\\
\\
\\
\\
\\
\\
IllfeT \'kaakfm des Lmveks
ï-hi k^BKl.OOSHEID VAN ÏÏET MA\'TmiALlSM^
«erisaJbl door
Bi, li i JiK II Ik
». SUN amp; ZOO»
KüTi\'RMJj\'AM.
^ .
*
Het Raadsel des Levens
EX
De Radeloosheid van het Materialisme.
320,
Het Raadsel des Levens
en
Radeloosheid van het Materialisme.
--h-i--
Populair-Wetenschappelijke Voordrachten,
tn ben rQ5tnfcr uon 1876 fe HOJeenen ge^oubcn
DOOR
dr. paul von zimmermann,
Predikant en Univ. docent.
Met toestemming des Schrijvers in het Nederduitsch vertaald
DOOR
Dr. e. h. ekker.
---•frio-efr1-----------
Rotterdam D. VAN SUN amp; ZOON.
D. van Sun amp; Zoon
Stoomdrukker ij
Rotterdam.
VOORBERICHT VAN DEN VERTALER.
Vormde de tweede helft der zeventiende eeuw een merkwaardig en, wat de grootsche persoonlijkheden betreft, zeer rijk tijdvak onzer vaderlandsche geschiedenis, ook de tweede helft onzer ten einde spoedende eeuw was buitengewoon belangrijk door een machtig streven naar vrijheid en openbaarheid op ieder gebied en door tal van verrassende ontdekkingen en toepassingen op het terrein van wetenschap, kunst en industrie, van welke ons klein, maar naar wereld-burgerschap strevend volk een niet onbelangrijk deel het zijne mag noemen.
De in de laatste vijftig jaren steeds meer beoefende natuurwetenschap wekte bij het jonge Nederland die voorliefde tot naakte waarheid, die zich in de voortbrengselen van het huidige realisme en in de vruchten der onderzoekingen door zinnelijke waarneming openbaarde. Dit realisme stempelde voortaan ieder streven; het oefende reeds zijn invloed uit op de eerste vorming en onderwijzing onzer jonge kinderen; bij de beoefening van kunst en wetenschap door onze zonen en dochteren; bij het onderwijs onzer toekomstige handwerkslieden op de ambachtsscholen; — kortom, het realisme werd het groote wachtwoord van onzen tijd.
Heeft het ons volk in waarheid geluk aangebracht? Naar mijne bescheidene meening geenszins.
VI
Kalme stemming, tevredenheid met het ons toebedeelde lot en kinderlijk vertrouwen op Hoogere leiding voor het tegenwoordige en voor de toekomst (welke in onze jeugd het levensgenot verhoogden), zij maakten plaats voor een rusteloos en ontevreden najagen van stoffelijke m zedelijke lotsverbetering, dat bij de steeds aangroeiende mededinging en bij de steeds slechtere oeconomische toestanden onzer maatschappij hoe langer zoo meer inspanning eischt.
Is het te verwonderen, dat een zóó moeitevolle strijd om het bestaan, die reeds het heerlijkste tijdperk des levens (de jaren der jeugd) door eene bovenmatige inspanning van ieder kalm genot beroofde, op het zenuwleven der menschheid een storenden invloed heeft uitgeoefend en bij de aankomende geslachten eene vroegrijpheid veroorzaakte, welke deze mat en lusteloos maakte tegen het tijdstip, waarop zij hun aandeel in den vooruitgang en in de bezieling der maatschappij zouden leveren?
Eene vijf en veertigjarige praktijk der geneeskunst onder eiken stand der tweede koopstad van ons rijk leerde mij, dat er bij jong en bij oud een geschokt zenuwleven is ontstaan; bij jong, door de bovenmate vermeerderde inspanning ter verovering eener goede standplaats in de samenleving; bij oud, door de vele teleurstellingen en de uit schandelijke weelde en praalzucht geboren kommervolle toestanden van duizenden gezinnen. Deze uitspraak vond hare bevestiging in het verrijzen van tallooze sanatoria tot behandeling van zenuwlijdenden, waarmee gepaard ging de uitbreiding
VII
van bestaande en de aanbouw van vele nieuwe krankzinnigen-gestichten, in welke ten slotte honderden dier zenuv/lijders zijn aangeland.
Eet woord van wijlen onzen hoogleeraar in de scheikunde, Dr. G. J. Mulder, die steeds beweerde: , Wetenschap schept volksgeluk,quot; heeft zich niet bevestigd door de ervaring; het is gebleken, dat wetenschappelijke vorming zonder gelijktijdige ontwikkeling en leiding van gevoel en verbeelding, waardoor karaktervorming wordt verkregen, ongenoegzaam is voor de verovering van volksgeluk. „ Geeft ons heter, desnoods door wettelijk „bewlen leerplicht onder alle rangen der maatschappij „verbreid onderwijs, en wij zullen weldra onze gevange-rjiissen en krankzinnigen-gestichten kunnen sluitenquot;, dit zoc plastische verwachtingen en sanguinische hoop wekkende woord van wijlen onzen hoogleeraar der bespiegelende wijsbegeerte, Mr. C. W. Opzoomer, werd janmerlijk door de ervaring gelogenstraft. Immers gedurende de laatste 30 jaren is ons openbaar onderwijs bjzonder ter harte genomen, op allerlei wijze verbeterd ei door de kostelooze scholen tot in de onderste lagen der maatschappij bereikbaar gemaakt, en toch . .. de nood tot uitbreiding en vermeerdering onzer gevangenissen en krankzinnigen-gestichten werd van jaar tot jaar dringender.
Hoe onbegrijpelijk kortzichtig is toch het oordeel dier mannen van den vooruitgang, die steeds maar blijven ver-kondigen,dat verstandelijke ontwikkeling het ééne noodige is/
Alsof de dier-mensch zich alleen door het verstand laat beheerschen, en de dagelijksche ervaring het ons
VIII
niet heeft geleerd, dat zelfs zeer ontwikkelde hoofden door hartstochten kunnen afdwalen!
De dagelijks in alle dagbladen vermelde misiaden en zedeloosheden van allerlei aard herinneren cns op beschamende wijze, hoe slechten invloed op onze samenleving heeft uitgeoefend: het verstikken van godsdienstig geloof door de materialistische stroomingen onzer óagen; de louter humanitaire opvoeding toch, die in het: edelst humanisme der modernenquot; zich aanbevelenswairdig trachtte te maken, is evenzeer als de morale (ós la religion) indépendante ongenoegzaam gebleken bij de volksopvoeding. !) Wij zullen dus, door de ondervincing van de teekenen des tijds voorgelicht, weder tot de erkentenis moeten komen, dat zoodra men gezag en ent-zag aan God opzegt, tevens elk gezag en ontzag der we\',tig over de maatschappij gestelde macht moet wegvallen 1)
1
) Ernstig wees ik reeds hierop in eene brochure, September 18\'5 door mij bij den boekhandelaar Dunk te Rotterdam uitgegeven onder den titel: De wonden van ons volksleven, Neêrlands heden en Keêrlands toekomsi,quot; door Multavidi.
Daar echter de in dien tijd nog oppermachtige soi-disant-liberale par:ij dit geschrift doodzweeg, miste het de door mij bedoelde en gehoopte waco-schuwende kracht.
Was deze handeling, welke de liberale partij van dat tijdperk stigmatiseert als pseudo-liheraal, niet reeds een bewijs der door haar zelve gevoelie bewustheid der ontaarding en verzwakking, die korte jaren later reeds lot verdeeldheid, onderlingen feilen strijd en hieruit geboren uiteenspatting en algeheelen ondergang der liberale partij in ons vaderland hebben gevoerd? Men leze hierover de brochure van Mr. W. H. de Beaufort: „Be liberale partij en de verkiezingen.quot; Den Haag, Gebr. Belifante, 1897.
IX
Dat dit helaas! in ons vaderland tot zekere hoogte treurige werkelijkheid is geworden, leerde ons de gedurige tegenstand der kinderen van ons volk tegenover de beambten der politie bij hunne handhaving der openbare orde en zedelijkheid.
Gelukkig doemen er voorteekenen op, dat bij duizenden onzer landgenooten het besef weder levendig wordt, hoe onmisbaar de godsdienstig-zedelijke leiding is en blijven zal bij de vorming der toekomstige burgers.
Was het reeds een voldoening gevend feit, dat in Duitschland vele hooggeleerde en zeer geleerde mannen der wetenschap het onmisbare van den godsdienst weder erkennen, ook in ons vaderland werden duizenden verrast door het: „credamusquot; (laten wij gelooven!) van den Leidsehen hoogleeraar Bolland, uitgesproken aan het slot zijner inwijdende redevoering in September 1896 tot aanvaarding zijner lessen in de bespiegelende wijsbegeerte. In het voorjaar van 1897 gaf deze geleerde een standaardwerk uit, getiteld: Het wereldraadsel, dat echter den geloovigen teleurstelling baarde. Van oordeel zijnde, dat naast dit werk een voortreffelijke arbeid van Dr. Paul von Zimmermann , te Weenen, groot nut zou kunnen doen, legde ik eene Nederduitsche vertaling van Zimmermann\'s: „Het raadsel des levens en de radeloosheid van het materialismequot; ter perse, welke vertaling reeds jaren geleden door mij was bewerkt, maar tot heden door allerlei beletselen niet uitgegeven.
Mocht deze vertaling, welke zoo getrouw mogelijk in zinsbouw en gebruik van leesteekens het oorspronke-
X
lijke werk nabootst, alleen nu en dan (ter wille van duidelijkheid en mindere vermoeiing bij het lezen) in den soms bladzijden langen, met tegenstellingen en tusschenzinnen overladen Duitschen zinsbouw gekortwiekt, iets bijdragen tot den godsdienstig-zedelijken opbouw onzes volks, de vertaler zou zijne moeite dubbel beloond achten.
Hilversum, Juli 1899. Dr. E. H. EKKER.
P.S. De vertaler vraagt verontschuldiging voor hem eventueel ontsnapte drukfouten. Bladz. 55 staat: „unter-standingquot;, men leze: „understandingquot;; en wellicht komen er meerdere voor.
INHOUD.
Bladz.
VOOR quot;WIE? Voorbericht: beschrijving der lezers
en niet-lezers. Tannhauser en zijn heimwee. Tegenstrijdige eischen en hunne vereeniging. De democratische sympathieën des tijds. Een woord aan de lezeressen......... 1 tot 13.
EERSTE VOORDRACHT. Geschiedkundig-wijs-geerige rondreis. Het raadsel. Wat is het leven ?
Tweevoudig antwoord..........13 » 19.
Een bezoek in het Vaticaan. Plato en Aristoteles. De school van Athene .... 19 » 23.
De kindervraag en de verlegenheid. De wereld in den notedop. — De leer der ideeën. De God van Plato. Het realisme van Aristoteles . 23 » 43.
Stoïcijnen en Epicuristen. Het Christendom;
eenzijdig realisme en valsch idealisme ... 43 » 47.
De middeleeuwen. Plato en Aristoteles in monniksgewaad. De hervorming. De maagd
wijsbegeerte verheft zich. Nieuwere tijd. De
twijfel. — Descartes. Spinoza......47 » 54.
De Gotthardshoogte. Locke. Hume. Het boek zonder titelblad. — Helvetius......54 » 63.
Voltaire en zijn God. De verwoeste wereld.
La Mettrie. De machine. Het schuim van het bier en de droom. Verlangen.......63 s 73.
XII
Bladz.
TWEEDE VOORDRACHT. Tocht naar beneden.
Het kaboutermannetje en de mol.....73 tot 77
De encyclopédie en hare Duitsche zuster; het „gezondequot; verstand en zijne ziekte ... 77 » 81
Het naturalisme. Het ontstaan van het leven. De puinhoopen. De larve maakt opgang. De tweevoeters.............81 » 85
De mensch met zijne gebreken. — De nieuwe tooverformule. De slotvoogd Vox Coücy. De wandelende oven. Gedachten-fabriek. Het kinderkleed..............85 » 91
Scheiding: ons standpunt. — Het naturalisme en het materialisme; ons ja en neen.
Het lachend lijk. Het pompwerk en de kleppen-zak. De virtuoos en zijn instrument. De phosphorus..............91 »105
De vereenvoudigde geschiedkundige studie.
De spijskaart. Darwin. De groote brand. Toeval of plan. Het onbewuste bij den aanvang. . .105 »112
Het eindnoodlot. Verbrand of verdronken \'? —
Wat blijft over? Schetsen van stofomwande-lingen. Doodgravers-humor. Wij ademen menschen in..............112 »120
Atomen-mozaïek-menschen. De jonge katten in de heksenkeuken. Openlijke tegenstand.
Verijdelde hoop.............120 » 125
DERDE VOORDRACHT. Twee wandelaars.
Negen strijdstellingen der critiek tegen het materialisme..............125 » 129
1°. Het zelfbewustzijn als het middelpunt des menschen. Onverklaarbaar onduidelijk kampen................129 »13
XIII
2quot;. De noodzakelijkheid en het zedelijke gevoel der vrijheid. De paarl in de kroon der menschheid. Instinct en karakter. Het dubbele „moetenquot;. De karikatuur van het menschdom. Geen geest, geene vrijheid en toch geestesvrijheid? Ten tweedenmale in tegenspraak gevangen..........135 tot 142
3quot;. De zedelijke verantwoordelijkheid. De misdaden, welke uit ziektetoestanden geboren worden. Gevangenissen als salons. Menschelijkheid en weekelijkheid.Het geweten.
Zelfmoord van een paard. Gewetenloos. Het bewijs voor God in den mensch......142 »151
4°. Zedenleer en godsdienst. Gij moet en gij zult niet. De godsdienst en de hond.
De geredde zedenleer. Wetenschappelijk materialisme en dat van het innerlijke bestaan.
Godsdienst en zedenleer: boom en bloesem.
Materialisten als mannen van eer. Materialistische verdraagzaamheid. De praktijk. Het leven als het hoogste goed........151 »159
5°. Opvoeding en rechtspleging. De veertien eerste kinderjaren. De ouderwetsche melk. Vergeefsche zorg. Grondstellingen der opvoeding. Het dank-bezoek der misdadigers. De natuurwetten in de gerechtszaal. Watis plicht? 159 » 167
6°. Zelfopoffering en overgave. De zelfzucht in de natuur. De geschiedenis wil zich niet laten verbeteren. De onverklaarbare daden. Helden of gekken? De bruid van den Niagara. La muse outragée. De goddelijke maatstaf. De eerste plaats in het pantheon. De tweevoudige wereld in ons. De natuurlijke — onnatuurlijke vader. De onzedelijke natuur en de onnatuurlijke zedenleer. Harteloos of hartelijk? Honger en liefde. De afgebroken punten van het stelsel. Andermaal radeloos tegenover het raadsel des levens......167 »180
XIV
Bladz.
7°. „Kracht en stof,quot; in plaats van „God en wereld.quot; Hoe men zich helpt. De hersen-zieken vrienden van God. De Godsgedachte aangeboren of door opvoeding verkregen. Geen ontkomen. De tegenspraak als hoofd-onrecht.
De eerste opvoeder of kastij der. De onbekende God wordt gezocht. Het nieuwe leerstuk. De dooreengeschudde letters in den pot . . . . 180 tot 194.
De ongelukkige lettergreep „U r.quot; Het woord der verlegenheid. De gezonde zinnen in gevaar.
Het vers ter gedachtenis der „hypothesequot;.
Oerschepping, oervorm, oerplant. De twee eenige wegen tot verklaring der wereld. Geloofsstelling tegenover geloofsstelling. God en wereld................194 » 200.
8°. De kringloop en de dood. Het eind-tooneel. Al-eenheid en al-reinheid. Het niets,
waarbij niets meer kan worden gedacht. Het raadsel van het sterven. De vrees voor den dood. Woest en vreedzaam sterven..... 200 » 211.
9°. Het pessimisme. Het leven als het grootste kwaad. De geloofsbelijdenis van Mephistopheles. Het letter-raadsel „Welt.quot;
Drie klassen van pessimistische uitspraken.
Pessimisme en Christendom. De wereld-ver-duiveling. Jammer en verveling. Beatrix ontbreekt. — Theorie en practijk. Schopenhauer.
Hartmann. Individueele en algemeene zelfmoord. Illusiën. Vraag der onsterfelijkheid. .211 » 233.
VIERDE VOORDRACHT. Wat wij zoeken en wat wij vermijden. Het oude grafteeken. De opgeheven fakkel des geestes. Het nieuwere idealisme. Het optimisme van Leibnitz.
Het kwaad in de wereld. De aangeboren ideeën.
De idealisten der opvoedkunde. Pestalozzi en Rousseau.............. 233 » 244.
Kant. De geschokte Godsbewijzen. De heilige zedenwet. De kategorische imperatief. De plicht.
Fichte. Het ik en niet-ik. De opvoeder der menschheid. Schelling. Natuur en geest.
kegel................. 244 » 236.
Bladz.
Valsch en echt idealisme. De daden der idealisten. De macht der ideeën. Het Christendom. Griekenland en Rome. De middeleeuwen. Het Protestantisme........... 256 tot 270.
Lichttorens des geestes. Beelden uil nieuweren tijd. De idealist op het strijdros. De idealist op den kansel. Uit den oorlogstijd...... 270 » 277.
De grondtrekken van het idealistische stelsel. Het menschelijke ik en het goddelijke ik in hunne levensverhoudingen. De taak der aarde. De onsterfelijkheid. De wereldbeweging: opwaarts en voorwaarts. Terugstroomingen en rotshoeken............... 277 » 288.
De sociaal-democratische verbroedering. De arbeiders. Van waar deze ontplooiing van macht van het materialisme. De bedwelming der overwinning van het naturalisme. Waarom het materialisme in volksgunst staat, het idealisme niet. De dreigende ontnuchtering en aanstaande ontgoocheling. De zin voor schoonheid bij de heksen......... 288 » 298.
Oproeping tot den krijgsdienst van het idealisme. Uiteenloopende drieklank. „Geeft mij eene grootsche gedachte.quot; Noodzakelijkheid van den godsdienst. Het schijnbewijszijner overtolligheid. De beschaafden en de onbe-schaafden. De overprikkeling des verstands en de verkoeling van het hart. Minder stof en meer geest voor de jeugd........ 298 » 311.
De vrouw en het idealisme. De waarde der vrouwen. Het eeuwig-vrouwelijke.....311 »319.
Het raadsel deslevensen de radeloosheid van het materialisme. Som der tegenspraken. De laatste eisch. De Godsgedachte: de scherpste hoogte der tegenstrijdigheden. God grooter dan ons deuken. De voorhoven . . .319 » 330.
t
XVI
Bladz
Het Christendom als het eenig-ware idealisme. De „ongehoorde\'\' gedachte. De top van ons gebouw. De verklaring van het materialisme wordt tot een hoon voor het heilige. De persoon Jezus als daadwerkelijk bewijs voor het bestaan van een goddelijken geest. De eenheid van natuur en rijk des geestes voltrokken in chnistus.Hetdrievoudigeidealisme.
Nader tot Christus. Het duister voorgevoel der goddelijke natuur in ons. God als het laatste woord van het wetenschappelijke,
Christus als het laatste woord van het practische idealisme........ 330 tot 344.
Poor «ïicnl
fliötJjrijotng ber lïfers en nteMejtrs.
oo sterk als Tannhaüser in den Venusberg door heimwee naar het klokkengelui der aarde werd aangegrepen, evenzeer verlangen thans edele gemoederen reeds sedert lang, uit den toovercirkel van het materialisme, waarin zij geraakt zijn, verlost te worden; zij zelve weten ternauwernood te zeggen, hoe dit over hen gekomen is. — De geheimenissen der aarde lokten hen, die door gulzigen honger naar weten en genieten waren aangegrepen, en nu drukt de overvloed der stof als een zware nachtmerrie op hen. En in de diepten van het stoffelijke, waarin onze tijd verzonken is, hoort men de klokken van hoogere en vreedzaam gewijde gedachten reeds lang niet meer klinken. — Voor hen, die dergelijk heimwee en verlangen koesteren, werden de volgende woorden uitgesproken, zijn zij hier breeder uitééngezet; wat ginds meermalen slechts een woord van aanwijzing was, werd hier tot een gedachten-reeks uitééngesponnen. Voor hen, die nog hoop durven koesteren uit deze zee van dwalingen naar boven te stijgen, voor hen, die met afgrijzen vervuld worden door de gedachte, dat de kroon van het hoofd der menschheid
■m 2
— geest en God — in het slijk gevallen en reddeloos zou verzonken zijn: voor dezulken is hier het aanbod eener opwaarts wijzende gedachte als geleidster. —
Maar men prijst het materialisme luide aan als wetenschap, zelfs als eenig-echte wetenschap voor het tegenwoordige en voor de toekomst. Derhalve moet hij, die waagt het aan te vallen, en dat nog wel terstond op het titelblad, een echte leerling des nachts en apostel der duisternis zijn. Toch vreeze of verwachte hier niemand een woord, dat ook maar in de verste verte als aanranding der majesteit van ware wetenschap zou kunnen worden uitgelegd.
Met deze inleiding hebben wij ons reeds van twee zijden vijanden op den hals gehaald. Het spreekt reeds duidelijk, dat wij noch hoop durven koesteren hen te bevredigen, die de werktuiglijke natuurbeschouwing als de eenige door de wetenschap toegelatene mogen laten gelden, noch ook den wel willenden bijval van hen zullen verwerven, die dat wandelen van den geest op de banen van het vrije denken en onderzoeken op zichzelf reeds als het verderfelijke flikkeren van een dwaallicht meenen te moeten veroordeelen. —
Neen, geen streven, geen zoeken, geen graven in de diepten der verschijnselen mag hier kortweg worden veroordeeld; geen aankloppen, hoe onstuimig ook, aan de verzegelde bronnen der schepping van het leven, mag overhaast als ongeoorloofd worden afgewezen. — Wij zullen aanhooren, geduldig en opmerkzaam hooren, alles wat men ons vertelt; maar ook onderzoeken
— en alleen het onderzochte en gangbaar bevondene voor ons behouden. Zonder tegenspraak hoegenaamd nemen wij het woord over, dat Lange, de levensbeschrijver
3
van het materialisme, als brief van aanbeveling aan dezen zijn held voor de reis medegaf: „het materialisme is zoo oud als de wijsbegeertequot; ■, maar even onbetwistbaar als dit oude adels-getuigschrift vaststaat, zoo zeker als dit immer wezen zal, even zeker is voor ons ook dit andere getuigenis, dat er iets bestaat, wat nog ouder is dan wijsbegeerte en materialisme beide, namelijk: het heimwee en verlangen van het menschenhart naar een verheven geest, welken het degelijk voelt, gaarne begrijpen en doorgronden zou en aan welken het zich bij voorkeur vol vertrouwen wilde overgeven, omdat het in dien geest den oorspronkelijken grond van zijn eigen bestaan, alsmede het einddoel van al zijn denken, voelen en willen, krachtig en levendig vermoedt. — Ieder hart verlangt naar een ander, waaraan het rusten kan; en ieder hart kent uren, waarin het eene inwendige stem hoort zeggen, dat zulk een hart grooter en edeler zijn moet dan het eigen zwakke hart en daarom zeker boven deze vergankelijke, glinsterende wereld gezocht moet worden. Zulke uren zijn echter de moeielijkste — en schoonste van ons leven.
Al wie zulke uren nooit beleefde en dat heimwee niet kent, verstaat juist het meest waardeerbare deel der wijsbegeerte slechts ten halve of wellicht in het geheel niet. En juist hierom moesten zich de meest verheven stelsels den grootsten spot laten welgevallen.
Wij nemen dat hooger zoeken en verlangen der menschenziel voor het vervolg aan, en ofschoon wij hierdoor velen een overbodige dweper zullen schijnen, hopen wij toch ook juist hierdoor ons vele vrienden te verwerven. Immers het getal van hen, die zonder wetenschap niet denken, maar nog veel meer zonder godsdienst
4
niet leven kunnen, is grooter dan men meent; en duizenden zoeken naar een uitweg uit dien doolhof der meeningen onzer dagen, in welken eene godsdienstlooze wetenschap en een onwetenschappelijke godsdienst menigmaal evenzeer aan de afdwalingen van den ongelukkigen reiziger schuldig schijnen. Tot deze duizenden wenden wij ons met een groet vol verstandhouding.
Een Fransch dagblad verdeelde onlangs de bevolking van zijn eigen land in twee deelen: in vrijgeesten en dezulken, die Ave Maria bidden. Deze twee legers worden overal gevonden; — maar tusschen deze staan duizenden en nogmaals duizenden, die eensdeels de ware godsdienstige vrijheid huns geestes veel te lief hebben dan dat zij deze door de oppervlakkige redeneering der zoogenaamde vrijgeesterij zouden laten ketenen, anderdeels echter voor Mariadienst en rozenkrans weinig geestdrift gevoelen. Deze scharen, die zoo gaarne liefde tot godsdienst en wetenschap zouden vereenigen, zooals een man, bij het huwen eener vrouw, hierom niet ophouden zal zijne moeder met kinderlijken eerbied lief te hebben, — deze scharen van denkende en liefhebbende geesten, voor wie godsdienst eene zegenende moeder, wetenschap eene geliefde vrouw is, zij vragen heden en zoeken en zinnen, hoe zij de menigmaal tegenstrijdige eischen van beide vreedzaam zouden kunnen vereffenen. Deze worden echter altijd slechts dan tegenstrijdig, als één van beide den anderen in zijne rechten verkorten of wel geheel uit het geliefde hart verdringen wil. En zoo geschiedt het hier, helaas! maar al te menigmaal.
Van de eene zijde eischt men nog altijd in naam van den godsdienst opoffering van het denken en werpt soms zeer schoone paarlen der wetenschap in den kuil
5
van den index der verboden werken, 1) dat is van de gevaarlijke en hierom verboden vruchten des geestes; en aan den anderen kant spreekt men van godsdienst, God en Christendom zooals in een geneeskundig consult van den lijder, die in de aangrenzende kamer reeds ligt te ijlen. — Wie zich nu noch in dit noch in gindsch gezelschap recht tehuis gevoelt, die kan het onderhavige boek ter hand nemen in de hoop, dat het hem zijn zal: een woord tot geleide door de tallooze op dwaalwegen voerende meeningen en beweringen onzer dagen, een woord van schifting in dezen tijd van verwarde opvattingen, een vereffenend en verzoenend in deze gevechten van de scherpste onvereenigbare tegenstellingen, en eindelijk wellicht nog:
„een woord van zuiv\'ring in tijd van gisting.quot; —
Zulk een nu is dit ons woord bij uitnemendheid. Gisting is eene beweging, die in de diepte ontstaan en naar boven dringend, het bovenste naar de onderste lagen tracht te voeren. Zoodanig streven is het bepaalde kenteekenquot; op den reispas van onzen rusteloos heen en weer jagenden tijd. — Heden vertoont zich overal in scherpe trekken die democratische zin van geestdrift voor de heerschappij der massa van gistende atomen in Kerk, Staat en Natuur. Heerschappij der menigte is steeds van dezelfde beteekenis als aanhoudende gisting. —
Van de oud-adellijke voorrechten der verhevener wijsheid van enkele met hoogeren aanleg begaafde geesten,
1
De paus Iaat nog altijd nu eu dan eene lijst (index) van zulke nieuw uitgegeven werken opmaken, welke een goed katholiek Christen niet mag (prohihitorum) lezen. In deze lijst komen geschriften voor, op welke de wetenschap trotsch mag zijn, — daarentegen worden er niet op gevondeu. welke onze tyd zich schamen moest.
6
wil men in het algemeen niet zooveel meer weten. Het komt er op aan, tegen deze overal slechts verwarring en onmin aanrichtende strooming te velde te trekken, op alle wijze en overal geldt het hieraan te herinneren, dat waarheid en vernuft steeds slechts bij weinigen, maar nimmer bij de rommelzoo der groote menigte berustten, en dat dus ook de hoogste „wijsheid der wereldquot; niet in de dolle republikeinsche willekeurige en toevallige heerschappij van enkel stotdeeltjes zonder hoofd (namelijk de bewustzijn missende atomen), maar veeleer in één hoogste, alles omvattend, alles overziend hoofd en hart bezittend, koninklijk heerschend geestelijk wezen zou moeten gezocht worden. —
Nog eens, voor hem,) die alzoo denkt, zijn deze voordrachten geschreven; wie echter meent, deze gevolgtrekking een waan te moeten noemen, en in zijne democratisch gekleurde liefde voor wereld-wijsheid, reeds tot verbroedering-drinken, zij dit wetenschappelijk of practisch, met den „proletariër onder de hedendaagsche wijsgeeren,quot; het materialisme, is afgedaald, hij zou, openhartig gesproken, in de herwaarts uitgenoodigde geestelijke schare zich bovenmate onbehaaglijk gevoelen. — Immers tegenover dat triumfeerend streven, dat in de geheele bestaande wereld slechts het — meer mislukte dan gelukte — resultaat van een naar boven stijgend en voltrokken gistend proces der zwellende vormkiemen (protoplasmata) wil aantoonen, — tegenover die eenzijdige en waarlijk zeer overhaaste bezieling (als men trouwens deze opwekking der snel toejuichende geesten van onzen tijd zoo noemen mag) ten ganste der Haeckelsche „Alalenquot;, te weten „der sprakelooze eerste menschenquot;, uit welke door gepaste verwijding van het
strottenhoofd en andere doelmatige veranderingen wij natuurmenschen zijn voortgesproten; tegenover deze wijsbegeerte, die evenals de bergnevel te laag bleef hangen, moet hier baan gebroken worden voor eene bezieling, die hooger dan de rook der daken opstijgend, zich moeite zal geven aan het denkbeeld ingang te verschaffen, dat de menseh in eene nog zuiverder lucht kan ademen en verplicht is zich het burgerrecht te verwerven in eene hoogere wereld dan deze.
Daarom moeten hun, die zich nu eenmaal onherroepelijk in leven en sterven voor de geestelooze stof verklaard hebben, deze voordrachten als doellooze lucht-beroering, als zeepbellen holler redeneering voorkomen, niet waardig, dat men de weinig verkwikkende moeite der lezing, nog minder echter de onvruchtbare moeite der wederlegging neme.
Of aan dit boekje, zooals het daar nu ligt, in het geheel wel de eer te beurt zal vallen, door tegenstanders onzer wereldbeschouwing opgemerkt te worden, betwijfelen wij zeer; daarvoor achten wij zelve het veel te onbe-teekenend. Maar iets kan steeds gering zijn en behoeft daarom nog niet nutteloos te wezen. Dit werd ons bewezen, toen wij deze gedachten in engeren vorm voordroegen. Mondelinge en schriftelijke dank van vele zijden, verzoeken om openbaarmaking en herhaalde aanvragen zelfs van kanten, van waar wij het nauwelijks verwacht konden hebben, navorschlngen, of wij onze belofte nog niet vervuld hadden, waren ons vriendelijk bemoedigende bewijzen hiervoor, dat wij toch niet geheel tevergeefs gesproken hadden. Eene bovenmatige beroepsdrukte en allerlei belemmeringen vertraagden tot heden de vervulling van het gegevene
8
woord. Wat nu aan de mondelinge voordrachten boven verwachting gelukte, een groot aantal derzulken te verzamelen, aan wie de wetenschappelijke resultaten en vooral de practisch-zedelijke gevolgtrekkingen der materialistische wereldbeschouwing geene innerlijke bevrediging vermochten aan te bieden, dit zal, naar wij hopen, ook aan het geschreven woord niet geheel mislukken. En daar het hier de elsch was, aan een grooteren, bouten kring van hoorders en hoorderessen Iets verstaanbaars, tastbaars aan te bieden, zoo gaven wij er de voorkeur aan, meer leven dan leering, meer idealisten dan idealisme, meer helden dan beschrijving van heroïsme, liever verhevene, In den morgenglans wandelende gestalten, dan enkel beelden der morgen-roods-gedachten, hoe rijk aan goud ook, meer door geestelijke bloemen versierde, dan enkel bloesems, hoe welriekend ook, van gewijde stelsels aan te bieden en eindelijk liever met den Logos, het persoonlijk geworden levende Goddelijke Woord, dan met eene hoe kunstmatig ook Ineengeweven logica (redeneerkunde) van afgesloten denkbeelden te overtuigen. Deze zij de verontschuldiging voor de menigvuldige groepeerlngen van persoonlijkheden, voornamelijk In de vierde voordracht. Van ons streven: populair, verstaanbaar, begrijpelijk te spreken, waren de zwakke zijden niet te vermijden. — Trouwens, men is hier en daar over het algemeen met het in volkstrant behandelen van wetenschappelijke vraagstukken weinig Ingenomen en kan niet dulden, dat zoo gewichtige vragen als de hier opgedlschte, In den luchtlgen onderhoudenden toon besproken worden, omdat hieronder de wetenschappelijke ernst steeds lijden moet en dus de langs dezen weg gewonnen vruchten veel aan waarde
9
zouden moeten verliezen. Maar zulke bedenkingen hebben heden geen grond meer; immers de hier behandelde vragen zijn reeds lang geene zuiver wetenschappelijke meer, zij zijn levensvragen geworden, die hare voeldraden tot in de kinderkamer uitstrekken, en met hare wortelvezels reeds de huis- en werktafel der vrouw omvlochten hebben. En wat onze wijze van doen niet slechts rechtvaardigt, maar juist eischt, is de omstandigheid, dat onze bestrijders van hunnen kant reeds lang voor het populair worden hunner beweringen en niet altijd gerechtigde gevolgtrekkingen gedaan hebben wat maar mogelijk was; men denke slechts aan het rondreizen van Büghner tot het houden van voordrachten, en aan de volgens eigen getuigenis des schrijvers „voor het grootere publiekquot; berekende geschriften en geïllustreerde werken van Haeckel, welke Laatste, zooals men hem nu aangetoond en hij zelf eenigszins moedeloos in zijn antwoord half en half heeft moeten toegeven, volstrekt niet altijd juist en getrouw aan de waarheid schijnen, en eene misleiding van den leek, zoo niet bedoelen, dan toch in het oogloopend begunstigen.
Wij hopen in hetgeen volgt getrouw naar het leven geteekend te hebben; — wij verstaan onder „leveri1 voorwaar iets meer dan de som van datgene, wat wij met de vijf vingers betasten en omvatten kunnen. Het zeer nuchtere verlangen alles te willen „begrijpen,quot; vóór men het als waarheid gelden laat, komt ons eenigszins kinderlijk, zoo niet kinderachtig voor. Want een kind streeft er zonder twijfel naar „alles te begrijpen,quot; het grijpt werkelijk naar alles, ook naar het flikkerende licht, tot het dan uit de gebrande vingers de smartelijke leering heeft opgedaan, dat juist niet alles zich
10
laat betasten. Hoevelen echter hebben, naar het vlammende zonlicht der waarheid grijpende, om het te begrijpen, zich de arme mensehenhersenen erg verbrand! Want er zijn zaken, die wij wellicht nimmer geheel begrijpen zullen, aan welke ons hart desniettegenstaande, of wel juist hierom, zich verlustigt, zooals het oog aan het opkomende morgenlicht. — Maar deze zijn onder ons geestverwanten bekende waarheden, die menigvuldig genoeg werden uitgesproken. Dit moge zoo zijn — dit geldt voor ons geheele werk; mogen reeds anderen op gelijke wijze voortdurend hetzelfde bedoeld, gewild, ja gezegd hebben, dit verhindert niet, dat heden een ieder in den kring, waarin hij zich beweegt, daar, waar zijn oordeel eenig gewicht heeft, waar men zich door zijn denken zoo niet binden toch leiden laat, ook zijne stem met vreugde in den wedstrijd der meeningen verheft. Moeten wij ons van de tegenpartij de verzekering laten welgevallen, welke men ons altijd en altijd weder, menigmaal zelfs met dezelfde omschrij vingen geeft; wat gij geest. God noemt, is niets, volstrekt niets, — zoo zou het waarlijk slechts wenschelijk zijn, dat evenzeer duizend-stemmig en met volle klanken als klokgeluiden het antwoord terugschalde: en toch bestaat er iets wat zich levendig en machtig in ons openbaart, wat meer is dan plant of dier, ja wat meer is dan wij zelve zijn volgens onze zinnelijke natuur. En zoo menigmaal men van daar het doodsbericht eener hoogere wereld uitstrooit, even dikwijls moeten wij onverdroten antwoorden: en toch beweegt zij zich, die wereld van een goddelijken geest in ons! — En zoo nu uit onze beschouwingen over wereld en mensch hier of daar de kloktonen verhevener gedachten een met verlangen luisterend
11
gemoed bereiken, dan is onze arbeid en moeite heerlijk beloond.
Nu nog een woord aan de vrouwen. Ook aan haar is gedacht, terwijl wij vermeenen, reeds wat den uiterlij ken vorm betreft, geen bepaald vreemd wetenschappelijk woord of citaat zonder verklaring gelaten te hebben, zoodat wij niet vreezen moesten aan eenige onzer beschaafde lezeressen die teleurstelling te hebben bereid, welke gewoonlijk in deze woorden wordt vertolkt: ik zou het zoo gaarne verstaan, — maar kan dat niet. — Maar nog veel meer wat het zakelijke betreft, hielden wij de vrouwen ia het oog. Het valt aan de denkende, opmerkzame vrouw uiterst moeielijk, in onze dagen het juiste standpunt te vinden. Zij moet het menigmaal mede aanhooren, dat de heiligste wereld- en levensvragen op eene wijze te berde gebracht worden, welke het teedere godsdienstige vrouwelijke gevoel ten diepste grieft, — en toch kan zij niets daartegen aanvoeren, nog minder iets weerleggen. Hier nu zal, wat zij met leedgevoel vernam, de tijding van het ineenstorten harer idealen-wereld haar opnieuw tegenklinken — maar er zal iets tegen ingebracht worden, — en wellicht juist dat gezegd worden, wat zij zelve levendig gevoelde — maar niet in stellingen en geordende bewijsvoeringen wist saam te vatten. En geen gewaarwording is voor den geestelijk levenden mensch verkwikkender, dan dat hij zijne naar uiting strevende gevoelens en indrukken plotseling tot heldere woorden gekristalliseerd voor zich ziet. — Juist dit, wat wij hier schrijven, werd na het aanhooren gener voordrachten als schoonste bekentenis in onze hand neergelegd. Uit het laatst aangevoerde volgt tevens, dat wij hier met geen streng wetenschappelijk
12
werk in den academisch-professoralen zin van het woord te doen hebben, ofschoon de trekken der wetenschappelijke afkomst van dit boekje, naar wij hopen, voor scherperen blik zich zullen ontplooien. Wetenschappelijke bewijzen gelijken op eene gesloten metalen keten, welke niet iedere geest, allerminst de vrouwelijke, zich gewillig mag laten aanleggen, omdat deze langs de wijdgeopende velden des levens het liefst naar waarheid zoekend, aan de bloemenketen van gemakkelijker ineengeweven redeneering rondzwerven wil. Zoo komt dau met mij. Wie lust heeft in zulk een zin te wandelen, voor hem is het volgende gesproken en geschreven.
I.
Daar staat een jonge man aan \'t woest en nachtlijk strand, De borst vol weemoed, \'t hoofd van twijfel overmand,
Vraagt hij \'t den golven af, met somber mondgebaar;
O! lost mij \'t raadsel op, maakt mij \'t geheim toch klaar, Dat eeuwen reeds den geest heeft mart\'ling aangedaan. Oil raadsel, wondervol, van \'t menschelijk bestaan.
Of peinsde zich niet mat zoo meen\'ge wijsgeer-kop.
Met hieroglyphen-muts of rijken mlband op?
Brak zich hierover niet het hooggeleerde hoofd.
Tot onder de baret of pruik de rimpel kloofd\'?
En heeft een duizendtal van and\'re hoofden niet
Tot zweetens toe gepeild? Maar, armen! geen die \'t ziet.
Wilt zeggen mij dan toch, wat deze mensch beduidt.
Van waar hij komen mocht, waarheen zijn weg eens luidt; En openbaart mij ook, wie woont dan toch omhoog Daar aan des hemels trans, op gulden sterrenboog?
De zee ruischt eeuwig voort met haar eentonig lied.
De wind waait steeds maar heen, de wolk doorklieft \'t verschiet. Het sterrenlicht siert koud, meedoogenloos den nacht, —
En \'t is voorwaar een gek, die op het antwoord wacht.
Ja een overoud — en toeh met den zonsopgang van ieder nieuw menschenbrein zelf weder vernieuwend en verjongend raadsel is dat des levens, tot welks oordeelkundige beschouwing gij, hoogvereerde aanwezigen, voor deze avonden herwaarts werdt uitgenoodigd. En zij het inderdaad, zooals de bittere ironie van dat lied van Heine bedoelt, dat door zulk een vragen en peinzen meer dan één jonge man krankzinnig geworden is, toeh zal geen enkele geest, die slechts eenige vatbaarheid heeft tot diepzinnig denken, der aanlokkelijkheid kunnen weerstand
14
bieden, van steeds opnieuw tot deze juist door haar geheimzinnig wezen zoo wonderbaar uitlokkende vragen terug te keeren; en zoo gaat het met dit worstelen der geesten als op het slagveld: hoevelen er ook bij de bestorming vallen, steeds rukken nieuwe aan, steeds vullen de openingen zich weder. Ja nog meer; hier wordt reeht eigenaardig vervuld, wat de bloedige legende omtrent den Hunnenstrijd bericht, dat de geesten der verslagenen zelfs in de lucht den verbitterden strijd voortzetten; en zoo zal ook ons in dit uur het gedruisch van de wapens der geesten van hen, die sedert lang van het slagveld dezes levens verdwenen zijn, nog dooreengemengd tot onze hoofden doordringen.
En als ik u nu verzoek, heden u met mij te plaatsen voor dit raadsel aller raadsels, dit eigenlijke grondraadsel, waarin alle andere tevens gegeven en, naar omstandigheden, verscholen of opgelost schijnen, zoo zal natuurlijk de aanmatiging in de verste verte onbestaanbaar zijn, alsof ik gelooide, slechts bij benadering eene nieuwe verklaring te kunnen aanbieden, of als wilde ik bij de duizend bestaande proefnemingen de duizend en eerste voegen; neen, slechts hierin zie ik mijne taak, allereerst de menigte der meer of minder bevredigende antwoorden, zooals deze door wijzen en dwazen aan hunnen toejuichenden of neusoptrekkenden of beide tegelijk volbrengenden leeftijd in den loop der eeuwen aangeboden werden, voor uw verbaasd oog te laten voorbijtrekken, om daarna deze schijnbaar oneindige menigte tot een laatst „of dit — of datquot; (als bij Harras den stouten Springer) saam te vatten en voornamelijk in betrekking tot ééne richting, welke er zich nu bepaald op beroemt de alleen geldige oplossing gevonden te hebben, u te
15
toonen, dat deze inderdaad meer beloofd heeft dan zij ooit in staat was en zijn zal te vervullen.
En wie is er, die gindsche grenslijn des levens overschreden heeft, op welke de dichter wees, die namelijk, waar jeugdige bezieling en rustig heldere aanschouwing van den rijperen leeftijd elkander als worstelende nevelen in het dal en in de morgenzon ontmoeten, — die nimmer nog zulk een duister uur van bange vraag en bangen strijd, als ons woord van aanvang beschrijft, doorleefd heeft? — En als er een gemoed ware, dat dien jongen man volstrekt niet verstond, ik weet niet of ik zulk een gemoed daarom wel bijzonder gelukkig prijzen zou, — immers die uren zijn juist het punt van overgang tot schooner helderheid, morgen-frisscher kennis en overtuiging.
Men moet wel eens aan de zee der op- en neer-golvende gedachten peinzend gestaan hebben om het verlangen der op antwoord wachtende ziel diep te gevoelen, geheel te begrijpen. Dit verlangen en wachten moet mij als het ware den grond aanbieden van hetgeen heden en later te behandelen is, terwijl ik hierbij veel meer uit de bekoorlijkheid dezer vraag en de heteekenis van het te zoeken antwoord dan uit datgene, wat ik soms vermag te geven, mij deelneming en belangstelling voor deze avonduren van onderzoekende beschouwing voorspiegel. Gij zult u echter moeten getroosten, ik zeide dit reeds vroeger, wijzen en dwazen aan te hooren, wijl nu eenmaal, zoo niet alles bedriegt, beiden in deze wereld van glinsterende luchtspiegelingen het burgerrecht schijnen verkregen te hebben, en wel is waar juist de laatsten menigmaal met grooter geluk en gevolg.
O verklaart mij het raadsel des levens! Dit woord
16
moogt gij als het motto van al het volgende nemen. — Wat is het leven? — Ik richtte die vraag eerst aan een spelend kind, en het zag mij lachend aan en reikte mij eene bloem! — ook een antwoord; dit kon wel hierop neerkomen: gij dwaas, dat ik lachen kan en u met eene bloem verheugen, — juist dat is het leven. Ja, maar lachen en met bloemen spelen zag ik ook waanzinnigen — is dit dan ook nog leven? — En ik vroeg het een stervende — die zuchtte diep, zweeg en stierf\'.
O wat geheimenisvol ding!
Voor kirid\'ren schijnt het eerst gering,
En dan versuft daaraan een man En sterft nog vóór hij \'t vatten kan! —
Juist dit maakt deze vraag zoo zwaar, dat zij, naar gelang van het standpunt des vragers, op ieder levenstijdperk een ander antwoord schijnt te eischen. Welk antwoord mag nu grootere aanspraak op geldigheid maken, dat van den overmoedigen jongeling of dat van den mismoedigen grijsaard? — dat van den opgewonden blijmoedige of dat van den somberen zwartgallige? — dat, wat een nijüige menscheahater ons gaf of veeleer dat, wat uit een overvol gemoed voortsproot, dat geleerd had het: „Seid mnschlungen. Mil Honenquot; (Weest omhelsd, gij millioenen!) niet slechts te zingen, maar ook te gevoelen en toe te passen. Aan welk antwoord geven wij den eerepalm? Wij vellen reeds het oordeel nog vóór wij de verschillende antwoorden gehoord hebben. Wij zullen met beslistheid onze goedkeuring aan dat antwoord geven, dat de daadzaken der innerlijke en uiterlijke ervaring des levens op de bevredigends te wijze en zonder bedenking in staat zal zijn te verklaren! — Ik zal u aan dit woord, als aan den proefsteen der verschillende
17
wereldbeschouwingen, bij het einde onzer wandeling weder moeten herinneren. Wij zullen dus, zeg ik, alleen zulk eene oplossing van het raadsel des levens aannemelijk vinden, welke in staat is, de daadzaken van de innerlijke en uiterlijke ervaring voldoende en bevredigend te verklaren. — Laat mij allereerst de oneindig groote keus van hier gereed liggende antwoorden door twee lijnrecht tegen elkander overstaande saamvatten.
Welk eene kloof gaapt tusschen deze wereldbeschouwing, zooals zij in den uitroep van markies Posa te voorschijn treedt:
„0 God! het leven is toch schoon!quot; — en gene stemming, zooals zij zich in de woorden van Macbeth aankondigt:
„Het leven is.. . een schaduw slechts die wandelt, een arme speler, die op het schouwtooneel zijn uurtje pronkt en raast en dan niet meer gehoord wordt; \'t is een sprookje verteld door eenen zotskap; vol klank en woede, merkwaardig — niets!quot;
Hier hebt gij in twee woorden, die als graadmeters van zielsstemmingen willen worden aangezien, zoodat het eene de hoogste, het andere de laagst mogelijke stemming aangeeft, — in twee woorden het geheele gebied van onze beschouwing begrensd, want daar-tusschen ligt inderdaad de geheele schaal van tonen en gewaarwordingen, die hier uitdrukking vinden kan. Ginds een beeld uit het Campaner- of Ampezzo-dal, hier een van de Noordpoolexpeditie! — Verkondigt het eerste woord eene wereldbeschouwing, welker grondtoon de hoogste en reinste verrukking, de volkomenste vreugde van het weten en streven is, zoo straalt uit het andere iets als waanzin der vertwijfeling door, van
18
welke wij ons gaarne snel zouden afwenden — en toch houdt het ons vast; ja, omtrent dezen waanzin wil het ons juist voorkomen, als hadden toch wellicht de Mohammedanen niet zoo geheel ongelijk, wanneer zij zulk een ongelukkige slechts met heiligen afschuw beschouwen, daar zij uit den waanzin de goddelijke stem der waarheid meenen te hooren spreken. Ja, voorwaar ook uit den waanzin van dat antwoord op onze vraag spreekt gedeeltelijk — een afgebroken gedeelte waarheid, en dit is; ontneem een bepaald „iets\'1 aan het leven, een „ietsquot; wat aan hetzelve zijne waarde, gehalte en zijn inhoud geeft — en dan blijft zeker als resultaat dit terug — „een sprookje, vol klank en woede, merkwaardig — nietsquot; — en waar men dat zeker „ietsquot; uitsnijdt, daar moet, zooals heden werkelijk geschiedt, dat woord vele belijders en de wereldbeschouwing, waaruit het voortsproot, vele vertegenwoordigers hebben.
Dit iets, zonder hetwelk het leven tot eene wandelende schaduw, tot een pralenden tooneelspeler, een veel geruchtmakend niets verkeert, - dat is — zooals wij terstond bij den aanvang bekennen, later echter erkennen zullen, de geest, de gedachte, het ideaal. —
In deze twee antwoorden — in het: „O God! het leven is toch schoon!quot; — en in dat, wat den klank van een ledig „nietsquot; weergaf, staan twee wereldbeschouwingen, of juister: de zich openbarende geraoedsspiegelingen, de noodwendige afdrukken der stemming van twee wereldbeschouwingen, van twee hoofdrichtingen, van de ideale en van de stoffelijke, in levenden lijve voor a en deze beide zullen wij nu allereerst, ter wille van het verkrijgen van een overzicht, geschiedkundig, speciaal geschiedkundig-wijsgeerig moeten volgen.
19
Opdat gij echter niet te veel schrikken moogt van de hooge ernstige voorhoofden der wijsgeeren, voer ik u in den tempel der wijsheid door de vriendelijk verlichte voorzalen der kunst. Wij zullen heden avond de vleugelen der verbeelding noodig hebben — ik vrees tot moe-wordens toe — en zoo oefenen wij dezelve terstond door eene snelle vlucht van de stad van St. Stephancs naar de stad van St. Petrus ; wij kloppen aan de poorten van het Vaticaan en zonder Pids Nonüs te willen storen, begroeten wij een sinds lang afgestorven geest; wij staan voor Raphaëls wij dberoemde scheppingen, en reeds rust het oog op dat schilderstuk, eenig in zijne soort, ouder den naam van: „De School van Athenequot; u bekend, dat beeld, waarvan Kaulbaoh wellicht het geheim der groepeering van zijn tijdperk der hervorming raag hebben afgeloerd, een onovertroffen beeld van het veelzijdigste geestelijke leven; iedere kop in deze School van Athene is een belichaamd wijsgeerig stelsel, iedere trek der toehoorders eene vraag en uit ieder oog der verheven meesters springt een koen antwoord te voorschijn. In hot brandpunt van dit beeld, door een open halven kring van luisterende leerlingen omgeven, staan die beide koningen van het vrije Athene, van wie uitgaande een stroom van frissche gedachten door de eeuwen heeu-ruischt, een stroom, aan welks oevTers de leerlingen der wetenschap nog heden onsterfelijke kransen vlechten. Zoo plaatsen wij hen naast elkander, zooals zij op Raphaels schilderij neven elkander staan, zoo schatten wij hen even hoog en van dezelfde waarde en toch zijn zij oneindig verschillend van elkaar, verschillend zoowel naar de richting als naar het doel van al hun denken en onderzoeken. Ik behoef u nauwelijks eerst te zeggen,
20
dat het Plato en Aristoteles zijn, die het middelpunt der school van Athene vormen. In deze twee mannen staan twee wereldstelsels, twee geestesrichtingen, — staan, mocht ik zeggen, twee geestrijke halfronden naast elkander.
Plato, de schepper der ideeënleer, de edele grijsaard met den zielvollen oogopslag, met de opgeheven rechterhand naar de hoogte als naar de bakermat zijner ideeën heenwijzend; en naast hem Aristoteles, de voorvader van de nuchtere heldere natuurbeschouwing, de ernstige man met den onderzoekenden blik op de wereld der verschijnselen gericht. — Terwijl de als tot verder gaan half opgeheven voet van Plato aan zijne gestalte iets lichts en zwevends geeft, schijnt Aristoteles op den bodem der werkelijkheid als vastgegroeid, eene sterk in zichzelve gekeerde, rustende figuur. Plato slaat den blik omhoog, als moest de hemel zich ontsluiten en zijn geheimenissen aan dit vriendelijk vragende oog openbaren; Aristoteles ziet naar de aarde, als moesten hare diepten zich openen en wonderen en verborgen raadsels voor dit gebiedende oog ton laatste zich oplossen. — Over Plato\'s voorhoofd ligt iets uitgedrukt als het avondrood van verrukte verheerlijking, terwijl op het aangezicht van Aristoteles het heldere zonlicht van den middag rast, dat de dingen in hun bescheiden eenvoud en werkelijkheid doet schijnen. Rondom den grijzen meester Plato, die liefelijk en plechtig zich met zijne jongere leerlingen onderhield, luisteren deze, Toït y\'ap airs y/.urrarfi uiXircq yXwiw péev al/Sr, want „zoeter dan honig vloeit het woordquot; van goddelijk verheven wijsheid uit deze half geopende lippen, terwijl de mond van den grootsten leerling vast en in kracht-
21
volle rust gesloten blijft; de gedachte van zijn voorhoofd schijnt nog niet rijp tot uiting; dat, wat te verkondigen is, nog niet voldoende onderzocht te zijn; en wanneer zoo de woorden van Plato den leerling met zich tot hoogere sferen willen omhoog heffen, naar de wolkenvlucht der idealen heen, zoo schijnen de blikken van Aristoteles den meester op den wèlgegrondvesten bodem van hier waar te nemen daadzaken te willen vasthouden. Met één woord ten slotte: Plato is de idealist, Aristoteles de realist onder de oude wijsgeeren. Zoo stelt Eaphaël op zijne met geest en vuur des hemels bewerkte schilderij ons deze twee gestalten voor oogen, ieder hunner een schepper, ieder een oud- en voorvader van een geheelen koninklijken stamboom van waarheid zoekende zielen, duizendvoudig verschillend van aard en toch vereenigd in dat ééne groote verlangen, het raadsel des levens door het denken op te lossen en hieraan zinrijke beteekenis te geven. En als wij in ons voorbericht over de dubbele wijsgeerige oplossing van dit raadsel spraken, zoo hebben wij in de schets van het wezen dier beide wijsgeer-gestalten tevens het beeld van onze redevoering in omtrek geteekend; deze tweevoudig gezochte oplossing is juist de idealistische en realistische, welke laatste tot de materialistische zich vormt, wanneer zij met eenzijdige gestrengheid wordt vastgehouden. Zoo zal het onze taak wezen, het gebied van de twee stroomen der wijsbegeerte, zij het ook hier en daar zoowat met zevenmijlslaarzen, te doorwandelen en die dubbele reeks van ontwikkeling, welker hoofdwoordvoerders wij op Raphaels schilderij aanschouwd hebben, in geschiedkundige opeenvolging, naar gelang de eene geest den anderen wenkt, ons voor te stellen. —
22
Een woord slechts, hoe kort ook, over de vóórplatonische werkzaamheid van het denken. —
De wereld, de som van het zieh uitende leven, biedt iets tweevoudigs, ook aan het slechts vluchtige oog: iets geestelijks en stoffelijks, gedachtenleven en tastbaar zinnelijk zijn, ideas en res, ideeën en daadzaken; — en de hier zeer bijzonder moeielijke keus zal dus zóó moeten worden gesteld: men kan öf van de ideeën, öf van de daadzaken der wereld verschijnselen uitgaan; men kan de Gedachte en kan de Stof, de materies, het materiëele als het eerste in de wereld aanzien, en zoodoende, als laatste gevolgtrekking, öf al het bestaande op een of meer laatste gedachten van een oorspronkelijken geest terugbrengen, of men kan van oordeel zijn, dat de gedachte, de geest, wat men ook zoo noemen moge, zijn bestaan zelf eerst aan de stof, aan het stoffelijke zijn, verschuldigd is; zoo hebt gij idealisme en materialisme. De daadzaken der natuurverschijnselen worden hier, de gedachten van deu geest worden daar vóór alle dingen onderzocht; in het ééne geval is het de grondstof, in het andere het geestelijke, waaruit al wat is ontstaan is, waaruit dus ook de verschijnselen van het lichamelijke en het zieleleven, van het physieke en het psychische leven moeten worden verklaard. —
In de stoa poikile, de vhonte zaalquot; der wijsbegeerte, ontmoeten wij allereerst, ongeveer 600 jaren vóór Christus, die nuchtere ernstige natuurwijsgeeren, die de bestaande wereld en al het leven uit éen of meer grondstoffen meenden te kunnen verklaren. Zoo treedt Thales met zijn beroemd woord apia-ro-j fiïv i\'Sup „het water lt;8 toch hel bestequot; voor het water ais laatste oorspronkelijke
23
stof van alle dingen op; anderen grijpen naar vuur of lucht, en Empedocles zal zich aan de ouderen onder ulieden terstond als een geliefde bekende uit hunnen schooltijd voorstellen; hij is het, die zich beroemt in die oude „vier elementenquot; de echte, laatste grondslagen zoowel der lichamelijke als der zielenwereld te hebben gevonden. In onze dagen is waarlijk uit oligarchie (regeering van enkelen) dier vier eene tamelijke ochlo-kratie, eene soort van heerschappij der menigte, ontstaan. Anderen, zooals Ledcippus en Demockitüs, brachten, als hadden zij een voorgevoel gehad, dat ook lucht en water nog deelbare stoffen zijn konden, den geheelen rijkdom der levensvormen tot eene onbepaalde en onbestembare menigte van onveranderlijke kleine atomen, dat is ondeelbare stof wezens, terug; uit welker verbinding en scheiding, beweging en nieuwe groepeering alle dingen en daadzaken der inwendige zoowel als der uitwendige ervaring moeten worden afgeleid. Wel is waar moest de op zijne ontdekking niet weinig trotsche Leüoippüs — en hiertoe had hij reden, want hij is met zijn voorgevoel der verdere deelbaarheid van lucht en water niets minder dan een profeet der nieuwere natuuronderzoeking geweest, — ik zeg, deze Leüoippüs moest met geheel zijne stoute voorspellende onderstelling aan zijn eenigszins onbedachtzaam zoontje het antwoord op de in het vaderlijke stelsel niet voorziene vraag schuldig blijven: „Maar, Vader, als alles uit de atomen komt, van waar komen dan toch die atomen?quot; — Deze naïeve kindervraag van Leüoippüs Junior veroorzaakte veel zweet en hoofdbreken aan de geleerde hoofden van oude en nieuwe scholen, aan hoofden in Phrygische en hiëroglyphen-mutsen, hoofden in tulband of zwarten baret.
24
Parmenides gaf het geniaalste antwoord in oude dagen; wèl bezien had hij reeds geantwoord, eer die knaap zijne vraag deed. — Wat die krankzinnig geworden Prins van Denemarken in lateren tijd, wat Hamlet wenscht, namelijk „de wereld in een notedop te kunnen pakkenquot;, dit — en sterker dan dit, had reeds twee duizend jaren vroeger een eenvoudig, helder denkend burger van Elea, eene Grieksche koloniestad in Lucanië, glansrijk geleverd, want in veel kleinere ruimte weet bij de onmetelijke wereld te omvatten, hij pakt haar in ééne gedachte te zamen, in de gedachte van het zijn. „De gedachtequot;, zoo zegt hij in zijn diepzinnig wijsgeerig gedicht, „is de windas, aan welke Jupiter hemel en aarde heeft opgehangen.quot; Zoo staat hier boven de duizendvoudige en duizendkleurige wereld der voorbijgaande schaduwbeelden de ééne zuivere, heldere opvatting der wereld, voor de wereld der verschijnselen het overdachte wereldplan. — Brengen wij aan dezen man over voorbijgesnelde eeuwen heen een vereerenden, innig dankbaren groet; hij verdient het, dat onze tijd, die zoo gaarne aan de verschijnselen blijft vasthouden, hem vol eerbied groete, dezen Parmenides van Elea, wien zelfs zijne vijanden den roem niet onthouden konden, dat zijn leven reiner en beter was dan dat der door hem aangevallen goden van zijn volk. En daar men hem noch verstaan noch wederleggen kon, zoo — verbande men hem als godslasteraar! — In zijn stelsel ligt het aanvangspunt der idealistische beschouwing. En steeds is het alsof, bewust of onbewust, gindsche kindervraag als een pijnlijk overoud raadsel, dat iemand geen rust laat tot men de oplossing gevonden heeft, de edelsten onder de geesten in spanning en strijdlust gaande houdt.
25
Het onderzoekende oog ziet die grond- en vorm-stoffen, gindsche atomen ieder oogenblik nieuwe verbindingen aangaan en oude moedwillig verstoren, ziet alles in eeuwigdurende wisseling rondgaan; kó.jtx p\'S, alles stroomt — zooals de kernspreuk van een lid der school van Athene luidde. „De mensch kan niet tweemaal in denzelfden stroom stappenquot; — zeide een meester dier school; — „neen, niet eenmaal,quot; antwoordde zijn leerling, „want vóórdat gij den tweeden voet hebt neergezet, is de golf, die den eersten bespoelde, lang voorbij, de stroom is reeds weder een andere geworden — er is geen vast iets meer, — alles vloeitquot;. Maar het duurzame, het blijvende in de wisseling der dingen te zoeken, dat moest toch eene loonende taak schijnen. Hier is het de diepzinnige Pythagoras die in het getal, in de harmonie een eeuwig blijvende, aan alle verschijnselen ten grondslag liggende wet des geestes vindt; van de vorming van het stille kristal opwaarts tot de maatklanken der tonen en tot de vormen van het denken berust alles op getalverhoudingen en dat wel in juist dezelfde, altijd terugkeerende evenredigheden. Het zijn namelijk de getallen drie en zeven, die als eene eeuwige hoogere gedachte alles beheerschen. Iedere volledig afgeronde gedachte berust op de drie, op thesis, antithesis en synthesis, op stelling, tegenstelling en samenvatting; iedere gevolgtrekking op de drie, op onderstelling, grondstelling en sluitstelling; iedere deugd vormt een vereenigend derde tot twee tegenstrijdige ondeugden — zoo vormen lafheid en waaghalzerij stelling en tegenstelling; de hoogere, juiste eenheid berust in de dapperheid, welke aan deze den onstuimigen moed, aan gene de ingetogen bezonnenheid ontleent en als derde tusschen
26
en boven beide staat; zoo de spaarzaamheid als derde tussehen gierigheid en verkwisting, het ware eergevoel tusschen eerloosheid en hoogmoed; steeds openbaart zich een samenhangend drietal. — Het leven des menschen is drievoudig: — vóór de geboorte des liehaams, —dit lichamelijk leven tusschen geboorte en dood, — en het zieleleven na het sterven. En het leven zelf is drievoudig in dit leven vertegenwoordigd: 1°. lichamelijk, 2°. lager, dierlijk zieleleven en 3°. hooger, geestelijk gedachten-leven; en de krachten des geestes zijn drievoudig: denken, gevoelen en willen. — Genoeg, — de groote vondst van Pythagoras (die bij ulieden van den schooltijd af nog in sterke herinnering voortleeft door de naar hem genoemde leerstelling der twee vierkanten, die in de eenheid van het derde samenvloeien, alle drie op de gedaante van een driehoek opgebouwd), de groote ge-dachten-vondst van Pythagoras is deze, dat aan alle lichamelijk en geestelijk leven een gelijkmatige, eeuwige wet ten grondslag ligt, die hare uitdrukking in dezelfde, telkens wederkeerende getalverhoudingen vindt. — Het is een blik achter de coulissen van het zichtbaar geopende wereldtooneel, welken deze geest met zijn getalstelsel werpt. — Met bijzondere voorliefde behandelde deze school ook de leer der verhuizing van de menschelijke ziel, welke zij als onverstoorbaar en eeuwig stelde tegenover deze altijd verwoeste en verwoestende wereld der zichtbare dingen. Zoo vertelde eens een lid van dien kring aan zijn verbaasde hoorders, dat hij reeds als plant — boom — paard en — jong meisje bestaan had. Wat de leer van de zielsverhuizing te voorschijn riep, was het verlangen, iets blijvends, oneindigs, een vast punt in den op- en neerduikenden vloed der dingen te
27
bezitten, van waaruit men de wereld, zoo al niet bewegen, dan toch beschouwen kon. —
De sophisten, dat zijn: „de wijzenquot;, zooals zij in den hoogen dunk hunner eigenwaarde wilden genaamd worden en ook — spottenderwijze maar al te snel door hen betiteld werden, die zich met den bescheidener naam der wijsgeer en, dat zijn „vrienden, liefhebbers der wijsheidquot; vergenoegden, — beantwoordden die vraag naar het blijvende in het bonte wissel- en goochelspel der zinnelijk tastbare wereld op soortgelijke wijze. Het was andermaal een voorgevoel der waarheid, als die sophisten het ik, den denkenden geest van het individu boven de zinnelijke buitenwereld der dingen trachtten te verheffen. Het was eene, ofschoon nog onzuivere, erkenning van die onomstootelijke waarheid, dat het zelfbewuste, individueele ik, dat is: het bewustzijn van het bestaan als bepaald tegenover de buitenwereld begrensd enkelvoudig wezen, om zoo te zeggen de kern van den mensch, eigenlijk door alles wat om hem heen gebeurt, volkomen onaangetast blijft. Hoe veel ook in den loop der jaren rondom ons, ja aan ons en in ons anders schijnt te zijn geworden, — één ding blijft toch altijd onveranderd: het „zich als individu kennenquot;, het „van zichzelven als enkelvoudig wezen bewust zijnquot;, het gevoel: „ik bestaquot;. Dit gevoel van het bestaan des afzonderlijken wezens tegenover de in gestadige strooming verkeerende buitenwereld, is inderdaad het eenige, wat in ons steeds hetzelfde blijft van af het eerste oogenblik, waarop wij ons zei ven vinden, tot het laatste, waarop wij ons zeiven schijnbaar verliezen. Steeds verandert in ons slechts het: „hoe wij zijnquot;, maar nimmer het gevoel „dat wij zijn.quot; — Het duistere gevoel hiervan, wat later
28
door Desoaktes tot eene vaste wijsgeerige erkenning kwam, liet die sophisten zulk eene waarde aan het denkende ik toekennen, dat zij het reeds werkelijk als iets geestelijks boven de stoffelijke wereld verhieven. —
Ten slotte geraakten zij waarlijk door hunne denkwijze en wereldbeschouwing in die nog heden als „sophisterijquot; veroordeelde beuzelachtige zinsbedrog-speling, door welke zij zonder den ernst der wetenschap lust hadden, de meerderheid van het denkende ik boven de daadzakelijk verschijnende werkelijkheid in ijdele, menigmaal verbazende, maar zelden treffende woordspeling te betoogen. Hun hoofdzakelijke sterkte bestond ten tijde van den ernstigen Socrates, die menige schermutseling met hen doorstreden heeft, hierin, dat zij de lieden door hunne strikvragen en zonderlinge stellingen in verlegenheid brachten. Zoo verbonden zij zich bijv. tot het bewijzen, dat ééne erwt een hoop erwten vormde. Zij legden er ééne neer en vroegen; is dat een hoop erwten? Natuurlijk: „neenquot;; zij legden de tweede er bij; — is het nu een hoop? — „Neen.quot; — Zij legden de derde er bij en altijd slechts ééne nieuwe —, eindelijk moest de ondervraagde toch eenmaal na toevoeging ééner erwt zeggen: ja, maar nu is het toch een hoop geworden. Evenzoo bewezen zij met glans aan hem, die bij den gemeenschappelijken maaltijd te veel gedronken had: dat één droppel hem dronken had gemaakt. — Zoo spelende, geraakten zij vèr af van het voorgevoel, dat zich bij hen geopenbaard had.
De frissche, levendige gedachte, welke zij van den levensboom der waarheid geplukt hadden, was onder de alledaagsche uitdrukkingen van het marktgewoel in een stoffig, verflenst, ritselend blad veranderd. Niemand
29
heeft het recht van haren oorsprong zóó sterk gewaardeerd en de platheden van haar verloop zóózeer aan den spot prijsgegeven, niemand haar zóó dikwijls in den strijd van het geestelijke worstelperk op het zand van haar droog geworden vernuft gezet, als Socrates, Griekenlands goddelijk bezielde profeet. Niet slechts het ik, de persoonlijkheid, zooals bij de sophisten, maar het oprechte, waarheidlievende ik, de zedelijke persoonlijkheid treedt in hem op tegenover de zinnelijk stoffelijke buitenwereld; in Socrates wordt de wijsbegeerte, de vriendschap van wijsheid en waarheid zelve tot persoonlijkheid. In het zelfbewuste onderscheid, menigmaal genoeg tegenstelling van alle leven daarbuiten, hetzij lichamelijk bestaan, het heete overlevering, gebruik, volksgewoonte of godengeloof, beroept Socrates zich op zijn geheime-nisvol daemonium, het goddelijke rechtsbewustzijn der waarheidlievende ziel, verheft hij zich trots alle ervaring tot de vertrouwende hoop op de onsterfelijkheid dezer zich boven de zinnelijk lichamelijke wereld verheven gevoelende ziel. „Offert een haan aan Aesculapius,quot; dat wil zeggen: brengt den god der genezing mijn dank, — zoo luidt het afscheidswoord van den stervenden Socrates, zoo begroet hij den naderenden dood als eene genezing zijner ziel! — Welk een ideale verhevenheid spreekt uit dezen afscheidsgroet! Geen tweede in Griekenland heeft zich zulk een schitterenden nagelaten naam verworven, als Xenophon aan zijn dierbaren leermeester toewijdt, waar hij zegt: „Niemand heeft Socrates ooit iets goddeloos hooren zeggen, noch iets onheiligs zien doen.quot; En zelfs wanneer wij er afdoen, wat wij bij alle eerlijkheid van den levensbeschrijver moeten aftrekken, en niet voorbijzien, dat in de taal der Grieken veel nog „heiligquot;
30
heet, wat byv. het ernstiger geweten van het volk Israël als grove onheiligheid zou hebben veroordeeld, toch blijft immer dit onomstootelijk en voor onze vraag van de grootste waarde, dat het idealisme van het godsbewastzijn en van het geloof in de onsterfelijkheid in yooRATES niet alleen een opgewekten verdediger, maar ook een tot in den dood getrouwen en moedigen voorvechter gevonden heeft.
Het door de Eleaten vermoede, door Pythagoras zinrijk omkleede, door de sophisten juist erkende, maar kinderachtig misbruikte en door Socrates denkend verklaarde, levend bewezene en stervend bezegelde idealistische beginsel wordt nu een volkomen, afgerond, in ziehzelven sluitend stelsel onder Plato\'s meesterhand. Droegen de voorstanders slechts bouwsteenen, groeven zij grond, teekenden, ontwierpen zij plannen en schetsen, Plato richtte de zuilen op, bracht den tempel onder dak; — tempel zeg ik — en toch gelijkt zijn stelsel haast meer op den Gothischen dom dan op den Jonischen tempel. Het is moeielijk te zeggen eu zal nooit kunnen berekend worden, hoeveel Plato van Socrates ontving, en hoeveel natuur en godheid hem onmiddellijk openbaarden. Men zou kunnen zeggen: wat Socrates leefde, dat leerde Plato, maar hij leerde nog meer. Men zou Plato den Johannes van Socrates kunnen noemen, want niemand onder zijne scholieren heeft de eeuwige waarheid en de zieleschoonheid van den uiterlijk onaan-zienlijken meester dieper begrepen dan Plato, — en toch past de vergelijking weder niet geheel, want hier in Griekenland overtrof de leerling nog zijn meester: Plato is genialer en geheimzinniger in zijn denken dan Socrates. — Zoo hebben wij, steeds voor Raphaels
31
beeld in het Vaticaan staaade, slechts onze oogen van de middengestalten, als tot verkenning, iets naar rechts en links laten zweven, om het gezelschap op te nemen, waarin wij onze vorsten vonden; deze of gene kop scheen belangwekkend genoeg om hem een paar minuten te beschouwen. Nu rust onze blik weder bij voorkeur en rustig op het dioscurenpaar, dat bovenal ons bewoog deze school binnen te treden. — Zoo houdt ons allereerst de man bezig, die door zijn ideeënleer als idealist, u allen, zoo al niet juist intiem bekend, toch als zoodanig is voorgesteld. Een woord moet dezen man aan uwe gunst aanbevelen, een woord dat zegenend over de eeuwen weerklinkt, een woord van verhevene waarschuwing ook aan ons genotziek geslacht. „Een slechts „aan zinnelijk genot gewijd leven is dierlijk, een ethisch-„ staatkundig leven is menschelijk, maar een weten-„schappelijk leven is goddelijk.quot;
En die schoone toepassing van zijn derde spreuk gaf den meester bij tijdgenooten en nakomelingen zijn eerenaam; want gaarne spreekt de oudheid, zooals Cicero schreef, van den divus philosophus, van Plato, „den goddelijke.quot; — Laat mij tot uiteenzetting der grondgedachten van het Platonische stelsel een beroep op uwe eigen ervaring doen.
Gij allen gevoelt u in het volle bezit der denkbeelden over het schoone, ware, goede; gij zijt ieder oogenblik gereed een oordeel daarover uit te spreken, of een kunstwerk schoon, een grondstelling waar, een handeling zedelijk goed is. Hoe zijt gij toch in het bezit dezer denkbeelden gekomen, welke gij, als waren zij een geestelijke maat, aan de wereld der verschijnselen aanlegt? Vanwaar hebt gij deze algemeene, al het enkelvoudige
32
beheerschende denkbeelden, aan welke gij het oordeel over het steeds verschijnende toekent? Deze is de vraag, en zelfs, zooals later blijken zal, zoo recht eigenaardig de laatste vraag, die tot op het raadsel des levens en der wereld terugslaat; de vraag, welke de wijsbegeerte trachtte te beantwoorden van af de dagen van Plato tot die van Fichte en Hegel. Twee autwoorden zijn mogelijk; beide zijn gegeven geworden: namelijk, öf\' de enkelvoudige en afgezonderde dingen waren het eerst voorhanden, óf de algemeene denkbeelden bestonden vóór hen; — hoe en waar of waarin\'? zouden verdere, latere vragen zijn. Of de zaak bestaat aldus: de mensch aanschouwt de menigte der enkelvoudige dingen, en schept en vormt zich uit derzelver vergelijking, samenstelling en afzondering die denkbeelden, welke hij dan weder als een maatstaf over de dingen, dus werkelijk als rechter boven de enkelvoudige dingen plaatste. Dat is echter, zooals men gemakkelijk inziet, een vreemde cirkel! Eerst moeten naar deze opvatting de enkelvoudige dingen de scheppers der algemeene denkbeelden zijn, staan dus in dit geval hoven de denkbeelden, omdat de schepper altijd boven het schepsel staat; dan weder moeten diezelfde aldus geboren denkbeelden als algemeene weder tot rechters over de dingen gesteld worden — derhalve zich verheffen boven datgene, waaraan zij hun bestaan verschuldigd zijn. Gij gevoelt met Plato: dat is weinig bevredigend. — Of de andere mogelijkheid, hoe wij tot die algemeene denkbeelden kunnen gekomen zijn, is deze: in de ziel des menschen zijn reeds van de geboorte af aanwezig, liggen, ofschoon sluimerend, die, zooals Plato zegt, eeuwige denkbeelden over het schoone, het rechte, het goede, enz. —; wij brengen dezelve in deze
33
bonte wereld mede en bij den aanblik der menigvuldige enkelvoudige dingen, der verscheidene en uiteenloopende verschijnselen ontwaken die denkbeelden, komen zij in ons tot bewustzijn en werkzaamheid, vangen zij hun ambt van scheidsrechter over al het zichtbare en tastbare aan. De vraag is dus kortweg deze: bestaan er aangeboren ideeën, zooals Plato in den ouden, Leibnitz in den nieuwen tijd en met hen een groot aantal wijs-geeren en zielkundigen beweert? — of zijn er geene zulke, zooals Aristoteles in den ouden en de Engelsche Deïsten in den nieuwen tijd, het Fransche materialisme van de achttiende eeuw en zijne talrijke vertegenwoordigers in onze dagen ons willen doen gelooven? Maar de vraag heeft verdere terugwerking, zooals ik reeds aanduidde. Vervolgen wij haar; brengen wij haar tot staan. — Zij omvat meer dan die genoemde begrippen van het schoone, rechte, ware. Zij doet zich aldus voor: wat was eerder voorhanden: de enkelvoudige menschen, verstrooide persoonlijkheden, of het idéé, haast zou ik zeggen: „het plan van den menschquot;? Gij kunt een antwoord geven op de vraag: „Wat is een mensch ?quot; — Gij wijst op het begrip van hem. Goed, dit begrip, dit ,plan van den menschquot;, bestond het reeds op eenige wijze — in een oorspronkelijken geest of hoe anders, vóór dat de enkelvoudige wezens elkander liefhadden en haatten, zich omarmden en doodden ? Dit huis, waarin wij gastvrij hier zijn opgenomen, was zonder twijfel gereed nog eer een steen hier lag; het stond als plan, als idee in de ziel van den bouwmeester; hij zag het in den geest gereed en vergeleek later, toen het nu tot zinnelijk tastbare werkelijkheid geworden was, zijn vroeger plan met het daargestelde. Wat bestond eerder, de dom van St.
34
Stephanas, de Keulsehe en Strassburger Munster of het ontwerp van zulk een werk ? — Een alledaagsch mensch van gewonen aanleg kan in den regel het denkbeeld van een Gothischen dom eerst door aanschouwing dezer drie verkrijgen; hier zou dus duidelijk het denkbeeld eerst na de zinnelijke waarneming bestaan; maar het ligt voor de hand, dat in éénen geest het ontwerp toch vroeger moet bestaan hebben dan de bouw, anders kon er geen geschieden. — De vraag, voor welke deze voorbeelden dienen moeten, luidt aldus: Is het op dezelfde wijze met de wereld en al hare wezens gesteld, namelijk zoo, dat hun plan, hun eerste beeld, al de denkbeelden, die daarin belichaamd schijnen, reeds te voren een bestaan hadden — zeggen wij voorloopig: in eene wereldziel? En zoo verheft zich deze vraag, welke niet slechts de levensvraag van het Platonische stelsel, maar ook van de geestelijke wereld in het algemeen is, ten slotte tot de hoogste gedachte, tot de Godsgedachte opwaarts. — Onloochenbare daadzaak is deze: millioenen dachten en denken de opvatting van God als van een volkomenst Wezen, dat, hoe het ook zyn moge (dat weten wij voor ons onderzoek voorloopig nog niet), in ieder geval zich tot de wereld verhouden moet als plan, gedachte, grondbeeld tot de verschijnselen der werkelijkheid, dus stipt genomen grooter dan wereld en menschenleven moet zijn. De laatste vraag luidt dus: Bestond deze Godsgedachte vóór den mensch of was zij haar aanzijn eerst aan den mensch verschuldigd — met andere woorden: dacht God eerst den mensch of de mensch eerst God, d. w. z.: heeft God den mensch — of de mensch God geschapen? In het laatste geval is natuurlijk de mensch grooter dan God. — Een derde bestaat niet. —
35
De eerste opvatting is die van het idealisme, dat nu, naar gelang het als godsdienstig of als wijsgeerig idealisme optreedt, zeer menigvuldige gestalte aannemen, zich de meest uiteenloopende uitdrukking geven kan. De andere opvatting, dat de mensch ouder is dan God — en het denkbeeld van God slechts door des menschen genade bestaat, is het oordeel van het materialisme, zooals b.v. Feüerbach in dezen zin met openhartige helderheid het uitgesproken heeft, dat de Godsgedachte slechts eene schepping, dat moet heeten eene uitvinding van den mensch is. „Zoo als de mensch, zoo ook zijn God, dus werd ook God zooveel bespot,quot; is de dichterlijke (?) uitspraak dezer wijsbegeerte. — Voor de hier dadelijk tot in de verste engte der gevolgtrekkingen bestookte idealistische wereldbeschouwing, volgens welke de toenmalige ideeën het eerst bestonden, treedt de legeraanvoerder dezer richting, Plato, met de volle beslistheid van het stelsel en de geheele scherpzinnigheid zijner redeneerkunde in het strijdperk.
