-ocr page 1-
-ocr page 2-

Kast 432

PI. G N» 16

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HET GODSDIENSTIG LEVEN.

EEjSTE SCHETS

DER

CHRISTELIJKE GELOOFS- EN ZEDELEER,

DOOR

Tj. KIEL.STRA,

Leeraar te Middeleurg en Vlissingen.

TWEEDE HERZIENE DRUK.

-s-o-g)-

AMSÏERD AM, P. N. VANquot; KAMPEN amp; ZOON. 1890.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

EEN WOORD VOORAF.

Wat mij den moed gaf deze schets uit te geven, kau ik met weinige woorden zeggen. Er was geen handleiding, waarin ik mij geheel thuis gevoelde. Ik vond niet, wat ik zocht, of de vorm waarin het gegoten was, kon mij niet voldoen. Dit deed mij bij mijne oudste en beste leerlingen mijn toevlucht nemen tot dicteeren. Zoo ontstond langzamerhand een geheel. Polemiek vermeed ik daarbij zooveel mogelijk. Deze levert veelal slechts negatieve resultaten en aan iets positiefs hebben jonge menseheu vooral behoefte.

Het was mijne bedoeling niet dat zoogenaamde geloof van sommigen te beschrijven, »hetwelk enkel eene geneigdheid is om historische stellingen aan te nemen op onvoldoende gronden,quot; maar dat geloof, hetwelk Christus van zijne leerlingen verlangde — die standvastigheid der ziel om ten spijt van twijfelingen, van bezwaren, zelfs van wanhoop, zich vast te klemmen aan alles, wat zij als het beste heeft leeren kennen, dat recht Christelijk geloof, waarvan iemand heeft gezegd, dat het mocht heeten: »het onwrikbaar besluit om te staan of tc vallen met de edelste hypothesequot; \') en dat werkelijk een zich met hart en ziel vastklemmen is aan wat er edels en groots in de wereld om ons en in ons is.

Van verschillende zijden werd ik tot de uitgave aangemoedigd, nadat ik de korte schets of het manuscript ter lezing had aangeboden.

l) Fortnightly Review 1883.

-ocr page 8-

Inzage van den verkorten inhoud namen Prof. Dk. J. G. de Hoop Scheffer en Ds. A. H. van der Hoeve te Keppel en van het manuscript bovendien Ds. Jb. van Gilse te Groningen. Dat hunne opmerkingen mij voor meer dan eene klip behoedden en mijn boekje ten goede kwamen, wensch ik hier dankbaar uit te spreken.

Mochten er onder mijne ambtgenooten zijn, die deze handleiding kunnen gebruiken, zij zou er zeker bij winnen.

Hunne zeker mogelijke eu zeer welkome aanmerkingen zou ik niet ongeacht ter zijde leggen, maar met voordeel trachten te gebruiken. Daarvoor beveel ik mijn geesteskind van harte aan.

Dus schreef ik in 1883 voor den eersten druk. Ik heb er niet veel bij te voegen. Mijn dank aan hen, die het boekje in verschillende tijdschriften zoo welwillend en gunstig beoordeelden. Mijne erkentelijkheid betuig ik ook aan hen, onder mijne ambtsbroeders, welke mij met hunne opmerkingen tevens zoo menig bewijs van sympathie gaven.

Het zal den belangstellenden lezer blijken, dat hier en daar veel is veranderd, al bleven geest en richting dezelfde. Op enkeier verzoek heb ik aan het einde een aantal vragen laten afdrukken. Men meende, dat het boekje daardoor in bruikbaarheid bij het onderwijs zou winnen. Blijke dit ook het geval te zijn!

Dat het werkje ook in zijn nieuw gewaad belangstelling wekke en nut stichte, wenscht, ook met het oog op den lagen prijs, de Uitgever en niet minder vurig

Middelburg, 14 April 1890. DE SCHRIJVER.

-ocr page 9-

r tnt l i o u n

Bladi.

Een woord vooraf.

Inleiding............................................1 — 7

DEEL I. De Christelijke Geloofsleer........................8—70

Hoofdstuk I. Be mensch..................................8—18

1. De Natuur......................................8

2. De mensch en de overige schepselen................10

3. De mensch een gemeenschapswezen........12

4. \'s Menschen zinnelijke en geestelijke natuur. ... 15

Hoofdstuk II. De mensch en het leven..........18—28

5. De mensch en het leven.............18

(j. Het optimisme..................20\'

7. Het pessimisme.................21

8. Betrekkelijke waarheid van het pessimisme boven bet optimisme...................22

9. Het geloof...................26

Hoofdstuk Hl. Rechtvaardiging of grondslagen des geloofs . 28—47

10. Eedelijk geloof.................28

11. Het gemoedsleven................30

12. Eigen geloof..................33

13. Uitnemende personen, heroën, profeten......35

15. Jezus Christus.................39

10. Het Christendom................43

17. Wetenschap en Kunst..............45

Hoofdstuk IV. Het geloof aan God............47—57

| 18. „Godquot;.....................47

19. Kennis van God................50

i 20. Eigenschappen van God......... . . 54

i_

-ocr page 10-

Jïladz.

Hoofdstuk V. De mensch en het menschelijk leven in het

licht van hel godsdienstig geloof. .... 57—70

21. Het Geloof wijst op een levensdoel.......57

22. Het Geloof heiligt de levenssmart................59

23. Terugblik...................fi8

DEEL II. De Christelijke Zedeieer.............71—129

Hoofdstuk VI. Het zedelijk goede............71—80

24. Geloof en Zedelijkheid, Geloofs- en Zedeieer ... 71

25. Het zedelijk goede of het hoogste goed..........72

26. Het geweten....._..........• ■ •

27. Verdeeling van het zedelijk leven........78

Hoofdstuk VII. Het zedelijk leven, voor zoover het meer on-dellijk schijnt samen te hangen met onze geloofsvoorstellingen..........80 — 91

A. Godsdienstige gezindheden........80 — 87

28. Gevoel van afhankelijkheid van God.......80

29. Lijdzaamheid en berusting in Gods wil.....81

30. Blijdschap in God...............83

31. Tevredenheid en dankbaarheid jegens God .... 85

32. Vertrouwen op God..............85

33. Ootmoed tegenover God............80

B. Godsdienstige handelingen........87 — 91

34. Eerbied voor God. Vereering van God......87

35. Gebed,...................88

Hoofdstuk VIII. Het zedelijk leven voor zoover het ■quot;■persoonlijkquot; kan worden genoemd .... 91 —104

36. Het besef van persoonlijke waarde........91

37. Zelfstandigheid................93

38. Moed, geduld, volharding............94

39. Nauwgezetheid.................96

40. Waarheidsliefde en goede trouw.........97

41. Onze arbeid, ons werk.............99

42. Zorg voor het lichaam en voor het tijdelijke . . . 102

Hoofdstuk IX. Het zedelijk leven voor zoover het de gemeenschap betreft...........105—129

A. Het zedelijk leven in de Maatschappij. 105—115

43. Aansprakelijkheid voor anderer lichamelijken en geestelijken toestand..............105

44. Openbare zedelijkheid.............106

45. De plicht der waardeering van onze medemenschen. 108

46. Waardeering van anderer oordeel over ons . . . .110

-ocr page 11-

Bladz

47. Eerbiediging van anderer rechten........111

48. Gezindheden jegens den naaste.........114

B. Het zedelijk leven in den Staat.....115—121

49. Het ontstaan en doel van den Staat.......115

50. Burgerplicht..................118

51. Wet en Overheid...............119

C. Het zedelijk leven in het huisgezin . . 121—129

52. Het huiselijk leven...............121

53. Ouders....................123

54. Kinderen...................125

55. Huisgenooten.................127

Aanhangsel.................129

DEEL III. De ontwikkeling en aankweeking van het godsdienstig leven..................130—150

Hoofdstuk X. Gevaren en ziekten van het godsdienstig leven. 130—135

56. Gevaren, die het godsdienstig leven bedreigen. . . 131

57. Ziekten, die het godsdienstig leven belemmeren . .133

Hoofdstuk XI. Aankweeking van het godsdienstig leven . 135—150

58. Huisgezin, school, catechisatie..........135

59. Aansluiting aan anderen. Kerkelijk en gemeentelijk leven.....................137

00. Godsdienstoefeningen..............140

öl. Vormen en plechtigheden............142

t)2. Beoefening van Wetenschap en Kunst, enz. . . . 144

ö3. Inwendige en uitwendige zending........147

(34. Besluit....................148

Vragen.........................151—lü5

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEIDING.

Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten,

Die \'t zinkend hart des menschdoms schoort,

Die t opvoert naar een hooger oord.

Die \'t vastklemt, als een stam zijn loten.

Als moederarmen \'t schreiend wicht.

Aan de eerste bron van liefde en licht.

Die \'t opheft, als het dreigt te zinken

In \'t slijk, waarin het zich bewoog.

Daar is een kracht, die \'t scheemrend oog

Omhoog richt, waar \'t de Ster ziet blinken,

Die aan de kim der toekomst rijst,

Op d\' adel van onze afkomst wijst,

En vast doet houden aan \'t begeeren.

Om tot die afkomst weer te keeren !

Daar is een gloed, die alles kleurt

En \'t laagste hoog maakt. Die het leven.

Door winterproza wreed ontgeurd.

De lenteschoonheid weer kan geven. \'

Een adem, die verloren frischheid toovert...

Geschonden reinheid rein wascht, als weleer ...

En op de macht van \'t kille heden, weer

Het waas van \'s levens eersten droom herovert.

Daar is een hand, die wenkt en noodt

Om weer te keeren, waar wij waren,

Yoor ons deze aarde een wijkplaats bood,

Voor weinig ras vervlogen jaren.

Daar is een stem, die hoorbaar fluistert:

„Ginds, ginds, daar waart ge en keert ge weer I

..Ras valt de keten, die u kluistert;

„Dra ziet ge op aarde en stof, als korte droomen neer Iquot;

Die kracht, die gloed, die hand...

\'t Is, zegt de dichter, tpoëxiequot;, en zonder haar noemt hij het leven »dor en guurquot; en het leven zonder haar, heet hij geen leven.

1

-ocr page 14-

2

Een lofdicht op de poëzie alzoo ! Kunnen wij daarmede instemmen ? Ts dit lied voor ons iets meer — en kan het iets meer voor ons zijn — dan een woorden- en klankenvloed ? Dat kan er naar zijn. Het hangt af van de bepaling, die wij geven van »poëziequot;.

Is deze voor ons slechts iets denkbeeldigs, iets, dat in de lucht hangt, dat geen werkelijkheid tot achtergrond heeft, dan, neen, dan is dit gansche lied voor ons slechts een spel van woorden zonder meer. Maar kunnen wij bij «poëziequot; denken aan een «innerlijk wel te moede zijn,quot; aan een »vrede hebben met het leven,quot; aan »een verzadigd zijn en ruste hebben van onze zielquot; — dan vertolkt ons dat lied, in zeer schoone bewoordingen, de zaligheid, de hoogste vreugde, die een mensch op aarde smaken kan.

Wijst dit lied ons op wat de dorst en den honger onzer ziel kan opheffen, en om de verwerving waarvan ons hart roept, als »het hert naar de frissche waterstroomenquot; (Ps. 42), »als een zwerver in de onafzienbare woestenij om lafenisquot; (Ps. 63 : 2), dan is het ons goed. Dan zegt het ons veeleer nog te weinig in plaats van te veel van \'s menschen hoogste goed. Maar dan aarzelen wij ook niet, om den laatsten regel door ons aangehaald, aldus te lezen: »Die kracht, die gloed, die hand,quot; is het geloof, is de godsdienst. — Want godsdienst is inderdaad niets anders, dan de opheffing van de onrust en den onvrede van het men-schelijk hart.

De godsdienst behoedt ons voor vertwijfeling, voor het doo-dend gevoel, dat wij slechts vreemdelingen en ballingen zijn hier op aarde.

Waar wij dreigen te verzinken in alledaagschheid en geestelijke armoede, in slechtheid of laagheid, daar heft de godsdienst ons op en spreekt van onze hooge waarde, van onze hooge afkomst.

De godsdienst bewaart of hergeeft het leven zijne frischheid, zijne reinheid, zyne natuurlijkheid, zijne warmte. De godsdienst maakt, dat wij ons betrekkelijk kort bestaan op deze wereld, ondanks zijne moeilijkheden, moedig en waardig zullen besteden, krachtig en hoopvol zullen uitleven.

De godsdienst blijkt heel de geschiedenis door eene kracht, die den mensch tot wonderen in staat stelt.

-ocr page 15-

3

Godsdienst is de vrucht van \'s menschen zoeken en trachten naar rust, naar vrede en harmonie. Als zoodanig is de godsdienst dan ook zoo oud als het menschelijk geslacht. Zoodra de mensch uit zijn eersten droom ontwaakte, het onbewuste natuurleven ontgroeid was, peinsde hij over zijn eigen wondervol bestaan. Waarom, waarvoor, waartoe? Ziedaar de vragen, die niemand — geen denkend mensch althans — van zich wijzen kan ; die ons bijna dreigend een antwoord afeischen. De geslachten, die kwamen en gingen als het gebladerte der boomen, hebben er rusteloos een antwoord op gezocht. En al was dit vaak niet veel meer dan een stamelen slechts, en al verschilde het antwoord van den eenen mensch vaak hemelsbreed van dat van den anderen, van het eene volk van dat van bet andere, er ligt toch in dat streven zelve reeds iets stichtends en eerbiedwaardigs.

De godsdienst is met de menschheid opgegroeid. Hij hield gelijken tred met den ontwikkelingsgang des geestes. Evenals alle geestelijke goederen des menschen heeft de godsdienst zijne geschiedenis. In den beginne was de godsdienst zwevend, onbestemd, onzeker ; — een volgen (evenals bij de vervulling van iedere andere lichamelijke of geestelijke behoefte) slechts van den drang van het oogenblik. Wanneer de stormwind raasde door het woud, of de bliksem met ratelend geweld het wolkengordijn dat den hemel bedekte, verscheurde, dan boog de mensch het hoofd, overmeesterd door het vol gevoel zijner kleinheid en nietigheid tegenover de machtige natuur. Maar toen de mensch zichzelf steeds meer bewust werd, werden zijne eerst zwevende en onbestemde voorstellingen, die in fetisch- en natuurdienst zich openbaarden, langzamerhand helderder, duidelijker, redelijker.

De godsdienst, — als wij hier dat woord reeds mogen gebruiken — werd omschreven, beredeneerd, verklaard, verdedigd of weerlegd, gewijzigd en verbeterd, soms ook bedorven. Dit geschiedde natuurlijk in den regel onder den invloed der meest ontwikkelden, der meest denkenden. \') In meerdere of mindere mate oefenden de denkbeelden van deze personen — priesters,

1) Consuetudo et roligio non omnibus est eadem.

-ocr page 16-

4

wijsgeeren, profeten — invloed uit op de voorstellingen der menigte, »der scharequot;, met wier nood zij waren begaan. Het persoonlijk gezag dier mannen bewerkte somtijds dat deze of gene stelling met graagte werd aangenomen. Zoo onstond langzamerhand een min of meer afgerond stelsel, eene bepaalde godsdienstleer. Wederom beproefden de besten en uitnemendsten het gebrekkige daarin te verbeteren. Men ging de vrij algemeen gangbare leer bestrijden of bevestigen, al naarmate men vreesde voor of hoopte op verandering van wat reeds zeer spoedig, in de allervroegste tijden, een macht in de maatschappij bleek te zijn. (Volks- en wereldgodsdiensten.)

De godsdienst — die nu eens met meer, dan eens met minder recht dien naam draagt —- is een algemeen zich voordoend verschijnsel. Geen volk bijna, hoe woest, hoe verwilderd, hoe onbeschaafd ook, of er vertoonen zich althans de sporen van godsdienstig leven, en reeds in de oudheid was men door dit verschijnsel (consensus gentium) zoo getroffen, dat men er zich op beriep, wanneer men het goed recht van den godsdienst wilde verdedigen \'). Niet geheel ten onrechte; ook voor ons ligt in de algemeenheid van den godsdienst eene bemoediging, een steun voor ons geloof. Wij ook zien daarin, dat de dorst der ziel naar het ongeziene eene echt natuurlijke, eene echt men-schelijke, eene waarachtige is. 2)

Kan deze behoefte vervuld worden ? Er zijn er, die het betwijfelen, maar wij, wij gelooven, dat eene behoefte zoo algemeen, zoo echt menschelijk, zoo natuurlijk, moet en kan bevredigd worden. Wij antwoorden op deze vraag met een volmondig :ja.

Eene wetenschappelijke omschrijving en heredeneering en beoordeeling van den godsdienst zyn echter in elk geval noodig, voor geloovigen zoowel als ongeloovigen. Immers hoe overigens ons

\') „Nee ulla gens usquam est adeo extra leges moresque projecta, ut non aliquos Deos credat.quot; (Seneca. Ep. 12.) „Nulla gens tam fera, nemo omnium

tam immanis, cujus mentem quot;non imbuerit Deorum opinioquot;......„Omni

autem in re consensio omnium gentium lex naturae putanda est.quot; (Cicero. Tusc. Quaest. I, 13. 30.)

\') Wilt gij van geen Christenleeraar hooren, dat de godsvrucht de natiën verhoogt, huisgezinnen opbouwt, harten reinigt, zielen behoudt — gaat tot het heidendom en wordt wijs. Socrates zal u leeren, Cicero hem voor u nazeggen, dat de ..Vreeze der Godenquot; een bolwerk voor de samenleving is. (Busken Huet.)

-ocr page 17-

5

oordeel over de waarde en beteekenis van het godsdienstig leven ook moge zijn, hierin zullen voor- en tegenstanders toch zeker wel overeenstemmen, dat de godsdienst ten allen tijde een gewichtig verschijnsel, eene kracht, een macht bleek te zijn.

Geen verschijnsel op geestelijk gebied heeft meer de harten bewogen en de wereld in beroering gebracht en geen verschijnsel ook heeft meer invloed uitgeoefend op, meer stem gehad in den ontwikkelingsgang — in den ontwikkelingssiryVZ — van ons geslacht.

A an hoeveel belang het voor den igeloovigequot; bovendien is, heldere en duidelijke voorstellingen omtrent het godsdienstig geloof te hebben, en vooral in onze dagen, springt in het oog. Dan zal geen twijfel hem zoo licht overmannen en het marktgeschreeuw van velen zal hem in zijn geloof niet doen wankelen. xGelooven op gezag past niet in onze dagenquot;; het valt en moet vallen. Een eigen redelyk geloof is en moet de leuze zijn. Een eigen geloof alleen kan bergen verzetten en stand houden tegenover den geest des tijds, die meestentijds ontkent.

De wetenschap van het godsdienstig leven — die ons wil beschrijven de (jeschüdenis van het verschijnsel, dat wij godsdienst noemen, — voorts ons zijne waarde wil doen beoordeelen, — en eindelijk ten doel heeft de rechtvaardiging en Handhaving van den godsdienst, indien deze mogelijk is; — de godsdienstwetenschap behoort tot de anthropologische wetenschappen (die den mensch tot voorwerp van hun onderzoek hebben) en wel tot de wijsbegeerte \').

