-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

J. HUDSON TAYLOR

EN DE

ZENDING IN DE BINNENLANDEN VAN CHINA,

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-

f amp;gt;.

J. HUDSON TAYLOE

EN DE

ZENDING IN DE BINNENLANDEN VAN CHINA.

DEN VRIENDEN DER ZENDING TER VERSTERKING VAN HUN GELOOF VOORGESTELD

door

CT. STUIRSIBEDBa-.

Naar het Hoogduitsoh.

UITGEGEVEN TEN VOOKDEELE DEK SALATIGA-ZENDING.

Utrecht , C. H. E. BEEIJEK. 1893.

-ocr page 10-

TYP. ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.

-ocr page 11-

INLEIDEXD WOORD VAX HUDSON TAYLOR.

In welken geest de volgende mededeelingen het eerst werden gedaan, en hoe zij gelezen moeten worden, heeft Hudson Taylor zelf met de volgende woorden uitgesproken:

«Ik geloof, dat het altijd winst voor ons oplevert, onzen blik op de Goddelijke %ijde van den Christelijken arbeid te richten, en recht te begrijpen, dat het in het werk des Heeren niet zoo zeer aankomt op den arbeid des menschen voor God, dan op Gods eigen werken door den mensch. Verder, dat wanneer wij met het groote voorrecht van onzen stand als zijne medearbeiders ook al die weldaden en zegeningen erkennen en waardeeren, die aan eene in de zonde verzonkene wereld door de verkondiging van het Evangelie en de uitbreiding der waarheid geboden worden, wij toch nimmer het hoogere (jexichtspimt voor onzen arbeid behooren uit het oog te verliezen, nam der gehoorzamheid aan God, welke wenscht Zijnen naam te verheerlijken, en het hart van onzen God en Vader daardoor te verblijden, dat wij leven en Hem dienen als Zijne geliefde kinderen.»

Mochten velen bij het lezen van de volgende bladzijden op zulk eene wijze gezegend worden!

-ocr page 12-

INLEIDEND WOORD VAN DEN SCHRIJVER.

De eerste heen wijziging naar de Zending in de Binnenlanden van China dank ik mijnen dierbaren, nu zalig heengeganen leermeester, Prof. Dr. Christlieb in Bonn, wiens nagedachtenis ik bij deze gelegenheid dankbaar herdenk.

Vóór zes jaar ongeveer was het, dat hij, van een bezoek aan Engeland teruggekeerd, mij het eerst in warme bewoordingen van dit zoo gezegend werk des Heeren en deszelfs stichter, dien hij zeer hoogschatte, vertelde, en mij het nummer van «China\'s Millions » (het orgaan der Zending in de Binnenlanden van China) gaf, waarin van de «jongelieden van Cambridge^ (op blz. 135 en volg.) verhaald werd. Wat ik daar las, en wat ik sedert in Londen zag en hoorde, en in het vaderland uit de berichten der Zending in de Binnenlanden van China vernam, is voor mij zeiven tot rijken zegen en menigmaal tot geloofsversterking geweest. Het heeft echter ook in mij den wensch opgewekt, onzen zendingsvrienden het een en ander daarvan bekend te maken. Om deze reden gaf ik den lezers van onzen «Missions und Heidenboten» in de jaargangen 1889 en 1890 — in hoofdzaak naar den door Hudson Taylor in zijn blad bekend gemaakten «Terugblik» (A Eetrospect) — een verhaal van de Goddelijke voorbereiding, het ontstaan en de ontwikkeling der Zending in de Binnenlanden van China, in hare hoofdtrekken. Daar deze mede-

-ocr page 13-

VII

deelingen naar veler nitspraak van zegen vergezeld werden, besloot ik spoedig, deze uitgebreider in een afzonderlijk boekje uit te geven.

Tot mijn leedwezen heeft de voltooiing daarvan, door mijne reis van acht maanden naar Oost-Afrika en Java, langer geduurd, dan ik gehoopt had. Intusschen is zeer korten tijd geleden door Ds. Wetter te Wijl in Zwitserland, naar eene Fransche overzetting, reeds eene Duitsche bewerking van denvermeiden Ee-trospect uitgegeven. Tot mijn grooten spijt werd mij daarvan niets bekend, dan nadat het grootste deel van ons boekje reeds gedrukt was. Waarschijnlijk vinden nu beide bewerkingen naast elkander hunnen weg! Mocht des Heeren rijksten zegen daarop rusten!

Het goed recht eener zelfstandige uitgave van deze bladen is vooral daarin gelegen, dat zij ongeveer 90 bladzijden meer bevat dan den Eetrospect en zijne bewerking door Ds. Wetter, Als bron voor deze uitbereiding dienden naast de jaargangen 1886-1891 van China\'s Millions, voor alles China\'s Spiritual Need and Claim van Hudson Taylor en Days of Blessing in Inland China van denzelfden; daarna ook The Evangelisation of the World van B. Broomhall.

Opzettelijk mist onze beschrijving elke kritische opmerking; slechts op twee plaatsen vindt men daarvan iets. Het was ons daarom te doen, onzen zendingsvrienden dit zoo duidelijk mogelijk in het hart te doen weerklinken, wat ons de geschiedenis der Zending in de Binnenlanden van China zeker naar des Heeren doel vóór alles moet prediken :«Bidt, zoo zal u gegeven worden, op dat uwe vreugde volmaakt z ij!» Mocht zulk eene prediking voor veler harten, ook tot bevordering van het zendingswerk, gezegend zijn!

Neukibchen, Kreis Moors, November 1891.

St,

-ocr page 14-

VIII

Mocht dit ook de vrucht zijn van de uitgave dezer vertaling in het Nederlandsch, en het lezen ervan, zoo ik hoop door vele Hol-landsche Zendingsvrienden en vriendinnen, vooral ook strekken tot uitbreiding der Salatiga-Zending, ten voordeele waarvan ik dit werkje uitgeef. Ook de Broeders en Zusters, die voor deze Zending werkzaam zijn, gaan zonder eenig vast salaris uit, alléén met het vertrouwen op God, dat Hij, ook wat hunne tijdelijke behoeften betreft, hen ter Zijner tijd zal zenden wat zij noodig hebben.

i)k verta alstkr.

Utrecht, 28 Juni 1892.

-ocr page 15-

I. Uit den tyd der voorbereiding.

1.

«Het was omstreeks het jaar 1830», zoo vertelde Hudson Taylok , «toen in het hart van mijnen waarden vader, die toenmaals zelf een ernstig Evangelist was, door het lezen van verscheidene boeken en vooral door een verhaal van de reizen van Kapitein Basil Hall eene levendige belangstelling voor den geestelijken toestand in China opgewekt werd.

Zijne omstandigheden waren zoo, dat zij hem het uitzicht, om ooit eens zelf naar China te gaan en daar zich nuttig te maken geheel afsneden; echter werd hij daartoe gebracht, om God te bidden, dat als Hij hem eenen zoon wilde geven, die daartoe mocht geroepen en begenadigd worden, om in het ontzachelijke Chineesche rijk, dat toenmaals nog zeer voor de waarheid gesloten was, te arbeiden.

Zelf wist ik niets van dezen wensch eu het gebed mijns Vaders, tot na mijne terugkeer in Engeland, nadat ik meer dan zeven jaar daar buiten op het Zendingsveld (in China) geweest was; maar toen was het voor mij zeer belangrijk te vernemen, hoe het gebed, dat vóór mijne geboorte tot den Heer was opgezonden, op deze wijze was beantwoord.

Mijne ouders hadden later iedere gedachte, dat ik eenmaal Zendeling zou worden, opgegeven wegens mijne zwakke gezondheid, maar toen die tijd aanbrak, gaf God eene betere gezond-

1

-ocr page 16-

2

heid en krachten; en vele krachtige mannen en vrouwen zijn uit onzen kring weggenomen, terwijl mijn leven tot nu toe gespaard bleef, en mij de kracht werd gegeven tot een niet weinig vermoeienden werkkring in de Zendingszaak, in het vaderland zoowel als daar buiten.

Ik had in mijne jeugd dikwijls de gelegenheid om de waarde van het gebed en het quot;Woord Gods te leeren kennen, want het was de vreugde mijner Ouders, altijd weder te doen uitkomen, dat, als er een God is, het zoowel voor mij als voor anderen zeker het verstandigste en beste is, Hem te vertrouwen, en Hem te gehoorzamen, en ten volle zich aan Zijnen dienst over te geven.

Niettegenstaande deze voortreffelijke voorbeelden en voorschriften was mijn hart toch nog onveranderd. Dikwijls had ik beproefd mij zelf tot een Christen te maken; ik was echter daarbij, ik behoef het wel nauwlijks te zeggen, volkomen beschaamd geworden. Eindelijk begon ik te denken: de zaligheid is om de eene of andere oorzaak niet voor mij, en het eenige dat mij overblijft is, dat ik mijn volle deel van deze wereld neem , daar er aan de andere zijde van het graf voor mij toch geene hoop is. Wanneer ik in dien gemoedstoestand met menschen met twijfelachtige en ongeloovige beschouwingen in aanraking kwam, nam ik hunne leer aan, maar al te dankbaar voor de hoop, zóó het oordeel te ontgaan, dat, als mijne ouders gelijk hadden, en de Bijbel waar was, den onboetvaardigen wacht. Het mag vreemd schijnen, maar later ben ik dikwijls dankbaar geweest voor dien tijd van twijfel. De innerlijke tegenspraak bij vele christelijke menschen, die beleden aan den Bijbel te ge-looven en daarbij toch leefden of er geen Bijbel was, was een der sterkste bewijsgronden voor mijn twijfelzuchtig gemoed; en ik gevoelde dan dikwijls en sprak het ook uit, dat, wanneer ik éénmaal verzekerde aan den Bijbel te gelooven, ik ook tot

-ocr page 17-

3

iederen prijs zou trachten volgens dezen te leven, dien nauwkeurig te onderzoeken en, wanneer hij niet bewees waar en echt te zijn, hem dan geheel en al over boord te werpen. Deze dingen hielden mij bezig, toen het den Heer behaagd heeft, mij tot licht en tot heil te brengen, en ik denk, durf ik te zeggen, dat ik Gods Woord grondig onderzocht heb. Het is mij niet tot schade geworden, en ik heb nooit eenigen grond gehad, dat vertrouwen te betreuren, dat ik in die beloften stelde, of het te beklagen, dat ik de leidingen volgde, die ik in zijne aanwijzingen vond.

Laat mij nu vertellen, hoe God op de gebeden van mijne trouwe moeder en van mijne geliefde zuster om mijne bekeering heeft geantwoord. Op eenen dag, dien ik niet zal vergeten, toen ik ongeveer 15 jaar oud was en mijne trouwe moeder ongeveer 70—80 engelsche mijlen van huis verwijderd was, had ik eenen vrijen dag. In den namiddag begaf ik mij naar de bibliotheek van mijnen vader, om een boek te vinden, waarmede ik de verveling gedurende de vrije uren kon verdrijven. Daar mij niets aantrok, zoo doorbladerde ik een klein pakket met vlugschriften, en koos daaruit eene verhandeling, die mij aantrekkelijk scheen, terwijl ik tot mijzelve zeide: sin het begin staat eene belangwekkende geschiedenis en dan zal eene preek of eene zedekundige toepassing volgen; ik wil het eerste voor mij nemen en het laatste hem overlaten, die lust daarin heeft.»

Ik zette mij in eene buitengewone onverschillige gemoedsstemming neder, om het boekje te lezen; ik geloofde inderdaad, dat als er eene zaligheid was, zij niet voor mij was; en ik had mij vast voorgenomen, dat boek dadelijk weg te leggen, wanneer het vervelend werd......

Ik wist weinig, wat op dien tijd in het hart van mijne trouwe moeder omging^ 70 of 80 mijlen van mij verwijderd. Zij stond dien namiddag van het eten op met een ernstig verlangen naar

-ocr page 18-

4

de bekeering van haren zoon, en het kwam haar voor den geest, dat haar nu, terwijl zij van huis verwijderd was en meer ledigen tijd had dan anders, eene bijzondere gelegenheid gegeven was, met God over het heil van haren zoon te spreken. Zij ging naar hare slaapkamer en sloot de deur achter zich toe, besloten de kamer niet eerder te verlaten, voordat zij gebedsverhooring had gevonden. Uur op uur wendde die trouwe moeder zich voor mij tot God, tot zij eindelijk niet langer meer bad, maar slechts nog God daarvoor kon prijzen, wat Zijn Geest haar reeds als vervuld leerde, namelijk de bekeering van haren eenigen zoon.

In dienzelfden tijd was ik op de gemelde wijze er toe gebracht, dat traktaatje te nemen, en toen ik het las, trof mij de uitdrukking : «Het volbrachte werk van Christus.» Mij ging reeds spoedig de gedachte door den geest; waarom gebruikt de schrijver deze uitdrukking: «het volbrachte werk van Christus?» waarom dan niet: «het verzoenende» of «middelaarswerk?» En de woorden: «het is volbracht» kwamen mij dadelijk in de gedachten. «Wat was volbracht?» en ik voegde aanstonds in gedachten daarbij: «Eene geheele en volkomene voldoening voor de zonden werd gegeven; de schuld werd door den Borg betaald; Christus stierf voor onze zonden, en niet voor de onze alleen, maar ook voor de zonden der geheele wereld.» Toen verhief zich de gedachte: «als het geheele werk is volbracht, de geheele schuld betaald is, wat blijft er dan nog voor mij te doen?» Daarmede kwam tot mij de vreugdevolle overtuiging, die gejijk een bliksem door den Heiligen Geest in mijne ziel straalde, dat niets in de wereld te doen is, als op de knieën te vallen en dezen Heiland en Zijn heil aan te nemen en God daarvoor te prijzen. Terwijl mijne moeder in hare kamer op hare knieën God prees, prees ik Hem in het oude magazijn, waarin ik mij teruggetrokken had, om mij met het lezen van dat kleine boekje bezig te houden. Eerst vele dagen later waagde ik het, mijne geliefde zuster tot

-ocr page 19-

5

vertrouwde mijner vreugde te maken; ik deed haar echter beloven, dat zij niemand iets zou zeggen van het heil mijner ziel. Toen echter mijne trouwe moeder 14 dagen later naar huis kwam, was ik de eerste, die haar aan de deur tegemoet kwam en haar zeide, welke blijde tijding ik haar had te brengen. ,

Het is nog steeds, als voelde ik hoe de arm van mijne trouwe moeder zich om mijnen hals legde, terwijl zij mij aan haar hart drukte en zeide: «Ik weet het, mijn zoon; ik heb mij reeds 14 dagen met het blijde nieuws verheugd, dat gij mij nu brengt. » « Zoo ? » vroeg ik verrast, « heeft dan Amalie hare belofte verbroken ? Zij beloofde mij toch, dat zij het niemand zoude zeggen.» Mijne trouwe moeder verzekerde mij, dat zij van niemand eene vreugdetijding had vernomen, en zij vertelde mij de kleine gebeurtenis, die ik hiervoor vermeld heb. Ik vond bet waar, dat het wonderlijk zou zijn, indien ik niet geloofde aan de macht van het gebed.

Maar dit was nog niet alles. Een weinig later vond ik een zak- of schrijfboek, dat er geheel zooals het mijne uitzag, en in de meening, dat het het mijne was, opende ik het. De regels waarop mijn oog viel, waren eene aanteekening van de hand mijner zuster, in haar dagboek, van dezen inhoud, « dat zij van nu aan dagelijks in het gebed zou aanhouden, tot God haar het antwoord in de bekeering van haren broeder had gegeven». Juist eene maand later behaagde het God, mij van de duisternis in het licht te brengen! Het moet u niet bevreemden, dat iemand, die in zulk eenen kring opgegroeid was, en onder zulke omstandigheden gered werd, daartoe kwam, om van het begin van zijn Christelijk leven af de overtuiging in zich om te dragen, dat de beloften zeer waar zijn, en dat het gebed in waarheid een handelen met God is, hetzij men voor zichzelf, of voor een ander, eenen zegen van God vraagt.

-ocr page 20-

6

2.

Het was weinige maanden na mijne bekeering, dat ik mij op eenen vrijen namiddag terugtrok op mijne slaapkamer,, om een deel daarvan in gemeenschap met God door te brengen. Hoe levendig staat iedere omstandigheid mij nog voor den geest, hoe ik in de vreugde van mijn hart mijne ziel voor God uitstortte en telkens weder mijne dankbare liefde aan Hem bekende, die alles voor mij had gedaan, die mij redde als iemand, die alle hoop en iederen wensch om gered te worden, reeds opgegeven had. Toen bad ik Hem, dat Hij mij tot bevestiging mijner liefde en dankbaarheid een werk voor Hem zou te doen geven in zelfverloochenenden dienst, — zonder onderscheid van welken aard dat zijn zoude, hoe zwaar of onbeduidend, als het slechts iets was, waarin Hij welgevallen had, of dat ik voor Hem doen kon, die zooveel voor mij gedaan had. Ik herinner mij nog zeer goed, hoe, toen ik in onvoorwaardelijke overgave, mij, mijn leven, mijn vrienden, mijn alles op het altaar legde, eene diep ernstige stemming in mijne ziel kwam, en ik met bepaald bewustzijn gevoelde, dat mijn offer aangenomen was. De tegenwoordigheid Gods werd voor mij onuitsprekelijk onmisbaar en gezegend, en hoewel ik nog een kind was, nog geen 16 jaar oud, zoo herinner ik mij toch, hoe ik op den grond uitgestrekt nederlag, sprakeloos in de tegenwoordigheid Gods, met onuitsprekelijken eerbied en onuitsprekelpe vreugde.

Voor welke soort van dienst ik aangenomen was, wist ik niet; maar een diep bewustzijn, dat ik niet langer mij zelf toebehoorde, nam mij toen in bezit, en dat is niet weder verdwenen. Het is een zeer werkdadig bewustzijn geweest.

Twee of drie jaar later werden mij zeer voordeelige aanbiedingen gedaan met betrekking tot de medische studiën, onder voorwaarden, dat ik de blijvende hulp van den doctor zoude

-ocr page 21-

7

worden, die mijn vriend en leeraar was. Doch ik gevoelde, ik mocht geene verbindende betrekking zooals de hier bedoelde aannemen; ik behoorde mijzelf niet, dat ik mij, om zoo te zeggen, zou kunnen weggeven, want ik wist niet, wanneer en waar Hij, wiens eigendom ik was en tot wiens vrije beschikking ik altijd zijn moest, mij tot Zijnen dienst zou roepen. Binnen weinige maanden na mijne overgave aan den Heer werd het aan mijne ziel bekend, dat mijne levensroeping voor China zoude zijn. Ik hield het voor hoogst waarschijnlijk, dat de dienst, waarvoor ik geroepen was, mijn leven zou kosten, daar China toen nog niet geopend was, zooals het nu is. Toen waren er nog weinig zendelinggenootschappen, die in dat land werkten, en ik had nog weinige boeken over de zending in China. Ik hoorde, dat de predikant van de geestelijke broederschap in mijne geboorteplaats een exemplaar van Medhurst\'s « China » had, en ik bezocht hem, om hem te vragen mij dat boek te leenen. Dat deed hij gaarne, en hij vroeg mij, waarom ik het wenschte te lezen. Ik vertelde hem, dat God mij geroepen had, daar mijn leven in zendingsdien st te besteden. «En hoe denkt gij daartoe te komen? » vroeg hij. Ik antwoordde, «dat ik dat volstrekt niet wist; het was mij waarschijnlijk, dat ik zou moeten gaan zooals de twaalven en de zeventigen uitgingen, zonder zak of buidel, vertrouwend op Hem, die mij geroepen had, dat Hij al mijne behoeften zou bevredigen». Vriendelijk zijne hand op mijnen schouder leggende antwoordde hij: «Ach, mijn jongen, als gij ouder wordt, zult gij verstandiger zijn dan nu. Dat zou zeer goed gaan, als Christus nog op aarde was, maar nu gaat dat niet.» Ik ben sedert dien tijd ouder geworden, maar niet verstandiger; ik ben meer dan toen daarvan overtuigd, dat indien wij de bevelen van onzen Meester, en de verzekering, die Hij zijnen eersten jongeren gaf, ten volle tot onzen richtsnoer nemen, wij die dan even zoo passend voor onzen tijd zullen vinden, als zij het in dien tijd waren,

-ocr page 22-

8

waarin zij het eerst gegeven werden. Uit Medhurst\'s «China» kreeg ik de overtuiging, dat geneeskundige kennis daar voor den zendingsdienst van waarde zoude zijn, en daarom richtte ik mijne opmerkzaamheid op de medische studiën als eene wijze van voorbereiding.

Mijne lieve ouders hebben mij in mijn verlangen, om mij aan het zendingswerk te wijden, noch aangemoedigd noch ontmoedigd. Zij raadden mij aan bij zulk eene overtuiging, alle middelen , die in mijne macht waren, te gebruiken, om de krachten van het lichaam, en van het verstand, van het hart en van de ziel te ontwikkelen en onder gebed tot God te wachten, geheel gewillig Zijne leiding te volgen, in geval dat Hij mij zoude toonen dat ik gedwaald had, of verder te gaan, wanneer Hij ter Zijner tijd den weg in den dienst der zending zoude openen. Den invloed van dit bevel heb ik dikwijls ondervonden. Ik begon meer beweging in de open lucht te zoeken, om mijn lichaam en mijne spieren te versterken. Ik deed mijn vederen bed en vele tot mijn gemak strekkende dingen in mijne omgeving en in mijn huis weg, om mij voor eene hardere levenswijze voor te bereiden; ik ving te gelijker tijd aan christelijken arbeid te doen, zooveel in mijn vermogen was, door het uitdeelen van trac-taatjes, het houden van een zondagsschool, en het bezoeken van armen en zieken, waar de gelegenheid zich aanbood.

Na eenen tijd van voorbereidende studie tehuis ging ik naar Hull, met het doel mijne genees- en heelkundige kennis te vergrooten. Ik werd assistent van eenen geneeskundige, die professor was in de verloskunde aan de medische school te Huil. Hij was chirurgijn in een aantal werkplaatsen, die onze heelkundige praktijk eene reeks van ongevallen toevoerden en mij de gelegenheid gaven, kleine heelkundige operation te zien en te beoefenen.

Hier gebeurde iets, dat ik de vermelding waardig acht. Voordat

-ocr page 23-

9

ik mijn ouderlijk huis verliet, trok het bevel, de eersteling van een ieders inkomen en een deel in evenredigheid van het bezit voor den dienst des Heeren af te zonderen, mijne opmerkzaamheid tot zich. Ik vond het goed, dit onderwerp met den bijbel in de hand te bestudeeren, voordat ik uit huis ging, en in omstandigheden kwam, waarin mijn gemoed in zijne besluiten door den druk der omgevende zorgen en behoeften mocht beheerscht worden. Ik werd daartoe gebracht, niet minder dan het tiende deel van al het geld dat ik aannemen of in welks bezit ik komen mocht voor des Heeren dienst af te zonderen. Het traktement, dat ik in Hull in dien tijd, waarvan sprake is, als assistent ontving, heeft het mij gemakkelijk mogelijk gemaakt, het tiende daarvan af te zonderen. Maar veranderingen in de familie van mijnen vriend . den dokter, bij wien ik in huis was, noodzaakten mij, mijne woonplaats buiten zijn huis te nemen. Eene gezellige, behagelijk ingerichte woning werd bij eenen bloedverwant gereed gemaakt, en nu ontving ik behalve de som, die als belooning voor mijne dienst was bestemd, geheel de som, die ik voor kost en inwoning had te betalen. Nu verhief zich de vraag in mijn hart: «Zoude ik ook van deze som het tiende geven?quot; Het was toch zeker oen deel van mijn inkomen, en ik moest zeggen, dat wanneer het de schatting der belasting betrof, het zeker niet onopgemerkt zou gebleven zijn. Daartegenover stond, dat wanneer ik het tiende van mijn geheele inkomen had genomen, mij voor andere doeleinden niet genoeg overgebleven zijn zoude. Zoo was ik eenen tijd lang zeer in onzekerheid, over hetgeen ik doen zoude. Na veel nadenken en gebed werd ik daartoe gebracht, de gemakkelijke woning en den aangenamen kring, waarin ik leefde, te verlaten, en eene kleine kamer in de voorstad te nemen, studeer en slaapkamer tegelijk, en die zelf te betalen. Op die wijze was ik zonder bezwaar in staat, van mijn geheele inkomen het tiende te betalen; ik gevoelde de veran-

-ocr page 24-

10

dering zeer goed, maar zij ging met niet weinig zegen gepaard. Ik had nu in mijne eenzaamheid meer tijd, om het woord van God te bestudeeren, de armen te bezoeken en in mijne zomeravonden evangelisatiewerk te doen, dan ik had gehad, wanneer ik in mijne eerste woning was gebleven. Daar ik op deze wijze met vele gevallen van nood en ongeluk in aanraking kwam, zoo kwam ik er spoedig toe, om mij nog meer te bekrimpen, en ik vond het niet moeielijk veel meer weg te geven dan het deel van mijn inkomen, waaraan ik eerst had gedacht.

Omstreeks dien tijd wekte een vriend de belangstelling in de persoonlijke wederkomst van den Heer Jezus Christus voor het duizendjarige rijk bij mij op. Hij gaf mij eene lijst van aanhalingen uit de Schrift, die daarop betrekking hadden, zonder aanteekening of commentaar, waardoor hij mij aanspoorde, het onderwerp na te lezen. Ik besteedde gedurende eenigen tijd menig uur eraan, om de aanhalingen in de Schrift daarover te lezen. Het gevolg was, dat ik tot het inzicht werd gebracht , dat diezelfde Jezus, die onze aarde in Zijn uit den dood verrezen lichaam verlaten had, wederkomen zou; dat zijne voeten zouden staan op den Olijfberg, en dat hij bezit zou nemen van den aardschen troon Zijns vaders David, die hem toegezegd was bij de aankondiging vóór Zijne geboorte. Ik zag verder, dat door het geheele N. T. het wederkomen van den Heer de grootste hoop van Zijn volk was, en dat men zich daarop altijd beriep als op den sterksten beweeggrond tot overgave en tot dienst, en als de grootste troost in droefheid en aanvechting. Ik leerde ook, dat de tijd van Zijne wederkomst aan Zijn volk zou verborgen blijven, en dat het hun voorrecht is, van dag tot dag en van uur tot uur te leven als menschen, die op hunnen Heer wachten. Wanneer men echter zoo leeft, dan, zoo zag ik verder, is het geheel bijzaak, om zoo te zeggen, of Hij op eenen bepaalden tijd komt of niet komt, de hoofdzaak echter is zóó voor

-ocr page 25-

11

Hem bereid te zijn, dat men, wanneer Hij ook komen moge, van zijn rentmeesterschap met vreugde en niet met vrees rekenschap kan afleggen.

De werking van deze gezegende hoop was zeer practisch. Zij bracht mij daartoe, zorgvuldig mijne kleine bibliotheek te doorzoeken, om te zien, of daar boeken waren, die ik niet noodig had, en die waarschijnlijk ergens anders nut konden stichten, en mijnen kleinen kleederenvoorraad te doorzoeken, om geheel zeker te zijn, dat daar niets was waarvan ik niet gaarne rekenschap geven zoude, wanneer de Meester plotseling kwam. Het gevolg was dat mijne bibliotheek aanmerkelijk kleiner werd, tot groot voordeel van eenige arme menschen, en dat ik vond, dat ik kleedingstukken had, die anderen tot groot nut konden zijn. Het is zeer tot mijn voordeel geweest, mijn leven lang, als de gelegenheid zich voordeed, op dergelijke wijze gehandeld te hebben; en ik ben nimmer, met dit onderwerp voor oogen, door mijn huis gegaan, van de laagste verdieping tot aan den zolder, zonder eene groote vermeerdering van geestelijke vreugde en zegen te ontvangen. Ik geloof, dat wij allen in gevaar zijn, (het moge nu in gedachteloosheid of in de drukte van den arbeid geschieden) dingen op te stapelen, die, terwijl zij voor ons nutteloos zijn, anderen zeer nuttig kunnen zijn, en welker bezit voor ons tot het verlies van eenen zegen wordt. Wanneer dat middel, dat in de handen van Gods gemeente ligt, in het geheel ten uitvoer gebracht werd, hoe veel meer zoude er bereikt worden, dan er bereikt wordt, hoe vele armen zouden gespijzigd worden, en naakten gekleed worden, en hoe velen, die nog onbereikbaar zijn, zoude dan het Evangelie gebracht kunnen worden.

-ocr page 26-

12

3.

Het was voor mijn gemoed eene bezwarende gedachte, als ik in overweging nam, hoe ik eenmaal naar China zou uitgaan, ver van allen, ontbloot van menschelijken bijstand, om daar alléén te steunen op den levenden God, zoowel met betrekking tot bescherming, als ook tot onderhoud en hulp in ieder opzicht. Ik voelde, dat daartoe de geestelijke spieren gestaald moesten worden. Het leed bij mij geen twijfel, dat van Gods zijde niets zou ontbreken, zoo slechts het geloof niet te kort schoot. Hoe echter indien dit niet toereikend was? Ik had toen nog niet geleerd: «Gelooven wij niet, zoo blijft Hij toch getrouw; Hij kan zichzelf niet verloochenen.» 1) Zoo was het voor mij eene ernstige vraag, niet of Hij trouw was, maar of mijn geloof sterk genoeg was, om in de taak die mij wachtte, standvastig te zijn. Ik dacht bij mij zeiven: «Wanneer ik uitga, wil ik niemand om \'t minste of geringste vragen, ik wil alleen met God te doen hebben. Ik moest daarna, eer ik Engeland verliet, leeren, de menschen door God d. i. alleen door \'t gebed te bewegen. Mijn vriendelijke patroon 2) had mij verzocht dat ik hem, daar hij het in zijn praktijk zeer druk had, herinneren zou wanneer mijn salaris betaald moest worden. Ik besloot, dit niet dadelijk te doen, maar God te bidden, dat Hij \'t hem herinneren mocht, om op deze wijze tevens door het antwoord oj) mijn gebed aangemoedigd te worden. Toen de tijd naderde, waarop het kwartaal verstreken was, begaf ik mij vaak daarvoor in \'t gebed. De dag brak aan, maar mijn lieve vriend sprak niet van het salaris. Ik hield aan in het gebed. Er verliepen

1) Deze aanhaling heeft in zijn geheel (2 Tim. 2 : 13) wel is waar eene andere ernstige beteekenis, maar zij is beschouwil als hierboven Goddank I ook waar. H.

2) De geneesheer in Huil, wiens helper hij was.

-ocr page 27-

13

verscheidene dagen, maar hij dacht er niet aan, zoodat ik eindelijk, toen ik \'s Zaterdagsavonds mijne weekrekening sloot nog slechts in \'t bezit was van eene halve kroon (ƒ 1,50), en deze was toevallig in één stuk.

Toch had ik tot hiertoe geen gebrek en ik ging voort met bidden. De Zondag was voor mij zeer gelukkig. Als gewoonlijk was mijn hart vol, ja! het stroomde over, van zegen en vreugde. Nadat ik den morgengodsdienst had bijgewoond, besteedde ik mijn namiddag- en avonduren met evangeliesatiearbeid in de verschillende herbergen, die ik in de armste deelen der stad gewoon was te bezoeken.

Het scheen mij altijd toe, alsof de hemel reeds hier beneden was aangevangen, en alsof alles, wat men meer kon begeeren dan ik reeds bezat, slecht in eene meerdere geschiktheid tot het opnemen der vreugde, maar niet in de wezenlijke vreugdevolheid bestond. Nadat ik mijne laatste samenkomst tegen 10 uur \'s avonds gesloten had, verzocht mij een arme man met hem te gaan en met zijne vrouw te bidden, daar hij geloofde dat zij op sterven lag. Ik stemde toe, maar vraagde hem echter onderweg, waarom hij niet tot den priester gegaan was; zijn tongval zeide het mij nl., dat hij een Ier en dus katholiek was. Hij was daar geweest zeide hij, maar de priester had geweigerd te komen, als hij niet f 0.90 betaalde, en zooveel had hij niet en zijne familie leed reeds honger.

Opeens viel mij in, dat al wat ik in de wereld bezat, deze eenige ongewisselde halve kroon was. Wel wachtte mij thuis nog een bord gort in water gekookt, hetwelk ik gewoonlijk tot avondeten gebruikte, en voor \'t ontbijt\' was ook nog genoeg in huis, maar voor \'t middagmaal van den volgenden dag had ik niets. Op de eene of andere wijze kwam er nu een dam in den vreugdestroom mijns harten, maar inplaats dit mijzelf te wijten, begon ik den armen man te berispen, en hem te vertellen dat het zeer verkeerd

-ocr page 28-

14

van hem geweest was, om het zoo ver te laten komen, als hij zooeven had gezegd. Hij had reeds vroeger tot den armverzorger moeten gaan. Hij was daar geweest, hernam hij, en deze had hem beloofd, dat hij den volgenden morgen om elf uur komen zou, maar hij vreesde, dat zijne vrouw zoo lang niet meer leven zou.

Ach, dacht ik, had ik slechts 2,5 shilling klein geld in plaats van eene halve kroon. Hoe gaarne zou ik deze arme lieden één daarvan geven, maar verre was de gedachte van mij, de halve kroon te geven. Ik vermoedde weinig, dat de eigenlijke grond mijner redeneering deze was: Ik wilde God met 1,5 shilling wel vertrouwen, maar ik was niet bereid Hem te vertrouwen zonder eenig geld in mijnen zak.

Mijn leidsman bracht mij op een erf, waarheen ik hem met eene zekere spanning volgde. Ik was daar vroeger reeds eenmaal geweest, en was bij mijn laatste bezoek zoo ruw mogelijk behandeld geworden; mijne traktaten waren in stukken gescheurd en men had mij daar zoo nadrukkelijk gewaarschuwd niet terug te komen, dat ik mij niet weinig beklemd gevoelde. Toch het was de weg der plicht en ik volgde verder.

Eene ellendige trap voerde mij in eene armzalige kamer; welk een aanblik vertoonde zich daar voor mijne oogen! Vier a vijf arme kinderen stonden in het rond. Hunne ingevallen wangen, slapen en oogen vertelden mij als om strijd maar al te duidelijk de geschiedenis der allertreurigste ontberingen; zij hadden, naar \'t scheen, reeds langen tijd weinig voedsel gehad. En op eene jammerlijke sponde lag eene arme uitgeteerde vrouw, de moeder, met een kindje van 36 uren aan hare zijde, dat meer kermde dan weende, want Met scheen ook al geheel versmacht en uitgeteerd.

Ach, dacht ik , had ik toch maar 21/2 shilling in plaats van eene halve kroon, hoe gaarne zouden zij 1.5 shilling daarvan hebben. Altijd nog hield een ellendig ongeloof mij terug

-ocr page 29-

15

om metterdaad te gehoorzamen aan den innerlijken aandrift, die mij aandreef, hunnen nood te verzachten met overgave van alles wat ik had. Het zal u niet verwonderen, dat ik niet in staat was, om deze arme lieden veel tot troost te zeggen. Ik behoefde zelve toespraak. Ik begon tot hen, dat zij niet moedeloos moesten zijn; ofschoon hunne omstandigheden zeer treurig waren, zoo was er immers toch een liefhebbend Vader in den hemel, enz. Maar iets in mij zeide: «Gij huichelaar! Gij wilt tot deze onbekeerde lieden van eenen goeden en liefdevollen Vader in den hemel spreken en gij hebt eene halve kroon in den zak. Gij zelf zijt niet in staat, om God zonder eene halve shilling te vertrouwen ».

Te spreken, was niet mogelijk onder zulke omstandigheden. Zonderling genoeg, dacht ik, dat ik bij het gebed geene zwarigheid hebben zou. Het gebed was mij in die dagen eene zalige oefening; en ik meende, alles wat ik te doen had, was neder te knielen en te bidden, dan zouden zij en ik verlichting erlangen.

« Gij verzocht mij te komen om met uwe vrouw te bidden», zeide ik tot den man; «laat ons bidden»; en ik knielde neder. Maar nauwelijks had ik mijnen mond opengedaan en was ik begonnen met: O Vader, die in den hemel zijt, of mijn geweten zeide mij: Waagt gij het. God te bespotten? Waagt ge het, neder te knielen en Hem «Vader» te noemen, met eene halve kroon in uwen zak?

Ik kwam in zulk eenen innerlijken strijd, als ik nooit, noch daarvoor, noch daarna, gekend heb. Hoe ik mijn gebed, wat den vorm betreft, ten einde gebracht heb, weet ik niet; of de woorden , welke ik uitsprak, samenhang hadden of niet, is mij eveneens onbekend, maar ik stond van mijne knieën op in geweldigen zielenood.

De arme vader wendde zich tot mij en zeide: «Gij ziet, mijnheer, in welk eenen verschrikkelijken toestand wij zijn. Kunt Gij,

-ocr page 30-

16

zoo help ons dan toch om Godswil». — En het woord Gods zegt: Geef, dien U bidt. Nu was terughouden niet meer mogelijk, want in des Konings woorden is kracht. Ik stak mijne hand in den zak en, terwijl ik snel de halve kroon er uit haalde, legde ik ze in de hand van den armen man en zeide tot hem, dat het hem wellicht eene kleinigheid voor mij zou toeschijnen, dat ik hem zóó hielp, dewijl hij toch zag, dat ik goed gekleed was, maar dat ik evenwel, terwijl ik hem dit geldstuk overreikte, alles gaf wat ik bezat. Wat ik beproefd had hem te zeggen, ging ik voort, was volkomen waar: God was in waarheid een Vader en men kon Hem vertrouwen.

De vreugde kwam met vollen stroom in mijn hart terug. Ik kon hem nog velerlei zeggen en wel met innerlijke instemming mijns harten. De hinderpaal voor den zegen was weg — ik vertrouw voor immer.

Het leven der arme vrouw werd gered, doch niet alleen dit, ik voelde, ik was gered. Mijn leven had een wrak kunnen zijn; ja het was, wanneer de genade niet te dien tijde overwonnen had, waarschijnlijk een wrak geweest, daar ik dan niet aan de werkingen van Gods Geest zou gehoorzaamd hebben. Ik herinner mij nog, hoe in dien nacht mijn hart, toen ik huiswaarts ging, zoo licht was als mijn zak.

De eenzame verlaten straten weergalmden van een danklied, dat ik niet vermocht te weerhouden. Toen ik, eer ik mij ter ruste begaf, mijn bord gort at, had ik het niet tegen het maal van eenen vorst willen ruilen. Voor mijne kleine bedstede nederknielend, kon ik daarna den Heer aan Zijn eigen Woord herinneren, dat wie den armen geeft den Heer leent; ik bad Hem het geleende niet te lang te behouden, daar ik anders den volgenden dag geen middageten had. En met vrede in mij en om mij bracht ik eenen verkwikkenden gelukkigen nacht door.

-ocr page 31-

17

Den volgenden morgen wachtte mij mijn bord pap. Nog eer dit genuttigd was, hoorde ik het kloppen van den postbode aan de deur. Gewoonlijk ontving ik \'s Zondags geene brieven; de meeste mijner \\Tienden onthielden zich, evenals mijne ouders, van \'t verzenden van brieven op den Zondag, zoodat ik eenigerraate verrast was, toen mijne hospita binnen kwam en eenen brief of liever een pakje in hare natte hand, met haar schort vasthield.

Ik beschouwde het. Het schrift kon ik niet herkennen. Het was of van eene vreemde of van eene verdraaide hand, en de postzegels waren bevlekt, zoodat ik het stempel van herkomst niet vermocht te ontcijferen. Toen ik het couvert opende, vond ik niets daarin geschreven, maar in een blad wit papier waren een paar gemslederen handschoenen gewikkeld, uit welke, toen ik ze verwonderd uit elkander vouwde, een halve Sovereign (f 6) op den grond viel.

« Gode zij dank!» riep ik uit, « 400 % voor eene leening van 12 uren, dat is een goede rente.»

«Hoe verblijd zouden de kooplieden van Huil zijn, wanneer zij hun geld op zulk eenen interest konden uitzetten.» Ik besloot van nu af, dat eene bank die nooit bankroet slaat, mijne spaarpenningen en winsten hebben zoude, hoe het ooit gaan moge — een besluit, dat mij nooit heeft berouwd.

Ik kan u niet zeggen, hoe menigmaal mijn hart weer op dit kleine voorval is terug gekomen, of hoe heilzaam het in mijn later leven in moeilijke omstandigheden geweest is. Zijn wij tegenover God in kleine dingen getrouw, zoo zullen wij de trouw Gods ervaren, en die versterking ontvangen, welke ons helpen zal wanneer ernstiger beproevingen des levens op ons aankomen.

Deze hulp in den nood was voor mij zoowel eene groote vreugde als eene groote verlichting. Maar natuurlijk, /\'G, hoe spaarzaam men er ook mee omgaan moge, strekken toch niet zeer lang, en

2

-ocr page 32-

18

ik had nog immer in \'t gebed aan te houden , dat mijn vriend aan het grootere bedrag, dat hij mij aan salaris verschuldigd was, mocht denken, en \'t mij uitbetalen Toch scheen het, alsof het gebed om deze zaak onbeantwoord blijven zou; eer veertien dagen verstreken waren bevond ik mij juist in hetzelfde geval als op dien Zondagavond. Ik worstelde immer ernstiger met God, dat Hij mijnen vriendelijken patroon in Zijne genade herinneren mocht, dat de vervaltijd van mijn salaris voorbij was. Het was niet juist het gebrek aan geld, dat mij drukte; dat had ik toch ieder oogenblik door \'t slechts te vragen kunnen ontvangen. De vraag, waarop het er voor mij \'t allermeest aan kwam was veel meer deze: Kan ik naar China gaan, of zal mijn gebrek aan geloof in Gods macht eene zoo ernstige hindernis blijken, dat mijne intrede in den door mij zoo hoog gewaardeerden dienst daardoor onmogelijk wordt.

Toen de week ten einde liep, voelde ik mij buitengewoon bezwaard. Ik had niet slechts aan mij zeiven te denken. Zaterdagavond was ik aan mijne geloovige hospita eene som schuldig, die zij, gelijk mij bekend was, niet best missen kon. Zou ik nu niet om harentwil werk maken van mijn salaris? Doch ik gevoelde, dat ik, indien ik het gedaan had, mij daarmede zelve het getuigenis gegeven had van onbekwaamheid tot zendingswerkzaamheid van eenigen aard, hoewel daarin voor een ander ook niets verkeerds zijn mocht.

Ik bracht bijna den gansehen Donderdag en Vrijdag, nl. dat gedeelte, hetwelk ik niet in mijne betrekking doorbrengen moest, in ernstig worstelen in \'t gebed met God door. Maar Zaterdagmorgen was \'t nog even als te voren gesteld. Nu bad ik den Heer ernstig om Zijne leiding met betrekking daarop, of het mijn plicht was mijn zwijgen te verbreken en mijnen vriendelijken patroon aan te spreken, of dat ik zou voortgaan met op mijns Vaders tijd te -wachten. Zoover ik oordeelen kon, ontving

-ocr page 33-

19

ik de verzekering, dat het beste was op Zijnen tijd te wachten, en dat God op de eene of andere wijze voor mij tusschenbeiden treden zou. Zoo wachtte ik verder; mijn hart was nu tot rust gekomen en de last was weg.

Het kan Zaterdagnamiddag tegen 5 uur geweest zijn; de dokter was, na zijn\' laatsten rondgang voor dien dag juist mot het schrijven van zijn recepten klaar gekomen, en wierp zich nu als naar gewoonte in zijnen armstoel achterover, terwijl hij begon met mij over goddelijke zaken te spreken. Hij was een waar christen, en wij hadden menig uur van gezegend samenzijn met elkander. Ik had juist een pannetje te vuur, waarop ik zorgvuldig moest letten, want er moest iets in afgekookt worden, dat al mijne opmerkzaamheid vorderde. Dat was werkelijk een geluk voor mij. want, zonder dat in het tot hiertoe gevoerde gesprek eenige aanleiding daartoe was, zeide de dokter plotseling: «Zeg eens, Taylor, is uw traktement weer niet vervallen ?» Mijne ontroering bij deze vraag kan men zich denken. Ik moest twee of drie malen slikken eer ik hem rustig antwoorden kon. Met mijne oogen strak op het pannetje gericht en mijn rug naar den dokter gekeerd, zeide ik hem zoo rustig mogelijk. dat het reeds een weinig over den tijd was. Hoe vol dank ik op dat oogenblik was. kan men zich voorstellen. God had zekerlijk mijn gebed verhoord, en mijnen vriend in dezen tijd van uitersten nood, aan mijn salaris doen denken, zonder eenig woord of herinnering van mijne zijde. «Ach,» ging hij voort, «hoe leed doet het mij, dat ge mij er niet aan hebt herinnert; gij weet toch hoe druk ik het heb. Ik wenschte maar, dat ik eerder daaraan gedacht had, want ik heb heden middag juist al het geld dat ik had naar de bank gezonden, anders zou ik u terstond betalen.»

Het is onmogelijk, om de wisseling der gevoelens te beschrijven. die deze woorden bij mij veroorzaakten. Ik wist niet, wat

-ocr page 34-

20

ik doen zou. Gelukkig voor mij , kookte de inhoud van mijn pannetje even over en had ik eene goede reden om er mee uit de kamer te ijlen; en hoe blij was ik, weg te kunnen komen en onzichtbaar te kunnen blijven, tot de dokter naar zijn huis was gegaan, gelukkigerwijze zonder mijne ontroering gezien te hebben.

Zoodra hij weg was, moest ik mijn klein heiligdom opzoeken en mijn hart een tijdlang voor den Heer uitstorten , eer daarin weer rust — en meer dan rust: dankbaarheid en vreugde — teruggekomen waren. Ik erkende, dat God zijnen eigenen weg heeft en dat Hij mij niet bedriegen zou. Ik had Hem in den vroegen morgen om leiding gebeden en had, zoover ik beoordeelen kon, de aanwijzing ontvangen, geduldig te wachten, en nu wilde God zeker op eene andere wijze voor mij iets doen. Den avond bracht ik, zooals ik het gewoonlijk met de Zaterdagavonden maakte, door met Gods Woord te lezen en mij op het onderwerp voor te bereiden, waarover ik dacht te spreken in verscheidene herbergen, waar ik Zondagsnamiddags gewoon was bijeenkomsten te houden. Ik wachtte wellicht iets langer dan gewoonlijk. Toen echter geen oponthoud van eenigerlei aard zich voordeed, trok ik eindelijk omstreeks 10 uur mijn jas aan en maakte mij klaar om naar mijne woning te gaan, recht dankbaar dat ik op dit uur mijn huissleutel gebruiken kon om in huis te komen, daar mijne hospita vroeg ter ruste ging. Op dezen avond had ik zekerlijk geene hulp meer te verwachten, maar wellicht wilde God mij des Zondags helpen, zoo dacht ik, opdat ik in staat zijn zou mijne hospita des Maandagmorgens te betalen, wat ik gaarne Zaterdagavond gedaan had, indien ik het geld gehad had.

Juist toen ik mij gereed maakte om het gaslicht uit te draaien, hoorde ik den stap van den dokter in den tuin, die tusschen zijne woning en de kliniek lag. Hij lachte zoo recht gul, alsof hij over iets zeer vergenoegd was. Terwijl hij binnentrad, verzocht hij mij om het notaboek en zeide mij, dat, zonderling

-ocr page 35-

21

genoeg, een van zijne rijkste patiënten nog na tien uur zijne doktersrekening was komen betalen, — was dat niet hoogst belachelijk? Het kwam volstrekt niet in mijne gedachten op, dat dit op mijne persoonlijke zaak betrekking had, anders zou ik wellicht verward geworden zijn; neen, veelmeer beschouwde ik de zaak als iemand, die er niet het minste belang bij had; en zoo vond ik het hoogst vermakelijk, dat iemand, die zich in \'t geld als \'t ware baadde, \'s avonds na tien uur kwam ter betaling eener doktersrekening, die hij iederen dag door een wissel met \'t meeste gemak betalen kon. Het scheen, dat hij door de eene of andere oorzaak er geene rust bij had, en dat hij moest komen om op dezen ongewonen tijd zijne schuld af te doen.

Het bedrag werd in het notaboek afgeschreven, en de dokter wilde juist weer weggaan, toen hij zich plotseling tot mij wendde en tot mijne dankbare verrassing zeide: AVacht eens, Taylor, ge kunt deze bankbiljetten wel vast nemen. Ik heb geen klein geld meer, ik kan u het overige in de volgende week wel geven.

