-—
m;a
ï
door hemzelf medegedeeld.
Witlt ten
tot het EVan^elie,
Kaar het tweede duizendtal uit liet Fransch vertaald.
■s(v
Uitgegeven door ex tkx vookdeele vax de
,,Nederlan(lsche Hiilpvereeniging van het Oeuvre des Prêtres (\'onvertis.quot;
Ermelo, Zendtxgsdp.ukkkrtj.
Voor colportage en uitdeeling zocke men de prijzen aan den binnenkant van dezen omslag.
Tweede duizendtal.
nr—H
/■■f
l}e lielic^rinj wan ÉÉU iriicatcr
tot het EVan^elie,
door hemzelf medegedeeld.
Naar het tweede duizendtal uit het Fransch vertaald.
Uitgegeven door en ten voordeele van de
jNederlandsche Hulpvereeniging ran het Oeuvre des Prêtres Convertis.quot;
Imw lt;»-■
Ermelo, Zendingsdeukkeeij.
BI El!\' ■\' : rK DER Ru;- clT
ui . r -
- ^«c
\'
De schrijver van dit boekje is;
J. B. COR N ELOU P,
destijds Theol. Stud, te Nouchate],
nu Evangelist te Pons,
vroeger Oblaat van Maria, Abt, Priester cn Prediker van zijne Orde.
Di brief ii tjcrirhl aan den Heer E. Morel, Predikant en Hoogleeraar te Neuclinlel. heduurslid drr Zwüserschr Hulpvcreenlfjlng.
(Seachte Sfeer en. üeeraar!
Gij hebt gemeend, dat de uitgave ran mijnen brief van den 27en Maart de aandacht van invloedrijke personen xou kannen vestigen op de Vereeniging tot verschaffing van hulp aan roomsche priesters, die tot kennis van het Evangelie komen, en ons hunne deelname xou verzekeren, en gij hebt mij om mijne toestemming gevraagd o)n dezen biief in brochurevorm het licht te doen zien. Ik weet maar al te wel welk een vooroordeel er, zelfs buiten de onverdraagzame leden der Roomsche Kerk, bestaat tegen priesters, die met Rome gebroken hebben. Men vergeel maar cd te licht, dat de goddelijke barmhartigheid en almacht geene hinderpalen kent en dat Luther, Calvijn, Zwingli, Cranmer, John Kno.c, ijverige roomsche priesters geweest zijn, eer zij de roemrijke ban ierdragers werden \' der Hervorming.
Het zou mij tot groote dankbaarheid stemmen, indien mijn eenvoudig verhaal er toe kon bijdragen om deze vooroordeelen geheel te doen verdwijnen ; het is, zoo als ik zelf maar cd te goed weet, onvolledig en onvolmaakt, maar ik wilde er toch liever niets aan veranderen, en aan Hem, Die dikwijls het zwaklce en verachte naar deze wereld uitkiest om de ivijzcn en sterken te overtuigen, dc zorg overlaten om er eenig nut uit te trekken, te Zijner eer en vow het heil van velen.
Aanvaard, Hooggel. Heer, de verzekering mijner dankbare toewijding.
J. B. CORNELOUP.
Neuchutel, 22 April 18.94.
\'I -
K \'\' .
_
_
(geachte 2Kquot;eer en. üeeraar!
Gij hebt mij gevraagd, u mede te deelen liings welke ondoorgrondelijke wegen God mij tot de waarheid geleid heeft en door welke schijnselen Hij mij langzamerhand het zuivere licht van het Evangelie heeft geopenbaard. Gij legt mij met dit verzoek eene moeilijke en pijnlijke taak op!
Het valt mij niet gemakkelijk, om u van de angsten en twijfelingen te vertellen, die mij gedurende langen tijd hebben verontrust, en om het drama van mijn lijden gedurende twee lange jaren nog eens te doorleven. Iemand^ die een grooten veldslag heeft bijgewoond, zal in staat zijn om eenige der hoofdmomenten te verhalen ; hij zal zijn eigen indrukken kunnen weergeven, maar het zal hem onmogelijk zijn, indien hij tenminste niet tot verdichting zijne toevlucht neemt, om de vele verschillende bewegingen van eiken soldaat in onderdeelen weer te geven, of zijne eigen gewaarwordingen vau vrees, wanhoop en afgrijzen nauwkeurig te beschrijven.
Zoo gaat het heden ook mij.
De ontelbare kleine onderdeelen van dezen vreeselijken strijd, waarbij ik niet de getuige maar de strijder zelf was (bijna had ik gezegd : het slachtoffer) loopen in mijn geheugen dooreen, en terwijl mijn hart bij het herdenken van die droeve dagen sneller klopt, is mijne pen niet in staat om de gebeurtenissen ei\' van zonder leemten weer te geven.
Ik ben bovendien tot overtuiging gekomen door nadenken. Tot aan mijne uittrede uit de Koomsche Kerk, heeft geen enkel belangrijk of in het oog springend feit plaats gegrepen; door het eenvoudigste nadenken, niet door geleerde overwegingen, werd ik tot twijfelen gebracht; en daarom hebben die overpeinzingen ook alleen waarde voor mijzelf.
Mijn verhaal zou dus niet van groot belang zijn, ware het niet, dat er uit blijkt, dat een priester, om tot kennis der waarheid te komen, niet eensklaps, zooals Saulus op den weg naar Damascus, door verblindend en overwinnend licht ter aardag behoeft geworpen te worden; maar dat de genade hem op de meest eenvoudige wijze kan
G
worden geschonken. Daarop grond ik dan ook de hoop, dat zich in de naaste toekomst nog vele priesters van Rome tot het Evangelie zullen hekeeren.
Ik voel mij geneigd om als de held van Troje tot u te zeggen : gij beveelt, dat de vreeselijke pijn hernieuwd worde.
Geachte Heer, men komt niet gaarne terug op die droeve dingen van weleer ; en nu ik er mij toe zet om in gedachte die treurige dagen weer te doorleven, bevangt mij een gevoel van tegenzin en ontzetting. Maar door de vele bewijzen, die ik van uwe welwillende vriendschap ontving, door het werkzaam aandeel, dat gij neemt aan de Vereeniging tot hulp aan bekeerde priesters, is uw wensch mij eene wet gevvorden.
Bovendien acht ik mij gelukkig om God dit nieuwe bewijs mijner dankbaarheid te geven, terwijl ik weet, dat gij met mij God zult prijzen. Wiens goedertierenheid in der eeuwigheid i3. Hem, Die alléén deze groote wonderen doet. (Psalm 130).
Ik voldoe dus aan uw verlangen en begin mijne mededeelingen.
\'t Is iets meer dan twee jaar geleden, dat ik eene merkwaardige ontmoeting had.
Hoewel ik missionaris was, nam ik destijds de functie van vicaris waar te X . . . Ik had een patronaat voor jonge handwerkslieden, een soort van christelijke vereeniging, gesticht. Ik ontmoette, bij een bezoek, de dochter van den Anglicaanschen predikant van \'X, die mij gelukwenschte met mijn werk en mij zeide, hoe gelukkig het haar zou maken, iets dergelijks voor jonge meisjes te ondernemen. „Maar ik kan dat niet doenquot;, voegde zij er bij, „ik ben protestant; men zou zeggen, dat ik bekeerlingen wilde makenquot;.
„Die kwestie is heel gemakkelijk op te lossen, juffrouwquot;, zeide ik lachende, „word u dan katholiek!quot;
„Nooitquot; antwoordde zij, „ik ben in een roomsch pensionnaat opgevoed, ik ken de roomsche leer en ik weet zeker, dat ik waarheid hebquot;.