De wijsbegeerte toch wil, evenals de godsdienst-wetenschap, ons eene verklaring geven van het hoe en waarom der ons omringende wereld, ja, van het heelal. Maar om het heelal te begrijpen en te verklaren, zou men het heelal, alles, moeten kennen en »wij kennen slechts ten deelequot; (1 Cor. XIII : 9). lot op zekere hoogte geldt dit ook van den godsdienst. Zou

^ Anthropologische wetenschappen zijn: anatomie, anthropografie, ont-leedkunde; anthropochemie, scheikundige samenstelling van het menschelijke lichaam ; anthropophysiologie, beschrijving der fnnctiën en bedoeling der enkele deelen van het menschelijke lichaam en van het geheel; anthropogenie, het ontstaan van den mensch en der verschillende rassen; voorts volkenkunde, taalkunde, taalleer, kunstgeschiedenis en de geheele cultuurgeschiedenis, of geschiedenis der beschaving en de n-ijsheyeerte.

-ocr page 18-

6

onze godsdienst-wetenschap volkomen zijn, wij zouden alles moeten kunnen overzien. Uit enkele begrippen en voorstellingen kan geen wereld- en levensbeschouwing worden afgeleid, ten minste niet eene, die volkomen is. \')

De wijsbegeerte \') en dus ook de godsdienst-wetenschap hangt in zooverre met alle andere wetenschappen samen, dat zij hare resultaten, hare eindstellingen niet zal vaststellen, eer zij die der andere wetenschappen heeft geraadpleegd.

Zijn deze in strijd met hare gevolgtrekkingen, dan zal zij vragen, of deze misschien ook «hypothetischquot;, onbewezen zijn, in welk laatste geval zij natuurlijk hare uitkomsten met vertrouwen zal trachten te doen aannemen. Bovendien is het belang der andere wetenschappen voor de godsdienst-wetenschap zeer groot, omdat de geest des menschen eerst door de wetenschap tot zijn recht komt, zijne hoogten en diepten, zichzelf bewust wordt.

De godsdienst-wetenschap splitst zich vanzelf in twee deelen. Zij heeft een historisch-kritisch deel (de beschrijving van de geschiedenis, van den ontwikkelingsgang van den godsdienst en de beoordeeling van de waarde der verschillende godsdienstvormen, stelsels, enz.) en een systematisch deel (waarin zij het godsdienstig leven onzer dagen tracht te omschrijven). Dit tweede of systematische deel noemen wij de godsdienstleer. Over haar zullen wij in dit boek handelen. 1)

De godsdienstleer, wier taak dus is, een voor onzen tijd passenden vorm voor het godsdienstig leven te zoeken, splitst zich wederom in twee deelen. 2)

Het eerste handelt over onze godsdienstige voorstellingen (over haren grond, haren inhoud en hare waarde) en het tweede omschrijft den invloed onzer godsdienstige voorstellingen op het mensche-

1

) Beide zijn even belangrijk. Cf. Hoekstra. Bronnen en Grondsl. p. 872, v.

2

) Geloof is vertrouwen en daarom naar de theoretische zijde: overtuiging en naar de practische: overgave. Ph. R. Hugenholtz. Studiën p. G7.

-ocr page 19-

7

iijke leven. Het eerste deel moet trachten ons leven te verklaren (een wereld-en levensbeschouwing, hoe gebrekkig ook, is noodzakelijk!) het tweede handelt over de inrichting van ons leven. Het eerste deel noemen wij de Geloofsleer, het tweede de Zedenleer. In een derde deel handelen wij dan nog over de vraag: hoe wij het godsdienstig leven (geloof en zedelijkheid) voor ondergang behoeden, krachtig aankweeken en versterken kunnen ? \')

gt;) Men kan de Geloofs- en Zedenleer niet altijd geheel van elkander scheiden. De Zedenleer hangt geheel af van onze godsdienstige voorstellingen. (Godsdienst en zedelijkheid zijn één — godsdienst; — zij zijn „als twee cirkels, die elkander snijden en dus noodzakelijk een deel van hun gebied gemeenschappelijk hebben.quot; Hoekstra.)

-ocr page 20-

DEEL I.

DE CHRISTELIJKE GELOOFSLEER.

HOOFDSTUK I.

DE MENSCH.

I. De Natuur.

Het woord natuur wordt door ons in meer dan ééne beteeke-nis gebruikt. Wij spreken, doelende op dezen of genen mensch, van eene »goede of slechte natuur,quot; en denken daarbij aan zijn karakter, waardoor wij ons aangetrokken of afgestooten gevoelen. In de uitdrukking »natuur en waarheidquot; denken wij aan het tegenovergestelde van onnatuurlijkheid en onwaarheid, aan het tegenovergestelde van ontrouw aan zijne bestemming, van gemaaktheid, ongevoeligheid of slechtheid. Soms bezigen wij het woord (§ 8 a en § 19 u) in de beteekenis »van de ons omringende natuur.quot; Het heelal uitgezonderd de mensch en het menschelijke. Wij kunnen het woord echter ook gebruiken in den meest algemeenen zin. Wij kunnen er de geheele schepping mede aanduiden, de mensch en het menschelijke daarbij gedacht. Zoo b.v. in deze §, waarboven wij het korte opschrift plaatsten »de Natuur.quot; Wij bedoelden daarmede de som van alle voorwerpen en verschijnselen, die wij middellijk of onmiddellijk kunnen waarnemen. »De natuurquot; (het woord dus genomen in zijne meest omvattende beteekenis) ligt voor ons open, als een opengeslagen boek, waarin het ons gegund is te lezen, — veel of weinig, al naarmate wij ons geoefend hebben.

Wy ontwaren eene oneindige verscheidenheid van zaken. «Weiden en dreven zijn met gras en kruiden begroeid en over de heuvelen strekken de bosschen zich uit met hunne struiken en boomen. In het dal schittert de zilveren stroom,quot; die de velden lekt en ver-

-ocr page 21-

9

kwikt en onderwijl voortschiet naar de eeuwige zee. Hoog in den dampkring zweven dunne wolken, door de zon verguld en gekleurd. »Nergens rondom ons is rust of stilstand; de bladeren en takken wiegelen en ritselen, de golven rijzen en dalen, overal bijna ontwaren wij het komen en gaan van tallooze dieren. Welk eene menigte voorwerpen, welk eene eindelooze verscheidenheid van verschijnselen! Waar zullen wij de lezing in dat wonderlijke boek beginnen ? Waar vinden wij het einde ? Inderdaad die menigte brengt ons in verwarring en die verscheidenheid doet ons duizelen. Wij verliezen bijna den moed er mede aan te vangen. Maar nog is het einde niet. Onze zintuigen ontdekken ons nog een aantal bijzonderheden. Wij voelen, hoe het eene voorwerp hard, het andere zacht is; dat het warm of koud, vast of los is. Wij xien groote en kleine dingen, in onze onmiddellijke nabijheid of in eene matelooze verte. Deze zijn doorzichtig, andere niet. Wij Tiooren velerlei geluiden, aangename of onaangename. Wij ruiken sommige voorwerpen en andere niet. Wij proeven den eigenaardigen smaak van spijs en drank, enz.quot;

De »uatuurquot; openbaart zich aan ons op nog andere wijze. Hier ligt zij doodsch en levenloos, woest en grillig, als vormloos en doelloos terneder, en daar is het of een geheimzinnige hand baar plotseling heeft aangegrepen om haar te ordenen en te regelen, te vormen en te kneden. Er zijn streken op aarde, waar alles schijnbaar neder-ligt in een eeuwigen slaap. »Het is alsof het niet ware.quot; Wij denken b.v. aan woestijnen onafzienbaar groot, waar noch planten- noch dierenleven zich voordoet; aan bergen hemelhoog, maar naakt en kaal, van harden rotssteen en aan den top met eeuwige sneeuw bedekt. Zeker, dit doodsche en onbewegelijke is slechts schijnbaar, want ook in die wanordelijke en levenlooze massa\'s heerschen ivet-ten. Ook in het voorhoofd der meest harde rotsen ploegt de tijd zijne diepe voren en het zand der woestijnen is bewegelijk, als de zee.

Om in dat grootsche en schoone boek der natuur te kunnen lezen, is het noodig, dat wij de stof verdoelen. Het is onmogelijk alles te gelijk te overzien. Er staat op ééne bladzijde reeds zooveel te lezen en zoo van alles door elkander, dat wij den inhoud niet met ééneu greep bemachtigen en in ons opnemen kunnen. Daarom spreekt men van delfstoffen, planten en dieven of ook van de bewerktuigde en onbeiverktuigde natuur. Nevens deze ver-deelingen zouden wij ook nog de volgende kunnen plaatsen.

-ocr page 22-

10

Wij kunnen spreken van eene zinnelijke of tastl)are natuur, die onze zintuigen ons doen kennen, die voor zintuigelijke waarneming vatbaar is (voor voelen, zien, hooren, proeven, ruiken) en van eene onzienlijke, niet tastbare wereld, die voor onze zintuigen ontoegankelijk is en zich aan ons slechts «ooeubaartquot; door haar invloed op de »ziniielijkequot; natuur, Physisch heeten wij de eerste, psychisch de tweede.

In de ons omringende natuur heerscht de ijzeren wet der volstrekte noodzakelijkheid. De opgeworpen steen moet vallen ; de aarde moet draaien. De warmte doet de voorwerpen uitzetten, de koude inkrimpen. (Het water maakt hierop alleen eene merkwaardige uitzondering; beneden 4° Celsius zet het weder uit.) De boom moet groeien, de bloem moet bloeien. Al deze verschijnselen grijpen plaats volgens de onveranderlijke eigenschappen der stof of volgens de »wetten der natuur.quot; Geheel anders is dit op het gebied der bezielde natuur, op dat van het vrije, zelfbewuste, geestelijke leven. Hemelsbreed is het verschil tusschen de »wereld der stof en krachtquot; en de »wereld des geestes.quot; In de eerste is de orde »een voldongen feit.quot; Zij is overal en onveranderlijk dezelfde. In het rijk des geestes daarentegen ontstaat de goede orde eerst »door het zelfbewust, denkend en willend handelen van den geest. De meerdere of mindere volkomenheid dier orde hangt af van de meerdere of mindere ontwikkeling door dien geest bereikt.quot; Zeker, er is verband tusschen deze twee, maar toch de wereld des geestes is een andersoortig gebied van verschijnselen —-de wereld des geestes is een hooyere dan die der stof.

In geen schepsel ons bekend komt de wereld des geestes meer uit, treedt zij meer te voorschijn, dan in den mensch. Als zoodanig is het voor den mensch dan ook behoefte zich met haar bezig te houden, haar te leeren kennen, haar zoo mogelijk te verklaren. Zoo en zoo alleen wordt hij zich zelf, zijner roeping en taak en bestemming bewust.

2. De mensch en de overige schepselen.

Vergelijken \') wij den mensch met alles wat hem omringt, met

\') Alle kennis ontstaat door waarneming, vergelijking en onderscheiding. Zelfkennis ook is alleen mogelijk bij confrontatie. Door zwart glas of een

-ocr page 23-

11

de bezielde of onbezielde scheppingen der natuur, met plant of dier, dan heeten wij hem — zeker met recht — het hoogst bevoorrechte schepsel op aarde.

De verschijnselen in de natuur hebben onbewust plaats. De steen valt, zoodra hij los geworden is en zijn steunpunt verloor en zal bewegingloos blijven liggen, zoodra hij op een nieuw steunpunt stuit. Bij planten en dieren merken wij op willekeurige beweging, ontwikkeling, instinct en misschien verstand, maar toch het uitnemendste in planten- en dierenwereld staat ver beneden het raenschelijke. (Kruidje-roer-mij-niet; vleeschetende planten; vogelnesten; bijenkorven; beverwoningen enz.) Het schelijke ontwikkelt zich alle eeuwen door, maar wat de plantenen dierenwereld voortbrengen, is immer hetzelfde.

Bij den mensch een ideale gestalte, een lichaam zoo schoon gevormd eu veelzijdig bewerktuigd, zoo boven alle beschrijving ingericht, dat men het met waarheid een mil,Tokosmos (een wereld in \'t klein) noemen kan ! Welk een wonderschoon geheel is het lichaam ; hoe fijn geboetseerd. Welk een innige samenhang tusschen al zijne leden, waarvan ieder eene eigenaardige plaats en werking is aangewezen ten bate van het geheel. Welk een onnavolgbare kunst in de inrichting van de zintuigen, die met elkander de stoffen aanbrengen, welke de geest heeft te verwerken.

Meer nog komt \'s menschen grootheid aan het licht door zijne zoogenaamde geestelijke eigenschappen. Een machtige geest werd hem geschonken, waardoor hij de hem omringende natuur aan zich onderwerpen kan ; waardoor hij een heerscher is geworden hier op aarde; waarom hij een koning mag worden genoemd. De steen valt; de plant trekt haar voedsel uit aarde en lucht; het dier neemt wat het dienen kan, maar de mensch is ook in dit opzicht veel meer zijn eigen meester, heer over zijn eigen lot. (Ps. 8, Matth. 5: 48. 26: 36 — 46.)

Als redelijk, denkend, zelfbewust wezen, geeft de mensch zich rekenschap van de voorwerpen en verschijnselen, waarmede hij in aanraking komt. Hij speurt hunne oorzaken na en berekent de gevolgen. Vele malen in staat om de laatste te voorkomen

spiegel leeren wij ons gelaat kennen. Zoo wordt ook de ziel bepaald door wat haar omringt. (Boissevain.) Protagoras zeide : „De mensch is de maat van allo dingenquot;. Het omgekeerde is even waar.

-ocr page 24-

12

of te wijzigen, is de mensch veel minder afhankelijk van de grilligheid en veranderlijkheid der natuur, dan alle overige schepselen.

\'s Menschen behoeften — lichamelijke en geestelijke — zijn vele. De voorwaarden, die vervuld moeten worden, zal hij hier leven en zich ontwikkelen, zijn ontelbaar; toch heeft de natuur daarin met moederlijke zorg voorzien. Eeeds vroeg heeft men dit opgemerkt. Do dichter van het eerste scheppingsverhaal heeft het reeds gevoeld, toen hij, na de schildering van een zesdaagschen arbeid aan de schepping, aan den Schepper de woorden in den mond legde, die van meer overleg, zorg en liefde getuigen : »Laat ons menschen maken naar ons beeld en onze »gelijkenisquot;. (Gen. 2: 2C, 27.)

De mensch is niet voldaan, gelijk het dier, wanneer slechts al zijne zinnelijke beiioeften worden ingewilligd ; integendeel, op den duur staat al het zinnelijke hem tegen. Op den duur wordt hij alleen aangetrokken en bevredigd door het verheffende, bezielende en onvergankelijke van het ware, schoone en goede, m. a. w. door het geestelijke en volmaakte.

De mensch kent zedelijken drang; heeft plichten te vervullen; bezit rede en gevoel en een fijn besnaard gemoed. Hij is zichzelf bewust, en gevoelt zich eene persoonlijkheid (een individu).\')

3. De mensch een gemeenschapswezen.

De mensch is een gemeenschapswezen. Hij leeft niet dan in vereeniging met zijne gelijken. Eerst daardoor komt zijne hoogere en reinere natuur tot haar recht; vertoont zich zijne grootheid en onmiskenbare meerderheid boven de overige schepselen der aarde in het volle licht. Zeker, ook sommige diersoorten kenmerken zich door den trek naar gezelligheid. .Bij onze huisdieren doen zich de sporen er van voor en in vogelkoloniën, mie-renhoopen, bijenkorven en bij trekvogels in het algemeen wordt dit verschijnsel zeker opgemerkt.

\') • Een godheid geeft haar glans door \'s menschen oogen heen.

De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.

Hij heft — terwijl de domme en redelooze dieren Naar hunne voeten zien — alleen én trotsch het hoofd,

Ten hemel op naar God, zijn Schepper hoog geloofd. (Vondel).

-ocr page 25-

13

De menschen hebben de gemeenschap om meer dan ééne reden aanvaard:

1quot;. Uit zinnelijke behoeften (instinct, driften). 2°. Uit eigenbelang en zelfbehoud. ïwee, leerde de ervaring, vermogen meer dan één. Zij kunnen te zamen meer werk doen, beter in hunne behoeften voorzien, met hoop op gunstiger gevolg den sterken vijand bestrijden of de natuurkrachten bedwingen. Om te kunnen leven sloten de menschen als het ware stilzwijgend een offensief en defensief verbond.

3°. Bij een hoogeren ontwikkelingstrap vermeerderden telkens \'s menschen behoeften. Deze voortdurende toeneming zijner behoeften maakte onderlinge verdeeling van arbeid noodzakelijk. Opeenhooping van vele krachten was niet meer voldoende om daarin te voorzien en om alle krachten voor het geheel, voor aller welzijn productief te doen zijn, was afbakening van ieders taak en plaats, met het oog op zijne bijzondere vermogens en eigenschappen, onvermijdelijk.

iquot;. Bij het ontwaken van zijne hoogere natuur werd ook het gemeenschapsgevoel sterker. De eene mensch zag in den ander steeds meer zijn gelijke, zijn evenbeeld, zijn medegeroepene, zijn lotgenoot. Het lot en deel van zijn mede-mensch beschouwde hij voor een deel als het zijne, als zijn eigen, dat het dan ook werkelijk is (Hand. 8 ; 43, 44). »Lijdt er één dan lijden allenquot; (1 Cor. 12 : 26). De mensch voelt zich verbonden aan zijne medemenschen \'). Hij heeft hen lief, omdat ze hem liefhebben, omdat ze met hem van éénen bloede, van éénen adel zijn. Het algemeen welzijn werd steeds meer zijn levensdoel en dit sluit medewerking van allen in zich. Het gemeenschapsleven is onmisbare voorwaarde voor eene volkomene ontwikkeling van ons geestelijk leven. 2)

Een mensch alleen ontwikkelt zich niet, kan niet tot zijn recht komen. Slechts door wrijving van gedachten en door

\') Homo sacra res homini. (Seneca.)

Unus homo, nullus homo. -Wie eenzaam leeft, is levend dood.quot; (Vondel.) Cf. Gids, Juli 1885, p. 6. Prof. v. d. Wijck over Guyau.

-ocr page 26-

14

voortdurende uitwisseling en wederkeerige mededeeling van ontdekkingen en ervaringen, kon de mensch ontwaken uit den kindschen natuurstaat. »Het is niet goed dat de mensch alleen zijquot;. (Gen. 2 : 18.) Immers zijn aanleg en vermogens, zijn talenten en krachten, — bij den eenen mensch zoo geheel anders dan bij den anderen — zullen eerst tot hun recht komen in eene maatschappij zoo samengesteld als de onze.

