gen... allen knielen neer en bidden... allen bidden.... slechts de twee koorknapen staan en terwijl allen bidden, zwaaien zij hun vaten met wierook, en hooge wolken rook klimmen op en dragen de gebeden zachtjes omhoog naar boven, naar den hemel, naar God... O, op zulk een oogen-blik gevoelt men de bekoring der Katholieke kerk! De hardnekkigste Protestant geeft zich een oogenblik gewonnen. Hij is ontroerd, bewogen, aangegrepen. Hij bidt mede en hij denkt aan het woord der Openbaring: „En als Hij, de Christus, het boek genomen had, vielen de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der Heiligen.quot;
Ja, door haar vorm, haar kunst, haar goud en haar zilver, haar muziek en haar zangen, haar priesterkoren en altaar-verlichting, door haar prachtige heiligdommen en heerlijke schilderwerken, sleept de Katholieke kerk soms een oogenblik mede, — doch ook slechts maar een oogenblik. Tot zich zeiven gekomen zegt de mensch telkens weer: „De Katholieke kerk heeft en houdt invloed voor zoover zij Christelijk is, maar het Christelijke is zoo vermengd met Heidensche bestanddeelen, dat het in die omgeving de liefde der edele hoofden en harten voor altijd
EN HET KATHOLICISME.
heeft verloren.quot; — De zonde der Roomsche kerk ia dat zij geen geestelijke macht is gebleven, maar de wereld binnen haar muren heeft toegelaten. Treffend zagen wy •dit, als het ware symbolisch, in de Katholische Hof-kirche van Dresden, waar wij, gelijk ik reeds zeide, een wereldsch concert in de kerk, na den dienst, mochten bijwonen. — Sinds jaren is dit misbruik in de Roomsche kerk reeds binnen geslopen. Viotta geeft hieromtrent in ■den „Gidsquot; van Mei 1898 p. 397, een citaat van Wagner. Hij zegt daar: „De eerste stap tot verval der ware katholieke kerkmuziek was de invoering der orkestinstrumenten. Daardoor en door haar steeds vrijer en zelfstandiger gebruik is de religieuze uitdrukking met een zinnelijk tooisel belast, dat haar een gevoelige schade heeft toegebracht en van zeer nadeeligen invloed op het gezang is geworden. De virtuositeit van den instrumentalist heeft eindelijk den zanger tot gelijke virtuositeit uitgedaagd, en weldra drong de wereldsche smaak voor opera\'s geheel in de kerk in... Door het aanstellen van kostbare zangers, voornamelijk van castraten, werd den componisten de taak opgelegd, acht te geven op het exploiteeren van deze talenten, en de gezamenlijke kerkmuziek, die tegenwoordig (1851) nog de te gebruiken voorraad voor den muzikalen godsdienst uitmaakt, behoort tot op enkele, hier en daar en in de ■enkele deelen verspreide uitzonderingen, tot deze terecht als verwerpelijk en den gezonden religieuzen geest letterlijk bespottende richting.quot;
Dit haalt Viotta aan. Ik ben geen muziekkenner en kan niet over den algemeenen toestand van muziek en zang in de R. Katholieke kerk van den tegenwoordigen tijd oordeelen. Ik kan alleen zeggen, dat ik alles, wat hier boven gezegd werd, letterlijk zoo gezien heb in de Katholische Hofkirche van Dresden. De plechtigheid maakte een aller-
Souvenibs ex Phantasieën. 8
113
114 DE KATHOLISCHE HOFKIRCHE VAN DRESDEN
onaangenaamsten indruk. Een priester van weinig welsprekendheid had een half uur de heerlijkheid van het misoffer verkondigd. Onder zijn toespraak stroomde een groote menigte binnen. De menschen luisterden schijnbaar onverschillig toe. Protestanten en Roomschen werden als de bokken van de schapen gescheiden. De Roomschen mochten gaan zitten. De Protestanten, die geen misboekje bij zich hadden of geen kruis sloegen, werden door een custode naar de zijgangen verwezen. Klokslag elf uur eindigde de priester zijn onbelangrijke toespraak. De kerkmuziek begon. Na enkele oogenblikken tijds meende men in de opera verplaatst te zijn. Trompetten schetterden. Hooge vioolpassages wisselden het geschetter der trompetten af. Mannenstemmen hieven hun bassenkoor aan en eenige dames gilden met hooge sopranen hier tusschen door. De menigte liep vrijmoedig door de zijgangen heen en weer, als de foule door een concertzaal. Alle wijding was verdwenen. Het was een mondaine matinee. Ik kon geen programma machtig worden van hetgeen werd gezongen, maar het geheel maakte een zeer wereldsche impressie. Voor ons Protestanten was het een welsprekend zinnebeeld van hetgeen de vloek is van de geheele R. Katholieke kerk. Het zuivere Evangelie is er niet meer. Er wordt geen rekening meer gehoudan met de eeuwig-menschelijke behoeften der zondaars-ziel. Het Heidendom is er binnen gedrongen. De wereld zit er op den troon. De kerk is er een staat en de godsvrucht een politiek geworden.
De dagen der Roomsche kerk zijn geteld. Het Christendom in zijn geheel mag, omdat het een bovennatuurlijke openbaricg is, wetenschappelijk niet te bewijzen zijn, het zal eeuwig wezen, omdat het alleen de behoeften van het menschelijk hart bevredigt. Maar de Roomsche kerk zal daarom vallen, omdat zij door haar Heidensche bestand-
EN HET KATHOLICISME.
deelen, waarvan zij zich nooit meer zal kunnen zuiveren, zonder haar bestaan op te geven, voor verstand en hart te ver afwijkt van het oorspronkelijke Christendom, dat wij in den Bijbel vinden en waarop zij toch nog altijd heet gegrond te zijn. Wij Protestanten behoeven waarlijk niet zoo bang voor haar te zijn. Wij behoeven onze kracht niet te zoeken, gelijk wel eens gebeurt, in het opdisschen van dwaze verhalen over pastoors en nonnen. Wij behoeven geen caricaturen te maken, gelijk reeds in de dagen der Hervorming geschiedde, — platen en prenten, waarop wij in een weegschaal een Paus te licht laten bevonden worden of waarop wij een bisschop en een abdis in den maneschijn den wijngaard des Heeren laten verwoesten. Dat zijn ongepaste aardigheden. Laten wij ons groot houden. De dagen van het Katholicisme zijn voorbij. De zuidelijke landen gaan allen in eigen ongerechtigheid ten onder. Oostenrijk, Italië, Spanje en misschien zelfs reeds Frankrijk, de E. Katholieke landen bij uitnemendheid, zij zijn reeds de minderen van de Protestantsche natiën. Het recht Gods wordt voltrokken. Terecht zegt Prof. Bolland („Het Wereldraadsel,quot; p. 608): „De betrekkelijke duurzaamheid der Room-
sche kerk____is een ingebeeld voorrecht... Het zal haar
gaan zooals het eens het oude West Romeinsche rijk vergaan is, dat door inwendige vermolmdheid ineen stortte. De kunstmatige rust des kerkhofs kan de hopelooze vermolmdheid harer leerlingen niet wegnemen en door het uitvallen van het eene steentje na het andere zal ook des Pausen kerk ten leste toch den weg van al het tijdelijke moeten gaanquot;. — Zoo zegt Bolland en hij heeft gelijk. Ik weet het, diezelfde geleerde voorspelt den ondergang van het dogmatisch Christendom en de Protestantsche kerkgenootschappen. En het kan zijn, dat er nog veel dogmatiek kan gemist worden en nog vele kerkgenootschappen zullen
115
116 DE KATHOLISCHE HOFKIECHE VAN DRESDEN ENZ.
verdwijnen, maar — de Christus blijft! Het volksbewustzijn van Israel, de gave van het profetisme, de Mes-siaansche profetieën en ten slotte de Messias zelf, zij zijn vooralsnog even zoovele mysterieën, waarbij de wetenschap duizelt en maar niet natuurlijk kan verklaren. De Christus, de Zoon van God, de Heiland der wereld, de Weg, de Waarheid en het Leven, — Hij blijft. Laten wij Protestanten ons aan Hem vastklemmen. Laten wij onze dogmatiek niet anders beschouwen dan als een zwakke proeve om het goddelijke, dat wij ervaren, ook maar eenigszins by benadering uit te drukken. Laten wij ons tevreden stellen met een rein en heilig leven in gemeenschap met den Christus te leiden! — O, wij Protestanten, wij gunnen de Eoomsche kerk de poëzie van haar cathedralen en schilderijen en kerkzangen, — wij zijn tevreden met onze eenvoudige bedehuizen, als wij daar maar kunnen blijven zingen:
„Wien heb ik nevens u omhoog?
quot;Wat zou myn hart, wat zou mijn oog Op aarde, nevens u toch lusten?
Niets is er, daar ik in kan rusten:
Bezwijkt dan ooit in bitt\'re smart,
Of bangen nood, mijn vleesch en hart,
Zoo zult Gy zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!quot;
IX.
DE S1XTIJNSCHE MADONNA EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
Dresden is, gelijk wij reeds zagen, een merkwaardige stad, maar haar hoogste roem is de Gemalde-Galerie. Deze schilderijen-verzameling kan wedijveren met de Pitti en Ufflzi van Florence, met het Louvre van Parijs en de National Gallery van Londen. Het gaat niet aan er hier een beschrijving van te geven. De uitnemende catalogus van Carl Woer-man, die slechts de noodigste aanwijzingen geeft, is reeds een boek van ongeveer duizend bladzijden. Ik wijs slechts op enkele meesterstukken uit de enorme collectie, die mij bizonder, hetzij door haar kleur, hetzy door haar samenstelling, hetzij door haar gedachte getroffen hebben. Hier bevindt zich een buitengewoon schoon stuk van onzen Rembrandt, „Het offer van Manoahquot;. Wij zien op dit doek den vader van Simson, met zijn vrouw neergeknield in gebed bij het altaar, om de geboorte van een zoon van den Hemel af te smeeken. Schooner voorstelling is niet denkbaar. Manoah is het ideale type van den mensch, die door het gebed in God geheel verzonken, verloren is. De wankele houding van den geknielden man, de opgeheven handen, het absoluut vrome van het gelaat, toonen dat de geest van den godvruchtige als het ware niet meer op aarde, maar bij God Is. Rembrandt maakt dit heilige gebed verder als het ware zichtbaar, tastbaar, concreet, doordat hij uit de vlammen van het altaar een engel, symbool des gebeds, ten Hemel laat stijgen, om de vraag van den smeekeling voor den troon der genade te brengen. Op de
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
120
tentoonstelling van Amsterdam heeft de algemeene aandacht getrokken het vrouwtje, dat in den Bijbel heeft gelezen en nu over het gelezene nadenkt. Ook in deze voorstelling had men iets van niet meer op aarde zyn, maar in den Hemel leven, dat weggezonken, in zichzelf en in God verloren zyn. Welnu, — op nog aangrijpender wijze is deze gedachte belichaamd in het „Gebed van Manoahquot;. — Jan Steen is hier ook in kostbare stukken vertegenwoordigd. Opmerkelijk is vooral zijn „Wegzending van Hagar.quot; Wonderlijk is toch de menschelyke natuur; een karakter verloochent zich nooit! Jan Steen kan ook in de ernstigste onderwerpen zyn grappigen blik op de dingen niet afleggen. Al de ernst van den schilder leeft in de prachtige gestalten, op den voorgrond, van Abraham en de slavin, een tooneel van aangrijpende schoonheid, weemoed geworden koloriet. Maar de luim van den schilder ligt in de schaduw van den achtergrond. Als men goed kykt, ziet men in het schemerduister Sara zitten, met een allergemeenste oude-vrouwen-tronie, gebogen over Isaac, een echten vullen Joden-jongen, dien zij „vom Ungeziefer reinigt.quot; Echt, typisch echt! Die oude Xantippe, die dat vuile Joodje schoonmaakt en met één oog loenscht In de richting van haar man en haar dienstmaagd! — Merkwaardig vind ik verder een klein schilderijtje van Francisco Ubertini. Ik zal niet zeggen, dat de compositie en de kleur zoo zeldzaam mooi was, maar de gedachte van dat doek was de belichaming van een treffende legende, die ik wensch meê te deelen. Een koning lag op sterven, en al stervend sprak hij tot zijn drie zoons: „Wanneer ik van u zal weggenomen zijn, moogt gy myn lyk nemen, het aan een boom nagelen en tot doelwit van uw pijlen maken. Wie myn hart treft, zal myn opvolger zijn.quot; — De koning sterft. De wedstrijd zal plaats hebben. De jury,
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
die de uitspraak moest doen, belegde een vergadering. Het oogenblik der beslissing was gekomen. Daar treden de drie zoons, met boog en pyl gewapend, naar voren. De oudste schiet eerst en treft den vader in het hoofd. De tweede volgt en treft den vader in de borst. — Daar zal de derde zoon zijn geluk beproeven, maar terwijl hij zich in postuur zet, den pijl op den boog legt en het koord spant, huivert hij plotseling terug voor het bloedend lichaam van zijn vader. Hy wendt zich om. Hij werpt zijn boog ter aarde. Hij wil niet meêdingen. — Daar staan de rechters op en roepen: „Gij zult koning zijn! Gij hebt het hart van den vader getroffen!quot; — Ten laatste zou ik nog kunnen me-moreeren een schilderij van Garofalo. Op dit schilderij aanbidt Maria, de moeder, haar eigen Goddelijk kind, terwijl op den achtergrond een Engel van het lijden nadert met zweetdoek en doornenkroon. Het is een tooneel, dat Pol de Mont verklankt heeft in de volgende schoone verzen („Iris,quot; pag. 124):
„Twee (Engelen) hielden hun opengevouwen wieken
Als een levenden hemel over het Wicht:
Hun kleed geleek op het morgenkrieken
En van hun aanzicht straalde licht.
En ieder op zijn hoofdje droeg Een vonkelend rooden rozenhoed.
Een enkele stond ter zij, alléén,
En waagde het niet vooruit te trêen.
En zag met oogen vol getraan Van ver het slapend Kindjen aan:
Die droeg op \'t hoofd een doornenhoed Zijn handen en voeten dropen van bloed!quot;
Ten allerlaatste, — de merkwaardige doeken zqn zoove-len, dat men er niet over kan eindigen, — maken wij nog
121
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
opmerkzaam op een schilderij van Andrea Vaccaro, die Christus voorstelt, nedergedaald ter helle, waar zelfs zijn eigen moeder voor Hem schrikt en wegvlucht; van Giordano, die laat zien, dat iedere martelaar zijn troosteresse heeft en den H. Sebastiaan afbeelt, van pijlen doorboord, maar door Irène geholpen en bemind; van Eibera, die de hemelsche blijdschap verkondigt van den vrome te midden van smart en lijden en ons den H. Franciscus teekent, liggende in de doornen, maar uit die doornen opziende naar boven en aanschouwende vizioenen van zingende Serafijnen en Cherubijnen, die hem moed inspreken; van Zurbaran, die de godsvrucht der middeleeuwen symboliseert in den persoon van Bonaventura, den heilige, die, bij der kardinalen oneenigheid over de benoeming van een Paus, op het gebed een Hoofd der Kerk zou aanwijzen; — van Gerard, die Napoleon schildert op het oogenblik van zijn grootste macht, in hermelijnen keizersmantel, terwijl hü in de ééne hand vastklemt den wereldbol, in de andere een scepter, een manus justitiae, — een imposante voorstelling, en aangrijpend pendant van Achardsons kleurdicht, die denzelfden Napoleon teekent met bleek gelaat, wanhopig heenstarend naar het Westen van het dek van den Bellerophon, die hem voor altijd naar St. Helena zou voeren ; en ten besluite noemen wij nog het doek van Grosse, die in zijn „Seelen-landungquot; ons een boot laat aanschouwen op de wateren des doods, en in die boot een schare van gestorvenen, die uit het land der levenden overgebracht worden naar de gewesten der eeuwigheid door een Engel, die met uitgespreide vleugelen in het midden staat bij de mast, een Engel „der jede Menschenkunst versmahend, der Flügel statt der Ruder und der Segel nur bedarf.quot;
Dit alles vinden wij in de Gemalde-Galerie van Dresden. Het is schoon, en toch het allerschoonste is het niet. Het
122
EN HET VBOTTWELIJK IDEAAL.
123
allerschoonste is de Sixtijnsche Madonna van Raphael. De Sixtynsche Madonna! — Raphael heeft veel sublime werken gemaakt! Da Costa zegt ergens: „En wat uit Abrams heup geboren wordt, is koning,quot; maar zoo zou men van sommige meesters in de kunst zeggen: „Wat uit hun brein geboren wordt is schoon!quot; Sommige menschen zijn zoo wonderbaarlijk geniaal, dat zij niets kunnen aanraken met den tooverstaf van hun genie, of het wordt iets bi-zonders. Zoo heeft ook Raphael een schat van heerlijke werken nagelaten. Men kan zoo moeilijk zeggen: „Dit of dat doek is nu het allermooiste.quot; En toch doet men onwillekeurig voor zichzelf een keuze. Ik zag van Raphael den „Sposalizioquot; in Milaan. Dit doek stelt voor de verloving van Jozef en Maria. Het werk is ontegenzeggelijk belangrijk. De kleur is frisch, de gedachte rein als de lelie, die de bruidegom biedt aan zijn bruid, maar de compositie is nog lang niet volmaakt. Men herkent den arbeid van den 21-jarigen jongeling. De figuren zijn te houterig, te dwaas, te stijf. De leerling schijnt hier nog naar zijn procédé te zoeken. Hij is nog onzelfstandig. Hij is nog te veel onder den invloed van zijn leermeester Perugino. De „Madonna degli Ansideiquot; die bewaard wordt in de „National Galleryquot; staat nog niet veel hooger. Raphael mag mogelijk een paar jaar ouder geweest zijn, toen hij dit onderwerp behandelde, — het geheel is nog te middel-eeuwsch. Johannes de Dooper kijkt te dweepziek op naar boven, Nicolaas van Bari te stijf naar beneden en de Heilige Maagd zelve is te popperig. Ook dit is nog Jugendarbeit. De houdingen zijn nog niet flink, de standen nog niet schilderachtig, de draperieën der kleedij nog niet rijk en zwierig. Hooger staat de „Heilige Caeciliaquot; van Bologna. Hier begint de schilder zichzelf te worden. De figuren krijgen geest en leven. De uitdrukking der gelaatstrekken is ideaal-
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
verheven en toch natuurlijk. De kleedij is rijk geplooid en ongekunsteld los. De gestalten zijn schilderachtig gegroepeerd. Kleur, toon, houding, compositie, alles werkt mede om aandacht en bewondering te wekken, waar de Heilige onder haar harpspel verstomt bij het vernemen van de hemelsche muziek der Engelen en... terwijl zij opziet naar boven, haar instrument, gebroken, ter aarde laat vallen. Hier is de volwassen man aan het woord. Hier begint het genie zijn vleugelen uit te slaan. Maar... boven dit alles staat de Sixtijnsche Madonna uit den bloeitijd van Kaphaels kortstondig leven, een werk in Rome gemaakt, waarschijnlijk tusschen de jaren 1516 en 1519. Raphael heeft in deze zelfde periode veel Madonna\'s geschilderd... de Madonna di Foligno, de Madonna del Pesce, de Madonna della Sedia, de Madonna di S. Sisto, de Madonna di Loreto, de Madonna dell\' Impannata, maar boven al deze Madonna\'s straalt en schittert als Raphaels heerlijkste schepping de Sixtijnsche Madonna uit de Galerie van Dresden.
De Sixtijnsche Madonna. — Naar Cnidus werden in de oudheid reizen gedaan alleen om de Venus van Praxiteles te kunnen bewonderen, maar naar Dresden doet men tegenwoordig reizen, om de schilderij van Raphael te zien. De Sixtijnsche Madonna. — O, ik herinner mij dat onze Rector eenmaal onder een les op het gymnasium verhaalde, hoe blijde hij geweest was by een reis door Italië onder de duizende Heiligen-voorstellingen één vroolijk Jan Steentje, een nuchter stukje Holland te ontdekken in een museum van Venetië, — maar komende uit ons nuchter Holland en reizende door het praktische Duitschland, deed het mij goed dezen schoonen Raphael, dit stukje idealistisch Italië te vinden. De lucht werd blauw, de hemel ging open. Engelen-melodieën werden vernomen. En nü zegt de Heer Albert Neuhuys nog wel in de Kroniek van 28 Augustus 1898,
124
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
kort na den tijd, dat ik in Dresden was, dat ik de schilderij niet eens goed heb kunnen zien. Hij verklaart daar: „Laten zij, die nog niet gansch en al overtuigd zijn, dat men bij de plaatsing van een schilderij de intentie van den kunstenaar en het doel, waarvoor het schilderij geschilderd wordt, dient in acht te nemen, laten zij naar Dresden gaan en kijken naar de beroemde Sixtijnsche Madonna, die wegens reparatie van de nis, kapel of hoe men het ook moge noemen, waar zij gewoonlijk hangt, tijdelijk een andere plaats heeft gekregen. Het schilderij doet nu niets meer; men ziet de groene draperie, die anders mee moet helpen tot het sublime geheel, veel te veel; het wordt plat en men loopt het voorbij.quot; — Dit is kras. Toen ik het stuk mocht zien, stond er letterlijk een foule voor. Er was geen plaats te bekomen. Eenige dames lagen in schoonheidsbez wij min g op de rustbank voor de schilderij en het duurde een half uur, vóór zij uit haar bedwelming ontwaakten en anderen plaats maakten. Het meesterstuk bleef sublime, ook bij slechte plaatsing, en trok aller aandacht. Maar wanneer het doek reeds zooveel attentie trok, verstrooid als het was tusschen honderd andere schilderijen, hoeveel te meer moet het werk, naar de juiste opmerking van den Heer Neuhuys, bewondering wekken, wanneer het hangt, geïsoleerd, in een ernstig milieu, in een kader van nis en kapel met passende ornamenteering.
De Sixtijnsche Madonna! — Welk een verrukkelijke combinatie van vorm en idee, van kleur en conceptie, van lijn en expressie, van Hemelsche genade en aardsche aanbidding, van moeder en kind, van menschen en Engelen, van phantasie en werkelijkheid! — Het gelaat der Madonna is ovaal. De wangen z\\jn echter jeugdig gevuld. De complexie is van donkere zuidelijke tint. De sprekende
125
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
126
groote oogen hebben iets onzegbaar reins en zachts. De by na Grieksche neus is iets, een weinig, een klein weinig gebogen. De vast gesloten mond is fijn besneden. Het voorhoofd is blank en hooggewelfd onder het op de kruin gescheiden haar. Luchtig treedt de Jonkvrouw op een wolk, als op een natuurlijk element, uit twee opengeslagen groene gordijnen naar voren, zoo luchtig, dat zij met den linker, geheven voet een tweede schrede schijnt te willen doen en al het gewicht van de bevallige gestalte op den rechter enkel schijnt te laten drukken. De geheele figuur is enkel kalme beweging en leven. De jonge moeder draagt een veelkleurig, rijk geplooid gewaad, van blauw en rood aan keurs en mouwen. Zij drukt tegen den witten halsdoek van haar borst, in gelen draagband, het kindeke Jezus. Het kindje is naakt. Het speelt met handjes en knietjes en kijkt zoo groot-ernstig de wijde wereld in. — De Heilige Sixtus staat links omlaag in goud en purper van tunica en soutane. Hij ziet op naar boven naar de begenadigde en wijst met de rechterhand naar de Christelijke gemeente, die men vóór de schilderij moet denken. Rechts tegenover Sixtus staat de Heilige Barbara, in grijs en groen en geel en blauw. Zij is enkel peinzende extase. Zij vertegenwoordigt het geloof der gemeente. — De Maagd, het kindeke Jezus op haar armen, Sixtus en Barbara terzijde. — zij vormen te zamen een bovenaardsch tafreel van volmaakte schoonheid en liefde, van ernst en geluk, van geloof en vertrouwen. En onder dit tafreel liggen, als rustend op de vensterkozijnen des Hemels, twee Engeltjes, als twee gevleugelde Amortjes. De armpjes zijn mollig en liggen rustig over elkaar gekruist, hun groote heldere oogen slaan zij op naar boven, zoo ernstig, als schouwden zij in een Hemel, niet van heerlijkheid, maar van smart en lijden. — Dit alles is de Sixtijnsche Madonna, — en nog veel meer.
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
quot;Want geen pen kan de wonderlijke bekoring beschrijven, die het genie hier heeft weten te scheppen uit gedachte, beeld en koloriet.