Boven deze bonte wereld der menigvuldigste verschijnselen troont — ik spreek met Plato — op verlichte hoogten de wereld der gedachten; zij zijn de grondbeelden, zoo goed als de oorspronkelijke beelden aller dingen, en de zichtbare dingen slechts de afdrukken, de meer of minder gelukte afbeeldsels; waar wij ergens ter wereld een veelvoud met eene gemeenzame benaming of met een begrip der soort aanduiden, daar moeten wij overal zulk een grondbeeld, zulk eene gedachte aannemen, die, ofschoon zij ook in de enkelvoudige dingen met meer of minder beslistheid en duidelijkheid verwezenlijkt wordt, toch onafhankelijk daarvan (dit is de kern van het stelsel) een zelfstandig vóór- en bovenwereldsch
36
bestaan heeft; — „wereldquot; hier als som van hetgeen verschijnt, zinnelijk-lichamelijk genomen. Deze gedachten duidt Plato menigmaal ook als goden aan, — zij het om er op te wijzen, dat het gewemel der goden van den Olympus voor hem slechts dkn zin hebben kan, als men in die godsgestalten juist de belichaming eeuwiger gedachten, bijv. der dapperheid, schoonheid, gerechtigheid, liefde, der ware menschelijkheid enz. vinden mag, zij het ook, dat hij die aanduiding slechts koos om zijn stelsel nader tot het geloof van zijn volk te brengen; in ieder geval mag men bij Plato\'s „godenquot; niet meer aan de kinderlijk vroolijke en naïeve godenwereld van Homerus denken.
En onder deze menigte van ideeën, welke Plato aanneemt, is er nu weder één, dat alle anderen te bovenstreeft, zooals de aegis-schudden de Jupiter al de Olympische goden; maar het „hoogste ideequot; van Plato is oneindig grootscher en edeler dan de dondergod met zijne avonturen en dwaaltochten. De eerste en hoogste gedachte, tevens de van onderstelling vrije laatste grond aller andere gedachten en hiermede van de wereld in het algemeen, is de^edac/ifeucm/ieif/oede. Deze „gedachte van het goedequot; is de hoogste godheid van het Platonische stelsel, dat dus bijna ideaal-monistisch — te weten, op ééne hoogste en laatste geestelijke eenheid uitloopt. Of Plato deze gedachten en vooral die van het goeie zich als een persoonlijk wezen heeft voorgesteld, zooals het op zeer vele plaatsen zijner samenspraken bepaald zeker, door andere echter weder in twijfel schijnt te zijn gesteld, is tot heden nog onbeslist en zal wel nimmer met volle zekerheid beslissend worden uitgemaakt.
Dit is de geniale, wij aarzelen niet te zeggen „goddelijkequot; gedachte van Plato, dat hij, zijn oog over
37
de lachend schoone wereld, die hem omringde, vrij verheffend, de achter de verschijnselen rustende eeuwige gedachten opzocht en deze als het oorspronkelijke, eigenlijk waarde bezittende, huldigde, deze als het eigenlijk bepaalde, positieve, de voorhanden zichtbare dingen echter slechts als negatieve grootheden aanduidde, in den zin, zooals het spiegelbeeld het omgekeerde, dus negatieve beeld van het daarvoor staande (positieve) oorspronkelijke beeld is. — Dat wil die door gewijd-dichterlijke schoonheid bezielde vertelling van het „schaduwenholquot; zeggen. In een ruim hol zit een arme gevangene; zijn oog is gericht naar den tegenover den ingang liggenden achterwand van het hol; daarbuiten voor de opening van het hol trekken de gestalten des levens in bont gedrang voorbij, en het heldere zonlicht teekent de omtrekken van iedere gedaante als schaduwbeeld op dien achterwand, die het gezichtsveld van den gevangene vormt; deze gevangene is de ziel des menschen, het lichaam is de gevangenis der ziel; zoolang zij in het lichaam is, kan de ziel zelve nooit de ware gestalte der dingen, nimmer hun oorspronkelijk beeld, nooit de in den zonneglans eeuwiger waarheid voorbijzwevende gedachten aanschouwen, maar altijd slechts haar afschijnsel, hare terugkaatsing, hare schaduw, —nooit de dingen, zooals zij in waarheid volgens hunne eeuwige gedachte zijn — slechts zooals zij schijnen en zich uiten. —
De ideale richting der Platonische wijsbegeerte treedt ons het duidelijkst en schoonst te gemoet in zijne leer van de onsterfelijkheid der ziel, zooals hij deze in de samenspraak „Phaedoquot; !) buitengewoon diepzinnig en
*) Zie het geschrift van den schrijver: Plato\'s leer der onsterfelijkheid. Leipzig. Haessel.
38
teeder tevens ontwikkelt. Hoe hoog staat hier Plato met den zedelijken ernst zijner leer, dat de ziel des mensehen, naarmate zij hier hare krachten geoefend en aangewend of verspild en misbruikt, „dierlijk of goddelijkquot; geleefd heeft, na dit lichamelijk bestaan in een toestand van lager of hooger, smartelijk of zalig wezen gebracht wordt; hoe hoog staat hij met dit gevoel van gerechtigheid boven die wijsgeeren onzer dagen, die de verschillen tnsschen goed en kwaad wegnemen, eene zedelijke vrijheid loochenen en eene zedelijke verantwoording willen verwezen zien naar den kring der sprookjes, om kinderen te verschrikken.
En met dit zijn schoon geloof aan de vóór de dingen der zichtbare wereld en boven deze tronende gedachten reikt Plato, als wij een verwanten geest onder een anderen hemel willen zoeken — aan den voorvader der profeten Israels, aan Mozes de hand. — Wat in Hellas wijsgeerig idealisme was. moest bij het volk van godsdienstige bedeeling godsdienstig idealisme zijn. Denkt eens aan die roerend schoone vertelling van Mozes over de schepping: „God sprak!quot; — Het woord is toch wel de uitdrukking der gedachte — dus is juist als bij Plato ook hier de gedachte, het idee vóór de verschijning. „Laat ons menschen scheppen!quot; — luidt het nieuwe besluit, — alzoo ook hier wordt de gedachte aan den mensch als in den geest Gods voorhanden aangenomen, eer de eerste mensch leeft en ademt. — Zoo wenken elkander de geesten. In den diepsten grond is het dezelfde wereldbeschouwing, de idealistische, ginds in den wij sgeermantel, hier in het priestergewaad. —
Als dus volgens dit alles Plato op wijsgeerig gebied als de eigenlijke vader van het aangenomen idealisme
39
erkend moet worden, zoo verbindt zich aan den naam Tan zijn grooten tijdgenoot en leerling Aristoteles de realistische natuur- en wereldbeschouwing. Aristoteles plaatst zich in bewuste en door hemzelven duidelijk en met klem bewezen tegenstelling tegenover de Platonische leer. Neemt Plato het uitgangspunt van zijn wijsgeerig denken, zooals wij zagen, van de eeuwige gedachten, als het eigenlijk oorspronkelijke bestaan van al wat is, het geestelijk eerste wezen van alle zichtbare wezens, — z»o gaat Aristoteles veeleer van eene eerste stof, eene oorspronkelijke stof uit. Zijn uit de diepzinnigste natuurstudie verkregen standpunt is dit, dat de geheele natuur «en eeuwige trapsgewijze vorming der ruwe stof, een jeuwig zich ontwikkelen uit lager tot hooger, een tot levensvatbaarheid komen van dien onuitputtelijken oor-spronkelijken grond der eerste OEontwikkelde, maar oneindig voor ontwikkeling tot steeds volkomener (ideale) gedaanten vatbare stof is. Zoo is dus volgens deze opvatting de geheele som van al het bestaande eene trapleer, welker onderste trede eene eerste stof, welker bovenste een zoo geestelijk mogelijk bestaan is; in die oorspronkelijke stof van den aanvang liggen alle andere, latere en hoogere verbindingen — maar slechts in de kiem, slechts volgens de mogelijkheid. — Terwijl alzoo volgens Plato de ideeën, de begrippen der soort het eerste bestaan, zijn zij volgens Aristoteles veeleer het laatste; ginds waren zij zooveel als de wortel, hier bij Aristoteles zijn zij integendeel de bloesem van al het stoffelijke bestaan.
Het voorname onderscheid tusschen beiden bestaat lierin, dat er volgens Plato een geestelijk, ideaal )estaan vóór en hoven de dingen is, volgens Aristoteles
40
alleen in de dingen; volgens Plato bestaan de gedachten vóór de dingen bestonden, volgens Aristoteles worden zij in en met de dingen. Als voor Plato de dingen in het algemeen slechts waarde hebben, voor zoover daarin de gedachten te voorschijn komen, zoo hebben omgekeerd voor Aristoteles de gedachten slechts geldende kracht, voor zoover zij in de dingen tegenwoordigheid en werkelijkheid hebben; zou er volgens Plato geen wereld der verschijnselen zonder ideeën, zoo zouden er volgens Aristoteles geen algemeene ideeën bestaan zonder enkxl-voudig verschijnsel. Het onderscheid tusschen deze twje wereldbeschouwingen laat zich dus in de korte stellirg saam vatten: volgens Plato de ideeën vóór, volgens Aristoteles na de dingen.
Gij hebt, wellicht met groote verbazing, in dit weefse der gedachten van Aristoteles de gronddraden dier in den jongsten tijd verder gesponnen en tot in de bijzonderheden uitgewerkte wereldbeschouwing ontdekt, welke ulieden bekend is onder den naam van Darwin\'s leer dei afstamming en der onderstelling van overgangsvormer zijner geestverwanten, bijna moet men ook hier zeggen geloofsgenooten. Wij zullen ons later met deze veelbelovende woorden meer vertrouwd moeten maken. Als wij thans reeds, als in een vergezicht, op dien samenhang wezen, zoo geschiedde dit slechts om aan te duiden, hoe wij met recht Aristoteles als den voorvader der realistische wereldbeschouwing voorstelden en tevens, om reeds hier op het onderscheid van het Aristotelische realisme en het in de laatste jaren alom heerschende materialisme met ziftende en later misverstand voorkomende duidelijk heid te wijzen.
Het realisme, zooals het zich aan den naam vai
41
Aristoteles vastknoopt, als die wereldbeschouwing, welke van de res, dat is van de zichtbare dingen en voorwerpen der schepselen-wereld uitgaande, hunne ontvouwing en ontwikkeling van lager tot hooger nagaat en juist hierin het wereld-proces plaatst, laat nog eene laatste vraag onbeantwoord, namelijk deze: van waar de stoot tot vorming, tot altijd nieuwe voortbrenging en omzetting, tot steeds zich volkomener vormende gedaante aan die eerste grondstof gegeven werd, welke als eeuwig wordt voorgesteld. Aristoteles antwoordt hierop met het aannemen van het bestaan eens volkomen goddelijken geestes, van eene denkende schranderheid, door hem „de eerste bewegerquot; genaamd, dat heet, diegene, die grond en aanleiding tot het dooreen we ven der wereldstof is.
Dus sluit het realisme van Aristoteles in zijne natuurbeschouwing, de geschetste leer der ontwikkeling van het leven, de Godsgedachte nog niet buiten, maar eischt deze als laatste oorsaak aller dingen, als eersten beweger van alle beweging. Geheel anders het materialisme, dat tot het voorlaatste station wel is waar op de wegen van het beschrevene realisme wandelt, maar hier bepaald halt maakt en in plaats van den denkenden goddelijken geest, van dien „eersten bewegerquot; veeleer slechts eene onpersoonlijke, van zichzelve onbewuste kracht aanneemt, eene in de eeuwige grondstof evenzoo eeuwig levende, of meer sluimerende, — in ieder geval inwonende, samenstellende en van binnen naar buiten werkende kracht, door welke die tallooze omzettingen en omwentelingen van de wereldstof of der wereldstoffen werden te voorschijn geroepen, die als de geheimzinnige „moedersquot; in het tweede deel van Faust, als de bewerksters van alle bestaande vormen en wezens, van af de zonnen tot het
42
teedere steenmos, welks bloesem slechts voor het microscoop toegankelijk is, van af het onbeweeglijk schijnende graniet opwaarts tot het duizendvoudig beweeglijke menschenleven, willen aangemerkt worden.
Daar hebt gij in korte trekken de kracht- en stof-theorie van het jongste natuuronderzoek, aanvang en einde van de realistische reeks der ontwikkeling, in het belang van het verduidelijkende overzicht hier terstond dicht tot elkaar gebracht. — In beide gevallen, bij realisten en materialisten, verschijnt de wereld als een kogel in de luchtzee der eeuwigheden voortrollend en eeuwig veranderend — maar terwijl het volgens Abistoteles een geest was, die haar voortwierp, woont naar de meening der materialisten deze werpkracht van-zelve in haar. Overigens maakten wij ons aan geen vergrijp tegen den tijd schuldig, toen wij in aansluiting met Akistoteles van het natuur-eenig-zaligmakende materialisme spraken, want inderdaad maakte zijne school reeds deze laatste gevolgtrekkingen en geloofde bij monde van meerdere vertegenwoordigers den „eersten bewegerquot; te kunnen ontraden. Zoo komt Steato in zijne natuurkunde tot de stelling, dat de natuur als de eenige, alles, ook het denken voortbrengende en vormende macht van het zijn moet aangemerkt worden. Omgekeerd zou dus, van het materialisme als van eene „aangeworven bezitting van onzen tijdquot; te spreken, een historisch valsch vernuft kunnen geheeten worden.
Aan die twee helden Plato en Akistoteles (bij wie wij ons langer moesten ophouden), als aan de leiders dier tweevoudige wereld- en levensbeschouwing, laat zich bijna de geheele geschiedenis der ontwikkeling van de wijsbegeerte aanknoopen. Steeds schijnen de stelsels.
43
zooals zij, — elkaar bestrijdend of verder brengend — zieh vervangen, met de gedachten van een dier beide meesters grootere of mindere kiesverwantsehap te verkondigen.
Zoo mag het standpunt der Stoïcijnen als dat van het practische idealisme worden aangeduid, terwijl de Epicuristen zonder twijfel als de vertegenwoordigers van een praetiseh realisme moeten worden aangezien; de wijsbegeerte der Stoïcijnen is toegepaste leer der wijsheid, de leerwijsheid als levenswijsheid, die der Epicuristen zinnelijke gebruiksaanwending van het gegevene natuurleven. Richt zich het streven der Stoïcijnen daarheen, het ideaal van den boven de zichtbaar zinnelijke wereld en alle wisselvalligheden des levens verheven wijze te verwezenlijken; het beeld van den volkomen gemoedsvrede bezittenden mensch als het ware juist daarin gestalte te doen vinden; van den wijze, die „intactus raanet etsi fractus illabatur orb isquot; kalm blijft, al verging de wereld en niet bewogen, waar de alledaagsche mensch ten sterkste door droefheid schijnt aangegrepen; van den door smart gelouterden verheven geest, die, zoodra het beter scheen, het angstvol prangende leven te ontvlieden, met een vroolijk lachend „Paete, non doletquot;, „mijn vriend! het doet geen pijnquot; zich in de steeds geopende armen van den dood wierp: — was dit geest en stemming der volgelingen van Zend, den Stoïcijn, zoo jaagde het streven der leerlingen van Epicurus in volkomen tegenstelling daarmede veeleer hiernaar, zich binnen deze zinnelijk bestaande wereld zoo behaaglijk en bewoonbaar mogelijk in te richten; ging het ontberen en de onthouding der Stoïcijnen van de grondstelling uit, dat de wijze mensch van deze
44
zichtbaar zinnelijke wereld zoo onafhankelijk mogelijk moet zijn, zoo kon gindsche vastende Epicurist uit de satire, op de vraag, waarom hij toch heden zoo nuchter was, slechts antwoorden: „Wel vriend! om morgen bij het groote feestmaal met des te frisscheren dorst te kunnen drinken!quot;
De onthouding en ingetogenheid van den Epicurist, waar zij, hoe zeldzaam een gast overigens, zich toeh liet waarnemen, was altijd slechts welberekende voorbereiding tot nieuw opflikkerend genieten van langeren duur. Waren de Stoïcijnen de Platonisch boven de wereld verhevenen, de Epicuristen waren de Aristotelisch in de wereld verzonkenen —, zelfs wanneer, wat toch in onzen tijd der „eerreddingenquot; liefst op den voorgrond wordt gesteld, hun genietend leven, volgens den raad en wil des stichters, zich in den regel niet enkel tot de genietingen van den vierden of vijfden graad, maar in de eerste plaats tot de „fijnere\'\'\' genietingen bijv. van de kunst zou — ja moest bepalen. — Dook de geest der Stoïcijnen in de koude, ernstige wolken, de Epicuristen bleven (vooral ten tijde van het verval der school) niet zelden — in het moeras van het alledaagsche leven steken; — „poreus e grege Epicuri, als een zwijn uit de kudde van Epicurus, zooals de tijdgenoot en Romeinsche dichter Horatius in eene zijner satiren bij zekere gelegenheid een held van die richting kort en voorzeker treffend, hoewel juist niet al te vleiend afschildert. —
Wij hebben de wijsbegeerte vóór Christus in hare hoofdtrekken geteekend, en kunnen nu bij onzen geschiedkundigen vóórcursus, ofschoon wij voorloopig slechts wijsgeerig spreken, toch onmogelijk het inmiddels zijn zegetocht beginnende Christendom voorbijgaan, hoe-
45
wel ook dit, althans ten tijde van zijn optreden, ten naasten bij het tegenovergestelde moeht zijn van datgene, wat wij thans wijsbegeerte noemen. — Hoe plaatst zieh nu, dus vragen wij, in de lijst van het tot heden behandelde, het Christendom tegenover deze twee stroomingen; helt het naar de idealistische over of is het meer realistisch van aanleg? — Het Christendom heeft zonder twijfel — wat nu nog niet ter uiteenzetting aan de orde is — evenzeer een diep idealistischen als gezond realis-tischen trek; het is van de eene zijde evenzeer van de wereld afgewend als van de andere naar de wereld heen gewend, en het is eenvoudig dwaasheid, wanneer bijv. Saint Simon van den nieuweren tijd, om vroegeren voorbij te gaan, beweert, dat de stichter des Christendoms „eenzijdig aan den geest gedachtquot; heeft, en het tijd wordt, het aardsche in zijn recht te herstellen: — en slechts omdat het Christendom haar in den grond een ergernis was, dichtte de school van Heine aan hetzelve een „vernietigenden wrokquot; tegen al het stoffelijke toe. Wegens de later nauwkeuriger en duidelijker te doorgronden dubbele richting van het Christendom naar het ideale en het werkelijke, moet het ons niet verwonderen in de theologische scholen reeds zeer vroeg de oude tegenstelling van Plato en Aristoteles weder te ontmoeten; voor beide scheen ook wel ruimte binnen de Christelijke wereldbeschouwing te zijn, en men had dus het dubbele gevaar te ontzeilen, bij voorkeur een uiterste, en onder geheel voorbijzien van den anderen, niet minder recht hebbenden factor, eenzijdig aan te prijzen. En men heeft dit dubbele gevaar niet weten te mijden. De eenzijdig idealistische, van de wereld afgewende neiging des Christen-doms bouwde de kloosters, dreef naar woeste en eenzame
46
plaatsen, richtte voor zich alleenstaande zuilen op, begroef zich levend in de holen der dieren en verbood aan de onder de menschen achterblijvenden toch den staats- en krijgsdienst, ja hier en daar zelfs handel en wandel van het openbare verkeer. De eenzijdig realistische trek ontsloot voor de menigte der staatsburgers bereidwillig en dikwijls lichtzinnig de poorten der Kerk, liet de grenzen van Staat en Kerk onbedachtzaam en verward ineenvloeien en steunde niet zelden ideale waarheden op den zeer reëelen grondslag Van keizerlijke soldaten, gaf zich moeite door vorstengunst en uiterlijke middelen daar hulp te verleenen, waar de ideale macht van het woord en van den geest alleen niet tot het beoogde gevolg scheen te leiden — en, wat het ergste was, trachtte, vroegtijdig menigmaal genoeg, met de zielen tevens ook de aardsche schatten van deze te vangen. Het eenzijdige idealisme deed de kinderlijk schoone waarheid in onverstaanbare bespiegeling en spitsvondig geheimvertoon oplossen, ging in zijn haat tegen alles, wat tot de aarde behoorde en van aarde was, zóóver, dat men Jezus slechts een „schijnlichaamquot; idoketismus) toestond, en geloofde te midden dezer wereld van onvolkomenheden eene gemeente van volmaakte heiligheid te kunnen oprichten.
Het eenzijdige realisme vond zijne laatste en sterkste uitdrukking in het paus-koningschap en al wat daarmede in eeredienst en praktijk samenhing; het valsche idealisme deed bergredenaars en dwepende geesten, pijnigers en „valsche profetenquot; in tallooze menigte opstaan. —
In Alexandrië ontmoetten Plato en Mozes elkander, — in Rome Petrus en Aristoteles. De vrucht dier eerste ontmoeting was eene nieuwe godsdienstig-wijsgeerige wereldbeschouwing, die door haren naam
47
van nieuwplatonisme zich terstond zelfheeft gekenschetst; de gedachten van Plato zijn verbonden en doorweven met de intusschen nieuwopgetreden en zegevierende denkbeelden; de hieruit ontluikende stelsels der nieuw-Platonisten zijn echter meest onbegrijpelijker dan dat van Plato; in verheven eenvoud en zedelijke kracht blijven zij ver beneden Mozes en vooral beneden de evangelische waarheden. — Terwijl het Christendom in het Oosten over het geheel Plato\'s trant scheen voor te staan, begunstigde het Westen met beslistheid Aristo-teles. Te Eome en overal, waarheen zijn invloed reikte, heeft men van de dagen van Petrus tot op die van Pius den negenden steeds een zeker zoowel praktisch als wetenschappelijk realisme gehuldigd, een beweren, dat terstond door de daadzaak kan gestaafd worden, dat in de middeleeuwen Aeistoteles in de godgeleerde scholen een bijna uitsluitend gezag had verkregen. —
Toch ontbrak de tegenstelling niet. In de zoogenaamde scholastiek, de godsdienstig-wijsgeerige leering van de elfde tot de veertiende eeuw, treffen wij onmiskenbaar onze beide vrienden uit de school van Athene aan; ja, het zeldzame schouwspel doet zich voor, dat men met de wijsgeeren van Griekenland zich meer vertrouwd toonde dan met de evangelisten en jongeren van Palestina, en in Aristoteles beter te huis was dan in het evangelie. — Hierover moest Lüther in zijnen tijd klagen en vertoornd zijn. Terwijl de eene richting in aansluiting aan Plato het objectief werkelijke bestaan der algemeene ideeën vóór en boven de dingen handhaaft, laat de andere, op Aristoteles steunende richting het begrip van het algemeene slechts als naam en voorstelling in de enkelvoudige dingen bestaan. In den
48
loop der middeleeuwen was de wijsbegeerte zachtjes aan zoozeer in het privaatbezit der kerkelijke godgeleerdheid overgegaan, dat met het krachteloos wegsterven der godgeleerde scholastiek ook de wijsbegeerte hare kracht scheen te hebben uitgeput. De hoogvliegende adelaar der wijsbegeerte verpoosde en rustte. De koningen der godgeleerdheid echter hadden reeds lang hun gebouw gereed en de kruiers wisten niet recht meer, wat zij moesten doen.
Zoo gaan de beide richtingen van het idealisme en realisme al de middeleeuwen door, rijk begiftigd met nieuwen inhoud door het Christendom, nu onder dezen, dan onder genen naam. — Plato en Aristoteles ontmoeten elkander ook in monniksgewaad, hoe vreemd hun menigmaal deze dracht ook op het oog mocht staan. En uit volgelingen van Plato ontstonden meestal weder ernstige Stoïcijnen, die het ideaal van den wijze en nu van den Christen wilden verwezenlijken; ea uit volgelingen van Aristoteles maar al te licht vroolijke Epicuristen, wier geheele levenswijsheid den ouden rondzang openbaarde, welken zij voorheen in Athene bij het drinkgelag gaarne zongen en die later in menig kloostergewelf moet weerklonken hebben:
■/.KL TTVJê. KoCl \'Aupillc
y.sü rnréytii ri) Aoxiv Drink nu, vriend, en dobbel
en offer nu aan Bacchus, die u bevrijdt van zorgen!
En nu veroorlooft gij mij in betrekking tot veel, wat in deze reeks eeuwen geleden is gebeurd, die zeer groote kunst uit te oefenen, welke een dusdanige voordracht eischt, namelijk: het minder gewichtige stoutweg te verzwijgen —; tot vliegen heb ik u terstond bij
49
den aanvang uitgenoodigd; — gij zijt dus niet meer verrast, wanneer ik u nu plotseling vóór de eerstelingen van den nieuwen tijd en de nieuwe wijsbegeerte plaats, om u ook hier die beide oude grondbeschouwingen der wereldbeoordeeling weder te doen herkennen. Een heerlijk streven en kampen en glorierijk strijden der geesten vervult de 15ie en 16de eeuw. Gelijktijdig met deze nieuwe hervormende beweging ontwikkelt zich nu, evenzeer opwekkend als door haar opgewekt, nu haar bevorderend, dan door haar wederom machtig beschermd en bevorderd, de herleving der wetenschappen; en ook de tot dienstmaagd en slippendraagster der middeleeuwsche god-geleerdheid vernederde wijsbegeerte begint spoedig genoeg in het gevoel harer zelfstandige verhevenheid en in het bewustzijn van haren ouden geboorte-adel het hoofd weder vrijer op te heffen. De hervorming was — in dit opzicht — de mondig-verklaring van den zoekenden en proefnemenden menschelijken geest; dichters en denkers nemen hunne vrije vlucht; Shakespeare en Descartes ontsluiten, ieder op zijn gebied, eene nieuwe wereld; als onder de scholieren en volgelingen sommigen in het bodemlooze wegzonken, anderen in wolkenzeeën verdronken, dan kan de schuld slechts in de eigen zwakheid of in de bedrieglijke dwaling, aan welke zij zich overgaven — echter niet, wat men van katholieke zijde zoo gaarne doet, in die nieuwe door de hervorming geldend gewordene geestesrichting zelve gezocht worden; wel geldt echter in betrekking tot vele verschijnselen der volgende eeuwen het diepzinnige woord van den heiligen schrijver: „Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet van ons.quot; — Ik moet u nu weder hieraan herinneren, dat wij heden wijsbegeerte met elkander
50
wilden beoefenen. De aanvanger en baanbreker der nieuwe wijsbegeerte is René Descartes, in het Latijn Renatüs Caktesiüs. — Zijne eerste ademtochten deed hij juist nog in de groote eeuw; hij is geboren 1596; de 20 in schepping vruchtbare jaren zijns levens bracht hij in Holland door, 1629 tot 49, de laatste avondure in Stockholm , waarheen de koningin Christina van Zweden hem had geroepen.
Als een echt wijsgeer naar het hart van Plato, die van meening was geweest, dat alle erkentenis der waarheid met den twijfel moest beginnen, schreef hij boven de ingangspoort van zijn stelsel volgenden eisch: laat gij, die binnentreedt, al wat gij vroeger als waarheid geloofd en geliefd, gekweekt en gekoesterd hebt, eens daar buiten, zoodat wij op dezen oogenblik, ofschoon wij gaarne iets wilden weten, voorloopig nog geheel niets weten.
Wij vangen dus geheel van voren aan, want het zou immers mogelijk zijn, dat al het tot heden aangenomene valsch ware geweest! „Welaan, stellen wij dit geval,quot; zeggen wij, „betwijfelen, ontkennen, verslaan wij eens de geheele om ons opgestapelde wereld van den geestelijken eigendom — om haar van den grond af nieuw bevestigd op te bouwen!quot; — Wij voldoen aan deze uitnoodiging, wij twijfelen aan alles! — slechts aan één ding kunnen wij wel niet twijfelen, namelijk hieraan: „dat wij twijfelen.quot; — Maar wat is twijfelen? Twijfelen is denken. Dus is mijn denkend ik de niet te betwijfelen gronddaadsaak; ik stel dus dit mijn denkend ik tegenover de geheele wereld; dit kunnen denken is mij in de eerste plaats het eenig vaste, zekere, onaantastbare resultaat; dit kunnen denken bewijst mij met zekerheid
51
dit ééne, dat ik werkelijk besta. Daar hebt gij in een notedop het stelsel van Desoartbs, daar is zijn wereldberoemde stelling, het punt, van waaruit de wereld der nieuwe wijsbegeerte in beweging kwam, het „cogito, ergo sumquot;, „ik denk, dus ik bestaquot; — dat ik denken kan, dit bewijst mijn bestaan. De sophis-ten, zooals wij boven zeiden, hadden hiervan een voorgevoel met hun op den voorgrond stellen van het denkende ik. — quot;Wij kunnen alles rondom ons en aan ons wegdenken, zonder daarom het ik-bewustzijn van onze persoonlijkheid mede prijs te geven; hoeveel ook aan ons, om en in ons, in onze wereldbeschouwing, levens-beoordeeling anders moge worden, één ding blijft steeds onwrikbaar, onveranderlijk: dat bewustzijn, dat zegt: ik ben, ik besta, — ik, zooals ik heden voel en denk, ben toch hetzelfde ik, dat vroeger geheel tegenovergesteld gewaar werd, voelde, wilde, dacht. Alleen de daadzaak van het kunnen denken bleef onveranderd. Hier wordt dus, let wel op, boven de te betwijfelen en mogelijkerwijze valsch beoordeelde buitenwereld het denkende ik, de bevatting, de geest als iets boven twijfel verheven, dat nimmer kan betwijfeld worden, vastgezet. Het denken is mijne zelfstandigheid, d. i. mijn eigenlijk wezen. Hier tegenover staat nu de uitgebreide wereld der stof; vóór wij deze erkennen en aanvatten, zijn wij dus van ons eigen bestaan denkend tot zekerheid gekomen. Van hieruit verder bouwend verovert nu het stelsel van Descartes het begrip van God als van het oneindig denkende ik, dus van den geest, die als eerste grond van zichzelven tegenover de dubbele wereld van het denken en van de ruimte, van het geestelijke en lichamelijke, van de gedachte en van de stof staat en in den mensch deze beide tot
52
eene geheimzinnige eenheid heeft saamgebonden. Vanuit de hoogte van dit stelsel overzien wij nu reeds den geheelen gang der ontwikkeling van de nieuwere wijsbegeerte, tot op den tegenwoordigen tijd. Eene taak blijkt hier gegeven en voor de eerste maal duidelijk gesteld te zijn, voor welke de geesten nog heden peinzend of zuchtend zich afmatten, namelijk de verhouding van die door Descartes met bijzondere duidelijkheid aangetoonde tegenstelling van zijn en denken, geesten stof na te sporen, zooals deze in den mensch, een soort van persoonlijke vereeniging vormend, zich openbaart. De zeer groote verdienste van dezen wijsgeer ligt hierin, dat hij het zelfbewustzijn, deze grond- en hoofd-daadzaak , dit eigenlijk raadsel des levens , tot punt van uitgang der wljsgeerige beschouwing genomen en met helder bewustzijn de wereld niet van buiten naar binnen, maar van binnen naar buiten heeft opgebouwd. Descab-tes klooft om zoo te zeggen de wereld in twee helften, in de geestelijke en stoffelijke, de denkende en de uitbreiding bezittende, eene daad, overeenkomende met die uit het verhaal van Mozes omtrent de schepping, toen de lucht van het water, het vluchtige van het vaste gescheiden werd. De wijze, waarop nu beide gedeelten in de ziel en lichaam verbindende verschijning des menschen voorkomen, is in het stelsel van Descaetes zeker eene nog al uiterlijk mechanische; hij gelooft in een bepaald punt der hersenen de woonplaats der ziel te hebben ontdekt. Hier ligt de taak der toekomst, een nog inniger vereeniging der beide bij Descartes zonder verband tegenover elkaar staande wereldbestanddeelen (zelfstandigheden) van het denken en de uitgebreidheid, van den geest en de stof te vinden. Deze taak neemt de edele Spinoza
53
met verheven zedelijken ernst op, wiens dood vóór 200 jaren op den 21stei Februari van het volgende jaar (1877) door oprichting van een gedenkteeken in Den Haag zal gevierd worden. De door hem aangebodene formule luidt aldus: de beide vijandelijke zelfstandigheden
— bij na zou men kunnen zeggen — broeders van Descartes, geest en stof, zijn één in eene hoogere derde oneindige wezenseenheid (zelfstandigheid), voor welke Spinoza ook den naam „Godquot; gebruikt, en dus wil zijn eisch verstaan worden, alle dingen zijn „in Godquot; — of zooals hij zich ook uitdrukt, sub specie aeternitatis, dat is onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen. De geniale gedachte van zijn wijsgeerig streven is deze, al het bestaande tot eene volkomene, onbeperkte, alomvattende (absolute) eenheid terug te brengen; maar hij brengt aan dezen zijn stijven, alle wereldsche verscheidenheid in zich samenvattenden God het zeer groote offer van den vrijen wil des menschen; de God van Spinoza is de wereldbeheerschende, alles omvattende God van Israël
— maar verstijfd en versteend. Het plan der werelden en de bestemming van alle wezens is hier zoo nauwkeurig uiteengewerkt, dat binnen dat plan het enkelvoudige niet tot zijn volle subjectieve recht schijnt te komen. Zoo werd een levensvol elkaar doordringen dier beide zelfstandigheden, der lichamelijke en der zielvormige, der stoffelijke en der ideale, van het bewuste en onbewuste, der vrije en der noodzakelijke levensuitingen nog niet gevonden. En hier nu loopen de geesten uiteen tot op onze dagen toe. Nadat de pogingen tot vereeniging van die beidefactoren der wereld tot geen volledig bevredigende uitkomst hadden geleid, bleef er, naar het scheen, slechts eene tweevoudige mogelijkheid, als men anders in het
54
algemeen een beginsel van eenheid, een enkelvoudigen laatsten grondslag der wereld wilde verkrijgen, namelijk: öf al het stoffelijke bestaan uit het ideale, öf omgekeerd, al het geestelijke bestaan uit de stof af te leiden en te verklaren. Beide wegen zijn gevolgd geworden. Wij zijn tot op onzen tijd genaderd. Van dit punt, waar wij op dezen oogenblik rondstarende staan, storten zich twee breede stroomen herwaarts, — tot in dit uur toe. Wij zullen hunnen loop moeten volgen. Wij staan thans als op eene geestelijke St. Gotthard\'s hoogte. Twee stroomen zagen wij daar even zóó dicht naast elkaar ontspringen, dat eene en dezelfde wolk aan beide voedsel kon geven. Zooals de Rhone en de Rijn, aldus gaan van hier realisme en idealisme verder en verder uiteen.
De voornaamste landen, welke de Rhóne-stroom van het realisme doorloopt, om dezen het eerst te volgen, heeten empirisme, sensualisme — materialisme-, de stroom wordt steeds breeder en ondieper, tot hij zich in een zandigen driehoek, in een verzamelplaats van ondiepe alledaagschheid veelarmig splitst. — Laten wij nu die drie namen meer van nabij bezien. De stamvader der nieuwere realistische en der zich hieraan aansluitende materialistische ontwikkeling is de Engelsch-man John Lockk, f 1704, een kleine afstammeling van den grooten voorvader Aristoteles. De tijd had behoefte aan duidelijkheid, nuchterheid, dorstte naar kennis. De raad van Descartes, met den twijfel te beginnen vond allerwegen bijval —; maar men ging verder, men vergunde hem niet slechts het eerste, maar ook het laatste woord en liet weldra in zijne zeeën iedere positieve waarheid verdrinken. De skeptische, dat is de twijfellustige en twijfelzuchtige richting, won overal aan
55
omvang. Had Descartes getwijfeld, om de waarheid te vinden, de volgende eeuw twijfelde om der wille van den twijfel zeiven. Overal werd het besluit genomen, het oude aan eene nieuwe onderzoeking te onderwerpen. In de statuten van de koninklijke maatschappij der wetenschappen, welke Karel de tweede in Engeland stichtte, werd met nadruk verklaard, dat haar doel en wezen was de uitbreiding van het natuurlijke weten in tegenoverstelling van het bovennatuurlijke. Deze is de geest van den nieuwen tijd. En deze had zijn goed recht, want men moest vóór alle dingen eenmaal hierover tot klaarheid komen, hoe ver dan toch dit zoogenaamd natuurlijk weten reikt, dat op uiterlijke ervaring, zin-tuigelijke waarneming, onderzoek en bewijs kan steunen. Met John Locke wordt nu deze wijsbegeerte, die van het common seme, van het algemeene menschenverstand, van het human unterstanding, van het gezonde wereldverstand op de wijsgeerige dagorde geplaatst. Had Descartes, zooals gij u herinnert, op dzgeestelijkeevwamp;ving van het denken gesteund, ging hij alzoo van binnen naar buiten, Locke en de zich bij hem aansluitende richting kiest den weg der van buiten komende kennis en ervaring, dat is empirie, van waar dit streven empirist mis wordt geheeten. Op godsdienstig gebied gaat deze wijze van wereld- en levensbeschouwing in het zoogenaamde De\'is-mus over, dat voor God nog de rol van een wereldschepper overlaat; het werelduurwerk is opgewonden en het gaat zijn geregelden gang, als een perpetuum mobile, welks kunstrijke ontwerper de nu in zekeren zin tot toestand van rust gebrachte God is. Gij herinnert u hierbij onwillekeurig den God van Aristoteles, die ook, nadat hij den eersten stoot aan de wereldbeweging had gegeven,
56
in verhevene eeuwige rusten in-zich-zel ven-verzonken-zijn het wentelen der werelden en de lotgevallen der stervelingen zonder in te grijpen gadeslaat.
Locke \'s stelsel is, om ons ten behoeve van het duidelijke overzicht steeds tot de vorige twee heldengestalten weder te bepalen, de volstrekte omkeering der Flatonische denkbeelden, en dat wel evenzeer naar den vorm als naar den inhoud. Het duistere, geheimvolle leven der Platonische ideeën maakt hier voor eene groote, bijna te groote duidelijkheid, de poëzie voor een nuch-teren alledaagsch proza plaats. — De beoordeeling der leer van de aangeboren, den mensehelijken geest als uitrusting meegegeven eeuwige ideeën, luidt bij Locke zeer eenvoudig: er bestaan geen aangeboren ideeën, ervaring is de eenige leermeesteres des mensehen; van buiten naar binnen gaat de eenige weg. De ziel van den mensch is eene tabula rasa, eene onbesehrevene tafel, een blad wit papier, waarop eerst de ervaring hare stellingen schrijft. Vandaar de stelling van Locke : alle kennis stamt af uit de indrukken, welke de zinnelijke dingen op den mensch maken. Dat is het standpunt der ervaring, welker uitspraak deze school aldus omschreef: nihil est in intellectu quod non fuerit in sensu, niets kan in den geest bestaan wat niet eerst in de zinnen bestond. Zoo vormen de vijf zinnen als \'t ware de altijd geopende valbrug, over welke kennis en waarheid in den burg des geestes binnentrekt, en van daar kan echter ook niets worden uitgevoerd, wat niet vroeger werd ingevoerd; — slechts de zinnelijke waarneming voert uit de buitenwereld den leeftocht aan, welken de ziel daarna moet trachten gestalte te geven, te verwerken en te waardeeren. Een aangeboren zijn van theoretische of practische
57
denkbeelden is nergens aan te nemen, — eene stelling, over welke een opvoeder de aanmerking maakte: de man moet nimmer kinderen ter opvoeding hebben gehad, anders zou hij weten, dat het beste — evenzeer als het slechtste, in den regel als uit de diepten der menschelijke natuur te voorschijn springt, en dat het menschelijke wezen veel meer van binnen naar buiten dan omgekeerd zich werkzaam en handelend betoont. Liet Looke den mensch toch nog de ziel — zij het dan ook slechts als onbeschreven blad, David Hüme scheurt dit blad, als van onwaarde geworden, geheel er uit; — is de mensch van Looke een boek met onbeschreven bladen, op welke het leven inhoud zoowel als titel schrijven moet, de mensch volgens Hume blijft in het algemeen levenslang zonder titelblad, dat eenheid aanwijst; — hij is en blijft een samenhang missende bladverzameling van op zichzelve staande en verstrooide waarnemingen. Het titelblad is zooveel als de ziel van een boek; het vormt de leidende grondgedachte, de eenheid van het geheel. De mensch volgens Hüme mist deze eenheid. Dat wat wij ik, ziel, zelfbewustzijn noemen —bestaat als geestelijke eenheid volstrekt niet in de werkelijkheid, maar is slechts de onafgebroken reeks van onmiddellijk op elkaar volgende indrukken en voorstellingen. Deze meening van Hüme zal u het best door het beeld van een stroom duidelijk worden. Wat wij onzen Donau noemen en door dezen naam als \'t ware tot een geheel samenvatten, is toch inderdaad geen wezen, dat van zichzelven als eenheid bewust is, maar slechts de onafgebroken golvenreeks of nog juister opeenvolging van druppels, die ons voorbijtrekt ; — juist zoo is nu volgens de wijsheid van David Hüme dat, wat wij ziel noemen, niet iets voor zich zelfstandig
58
bestaande, maar slechts de schuimend voortrollende golvenrij van waarnemingen, de iedere seconde druppelsgewijze onafgebroken opeenvolging van zinnelijke indrukken en gewaarwordingen. Dat voortdurend elkaar opvolgen van zulke waarnemingen en gewaarwordingen wekt echter in ons den waan, dat eene gesloten eenheid in ons bestaat, welke wij zelfstandige ziel noemen. Wanneer eenmaal de laatste golf van den blauwen Donau in de Zwarte Zee zich had gestort en de laatste druppel aan den Schilttl verdroogd ware, zoo zou er ja geen Donau meer zijn — en als de ruischende stroom der waarneming ons voorbijgegaan en de laatste druppel bloeds verdroogd ware, dat heet, als wij sterven — dan is het tevens met de zoogenaamde ziel gedaan. Het is dus slechts begoocheling, een droombeeld, als wij aan dat onafgebroken zich opvolgen van voorstellingen een geheel, iets wat eenheid is, ten grondslag leggen, iets, wat wij ik, zelf, ziel noemen. Ziel zou dus slechts, om zoo te spreken, een soort verzamel-naam zijn, een enkelvoudige naam voor tallooze op zich zelf staande dingen. In de laatste tijden heeft deze onbevredigend eenzijdige opvatting, die hier ons in wijsgeerig kleed te gemoet komt, namelijk op medisch-natuurwetenschappelijk gebied, hare herauten gevonden. Het is dus Hüme geheel uit de ziel gesproken, — maar wij vergeten, dat hij er naar eigen getuigenis geene heeft — alzoo geheel naar zijn zin en volstrekt niets nieuws, wanneer bijv. de menigmaal geciteerde geneesheer Littré „uit naam van duizenden\'\' zich onlangs dus uitliet: het woord „zielquot; drukt slechts de som der verrichtingen van hersenen en ruggemerg uit, het opmerken der uiterlijke voorwerpen, de som der behoeften en driften, welke tot onderhoud van den
59
individu en van de soort behooren, het vermogen dat de kracht der verbeelding, de spraak, de uiting te voorschijn roept, de krachten, welke het hooren, den wil en eindelijk de mogelijkheid vormen, het spierstelsel te laten spelen en van daar uitgaande op de buitenwereld te laten werken. Door den dood, die de verrichtingen der hersenen, van het ruggemerg en van het zenuwstelsel doet ophouden, wordt de ziel, of zooals het materialisme nauwkeuriger zich uitdrukt: „dat, wat men met dezen naam aanduidtquot; door de ontbinding des lichaams in niets omgezet. — Ten einde den samenhang van ons wijsgeerig overzicht met het eigenlijke doel onzer beschouwing, de materialistische wereldopvatting onzer dagen, duidelijk aan te toonen, stelden wij hier weder een woord van allerjongste dagteekening opzettelijk naast de wijsgeerige leer van Home; de eigenlijke critiek van dit naar onze meening in ieder opzicht onbevredigend en onhoudbaar standpunt blijft uitgesteld, tot wij ons tegenover de geheele aaneengesloten middenpartij van het nieuwste materialisme geplaatst zien.
Wij laten dus vooreerst nog de geheele vijandelijke legerschaar met hare geest-vernietiging dreigende bewijzen voor ons optrekken; maar één ding slechts wil ik, om mogelijke bezorgdheid te verdrijven, u reeds vooraf verraden: onze vijanden hebben menigmaal ernstigen strijd in hun eigen legerkamp. —
Het overbrengen van die geschetste denkbeelden uit het Engelsche vrijdenkerskamp op het gebied van het practische leven liet het in den grond toch ernstigere Engeland aan het lichtzinniger en tot handelen meer dan tot wijsgeerig beschouwen geneigde bloed van Frankrijk over.
60
Het standpunt van Locke en Hume is dus dat van het theoretische sensualisme, dat alle kennis slechts op zinnelijke waarneming gegrond wil hebben, en dat van het empirisme, hetwelk alleen van daadzaken der ervaring,op natuurlijke wijze beschouwd, maghooren. Helvetiüs, een geboren Parijzenaar, slaat nu de gevaarlijke brug van dit theoretisch sensualisme naar het practische leven heen. — Wat men tot op dien tijd bij voorkeur in de studeervertrekken en zalen der beschaafden als eene soort van hoogere geheimleer had verkondigd, wordt nu steeds luider op de markt van het openbare leven als goedsmakende, het gehemelte kittelende spijs der wijsheid aan de groote menigte te koop aangeboden.
Luchtig en oppervlakkig zooals het leven in zijne vaderstad, is het stelsel van Helvetiüs. Leerden zijne voorgangers in Engeland; al het weten wordt door de zinnelijke waarneming en gewaarwording bepaald, Hel-vetics ging aldus verder: niet alleen uw weten, maar ook geheel uw willen en doen wordt geleidelijk evenzoo te voorschijn geroepen en bepaald. Hij schreef een boek met den titel: „over den geest,quot; — waarin moest bewezen worden, dat er geen geest bestaat en althans zooveel bewezen wordt, dat de schrijver van dit artikel niet bovenmate veel voorhanden had. Overigens was, zooals niet zelden bij zulke wijsgeeren het geval is, het hart ten slotte toch nog beter dan het hoofd, het leven ingetogener dan stelsel en leer. Immers terwijl Helvetiüs als mensch jegens zijne onderhoorigen welwillend was, stelt zijne leer met de openhartigste onbezonnenheid het egoïsme, de zelfzucht, als eenigen hefboom van alle, ook der zoogenaamde geestelijke werkzaamheid, voor. — Zelfzucht doelt echter steeds op eigen zinnelijk welbe-
61
vinden, en zoo schaamt zich Helvetiüs niet, het onverholen uit te spreken, dat zinnelijke lust en zinnelijke smart het eenige drijfrad van elke handeling, eigenbaat het alleen vruchtbare beginsel der zedenleer, zoowel der bijzondere als der openbare, zijn kan, en dat de Staat hierom tot taak heeft, zijne wetten op zedelijk gebied door aankondiging van loon en straf, dat heet, door belofte van aangename of onaangename gewaarwording, te besehermen en te steunen. Zoo rijpte de vrucht van Engeland op Franschen bodem — en onder de handen der groote menigte snel genoeg — tot vuilnis. Wat Helvetiüs leeraarde, dat leefde zijn tijd; en zoo kon die Fransche hofdame gelijk hebben, die over dat werk de Vesprit het oordeel velde: dat daarin eigenlijk slechts het geheim der geheele wereld openlijk werd uitgesproken.
Het beeld van dien tijd is een troosteloos donker beeld. De leefwijze was van den grond af verdorven door den invloed en het eeuwenlange voorbeeld van het uitspattende hof — de Siaat was onder het koninklijke devies Vétat eest moi (de Staat ben ik zelf) tot teugelloos willekeurig despotisme, de uitsluitend heerschende katholieke Kerk met de aanmatiging van alleen in het bezit van alle heil te zijn, tot eene wraakzuchtige en gewelddadige priesterheerschappij verzonken, — „en zoo bleef, daar uit de geestelijke wereld gehalte en waarde waren verdwenen, slechts de natuur over als ruwe massa, waaraan de geest was ontnomen, als stof en dat wel voor den mensch als voorwerp van zinnelijke gewaarwording en begeerte.quot; —
En de Fransche omwenteling werd de zee, welke de schande van het practische materialisme schuimend op het strand wierp. Ten bewijze, hoe diep zelfs die standen
62
waren gezonken, voor welke toeh bovenal de aankweeking der ideale goederen des volks heilige plicht moest zijn, diene slechts dat enkele woord van verbaasde waardeering, dat eene Fransche hofdame van dien tijd tot haren Jezuïetischen biechtvader richtte: Vous êtes un honnête homme, quoique vous êtes un prêtre, „gij zijt een man van eer, ofschoon gij een priester zijtquot;. — Dit eene „ofschoonquot; zegt meer dan drie dikke banden geschiedenis der zeden! En hiertoe rekent gij nog die bekentenis, welke twee tientallen van jaren na den dood van Helvetiüs de aartsbisschop van Parijs, Gobel, met zijne geestelijkheid voor de balie der revolutionnaire conventie aflegde, dat geheel zijn leven een bedrog en innerlijke onwaarheid wasgeweest,dathij nu geen anderen godsdienst dan dien der vrijheid erkende. — Zou het toevallig zijn, dat die zeer droevige uitbarsting van het materialisme in de gedaante der gruweltooneelen van de omwenteling juist in het katholieke Frankrijk plaats had, terwijl in het protestantsche Engeland en Duitschland het bij op zichzelve staande stemmen bleef, die door den gezonden geest van het volk machteloos bleken? Wij zullen niet onrechtvaardig zijn, als wij zeggen, dat Frankrijk in die dolzinnige vervolging en daarop gevolgde verdrijving der Hugenoten zijne ideale elementen, den geest van den nieuwen tijd, heeft van zich gestooten, en zoo hield het na uitroeiing van het protestantisme, slechts de schaal, den vorm, de uiterlijke plechtigheid van den godsdienst over, — het stoffelijke zonder idealen inhoud; — en als de hol geworden vorm daarop uiteenbarstte — kwam er eene gruwelijke ontploffing. Ook in Duitschland braken oude vormen en banden — en veel werd als vorm weggeworpen, wat
63
nog meer bevatte; er bestond echter nog een goede, ideale kern in het volk, en zoo konden Engeland en Duitschland die ernstige ontknooping van het materialisme zonder zulke inwendige vernieling, zonder de vreeselijke aderlating van eene dergelijke omwenteling verduren. — De ridders van dezen strijd richtten hunne vuurwapenen tegen het geheele rijk der bestaande voorstellingen van het overgeleverde, gegevene, geheiligde. De schitterendste, geestigste en invloedrijkste woordvoeder van deze periode der verlichting, zooals men haar met groot gevoel van eigenwaarde noemde, is Voltaire, als \'t ware de flikkerende bliksem, die den donder der omwenteling vooraf-
ging-
Zoo men ooit een mensohelijken geest zijn spot met den godsdienst moet vergeven, is het juist dezen van de eene zijde even buitensporig versmaden als van den anderen kant oneindig boven de betamelijkheid verheven Voltaire. In trouwe, wat hij van godsdienst in zijne omgeving onder den naam van Christelijken godsdienst zag, was meer den bijtenden hoon dan de geloovige vereering waard en men doet dus dezen man zeker onrecht, als men hem, zooals hier en daar nog steeds geschiedt, kortweg maar tot de atheïsten, de godloochenaars van gewoon gehalte rekent. Zijn geest zag veel te scherp, om niet de oppervlakkigheid der godloochening te hebben bespeurd. En zoo staat hij in dit opzicht buiten kijf hoog boven de oppervlakkige materialisten van zijn tijd, wier atheïstische wijsheid hem steeds dwaasheid toescheen. Hij spreekt het met nadruk uit, dat namelijk het denkbeeld der gerechtigheid, van welke ten minste één straal ook in het menschenhart gevallen is, het bestaan van God eischt en, alhoewel hij van de zoogenaamde bewijzen
64
voor God niet veel wilde weten, noemt hij toch de godloochening eene minstens even groote dwaasheid, beide als eene sottise de deux parts (als eene dwaasheid van twee kanten). Maar dat beroemde opschrift boven de kapel te Fernay: Voltaire erexit Deo, dat is „Voltaire bouwde dit huis voor Godquot;, zoo het al mischien niet minder van zijne eigen zelfaanbidding dan van zijne godsvereering getuigt, bewijst toch door het reven elkander plaatsen van Voltaire en God althans zooveel, dat het bestaan van God hem even onomstootelijk zeker was als zijn eigen bestaan. Maar zijn menigmaal aangehaald woord: „Als er geen God was, dan moest men er een uitvindenquot;, mag wel beteekenen, dat eene wereldorde zonder de Godsgedachte ondenkbaar is, — eene andere echter in het bloed der sociale omwentelingen zal moeten ten gronde gaan. Zal dus de wereld bestaan ■en voortduren, zoo heeft men de Godsgedachte noodig. De Fransche omwenteling leverde de practische uitlegging van dit woord.
De bijtende en wufte spot van Voltaire gold niet in de eerste plaats de kern van den godsdienst zeiven, maar het huichelachtige masker van het katholieke priesterdom in zijnen tijd; niet den echt godsdienstigen aard, maar de diepe ontaarding wil hij geeselen; en niet de verheven ode van het Christendom wil hij hoonen, maar de afschuwelijke parodie, zooals zij bijv. in de schandelijke terechtstelling van den ongelukkigen protestant Jean Galas in Toulouse zich vertoonde; niet het oorspronkelijke beeld van den godsdienst maakt hij belachelijk, maar zijne karikatuur, zooals deze in het uiterlijke katholicisme der hoogste kringen van het toenmalige Frankrijk zich had geopenbaard.
65
De verderfelijke invloed van Voltaiee ligt echter hoofdzakelijk in de wijze, waarop hij tegen den bestaanden vorm van den godsdienst optreedt, in die gruwelijk wnfte wijze, waarmede hij de heiligdommen des volks aantast. En zoo oordeelde Johs. v. Müller zonder twijfel juist, toen hij de schade, door Voltaire veroorzaakt, hierin plaatste, dat hij den smaak voor wuftheden heeft verbreid, welke erger is dan iedere op zichzelve staande ondeugd, daar hij ontzenuwend op den geheelen mensch werkt en dus elke ondeugd kweekt en voedt.
Om het met eene recht scherpe tegenstelling aan te toonen, noem ik u een man, dien ik voorzeker slechts éénmaal in het gezelschap van Voltaire heb aangetroffen; — bij de preek van een Jezuïetenpater in Inns-brück — daar werden Voltaire en — Luther op ééne bank gezet. Daarenboven heeft de geschiedenis hen ook door eene zeldzame toevalligheid tot elkander doen naderen; Voltaire is den 20ten Februari geboren, dus op den begrafenisdag van Lüther. —
Denkt nu eens aan de wijze, waarop Lüther en de hervormers eenparig de misbruiken der mis, van den aflaat en der heiligen vereering aangrijpen; hoort men niet uit hunne woorden, ook daar waar zij van verontwaardiging gloeien, de diepgevoelde heilige smart, welke zij over zulk een verdraaien der eenvoudig schoone waarheid gevoelden? Uit ieder woord van Voltaire echter blaast de giftige adem van laaghartig welgevallen hierover, dat hij de afgeleefde heiligenbeelden van het altaar in het straatvuil werpen kan. En mocht ook al, zooals wij daar even gaarne toestemden, zijn spot ten eerste de karikatuur, de misvorming van den waren godsdienst gelden — het volk wist niet te ziften noch
66
te onderscheiden; voor de groote menigte valt maar al te gemakkelijk de spot over het bonte opgeschikte kleed der madonna met den spot over de zich hier uitende goddelijke idee zelve samen; de groote menigte verstaat het zoo zelden, vorm en inhoud, schijn en zijn, mantel en hart te scheiden, en hoewel ook Voltaire allereerst slechts den mantel wilde afrukken, gold ook hier wat de oude Berrina roept, als hij Doria het purper van de schouders trekt: stort de mantel neer, de hertog valt mee! — Dat Voltaire over hetgeen zijn tijd hem onder den titel van godsdienst en Christendom wist aan te bieden, het verwoestend ontleedwater van zijn spot uitgoot, zou hem als verdienste moeten toegerekend worden, als hij daarvoor iets anders positiefs had kunnen geven. Van den geestenzang in den Faust:
„Wee — wee, gij hebt haar verwoest, de schoone wereld! — Bouw haar schooner weêr op!quot; —
geldt hem slechts het klagend wee —; de schoone bede echter liet hij onvervuld. Met innerlijk welbehagen en ijdel leedvermaak wierp hij, als door een geest van Nero bezield, de brandfakkel van zijn zwavelgeel vernuft in het verdorde bosch van hetgeen heilig was en geloofd werd in Staat en Kerk; het flikkert op en\'brandt, en wat er van overblijft, is eene moerassige veenlaag, waarin duizenden verzonken; — maar eene nieuwe groene aanplanting, een frisch woud van verheffende gedachten, waarnaar de harten verlangen, zijn zijne schriften buiten staat te geven. Trouwens wij moeten zeggen, hij heeft volstrekt niets nieuws willen geven, ja wat meer is, hij rekent zich juist dit als verdienste toe, en antwoordde aan hen, die zooals wij een nieuwen opbouw en eene godsdienstige tegengift verlangen, op eene krachtdadig
67
verstaanbare wijze: wij ontrukken u aan de tanden van een ondier en gij vraagt, wat wij u daarvoor geven! — Zelfs wanneer het katholieke kerkgenootschap van zijn tijd zich zulk een beeld moest laten welgevallen, zou er toch nog een antwoord mogelijk zijn, want de alzoo gered zijnde zal, zoodra hij maar eenigszins van den schrik zal bekomen zijn, de vraag doen, dat men toch, nadat men hem aan het gevaar van „opgevreten te wordenquot; heeft ontrukt, hem nu ook van het andere niet minder groote gevaar van den hongerdood redden moge en hem nu voor zijn deel iets .,te eten gevenquot;. Voltaiee heeft echter geene bete broods voor zijn „gereddequot; volk.
Zijne gedachten, kwinkslagen en snedige gezegden vonden honderdvoudige echo in die zoogenaamde wijs-geerige encyclopédie, als welker ij dele vaders Diderot en D\'Alembert genoegzaam bekend zijn. De leden van dien kring koesterden zich in de schrille verlichting, zooals deze nog door de zich meer en meer saampakkende wolkenmassa\'s brak, welke weinige jaren na Diderot\'s dood ver rondom schrikverspreidend zich zouden ontladen. —
De gedachtenkring, waarin de encyclopédie, de trots van het toenmalige Frankrijk, zich bewoog, was de reeds aangeduide: een staat zonder vaste regeering fdus regeeringloosheid), eene vrijheid zonder strenge zedenleer (dus schaamteloosheid), eene natuur zonder God (dus oorspronkelijk slijk.) — Maar zij wisten zulke gedachten en beschouwingen met groene takken van aanlokkend maaksel, met glinsterende bloemen van sierlijke taal zóó uiterst handig te bedekken, dat van den gapenden afgrond des verderfs, die zich daaronder verborg, het door verrukking bedrogene oog van de kortzichtige eeuw nau-
68
welijks ieis bespeurde. Elke ingetogenheid overbodig achtend, trad Diderot\'s tijdgenoot, de arts De la Mettrie met waarlijk mephistopheles-achtige naaktheid op. De aard zijner wijsbegeerte schijnt gekenmerkt door den titel van zijn werk: „Uhomme machinequot; de mensch is een werktuig. — Het leven is volgens dit werk een bijzondere en dat wel de meest ingewikkelde soort van bewerktuiging; de ook buiten deze bewerktuiging voorhanden krachten doen zich hier slechts in bijzonder gelukkige (of ongelukkige) verbinding voor. Het onderscheid der menschen-bewerktuiging van andere, die eenvoudiger zijn ineengezet, zou slechts een gradueel, niet soortelijk verschil zijn, bijv. zooals het beroemde sterrenkundige uurwerk in den Straatsburger dom, dat dagen, datum, maansverwisselingen, jaargetijden, feesten, sterrenbeelden en zelfs den schrikkeldag op het juiste tijdperk aankondigt en daarbij slechts éénmaal in het jaar behoeft te worden opgewonden, zich van een eenvoudig uurwerk eener dorpskerk onderscheidt, dat alle middagen opgewonden en zoo goed mogelijk geregeld moet worden. — Evenals de stoommachine — aldus vervolgden Büchser en Straüsz het beeld van De la Mettrie — beweging voortbrengt, zoo doet de ingewikkelde organische verbinding van met kracht begiftigde stoffen in het dierlijke lichaam eene slotsom van zekere uitwerkselen ontstaan, die, tot eene eenheid verbonden, door ons geest, ziel, gedachte wordt geheeten. Duurzaam geluk gelooft De la Mettrie eerst aan de wereld te durven voorspellen, wanneer het door hem zoo levendig geprezene atheïsme de alleenheerschappij verkrijgt, en God en geest als datgene, wat zij zijn, erkend, juister ontmaskerd zullen zijn, een ijdele droom, ja een verderfelijke waan. Hierin genaakt
69
De la Metteie weder bijna woordelijk onzen tijdgenoot Büchner, die in zijne jongste uitspraak, dein verscheidene Duitsche en Amerikaansche steden gehouden voordracht over het geloof aan God, uit het verdwijnen van het Godsbegrip ook het verdwijnen der hoofdkwalen van de menschenmaatschappij verwacht. Andermaal ten bewijze, dat het materialisme met de onbeschaamdheid zijner godloochening niet nieuw is, maar met al zijne schijngronden en holle redevoeringen, die geen bewijs van kracht bezitten, onder het woord van Ben Akiba: „Alles bestond reeds,quot; geplaatst kan worden.
Wanneer de mensch, zegt De la Mettrie (en onze tijd spreekt het hem gaarne na), eene voorkeur boven het dier heeft, dat hem overigens in vele dingen overtreft, bijv. in scherpere zintuigelijke waarneming, dan is het zijn fijner bewerktuigd hersenstel. Lichamelijk genot is dus het hoogste, of beter eenige doel des menschen en voor de vraag naar de onsterfelijkheid blijft hier slechts een hoonend lachen tot antwoord; met den dood heet het: la farce est jouée, het gordijn valt, de grap is uit. De mensch van De la Mettrie heeft eigenlijk, zooals men spottend zeide, slechts dit op het dier voor, dat hij een grootere schelm is. — Wat hier theorie, meer dan grijze theorie was, dat verkrijgt kleur — maar eene donkere, en leven, maar een onbehaaglijk leven, als wij er aan denken, hoe weinige jaren later de scharen der offers van de guillotine menigmaal zingend en drinkend, dichtend en schertsend, gedurende den nacht vóór den morgen des doods als het ware de slotakte van hun levensblijspel ten einde speelden. —
Als bijna eenig antwoord op De la Mettrie\'s „Uhomme machinequot; verscheen Lozac\'s welmeenend geschrift:
70
„L\'hornme phis que machinequot;, maar zijne zwakke stem stierf weg als het klagen van een meisje onder het suizen van het eikenwoud der opgewekte hartstochten van die dagen. Tot welk een graad in dien tijd van materialistische tirannenheerschappij de gezonde zinnen der mensch-heidbeneveld waren, bewijst de daadzaak, datRoussEAü, — die als gloeiende idealist van het zuiverste water later en dat wel in beter gezelschap ons zal ontmoeten — die een verheven geloof bewaarde in een ongeloovigen tijd, juist door dien tijd als een afvallige en ongeloovige veroordeeld en verbannen kon worden! — Vergeefsch was zijn kreet ter waarschuwing, want gestadig en onredbaar dreef de boot naar de draaikolk heen. —
Als De la Mettrie onder lichtzinnig afstand doen van den wetenschappelijken samenhang eens stelsels zijne onbewezene gedachten als valsche goudstukken met boosaardigen lach onder het volk werpt, zamelt het niet lang daarna naamloos verschijnende werk „Système de la naturequot; deze goudstukken met grootere bedachtzaamheid op, smelt ze om en giet er een gouden kalf uit, dat inderdaad aan bezielde vereerders en ronddan-sers geen gebrek heeft gehad. Iets nieuws is volgens de reeds ontwikkelde gedachten in het boek niet te vinden, behalve éen eenig, tamelijk oorspronkelijk beeld, dat voor den maker noodlottig moest worden. Er wordt daar beweerd, dat slechts het stoffelijke werkelijk bestaat en het zoogenaamd geestelijke juist ook slechts iets stoffelijks is, hoewel dan het fijnste, de bloesem der stof om zoo te zeggen. En dit wordt algemeen verstaanbaar met het beeld van het bier aangetoond. Evenals, zoo stoffeert de schrijver, het luchtig opstijgende, bovenop zwevende schuim van het bier op zichzelf beschouwd geen zelf-
71
standig bestaan heeft, maar slechts het fijnste stoffelijke van het bier, eene werking van de zwaardere stof is, evenzoo zou ook de ziel slechts het uit de andere, zwaardere stofmassa des lichaams zich vormende fijnste stoffelijke zijn; zooals het schuim een uitwerksel, als \'t ware de bloesem van de zware stof is, zoo is de ziel ook slechts de op de lichamelijke gistmassa staande bloesem van het denken-, evenals met het bier het schuim verdwijnt, evenzoo moet met de ontbinding des lichaams de ziel verdwijnen, verschuimen en verdampen. Met dit bepaald krachtig en tastbaar, ofschoon iets te dorstig beeld, had de tot op dat tijdstip in het masker van een valschen naam gehulde schrijver zich verraden. „Het beeld van het bier kan alleen uit eene Duitsche verbeelding zijn ontsproten,quot; zeiden de schertsende tijdgenooten, en toch waren het tevens de gedachten der encyclopédie, die uit dit bierglas naar buiten schuimden — en zoo wezen aller vingers op het eenige Duitsche medelid van dien kring, den baron De Holbach, den meest verduitschten Fransch-man en meest verfranschten Duitscher, zooals men spottend deze karikatuur aanduidde. Met Duitsche grondigheid dringt de schrijver ook in de vraag naar de Godsgedachte door, om dezelve met Fransdie oppervlakkigheid uit lijden, vrees en onwetendheid der menschen te verklaren. Ook hierbij is weder de aanraking met Feuerbach , Büchner , Straüsz gegeven; het nieuwere materialisme is niet in staat geweest ééne nieuwe gedachte te ontdekken. — Ook eene lofrede op het dierenrijk mocht niet ontbreken. Vrijwillig werd hieraan geschonken, wat men den mensch ontzeide. — ,:Het is de grootste der dwaasheden, aan de dieren de verstandelijke vermogens te ontzeggen; zij denken, zij oordeelen en vergelijken, zij kiezen en
72
overleggen, zij hebben geheugen, zij toonen liefde en haat, en hunne zintuigen zijn dikwijls fijner dan de onze.quot; — Eigenlijk ontbreekt hieraan slechts het sloteffect: „Jammer dat wij menschen met grove zintuigen werden!quot; — Wij sluiten onze wijsgeerige oriënteering- en inspectiereis. Wij hebben gezien, hoe de afleiding der ideëele wereld uit de stoffelijke ten slotte met de volledige loochening van den geestelijken factor in het algemeen eindigde. Versmaad, als een uit het vaderland verbannene zweeft het ideaal door de ruimte, door de nuchtere of juister wellicht zeer stof-dronken tijdgenooten bespot en verlaten — en de hieruit voortvloeiende wijsbegeerte des levens, als het geen beleediging van het woord wijsbegeerte is het hiervoor te gebruiken, kan slechts die zijn, welke de wufte dichter van het lichtzinnigste volk, Calderon, in deze verzen uitte:
Wat is het leven? Ledig schuimI Bedrieg\'lijk beeld, een schaduw-kruim.
Zeer weinig kan \'t geluk ons geven!
Want slechts een droom is dit ons leven En zelfs de droomen zijn een droom! —
(Het leven een droom. III, 10.)
Met het verlangen, uit de schemerachtige droom-weefsels van zulk eene levensbeschouwing tot helderder morgenlicht van schoonere kennis ons te verheffen, — „de borst vol weemoed, het hoofd vol twijfelquot; langs zulk een „werktuiglijkequot; wijze het raadsel des levens te willen oplossen; met het brandende verlangen, dat, waar de sterren hier boven het ons verzwijgen, de sterren in eigen borst ons vriendelijker antwoord mogen toewenken —; laat ons met zulk een hoop en vertrouwen voor heden uit elkaar gaan en zoo mogelijk — de volgende maal terugkeeren!
II.
Hebben wij bij onzen eersten gemeenschappelijken gang den blik vragend naar boven tot wolken en sterren gericht, of uit hun lichten bet licht, uit hunne beeldvormingen het oorspronkelijke beeld der waarheid zich aan ons wilde openbaren, zoo moet ik u heden nu eens verzoeken, als tot vereffening — eenigszins in de diepten af te dalen en het uitsluitend met hen te houden, die het dieplood van hun weten in de zee der verschijnselen lieten zinken, om van daar het geheim des levens bekend te maken en bevredigend antwoord op de vraag aller vragen ons te komen brengen. Hadden wij toen vleugels noodig, om den „goddelijken Platoquot;, wiens bijnaam wij leerden verstaan, op zijne wonderbare paden door wenkende morgenwolken, verguld door den adem van eeuwige waarheid, te kunnen begeleiden, zoo moogt gij heden die vleugels, als gij ze weder gereed hieldt, getroost ter zijde leggen en veeleer schop en spade rustig ter hand nemen, om met de op zulke wijze te doorzoeken grovere stof tevreden te zijn en als u dit niet voldoende is, zelfs tot in de diepten van den zoogenaamden Batht-biüs, dat is van de oorspronkelijke slijm of van het oorspronkelijke slijk af te dalen, waarin HuxLEy en anderen met en na hem — de kiemen van al wat leeft en denkt meenden te hebben gevonden. Mocht op dien eersten avond, toen wij ons menigmaal op wolken-wieken lieten dragen, het een of ander gemoed door een gevoel bekropen zijn geworden, verwant aan dat, wat bijv. den zoon der vaste aarde op den bovensten omgang van
74
St. Stephanus gaarne aangrijpt, zoo waag ik het heden tegen het geheel tegenovergestelde gevoel geene verzekering over te nemen, ik meen dat gevoel, wat men gelegenheid heeft in bergwerkschachten waar te nemen, als een vreesachtig gemoed, door de bedompte lucht gedrukt, met siddering het instorten van den berg vreest. Was daarboven bij Plato of Descartes, in de streek van het: ..cogito ergo sum, (ik denk, dus besta ik)quot; wellicht menigeen de lucht te geestachtig ijl, zoo kon zij bij onzen bedendaagschen tocht naar de diepte, op welken wij trouwens ook reeds de laatste maal werden voorbereid, voor menige aan frisscher ademhalen gewone borst licht te zwaar en te dik worden; toch worde aan alle helden en heldinnen, die besloten hebben dien negatieven bergtocht met ons te ondernemen, vooraf het troostende uitzicht geopend, dat wij van onzen hedendaagschen naturalistisch-materialistisch-pessimisti-schen tocht naar heneden zeker eenmaal tot het gulden licht van schoonere gedachten veilig zullen terugkeeren. Daarom vooraf een „goede reisquot;! —
En om u nu terstond in de juiste stemming te brengen, wil ik u tot getuigen van een onder de aardoppervlakte afgeluisterd gesprek maken, dat gevoerd werdtusschen een van die kleine aardgeesten of kaboutermannetjes, zooals onze verbeelding in luwe zomernachten ze uit bloesemkelken ziet opstijgen — en tusschen ( — schrikt niet — ) een verdrietigen mol.
De kleine aardgeest maakte zich juist gereed in het vroege morgenuur uit de diepte naar zijne lievelingen de bloemen opwaarts te wandelen, toen het toeval wilde, dat hij buurman mol ontmoet, die ook reeds vroeg op was en juist aan een frisschen saprijken wortel ijverig
75
aan het werk was, hetzij om dezen op te knabbelen, — waarvan men hem vroeger verdacht, hetzij dat hij dien maar uit den weg wilde werken, omdat hij zijn onder-aardschen nieuwen bouw in den weg stond. „Wat doet gij daar toch, vriend mol?quot; riep het kleine kaboutermannetje, „dat is toch recht jammer; op dezen wortel staat een geheele krans van wonderschoone bloemen vol geur en pracht; rozen heeteu zij, en de menschen zijn iederen morgen zeer verrukt daarover, als weder nieuwe bloemen zich geopend hebben.quot; „Bloemen, rozen vol geur? — gij zonderlinge dweper, naar ge mij toeschijnt,quot; antwoordde de mol; „deze vette, dikke houtwortel hier — en fijne bloemen, dat zou ik wel eerst moeten zien, eer ik dit geloof.quot; — ..Welnu, wroet maar eens naar boven, twijfelaar!quot; antwoordde het kaboutermannetje half schertsend, half boos — „en overtuig u zelf!quot; En waarlijk, nauwelijks was deze heengegaan, of de nauwgezette mol boorde naar boven, — maar op het oogcnblik, toen hij de laatste kluit aarde had op zijde geworpen, daar schitterde en stak hem de zon zóózeer in zijn lichtschuw oog, dat hij toch ook in het geheel niets zien kon en hij hoorde daarop eene heldere stem roepen: „Gauw,
zie dit hier eensquot;--daar had hij zich weder naar
beneden geboord en hoorde en zag niets meer van datgene, wat boven plaats had; en in verbeten woede arbeidde hij aan zijn rozenwortel — want deze was het inderdaad — onverdroten verder. „Wel, hebt gij u overtuigd?quot; vroeg de vriendelijke aardgeest na zijne volgende morgenwandeling, „de menschen zijn werkelijk zeer bedroefd, omdat de schoone bloemen ziek gaan worden en verwelken.quot; — „Och, laat mij in rust met uwe rozenphantasieën, ik heb niets daarvan bespeurd, wie weet, wat gij hebt
76
gedroomd, — ik houd mij hier aan dezen wortel, dat is duidelijk en zeker — zijn bestaan is bewezen — of daar boven nog iets er aan hangt, dat schijnt mij zeer twijfelachtig; in elk geval is mij een vette regenworm tot ontbijt hier beneden oneindig liever dan de geheele kraam van uwe fabelverhalen over bloemen, die aan dezen ouden wortel zouden hangen! — Laat mij voortaan met rust, snapper\\quot; —
Komt mijn wijsgeerige mol met zijne twijfeling ulieden niet recht bekend voor? Waren er en zijn er toch niet zulke vreemdsoortige geesten genoeg, die het voor volstrekt onmogelijk willen houden, dat de wortels van dit stoffelijke leven niet enkel hiervoor bestaan, dat wij daaraan knabbelen, maar veeleer hierom, dat op dezelve de gedachten aan eene meer geestelijke wereld, de volle rozen eener hoogere waarheid bloeien! Zijn er niet heel wat zulke uilen, die, omdat nu toch het lichtschuwe aardsche oog verblind wordt en zich moet sluiten, zoodra het zich naar boven wil keeren, hierom eene hoogere lichtwereld vol centifoliën (honderdbladige bloemen) van goddelijke waarheden steeds beslist blijven loochenen? — Voeren niet juist diegenen nu het hoogste woord, die met waarlijk molachtige behendigheid en — zooals gaarne zal worden toegegeven — ook bekwaamheid — den bodem der daadzaken, de stof, in welke toch de rozen van hoogere gedachten hare wortels hebben, weten te doorzoeken en na te vorschen, om niet haast te zeggen, te doorwroeten, — maar in en met dezen arbeid zoozeer ingenomen en bevredigd zijn, dat zij de boodschap, dat boven deze aard- en wortelwereld, in welke wij stoffelijke wezens thans rondtasten, nog eene andere geestelijke bloeit, en dat wel zooveel schoonere als eene frissche
77
roode roos schooner is dan de met zwarte aarde omgeven wortel daaronder; — die, zeg ik, gene boodschap als ijdele dweperij bespotten, als dwalende onbewezene en zelfs onbewijsbare bewering hoonend afwijzen en de overbrengers derzelve als bluffers of ten minste droomende dwepers uitlachen, terwijl zij alleen, als de uitverkoren leerlingen van de exacte wetenschap niet al te bescheiden zichzelve roemende en lovende, van alle zijden wenschen erkend en verheven te zijn. In minder dan één uur zult gij, hooggeëerde aanwezigen, niet meer vragen, waarom wij alzoo aanvingen.
quot;Wij waren de vorige maal tot den drempel van den nieuwen tijd genaderd, niet zonder menig in- en overzien. Boven zijne geopende poort lezen wij het trotsche woord: „Ophelderingquot;. — „Weg met verouderde voorstellingen, afgeleefde vooroordeelen, onhoudbare leerstukken in staat, huisgezin en kerk,quot; zoo ongeveer luidde de leuze dier encyclopédie van Diderot en D\'Alembeet, welke men als het morgenrood van een nieuwen, sehooneren tijd hoogdravend begroette; iets dergelijks stond ook op het uithangbord van de ongeveer even oude ..algemeene Duitsche bibliotheekquot; van Nicolai geschreven, welke in Berlijn het levenslicht aanschouwde. — Beide, encyclopédie en Duitsche bibliotheek, danken haar bestaan aan het realistische karakter der eeuw, voor welke het onbegrijpelijke iets niet bestaande, het onzichtbare iets onzekers was; toch was de Duitsche zuster voorzichtiger en in plaats van de wufte geestigheid, die gene kenmerkte, trad hier over het algemeen meer ploertachtig beperkte goedhartigheid in den spot; gindsche bijtende Voltairi-aansche geestigheid drong echter dieper in de volkslagen door dan het meer oppervlakkige redeneeren hier. En
78
ook dit moet ter eere van den Duitschen naam gezegd worden, dat gindsche ideeën op Duitschen bodem nooit zulk eene uitsluitende waardeering hebben verkregen, en dat het Duitsche volk nimmer gebrek had aan geestige saul-gedaanten, die boven de groote menigte der middelmatige uitleggers meer dan een hoofdlengte uitstaken en gindschen spot met cijns op cijns wisten terug te betalen.
De taak, welke de Duitsche bibliotheek met hare talrijke handlangers in een onafgebroken reeks van schriften en verhandelingen, kritieken en opstellen zich had voorgespiegeld, was eigenlijk dezelfde als die der Fransche encyclopédie , namelijk over alle voorwerpen van het natuurlijke en alle verschijnselen van het geestelijke leven in populairen, algemeen verstaanbaren trant te redetwisten, dikwijls ook maar voordrachten te houden of zelfs te vermaken en te redekavelen, al het duistere, onbegrijpelijke, geheimzinnige op te helderen, al het goddelijke zooveel mogelijk menschelijk te maken, al het diepzinnige zoover doenlijk oppervlakkig te maken en de geniale gekruide spijzen der groote denkers, om met Jean Padl te spreken, tot watersoepen en kinderbrij te verdunnen. Het is de maat van het gemiddelde verstand der groote menigte, van het populus (vandaar populair-wijsgeeren geheeten die zoo spraken), de middelmaat van het algemeene volksverstand, welke hier op de wereld der verschijnselen en der gedachten werd toegepast; alles in natuur, wijsbegeerte en godsdienst moest tastbaar worden en te grijpen zijn; de hoogste beoordoelaar van alle kennis der waarheid moest voortaan het zoogenaamde gezonde menschenverstand zijn, dat slechts naar oogen-schijnlijkheid oordeelen en naar gronden van nuttigheid
79
beslissen kon. Aan zijne uitspraak moest staat, wetenschap, godsdienst, opvoeding zich onderwerpen; zijn vonnis moesten bovenal die geesten zich laten welgevallen, die het grootste vergrijp in dien tijd pleegden: „boven den troep uit te stekenquot;; zij konden zeker zijn, door het kettergerecht der „verstandigequot; lieden als ..wijsgeerige dwarskoppenquot; veroordeeld te worden. Zoo is het bijv. zekeren Immanüel Kant gegaan. Hoeveel ongezonds dit „gezondequot; menschenverstand alzoo voor den dag kon brengen, hiervan slechts één voorbeeld. Bij het streven naar duidelijk, nuttig spreken, werd van de kansels feestelijk op den Kerstnachtmorgen — zooals bet in vollen ernst is gebeurd, over het nut der stalvoedering en van het boschstroo, op den Paaschmorgen echter over het nut van vroeg opstaan gepre dik t. Wel nu, wij verwachten dat niemand zich toen over gebrek aan duidelijkheid zal hebben beklaagd. Tot eer van dezen bij zijne helderheid niet zelden hoogst verwarden, met zijne opheldering in vele opzichten schemerachtigen, en in zijn verstandstrots menigmaal zeer onnoozelen tijd, moet toch een tweeledig iets worden te berde gebracht: ten eerste, dat er voorzeker een menigte dingen en aanschouwingen waren, die niet beter dan den spot van het gezonde markt verstand verdienden, en verder, dat er in Duitsche landen steeds eene keurbende van verheven geesten was, die gindsche opgeblazen oppervlakkigheid in het uitwijzen bitter beklaagden en niet zelden nog bitterder veroordeelden; ik herinner u aan de nieuwjaarsgiften-wraak van onze tot dit werk verbonden dichterhelden, aan de klachten van den diep-zinnigeren godgeleerde Ammox, die „voor dragonders in het ophelderen niet minder dan voor duisterlingenquot; hoopt bewaard te worden, of eindelijk aan den beklagens-
80
waardigen toestand, in welken de veelgevierde leeuw van dezen tijd, juist die Nicolai, de uitgever der Daitsche bibliotheek, in den klassieken Walburgisnacht van het tweede deel van den Goethe\'schen Faüst tot zijn straf schijnt geraakt te zijn, waar hij in het oogenblik beloerd wordt, toen hij zieh juist in een modderpoel wilde zetten, opdat bloedzuigers hem met zijn bloed tevens het overschot van zijn geest mochten aftappen! — De geest der opheldering, welken Goethe hier evenals op andere plaatsen wil geeselen om zijne oppervlakkigheid, was over het algemeen de geest van het realisme, dat de dingen in hunne zich vertoonende werkelijkheid wenschte te nemen, die van de ervaring, welke de daadzaken der uiterlijke waarneming alleen wilde laten gelden, de geest der nuchterheid, welke den zoogenaamden natuurlijken samenhang der dingen onderzocht en de zinnelijke waarneming tot eenigen maatstaf der waarheid verhief — en was dus dikwerf genoeg niet al te ver van onzen mol verwijderd, in wiens kringen van ontwikkeling het duidelijk heette, als men sprak: ik heb nog aan geen roos geroken — dus bestaat er ook geene! —
Wat gij niet tasten kuut, staat van u mijlen ver;
Wat gij niet vatten kunt, ontglipt u altegaar;
Wat niet uw reek\'ning was, gelooft gij, is niet waar;
Wat gij niet wegen kunt, heeft voor u geen gewicht;
Wat gij niet slemp\'len wilt, dat, meent gij, geldt niet licht!