Gevoel van recht en besef van plicht kunnen mede slechts iu de gemeenschap ontstaan en deze zijn wederom de kiemen van het godsdienstig leven. Reeds in de meest primitieve samenleving ontstaat het rechtsgevoel en onafscheidelijk hiervan het besef van gehoudenheid om in ons streven en handelen anderer bezit en persoonlijkheid te eerbiedigen. Laten recht en plicht zich eerst gelden op stoifelijk gebied, straks evenzeer op het gebied van het innerlijke, ongeziene, geestelijke leven.

In en door de gemeenschap treedt \'s menschen geheele gemoedsleven aan het licht. Dienstvaardigheid, welwillendheid en alle zachte en teedere aandoeningen, waarvoor een mensch vatbaar is en die betrekking hebben op anderen, als medelijden, barmhartigheid, vriendschap, die zich oplossen in zelfverloochening en dienende liefde, hoe zouden zij anders dan in de gemeenschap geboren kunnen worden ? Daarmede ontstond weder het gevoel van roeping en aanleg en de zucht naar zelfverwezenlijking en karakter. (Daaruit werd geboren zedelijk heroïsme.) Daardoor kwam tot haar recht die toongevende zelfbewustheid, die wij het geiceten noemen. (H. VI. 26.)

Door de gemeenschap werd dus eerst de mensch zich zelf volkomen bewust, gevoelde hij zich mensch, — »ja, de mensch is slechts mensch, als lid van zijn geslacht.quot; \')

Zeker, de gemeenschap en wat met haar samenhangt heeft ook meer dan ééne schaduwzijde, maar bij welken zegen of bij welk voorrecht, dat wij genieten, is dit niet het geval ? Het is een dwaling, dat de gemeenschap, de beschaafde maatschappij noodzakelijk moet leiden tot verbastering der menschelijke natuur, tot onnatuur en besnoeiing van ons wezen (Rousseau), integendeel, zij is een zegen. De mensch zou op den duur de gemeen-

\') Homo homini Deus. Do mensch is voor den mensch het hoogste goed. (Spinoza.)

-ocr page 27-

15

schap nooit hebben aanvaard, hadde zij niet beantwoord aan zijne behoeften; hadde zij niet de sluimerende gaven en krachten van zijn geest en gemoed aan het licht gebracht; ware zij niet in volkomen overeenstemming geweest met het waarachtig wezen der menschelijke natuur.

Een wijsgeer der oudheid (Seneca) toonde dit reeds ten volle te beseffen : »waarop,quot; zegt hij, »rust al onze veiligheid, tenzij op we-derkeerig dienstbetoon ? Dit alleen maakt ons sterk tegen een on-verwachten aanval. Stel, dat ieder mensch op zich zelf stond. Wat zou hij zijn ? Een prooi voor het verscheurend gedierte, een weer-looze buit. De overige dieren zijn met voldoende krachten tot zelfverdediging toegerust. Zijn zij van nature bestemd om zwervend en afzonderlijk te leven, dan zijn zij gewapend. Den zwakken mensch staan geen klauwen en tanden ten dienste om de overige dieren schrik aan te jagen. Bij zijn naaktheid en zwakheid is rur-eeniging zijne kracht. Door twee dingen maakte de natuur hem den sterkste van allen, door de rede en de vereeniging. Zoo maakt hij, die afzonderlijk tegen geen ander dier opgewassen zou zijn, zich-meester van het bewind. Vereeniging maakt hem tot heer over alle dieren en hoewel hij een landbewoner is zelfs tot gebieder der zee. Zij is het, die de ziekten afweert, steun verschaft aan den ouderdom en de smarten verzacht; zij maakt ons dapper, omdat wij nu in staat zijn hulp in te roepen tegen de slagen van het lot.quot; \')

4. \'s Menschen zinnelijke en geestelijke natuur.

Door zijne voortdurende betrekking tót de hem omringende natuur en door zijn aanhoudenden omgang met zijne medemenschen, wordt de mensch . steeds meer zichzelf bewust, van al zijne krachten en vermogens zich bewust.

Zoo treedt ook zijne schijnbaar tweeledige natuur aan het licht. In verrassenden vorm werd deze gedachte eens aldus uitgedrukt: »In de schoone gestalte des menschen heeft zich een vorstelijke geest woning gemaakt. Geheimzinnig is zijn oorsprong, ondoorgrondelijk zijn bestaan ; onvergankelijk is zijne jeugd, forsch zijn wiekslag, onuitputtelijk zijne scheppingskracht. Hij werpt het diep-

*) Hoekstra. Zedel. idee, p. 72. Seneca (4 v. Chr.—65 n. Clir.), De hen . IV, 8.

-ocr page 28-

16

lood zijner kennis uit in de peillooze diepten der hemelen. Hij ontsluiert de wondervolle wereld van het kleine en verborgene. Hij bezielt het levenlooze met zijn adem. Hij is de Heer der aarde. Deze mensch, deze machtige, deze edele — — is afhankelijk van zijn lichaam /quot; (Bussy.) Zoo is het. Men kan van \'s menschen geest niet licht te veel goeds getuigen, en toch mag men daarbij het lichaam niet gering schatten, want deze tivee vormen te zamen den mensch.

Naar het lichaam behoort de mensch tot de zichtbare, tastbare, zinnelijke wereld, naar den geest tot de bovenzinnelijke, onzienlijke wereld. Maar de mensch doet zich niettemin als eene eenheid aan ons voor. »De eenheid van lichaam en geest is een der gelaatstrekken van het beeld, waarvan wij den sluier nooit gansch en al zullen oplichten.quot; De gezondheid van het lichaam is noodzakelijk voor den bloei van het geestelijk leven en omgekeerd. \') De welstand des geestes is noodig, zal het lichaam op den duur welvaren. Het zinnelijke en geestelijke laten zich in de werkelijkheid niet scheiden. De liefde onzer afgestorvenen blijft ons geheel ons leven bij, maar steeds onder de trekken hunner beeltenis. Deze is er niet van af te scheiden. Het is of hunne nagedachtenis is verbonden aan den glimlach, die er lag op hun gelaat, aan den glans die er was in hunne oogen, aan den eigenaardigen klank, die er eenmaal was in hunne stem.

Daaruit volgt echter niet, dat lichaam en geest volkomen hetzelfde zijn. Integendeel het menschelijk wezen openbaart zich ontegenzeggelijk op tweeërlei wijze en de tweesoortige verschijnselen, die zich daarbij voordoen, zijn zoozeer verschillend, dat wij met recht mogen spreken van den zinnelijken en van den geestelijken mensch. Wij mogen wel degelijk tusschen deze twee onderscheiden. Ook is de meerderheid van den laatste boven den eerste onwederlegbaar. Het lichaam blijkt steeds te zijn het orgaan, het werktuig, het schoon en kostbaar toebereid orgaan van den geest.

Er zijn er, die dit ontkennen. Kool en diamant zijn verschillende vormen van dezelfde grondstof (en hoe verschillend!) en zoo is ook de geest, volgens dezen, slechts een openbarings-

\') Sana mens in sano corpore. De beste geneesheer is blijmoedigheid. Spreuk. 14 ; 30; 15:15.

-ocr page 29-

17

vorm van de stof. Zij noemen een zelfstandig bestaan des geestes onbewijsbaar, eene hersenschim. Wie zoo spreken zijn wellicht iu de theorie zeer consequent, maar in de practijk zijn zij inconsequent. Vanwaar toch die aandrang, die hartstocht om hun stelsel aan te dringen ? Vanwaar b. v. Multatuli\'s : »publiek, ik veracht u ?quot; Vanwaar bij sommige woordvoerders dezer richting (bij de materialisten) die streng zedelijke opvatting en inrichting van het leven ?

»De hooghartige menschengeest is zich ondanks alle theorie en stelsel bewust, meer te zijn dan de ontloken bloesem des lichaams of de wierookgeur der stof.quot; (de JBussy.)

De geest neemt het verleden in zich op, beheerscht het heden en omvat zelfs voor een deel de toekomst. De geest volgt — tot op zekere hoogte onafhankelijk van het lichaam — zijn eigen ontwikkelingsgang. Ook waar het lichaam reeds lang afneemt, aan stofwisseling is onderworpen, en vervalt, wast de geest nog op of blijft hij helder en krachtig. Bovendien heeft de geest zijne eigene geschiedenis. Onze geestestoestand is de vrucht van den arbeid van eeuwen. Wij staan op de schouderen van het voorgeslacht. Wat zij hebben voortgebracht is voedsel voor onzen geest, nemen wij nu nog in ons op, om het te verwerken en om het vermeerderd en verder ontwikkeld aan de geslachten, die na ons komen, weer over te leveren. \')

In de werkelijkheid moge de mensch zich dus als eene eenheid aan ons voordoen, in het afgetrokkene mogen wij het lichamelijke en geestelijke wel naast elkander stellen eu de meerderheid van het laatste boven het eerste erkennen.

Evenzoo is \'s menschen geest op zichzelf eene eenheid. Hij is een en ondeelbaar. Wij kunnen den geest onmogelijk ontleden. Maar toch geven wij aan ons innerlijk leven naar zijne verschillende openbaringsvormen, verschillende namen. Zoo onderscheiden wij bij den geestelijken mensch o. m. tusschen deze drie: 1. Het verstand (Intellect). 2. Het schoonheidsgevoel (Aesthe-tische zin). 3. Hel xedelijl:-godsdienstig (jcroel (Ethisch-rcli-gieuse zin).

1) Posterior dies prioris est discipulus. AujourcThin est Tólèvo d\'hier. (Legouvé.)

-ocr page 30-

18

Met het verstand (intellect) bedoelen wij dat vermogen, die zijde van ons geestelijk wezen, die ons in staat stelt de verschillende gewaarwordingen, die wij door onze zintuigen ervaren, de indrukken, die wij van buiten ontvangen, om te zetten in eene gedachte — verschillende gedachten tot bepaalde voorstellingen te verbinden en uit verschillende voorstellingen en begrippen besluiten te trekken.

Het schoonheidsgevoel (aesthetische zin) is het gevoel voor het schoone en verhevene, grootsche en edele in vormen en lijnen, kleur en toon, gedachten, woorden en daden, een gevoel, dat iederen mensch is aangeboren.

Het zedelijk-godsdienstig gevoel (ethisch-religieuse zin) openbaart zich iu gezindheden en daden, in de opvatting, waardeering en inrichting van het leven, in \'s menschen karakter.

Door deze drie wordt de mensch in staat gesteld zijn weg door de wereld te vinden, zijn plaats en roeping met eere te vervullen, m. a. w. zijn leven te leven. Deze bepalen zijn willen en wenschen, zijn begeeren en streven, maken hem tot een persoon, tot een karakter, stellen hem in staat te beslissen over de inrichting en waarde van zijn bestaan.

Dat niet bij alle menschen deze drie zijden van hun geestelijk bestaan evenzeer tot hun recht komen, even volmaakt worden ontwikkeld, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden. Vele omstandigheden moeten gelukkig samenwerken, zullen deze drie worden, wat zij kunnen worden. Weelde, armoede, gebrek, tegenspoed, ziekte, lichaamsgebreken, verwaarloozing belemmeren de ontwikkeling. Eene zorgvuldige opvoeding, zekere mate van welvaart, onderwijs, enz. bevorderen haar. (Pilatus, Jezus; Felix, Paulus.)

HOOFDSTUK II.

DE MENSCH EX HET LEVEN.

5. De mensch en het leven.

Hoe gevoelt zich nu echter de mensch, die met zoovele talenten

-ocr page 31-

19

en vermogens werd toegerust, die voor zoo hooge ontwikkeling vatbaar is, aan wien »de natuurquot; mot zooveel liefde heeft gearbeid, die waarlijk een koning mag worden-genoemd ? Welk een indruk maakt het mensch-zijn op den mensch ? Hoe gevoelt zich de mensch te midden en onder alles, wat hem te dragen en te verdragen wordt gegeven \') ? Hoe oordeelt de mensch over zichzelf en over zijn leven ?

Deze vragen zijn noch ongerijmd, noch oneerbiedig. De mensch kan en mag zich niet tevredenstellen met de wereld en het leven, zooals zij uit de hand des Scheppers zijn voortgekomen. Zijn geestelijke behoeften dwingen hem, deze zoo te kennen of te herscheppen, dat hij zich daarin thuis, op zijn plaats, gevoelen kan. Niet één zelfs, die denkt en liefheeft, maar het antwoord vruchteloos zocht, zal rustig kunnen leven. Zonder nadere verklaring en toelichting bevredigt het leven ons niet.

Het antwoord, dat wij geven op de gestelde vraag hangt af van onze wereld- en levensbeschouwing, en deze wederom van onze meerdere of mindere ontwikkeling in meer dan één zin. Niet alle menschen hebben dan ook dezelfde opvatting. Bij drie opvattingen zullen wij achtereenvolgens stilstaan. Bij die van het Optimisme, van het Pessimisme en bij die des Geloofs.

Deze drie geheel van elkander verschillende beschouwingen van het menschelijke leven herinneren ons, dat er toch ook schaduwzijden aan het menschelijke leven zijn ; dat het geluk des menschen niet onvermengd, zijne vreugde niet onvergald, zijne grootheid en heerlijkheid niet onbeperkt en onbetwist is.

Tegenover de groote schepping in het onmetelijk heelal, gevoelt de mensch zich klein en nietig, »als een stofje aan de weegschaal, als een droppel aan den emmer,quot; Jes. 40 : 15. Zijn lichaam is schoon, maar vergankelijk. Het is, met alles, wat uit het stof genomen werd, onderworpen aan de wet der vergankelijkheid. Zijn lichaam is boven alle beschrijving fijn bewerktuigd, maar daardoor ook voor vele kwalen en ziekten vatbaar; de harmonie kan licht worden verbroken. (La peau humaine est irritable et chatouilleuse.) Zijne heerlijkheid en schoonheid zijn,

l) (Sanctum illud animal, quod dominari in caetera posset.) Gen. I : 26.

-ocr page 32-

20

sals het gras enT de bloemen des veldsquot; Ps. 103 : 15. Hij leeft slechts voor een tijd; aan het einde zijn levens staat de dood. Zijn geest dorst naar kennis, naar wetenschap, en het »wij kennen ten deelequot; (1 Cor. 13 : 9) is eene algemeen men-schelijke belijdenis. De mensch tracht naar onverstoorbaar geluk, naar »eeu\\vige dingenquot;, en vergankelijke omgeven ons slechts. Wat is de mensch? vgl. Levenslicht, 39, 40, 41.

6. Het optimisme.

Wat is de mensch ?

Volgens het optimisme is die vraag zoo moeilijk niet. De schaduwzijden des levens zijn niet zoo moeilijk en raadselachtig, als zij wel schijnen. De zegeningen des levens overtreffen verre de onaangenaamheden. Er zijn ziekten en kwalen, maar \'t komt doordat ons lichaam ook buitengewoon fijn is bewerktuigd, waardoor licht stoornis kan ontstaan. Doch er staat tegenover, dat de mensch er vatbaar door werd voor veel meer en edeler genot, dan eenig ander ^schepsel. Er zijn zeker ook zeer ongelukkige menschen, maar bij de menschheid in haar geheel vergeleken, kunnen die enkele gevallen niet medetellen. Worden den mensch vaak wonden geslagen, deze heelen ook weer. Er is geen smart, geen nood, die eeuwig duurt. De menschelijke natuur is daarbij zeer plooibaar; de mensch gewent aan alles; de gevangene zelfs aan zijn kerker ; de arme aan zijne armoede. Afleiding en verstrooiing, arbeid en ontspanning doen het leed vergeten en dragen \').

Eindelijk de tijd geneest alle smart en droogt alle tranen af. Deze donkerheden zijn soms eene weldadige afwisseling te midden van het anders zoo eentonige leven. Men hale zijn hart op aan de schoone natuur of aan de wonderen van het mensche-lijk vernuft en vermogen. Men wijde zich aan het gezellige en practische leven, aan studie en lectuur en waarlijk alle klachten zullen moeten verstommen. De mensch gevoelt zich hier op

1) Het spreekt vanzelf, dat wij, hier sprekende van liet optimisme in zoo slechten zin, uitzonderen dat veel ernstiger en degelijker optimisme, dat op menigen Christelijken kansel met liefde wordt gepredikt. Maar dat is van geheel anderen aard en hangt samen met bepaalde godsdienstige (bijbelsche) voorstellingen, die het tot op zekere hoogte wettigen.

-ocr page 33-

21

aarde volkomen thuis, mits hij het leven niet te hooge en on-billijke eischen stelle.

Deze beschouwing van het optimisme kenmerkt zich noch door diepte noch door barmhartigheid, integendeel zij is zeer oppervlakkig en ongevoelig. Alleen een alledaagsch mensch, wiens leven opgaat in platvloersche genietingen, kan er vrede mede hebben. Het is eene leer, die alleen voldoet aan men-schen op wier lippen steeds het woord ligt: »dat men de wereld maar moet nemen, zooals ze isquot;, of dat »men zich de wereld-sche dingen vooral niet te veel moet aantrekkenquot;; dat »men het volmaakte hier niet zoeken moet en maar niet veeleischend moet zijnquot;, — die in hun burgerlijke braafheid beweren, dat »een mensch het er nu en dan toch eens van nemen moetquot;; dat »de wereld geen klooster isquot; en de menschen geen «monniken of nonnen zijn.quot; Wie meer wil van het leven, dan het geeft, heet dan »een dweperquot;, »een dwarsdrijverquot;, een, die het leven niet weet te genieten. Eene strenger en somberder opvatting van het leven noemen dezulken een bewijs van zwartgalligheid of van »een ongelukkig gestel.quot;,1)

7. Het pessimisme.

Lijnrecht tegenover het optimisme staat het pessimisme. Dit laatste wil ons doen gelooven, dat de wereld voor den mensch zoo slecht mogelijk is. De menschenwereld heet hier een tafereel van jammer, ellende en slechtheid. Do mensch, hoe hoog ook bevoorrecht, is desondanks een rampzalig schepsel. Zijne vreugd is vluchtig, zijne deugd schijn, zijn geluk als een damp. Smart is de grondtoon van zijn bestaan.

Zij, die deze leer aanhangen, sommen uit de werken van alle dichters van den ouden en nieuweren tijd de somberste en eenzijdigste beschouwingen op om dit hun oordeel te staven, als dat van de edelsten, b. v. de spreuk der oude Grieken: »Leven noemen ze ons leven, maar sterven is des levens taakquot;.5) — Eene geliefkoosde bron is Byron, b. v. deze woorden :

1) Lo vulgaire prend pour de la folie ce malaise d\'une Ame, qui ne respire pas dans ce monde assez d\'air, assez d\'enthousiasme, asscz d\'espoir. (Madquot;quot;\' do StaGl.)

2) Homerus. II. 17:446,47 ; 24:525. Odyss. 15 : 245. Sophoclcs. Oed. Colon.

-ocr page 34-

22

„\'t Is geen natuur het leven van den mensch;

Neen, \'t past niet in de wereldharmonie Dat lot zoo hard, dat onuitroeibaar kwaad,

Dat fel vergift; die boom, die \'t al verpest,

Welks wortelen d\'aard. welks loof do wolken zijn.