„Mejuffrouw, drie eeuwen geleden zoudt u zoo niet gesproken hebben, gij zoudt katholiek geweest zijn !quot;
Dit was, onder een anderen vorm, het bekende roomsche argument tegen de Protestanten, de stichters van nieuwigheden : het Protestantisme dateert van de zestiende eeuw ; het is nieuw, dus is het verkeerd ; hoe toch zou Jezus Christus op Luther en Calvijn hebben gewacht om den waren godsdienst te stichten ?
Dit onfeilbaarste van allo argumenten heeft reeds onder de gewelven van de Notre-Dame te Parijs, uit den weisprekenden mond van Lacordaire weerklonken, en wordt door de meest onbekwame vicarissen nog heden met welgevallen herhaald, waarschijnlijk omdat zij geen ander kennen. En ook ik hield het voor zeer afdoend, omdat ik de kracht er van nooit had onderzocht.
Ditmaal echter gebruikte ik het in scherts, en zeker zonder eenige bijbedoeling om Mej. ... te bekeeren. En ons gesprek bleef daarbij. Ik ging heen, door andere belangen genoodzaakt. Hoe liet gebeurde en wat er in mij omging, zou ik niet kunnen zeggen,quot; maar zonder dat ik het wilde, zonder dat ik er zelfs op lette, kwam onderweg het argument voortdurend in mijn geest op. Ik herinner mij heel goed, dat ik \'s avonds tegen mijzelf zeide : „Mijn onfeilbaar argument is eigenlijk niet heel afdoend! Het verzet van Luther en Calvijn tegen Rome dagteekent inderdaad van de zestiende eeuw, maar als ik mij niet bedrieg, beweren de Protestanten, dat hun godsdienst die der Apostelen is, en daarom erkennen zij geen am Ier gezag dan dat van den Bijbel en noemen zij zich Hervormden. Wij moeten het dus op andere wijze aanleggen, om de dwalingen en bedriegerijen van Luther en consorten aan het licht te brengen. Dit argument is niets waard, ik zal er mij niet meer van bedienenquot;. Deze overdenking verontrustte mij niet, en bracht evenmin mijn geloof aan het wankelen.
Ik ging voort, zooals ik altijd gedaan had, met het afnemen van de biecht, met het bedienen van de mis enz., met dezelfde zielsrust, hetzelfde vertrouwen, hetzelfde geluk. Weinig dacht ik, dat God mij reeds toen de eerste schrede had doen zetten op den nieuwen weg, dien Hij wilde, dat ik gaan zou.
Maak er mij geen verwijt van, mijnheer, dat ik mij zoo lang bij dit schijnbaar zoo onbeduidend voorval heb opgehouden. Ik heb het u reeds gezegd ; iets buitengewoons heb ik niet te verhalen, en de belangrijkheid der feiten moet worden beoordeeld naar de gevolgen, die zij voor mij hadden, niet naar hun eigenlijke, innerlijke waarde. Immers, ik ben er van overtuigd, dat ik het aan dit geenszins onaangenaam voorval te danken heb, dat ik op dit oogenblik behoor tot die afschuwelijke ketters van de zestiende eeuw. Zonder deze ontmoeting zou ik mij wellicht van Rome hebben verwijderd, zonder tot het Evangelie te zijn gekomen ; integendeel zou ik, dank zij deze ontmoeting, mijzei ven afvragen, wanneer weldra de twijfel mij zou komen
verontrusten, of de waarheid, die ik bij Rome niet meer vond, niet in het Protestantisme te vinden zou zijn, en deze zelfde overdenking, die zich onder eenen anderen vorm aan mijnen geest voordeed, zou van beslissenden invloed zijn op mijne bekeering. „O diepte des rijk-doms, beide der wijsheid en dor kennis Gods ! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen ! Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen (Rom. XI.)
Eer ik verder ga, moet ik zeggen, hoeveel ik op dat tijdstip van de Hervorming weet. Gij zult dan kunnen zien, welken afstand ik had af te leggen, eer ik tot het Protestantisme kwam, en hoeveel reden ik heb om God te danken.
Ziehier, wat ik van mijne leermeesters en vooral door eigen studio had geleerd ;
In de XVIe eeuw hadden in Duitschland een zekere Luther, in Frankrijk een zekere Calvijn, in Engeland Hendrik VIII, de to strenge roomsche zedeleer verworpen, en een belachelijken, leugenachtigen godsdienstvorm bedacht, die hen toeliet om zich ongestraft aan hunne hartstochten en hunne misdaden over te geven. Luther, Calvijn Zwingli, mannen, wier namen ik heden met eerbied en dankbaarheid begroet, waren destijds voor mij gelijkluidend met schande en eerloosheid.
Men moet mij dit niet al te zeer ten kwade duiden ; ik las uitsluitend roomsche schrijvers! Allen, te beginnen met den meest bekenden van deze eeuw, den abt Rohrbacher, hebben eene opeenstapeling van dwalingen en leugens gemaakt. Hunne werken over de Hervorming moesten getiteld zijn: „Bloemlezing van lasteringen tegen het Protestantismequot;\'. In de Groot-Seminariën leest men gewoonlijk Rohrbacher gedurende den maaltijd. Ik zie nog de groote eetzaal met de gewitte muren ; mijne metgezellen, allen stil als vrome broeders, voor hun bord, terwijl, onder het bescheiden geluid van lepels en vorken, een van ons om beurten op een soort preekstoel klom en voor de verontwaardigde ooren van de óverigen een aangrijpend verhaal van de gruwelen en schandelijkheden der Hervorming voorlas. Ik zelf stemde van ganscher harte in met de woede-kreten van den vurigen geschiedschrijver ! Ik was overtuigd als hij, dat de Protestanten een brandstapel hadden verdiend, en betreurde het alleen, dat de hoofdleiders er aan waren ontsnapt. Wat de leer betreft wist ik, altijd volgens Rohrbracher, dat het protestantsche geloof geene goede werken eischt en alle ondeugden goed vindt.
9
Ik wil echter niet te veel kwaad van dezen kerkelijken geschiedschrijver zeggen; later, toen ik hem met meer onpartijdigheid herlas, heeft hij mij een grooten dienst bewezen. Zijne dwalingen zijn zóó grof, zijne lasteringen zóó overdreven, dat hij ten slotte de waarheid openbaart — terwijl hij haar te veel wil verbergen.
Maar de kerkelijke opvoeding kneedt het verstand in zulk een ongelukkigen vorm, dat men groote moeite heeft om dit juk af te schudden, om niet te donken: »Romc heeft altijd gelijk.quot; Ik meen te kunnen beweren dat, op heel enkele uitzonderingen na, de overigens goed onderwezen Fransche priesters, even weinig weten van het Protestantisme en zijne geschiedenis, als ik zelf op dat oogenblik. Daar het kleine aantal Protestanten in ons land een dergelijke studie weinig vruchtbaar maakt, zijn er wellicht op de duizend priesters geen drie, die zich de moeite hebben gegeven om de beweringen van Rohrbacher en consorten met de waarheid te vergelijken.
Ik vraag u verschooning voor deze uitwijding, en zal nu niet mijn verhaal verder gaan.