Zoo was de geest des tijds. In onze eeuw wierp deze zieh, en dat wel van het ééne tiental jaren tot het andere steeds ijveriger tot op heden, op het gebied, dat den rijksten buit beloofde, het gebied van het natuuronderzoek, en werd hier tot naturalisme en later een verdediger van het materialisme en eindelijk in zijne practische
81
gevolgtrekkingen voor de levensbeschouwing tot pessimisme. Deze drie tijdperken of trappen van ontwikkeling van het realisme moeten wij nauwkeuriger nagaan. —
Welk een antwoord geeft ons nu het naturalisme op onze vraag naar oorsprong en wezen des levens? — Het wijst ons terstond van dezen zandkorrel, aarde ge-heeten, verder naar buiten. De opvatting omtrent het middelpunt der wereld en des levens is tot heden driemaal in de geschiedenis van denkende wezens hierbeneden veranderd. Het oude geloof hield deze aarde voor het middelpunt der geheele schepping en alle gesternten, in niet al te bescheiden opvatting, voor hare dienende trawanten; Copernicus zette de zon in hare plaats en de aarde werd van haren heerschenden rang tot de vierde of vijfde hofrangorde in het koninkrijk der lichtwerelden teruggezet; het nieuwste natuuronderzoek eindelijk heeft ook de zon weder van hare bevoorrechte plaats moeten verdringen en haar van de wereldkoningin tot eene vasal- of onderkoningin van ons stelsel verlaagd en de post van eene centraalzon is thans onbezet of „aufgelasseriquot;, zooals men in Oostenrijk zegt. — De geniale MaoLER gaf de pleiadengroep als het middelpunt van ons stelsel der vaste sterren aan, waarbinnen het geheim van ons ademen en denken in ieder geval moet besloten liggen. Of er ook op andere wereldlichamen denkende, voelende, willende schepselen worden gevonden, die zich met ons aan ééne zon verwarmen, deze vraag kan het voorzichtige onderzoek slechts met een „waarschijnlijkquot; of „mogelijkerwijzequot; beantwoorden; die veronderstelde wezens zouden volgens de daar voorhanden organische levensvoorwaarden ons meer of minder nabijkomen; de bewoners van Mars en Venus zouden het
82
meest naby ons moeten staan. Omdat hierover noch wetenschappelijk onderzoek noch godsdienstig geloof iets bepaald zekers aanbiedt, zoo zijn wij met de levensvraag tot onze planeet beperkt en wat wij dus ten eerste wenschen te weten, is dit: hoe kwam het leven, het organische, voelende, denkende leven op deze aarde? — Als wij hierop een ten volle bevredigend antwoord hadden, zou het volgende besluit niet te vermetel zijn; op dezelfde wijze moet het leven van andere hemellichamen zich ontplooid en gevormd hebben. — Op onze vraag nu antwoordde William Thomson als voorzitter der groote Britsche natuuronderzoekers-vergadering in Edin-burg 1871 het volgende: Zoolang de aarde een roodgloeiende kogel was, kwam er op haar geen levend wezen voor. Van waar zijn deze gekomen? Men behoeft geen scheppend ingrijpen aan te nemen, zoolang een natuurlijke, waarschijnlijke oplossing te vinden is. Een nieuw uit de zee opgedoken eiland brengt na eenigen tijd planten en dieren voort. Van waar komen zij ? De kiemen ontstaan uit de lucht. Het is waarschijnlijk, dat de aanvang van het organische leven op de aarde op dergelijke wijze kan verklaard worden. — Elk jaar vallen millioenen stukken vaste zelfstandigheid op de aarde, die brokstukken van andere wereldlichamen zijn, welke naar buiten in de wereldruimte werden weggeslingerd. Wanneer onze aarde ten tijde dat zij levende planten en dieren draagt, eene botsing met andere wereldlichamen of eene ontploffing beleefde, dan zouden ontwijfelbaar zadeu, kiemen en levende schepselen door het wereldruim worden verstrooid. Om dus langs geheel natuurlijken weg onze aarde van leven te voorzien, zou een begroeid brokstuk uit de puinhoopen van een ander wereldlichaam
83
ten volle toereikend zijn. Volgens de leer der aaneenschakeling, dat wil zeggen, der onafgebroken reeks van ontwikkelingen, zooals zij door Darwin, en na en met hem door Grove, Haeckel werd gegeven, zon zich hieruit alleen het samenstel van alle latere organismen hebben kunnen ontwikkelen. — Tot zoo ver Thomson. — Wij allen zouden dus zoo geheel eigenaardig volgens deze leer uit den hemel, of althans van den hemel zijn gevallen! — Dat derhalve onze vraag niet beantwoord, maar slechts als een civiel proces van ingewikkelden aard wordt uitgesteld, is zeer duidelijk, en wij vragen terstond: hoe kwam toch dat organische leren op dat ontplofte wereldlichaam, van waar de aarde het ontleent, of hoe kwamen die levenskiemen in de lucht? Antwoord: de wereld is eeuwig, slechts de vorm der dingen is veranderlijk. De wereld is nimmer begonnen en zal nooit eindigen, verzekert men ons. Al wat is, bestaat van eeuwigheid aan en zal voortbestaan in alle eeuwigheid, zij het dan ook in steeds andere, steeds wisselende gedaanten. De natuurwetenschap, zoo verklaart Haeckel in zijne jongste geschiedenis der schepping, houdt de stof voor eeuwig en onvergankelijk, omdat door de ervaring nog nimmer het ontstaan en vergaan ook zelfs van het kleinste stofdeeltje is bewezen geworden. —
Dat binnen deze wereldbeschouwing nog slechts van een „zoogenaamden persoonlijken Godquot;, zooals Haeckel zich met voorliefde uitdrukt, sprake kan zijn, ligt voor de hand. Welke vergoeding verkrijgen wij dan hier, om steeds de som te doen uitkomen, voor den verloren God? Het leerstuk van eene wereld zonder begin en einde der levenskiemen. —
Maar nu verder. Wij weten dus nu, dat alle leven
84
in en rondom ons, vóór ons en na ons tot de eerstvolgende ontploffing, — alle leven op den „mierenhoop aardequot; aan eene kiem, een stofje, een stuk puinhoop, een — naar wij hopen beau reste (schoon overblijfsel) van een ander wereldlichaam zijn ontstaan verschuldigd is; — hoe ontstond nu, vragen wij terstond verder aan het naturalisme, uit deze levensaalmoes, die van de overladene tafel van den wereldgeest afviel, deze insgelijks rijk bezette tafel van het aardsche leven op dit gesternte, dat wij ons vaderland noemen? — Zeer eenvoudig. Dat van vaderland beroofd, de wereldruimte doorfladderend kiempj e of eitje vond in de afgekoelde, vochtige, open aardkorst eindelijk eene gastvrije plaats — nog was het zich zijner toekomst niet bewust, — het werd eene plant, een bloesem, zelfs ook wel een gronde ling, koolrups of staartlarve, zooals ik den physioloog Bock in liet college voor eene uitgelezene schare hoorde uiteenzetten; en, voegen wij er bij — deze hoopvolle staartlarve liet van zich geenszins droomen, dat in haar wellicht de negende symphonic van Beethoven of geheel de Faust verslijkt kon rusten; maar de jonge larve maakte opgang; met de jaren legde zij haren staart, zeker als niet meer met den tijd strookende, af en werd een staartlooze; zij ging met reuzenschreden naar boven, het gezin vermeerderde en de nakomelingen brachten het steeds verder —; uit met kieuwen ademende schepselen ontstonden die met longen, uit vinnen door lengte van tijd voeten, — uit moeielijk kruipende schepselen na duizendtallen of wellicht duizenden millioenen van jaren een snelvoetig hert, uit weeke voelhorens eindelijk — eindelijk de onbuigzame hoorn van een stier, het veelgetakt gewei van den eland — en steeds zoo verder; — wat zich er wakker doorheen sloeg en drong
85
en schoof en kampte, dat bleef en bracht het tot macht en aanzien en zoo klom het leven de trapladder der wezens op — tot op de hoogte, als er inderdaad eene is, der orang-outang-ontwikkeling en van daar nog zoowat door de groep der „staartlooze smalneazenquot;, zooals Haeckel wil, regelrecht naar men weet tot den homo sapiens, den „tweehandigequot;, zooals de leerboeken der natuurgeschiedenis in den regel zeggen, of ..den tweevoetigequot;, zooals bijv. Schopenhauer den mensch zinrijk pleegt aan te duiden. Zoo heeft ieder wezen, naar Qüiset zegt, zijne geschiedenis, welke zich in onberekenbare vormen verliest. — Anderen echter, zooals wij daar even zagen, berekenen deze vormen tot in de verste bijzonderheid, naar den zoogenaamden eersten oorsprong opklimmende. En zoo staat daar dan de mensch, de zoogenaamde kroon der schepping, het erfdeel van duizenden van jaren in zich dragend, de veroveringen van werelden die zijn ondergegaan in zich vereenigend; en in hem voert een tweevoudig gevoel strijd, eerst dat van trotsch terugzien in het vroolijk bewustzijn: „van het eindelijk zoo heerlijk ver gebracht te hebbenquot; — en ten andere dat van stoute verwachting, hoe ver wij het nog wellicht kannen brengen — misschien tot de verte der sterren, — als ons soms nog dit wordt toebeschikt, wat Lodewijk Büchner, de zwetsende woordvoerder dezer wijsheid, onder anderen nog aan den mensch heeft te berispen, namelijk dat hem geen vleugels zijn geschonken en dat hem de oogen beide alleen van voren in het hoofd staan en niet ook naar achteren — wat voorzeker bijv. voor den overgang der straten van Weenen niet geheel ondoelmatig zou zijn. Wij spotten niet, maar Büchnee bespot hen, die van de „zoogenaamdequot; volkomenheid
86
van het menschelijke organisme droomen, terwijl hij zich moeite geeft op die gebreken te wijzen, die zeker zouden zijn vermeden geworden, — als men maar op het juiste tijdstip den heer Büchxkr om raad had gevraagd! — Bovendien heeft ook Helmholtz, naar hij verzekert, meerdere bepaalde fouten in de samenstelling bijv. van het menschelijke oog ondekt, en wie durft het wagen te betwijfelen, dat de wetenschap er in zal slagen, in de toekomst beter bewerktuigde gezichts-toestellen saam te stellen; — immers op die velden geldt toch heden als eerste paragraaf: voor de moderne wetenschap is geen ding onmogelijk; en als tweede: wie aan eene bovenzinnelijke goddelijke waarheid gelooft, is een duisterling; maar wie bij de stoutste en nieuwste veronderstelling der natuurkunde zweert, is de echte man van ware wetenschap. Welk antwoord op onze vraag naar het leven dragen wij nu van hier huiswaarts; hoe lost het raadsel van het bestaan zich hier op? Van de wijsheid eens Scheppers zouden wij niet meer durven spreken, zonder den roep van onzen wetenschappelijken zin lichtvaardig te verbeuren. —
Het leven des menschen, van dat der planten en dieren in niets wezenlijks onderscheiden, zooals Carl Vogt en Ludwig Büghser niet moede worden in geschriften en voordrachten te verzekeren, is niets anders dan een aanhoudend zullen en hebben der ons omringende vaste en vluchtige voedingsstoffen, een onafgebroken stofwisseling, en het geheele geheim des levens, het ziele-, gemoeds- en geestesleven in zijn geheelen omvang daarin begrepen, ligt onthuld voor ons in de verheven duidelijkheid dier tooverforniule, welke het shibboleth der nieuwste „echtequot; wetenschap is geworden: „Wat de
87
mensch eet, dat is hij;quot; en zoo kon Dubois-Reymond, de beroemde Berlijnsche physioloog, op de vraag: „Wat is het leven?quot; tot zeer groot genoegen van zijn talrijk gehoor de Delphisch-kernachtige uitkomst meedeelen: „Een strijd der vertwijfeling naar eiwit en vet,quot; en werd tevens de vergelijking van den mensch met een locomotief op krachtige wijze aldus uitgewerkt; men zou de locomotief even goed met boter en vet in plaats van met kolen kunnen verhitten, ik zou bijna gezegd hebben „voederenquot; — als deze kost niet te duur ware, en men zou den mensch even goed met kolen kunnen voederen, ik zou bijna gezegd hebben „verhitten,quot; als het maagsap van den mensch sterk genoeg ware om zulken kost te verteren. — Wat waart gij toch dwazen, gij oude en jonge wijsgeeren, godgeleerden en godskenners, gij wroetende hiëroglyphen-hoofden van den oudsten en jongsten datum, hoeveel kostelijken tijd verspildet gij voor een niets; zocht. God weet waar, het raadsel des levens, en de oplossing lag zoo voor de hand, — in het stuk brood lag zij voor u; en gij hadt haar vast, zoo dikwijls uwe hand den beker aan de dorstige lippen bracht — en zaagt toch niets! — Jammer van iederen zweetdruppel! In de voeding ligt het! — En schuchter geworden, durven wij noode nog in het bijzonder naar onze ziel, de bakermat van verheven idealen, te vragen, om al zeer spoedig het treurige bescheid te ontvangen, dat zij in den regel slechts het voortbrengsel eener eigendommelijke samenstelling der stof is; — trouwens, dit hadden wij in den loop der eeuwen reeds eenige malen vernomen; desniettemin moeten wij het ons rustig laten welgevallen, zulk eene boodschap als „nieuwste vrucht der onderzoekingquot; opgedischt te krijgen.
88
Wij vragen verder naar de gevoelens van ons hart, van welke vele ons lief en dierbaar zijn, en moeten ons laten wijs maken, dat het hart eigenlijk maar een zeer veel te hoog geschatte spier is, die door overgevoeligheid zeker tot gevaarlijke ziekelijke vergrooting kan verhit worden; en de oorzaak, waardoor, zooals Uhland ons verhaalde, — bijv. toen eens
de slotvoogd Von Coucy
bracht fluks de hand op \'t hart,
als vrouwe Von Fayel
bij d\' eersten blik wekt smart — (liefdesmart)
kon slechts daarin worden gevonden, dat die hartespier in quaestie zich bij een ongedacht plotseling de zinnen opwekkenden indruk sneller dan gewoonlijk samentrekt; vandaar die „onwillekeurigequot; beweging van den slotvoogd; liefde in de verheven beteekenis des woords durfden wij niet wagen het te noemen — immers, wat wij als eene ideale, zielen bindende en veredelende macht gewoon waren te eeren, werd ons hier in het gelukkigste geval tot eene kinderziekte verlaagd, welke, zooals alle soortgelijke beslissende toestanden, op rijper leeftijd slechts des te gevaarlijker plegen op te treden. Maar wij wijzen op ons denken en op al die verhevene gedachten, die van oudsher in de geschiedenis der menschheid met duurzamer invloed hebben gewerkt dan zwaarden en bajonnetten; wij wijzen op het daadzakelijke bestaan van verheven ideeën, om daaruit de waardigheid van den mensch te redden, en moeten ons ook hier eenvoudig tot de natuurlijke werking van den „wandelenden ovenquot;, mensch genaamd, laten beperken. De maag moge de ruimte zijn tot verhitting, de longen de luchtpompen, de huidorganen de vlakten van door-
89
zweeting, van harte gaarne — maar hoe komt het van daar tot gedachten, gedichten en wijsgeerige stelsels? Zeer gemakkelijk, luidt het antwoord: — de warmte stijgt uit de ruimte tot verhitting naar de hoogte, tot in de bovenste verdieping van de kachel, in den regel hersenen genaamd — en met deze warmte koken de hersenen hare gedachten gaar en bereiden deze juist zoo, als de lever hare gal — aldus verzekert Carl Vogt. En opdat toch niemand zich omtrent zijne zoogenaamde „goedequot; of vernuftige gedachten iets inbeelde, geeft Vogt eene der waarheid getrouwe schildering van iedere geboorte der gedachten. Als zich een zwaarmoedige damp in de ingewanden verheft, dan komt het er slechts op aan, welke richting deze neemt, bericht hij in waarheid dichterlijk; stijgt die damp naar boven, dan ontstaat daaruit eene verhevene gedachte; eu daalt hij naar beneden — genoeg, heer Vogt! — Nu, in trouwe, wij kunnen aan die heeren slechts dank weten, dat zij ons over den oorsprong hunner gedachten zoo openhartig uitsluitsel geven, merkt Riehl naar aanleiding hiervan ergens op, eu daar, zooals bekend is, ieder vader het best in staat is rekenschap omtrent zijn kind te geven, zoo hebben wij geen reden, wat die gedachten — kinderen, die zoo geheel hun eigendom zijn, aanbelangt, ook maar den geringsten twijfel over hunne afstamming te koesteren — wèl echter zullen wij ons voorbehouden, over den oorsprong onzer gedachten, voor zoover althans deze van goddelijken aard zijn, eene andere nauwgezette verklaring te geven. —
Maar hoe staat het met de hoogste gedachte, welke de menschheid verzon, de Godsgedachte? Zij was en is er in werkelijkheid. Van waar ontstond toch deze? —
90
Het allernieuwste geloof van David Straüsz keert tot het alleroudste terug, zooals dit de spruiten der Stoïeijnsehe wijsbegeerte vertegenwoordigde: primus in orbe Deos facit timor, vrees heeft het eerst de goden geschapen, vrees voor onverklaarde en onverklaarbaar schijnende gebeurtenissen^ en gewelddadige dingen in de natuur. Naarmate nu de kennis der natuur op den voorgrond dringt — verzekeren ons Büchxer en Straüsz — zal het geloof aan God naar den achtergrond worden gedrongen, om al heel spoedig geheel uit de wereld te verdwijnen, en zoo reiken zij in innige verstandhouding aan den wijsgeer Feüerbaoh de hand, die godsdienst slechts voor een kinderkleed verklaart, dat de volwassen rijpere menschheid als afgedragen ter zijde mag leggen.
Wij hebben u door eene korte schildering — meer bloemlezing — midden in de naturalistisch-materialistische leerstellingen verplaatst. Het komt er nu op aan, te scheidenden te onderscheiden, helder te zien en te be-oordeelen. Wellicht hebt gij het zoo straks aangebodene met verdeelde, dikwerf in elkander overgaande gewaarwordingen aangehoord, en — juist dit was ons plan! — Nu eens zult gij gezegd hebben: „Hiertegen laat zich ten slotte niets inbrengenquot;, dan weder voeldet gij, dat in u iets zich verhief tegen de tirannie van zulk eene „wetenschapquot;. Dit tweevoudige gevoel wilden wij allereerst door het naast elkander plaatsen van die „uitkomsten der onderzoekingquot; opwekken. Wij verlangen nu echter zekerheid daarover, wat het is, waartegen wij niets inbrengen, en wat, waartegen wij willen en moeten strijden, zoolang het gevoel eener hoogere bestemming ons de borst vervult. — Als ik nu zeg „w?}quot;quot;, dan wil ik daaronder het standpunt van het zedelijk-godsdienstig — juister
91
van het Christelijk-godsdienstig gevoel verstaan hebben. Tegenover deze vragen treedt, zooals vanzelf spreekt, ieder onderscheid van belijdenis terug; hier strijdt het godsdienstige gemoed, tot welke belijdenis het moge behooren, in goeden wapenbroederzin met ieder ander gemoed, dat zich zijn innigst heiligdom niet door de ruwe handen van het materialisme mag laten verwoesten. — Maar er bestaat heden ten dage omtrent deze vragen, te midden waarvan wij ons stoutmoedig hebben begeven, eene niet geringe onduidelijkheid, ook onder hen, die anders gewoon zijn helder te denken; eenige onzekerheid heeft zich van velen meester gemaakt, welk. standpunt zij toch tegenover deze vragen moeten innemen. Hoe komt dat? Hierdoor, dat men aan den eenen kant de godsdienstiy-zedelijke wereldbeschouwing, de verhevenste ideeën: God, plicht, onsterfelijkheid, niet wil opgeven en niet kan en mag opgeven, omdat het inwendige onmiddellijk werkende gevoel zijn onweerstaanbaar verheugd „jaquot; daarop zegt en een opgeven derzelve met den smet van een geestelijken zelfmoord zou bezwaren. — Maar aan den anderen kant gelooft men evenzeer tegenover „zekerequot; vruchten der nieuwere wetenschap zich niet geheel afkeerig te mogen betoonen, daar men van gindsche zijde het verwijt van gebrek aan ontwikkeling vreest; men zou dus gaarne noch goddeloos noch onwetenschappelijk zijn in denken en doen; en het zoeken naar eene soort vereeniging van het godsdienstige gevoel en de wetenschappelijke erkenning brengt over vele ernstiger denkende gemoederen dien toestand van onzekerheid en aarzeling, welken de dichter ons zoo schoon beschreef, waar men de borst vol weemoed ter wille der schijnbaar verloren idealen, het hoofd vol
92
twijfel over de tot heden geliefde waarheid, aan de bruisende zeeën van weifelende meeningen staat, zoo gaarne een antwoord zou begroeten, en toch niet weet, van waar dit zal komen; — en om van de nachtmerrie zulk eener stemming, die thans meer zielen bezwaart dan men volgens het overvoldaan aangezicht der zelftevredenheid onzer dagen zou gelooven, van dit bang: „ik weet niet, wat moet het beteekenen?quot; hier en daar een gemoed te bevrijden, daartoe willen juist deze onze beschouwingen voor haar deel medehelpen. — Wat wij zoeken — en met hen, die zoo iets zoeken, spreek ik! — is gindsche verzoening, welke in soortgelijken tijd als de onze, een Schleiermacher vol gloeienden ijver najoeg, die tusschen het godsdienstige gevoel en de wetenschappelijke erkenning! — En bestaat er dan zulk eene vereeniging? Antwoord: er moet zulk eene bestaan; wat zou dat voor een wetenschap zijn, die ook niet voor het godsdienstige gemoed hare schatten ontsloot en wat zou dat voor een godsdienst zijn, die ware wetenschap zou moeten vreezen? Trouwens het ontbrak nimmer aan de zoodanigen, die dit bondgenootschap, waarnaar wij zoeken, voor onmogelijk of zelfs heilloos verklaarden. De godsdienst, zoo beweren sommigen spottend, zij eigenlijk reeds in het jaar 1610 gestorven, op het tijdstip, toen Galileï den pas uitgevonden verrekijker voor de eerste maal naar de maan richtte, toen de onmetelijkheid van het heelal en zijne door wetten bepaalde regelmatigheid aan den verbaasden menschelijken geest zich openbaarden. Betreurenswaardige kortzichtigheid, die aldus door dezen verrekijker zag! — Anderen weder verlangen, dat de genius der wetenschap zijne fakkel zou neerbuigen en zijn hoofd deemoedig neigen, waar
93
het oude geloof van den godsdienst zijne gewijde kaarsen ontsteekt. Armzalige duisternis, die slechts in den glans van honderden altaarkaarsen verlicht wordt! —
Toenmaals geloofde men wetenschap en onderzoek te moeten aantasten in naam der gekrenkte gods-vereering; als offers van dezen waan vielen Giordano Bruno, Galileï, en, als hij niet tijdig gestorven ware, ook Copernicds, evenals duizenden in de kerkers der inquisitie; — heden meent men den godsdienst te moeten smaden en vervolgen in naam der verdrukte en zoogenaamd getiranniseerde vrije wetenschap. Was de godsdienst voorheen onverdraagzaam en dweepziek, thans is de natuurwetenschap barbaarsch en heersch-zuchtig geworden. — En is het één niet even dwaas als het ander? Moet de godsdienst ons niet zachtmoedig, en de wetenschap ons niet beschaafd maken? — Waren er toch niet persoonlijkheden genoeg, die beide, zachtmoedig en beschaafd, rein van hart en helder van geest tevens, evenzeer godsdienstig als wetenschappelijk waren? — Wij haten beide: het oude overdrevene: „credo quia dbsurdumquot;, ik geloof het, omdat het onzin is, en het nieuwerwetsche lichtzinnige: „hoe dommer des te vromer.quot; Gene uitspraak is een aanslag tegen de schranderheid van het denken en weten, en deze eene beleedigiug van de eer der ware godsdienstigheid. Wij wenschen aan de eene zijde den godsdienst, wij hebben daaraan behoefte,— maar mogen aan de andere zijde ook niet tot de „droomers of schurkenquot; behooren, die volgens de „bekentenis van een modernen natuuronderzoekerquot; vijandelijk gezind tegenover de natuurwetenschap staan.
En als wij nu, zooals het onze wil en overtuiging is, onbevooroordeeld, maar vol van godsdienstig gevoel.
94
tot die geschetste vragen naderen, dan zullen wij de verlangde opheldering verkrijgen, wanneer wij het naturalisme der wetenschap, dat het godsdienstige gevoel onaangetast en zijn gebied onbestookt laat, van gindsch materialisme streng en nauwkeurig scheiden, dat, zooals zal blijken, even weinig voldoet aan de eischen van ware wetenschappelijkheid als aan die van innerlijk ware vroomheid, dus eigenlijk noch godsdienstig noch wetenschappelijk kan geheeten worden.
Wij gaven u in het tot dusver behandelde reeds proeven van het naturalisme-, wij waardeeren hierbij het streven, de daadzaken van het zich uitende werkelijke leven in haren natuurlijken samenhang van oorzaak en werking, van ontkiemen en bloeien, van verwarmenen warmte, stofopnemen en stofafgeven te verklaren. — Het zal niemand, die slechts eenigszins ontwikkeld is, dezer dagen in den zin komen, dit streven van den tijd, „om alle kracht van werking en kiemen te aanschouwenquot;, te willen veroordeelen of slechts aantasten; men zal veeleer hierin een heilzame terugwerking met dankbaarheid erkennen tegen een vroegere on vruchtbare ,,woorden-kramerijquot; en beuzelen met holle begrippen; — het naturalisme heeft zijn recht, — maar — zoo vervolgen wij — ook zijne beperking en deze ligt in zijn naam; het naturalisme heersche op het gebied, dat aan hetzelve toebehoort, dat der natuur — en zoo onderteekenen wij ook zeer gaarne de stelling van den grooten physioloog: „De natuur wil natuurlijk beschouwd worden.quot; —
Het naturalisme vervult zijne schoone taak, terwijl het met behulp der sterrenkunde, natuur- en scheikunde de wetten van hetgeen geschiedt navorscht, ja het heeft ook een goed recht op den mensch, voor zoover namelijk
95
de menseh natuurwezen is; — maar naast de vaste daadzaken van het natuurleven staan evenzeer vaste daadzaken van het geestelijke leven, en zoodra het naturalisme verklaart: ook deze hehooren mij — en gehoorzamen alleen aan mijne wetten; waar het zich aanmatigt de geheele volheid der levensuitingen met zijne hevels en schroeven en ontledingen alleen te kunnen verklaren en als zijn vernuft te kort schiet, die daadzaken eenvoudig loochent, daar overschrijdt het zijn gebied en misbruikt zijn recht, daar wordt het naturalisme materialisme. Deze beide zaken moeten wèl onderscheiden worden. Onder materialisme, tot welks scheiding van het naturalisme wij nu overgaan, verstaan wij dus die richting, welke zich verbeeldt, alle daadzaken van het ziele- en geestesleven, alle denkbeelden over geest en God insgelijks alleen uit de ons omgevende telbare en weegbare stoffen te kunnen afleiden. —
Zoo zullen wij thans in eene reeks van gangen het naturalisme met ons bijvoegsel „zoover gaan wij meêquot;, tegen het materialisme met ons ,nooit en nimmerquot; overstellen, terwijl wij hopen u op zoodanige wijze van gindsch verward oordeel te bevrijden, dat wij onlangs hoorden: „maar in vele dingen heeft het materialisme toch gelijk.quot; — Gij moet nu leeren aldus te ziften: het naturalisme, voor zoover het natuurwetten erkend, daadzaken gevonden en niet enkel beweerd, maar (wat meer zegt) bewezen heeft, moet steeds zijn recht onbetwist behouden; het materialisme, dat geest en Godsgedachte tot eene moerasbei en nevelgeboorte verlaagt, heeft steeds ongelijk. — Wenscht gij het belangrijke onderscheid tusschen naturalisme en materialisme op de duidelijkste, handtastelijkste wijze te kennen.
96
ga dan met ons in eene ontleedzaal. — Daar ligt het lijk. Nu vraagt gij den prosector: is dat alles, wat hier ligt; is dat de geheele raensch, geheel zijn streven, voelen, gelooven, liefhebben, zijn zieleleven, zijn geestelijk strijden? — Het materialisme zal moeten antwoorden Jaquot;, — het was dus geheel en al onverschillig, hoe zijn leven was ingericht: de stofwisseling heeft opgehouden; — zedelijkheid, geest, geloof, al zijne gedachten, al zijne dwaze verwachtingen hebben wij hier onder het mes! — Hier scheiden de geesten zich van elkander! Ook wij geven ons gestorven lichaam zeer gaarne aan die handen over, opdat zij kiemen des levens of stervens daarin mogen vinden; maar zoodra zij gelooven, materialistisch met pincet en beenzaag het geheim van liet geestesleven voldoende te kunnen peilen, antwoorden wij, ons teleurgesteld afwendende, met den Lenauschen Faust:
Als toch dit lijk eens lachen kon, —
Voorwaar, het voeld\' een lachbui dagen.
Dat wij de doo-tcn naar het leven vragen!
Het naturalisme der wetenschap ontleedt ons dit lichaam in zijne atomen; en wij kunnen het slechts dankbaar zijn, dat het met nauwgezetheid onderzoekend en ontledend heeft uitgevonden, hoe ons lichamelijk leven uit de bescheiden keuze van slechts 14 stoffen zich samenstelde, uit stoffen, die overigens alle, waar wij ook gaan, ons omringen; — zulk eene kondschap dient ons slechts tot bevestiging der overoude boodschap, dat de mensch inderdaad uit „aardequot; werd gevormd. Het gelukte aan de wetenschap, deze „aardequot; af te zonderen en te ziften, ook in den mensch het vluchtige van het vaste te scheiden, en een blik — een weemoedig smartelijke bijvoorbeeld op het veld van Costnitz en
97
duizend andere velden, op welke de dweperij hare offervuren heeft ontstoken, zou voldoende zijn om ons te bewijzen, dat het naturalisme zeer juist heeft waargenomen, als het leert, dat des menschen lichaam voor het grootste deel uit lucht en waterige stoffen zich vormt, die betrekkelijk licht en snel in de vlam vervliegen; want slechts een klein hoopje asch was het, dat de beul op het veld van Costnitz in de lucht wierp, — een uur nadat uit deze nu vervlogen asch nog een gebed, vurig als heilige vlammen, werd opgezonden! — Maar — en nu komt weder ons „tot hiertoe en niet verder!quot;, maar, zeggen wij, als wij moeten gelooven, dat niets onver-nietigbaars in deze handvol asch is geweest, dat ook het hier zoo wondervol schoon uitgedrukte individueele leven, het ik, de persoon, het zelfbewustzijn, voor eeuwig in rook zou zijn opgegaan, verstoven, verstrooid zou zijn; dat dus het zelfbewustzijn, (dat wij als het vaste punt in den mensch reeds bij onzen historischen gang vonden) ook slechts een voortbrengsel dezer eigen-dommelijke samenstelling der 14 stoffen moet geweest zijn en met het uiteenvloeien van deze ook zelf moet vergaan, dan zullen wij andermaal een krachtig protest te berde brengen en ons de moeite geven te bewijzen, dat het materialisme, door zoo iets te beweren, aan zichzelven en aan zijne grondstellingen ontrouw wordt. Zulk eene uitvoering behoort tot de eerstvolgende reeks onzer gedachten, waar wij bij wijze van aanval tegen gindsche richting zullen ingaan; voor-loopig blijven wij getrouw aan ons plan, de terreinen door grenzen af te bakenen. Wat wij voor de aangekondigde latere critiek zooeven wonnen, is dit: het materialisme maakt ook het zelfbewustzijn tot een voort-
98
brengsel der atomen! Vol vertrouwen naderen wij opnieuw het naturalisme der wetenschappelijke onderzoeking, nog altijd naar zijne kennisgeving aangaande het menschen-leven luisterend; wij willen met hetzelve niet om woorden pleiten, zelfs waar ze ons niet bijzonder dichterlijk moesten klinken en ons gaarne onderrichten, waar wij soms op de dichtervraag:
„Mijn hart, met dit uw kloppen,
O zeg, wat wilt, wat zijt gij?quot;
het antwoord van den physioloog moesten vernemen: „Het hart is een met kleppen voorzien pompwerkquot;, of zooals een ander zich teeder of niet, maar wellicht nog juister uitdrukt: „Een lederen zak met kleppenquot;; — \'t kan zijn — maar de vraag, die ons bezig houdt en tevens verontrust, is deze, ot wij in staat zullen zijn, uit dit pompwerk met zijne zich openende en sluitende kleppen alleen de wereld van gevoelens en gewaarwordingen te verklaren, door welke het nu in snellere, dan in tragere beweging wordt gebracht; en wat wij zoo gaarne wisten, is dit, of werkelijk de onbewust en geheel werktuiglijk zijn arbeid verrichtende kleppenzak niet enkel woonplaats, maar ook schepper van die stemmingen en opwekkingen is, die den een levendig doen juichen en den ander doodelijk bedroefd doen zijn. En als het materialisme hierop een hoonend „jaquot; zegt, dan antwoorden wij: neen, het kan niet zijn, — „dit hart zelf, noem het zooals gij wilt, het zegt toch: neen; het voelt in zich een eigendom, dat het voor zich bewaren zal onafhankelijk van dit open- en toeslaan der deksels en kleppen, een bezit, dat het noch aan deze werkzaamheid verschuldigd is, noch ooit der vernietiging kan prijsgeven.quot;
En geen verstandig mensch zal verder iets er tegen
99
kunnen inbrengen, als het naturalisme hem leert, dat zijn denken en besluiten aan het phosphor-gehalte zijner hersenen gebonden is, — maar de vraag doet zich voor — daar toch, zooals bekend is, schaap en gans ook phosphorus in de hersenen bij zich omdragen, en paard en olifant zelfs over eene veel grootere hoeveelheid hersen-zelfstandigheid beschikken dan de mensch, — of deze phosphorbedding de bewerkster van al de verheven gedachten, plannen en stelsels kan zijn, die ooit uit een menschenhoofd, zooals Minerva uit dat van Jupiter, werden geboren.
En waar het materialisme dit overhaast besluit wil trekken: omdat ons denken aan het phosphorgehalte der hersenen is gebonden, moet dit de bewerker der gedachte zelve en het denken niets anders dan een phosphoresceeren der hersenen zijn; waar ons Carl Vogt verzekert, dat al die bekwaamheden, welke wij onder den naam van werkzaamheid der ziel begrijpen, enkel werkingen der hersenen zijn, en dat de gedachten zoowat in dezelfde verhouding tot de hersenen staan, als de gal-afscheidingen tot de lever — daar kanten wij ons tegen dit besluit als ontzettend overhaast en lichtvaardig, want het is toch waarlijk tweeërlei, of ik zeg; zonder fluit geen fluittoon, of dat ik beweer: het instrument brengt uit en door zichzelf den toon voort. Wat de daarin blazende menschelijke adem voor de fluit is, dat is de goddelijke aanblazing, de geest, voor het instrument dezes lichaams. En zoo heeft de in hare armoede uiterst scherpzinnige Hebreeuw-sche taal een en hetzelfde woord voor adem en geest! — Evenals de snaren der aeolusharp niet uit zichzelve trillen, maar door de aanblazing van den wind, zoo
100
geven ook de gezamenlijke zenuwen van dit lichaam hare gevoels- en gemoedstonen alleen door den leven-wekkenden geest. — Ea het is nogmaals beslist tweeërlei, of ik zeg: zonder klavier met toetsen en snaren kan de virtuoos ons niets voordragen, dan of ik beweer: het klavier zelf draagt ons het concertstuk voor. Dus is de geest de virtuoos, het hersen- en zenuwleven zijn instrument, waarop en waardoor hij de symphonieën zijner gedachten voordraagt, door welk instrument hij aan anderen zijne virtuositeit bewijst. De virtuoos blijft toch op zichzelf ook zonder instrument virtuoos, en de geest op zichzelf hlijft geest ook zonder lichaam, maar door het instrument des lichaams werkt in deze levenssfeer de eene geest op den anderen; dus is het lichaam het orgaan, het middel tot iedere geestelijke mededeeling en tot al het verkeer der geest en lichaam bezittende wezens onder elkander — maar geenszins is het lichaam de virtuoos zelf! — Dat dan het naturalisme dit orgaan ontlede, uiteensla en onderzoeke en weder samenstelle, snaar voor snaar het fijne klavierwerk der hersenen beproeve, maar dat het materialisme het droombeeld opgeve, in het teeder adernet der hersenzelfstandigheid de gedachten zelve te vinden! Die iijne, veel vertakte lijnen in de weeke hersenen, ze zijn slechts de wegen en zeker de wegen, langs welke de geest peinzend of vroolijk is binnengetrokken, maar ze zijn niet deze geest zelf. Zegt men ons van gindsche zijde steeds weder: uw denken is slechts het phosphorlichteti van de hersenen — dan vragen wij bescheiden: waarom geeft dan dezelfde phosphorus slechts den eenen keer gedachten, de andere maal geene? —
Of wellicht ontdekt men nog, dat ook uit het phos-
101
phoresceerend lichten der zee gedachten als bliksemschichten opkomen, of dat een knallucifer een wijsgeerig stelsel uitvindt. In ieder geval staat het materialisme hier voor het pijnlijke raadsel — hoe en waarom deze phosphorus het juist alleen in de menschenhersenen tot zulke verhevene — of zooals genen zeggen — verkeerde denkbeelden over geest, God, eeuwigheid bracht? Het ontstaan dezer denkbeelden — immers ze zijn toch voorhanden! — is veel moeielijker te verklaren, als zij bedrog, dan wanneer zij waarheid zijn. Hoe ter wereld, zoo vragen wij steeds weder, komt deze ongelukkige phosphorus in de menschenhersenen tot zulke dwaasheden? — En als het werkelijk, zooals Büchxer zegt, „geslepen sluwkoppenquot; waren, die in hun belang zoo iets opstelden, hoe kwam het, dat de phosphorus zoo iets verzon en nogmaals, hoe kwam het, dat zoovele grove domkoppen daaraan geloof sloegen? Maar heeft dan niet trots dit alles het materialisme met zijne beweringen den openbaren schijn voor zich? Ja, den schijn. Met het bloed vloeit het leven weg, met de hersenen wordt ook de gewaarwording verwoest, met het onttrokken voedsel staat alles stil en eindigt. — En toch stelt zich reeds hier een andere oogenschijnlijkheid er tegenover, namelijk dat de mensch menigmaal een veel grootere helderheid van denken bij ziekelijke, zelfs kennelijk gestoorde lichamelijke toestanden openbaart, dan bij geregelde. Volgens de materialistische leer moest steeds bij de beste voeding en vertering ook de gedachten-fabriek het best in werking zijn. Dit is eenvoudig onwaar. Wij zijn dikwijls in dagen van gewoon wèlbevinden oneindig minder vatbaar voor dichterlijke verheffing of voor het in wetenschap ons verdiepen, dan in tijden van zenuw-
l
102
aehtige prikkelbaarheid en gedrukte stemming der gezondheid. En wat zeggen wij van hen, die na een ziekbed van weken en zeer spaarzame voeding de geheele, zelfs menigmaal eene verhoogde kracht van het gevoel en van het denken vertoonden? — Waren wij nog nimmer verbaasd over de helderheid des geestes en over de rust der ziel in een gebrekkig hulsel, in afgeleefde lichamen ? Hieraan herinnerend, sprak Lordat van een „niet oud worden van de inwendige kracht der zinnen.quot;
Maar gij zegt: en toch is het eene daadzaak, welke wij hebben waargenomen; de ouderdom verstompt! — Ja, wat wordt stomp? vragen wij. Het lichaam, de zintuigen , de organen der ontvankelijkheid voor — en der mededeeling aan de buitenwereld. De ophaalbrug wordt weggenomen. De ridder woont nog in den burg; — maar hij kan geene uitvallen meer naar buiten maken, want daarvoor heeft hij de zintuigen noodig, die verstompten, die hem ontzinken. Maar invallen heeft de mensch toch altijd nog! — Het materialisme verwart zieleleven en zielsuiting. Het eerste bestaat voor zichzelf, de laatste behoeft de zintuigen. Hebt gij nog nimmer bij u-zelven of bij anderen toestanden waargenomen, waarin het innerlijke willen der ziel ver boven de uitingen van het kunnen zich uitstrekte? Wij zeiven hebben meermalen dat lichten der oogen, dat spreken der gelaatstrekken bij stervenden gezien, dat ons weemoedige kondschap deed van de droefheid der ziel hierover, dat zij, wat in haar leefde, niet meer openbaren, niet meer uiten kon. Het afgesletene lichaam wordt verbroken, de toetsen geven geen toon meer, de snaren zijn gesprongen of geven een schrillen klank, het geheele
103
■werk kan niet meer hersteld worden, — maar de ziel heeft van hare virtuositeit niets verloren, zij behoeft een fijner, volkomener, aan hare nieuwe begaafdheden beantwoordend instrument — een nieuw, meer ideaal lichaam! — Dat is het sterven. En doen zich niet reeds gedurende en iu dit lichamelijke zieleleven toestanden voor. in welke de ziel de geboden der zintuigen schijnt te vergeten — of trots deze leven en werkdadigheid schijnt te openbaren? — Wij herinneren aan het verre hooren en verre zien van het somnambulisme; wij herinneren aan Socrates, die bij den veldslag van Potidaea, een geheelen nacht op eene plaats staande, naar het Oosten staarde, tot de eerste straal der zon hem op de knieën wierp; — de in zichzelven gekeerde, het goddelijke bepeinzende geest dwong de zintuigen, hem dien geheelen nacht staande te houden. Er zijn reeds in dit leven toestanden, die niet alleen de overheerschende kracht, maar ook de zelfstandigheid van den denkenden geest boven allen twijfel verheffen. — Wie waagt het te beweren (durfde Schlbiermacher nog in zijne monologen vragen) dat ook de kracht en volheid der groote heilige gedachten, welke de geest uit zichzelven voortbrengt, afhangen van het lichaam en de zin voor de ware wereld van het gebruik der uitwendige ledematen? Trouwens, onze tijd keert de vraag om: wie waagt het te beweren, dat het niet zoo is? — Wij moeten het wagen en verklaren ons altijd weder tegen die onteerende vernedering van al het geestelijke scheppen tot een voortbrengsel der zenuwen, tot een phosphor-flikkeren der hersenen. Zoo vertoont zich aan ulieden van schrede tot schrede de grensscheiding tusschen liet naturalisme, wat wij als wetenschappelijk streven eeren, en dat materialisme, wat
104
wij als een ergerlijke dwaling, dikwijls meer nog van het hart en gemoed dan van het hoofd en verstand, met volle beslistheid bestrijden en verwerpen. Zoo zullen wij later het naturalisme voor zijne verklaringen zeker dankbaar zijn, als het, de vroegere uitspraken verder ontwikkelend, de gewone wetten der ademhaling en der voeding ons algemeen verstaanbaar blootlegt, als oorzaak van ons lichamelijk welzijn en tevens ook op ons geestelijk bevinden schijnbaar invloed uitoefenende; zooals toch de grootste virtuoos, om aan een vorig beeld te herinneren, door een ontstemd instrument in de uitoefening zijner kunst zich werkelijk belemmerd zal zien, zoo ook de geest in zijne naar buiten gerichte bedrijvigheid en werkzaamheid door een gestoord organisme. — Maar waar het materialisme uit deze wetten der ademhaling en voeding de geheele geestelijke werkzaamheid des menschen en zelfs eenigermate uit de soort zijner voeding den aard van zijn ziele- en gemoedsleven met noodzakelijkheid wil laten ontwikkelen, en in gindsche sterk tot cynisme naderende formule: „wat. de mensch eet, dat is hij,quot; het geheim des levens wil zien opgelost, daar moet het geoorloofd zijn, met de wapenen der spotternij te strijden en op zeer bescheiden wijze te vragen, hoe het dan toch wel komt, dat bijv. zekere arme bergbewonersknaap een klein beetje meer gedacht en volbracht heeft dan de bekleeders der hoogwaardigheden van zijn tijd allen te zamen, hoewel men toch zonder twijfel in de aartsbisschoppelijke paleizen te Keulen, Mainz of Weenen reeds toen iets beter middagmaal hield dan in de hut van Hass Lüther te Möhra en Eisenach. — Men zou ons dan ongeveer moeten antwoorden, dat het dezen van phosphorus goed toege-
105
rusten bergbewonersknaap zonder twijfel zou gelukt zijn, het pausdom geheel en voor altijd te doen vallen — zoo slechts de voeding in het ouderlijke huis en in het klooster iets beter ware geweest! En als het dan werkelijk het materialisme met die beroemde stelling, welke onzen spot opwekte, niet enkel om eene onnoozele scherts, maar om de ernstige waarheid te doen is, welnu, dan wage het toch ook de gevolgtrekking, om ongeveer het volgende voor te slaan: in plaats van de grootsche gedachten en beroemde daden der helden uit de geschiedenis op te teekenen, zal het voortaan voldoende zijn, hunne spijskaart te bewaren, omdat uit de zorgvuldige onderzoeking en voldoende wetenschappelijke beschouwing van deze ook de inhoud van hun leven met die noodzakelijkheid zich moet openbaren, welke in de natuurlijke wereld der gebeurtenissen alleen eene plaats kan vinden; en ter vervanging van de steeds zeldzamer voorkomende knappe opvoeders zal het voor de toekomst volkomen genoegzaam zijn, voor een volmaakte kookster te zorgen, omdat in de bekwaamheid van deze zoowel het lichamelijke als het geestelijke gedijen der kinderen met zekerheid zou gewaarborgd zijn. Volgens materialistische opvatting schijnt dus geheel het leven met zijne ernstige vragen en zijne zwaarste eischen, tot welke vooralsnog die dei-opvoeding mocht gerekend worden, zoo oneindig vereenvoudigd, dat het eene vreugde zou moeten zijn, wanneer het geen jammer ware!
Gij leert hier een nieuw, bijzonder beslissend beginsel van het materialisme kennen, waartegen onze critiek zich met alle kracht zal moeten wenden — het snoeven op de natuur-noodzakelijkheid, aan welke ook de mensch geheel en al zou onderworpen zijn! Maar wij moeten nog
106
den Fabius Cunctator spelen, nog talmen met den vollen aanval, wijl het nog steeds geldt, grenzen te stellen en onzijdig van vijandelijk gebied nauwkeurig te scheiden.
Het onderscheid tusschen naturalisme en materialisme, dat wij vastgehouden willen weten, toont zich bijzonder duidelijk tegenover de stellingen van den veelbesproken Darwin. Hoe vatten wij deze onderzoekingen aan? Allereerst zonder eenige vooringenomenheid, zooals de waardigheid der wetenschap dit vordert. En voor zoover het werkelijk om verzekerde uitkomsten, en niet maar alleen, zooals voorloopig zelfs vele zijner oprechte vrienden nog openlijk bekennen, om vernuftige, tot heden echter geheel onbewezene gissingen zal te doen zijn, zullen wij ons voorzeker niet in valsch toegepasten ijver afkeerig toonen; zoolang slechts de leerlingen het voorbeeld des meesters willen volgen en op het gebied der natuur en der gedaantevormingen en onthullingen linnen de gegevens der natuur blijven en niet van daar willen overspringen op het gebied der inwendige godsdienstige ervaringen en geestelijke daadzaken. Zoolang het Darwinisme zich er toe bepaalt, de ontwikkelingen der soorten na te vorschen, moeten wij het als naturalisme, waaraan het rijk der bestaande dingen toebehoort zonder voorbehoud, onbestreden zijn gang laten gaan, en zullen wij van uit ons zedelijk-godsdienstig standpunt, evenzeer zonder vooroordeel als ook zonder overijlde geestdrift, met zekere waardige ingetogenheid afwachten, of het zal gelukken, de onderstellingen door nieuwe onderzoekingen en proefnemingen tot zekerheid te brengen, en dat des te meer, sedert ons onlangs Dr. Wigand met verrassende helderheid en veelzijdig in het oog springende voortreffelijkheid, de zwakke en listig verkregen zijden
107
van het stelsel, als van een, dat in hoofdzaak op den wankelenden bodem eener hoop berust, heeft aangetoond, namelijk van de hoop, de zich thans nergens meer bevindende zoogenaamd verloren geraakte tusschenschakels der verschillende diergroepen nog te ontdekken. Wij zullen het daarom beter achten, onze geheele instemming tot dat oogenblik te onthouden, waarop de in het oogloopend vele: „waarschijnlijkquot;, — „het schijnt dientengevolgequot;, — „het zou kunnen worden aangenomenquot;, „zoo laat het zich denkenquot;, enz., die vooralsnog in de hier toepasselijke literatuur worden gevonden, voor een eenig groot en vast: „dus is door zekere gronden en openbaar bekende daadzaken met juistheid bewezenquot; — voor altijd zullen hebben plaats gemaakt; en zoo vernamen wij het met vreugde, dat Darwik zelf eens in aansluiting aan eene plaats in de eerste uitgaaf van zijn hoofdwerk heeft verklaard, dat de Godsgedachte en de goddelijke geest, als aan den allereersten aanvang van alles wat geworden is staande, door al zijne onderzoekingen geheel onaangetast schijnen; dat hij het juist met de gedaantevormingen en onthullingen des levens, maar niet met den aanvang, — wij zouden zeggen; met de zaken, maar niet met de oorzaak van al het bestaande, te doen heeft. En slechts in zoover als dus de vraag naar den laatsten ontwerper (zooveel als den „eersten bewegerquot; van Aristgteles], nog schijnt onbeantwoord te zijn, mogen wij ons aan Virchow aansluiten, waar hij zegt, dat men geen recht heeft de leer van Darwin van uit het standpunt der zedelijkheid te verwerpen.
Berust het stelsel er in, over den oorsprong van het geestelijke leven niets te kunnen vaststellen, zoo is de ontwikkeling van die verstandige richting in Darwin\'s
108
vaderland gewettigd, die, door waardige godgeleerden vertegenwoordigd, zich de schoone taak heeft gegeven, aan te toonen, dat de eeuwige grondgedachten van den godsdienst, de eigenlijke kern van het Christendom dooide onderzoekingen van Darwin onaangetast en door zijne rangschikkingen onbestreden moeten blijven. Zoodra echter, zooals de Duitsche leerlingen en navolgers van Darwin , Haeokel vooraan, den leermeester in dit opzicht vér achter zich latend, gedaan hebben, deze richting er naar streeft, den geest Gods als aan den aanvang van al wat is en leeft staande te verwerpen en dus iedere bestaande godsdienstige opvatting als uit onbewuste stof ontkiemend, alle ideeën over God, zeden, plicht slechts als eindelijk ontloken bloesems der materie, uit het oorspronkelijke slijk langzamerhand te voorschijn tredend, aan te nemen, dan zullen wij tegen zoodanig in grof materialisme veranderd naturalisme in den naam dier eeuwige ideeën ons moeten aankanten. —
Het is hiermede als bij een grooten brand, waarvan een groot dorp het offer werd. Het onderzoek kan leeren, uit welke straat, uit welk hofje, uit welk gebouw het vuur opflikkerde — men kan dit tot in zijn haard ver-volgeu en uitgevonden hebben, dat het door een lucifer moet zijn ontstaan. Maar nu rest nog de grootste — en zonder twijfel de gewichtigste vraag der commissie tot onderzoek: heeft een onbezonnene het smeulende hout weggeworpen en de luchtstroom het aangeblazen; was het een argeloos kinderspel. dat zoo maar aan de lekkende vlammen zich verlustigde; of was het de welberekende daad van een roekeloozen booswicht ? Of bondiger: van waar dat vuur? —, was het onbewust toeval of bewust en overlegd plan? — Juist op zulk een: „of — of\' berust
109
hier de wereld- en levensvraag! Moge het voortdurend aan de onderzoekende, ondervragende, van station tot station met hare vragen opklimmende wetenschap der Darwinsche school eindelijk gelukken, tot den eigenlijken vuurhaard van dit leven door te dringen en de allerlaatste vonk te ontdekken, door welke deze wereldbrand des levens ontstoken werd, die thans onuitbluschbaar, naar het schijnt, in alle diepten der natuur woedt en voortkruipt, op alle hoogten vlamt en in millioenen en steeds weder nieuwe millioenen harten brandt, — ik zeg en als werkelijk de natuurwetenschap eenmaal den triomf behalen mocht, welken wij haar gaarne gunnen, van ons dezen éénen laatsten vuurdruppel, deze ééne laatste vochtig-warme kiem te kunnen toonen en zeggen: van hier nam het vuur, dat in onze borst gloeit, zijn begin, — dan stond de wetenschap hiermede eerst aan het punt, dat Liebig in zijne brieven zoo schoon beschrijft, waar hij zegt: „De wetenschap begint eigenlijk eerst daar recht belangwekkend te worden, waar zij ophoudt.quot; Hier nu, voor dezen laatsten vuurdruppel, zoo althans de wetenschap eenmaal met zekerheid daarvoor zal staan, aan dit punt vangen wij in onze godsdienstige belangstelling nu eerst aan te vragen, hier zouden wij wel willen weten, hoe deze vonk werd aangeblazen, hoe zij toch hierheen kwam. Was het een verraderlijk toeval, dat in de gedaante van een windvlaag in het gevaarlijkste oogenblik daarop blies, of was het opzet, duidelijke, bepaalde bedoeling? Of nog eenvoudiger: ligt aan deze wereld des levens eene bewuste daad, zooals het godsdienstig gevoel steeds zal wenschen, — of een onbewuste wil ten leven, zooals het Jongste materialisme zich gaarne uitdrukt, ligt zelfbewuste, dus goddelijke bedoeling,
110
eea eeuwig plan of een onbewuste aandrift haar ten grondslag? — Deze is de laatste vraag; hier vertoont zich de grens van dat tweevoudige gebied, welks splitsing wij nu voorstaan met in het oog springende duidelijkheid. Het streven van het verstandige naturalisme kan slechts dit beoogen, dat beschrevene punt uit te vinden; het materialisme doet, als hadde het dit reeds gevonden en wil eens voor al van een eeuwigen wil en eene goddelijke bedoeling volstrekt niets weten. Het naturalisme duldt, of bestrijdt althans volstrekt niet het bestaan van een denkenden geest en vernuftigen ontwerper bij den allereersten aanvang; het materialisme daarentegen besluit tot het onbewuste bij het begin. Er was een tijd, zoo leert het, toen in de milliarden van werelden, onder al de larven en kiemen vaneen toekomstig leven ook niet ééne gevoelende borst klopte, toen de wereld zelve, ofschoon zij bestond, toch nog niet wist, dat zij bestond! — Wij kunnen dus het naturalisme rustig, zelfs vroolijk zijn gang laten gaan, als het zich zijne straten door vervlogen duizendtallen van jaren, door granietlagen en kolenbeddingen, door Nijl-aanslib-bingen, paalwoningen en hunnebedden heen steeds verder aanbouwt; laten wij zulk onverdroten arbeiden waardeeren en eeren wij diegenen, die met scherpgeslepen schoffel des geestes in den stillen grond der verschijnselen graven, om de verborgen wortelen te ontblooten, om de sluimerende kiemen te ontdekken; nemen wij, als verrijking van ons weten, wat zij van hunne tochten ons te huis brengen, nemen wij het dankbaar aan — zij het ook met voorzichtigheid! Immers deze zal bij het aanvaarden van het zoogenaamde zeker onderzochte dikwijls genoeg noodig zijn. Zoo had men
Ill
bijv. uit de diepten van het Nijl-slik sporen van men-schclijke werkzaamheid aan het licht gebracht, en daar men nu weet, hoe hoog de jaarlijksche aanslibbing is, zoo besloot men uit de diepte van de plek, waar zij gevonden werden, tot den ouderdom dier nederzetting. Maar bedaarde onderzoekers wezen er op, dat dit een zeer overhaast besluit was, daar het op de veronderstelling rustte, dat deze slibafzettingen ook in vorige eeuwen tot dezelfde volheid van maat plaats hadden als in de tegenwoordige eeuw! Maar welke omkeeringen der natuur kunnen hier somtijds het roer hebben geleid! Dit voorbeeld van berekening berust dus op eene kolossale veronderstelling — maar volstrekt niet op „waargenomen daadzaken.quot; En menigmaal gaat het derwijze! — Maar hier is wijze voorzichtigheid voldoende; — doeh beoorlogen zullen wij die schatgravers der natuur en hen daar steeds moeten bestrijden, waar zij onze toestemming hiervoor verlangen, dat bij den allereersten aanvang der levenskristalliseeringen slechts een wevende chaos, een gistende oorspronkelijke wereld-brij met zwellende kiemen en droomende werelden zou bestaan hebben, die dan zonder zich eigenlijk helder bewust te zijn, waarom en waartoe, — zoo geheel zonder te weten wat zij deed, gloeiende gesternten en kloppende menschenharten onbewust en doelloos uit zichzelve te voorschijn bracht; — tegen zulk een materialisme, dat den ronddraaien den chaos zonder den daarover bestuur voerenden geest ons opdringt, hiertegen moeten wij ons verklaren ter wille van zijne eigene zelf uiteenbarstende holheid en gedachteloosheid en dubbel wegens de daaruit voor het practische leven voortspruitende zedelijke gevolgtrekkingen, welke wij later zullen moeten nagaan. —
112
En aan dit eerste „onbewustequot;, aan dit geestelijke niets, dat nog niet gevoelde, wat al geestrijks daaruit kon ontstaan, aan dit vernuftige „nietsquot;, dat het materialisme als het begin van alle gedachte en bewustzijn aanziet, beantwoordt ten volle dat andere tweede vervelende „nietsquot;, in welks armen toch weder alle leven en liefhebben en streven hier beneden moet zinken. —
Ook hier, als wij naar het eind noodlot van ons gesternte en van zijne burgers vragen (en het is natuurlijk voor de organische wezens van andere wereldlichamen geen gunstiger vooruitzicht te openen), ook hier scheidt zich zeer beslist een verstandig naturalisme van een overijld materialisme. Het naturalisme zal zich hiermede vergenoegen, naar gelang van zijne waarnemingen ons dan zus, dan zoo eene slotcatastrophe van onze planeet, wellicht zelfs van ons gansche zonnestelsel te voorspellen; het materialisme laat alles, wat zoekende geesten gewonnen en strijdende of lijdende zielen veroverd hebben, tegelijk met deze denkende geesten en gevoelende zielen zelve te gronde gaan.
Voor zoover het naturalisme ons van de eenmaal ingetreden gedaantewisseling dezer levende wereld spreekt, zullen wij het zonder tegenspraak aanhooren, ofschoon wij ook voorloopig nog onze volle toestemming minstens zóólang zullen onthouden, tot ons althans eensluidende boodschap van die zijde tegenklinkt, wat tot heden nog volstrekt niet het geval is.
Evenals met betrekking tot de vorming van onzen aardbol langen tijd twee beschouwingen, die van het neptunisme en van het vulcanisme, van de vorming uit water of vuur, met elkander streden, zoo ook met betrekking tot zijn eindnoodlot. Het wereld-doorzoekende
113
naturalisme laat ons nog de keus te bevriezen of te verbranden, door water of vuur ten slotte te vergaan. Sommigen hebben berekend, dat de reusachtige kookhaard van al het organische leven, gewoonlijk zon geheeten, ieder jaar een onmerkbaar atoom afkoelt, en zoo zal eindelijk eenmaal de tijd niet uitblijven, waarin zich de arme aarde niet meer zal kunnen verwarmen en den verlangenden mensch hare lentebloemen zal moeten schuldig blijven; — dan zal, zooals Reymond op het college zich uitdrukte, „het jongste gericht van het algemeen bevriezen volgenquot;, — dan zullen van uit de noordpool de ijsbergen zich wentelen en uitspreiden over alle gedenkteekenen en pantserschepen en burchten en domtorens en beroemde graftomben, en in eene Eskimohut op drij vende ij sschollen zal de laatste mensch verpletterd worden. Om u gerust te stellen, worde hier bijgevoegd, dat gij nog ongeveer twee millioenen van jaren tijd hebt, om u zeiven met waardigheid hierop voor te bereiden. — Dienvolgens zou de aarde ijzig eindigen, nadat zij eens vurig begon; evenals zoo menig enkelvoudig leven, eens in de idealen der jeugd met gloed opflikkerend, ten slotte tusschen de ijsschollen van een menschenhaten-den ouderdom wordt doodgedrukt. Anderen stellen eene in ieder geval gunstiger voorzegging; geheel ons zonnestelsel, de zon zelve natuurlijk meêgerekend, beweegt zich in de richting naar een ander sterrenbeeld, dat van Hekoules, heen —; zoodat de zon dus ook reeds verschillende toestanden heeft doorleefd: eerst dacht men, dat zij rondom de aarde wandelde, dim dat zij in het middelpunt der lichtwerelden stond, en in den jongsten tijd kan zij zich weder bewegen, al is het zoo vrij niet als vroeger, toch eenigszins, met geheel haar koninklijk
114
gevolg, juist in de richting naar gindsch sterrenbeeld; en zoo wordt ons van hier het vooruitzicht geopend, op een gegeven tijdstip, zoodra de naderingeenezoodanige zal zijn, dat de kracht der aantrekking sterk genoeg werkt, in dat andere gebied van zonnen of vaste sterren te storten en te verbranden; en dan zou het geval zich voordoen, dat onze door het wereldruim verstrooide aard- en menschen- en plantenoverblijfsels ergens aan een ander juist afgekoeld wereldlichaam den dienst betoonden, die ons eenmaal vóór ontelbare jaren is betoond geworden, levenskiemen daarheen uit te strooien, opdat dAar het hier ten einde gespeelde treurspel des levens met de er by behoorende satirespelen opnieuw moge beginnen. Het naturalisme laat ons dus, zooals gij ziet, voorloopig nog met betrekking tot ons einde eene keuze, gelijk aan die, welke in het begin der zeventiende eeuw hier in Weenen uit bijzondere genade aan een paar arme zondaars werd gegeven, „of zij boven bij de spinster aan het kruis verbrand of liever beneden aan het prater verdronken wenschten te worden.quot; Anderen toonden ons allerhande mogelijkheden, die zich hier beneden vóór de eind-catastrophe zouden kunnen verwezenlijken. „De hedendaagsche menschensoort kan te gronde gaan en eene meer volmaakte in hare plaats treden,quot; veroorlooft Büchxer. Of zal de aarde, vraagt hij verder, weder een terugweg inslaan en de vruchten van zoo veeljarigen arbeid van haren bodem verdelgen? Het beste, wat hierop te zeggen is, zeide hij zelf: „Niemand weet het, niemand heeft het geweten.quot; — Althans niemand van ons, thans levende stervelingen, voegen wij toch beperkend er bij.
Hoe zullen wij ons nu, van het Christelijk-godsdien-stig gevoel uitgaande, tegenover deze onderzoekingen.
115
uitzichten en vragen verhouden? Allereerst zullen wij zeggen, hoe wij tot de vorming der wereld en der aarde aan de onderzoekers millioenen van jaren bereidwillig hebben afgestaan, daar het voor ons godsdienstig gevoel volkomen onverschillig kan zijn, of deze aarde 6000 of zes duizend millioen jaren heeft bestaan, te meer nu de heilige oorkonden nimmer hierover uitsluitsel wilden geven; — evenzoo zullen wij den termijn van den ondergang der wereld, of juister gezegd, voorloopig van de aardcatastrophe, in het belang van volgende geslachten zeer gaarne zoover mogelijk verschuiven; en verre van die steeds eenigszins beknopte berekeningen en vooruitzichten te gaan bestrijden, wijzen wij veeleer hierop, dat ook de oud-godsdienstige wereldbeschouwing eene eindelij ke vernietiging der zichtbare wereld door vuur-geweld verkondigde; — maar wat daarvan ook zij, ons zedelijk-godsdienstig gevoel wordt door deze vragen noch afgeschrikt noch aangetrokken, het dringt veeleer op de laatste beslissing aan: wat zal uit deze schipbreuk of ineenstorting der aarde gered worden, wat zal de — laat het ijsschollen of vuurstapels zijn, overleven? — Wil men ons met een laconisch „nietsquot; afschepen, dan zullen wij tegen zulk eene wanhopige berusting, als het materialisme leert, in den naam van ons verhevener gevoel, in de kracht van onzen zich onvernietigbaar gevoelenden geest en in het bewustzijn der eeuwige gedachten, welke wij in ons omdragen, onversaagde tegenspraak moeten doen hooren. En is het niet inderdaad eene gruwelijk onaangename gedachte, dat ten slotte het kampen en strijden van duizenden jaren, het streven naar de hoogste ideale goederen ééne groote teleurstelling, een geheel vruchteloos loopen zonder doel, een zich
116
afwerken, een strijden zonder krans zou zijn geweest?! Ook hieruit zullen wij later in den critischen aanval de zedelijke gevolgtrekkingen moeten maken. En uit de beschouwing der toekomst van het gezamenlijke leven ontwikkelt zich die van het enkelvoudig leven, zooals zij door het naturalisme werd aangegeven en door het materialisme met welgevallen uitgewerkt. Laat ons ook hier volgen en toezien, hoe ver wij kunnen meêwandelen en waar wij verdere begeleiding in dank zullen moeten weigeren. Het naturalisme heeft zich er niet mede tevreden gesteld, ons gindsche bovenvermelde 14 stoffen voor te tellen, en de hoeveelheid van elke bijkans tot op het gram uit te wegen, het heeft ook de geschiedenis dezer atomen zoo achter- als voorwaarts vervolgd, en waar het zich met poëzie en phantasie verbond, zelfs naar beide richtingen heen zeer bekoorlijke schetsen van stofomzetting ontworpen, van welke gij ook eene proeve zult hebben. En zoo is uit de oude leer der zielsverhuizing, zooals de Pythagoristen en in meer geïdealiseerden vorm Plato haar eenmaal vertegenwoordigden, eene moderne leer der atomenomzetting ontstaan, die ons welwillend verhaalt, hoe al de stoffen en materiëele atomen, welke naar wij hopen thans in ons hunne meesterjaren vieren, zich te voren in hunne leer- en wandeljaren lang genoeg zoo goed mogelijk door de wereld moesten heenslaan. — Welnu, daar wij nog nimmer hebben ontkend, dat ons lichaam uit aardsche stof geweven is, zoo zullen wij in de eerste plaats ook nauwelijks iets er tegen weten in te brengen, als men de draden van dit weefsel lostornt en vraagt: wat waart gij vroeger, vóór wij u droegen; wat zult gij zijn, als wij, d. w. z. als ons geestelijk ik, het stoffelijke hulsel
117
van dit lichaam onzer verschijning weder versleten en dus zal hebben afgelegd? En evengoed als ieder kind gewillig leert, dat zijn bont rokje eertijds als wollen vlok den rug van een lammetje op de weide versierde, even züo gaarne, denk ik, laten wij wijzere kinderen ons leeren, hoe en waar deze lucht-, water- en potasch-vlokken, welke heden aan ons oog het licht en aan onze lippen den lach schenken, vroeger reeds haar aanzijn bepaalden, en wij hebben de keuze, een poëtischen jongeren Franschman of een ouden welbekenden Brit hierover te hooren. Zou men niet de ware en diepgevoelde vreugde, vraagt Louis Figuier, welke reeds enkel het aanschouwen van planten, bloemen en gewassen teweeg brengt, aan eene onbestemde herinnering, aan eene onbewuste deelneming kunnen toeschrijven? Ieder van ons heeft zijne lievelingsplant, eene bloem, welker geuren hij gaarne riekt, een boom, welks uitwaseming en schaduw hij bijzonder gaarne opzoekt. Eoüsseaü ondervond teedere gewaarwordingen bij den aanblik van het wintergroen en Alfred de Müsset had de wilgeboomen zóó lief, dat hij den later aan hem vervulden wensch uitsprak, dat een wilgeboom zijn graf mocht overschaduwen. Deze liefde tot de phintenwereld heeft in ons hart diepe en geheimzinnige wortels. Moet men niet in dit zoo natuurlijke gevoel een soort van onbestemde herinnering aan ons vroeger vaderland, een duister en onwillekeurig te voorschijn tooveren van dien groenen boom zien, waar de kiem onzer ziel voor de eerste maal zich voor het licht der zon, die machtige kweekster des levens, heeft ontsloten? Gij ziet het, hier is de adem der poëzie ver-frisschend over de dorre uitkomsten der ontbinding van bet naturalisme heengestreken. Wij waren dus bloem
118
en zullen bloem zijn. „Een goedgunstig\' gesternte beware mij,quot; kon een nar van Shakespeaee hierop uitroepen, „dat ik geen disteltop worden moge;quot; — voorwaar, vriend, zouden wij antwoorden, om vele gevierde gedachten van onzen tijd zou het waarlijk geen jammer zijn, zoo gij eens in zulke gedaanteverwisseling door een meester langoor genoeglijk werdt opgepeuzeld! — Deze wijze van beschouwing der stofomzetting is echter geenszins nieuw; — zonder de wetten der stofontbinding te kennen, heeft de groote zielkundige Shakespeare zich hier ook een kenner der natuur van planten en dieren betoond, waar hij zijne Ilamlefsche doodgravers in walging opwekkenden spot zich langs dezen gedach-tengang laat uiten: de mensch mest alle andere schepselen om zich te mesten, en zichzelven mest hij voor de wormen. En zoo kan dus een bedelaar met den worm visschen, die zich aan een koning te goed deed, en dan den visch eten, die den worm opat, en zoo wandelt de koning door de darmen eens bedelaars! — Hoe weinig liefelijk dit voor gevoelige ooren klinken moge, laat zich toch tegen de juistheid dezer bewijsvoering van het krachtigste gezonde naturalisme niet het geringste aanvoeren. En zijn wij slechts stof — zooals niet Shakespeare, maar het materialisme volstrekt wil, dan laat zich na deze wijsgeerige sluitrede, welke aan duidelijkheid, helderheid en eenvoud wellicht niets te wenschen overlaat, inderdaad ook volstrekt niets meer zeggen —; dan zou deze nu de eindbeschouwing zijn des levens en de eenige onsterfelijkheid die der stof en der atomen zijn, welke, omdat zij vooreerst niet van de aarde verdwijnen kunnen, steeds nieuwe verbindingen aangaan en om het even, of zij in de vorige zich behaaglijk gevoelden of
119
niet, iederen vooruitgang evenals iedere achteruitzetting met kalmte verdragen moeten. Hoe droevig verliep het met den held van Rome!
De groote Caesar toch, tot stof en leem vergaan. Ten schut voor \'t ruwe Noord, kon wel een gat beslaan: 0 ware toch dat stof, waarvoor de wereld beefde.
Door storm en weer gezweept, tot \'t aan de muren kleefde!
Zeer helder en duidelijk scheidt zich hier het naturalisme van het materialisme. Wij laten ons door het naturalisme vertellen, en bijaldien onze belangstelling in natuurwetenschap recht opgewekt is, door proefnemingen bewijzen, op welke manier deze stofomzetting plaats grijpt; wij hooren met opmerkzaamheid een college over de onvennijdelijk aanstaande lotgevallen van ons lichaam, zwijgen overtuigd, als ons gezegd wordt, dat het stikstofgas, het koolzuur- en het zwavelwaterstofgas, het ammoniak evenals de waterdamp zich in den dampkring verspreiden of in de vochtigheid van den grond oplossen moeten. En als zij zich in het water, dat den aardbodem drenkt, hebben opgelost, dan (vernemen wij) worden zij door de wortels der planten opgezogen, die in de naaste omgeving leven en dienen alzoo tot voeding en ontwikkeling der planten. Daar nu, zooals bekend is, wij levenden inademen wat de planten uitademen, moeten wij toestemmen, dat het geen overdrijving is als de dichter zegt: „in de bloemen bloeien onze doodenquot;, — wij levenden ademen steeds, op kerkhoven wandelende, vervluchtigende menschenatomen, om zelve door onze nakomelingen weder te worden ingeademd.
De militaire bezetting van het oude castellum romanum (Romeinsch kasteel) aan den Donau, de Avaren en Hunnen, die in dichte drommen Vindobona (Weenen) belegerden
120
en insloten, de Turksche legers, die rondom de muren van Weenen golfden en de vlakten in den omtrek met hun bloed rijkelijk drenkten, — de natuurwetenschap verzekert ons, dat zij allen nog bestaan, zij zelve evengoed als de oude Komeinsche mijlsteenen of de verroeste Turksche sabels, welke hier en daar nog door de ploegschaar werden opgedolven.
Wellicht dat de vreemde soort van besluitelooze karakters, welke wij heden niet zelden ontmoeten, zich op materialistische wijze uit deze zonderlinge mozaïek van Romeinsche, Hunnen- en Turken-atomen voldoende laat verklaren! — Gij ziet: voor de verbeelding, die hier schertsend, als zij wil, en spelend de ernstige wetenschap mag vergezellen, opent zich een wijd veld, zoo zij soms tot verdere uitwerking dezer gedachtenbeelden nog de trekvogels ter hulp wil nemen en den droom overdenkt, hoe deze op de wondervelden van Egypte zich voedden en daarna wellicht in hun Noordsch vaderland de tafel van een gulzigaard sieren moeten en hem zoo den uitgezochten kost van een vluchtig insect aanbrachten, dat van het bloed eens pacha\'s snoepte; — laat dit alles zoo zijn, het zal ons, meer of minder indruk makende, toch niet kunnen afstooten, want hoe zoude de erkenning van de wondervolle wijsheid der huishouding van moeder natuur ons kunnen schaden? — zij zal met haar overleg, dat niets wegwerpt en met hare matigheid, door welke zij ook de armzalige overblijfsels van den grootsten schurk nog goed weet te benutten, ons zeker een voorbeeld van huiselijke spaarzaamheid zijn; — zoodra echter het materialisme van een Büchner met zijne talrijke aanhangers en nog talrijker nababbelaars ons deze onsterfelijkheid der stof, want dat is het, als de etnig en alleen
121
bestaande, welke hij kennen en gelooven wil, aanprijst, als hij het geheim der natuur en van al het leven slechts „in een eeuwigen, in en door zichzelven gedragen kring beslotenquot; vindt, waarbij oorzaak en werking zonder einde en begin aaneengeknoopt zijn, zooals het bij Büchner heet, wanneer wij dit als laatste openbaring moeten aannemen, dan zullen wij ons in het vreugdevolle bewustzijn van al de krachten des geestes in ons, die, voor de eeuwigheid bestemd, eerst in deze hare volle waardeering kunnen vinden, in het bewustzijn van al de eischen, welker vervulling deze spanne tijds nimmer toelaat, in het gevoel, dat het beste, wat wij het onze noemen, onvernietigbaar is — ons met volle geestkracht tegen eene dergelijke onsterfelijkheid verklaren. Ons beter ik kant zich evenzeer tegen dat vernietigd worden als tegen die wijze van voortleven, welke het materialisme ons alleen voorspiegelt. Het is de stem van een edelen gevangene in ons, die roept: „Zoo kan het niet zijn — ik ben meer dan eene huppelende bloedgoif, dan eene vluchtige spanning der zenuwen, ik ben eene tot zelfstandig bestaan bestemde kracht!quot; — In trouwe, die naturalistische beschouwingen konden wij ons alleen laten welgevallen, omdat wij wisten, dat zij slechts de eene zijde van het beeld vormen, dat zij slechts de keerzijde van een muntstuk zijn, welks voorvlakte het schoone, aan uitdrukking rijke kop-beeld van levendig onontbindbaar geestesleven vertoont. Heeft het materialisme gelijk, dat het geheele leven slechts cirkelloop van stof en kracht is, dat dit ringrijden der atomen van eeuwigheid tot eeuwigheid duurt en ten slotte daarbij niets te voorschijn treedt en niets overig blijft, en de wereld steeds weder op dezelfde plaats staat als de kinderen in den
122
carrousel, nadat zij zich ettelijke malen hebben laten ronddraaien, — dan zou ik voor dit leven geen treffender beeld wetenl dan dat, wat Goethe in de heksenkeuken van zijn Faust beschrijft, waar de jonge katten haar eigen staart pakken en met innig welbehagen zich in een kring om ziehzelve heendraaien.
Het is een rechtaf troosteloos slottafereel, waarvoor het materialisme ons hier plaatst, en troosteloos als dit is ook de gezichteinder, die zich van hieruit tot in de zedelijke wereld openbaart; — indien wij maar den richtigen weg volgend voorgaan en het materialisme willen dwingen, zijne gevolgtrekkingen zonder voorbehoud te maken! Maar dit vermijden zijne woordvoerders gaarne, zooals blijken zal!
Zoo is dan, naar wij hopen, die onzekerheid verdwenen, welke niet wist, of zij over den Hamlet\'schen koning, die door het lichaam van een bedelaar wandelt, lachen of zich verbazen moest. Wij verstoorden de kringen niet van het naturalisme, dat de natuur „natuurlijkquot; wilde beschouwen, wij wezen zijne boodschap niet af; en zoo wij naar deze zijde in het toestemmen zelfs verder gingen dan menigeen aangenaam was, dan bedenke zulk een bezorgd gemoed, dat wij alleen zóó handelden, om zoo groot aantal mogelijk van hen, wien onderzoek en proefondervindelijke wetenschap in het hart gegrift zijn, toch nog tot ons over te haleia en hen aan te werven als medestrijders tegen dat materialisme, dat maar al te gaarne iederen naturalist en realist, eiken man vol van natuurwetenschappelijk streven, als tot hem behoorende beschouwt.
Tegen dit materialisme, dat ontbinding alles en geestelijk leven niets acht, dat bij de duizend raadsels
123
die ons omgeven het grootste raadsel verzint: dat uit het onbewuste bewustzijn, uit noodzakelijk gevoel van vrijheid en uit zonnestralen, die over een stilstaand water broeiden, de gedachte aan God en onsterfelijkheid te voorschijn kan kruipen, — tegen deze richting, die met den grooten sterrenkundige, maar kleinen wijsgeer Laplace spottend zegt: „Ik heb den hemel met mijne telescopen belegerd, maar God er niet in gevondenquot;, of met Stradsz hoonend. beweert, dat aan het moderne natuuronderzoek voor hemel en hel — „het lokaalquot; ontbreekt, — tegen deze richting, die ideeën in opzettelijk misverstand met verrekijker en meetstaaf onderzoekt, die van de hoogste en heiligste voorwerpen der godsdienstige aandacht met een Voltairiaansch: „Ecrasez Vinfame\'\'\'\' (verpletter het afschuwelijke) zich afwendt, die het denkbeeld van een inde wereld levenden, werkenden God zóó weinig verstaat of verstaan wil, dat zij er niets beter op weet, dan hem spottend (met Gaspari in het „buitenlandquot; 1874) met een polyp (veelarmig weekdier) te vergelijken, welke met zijne geheimzinnige vangarmen het ruim heelal in al zijn deelen en deeltjes tracht te doorwoelen, — tegen dit materialisme, dat de oplossing van het raadsel des menschen van eene nog te ontdekken fossiele (door opgraving te vinden) apensoort, welke het verbindende lid tusschen mensch en dier moet daarstellen, alleen afhankelijk kan maken, — tegen dezen erfvijand van gezonde gedachte en wijsbegeerte richten wij nu het overschot van ons eigen, naar wij hopen, nog tamelijk „gezondquot; verstand. Deze zal onze volgende taak zijn: de samenvattende critiek. Wat er tot hiertoe reeds zoo uitzag, was slechts voorposten-schermutseling, die het stelsel van krachtig algemeenen aanval miste.