De Sixtijnsche Madonna! — Waarom blijft haar gestalte zoo boeien? — Al de andere Heiligen der Koomsche kerk hebben hun beteekenis voor ons verloren. Petrus ontving de sleutels van den Hemel; Paulus kreeg het zwaard des geestes; Andreas stierf aan een Andreaskruis, twee palen kruiselings over elkaar geslagen; Bartholomeüs werd levend gevild; Laurentius op een rooster gebraden; Hippolytus aan de staart van een paard vastgebonden; de heilige Nicolaas spijzigde de hongerenden van Myra; Anconius predikte het Evangelie aan de visschen; St. Hubertus ontmoette een merkwaardig hert, dat een kruis had tus-schen zijn horens; St. Guthbertus werd als Elia gevoed door de vogelen des hemels. De heilige Januarius laat zelfs zijn beelden tranen schreien, Jean de Capistranus wandelde als Christus op de wateren, Rochus bestreed de pestilentie, George doodde den draak, Franciscus kreeg de wonden van den Heiland, de heilige Agnes kwam om door dolksteken, Thecla werd voor de leeuwen geworpen, Agatha zag zich door gloeiende tangen de borsten afgeknepen, Christina werd verdronken, Catharina van Alexandria werd geradbraakt, Catharina van Sienna werd met Christus verloofd, Ursula kwam om met 11000 maagden bij Keulen, Theresia heeft nooit getwijfeld, Perpetua, Felicitas, Brigitta,
Blandina____ maar laat ik eindigen. Al deze Heiligen,
martelaren en martelaressen, — al deze helden en heldinnen der „Acta Sanctorumquot; hebben ons niets meer te zeggen. Met een glimlach zien wij naar hun aureool en sceptisch aanschouwen wij hun lijdens-tafreelen. Wij kunnen niet mede doen aan hun vereering en wachten ons voor een apotheose. Maar de Madonna, maar Maria, de moeder
127
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
des Heeren, — zij blijft ook voor ons nog altijd een be-weldadigde, een gezegende onder de vrouwen!
De Madonna! — De Katholieken gaan te ver. Zij hebben haar tot een godinne gemaakt en aangebeden. In climax hebben zij haar goddelijke eer toegebracht. Sprak men de eerste eeuwen na het ontstaan van het Christendom van haar reine geboorte en noemde men haar Osoióyog d. i. moeder Gods, — langzamerhand heeft men haar heiligdagen gaan wijden. Men vierde Maria-Reiniging. Maria-Boodschap, Maria-Hemelvaart. Men schiep de legende van haar ouders Joachim en Anna en hun merkwaardige verloving. In de 12de eeuw werd Maria reeds de Koningin des Hemels genoemd en, — hoe is het mogelijk in onze verlichte XIXde eeuw? — in het jaar 1854 gaf Pius IX als grootste weldaad aan de Christenheid het dogma van haar „Onbevlekte Ontvangenis.quot; Maria is geproclameerd niet slechts tot Koninginne, maar tot Godinne des Hemels, en tot ergernis van alle waarheidlievende gemoederen is dit feit vereeuwigd door een bronzen plaat, die in het koor van de St. Pieterskerk is ingemetseld en waarop wij lezen: „Pius IX, Pontifex Maximus, heeft deze patriarchale basiliek op den 8en dag van December in het jaar 1854 de dogmatische definitie van de Onbevlekte Ontvangenis der Moeder Gods en Maagd Maria bij eene plechtige godsdienstoefening uitgesproken, en daardoor de wenschen der geheele Katholieke wereld vervuldquot; (zie G. J. P. J. Bolland. „Rome en de Geschiedenis,quot; p. 51.) — Duizenden bij duizenden zenden thans, misleid door onkundige priesters, dagelijks meer gebeden op tot de Madonna dan tot Jezus Christus, die volgens de H. Schrift de eenige Zaligmaker is van zondaren. Het „Ave Maria, ora pro nobisquot; hoort tot de natuurlijke verzuchtingen.
Het is deze Heidensche creatuur-vergoding, die ons
128
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
Protestanten, dikwijls belemmerd heeft, Maria haar eer te geven en toch, — de moeder des Heeren blijft ook voor ons een aantrekkelijke gestalte. Niet vergeefs staat er geschreven, dat de toekomende geslachten haar zouden zalig prijzen. — O, wij hebben medelijden met haar als zij bij het kruis staat en het zwaard, dat Simeon haar voorspelde, haar door de ziel gaat. Wij voelen nog altijd voor den middeleeuwschen kerkzang die haar verheerlijkt:
„Stabat mater dolorosa Juxta crucem lacrimosa,
Qua pendebat filius,
Cuius animam gementem Contristantem et dolen tem Pertransivit gladius.quot;
door Vondel zoo schoon vertaald als hij zingt:
„Jezus\' nat bekreten moeder Stond bij \'t kruis, daar ons Behoeder,
Haar beminde Zoon aan hing;
En haar docht, terwijl zij staarde,
Hem betreurde en drukkig waarde,
Dat een zwaard door \'t harte ging.quot;
Maar voelen wij mede met Maria bij het kruis, wij hebben ook de jonge moeder zoo lief, — de Madonna met het kind. — De Madonna, met het kind in haar armen, blijft voor alle eeuwen het reine beeld van het ideaal-vrouwelijke. De voorstelling van de moeder en het kind mag zoo oud zijn als de wereld zelve, en reeds lang vóór het ontstaan van het Christendom mag men Isis verheerlijkt hebben met Horus op den arm en Irène met Plutus aan den boezem, — wij zien in Maria en het kindeke Jezus het symbool van het hoogste vrouwelijk ideaal. Duizenden hebben getracht dit ideaal aanschouwelijk te maken. Bol-
SOUVENIKS EN PHAXTASIEËX. 9
129
DE SISTIJNSCHE MADONNA
traffic en Bordone, Mantegna en Angelico, zij allen hebben dit onderwerp ter hand genomen. Raphael mag den roem hebben aan de liefeltjke voorstelling de hoogste uitdrukking gegeven te hebben in de „Sixtijnsche Madonnaquot;.
De Sixtijnsche Madonna! — Het is zoo goed op haar als het vrouwelijk ideaal te wijzen, waar in onzen tijd sommige richtingen het karakter, den verstands- en den ziele-adel der vrouw miskennen en de vrouw zelve, zich verdedigend, dikwijls gevaar loopt, den man te willen evenaren en daardoor haar hoogere, haar eigenlijke roeping uit het oog te verliezen. — Daar zijn tijden geweest, toen men de vrouw veel hooger stelde dan tegenwoordig dikwijls het geval is. De dichterlijker middeleeuwen hebben, waarschijnlijk mede onder invloed van de Mariavereering, een eeredienst van de vrouw gekend als later nooit meer is aanschouwd. Petrarca vereerde zijn Laura, Dantezijn Beatrice, Abélard zijn Heloïse. De edelvrouwen zaten voor bij alle tournooien. Ridders kenden geen andere leuze dan pour Dieu et ma belle. Wij behoeven maar de namen te noemen van Don Quichotte en Dulcinea, van Tristan en Ysolde, van Walewein en Isabele, en wij denken onmiddellijk aan den grooten eerbied, dien men in dit tijdperk der geschiedenis koesterde voor de dame de ses pensées en de vrouw in het algemeen — Onze XIXde eeuw heeft de vrouw door het sljjk gesleurd. Napoleon heeft aan het begin van onze eeuw een nieuwe, verachtelijke beschouwing van de vrouw in de wereld gebracht, en door de invoering van schandelijke wetsartikelen zijn daemonischen stempel gedrukt op den tegenwoordigen vrouwen-cuitus. Terecht zegt Dr. Siegmar Schultze in zijn „Die Zeitseele in der modernen Litteratur und Kunst, Zwei Kapitel: Die Weib-und die Natur-Auffas-sungquot;, p. 35: „Es zeigt sich in der modernen Weibauffassung ein Niedergang unserer Zeitseele, eine Entartung und
130
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
Ueberreiztheit in ihrer Empfindung. Nur der Schwachner-vige, der Selbstvertrauenslose sucht etwas Damonisches und Verderblich-geheimnisvolles in der natürlichen Erschei-nung, auch in dem Weibequot;. — Dit is waar. De nieuwere literatuur spreekt over het geheel genomen schandelijk; over de vrouw. Lees Barbey d\'Aurevilly, Beaudelaire, Flaubert, Zola, Barrès, Ibsen en Strindberg, — zij allen stellen de vrouw voor als een gevaarlijk schepsel, dat leeft op het gevoel en de mannen vangt in de netten van haar zinnelijkheid. Goethe en Schiller idealiseerden de vrouwen nog als priesteressen van den huiselijken haard, maar de tegenwoordige letterkunde stelt ze voornamelijk voor als zwakke onverstandige werktuigen der zonde.
Geen wonder, dat de vrouwen tegen deze beschouwing in opstand komen. Zij kunnen het niet verdragen, dat zij in het wetboek in één adem genoemd worden met de gevangenen en bedeelden. Zij komen op tegen een reglementeering, die haar arme zusteren maakt tot blanke slavinnen in onze hedendaagsche maatschappij. Zij willen het recht hebben haar eigen vermogen te kunnen be-heeren. En als de mannen ze dan voor zoo zwak en onverstandig houden, zij willen niet langer op een mogelijk huwelijk zitten wachten, maar eischen de openstelling van alle betrekkingen en ambten, zoowel voor de vrouw als voor den man. Zij durven den wedstrijd aan. Zij werpen de mannen den handschoen toe. Zij proclameeren de aequivalentie van beide sexen. En het moet erkend worden, — de vrouwen hebben gelijk. Zij zijn verdrukt, vertrapt, vernederd. Vooral in de hoogere kringen worden de meisjes allertreurigst opgevoed en de overtuiging wordt daar aangekweekt, dat de vrouw zoo ongeveer is een ornament van het leven, of le potage de l\'homme. Geen wonder, dat de flinke vrouwen deze minachting niet langer
131
DE SIXTIJNSCHE MADONNA
132
willen dragen. Geen wonder, dat Mevrouw Goekoop, Nellie van Kol, Mejuffrouw M. Meyboom en zoovele anderen den strijd met de mannen-tyrannie aangebonden hebben. Haar pleidooien tintelen van een edel vuur. Hilda van Suylen-burg heeft het gansche vaderland tot luisteren gedwongen en ons geheele volk in de ziel gegrepen. En toen Dr. Cox als een Brahmaputra met gouden sporen zijn borst begon op te zetten, heeft Nellie van Kol als een pittig hennetje hem met haar snavel in de veeren gezeten. En toen Prof. Blok ook al patriarchale bevliegingen begon te krijgen, heeft in één Spectator het driemanschap van mevrouw van Leeuwen, mevrouw Versluys en mevrouw Worp den beklagenswaardigen Hoogleeraar haar matriarchale klappen toegedeeld. Het is een éénig steekspel, tegenwoordig. En, — ik voor mij vind: ce vrouwen hebben in veel opzichten gelijk. Zij zullen overwinnen. Wanneer zij niet trouwen kunnen of niet trouwen willen, moeten zij kunnen werken. Als de werkeloozen in onze groote steden, hebben zij recht op arbeid, op degelijken, veelzijdigen, interessanten arbeid. — Maar, dit is mijn eenig bezwaar, in heur begrijpelijke geestdrift gaan zij te ver in haar feminisme. Zij zien de historie voorbij. Zij schrijven en spreken dikwijls overdreven, overspannen, overprikkeld. Zij doen alsof deze zaak nog nooit aanhangig is geweest. En toch deze vrouwen-quaestie is al zoo oud als de wereld. Aristophanes waarschuwt reeds tegen de geëmancipeerde dames. Hij maakt de vrouwen belachelijk, die ondersteld worden de meerderheid te hebben in de volksvergadering en daar het besluit doordrijven, dat geen jonge man een jonge vrouw mag vragen, „vóór eerst met de ouden en leelijken afgerekend te hebben.quot; Molière lacht om de précieuses en femmes savantes. John Knox heeft gegeven „a first blast of the trumpet against the monstrueus regiment of woman.quot; Bulwer
EN HET VROUWELIJK IDEAAL.
ridiculiseert de femioistea in zijn „Coming Racequot; en Oos-terman in zijn „Emancipatoria.quot; Waarlijk, — daar is niets nieuws onder de zon. Geen verstandig man kan voor zijn zusters of dochters of vriendinnen of voor de vrouwen in het algemeen wenschen een doelloos leven van verveling. Arbeid is arbeid. Verstand is verstand. Laten alle betrekkingen gelijkelijk opengesteld worden voor man en vrouw. Vrijheid, blijheid. Alles kan, zegt het Engelsche spreekwoord, behalve make a man a ivoman. De natuur zelve zal aanwijzen, wat de man alleen en wat de vrouw alleen kan verrichten. Maar de ondragelijke staat der verveling, waartoe thans duizende meisjes veroordeeld zijn, die niet trouwen, is verschrikkelijk en onhoudbaar. En het is kleingeestig, om tegen al die teleurgestelde schepselen te zeggen, dat zij maar kindermeid, gezelschapsjuffrouw of verpleegster moeten worden. De moed en energie moet bewonderd worden, waarmeee zij tegen den man willen concurreeren.
Maar, en — thans komen wij op ons onderwerp terug, laat de mannelijke taak van de vrouw toch steeds als een pis-aller beschouwd worden. Laten de feministen nu toch niet zoo dwaas doen en den mannelijken arbeid als een ideaal aanprijzen. Laten de vrouwen toch haar eigen karakter, haar eigen natuur en illusie\'s zuiver en hoog houden. Hélène Swarth moge de moderne Fran verheerlijken in Marie Bashkirtseff en zeggen:
„O maagd, begaafd met koningsgaven Gods!
Ik zie u, blank, in \'t blauwe licht der maan,
Hoog op een rots, omstormd van golven staan,
Alleen en pal, gelijk een beeld des Lots.
Hoog in uw rechter houdt ge uw lelievaan,
Uw rosse lokken schudt ge als manen trotsch. De meeuwen zwermen krijschende om uw rots.
Doch gü staat roerloos, zonder klacht of traanquot;.
133
DE SIXTIJNSCHE MADONNA, ENZ.
Welnu, Hélène Swarth mag zoo zingen, — ach, lees Madame de Stael en Aurora Leigh .... het einde van der vrouwen wenschen is de liefde, niets, niets dan de liefde, de liefde — Het eeuwig vrouwelijk ideaal blijve de Sixtijnsehe Madonna, de moeder met het kind. Men kan deze schilderij niet aanzien of men denkt, tegenover den kouden lofzang van daareven, aan deze schoone dichtregelen:
„Es ist der Frauen Leben, so wie ein geistlich Lied, Das nicht mit eitlem Brausen an\'s Ohr vorüberzieht, Das sich im festen Tacte nur langsam fortbewegt,
Und doch der Herzen viele mit sich zum Himmel tragt!quot;
134
X.
MI G N O N.
Reizen is een zeldzaam voorrecht, maar voor een denkend mensch een weemoedig voorrecht, want, — er is geen plekje op aarde, waar men de smart kan ontloopen. Of men dwaalt in de wijnbergen langs den Rijn, of men verpoost in de tooverpaleizen van den koning van Beieren, zoowel in de tuinen van villa Carlotta als in de lustwaranden van de Isola Bella aan het Lago Maggiore, — overal voelt men iets van een droefheid naar de wereld. De weemoed schuilt in de schaduw der myrthenboschjes, hij glimlacht droefgeestig over de rimpeling van het meer, hij sombert in de donkere kleuren van een wolkje aan den hemel, hij is verborgen achter de zonnigste lachjes en droomt zwijgend voort onder de vroolijkste gesprekken. Iedere menschenziel zingt zijn „Ellenquot;, zijn „Lied der Smartquot;, en voelt mede met de woorden van Van Eeden:
„Maar wie zal keeren \'t droef gemoed, Dat schreien doet, dat schreien doet,
Om eindelek erbarmen, —
Of toch de goede Herder kwam En \'t arme lam, nu medenam
In zijn vertrouwlijke armen.quot; —
Deze weemoed is van alle tijden en leeft reeds in de teere gevoelsrimpelingen der schoone Oostersche legende
MIGNON.
van dien koning, die zijn zoon voor de smart der aarde ■wilde behoeden.
Er was ereis een koning, — zoo beginnen alle legenden, zoo begint ook dit verhaal, — er was ereis een koning, en die koning had een zoon, en die zoon was al de trots en liefde van zijn vader. De vader had slechts één illusie: zijn kind gelukkig te maken; en hij liet een schoon paleis bouwen, en alles in dit paleis moest mooi zijn. Geen leelijke dingen mochten er gevonden worden. Alles moest een eeuwige vreugde weerspiegelen. Dit paleis moest staan in een schoon en hof. Palmen moesten er hier hun breede bladeren ontvouwen en lotosbloemen moesten er heur mystieke schoonheid laten aanschouwen. Yijvers van levend water moesten er zilveren in heerlijke plantsoenen. Visschen moesten, goud- en koperschubbig ze bevolken. Gelukkige vogels moesten zingen in de boomen. En om dat Paradijs moest loopen een hooge muur van goud en ivoor en edelgesteenten, en binnen die muur moest het altijd vroolijk zijn van schoone muziek en kostbare festijnen. De bloemen werden terstond afgesneden, als zij maar even gingen verwelken. Als een muschje ter aarde viel werd het onmiddellijk buiten den hof gedragen door dienaren, die den last hadden de reinheid van dit lustoord in volstrekte schoonheid te bewaren. Buiten dit Paradijs mocht sprake zijn van zonde, smart en dood, — het kind, het vorstelijke kind, het gelukkige koningskind zou nooit van smart, dood en rouw te hooren krijgen.
Jaren lang ging het goed. Maar eens, eens stond de poort van het Paradijs open. Het kind ontsnapte aan de bewakers en weg zwierf het, vèr weg door het groote woud, dat zijn Paradijs omgaf. Buiten den hoegen muur waren de paden oneffen. Bet kind struikelde en viel. Het wondde zijn handen en voeten aan scherpe doornen
138
MIGNOK.
139
en schramde zich het aangezicht aan ruwe neerhangende takken. Maar het kind was den goeden weg bijster en dwaalde voort. De eerste mensch, dien het tegen kwam, was een bedelaar. Zijn aangezicht was vervallen. In lompen was hij gekleed. Het kind was verbaasd en verwonderd. Nooit had het zulk vreeselijk schepsel aanschouwd. Het kind begon een gesprek en vroeg: „Zijn er meer zulke menschen op de wereld?quot; en de ongelukkige klaagde: „Ach, bijna allen, millioenen zijn arm en misdeeld.quot; Het kind dwaalde nieuwsgierig verder. Van zulke toestanden had het nooit gedroomd. De tweede mensch, die het ontmoette was een zieke, die bij den weg was neergevallen. Zijn kleeding was rijk. Zijn dienaren verzorgden hem met liefde, maar de kranke was met die oppassing niet geholpen. Het kind begon een gesprek en vroeg: „Zijn er meer zulke menschen op de wereld?quot; — en de zieke klaagde: „Ach, allen worden eenmaal krank, de ganscho wereld is één groote ziekenzaal en de medicijnmeester moet nog geboren worden, die hen afdoende kan genezen!quot; Het kind was verwonderd. Van zulke menschen had het nooit gehoord en nieuwsgierig dwaalde het weer voort. Eindelijk viel de avond. De zon ging onder. De duisternis overdekte met haar schaduwen het woud. De vogelen zwegen. Het kind werd angstig. Het kind schreide om hulp. Eindelijk, eindelijk, — voortzwervend zag het in de donkerheid een licht, een klein licht. Het kind ging op dit licht af. Het bleek de lantaarn te zijn voor het venster van een bosch-wachtershut. Het koningskind klopte aan. Doch hoe groot was zijn ontsteltenis! Een vader zat daar met zijn kinderen te schreien aan het bed van een stervende moeder. De droefheid was geweldig. Het koningskind schreide mee. „Zijn er meer zulke menschen?quot;, was het eenige, wat het kind stamelend uit kon brengen. „Achquot;, was des bedroefden vaders
MIGNON.
antwoord: „Allen moeten sterven, allen moeten sterven.quot; O, het gelukkige koningskind schrikte terug bij deze woorden. Het vroeg den weg terug naar huis. Het werd vriendelijk geleid naar het vorstelijk paleis. Het mocht zich den volgenden dag weer bevinden binnen den muur van edelgesteenten maar.... het kind was niet volkomen gelukkig meer. Het kind ker.de voortaan de smart der aarde!
Dit verhaal is wegslepend schoon. De mensch kan de droefheid naar de wereld niet ontloopen. Geen plekje is er te vinden, waar de mensch niet vindt de sporen van zonde, smart en rouw. Homerus, Aeschylus, Pindarus, de Grieksche tragici, de O. Tsche profeten, de middel-eeuwsche heldendichten, de moderne dichters en denkers Leopardi, Lenau, Byron, Shelley, Keats, de Musset, Murger, Heine, Schopenhauer en von Hartmann, o zij zijn allen de groote verkondigers der smart geworden. Zij spreken weemoediglijk van de menschen, die voorbijgaan, als bladeren, die van de boomen vallen. Zij vergelijken het menschelijk leven bij een droom, den droom van een schaduw, een rook, die opgaat uit een vulkaan, een nevel, die zich onzichtbaar oplost in het blauw der hemelen. Zij spreken van den glimlach, waaruit de Goden, eu de tranen waaruit de menschen gemaakt zijn. Zij getuigen van bloedende wonden in het menschelijk hart. Zij kiezen tot symbool van hun leven een schip in de stormen en roepen dan uit: „Telle est ma vie.quot; Zij spreken van de melancholie, die verbonden is aan het denken, van do smart, die gepaard gaat met een groot geluk, van den haat en nijd der medemenschen, wanneer het iemand voorspoedig gaat, van het onware der vriendschap, van het huichelachtige der liefde, van het onwaarachtige der eer, van de schreiende tegenstelling tusschen rijken en armen, van de tyrannie der geweldigen en den slavenzin van hec volk; zij zien de wereld in het licht
140
MIGNON.
der vergankelijkheid en getuigen van de „tristesses, qu\'in-spirent les grandes ruines.quot; Zij stellen de menschen voor als elkanders grijpende wolven in schaapsvellen en verklaren in vele talen: „Es liebt die Welt das Strahlende zu schwarzen und das Erhabne in den Staub zu ziehn.quot; Of
„Was grosz und gut und sohön Das nimmt ein schlechtes Ende!quot;
Zij hebben variaties gegeven op het thema van dit schoone gedicht van Alfred de Musset;
„Partout, oü j\'ai voulu dormir,
Partout, oü j\'ai voulu mourir Partout, oü j\'ai touché la terre, —
Sur ma route est venu s\'asseoir ün malheureux, vêtu de noir,
Qui me regardait comme un frere.quot;
Partout ... O, wat heb ik dit dikwijls ook op reis ondervonden! Ik zou een serie van droevige herinneringen kunnen opsommen, die ik op verschillende reizen heb verzameld. Ik zag den vloek der armoede en de verwoestingen der zonde, de weelde, die den dood zocht en het geweld, dat een oorlog uitlokte. Ik zag graven van koningen, slagvelden waar tienduizenden elkander eenmaal vernietigden, puinhoopen van beroemde steden, waar keizers eenmaal hun residentie hadden, arena\'s, waar Christenen eenmaal met de wilde dieren moesten vechten, hospitalen en Bedlam\'s, waar de levenskranken en levensmoeden een geknakte gezondheid of een verbijsterd verstand betreurden. Ik zag blinden, die een aalmoes vroegen op verrukkelijke plaatsen, te midden van de sneeuwbergen, waar gezonde oogen Gods Majesteit in de natuur mochten aanschouwen, en slaven der steengroeven, waar de kunst uit
141
MIGNON.
het marmer hare ideale gestalten schept. Ik zag op goddelijke avonden, als de ziel, dronken van blauw en goud en purper des hemels en de bloemen-aroma\'s der in sluimering vallende aarde, den drang tot aanbidding voelt, gefolterde paarden, die met hun bazaltwagen niet tegen de berghellingen op konden komen en door vloekende voerlieden gemarteld werden, en afgebeulde menschen, die bleek en vaal, vermoeid en bestoven, uit de hel der machinewereld van hun fabriek huiswaarts keerden naar hun armoedige achterbuurten. Ik zag ... het slagveld van Waterloo, de marmergroeven van Baveno, de Campo Santo van Milaan, de Halles van Parijs en White Chapel in Londen ... de geheele wereld is één strijd, één worsteling, één groote doodenakker. Zoo echt menschelijk is de klacht ergens van Prof. Opzoomer, wanneer hij zegt: Als ik \'s zomers op reis ben, kau mij dat kruis zoo hinderen . . . overal het kruis ... op iederen heuvel ... op alle bergen .. . overal het kruis. Men kan het lijden niet ontgaan.