Eenigen tijd na mijn gesprek mot juffrouw .... moest ik preeken over de zaligheid. Volgens het oude roomsche programma toonde ik aan, dat wij zeiven ons die moesten verschaffen, met andore woorden, dat het alleen door onze goede werken is, dat wij onze zaligheid moeten en kunnen bewerken met hulp van de goddelijke genade. Volgens Rome heeft Jezus Christus door Zijnen dood inderdaad den menschen de poorten van den hemel geopend ; het staat nu slechts aan hen om er heen te gaan en er in te komen door de verdiensten, welke vrucht zijn van de goede werken. Zonder de verlossing en de daaruit voortgevloeide genade had de mensch nooit zijn eigen zaligheid kunnen werken, maar nü kan hij het, en staat het aan hem zelf of hij behouden zal worden of niet.
Dit is de roomsche uitlegging van de oude leerstelling: :gt;God heeft ons buiten ons toedoen geschapen, maar Hij is niet in staat om ons buiten ons toedoen te behouden.quot; Ik redeneerde dan in dien zin.
Maar merk het wonder op van goddelijk medelijden! Voorwaar, het kwam niet dadelijk bij mij op om deze leer grondig te gaan onderzoeken; hoe zou mij dit zijn ingevallen, mij, die nooit van eene andere leer dan de mijne had gehoord?
Mijn eigen wil had dan ook geen aandeel aan de volgende overwegingen, die zich onwillekeurig aan mijnen geest opdrongen :
10
Jezus Christus, do Zoon van den Allerhoogsten — van den Almachtigon God, heeft dus niets anders dan dit gedaan ! Hij is dan slechts Zaligmaker ten deele! De deuren openen van den hemel, dat is dus de eenige vracht van Zijne vleesehwording en van Zijnen dood! Maar hij heeft al den arbeid, voor mij overgelaten !quot; En, zonder dat ik het zocht, kwam mij de volgende gelijkenis voor den geest.
Een mensch, die in de zee is gevallen, staat op het punt van om te komen. Van een schip, dat voorbij gaat, werpt iemand den ongelukkige eene plank toe en roept tot hem: „nu moet ge maar zien, goede vriend, hoe gij uzelf verder redt! Ge hebt nu eene plank om u te helpen; zwem, zwem, zwem, de haven is slechts duizend mijlen verwijderd.quot;
Dat is wel de ware leer — dacht ik.
De schipbreukeling is do mensch — worstelend met de zonde; de plank is de genade, die ons verleend wordt, ter wille van den zoendood van Christus; de pogingen om te zwemmen, zijn de goede werken, de groote arbeid, dien wij zelf te volbrengen hebben. Men wordt dus niet gered; men redt xich zeiven!
Mij schijnt het toe, dat een werkelijk edelmoedig redder zelf in zee zou springen en den drenkeling naar het schip terugbrengen, die niets anders heeft te doen dan zijn\' redder niet terugstooten, zijne hulp aannemen en vol vertrouwen zich aan hem vastklemmen. Zoo zou ik mij den redder Jezus voorstellen en het behoud der mcnschen.
Sedert ik uitgetreden ben uit de Roomsche Kerk, heb ik in de boeken der protestantsche godgeleerden, maar vooral in Gods Woord, deze opvatting van de verlossing kunnen bestudeeren. Toen ik er voor de eerste maal over dacht, scheen zij mij nog zeker niet zoo schoon en schitterend als heden, maar toch nam zij sedert dien tijd mijne gedachten op machtige wijze gevangen. Door haar ben ik bekeerd ! Toch moesten er nog twee jaren, eerst enkel vol onrust, later vol angstigen strijd, voorbij gaan, en moest ik mij door veel twijfelingen heen worstelen, eer ik met Polyeuctus kon uitroepen: »Ik zie, ik weet, ik geloof, ik ben van mijn\' twijfel verlost!quot; Mijn zedelijk lijden begon met dezen dag; maar eer ik er u van ga verhalen, moet ik eenige dier twijfelingen vermelden, die mij van dat oogenblik af van alle zijden bestormden; een verward mengelmoes, dat ik met geene woorden zou weten te beschrijven.
11
Gij liermnert u de legende van de verzoeking van den heiligen Antonius: legioen demonen kwamen hem in zijne eenzaamheid bestormen, zij overlaadden hem met verwijten en slagen, terwijl de arme man vergeefs trachtte hen terug te drijven. Dit is ook eenigennate mijne geschiedenis geweest. Gij begrijpt, dat ik niet alles in bizonder-heden kan zeggen.
De zes voorschriften der Roomsche Kerk zijn, buiten dispensatie, even bindend als de Tien Geboden Gods. Ze overtreden is eene doodzonde begaan en de hel verdienen. Twee dezer geboden verbieden, vleesch te eten op Vrijdag en Zaterdag, en alle vastendagen: quatertempers, vigiliën, lijdensweken. Wie zal zeggen hoe groot het aantal zonden is, die door dit bespottelijk verbod zijn veroorzaakt! Voortdurend moest ik de biecht hooren van personen, die geen grooteren misstap dan dezen hadden bedreven!
Dit feit trof mij. Eerst, omdat ik toen nog geloofde aan het goddelijk gezag der kerk, dacht ik: „Doet ze niet verkeerd, dat ze zich op deze wijze van hare macht bedient ? Stelt ze hare kinderen eiquot;® niet aan bloot, dat eene vervloeking hen treft? Waarom legt ze dezen steen des aanstoots op hunnen wegquot;? Zou het niet beter zijn dit verouderde voorschrift af te schaffen ?quot; Weldra echter veranderde mijne ontevredenheid in verontwaardiging. „Terwijl de menschen huiveren om zelfs op de grootste misdadigers de doodstraf toe te passen, aarzelt de kerk niet (de kerk die beweert te spreken uit naam van don God van barmhartigheid en liefde!) om — kalm en glimlachend — hare kinderen tot den eeuwigen dood te veroordeelen, tot de hel, tot hare vreeselijke hel, •—- en dat voor een mondjevol vleesch, voor een ei, op een verkeerden dag gegeten! En dan durft ze zich te noemen „de Moederkerk der Katholieken,quot; — ze is eerder hun heul!quot;
De bisschoppelijke voorschriften voor de vasten zijn niet overal dezelfde; zij verschillen dikwijls tusschen de eene diocese en de andere, zoodat een voedingsmiddel, \'t welk b.v. in de diocese van Lyon zonder eenig bezwaar wordt toegestaan, in de diocese van Grenoble zeer goed doodzonde kan zijn! Maar waardoor worden nu de grenzen der diocesen bepaald ? Door eene lijn, of, zoo ge wilt, een pad door een veld. Let quot;nu op de gevolgen van deze onzinnige bepaling! Twee mannen, de een uit de diocese van Grenoble, de ander uit die van Lyon, zijn samen aan \'t werk in het veld. \'s Middags gaan zij tegenover elkander fitten om hun quot;middagmaal te gebruiken, ieder op het terrein van zijn
eigen diocese, alleen door het smalle pad, dat de grens bepaalt, van elkander gescheiden. Het is Zaterdag in de grooto vasten, een dag, waarop het in Grenoble verboden is vleesch te eten, maar waarop het m Lyon wordt toegestaan! De Lyonees valt met smaak aan op een groot, heerlijk riekend stuk vleesch, terwijl de Daufinees, met treurig gemoed wat droge snijboonen doorslikt! De Lyonees is een onverschillige, die zich weinig om liet heil van zijne ziel bekommert; tot lieden toe is er niets christelijks aan hem geweest, maar dien morgen, ter eere van den een of anderen gedenkdag, heeft hij gebiecht; de ander, een overtuigd Christen, die zich altijd trouw aan zijne plichten gehouden heeft, en daarin zeker heden niet voor \'t eerst te kort zou willen schieten. Maar helaas, de gelegenheid maakt den dief, en de menschelijke zwakheid is groot! Een weinig in de war gebracht door de spotternijen van zijn metgezel, aangelokt door den heerlijken geur van het vleesch, en terwijl bovendien een booze geest het hem inblaast, neemt hij er een stukje van aan! Hij weet wel, dat hij de voorschriften van den bisschop van Grenoble overtreedt, die in naam der heilige kerk spreekt! . . . . Zijn gemoed wordt door gewetens-knagingen verscheurd .... maar het vleesch ziet er zoo verleidelijk uit ■— en .... de misdaad is bedreven eer hij het weet!