Weer werd ik alleen gelaten, zonder dat van \'t geen ik gevoelde iets bekend werd — alleen gelaten, om terug te gaan naar mijn kamertje om den Heer met een blij hart te loven, omdat ik naar China zou mogen gaan.

Deze bijzonderheid was voor mij geene gewone, en het doorleefde in mijne herinnering terug te roepen, heeft mij vaak, wanneer ik mij in bijzonder bezwarende omstandigheden bevond , b v. als ik zeer ver in \'t binnenland van China zonder eenen penning was, tot niet geringe vertroosting en versterking gediend.

Eindelijk kwam de tijd, waarop het noodzakelijk was, of het ten minste noodzakelijk geacht werd, dat ik Huil verliet, om een cursus in een Londensch hospitaal te volgen. Nog eenen korten tijd zou ik daar doorbrengen, en dan zou, zooals ik met allen grond geloofde, mijn levenswerk in China aanvangen.

-ocr page 36-

22

Hoezeer ik ook over de meegedeelde ervaringen verheugd was (en nog over vele andere, die te uitvoerig zijn, om ze te vertellen), waarin Gods gewilligheid — om te hooren en op het gebed te antwoorden, en Zijn half vertrouwend, half vreezend kind te helpen — zich tastbaar bewees, zoo gevoelde ik toch, dat ik niet naar China gaan kon, zonder nog verder het vermogen om in Zijne trouwe rustig te zijn te hebben geoefend en beproefd. Eene gelegenheid bood zich door Goddelijke leiding spoedig aan. Mijn lieve vader verklaarde zich bereid, de kosten van mijn oponthoud in Londen en de kosten van mijne medische vorming te dragen. Ik wist echter toch dat het, tengevolge van eenige verliezen, in den laatsten tijd voor hem eene belangrijke inspanning en een offer zijn zou, dit juist nu op dien tijd te doen, waarop ik verder gaan moest. Ik was in deze dagen bekend geworden met den leider en voorstander van het Chineesch evangelisatiegenootschap , door wiens tusschenkomst ik ten laatste naar China uitging, en in \'t bijzonder met mijnen hooggeschatten en geliefden vriend George Pearse, die nu zelf een zendeling onder de Kanibalen is.

Daar zij van de aanbieding mijns vaders niets wisten, boden zij eveneens vriendelijk aan om mijne uitgaven, zoo lang ik in Londen vertoefde, te dragen. Toen dit aanbod mij werd gedaan, was \'t mij nog niet duidelijk, wat ik doen moest, en toen ik mijnen vader en den leiders der vereeniging schreef, zeide ik hen, dat ik mij eenige dagen vrij wilde houden om deze zaak in \'t gebed te brengen, eer ik een besluit nam. Ik meldde mijnen vader, dat ik deze aanbieding van de zijde van het genootschap ontvangen had, en aan de leiders van het genootschap wat mijn vader mij had aangeboden, terwijl ik er nog bij voegde, dat ik nog niet zeker was of ik die aanbieding zou aannemen of niet.

Terwijl ik in het gebed de leiding des Heeren afwachtte, werd

-ocr page 37-

23

het mij innerlijk duidelijk, dat ik zonder eenige zwarigheid voor beide aanbiedingen kon bedanken. De leiders der vereeniging zouden zich mijnentwege niet bezorgd maken, daar zij niet wisten, dat ik mij voor mijn onderhoud alleen op God geworpen had; en mijn vader zou geene angstige zorg voor mij hebben, daar hij waarschijnlijk er uit zou opmaken, dat ik het andere aanbod aangenomen had. Ik schreef daarna op zulk eene wijze, dat ik beide aanbiedingen van de hand wees; en ik gevoelde dat ik, zonder dat iemand zorg of onrust om mij behoefde te hebben, eenvoudig in Gods hand was, en dat Hij, die mijn hart kende, mijn streven, om in het Vaderland alleen op Hem te steunen, zegenen zou, indien Hij mij wilde aanmoedigen, om naar China te gaan.

Daarom dacht ik, dat het zekerder was, om mijn vermogen, om op Zijne trouw te rusten, te beproeven, zoolang ik in het bereik van vrienden was, dan het zijn zou in ver verwijderde streken te gaan, waar van geen steun meer sprake zou zijn, indien mijn geloof wankelde en niet volhield.

4.

Ik zal niet beproeven, in bijzonderheden de wegen te verhalen, op welke het God behaagd had, mij, dikwijls tot mijne verrassing, zoowel als tot mijne vreugde, van tijd tot tijd te brengen. Ik vond, dat ik in Londen niet zoo zuinig als in Huil leven konde. Ik deelde een kamer met eenen bloedverwant, maar voor mijne kost moest ik zelf zorgen; na verschillende ervaringen en verzoekingen, besloot ik dat het voor mij het zuinigst was, bijna uitsluitend van bruin brood en water te leven. Op die wijze kon ik met datgene wat God mij gaf, zoo lang mogelijk toekomen. Eenige mijner uitgaven kon ik niet verminderen, maar

-ocr page 38-

24

in de uitgaven voor mijn levensonderhoud kon ik mij wel naar de omstandigheden schikken. Een brood van twee Penny (10 Cts.), dat ik dagelijks kocht op mijnen tocht van 1 \'/a uur van het hospitaal naar mijn huis, gebruikte ik vooravondeten en ontbijt. Met dit maal kon ik 2V2—3 uur per dag loopen, waarbij ik nog een groot deel van den dag op de been was, terwijl ik in het hospitaal en in de geneeskundige school werkte.

Slechts eene gebeurtenis, die toen voorviel, wil ik vermelden. De man van mijne vroegere hospita (in Hull) was eerste matroos op een schip, dat van Londen uit zijne reizen maakte. Ik nam op zijn verzoek op mij, maandelijks de helft van zijn loon in ontvangst te nemen, en zond haar dat, waardoor ik hen veel moeite bespaarde. Ik had dat reeds vele maanden gedaan, toen zij mij schreef met het verzoek, haar dat geld in deze maand zoo spoedig mogelijk toe te zenden, daar hare huur vervallen was en zij dat geld noodig had, om die te kunnen betalen. Dat verzoek kwam tot mij op eenen hoogst ongelegen tijd. Ik had zeer veel te doen, daar ik mij voor een examen voorbereidde, en dacht, dat ik er den tijd niet zoude kunnen afnemen, om gedurende den druksten tijd van den dag naar de City (het middenpunt der stad) te gaan en het vermelde halfmaandelijksche loon in ontvangst te nemen. Ik had echter genoeg in kas, om haar het bedrag te kunnen zenden, en dat deed ik, terwijl ik mij voornam, er heen te gaan na het examen en het geld te ontvangen, om zoo mijn voorschot weder te krijgen.

Nog vóór het examen vond ik op zekeren dag de geneeskundige school gesloten en wel wegens de begrafenisplechtigheid van den Hertog van Wellington. Ik had dus eene gelegenheid, dadelijk naar het bureau van de reederij te gaan en om het vervallen bedrag te vragen. Tot mijne verrassing en schrik zeide mij de kassier, dat hij het bedrag niet kon uitbetalen, daar

-ocr page 39-

25

de bedoelde matroos zijn schip verlaten had en naar de goudvelden was gegaan. «Zoo,» antwoordde ik, «dat is voor mij zeer onaangenaam, daar ik dat geld reeds voorgeschoten en verzonden heb, en ik weet, dat zijne vrouw niet in staat is, het terug te betalen».

De kassier zeide mij, dat hem dat voor mij zeer speet, maar hij kon natuurlijk slechts volgens de hem gegevene aanwijzingen handelen, dus was daar voor mij geene hulp te verwachten. Ik kwam echter ook spoedig, nadat ik een weinig over de zaak nadacht, tot het voor mijn hart geruststellend besluit, dat het, daar ik in alle dingen van den Heer afhing en Zijne middelen niet beperkt zijn, iets gerings was. Zijne hulp iets vroeger te vragen dan anders. Zoo werd de vreugde en de vrede niet lang verduisterd.

Zeer spoedig daarna, — ik ben niet zeker, of het niet reeds denzelfden avond was, toen dat juist vermelde geschiedde — moest ik eenige vellen papier aaneennaaien, waarop ik mijne aanteekeningen gedurende de voorlezingen wilde maken; daarbij stak ik mij met de naald in den vinger der rechterhand Zeer begrijpelijk, had ik dit reeds na eenige oogenblikken vergeten. Den volgenden dag ging ik, als anders, voort in het hospitaal de lijken te openen. Het juist in bebandelinc zijnde lichaam was dat van een mensch, dat aan eene kwaadaardige koorts gestorven was, en het was onaangenamer en gevaarlijker dan gewoonlijk. Ik behoef wel niet te zeggen, dat wij, die er mede te doen hadden, met meer dan gewone zorg het mes gebruikten, daar wij wisten, dat de geringste verwonding of ontvelling het leven kon kosten. Voor dat de morgen ver gevorderd was, begon ik mij zeer zwak en onwel te gevoelen, en terwijl ik des middags de verschillende plaatsen der heelkundige kliniek bezocht, moest ik van eene dier plaatsen wegloopen, daar ik mij zeer onaangenaam gevoelde, dat voor mij iets zeer

-ocr page 40-

26

ongewoons was, daar ik zeer weinig voedsel gebruikte, dat mij eenigszins kon bezwaren. Nadat ik eenen korten tijd machteloos was geweest, wekte mij eenen teug koud water weder op, en ik was in staat. mijne patienten weder op te zoeken. Ik werd echter steeds onpasselijker, en voordat eene namiddag-voorlezing over heelkunde uit was, deed mijn geheele arm en de rechterzijde mij hevige pijn, en ik zag er zeer ziek uit en gevoelde mij ook zoo.

Daar ik voelde, dat ik mijn werk niet weder kon hervatten, ging ik in de zaal voor de ontleedkunde^ om het deel van het lichaam, waaraan ik bezig was geweest, weg te leggen en mijne gereedschappen op te ruimen, en ik zeide tot den leider onzer oefeningen, die een zeer bekwaam chirurgijn was: «ik weet niet wat mij overkomen is,» waarbij ik hem de verschijnselen van mijnen toestand beschreef. «Zoo,» zcide hij, «het is duidelijk genoeg, gij moet u met ontleden van het lichaam gesneden hebben; gij weet wel, het betreft hier een geval van de kwaadaardigste koorts. 3 Ik verzekerde hem, dat ik zeer voorzichtig geweest en geheel zeker was, dat ik mij niet gesneden noch gewond had. «Het kan zijn,» zeide hij, «maar dan moet gij eene wond gehad hebben, » en hij onderzocht nu zeer zorgvuldig mijne hand, maar tevergeefs.

Op eens viel mij in, dat ik mij den avond te voren in den vinger had gestoken, en ik vraagde hem, of het mogelijk was, dat een naaldsteek van den vorigen avond nog open was gebleven. Zijn oordeel was, dat dit hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van mijne ongesteldheid was, en hij raadde mij aan, een rijtuig te nemen, en zoo spoedig als ik kon naar huis te rijden, en mijne zaken te regelen, « want,» zeide hij , « gij zijt een man des doods». Het speet mij zeer, dat ik niet naar China kon gaan; maar zeer spoedig kwam ik tot de gedachte: «Wanneer ik niet zeer gedwaald heb, dan heb ik in China een werk te doen, en ik zal niet sterven.» Ik verheugde mij, nu de gelegen-

-ocr page 41-

27

heid te kunnen gebruiken om mijnen geneeskundigen vriend, die een uitstekend knap chirurgijn maar een verklaarde twijfelaar in godsdienstige zaken was, van die blijdschap te kunnen spreken, die mij het vooruitzicht bereidde, spoedig bij mijnen Heer te zijn; ik voegde echter er aan toe, dat ik niet gelooven kon, dat ik zou sterven, daar ik, als ik mij niet had vergist, in China te arbeiden had, en als dat zoo was, dan moest ik door die bloedvergiftiging heen komen, hoe zwaar die ookmogt zijn. «Nu,» zeide hij, «dat is alles goed en wel, maar neem nu een rijtuig en rijd naar huis, zoo spoedig als gij kunt. Gij hebt geen tijd meer te verliezen, misschien zult gij spoedig niet in staat zijn uwe zaken te regelen.» Ik moest een weinig lachen bij de gedachte, dat ik een rijtuig zou nemen, (want mijne middelen waren te veel uitgeput, dan dat zij mij dat hadden veroorloofd) en ik ging op weg, om indien het mogelijk was, te voet naar huis te gaan. Doch niet lang daarna begaven mij mijne krachten, en ik bemerkte, dat het onmogelijk zou zijn, te voet naar huis te komen. Ik nam mijne toevlucht tot eene omnibus, en daarna tot eene andere, en bereikte zóó, zeer ziek, de nabijheid der plaats, waarachter ik woonde. In huis komende, liet ik mij door het dienstmeisje wat warm water geven en vermaande haar met groote ernst — letterlijk als een stervende — het eeuwige leven als de gave Gods door Jezus Christus aan te nemen; toen baadde ik mijne hand en bracht mijnen vinger eene wond toe, in de hoop, iets van het vergiftigde bloed er uit te kunnen laten loopen.

De pijn was zeer hevig, zóó dat ik flauw viel en ik eencn tijd lang bewusteloos was, zoo lang, dat, toen ik weder tot mijzelve kwam, ik mij in bed bevond. Een oom van mij, die in de nabijheid woonde en er bij gekomen was, had naar zijnen huisdokter gezonden, dat hij mij zou bezoeken. Ik zeide mijnen oom, dat medische hulp mij niet kon baten, en dat ik niet

-ocr page 42-

28

wenschte, nog zulk eene uitgave te doen. Hij bevredigde mij echter met de verzekering, dat hij naar zijnen huisdokter had gezonden, en dat het bezoek op zijne rekening zoude komen.

Toen de docter kwam, en alle bijzonderheden vernomen had, was zijn besluit aldus, dat hij zeide: «Ja, indien gij eene eenvoudige leefwijze geleid hebt, dan kunt ge er door komen; maar, wanneer gij veel bier of iets dergelijks gedronken hebt, dan is er geen uitzicht voor u.» Ik dacht, wanneer eene matige leefwijze iets voor mij kan doen, dan hebben weinigen betere vooruitzichten, dewijl mijn voedsel reeds sedert eenen langen tijd niets dan brood en water geweest was. Ik vertelde hem, dat ik zeer matig geleefd had, en had gevonden, dat mij dat bij de stadie had geholpen. «Nu ja,» zeide hij, «gij moet trachten uwe krachten te onderhouden, want het zal eene zeer harde strijd zijn.» Hij schreef mij iederen dag eene Hesch portwijn voor, en zoo dikwijls iets te eten, als ik maar kon gebruiken. Weder moest ik in mij zelve lachen, daar ik geene middelen bezat, om portwijn of een dergelijk middel te koopen. Echter wist mijn goede oom ook dit bezwaar op te heffen, daar hij eenen goeden wijnkelder had, zoodat hij mij dadelijk 12 flesschen fijnen ouden portwijn zond.

Er was mij veel aan gelegen, niettegenstaande de vele pijn dien ik moest uitstaan , dat mijne dierbare ouders niets van mijnen toestand zouden vernemen. Nadenken en gebed hadden mij dit verzekerd, dat ik niet zoude sterven. Ik had in China te arbeiden, en wanneer mijne dierbare ouders hier kwamen en mij in dezen toestand vonden, dan zoude ik de gelegenheid verliezen, te zien, hoe God voor mij zorgde, nu, terwijl mijn geld geheel of toch bijna op was. Nadat ik om de goddelijke leiding had gebeden, vroeg ik mijnen oom en mijnen bloedverwant om de belofte, die ik ook ontving, namelijk dat zij mijne ouders niet zouden schrijven, maar aan mij de correspondentie

-ocr page 43-

29

met hen zouden overlaten. Ik bemerkte, dat het een bepaald antwoord op mijn gebed was, dat zij mij die belofte deden, en ik van mijne zijde, droeg zorg, alle briefwisseling met hen uitte stellen, tot de krisis voorbij en het ergste van den aanval overwonnen was. Te huis wisten zij, dat ik ingespannen voor mijn examen had te werken en waren daarom over mijn stilzwijgen niet verwonderd.

De dagen en nachten gingen langzaam voorbij; maar eindelijk, na vele weken, was ik toch zoover hersteld, dat ik de trappen af kon gaan, en op de sopha liggen. Toen vernam ik, dat twee mannen, — maar niet van hetzelfde hospitaal — die zich bij ontledingen verwondingen hadden toegebracht, beiden aan bloedvergiftiging bezweken waren, terwijl ik in leven bleef, om — zooals ik bepaald geloofde in antwoord op het gebed — voor God in China te arbeiden.

Toen de dokter op zekeren dag binnenkwam, vond hij mij op de sofa. Hij was eenigszins verrast, dat ik met eenige hulp de trap was afgekomen. «Nu,» zeide hij, « het beste wat gij kunt doen, is, zoodra, gij tegen de reis bestand zijt, naar buiten te gaan. Gij moet buitenlucht hebben, totdat gij uwe gezondheid en krachten van voorheen weder gekregen hebt; want wanneer gij uwen arbeid te vroeg hen-at, kunnen de gevolgen nog altijd zeer ernstig zijn.»

Toen hij weggegaan was, legde ik, toen ik zoo geheel uitgeput op de sofa nederlag, den Heer de geheele zaak voor en vroeg Hem, wat ik doen zoude. Hij wist wel, dat ik geene middelen had en dat ik er een afkeer van had, mijne omstandigheden bekend te maken aan hen, voor wien het eene vreugde zoude zijn, mij uit mijnen nood te helpen, opdat mijn geloof daardoor versterkt zou worden, dat ik van Hem zelf in antwoord op mijn gebed, hulp ontving. Wat zoude ik doen? En ik wachtte op Zijn antwoord.

Het scheen mij, als of Hij mijn binnenste tot het besluit

-ocr page 44-

30

leidde, nog eens naar het scbeepsbureau te gaan en om het loon te vragen, dat ik vroeger niet had kunnen krijgen. Ikzeideden Heer, dat ik in mijnen tegenwoordigen toestand mij geen vervoermiddel kon verschaffen, dat het, zoover als ik kon zien, volstrekt niet waarschijnlijk was, dat ik iets zou krijgen, en vroeg Hem. of het niet meer alleen een grijpen naar eenen stroohalm was, enkel eenen hersenschim, dan zijne leiding en onderwijzing. Nadat ik echter gebeden en opnieuw op God gewacht had, werd mijn geloof bevestigd, dat Hij zelf mij aanwees, naar het bureau te gaan. Mijne eerste vraag was: «Koe zal ik gaan? Ik heb nog hulp noodig bij het afgaan der trappen, en het bureau is minstens 40 minuten verwijderd.» Daar herinnerde ik mij zeer levendig de aanhaling, dat, wat ik ook in den naam van Christus van God bad, voor mij zou geschieden, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt werd. Wat ik te doen had was, kracht te zoeken voor den langen tocht, die in het geloof te ontvangen, en daarop te gaan. Zonder aarzelen zeide ik den Heer, dat ik ten volle bereid was, den tocht te aanvaarden, wanneer Hij mij de kracht geven wilde. Ik bad in den naam van Christus, dat mij dadelijk de kracht mocht gegeven worden, en terwijl ik de meid naar mijne kamer zond, om mijnen hoed en stok te halen, ging ik op weg. niet om het loopen te beproeven, maar om naar Cheapside te gaan.

Ik was bepaald in het geloot gesterkt, maar ik heb nimmer zooveel belang gesteld in de winkelramen, dan op dien tocht. Bij elk tweede of derde winkelraam verheugde ik mij, er een weinig tegen te kunnen leunen en den tijd te kunnen nemen, om den inhoud van het venster te onderzoeken, voordat ik verder ging.....Maar God hielp mij, en ter rechter tijd

bereikte ik Cheapside, sloeg de zijstraat in, waarin het bureau was, en ging geheel uitgeput op de treden der trap zitten, die naar de eerste verdieping leidde, waar het bureau was. Ik

-ocr page 45-

31

gevoelde mij in eenen eigenaardigen toestand, daar de heeren die in- en uitliepen, mij met eene soort van vragende verwondering aanzagen, hoe ik daar geheel uitgeput op de trap zat. Nadat ik echter een weinig uitgerust en mij wat meer in het gebed gesterkt had, gelukte het mij de trap op te klimmen. Tot mijne vreugde vond ik in het bureau denzelfden bediende, met wien ik vroeger in dezelfde zaak had te doen gehad. Daar hij zag hoe doodsbleek en uitgeput ik was, vroeg hij naar mijne gezondheid; ik zeide hem, dat ik eene zware ziekte had gehad, en mij aangeraden was, naar buiten te gaan; dat ik het echter goed had gevonden, nog eens te komen en te vragen , of niet ten opzichte van den matroos, die naar de goudvelden was Aveggeloopen, eene vergissing in het spel geweest was. «O,» zeide hij, «ik verheug mij zeer, dat gij gekomen zijt. Het is gebleken, dat het een flink zeeman van denzelfden naam was, die weggeloopen is. TJw matroos is nog aan boord. Het schip is juist in Gravesend (bij Londen) binnengeloopen en zal zeer spoedig hier zijn. Het verheugt mij, u zijn halve loon tot heden uit te kunnen betalen, want zonder twijfel zal zijne vrouw het allicht beter door uwe bemiddeling ontvangen, daar wij allen weten, hoe het met de zeelieden gaat, wanneer zij na eene lange reis in het vaderland aankomen.»

Voor hij mij de geldsom gaf evenwel, stond hij er op, dat ik binnen zou komen en zijn ontbijt met hem zou deelen. Ik merkte, dat het werkelijk de Heer was, die voor mij zorgde, en nam zijn aanbod met dankbaarheid aan. Toen ik mij door de rust en het ontbijt verkwikt had, gaf hij mij een blad papier, om de vrouw eenige regelen te schrijven en haar don staat van zaken te vertellen. Op mijnen weg naar huis voorzag ik mij in Cheapside van eenen postwissel, en zond haar het haar toekomende bedrag per post toe; vervolgens, toen ik naar huis terugkeerde , achtte ik het alleszins gerechtvaardigd, dat ik een omnibus

-ocr page 46-

32

nam, die mij, zoover als hg mij maar konde, bracht. Daar ik den volgenden morgen zeer veel beter was, ging ik na eenige kleine zaken, die ik te bezorgen had, afgedaan te hebben, op weg naar het huis van den dokter, die mij behandeld had. Ik meende, dat indien mijn oom ook bereid was, de rekening te betalen, het behoorlijk van mij was, nu, daar ik eenig geld in handen had, naar het bedrag van de rekening te vragen. De vriendelijke dokter weigerde, op de eene of andere wijze betaling voor zijnen dienst aan te nemen, maar hij had mij van chinine voorzien, en daarvoor mocht ik hem met een bedrag van 8 Sh. (ongeveer 5 Gulden) betalen. Nadat dat geregeld was, vond ik, dat de som, die nog over bleef, juist toereikend was, om mij naar huis te brengen; in mijne oogen vertoonde zich het geheel als eene wonderbare leiding van God met mij. Ik wist, dat de dokter ongeloovig was, en zeide hem, dat ik zeer gaarne eens vrij met hem wilde spreken, wanneer ik het mocht, zonder hem te beleedigen. Ik was mij namelijk duidelijk ervan bewust, dat ik naast God mijn leven aan zijne verzorging te danken had, en het was mijn harte-wensch, hem iets te kunnen zeggen, dat hiertoe dienen mocht, hem datzelfde kostelijk geloof deelachtig te maken, dat ik had. Hij veroorloofde mij op vriendelijke wijze, geheel vertrouwelijk en vrij met hem te spreken.

Zoo vertelde ik hem dan, om welke oorzaak ik in Londen was en, wat mijne omstandigheden aangingen, waarom ik de hulp zoowel van mijnen vader alsook van den bestuurder der vereeni-ging, in den dienst waarvan ik waarschijnlijk naar China zoude gaan, afgewezen had. Ik vertelde hem verder, hoe God in Zijne Voorzienigheid zich aldus tot mij nederboog, en hoe hopeloos mijn toestand nog den dag te voren in menschenoogen geweest was, juist toen hij mij den raad gaf, om naar buiten te gaan, tenzij ik besloot, daarmede anderen bekend te maken, wat ik toch niet gaarne doen wilde. Ik beschreef

-ocr page 47-

33

hem verder de gedachten, die door mijn hoofd waren gegaan; toen ik hem evenwel zeide, dat ik werkelijk mijnen hoed en stok genomen had en naar Cheapside gewandeld had, toen zag hij mij ongeloovig aan en zeide tot mij: «Onmogelijk, ik verliet ii immers op de sofa liggend, meer eenen geest dan een mensch gelijk!» En ik moest hem nog eens en nog eens verzekeren, dat ik gesterkt door het geloof, werkelijk den weg afgelegd had. Ik vertelde hem toen nog, hoeveel geld mij was overgebleven, welke betalingen ik te doen had, en toonde hem, dat ik een bedrag overhield, dat mij juist in mijn vaderstad zou brengen, terwijl mij nog een weinig reisgeld, om onderweg te verteeren, en het geld voor den omnibus, aan het einde der spoorreis naar Yorkshire, overbleef. Mijn goede vriend was geheel verslagen, en met tranen in de oogen zeide hij: «Ik wilde gaarne de geheele wereld voor een geloof, als het uwe is, prijs geven.» Ik had daarvoor de vreugde hem te vertellen, dat dit zonder geld en om niet te krijgen was. Ik zag hem nimmer weder. Toen ik in de stad terugkeerde, geheel hersteld tot de oude gezondheid en kracht, vernam ik, dat hij eene beroerte had gehad en naar buiten was gegaan. Ik hoorde later, dat hij niet hersteld was. Nadere inlichtingen over zijnen zielstoestand, toen hij opgeroepen werd, kon ik helaas, niet bekomen. Maar ik was steeds zeer dankbaar, dat ik de gelegenheid gehad en gebruikt had, deze getuigunis van God af te leggen. Ik kan nu de hoop voeden, dat de Heer zelf hem tot zich heeft getrokken, en dat ik hem in het betere land zal wedervinden; het zoude mij geene geringe vreugde zijn, door hem verwelkomd te worden, wanneer mijn dienst hier beneden geëindigd zal zijn.

De volgende dag vond mij in het huis mijner lieve ouders. Mijne vreugde over de hulp des Heeren en mijne redding was zoo groot, dat ik niet in staat was, ze voor mij te houden, en vóór mijn terugkeer naar Londen wist mijne moeder het geheim van

3

-ocr page 48-

34

mijn leven in den laatst verloopen tijd. Ik moest spoedig beloven , dat ik, als ik weder naar de stad terugging, niet meer op dezelfde zuinige wijze zoude leven, zooals ik vóór mijne ziekte had gedaan. Ik had het ook niet meer kunnen doen. Ik gebruikte nu meer, en de Heer zorgde.

5

Eer ik eenige voorvallen gedenk, die zich gedurende mijne reis naar China, en mijn eerste verblijf aldaar opdeden, wensch ik nog eene geschiedenis te vermelden, die mij tot groote aanmoediging strekte, om de bekeering van anderen te beproeven, zelfs daar waar de omstandigheden hopeloos schijnen.

Korten tijd, voordat ik naar China ging, werd het mijn taak, om dagelijks den voet te verbinden van eenen patient, die het koudvuur door hoogen ouderdom had. Ik was niet de eerste, die hem behandelde; toen mij echter het geval werd opgedragen, was ik, zooals zich denken laat, zeer bezorgd om het heil zijner ziel, want hoewel die kwaal, zooals gewoonlijk, bijna onmerkbaar begon, wist ik, dat hij een verloren man was en niet lang meer kon leven. Mijn patient vermoedde hiervan echter weinig. De lieden, bij welke hij inwoonde, waren christenen; van hen vernam ik, dat hij een verklaard atheïst (godloochenaar) was en beslist vijandig tegenover al wat christelijk was. Zij hadden zonder zijne toestemming een evangelist verzocht hem te bezoeken, maar in groote opwinding had hij hem de deur gewezen. De wijkpredikant was ook zeer vriendelijk tot hem gekomen, om naar hem te zien, in de hoop hem te kunnen helpen, maar hij had hem in het gezicht gespuwd en hem de vergunning geweigerd, om tot hem te spreken. Zijne hartstochtelijkheid, zoo zeide

-ocr page 49-

35

men mij, was zeer hevig en liet geval scheen een van de allermoeilijkste te zijn, die men zich kan voorstellen.

Ik bad veel voor deze aangelegenheid, maar zeide twee of drie dagen niets tot hem. Door bijzondere zorgvuldigheid bij het verbinden van zijn ziek lichaamsdeel, was ik in staat, om zijn lijden zeer te verminderen, en hij begon spoedig mijne diensten te waardeeren. Eens knoopte ik met hem een gesprek aan, naar aanleiding van zijne dankbetuigingen. Met een sidderend hart zeide ik tot hem, wat de bron was, waaruit mijne handelwijze voortvloeide, en sprak ik tevens over zijnen ernstigen toestand en de noodzakelijkheid om de genade Gods in Christus te zoeken. Het kostte hem zichtbare inspanning om zich in te houden. Hij keerde zich in bed om, draaide mij den rug toe en liet geen woord hooren.

Ik kon den armen man niet uit mijne gedachten zetten en dag aan dag worstelde ik zeer vaak met God, opdat Hij hem door Zijnen Geest nog zoude redden, vóór Hij hem wegnam. Zoo menigmaal ik zijne wonden verbonden en daardoor zijne smarten een weinig verzacht had, verzuimde ik nooit, om eenigo woorden tot hem te spreken, van welke ik hoopte dat de Heer ze zegenen zoude. Hij keerde mij dan altijd den rug toe, terwijl hij ontstemd voor zich keek, maar antwoordde geen woord.

Nadat ik daarmede een tijdlang voortgegaan was, ontzonk mij den moed. Het scheen mij toe, dat ik niet alleen niets goeds uitwerkte , maar wellicht bovendien hem nog verstokter maakte en zoo zijne schuld vermeerderde. Toen ik dan op zekeren dag zijn been verbonden en mijne handen gewasschen had, ging ik, in plaats van mij weer tot zijne sponde te wenden en hem toe te spreken, onmiddellijk naar de deur, nam de deurknop in de hand en stond, terwijl ik bij mij zelve dacht: «Efraïm hangt aan zijne afgoden, laat hem gaan », eenige oogenblikken twijfelend. Ik keek naar den man en bemerkte zijne verwondering, daar het

-ocr page 50-

36

de eerste maal was, sedert ik begonnen was tot hem te spreken, dat ik weg wilde gaan zonder naar. zijn bed te komen en eenige woorden van mijn1 Heer te spreken. Ik kon het niet langer uithouden, en terwijl ik in tranen uitbarstte, ging ik naar hem toe en zeide: «Mijn vriend, of gij mij hooren of afwijzen wilt, ik moet mijne ziel redden» en daarna sprak ik zeer ernstig tot hem en zeide hem onder vele tanen, hoezeer ik wenschte, dat hij mij mocht toestaan voor hem te bidden. Tot mijne groote vreugde wendde hij zich niet af, maar antwoordde: «Indien u dit eene verlichting is, doe het dan toch.» Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat ik op mijn knieën viel en mijne gansche ziel voor den Heer Tiitstortte. Ik geloof, dat de Heer bij deze gelegenheid eene verandering in hem bewerkte.

Hij was van nu aan nooit meer onwillig, om met zich te laten spreken en bidden, en binnen weinige dagen nam hij beslist Christus als zijnen Heiland aan. O, welk eene vreugde was mij dit nu, dezen lieven man zich te zien verblijden in de hope der heerlijkheid Gods. Hij zeide mij, dat hij veertig jaren lang nooit de deur van eene kerk of kapel was binnengetreden, en toen, vóór 40 jaar, was hij slechts er heen gegaan om te trouwen. Na dien tijd had men hem niet eens kunnen overreden om er heen te gaan toen zijne vrouw begraven werd. Nu was hij, zooals ik Gode zij dank, allen grond had te gelooven, gewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd door den naam des Heeren Jezus Christus en door den Geest onzes Gods. Menigmaal, wanneer bij mijnen eersten arbeid in China de omstandigheden mij bijna deden wanhopen aan eenig welslagen, heb ik aan deze bekeering gedacht, en ik werd bemoedigd, om voort te gaan met de verkondiging des Woords, hetzij de lieden het wilden hooren, dan wel het van zich wezen.

De nu zoo gelukkige man leefde nog eenigen tijd na deze verandering , en hij werd, zooals mij zijne huisgenooten zeiden, nooit

-ocr page 51-

37

moede te getuigen van de genade Gods. Ofschoon zijn lijden zeer groot was, zoo maakte toch de omkeering in zijn wezen en gedrag het verplegen, te voren zulk eene onaangename taak, tot eene ware vreugde. Ik heb, met het oog op dit geval en op het werk Gods in het algemeen, van dien tijd af vaak aan het woord gedacht: «Zij gaan uit met weenen en dragen het goede zaad en komen met vreugde en brengen hunne schoven.» Wellicht zouden, wanneer levendige droefheid betoond werd, die tot tranen bewoog, meer vruchten die wij verlangen, door ons gezien worden. Spoedig na dit voorval kwam de tijd, waarnaar ik vijf jaren lang had uitgezien; de tijd, waarop ik Engeland verlaten zou, om naar China te gaan. Nadat ik onder veel gebed voor den dienst van het Woord Gods onder de heidensche Chineezen afgezonderd was geworden, ging ik van Londen naar Liverpool, en ter bestemder tijd zeilde ik met het goede schip Dumfries uit, zeker daarvan, dat velen mij met ernstig gebed om bescherming en zegen, zoowel op weg, als bij en na miin aankomst in China, begeleidden.

6

Den negentienden September 1853 werd in de Sterrenhut (eene kleine ruimte in het achterdeel van het schip) van de Dumfries, die mij voor de vaart naar China aangewezen was, eene kleine afscheids-godsdienstoefening gehouden. Daarna kwam het scheiden van mijne geliefde moeder. Nooit kan ik dat vergeten. Zoowel mijne lieve moeder als ook ik beseften in dit uur vol-komener dan ooit te voren, de diepte der liefde Gods voor eene wereld, die het verderf tegemoet snelt; dier liefde, welke Hem bewoog om zijnen eenigen geliefden Zoon over te geven. Wat moet

-ocr page 52-

38

Hij denken, wanneer hij zijne kinderen onverschillig ziet, tegenover de nooden der wijde wereld, voor welke Christus stierf.

«Dochter, zie daarop en neig uwe ooren;

Vergeet uw volk en uws vaders huis ;

Zoo zal de Koning lust aan uwe schoonheid hebben.

quot;Want Hij is Uw Heer, en gij zult hem dienen.»

Goddank! het getal dergenen neemt altijd toe, die de onuitsprekelijke vreugde, de wonderbare openbaringen Zijner genade doorgronden, welke hen is toegezegd, die hem rolgen, en terwijl zij zich ontledigen, alles verlaten, om gehoorzaam te zijn aan Zijn groot bevel.

Onze reis had een slecht begin, maar velen hadden beloofd onzer in aanhoudend gebed te zullen gedenken. Dit was geene geringe vertroosting; want wij waren ternauwernood uit den Mersey (de rivier aan welker monding Liverpool ligt) gevaren, toen ons een hevige Equinoktialwind bestormde en wjj 12 dagen lang in het lersche kanaal heen en weer kruisten, buiten staat om in de opene zee te stevenen. De wind werd immer heviger; toen wij bijna eene week lang op het water geweest waren, werden de zeilen ingenomen; doch toen wij de kust aan die zijde hadden, waarheen ons de wind dreef, zagen wij ons genoodzaakt, om de zeilen bij te zetten en met alle kracht tegen den wind in te gaan. De uiterste krachtsinspanningen van den kapitein en de zeelieden waren intusschen tevergeefs, en Zondagavond den 25stei1 September dreven wij in de bocht van Carnarvon (ten X. W. van Wales) heen en weer. Telkens kwamen wij nader bij de kust, tot wij ten laatste nog slechts een steenworp van de rotsen verwijderd waren. Op dezen tijd, toen het schip zelfs niet eens zijne richting kon houden, maar juist op de andere zijde heengeworpen werd, zeide de kapitein, een christen, tot mij: «Wij kunnen zóó geen half uur in het leven blijven. Hoe staat het nu met uwe roeping om voor God in

-ocr page 53-

39

China te arbeiden?» Ik had te voren eenen tijd van zwaren strijd doorgemaakt, maar die was nu voorbij. Hot strekte mij tot groote blijdschap, om inwendig te gevoelen en tegenover hem uit te spreken, dat geenorlei bedenking mij eene andere positie deed wenschen en dat ik vast verwachtte China te bereiken; moest het echter anders zijn, zoo zou de Meester in elk geval zeggen, dat het goed voor mij was, aan Zijn bevel gehoorzaam bevonden te worden.

quot;Weinige minuten na de draaing van het schip ging de kapitein naar het kompas zien en zeide: «De wind heeft zich tweepunten gewend; wij zullen in staat zijn om uit de bocht te komen.» En zoo deden wij; hoewel de boegspriet gebroken was en het vaartuig ernstige averij bekomen had, zoo geraakten wij toch na eenige dagen in de opene zee. De noodige herstellingen werden aan boord zoo volkomen gemaakt, dat onze reis naar China in den bepaalden tijd werd afgelegd.

Eene zaak verontrustte mij in dezen nacht zeer. Ik was nog zeer jong in het geloof en had geen geloof genoeg aan God, om Hem ook in en bij het gebruik van middelen te erkennen. Ik had het plichtmatig geoordeeld, om aan het verlangen van mijne lieve en geachte moeder gevolg te geven, en mij, om harentwille, van een zwemgordel voorzien. Maar in mijne ziel was het, alsof ik niet op God kon vertrouwen, zoolang ik dezen zwemgordel had, en mijn hart had geene rust, tot ik hem in dien nacht, nadat alle hoop om gered te worden was opgegeven, weggeschonken had. Daarna had ik volkomen vrede; ik legde, zonderling genoeg, verscheidene lichte zaken, die drijven zouden, wanneer het tot stranden kwam, bij elkaar, zonder eenigerlei gedachte aan den (daarin liggenden) innerlijken tegenspraak, of iets van dien aard.

Ik heb sedert de dwaling, die ik beging, ingezien, eene dwaling, welke in deze dagen zeer verbreid is, waar wanbegrippen

-ocr page 54-

40

over geloofsgonczing veel schade aanricliten, omdat zij met betrekking tot de bedoelingen Gods tot dwaling leidt, het geloof van den eenen aan \'t wankelen brengt en het gemoed van velen verwarren. Het gebruik van middelen moet ons geloof aan God niet verminderen, en ons geloof in God mag ons niet verhinderen, om de middelen te gebruiken, die Hij ons heeft gegeven, om Zijne doeleinden te bereiken 1).

De jaren daarna heb ik altijd een zwemgordel meegenomen en nooit meer onrust daarbij gehad, want nadat de storm voorbij was, zocht ik over deze vraag licht, onder biddend onderzoek der H. Schrift. God deed mij toen mijne dwaling inzien; waarschijnlijk, om mij te bevrijden van veel onrust over dergelijke vragen, welke thans vaak aan de orde zijn. Wanneer ik ergens een genees- of heelkundig geval te behandelen had, heb ik nooit gedacht, het gebed na te laten, om Gods zegen en leiding bij het gebruik der aangewezen middelen, of te verzuimen Hem te danken voor zijn antwoord in de herstelde gezondheid. Het zou mij echter vermetel en verkeerd toeschijnen, om het gebruik dei-middelen te verachten, die Hij zelf in ons bereik heeft gesteld; evenals het verkeerd zou zijn, de dagelijksche voeding te versmaden en het leven en de gezondheid alleen door het gebed bewaard te willen zien, terwijl het voedsel geweigerd wordt.

De reis was eene zeer langdurige. Wij verloren bij den evenaar veel tijd door windstilten; en toen wij eindelijk de Oost-Indische eilandenzee bereikten (wijl wij den Moesson tegen hadden, moesten wij den Oostelijken weg kiezen) werden wij weer door dezelfde oorzaak tegengehouden. Gewoonlijk kwam kort na zonsondergang een zachte wind op, die tot do morgenschemering duurde. Men maakte daarvan een gretig gebruik, maar overdag lagen wij stil met slaphangende zeilen, terwijl wij bovendien dikwijls terug-

1) Dit sluit echter niet uit, dal er gevallen voorkomen , waarin het geldt hem ook zonder middelen te vertrouwen. (Inspector J. Sturzberg).

-ocr page 55-

41

gedreven werden en een goed deel verloren van hetgeen wij gedurende den nacht gewonnen hadden.

Dit gebeurde op zekeren dag op merkwaardige wijze, toen wij ons ten Noorden van Nieuw-Guinea in eene uiterst gevaarvolle positie bevonden. De Zaterdagavond had ons op eene plaats gebracht, ongeveer 30 Engolsche mijlen van het land verwijderd, maar gedurende den Zondagochtenddienst, die op het dek gehouden werd, kon ik zooals ik meende, waarnemen, dat de kapitein onrustig uitkeek en dikwijls naar de zijde van het schip ging. Toen de Godsdienstoefening geëindigd was, vernam ik van hem de reden: eene zeestrooming van vier knoopen snelheid dreef ons vlug naar eenige gezonken riffen, en wij waren reeds zoo dicht bij, dat het onwaarschijnlijk was, dat wij den Zondagmiddag zouden doorkomen. Na het middagmaal werd de groote boot uitgezet; alle handen waren druk bezig, om het voorste gedeelte van het schip om te wenden, van de kust af, maar zonder gevolg. Toen wij dichterbij dreven konden wij de inboorlingen duidelijk op het strand zien heen en weer loepen en hier en daar vuren ontsteken. De aardrijkskundige handleiding van den kapitein leerde hem, dat deze menschen kanibalen (menscheneters) waren: onze toestand was dus niet weinig verontrustend.

Nadat wij oen poosje zwijgend op het dek gestaan hadden, zeide de kapitein tot mij: «Nu, wij hebben alles gedaan wat gedaan kon worden, wij kunnen slechts het resultaat afwachten.gt; Deze gedachte trof mij en ik zeide: «Neen, er is nog iets, dat wij niet gedaan hebben!» «Wat is dat?» vraagde hij. Ik antwoordde: «Vier van ons zijn Christenen (de scheepstimmerman en onze zwarte hofmeester waren Christenen, alsmede de kapitein en ik). Zullen wij ons niet ieder in onze hut terugtrekken en in vereenigd gebed den Heer bidden, om dadelijk eenen goeden wind te zenden? Hij kan dien nu even gemakkelijk zenden als bij zonsondergang.»

-ocr page 56-

42

De kapitein stemde dit toe. Ik ging heen en sprak de beide andere mannen aan, had nog een kort gemeenschappelijk gebed met den scheepstimmerman en toen trokken wij ons alle vier terug, om op God te wachten. Ik had eenen gezegenden, ofschoon zeer korten tijd in het gebed doorgebracht en ontving zóó beslist den indruk, dat het gebed was verhoord, dat ik niet verder kon bidden. Ik ging daarom spoedig weer op het dek. De eerste officier, een goddeloos man, had het bevel op het dek. Ik ging naar hem toe en verzocht hem het uiteinde van schooverzeil neer te laten. (De zeilen waren opgetrokken, om door het slaan daarvan tegen het touwwerk eenige verkoeling te bezorgen.) Hij vraagde mij: «Waartoe zou dat dienstig zijn?» Ik hernam: «Wij hebben wind van God afgebeden en deze zal terstond komen.» Op dat oogenblik waren wij de klippen reeds zeer nabij, zoodat geen minuut te verliezen was. Met een blik vol ongeloof en verachting gaf hij met een vloek ten antwoord, dat hij liever wind wilde zien, dan er van hooren. Maar terwijl hij sprak, zag ik hem scherp in de oogen en volgde die naar het koningszeil aan den grooten mast; daar begon reeds, duidelijk genoeg, de wimpel van het zeil door den opkomenden wind te wapperen. Ik zeide tot hem: «Ziet gij niet, dat de wind komt? Zie slechts naar het koningszeil!» «Neen, dat is alleen maar een windstoot,» sprak hij. «Windstoot of niet,» was weder mijn antwoord, «ik bid u, laat het schooverzeil neer en laat ons toch het voordeel ervan hebben.» Daarmede was hij echter niet spoedig bij de hand; nog één

minuut.....daar bracht het harde loopen van de manschappen

op het dek den kapitein uit zijne hut naar boven, om te zien wat er was. Het leed geenen twijfel; de wind was gekomen. In weinige minuten trokken wij onze voren zes of zeven knoopen per uur door het water, en de menigte naakte wilden, die wij op den oever gezien hadden, beleefden in dien nacht geen schipbreuk. Wij verloren dezen wind niet, voordat wij de Palau-

-ocr page 57-

43

eilanden (ongeveer 200 uren noordelijk van Nieuw-Guinea) voorbij waren.

Zoo bemoedigde mij God, éér ik nog aan de kusten van China landde, om alle soorten van nooden Hem in het gebed voor te leggen en te verwachten, dat Hij den naam des Heeren Jezus eeren zoude en die hulp geven, welke iedere bijzondere nood vereischt.

-ocr page 58-

II. Voor den eersten keer in China.

1

Toen ik den lsten Maart 1854 te Shanghai (in China) landde, vond ik mij door bezwaren omringd, waaraan ik vroeger niet had gedacht. Eene bende oproerlingen, bekend onder den naam van «roode tulbanden,» hadden de beambten vermoord en de Chineesche stad in bezit genomen. Zij stelden zich tegenover een keizerlijk leger van 40 a 50,000 man, die de kleine Euro-peesche kolonie ten slotte eene grootere bron van onrust en gevaar werd, dan de oproerlingen zeiven. Toen ik landde, zeide men mij, dat het onmogeliik was buiten het Europeesche stadsgedeelte te wonen, terwijl daarbinnen nauwelijks eene enkele kamer voor den hoogsten prijs was te verkrijgen. De dollar. die ongeveer /quot;2.10 had gegolden, was tot /quot;5,28 gestegen, en het vooruitzicht voor iemand, die slechts een klein vermogen in Engelsch geld had, was donker genoeg. Maar ik had drie aanbevelingsbrieven, en ik rekende op raad en hulp voornamelijk bij éénen van hen, aan wien ik was aanbevolen, wiens vriend ik kende en hoogschatte. Natuurlijk vroeg ik dadelijk naar hem, doch vernam slechts, dat hij voor één of twee maanden begraven was; gedurende den tijd mijner reis was hij aan koorts gestorven. Diep bedroefd door dit bericht vroeg ik verder naar eenen zendeling, aan wien mijn tweeden brief van aanbeveling gericht was, maar dit was slechts om eene andere teleur-

-ocr page 59-

•45

stelling te vernemen, want hij was naar Amerika afgereisd. Nu bleef nog slechts de derde brief over, maar die was mij door eenen minder invloedrijken gegeven, en ik had dientengevolge niet veel van hem gehoopt. Toch zou juist deze de weg van Gods hulp voor mij worden. Zendeling Dr. Medhurst, van het Londensche Zendeling-genootschap, aan wien deze geadresseerd was, introduceerde mij bij Dr. Lockhart, die mij vriendelijk toestond, zes maanden bij hem te wonen. Dr. Medhurst bezorgde mij mijnen eersten Chineesche onderwijzer, en hij, Dr. Edkins, en de Heer Wylie boden mij wezenlijke hulp met betrekking tot de taal.

Het waren toen onrustige tijden, ja tijden vol gevaar. Toen ik op zekeren dag met den Hr. Wylie uit de stad kwam, begon hij een gesprek met twee koelies (lastdragers), terwijl wij eenen korten tijd aan de Oostpoort op eenen geleider, die achtergebleven was, wachtten. Voordat onze geleider wederkwam, begon een aanval op de stad van de zijde der batterijen op den tegenoverliggenden oever der rivier, die ons noodzaakte naar eene plaats te gaan, die minder gevaarlijk was, daar de kanonkogels zeer nabij kwamen aanvliegen. De koelies wachtten ongelukkiger wijze iets te lang en werden getroffen. Toen wij de Europeesche kolonie bereikten, maakten wij eenige minuten halt, om onderzoek te doen, en gingen toen dadelijk naar de stationsgebouwen der Londensche zending, waar wij aan de deur van het hospitaal de ongelukkige koelies vonden, mot wie de Heer quot;Wylie gesproken had; hen waren do enkels van beide beenen door den kanonkogel vreeselijk verbrijzeld. De ongelukkigen weigerden, zich de beenen te laten afzetten, en beiden stierven. Wij gevoelden, hoe wij ter nauwernood het gevaar ontkomen waren.