Dat zelfde heb ik dikwijls ervaren. Laat niemand denken, dat hij op reis de smart kan ontvluchten. Eigenlijk stemt reizen dikwijls ontzettend weemoedig. Het brengt zoo dikwijls in de stemming van koning Salomo; „Ik maakte mij groote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden .... ik maakte mij hoven en lusthoven ... ik plantte boomen in dezelve, van allerlei vrucht. Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te doorwateren het woud, dat met boomen groende... Ik vergaderde mij zilver en goud en kleinoodiën der koningen en der landschappen .... ik bestelde mij zangers en zangeressen en wellustigheden der menschenkinde-
ren, snarenspel, ja allerlei snarenspel____al wat mijn oogen
begeerden, dat onttrok ik hun niet____ik wederhield mijn
142
MIGNON.
hart niet van eenige blijdschap.... Toen wendde ik mij tot alle mijne werken en zie het was ydelheid en kwelling des geestes____quot; O, deze gedachte kan ons zoo dikwijls op reis vervolgen. Op reis heeft men al, wat men kan wensehen. Of men wil of niet, hoe eenvoudig men reize, — men logeert in hotels als paleizen, de maaltijden z\\jn koningsmaaltijden, men heeft de begeer-lijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches, de grootschheid des levens. Alle zinnen worden gestreeld. Men heeft de schoonste kleuren voor het oog in kostbare schilderijen. Men ziet des menschen edele gestalte in beroemde beeldhouwwerken. Men geniet van zijn denkkracht en energie bij de aanschouwing van de wonderen onzer hedendaagsche cultuur. Men bewondert de natuur in al haar pracht. Men leidt een leven als koning Salomo, Men heeft kunst, muziek, snarenspel,, ja allerlei snarenspel en wellustigheden der menschenkinderen — en toch, en
toch, — kau men den weemoed niet ontloopen----de
smart, de rouw, de wanhoop komt ons onverwacht tegen op den hoek van een straat, aan den zoom van een bosch, in de foule van een concert — en telkens zegt men met den grooten Prediker: „Ik wendde mij tot al mijne werken, en zie, het was ijdelheid en kwelling des geestes!quot;
Deze weemoed is de stof, waarvan men poëzie maakt. Deze smart is de geheimzinnige bekoring der kunst. Terecht is van de kunst gezegd:
„Sie seht die Menschen in des Lebens Drang ünd walzt die gröszre Halfte seiner Schuld Den unglückseligen Gestirnen zuquot;
Terecht is er verklaard: „De tempel der poëzie wordt opgetrokken uit het puin onzer verwachtingen. Terecht zegt Shelley van de dichters: „They learn in suffering.
143
MIGNON.
what they teach in songquot; en verklaart Tennyson, dat zij geven: „short swallow-flights of song, that dip their wings in tears and skim away.quot; En onlangs heeft van Deyssel nog zoo schoon gezegd in de voorrede van de verzen van Houtens: „Wat is weemoed? Hoe komt het, dat zoo dikwijls weemoed en poëzie ons toeschijnen twee benamingen voor hetzelfde te zijn? En dat, wat wij den klank, de melodie van een gedicht noemen, de tot muziek geworden weemoed lijkt te wezen? Is het niet, omdat het vermogen onze smart schoon te zien en er van te genieten een bode is, welke alleen daalt van de hellingen, die tot hetboven-menschelijke reiken? .... Weemoed is licht uit den Hemel, de geheele levensschemering door waarin de Hemel zelve zoo zelden wordt gezien, hij is de stille milde lamp, die telkens schijnt, als de avond daalt in het gemoed, hij is de trouwste helper, die zoo goed de plek kent, waar wij altijd heerlijk wondbaar zijn . ... Weemoed is de Trooster, die nimmer verlaat . . . .quot;
Ja, de weemoed, het stille heimwee naar hoogere en betere dingen, spreekt dan ook zijn klacht van kleur, van lijn, van klank, van brons en marmer uit in alle groote werken van kunst. Deze troostende en zacht schreiende weemoed is het geheim van een tragedie als die van Oedipus en Prometheus, van een eenvoudig verhaal als dat van Abraham en Hagar, van een beeldhouwwerk, als dat van Laöcoön en Niobe, van een schilderij als „Le Christ au tombeauquot; van Van Dijck en de „Descente de croixquot; van Kubens, van epopeeën als de Divina Co-media, de Paradise Lost en den Faust. Deze weemoed is de bekoring ook van sommige pareltjes onder de kleinere liederen als Vondels Constantijntje, als Schiller\'s Sehnsucht, als Goethe\'s Mignon. Mignon — welk een heerlijk gedicht is het van den grooten meester! Wat is het anders dan
144
MIGNON.
klank en maat en rijm en muziek geworden weemoed, wanneer hij het gestolen Italiaansche meisje, dat zich haar hooge afkomst en aanzienlijk ouderlijk huis onbewust herinnert, laat klagen:
/\'Kennst du das Land, wo die Citronen blühn,
lm dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrthe still und hocb der Lorbeer steht,
Kennst du es wohl? Dahin! Dabin!
Mocht\' icb mit dir, o mein Geliebter, ziehnquot;.
quot;Kennst du das Haus? Auf Saulen ruht sein Dach,
Es glanzt der Saai, es scbimmert das Gemach Und Marmorbilder stehn und sebn mich an:
Was bad man dir, du armes Kind, getban?
Kennst du es wobl? Dahin! Dabin!
Mocht\' icb mit dir, o mein Bescbützer ziebnquot;.
Dat lied is in zichzelf reeds zoo schoon. Maar al de weemoedige schoonheid er van heb ik in Dresden hooren vertolken door een beroemde zangeres, door Fraulein Wedekind. Inderdaad, — ik wist niet, dat de vox humana, de men-schelijke stem zooiets kon voortbrengen.
Patti en Jenny Lind hebben een vorige generatie betooverd. Pia Von Sicherer en Sigrid Arnoldson behalen tegenwoordig haar lauweren. Maar Fraulein Wedekind, schijnbaar nog zulk een jong meisje, is een opkomende sterre, die sinds kort aan den kunsthemel begint te schitteren. Heerlijk vertolkte zij Goethe\'s romance. De woorden kregen geest en leven. Ademloos luisterden honderden toe. Onder het aanhooren van den sublimen zang, dacht ik aan Couperus\' beschrijving van een pianospel in „Extase.quot; Hij zegt daar van een jong geniaal muziek virtuoos: „De musicus bezat zich niet meer, en hij speelde door en het was hem of hij niet
Souvenirs en Phantasieën. 10
146
MIGNON.
speelde, maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij vond de volle accoorden zuiver als bij intuïtie; door het geween der klanken heen liep diezelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met zilveren voeten van i-einheid tegen luchtig omhoog geblazen regenbogen van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze haar kreet maar nü met dronkenschap, uit in majeur als sloeg ze hare wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht, die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien lange vleugelen ontschieten als weêrlichten van zilver, hun
hunne zieleschouders uit;......het zijn volken van zielen
en zij reppen en reppen hare zilveren voeten ... zij lachen en zingen ... in hun gedrang stooten hare vleugels elkaar, verstuift er zilver dons.quot;
Aan deze schoone beschrijving van een wegslepend pianospel deed mij denken de zang der begaafde zangeres. Zy stond daar zoo eenvoudig en armzalig in haar Zigeuner-kostuum. Zij keek zoo weemoedig uit haar bonten tooi van goud en rood en geel, op naar boven. Zij begon te zingen, schijnbaar met groote verlegenheid op het gelaat. „Kennst du das Land ?quot;... O, de verlegenheid week terug op haar meisjes-gezicht... de verlegenheid werd droefheid, de droefheid een schreiend heimwee. „Kenst du das Land?quot; . . . Zij verhief haar trillende stem tot een ontzettende klacht en die klacht steeg als een zilveren
fonteinstraal op naar boven. Zij klaagde..... Zij was
ééne enkele musicale, welluidende klacht. Haar houding, haar oogen, haar handen .... alles klaagde mee. Zij klaagde met machtige, allesbeheerschende en bedwingende stem. Maar die krachtige stem wist te dalen tot iets, wat men het ruischen van een zachte stilte zou kun-
146
MIGNON.
nen noemen en die zachte stilte wist zich weer op te heffen tot iets lieflijks en teeders en dat liefelijke en tee-dere wist weer aan te zwellen tot een storm, die de geheele ruimte vulde met een klagend heimwee, dat stoutmoedig zijn smartkreet uitgalmde. De zang was klank geworden weemoed. En die weemoed was aanstekelijk... En die weemoed werd een geestelijke macht, die zich neerlegde op aller gelaat. Het gansche gehoor scheen mêe te klagen, en iets droefgeestigs scheen heen te zweven over veler voorhoofd en te blinken in veler oogen. De spanning van die stem, die langs een ladder van welluidendheid op en neer scheen te klimmen, was geweldig. Nu eens tuimelde zij letterlijk in een zucht naar beneden, als een duif geschoten in de vlucht, dan weer schoot zij snel als een valk, op vlugge wieken van coloratuur, naar boven, naar het opperste, naar het hoogste, — om dan in een zwenk naar beneden te vallen en te fluisteren zoo zacht, dat men bang zou worden, dat haar de kracht te kort zou schieten
en zij zou breken, en dan te stijgen, weer iets hooger____
een oogenblik halverwege stil te staan en te dalen, weer iets lager... en altijd welluidend en altijd weemoedig... „Kennst du das Land?quot; Dat schoone geluid en die geheimzinnige droefheid in dat geluid, het was de hoogste poëzie, die ik ooit door een menschelijk orgaan hoorde vertolken. Een sluier van somberheid werd uit die klanken geboren en hing om de gouden lichtkronen en zweefde over de fauteuils en hing af van de medaillons boven onze hoofden, van waar Mozart, Mendelssohn, Haydn en Handel, groote componisten en artisten ernstig op ons neer zagen. Zoo vertolkt het genie zijn smart. Het maakt kunst van zijn weemoed en schoonheid van zijn teleurstellingen. Een voorrecht is het, als de mensch zulke kunst begrijpt en er zich door laat troosten. Een grooter voorrecht is het, als
147
MIÖNON.
de mensch verstaat, dat deze troost niet voldoende is, en hij inziet, dat de smart moet overwonnen worden. Het allergrootste voorrecht, wanneer men ook by het genieten der kunst gelooft, dat de smart voor altijd overwonnen is en men kan denken met onzen Da Costa:
„Al de smart, al het leed van het nietige stof
quot;Wordt gereinigd, gelouterd herboren In de bruisende zeeën van eeuwigen lof,
Dien de reien der zaligen hooren!quot; —
148
XI.
DE NATUUR.
De smart, — zagen wij, — kan verheffen. De weemoed kan tot poëzie geadeld worden. De blik op het lijden kan een heilzaam heimwee wekken naar hoogere en betere dingen. Maar het leven is te veelzijdig om alleen een pessimistische wereldbeschouwing te billijken; er is ook geluk, veel, groot, rein, jubelend en juichend geluk; er is zalige blijdschap; er is dankbare vreugde! Men mag van tijd tot tijd letten op de schaduwzijden van het leven, maar de lichtzijden mogen niet vergeten worden. De Stoïcijnen kunnen zich mogelijk vinden in de kalme levenswijsheid van dichtregelen als deze:
„lm Glück nicht jubeln,
Und im Sturm nicht zagen Das Unvermeidliche mit Wurde tragen,
Das Gute thun, am Schonen sich erfreun,
Das Leben lieben und den Tod nicht scheun.quot;
De luchthartige vrienden van Epicurus zullen waarschijnlijk liever von Scheffel nazeggen;
„Nicht rasten und nicht rosten,
Weisheit und Schönheit kosten.
Durst lösclien, wenn er brennt----;
Die Sorgen versingen mit Scherzen Wer \'skann, dor bleibt im Herzen Zeitlebens ein Student!quot;
DE NATUUR,
Het beste zal steeds blijven zich te houden aan het medio tutissimus ibis en den juisten middenweg tusschen deze uitersten te bewaren. Men moet kunnen weenen met de weenenden, maar toch ook kunnen blijde zijn met de blijden. Ja, men mag zich van tijd tot tijd dankbaar en gelukkig gevoelen! Men mag ook genieten en waar kan men edeler, frisscher, reiner ganot smaken dan in het groote rijk der natuur?
De natuur____Op welke verschillende wijzen kan men
gaan tot de natuur ? Sommigen kunnen in haar geen vreugde vinden, maar zien haar voornamelijk van haar wonderlijke en weemoedige zijde. Sommigen beschouwen haar in de eerste plaats als het groote geheimzinnige, goddelijke mysterie, als een godheid, die haar stralend aangezicht verborgen houdt achter een sluier van schoonheid, als een wereldgeest met vreemde klachten en smarten en stemmen, als een sphinx, die altijd nieuwe raadselen op te lossen geeft, als een bruid, die eeuwig treurt, in feestgewaad, over den dood van haren bruidegom. Velen gaan tot de natuur met romantische aandoeningen, met sentimenteele beschouwingen en met wijsgeerige speculatiën. Zij zijn beu van de maatschappij met haar banaliteit en haar conventie en smachten naar de mysteriën van de altijd frissche natuur. Zij maken hun natuur-vereering tot een soort van nieuwen godsdienst. Zij voelen met Goethe in zijn Werther-periode eine wunder-same Verwandschaft mit der Natur, das innige Anklingen, das Mitstimmen in \'s Ganze. Zij zien als Bettina van Ar-nim in de natuur een geest van smart en tranen en hooren dien om verlossing bidden. Zij wenschen als Paul en Vir-ginie op een eenzaam eiland te zijn en de natuur-stilte te beluisteren. Zij zien als de schilders van Barbizon in de natuur hun eigen smarten en zorgen en verklaren het landschap van een état d\'dme, eigenlijk niet anders dan
152
DE NATUUE.
de schepping van hun eigen verbeelding. Zij dwepen met stille prairieën en droomen van bleeke manen en magische sterren. Deze artisten, een beetje sceptisch mystiek en verteerd van weemoed, zien en zoeken overal het eeuwig-geheimzinnige in het diepe blauw der hemelen, in de blanke zilver-schachten van duiven tegen dien achtergrond van azuur, in ieder blaadje, dat trilt, in ieder koeltje, dat huivert over het water, in stil-bloeiende leliën en besneeuwde dennen, in wazige nevelen en opkomende donderwolken, zij zien in alles de zichtbaar-wording in levende symbolen van de onbewuste geestesmacht des heelals, die medevoelt, medetreurt, medeschreit met het algemeene lijden der aarde!
Ja, zoo vreemd, weemoedig, wijsgeerig kan men gaan tot de natuur. Maar men kan de natuur ook zien, gelijk de Grieken haar zagen van haar vroolijke, gelukkige, levenslustige zijde en haar bewonderen als de openbaring van maat, schoonheid, harmonie. Men kan als zij hooien de Aeolus-harp over de wateren, de lier van Apollo op de toppen der bergen en den zang der sfeeren in de hooge hemelen. Men kan zich geven aan de bekoring van haar altijd nieuw, opwakend, voortbloeiend en scheppend leven. Zoo doen de moderne Heidenen nis Tolstoï, Morris en Walt Whitman. Tolstoï leeft in de natuur. Hij geniet van haar ontembaar, ongebreideld en onbedwingbaar leven. Hij wil niet anders zijn dan een stuk natuur in de natuur. Hij wil een eik zijn onder eiken, een beuk onder beuken, een den onder dennen. Hij wil zwaaien met zijn kruin en schudden met zijn takken ea stooten met zijn takken, als de dieren des velds met hun hoornen en gewei. Morris was ook een man naar het hart van Tolstoï. Ook hij was een blijde Heiden. Ook van hem is getuigd: „De natuur leefde in hem in al haar volheid en waar de natuur leeft, verdwijnt al het kwaadsappig gespin van menschen-hersens als paddestoelen
153
DE NATÜUH.
en miasmen starven in de zon.quot; En dan Walt Whitman. Dat is nog eens een natuurmensch bij uitnemendheid. Men moet zijn natuur-poëzie eens genieten. Die man is geen mensch. Dat is een prairie-paard; dat is een bison; dat is een steppen-leeuw. Hoor hem in den zomernacht, zegt van Nouhuys („Gidsquot; Oct, \'94):
„Kom dicht by mij....
Nacht van den zuidenwind; nacht van de groote eenzame sterren; Stil nijgende nacht, — wild naakte zomernacht!
Glimlach, weeldrige koel-ademende aarde!
Aarde met sluimerende vochtige boomen,
Zonne-verlaten aarde, — aarde met bergen, mistig-betopt; Aarde in den glazigen schijn der blauw-witte ronde maan Aarde met wit-zwart gevlek op de stroomende waatren!
Aarde onder \'t ijle geschemer der wolken, — mij terwille doorzichtiger!
Ver-reikende buigzame aarde, — rijke be-appel-bloesomdeaarde! Lach... want uw minnaar komt____
Ook zóó kan men de natuur beschouwen. Maar, — er is nog een andere opvatting mogelijk. Men kan de natuur aanzien als het gewrocht van Gods wijsheid en goedheid. Men kan in een God, een levenden persoonlijken liefderijken God gelooven, die alle dingen gemaakt heeft, Die hemel en aarde uit het niet heeft voortgebracht. Men kan met den dichter van Ps. 104 uitroepen; „Loof den Heer mijn ziel, o Heer mijn God. Gij zijt zeer groot. Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij bedekt zich met het licht als met een kleed. Hij rekt den hemel uit als een gordijn. Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren. Hij maakt van de wolken zijnen wagen. Hij wandelt op de vleugelen des winds.quot; Men kan met Amos vertrouwen op Één, „Die den wind schept. Die de bergen formeert, Die den mensch bekend maakt, wat Zijne gedachten zijn,
154
DE KATÜUB. 155
Die den dageraad duisternis maakt, Die op de hoogten der aarde treedt, Heer, God der heirscharen in Zijn naam.quot; Men kan met Jesaja gelooven in Een, „Die troont boven de aarde. Die den hemel uitspant als een dunnen doek, Die hem uitbreidt als een tent om te bewonen.quot; Weg met allen twijfel, met alle overgevoeligheid, met alle artistieke sentimentaliteit, weg met alle Heidensche vreugde, die God uit de wereld verbant en zijn hoogste enthousiasme vindt in het gevoel van een atoom in de onbewuste schepping te zijn. Weg met alle takken-schuddende mensch-eiken en blijde boom-Grieken en overspannen natuurverliefden. Zalig aan een God te gelooven en met één onzer proza-dichters uit te roepen: „Er rust heerlijkheid op den ceder van den Libanon en ook op den Seraf voor Gods troon. Uit Sion, de volkomenheid van schoonheid verschijnt God blinkende!quot; Ja, zalig zóó biddend, dankend, juichend, jubelend, onschuldig genietend en kinderlijk zich verblijdend in de natuur rond te dwalen als ia den lusthof van Gods almacht. Zalig zich een oogenblik te geven aan de betoovering van haar kleuren, aan de prikkeling van haar aromen, en over zich te laten komen al de frischheid van haar geurigen adem. Zalig zich uit te strekken op de van duizend bloemen bloeiende aarde, schaduw te zoeken in hei koele lommer bij brandenden hemel, te luisteren naar het bekengeruisch en vogelengekweel, op te zien naar de wolken, die drijven, naar de hooge zonne, die weerlicht en schittert, en, — als zij ondergegaan is, te staren naar de sterren, die fonkelen in het firmament. Zalig te genieten in de vrije natuur!
Dit genot hebben wij op onze laatste reis gedurende onvergetelijke dagen gehad in de Saksische Schweiz. In Dresden hadden wij juist genoeg gezien van de onnatuur der elegante en beschaafde wereld, om innig naar de echte natuur te verlangen. Verschillende concerten en matinées
DE NATUUR.
hadden wij daar bijgewoond. Zeker, deze vermakelijkheden hooren al zoo tot de onschuldigste en gewoonste, die men mêe kan maken, maar de pantoffelparade der beau-monde blijft toch een echte Vanity Fair, een kermis der ydelheid. Altijd blijft daar gelden het eeuwea-oude „Spectatum veniunt, — veniunt, spectentur ut ipsae.quot; Zij komen om te zien en gezien te worden. Het was juist in het begin van het zomer-seizoen. De mooiste toiletten waren aangetrokken. Het was een dooreenwarreling van groen en wit en blauw en goud en geel en grijs. De blondines en bru netten hadden haar gewonen wedstrijd aangegaan, en het exquise hunner kleuren-keuze was bewonderenswaardig. De struisveeren waren juist in de mode, witte, zwarte, paarse, gespikkelde, rose struisveeren. Zü golfden zoo sierlijk op bewegelijke hoofden over den rand van breede sombrero\'s en Italiaansche hoeden naast de kolbaks der militairen met hun hooge witte pluimen of paarde-staarten. En die militairen, in de verscheidenheid van hun schilderachtige uniform, in blauw met goud, in blauw met zilver, in rood met wit en blauw met wit, zij handhaafden den roem der ridderlijke hoffelijkheid naast de coquetterie der Duitsche schoonen, die schitterden van paarlen en diamanten en andere edelgesteenten. Vanity Fair! Vanity Fair! Dat lachte, dat praatte, dat koosde, dat schertste, dat stond kwijnend op of zat vroolijk neer, dat wandelde en fluisterde, en intusschen, terwijl de paartjes af en aanzwermden — bloeide uit de klankenharmonie van het orkest op een Waldeszauber en een Moosröschen en het programma gaf woorden te lezen als deze:
„An Hecken von wilden Rosen,
Am rieselnden Bach entlang,
Mit Schmerzen und süssem Kosen,
Mit lieblich gerötheter Wang, —
156
DE NATUDK.
So gingen wir traumverloren Zum lindenbeschatteden Orfc;
Ich flüstert\' ihr leis\' in die Ohreii Manch\' inniges Schmeicholwort.quot;
Het mocht wat____Mosroosjes, woudbetoovering, wilde
veldbloemen... Het had er wat van ... Neen, het was conventie, mode, oncatuur... wij verlangden, naar de echte natuur, naar de wezenlijke wouden, naar werkelijke wilde rozen, naar de bergen en dalen en rotsen van het beroemde Saksen.
Saksen... De Saksische Schweiz. We hebben er heerlijke dagen gehad! Wat hebben wij een schoone wandelingen gemaakt van Wehlen naar de Bastei, van de Bastei naar Schandau, van Schandau naar Kuhstall, van Kuhstall naar Prebischthor, van Prebischthor naar Edmundsklamm. Wat hebben wij een vreugde gehad aan die heerlijke vergezichten over de eindelooze met koren begroeide vlakte van Saksen, waar als reusachtige hunnebedden de rotsblokken op neer lagen. Deze rotsblokken, de Winterberg en Eozen-berg, de Keizerskroon en de Zurgelstein, de Lilienstein en de Königstein, zij liggen zoo wonderlijk door elkaar, ruw, plomp, spits, hoekig, langwerpig of vierkant, dobbelsteenen gelijk of pyramiden, — het is, of ze door een reuzenhand over het veld uitgestrooid zijn. Van den Brand kan men ze allen zien liggen. Een enorm vergezicht heeft men hier! O Saksisch Zwitserland is een paradijs op aarde Wij hebben er geleefd als natuurmenschen en genoten als kinderen. Wij hebben rotsen beklommen, bergen bestegen, uren uren lang .gewandeld, in het sterkend aroma van dennen en beuken en dan weer gerust bij stille beken. Wij hebben den geur ingeademd van het welriekende geboomte, de lucht doen weergalmen van onze liederen, de hoeden getooid met
157
DE NATUUE.
bloemen en bladerkransen. Wij hebben er gedarteld als losgelaten veulens in de wei, als vrije herten op de bergen, als lustige vogels in de lucht en telkens eenzelfde vreugde gesmaakt als de Génestet, toen hij zong •
„Als ik des zomers, duffe stadswal, u ontweken,
Myn jonge jeugd geniet in zachte hemelstreken Dan is \'t mij soms, als liep ik pas in \'t lieve leven Als hadde ik niets gezien, dan deze kalme dreven,
Als hadde ik niets gesmaakt dan deze zuivre lucht,
Als hadde ik niets gehoord dan \'t fluistrend windgezucht. Als hadde ik niets beschreid, gevoeld, gedacht, geleden Anchi\'o de eerste mensch in \'t nieuwgeschapen Eden!quot;
Het weder was prachtig, de hemel permanent blauw, de atmosfeer was Lente-frisch en Zomer-zacht. Al de tijd er doorgebracht, was één enkel genoegen. Maar toch ook dit geluk had een hoogste punt. Een der heerlijkste oogen-blikken was een wandeling in den „Uttewalder Grundquot;, en hiervan wil ik nog een enkele bizonderheid mededeelen.
„De Uttewalder Grund...quot; Wij hadden veertien dagen lang steden gezien. Wij hadden in Berlijn, Wittenberg, Leipzig en Dresden kunst eu cultuur bewonderd, — maar de eerste schoone natuur zouden wij hier te bewonderen krijgen. Wij kwamen met de boot van Dresden en stapten af te Wehlen, om hier onze wandelingen door Saksen te beginnen. Het eerste, wat wij te zien kregen, was het dal van den „Uttewalder Grund.quot; De morgen was prachtig. Het dal glooide langzaam op. Ter wederzijde had men zachtopklimmende rotsen en heuvelen. Een witschuimende beek bruiste hier vroolijk door heen. Het dal was dicht begroeid. Er waren dennen, beuken, kastanje\'s, maar vooral accasia\'s, honderde bloeiende accasia\'s. Er zijn plekjes in Italië, waar men in een betrekkelijk kleine ruimte bij
158
DE NATUUR.