Daar barst eensklaps boven hunne hoofden een onweer los, dat reeds sedert lang heeft gedreigd; beiden worden door den bliksem getroffen, — en de beide vrienden verschijnen te zamen voor den rechterstoel van God. Vraag nu aan de roomsche godgeleerdheid hoe hun vonnis luidt.
Om zijne vorige zonden te boeten gaat de Lyonees naar het vagevuur, (nog zulk een schitterende uitvinding van Rome!) maar God zelf voegt den Daufinees deze vefschrikkelijke woorden toe: „Tot heden waart gij getrouw geweest, maar nu hebt gij vleesch gegeten, dat door uwen bisschop verboden was! ga heen, vervloekte, in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen bereid is! l1*
Dit schijnt u wellicht ongeloofelijk toe, maar toch is het ware en vreeselijke theologische logica, niettegenstaande den eenigszins pikanten vorm, dien ik aan dit voorbeeld gegeven heb. Overigens heb k dikwijls, zelfs door priesters, het onderling verschil tusschen deze ïbisschoppelijke mandaten hooren betreuren, zonder dat zij evenwel tot deze uiterste logische gevolgtrekken durfden gaan. Gij kunt u wel voorstellen, hoe ik in de war was, als ik aan dergelijke dwaasheden
13
•lacht, en aan nog vele andere, die ik nu, om niet te veel van uwen tijd te vergen, genoodzaakt ben stilzwijgend voorbij te gaan.
Langen tijd had ik met onuitsprekelijke vreugde de mis bediend. Denk u mijn geluk! Door één woord kon ik mijnen God op het altaar doen nederdalen, ik kon Hem gouden in mijne sidderende handen, mij dag aan dag met Hein voeden. Hem uitdeelen aan mijne broeders . . . welk een droom! niet waar ? en voor eene geloovige ziel, welk eene zaligheid! Helaas, deze zoete verbeelding zou ook langzamerhand verdwijnen. Volgens de room\'sche leer is de hostie geen brood meer, zij heeft er slechts den schijn van. De werkelijkheid er van is Jezus Christus, de Godmensch, zooals Hij gezeten is aan de rechterhand Zijns Vaders; Zijn lichaam. Zijn bloed, Zijne ziel, Zijne godheid hebben de zelfstandigheid van het brood vervangen, in zich opgenomen. Zeker — ik geloof aan het wonder, maar het wonder moet geene klaarblijkelijke dwaasheid zijn. Er kwam een dag, waarop ik tegen wil en dank bekennen moest: „Uit dit leerstuk kan men, niettegenstaande alle fijne onderscheidingen, dit besluit trekken, dat er even veel lichamen van Christus bestaan als er op aarde gewijde ouwels of deeltjes van ouwels zijn. Is dit niet bespottelijk?quot; Ik ondervroeg den vorst der godgeleerden, Thomas van Aquino, en hij antwoordde mij (Summa Theol. P. Ill, Q LXXV, A. I) dat het lichaam van Christus niet in het sacrament aanwezig is, zooals een lichaam aan eene plaats aanwezig is, maar op een gansch bizondere wijze, zooals die - uitsluitend aan het sacrament eigen is. Dit onverstaanbaar antwoord verdreef mijne twijfelingen niet, noch vele andere aangaande hetzelfde punt, waarop men geen antwoord geven kan zonder het gezond vorstand geweld aan te doen. Wellicht zal ik daar later nog eens over spreken. Hier kan ik volstaan met te zeggen: dat ik door deze twijfelingen het meest heb geleden, want het sacrament der mis is de eenige troost, de eenige vreugde, van den oprechten priester; ids hij dat verliest, verliest hij alles.
En nu de Pausen! Rohrbacher heeft] mijn geloof in de pauselijkheid maar al te zeer aan het wankelen gebracht door zijne onwillekeurige onthulligen aangaande het bijzondere leven van velen hunner en de schandelijke kuiperijen, waaraan zij hunne verkiezing dankten. De Paus, de verkozene door den Heiligen Geest! Wel zeker! waar goud, geweldpleging, moord zelfs, dikwijls de trappen waren van dezen troon! De verkozene door den Heiligen Geest een Borgia! — „Maarquot;
14
zegt ge, „hij had al zijne misdaden bedreven eer hij Paus werd.quot; -Niet allen! En zelfs, indien dit zoo ware, dan had hij daarna toch de galeien of het schavot verdiend. Hoe kan men gelooven, dat Jezus daar Zijn stedehouder, den onder-god, zoeken zou!
Ik geloof niet-, dat men de,berichten van de vergaderingen van Kardinalen in de middeleeuwen, zelfs al zijn ze door Roomschen geschreven, lezen kan, zonder dat men gedwongen is uit te roepen: hoe kan men zoo iemand tot Paus kiezen! of hoe kan men Paus worden door dergelijke middelen! hoe kan de Heilig; Geest zich leenen tot dergelijke kuiperijen!
Het wordt tijd om dit hoofdstuk van mijne twijfelingen te eindigen. Hetgeen ik gezegd heb, is, meen ik, voldoende om u duidelijk te maken langs welke wegen mijne bekeering is voorbereid. Dit is mijn antwoord op uwe vraag. Ik moet er echter bijvoegen, dat de Bijbel zelf er weinig toe heeft bijgedragen. Indien een goed Roomsche hem al leest, leest hij hom met te weinig oordeel om te zien, hoe ver de leer van Rome er van verwijderd is. Heden blijft er in mijn verstand geen steen meer over van het reusachtige gebouw, dat er door mijne clericale opvoeding in was opgetrokken; heden gelijken in mijne oogen de voorschriften van de Roomsche Kerk evenveel op die van den Bijbel als de modder gelijkt op de zon, die zich evenwel toch nog nu en dan weerspiegelt in het water, dat dauwdrop was, eer het modder wierd. Ik kon dit alles echter niet zoo dadelijk inzien, gelijk ik het nu doe.
Maar dit alles zijn theologische geschilpunten, en ik zou u slechts eene eenvoudige geschiedenis verhalen!
Wat ging er, terwijl mijn geest in dezen toestand verkeerde, in mijn hart om ? Sinds mijne eerste twijfelingen, was ik hevig verontrust, en te vergeefs trachtte ik mij van hen te ontdoen; integendeel zij werden versterkt door al die twijfelingen, die van oogenblik tot oogenblik geboren werden. Hoe zal ik vertellen, wat ik geleden heb, wat iedere oprechte priester lijden zal, die door dezelfde beproeving heen moet? De Roomsche Kerk heeft met haar helsch genie eene onverbreekbare keten gesmeed, waarmede zij voor altijd bindt, die zij hare kinderen noemt, maar die in waarheid hare slachtoffers zijn, en die keten is het blinde geloof in haar zelve. Ieder Roomsche moet gelooven, dat zij de hooge eigenschap van God, de onfeilbaarheid, bezit. Slechts door de kerk spreekt God tot de menschen. Men moet eerst gelooven
in de kork, en daarna aan God. Laat mij u liet begin der geloofsbelijdenis aanhalen, zooals die in alle geloofsbelijdenissen en alle gebedenboeken te vinden is: »Mijn God, ik geloof met een onwankelbaar geloof alles, wat uwe heilige kerk gelooft en onderwijst, omdat Gij het haar hebt geopenbaard . .