Die kwalen op ons regenen zonder tal. —

De weeën, die wij zieu — angst, onheil, dood —

En erger nog d\' onzichtVre — die de ziel Doorwonden met onheelb\'re en altijd nieuwe pijn.quot;

Misbruikt wordt ook vele malen Shakespeare, en behalve de bekende alleenspraak van Hamlet, ontmoet men vele malen deze regels uit zijn Hendrik IV;

•,0. kon men in het boek der toekomst lezen

Der tijden wenteling, den spot van \'t toeval

Daarin zien, en hoe verandering

Nu dezen beker, straks een anderen ons voorzet. —

O, wie dat zien kon — zelfs de stoutste jongeling

Zou, den loop zijns levens ganschlijk overziende.

En van het doorgestaan\' en van \'t toekomstig leed getuige,

Het boek des levens toeslaan en, zich nederzettend, sterven.quot;

In den regel onthaalt men ons op de mededeeling, dat Goethe op SOjarigen leeftijd verklaarde, geen veertien dagen recht gelukkig geweest te zijn. — Hoe de aanhangers van deze sombere leer toch den moed bezitten het leven volop te genieten, blijft ons bij eenig nadenken een moeilijk raadsel. \')

8. Betrekkelijke waarheid van het pessimisme boven het optimisme.

Meer dan het optimisme trekt echter toch het pessimisme ons aan. Het eerste is eenzijdig, zwakzielig, onwaar, en het tweede moge onze volle goedkeuring al niet wegdragen en tot op zekere hoogte aan dezelfde euvelen mank gaan, toch is het o. i. dichter bij de waarheid.

1225 v.v. Oed. Rex. 118G v.v. en \'t slot. Pindarus zeide: „De droom van een schaduw is de mensch.quot; Seneca. Consol, ad. Marciam. 11 en 12 Cf. prof. Hoekstra, Bronn. en grondsl. 385. v.

1) Van te veel mensehen kan men zeggen :

Der Pessimismus 1st ein traurig Kleid.

Man triigt\'s weil\'s Mode Doch nicht aus Traurigkeit.

-ocr page 35-

23

Smart is er verbonden aau ons bestaan, maar daarom is het niet enkel smart. »De meeste (? vele!) onzer dagen zijn moeite en verdrietquot; (Ps. 90 :10, Pred. 1 : 8), maar ook vele brengen vreugde en heil. »\'s Menschen deugd is slechts schijnquot;, het moge waar zijn van sommigen (waar van de meesten ?), en helaas! passen op vele onzer eigene daden, veler menschen deugd is waarachtig en edel. Op Socrates, Paulus, Jezus is dit niet van toepassing. Zeeën mogen droog worden, het hoogste gebergte instorten, onvergankelijk is hetgeen zij tot stand brachten. Maar waar is het niettemin, er zijn aan \'s menschen leven vele raadselen verbonden, zwaar om te dragen, moeilijk om op te lossen. Voor eiken ernstiyen mensch, voor den menschelijken mensch, met een fijngevoelig hart en een fijn besnaard gemoed (voor een mensch, zooals wij bidden mogen, dat wij reeds zijn of mogen worden), voor een compleet mensch komen er moeilijke oogenblikken. Denken wij slechts aan de bekende tegenstellingen: a. de mensch en de natuur, b. de mensch en de menschenwereld, c. de mensch en x jn eigen tvexen.

a. Wij zijn kinderen der natuur, zoowel als planten en dieren, rijk bevoorrecht en met ontelbaar vele goede gaven naar lichaam en geest begiftigd, maar de natuur, onzer aller moeder, wat is zij voor ons ? Nu eens heeft men haar vergeleken met den wagen van den Indischen afgod, die al voortrijdende zijne eigene belijders verplettert, — dan weer bij een ijzeren stoomgevaarte, dat in dolle vlucht voorthollende langs zijne stalen sporen, niemand en niets ontziet en alles, wat het in zijn loop ontmoet, vermorzelt. Wederom heeft men haar een Moloch genoemd, die zijn eigen kinderen verslindt.

Er is in elk dier vergelijkingen eenige waarheid, gelijk ook in de bekende woorden van De Génestet: »de natuur is zielloos lieflijk en eindloos wreed.quot; De »natuurquot; is een samenstel van wetten en krachten — eeuwig en onveranderlijk dezelfde — zich bekommerende om niets en niets of niemand ontziende. Deze wetten zijn op zich zelf beschouwd zeker wijs en goed, ernaar voor den fijn gevoelenden en liefhebbenden mensch pijnlijkquot;. De natuur heeft geen hart voor onze beste gevoelens, geen oor voor onze gebeden. Aardbeving en storm, vuur en

-ocr page 36-

24

water, hagel en bliksem verwoesten de welvaart van enkelen en velen. Ziekte en dood treffen allen en hem en haar zeker het zwaarst, die hun leven het best besteedden, die hun hart het meest hebben verpand aan en vervuld met de edelste gevoelens. De natuur werpt ons allerlei goede dingen in den schoot en maakt ons daardoor zalig, maar zij ontneemt en ontrooft ze ons ook weder te barer tijd, om ons daardoor juist diep ongelukkig te doen zijn, dat wij ons mochten verheugen in een tijdelijk bezit.

De krachten en wetten der natuur zijn blind, zonder barmhartigheid, zonder mededoogen, zonder gevoel, zonder liefde. \') (Siloams toren was oud en bouwvallig en hij viel, 18 personen, schuldigen en onschnidigen, in zijn val verpletterend.)

h. Wij menschen zijn gemeenschapswezens. Door de gemeenschap alleen konden onze hoogere geestelijke vermogens te voorschijn treden. De mensch is werkelijk slechts mensch, als lid van zijn geslacht. Maar hoeveel wij ook aan de gemeenschap danken, hoe rijk en veelzijdig zich daardoor ons wezen hebbe ontplooid, er zijn ook schaduwzijden aan verbonden. Do eene mensch kan niet slechts de engel des anderen, maar ook zijn duivel zijn. Nog wordt er veel geleden. De geveinsdheid en het eigenbelang, de ontucht en het geweld, moord en doodslag, hoon, smaad en laster, liefdeloosheid, bekrompenheid en domheid, nog waren zij op aarde rond, als zoovele verscheurende dieren. Nog wonen zij in de menschheid, als zoovele onreine geesten, die Kaïn verleidden om de hand op te heffen tegen zijn onschuldigen broeder. De beste bedoelingen stuiten af op traagheid en onverschilligheid en onwil. Het koud en berekenend egoïsme maakt misbruik van de zelfverloochenende dienstvaardigheid en offervaardigheid der onbaatzuchtige liefde. De wereld bewondert deugd, zedelijke grootheid en adel, maar slechts zoolang, als deze niet belemmerend optreden tegen hare zelfzuchtige neigingen en onedele hartstochten. De graven der

1) La nature rit des souffrances humaines,

Ne contemplant jamais que sa prop re grandeur;

EIle dispense a tous ses forces souveraines Et garde peur sa part le calme et la splendeur.

(Leconte de Lisle.)

-ocr page 37-

25

beste profeten versiert en verhoogt zij met zeer kostbare monumenten, maar die profeten zelve leverde zij eenmaal over aan een gruwzatnen dood. Eerlijkheid en armoede, deugd en ondank vergezellen elkander al te dikwijls. Iedere verbetering bijna vraagt een offer. Alle vooruitgang eischt strijd. »Elke schrede voorwaarts is voor de menschheid een tred als op doornen.quot; Bij iedere wedergeboorte der menschheid vloeien stroomen bloeds \'). (Gethsemané en Golgotha zijn hiervan de welsprekende, doch droeve getuigen.)

c. Ook in ons eigen binnenste is het niet altijd vrede.

Een koning gevoelt zich somtijds de mensch, in staat en bij machte om eene gansche wereld aan zich te onderwerpen. Een geest machtig en sterk woont er in zijn binnenste, die hem de macht verleent om zich weder naar zijn welgevallen eene wereld te scheppen. Een loflied ter eere zijner eigene grootheid welt uit zijn hart — en desondanks gevoelt hij zich vaak zeer klein, ja een dienstknecht, een slaaf, zoo niet nog erger.

Indien de natuur of de menschenwereld hem hebben over-mocht, dan kan hij sneuvelen als een held en onderliggen met de bewustheid van voor de overmacht te moeten bukken. Maar één vijand kan hij niet ontvlieden. Dat is zijn eigen zinnelijk wezen.

Twee machten worstelen in het binnenste van een ieder. De eene wil ons opheffen, de andere ons vernederen. De eene verlokt ons en vleit ons met aardsche vreugde, de andere houdt niet op met ons te bidden, dat wij niet alleen mogen jagen naar schatten, die enkel bestaan in schijn. »De eene geeft ons vrijheid te eten van eiken boom des levens, de andere gebiedt ons onthouding en kastijding van het eigene vleesch.quot; Verzoekingen van allerlei aard (naar lichaam en geest) willen ons afhouden van het werk onzer roeping. Zouden zonder tal omstrikken ons van alle kanten. Al de grootere en kleinere misslagen, die wij hebben begaan, op te sommen, is noch mogelijk, noch oirbaar, noch stichtend, maar alle te zamen kunnen ze den mensch ter-nederdrukken en als gevoel van schuld loodzwaar op de ziel wegen.

Er is waarheid, diepe waarheid in de pijnlijke belijdenis van

1) L\'histoire est tout le contraire de la vertu réoompensée. (E. Eenan.)

-ocr page 38-

26

Paulus en geldend is zij van iederen mensch: »als een dubbele wet heerscht er in mijn gemoed, een des vleesches en een des geestesquot; (Eom. VII), en ook voor ons komt er eenmaal een tijd — vroeg of laat — dat wij zullen uitroepen : »Wie zal ons verlossen ?quot; tenzij wij — wat bijna ongeloofelijk is — het betere binnen in ons steeds aan het woord lieten komen; of — wat ook mogeliik en daarbij zeer droevig wezen zou — tenzij wij nooit ons zelve bewust werden en leefden van den eenen dag op den anderen zonder ons rekenschap te geven van ons eigen doen en zijn. (Een beeld van dezen strijd biedt ons het verhaal van Jezus\' verzoeking in de woestijn. Matth. 4 :1—12.)

Zoo hoog kan men den lof der menschelijke natuur niet verkonden, of deze donkere zijden zullen blyven. Dit te ontkennen ware onedel. Zulk een verkrachten van de waarheid zou ons op den duur zwaar te staan kunnen komen in het leven, wanneer wij vroeger of later (maar ongetwijfeld eenmaal) kennis maken met de droeve werkelijkheid. Twijfel en wanhoop zouden ons overvallen of, wat evenzeer te betreuren zou zijn, zoo niet voor ons zelve dan toch voor de maatschappij, waarin wij leven, wij zouden misschien vervallen tot bijgeloof en dweepzucht.

Maar erger nog dan deze waarheid te erkennen, ware het, indien wij met deze levenssmarten weg noch uitweg wisten. Dan ware er geen vreeselijker lot denkbaar dan het menschelijke. Wij zouden dan met den ouden Griekschen dichter mogen zeggen: »het grootste geluk is nooit geboren te zijn en het tweede, hieraan gelijk, is met de geboorte terstond weer te sterven.quot;

Het leven zou een eeuwig verbloeden zijn, als de poëzie des geloofs ons niet vermocht te troosten. Vgl. Levenslicht 42.

9. Het geloof.

Nevens het optimisme en pessimisme tracht eene derde richting eene plaats te veroveren in de harten der menschen, nl. die des geloofs. Zij wil ons eene verklaring géven, die zoowel ons verstand als ons gemoed bevredigen kan. Zij wil niets van de waarheid verbergen, niet het oog sluiten voor de wer-

-ocr page 39-

27

kelijkheid, voor de goede, zoo min als voor de kwade zijden des levens.

De beschouwing des geloofs komt in het kort hierop neder : Het menschelijke (aardsche) leven — de voorspoed en de zegen ervan^ zoowel als de rampen en smarten, die er tegenover staan — is de stof, die verwerkt moet worden door den geestelijken mensch. Het leven is gelijk aan de een, twee en vijf talenten, die aan verschillende dienstknechten worden toevertrouwd, opdat zij daarmede naar eigen inzicht en beste weten zouden handelen ten voordeele van hun Heer. Het leven is als het goud, waarmede de edele een zegen is voor de wereld en waardoor de gierigaard of de zelfzuchtige zich zeiven en anderen tot een duivel wordt. Het leven is het middel waardoor \'s menschen karakter moet worden gevormd, zijne geestelijke veerkracht en grootheid tot haar recht kunnen komen, waardoor \'s menschen wezen tot ontwikkeling, bloei en rijpheid komen moet. Matth. 25:14—30. Luc. 19:12—27.

Het geloof leert, dat deze ivereld vol ellende — of liever, want het geloof is oprecht! — vol tegenstellingen van vreugde en smart, van genot en verdriet, van geluk en rampzaligheid, waaruit zij is saamgeweven, in de werkelijkheid niet bestaat of tvel bestemt, maar dat al datgene, wat tegenstrijdig schijnt en een verschrikkelijk kwaad, in den grond der xeiak goed is, goed voor den mensch ; dat er waarheid ligt in de oude spreuk: »De Heer kastijdt dengene, dien Hij liefheeft.quot; Hij bezoekt de zijnen niet uit lust tot plagen, maar tot hun nut. Ons men-schelijk aanzijn is slechts een deel van het groote wereldplan Gods, — een plan, \'t welk alle zienlijke en onzienlijke dingen omvat, een plan, waarvan eenmaal zal blijken, dat alle dingen hebben medegewerkt om het goede te doen zegevieren.

Het geloof leert, dat de grondwet van dat alles omvattende plan, heilige, zegenende, zaligende liefde is. »Geen doelloos zwerven en smachten is het leven. Een doel licht ons voorquot;; een doel heeft edles, een doel zoo onuitsprekelijk zalig en goed, dat de mensch er zich slechts bij benadering eene voorstelling van kan vormen, er slechts van stamelen kan.

Het geloof leert, dat dit alles gewis is en verzekerd, omdat God is de alles vervullende, verklarende en dragende macht;

-ocr page 40-

28

omdat de bron, de gever van ons leven is eene zelfbewuste, persoonlijke macht, geen moocllot of gehlinddoelde krachtquot;, — eene heilige, liefderijke macht, wier wijsheid en goedheid ver boven ons begrip, hemelhoog boven al ons loven en denken, boven al ons verstand gaat.

Dit is zeker eene wereld- en levensbeschouwing zonniger en bemoedigender, dan die van het optimisme of pessimisme. Hebr. 11 ; 1 — 3, Matth. 5 ; 1—17. Daarbij zou een mensch kunnen leven. Zij is eene ware bemoediging ook in den donkersten levensnacht. Indien zij maar waarachtig is. Indien zij maar onzen geheelen geestelijken mensch kan voldoen. Ons hart heeft er vrede en rust bij, kan er het amen op spreken —maar, laat zij zich ook rechtvaardigen voor ons verstand ?

Wij willen het nagaan.

HOOFDSTUK III.

DE EECHTVAAHDIGING DES GELOOFS OF DE GRONDSLAGEN DES GELOOFS.

10. Redelijk geloof.

De algemeene inhoud des geloofs is deze : :gt;de wereldorde, zooals zij zich aan ons voordoet, — met hare lichtpunten en donkere schaduwzijden, met liaar lief en leed, waarin geen plaats schijnt te wezen voor den mensch en zijne behoeften, — is eigenlijk de tcare wereldorde niet,quot; of nog anders: »de wereld doet zich anders aan ons voor, schijnt ons anders (slechter voor den mensch !) dan zij in de werkelijkheid isquot;. Dit geloof steunt op het geloof aan een zelfbewust, persoonlijk, liefderijk God.

Dit geloof, om het onze te kunnen zijn, moet den toets van een nauwgezet onderzoek kunnen doorstaan. On ne croit ce que 1\'on veut, mais ce que Ton peut. Het moet blijken een redelijk geloof te zijn. Onze geheele geestelijke mensch moet er vrede mede hebben.

-ocr page 41-

29

Het raag niet wezen: »inet het hart een geloovig Christen en met het hoofd een heidenquot; (Jacobi). Het kan ook niet, gelijk de leekedichter het uitdrukte:

„Mijn wetenschap en mijn geloof,

Die leven saam in onmin,

Want de eene houdt, wat de ander doet,

En denkt en meent, voor onzin.

Intusschen heb ik beide lief,

Juist even trouw en innig.

En toch vind ik mij zei ven niet

Onreed\'lijk of krankzinnig/\' (De Génestet.)

Op den duur zou het ons geen vrede geven »zoo\'n rechlge-loovig knoeien,quot; öf het eene of het andere zou de overhand verkrijgen. Wij zouden öf ons verstand öf ons gemoed op den duur verloochenen moeten. Van eenige vastheid of verzekerdheid ware geen sprake.

Hoe komen wij nu tot een redelijk geloof?

Wij laten hier de opmerking voorafgaan, dat wij op geestelijk gebied op andere wijze tot verzekerdheid komen, dan op het gebied van die wetenschappen, welke alleen de zinnelijke en tastbare natuur tot voorwerp van haar onderzoek hebben. Op het gebied der ervaringswetenschappen brengen wij alleen in rekening de verschijnselen,- die wij met onze zintuigen kunnen waarnemen. In zake ons geloof houden wij echter ook rekening met de ^onzienlijke dingenquot;, wij nemen onze besluiten hier meer krachtens ons waardeerend oordeel of, wat hetzelfde zegt, het erkennen der waarheid hangt hier af van onze persoonlijkheid. \'t Geloof is niet in de eerste plaats een weten, een gevoelen of een handelen, maar een zijn.

Vandaar de schijnbare tegenstelling van wetenschap en geloof. Vandaar het hemelsbreed verschil tusschen de opvattingen van den eenen mensch en die des anderen, dat zich op het gebied des geloofs nog meer dan op dat der ervaringswetenschappen voordoet. \')

Vgl. Levenslicht, 15—18.

1) Gclooven en weten worden dikwijls tegenover elkander gesteld en in den regel het eerste bij het laatste achtergesteld. Doet men daaraan wel? Is het geloof werkelijk iets minder dan weten, van lager orde? Er zijn

-ocr page 42-

30

11. Het gemoedsleven.

Het geloof moet rusten op een vasten, onwraakbaren grondslag. Het moet zich laten rechtvaardigen door verschijnselen om ons en in ons, die er voor getuigen. Wij kunnen het an-

er die het beweren. Bij de toeneming der wetenschap, zeggen zij, zal het gebied des geloofs noodzakelijk inkrimpen. Deze twee staan tot elkander in omgekeerde reden ; zij zijn als twee weegschalen opgehangen aan denzelfden evenaar; rijst de eene dan daalt noodzakelijk de andere. Vandaar in onze dagen dat geloofsverval. Wie zoo spreken maken zich aan eene grove dwaling schuldig, oordeelen over dingen, die zij niet kennen, als in den blinde.

Wel is gelooven iets anders dan weten, geheel iets anders, doch daarom niet minder belangrijk en vertrouwbaar.