159
elkander vindt olijven en vijgen, citroenen en myrthen, palmen en eucalypten, magnolia\'s en camelia\'s, hortensia\'s en azalia\'s, een onbegrijpelijke abundantie van bloemen en plantenpracht, — man,r de accasia\'s van den „Uttewalder Grund,quot; die juist in bloei stonden, maakten alle andere gewassen overbodig. Het geheele dal was enkel welriekendheid. Hot luchtaroma, sterk, maar toch frisch door de morgenkoelte, was bepaald opwekkend. En hierbij kwam de betoovering van het licht, het heerlijke, vroolijke stralende, fonkelende, verblindende licht. Het viel schuin door de blaren. Hec plekte als goud op de paden. Het schitterde als zilver in de beek. Het hing als diamanten aan de kelken der bloemen. Het parelde in de dauwdruppelen van een iris en een morille. Het riep overal de kleuren wakker in honderd nuanceeringen. De zon zelf hing goud-geel in het transparente blauw van den hemel en gluurde door de openingen van het loover. Het ultramarijn der lucht weerspiegelde in het azuur van het water. Het lichte groen der varens stak af tegen het donkere groen der mossen langs het riviertje. Een gele waterplant lag hiertusschen vroo-lijk te drijven en te wiegelen. Op een aschgrauwe rots stond een eenzame paddestoel met een kop als vermiljoen te schitteren, te midden van een eerewacht van paarse viooltjes. En dan.. . böven onze hoofden hingen overal de rose bloementrossen der accasia\'s. Zij trokken altijd weelde aandacht, want het dal was vol welriekendheid van heur prikkelende geuren. O die geuren en die kleuren! Groen, goud, blauw, geel rood, purper, karmozijn... het lachte, het straalde, het schitterde in de hooge lucht, op de toppen der boomen, op den bodem, op de paden, tegen de rotsen, op het water. Die aromen en dat licht ... Het bedwelmde. Het verrukte, het maakte dronken ... Het dal scheen een lustoord van feeën en elven en het was
DK NATDUK.
ons, of wij door de lucht zagen zweven de Puella Regia van een onzer jonge dichters en wij dachten aan de woorden:
„Een princes spon in den tuin Marioline en blauwe lavendel.
De tulpen zeiden: mijn lief is wijn.
De rozen zeiden: mijn lief is mijn.
De lelies zwegen; liufde is pijn.
Blauwe lavendel en mariolün!quot;
Wij wandelden voort door deze droomwereld van geuren en kleuren. quot;Wij gingen van hoogte tot hoogte, van diepte tot diepte. Het dal verengde zich. De wanden werden steller. Het pad liep hooger op. Het water zagen wij schuimend beneden ons, maar, waar wij gingen, — de aroma\'s volgden ons en de kleuren bleven schitteren. Wij liepen voort, blijmoedig, het hart vol liederen! Wij kwamen langzamerhand allerlei menschen tegen en hadden verschillende ontmoetingen. Het eerst zagen wij een troepje kinderen. Zij waren eenvoudig gekleed. Het waren waarschijnlijk boschwachterskinde-ren. Als vroolijke vogels zaten zij naast elkaar op een omgevallen boomstam. Om het hoofd hadden zij kleurige doekjes, die in een driepunt van achteren afhingen over den rug langs de laaguitgesneden halsjes. Zij zagen er allerliefst uit. Wij maakten een praatje met ze. Eerst waren zij erg verlegen, maar na eenige oogenblikken kwamen zij los. Wij konden onze ooren niet gelooven, toen wij hunne poëtische namen te hooren kregen. Wij hadden te doen met een Carola, een Elsa, een Frida, een Silva en een Maria. Wij dachten aan onze Hollandsche Betjes en Bartjes, onze Koosjes en Trijn-jes en Guurtjes en waren jaloersch op zooveel poezie in de namen van zulke eenvoudige kinderen. Wij namen het als een goed voorteeken op en onder zulke gunstige auspiciën
160
DE NATUUR.
namen wij afscheid van de kleintjes en trokken verder. Nauwelijks hadden wij Carola, Elsa, Frida, Silva en Maria bij een kromming van den weg uit het oog verloren of wij passeerden een zwaren wagen, met zes paarden bespannen, die langzaam, tegen gehouden door ruwe remtoestellen, naar beneden afdaalde. De harsreuk der pas gehouwen dennen overstemde een oogenblik in \'t voorbijgaan de geur der bloemen. De voerman klapte met do zweep en zei welluidend: „Grüsz Gott! G-rüsz Gott!quot; Wij kwamen verder een Duitschen dominee tegen, die uit was met dertig diaconessen. In een donker pak stapte hij voort aan het hoofd van de bleeke meisjes, ia eenvoudige stippel-kleedij. Een Duitscher, die ons op zij kwam, maakte de leuke opmerking, dat de pastor veel had van een haan mit seinen Perl-Hühnern. De Pastor, — dit was zeker, — droeg uitstekend zorg voor zijn hennetjes. Hij had een codack by zich en photographeerde ieder plekje dat reizend und ent-zückend was. Wij gingen langs een boom, waaraan een kruisbeeld hing, en waaronderte lezen stond: „Jesu, meine Liebe is gekreuzigt!quot; Wij wandelden verder en terwijl wij voortstapten, hoorden wij daar plotseling achter ons de diaconessen een lied aanheffen. Duidelijk verstonden wij: „Sollt\' ich meinem Gott nicht singen?
Sollt\' ich ihm nicht dankbar sein?\'
Wij gingen een oogenblik op het mos zitten en luisterden. Schoon klonk de lofzang door het dal! In overeenstemming met het geluk van dien morgen klonken ue woorden: „1st doch nichts als lauter Lieben,
Das sein treues Herze regt,
Das ohn\' Ende hebt un tragt
Die in seinem Dienst sich üben.
Alles Ding wahrt seine Zeit,
Gottes Lieb\' in Ewigkeit.quot;
SOUYENIKS EN PHAMTASIEËN. 11
161
DE NATUUR.
Het lied verstomde. Ja, inderdaad. Wij hadden reden dankbaar te zijn. Gods genade straalde door den hemel. Het dal was vol van Zijn goedheid en Zijn liefde. Wij stonden op en gingen ook zingende voort. Het dal kromde. De weg nam een bocht. Daar trok weer iets anders onze aandacht. Vóór ons uit namelijk ging een troepje jocgens en meisjes in bonte kleederdracht. Wü hielden ze aanvankelijk voor Tyrolers. Nieuwsgierig keken wij naar hun bonte kleedij. Het grootste meisje, zoo op het oog volwassen of bijna volwassen, had een zwart-fluweelen laag uitgesneden keurs, een blauwen rok met groene strepen, een gelen halsdoek, die scherp afstak tegen de roode pofmouwen, waaruit bloote, gezonde armen te voorschijn kwamen, die schitterden van zilveren bracelets. Zij had een zwierigen hoed op het hoofd met groote haneveêren en twee vlechten met een rood lintje hingen over den rug. Een kind daarnaast, mogelijk iets jonger, was in groen en grijs. Een derde mogelijk iets jonger, had een zwart keurs met gele sterren. De twee laatste hadden zwarte hoeden met witte struisveeren. Elegant deinden deze struisveeren op de vlugge kopjes, waarvan ravenzwarte lokken, dik en zwaar over de schouders golfden. Alle drie hadden parasols, veelkleurig rood, zwart, groen. Naast deze meisjes mogelijk van zestien, zeventien, achttien jaren liepen twee Tyrolers. Hun kleeding was rijk en bevallig. Zij waren beiden in \'t zwart. Hun bovenkleed geleek een fluweelen riddermantel. Hun pantalon liep tot de knieën. De kuiten waren bloot. De een had sandalen en zwarte sokken. De ander had hooge geelleêren kaplaarzen. De eerste had een knapzak op den rug, de ander een geweer. Beiden hadden groote Tyroler-hoeden met haneveêren.
Het troepje ging lachend en stoeiend en zingend voor ons uit. Wij werden hoe langer, hoe nieuwsgieriger.
162
DE NATUÜK. 163
Wij vonden de Tyrolers te mooi voor echte Tyrolers.
Het was bepaald aardig die jongens en meisjes in hun schilderachtig kostuum voor ons uit te zien springen. Zij liepen zoo vroolijk te babbelen. Soms liepen zij los, soms gingen zij arm in arm. Nu eens lachten zij, dat het dal er van weerklonk. Dan weer lieten zij den bekenden Alpen-roep hooren Holala iii! Holala iii! En jawel! deze roep werd uit de verte beantwoord. Na eenige oogenblikken kwamen van andere zijden nieuwe Tyrolers en Tyrolerinnen opdagen. Allen hadden zij een schitterende kleedij. Wij vroegen een vreemdeling, dien wij tegenkwamen, om inlichting en vernamen toen dat wij met echte Duitsche jongens en meisjes te doen hadden, uit Dresden, die ais lid van een Alpen- Verein in hun wandel costuum een dag in de natuur gingen doorbrengen en pleizier maken. Het groepje, dat vóór ons uitging werd hoe langer hoe grooter. Twintig, dertig hadden zich reeds bij elkander aangesloten Zij gingen vooruit, zingend en dansend en springend, echt blij, en onschuldig-gelukkig. Het was een bont tooneel van vroolijkheid en leven. Daar plotseling steeg uit dien drom van kleuren op het bekende Duitsche liefde-lied:
„Ach, wie ist \'s möglich dann!quot;
Daar achter ons in verte, in de diepte, in het dal hoorden wij nog de diaconessen met heur:
„Alles Ding wahrt seine Zeit G-ottes Lieb\' in Ewigkeit.quot;
en vóór ons uit werd dit geestelijke lied overstemd door den zang van jeugd en blijdschap, waarin de schoonheid en de liefde vergeleken werden bij een bloempje, dat niet vergeten wil worden, bij een vogel, die tegen valk en
DE NAT0DR.
havik een toevlucht zoekt, en er tevreden mede is, in den schoot van den jager te vallen, als zij, doodelijk getroffen maar getroost mag worden door een blik van sympathie en medelijden.
De liederen der geestelijke en natuurlijke liefden smolten in hun echo\'s zoo natuurlijk te zamen. Het dal werd betooverd De beek en de zon, de varens en de violen, de rotsen en de accasia\'s, de glinsterende hemel en de jubelende aarde, zij schenen nog vroolijker door de vreugde van die gelukkige measchen. Hier was niets, wat kon hinderen! Hier geen conventie, geen mode, geen onnatuur, geen Heidensche blijdschap ot sentimenteele bevlieging! De zang der liefdezusters mocht ineenvloeien met het loflied dier volwassen kinderen. Het was een oogenblik van hooge geestdrift, van blijde verrukking. Het was alles natuur, gezonde natuur. Vondel zou er een Engelenzang hebben kunnen dichten. Jan Steen zou er naar zijn penseel hebben kunnen grijpen. En Drefregger, de vriend der Tyrolers zou het tooneeltje vereeuwigd hebben!
Wij volgden het leutselige troepje tot het diepste gedeelte van het dal, tot de zoogenaamde Pelsenschlucht. Hier was de plaats van samenkomst. Hier zou het feest gevierd worden. Welk een ontmoeting! Honderde kennissen, allen in het zelfde kostuum, waren reeds aanwezig. Bij aankomst werd het troepje, dat ons vooruit was gegaan, met luide vreugdekreten begroet. Tallooze malen werd de Alpenroep herhaald. Links en rechts hoorde men Holala iii! Holala iii! Tot een wonderlijk geheel vermengden zich de phantastische gestalten rondom de hut van den boschwachter, die met opgestroopte mouwen, als een echte Landwirih aan de deur stond en de tafels hielp aanrichten. De wanden van het huisje waren met allerlei typische voorstellingen beschilderd en bekrast met komieke
164
DE NATUUR.
rijmpjes. Er was een terpje geteekend met een grafpaaltje en daaronder stond:
„Hier liegen meine Beine Ich wollte, es waren deine!quot;
Daarnaast had men het standbeeld van een orgeldraaier en daaronder las men:
„Dies ist Matthias Krug Der Kinder, Weib und Orgel schlug!quot;
en zoo honderd andere spotplaatjes en hekeldichtjes. De ingang van een grot was ingericht als Hexenküche en de berggeest en heks, liepen reeds rond in een wonderlijk gewaad van beestenvellen. Kondom zaten verspreid, lagen op den grond of sprongen in rondedans anderen, de een met een citer, de ander met een harp, een derde met een doedelzak. Weer anderen rookten uit lange Tyroler-pijpen. De vrouw van den Wirth zat in een hoekje, zoo onverbeterlijk echt, — in breedmoederlijkheid, een knoop te verzetten aan het gehuurde jachthemd, van één, wiens corpulentie uit zijn ongewone benauwdheid dreigde te barsten. En terwijl de een lachte, een ander speelde, een derde een glas Maitrank aan de lippen zette, kwam daar uit de Felsenschlucht onverwacht, een school van wel een paar honderd jongens, die, twee aan twee, correct als militairen voortmarcheerden,... allen ... een lange groene varen ... als een panache ... op den hoed.
De kleine Burschen liepen zoo flink in de maat voorwaarts en zongen het bekende:
„Sie sollen ihn nicht haben Den freien deutschen Rhein,
Ob sie wie gier\'ge Raben Sich heisser darnach schrein.
165
DE NATUUK.
So lang\' er, ruhig wallend
Sein grünes Kleid noch tragt So lang\' ein Euder schallend An seine Wogen schlagt.quot;
Twee aan twee kwamen de kleine jongens van achter de rots te voorschijn. Het waren allen snuiters van een jaar of tien, twaalf. Zij liepen als kaarsen zoo recht. Er scheen geen eind aan te komen. Zij kwamen van den kant, tegenovergesteld aan den weg, dien wij gevolgd hadden. Het dal weerklonk van hun jubelzang. Het dal werd nog schooner dan het geweest was. De zonne lachte. Het licht straalde. De beek ruischte in schoonheid, \'t Was alles vol geuren en kleuren. De Tyrolers, jongens en meisjes, sprongen op en hieven met de knapen denzelfden lofzang aan. En de jongens trokken lachend voort zonder te vertragen, of uit de maat te raken, — allen met de lange wapperende varen op den hoed. Als een groen lint liep hun lijn door den kleurendrom der Tyrolers. Zij trokken voort en zongen, terwijl de Tyrolers Invielen met harp, citer en doedelzak:
„Sie sollen ihn nicht haben
Den freien, deutschen Ehein So lang\' sich Herzen laben
An seinem Feuerwein,
So lang in seinem Strome
Noch fest die Felsen stehn,
So lang\' sich hohe Dome,
In seinem Spiegel sehnquot;.
De laatste echo van het lied verstomde. De jongens zwaaiden hun hoeden met varens en riepen; „Hoerah.quot; De Tyrolers zwaaiden hun hoeden met hanevêeren en
166
DE NATUUR.
]67
riepen „Hoerahquot;, en wij vreemdelingen, die toegeluisterd hadden, wij riepen; „Hoerahquot;, en wij gingen weer allen uiteen, een ieder zijn eigen weg. Onvergetelijk zullen blijven de herinneringen aan den „Uttewalder Grund.quot; Onvergetelijk de indrukken der Saksische Schweiz. Onvergetelijk de schoonheid van Gods vrije natuur.
XII.
WEIMAR EN HET HUMANISME.
Goethe zegt in zijn „Wilhelm Meisters Lehrjahrequot;: „Der Mensch ist dem Menschen das Interessanteste und sollte ihn vielleicht ganz allein interessiren. Alles andere was uns umgiebt, ist entweder nur Element, in dem wir leben, oder Werkzeug, dessen wir uns bedienen.quot; Goethe heeft gelijk. De natuur mag een oogenblik boeien en verrukken, — de mensch ontvlucht weer spoedig haar stilte en verlangt naar zijn medemenschen. Wij ondervonden deze waarheid ook op onze laatste reis. Acht dagen lang hadden wij het natuurschoon van de Saksische Schweiz genoten, bergen bestegen, rotsen beklommen, maar toen, — in spijt van de Bucolica en de Leeuwendalers, wij hadden genoeg van de boomen en de beken, van het turen in de lucht en het staren naar den einder... wij voelden met Huet „dat wij niet in de luren gelegd waren, om de boomen te zien uitbotten en de koeien te zien grazenquot;... wij verlangden terug naar de menschen, naar de groote. geleerde, naar de dichterlijke en denkende, naar de strijdende en worstelende menschen en hoopvol begaven wij ons op weg naar Wei-mar, de schepping van Anna Amalia von Bruuswijk en haar zoon Karl August, het Rambouillet van Duitschland, waar de genieën geschitterd hebben van Wieland en Herder, van Goethe en Schiller, de pelgrimsplaats van alle geletterden, waarvan Eckermann heeft gezongen:
WEIMAR EN HET HUMANISME.
„Glücklich Weimar! Von den Stadten allen
Bist du, kleine, wunderbar bedacht;
Man wird stets zu deinen Thoren wallen,
Angezogen von der heil\'gen Macht!
Und man wird nach groszen Mannern fragen
Die in schonen Zeiten hier gestrebt,
Und mit Edlem Neid wird man beklagen,
Dasz man mit den Edlen nicht gelebt!quot;
Heerlijk voorrecht iets te kennen van de hero\'s dei-wereldgeschiedenis en te doen aan vereering van groote mannen. Het moge waar zijn, dat wie wetenschap verzamelt zich smart vergadert, er ligt toch ook een groo\'.e troost in het bestudeeren van de werken, waar de edelste denkers hun levenservaring in hebben uitgesproken en een buitengewoon privilege is het, tot beter verstand van deze werken, de landen en plaatsen te mogen bezoeken, waar de schrijvers zelf geleefd hebben. „Wer den Dichter will verstehen, musz in Dichters Lande gehen.\'\' Het ia zalig te leven bij „admiration, love and hopequot; en de historische plekjes op te zoeken, waar groote namen en schoone herinneringen aan verbonden zijn. Cobet was er trotsch op een takje cypres te mogen plukken op het graf van Virgi-lius; Byron daalde neer in de gevangenis van Tasso, om zich tot een gedicht le laten inspireeren, en een groote schaar van geleerden gaat telkens naar het graf van Dante, om er te denken en te bidden. Ook ik heb dikwiils iets van dergelijke reine zieis-emotie mogen ervaren. Ik heb verbena\'s geplukt in den tuin van Ariosto; ik heb gestaan onder het balcon van Romeo en Julia, waar naar Shakespeare\'s treurspel, de bruidegom bij eene serenade aan zijn bruid een lied der liefde op zijn lippen nam als dit:
172
WEIMAE EN HET HUMANISME.
„Maar stil! wat licht breekt door het veuster ginds? \'t Is \'t Oosten daar, en Julia is de zon! —
Eijs, schoone zon, verdrijf de maangodin,
Die bleek en ziek van afgunst is, dat gij Haar dienares, veel schooner zijt dan zij.quot;
Ik heb gedwaald door het woud van Eavenna, waar de dichterlijke balling van Flo:ence zoo lang heeft rondgezworven en daar gedacht aan Potgieter\'s zeldzaam schoone woorden:
„Eavennaas woud! Laat fier uw toppen r\\jzen:
Al deinst, al droogt het meir van Adria,
Uw groene kruin mag nimmermeer vergrijzen!
Ruischt, kroonen! ruischt door wentlende eeuwen heen:
Het wereldrond heeft nog geen dom te wyzen.
Waar als in u geloofd is en gebeèn.quot;
Zóó, zóó... heb ik ook gedwaald door Weimar, het kleine en toch zoo groote Weimar, waarvan Goethe zelf zegt:
„O quot;Weimar, dir fiel ein besond\'res Los!
Wie Bethlehem in Juda klein und grosz!quot;
Weimar.... hier leefden de grands esprits terribles, die als vier caryatiden den tempel schragen van het moderne gedachte-leven der XIXde eeuw.
Hier ontvingen deze beroemde mannen „aus Morgen-duft gewebt und S-jnnenklarheit, der Dichtung Schleier aus der Hand der Wahrheit.quot; Hier deden zij het idealisme van het onbezorgde Griekenland herleven en verkondigden zij de blijmoedige moraal der humaniteit. — Deze mannen waren geen Heiligen. Jean Paul riep uit, na hun werken gelezen en hun leven onderzocht te hebben: „Voortaan wil ik mij voor geen groote mannen meer buigen; in \'t vervolg bewaar ik mijn hulde voor den deugdzaamste.quot;
173
WEIMAR EN HET HUMANISME.
De Weimarsche genieën waren Heidenen. Goethe, hun aller hoofd en facile princeps werd in zijn jeugd bij Apollo en in zijn ouderdom bij Zeus vergeleken. Heine noemt hem den eersten antichrist met Napoleon en Tennyson verklaart hem voor een glorious devil. Inderdaad, — de gunstelingen van Karl August waren menschen, gewone, zondige men-schen. En Goethe was zelfs een groot egoïst. De frivole gids, die ons rondleidde zeide met een knipoogje: „Der Goethe liebte sehr die schonen Prauenquot; en hij noemde
een serie van zijn favoriten op---- Wij kregen de namen
te hooren van Gretchen, Annette, Friederike, Charlotte, Maximüiane La Eoche, Lili, Frau von Stein, Christiane Vulpius. Goethe was een Weltkind, zooals hij zich zeiven noemt. Hij was een echt natuur mensch. Heine,, om dien nogmaals aar. te halen, zegt zoo geestig: „Die Natur wollte wissen, wie sie aussieht, und sie schuf Goethe.quot; Heiligen heeft men in Weimar niet te zoeken. Wij vinden er Wek-kinder, Lebemanner, humanisten, Grieken, maar zoo groot, zoo begaafd, zoo dichterlijk-aantrekkelijk, zoo diepzinnig-wijsgeerig, zoo modern-wetenschappelijk, zoo rijk aan gemoed en verstand en verbeelding, dat de kennismaking met hun persoon en arbeid niet anders dan leerrijk en gezegend moet zijn. Wij moeten mogelijk Wagner uitzonderen, maar anders zijn zij nog door niemand overtroffen. De nieuwe Duitsche letterkunde moge roemen op von Scheffel, Jordan, Ebers, Seidel, Stinde, Nordau, Hauptmann en Nietzsche, — geen dezer namen mag naast die van Goethe en Schiller gesteld worden. Terecht laat Wilhelm Scherer zijn geschiedenis der Duitsche literatuur afbreken bij Goethe\'s Faust, want hij verklaart zijn arbeid niet te willen bederven door een blik te staan op de laatste vijftig jaren. En Huet voegt er aan toe: „De nieuwe Duitsche letteren gelijken een arabische woestijn. Aan
174
WEIMAR EN HET HUMANISME.
doortrekkende karavanen, beladen met geleerde pakgoederen, geen gebrek; de oasen alleen kan men tellen!quot;
Herder, Wieland, Schiller en Goethe... zij hooren bij elkaar, zij vullen elkaar aan. Zij hebben weerzijds onderling invloed op elkander uitgeoefend, maar wie naar Weimar gaat, gaat toch eigenlijk alleen, om Schiller en G-oethe. Schilier en Goethe... o, bij het hooren van hun namen denkt men onmiddellijk aan de wereld van poözie, die in hun brein is geschapen, aan de „Rauberquot;, „Don Carlosquot;, „Wallensteinquot;, Maria Stuartquot;, „De Jonkvrouw van Orleansquot;, „De bruid van Messinaquot; en „Wilhelm Teilquot;, — aan „Götz van Berlichingenquot;, „Wertherquot;, „Iphigeniaquot;, „Egmondquot;, „Tassoquot; en „Faustquot;; — het is een bergland van dichterlijke verbeelding, met diepe dalen van gevoel en friss-che, welluidende beken van taal, klankrijk en klaar als kristal, en hooge glinsterende sneeuwtoppen van machtige, vèr-ziende gedachten. Wie naar Weimar gaat, gaat er heen uit liefde voor de twee meesters, die onze phantasie voor altijd vervuld hebben met hun schoone voorstellingen. De smaken en sympathieën verschillen. De een zoekt in Weimar den dichter der Weltschmerz, de ander den zanger der natuur, de een zoekt den schepper van den „Egmondquot; en den „Tassoquot;, de ander den maker
van den „Don Carlosquot; en de „Maria Stuartquot;----Eenieder
heeft in zijn geheugen andere verzen, andere beelden, andere citaten, uit den grooten rijkdom, die hier wordt aangeboden. — Ik voor mij zocht er vóór alles den dichter van den twijfel en den dichter van de vrijheid, den schepper van den Faust en den schepper van den Teil. Ik zocht er den geest der troubadours, die wonderen van kunst voortgebracht hebben in heerlijke liederen als „Gesang der Geisterquot;, „der Fischerquot;, „Sehnsuchtquot;, „Lied von der Glockequot;, „Hectors Abschiedquot; en zoovele andere kleinere
175
WEIMAB EN HET HUMANISME.
gedichten, vol van humaan gevoel en edel idealisme.
Ik zocht in Weimar dan dichter van den twijfel. De twijfel! — De twijfel is die oatzettende macht, die wij telkens verfoeien en die ons altijd weer medesleept; het is die vreeselijke stemming des gemoeds, die ons vervult met den wrevel van een Prometheus en het wereldbestuur durft aanklagen; het is die droefheid die ons opvoert op vleugelen van wanhoop en ons de poort des hemels zou willen laten bestormen, maar dan plotseling ons neerwerpt in de diepte der buitenste duisternis, en ons laat uitroepen: „O God, ik heb met U geworsteld ik heb met U geworsteld en ik ben tot niets geworden!quot; De twijfel! Het is die afschuwelijke weemoed, die soms luchthartig vraagt: „Que sais je?quot; dan weer vroolijk schertst: „Een ieder stuurt zijns weegs en niemand weet waarheenquot; en ten slotte weer biddend op ziet naar boven en vraagt, „Wer wohnt dort oben auf goldenen Sternen?quot; om dan plotseling af te breken met een kort en bitter: „Ein Narr wartet auf Aatwortquot; of met resignatie te verzuchten: „Ignorabimus, wij zullen nooit iets van het wezenlijke der dingen leeren verstaanquot;, om ten slotte zich toch altijd, altijd weer op te heffen en te hopen, te hopen, te hopen en te verklaren: „O liefde, ik kan niet leven zonder liefde, o God ik kan niet leven zonder God!quot; Deze oatzettende macht van den twijfel heeft Goethe voor altijd op onverbeterlijke wijze gesymboliseerd in de gestalte van den Faust!