Het eerste offer, dat die kerk vraagt, is het afstand doen van de rede, van ieder eigen, vrije gedachte. Van daar de haat tegen het vrije onderzoek, dat de Hervorming weer tegen haar heeft afge-eischt, en waarvan zij natuurlijk de bedoeling valsch voorstelt.
Wanneer men dus niet van den aanvang aan den minsten twijfel aangaande de waarheid harer leerstellingen verwerpt, dat is; wanneer men niet zijn geest verminkt, dan begaat men eene onvergetelijke misdaad, dan reeds is men niet meer roomsch, dan is men reeds ver-*
doemd, dan strijdt men reeds tegen God. Ge ziet dus, dat de pijnigingen der Inquisitie niet eens de vreeselijkste zijn, die zij heeft uitgevonden.
Arme zielen, die mij gedurende de laatste twee jaren uwe angsten over uwe lichte, voorbijgaande twijfelingen kwaamt toevertrouwen, indien gij geweten hadt, welk geweld ik mijzelven moest aandoen om u den rechten weg te wijzen en om u te troosten, terwijl elk uwer woorden mijn lijden deed vermeerderen! Hoe heeft mij toen het roomsche geloof gepijnigd! Ik wilde er aan getrouw blijven, ik wilde alles van mij wegdoen, wat het kon schokken; maar de geest Gods is als de wind, die blaast waarheen hij wil, en men weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij heengaat; men hoort slechts zijn geluid. Maar die nog onbekende stem mag men niet hooren, en omdat zij toch spreekt, pijnigt zij. Ik zag den afgrond voor mijne voeten geopend ; hij trok mij met onverwinbare kracht aan; niettegenstaande al mijne pogingen, stond ik op het punt om er in neer te storten; ik wilde mijn blik afwenden, maar mijn blik werd er op gericht; ik hield mij aan de laatste steenen, die mij nog stevig toeschenen, krampachtig vast, en zij brokkelden onder mijne handen weg! Ik heb in mijn binnenste kreten gehoord als van vervloeking en verdoemenis; ik heb de wanhoop gekend. En midden in dien strijd moest ik dc verplichtingen ran mijn ambt volbrengen! De mis joeg mij schrik aan; hoe vaak heb ik niet getracht mij aan de bediening er van te onttrekken ? Maar hoe kan ik dat doen in eene gemeente! Het aanhooren van de biecht was mij eene marteling; maar het was mijn voornaamste plicht!
IG
De prediking, die ik tot hiertoe zoo had liefgehad, boezemde mij een onoverkomelijken tegenzin in en toch moest ik aanhoudend preeken.
Wat zal ik -nog meer vertellen ? .... in den laatsten tijd had God zich geheel teruggetrokken; nevelen zonder hoop op licht omringden mij.
Ik bedroog mij. God had mij niet verlaten; na de beproeving zou Hij mij redden. Nooit zal ik het kleine kamertje vergeten in de pastorie van D . . . ., de parochie, waar ik destijds prediker was. Daar op een avond, toen ik, eer ik mij ter ruste begaf, mijn brevier wilde opzeggen, schitterde er plotseling een schijnsel voor mijne oogen.
„Waar zouden Jezus Christus en de waarheid te vinden zijn? Zouden de Protestanten wellicht niet beide bezitten ? . . . Zij beweren, dat zij aan het Evangelie gehoorzamen.quot; Mijne gedachte, zoo vaag en onzeker, ging dien avond niet verder.
Het vervult mij met zoete vreugd om haar hier weer te geven, zooals zij bij mij opkwam; dat nieuwe pad was de weg des heils, dat schijnsel was de vuurbaak, die mij naar de haven zoo voorlichten; of liever, het was de barmhartige hand van den Verlosser, die mij greep, wellicht op het oogenblik toen ik in den afgrond van het ongeloof zou zijn weggezonken, en die mij zonder mijn weten naar de waarheid, de vreugde, en den vrede voerde. Evenwel kon ik de gelukkige nawerking van het gesprek, waarvan ik bij het begin gesproken heb, niet ontkennen. Ik vatte het besluit op, niet om het Evangelie met aandacht te lezen (wat wilt ge, ik was nog altijd roomsch, en een Roomsche quot;komt zelden op dit denkbeeld), maar om het Protestantisme te bestudeeren.
Dit was niet gemakkelijk; ik kende geene protestantsche boeken, en al had ik ze gekend, hoe had ik ze mij kunnen verschaffen? Ik kwam dus van zelf weer bij de roomsche schrijvers te recht.
Een geest van onderzoek en nadenken deed mij tot belangrijke ontdekkingen komen. Nu eens was het Rohrbacher, die om een denkbeeld te geven van de ruwheid van Luthers taal, een donderende preek tegen de dronkenschap aanhaalde, en die eenige bladzijden verder, met den grootsten ernst ter wereld, het succes der Hervorming toeschreef aan .... raad eens wat! . . . . daaraan, dat Luther aan de Duitsche baronnen toestond om zich te bedrinken, te stelen enz.!
Dan weer was het Mgr. de Ségur, die in een werkje «waarop de Protestanten nooit hebben kunnen antwoordenquot; zooals in de voor-
17
rede staat, ongeveer aldus redeneerde: De Katholieken gelooveu meer dan de Protestanten, dus bestaat er grooter kans, dat zij de waarheid bezitten Alsof oen Roomsche, die bovendien nog aan de leer van Confucius en Mohammed geloofde, zekerder zou zijn de waarheid te bezitten dan de Paus! Een woord, eone toespeling, de aanhaling van eenig protestantsch werk verschafte mij telkens een nieuw veld van onderzoek. Dit was zeker geene vlugge, geen degelijke wijze van werken ; doch er stond mij geene andere ter beschikking. Eens ging ik naar een roomschen boekverkooper, die eenige verplichting aan mij had, en vraagde of hij mij geen werk over het Protestantisme kon leenen, „maarquot;, voegde ik er bij „het moet bepaald door een Protestant geschreven zijnquot;. De man had echter zoo\'n boek niet en ik was dus weer aan mijzelf, of liever aan God, overgelaten.
Eindelijk echter kwam het licht; het was in zekeren zin het vervolg op mijn eerste denkbeeld in de pastorie van ....
:gt;Het schijnt mij, dat de Protestanten alles verwerpen, wat mij nu verontrust; zij nemen, evenals ik, Jezus Christus aan en den Bijbel; nu kan in het Evangelie alléén de ware godsdienst van Christus te vinden zijn ; dus, als ik protestantsch werd, zou ik de waarheid vindenquot;.
Wellicht, waarde heer, komt u dit argument niet als een meesterstuk van logica voor. Maar toch zal ik nooit ophouden God er voor te danken, dat hij mij dit denkbeeld ingaf. Het was goed; het heeft mij gered! Eere zij God!
Ik zou dus protestantsch worden!