Wat toch is weten? Dit is hesef hebben, kennis hebben van de wereld om ons en in ons; het is kennis hebben van de bestaanswijze, van de wording en ontwikkeling van alle dingen. Door onze zintuigen — poorten der ziel — staan wij in betrekking met de buitenwereld. Door gevoel, gehoor, gezicht, reuk, smaak ontvangen wij een aantal indriiklcen. Het is de taak van onzen geest — van ons verstand — deze indrukken te verwerken, d.w.z. ze met elkander te verbinden, ze van elkander te scheiden, ze aan elkander te toetsen en onderling te vergelijken. Het resultaat van dezen onzen geestesarbeid, van ons denkvermogen in de eerste plaats, noemen wij onze wetenschap, \'t Is hier niet de plaats, maar ook onnoodig den lof dier wetenschap te bezingen ; alleen wijzen wij er op, dat al ons weten en kennen neerkomt op vertrouwen {geloof!) in onzen geest zoowel als in onze zintuigen. Wij „nemen aanquot;, dat de wereld werkelijk is, zooals zij zich aan ons voordoet I

Wat is nu gelooven* \'tWoord heeft aanleiding gegeven tot veel misverstand, waarom men het meermalen heeft trachten te vervangen door een beter. Wij moeten wel onderscheiden tusschen gelooven lo in den zin van voor waar houden van iets wat men nog niet zeker weet, en 2o in denzin van overtuigd zijn, b.v. van iemands eerlijkheid, deugd of karakter. Als iemand •van het godsdienstig geloof zegt: „ik weet liever dan dat ik mij met die gelooverij zou ophouden\'\'; een ander tot een kleinen jongen durft zeggen: „gelooven doen wij... in de kerlc ; of als Multatuli uitroept: „het geloof is eene vrijwillige cellulaire gevangenis voor het verstandquot;.,, dan maakt hij zich schuldig aan eene onjuistheid, eene domheid of eene slechtheid I

Gelooven en gelooven zijn twee. De beteekenis, waarin wij het woord hier gebruiken, vindt gij nog terug in het woord gelofte (geheel iets anders dan belofte) geloofshvieï. glaubiger, cf. belief — faith.

Het verstand is ons eenig zielsvermogen niet en de wetenschap is niet onze eenige geestelijke bezitting. Naast de kennis staat de waardeering ; naast het weten het gelooven. \'t Geloof is eene bepaalde opvatting van het leven hebben, het is een schatten, hoog of laag, van alles wat ons omringt.

\'t Geloof onderstelt wel weten, eischt wel kennis, nooit genoeg, nooit te veel ! Het heeft bij de meest uitgebreide kennis een onschatbaar belang. Het kan nooit tegenover de wetenschap staan, of daarvoor onverschillig zijn. Stel toch eens hoog of laag, noem eens goed of kwaad, redelijk of onredelijk, iets waarvan gij niets hoegenaamd afweet! Zeg er eens van, dat het een doel,

-ocr page 43-

31

ders onmogelyk voor iets meer houden dan voor een schoonen droom.

Doch om deze verschijnselen te kunnen opmerken is noodig een helder verstand, een krachtig gevoel voor het schoone en een rein gemoed — een oog dus om te zien. 2 Thess. 3: 1.2. Zoo alleen ontdekken wij, wat waar en goed, wat waarachtig is.

Hieruit volgt; hoe veelzijdiger een mensch is ontwikkeld, hoe completer de mensch is, hoe volmaakter in één woord — te duidelijker, te helderder, te zuiverder, te vaster, te volmaakter zal ook zijne geloofsovertuiging zijn. De reine, de zedelijke, de grootste mensch, de mensch van karakter, van adel en genie is het middelpunt van de wereldbeschouwing des geloofs. De beste, de menschelijkste mensch is de geloovige mensch bij uitnemendheid (Jezus). Hij kent en smaakt het leven in al zijn volheid, en kan en mag er als zoodanig een oordeel over vellen. — \'s Menschen ziele is in dien zin als een kristal, dat de kleuren van het zonlicht ontleedt. — mits het zelf zij van het zuiverste water.

Voorbeelden van zelfverloochening en opoffering, van grootheid, moed en liefde (Nathan der Weise, Desdemona) openbaren ons echter het meest van die onzienlijke, hoogere, betere wereldorde, waaraan het geloof ons wil verbinden. En indien wij daarvoor een bewijs willen leveren, dan behoeven wij niet enkel te gaan tot ^leliën en vogelenquot;, wij behoeven daartoe niet op te klimmen tot »de hoogten der hemelenquot; of neer te dalen »in

eene bestemming heeft, dat het uwe liefde al of niet verdient! En dat mocht men wel wat meer bedenken vóór men kwaad sprak van onze scholen, voor zoover zij kweekplaatsen zijn van allerlei nuttige kennis.

Men sprak vaak en veel over eene verzoening van wetenschap en geloof. Eigenlijk bedoelde men verzoening van de wetenschap met bepaalde ge-loofsvoorstelling en. In werkelijkheid hebben weten en gelooven hun eigen gebied en taak. Het eerste moet de stof aanbrengen, die het laatste verwerken moet. De wetenschap zegt ons: hoe alles is en gaat; daarna het geloof: waarom en waartoe het zoo is en gaat, wat de zin, de geest, de bedoeling er van is.. Het geloof is een oordeel, en als zoodanig eene openbaring van onze persoonlijkheid, een daad niet maar van ons verstand alleen, maar van ons „karakterquot;. — Men late beide op hunne plaats, in hunne waarde. Belemmering of verlies van een dier twee zou de menschheid tot onberekenbare schade zijn. Een mensch, die niets „weetquot;, waarin is hij onderscheiden van een dier? Een mensch, die niets ..gelooftquot;, hoe verlost men hem van do macht van liet dierlijke ?

-ocr page 44-

32

de diepten der aardequot;, of te omreizen stad en land ora alle wijzen en priesters uit te vragen, maar wij mogen in de allereerste plaats wijzen op een leven, als dat van Jezus. — Uit wat hier aan het licht treedt — zedelijke macht, wijsheid, adel, goedheid, liefde — op grond daarvan zeggen wij ; God is groot en goed, ook waar Zijne wegen niet de onze zijn, en deels zelfs voor ons in duisternis zijn gehuld. — Difar wordt ons geopenbaard eene wereld der dingen, die men niet ziet en die toch oneindig veel hooger en heiliger zijn, dan de tastbare, zichtbare wereld ons ooit wijzen kan.

Daarom mogen wij eikander wel op het hart drukken : kweekt voor en boven alles dat hooger leven, het gemoedsleven aan. Weest of wordt gemoedelijk. Schaamt u toch niet over de tee-dere zijde van uw wezen, van uwe »natuurquot;. Houdt hart en zin rein en in eere. Schaamt u niet over uwe allerheiligste aandoeningen, als eerbied, medelijden, barmhartigheid, deernis of uwe schaamte en verontwaardiging over gemeenheid of laagheid. Schaamt u zelfs niet over uwe tranen, maar nooit in der eeuwigheid over uwe liefde tot wat goed en edel is, lieflijk en welluidend. Schaamt u niet. over uwe liefde tot uwe ouders, tot uwe betrekkingen ! Waut immers dit alles brengt juist die hoogere songezienequot; wereldorde, die het geloof onderstelt, onder uw onmiddellijk bereik. Dit swat zijn licht geeft door\'s nienschen oogen heenquot; (Vondel), openbaart u God en den hemel ! \')

1) Niemand kan zeggen : „datgene, waarvan wij ons afhankelijk gevoelen, is volstrekt niet alleen maar een ruwe overmacht, voor welke wij met zwijgende onderworpenheid het hotgt;fd hebben te buigen, maar te gelijker tijd regelmaat en wet, rede en goedheid, waaraan wij ons met liefde en vertrouwen mogen overgevenquot;. (Strauss. O. en N. aeloof, p. 109), tenzij hij bezitte (behalve een oog voor „regelmaat en wetquot;, voor „rede en goedheidquot;) een liefhebbend hart. Hij moot zelf zijn een hefroutohaar persoon.

Jezus sprak: „Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zienquot;. Matth. 5 : S. Paulus schreef: „De natuurlijke (grofzinnolijke) mensch begrijpt niet de dingen, die des geestes /1111quot;. 1 Cor 2 : 14 en „wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord en in geen menschenhart is opgeklommen.... bereidt God dengenen die Hem liefhebbenquot;, 1 Cor. 2 : 9, v.v.

Op den tempel bij Epidaurus in het oude Argos (een heiligdom ter eere van Aesculapius, den God der gezondheid, waarheen vele heidensche bedevaartgangers trokken) stond te lezen : „men moet rein zijn om den drempel van dit heiligdom te overschrijdenquot;. Zoo is het ook met het geloof, dat is de eerste voorwaarde.

-ocr page 45-

33

Uw God te kennen is geen weten slechts, o Mensch!

Geen voorstel door \'t verstand koelzinnig aangenomen ;

Geen koud bespieg\'len en geen hartbeneev\'lend droomen;

Geen zich verliezen in een ruimte zonder grens ;

Geen tasten in een nacht, dien nimmer lichtstraal kliefde ;

Geen staren op een gloed, die \'quot;t sterkst gezicht verblindt:

Maar \'t is gemeenschap aan zijn wezen rloor de liefde,

\'t Zien van den Vader in den Vader door het kind.

(N. Beets.)

12. Eigen Geloof.

Het geloof, dat de vrucht, de zegen van een tot volle rijpheid gekomen menschelijk leven heeten mag, kan ons niet ge-cjeven worden.

Zelf moet gij het zoeken, en zelf moet gij het vinden.

Mensch, in u\\y hart, in het woord, in het lot.

Anders zoo spelen de werv\'Iende winden

Mensch, met uw hart, uw geloof en uw God.

(De Génestet.)

Terecht zong de groote duitsche dichter:

De schatten, die gij van uw vaad\'ren erft,

Bezit g\' eerst dan, als gij z\' u zelf verwerft.

Op gezag kan de menschelijke geest niets;... niets weten, niets begrijpen, niets bewonderen of liefhebben. Wat goed en waar is, heeft slechts in zooverre waarde voor ons, als wij het

..Het gelijke wordt alleen door het gelijke gekend,quot; oordeelde Cyprianus, het goede dus door don goede.

Bernard van Clairvaux zeide: „res divinas non disputatie comprehendit, sed sanctitas. Geen verstandelijke redeneering alleen, maar reine zm.

Augustinus sprak: Noli foras ire; in te redi; in interiori homine habitat Veritas. „Keer tot u zeiven in. o mensch, want in u is Gods beeld.quot;

Van Heusde meende: Divinus divinae naturae interpres.

Van Kousseau is dit schoone woord ; Veux tu croire en Dieu, vis de telle manière, que tu aies toujours besoin qu\'il existe!

Van M. Claudius is dit: Men vindt God ook in do natuur, maar het eerst en meest in de natuur van het reine hart.

Van Ph. E. Hugenholtz: Het goddelijke kan niet erkend worden, tenzij het recht en de macht van het goede, hot heilige worde gehuldigd.

Van de Bussy: God is de vader niet van flauwhartigen maar van heldenzielen.

Vauvenargues riep uit: Les grandes pensees viennent du coeur.

Schiller zong:

Wat nimmer \'t verstand des verstandigen vindt.

Dat doet in zijn eenvoud \'t gemoed van een kind.

\'t Zijn alle zoovele schoone getuigenissen uit vele uiteenloopende eeuwen, die onze meening bevestigen.

-ocr page 46-

34

persoonlijk kunnen aanvaarden, in ons opnemen, narekenen en als waar en goed erkennen. In geestelijken zin kan men gerust zeggen: «niemand wordt rijk geboren.quot; \')

Spreek den blindgeborene van den kleurenrijkdom en de won-derpraeht der natuur of van het schitterend licht der zon ; — tracht den doove een begrip te geven van den wonderbaren invloed der harmonie van tonen en klanken. Zij begrijpen u niet. Zij zullen u misschien op uw woord gelooven, maar zij verstaan u niet. Zóó gaat het ook met het geloof. Wie geen fijn gevoel hebben, bij wie in de kindsheid (of door te groote gestrengheid of door te groote toegevendheid) de natuurlijke goedhartigheid ontaardde in wreveligheid en ongevoeligheid of ia verregaande zelfzucht — zij hebben geen geloof en zij zullen het nooit hebben in den rijken zin des woords. Klopt bij dezulken aan, zij zullen de poorten hunner ziel sluiten, of liever, deze zijn gesloten. De snaren van hun gemoedsleven zijn gesprongen of nooit ontwikkeld. Komen zij al tot »geloofquot; door verstandelijke redeneering, het zal geen bezielende overtuiging zijn.

Twee redenen noemden wij daar op, die de ontwikkeling van het geloofsleven, de vorming van eene eigene onvervaarde, eerlijke overtuiging, kunnen tegenhouden. Maar het spreekt vanzelf, dal er nog vele andere zijn bovendien, b.v. eenzijdige (verstands-) ontwikkeling, gebrekkige opvoeding, lichamelijk lijden, ontucht, liederlijkheid, armoede en gebrek, ziekte en dood van geliefde betrekkingen, omgang met woestelingen en onbeschaafden, al te groote zucht (vooral bij jonge menschen zich voordoende) om voor aardig (?), geestig (?), moedig (?), geleerd (?), en waarlijk soms ook om voor ruw door te gaan, gemakzucht, misverstand enz.

Al deze dingen staan de vorming van eene krachtige, oprechte overtuiging zeer in den weg, zij rooven ons gevoel van waarde, van superioriteit; met één woord zij doen schade aan onze hoogere »natuurquot;, aan ous wezen en alzoo aan ons geloof.

1) Was du ererbt von deinen Vatern hast,

Musst du erwerben um es zu besitzen.

(Goethe.)

Der ewig freie Geist bewegt sich in seinen eigenen Bahnen. (Ranke ever Luther.)

Nemo nascitur dives.

-ocr page 47-

35

Maar indien dit zoo is, kan ons dan veler ongeloof en twijfel wel verbazen, of ook ons eigen klein geloof? \')

Wij zijn immers niet volmaakt. Ons verstand is klein, onze wetenschap nog altijd stukwerk. Niet altijd bekoort ons het schcone en goede. Ons hart en ons gemoed zijn vele malen onrein; de zinnelijke dingen nemen ons vaak geheel in beslag! Vraagteekens zullen er daarom altijd blijven. Het optimisme zoowel als het pessimisme, bijgeloof en ongeloof, zullen steeds aanhangers vinden, ook onder de zoogenaamde ontwikkelden en beschaafden. Twijfelaars en armen van geest, hongerenden en dorstenden naar meer licht, vermoeiden en belasten zullen er steeds zijn. Eu te gelooven, waarlijk, eerlijk, oprecht te geloo-ven zal steeds blijken te zijn een daad — een daad van groeten, kloeken moed, van den hoogsten adel, een daad van karakter. (Hebr. 11 : 6. — Alexander de Groote en zijn arts Filippus!) vgl. Levenslicht 26, 89, 254.

13. Uitnemende personen. Heroën, profeten.

Een eigen geloof is de eisch. Doch niettemin blijft het waar, op welk gebied de enkele mensch zich ook bewege — hetzij hij zich wijde aan de wetenschap of aan de kunst, hetzij hij zich in het bijzonder aangetrokken gevoele door godsdienstige vraagstukken — de mensch leeft met en door zijn medemen-schen. Hoe groot is niet de invloed van ouders, leermeesters en goede vrienden, zoowel op het denken en gevoelen, als op het karakter en geloof van het aankomend geslacht.1)

Op elk gebied zijn bovendien wegbereiders, woordvoerders, gidsen, ontdekkers, «gezalfden Gods.quot; Hunne verdiensten voor de menschheid zijn onbeschrijflijk groot. Carlyle, de groote

1

*) Geen verstandig mensch kan me enen, dat hij aan zichzelf overgelaten en opgroeiende als een jeugdige wilde, aan noodlottige vergissing bij de keuze zijner levensbaan zou ontsnapt zijn. Eerbied voor de wijsheid der vaderen, die hem zelf in een rijk en lang leven proefhoudend is gebleken, moet derhalve het vaste kenmerk van den verstandigen zedenleeraar zijn. — Prof. Buijs, Gids, April, 1888.

-ocr page 48-

36

Engelsche geschiedschrijver zeide hiervan: »Naar mijne meening is de algemeene geschiedenis eigenlijk de geschiedenis van de groote mannen, die hier geleefd hebben. Zij waren de leidslieden der menschen, de vormers en in den ruimen zin genomen, de scheppers van al wat de groote menigte beproefde te doen of te bereiken. Al wat wij ia de wereld aanschouwen, is werkelijk de verwezenlijking en belichaming van gedachten, die leefden in die groote mannen eenmaal de wereld ingezonden. Met recht kunnen wij zeggen, dat de ziel der geheele wereldhistorie, de geschiedenis van die groote helden is. \')

Hoe waar is dat gezegd. Ook de uitnemendste persoonlijkheden — geen enkele uitgezonderd — steunen voor een groot deel op anderen, op hunne voorgangers. Zij ruilen de gaven van hun geest en gemoed met die van hunne tijdgenooten en zijn aan deze met een onzichtbaren maar hechten band verbonden. Groot zijn de verdiensten van de Columbo\'s, van de Von Humbold\'s, van de Rafaëls.

Zoo is het ook op godsdienstig en zedelijk gebied. Gewis het geloof is bepaald iets persoonlijks, maar hoe goed is liet, dat in een bepaald persoon belichaamd te zien. Dan is het, alsof wij ons zelf, ons eigen binnenste, ons eigen innigste, intiemste wezen aanschouwen.

\') Carlyle. On heroes iind herb worship.

Even juist zegt Dr. A. Pierson in zijne Oudere Tijdgenooten: „Zij (de groote mannen) hebben inderdaad hot hunne bijgedragen tot het kapitaal van degelijkheid, waarover ons volk nog beschikt. — Indien er nog heden ten dage eene zelfstandigheid is. die zich om mode noch vooroordeelen bekommert ; — indien er nog een eigen gemoeds- en geestesleven is, dat het geluk heeft wegens zijn idealisme de ironie van allo wereldlingen op te wekken : indien er belangstelling is in de openbare zaak zonder eerzucht of menschen vrees; indien er eene onbaatzuchtigheid is en ijver en reinheid van levenswandel en beheersching der hartstochten, is dit ongetwijfeld ook aan die mannen te danken, die ons misschien niet geheel tot hunne beschouwingen kunnen bekeeren, maar wier karakter het peil onzer zedelijke eischen heeft verhoogd.quot; — Door helden worden helden geboren. — „Zij kweeken heröen, heröen van piëteit, toewijding, trouwe verknochtheid. Hopen tegen hopen ; vasthouden van hetgeen aan zooveler karakterloosheid ontglipt: kweeken van hetgeen zooveler lichtzinnigheid en gemakzucht verwaarloozen; — opmerken en liefhebben van hetgeen zooveler overhaasting over het hoofd ziet, zooveler blindelings volgen van de openbare meening als geheel verouderd prijs geeft; ziedaar hun gave 1 Ziedaar hun macht in de zedelijke wereld, zij leeren het anderen.quot;

-ocr page 49-

37

Groote personen, godsdienstige heroën, trekken ons te meer, te krachtiger aan, naarmate wij meer uit hun leven en werken den indruk ontvangen, dat zij een zeldzamen geest bezitten, over buitengewone gaven beschikken,.. . dat wij dus te doen hebben met vertegenwoordigers der menschheid bij uitnemendheid. »Dien geest dan te leeren kennen en in zijn ontwikkeling te volgen, zijn lijden en strijden na te gaan, zijn zieleleven in zijne afzondering na te speuren, dat kan niet anders dan onze levendigste belangstelling wekkenquot; en meer dan iets tot onze vorming dienen.