Faust is een onsterfelijke figuur. Naar waarheid zegt Prof. P. D. Chantepie de la Saussaye in zijn „Zekerheid en Twijfeiquot;: „Als geheel, als spiegel van wat onzen tijd be weegt,quot; — zoo zeggen wij nog na 90 jaren — „spreekt Faust tot ons!quot; Faust is de XIXde eeuw, en de XIXde eeuw is de eeuw van het scepticisme. En wij kinderen van de XIXde eeuw, of wij ongeloovig zijn, of door Gods genade
176
WEIMAR EN HET HUMANISME.
geloovig zijn geworden, — wij kunnen Faust begrijpen en voelen ons met geheimzinnige koorden van sympathie aan hem verbonden. Wij zien hem vrij tegenover alle uitwendig gezag, ook het gezag der Schrift. Wij begrijpen zijn passie van de wetenschap. Wij verstaan zijn tweestrijd. Wij voelen zijn brandende begeerte naar echte vreugde en naar rijk-bloeiend leven. Wij kunnen er in komen, dat hij voor een oogenblik van waarachtig geluk zijn ziel en zaligheid desnoods wü inboeten. Wij worstelen met hem mede, als hij streeft naar het ideaal. Wij zijn vervuld van medelijden als wij hem zien zoeken, als wij hem zien struikelen en vallen, als wij hem tot zich zeiven zien komen, zich zien opheffen, zien strijden voor wetenschap en kunst, zien ijveren voor staat en maatschappij, als wij hem ten slotte, moede en mat, teleurgesteld en bedrogen, zien sterven op het oogenblik, als hij zich gelukkig waant. Wij lezen in dit gansche treurspel de war,hoop van den man, die aan alles twijfelt, de smart van den geest „der stets verneintquot;, die geen doel kon vinden voor zichzelf en de gansche wereld. En ten slotte moeten wij den dichter bewonderen, die alles wil ontkennen en toch niet zonder hoop kan sterven, die blijft hopen en verwachten. Met aandoening zien wij, dat Goethe zijn Faust, zijn geleerden en geweldigen Faust laat sterven als een man en hier namaals laat opwekken als een kind onder kinderen. Wij hebben den denker lief, die zich bij zijn groote wijsheid tegenover het mysterie van de schepping een kind bleef gevoelen en in kinderlijk vertrouwen zijn zang van den twijfel liet eindigen met een lied der vertroosting als dit:
„Gerettet ist das edle Glied Der Geisterwelt vom Bösen, —
Wer immer strebend sich bemüht,
Den können wir erlösen;
Souvenirs en Phantasieën. 12
177
WEIMAR EN HET HUMANISME.
Und hat an ihm die Liebe gar Von oben Theil genommen,
Begegnet ihm die selige Schaar,
Mit herzlichem Willkommen!quot;
In Weimar zocht ik den dichter van den twijfel, van den Faust, en den dichter van de vrijheid, van Wilhelm Teil.
Schiller is de dichter der vrijheid. Palleske zegt in zijn biographie: „„La conscience est sa muse,quot; — dieses Wort der Stael über Schiller ist ein schönes Wort und eben so wahr, als das Wort, dasz Schiller der Dichter der Preiheit sei.quot; — Ja, Schiller heeft de vrijheid bezongen en verheerlijkt in by na al zijn werken, maar vooral in de helden-gestalte van Wilhelm Teil. Wij kunnen medeleven met Faust, die twijfelt, maar evenzeer kunnen wij medeleven met Teil, die in opstand komt tegen de tyrannie en het geweld. Wy deelen zijn haat tegen de onderdrukking van den landvoogd. Wij begrijpen zijn liefde voor het vrije volk der Zwitsersche bergen. Wij conspireeren in den geest mede met die moedige mannen, die tot een krachtig verzet durven besluiten. Wij bewonderen boven allen den dapperen Teil, die de ideale vrijheidsliefde vertegenwoordigt. Wij roepen wraak, als de landvoogd den vader op zulk een zwaren proef stelt. Wij sidderen als de held zijn boog en pijlen neemt en aanlegt. Wij juichen als hij den appel treft en het kind ongedeerd is. Wy jubelen bij zyn moed, om bij des tyrannen vraag naar de beteekenis van den tweeden pijl, te durven antwoorden, dat deze, zoo hij zijn zoon had geraakt, voor het hart van zijn belager zou zyn geweest. Wij zien hem met angst in den storm op de baren van het Lucerner meer. Wij herademen, als hij de roerpen vat. Wij jubelen luide op, als wij hem den gevaarlijken sprong zien wagen en zich aan den
178
WEIMAE EN HET HUMANISME.
oever zien redden, terwijl zijn vijanden in de woedende branding ach ter biy ven. Wij hebben een gevoel van voldoening als hij van de hoogte der rotsen ten slotte Geszier treft en hem laat boeten voor zijn ongerechtigheden. Wij prijzen den bevrijder van het vaderland gelukkig, die de woorden van Stauffacher in vervulling mag brengen:
„Nein, eine Grenze hat Tyrannenmacht;
Wenn der Gedrückte nirgends Recht kann finden
Wenn unertraglich wird die Last, — greift er
Hinauf getrosten Mutes in den Himmel
Und holt herunter seine ew\'gen Rechte,
Die droben hangen, unverauszerlich
Und unzerbrechlich, wie die Sterne selbst.quot; — gt;)
179
In Weimar zocht ik Goethe als den dichter van den twijfel en Schiller als den dichter der vrijheid, maar beiden als de dichters van het Heidensche idealisme en de Hel-leensche levensbeschouwing. — Schiller en Goethe hebben het kruis niet gewild, den Christus niet als Heiland erkend, het Christendom niet als den eenig waren godsdienst begrepen. Zij beiden hebben zich aan den invloed en den ernst van het Evangelie onttrokken en hierdoor schijnbaar een charme van onbezorgdheid en levenslust gekregen, die wij bij vele Christelijke schrijvers en dichters missen. Zij hoorden naar den geest tot het volk der Grieken, het volk van lachende kinderen, gelijk men gezegd heeft. Zij wisten van geen zonde en geen oordeel. Zij zagen met zekere onaandoenlijkheid alle levensverschijnselen aan als even zoovele openbaringen van éénzelfde onbegrijpelijke myste-rieuse levenskracht. Zij trachtten den sluier der schoonheid over alle dingen heen te werpen en de wereld te zien in het licht der blijdschap.
1) Men denke aan de dappere broeders in de Transvaal.
weimah en het humanisme.
Schiller bezingt de vreugde en zegt;
Fraude, schoner Götterfunken,
Tochter aus Elysium,
quot;Wir betreten feuertrunken,
Himmlische dein Heiligthum.
Deine Zauber binden wieder Was die Mode streng getheilt;
Alle Menschen werden Brüder Wo dein sanfter Flügel weilt.quot;
Goethe ziet in de Bayadère een beminnelijke zondaresse en laat haar na een zinnelijk tooneeltje in vlammen der verzoening ten hemel opvaren, terwijl hij in zorgelooze gemakkelijkheid verkondigt:
„Es freut sich die Gottbeit der reuigen Sünder;
Unsterblicbe beben verlorene Kinder,
Mit feurigen Armen zum Himmel empor.quot;
Schiller en Goethe beiden, — zij zingen van bosch en veld, van bloem en akker, van schoonheid en liefde, en verheerlijken boven alles de vrouwen. Zij droomen van het „Ewig-weiblichequot; en vermanen: „Ehret die Frauen! sie flechten und weben, himmlische Rosen, Ids irdische Leben!quot;
Toen ik naar Weimar ging zocht ik er den geest van deze dichters der vrijheid en des twijfels, van deze mannen der levensvreugde en der idealiteit. — Als pelgrims dwaalden wij door het kleine stadje. Het nieuwe museum, de moderne aanleg, het standbeeld van Karl August, de standbeelden van Wieland en Herder, de kunst van Fried-rich Preller en Buonaventura Genelli, het Kriegerdenkmal van 1870, het groot-hertogelijk paleis, de cathedraal van Petrus en Paulus, de schilderij aldaar van Lucas Cranach, och, — het was alles interessant, maar het kon ons toch niet de ware belangstelling inboezemen. Het eenige, wat
180
WEIMAR EN HET HUMANISME.
181
wij zochten, waren herinneringen aan Schiller en Goethe. Wij zagen het standbeeld, waar Schiller aan Goethe den lauwerkrans aanbiedt, die door dezen wordt afgewezen; wij zagen het Hoftheater „worauf vom Wirbel bis zur Zeh\' geharnischt der ersto Wallenstein gewandelt hatwij zagen de beroemde Dichter-zimmer in het paleis, waar eenmaal de schoonste gedichten werden voorgedragen en de wanden thans zijn beschilderd met de bekendste voorstellingen uit de verschillende treurspelen en novellen; wij zagen de kunstig gebouwde bibliotheek, waar de beroemde mannen eenmaal over hun folianten zaten gebogen; wij zagen het Goethe-Schiller-archiv, zoo schoon op een heuvel boven de stad ge\'egen, een schoon en ruim gebouw, waaide verzamelde brieven en manuscripten der beide meesters bewaard worden, wij zngen het park met het beroemde Gartenhaus, geheel in overeenstemming met Goethe\'s uitspraak : „Ubermütig sieth \'s nicht aus, hohes Dnch und niedres Haus!quot; Wij zagen de justbanken en natuur-the-aters, waar de groote mannen dikwijls met elkaar tezamen kwamen. Wij zagen de Fürstengruft, waar vredig naast elkaar de twee dichters eeuwig sluimeren, te midden van vorsten en vorstinnen, de sarcophagen bedolven onder dorrende en verwelkende lauwerkransen. Wij zagen.... maar genoeg, ach! nergens vonden wij iets terug, dat deed denken aan den geest der groote mannen, wier nagedachtenis wij kwamen eeren. Wij kregen slechts een weemoedig gevoel van vergane grootheid. De geheele wandeling was één groote teleurstelling. Verweerde gebouwen, stomme standbeelden, witgepleisterde graven, verwelkte lauwerbladeren, verzamelde boeken en papieren. — zij misten allen de wijding van het hoogere leven, dat wij zochten. Zelfs in het schoone park was het niet mogelijk de ziel tot aandacht te stemmen. Soldaten met versleten unifor-
WEIMAR EN HET HUMANISME.
men, meiden met kinderwagens, schooljongens en werklieden stonden stil of snelden voort over de vele paden en het was niet mogelijk, zich voor te stellen, dat men hier wandelde in een heiligdom der poëzie. Wij konden hier niet geraken tot de ontroering van bewonderende liefde.
Wij wachtten nog een hoogere aandoening bij het bezoek van de eigen woningen van Goethe en Schiller. Alexander de Groote heeft reeds gevoeld, dat men de woning van een groot man met eerbied moet binnentreden. Toen hij Thebe liet verwoesten, gaf hij bevel de woning van Pindarus te sparen. Weimar heeft dezelfde piëteit gehad tegenover de huizen van Schiller en Goethe. Beider woningen zijn als twee tempels ongerept gebleven. Met eerbied en ontroering gingen wij het huis van Goethe binnen. Met wonderlijke gewaarwordingen gingen wij van kamer tot kamer. Peinzend en denkend mochten wij de tallooze voorwerpen beschouwen, die aan den grooten man herinnerden: boeken, busten, marmers, portretten van Frau von Stein, Bettina von Arnim, Karl Wilhelm Jerusalem, van Goethe\'s kinderen en kleinkinderen, majolica\'s, porceleinen, souvenirs van zijn reis door Italië, schedels van Tasso, den schilder van Dijk, van Lessing. In één der bovenkamers vonden wij een schilderij: „Christus en Thomas.quot; Het herinnerde ons een oogenblik aan den man van den twijfel! Wij daalden van boven af, wij traden de studeerkamer van den grooten geleerde binnen... zoo\'n kleine ruimte voor zulk een machtigen geest! Wij zagen een schotel met aarde, die Goethe nog de laatste dagen vóór zijn dood had onderzocht. Het was een merkwaardig zinnebeeld: de beroemde man heeft zich tot den dag van zijn dood
toe bepaald bij de aarde----de hemel was hem verre. Hij
was uit de aarde____ hij sprak uit de aarde. — Wij wier-
182
WEIMAH EN HET HUMANISME.
pen een blik in de sterfkamer. Dat eenvoudige leger____
die laatste medicijnflesehen.... de laatste.... laatste lauwerkrans! Wij dachten aan zijn klacht: „Süsses Leben! schone freundliche Gewohnheit des Daseins und Wirkens!
von dir soil ich scheiden!quot; En____ dan de woning van
Schiller____ die tafel... die stoelen... dat portret van
Oharlotte van Lengeveld... dat afdak, dat zolderkamertje, waar de groote geest is heengegaan van de aarde... die pen, die laatste pen, waarmede hij woorden der vrijheid heeft neergeschreven als deze:
„Mich halt kein Band,
mich fesselt keine Schranke,
Frei schwing\' ich mich
durch alle Eaume fort,
Mein unermesslich Eeich ist der G-edanke,
Und mein geflügelt Werkzeug is das Wort,quot;
dat laatste, dat weinige, — met weemoed hebben wij het aangestaard en in beide heiligdommen... de sterfkamer van Goethe en van Schiller, gevoelden wij iets van den geest des twijfels en iets van de kracht der vrijheid, maar op beide plaatsen kwamen wij onder den indruk van de macht der vergankelijkheid en de ontzettende waarheid van het woord: „Stof zijt gij en tot stof zult gij weder-keeren!quot;
In de eigen woning van Schiller en Goethe hadden wij een diepe emotie gehad, maar — toch voelden wij ons onbevredigd. Het was alles zoo koud en doodsch. De kamers waren kleine musea. Zij misten alles, wat aan gezelligheid, aan geluk en leven deed denken. — Wij gevoelden het onnatuurlijke van de gansche omgeving. Wij zochten in Weimar nog iets anders, niet wetend, of
183
WEIMAR EN HET HUMANISME.
wij het vinden zouden. — Wij gingen laat op den middag naar Tiefurt, waar de Groot-hertogiü Amalia zoo dikwijls In haar paleis de groote mannen vereenigde en slot, zaal, park en bosschage nog vele herinneringen bewaren van de hooge bezoekers.
Hier en in Ettersburg is de heerlijke idylle van het Wei-marsche leven afgespeeld geworden. Hier kwam de Muider-kring te zamen der Duitsche genieën. Hier leefden deze mannen als goden op den Olympus. Hier bloeiden eenmaal de kunsten te midden van schoonheid, beschaving en weelde. Hier werden partijen gegeven. Hier stroomden de wijnen bij schitterende festijnen. Hier weiden charades bedacht, tableaux vertoond, comedie-stukken opgevoerd. Artisten en geleerden speelden hier samen met prinsen en prinsessen. Allerlei merkwaardige voorwerpen getuigen nog van het ideale leven, dat hier geleid is geworden. De kamer wordt nog getoond, waar Goethe gewoonlijk zijn verblijf hield. Op deze kamer staat nog in marmer een Venus der Medicis. Aan den wand hangt nög het portret von Frau von Stein, wie de aanbidder toezong:
„ Mein Dichten, Trachten, Heffen und Verlangen Allein nach dir und deinem Wesen drangt Mein Leben nur an deinem Leben hangt!quot;
Op dezelfde kamer hangt nog een schilderij van de beeldschoone actrice Corona Schröter, wie Goethe weer bij een andere gelegenheid bewijzen van genegenheid schonk en die hij vereerde met coupletten als de volgende:
„Ihr Freunde, Platz! Weicht einon kleinen Schritt!
Seht, wer da kommt und festlich naher tritt!
Sie ist es selbst, die Gute fehlt uns nie;
Wir sind erhört, die Musen senden sie.
Ihr kennt sie wohl; sie ist\'s, die stets gefallt;
Als eine Blume zeigt sie sich der Welt!quot; —
184
WEIMAK EN HET HUMANISME.
Allerlei curiositeiten vindt men hier nog bijeen: byou-terie-doozen, beschilderd met elven en rozen, cadeaux door den dichter eenmaal de vorstinne aangeboden; zeldzame porseleinen theekopjes, waarop afbeeldingen van nymphen en satyrs; waaiers, waarop geborduurd: voorstellingen van faunen en sirenen; kostbare gobelins, vol van tafereelen uit de mythologie; een geheel servies van aardewerk in den vorm van salade, asperges, ham, kreeft, taart, brood en flesschen, feitelijk allen hoites a surprises, die Goethe eenmaal had laten vullen met geschenken voor de vorstelijke gasten, die hij aan zijn maaltijd had genoodigd. — Zoo zouden wij voort kunnen gaan. — Het kasteel van Tiefurt is vol van curiosa, die nog altijd een sprekend bewijs zijn van het phantastische leven, dat de zorgelooze kinderen der fortuin hier met elkander genoten hebben, een leven, dat Goethe zelf welsprekend beschrijft in het volgende veelzeggende versje;
„Donnerstag nach Belvedère,
Freitag geht\'s nach Jena fort:
Denn das ist, bei meiner Ehre,
Doch ein allerliebster Ort:
Samstag ist\'s, worauf wir zielen,
Sonntag rutscht man auf das Land,
Zwatzen, Burgau, Schneidemiihlen Sind ons alle wohlbekannt.
Montag reizet uns die Bühne;
Dienstag schleicht dan auch herbei,
Doch er bringt zu stiller Sühne Ein Eapuschchen frank und frei.
Mittwoch fehlt es nicht an Rührung:
Denn es giebt ein gutes Stück;
Donnerstag lenkt die Verführung üns nach Belveder\' zurück.
185
WEIMAR EN HET HUMANISME.
„Und es schlingt ununterbrochen
Immer sich der Freudenkreis,
Durch die zweiundfünfzig Wochen,
Wenn man\'s recht zu führen weisz.
Spiel und Tanz, Gesprach, Theater,
Sie erfrischen unser Blut;
Laszt den Wienern ihren Prater;
Weimar, Jena, da ist\'s gut!quot;
En dan het park van Tiefurt. De waranda wordt nog vertoond, waar schoone balladen werden voorgedragen; de plaatsjes worden nóg gewezen, waar in de open lucht op prachtige gazons, tusschen heerlijke boschjes van jas-mynen en accasia\'s aan den oever van den Ilm, operetten en comedie\'s werden opgevoerd. Ieder boompje heeft een herinnering. De lievelingsplekjes worden nog gewezen, waar Herder en Wieland, Schiller en Goethe altijd konden gevonden worden. Er wordt in dicht lommer van linden en berken een standaard gevonden met een kleinen Amor, die een nachtegaal op de hand draagt en het diertje voedsel reikt en daaronder heeft Goethe geschreven:
„Dich hat Amor gewisz, o, Sangerin, fütternd erzogen;
Kindisch reichte der Gott dir mit dem Pfeile die Kost,
So durchdrungen vom Gift die harmlos atmende Kehle,
Trifft mit der Liebe Gewalt nun Philomele das Herz!quot;
Er staat een klein zuiltje bij een bank van zoden, aan den kant van het lieve riviertje, waar Wieland heeft gezongen :
„Wenn zu den Eeihen der Nymphen Die eine Mondnacht versammelt,
Sich die Graziën heimlich Von dem Olymp gesellen...
Hier belauscht sie der Dichter!quot;
186
WEIMAK EN HET HUMANISME.
Het is een verrukkelijk oord, en dezelfde dichter mocht vragen: „Fühlen sie denn nicht, wie über dieser schönen Statte die Menschen-freundlichkeit als Genius Loei waltet?quot;
Hier hebben wij ons nedergezet en over ons kwam een oogenblik de geest van het onbezorgde idealisme, dat de werken dezer groote mannen doorademt. Het was een stemmige avond. Het was niet bepaald, wat men mooi weder noemt. Integendeel, — de lucht was bedekt en daardoor ietwat somber, maar die sombere tint paste bij onze aandoening. Het weder was zacht, de atmosfeer zwoel en vol geurige aromen van jasmijnen. Geen zuchtje werd vernomen. Geen blaadje trilde. Alleen hoorde men het fluisterend vervloeien van het kleine riviertje. De zacht-kabbelende stroom ruischte voort in de schaduw van zwaar, hoog, donker geboomte. Het was een oogenblik, waarop men den Ilm naar Schiller\'s beschrijving kon hooren stamelen; „Meine üfer sind arm, doch höret die leisere Welle, führet der Strem sie vorbei, manches unsterbliches Lied.quot; Ja, ook wij meenden onsterfelijke liederen te hooren. Hier vernamen wij niet zoozeer zangen des twijfels of wel liederen der vrijheid, neen, hier meenden wij te hooren een echo van dat onnatuurlijk-ideale, dat ongewoon-idyllische leven, dat hier eenmaal genoten is. Wij zagen in den geest voor ons die zeldzame tafereelen van vorsten en kunstenaars, van vorstinnen en kunstenaressen, — in deze lustwaranden, te midden van schoonheid, overvloed en weelde, met elkaar bijeengekomen, om door één zelfden kunstzin gedreven en door één groote liefde als broeders en zusters met elkaar verbonden, te genieten van het edel spel van taal, muziek en gedachte. En terwijl wij in den droom onzer phantasie dit geluk van het verleden als het ware nog eens trachtten door te maken, overviel ons toch een gevoel vau weemoed, dat dit alles voorbij was, voor
187
WEIMAR EN HET HUMANISME.
altijd voorbij. Uit den somberstillen nevel-hemel schenen droefgeestige stemmen te klagen en het was ons, of wij den Erlkönig van Goethe door de lucht hoorden zweven als den geest der vergankelijkheid en uit de diepte van het dal de schim van Schiller hoorden zuchten:
„Ach, aus dieses Thales Gründen,
Die der kalte Nabel drückt,
Konnt\' ich doch den Ausgang finden,
Ach, wie fühlt\' ich mich beglückt!quot;
Het was een ernstig oogenblik van weemoed en van vreugde. — Ik herinner mij eens een dergelijk oogenblik doorgebracht te hebben in de parken van Trianon in Versailles. Het was toen ook een verrukkelijke avond. De natuur was toen ook bladstil. Wij staarden toen ook op de grootsche ruïnes van een ideaal verleden. Wij dachten toen ook aan de koningen en koninginnen, aan geleerden en dichters, die daar met elkander zalig waren door kunst en poëzie. Het was een moment van groote aandoening en vele herinneringen. Een Franschman hoorde ik zeggen: ,On y entre religieusement!quot; — maar plotseling werd de gewijde stemming bedorven door een bende dronken bruiloftsgasten, die de lucht van hun banale liederen lieten weergalmen. Alle wijding was verdwenen. Alle genot bedorven. — Hier in Tiefurt niet alzoo. De hof wordt in aristocratische eenzaamheid gehouden. Al wat profaan is, wordt geweerd. — Wij mochten in stille bewondering nederzitten en denken en, terwyl wij onze blikken aandachtig lieten dwalen door dit rein gehouden Paradijs, door niemand gestoord, gevoelden wij de droefheid naar de wereld, waar al wat schoon is moet vergaan. Wij beseften hier de waarheid van het „tout passe, tout casse tout lasse.quot; Wij treurden een oogenblik over het feit, dat het onschuldige Grieksche leven niet meer mogelijk is. Wij
188
WEIMAE EN HET HUMANISME.
gevoelden het diep: het Christendom heeft een eeuwige scheiding gemaakt tusschen ons en de antieke wereldbeschouwing. Wij zijn geen Grieken meer. Wij kunnen geen Grieken meer zijn. Wij hebben hoogere idealen leeren kennen. Wij hebben do heiligheid van God en den vloek der zonde hooren prediken. Wij hebben een wonde in ons hart bekomen, die alleen door eeuwige Liefde kan genezen worden. Wij kunnen niet altijd door meer lachen en blijven spelen. Wij mogen de Weimarsche idylle bewonderen en een oogenblik ons in haar poëzie verlustigen, — wij zouden haar voor ons persoonlijk niet meer wenschen. Trouwens, — Goethe en Schiller hebben er ook geen vrede in kunnen vinden. Zij hebben zoo dikwijls geklaagd over de smart, die hen te midden der vreugde vervolgde. Daar is een veel te hooge verwachting door de ziel der menschheid gegaan, dan dat men zich ooit weer volkomen met de aarde zou kunnen verzoenen. Goethe en Schiller hebben getracht Apostelen der levensvreugde te worden, — zij kunnen echter onze profeten niet meer zijn. Een man als David Friedrich Strausz mocht na zijn bezoek aan Weimar zingen:
„Heimkehr\' ich an dem Pilgerstabe,
Zwar wfiffematt, doch stillvergniigt:
An des Profeten heil\'gem Grabe Hab\' ich der frommen Pflichtgenügt.quot;
Hij mocht spreken van de Fürstengruft als van een „heilig graf,quot; van Goethe als van een „profeet,quot; van den eerbied voor den grooten man als van een „vromen plicht,quot; — wij kennen een ander „heilig graf,quot; maar dit ligt in den hof van Jozef van Arimathea; wij kennen een anderen profeet en dat is Jezus Christus; wij kennen een anderen vromen plicht en dat is: te luisteren naar het gebod der liefde.