124
De critiek liet zich niet altijd van de uiteenzetting scheiden. —
En zoo hebben wij dan heden, volgens onze vooraf gegeven aankondiging, met de wortels van dit stoffelijk aanzijn genoeg ons bezig gehouden, en de wijsgeerige beschouwing van onzen mol in den aanvang heeft u waarschijnlijk niet bevredigd. Welaan, staat ons dan toe eenen volgenden keer deze aan eene strenge critiek te onderwerpen en laten wij dan ten slotte ons nog eens vereenigen tot de schoonste taak: de rozen van feestelijker gedachten, zooals zij hoven de grauwe aardkorst in de lucht des hemels zich heen en weer bewegen, dankbaar en verheugd te plukken.
III.
Heden vertoon ik u twee reizigers. Eerst een fris-schen knaap, door zijn vader daareven met honderd goede lessen en door zijne moeder met evenzooveel gebeden en zegenwenschen naar de hoogeschool gezonden, wien het:
„niet rusten en niet roesten —
de allerzonnigste zonneschijn zal ons des hemels deel zijn!quot; —
op het onbewolkte voorhoofd geschreven staat, van wiens lippen vroolijke liederen vol van levenslust en zucht tot ondernemen opwellen, al wiens hopen en gevoelen, denken en streven als een lofpsalm is op de „schoone wereld van God:\', in welke hij jubelend uittrekt! — Vaarwel, gij zijt voor heden slechts vluchtig door ons gegroet, met u medereizen mogen wij heden nog niet! —
Daar is de andere reiziger. Mismoedig en verdrietig maakte hij, een grimmige oude vrijer, zich gereed tot uitgaan op een onvriendelijken Novemberdag. Het loopt naar den middag en nog had men de walmende lamp noodig om aan de kleine tuinkamer iets van de hemelgave, welke men licht noemt, mee te deelen. En hij begint zijn pelgrimstocht in den sneeuwstorm met een aangezicht, waarover „geen spin zou kruipenquot;, zooals mijn berggids in Tirol zulk een prachttronie beschreef — en het loflied, dat deze op wereld en leven dichten zal, zou ik niet gaarne op muziek gezet hooren; het zou mij zijn, als hoorde ik iets van een ,ellendig jammer-bestaanquot;. —
126
Aan het einddoel onzer gedachten-reis van heden, welke volgens aankondiging eene eritische moet zijn, zullen wij menschenhaters, Novemberweer en jammer-bestaan weder ontmoeten, het geheele driemanschap echter niet willekeurig te voorschijn geroepen, maar zich aan ons opdringend als onloochenbaar gevolg van het vroeger gevondene.
Wij stelden ons heden de samenhangend verband houdende beoordeeling der materialistische wereldbeschouwing tot taak. Om duidelijker aan te toonen wat wij willen — of liever niet willen — vatten wij onze bedenkingen in de volgende negen, naar rangorde uiteen te zetten, strijdstellingen samen, waaruit moet blijken, dat het materialisme geheel ten onrechte als een geestelijk veel-heerscher van de tinnen der daken zijner vermeende wijsheid, op de velden des levens,als over geheel onderworpen en onderdanig gemaakte, hoogmoedig roemend nederziet.—
1. Terwijl het materialisme in den mensch slechts een voortbrengsel der natuursto^few ziet, kan het het eigenlijke geheim van het menschelijke bestaan, de daadzaak van het „zelfbewustzijn^ niet verklaren.
2. Terwijl het materialisme den mensch, evenals alle andere schepselen alleen aan de natuurwezen laat onderworpen zijn, loochent het het begrip der vrijheid, maar weerspreekt juist hierdoor het feitelijk bestaan van het zedelijke gevoel van vrijheid in den mensch.
3. Met de vrijheid moet het materialisme ook iedere zedelijke verantwoordelijkheid verwerpen, daar deze het noodzakelijk gevolg der vrijheid van het individu is; en hiermede weerspreekt hetzelve nogmaals eene daadzaak van de innerlijke ervaring, namelijk het geweten,
127
welks bestaan alleen slechts door het gevoel der verantwoordelijke vrijheid kan verklaard worden.
4. Zijn echter vrijheid en verantwoordelijkheid een droom, zoo vervalt daarmede ook ieder recht der eischen van de zedenwet en van den godsdienst; het materialisme ondermijnt alzoo de grondslagen der zedenleer en van den godsdienst, welke beide op vrijheid en geweten steunen.—
5. Met godsdienst en zedenleer vallen echter opvoeding en openbare rechtspleging volgens haar karakter weg, en tevens de bestaande burgerlijke orde van zaken. Het materialisme maakt eigenlijk de opvoeding tot een droombeeld en baant den weg voor eene rechtsbeschou-wing, welke slechts den dank des misdadigers verdient; en voert alzoo volgens logischen gedachtengang tot omverwerping der instellingen van de menschelijke maatschappij.
6. Omdat de natuur uitsluitend het beginsel van zelfbehoud, dus van het egoïsme kent, kan het materialisme, terwijl het den mensch tot natuurwezen verlaagt, de verschijning van die edelste geesten der menschheid, die de zelfopoffering en toewijding als het hoogste beginsel der zedenleer en van den godsdienst aanprezen en betrachtten, niet begrijpen en zou deze eigenlijk, omdat zij tegen de natuur in handelden, voor zieken en gekken moeten uitmaken. Het materialisme veroordeelt zoodoende de eigenlijke weldoeners der menschheid — en treedt hierdoor tegen zichzelf in het gericht!
7. Tot verklaring van de bestaande wereld biedt het materialisme in stede van de Godsgedachte, welke het verwerpt,eene onpersoonlijke, onbewuste, in de stof wonende kracht, welker bestaan het toch maar niet bewijzen kan;
128
het stelt dus ia plaats van het bespotte dogma van God een nieuw ^leerstelselquot; van de eeuwige kracht, dat ten eenenmale ontoereikend blijkt te zijn tot verklaring der gewichtigste daadzaken des Levens! —
8. In plaats van eene voortgaande veredeling van het menschengeslaeht en eene langzamerhand voldongen zegepraal van verhevener gedachten, ziet het materialisme in het wereldproces slechts een vruchteloozen omloop der stoffen zonder doel en eindwit, waaraan het individu reddeloos onderworpen is, maar ondermijnt hiermede iedere verhevene inspanning en wederspreekt machtige gewaarwordingen des menschen, die bij het naderen van den dood hare uitdrukking vinden; — en heeft zoo doende eindelijk en onvermijdelijk:
9. Tot practisch gevolg de meest troostelooze aller wereldbeschouwingen, die van het pessimisme, dat als het grootste kwaad des levens „het leven zélf\' aanduidt en als hoogste wijsheid van dit bestaan zijne vernietiging, alzoo den zelfmoord moet verheerlijken.
Deze reeks van zware, maar noch overdrevene noch onbewijsbare bedenkingen moeten wij nu in haren samenhang verklaren; en het zal blijken, hoe de eene bedenking uit de andere met de onverbiddelijke logica der noodzakelijke opeenvolging van gedachten zich ontwikkelt. Op zulk eene noodzakelijkheid mogen wij echter hier te meer klem leggen, omdat dit begrip een hoofdwapen is in de wapenzaal van het materialisme, — dat, helaas! juist altijd daar dienst schijnt te weigeren, waar deze noodzakelijke gevolgtrekking-en aan de helden zelve ongewenscht — omdat ieder gemoedelijk gevoel beleedi-gend is — zich voordoen.
Wij beweerden ten eerste: Terwijl het materialisme
129
in den mensch slechts een voortbrengsel der natuurstoffcn ziet, kan het de eigenlijke verborgenheid van het menschelijke bestaan, de daadzaak van het zelfbewustzijn, niet verklaren.
Het naturalisme verhaalde ons reeds, dat de keuken der natuur slechts veertien bestanddeelen behoeft om een mensch gaar te koken; dat deze stoffen in gestadige vloeiing, opname en afgifte-balans, in voortdurende wisseling (vandaar „stofwisselingquot; het tooverwoord des levens) zich bevinden. Gij weet ook reeds, dat dit inderdaad „allesquot; is, wat zich over het leven zeggen laat, volgens aanzegging van het materialisme. Wij namen daar genoegen met de boodschap; maar hier vragen wij : van waar de daadzaak van het zelfbewustzijn? Hoe komt dat plotseling tot stand? Gij herinnert u onze wijsgeerig-geschiedkundige rondreis, op welke gij zulke lieden hebt ontmoet, die, diepzinnig van dit ik-bewustzijn als het eenig zekere en onomstootelijk vaste punt in dezen stofvloed uitgaande, de wereld hunner gedachten opbouwden —, en ook daarentegen zulke lieden, die lichtzinnig dit ik, dit afgerond „ik benquot;, deze eenheid van voelen, denken, willen als een droombeeld zonder inhoud, eene nietswaardige — zelfs gevaarlijke zinsbegoocheling verwierpen, en aan deze reikt het materialisme in verheugde verstandhouding de hand. „Wat wij ik, ziel, persoon noemen,quot; zegt Spencer, „is slechts het juist op een gegeven oogenblik bestaande samenvoegsel van reeds bestaande en in wording verkeerende gewaarwordingen en begrippenquot;, — met andere woorden minder hoogdravend en waanwijs gesproken: ziel is slechts een koppelnaam, de som van een voorbeeld van optelling, eene enkelvoudige aanduiding voor een ieder oogenblik veranderend veelvoud van gewaarwordingen, waarne-
130
mingen, zinsopwckkingen; niets inwendigs, maar slechts eene schijnbaar innerlijke werking van louter verstrooide, toevallig samenvloeiende uitingen — eene opeenvolging van golven en druppels, als ik u aan ons Donau-beeld mag herinneren; — „louter eene werking van het rugge-merg, hiermede gelijktijdig ontwikkeld.quot; — Hiertegen brengen wij eene dubbele bedenking in:
a. De innerlijke onomstootelijke ervaring des menschen weerspreekt geheel en al deze theorie. Wij weten het, of\' moeten het althans op het woord der natuurkenners gelooven, dat wij heden zelfs niet één stofje van dezelfde bestanddeelen meer aan ons dragen, die vóór tien of zelfs zeven jaren ons organisme vormden, en desniettegenstaande heeft dit veranderende leen- en menghuis met dagelijkschen invoer en uitloozing, dat wij de eer hebben te vormen, nog steeds het gevoel, hetzelfde ik, dezelfde persoonseenheid te zijn; — niets is meer aanwezig — en alles is nog aanwezig, namelijk het „ik benquot;; ik ben hetzelfde ik, dat vóór twintig jaren geheel anders dacht, voelde, wilde, streefde, leefde, sprak en handelde; — ik weet eigenlijk niet, wat niet zou veranderd zijn in mij, aan mij, om mij heen —, slechts dit: ik hen het nog, ben nog hetzelfde individu, hetzelfde van anderen onderscheiden zelfstandig enkelvoudig wezen; te midden der wisseling van stoffen bleef ik onveranderd, in het vloeien vast, bij het komen en gaan van lucht, water, eiwit, vet was mijn ik altijd te huis; ik ben waarlijk niet enkel het wisselkind dezer aanmatigende stoffen. Zoo spreekt een onmiddellijk gevoel, gelijk ieder moet toegeven. — Wij wezen ter voorbereiding reeds vroeger op deze denkbeelden. — Dit ik-gevoel, dit persoonsbewustzijn is
131
het eigenlijke middelpunt van ons wezen, zooals ieder bij nadenken en onderzoek gemakkelijk aan zichzelven kan waarnemen. Hoe sterk ook de beelden op de oppervlakte van ons leven veranderen, hoezeer ook de uitwendige wenteling der gewaarwording versneld of vertraagd moge zijn geworden, hoe menigvuldige en tegenstrijdige indrukken ook door de stralen der zintuigen naar binnen werden getelegrafeerd — het middelpunt bleef ongedeerd, onaangeroerd —; ik gevoel het, ik hen dezelfde, de toen liefhebbende, nu hatende, eenmaal geloovende, nu twijfelende; — „andersquot; ben ik, maar geen ander.
b. Maar als het eens begoocheling en bedrog ware, dit zelfbewustzijn.\' Zoo wil het toch het materialisme. Dan is het wonder nog grooter. Zelfs het tot stand komen eener bedriegerij, zelfs een fata morgana (bedrieglijk spiegelbeeld^ wil verklaard worden! —
Hoe ter wereld, zoo vragen wij vol van overgroote verbazing, hoe brengen het die ongelukzalige stoffen tot dit bedrog van het zelfbewustzijn? Diezelfde stoffen bestaan in millioenen wezens; zij bestaan, maar weten niet dat zij bestaan, d. w. z. zij hebben geen zelfbewustzijn. De boom, de rots, het dier is er, maar kan niet zeggen: ik ben er, heeft geen bewustzijn van zichzelven als denkend individu-, en juist dat is het voorrecht en het geheim van het menschelijke bestaan! Alleen de mensch als in zichzelven afgeslotene persoonlijkheid kan zeggen: ik denk na over mijn eigen denken, ik gevoel mijne gewaarwordingen, ik beoordeel, berisp of prijs mijn eigen willen en doen, — ik weet, dat ik als een bijzonder wezen in de wereld besta. — Daarin ligt het groote onderscheid tusschen den mensch en alle andere schepselen. De plant heeft gevoel, het dier gave van opmerking, —
132
maar wij hebben geen bewijs, dat ooit eenig ander schepsel in staat was, zichzelven, dat is, zijn eigen denken, voelen en willen tot voorwerp zijner overpeinzing, zijner beschouwing te maken; slechts in den mensch bestaat dit tweevoudige: — een overdenkend en een overdacht iets, een onderwerp en een voorwerp tevens; ik denk over mij zeiven, over het hoe ik ben te allen tijde; — het ik, het onderwerp, is het vaste, het blijvende; het voorwerp verandert zijn wezen, het dat-zijn blijft, het hoe-zijn verandert. — Op deze gYonddaadzaak in het menschelijke wezen berust de grondeiscA, die op het menschenleven wordt toegepast, die eisch, welken reeds het heidendom in juiste erkenning zijner grondleg-gende beteekenis op de eerste zuil van zijn heiligsten tempel schreef, dat yjüOi ü-irh-l-j „ken u zeivenquot;\\ Deze eisch stelt een tweevoud op den voorgrond, een kennende en een gekende; alleen tot den mensch kan hij gericht worden; slechts hier kan het ik, de geestelijke persoon, beschouwing openen over de wijze van zijn, willen, voelen en doen van den naar buiten zich vertoonenden mensch. Alleen door het aannemen van eene zelfstandige kracht des geestes wordt dit tweeledige der zelfbeschouwing verklaarbaar. Hier staat het materialisme voor het grondraadsel van het menschelijke wezen, dat het met zijne middelen niet kan oplossen.
Er bestaat eene onoverkomelijke kloof, zooals knappe natuurkundigen en physiologen erkennen, tusschen bepaalde bewegingen van bepaalde hersendeeltjes en de gronddaadzaak, welke ik noch loochenen noch bepalen kan: ik gevoel smart, ik proef iets, ik hoor een orgeltoon. Geheel dezelfde physieke gebeurtenis is het, wanneer van een boom een tak, als wanneer van een mensch een
133
lid wordt afgesneden; of zoo de vorst eene plant aantast, als wanneer zij een mensch overvalt; maar bij die samenstelling der stoffen bestaat er geen ik, dat zeggen kan: ik voel. Het is op geenerlei wijze te begrijpen, boe uit de samenwerking van een aantal atomen, zooals koolstof, waterstof, stikstof, bewustzijn als som daarvan kan ontstaan. En in zijn geschrift over de grenzen der natuurkennis wijst Dübois-Eeymokd hierop, dat bij het huidige standpunt onzer kennis het bewustzijn niet uit stoffelijke bepalingen kan verklaard worden, ja, dat door middel van de dingen zelve nimmer eene verklaring daaruit mogelijk is!
Dit stemmen wij geheel en ten volle toe. Het is toch waarlijk geheel onbegrijpelijk, hoe en waarom deze veertien stoffen, die overal weven en zweven, die uit planten ademen en uit rotsen stollen, uit zonnen licht geven en uit moerassen damp verspreiden, nu zoo op eenmaal door hare bloote verbinding het ik-bewustzijn, het bewustzijn der besloten eenheid des menschen moeten geven — zelfs als het werkelijk slechts begoocheling ware! Geen der veertien stoften heeftop zichzelf genomen bewustzijn en in hare verbinding zou de som eensklaps heeten: bewustzijn. In het geheel kan echter nooit meer begrepen zijn dan in de deelen; dit is eene hoofdstelling der natuurwetenschap —; hoe komt dau hier het geheel tot bewustzijn, terwijl dit toch in geen der deelen te vinden was? —
Maar laten wij een vertegenwoordiger der materialistische wereldbeschouwing vragen, wat hij ons hierop te zeggen heeft. Kenmerkend is hiervoor de plaats in Büchner\'s laatste redevoering (over het Godsbegrip); het heet daar (bladzijde 53): „wanneer zich dit vrije denken
134
op eene zeker tot heden nog onverklaarbare en wellicht altijd onverklaard blijvende wijze uit het eeuwige spel der atomen loswringt.quot; — Welk een onverklaarbaar wringen van onverklaard blijvende woorden is dat! — Het denken dus, het zelfbewuste, ontwringt zich aan het spel der stofdeeltjes. Maar hoe dan? vragen wij. „Dat weet ik niet/\' zegt het materialisme. „Bewijs het ons,quot; eischen wij. „Dat kan ik niet en zal het waarschijnlijk nimmer kunnen,quot; antwoordt het. Welaan, dan zal het materialisme ons niet kwalijk mogen nemen, indien wij omzien naar eene gelukkiger verklaring der daadzaak van het zelfbewustzijn. — De bewering van het materialisme, dat slechts wat onder het bereik der zintuigen valt waarheid en werkelijkheid bezit, moet ons na al het besprokene reeds hier in den aanvang onzer critiek als eene hoogst zonderlinge vergissing toeschijnen, want wij erkenden in het zelfbewustzijn eene daadzaak der innerlijke ervaring, welke uit het onder de waarneming der zintuigen vallende volgens eigen bekentenis van het materialisme zich niet liet verklaren. — En zoolang men ons van gindsche zijde den eisch stelt, te gelooven, dat dit zelfgevoel des mensehen op onverklaarbare wijze zich uit het spel der stoffen en stofdeeltjes loswringt, zoo lang zullen wij antwoorden: gij kunt dit niet verklaren, daar zich gewoonlijk niets loswringt; maar dit zelfbewustzijn is de geestelijke gronddaadzaak van het mensche-lijke wezen; het Archimedes-punt in den mensch, van waaruit hij de beweging van het wentelende heelal rustig gadeslaat; de rots te midden van de branding der op- en neervlietende bloedgolven; het van de stoffen onathankelijke, boven deze stoffelijke wereld bestaande onsterfelijke in den mensch; de onoplosbare en onver-
135
nietigbare kern, het blijvende goddelijke en eeuwige in dit verzinnelijkt lichamelijke. Terwijl dus het materialisme terstond bij den aanvang zijner beschouwing van het wezen des menschen reeds aan het einde van zijn vernuft („onverklaarbaarquot;) is aangeland, zien wij ons hier voor het begin van de idealistische wereldbeschouwing geplaatst, welke in het ik, in het persoonsgevoel, in het zelfbewustzijn des menschen het goddelijke onderpand zijner hoogere bestemming duidelijk en dankbaar erkent; weshalve ook de belangrijkste idealistische stelsels op deze daadzaak zich grondvesten. — Hieraan ketent zich onze tweede bedenking. Terwijl het materialisme den mensch, evenals alle andere schepselen, enkel aan de natuurwetten laat onderworpen zijn, verwerpt het het begrip der vrijheid, maar weerspreekt juist hierdoor het werkelijke voorhanden zijn bij den mensch van het zedelijke gevoel der vrij heid.
Is het zelfbewustzijn een bedrieglijk „niets,quot; dan behoudt de mensch geen wezenlijken voorrang boven alle andere schepselen; dan is hij evenzeer slechts natuurwezen en als zoodanig onverbiddelijk aan den dwang der natuurwetten onderworpen. Zoo passen de naast elkaar liggende schalmen der materialistische keten van bewijsvoering ineen.
„De mensch is enkel natuurwezen,quot; zoo luidt de aanvangende en de slotparagraaf van het materialisme, een hooger werveldier, tot den aap van de hoogste rangorde veel meer naderend dan deze van zijnen kant tot de lagere soorten van zijne familie, zooals Haeckel ons leeraart. Boven deze inrichting van het natuurlijke leven, dat volgens waargenomen wetten der natuurkunde plaats grijpt en hierdoor aan de noodzakelijkheid moet
136
gehoorzamen, daarboven bestaat er niets. — Dat is waar, de natuur kent slechts noodzakelijkheid-, daar is geen keuze en geen redding, geen medelijden, geen ontzien, daar wordt niet gevraagd: zou ikV zou ik niet? alleen een onverbiddelijk ik moet-, evenmin: mag ik? mag ik niet, maar altijd weer: gij moet, en nogmaals: gij moet. Voor zoover nu de mensch natuurwezen is, staat hij voorzeker onder deze noodzakelijkheid, —gij moet eten en drinken, moet ademen en slapen — de natuur eischt, dwingt af haar recht; — dat weten wij ook; maar terwijl het materialisme nu den mensch tot enkel natuurwezen verlaagt, plaatst het al zijn (des menschen) doen en handelen onder deze wet der noodzakelijkheid. De mensch is in werkelijkheid even onvrij als ieder ander schepsel, zegt Büchner volgens zijne onderstellingen terecht. Alleen oppervlakkige beschouwing kon de daden der volken, evenals die der enkele menschen, voor uitvloeisels van een vrijen en zelfbewusten wil aanzien. — Zoo heet het hier dan ook maar: gij moet zoo denken als gij denkt —■ uwe voeding dwingt u hiertoe; gij moet zoo handelen als gij handelt — uwe bewerktuiging eischt het; gij moet geheel zoo zijn als gij zijt — uwe stofwisseling bepaalt dit; gij moet over het algemeen in alles, — evenzoo als ook de plant hare wortels in de diepte en hare ranken naar het licht richten moet; voor den vrijen wil blijft er geen speelruimte.
Het blijkt, dat de mensch hierdoor volkomen op ééne lijn met het dier is geplaatst; dit moet toch ook zijne „natuurdriftquot; volgen! — Wondervreemde tijd, de onze! Aan de eene zijde grenzenloos overdreven in zelfverheffing en zelfschatting, aan de andere zijde bovenmate bescheiden door eigen geringachting. Eerst plaatst zich
137
de tijdgeest boven God, — en terstond daarna naast — of onder het dier. Het zou erg belachelijk zijn, als het niet hoogst treurig ware! —
Met de materialistische loochening der vrijheid is der menschheid do parel uit de kroon gebroken. —
Maar, zooals gezegd is, men wil dat. Men wedijvert, het dier in dezelfde mate te verheffen, als men den meusoh vernedert. Wij zullen daarvan nog proeven hooren. — Steaüsz mokt tegen Joden- en Christendom, dat het eerst de kloof tusschen mensch en dier zou opengereten hebben! Toch had hij waarlijk uit zijne vroegere godgeleerdheid nog kunnen weten, dat het oude Jodendom bijv. de zeer humane wet had: „Gij zult den os, die daar dorscht, niet muilbandenquot; — of: „De rechtvaardige erbarmt zich over zijn veequot;, — en verder, dat de Christelijke catechismus eene bijzondere afdeeling had met het bovenschrift „plichten van den mensch tegenover de dierenquot; —! Ook Schopenhauer maakt zich moeielijk over de , dier verachters op Joodsche wijze, die niet willen inzien, dat het wezenlijke en voornaamste bij mensch en dier hetzelfde isquot;! — Volgens deze leer wordt dus het instinct van het dier als: „de diepst inwendig liggende kern van zijn wezenquot; op gelijke lijn geplaatst naast het karakter, dat voor geheel het doen en laten van den mensch de maat aangeeft. Het berust, volgens het „beginsel van het onbewustequot;, werkelijk op eene — voor een kleiner deel persoonlijk door gewoonte verkregen, voor het grootste deel overgeërfde — herseu- en lichaamssamenstelling. — Zoo zou volgens deze opvatting de vrijheid des menschen volkomen gelijk nul zijn. Bij het instinct van het dier treedt iets, ik zou haast zeggen, in gereede gedaante voor het
138
bewustzijn, met den omveerstaanbaren drang tot de practische uitvoering. De mensch echter moet bij iedere zedelijk weegbare daad zich voorbij den tweesprong van een „zou ik of zou ik niet?quot; heenwerken, en al naar gelang der wijze van zijne keus en beslissing vormt, sterkt en hardt zich juist aan dezen beslissenden hoek zijn karakter! Dit is het groote onderscheid, dat het materialisme voorbijziet, waar het karakter en instinct gelijkstelt.
Tegen deze verdierlijking van den mensch, tegen deze natuurdrift-dwang-theorie verklaren wij ons — evenals boven bij het zelfbewustzijn — onder verwijzing naar eene daadzaak van de innerlijke ervaring.
Wij allen dragen in ons om een gevoel, dat wij niet enkel aan eene wereld toebehooren, in welke het heet: gij moet, omdat de natuurwetten u dwingen, maar ook nog aan eene andere, in welke eene hoogere noodzakelijkheid spreekt: gij moet, zoo gij niet de berisping, den afkeer, de verachting van alle edele menschen u op den hals halen, niet in eigen schatting verachtelijk wilt worden; dit ^moetenquot; is een geheel ander, ja, ofschoon op zedelijke vrijheid van den wil steunend — echter oneindig krachtdadiger eischend dan dat: gij moet ademen, drinken en slapen. — Wij allen hebben uren. waarin wij ook duidelijk genoeg de stemmen dier twee geesten in onze borst vernemen, die in de ziel van Faust zoo heftig met elkander streden — „Twee geesten wonen, ach, in mijne borst!quot; — mogen ook wij uitroepen, namelijk die der gebiedend eischende aardsche stof en die, welke ons de voorschriften en vorderingen van eene hoogere wereld der vrijheid voorlegt en door de vrije macht van inwendige overreding en overtuiging ons zoo gaarne aan zijne zijde trekken zou.
139
Het is niet waar, zoo spreekt een God in ons, dat de beker des levens naar dezelfde grondregels gevuld en geledigd wordt — of daarbij „een koninkrijk, een mensch of een grashalm in het spel zij.quot; — De wetten, aan welke de grashalm gehoorzaamt en door welke de eikeboom valt, zijn ontoereikend voor de geheele wereld, die in den mensch het aanzijn verkrijgt. De boom moet steeds den invloed gevoelen van lucht, bodem, klimaat; ja, zooals hij voor ons staat, is hij slechts de som van louter invloeden —; niets, geene ader is bij hem voortbrengsel eener vrijheid; alles is bepaald, afgedwongen; — de menscli kan onder ieder klimaat zedelijk handelen; — lucht, menschen, omstandigheden kunnen bevorderlijk of hinderlijk, zijn streven verlichtend of verzwarend invloed oefenen; hij kan zich laten be-heerschen, maar hij moet het niet — steeds blijft in hem een allerheiligste, waarbinnen de onheilige voet van het „gij moetquot; der natuur niet kan doordringen. —
Wie gevoelde niet in zijn binnenste iets van die vrijheid, die zelfs aan den in ketenen geborene niet kan ontnomen worden, der vrijheid van het zedelijk denken, van het verheven edele willen en streven? Wat antwoordt nu het materialisme, wanneer wij op dusdanig ons zedelijk gevoel van vrijheid ons beroepen, welks aanwezen men wel is waar hem niet kan bewijzen, die het in zich zeiven doodde, maar nog veel minder ons kan loochenen, omdat wij het als onze dierbaarste menschelijke bezitting in het heiligdom van ons gemoed onschendbaar bewaren?
Het materialisme heeft de stoutmoedigheid te beweren: wat gij vrijheid noemt, is slechts bedrog en schijn, — droom — ij dele seZ/Verblinding.
Maar welk een ontzettende caricatuur van het
140
mensehdom doet zich hier aau ons voor! — Dus was het strijden van edele, zedelijk grootsche persoonlijkheden, dat op het bewustzijn hunner vrijheid steunde, gebouwd op eene groote vergissing! Zij beschouwden zich als vrij-, daarom streden zij nog met hun laatsten droppel bloeds voor waarheid en recht, verhevenheid en zedelijkheid, veredeling en verheffing des menschen boven de lagere wereld der zinnelijkheid en der hartstochten — en zij waren bij dit alles slechts de dienstknechten eener ijzeren natuurnoodzakelijkheid — en geleken in het allergelukkigste geval op dat vogeltje, dat zijne gruwelijk goedige meesteres eenige vrijheid wilde laten genieten; daarvoor bond zij het een draad aan den poot, liet het vliegen juist zoover als de draad dit mogelijk maakte, dan palmde zij den armen gevangenen vrije weder in tot zijne vrije gevangenschap! —
Maar het materialisme staat hier weder voor het raadsel des levens als iets wat onopgelost is: van waar dit gevoel, dit onbestemde verlangen naar vrijheid bij den mensch; als hij louter natuurwezen moet zijn, kan toch de natuur niet een zoo onnatuurlijk iets als dit gevoel van vrijheid in hem geplant hebben! Immers de natuur heeft nergens vrijheid, en hare schepselen gevoelen haar niet; wat zij echter niet bezit, kan zij niet wegschenken; is dus de mensch natuurwezen, van waar heeft hij het gevoel eener zedelijke vrijheid; van waar deze strijd in hem tusschen lageren natuur wil en hoogeren zedelijken wil? — Wij zouden hier met de materialisten kunnen handelen zooals Socrates in zijn tijd met do sophisten (drogredenaars), hen namelijk in hun eigen netten vangen. Zij zeggen: al het denken en gevoelen is natuurnoodzakelijkheid, vrijheid bestaat er niet. Goed;
141
dientengevolge is toch ook ons denken en gevoelen noodzakelijk, door de natuur bepaald. Maar wij gevoelen toch vrijheid en moeten de gedachte der vrijheid denken — dus is ook de gedachte der vrijheid noodzakelijk! Maar is zij noodzakelijk — waarom betwisten zij haar ons, — wij kunnen het toch niet helpen! — Maar wat noodzakelijk is, heeft recht van bestaan in de natuur, is dus richtig. Bijgevolg is ons gevoel van vrijheid richtig!
En dezelfde Büchner, die geest en wyheid materialistisch loochent, verwacht uit de heerschappij van het materialisme een tijdvak der vrijheid van geest! — (In zijne voordracht over het geloof aan God) — Als dit geene tegenstrijdigheden vertoont, weet ik niet, wat tegenstrijdigheid heet! — En het gevoel der noodzakelijkheid moet in het gemoed „een verheven gevoel van rust, zelftevredenheid en zelfachting voortbrengen!quot; Wat blijft mij echter in mijzelveu te achten over — als ik steeds slechts moet — en nimmer mag, kan en wil? — Is tevredenheid denkbaar onder zulke dwingelandij? Dan houden wij het nog liever met Vogt, die de natuurwetten ruwe, onbuigzame krachten noemt, welke „noch zedelijkheid, noch gemoedelijkheid kennenquot;! —
Ten tweeden male zien wij het materialisme in allerlei tegenstrijdigheden gevangen. Onze eerste aanval voerde tot de slotsom: de onbewuste stoffen moeten in hare som bewustzijn leveren; thans heet het: de overal slechts noodzakelijkheid kennende natuur schiep een wezen met gevoel der vrijheid! Ziet er dit uit als eene oplossing van het levensraadsel? — Ten tweeden male laat ons dus het materialisme in den steek — andermaal staat het aan het einde zijner wijsheid en staan wij voor het goddelijke in den mensch. Dit gevoel van vrijheid is de tweede trek
142
der Godsgelijkenis in bet geestelijke aangezicht des menschen; de tegenspraak tegen de natuur, welke zich dikwijls genoeg in ons verheft, bewijst ons dat de mensch meer is dan enkel natuurwezen.
3. Uit de ontkenning der vrijheid vloeit met terstond in het oog springende duidelijkheid ook die der zedelijke verantwoordelijkheid des menschen voort, die toch met de vrijheid moet staan of vallen. Vandaar luidt onze derde stelling: Met de vrijheid moet het materialisme ook iedere zedelijke verantwoordelijkheid loochenen, welke het noodwendige gevolg is der vrijheid van het individu, en hiermede weerspreekt het nogmaals eene daadzaak der inwendige ervaring, namelijk het geweten, welks bestaan alleen uit het gevoel der verantwoordelijke vrijheid kan verklaard worden.
Slechts waar vrijheid bestond, kan van verantwoordelijkheid sprake zijn; dat is duidelijk. Iedere loftuiting, welke wij uitdeelen, iedere berisping, welke wij ruchtbaar maken, berust op de. veronderstelling dezer vrijheid; elk „dat was braaf\' of „dat was niet goedquot; heeft slechts zin, als hij, wien het wordt toegeroepen, een vrij wezen is. Maar waarom lachten wij in onze kindsheid over den dwazen man in de fabel, die tot zijn appelboom, welken hij geplant en opgekweekt had, eene strafpredikatie hield, omdat deze hem, terwijl hij er onder sliep, een grooten appel op den neus wierp? Omdat hier de natuurwet der noodzakelijkheid, de wet der zwaarte en van den val alleen geldt; zoodra de appel rijp is, moet hij vallen, om het even, op weldoener of op vijand. —
Waarom zeggen wij van een paard niet, dat het steelt, wanneer het ongelukkiger-, of naar zijne meening gelukkigerwijze achter een hooiwagen komt te staan en zich
143
ongestoord voedsel toeëigent ? Omdat het alleen maar de natuurwet kent: als gij honger hebt, dan woei gij maar toetasten, waar het ook mogelijk is; maar de gedachte aan plicht en zedelijke vrijheid, welke eischt, liever het natuurgebod des hongers te onderdrukken dan vreemd goed aan te tasten, volstrekt niet kent.
Waarom maken wij ons vroolijk over de verhalen dier vermakelijke gerichtsverhandelingen, welke men in de middeleeuwen tegen dieren, bijv. in het sterfjaar van Jeanne d\'Aeo tegen de muizen hield, omdat zij de velden zoo vreeselijk verwoestten? In dit met zwaar-wichtigen ernst gevoerde proces werd, omdat de aangeklaagden uit licht verklaarbare oorzaken niet in persoon verschenen, een zoogenaamde advocatus didboli, duivels-advocaat, benoemd, die de muizen zeer gevat hiermeê verdedigde: God had haar toch geschapen en op het veldgewas afgericht. Het was nu eenmaal hare natuur, zich in droge jaren sterk te vermenigvuldigen en veel te eten. Desniettegenstaande werden zij in contumaciam, bij verstek, veroordeeld; maar nooit is er onrechtmatiger vonnis geveld geworden dan dit —; de muizen toch waren in haar volle recht en de advocaat sprak meesterlijk, toen hij zeide: dit was zoo haar natuur! — Wanneer echter thans, juist volgens den grondslag der materialistische loochening van de menschelijke vrijheid, het begrip der zedelijke verantwoordelijkheid voor den mensch ons in het bijzonder evenals in het openbaar leven, in de kinderkamer evenals in de gerechtszaal meer en meer verloren moet gaan, dan kunnen wij dit slechts als een uiterst bedenkelijk teeken des tijds verklaren. En het is aanwezig. Wat in zijn tijd La Mettrie in zijn vroeger gemeld werk L\'homme machine (De mensch een werk-
144
tuig) had uiteengezet, dat heeft onlange J. C. Fischer (1871) in overeenstemming: met Büchner en geestverwanten bevestigd, waar hij den mensch „als werkelijk even onvrij en even weinig verantwoordelijkquot; wil beschouwd zien als ieder ander dier. En op de laatgte groote vergadering van natuuronderzoekers in Graz ontwikkelde een Weener hoogleeraar (Benedikt) onder grooten bijval de [gedachte: „Het handelen van den booswicht moest als uit eene ziekelijke oorzaak voortgesproten beschouwd worden,quot; namelijk, als door ziekelijke lichaamstoestanden bewerkt, derhalve in den grond even zoo weinig strafbaar als een in krankzinnigheid uitgevoerde daad; en hij wijst op dit punt. dat de misdadigers ook dikwijls het bewustzijn hadden, zóó te handelen omdat zij niet anders konden. — Ja waarlijk, zij moesten, zullen wij op deze uiteenzetting antwoorden, namelijk volgens hunne natuur, maar als zedelijke wezens mochten zij niet; daarin ligt juist hunne schuld, dat zij niet het hoogere gebod der zede\'ijke wereld plaatsten tegenover de natuurdrift. Zoo verontschuldigde zich een van schuld overtuigde dief voor het gerecht te Londen; „Het is waar; ik heb gestolen; maar ik moest toch leven.quot; En de rechter antwoordde met schijnbare hardvochtigheid: „Dat gij leven moet, zie ik niet in, maar dat de zedenwet gehandhaafd moet worden, daarvan ben ik overtuigd.quot; —
Tot welke gevolgen zou het moeten leiden, als men werkelijk met die beschouwingen des hoogleeraars het ernstig opnam! Of zijn deze wellicht slechts daarvoor uitgesproken, om als stoute gedachten berispt, maar niet, om in het leven overgebracht te worden? — Dan passen wij daarvoor. Is ieder misdadig vergrijp iets ziekelijks, door verkeerde hersenvorming veroorzaakt.
145
waarop de strekking van die aangehaalde voordracht doelde, dan is tevens het begrip eener persoonlijke zedelijke schuld geheel vernietigd, en kan men bijv. bij een moordenaar evenmin van eene verantwoordelijkheid spreken, als wanneer een te sterk verhitte ketel uiteenspringt of een te zwaar geladen kanonaffuit uiteenbarst; immers de hersenen van den betrokkene waren door dampen van hartstochtelijk verhit bloed overprikkeld. Handelde iemand gruwelijk, hardvochtig, — hij kan het niet helpen: zijne bewerktuiging is zeker bijzonder rijk aan kiezel (zooals bekend, een der veertien stoffen, die het menschelijk lichaam samenstellen). Ts eene daad van grove lichtzinnigheid ter tafel, — die arme door ziekelijkheid meegesleepte: te veel vluchtige gassoorten herbergt zijn levend lichaam! Veroorloofde een nar zich een gemeene scherts, men hebbe medelijden met — ofbewondere hem: veel phosphor of zwavel woont in hem! Wat de mensch ook uitvoert, het wordt op de groote rekening der natuur gezet; hoe kon de arme dief het helpen, dat hij zoo schrandere steelplannen moest verzinnen? Boosheid bestaat niet meer — slechts onwetendheid; geen onrecht, slechts dwaling; geen volstrekt, d. i. volkomen goed en kwaad (zoo leeraarde Virchow op de vergadering van natuuronderzoekers te Wiesbaden, 1873), maar slechts een meer of minder; geen onderscheid, op beginsel berustende, slechts een zweven als tusschen warmte en koude. Zoo moeten de zedelijke begrippen van recht en onrecht vallen!
Van zulke opvatting uitgaande, zou ons gevolgelijk iedere straf, ja reeds ieder proces met zijn arrest tot onderzoek, als eene hemeltergende onrechtvaardigheid toeschijnen; hoe komen die ziekelijk bevangen onschul-digen er toe, gekerkerd te worden, daar zij toch zoo
10
146
moesten handelen? — en moet dit dan toch geschieden uit hoofde van hunne schadelijkheid voor het algemeen, zoo zal men er voor moeten zorgen, dat de gevangenissen naar het stelsel van Hartmann op sierlijke salons gelijken, in welke men de arme slachtoffers der dwingende natuurnoodzakelijkheid door alle soorten van vermakelijkheden voor de hun zoo boosaardig ontnomen vrijheid van rondwandelen en mogelijkheid van verder stelen en moorden zal moeten schadeloos stellen.
Gij ziet, dat die ziekelijke leer, die zoo iets moest wenschen, door eene gezondere pract ijk, welke vooreerst althans nog wordt uitgeoefend, gelukkigerwijze eeniger-mate schijnt wederlegd te zijn; echter is het eene daadzaak, dat in jongeren tijd met betrekking tot het straffen van euveldaden meer en meer eene beschouwing is op den voorgrond getreden, die, hoewel zij zich voor mensche-lijkheid moge uitgeven, in waarheid toch verdient, dat men haar herinnere aan het woord van Seüme: „Den misdadiger ontzien, is zooveel als den eerlijken man in zijne plaats straffen.quot; Seüme was nu toch gewis een woordvoerder van ware menschelijkheid. Immers heden is veel van wat men bij opvoeding en rechtspleging „menschelijkheidquot; noemt, in werkelijkheid slechts ziekelijke weekhartigheid, verzwakking van de zedelijke begrippen. In de oude gedenkstukken van Meiszner\'s gymnasium vindt men bij een adellijken leerling de opmerking: „werd weggezonden, omdat hij zich niet heeft willen laten slaanquot;; — thans is veelal bij huis- en schoolopvoeding in plaats van het in zekere gevallen zeer heilzaam werkend „slaanquot; een verweckelijkend „streelenquot; ingevoerd, welks wrange vruchten niet op zich zullen laten wachten; en een door de statistiek uitgemaakt
147
feit is het, dat in dezelfde mate als een dikwerf zwak ontzien en overijverig verdedigen van boosdoeners plaats greep, het aantal der misdadigers niet afgenomen, maar in snel stijgende mate vermeerderd is. Deze zyn de praetische gevolgen van dat materialisme, dat de zedelijke schuld verzwakt of geheel loochent en van eene verantwoordelijkheid des menschen niets of zoo weinig mogelijk wil weten. Men verkondige het maar aan de jeugd in de scholen en aan het volk op de straten; gij zijt natuurwezens, gij kunt niet anders, gij moet zoo denken, handelen als gij doet, — en het zal voor duizenden eene blijde boodschap zijn en zij zullen in den trots over hunne bedreven schanddaden voor de rechters kunnen treden en zeggen: hoe valt het u toch in, ons te willen veroordeelen; wij moesten immers zoo handelen; wij erkennen alleen de natuur met hare wetten en deze dwong ons. Maar men waarschuwt ons, niet te veel te beweren. Zoover was het materialisme werkelijk nog niet gekomen. Haeckel wil met nadruk dat zedelijk materialisme, hetwelk hij verwerpt, van het natuurwetenschappelijk, dat hij aanhangt, gescheiden zien. Met welk recht ter wereld echter? Welk eene grenzenlooze willekeur! Dit is een van de raadselen van het moderne materialisme; waar het voor zijne gevolgtrekkingen terugschrikt, daar speelt het Chronos en verslindt plotseling zijne eigen kinderen. — Men handhave het stelsel toch met zijne gevolgen. Bestaat er alleen natuur, geene vrijheid, dan is er evenmin verantwoordelijkheid — dan is straf onrechtvaardigheid en tuchthuis misdaad. — Wien ontneemt men de vrijheid? „Hem, die haar misbruikte.quot; En men klaagt thans zooveel over het misbruik der vrijheid. Maar hoe kan men vrijheid misbruiken, als men in waarheid slechts mensch der
148
noodzakelijkheid is; hoe kunt gij iemand wegens zoogenaamd misbruik zijner vrijheid ter verantwoording roepen? Vóór iemand goudstukken kan strooien moet hij den zak er vol van hebben. De mensch zou echter naar uwe meening alleen onder den loodzwaren druk van het „moetenquot; leven. — Staan wij weder niet midden in den kring der schoonste bloemlezing van tegenstrijdigheid? En moeten wij het treurigste bewijs aanvoeren hiervoor, dat de mensch vrij en dus ook verantwoordelijk is? Hij moet wel hoven het dier staan, daar hij heneden het dier kan zinken. — Een paard kan nimmer een zwijn worden, zijn edeler natuur gedoogt dit niet, het moet welvoeglijker blijven. De mensch heeft het treurige voorrecht beneden zichzelven te kunnen zinken — hij moet het zich dus ook laten welgevallen, voor de rechtbank der zedenwet in hem en over hem daarvoor ter verantwoording geroepen te worden. „In hem,quot; zeiden wij, en wijzen tevens op eene daadzaak, welke het materialisme bij zijne loochening van vrijheid en verantwoordelijkheid voorbijziet of althans oneindig veel te laag schat; en wij eischen hare verklaring. Zij is de daadzaak van het geweten. Benedikt beroept er zich op, dat misdadigers menigmaal het gevoel hebben als moesten zij zoo handelen —; waarom vermeldt hij niet, dat anderen — waarlijk niet minder keeren, gebroken, vernietigd, minder door de uitspraak des rechters dan door een vonnis, dat een hooger tribunaal in hen velde, voor hunne rechters staan — en door innerlijke onrust als op de pijnbank gespannen, bekentenissen deden ver boven de vragen van den vorschenden rechter, of zelfs onder tranen zichzelven aanklaagden, nog vóór zij beschuldigd werden. Ook dit zijn feiten, die om verklaring vragen. En vanwaar diegenen, aan
149
wie het strengste gericht van gezworenen niets konde aanwrijven, en die daarna toeh als veroordeelden, in zieh-zelven verzonken en gesloten, door of uit het leven gaan? En is het werkelijk bloot een verzinsel, dat gezegde van een brandmerk in het geweten des menschen? — Men heeft trouwens ook „sporenquot; van het geweten bij den hond willen ontdekken, bijv. in zijne vrees voor den stok. — Werpt echter den stok in het water — wat geldt het nog, het geweten springt den stok na! — Vrees voor straf is ook bij den menscli nog geen geweten. Of heeft men inderdaad reeds een hond gezien, die zich het leven benam, wijl zijn geweten hem hierover ver wij tin gen deed, dat hij in slechte luim zijn weldoener had gebeten? De zelfmoord gold tot heden als treurig voorrecht van den mensch, zijne waardigheid en verhevenheid negatief aantoonend; — intusschen berichtte de jongste „nauwkeurig waarnemende wetenschapquot; onlangs in de Review van London den „zelfmoord van een paard.quot; — Wee hem, die het waagt aan deze „zeergeloofwaardigequot; daadzaak te twijfelen, hij is gewis een zeer „onwetenschappelijk menschquot;! — Maar voorloopig staat dit Engelsche paard van een pachter-generaal met zijne „den mensch waardigequot; daad nog zóó alleen, dat wij, tot nadere bevestiging volgt, een licht hoofdschudden toch niet geheel kunnen onderdrukken. — Waarom verbergt zich het geweten des menschen niet achter het gemakkelijke scherm der natuurnoodzakelijkheid? Dat: „ik moest zoo handelen, ik kon niet andersquot;, dat het materialisme den boosdoeners zoo bovenmate handig aangeeft, is eene veel te heerlijke verontschuldiging, een zóó schoone wijde mantel om iedere naaktheid van zedelijke smet daarmede volkomen te bedekken, dat men er wel verbaasd over mag zijn.
150
dat niet nog veel talrijker menigte zich er in hult; het geweten daarentegen is een zoo onaangename gast, zoo lastig met zijne inspraak vóór de daad, zoo onuitstaanbaar met zijne verwijten naderhand, — het maakt den zoo vast besloten onverlaat menigmaal zoo akelig bang, bederft hem zoo snood het vreedzaam ongestoorde genot zijner heimelijk bedreven daad, dat het ten eenenmale onbegrij pelijk is, waarom de menschheid dezen overtolligen kameraad niet geheel onderdompelt en verworgt, om hem het wederopstaan eens voor al geheel te verleeren!?
Ja, waarom niet — het gelukt niet. Waarom lukt het dan niet? — Hier staat het materialisme voor het derde raadsel en staan wij voor den derden keer tegenover den aanblik van het goddelijke in den mensch. Het geweten als eene geduchte macht in den mensch is een feit, dat geen bewijzen van het materialisme omverpraten kunnen, en het daartegenover wijzen op duizenden die handelen „als hadden zij geen gewetenquot;, werpt het feit niet omver, evenmin als een geheele maand regen ook niet het geringste tegen het lichtgeven der zon in iedere seconde bewijst. Ook de materialist heeft in zijne taal nauwelijks een tweede zoo bedenkelijk woord van veroordeeling als dit: „hij heeft gewetenloos gehandeldquot;; — aldus wederlegt zijn zedelijk oordeel de dwaze beweringen van zijn stelsel, waarin voor verantwoordelijkheid en geweten geen ruimte was. In het geweten verheft de eeuwige zedenwet, de goddelijke wil zijn heiligen eisch, — in het geweten bewijst God Zich Zelf aan de menschen.
4. In het voorafgaande ligt reeds de vingerwijzing naar datgene, wat wij als vierde bezwaar tegen het materialisme als volgt omschreven: Maar zijn vrijheid en verantwoordelijkheid een droom, dan vervalt hiermede
151
iedere rechtmatigheid der eischen van de zedenwet en van den godsdienst; het materialisme ondermijnt dus de grondslagen der menschelijke verordeningen, der zedenleer en van den godsdienst, welke beide op vrijheid en geweten steunen.
Heeft de mensch, zooals het materialisme beweert, als natuurwezen geene zedelijke vrijheid van wil en daad, met welk recht treedt dan de zedenwet op hem toe met eischen, voorschriften en aanmaningen? De mensch moet ieder: „gij moetquot; en „gij zult nietquot; als een inbreuk op zijn natuurrecht met krachtig protest afwijzen. Immers wat is dat voor een aanmatigende stem, die het waagt met een zedelijk „gij moetquot; wanklinkend in de wondervolle harmonie der zich stil en geleidelijk volbrengende natuur-noodzakelijkheid tusschenbeide te komen? Waar geen „ik wilquot; bestaat, daar kan ook geen „gij moetquot; bestaan, dit is duidelijk, maar de geheele wereld rust enkel op het; „hij moetquot;. De golf heeft geene keus of zij bruisen wil of niet; den boom werd het bloeien met naar goedvinden overgelaten; komt de storm, dan moet deze ruischen; en was slechts de mest goed en de regen rijkelijk afwisselend met zonneschijn, dan moet de boom zijne vrucht voortbrengen; maar een gebod „gij moet rtuschen, moet bloeienquot; bestaat niet; het woord „gij moetquot;, dat het eerste en laatste woord der zedenwet is, wordt in geheel het woordenboek der natuur zelfs geen enkele maal gevonden. — Hoe zullen wij ons nu het ontstaan eener zedenwet uit de natuur in het algemeen verklaren; hoe kwam de natuur in den mensch op den zonderlingen, zeer onnatuurlifken inval te gebieden: gij zult niet liegen, bedriegen, moorden, stelen? — Waarom niet? — Als mijn voordeel zulks verlangt, de natuur mij drijft? Nooit zou een zedenwet hebben kunnen ontstaan, nimmer algemeene
152
erkenning en goedkeuring gevonden hebben, wanneer niet in den mensch iets bestond, dat zich daarvoor verklaarde —, juist de kracht van het vrije willen en doen; nimmer kon de godsdienst van buiten opgedrongen worden, wanneer deze niet in den mensch een gevoel aantrof, dat hem voor deszelfs eischen ontvankelijk maakte, dat verlangen naar verheffing en volmaking, naar eenheid met het hoogste, met het eeuwig ware en goede. Dit verlangen rust echter wederom alleen op de in den mensch wonende mogelijkheid van opwaarts streven, op het onmiddelbaar inwendige gevoel der vrijheid. Zooals wij hoorden, loochent het materialisme met nadruk deze onze vrijheid, en het was genoopt zulks te doen, omdat de natuur dit begrip niet kent; bijgevolg vallen de eischen van den godsdienst voor het materialisme als ongegrond en wezenloos in elkander. In zijne gevolgen nagegaan is het materialisme de dood van iederen godsdienst, in zijn rijk is daarvoor geen plaats. Daarentegen heeft W. Bradbach weder „de eerste elementen van den godsdienstquot; bij den hond ontdekt! De mensch dierlijk, het dier menschelijk verklaard — ziedaar de groote aanwinst —; de godsdienst zou door het materialisme zoodoende letterlijk ,.op den hondquot; zijn overgebracht. Waar echter geen godsdienst (buiten den hondschen) meer bestaat, daar heeft ook de zedenleer geen bodem; — of zij wordt ook hondsch. Zoo late men zich toch niet foppen door de verzekering van invloedrijker materialisten, als zij betoogen: wij willen wel is waar geen godsdienst, maar toch zedenleer. Zij moeten wel de zedenleer redden, willen zij niet hun crediet bij de beschaafden verliezen. Immers, of al de kinderen van dezen tijd zich maar al te gaarne aan de weelderige tafels der onzedelijkheid
153
te goed doen, zoo is toeh de bewering „wij hebben geen zedenleer van noodequot; gelukkig nog niet in de salons gangbaar — zij riekt naar petroleum! — De zedenleer moet dus (in stelling namelijk!) bepaald gered worden; daarom moesten wij ons boven de onderscheiding van een ethisch (natuurlijk aangeboren) en een wetenschappelijk materialisme laten welgevallen; met welk een recht trouwens en volgens welke logica, vernamen wij helaas niet; maar wij vreezen en weten, dat het volk, hetwelk den petroleumreuk niet schuwt, volgens veel betere logica (zonder ooit lessen daarover te hebben gehoord), het wetenschappelijke materialisme regelrecht in het practische overbrengt, en over den „strijd om het bestaanquot;, waarover bij een flesch kanariewijn in den hoek der sofa recht aangenaam en vredelievend kan worden geredetwist, zijne geheel bijzondere — maar niet al te vreedzame beschouwingen kweekt en koestert! — De scheiding van wetenschappelijk en ethisch materialisme mist dus een rechtstitel; zij is ongegrond en willekeurig—, daarom niet wetenschappelijk; zij loopt uit op eene misleiding —, daarom is zij ook niet ethisch. — Wij moeten daarbij blijven: omdat het materialisme in en met de vrijheid des menschen ook den godsdienst verwerpt, kan in zijn met de gevolgtrekkingen toegepast stelsel (als slechts iemand den moed had het te rangschikken) ook de zedenleer de eereplaats niet meer vinden, welke men haar heden welstaanshalve nog laat. Met den godsdienst stort de zedenleer ineen; daar helpt niets aan. Maar de uitdrukking van eene vgodsdienstlooze zedenleerquot; moest eigenlijk onder beschaafde en denkende menschen niet meer voorkomen. Immers het is voor ieder, die maar wil zien, toch duidelijk, dat godsdienst steeds slechts wortel
154:
en boom, zedenleer echter bloesem en vrucht moet zijn; duidelijk, dat de zedenleer zich altijd naar de opvattingen van den godsdienst zal inkleeden. Leert de godsdienst op lagen trap van ontwikkeling een wraakzuchtigen bloeddorstigen God, zoo zullen, wat zelfs bij vele oudste Germaansche stammen voorkomt, menschenoffers, namelijk offers van vijanden, voor zedelijk gelden; leert de godsdienst een bepaaldelijk kleingeestigen God, dan zal verachting van andere natie en godsdienst, dan zal grove onverdraagzaamheid, zooals bij de Pharizeën, zedelijk zijn —; leert de godsdienst, zooals die der oude Grieken, eene Venus vulgivaga, (vrije liefde), dan zullen dingen voor zedelijk doorgaan, welke wij thans vol zedelijken toorn van ons weren, en welke zelfs zij, die ze nog heden uitoefenen, liever met stilzwijgen bedekken, maar gewis niet als „zedelijkquot; aanprijzen zullen. Steeds beantwoorden de eischen der zedenleer aan de leerstellingen en beschouwingen van den godsdienst. —
Hoe beter en reiner de godsdienst is, des te edeler zal ook deszelfs zedenleer zijn. Daar geen godsdienst verhevener is dan de Christelijke, daarom is ook de Christelijke zedenleer de reinste en heerlijkste, welke de geschiedenis der godsdiensten kent; — en daar het Jezuïtisme bijv. misvorming van den godsdienst is, zoo verdienen ook zijne boeken over zedenleer aan de spoor-wegstations onder de „geheimenissen van Parijsquot; etc. als „hoogst gekruidquot; mede ten verkoop te worden aangeboden. Verdraaiing evenals loochening van den godsdienst is altemaal een aanval op de zedenleer. Derhalve, waar alleen de gronden van het materialisme door krachtige sociaal-democratische arbeidersvuisten worden begrepen, daar moet zich zijne zedenleer steeds ook na korten of
155
langen tijd heerlijk als datgene openbaren, wat zij volgens Ebrard\'s bitter, maar waar woord is namelijk: — beestachtigheid. — Is de mensch een dier, waarom zou zijne zedenleer geen dierlijke zijn? Maar laten wij rechtvaardig zijn. Voor het onderscheid, dat Haeokel maakte, schijnt toch iets te zeggen. Wellicht overdrijven wij onze beredeneering al te hevig, zooals reeds aan Faust Mephis-topheles verweet, toen gene zich veroorloofde, eens eenige gevolgtrekkingen te maken. Immers, zijn er niet hoogst achtenswaardige mannen van eer onder de materialisten? — „X is een volslagen materialist, nihilist, pessimist en God weet wat voor een: mist meer, en toch, als hij mij zegt: „koop dit papier, het is goed,quot; — dan kan ik er op vertrouwen — hij is een man van eer!quot; — zoo declameerde eens een van de „hoogste hedendaagschequot; wijsheid doortrokken geest mij voor. — Moeten wij dezen declamator ernstig weerleggen? — Dat er lieden zijn, die — ik weet niet — veel te schrander zijn om hunne theorieën zoo maar aanstonds in de practijk in te voeren, of veel te dom zijn om te bespeuren, dat hun redekavelen in lijnrechte tegenspraak met hun handelen staat, evenals er democraten van de bierbank bestaan, die toch in de kanselarij den geheelen dag door zeer goed keizerlijk gezind arbeiden; — dat er lieden zijn, wier vroegtijdig godsdienstig-zedelijk gevormd hart zooveel vastheid en kern behield, om later de dwaasheden van een verouderend hoofd steeds nog te kunnen temmen en verbeteren; dat er goedhartige materialisten-koppen zijn, bij wie geheel hun materialisme eene afdwaling van het denken is, dit weten wij ook, — Gode zij dank dat het zoo is; en dat spreekt slechts voor om: de inwendige heilige macht van het goddelijk aangeblazene gemoed laat zich niet
156
zoo snel wegdisputeeren. Wij spraken echter hier van de gevolgen van het stelsel, en dan moet het er bij blijven: het materialisme kan uit zichzelven godsdienst en zedenwet noch met gronden bewijzen noch vinden, ja niet eenmaal eischen; waar het echter zedenwet eischt, daar steelt het dezen eisch van een geheel ander gebied weg. En waar dan Büchner in zijne voordracht over de bewijzen voor God uit de alleenheerschappij van het materialisme vrijheid, vrede, ontwikkeling, verdraagzaamheid , menschengeluk verwacht, daar konden wij, zijne wapens tegen hemzelven keerend, hem vriendelijk verzoeken, zijne hersenen wegens dreigende verweeking aan een nauwkeurig onderzoek te willen onderwerpen. Zoo houden wij onze, naar wij meenen, zeer juiste eindbeslissing zonder voorbehoud staande: het materialisme verklaart: „De mensch is alleen natuurwezen.\'1 Maar de natuur erkent geen zedenwet — bijgevolg kan men ook van den mensch geen zedenleer eischen. — Heeft echter de men-schenmaatschappij zulk eene noodig voor haar bestaan, dan is het uitgemaakt, dat het materialisme onbekwaam, is, de levensvoorwaarden der menschelijke samenleving te verschaffen of ook slechts te grondvesten. Maar laten wij de zedenleer, welke het materialisme predikt, een weinig meer van nabij bekijken. Eene proeve daarvan, zooals wij haar in het door hem beloofde gouden tijdperk van het materialisme zullen kunnen verwachten, biedt ons een brief van den Koningsberger hoogleeraar Ueberweg, welken Lange aan het slot zijner geschiedenis van het materialisme aan de vergetelheid heeft ontrukt. Daar wordt beloofd: „Er moeten weldra geestdrijvers van het materialisme opstaan, die evenals de oude Puriteinen bereid zijn, hun leven op het spel te zetten en met wellust
157
de Katholieke en Protestantsche Christenen benevens de rationalisten neer te schieten, dertig jaren lang, zoo noodig.quot; Dat is materialistische zedenleer en verdraagzaamheid! — Gelukkig is de man, die ons zoo iets toewenscht, reeds vóór vijf jaren gestorven, en zoo mogen wij hopen, aan dit ons voorspeld noodlot voorloopig nog te ontkomen.
En toch ligt een deel vreeselijk bittere waarheid in deze woorden, die bloedige gruweltooneelen in zoo onmiddellijke verbinding met het materialisme brengen. — Dat de Fransche revolutie der vorige eeuw slechts de in practijk gebrachte materialistische leer der toongevers van dien tijd was, is door dieper ziende gemoederen sinds lang erkend, en wat de ontzettende tooneelen van den laatsten grooten Parijzer burgeroorlog na de Duitsche belegering betreft, laten wij hierover een Franschman zelf het oordeel doen vellen. Louis Figüier („de dag na den doodquot;) schrijft: „Niet de petroleum is het, die de gedenk-teekenen van Parijs in brand gestoken heeft, dit is het materialisme van onzen tijd.quot; Immers, het ligt voor de hand, dat van het oogenblik af waarop men overtuigd is, dat alles op deze aarde eindigt, velen niets beters weten te doen dan onrust en wetteloosheid te bewerken, ten einde in deze verwarring gemakkelijk de middelen tot bevrediging hunner lagere dierlijke begeerten en hartstochten te vinden. Het materialisme is de vader van alle kwalen der Europeesche samenleving. Zoo heeft zich hier de tegenstrijdigheid der meeningen afgepunt! Een bewijs voor het ernstige karakter van den strijd. Sommigen schijnt het materialisme de redder uit de hoogte der waarheid, anderen de vijand uit de afgronden der leugen! Maar Figuiek heeft niet overdreven. Immers in
158
dezelfde mate als men aan het volk het geloof in God en eeuwige gerechtigheid ontneemt, groeit in hetzelve de begeerte, zich voor de verwoeste wereld zijner idealen aan de stoffelijke wereld van het genieten schadeloos te stellen. En eene daad als die van Bremerhaven, welker herinnering nog lang in onze gemoederen huivering wekken zal, is alleen mogelijk op grond eener wereldbeschouwing, die elke zedelijke verantwoordelijkheid des menschen met onverschillige stoutmoedigheid loochent. Waar nog de vonk van een vermoeden aanwezig is, dat achter deze zichtbaar-zinnelijke wereld eene heerschende gerechtigheid staat, en dat de mensch een zedelijk-vrij en verantwoordelijk wezen is, wordt iets dergelijks voor immer onmogelijk. Daalt echter het godsdienstige geloof, dan valt tevens de heilige slagboom van iedere zedenwet, en de alleen door godsdienstige beschouwing te bewijzen stelling, dat het leven niet het hoogste goed, maar schuld, zedelijke schuld wel het grootste van alle kwaad is, moet zich onder de handen van het practische materialisme vervormen tot de tegenovergestelde:
„Het leven is toch steeds het hoogste goed
En schuld is maar der hersenen gebroed.\'- —
Met dit alles wezen wij reeds op datgene, wat wij als vijfde bedenking aldus omschreven:
5. Met godsdienst en zedenleer vallen opvoeding en openbare rechtspleging volgens haren aard weg, en hiermede de bestaande burgerlijke orde van zaken. Het materialisme maakt de opvoeding eigenlijk tot een hersenschim en breekt voor eene reclitsbeschouwing baan, die slechts den dank des boosdoeners verdient; en voert zoodoende tot den val der verordeningen van de menschelijke samenleving.
159
Wat wordt er van de opvoeding onder de handen van het materialisme? Welke voorschriften ontvangen wij? Men make de kinderen vóór alle dingen met natuurwetten bekend; niets bovennatuurlijks, niets van God en geest! — Vóór het veertiende levensj aar (aldus werd op de Hamburger onderwijzersvergadering eenige jaren geleden voorgesteld) moeten de kinderen in het geheel niets over godsdienst hooren; dan eerst drage men hun alle leeringen voor, opdat (naar men zeide) het kind zich daaruit de hem het best voorkomende uitkieze, — of (naar men hoopte), intusschen reeds zooveel natuurbeschouwing beet had, om in te zien, dat godsdienst, welke zich met zijne eischen tot de zedelijke kracht en vrijheid des menschen wendt, louter zinsbedrog en lastige kwelling is, natuur daarentegen en natuurdwang veel, natuur^e/ioi echter in eiken mogelijken vorm — alles! Gij arme kinderen! Ik zou lust hebben eerlang naar dit voorschrift een boek „voor jonge moedersquot; te schrijven, waarin deze plaats zou voorkomen: „Geeft aan uwe kinderen niet meer de verouderde melk, maar zet hun al het mogelijke voor, opdat ieder zich het dienstige zelf uitkiezequot;! Difficile est satyr am non scribere! d. w. z. het is een kunststuk, hierbij geen boosaardige grappen te maken! — Of is niet godsdienst de melk van het jeugdige hart? Waarop wil men in de onderwijzing der materialistische zedenleer de eischen der zeden grondvesten? Bovendien heeft het kind, zooals wij reeds boven aantoonden, het recht, tegenover iederen eisch een trotsch: „Ik kan niet, mijne natuur staat het niet toequot;, te zetten en zal het gewis na veertienjarige studie der natuurwetenschap van het voordeel zulk eener voor alle gevallen hoogst geschikte repliek zich voldoende bewust geworden zijn. Dat de materialistische uiteenzet-
160
tingen van de door voeding, klimaat, omgeving, stofwisseling, hersenafscheiding enz. uitsluitend en noodzakelijk bepaalde ontwikkeling van het individu werkelijk iedere kunst van opvoeding ijdel maken, toonden wij door die verbaasde hoogachting, met welke wij voor het: „Wat de menseh eet, dat is hijquot;, indertijd langer bleven staan. Tevergeefs waarschuwt, tevergeefs berispt en smeekt gij; wil de natuur het niet doen, dan is al uw doen tevergeefs; het arme kind kan toch zijne dwaze invallen, zijne begeerten en wenschen niet keeren. Vatten de ernstige opvoedkunde en de wijzen onder de vaders tot heden eigenlijk zoo geheel in de eerste plaats de opvoeding als zorg voor de ziel op, zoo leeraarde ons Hellwald met zijne opvatting der beschaving, dat ziels-verzorging toch over het algemeen slechts de overbodige „zorg voor het heil van een niet bestaand dingquot; is, en zoo zal de moderne wijsheid over opvoeding alleen ratio-neele kunst van voedering kunnen zijn. — Wat zal het na al zijne vertooningen nog beduiden, als Büchner van de school de „geestelijke en zedelijke veredelingquot; verlangt ? Is dit meer dan een holle klank? De geest wordt geloochend en de zedelijkheid rust op de vrijheid, welke men ons evenzeer heeft ontnomen. — Wat wij uit Büchner\'s werken voor de vraag der opvoeding hebben uitgezocht, zou, kort saamgevat, ongeveer dit kunnen zijn: 1. Gij zijt enkel natuurwezen. 2. Gij moogt echter niet als bloot natuurwezen handelen, gij moet u tot zedelijke vrijheid laten opvoeden. 3. Vrijheid bestaat niet — en 4. Het materialisme voert tot „warequot; vrijheid, beschaving en menschelijkheid! — En met zulke holle klanken en tegenspraken moet onze tijd zich laten paaien; en nog erger: duizenden roemen dat als hoogste wijsheid! De
161
invloed van deze verwarring stichtende wijsheid is duidelijk genoeg zichtbaar. Men lette slechts op de nieuwere, meer of minder uit de materialistische tijdstrooming voortgevloeide schoolverordeningen; men verneme met verbazing, hoe het volk met groote natuurwijsheid doorkneed moet worden; men leze de hoogdravende woorden: physica (natuurkunde), chemie (scheikunde), anthropologic (kennis van den mensch); men zie, hoe het begrip der „scheikundige kiesverwantschappenquot; voor eene jeugd aannemelijk is, die van den grondeisch, dat haar gemoed aan het goddelijke door keuze verwant worde, geen besef heeft; men hoore spectraal-analyse (opsporing van elementen door vlamreacties in een daarvoor ingerichten toestel) aan een onrijp gehoor onderwijzen, dat nimmer geleerd heeft, hoe alle ware levensvorming van de zedelijke ontleding van het menschelijke hart-spectrum zou moeten uitgaan; — men be wondere die hoogdravende knaapjes, die over het beperkte weten hunner moeder fier den neus optrekken; men hoore de opgeblazen zwetsers op bierbanken en in gemeentevergaderingen, die alles weten, maar alleen dit ééne niet, dat zij niets weten; en het andere niet geleerd hebben, hoe men een karaktervast, eerlijk man uit één stuk wordt! Waarlijk, het wordt tijd, dat wij inzien, hoe wij met onze moderne wijze van opvoeding vol weekelijkheid en veelweterij geheel op den boschweg zijn. — En welk een geslacht vormen wij? — De districtsgerechtshoven, de organen van den openbaren dienst en der openbare zedelijkheid mogen die vraag beantwoorden. Wee, als men eenmaal het recht geheel en al op materialistischen grondslag zal opbouwen! — De misdadigers mogen aan het materialisme hun bezoek van dankzegging brengen; want de eerlijke man,
ii
162
die zich geweld aandeed en de verzoeking, door logen en zwendelarij iets te verwerven, met verontwaardiging van zich wees, zal zich toch waarlijk geen dank verschuldigd zijn, wanneer hij door een: „Arme, kortzichtige sukkel, gij moest immers zóó handelenquot;, in den schoonen eereprijs van zijn streven en kampen, — zijn tot vreugde opgewekt zelfbewustzijn en een goed geweten, plotseling op hoonende en smadelijke wijze zich bedrogen ziet. — Daarentegen moeten de heeren slenderaars zich-zelven bepaaldelijk dank verschuldigd zijn, als zij bij voorkomende gelegenheid van achter de tafel der gezworenen tot hun eigen genoeglijke verbazing moeten hooren, dat zij niet toerekenbaar waren geweest, dat zij niet het bewustzijn zouden gehad hebben van onrecht te bedrijven. Zoo werd in het vorig jaar te Graz een zestienjarig jongeling, ten wiens laste een erg vergrijp tegen de zedelijkheid bestond, door zijn verdediger vrijgepleit — „daar hij blijkbaar niet had geweten, dat hij eene strafbare handeling verrichttequot;. Weder een teeken des tijds! — Het materialisme, dat overal slechts natuurwet en noodzakelijkheid ziet, zal in de gerechtszaal steeds geneigd zijn — te verdedigen, waar het fijner zedelijke gevoel persoonlijke schuld aanwijzen en verdoemen en veroor-deelen moet.
Voor het politiegerecht te Keulen werd in Juni het beruchte monsterproces tegen de leden des bestuurs en van den raad van toezicht der Eijnsche effectenbank gevoerd. Een der verdedigers besloot zijne redevoering — echt karakteristiek volgens den tijdgeest hiermede, dat hij zeide: „De handelscrises dagen op met de noodzakelijkheid eener natuurwet. Zij zijn niet het voortbrengsel van den enkelen menseh, maar het gewrocht der tijds-
163
omstandigheden. Wachten wij ons derhalve, de menschen verantwoordelijk te stellen voor datgene, waaraan de gebeurtenissen schuld hebben!quot; — quot;Welk eene begripsverwarring! Hoe gemakkelijk voor den enkelen schuldige, zich achter gebeurtenissen te verbergen, die toch door de som (samenwerking) der enkelen eerst werden te voorschijn geroepen. Daar elk een lid van het geheel uitmaakt, zoo heeft hij deel aan de schuld der vereeni-ging, — niet de gebeurtenissen maken den schuldige, maar schuldigen, wellicht vereenigd en verbonden, maar altijd toch enkele schuldigen, bewerken de gebeurtenissen! —
Onze opvatting van het recht is ziekelijk vanwege het materialisme met zijne leer der noodzakelijkheid, welke de individueel-persoonlijke schuld en verantwoordelijkheid wegdisputeert en den zedelijk schuldige aan eene moeras vlieg gelijk acht, die door droogte en zonnegloed noodzakelijk moest worden uitgebroeid. Menig rechtsgeding van den laatsten tijd, bij welks einduitspraak een kreet van verontwaardiging door de zedelij k-denkende wereld ging, is niets anders dan een bloesem der op de wijze der tafelschuimers om zich heen vretende naturalistische wereld- en levensbeschouwing. Maar elk dergelijk oordeel verwekt een aardbeving in de godsdienstige en zedelijke wereld, de tempels beginnen te wankelen en te waggelen en eindelijk te vallen. Zoo worden hoe langer zoo meer de banden van vrome schaamte, welke godsdienst tusschen mensch en mensch knoopte, losgemaakt en de verordeningen der menschelijke samenleving worden in dezelfde mate bedreigd als de invloed van het materialisme vermeerdert. Wil men desniettegenstaande toch rust en orde behouden, dan
164
zal men tot het volk in de taal van Krüpp en Uchatics (kanonnen-fabrikanten) nu en dan moeten prediken, en voor iederen overtollig geworden prediker of godsdienstonderwijzer zullen spoedig daarna tien politiedienaars hoogst noodig blijken. Wij houden dus ons bovenvermeld oordeel onveranderd staande, dat het materialisme in zijne logische gevolgen ontwikkeld en op het practisehe leven in allen deele toegepast, den val der bestaande orde van zaken moet veroorzaken, alzoo dezelfde beteekenis heeft als de verwoesting der menschelijke maatschappij. — Hier en daar breekt zulk eene bekentenis zich baan. Toen voor eenigen tijd die schokkende berichten van de overzijde des oceaans tot ons doordrongen, van die ontduiking der belasting op hoogere schaal, welke den Duitschen naam in Chicago zoo jammerlijk heeft bezoedeld, van die belangrijke verduisteringen van gelden, waaraan zich ministers hadden schuldig gemaakt, van die omkoopbaarheid, welke den pleitbezorgers- en rechtersstand reeds lang alle aanzien deed verliezen, toen schreef een blad van beteekenis: als wij dit hooren, dan is het ons, als wankelde de grond onder onze voeten. Wat moet er van een staat worden, welks beambten niet meer te vertrouwen zijn; welke zal onze toekomst zijn, wanneer zoo iets aan de orde van den dag komt als thans onder ons is gebeurd ? — Trouwens, men behoeft niet naar Amerika te reizen, om bijv. verdedigers te vinden, wier eerste vraag niet die naar den stand der zaak en de overtuiging van den zich aanmeldenden cliënt, maar veeleer deze is: hoeveel geld brengt gij mede ? — Wie eenigszins is ingewijd, zet terstond hier namen bij. — Ook ons is het als wankelde de bodem, namelijk die des rechts, der eerlijkheid, der waarachtig-
165
heid en der menschenwaarde onder onze voeten. En als men dan leest, hoe hier en daar een gewetenlooze zwendelaar nog in de hoogte gestoken kan worden, zoodra hij slechts vastberadenheid of — lafheid genoeg bezit, nadat hij anderen in het ongeluk heeft gestort, ook zichzelven met behulp van een revolver in het Nirwana neer te storten; als men ziet, hoe voor zulk eene daad der vertwijfeling van menigen kant — in openbare stemmen — martelaarskronen worden uitgereikt, dan komen wij tot het inzicht, dat in onze zedelijke wereldbeschouwing zeer veel ontzettend bedorven moet zijn. Maar wil men niet zien, dat dit alles de onvermijdelijke gevolgen der materialistische leerstellingen zijn, rondom welke zich steeds grooter scharen van aanhangers verzamelen ? Men is heden ten dage bevreesd voor de internationale; het schrik aanjagende spook der sociale omkeeringen zit onzen tijd verlammend op den nek. Voedt zich dit spook niet als de vampyr, door ons volk het laatste gezonde bloed van zijn godsdienstig geloof uit te zuigen ? „Het sociaal-democratisme berust op de denkbeelden van vrijheid, gelijkheid, broederschap,quot; vertelt het Stuttgarter socialistische plaatselijke blad aan zijne lezers, „en deze denkbeelden bedoelen allermeest de vernietiging dei-goddelijke en wereldsche machten in hoofd en hart der volksmenigte;quot; is dit duidelijk gesproken — en is het niet goed materialistisch uitgewerkt ? — Of waarop wil het materialisme dan toch den eisch der ondergeschiktheid en der gehoorzaamheid grondvesten ? Welken grondslag heeft in zijn stelsel de zedelijk verheven eisch van de „vrijwillige ondergeschiktheidquot;, die volgens Goethe (in de verwantschappen door keuze) „de schoonste toestandquot;
166
is ? — Geen enkelen. Alles is natuur. De natuur verheerlijkt den strijd om het bestaan, prijst en bekroont het recht van den sterkste. Dus is iedere macht geweldenarij en heeft slechts juist zoolang recht als zij — macht is! Diensvolgens heeft de derde stand de duidelijk door de natuur aangewezen taak, steeds opnieuw te beproeven, of het hem nog niet mocht gelukken, datgene te verwezenlijken, wat reeds Sieves hem beloofde, „allesquot; te worden, daar hij tot op dien oogenblik „nietsquot; was. Iedere omwenteling, zij moge een maatschappelijk, staatkundig of godsdienstig karakter dragen, heeft recht, zoodra zij zegeviert; — die de nederlaag lijdt, heeft onrecht. Onverholen bijval verdient daarom die aanvoerder der socialisten, de heer Bebel, die het in den Duitschen rijksdag evenals voor zijne rechters in Leipzig uitsprak, dat zijne partij, aan het roer gekomen, met hetzelfde recht hen zou veroordeelen, die heden de plaats van rechters innamen. Plicht is volgens materialistische opvatting steeds slechts de handhaving der eigene soort, nog juister: van het eigen ik —; immers zoo verkondigt het de natuur.
Hiermede staan wij voor onze zesde bedenking, welke bovendien als resultaat der derde en vierde bedenking, voor een deel naast het laatst gezegde staat, voor een ander deel echter hierop als zijn verdere grondvesting aan deze plaats moet volgen.
6. Wijl de natuur uitsluitend het beginsel van zelfbehoud, alzoo van het egoïsme kent, zoo kan het materialisme, terwijl het den mensch alleen als natuurwezen erkent, de verschijning van die edelste geesten der menschheid, die d e zelfopoffering en de toe wijding ais het hoogste beginsel der zedenleer en van den godsdienst prezen en beoefenden,
167
niet verstaan, en moest deze eigenlijk, omdat zij tegen de natuur handelden, voor zieken of gekken verklaren. Aldus veroordeelt het materialisme de eigenlijke weldoeners der menschheid en richt daarmede zichzelf. —
De natuur kent slechts zelfzucht, bij haar geldt alleen het recht des sterksten. Hier is de strijd om het bestaan aan de orde van den dag, de machtigere verworgt den zwakkere, zooals wij vroeger breeder aantoonden. Zelfbehoud is het hoogste en werkelijk eenige streven van alle natuurwezens. Dus kan het zedelijke beginsel van het in de gevolgen doordachte materialisme alleen het egoïsme (de zelfzucht) zijn; er kan, er mag voor hetzelve geen andere drang tot handelen in de wereld bestaan; en — „er bestaat ook geen anderequot;, zoo hebben oprechte en zichzelven gelijk blijvende voorvechters van het stelsel onbewimpeld uitgesproken.
Maar geschiedenis, ondervinding, zedelijk gevoel verheft zich hiertegen. — Hoezoo? brengt de geschiedenis, die hare daadzaken niet door het materialisme wil laten verbeteren, hiertegen in, er waren toch persoonlijkheden, die de grondstelling der zelfzuchtige natuur: „laat instorten wat wil, als ik maar behouden blijf\' — veeleer omzetteden in deze andere: „gaarne wil ik te gronde gaan, als ik daardoor anderen behouden en redden kanquot;; er waren toch en er zijn nog wezens, die moed en kracht, goed en bloed, zichzelven en alles, wat zij waren en bezaten, welgemoed opofferden, om der menschheid van nut te zijn? — Zoodanigen, die, hoewel zij de kracht er toe hadden, toch niet wilden worgen maar redden, niet heerschen en in boeien slaan, maar dienen wilden en bevrijden. Er bestaat toch eene wereld, welker eerste stelling niet luidt: de sterkere vernietigt den zwakkere,
166
is ? — Geen enkelen. Alles is natuur. De natuur verheerlijkt den strijd om het bestaan, prijst en bekroont het recht van den sterkste. Dus is iedere macht geweldenarij en heeft slechts juist zoolang recht als zij — macht is! Diensvolgens heeft de derde stand de duidelijk door de natuur aangewezen taak, steeds opnieuw te beproeven, of het hem nog niet mocht gelukken, datgene te verwezenlijken, wat reeds Sieves hem beloofde, „allesquot; te worden, daar hij tot op dien oogenblik „nietsquot; was. Iedere omwenteling, zij moge een maatschappelijk, staatkundig of godsdienstig karakter dragen, heeft recht, zoodra zij zegeviert; — die de nederlaag lijdt, heeft onrecht. Onverholen bijval verdient daarom die aanvoerder der socialisten, de heer Bebel, die het in den Duitschen rijksdag evenals voor zijne rechters in Leipzig uitsprak, dat zijne partij, aan het roer gekomen, met hetzelfde recht hen zou veroordeelen, die heden de plaats van rechters innamen. Plicht is volgens materialistische opvatting steeds slechts de handhaving der eigene soort, nog juister: van het eigen ik —; immers zoo verkondigt het de natuur.