Op eenen morgen, had ik mij zeer vroeg met eenen der zendelingen op de veranda nedergezet, om den voortgang van den veldslag waar te nemen, wellicht 3/4 mijlen van het slagveld verwijderd, toen een verdwaalde kanonkogel tusschen ons door-

-ocr page 60-

46

vloog en zich in den muur der veranda verborg. Op eenen anderen dag liet mijn vriend, de Heer Wylie, zijn boek na het eten op de tafel liggen, en toen hij wederkwam, vijf minuten later, om het te halen, vond hij de armleuning van den stoel waarop hij had gezeten, weggeschoten; maar te midden van al diegevaran bewaarde ons de Heer.

Nadat ik zes maanden bij Dr. Lockhart had gewoond, huurde ik het huis van eenen inboorling buiten de kolonie, en begon een klein zendingswerk onder mijne buren, dat eenige maanden lang nuttig bleek te zijn. Toen echter vereenigden zich de Franschen met het keizerlijke leger bij den aanval op de stad, en zoo werd de ligging van mijn huis zoo gevaarlijk, dat ik in de laatste weken, tengevolge der wederkeerende nachtelijke aanvallen, die tegen de stad waren gericht of vandaar uitgingen, de poging geheel opgaf, om \'s nachts te slapen. Op zekeren nacht vertoonde zich een vuur zeer in de nabijheid; ik klom op een klein Observatorium (of waarnemingsplaatsje), dat ik op het dak van het huis had, om te zien of het noodig werd, de vlucht te nemen. Terwijl ik daar was, trof een kanonkogel den achterkant van het dak aan de tegenovergestelde zijde van den vierhoek, waarop ik stond, waarop stukken van de gebroken pannen om mij heen vlogen, en de kanonkogel zelf beneden in den hof rolde. Hij woog 4 a 5 pond. Was hij twee of drie duimhooger gekomen, dan was hij waarschijnlijk met kracht op mij aangekomen in plaats van op het gebouw . . . Kort na deze gebeurtenis moest ik het huis verlaten en in de vreemde kolonie terug-keeren; mijn vertrek geschiedde echter geenszins te meg, want voor nog het overige van mijne bezitting uit het huis was gedragen, brandde het tot aan den grond af.

De beproevingen van dit eerste tijdvak kan men zich nauwelijks voorstellen; voor iemand, die van een gevoelig karakter is, waren die angsten en wreedheden en die ellende, die aan den krijg ver-

-ocr page 61-

47

bonden zijn, een schrikkelijke kwelling. Daarbij waren de behoeften, die door deze tijdsomstandigheden veroorzaakt waren, dikwijls zeer groot; met een inkomen van f 900 had ik, als ik in deEuro-peesche kolonie terugkeeren moest, f 1440 huur te betalen, waarom ik natuurlijk de helft van het huis weder moest verhuren, en hoewel het comité van de Chineesche Vereeniging tot Evangelisatie , waarvan ik de eerste arbeider was, mijn inkomen verhoogde toen het na de aankomst van Dr. Parker, meer van onze omstandigheden vernam, had ik intusschen toch menige droevige ondervinding gehad. Slechts weinigen kunnen zich voorstellen, hoe vol verzoeking vele van deze lotgevallen waren voor eenen zoo jongen en onervaren man, noch ook, hoe buitengewoon eenzaam de toestand van eenen baanbreker is, die bij velen zijner bezwaren niet eens iets daarvan mag laten merken, daar dit een stilzwijgend vragen om hulp was geweest. De groote vijand is steeds bereid met zijne dikwijls herhaalde influistering: «Het is alles tegen u.» Maar o hoe valsch is deze influistering. De koude en zelfs de honger, het waken en de slapeloosheid in nachten van gevaar, de afmattende zomerhitte en het tijdelijke gevoel van de grootste eenzaamheid en hulpeloosheid was wel en wijs gekozen en dooi eene zachte, liefdevolle hand toegemeten.

Welke omstandigheden hadden het Woord Gods welluidender. de tegenwoordigheid (iods werkelijker, de hulp Gods kostbaarder kunnen maken? Het waren inderdaad tijden van onderwijzing en vernedering, maar het waren ervaringen, die mij niet te schande maakten, en die de opvatting versterkten, voorwaarts te gaan, zooals God leiden mocht, met Zijne beproefde belofte: «Ik zal U niet begeven noch verlaten.» Men kan ook nu nog zien, dat, «bij God zijn weg volmaakt» is en zich voorts verheugen. dat de weg der zendelingen (in China) heden in verhouding daarvan gemakkelijker en lichter is.

-ocr page 62-

48

o

Het reizen in het binnenland was destijds nog strijdig met de verdragen en vol bezwaar, vooral eenigen tijd na den slag bij Muddy-flad, waarin eene Engelsch-Amerikaansche strijdmacht van ongeveer 300 marine-soldaten en zeelieden het keizerlijke leger aangreep,, en ongeveer 30—50,000 Chineesche soldaten op de vlucht joeg, waarbij het snel op elkander volgen van onze schoten de artillerie dor Chineezen onbruikbaar maakten. Toch kwam het in den herfst van 18^4 er toe, eene reis van misschien eene week met Dr. Edkins af te leggen, die natuurlijk had te spreken en te prediken, terwijl ik althans in staat was, bij de uitdeeling der boeken te helpen.

Eene reis, die ik in het voorjaar van het volgende jaar met zendeling J. G. Burdon van de Engelsche-kerkelijke Zending (nu bisschop van Viktoria in Hongkong) ondernam, was metgroote gevaren verbonden . . . Gedurende deze reis brachten wij het eerst eenigen tijd met evangeliseeren door op het eiland Tsang-ming en bij Haimun, benoorden de rivier Yang-tse; toen gingen wij verder naar Lang-schan, waar wij een afgodenfeest bijwoonden, terwijl wij predikten en duizenden der afgodenaanbidders boeken gaven. Vandaar kwamen wij verder naar Tung-tschau, eene stad, voor welks hunne soldaten wij steeds weder gewaarschuwd waren; maar het was ons besluit, door de genade Gods, Fung-tschau niet zonder het Evangelie te laten, noch zijne verdrukte duizenden in zorgelooze onwetendheid betreffende den weg des levens te laten wegsterven. Op onzen weg kwamen wij door eenen stad van ongeveer 1000 inwoners, Singkiautschen genaamd; en hier predikte ik voor een groot aantal menschen Jezus in de mandarijnentaai (de regeeringstaal in het groote Chineesche rijk). Ik was nimmer zoo gelukkig geweest, wanneer ik van de liefde Gods en de verzoening in Christus Jezus sprak; mijne ziel was rijkelijk gezegend en van

-ocr page 63-

49

vrede en vreugde vervuld; en ik kon met ongewone gemakkelijkheid en vrijheid spreken. En hoe verheugd was mijn hart, toen ik daarna een mijner toehoorders den nieuwbijgekomenen in zijnen eigenen tongval de waarheden hoorde herhalen, die ik hem had gezegd! O, hoe dankbaar was ik, eenen Chinees te hooren, die uit eigen aandrang zijnen landslieden zeide, dat God hen liefhad; dat zij zondaars waren; dat echter Jezus in hunne plaats gestorven is, en de last hunner schuld betaald heelt. Dit ééne oogenblik vergoedde mij al de wederwaardigheden, die ik doorgemaakt had; en ik zag, dat, wanneeer de Heer Zijnen Heiligen Geest gaf, om het hart van dien man te veranderen, wij dan niet te vergeefs hierheen gekomen waren. Het was mij, alsof ik met Simeon kon zeggen: «Heer, laat nu uwen dienstknecht gaan in vrede.quot; Wij verdeelden eenige testamenten en traktaatjes, want die menschen konden goed lezen, en wij mochten hen niet zonder het Evangelie laten. Het was goed, dat wij dat deden, want toen wij Tung-tschau bereikten, bemerkten wij, dat wij juist slechts zooveel overhadden, als wij kracht hadden om te dragen.

Toen wij verder gaande de westelijke voorstad van de groote stad naderden, kwam mij het gebod der eerste Christenen (Hand. 4, 24—29) bij het uitbreken der vervolgingen, in de gedachten; met de bede: «En nu, Heer, zie op hunne dreigingen, en geef uwe dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken!» kon ik mij van ganseher harte vereenigen. Vóór wij de voorstad betraden, maakten wij onze plannen, opdat wij voortgaande ons naar elkander konden schikken; wij zeiden onzen kruiwagen-mannen (die de beide zendelingen tot zoover met hunne goederen gebracht hadden), waar zij ons wachten zouden, opdat zij niet om onzentwille in de eene of andere moeilijkheid zouden betrokken worden. Dan zagen wij op tot onzen hemelschen Vader, bevalen ons in zijne hoede, namen onze valiezen met boeken op, en maakten ons op naar de stad. Wij gingen de

4

-ocr page 64-

50

hoofdstraat door, die naar de Westerpoort geleidt, zonder dat wij een tijdlang lastig gevallen werden, en vermaakten ons een weinig over het ongewone schimpwoord Uh-kwai-tse (zwarte duivel), dat men voor ons gebruikte. Wij konden het toen niet begrijpen, maar vonden later uit, dat het onze kleederen waren en niet de kleur onzer huid, die aanleiding gaf tot deze aanduiding. Toen wij verscheidene soldaten voorbij kwamen, maakte ik zendeling Burdon opmerkzaam , dat deze de mannen waren, waarvan wij zooveel gehoord hadden, maar zij schenen toch van plan te zijn, ons rustig verder te laten trekken. Maar eindelijk bracht ons, lang voordat wij do poort bereikten, een groote en sterke man, die nog tien maal boosaardiger was door gedeeltelijke beschonkenheid, tot het bewustzijn dat niet alle soldaten zoo vreedzaam gezind waren, daar hij zendeling Burdou bij de schouders pakte. Deze deed moeite, om hem van zich af te stooten. Ik keerde mij om, om te zien^ wat er gebeurde, en in een oogenblik slechts waren wij omringd door een dozijn of wel twintig van deze woeste bandieten en werden in de stad gesleept in ontzettend snellen gang. Mijn valies met boeken begon mij reeds zeer zwaar te worden, en ik kon het ook niet tot mijne verlichting in de andere hand nemen. Spoedig was ik geheel bedekt met mijn zweet, en wij konden nauwelijks met hen vooruitkomen. Wij eischten voor de hoogste overheid der stad gebracht te worden. Maar men zcide ons, dat zij wisten, waarheen zij ons brengen moesten, en wat zij met zulke menschen te doen hadden, terwijl zij de beleedigenste scheldnamen er bij voegden. De man, die het eerst zendeling Burdon gegrepen had, kwam spoedig daarna tot mij en plaagde mij in het bijzonder; want ik was noch zoo groot, noch zoo sterk als mijn vriend, en kon hem daarom minder wederstand bieden. Deze man duwde mij meermalen bijna tegen den grond, greep mij bij de haren, pakte mij bij de kraag, zoodat hij mij bijna wurgde, en kneep

-ocr page 65-

51

mijne armen en schouders zoo^ dat zij bont en blauw werden; had deze mishandeling nog langer geduurd, dan had hij mij gedood. Hoe verkwikkend was mij , bijna uitgeput als ik was, de herinnering aan een vers, dat mij een vriend met de laatste post gezonden had:

Wij roemen Jerusalem\'s schoonheid,

Zijn goud, zijner parelen schijn,

Wij hooren de jublende koren;

O ziele, hoe zal \'t daar toch zijn!

Uit het lichaam te zijn! Bij den Heer te zijn! Vrij te zijn van zonden! Dat is inderdaad eenen wonderbaren zegen, hoewel die niet gelijkt, op dien waarover wij ons na de opstanding uit de dooden mogen verheugen; en dan is ook het ergste ten einde, wat de mishandeling van menschen ons kan aandoen.

Terwijl wij verder gingen, deed de zendeling Burdonmoeite, om één of twee boeken, die hij onder den arm droeg, weg te geven, daar hij niet wist, of wij nog eens gelegenheid zouden hebben, dit te doen. Maar de ontzettende woede der soldaten, die ze van hen, die ze genomen hadden, terugeischten, en de wijze, waarop zij naar handboeien vroegen (die echter gelukkig niet te krijgen waren), overtuigde ons, dat het voor het oogen-blik niet goed zou zijn, de uitdeeling van boeken te beproeven. Er bleef niets te doen dan ons rustig te onderwerpen en met onze gerechtsdienaren verder te gaan.

Een of tweemaal streed men er over, hoe men met ons handelen zou. De welwillendste van onze geleiders zeiden, dat men ons naar het raadhuis zou brengen, maar de anderen waren er voor, ons dadelijk te dooden, zonder den een of anderen overheidspersoon te raadplegen. Ons hart was in volkomen vrede, en toen men ons eens tegen elkander stootte, herinnerden wij ons, dat de Apostelen zich verheugden, dat zij waardig geacht

-ocr page 66-

52

werden, om Christus\' wille te lijden. Toen het mij eindelijk gelukte mijne hand in mijnen zak te kragen, trok ik mijne Chineesche kaart daaruit (wanneer het groote roode papier, waarop men zijn naam heeft staan, zoo genaamd mag worden), en nadat ik dat getoond had, werd ik met oplettendheid behandeld. Ik verlangde, dat men die aan den oversten bevelhebber der plaats geven zou, en dat wij in zijne gerechtskamer zouden gebracht worden. Ook zeide ik den man, die mij zoo kwelde, dat hij beter deed toe te zien, hoe hij vreemden en Engelschen behandelde, misschien zou hij eenmaal tot zijne schade bemerken . dat wij niet ongestraft mishandeld mochten worden. Daarop liet hij mij los en ging naar zendeling Burdon, tot wien hij met duivelsche boosheid en woede op zijn gezicht zeide: «Gij zijt geenen vreemden.» En wat wij ook deden, wij konden hem daarvan niet overtuigen (hoewel wij beiden Engelsche Weeding droegen).

O hoe lang, hoe vermoeiend waren die straten, waar wij door gesleept werden; ik dacht, dat er geen einde aan kwam; en zelden ben ik dankbaarder geweest, dan toen wij bij eene plaats stilhielden, waar een Mandarijn (een overheidspersoon) woonde. Geheel uitgeput, badend in mijn zweet, leunde ik tegen den muur; ook zendeling Burdon was blijkbaar in denzelfden toestand. Ik verzocht, dat men ons stoelen bracht; maar men zeide ons, dat wij zouden wachten, en toen ik vroeg , ons thee te brengen, kreeg ik hetzelfde antwoord. Eondom de deur was eene groote menigte menschen verzameld, en zendeling Burdon predikte hen, terwijl hij zijne laatste krachten verzamelde, Jezus Christus. Onze kaarten en de boeken waren bij den Mandarijn binnengebracht ; het bleek echter, dat hij eenen ambtenaar van ondergeschikten rang was; nadat hij ons eenigen tijd had laten wachten, verwees hij ons naar zijne meerderen.

Men zeide ons nu, dat wij verder zouden gaan; wij weigerden

-ocr page 67-

53

echter zeer beslist, nog eene voet te verzetten, en stonden er op, dat men ons draagstoelen zou brengen. Na eenige tegenwerpingen geschiedde het; wij zetten er ons in en werden weggedragen. Onderweg waren wij zoo verheugd over de rust, die de draagstoelen ons boden en zoo dankbaar, dat wij niettegenstaande de boosheid van den Satan, Jezus hadden mogen prediken, dat de vreugde ons op het gelaat geteekend stond; en terwijl wij daarheen trokken, hoorden wij velen zeggen, dat wij er niet als slechte menschen uitzagen, terwijl anderen medelijden met ons schenen te hebben. Toen wij bij het raadhuis aankwamen, kon ik niet begrijpen, waarheen wij nu gebracht werden, want wij gingen door eenige groote poorten, die er uitzagen als die eener stadsmuur; maar toen wij er door waren, waren wij oogenschijnlijk niet buiten de stad. Een tweede paar deuren bracht ons op de gedachte, dat het eene gevangenis was, waarin men ons bracht; maar toen wij een groot schild in het gezicht kregen met het opschrift: «Ming-tschi-fu-mu,» d. i. «de Vader en de Moeder des volks,» bleek het ons, dat wij op de rechte plaats waren, want met deze woorden wordt de stedelijke overheid aangeduid. Onze kaarten werden weder teruggebracht, en na eene kleine pauze werden wij in de tegenwoordigheid van den Tschen-Ta-Lao-je, van «den grooten eerwaardigen Vader Tschen,» gebracht, die, zooals het bleek, vroeger ambtenaar in Schanghai was geweest, en dientengevolge wist, van welk belang het is, dat men vreemden beleefd behandeld.

Toen wij voor hem kwamen, vielen eenigen van het volk op de knieën en bogen zich tot op den grond, en mijn geleider wenkte mij, dat ik hetzelfde zou doen; maar ik behoef het wel niet te zeggen, dat ik het niet deed. Deze Mandarijn, die de hoogste overheidspersoon in Tung-tschau scheen te zijn en eenen donkerblauwen knoop aan zijne muts droeg, kwam buiten om ons te begroeten, en behandelde ons met alle mogelijke teekenen

-ocr page 68-

54

van achting. Hij bracht ons in eene binnenkamer, een meer bijzonder vertrek, terwijl hem intusschen een groot aantal klerken, boden en andere bedienden volgden. Ik vertelde hem het doel van ons bezoek en vroeg hem vergunning, hem een exemplaar van ieder onzer boeken en traktaten te mogen geven, waarvoor hij zijnen dank uitsprak. Toen ik hem exemplaren van het X. Test., een deel van het Oude (van I Mozes tot Euth) en eenige traktaten overhandigde, gaf ik hem te gelijkertijd eene korte in-houdsverklaring daarvan; ook gaf ik hem een kort overzicht onzer leer, terwijl ik hem zeide, dat wij allen zondaars waren, dat echter Jezus Christus, de zoon des eeuwig levenden en waren Gods, op deze aarde nedergedaald was, en onze schuld aan het kruis betaald had; dat Hij uit de dooden opgestaan en ten hemel opgevaren, nu voor ons pleitte; dat het geloof aan Jezus het eenige middel was, om het eeuwige leven te verwerven^ en dat welk werk der gerechtigheid wij ook deden, dit niet vermocht, onze zielen te redden; enz. Hij luisterde zeer opmerkzaam, zooals ook natuurlijk al de anderen deden, die tegenwoordig waren; toen beval hij eenige ververschingen binnen te brengen, waarvan hij met ons genoot. Deze waren ons zeer welkom.

Na een lang oponthoud vroegen wij hem vergunning, iets van deze stad te zien en de boeken, die wij bij ons hadden, voor onze terugkeer te verdeelen. Dit stond hij toe. Wij vertelden toen, dat wij hoogst ongepast behandeld waren geworden, toen wij in de stad kwamen, dat wij dat echter niet kwalijk nemen zouden, daar wij zeker waren, dat de soldaten het niet beter geweten hadden; maar wij wenschten, dat het niet weder zou gebeuren. Dus vroegen wij hem, bevelen te geven, dat wij niet lastig werden gevallen. Dit beloofde hij ook te doen, en met alle mogelijke teekenen van achting begeleidde hij ons tot aan de poort van zijn gerechtsgebouw en gaf vele boden de opdracht om toe te zien, dat wij met achting behandeld werden. Wij ver-

-ocr page 69-

55

deelden onze boeken goed en spoedig, en verlieten de stad in alle kalmte.

AVij waren eenigszins ongerust of wij onze kruiwagen-raannen wel weder zouden vinden, maar wij vonden hen werkelijk; nadat wij onze pakkendragers betaald hadden, gingen wij in ons kleine rijtuig en keerden terug, halverwege begeleid door ecnen raadhuisbediende. Veilig bereikten wij tusschen 6 en 7 uur des avonds weder onze booten, onzen hemelschen Vader hartelijk dankbaar voor zijne vriendelijke hulp.

3

Nadat Shanghai door de keizerlijke troepen weder veroverd was, kon ik een huis binnen de muren van de Chineesche stad huren, en maakte dat tot mijn hoofdkwartier, terwijl ik nog een groot deel van mijnen tijd met te reizen besteedde. Op raad van den Zendeling Dr. Medhurst nam ik de kleederdracht der inboorlingen aan, in de hoop, dat mij dit de vestiging verder in het inwendige van het land gemakkelijker zou maken. De Chineezen hadden namelijk ook eene buitenlandsche onderneming, eene zijdefabriek, toegestaan iets verder landwaarts te bouwen, onder voorbehoud, dat de bouwstijl echt Chineesch werd, en dat van buiten niet te zien was , dat die vreemden toebehoorde. Eenigen tijd later gelukte het mij, een tweede huis op het eiland Ts\'ung-ming te huren, en ik betrok dat voor één of twee maanden; toen beklaagde zich echter de overheid bij den Engelschen consul, die mij noodzaakte om er uit te trekken, hoewel de Fransche consul zelf den Eoomschen zendelingen een eigendom verschaft had, dat slechts drie of vier (Engelsche) mijlen van het huis verwijderd was, dat ik verlaten moest.

Ik was daardoor erg ontmoedigd, zoodat ik weinig van den

-ocr page 70-

56

zegen droomde, die God daarin voor mij bewaard had. Ik kwam daardoor in aanraking met den zendeling Wilh. C. Bums van de Engelsche Presbyteriaansche Zending, die evenals ik zonder goeden uitslag getracht had de oproerlingen in Nanking te bereiken. Wij reisden te zamen, terwijl wij in grootere en kleinere steden in Zuid-Kiang-su en Noord-Tscheh-kiang (provinciën van China) het Evangelie verkondigden. Spoedig zag de zendeling Bums, dat ik, hoewel de jongste en in ieder opzicht de oner-varenste, toch de rustigste toehoorders had, terwijl deonbeschaaf-ste knapen en de nieuwsgierigen, maar voor godsdienst onverschilligen , hem volgden; dat ik in de huizen der menschen werd uitgenoodigd, terwijl men hem daarentegen verklaarde, dat men, ter wille van de menschen die hem volgen, hem niet kon uitnoo-digen. Na eenige weken van onderzoek nam ook hij de kleederdracht der inboorlingen aan en verheugde zich over de groote gemakkelijkheid van omgang, die hij daardoor verkreeg.

Deze gelukkige maanden waren mij tot onuitsprekelijke vreugde en een onbeschrijfelijk voordeel. Zijne liefde voor Gods Woord was iets heerlijks, en zijn heilig, eerbiedwekkend leven en zijne gestadige gemeenschap met God deden het verkeer met hem tot bevrediging van het diepste verlangen van mijn hart dienen. Zijn berichten van zijn evangelisatiewerk en de vervolgingen in Canada, Dublin en Zuid China waren hoogst leerrijk en hoogst belangwekkend; want met waar geestelijk verstand wist hij dikwijls Gods oogmerken bij eene geloofsbeproeving op zulk eene wijze te teekenen, dat daardoor het leven eenen geheel nieuwen aanblik en waarde verkreeg. Zijne verhandelingen over het Evangelisatiewerk als het grootste werk der kerk en over den toestand der Leeken-Predikers als eenen verloren geganen stand, die, naar de eischen van de Schrift, weder hersteld behoort te worden, waren zaadkorrelen, die in de«Zending in de Binnenlanden van China» rijke vruchten hebben gedragen.

-ocr page 71-

57

Voor het uiterlijk was ons pad echter niet altp even effen. Dikwijls vertoefden wij langeren tijd in eene groote of kleine stad, en dan werd de tijd goed besteed. Wij hadden de gewoonte, om na een gebed om zegen, onze booten ten negen ure \'s morgens te verlaten. Met eene lichte bamboestoel in de hand kozen wij eene standplaats uit, en dan klom gewoonlijk de een op de stoel en sprak 20 minuten, terwijl de andere om zegen bad; daarop ruilden wij, zoodat de stem van den eersten spreker eenige rust kreeg. Nadat wij één of twee uren op deze wijze hadden doorgebracht, begaven wij ons naar eene andere, ons geschikt toeschijnende plaats op eenigen afstand van de eerste en spraken daar weder. Gewoonlijk keerden wij te half één naar onze booten terug om het middagmaal te houden, tot broederlijken gemeenschappelijken omgang en tot het gebed. Dan namen wij ons werk daar buiten weder op, totdat het donker werd. Na de thee en een langere rust gingen wij met onze inlandsche helpers naar een theewinkel, waar wij verscheidene uren, vrij sprekende met de menschen, doorbrachten. Niet zelden hadden wij vóór het verlaten eener stad allen grond om te gelooven, dat menige waarheid in het hart opgenomen was, en wij lieten menig deel der H. S. en goede boeken in de handen der menschen achter.

Bij deze reis ontkwamen eens de beide zendelingen — het was in Januari 1856 — slechts als door een wonder aan een groot levensgevaar. In Wu-tschen, de zoogenaamde « zwarte stad», hadden zij vele dagen op eene recht gezegende wijze kunnen arbeiden; toen echter dreigde eene bende van meer dan 50 zout-smokkelaars op hunne boot aan te vallen, wanneer zij niet een groote som geld betaalden, die zij in hunne omstandigheden volstrekt niet konden betalen. De zendelingen waren juist afwezig, toen de afgezanten van de rooversbende de boot naderden; en door eene bijzonder Goddelijke schikking waren de zendelingen niet daarheen gegaan, waarheen zij bij het verlaten der boot

-ocr page 72-

58

hadden willen gaan, zoodat hunne matrozen hen niet dadelijk konden vinden. Eerst toen het donker geworden was, en inderdaad op dezen avond bovenmate donker, kwamen de zendelingen met hunne inlandsche helpers in de nabijheid der rivier aan. Hier ontmoette hen, weder door een bijzondere schikking, hun bootsman, aan wien het intusschen gelukt was, onder de bescherming der duisternis, zijne boot naar eene andere plaats te brengen; door hem geleid bereikten zij behouden hunne booten en daarmede, door de donkerheid gedekt voor dezen nacht gelukkig eene plaats, buiten het bereik der rooversbende. Den volgenden dag, eenen Zondag, waarop de zendelingen hunnen roeiers gaarne rust wilden gunnen, was het weder buitengewoon betrokken en regenachtig, zoodat de roovers, niettegenstaande veel zoeken, de boot der zendelingen niet ontdekken konden, hoewel deze bij hunne nachtelijke vaart volstrekt niet ver van de plaats gekomen was. «Onder de schaduw des Almachtigen» waren zij wel bewaard, en bereikten behouden Shanghai weder.

Bij onze verbanning uit de «zwarte stad,» zoo gaat Hudson Taylor bij eene terugblik op die lotgevallen in zijn leven voort, «ontvingen wij opnieuw een bewijs, dat God geene vervolging toelaat zonder voldoende oorzaak. Hij leidde ons op eenen weg dien wij niet kenden, maar het was desniettemin Zijne leiding.

O Heer, hoe zalig ware \'t reeds nu,

Kust\' onze zorg geheel op TT,

quot;Ware \'t eigen doen ten end!

Berustte ons hart, daar Uwe hand,

Geleid door liefde en verstand.

Ten beste alles wendt!

Toen wij Shanghai bereikten, denkende binnen eenige dagen met frisschen voorraad van boeken en geld in het land terug te keeren, troffen wij een Christelijken kapitein aan, die voor

-ocr page 73-

59

handelszaken in Swatau (een stad aan de zuidkust Yan China) geweest was. Deze bond ons met groote nadruk de geestelijke behoeften van die streek op het hart, alsook het feit, dat daar op het «Dubbele Eiland» Engelsche kooplieden waren, die opium verkochten en met Koeliehandel (die feitelijk zoo goed als slavenhandel is) zich bezig hielden, terwijl geen Engelsch zendeling aldaar het Evangelie verkondigde. De Geest Gods gaf mij den bepaalden indruk, dat dit Zijne roepstem was; maar vele dagen was het mij of ik niet kon gehoorzamen. Ik had nimmer zulk een geestelijken Vader gehad als zendeling Burns; ik had nooit zulk een heilig-zalige gemeenschap genoten, en ik zeide tot mij zelf, dat het Godes wil niet kon zijn, dat wij gescheiden zouden worden.

Terwijl ik zelf nog in grooten onrust der ziel was, werden bij beiden bij den Heer en Mevrouw Eankin, Amerikaansche-presbyteriaansche zendingsmenschen in de Zuidstraat van Shanghai, op de thee gevraagd. Xa de thee speelde mevrouw Eankin ons het «Zendingslied» 1) voor. Ik had het nog nooit te voren gehoord; mijn hart was bijna gebroken, voordat ik het tot het einde had gehoord en ik zeide den Heer met de gezongen woorden: «En ik wil gaan. Ik mag niet langer aarzelen en

moet iederen band prijsgeven, die mijn hart bindt____» Het

maakt dan ook verder niets uit, of storm of zonneschijn mijn aardsche lot is, bitter of zoet mijn beker; ik bid slechts; God, maak mij heilig en sterk mijnen geest voor de ernstige ure des strijds.»

Ik vroeg zendeling Burns, met mij naar mijn kleine huis in de oude stad te gaan, dat nog altijd mijn hoofdkwartier was. Daar vertelde ik hem onder veel tranen, hoe de Heer mij geleid

1) Een eigenaardig Engelsch lied, dat den innerlijken strijd in diegenen beschrijft, die voor het zendingswerk geroepen zijn, en dien het zoo zwaar wordt alles te verlaten.

-ocr page 74-

60

had en hoe wederspannig en hoe weinig bereid ik geweest was, ter wille van Hem dit nieuwe arbeidsgebied te verlaten. Hij luisterde met een zeldzamen blik van verrassing, meer van vreugde dan van smart, en zeide, dat hij juist op dien avond het besluit had genomen, mij te zeggen, dat hij de roepstem des Heeren naar Swatau had gehoord, en dat de eenige grond om die te betreuren voor hem het afbreken van ons gezegend samenzijn was geweest. Wij gingen dus te zamen, en dat was het begin van het zendingswerk in dat deel van China, dat God later zoo overvloedig heeft gezegend.

4

Bij aankomst in Swatau bleek het zeer moeielijk om ook slechts eene kamer in de stad te bekomen; het scheen werkelijk alsof ons dit niet zou gelukken, en wij waren hulpeloos in het gebed op den Heer geworpen. Maar God trad spoedig voor ons tusschen beide. Toen wij eens met een koopman uit Kanton, een familielid van den Oppermandarijn der stad (zooveel als burgemeester van Swatau) samen kwamen, sprak zendeling Burns hem in Kantonsch dialect aan. De koopman was zoo verheugd, dat hem een vreemdeling in zijnen eigenen tongval aansprak, dat hij onze vriend werd en ons eene woning bezorgde. Wij hadden niettemin slechts ééne kamer, en nooit zal ik die heete drukkende zomermaanden vergeten in deze ovenachtige plaats, waar men in de onmiddellijke nabijheid der dakgoten, de heete dakpannen met de hand grijpen kon. Meer ruimte of eene betere plaats konden wij echter op geenerlei wijze verkrijgen.

Wij legden tot afwisseling bezoeken af in de omliggende gemeenten, maar de moeilijkheden en de bestendige gevaren van onzen arbeid hier vormden eene merkwaardige tegenstelling met de betrek-

-ocr page 75-

61

kelijke gemakkelijkheid, waarmede wij over \'t algemeen in het Noorden gearbeid hebben. De haat en de verachting van de zijde der bewoners van de provincie Kanton waren zeer sterk: «Vreemde duivel», « vreemde hond», lt;■ vreemd zwijn », waren de gewone benamingen; maar deze behandeling bracht ons tot eene diepere gemeenschap met Hem, die de Verachtste en Onwaardigste was, dan ik ooit gekend had.

Bij onze bezoeken op het land moesten wij ten alle tijde er op verdacht zijn, gegrepen en, ten einde losgeld te verkrijgen, door de bewoners gehouden te worden, terwijl die lieden dan gewoonlijk verklaarden, «dat het gansche gebied zonder keizer, zonder regeering en zonder wet was»; geweld was in die dagen recht. Bij een bezoek in eene stad ontdekten wij, dat de bewoners eenen rijken man uit eenen anderen stam gegrepen hadden, en toen hij weigerde om voor zijne vrijlating een groot losgeld te geven, hadden zij hem de enkels met eene knots gebroken en hem zoo de belofte, die zij wenschen, afgeperst. Niets dan de hoede van God was in staat te voorkomen, dat het ons niet juist zoo ging. De steden waren alle van wallen omgeven. Zulk eene stad huisvestte wel 10 a 20,000 lieden van denzelfden stam en bijnaam, die vaak met den stam, die in de naastbij zijnde stad woonde, in oorlog leefden. In eene stad vriendelijk opgenomen te worden was soms al genoeg, om den bezoeker in de naaste omgeving in gevaar te brengen. In zulke omstandigheden werd de bewarende voorzienigheid Gods dikwijls zeer duidelijk zichtbaar.

Na eenigen tijd werd de Mandarijn ziek. De artsen van de plaats zelve konden hem echter niet helpen; daar hoorde hij van eenigen, die onder mijne geneeskundige behandeling geweest waren, dat zij daarbij beterschap gevonden hadden; daarom zocht hij nu insgelijks hulp bij mij. God zegende de medicijnen, die hij innam, en dankbaar voor de ondervondene hulp, gaf hij verlof om ons een huis voor hospitaal en armen-apotheek te verhuren. Met dit

-ocr page 76-

62

verlof in handen waren wij in staat het geheele huis to huren, waarvan wij te voren slechts eene kamer konden bekomen. Ik had den voorraad medicijnen en mijne heelkundige instrumenten in bewaring gelaten bij mijnen vriend, den overleden Heer Wylie in Shanghai (waar Hudson Taylor te voren gewoond had) en begaf mij nu naar deze haven terug, om ze te halen.

Zendeling Burns kwam van eene stad, genaamd Ampo, die wij verscheidene malen bezocht hadden, naar Swatau over, om mij vóór het afscheid nog te zien, en keerde, nadat ik afgezeild was, vergezeld van twee inlandsche Evangelisten, die van Hongkong gekomen waren, daaarheen terug. De lieden wilden gaarne naar hunne prediking luisteren en Imnne boeken als geschenk aannemen, maar zij wilden ze niet koopen. Eens op eenen nacht braken roovers in en ontnamen hun alles wat zij hadden, uitgenomen de boeken, daar zij wel dachten dat die zonder waarde waren. Den volgenden morgen werden onze vrienden heel in de vroegte opgeklopt door lieden, die boeken wenschten te koopen; en de verkoop duurde voort, zoodat zij, toen het tijd voor het ontbijt was, niet slechts genoeg hadden om zich voedsel te verschaffen, maar\' bovendien ook het reisgeld naar het Dubbele-eiland (onder Swatau) te betalen voor een der mannen, die met eenen brief naar den agent van zendeling Burns moest, opdat deze hem weer van geld zou voorzien. De verkoop duurde dezen en den volgenden dag voort, en het ontbrak onze vrienden aan niets, maar op den derden dag konden zij niet één exemplaar verkoopen. Op dezen dag kwam, juist toen de kas leeg was, de bode terug.

Toen ik Shanghai bereikte, vond ik tot mijnen grooten schrik de woning, waarin mijn geneesmiddelen en instrumenten bewaard waren, afgebrand, en alle medicijnen en vele instrumenten bedorven. Mij scheen dit een groot ongeluk toe, en ik vrees, dat ik meer geneigd was om met Jacob in ongeloof uit te roepen: «alle deze dingen

-ocr page 77-

63

zijn tegen mij» dan wel te erkennen, dat « alle dingen ten goede medewerken.» Ik had niet geleerd, om God als het eene groote Wezen aan te zien, waarin wij leven, ons bewegen en zijn; en allo geringe tegenspoeden als noodzakelijkerwijze de vriendelijkste, wijste en beste, omdat zij alle door Hem verordend of toegelaten zijn. Vandaar mijne groote teleurstelling en aanvechting.

Medicijnen waren Shanhai zeer duur en mijne middelen waren zeer beperkt. Ik maakte daarom eene reis dieper landwaarts in naar Ningpo, om van Dr. Parker, een medelid van dezeltde zending waartoe ik behoorde, hulp te bekomen. Ik nam het weinige wat ik nog bezat met mij — het voornaamste was mijn horloge, een heelkundig werktuig, een klok met speelwerk, en boeken tot bestudeering van het Chineesch, welke in die dagen zeer duur waren (één woordenboek kostte 240 tot 320 Mark of ongeveer 144 tot 192 gulden). Toch liet ik een gedeelte van mijn geld in Shanghai. Het land, waar ik doorreisde, leed veel van droogte; ik maakte de reis tot eene zendingsreis, doordat ik predikte en Nieuwe Testamenten, Christelijke boeken en traktaten verdeelde, tot mijn voorraad op was. Het water in het groote kanaal was opgedroogd of op de rijstvelden gepompt, ik moest dus mijne boot verlaten en overland reizen. Eeeds op den eersten dag werd ik beroofd van mijne kleine bezitting. De dief was een man, voor wiens redding ik gebeden en gearbeid had; het was voor mij eene moeilijke vraag of ik hem moest vervolgen of het hem moest vergeven. Ik kwam tot het besluit, dat zijne vervolging niet daartoe zou gediend hebben om het onderwijs aangaande de bergprediking nadruk te geven, en dat deze ziel meer waard was dan 480 gulden, welke de verloren zaken waard konden zijn. Dit schreef en zeide ik hem, terwijl ik bij hem op bekeering en geloof inden Heere Jezus aandrong. De ingeslagen weg vond de deelnemende instemming van eenige menden in het Vaderland, en een hunner

-ocr page 78-

G4

werd er toe geleid om mij eenen wissel van 800 mark (480 gulden) te zenden, die slechts de eerste was van velen, die ik in verloop van tijd van denzelfden vriendelijken helper ontving.

Na allerlei nooden en uitreddingen kwam ik te Shanghai terug. Nadat ik het kleine bedrag bekomen had, hetwelk ik door eene vriendelijke leiding der Voorzienigheid in Shanghai had achtergelaten, reisde ik opnieuw verder naar Ningpo, waar ik den gewenschten voorraad geneesmiddelen vond en kennis maakte met zendeling Jones, die later mijnen collega geworden is. Daarop keerde ik naar Shanghai terug, om van daar weder naar Swatau te reizen. Maar het oponthoud, hetwelk de roovers veroorzaakt hadden, moest nu daartoe medehelpen dat ik geene vergeefsche reis maakte. Eer ik nog de haven verliet, kwamen er berichten tot mij van de oorlog in Kanton en van de bombardementen, die op de woelingen volgden, tegelijk met brieven van zendeling Bums, die mij den raad gaf om niet terug te keeren eer de vrede hersteld was. Nu deze deur een tijdlang gesloten was, ging ik naar Ningpo terug, om daar te arbeiden.

Van deze reis naar Ningpo heeft Hudson Taylor op eene andere plaats eene treurige gebeurtenis verhaald, die voor de chineesche denk- en handelwijze bijzonder karakteristiek is. Hij schrijft daarvan: «De weg van Shanghai naar Ningpo leidt voorbij de groote stad Sungkiang Fu. Des namiddags van den tweeden dag kwamen hare muren in het gezicht, en ik sprak er van, uit de kanaalboot te gaan en het Evangelie te verkondigen. In dezelfde boot was een Chinees als passagier, die in Engeland geweest was; die man had, toen hij daar was, den naam van Peter aangenomen. Hij had het Evangelie gehoord, maar hij had de zaligmakende kracht daarvan aan zijn hart nog niet ervaren. Ik had den vorigen avond met hem over zijn zieleheil gesproken, en hij was tot tranen toe bewogen geworden. Het verheugde mij daarom, toen hij mij vergunning vroeg, om mij op mijnen

-ocr page 79-

65

prediktocht in de stad te mogen vergezellen. Onze boot naderde de muren der stad, en ik ging in de hut, om mij voor te bereiden voor mijn tocht, daar ik in weinige minuten met mijnen Chineeschen vriend Sungkiang Fu hoopte te bereiken. Plotseling werd ik door eenen val in het water en eenen gil verschrikt. Ik sprong uit de hut en zag om mij heen; ieder was op zijn post, behalve de anne Peter. De vloed was onstuimig snel aan het afloopen, maar een sterke wind dreef ons nog sneller voort. De lage kust zonder struiken bood geen vast punt aan, waardoor wij steeds de plaats hadden kunnen in het oog houden, waar hij in het water gevallen was. Ik liet dadelijk het zeil neer en sprong over boord, terwijl ik trachtte hem te vinden. Daar dit te vergeefs was, zoo keek ik in worstelende spanning rond en zag in mijne nabijheid eene visschersboot met een bijzonder soort van treknet, dat van touwen voorzien was, en, zooals ik wist, hem naar boven kon brengen. «Kom,» riep ik hen toe, terwijl mijn hart begon te hopen, «kom en trek dadelijk over deze plaats heen, want hier verdrinkt een mensch.» — «Het schikt ons nu niet,»luidde het koude, gevoellooze antwoord. « Spreek toch niet van schikken,» schreeuwde ik in mijne opgewondenheid,«iemand verdrinkt. » — «Wij zijn aan het vissclien en kunnen niet komen,» was het antwoord. « Laat toch dat visschen,» riep ik uit, «ik wil u meer geld geven, dan u vele dagen visschens kunnen opleveren, wanneer gij dadelijk komt» «Hoeveel zult gij ons geven?» — «Sta daar nu toch niet te babbelen; kom, of het zal te laat zijn. Ik zal vijf dollar geven» (toen ongeveer f 20.40). — «Voor die som komen wij niet; voor 20 dollars zullen wij het wel doen.» — «Zooveel geld heb ik niet bij mij; kom spoedig, en ik wil u al het geld geven, dat ik bij mij heb.» — «Hoeveel is dat?» «Ik weet het niet precies, ongeveer 14 dollars.» Eindelijk kwamen zij, en in minder dan ééne minuut brachten zij het lichaam van Peter boven. Ten slotte waren zij echter nog hoogst onwillig en

5

-ocr page 80-

66

maakten geweld. toen de betaling van hunnen ongeboorden eisch zoo lang werd uitgesteld, tot althans pogingen aangewend werden het leven op te wekken. Helaas was bij Peter alles te ver-geefsch; het leven was geweken.

5.

Tegen het einde van het jaar 1856 was mijn gemoed menigmaal zeer onrustig ten gevolge van mijne verhouding tot mijn genootschap, aangezien het schulden had. Ik voor mij had altijd schulden vermeden en mij binnen de perken van mijne inkomsten gehouden, hoewel dit van tijd tot tijd slechts mogelijk ■was, door eene zeer bekrompen leefwijze. Thans had ik in dit opzicht geene moeilijkheden meer. want mijn inkomen was grooter. en daar het land in rustigen toestand was, waren de prijzen niet meer zoo hoog. Maar het genootschap zelve had schulden. De driemaandelijksche wissel, dien ik en anderen naar de ons gegeven aanwijzingen trekken mochten, moest dikwijls met geleend geld gedekt worden, en zoo kwam het tot eene briefwisseling, die daarmede eindigde, dat ik uit gewetensbezwaar het geld weigerde.

Het woord Gods was onwedersprekelijk klaar; «Zijt niemand iets schuldig.» Geld te borgen sloot volgens mijne opvatting, eene tegenspraak tegen de Schrift in zich, een teeken dat God ons iets onthield, en het besluit dat wij iets voor ons namen, hetwelk Hij niet gegeven had.

Kon nu datgene, hetwelk te doen voor eenen christen niet goed was, de rechte weg zijn voor eene vereeniging van christenen? Of konden op eenigerlei wijze meerdere vroegere gevallen van dezelfde soort eenen verkeerden weg tot eenen rechten maken. Wanneer het Woord Gods mij ooit iets leerde, zoo leerde het mij, niets met schulden te doen te hebben. Ik kon niet voort-

-ocr page 81-

G7

gaan met, als voorheen, wissels te trekken. Ik wist niet wat het mij kosten zou, noch hoe ik mij zelf onderhouden zou, maar hoe blij en dankbaar gevoelde ik mij, toen de scheiding tot stand gekomen was. Ik kon mijnen Vader met een gerust hart in het aangezicht zien, door zijne genade gereed, om te doen, wat Hij mij daarna leeren zou, terwijl ik van Zijne liefdevolle voorzorg volkomen zeker was. En hoe gezegend Hij mij verder leidde en voor mij zorgde kan ik nooit, nooit uitspreken. Het was als \'t ware, eene voortzetting van eenige mijnere vroegere ervaringen in het vaderland. Het ging niet zonder beproevingen des geloofs; mijn geloof bleek menigmaal te zwak, en het deed mij dan zeer leed en ik schaamde mij diep, als ik zulk een Vader niet ten volle vertrouwd had. Maar ach, ik was op den weg om hem te leeren kennen. Ik had die geloofsbeproevingen zelfs niet eens willen missen. Hij werd mij zoo nabij, zoo werkelijk, zoo vertrouwd. Die voorkomende ongelegenheden wegens de stoffelijke middelen kwamen nooit daardoor, dat voor onze persoonlijke behoeften niet genoeg was ingekomen, maar doordat wij de nooden van hongerigen en stervenden in onze omgeving niet lijdelijk konden aanschouwen zonder te helpen. En beproevingen van anderen aard, die veel dieper gingen, lieten deze zwarigheden geheel op den achtergrond treden, en naarmate zij dieper gingen, droegen zij ook rijkelijker vrucht. Hoe verheugt men zich nu, niet slechts, met de lieve Miss Havergal, te weten, dat:

«Die Hem vol en gansch vertrouwen,

Vinden vol en gansch Hem trouw»,

maar ook dat, wanneer ons geloof niet toereikend is, om Hem volkomen te vertrouwen, wij Hem toch vol en gansch getrouw vinden. Hij is volmaakt getrouw of wij Hem vertrouwen of niet. «Gelooven wij niet, zoo blijft Hij toch getrouw; Hij kan zich

-ocr page 82-

68

zelf niet verloochenen.» Maar o, hoe onteeren wij den Heer, wanneer wij hem niet zoo recht vertrouwen. En welk eenen zegen en triomf verliezen wij, wanneer wij zoo tegen den Getrouwe zondigen. Dat wij het toch nooit meer wagen, om hem te wantrouwen!

Ik was zeer dankbaar dat deze scheiding tot stand gekomen was, zonder eenigerlei stoornis in de hartelijke verhouding wederzijds. Ik (en mijn vriend, zendeling Jones, die denzelfden stap met mij gedaan had) arbeidden, hoewel wij voor ons stoffelijk onderhoud direct op God zagen, toch in verband met het genootschap verder, terwijl het mijne dagboeken als voorheen ontving en bekend maakte. De ervaringen uit dit tijdperk, waarop wij op deze plaats niet verder ingaan, en in het bijzonder de wijze waarop de noodige middelen ter voortzetting van het ziekenhuis te Ningpo inkwamen, toen ik dat zonder voorafgaande mededeeling overnemen moest, waren ten hoogste bemoedigende en leerrijke voorbereidingen voor den arbeid, die God voor mij in China had bestemd. Eer ik uit China naar Engeland terugkeerde had ik de vreugde eene kleine schare van 30 tot 40 inboorlingen in de christelijke gemeenschap opgenomen te zien.

Met de mededeeling van de bekeering van den eersten daarvan, wil ik dit gedeelte besluiten.

In het jaar 1857 had ik bij zekere gelegenheid te Ningpo de blijde boodschap van de redding door het volbrachte werk van Christus gepredikt, toen een man van middelbaren leeftijd opstond en voor zijne daar verzamelde landslieden de volgende getuigenis van de macht van het Evangelie aflegde: «Ik heb lang naar de waarheid gezocht, zooals ook mijn vader vóór mij deed, maar ik heb ze niet gevonden; ik heb geene rust gevonden in de leer van Confucius, noch in \'t Boeddhismus of Taoismus (verscheidene heidensche godsdiensten in China). Maar ik vind rust in datgene wat ik heden avond hoorde. Voortaan geloof ik in Jezus.» Deze man was voorganger eener heidensch-hervormde secte der Boed-

-ocr page 83-

69

dhisten in Ningpo. Korten tijd na deze belijdenis des geloofs in den Heiland had er eene bijeenkomst plaats van de secte, wier voorganger hij vroeger geweest was. Ik ging met hem in deze bijeenkomst, en daar getuigde hij voor zijne geloofsgenooten van den vrede, dien hij door het geloof had verkregen. Spoedig daarna werd een zijner vroegere gezellen bekeerd en gedoopt. Beiden zijn reeds in Jezus ontslapen. De eerste van deze beiden ging langen tijd voort met de verkondiging van de blijde boodschap onder zijne landslieden. Eenige avonden na zijne bekeering vraagde hij , hoe lang deze blijde tijding in Engeland bekend was geweest. Men zeide hem. dat wij het Evangelie verscheidene eeuwen gehad hadden. De man zag ons verwonderd aan. «Wat,» zeide hij, «is het mogelijk, dat gij eeuwen de kennis dezer blijde boodschap bezeten hebt en toch eerst nu gekomen zijt om ze ons te prediken? Mijn vader zocht de waarheid meer dan twintig jaren lang en stierf zonder ze te vinden. Waarom zijt gij niet vroeger gekomen?»