Goethe en Schiller kunnen onze profeten niet meer zijn!
189
XIII.
THÜRINGEN.
De natuur is schoon, de kunst verheffend, en de kennismaking vertroostend met het idealisme van de groote dichters der humaniteit, — maar de mensch zal den godsdienst nooit kunnen missen. Telkens gevoelt men behoefte aan prediking en gebed. Geen wonder dan ook, dat wij verscheidene malen de samenkomsten der Christelijke gemeente opzochten en dankbaar waren, daar het oude en altijd nieuwe Evangelie te mogen hooren verkondigen en met de geloovigen éénzelfde loflied aan te mogen heffen. Soms hebben wij uitmuntende toespraken gehoord en met groote stichting de godsdienstoefening bijgewoond. Over het algemeen echter doet de eeredienst in Duitschland niet aangenaam aan. De kerk is daarvoor te veel een staatsinstituut. Een kerk hoort vrij te zijn en zelfstandig, een belijdende gemeente, een verzameling van geloovigen. Geen vorst, geen koning of keizer moet iemand ter wereld zijn geloof kunnen voorschrijven, en toch, — deze treurige toestand wordt in Duitschland nog altijd aangetroffen. Daar geldt altijd nog de leus: „Cuius regio, eius religio.quot; Terecht zegt Vinet: „De Staatskerken dateeren van de 16de eeuw en kunnen zonder overdrijving genoemd worden de misgeboorten van het Protestantisme.quot; In Duitschland ziet men deze woorden bewaarheid. De predikanten zijn dikwijls ethisch of modern, maar de voorgeschreven liturgie is nog altijd streng orthodox. De tekst voor de predikatie
Souvenirs en Phantasieën. 13
THÜEINGEN.
wordt opgegeven. De meest liberale dominee moet beginnen; „lm Namen des Vaters, des Sohnes und des H. Geistes.quot; De offlcieele sebeden eischen den zegen af te smeeken voor den keizer, de keizerin, de prinsen, den groothertog, den vorst, en voor allen, die in hoogheid gezeten zijn. Deze voorbede is niet vrijwillig, maar gedwongen. Deze verkeerde toestanden maken de kerken tot politie bureaux, de predikanten tot officieren en de predikatiën tot regeeiings-plakkaten. De geheele eeredienst wordt daardoor stereotype, vormelijk, koud. Men mist dikwijls gloed, mystiek, inspiratie.
Nergens heb ik dit sterker ondervonden dan in Eisenach. Nooit heb ik killer ritualisme in een Protestantsche kerk bijgewoond. Met de routine van een notaris, die een acte leest, droeg de predikant de streng orthodoxe liturgie voor en liet daarop een ziellooze, moderne, rhetorische preek volgen, zoo systematisch secuur in elkaar gezet en zoo gespeend aan alle godsdienstig leven, dat ik telkens moest denken aan den candidaat Hieronymus uit de Jobsiade. Het was onder het toeluisteren, of Dr. Kortum, de schepper van het boekske, mij demonisch in de ooren fluisterde;
„Er hatte mit klugem Vorbedacht Bereits eine Predigt mitgebracht
Welche ein Freund in der Musenstadt Fleiszig für ihn verfertigt hat.
Schon am naohsten Sonntag betrat Hieronymus die Kanzei als Kandidat
Er sagt es klar und angenehm Was erstens, zweitens, und drittens kam.
Erstens, Geliebte, ist nicht so?
Oh, die Tugend is nirgendwo!
Zweitens, das Laster dahingegen Uebt man mit Preuden allerwegen,
194
THÜEINGEN.
Wie kommt das nur? So hore ich fragen.
Oh, Geliebte, ich v/ill es euch sagen.
Das machet, drittens die böse Zeit.
Man höret nicht auf die Geistlichkeit.quot;
Inderdaad, — het godsdienstig leven draagt in Duitsch-iand over het algemeen genomen te veel een officieel karakter, maar er va\'len toch ook betere dingen meê te deelen. Er doen zich nieuwe verschijnselen voor van godsdienstige reactie. De keizerlijke familie gaat voor in devotie. Geheel Duitschland gevoelt iets als een geestelijke opstanding. De religieuse invloeden beginnen zich steeds meer te laten gelden. Vooral ook in Thüringen, zoo lang godsdienstig dood onder den invloed van de moderne theologie van Jena, doen zich nieuwe godsdienstige verschijnselen voor. Wij althans hebben ten opzichte van het geloofsleven de aangenaamste herinneringen aan twee plaatsjes, aan Blankenburg en Vieselbach.
Blankenburg en Vieselbach... het een een stadje en het ander een dorpje, zijn beiden van weinige bekendheid. In natuurschoon kunnen zij niet halen bij Altenstein en Llebensteln, bij Eisenach en Ruhla, bij Lauchagrund en Tabarz, bij Ilmenau en Friedrichroda, en zoovele andere heerlijke plekjes, — neen, Thüringen heeft overal elders meer schoonheden aan te bieden dan hier. Thüringen is een bekoorlijk land. Het heeft geen rotsen als de Saksische Schweiz, geen sneeuwbergen als Zwitserland, geeu hooge pijnwouden als het Schwarzwald of het Zevengebergte, het heeft slechts schilderachtig begroeide heuvelen en niet meer. Maar toch ook hier heeft men verrukkelijke vergezichten als van den Trippstein op het Schwarza-thal, van den Inselsberg op Friedrichroda, van den Wartburg op het Anna-thal. Het is een vriendelijk Galilea, vol herstellingsoorden voor kranken, vol historische plekjes met her-
195
THÜRINGEN.
inneringen aan groote mannen, vol sagen en legenden. — Wie hier reist moet zich verdiepen in het „Thüringer Sagenbuch.quot; — Dan begint het land te leven en te jubelen. Beken, rivieren, bergen en dalen worden dan bevolkt met sylphen en faunen en elven en heksen, met keutels en dreutels en wichten en trollen en nixen en dwergen, met ridders en jonkvrouwen, met vorsten en schildknapen, — ieder stadje heeft zijn idylle, ieder dorpje zijn roman, ieder vlekje zijn sage. Om uit honderden slechts één vertelsel te doen... Vóór eeuwen was in het dorpje Stelzen een bron ontdekt met geneeskrachtig water. De zieken kwamen van alle kanten, om als door een wonder genezing te vinden. En vrij lieten de burgers de vreemdelingen nabij komen. Hier gold het woord; „Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet!quot;... Jaren lang ging dit goed, maar de begeerlijkheid kwam. De burgers besloten van de bron der genezing een geldzaak te maken. Wat arm was werd geweerd, de rijken konden slechts toegang vinden. .. maar... Gods oordeel kwam over deze plaats. Van stonde af aan hield de bron op van te vloeien. — Diepzinnig verhaal! Leerrijk symbool! Welnu, — in Blankenburg en Vieselbach vonden wij een bronne van genade en tot heden is geen hebzucht in het spel, die tracht het water des levens hier voor geld te verkoopen.
Blankenburg. — Blankenburg in Thüringen, — wel te onderscheiden van het bekende Blankenburg in de Harz, — begint eerst in de laatste jaren in opkomst te komen, — en wel mede door de stichting van het Evangelische Allianz-Haus, onder directie van Fraulein von Weling. Wij hadden van deze stichting het eerst gehoord door een kort verslag van Dr. M. F. van Lennep in het Haarlemsche Predikbeurten-blad. Wij hadden uit zijn exposé begrepen, dat deze inrichting tevens iets was als een Christelijk
196
THÜRINGEN.
Hotel. Toen wij dan ook van Weimar naar Thüringen gingen, waren wij vast besloten, na eenige weken lang in gewone wereldsche Gasthöfe gelogeerd te hebben, eens te onderzoeken wat een Christelijk logement nu toch eigenlijk was en welken indruk wij daar zouden ontvangen. Ongelukkigerwijze hadden wij ons in Weimar verlaat en moesten wij den laatsten trein afwachten, zonder per telegram de directie van het onderstelde Hotel van onze komst te kunnen verwittigen. Het was een tocht in den blinde. Wij wisten niet, wat wij vinden zouden. Toen wij het station van Jena binnenreden, hadden wij grooten lust uit te stappen en daar te overnachten. Maar ons reisplan was nu eenmaal zoo vastgesteld. Het Christelijk Hotel van Blankenburg wilden wij leeren kennen. Veel tijd hadden wij niet meer. Voor iederen dag was de route nauwkeurig berekend. En dus, — hoe onaangenaam de omweg was en dat wel in een war-net van boemeltreinen, zoo laat op den avond, — wij besloten door te gaan en den tocht te wagen.
Tegen elf uur kwamen wij in Blankenburg aan. De meeste lichten van het station waren gedoofd. Het station zelf was miserabel. De teleurstelling was groot. Op het perron stonden in het haif-donker de Hausknechte van twee Hotels, die de schrikverwekkende namen droegen van „Löwequot; en „Rosz.quot; De kerels hadden wel om ons willen vechten. Wij waren de eenige vreemdelingen, die aangekomen waren. De een verheerlijkte met onbeschrijfelijke welsprekendheid de deugden van den „Leeuwquot; en de ander pleitte wanhopig voor het „Rosquot;. Wij verklaarden van hun beleefdheid niet gediend te zijn en naar het Allianz-Haus te willen. De snuiters barstten in een schaterlach uit en gaven eenige grappen ten beste over het doel onzer reize. Uit angst, dat de „Leeuwquot; ons op den eenzamen weg zou verscheuren en het „Rosquot; achteruit zou siaan, besloten
197
THÜRINGEN.
wij zelf op goed geluk ons Hótel te gaan zoeken. — Maar jawel, — vijf minuten van het station af was er geen lantaarn meer te zien. Het stadje was nog een kwartier verwijderd. Wij waren dus wel verplicht de hulp van het verscheurende dier in te roepen en te vragen of de „Leeuwquot;, die er nog het fatsoenlijkst uitzag, ons voor een goede belooning wilde geleiden. De knecht nam ons voorstel aan en wij gingen op weg. Het was een reis met hindernissen. Eerst gingen wij door een breede laan van hoog geboomte. Na een kwartier kwamen wij aan de stad. Aan het einde der stad moesten wij klimmen. Tien minuten lang ging het omhoog langs een halsbrekenden trap van ruwe steenen, in de rotsen uitgehouwen. De gang naar het Christelijk Hotel was geen gelegen kerkweg. Telkens dachten wij naar beneden te zullen vallen en den hals te zuilen breken. Eindelijk, eindelijk waren wy boven.
De gids wees ons met minachting in zijn toon en houding liet gebouw. Een groote grauwe massa teekende zich af in het donker. Geen licht was te zien. Wij vonden, dat ons Christelijk Hotel meer op onverwachte bezoekers moest rekenen en eenig licht \'s nachts op kon houden. Wij belden aan. Geen antwoord. Wij belden weer. Geen teeken of opmerking. Wij belden nog een derde maal en wensch-ten het geheele Christelijke Hótel reeds naar de maan, toen... plotseling van binnen zich eenig leven liet vernemen. Rumor erat in casa. Een schemering van licht vertoonde zich achter het matglas van de deur der glazen vestibule. De binnendeur ging open. Een angstig gelaat vertoonde zich en een dame kwam voor, van een zeer aanzien-Hjk voorkomen. Zij had een porseleinen lamp in de hand en klaagde bedeesd: „Aber was giebt\'s? was giebt\'s?quot; — Wij begrepen dat wij ons in ons Christelijk Hótel vergist
198
THÜEINGEN.
hadden en hadden wel weg willen loopen, maar de beschaafde stem ging voort met te vragen: „Was giebt\'s?\'\' quot;Wij riepen verlegen van buiten: „0, entschulaigen Sie... es ist ein Hollandischer Pastor mit seiner Frau, die meinten hier ein Christliches Hotel zu finden.quot; — De angst verdween op het bleeke gelaat der adellijke chatelaine. Wij maakten in het portaal onmiddellijk kenniy met elkander. Tallooze malen zei zij, onze vergissing bemerkende: „Es thut mir so leid, es thut mir so leid... Alle Diener schlafen schon... es ist hier ganz etwaa anderes... Kommen Sie morgen zurück, und darf ich Ihnen dann alles von dieser Stiftung erzahlen? Es thut mir so leid!..Wij vroegen, waar wij dan een goed onderkomen zouden kunnen vinden, en hoorden gelukkig, dat de „Leeuwquot; een fatsoenlijk hötel was en wij daar niet verscheurd zouden worden. De knecht uit de „Leeuwquot; triompheerde.
Den volgenden morgen reeds betrekkelijk vroeg gingen wij ons beloofde bezoekje brengen. De duisternis was geweken. Al het griezelige en onbekende was voorbij. Wij beklommen voor een tweede maal den hoogen berg en hadden een prachtig uitzicht over de vriendelijke valleien van Thüringen, waar in frisch blauw do zon vroolijk over opging. Wij belden opnieuw aan en alleraangenaamst was de kennismaking. Wij hoorden nu, dat dit Allianz-Haus niet is een Hotel, waar een ieder zoo maar ieder oogen-blik kan binnenvallen en Christelijke kellners en Christelijke Kammermadchen gereed staan om Christelijke gasten het leven aangenaam te maken. Wij vernamen dat deze inrichting een geheel andere bestemming heeft. Fraulein von Weling betreurde sinds vele jaren den geestelijken dood van het heerlijke land van Thüringen, het land van Luther, de bakermat van het Protestantisme. Zij kon het koude ritualisme van de offlcieele Staatskerk niet verdragen en
199
THUBINGKK.
200
wenschte hier een middelpunt van Christelijk leven te maken. Zij stichtte met eigen fortuin een gebouw van samenkomst en begon in den geloove haar moedigen arbeid. Zij vestigde in haar huis een afdeeling van de Evangelische Alliantie, belegde jaarlijks eenige groote vergaderingen, en verzamelde gelden, om in haar woning weezen en ongelukkigen te verplegen. Haar werk werd gezegend. De grondslag van haar stichting werd gelegd in het jaar 1886. Spoedig was evenwel uitbreiding noodig. Zij richtte haar eigen blad op „Das Evangelische Allianzblattquot; met het devies: „Einer ist einer Meister, Christus, — ihr aber seid alle Brüder.quot; Zij wist bekendheid aan haar bedoelingen te geven. De vergaderingen werden steeds talrijker en belangrijker. De vreemdelingen, die van heinde en verre voor de meetingen samen kwamen, werden beschouwd als gasten en kregen kosteloos herbergiug. Beroemde sprekers werden uitgenoodigd en traden op. Dr. Baedeker, Stock-mayer, Jellinghaus, Lipsius, Gebhardt, Wilms en vele andere bekende redenaars en philanthropen leidden de samenkomsten. Het gebouw werd al grooter en grooter. De directrice nam een paar jaar geleden de verzorging op zich van Armenischi) kinderen, wier ouders vermoord waren, en stelde den laatsten tijd tevens haar huis \'s zomers open voor Christelijke familie\'s die hier een séjour wilden maken en de voordeelen van een geestelijke atmosfeer wensch-ten te genieten. — Dit alles was geheel iets anders dan het Christelijk Hotel, dat wij gedacht hadden hier te zullen vinden. Wij vroegen de inrichting te moger, zien en werden door de gastvrouw zelve allervriendelijkst rondgeleid. Wij kregen uit teksten en platen aan den wand een diepen indruk van het ruime en frissche Evangelie dat hier verkondigd werd. Wij merkten op dat de kamers en zalen geen nummers hadden, maar de namen voerden van
THÜR1NGEN.
beroemde Christenen. Gelijk men in vele paleizen vindt een zaal van Venus, Apollo, Mars, Jupiter. Saturnus, — zoo zag men hier de kamer van Comenius, Spurgeon, Spener, Luther, Augustinus. Wij kregen een alleraangenaamste impressie van de vrouw zelve en van den Chris-telijken geest, dien zij vertegenwoordigde, — zoo innig, zoo geloovig, zoo ruim, zoo vrij en onbekrompen! Het was een heilige Geest, die hier heerschte. Wij kunnen begrijpen, dat ook dit jaar de September-vergaderingen weder opgewekt en belangrijk waren en de „Christianquot; heeft durven getuigen: „The tone and the spirit of the Convention were very deep and searching. God is evidently doing a mighty work in the land of Luther.quot; — Wij voor ons zullen ons vermeend Christelijk Hotel van Blankenburg niet licht vergeten.
En thans Vieselbach? — Vieselbach is een groot dorp, dat schilderachtig verspreid ligt over lage heuvelen, in de nabijheid van Weimar. Zeer toevallig hebben wij hier op een Zondagmiddag een eigenaardig Missionsfest mogen bijwonen van een afdeeling van de Baseler-Missions-GeseU-schaft. Wij hadden dit feest des morgens hooren afkondigen na den dienst in één der kerken van Weimar. Wij maakten van de gelegenheid gebruik en togen \'s middags op weg. Toevallig kwamen wij in den trein, die naar Vieselbach heenvoerde te zitten tegenover een ouden heer, met sneeuwwit haar en eerbiedwaardig uiterlijk. Wij dachten, — het kon niet missen, — deze man moest een dominee zijn en zochten derhalve, schijnbaar overschiliig, een gesprek met hem aan te knoopen, en jawel... het was een dominee en een aardige dominee ook. De oude man was enthousiast, dat wij, zoo avontuurlijk, dit plannetje gemaakt hadden en met Duitsche gemoedelijkheid dwong hij ons met hem te gaan e:i bij hem te blijven.
201
thüeingen.
Wij lieten ons overhalen en het heeft ons waarlijk niet berouwd. Wij werden door den ouden heer meögenomen naar de Pfarrei van den dorpspredikant waar wij voorgesteld werden aan een groote schare van allergoedhar-tigste predikanten en allergezondste en all er-gemoedelij kste predikantsvrouwen. Wij ontmoetten daar Dr. Kohlschmidt, een aantrekkelijke verschijning, een schrijver die ook in ons land bekend is door de vertaling in het Duitsch van de werken van van Koetsveld. Het was een bizonder aangename kennismaking. Zelf geboren zijnde in de pastorie van Mastland was ik natuurlijk voor hem een zeldzaam specimen van een Hollander. Wij hadden het onmiddellijk over Herman Baljon en Ary Ploegstaart en al de andere bekende primaten van Westmaas. Ik moest Duitsch en hij zju Hollandsch praten en beiden zouden wij joviaal zijn. De omstanders luisterden met welgevallen toe en vonden ons merkwaardige menschen. Wij maakten beiden kennis met Dr. Buhler, die \'s middags de feestrede zou houden; met een missioaar, een zekeren Herr Müller, die mededee-lingen zou doen over zijn veelbewogen leven in de kolonie van Sierra Leona; met een Herr Super intendent die door zijn gladgeschoren volle-maans-gezicht, zijn kalen schedel en zijn slimme oogen achter twee gouden brilleglazen als twee druppelen water op Dr. Schaepman leek en, — met tientallen van andere predikanten, wier namen ik vergeten ben.
Mijn vrouw zat onder de dames. Die goede dikke do-minee\'s vrouwen, allen variateiten van de goedhartige soort, die Fritz Reuter ods zoo geestig geschetst heefc in zijn „Gedroogde Kruiden,quot; zij zaten zoo breed-moederlijk om groote tafels bijeen en voor de partij meegenomen kinderen stonden achter heur stoelen en leunden verlegen tegen haar schouders. Zij zaten zoo vroolijk en zoo gezellig
202
THÜBINGEN.
bijeen, zoo goed-rond en goed-lachs. Zij praatten en babbelden, zij lachten en fluisterden en deden zich dankbaar te goed aan Kaffee und Kuchen. Zij waren zoo hartelijk voor de Hollandsche vriendin, zoo niets stijf of terughoudend. Zij beschouwden haar als een zuster en dachten er niet aan eenige verontschuldiging te maken voor den eenvoud der ontvangst en de rustige gemakkelijkheid der receptie. Zij vonden het zoo gewoon, dat er geen kleeden op den vloer lagen, geen behangsels aan den wand hingen en dat de fluweelen zittingen der stoelen verschoten en de ruggen bouwvallig waren. Zij dachten aan geen etiquette of elegantie. Zij waren er te naief, te goedig, te hartelijk voor. Wij zaten een uur ongeveer aan den maaltijd, woonden toen een korten bidstond in de kerk bij en gingen daarna naar het Zendingsfeesc, dat gevierd zou worden op een hoogen heuvel, midden in het dorp onder een Lauhe van kastanjes en accasia\'s, in de open lucht, onder den blauwen hemel.
Tegen vier uur op den middag kwamen wij hier aan. De geheele gemeente was er reeds verzameld. Het waren een paar honderd mannen en vrouwen. De notabelen van het dorp werden ons gewezen. Wij hoorden van den Vorsteker, van den Fimnzrath. van den Justizrath, van den Komrmr-cienrath, van den Appellationsrath... van eenige ouderlingen en diakenen; wij zagen verder eenige beauté\'s van de buurtschap, een Praulein Mariechen en een Fraulein Clar-chen, die gecomplimenteerd werden door d n Herr Superintendent en diens familie; wij aanschouwden voorts verscheidene groepjes van andere predikanten, die niet in het huis van den dorps-dominee verschenen waren en ten slotte een groote menigte van landbouwers en ambachtslieden, allen achter tafeltjes en daarop natuurlijk een pot bier. — De plechtigheid begon. De dorpspredikant opende
203
THÜR1NGEN.
met een kort woord van welkomst. Het was warm en daarbij kwam het ongewone van zulk een menschenmassa in het kleine dorpje. De toespraak scheen inspanning te kosten. Groote parels zweet dropen van het gezonde Lu-ther-gezicbt. Daarna kwam Dr. Buhler aan het woord. Hij sprak met groote gemakkelijkheid. Hij hield de millioenen-speech der zending. Hij schilderde de geschiedenis der zending uit den tijd der Apostelen, der Middeleeuwen en uit onze dagen. Hij besprak (ien zendingsarbeid der Herrn-hutters, Hollanders, Denen. Hij had het over het zendingsgenootschap van Londen, Basel, Berlijn, over de Rijnsche en de Gosznersche Zending. Hij liet uitkomen, welk een reuzenmacht deze arbeid in de gansche wereld is, en welke verbazende schatten daarvoor jaarlijks bij elkaar gebracht worden. En gemoedelijk, hartelijk, beleefd als de Duit-schers zijn, ter eere van ons Hollanders, die tegenwoordig waren, werd in het bizonder nog gewezen op de kracht, die door ons klein volk ook in deze laatste eeuw, op zen-dingsgebied is ontwikkeld. — Ten slotte trad de zendeling op. Hij begoa uit den schat zijner ervaringen belangrijke mededeelingen te doen. Hij was niet bepaald welsprekend. Hij had zelfs een sterk WurteiTibergsch accent en de hoorders zelve lachten hier smakelijk om, maar hij sprak zoo kalm, zoo overtuigd, zoo bezielend, dat hij ten laatste aller oogen tot zich trok en aller aandacht boeide. Wij kregen schreiende verhalen over den vloek van het Heidendom, de geestenvereering en de menschenoffórs, over de ruwe zeden en de schandelijke praktijken der afgodische priesters. Een ieder gevoelde zich dankbaar een Christen te zijn.
Het was een verheffend oogenblik. Het was een landelijk stukje leven, gelijk men zelden te zien krijgt. Onze zendingsfeesten zijn te druk, te groot, te woelig geworden. Onze zendingsfeesten zijn te veel Christelijke pic nic\'s geworden.
204
THÜRINGEN.
waarbij het idee pic-nic dikwijls op den voorgrond en het idee Christelijk dikwijls op den achtergrond staat. Hier in Vie-selbach was het een vergadering in de open lucht van een enkele gemeente, alleen bijgewoond door alle predikanten van de diocese. Ieder had er plaats. Allen zaten neer en luisterden aandachtig. De sprekers behoefden niet het ge-druisch van een groote menschen-massa te overschreeuwen. Het gezang, bij ons zoo dikwijls opgeluisterd door de ondragelijke koper-muziek van een half geoefend fanfarecorps, klonk daar zonder begeleiding van instrumenten, zuiver en ernstig. En, terwijl men toeluisterde werden landelijke ververschingen aangeboden: bier, lange Thü-ringer broodjes en lange Thüringer worstjes, die, heet van den rooster, gloeiend en wel verorberd werden. Het was een eenig tafreel... Al die dominee\'s en dominee\'s vrouwen, die burgers en boeren, — met stichting luisterende naar de berichten der zending en intusschen achter een Schnitt Bier zich te goed doei:de aan die broodjes met gloeiende worsten. — Het was een tooneel om nooit te vergeten!