Hiermede staan wij voor onze zesde bedenking, welke bovendien als resultaat der derde en vierde bedenking, voor een deel naast het laatst gezegde staat, voor een ander deel echter hierop als zijn verdere grondvesting aan deze plaats moet volgen.
6. Wijl de natuur uitsluitend het beginsel van zelfbehoud, alzoo van het egoïsme kent, zoo kan het materialisme, terwijl het den mensch alleen als natuurwezen erkent, de verschijning van die edelste geesten der menschheid, die d e zelfopoffering en de toewijding afe het hoogste beginsel der zedenleer en van den godsdienst prezen en beoefenden.
167
niet verstaan, en moest deze eigenlijk, omdat zij tegen de natuur handelden, voor zieken of gekken verklaren. Aldus veroordeelt het materialisme de eigenlijke weldoeners der menschheid en richt daarmede zichzelf. —
De natuur kent slechts zelfzucht, bij haar geldt alleen het recht des sterksten. Hier is de strijd om het bestaan aan de orde van den dag, de machtigere verworgt den zwakkere, zooals wij vroeger breeder aantoonden. Zélfbehoud is het hoogste en werkelijk eenige streven van alle natuurwezens. Dus kan het zedelijke beginsel van het in de gevolgen doordachte materialisme alleen het egoïsme (de zelfzucht) zijn; er kan, er mag voor hetzelve geen andere drang tot handelen in de wereld bestaan; en — „er bestaat ook geen anderequot;, zoo hebben oprechte en zichzelven gelijk blijvende voorvechters van het stelsel onbewimpeld uitgesproken.
Maar geschiedenis, ondervinding, zedelijk gevoel verheft zich hiertegen. — Hoezoo? brengt de geschiedenis, die hare daadzaken niet door het materialisme wil laten verbeteren, hiertegen in, er waren toch persoonlijkheden, die de grondstelling der zelfzuchtige natuur: „laat instorten wat wil, als ik maar behouden blijf\' — veeleer omzetteden in deze andere: „gaarne wil ik te gronde gaan, als ik daardoor anderen behouden en redden kanquot;; er waren toch en er zijn nog wezens, die moed en kracht, goed en bloed, zichzelven en alles, wat zij waren en bezaten, welgemoed opofferden, om der menschheid van nut te zijn? — Zoodanigen, die, hoewel zij de kracht er toe hadden, toch niet wilden worgen maar redden, niet heerschen en in boeien slaan, maar dienen wilden en bevrijden. Er bestaat toch eene wereld, welker eerste stelling niet luidt: de sterkere vernietigt den zwakkere,
168
maar veeleer: „de grootste dient den geringste.quot; Er geschiedden toch daden op de groote markt van de geschiedenis der volken, en ze geschieden nog heden in stille ziekenkamers, — daden, welke niet uit zelfzucht kunnen verklaard worden, daar het ik van hem, die ze ten uitvoer legde, daarvoor aan lichaam of ziel zijn bloed offerde.
Wat zegt het materialisme over de daden van een Horatiüs Cocles, Leonidas, Cürtius, Arnold vost Win-kelried, wat zegt het van iedere moeder, die het weet, dat zij by het nachtwaken aan het ziekbed hare kracht en gezondheid op het spel zet, en zich toch niet mag laten aflossen, louter om het zelfbewustzijn te redden: „ik heb gedaan wat ik konquot;? Bracht ons niet de laatste groote oorlog naast al zijne verschrikkingen trekken van heldenmoed en zelfopoffering, voor welke wij met heiligen eerbied staan? Of was het soms de zelfzucht, die zich den hospitaal-dienst aan de sponde der zwaargewonden vrijwillig uitkoos? Welke natuurdrift bezielde dien Silezischen reserve-soldaat, die zich, omdat hij ongehuwd was, aanmeldde in de plaats van een onder het vaandel geroepen vader eens gezins? — Of was het soms materialistisch gedacht, toen een jonge koningsgrenadier aan zijne moeder tot afscheidsgroet deze woorden zond: „Ik sterf gaarne, als ik voor het vaderland kan sterven!quot;? Deze door eenvoud aangrijpende bekentenis weerlegt de materialistische zelfzucht-natuur-theorie beter dan de geheele bundel onzer voordrachten. En vond men ook niet onder heidensche natuurvolken trekken van liefde tot de waarheid, zin tot opoffering, edelmoedigheid; en bewijzen van gastvrijheid en sparen van den vijand zelfs onder onbeschaafde stammen? Ook
169
onder het puin van het bijgeloof sprongen nog de bronnen van goddelijk gevoel. Uit het ruischen van den Niagara klinkt aangrijpende mededeeling naar boven. Jaarlijks werd eene boot opgesierd met de schoonste vrachten en bloemen, en te midden daarvan eene levende bloem — aan den dood gewijd. De versierde boot. welke de door het lot aangewezene doods-bruid droeg, werd naar de kolk heengestooten, als een offer aan de-i „in den waterdonderquot; zijn toorn uilbrullenden God! Daar viel het lot op de edele bruid van een hoofdman; deze trad haar ter zijde en sprak: „Vrees niet, ik sterf met uquot;. Maar de geliefdste speelnoot der bruid bad en sprak tot haar: „Zoo niet, mijne vorstin, — gaat gij, dan sterven er twee — laat mij dan tot den God gaan, ik ga alleen.quot; — En reeds had zij de boot losgemaakt en dreef heen naaide draaikolk. — Eu al was dit nu maar een oude overlevering; — ook de overlevering bewijst, dat de gedachte der zelfopoffering als eene verhevene, waard te worden bezongen en herinnerd, in de borst der menschen leeft. Vanwaar echter dit denkbeeld, daar het in de natuur rondom ons nergens zich openbaart ? — Zichzelveu gelijkblijvende zou het materialisme dit als ziekelijk, overspannen, dwaas — daar het tegennatuurlijk is — moeten verwerpen en veroordeelen. Voor zijne vierschaar wordt dat heldhaftige meisje tot eene zottin!
De helden der menschheid moesten als dwazen worden uitgelachen. Zoo schijnen binnen het materialistische denkgebied de verhevenste en meest gewijde gedachten der menschheid, welke wij als goddelijke prijzen en verheffen, op eene wijze behandeld, die ons sterk aan eene gewis wel wat al te plat voorgestelde schilderij van den Franschen schilder De Rudder herinnert, welke
170
wij op de Münehener tentoonstelling van kunst in het jaar 1869 zagen. De schilderij had tot onderschrift: La muse outragée abandonne ce monde (de beleedigde muze verlaat deze wereld), en vertoonde eene luchtig naar omhoog zwevende godin, wier afhangende mantel nog een weinig op de aarde rustte, juist genoeg, dat een daar drentelend klein (— schrik toch niet —) zwijntje zijn poot op de slip kon zetten, terwijl zijn snuitje om eene rol heensnuffelde, welke het opschrift „Phaedoquot; droeg. — Dit is ook eene wijze van beschouwing der „goddelijke ideeënquot;!
Maar als de zelfzucht tot eenigen natuurlijken hefboom van al het doen wordt gemaakt, — dan gaat bij ons het recht verstaan van de grootste daden en verhevenste ideeën der menschheid verloren; dan wordt, wat wij deugd noemden, nog slechts beleid en houdt juist hiermede op deugd te zijn; dan zal de grootste wijsheid hierin gelegen zijn, het leven tot eigen voordeel genotrijk uit te persen als eene citroen, en het smakeloos gewordene als eene ledige schaal weg te werpen. En daar heden reeds legioenen zoo denken, ziet men vele jongelingen, die met bloedarme, door de nachtfeesten ingevallen wangen rondsluipen, eiken ernstigen arbeid schuwend, slechts de gemakkelijke verdienste najagen en ieder boven den overeengekomen arbeidstijd in de werkplaats doorgebracht kwartier uurs voor verloren achten; — vandaar de vele merglooze mannen, die zonder kracht om leed te dragen en zonder moed om tegen verleidingen te strijden, achteloos en verzuimend in datgene, wat zij stellig moeten doen, steeds geheel terugblijven, waar eene in het algemeen nuttige, maar niet winstgevende onderneming den kreet laat verkondigen:
171
„vrijwilligers voorquot;; — vandaar de vele knorrige grijsaards, die, in plaats van de jeugd te bezielen en met de bewaarde en verwezenlijkte idealen huns levens te voeden en te verkwikken, levensbeschouwingen opdis-schen als deze, welke wij in eene nieuwere Russische novelle vonden: „Daar alles ellendig is, waarom ook niet gij, — onrecht lijden is de grootste dwaasheid, onrecht doen, voor zoover het nuttig is, de grootste wijsheidquot;; — en afscheidstoespraken houden, zooals de stervende vader in hetzelfde boek: „Lieve jongen, ik raad u, over het algemeen deugdzaam te zijn, omdat de deugd in den regel veel minder geld kost dan de ondeugd!quot; — Hier is de deugd tot eene oeconomische (winst of verlies gevende) vraag geworden en aan de zedelijke deugdelijkheid riekt de berekening: of zij ook iets aanbrengt, wat kan gegeten worden ?
De Rudder heeft het toch zoo slecht niet afgetee-kend! — Welke bemoediging mogen van nu af aan diegenen verwachten, die hunne kracht gaarne ten dienste der broeders stelden? „Laat toch niemand zich moeite geven voor het heil der menschheid. Arme gek, laat de natuur bestieren en ieder voor zich zorgen. Wat niet staan raag, welnu dat valle en ga in naam der groote en heilige natuur vreedzaam of jammerlijk te grondequot;, zoo moest ten naastenbij de aanspraak klinken. Is niet zulk schaamteloos verkondigen der zelfzucht, als thans van raaterialistischen kant gepredikt wordt in het openbaar, van dezelfde bedoeling als de verwoesting aller op vereering en wederzijdsche achting gebouwde levensverhoudingen ? Heeft men geen besef, hoeveel het geheel verliezen gaat, wanneer een begaafd mensch alleen aan zichzelven denken mag, en hoeveel gewonnen
172
wordt, zoo in een kring ook slechts één mensch er toe gebracht wordt, zijne taak hierin te zoeken, dat hij de hem door een goedgeefsch lot verleende gaven en krachten tot welzijn van het grootere geheel aanwende?
En wie waagt het te loochenen, dat de grootste weldoeners der menschheid juist diegenen waren, die in stede van door zelfzucht, veeleer door menschenliefde, zachtmoedigheid en barmhartigheid zich lieten leiden? Ja meer nog, legt niet werkelijk ieder mensch, de ingetogenste aanhanger der dag- en modeleer niet uitgezonderd, zoodra hij ergens eene daad der geschiedenis of van het privaatleven naar hare wezenlijke innerlijke waardij wil toetsen, — bewust of onbewust, haar dezen maatstaf aan, of zij uit zelfzucht voortsproot dan wel of onbaatzuchtige gezindheid hare verhevene moeder was? Derhalve is de dwingende, richtende macht van het goddelijke in de menschenziel sterk genoeg, om de bewijsvoeringen van het materialisme in de borst zijner eigen vrienden te logenstraffen. — Hoe onbaatzuchtig er, des te reiner, beter en edeler. Deze is de goddelijke maatstaf — en de rechtstreek sche tegenstelling van de natuurlijke maat; dientengevolge moet voor de rechtbank van het bij natuur alleen zwerende materialisme, eigenlijk het verhevenste en edelste als het meest zinnelooze en dwaze toeschijnen! Aldus beweerden wij boven, aldus toonden wij het nu aan. Maar — zij wagen niet, althans niet openlijk en luid, zoo iets op het forum (de marktplaats) der menschenrechten uit te bazuinen. Zelfs zij, die wat hun persoon betreft geheel en al in de zelfzucht van het materialisme verwikkeld, voor het eigen denken, gevoelen en willen inderdaad slechts de natuurwet der zelfzucht en ik-
173
bezieling laten gelden, hebben toch den moed niet op te treden en, — zooals hun plicht was, de zelfverloochenaars te veroordeelen; zij kunnen het niet, want uit iedere daad van reine, onbaatzuchtige gezindheid straalt eene macht, voor welke zij zich, ondanks hun stelsel, onwillekeurig moeten buigen, zooals de geest van Pompejus voor dien van den machtigeren Caesar. En als nu hier en daar ook de zelfzuchtigeren, de bekende vrienden van materialistische wereldverduistering plotseling eenmaal opwaken bij het hulpgeschrei van het ongeluk, deelneming gevoelen voor het leed van anderen en verantwoordelijkheid bij zwakheid van vreemden; als de kreet van zedelijken toorn, bijna huns ondanks, hun ontsnapt, waar zij van ongerechtigheid en onderdrukking van het goede hoorden; als zij in een onbewaakt oogenblik tóch in geestdrift geraakten bij het aanschouwen van het reine en schoone eener ziel, dan is juist dit een bewijs van het bestaan eener verhevener wereld in hen, welke zij tot heden en tot eigen schade in schijndoode verstijving hielden; eener wereld, die dan in de verhevenste en meest gewijde oogenblikken huns levens zich baanbrekend, hun gewoon alledaagsch spreken en doen feestelijk en onbescheiden logenstrafte. In zulke oogenblikken zouden wij het hun op den man af willen toevoegen: gij zijt toch geen echte materialisten. En zelfs woeste en ontembare naturen, zij buigen zich voor de offervaardige weldoeners der menschheid en staan vol aandacht voor de daden, tot welke zij in hunne verwaarloozing zichzelven niet in staat achten. En kon men een wereld-concilie houden en stemmen opnemen, aan wien de eereplaats in het pantheon (heiligdom voor alle goden) der menschheid toekwam:
174
niet aan de reuzen der oorspronkelijke kracht, niet aan de bloedige veroveraars, ook niet aan de kluizenaars, die ver van de wereld doch zelfzuchtig slechts eigen vrede zochten, de wereld aan den. strijd overlatende, — maar aan de zelfverloochenaars, die te midden van het stormgedrang des levens voor der broederen heil met liefde zich opofferden, hun zou men de eereplaats eenstemmig en gewillig toekennen.
Er bestaat eene wereld, zoo gevoelen wij allen, want zij doet zichzelve machtig in ons bij de heiligste oogen-blikken gelden, eene wereld, waarin eene daad des te gewichtiger is, hoe minder zelfzucht in haar te vinden was, eene wereld, in welke de schijnbaar edelste daad terstond alle waarde verliest, zoodra zij, op de weegschaal der zelfverloochening gewogen, te licht bevonden werd. Gij roemt hem, die de groote som voor de verongelukten offerde; maar wanneer men u bewees, dat hij daarmede slechts een nieuwen glans van glorie om zijn benevelden naam wilde vlechten, dan haaldet gij de schouders op — en dit schouderophalen is erger dan de veroordeeling door een rechter; de man is veroordeeld in de hoogere wereld van uw zedelijk gevoel. — Bemerkt gij niets van de gapende klove, die bestaat tusschen de uitwendige natuurwereld van schaamtelooze zelfzucht, in welke wij ons helaas dikwijls genoeg van God laten aftrekken, en die inwendige edeler wereld van zelfverloochenend denken, gevoelen en oordeelen, die ons steeds weder verheffen en hooger opvoeren wil? Hoe moeten wij ons dan die droefheid, dat wij nog zoo ver zijn van de wereld der heiligere, reinere gewaarwordingen, en het verlangen, haar steeds nader te komen — hoe deze klove langs materialistischen weg verklaren? Naar
175
zijne leer is de mensch zelf het hoogste in deze bestaande wereld — hoe kan echter, wat zelf reeds het hoogste is, nog naar hooger verlangen ? — Zulk een raadsel van ons geheimste verlangen zal slechts dan oplossing vinden, als wij eene hoogere wereld aannemen van goddelijke doeleinden en opgaven, die steeds zich beijvert ons als hare burgers weder tot zich omhoog te trekken; — of wanneer wij den mensch voor een door waan van grootheid bezetenen gek verklaren, die meer wil zijn dan hij is en zijn kan. — Hoe dieper wij ons eigen, innerlijkst wezen bespieden, des te duidelijker stelt zich ons de tegenstrijdigheid tusschen natuurwtreld en zedelijke wereld voor oogen; een verschil, als tusschen kool en helder bergkristal.—
„Schaamte vervult den edelen mensch bij de gedachte, dat hij zich op kosten van anderen soms voordeelen mocht verwerven — de natuur doet zoo ieder oogenblik.quot; De rank der slingerplant, het teeder, aanlokkend boommos is er volstrekt niet over bezwaard, de fijne wortels steeds dieper in het merg van den boom te boren, die aan hetzelve beschutting, kracht, sap en leven gaf; mocht dan ook zijn weldoener zelf aan kracht te kort schieten, rustig ziet het de bladeren van dezen verwelken en de takken afsterven, want al het streven is slechts hierop gericht, het eigen bestaan weelderig te voeden. En als zoo iets onder menschen geschiedt, dan zegt soms zelfs een materialist daarover: ,0 foei, hoe afschuwelijk!quot; — en toch was het slechts na tuur lijk wat daar geschiedde, want het was zelfzuchtig. En waarom noemt gij toch dien vader, die zich niet voldoende om zijne kinderen bekommerde, „onnatuurlijkquot;? Gij moest hem immers veeleer „natuurlijkquot; noemen, daar hij de voorkeur gaf
176
aan zelfzuchtige gedachten, en geheel naar het voorbeeld der natuurwezens ijveriger voor zich te zorgen, dan voor die wezens, die toevallig uit hem voortsproten. Maar „onnatuurlijkquot; bestrafte hem uw woord, omdat gij gevoeldet, dat de mensch aan eene geheel andere „natuurquot; van zedelijken aard gehoorzaamheid verschuldigd is — en hier, maar ook alleen hier, was de zelfzuchtige, zorgelooze vader een „onnatuurlijkequot;. De „natuurlijke bandquot; tusschen „ouden en jongenquot; in de dierenwereld wordt ontbonden op het oogenblik, wanneer de kinderen zelve zich hun voeder kunnen zoeken; bij vele diersoorten moet zooals bekend is het wijfje de jongen geruimen tijd voor de oogen van den heer gemaal zorgvuldig verbergen, omdat hij ze anders wurgt of zelfs, zooals men het bij den tijger en den leeuw in de dierentuinen heeft waargenomen, genoeglijk oppeuzelt ! En wat tusschen menschen met het brandmerk van den grootsten smaad is beladen, wat zelfs onbewust volbracht reeds naar het oordeel des heidendoms onheil te voorschijn riep, — de daad van Oedipus — de geslachtsgemeenschap tusschen ouders en kinderen, behoort in de dierenwereld tot het normale en regelmatige. Deze is de zedenleer der natuur; — en daar dus de natuur „onzedelijkquot; is, zoo moet de zedenleer van het materialisme „onnatuurlijk\'\'\' worden, gelijk James Mar-tineau het treffend uitsprak. — En hoe komt het dan, dat het woord „harteloos\'1 onder ons een woord van het felste verwijt is geworden, waarbij een teergevoeliger gemoed voor altijd zich sluit tegenover iemand, over wien zulk een oordeel moest worden uitgesproken? Is zulk eene maat ook aan de natuur ontleend ? — Waar is toch de natuur hartelijk en liefdevol ? Waar hoordet
177
gij reeds den polsslag van haar meewarig hart? Is zij niet koud met al hare zonnestralen, harteloos en stom, waar gij ooit haar erbartning inriept ? En als nu medelijden, diep gevoeld mededoogen zóó sterk u aangreep dat gij moest weenen, weenen niet over u en uw leed, maar over den jammer, welke een ander trof, die u eigenlijk volstrekt niet aanging, — zie, deze tranen zijn de paarlen in de kroon der menschenwaarde, deze getuigen tegen u, als gij meendet een vriend van materialistisch denken te zijn; — en wanneer gij van eenen „heiligen plichtquot; spraakt, den arme te helpen, den gezonkene op te richten, waarom veroordeeldet gij die stem, die zoo in uw binnenste vermaande, niet als die van een valschen, leugenaehtigen profeet? Of waar vondt gij het woord „plichtquot; in het bladerenboek van het ruischende woud, waar hoordet gij het in de taal der golven, waar hebt gij het uit de natuurgeluiden der dieren des velds afgeluisterd? — Waarom willen wij slechter zijn dan wij zijn; waarom dierlijk, terwijl wij eene hoogere taal verstaan? In de middeleeuwen sprak men tot lof van geheimenisvolle geesten, dat zij de taal der vogels, de stemmen der natuur verstonden. Wat toen geheime leer scheen, is thans openbaar gepredikte straat wijsheid geworden; de onderzoekende wetenschap vond sinds lang, wat uit het kirren des doffers, uit het hinneken van het paard alleen spreekt; — maar waagt men het toch wezenlijk in ernst te beweren, dat uit elke uiting van den mensch, van het eerste schreien tot den laatsten zucht, ook slechts deze twee tonen klinken: honger en liefde? — het laatste woord in zijne minst verheven, — „natuurlijkstequot; beteekenis genomen.
Genoeg — er is geen verder getuigenis noodig voor
12
178
onze bewering: het materialisme staat voor het hoogste en heiligste in de geschiedenis van het menschenleven, voor de daden van reine menschenliefde, zelfverloochenende opoffering en medelijdende toewijding, met één woord: van ware, onbaatzuchtige liefde, als voor een raadsel, dat zich nooit zal laten ontcijferen uit zijne opvatting van den mensch als rein natuurwezen, dat zich alleen laat verklaren, zoodra wij aannemen, dat een hoogere geest een duister voorgevoel van zijn geest en wezen, eene aanblazing zijner reine, zelfverloochenende liefde in des menschen borst legde. Zoo vinden wij ons andermaal in dankbare aanschouwing van het goddelijke, zooals het zich in den mensch onmiddellijk aantoont. Het materialisme, wij wezeu er reeds op, zou, als het zich gelijk blijven konde en wilde, al die gemoedsbewegingen en gewaarwordingen benevens de daaruit ontkiemende daden moeten verwerpen en veroordeelen, of ten minste als afdwalingen van den weg der natuur beschimpen en bespotten. Maar het doet dit niet, kan het niet doen. Waarom niet? Omdat het zoodoende de menschheid in het aangezicht zou slaan, zichzelf echter alle crediet benemen zou. Wat doet het dan nu en hoe redt het zich ? Met dezelfde kunstgrepen als reeds vroeger. Het grijpt naar het middel, dat het de wondende punten der gevolgtrekkingen van zijn stelsel afbreekt. Maar wij laten ons dat niet zoo maar goedschiks welgevallen. Moeten wij het stelsel als stelsel aannemen, dan verlangen wij de uiterste punten er bij, of wij ontzeggen aan hetzelve het recht, op de beteekenis van een stelsel aanspraak te maken. Wanneer wij dus van daar de verklaring moeten overnemen: „Daar de wereld van den vloek der vier groote rampen: geboorte, ziekte, ouderdom.
179
dood niet kan verlost worden, zoo arbeidt het echte materialisme hieraan, deze wereldsmart, omdat zij niet weg te nemen is, voor zijne levens- en lijdensbroeders toch zoo verdraaglijk mogelijk te makenquot; — dan zullen wij terstond tegenspraak aanheffen en vragen: van waar komt die plotselinge opwelling van het medelijden, de belangstelling voor de levensbroeders onder „natuurwezensquot;, welke wij toch moeten zijn? De natuur heeft geen medelijden, elk barer kinderen denkt slechts aan zich geheel alleen. Do echte materialist kan dus slechts zeggen, dat hij er op bedacht is zich het leven zoo verdraaglijk mogelijk te maken. En als nu Büchner aan het slot zijner meer vermelde voordracht zijne zedelijke overtuiging samenvat in het bekende woord:
Wat gij niet wilt dal men u doe,
Voeg dat ook aan geen ander toe —
met de daarbij behoorende positieve omzetting: wat gij wilt dat men u doe; zij ook door u aan anderen gedaan, — dan staan wij vol verbazing voor dit op zichzelf wel is waar hoogst gewenschte, aan deze plaats echter bepaald verrassende resultaat. Hoe ter wereld, vragen wij, komt gij daartoe? Waar doet uwe natuur zoo iets? Zij handelt juist tegenovergesteld in ieder geval. Het sterke roofdier vreet alle dagen waar het maar vinden kan, maar heeft volstrekt geen begeerte, zelf daarvoor ook gevreten te worden.
Wij moeten dus de zedenkundige beschouwingen van Büchner als het stelsel weersprekende en van uit zijn standpunt geheel binnengesmokkelde kenmerken.
Zoo zagen wij onze vijanden bij dezen gang op eigenaardige wijze radeloos staan voor het raadsel des levens; radeloos daarover, hoe zij met hunne
180
koelhartige, zelfzuchtige natuur de zelfverloochenende, hoogepriesterlijke gestalten der menschheid verklaren of ook maar verstaan moesten; wij daarentegen bevonden ons nogmaals vol vreugde voor de aanschouwing van het goddelijke in den mensch, zagen in de diepten van dien geest, welke zich voor deze wereld in zichzelven onthuld en geopenbaard heeft, voor zoover zij hem juist begrijpen en verstaan konde of—wüde!
En daar het materialisme in het enkelleven van het individu niets hoogers kon ontdekken, zoo staat het ook voor het Alleven als voor eene slechts door blinde krachten bewogene, onbewust arbeidende reuzenmachine. Hierop doelt onze volgende bedenking.
7. Tot verklaring der bestaande wereld biedt het materialisme ter vervanging van de Godsgedachte, welke het verwerpt, eene onpersoonlijke, onbeumste, in de stof wonende, aan dezelve onafscheidelijk verbondene kracht, welker bestaan als eenheid het volstrekt niet kan bewijzen.
De titel van Büchnee\'s geschrift: „Kracht en stof\' is bijna het stempelwoord des tijds geworden, dit shibboleth, waaraan de jongeren der nieuwe wijsheid elkander herkennen, dit woord, waaraan de eigenschap van een hoofdsleutel wordt toegekend, waarmede al de gesloten deuren van de bronnen der schepping gemakkelijk en gelukkig kunnen geopend worden. „Kracht en stof\' — het geeft zekeren klank, die in ieder geval op meer ontwikkeling, diepte en grootschheid wijst dan het verouderde, naar den catechismus smakende God en wereld,quot; wat een echt kind van onzen tijd slechts nog neusoptrekkend en met medelijdenden lach in den mond neemt. Toch wagen wij het te beweren, dat in het laatste, zooals blijken zal, veel meer diepe wijsheid en
181
vernuft liggen; en wanneer eenmaal de geschriften van Büohner reeds lang hunne kracht, met name hunne aantrekkende kracht zullen verloren hebben en in de wisseling weder teruggekeerd zullen zijn tot het stof, waaruit zij toch ook evenals alle andere zaken zich hebben te voorschijn gewerkt, dan zal men — in spijt van Büohner, Strauss en Vogt — steeds nog niets beters weten dan „God en wereld.quot;
Waarom bevalt dit niet aan het materialisme? Ik weet het niet — maar een feit is het, het kan nu eens voor al, zooals men het in den (door Büchner ten doode toe gehaten) tijd der middeleeuwen een slimmen geest nazeide, den naam ..Godquot; niet hooren, zonder een licht mishagen te gevoelen, dat zich in den regel in eenige niet zeer uitgezochte krachtwoorden over de domheid en beperktheid der Godsvereerders en het bijgeloof der godsdienst-gezinden gaarne lucht geeft. —
Daar het materialisme alzoo oogenschijnlijk met de Godsgedachte zich niet kan vereenigen, moet het toezien, hoe het dezen lastigen gast van menschelijk gevoel met goed fatsoen kwijt raakt. Laten wij hooren, hoe het dit aanpakt.
Het heeft menigen weg en menig middel; — maar ik vrees, dat het een wordt een dwaalweg voor het ander. Laten wij van de onbestreden en onbestrijdbare daadzaak uitgaan: de Godsgedachte bestaat; zoover de geschiedenis in het verleden reikt, vinden wij haar; en nog heden zijn er millioenen, bij wie doze gedachte even vast staat als hun eigen zijn. Op de onderste treden der beschaving worden de sporen der Godsvereering gevonden, vindt men het instinctmatige gevoel van ergens iets hoogers, waaraan de mensch eerbied verschuldigd is; de vertolking, welke
182
dit gevoel kiest, zal naar het standpunt der beschaving geheel verschillend moeten zijn, de grondslag der idee is dezelfde. Van waar kwam dit Godsgeloof? Het eenvoudigst schijnt het antwoord der bij Vogt iu den laatsten tijd zich aansluitende richting, welke de overtuiging van hetbestaan van God voor eene „hersenziektequot; verklaart. Deze wijze van den knoop op echte Alexander\'s manier door te hakken, zou hier evenwel niet zoo geheel op hare plaats mogen zijn, want ook eene hersenziekte wil hare oorzaak hebben en — of dan nu werkelijk de Gods vereerder de ziekste van hersenen is, daarvoor zouden wij, gewis niet onbescheiden, ons het bewijs willen gegeven zien; hoe nu, als het bleek, dat veeleer de godloochenaar dit ongeluk had! — Zoo komen wij dus blijkbaar niet aan het doel en veroorloven ons dus over geestige uitingen als deze, dat godsdienst slechts door buitengewone prikkeling der hersenzelfstan-digheid is te voorschijn geroepen, dat, zooals ons onlangs Hellwald in zijne beschouwing der beschaving heeft aangetoond, de geschiedenis der godsdienstige voorstellingen niets anders is dan de geschiedenis der menschelijke dwaling in het algemeen; — of dat aan alles, zooals Büohxer weet, waarvan de godsdienst beuzelt, niets behalve de zieke hersenen beantwoordt, weshalve het de plicht van alle denkers is, de menschheid zoo spoedig mogelijk van hare ziekte te verlossen, — of eindelijk, dat godsdienst en Godsgeloof „juist aan het punt begint, waar de gezondheid ophoudtquot;: — ik zeg, wij veroorloven ons over al zulke hiertoe behoorende uitingen heen, over te gaan tot de orde van den dag in rustig onderzoek en helder bewijsvoeren. Er zijn eigenlijk slechts twee wegen open tot het verklaren der daadzaak van
183
de Godsgedachte in de geschiedenis der mensehheid. Namelijk, öf de Godsgedachte is den mensch aangeboren, d. i. in zijn wezen gegrond, zoodat de mensch God denken en ervaren moet — in dit geval gaat de weg der vorming van de Godsgedachte van binnen naar buiten. Of de Godsgedachte is den mensch door opvoeding aangebracht, is een voortbrengsel der leer, die den mensch wordt aangeboden; hier voert de weg, langs welken de mensch in het bezit van God kwam, van buiten naar binnen. Laten wij beide mogelijkheden meer van nabij beschouwen. Volgens de zoogenaamde waarnemingen, juister: beweringen van het materialisme is de mensch en al zijn denken slechts de ontplooiing van natuurlijke stoffen en krachten; dienvolgens zou de werkelijk ook bij de lagere volken wel is waar onvolkomen gevormde, maar toch voorhanden Godsgedachte eveneens als een voortbrengsel der stof, als eene noodzakelijke ontvouwing van een in de eerste cel, in de eerste kiem reeds medegegeven beginsel worden aangezien. Kan de mensch op zijn denken geen invloed uitoefenen, zoo kan hij ook niets doen voor het denken aan en over God; — moet hij echter aan Hem gelooven, dan is deze gedachte, wijl ze noodzakelijk is, ook rechtmatig. Wat in de natuur lag en uit het stof zich ontwikkelde, heeft een recht van bestaan. Maar sluimerde dus reeds de Godsgedachte naast en met alle andere verhevene en lagere gedachten „in de onnaspeurlijke diepten van het oude wereldslibquot;, dan verkrijgt zij dezelfde erkenning, moet haar dezelfde realiteit, d.i. werkelijkheid, toegekend worden als aan iedere andere op dezelfde manier zich openbarende kennis. Is de Godsgedachte in de natuurlijke ontwikkeling en verdere vorming der
184
stof gegrondvest, dan is zij aangeboren, dus, omdat zij natuurlijk is, ook noodzakelijk, daadwerkelijk — en juist! — Maar daar nu in en met de Godsgedaehte de natuur naar hooger dan zichzelve heenwijst, — als het ware een hoofd lengte boven al hare andere werken uitgroeit, zoo zou hierin het bewijs voor het bestaan van een hooger wezen gegeven zijn, als wat alleen in staat kon zijn, in den moederlijken schoot der natuur eene boven de natuur uit en hooger op wijzende gedachte te leggen!
Zoo zouden wij , zelfs op de wegen van zuiver materialistische wereldbeschouwing wandelende, de Godsgedachte vinden. Wil men hierop van gene zijde de Godsgedachte, daar men haar nu als voortbrengsel der stof moet laten gelden, voor een ziekelijk schepsel, zooveel als eene misgeboorte der hersenen, verklaren, dan is dit, zooals wij reeds boven zacht aanwezen, eene bewering, aan welker bewijsvoering belangrijke zwarigheden konden verbonden zijn; vóór alles echter eene stoutmoedige bewering, omdat zij op de onderstelling van het zonder twijfel richtige denken en besluiten onzer tegenstanders — als op eene evenzoo weinig bewezene daadzaak berust! Wie zal overtuigend aantoonen, — als alles natuur is, — welke ontwikkeling de gewone en welke de ongewone is — de Godsvereering of de Godsbeschimping!
Zoo beproeven wij den anderen weg der verklaring van de Godsgedachte, aan welken het gematigder materialisme de voorkeur geeft, omdat aan hetzelve gindsche verbanning van de ons dierbaarste gedachte als iets al te onbeleefds toeschijnt.
De Godsgedachte werd ons door de opvoeding aangeleerd , onderwezen zij; wij zouden geen duister gevoel
185
van het bestaan eens Gods hebben, als het ons niet geleerd ware — herhaaldelijk ingeprent, of, zooals zich iemand uitdrukte, „Ingeranseldquot;. — Wellicht sprak de bedoelde uit eigen ondervinding; — het God-inranseling-stelsel schijnt bij hem echter juist het tegenovergestelde gevolg te hebben gehad, want hij is een der hardnekkigste godloochenaars geworden. — Maar gesteld, dat hij gelijk heeft, zoo is toch gewis zooveel duidelijk: eenmaal — vóór overoude tijden — moet er een eerste opvoeder — respectievelijk inranselaar — zijn geweest, wien dit ambt 5f van hoogere plaats werd opgedragen, óf die het zichzelven eigenmachtig — uit — de stof weet welk een grond, uitkoos. Wij nemen het aan; beweert gij: het kind zou nimmer op de gedachte komen. God te noemen, als men het niet alzoo onderwees, zoo gaan wij voort met de wijsbegeerte van Fichte en zeggen: „Een mensch kon de eerste menschen niet opvoeden, want van waar zou hem deze wetenschap toekomen: dus moest een ander verstandswezen, dat meer was dan een mensch, zich vriendelijk over hen ontfermenquot;; — en daarmede stonden wij dan weder voor een hoogeren geest, een eersten leermeester der nog onopgevoede menschheid, vinden ons tot onze verbazing plotseling tamelijk dicht bij de oude heilige oorkonde, die op hare eerste bladeren ons de Godsgestalte op vaderlijk liefdevolle wijze beschrijft, zoo geheel als een vriendelijken leeraar des menschen, die hem ieder ding bij den rechten naam noemt en ten slotte bij de vorderingen der opklimmende onderwijzing over zichzelven de verhevene kondschap doet, dat Hij is „die was, die is en die wezen zalquot;.
Gij ziet — God kijkt steeds weder de wereld binnen, hoe wij deze ook samenstellen, welke gedachtenbanen
186
wij ook mogen bewandelen. Maar deze onze gevolgtrekking ontlokt opnieuw de tegenspraak onzer wederpartij. Wel verre, zeggen zij, dat op zulk eene welwillende wijze de Godsgedachte het eigendom van het menschelijke hart werd, heeft men hier veeleer met een bedrog, eene openlijke misleiding te doen. Uitvinding van listige papen was het, slimme berekening en speculatie op de domheid der menigte, wat den hemel daarboven met God en goden, de huizen en hutten hierbeneden met afgodsbeelden en afgoden bevolkte. Voor buitengemeen lage, zelfzuchtige doeleinden vond men de Godsgedachte uit, om het aanzien vanhen te vermeerderen, die zich als vrienden en vertrouwden der Godheid lieten eeren en roemen. En de vrees voor de geweldige krachten der natuur, de angst voor onberekenbare gebeurtenissen, het sidderen voor hooge, onbedwingbare machten, — dit alleen was het, wat in zeer vreesachtige en nog meer onwetende gemoederen den grond voor de verkondigingen en wetten van een God ontvankelijk maakte. En toen God er eenmaal was, vertelde het eene geslacht aan het andere het oude sprookje; de ouders zorgden er voor, dat hunnen kinderen God door de opvoeding geleerd, desnoods ingeranseld werd. — Vorsten en bloedzuigers, priesters en slangenbezweerders, waarzeggers en gift-mengsters grondvestten hun geweld, hun aanzien, hunnen invloed, hunne heerschzucht op den welkomen grondslag der Godsgedachte. Naar deze theorie zou dus de eerste verkondiger Gods op deze aarde een rechte aartsschalk, een doortrapte leugenaar — maar altijd toch een vernuftige uitvinder zijn geweest. Jammer, dat ons zijn naam verloren ging. Laten wij hopen, dat hij ergens in eene tertiair-formatie, ergens in eene nog te doorwoelen
187
aanslibbing van zijnen tijd moge gevonden worden; — opdat de nakomelingschap, voor zoover zij hem dank verschuldigd is, niet langer met het oprichten van een welverdiend gedenkteeken moge talmen. — Maar tot dat tijdstip veroorloven wij ons hierover nog in het duister te verkeeren: wat wij meer moeten bewonderen, het grootsche vernuft van hem, die God uitvond — of de bovenmatige domheid van hen, die zich eerst zoo erg lieten bedriegen, — dat zij niet bemerkten, hoe de man hen voor den gek hield en zich ten koste van hunne domheid verrijkte.
Wij wilden aantoonen, men neme de Godsgedachte in de menschelijke borst als eene aangeborene of door opvoeding verkregene, eene van binnen naar buiten ontwikkelde of van buiten aangebrachte en in het binnenste ingedragene, steeds voert zij ons ten slotte tot het bestaan van God heen; en meer als armzalige kunststukjes dan wetenschappelijke antwoorden schenen ons de beweringen. met welke men in dit, evenals in gindsch geval ons resultaat ontdook. — Welken uitgang men ook de voorkeur moge geven, — wij wilden niet bestrijden: „Recht heeft ieder eigen karakter, dat zichzelven gelijk blijft; er is geen ander onrecht dan de tegenstrijdigheid,quot; — maar in dit onrecht zagen wij daareven weder het materialisme — en wel tweemaal tegelijk vervallen. Als wij toch eerst van zijn eigen grondregel uitgingen, dat alle denken noodzakelijk door de stoffen wordt bepaald, en nu — zooals billijk is — dezen regel ook op onze Godsgedachte wilden toegepast zien, — kregen wij plotseling het antwoord; o neen, deze gedachte is niet noodzakelijk, integendeel hoogst overbodig, valsch, verkeerd, ziekelijk! — En als wij ten tweede leerden, dat
188
de Godsgedachte niet in de uatuur ligt, niet in de stof gegrondvest is, maar den mensch slechts door de opvoeding werd ingeprent, en nu toegevend, tegemoetkomend op deze nieuwe stelling voortbouwend, een eersten verhe-venen opvoeder der mensehheid aandachtig wilden groeten, werd ons dit weder verboden met de terechtwijzing: deze eerste opvoeder was een grenzenlooze zwendelaar, een heillooze bedrieger geweest! — En daar zou nergens tegenstrijdigheid, — nergens willekeur zijn?! Maar willen wij hiervoor werkelijk onze Godsgedachte prijsgeven? — Het mag als eenstemmige meening aller dieper denkenden worden verkondigd, dat het „even onwetenschappelijk als onverstandig is, een zoo algemeen verschijnsel als de godsdienst is — (die toch op de Godsgedachte steunt) — een verlangen, dat de geheele wereldgeschiedenis doorloopt, eenvoudig voor eene hersenziekte te verklarenquot; —; wellicht mogen wij met veel grooter recht het heden epidemisch optredende pessimisme, dat wij, omdat het uit de godloochening voortspruit, tamelijk dicht genaderd zijn, voor eene gemoedskrankheid verklaren. —
En komt die andere verklaring der Godsgedachte, uit vrees, niet tamelijk een bankroet van het wijsgeerige en godsdienstige denken nabij? Van de vrees voor het onweder tot de gedachte aan een donderenden God is eene kloof, over welke het materialisme nimmer eene brug zal leggen. — En als het zoo ware, als de Godsgedachte slechts het zwakke angst-kind der vrees ware, — hoe kon dan hier ooit het kind de vrees-moeder overleven, van wie alleen het voedsel verkreeg? Ziet men dan niet, dat met het ophouden der vrees ook overal, en wel terstond, het Godsgeloof moest verdwijnen? —
189
Als het kermende kind in de oude met nevelen omgeven wilgeboomen Erlkönig\'s dochter meent te zien, zal het, als men het den volgenden morgen de voorwerpen zijner vrees als onschuldige boomen heeft vertoond, van stonde aan voor altijd van het geheele geloof in Erlkömig genezen zijn; — waarom werd nu de mensch-heid niet evenzeer, nadat zij de wetten van bliksem en donder zooals van ademen en sterven voldoende heeft leeren kennen, van de ziekte haars Godsgeloofs in den grond genezen? Of waren er soms geene onversaagde ridders des geestes, die bij alle onverschrokkenheid van hun wezen, toch vrijwillig en deemoedig zich bogen voor dien Geest, aan welken zij bij alle eigen grootschheid zich toch diep onderworpen gevoelden? Of zou de ziekte ongeneeslijk zijn —, dan zetelt zij toch ten slotte diep in de natuur des menschen — is aangeboren — is wellicht volstrekt geen ziekte — maar krachtige, van oudsher zeer krachtige gezondheid! — Als het nu onzen tegenstanders maar zoo ging als den krankzinnigen, die naar men weet ook zichzelven alleen voor gezond en iederen gezonde voor ziek houden!
Aan ons doet zich nu, als wij de akten dezer onderzoeking voorloopig sluiten, de geheele zaak aldus voor: evenals het geopende lichtvolle oog ons een bewijs is voor het bestaan van een grooten lichthaard, de zon, zoo is ons godsdienstig voelen, denken, gelooven, de lichtvolle Godsgedachte in onze ziel, ons een bewijs voor het bestaan van een hoogeren geest, van een vader van alle licht; maar de bewering, dat de mensch op eenigerlei wijze God geschapen of gevormd, bedacht of gemaakt heeft, is ons van dezelfde beteekenis met deze, dat het oog des menschen de zon in het leven heeft geroepen!
190
Daar het materialisme de Godsgedachte niet kan verklaren, zoo verwerpt het haar als eene ziekelijke ; — aan onze gevolgtrekkingen uit zijne eigen vooronderstellingen, onttrekt het zich door onberekenbare uitvluchten of zijsprongen. Het blijft er dus bij, het vonnis is tegen ons geveld, staat onveranderlijk vast, nog vóór wij de onderzoeking aanvangen; wij worden met ons verouderd: „God en wereldquot;, van waar wij het laatst uitgingen, met glans afgewezen. Zelfs het op zichzelf onschuldige woord: „ Weltquot; (wereld) vindt op de wijze als wij gewoon waren het te gebruiken, werkelijk geen genade in materialistische ooren. In ieder geval herinnert het door zijne afstamming van „walfenquot; (heersehen) ook nog te veel aan God; daarom zegt men liever daarvoor: „stof — en voor God: „A;mc7ilt;quot; en leert ons in de hierover handelende werken uitvoerig, dat stof nooit zonder kracht en kracht nooit zonder stof bestond, dat kracht eeuwig en stof eeuwig is en beide, sinds eeuwigheid verbonden, ook nimmer kunnen gescheiden worden.
De gedachte der eeuwigheid, de grootste en zwaarste en geheel ondenkbare voor een beperkt wezen, zooals de mensch is, wordt ons dus ook hier niet gespaard; wel echter wordt ons de veel grootere eisch gesteld, de hoogste wijsheid in de wereld als onpersoonlijke, onbewuste kracht ons voor te stellen. Hoe zullen wij ons die voorstellen? Niemand heeft haar gezien, even zoo min als onzen God, — maar wat wij en het materialisme desgelijks, als het niet verblind is, eenig en alleen zien en hebben gezien, zijn altijd maar krachten in de natuur, verschillende, op menigvuldige wijze elkander aanvullende en in elkander grijpende krachten, maar de
191
eenheid „krachtquot; is eene louter denkbeeldige en volstrekt niet erkende of zelfs bewezene; derhalve is het slechts eene onderstelling, een vermoeden, dat met den eiseh tegenover ons optreedt, als een geloofsartikel te worden aangenomen. Met welk recht en op welken grond ijvert dus het materialisme tegen het tweevoud: „God en wereldquot; en verhoovaardigt zich op zijne monistische, namelijk enkelvoudige verklaring der wereld, terwijl het eigenlijk evenzeer een tweevoudig beginsel tot verklaring der zich voor onze oogen bewegende reeks van daadzaken behoeft? Wat wij met „wereldquot; bedoelen, de zichtbare atomen, noemt het stof, en in de plaats van onzen bewusten, persoonlijken, volgens doeleinden handelenden God, Dien het ons met spot ontzegt, aanbidt het eene onbewuste, onpersoonlijke, slechts naar bewustzijn en leven in het duister dingende kracht.
Maar nimmer wordt ons ook slechts bij benadering gezegd, hoe wij deze onpersoonlijke kracht ons moeten denken; zij is werkelijk de Deus ex machina, of veeleer de Deus in machina (de God in het werktuig) der wereld! De veelgeprezen eenheid der wereld-verklaring is dus bij nauwkeuriger onderzoek volstrekt niet aanwezig. Wat hier „krachtquot; wordt geheeten, komt bij Hartmann te voorschijn onder den naam van het „onbewustequot;, een wil zonder willenden, eene van zichzelve niet bewuste kracht in de menschen, in de dingen, die tot behoud en voortplanting van dit bestaan voorwaarts dringt, van een bestaan, dat toch slechts eene keten van teleurstelling aanbiedt. — Dit prijst men nu als eene geslotene „enkelvoudigequot; wereld-samenstelling, bij welke men bevrediging moet scheppen! Het tweevoudige tusschen stof en gestalte gevende macht toont zich ons hier
192
buitengewoon scherp. Wat is deze kracht ? Zij is zoo recht eigenaardig: de gezochte God! — Het altaar, dat de markt van Athene versierde, welks opschrift „den onbekenden Godquot; een vrijwillig getuigenis van armoede der geestrijke oude wijsbegeerte was, — dit altaar, dat zekere Paülüs in zijnen tijd heeft omgeworpen — werd door de jongste wijsheid weder opgebouwd, om aan zijne trappen hekatomben op hekatomben (offers van honderden) van langs valsche denk- en levensbanen in dwaling vervallen menschenhoofden te offeren.
Waartoe dan nu dat hoogmoedige pochen aan gindsche zijde, als waren zij de pad-vinders der ware wijsheid? Waartoe het snoeven op hunne heldendaad, het leerstelsel van den persoonlijken God onmogelijk te hebben gemaakt? In de plaats van het met smaad uitgeworpene leerstuk komt door de achterdeur van het stelsel het andere leerstuk „van de eeuwige wereld der levenskiemenquot; lachend en welgemoed met trots naar binnen. Of is het iets anders dan eene „geloofsstellingquot;, wanneer Schopenhauer leeraart: de natuur brengt wat doelmatig en overlegd schijnt, zonder overlegging en planmatig begrip tot stand. — Wie heeft het bewezen, dat iets wat overlegd schijnt ooit zonder overlegging tot stand kan komen? Een leerstuk is het, niets dan dit. Tegenover het theïstisch (God verkondigend) leerstuk staat het atheïstische (God loochenende), tegenover het god-volle het god-looze ! — Het geheele onderscheid ligt hierin, dat zij ons in plaats van den persoonlijk levenden God een onbewusten droomgod geven, die voorzeker aannemelijker schijnt, omdat hij, evenals de Fetischen of de houten beelden van China en Japan, die ook stofgoden zijn, zich alles geduldig laat welgevallen. Vragen wij naar het bewijs van die „krachtquot;,
193
■welke als vormende god in zijne stof weeft en te voorschijn roept, dan toonen zij ons de werkingen en beeltenissen in plaats van deze kracht. Welnu, juist zóó bewijzen wij omen God, terwijl wij op de werkingen van zijnen geest rondom ons en vóór alles in ons met vreugdevolle overtuiging wijzen. — Maar wie is in staat de verkondiging van die onbewuste kracht, die doelloos, dus toevallig zoo iets grootsch te voorschijn bracht, mede rustig aan te hooren, zonder daarbij aan Cicero\'s fijnen spot te denken, die aan de wijsgeeren, die de wereld uit toevallige dooreenschudding der atomen (ondeelbare stofjes) wilden ontstaan weten, als tegengift de andere bewering aanbood: iemand zou eene ontelbare menigte van enkelvoudige drukletters in eene loterij doos hebben geworpen, en na schijnbaar voldoende doorschudding ze hebben uitgeworpen en zie — daar zouden toevallig de zangen van Homerüs gereed gekomen zijn!
Hoe oud is toch de nieuwe wijsheid van het materialisme — en hoe oud ook hare afwijzing! — Maar terwijl wij, bij het materialistische leerstuk van den onbewusten krachtgod geen vrede hebbende, onze oude leer van den krachtbewusten God daartegenover plaatsten, bewijzen wij eigenlijk, dat wij van onze tegenstanders iets geleerd hebben, daar wij hierbij goed materialistisch bewijs voeren.
Een eikeboom namelijk leiden wij nimmer regelrecht van een sprinkhaan, maar steeds van een eikel af, en bij een hoen maken wij het stoute besluit, dat eerst een hoenderei moet hebben bestaan; waar wij echter verstand in het menschenhoofd zien, daar gaan wij verder met het besluit, dat het van verstand moet afstammen. quot;Welke meening is toch wel geloofwaardiger: de onze, dat iets
13
194
gelijksoortigs van zijns gelijken, bewustzijn van bewustzijn, denken van denken, geeatesbloesems uit geestesbodem stammen; of die andere meening, dat bewustzijn uit stompzinnige massa, ik uit niet-ik, gevoel van eenheid uit atomen-samenraapsel zijn ontsproten? — In beide gevallen staan wij voor een leerstuk-, alleen is het de vraag, welk van deze meer bewijzen voor zich heeft; in beide gevallen staan wij voor een raadsel, maar het blijft de vraag, welke soort van oplossing de gelukkigste is; — die, welke het materialisme aanbiedt, komt onbevooroordeelden gemoederen niet voor als oplossing, maar als radeloosheid. Wij noemen echter sterk bevooroordeelde gemoederen zulke, die bij de wereldbeschouwing terstond met het ultimatum (den uitersten eisch) optreden: er mag geen geest, er kan geen God bestaan! — Vol van vooroordeelen — radeloosheid*. — Dit zal aanstonds blijken. Het laatste woord van het materialisme, dat het overal daar in gereedheid houdt waar wij het naar den aanvang van het organische (bewerktuigde) leven vragen. het met zoo stouten ophef voor het eerst uitgesproken woord: „Urzeugungquot; (oorspronkelijk eerste voortbrenging), wat is het nauwkeurig bezien anders dan eene bekentenis der radeloosheid, eene achter bombastischen klank kwalijk verborgene verlegenheid? — Als wij dit woord ontleden, zoo kristalliseert zich een pyramiden-groote onzin, — dit klinkt ook naar iets! — Immers „zeugenquot; moest, naar wij tot heden hebben geleerd, ongeveer het tegenovergestelde zeggen van dat, wat de lettergreep „wquot; pleegt te beteekenen. Zeugen (voortbrengen) wil zeggen: een he-siaawdleven roept een nieuw te voorschijn; — berustnu het behoud van al het organische leven op voortbrenging.
195
zooals de natuurwetenschap bewijst, dan wordt hiermede gezegd: aan ieder bestaand voortgebracht leven ging een vroeger voortbrengend leven vooraf. Tot zoover zou het heel mooi en duidelijk zijn, maar nu wordt de ongelukkige lettergreep ..wrquot; er voor gespannen; deze trekt onzen wagen naar de tegenovergestelde zijde, door hare bewering: aan een of eenig voortgebracht leven ging geen voortbrengend leven vooraf, — voort-gébracht en voortbrengend was dus één en hetzelfde! — Dienvolgens zou het woord „ Vrzeugungquot; juist de dubbele wijsheid omsluiten: 1. Alles wat leeft ontstaat door voortbrenging, steeds werd het leven door het leven gewekt, en 2. Eenig leven ontstond niet door voortbrenging, menigmaal werd het leven uit den dood gewekt\'. — „God behoede onze gezonde vijf zinnen,quot; riep een hofnar van Shakespeare bij zulk eene gelegenheid — „wat kan er toch van het verstand worden, als het op verbodene wegen wandelt!quot; De laatste beslissende vraag, of organisch leven uit het vrijwillig — beter gezegd: toevallig — samentreffen der anorganische (onbewerktuigde) stof kan ontstaan, is sedert lang met inspanning van alle kracht en aanwending der fijnste instrumenten, dikwijls bijna met verbittering en hartstocht behandeld geworden. De volkomen geldige beslissing verwachten wijzen eerst van de uitvinding van nog fijner microscopen —; wij zijn natuurlijk niet in de gelegenheid hier een toongevend woord te spreken, hebben daaraan ook geene behoefte, omdat, zooals wij zullen zien, de vraag zich voor ons geheel anders voordoet. In ieder geval is het woord: „Urzeugungquot; voorshands eene stoutmoedige hypothese, d. w. z. — om het woord voor de lieve vrouwen, die geen Grieksch verstaan, in onze taal over te brengen, —
196
„iets wat daar onder gelegdquot;, het kan ook zijn „iets wat daar onder geschoven isquot; — namelijk daar, waar men geen vasten grond tot staan en daarop bouwen meer heeft. En het versus memorialis (het vers der gedachtenis), dat een lustig student in de natuurkunde op de letter „Hquot; in het natuurwetenschappelijk alphabet bij het feestelijke samenzijn heeft gedicht, luidt:
„Waar men door valsch vernuft verkeerd belandt.
Neemt men de hypothese fluks ter hand.quot; —
Zoover wat betreft het woord „radeloosheid.\'quot; En wat nu het „vol van vooroordeelenquot; aangaat, zoo houden wij ons aan Haeckel, die zich beslist voor „Urzeugungquot; verklaart, — niet zoozeer omdat de zorgvuldig van de lucht afgeslotene glazen buis ontwijfelbaar dit had uitgemaakt, maar — „omdat men anders zijne toevlucht tot eene bovennatuurlijke schepping moest nemen, omdat men anders een boven de stof staanden geest zou moeten erkennen!quot; En dit wil men juist niet — hier ligt het vooroordeel. De ware wetenschap zal nimmer afwachten, tot Mephistopheles haar boosaardig toefluistert: „Daar staat gij nu weder eens aan den grenspaal, waar u, arme stervelingen! het vernuft doet struikelenquot;, maar zal bescheiden verklaren, dat zij het voortbrengende leven in het allergelukkigste geval tot de eerste kiem zal kunnen navorschen (zooals wij vroeger aantoonden), maar daar naar den bevruchtenden, leven inblazenden wereldgeest zal moeten vragen, voor welken zij zich radeloos en geheel geen weg meer wetend geplaatst ziet. En als diegenen gelijk hebben, die de vraag naar de Urzeugung tot eene geheel onbeduidende verklaren, daar in het algemeen volstrekt geen daadzakelijk onderscheid tusschen het organische en anorganische, het levensvolle en levenlooze
197
bestaat, omdat reeds in den steen, in het kristal, in het aangroeiende erts, zelfs in de zwellende kiem, de aanvang van het levensvolle, ja van het zielvolle berust — zoo zullen wij toch altijd vragen, hoe in dat nog levenloos schijnende reeds de aandrift van in de toekomst ontluikend zieleleven kwam. Wij ontkomen niet aan de Godsgedachte, als zijnde de op den achtergrond van al wat bestaat rustende, zwijgend te erkennen geestes- en levensmacht. — Wij staan nogmaals voor eene keuze die luidt: „oorspronkelijke voortbrenging der stofquot; — of „oorspronkelijke kracht van een goddelijken geest.quot; — Een derde bestaat niet, — wij spraken over de radeloosheid der ürzeugung. Haar toen wij, de hypothese dezer oorspronkelijke voortbrenging verwerpend, van eene bescheidenheid der ware wetenschap spraken, zoo rekenden wij hieronder dat streven, hetwelk zich aan het verwant klinkende woord „Urformquot; (oorspronkelijke vorm) aansluit. Gij kent uit uwe studiën van Goethe de lievelingsgedachte, aan welke de natuuronderzoeker Goethe veel tijd en kracht wijdde, — ,de oorspronkelijke plantquot; te ontdekken, in welker eenvoudig volmaakte vormen de geheele verscheidenheid der plantenwereld als \'t ware zou besloten liggen, — of verder „den oorspronkelijken vormquot; te vinden, naar welken een volmaakt Wezen alle andere te voorschijn tredende gedaanten zou hebben gevormd.—
Wij rekenen hierbij die beroemde, menigmaal aangehaalde, ook door ons vroeger reeds aangestipte plaats uit de eerste oplaag van Darwin\'s hoofdwerk over het ontstaan der soorten, waar hij, de gedachte van Goethe uitwerkend, de overtuiging belijdt, dat het waarschijnlijk is, dat alle soorten van organisch leven, welke immer op
198
deze aarde hebben bestaan, van eenigerlei oorspronkelijken vorm afstammen, welken het leven vooraf door den Schepper is ingeblazen geworden. Zoolang de wetenschap dit als „waarschijnlijkquot; verklaart, blijft aan iedereen zijn recht gewaarborgd, het van zijn kant, als hij daar lust in heeft, voor „onwaarschijnlijk\'\'\' te honden; en eerst waar de spot van Darwis\'s Duitsche leerlingen den „Schepperquot; uit de tweede uitgaaf van het werk heeft uitgeworpen en uit beiden „Schepper enUrvormquot; den bastaard „Urzeugungquot; schiep, in welken daadwerkelijk beide begrippen onzuiver in elkaar gevloeid schijnen,— eerst daar zullen wij, zooals wij reeds deden, met nadruk onze tegenspraak mosten verheffen. Verzamelen wij de resultaten van onzen laatsten arbeid, zoo mochten het deze zijn: tot verklaring der wereld zijn slechts twee wegen gangbaar, twee gevallen denkbaar: — de zichtbare wereld kan den grond van haar bestaan öf in zich öf huiten zich hebben ; maar de natuurwetenschap heeft tot heden nog niets stoffelijks ontdekt, dat zijn grond in zich heeft gehad, dat wil zeggen, alleen door zichzelf zou zijn ontstaan. En als desniettemin de „geloofsbelijdenisquot; van den modernen natuuronderzoeker met den aanhef begint : „Ik geloof aan een eeuwig heelal, dat zijn grond in zich-zelven heeftquot;, dan ontdekken wij in deze zeer ongeloofbare geloofsbelijdenis, als wij haar vergelijken met die andere, zoo even aangeduide erkenning, slechts eene nieuwe van die vele tegenstrijdigheden, welke de „exactequot; wetenschap van zekere heeren volstrekt niet vreest; en als ons Steaüss „het heelal als de uiterste bron van al wat bestaat en leeftquot; voorstelt, dan verzoeken wij hem vriendelijk maar met nadruk, ons toch eene bron te wijzen, die uit zichzelve ontspringt, — of wij ver-
199
klaren die stelling voor datgene wat zij is: eene holle phrase. Immers is het volmaakt onbegrijpelijk hoe het niets, toen het nog niet bestond, tot zichzelven zeide: ik wil bestaan; — en nog onbegrijpelijker, hoe het stoffelijke, het onbewuste van eeuwigheid had bestaan, en op zekeren dag, toen het nog geene gedachten kon vormen, plotseling —of toevallig —tot de waarschijnlijk „wanhopend domme gedachtequot; (!) verviel, in bewust gedachtenleven zich te verplaatsen. Ons blijft dus slechte de keus — öf aan eene eeuwige stof met eeuwig onbewuste kracht, die eerst na millioenen van jaren op onverklaarde wijze het tot bewustzijn bracht — öf aan een eeuwigen geest Gods te gelooven. Geloofsstelling, d. w. z. met wetenschappelijk en mathematisch onaantastbare eenmaal-eens-gronden niet bewijsbaar, is echter deze evenals gene,— slechts blijft het de vraag, wat geloofwaardiger is: eeuwige geest of eeuwige stof, en wat verstandiger is: de geest riep en dwong de stof of de stof den geest, en waarbij ons uitgeput denken eerder uitrusten, ons kloppend hart eerder vrede vinden kan, bij de stelling: „de grond der wezens is grondloosquot;, of bij de andere; „de eerste grond aller wezens is een verheven geest, welken wij vermoeden, zoeken, — liefhebben — maar niet begrijpenquot;, althans niet met behulp van redeneer-, natuur- en scheikunde! —
De gedachte aan de eeuwigheid is in beide gevallen noodzakelijk en in beide opvattingen eene geloofsstelling, daar eeuwigheid zich noch bewijzen, noch begrijpen en eerst recht niet verklaren laat. — Wij beweren dus: de oplossing der laatste wereldvraag, zooals het materialisme haar aanbiedt, is noch verstandig noch geloofwaardig — in ieder geval ongenoegzaam, en zoolang het nog zegt: kracht
200
en stof, geven wij er de voorkeur aan, ons geestesleven niet op slijk, maar op geest terug te brengen en steeds te spreken van geest en stof, van God en -wereld. —
Onze critiek was derhalve deze: in plaats van een oud leerstuk gaf liet materialisme ons een nieuw, maar een, dat tot verklaring der gewichtigste daadzaken des levens, — het verstand en het bewustzijn, zich volkomen ongenoegzaam bewees; een, dat tegenover ons godsdienstig gevoel nooit kan bestaan. — En indien zoo het materialisme in de verklaring van den aanvang aller dingen ons zonder waarde toescheen, nu vertoont zich het eindresultaat zijner beschouwing als troosteloos. Het slot moet waardiglijk met het begin overeenstemmen. Daarop wijst onze volgende stelling. —
8. In plaats van eene voortgaande veredeling van het menschengeslacht en van eene langzamerhand voldongen zegepraal verhevener gedachten, ziet het materialisme in het wereldproces slechts een vruchteloozen rondloop der stoffen, waaraan het individu hulpeloos ten prooi moet vallen, het ondermijnt echter daarmede iedere verhevene inspanning en wederspreekt machtige gewaarwordingen dei menschen, die bij het naderen van den dood hare uitdrukking vinden.
Van den vermoeienden rondloop der stoffen en zijn armzalig, eeuwig eeneriei hoorden wij boven bij de ontwikkeling van het naturalisme reeds verhalen; hier kwam het er op aan, ten behoeve der afleiding van de zedelijke gevolgtrekkingen, de critische punten naar volgorde aan elkaar te knoopen. Doe moeite zooveel gij wilt, de natuur haspelt uwe draden af, gij staat onder hare wet, behoort haar geheel toe met lichaam en datgene, wat gij ziel noemt; maak u los van het
201
bijgeloof, meer te zijn of iets grooters te willen bereiken dan de bloem voor uw venster of het dier aan uwe voeten. Gij zijt uit éénen schoot ontsproten en zult ook één graf hebben — verlang toch niet meer. — Dit is de feestelijke finale der materialistische gedachten-symphonie. „Al uwe gedachten zijn maar zonnestralen, die in den droppel van uw individu tot gekleurd leven gebroken werden en verdwijnen in het oogenblik, waarop de droppel verder vloeit in den oneindigen stroom der dingen. Het niets is het vreeselijke iets, dat ubenauwt, en vergeefsch is uw vastklemmen aan de enkelvoudige wezens, atomen zooals gij. Dit eigen bestaan opgeven is ware wijsheid en de hoogste zaligheid is het op te lossen in het Nirwana.quot; — Deze is de poëzie der zwaarmoedigheid en der wereldsmart, welke voor onzen stof-zaligen tijdkring is ontloken. —
Als een edeler dichtersgemoed, bemoedigend en troostend tevens, ons toeriep:
Verr\' aan het doel, in schoonsten avondglans Hangt toch de krans, dte voor den mensch ontluikt,—
dan kent het materialisme in zulk een zin noch doel, noch krans; — zijn eenig doel is de afgrond, Buddha\'s overoude nacht, eu de avondglans schijnt aan hetzelve eene illusie, eene fata morgana, welke bedrieglijk heen-schemert door de woestenij van dit bestaan; de waarheid blijft altijd slechts Nirwana, een eeuwig niets, en deszelfs nachtgebed kan slechts tot de aardsche stof gericht worden en luidt, zooals Arthur Muller heeft gezongen:
„Mijn ik wil óndergaan in de al-eenheid,
En voor den frisschen adem der al-reinheid.
Sla ik — hoe gaarnl — dit leven in den koop!
Alrnoeder aarde, geef den moeden toch dat hij De rust moog vinden; eind\'lijk weder worde als gij!quot;
202
Zoo wordt iedei- enkelvoudig leven een voor altijd uitgeblusehte, verstovene ster; onachtzaam strooit de natuur menschenlevens als bloesems om zich heen en vaagt ze in den storm met onverschilligheid weg. Achter ieder blijmoedig streven, elke met moeite verworvene ontwikkeling der ziel, iedere bereikte hoogte van grootere geestelijke volmaking staat eene vermanende schaduw, de gedachte: hoe lang zal het duren ? en de onder duizend ontberingen gespaarde rijkdom van uw inwendig leven wordt lichtzinnig uiteengeslingerd, en steeds is natuur de ondankbare, lachende erfgename, die met uwe smarten den spot drijft, over uwe verhevene gevoelens zich vroolijk maakt. — Achter uwe van lieverlede zoo schoon uitgewerkte en harmonisch afgeronde eigenaardigheid staat de alles verslindende „al-eenheidquot;, voor den edele eene gedachte van diepen weemoed, — voor den weerbarstige eene welkome boodschap, een gunstig vooruitzicht. Als het op zekeren dag niet meer gelukken wil, wat tot dan dit leven bijeenhield, een sprong in de al-eenheid bevrijdt mij van het lastig „ik zelfquot; en al het zedelijke vuilnis van het ondergegaan bestaan duikt handig en zalig neder in de verlossing aanbrengende „al-reinheid.quot; — Al de verhevener ideeën, voor welke wij arbeiden en kampen, kunnen in waarheid daar geene waarde meer hebben, waar als verhevenste gedachte „vernietigingquot; en als de zaligste „ophouden te bestaanquot; wordt verkondigd. Een zelfbeheerschend streven naar zedelijke kracht schijnt daar echter bijna dwaas, waar men alle stellingen en grondstellingen der natuurlijke en zedelijke wereld ten slotte laat uitklinken in de reeds bedenkelijk naar het heksen-eenmaaleens luidende dubbelspreuk: alles is één en één wordt alles! —
203
Moet niet aan iedere naar hoogeren adel der gewaarwording verlangende ziel de moed ontzinken, als achter al het verlangde en geliefde, alle begeerde heiligheid des gemoeds steeds weer het jammervol niets staat, als dit in elke gaping onzer kennis hoonend den blik slaat, uit iedere opening in het woud onzer onwetendheid woest en troosteloos ons aanstaart? — en dat zeker altijd juist dan, als wij geloofden, dat een goedertieren God eene inhoudrijke waarheid ons ontsluierd had. — En wanneer men ons dan met nadruk nog de waarschuwing er bij voegt, dit niets toch niet op de wijze van den index (aanwijzer van verboden boeken) te beschrijven door mythen (fabelachtige verhalen), noch te bedekken door beteekenisvol schijnende woorden en wendingen, — zooals bijv. zijn opslorping in den oorspronkelijken geest, terugkeer tot het al-leven; — als men het zonder achterhoudendheid en gulweg bekende, wat er na volkomen wegneming van den wil nog van het leven overblijft, er besta het zuivere en volle niets — dan weten wij in het eerste oogenblik geen beter antwoord dan dat, wat het kinderlijk gemoed van den Wandsbecker bode op een soortgelijk wijsgeerig resultaat gereed had: „Ik weet het niet — maar bij dit niets, in hetwelk alles moet terugzinken, kan ik mij werkelijk in het geheel niets denken!quot; Zoo gaat het ons ook; maar bij verder nadenken treden ons gindsche bedenkelijke zedelijke gevolgtrekkingen met steeds krachtiger geweld te gemoet; — is niet zulk eene niefe-verkondigende predikatie voor ons tot genieten geneigd geslacht maar al te veelzeggend? Berust niet in de tegenstelling tot de vermaning van dien ernstigen wijsgeer (Spinoza), die het leven in het licht der eeuwigheid wilde beschouwd zien, hier de
204
openbare eisoli, het leven alleen in het vluchtige schijnsel van het oogenblik te laten schitteren? Wordt niet hier tegenover dit „nietsquot; de met eeuwige goederen voor eene eeuwigheid toegeruste mensch gemaakt tot de spelende haft vol dartelend levensgenot? —
Snel aan de gloeiende, smachtende lippen,
Breng toch den schuimenden beker der lust! —
Is hij geledigd, dan werpt gij den beker weg, en het niets zal u niet vragen, hoe gij dit leven hebt benuttigd! Immers niet enkel zijt gij, maar is ook geheel uw geslacht, de menschheid in het algemeen, slechts eene voorbijtrekkende verschijning in den kringloop der gedaanten. Het oogenblik zal komen, zoo profeteert Qüinet, dat den mensch als heerscher in de dan bestaande organische wereld onttroont. — Anderen zullen bouwen boven op onze graven. Hoogere of lagere wezens zullen op- en ondergaan als golfstroomen. — En waartoe waren wij er? zoo luidt onze vraag. „Een dwaas, die in het algemeen aldus vraagt.quot; Plannen, doeleinden bestaan toch niet in deze „planmatig schijnende wereldquot;; kijk eens het leven, het bonte, dolle karnavalsleven van verliefde en ijverzuchtige gekken een oogenblik meê aan, en als het vervelend wordt — welnu, waarvoor is het niets toch aanwezig, als men zich daarin niet zou neêr-storten ?
Zoo zingen de geesten der diepte zoet meesleepende zangen, zoo lokken zij u den doel-, den plan-looze, die geen passend antwoord meer weet op de groote vragen des levens, en — half trok zij hem, half zonk hij weg — bijna onbewust droomt en verbeeldt gij u verplaatst in de wereld van het niets; en weder ging een karakter, een geheel volkomen mensch, eene ziel vervuld van
hoogere idealen voor ons arm geslacht, door het spelen met zulke schaduwachtige, wezenlooze hersenschimmen verloren:
Ik vraag mij af, wat ik toch kan en moet,
Of aadmen reeds alleen wel is zoo zoet.
Om op te wegen dit gewicht van smart.
Een doelloos, vrucht\'loos strijden, dat ons tarl.
Des levens beste vreugden streng verjaagt Eentonig dagwerk, waar geen krans voor daagt; En zou \'t zonde zijn, als een kreg\'lig kind De klok verwoestte, die te langzaam wint?
(Heuse.)
Deze is de bloesem der stemming, die uit den „kringloop der stoffen zonder plan en doelquot; haar sap heeft opgezogen. Moet deze de bodem zijn, op welkeq mannen en helden, moeders en lijderessen voor onzen ernstigen tijd gedijen? Wee het geslacht, welks kinderen met zulk een doelloos weekelijken gedachtenkost worden groot gebracht! Maar met deze zijn lokstem, die tot vrijwillig sterven oproept, met zijne lofliederen op het goedige, alle smarten opheffende, al het onreine „reinigende,quot; over allen zich ontfermende niets, dat men slechts behoeft lief te hebben, om het niet meer te moeten vreezen — treedt het materialisme nogmaals in openlijken strijd met een machtig, niet loochenbaar gevoel des menschen, omdat het bestaat: het gevoel van vrees voor den dood. Dit laat zich op materialistischen grondslag niet verklaren — want de natuur kent het niet; van waar heeft dan de mensch dit gevoel, als hij enkel natuurwezen moet zijn? Het materialisme eischt de verdediging van den zelfmoord, zooals wij bij de beschouwing van het pessimisme (wijsgeerig stelsel, dat wegens de ellenden van het menschenleven den zelfmoord als hoogste wijsheid predikt) uitvoeriger zullen vernemen; — maar ofschoon
206
nu ook het getal der zelfmoorden in vergelijking bij vroeger moge toenemen, zoo blijft het toch een onbetee-kenend klein aantal in vergelijking met die duizendvoudige uiting van angstvallige gehechtheid aan het leven en van hartstochtelijk vasthouden aan de gewoonte des bestaans, ook zelfs daar, waar deze reeds lang geene zoete meer was, maar reeds eene bittere, smartvolle was geworden. Maar ook daar, waar zelfmoord optreedt, vertoont hij zich wel nergens als eene natuurlijken grond hebbende eindbeslissing, maar integendeel als een onnatuurlijk, door vreeselijke gemoedsaandoening teweeggebracht feit. Dus zou dientengevolge het materialisme aan de eene zijde den mensch voor een natuurwezen verklaren, aan de andere zijde eene zoo hoogst onnatuurlijke daad, als de zelfmoord is, van hem eischen! — Er bestaat bijna geen zoo groote tegenstelling als het sterven der natuur en dat van den mensch. Draagt het daar een bepaald vreedzaam karakter, zoo vertoont het zich bij den mensch met de uitdrukking der smart van een vreeselijken strijd. Zacht valt het blad der rozen —
\'s Herfstes zacht ontkleuren
Siddert door den haag,
Ook vergaan en sterven Schijnt me een zoete plaag 1 —
Het sterven der natuur is zoet en vreedzaam, omdat het den dood als dood niet kent, die haar als ernstig milde natuurverordening toeschijnt; — het sterven des menschen wordt eerst dan in waarheid vreedzaam, wanneer wij het ware wezen des doods juist hebben leeren kennen. Den doodsangst des menschen, zijn angstig vastklemmen aan het leven kan het materialisme niet verstaan, noch zich duidelijk maken. Het staat tegenover het raadsel
207
des btervens evenzoo radeloos als voor dat des levens. — Hoe lost zich dat raadsel nu op, van uit ons standpunt bekeken? Wij nemen tot uitgangspunt van onze beschouwing de daadzaak der liefde tot het leven van den gewonen mensch. Een griezelig afgrijzen in den mensch bewijst, dat zijn sterven en dat der natuur niet zoo maar hetzelfde is, — hoewel het in beide gevallen dezelfde gebeurtenis schijnt te zijn, namelijk oplossing tot in de atomen. — Er bestaat iets in den mensch, dat zich op deze wijze laat vernemen: „Gij zijt niet geschapen ter vernietiging — gij zijt meer dan het voor uwe voeten neervallende blad!quot; Van waar deze stem? Het is het hoogere geestesleven, het ik, het persoons-bewustzijn, bet vaste punt dei-onsterfelijkheid in den mensch, dat zich verzet tegen de oplossing des lichaams, omdat het hem tijdens deze vreeselijke gebeurtenis toeschijnt, als moest met de ontbinding dezer stoffen, die tot heden het ik herbergden en droegen, tevens ook juist dit ik, het geestelijke punt zelf, mede in stukken gereten en aldus vernietigd worden! Wat dus aan het sterven van den mensch werkelijk het ernstige karakter van een geweldigen strijd verleent, is het zich loswringen van het geestelijke, onsterfelijke in den mensch uit het der vernietiging prijsgegeven louter stoffelijke, natuurlijke. Daarom is het sterven der natuur vreedzaam, omdat hier deze tegenstelling niet aanwezig is. En wat men bij den gewonen mensch dat onaangename „onverklaarbarequot; huiveren voor den dood noemt, is nauwkeurig bezien allereerst een tweespalt van die twee gewaarwordingen, van het stoffelijk lichamelijk vernietigd worden en van het geestelijk niet kunnen vernietigd worden, en daarenboven een zekere onvastheid, welke deze gewaarwordingen niet weet te herleiden tot het
208
tweevoudige: „geeft aan de natuur, wat van de natuur is, en aan den geest wat des geestes isquot;. Wat wij derhalve als den - korteren of langeren „doodsstrijdquot; plegen te bestempelen, is niets anders dan het verkeerdelijk zich beijveren van het geestelijke beginsel, om deze stoffen nog langer bijeen te houden eii zich aan dezelve te blijven hechten — in de waarlijk onduidelijke vooronderstelling, dat in die stoffen alleen zijn (van het geestelijke beginsel) voortleven zou verzekerd zijn.
Verder volgt hieruit, in ivelke gevallen alleen het sterven van den mensch een vreedzamen vorm zal aannemen. Duidelijk in twee, namelijk ten eerste daar, waar men zich van deze tegenstelling nog niet bewust is geworden, dat is bij hot onmondige kind; en ten tweede, waar men de juiste oplossing van deze tweespalt met verheven en helder bewustzijn begrepen en vastgehouden heeft, dat is bij den diepzinnigen edelen geest-mensch. Zoolang het kind nog niet de volle kracht van het onderscheid tusschen de stoffelijke dingen en het zelfbewustzijn heeft ontdekt, kan het ook in dezelfde mate als het nog nader staat bij de natuur dan bij het geestelijk leven, van die in den doodsstrijd zich openbarende tegenstelling niets — of toch maar weinig ondervinden, zal dus het sterven als iets natuurlijks, — vreedzaams tot zich laten naderen en zijn lief, jong, bloeiend hoofd vriendelijk en gewillig buigen, ten innigste verwant aan de verwelkende roos — en toch oneindig meer dan zij. En in de tweede plaats zal het sterven weder vreedzaam kunnen en moeten worden overal daar, waar voor den rijperen geest de volle heldere opvatting van leven en sterven zich baan gebroken heeft, waar öf diep godsdienstig geloof, öf ernstig wetenschappelijke erkenning.
209
en in het gelukkigste geval beide vereen igd, de dan als op twee metalen zuilen rustende overtuiging heeft gevestigd: dat in ons eene goddelijke kracht, eene onvernietigbare parel, een onsterfelijk ik woont, dat bij het uiteenvallen van dit lichaam wel is waar kan sidderen, zooals de onder rookende puinhoopen van een bij brand instortend huis plotseling begravene — maar als door hoogere macht wonderbaar geredde, die, zoodra hij slechts met vreugde zich zijner behoudenis bewust is geworden, naar het tweevoudig schoone daglicht zich den weg baant, om aan een rijkeren opbouw met lust de scheppende handen te slaan. — Vredevol, en meer dan dat, vol van verhevene wijding wordt het sterven des menschen overal daar, waar verhevene geesten reeds vroeger met geheel hun denken, gevoelen en ■willen zich van het aardsche, lagere, stoffelijke losmaakten, en dus zoo recht eigenaardig reeds afgestorven waren, nog vóór zij stierven, d. w. z. het proces van scheiding van stof en geest reeds inwendig gelukkig volbracht hadden, lang voordat hetzelve uitwendig hen aangreep. Vandaar het verheven heerlijke sterven der helden en martelaars der menschheid, wijl zij reeds lang te voren zich duidelijk bewust werden, dat zij in de overgave aan een of ander grootsch denkbeeld een rijkdom des geestes verwierven, die hun door geen aantasten, ja door geen nog zoo moedwillig verwoesten hunner lichamelijkheid zou kunnen ontroofd worden; vandaar die glanzende blik der oogen, welke „den hemel geopend zagenquot;; vandaar die standvastigheid onder foltering en vlammen, omdat hier, waar eigenlijk vrees voor den dood aller-ijselijkst en strijd met den dood allergruwelijkst had moeten zijn, de macht van den geest, die zich zijner
14
210
overwinning en onvernietigbaarheid ten volle bewust was, op het heerlijkst zieh vertoonen kon. Tegenover het sterven staat het materialisme nog radeloozer dan tegenover het leven des menschen. — Of waar is in de natuur een sterven zoo ontzettend gruwelijk als dat van den verrader, dien het aanhoudende schokken van zijn ontwaakt geweten in den dood der vertwijfeling drijft, en waar in de geheele natuur een sterven zoo wonderheerlijk aangrijpend als dat van de martelaars des geloofs en der wetenschap? Wordt het materiaüsme, als het aan de verklaring van zulk een — hetzij vreeselijk hetzij gewijd sterven zich waagt, niet inderdaad een dwerg, die een halfgod wil vatten en bedwingen ? —Waar men slechts „omloop der stoffenquot; kent, daar blijft de vraag gapend openstaande en brandend onopgelost: waarom, gij lieve stofdeeltjes, welke dit schijn-ik, deze mijne persoon vormt, waarom loopt gij niet stil en vreedzaam zonder veel morren en tegenstreven in den kring des natuurlevens terug, waartoe deze onrust, waartoe dit sidderen, waarheen staren die gejaagde blikken — hoe kwaamt gij tot den zonderlingen droom, dat achter het voorhangsel des stervens eene nieuwe wereld te voorschijn treedt, met nieuwe eischen, nieuwe doeleinden, nieuwe vragen en hoogere, reinere geneugten? Waar denkt de natuur de gedachte der onsterflijkheid; waar siddert de ziel van een dier voor het denkbeeld, dat zij misschien toch aan een hoogeren geest rekenschap verschuldigd is voor nuttig gebruik of verwaarloozing van dit leven? Leert toch, gij veranderlijke menschen-atomen, leert toch van de bladeren, hoe men sterven moet, lacht de doodsvrees in de heldere herfstlucht weg en zinkt de al-reinheid aan het koele hart!