6.

In het najaar van 1857 eindigde de strijd tusschen de Britsche en Chineesche regeering om de bekende Lorcha (d. i. bark) «Pijl» met het bombardement van Kanton 1). Deze daad deed den lang gevoeden haat der Kantoneezen (d. i. de in alle groote steden talrijk vertegenwoordigde bewoners der stad en provincie

1) De Mandarijnen van Kanton hadden een Chineesch vaartuig, dat onder Engelsche vlag voer (hetgeen door de Engelsche regeering in Hongkong toegestaan was) weggenomen, daar onder de matrozen eenige opstandelingen zouden zijn. Bij de verdere onderhandelingen was de Engelsche consul, en in hem de Engelsche regeering, beleedigd geworden; dat leidde tot eenen oorlog tusschen China en Engeland, waarbij het, zooals boven gezegd is, tot een bombardement van Kanton kwam.

-ocr page 84-

70

Kanton) fel ontvlammen tegen de vreemdelingen in China. In Xingpo smeedden zij een complot tot vernietiging van alle vreemdelingen; en daar zij wisten dat velen van hen den Zondagavond in het huis van de Zendelingen samenkwamen, waarbij zij steeds ongewapend waren, zoo besloten zij, dat huis bij gelegenheid te omsingelen en allen, die daar verzameld waren, te dooden, — terwijl zij daarna nog allen, die soms niet tegenwoordig mochten geweest zijn, wilden aanvallen. Zij erlangden de toestemming van den Tao-tai, burgemeester, in dit complot; en dit zou ook wel ten uitvoer zijn gebracht, evenals het met een dergelijk tegen de Portugeezen eenige maanden later geschiedde, maar een inboorling, die in het plan was ingewijd, had eenen vriend in dienst bij eenen der Zendelingen; deze waarschuwde zijnen vriend voor het komende gevaar en drong er op aan, dat hij den dienst bij don vreemde zou verlaten. De bediende deelde de zaak aan zijnen heer mede, en zoo werden de zendelingen met het gevaar bekend gemaakt. Zij besloten in het huis van een hunner te zamen te komen, de hoede des Allerhoogsten te zoeken en zich onder de bescherming zijner vleugelen te bergen. En zij kwamen daartoe niet te vergeefs te zamen.

Juist in den tijd, dat zij in het gebed vereenigd waren, was de Heer aan het werken. Hij neigde het hart van eenen minderen Mandarijn — de tolopziener — zoo, dat hij zich bij den Tao-tai aanmeldde en hem waarschuwde voor de dwaasheid om zulk eenen aanslag toe te laten; dat zou, zoo verzekerde hij hem, de vreemden van elders met gewapende macht doen komen, om den dood van hunne landgenooten te wreken en de stad met den grond gelijk te maken. De Tao-tai antwoordde, dat hij, wanneer de vreemden met dit voornemen kwamen, alle kennis aan dit complot en alle deelname daaraan zou ontkennen en zoo hunne woede tegen de Kantoneezen zou wenden, die dan door

-ocr page 85-

71

hen zouden uitgeroeid worden; «en zoo» zeide hij, «komen quot;\\vij met eenen slag van de Kantonneezen en de buitenlanders af.» De tolopziener verzekerde hem, dat al zulke pogingen om te ontwijken nutteloos zouden zijn; en ten laatste zond de Tao-tai naar de Kantonneezen, trok de toestemming in en verbood den aanslag. Dit geschiedde juist op denzelfden tijd, toen wij om de bescherming des Heeren baden; toch vernamen wij deze feiten eerst, nadat eenige weken verloopen waren. Zoo ondervonden wij, dat

«Zijn arm alléén was sterk genoeg

En onze schuilplaats goed.»

En niet slechts in dit en in vele andere gevallen van bijstand van buiten is Hij een «vaste hulp in den nood» bevonden; wij hebben op gelijke wijze zijne trouw ondervonden in het voorzien in onzen nooddruft, in antwoord op onze gebeden. Eenige voorbeelden kunnen dit aantoonen. In het najaar van 1857 had ik eenen Zendeling, die aan de pokken stierf, verpleegd. Ik moest de kleederen, die ik bij zijne verpleging gedragen had, vernietigen, om de smetstof niet op anderen over te brengen. Daar ik te dien tijde te weinig geld had, om mij nieuwe kleederen aan te schaffen, zoo bleef het gebed de eenige toevlucht. De Heere antwoordde, doordat, geheel onverwacht, eene kist met kleederen aankwam , die ik voor eenige maanden in Swatau in het Zuiden van China had achtergelaten.

Twee maanden later schreef ik onder den datum van den 18den Nov. 1857 het volgende in mijn dagboek: «Velendenken dat ik arm ben. Dat is in één opzicht zeker waar; maar het is, God zij dank, «als die armen, die toch velen rijk maken; als die niets hebben en toch alles bezitten.» En «mijn God zal al mijne nooddruft vervullen. Hem zij alle eer.» Ik mag het niet anders hebben dan ik het heb, steunend op den Heer en gebruikt

-ocr page 86-

72

als een werktuig om anderen te helpen. De post kwam Zaterdag den 4den aan. Op dien morgen boden wij als gewoonlijk de veriatenen, die het begeerden, een ontbijt aan; zij waren 70 in getal; soms zijn er geen 40, soms meer dan 80. Zij komen alle dagen behalve op den dag des Heeren, daar wij dan onze overige plichten niet voldoende kunnen volbrengen, wanneer wij ook nog voor hen zorgen moesten. Nu, wij betaalden (op dien Zaterdag) alle onkosten en zorgden voor ons voor den volgenden dag; nadat dat geschied was. hadden wij (Zendeling Jones en ik) geen/quot;2.50 meer over. Wij wisten niet, hoe de Heer voor den Maandag zou zorgen; maar boven onzen schoorsteen zijn twee stroken papier bevestigd, waarop in Chineesch schrift staat; «Eben Ezer » (tot hiertoe heeft de Heer geholpen), en «Jehovah jir\'eh» (de Heer zal het voorzien); en Hij gaf het ons ook, dit geen oogenblik te betwijfelen. De post kwam eene week vroeger aan, dan wij verwacht hadden, en Zendeling Jones ontving eenen wissel van 214 dollars. Wij dankten God en kregen moed. Wij gingen spoedig naar eenen koopman, en ofschoon gewoonlijk vele dagen verliepen, voordat men het geld voor den wissel kon ontvangen, zoo zeide hij: «Zend er Maandag om.» Wij zonden er om, en hoewel hij nog nog niet alle dollars kon betalen, zoo zond hij er toch 70 in mindering der betaling, en alles was naar wensch. O hoe lieflijk is het, zoo in directe afhankelijkheid van den Heer te leven, die ons niet vergeet. Des Maandags hadden de armen hun ontbijt, als gewoonlijk, want wij hadden hen niet gezegd, dat zij niet mochten komen, omdat wij zeker waren, dat het des Heeren zaak was en«Jehovah jir\'eh.» Onwillekeurig vulden zich onze oogen met tranen van dankbaarheid, toen wij niet alleen onze eigene behoeften vervuld zagen, maar ook te gelijk gezorgd was voor de weduwen en weezen, de blinden en de lammen, de eenzamen en veriatenen, en dat alles door de goedheid van Hem, die de raven hun voedsel geeft.

-ocr page 87-

73

«O, prijst den Heer met mij en laat ons met elkander Zijnen naam verhoogen! O! smaakt en ziet hoe vriendelijk de Heer is. Wel hem, die op Hem vertrouwt! Vreest den Heer, gij Zijne heiligen; zij, die hem vreezen, hebben aan geen ding gebrek.» (En wanneer iets niet goed is, dan is het toch geen gebrek, indien wij het ontberen.) «Allen, die op Hem vertrouwen, zullen niet verlaten zijn.»

Toen het, in het boven afgeschreven uittreksel van mijn dagboek vermelde, geld opgebruikt was en nog slechts eene enkele kasch (eene Chineesche munt van ongeveer 1ji ct. waarde) in het bezit van den schrijver en zijne medearbeider, Zendeling Jones, was overgebleven, betoonde God weder zijne zorgende hulp. Op den Gden Januari 1858 was er nog voorraad in huis voor een zeer bescheiden ontbijt. Nadat wij dit gebruikt hadden, en voor het overige van den dag noch voedsel in huis hadden, noch geld om het te koopen, konden wij slechts vragen: «Geef ons heden ons dagelps brood.»

Nadat wij gebeden en onzen toestand overzien hadden, dachten wij, dat wij wellicht beproeven moesten, of wij iets van hetgeen wij bezaten konden missen, om zoo in onzen oogen-blikkelijken nood te voorzien. Maar toen wij rondzagen, vonden wij niets, dat wij wel hadden kunnen ontberen, en ook weinig, dat een Chinees voor geld had willen koopen. Crediet (om te borgen) hadden wij tot eene bepaalde hoogte kunnen krijgen, hadden wij slechts volgens ons geweten ons daarin kunnen schikken; maar dat was, zooals wij wel gevoelden, tegen de Schrift geweest, alsook in tegenspraak met den toestand, waarin wij ons bevonden, — namelijk God te dienen en ons met datgene te vergenoegen, wat hij ons had verleend of van tijd tot tijd zou verleenen. Wij hadden echter toch een voorwerp, waarvan wij wisten, dat de Chineezen het gaarne zouden koopen, — een ijzeren kachel; maar het zou ons moeielijk zijn zoo wij dien moes-

-ocr page 88-

74

ten missen. Wij gingen echter op weg naar den ijzerhandelaar; nadat wij een eind gegaan waren, kwamen wij aan de rivier, waarover wij met behulp van de schipbrug dachten te komen. Maar hier trad de Heer ons in den weg. De schipbrug was in den vorigen nacht weggevoerd geworden, en wij konden slechts in eene boot over de rivier komen. Het veergeld bedroeg voor ieder echter twee kasch. Daar wij te zamen slechts één kasch hadden, zoo was ons duidelijk aangewezen, om terug te keeren en op Gods ingrijpen tot onze hulp te wachten.

Toen wij ons huis bereikten, zagen wij, dat de vrouw van Zendeling Jones met hare kinderen uitgegaan was, om bij eene vriendin het middagmaal te gebruiken, gevolg gevende aan eene-uitnoodiging, die vele dagen te voren was gekomen. Zendeling Jones wilde, hoewel hij ook mede uitgenoodigd was, toch nu niet gaan en mij alleen laten vasten. Wij doorzochten zorgvuldig onze kast, en hoewel wij niets te eten vonden, vonden wij toch een klein pakje cacau. De daaruit met wat warm water gemaakte drank verfrischte ons een weinig en wederom riepen wij tot den Heer, en de Heer verhoorde ons en hielp ons uit alle nooden. Terwijl wij nog geknield lagen, kwam een brief, die eene geldzending uit Engeland bevatte. En deze oogenblikkelijke hulp diende niet slechts tot vervulling van den onmiddellijken dringenden nood van den dag. In het zekere vertrouwen, dat die God, dien wij toebehooren en dien wij dienden, niet degenen tot schande zou maken, wier gansche hoop alleen op Hem rust, was mijn huwelijk reeds vroeger zóó bepaald ge-geworden , dat het 14 dagen na dezen datum zou plaats hebben; en deze verwachting werd niet beschaamd. «Want er zullen wel bergen wijken en heuvelen vallen, maar Zijne genade zal niet van Zijne kinderen wijken, en het verbond zijns vredes zal niet bezwijken.» En hoewel in de volgende jaren ons geloof dikwijls op de proef is gesteld geworden, ja dikwijls zeer zwaar, zoo heeft

-ocr page 89-

75

Hij zich toch altijd aan zijne belofte getrouw bewezen en niet toegelaten, dat ons iets goeds zou ontbreken.

Een eenigszins ander en toch niet minder duidelijk antwoord op het gebed werd ons deel in het voorjaar van 1859. Mijne trouwe gade was door eene zware ziekte zeer verzwakt, en alle hoop op herstel was vervlogen. Alle middelen waren ijdel gebleken en haar geneesheer, Dr. William Parker, kon niets meer geven. Het leven scheen snel ten einde te spoeden. De eenige grond van hoop was deze, dat het God behagen mocht, haar in antwoord op het geloovige, naar Zijnen wil onderworpen gebed op te richten. De namiddag, wanneer gewoonlijk de gebedsbijeenkomsten der Zendelingen plaats hadden, was gekomen, en ik zond een verzoek om voorbede in, die men met warme deelneming uitsprak. Juist op dat oogenblik viel mij een middel in, dat nog niet beproefd was; en ik kon niet nalaten zonder uitstel mij te haasten, om met Dr. Parker te beraadslagen, of het raadzaam was, om het aan te wenden. Het was een oogenblik van bedenkelijke spanning. De gezwollen slapen, de ingezonken oogen en het benauwde gezicht waren de kenmerken van den naderenden dood; en het was de vraag, of het leven het zoo lang kon uithouden, totdat ik terug kon zijn. Het was langer dan een half uur tot aan het huis van Dr. Parker, en ieder oogenblik scheen lang. Op mijnen weg daarheen kwamen mij, terwijl ik krachtig met God in het gebed worstelde, de kostbare woorden met macht voor den geest: «Eoep mij aan in den dag der benauwdheid en ik zal er u uithelpen en gij zult mij prijzen !*• Ik kon ze in het geloof aanvatten, en het gevolg was diepe, diepe, onuitsprekelijke vrede en vreugde. De afstand verdween geheel voor mijn bewustzijn. Dr. Parker keurde het gebruik van de voorgestelde middelen goed; maar toen ik tehuis kwam, zag ik met éénen blik, dat de gewenschte wending reeds gekomen was, en wel zonder dit of een ander middel. De benauwde uitdrukking

-ocr page 90-

van het gezicht was geweken voor het rustige beeld van eene zachte sluimering, en geen enkel ongunstig verschijnsel deed zich meer voor, dat de herstelling der gezondheid en krachten tegen hield.

In den herfst van hetzelfde jaar zag Dr. Parker zich plotseling genoodzaakt, met zijne moederlooze kinderen naar Glasgow terug te keeren, daar zijne vrouw aan de cholera gestorven was. Hij verzocht mij , het zendingsziekenhuis in Ningpo over te nemen, dat anders gesloten had moeten worden. Na eenige dagen van gebed om de Goddelijke leiding, gevoelde ik mij gedrongen om het aan te nemen, van den gebedverhoorenden God vertrouwende, dat Hij de middelen zou schenken, die voor het onderhoud noodig waren. De kosten voor het onderhoud waren tot hiertoe bestreden geworden uit de buitengewone inkomsten van de uitgebreide praktijk van den Dokter; deze vervielen met zijn vertrek. Maar had God niet gezegd, dat wat wij bidden in den naam van den Heer Jezus ons altijd gegeven zal worden? En zegt Hij niet tot ons, dat wij eerst het rijk Gods — niet het middel, om het te bevorderen — zoeken moeten, en dat ons dan al het andere ten deel zal vallen (woordelijk: toegeworpen worden)? Zulke beloften waren zeker voldoende.

Acht dagen voordat ik deze verantwoordelijkheid op mij nam, had ik er hoegenaamd niet aan gedacht, dat ik zoo iets zoude doen. Nog minder konden de vrienden in het vaderland iets daaromtrent vermoeden. Maar de Heer had de behoeften vooruit gezien, en er waren reeds gelden onderweg, om daarin te voorzien. Somtijds waren er niet minder dan 50 zieken, die in het hospitaal werden verpleegd, behalve een groot getal, dat dagelijks van buiten kwam, om geneeskundige hulp te vragen. Dertig bedden waren gewoonlijk als vrije bedden bezet, en ongeveer evenzoo velen door opiumrookers, die voor hunne opname in Met huis moesten betalen, waar zij voor hunne ondeugd genezing

-ocr page 91-

77

zochten. Daar alle behoeften voor de zieken kosteloos uitgereikt werden, zooals ook met de medicijnen enz. geschiedde, die de buitenpatienten noodig hadden, zoo waren de dagelijksche uitgaven aanzienlijk; buitendien was er nog een groot getal in-landsche helpers en wakers aanwezig, die ook gevoed en betaald moesten worden. Maar van het allereerste begin aan zorgde de Heer voor alles, wat voor het onderhoud der inrichting noodig was, en ook nog voor datgene, wat ik met mijne familie gebruikte, alsook voor den voortgang der overige takken van den zendingsdienst, die onder mijn bestuur stonden. En toen ik negen maanden later door mijne wankelende gezondheid genoodzaakt was, het ziekenhuis weder over te geven, kon ik meer geld voor het onderhoud der zieken achterlaten, dan ik bij de overname in handen kreeg.

Maar het waren niet slechts de geldmiddelen, die wij in antwoord op het gebed ontvingen. Vele levens werden behouden; menschen, die oogenschijnlijk in eenen hopeloozen gezondheidstoestand waren, herstelden weder; en in gevallen van ernstige en gevaarlijke operaties waren zeer vele goede uitkomsten te vermelden. Bij eenen armen man, dien beide beenen onder zeer ongunstige omstandigheden afgezet waren, ging de genezing zoo snel, dat beide wonden in minder dan twee weken genezen waren. En er waren nog blijvender zegeningen dan deze. Velen kwamen tot de overtuiging van de waarheid des Christendoms; niet weinigen zochten den Heer in het gebed en ondervonden de macht des Heeren, die de geneesmeester is, ook tot genezing van de aan de zonde zieke zielen. Gedurende de hierboven vermelde negen maanden werden 16 patienten uit het ziekenhuis gedoopt, en 30 anderen werden doopcandidaten in de eene of andere der zendingskerken in Ningpo.

De onafgebrokene lichamelijke en geestelijke arbeid, die van de uitsluitende leiding van zulk eene inrichting onafscheidbaar

-ocr page 92-

78

is, daarbij de andere zendingsplichten, die altijd nog op mij rustten, veroorzaakten eene uitwerking, die, hoezeer vooruitgezien, toch bij gebrek aan meerdere arbeiders niet vermeden had kunnen worden, die echter slechts eene nieuwe gelegenheid tot openbaring van de trouw en liefdevolle voorzorg van Hem aanbood, die alle dingen werkt naar het welbehagen van Zijnen wil. Geheel ineengezonken door wederkeerende aanvallen van ziekte, als ik was, scheen de eenige hoop op herstel mijner gezondheid te zijn eene reis naar Engeland en een tijdelijk verbijf in mijn vaderland. Zooals tot hiertoe, zoo was God ook hierin met Zijne hulp nabij. De middelen voor de terugkeer werden ontvangen, en wel zoo overvloedig, dat wij in staat waren, eenen inlandschen Christen mede te nemen, die ons bij het verta-lings of herzieningswerk helpen, en hen in de taal onderwijzen kon, die de Heer wellicht als helpers voor de voortzetting en uitbreiding van het werk geven zoude. Dat Hij dit doen zoude, betwijfelden wij niet, daar wij dit van Hem in ernstig, geloovig gebed reeds sedert maanden hadden mogen vragen. Op den 16den Januari 1860 schreven wij aan eenen christelijken vriend in Engeland het volgende: «Weet gij op de eene of andere plaats ernstige, in de overgave aan den Heer staande, jonge mannen, die verlangen God in China te dienen; die, indien zij niet meer voor zich verlangen dan bestrijding hunner uitgaven, lust zouden hebben om uit te gaan en hier te arbeiden? O, dat wij vier of vijf zulke helpers hadden! Zij zouden waarschijnlijk in zes maanden in staat zijn, om in China te prediken. Als antwoord op het geloovige gebed zullen de middelen wel reeds spoedig gevonden worden.»

Op den dag vóór onze afreis van China schreef ik aan onzen vriend W. T. Berger, dien wij kenden, voordat wij Engeland verlieten, en die reeds altijd onze handen in den Heer gesterkt had, terwijl wij in dit vreemde land waren, als volgt: «Wij

-ocr page 93-

brengen eenen jongen Chineeschen broeder mede, die ons bij het vertalen helpen zal en die, naar ik hoop, ook bij het onderwijs in de Chineesche taal hen zal behulpzaam zijn, die de Heer daartoe leiden zal, om bij onzen terugkeer als medearbeider met ons naar China uit te trekken.» Gedurende onze geheele reis was het ons ernstig gebed tot God, dat Hij onzen terugkeer voor China ten goede mocht doen komen en die als werktuig gebruiken tot opvoeding van minstens vijf helpers voor het werk in Ningpo en de provincie Tscheh-kiang.

-ocr page 94-

III. Begin der Zending in de binnenlanden van China.

1.

«Mijne gedachten zijn niet uwe gedachten, en mijne wegen zijn niet uwe wegen, spreekt de Heer. quot;Want zooveel hooger de Hemel is dan de aarde, zooveel hooger zijn ook mijne wegen dan uwe wegen en Mijne gedachten dan uwe gedachten,» Jes. 55 : 8. 9.

Hoe waar zijn toch deze woorden! Hoe dikwijls, wanneer de Heer bezig is ons op de beste wijze groote zegeningen toe te zenden, is het voor ons hart, — hoewel wij het wel niet uitspreken , — zooals het den ouden Jacob te moede was: «Het is alles tegen mij.» Of wij zijn met vrees vervuld, zooals het de jongeren waren, toen de Heer op het water wandelde, op het punt de onrustige zee te bedaren en hen spoedig in de veilige haven te brengen. En toch zal reeds het verstand alleen ons zeggen, dat Hij , wiens weg volkomen is, niet kan dwalen; en dat Hij, die beloofd heeft, dat wat ons betreft, te voleinden, en wiens tot in de geringste kleinigheid afdalende zorg zelfs de haren van ons hoofd telt en onze omstandigheden voor ons schikt, — dat Hij beter dan wij den weg weten moet, waarop Hij ons waarachtig belang bevordert en Zijnen naam verheerlijken kan. Blinde waan, zij doet slechts dwalen;

Die begrijpt Gods wegen niet.

God moet zelf het ons verhalen,

quot;Wat Hij doet, opdat ge \'t ziet.

-ocr page 95-

81

Mij scheen het een groot ongeluk, dat mijne geschokte gezondheid mij noodzaakte, mijnen arbeid voor God in China op te geven, juist toen zij vruchtbaarder was dan ooit te voren; ook was eene schare christenen, die veel hulp en onderricht noodig had, in Ningpo achter te laten, een oorzaak van groote bezorgdheid. Die zorg werd daardoor niet minder, dat, na mijne aankomst in Engeland de geneeskundigen mij verzekerden, dat de terugkeer naar China tenminste voor vele jaren, onmogelijk zou zijn. Weinig stelde ik mij toen voor. dat die lange scheiding een noodzakelijke stap was tot oprichting van een werk, dat God zou zegenen, zooals Hij de «Zending in de Binnenlanden van China» heeft gezegend. Terwijl ik op het arbeidsveld was, nam hetgeen in mijne onmiddellijke nabijheid lag, mij zoozeer in, dat ik niet veel kon denken aan den nog grooteren nood der verder landwaarts in gelegen districten; en wanneer ik daaraan dacht, kon ik niets voor hen doen. Doch terwijl ik gedurende eenige jaren in Engeland teruggehouden werd en dagelijks hetgansche land op eene groote kaart aan den muur mijner studeerkamer aanzag, waren mij de ontzaglijk groote landstreken van het binnenland van China even zoo na, als de kleine distrikten, waarin ik persoonlijk voor God had gearbeid; en het gebed was dikwijls het eenige hulpmiddel, waardoor het beladen hart eenige verlichting vond.

Daar eene lange afwezigheid van China onvermijdelijk scheen, was de eerste vraag, hoe ik gedurende mijn verblijf in Engeland, China het beste kon dienen. En dat leidde daartoe, dat ik gedurende eenige jaren in vereeniging met zendeling F. F. Gough, van de «Engelsche Kerkelijke Zending», aan de herziening van eene overzetting van het N. Test. in de spreektaal van Ningpo voor het Britsch- en Buitenlandsch Bijbelgenootschap werkte. Terwijl ik dit werk ondernam, zag ik in mijne kortzichtigheid slechts het nut in, dat dat boek en de gelijkluidende plaatsen op

G

-ocr page 96-

82

de kanten, voo\'r de inlandsche christenen hebben zouden; maar ik heb dikwijls sedert dien tijd ingezien, dat, zonder die maand van bijzondere zelfopvoeding door het Woord Gods, ik geheel zou gemist hebben die voorbereiding, noodig om eene zending zooals de «Zending in de Binnenlanden van China» op hare tegenwoordige grondslagen te vestigen. In de studie van het Goddelijke Woord leerde ik het, dat tot het verkrijgen van gezegende arbeiders geene uitgebreide oproepingen om hulp noodig waren, maar in de eerste plaats ernstige gebeden tot God om uitzending der arbeiders, en ten tweede, het dieper worden van het geestelijk leven der gemeente, zoodat men niet te huis kan blijven wanneer er hulp noodig is. Ik zag, dat het apostolische plan niet was, middel en weg te zoeken, maar te gaan en het werk te doen in het vertrouwen op het zekere woord van Hem, die gezegd heeft: «Zoek eerst het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, en al het overige zal u toegeworpen worden.»

Maanden van ernstig gebed brachten mij tot de diepe overtuiging, dat eene bijzondere werkzaamheid noodig was voor de evangelisatie in het binnenland van China, en dat door eenvoudig vertrouwen op God zulk eene werkzaamheid begonnen en onderhouden kon worden, zonder dat aan eenig ander bestaand werk schade gedaan moest worden. Ik had tegelijk eene diepe overtuiging, dat God mij daartoe had bestemd, om van Hem de noodige arbeiders te bidden en met hen uit te gaan. Maar langen tijd verhinderde mij het ongeloof daaraan, om den eersten stap te doen. Hoe tegenstrijdig is toch altijd het ongeloof! Ik twijfelde niet, dat wanneer ik om arbeiders bad, «in den naam» van den Heer Jezus Christus, zij mij zouden gegeven worden. Ik twijfelde niet, dat in antwoord op zulk een gebed, de middelen voor ons uitgaan zouden worden aangeboden, en de deuren in onbereikbare deelen des rijks zouden worden opengedaan voor ons. Maar ik had toen nog niet geleerd, dat Hij mij genade en kracht kon schenken;

-ocr page 97-

83

dns was het geen wonder, dat ik Hem niet kon verwachten, dat die aan anderen zou geschonken worden, die voorbereid mochten worden, om met mij te gaan. Ik vreesde, dat inmiddels de gevaren , bezwaren en verzoekingen, die noodzakelijk aan zulk een werk verbonden zouden zijn, eenigen, die bij wijze van vergelijking, onervaren christenen waren, den moed zouden doen verliezen en mij bitter zouden verwijten, hen aangemoedigd te hebben, zoo iets te ondernemen, waarvoor zij onbekwaam waren.

Doch wat zoude ik doen? Het gevoel der bloedschuld werd sterker en sterker. Eenvoudig omdat ik weigerde daarom te bidden, kwamen de arbeiders niet herwaarts, — gingen riet uit naar China, — en iederen dag zonken tienduizenden weg in hun graf zonder Christus, het verderf te gemoet gaande! China vervulde zoo mijn gemoed en hart, dat ik geene rust des daags en weinig slaap des nachts had, totdat mijne gezondheid ineen zonk. Op de uitnoodiging van mijnen geliefden en geëerden vriend, den Heer George Pearce (die zelf als zendeling in Frankrijk en onder de Kabylen gearbeid had), ging ik eenige dagen bij hem in Brighton doorbrengen. Op eenen Zondag wandelde ik, ongeschikt den aanblik te verdragen van eene vereeniging van 1000 of meer Christenen, welke zich wegens hunne eigene uitredding ver-hengden, terwijl millioenen verloren gingen wegens gebrek aan kennis , naar buiten in de duinen, alleen. in grooten geestelijken strijd; en daar, buiten staat de worsteling nog langer te verdragen, gaf ik mij aan God over voor Zijnen dienst. Ik zeide Hem, dat alle verantwoordelijkheid voor den afloop en de gevolgen op Hem moesten neerkomen; dat het mijne zaak, als Zijnen dienaar, was, te gehoorzamen en Hem te volgen; doch Zijne zaak. mij en diegenen, die met mij arbeiden zouden, te leiden en te helpen. Behoef ik te zeggen, dat op eens vrede in mijn beladen hart stroomde ? Hier was het, dat ik hem om 24 medearbeiders bad: twee voor ieder der elf inlandsche provinciën en twee voor Mongolië;

-ocr page 98-

84

en terwijl ik dat gebed op den rand van mijnen bijbel schreef, dien ik bij mij had, keerde ik naar huis terug met een hart vol blijde rust, die mij sedert maanden vreemd geweest was, en met de zekerheid, dat de Heer Zijn werk zegenen zou, en dat ik aan dien zegen deel zou hebben.

Spoedig daarop schreef ik het kleine boek «China\'s geestelijke nood en rechten» en sprak van het voorgenomen werk, als de gelegenheid het toeliet, vOoral in de bijeenkomsten van Perth en Mildmay in het jaar 1865. Ik ging voort om medearbeiders te vragen, die spoedig daartoe opgewekt en, na de noodige briefwisseling in mijn huis, toen in Oost-Londen, uitgenoodigd werden. Toen één huis te klein werd, vertrok de bewoner van het aangrenzende huis, en ik was in staat om het te huren; en toen ook dat te klein werd, was voor verdere woonruimte in de buurt gezorgd. Spoedig waren een aantal mannen en vrouwen werkzaam aan hunne voorbereiding, en tegelijk in evangeliseerenden arbeid, waardoor zij hunne geschiktheid om zielen te winnen konden aan den dag leggen.

In het jaar 1865 werd de «Zending in de Binnenlanden van China» in het leven geroepen; de Heer Wquot;. F. Berger nam de leiding van het werk in het vaderland op zich gedurende mijne, naar men voorzien kon, lange afwezigheid in China, en ik sloeg voor, zoodra de noodige voorbereidingen gemaakt waren, met de vrijwilligers uit te gaan en de leiding van het werk daarbuiten te ondernemen.

Het is hier de plaats om, voor wij in bijzonderheden treden over de geschiedenis der zending, iets over

de grondstellingen en inrichtingen der te vestigen nieuwe zending

daaraan te doen voorafgaan. Hudson Taylor verklaart zich daarover in eene latere toespraak, bij eenen terugblik, op de vol-

-ocr page 99-

85

gonde wijze: «Er bestond voor ons eene kleine moeilijkheid. Ik wilde ten zeerste voorkomen, dat wat wij deden, een oogenblik in strijd zou schijnen met het werk van de eene of andere dei-oudere vereenigingen; en nog meer, dat het niet inderdaad eene hulpbron van den een of anderen aard van leeds bestaande kanalen zou afleiden, daar dit geene winst voor China of voor de zaak van het rijk Gods zoude zijn. Wij wenschten veeleer, •dat ons zulk eene wijze van werken mocht gegeven worden, die vevsche arbeiders uitstootte, die waarschijnlijk op andere wijze niet uitgegaan zouden zijn, en welke kanalen van stoffelijke hulp openen zou, die wellicht op andere wijze niet zouden geopend zijn.»

In eene andere toespraak in het jaar 1887 zeide hij, op dit begin terugziende: «Nadat wij ons twee of drie jaar vergeefs bezig hadden gehouden, anderen er toe te brengen, dat zij iets deden, gevoelden wij ons gedrongen, de «Zending in de Binnenlanden van China» te stichten. Er waren eenige moeielijke vragen te overwegen. De eene was, hoe de zending aldus ingericht zou kunnen worden, dat zij iedere bestaande zendingsonderneming behulpzaam en niet hinderlijk zou zijn, — zoodat zij eene andere vereeniging noch arbeiders, noch geldmiddelen onttrok. Dan weder, met het oog op de groote behoeften van China, en in overweging nemende, dat de Heer aan iedere geloovige bevolen had, «in de geheele wereld te gaan,» — zoude het daarbij den leden van verschillende kerkgenootschappen niet mogelijk zijn, in eenen eenvoudigen evangelischen arbeid eensgezind naast elkander te werken, zonder dat zij elkander wegens gewetenszaken in den weg traden\'? Wij besloten, andere geloovigen tot medewerking uit te noodigen, niet in aanmerking nemende tot welk kerkgenootschap zij behoorden, wanneer zij slecht ten volle aan de Goddelijke ingeving van het Woord Gods geloofden en bereid waren hun geloof daardoor te bewijzen, dat zij in de

-ocr page 100-

8G

binnenlanden van China gingen, alleen met den waarborg, die zij in den inhoud van hunne zakbijbels medenamen.

God heeft gezegd: «Zoek eerst het koningrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al het andere (voedsel en kleeding) zal u toegeworpen worden.quot; Wanneer de een of ander niet geloofde, dat God de waarheid gesproken heeft, zoo zoude het beter voor hem zijn, om niet naar China te gaan , om het geloof te verbreiden. Wanneer hij het geloofde, zoo zou de belofte zeker vervuld worden. Wederom staat geschreven: « Hij laat den vromen geen ding ontbreken (d. i. den in oprechtheid wandelenden).» Wanneer iemand niet oprecht begeert te wandelen, zoo ware het beter, dat hij tehuis gebleven was; wanneer hij oprecht wenscht te wandelen, zoo heeft hij alles, wat hij behoeft, in het waarborgkapitaal: «Van den Heer is al het goud en al het zilver in de wereld, en het vee op duizend heuvelen.» Wij behoeven geen vegetariers te zijn .... Velen der Zendelingen, die zelf vermogen hebben, zijn op eigen kosten uitgegaan en ontvangen niets uit de zendingsfondsen. De anderen zijn allen gegaan in afhankelijkheid van God met betrekking tot hunne aardsche behoeften, in de vaste overtuiging dat de zending geen inkomen van welken aard ook waarborgt, wetende, dat de zending, daar zij geene schulden maakt, degenen, die met haar verbonden zijn, slechts zooveel kan geven, als de van tijd tot tijd ingezonden gelden zullen toelaten. Deze gelden worden de zending toegezonden, zonder de eene of andere persoonlijke bede van degenen, die door deze wijze van handelen aan de verbreiding der kennis van het Evangelie in China mede willen helpen.»

In betrekking tot de soort van arbeiders schrijft Hudson Taylor: «Zooals in het begin der verkondiging van het Evangelie een Paulus, een Apollos, een Lukas noodig waren en hunnen arbeid vonden, met degenen, die oogenschijnlijk «niet geleerd en onwetend waren», tegelijkertijd echter «te zien gaven, dat zij

-ocr page 101-

87

met Jezus waren geweest» zoo is het nog. De Heer kan ieder talent, dat Hij geschonken heeft, heiligen en gebruiken; Hij kan ook — en doet het ook dikwijls — het dwaze der wereld kiezen, om teniet te doen wat wijs is, en het zwakke der wereld, om teniet te doen, wat sterk is. Eenigen, die uitgegaan zijn, hebben eene bijzondere taalkennis gehad, anderen bezateneenegrondige kennis van het Woord Gods en eene rijpere christelijke ervaring; maar een ieder is, zooals wij gelooven, tot dien kring van werkzaamheden in den dienst des Heeren bekwaam gemaakt, van welken de Heer wilde, dat hij dien zoude innemen. Wij verwachten, dat het zoo zal zijn. Velen der in China gesprokene talen kan men gemakkelijk leeren, en de massa van het volk kan noch lezen noch schrijven. Daar dit het geval is, zoo ligt het voor de hand, dat menschen met middelmatige gaven en beperkte ontwikkeling niet ongeschikt zijn, om aan den arbeid deel te nemen; en wij zijn zeer gaarne bereid met hen, die zich daartoe geroepen gevoelen, in briefwisseling te treden. Tegelijkertijd is hier een ruim veid tot opwekking der hoogste talenten, die op hot altaar Gods gelegd kunnen worden. Ja nog meer, er gaat een dringend gebed om mannen uit, vervuld van de liefde Gods, wier betere ontwikkeling hen in staat zal stellen, zich in zulke kringen nuttig te maken , die voor anderen gesloten zijn. Het voor ons liggende veld is zoo uitgebreid, en de behoefte aan arbeiders van iedere soort is zoo groot, dat het «oog tot de hand niet zeggen kan: Ik heb u niet noodig; noch het hoofd tot den voet: Ik heb u niet noodig.»

In betrekking tot diegenen, die gelooven voor den arbeid bekwaam te zijn, was en is het plan, dat wij voor onze leiding aangenomen hebben en waarop de zegen Gods oogenschijnlijk heeft gerust, het volgende: Nadat wij met en over hen briefwisseling hebben gevoerd, hebben wij persoonlijke kennismaking met hen gezocht, en wij hebben ons moeite gegeven, om ons te

-ocr page 102-

88

overtuigen, dat zij voor den arbeid bekwaam en daarvoor toegerust zijn. Om hen grondig te leeren kennen, hebben wij hen uitge-noodigd, eenen korteren of langeren tijd bij ons te wonen. Zoodra de schrijver dezes en andere Christelijke vrienden met betrekking tot de geschiktheid van den een of ander tot den arbeid in China tevreden is gesteld, werd den Heer gebeden, den weg te openen en de middelen voor de uitrusting en overtocht te geven; en Hij heett het gebed verhoord. Door Gods hulp hopen wij ook verder volgens datzelfde plan te arbeiden 1), en niemand te helpen om uit te gaan, die ons, of hen, die de afdeeling van het werk daarbuiten leiden, niet persoonlijk bekend is.»---

2

Yoor ik verder ga, zal het goed zijn te vertellen, dat ik, toen wij China verlieten, God om vijf arbeiders bad. die het werk in Xingpo voortzetten en uitbreiden zouden, dat ik tengevolge van het verminderen mijner gezondheid had moeten opgeven. Wij waren nog niet lang in Engeland, toen wij eenige christelijke broeders aantroffen, die God in China wenschten te dienen. Wij hadden meer of minder persoonlijk of schriftelijk verkeer met vijf van hen; na veel gebed werden wij daartoe gebracht,

1) eenen van hen, James Meadows, tot ons naar Londen te

1) In het jaar 1888 werd op het jaarfeest der «Zending iu de Biimen-landen van China» medegedeeld, dat een afzonderlijk huis geopend zou worden, waarin zulke candidaten voor den Zendingsdienst eenige maanden bijzondere opleiding zouden ontvangen, waarvan men mocht te hopen, dat dit voor hen nuttig zou zijn. Hier heeft men ook gelegenheid, degenen, waaromtrent nog niet alles duidelijk is, nader te leeren kennen. Te gelijkertijd werd aan de Universiteit te Cambridge een huis geopend, waarin jonge rnenschen, die in den zendingsdienst willen gaan en zich daarvoor voorbereiden, voor een gering kostgeld opname vinden, om vóór hunne intrede in het werk nog eerst eenen universiteits-cursus te doorloopen.

-ocr page 103-

89

laten komen, opdat hij een tijdlang bij ons zou wonen, wij hem beter leerden kennen on hij met de studie der taal kon beginnen. Hij maakte zulke vorderingen , dat ons geen twijfel overbleef aan zijne bekwaamheid, om de taal meester te worden. Daar de gezondheid van broeder Jones in Ningpo snel terugging, werden wij, door de medewerking en hulp van onzen goeden vriend, de heer Berger, in staat gesteld, om in Januari 18G2 voor den heer Meadows en zijne jonge vrouw den overtocht op de «Chalenger» te betalen. Hij kwam in Juni te Ningpo aan, en was spoedig in staat het zendingswerk te beginnen. Toen nu en dan zendeling Jones in de maand September afwezig was en Br. Meadows nog niet in staat was vloeiend te spreken of te prediken, leidde hij de vergaderingen op die wijze, dat hij liederen liet zingen en gedeelten der Schrift in het dialect van Xingpo voorlas, terwijl eene inlandsche helper eene toespraak hield, vermaningen gaf en bad. Binnen twee maanden opende hij met behulp van eenen Cbineeschen leeraar eene dagschool voor inlandsche knapen; en toen Br. Jones China verliet, was zijne tegenwoordigheid daar van onwaardeerbaar gewicht.

Zendeling Meadows vond zijnen arbeid verre van gemakkelijk. Bij de moeilijkheden, die voor hem ontstonden uit zijne nog onvolkomene bekendheid met de taal, kwam nog, dat zich de Chineesche maatschappij slechts langzaam weder herstelde van de hevige opgewondenheid, waarin zij gebracht was door de opstandelingen, en de bekeerden nog zeer verstrooid waren. Doch door Gods genade hield onze lieve broeder het uit, en zijne pogingen werden met goed gevolg bekroond. Velen, die onder de kerkelijke tucht waren geweest, werden weder opgenomen; anderen, die koud en dood waren geworden, herleefden weder. De diensten van de inlandsche broeders, die ons het eerst gegeven ■waren, waren gezegend. Een eenvoudig landman, die vóór 6 of 7 jaar bekeerd was, predikte het Evangelie in zijne omgeving

-ocr page 104-

90

met zeldzame kracht, zoodat zendeling Meadows bij het bezoeken daarvan, binnen eenen omtrek van 10 of 12 (Engelsche) mijlen, zelden iemand ontmoette, die niet veel of weinig vau den Heer Jezus uit zijnen mond had gehoord. Want bij tijd en ontijd was en is Christus zijn onderwerp. Een ander der gemeenteleden ging in een boedhistisch nonnenklooster, en predikte het Evangelie met zulk eene kracht, dat de abdis, eene der nonnen en eene novice , die het voornemen hadden, den sluier aan te nemen, bekeerd en tot de gemeente toegevoegd werden.

2) Om dien tijd was mevrouw Lord, die eene weezenschool in het vertrouwen op den levenden God en diens voorzorg leidde, op gelijke wijze zeer gezegend geworden in den arbeid onder de inlandsche vrouwen, tot wie God haar eene deur wijd opende. Zij had twee of drie Chineesche Christinnen bij zich, die als bijbelvrouwen werkzaam waren.

In een schrijven van het jaar 1864 deelde zij mede, dat, wanneer zij vijf bijbelvrouwen had, zij ieder van haar een district kon aanwijzen, waarin zij rijkelijk arbeid vinden zouden, en dat zij zelfs van den morgen tot den avond zich daarmede konden bezighouden, om Chineesche vrouwen in de, met latijnsche letters geschrevene, spreektaal te leeren lezen. Daar de zorg voor de weezenschool in de eerste plaats op haar rustte, zoo was dit haar natuurlijk onmogelijk; en daar de gelegendheid om onder de vrouwen te arbeiden, steeds toenam, zoo schreef zij zeer dringend, en vroeg, dat men iemand zou uitzenden, die haar op de weezenschool kon helpen.

Het was treurig, te hooren van de groote kringen, waarin ieder huis open en de vrouwelijke bewoonsters begeerig waren, om haar onderwijs te vernemen, — kringen, in elk waarvan zij den geheelen dag had kunnen doorbrengen, doch waaraan zij slechts weinige uren wekelijks of alle 14 dagen kon wijden, om andere evenzoo dringende of nog dringender eischen. Daar de weezenarbeid in het geloof gedaan werd, moest

-ocr page 105-

91

degene, die daaraan medewerkte, voor hare persoonlijke verzorging alleen op God kunnen steunen. Veel ernstige gebeden werden tot God opgezonden, dat hij eene geschikte helpster zou opwekken. Wij kenden er geene, maar in eene gebedsbijeenkomst der leden van het comité der «Evangelisten-vereeniging voor het buitenland» werd de secretaris er toe gebracht, als een onderwerp van voorbede Mevrouw Lords behoefte aan eene helpster voor te stellen en een uittreksel uit een harer brieven voor te lezen.

De secretaris, de heer George Pearce, antwoordde dadelijk, dat het zeer opmerkelijk was, dat hij juist eenen brief ontvangen had, waarin er sprake was van iemand, die geheel geschikt scheen te zijn voor den gemelden arbeid. Wij maakten kennis met haar; «de vereeuiging van Evangelisten voor liet Buitenland» zorgde zeer welwillend voor de onkosten harer overtocht naar China, en andere vrienden verschaften de gevorderde middelen voor hare uitrusting. Zij kwam in Ningpo tegen het midden van Februari 1865 aan. Mevrouw Lord schreef den 5clen April, dat zij haar reeds zeer veel helpen kon in de school, waarin zij ook verder tot haar huwelijk werkte.

3) Den 25stei1 September 18G3 bezocht de heer Barchet schrijver dezes en gaf zijnen wensch te kennen, om den armen Chineezen Christus te prediken. In Stuttgart geboren, kwam hij in het jaar 1861 naar Engeland, om den dwang van het vaderlijk huis te ontvluchten en de wereld te genieten. In het huis van eenen vriend ontmoette hij den heer Hall, een diaken der gemeente, waarvan hij later een lid werd, die hem exemplaar van ^Des Heeren leidingen met George Müller» leende. Omtrent dien tijd kwam de heer Günzler, een duitsch predikant en een zeer goede vriend van den heer Barchet, naar Londen, om gedurende den tijd der tentoonstelling van 1862 daar te prediken, en de Heer Barchet verheugde zich, zijnen vriend nog eens te ontmoeten. Nadat hij eenige dagen van huis geweest was, wilde hij na zijne

-ocr page 106-

92

terugkeer den heer Günzler eens weder bezoeken, maar vond hem dood, door typheuze koorts plotseling weggenomen Hij ging naar huis, verpletterd van verdriet, en vroeg zich zeiven af: «Waar zoude ik zijn, wanneer ik zoo gestorven ware ?» Hij bad. las de schrift, ook het bericht van George Mullers bekeering in het boek, dat hem geleend was, en nam het volgende besluit: «De heer Muller was een goddelooze jonge man — Jezus Christus heeft hem vergeven, — Hij kan ook mij vergeven, —het bloed, dat hem reinigde, kan ook hem reinigen.» Kort daarna vond hij eene veilige rust in Christus.

Daar hij nu vurig verlangde, zijnen liefderijken Verlosser met al zijne krachten te dienen, bood hij zich. zooals bovengezegd is, voor des Heeren werk in China aan. Spoedig daarna begon hij met de studie van het Chineesch en maakte daarmede belangrijke vorderen. Na twee uren onderwijs in de taal en bijzondere studie in den tusschentijdquot; schreef hij eenige regels aan de chineesche broeders (die, zooals hierboven is vermeld, mede naar Engeland waren gekomen); hoewel volstrekt nog niet geheel nauwkeurig taalkundig, waren die toch duidelijk en gaven zeer veel hoop voor iemand, die met de studie eerst voor 14 dagen begonnen was. Hij begon nu in het Londensche hospitaal in de medicijnen te studeeren en ook daarin waren zijne vorderingen zeer aanmoedigend. Hij bereidde zich juist voor voor het toelatingsexamen op de Londensche universiteit, toen de Heer geheel onverwacht den weg voor zijn vertrek naar China baande. Een in Schotland wonende heer, ons geheel onbekend, bood op zeer vriendelijke wijze door Dr. Nevius. nu in Tsche-fu, vrijen overtocht voor twee zendelingen aan op eene prachtige ijzeren stoomboot, waarvan hij de eigenaar was. Toen dit bericht den heer Barchet het eerst werd medegedeeld en men hem vroeg, of hij bereid was na zulk eene korte voorbereiding af te reizen, zoodra het spoedige vertrek van de stoomboot eischte, bracht

-ocr page 107-

93

hij eenige minuten in stil gebed door; toen antwoordde hij, dat het hem leed deed, om vóór het examen te gaan, waarvoor hij zich sedert eenigen tijd had voorbereid, en dat hij nog op een lang gezegend zamenzijn met den schrijver dezes en zijne familie gedurende de reis naar China gehoopt had; maar hij was geheel bereid dit op te geven en in denzelfden nacht nog af te reizen, als het des Heeren wil was.