Geheimzinnig, wonderbaar is de betrekking der eene ziel op de andere en waar is de uitroep van Novalis: »zeker is het, dat mijn geloof oneindig veel wint, op het oogenblik, dat ik een anderen geest van de waarheid daarvan kan overtuigen.11 Indien anderen onze opvatting van geloof en leven deelen, dan is dat een weldaad voor ons gemoed en een waarborg te meer dat wij niet dwaalden.

Daarom vooral is hulp en steun van anderen onwaardeerbaar onmisbaar en indien het blijkt, dat de edelsten aan onze zijde staan — de edelsten van ieder volk, van elke eeuw — en op dezelfde en op andere gronden hetzelfde geloof hebben gepredikt en daarin hunne kracht gevonden, dan strekt dit meer dan iets anders tot versterking van ons vertrouwen. »Hun geduld, hunne kracht, hunne wijsheid, hunne liefde zijn ons heilig en leven in ons. Heroën, profeten, apostelen, zijn nog meer ons eigendom, dan zij het waren van het geslacht, dat hen zag leven. Zij spreken nadat zij zijn gestorven.quot; prof. Hoekstra, Bronn, en grondsl. p. 319. \') (vgl. Levenslicht, 217, 219, 269—272.)

14. De Bijbel.

Wat wij daar opmerkten omtrent den steun, die aan ons geloof van anderen ten deel valt, bepaalt ook de waarde, welke

\') Hebr. 1 : 3. 2 Petr. 1 : 19.

..Ik kan niet geloovenquot; — zegt. prof. Pierson, a. w. „dat hun ernst, hunne veerkracht, hunne toewijding, hunne kloekheid tegenover de openbare meening, hun niet-genoeg-hebben van het alledaagsche en welke deugden nog meer hun deel zijn geweest, geenerlei, ja, geen uitnemende vrucht zou hebben nagelaten... eene vrucht, waaraan zij zelf misschien niet of veel minder hebben gedacht.quot;

-ocr page 50-

38

de bijbel voor ons geloofsleven heeft. De verauderde beschouwing der Heilige Schrift heeft daarin uiet zooveel verandering gebracht, ais velen wel meenen. \')

Van geloof alleen op gezag van den bijbel kan geen sprake meer zijn, trouwens zulk een autoriteitsgeloof ware zonder zedelijke waarde en oefende geen invloed op het leven. — Slechts dogmatische bevangenheid kan anders doen spreken. — In de werkelijkheid vindt men zulk een geloof dan ook wel bijna nergens, ten hoogste bij enkele volstrekt onmondigen en kinderen, die »eene instinctieve geneigdheid hebben om alles te ge-looven, wat men hun vertelt.quot;

Maar belangrijk voor ons geloof blijft de bijbel zeer zeker, ot zou meer dan duizend jaren menschenervaring geen waarde voor ons hebben ? Zonder den bijbel zouden wij waarschijnlijk de wording en de ontwikkeling van den godsdienst niet kunnen nagaan, zouden wij er ons althans niet zulk een heldere voorstelling van kunnen vormen. De bijbel is daarenboven een sprekend bewijs hiervan, dat voor een krachtig geloofsleven niet in de eerste plaats uoodig is veel kennis en wetenschap die uit haren aard slechts het deel, het voorrecht van enkelen kunnen zijn, van betrekkelijk zeer weinigen, maar voor en boven alles een warm hart, een reine zin.

Eindelijk bezitten wij in den bijbel de woorden en daden, de prediking en het leven van een aantal echt godsdienstige en krachtige persoonlijkheden, van wie bezielende kracht uitgaat nog na zoovele eeuwen. Zij behooren tot die groote helden, die ons door hun voorbeeld moed instorten en geloof. Zij zijn de baanbrekers op godsdienstig gebied geweest. Zij hebben den godsdienst gewekt, ontdekt, dien millioenen jiebben beleden. Op bijna iedere bladzijde des bijbels lezen wij een kostelijk geloofs-

\') „De zuiver godsdienstige waarde van de Heilige Schrift — en eene andere kan haar redelijkerwijs niet toegekend worden — is geenszins afhankelijk van de uitkomsten der historische kritiek, althans niet in dezen zin, dat zij zich eerst dan zou laten bepalen, als die kritiek haren arbeid voltooid heeft, al is het ook, dat de Schrift, bleef die arbeid geheel achterwege, ten laatste wel eens hare godsdienstige waarde voor de gemeente zou kunnen verliezen. Wat echter de gemeente aan de schrift vastbindt, dat staat buiten en boven liet gebied, op hetwelk de kritische wetenschap zich beweegt.quot; Hoekstra a. w. p. S2i.

-ocr page 51-

39

getuigenis. »Dit hoek is vol van de heerlijkste gedachten, het geeft uitdrukking aan het reinste geloof, het bezielt tot de meest lofwaardige zelfverloochening.quot; De bijbel is daarom ook ons het boek der boeken, want het is het boek, waarin ons wordt beschreven in dichterlijke en boeiende taal het morgenrood van den nieuwen dag.

»De bijbelquot;, zegt Joubert met allen grond, »is voor den godsdienst, wat de Ilias is voor de poëziequot; en »wat de oorkonden van het Romeinsche recht zijn voor de rechtsgeleerdheidquot; (voegt prof. Hoekstra er aan toe) ja, en nog oneindig veel meer \')

(vgl. Levenslicht, 264.)

15. Jezus Christus.

»Eene wolke van getuigen hebben wij rondom ons.quot; Eene lange lijst van namen van vroede mannen en goede vrouwen zouden wij hier kunnen opsommen. Wij treffen onder hen aan van alle volken, kleuren en talen ; geleerden en dichters en kunstenaars

\') Jez. 55 : 10, 11. 2 Tim. 3 ; 10. 17.

Do Génestet. Bibliu. Hoekstra. Bronu. en grondsl. 323—332.

Joh. Calvijn zeide: Lees Demosthenes of Cicero; lees Plato, Aristoteles of welken anderen schrijver van die soort: verwonderlijk is het, hoe zij u aantrekken, vermaken, roeren, medesleepen ! Maar wanneer gij n daarna tot de lezing van den bijbel begeeft, dan grijpt ook deze u, of gij het wilt oi\' niet zóó levendig aan, en dringt hij zóó door tot uw binnenste, dat daarbij de kracht dier redenaars en wijsgeeren schier in het niet verdwijnt; zoodat het niet moeilijk is zich hiervan te overtuigen, dat in den bijbel iets goddelijks ademt, wat alle andere menschelijke begaafdheden oneindig overtreft.quot;

Gelijk oordeelt Pierson a. w.: ..Het gaat tegenwoordig voor bekrompen dooiden bijbel aan te prijzen. Hoe oppervlakkig en onnoozel is dit. Toen men den bijbel aan het volk in handen gaf is een geheel nieuwe wereld geboren. Het is dan ook een elk onmogelijk met dien bijbel om te gaan, er zich ge-loovig in te verdiepen, zonder in een zeer ruimen kring te worden omgeleid. Wat al volken, waarvan men anders niets verneemt, trekken de aandacht. De Egyptische, Syrische, Babylonische, Persische beschaving, de Grieksche zelfs en straks ook de Romeinsche, allen lichten ze bij beurte iets van den sluier op. Zeden, gebruiken, voorstellingen uit zeer verschillende tijden wekken de belangstelling en eenigszins het historisch gevoel.quot; De profetie van Israël is vrucht van het nadenken over den toestand en de toekomst der volkeren .....dan die boeken zijn geschreven in eeuwen, die zoover uit elkander liggen, wie blijft daar vreemd aan, wat men noemt, de ontwikkelingsgeschiedenis van den godsdienst..... En dan hoe is de bijbel samengegroeid met het Christendom, met den godsdienst van nu, met al ons denken en trachten.

-ocr page 52-

40

en eenvoudigen, maar reinen van hart. Tal van priesters en profeten van het hooge en heilige zijn er geweest op elk gebied, die ons den weg hebben gewezen en gebaand. De eereplaats onder dezen komt echter toe aan hem, dien ook wij mogen heeten : »den oversten Leidsman (aanvanger) en voleinder des geloofs,quot; (Hebr. 12 : 1, 2) want hij heeft een nieuw leven tm/-clekt en de waarheid en verhevenheid er van getoond. Jezus de Nazarener, de redder der mensehen, de verlosser der wereld, de heiland, de Zaligmaker, de zoon van God, de »Christusquot; — het zijn zoovele eerenamen voor den menschenzoon, die ook wij in overdrachtelijken zin wel mogen gebruiken, want ter eere van dien eenige onder de menschen kunnen wij niet licht te veel zeggen. \') Ontzaglijk veel is de menschheid aan hem verplicht.

Neen, Jezus was niet het bovennatuurlijk wezen, waartoe de christelijke kerk in tijden van geestelijken teruggang en verbastering hem verhief (?) — volkomen mensch en volkomen God en toch weer één wezen ! Hij was een groot mensch ! Hij was een mensch van vleesch en bloed als ieder onzer en toch een wezen, in wien God een welbehagen had. Jezus is de geniale timmermanszoon, die meer dan alle andere profeten en priesters voor de ontwikkeling van het godsdienstig en zedelijk leven heeft gedaan. Waar de godsdienst dreigde op te gaan in ijdele bespiegeling of te versterven door wetheiligheid en letterknech-terij, daar heeft hij dien voor vergaan behoed.

De mensch zou zijn omgekomen van geestelijken honger en dorst naar vrede, naar rust en geluk, indien Jezus niet de on-

\') „Hoe hooger het geloof zelf staat, te heerlijker moet ook de jjrofetisohc geest zijn van hem, in wiens godsdienstige bewustheid de raadselen des levens tot de volle oplossing komen.quot; Hoekstra. Mutatis mutandis kan men dit woord toepassen op Jezus: ,,Qu\'importe au fond d\'ailleurs. que Sacrale ait été un peu plus, un peu moins philosophe et métaphysicien ? Dans l\'impos-sibilité d\'arriver ii des precisions trop rigoureuses, il est é^ultnhU\' dr lui laisser avec un pieux souci, tout ce qui est possible de sa gloire. L\'humanitó n\'a nul intérét ii éteindre ou ii affaiblir sans raison decisive, aucun des rayons, qui entourent le front de ces grands hommes, et Socrate par son róle, par sa vie, par sa mort, est grand parmi les plus grands.quot; (L. Carrau. Eevue II M. l May. 1886, p. 153.)

„Het is erger dan onedel naar vlekken te willen zoeken op het keizerlijk purper van het machtig, scheppend genie.quot; (E. Müller.) *

-ocr page 53-

41

sterfelijke verdienste had gehad om het leven te vinden. Hij is geweest ;gt;het brood des levens.quot;

..\'t Onuitgesproken woord stonrl in het hart te lezen,

En Christus gaf er klanken aan.quot; \')

Hij heeft het bewustzijn van kracht doen leven en ons doen gevoelen, dat \'s menschen geestelijk leven van uit den hoogen hemel stamt. Zijne geschiedenis zoo vol lijden en smart en sombere tonen, met zulke donkere kleuren gepenseeld, met zulk een zwarten achtergrond en schijnbaar geheel zonder licht, geeft ons te zien, wat een mensch wezen en worden kan, onafhankelijk van lot en omstandigheden. Hij heeft ons te aanschouwen gegeven, welk eene reuzenkracht er sluimert in onzen boezem en getoond, dat wij niet vreugdeloos en wanhopig hebben te bukken, zelfs niet onder de slagen van het vreeselijkste lot. De mensch kan onder alles groot, waardig, edel, een held zijn ; deze aarde kan hij maken tot »een huis Gods en eene poorte des hemelsquot;. Dit is de les aan den voet zijns kruises ons geleerd : »de mensch is slechts een weinig minder dan de engelen, hij is Gods geliefd kind !quot; 1)

Naar waarheid schreef iemand: »de Christus, de strijdende, lijdende en stervende Christus heeft de menschheid verder gebracht, dan boeken vol wijsheid en werken vol kunstgenie.quot; (de Bussy.) Meer dan Mozes, Elia, Jesaja, of wie der profeten, die vóór of na hem leefden ; meer dan Salomo, Alexander, Caesar of Napoleon en al de vorsten en machthebbers dezer aarde is de zoon van Jozef en Maria, eenvoudige ambachtslieden in Israël, geweest. — Hij leert den mensch »lezen in de peillooze diepten van zijn eigen hartquot; en doet hem vertrouwen op de inspraken en eischen zijner eigene natuur.

1

■) „Si la mort et la vie de Socrate sont d\'im sage, la vie et la mort de Jésus sont d\'un Dieu.quot; (J. J. Rousseau.)

-ocr page 54-

Hoe is hij geworden, die hij was ? Hoe is hij, de verworpene, geworden de hoeksteen van het gebouw des geloofs, in wiens tempel eens de geheele menschheid zal vergaderen, als ééne kudde?

Deels is dit ons eene verborgenheid. (Ps. 118 : 22, 23.)

Hij werd geboren in een donkeren tijd, in een tijd van al-gemeene verslapping, van onverschilligheid en van zinnelooze onzedelijkheid. Maar in zulke tijden stonden steeds de grootste mannen op. Het is als eene wet in de geschiedenis, eene wet Gods !

Hij had een helder hoofd, een warm hart en een open oog voor al wat hem omringde. Als hij de leliën zag met hare meer dan koninklijke pracht of luisterde naar der vogelen lustigen zang, dan stond hij als geboeid aan zijne plaats.

Als hij las in de geschiedrollen van zijn volk en daarin kennis maakte met zoovele groote mannen, die hij ondanks hunne dwalingen en eenzijdigheden liefhad om de grootheid van hun hart en hunne edele bedoelingen met zijn volk, dat in onwetendheid dreigde onder te gaan, dan had hij geen rust. Dan moest hij de wereld in om zoo mogelijk, wat zij hadden gewild, te vervullen, werkelijkheid te doen worden. (Matth. 5 ; 17.)

Maar boven alles, hij was teeder van hart als eene vrouw, en sterk en moedig als een man. Hij was bescheiden en nederig, zelfs tegenover zijne vijanden. Hij was een mensch!

En waar dit alles zijn optreden, zijne persoonlijkheid en zijn invloed niet verklaart, daar denken wij aan God 1), Die de teugels van het wereldbewind voert en Die op onnaspeurlijke wijze, gelijk in de zichtbare schepping, ook in de wereld der onzienlijke dingen werkt. Die »de harten der vorsten zelfs kneedt als was en de volkeren leidt, als waterbekenquot;. (Spr. 21 ; 1.)

Ieder kerstfeest is voor den yeioovige van alle tijden het feest der feesten. (Deut. 34 : 10, vgl. Levenslicht, 223.)

\') Nemo vir magnus sine aliyuo affiatu divino imquam fuit. (Cic, de nat. deor. II, 66.)

Oracula instinctu divino afflatuque fundimtur. (De divinat. I, ]S.) cf. Hoek-stra. Brom. en Grondsl. p. 270.

..Jedes individuelle Leben ruht auf einem ursprünglich bestimmten Sein, das auf dem Schöpfer zurück weist.quot; (Hase.)

-ocr page 55-

43

16. Het Christendom.

Een gelijken steun voor óns geloof — als in den Christus — vinden wij in het Christendom. De grondgedachte, (de theorie, de leer) zoowel als de geschiedenis (de praktijk, de invloed) des Christendoms is eene doorgaande rechtvaardiging van de wereldbeschouwing des geloofs.

De christelijke volken zijn de meest beschaafde volken. De wetten, vroeger ruw en hard, zijn verzacht, de zeden gereinigd, de hinderlijke scheidsmuren worden er afgebroken en de men-schen zijn er gelijk, voor de wet althans. Het recht wordt er geëerbiedigd, de zwakken en ongelukkigen worden er geholpen, weduwen en weezen en ouden van dagen worden er bijgestaan en gesteund, wetenschappen en schoone kunsten bloeien er. Is dit niet een bewijs, dat er in het Christendom eene beschavende en veredelende macht ligt opgesloten ? \')

Zeker, het is raet zijne leer gegaan, als met den gekruisigde zelveu. Vele malen is zij miskend en gelasterd. Men heeft haar al te dikwijls tot eene bespotting gemaakt. Bijgeloof en onwetendheid hebben haar bijna te gronde gericht.

Wat toch noemde men Christelijk ?

De bijbel, instede van een boek vol edele geloofsgetuigenissen uit een zeer vroegen tijd, werd het boek van Gods eiyen openbaringen, Gods woord.

De profeten werden verheven (?) tot op bovennatuurlijke wijze geinspireerden met Gods geest.

Jezus, de Christus, heette de zoon van God zelf en niet van Jozef, den wettigen echtgenoot van Maria, die gezegende onder de vrouwen. Jezus, de (jodmensdi, heette uit den hemel te zijn neergedaald op aarde om de menschen te verlossen van de gevolgen van de straf hunner zonden, van de eeuwige verdoe menis. Jezus, de ivonderdoener, die door de zondige mensch-heid aan het kruishout was geslagen, was daartoe gestorven, doch ten derden dage weer opgestaan uit zijn graf, had toen nog veertig dagen op aarde gewandeld, waarna hij werd opgenomen

^ Das Christenthum gebietet die reinste Humanitat auf dem reinsten Wege.

(J. G. von Herder.)

-ocr page 56-

44

in den hemel om te zitten «ter rechterhand Godsquot;, als koning en heerscher en medebestuurder van het heelal.

De Christelijke kerk heette een goddelijk heilsinstituut, door het lidmaatschap waarvan men zich plaats bereidde in den hemel.

Dat en nog vele dingen meer, als erfzonde, zedelijke onmacht, de algemeene doemwaardigheid van ons geslacht, de wonderkracht van doop- en avondmaal; de beschouwing van dit zoogenaamd Christelijke geloof, als een vrijbrief voor zonde,ketter-moord en godsdienstoorlogen, brandstapels en gevangenissen, twist en tweedracht zelfs, enz. dat heette Christelijk, iets dat niet kon worden gemist, tenzij men afstand wilde doen van den Christelijken naam.

Was dat nu werkelijk zoo, dan zouden wij in zake ons geloof, van het Christendom afstand moeten doen. Maar leerden wetenschap en wijsbegeerte ons niet het tegendeel ? Neemt het getal van hen, die deze dingen en met reden verwerpen, niet met den dag toe ?