Deze kreet was het teeken tot een nieuwen strijd. Ik protestantsch ! Ik, priester, ik, geestelijke, ik een Protestant worden! Hoe verschrikkelijk, hoe schandelijk! Gij weet wel, welk een vooroordeel er in Frankrijk tegen de Protestanten bestaat, en den weerzin, dien men er voelt tegen den priester, die zijn gewaad aflegt. Maar het gewaad afleggen om protestautsch te worden, dat is eene dubbele misdaad ! Ik was overtuigd, maar niet veranderd; ik boezemde mijzelf afschuw in! Ik een Protestant! . . . Niettegenstaande dit, herhaalde mijn geweten voortdurend: »Gij moet protestantsch worden, dat is uw plicht!quot;
Toen werd ik weer door andere gedachten verontrust: »Als ik uit de Roomsche Kerk treed en den priesterstand verlaat, zoo verlaat ik tegelijk al mijne verwanten, al mijne vrienden, die den weggeloopene, den afvallige, zelfs niet meer zullen willen aanzien. Ik zal dan de
1-8
orde moeten verlaten, wier naam ik zoo lang gedragen hi-b; waar ik enkel broeders gevonden heb, met wie ik door banden van de meest oprechte toegenegenheid verbonden ben; in één woord: ik zal mijn eigen hart breken.
En waartoe ? Om door ieder veracht en met den vinger nagewezen te worden! . . . Neen, neon, niets van dit alles! Het is beter de stem van mijn geweten te smoren, mij niet om mijn\' plicht te bekommeren, dan kan ik blijven! En al draag ik dan ook de wanhoop in de ziel, niemand zal het weten; ik zal geëerd en geacht zijn. Bovendien, wie weet, — als ik maar eerst mijn geweten heb kunnen dooden — dan staan mij misschien nog kalme dagen vol vreugde te wachten! . . . En toch, indien ik blijf, zal ik niet duizendmaal verachtelijker zijn in eigen oogen, dan ik het ooit zal zijn, zoo ik uittreed, in de oogen der wereld ? Welk eene onedele rol ga ik spelen ; priester door het kleed, — een ongeloovige in het hart! Wat zal zulk een loven eene marteling zijn! — Laat mijn besluit vast staan ; ik ga vertrekken, al moest ik hier mijn hart gebroken achterlaten.
Eindelijk doemde het verschrikkelijke vraagstuk mijner toekomst voor mij op. Ik had mij zoo gelukkig gevoeld in mijn leven van priester, van zendeling. Zooals ik later aan professor Bertrand geschreven heb, kon ik niet besluiten om van de evangeliebediening afstand te doen. De onwetenden te onderwijzen, de zwakken te sterken, hen te helpen om Christus na te wandelen, weldoen aan hen, die lijden, — geene roeping scheen mij zoo schoon toe en zoo in overeenstemming met de begeerten mijner ziel. Mijn grootste wensch zou het zijn geweest, dit leven van toewijding voort te zetten ; maar dit scheen mij onmogelijk. Ik kon maar niet zoo opeens den volgenden dag predikant worden ! Ik zou weer geheel van voren af aan moeten studeeren. En, al was de leertijd nog zoo kort, ik zou er niet kunnen komen zonder geld en brood. Wie zou er mij aan helpen ? Mijne ouders ? Maar juist zij zouden niets meer van mij willen weten ; — de Protestanten ? — ik wist niet, dat zij zich iets aan de uitgetreden priesters gelegen lieten liggen. Ik kon dus alleen op mijzelf rekenen.
Ik zou vertrekken, ik zou eene betrekking zoeken . . . maar in den tusschentijd moest ik leven! Wellicht wacht mij de honger op den drempel van de kerk, die ik wil verlaten. O, kunt gij begrijpen, mijnheer, wat een priester in zulk een tweestrijd uitstaat ? Hij moet de dierbaarste genegenheden opofferen en zich aan haat en
I
10
beleedigingen gaan blootstellen; hij moet eene geachte en schitterende loopbaan opgeven om eene duistere, onzekere toekomst te gemoet te gaan. Welk eene vreeselijke gedachte! Zal hij den moed hebben dit alles te aanvaarden?
God zelf kwam mijne zwakheid ondersteunen: ik nam een onveranderlijk besluit. Van dat oogenblik af hield ik op roomsch te zijn; ik was reeds protestantsch.
Ik besloot toen om in de stad, waar ik woonde, een\' predikant te gaan raadplegen. Dit schijnt u zeer eenvoudig toe, doch wacht slechts! Ik wist immers niet eens, wat een predikant is. Deden mijne nauw onderdrukte vooroordeelen hem mij nog niet altijd in een weinig geruststellend licht zien? Zou hij mij willen ontvangen en aanhooren? En zou hij niet, na mij tetuggestooten te hebben, mijn naam bekend maken ? Ik welk een vreeselijken toestand zou ik mij dan bevinden! En, als men mij eens zag binnengaan, wat zou men dan wel zeggen ? Een priester bij een predikant! . . . Eindelijk, na lang geaarzeld te hebben, nam ik het besluit, en ging. Tweemaal liep ik het huis voorbij, zonder dat ik er durfde binnengaan. Eindelijk verzamelde ik al mijnen moed en trok aan de bel ... De predikant was uit! Een zucht van verlichting ontsnapte mij . . . Dat gevreesde onderhoud was dus uitgesteld !!
Toen ik weer in mijne kamer terug was, begon de strijd met mijn geweten opnieuw; de laatste stap was nog niet gedaan, ik kon nog terug . . . Maar het onverbiddelijk geweten riep mij toe: »Gij moet gehoorzamen, gij moet uw plicht doenquot;. Al mijne angsten, al mijne aarzelingen keerden terug. Evenals in den storm het losgeslagen stuk hout een speelbal is der woedende golven, die het telkens op den oever werpen en telkens weer terugsleuren, terwijl er met iederen stoot een nieuw stuk wordt afgeslagen, zoo scheen het mij ook, dat er met iederen golfslag van twijfel een nieuw stuk van mijn hart afgeslagen werd.
Eindelijk bleef ik door de kracht van Boven nogmaals overwinnaar een schreef ik een briefje aan den predikant F, waarin ik hem op een vastgesteld uur om een onderhoud verzocht. Mijne angsten hielden niet op: het briefje was niet geteekend, — ik kon dus nog altijd wegblijven van de samenkomst. Weer gingen er twee dagen voorbij . . . twee dagen van bangen strijd. . . . Toch ging ik er heen ! ... De heer ontving F. mij met eene liefde, die inderdaad broe-
20
derlijk was en christelijk. Hij gaf mij geheel onpartijdig raad en stelde mij ten slotte in betrekking met Professor Bertrand, directeur van de nieuwe Vereeniging, die priesters voorthelpt, welke uit geloofsovertuiging hunne kerk verlaten; welke vereeniging mij zelfs niet bij name bekend was. Dank zij deze vereeniging, was ik twee maanden later gered en kon ik met den psalmist zingen: »Mijne ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik des vogelvangers; de strik is gebroken, en ik ben ontkomen.quot; (Psalm 124 ; 7.)
Nu vraag ik mij zeiven af wat er zonder deze vereeniging van mij zou zijn geworden. Vóór ik ooit van haar hoorde, had ik reeds het besluit opgevat om de Roomsche Kerk te verlaten, om den godsdienst van het evangelie te omhelzen. Maar toch, wat zou mijne toekomst zijn geweest ? Nutteloos voor mijne broeders, nutteloos voor God, zou mijn leven altijd zonder hoop zijn gebleven, en zonder zegen.
Eindelijk kwam het bevel om te vertrekken, en ik bepaalde mijn vertrek voor den volgenden morgen, \'s Avonds tegen 11 uur keek ik voor het laatst in het spoorboekje: een trein, dien ik eerst over het hoofd had gezien, zou binnen weinige oogenblikken te middernacht vertrekken. Waarom zou ik het onvermijdelijk offer maar niet verhaasten ?