Gelijk ieder denken kan, had dit tafreel zijn comische zijde, maar godsvrucht en poözie voerden den boventoon. De menschen zaten zoo gelukkig en ernstig ter neer. — Toen het wat later werd en de zon onderging en de kleine wolkjes boven onze hoofden, goud en purper gekleurd werden en over accasia\'s en kastanjes de rosse gloed van den avond begon te glanzen, — toen ging daar over de luisterende schare ook een glans heen, als een glimlach van boven. De menschen schenen er zulk een groot genoegen in te vinden hier de werken Gods te hooren verkondigen. Hier was geen koud ritualisme, hier geen opgedrongen tekst en predikatie, — hier was gloed, overtuiging, bezieling, liefde, brandende liefde, voor God, voor
205
THÜRINGEK.
Christus, voor de menschen, ook voor die ongelukkige xnenschen, die daar nog in den nacht van het Heidendom moeten voortleven. Hier kregen de woorden van den Wart-burg geest en leven: „Eantes ergo docete omnes gentes, baptizantes in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. Gaat dan heen, verkondigt het Evangelie aan alle creature, ze doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.quot; — Een gebed lag op veler aangezicht. Gretig werden de zendingstractaten aangenomen, die werden aangeboden en toen de zon reeds was ondergegaan en de duisternis begon te schemeren, klonk het rein en plechtig over de heuvelen:
„Macht hoch die Thür, die Thor macht weit!
Es kommt der Herr der Herrlichkeit,
Ein König aller Königreich,
Ein Heiland aller Welt zugleich.
Der Heil und Leben mit sich bringt;
Derhalben jauchzt, mit Preuden singt:
Gelobet sei mein Gott, mein Schöpfer, reich von Gnad\'!quot;
quot;Wij namen dankend afscheid van de Broeders en Zusters. Zij brachten ons weg tot het station. Zij gaven tot gedachtenis nog verschillende zendingsbladen mede. Wij kregen boekjes als: „Blatter für die Preunde der Ev. Mission in Kamerunquot;, „Auf Chinesischen Pfadenquot;, enz. en in gelukkige stemming keerden wij terug. Terugdenkend aan de plechtigheid, die wij bijwoonden, zeg ik met het oog op Vieselbach, wat de „Christianquot; zeide met het oog op Blankenburg: „God is doing a migthy work in the land of Luther!quot;
Blankenburg en Vieselbach, — zij vertegenwoordigen voor mij voortaan den geest der Evangelische Alliantie en de kracht der Zending, en beiden, de geest der Evangelische Alliantie en de kracht der Zending schijnen mij den weg
206
THÜEINGEN.
aan te wijzen, waarop het Christendom zich verder ontwikkelen moet. De wetenschap heeft lang gedacht het Evangelie te kunnen verdedigen. De apologeten hebben hun arsenalen leeg gedragen. De critiek koesterde de overtuiging de Schrift te kunnen verklaren en meende niets te zullen verliezen. Heur krachten zijn uitgeput. De kerk was lang van meening een nauw sluitende dogmatiek te kunnen leveren, waar geen wijsgeerig systeem zich mee zou kunnen meten. In scholastiek en letterknechterij is zij doodgeloopen Het tijdperk van scholastiek, apologetiek en critiek is voor altijd voorbij. Terecht zegt Wagner in zijn „l\'Évangile et la Viequot;, p. 334: „Ce siècle a parcouru le cycle des raisons et des systèmes; il a épuisé toutes les phases de la vie spirituelle représentative. II ne se convertira plus a la foi et a l\'esperance pour des motifs rationnels.quot; Dit is schoon gezegd. Het eenige wat men doen kan is het standpunt innemen van de Evangelische Alliantie, stil vertrouwen op den Christus als Zoon van God, zijn kracht niet zoeken in systematische formuleering en modern-weten-schappelijke verklaring maar het mystieke leven in gemeenschap met Christus ondervonden, maken tot basis van een echt Christelijke levens- en wereldbeschouwing tegenover de levens- en wereldbeschouwing van den natuurlijken mensch en de tegenwoordige maatschappij. Hetgeen ons verder te doen staat, is de kracht van dit leven te openbaren in den Arbeid der Zending tegenover eigen landge-nooten en verre vreemdelingen. Haspels zegt zoo schoon in zijn congres-verhandeling: „De getrouwen denken er niet meer aan, den Heiland te gaan verdedigen. Het is nu tijd om Hem uit te roepen!quot;
O, Blankenburg en Vieseibach, zij leerden het eenige wat. wij noodig hebben: „getuigen en redden!quot; quot;Wij keerden zoo dankbaar naar Weimar terug. Toen wij daar aankwamen
207
THÜEINGEN.
was het reeds volslagen duister. De sterren gingen op boven onze hoofden en schitterden aan den hemel. Wij zagen ze weer, de lichtbeelden, die wij allen kennen en zoo dikwijls aanschouwd hebben. Wij zagen daar weer het zevengesternte, den gouden wagen, de boeien van Andromeda en het haarsnoer van Berenice^ Cassiopeia en Electra, den Sirius en den Argo, de Lyra en de Maja, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus, wij zagen ze weer, die mysterieuze werelden, die als kleine vonken schitterden aan het firmament, die groote menigte, die niemand tellen kan. Wij dachten aan het ontzettende mysterie van het heelal, aan die aarde, wentelende om de zonne, en aan die maan wentelende om de aarde, en aan die maan en aarde met duizende en honderdduizende sterren allen wentelende om die zelfde zonne, allen, snel als het weerlicht, in duizelingwekkende vaart, allen langs verschillende, aan ieder weer op andere wijze voorgeschreven banen, — schijnbaar hangende aan een niet, — wij dachten aan dit alles en wij verstomden.
Bezield en bemoedigd door hetgeen wij gezien en ge-hoord hadden, waren wij dankbaar, — in Jezus Christus ge-loovende, — achter die sterren te durven denken een Vader, die ons kent en liefheeft. O, hoevelen met een onzer dichteressen nog uitroepen ia vertwijfeling:
„Eens, eens zullen wij sterven, — wij beiden, wij samen of
[ieder alleen
En het graf is zoo diep en de hemel zoo hoog en of God leeft,
[weet geen.
En \'k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij \'t eeuwige
[leven belooft.
En de heilige onsterflijke sterren, hoog, boven mijn sterfelijk
[hoofd!quot;
208
THÜEINGEN.
209
11
O, hoevelen nog zoo klagen, — wij dachten aan Blankenburg en Vieselbach en omhoog starende naar de milli-oenen sterren aan den hemel, stamelden wij met den Psalmist: „O Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde. Als ik uwen hemel aanzie, de maan en de sterren, die Gij gesteld hebt, wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt?quot; —
Souvenirs en Phantasieën.
XIV.
DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
vo
i5.gt;
Berlijn, Wittenberg, Dresden, Saksen, Thüringen, — vier weken lang mochten wij genieten van hun kunst, natuur en poëzie, maar eindelijk kwam het oogenblik van terug-keeren. De terugreis was somber en stemde tot ernstige overdenkingen. De weg liep over Cassel. Wij hadden gehoopt nog een oogenblik Wilhelmshöhe te kunnen zien en de vorstelijke gevangenis te mogen bezoeken, waar Keizer Napoleon III, na den slag van Sédan opgesloten, den val van Frankrijk heeft kunnen betreuren. Tot onzen spijt was evenwel juist op dit moment het gebouw niet toegankelijk voor vreemdelingen. De gevangenis van Napoleon is namelijk tegenwoordig een lustverblijf van den Duitschen keizer. De keizerlijke familie werd na eenige dagen verwacht en alle handen waren bezig, het paleis voor de ontvangst in gereedheid te brengen. Wij werden derhalve niet toegelaten, maar mochten eenige uren in den omtrek ronddwalen. — O, aandoenlijke emotie, hier rond te zwerven en dan aan het vonnis der historie te denken! Wilhelmshöhe is een der heerlijkste plekjes, die een mensch zich voor kan stellen. Welk een uitzicht heeft men van den hoogen watertoren, van den zoogenaamden Hercules over de schilderachtige omgeving! — Aan de ééne zijde, tegen het Westen kan men uren ver schouwen over de eindelooze vlakte van Hessen. Aan de andere zijde, tegen het Oosten, heeft men een onafzienbaar panorama van
DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
heuvelen en dalen en daartusschen kunstig aangelegde plantsoenen, in het midden waarvan het keizerlijke paleis gelegen is, wit en blinkend in het groen, in den vorm van een halfrond met vleugels, — terwijl van den hoogen toren af, door aquaducten met bassins en cascades, een bergstroom nederbruist, die, in één lijn liggend, verschillende schoone waterpartijen vormt tusschen de in terrassen afdalende parken, en ten slotte, in de verte zich verzilvrend, één wordt met de Pulda, die men, door de breede openingen van het hooge geboomte, op een grooten afstand ziet kronkelen door de lagere landouwen. Het is een verrukkelijk oord! De hangende tuinen van Semiramis kunnen niet schooner geweest zijn!
Hier zat, geschandvlekt, vernederd, gevangen, eenmaal de naamdrager van den Wereldveroveraar, die Duitschland een eeuw geleden voor zijn wapengeweld had doen sidderen, die den koning van Pruisen in Tilsit voor zijn troon had doen beven, — hier zat, — wonderlijke speling der geschiedenis, — eenmaal Lodewijk Napoleon Bonaparte, de avontuurlijke republikein, die zoo spoedig begeerig was een keizerstitel te voeren, de ongelukkige monarch, die in het spel der staatsintrigues zoo plotseling zijn kroon weer zou verliezen, de beklagenswaardige vorst, dien Zola in zijn „Débaclequot; nooit persoonlijk ten tooneele laat treden, maar dien hij, als een schim, een schaduw, een schijnbeeld van het fatalisme, op den achtergrond laat verschijnen van de ontzettende tafreelen uit den Fransch-Duitschen oorlog, — hier zat eenmaal de overwonneling
van Sédan..... Ja, hij mocht uitgaan door de prachtige
parken, hij mocht staren op den schuimenden waterval, hij mocht dwalen door de uitgestrekte bosschen, hij mocht peinzen op den hoogen Hercules en heenzien in de richting van zijn geslagen Frankrijk, zijn belegerd Parijs, zijn
214
DOOB HET LAND DER SCHADUWEN. 215
uitgehongerd volk, — maar waar hij ging of waar hij stond, — de Duitsche lijfgarde, die hem omringde, herinnerde hem, dat hij gevangen man was. Sic transit gloria mundi! — Wij dwaalden door de schoone omgeving, wij rustten een oogenblik op den merkwaardigen Löwenburg, wij zaten een wijle stil bij den tempel van Mercurius, wij spraken over de smart, die hier is geleden, over het lot dat hier is ondergaan, over het oordeel, dat hier is voltrokken, en wij dachten aan Schaepman\'s schoone dichtregelen, naar aanleiding van Napoleon\'s nederlaag:
„Is \'t wonder, dat een trek van nooit geleden lijden Zijn bleek gelaat misvormt.
Dat duizend angsten daar in wilde mengling strijden. Nu hem dat uur bestormt? —
Daar komt geboeid, onteerd, zijn Frankrijk — in
[baar oogen
Blaakt heel een vlammenheer;
Zij grijpt hem in de borst en dondert: „Zoon der logen, Mijn eer, mijn eer, mijn eer!quot; —
Van Cassel zouden wij den volgenden dag regelrecht over Hagen, Dortmund, Essen, Oberhausen, Wesel en Emmerich, naar Holland terugkeeren, maar het scheen, alsof de sombere geest van Wilhelmshöhe, de geest van weemoed en slavernij, ons op onzen terugtocht zou vergezellen. \'s Morgens om vijf uur zouden wij vertrekken. Het weer was somber. Vier weken achtereen hadden wij bijna onafgebroken zonneschijn gehad en thans... het stortregende. De lucht was grauw. Een Londensche mist lag over bergen en dalen. De trein vloog voort door den donkeren nevel, snel als het tooverpaard uit Bürger\'s Lenore:
DOOR HET LAND DEE SCHADUWEN.
„Und hurre hurre, hop hop hop!
Ging\'s fort in sausendem Galop,...
Zur rechten und zur linken Hand,
Vorbei vor unsren Blieken,
quot;Wie flogen Anger, Heid\' und Land! Wie donnerten die Brücken!quot;
De morgen was droevig. De perrons der stations, waar wij langs spoorden, waren leeg. Flauw brandden overal in den mist de gekleurde lantaarns. Een eenzame stationschef stond, of het regende of niet, correct in zijn militaire houding en salueerde. Wij staarden zwijgend door het beslagen raampje van den trein naar buiten. Het regende, alsof er een nieuwe zondvloed te wachten was. Wij dachten aan alles, wat wij de laatste weken genoten hadden: aan Wagner, Fritz von Uhde, aan Luther en Raphael, aan Goethe en Schiller, aan de heerlijke dagen in de Saksische Schweiz en Thüriogen, aan al de kunst en poëzie van onze hedendaagsche beschaving, aan de bekoorlijke luxe van een reis door zoo\'n schoon en welvarend land, als Duitsch-land nu eenmaal is, — maar de somberheid van dezen triestigen ochtend wierp een weemoedigen sluier over alles, wat wij ons herinnerden. Het begon lichter te worden. De regen hield op, maar de nevelen bleven hangen, en formeerden zich tot meer afgeronde grauwe wolken en die wolken hadden een bizonderen onheilspellenden gloed. Zij waren niet gewoon vaal of zwart, neen, de zon, die er achter gloeide, gaf door een wonderlijke spiegeling van stralen, aan den nevel die booze koperkleur, die een onweersbui pleegt vooraf te gaan, — er hing iets boosaardigs in de lucht! —
Wij vlogen voort door deze mysterieus-gekleurde, angsten vrees-verwekkende atmosfeer. Wij kwamen langzamerhand in het Ruhr-district, het bekende gebied der mijnen
216
DOOK HET LAND DEB SCHADUWEN. 217
en fabrieken. Wij zagen in een aureool van nevel de vlammen ros en geel slaan uit de schoorsteenen der hoogovens. Aanvankelijk zagen wij ze nog maar bij vijf- en tientallen. Spoedig evenwel vermeerderden zij zich. Wij zagen ze bij honderdtallen. Wij zagen steden van schoorsteenen en overal die vlammen en deze vlammenwereld speelde in die booze lucht, die zoo huiveringwekkend en droefgeestig scheen te drukken op het aardrijk. Wij moesten denken aan die duizende slaven van onze maatschappij, die daar, nacht en dag, bij ploegen, werken als machines te midden van machines, boven en onder den grond, ten bate van de groote machine der menschheid. Wij moesten denken aan de millioenen, die, voor een karig stuk brood, onbekend en vergeten, zonder roem en zonder troost, dagelijks afdalen in den diepen nacht der aarde, om, met levensgevaar, daar, bleek en verbitterd, een armzalig bestaan te leiden. Wij moesten denken aan de kinderen van die arbeiders, die, in ellende geboren, voor ellende opgevoed worden en door geen macht ter wereld kunnen ontkomen aan den greep van den ijzeren Moloch, die den naam draagt van gemeenschap of maatschappij, welke hen met het zwaard en met den honger zal regeeren. Wij hoorden in den geest „The cry of the children,quot; en dachten aan de woorden, die Elizabeth Browning hen in den mond legt:
„For, all day, the wheels are droning, turning;
Their wind comes in our faces.
Till our hearts turn, our heads with pulses burning,
And the walls turn in their places;
Turns the sky in the high window blank and reeling.
Turns the long light that drops adown the wall,
Turn the black flies that crawl along the ceiling —
All are turning, all the day, and we with all.
And all day, the iron wheels are droning.
DOOR HET LAND DEK SCHADUWEN.
And sometimes we could pray,
„O ye wheelsquot; (breaking out in a mad moaning),
„Stop! be silent for to-day!quot;
Wij moesten denken aan de vrouwen van deze arbeiders, die meer door den band der zinnen dan door geestelijke liefde aan heur echtgenooten verbonden worden, om kinderen groot te brengen voor enkel smart en zwaren arbeid, en die dan dikwijls tot loon van al heur moeite, nog het kruis moeten dragen van den drankzucht der mannen, die, tyrannen door hun physieke meerderheid en kracht, hun ellende gaarne vergeten ia den roes der bedwelming. Wij hoorden ia gedachte het bekende wiegeliedje van deze moeders:
„Suja, Suja, kindje.
Je moeder is je mintje,
Je vader is je winnebrood, —
Morgen is het kindje dood!quot;
En, — voort holde de trein en de lucht werd bloedig donkelen zwaar drukte de kopergloed op deze wereld van slavernij. — Overal fabrieken, fabrieken en nog eens fabrieken! Overal hoogovens en vlammen, vlammen, vlammen! Overal, — uren, uren ver, — mijnen, mijnen en nog eens mijnen! — Wij moesten denken aan die mannen, die vrouwen, die moeders, die kinderen, die pariah\'s van onze beschaving, en wij konden met Ada Negri verklaren:
„Ik denk aan de lieden, die werken in mijnen. De vaalkleurige, krachtige mannen, die zwoegen, Al rusteloos voort, in den adem belemmerenden don-
[keren gloed.
De drijfwielen wentlen, machines gonzen.
Onvermoeid voort, onder vroolijk gezang Gaan de werkers hun gang!quot;
218
DOOR HET LAND DEK SCHADUWEN.
Wij hadden een oogenblik te voren nog met blijdschap gedacht aan de ontzettende hoogte, die de cultuur in onze dagen heefc bereikt, maar hier zagen wij de keerzijde der medaille. Hier kwamen wij tot de ontdekking, welke slachtoffers deze beschaving eischt. Hier aanschouwden wij den donkeren achtergrond onzer eigen levensvreugde!
Zoo denkende en overpeinzende spoorden wij, bij somberen hemel, voort naar Hagen en Essen, de centra der Duitsche fabrieks-nijverheid en het was waarlijk geen sentimenteele overdrijving, die ons medelijden deed hebben met het lot van de bevolking dezer mijn-districten. — Ik heb de ellende onder den grond ééns met eigen oogen gezien. Ik ben zelf eens drie uren lang in een mijn geweest. O, nooit zal ik dit oogenblik vergeten! Het was in Luik, in de „Houillière de Sainte-Marguérite.quot; — In de verkleed-kamer der arbeiders stond een groot crucifix. De ingenieur, die mij rondleidde, vertelde, dat vele mijnwerkers de gewoonte hebben een kruis te slaan voor dit beeld, wanneer zij zich gereed maken om in de mijnschacht af te dalen. Aandoenlijk stond dit kruis hier in deze sombere omgeving.
„Aan naaglen geklonken.
Het hoofd neergezonken,
Zag Christus ons aan, —
De liemelsche strijder De goddlyke lijder Met \'tmenschdom begaan!quot;
Iedere tocht naar beneden gaat gepaard met levensgevaar. Één defect aan de machine, één gebrek aan de lift, één ongeluk met een lampje, — en onvermijdelijk is een overstrooming van de onderaardsche rivieren, een val in den afgrond, een gasontploffing in de diepte. Het was een
219
DOOR HET LAND DEH SCHADUWEN.
griezelig oogenblik, toen wij op het geluid van een elec-trisch schelletje plotseling eenige honderde meters onder de aarde verdwenen. — En toen wij onder waren, — „da, unten aber ist \'s fürchterlich!quot; — Wat een wereld van ellende! Die volslagen afwezigheid van licht, die volstrekte duisternis, dat onnatuurlijke werken in een eeuwigen nacht, waar, als glimwormen, de Davy-lampjes heur zwak schijnsel werpen. Die werklui, bij het licht der lampjes, zoo bleek en mistroostig! Die paarden met sinds lang ge-blusehte oogen, zoo dof en geduldig! Die eentonige arbeid, zonder eenige afwisseling! O, het is aangrijpend van misère! En dit alles vindt men reeds In de hoofdgangen, waar men nog het voorrecht heeft recht op te kunnen wandelen, maar dan moet men komen in de nauwere zijgangen ! Daar stikt men van benauwdheid! Daar kan men niet rechtop gaan, maar moet men zijn arbeid verrichten in altijd gebukte, in knielende en liggende houding! — O, het is daar een hel onder de aarde en het leven in die hel wordt beloond met slechts enkele guldens per week, en dan nog met de zekerheid, op zijn ouden dag bij een karig pensioen, een armzalig bestaan te zullen vinden en, niet veel meer geacht dan een dier, vergeten te zullen sterven! — Ik heb deze wereld van druk en lijden onder de aarde gezien en gehuiverd. En de toestanden in de fabrieken boven den grond zyn niet veel beter. Het eenige voordeel is daar, dat men het licht der lieve zon mag genieten. — Inderdaad, dit pauperisme is de schaduwzijde van onze hedenclaagsche cultuur en beschaving! —
Aan het treurige lot dezer proletariërs dachten wij, terwijl wij voortsnelden door dit land van ijzer en steenkool, door de steden en dorpen van het dichtbevolkte Westfalen. Zal het oeconomische vraagstuk ooit opgelost kunnen worden ? Zal de verhouding ooit rechtvaardig geregeld kunnen
220
DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
221
worden tusschen rijken en armen? Zal de toekomst inde duisternis van dit probleem ooit eenig licht kunnen verschaffen? — O, vele medicijnmeesters staan gereed om de diagnose te stellen van het kranke lichaam onzer maatschappij, maar tot nog toe is het rechte geneesmiddel niet gevonden. De leerlingen van Kant bazelen nog maar altijd over den „cate-gorischen imperatiefquot; en trachten het plichtsgevoel aan te kweeken. De discipelen van Nietzsche verwachten alleen redding van de heerschappij der „Herren-moralquot; en willen door geweld en tyrannie de smartkreten der samenleving onderdrukken. Tolstoï kent geen ander geneesmiddel dan de kracht van het „ascetismequot;. Ibsen verlangt slechts „natuur en waarheidquot; en geeft een ieder den raad zich zoo goed mogelijk in den strijd om het bestaan te redden. Het liberalisme handhaaft nog altijd zijn Manchester-theoriën en zegt ja en amen op het versje van de Genestet: „\'t Geloof van de eeuw, in \'t kort gezegd, is dit: „och alles komt te recht!quot; quot; Het moderne godsdienstig leven stelt alle geloof aan een positieve openbaring ter zijde en verwacht slechts heil van het altruïsme, de natuurlijke liefde tot den naaste. Het humanisme der intel-lectuels gelooft aan de zegepraal van het den mensch ingeschapen ideale. Het anarchisme vindt iedere illusie omtrent verbetering van de bestaande maatschappij dwaasheid en werpt zijn bommen in het Palais-Bourbon en in de Madeleine, dat de gansche wereld er van davert. En ten slotte,— het socialisme bouwt op zijn materialistische wereldbeschouwing een ideaal staat der toekomst, en verwacht alle verlossing van een betere productie-wijze en droomt van een gelukzalige gemeenschap. — O, de maatschappij is krank, en de moderne profeten der kunst en der wetenschap weten niet, hoe haar te genezen. De menschheid was zoo blijde, toen de eerste stoomwerktuigen uitgevonden waren en zij
DOOR HET LAND DEK SCHADUWEN.
haar kracht vermeerderd zag met millioenen, millioenen paardenkrachten en zij zag in haar blijdschap niet, dat deze zelfde kracht haar eenmaal overvleugelen zoude en haar vloek met zich zoude brengen door het doen geboren worden van de droevige macht van het pauperisme.
Despotisme, humanisme, altruïsme, modernisme, anarchisme, socialisme,... zij allen zoeken te helpen en te verbeteren, maar van deze allen heeft het socialisme zeker de meeste toekomst. Het socialisme mag nog weifelen tus-schen revolutionnaire en parlementaire middelen, — maar zijn macht is groot, zijn doel helder en klaar, zijn energie geweldig. Marx is de groote profeet en zijn aanhangers zullen niet rusten, vóór zij zijn theorieën toegepast zien. De arbeidersbeweging neemt overal steeds grooter afmetingen aan. Zij strijden en kibbelen en maken onderling gedruisch, maar intusschen, — zij organiseeren zich steeds meer en meer tot een sterke partij met duidelijk omschreven programma en begaafde leiders verdedigen hun belangen in de vergaderingen der volksvertegenwoordiging. Met enkele „Schlagwörterquot; maken zij een legio van bestaande denkbeelden af. Proudhon zei reeds lang geleden: „La proprieté, c\'est le volquot;. Marx, Bebel en Liebknecht zeggen om beurten, dat het wapen der critiek de critiek der wapenen niet kan vervangen, dat de sociale quaestie niet wordt opgelost door besprenkeiing met rozenwater, dat wij te doen hebben met een practisch vraagstuk, dat enkel op de straat en op het slagveld zijn oplossing kan vinden. Wij hooren opnieuw door het feestgedruisch onzer festijnen den strijdzang der Marseillaise en vernemen al weer de leuze der Revolutie: „Guerre aux chateaux, paix aux chaumières!quot; In Duitsch-land, Engeland en Frankrijk is het socialisme reeds een reuzenmacht, waarmede voortdurend rekening moet gehouden worden. In ons land, — altijd bij de naburige volken
222
DOOR HET LAND DEH SCHADUWEN. 223
doer zijn kleinheid een weinig ten achter, — is het socialisme aan het opkomen. Talentvolle jonge mannen als Troelstra, van Eeden, H. Gorter, P. L. Tak, Heijermans, en geniale vrouwen als Mevrouw Roland Holst en Cornélie Huijgens vormen een keurbende van edele en hartstochtelijke voorstanders. Bij de troonsbeklimming van H. M. de Koningin heeft men den moed gehad in een „Vergeten Hoofdstukquot; een socialistische nabetrachting te geven op het standaardwerk „Een halve eeuw,quot; de premie van het Nieuws van den Dag, en met krachtige argumenten opnieuw de oogen te openen voor het lijden der massa. De tegenstanders worden genoodzaakt rekening te houden met de steeds sterker wordende beweging. Prof. Quack schreef zijn meesterwerk over de „Socialistenquot; en kon op vele plaatsen zijn sympathie voor hun idealen niet verhelen. Ds. Ulfers zond een boek in het licht, om het socialisme te bestrijden, maar gaf, open en rond, zulk een helderen kijk op den treu-rigen toestand der mindere standen en do schrille tegenstellingen van rijkdom en armoede, dat zijn arbeid onwillekeurig in vele opzichten een pleidooi voor den tegenstander is geworden. De Sociale Quaestie staat op het programma van alle mogelijke politieke partijen.