211
Wij wagen het te beweren, dat het materialisme nog niemand zijn doodsangst heeft ontnomen door bewijsgronden —; maar geheel andere, geestelijke machten, zedelijke persoonlijkheden, verhevene geesten hebben vrees en dood voor zich en anderen glorierijk overwonnen! — Volgens al wat wij vonden en bewezen, hebben wij ons het recht verworven, het materialisme, trots al zijne beloften en toezeggingen, de bekwaamheid te ontzeggen, zoowel het aanvangs- als het slot-raadsel van het leven ook maar eenigszina bevredigend te verklaren. —
Nog ééne schrede voorwaarts moet onze critiek afleggen. — Waar men achter dit leven het niets ziet, daar mogen wij vooronderstellen, zal men ook wel in dit leven niet veel goeds weten te vinden. Hiervan hebben wij ons ten slotte nog te overtuigen.
En zoo werpen wij van hier uit nog een laatsten blik in het volle menschenleven, in het practische, werkelijke leven, zooals het zich van materialistisch standpunt ons wil vertoonen. Welk een afschuwelijk aangezicht staart ons daar te gemoet! — De wanklank van het pessimisme vormt het slotakkoord van de materialistische wereldbeschouwing. Deze is de zin en de inhoud van onze laatste bedenking.
9. Het materialisme heeft tot practisch gevolg die meest troostelooze aller wereldbeschouwingen, die van het pessimisme, dat als het grootste kwaad des levens „het leven zelfquot; aanwijst en als hoogste wijsheid van dit bestaan zijne vernietiging, alzoo den zelfmoord moet verheerlijken.
Wij duiden als het onvermijdelijke practische gevolg der materialistische wereldbeschouwing het pessimisme aan, dit ontaarde jongste kind der nieuwere wijsbegeerte.
212
dat wij nu ook nog in zijn troebel oog moeten kijken. Het pessimisme — helaas of gelukkigerwijze ontbreekt aan onze taal een woord daarvoor, en hierom moet men het begrip omschrijven, — is die richting, welke verklaart: deze geheele wereld des levens is zóó jammerlijk slecht en mislukt, wat aanleg en uitvoering betreft, dat zij niet slechter kon zijn, en het heste wat zij kon doen, zou dus zijn, zoo snel mogelijk ophouden te bestaan —; het pessimisme is de godsdienst van het misnoegen, van de wereldsmart, der eerst genietende, alles verterende, dan zich vervelende en in het bovenmatige genot eindelijk geblaseerd geworden roués (afgesjouwden) en zedelijk schipbreuklijdenden; een godsdienst, welks geloofsbelijdenis door een zekeren Mephistopheles opgemaakt, kort en bondig aldus luidt: „Al wat bestaat, is waard, dat het vergaat.quot; Het pessimisme is tot het omgekeerde Midas-wonder veroordeeld, zooals een zijner vertolkers snedig opmerkt. Werd onder aanraking van dezen alles in goud veranderd, zoo zet het pessimisme alle goederen en gaven van dit leven, zoodra het deze aanvat of ook maar aanschouwt, om in donkere, roetachtige koolstof. — Waardeerbare gaven, goederen, een onafgebroken en ijverig streven waard, kent het niet in dit alleszins mislukte bestaan. Van het realisme, als den voorvader van dit geslacht, die zich de beschouwing der daadzaken des werkelijken levens uitkoos, kwam het tot het naturalisme, dat tot den natuurlijken samenhang der dingen en de regelende wetten opmerkzaam en welhaast uitsluitend zich wendde; hieruit werd geboren het materialisme, dat dezen langs natuurlijken weg aanwijsbaren samenhang van stoffelijke omzettingen voor het eenig en alleen werkende en drijvende verklaarde, en de achter-
213
kleinzoon van dezen stamboom is het pessimisme, dat hetgeen de vader leerde practisch aanwendde en in de wereld trad met de vraag: welke gestalte vertoont ons het menschenleven; welke waarde heeft het; welke vrucht werpt het af, als alles slechts vloeiend atoom, op- en neergaande golf is, als nu eens het satyrspel van een boosaardig toeval ons verderft, straks weder ijzeren tirannenheerschappij der natuur-noodzakelijkheid onzen nek buigt en bedwingt? Dan zou het zijn gegaan, zooals Horatius zong:
aelas parentum, peior avis, tutit nos pejores, — raox (latmos progeniem viliosiorem.
In drie regels vier menschengeslachten: het tijdperk der vaders, slechter dan dat der grootouders, bracht ons slechteren voort, die maar al te snel eene nog slechtere nakomelingschap zullen achterlaten. — Dat is echt pessimistisch gedacht en gedicht. De wereld, toch altijd reeds slecht genoeg, wordt van geslacht tot geslacht nog maar ellendiger. Op de vraag, wat het leven zijn moge, geeft het pessimisme ten antwoord: leest het woord maar van achterste voren, dan hebt gij het leven — nevel! en op de vraag, welke de inhoud der wereld zijn moge, vernemen wij, dat het immers reeds door de vier letters van het woord wordt aangetoond: Welt — dat is: Weinen, Elend, Leiden, Tod. — Het is de verdienste van Schopenhauer, op deze vraag aller vragen met een letter-raadsel, dat trouwens reeds een middeleeuwsch monnikenspel was, te hebben geantwoord. Arthur Schopenhauer, de Frankfurter menschenhater, zooals men hem in de kringen der wijsgeeren van zijn tyd gaarne noemde, is de eigenlijke woordvoerder van
214
het pessimisme. De richting zelve bestaat, zooals begrijpelijk is, reeds langen tijd vóór hem, ja, het zou niet moeilijk vallen, uit ieder tijdperk uitspraken van gewichtige persoonlijkheden te verzamelen, die de pessimistische stemming ademen; maar men zal zich moeten wachten, aan zulke uitspraken te spoedig bewijskracht voor de geestesrichting van die personen of tijden toe te kennen en zal veeleer moeten opletten, of deze misschien niet louter de uitdrukking van eene tijdelijke of toch weêr voorbijgegane stemming, — juister: ontstemming waren ; of dat zij wellicht juist met het tegenovergestelde doel werden gedaan — namelijk om, door het op den voorgrond stellen van de somberheid dezer ééne zijde der wereldbeschouwing, het vriendelijke lichtbeeld eener verhevener, meer ideale wereldopvatting des te scherper te doen uitkomen.
Dienvolgens zullen de uitdrukkingen van pessimistische wereldsmart, welke men nu in alle eeuwen heeft opgespoord, in drie klassen te schiften zijn. Voor de eerste zal men tijden uitvinden, welker gelaat volkomen November-somberheid weergeeft; tijden, in welke öf de verwezenlijking van eene of andere grootsche gedachte heeft schipbreuk geleden, öf de bestaande godsdienst in miskenning is geraakt, hooger geloof en goede zeden geschokt werden; — ongewijde tijden — want niet slechts aan den enkelen mensch, maar ook aan geheele tijdperken wordt alle waarde ontroofd, zoodra zij het vasthouden aan „inhoudrijkequot; woorden opgeven en de stoffelijke goederen en genietingen als de alleen begeer-, lijke met hooge prijzen laten uitklinken; — tijden, in welke de enkeling zich met een op de lagere verschijnselen gericht leven moest vergenoegen. Dan sloop achter
215
het genot het somber spooksel der ontgoocheling en oververzadiging binnen en fluisterde den verzwakten in de ooren: ook dit is zonder waarde — alles is ijdel en nietig; het bezinksel des bekers is altijd droesem — het leven is het jammerlijkste of vervelendste ding in het leven. — In zulke tijden, in welke de muze van een Juvenalis de kleurstof voor hare gloeiende beelden vindt, zal de bijtende spotternij van het pessimisme aan de orde van den dag zijn. Zoo was het bijv., toen het naar buiten nog schitterende Romeinsche rijk uit den tijd der keizers zijn inwendig proces van verval begon. In plaats van het oude geloof, de oude gestrengheid van zeden en de oude geestdrift voor vaderland en vrijheid was de verduistering der goden met kracht aangebroken — en het feestelijke morgenrood van nieuwe en schoone idealen, zooals het jonge Christendom deze aanbood, was nog maar voor weinige harten en kleine kringen opgegaan. Lusteloosheid, het gevolg der oververzadiging, greep duizenden aan; — wat wonder, dat men aan het geprangde hart lucht trachtte te geven, door vrijwillig en ongeduldig den talmenden dood in te roepen.
Men zal echter aan den anderen kant in ieder tijdperk, in elk menschenleven meer of minder talrijke oogenblikken van stemming kunnen opsporen, die ten volle den stempel van pessimistische zwartgalligheid dragen; men heeft in onze dagen aan deze oogenblikken en aan de in deze geboren gedachten en gedichten met bijzondere voorliefde zijne opmerkzaamheid geschonken, omdat men het bewijs wilde leveren, dat het pessimisme volstrekt geene vrucht der nieuwere wijsbegeerte was, maar veeleer de oorspronkelijk eigenaardige grondrich-
216
ting van het mensohelijke gemoed in het algemeen. Maar men zal hier nauwkeurig moeten onderzoeken. Voorzeker, het pessimisme was steeds aanwezig en zal altijd bestaan — zooals er altijd wolken zullen zijn, die tijdelijk de zon verduisteren, maar men moet wel onderscheiden tusschen een geheelen regendag en de voorbijgaande regenbui van een overigens zonnigen dag. Zoo zal men aan het volhardende streven en de hieraan ten grondslag liggende hoofdrichting van een mensch meer geloof moeten schenken dan aan den overijlden kreet van een mismoedig oogenblik, welken het volgende betere uur misschien reeds, of de opbrengst van den volgenden dag nog glansrijker wederlegt. — Een Fredehik de Groote, aan de gewaarwording van diepgevoelde afmatting uit volle borst lucht gevend, riep midden onder zijne zegepralen eens uit: Quand finiront mes tourments? (wanneer zullen mijne martelingen eindigen?) — Het zich hier uitsprekende verlangen naar het einde aller ellenden van dit leven ontspringt uit eene diepgevoelde behoefte der menschelijke natuur naar vrede, die zich als door geene gevolgen, hoe glansrijke ook, te bevredigen vertoont juist hierin, dat zij bij voorkeur tusschen die door uiterlijken glans vergulde uren vermanend optreedt. — En een Goethe, wien men gewis niet de gezondheid van krachtig strevend gevoel zal kunnen ontzeggen, had uren genoeg, waarin de ziekte van het pessimisme hem verraderlijk overviel, — maar met het oogenblik, waarin zijn Werther het doodelijke schot had gedaan, was een dier gevaarlijkste keerpunten van zijn leven gelukkig, overwonnen, en als een genezende keert hij terug tot nieuwe doeleinden, nieuwe plichten met moed en vastberadenheid. Het komt er dus juist op aan te onderscheiden
217
tussohen wolk en dag, voorbijgaande stemming en heerschende levensrichting.
En eindelijk moeten wij nog eene derde soort van pessimistisch gekleurde uitspraken onderscheiden, namelijk die, welke juist op den bodem van tegenovergestelden gemoedsaard groeiden en met het helder bewuste doel werden uitgesproken, de ééne uiterlijke helft van de wereld der verschijnselen tegenover de andere helft, de wereld der hoogere waarheid, te stellen. Wanneer ergens een dichter van de middeleeuwen de volken van Duitschen tongval aan de waardij hunner ideale goederen herinnert en tot het eeuwig vasthouden aan ware godsdienstigheid met blijde geestdrift aanmaant, dan is het Walter von der Vogelweide, en toch vertolkt zijne lier menigmaal diepe klaagtonen, en juist hij zong het weemoedig schoone woord:
De wereld is van buiten groen, en heerlijk wit en rood,
Maar zwart van binnen is haar kleur, en somber als de dooi.
Voorzeker een woord, dat den meest pessimistisch gestemde alle eer zou aandoen, — en toch hoever is Walter van zulk eene gezindheid verwijderd! Wat hij met zulke tonen wil, die het bedrieglijke, schijnglans gevende, onbevredigende der wereld aangrijpend schoon beschrijven, is niets anders dan dit: oogen en harten op het hoogere, eeuwige, onbedrieglijke in de geestelijke wereld te vestigen.
En hiertoe nu, tot de derde soort van pessimistisch klinkende getuigenissen, behoort die heden menigmaal met opzettelijk misverstand op den voorgrond gestelde daadzaak, dat zich in de christelijke letterkunde zoovele uitspraken bevinden, welke de pessimistische richting treffend beamen, — behoort de meer dan ver-
218
keerde bewering, dat de grondtrek van het Christendom toch zoo recht eigenaardig het pessimisme is. Hoe kon men tot die bewering komen ? — Door de oppervlakkigheid der beschouwing, door geheele onbekendheid met den waren geest des Christendoms. Dit heeft met het pessimisme zeker ééa ding gemeen, — namelijk: beide nemen de wereld der verschijnselen zooals zij werkelijk bestaat, onverhuld, ongeblanket; — zij rukken haar de zorgvuldig aangebrachte pleistertjes der schoonheid eener valsche vreedzame gelukzaligheid van het verflenste aangezicht. Het Christendom verstond en verstaat evenmin als het pessimisme de kunst van schoonkleuren der ellende of van het bedekken des ongeluks en der misdaad; — integendeel, het wil den geheelen jammer der menschheid onverholen en zonder achterhoudendheid laten zien — want het heeft waarheid boven alles lief; het wenscht geen geluk, geen vrede, die in de verbergende, bedekkende onwaarheid besloten ligt. Hier dus ontmoeten beide elkander. Christendom en pessimisme; hier in deze openhartige, onbewimpelde beschouwing en aanduiding van de teekenen des tijds — ontmoeten zij elkander, maar slechts als twee vogels, die elkaar voorbijvliegen met vluchtigen, bijna verbaasden groet, en van welke de eene naar boven in verlichte morgenwolken, de andere doodelijk gewond in diepe kloven naar omlaag zwiert.
Waar Schopenhauer, die het pessimisme met krachtige trekken gevormd en tot stelsel verheven heeft, als den inhoud der wereld weenen, ellende, lijden en dood aangeeft, daar heeft hij het beeld van het oogenschijnlijke aardsche leven van duizenden op zeer meesterlijke wijze geteekend, en men zou een zeer aanzienlijke menigte
219
van woorden uit de heilige schriften naast deze schildering kunnen plaatsen; men zie de opsomming der verdrukkingen van den apostel Padlus of de levendige, schilderachtige beschrijving van het menschelijke leven, welke hij in de vier woorden van zijn tweeden brief aan de Corinthiërs samenvat: „uitwendig strijd, inwendig vreesquot;, en toch bestaat er een hemelsbreed verschil tusschen de eensluidende woorden hier en ginds. Als twee personen hetzelfde doen of zeggen, — dan is dit daarom nog lang niet hetzelfde; dit vergaten zij, die in het Christendom een trek van het pessimisme wilden ontdekken. De meesterlijke schildering des levens, welke de oude schaapherder op de heide in het Duitsche levensbeeld van Oscar von Redwitz aan zijn kleinzoon geeft: „Ziet gij den rook? Dat is het menschenleven. Zoo komt het en zoo gaat het; zelfs wanneer gij honderd jaren oud zoudt worden en nog veel meer, was het toch ten slotte maar één oogenblik, dat kwam en ging als eene schaduw aan den wand — \'tis alles rook! Kijk herwaarts, naar dezen heuvel. De menschen verhalen, dat daar binnen in vóór meer dan duizend jaren oude helden werden begraven. Wie waren zij ? Hoe heetten zij ? Wat deden zij? Voorbij, voorbij evenals de duizend jaren — \'t is alles rook. En die daar boven in den ridderburcht hebben gewoond? Tot asch vergaan, zooals hun slot tot puinhoopen — \'t is alles rook.quot; — Deze schildering, tot welke, zoo zij den geheelen inhoud des levens moest bevatten, iedere pessimist gaarne zou toetreden, schijnt inderdaad slechts als de gelukkige uitdrukking van dat bekende woord des christelijken apostels Jacobüs : „Wat is het leven ? Een damp, welke een kort oogenblik zich vertoont, maar daarna verdwijnt!quot; — En toch — wie
220
voelde niet het verschil begrijpelijk daaruit, of dat woord door pessiinistischen zin, of (zooals bij Eedwitz) door zedelijk godsdienstige stemming schijnt voortgebracht! Waar het Christendom de nietigheid, broosheid en vergankelij kheid van dit uitwendige zinnelijke leven besohrijft, daar mag zijne taal doorgaans met die van het pessimisme tot vergissing toe gelijkluidend zijn, maar terwijl het Christendom den droevigen voorgrond slechts schildert, om hart en gemoed van daar op den verlichten achtergrond van dit leven met zijne vooruitzichten vol van oneindige hoop te leiden, teekent het pessimisme de beelden van het leven der verschijnselen evenals de fresco\'s om de zes groote wandbeelden van Kaulbach grijs in grijs, maar niet zoozeer, om als daar het van kleuren gloeiende middenbeeld er door te doen uitkomen, maar om te zeggen, dat daartusschen en daarachter slechts het volle donkerzwart van den overouden nacht, het Buddhaïstische niets gaapt. Het Christendom kent en noemt ook wel weenen, ellende, lijden, dood, als den inhoud van dit zoo arme en rijke leven, zoo rijk aan teleurstelling, zoo arm aan waar geluk; — maar bet noemt het leed, om zijne tranen te drogen; de ellende, om de middelen tot verzachting aan te wijzen; het lijden, om het duurzaam te troosten; den dood, om de machten te openbaren, die dezen overwinnen en zijn afgrijzen ontnemen.
Als dus en waar ooit Christendom en pessimisme eenerlei taal spreken, daar geldt het woord van de zich rakende uitersten.
Het pessimisme zegt: dit leven is over het algemeen niets, werpt het daarom weg, zoo spoedig mogelijk; — het Christendom zegt: dit zinnelijke leven heeft op zichzelf beschouwd geen waarde, zoekt daarom in hetzelve
221
een hooger leven te winnen, vult het sterfelijke met onsterfelijken inhoud aan en maakt dit stoffelijke tot den drager van eeuwige, verheffende gedachten! Zoo is hier een vreugdevol opvaren, waar daar slechts onvergenoegd nederduiken te ontdekken is.
Pessimisme en Christendom zijn het hierin ééns, dat waarachtig heil en duurzaam geluk in deze wereld niet te vinden zijn; — maar deze eensluidende uitspraak zal zich in den mond van den dichter der wereldsmart eenigszins anders doen kennen dan in dien van een Paülüs; is hier de kracht van onverwoestbare jeugd, die zich over teleurstelling, vijandschap, haat, ontbering, leed en dood weet heen te zetten, dan is (Mar de ontmergeling van een géblaseerden ouderdom, die niets beters meer weet dan het verrookte, verspeelde en verdronken leven driemaal in den grond te verachten. Ontbloot het pessimisme de gebreken der menschheid met een zeker welbehagen, het Christendom tracht deze met innig deelnemenden weemoed te leeren kennen; het Christendom toont het leed om het te genezen, het pessimisme om daarover te jammeren of — te spotten. Het pessimisme schildert de duizendvoudige, door schuld en onschuldig veroorzaakte ellende van dit bestaan met soms wonderlijk bespraakte menschen- en engelentongen, maar het bezit de liefde niet, en hierom blijft zijne spraak een toongevend metaal van holle redevoeringen en een klinkende narrenbel van spitsvondigheden zonder waarde. Ligt het toppunt van het Christendom in de gedachte der verlossing om dit leven te verklaren, van het pessimisme daarentegen in de gedachte der oplossing om dit aanzijn te vernietigen; is dAar de laatste groet van de hoogste voleinding een verheven: „Verheugt u, gij verlostenquot;, zoo luidt het
222
slotwoord hier: „Doodt u zeiven, gij in jammer gevangenen!quot; In plaats van de door hetzelve gehoonde „wereldver goddelij kingquot; van andere richtingen, zet het pessimisme de „ wereld-verduivelingquot;.
Erkent het materialisme in het algemeen slechts deze stoffelijke wereld, evenzoo kan het pessimisme alleen ook maar de verschijnselen des levens tot voorwerp zijner wereldbeschouwing hebben en wat zich aan hetzelve bij den eersten blik in deze wereld vertoont, is, zooals Schopenhauer het uitdrukt, slechts jammer en verveling. De eene helft der menschen, door gebrek bezocht, leeft in ellende, de andere in overvloed zittende, verveelt zich; de jammerende helft benijdt de zich vervelende, en deze heeft er geen gevoel van, hoe jammervol gene leeft. — En van deze verdeeling in tweeën der zichtbaar verschijnende wereld ondernam Schopenhauer nog een strooptocht van goedkoope spotternij in de bovenzinnelijke wereld van het geestelijke leven en beweerde ook in haar alleen deze beide — namelijk jammer in de hel en verveling in den hemel — te kunnen vinden. Blijft men bij de uiterlijke zinnelijke wereld staan, is het leven zonder hoogere idee, is het, zooals het materialisme van het onbewuste wilde, alleen duistere dryfkracht der natuur, die, in ons en door ons werkend, ons dwong, ons aandeel tot behoud van dit leven bij te dragen, dan hadden waarlijk de oude Thraciërs gelijk, toen zij over den jonggeborene een klaaglied aanhieven, omdat nu ook dit ongelukkige wezen den jammer van het bestaan moest dragen, en na het grootste geluk van nooit geboren zijn, nu alleen als op één na het grootste ieder uur overblijft te streven, zoo spoedig mogelijk weêr van daar te gaan, van waar men kwam. Als zich
223
voor den in de wieg sluimerende slechts de eenige keuze opent: jammer of verveling, dan mocht men hem waarlijk wel toewenschen, dat zijn oog zich nimmermeer voor dit bedrieglijke licht ontsloot. —
Maar dat nu toch, trots allen strijd daartegen, met die twee woorden, evenals met de bovengenoemde vier-TfeZMettercritiek het zich uiterlijk vertoonende leven van duizenden zeer meesterlijk geschetst werd, laat zich nu en nimmer loochenen; en juist dat is het, wat voor het pessimisme zijne scharen van vrienden werft; het verstaat de kunst zóó treffend te schilderen, zóó der waarheid getrouwe, naar de natuur juist geteekende beelden te ontwerpen. Het is dan toch werkelijk zóó: duizenden hebben het leven met genieten doorloopen en daar zij nimmer konden besluiten, hunne krachten in den dienst eener verhevene idee te stellen onder het geheel juiste voorgevoel, dat zulk een dienst wel eens eeu ernstige krijgsdienst rijk aan ontberingen kon worden, kozen zij zich liever een luiaardsleven in streeling van het gehemelte en zinnelijke verdooving, een leven, waaruit zij trouwens spoedig genoeg ledig en arm als bedelaars naar lichaam en ziel aan den oever van onzen grooten tijd werden geworpen. — Deze zijn de scharen, uit welke het pessimisme zich zijne slagvaardige legers aanwerft. — Het pessimisme schildert ons het leven, zooals het duizendmaal aan den oppervlakkigen blik zich vertoont, en gelijkt hierin zoo recht eigenaardig op den kunstenaar, die wel de schuimende, bruisende zee kan penseelen, maar de op haren bodem in goeden vrede sluimerende parelen en verborgen wonderen niet tevens daarmede kan afbeelden; het bewijst aan onzen tijd dienzelfden dienst, welken de schaduw van Virgiliüs den geest van
224
Daste aanbood; het voert ons, den weg kennende, door de kloven en holen van het inferno, de onderwereld, waar zij ook heden maar gapende zich voordoen; — maar Beatrix, die ons met zaligen groet naar buiten en naar boven in schoonere woningen zou voeren, deze zal hier nimmer verschijnen.
Het pessimisme schildert den mensch zooals hij op markt en straat in zijde en lompen ons voorbijgaat, beschrijft hem zooals hij trouwens, helaas! menigmaal genoeg is, — maar niet zooals hij zijn moest en zooals hij in den grond van zijn gemoed zijn wil. — En hierin, dat hij den mensch altijd maar afbeeldt zooals deze — wellicht in de meerderheid — zich voordoet, berust toch, bij alle onloochenbare levenswaarheid zijner schildering, de eenzijdigheid en dus onwaarheid van het pessimisme. Het ziet \'s menschen beeld als eene in de golven van dit stormachtige leven gebrokene, heen en weder slingerende schaduw — vergeet echter het rustige beeld, zooals het in heldere diepte staat. —
„Wie de menschen maar neemt zooals zij zijn, die maakt hen slechter dan zij zijn,quot; dit is een waar woord. Want ieder mensch zweeft, zooals de oude wijsheid van het Zend-volk eeuwen geleden reeds zag, tusschen zijn Per ver en Dew, het goede en het kwade beginsel, zijn oorspronkelijk beeld en zijn caricatuur. Het pessimisme mismaakt de caricatuur nog meer en van het oorspronkelijke beeld, dat den edelen mensch voorlicht en dat hij levend en strijdend, lijdend en stervend tracht te gewinnen, zal het en kan het niets weten, want zijne blijde boodschap is het Evangelie van den eeuwigen dood.
Daar dit leven slechts jammer en verveling kan aantoonen, zoo zou, naar Schopenhauer leert, „ophef-
225
fing van den wil tot het levenquot;, dat is vernietiging van dit bestaan, het meest juiste en geradene zijn; —geen beter antwoord weet het pessimisme op de vragen des levens, geen beteren troost voor de klachten der stervelingen aan te bieden. Als een hoon op der menschheid duizendvoudig „ach en weequot; klinkt het, wanneer men in zulk een zin en geest zich uitslooft te bewijzen (in nommer 35 van het tijdschrift „Gegenwartquot; 1875), dat leed en kwaad nu eenmaal met den bouw van een hooggeorganiseerd werveldier onafscheidelijk zijn verbonden! Waarom berust gij niet hierin, kloppend menschenhart? Zoek vrede, door twijfel gekweld gemoed, bij het aanschouwen van het samenstellen en omwerken der vormen! — Zeiden wij te veel, toen wij dit resultaat „troosteloosquot; noemden ? Het materialisme roept het pessimisme op, en dit — den zelfmoord.
Het zij geoorloofd, hierbij op het zeldzame contrast te wijzen, waarin de leer van Schopenhauer tot de door hem gevolgde practijk treedt; — immers nauwelijks vertoonden zich in 1831 de voorboden der cholera te Berlijn, of de wijsgeer van den zelfmoord verliet haastig met extra-post zijne werkplaats, om op een andere plaats de door hem bijzonder geliefde kapoenen in ongestoorde rust verder te verorberen. — En na herhaalde vlucht voor de cholera koos hij eindelijk Frankfort aan den Main als eene klimatisch bijzonder gunstig schijnende woonplaats. Hij dus, die, zooals hij zich uitdrukt, de verloochening van den wil tot het leven als de eigenlijke hoogte van wijsgeerige wijsheid had geprezen, en als juist gevolg tot den doodsengel moest spreken; „Wees hartelijk gegroet, kom tot mij inquot;, bleef voor eigen persoon zoozeer in de diepte, dat hij den engel reeds
15
226
van verre toeriep: „Blijf mij van het lijf\' en zich daarna zoo goed mogelijk verder verpleegde tot diep in zijn 73ste levensjaar, om zelfs geen vijf minuten vroeger te sterven — dan hij wel moest! —
Hoe verduistert toch de schemerende gestalte van dezen doodsangst gevoelenden zelfmoord-wijsgeer voor de ideale lichtgestalten van verhevene zielerust, zooals zij gelijk draagsters eens hoogeren levens door dit nederige stoffelijke leven, als eereburgeressen eener wereld van waarheid, van liefde, van menschen-goed-heid, door deze pessimistische wereld vol jammer en verveling heengaan, zooals zij eensdeels veel te levenslustig waren om ooit voor gevaar, angst, marteling of vervolging de vlucht uit dit leven te hebben aangegrepen en anderdeels veel te moedig tegenover den dood, om niet ieder oogenblik met vreugde bereid te zijn geweest, voor de gedachten haars levens, voor de gloeiende overtuiging harer ziel, voor de wereld des geestes, welker boden zij waren, haar lichamelijk leven tot onderpand te zetten, terwijl wij aan het optreden der onlangs verwachte „dwepers en martelaars van het materialismequot; in dit geval eens zeer modern denkende, voorloopig nog niet willen gelooven — tot wij hen zien.
En als het waar is, dat het sterven de proef des levens is, zoo hebben juist diegenen, die met al hun denken aan deze stof waren vastgegroeid als de mosselen aan de palen der banken, tot heden deze proef nog vrij ellendig en jammerlijk doorgestaan, evenals toch geschiedenis en ervaring hebben bewezen, dat juist zij, die leerden, dat dit leven alles is en het sterven
niets, voor geen ding zich bijgelooviger bevreesd maakten
dan juist voor dit niets; — terwijl gindsche ideale
227
geesten, die met al hun vermogen tegen het pessimistische bankroet van het toenmalig tijdperk streden, die proef steeds glorierijk en heerlijk aflegden. — De nieuwste vertegenwoordiger van het pessimisme is E. von Hart.mann , in meer dan éen opzicht aan Schopenhauer verwant en meer onder zijn invloed en door hem aangezet dan hij zelf gezegd wil hebben, daar hij hem toch menigmaal gelooft te moeten berispen en verbeteren. Hij kan, echt pessimistisch, in het leven slechts eene voortdurende reeks van langzamerhand te voorschijn en tot erkenning komende illusiën, teleurstellingen en luchtspiegelingen erkennen; hoe jonger, des te rijker aan verwachtingen en lichtbeelden; hoe ouder, des te kouder en armer — tot de geheel bekoelde eindelijk onder steeds zich vernieuwende smarten heeft ingezien, dat alles, hier en hiernamaals, ééne groote illusie was, dat het leven eene verzameling van voorbijtrekkende schaduwbeelden was, en als de eenig verstandige wensch deze overblijft, verlost van elke hoop, bevrijd van iedere begeerte, tot datgene terug te keeren, wat bij het allereerste begin bestond, het onbewuste, het nietbestaande.
En zooals de enkele mensch, — (let wel: de Ilart-mannsche!) aan den avond zijns levens medelijdend lachend op de in puinhoop gevallen ideale wereld zijner Meidagen terugziet en slechts nog één verlangen kent, wat hem niet kan worden vervalscht, dat naar rust — evenzoo zal eenmaal, verkondigt ons Hartmann , de geheele menschheid, als een grijsaard geworden, met den bitteren en sportenden lach van een menigmaal bedrogene op de dorre lippen zich tot slapen neerleggen; en de laatste ontgoocheling, over welke den mensch en der menschheid eindelijk de oogen zullen opengaan in
228
het oogenblik, waarin zij zieh voor altijd sluiten — is die der onsterfelijkheid. En hier nadert Hartmann zeer dicht tot Schopenhauer, die immers ook de hoop der onsterfelijkheid als het eigenlijke hoofd-bijgeloof wil hebben beschouwd, en dientengevolge het wezen der superstitio (bijgeloof) in den waan ziet, te willen superstes (overlevend) zijn.
De juist beschouwd ook uit Hartmann\'s stelsel ontspruitende zelfmoord-gevolgtrekking heeft de meester door een verrassend kunststukje weten opzijde te schuiven. De Hartmannsche mensch heeft hier nog iets te verrichten; hij moet medewerken aan de taak der beschaving van de menschheid, medehelpen nieuwe triomfen te behalen, want iedere nieuwe verovering brengt eene nieuwe teleurstelling mee, namelijk deze: ook dit gevolg, ook deze verovering, ook deze uitvinding, ook deze zegepraal bracht de menschheid geen haar nader tot haar geluk, haren vrede, haar gouden tijdperk — zij is slechts weder eene teleurstelling rijker, en hiermede een goed eind nader tot het laatste groote inzicht — dat alles illusie is. —
Alzoo vertoont zich hier al het voorwaarts-streven der menschheid, alle arbeid tot beschaving, iedere vooruitgang als het moeitevolle rollen van een steen bergopwaarts; ieder moet mee helpen schuiven (mag zich dus niet door zelfmoord eigenwillig zijwaarts drukken!), opdat de steen hoe eer hoe beter boven op den keerkringssteen van al de bedrogen menschenverwachting aankome; en wat dan? Dan zal van deze bereikte duizelingwekkende hoogte der grootstmogelijke menschen-beschaving, der uitputting en verslijting van al de in de menschheid gelegde krachten, ten slotte zelfs de geheele geschiedenis — steen, beschaving en menschheid, met elkaar en over elkaar in den afgrond, in het niets
229
neerstorten; — een hoongelach der geesten, die zich over de vernietiging verheugen, zal het grafgeluid weergeven. — Alles werd gewonnen, wat de menschheid winnen, uitvinden en veroveren kon, — om ten slotte te erkennen, — dat alles — niets is! Dus werd een oneindig kostbare prijs voor eene oneindige teleurstelling betaald! — Zooals de jongeling het ééne tijdperk van onttoovering na het andere moet doorleven — hij heeft achtereenvolgens verwachtingen in zijn beroep, — in de liefde, — in zijne kinderen, — in openbare werkzaamheid, en wie weet waarin meer, — eenmaal geluk en vreugde te vinden, maar het een na het ander brengt teleurstelling —: zoo hoopt de menschheid, maar zij hoopt insgelijks tevergeefs! — mocht zij het spoedig inzien! Dan kon zij er weldra goed bij varen! — De taak van den zich behoedenden Hartmannschen menseh zal dus zijn, voor zijn deel haar hieraan mede behulpzaam te wezen. De gedeeltelijke zelfmoord, op welken de in hare gevolgen overdachte wijsbegeerte van Schopeshauer uitliep, worde als doelloos en naar geen juist doelwit leidende opgeschort, maar alleen opdat de menschheid te haren tijde de verworven erkenning van de ijdelheid aller verwachtingen door opheffing van geheel het bestaan, door volledige, algemeene verloochening van den wil tot het leven, dat is door een soort van feestelijken alles-onivattenden\'ieiimoovd viere. En dit zal dan geschieden, als de taak der beschaving overal vervuld en de blijde boodschap van de eindelooze teleurstellingen over geheel de wereld zal gepredikt zijn.
Zoo had dan die ongelukkige jonge steendrukker in Berlijn zijn wijsgeer geheel verkeerd begrepen, toen hij zijn ambtgenoot met eene zware steenplaat den schedel insloeg, — om dezen, zooals hij het met nadruk
230
verklaarde, de zaligheid van het Nirwana te verschaffen; daarentegen deed de leermeester dezer droevige wijsheid zeer goed, dat hij zich in het huwelijk begaf en een leven leidt, zooals hem de velerlei uitgaven zijner geschriften zullen veroorloven.
En toch ligt ook hier in de Hartmannsche geschiedenis van het met nieuwe overwinningen en veroveringen niet tevens buitgemaakte menschelijke geluk een aanzienlijk stuk diepzinnige waarheid — trouwens geene nieuwe, door Hartmann uitgevondene, maar eene overoude waarheid, welke op eene andere plaats ongeveer aldus werd uitgesproken : dat het den mensch niets helpt, zoo hij de geheele wereld gewon — zij het denkend, onderzoekend of strijdend. —
Hier zal het pessimisme aan het Christendom weder de hand der eensgezindheid drukken, maar slechts het verkeerd hegrepene Christendom kan toeslaan. Terwijl immers het pessimisme met prijzenswaardige eerlijkheid toestemt, dat het in het algemeen niets heeft noch weet, wat den mensch vrede en geluk duurzaam kan geven, zoo weet het Christendom zich in het bezit van datgene, wat ook den duizendvoudig teleurgestelde vrede en den troostelooze nieuwe hoop op bijstand in de ziel vermag te schenken. Wat het Christendom met Dante ternauwernood boven de poort der hel waagde te schrijven, dat zet het pessimisme reeds boven de poort, door welke de jonge aardbewoners hun intocht in deze wereld houden _ het vreeselijk: „Laat gij, die hier binnengaat, alle hoop varen!quot; — Wat het echter is, dat den mensch helpt, werkelijk en duurzaam helpt, wanneer vorming, beschaving, vooruitgang, groote overwinning het niet doen, zooals het pessimisme zeer juist erkent, ja, wat dat is, dit mag men in het gezelschap, waarin wij ons
231
op dezen oogenblik bevinden, niet zeggen zonder uitgelachen te worden. Wij behouden ons dit tot later voor.
Ook bij Hartmann, zeggen wij ten slotte, bewijst het pessimisme zijne kunst, welke wij aan hetzelve niet ontzeiden, het leven te teékenen, zooals dit zich op het eerste gezicht vertoont. Het is waar, dat het leven van een ieder, ook van den gelukkigste, rijk is aan teleurstellingen en begoochelingen, welke als gulden morgenwolken de lokken der jeugd omzweven, om wellicht reeds op het gerimpelde voorhoofd des mans als donkere zware avondnevel zich neer te zetten. Ook de met idealen vervulde ziel van Fiohte moest hierover klagen, hoe „de arme stervelingen geheel hun leven verlangen en zich kwellen, in eiken toestand meenende, dat als het maar anders met hen mocht worden, zij er beter aan toe zouden zijn, en nadat het anders is geworden, zich toch niet beter bevindenquot;; — maar Fichte plaatst er terstond naast, wat redding uit deze begoochelingen kan bieden, wijst hierop, hoe nabij de mensch steeds is bij datgene, wat hij zoo verre zoekt, bij den waren vrede, bij de stille zaligheid van het in het eeuwige zich tehuis voelende gemoed.
Het is waar, ook de idealist Schiller getuigt het:
Naar den oceaan vaart met duizend masten de jong\'ling,
Kalm op behouden boot drijft in de haven de grijsaard; —
maar de vraag blijft het nu toch, of dan in waarheid , zooals het pessimisme wil, de vaart door het leven daarom vergeefsch moet heeten, of niet veeleer hare schoonste vrucht juist hierin bestond, dat de ziel steeds helderder en met eiken splijtenden mast het beter leerde, idealen van dwalingen, verwachtingen van naakte droomen, waarheid van ijdele begoochelingen en ver-
nietigbare goederen van water- en vuurvrije te onderscheiden.
En heeft ellende alles mij ontroofd.
Zoo prijs ik \'ttoch, de waarheid leert zij mij! —
dus luidde hierom de uitspraak van een idealist in het ongeluk! —
En de laatste heteekenisvolle vraag blijft deze, of met alle stuurmansbeleid en moeite de golven toch eindelijk nog „schipper en boot verzwelgenquot;, zooals het pessimisme niet slechts „gelooftquot;, maar als beslist zeker voorspelt — of dat, zooals het geloof van alle verhevene geesten, van Socrates tot Kant, levenslang volhield en stervend bezegelde, de beproefde en gelouterde ziel uit de schipbreuk van dit lichaam tot beteren tocht en schoonere hoop wordt gered. De laatste, voor de leiding en opvatting van geheel het leven zeer beslissende vraag zal immer deze zijn, of wij met het pessimisme het evangelie van den eeuwigen dood moeten verkondigen, of met het godsdienstige en wijsgeerige idealisme de blijde boodschap van een hooger en reiner zieleleven, dat een welwillende geest ons heeft bereid. Hier opent zich de blik voor onze laatste en zwaarste taak.
De knaap met het schitterende oog, dien wij bij den aanvang in zijn Mei-dal vol bloesems zagen uittrekken, zeker niet zonder het stille verlangen hem te mogen volgen, groet ons tot afscheid, maar hij roept ons lachend toe: tot weerziens! — Nadat wij voor het allerlaatst de Novemberstormen van troostelooze levensbeschouwing moesten trotseeren, verheugen wij ons nu allen over de belofte, welke ik u mag geven, dat onze laatste gemeenschappelijke opkomst een ongestoord, zonhelder, voor de idealen des levens hoopvol ontsloten uur zal zijn.
IV.
Op onzen laatsten gemeenscliappelijken tocht heet ik u heden ten vriendelijkste welkom; deze zal nogmaals op andere wijze worden volbracht. Noch tot de nevelachtige hoogten van onhoudbare gissingen, noch in de ongastvrije diepten van stoffelijk wegzinken voert heden onze weg, maar tot eene den mensch waardige wandeling op vasten bodem en onder vroolijk daglicht noodig ik u ditmaal uit. Heden zullen wij indachtig zijn, waartoe ons twee oogen werden gegeven: het ééne namelijk, om op de aarde te turen en alle verschijnselen des bodems te onderzoeken, op welken onze voet vaste schreden moet doen; — en het andere, om den blik opwaarts naar die hoogte der gedachte te zoeken, van welke licht en blijmoedigheid voor zulk eene aardwandeling tot ons komt. Wij zullen elkaar heden daaraan herinneren, dat de almoeder aarde ons wel mag onder het oog brengen: „Gij zijt uit mijn schoot voortgekomen, zijt mijn vleesch en bloedquot;, en de lucht tot ons kan zeggen: „Bestond ik niet, zoo kondt gij ook niet bestaanquot;, en devoorbij-ruischende golf ons in het geheim toefluistert: „Wat ik u heb geleend, dat eisch ik tij dig genoeg weder terug, — wees niet te trotsch!quot; — maar ook hieraan zullen wij in het edele trotsche gevoel van meerderheid heden elkaar herinneren, dat een Alvader der geesten den adel van Zijn wezen ons op het voorhoofd heeft gedrukt, ons in rechtopstaande houding op deze aardkorst heeft gesteld en in de opgehevene en uitgestrekte rechterhand het heerschersbewijs ons legde en ons in de zedelijke vrijheid
234
van den wil brief en zegel daarvoor gaf, dat wij niet enkel kinderen dezer lueht verdienen geheeten te worden, en zooals wij door deze niet zijn ontstaan, evenmin met dezelve zullen wegwaaien, omdat wij ons van een bezit bewast zijn, dat meerder en verhevener is dan aardklomp, lucht en waterdamp. Wij zullen ons heden even ver verwijderd houden van zwevende bespiegelingen en wijsgeerige uitspraken als van het vasthouden en kleven aan aardsche stof. De uitnoodiging van Fingal , den Noorschen dichter, welke deze den grijzen bard toezond:
„Kom Ossian! trek toch heen uit het land der zwakken, om met uw vad\'ren op wolken le rijdenquot; —
zullen wij evenzoo onder dankzegging afslaan als het gezelschap van hen, wier breedsprakige wijsheid in een belachelijk gemaakt woord van Hamlet haar toppunt bereikt: „Er bestaan bepaald geen dingen tusschen hemel en aarde, van welke onze verhevene schoolwijsheid niet althans iets zou hebben gedroomd!quot; — Wij zullen dus heden noch tot stouten en schoon en — maar altijd toch gewaagden wolkenrit ons laten verleiden, noch ook met mollen, doodgravers, November-gemoederen en stofdron-ken zielen samenspraken houden. Maar wij zullen u evenmin onhoudbare zwevende wijsbegeerte aanbevelen, die te vergelijken zou zijn, — om een beeld van Schelling te gebruiken, — met die teedere draden, welke in den herfsttijd in de lucht zweven, even onmachtig den hemel te bereiken als door hare eigene zwaarte de aarde te beroeren. — Niet tusschen hemel en aarde heenzwevend, maar hemel en aarde omvattend moet het slotwoord zijn, dat wij heden ons gereed maken te spreken. —
Wij wenschten toch eene min of meer bevredigende
235
oplossing te zoeken voor het raadsel des levens, en ik stel u, op de nu aan te bieden oplossing wijzend, thans allereerst tegenover een oud-Grieksch grafteeken, dat zelfs langen tijd als een vernuftig maar onopgelost raadsel den bezoeker heeft aangestaard. — Het is een dubbel beeld. Op het eerste vlechten de Horen, die lieftallige geniën van het bloeiende Grieksche leven, haren lichten, harmonischen danskring, naar welken een knaap met schitterende oogen de brandende fakkel in de opgeheven hand gericht houdt; op het tweede beeld ziet hij treurig naar den grond en de neergebogen fakkel bluschtrookende uit, maar de dansrei is verbroken, in wilde wanorde vliegen de Horen dooreen. De kunstenaar had de beteeke-nis aan de dichters en wijsgeeren overgelaten en de beste vertolking, welke werd gegeven, was deze:
Het is de geest, in welks fakkelschijn het vluchtige leven zich harmonisch beweegt; waar zijn licht uitdooft, daar storten de atomen wanordelijk en verward dooreen. — Dat deze wereld in het algemeen den toeschouwer het beeld van een gelijkmatig schoonen Horendans aanbiedt, vindt zijn grond en oorzaak hierin alleen, dat een goddelijke geest de lichtende fakkel hoog daarover houdt; vice ip3. vzoc ky.ovit Y.txi ry././.cr. y.wipr. -/,«/ rhtp/.d, „de geest is het, die daar ziet; de geest hoort; al het andere is blind en doof,quot; — sprak een dichter-wijsgeer vóór meer dan twee duizend jaren, i) En dat deze Griek werkelijk de juiste beteekenis had gevonden, bewezen voorwaar onze laatste beschouwingen voldoende, toen wij in meer dan één stelsel, welks fakkel scheen uitgebluscht, Horen en atomen ten slotte verward dooreen zagen storten.
1) De ten tijde der Perzische oorlogen leTende Siciliaansche comedie-dichter Epicharmts.
236
Dat deze wereld, de harmonisch zich bewegende zedelijke wereld moet ineenstorten, — zoodra de lichten van ideale beschouwing zijn uitgedoofd, dit mag als de vrucht van onzen vroegeren gedachten-arbeid worden beschouwd, en juist hierin zagen wij het onbevredigende van het materialisme. Het eerste, wat ons heden betaamt te doen, is eene kleine wijsgeerige wandeling in de van frissche gedachten vervulde tuinen der idealisten; zoo al hier en daar het pad zich eens in donker beschaduwde loof-gangen mocht verliezen, dan draagt de genius de fakkel vóór ons uit, en zelfs daar, waar wij slechts onder voorwaarden kunnen toestemmen, zullen wij ons toch steeds voor de wetenschappelijke onverdraagzaamheid van een Haeckbl weten te behoeden, die hiermede den spot drijft, dat wat over de menschenziel in de groote meerderheid der psychologische (zielkundige) werken wordt opgegeven, juist maar de omschrijving der ziel van een geleerden wijsgeer bevat, die wel vele boeken kent, maar van de ontwikkelingsgeschiedenis niets weet! — Hoevele der „voornaamstequot; zielkundige werken Haeokel met ernst heeft bestudeerd, weten wij niet; in ieder geval is met zulk eene bewering geen enkele dier geleerde wijsgeeren-boeken-zielen weerlegd. — Ook wij weten, evenals Haeckel,, dat zich in wijsgeerige en zielkundige leerboeken vele thans onhoudbaar geworden uitspraken bevinden —; maar wordt iets dergelijks wel niet eens in natuurwetenschappelijke werken gevonden? — En zoo zullen wij de stichtingen des geestes van een Leibnitz en Fichte met dezelfde onpartijdigheid naderen als vroeger de samenstellingen der naturalisten. —
De hoofdvertegenwoordigers van het nieuwe idealisme op wijsgeerig gebied zijn Leibnitz, Kant, Fichte,
237
Schelling, Hegel, Jacobi, Kraüse, een iegelijk op zijne wijze de macht van het ideaal roemend en in zijnen tongval de groote daden van den goddelijken geest in geschiedenis en menschenborst prijzende. De ook maar eenigszins indringende uiteenzetting van deze stelsels zou een bijzonderen bundel eischen, en ik behoud mij iets uitvoerigers over deze namen tot latere gelegenheid voor; — ditmaal had zich het materialisme aan ons gewroken en zoozeer met stof ons overstelpt, dat de kracht ontbrak om deze meester te worden. —
Gottfried Wilhelm Leibnitz (geboren 1646 in Leipzig-, — van 1711 af gedurende langen tijd te Weenen, bevriend met den prins Eügenius f 1716), een der drie groote Saksische „Lquot; (Luther, Leibnitz, Lessing), zooals een nu gestorven hoogleeraar der geschiedenis in Leipzig placht te examineeren; — is het geluk van bij de meesten uwer reeds meer dan bij naam bekend te zijn verschuldigd aan een woord, welks tegenvoeter wij het laatst, hoewel dan ook niet zeer tot onze vreugde, hebben ontmoet. — Het woord, of beter het begrip, dat zich voor u aan den naam Leibnitz verbindt, heet optimisme, en het is de vijandelijke broeder van gindsch pessimisme, dat nog van onze laatste avond-bijeenkomst in een slecht aandenken bij u is gebleven. Terwijl dit, zooals wij zagen, aan de uitwendige vertooning van het door vele ontberingen omgeven en met menigvuldig lijden doorvlochten leven bleef vasthouden, en van daar uit zijne droevige besluiten en hartbrekende beschouwingen opstelde, weet het optimisme achter de in het oog vallende kwalen en smarten der stervelingen de zon van hoogere wijsheid en eeuwige gerechtigheid te ontdekken. Is het materialistische pessimisme die knorrige drommel, die
238
op den somberen winterdag het tuinvenster uitkeek en omdat hij geene zon zag, tot het wetenschappelijk zeker „volkomen gerechtigdequot; — maar toch zonderlinge besluit kwam, dat er volstrekt geene aan den hemel staat, maar dat regenbuien, wolken, stormen en bevriezende menschen de geheele wereld vormen —: daarentegen is het idealistische optimisme onze frissche knaap, die dankend en zingend in de lente der zonnige wereld uittrekt en voor wien zelfs eeue wolk, wanneer en waar zij zich ook vertoont, het bestaan der zon niet doet betwijfelen, omdat hij haar licht en hare verwarmende vreugde in de snelle polsslagen van zijn hart iedere minuut bespeurt. — Zegt het pessimisme: de wereld is de slechtst mogelijke (pessimus, de slechtste), dan beweert het optimisme, dat zij de best mogelijke is (optimus, de beste). Wil het echter daarbij niet in de tegenovergestelde eenzijdigheid vervallen, namelij k leed en kwaad in de wereld niet te zien, evenals het pessimisme het goede en goddelijke in de wereld voorbijziet, dan zal het ons over de aanwezigheid hiervan eenige verklaring schuldig zijn. Leibnitz onderneemt dit.
Verre van het bestaan des kwaads in de wereld te loochenen of ook maar te gering te schatten, weet hij te ziften en te onderscheiden: namelijk ten eerste tusschen zulke kwade zaken, die onafscheidelijk aan het wezen des menschen zijn verbonden, zooals zijne onvolkomenheid, eindigheid, beperktheid. Deze (bovenzinnelijke) onheilen van den mensch weg te wenschen, zou heeten den mensch in het algemeen wegwenschen, want behept met en door deze is hij juist wat hij is: — mensch. — Verder zulke kwalen, aan welke de lichamelijke natuur des menschen onderhevig is, zooals smart en ziekte. Deze (physische) kwalen berokkent zich de
239
mensch öf door eigen schuld, dan schijnen zij door de in de wereld tot geldigheid komende idee der gerechtigheid noodzakelijk bepaald; öf zij dienen in de hand des Wereldbestuurders als middel tot opvoeding en zuivering en dus tot heil öf van het individu öf van het groote geheel. — En ten derde zulke kwalen, die, door den wereldgeest bepaald niet verlangd, echter als noodzakelijke schaduw over de zedelijke vrijheid des menschen, zoodra deze vrijheid werd misbruikt, onvermijdelijk waren. De (moreele) onheilen lagen buiten den hoogeren wil, die in de wereld tot stand komt; maar in de vrijheid, zoo er eene moest bestaan, was de mogelijkheid van het misbruik derzelve bepaald gegeven. Al het zedelijke doen van den mensch heeft juist hierin zijne waarde, dat het geen gedwongen, maar een vrij handelen is. Maar is het vrij, dan kan het ook worden nagelaten, en met dit nalaten zijn onheil en leed verbonden. In de gave der vrijheid, die den mensch boven alle andere schepselen verheft, ligt voorzeker tevens zijne ontvankelijkheid voor smarten, zooals ze nergens anders in de geheele natuur worden gevonden. — Gij erkent dus hier, — wat zich ook beperkend of aanvullend tot deze „Theodicee\'quot;, dat is „Godsrechtvaardigingquot; nog liet zeggen — toch zonder twijfel het verheven streven van het door Leibnitz vertegenwoordigde optimisme, om voor de uiterlijk zich vertoonende onheilen niet pessimistisch jammerend te blijven staan, maar eene daarachter berustende, zelfs in de door leed en smart bezochte menschheid tot stand komende hoogere idee zoekend en peinzend na te speuren. Optimisme en pessimisme staan beide aan het ziekbed der menschheid: het eerste als een geneesheer, die, het verloop der ziekte nagaande.
240
de werkingen zijner geneesmiddelen met deelneming gadeslaat, die den zieke wellicht als vernieuwde of verhoogde smart zich voordoen, hem zei ven echter als de zekere voorboden der naderende genezing noodzakelijk en dus welkom toeschijnen; het pessimisme staat daarnaast als de dood in het oude volkssprookje, zich verheugende over de smartelijke wendingen en gezichtsvertrekkingen van den zieke, dien hij dienvolgens als zijne prooi met grijnzend welbehagen aanschouwt. Wijsgeerig gesproken, is het het verhevenste optimisme van eene door en door idealen aanleg bezittende ziel, wanneer een Paulüs zijn vervolgers kan toeroepen: „Wij roemen ook in de verdrukkingquot;, waar het pessimisme zijner wijsgeerige tijdgenooten slechts een halsstarrig verdragen en dof begaan laten der wereld hiertegenover wist te plaatsen. Hoe is het mogelijk, datgene te roemen, waarover anderen jammeren en klagen? Omdat daar het bewustzijn was, dat die droefheid brengende verdrukking een zedelijke, zuiverende, bevestigende en eenmaal ophelderende kracht in haren schoot verbergt, omdat men niet op deze uitwendige droefenis, maar op de hierin bevatte en daarna eindelijk tot overwinning zich baan brekende hoogere waarheid en vreugde het in den strijd en zelfs in den dood nog lichtende oog richtte.
Zoo leeren wij Leibnitz met zijn optimisme der levensbeschouwing terstond en noodwendig als een krachtigen tegenstander van elke materialistische wereldbeschouwing kennen. De grondstelling van het materialisme moest voor een zoo naar alle kanten beweeglijken geest, als de zijne was, een onding zijn. Niet de levenlooze stof, maar integendeel het zieleleven is de grondslag van al wat bestaat: deze is de grondgedachte van het stelsel.
241
Overa! ziet zijn geestvol oog leven, individueele levendigheid, levensvolle betrekking der wezens tot elkander. Elk zich vertoonend leven is terug te brengen tot eene veelheid van zelfstandige enkelvoudige wezens — monaden, eenheden genaamd, welke de grondwezens van geheel het stoffelijke en geestelijke heelal uitmaken.
Deze grondrichting van zijn geest moest ook in de opvatting van het menschelijke zieleleven hare uitdrukking vinden.
Met zijne leer van de aangeborene ideeën reikt hij aan Plato de hand en werpt zich als tegenstander op der theorie van Locke. Had deze, zooals gij u herinnert, de ziel des menschen met een niet beschreven, onbetee-kenend stuk papier vergeleken, waarop het leven willekeurige toevallige lijnen en teekens schildert, zoo lijkt zij den dieper zienden Leibnitz op een stuk marmer, dat wel nog niet is gevormd, maar waaraan toch de door den meester getrokken lijnen reeds gestalte en vormen der toekomstige beeldzuil herkennen of ten minste vermoeden laten; — eene beschouwing, welke de ernstiger waarnemende opvoedkunde door steeds nieuwe ervaringen heeft bevestigd.
De ziel is niet ledig, leert Leibnitz; veeleer bevat zij de beginselen der voorstellingen, welke de uitwendige voorwerpen haar later zullen openharen. Het is zeker, dat wij bij de geboorte ideeën meebrengen, welke wij door onze zintuigen of door de werkingen van onzen geest niet zouden hebben kunnen verwerven: grondwaarheden, welke wij uit ons zeiven putten, die ons door opvoeding en spraak niet kunnen worden ingeplant. Wel is waar moet men zich niet verbeelden, dat men in de ziel als in een open boek die eeuwige wetten des verstands
16
242
kan lezen, zooals men de uitvaardigingen des praetors op de marnieren tafel leest, maar het is voldoende, dat men dezelve met opmerkzaamheid in ons kan ontdekken. — Dat zijn de grondtrekken van idealistische beschouwing des menschen- en zielelevens, zooals deze door Leibnitz eene veelvuldige uitvoering en ontwikkeling hebben ondergaan. Wezen wij vroeger bij voortzetting der materialistische gedachtenreeksen hierop, welke gevolgtrekkingen zich voor de opvoeding uit die vooronderstellingen moesten aanbieden, zoo betoogen wij hier in aansluiting aan Leibnitz, dat de ware en gezonde opvoedkunde al haar streven steeds op deze denkbeelden zal bouwen, dat in den mensch eene kern van goddelijke eeuwige ideeën aanwezig is, die tot gelukkige ontvouwing, ontwikkeling en tot gelukkigen bloei te brengen is. Wij wagen het dus op grond van te voren verworven kennis met zekerheid te beweren, dat eene levensfrissche, goede vruchten rijp makende opvoeding alleen op idealistischen grondslag mogelijk is. — Men spreekt eene algemeen erkende daadzaak uit, als men zegt, dat de moderne opvoedkunde, voor zoover zij gewichtig en verstandig is gebleven, in werkelijkheid op de — hoezeer ook hier en daar gewijzigde — grondgedachten van Pestalozzi en Kousseau steunt en zeker altijd zal steunen; beiden waren echter door en door idealisten, en toch naar hun geheelen aard zóó in den grond verschillend, als het Duitsche karakter van het Fransche, vooral van het ongezond opgewondene van dien tijd.
Rousseau wendde zich in gloeiende verontwaardiging en bij al de vreemdheid, menigmaal zelfs ongehoordheid van zijn handelen en optreden, toeh in den diepsten grond des gemoeds vól van heilige bezieling, van zijn bedorven
243
tijd af, dezen met kracht terugroepend tot de waarheid, eenvoud en vroomheid van vervlogen eeuwen. Maar hoe kon hij dit zonder levendig geloof aan het goddelijke in de menschenziel ? Zoo staat hij als een eenzame getuige der waarheid, verheft zijne stem in een doof en tevens dol geworden tijd, als een idealist van het zuiverste water, — hoewel een eenzijdige, een zoodanige, die met zijn idealisme den vasten bodem van het werkelijke leven menigmaal onder de voeten verloor. —
En Pestalozzi, — met welk een teeder idealen ademtocht is geheel zijn leven, zijn denken en dichten, zijn lijden en ontberen, zijn bidden en arbeiden omweven! Wie verstond het als hij, uit een vroom gemoed, met de diepzinnigheid van een profeet en de innigheid van een evangelist over de geheimenissen te vertellen, die in de kinderborst sluimeren, over de krachten des levens te prediken, die in jonge zielen op te wekken en aan te kweeken zijn?
Beiden, Rousseau en Pestalozzi, zoo verschillend als zeestormen en heldere bergstroomenvloed, zijn het toch ééns in het verhevene geloof, dat zij de hoop op betere tijden in de ontwikkeling van het door een hoogeren geest in de kinderziel gelegde goddelijke durven te stellen; zij zijn het hierin ééns, dat zij, aanvallen van rechts en links moedig tegenstaande, voor de drie verhevene ideeën: God, deugd, vrijheid, als den kostbaarsten schat der menschheld, moedig en vroolijk in de bres springen. — En wanneer of waar nu onze tijd zonder deze ideeën gelooft te kunnen opvoeden, daar is hij door smartelijk diepen waanzin bevangen! —
Wee den armen kinderen, wier ouders of opvoeders, omdat zij voor zichzelven het geloof aan de idealen
244
verloren, nu ook in de kinderborst niet meer den idealen zin weten op te bouwen! Zij zullen werktuigen, wellicht goed en juist gaande arbeids-werktuigen, practische beroepslieden en geoefende huishoudsters, maar zeker tevens armzalige egoïsten, wilde natuurknapen en — koelbloedige misdadigers opvoeden; maar menschen, met een warm, gevoelig hart, bezielde, van geestdrift blakende mannen en zachtaardige moeders — nimmer!
De gemoedelijke Immanuel Kant, de wijsgeer van Königsbergen, opent denkoninklijken feesttrein der nieuwste wijsbegeerte, „niet slechts een licht der wereld, maar een geheel stralend zonnestelselquot;, zooals Je as Paul in zijne beminnenswaardige overdadigheid hem noemde; in ieder geval echter een wonderheldere ster aan den hemel van een veelvuldig verduisterden tijd. —
Geheel het wijsgeerige voortbrengen van Kamt — bij alle dikwijls schijnbare nuchterheid in gedachte en inkleeding toch een bepaald door idealen zin geleid voortbrengsel — splitst zich in een grooten tweevoudigen arbeid. Ten eerste wil hij het broos en onhoudbaar gewordene ter zijde leggen, het onbewezene of onbewijsbare van zijne wankelende steunsels berooven — (vanwaar hij als „vijand van den Christelijken godsdienstquot; in kabinetsorders werd gebrandmerkt); — maar hij doet zoo iets waarlijk niet als velen zijner tijdgenooten, om ons nu op de puinvelden van verwoeste tempels der waarheid met onze smart alleen te laten, maar, en dit is het tweede, grootere gedeelte van zijnen arbeid: hij is met liefde er op bedacht, een aannemelijken schooneren nieuwen bouw, in welken de waarheidlievende ziel zich behaaglijk kan voelen, voor onze oogen op te trekken; — vanwaar hij door anderen weder als „redder
245
van het oude geloof in een ongeloovigen tijdquot; begroet, naar gelang van de godsdienstige sympathieën zijner vrienden hier als de „Mozesquot;, ginds als de „Lctrerquot; der wijsbegeerte werd gevierd. — Evenzeer is hij het, die het eerst, en dit moet hem ook door ons als hooge verdienste worden toegerekend, het ongenoegzame en bouwvallige in de zoogenaamde „Godsbewijzenquot; zonder ontzien heeft aangetoond, maar wel verre van hieruit overijld te besluiten, zooals het aan vroegere en latere valsche broeders onder de wij sgeeren goed dach t: „ Bij gevolg is er geen Godquot; —: zoo toont ons Kant veeleer, hoe boven de waggelende wereld van geheel onze zinnelijke ervaring en schijn-kennis, boven alle redeneeringen en sluitredenen, hoog boven de kracht van het kenvermogen van ons wetenschappelijk denkend (theoretisch) verstand verheven en onaantastbaar, een geest boven gistende wateren, als eene inwendige niet af te wijzen vordering, als de noodzakelijke eenheid van alle in- en uitwendige verschijnselen, de Godsgedachte als het ideaal des op het werkelijke leven gerichten (practischen) verstands zich ons evenzoo onbewijsbaar als onloochenbaar voor de ziel stelt als die, welke door de onverbiddelijke eischen van de „heiligequot; zedenwet in de gedaante van den plicht in ons zich openbaart en in de verwijzing naar de onsterfelijkheid boven ons de toekomstige herstelling dier schoone harmonie ons waarborgt, welke hier door de wanklanken der ongerechtigheid en der misdaad zoo menigmaal schril wordt verbroken. —
Toen wij dus daareven den aanval van Kakt op de bewijzen omtrent God hem als eene verdienste toerekenden, geschiedde dit, om op de grootere verdienste te wijzen, welke hierin was gelegen, dat hij op zulke wijze
246
het bestaan van God als eene van de overdenkingen onzes verstands geheel onafhankelijke daadzaak voorstelde, die zich aan ons willen en gevoelen als onomstoote-lijk, aan ons „rein verstandquot; als noodzakelijk ideaal opdringt. En hierin ondersteunt hem onder de lateren met name de degelijke Fkies, die ook weliswaar eene eigenlijke „wetenschapquot; van het bovenzinnelijke niet wil kennen, maar wel, het godsdie7istigegevoelhoogstellend, de erkenning eener bovenzinnelijke macht als van eene éénheid tegenover al het in twee deelen splitsen en de verbrokkeling in de zintuiglijk waarneembare wereld, van het denkende verstand eischt. Wat het denken nimmer uit te denken, de kracht tot onderkennen nooit krachtig genoeg vermocht te erkennen, dat grijpt de levenswarme overtuiging aan, dat houdt de kracht van het zedelijke willen als met biddende handen vast, en zoo treedt, evenals in den Phaedo van Plato, de macht der volle zedelijke persoonlijkheid, de verhevene kracht der ideale overtuiging daar bewijzend en bevestigend op, waar de logische ladder van opklimmende bewijzen niet tot aan de hoogte van het voorwerp reiken wil of het korte peillood slechts de bodemloosheid der diepte kan aantoonen. —
Eene zoo onkreukbare, door en door ware persoonlijkheid vol van verheven ernst des strevens en levens als Kant , mag ook voor datgene, wat zij als uit de volheid harer overtuiging ontstaan ons heeft verkondigd, op grooteren eerbied aanspraak maken dan Lien stelsels, bij welke de ijdelheid en zelfzucht, zoo al niet oneerlijkheid hunner scheppers uit alle gaten des wetenschappelijken mantels verraderlijk naar buiten kijkt. Ook de wijsgeermantel van Kant moge zijne zwakke plekken hebben, waar hij echter doorschijnend is, ziet men de eerlijke
247
groote ziel er door heen, welke de verheven gedachten des levens niet kan laten varen.
En wien zou niet een koninklijk man in berispelijke kleeding liever zijn dan tien vlekkeloos purperen kroon-feest-siergewaden over gemeene komediantenschouders gehangen? — Dit aan het adres van zekere jongeren, die Kant als „onhoudbaarquot; en „sinds lang overwonnenquot;, neusoptrekkend thans ter zijde leggen. — Het kan zijn dat zij vooraf reeds iets van het zachte geestelijke wenken ontdekten, dat de voorvader der nieuwere wijsbegeerte, Descartes, den baanbreker van het denken der laatste dagen, juist onzen Kant, toezond. Oogenschijnlijk is deze aanraking. Wat genen, Descartes, deed in het oog vallen, was de ontdekking van eene nieuwe ingangspoort naar de zalen der wijsbegeerte. Kant treedt door diezelfde poort. Descartes begon met het ik, met het zelfbewustzijn, dat hem in de eerste plaats als het eenig zekere in deze wereld der onzekerheden te gemoetkwam. Juist zoo Kant. Niet de vraag der alledaagsche wijsgeeren van zijnen tijd: Hoe zijn de dingen, hoe is de wereld? — maar de diepzinniger vraag; Wat kan ik? — of veeleer: Kan ik in het algemeen iets van het ware zijn der dingen weten en leeren kennen? deze is de eerste, van welke de wijsbegeerte van Kant uitgaat. Mogen al de besluiten, welke wij over de omgevende wereld maken, nog zoo onzeker, steeds slechts in bepaalde omtrekken of door de gekleurde brilleglazen van bedrieglijke zintuigen zich vertoonen, één ding blijft vast en zeker: het ik, het bewustzijn, dat zich aan den geest van Kant, zooals wij zagen, als „zedelijk ikquot;, als een door hooger wet gebonden ik openbaart. — En hier vertoont zich aan u wonderbaar duidelijk de principieële tegenstelling der
248
stoffelijke en der geestelijke wereldbeschouwing. Ging het materialisme van de vaste stoffelijke ontbinding uit, om eindelijk het ik, de persoon, den geest slechts als bloesem der stof zich te laten samenstellen en straks weder aan zijn noodlot over te geven van als aether in den aether te verdampen —: zoo gaat in omgekeerde richting het idealisme van het persoonsgevoel uit, van het in zich-zelven begrensde ik-bewustzijn der zedelijk vrije persoonlijkheid en van den denkenden geest als het ontwijfelbaar gegeven Archimedes-punt van nieuwe beschouwingen.
En zal het stelsel van Kant reeds ia den aanhef juist het omgekeerde van het materialistische zijn, dan moet ook de practisch-zedelijke uitkomst vaa beide deze tegenstelling in het licht zetten. En zoo is het. Als Helvetiüs, die, zooals gij u herinnert, het wezen der leerstellingen van het materialisme der Fransche omwenteling beschreef, de zelfzucht, dus het eigene subjectieve welbehagen en goeddunken, de persoonlijke neiging en den persoonlijken afkeer als het eigenlijke beginsel van geheel ons doen met nadruk wil hebben aangezien, dan wordt in het stelsel van Kant het doodvonnis uitgesproken over het ijdele believen van de eigendunkelijkheid, en de ondergeschiktheid van het kleinzielige ik aan het „algemeene ikquot; van het men^chenheil „kategorischquot;, dat is met nadruk, geëischt. Wordt ginds door de materialistische oorzaken-leer de weelderige slingerplant van de zelfverheffing en de ik-koestering gekweekt, dan bloeit in het ideale, vérziende stelsel van Kant de ootmoed en de edeler bloem der gehoorzaamheid. Heet in gene vroeger beschouwde zedenleer „goedquot; wat de macht der natuur aan het individu tot zijn onderhoud of zijne verlustiging aanbeveelt, zoo mag volgens Kant slechts zulk eene
249
daad op dit vereerende getuigenis aanspraak maken, welker stelregel tot eene algemeen geldige, voor de menigte zich bevestigende wet kan worden verheven. Ging diar de richting van den wil in zijnen strijd om het nauw-begrensde bestaan zóó ver, dat het eigen welzijn vóór dat van allen, met beperking, waar noodig zelfs met beschadiging en vernietiging van anderer bestaan werd ondersteund, zoo verlangt Kant in volkomen tegenstelling hiervan de onderwerping van den op het eigen welzijn gerichten eigen wil aan den algemeenen wil van de innerlijk zich openbarende wet; zelfs daar, waar het uiterlijke welzijn van den enkeling daaronder zou moeten lijden, ja zelfs verbloeden. —
Zoo staat hier, en dit is het verheven-heerlijke van dit stelsel, de ,heilige zedenwetquot;, zooals Kant zich gaarne uitdrukt, met haren onverbiddelijken, overal en voor allen in elke omstandigheid geldenden eisch, staat de idee der plicht als eene ideale, geesten vereenigende en bindende, lage begeerten echter breidelende macht boven de willekeur van den enkeling, boven de lagere wereld van stoffelijk begeeren. —
De wijsgeer wordt een dichter, en de taal dei-wetenschap bijna een gebed, waar hij over den verhevenen plicht spreekt, als die in zijnen hoogen ernst onbuigzaam en goddelijk boven den mensch troont; zoo is zijn ideale blik steeds op dat grootsche en alles omvattende gericht, waaraan het kleine enkel-ik, voor zoover het juist zelf geen geheel kan zijn, als dienend lid zich moet aansluiten en voegen.
Na dit alles zullen u de waarde en beteekenis van die stelling van Kant, in welke alle schatten van zijn stelsel als paarlen in de schelp verborgen liggen, duide-
250
lijk zijn geworden, van de beroemde stelling „Handel als een algemeen ikquot;: — dat wil zeggen: handel altijd zóó, dat uwe enkele daad tevens eene wet voor allen zou kunnen zijn; handel aldus, dat als allen zóó souden handelen, de zedelijke wereldorde bestaan en allen zich daarbij wèl bevinden zouden! Zoo klinkt die stelling als eene tooverformule, tot bezwering van alle zelfzuchtig lage begeerlijkheden door een verheven geest verzonnen! Dit is de beroemde „kategorische imperatiefquot;, in het Hollandsch ongeveer „de onverbiddelijke bevelhebberquot;, zooals hij in den menseh troont. —
In een tijd, waarin velen het zich tot eene taak stelden. God uit de wereld te verbannen, ontdekte Kant Hem diep in het binnenste heiligdom der menschenborst, onvernietigbaar, onloochenbaar. De zedenwet in den mensch, welke naast den sterrenhemel tovew hem, aan het oog van Kant als het grootste wonder in het heelal toescheen, bewijst hem zijn God. „De zedelijke wet in ons eischt een wetgever boven ons, een God, eene eeuwige volkomenheid, welker wil, omdat deze in alle zedelijke wezens is openbaar geworden, ook met heiligen ernst gehoorzaamheid moet eischen en welker gerechtigheid de oplossing der wanklanken van dit leven in een hooger leven evenzeer eischt als waarborgt.quot; Zoo treedt in Kant de wijsbegeerte met hoogen ernst en verheven standvastigheid voor het schoone drietal der verhevenste ideeën op, welke de menschheid bezit: God, (zedelijke) vrijheid, onsterfelijkheid. — En nevens Kant plaatst zich, dezelfde drie gedachten prijzend en vast bewarend, een getuige der waarheid als Lkssing, die ook „voor vrijheid en eeuwig voortbestaan van het individu met het volle gewicht en de geheele kracht zijner gespierde
251
persoonlijkheid instond en in God de steeds scheppende ziel van het heelal ootmoedig vereerde.quot; —
Gij beseft gemakkelijk, welke beteekenis zulk een stelsel als dat van Kant moest hebben; gij beseft, hoe het alleen het plichtsgevoel is, welks idealisme op een hoogeren wil wijst, dat het voortbestaan der burgerlijke en staatsordening verzekert. Daarom is die aanspraak van den zeeheld Nelson, welke hij hield vóór zijn laatsten slag, zoo meesterlijk; „Soldaten, Engeland verwacht, dat elk uwer zijnen plicht zal vervullen!quot; In dezelfde mate als het plichtsgevoel, dat is het gevoel van vrijwillige ondergeschiktheid van den enkeling aan een hoogeren, eerst vaderlijken, dan staats- en eindelijk goddelijken wil, bij een mensch, een geslacht, een volk verloren gaat, evenzoo zullen ongehoorzaamheid en oproer in huis, willekeur, omkooping en werkeloosheid in den staat, lafhartigheid en gebrek aan veerkracht op het veld en zinnelijk overdadige genotzucht overal, tot schade van het geheel met woeker de overhand moeten nemen. — Dat „plichtquot; een uit het standpunt van het materialisme niet te ontdekken begrip is, toonden wij vroeger aan. —
Het was voorwaar een goed getuigenis voor den in Duitschland nog levenden idealen zin, dat tenzelfden tijde, toen in de salons van Frankrijk de lichtzinnigheden van Voltaire en de oppervlakkigheden der encyclopédie bijna uitsluitend de heerschappij voerden, voor de gedachten van Kant overal in Duitschland, en niet slechts in de kamers der geleerden en op de spreekgestoelten der hoogescholen, maar evenzeer in de zalen der dichtkunst, ja zelfs op kansels en in familiekamers talentvolle vertolkers en bezielde apostelen opstonden. — De godsdienst,
252
het meest ideale bezit des mensclien scheen verloren. — Kant redde hem iu de gedaante der zedenleer; zoo sleurde hij zijne eeuw met zich omhoog, weder eene idee boven de bonte wereld van gistende massa\'s verheffend. —
De bekentenis, dat Kast\'s idee van plicht en zedenleer voor eene nog grootere diepzinnigheid en godsdienstige bezieling evenzeer vatbaar is als daaraan behoefte heeft, kan onze dankbare geestdrift voor een man niet verminderen, die in zulk eenen tijd zoo iets waagde en volbracht als hij. En daarom scheiden wij slechts ongaarne na zoo vluchtigen groet van deze eeiivoadig ernstige gestalte, onzen Duitschen Sookates, op wiens voorhoofd gedachten tronen, zoo helder en feestelijk als de luchten op eene schilderij van Claude le Lorraix. —
Op tweevoudige wijze sluit zich bij Kaxt aan Johann Gottlieb Fichte, de idealist van het woord en van de daad. Evenals gene vat hij het ik-punt, het bewustzijn der afgesloten eenheid op als de kern des menschen, en — (hierin verder gaande dan Kant) — der wereld in het algemeen.
Uitgaande van die bewonderenswaardige handeling van den persoon, plechtig te kunnen verklaren: „Ik beu ikquot;, dat wil zeggen: ik ben een tegenover de geheele overige wereld bepaald afgebakend, afzonderlijk bestaand wezen, niet zoo maar eene toevallige verzameling van stofatomen, maar eene geestelijke eenheid, zoodat niet door de stoffelijke elementen mijn ik-bewustzijn saamgehouden en gedragen wordt, maar omgekeerd mijn geestelijke ik deze stoffen tot de eenheid samensluit; uitgaande, zeiden wij, van deze gronddaadzaak, vindt Fichte zijn „absoluut ikquot;, d. w. z.: de aan al het indi-vidueel-enkelvoudige leven ten grondslag liggende en al
253
het bewuste leven samenvattende groote eenheid van den reinen geest, d. i. van God. Het streven van dit buitengewoon moeielijk in volkstrant te gieten stelsel richt zich daarheen, den geestelijken inhoud des heelals tot volle waardeering te brengen. Zooals de mensch zijn ik, zijn persoon onderscheidt en afbakent van alles, wat dit ik niet is, dus van het „niet-ikquot;, zooals Fichte zich uitdrukt, zoo moet ook, bekennen wij verder met hem, een hooger volkomen (, absoluutquot;) wereld-ik bewust en zelfstandig tegenover de buiten hetzelve zich bevindende wereld staan, zijn volkomen ik van dat, wat het niet is, zijn .,niet-ikquot;, duidelijk onderscheiden.
Liever en met toestemmende verstandhouding zult gij den anderen — practischen — weg bewandelen, langs welken ons Fichte tot het hoogste ideaal der wereld, de Godsgedachte, opleidt. Zooals Kant uit de wet in des menschen borst den wetgever boven het menschenhoofd vond, zoo besluit Fichte , zeker niet minder verstandig en waar, van de opvoeding des menschengeslachts tot zijnen opvoeder. „Een menschquot; zoo zegt hij, „kon de eerste menschen niet opvoeden. Een geest ontfermde zich over hen.quot; Wij beriepen ons ten gelegenen tijde reeds op dit woord. — En daar het steeds schoon is en versterkend op de eigene overtuiging werkt, naar de samenstemming van verheven geesten te luisteren, — zooals de ééne brand den gloed van den anderen versterkt, en de ééne diamant het fonkelen des anderen opsiert, - zoo wijzen wij er op, dat hier ook Fichte, juist zooals wij het vroeger bij Kant vernamen, en de lichtgeest van Lessing in de kreupelbosschen van Sais elkander hebben ontmoet. Ook deze herkende, als altijd met den blik diep doordringend, in de opvoeding van het menschengeslacht tot
254
steeds reinere, hoogere Godskennis, de voortgaande openbaring van den goddelijken geest in de menschheid. — Maakte men tegen het stelsel van Fichte de bedenking, dat daarin de reëele wereld niet tot haar volle recht komt, omdat zij slechts als tegenstelling en beperking van het geestelijke, bewuste leven zich voordoet, zoo richt zich het streven van Schelling daarheen, de natuur weder in hare rechten te herstellen, zonder den geest in de zijne te kort te doen. Voor hem is de natuur een zichtbare geest, de geest het onzichtbare der natuur. God is nergens zonder de natuur, en nergens de natuur zonder God; de geestelijke en de stoffelijke wereld zijn de dubbele uitdrukking, de tweevoudige betuiging, de daadwerkelijke bevestiging van de ééne groote oorspronkelijke kracht, die in beide zich even machtig en even werkzaam betoont. Was ook het verwijt, dat Fichte van zijn kant tegen Schelling verhief, dat hem bij de beschouwing van het reëele het ideale en bij omgekeerde beschouwing het reëele verloren ging, niet geheel ongegrond, zoo behoudt het denken en - zooals wij wellicht juister zeggen — het dichten van Schelling voor ons zijne volle waarde, die ligt in zijn streven, beide, geest en stof, in zoo groot mogelijke innige vereeniging tot gepaste geldigheid te doen komen. Of dit aan het stelsel is gelukt, daarover mogen u de wijsgeerige leerboeken nader inlichten, — in het bestek van onze beschouwing paste slechts het hiermede zoo kort mogelijk geleverde betoog, dat door de nieuwere Duitsche philosophie (wijshegeerte), voor zoover zij zich dezen lovenden naam van „vriendschap voor wijsheid en waarheidquot; waardig betoont, de ideale adem der vereering van de geestesmacht verfrisschend heen waait. Wat wij in onze vroegere en nu voortgezette
255
gemeenschappelijke wijsgeerige studiën tot onze vreugde hebben ontdekt, is dit: de aristocratie der geesten van ouden en nieuwen tijd staat aan onze zijde.