Eene hevige smart greep mij plotseling aan. Met mijn oude leven had ik dus geheel afgedaan; . . . nog éen uur en het lag voor goed achter mij! Alles, wat ik tot nu toe had liefgehad, moest ik gaan verlaten . . . alles . . . ook mijne broeders; die nu allen lagen te slapen, maar mij morgen zouden beweenen . . . Bijna voelde ik mij den moed ontzinken. Maar ik versterkte mij door het gebed, en haastte mij met mijne toebereidselen en liep weldra met mijne schoenen en mijne geringe bagage in de eene, eene kaars in de andere hand, door de lange, stille gang. Toen ik bij de voordeur kwam, vond ik die tot mijne teleurstelling gesloten .... Gelukkig was het echter een dubbel-openslaande deur. Door die te forceeren deed ik den neus van het slot wijken. Nu stond ik buiten en verwijderde mij met haastige schreden, terwijl ik angstig omkeek of ik ook werd gevolgd. Morgen eerst zouden mijne vroegere broeders een\' brief ontvangen, waarin ik hen schreef, dat zij zich niet over mij ongerust behoefden te maken. Door deze handelwijze had ik een wanhopigen strijd met hunne liefde, hunne gebeden, hunne verwijtingen vermeden, een strijd, dien ik niet had kunnen volhouden. Evenwel had He aandoening mij bijna ver-
21
lamd en vond ik mijne liclite bagage zeer zwaar! Als ik toch maar eens iemand wekte, om mij naar het verafgelegen station te brengen? . . . Maar neen! ik moest zoo spoedig mogelijk vluchten; het minste oponthoud zou oorzaak kunnen worden van een allertreurigst tooneel. Ik hing mijne beide valiesjes aan mijne parapluie en legde deze over mijn\' schouder, en nu kon ik mij gemakkelijker haasten. Ik was veel te vroeg aan \'t station; ik ging mij verbergen; mijne valiesjes bracht ik naar de garderobe, maar zelf bleef ik, niettegenstaande de felle koude, buiten op het perron, waar ik mij in een doorgang verschool. Ik had al zooveel geleden, dat ik beefde bij de gedachte aan een nieuwen strijd. Eindelijk zat ik in den waggon en reed de trein weg en . . . nog eens voor eene laatste maal voelde ik mij het hart breken ...
„Mijn God, het offer, dat ik breng, is voor U! Neem Gij mij in Uwe hoede! Bewaar ook hen, die ik liefheb en die mij liefhadden . . . die ik altijd zal blijven liefhebben en die mij nu misschien zullen gaan haten!quot;
Weldra keerde in mijne ziel do kalmte terug; ik stelde mij in Gods hand, en door zooveel aandoeningen uitgeput, viel ik eindelijk in slaap ....
En sedert dien tijd, hoewel ik nog wel vaak met weemoed aan het verleden terugdacht, heb ik toch nooit een oogenblik berouw over mijne daad gevoeld, maar was integendeel mijn hart vervuld met vreugde over het heil en het licht, dat ik zoo vurig had begeerd.
„O Heer uwe plannen zijn ondoorgrondelijk en uwe barmhartigheden hooger dan de hoogste bergen. Ik dank U, dat Gij mij langs onnaspeurlijke wegen midden uit de duisternis getrokken hebt tot Uw licht. — Ik weet nog niet, wat mijne toekomst zijn zal; maar éen ding weet ik, dat ik nooit zal ophouden, U te loven en te danken, en dat, indien Gij het aannemen wilt, mijn leven U zal zijn gewijd om U, mijn Heiland, te doen kennen en te doen liefhebben.quot;
Geachte\' Heer en Leeraar, mijn verhaal is ten einde. Ik hoop, dat het niettegenstaande de haast en de onvolledigheid er van, u toch voldoende zal doen kennen, hoe een priester met Gods hulp ontkomen kan aan het net, waarin zijne roomsche opvoeding hem sedert de jeugd \' had vast gehouden.
Gij hebt mij ook gevraagd, wat ik denk van de »Vereeniging tot hulp van bekeerde Priestersquot;\', waaraan gij u met zulk eene bewon-
dercnswaardigen ijver wijdt. Het kan wel niet anders of er moeten onder de vijftig of zestig duizend Fransche priesters vele ongelukkigen gevonden worden, wier aanvankelijke onwetendheid langzamerhand door het in aanraking komen met andere denkbeelden en personen verdwenen is, of die door eigen ondervinding en eigen nadenken, hunne noodlottige droombeelden hebben verloren, maar die, helaas, bang voor de gevolgen van een breken met Rome, ontgoocheld hun weg blijven vervolgen, terwijl ze wanhopig tegen zichzelf zeggen : „Het is te laat om er uit te gaan, het is te laat.quot; En . . . zoo gaan ze verloren! En aan wie de schuld ? Aan henzelven ? Eer men het waagt hen te veroordeelen, moest men eerst de bijna onoverkomelijke bezwaren kennen, die zich aan hunne bekeering in den weg stellen. De fout ligt aan het roomsche systeem, dat den priester zulke enge banden aanlegt. Zij zelf zijn niet de schuldigen, maar alleen de slachtoffers. Anderen, die meer moed hebben, zullen hun dagelijksch brood gaan zoeken in een beroep, waar niets hen aantrekt dan de kans om niet van honger te sterven! En hierin slagen zij niet eens altijd. Men zegt, dat er te Parijs meer dan tweehonderd gewezen priesters huurkoeteier of kruier zijn. Alleen, zonder bescherming, zonder fortuin, hebben zij, om aan dei! honger te ontkomen, een dier baantjes gevonden, die voor de ongelukkigsten openstaan. Het zou eene schreeuwende onrechtvaardigheid zijn, die toch helaas maar al te dikwijls wordt begaan, te meenen, dat bij allen hun wangedrag hieraan schuld had. Integendeel, velen hebben op edele wijze hun\' plicht volbracht, door eene kerk te verlaten, waarin hun geweten hen verbood langer te blijven. Ach, indien er voor hen eene vereeniging bestaan had, die hen hielp, eene vereeniging, die hen zeide: „Gij hebt u opgeofferd voor uwe broeders; maar uwe opoffering was nutteloos, schadelijk zelfs, omdat zij niet op de waarheid was gegrond. Gij hebt gewerkt voor rekening van Rome, en dus ter bevordering van dwaling en heerschzucht. Uwe bekeering is een martelaarschap voor u geweest, omdat gij meendet genoodzaakt te zijn een leven van toewijding en apostelschap vaarwel te zeggen, dat u dierbaar was. Welnu, doet er geen afstand van! Wordt integendeel ware apostelen van Christus, brengt menschen, uwe broeders, aan de voeten, niet van een mensch, met de pauselijke driekroon versierd, maar van den Verlosser, aan het kruis gestorven; en dan eerst zult gij het Apostelloon ontvangen.quot;
Indien men zoo tot hen gesproken had, zouden velen het met
23
vreugde hebben aangenomen, en hoeveel zielen zouden dan gered zijn ; hoeveel goed zouden zij dan gedaan hebben!