Onze broeder ging uit in het vertrouwen op God, terwijl hij tot Hem opzag in al wat zijne behoeften betrof; en de gemeente, waarvan hij lid was, oordeelde het een voorrecht, zoover zij kon, in iedere behoefte te voorzien, en zij voorzag hem liefdevol van eene prachtige uitrusting____

Nadat Br. Barchet en een andere broeder, die ook eenige maanden hetChineesch had bestudeerd, christelijke gastvrijheid en veel goeds in Glasgow hadden ondervonden, voeren zij den isten April 1865 den bocht der Clyde uit. De onkosten voor de uitrusting van br. Barchets begeleider werden bestreden door vrijwillige gaven, die als antwoord op het gebed gezonden werden. Nadat onze vrienden uitgevaren waren, zond ons eene zeer vriendelijke, Christelijke dame eene gift van 30 pond sterling (ca. 3G0 gulden). Het scheen ons of er voor het oogenblik geene behoefte was aan deze geheele som; maar onze Vader had vooruitgezien en zorgde voor eenen dringenden nood, die zich spoedig zou voordoen. Een gedeelte van het bedrag werd met andere gelden, die in ons bezit waren, naar China gezonden, en het overige was spoedig noodig, zooals uit het volgende te zien is.

4) In dien tijd woonde de heer George Crombie uit Aberdeen bij ons. Hij en mej. Skinner, zijne toekomstige vrouw, beoefenden tot voorbereiding voor het zendingswerk in China de studie der taal. Met geheele zelfovergave aan elkander verbonden, waren zij sedert 4 of meer jaren verloofd en zouden over ongeveer 5 of G weken wettig verbonden worden. De voorbereidingen

-ocr page 108-

94

voor hun huwelijk waren reeds ver gevorderd, toen hunne gezamenlijke afreis naar China eene onvoorziene hinderpaal ontmoette.

Het stoomschip «Korea», waarmede Barchet en zijn geleider vertrokken was, kwam tot in de golf van Biskaya, toen het in de nabijheid van een schip kwam, dat eene kostbare lading inhield en door zijne bemanning in eenen heftigen storm was verlaten. De kapitein nam dezen buit in bezit, die eenige duizenden ponden waard was, en die nu het eigendom van de reeders en manschappen der «Korea» werd, en omkeerend, sleepte hij het schip in de haven van Plymouth. Het stoomschip werd eenige dagen opgehouden, gedurende welke de Heer ons geloof door eene sterke verzoeking zwaar op de proef stelde. De heer Marshall en schrijver dezes, die naar Plymouth waren gekomen, brachten namelijk de smartelijkte tijding, dat br. Barchets geleider besloten was, niet naar China te gaan. Hij had, voordat hij Glasgow verliet, eene zware koude gevat, had veel door zeeziekte geleden en was zeer ziek, toen zij Plymouth bereikten. Verzwakt naar lichaam en ziel, gevoelde hij zich ongeschikt, om weder naar China te vertrekken.

Yele omstandigheden kwamen te zamen, om voor ons het terugtrekken van onzen broeder bijzonder smartelijk te maken. Na vele maanden van studie had hij aanmerkelijke vorderingen in de taal gemaakt. China\'s nood, zoo gevoelden wij, was zeer groot, «de oogst groot, maar de arbeiders weinige.» De vrije overtocht, die ons zoo edelmoedig toegestaan was, scheen verloren ; ook schenen de zaken, die voor zijne uitrusting met groote onkosten aangeschaft waren, voor het oogenblik nutteloos. En meer dan dat alles vreesden wij onteering der zaak van onzen God en ontmoediging voor de vrienden van het zendingswerk. Op dit bedenkelijke tijdstip verklaarde zich onze lieve br. Crombie op edele wijze bereid, om de leegte aan te vullen, en dit niet slechts met de toestemming zijner bruid, maar hartelijk door haar

-ocr page 109-

95

aangemoedigd. «Ga», zeide zij, «en toon. dat gij de zaak Gods meer lief hebt dan mij!» Na twee uur van ernstig gebed besloot hij kalm het offer te brengen ^ en reisde den volgenden morgen met den eersten sneltrein naar Plymouth. 16 uur na de ontvangst van het telegram, dat ons de terugkeer van des heeren Barchets begeleider meldde, was de heer Crombie reeds op weg, om zijne plaats in te nemen, wanneer men de toestemming van den kapitein en de reeders bekomen kon. Hij kwam kwart vóór vijven des namiddags in Plymouth aan. De toestemming van den kapitein was in dien tusschentijd voorwaardelijk gegeven, en de vriendelijke toestemming van de reeders bereikte ons ongeveer één uur na de aankomst van den heer Crombie. Eenige weinige noodige zaken werden haastig aangekocht. Wij zagen onzen trouwen broeder aan boord, vereenigden ons in het gebed met hem en br. Barchet, en een half uur na middernacht verlieten wij hen reeds op hune reis naar China.

Tot aan de Kaap de Goede Hoop werden zij begunstigd door eene gelukkige vaart. Zij liepen de Tafelbaai binnen om kolen in te nemen, maar omdat zij ze daar niet vonden, besloot de kapitein Donderdag \'s avonds den 16dea Mei, de stoomboot in de Simonsbaai te brengen. Toen zij de Tafelbaai verlieten, hadden zij zeer ruw weder, maar door Gods goedheid werden zij voor elk gevaar behoed. De storm, die aan den avond begon toen zij afvoeren, nam gedurende den nacht in hevigheid toe en woedde den volgenden dag met vreeselijke kracht. Des Woensdags om 10 uur \'s morgens waren 25 zeeschepen en ongeveer 80 kleinere vaartuigen in de Tafelbaai. Om 3 uur \'s avonds waren 18 der zeeschepen en alle kleinere vaartuigen gestrand of vergaan.... Gedurende dezen vreeselijken dag gingen 80—90 menschenlevens in de Tafelbaai verloren; maar onze vrienden waren in de Simonsbaai voor alle averij bewaard gebleven. Niet te vergeefs waren door vele kinderen Gods gebeden voor hun behoud omhoog ge-

-ocr page 110-

96

zouden; — zij waren niet onnoodig geweest, — zij bleven niet onbeantwoord.

Den volgenden Zondag gingen onze vrienden aan wal en werden door een der zendelingen van Simonsstad vriendelijk gehuisvest en gevoed. Zij hadden gelegenheid om te prediken; en na de avondgodsdienst verzocht eene dame eene beurs aan te nemen, die 4 pond sterling (ca. 48 gulden) inhield. Zij waren door dit bewijs van Christelijke liefde verkwikt en bemoedigd te gelijk; maar zij wisten niet, dat het zou blijken, hoe deze hulp ter rechter tijd gekomen was. toen zij in Hongkong aangekomen waren, welke haven zij op den bepaalden tijd bereikten. Een hunner eerste vragen was naar brieven, maar tot hunne teleurstelling vonden zij die niet. Door verscheidene persouen en door twee of drie op elkander volgende poststoomschepen waren hun brieven (in sommige waarvan een wissel was), gezonden geworden; maar vreemd, niet een daarvan bereikte op tijd zijn doel, ofschoon alle eindelijk in orde aankwamen. Zij hadden dus al hun geld dringend noodig (ook de 48 gulden van Simonsstad); en het was juist genoeg, om hunuen overtocht te betalen op een Hamburger schip, dat direct naar Ningpo voer. Zij kwamen daar den 24sten Juni aan en vonden andere brieven en wissels, die zij reeds verwachtten.

Zoo eindigde eene reis, die van het begin tot het einde belangrijk was door de genadebewijzen der Voorzienigheid.

5) Wij moeten nu onze lezers naar den dag terugbrengen, dat onze twee broeders van Plymouth afvoeren. In zijne hut aan boord der «Korea» verzocht zendeling Crombie schrijver dezes, de afreis van mej. Skinner (zijne bruid) zooveel mogelijk te bespoedigen, waardoor de smartelijke scheiding niet zonder noodzakelijkheid zou verlengd worden. Hij ontving de verzekering, dat het van de zijde des schrijvers aan geene moeite zou ont-

-ocr page 111-

97

breken; maar hij werd ook daaraan herinnerd, dat wij geen 12 gulden in handen hadden, tegenover de 900 of 960 gulden 1) die waarschijnlijk voor hare uitrusting en overtocht vereischt zouden zijn. Wij knielden in zijne hut neder en baden Hem, die deuren opent en niemand sluit ze, die ze sluit en niemand opent ze 7 om de noodige middelen en een geschikt geleide op hare reis te verschaffen. In zijnen brief uit Teneriffe schreef br. Crombie geen regel over zijne bruid, daar hij verwachtte en geloofde, dat zijn gebed beantwoord was. En hij vergiste zich niet; want den 26stenApril, juist 14 dagen na br. Crombie\'s vertrek, ging mej. Skinner naar China met den «Prins Alfred»; haar overtocht en uitrusting was geheel van dien God, die gebeden verhoort, door de hulp van zijn geloovig volk geschonken. Zij ging ook onder geleide van een zendeling en zijne echtgenoote en met een schip, waarvan de kapitein en de eerste officier beide Christenen waren. Na eene aangename en nuttige reis bereikte zij veilig het doel harer bestemming en werd spoedig met br. Crombie echtelijk verbonden.

3

Toen mej. Skinner vertrokken was, was hot gebed om vijf arbeiders voor het werk in Ningpo, en de provincie Tscheh-kiang, dat wij het eerst in het jaar 1859 tot den Heer hadden opgezonden, ten volle verhoord; en toen wij in het jaar 1865 verder gingen en van den Heer nog 24 arbeiders voor de provinciën in het binnenland afbaden, betraden wij geen nieuw en onbeproefd pad. Dezelfde God, die deze vijf arbeiders had verwekt,

1) De onkosten zijn nu veel minder. Wij gebruiken tegenwoonJig ongeveer 660 gulden voor de uitrusting en den overtocht naar China.

7

-ocr page 112-

98

kon ook andere aangorden om hen te volgen, en het werk tot iedere provincie van het binnenland van China uitbreiden. Wij geloofden, dat Hg gewillige en geschikte menschen voor ieder gedeelte van den dienst kon en wilde verwekken. Alles, wat wij ons voornamen te doen, was ons op Zijne trouw te verlaten, die ons tot Zijnen dienst geroepen had, en in gehoorzaamheid aan Zijne roepstem en in vertrouwen op Zijne macht den kring van ons werk uit te breiden, tot verheerlijking van Zijnen naam, die alleen wonderen doet.

Wij hadden onzen blik nu voorwaarts te richten op het uitgaan van eene schaar van aanvankelijk 16—17, en schatten, dat tusschen de 18 en 24,000 Gulden noodig waren voor de uitrusting, de overtocht en de eerste uitgaven daarginds. Ik schreef een klein vlugschrift, dat ik «gelegenheids-correspondentieblad No. 1» noemde, (omdat ik van plan was, de gevers en vrienden in opelkandervolgende verdere nummers, berichten van den arbeid te geven , die waarschijnlijk ons vanuit China zouden gezonden worden), en ik verklaarde in ieder correspondentieblad, hoeveel noodig zou zijn, om die onderneming te beginnen. Ik verwachtte, dat God de harten van verscheidene lezers zou bewegen om bijdragen te zenden. Wij hadden het besluit genomen, niemand persoonlijk om gaven te vragen, inzamelingen te houden of bijdragen-boeken uit te geven. Zendingsboekjes schenen ons niet gevaarlijk, en wij hielden eenigen gereed voor degenen, die ze mochten verlangen; wij zijn nog steeds daarbij gebleven, ons daarvan te bedienen. Den 6den Februari 1866 zond ik mijn handschrift van dit «gelegenheids-correspondentieblad No. 1» met eene teekening van den omslag naar den drukker. Door oponthoud bij het vervaardigen van de houtsnede en bij het afdrukken, was het reeds de 12de Maart, toen de pakken met het kleine geschrift aan mijn huis werden afgeleverd. Den 6den Februari werd eene dagelijksche gebedsvereeniging van 12—1 uur be-

-ocr page 113-

gonnen, die ten doel had, om de noodige gelden te bidden. En dat geschiedde niet te vergeefs^ zooals het volgende uittreksel uit het «gelegenheids-correspondentieblad No. 2» toonen zal:

De inkomsten bedroegen voor 1864 f 632.40; van Jan. tot Juni (1865) f 2706.—, behalve twee vrijbilletten (voor de overtocht naar China); van Jan. tot Dec. (1865) f 11,304.00. Van 30 Dec. (1865) tot 6 Febr. 1860 hadden wij f 2,085.60 ontvangen. Wij gevoelden ons zeer bemoedigd door de ontvangst in weinig meer dan ééne maand van zooveel geld, dat zonder vragen van onze zijde ingekomen was, — behalve dat wij den Heer gebeden hadden. Maar het was ook duidelijk, dat wij den Heer moesten bidden, nog grootere dingen voor ons te doen, anders zou het voor een reisgezelschap van 10—16 personen onmogelijk zijn, in het midden van Mei af te reizen. Van dien tijd af werden dagelijks vereenigde gebeden tot God opgezonden voor de gelden, die voor de uitrusting en overtocht van zoo velen noodig waren, als Hij in Mei uitzenden wilde. Door oponthoud bij het graveeren der houtsnede en bij het drukken van «het gelegenheidscorrespondentieblad» was het voor de uitgave eerst den 12den Maart gereed. Op dezen dag zag ik weder eens mijn zendings-kasboek na, en de vergelijking van de ontvangsten in twee geheel gelijke tijdruimten ieder van ééne maand en zes dagen, waarvan de eene vóór en de andere na het begin van het bijzondere bidden om de 20 a 25 duizend gulden viel, trof mijn hart zeer:

Ingekomen van:

f 2,085.60

. /• 21,716.40

2,448.—

30 Jan. tot 6 Febr.

Ingekomen van;

6 Febr. tot 12 Maart, . , . aangekondigde bedragen, die daar-

na inkwamen......

- 24,164.40

-ocr page 114-

100

Dit gescliiedde, zooals men wel moge opmerken, voordat het correspondentieblad verzonden werd, en was dus geen gevolg daarvan. Het was het antwoord van eenen trouwen God op het vereenigde gebed dergenen, die Hij had geroepen, Hem in het dierbare Evangelie van Zijnen Zoon te dienen. Wij kunnen nu met deze twee tijdvakken een derde van dezelfde tijdruimte vergelijken.

Van 12 Maart tot 18 April bedroegen de inkomsten/quot;0,474.—. hetgeen bewijst, dat als God in den bijzonderen nooddruft voorzien heeft, de bijzondere aanvoer ook ophoudt.

In waarheid, Hij is een levende God, en Hij verhoort en beantwoordt de gebeden.

Dit genadige antwoord op ons gebed maakte het wel een weinig moeielijk, het «gelegenheids-correspondentieblad No. 1» te doen uitgeven, daar dat nog als eene behoefte voorstelde, waarvoor nu reeds was gezorgd. Die moeilijkheid werd uit den weg geruimd door bijvoeging van een kleurig naschrift, dat mededeelde, dat de gelden voor de uitrusting en don overtocht reeds voorhanden waren, als antwoord op ons gebed. Wij werden aan de verlegenheid van Mozes herinnerd, — die niet zeer gewoon is in onze dagen — en aan de bekendmaking, die hij door de legerplaats heen het volk te zenden had, dat zij niet meer voor den bouw van den tabernakel ter beschikking mochten stellen, daar reeds te veel voorhanden was. Wij zijn overtuigd, dat wanneer wij minder baden om geld en meer vertrouwden op de macht des Heiligen Geestes en men dieper doordrong in het geestelijke leven , de ervaring van Mozes zeer gewoon zijn zoude in iederen tak van Christelijke werkzaamheid.

. Met de voorbereidingen voor de reis naar China werd dadelijk begonnen. Omstreeks dien tijd werd mij gevraagd, eene voordracht over China te houden in een dorp, dat niet zeer ver van Londen verwijderd was. Ik stemde toe onder de voorwaarde, dat geene

-ocr page 115-

101

collecte zou gehouden worden, en dat dat op de uitnoodigings-biljetten vermeld zou worden. De heer, die mij aanzocht, en die op vriendelijke wijze op zich nam de vergadering te presideeren, zeide, dat hem nog nimmer zulk eene voorwaarde was gesteld.

Hij nam die echter aan, en de aanplakbiljetten werden dienovereenkomstig voor den 2den of 3den Mei uitgegeven. Met behulp eener groote kaart, maakte ik iets van de uitgebreidheid, de bevolking en den grooten geestelijken nood van China duidelijk, dat op menigeen oogenschijnlijk eeneu diepen indruk maakte. Aan het einde der bijeenkomst zeide de voorzitter, dat op mijn verzoek op de aanplakbiljetten vermeld was geworden, dat geene collecte zou gehouden worden; maar hot was hem, alsof menigeen der aanwezigen ongelukkig en bezwaard zou zijn, wanneer zij geene gelegenheid hadden, iets voor het goede werk bij te dragen, waarvan nu was gesproken. Hij vertrouwde ook, dat daar het voorstel geheel van hem uitging en hij er zeker van was, het gevoelen van velen in de vergadering uit te drukken, ik daar niets tegen zou hebben. Ik verzocht echter, dat de beloofde bepalingen gehouden zouden worden, dewijl ik van de gronden, die mij deden besluiten^ geene inzameling te laten houden, daarop wees, dat juist de grond, door onzen vriendelijken voorzitter aangeroerd, voor mij eender sterkste beweegredenen was. er geene te houden. Mijn wensch was niet, dat de aanwezigen door het geven van bijdragen, waartoe zij juist nu onder den invloed van eene aanwezige gemoedsbeweging gedrongen schenen, verlicht zouden worden, maar dat een ieder naar huis zou gaan, beladen met den diepen nood van China, en God vragen, wat hij doen zoude. Wanneer iemand na overleg en gebed overtuigd was, dat het een bedrag in geld is, dat de Heer van Hem eischt, zoo kon dat aan een of ander Zendeling-genootschap, dat in China arbeiders heeft, gegeven worden, of het kon ook aan ons adres in Londen per post ge-

-ocr page 116-

102

zonden worden; misschien was het echter bij velen geen bedrag in geld, dat de Heer eischt, maar persoonlijke overgave voor zijn dienst daarbuiten, of het geven van eenen zoon of eene dochter — dat kostelijker is dan zilver of goud, — voor Zijnen dienst. Ik voegde nog hierbij, dat naar mijne gedachten eene collecte den indruk achterliet, dat «geld» het voornaamste was, waar toch geene geldsom eene enkele menschenziel bekeeren kan. Wat gevorderd wordt, is dat, dat mannen en vrouwen met den Heiligen Geest vervuld, zichzelven voor den dienst overgeven; voor het onderhoud derzulken zou het nooit aan geld ontbreken. Daar mijn wensch zeer bepaald was, zoo gaf de leider vriendelijk toe en sloot de vergadering. Hij zeide mij echter bij het avondeten, dat hg het voor eene dwaling van mijne zijde hield, en dat niettegenstaande alles, wat ik gezegd had, toch eenige weinige personen verscheidene kleine bijdragen aan hem ter hand hadden gesteld.

Den volgenden morgen kwam mijn gastheer een weinig laat aan het ontbijt en vertelde, dat hij geen zeer goeden nacht had gehad. Na het ontbijt vroeg hg mij, in zijne studeerkamer te komen, en terwijl hij mij het bedrag gaf, dat hem denvorigen avond overhandigd was, zeide hij tot mij; «Mijnheer Taylor, ik dacht gisteren avond, dat gij, wat betreft de collecte, ongelijk had; ik ben echter nu overtuigd, dat gij geheel gelijk hebt. Toen ik in den vorigen nacht aan die menigte zielen in China dacht, die altijd nog in het donker voortgaan, toen kon ik slechts uitroepen, zooals gij zeidet: «Heer, wat wilt gij dat ik doen zal?» Ik denk, dat ik de aanwijzing heb gekregen, die ik zocht, en hier is zij.» Hij overhandigde mij een wissel van f 6,000 terwijl hij er bijvoegde, dat, wanneer eene inzameling ware gehouden, hij slechts een paar pond (stukken van /quot;12) daarvoor gegeven zou hebben; maar nu was deze wissel een gevolg daarvan, dat hij een niet gering deel van den nacht

-ocr page 117-

103

in gebed had doorgebracht. Ik behoefde nauwelijks to zeggen, hoe verrast en dankbaar ik voor die gift was. Ik had bij het ontbijt eenen brief van de scheeps-agenten Killick, Martin amp; Co. gekregen, waarin zij mij zeiden, dat zij de geheele ruimte voor passagiers van het schip «Lammermoor» tot onze beschikking konden stellen.

Ik ging dadelijk naar het schip, vond het in ieder opzicht geschikt en gaf den wissel in betaling. Zooals ik reeds zeide, waren de noodige gelden voor de reis sedert eenigen tijd voorhanden; maar het aanbieden van de scheepsgelegenheid en deze rijke gift — Gods «onmetelijke rijkdom» — op denzelfden tijd moedigde mijn hart zeer aan. Den 25sten Mei zeilden wij met het schip «Lammermoor» naar China uit, een reisgezelschap van 17 personen (buiten mijne vier kinderen) en zoo kwam «de Zending in de Binnenlanden van China» in volle werking.

4

Twee dagen later schreef onze vriend, de Heer Berger, die, zooals reeds gezegd is, den arbeid in het Vaderland voor dit werk op zich genomen had, zijnen eersten brief aan de vrienden der zending, die in het «Correspondentieblad No. openbaar gemaakt werd. Hij kon zijne onwaardeerbare diensten aan het werk wijden tot 19 Maart 1872, toen hem zijne eigene zwakheid en die zijner vrouw en de altijd grooter wordende bemoeiingen voor het werk noodzaakten, om zich terug te trekken. Aan deze zes jaren van onafgebrokene harmonische gemeenschap kunnen wij nooit terug denken zonder een gevoel van de innigste dankbaarheid. Daar ik toen juist in Engeland was, zoo kon ik hem aflossen; ik

-ocr page 118-

104

maakte het huis Pyrland-Eoad No. 6 1) tot hoofdkwartier der Zending en vatte de Zaterdagsche bidstonden in Londen weder op. In dit jaar (1872) bedroeg het aantal zendelingen, (zendelingsvrouwen en alleenstaande vrouwelijke arbeidsters medegeteld) 32, die op 2 7 Stations en Buitenposten onder medewerking van ongeveer 50 inlandsche helpers, arbeidden.

Daar mijn verblijf in Engeland niet al te lang kou worden gerekt en daar geen vriend aanwezig was, die, zooals de heer Berger, in staat zou zijn geweest, om alleen de verantwoordelijkheid voor het werk in hot Vaderland over te nemen, zoo werd de toekomstige inrichting daarvan een gewichtig onderwerp van biddende overweging. Van het eerste begin af was besloten, om nooit oen comité te hebben, maar dat de leiding der Zending steeds in handen van éénen Dircteur of meerdere Directeuren zon zijn. Do heer Berger was, daar hij alleen de verantwoordelijkheid voor het werk in het Vaderland droeg, in staat geweest om onder biddend opzien tot God voor zijne leidingen, aangelegenheden, die zich voordeden, zonder onnoodige vertraging te beslissen. Evenzoo had op mij, toen ik in het arbeidsveld daarbuiten was, eene dergelijke verantwoordelijkheid gerust; maar ik had zoo spoedig als zich omstandigheden van grooter belang voordeden, groote hulp daarin gevonden, mijne broeders in de Zending te zamen te roepen, om de zaken met hen te overwegen , terwijl ik mij hunnen raad en hunne mededeelingen ten nntte maakte. Deze ervaring leidde tot de vorming van eenen «Raad» in het Vaderland, die uit Christelijke vrienden bestond, die zich bereid verklaarden, mij raadgevend ter zijde te staan, wanneer ik in Engeland zou zijn, en in mijne plaats de aangelegenheden in het Vaderland te behandelen, wanneer ik afwezig

1) Dat is nu nog het adres van de «Zending in de Binnenlanden van China.» JJe I\'yrland-Iload (d. w. z. Pyrlandstraaf) ligt in Mildmay, London, N.

-ocr page 119-

105

was; en deze hulp is mij tot heden op vriendelijke wijze verbleven. Bij een later bezoek in Engeland werd de heer Broom-hall werkzaam als Secretaris, en de heer Theodoor Howard, die reeds Voorzitter was van den raad, sloot zich bij mij aan tot het besturen van het werk in het Vaderland.

Om den voortgang van het werk in China aan te toonen, moet ik terugkeeren tot de reis van de « Lammermoor ». \'t Zou niet mogelijk zijn, om de goedheid des Heeren op deze eerste reis der «Zending in de Binnenlanden van China* in al hare bijzonderheden te verhalen. Den 26sten Mei 188G afvarende, hadden wij den 2Ssten Augustus eenen schoonen dag in Anjer, onzeeenige aanlegplaats; de reis was tot hiertoe zeer schoon geweest. De officieren en scheepsbemanning telden 34 man, van welke drie beleden Christenen te zijn, eer zij afvoeren; Gode zij dank, niet minder dan 21 van de anderen beleden Christus gevonden te hebben, eer wij Java bereikten. Hot overige van de reis was even zoo vol gevaar en onheilen, als het eerste gedeelte vrij daarvan was gebleven. In de Casparstraat ontliepen wij ternauwernood eene schipbreuk, en hadden buitendien twee typhonen (hevige stormen) te doorstaan. Bij don tweeden werden de zeilen en masten weggeslagen en het schip vroeselijk onttakeld (van zijn touwwerk beroofd). Velen der verschansingen waren weg, het schip was lek en bevatte veel water, en de meeste der scheepslieden hadden alle hoop, om ons doel te bereiken, opgegeven. Wij dachten echter aan de vele gebeden van de vrienden in het vaderland, en onze hoop rustte op God. En Hij bracht er ons veilig door, zoodat wij den 30steQ September in Shanghai ankerden. Hoe dankbaar gevoelden wij ons allen, toen wij eindelijk China hadden bereikt.

Maar nu eerst zouden de werkelijke moeielijkheden van den arbeid in het binnenland beginnen. Zoo spoedig als slechts konde, braken wij landwaarts op en wel met rivierbooten, dewijl wij hier of daar een klein huis hoopten te huren om eenigen der onzen daar

-ocr page 120-

106

te laten. Maar week op week verliep, en al onze bemoeingen om een huis te vinden, faalden. Het weder werd winterachtig, de booten waren er niet op ingericht om er lang in te wonen, onze inlandsche bedienden waren de ongemakken van het bootsleven moede, en tot aan het tijdstip, waarop wij Hang-tschau bereiken zouden, wenschten ook onze bootslieden naar hunne akkers te gaan; onze bezwaren stegen bijna onafgebroken. De hoop, om een klein verblijf te huren, was zoo menigmaal bedrogen, dat er bij aankomst in Hang-tschau, menschelijk gesproken weinig vooruitzicht was, om ons groot gezelschap van 20 Europeanen onder dak te brengen.

In deze verlegenheid bleven de meesten onzer in gebed, terwijl twee van ons in de stad gingen, om te zien wat men doen kon. Tot onze groote vreugde vonden wij een huis, dat een jonge Amerikaan-sche Zendeling had gehuurd te Hang-tschau en dat hij tot onze beschikking gesteld, tot hij, na de voltrekking van zijn huwelijk, zou zijn teruggekeerd. Ofschoon hij reeds binnen eenige dagen te verwachten was, zoo namen wij toch dankbaar die onverwachte hulp aan, en Vrijdag den 29sten November trokken wij \'s avonds nadat het donker geworden was, er in, nadat wij onze booten hadden laten vertrekken. Eeeds den volgenden dag vonden wij een geschikt huis; maar al onze bemoeingen, om met den huisheer tot eene overeenkomst te geraken omtrent den prijs leidden tot niets, wegens zijne buitensporige eischen. De Zondag was ons een dag van vasten en bidden; er werden vele ernstige gebeden in den naam van onzen Heer Jezus opgezonden, opdat öf de huisheer bereid mocht worden, om ons aanbod aan te nemen, boven hetwelk wij geloofden niet te mogen gaan, öf dat zich in onzen uitersten nood eene andere deur mocht openen. De Maandag ging voorbij met vermoeiend zoeken, dat tot niets leidde; maar \'s avonds knoopte de eerste huisheer weder onderhandelingen aan, en gedurende den volgenden nacht werd het huis ons verhuurd voor den door ons bedongen prijs. Woensdagmorgen konden wij bij de vroege

-ocr page 121-

107

morgenschemering, vóór nog de lieden in de stad in beweging waren, in alle stilte erin trekken en bezit van het huis nemen; het was niets te vroeg, want onze goede vriend kwam met zijne vrouw juist dien dag naar huis terug.

Zoo bekwamen wij weder een bepaald antwoord op het gebed, dat in den naam van onzen Heer Jezus Christus was opgezonden. Het is van belang duidelijk te begrijpen, wat onze Heer meent, wanneer Hij ons het recht geeft in Zijnen naam te bidden, want het is iets geheel anders, dan de enkele hoop, dat ons gebed om Jezus\' wil verhoord zal worden. Neemt een zeer eenvoudig voorbeeld. Wanneer iemand tot den bankier van eenen vriend ging en op eigen rekening eene som geld vroeg, zoo zou hij zeker afgewezen worden; wanneer hij echter een wissel toonde, die door zijnen vriend onderteekend was, of hij had eenen credietbrief van zijnen vriend, die hem volmacht gaf in zijnen naam geld te vragen, zoo zou hij wettige aanspraak op voldoening zijner vordering hebben. Iemand, die zulk eene volmacht heeft, zal zeker tot het volle bedrag gelds, hem door zijnen vriend aangewezen, durven heffen; en zoo staat het met de volmacht, die onze Heer Zijne gemeente gegeven heeft, toen Zijn eigen persoonlijke dienst op aarde geëindigd was. Zoo wij in Hem blijven en Zijne woorden in ons blijven, dan mogen wij bidden wat wij willen, en het zal ons geworden. En niets is Hem welgevalliger, dan wanneer Zijne vrienden in Zijnen naam groote bedragen heffen en hunnen mond wijd openen, opdat Hij dien vullen moge. Op deze wijze zijn ons meer deuren geopend geworden, dan wij maar hebben kunnen bezetten, en een immer toenemend getal van arbeiders, zoo inlanders als blanken, is ons reeds geschonken, en wij zien vooruit met hoopvolle verwachting, in denzefden Naam de verkrijging van al onzen toekomstigen nooddruft te vinden, hoe groot die ook worden moge.

-ocr page 122-

108

5

Het laatste hoofdstuk meldde liet betrekken van ons eerste hoofdkwartier te China, te Hang-tschau, in December 186C. De arbeid van de volgende acht jaren was daarop gericht, om van dit middenpunt uit achtereenvolgens in vele vacante plaatsen in de Provinciën Kiang-su en Tscheh-kiang standplaatsen op te richten en zoo in twee van de elf provinciën door te dringen, die ons bijzonder ter harte gingen, toen de zending begonnen werd.

Dit werd ecter niet zonder groote moeielijkheden bereikt. Op sommige plaatsen waren onze pogingen, om een lokaal voor de zending te bekomen, geheel vruchteloos; op andere, zooals in Nankin en Gan-king, werden zij wel eindelijk met goeden uitslag bekroond, maar eerst na langen tijd: terwijl op andere plaatsen, waar het minder moeielijk was, eene geschikte ruimte te huren. onze nood eerst begon, nadat wij die hadden betrokken, toen een oproer volgde en wij voor eenigen tijd — indien niet voor altijd — verdreven werden. quot;Wij moesten nog eerst het rechte verband tusschen den dienst op reis en op het land leeren. De aart der moeielijkheden, met welke wij te strijden hadden, zal men het best uit een of twee voorbeelden leeren kennen.

De stad Xaukin was het eerst door onzen broeder Duncan in September 1867 bezocht. Die stad had toen ongeveer een half millioen inwoners; en zijn hart werd met medelijden vervuld, toen hij die menigten zag, die daarin heen en weder doolden, «als schapen,, die geenen Herder hebben.» Hij besloot dadelijk, voor hen te leven en te werken. De regeeringsambtenaren, die zich uiterlijk gunstig voordeden, gaven in het geheim alle eigenaren van huizen en logementhouders bevel, hem niet op te nemen. Het gelukte hem echter desniettegenstaande van den Priester, die over den Trommeltoren te beschikken had, tegen eene bepaalde som voor zich zeiven — voor zijne bedienden

-ocr page 123-

109

was er nergens bezwaar — vergunning te verkrijgen, dat hij van zonsondergang tot zonsopgang in eene van de bovenste kamers van den toren blijven mocht. Daar het eene plaats voor openlijke bijeenkomsten was, zoo moest hij \'s morgens vroeg zijn bed samenrollen en de kamer verlaten; zijne maaltijden gebruikte hij in eene restauratie, zijne eenige rustplaatsen waren de theewinkels, en den geheelen langen dag bracht hij zijnen tijd door met de verkondiging van het Evangelie en het ver-koopen van traktaatjes.

Nadat onze broeder deze levenswijze langen tijd had voortgezet, kwam de Overheid tot het besluit, dat hij een man was die niemand kwaad deed, en liet toe, kennis met hem te maken. Toen kon hij de helft van een Chineesch huis in een rustig gedeelte der stad huren. Dit huis bestond uit eene groote kamer ééne trap op en eene gelijkvloers. Het aandeel van broeder Duncan was eene zes voet breede strook, van ieder dezer kamers afgenomen, met eene kleine afgescheidene trap naar zijne slaapkamer, die men bepaald slechts met eenig gevaar op en afkon gaan. Ieder geluid in het eene gedeelte van het huis was duidelijk in het andere verstaanbaar; eene omstandigheid, die zeer geschikt was, om zich te gewennen aan de zuivere uitspraak der taal, doch waardoor geenszins alles verkregen werd, wat een jongmensch met eene rustige gemoedsgesteldheid zou gekozen hebben, wanneer hij bepaald eene keus in de zaak had kunnen doen. Broeder Duncan was echter zeer dankbaar, eene woonkamer en boven eene slaapkamer te hebben. De kamer beneden, 20 X G voet groot, maakte hij tot zijn predik-vertrek, terwijl hij eene smalle bank aan iederen kant pLiatste en eenen stoel en tafel aan het einde zette.

Eenige tijd verliep, en al zijne pogingen in Nankin, even als de mijne in Hang-tschau, en die van eenen gezamelijken vriend van ons in Shanghai, om eene manier uit te vinden, hoe

-ocr page 124-

110

wij broeder Duncan geld zouden kunnen zenden, waren te vergeefs. Ik drong er op aan, dat hij zelf zou komen, om meerdere gelden in ontvangst te nemen; maar hij was overtuigd, dat, wanneer hij de stad verliet, de overheid, die nu deed, alsof hij er niet was, zijn terugkeer zou verhinderen; en hij wilde zijne moeielijk verkregen voordeelen niet gaarne weder prijs geven. Hij verlangde eerst het rijk Gods te zoeken en van God te vertrouwen, dat Hij op de eene of andere wijze hulp verschaffen zou.

Ik moet bekennen, dat ik, wat zijn toestand betrof, niet zoo gelukkig was als hij, en het moeilijker vond voor hem te vertrouwen, dan hij het voor zichzelven vond. Toen dus het geld, dat ik voor hem had afgezonden, mij voor de laatste maal werd teruggezonden, was het mij bepaald, alsof hij in nood was; endaar ik geene vertrouwbare bedienden had, door wie ik het zenden kon, zoo begon ik recht ernstig om spoedige hulp in deze omstandigheden te bidden. Onze kleine schaar van zendelingen was in verschillende richtingen verstrooid, maar God schikte het zóó, dat één van hen naar Hang-tschau kwam, om over eene uitbreiding van het werk met mij te spreken; toen hij van broeder Duncan\'s omstandigheden hoorde, verklaarde hij zich bereid, zijne eigene zaken uit te stellen en het geld weg te brengen.

Na een kort gebed gingen wij te zamen op weg, vonden eene bootsman, die naar Nankin wilde varen, werden het met hem eens over den prijs, en in eenen korten tijd zag ik hen met eenen gunstigen wind hunne lange reis van 10—14 dagen ondernemen. Hunne reis ging buitengewoon voorspoedig, tot verwondering van den bootsman, die zijnen passagier, den Zendeling Eudland, de opmerking maakte, dat zijn God de god der winden moest zijn,want in welke richting zich het groote kanaal ook wendde, zij hadden steeds gunstigen wind.Zrj kwamen daardoor veel spoediger voorbij Su-tschou, dan zij verwacht hadden, en gingen ook verder

-ocr page 125-

Ill

goed vooruit, tot halfweg tusschen die stad en Tsching-kiang; toen zij echter de stad Tschang-tschau bereikten, bemerkten zij tol hun leedwezen, dat de oeverdam van het kanaal was doorgebroken en dat het water het lage land in de omgeving overstroomd had, zoodat zij met hunne boot niet verder konden komen. Toen hij nu den bootsman vroeg, wat er gedaan moest worden, zeide hij, dat zij hier een maand zouden te wachten hebben, tot de regeering den kanaaldam weder hersteld had. Zoo lang te wachten, was oogenschijnlijk niet mogelijk. Na onderzoek in de stad bleek, dat er een goed pad door het land liep, waardoor men op de reis naar Nankin vier dagen tijd kon besparen. Een ezel werd gehuurd, de reis volbracht en Nankin vele dagen vroeger bereikt, dan het geval zou geweest zijn, wanneer de dijk niet doorgebroken was geweest.

Maar hoe was het broeder Duncan gegaan ? Hij had zijn werk rustig voortgezet, terwijl zijn christelijke bediende zoo spaarzaam mogelijk trachte huis te houden , tot eindelijk de laatste penning uitgegeven was. Op eenen morgen zeide de bediende na het ontbijt tot hem, dat er voor het middageten niets meer was, en vroeg wat er geschieden moest. «Wat geschieden?» zeide br. Duncan: «wij moeten op den Heer vertrouwen en het goede doen, dan zullen wij in het land wonen en zeker ons voedsel vinden» (Psalm 37 : 3, Engelsche overzetting). Zendeling Duncan nam toen een handvol tractaatjes en boeken op, en was reeds op het punt, zijn dagwerk te beginnen, toen zijn bediende onder vele verontschuldigingen, hem verzocht, vijf dollars, die hij van zijn loon had overgespaard, als een geschenk aan te nemen, terwijl hij zeide, «hij wist, dat hij het niet ter leen zoude aannemen , daar hij er gewetensbezwaar tegen had, om iemand iets schuldig te zijn.» Zendeling Duncan aarzelde en zeide tot hem: «Maar geeft gij het mij, goed beschouwd, toch niet werkelijk ter leen? Wanneer gij tot u zeiven zegt: Het geld van den Hr. Duncan

-ocr page 126-

112

moet eenmaal zeker ik zijne handen komen, en dan zal hij mij het bedrag zonder twijfel terug geven, — dan zoude het toch werkelijk eene leening zijn, en het geld aan te nemen is dan, van voorgeschoten geld leven. Wanneer ik het van u als eene gift aanneem, zal ik het u nimmer teruggeven, wat ook ooit gebeuren moge; uwe belooning zal dan in den Hemel zijn, niet op de aarde.» Op de verzekering van den man, dat hij het geld geheel den Heer wenschte over te geven, nam de zendeling Duncan het aan, en zij leefden verder daarvan.

Weinige menschen verstaan het, verder met hun geld te komen, dan Broeder Duncan; en zijn bediende stond hem daarin trouw ter zijde. Desniettemin kwam ook aan deze geldsom een einde, en opnieuw herhaalde de bediende na het ontbijt zijne vraag: «Wat zullen wij nu doen?» terwijl hij er bijvoegde, dat zijn loon geheel was uitgegeven, en dat hij nu even zoo arm was als zijn heer. Met dezelfde aanmoediging, om op God te vertrouwen en met zijn werk voort te gaan, nam zendeling Duncan zijne boeken op voor zijne tocht van dien dag. In den loop van dien dag kwam echter Broeder Rudland met het geld aan (tot groote vreugde van den bediende), en nadat hij van zijnen toestand had gehoord, zag hij zeer duidelijk in, waarom de kanaaldam had moeten doorbreken, waardoor zijne reis was bespoedigd. Toen het avond werd, keek de bediende de lange straat af; toen hij in de verte zijnen vermoeiden heer langzaam aan zag komen, liep hij hem halverwege de straat te gemoet, terwijl hij zeide: «Het is alles, alles goed; het eten is klaar. De heer Eudland is gekomen en heeft het geld gebracht.» Toen zeide de heer Duncan, terwijl hij zijne hand op den schouder van den man legde: «Zeide ik u niet heden morgen, dat alles goed zou zijn? Het is altijd goed, op den Heer te vertrouwen en het goede te doen; zoo zult gij in het land wonen en zeker zult gij uw voedsel hebben.»

Kort daarop kwam de Zendeling Duncan er toe, een gemakkelijk

-ocr page 127-

113

huis te huren, en had daar wellicht in vrede kunnen blijven, wanneer niet een brand in het huis daarnaast op hem de opmerkzaamheid had gevestigd van de regeeringsambtenaren, die toen op zijnen tweeden huisheer zulk eenen dwang uitoefenden, dat Zendeling Duncan het voor verstandiger hield, zich in zijn bescheiden kwartier terug te trekken ; maanden verliepen er, voordat hij ten laatste wettig dat huis kon krijgen, waarin hij tot aan zijn terugkeer naar Engeland geleefd en gewerkt heeft.

In dit geval was het eindelijk, door veel verdragen en toegeven (toen de regeeringsambtenaren hunnen dwang trachtten uit te oefenen) mogelijk, zonder stoornis of oproer eene fatsoenlijke woning te bekomen. Dat was echter in andere steden niet het geval. In Hu-tschau, Siao-schan, Kin-hwa (in de provincie Tscheh-kiang), in Hwei-tschau en Gan-king (in de provincie Gan-hwui) kreeg men eene woning, maar een oproer volgde daarop. Dit was ook in Yang-tschau het geval. Doch daarvan in het volgende hoofdstuk meer.

G

Tegen het einde van Mei 18G8 bereikte ik, nadat ik ongeveer een maand op ons nieuw-geopend station in Sutschau op bezoek geweest was, Tschin-kiang, een vrijhaven aan de rivier Yang-tse-kiang. De groote beteekenis van deze plaats voor een zendingsstation viel mij terstond in het oog. Zij is het noordelijkste eindpunt van het zuidelijk deel van het groote kanaal, hetwelk van Tschin-Kiang naar Sutschau en van daar naar Hang-tschau loopt; dientengevolge is het handelsverkeer niet de booten der inboorlingen zeer groot. Destijds bedroeg de bevolking ongeveer 150 000 Chineezen en Tartaren. De laatsten, en velen der eersten, woonden in de eigenlijke stad, terwijl

8

-ocr page 128-

114

het grootste deel dor kooplieden in de voorsteden woonde.

In de westelijke voorstad was eene kleine kapel, ook was daar een inlandsch prediker, die in betrekking stond met de Londensche Zending, maar in de eigenlijke stad was geene kapel en de naastbij-wonende Europeesche zendeling was in Shanghai. Ik zocht daarom een huis in de stad te verkrijgen en vond er een onder zekere voorwaarde. De eigenaar verklaarde zich bereid het huis te verhuren, wanneer ik eene aanbeveling van de overheid toonde. Het huurcontract werd den 24sten Juni, na onderhandelingen, die bijna een maand duurden, onderteekend, en mij hot bezit der woning binnen 14 dagen toegezegd. Ik zond aanstonds bericht naar Hang-tschau, en de heer en mevrouw Eudland kwamen om het huis te bewonen, terwijl zij de zendingdrukpers enz. en de inlandsche boekdrukkers meebrachten. De Britsche Consul verzocht voor ons vriendelijk om de bewuste aanbeveling, en de burgemeester beloofde ze, wanneer alles goed ging, binnen eenige dagen. Maaide Tsche-hien (opperbeambte), die om zijn slechte handelwijze tegenover vreemdelingen van Shanghai was overgeplaatst, had besloten, dat alles niet den goeden gang zou gaan. Het eene uitstel na het andere werd in betrekking tot die aanbeveling gezocht.

De familieleden van den huisheer werden intusschen ongerust en brachten het met de overheid zoover, dat, met recht of met onrecht, het huurcontract herroepen werd. De wijze, waarop de zendeling en de Consul hierbij door de list van den opperbeambte beet genomen werden, werd spoedig een onderwerp van gesprek en spot in de theehuizen en restauraties. Toen de famili® Eudland met den inventaris der drukkerij aankwam, was er in Tsching-kiang geen huis meer voor hen, en zij moesten doorreizen tot mij; want ik was onderwijl naar Yang-tschau doorgegaan, eene stad met 360 000 inwoners, ongeveer 15 Engelsche mijlen opwaarts, aan den noordelijken arm van liet groote kanaal. Wij kwamen daar in

-ocr page 129-

115

onze booten den lste:l Juni aan en gingen den 8sten Juni aan land in een hotel in de oude stad. Na een vermoeiend worstelen met allerlei zwarigheden, in korte woorden niet alle te beschrijven, en na vruchtelooze onderhandelingen over ongeveer 30 verschillende huizen, gelukte het ons eindelijk, den 17den Juli, er een te huren, nadat de prefect (stadoverste) ons zijne inwilliging door eene openbare bekendmaking had gegeven. Eenige leden mijner familie betrokken het huis den 20sten van die maand.

Bij den aanvang waren de nieuwsgierigen onder onze buren een weinig onrustig, maar zij veroorzaakten geene bezorgdheid, de meerderheid van het volk was vriendelijk. Maar toen het bericht van onze moeielijkheden in Tsching-kiang bekend werd bij de Litteraten (de geleerden), welke ons met de Eoomsch Katholieken verwisselden, namen zij het besluit, dat zij ons met een klein oproer uit de stad verdrijven zouden. Verontrustende berichten werden in omloop gebracht, en het volk werd wijs gemaakt, dat wij kinderen aten en verschillende deelen van het menschelijk lichaam als toovermiddelen gebruikten. Verscheidene omstandigheden, die juist te dezer tijd samentroffen, droegen er niet weinig toe bij, om het volk in die overtuiging te versterken.

De paters Jezuïten hadden een vondelings-ziekenhuis in Yang-tschau, onder de bestuur van eenen inlandschen helper. Deze man, die twee derden van het geld, dat hem was toevertrouwd, in zijn eigen zak stak, nam voor drie kleine kinderen slechts éc\'ne min; daardoor stierven vele kleinen. Geruchten van van het valsche spel werden spoedig openbaar. De oppasser, die in angst geraakte, beproefde, dwaas genoeg, een der gestorven kinderen heimelijk te begraven, doch het aanhouden van den drager, juist toen hij bezig was het lijkje uit de stad te brengen, scheen der menigte het zekerste bewijs te leveren voor de ernstigste verdenking. De districts-magistraat liet verscheidene lijken, die

-ocr page 130-

11(3

kort te voren begraven waren, weder opgraven en vond ze allen ongeschonden. Dit bedwong voor een oogenblik de onrust, doch daar echter geene openbare mededeeling van de zaak gedaan werd, was de volksmenigte niet tevreden gesteld; en daar men ons met de Eoomschen gelijk rekende, zoo was ons huis verscheidene dagen in staat van beleg, wegens het opgewonden gepeupel. Wij verhinderden slechts daardoor gewelddadigheden, dat wij steeds aan den ingang van onze zendingsgebouwen verbleven en den ganschen dag met het verzamelde volk spraken. Ik schreef twee malen aan den prefect, hem opmerkzaam makende op ons gevaar, maar aangezien hij de geleerden niet wenschte te beleedigen, zoo liet hij niets ten onzen gunste bekend maken. Hij gaf echter in stilte aan het volk te kennen, dat wij geene Eoomschen waren en dus met hunne inrichting niets hadden uitstaan. Zoo ging de opgewondenheid weer voorbij.