In het stelsel van Hegel, dat zich tot dat van Schelling verhoudt als de zijne geuren verspreidende bloesem tot de gesloten knop, komt de Godsgedachte te voorschijn in de wetten der logica (redeneerkunde) ontluikend, verschijnen de verschillende godsdiensten als de opklimmende standplaatsen van den in de menschheid tot bewustzijn komenden God, en het Christendom als de volmaakte godsdienst, voor zoover in hetzelve de gezochte eenheid van het goddelijke en menschelijke zich tot stand gebracht vertoonde. Ulieden dieper en juister de gedachten van Hegel te ontwikkelen, laat mij het woord van den verheven, wellicht al te verheven meester niet wagen, dat hij na veeljarige werkzaamheid, bijna aan den avond zijns arbeids, met weemoed uitsprak: „Van al mijne leerlingen heeft slechts één mij begrepen — en die heeft mij misverstaan!quot; — Bij de studie der schriften van Hegel wordt men te moede als wandelde men op een hoog bergpad, ter rechterzijde bodemlooze kloven, ter linker een hemel vol van vlammende morgenstralen! — Aan de gemakzuchtige, materialistische traagheid van denken onzer jeugd zou een collegium logicum in den verhevenen Hegelschen stijl recht goed doen, al ware het slechts, opdat zij mocht erkennen, dat de oplossing van het wereldraadsel toch iets meer verstand en — bescheidenheid eischt, dan men noodig heeft om aan de tafel in het bierhuis een glas bier in één teug te ledigen en over de jongste staatkundige gebeurtenissen onrijpe oordeelen uit te kramen! Vergeeft mij deze kleine onwijs-geerige afdwaling. Ik zeg u: Hegel is thans in de
256
academische leerzalen zeer weinig populair! Waarmee hij dit heeft verdiend, weet ik niet. Met hem nu is de stem der wijsbegeerte voorloopig verstomd, althans voor zoover het hier op aankomt, van uit een werkelijk nieuw gezichtspunt de wereld scheppend te vormen; de lateren, zooals Herbart, Fries, Jacobi, Fiohte Jr., bieden meerendeels eene verdere ontwikkeling of uiteenzetting van gegeven standpunten, of zij bevatten, zooals het ernstige stelsel van Kraüse, eene op waardeering van psychologische (zielkundige) daadzaken gegrondveste Gods- en wereldbeschouwing.
Wij sluiten hiermede onzen kleinen wijsgeerigen wandeltocht in de hoop, dat deze op teedere denkzenuwen niet al te afmattend moge hebben gewerkt. —
En als wij nu, na al de tot heden voorbereidende werkzaamheid, de verworven schatten van de kennis verzamelende, ons gereed maken de zaak van het idealisme als van de alleen bevredigende wereldbeschouwing met ten volle besliste verheuging te leiden, dan komt het vooraf aan op eene verklaring van dit woord en begrip. Velen, die dwepen met het materialisme, hebben voor ideaal en idealist slechts een schouderophalen over; maar hun spot geldt misschien alleen het valsche, niet het echte idealisme. Als wij echter hier van idealisme spreken, bedoelen wij natuurlijk niet die weekhartige liefde tot al wat schoon is, welke, door de ruwe werkelijkheid koud en onzacht aangeraakt, zich op de afgezonderde schabel harer willekeurig saamgestelde droomwereld terugtrekt en daar eene wereld voor zich opbouwt, die juist nergens elders bestaat dan in de eigene verbeelding; dan meenen
257
wij niet die gevoelsdweperij, die voorwaar maar al te gaarne de naaktheid barer armoede aan kracht met den blauwen sterrenmantel van het idealisme bedekt, en menigmaal genoeg, zooals Goethe ons aan het voorbeeld van Tasso deed zien, met ziekelijke ontvankelijkheid en prikkelbaarheid pleegt verbonden te zijn. Wij spreken natuurlijk ook niet het woord van die aan gedachten arme over-dadigheid, zooals deze eenigen tijd vooral in de zoogenaamde Wertherperiode evenzeer mode was als heden het ruwe materialisme. Wij willen ook volstrekt niets weten van die maneschijn-wijsbegeerte en Hamlefsche. nachtwandelingen, met louter „ik mocht, ik moest,quot; — die het tot geen gedurfd „ik wil, ik doe hetquot; vermogen te brengen. Wij wenden ons af\' van die hier en daar geliefde lyrische droomerij, aan welke de krachtige dramatische uitdrukking der gedachten ontbreekt evenals aan de kikvorschen duurzame beenderen, en kunnen die bleekzuchtige sentimentaliteit niet uitstaan, welke hare gewaarwordingen gaarne zóólang omroert, tot er tranen-schuim komt. Wij willen toch ook niet de nazaten van dien ongelukkigen wijsgeer zijn, die onder zijne sterrenkundige studiën geheel vergat, dat hij op de aarde wandelde, en te midden zijner waarnemingen des hemels plotseling in eene open bron viel en verdronk, — blijkbaar het beste, wat hij bij zulke eenzijdige richting des hoofds kon doen. Wij waren ook nimmer vrienden van hen, die de wereld alleen van uit hunne studeerkamer kennen en alles door de bestofte bril hunner gedachten-rijke geleerdheid en bevooroordeelde denkbeelden beschouwen en dus niet in staat zijn, het naastliggende te zien — de natuur, die hen omgeeft! Genoeg; — over al deze richtingen, die men wel gemakshalve mede in
17
het woord idealisme, als in een grooten vergaderzak van al wat ziekelijk en overspannen is wil steken, over die alle wilden wij zeer gaarne mee spotten, zoo maar niet spot al te goedkoop ware.
Wij weten ook, dat er sehoone idealen kunnen bestaan, die hierdoor valsch worden en dwaling en groote verwarring veroorzaken, dat men ze aan geheel andere, gegeven toestanden gewelddadig wilde opdringen, zooals de godsdienstige gemeente, die Tertulliaxus wenschte en de staatkundige der Gironde. Beiden vergaten met de werkelijk zich voordoende daadzaken rekening te houden, terwijl gene eene zedelijke reinheid en kracht, en deze eene staatkundige rijpheid en gematigdheid vooronderstelde, die noch toen noch heden noch ooit in het algemeen bij de groote menigte zal voorkomen. —
Neen, onder den naam van het idealisme roemen en bevelen wij slechts die gezindheid aan, welke, omdat zij door verhevene, eeuwige gedachten gesteund en van de verwezenlijking van verhevene ideeën in en door dit leven vast overtuigd is, vóór alle dingen steeds ook de gezonde, roodwangige daad heeft ten gevolge gehad, en steeds moet hebben. Dat is het echte idealisme, zooals Schiller het prijst, dat, „Zenith en Nadirquot; vereenigend, deze vermaning opvolgt:
„Hoe gij ook voor uzelven doet, de wil reike ten kemel,
Door de as der wereld ga de richting der daad!quot; —
Dit idealisme, dat van het aanwezig zijn van eeuwige, door de wisselende levensvormen onaangeroerde gedachten, van het bestaan eener aan de veranderingen, ja, aan het verval en de ontbinding dezes lichaams niet mede onderworpene ziel, van het bestaan en de werking van een aan het eerste begin aller dingen, op deze of\' gene
259
wijze gereed gemaakten, zus of zoo geheeten vernuftigen ontwerper of zichzelven bevvusten wereldgeest overtuigd is, in welks bestaan ons als \'t ware de zekere borgstelling voor de eindelijke zegepraal der waarheid en aller verhevene zedelijke gedachten en de verwezenlijking aller groote plannen, de bereiking aller verhevene doeleinden des mensehelijken geestes en vóór alles de vervulling der heiligste begeerte van ons gemoed naar reinheid en volmaking met bepaalde zekerheid is gegeven: — dit idealisme, dat de bewering „als had slechts het voor de zintuigen, waarneembare waarheid, waarde en werkelijkheidquot; als eene belachelijke dwaling verwerpt, en ofschoon het menigmaal genoeg niets dan water, wilde vloeden en stormen, onbekende sten-en boven zich en eene woeste oproerige bende vóór zich zag en daarenboven hand en voet in ketenen geklonken droeg, nochtans onverstoorbaar daaraan vasthield: en er moet toch in het verre westen een oever opdoemen, een strand, waarvan mijn gemoed in zijn binnenste, vol van goddelijk verlangen, mij getuigt —; dit idealisme, dat zoo dikwijls in den loop der geschiedenis de schoone stoutmoedigheid had, zijne eenige, eenzame stem tegenover eene geheele zee vol storm te laten gelden en zich door geene bedreiging er toe liet brengen, het zeil te laten inhalen en het roer om te wenden — tot eindelijk de verlangde kust in purperen schemer werd begroet; — dit idealisme, dat overoud en toch aan onzen tijd zoo oorspronkelijk nieuw toeschijnt, dat deze de oogen wijd openspert, waar hij het nog aanschouwt, dat uit alle tijden en uit alle volken ons tegenglanst, dat op vragen als die van den veroveraar Demetrius Poliorcetes aan Stilpo, den wijsgeer van Megara: „hoe hoog wel het verlies beliep, dat hij bij de
260
belegering had geledenquot;, steeds weder een van zielerust getuigend antwoord gereed had, zooals het daar gegevene: „Ik heb geen uwer soldaten de wetenschap zien weg-roovenquot;; — deze gezindheid, deze boven berekenbaar gewin en telbaar verlies verheven zielestemming en gemoedsrichting is het, aan welke de menschheid het grootste verschuldigd is, wat zij tot heden heeft ontvangen. In onze dagen voorwaar mag nog slechts hij op dadelijke toestemming rekenen, die dezen in de stof zijne zaligheid zoekenden tijd geheel en zonder voorbehoud bijvalt; een zonderling echter en een dweper te worden geheeten, is het minste, wat dengene wacht, die het waagt, tegen dezen materialistischen stroom op te werken en met vertrouwen op een verren oever te hopen en dezen te zoeken. Als Goethe de verhevene vreugde van zijn dichtersbewustzijn in het woord neerlegt:
„En als de wereld in haar smart verstomt,
Gaf \'t mij een God, te zeggen, wat ik lijdequot;,
dan moeten wij er bijvoegen, dat het te allen en te iederen tijde het idealisme is geweest, dat niet enkel wist het leed uit te spreken, maar wat meer is, — ook te troosten; dat alleen in staat is geweest, aan den hemel van het tegenwoordige, waar het steeds jammervol in nacht verkeerde, de morgensterren van nieuwe verwachtingen en doeleinden te doen opgaan, en het een schooneren dag te beloven, terwijl het materialisme, nu het God en geest uit de wereld wil wegcijferen, den mensch eerst recht eigenaardig tot die doffe berusting van benauwend zwijgen veroordeelt, dat inderdaad tot heden het einde van alle materialistisch gekleurde wijsbegeerte is geweest.
„De natuur antwoordt niet op het klagen en vragen des menschen; zij slingert hem omneedoogend tot zich-
261
zelven terugquot;, dit belijden ook wij met Feüerbach, — ook wij weten, dat eeuwig verstommea het eenige is — waar niet een hooger geloof aan het geprangde hart spraak, zuchten, hoopvolle verwachtingen verleent. En dit hoogere geloof wordt ous juist door het idealisme geschonken.
En als het materialisme door zijne ten deele ingeslopen tegenbewijzen en schijngronden die zoogenaamde bewijzen voor God meent te hebben omvergestooten, dan antwoordt het idealisme getroost en onbezorgd, dat het zulk een louter met de syllogismen-kruk binnenhinkenden God, zulk een soort van Hephaestos, zeker geheel kan ontberen, omdat hier, sterker dan de krachtigste bewijzen, overtuigender dan het meest onaantastbaar ..ergoquot; (derhalve) van eenig stelsel, het levendig gevoel, het inwendige bewustzijn van een God, het stoutmoedige optreden der in werking krachtige overtuiging een gevolg trekt en bewijst — en spreekt! Er is eene hoogere schikking in de wereldgeschiedenis, zeggen wij met een jongeren wijsgeer, evenals in ieders leven; eene voorzienigheid, die door het verstand uit stoutmoedigheid geloochend, en door het hart uit nog grootere stoutmoedigheid wordt geloofd. En het waren de gemoederen vol van idealen, die op deze hoogere orde wezen, wankelende geslachten hebben opgericht, de kracht des gedulds in afgematte zielen goten en brekende oogen uit stikdonkeren nacht op de heldere toekomst leerden staren, van af de profeten Israels tot op die van Duitschland, van Jeremias, die op de puinhoopen van Jerusalem zong, tot op Schleiermachee, Fichte en Stein en — aartshertog Karel van Oostenrijk, die op de puinhoopen van het oude, in slavernij zuchtende Duitsche rijk streden en opbouwden.
De idealisten hebben onhoudbare tijden gesteund,
262
losgemaakte banden in de orde der dingen weder weten saam te knoopen en gemeenschappen des geestes gegrondvest, terwijl de grondslagen van den staat beefden. — Zij hebben in tijdperken van staatkundig verval op het gebied van kunst en wetenschap een toevluchtsoord van blijmoedig bezielend streven weten te scheppen, — denkt eens aan de stichting der Berlijnsche universiteit, midden in een tijdperk van staatkundige vernedering. Zij hebben, steeds geleid door het onverstoorbare geloof aan de eindelijke zegepraal der verlichtste denkbeelden van de vrijheid, van de waarheid, van het algemeene menschen-recht, van de verdraagzaamheid, juist in de donkerste dagen een menigmaal maar al te doof geslacht luid en krachtig tot den heiligen strijd voor deze goederen in de strijdperken geroepen.
De idealisten hebben, evenals Kant, zedelijkheid gepredikt in een zedeloozen tijd en te midden van een tot twijfel geneigd geslacht een hooger geloof behouden. Zij hebben, zooals Fichte, het aangedurfd eene godsdienstige opvatting des levens te vertegenwoordigen in tijdstippen, waarin de bestaande godsdienst ten spot vervallen scheen, en met Schleiermacher aan de verachters vaa den godsdienst het bewijs opgedrongen, dat hun spot slechts den vorm, nooit echter de ware kern van den godsdienst vermocht aan te tasten. Zij zijn den de overhand nemenden wuften uit vreemde landen overge-waaiden geest met verheven nationaal gevoel te gemoet getreden en hebben, als Lessing, de zucht van navolging in leven en spel door goed overlegd zelfscheppen moedig overwonnen; zij hebben de zelfoverschatting van de eeuw door hunnen schoonen ootmoed gestraft en zich niet geschaamd, als Herder, bijbelvereerders te heeten.
263
toen het tot den goeden toon behoorde, een „verlichtquot; bijbelverdraaier te zijn.
De idealisten zijn de eigenlijke weldoeners der menschheid, maar hunne weldaden zijn onberekenbaar en hierom duizendmaal te laag geschat.
De natuurkundige Poüillet en anderen met hem hebben de warmte, welke de zon uitstraalt, in nauwkeurige cijfers gebracht, maar wie is in staat geweest de verwarmende levenskracht te berekenen, welke de geest van een Paulüs, een Luther, een Schleiermachee in duizend en nogmaals duizend koude harten heeft doen binnenstroomen ?
Men denke over de enkelvoudige godsdienstige stellingen zooals men wil, maar dit heeft nog geen knap geschiedschrijver kunnen omverwerpen: de grootste en in de wereldgeschiedenis sterkst weerklinkende beweging is van het Christendom uitgegaan; maar zijn Stichter, evenals zijne gezanten, waren (wijsgeerig gesproken) de grootste idealisten, die ooit over de aarde zijn getrokken, die voor de gedachten van hun leven alles wegwierpen; en ofschoon alle bestaande machten der wereld zich tegen hen verbonden, toch onverstoorbaar van station tot station, gevangenis, kruis, foltering, brandstapel, door vlammende poelen of ziedende zeeën even welgemoed voorwaarts schreden, geen oogenblik hieraan twijfelende, dat zij door vallen tot overwinning, door dood tot het leven, door een vijandelijk heden naar eene vriendelijke toekomst trokken. Wat is Alexander\'s tocht tot verovering der wereld in vergelijking met de zendings-tochten van den apostel Paulüs? Eene zóó ontzenuwde, verslapte en afgeleefde wereld, als toen ten tijde de oude was, met de oproeping tot den kamp voor zedelijke vrijheid
264
en reinheid, innerlijken vrede en onafhankelijkheid van menschengunst en menschenoordeel onder de oogen te treden, — welk eene stoutmoedigheid van ideaal geloof! En hoe ter wereld kon dit voorwaar „onpopulairquot; begin met gevolg worden bekroond? — De idee der waarheid stond aan zijne zijde; ideeën nu verslaan legioenen, werpen tronen omver, overwinnen volken! —
Laat uwen blik gaan over de geschiedenis; welke hebben zich als duurzamer doen kennen, de stoffelijke of ideale machten? Waardoor is ten slotte de menschheid meer geleid en bepaald geworden, door dwangmiddelen van zelfzuchtig laaghartige tirannen of door de reine ideeën van verheven geesten? Zij, die zich door eene nieuwe idee, door het oogenschijnlijk meest zwevende en onhoudbare wat er bestaat, lieten voorwaarts drijven, hoe dikwijls zijn zij door alle denkbare middelen van het reëele geweld gekneveld geworden, en toch heeft zich steeds weder de erkenning moeten baan breken, dat men, zooals Palmeeston zich uitdrukte, nieuwe ideeën noch door besluiten van den bondsdag vernietigen, noch met kartetsen ter neder ploffen kan.
De zwaarden van het oude Rome, die met vreeselijke kracht van keizerlijke rechtspleging tegen de jonge geestelijke macht van het Christendom werden gericht, zij zijn, hoe menigmaal ook opnieuw gescherpt, toch steeds spoedig genoeg stomp geworden, en de sterke arm van goedbetaalde beulen bleek zenuwzwak tegenover die idealen, die zoo zacht en zoo sterk als de lente hier in de borst der menschheid zich hadden genesteld; en de Romeinsche stadhouders, die met hun bevelschrift in den zak zoo bewust van hunne overwinning naar de provinciën afreisden, moesten, zooals de jonge Plinids
265
in Noord-Afrika het ons zwart op wit heeft beschreven, menigmaal recht moedeloos om verdere maatregelen van hun optreden verzoeken en in het vernederende gevoel hunner radeloosheid zeer bescheiden aanvragen, of zij toch nog met terechtstellingen moesten doorgaan, of, wijl dit geheel vruchteloos scheen te zijn, wellicht met dtze wijze van ideeën te wederleggen een weinig moesten ophouden. En zoo bereidden zich, trots alle vijandschap, toch eindelijk de verheven gedachten haren weg, welke de geschiedenis aan de ideale macht van het Christendom verschuldigd is, — en ideeën welke aan de oude wereld ongehoord toeschenen, zooals bijv. deze, dat vrouw en kind, ja zelfs de slaaf, gelijk mcnschenrecht met den vrijgeboren Romein kon eischen, ze zijn nu reeds lang een gemeenschappelijk goed zelfs voor diegenen geworden, die meenen het Christendom te moeten hoonen, omdat zij het niet begrijpen; en dingen, die in de opvatting van Griekenland geoorloofd, ja op godsdienstige wijze geheiligd schenen, moesten, hoezeer zij ook eenigszins natuurlijk leken, zich toch voor de verlichtere denkbeelden van Christelijke wereld- en levensbeschouwing daarheen terugtrekken, waar zij te huis behooren: naar de hoeken der duisternis. En raadpleegt gij de geschiedenis, steeds zal zij het bevestigen, dat een volk onverbiddelijk naar den achtergrond van het wereldtooneel wordt gedrongen, zoodra het de aankweeking der ideale goederen, bovenal van het godsdienstige geloof als van het hoogste ideale volksgoed, heeft opgegeven en zich in de armen van het materialisme der grove genieting werpt. —
Het vrije Griekenland verzonk in staatkundige slavernij en afhankelijkheid, nadat het eerst zijne godengestalten van de ziel had beroofd en diegenen, die hun
266
nienw leven wilden inblazen, had verdreven of gedood; nadat het die ideale goederen der liefde tot de vrijheid, des strevens naar waarheid als waardeloos had weggeworpen ; en zoo moest de kunst ontaarden, de wijsbegeerte in beuzelachtige spelerij, do groote treurspelen in kluchtspelen en de vaderlandsliefde in een te koopen artikel, het geheele volk echter in een karakterloozen trawant van het keizerlijke Rome zich oplossen.
En hier in het de wereld beheerschendeitome hetzelfde noodlot, hetzelfde verloop. Toen de oude eeredienst tot ijdel spel was geworden, en de auguren (priesters) elkander veelbeteekenend toelachten, waar zij elkander ook mochten ontmoeten, was het spoedig ook met het idealisme van dat grootsche patriotisme gedaan; met het bloed der laatste Eomeinen vlood de kracht der republiek voor altijd heen, en het zelfstandigs te, machtigste volk der wereld werd eene prooi, weldra slechts een speelbal van tiranniek kuipende alleenheerschers, die den geest van zelfzuchtig verfijnd zingenot tot beginsel van staat verhieven, en hierdoor was het de volkomen lichtzinnige, materialistisch-pessimistische geest van den keizertijd, welke dit graf dieper en dieper groef, waarin ten slotte het oude en verlamde keizerlijke Rome door de jonge, voor nieuwe idealen ontvankelijke Germaansche stammen werd neergeworpen.
Met de ideale, vooral godsdienstige beschouwing zinkt tevens de staatkundige en physieke kracht van een volk, van een geslacht, en omgekeerd vermag ééne grootsche gedachte, als zij de harten machtig aangrijpt, geheel een volk uit den dood tot glansrijk leven op te roepen. Nooit en nergens is het zoo, noch in het enkelvoudige, noch in het gezamenlijke leven, dat de invoering
267
eener grootsche idee eerst physieke krachten eischt, maar omgekeerd geeft liet opvatten eener machtige, levenskracht bezittende gedachte aan het individueven-als aan een geheel tijdvak eene veerkracht der zenuwen, eene taaiheid der physieke krachten, welke te voren geheel onmogelijk scheen. Men heeft bij de laatste veldtochten herhaaldelijk de ondervinding opgedaan, dat niet de sterkere boerenzonen, maar de veel meer met kamerlucht gevoede jongelingen vanhoogere ontwikkeling grootere inspanningen verdroegen — omdat in hen de gebiedende, staande houdende macht der idee, voor welke zij streden, leden en stierven, meer bewust, levendiger en hierdoor werkzamer was. Ideeën zijn steeds sterker dan physieke machten.
Gindsche reëele, maar al te menigwerf materiëele macht van het middeleeuwsche Rome, welke in de onderwerping der Hohexstaüffens nog eenmaal over de vrijere wereld- en staatsbeschouwing scheen te zegepralen, — zij heeft door den overwinnenden geest des nieuweren tijds stoot op stoot ontvangen en door de denkbeelden der nieuwere wetgevingen overal eene beroering ondergaan, op welke geene versterking meer, maar slechts een volkomen val vroeger of later moet volgen.
Wat Rome aan materiëele machten kon oproepen, het heete macht of praal, goud of gevangenis, schitterende kerkgoederen of folterwerktuigen — de menigmaal gestelde keuze — het is herhaaldelijk aangewend, om de ideeën der hervorming te dooden —; ons gevoel komt er tegen op, de bleeke scharen der martelaars van die waarheden te bezweren, — maar in trouwe, als zich gedachten lieten vergiftigen en idealen verbranden —
268
er kon, vooral hier te lande, nergens eene evangelische gemeenschap behouden zijn gebleven; en toch — zie — zij leven! En wie die heden gezonde zinnen heeft, zou niet erg moeten lachen bij die uitspraak, welke onlangs een katholiek priester in Weenen bij gelegenheid der afkondiging van een confessioneel gemengd paar deed: „Hoe kunt gij u protestantsch laten huwen, binnen 50 jaren bestaat er toch geen protestantsche godsdienst meer!quot; — Wie gevoelde niet, dat de toekomst alleen aan het protestantisme kan toebehooren? Zooals eens Savonarola, vol van godsdienstig ideaal, het beeld eener reinere Christelijke gemeenschap dan hij deze toen in zijn vaderland aanschouwde, reeds als met een zienersoog groetend, den brandstapel bestijgt met het woord: „Zij moet komen en zij zal komen, de hervorming dei-Kerk!quot; evenzoo bekennen thans ook wij, den nieuwen tijd vol van verlangen begroetend, dat die tijd moet komen, waarin men het godsdienstige ideaal des Christen-doms, gezuiverd van alle onreinheden, welke nu nog daaraan kleven, met vroom gemoed zal vereeren. Wat Villahi, de levensbeschrijver van Savonarola, over het hedendaagsche Italië getuigt, dat zijne bevolking zich in ultramontanen en Voltairianeu verdeelt, dit geldt heden van iedere katholieke bevolking min of meer, dat zij zich slechts in die twee legers splitst, ten eerste van hen, die, door de werkelijke macht van Home gebannen en gebonden, in hun eigen belang deze ondersteunen en beschermen, en verder van degenen, die in hun binnenste geheel en al met het katholicisme — en daar zij het Christendom steeds slechts in dezen opschik zagen, tegelijk hiermede, helaas! ook met het Christendom in het algemeen hebben gebroken. En waar het zoo gesteld is, daar moet,
269
zooals ViLLARi het voor Italië vreest, en zooals het in Spanje en Frankrijk voor ons aller oogen gebeurt, naar gelang deze of gene partij de overhand verkrijgt, heden de revolutie der Voltairianen en morgen de reactie der elericalen aan de orde van den dag zijn. Alleen naarmate de idealen van het Christendom, zooals deze in een gepast, verstandig protestantisme hunne uitdrukking en bevestiging hebben gevonden, tot geldigheid en overwinning zullen komen, kan voor ons rust, wederzijdsch vertrouwen, vrede en sociale welvaart terugkeeren. Maar hierdoor, uit deze wijd gapende klove tusschen de gemoederen, zooals deze zich moet voordoen waar elericalen en Voltairianen met elkander zullen arbeiden, spruit dat onvruchtbaar heen en weder zwenken voort, die tegenstrijdigheid tusschen de meest uiteenloopende eischen en bemoeiingen, zooals het openbare leven van onzen tijdkring genoegzaam kenmerkt, spruit die naar beide zijden verbitterende tegenstelling voort tusschen de aan ééne zijde meest vrijzinnige wetgeving en aan den anderen kant meest ultramontaansche handhaving en uitlegging derzelve. Wij herinneren u slechts aan onze Oostenrijksche schoolwetten! Nu eens wordt den onderwijzer, die het waagt, zich aan de geheiligde persoonlijkheid van een ruw proletariërkind door een slag te vergrijpen, eene berisping door den aangewezen schoolraad toegediend, omdat de wet lichamelijke tuchtiging nadrukkelijk verbiedt, en dan weder worden diezelfde kinderen tot deeln ame aan de godsdienstige oefeningen en straatprocessies verplicht! Heden bovenmatig overdrevene vrijheid voor eene ongebonden jeugd en morgen even zoo grenzenlooze gewetensdwang! — Aan zulke tegenstrijdigheden gaat onze tijd maar al te zeer mank. Schamen wij ons niet,
270
het uit to spreken, dat de toekomst van Oostenrijk, aaii welke wij met vreugde en vol goed geloof denken, niet voor het geringste deel aan een ruimer en invloedrijker tot waardij-komen van den protestantschen geest is verbonden?
Het is een der verhevenste tafereelen, te zien, hoe die grootsche ideale gestalten midden in hunnen tijd als lichttorens van den geest staan, rondom welke de golven omhoog klotsen — zonder echter hun licht te kunnen uitblusschen of ook maar te verduisteren.
Toen Duitschland en Oostenrijk in het begin dezer eeuw geketend lagen aan de voeten van den Corsikaanschen veroveraar, en Weenen ter eere van zijnen geboortedag in gedwongen lichtglans moest schitteren, — als ieder openhartig woord door de muren scheen te worden afgeluisterd en elke opwekking tot vrijheid werd onderdrukt nog haast vóór zij nas ontstaan, — toen hield die bescheiden wijsgeer op zijn spreekgestoelte te Berlijn zijne toespraken tot het Duitsche volk — toespraken, in welke men het ruischen van adelaarsvleugelen en het rollen van toekomstige donderslagen meende te hooren, — toen voerde Fiohte, de wijsgeer, de idealist Johann Gottlieb Fichte reeds den geestelijken veldslag aan tegen den overweldiger, toen legde hij dat vuur in gloeiende jongelingszielen neder, dat later, opflikkerend in heiligen toorn, de veldslagen van Leipzig en Waterloo bevocht !
En terwijl hij sprak, werd zijne stem nu en dan door de trommen der onder de vensters voorbijtrekkende Franschen verdoofd —; deze trommen zijn reeds lang verstomd en de roem, van welken zij het gerucht verkondigden, als van een onoverwinnelijk volk, is intusschen nu reeds twee malen in het oogloopend te schande geworden ;
271
maar de verheven denkbeelden van mannenwaarde, vrijheid, vaderlandsliefde, deze verwarmen nog heden de ziel van eiken edelen jongeling.
Het is die verhevene ideale stemming, die in den droevigsten tijd niet wil wanhopen, door welke die onvermoeibare aartshertog Karel van Oostenrijk, zooals hij onversaagd, als wilde hij zijn paard hemelwaarts aansporen, voor de vensters van onzen keizer en voor de oogen van ons volk staat, voor de eerste maal den onoverwinnelijke overwon en Oostenrijks adelaar tot opvliegen dwong, toen hij gebonden en vleugellam aan de voeten van den eergierigen tiran neerstreek. „Op u,quot; zoo roept hij in zijn heerlijk manifest van den zesden April 1809, — „op u, mijne dierbare wapenbroeders! rusten de oogen der wereld en van allen, die nog zin voor volkseer en volkseigendom bezitten; gij moet niet onder verwijderde hemelstreken de eindelooze oorlogen van eene verwoestende eerzucht voeren, gij zult nimmer voor vreemde belangen en vreemde hebzucht bloeden — u zal de vloek niet treffen, onschuldige volken te vernietigen, om over de lijken van gevallen verdedigers huns vaderlands den weg tot den geroofden troon voor eenen vreemdeling te banen! U wacht een schooner lot: de vrijheid van Europa heeft zich onder uwe vaandels eene toevlucht bereid, en uwe Duitsche broeders, thans nog in de vijandelijke gelederen, wachten op hunne verlossing.quot;
Het is de roem van Oostenrijk en deze mag hem niet verkort worden, dat het het eerst de stammen van Duitschland opriep tot de groote gemeenschappelijke daad. „Wij strijden,quot; roept aartshertog Karel in zijn geestdriftigen groet „aan de Duitsche natiequot; — „wij strijden
272
om aan TJuitschland de onafhankelijkheid en nationale eer terug te geven, waarop het recht heeft. Dezelfde aanmatigingen, die ons thans bedreigen, hebben Duitsch-land doen buigen. Onze zaak is die van DuitschJ-and. Duitsehers, neemt een waardige houding aan, aanvaardt de hulp, welke wij u bieden! Werkt mede tot uwe redding! Het zijn niet de gewone legers, die tot uwe hulp toesnellen. Neen, zij zijn door vaderlandsliefde, met afschuw van vreemde onderdrukking en overheer-sching bezield. Zij strijden voor zich, voor vrijheid en eigendom, voor volksbestaan, voor vaderland en recht, — de meerderheid der natie zelve is in haren rechtvaardigen onwil opgestaan en heeft de wapens aangegord. Het huidige oogenblik keert in eeuwen niet weder! Grijpt het aan, opdat het u niet voor altijd ontvliede!quot;
Dit is eene proef van idealen zin, waaraan ook de nacht van den jammer en der beproeving moet dienstbaar zijn, omdat in dezen deszelfs sterren zege voorspellend lichten kunnen!
En naast den idealist op het strijdros in Oostenrijk plaatsen wij den idealist op kansel en spreekgestoelte in Pruisen, naast de ridderlijk verheven heldengestalte van aartshertog Karel de onaanzienlijke.eenigszins vergroeide gestalte van Schleiermacher. En toch, welk een uitstekende verschijning is ook deze! Welk een vuur in dat schoone oog! Een niet gebrokene in een tijd van geheele verbrijzeling, een hopende te midden der verwoeste idealen zijns volks, een die staande bleef in een tijd van de diepste vernedering en smaadheid. „De tuchtroede moet nu reeds over alles heengaan wat Duitsch is, predikte hij in zijn tijd, — slechts onder deze voorwaarde kan later iets recht krachtigs daaruit
273
ontstaan. Wèl hun, die het beleven; — maar die sterven,
— dat zij in geloof sterven, — in het geloof aan een beteren tijd, aan schooner vrijheid!quot; — En in die dagen, toen bijna overal slechts het verstommen door droefheid heerschte, en de taal, waar zij zich liet hooren, angstvallig of jammerend klonk, — daar predikt hij op den laatsten Zondag van het jaar, door den slag van Jena gekenmerkt, van dit droevigste jaar dei-Pruisische geschiedenis, over het woord van Salomo (Pred. 7 :10): „Spreek niet, wat is het, dat de vorige dagen beter waren dan deze; want gij vraagt dit niet wijselijkquot;
— en richt als toepassing tot dit woord de gedachten van zijn volk op den verborgen zegen zulker tijden van loutering en wijst in eene door den adem van verheven zielerust en grootheid bezielde preek aan den Nieuwjaarsmorgen op de ijdelheid en dwaasheid van al dat koesteren van angst en vrees voor de toekomst.
Nader, steeds nader hadden op dat tijdstip dc onweders van den oorlog zich saamgepakt; de Franschen plunderden Halle, drongen ook in Schleiermacher\'s woning; de hierheen gevluchte vrienden werden van hunne have beroofd. Schleiermacher\'s kamer bleef twee dagen met soldaten bezet, eindelijk werd zelfs de universiteit gesloten en werden de studenten ontslagen. Een verheven beroep, eene lief geworden werkzaamheid scheen verbroken, Schleiermacher was niets en had niets meer, — tot het medelijden van den Franschen commissaris hem ten minste eenig hout verschafte. En juist toen openbaarde zich zijn verheven, ideale zin op de schoonste wijze. — Hier is hij een tweede Stilpo van Megara, die, schooner en heerlijker nog dan die eerste, op de vraag naar zijne verliezen, door al zijne
18
27*4
gesprekken en geheel zijn handelen het antwoord gaf: ik heb niemand het geloof aan de toekomst mij zien plunderen, niemand mijn hoop op God zien weghalen.
En zoo predikt hij in het tijdperk der verwoesting over den schooneren opbouw, die thans reeds in de gemoederen moet plaats grijpen; zoo roept hij, omgeven van het krijgsgewoel en door Fransche bajonetten bewaakt en begeleid tot aan den voet van zijn kansel, tot zijne gemeente, dat overal daar, waar God heerscht, vrede moet zijn.
„Het kan zijn,quot; zegt hij in eene dier tijd-predika-tiën, het hart vol van ernstig verbeiden en toch even ver van bange versaagdheid als van ijdele hoogmoedige droomen: „het kan zijn, dat nog grootere vernederingen ons volk wachten, dat het nog meer van zijn aanzien en van zijne plaats onder de machten der beschaafde wereld wordt beroofd, — zoo slechts in plaats van deze uitwendige macht eene inwendige zich vertoont, — zoo wij maar standvastiger voortgaan tot ons behoud alle slechte middelen: leugen, verraad, laagheid, ongerechtigheid van eiken aard te verafschuwen en te toonen, dat er onder ons iets heiligs bestaat, waarop wij onverwrikbaar bouwen; dat wij nog steeds hetzelfde volk zijn, welks schoonste roeping het altijd is geweest, de vrijheid des geestes en de rechten des gewetens te beschermen; dan voorwaar zullen wij staande blijven tot een grootsch voorbeeld onder de volken, dan moet zich voorzeker ook in ons lijden allermeest, juist door de tegenstelling, die er zich in voordoet, de heerlijkheid van het goddelijke openbaren. Dan moeten wij zelfs, zij het ook eerst in toekomstige tijden, het middelpunt worden, waaromheen al het goede en schoone zich vereenigt.quot; —
275
Toont mij den materialist, die aldus heeft gesproken en in zulk eenen tijd! En die reëele macht, die hem bedreigde, die bajonetten, die onder zijn preekstoel bedenkelijk flikkerden terwijl hij zoo sprak, ze roesten reeds lang op de velden van Leipzig, Aspern en Waterloo of liggen als verouderde voorwerpen, die niemand schade of nut aanbrengen, ergens in eene oude wapenkamer. Die overtuigingen echter kunnen niet roesten noch stomp worden, en onze tijd heeft waarlijk behoefte, dezelve te grijpen als eene goede tegenweer en bewapening tegenover den driesten materialistischen erfvijand en den sluipenden pessimistischen verrader; en de idealen van zulk patriottisch verlangen, als ons van daar zoo machtig, zoo levendig het hart aangrijpen, de denkbeelden omtrent de noodzakelijke verheffing en leedergeboorte van het heden sociaal zooals toen staatkundig gedrukte volk, — zij flikkeren nog heden in de borst van eiken waarlijk Christelijken en in het diepste des harten godsdienstigen man, wien eer, vrijheid, vaderland, plicht geen ijdele klank, geen naam zonder inhoud, geen beuzelend sprookje is, dat niets be-teekent.
Wij hebben ons door de verhevene taal en handeling diens mans veel langer laten boeien dan het evenwicht eener geschiedkundig overzicht bedoelende beschouwing zou hebben toegelaten; maar toen wij er bij verwijlden, geschiedde dit in de overtuiging, dat de levenskracht van het idealisme op de beste wijze door de beschouwing van een hierdoor krachtvol leven zelf wordt voortgebracht, en deszelfs wezenlijke waarde in de werkingen, welke het vermocht te voorschijn te roepen, zich steeds op de duidelijkste wijze moet openbaren. En heeft dit
276
met recht geroemde idealisme, het oude erfdeel der Germaansche natie, ook niet in den laatsten grooten volkenstrijd aan gene zijde des Rijns zijne schoone kracht weder koninklijk en geweldig bevestigd?
Wat is het anders dan het idealisme van het onbuigzame plichtsgevoel, wanneer de scharen van Werdee tegenover die van Boürbaki zich en hun leven binden aan dit woord, dat zij in het meest beslissende uur elkander toefluisteren: „Hier komt niemand doorquot; —en als zij deze gelofte dan gestand doen onder de zwaarste offers. Is het niet een verheven ideale gezindheid, welke de beslissing van het bloedige werk, waartoe een vredelievend volk met weerzin werd opgeroepen, in de hand der goddelijke gerechtigheid legde, een ideale zin van het vertrouwen op God, die, zooals generaal Vox Hügel deed, het eerste bevel tot het laden der geweren in \'s vijands land met de woorden deed gepaard gaan: „Dat besture God, die kan helpen!quot; — Of hoe wil men die gewaarwordingen materialistisch beschrijven, welke aan den avond van Sédan tot een uit honderdduizend harten als een arendsvlucht ten hemel ruischend „Dankt gij nu allen God!quot; met geweldige kracht zich lucht gaven ? — Betoont niet in zulke oogenblikken een ontelbare malen bespotte, verloochende, gehoonde God zich met heilige kracht en wel juist in de verdoolde harten Zijner vermetelste spotters menigmaal op het luidst, zoodat zij dan ootmoedig moeten bekennen, dat zij dit uur, hetwelk God hun schonk, levenslang nimmer zouden kunnen vergeten? —
Wat wij ii tot heden aanboden, was eerst eene wijsgeerige, later eene geschiedkundige schets van het op velerlei wijze optredende, veelvuldig werkende
277
idealisme. Wij troffen het aan in de stelsels der kamergeleerden zooals ook op de openbare straten van het volksleven, wij zagen het tronen op de met lauwerkransen omvlochten voorhoofden van denkers en dichters en als de ziel van den godsdienst de donkere hut van den armste verlichten, zagen het nederig daarheen gaan met pelgrimsstaf en mossel en trotsch gewikkeld in den veldheersmantel van het zegevierende legerhoofd. — Waar iets werkelijk grootsch in de geschiedenis werd geboren, daar was het peet en getuige, en waar het gold eene stoutmoedige hoop te planten en aan te kweeken, daar werd het haar bevorderende zonneschijn en zuiverende stormwind tevens.
Wij zoeken nu, al samenvattende, beslissende resultaten te winnen. De tegenstellingen van de materialistische en idealistische wereldbeschouwing, die in wetenschappelijke en practische gedaante ons voorbijtrokken, laten zich tot twee punten, in twee krachtige woorden saam trekken, en deze heeten: het menschelijke ik en het goddelijke ik. Bij het inzetten dezer twee punten gaan de geesten uiteen. Het materialisme loochent beide, hieruit komen al zijne gevolgtrekkingen op zedelijk gebied voort; het idealisme houdt beide krachtig vast, ziet in dit tweevoudig ik de grondvesten van alle bestaan en van alle levensverhoudingen.
Het materialisme noemde het door ons als geestelijke eenheid opgevatte menschelijke ik eene zinsbegoocheling; het idealisme erkent in dit ik-bewustzijn het eenige zekere in het zwevende menschelijke bestaan. Het materialisme noemt het goddelijke ik een waan, eene inbeelding; het idealisme vat het op als een volmaakt, bewust, vrij, geestelijk wezen. Terwijl het materialisme
278
dit tweevoudige ik loochent, kan er voor hetzelve ook geene betrekking van deze twee onderling bestaan; het idealisme erkent in het omhoog streven van het mensche-lijke ik naar het goddelijke de eigenlijke roeping des menschen. In het goddelijke ik is hem het streven naar steeds grootere volmaking en de kracht tot steeds schooner vorming en ontwikkeling aller menschelijke geesteskrachten gegeven; in het goddelijke ik vereert hij het hoogste doel van al zijn streven, het innerlijke begrip der volmaaktheid, de idee van het hoogste goed. Voor het materialisme is de mensch alleen stof, natuur; voor het idealisme is de mensch werkelijk geest, ziel; het materialisme heeft voor den mensch geene, of hoogstens aardsche verwachtingen; het idealisme treedt op hem toe met eeuwige eischen. —
Tusschen het menschelijke en goddelijke ik, beide als bewustzijn, vrije, zedelijke persoonlijkheden beschouwd, bewegen zich alle gedachten en eischen van het ware idealisme. Een streven naar de verhevenste ideeën heeft alleen zin, wanneer er een wezen bestaat, waarin al deze ideeën werkelijk voorhanden, levendig werkzaam worden gevonden; een idealisme zonder het goddelijke ik is een opstijgen in fijnen, verdunden aether, een tocht met een luchtschip, waaruit zij, die zich te hoog opwaarts waagden, teleurgesteld, bevrozen en verstijfd op de aarde neervallen.
Hier scheidt zich nu het wijsgeevige van het godsdienstige idealisme. Het wijsgeerige gaat, zooals de stelsels van Descartes, Fichte, Fries ons bewijzen, van het menschelijke ik uit, van de daadzaak der ondeelbare, onveranderlijke zelfbewustheid, en tracht, van daar naar boven stijgend, het goddelijke ik denkend te bereiken;
279
het godsdienstige idealisme grijpt eerst de in- en uitwendig zich aan de mensehheid bewijzende daadzaak van een goddelijk ik vast en daalt van daar tot de wereld der menschen en daadzaken af; aldus is de richting van het wijsgeerige idealisme van onderen naar boven, die van het godsdienstige van boven naar onderen; het eerste tracht van uit de menschelijke gedachten God teleeren kennen, het andere van uit de Godsgedachte de wereld te begrijpen. Zoo is de aanraking en ontmoeting van beide gegeven, trouwens ook de mogelijkheid van verschillende resultaten niet buitengesloten. Maar de eenheid van het streven zal steeds moeten blijken, als het verlangen, de verhouding van het menschelijke ik tot het goddelijke te bepalen. — Met het wijsgeerige idealisme schijnt dat van den kunstenaar verwant; dit heeft met het gindsche den uitgang van het menschelijk ik gemeen, en zijne taak is, deinde menschen wereld menigmaal onduidelijk, of verborgen schijnende hoogere ideeën in zuivere gewijde opheldering tot stand te brengen. Hierin is ook voor hetzelve de blik opwaarts tot het goddelijke ik als tot de volmaaktste idee der reinheid en zedelijke schoonheid gegeven. Die kunstenaar zal de grootste zijn, wien het gelukt, het in de wereld en de menschenborst sluimerende goddelijke op de reinste, helderste en aangrijpendste wijze tot uiting te brengen. Dit zal menigmaal alleen mogelijk zijn door samenbrengen der tegenstellingen, en zoo heeft de kunstenaar het recht, ons ook het lage, gemeene, afschuwelijke, misdadige, ja zelfs duivelachtige voor te stellen, maar dit nimmer ter wille van deze dingen zelve, maar alleen om de zich daarin openbarende tegenstelling, d. w. z., om ons de waarde der goddelijke macht, die het gemeene overwint, des te sterker te laten
i\'SO
gevoelen; hij mag ons in den nacht van ellende en misdaad roepen, om ons door de heerlijkheid van den opkomenden morgen dubbel in verrukking te kunnen brengen. Waar de kunst, hetzij de beeldende, of die dei-tonen of die des woords, zich er bij bepaalt, het leven te nemen zooals het is, zonder ons tevens over dit leven heen te verheffen, ons toonende, hoe het moest zijn, daar wordt de krachtens haar wezen ideale kunst realistisch-materialistisch en ten slotte ook pessimistisch, en houdt, terwijl zij slechts wereld-copie wordt of zelfs tot grauwe photographic des menschenlevens afdaalt, juist hierdoor op, in waarheid kunst te zijn! — Van het idealisme in de kunst geldt dus evenzeer, dat zijne voorgeschrevene verrichtingen tusschen deze twee punten der idealiteit, zooals wij dezelve zouden willen noemen, het menschelijke en goddelijke ik, zich bewegen. —
Als dus, zooals gij u herinnert, een oude wijsgeer zijne wijsheid in de kernachtige stelling samenvatte: „alles stroomtquot;, zoo redt het idealisme deze twee rotspunten van het menschelijke en goddelijke ik uit deze heen- en wederstroomende wereld; — tusschen deze heide liggen voor hetzelve de eischen van het enkelvoudige leven, ligt de bestemming der wereld.—In het menschelijke ik is een oneindig streven naar de hoogste goederen, in Yietgoddelijke ik de waarborg gegeven, dat dit streven niet tevergeefs plaats vinde; — het menschelijke ik is geroepen tot strijden voor de verhevenste ideeën, hamp;t goddelijke ik staat in voorde eindelijke zegepraal dier hoogste ideeën, en dat welevenzeer voor het enkelvoudige ik als voor de geheele menschheid; het menschelijke ik draagt in zich om het verlangen naar het goede, het goddelijke ik belooft de vervulling van deze begeerte — want het is het volmaakte goede. —
281
In ieder edel hart brandt, zooals Jean Paul het uitdrukte, een eeuwige dorst naar een nog edeler, in iedere schoone ziel een verlangen uaar nog schoonere; zij zou haar ideaal buiten haar, boven haar willen zien —; dit haken en verlangen, van de grootste waarde in het wezen des menschen, is te vergelijken met het opzoeken van het licht door de bloemenrank, is het opgroeien en zich naar omhoog wenden van het menschelijke ik naar het goddelijke als naar de eerste bron van zijn licht. Als wij nu, zooals wij toch moeten, deze groote klove, deze wijde ruimte tusschen ons, de naar het goede en ware strevende geesten, en dien hoogsten, het absoluut goede en de volle waarheid in zich vertoonenden geest Gods, met denkende, gevoelende, zoekende wezens aanvullen, dan begroet ons hier eene aristocratie van steeds verhevener wezens, in welke het stoffelijke fijner, machteloozer, minder belemmerend en ketenend verschijnt in dezelfde mate als het geestelijke in hen machtiger, sterker, duidelijker bepalend te voorschijn treedt; dan doet zich ons hier recht duidelijk en beslist onze taak voor: van trap tot trap, van opheldering tot opheldering, van erkenning tot erkenning, van het schoone wenschen tot nog schooner volbrengen opwaarts te komen, om met elke schrede hier op aarde, met ieder tijdperk van ons verder zieleleven iets nader te komen bij het oorspronkelijke beeld der volmaaktheid. Dan brengen wij de door Linnaeus in de natuurbeschouwing ingevoerde stelling: natura non facit saltum, de natuur maakt geen sprong, ook op ons gebied over en nemen een trapsgewijs opwassen van het menschelijke, geestelijk-lichamelijke ik tot steeds geestelijker levensvorm, een van lieverlede naderen tot het hoogste, reine geestesleven, zooals het
282
in God zich verwezenlijkt, aan. Reeds in het aardsche leven wordt dit onderscheid zichtbaar. Tot welken levensvorm behooren de verhevener en tot welken de lagere naturen onder ons? — Diegenen noemen wij met recht verhevener, meer waard, bij wie het stoffelijke, zinnelijke, hartstochtelijke leven het meest beheerscht, overwonnen, — vergeestelijkt zich vertoont; zij daarentegen zijn de lagere, bij wie het stoffelijk-lichamelijk element het bij voorkeur of zelfs uitsluitend richtende is. En wat wij dan bezieling des dichters, wereld-vergetelheid des denkers, verrukking des kunstenaars, gewijde uren des godsdienstigen noemen, wat is het anders dan een op den achtergrond treden aller lichamelijk-stoffelijke belangen, behoeften en gewaarwordingen, een heerlijk, zij het ook maar tijdelijk, volkomen geestelijk zijn, een vervangen, doordrongen en verheerlijkt zijn van het menschelijke door het goddelijke? Hier liggen de aardsche eischen, — hier zijn ons de toekomstige banen duidelijk genoeg afgeteekend. Meer en meer het stoffelijke aan het geestelijke dienstbaar te maken — in plaats van omgekeerd —, steeds minder door zuiver stoffelijke dingen bepaald en beheerscht en tot handelen gedreven te worden, deze is de taak hier op aarde; — en de ons beloofde hoogere vorm van bestaan zal ons meer en meer uit het stoffelijke in het geestelijke, uit het beheerscht worden en invloed ondergaan door de stof in den toestand van heerschappij over het materiëele moeten overbrengen. — Met dezen eisch van steeds geestelijker levenswijze steunen wij op datgene, wat de beschouwing der reeks van aardsche wezens ons leert. Zooals wij daar wezens zien, bij welke het zieleleven geheel door het materiëele gekluisterd schijnt, evenzoo moeten er, als er geene leemten in de
283
wereld der wezens mogen bestaan, opwaarts stijgend ook persoonlijkheden voorkomen, bij welke het geestelijke even sterk schijnt ontwikkeld als bij plant of steen het stoffelijke, en omgekeerd dit, het stoffelijke, even sterk verdwijnt als het bewuste leven in de zoogenaamde anorganische (onbewerktuigde) natuurwereld.
Hier hebben wij dus de grondtrekken van ons idealistisch stelsel. Uitgaande van de daadzaak van het ik-hewustzijn (zooals wij vroeger reeds aantoonden) als van eene eenheid, welke, zooals het wijsgeerige idealisme van een Fries zich uitdrukte, „zelfs niet in gedachten zich in een meervoud laat ontbinden en dus mag voorgesteld worden onder het verstandelijke begrip van een enkelvoudig onstoffelijk wezen,quot; — of als eene onvernietigbare persoonlijkheid, die, zooals het godsdienstige idealisme des Christendoms bewijst, meer waarde heeft dan de geheele zinnelijke wereld en dus door al hare goederen en schatten niet opgewogen noch ingelost kan worden, — uitgaande, zeggen wij, van deze daadzaak van het naar veredeling en volmaking, naar hoogeren geestelijken zin en grootere stoffelijke onafhankelijkheid steeds opwaarts strevende ik, vonden wij het goddelijke ik als hoogste, reinste geestelijke wezen, waarin de strijd tusschen geest en stof (waaronder wij nog steeds gebukt gaan) in een koninklijk onbeperkt beheerschen der wereldstof is overgegaan. — En in dit opwaarts streven en ver boven dit geestelijk-lichamelijke bestaan zich uitstrekkende willen en verlangen van ons ik ligt de waarborg voor het voortduren van ons geestelijke ik, de belofte der onsterfelijkheid. Weliswaar niet als mochten wij hopen na dit lichamelijk bestaan terstond reine geestelijke wezens te zijn — dat zou een sprong en wel een
284
kolossale zijn, — zooals er in deze wereld van orde geen bestaan kan; dit zou ons eenigermate zoo aandoen als een plotseling verplaatst worden van de evennachtslijn in het ijs van de Noordpool ons lichaam zou treffen. Maar wij mogen wel verwachten, dat na afslijting van dit lichaam ons een nieuw stoffelijk of lichamelijk hulsel zal zijn toegedacht, dat het tegenwoordige evenveel zal overtreffen als het tot heden grootere of geringere ideale streven van ons ik verdiende. De oneindige verscheidenheid in den graad des zielelevens en geestesstrevens der menschen in dit hun lichamelijk bestaan eischt natuurlijk ook eene niet minder groote verscheidenheid der bestaanswijze van het ik na het tot ontbinding vervallen van dit lichaam. En hier komt de gedachte aan eene boven dit lichaamsleven verheven staande goddelijke gerechtigheid tot hare volle waarde. —
Aldus verschijnen alle verheven ideeën der mensch-heid in ons idealistisch stelsel, en die materialistische doellooze kringloop der stoffen, die nimmer tot een doelwit voerende rondedans der atomen, welken wij vroeger aanschouwden, heeft zich thans door onze daareven ontvouwde wijze van levensbeschouwing, voor uwe oogen in eene rechte lijn opgelost, tot eene beweging zich bepalende, welker richting heet „opwaartsquot; en welker wachtwoord luidt „voorwaarts!quot; — Het mensche-lijke ik naar omhoog tot het goddelijke ik, dit is in ééne uitspraak de taak der opvoeding voor den enkeling evenals voor de menschheid. Voorwaarts en opwaarts gaat de lijn der geschiedenis.
Maar komen wij hiermede niet in tegenspraak met de ondervinding, als wij eene voorwaarts en opwaarts strevende wereldbeweging idealistisch begeeren en hari ■
285
haven? En weerspreken wij ten slotte onszelven niet, in zoover wij op de diep vallende schaduwlijnen van dezen materialistisch oververzadigden tijd herhaaldelijk en scherp genoeg wezen? — Neen, wij weten ons vrij van tegenstrijdigheid. — Wij mogen ons slechts bij onze beschouwing nimmer tot het gezichtsveld van ons korte leven beperken — de voorwaartsche beweging der geschiedenis van de menschheid tot steeds helderder kennis en betere uiting der verhevenste ideeën gelijkt aan den golvenden loop der stroomen. Zoo hebben wij op de school geleerd, dat de Donau van West naar Oost vloeit en toch bestaan er in de vaart tusschen Passau en Linz vele plaatsen, waar de door rotsoevers beklemde stroom naar het Noorden en eenige malen zelfs een eind ver regelrecht Westwaarts — alzoo schijnbaar terug vloeit
— en toch gaat hij voorwaarts! Zoo kunnen er tijdperken in de geschiedenis voorkomen — en in menig opzicht is dit tegenwoordige in zijne materialistische neiging en zijne pessimistische begeerte er zoodanig een —, waarin de stroom van den waren, geestelijken, zedelijk-gods-dienstigen vooruitgang, de stroom der idealen gebroken en gestuit door vooruitspringende rotswanden schijnt terug te vloeien, — maar hij moet er toch doorheen, hij moet voorwaarts en hij zal voorwaarts dringen,
— want hij is voorwaarts gedrongen van eeuw tot eeuw, — dan in grootere, dan in kleinere windingen, bochten en golvende lijnen, — juist zooals ook het zedelijke en geestelijke voorwaarts streven van het enkelvoudige leven zich maar zelden geheel onafgebroken rechtlijnig, maar dikwerf genoeg in bochtige gangen pleegt den weg te banen. Maar even zeker als de golf van den Leopoldsberg niet weder naar Donau-
286
eschingen zal terugkeeren, zoo zeker kan ook de stroom van de geschiedenis der menschheid niet naar rotshoeken en steilten terugkeeren, welke hij eenmaal is voorbij-geworsteld.
Met het rustige oog der geschiedenis beschouwd, dat boven eeuwen open staat, zooals het hemelsche oog der zon boven den schuimenden waterval, biedt de ontwikkeling der menschheid voorzeker het beeld van het voorwaarts streven aan; met den heen- en wedervlie-genden blik van den individu bezien, die aan den springenden seconden-druppel van het enkelvoudige leven blijft hechten, mag deze of gene tijd menigmaal genoeg rugwaartsche bewegingen toonen, maar nog veel menig-vuldiger zal voor een oogenblik als terugstroomen toeschijnen, wat zich later slechts als het doorbreken of gelukkig omvaren van een vooruitspringende rots uit trotsche voorsprongen aan onbevangene oogen onthult. —
Wie de geschiedenis der menschheid in het breede onderzoekt, zou blind moeten zijn, als hij den vooruitgang, de overwinning van zedelijke ideeën wilde miskennen. Alleen reeds die eene, edelste aller worstelingen, in welke het oneindige medelijden van de menschheid strijd voert met hare oneindige ellende, hoezeer verkrijgt zij toch steeds grootere afmetingen, zooals de vorige eeuw nog ternauwernood vermoedde. En wie zou willen optreden en het idealisme van het voorwaarts streven, dat wij vertegenwoordigen, zou willen aantasten met eene zwaarmoedige klacht hierover, hoe de oude goede tijden voorbijgegaan en thans alles zoo geheel slecht was geworden — hem wilden wij wederleggen, door slechts twee letters vóór dat woord te plaatsen, waarop onze tijd een goed
287
recht heeft trotsch te zijn: — verdraagzaamheid! — Plaatsen wij de twee letters, met welke wij dreigden, vóór dit woord en wij zijn in staat met den kreet van onverdraagzaamheid eene geheele reeks van bloedige beelden: — rookende vlammen, ziedende ketels, onaangenaam knarsende folterwerktuigen, steunen uit dompige kelders naar boven trillend, — in dit uur vóór u te tooveren! —
En als wij lezen, hoe in Spanje ten tijde van Torquemada de verbranding van eenige ketters tot opluistering der bruiloftsfeestelijkheden van het Hof behoorde, en dit schouwspel door het volk begroet werd zooals heden bijv. een vuurwerk, en eene prinses om hare tranen bij den aanblik eener smeekend naar omhoog ziende jonge Jodin ten hevigste berispt werd; of als wij ons die Fransche hofdames voorstellen, die als getuigen bij de terechtstelling van Ravaillao de arme schoone paarden beklaagden, welke zoo bovenmate moesten worden aangezet om de krachtige, gespierde gestalte van dien ongelukkige bij levenden lijve in vier stukken uiteen te trekken —: dan vinden wij waarlijk tegenover zulke nachtbeelden van menschelijke gezindheid nauwelijks nog den moed, over de schadmven van onze dagen in klachten te vallen. —
Wij vragen nog eenmaal: wie kent de geschiedenis, maar wel verstaan, niet enkel de jaartallen der regeerende vorsten, maar de schaamtelooze gruwelen der tirannie, der dweepzucht, des slavenhandels; — wie huiverde reeds eenmaal bij die behaaglijk gemoedelijke uitvoerigheid, waarmede de tijdgenooten ons menigmaal dingen vertellen, waarvan het aanhooren alleen reeds ons binnenste doet beven; — wie beleefde dit en zou dan
288
nog willen tegenspreken, als wij een zedelijken vooruitgang in de geschiedenis der menschheid erkennen en verdedigen?
Wij beweren dus dit tweevoudige, schijnbaar tegenstrijdige: ten eerste, er moet vooruitgang zijn, Oostwaarts, altijd in de richting van het morgenrood van betere tijden; — en ten andere schamen wij ons niet te verklaren, dat de uitbreiding der materialistische wereldbeschouwing, die reeds zoovele, zelfs in den grond edelere geesten met haren ban heeft getroffen, eene Noordelijke, ja eene Westwaarts loopende terugvloeiing van den tijdstroom moet beteekenen.
Hoe lang nog deze stroom zal aanhouden, of hij nog juist bij tijds vreedzaam binnenwaarts koers nemen of tusschen rotsengten en door den gevaarvollen maalstroom van groote sociale omwentelingen zal heenvlieten, zooals het allen schijn heeft, — dit kan niemand beslissen, die zich er niet op laat voorstaan, een profeet te zijn. —-Maar het laatste zal moeten geschieden, als de leeringen van het materialisme zooals tot heden dieper en dieper bij het volk, dat van bezittingen ontbloote volk, zullen ingang vinden. — Terwijl toch de minderheid der hese!laafden en bezittenden juist in hunne beschaving en bezitting nog een houvast, een soort middel tot verbetering tegenover het practische, werkelijk in het leven geheel overgebrachte materalisme bezit, ontbeert de groote, van bezitting en beschaving ontbloote menigte juist dat dubbele houvast en begeert zij, de fijne onderscheidingen van theorie en practijk minachtend, materialistisch-lichtvaardige leerstellingen in dolle daden te vertolken, en dat buskruitvat, waaraan de hoogere standen zorgeloos hunne geestigheid verbeuzelen en verspelen, met snellen greep werkelijk in brand te steken.
289
De woorden en aankondigingen, zooals deze op de laatste groote internationale socialisten-congressen, bijv. in Genève, zijn openbaar gemaakt, waar men uitriep: „Wij moeten den modernen staat opbouwen zonder koning, zonder priester, zonder Godquot; — klinken weinig heilspellend; en men behoeft geen profeet te zijn, om in den donderenden bijval, welke op dezen gedachten-bliksemstraal was gevolgd, de in de verte rollende zware sociale onweders te hooren, die aan den horizon van Europa opsteken.
En het is mogelijk, dat de moderne staat zijne nieuwe kanonnen, welke hij overal Iaat gieten, minder tegen buitenlandsche dan wel tegen den getneenschappelijken binnenlandschen vijand in een gruwzamen opstand zal moeten richten.
Want er bestaat, zooals opmerkzame menschen reeds lang hebben erkend, een soort van sociaal-democratischen geheimen bond, die zijne eedgenooten, zooals in Oostenrijk, Duitschland en Frankrijk, evenzeer in Engeland en Noord-Amerika niet meer bij duizendtallen, maar reeds bij honderdduizenden telt; en zoo vonden de laatste petro-leum-daden der Powysc/ie commune in 1871 hare juichende goedkeuring in de socialistische vergaderingen en tijdschriften van het Vasteland; ja, men schaamde zich niet, openbaar uit te spreken, dat men nog erger dan dit in het schild voert, zoodra men zich maar sterk genoeg zal gevoelen, en dat men „dan niet zoo inschikkelijk te werk zal gaanquot;.
In trouwe, de partij der omverwerping moet zich reeds tamelijk sterk gevoelen, wanneer één harer eerste woordvoerders (Bebel) terstond onder den schokkenden indruk, welken de daden der petroleum-mannen in den Duitschen rijksdag veroorzaakten, en als tot bespotting der
19
290
gemoedsbeweging, welke alle edelerdenkenden daar aangreep en zelfs een stilstand in de werkzaamheden veroorzaakte, den moed of juister de brutaalheid kon hebben, openlijk te verklaren: wat zich op dezen oogen-blik te Parijs voordoet, is slechts een klein voorpostengevecht van datgene, wat eenmaal geheel Europa te wachten staat: „Oorlog aan de paleizen, vrede aan de hutten.quot; Met dezen kreet zou eerlang het geheele Europeesche proletariaat opstaan! — Dit heet in goed Hollandsch: als wij maar eerst het roer in handen hebben, dan maken wij het met onze tegenstanders zóó als het de Parijsche commune-mannen hebben gedaan. — En als maatregel van uitvoering dezer voorzegging werden in eeae der laatste vertellingen der Berlijnsche burgercourant aan een arbeider de woorden in den mond gelegd: „Er moet een versche afdruk van 1848 komen, en dan worden de meesters het eerst onder handen genomen, of den kogel voor het hoofd of het mes op de keel!quot; — En — om de verdachte overeenstemming dezer geesten over het Vasteland aan te toonen, — op een te Saragossa gehouden congres der internationale arbeidersvereeniging werd in eene voordracht over het wezen des arbeiders de volgende verklaring gegeven, welke de „Dresdener Volksbode\'\' met bijval aan zijne lezers vertolkte: „Alle individuen, die, zooals de koningen, de staatslieden, de militaire personages, de priesters, de advocaten, de geprostitueerde!!, enz., ofschoon zij voor de instandhouding der voorrechten of der ondeugd van de burgerklasse arbeiden, door hun arbeid toch op geenerlei wijze aan de samenleving nut aanbrengen, hebben niet het recht zich „arbeidersquot; te noemen en moeten onder de dienstboden en lakeien worden gerekend.quot;
291
Welnu, die opsomming der niet-arbeiders laat over de gezindheid van diegenen, die deze uitspreken, aanhooren of met vreugde lezen, geen twijfel over! — Het congres liet bovendien nog aan den oppersten raad te Londen en aan de afdeeling van Parijs een besluit toekomen, dat, met algemeene stemmen genomen, van de verspreiding dezer opvattingen onaangename openbaring geeft: „Het congres van Saragossa zendt een votum van dankzegging aan de verdedigers der commune, die op de galeien en in de verbanning de gevolgen hunner liefde (!) voor de zaak en de emancipatie van het proletariaat verduren en tevens ook een broederlijk herdenken aan de door de barbaren van Versailles gevelde oifers.quot;
Naast deze kennisgevingen staat de daadzaak, dat in de laatste tien jaren geene partij zoo sterk is geworden, geene pers zoo snel aan omvang en uitbreiding heeft gewonnen als de sociaal-democratische, — welker geheele strekking in grenzenloozen hoogmoed en aan de natuur beantwoordend egoïsme op de omverwerping der bestaande ordening uitloopt, om in dezen gelijkheid bedoelenden „strijd om het bestaanquot; zooveel mogelijk voor zich bijeen te rapen en buit te maken.
Op den onloochenbaren samenhang dezer sociaaldemocratische lusten tot omverwerping met de materialistische wereldbeschouwing wezen wij reeds vroeger, waar het gold, de zedelijke gevolgen van die wereldbeschouwing te ontwikkelen; op deze plaats herinneren wij nog eenmaal daaraan, om de gevolgtrekkingen, welke uit de idealistische richting voortvloeien, tegenover gene te stellen. Leert het materialisme, dat dit zinnelijke natuurleven het één en alles is en al het hoogere van eene zedelijke
292
ordening, een goddelijken wil, eene verhevene wijsheid, die in de menigvuldigheid der gaven zich openbaart, al het godsdienstige slechts bedrog en priesterwaan is, — welnu, dan maakt juist het verstand des volks de zeer juiste gevolgtrekking: komaan, dan willen wij ons dit zinnelijke leven zoo aangenaam mogelijk inrichten — en staan ons hierin de machthebbers en bezitters hinderlijk in den weg, „laten wij opstaan, hen op zijde dringen en bezetten wij hunne plaats! Met frisschen moed aan het werk!quot; Van uit het materialistische standpunt kan men het op verwoesting der bestaande ordening doelende socialisme hoogstens ineenschieten en neervellen, — maar nooit weerleggen en door overtuiging overwinnen, nooit genezen en versoenen. Wil men dit — en zoolang het niet is gelukt, zal het koortsachtige stuiptrekken, het hartstochtelijke jagen der polsen aan het lichaam van onze eeuw niet ophouden, — wil men genezing, dan zal men de opvoeding in school en familie, het geheele volksonderwijs en hiermede de richting des tijds streng en beginselvast op de grondslagen van het heden verachte idealisme moeten opbouwen, — ja geheel opnieuw moeten samenstellen; van dat idealisme, dat in een goddelijk ik een algemeen geldenden wil aan het hoofd der wereld plaatst, dat zijne gaven en goederen, evenals zijne eischen en doeleinden naar hoogere — menigmaal ondoorgrondelij ke wij sheid ver schillend v erdeelde, w aaraan dus het enkelvoudige persoonlijke ik in groote dankbaarheid voor het hem te beurt gevallen deel en in bescheidene onderwerping zijner lusten en begeerten zich dienstbaar moet betoonen, hiertoe bekwaam gemaakt door het in levendig plichtgevoel gesterkte bewustzijn, dat diegene het beste aan het groote geheel dienstbaar is, die er
i
293
aan denkt het kleinste en nederigste naar geweten te volvoeren.
Dringt nu soms deze beschouwing ons de vraag op, hoe het wel is gekomen, dat het materialisme tot zoo machtig een vertoon van heerschappij aan de eene zijde en tot zoo diep ingrijpende doordringing van het denken en gevoelen onzes volks aan de andere zijde is geraakt, dan gelooven wij op deze dubbele vraag ook een tweevoudig antwoord te kunnen geven. —
Het is de roes der overwinning, de vervoering der vreugde van het naturalisme, welke in het materialisme losbarstte. De groote veroveringen van den laatsten tijd op het gebied der natuur-, schei-, werktuig- en sterrenkunde, waarvan wij allen voordeel genieten — ze hebben een hoogmoed aangekweekt, die in stoutmoedige overschatting der eigene krachten en onvoorzichtige overijling aldus besluit: hebben wij zooveel gevonden en onderzocht, dan vinden wij ook nog alles: — welhaast behoeven wij nu nog slechts stof, nog slechts natuur, — haar heerschen, hare onbewuste wetten alleen ontsluiten ons het raadsel der wereld, ontzegelen ons de bronnen der schepping van alle leven! — Gevolgtrekkingen en te verwerven kundigheden, van welke onze nog levende grootmoeders in hare school geen begrip hadden, zijn thans voor ieder kind vaardig als zijn spel. In het krankzinnigengesticht zou men den profeet hebben gebracht, die vóór eene halve eeuw zou hebben voorzegd: weldra zal de mensch-heid met het zonlicht schilderen, met den stoom vliegen, met den bliksem schrijven en de oude pelgrims uitlachen, die met moeite zich over den Gothardpas heenwerkten; de dagreizen zullen wij in kwartieren uurs saampersen en minuten zullen wij slechts behoeven om van Europa
294
naar de nieuwe wereld gesprekken over te brengen en te gebieden, dat men den voortvluchtige ginds in boeien sla, zoodra hij een herbergzaam strand waant te hebben bereikt. Deze ongehoorde uitkomsten op het gebied der nasporing van de wetten der lichtgevende, waaiende en wevende natuurwereld, uitkomsten, zooals er nog nimmer in zulk een allerkleinst deel van tijd en ruimte zich opeenstapelden, zoodat deze onze dag van heden zelfs in den stroom der tijden de waterdruppel schijnt te zijn, waarin de duizendvoudig verhoogde gezichtskracht eindeloos leven overal ziet flikkeren; deze uitkomsten, zeggen wij, — de bovengestelde vraag beantwoordend, — gaven voedsel aan dien Polycrates-hoogvaoeü. der albeheersching, schiepen dat in honderdvoudige verscheidenheid terugkeerend refrein van onzen tijd: „Wat hebben wij het ten slotte toch heerlijk ver gebracht!quot; — Wie zóóveel uitvond, zal niet rusten tot hij alles vond; en dit alles heet juist: de oneindige inhoud des levens wordt zoo oneindig vereenvoudigd: stofwisseling — eerste voortbrenging — natuurwet! — En van dezen trots, van dit tot op zekere hoogte steeds geoorloofde gevoel van eigenwaarde is er in ons allen een grooter of kleiner deel verborgen! Wij allen toch zijn min of meer kinderen van onzen tijd. — Dit is ons antwoord op de eerste vraag, waarin de uitgebreide heerschappij van het materialisme haren grond mocht hebben. De vreugde, tot zulk eene hoogte de wetten der stof te hebben uitgevonden, wekte de overmoedige hoop: alles is te ontdekken en stoffelijk verklaarbaar; en het bewustzijn, de krachten der natuur in zulken omvang zich dienstbaar te hebben gemaakt, werd de moeder van dien nog vermeteleren waan: wij zullen eenmaal alles beheerschen, om ook het leven
295
zelf — het grootste wonder des levens! — op ons machtwoord te laten ontstaan of vergaan en naar willekeur weder te doen terngkeeren! — Waar is de Cyeüs, waar de Alexander in de geschiedenis, die, nadat hij drie rijken had onderworpen, ook niet het vierde en vijfde — niet de wereld aan zijne voeten hoopte te zien? — Heden is de scheikunde de Cyrus, en de Alexander van onze dagen heet natuurkunde.
En verlangen wij nu ook hiervoor eene verklaring, dat de zedelijke gevolgen van dit hopen en zich inbeelden zoo snel ingang vonden bij ons volk en zoo diep inwortelden in zijn denken en handelen, dan is het antwoord zeer eenvoudig en het besluit zonder twijfel: alleen hierdoor, omdat zulk eene boodschap van het eenig gelden der natuur de meest welkome moet zijn voor de natuur, namelijk voor de lagere, zelfzuchtige, zinnelijke natuur des menschen, omdat zij hem toestaat, van dien loonenden, maar voorzeker eerst wel zwaren strijd, in welken de mensehenwaarde is neergelegd, als van een doelloos overbodigen af te zien en volkomene rust te genieten. De boodschap van het materialisme is voor de genotzieke, lichtzinnig leven zoekende menigte des volks hetzelfde, wat de boodschap des vredes is voor een laf, verweekelijkt leger, dat zich tot zijn schrik tegenover eischen zag geplaatst, tegen welke het zich juist niet opgewassen geloofde. Het materialisme ontslaat den mensch van die zedelijke worstelingen, welker prijs der overwinning, geheele zelfbeheersching en edel streven, slechts na ernstig kampen wordt gewonnen.
En omdat deze strijd tusschen lager en hooger begeeren, neiging en plicht, heerschzucht en vrijwillige
296
ondergeschiktheid, zelfzuchtig belust zijn en onbaatzuchtig handelen, hartstochtelijk vertoornen en vrijgevige gezindheid tot verzoening, tusschen zinnelijke drinkzucht en zedelijke onthouding, voor de zwakkelijke natuur geen welgevallige is, daarom is de materialistische opvatting, welke dat kampen niet vordert, zoo uiterst gewenscht, zoo recht populair!
Maar op dien zegeroes van het theoretische materialisme zal eene ontnuchtering, en op deze zinnenhe-dwelming van het practische materialisme een grauwe asch-Woensdag der bittere ontgoocheling volgen.
Op den zegeroes eene ontnuchtering! — evenals men na de groote veldslagen eerst ter eere der overwinning laat schieten, om daarna eerst zijne verliezen te berekenen en bij zichzelven te overleggen, hoeveel er nog overblijft te doen. Thans dreunen ons de salvo\'s van overwinning der wetenschappen nog sterk in de ooren, — maar de wereld zal vroeger of later steeds weder moeten bekennen, dat zij zonder de erkenning van een geestelijk beginsel der wereld, hoogstens zonder de Godsgedachte, waarin alle idealen, alle verhevene ideeën berusten, en waarin alleen het rechte idealisme grond, waarheid en inhoud bezit, dat zij, zeg ik, zonder deze gedachte niet kan bestaan.
Of de volken van Duitschen tongval dit ook wel op zoo diep beschamende wijze zullen moeten ondervinden, als Frankrijk na het bloedige, dolle carnaval zijner eerste revolutie het heeft ondervonden, in welke men, zooals bekend is, eerst God feestelijk afzette en later door het besluit der conventie even feestelijk weder instelde, — in welke dezelfde Robespierre, die in zijne glansrijke dagen den beul verweet, dat hij het op éénen
297
dag niet verder dan tot 150 terechtstellingen had gebracht, later, toen het hem bij zijne eigene nabootsing van God en zijn onschendbaarheid toch bang begon te worden, in de nationale Conventie het geloof aan een hoogste wezen en aan de onsterfelijkheid — het klinkt als een hoon uit dezen mond! — voor den plicht eens Franschen burgers liet verklaren, — en nadat het hem toescheen, dat er helsche feesten genoeg waren gevierd, de gruwzame klucht zijns levens met die karikatuur-godsdienst-oefening op den 8^quot; Juni 1794, het feest van het Opperwezen, als opperpriester plechtig besloot; — of dergelijke verootmoedigingen ons ook nog wachten, daar wij van oudsher het Fransche doen en laten gaarne navolgden en met hunne loovertjes onze kleederen en onze taal versierden? — Ik weet inderdaad geen vernederender aanblik voor den hoogmoed der materialistische Godloochening, dan juist dezen, zooals Robespierre, door het steeds schaamteloozer optredend bedrijf der aanhangers van den zoogenaamden dienst der rede verschrikt, en voor eigen leven beducht, zich ten slotte tot opperpriester van het hoogste Wezen opwerpt en bereid om de onsterfelijkheid te redden, een grooten bloemruiker in de hand, vooraan de belachelijk feestelijke processie in den tuin der Tuilerieën, zichzelven als ontwijfelbaar onsterfelijk uitkrijtend, met plechtigheid heen stapt. — Robespierre, opperpriester van het hoogste Wezen! — Of ook onze „materialistisch-spitsvondigquot; dwepende tijd nog eenmaal zoo iets zal moeten genieten, — waarbij dan die door Robespierre destijds berispte fout der langzaamheid van den guillotine-arbeid door invoering van de door Bronx voorgeslagene, in verbinding met een locomotor op te richten „stoomguillotinequot; zou moeten
298
worden verholpen; — of wij eerst door sociale uitbarstingen en maatschappelijke beroeringen heen andermaal tot de bekentenis moeten worden gebracht, dat men God en ideaal wel is waar een tijd lang kan hoonen, ten slotte echter toch weder moet aanbidden en opzoeken, omdat noch eene wereldordening, noch eene geordende wereld op andere wijze denkbaar is, dit zal niet voor het geringste deel van dezen tijd zeiven en dus — naar gelang van kracht en eisch in onze kringen — ook van ons mede afhangen.
Maar wie, met het oog op zulke resultaten als zich hier voordoen, nog met Büchxee van de alleenheerschappij van het materialisme „het verdwijnen der kwalen der menschelijke samenlevingquot;, dus niets minder dan de gouden eeuw van een begeerden „schoonerenquot; tijd kan verwachten, die moet zijne verklaring van het begrip „schoonquot; uit eene voordracht over aesthetica (leer der schoonheid) bij de heksen van Macbeth hebben gehaald en met die tooverkollen sympathiseeren, die, op de barre heide de lucht doorsuizend, de uitspraak doen hooren; „Schoon is woest en woest is schoon!quot;
Maar met zulk eene bestrijding zullen wij niet tevreden zijn. In trouwe, wij zouden waard zijn pessimisten geheeten te worden, zoo wij ons hierbij konden neerleggen. Hier geldt het de daad — de vastbeslotene daad van iederen enkeling, een blijmoedig optreden voor de verhevene ideaalgoederen onzes levens, een overbrengen en bevestigen van deze goederen in en door ons leven, een moedig alleen-werken, dat gesteund wordt door het bewustzijn, dat, zooals Fichte het uitdrukte, door elke plichtmatige wilsbepaling van den enkeling de verwezenlijking van het algemeene verstandsplan
299
wordt bevorderd, — en dat alwie in den kleinsten kring, ja wie maar in het gemoed van een kind den grooten idealen trek aankweekte, aan de menschheid een dienst heeft bewezen, iets voor de toekomst der tijden heeft gedaan.