Neen, maar, echt Christelijk is dit — en difórom is het Christendom onvergankelijk, is het, kan het en zal het niet vergaan, noch door zijne bitterste vijanden, noch door zijne onhandige vrienden. »Hebt God lief boven alles en den naaste als u zeiven.quot; Dat is Christelijk! Op dien grondslag alleen bouwde Jezus zelf zijn toekomend Koninkrijk. »Godquot;, oordeelde hij, »die u heeft geschapen is uw Vader. In Zijne schepselen heeft Hij een welbehagen. Kennelijk zelfs in bloemen en vogelen. Hoeveel te meer dan in den mensch, die deze oneindig ver te boven gaatquot;.

Deze zoo echt mensehelijke leer — die wij misschien zeer gewoon vinden, evenals wij een schoonen, zomerschen dag gewoon vinden — wat al aandoeningen zal zij in de harten van hen hebben gewekt, die haar voor het eerst vernamen. Als een blinde, die voor de eerste maal het licht ziet; als een nauwlijks herstelde kranke, die voor het eerst lente\'s adem tegenwaait, zoo moet het dien vermoeiden en belasten, dien hongerenden en dorstenden, dien armen van geest in Israël te moede zijn geweest, die het eerst uit Jezus\' mond deze prediking hoorden. De xvreezequot; voor het ongeziene week uit de borst om plaats te maken voor eene dankbare toewijding. Het was

-ocr page 57-

45

alsof er een nieuwe hemel welfde, alsof er een nieuwe aarde was geformeerd. Het welaangename jaar des Heeren was aangebroken.

Liefde tot God, die zich uit in een grenzeloos vertrouwen op God en in liefde tot al wat goed en edel is en zeker het meest in liefde tot zijne schepselen, tot menschen wel in de allereerste plaats — dat is Christelijk ! Maar is dat wel iets anders dan de grondstelling des geloofs, die ons evenzeer aan het goede wil verbinden en aan het edelste, dat zijn grond vindt in God? Doch er is iets, dat ons geloof ten goede komt en te gelijk onze ingenomenheid met het Christendom verhoogt: het Christelijke is het echt menschelijlce en het echt menschelijke is Christelijk \')

Als het geloof iets echt menschelijks is, de bloem, de kroon van het waarachtig menschelijke zijn, dan is het waarheid, wat een kerkvader eens zeide: »de ziel is Christinne van nature!quot; Dat het Christendom dan ook in naam, zoowel als in beginsel gehandhaafd blijve, mag het doel en streven wezen van eiken weldenkende. Het is eeu daad van vrome piëteit.

§gt;•

17. Wetenschap en Kunst.

Ook wetenschap en kunst — hoe vreemd dit beweren velen in onze dagen in de ooren moge klinken — komen de beschouwingen des Geloofs ten goede. Door de beoefening van beide wordt de menschelijke geest zichzelf bewust, zich bewust van zijn hoogten en diepten, van zijn vermogens en krachten. Wetenschap en knnst leeren ons scherper en juister zien, fijner en edeler gevoelen. Wij ontdekken door haar ook, welke wonderkrachten er in ons en om ons henen werken. Wij krijgen door haar besef van ruimte en tijd, van schoonheid en majesteit. Ja, zoo dikwijls wij op haar gebied hebben rondgedoold, is het ons als hadden wij Voor een wijle vleugelen aangehad.

l) ïen onrechte sprak daarom iemand, -boven het protestantisme staat het Christendom en boven het Christendom het humanisme.quot; Dit is op zijn zachtst genomen spelen met woorden, want deze drie woorden zijn slechts namen ; namen voor ééne zelfde grootsche en schoone zaak. Meer naar waarheid schreef een ander: ..Ik ben zoo overtuigd van de uitnemendheid van hH Christendom, dat ik van heeler harte met de orthodoxen zeg: eene Christelijke gedachte, een Christelijk gevoel, eene Christelijke daad; voor eene goede gedachte, enz.quot; Mens humana Christiana naturae. Fortullianus.

-ocr page 58-

46

De wetenschap leerde de ware van de onware verschijnselen scheiden en opende de cogen der rnenschen voor zoovele wonderen van hemel en aarde, dat de wereld der zichtbare dingen ons steeds meer blijkt te zijn eene afschaduwing van de ongeziene hoogere orde, die het geloof onderstelt. Al wat de wetenschap ooit ontdekte, heeft nooit kunnen of behoeven te strekken tot verzwakking onzer geloofsovertuigingen. Integendeel het heelal bleek geen ordelooze chaos, maar steeds meer eene eenheid te zijn, waarin wet en orde, regel en maat, schoonheid en wijsheid ten troon zitten, waar alles een doel, eene bestemming, eene zekere taak heeft, eene eigenaardige plaats bekleedt. Dat bewijst trouwens ook het bestaan der wetenschap zelf.

Er ligt dus in wat de wetenschap te voorschijn bracht voor den mensch eene bemoediging en versterking des geloofs. \')

En wat nu meer in het bijzonder de kunst aangaat, zijn niet hare uitnemende voortbrengselen tolken van het beste in den mensch, van het gemoedsleven ?

Danken zij niet daaraan nog meer hunne bekoring en macht, dan .aan de harmonie van vormen, lijnen en kleuren of van klanken en woorden?

Of liever maakt niet dat juist de waarde en het wezen der schoone kunsten uit — van welke ook — dat zij als het ware de uitdrukking, de tastbare en zinnelijke belichaming zijn van de ongeziene dingen, die leven in het binnenste van den mensch ?

Komt ergens meer dan in de kunst de scheppende kracht van den menschelijken geest uit? Als het kille, ijzerharde marmer geest ontvangt, het ziellooze doek door kleuren, verven, lijnen spreekt en leeft; als in de harmonie en den rhythmus der tonen de ziel ongekende aandoeningen als belichaamt, enz., wie ziet dan niet iets meer in den mensch, dan »de wierook-

(Goethe.) cGoethe.)

\' Vgl. lui. en H. XI, § 02.

Wer Wissenschaft unci Kunst besitzt,

liat aucli Keligion Wer diese Beide nicht besitzt,

or habe Keligion I

Willst du in \'s Unendliche schreiten. Goh\' in\'s Endliche nach allen Seiten.

-ocr page 59-

47

geur der stof?quot; Wie weigert dan af te gaan op de stemmen, beden, wenschen, aspiratiën, beloften van zijne eigene »natuurquot; ? Wien wordt het «postulaatquot; des geloofs, het getuigenis van alle vromen van alle eeuwen, niet tot een profetie wier vervulling verzekerd is ?

(Ecce homo, Christus consolator, Mater dolorosa b. v. vgl. Levenslicht 76, 403, 330—333, 338).

H O O F D S T U K IV.

HET GELOOF AAX GOD.

18. »Godv.

Het geloof, dat ons zulk eene bemoedigende wereldbeschouwing predikt, die zich door zoo velerlei, als wij in het vorig hoofdstuk opsomden, wel rechtvaardigen laat, vindt zijn diepsten grond in het geloof aan God.

God is de alles vervullende, dragende en verklarende macht, de grond, de wortel, de oorsprong van alles, ook van ons leven.

Wie is God? Wie is Hij voor ons, de Ongeziene? Want onzienlijk is Hij. Wij behoeven geen groote geleerden te zijn om dat te ontdekken. ij hebben God nooit gezien en nimmer werd God door een mensch gezien. Wat wij daarvan hooren en lezen, moeten wij zetten op rekening der traditie of der verbeelding. De waarheid van dergelijke verhalen is voor ons onhewijshciat en als zoodanig kunnen deze dus niet dienen als grondslag van ons geloof.

Wie is God ? »God , met dien naam boven allen naam, duiden wij aan die ééne, groote macht, waarvan allen zich afhankelijk gevoelen in ieder opzicht ! De macht, die alles schept en herschept, opheft en vernietigt; de macht, die wij overal en ten allen tijde op onzen weg ontmoeten.

»De waan der zelfgenoegzaamheid moet wel sterk zijn, waar men kan veiamp;etcn van hoe onnoemelijk veel wij afhankelijk zijn, dat boven en buiten ons bereik ligt; hoe onnoemelijk veel ons

-ocr page 60-

48

van oogenblik tot oogenblik bedreigt, waartegen wij zoo goed ais niets vermogen.quot; (Ph. R. Hugenholtz.)

Wat moeten er vele voorwaarden worden vervuld zullen wij menschen hier leven, voorwaarden aan de vervulling, waarvan wij niets toe- of afdoen. Wien is zijn eigen lot niet betrekkelijk een raadsel ? Men denke aan het bekende vers van de Génestet:

„Laat de knaap in \'t leven stormen Met zijn fiere leus,

Wanen zicii tot man te vormen Naar zijn eigen keus;

Straks komt daar een uur in \'t leven.

Dat de mensch zich vraagt;

Wie zijn weg stiert en zijn streven.

Wie hem leidt en draagt?quot;

Uitkomst en toekomst door wien werden ze bewerkt ? Dooiden mensch zelf? Laat ons toch geen ijdele dwazen zijn! Ook wij worden bewaard, bewaakt, verzorgd, gekoesterd met zorg en trouwe liefde. Wat wij zijn, zijn wij niet door eigen toedoen.

Bij al onze grootheid en verhevenheid boven de ons omringende natuur zijn wij toch zeer afhankelijk. Onze innerlijke zoowel als onze uiterlijke toestand is het resultaat van omstandigheden, van onzen persoonlijken wil onafhankelijk. Lichamelijke gesteldheid, klimaat en bodem zelfs zijn van invloed op onze persoonlijkheid. Evenzoo beslissen geboorte en stand voor een goed deel over ons leven. (Land, taal, volk, tijd.)

»Onze levensloop is tot op zekere hoogte in onze eigene hand ; doch verder niet dau tot op zekere hoogte. Wij hangen af van onze medemenschen en zij maken ons voor een gedeelte tot hetgeen wij zijn ; doch alleen voor een gedeelte. De gevolgen onzer handelingen kunnen wij zeer goed vooraf berekenen; docli altijd slechts tot op een zeker aantal schreden voor ons uit.

Onze zelfstandigheid is niet te loochenen en misschien ware het alleen te wenschen, dat zij uit onze daden duidelijker bleek dan zij meestal (fcet; doch met dat al blijft onze vrijheid steeds binnen zeer voelbare grenzen beperkt. Onzer is het vermogen der eerste schrede — doch achter ons willen schuilt immer onze natuur. Wij zijn niet onmachtig het ongeluk te bezweren, wel

-ocr page 61-

49

het te ontvlieden. De slagen, die ons treffen kunnen wij lenigen niet keeren. Het hangt van ons zeiven af ons rein te houden van de wereld en in de ontbering te berusten — doch gelukkig te worden, den liefste onzer droomen verwezenlijkt te zien, ons ideaal van levensvreugde aan het hart te drukken, ligt niet binnen ons bereik.quot; \')

Al die invloeden nu, bekende en onbekende, verklaarbare en onbegrijpelijke, voor de hand liggende en meer verwijderde, al die wetten en krachten te zamen (of beter gezegd; haar grond, oorsprong en bron, datgene, waarvan deze zelve weder blijken af te hangen), waardoor wij zijn die wij zijn, noemen wij God. Het bewijs voor Gods bestaan is alzoo overbodig en tot op zekere hoogte onmogelijk. 1) »Godquot; is eene werkelijkheid, eene zóó waarachtige werkelijkheid, dat de mensch zijn bestaan niet zou kunnen ontkennen, dan ten koste van het geloof aan zich zeiven.

Een andere vraag is echter deze: kunnen wij »Godquot;(wat wij met dien naam aanduiden) vertrouwen, liefhebben ? Kunnen wij Hem alles toevertrouwen, onze levenden en onze dooden ? Is het zedelijk en plicht dat te doen ? »Is het redelijk God te vereeren ?quot; Indien die macht onpersoonlijk, onbewust ware, als de wetten en krachten der natuur zelve, zeker niet. Wij buigen niet voor de natuur op zichzelve, zoo min voor hare weldadige als voor hare pijnlijke verschijnselen, (vgl. Levenslicht 21, 22, 28.)

4

1

) Ontologisch, kosmologisch, physicotheologisch of teleologisch, moreel en historisch bewijs.

I/ar chit eet e existe et quiconque le nie,

Sous le manteau du sage est atteint de manie. (Voltaire.)

Si Dieu n\' existait pas, il faudrait l\'inventer. (id.)

-ocr page 62-

50

19. Kennis van God.

Wij hebben xGodquot; niet gezien, niet gehoord, niet getast,quot;hoe kunnen wij Hem dan leeren kennen ? Onmiddellijk zeker niet, maar »Godquot; openbaart zich toch aan ons, — d. w. z. uit al wat is en bestaat, en uit al wat wij zelve zijn of ons wedervaart, kunnen wij opmerken: »Wie en tv al Hij is voor ons.quot; Kennen wij al ten deele, wij weten genoeg. — Gelijk wij den geleerde kennen aan (beoordeelen naar) de wetenschappelijkheid zijner werken; den kunstenaar aan zijne scheppingen; den meester aan zijn arbeid; in het algemeen den mensch aan zijn spreken en handelen, zoo ook kunnen wij leeren kennen den grond, den oorsprong van alles. (Ps. 19. Jez. 40 ; 26. Hand. 17 : 24—28. Eom. 1 : 20.)

A. Natuur. Die ongeziene macht openbaart zich overal in de natuur rondom ons. Ook daar worden en wisselen, komen en gaan, wijzigen zich de dingen huns ondanls. En hoe ? In de diepten der aarde en in de hoogten der hemelen, overal en in alles, in de bezielde zoowel als onbezielde natuur heerschen tal van wetten en krachten. Overal waarheen wij den blik ook wenden, maakt de natuur op ons den indruk van onverbreekbare orde. Overal in het oneindig verschil van vormen en verschijnselen is regelmaat. De nimmer afwijkende kristallen in het hart der bergen, de geregelde wisseling van zaaiing en oogst, van koude en hitte, van zomer en winter, van dag en nacht, de nooit verstoorde of verwarde orde der hemellichamen, de oneindige openbaring van planten- en dierenleven — ook op den minst ontwikkelde moeten zij indruk maken. De leliën des velds en de vogelen des hemels, alle planten en dieren, ieder naar hun soort en aard, kunnen wonderen geheeten worden; eindelijk de mensch zelf, dat pronkstuk der schepping, zij brengen de vraag op de lippen: »van waar is dat alles ?quot; \')

\') De geheele natuur doet ons eeno leidende gedachte bespeuren. Onze aarde \' is geheel volgens wel bepaalde physische en chemische wetten in haren te-genwoordigen toestand gekomen. Dezelfde harmonie heerscht in het atoom, zoowel als in het gesternte. Zijne moleculen groepeeren zich naar even vaste, naar even onveranderlijke wetten, als die welke aan de planeten hare banen

-ocr page 63-

51

De hemel daarboven en de aarde daaronder, beide vol wonderen zonder tal, hebben zij geen stem voor ons ? Komen wij niet soms onder hun invloed ? Wekt het niet ons vertrouwen (dus geloof!), wanneer wij bedenken, dat er bij alle wisseling en verandering toch geen stofje, hoe nietig ook, verloren gaat ? üf ook dat de natuur, die hare schepselen in oneindig getal voortbrengt, voorziet in aller nood en behoeften — gelijk eene moeder zorgt voor haar talrijk kroost ? Zijn wij daarom niet reeds geneigd van die ongeziene macht of wet of kracht, die wij » Godquot; hceten, voor ons zeiven en voor die wij liefhebben het beste te hopen en te verwachten? (Ps. 8. 104 enz.) !)

B. Geschiedenis. Die ongeziene macht openbaart zich ook in de geschiedenis. Zoover \'s raenschen geest weet door te dringen in het verleden, altijd heerschten er vaste wetten en ten allen tijde werd er opgemerkt dezelfde geleidelijke ontwikkeling en nauwgezette orde. Noch het heelal, noch onze aarde was altijd in denzelfden toestand. Beiden hebben hunne geschiedenis. Van oudsher heeft deze geschiedenis (cosmogenie) de menschen beziggehouden en wij vinden in de daarop betrekking hebbende mythen, die in overeenstemming waren met hunne beschaving en ontwikkeling, de zonderlingste voorstellingen. Geen van allen heeft groote waarde, evenmin als de latere meer »wetenschap-

-voorschrijven. Geen gedeelte der stof — indrukwekkend groot of onmerkbaar klein — onttrekt zich aan dezo wetten. De stof wordt geregeld naar wet, doel en orde, door eene harmonie, door een geest.

Alle wetten van het physische heelal — zegt de wijsgeer Flint — zijn mathematische getalsverhoudingen en getalswetten. Hieruit volgt, dat de dingen gemeten zijn en gewogen. — Het verstand alleen echter meet, weegt, telt. Het verstand alleen is in staat om de meetkundige wetten, die de dingen regelen ta onderscheiden, anders zou de stof, die niet bij machte is ons de bestaande wetten te ontdekken, die wetten geheel alleen kunnen scheppen. Do algemeene wetten der natuur geven ons het gezicht op een welbepaald doel. (E. de Pressensé. Les Origincs. vgl. P. Janet. Les causes finales.)

\') Het eeuwige boek der natuur heeft tweeërlei tekst, heeft Henri Taine zeer juist gezegd. De eene is enkel leesbaar en genietbaar voor mannen van het vak, voor beoefenaars der natuurwetenschap. Zij nemen waar, zij beschrijven, rangschikken en vergelijken de verschijnselen der natuur en bouwen uit dat onderzoek de resultaten van hunne weténschap op. — De andere tekst is leesbaar en genietbaar voor elk die een denkend hoofd heeft en een warm gemoed, zin vooral wat schoon en goed is. Voor hem is de natuur draagster en zinnebeeld van een hooger orde van dingen, echo van de aandoeningen van het eigene hart. — (P. H. Hugenholtz. jr.)

-ocr page 64-

52

pelijkequot; voorstellingen, tenzij als zinnebeeldige en poëtische verhalen. (Gen. 1 en 2.) Maar dit is zeker: ons heelal is geworden. Onze aarde heeft duizenden jaren noodig gehad voor hare ontwikkeling. In den beginne was zij »\\voest en ledigquot;, seen ruwe en ordelooze klompquot;, een chaos. \')

Hoe is zij geworden, wat zij is ? Van waar alle leven ?

God noemen wij die oorzaak.

Maar de mensch, het hoogst bevoorrecht schepsel dat wij kennen, toont in zijn zelfbewust leven de hoogste scheppingskracht der natuur. Zijne geschiedenis is daarom het belangrijkst. Oppervlakkig beschouwd schijnt deze slechts een doelloos worstelen en jagen. Eene verwarde mengeling schijnt zij van vreugd en smart, van geestkracht en vertwijfeling, »van onbewuste en weldoordachte, van duistere en schitterende dadenquot;. De boosheid zegeviert; de onschuld wordt miskend en uitgestooten; wanorde en onbarmhartigheid, het noodlot, het ioevcd schijnen er ten troon te zitten. Toch is dit slechts schijnbaar. De mensch en de menschheid werden hier op aarde geplaatst, als in eene school. De mensch, eerst een louter zinnelijk wezen, ontwaakte langzamerhand uit den natuurstaat en werd zichzelf bewust.