Zaterdagmorgen, den 22sten Augustus, hielden wij van 6 tot 7 uur \'s morgens een dankstonde, om God voor de gegevene verlossing te prijzen. Juist toen wij deze sloten, kwamen twee vertegenwoordigers van vreemde mogendheden in Tsching-kiang aan, om ons te bezoeken. Zij waren gekomen om de oude stad te zien (waarvan Marko Polo eens gouverneur was) en eenige harer schoone tempels en tuinen te bewonderen. Zij vonden de stad rustig en keerden na eenige uren terug. Spoedig echter verspreidde zich het gerucht, dat nog meer vreemden gekomen waren en dat men 24 kinderen miste. Ik werd met het gevaar eerst in kennis gesteld tegen 4 uren des namiddags, toen een der bedienden in huis kwam loopen en mij verzocht dadelijk buiten te komen, daar zoowel de binnen- als de Iniitenjioort was opengebroken en zich reeds eene menschenmassa in het zendingsterrein bevond. Ik zag dat het zoo was. Het gelukte mij echter dit weder te doen ontruimen en, even als te voren, twee van ons aan het einde van den langen gang, die naar het huis leidde, op te stellen, terwijl

-ocr page 131-

117

de poort door timmerlieden, die toen juist in het zendingsterrein arbeidden, hersteld werd. Iets later begonnen de lieden degenen, die aan de deur zaten, te bewerpen, hetgeen zij te voren, niet beproefd hadden; toen het donker werd, werden zij nog meer opgewonden in plaats van huiswaarts te keeren. Wij zonden in dien tusschentijd boden naar de prefecten, maar er kwam geene hulp. De aanval werd nu algemeener; eenige ramen van de bovenkamers werden ingeworpen, een deel van den achtersten tuinmuur werd omgehaald, en het was duidelijk, dat wij het volk niet lang meer buiten zouden kunnen houden. Zendeling Duncan (die met Br. Eeid van Nankin gekomen was om met mij te beraadslagen) besloot met mij eene poging te wagen, om door het gepeupel heen naar de prefecten te komen, daar er thans geene hoop was, dat chineesche boden hen bereiken zouden.

Terwijl wij ons in de hoede van onzen Hemelschen Vader bevalen en om de noodige genade baden, wanneer een gewelddadige dood ons wachtte (wij hadden te voren reeds degenen, die wij achterlieten, in de hoede des Heeren bevolen),, beproefden wij buiten te komen. Wij zagen dadelijk, dat het onmogelijk was om door het gepeupel heen, vóór uit het huis te komen, want het volk had ook de portierskamers aan den ingang bezet. Toen wij dus door een naburig huis gingen, gelukte het ons voor een oogenblik de oproerlingen aan de poort te ontkomen. Maar wij waren nog niet ver weg, toen wij herkend werden en de uitroep gehoord werd: «De vreemde duivels vluchten!» Gelukkig wist ik een binnenweg, die door ettelijke velden leidde. Dien sloegen wij in en ontkwamen zoo den meesten vervolgers, terwijl onze snellere gang den afstand tusschen ons en hen, die ons volgden, altijd grooter maakte en de dikke duisternis ons zeer begunstigde.

Het pad, dat wij gekozen hadden, bracht velen van het volk op een dwaalspoor; zij dachten, dat wij naar de Oostpoort vluchtten, om buiten de stad te komen, en liepen tengevolge daarvan langs een

-ocr page 132-

118

naderen weg daarheen, om ons op te vangen. Dit alles was eene vriendelijke leiding der Voorzienigheid, daar het ons eenige minuten voordeel gaf in eenen tijd, waarin ieder oogenblik kostbaar was. Maar toen wij ons op de hoofdstraat bevonden, werden wij met steenen geworpen, en achter ons verzamelde zich eene volksmenigte, die bij iedere schrede aanwies. Door onzen snelleren gang bleef er nog eene duidelijke tusschenruimte tusschen ons en hen, doch wij waren bijna uitgeput, en onze beenen zoo door de steenen en dakpannen gewond, dat wij bij bijna niet meer verder konden, toen wij de poort van het ambtshuis bereikten. Waren wij niet door de duisternis gedekt geworden, zoo zouden wij het ternauwernood levend bereikt hebben.

De deurwachters, door het geschreeuw van het volk achter ons gewaarschuwd, waren juist voornemens de poort te sluiten, toen wij aankwamen. De menigte was ons op de hielen, maar de poort, die nog niet gegrendeld was, kon opengeduwd worden en wij ijlden de ontvangzaal binnen. Zoo de poort gegrendeld geweest ware, zou zij voor ons niet geopend zijn en het woedend gepeupel zou ons in stukken gescheurd hebben. Toen wij eenmaal binnen het ambtshuis waren, spoedden wij ons naar de rechtszaal en riepen: «Kiu-ming, kiu-ming» (d. i. red het leven, red het leven), op welken uitroep een chineesch mandarijn verplicht is, te ieder uur van dag of nacht te verschijnen.

Men liet ons ongeveer 3 kwartier wachten, eer wij een gehoor bij den prefect bekwamen, terwijl wij al dien tijd het geschreeuw van het gepeupel, een engelsche mijl of meer verwijderd, hoorden, dat, voor zoover wij wisten, niet slechts het eigendom, maar wellicht ook het leven dergenen, die ons zoo dierbaar waren, ging vernietigen. Toen wij nu eindelijk audientie kregen, was het ons bijna te veel, met een rustig gemoed te verdragen, dat ons gevraagd werd; wat wij werkelijk met de kinderen deden; of het waar was, dat wij ze verkocht hadden en hoeveel wel; waar-

-ocr page 133-

119

door toch dit oproer ontstaan was, enz. Eindelijk zeide ik zijne Excellentie, dat de wezenlijke oorzaak van het oproer gelegen was in zijn verzuim van het nemen van geschikte maatregelen ter rechter tijd, toen de zaak nog klein was en gemakkelijk te onderdrukken. Thans moest ik hem dringend verzoeken, om toch stappen te doen tot onderdrukking van het oproer en tot redding van diegenen onzer vrienden, die nog in leven waren, dan kon hij daarna vragen stellen, zoo hij wilde; anders stelde ik hem verantwoordelijk voor de gevolgen. «Ach», zeide hij, «volkomen waar, volkomen waar. Eerst het volk rustig doen zijn en dan onderzoeken. Blijft gij hier stil zitten, ik ga zien wat geschieden kan.»

Hij ging, terwijl hij ons beval te blijven; daar de eenige mogelijkheid, dat hij iets doen kon, daarvan afhing, dat wij buiten \'t gezicht bleven, want thans bedroeg het getal der oproerlingen 8—10.000 (de inboorlingen schatten het op 20.000).

Wij werden twee uren ten prooi van de angstigste spanning gehouden , tot de prefect met den komniandanten der militaire macht der stad (3000 man) aankwam en zeide, dat alles thans rustig was; dat zij en de beide districtshoofden der stad op de plaats des onheils geweest waren, dat verscheidene der plunderaars gevangen genomen waren, en gestraft zouden worden Hij liet toen voor ons eene draagstoel komen en wij keerden onder gewapende bedekking terug.

Op weg naar huis zeide men ons, dat alle vreemden, die wij in huis hadden achter gelaten, gedood waren. Wij moesten God bidden om sterkte, hoewel wij hoopten, dat het bericht mocht blijken overdreven of onwaar te zijn.

Toen wij het huis bereikten, was de aanblik onbeschrijfelijk. Hier toonde een hoop verbrand riet, hoe men beproefd had het huis in brand te steken; daar waren de puinhoopen van eenen omgehaalden muur te zien; en overal verstrooid lagen de over-

-ocr page 134-

120

blijfselen van kisten en huisraad, verstrooide geschriften en brieven, opengebroken werkkasten, schrijfgereedschap, heelkundige verband- en instrumentkisten, rookende overblijfselen van kostbare boeken enz. enz., maar van de bewoners daar binnen geen spoor.

Het duurde eenigen tijd, eer ik vernam, dat zij ontkomen waren , en toen was het niet gemakkelijk uit te vinden, waar zij zij waren. Eindelijk vond ik ze in het huis van een der buren, onder de zorg van eenen beambte, die ons toestond naar ons huis terug te keeren.

Toen wij weder in ons tamelijk beschadigde huis te zamen waren, dankten wij het eerst den Heer voor het behoud van ons leven en het herstellen van de rust; daarna verleenden wij degenen, die gewond waren, de noodige geneeskundige hulp, en toen lieten wij ons mede deelen, wat in onze afwezigheid geschied was. Onze vrienden, de broeders Kudland en Keid, die in het huis waren achtergebleven, hadden hun best gedaan, het volk terug te houden, tot er hulp komen zoude. Maar terwijl zij de deur naar de zendingshoeve bewaakten, maakte het gepeupel op eene andere plaats achter hunnen rug een gat in den muur, en dwong hen daardoor, zich terug te trekken en zich te plaatsen aan eene andere deur, die tot toegang van het eigenlijke zendings-dingshuis diende. Intusschen brak het gepeupel op twee plaatsen de muren van het huis zelf open en nu was allo wederstand nutteloos.

De vrouwen en kinderen hadden zich intusschen, zooals wij uit het schriftelijk bericht van een der medeaanwezigen zien, op de bovenste verdieping teruggetrokken; en wel in de, aan den tuin gelegene, binnenkamer, daar het in de naar de staat gelegene kamers reeds straat- en tichelsteenen regende. Veel hebben de Zusters hier met den Heer geworsteld om bijstand en bewaring voor zich zei ven, en in het bijzonder voor de beide

-ocr page 135-

121

broeders (Hudson Taylor en Duncan) op hunnen weg naar de Prefecten, eu Hij gaf het haar, onder alle nieuwe uitvallen van de volkswoede, kalm en getroost te blijven.

Daar snelde Zendeling Eudland de trappen op, geheel uitgeput en met vuil bedekt, met het bericht, dat er geen weerstand meer mogelijk was. De trap naar de bovenste verdieping kon door een valluik gesloten worden. Een oogenblik weifelde men, of men dat sluiten en met zware kisten beladen zou, om ten minste de indringenden buiten te houden; maar daarmede had men wellicht den zich nog beneden bevindenden Br. Eeid den eenigen weg om terug te keeren versperd. Er bleef alzoo niets anders over, dan verder in ernstig worstelen met den Heer bijstand en hulp te zoeken. Plotseling riep Zendeling Eeid uit den tuin, met doffe heesche stem, als bijna geheel uitgeput: «Mevrouw Taylor, kom beneden, als gij kunt. Men steekt het huis in brand, en ik kan u niet helpen.» Spoedig werden de lakens en dekens van het bed getrokken. om als touw gebruikt te worden: toen klom Zendeling Eudland op een onder het venster vooruitstekend dak en liet zijne vrouw, eene Chineesche en een der kinderen naar beneden, die door Br. Eeid in allerijl in het pomphuis verborgen werden. Terwijl hij terugkwam, om anderen in zekerheid te brengen, was een groote, sterke, half naakte man de trap op en in de kamer gekomen, waar de achtergeblevenen waren. Mevrouw Taylor ging naar den man toe en vroeg hem, wat hij wenschte: zij waren slechts vrouwen en kinderen, of hij zich niet schaamde hen lastigte vallen. Hij antwoordde, dat zij zich niet behoefden angstig te maken; hij was door de perfecten gezonden; hoeveel geld zij hem geven zouden, om hen in veiligheid te brengen. Het was duidelijk, dat het hem slechts daarom te doen was, om te zien. waar het geld was. Om een klein oponthoud te veroorzaken en den een of ander nog bet vluchten mogelijk te maken, vroeg Mevrouw Taylor naar de kaart van de prefecten. Met heen en weer praten hield zij

-ocr page 136-

122

hem zoo eenige minuten op. Toen echter viel hij de vrouwen aan, en begon in hare zakken naar geld te zoeken, terwijl hij dreigde haar het hoofd af te slaan, wanneer zij hem niet zeiden, waar het overige geld was (gelukkig echter had hij geen wapen bij zich).

Gedurende dezen tijd was het de dienstbode gelukt, met het kleinste kind achter eenen man aan, door het vuur in vrijheid en in veiligheid te geraken, en Zendeling Eudland had weder drie kinderen en eene zendelingsvrouw aan het bedlaken naar beneden kunnen laten, terwijl de groote man onder het voortdurend tegenspreken van Mevrouw Taylor voortging, al het geld en wat geldswaarde had, te verzamelen. Toen zag Br. Eudland, hoe de aanvallersjuist onder hem een nieuwen voorraad brandend materieel hadden opgestapeld en daarmede voor hem. Mevr. Taylor en Mej. Batchley, die alleen nog waren overgebleven, naar het scheen, den eenigen weg tot redding afgesloten hadden. Vóór hem dit nog recht duidelijk werd, kwam de groote man naar hem toe, om hem zijn horloge af te nemen. Br. Eudland deed het zelf af en wierp het in de duisternis naar buiten, in de hoop, dat de groote man het zoeken zou en daardoor hen zou laten gaan. In plaats plaats daarvan echter werd hij zoo woedend, dat hij Br. Eudland van het dak naar beneden zou geworpen hebben, wanneer de vrouwen hem niet vastgehouden en in de kamer getrokken hadden. Nu greep hij in zijne woede een geweldigen tichelsteen, om daarmede Br. Eudland den schedel in te slaan, maar weder grepen hem de beide vrouwen bij den arm en weerden den slag af. Het was een wonder, dat hij de vrouwen niet durfde aan te raken; zichtbaar hield de Heer Zijne hand boven haar. Nu liep hij in het zijvertrek en riep van daar zijn kameraden toe: «Komt naar boven! Komt naar boven.»

Intusschen toonde de steeds dikker wordende rook, dat het vuur om zich greep en eene haastige vlucht noodig was. Maar waarheen? Na eenig overleggen bemerkten zij, dat hetBr. Eeid

-ocr page 137-

123

gelukt was, de brandstof onder het venster, waardoor de anderen ontkomen waren uit den weg te ruimen, (waarbij hij zich wel is waar, dikwijls voor de plunderaars in het donker eener, in de onmiddellijke nabijheid zich bevindende, rotskloof had moeten terugtrekken) ; hij riep nu van beneden af, dat er geen oogenblik te verliezen was; zij moesten oogenblikkelijk naar beneden springen; hij zou hen opvangen. Mevrouw Taylor ging dadelijk naar den hoek van het dak en sprong eene hoogte van 12—15 voet af; zij viel, niettegenstaande Br. Eeids hulp, op zijde en gevoelde dadelijk de hevigste pijn. Maar de beide anderen moesten nog eerst geholpen worden. Mej. Batchley was de tweede, die zich naar beneden liet vallen. Op hetzelfde oogenblik trof een stuk tichelsteen Br. Eeid in het oog, en maakte hem gedurende eenigen tijd geheel blind en bijna bewusteloos. Daardoor kon hij Juffr. Batchley niet aangrijpen, en zoo viel deze ongelukkig op haren rug, zoodat zij een oogenblik geloofde, haar verstand te verliezen, of zelfs te sterven. Maar den ernst van den toestand beseffende, stond zij drie of vier malen op en sleepte zich steeds een eindje verder, tot zij eindelijk zich op de been kon houden. Intusschen was Br. Eudland ongedeerd beneden gekomen en had het eerst Mevr. Taylor voortgeholpen. Een man was intusschen met eene knots op hem aangedrongen, doch hij was door eene gelukkige wending slechts licht daardoor gekwetst. Br. Eeid, die door den worp bijna bedwelmd was en buiten zich zelf van pijn, moest nu uit den regen van tichelsteenen gehaald worden. Zoo gelukte het eindelijk die vier, zich ongemerkt in eene der vele hoeken van de zendingshoeve te verzamelen, daarheen ook de in het pomphuis verborgenen te halen, en met hen langs allerlei omwegen een buurmanshuis te bereiken, waar zij zich eenigermate veilig konden gevoelen voor de woede van het gepeupel.

In de kamer, die het meest verborgen was, zaten zij in het donker: Zendeling Eeid, Mevr. Taylor en Mej. Batchley in de grootste

-ocr page 138-

124

pijnen, de kinderen door overspanning buiten staat te slapen: allen in den grootsten angst omtrent de broeders Taylor en Duncan op hunnen ge vaar vollen weg. Een hunner inlandsche onderwijzers had zich intuschen bij hen gevoegd, en bracht van tijd tot tijd bericht van wat daarbuiten voorviel. Zij hoorden, dat de buren het vuur uit angst voor hunne huizen gebluscht hadden; dat de\' prefect met de soldaten gekomen was, en dat die de plunderaars teruggedreven hadden; ja! dat de overheid, die van de verblijfplaats der vluchtelingen had gehoord, het huis, waarin zij waren, liet bewaken. Eindelijk zeide men ook, dat Hudson Taylor en Duncan gekomen waren, en niet lang daarna hoorde men hunne stem. Welk eene vreugde dat was voor de in zoo groote spanning wachtenden, is volstrekt niet te beschrijven.

«Middernacht was nu reeds voorbij,» zoo vertelde ons Hudson Taylor verder; «de dierbare kinderen werden naar bed gebracht, de gewonden verbonden, en wij allen genoten van eenige uren slaaps, terwijl de krijgswacht tot den morgen het huis bewaakte. Toen echter bleek het, dat hunne aflossing nog niet raadzaam was. Het volk begon weder zich te verzamelen, en weder brachten wij vier of vijf uur in de angstigste spanning door. Zendeling Eeid was geheel hulpeloos, mijne vrouw, Mej. Batchey en Zendeling Kudland ernstig gewond, en anderen waren zoo stijf en toegetakeld, en daarbij zoo uitgeput, dat slechts de grootste nood ons er toe had kunnen brengen, om de plaats te verlaten. Aan al de openingen in den muur, die de oproerlingen hadden gemaakt, moest noodzakelijk wat worden gedaan. De geheele zendingshoeve weder af te sluiten, scheen voor het eerste oogenblik onmogelijk. Daarom moest men beproeven, of men den binnensten vierhoek van het gebouw niet behouden kon. Intusschen hadden eenige mannen de planken, waarmede de laatst gemaakte openingen aan het hoofdgebouw voorloopig waren dichtgemaakt, uit den weg geruimd, en waren naar binnen gedrongen in de hoop, meer

-ocr page 139-

125

buit te kunnen maken. Wij brachten hen er echter toe, naar buiten te gaan, en terwijl wij die openingen nog eens afsloten, beval ik alles in de zorg van Gods trouwverbond aan. Toen wij de voorzijde van het gebouw hadden bereikt en rustig door de volksmenigte heengekomen waren, beklom ik een gebroken stoel en sprak tot het volk aan op een toon, van niet teruggehouden verwijt Ik zeide hen, dat wij een gezelschap vreemden waren, die van zeer ver tot hen waren gekomen, om hun welzijn te zoeken. Indien wij booze voornemens hadden, zouden wij dan wel zonder wapens zijn gekomen? Zouden wij in zulk een klein getal zijn verschenen? Zouden wij vrouwen en kinderen ook onder u gebracht hebben? En toch hebt gij zonder eenige uitdaging van onze zijde in den vorigen nacht onze woningen opengebroken, onze eigendommen geplunderd; onze personen gewond, en getracht de gebouwen in brand te steken. Niet tevreden met dit alles, moest gij u nu weder verzamelen en in uwe roofzucht verder onrecht doen. Ik vroeg hen, of, bij zulk eenen aanval als die van den vorigen avond, zelfs zij zeiven ons niet gerechtvaardigd zouden hebben, als wij ons zeiven verdedigd hadden en zij door ons waren aangevallen. Wij echter hadden integendeel geenen stok opgeheven noch eenen steen op hen geworpen.

«Schaamt gij u niet?» zeide ik, «voor de oogen des Hemels, met zulke\' misdaden voort te gaan ? En nu, wij zijn volkomen ongewapend; wij kunnen geen weerstand bieden, al wilden wij ook, en wij willen het niet al konden wij ook. Wij kwamen om goed te doen en geen kwaad. Wanneer gij ons doodt, zullen wij sterven met de goede bewustheid, dat wij geen menschenoog gewond, nog iemands ledematen gekwetst hebben. Daarbinnen zijn zieken en gewonden, vrouwen en kinderen! Wanneer gij ons mishandelt en doodt, zullen wij ons niet wreken. Maardehooge hemel zal alle onrecht straffen. Onze God, op Wien wij vertrouwen, kan ons wel beschermen en u, wannneer gij ons mis-

-ocr page 140-

12Ü

handelt, met hooge hand straffen.» De menschen om mij heen stonden daar als standbeelden, maar die binnen waren, brachten (uit. de bijgebouwen, die open stonden) buiten en droegen weg, wat zij slechts in handen konden krijgen. Terwijl ik mij de, zooals ik zag, slechts oogenblikkelijke rust ten nutte maakte, kwam ik van den stoel af, en ging zonder lastig gevallen te worden, door het gepeupel heen naar den prefekt. Geen enkele steen werd mij op den weg nageworpen.

Hier wachtte mij weder een lang en zorgvol opouthoud. De prefekt was nog niet opgestaan, had zich nog niet gebaad en nog niet ontbeten. Ik liet hem weten, dat ik van een onderhoud afzag, maar dat de stormachtige gebeurtenissen weder begonnen, ener niemand was, om het gepeupel terug te drijven. Na eenigen tijd werd mij gezegd, dat de prefekt naar den burgemeester had gezonden, en dat hij spoedig hier zou zijn en mij naar huis geleiden.

Er verliep een lange, lange tijd, voordat hij kwam. Hij zeide mij, dat hij eerst naar het huis was gegaan, het gepeupel verstrooid had en toen naar liet rechthuis gekomen was. Hij verzocht mij, dadelijk eenen brief aan den prefekt te schrijven, daarbij echter op te letten, dat ik het gebeurde eene rustverstoring, niet een oproer noemde .... en hem te vragen, dat hij de gevangenen bestraffen en het volk door proclamaties tot rust brengen zou .... Ik beloofde, eenen zeer zachtzinnigen brief te schrijven, en wij keerden te zamen naar huis terug.

Voor degenen, die ik te huis gelaten had, was deze tijd een tijd van buitengwoon angstige spanning geweest; het scheen inderdaad , alsof de kwellingen en gevaren van den nacht slechts nog zouden stijgen. Nu heerschte er geene duisternis, om een vlucht te begunstigen, en de vóór- zoowel als de achterzijde van het huis was door menschen belegerd. Eenige steenen waren reeds door de opene voorzijde van de bovenste verdieping naar binnen-geworpen, maar de Heer hield genadiglijk de menigte tegen.

-ocr page 141-

127

Juist toen het gevaar op het hoogste gestegen was, zond God hulp door do komst van den Burgemeester.

Nadat hij was teruggekeerd, schreef Hudson Taylor een bericht over het voorval aan de prefekten; niettegenstaande den zacht-zinnigen inhoud scheen dit den Burgemeester echter nog te scherp, en op zijn aandringen — hij kon anders, zoo zeide hij, tegenover de volkswoede voor de zekerheid der bewoners van het zendingshuis niet instaan — moest Hudson Taylor een nieuw bericht schrijven, juist volgens zijne aanwijzingen. Maar ook toen scheen het hem nog te onzeker , of hij met zijne macht in staat zoude zijn, de bewoners van het zendigshuis genoeg te beschutten; hij drong er op aan, dat zij zich booten verschaifen en voor eenigen tijd naar Tschin-kiang zouden gaan. «Wij zullen dan langzamerhand het volk tot kalmte brengen en het huis weder herstellen,» zeide hij, «en daarna zullen wij u verzoeken, weder terug te keeren.» \'s Namiddags huurde hij booten en zond de geheele zendingsfamilie naar de zuiderpoort. Den volgenden morgen aanvaardde deze onder mililair geleide hare vaart naar Tschin-kiang.

«Wij waren», zoo gaat Hudson Tayler voort, «nog niet ver op onzen weg gevorderd, toen ons een aantal vrienden uit Tschin-kiang tegemoet kwamen, die tot onze hulp gekomen waren. Aan hun hoofd stond de Heer C. F. E. Allen. de destijds dienstdoende Vice-consul. Toen zij onze droevige omstandigheden zagen, trokken zij verder naar Yang-tschau en namen het tooneel der verwoesting in oogenschouw, hetwelk wij verlaten hadden. Dit bewees eene vriendelijke leiding der Voorzienigheid te zijn, want de Mandarijnen (hooge chineesche ambtenaren) beproefden daarna de aangerichte schade te herstellen en ieder spoor des oproers uit te wisschen, terwijl zij loochenden, dat werkelijk eene ernstige rustverstoring had plaats gevonden. Een medelid der hulpkolonne, wijlen de Heer J. M. Canny, rransch Consul in Tsching-kiang, gaf den meesten van ons ge-

-ocr page 142-

128

zeischap op vriendelijke wijze een onderkomen, tot wij in staat waren, een Imis tot voorloopig gebruik in hetEuropeeschestad-deel te bekomen. Hij zeide mij ook, dat deze aangelegenheid zeker door de Britsche regeering zou worden in aanmerking genomen , daar eerst voor weinige dagen aan den Consul in Shanhai geheime bevelen gegeven waren, om bij de eerste gegronde aanleiding, met een gewapende macht de Yangtsekiang-rivier op te trekken, om de Chineesche regeering bang te maken en de herhaalde overtredingen van het verdrag te doen ophouden, waardoor een krijgsaanval dreigde noodig te worden.

Ten gevolge van deze bevelen, kwam de Consul van Shanghai terstond in een oorlogschip naar Tschin-kiang, nam ons officieel in verhoor omtrent den aard van het oproer en ons verlies, in zoover dit te bepalen was. Hij nam dit feit en de grootere verliezen van eenige handelaars in Tschin-kiang, die veroorzaakt waren door verschillende schendingen van het verdrag, te zamen als redenen aan, om met het oorlogschip «Kinaldo» naar Nan-kin te varen, terwijl hij schadevergoeding eischte, enz. Voor deze wijze van handelen ontving hij later warme waardeering van de Britsche regeering.

Met de zich voorts nog openbaar geworden trouwbreuk van den vice-koning, de beleediging van den Britschen consul, de grootere demonstratie van zes of zeven oorlogschepen in Nanking op bevel van den gezant te Peking, hadden wij oogenschijnlijk niets te doen; evenmin als wij , recht beschouwd, met de eerste stappen iets hadden uitstaan, daar die niet zouden hebben plaats gevonden, ware het niet, dat het geheim bevel uit \'t Vaderland bestaan hadde. Juist tijdens dezen stand van zaken, kwam er in Engeland eene verandering in de regeering; de maatregelen van onze ambtenaren in China, die door het vorige bestuur waren geprezen, werden thans gelaakt; en men beproefde, de schuld en schande geheel te werpen op de ongelukkige zendelingen. Dit wasgeene

-ocr page 143-

129

geringe beproeving, maar wij werden onderwijl in Tang-tschau weder in de vroegere omstandigheden teruggebracht, en de Heer vertroostte ons, door de bekeering van zielen. — — —

En thans nog een woord over de verschillende lessen, welke wij uit deze en andere gebeurtenissen geleerd hebben. De eene was deze: dat men in eene stad door reizende prediking en voorbijgaand bezoek langer bekend moet zijn, eer men huizen huurt en er de vestiging beproeft. Eene andere was deze: nooit veel bagage mee te nemen naar een pas geopend station. Wij zijn overtuigd, dat onze tegenstanders niet in staat zouden zijn geweest, het oproer te verwekken, wanneer niet het wettelooze volk uit den omvang onzer bagage op nog rijkeren buit gehoopt had, dan het werkelijk verkreeg. Eene derde les was deze: den arbeid niet met te veel personen te beginnen, en niet stations, die van elkaar afhankelijk zijn, tegelijk te openen. De ongelukkige afloop in Tschin-Kiang (zie vroeger) bracht het voor dit station bestemde zendingspersoneel, alsmede de zendingsdrukpers en al het materiaal, verder naar Yang-tscbau, waardoor onze bagage meer dan verdubbeld werd. De broeders Duncan en Eeid, die mede bij ons inkwamen, vermeerderden het getal aanwezigen, en het toevallig bezoek van de vreemden uit Tching-Kiang, bleek ten slotte de vonk te zijn, waardoor de ontploffing werd veroorzaakt. De lessen, die wij daar leerden, hebben in lateren tijd goede diensten bewezen, en ons in staat gesteld, om daarna menige stad in verwijderde deelen van China te openen.

Wij zijn thans dankbaar, dat wij deze ondervinding verkregen hebben, en ofschoon ze duur betaald werd, ging hare waarde haren prijs toch te boven. Wij kunnen intusschen slechts betreuren , dat de prijs noodzakelijk was, daar wij duidelijk inzien, dat eene diepere studie der Schrift en eene nauwere aansluiting aan de leer des Heeren en het apostolisch voorbeeld ons de noodzakelijkheid daarvan zou hebben bespaard. Er is in Gods Woord

9

-ocr page 144-

130

geene aanwijzing omtrent het openen van zendingsposten en er is geen voorbeeld van te vinden. De aanwijzing tot evangeliseeren, in de geheele wereld te gaan, om het Evangelie te prediken aan alle creaturen, en de in in het Nieuwe Testament vermelde voorheelden van de methoden der eerste arbeiders, hadden ons van den aanvang af, daartoe moeten leiden, meer, dan wij gedaan hadden, beteekenis te hechten aan het reizend prediken. Men moet, wel is waar, toestemmen, dat zendingsposten tot op eene zekere hoogte noodig zijn; de reizende werkzaamheden der gemeente kan zonder hen niet worden verricht. Toch is het een groot misverstand, plaatselijken arbeid tot /«oo/lMoel te willen maken, instede van ze in eene ondergeschikte plaats als middel tot het doel te beschouwen. Als bewijs daarvoor mag de eene algemeen bekende daadzaak dienen, dat de beste geestelijke arbeid bij alle zendelingen op de eenigszins verwijderde buitenposten gevonden wordt, meer dan op het station, waar de zendeling woont.

-ocr page 145-

IV. Over den voortgang van het werk.

1.

Het eerste tiental jaren van onzen arbeid was niet zonder vrucht. Bij het begin ervan waren elf van de achttien provincies zonder zendeling. In Kiang-Su was Schang-hai, de voornaamste haven, het eenige zendingsstation, en in Tscheh-kian woonden slechts in Ningpo en Hang-tschau zendelingen. Aan het einde van het eerste tiental jaren stonden 52 zendelingen (met inbegrip der vrouwen) in verbinding met de «Zending in de Binnenlanden van China». Het zendingswerk werd verricht op 52 stations en buitenposten, en het getal der inlandsche arbeiders met inbegrip der bijbelvrouwen bedroeg meer dan 70. Gedurende dezen tijd waren ongeveer f 636,000 aan bijdragen ontvangen, en wel zonder dat iemand anders dan God, de Heer daarom gebeden was; ongeveer f 21,000 van deze som was uitgezet met bestemming om te dienen tot uitbreiding van het werk in de nog niet bezette provinciën, terwijl ongeveer /quot;16,200 voor de loopende onkosten van het werk in kas waren. Slechts in twee van de elf provinciën, die zonder zendeling geweest waren, n.1. Gan-hwei en Kiang-si hadden wij den arbeid ondernomen. Onze voornaamste kracht was toen in de steden van Ki-angsu en Tscheh-kiang. Maar ten laatste hadden wij om nieuwe arbeiders en om opening van nieuwe deuren gebeden en het daarop van den Heer verwacht. Achttien personen werden meer bepaald afgebeden, om twee

-ocr page 146-

132

aan twee die negen provinciën in te gaan, en zij werden door God gegeven. Zij kwamen naar China; en toen, waar zij tot uitgaan bereid waren, stegen vele gebeden tot den Heer omhoog, dat Hij, die «den sleutel Davids» in Zijne hand houdt, voor hen in iedere der negen provinciën eene geopende deur geven mocht.

Oogenschijnlijk was \'t, alsof dit gebed niet spoedig verhooring-zou vinden. De moord op den heer Margary (een Engelsch onderdaan) in Yun-nan, dreigde met groote waarschijnlijkheid uit te zullen loopen op eenen nieuwen Engelsch-Chineeschen oorlog. De verhandelingen in Pekin (de Chineesche residentie) mislukten. Sir Thomas Wade (de Engelsche gezant) haalde zijn vlag in en begaf zich naar de kust, om de aangelegenheden in handen, van den admiraal te stellen. Maar het gebed mislukte niet; er kwam eene verandering in de gezindheid der Chineesche regeering. De groote Chineesche staatsman Li-hung-tschang volgde Sir Thomas naar Tsche-fu, en daar werd het verdrag van Tsche-fu gesloten, hetwelk de deuren in Binnen-China wijder ontsloot, dan ooit te voren.

Het is opmerkelijk dat dit juist geschiedde, toen onze broeders gereed stonden, om van de verkregen vrijheid gebruik te maken. Zij maakten zich op, en begonnen in al die negen provinciën als reizende predikers te arbeiden. Ter bekwamer tijd leidde die prediking tot de opening van zeven stations en, Gode zij dank! tot bekeering van honderden der bewoners. Inderdaad, de arbeid werd met zulk gevolg bekroond, dat zich, in den loop van enkele jaren, de geleidelijke versterkingen volkomen ontoereikend werden, en wij wederom er toe geleid werden, om een bepaald aantal arbeiders — ditmaal 70 •— te bidden, die ons in drie jaren gegeven zouden worden. Dit geschiedde op de volgende wijze.

Oorzaken tot gebed waren nimmer ver te zoeken, want Hij,

-ocr page 147-

133

die onze omstandigheden bestuurt, heeft er behagen in, het geschrei Zijner kinderen te hooren. Het geheele jaar 1881 behaagde het den Heer, om ons geloof op de proef te stellen, en het laatste kwartaal van dit jaar was, voorzoo verre de in het vaderland ingekomen bpragen voor de algemeene kas in rekening komen, wellicht het aan beproeving rijkste kwartaal, dat wij ooit gekend hebben. Maar God verwekte vrienden in China, die, zonder iets van onzen bij zonderen nood te weten, het kanaal tot hulp werden. Hij deed ons hart van vreugde zingen, toen hij ons op nieuw leerde verstaan, dat wij moesten voortgaan met op Hem en niet op de vrienden in Engeland te zien.

In November 1881 kwamen een aantal der onzen tot eene conferentie in Wu-tschang te zamen. De geloofsbeproevingen met betrekking tot onze inkomsten werden natuurlijk besproken, en vele dankgebeden werden opgezonden voor de eigenaardige wijze, waarop onze Vader dien nood had opgeheven. Maar veelgrooter nood was inderdaad nog onopgeheven. De versterking van arbeidskrachten, welke \'t laatst er bij gekomen waren, bleek overal ontoereikend tegenover de toenemende behoeften van het werk; en ieder van ons, die tegenwoordig waren, voelde, dat wij in het gebed om de noodige medearbeiders nog niet beslist genoeg geweest waren. Men stemde echter toe, dat wij Goddelijke leiding en helder licht behoefden, eer wij beslist bidden konden. Zoo brachten wij eerst eenigen tijd in vereenigd gebed om deze leiding door, en toen gingen wij de kaart van China na, provincie voor provincie en station voor station. Vertegenwoordigers van vele dezer districten waren aanwezig en kenden de behoefte van nabij, zoodat het gemakkelijk was een overzicht te verkrijgen, en het aantal der verdere arbeiders op te schrijven, die voor de verschillende posten wenschelijk waren. Toen wij ze opgeteld hadden, vonden wij, dat het gezamenlijk aantal niet minder dan 70 bedroeg. Terstond zag men in, dat men een zoo groot aantal

-ocr page 148-

134

nieuwe zendelingen niet in één jaar opnemen kon. Onze gebouwen waren hiertoe nog ontoereikend, en indien ook het noodigegeld ter onzer beschikking geweest ware, zoo is toch het huren van Zendingshuizen gewoonlijk omslachtig en moeilijk. Wij dachter echter, dat wij in drie jaren zonder bezwaar dit aantal konden opnemen, en brachten het overige van den namiddag daarmede door, deze af te bidden en in het geloof van God te verwachten.

Wij waren zeer verblijd van hart, toen wij samen thee dronken, in de zekere verwachting van deze hulp; wij betreurden alleen maar, dat onze aanstaande verre verspreiding ons verhinderen zou, om ons weder in dankgebed te vereenigen, wanneer wig ze ontvangen hadden. Gelukkig deed één het voorstel, dat wij ons dezen dankstond daardoor verzekeren zouden, door ze te houden , éér wij uit elkander gingen; en wij brachten eenen liefelijken avond door. Wij stelden eene oproeping tot gebed op, en lieten die onder de zendelingen circuleeren, om deondertee-kening te verkrijgen van hen, die zich wilden aansluiten om dagelijks om de «70» te bidden. Deze oproeping met de fascimile\'s der handteekeningen werd daarop in «China\'s Millions» 1) afgedrukt. In de oproeping verzochten wij, na eene verklaring van den nood van China, de gemeenten des Heeren in het vaderland en daar buiten:

1. Zich met ons te vereenigen in ernstig dringend gebed, dat God meer arbeiders in Zijnen oogst zenden mocht, in verbinding met alle Protestantsche zendings-genootschappen aan beide zijden van den Atlantischen Oceaan.

2. Zich bij onze gebedsgemeenschap aan te sluiten, om den Heer des oogstes te smeeken, om de uitzending ook van deze 70 voor de Zending in de binnenlanden van China.

Velen voldeden aan deze oproeping, die de Heer overvloedig

1) Het zendingsblad der „Zending in de Binnenlanden van China.quot;

-ocr page 149-

135

beantwoordde, zooals een blik op de lijst dergenen, die uitgingen (wij laten die hier uit) toonen kan. (In het jaar 1882 gingen 10, in 1883 23, in 1884 47, in het geheel dus 80 nieuwe arbeiders uit.) De eerste vermelding van het gebed om de «70» had plaats in het Maartnummer 1882 van «China\'s Millions» op pag. 17, in een uittreksel uit een brief, dien de uitgever in Wu-tschang, den 25sten Nov. 1881 geschreven had. Op pag. 28 van hetzelfde nummer komt reeds het bericht voor van de afreize der eerste vier van de «70», die den 15den Febr. 1892 volgden. De laatste der 80 ging den 3den December 1884; daarna gaf God ons in het jaar 1885 nog een overvloedig rijken zegen in 40 nieuwe arbeiders, van welke niet weinigen zich bij ons gedurende het vorige jaar aangemeld hadden, doch die om verschillende oorzaken eerst later afreisden.

Zoo beantwoordde de Heer het gebed om arbeiders overvloedig, en Hij schonk ook alle noodige gelden tot uitrusting, overtocht en ondersteuning buitendien. In plaats, dat nu de andere arbeiders in deze mate geholpen ■werden, zooals eenige vrienden vreesden, konden zij beter dan te voren van \'t noodige voorzien worden, terwijl lange reizen ondernomen werden en de verschillende uitbreidingen, die noodzakelijk werden (n.1. de opening van nieuwe posten en het verkrijgen van verdere gebouwen enz.), naarmate zij noodig werden, tot stand konden komen.

2

Onder de 40 nieuwe arbeiders, die zooals] Hudson Taylor in het vorig gedeelte beschreef, in het jaar 1885 door de «Zending in China\'s Binnenlanden» uitgezonden konden worden, neemt eene schaar van zeven jonge mannen zulk eene belangrijke plaats in, dat wij hen een afzonderlijk hoofdstuk moeten wijden. Twee

-ocr page 150-

136

van hen waren officieren van het Engelsche leger, en de andere vijf kwamen juist van de Universiteit te Cambridge. Allen behoorden tot de aanzienlijkste familiën van Engeland, en hadden in het vaderland de beste vooruitzichten voor hunne aardsche belangen. Maar zij gaven dit alles vrijwillig en blijmoedig op, en stelden zich gezamenlijk beschikbaar voor den dienst van den grooten Zendingskoning. Zij werden aaangenomen, en nadat nog in verschillende plaatsen afscheidsbijeenkomsten voor hen en door hen werden gehouden — bijeenkomsten, die tot opwekking van belangstelling in de zending in het algemeen en vooral in die in de Binnenlanden van China niet onbeteekenend hebben bijgedragen — reisden zij, den 5den Februari 1885, van Londen naar China af, om daar eene. zooals men tot hiertoe slechts kan zeggen, door den Heer rijk gezegende werkzaamheid te beginnen.

Alle zeven waren met betrekking tot hun innerlijk leven, meer of minder vruchten van de gezegende werkzaamheid van de Amerikaansche Evangelisten Moody en Sankey in Engeland, in het begin van het jaar 80 en later. Laat ons iets hooren van hunnen vorigen loopbaan. C. T. S t u d d stamde van eene familie af, die door hare meesterschap in het Criquet-spel en andere lichamelijke spelen en oefeningen bepaald beroemd was. Maar reeds de vader, een landedelman, werd in bijeenkomsten van Moody en Sankey zoo door de macht van het Woord aangegrepen, dat hij zijne honden en zijne jachtartikelen verkocht, en zich aan den arbeid voor Christus wijdde. In eene der afscheidsbijeenkomsten vertelde zijn zoon, dat hij wel reeds vóór zeven jaar bekeerd was, maar dat hij nu omstreeks een jaar geleden, aan het sterfbed van zijnen broeder eerst recht had ingezien «wat de eer, wat het genoegen en de rijkdommen van deze wereld waard zijn.» In de bijeenkomsten van Moody vond hij verdere opwekking en aanleiding om met een krachtig getuigen van den Heer

-ocr page 151-

137

in den kring zijner vrienden en bekenden te beginnen en de opwekking om zich op bijzondere wijze aan den dienst des Hee-ren te wijden. «Ik kreeg in dien tijd,» zoo vertelde hij, «een traktaatje in handen, dat door eenen Godloochenaar was geschreven. Het had ongeveer den volgenden gedachtengang: quot;Wanneer ik werkelijk een Christen was, zoo zoude mijn gansche leven aan de roeping gewijd zijn, om de wereld door te trekken en het Evangelie te verkondigen. Ik zou het genot, de eer en de rijkdommen dezer wereld als slijk achten. Ik zou de zorgen en moeiten dezer wereld als niets rekenen. Mijn gansche leven zou ik dan willen doorbrengen, met de mensehen daarvan te spreken, dat zij met God door den Heer Jezus Christus mochten verzoend worden; hen daarvoor te waarschuwen, wat zij te lijden hebben, wanneer zij langer voortgaan, om Hem van zich te stooten. Ik zou rusteloos zijn op gepaste en ongepaste tijden. Ik zou mij niet kunnen bekommeren om datgene, wat de wereld deed of niet deed. Wanneer ik rondreisde, zoude mijn tekst zijn: Wat helpt het den mensch, wanneer hij de gansche wereld gewint en hij lijdt schade aan zijne ziel? — Zóó die Godloochenaar. Ik zag dadelijk, dat dit het ware christelijke leven was, dat het geloof eischt. Wanneer ik op mijn vroeger leven terugblikte, dan zag ik hoe weinig waar het geweest was; hoe zeer ik voor mijzelven en de vermaken dezer wereld had geleefd. Ik kwam daarna tot het besluit, dat van dien tijd af, mijn leven een waar leven zou zijn, en ik nam mij voor te onderzoeken, wat Gods wil voor mij was.quot;

Het eerste was, zooals hij verder verteld, dat hij daartoe kwam, zich geheel en al aan den Heer over te geven. Toen vond hij, dat de eerste schrede was, «een eenvoudig kinderlijk geloof te hebben; te gelooven, dat God ook bereid is aan te nemen en te behouden, dat wat ik Hem overgegeven heb.» Niet lang daarna werd Studd er toe gebracht, om naar China te gaan. Eninder-

-ocr page 152-

138

daad kwam deze roepstem het eerst tot hem in de afscheidsbijeenkomst met eenen naar China gaanden Zendeling, die hij met zijnen vriend Stanley Smith bijwoonde. quot;Wat hem het meeste aan het vaderland bond, was de liefde voor zijne moeder; maar het woord: «Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig,» hielp ook dien band los maken. Na voortgezet ernstig gebed met zijnen broeder kwam hij tot het besluit, zich voor de Zending in de Binnenlanden van China beschikbaar te stellen. «Van dien tijd tot op heden,» zoo vertelde hij zelf in eene afscheidsbijeenkomst, «heeft de Heer mij meer en meer overtuigd, dat het zijn wil is, dat ik naar China zal gaan. Ik kan niet zeggen, hoe Hij mij gezegend en met vreugde vervuld heeft.quot;

Stanley P. Smith, de tweede van den bond, was als student in Cambridge een roeier van den eersten rang. Zooals reeds is gezegd, woonde hij met zijnen vriend Studd eene afscheidsbijeenkomst bij met eenen naar China vertrekkenden Zendeling, en schijnt daar bijzonder voor den dienst in den wijngaard des Heeren gewonnen te zijn. «Wat willen wij doen ?» zoo vroeg hij in eene afscheidsbijeenkomst. «Velen hier kunnen hun vaderland niet verlaten; maar anderen, die vrij zijn om te gaan, mogen vragen: «Wat drijft u daarheen?» Ik kan u niet van een gezicht of droom vertellen, maar ik kan de hand uitstrekken en u de nood der heidenen daarbuiten toonen, die niet toelaat, dat wij in Engeland blijven. Gij kunt het niet verlangen, dat wij in Engeland blijven, wanneer gij nu weet van de duizenden, die hier het Evangelie prediken, en van de twee of drie, die het daarbuiten verkondigen. God wil dit werk gedaan hebben. Ik weet niet, of Hij Engelschen of Schotten zal opwekken om het te doen, maar het werk moet gedaan worden. Al moesten ook de steenen van onze straten opstaan, om te roepen, God wil zien, dat Zijn Zoon ontvangt waar Hij aanspraak op heeft. O, mochten

-ocr page 153-

139

wij wijs zijn, en zoolang er nog gelegenheid toe is, onder de arbeiders gevonden worden!»

W. quot;W. Cassels, een vroegere schoolkameraad van Stanley Smith, was reeds als predikant werkzaam geweest, toen hij zich met zijne vrienden voor China beschikbaar stelde.

Montagu Beauchamp, door zijne moeder een neef van den, door zijnen evangelischen arbeid zoo bekenden, lord Ead-stock, was als student insgelijks door zijne behendigheid in allerlei scherm- en gymnastiekspelen bekend. Door den Heer voor Zijnen dienst gewonnen, wenschte hij nu ook degenen, die den Heer Jezus niet kenden, de getuigenis te brengen, dat Christus een getrouw vriend is, en dat, als zij God als hunnen Vader erkenden, zij van alle zorgen en onrust in deze wereld konden bevrijd zijn.

D. E. Hoste, de zoon van eenen generaal-majoor in Brighton , diende vier jaar bij de Koninklijke Artillerie, tot hij in 1884 zijnen dienst verliet. Hij werd in 1882, in de bijeenkomsten, die Moody in Brighton hield, bekeerd, en al spoedig lag het als eenen last op hem, dat hij de opdracht had, mede te helpen, dat het Evangelie aan alle creaturen zou verkondigd worden. In dien tijd was hij in het leger, en het was niet gemakkelijk dat te verlaten; maar de moeielijkheden werden opgeheven, en hij was nu bereid, naar China te gaan.

Ook Cecil H. Polhill-Turner diende in het Koninklijke leger en wel als Garde-Dragonder. Hij was, zooals hij zelf vertelde, eerst tien maanden te voren «door de Heer uit de wereld tot Zijnen dienst geroepen, en hij verzekerde, dat hij sedert dien tijd geenen ongelukkigen dag had gehad. Hij had het plan, bij den wapenhandel te blijven, maar de Heer had het anders besloten. Hij woonde eene Zendingsbijeenkomst voor China bij, en van dien tijd af was hij vast besloten, dat hij in het werk des Heeren in China werkzaam zou zijn.