Tegenwoordig bestaat er eene dergelijke vereeniging en gij doet uw best om haar te doen leven en bloeien ! Het zij eenen voor-maligen priester vergund, u er voor te danken! Wat mij betreft, ik heb mijzelf de gelofte gedaan, dat zoolang er warmte zal zijn in mijn hart en een woord op mijne lippen, dat hart zijne warmte zal geven om het zedelijk leed van mijne vroegere broeders mede te lijden, terwijl mijn woord mijne tegenwoordige broeders zal toeroepen: »Hobt mede-doogen met die arme priesters, wien de vrees voor de toekomst belet om tot Jezus te komen, of wien, als zij zich bekeerd hebben, niet anders dan een ellendig leven wacht!quot;
Hebt medelijden ook met dien Heiland, zoo onbekend, zoo vergeten! Door mede te werken aan het behoud van deze priesters, van wie velen uitstekende medearbeiders zullen worden in het .Evangelie, draagt gij machtig bij tot den roem, tot het Koninkrijk, van Christus.
NEUCHaïEL, 24 Maart 1894.
De lezers der voorgaande bladzijden zullen gemakkelijk begrijpen, hoeveel belangstelling de schoone Vereeniging tot verschaffing van hulp aan bekeerde priesters in ieder christenhart behoort te wekken. Wie weet of bij haar niet in de toekomst de evangelisatie van Frankrijk berust. Ik beveel haar aan in de barmhartigheid van alle discipelen van den Heer.
E. MOREL,
predikant oi hoorjleeroar.
NASCHRIFT van de „Nederlandsche Hulpvereeniging van het Oeuvre des prêtres convertisquot;.
Dit boekje wordt door ous uitgegeven om de reis voor te bereiden, ivelke de schrijver in de maand Maart door ons land hoopt te doen.
\'t Is echter geenszins een hoekje, dat maar alleen cds zóódanig zijn nut heeft.
Het doel een diepen blik slaan in den hevigen xielestnjd, dien een priester te voeren heeft, zoodra zijne oogen geopend worden voor de onhoudbaarheid van het sgsteem, waarin hij is opgevoed, en rooi- de onschriftuurlijke leer, waarin hij onderwezen irerd. Heeft hij dit eenmaal ingezien, dan vraagt hij van zelf: waar is dan wèl de waarheid te vinden ? Gelukkig, indien hij dan de Schrift ter hand neemt ■— dan blijft hem een smartelijke omweg bespaard!
Wij zouden wel ivenschen, dat alle roomsche priesters dit boel,je la-.en en dat ;e deden als Bonhomme, pastoor tS St. Palais: hunne schapen den weg wijzen, en jiet hen Rome verlaten. Wij moeten medelijden hebben met cd die priesters, omdat zij run het heerlijk licht des Evangelies verstoken zijn. Voor hen, gelijk voor alle Ttoomschen, is de Heer niet omgeven, maar gescheiden door een wolk van getuigen. (Hchr. 12 : 1)
Wij hopen ook, dat dit geschrift overtuigen quot;.al van het nut der Vereen iging, en dat menigeen zich opgewekt xal gevoelen om lid of begunstiger te worden. Er zijn zooveel vereenigingen, waaraan Christenen noodeloos bijdragen, terwijl ze- hun geld beter konden besteden door het voor zuiver christelijke doeleinden te gebruiken. Hiervoor klopt men vergeefs bij de wereld aan, zelfs voor de uitwendige zending, hoewel beschaving, handel en taalwetenschap er door bevorderd worden!
Laat menigeen, die zegt: „ik kan niet meer bijdragenquot;, dan eens nagaan, of hij soms cene contributie betaalt, waarmede, hij de ■uitbreiding van Gods koninkrijk niet bevordert.
En ivat nu onze Hnlpvereeniging betreft — men \'.egge niet: „ze is onnoodig, omdat er op \'l oogenblik geen priester komt opdagen\'\\ Hoe weet men, dat geen enkele priester in hevigen zielestrijd is ? Ook in ons land zijn er in deze eenre tot kennis der te aarheid gekomen.
In Frankrijk zijn er nu in 70 jaar 60 geholpen ; veel meer zijn er afgewezen, en men verzekert, dat er alléén in Par ijs een 200 zijn, die hunne kerk verlieten vóór de Vcreemging hestond, en die zich nu mei de minste baantjes moeien vergenoegen. Hoevelen zijn tegen wil en dank er in gebleven .\' Hoevelen worstelen mei hun geweten, n iet wetende, dai de Verccniging bestaat ?
In Italic i.% mul* tic ,,eenheidquot;, het aantal reel groot er.
In. Spanje zijn er cerscheidenen, die het juk morde zijn en velen zfjn reeds v/ityetredèn, zooals de voormalige biechtvader der Koningin.
In Ierland is de ex-priester Cunnelan rol goeden nwed, dat zijn voorbeeld weldra gevolgd zal worden.
In Engeland zijn vele geestelijken, waaronder meinnen ran naam, tol de Staatskerk teruggekeerd.
In Duitschland is een overgang cds van Yon Roensbroexh een (joed sem.
In de Vereenigde Stalen ten slotte, zijn Chiniqui en O\'Connor veler voorgangers geweest. Deze laatste geeft een uitnemend maandblad uit „The Converted Catholicquot;, {dat zelfs in de „Propagandaquot; te Bome gelexen wordt!) dat bijna in elke aflevering een nieuwen priester vermeldt, die in Christ\'s Mission getuigenis heeft afgelegd. Door den evangeliedienst van Chiniqui zijn 72 priesters en 43000 leeken protestantsch gen-orden, door dien van O\'Connor 50 priesters en eveneens duizenden leeken. De R. Kerk verloor in Amerika in deze eeuw 20 milliocn zielen, volgens getuigenis ran den roomschen bisschop Elder op het godsdienstencongres.
En rerder is er haast geen land, waar niet eenigc overgangen van geestelijken zijn te melden.
II \'ij hebben dus goeden moed. v,
De grond onzer rereeniging is: het geloof in Jezus Christus, als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker (als voodanig kennen de Roomschen Hem niet!), overgeleverd om onze ;onden en opgewekt om onze rechtvaardiging.
U ie dd onderschrijft kan lid worden, en betaalt dan f 2,50 of meer per jaar. Wie het niet onderschrijft of geen f 2.50 per jaar wenscht te contribueer en, kan ons evenwel steunen door eem bijdrage en wordt dan begunstiger.
Het Dagelijksch Bestuur:
J. Quast, Ned.-Herv. Pred. te Utrecht, Voorzitter.
H. J. Schouten, „ „ te Ommeren (bij Tiel) Secretaris.
Dr. P. J. Mui.lee, Waalsch Pred. en Em. Hoogl. te Haarlem,
Penningmeester.
Verder bestaat het Bestuur uit de ll.H.:
P. Groote, Ev. Luth. Pred. te Utreclit.
A. B. Ter Haar Romeny, Ned.Herv. Pred. te Middelburg.
S. J. Richard, Waalsch Pred. te Amsterdam.
D. Snijder, Horst. Ev.-Lutli. Pred. te Gorinchem.
Dr. S. D. van Veen, Hoogleeraar te Utrecht.
P. J. Wauters, Ned.-Herv. Pred. te Langer- en Korter-Aar.
Onze directeur is de Heer L. J. BERTRAND, Era. Hoogleeraar, Boulevard Bineau 86, Neuilly.
Ter voorkoming van eventueele vitterijen in roomsche bladen zij hier nog medegedeeld, dat de verklaring van bisschop Elder (van Cincinnati) niet door hem zelf werd voorgelezen op \'t congres te Chicago, maar door een ander, zooals meer op congressen geschiedt, en wel door eene nicht van hem. \'t Stuk werd gedrukt in de „Catholic Telegraphquot;, te Cincinnati verschijnende, met de bewijzen er bij.
,