Welaan dan, stellen wij onze kracht, een ieder en elke, in den gegeven levenskring ten dienste — en waar het noodig is in den: krijgsdienst van dat idealisme, dat alleen wijding en waarde aan het leven vermag te geven en het arbeidsstof van het alledaagsehe bedrijf van de ziel weg te blazen, dat ook den nederigsten en eenvoudigsten arbeid wijdt door de gedachte, dat men hierdoor het groote geheel, in de eerste plaats de huiselijke, dan de burgerlijke, hierna de staatsordening en op deze wijze ten slotte de Goddelijke wereldorde dient. — Houden wij de vaan van dat idealisme omhoog, dat in de getrouwste plichtsvervulling zich betoont en bevestigt, en verre van den strijd te schuwen, veeleer midden in den storm des levens staande, met Ulrich von Hutten onder duizend bezwaren kan uitroepen: „Thans is het toch waarlijk een genot te leven en geenszins een jammer!quot; — Wat hem vreugde en veerkracht naar lichaam en ziel gaf, het was de gedachte, verlossing van het juk van Eome te bevechten! — Als wij onze vreugde in het strijden voor de hoogere goederen der menschheid stellen, dan is het ook heden nog geen jammer te leven! Wie voor onzen tijd een werkelijk nut aanbrengend lid wil zijn, die moet met zulke gezindheid op- en neergaan, moet een idealisme van hopende vreugde der overwinning aankweeken, dat zelfs bij schijnbaar gering, wellicht onzichtbaar uiterlijk gevolg van het alleen-streven, nooit vermoeid wordt noch zich laat
300
ontmoedigen, en in weerwil van openbare onderdrukking van het goede en schijnbare ongerechtigheid, aan het verhevene heerschen eener eeuwige gerechtigheid, eener wijze Voorzienigheid gelooft, die „volgens andere regels dan wij tot heden als grondslag huldigden, deze in menigen zin wanordelijke aarde als dochterland met eene hoogere stad Gods verbindt.quot; — Zonder dezen idealen zin, — hij omvatte de kern zijner heilige overtuiging nu in den drieklank van Kant: ,,God, plicht, onsterfelijkheid,quot; of belijde in aansluiting aan eene jongere school de woorden: ,vrijheid, deugd, eeuwigheid,quot; of geve er de voorkeur aan met onze dichters voor „liefde, recht en waarheidquot; te ontvlammen; — zonder dezen koninklijken zin, welken de vergankelijke wereld van vluchtige bloesems onbevredigd, de verschaalde smakelooze lichaamsspijs in het diepste der ziel onverzadigd laat, omdat hij het gevoelt, dat er iets in hem is, dat met onsterfelijke spijs wil gevoed worden, — zonder dezen zin, beweren wij, blijft een inenschenleven ongewijd voor zich en zonder waarde voor tijdgenoot en nakroost. -- Dagwerkers, stadsdienaars en handlangers, van wie er in den Staat, in de Kerk en de wetenschap even zoovelen worden gevonden als aan do hoeken der straten van Weenen, mogen zich ook zonder dien zin etend en drinkend door het leven laten glijden; maar verhevene, bezielende, liefde wekkende en sporen van zegen achterlatende menschen kunnen daar, waar die gemoedsrichting ontbreekt, in geenen stand, in geene gemeenschap, ja nimmer en nergens bestaan. — Het idee, waaraan het zich geheel en blijmoedig wijdt, is het, dat het leven zijne bekoorlijkheid, zijne kracht, zijne onsterfelijke voeding geeft. Hoe verhevener dit idee is,
301
des te meer waarde bezit het leven; is gene onsterfelijk, zoo wordt het hierdoor ook dit, zoo schittert dit veranderlijke, vluchtige, enkelvoudige leven reeds in het licht der eeuwigheid, zooals op iederen soldaat afzonderlijk een gedeelte van den roem zijns veldheers, van de heerlijkheid zijns vaderlands vriendelijk rust. — Een verheven geest uit ons volk riep, toen hij tot sterven zich bereidde: „Geef mij eene verhevene gedachte, opdat ik mij daaraan verkwikkequot;, — en toen men hem geene meer wist aan te geven, of het mat geworden orgaan des lichaams er geen meer vermocht op te nemen, stierf hij. — Wanneer bij een mensch de verhevene gedachten uitdooven, hij noeme die zooals hij wil, dan is het zeker altijd het juiste stervensuur. En moesten dan waarlijk eenmaal voor de menschheid de verhevene gedachten der trouw aan de waarheid, der onsterfelijkheid, der Godsovertuiging, van den plicht en van de eeuwig heerschende gerechtigheid verloren gaan, zoo zouden wij zei ven haar raden, bij de wijsgeeren van den zelfmoord, welken het pessimisme predikt, voor zich uitkomst te vragen en het wereldcongres der algemeene vernietiging uit te schrijven. Het materialisme, dat, zooals wij zagen, er genot in had de verhevene ideeën als zinsbegoochelingen, bakersprookjes en kindervertelseltjes voor te stellen, moet op die bede van den stervenden Lessing steeds antwoorden: „Wij betreuren het, noch eene verhevene gedachte te bezitten, noch in het algemeen te kennen.quot;
Maar dit is eene daadzaak: hoe meer beteekenend en wilskrachtig de mensch is, des te sterker in hem de aandrang naar onsterfelijkheid, des te machtiger het verlangen, gedachten, plannen te ontwerpen en werken
302
aan te vangen, die het bereik van zijn zinnelijk natuurleven ver overtreffen; boomen te planten, welker vruchten vermoedelijk eerst na eeuwen rijpen; — welker toppen de eeuwigheid zullen tegenruisehen. Juist voor datgene werkten verhevene geesten het liefst, wat hunzelven niets, — behalve zoowat bestrijding, hoon, vervolging opbracht, maar voor andere, komende geslachten nieuwe kennis, ongedachte levensbronnen ontsloot. Voor datgene, wat aan het profane oog nutteloos, aan den eigen voorzeggenden blik echter oneindig van waarde toescheen, spanden zij gaarne hunne beste krachten in. Aldus beschouwden zij, zooals Spinoza de wijsgeer het verlangde, dit vergankelijke leven in den lichtglans der eeuwigheid; aldus bezaten zij, zooals Johannes de godgeleerde het verkondigde, reeds hier het eeuwige leven door het geloof.
In deze twee woorden reiken het wijsgeerige en het godsdienstige idealisme elkander de hand. — Zijne schoonste, levendigste uitdrukking, zijn dankbaarsten inhoud vond en vindt het idealisme zonder twijfel in den godsdienst; en wel is voor den jeugdigen leeftijd, evenals voor verreweg de grootste menigte der menschen, voor het minder beschaafde volk (zooals onlangs zelfs in ons Huis van afgevaardigden in de zitting van 11 December 1875 openlijk werd uitgesproken) de godsdienst niet enkel de schoonste, maar tevens de eenige uitdrukking, waaronder het idealisme van eene verhevener gedachte in het algemeen tot hetzelve kan worden gebracht, omdat het de ideale dingen niet in andere gedaante kan begrijpen, ternauwernood verstaan. — Den ontwikkelden, den rijken, voor veelzijdige indrukken vatbaren geest is het idealisme ook op andere
303
terreinen, in het bijzonder dat der kunst en wetenschap toegankelijk; — hoewel ook het kunstenaars- en wetenschappelijke of vaderlandslievende idealisme zijne schoonste openbaring steeds slechts zal hebben, zijne rijkste vruchten slechts zal dragen, wanneer ook hiervoor godsdienst heide is: de moederlijke bodem, die hem draagt en de geopende hemel, die hem dauw en lafenis brengt. — Voor de jeugd en de kern des volks is en blijft godsdienst door alle tijden de eenig mogelijke, de eenvoudigste, begrijpelijkste en meest gewijde vorm van het idealisme. Aan het kind en aan het volk zijn godsdienst ontnemen, wil zeggen: naar het materialisme der grove zinnelijkheid, der bandelooze genotzucht het heen-drijven met geweld.
De enkelvoudige, in velerlei zin ontwikkelde mensch kan, in toom gehouden door kunst, wetenschap, industrie, bezitting of algemeene wereldbeschaving, door zijn handel en wandel het schijnbewijs leveren, dat men desnoods ook zonder godsdienst recht goed en fatsoenlijk door het leven kan gaan, — de menschheid als zoodanig heefc dit bewijs nog nimmer geleverd en kan het ook niet leveren, juist omdat het een schijnbewijs was.
Eenige lafaards kunnen zonder den minsten moed overwinnen — wanneer zij door het regiment mede voorwaarts worden gedrongen; - een lafhartig regiment zal nooit vooraan stormloopen. Te beweren, dat de menschheid zonder godsdienst even goed kan bestaan, wil zeggen: een leger kan zonder eenige dapperheidoverwinnen.
Ook den enkelen mensch ontbreekt steeds, waar het godsdienstige in hem is verwaarloosd, de ontwikkeling eener en wel der schoonste zijde van zijn mensch-wezen, en hij kan dus eigenlijk geen aanspraak er op
304
maken, een geheel en al „beschaafdequot; te zijn, als dit woord in zijne hoogste beteekenis wordt genomen. Maar dit smartelijke gebrek aan de hoogste inwendige vorming (dat is de godsdienst!) kan bij hem wel nooit vervangen, maar toch toegedekt, ingehuld, zorgvuldig overschaduwd schijnen door een wellicht glansrijken kleurenrijkdom van uitwendige vorming, die voor de oogen der wereld en misschien voor zijne eigene, de innerlijke naaktheid kan vervangen; en zoo zal men op dezen aanblik van een „godsdienstloos — maar fijn beschaafdequot; als bewijs voor de overtolligheid van den godsdienst met zelftevredenheid ons opmerkzaam maken. Fijner waarnemenden en dieper toekijkenden echter zal zich in zulk een leven vroeger of later steeds de inwendige leegte, het gebrek aan ware hartevorming, zooals alleen slechts de godsdienst haar geven kan. als eene betreurenswaardige gaping openbaren. — En zoo moeten wij die heden ten dage niet zelden gehoorde bewering, dat alleen voor onbeschaafden godsdienst eene noodzakelijke behoefte is, welke meer ontwikkelden voorzeker gemakkelijk konden ontberen, als eene beleedi-ging der majesteit van den godsdienst, op zijn zachtst genomen als eene zeer verwarde onkunde van deszelfs ware wezen met kracht verwerpen. En wanneer men van andere zijde, een vergelijk zoekend, althans een godsdienst der beschaafden van dien der onbeschaafden verschillend wil aannemen, dan kunnen wij zulk eene hoogst zonderlinge en in het wezen van den godsdienst geenszins gegrondveste scheiding alleen op deze wijze laten gelden, dat het aan allen gemeenzame, voor allen even noodzakelijke godsdienstig-zedelijke gevoel zich verschillende, aan den trap van ontwikkeling evenredige uitdrukking,
305
menigvuldigen, voor de soort van begripskracht gepasten vorm zou kunnen geven, eenigermate zooals men den avondmaals-wijn in de oud-Christelijke Kerk in houten bekers en thans in gouden kelken pleegt te schenken. — Alleen op deze wijze kon die scheiding der zoogenaamd beschaafden van de onontwikkelden aan de vervulling der beroemde voorzegging van Voltaire ontkomen, dat in de toekomst de eersten tot ongeloof, de onontwikkelden echter tot bijgeloof zouden vervallen. En wie wil toch heden in het algemeen nog „onontwikkeldquot; heeten? — Voorzeker diegene het minst, die dit het meest is. Moet eene scheiding van ontwikkelden, d.i. van geestelijk rijkeren en veelzijdiger gevormden, van de minder ontwikkelde, eenvoudigere gemoederen in de vraag omtrent godsdienst op die aangeduide wijze worden toegelaten, dan zal evenzeer een wederzijdsche eisch, eene uitwisseling der gaven tusschen de twee legers moeten plaats vinden en dat wel alzoo, dat de ontwikkelde, door twijfel aangetaste geesten aan de frissche beslistheid van vast godsdienstig geloof der eenvoudigere gemoederen zich versterken, en dat anderzijds deze laatsten, die wij slechts noode met den bitteren nasmaak gevenden naam van onontwikkelden bestempelen, zich hunne godsdienstige geloofsvoorstellingen door de proefnemende, heldere kennis der geestelijk ervaren menschen van alle mogelijke uitwassen der inbeelding, der dwaling en des bijgeloofs laten zuiveren. Op deze wijze zou, hoogst heilzaam, uit het „ongeloof der ontwikkeldenquot;, dat zich menigmaal slechts over vormen, niet over de kern uitstrekt, en het „bijgeloof der onontwikkeldenquot;, wier onbeschaafdheid menigmaal slechts ten deele onkunde is: — zou, zeggen wij, tusschen owgeloof en öygeloof het juiste, heilige, schoone
20
306
en levensvolle geloof tot vrede en genezing van het geheele, dan ook godsdienstig tot één gebrachte en verzoende volk ontkiemen. — Wij komen dus met warmte hiervoor op, dat het idealisme van den godsdienst voor den ten hoogste beschaafde even groote behoefte is als voor den nederigsten man uit den stand der proletariërs; en dat wel voor den eerste, om aan zijn weten en kunnen de juiste nederigheid tot ondergeschikt zijn aan een hoogeren wil en aan een hooger weten, en de rechte belangstelling in het lot zijner minder begunstigde medemenschen te geven; voor den laatste, om hem boven zijn eenzijdig bestaan te verheffen, van een onbezield werktuig tot een gevoel hebbenden mensch, van een slaaf aan de keten der wetten en van den maatschappe-lijken druk tot een vrijwillig ondergeschikte, met lust dienende te maken en bovenal hem te troosten en te sterken tegenover die menigvuldige ontberingen, welke een hooger wil hem oplegde.
Zoo is het de godsdienst, welke den beschaafde, rijk begiftigde een traan van mededoogen, den geestelijk gedrukte daarentegen een lach der blijdschap wil scheuken; in naam van den godsdienst reiken aanzienlijken en geringen elkander de hand over de klove heen, welke de burgerlijke en de staatsordening tusschen hen plaatste; en op deze wijze, weenen en lachen der menschheid wijdend en ophelderend, smeedt de godsdienst der goddelijke en menschelijke liefde een band der volmaaktheid tusschen aarde en hemel.
Die in wetenschap en onderzoek diep verzonkenen begaan dus onrecht, groot onrecht, evenzeer als gene in kalme bedrevenheid des levens boven zwemmenden, die voor zich van iedere godsdienstige bezieling vervreemd,
307
aan den godsdienstigen zin van anderen verachtelijk den rug toekeeren; maar den verderfelijksten waan koesteren zij, die in de verzwakking van het onder het volk nog wortelende Godsbewustzijn een vooruitgang van beschaafde tijden zien en zonder twijfel „handelt als misdadiger tegen de samenleving, wie het geloof van den geringen man verstoort of helpt verwoestenquot;.
Het wil ons toeschijnen, als wij de stemmen van den dag rechts en links afluisteren, dat de erkenning der waarheid van die onlangs aangevoerde uitspraak van Treitschke althans onder kalm en ernstig denkenden begint toe te nemen en zich uit te breiden; — en in trouwe, het is hoog tijd, als ons niet, zooals zoo menigmaal in de geschiedenis, het inzicht in de beste blusch-methode eerst na den verwoestenden reuzenbrand, het geheim der overwinning na vreeselijke nederlaag zal worden geopenbaard. — De erkenning neemt toe, — o dat zij in toongevende kringen sneller groeie dan tot heden! — dat de sociale vraag, om welker brand te blusschen men reeds zooveel water — en olie! — aanvoerde, volstrekt niet alleen, ja niet eens in de eerste plaats eene vraag van volkshuishoudkunde, maar eene zedelijke en tevens godsdienstige vraag zij, en van deze gescheiden ternauwernood behandeld, nimmer opgelost kunne worden. De opvatting breekt zich baan, — o dat zij weldra de hooge dammen van het vooroordeel der bevooroordeel-den mocht doorbreken! — dat, zooals professor Schonberg in Tubingen als zijne overtuiging uitsprak: „vele nooden van ons volksleven slechts door het opwekken van kracht tot zedelijke handeling kunnen worden opgehevenquot;. — Maar hoe zal men kracht tot zedelijke handeling wekken in het kinderhart, — want men zal toch wel hier moeten
308
aanvangen, — zoo het niet is op den grondslag van ernstigen, positieven godsdienst? Al wat in hoogere standen hier en daar kracht tot handelen en scheppen kan wekken: kunstbezieling, weetgierigheid, drang tot ontwikkeling, roemzucht, eerzucht, het verlangen naar schitteren (zij het ook maar met geleend licht!) — al deze plaatsvervangers van het ontbrekende echte idealisme zijn niet bruikbaar in de volksgaarkeuken; hier moet men, om te willen helpen, gezond koken of in het geheel niet. En de gezonde volksvoeding is en blijft een diepgevoelde godsdienst, een godsdienst zonder heiligenlegenden, rozenkransen en lichtmissen, maar vol van zedelijken ernst, vol van wettelijke gestrengheid en evangelische mildheid, vol van levendig Godsgeloof en werkdadige menschenliefde; een godsdienst, die geene slaven en napraters, maar vrije, hunner verantwoordelijkheid levendig bewuste, zedelijk vaststaande wezens opvoedt; een godsdienst, die alle menschelijk gezag, het heete vorst, overheid, staat, wet, of ouders en leeraars, als op het goddelijke gezag van een wereldbestierder en een eeuwigen geest rustende voorstelt, aan welken te gehoorzamen het hoogste gebod, welken lief te hebben en te vertrouwen de hoogste zaligheid in innerlijken vrede is.
En daar men naar onze meening zulke gedachten niet vroeg genoeg in het hart der jeugd kan planten, volgens de altijd ware oude spreuk:
quo semel est irnbuta recens, servabit odorem testa diu,
Van geur, die eens haar heeft omhuld,
Blijft langen tijd de schaal vervuld, —
hierom moesten wij dat boven vermelde voorstel van de jongste paedagogische wijsheid, om aan de kinderen
309
vóór het veertiende jaar niets van godsdienst te bieden, als een door en door mistastend voorstel verwerpen; niet alsof wij tegenstanders zouden zijn van die natuurwetenschappelijke kundigheden, welke men in de plaats der godsdienstige waarheden in die jaren beoogde te geven, — volstrekt niet; maar wat wij moeten wenschen, is dit, dat naast de kennisnemingen van de uitwendige natuur, bovenal ook de juiste kennis der eigene, inwendige, zwakke, aan verzoeking blootstaande en hierom zedelijke versterking behoevende natuur worde aangewonnen. En hoe en waar moet zulke wetenschap worden geleerd, als het niet is aan de hand van den godsdienst, die alleen de hoogere krachten van den zedelijk vrijen wil, van het moedig standhouden in moeite en bezwaren, van het onverdroten verder streven der liefde tot de waarheid en der rechtschapenheid kan aankweeken en ontplooien? — Welaan, laat het kind de natuur en hare ernstige, onverbiddelijke wetten leeren kennen, laat het geenszins als een droomer tusschen de bloesems dezer zichtbare wereld wandelen, het moet echter tevens vroegtijdig worden gewaarschuwd, zich door den bloesemgeur dezer zinnelijk waarneembare wereld niet te sterk te laten bedwelmen, omdat ook eene hoogere, eene met hevels en schroeven niet in beweging te zetten, met peilstaaf en dieplood niet op den bodem te bereiken wereld hare aanspraak op het kind, en in het kind reeds op den aanstaanden staatsburger of op de toekomstige moeder mag doen gelden. Goed, men leere het kind in de volksschool de eerste gronden (meer wordt het toch niet!) der natuur- en werktuigkunde, maar wat zal het hem baten, dat hij over bouw en werking der electri-seermachine voortreflelijk bescheid weet, als nimmer
310
de electrieke vonk van ontvlammende geestdrift voor het zedelijk schoone en goede door zijn hart sloeg; hoeveel waar nut zal hij toch uit zijne halfverteerde kennis der luchtpomp voor zijn innerlijk zieleleven putten, als dit nimmer in de reinere hemelsche lucht van gewijde goddelijke gedachten op de vleugelen der aandacht werd opgeheven ? Bemerkt men het niet, dat onze geheele volksopvoeding aan eene overprikkeling des verstands en langzaam toenemende verkoeling des harten lijdende is? — Roept men het zich niet voor den geest, hoe „de hartenkenner onder de dichtersquot; den geest des afvals. Satan, beschrijft —? „Veel verstand en in de borst eene ledige ruimte.quot; — Waarlijk, deze holle, akelig ledige plaats in de borst des volks, waar een warm, trouw hart moest kloppen, verkondigt ons nog veel ellende, veel teruggang en afval van de verhevene doeleinden der voortgaande zedelijke veredeling der menschheid! — Zoo zal, volgens de terechtwijzing, welke in zijn tijd reeds Lüther bij zijne oproeping tot het onderwijs der volksschool gaf: „Zal het beter worden, dan moet men met de jeugd beginnen, aan die oude stakkers is niets meer te verhelpenquot;, ook thans ons doelwit bovenal naar de opvoeding onzer jeugd moeten gericht zijn. Het doel, dat door leermeesters en leerlingen gemeenschappelijk moet worden bereikt, is thans niet enkel in de volksschool, maar ook in de hoogere school tot eene duizelingwekkende hoogte opgeschroefd, boven welke slechts blauwe damp kan bestaan, en van welke vroeger of later een verstandig bescheiden nederdalen moet volgen. Ten behoeve van datgene, wat het weten vermeerdert, is wat het gemoed rijker maakt verdrongen, van jaar tot jaar bijna beperkter geworden. Hier verlangen wij ten
311
bate van het opkomende geslacht minder — en meer; — minder stof — en meer geest, minder natuur en meer godsdienst, een geringeren voorraad van weten, maar meer ideale verheffing, meer godsdienstige diepte. — En nog grooteren invloed dan de school heeft het huis op de ontwikkeling des kinds, en hierom mag voorzeker ons slotwoord voor haar niet stilzwijgend voorbijgaan, aan wie die door de natuurwetenschap voorbarig in beslag genomen veertien jaren het allereerst toebehooren, aan haar, die over de veertien, meestal voor geheel het leven beslissende jaren waken — of toch steeds moesten waken: — aan de vrouwen, de moeders.
Het vrouwelijke gemoed is de geroepene drager van het idealisme, vooral van het godsdienstige idealisme. Over de hoogste goederen der menschheid, over geloof, zedelijkheid, deugd, reinheid van hart te waken en in de kinderharten de groene velden te bearbeiden, op welke het volgende geslacht van menschen de gouden aren van trouwen zin, edel streven moet vinden, deze is de oneindig schoone, de zwaarste — en eerste taak der vrouw en moeder. Eeine vrouwelijkheid is aan het ideale nauw verwant; dit ondervond midden in zijne wereld van gezonken vrouwen een Tacitus, als hij over de strenge zeden der dochters van Germanië dit oordeel uitspreekt: „Zij hebben in haar wezen iets heiligs en zielvolsquot;. — En wanneer hier, waar het op den diepsten trek van inwendige zielsopenbaring aankomt, van egoïsme mocht gesproken worden, dan zou men moeten zeggen: reeds in haar eigen belang moet de vrouw eene ideale wereldbeschouwing huldigen. Memand toch in de men-schelijke samenleving treffen de practische gevolgen van het materialisme smartelijker, niemand moet onbeschaam-
312
der door deze worden aangedaan dan de vrouw; nergens wordt met meer minachting over vrouwenliefde gesproken dan in de stelsels der oude en nieuwe pessimisten. Nog steeds ging in de geschiedenis ongeloovigheid met minachting van ware edele vrouwelijkheid gepaard; hierom is het eene wonderbaar diepe gedachte, als de heilige oorkonde van het oude testament in het boek van Daniël den geest des afvals en der loochening aldus beschrijft; hij zal „noch de liefde van eenigen God noch de vrouwenliefde achtenquot;. Eene daadzaak is het, dat eerst door het Christendom de vrouw tot de zedelijke hoogte van dezelfde waardeering aan de zijde des mans werd verheven, welke zij ook bij de beschaafdste volken der oudheid nimmer had gevonden. Het Christendom wijdt de vrouw tot priesteres des huizes, het materialisme verlaagt nog heden de vrouw tot slavin — tot slavin der bandelooze hartstochten van den vrijeren man. Van uit het materialistisch-natuurlijke standpunt heeft de mannelijke mensch evenzeer het recht, in veelwijverij te leven als de huishaan op den hof; slechts van uit eene ideaal-zedelijke opvatting des huwelijks, zooals deze bij het Christendom in de hoogste volkomenheid zich vertoont, heeft de eisch der monogamie (éénwijverij) zin en recht. — De idealist Schiller, over wien men eindelijk eens moest ophouden te strijden, of hij een „Christelijkquot; dichter mag geheeten worden of niet, — die in weerwil van zijne „goden van Griekenlandquot; — uit de Christelijke gedachten wereld alleen zijne idealen schiep, hij bezong op waardige wijze de „waarde der vrouwenquot;; — en de pessimist Schopenhauer heeft als treffend kabinet- en nevensstuk daarbij een klein puntdicht - : ter eere van den hond vervaardigd. En de trouwste levensgezel van den ouden vrijer op
313
zijne eenzame wandelingen was zijn boven alles door hem geliefde en daarom bezongene poedel. — U echter uit zijne schriften aanhalingen over de vrouw en de liefde uit te ziften, acht ik beneden de waardigheid dezer vergadering.
Pessimisme en vrouw zijn nu twee zaken, welke bij elkander passen als kombuiskool en roos. Als hoeder en drager van ideale gedachten is, zeiden wij, bovenal het vrouwelijke gemoed geroepen; hierin vond van oudsher het eeuwige en ware zijne schoonste en zuiverste vertolking; het leven der vrouw, zal het niet elke wijding en waarde missen, behoeft zonder twijfel den idealen factor van den godsdienst, het geloof aan hare bestemming, de opofferende onbaatzuchtige gezindheid. De vrouw, wier leven over het algemeen steeds eenvormiger blijft dan dat des mans met zijn veelzijdigen beroepsarbeid, menigvuldige betrekkingen tot de buitenwereld, dage-lijksche aanrakingen met de openbaarheid; de vrouw, rondom wie het leven een zoo heel nauwen kring trok, in verweg de meeste gevallen slechts dien des huizes, zij zal altijd slechts vóór deze ééne keuze staan: of dezen nauwen kring door allerhande verstrooiingen zich te verruimen en het eentonige leven door onbeduidende beuzelarijen bontere gedaante te geven — of, als zij hare bestemming goed begrijpt, al haar werken door de gedachte te doen bezielen, dat zij met den geringsten, wellicht onopgemerkten dienst, in liefderijke zorgvuldigheid bewezen, voor het groote geheel der wereld even nuttig zich betoont als de man, wiens in het huis der wetgevers gesproken woord met beslissend gewicht in de weegschaal van het volksheil valt, — dat zij , zooals het verhevenste en zuiverste Christelijke idealisme van Luther het uit-
314
drukte, de kamer in orde brengend, een godsdienst waarneemt.
Zoo geheel in dergelijken geest wendde zich Schlei-eemacheb in een tijd van zwaren druk tot de vrouwen. „Hoe verliest toch de vrouw,quot; schreef hij, „hare grootste fierheid, als zij niet gevoelt, dat zij met de opvoeding der kinderen het vaderland dient; — dat haar huisbestier met al de kleinigheden, welke het grootste deel van haren tijd in beslag némen, aan een grooter geheel toebehoort en in den bond van haar volk zijne plaats inneemt, dat deszelfs gezindheid zich daarin afspiegelt, zijne krachten zich daarin vereenigen en opnieuw ontwikkelen.quot; — Eene vrouw zonder idealen zin zal hare levenstaak nimmer ten volle, maar morrend en gedrukt vervullen, en derhalve noch in staat zijn bevrediging, die kroon van stille werkzaamheid, voor zichzelve te veroveren, noch deze aan de haren aan te bieden. Het leven van de rijkste vrouw is dadelijk grenzenloos arm, als het de ideale geestdrift voor het wereldplan heeft afgeworpen; een materialistisch denkend en levend man kan door eerzucht opwekkende, openbare werkzaamheid worden staande gehouden; voor eene materialistisch gevoelende en — begee-rende vrouw blijft nog slechts, als het goed gaat, komedie, dans en toilet als voorwerp van belangstelling, maar als het niet goed gaat — lichtzinnigheid, blanketsel en schande over. Hierin, in deze door niets te vervangen waardij, welke de ideale goederen van den godsdienst, van het geloof en van de zedelijkheid voor de vrouw bezitten, ligt de grond, waarom Messalina in schaamteloosheid geheel de jeunesse dorée van het hof overtrof, Agrippina tirannieker dan Nero, Herodias wraakzuchtiger dan Herodes , Catharina de Médiois moordzuchtiger dan de
315
geheele partij der Guise\'s was, waarom lady Macbeth „op den weg naar het huis des boozenquot; ruim hare „duizend schredenquot; den gemaal vóór was, waarom te allen tijde en in iederen stand de vrouw, zoodra zij eenmaal den Rubicon van haar vaderland der ideale goederen moedwillig is overgestoken, veel dieper kan vallen dan de op andere wijze nog in toom gehouden man en hem in onzedelijke gedragingen ver kan overtreffen.
Eene vrouw, die heden ten dage met het materialisme dweept, doet dit öf uit blinde overgave aan het denken van haren man, dat zij niet juist begrijpt, öf uit haat tegen de mannenwereld, door welke zij zich in hare idealen des levens — of in hare droomen! — bedrogen waant, öf desnoods uit moderne emancipatie-neigingen; in ieder geval zal zij toch, met materialistisch-pessimistisch voorkomen behept, meer of minder als eene vrouwelijke karikatuur verschijnen.
En als het ons geoorloofd is, bij de vele beteekenissen, welke het raadselachtig schoone slotwoord van Goethe\'s Faust, dat het eeuwig-vrouwelijke ons aantrekt naar boven, hier nog ééne van ons standpunt toe te voegen, dan kan het slechts deze zijn, dat het eeuwige, het steeds blijvende en onvernietigbare der wereld, namelijk de verhevene ideeën van goddelijke liefde, innige toewijding, levensvol geloof, — met het vrouwelijke wezen steeds zich op de schoonste en liefste wijze verbonden, en dus het eeuwig onzichtbare ons als ware het een vrouwelijk zichtbaar iets vriendelijk toeschijnt, het eeuwige dus eensdeels gaarne vrouwelijk zich openbaart, evenals anderen-deels echte, ware vrouwelijkheid iets boven leefwijze, mode, smaak en tijdrichting in het algemeen verhevens — als het ware iets eeuwigs is. — En voor deze opvatting
316
van het eeuwig-vrouwelijke spreekt de geschiedenis haar bevestigend jawoord. De aard der vrouw is in het verbond met de eeuwige, ideale goederen in werkelijkheid zich gelijk gebleven. Terwijl het denken en scheppen des mans, hier gekluisterd door de leeringen der wetenschappen, ginds beheerscht door de richtingen der kunst, een anderen keer geheel door bedrijf en industrie in beslag genomen, plotseling in nieuwe banen door onverwachte gebeurtenissen, onverhoopte uitvindingen geleid, maar steeds verwikkeld in staatkunde, krijg, handel, rechtspleging en bedrijvigheid van alle soort —: in en met deze dingen alleen een veelvuldig zich omzettend, in andere gedaante verschijnend iets is geworden en steeds zal worden, — zoo gevoelt, denkt, werkt en schept eene echte vrouw in alles, wat haren eigenlijken levenskring en arbeid uitmaakt, over het geheel nog heden evenals hare stammoeder vóór honderden van jaren: zij hoopt en wacht nog heden als Penelope, volgt stil het pllchtsbevel van haar hart zooals Antigone, denkt over waren pronk zooals Cornelia, de edele moeder der Gracchen, die aan de opgesmukte wereldsche dame hare beide zonen als hare juweelen voorstelde, — en weent en verdraagt, heeft lief en lijdt nog heden zooals Maria, de aan smarten rijke moeder der heiligste geschiedenis.
Hoe onbeduidend zijn toch de veranderingen in de wereld der vrouw in vergelijking tot die, van welke de atmosfeer des mans wordt doortrokken; hoe gaan menigmaal eeuwen bijna spoorloos in het doen en denken van het vrouwelijke geslacht voorbij; hoe klein is de schrede van het weefgestoelte, waardoor Penelope hare minnaars boeide, tot den spinrok, waaraan de jonkvrouwen van de middeleeuwen zich het liefst lieten veroveren, en
317
van daar tot den nederigen breizak van onze grootmoeders; — en welke omwenteling heeft het leven des mans in denzelfden tijd moeten ondergaan!
De grondtrek van het vrouwelijke gemoed is — staatkundig gesproken, de conservatieve gezindheid; in de taal der vrouw: de trouw van het vasthouden-, en deze trek van haar wezen stelt haar in staat en verplicht de vrouw, die verhevene kostbare idealen, die het eigenlijk conservatieve, het bestendige en altijd bestaande in deze wereld moeten zijn, in liefhebbende trouw en in trouwe liefde vast te houden. Bestonden er slechts vrouwelijke karakters, dan zou er nimmer vooruitgang in de wereld zijn; bestonden er alleen mannelijke, dan zou er steeds omverwerping zijn; en zoo is het vrouwelijke gemoed de moderateur en regulateur van het mannelijke voorwaarts streven! — In zulk een zin kan eene goede vrouw desnoods zelfs den spot van den Spaanschen blijspeldichter verdragen, die de vrouw als: „de spanketting van den manquot; beschrijft: — waar het naar den afgrond heengaat, daar is een spanketting wel een geluk! En daar in iederen fikschen en krachtigen man een gedeelte van het gezegde van Horatiüs vaudax omnia perpetiquot; — „stoutmoedig alles te wagen en te verdragenquot; verborgen is, zoo is het de oneindig zegenrijke invloed der vrouw, tegenover deze stoutmoedigheid van het alles wagen de stille trouw van het bewaren, de teedere, wijze voorzichtigheid van het waarschuwen en tegenhouden te plaatsen. — En als tegenover dat meer dan stoutmoedige waagstuk van onzen tijd, alleen de stoffelijke wereld aan te nemen en geest en God en hooger geloof te verdrinken in de stof, — als, zeggen wij, tegenover dit waagstuk het aan de edele vrouwenzielen
318
— een ieder in haren kring gelukt, tegen te houden, te behouden en de door voortstormende mannen lichtzinnig weggeworpen geestesgoederen binnen de harten der kinderen te redden en dus voor toekomstige geslachten te bergen, dan zouden zij in trouwe iets grootsch, ja waarlijk eeuwig-vrouwelijks hebben volbracht.
Hierin plaatsen wij de taak der vrouw in onze dagen: te bewaren, te beschutten, te redden wat wil omgeworpen worden, wat dreigt voor ons verloren te gaan. —
De Duitsche hervorming werd door de Duitsche vrouw met innige vreugde des harten begroet; nimmer zou eene vrouw de hervorming hebben gewekt, in het leven geroepen; zij zou steeds hebben vastgehouden aan het oude, maar elke van haar werd nu eene goede hervormster der zeden van hare kinderen en, zoover maar eenigszins hare macht reikte, van den geest haars mans; ieder van haar bewaarde terstond het nieuw ontvangen goed der vrijheid des geloofs en des gewetens in de trouwe borst. Zoo staat de vrouw zegenend en beschuttend naast deze grootste, meest ideale daad van het Duitsche volk. Eene strenge, vrome vrouw is de moeder van den wakkeren hervormer, eene zachte gevoelige vrouwenziel neemt den met zoo wondervolle overgave en geestdrift zingenden koorknaap in haar huis op en werd de eerste opkweekster van het grootsche werk; eene eenvoudige, zielvolle vrouw staat daarna aan de zijde van den held, zijne denkbeelden, die den keizer, het rijk en den paus in beroering brachten in haar rein hart bewarende en verder in den kleinen vertrouwden kring der kinderen en huisgenooten heerlijk ontwikkelende. De hoogste bezittingen van het menschen-leven te bewaren, te beschutten en te verzorgen, dat
319
is nog heden, en heden in de hoogste mate, de zoo goed als eenige bestemming der vrouw. — Geloof, zedelijkheid, vertrouwen op God, vaderlandsliefde, opofferende, ootmoedige zin, tevredenheid, — deze zijn zoo geheel eigenaardig de „hemelschequot; rozen, welke de hand der vrouw in het aardsche, beroeps- en ambtsleven des mans moet trachten in te vlechten, — welke zij in iedere gedachte en elke handeling harer kinderen reeds vroegtijdig en zonder ophouden moet zoeken in te weven.
In zulk een zin laten wij ons ook van harte gaarne door het eeuwig-vrouwelijke aantrekken, naar boven dragen naar die hoogten, in welke verbeelding en geloof het vaderland van al, wat vreedzaam, schoon, zalig en rein is, van oudsher hebben gevonden; — naar die hoogten, die, — hoe raadselachtig, hoe verborgen zij steeds mogen blijven, toch zonder twijfel moeten bestaan, als niet deze aarde een wezenlijk jammerdal, een domein voor het pessimisme zijn en blijven moet.
Zoo zou dan nu waarlijk na al het gesprokene, en nadat wij ten slotte ook de vrouwen nog als medestrijderessen voor ons idealisme hebben opgeroepen, het raadsel des levens in zekeren zin ten slotte nog blijven bestaan; — maar wij verwijten ons dit niet, want wij hebben u volstrekt niet eene rekening, „nul voor nulquot; als uitkomst gevende beloofd, ja niet kunnen beloven. Wat wij echter wilden aantoonen en ook inderdaad meenen geschetst te hebben, het was de radeloosheid van het materialisme, het volkomen ongenoegzame en ontoereikende van die levensverklaring, die met stof en oorspronkelijke cellen zich tevreden stelde. En hiermede is meer gewonnen dan op den eersten aanblik kan toeschijnen;
320
immers heeft men eenmaal recht duidelijk erkend: „Zóó gaat het nietquot;, dan is de schrede tot het: „Dan moet het toch anders gaanquot;, immers geen groote meer, en als nu soms dit „anders\'1 zich niet als een nieuw openstaand veelvoud van te kiezen mogelijkheden, maar, zooals het daadwerkelijk hier het geval is, slechts als éénige nog overblijvende uitkomst zou voordoen, dan is men met dat bovengezegde „zóó gaat het nietquot; voorwaar zeer verblijdend ver gevorderd. —
En zoo is het dan nu hier, zooals wij sedert lang erkenden; laat zich de inhoud der wereld met alle levensuitingen, tot de symphonieën van Beethoven en het geloof aan de onsterfelijkheid toe, uit bewustelooze stof alleen verklaren; of niet? Deze is de eenige vraag. — Geraakten wij nu, naar wij hopen, tot het inzicht, dat de wereld-berekening zonder invoering van den idealen factor (voorloopig cc), onverklaarbare overschotten en wanhopige verschillen toont, welnu dan luidt de slotsom; wij moeten dus deze x, deze groote onbekende, toch in iedere seconde geopenbaarde, deze ongenoemde en toch steeds waargenomene en gevoelde, wij moeten bewust, goddelijk geestesleven in onze wereld-berekening inlasschen! — Dit is ons besluit. Het raadsel des levens blijft bestaan, als het op het „hoedanigquot; van den geest en van de G-odsgedachte aankomt; hierover wilden wij voorloopig nog niets bepalen; dit moest voor latere beschouwing bespaard blijven; — het raadsel is opgelost, voor zoover het op het „datquot; van een goddelijken geest aankomt, met welken alle andere geestesopwekkingen, alle andere de stof overwinnende en beheerschende machten tevens schijnen te zijn gegeven.
Wij willen nu voor hen, die van korte, afgeronde.
321
samentrekkende overzichten houden, en tevens om den bevrienden evenals den vijandelijken beoordeelaar het werk gemakkelijk te maken, die punten, in welke zich de radeloosheid van het materialisme zeer bijzonder ons openbaarde, nog in eene reeks van stellingen zonder verdere toelichting u voor oogen stellen, om ten slotte, zooals het den pleitbezorger van de zaak der wederpartij geoorloofd is, een laatst bekrachtigend woord voor onze overtuiging te spreken en daarna eindelijk door het noemen van één verheven naam geheel ons idealistisch stelsel waardig en feestelijk te bekronen. —
De radeloosheid van het materialisme heeft zich voor ons in de volgende tegenstrijdige uitspraken onthuld:
1. Het materialisme spot met alles, wat „geloof\' heet en eischt toch geloof aan zijne niet bewezene „krachtquot;, die eeuwig in de stof wonen zal.
2. Het verwerpt het denkbeeld van een „eeuwigen Godquot;, en eischt in de plaats daarvan het aannemen van eene „eeuwige wereld.\'\'\'\'
3. Het beweert, dat de wereld niet is geschapen, maar „ontwikkeldquot;, en weet ons toch niet te zeggen, waaruit zij zich ontwikkeld, noch van waar datgene is, waaruit zij zich ontwikkeld moet hebben.
4. Het ziet in geheel het doen en denken des menschen slechts xiamp;tViUT:noodzakelijkheid en noemt toch onze gedachte aan God en geest eene willekeurige.
5. Het leert, de stelling van gevolg en oorzaak met klem aanduidend, dat nimmer in gevolg en werking meer zijn kan dan in de oorzaak, en leidt desniettemin
a. bewustzijn uit bewusteloosheid af, en
b. geesteswerkzaamheid uit geesteloosheid.
6. Het wendt voor, alleen „wat waargenomen isquot; te
21
322
laten gelden en beweert, tegen alle waarneming in, dat de wereld haren grond in zich heeft, terwijl juist de waarneming allerwegen leert, dat ieder ding zijne oorzaak huiten zich heeft.
7. Het loochent beslist „geestquot; en „vrijheidquot; en verzekert toeh in denzelfden adem, dat het materialisme tot de ware geestesvrijheid voert!
8. Het ontkent de zedelijke vrijheid van den wil en stelt toch den alleen in zulk eene vrijheid gegrondvesten eisch: wat gij niet wilt dat men u doe, voeg dat ook aan geen ander toe.
9. Het ondermijnt met den godsdienst den grondslag van iedere gevolgrijke opvoeding en verlangt toch den nieuwen opbouw eener degelijke opvoedkunde.
10. Het is van meening, dat de eerste samenstelling der wereld geheel geesteloos en gedachteloos is voltrokken en moet toeh de geheele kracht des geestes en scherpte der gedachte aanwenden, om de wereld maar eenigszins nabootsend ineen te zetten! —
11. Het wil bewijzen, dat er geene kracht des geestes bestaat en heeft voor zijne schijnbewijzen reeds de grootste geestesinspanning noodig —: loochenend bewijst het juist, wat het wenschte te loochenen!
12. Het verwerpt, wat op eenige wijze boven de natuurlijke hegripskracht gaat en leert toch eene zoo onbegrijpelijk geaarde stof, welke in den aanvang niet eens weet dat zij bestaat, en ten slotte hare eigene geschiedenis en gestaltenis in zelf-uitspraken en zelf-getuigenissen mkleeAt, die aanspraak maken, onomstoote-lijke, eeuwige waarheid te zijn.
Is de verhouding nu zoo, dat wij slechts die ééne keus hebben: öf geheel radeloos vóór het raadsel des
323
levens te staan, öf de levende Godsgedachte en zelfstandig geestesleven tot deszelfs oplossing aan te grijpen, dan kiezen wij met blijmoedige beslistheid het laatste. Wij weten dat nog niemand God en geest mathematisch heeft bewezen, maar wij weten nog beter, dat millioenen trots de ontbrekende bewijzen aan beiden moeten ge-looven; daar wereld en leven zonder deze onbegrijpelijk, het eigen binnenste onverklaarbaar, geheel dit bestaan anders onverdraaglijk zou zijn. Wie slechts „bewijzen van het wetenquot; mag laten gelden, hij neme ter harte dat „te weten, dat men niet alles kan bewijzenquot; — ook reeds een weten is en dat wel menigmaal een van groote waarde.
Het bovenzinnelijke alleen daarom te loochenen, omdat het onzichtbaar, onbewijsbaar is — en een andere grond zou bezwaarlijk te vinden zijn! — is onwetenschappelijk. Wie vóór de uitvinding van het microscoop van eene levende wereld in den waterdruppel had gesproken, hij zou erg uitgelachen zijn; — voor het gewapende oog is dit lachen in ernstige verbazing verkeerd. Zou ook niet ons geestesoog, dat in het lichaam woont, tot grootere fijngevoeligheid versterkt, nog veel als werkelijk levend en bestaand ontdekken, waarover voorloopig nog de spottende lach van twijfelmoedige lippen zweeft? — Zal niet de blik van onzen geest dieper en dieper doordringen, wanneer onze tijd eerst maar weder eenigermate zal hebben geleerd, wat hem thans zoozeer ontbreekt; ootmoed en bescheidenheid?
En ofschoon nu heden in den regel slechts hij geluk heeft, die aan onzen weetgierigen, bijna zou ik gezegd hebben nieuwsgierigen tijd iets nieuws opdischt of die hem recht naar den mond praat, zoo wil ik
324
gaarne, onder zulke voorwaarden afstand doende van geluk, damp;lrop wijzen, dat wij na dit alles toch by de stelling: „God en wereld,quot; „geest en stof\' zullen moeten blijven; en als de som van onzen gemeensehappelijken arbeid willen wij slechts dit zien aangeduid, te hebben erkend, of waar dit niet noodig was, in de overtuiging versterkt te zijn geworden, dat de wereld, aan welke ons ademen en denken gebonden is, alleen uit stof en onbewuste kracht niet te verstaan noch te verklaren is en dat er dus met betrekking tot den mensch in de wijsheid moet worden berust, dat hij, zooals wij trouwens op oude bladen reeds voorlang lazen, uit aarde e n godde-lijken adem bestaat, en zoo, volgens Herder\'s schoone gedachte „een ketenschakel van twee wereldenquot; verdient geheeten te worden. Maar verre van daar, dat dit dubbel bestaan, zooals men ons van zekeren kant zou willen diets maken, een zeldzaam tweeslachtig wezen in het leven roept, berust veeleer juist hierin het plan van den mensch, is hierin des menschen waarde gegrondvest.
Als natuurwezen zou de mensch geene zedelijke roeping hebben — of hoe zou deze naast het onverbiddelijke „moetquot; kunnen bestaan? — als geestelijk wezen heeft hij deze, de natuur in hem, te veredelen en te verhelderen, het aardsche te vergoddelijken, — het dier, als men het dan zoo wil, in hem, tot engel in zijn binnenste te vervormen. Tusschen den zinnelijken natuur-aanleg en de goddelijke verhevenheid des geestes breidt zich de oneindige loopbaan en zegetocht des menschen uit; het ruwe vuistgevecht om het bestaan is in een edelen wedstrijd om eeuwige goederen veranderd.
Zoo bereikt dan onze menschen- en wereldbeschouwing in eene zeer besliste verdediging der Godsgedachte
325
haar toppunt. Wij staan met die laatste twaalf stellingen, die het laatste woord onzer materialistische studiën uitmaken, zeer nabij voor dat in den aanvang vermelde, in een kwaad gerucht gebrachte en — beroemde woord van Voltaire, dat men eenen God moest uitvinden, als deze niet bestond, — een woord, dat men werkelijk recht passend het uit vertwijfeling voortspruitende bewijs van het Godsbestaan noemde; immers, het bewijst niets duidelijker dan de radeloosheid van hen, die waanden de wereld zonder de Godsgedachte te kunnen opbouwen.
Maar wij hebben de uitvinding niet noodig, waar wij bij slechts eenigszins goeden wil konden vinden; God openbaarde Zich aan ons op de menigvuldigste wijze: in zelfbewustzijn, in zedelijke vrijheid, gevoel van verantwoordelijkheid, in plicht, geweten; — en ook voor de buitenwereld van gloeiende zonnen en stille bloesems stonden wij met Tvndall\'s beteekenisvolle vraag: „Is het mogelijk, dat geen wezen in de geheele schepping hierover meer weet te vertellen dan ik?quot; — Wij konden elkander dus niet zoover verstaan, om den plechtigen feestklank van overoude, heilige wijsheid: „In den beginne was het Woord,quot; voor die andere, nieuwere uitspraak in te ruilen, dat in den beginne „het slijkquot; is geweest. Het moet voor ons er bij blijven, dat het „woordquot;, dat het zinnelijke lichaam der gedachte is, — (deze echter is de eerstgeboren zoon des geestes) — inderdaad „in den beginnequot; heeft bestaan.
„Zooals de A. staat in \'t begin der luit.
Zoo gaan van God ook alle dingen uit.quot;
Deze bekentenis van oud-Indische wijsheid maken wij ook tot grondslag van de onze.
De Godsgedachte is de scheiding makende donder-
326
-wolk voor alle naar waarheid en kennis zoekende geesten. Met eene natuurbeschouwing, die de Godsgedachte (natuurlijk niet enkel als bloedeloos geraamte, maar ook als levend tastbare) laat bestaan, zal van uit ons standpunt steeds min of meer verstandhouding mogelijk zijn; de loochening van deze gedachte sluit haar voor altijd buiten. Geen wonder dus, dat tegenover de Godsgedachte de geesten in de meest vijandelijke houding van de scherpste tegenstellingen elkaar bestrijden; en Goethe heeft zeer juist gezien, toen hij in dezen strijd tusschen geloof en ongeloof, zooals deze in den jongsten tijd wordt gevoerd over deze ééne gedachte, het eigenlijke thema (roersel) der wereldgeschiedenis ontdekte; en men moest toch van oordeel zijn, dat het beslist eene verhevene en gewichtige gedachte is, welker verdediging en bestrijding eene geschiedenis van duizenden van jaren als inhoud zich toeeigende.
Zooals het materialisme in de godloochening, troont elk gezond idealisme in de godsvereering. Tegenover dit woord verkrijgen de tegenstellingen der stelsels eene wondende scherpte. Vertegenwoordigde de Godsgedachte voor ons het toppunt onzer wereldbeschouwing, de kostbaarste gedachte, welke ooit in de menschelijke borst huisvestte, zoodat voor ons de mensch steeds slechts in die mate beter wordt, naar gelang hij zich tot God wendt, zoo verklaart Büchxer stoutweg, dat de mensch veeleer heter wordt, naarmate hij zich van God afwendt; — dus is godsvrucht voor öns, — goddeloosheid daar het einddoel en wit van al het denken en leven.
Wanneer wij als hoogste en schoonste doel, dat wij met al ons redeneeren hier op het oog hadden, dit moeten aanduiden, de Godsgedachte als eene eeuwige, nood-
327
zakelijke, liet wereldraadsel oplossende en zielen gelukkig makende ulieden voor oogen te stellen, dan spreekt Büchner aan het slot van zijne voordracht over het Godsgeloof de verwachting uit, dat zijne redevoering „een nieuwen stoot tot eindelijke en algeheele uitdrijving — (dat wil zeggen: uitroeiing!—) van het zoo schadelijke Godsbegrip moge geven.quot; Is voor ons de wereld zonder God een lichaam zonder ziel en leven, zoo belooft gindsche richting het geluk van het meest vergenoegde leven slechts daar, waar God werd doodverklaard.
En nog verschrikt ons — of moet ons, volgens den wil der roependen, een angstkreet verschrikken: „De gedachte aan een God en aan eene schepping legt den denkenden geest op de pijnbank.quot;
En ware dit in werkelijkheid alzoo, dan waren, voor zoover wij uit de geschiedenis leerden, steeds diegenen, die ter liefde hunner overtuiging de folterpijnen standvastig doorstonden, grootscher en glansrijker dan zij, die een verlangd „neenquot; uitspraken, om den folteringen te ontkomen. — Maar de denkende geest kan zich aan deze hersenmartelingen en aan Godsbewijzen, die door het aanleggen der duimschroeven werden afgeperst, gerust onttrekken; de Godsgedachte behoort volstrekt niet aan den denkenden geest, maar voorzeker aan het vertrouwende, hefhebbende hart, aan het reine menschen-gemoed. Daarbinnen is iets, dat tot ons spreekt: het is onmogelijk, dat wij slechts hulpeloos overgegeven kinderen der moeder natuur zijn, welke geen hart bezit; onmogelijk, dat wij met een „help u zelfquot; onmeedoogend uitgeworpen, op al ons klagen slechts een hardvochtig: „Zie toch gij zelf maar toe,quot; als troosteloos antwoord zouden ontvangen! —
328
Arme, op straat gejaagde kinderen, aan het noodlot der heen en weder geslingerde menigte, aan de gevaren der op en af rollende wagens, aan de verzoekingen van hen, die uit onze hulpbehoevendheid voordeel denken te trekken, reddingloos prijsgegeven — dit zijn wij immers waarlijk allen, als er geen God bestaat.
Hij, wiens denken zich niet sterk genoeg gevoelt voor die folterkwalen, — zoo er inderdaad zulke bestaan! — onttrekke zich eenvoudig aan deze en grijpe als een minnaar de hoogste macht der wereld, de eeuwige liefde aan, en buige zich als een strevende geest voor den volmaakten Vader der geesten en wandele, als eene licht-behoevende ster, in stille bewondering en dankbaarheid rondom de centraalzon des levens en des geestes — God. Aan het denken blijft ruimte genoeg over, om in de wereld der verschijnselen te jagen en in de zeeën der voorwereld te visschen, — om het vliegen over gouden morgenrood-wolken aan het geloof van het godsdienstige gemoed, aan de heilige verbeelding over te laten. Of waar staat in het wereldboek der natuur geschreven, dat het denken alleen recht geeft, dat niet het voelen, ondervinden en gelooven iets even zekers, wellicht schooners zou kunnen uitspreken en stichten? Is niet de verbeelding eene kracht, die iets nog grooters en heerlijkers schiep dan het denken ? God is voor den maatstaf van ons denken te groot — en ik bedank voor eiken God, die zich naar den maatstaf van mijn denken wilde schikken: — deze zou geen God zijn, want hij zou kleiner zijn dan ik zelf, een kind van mijn hoofd, — mijne Minerva. God moet ondenkbaar zijn, moet grooter zijn dan al onze denkvoorstellingen — of Hij is inderdaad niet God; — verbeelding en gevoel stijgen eenige
329
treden hooger naar den troon der waarheid en liefde omhoog; maar steeds, zoo dikwijls wij Hem meenen gevonden te hebben, klinkt het uit nieuwe hemelen en nieuwe werelden: „Zoek hooger, zoek hooger!quot; Het denken behoudt zijn gebied onaangetast; — het worden, dat van heden evenzeer als het duizenden van jaren oude, het worden uit hetgeen geworden is — dit behoort aan het oplossende en samenstellende denken; maar het eerste, eigenlijk oorspronkelijke ontstaan zijn blijft steeds voor hetzelve verborgen —, hier bnigt de denkende menschelijke geest zijn heerschersstaf over de natuur en hare in den klauw van den leeuw zoowel als in het razen van den storm losgelaten krachten — voor den troon van Hem, die dezen schepter aan zijne gebiedende hand toevertrouwde. —
Hoe wij nu God voor ons steeds ontoereikend denken moeten voorstellen; hoe wij Zijne voortbrengselen inde stoffelijke. Zijne werkingen en flikkeringen in de geestelijke wereld moeten beschrijven en verklaren; hierover wilden wij vooreerst nog niets beweren, voor eene latere gemeenzame bearbeiding mijner gedachten dit opsparend, tot welke zich het hier besprokene zal verhouden als de voorportalen, de voor de wereld openstaande zuilentoegangen naar het afgeslotene hoogere heiligdom zelf. Wij wenschten eerst de benedenstad te doorkruisen, om hen, die alleen in het gewone straatgewoel van alle-daagsche beslommering zich te huis gevoelden, en slechts over de marktprijzen van stoffelijke genietingen wisten uitspraak te doen, daArheen te voeren, dat zij in het algemeen belijden en erkennen, dat er werkelijk eene stad van hoogere gedachten en geestelijke doeleinden moet bestaan. In ieder geval zullen wij ons den gezochten
330
God niet zóo voorstellen als dien, met wien Feüehbach en Büchner den draak steken, omdat zij Hem niet kennen; niet een rustig op de wolken tronend, geweldig heerschend, too verachtig werkend, in wien geen waarlijk godsdienstige ooit heeft geloofd; maar een zoodanig God als een Padlüs en Johannes niet moede worden te verkondigen, een, die zich in ons machtig en heerlijk, nu eens luide gebiedend, dan weder vreedzaam zegenend openbaart.
En omdat de Godsgedachte nergens zoo diep en nergens zoo eenvoudig kinderlijk schoon, nergens zoo verheven en zoo zuiver van iedere valsche menschelijke bijmenging en tevens toch zoo menschelijk nabij, zoo begrijpelijk en hartvertroostend zich voordoet als in het Christendom, zoo is het voor ons eene onomstootelijke stelling: het Christendom is de verhevenste gedaante van het idealisme! het Christendom is het alleen ware idealisme. Trouwens niet dat verkeerd begrepene Christendom, waarvan Hartmannui zijne, — ik weet niet, moet ik zeggen Christelijke onwetendheid of onchristelijke kennis? — beweert, dat het de wetenschap en zelfs de beschaving (!) weerstreeft —; maar dat Christendom, dat het woord van zijn geniaalsten vertolker Paülüs: „Alles is het uwequot; glansrijk en vruchtbaar weet gestand te doen.
Maar dit „Alles is het uwequot; heeft een vervolg en dit luidt: „Maar gij zijt van Christus.quot; — Deze is de naam, met welken wij beloofden ons idealistisch denken te kronen. Men zegge nu niet langer, dat de idealisten niet wisten wat zij wilden, dat hunne idealen nevelbeelden, droomen, morgenroodblinken, alpengloeien zijn, maar geene tastbare, manmoedige, roodbloedige gestalten. Hierom alleen is het Christendom het hoogste idealisme,
331
omdat het zijn ideaal begrijpelijk, zichtbaar, levenskrachtig, levenswarm en liefdewekkend voor aller oogen stelt. Wat is het Christendom? — Hierover kan men met bibliotheken antwoorden, maar het beste antwoord kan men in één woord samenvatten: „Christus.quot; — Hier is het tot persoon geworden, zichtbaar verschenen ideaal der menschheid; hier is beide: wat wij volgens eeuwigen, goddelijken wil zijn moeten en wat wij in den diepsten grond des harten zijn willen. Ook wij noemen het Christendom, geheel zooals Hartmann, maar in tegen-overgestelden zin als hij, „een ongehoord idee,quot; maar dit idee verschijnt, bestaat, wandelt, heeft lief, lijdt, sterft en — leeft. Wat wij nu vroeger als de eigenlijke taak der menschheid aangaven: het natuurlijke te verklaren, het menschelijke te vergoddelijken —, het is hier glorierijk opgelost. Wat Plato\'s schoone ziel begeerde en zoo aangrijpend, uitsprak: hij zou de waarheid en gerechtigheid in persoonlijke gestalte willen aanschouwen —, heerlijker dan Plato hiervan een voorgevoel hebben kon, is het voor onze oogen hier vervuld. De taak der menschheid is hier voor eeuwig gesteld en voor eeuwig vervuld. Voor zoover het goddelijke in menschelijke uiting kon verschijnen, verscheen het in Hem, en voor zoover het menschelijke goddelijk kon zijn, was het in Hem voltrokken. Daarom is Hij de maatstaf der menschheid; niet enkel aan Zijne ideeën, ook aan Zijn leven toetsen wij elk leven uit de millioenen vóór ons en om ons; naar den maatstaf van Zijn doen wegen wij — en velen doen dit onbewust — iedere daad van onze medemenschen, onderzoeken en richten wij onze eigene woorden en gedachten. — Schatten wij niet steeds eene daad slechts in die mate hoog, als in haar de hooge-
332
priesterlijke gezindheid der zelfopoffering zich openbaarde; en wijst niet ons binnenste iederen voor eene uiterlijke daad ons toegebrachten lof met schaamte af, als het bewustzijn er ons aan herinnert, hoe dat kind der daad uit de vereeniging van het -willen met de zelfzucht was ontsproten? — Dus, bewust of onbewust, rust het oog der zedelijke waardeering steeds op het beeld van dat verhevene, onbaatzuchtige leven, dat tusschen Bethlehem en Golgotha zich bewoog.
Zonder van deze persoonlijkheid melding te maken, zou onze geheele gedachtenarbeid een torenbouw zijn, waaraan spits — en kruis ontbrak. Maar tegenover deze persoonlijkheid der geschiedenis, op zijn minst genomen eenig in hare soort (dit zult gij allen wel gaarne toegeven), tegenover dit leven zonder ook maar éénen kouden adem van zelfzuchtig denken en begeeren, dit leven, dat zelfs minder gunstige beoordeelaars toch niet konden nalaten daar te plaatsen, waar op de hoogten der menschheid „de lijnen van hemel en aarde in elkander vloeienquot;, — tegenover dit leven breekt de geheele materialistische uitlegging van het menschelijke bestaan als de onmachtige golf tegen de vooruitstekende rots. —
Maar omdat zij Zijne hoogte niet konden bereiken, wilden zij Hem in hunne diepten omlaag trekken! Vergeefs. — Tegenover dezen „reinste onder de machtigen en machtigste onder de reinenquot; wordt de materialistische wijze van zoeken naar opheldering, wijsgeerig gesproken, tot onwetenschappelijke oppervlakkigheid der waarneming; immers uit natuur, volk, omgeving, tijdsgewricht, strooming van den dag, richting van den smaak, gang van ontwikkeling der jeugd, en hoe al deze vormers of ook gevaarlijke hervormers van een karakter heeten
333
mogen, laat zich die Eenige in Zijne soort nog niet voor het tiende deel verklaren —: omdat Hij grootscher schijnt dan alles wat Hem omgaf, grooter dan de grooten, niet enkel van Zijnen tijd maar van alle tijden, grooter zelfs dan de stoutste verwachtingen Zijns volks, reiner dan eeue duistere wereld Hem kon verdragen, edeler dan een in huichelarij en levensgenot verdeeld geslacht dit in het algemeen voor mogelijk hield en van meer licht omstraald, voller van waarheid dan deze aarde ooit licht en waarheid op haren bodem had geherbergd; — daarom was er voor Hem van de kindsheid af tot aan het sterven „geen plaats in de herberg,quot; — daarom moest Hij als een zwerveling hier beneden in den stal de eerste en aan het kruis de laatste ademtochten doen. — Wij spraken nu wijsgeerig; — maar van godsdienstig standpunt gesproken wordt tegenover dit leven de materialistisch geliefde verklaring uit stof, spijs, natuurkracht en atoom tot een hoon voor het heilige, tot tempelschennis en godslastering.
Men beschouwe toch eens zijnen tijd en make de som op van deszelfs krachten en gaven en zie dan toe, of het resultaat zal heeten: een reine, een vlekkelooze, een Jezus van Nazareth! — Wil men de voortbrengselen van die met ziektestoften en valsche godsdienstige evenals staatkundige idealen oververzadigde eeuw, dan zoeke men deze in de rijen der Galileesche rooverbenden, der Sicariërs, der dolk-Messiassen en der opgeblazene phari-zeërvroomheid aan den eenen kant — en der uit wellust en gruwelijkheid gemengde Herodianen en karakterloos slingerende pilatus-gestalten aan de andere zijde.
Bij de beschouwing en geestelijke ontleding van ieder groot man ontstaat dat geheimnisvolle „over-
334
schotquot;, dat in vader, moeder, tijd, omgeving niet juist zal opgaan, maar hier verschijnt bijna alles als — rest; en slechts een gering iets in zijnen aard en spreektrant, in zijn handelen en leven zal zich voordoen, waarmede hij aan de omgeving en wijze van beschouwing zijns tijdperks den verschuldigden cijns schijnt te betalen, en ook hier zal bij nauwkeuriger beschouwing dit cijnsbetalen niet als een noodwendig uit zijn binnenste voortgesproten, maar veel meer als een door hemzelven in vriendelijke aandacht, in liefdevolle aansluiting vrijwillig gekozen afdalen zich vertoonen. — Hij zou per slotsom zoo ongeveer de directe tegenstelling aller oordeelvellingen, gedachten, doeleinden en wenschen van zijnen tijd kunnen zijn.
Een kinderlijk geloovige staat te midden van onge-loovigen, een vrome van hart in een tijd, toen de godsdienst der erfelijke leiders van zijn volk waarlijk in een voorbeeld van deeling met tien, in de som der ontvangsten en eenige wasschingen en spijs verbodsbepalingen bestond; een rein, spiegelhelder gemoed onder eene heerschappij van de verfijnde zelfzucht; een onbuigzame verkondiger der ééne ondeelbare, heilige waarheid tegenover de zoodanigen, die op de vraag naar de waarheid, welke hun als eene heilloos verdeelde voorkwam, nog slechts met het vertrekken der mondhoeken wisten te antwoorden; een innig met God en in de bewustheid van God levende tusschen de zoodanigen, die zich voor godsdienaars hielden en godslasteraars waren; een heraut der algemeene menschenliefde en gelijke rechten van broeders in een tijd, toen voor den Romein de niet-Romein een slaaf, voor den Griek de niet-Griek een barbaar, den Israëliet de Samaritaan een duivelsche, maar de heiden kortweg — een hond heette!
335
— Waar blijft hier nu de stelling: dat de mensch steeds slechts een voortbrengsel is van afstamming, opvoeding, volks- en tijdgeest? Als wij midden in een doornenveld eene lelie zien staan, dan zeggen wij: hoe mag de zaadkorrel van deze teedere bloem hierheen verdwaald geraakt zijn? — en alleen hier, tegenover deze vlekkelooze lelie der menschheid, deze lelie in de doornenkroon, welke eene bovenmate verblinde wereld vlocht uit hetgeen rondom haar groeide, — alleen hier zouden wij niet durven vragen: hoe kwam toch zulk eene bloem in zulk een veld? — „Wie mag belijden, dat Hij bestond, en tevens uitspreken: daar is geen God, geene Voorzienigheid, geene wakende liefde over het duistere noodlot, het blinde toeval?quot; Hier geldt in den verhevensten zin de schoone groet, welken Lavater in zijn tijd aan Fichte zond:
„Onnavolgbare donker, uw aanzijn bewijst mij het aanzijn
eens eeuwigen geestes, die edele geesten doet sohittren!quot;
De persoon van Jezus bewijst het bestaan van een goddelijken geest der waarheid en der liefde. In dezen persoon verwoest de geest van God zelf de aanmatigingen der natuurkracht, die het een en het al wil zijn; Hij is de schitterendste daadwerkelijke wederlegging van alle materialistische leerstelsels. Zegt de wijsgeer Jacobi: ,.Als de natuur alleen bestaat, dan is geen Sockates mogelijk,quot; zoo hebben wij nog slechts er bij te voegen: „en een Jezus eerst recht niet!quot; Volgens de theorie van het materialisme omtrent de trapsgewijze stijgende ontwikkeling in de natuur, kon een zoodanige slechts als bloesem, en dat wel als volkomenste laatste bloesem aan den boom der menschheid in de laatste aardsche lente verschijnen, maar nooit als de wortel, waaruit
336
een nieuwe levensboom ontkiemde; volgens die grondstellingen zou Hij slechts mogelijk zijn geweest als laatste in eene gedurende duizenden van jaren opstijgende reeks van steeds zedelijker, reiner, waarheidlievender, goddelijker wordende menschen, maar zeker niet in tijd van verdeeldheid, onzekerheid en ongeloof plotseling als „eerstequot; van eene geheel nieuwe voorgeslachtenreeks van zielen, door Hem met waarheid en liefde vervuld. —
In den loop onzer beschouwing zagen wij menigmaal het materialisme door leven, geschiedenis of inwendig onmiddelbaar gevoel terechtgewezen, maar zoo glansrijk als hier, door dezen persoon zeiven, werd het nog nimmer ad absurdum, dat wil zeggen, tot en met zijne dwaasheid heengezonden. Ons idealisme heeft het dus niet met hersenspooksels en nevelapparaten, maar over het algemeen met werkelijkheden, daadzaken en — persoonlijkheden te doen! —
Hiermede is tevens de door de wijsgeeren aller eeuwen denkend gezochte — maar langs dezen weg nimmer bevredigend gevondene — eenheid van het ideale en het reilde op de gelukkigste, ja alleen mogelijke wijze gevonden. In dezen persoon, in dit leven doen zich de verhevenste ideeën verwezenlijkt, dus reëel voor.
De raensch volgens zijnen stoffelijken natuurkant staat hier geheel van geest doortrokken, geheel vergoddelijkt voor ons; door den Zoon des menschen breekt de heerlijkheid van den Zoon Gods door, als de zon door de omhullende wolken.
Dat deze inderdaad de gelukkigste oplossing is der vraag, hoe iets stoffelijks en ideaals zich kan vereenigen, gevoelde reeds Plato, waar hij, zooals wij reeds vroeger
337
aantoonden, naar de zichtbare verschijning zijner ver-hevenste ideeën, van waarheid en gerechtigheid, verlangde, omdat, gelijk hij zeer juist inzag, de indruk van hun persoonlijk leven veel krachtiger moest werken dan alle leer en vermaning. — Hetgeen de menschelijke borst heeft gedacht en gewcnscht als gedaan en volbracht, het nagejaagde als bereikt, het ideale hoorbaar, tastbaar, zichtbaar, de verbinding van het rijk der natuur en van het rijk des geestes tot stand gebracht, dit is het beeld van dit leven, van deze persoonlijkheid. —
Tegenover haar verandert de meer onbepaalde eisch van de verhevenste ideeën te erkennen, te eeren en lief te hebben, in den duidelijkeren, steviger tastbaren eisch van deze ideeën in het leven zeiven gedaante te laten krijgen — te realiseer en. En voor hem, die zich aan dezen eisch zou willen onttrekken onder het voorwendsel, dat zoo iets onmogelijk is, plaatst zich deze persoon en bewijst door zijn bestaan, dat het mogelijk is en moet zijn. En alleen daar, waar men dezen persoon heeft vergeten of voorbijgezien, kan de vraag oprijzen: heeft deze wereld wel een doel; heeft zij eene taak? — Christus is het antwoord. In Hem liggen de verwachtingen, de eischen der menschheid en — de krachten tot bereiking dier verwachtingen, tot verwezenlijking dier doeleinden. Zoolang nog niet allen gevoelen denken, willen, spreken — en handelen als deze Eéne. zoolang heeft de menschheid nog eene taak! Ontsluit zich voor ons niet eene baan van duizenden van jaren? — ,Zoolang deze aarde bestaat, zal zij de idealen van Jezus moeten dragen,quot; zegt een nieuwere beschrijver van dit leven. Waar is oorlog, jammer, list, trouwver-breking, duizendvoudig harteleed? vragen wij, als onze
338
verbeelding voor een oogenblik ons het beeld eener gemeenschap wil voortoo veren, binnen welke allen denken zooals die Eéne. Gevoelen wij het niet, als wij waar tegenover onszelven zijn, dat wij volkomen in dezelfde mate gelukkiger, eensgezinder en vreedzamer worden, als wij Hem nader komen, en twistgieriger, ongelukkiger, ontevredener, wanneer wij in grootere zonsafstanden Zijner liefde, zachtmoedigheid en goedheid ons verliezen?
De taak der menschheid, welke wij idealistisch eischen, is dus waarlijk geene ijdele, en de bedenking, welke zoo menig idealistisch stelsel zich moest laten welgevallen: „Men weet niet juist wat het wil,quot; deze wijzen wij voor dit ons werk op de statigste mauier af. — Er bestaat een drievoudig idealisme, dat tot daden oproept. Het eerste eischt: „Voorwaarts, naar de hoogste ideetnV Het tweede verzamelt deze ideeën als stralen in de zon en vermaant: „Opwaarts, nader tot God!quot; — Zoover was echter het edeler gedeelte des heidendoms ook reeds gekomen en de hierbij nog open blijvende hoofdvraag was nu deze: wie en hoedanig deze God dan toch eigenlijk was, en naar gelang der verscheidenheid der gegeven uitkomst moest ook deze toenadering zich wel zeer onderscheiden en — schoorvoetend vertoonen. Onder het devies: „Nader tot God!quot; was een bezoek van den Venus tempel te Corinthe evenzeer mogelijk als een stoïcijnsch onverschillig voorbijgaan van allen lust en alle leed der wereld, om het even, of dit in het eigene of in het vreemde gemoed woelde. Zoo verkeert dat onduidelijke, in zijne zedelijke waarde menigmaal zeer twijfelachtige „Nader tot God!quot; van het heidendom, — hierom onduidelijk, omdat men het goddelijke nimmer zoo van nabij en zoo zeker had aanschouwd, dat men
339
met besliste zekerheid zou hebben kunnen wijzen op dit: „Hier is nu werkelijk het goddelyke,quot; — verkeert, zeggen wij, het „Nader tot God!quot; in den volkomen duidelijken, geen misverstand, geen subjectief verzonnen nabijzijn van God langer toelatenden oproep: „Nader tot Christus!\'\' Deze is de derde, de hoogste vorm van het idealisme; immers in dit verlangen ligt de eisch, al het natuurlijke, stoffelijke in ons en rondom ons tot drager van eeuwige ideeën te verheffen. Hier is nu geene vergissing over het te bereiken ideaal meer mogelijk, uitgenomen eene voorbedachtelijke, zelfzuchtig ge-wenschte. Want het beeld van dat ideale, de goddelijke ideeën tot menschelijke voorstelling brengende leven staat zoo eenvoudig zonder aanmatiging, zoo nedei\'ig en toch zoo volmaakt, zoo losweg geteekend en toch zoo diep ingegrifc vóór ons, dat ieder, wien de zin voor waarheid nog niet werd gedood, als door eene inwendige macht overweldigd moet bekennen: hier is waarheid, hier is goddelijk leven, hier liggen de verwachtingen en doeleinden van de duizenden jaren tellende tijdperken der aarde.
Voor ons heeft dus de stelling kracht: hoe nader bij Christus, des te nader bij God, des te nader bij het oorspronkelijke beeld der volkomenheid, bij het hoogste Ideaal. En omdat wij het in deze spanne tijds altijd slechts tot aanvangen en aanloopen brengen, zoo ontsluiten zich hier voor onzen geest de verwachtingen van een hooger bestaan.
Wat is nu schooner en bemoedigender voor het waagstuk des levens en strevens — de onvruchtbare kringloop van doode wereldbrokken, vóór welken het materialisme als vóór het ontsluierde geheim der wereld
340
vol van verrukking staat, of dit doel vol verhevene onophoudelijke voorwaarts streven, — drie uren in de stoffige rijbaan of wel een rit door dauwfrisch morgenrood naar berghoogten voerend?
Zoo heeft ons dan ons vragen naar het raadsel des levens voor een nog grooter raadsel gesteld, hoe hij, die een berg bestijgt, welke zijne dal-wereld begrenst, zoodra hij boven is, hoogere bergen aan een nieuwen horizont ziet opdagen. Naar het wereldraadsel zoekende, zagen wij het raadsel van de Godsgedachte als een wonderbaar reusachtig wolkenbeeldwerk aan den horizont van dit leven opdoemen. Met onzen aanval op eene in den grond even geest- als gemoedslooze wereldbeschouwing hebben wij eene toekomstige verdediging van den godsdienst in het algemeen en van het Christendom als den volmaakten godsdienst meer in het bijzonder, voorbereid en baan gemaakt voor dezelve. Vóór de Godsgedachte, als de verhevenste der wereld, vóór de Godsgedachte, zooals deze zich in Christus zoo menschelijk mogelijk voor ons ontsloot, blijven wij nu staan. Een duister gevoel van het wezen Gods, zoo al geen kennis, ligt ons echter meer nabij dan wij denken. Zooveel als wij over ons eigen wezen weten, evenveel weten wij ook over het wezen van God. Wij vormen in ons zekere daadwerkelijke eenheid van geest en stof, bijeengehouden door het zelfbewustzijn. Het „datquot; is zeker, want wij zijn; het „hoequot; is duister, want wij zijn zelf niet in staat, ons daarover rekenschap te geven, hoe deze samenvoeging tot stand kwam. Juist evenzoo nu, even zeker — ofschoon ook even duister, staat het wezen Gods vóór ons. — Wat ons geestelijk bestaan voor ons lichaam is, dat is de geest Gods voor het lichaam der zichtbare wereld. Zooals in ons
341
zelfbewustzijn geest en lichaam ineengesloten schijnen, alzoo in het goddelijke zelfbewustzijn wereldgeest en wereldlichaam.
Zooals ons geestelijk bestaan niet enkel in één punt van ons lichaam, wellicht in de beroemde hersenklier (volgens Leibnitz), maar in ieder lid, tot in den uitersten vingertop tegenwoordig, dus binnen ons lichaam zoo geheel eigenaardig overalomtegenwoordig is, want anders kon onze wil niet op de beweging der ledematen invloed uitoefenen — : evenzoo moet de geest Gods in het onmetelijke lichaam van het heelal, in iedere bloem, in elke ster tegenwoordig, — dus in onbeperkten zin alomtegenwoordig zijn; — en dit niet figuurlijk, poëtisch, als pantheïstische spreekwijze gemeend, maar werkelijk bewust —, juist zooals de mensch bewustheid heeft van zijn lichaam en zijne bewegingen (van de eene meer, van de andere minder duidelijk). Als nu echter bij den mensch dit bewustzijn en beheerschen van het lichaam menigmaal nog beperkt, belemmerd, gebonden schijnt, zoodat de door het zelfbewustzijn daargestelde eenheid tusschen geest en stof als eene nog onvolkomene zich voordoet, en de macht van het geestelijke in ons over het stoffelijke aan ons, zich slechts hier en daar schoorvoetend als eene almacht, menigmaal genoeg echter nog als eene onmacht openbaart, zoo moet begrijpelijkerwijze de macht van den geest Gods in het zichtbare lichaam des heelals absoluut, dat wil zeggen, onbeperkt en volkomen worden gedacht. Dit is het begrip van de almacht Gods, onder het bereik van het wijsgeerige begrijpen gebracht. Deze zijn trekken en schetsen van latere gedachtenreeksen. — In slotsom, de verhouding van God tot de zichtbare, tast-
342
bare buitenwereld moet aan het denken worden voorgesteld als bij benadering verwant aan de verhouding van onzen zelfbewusten geest tot ons lichaam. — Maar blijven er in onszelven raadsels genoeg voor ons eigen denken over, hoe zouden wij durven hopen, het wezen Gods te ontleden en te bepalen evenals eene plant volgens het stelsel van Linnéus ? En de ontlede bloem is ten slotte niet eens meer eene bloem; hoeveel te minder zou de door ons denken ontlede en ontleedbare God nog een God zijn! — Maar even zeker als wij bestaan, en dat wel in dubbelen zin: als ademende en bewust denkende, even zeker is ook God, een in alle bloemen ademende, in alle geesten denkende, gevoelende, willende en volbrengende.
„Maar hoe Hij is ? — Het heil\'ge twistberaad
Lost op in jubeltonen: Hij bestaat!quot;
Zoo heet het laatste woord van het wetenschappelijke idealisme steeds „Godquot;; — maar Christus het laatste woord van het practische idealisme.
Als Büohner tamelijk verward van eene „zucht naar het wonderbare en bovennatuurlijkequot; spreekt, welke „in de menschelijke natuur diep ingeweven schijnt (!) te zijn,quot; — dan erkennen wij een openbaar, in de geestelijke natuur van den enkelen mensch evenals van de menschheid diep ingegrift zoeken en verlangen naar het grijpen, aanwinnen en uitbeelden van het hoogste ideaal der menschheid, zooals het in dat „wonder der geschiedenisquot; verschenen en als eeuwig vraagstuk aan de worstelende eeuwen is voor oogen gesteld geworden. En als het profetische vèrgezicht van het materialisme zijn hoogste toppunt bereikte in de aankondiging, dat, hoe eerder de „noodlottige en gevaarlijke Godsgedachtequot; geheel
343
overwonnen zal zijn, „des te sneller het der menschheid gelukken zal, niet alleen domheid en bijgeloof, maar ook armoede, ellende en slavernij uit de wereld te bannenquot; (!) —: dan hebben wij tegenover deze, een zeer heftigen mate-rialistischen hoogmoedswaanzin verradende voorspelling slechts de diepste inwendige overtuiging te stellen, dat men met een goed eerlijk geweten gelukkigere dagen, dan wij ze heden zien en beleven, eerst aan de tijden en geslachten mag voorspellen, die meer tot het Goddelijke, zooals het in Christus verscheen, zullen genaderd zijn en deszelfs idealen van waarheid, liefde en reinheid des harten, geloof aan God en vertrouwen op menschen, lijdzaamheid en vredevolle verzoening ernstiger zullen hebben ter harte genomen, dan het, helaas! heden in kabinetten, hutten en harten nog het geval is. Onze overtuiging bereikt haar toppunt in de stelling: menschen en tijden worden gelukkiger steeds slechts naarmate zij Christelijker worden.
En alzoo, terwijl wij deze persoonlijkheid als het wenkende, groetende ideaal der vredezoekende menschheid op die hoogte stellen, waar niet slechts in bedrieglijken schijn, maar in volle werkelijkheid aarde en hemel elkander de hand reiken, in zulk een zin maken wij de bekentenis van den Duitschen dichter tot ons slotwoord en vullen het daardoor met vasten inhoud:
Van al het schoone, van al het ware,
Van al het groote en wonderbare,
Van al wat ooit het hart voert op Een ideaal op \'s werelds top. \')
De toekomst kan niet toebehooren aan het atheïstische
\') Vertaler zondigt hier tegen het geslacht van het woord „wereldquot; ter wille van het vers.
344
quot; :■%\' i
materialisme. Dit te beweren of zelfs te wenschen, staat gelijk met: den ondergang der wereld verkondigen en het ineenstorten der zedelijke ordeningen wenschen; — zij kan echter evenmin,der wijkwast, het wierookvat en het misoffer toebehooren, want de dagen van dezer heerschappij zijn geteld; de toekomst moet aan het Christendom, aan het levende, innerlijk ware, uit een warm hart voortspruitende, en daadkrachtige Christendom toebehooren, dus — aan Christus.