-ocr page 154-

140

Zijn broeder, Arthur T. Polhill-Turner, had de Universiteit te Cambridge bezocht en zou spoedig als geestelijke der Engelsche kerk bevestigd worden, toen hij tot het besluit kwam, om met zijnen broeder naar China te gaan. Trapsgewijze was hij tot dit besluit geleid geworden. In eene der afscheidsbijeenkomsten zeide hij: Velen mogen gelooven, dat het zeer moeielijk is, alles in het vaderland achter te laten en weg te gaan, maar hij vond die ondervinding voortreffelijk. Het was hem als eenen

vogel, dien men uit eene kooi heeft losgelaten.--

Zooals hierboven reeeds is gezegd, was de afreis dezer eigenaardige zendingskolonne op den 5den Februari 1885 bepaald. Stanley Smith en Studd bestedden de weken te voren voor eene evange-lisatie-rondreis door Schotland en Engeland, waarop de bekende evangelist Kadcliffe hen begeleidde. De bijeenkomsten, door hen in vele groote steden gehouden, werden niet slechts buitengewoon bezocht, maar zij lieten blijkbaar ook diepe sporen van zegen achter. Na eene der bijeenkomsten bekenden 60 personen, vrede gevonden te hebben. In Edinburg vooral was de beweging buitengewoon , voornamelijk onder de studenten. In een bericht daarover lezen wij: «Studenten zijn even als andere jonge mannen geneigd, verklaarde godsdienstige mannen van hunnen leeftijd te houden voor alle mannelijkheid missende. ongeschikt voor het roeien en het cricketspel en slechts goed om Psalmen te zingen en een lang gezicht te zetten. Maar die krachtige gespierde handen en die lange armen van den vroegeren meester der Cambridge-scherm-spelen, nu uitgestrekt tot ernstige besprekingen, terwijl hij met de grootste welsprekendheid de oude geschiedenis van de verlossende liefde vertelde, vernietigden hunne theorie. En toen C. F. Studd, wiens naam hen zoo vertrouwd was als die van eenen ouden bekende, die als een der beste balspelers in Engeland vermaard was, het woord van zijnen broeder door de rustige, maar dringende en vurige uitingen van persoonlijk getuigenis

-ocr page 155-

141

aangaande de liefde en de macht van eenen persoonlijken Heiland bekrachtigde, toen waren tegenspraak en critiek beide ontwapend; Professoren en studenten zag men met elkander in tranen, en in de bijenkomsten, die daarna gehouden werden, zag men Professoren met de studenten, en studenten met hunne medestudenten over hun zieleheil spreken. Nog twee avonden konden de beide weldra vertrekkende Zendelingen voor bijeenkomsten in Edinburgh vrij houden, en beide keeren was niet slechts de menigte toehoorders zeer talrijk, maar ook de zegen groot. Na hun afscheid was het allen duidelijk, dat men het begonnen werk niet moest laten liggen. En Zondag op Zondag zag men in eene groote zaal te Edinburgh eene dicht opeengedrongen menigte van studenten te zamen, die naar meer licht over geestelijke dingen verlangde en aan welke mannen, zooals de bekende Professor in de natuurwetenschappen, Dr. Drummond, het Evangelie trachtten te brengen. Voortdurend bekenden velen vrede gevonden te hebben, en in plaats dat, zooals menigeen had verwacht, de beweging meer en meer verflauwde, scheen zij nog slechts in uitbreiding toe te nemen. Niet lang daarna kwamen de leiders hiervan op de gedachte, te beproeven, door afgevaardigden de andere Universiteiten over te halen, zich ook bij de beweging te voegen. Dit geschiedde, en niet lang daarna zag men aan de verschillende Universiteiten van Engeland en Schotland eene gelijke opgewektheid en beweging ontstaan, waarvan de vrucht zich eensdeels in de opwekking en bekeering veler studenten, anderdeels echter ook in eenen drang tot het Zendingswerk toonde, zooals men in de zendingsgeschiedenis nog niet had gekend.

In Cambridge en Oxford, de Engelsche Universiteitssteden, hield men voor de geheele schaar van uittrekkonden afzonderlijke afscheidsbijeenkomsten, die ook dicht bezet waren en eenen diepen indruk in de gemoederen achterlieten. Hetzelfde is te zeggen van de bijeenkomst in Exeter-Hall, het groote gebouw der groote

-ocr page 156-

142

Londensche Jongelingsvereeniging, die op haren bij zonderen wensch nog den avond vóór hunne afreis werd gehouden. Eene groote opeengedrongen menigte was het, en velen moesten nog voor de deuren blijven. Maar het bijzonder karakter van de bijeenkomst was niet slechts de groote aandrang, maar de geestelijke kracht, die van het begin tot het einde er van uitging.

Na eene zeer gelukkige reis bereikte het kleine reisgezelschap den IS3611 Maart, Schang-hai in China. Hier duurde hun verblijf slechts eenige weken, terwijl zij daar vele bijeenkomsten hielden, die weder zeer gezegend waren. Ook veranderden zij in dien tijd hunne Europeesche kleeding in de Chineesche en betuigden daarmede, dat zij voortaan zich wilden beijveren, den Chineezen (ter wille van het Evangelie) eenen Chinees te worden, en afstand te doen van de gemakken en gewoonten van het Europeesche leven. Toen gingen zij landinwaarts naar de posten, waar zij hunnen voorloopigen arbeid zouden vinden. Niet lang daarna konden zij beginnen, die dierbare boodschap van Jezus in de Chineesche taal te verkondigen. En de Heer was met hen en maakte zich bekend aan zijne knechten.

Deze zeven behooren tot op dit oogenblik tot de gezegendste arbeiders in de Zending in de Binnenlanden van China.

3

Hudson Taylor was in het begin van het jaar 1885 zelf naar China teruggekeerd. Zijn voornemen was, ook dit maal weder evenals vroeger, zoo mogelijk de verschillende posten te bezoeken, waar de arbeiders van de Zending in de Binnenlanden van China werkten, met hen afzonderlijk en op vergaderingen over het wel en wee van hunnen arbeid te spreken, en hen in het geloof en

-ocr page 157-

143

in de overgave aan den Heer te versterken. De leiding van het werk in China lag toch hoofdzakelijk in zijne hand. Nu had het zich echter in den loop der laatste jaren zoo uitgebreid, dat hij duidelijk inzag, dat eene andere inrichting en regeling daarbuiten noodig werd. Hudson Taylor was omtrent twee jaar in China, om bij het bezoeken van de verschillende standplaatsen met de broeders hierover te spreken en ten minste bij wijze van proef passende schikkingen te treffen. Veel gebeden zijn er opgezonden, en veel is er nagedacht in dien tijd, in het vaderland en daarbuiten over deze gewichtige zaak. Hooren wij nu, wat hij bij zijnen terugkeer in Engeland zelf daaromtrent mededeelde :

«Ons getal vermeerderde zoo, door het bijkomen van degenen, die God uitzond in antwoord op ons gebed om de «zeventig», dat de arbeid om het geheel onder opzicht te houden daardoor veel moeielijker en verantwoordelijker werd en mijn terugkeer naar Engeland buitengewoon moeielijk werd gemaakt. Bij het bijna verdubbelde getal standplaatsen, waar Zendelingen wonen, was het oogenschijnlijk een onverwaardelijk vereischte, iemand te hebben, die niet te ver weg is, die bereid en in staat is, den jongeren arbeiders dadelijk raad en hulp te verleenen; maar het gevorderde getal geschikte broeders te vinden, die al datgene op zich wilden nemen, wat daaraan verbonden is, was geene geringe zaak. Doch ook hierin is de Heer ons voorgegaan en heeft het hobbelige recht gemaakt (Jes. 54 : 2). Tien van onze oudste broeders hebben het op zich genomen, als eene soort Superintendenten , over grootere of kleinere kringen van het werk opzicht te houden; acht van hen zijn, in een tijdruimte van 12—25jaar, gezegende arbeiders geweest, terwijl die andere twee nog twee of driemaal zoo lang daar zijn geweest dan een dergenen, die onder hun opzicht werkzaam zijn. Deze tien arbeiders vormen een onschatbaren Chineeschen bijraad, en staan mij ter zijde bij

-ocr page 158-

144

het werk daarbuiten. Eene groote behoefte ware nog onvervuld gebleven, wanneer God niet onzen Br, Stevenson (voor de eerste maal in het jaar 1866 uitgegaan) vol geestelijke vreugde en kracht, uitgezonden had, die zich na een ernstig verzoek van hier bereid verklaarde, zich als plaatsvervangend Directeur te vestigen. God heeft onzen geliefden broeder rijkelijk gezegend en hem ten zegen doen zijn voor velen, met wie hij in aanraking is gekomen; de brieven, die ik ontvangen heb, vol dankbaarheid voor zijne aanstelling en vol dankbare waardeering van de hulp, die zijne bezoeken brachten, zijn voor mij eene groote vreugde geweest.

Voordat ik China verliet, bestond voor de helft der Superintendenten de mogelijkheid, nog eene bijeenkomst te hebben,ten einde over kleine schikkingen te spreken, waarbij dan ook maatregelen zouden genomen worden, om voor nieuw aankomenden het leeren der taal gemakkelijk te maken en een regelma-tigen studiengang vast te stellen. De zamenkomsten dezer raadsvergadering werden voorafgegaan door verscheidene dagen van vasten en bidden, en ik kan den zegen, die wij ontvingen, niet beschrijven. Onder anderen werden schikkingen gemaakt tot de oprichting van opleidingsscholen voor jonge aankomende broeders in Gan-king, en voor aankomende zusters in Yang-tschau. Br. Balier en broeder Landale stelden zich beschikbaar om, met de hulp van vier daarvoor zeer geschikte Chi-neesche leeraars, de vereischte hulpmiddelen voor te bereiden; wij gelooven, dat de nieuwe arbeiders door het onderwijs van de genoemde Zendelingen en de thans aanwezige hulpmiddelen zonder moeite in negen maanden meer kunnen verkrijgen, dan zij zonder deze, in vijftien hadden kunnen leeren.

Hooren wij nu nog, hoe Hudson Taylor in den reeds meermalen aangehaalden «Terugblik» (Nov. 1888) de toenmaals en daarna gemaakte bepalingen voor in het vaderland en daarbuiten

-ocr page 159-

145

te zamen vat. Hij schrijft daar: «Laat ons, voor wij verder over de inrichtingen in China spreken, nog eene schrede verder teruggaan, en het geval nemen van iemand, die zich voor den dienst in China beschikbaar stelde. Na de vereischte voorbereidende briefwisseling met den Secretaris, den heer Broomhall 1), en de studie van de bijzondere grondbeginselen der «Zendingin de binnenlanden van China», heeft degene, die zich heeft aangemeld , en die deze aanneemt en zich dienovereenkomstig wenscht te gedragen, ons eene geschrevene verklaring te leveren van zijne zienswijze aangaande de leer der inspiratie der Heilige Schrift, der Drieëenheid, van den zondeval, en den natuurlijken toestand van den mensch, der plaatsbekleeding van het zoenoffer van Christus, van de plaats, die het geloof inneemt in betrekking tot dat heil, en van den eeuwigen duur zoowel van de zaligheid als van de helsche straffen. Te gelijk wordt voor hem een aanmeldingsformulier gereedgemaakt, waarin vragen te beantwoorden zijn, die den Secretaris en den raad van bijstand helpen kunnen, om voor het in behandeling zijnde geval meer licht te ontvangen, daar zij inlichtingen geven over het Christelijke werk, waarin hij, die zich aanmeldde, werkzaam is geweest, en de namen van geestelijken en anderen noemen, die hen wel bekend zijn, en tot wie men zich in geval van verdere navraag wenden kan. Door dit laatste en uit andere bronnen zoekt men volkomene inlichting betreffende het Christelijke karakter, de bekwaamheid en innerlijke gezindheid van den aangemelde te verkrggen. Wanneer de aldus bekomene inlichting het raadzaam doet schijnen, wordt gelegenheid tot persoonlijke kennismaking gegeven, en de candidaat brengt eenen korteren of langeren tijd bij den heer Broomhall en zijne vrouw door, 2)

1) De zwager van Hudson Taylor.

2) In Pyrland-Road, waar het Zendigshuis van de Zending in de Binnenlanden van China gelegen is.

10

-ocr page 160-

146

voordat het eindbesluit van de zijde van den raad van bijstand der Zending genomen wordt. Waar het noodig is, wordt bijzondere opleiding in het vaderland voor hem of haar, die zich aanmeldt, gevorderd of geboden; in andere gevallen, waar dit voor onnoodig wordt gehouden, wordt deze als proef-candidaat aangenomen en, zoover als het noodig is, wat betreft de uitrusting en geld voor den overtocht ondersteund. Iedere proef-zendeling gaat echter naar China xonder eenigen ivaarhorg, wat betreft zijn traktement of ondersteuning van de zijde der Zending, als iemand, die van de roeping Gods volkomen zeker is, en die zich tevreden stelt met de beloften Gods tot bevrediging van al zijne nooden.

Na eenen gelukkigen overtocht, gedurende welke de jonge zendeling gewoonlijk verkwikt wordt door zielen, die op de reis voor den Heer wordt gewonnen, wordt hij met een warm welkom in Shanghai ontvangen, neemt de kleeding der inlanders aan en gaat verder het land in, naar een der huizen tot opleiding van Zendelingen. Hier begint hij de studie der taal, en met de hulp van eenen bekwamen Zendeling, alsook die van den inlandschen leeraar en goede boeken, die juist daarvoor zijn ingericht, zal hij na zes maanden in staat zijn het Evangelie van Johannes in de Chineesche taal te lezen, en de hoofdfeiten van het Evangelie duidelijk te beschrijven. Hij zal dan naar de standplaats gaan, waarvoor hij bestemd is, en zijnen tijd gedurende de overige 18 maanden van zijnen proeftijd tusschen studie en zendingsarbeid verdeelen, waarbij hij, zoodra hij daartoe in staat is, de voor de afdeelingen voorgeschrevene examens aflegt, die voor den loop der studie zijn bepaald. Na verloop van twee jaren zal hij, wanneer hij die eerste vier vakken meester is, en hij bewezen heeft een ernstige en werkzame arbeider te zijn, voorgoed als een der jongere leden der Zending opgenomen worden, maar altijd nog, gedurende de drie volgende

-ocr page 161-

147

jaren, onder het weldadig opzicht van een der andere zendelingen staan.

Wanneer hij vijf jaren in China is geweest, moet hij het overige van den opleidingscursus doorloopen en al zijne examens in de taal met goed gevolg gedaan hebben. Hij zal veel ervaring opgedaan hebben en nu als een der oudere zendelingen erkend worden; in staat zijn, een nieuw werk te beginnen of eene bestaande plaats over te nemen, en van zijn kant doen wat hij kan, om jongere arbeiders te helpen.

Uit het getal dezer oudere Zendelingen worden superintendenten {d. i. opzieners) voor de groote provincie-distrikten aangesteld, en ook plaatsvervangende superintendenten, terwijl het geheele getal der oudere zendelingen in een provincie-distrikt als raad van bijstand voor de superintendenten daar is, wanneer daaraan, in omstandigheden van groot belang, behoefte is. Op gelijke wijze vormen de superintendenten eenen raad, die voltallig of, voor zoover het noodzakelijk is, met den Direkteur in China of zijnen plaatsvervanger, belegd kan worden.

De uitkomst dezer bepalingen is tot nu toe eene hoogst gelukkige geweest. Om met de woorden van br. F. W. Pigott te spreken, die kort geleden naar China terugging, «ons geheele werk in China was nooit zoo sterk geweest, daar het vroeger niet zoo goed georganiseerd was. De nieuwe bepalingen schijnen alle arbeiders met hartelijk vertrouwen en hoop aan elkander verbonden te hebben, en de lieve br. Stevenson schijnt vervuld te zijn van den rechten geest. Wij bemerken, dat God-zelf ons de plaats wijst, door br. Stevenson ons aangewezen, en ik hoop, het werk met eene reis door die streek te beginnen. Mijn hart is vol dank aan God.»

Hier vinde ook nog een uittreksel uit een omgaanden brief eene plaats, dien br. Stevenson den 25sten Nov. 1886 aan de medeleden in China der « Zending in de Binnenlanden van China »

-ocr page 162-

148

richtte, en waaruit de geest duidelijk wordt, in welken hij zijne arbeiders wenscht voor te gaan. (Het was kort voor het vertrek van Hudson Taylor uit China, Jan. 1887; hij aanvaardde daarmede zijne nieuwe gewichtige betrekking als plaatsvangend Directeur.)

«Lieve broeders! In overeenstemming met den wensch van den heer Taylor smaak ik de groote vreugde, u daaraan te herinneren, dat wij evenals in vroeger jaren, ook nu het voornemen hebben, den laatsten dag van het jaar tot gemeenschappelijk vasten en bidden af te zonderen, om toenemenden zegen te vragen voor ieder medelid der «Zending in de Binnenlanden van China» en voor het werk Gods, dat Hij genadiglijk in onze handen heeft gelegd.

Men gevoelt het algemeen, dat wij aan een beslissend punt in de geschiedenis der zending gekomen zijn. God heeft ons in antwoord op het gebed den weg geopend in de binnenste provinciën van China en ons ook eenigermate van vrouwen en mannen voorzien, om deze te bezetten.

Onze geliefde Directeur heeft gedurende deze jaren schikkingen gemaakt, om de verantwoordelijkheid te verdeelen en tot krachtigen voortgang van het werk, door de provinciale superintendenten.

Maar, lieve medearbeiders, deze dingen zijn slechts het stellage, dat ons bij den bouw dienen moet.

Wij kunnen het ons niet te duidelijk voor oogen stellen, dat ons groote doel niet slechts is de vestiging van posten of de vermeerdering van zendelingen, maar de redding van Chineesche mannen en vrouwen.

Wij zijn door den Heer gezonden, «om jongeren te maken» en «visschers van menschen» te zijn. Wij zijn letterlijk «waar Satans zetel is,» en deze sterk-gewapende laat zich niet licht uit zijn paleis verdrijven.

Wanneer onze gezegende Heer ons in dit land in persoon

-ocr page 163-

149

bezocht, zouden dan zijne woorden niet heden nog luiden als van ouds: «Deze geest vaart niet uit dan door bidden en vasten » ? Niet door hidden alleen, maar door hidden en vasten.

Ieder mislukken — wanneer er iets mislukt is — mag niet gezocht worden, noch in het Evangelie of in den machtigen Heiland, noch in de Chineezen; want « Christus is gekomen, niet om rechtvaardigen, maar de zondaars tot bekeering te roepen».

Onze omstandigheden gelijken op die der jongeren in het geval met den maanzuchtige, Matth. 17; de bezwaren volgden uit het ongeloof der jongeren, en niet uit het geval zelf.

En zoo, dierbare broeders, laat ons ons zelf tot gebed en vasten begeven, opdat alle ongeloof uitgedreven worde door het inkomen van den Heiligen Geest in onze harten!

Laat ons het voorbeeld van Ezra (Hst. 8 : 21—23) of van Daniël (Hst. 8; 23) voor oogen staan, en zeker zijn, dat ook wij reden zullen hebben om te zeggen: «En hij hoorde ons...»

Zullen wij werkelijk leidslieden der menschen en voorbeelden voor de heidenen zijn, dan moeten wij ons zelf overgeven tot een gedurig onderzoek onzer harten, tot een herhaald vasten en volhardend bidden. Zóó slechts zullen wij in staat zijn om, evenals de Apostel Paulus, tot onze bekeerden te zeggen; «Zooals gij het geleerd en ontvangen en gehoord en gezien hebt van mij, doet alzoo...»

Onze vijand biedt weinig tegenstand tegen alles, wat, naar \'t zich laat aanzien, zijn koningrijk niet zal benadeelen, maar wanneer hij maatregelen ziet nemen, die onder Gods zegen, groote gevolgen zullen hebben, dan is het zeker dat hij zich zal opmaken.

Het uitgaan van 22 nieuwe arbeiders in dit jaar, waarvan 5 zich zelf onderhouden, is op zich zelf geene geringe reden van dankbaarheid.

Onze behoeften zijn echter zóó groot, dat deze vermeerdering

-ocr page 164-

150

ons als niets toeschijnt, en ik wensch voor te stellen, dat er op onzen vastendag aan den Heer bepaald mocht gebeden worden om niet minder dan 100 nieuwe arbeiders, gedurende het jaar 1887 en dat zulks ook daarna een onderwerp van dagelijksch gebed mocht blijven. «Tot nu toe hebt gij niets gebeden in mijnen naam; bidt, zoo zult gij ontvangen, opdat uwe vreugde volkomen worde.»

4

Aan de «100 nieuwe arbeiders voor het jaar 1887» wenschen wij een nieuw hoofdstuk te wijden. Hooren wij ten eerste, wat Hudson Taylor na zijn terugkeer uit China (Febr. 1887) daarvan zegt: «Eene andere belangrijke vrucht der bijeenkomst (met de vijf superintendenten vóór zijn vertrek uit China) is het gebed om 100 nieuwe arbeiders geweest. Wij mogen niet beproeven al de redenen op te tellen, die er ons toe brachten om te ge-looven; het is Gods wil, dat wij met beslistheid om dit getal bidden, in de hoop en verwachting, dat Zijn «onuitputtelijk meer» zich veel grooter zal betoonen dan al ons bidden. Wij mogen evenwel zeggen, dat bij de boven vermelde verlichting der studie, bij meer dan 50 posten, waarvan velen onvoldoende van arbeiders voorzien zijn, bij wellicht l1^ maal zooveel buitenposten, die europeesche arbeiders behoeven, en bij de wonderbare ontsluiting van China voor Evangelischen arbeid in bijna ieder zijner provinciën, 100 in dit jaar eigenlijk eene geringe toevoer zoude zijn. De groote zaak voor ons is, dat de geschikte arbeiders mochten uitgekozen worden, en om dat te bereiken, hebben wij in het geloof de keuze in des Meesters eigene handen gelegd.»--

De Engelsche zendingsvrienden ontvingen in eenen brief van

-ocr page 165-

151

Stevenson, die in het Januari-nummer 1887 van «China\'s Milli-oenen» (het blad der Zending in de Binnenlanden van China) bekend werd gemaakt, de eerste tijding van de bede der broeders in China om 100 nieuwe arbeiders. Men zegt daar: «Wij hebben hier buiten grootelijks moed gekregen, wij bidden met beslistheid en ontvangen door het geloof bepaalde zegeningen voor dit hongerige en dorstige land. quot;Wij verwachten minstens 100 nieuwe arbeiders, die in het jaar 1887 in China zullen aankomen. Ik acht mij gelukkig te denken, dat God waarschijnlijk ons klein geloof daardoor zal beschamen, dat Hij nog veel meer zendt, dan het hierboven aangegeven getal «naar den rijkdom Zijner heerlijkheid in Christus Jezus.» Het arbeidsveld opent zich zeer verwon-derlijk, en het gebed voor dit land wordt verhoord. Maar vóór de overvloeiende zegen, die komen zal, kan beginnen, moet eerst nog meer gebed en meer «levend offer», een leven, dat heilig en Gode welgevallig is, den Heer worden toegebragt.» — Eene aanspraak van Hudson Taylor op het jaarfeest der « Zending in de Binnenlanden van China» (26 Mei 1887) brengt ons midden in de geschiedenis van het toebrengen der «Honderd». Het luidt daar: «Wij hebben het zekere woord; «Alles wat gij bidden zult in Mijnen naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader geëerd worde in den Zoon.» Daar wij ons aan deze belofte vasthielden, zoude het niet het minste ons vertrouwen vermeerderd hebben, als, ten tijde, dat wij in China begonnen te bidden, mijn lieve zwager Broomhall mij eene gedrukte lijst van 100 nieuwe aangenomen candidaten voor den dienst der Zending had overgezonden. Wij hadden eenige dagen met vasten en bidden om leiding en zegen doorgebracht, voordat deze gedachte voor het eerst in ons hart opkwam. Wij begonnen deze zaak goed — met God, — en wij zijn er zeker van , dat wij goed zullen uitkomen. Het is eene groote vreugde te weten, dat 31 van de 100 reeds in China zijn; maar het is eene grootere vreugde te weten, dat

-ocr page 166-

152

veel meer dan 100 onzer arbeiders in China in dagelijks worstelen met God zich vereenigen, biddende dat het Hem behage de honderd uit te zenden.

En met de honderd bedoelen wij eene van die schoone. Goddelijke honderden, niet een letterlijke honderd. Dertig zijn reeds uitgegaan, de aangeslotenen medegeteld, en twintig zijn nog aangenomen. Dat is voor ons vijftig. Hoe veel maal 50 er in de 100 zullen gaan, kan ik niet zeggen. Wij zullen het den Sisten December kunnen zeggen. Of God zijn «onuitputtelijk meer» zoo zal geven, dat Hij ons meer dan de letterlijke honderd zendt, of dat Hij het doet, doordien Hij andere afdeelingen Zijner gemeente opwekt, vele honderden te zenden, — wat ik nog veel liever zag, — of dat Hij het doet door het opwekken eener geestdrift voor de zending over de geheele gemeente, en daardoor de geheele wereld zegent, dat weet ik niet. Ik hoop. dat Hij het gebed in al deze opzichten beantwoorden zal; echter ben ik daarvan zeker, dat God het op eene heerlijke wgze zal doen.

Hij geeft ons moed. Een brief, om eenige inlichting omtrent de nieuwe zendelingen en de voor hen ingekomene bijdragen, bracht mij voor eenige dagen er toe, op ons Bureau onderzoek te doen, hoe het met de ontvangsten stond. Ik bemerkte, dat genoeg geld ingekomen was, om alle uitgaven te dekken, voor degenen die uitgegaan zijn. Velen van hen waren aangesloten , en de uitgaven voor hen zijn onafhankelijk van ons gedekt. Anderen hadden hunne eigene middelen gebruikt, en voor de overigen was genoeg ingekomen. Maar nu bleef niet genoeg voorhanden, om nog eenen enkelen zendeling meer uit te zenden. Ik werd daardoor getroffen, omdat ik dikwijls mijnen lieven zwager had gevraagd, of het niet mogelijk was, dat eenige aangenomenen vóór den zomer uitgingen, maar hij zeide mij: «Neen»; de toestand van ieder hunner eischte uitstel. Zoo zag ik, dat God genoeg en nog eenige ponden over gegeven had,

-ocr page 167-

153

om alle uitgaven voor de uitrusting en de reis van degenen, die konden gaan, te dekken. Het was ermede als met de vijf vingers der hand en met de vijf vingers der handschoen, het paste volkomen voor elkander. God opende den weg niet voor eenen dier twintig aangenomene candidaten, om in het vooijaar uit te gaan, en Hij zorgde niet voor het geld om hen uit te zenden.

Maar juist hedenmiddag ontving ik eenen wissel van 500 pond voor de kosten der honderd, die zouden uitgaan. Wij hebben voorts nog eene toezegging voor de bijzonder groote som van 2000 pond, die den lsten Juni betaald zal worden. Dit is natuurlijk bij lange na niet genoeg om te bekostigen wat noodig is voor de honderd, die uitgaan. Zeker zullen 4000 pond noodig zijn. Maar al was het 40.000 zoo zoude het voor den Heer niets zgn. Dit zou slechts zeer veel zegen beteekenen voor zeer vele gevers, want wij hebben ernstig gebeden, dat God iederen gever aan dit fonds rpelijk wilde zegenen. Maar, Goddank, er zijn geen 40,000 pond noodig, hoewel het voor onzen Vader evenzoo gemakkelijk ware, die te geven.

Ik wenschte, lieve vrienden, dat gij dit grondbeginsel, «het werken met God en het bidden tot Hem om alles gt; recht begreept. Wanneer het werk op Gods bevel is, dan kunnen wij in vol vertrouwen tot Hem gaan om arbeiders. En wanneer God de arbeiders geeft, dan kunnen wij tot Hem gaan om de middelen. Wij nemen eenen geschikten arbeider steeds aan, of wij geld daarvoor in kas hebben of niet. Dan zeggen wij zeer dikwijls: «Nu, lieve vriend, moet het uw eerste werk zijn, u met ons in het gebed te vereenigen om het geld, om u naar China te zenden». Zoodra er geld genoeg voorhanden is en het jaar-getijde en andere omstandigheden gunstig zijn, dan gaat de vriend uit. Wij wachten niet, totdat wij hem eenen wissel kunnen medegeven voor buiten. De Heer zal in dien tusschentijd voor

-ocr page 168-

154

middelen zorgen, en het geld zal bijtps naar China gezonden worden, om in zijne behoeften te voorzien.

Onze Vader is zeer beproefd: Hij weet zeer goed, dat zijne kinderen iederen morgen met goeden eetlust ontwaken en Hij zorgt altijd voor hun ontbijt, en Hij zend zijne kinderen niet zonder avondeten naar bed. «Uw brood zal u gegeven worden en uw water zal niet ontbreken.» Hij voedde drie millioen Israël-lieten 40 jaar lang in de woestijn. Wij verwachten niet, dat Hij drie millioen zendelingen naar China zal zenden, maar indien Hij het deed, zoo zoude Hg rijkelijk de middelen hebben, om hen allen te onderhouden. Laat ons toezien, dat wij God vooroogen hebben, dat wg in Zijne wegen wandelen, en Hem in alle dingen , in groote en in kleine, zoeken welgevallig te zijn en Hem te verheerlijken. Steunt op Hem; aan Gods werk, op Gods wijze gedaan, zal nimmer Gods verzorging ontbreken.

Komt het vereischte niet, zoo is het tijd om te vragen: Waar ontbreekt de overeenstemming? Is niet ergens iets, dat niet zoo moet zijn? Het kan slechts eene voorbijgaande geloofs-proef zijn, en wanneer er geloof is, zoo zal hij de proef kunnen uithouden; zoo niet, dan is het goed, dat het niet onduidelijk voor ons blijft. Het is zeer gemakkelijk, met geld in den zak en eten in de voorraadskast te denken, dat wij aan God gelooven. Maar, wankelt ook ons geloof, de trouw van God wankelt niet. Het is zeer waar, zooals Juffrouw Havergal het heeft uitgedrukt:

Die zich Hem geheel vertrouwen.

Vinden Hem ten volle trouw.

Doch mijne ondervinding bewijst ook, dat Hij zelfs hen, die Hem nog niet ten volle vertrouwen, ten volle trouw big ft. Hij verbreekt Zijn woord niet, noch verstoot Hij Zijne kinderen in hunne zwakheid en hunne aanvechtingen. Neen! Hij is ten allen

-ocr page 169-

155

tijde genadig en vriendelijk. «Gelooven wij niet, zoo blijft Hij

toch getrouw; Hij kan zich zelf niet verloochenen.»--

En hoe was nu de uitslag op 31 December 1887? 102 nieuwe arbeiders en arbeidsters waren in dit jaar reeds weder in China aangekomen of onderweg daarheen. Ook voor het daartoe benoodigde geld had de Heer op wonderbare wijze gezorgd, en daarbij waren de arbeiders daar buiten niet te kort gekomen. Daarom is het wel te begrijpen, dat men op de volgende jaarvergadering, die den 29sten Mei 1888 in Londen werd gehouden, van eene dankbare stemming vervuld was. Hooren wij eenige uittreksels uit twee der aanspraken, die bij deze gelegenheid werden gehouden.

Ten eerste het inleidend woord van den, in het vaderland wonenden, Inspektor B. Broomhall.

«Zelden, indien ooit, hebben de vrienden en helpers van eenigen arbeid voor den Heer bij hunne jaarvergadering meer reden tot prijzen en danken gehad, dan de vrienden en helpers der iZending in de Binnenlanden van China» heden hebben.

Allen in deze vergadering, die door gaven of gebeden het een of ander aandeel hebben in dit werk, mogen bij den terugblik met volle recht, vroolijk zeggen; «De Heer heeft groote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd.» De Heer heeft het gedaan. De lof en de eer moet Hem alleen gegeven worden! — Hij heeft groote dingen gedaan. Waarin bestaan die? AVij willen in het kort ten minste eenigen van hen noemen, terwijl wij hen naar volgorde hunner belangrijkheid optellen:

1) Hij heeft groote dingen gedaan, dewijl Hij het geld gezonden heeft, om het werk verder uit te breiden. Gedurende het jaar 1886 zond Hij ons in Zijne genade 22,000 pond. In het laatste jaar behoefden wij eene veel grootere som en Hij zond ons 33,000 pond, eene vermeerdering van meer dan 11,000 pond. Dit is een beteekenisvol en verblijdend feit. De som is

-ocr page 170-

156

bijeengekomen uit bijdragen van 25 ets. in postzegels tot duizenden ponden (1 p. = f 12.—) toe; en wanneer van de brieven der gevers een boek samengesteld kon worden, zoo zoude het een gedenkteeken zijn van diepe, ernstige gebeden en zelfverloochenende deelname aan het werk, dat slechts weinigen zonder aandoening zouden lezen.

2) Maar hooger dan het verkrijgen van het geld moet het verkrijgen van geschikte arbeiders geschat worden. Honderd nieuwe zendelingen werden afgebeden, en zij werden gegeven. Dit is een grooter feit, dat ons tot bemoediging zal strekken, om groote dingen voor God te ondernemen en groote dingen van God te verwachten, en zal als zoodanig door velen dankbaar worden erkend.

3) Maar nog grootere dingen heeft de Heer aan ons gedaan. Het verkrijgen van 33,000 pond en van de 100 nieuwe arbeiders werd nog overtroffen door de veel grootere grootere gave eener oogst van vele kostbare zielen in de schuren van den goeden Herder. Het ons bekende getal van hen, die in den loop des jaars de belijdenis van hun geloof in Christus afgelegd hebben en in den gemeenteband opgenomen zijn, bedraagt 551. In waarheid, met het oog op het geld, de zendelingenen de bekeerden, moeten wij zeggen: «De Heer heeft groote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd....»

Tot slot nog iets uit de toespraak van Hudson Taylor.

«Toen wij 12 maanden geleden met eene zekerheid, die heden niet beschaamd is, van de honderd spraken, die wij in het jaar 1886 van God in het geloof (reeds) ontvangen hadden, en die werkelijk in het jaar 1887 uitgingen, toen scheen het bijna een vermetel vertrouwen van geloofsberoemen te zijn. Welk eenen Vader hebben wij, waarop wij steunen kunnen! Hoe gezegend veilig is het, op Zijne trouw te rusten!

Eenigen onzer vrienden, die heden tot ons zullen spreken.

-ocr page 171-

157

hebben in China velen van de honderd verwelkomd. Zij zullen u van hunne dankbaarheid kunnen spreken, niet slechts wegens het getal, maar ook wegens het karakter der arbeiders, die ons gegeven zijn, en wegens de bekwaamheid, die God hun gegeven heeft, om de taal van het volk machtig te worden. Al degenen onder hen, die reeds meerdere maanden daarbuiten zijn, zijn reeds met christelijken arbeid onder de Chineezen begonnen. Dat is inderdaad een grond van lof en dank, even als het feit dat Hij, die de zendelingen gegeven heeft, ook voor de middelen heeft gezorgd. Wij konden niets minder van Hem verwachten; hadden wij dat gedaan, zoo hadden wij daarmede getoond, dat wij Hem niet kenden. Maar is het niet zeer gezegend te zien, hoe genadig Hij onze verwachtingen vervuld en de ontvangsten der zending in den loop van één jaar verhoogd heeft van 22,000 pond op 33,700 pond. Toen wij in China begonnen te bidden, dachten wij, dat meer dan 10,000 pond noodig zoude zijn, en wij baden den Heer, deze in groote gaven te willen doen toevloeien 1). Het was heerlijk, het antwoord in groote vrijwillige bijdragen te zien, zoodat in den loop van het jaar 11 bijdragen, waarvan de kleinste 500 pond en de grootste 2500 pond bedroeg, de 10,000 pond van de 33,717 pond ll\'/j shilling (dejaarlijksche ontvangst) uitmaakten. Memand werd om eene penning gevraagd; den Heer werd gevraagd, en Hij gaf het in de harten van Zijn volk om te geven.

«----Dierbare vrienden, wij hadden 33,700 pond kunnen ontvangen en toch daarmede niet half hebben bereikt, wat bereikt is. Omdat het geheiligd geld was, eerst aan den Heer gegeven, alleen voor Zijn aangezicht, en daarna gezonden werd, om voor

1) Dit geschiedde met het oog op de administratieve krachten, die anders op buitengewone wijze ingespannen of vermeerderd hadden moeten worden.

-ocr page 172-

158

Hem dienst te doen, daarom heeft het zoo ver gestrekt en is het met zooveel zegen gepaard gegaan.

«....Wij geven nooit geld uit, dat wij niet werkelijk in de hand hebben. Wij maken nooit schulden, en, Gode zij dank, wij behoeven het ook niet te doen, omdat wij eenen Vader hebben, die onbegrensde hulpmiddelen heeft, en die juist weet, wat moet uitgegeven worden. Hij geeft ons juist zooveel, als Hij wil uitgegeven hebben; en wij hebben veel vreugde en genoegen daarin, het voor Hem te gebruiken. O dierbare vrienden, laat ons allen meer en meer leven in de vreugde, die veroorzaakt wordt door te ondervinden, met wien wij te doen hebben!----»

5

Van 9—19 Juni 1888 werd in Londen de eerste «Algemeene Zendingsbijeenkomst» gehouden, waarbij zendingsarbeiders en vertegenwoordigers van zendingsgenootschappen en inrichtingen uit alle deelen der wereld tot ernstig overleg en broederlijke mededee-lingen over gewichtige zendingsvragen te zamen waren. Onvergetelijk is den uitgever van deze bladen, die ook de vreugde genoot, aan die samenkomst te mogen deelnemen, de diepe indruk, dien hij van de persoonlijkheid en het optreden van den dierbaren stichter van de «Zending in de Binnenlanden van China» ontving, — onvergetelijk, hoe hij voor diens geestkrachtigen invloed de hooggaande golven der tegenwerpingen bij de behandeling van veel betwiste zendingsvragen verscheidene malen zag bedaren als met een tooverslag, zoodat het geheel stil werd; onvergetelijk de velerlei gezegende opwekkingen en onderrichtingen, die wij ontvingen door de aanspraken van Hudson Taylor en andere arbeiders der «Zending in de Binnenlanden van China». —

Dadelijk nadat de samenkomst was afgeloopen, reisde Hudson

-ocr page 173-

159

Taylor, begeleid door zijnen zoon, den heer Eeginald Radcliffe, diens echtgenoote en een anderen vriend, naar Amerika. Hij gaf daarmede gevolg aan eene uitnoodiging van den bekenden Evangelist Moody, die in Northfield eene zomer-zendingschool opgericht had en Hudson Taylor gaarne eene reeks voordrachten daarin wilde doen houden. Deze reis werd, zonder dat Hudson Taylor of Moody zelfs ook slechts het geringste daarvan hadden vermoed, de stoot tot vestiging eener «Amerikaansche afdee-ling der zending in de binnenlanden van China» die tot Mei 1891, reeds 29 zendelingarbeiders en arbeidsters naar China heeft uitgezonden. De mededeeling, die Hudson Taylor daarvan deed op de volgende jaarvergadering in Londen (Mei 1889), is zoo belangrijk en geloofsversterkend, dat wij die zoo uitvoerig mogelijk wenschen weder te geven.

«Mij is verzocht, heden avond iets meer van mijn bezoek in de Vereenigde Staten van Amerika en in Canada mede te deelen. Ik had het voorrecht, de uitnoodiging van den heer Moody aan te kunnen nemen en in zijne zendingsschool voor studenten tegenwoordig te zijn. Het was mij eene vreugde te zien, dat die jongelingen, terwijl zij in den namiddag genoten van lichamelijke oefeningen en geheel en al jonge menschen waren, even ijverig naar de samenkomsten liepen, als het tijd was; hunne harten brandden zichtbaar van medegevoel voor den nood der wijde wereld, die door twee zendelingen bij het beschrijven van elks eigen arbeidsveld, hen werd voorgesteld, — tot Sankey ten slotte zeide: «Wanneer dit langer zoo voortgaat, dan geloof ik, dat wij nog allen zendelingen worden moeten»; en ook Moody vroeg zich af, of hij niet zelfs Indië bezoeken en op de reis daarheen Japan aandoen zou.

Na een of twee andere bezoeken had ik het voorrecht, de jaarlijksche samenkomst voor bpelstudie bij te wonen, die in Niagara aan het meer, eene schoone, kleine plaats, gehouden

-ocr page 174-

160

werd... Het waren twee zeer voortreffelijke dagen, die ik daar doorbracht. Ik had twee maal gelegenheid, over China en de nood aldaar te spreken, hoewel het hoofdonderwerp mijner toespraken eer was; het voorrecht der overgave aan God en het ingaan in Zijn verlangen, dat in het vaderland en daarbuiten gearbeid zoude iv or den. Toen ik die bijeenkomsten verliet, bleef de heer Kadcliffe terug, met den heer Georg Studd en eenige Ameri-kaansche vrienden, die bijzonder levendig belang stelden inden zendingsarbeid. De belangstelling, die reeds vóór mijn heengaan was gewekt, vermeerderde nu nog en leidde daartoe, dat eenige practische vragen gedaan werden. Den heer Eadcliffe werd gevraagd, hoeveel het waarschijnlijk zou kosten, één zendingsarbeider, in verbinding met de Zending in de Binnenlanden van China, te onderhouden. Zijn antwoord luidde 50 pond. Vóórdat de bijeenkomst uit elkander ging, had een der leiders sommen gelds ontvangen, tot onderhoud van verscheidene zendelingen, toezeggingen werden gedaan en deze bijdragen zijn vermeerderd , totdat er geld naar China kon gezonden worden, dat meer dan toereikend was, om 15 arbeiders een jaar te onderhouden.

Ik had er in de verste verte niet aan gedacht, dat ons bezoek aan Amerika voor de Zending in de Binnenlanden van China van zooveel belang zou worden. Het was eene groote verrassing, en leidde tot veel gebed, opdat men mocht weten, wat des Heeren doel bij deze leiding was. De Heer Kadcliffe had tegen mij en ik tegen hem (terwijl wij te zamen op den Oceaan kruisten) meer dan eens gezegd, dat het ons zoo was, of wij niet wisten, waarom God ons eigenlijk naar Amerika bracht, hoewel wij gevoelden, dat wij onder Zijne leiding waren. En toen deze belangstelling zich zoo merkwaardig openbaarde, endezewensch om te helpen tot ons kwam, werd men in het gebed zeer tot God gebracht, en het drong zich aan mijn hart en aan dat van eenigen mijner vrienden op, dat wanneer in Amerika mannen

-ocr page 175-

161

en vrouwen gevonden konden worden, die naar China wilden gaan, de op de voormelde wijze saamgebrachte gelden waar-schijnlijk eene verbindingsschakel met de zendelingen zouden zijn; ook zoude daardoor waarschijnlijk de belangstelling in het zendingswerk grooter en de belangen van het rijk des Verlossers gediend worden. Maar ik werd bij deze gedachte zeer verlegen — bijna zoude ik het woord «verschrikt» gebruiken — want men gevoelt, hoe moeielijk het zou zijn, om, wanneer nu personen zich voordeden en zich aanboden, zoo geheel met hen bekend te worden, dat men in staat zou zijn slechts de rechte personen uit te kiezen. Het is van zoo veel belang, dat wij op het zendingsveld menschen krijgen die zich aan God geren, en Goddelijk toegerust zijn, en dat xulke menschen door Hem juist in die betrekkingen en toestanden komen, waarvoor Hij hen heeft voorbereid. En zoo gevoelde men de behoefte aan zeer veel gebed.

Ik onderhield mij over dit onderwerp met een aantal ernstige Christenen, en ten laatste, op Moody\'s tweede samenkomst, vermeldde ik het feit, dat die geldsommen bijeengebracht waren, en zeide: «Zijn er hier zulken, van welke de Heer hebben wil, dat zij uitgaan en, door deze geldsommen ondersteund, het werk Gods in Cliina doen ? » De harten van een aantal personen werden aangegrepen, zij kwamen en hielden gesprekken met mij, en ik zag, dat God werkelijk daar arbeidde. Veel werd afzonderlijk en gemeenschappelijk gebeden, opdat Gods wil duidelijk mocht worden. Ik zeide tot den leider der Niagara-samenkomst: «Denkt gij, dat het overeen zou komen met de wenschen der gevers, wanneer een deel van het geld werd gebruikt, om de onkosten der overtocht naar China te dekken, en het overige,, om hen daar te onderhouden; of is het doel of plan van die het gegeven hebben, dit geweest, dat het geheel bestemd moet blijven, voor het onderhoud in China?» Men was van oordeel, dat dit laatste werkelijk den wensch in het hart dergenen was geweest, die

11

-ocr page 176-

1G2

hebben bijgedragen. Ja, daar gevoelde men, dat in zulk eenen toestand nog bijzondere leiding in betrekking tot Gods wil noodig was; en ik werd er ten slotte toe gebracht, dat wij God zouden bidden, in Amerika gelden te geven, welke voor de uitrusting en overtocht van zoovelen gebruikt kon worden, als Hij met ons naar China wilde laten gaan, doch dat Hij daarbij ook nog op andere wijze ons Zijne gedachten kenbaar mocht maken.

De eerste, die zich op Moody\'s bijeenkomst aanbood, was eene juffrouw, die bij ons hier in Londen goed bekend is, eene jonge zuster, die veel om Christus\' wil had geleden, en daarginds in Amerika was, om Moody bij de verzorging der kranken in zijne inrichting tot opleiding van zusters te helpen. Toen ik met Moody en zijne echtgenoote over haar sprak, zeiden zij: «Wanneer die zal uitgaan, zoo zal zij inderdaad eene echte Zendelinge worden;» en Moody zeide in zijne vreugde en zijnen ijver: «Ik wil voor de kosten van hare uitrusting en overtocht zorgen, wanneer zij genegen is om te gaan». Zoo bestond er van die zijde geenerlei bezwaar meer, naar het scheen.

De tweede was 4 jaar lang in Moody\'s inrichting tot vorming voor den zendingsarbeid geweest, en dacht, nog een vijfde jaar te blijven, maar het werd haar op het hart gelegd, dat zij wellicht in dit vijfde jaar de taal aanleeren en reeds aan eenig nuttig werk beginnen kon. De groote nood der heidensche bevolking, die eiken dag wegens gebrek aan kennis der waarheid verzinkt, werd velen zoo ernstig aan het hart gelegd, dat de vraag oprees, of eene langere voorbereiding in alle gevallen de wil van God was met betrekking tot degenen, die uitgaan en daar voor Hem arbeiden zouden. Deze zuster werd daartoe gebracht , zich aan te bieden; nadat omtrent haar alle inlichtingen, die wij krijgen konden, waren ingewonnen en de noodige geneeskundige getuigenissen omtrent tot hare gezondheid ontvangen, werd zij als de tweede aangenomen.

-ocr page 177-

163

De derde, die aanwezig was, werd insgelijks aangenomen, onder voorwaarde, dat zij haars vaders toestemming verkreeg en de noodige inlichtingen omtrent haar waren ingewonnen. Ik had van het eerste oogenblik af dat zij met mij sprak, niet veel twijfel daaromtrent, of zij eene van degenen was, waarop de Heer Zijne hand had gelegd voor China. Men wist echter toch, dat het niet noodig was, overeild te handelen; en et verliep cenigen tijd, voordat zij vernam dat zij was aangenomen. Het deed mij groot genoegen, haren vader te ontmoeten. Van Moody\'s samenkomst voerde de spoortrein ons naar de stad, waarin hij woonde. Hij had den brief nog niet ontvangen, dien zij geschreven had, om de toestemming van hem en zijne vrouw te bekomen in hare aanbieding tot den dienst der zending. Ik kon niet anders, dan diep getroffen worden door het kort gesprek , dat ik met hem had, en ontving den levendigen indruk, dat de dochter van dezen lieven man eene zeer geschikte Zendelinge voor China zou zijn. Zij heeft zich eene zoodanige betoond. Bij eene der afscheidsbijeenkomsten vóór haar vertrek was deze dierbare vader met zijne vrouw tegenwoordig; ik vroeg hem, tot ons op de sprekerstribune te komen en eenige woorden te spreken. Hij deed dit met treffenden eenvoud en schoonheid. Hij zeide ons, ■wat zijn dochter in hun huis was geweest, wat zij voor hem als medearbeidster in den wijngaard des Heeren was geweest, — want hij had eene kleine zendingszaal, waarin hij met hare hulp en die van eenige andere vrienden had gewerkt. Hij zeide ons, hoezeer zij daar gemist, inderdaad alle dagen gemist zou worden; « maar,» zeide hij met bevende stem, «wanneer mijn Heer Jezus mijn lief kind begeert, dan heb ik niets, dat voor mijnen Heer Jezus te kostbaar is,» en hij gaf haar met deze gedachte over. Er was op dien namiddag, geloof ik, in deze Presbyteriaansche kerk geen enkel droog oog, toen deze lieve vader sprak. Men gevoelde, dat, wat aldus overgegeven werd, gezegend moest zijn.

-ocr page 178-

164

En zoo ging het verder, daar de Heer achtereenvolgens de omstandigheden van den een na den ander regelde. Doch het was niet zoo heel gemakkelijk te zien, wat met het geld, dat in Niagara te zamen was gebracht, moest geschieden. Toen bv. de eerste Zuster zich ter beschikking stelde, werd haar de bijdrage geschonken eener dame in New-York. Maar bij eene afscheidsbijeenkomst voor haar in de Presbvteriaansche kerk in St. Paul, waarvan zij lid was, zeiden de goede vrienden daar: «Wij kunnen haar wel voor China overgeven, maar wij kunnen niet toelaten, dat iemand anders haar daar onderhoudt. Dat moet ons voorrecht blijven.» En zoo moest de som, die door de dame in New-York bijgedragen was, voor eene andere bewaard blijven.