En nu, — zal het Socialisme verlossing brengen? — Slechts oeconomen van professie kunnen deze vraag voldoende beantwoorden, maar een gewoon mensch, die gaarne blijft op de hoogte van zijn tijd, heeft en moet hebben zijn eigen meenine, en wanneer ik mijn opinie in deze zaak zou willen uitspreken, dan zou ik de volgende opmerkingen willen maken. — Over de staathuishoudkundige theorieën kan ik als leek geen vonnis vellen. De redeneeringen van Mars worden door velen voor onhoudbaar verklaard. Deskundigen zeggen, dat de sociaal-democratische toekomst-staat een onding, een dwaasheid, een utopie is en op een
224 DOOR HET LAND DEK SCHADUWEN.
groot staatsbankroet zou uitloopen. Men moet dit probleem nauwkeurig bestudeerd hebben om zich in deze zaak een oordeel te durven aanmatigen. Ik kan over deze quaestie alleen uit het oogpunt van godsdienst en moraal en enkele meening tea beste geven. Het komt mij voor, dat de toekomst-staat van het socialisme het geluks-gehalte moeielijk kan verhoogen en groote zedelijke nadeelen zal hebben, Heine spreekt spottend van een „Freiheits-stall rait Gleichheits-flegelnquot; en bij drukt hiermeê op zijn eigenaardige geestige manier uit, wat een ideaal-staat onmogelijk zal maken. Al zouden de wetten volmaakt zijn, dan zou de zonde van de menschelijke natuur nog alle geluk bederven en alle harmonie verstoren, en het materialisme, waarop de ideaal-staat zou gebouwd zijn, zou zonder godsdienst en geloof de booze zelfzucht der maatschappij minder dan ooit kunnen breidelen. Luther verklaart: „liever een monarchie dan een republiek, liever een vorst aan het hoofd dan het volk, want in het eerste geval heeft men één tyran en in het tweede geval heeft men duizend tyrannen, die elkaar vernielen en verderven en elkaar, gelijk de profeet zegt, verteren als een oven. De beroemde dichteresse Eliz. Browning zegt het zoo schoon in haar gedicht „Aurora Leigh.quot; — Zij teekent hier een idealen jongen man, een zekeren Komney Leigh. Deze edele persoonlijkheid leeft voor al wat ongelukkig is en lijdt. Hij offert alle huiselijk geluk en liefde op, om armen te kunnen helpen. Hij sticht een model-farm en leeft hier als Zanti uit den roman van Couperus, met zijn arbeiders. Hij voelt zich als één der hunnen. En het slot van zijn edelen arbeid is, dat er oproer komt onder zijn kolonie. De opstandelingen steken zijn woning in brand. Hij wordt gewond en ontkomt ter nauwernood, en als de vrouw, die hij eenmaal liefhad, hem later vraagt naar
DOOE HET LAND DEB SCHADUWEN.
den goeden afloop van zijn ondernemingen, dan klaagt hij en zegt; „Ik heb gefaald, ik heb gefaald! De wereld werd mij een groote vogelenbek en hoe meer voedsel ik er inwierp, hoe wijder de verslindende kaken gesperd werden. Ik heb gefaald!quot; — Dit verhaal van de beroemde dichteres is leerrijk. De wereld is één groote spreeuwen-bek en al gooit men er al de graankorrels der wereld in, dan zal die bek zich nog hebzuchtig openen; en als er geen koren meer is, zal die bek willen verslinden: goud, zilver, eer, roem, aanzien, tronen en heerschappijen en nog niet tevreden zijn!
Maar er is nog een ander bezwaar. De zonde der men-schelijke natuur zal niet alleen de harmonie onmogelijk maken, maar de toekomstige staatsinrichting zal dit zedelijke gebrek hebben, dat de gemeenschap alles en het individu niets zal zijn. De gemeenschap zal alles zijn en het individu niets. Onze maatschappij is reeds grootendeels socialistisch, meer dan zij zelve dikwijls nog denkt. Welk een verschil tusschen de toestanden van heden en die dei-middeleeuwen. In het tijdperk der middeleeuwen was het individu alles. Wetten, vormen, spelen,, kunsten, betrekkingen, woningen, alles droeg een persoonlijk, een individueel karakter. Het individueele gaat uit onze maatschappij meer en meer verdwijnen. Met het persoonlijke wordt steeds minder rekening gehouden. Voor menschen zijn machines in de plaats gekomen, voor individuen maatschappijen, voor het bijzondere het algemeene. Daardoor zegt een Fransch geleerde: „L\'homme est diminué dans ses propres yeux.quot; In onze maatschappij, nu reeds, op het oogenblik, begint de gemeenschap alles te worden, de mensch als mensch is niets of liever niet veel meer. Op onze terugreis zagen wij hiervan nog een droevig en treffend voor beeld. — Al pratende en denkende waren wy in Hagen
Souvenirs en Phantasiën. 15
225
DOOK HET LAND DEB SCHADUWEN.
226
aangekomen, een Knotenpunkt van het Noord-Duitsche spoorwegnet, en redeu onder een nieuwe kletterbui het druipende station binnen. Verscheidene treinen stonden hier naast elkander gereed. Eenige hijgende locomotieven vervulden de lucht met heur donderend geraas. Het was nu volop middag, — en honderde menschen liepen om, voor en door elkander over de perrons. Onze trein had een oponthoud van misschien vijf minuten. Wij hingen met onze hoofden buiten het raampje en keken naar de drukte. Onder de vele menschen, die elkaar in verschillende richting voorbijsnelden, bevond zich ook een oud man van misschien zestig jaren. Hij liep moeilijk. Hij had een mand met koopwaren onder den arm. Stilhoudend onder ons raampje, vlak voor onze oogen, vraagt hij inlichtingen aan een conducteur. Blijkbaar was hij onduidelijk! De conducteur loopt met een vloek weg. Geen tijd voor lange praatjes! De man scheen aan geheugenzwakte te lijden. Hij haalt een papier uit den zak, waarop hij waarschijnlijk den naam van de plaats zijner bestemming had geschreven. Een glimlach op zijn oud gelaat schijnt te bewijzen, dat hij op de hoogte is. De conducteur komt weer terug. De oude man houdt hem staande en wijst hem het briefje. Meteen ruwen vloek wijst de conducteur den trein, waar de man instijgen moet en die op het punt stond van te vertrekken. De stakkert haast zich en . . . hij doet geen twee, drie stappen, of hij valt dood voor onze oogen neer, door eon beroerte getroffen. De conducteur komt terug. Eenige andere treinbeambten schieten toe. Het publiek heeft geen tijd, om naar het geval te kijken. De doode wordt, als een koffer, fluks op zij gelegd. .. een zakdoek wordt gespreid over zijn bloedend gelaat... De bel luidt. . . een fluitje gilt... en voort, voort stoomen wij weer. Eenige uit de raampjes hangende hoofden zien nog even om naar den
BOOR HET LAND DER SCHADUWEN. 227
ongelukkige ... Er is geen tijd, om te zien naar stervende menschen . . . Voort vliegen we!
Nooit ben ik zoo onder den indruk gekomen van den vloek onzer samenleving. Onze maatschappij zit nu reeds zoo gecompliceerd in elkander, zulk een daemonische stoomkrachtvaart sleept ons mede, dat er geen tijd is, om aan de bizondere belangen van den enkele te denken. Het individu heeft nu reeds niet veel beteekenis meer, maar, om thans op het socialisme terug te komen, dit zal de vloek zijn van den sociaai democratischen toekomststaat : de ideëele gemeenschap, een fictie, een idee, zal er alles zijn en het individu zal daar geheel en al doodgeknepen worden in het groote raderwerk van de reusachtige staatsmachine. O, als wij hieraan denken kunnen wij de welsprekende verontwaardiging van den edelen Snellen begrijpen, als hij zegt: „In een brief aan „de vrouwen der arbeidende klassequot;, spreekt Mevr. Roland Holst—van der Schalk van een maatschappij als de onze, waarin de familie nog altijd de eenheid is, ook economisch.quot;quot; „Huivert met mij,quot; — zegquot; Snellen dan, — „bij dit woord. Het zou dan nog slechts een quaestie van tijd zijn, en de oorspronkelijke kern der maatschappij is door het economisch zwaard in tweeën gekliefd. De huiselijke haard hoeksteen der maatschappij, een verouderde waan. Verscheurd de band tusschen man en vrouw als heilige instelling Gods. Zelfstandig treden zij als twee economische producenten naast elkander op. Met meer de man het hoofd, de vrouw in innig gevoelde afhankelijkheid gelukkig aan zijne zijde. Niet meer de teederheid der vrouw, die juist daarin haar kracht vindt. Niet meer moeders eenige, gansch eenige plaats in het woonvertrek; de stille, verkwikkende, heiligende invloed, die van haar uitgaat als Christin. Twee economische grootheden door een nuttigheids band aan elkan-
DOOR HET LAND DEB SCHADUWEN.
der gehecht. Het maatschappelijk belang heerschend gebod. En, als het straks economisch wenschelijk blijkt, het volkseethuis in plaats van de vriendelijke poëzie van den zelf verzorgden maaltijd, van het gezellig etensuur in de nederige eigen woning. De kinderen niet meer door den doop in Gods genade-verbond opgenomen, niet langer door een Christelijke opvoeding gebracht tot Hem, dis sprak: „Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet.quot; Geen zegen Gods dagelijks over het innig geliefd kroost afgesmeekt. Geen moeder, die de jeugdige handjes vouwt en met teedere zachtheid, met heilige wijding haar kind zoo recht vertrouwelijk leert spreken tot den Vader in de Hemelen. Geen vader, die voor zijn innig geliefden bidt. Geen ouders, die den zielestrijd hunner kinderen doorleven en hen sterken in dien strijd. Kinderen economische grootheden zonder hoogere wijding, bestemd gelijk hun ouders eenig en alleen tot producenten in het raderwerk der maatschappij. — Bij al wat heilig isquot;, zegt de schrijver, — „waar gaan wij heen?quot; — Ja! met hem zeggen wij: „Wee, vree over het booze stelsel, dat de aarde losscheurt van den hemel, het leven van de eeuwigheid! Wee, wee over den Moloch van het Socialisme, die onze arme kinderen eenmaal zal verteren in den vuurgloed van zijn systeem geworden ongeloof en wreedaardig egoïsme. —
Maar heeft het Socialisme dan in het geheel geen nut gedaan en heeft het in het geheel geen recht van bestaan? Hierop is slechts één antwoord mogelijk! — Het socialisme is een uitstekende macht, in zoover het een rechtmatige critiek oefent op de bestaande maatschappelijke en kerkelijke toestanden! — De hoogmoed der bourgeoisie is dikwijls ondragelijk! De tyrannie der rijken is menigaiaal onuitstaanbaar! En de zoogenaamde geloovigen liggen ruatig te slapen op het oorkussen van het dogma
328
DOOR HET LAND DEK SCHADUWEN. 229
der verzoening en genade, terwijl de armen vergeefs hun hulp en barmhartigheid inroepen of zij laten, ais de Priester en de Leviet zich tempelwaarts begevende, raisdeelden en verdrukten terzijde van den weg liggen, en Samaritanen van het ongeloof moeten komen, om hun de eerste liefde te bewijzen. En dikwijls, als zij zich verwaardigen de Christelijke philanthropic te behartigen, dan doen zij dit zoo onaangenaam, zoo pedant en prétentieus, alsof het voor onzen lieven Heer een groote eer is, door hen geholpen te worden. Daar zijn onbehagelijke Christenen, van wie Huet zoo geestig zegt, dat het aangenamer zal zijn met dezulken in den hemel te verkeeren, dan hier op aarde. Maar Christelijk of niet-Christelijk, — rijke en gegoede menschen kunnen dikwijls op zoo\'n hatelijke manier hun meerderheid doen gevoelen. Wat kunnen dames hoog zijn tegen bonnes en dienstboden! Wat kunnen patroons hondsch en stuursch zijn tegen hun ondergeschikten! Wat kan men aan tafel beleedigende gesprekken voeren, terwijl de onderhoorigen, zich verbijtend, de spijzen ronddienen en moeten zwijgen! Wat kan men stuitend van het Hol. landsch in het Fransch overgaan, wanneer de meid of de knecht iets plotseling niet hooren mag! Ook op onzen terugtocht zagen wij nog een treffend staaltje van onhebbelijkheid. Een paar uur achter Hagen, — ik weet niet meer aan welk station, — moesten wij een half uur wachten. Een table d\'hóte stond gereed. Ieder viel aan. Het menu was rijk voorzien. Soep, visch, vleesch, wild, groenten, compóte, boter, brood, kaas, wijn .... alles stond klaar en werd aangedragen. Onder velen zetten zich ook een mijnheer en een mevrouw neer, met eenige kinderen en een kindermeid. Allen deden zich te goed. Het bord van de dienstbode bleef evenwel leeg. De meid keek met gretige maar telkens afgewende blikken naar iederen hap, die
230 DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
verdween in den renzenmond van haar gezonde en corpulente meesteresse. Eindelijk, tegen het oogenblik van vertrekken, kreeg de meid, die bijna geen tijd had de brandende portie te verorberen, een bord met aardappels en groenten, een beetje afval van den opulenten maaltijd. Dit is nu nog maar een kleinigheid. Doch, — zóó hardvochtig kunnen de aanzienlijken dikwijls hun mie deren behandelen. Het is nog altijd als in den tijd van Isocra-tes: vele rijken gooien hun geld liever in het water, dan het aan de armen te geven. En daarom is het zoo goed, dat het socialisme het réveil is begonnen te blazen en satire en ironie de tyrannie en onrechtvaardigheid van onze bourgeoisie is begonnen te hekelen!
Ja, — de critiek van het socialisme is een gezond bad voor onze eigengerechtigheid. Zijn boet-predikatiën kunnen ons zoo heerlijk opfrisschen. Zelfs wanneer overdreven wordt, kunnen zijn invectiven nog nuttig werken. Het is soms een genot de scherpe taal te lezen van zijn geniale woordvoerders. Wij moeten Bolland gelijk geven als hij zegt: „Zelfs in den zachtsten en beschaafdsten vorm der men-schelijke samenleving is ook de edelste en welwillendste mensch een onwillekeurige vijand zijner natuurgenooten.quot; Wij moeten Van Eeden\'s moed bewonderen, wanneer hij, op een nutsvergadering van Rotterdam, het argelooze publiek, dat dacht een versje te zullen hooren, een bitteren pil laat slikken en daar verklaart: „Wij leven van de ellende en de armoede van anderen, wij leven van onrecht, leugen, bedrog, woeker en uitzuiging en tot zelfs onze liefdadigheid is huichelarij, want wat wij met de linkerhand geven, is door ons met de rechterhand gestolen. Wij mergelen den handwerksman, daglooner, boerenknecht en mijnwerker uit, en geven hem stoffelijk en zedelijk er niets voor in de plaats dan gebrek, lichamelijke uitputting en zedelijke
DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
verstomping.quot; Wij moeten Ruskin\'s beschuldiging billijken als hij klaagt: „De kreet, die oprijst uit onze fabriekssteden, luider dan die der hoogovens, is hierom, dat wij daar alles maken, behalve menschen; wij maken het katoen wit en harden het staal en raffineeren de suiker en vormen het aardewerk, maar een levende ziel blij te maken, krachtiger te maken, te veredelen, — dat komt niet op in de begrooting onzer voordeelen!quot; Wij moeten Thora Prikker\'s bewering onderschrijven, als hij verwijt: „Bepaald, de arme kan niets doen, of de rijke weet het op een of andere manier uit te leggen, dat de arme er minder door wordt. Als de arme edelmoedig is, zegt de rijke, dat hij zijn goed verspilt; denkt hij na, dan wordt er gezegd: „dat is niet secuur, hij is van de sociale kant,quot; is hij dapper, dan zegt men: „zijn leven kan hem niet schelen,quot; als hy een goede vent is, dan zegt men: „hij is gek,quot; praat hij, „dan is hij een kletskous,quot; houdt hij zijn mond, „dan is hij stom,quot; kortom, alles wat in den rijke geprezen wordt, is in den arme een zonde.quot; — O dit alles is waar. Het is goed zulke beschuldigingen aan te hooren en tot zich zeiven te komen en te worden nederig van harte. — „Bederf de armen maar eens,quot; — zegt A. Pierson, — „ze worden zoo weinig bedorven!quot; Het is nog altijd als in de dagen van den Prediker: „Geen mensch gedenkt den armen man!quot;
Daarom heeft het Socialisme het recht gehad een gee-sel Gods te zwaaien en zijn mokerslagen te doen neerkomen op de rots van het kapitalisme. Jeremia zeide, toen Jeruzalem belegerd werd: „Geef de stad over, want wij hebben gezondigd en moeten getuchtigd worden.quot; maar wij mogen zeggen, terwijl het Socialisme ons aanvalt: „Laten wij verwond en geslagen worden, want wij hebben het verdiend!quot; — De eerste vrucht van zijn aanval is wel deze, dat wij ons tegenwoordig beginnen te schamen voor
231
DOOR HKT LAND DER SCHADUWEN.
232
overbodige luxe. Natuurlijk is overbodige luxe ook al weer een relatief begrip, en het zal een groot verschil maken, of men in deze de Heilige Elisabeth gaat consulteeren, dan wel een kijkje gaat nemen in de gedemoraliseerde bijenkorf van Mandeville. Er zijn kerkvaders geweest, die beweerden, dat het luxe was zich te wasschen en die verklaarden: „Qui in Christo semel lotus est, non illi necesse iterum lavare,quot; terwijl Luther op zijn lustige manier decreteert; „quot;Wanneer God zoo goed is, om groote vette snoeken te scheppen en den wijnstok te laten groeien, dan mag ik de snoeken wel eten en den wijn wel drinken.quot; — Een ieder zij in deze in zijn gemoed verzekerd. Dit is echter zeker, dat wij op dit punt steeds zuiverder beginnen te voelen. Wij verachten de brooddronkenheid van den Oosterschen vorst, die de vensters van zijn paleis liet sluiten, om de armoede zijner onderdanen niet te kunnen aanschouwen, en die 80.000 gulden uitgaf, alleen om zijn aap op koninklijke wijze te laten trouwen; den over-moedigen keizer, die vijvers liet dempen met stukgeslagen kristal van kostbare vazen; den verkwistenden rijkaard, die gerechten liet aanrukken met tongen van zeldzame zangvogels; de dwaze koningin, die parels liet oplossen in den wijn van haar aanbidder; den veldheer, die diamant-stof voor zand strooide over den natten inkt zijner decreten; den ridder, \'die zijn paarden met zilver-beslagen hoeven ten tournooie liet treden. — quot;Wij vinden het roekeloos van een Chanchard, om drie millioen francs uit te geven voor den „Angelusquot; van Millet en wij huiveren voor een overdaad, die de bruiloft van Miss Gould opluisterde door zulk een rijkdom van bloemen, dat duizende menschen er maanden lang van hadden kunnen leven. quot;Wij kunnen deze excessen van weelde niet eens belangrijk meer vinden maar verfoeien ze als misdadig. De critiek van het soci-
DOOE HET LAND DER SCHADUWEN.
alisme op de misstanden in de maatschappij heeft aller oogen geopend voor het onmenschwaardig bestaan der groote menigte en een weerzin gewekt ook tegen gewone weelde en luxe.
Als coi-rectief tegen den overmoed van het kapitalisme is het socialisme een goede en gezegende macht. Oecono-men alleen kunnen uitmaken of zijn wetenschappelijke staathuishoudkunde toekomst kan hebben, maar uit godsdienstig en moreel oogpunt moet men a priori een stelsel veroordeelen, dat een ideaalstaat wil stichten en geen rekening houdt met de zonde en bij zijn ijveren voor de gemeenschap de rechten van het individu vergeet. Voorzeker, wij hebben nog geen redenen het socialisme te stellen boven het Christendom. — Het Christendom, het goddelijke Christendom alleen, zal blijken op den duur de wereld te kunnen redden. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus Christus is de Zoon van God?quot; Het Evangelie van Jezus Christus alleen zal de arbeiders kunnen troosten in den nacht onder de aarde en in de hel der fabriekswereld. Het Evangelie alleen zal de harten van rijken en aanzienlijken kunnen verteederen, om zich eigen weelde te ontzeggen en te leven voor hun minder be voorrechte natuurgenooten. Paul Göhre, de bekende Duitsche student, die drie maanden lang mijn arbeider is geweest en persoonlijk kennis heeft genomen van de toestanden der fabriekswereld, zegt ook als slotsom van zyn ondervindingen: „Aangevat moet de taak, om daar onder de aarde het eenvoudig Evangelie te brengen; anders,quot; — zegt hij, — „en dit is mijn uit droeve ervaring geputte overtuiging, gaat het daar beneden in de lagere kringen voor goed uit met het Christendom!quot; — Aangevat moet de taak om overal, niet alleen in de lagere, maar ook in de hoogere kringen het echte Evangelie te brengen, want daardoor slechts
233
234 DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
kunnen armen en rijken, daardoor slechts kan de gansche wereld gelukkig worden! Het echte Evangelie is zoo schoon! Het is zoo diepzinnig en veelzijdig! Het beschermt het individu en beveiligt de gemeenschap. Het zal verstand geven om de onrechtvaardige wetten en instellingen te verbeteren, maar ook om de harten en de levens te vernieuwen. Het bestrijdt de overdaad en de luxe en heeft een oog voor het lijden der armen en ongelukkigen. Het beschermt het staatkundig gezag maar waakt ook voor de persoonlijke vrijheid. Het heiligt en zaligt de aarde, maar waar de aarde door de zonde nooit een ideaalstaat zal kunnen verwachten, komt het met den troost van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarop eenmaal gerechtigheid wonen zal.
Zoo denkende en overleggende, naderden wij de grenzen van ons land. Wij hadden een leerzame en verkwikkende reis gehad. Wij hadden onzen geest verkijkt, onze kennis vermeerderd, onze kracht vernieuwd. Wij waren opgefrischt en bemoedigd en dankbaar gingen wij huiswaarts. De nevelen intusschen waren geheel opgeklaard. De hemelen boven onze hoofden waren weer helder blauw. Vroolijk lachte de zon over de vlakke velden. Daar waren wij aan de douanen van Holland. Daar hoorden wij weer de welluidende moedertaal. Daar waren wij weer in het dierbaar eigen vaderland. Blijdschap vervulde ons bij de gedachte ook door alle ervaringen der reis versterkt te zijn in de overtuiging, dat het een schoone taak is, werkzaam te mogen zijn in den dienst van het Evangelie. Wij dachten aan het vers van de Genestet:
„Werken en denkon en leeren is \'t leven Wie hier niet werkt, is zyn plekjen op aard.
Wie daar niet denkt, is het leven niet waard,
DOOR HET LAND DER SCHADUWEN.
En om te leeren is \'t leven gegeven!
Leeren eu leeren is de eeuwige taak Die noch de knaap, noch de grijsaard verzaak!quot;
Ja, geleerd en gewerkt moet er worden, en geen belangrijker werk is er, dan het Evangelie tot de harten te brengen. Het socialisme heeft de ziekte van onze maatschappij aangetoond, haar lijden beschreven, haar wonden blootgelegd. Aan het Evangelie thans de roeping genezing aan te brengen. Gestreden moet worden tegen de zonde; gewaarschuwd moet worden tegen de zelfzucht; gepredikt moet worden tegen de weelde en zinnelooze luxe. — De godsvrucht mag niet langer bestaan in een geesteloos kerken-bezoek en gedachteloos Psalmen-zingen of spitsvondig geloovig-rede-kavelen. — Het geloof zij opnieuw een betooning der kracht en des geestes. Het zij frisch en zuiver. Het dwinge vertrouwen en eerbied af. Het veriileuwe de wereld en, — waar de wereld nooit zal kunnon bevredigen en zij voorbijgaat met al haar begeerlijkheid, — daar trooste het met de vast beloofde wederkomst van Christus, dio het rijk der volmaaktheid zal stichten voor eeuwig!
„Nog eenmaal zal Hij komen
Als Rechter van \'t heelal,
Die \'t moede hoofd der vromen
Voor eeuwig kronen zal. —
Nog is die dag verborgen,
Wacht hem geloovig af, —
Terwijl de groote morgen Reeds schemert over \'tgraf!quot;
235