Evenzoo ging het met de tweede, — de Zuster, die 4 jaar lang opgeleid was geworden; haar vader zeide: «Ik ben geen rijk man, maar ik heb geld genoeg gespaard, 250 Dollar, om haar het eerste jaar te onderhouden; het is bij de bank beschikbaar. Ik zal het opvragen; niemand anders mag mijn Grace onderhouden, zoolang niet mijn eigen geld is opgebruikt.» — En wat de Zuster betreft, wier vader haar op zoo treffende wijze den Heer overgaf, zoo was het slechts de vraag, of de gemeente waarvan zij een lid was, of haar vader het voorrecht zou hebben, haren arbeid in China te steunen. En zoo ging het met een groot aantal, zoodat wij tot op dezen dag zooveelmenschen niet gevonden hebben, om al het geld te besteden, dat op deze Niagara-samenkomst bijeengebracht en naar China is gezonden.

Nu, lieve vrienden, het was heerlijk om te zien, hoe God werkte; en dit was slechts de eene weg, waarop Hij werkte, want bovendien gaf Hij bijzondere opwekkende openbaringen van broederlijke en zusterlijke liefde. Ik was als versmolten door de vriendelijkheid mij betoond door lieve vrienden; wanneer ik een oud vriend, of eigen broeder geweest ware, dan had ik niet

-ocr page 179-

165

vriendelijker opgenomen kunnen worden, dan men mij op vele plaatsen gedaan heeft. Het hart werd diep bewogen, en men gevoelde, welk eene rijkdom van liefde en genade in de groote gemeente bestaat, — zooveel grooter nog dan men vroeger begreep, — dat ten slotte over de gansche wereld, onverschillig, of het in Afrika, in Indië, in China of in Amerika, in Canada, in Schotland of in Engeland is, al Gods kinderen, kinderen van éénen Vader zijn, allen verbonden met dat ééne hart dat van alles het middenpunt is, en dat zij inderdaad één zijn in Christus Jezus. Het is zoo heerlijk, het recht te begrijpen, dat die gemeente één is. Het eentoonige behoeven wij niet, maar zich werkelijk de openbarende eenheid des harten.

Nu kwam de tijd aan, dat onze kleine schaar naar China zoude afreizen. Ik was werkelijk zeer dankbaar, dat die nabij was, want de deelneming was, men gevoelde het, zoo diep en zoo sterk, dat men bijna bevreesd was, dat men er toe mocht komen, dwaze stappen te doen.

Hoe nader de dag kwam, waarop wij Amerika zouden verlaten, des te grooter werd de belangstelling, en de afscheidsbijeenkomsten in Hamilton, Galt en Toronto waren buitengewone bijeenkomsten, die ik inderdaad nimmer overtroffen heb gezien. Den laatsten Zaterdag, dat wij in Amerika waren, hadden wij eene bijeenkomst in het groote nieuwe gebouw van de Christelijke Jongelingsvereeniging in Toronto, dat goed met menschen was gevuld en de geestdrift was zeer groot. Des Zondags had ik het voorrecht, in drie of vier der aanzienlijkste kerken te spreken, en de heer Eadcliffe had andere bijeenkomsten op andere plaatsen, terwijl de slotvergadering in de groote zaal der Christelijke Jongelingsvereeniging werd gehouden. Toen wij de voorzijde van het gebouw bereikten, was het onmogelijk in de nabijheid der deuren te komen; alle toegangen daarheen waren geheel versperd. Eene tweede zaal, waarin men de buitenge-

-ocr page 180-

166

blevenen had gebracht, was ook zoo vol, dat men volstrekt niet tot aan den ingang komen kon. Slechts van de achterzijde, op eene moeilijke manier, konden wij ten slotte op de redenaarstribune komen. De vergadering begon om 8 uur; het was opeengedrongen vol. In de zijvleugels kon men ook niet zitten, want zij waren zoo dicht bezet, als menschen maar opeengedrongen konden worden, en het gedrang eindigde niet vóór 10 minuten voor 11 des avonds. Men gevoelde krachtig de werking des Geestes, en ik betwijfel niet, dat de dagbladen gelijk hadden, toen zij verzekerden, dat de bijeenkomsten zoodanige geweest waren, dat niemand, die tegenwoordig was, die ooit kon vergeten.»

Toen begon, zooals Hudson Taylor op eene andere plaats vermeldt, de lange spoorwegreis door het Amerikaansche werelddeel. De reis ging met den Canadasche Pacific-spoorweg naar Vancouver (in het verste Westen van Noord-Amerika), waar het kleine reisgezelschap — Hudson Taylor met 6 broeders en 8 zusters, die zich in Amerika voor de Zending in de Binnenlanden van China hadden overgegeven — den 2en October aankwam, om drie dagen later van daar met de stoomboot over den Stillen Oceaan naar het verre Yokohama in Japan en vandaar naar Schanghai te varen, waar zij den 30en October behouden aanlandden.

Bij een tweede bezoek in Amerika (Juli en Augustus 1889) gelukte het Hudson Taylor, in vereeniging met een aantal vrienden een, in den tusschentijd reeds voorbereiden, bijzonderen raad van bijstand voor den Amerikaanschen tak der Zending in de Binnenlanden van China te vormen , die de zich in Amerika voor den dienst in China aanmeldenden examineerde en de gaven voor het werk in ontvangst nam en bestuurde. In Toronto (Canada) is een afzonderlijk huis tot voorloopige opname en verdere opleiding der geschikt toeschijnende candidaten geopend. De vrijgevigheid, waarmede Hudson Taylor op zijne reis door

-ocr page 181-

167

de Vereenigde Staten en Canada bij ongeveer 40 openlijke bijeenkomsten, die hij in dien tijd hield, werd bejegend, overtrof nog die van het vorige jaar.

In het jaar 1887 ging een Zweedsch zendeling, Erik Folke, naar China, om daar in vereeniging met de Zending in de Binnenlanden van China voor den Heer te arbeiden. In hetzelfde jaar vormde zich in Zweden, met Pastor Holmgren als voorzitter, in Stockholm een Comité, om hem te ondersteunen, waaruit de «Zweedsche Zending in China» onlstond, die sedert (tot het einde van 1890) nog 7 zendelingen en zendingszusters voor dezen arbeid heeft uitgezonden. Deze ontvangen hun onderhoud door de « Zweedsche Zending in China », doch staan als « aangeslotenenen » onder de leiding der Zending in de Binnenlanden van China. Op dringende uitnoodiging der Zweedsche vrienden bracht Hudson Taylor in November 1889 met zijn zoon Dr. Howard Taylor een bezoek aan Zweden. In verscheidene steden zag hij zeer dicht-opeengedrongen bijeenkomsten voor zich, waar hij met Pastor Holmgren den nood van China en de taak en voorrechten der kinderen Gods daar tegenover, in het licht trachtte te stellen. Hooren wij, wat Hudson Taylor zelf van zijne reis vermeldt:

«Het weder was zacht en gunstig, het land schoon zelfs in den winter, maar de vriendelijkheid en de christelijke liefde, die den bezoekers werd betoond, en de warme belangstelling, die men blijkbaar voor de Zending had, waren verrassend en verkwikkend te gelijk. De kerken en kapellen zijn zeer groot, en de bijeenkomsten waren gewoonlijk buitengewoon vol; honderden stonden geduldig twee tot drie uur, niettegenstaande de vriendelijke bereidwilligheid van de eigenaars van zitplaatsen, om met anderen te ruilen, weldadig om te zien was. De inzamelingen werden gewoonlijk voor de Zweedsche zending in China gebruikt. Het houden dezer collecten was echter dikwijls geene

-ocr page 182-

168

gemakkelijke taak, daar de ijver, waarmede velen der armen naar het zakje verlangden of naar voren drongen^ om hunne kleine gaven te offeren, zeer vermakelijk en verblijdend was. Een goede oude zeeman, die er niet uitzag, alsof hij veel te geven had, legde zijne tabaksdoos met tabak en al in den col-lectezak. Men zeide ons, dat hij waarschijnlijk veertig jaren lang zijne trouwe begeleider geweest was. Zij was uit eene schelp gemaakt en had eenen zwaren zilveren rand en zilveren deksel; op dien avond werd zij voor 20 kronen verkocht. In eene andere stad kwam eene dame, die op de bijeenkomst diep bewogen was geworden, tot Hudson Taylor, legde een mooi horloge in zijne hand, en begon in het Engelsch tot hem te spreken, maar de aandoening belette haar in die taal te eindigen: «It — is — for — Herren Jezus,» dat is «het is — voor — den — Heer Jezus,» 1) en vele malen herhaalde zij: «De Heer Jezus, de Heer Jezus, de dierbare Heer Jezus.» Op eene andere plaats werd Pastor Holmgren een horloge gegeven. De Heer zegene die gevers om hunne liefde! Hoe moet die Zijn hart verheugd hebben!»

Omtrent dezen tijd vervulde den dierbaren oprichter der Zending in de Binnenlanden van China eene gedachte, die hij in twee nummers van zijn Zendingsblad (China\'s Millioenen, van Dec. 1889 en Febr. 1890) zijnen vrienden trachtte op het gemoed te drukken, en die vele harten sedert bewogen heeft, namelijk de vraag: «Wat kunnen wij met het woord vooroogen: Predikt het Evangelie aan alle creaturen, doen, om zoo spoedig mogelijk, iedere familie in China minstens eenmaal de dierbare boodschap van Jezus te brengen?» Daarbij stonden hem voor oogen de nauwelijks 40 000 volwassene Christenen uit de Chineezen,

1) De drie eerste woorden waren Engelsch, de beide laatste Zweedsch.

-ocr page 183-

169

die door den dienst der verschillende evangelische zendingsgezelschappen tot het einde van 1889 waren gewonnen, en hij berekende , dat door hunne getuigenis, vereenigd met dat der zendelingen, bij de tegenwoordige omstandigheden hoogstens een mil-lioen Chineezen hier en daar door de boodschap des vredes konden worden bereikt. Het groote Chineesche rijk telt echter 250 millioen zielen. Wanneer zal tot hen op den tot nu toe bewandelden weg het Evangelie komen? Met zijn brandend hart voor den «geestelijken nood van China en zijneischen» 1) begon Hudson Taylor verder te rekenen, en hij bedacht dat 1000 evangelisten met den zegen des Heeren na tweejarige voorbereiding in staat zouden zijn, om in drie jaar aan iedere familie in het groote China minstens eenmaal de dierbare boodschap van den Heiland der zondaren te brengen. Hij veronderstelde daarbij , dat zij met eene juiste verdeeling van het gebied aan het werk zouden gaan en steeds verder, van plaats tot plaats zouden trekken, en dat hen mogelijk zou zijn, dagelijks 50 nieuwe familiën met het Evangelie te bereiken. Het laatste scheen hem volstrekt niet ondenkbaar, omdat een groot deel der Chineesche bevolking in vierhoekige huizen woont, waarin in den regel van vier tot 10 familiën samen wonen; ook wees hij daarop, welke uitmuntende hulp de Chisten-inboorling bij zulken evangelisatie-arbeid bewijzen kon. De tegenwerping, dat enkele gedeelten van China, wegens de vijandelijkheid van hare bevolking, nog te weinig voor zulk eene soort van verkondiging van het Evangelie geopend waren, wees hij terug met de opmerking, dat degenen, die den sleutel van David hadden, altijd nog in staat waren, open te doen, zoodat niemand konde toesluiten. Voor alles herinnerde hij daaraan, dat zulk eene onderneming niet tot stand kon komen zonder eene uitstorting van den Heiligen Geest op

l) Zoo is de titel van een werk, dat Hudson Taylor in liet jaar 1865 schreef.

-ocr page 184-

170

de gemeente Gods in het algemeen, die ook de inlandsche Christengemeenten in China, zooals men biddend mocht verwachten, en de leden daarvan, tot eenen machtigen steun bij de evangelisatie in het land maken zou.

«Hoe zal echter,» zoo vroeg Hudson Taylor aan het einde der eerste verhandeling, «eene gedachte als deze van een bloot voorstel tot werkelijkheid worden omgezet? Ten eerste: door er/i-stig geloovig gebed. Dit was het plan onzes Heilands, en het is voor ons bewaard gebleven tot herinnering voor ons en tot onze leiding. «De oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinigen, daarom bidt den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst zende!» Toen wij voor de Zending in de Binnenlanden van China de «zeventig» en de «honderd» in het gebed zochten en hen in het geloof aannamen, ontvingen wij hen regelrecht uit zgne machtige, liefhebbende hand.

Verder: wanneer de rijkste zegen komen zal, moet een ver-eenigd samenwerken van het geheele lichaam der geloovigen plaats vinden; dewijl door de leden van het gansche lichaam, «het eene het andere hulp verleenend voor het werk, een iegelijk lid in zijne mate,» het groeien en opbouwen tot stand komt.

Ten derde: Men moet verstandig samenwerken, en er moet zulk eene verdeeling van het arbeidsveld plaatshebben, dat niet écn gedeelte eene onevenredige hoeveelheid arbeiders heeft, terwijl andere gedeelten vergeten worden.

Ten vierde: het moet tot een aan-Christus-overeenkomstig geven van de enkelen en der gemeenten van hunne werkelijk beste schatten tot den Heer voor Zijnen dienst komen, evenals tot een aan-Christus-overeenkomstigen dienst dergenen, die in Zijnen naam uitgaan. Onder aan- Christus-overeenkomstig geven en dienen verstaan wij niet slechts dat, wat om Christus wil geschiedt. Zijn dienst begon daarmede, dat Hij zich overgaf; Hij sloot den geheelen tijd door moeite en verdriet in en eindigde

-ocr page 185-

171

slechts met de volkomen vervulling der taak, waarvoor Hij in de wereld gekomen was.

Ten vijfde: er is geen tijd te verliezen, want zelfs wanneer wij dadelijk beginnen, zullen toch millioenen dergenen, die nu in China leven, reeds heengegaan zijn, voordat de boodschap hen bereiken kan.

«Mocht ieder onzer lezers,» zoo besloot Hudson Taylor, «zich met ons in het gebed vereenigen, dat het Gode behage 1000 evangelisten voor China zeer spoedig uittezenden, en zich persoonlijk met de vraag voor Hem stellen: «Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal?» Laat ons niet vergeten, dat het niet slechts eene mensehelijke gedachte, maar een Goddelijk hevel is, het Evangelie aan alle creaturen te verkondigen!»

In zijne tweede verhandeling wijst Hudson Taylor vooral daarop, dat hij niet tot het gebed heeft opgeroepen om 1000 nieuwe Evangelisten voor de Zending in de Binnenlanden van China, maar om uitzending van dat getal arbeiders op den iveg, dien de Heer de beste zal vinden. Voorts tracht hij dan de waarachtige waarde van zulk eene verkondiging van het Evangelie door geheel China, zooals hij die beoogde, tegenover allerlei tegenwerpingen in het licht te stellen. In de eerste plaats herinnert hij daaraan, dat op zulk eene wijze (wat het belangrijkste is) het bevel des Heeren gehoorzaam vervuld wordt. Verder maakt hij daarop opmerkzaam, dat volgens de berichten van den Apostel, de zegepraal van het Evangelie door het prediken van den Apostel Paulus in vele gevallen zeer spoedig gekomen is. Ook in China ware eene geheele reeks van voorbeelden aan te wijzen, waar dadelijk bij het eerste hooren der goede boodschap zielen krachtig voor Jezus gewonnen werden. In eene andere reeks van gevallen heeft reeds de eerste prediking dadelijk zulken indruk gemaakt, dat de getroffen toehoorders geene rust meer vonden, tot zij zich aan Jezus overgaven. Hoeveel goed zaad is voorde

-ocr page 186-

172

toekomst uitgestrooid kunnen worden door schrift- en traktaat-uitdeeling door de duizend Evangelisten nevens hunne mondelinge verkondiging. Eindelijk moet niet vergeten worden, dat door de vermelde algemeene verkondiging van het Evangelie door geheel China werkelijk invloed zou worden uitgeoefend op het ge-heele denken der Chineezen, en hun nieuwe gedachten en nieuw licht bijgebracht worden, die zij niet zouden vergeten, en die op hunnen tijd ook moesten vrucht dragen. «Het Chineesche volk heeft de kennis van den éénen, levenden, persoonlijken God verloren. Zonder God kan er geen recht begrip van zonde zijn, en er is geen plaats voor vergeving of verlossing. Een enkel bezoek kan honderden menschen tot nadenken en spreken over deze dingen brengen, en den weg voor een groot werk verder banen, zelfs wanneer geen oogenblikkelijke zegen zich openbaarde.»

Voor het overige gelooft Hudson Taylor te mogen aannemen, dat op de aangegevene wijze de meeste toehoorders in den regel veel meer dan slechts eenmaal gelegenheid zullen vinden, om het Evangelie te hooren; men ziet toch bij de straatpredikin-gen in China telkens weder, hoe een groot deel der toehoorders den Zendeling van de eene spreekplaats naar de andere volgt en hem tot in zijne boot of zijn logement volgt, om meer licht en onderricht te ontvangen. In het algemeen ware zulk eene soort van Evangelieverkondiging door verre gewesten heen, zooals hij hier heeft voorgeslagen, volstrekt niets ongewoons in China. Hij zelf had reeds in het jaar 1855 en 1856 in vereeni-ging met Zendeling Burns geheele maanden door op zulk eene wijze als reizend prediker gearbeid en daardoor dagelijks gemiddeld tusschen de 500 en 1000 menschen bereikt. Nochtans zou dat, wat tot hiertoe geschiedde, lang niet toereikend zijn; ook zouden de tegenwoordige arbeiders in China veel te veel door plaatselijken arbeid gebonden en tot eene te kleine landstreek beperkt zijn. Voor den arbeid, dien hij nu voorstelde, moesten

-ocr page 187-

173

de arbeiders geheel vrij, maar ook hunne districten duidelijk afgepaald zijn.

Op de algemeene bijeenkomst van evangelische Zendelingen in China, die in Mei 1890 in Schanghai plaats had en door 422 zendingsarbeiders en -arbeidsters — waaronder 82 medeleden der Zending in de Binnenlanden van China — werd bezocht, gaf Hudson Taylor insgelijks zijne denkbeelden in overweging. Deze maakte zijne bede om 1000 nieuwe arbeiders voor China in zooverre tot de hare, «dat zij in aansluiting aan eene bijzondere «Oproeping om een veel grooter getal van geordende Zendelingen» en eene andere afzonderlijke «Oproeping om veel meer ongeordende Zendelingen» aan «de protestantsche kerken in Christelijke landen» het verzoek richtte, als beantwoording van deze oproeping «1000 mannen en vrouwen binnen de volgende vijf jaren naar China uit te zenden. Wij doen deze oproeping,» zoo luidt het daarin tot slot, «ten behoeve der 300 millioen heidenen, die niet van het Evangelie hoorden, wij bevelen haar met allen ernst van ganscher hart aan, als mannen , ten volle overtuigd van de grootheid en verantwoordelijkheid van het werk, dat voor ons ligt; wij doen haar op in het onwrikbaar geloof aan de macht van eenen verrezen Heiland, om menschen in Zijnen wijngaard te roepen, en de harten van hen, die Zijne dienaren zijn, te ontsluiten, opdat zij hen uitzenden en ondersteunen; en wij zullen niet ophouden, krachtig tot Hem te roepen, dat Hij dit wille doen, en onze oogen het zien mogen.»

Het is blijkbaar, dat deze Schanghai-samenkomst in deze oproeping, mede onder den invloed was van de gedachten van Hudson Taylor en van zijne deze bepleitende toespraken; maar het is ook blijkbaar, dat zij zich die toch niet geheel en al hadden willen eigen maken. Van de «1000 Evangelisten, die volgens Hudson Taylor\'s wensch, met al de anderen in korten tijd zouden uitgaan, en wel met het bepaalde doel, in den kort-

-ocr page 188-

174

sten tijd geheel China eenmaal stelselmatig met het Evangelie te bezoeken, is daar ten minste geen sprake. Het is ons ook zeer begrijpelijk, dat niet alle deelnemers der samenkomst hiertoe zonder meer wilden medewerken. Zulk eene buitengewone, uitgebreide evangelisatiewerkzaamheid, als Hudson Taylor op het oog had, moest, hare mogelijkheid vooropgesteld, naar onze overtuiging, wanneer zij werkelijk blijvende vrucht zou hebben, gevolgd worden door eene zorgvuldig verzamelen van en toezien op hen, die innerlijk aangegrepen waren. Mogen wij de daartoe vereischte krachten echter in zulke mate en in zulk eenen korten tijd verwachten? In elk geval moest aan de bede om de 1000 Evangelisten ook die om de nakomende veel talrijker arbeiders op standplaatsen, om gemeentepredikers, leeraars en herders verbonden worden. Daarnevens moest het een onderwerp vaneen geheel afzonderlijk gebed zijn, dat alle valsche geestdrifl vreemd blijve aan de ontzachelijk ernstige zaak, die zoo groote verantwoordelijkheid oplegt, opdat slechts werkelijk van God geroepene en door Hem bekwaamde menschen, wien de moeielijkheid van den weg, die voor hen ligt, ten volle bekend is, zich op doen, en deze dan ook op recht Gode welgevallige wijze in het reeds bestaande werk in China ingevoegd en daarmede in ware gemeenschap aaneengesloten worden.

Hudson Taylor zelf schrijft in Maart 1890, met het oog op de verhouding der Zending in de Binnenlanden van China tot de afgesmeekte 1000 Evangelisten: «Welk bepaald aandeel de Zending in de Binnenlanden van China aan het werk der duizend Evangelisten te nemen in staat zal zijn, zien wij nog niet; terwijl wij daarom dankbaar zullen zijn voor iederen geschikten persoon, die zich zal aanbieden voor dezen bij zonderen dienst, zoo bidden wij toch tegenwoordig niet om een bepaald getal voor deze zending. Maar wij kunnen niet anders; het is ons, alsof God ons verder leidde tot grootere dingen, dan wij tot hiertoe

-ocr page 189-

176

ondernomen hebben.» Zijn zwager Broomhall zeide echter op de voorlaatste jaarvergadering in Londen (Mei 1890): «Ik ben niet zoo sanguinisch (snel tot hopen) als mijn zwager Taylor, althans wat het getal der menschen betreft, die in eenengegevenentijd te bereiken zijn; maar ik vertrouw, dat er hier niemand onder ons is, die niet hartelijk instemt met den wensch, dat het Evangelie aan alle creaturen zal gepredikt worden. Dat was onzes Heilands laatst en ernstig gebod.»

Dat moet in ieder geval ook ons voortdurend gebed zijn.

Intusschen zijn ongeveer 60 mannen en vrouwen reeds als eerste vrucht dezer oproeping, in China aangekomen, waarvan 50 alleen uit Noord-Amerika. De laatsten kwamen in twee groepen in Shanghai, bij het Chineesche hoofd kwartier der Zending in de Binnenlanden van China aan. Eerst waren het 35 te gelijk, den 17den Febr. 1891 — het grootste getal Zendelingen, datnogte gelijk in China is aangekomen — de overige 15 volgden den 10den Maart. Het waren allen Skandinaviërs, 23 mannen en 27 vrouwen, voor den door Hudson Taylor voorgestelden Evangeliedienst uitgezonden door een «Skandinavisch Zendingsverbond voor China» in Amerika, dat voor het onderhoud van hunne zendelingen in Amerika laat zorgen, terwijl de leiding in banden der Zending in de Binnenlanden van China berust. De ziel der beweging, waaruit dit Skandinavisch Zendingsverbond is ontstaan, is de ook in Duitschland bekende, Zweedsche evangelist Franson. Hij had de oproeping van Hudson Taylor betreffende de 1000 Evangelisten al spoedig met de hem eigene warmte en geestdrift opgevat, en dadelijk aangevangen, om met allen ernst voor die 1000 te bidden en al zijne kracht te gebruiken, om hen te verkrijgen. Eerst riep hij, met eenige vrienden in Barmen 1),

1) Het zij hierbij uitdrukkelijk opgemerkt, dat het Rijnsche Zendeling Genootschap in Barmen, dat ook zending in China uitoefent, in geen betrekking daarmede staat of stond.

-ocr page 190-

176

een «Duitsch Zendingsverbond voor China» in het leven, dat 50 dezer Evangelisten zenden en voor hun onderhoud zorgen zou. Toen echter daar de zaak niet op de door hem gewenschte wijze voortging, ging hij naar Amerika, waar, zooals hij schrijft, «de uitkomst zoo veel te belangrijker was». Fransons denkbeeld is, dat ieder der Evangelisten door eene der Skandinavischegemeenten in Amerika zal worden onderhouden, waartoe zich ook de noodige gemeenten bereid verklaard hebben. (De uitgezondenen behooren tot verscheidene belijdenissen en worden dientengevolge door gemeenten van verschillende richtingen van het noodige voorzien.) Met betrekking tot de eerste 35 schrijft Franson in zijnen geleidebrief aan de Zending in de Binnenlanden van China in Schanghai: «Zij zijn voorbereid, om van plaats tot plaats te gaan en het Evangelie te verkondigen, traktaten en Bijbels te verspreiden, waar de Heer hen voeren zal; en zij hebben beloofd, deze soort van arbeid minstens drie jaren te doen .... ook gedurende dezen tijd niet te trouwen.... Hun voornemen is, om twee aan twee uit te gaan, (twee broeders en twee zusters te zamen), en indien het mogelijk is eenen inlandschen Christen te verkrijgen, die met hen medegaat.... Zij wenschen alzoo rondreizende te prediken, dus van de «duizend » te zijn, waarom de heer Taylor den Heer gebeden heeft, — juist dezen arbeid te doen.»

Zooals het schijnt, was Hudson Taylor bij den aankomst van deze eerste groote schare, die zoo hoop en vreugdevol den arbeid voor de toekomst te gemoet zag, meer dan zij onder den indruk van het gewicht der taak, die hen in China wachtte. Ernstige ■woorden waren het, waarmede hij, volgens het bericht in « China\'s millioenen», de aangekomenen in Schanghai toesprak. Met allen nadruk wees hij hen op de moeilijkheden van den weg, die voor hen lag, in dit land der duisternis, «waar Satans zetel is.» En de verslaggeefster van genoemd blad. Miss Geraldine Guinness,

-ocr page 191-

177

schrijft: «Het werk, dat hen te wachten staat, is het allerzwaarste en sluit in zich beproevingen en ontbeeringen, waarvan zij zich weinig begrip kunnen maken. Maar het is Christus-gelijkvormige arbeid, en die is dierbaar aan het hart Gods. Laat ons hen door onze gebeden steunen, opdat wij deelhebben aan hunne vreugde — Zijne vreugde — den tijde des oogstes!»

Aan het hierboven vermelde «Duitsch Verbond voor do Zending in China» heeft het, zoover wij beoordeelen kunnen, zeer tot verlichting en hulp gestrekt, dat het in directe verbinding gekomen is met de Zending in de Binnenlanden van China en hare leidslieden. Den door het Duitsche comité 1) aangenomenen namelijk biedt de Zending in de Binnenlanden van China gelegenheid, om zoo te zeggen onder hare oogen in Londen — natuurlijk op eigene kosten — de Engelsche taal te leeren en hen, voor zoover dat in Engeland mogelijk is, met den geheelen aard en de moeilijkheden van het werk bekend te maken. Voorts spreekt ook de raad van bijstand der Zending in de Binnenlanden van China zijn oordeel uit over de geschiktheid voor den zendingsdienst van sommigen, en eerst op grond van dit oordeelbesluit het Duitsche comité, of de in Londen geschikt bevondenen nu uit zullen gaan of niet. Op zoodanige wijze zijn van het groote getal, dat zich eerst ter beschikking gesteld had, in het jaar 1890 één broeder en twee zusters naar China uitgezonden kunnen worden, waarop nog eene zuster in Sept. 1891 volgde. Allen zullen voor hun onderhoud op de Goddelijke verzorging vertrouwen; het «Duitsch Zendingsverbond voor China» helpt slechts bij het begin en steunt de arbeiders met gebeden. In China zullen deze onder de Zending in de Binnenlanden van China geplaatst zijn, ook in het algemeen den door haar gevorderden vormingscursus daarginds doorloo-

1) Dit bestaat uit 5 mannen, tot verschillende korkgenootschappen behoorende, te Barmen Elberfeld.

12

-ocr page 192-

178

pen. Aan de noodige geldmiddelen heeft hef, zooals wij vernemen, het «Duitsch zendingsverbond voor China» tot heden nog niet ontbroken. Nog drie arbeiders zijn in Engeland ter voorbereiding en op proef.

Een «Zweedsch Heiligingsverbond», dat onafhankelijk van de vroeger genoemde « Zweedsche Zending in China », tot Mei 1891 5 arbeiders en arbeidsters uit Zweden heeft uitgezonden, en zich ook gelijk laatstgenoemde aansloot aan de Zending in de Binnenlanden van China, is weder eene vrucht van de meermalen vermelde Oproeping van Hudson Taylor. In hoeverre dit ook geldt van de 5 arbeiders, die uit Noorwegen met gelijke bedoeling naar China zijn gezonden, en van den éénen, dien de vrije kerk van Finland in China onderhoudt, weten wij niet met zekerheid te zeggen.

Al deze verschillende vereenigingen hebben dit gemeen, dat de door hen uitgezondene en gindsch ondersteunde of onderhoudene arbeiders slechts als aangeslotenen aan de «Zending in de Binnenlanden van China» gelden, dat is, dat zij wel is waar geplaatst zijn onder de «Zending in de Binnenlanden van China», doch dat deze de verantwoordelijkheid voor hun komen in China evenmin als voor hunnen arbeid wenscht te dragen. Anders is dit met de bij het begin van deze afdeeling genoemde Amcrikaansche tak der Zending in de Binnenlanden van China; deze arbeiders hebben geheel en al gelijke rechten en zijn met hen in alles — uitgenomen de verzorging — gelijk gesteld geworden. Een derde tak der Zending in de Binnenlanden van China, die gelijke rechten heeft, .is in het vorige jaar in Australië gevestigd; deze is in het leven geroepen door een bezoek, dat Hudson Taylor op menigvuldig dringend verzoek, aan de verschillende steden van het Australisch vasteland bracht, gedurende de maanden Augustus tot October 1890. Ook daar is een raad van bijstand gevestigd, die over de op-

-ocr page 193-

179

name der voor den dienst zich aanmeldenden te beslissen, voor hunnen overtocht naar China te zorgen en den uitgeganen het beloofde geld te verschaffen heeft. Tot Mei 1891 waren reeds 24 zendelingen en zendingszusters van Australië naar China uitgezonden.

e

Het gezamenlijk getal van alle met de Zending in de Binnenlanden van China in verbinding staande Zendelingen en Zendingszusters mag men tegenwoordig (October 1891) reeds over de 500 berekenen. Op het laatste jaarfeest in Londen (26 Mei 1891), 1) deelde de Secretaris, de heer Broomhall, mede, dat in het geheel 480 Zendingsarbeiders en -arbeidsters in dienst van de «Zending in de Binnenlanden van China» en in verbinding met haar stonden. Daarvan waren 348 door de moedervereeniging in Engeland uitgezonden; 29 had de Amerikaansche en 24 de Australische tak gezonden, de overige 79 waren aangeslotenen. (Zie boven.) Bijna Vj vau het geheele getal is er in de laatste beide jaren bijgekomen. Alleen in den loop van het jaar 1890 kwamen in het geheel 09 arbeiders en aangeslotenen in China aan. En tot op April 1891 waren weder 70 aangekomen. In den tijd van 5 maanden, van 18 Oct. 1890 tot 21 Maart 1891, bedroeg het getal der in Schanghai ontscheepten 123, die allen in het groote en nieuwe zendingshuis der «Zending in de Binnenlanden van China » voor korter of langeren tijd een onderkomen moesten vinden. Hoe goed, dat het der Zending in de Binnenlanden van China door de rijke gave van een enkelen

1) Waarop te gelijker tijd het 25-jang jubiló der Zending in de Binnenlanden van China werd gevierd.

-ocr page 194-

180

vriend mogelijk geworden was, dit aanzienlijke gebouw in Schanghai, de voornaamste haven van aankomst, op te richten en van af het voorjaar 1890 gereed te hebben. (Met de groote samenkomst in Mei 1890 konden reeds meer dan 80 Zendelingen daar gehuisvest worden.) Met het oog op die belangrijke uitbreiding van het getal arbeiders in den laatsten tijd schrijft Hudson Taylor: «De, gebeden om versterking zijn op zoo merkbare wijze beantwoord geworden, dat wij bijna daardoor bezwaard worden; dubbel zoo veel zijn gekomen als er open plaatsen in onze voorbereidingsinrichtingen waren, 1) en terwijl er ruimte genoeg is voor ieder getal van hen, die met de taal bekend zijn en in staat zijn zich over het land te verdeelen, zijn er zeer weinige plaatsen, waar velen rustig samenwonen en de taal in kalmte en vrijheid ongestoord aanleeren kunnen. De Heer heeft ons echter in staat gesteld, al degenen, die Hij gezonden heeft, onderkomen te bezorgen, al bracht dit ook veel buitengewoon werk met zich.» Met betrekking tot de op de groote bijeenkomst in Schanghai afgebedene «1000 nieuwe arbeiders voor de volgende 5 jaren» schrijft Hudson Taylor: «Binnen de eerste 10 maanden na het doen der oproeping kwamen 180 Zendelingen in China aan, zoodat waarschijnlijk het eerste jaar niet beneden het getal van 200 zal blijven; en velen van ons bidden en verwachten nog grootere dingen dan deze, voor zoover het het getal aangaat. Terwijl [wij op volhouden in het gebed om de «duizend» aandringen, vragen wij nog ernstiger in het gebed, dat degenen, die uitkomen, allen door God gekozen en ten volle van geestelijke kracht vervuld mogen zijn, en dat zij, die zoo gekomen zijn, door de macht Gods bewaard mogen worden.»

1) Deze zijn in Gan-king (voor de mannen) en in Yang-tschau (voor de vrouwen); zij werden in het jaar 1889 door bijgebouwen aanmerkelijk vergroot.

-ocr page 195-

181

Het inkomen over het jaar 1890 bedroeg, volgens het laatste jaarverslag, 28,361 pond (ca. 337,142 gulden), veel minder dan het inkomen van het vorige jaar (met bepaalde bestemming voor de zending 33,642 pond, ca. 411,774 gulden), ofschoon het getal arbeiders werkelijk grooter was. Daarbij kwam, zooals Hudson Taylor schrijft, in den loop van het jaar menig groot verlies tengevolge van den ongunstigen zilverkoers.

«Veel mildheid» is in dien tijd «betoond door de opofferende gaven van medeleden onzer zending, en hoewel wij somtijds zoozeer in verlegenheid waren, als wij in vele jaren niet geweest waren, zoo heeft de Heer ons toch niet verlaten.« Eeeds in het vorig jaarverslag sprak Hudson Taylor het uit, dat het inkomen niet in gelijke mate als het getal der nieuwe arbeiders was aangegroeid, en merkte daarbij op: «De geringe toezendingen waren voor de arbeiders in China ernstige geloofsbeproevin-gen en gaven aanleiding tot veel ernstige gebeden, vooral gedurende den herfst. Maar de Heer beantwoordde die gebeden op verschillende wijzen. Eenigen van de leden der zending ontvingen bijzondere gaven of legaten, en velen van hen droegen op milde wijze voor onze behoeften bij. In China ontvingen wij groote giften vau vrienden, die het werk daar uit persoonlijke aanschouwing kennen. Zoo werden de behoeften op de eene of andere wijze bevredigd. Waarlijk het is veilig op den Heer te vertrouwen, en het is ook iets buitengewoon zaligs.»

Van den tegenwoordigen sland van den arbeid der Zending in de Binnenlanden van China in de verschillende provinciën geeft het aan het slot bijgevoegde kaartje van China en de op de achterzijde gedrukte statistieke lijst eenigermate een voorstelling. Wij vinden daar een groot uitgebreid net van standplaatsen tot aan de grenzen van Tibet, Mongolië, en tot in het verre Burmah; een uitgebreide reizende prediking zoekt bovendien de

-ocr page 196-

182

uitgebreide streek, die daartusschen nog van het Evangelie verstoken is gebleven, daarmede bekend te maken en de vestiging van standplaatsen voort te zetten. Helaas zijn twee provinciën, Ho-nan en Kwang-si, nog zonder zendingposten. De laatste is voor de evangelische zending tot op dit oogenblik nog geheel gesloten gebleven. In de eerste heeft een tijdlang een dierbare, nu opgeroepene broeder getracht vasten voet te verkrijgen. Meerderen na hem hebben van de grenzen uit gelijke pogingen gedaan , maar allen moesten met geknakte gezondheid terugtrekken. Slechts door reizende predikers kon daarna van tijd tot tijd in eenige gedeelten van Ho-nan het goede zaad uitgestrooid worden. Nu echter denkt men op nieuw een bezetten van deze provincie te beproeven. Mocht dat den wakkeren pionniers gegeven worden! Mocht ook Kwangsi zich spoedig voor de vredeboden openen! 1)

Nu nog iets omtrent de Totalen der bijgevoegde statistiek! Volgens die, telde de Zending in de Binnenlanden van China in 14 van de 18 provinciën van het Chineesche rijk 94 hoofdstandplaatsen met 78 bij posten, waarop gezamenlijk 139 kapellen in gebruik waren. 353 mannen en vrouwen uit Europa, Amerika en Australië waren op de verschillende standplaatsen en op zendingsreizen aan den arbeid; 187 bezoldigde en 55 onbezoldigde inlandsche helpers, waaronder een geordende, stonden hen ter zijde. In 94 georganiseerde gemeenten waren 2812 erkende gemeenteleden verzameld, terwijl het getal van al de sedert het begin der zending gedoopten 4585 bedroeg. 8 opleidingsinrichtingen en 22 dagscholen gaven aan een getal van gezamenlp 423 kinderen christelijk onderwijs. 7 zendingsziekenhuizen, 13 zendingsapotheken en 38 toevluchtsoorden tot

1) Volgens hare bestemming, om in de eerste plaats het Binnenland in het oog te houden, heeft de Zending in de Binnenlanden van China de beide kustprovinciën Fu kien en Kwangtung, die rijkelijk door andere evang. zendingen bezet zijn, aan dezen overgelaten.

-ocr page 197-

183

genezing van opiumrookers predikten in hulpvaardig dienenden Chineezen de liefde, die in Christus is voor de armen, el-lendigen en gebondenen. Deze prediking is voor de Chineezen zooveel gewichtiger, daar zij zelfs in hunne heidensche zedeleer van werkdadige liefde voor de naasten eigenlijk niets wisten. Hoe bijzonder groot echter de nood is , die men in de toevluchtsoorden voor opiumrookers leerde kennen, daarvan kunnen wij ons nauwelijks een denkbeeld maken. De zonde van het opiumrooken dreigt ten slotte alle standen der bevolking aan te grijpen. Hoe langer hoe meer geven ook vrouwen zich daaraan over, en het behoort niet meer tot de zeldzaamheden, dat zelfs kinderen zich; daaraan gewennen. Er zijn districten, waarin, naar het oordeel van Zendelingen van onden inding, meer dan drievierde der bevolking tot de opiumrookers behoort, die daarvan eene gewoonte maken. God lof! kunnen de Zendelingen vele gevallen berichten, waar de, in het toevluchtsoord voor opiumrookers opgenomenen, van de geweldige banden hunner zonde bevrijd werden; maar , de Zendelingen getuigen ook met algemeene stemmen, dat slechts diegenen werkelijk op den duur standvastig blijven, die zich in oprechte boete en levendig geloof tot Jezus gewend en bij Hem vernieuwing en kracht gezocht en gevonden hebben.

Ook van de xendingshospitalen en apotheken, evenals van de reizende werkzaamheid van medische zendelingen komen een groot aantal verblijdende berichten in; in vele gevallen zijn reeds door zulken arbeid en dezen dienst streken en harten, die voor de kennis van Jezus, den grooten geneesmeester voor lichaam en ziel, gesloten waren, ontsloten geworden. Men hecht daarom ook hoe langer hoe meer waarde aan het aanwinnen en opleiden van zendeling-geneesheeren voor China. ■

Wat nu de 2812 aangenomene gemeenteleden uit de Chineezen aangaat, die de Zending in de Binnenlanden van China als zichtbare vrucht van haren arbeid tegenwoordig telt, behalve de

-ocr page 198-

184

4585 volwassen gedoopten, die haar van den aanvang tot nu geschonken werden, ons mogen ook daaromtrent eenige opmerkingen geoorloofd zijn. Ten eerste herinnert Hudson Taylor eraan, dat na zijn overzicht een groot aantal Chineezen — te zamen wel meer dan 1000 — in de groote 25 jaren van het bestaan der Zending in de binnenlanden van China, in levend geloof aan den Heiland gestorven zijn, zonder eerst gedoopt te zijn geworden; deze hebben wij alzoo eigénlijk bij het hierboven genoemd getal bij te tellen, wanneer wij een gezamenlijk getal hebben willen. Verder hebben wij daaraan te denken, dat het werk van de Zending in de Binnenlanden van China zijne tegenwoordige groote uitbreiding eerst in de allerlaatste jaren verkregen heeft, dat de arbeid op de meeste plaatsen alzoo nog betrekkelijk nieuw is. Eindelijk vernemen wij uit de berichten, dat men tengevolge van enkele teleurstellingen hoe langer hoe zorgvuldiger wordt bij den doop en de opname in de gemeente; daaraan werkelijk js het ook toe te schrijven, dat het getal der nieuw gedoopten in het jaar 1890 slechts 424 bedroeg, terwijl er in het jaar 1889 536, in het jaar 1888 472 en in het jaar 1887 551 vermeld werden. Zoo bieden alzoo deze getallen veel, zeer veel stof tot vreugde en tot danken, vooral wanneer wg, zooals Hudson Taylor eens zeide, «denken aan de waarde van een enkele ziel, en aan de vreugde van den Heer Jezus, wanneer Hg ziet, dat Zijn bloed werkzaam wordt tot de redding uit het geweld van den Satan en tot de voorbereiding der met Zijn bloed gewassenen voor eene eeuwige heerlijkheid.» —

Als eene recht kostbare vrucht van het zendingswerk zijn ook de 187 bezoldigde en meer nog de 55 onbezoldigde 1) helpers

1) De ondervinding leert overal, dat het veel beter is wanneer de inlandsche helpers niet door de zendelingen bezoldigd worden, maar hun onderhoud of zelf verdienen, óf van de inlandsche gemeenten ontvangen.

-ocr page 199-

185

uit de inlanders te beschouwen, die met de Zending in de Binnenlanden van China verbonden zijn. Een groot getal van hen bereiden den zendelingen^ dien zij ter zijde staan, veel vreugde en zijn voor het werk van onberekenbare waarde. Mochten er nog velen voor dezen dienst des Heeren opgewekt en toebereid worden.

Wij sluiten hiermede onze medcdeelingen over de Zending in de Binnenlanden van China. — Een bevoegd Duitsch kenner der zending schrijft daarvan; «Helaas ligt in de geheelemethode dezer Zending een zekere haast en onrust, die de vreugde over den vromen zendingsijver harer arbeiders eenigszins verstoort. quot;Werden deze schoone krachten, naar den eisch der zending beter onderwezen, ingericht en tot een geheel verbonden, zoo zouden zij zonder twijfel veel nuttiger zijn. Het vele reizen in ver verwijderde streken en het doellooze uitstrooien van zaad, dat de daarna zoo noodige verzorging mist, de winst slechts van enkele zielen, die op verren afstand van elkander, verstrooid, zonder aansluiting aan eene gemeente en zonder verband door geestelijke leiding, gescheiden staan, is geene gezonde zendingsmethode. »

In hoeverre D. Warneck met zulk eene beoordeeling recht heeft, durven wij niet uit te spreken. Het beeft ons inderdaad ook dikwgls toegeschenen, alsof juist in datgene, waarin de bijzondere kracht der Zending in de Binnenlanden van China en hare stichters is, (namelijk de buitengewone, nooit voldane drang naar uitbreiding) ook het eigenaardige gevaar, en — zoover die niet overwonnen wordt, — hare bijzondere zwakheid ligt. Hoe dit echter ook zij, wij willen niet vergeten, den Heer te prijzen voor de rijke mate van den geest des geloofs en des gebeds, waarmede Hij deze Zending en haren stichter en leidsman zoo blijkbaar begiftigd heeft; en wij willen Hem bidden,

-ocr page 200-

186

dat Hij van dien Geest ook allen Zendingen in rijke mate uit Zijne volheid schenken moge. «Laat o n s,» zoo besluit Hudson Taylor eenige opmerkingen over de vraag naar de beste zendingswij ze, «bij ons angstig uitzien naar deze of gene methode, niet vergeten, dat hetgeen, de gemeente des Heeren in het Vaderland behoeft, en wat de gemeente des Heeren op het zendingsveld noodig heeft,vóór alles is; vervuld te quot;worden met den heiligen geest.

-ocr page 201-

INHOUD.

i. ü1t den tijd der voorbereiding.

Bladz.

1. Bekeeringsgeschiedenis...........1

2. Voor China; in Huil; tiendengave en wegschenking van

het overtollige.............6

3. Wonderbare hulp in geldverlegenheid......12

4. Bloedvergiftiging.............23

5. Bekeering van eenen atheïstischen patient.....34

6. Op de reis naar China...........37

II. Voor den eersten keer in China.

1. Moeielijke tijden in Schanghai.........44

2. Op reis in het land............48

3. Met Zendeling Burns op weg; naar Swatau .... 55

4. Moeilijkheden bij den aanvang in Swatau; reis naar

Schanghai en Ningpo...........60

5. De betrekking met de Zendingsvereeniging verbroken . 66

6. Een moordaanslag afgewend; redding uit geldverlegenheid

en ziekte; overname van het zendingsziekenhuis in

Ningpo; terugkeer naar Engeland....... 69

III. Begin der Zending in de Binnenlanden van China.

1. Aan de Bijbeloverzetting; stichting der Zending in de

-ocr page 202-

188

Bladz.

Binnenlanden van China; grondbeginselen en inrichting daarvan . . . ..........80

2. Vijf arbeiders voor Ningpo..........88

3. Geldmiddelen en schip voor 17 personen.....97

4. De leiding in het vaderland; aankomst in Schanghai;

intocht in Hang-tschau..........103

5. Bezetting van Nankin...........108

6. Oproer in Yang-tschau...........113

IV. Over den voortgang van het week.

1. Uitbreiding tot aan het jaar 1885 ..............131

2. Vijf candidaten aan de universiteit en 2 officieren in het

jaar 1885 ............................135

3. Nieuwe regeling van het werk in China.....142

4. Honderd nieuwe Zendelingen in het jaar 1887 . . . 150

5. Amerikaansche tak van de Zending in de Binnenlanden

van China; aangeslotenen uit Zweden; oproeping ora 1000 Evangelisten; aangeslotenen uit Amerika, Duitsch-land, Skandinavië; Australische tak van de Zending in de Binnenlanden van China........158

6. Over den tegenwoordigen toestand en van de vruchten

van het werk na 25 jaren.........179

-ocr page 203-

ERRATA.

Na het afdrukken zijn de volgende zinstorende misstellingen opgemerkt:

Pag. 48 regel 10 van onderen, « voor welks hunne soldaten» moet luiden: «voor welker soldaten.» 85 » 3 van onderen, «wanneer wij slecht», moet

luiden: «wanneer wij slechts.» 83 » 8 van onderen, «mocht te hopen,» moet luiden ; «mocht hopen.»

105 » 10 van boven, «20quot; Mei 188G.» moet luiden : moet luiden : « 20quot; 186C.» 112 » 1 van boven, «zeker ik zijne,» moet luiden :

«zeker in zijne.»

128 » 12 van onderen, «met de zich voorts nog,»

moet luiden: «met de voorts nog.» 130 » 8 van onderen, «der gemeentekan,» moet

luiden: «der gemeente kunnen.» 135 s 10 van boven, «1892 volgden,» moet luiden: «18S2 volgden.»

» 1G2 » 2 van onderen, «omtrent tot hare,» moet luiden : « omtrent hare.»

Verscheidene hier niet vermelde drukfeilen gelieve de lezer te verbeteren.

-ocr page 204-

CD td

CD

Ü §

Pj

CD

lt;1 §

O

1—\'•

Cj

go O

CD c-*-

CD

P^ CD

lt;1 JO

OO

co O

-ocr page 205-
-ocr page 206-
-ocr page 207-
-ocr page 208-

Z Vquot; t ■