Eerst heerschte hij over de natuur door .zijne zinnelijke, straks door zijne geestelijke vermogens. Door de macht zijns geestes onderwierp hij het eene rijk der natuur voor, het andere na, aan zijne heerschappij. Woestijnen werden ontgonnen, bergen geslecht, dalen verhoogd, de diepste afgronden overbrugd. De oceaan werd een effen pad, de wind zijn dienaar, de bliksem zyn bode. Eene nieuwe wereld schiep hij zich toen. Telkens werd het betere uit het mindere, het hoogere uit het lagere geboren.

\'s Menschen geschiedenis, biedt ons een verheffend schouwspel. Door duistere dalen ging het naar de steile hoogte. Wel niet altijd in rechte lijn, met sprongen somtijds, met voor-en achterwaartsche bewegingen, maar toch steeds was er vooruitgang op te merken. Nijverheid en handel, wetenschap en kunst, godsdienst en zedelijkheid, wat zij nu zijn, zijn zij eerst langzamerhand geworden. Dagen der kindsheid hebben zij

\') Ovidius. Metamorph. I, 1 v.

-ocr page 65-

53

doorleefd, tijden van stilstand en van achteruitgang en eindelijk zijn zij gekomen op rijperen leeftijd. Het eene moest plaats maken voor het andere, het onvolkomens voor het meer vol-komene. En dat is geschied onder oorlogen en geruchten van oorlogen, soms zelfs door die oorlogen, door die verschrikkelijke geesels der volken. Uit het kwade kwam zelfs het goede voort, uit de duisternis het licht. Na den donkersten nacht gloorde soms de lieflijkste morgen. Wie was het, die den mensch daarbij leidde, onzichtbaar en onnaspeurlijk? »Godquot; heeten wij die ongeziene macht. \')

C. De Mensch. Die ongeziene macht openbaart zich evenzeer in ons eigen binnenste, in onzen geest, in ons gemoed j in ons hart, dat gekneed is met eene fijnheid en teerheid, die alle beschrijving te boven gaat.

Aan niets blijkt door de »natuurquot; met meer liefde en zorg te zijn gearbeid, dan aan den mensch. Onze geest stelt ons in staat heel de schepping te omvatten. Niets bijna is \'s menschen geest te hoog of te wonderbaar. Aan de meest belangwekkende scheppingen van dien geest is onze tijd rijker dan ooit te voren. Maar bovendien verneemt een ieder, naar de mate zijner ontwikkeling, eene stem in zijn boezem, die hem oproept om het goede te doen en het kwade te laten. Vervult het geweten ons niet met vreugde, wanneer wij naar zijne stem hebben geluisterd en met wrevel en bitterheid, wanneer wij daaraan ontrouw zijn geweest? En eindelijk wat ons gemoed, de teedere, (vrouwelijke) zijde van ons wezen betreft; waar in de natuur sprake zou kunnen zijn van onverschilligheid; in de geschiedenis van doelloosheid en harteloosheid; wie, deukende aan het fijnste en edelste gevoel, dat in een menschenhart wonen kan ; wie, denkende aan zooveel zielegrootheid, karakter en adel, als openbaar werden in de heroën van ons geslacht — aan de liefde van vader en moeder, van vrouw en kind, van broeder en zuster, van vriend en maag; — wie zou daarbij niet met den dichter uitroepen :

„Wie eeu\'s menschen harte kneedde,

Moet de teêrste liefde zijn !quot;

1) Opzoomer. Onze godsdienst p. 206 vv.

-ocr page 66-

54

»Godquot;, aan dien naam boven allen naam, spelt al wat er groots en goeds om en in ons is 1 (1 Joh. .4 : 11, 19.)

20. Eigenschappen Gods.

Wij kennen aan »Godquot; op grond van wat wij van Zijn wezen meenen te bespeuren, verschillende eigenschappen toe en geven Hem namen. Deze zijn allen echter slechts menschélijke voorstellingen. God, de Onzienlijke is te groot en te verheven, dan dat wij Hem begrijpen zouden. Iedere nadere bepaling van Zijn wezen is noodzakelijk bekrompen en gebrekkig, en hoogstens drukt zij bij benadering uit, wat wij wenschen aan te duiden. Iedere eigeuschap, die wij God toekennen is slechts eene gelijkenis, een beeld. De schoonste en meest verhevene en daarom tevens de meest ware voorstelling is deze: »God is een Vaderquot; of »God is liefde.quot; \')

Wij noemen God het absolute wezen of den Absolute, omdat wij die macht (van welke wij ons afhankelijk gevoelen en alles afhankelijk achten), ons onmogelijk als door iets beperkt of gebonden kunnen voorstellen; want konden wij dat wel, wij zouden datgene, waaraan zij gebonden was (en dat dus iets hoogers zou zijn) God noemen.

Geest heeten wij God, eensdeels om uit te drukken, dat God onzienlijk is en anderdeels, omdat wij ons moeilijk iets hoogers kunnen denken, dat toch het wezen Gods zou kunnen zijn.

Persoonlijk noemen wij God en wij drukken daarmede uit (hoe gebrekkig dan ook !) dat al die wetten, krachten, mogendheden, die in het heelal en in ons leven heerschen eu werken, die alles doen worden, zijn en blijven wat het is, en die dus zulk een grootsch en schoon geheel hebben gewrocht, onmogelijk onbeivust als bij toeval, op goed geluk af, dat tot stand hebben gebracht. Ons verstand komt daartegen op, verzet zich daartegen als iets onzinnigs. Hoe zou God iets minder kunnen zijn, dan één Zijner eigene schepselen ?

Schepper noemen wij God, omdat met en door die macht alles is of niet is, staat of valt, komt of gaat, blijft of verdwijnt.

l) vgl. Carpentier Alting. De godsdienst der Toekomst, p. 80. v. Buskea Huet. Brieven over den Bijbel, p. 14.

-ocr page 67-

55

Eenig heeten wij God, omdat het heelal zich bij al zijne verscheidenheid en veelvuldige verschijnselen toch als eene eenheid aan ons voordoet.

Alomtegenwoordig noemen wij God, omdat die macht zich overal doet gevoelen, waar \'s menschen geest weet door te dringen (Ps. 139). Voor Hem ligt ieder schepsel open en ieder punt der eeuwigheid !

Eeuwig noemen wij Hem, omdat zoover de menschelijke heugenis reikt en ons verstand vermag terug te denken, onze geest vermag door te dringen in het verleden, die macht bestond, zich deed gelden en wij ons niet kunnen voorstellen, dat zij ooit zal ophouden te bestaan en te werken.

Volmaakt noemen wij God, omdat alles zich volkomoner aan ons voordoet dan eenig menschelijk werk en omdat het heelal grootsch en schoon en onbeschrijfelijk heerlijk is ingericht.

Heilig, omdat al wat verheven, rein en vlekkeloos is in den eeuwigen Schepper zijn grond vindt. \')

Almachtig, Alwys, Alwetend, omdat zich, in het samenwerken en het resultaat van die geheime werking in het heelal, eene macht, eene wijsheid, eene wetenschap openbaart, oneindig ver boven ons verstand en begrip, boven ons loven en denken verheven. 2)

Eindelijk noemen wij God Goed, Algoed, Vader, Liefde; ook nog tegenover den diepst gevallene en laagst gezonkene. Niet dat wij waarlijk meenen zouden, dat God liefde is. »Niemand van ons kan waarlijk gelooven, dat de kracht, waarmede God ons en allen omvat, kan worden saamgekrompen in één enkel woord. Liefde toch, hoevele malen ook vermenigvuldigd en verhoogd, blijft slechts een menschelijk gevoel.quot;

»God is Vader.\' Niemand echter, die weder in ernst zou durven volhouden, dat de betrekking, waarin God tot ons staat, kan worden vergeleken met eenige aardsche betrekking, welke ook. Alle goede gezindheden, alle trillingen des harten, ieder gevoel van schoonheid en heiligheid, weerspiegelen zich in het

•) Heilige liefde is eigenlijk een pleonasme, \'t Eene sluit liet andere in.

\'\') Wij bedeelen Gotl niet met eigenschappen, die afschuwelijk zijn in de oogen van den laagste der menschen. (Gordon.)

-ocr page 68-

56

beeld des Vaders. Het is evengoed, als elke andere, eene eindige, gebrekkige, menschelijke voorstelling van Gods wezen, maar desniettemin is zij waarachtig, is zij onuitsprekelijk veel voor een menscheuhart; als godsdienstige waarheid, als geloofsvoorstelling is zij onovertroffen en volmaaktquot; (de Bussy.)

Alle deze nadere bepalingen van het wezen Gods, al deze zoogenaamde eigenschappen zijn in waarheid slechts beelden, gelijkenissen, uitbreidingen, vermenigvuldigingen van menschelijke eigenschappen.

Alle worden ze vastgesteld volgens dezen regel: indien de mensch, een product, een voortbrengsel der natuur, iets bezit, dan moet de scheppende en formeerende kracht — de grond, de bron en oorsprong van dat alles — God, hetzelfde bezitten en in oneindig veel hooger mate.

Wat is al ons denken, willen, kunnen vergeleken met de groote macht, die openbaar wordt in het heelal? Een koning wordt de mensch genoemd. Met recht, hij is het, doch bij het universum vergeleken is hij als niets. »De mensch kan zich nu »God niet anders voorstellen, dan in het bezit van die vermogens en eigenschappen, die voor de schepping der wereld en voor hare leiding en onderhouding onmisbaar zijn,quot; (Opzoomer.)

De namen, die God in het Evangelie draagt (Geest, Vader, Liefde, enz.) omschrijven dan ook veel meer het wezen van den godsdienst (onze verhouding, onze betrekking tot God), dan het wezen van God zelf. — God is te groot dan dat wij menschen Hem volkomen begrijpen en omvatten zouden. — «Inderdaad is wel de godsdienst, maar niet het abstract begrip der Godheid het voorwerp der theologische wetenschap.quot; (S. Hoekstra Bz.)

\\\\ aar en schoon is dit versje van Ratisbonne:

La nature de Dieu.

„Dieu, ce n\'est pas un corps, enfant, e\'est un esprit,

II enveloppe tout; rien ne le circonscrit.

Dieu, n\'a ni bras, ni pieds, ni jambes, ni visage,

— Eli bien ! une bouche au moins ? — Pas davantage !

— Comment est sa couleur? — 11 est ni blanc, ni noir;

II n\'a rien que Ton puisse ou mesurer ou voir,

Eien de 1\'homme en un mot. — Alois c\'est une femme? —

Eh! non; c\'est un esprit te dis-.je, une pure ame.

-ocr page 69-

57

Comprends-tu maintenant ? — Ah oui ! Je comprends bien:

Le bon Diamp;u, ce n\'est rien !

Naïfs bégayements de la Sagesse humaine !

Tu comprendras plus tard, philosophe de Toeil bleu !

Un peu philosopher nous éloigne de Dieu,

Beaucoup nous y ramène. 1)

Vgl. Levenslicht, 25, 28. ïollens. De wijsgeer en het kind, Volksuitg. p. 759.

HOOFDSTUK V.

DE MENSCH EN HET MENSCHEUJKE LEVEN IX HET LICHT VAN HET GODSDIENSTIG GELOOF.

21. Het Geloof wijst op een levensdoel.

Hebben wij uitgaande van de onderstelling, dat God uit het geschapene ons bekend worden moet, uit de dingen, die er zijn

\') Voor wie dit niet mochten verstaan, volge hier de vertaling, die den zin niet onverdienstelijk wedergeeft.

Gods wezen.

God, kindlief! heeft geen lichaam. Hij is louter geest.

Omvat het Al en is vóór alles er geweest.

Hij heeft geen hoofd, geen arm, geen hand, geen voet of been.

— Maar, Moeder! Zeker wel een mond, is \'t niet ? —

Wel neen!

— Maar hoe is dan (toch wel) zijn vorm ? —

God mist ook dien;

Hij heeft niets, wat men grijpen, tasten kan of zien;

Hij heeft niets van een man!

— Maar is hij dan een vrouw, als Gij ? —

O, neen ! God is een Geest, verklaarde ik u;

Hij lijkt op u noch mij ;

Hij \'s enkel ziel,... verstaat gij dat ?

— Ja, dan begrijp ik \'t al:

God is dan eigenlijk- niemendal?\'

O, welk naïef gesnap van \'t wijze menschenkind!

Eerst \'t leven, kleine man ontdekt u, wie Hem vindt,

Des geestes spelevaart verwijdert van den Heer;

Wie worstelend afsteekt naar de diepte, vindt Hem weer.

(Carlier.)

-ocr page 70-

58

geweest en nog zijn, maar bovenal uit het hoogste en edelste — dat is, uit het bewuste leven des geestes en uit het fijn gevoel des harten van den mensch zelfquot; — mochten wij op grond daarvan zelfs eene poging wagen om Gods wezen en eigenschappen te omschrijven en hebben wij daarbij niet gedwaald — bevredigt dit onzen geestelijken mensch — dan mogen wij ook met alle recht beweren, dat de beschouwing des geloofs niet slechts eene geheel andere is, dan die van Optimisme en Pessimisme, maar ook, dat zij, behalve zonniger en bemoedigender tevens, meer waar en waardig is.

Vindt het heelal in God zijn oorsprong, dan heerscht in de schepping geen onbarmhartig en ijzingwekkend noodlot of toeval, dan is zij eene doorgaande en heerlijke openbaring van den Allerhoogste zelf. Maar vindt het heelal in God zijn grond, dau is ook de stroom van ons leven uit God ontsprongen. Hoeveel grooter en edeler toch is de mensch, dan de onbezielde stof, dan planten en dieren. Schoon werd deze gedachte door Jezus uitgedrukt, toen hij sprak, wijzende op leliën en vogelen: »gaat gij deze niet verre te boven ?quot; (Matth. 6 : 26—84.)

Hoevele zijn de voorwaarden, die moeten worden vervuld, zal de mensch kunnen leven. Hoe schijnt soms alles hier op aarde, hem, den koning, ter wille geschapen. (Gen. 2 : 4—8.) Gezegend werd de mensch boven alles en, denkende aan wat hij wezen en worden kan, mogen wij wel roemend en dankend uitroepen: »Zie den mensch, een weinig minder is hij dan de Engelenquot;. (Ps. 8.) Ecce homo!

Maar is het heelal een werk van God, zou het dan zonder doel zijn en slechts een spel ? Zou het menschelijke leven doelloos zijn, als een enkele golf, die oprijst uit de wereldzee, waarmede de winden een oogenblik spelen, die één oogenblik zich opheft en blinkt in het zonnelicht, om dan niet meer te zijn ? Alles heeft een doel en dus ook ons leven, omdat het uit God is. Wie kan zich een God denken, die met zijn schepping en schepselen slechts «speeltquot; ?

En een grootsch, een verheven, een waardig doel moet het wezen, \'t welk beantwoordt aan, \'t welk in overeenstemming is met den wil van een Wezen, zoo groot en hoog, zoo heilig en goed, zoo wijs en liefderijk, als God!

-ocr page 71-

59

Dit te erkennen is reeds eene bemoediging. Een vriendelijk en zacht licht straalt er door op ons leven. Smarten en zorgen, moeite en arbeid, vreugde en pijn, zonde en adel, ziekte en dood, wij aanzien ze in het vertrouwen, dat ze ons niet overkomen zonder doel, met een geheel ander oog. Eene roeping te volgen, eene bestemming te vervullen, het is levensmoed en lust zich te verwerven. Het doet ons \'s levens last en kruis blijmoedig opnemen. Het mensch-zijn valt ons dan niet te zwaar en niets is ons te moeilijk. Het leven geplaatst in het licht van het godsdienstig geloof is een voorrecht, eene goddelijke gave, een zegen. (Vgl. Levenslicht 77.)

22. Het Geloof heiligt de levenssmart.

Toen wij, doelende op \'s menschen heerlijkheid. »Ecce homo!quot; nederschreven, dachten wij onwillekeurig aan het Ecce homo, aan het »zie den mensch!quot; door den 4^en Evangelist aan den llomeinschen landvoogd Pilatus op de lippen gelegd (Joh. 19 : 5), en zeker daar ontrolt zich voor ons oog een geheel ander tafereel. Het brengt in ons geheugen terug Jezus\' verschrikkelijk lijden, »het vreeselijkst drama, dat ooit op aarde is afgespeeld.quot; Hier heeft het woord een geheel anderen zin.

»Die arme gevangene met zijn rooden officiersmantel om de gekneusde schouders; met dien nagebootsten schepter tusschen de gebondene handen; met die van doornen gevlochten kroon om de slapen; met die uitdrukking van stomme smart op het vertrokkeu en bleeke gelaat; deze lijder met zijne knikkende knieën; een prooi van den godsdiensthaat; een slachtolfer van de karakterloosheid; een zwijgend voorwerp van de onwaardigste verguizing; deze met riemen geslagene, deze uitgejouwde, deze in het aangezicht gespuwde, deze onophoudelijk vervolgde

en eindelijk ter dood gemartelde man____quot; (Busken Huet) heet

ons beeld en dus »de menschquot;. Is dit werkelijk de spiegel van ons lot, het beeld, de gelijkenis van ons leven ? Er zijn er, die het ons willen doen gelooven. Indien het echter zoo ware, het zou meer dan verschrikkelijk zijn.

Dan was het leven een duistere nacht; — dan was de mensch misschien een koning, maar zijn kroon was van klatergoud,

-ocr page 72-

60

zijne heerlijkheid, als die van de bloemen des velds (Ps. 103 : 15, 16); zijne waarde was niet meer, dan die van de nu nog vrij rondfladderende vogelen des hemels, die straks dood ter aarde vallen. Dan was zijne grootheid, zijne macht, zijne majesteit slechts schijn en inbeelding en zijn bestaan een vloek in stede van een zegen. En toch, dat zou des menschen welgelijkend beeld zijn, ware hij zonder geloof!

Het geloof leert ons echter geheel anders, het omgekeerde. Niet dat het daarom iets van de donkerheden des levens ontkennen \'zou; nog eens neen! Al wat mensch heet, maakt vroeg of laat, maar eenmaal zeker, kennis met het lijden, met zonde, smart en dood, met die geduchte machten, bij wier vreeselijke werking hij roept en schreit om uitkomst en vertroosting, om verlossing.

a. Be zonde en hare gevolgen, van welke laatste er sommige nog nawerken tot in het derde en vierde geslacht; — de boosheid, het kwaad in zijne duizenderlei gestalten; — de zonde kan zeker loodzwaar wegen op onze ziel. Menig menschenleven wordt er door verbitterd en vernietigd, maar met èn door het geloof wordt ook dit geheel anders.

Immers wie waarlijk gelooft in God, hij zal geen vrede kunnen hebben met wat laag en bekrompen, onedel en onrein is. Neen, hij zal het verfoeien en bestrijden met alle macht. Hij zal zich aan de heerschappij van het kwaad trachten te ontworstelen en zal met afkeer zijn vervuld.

Het geloof verlost ons van de zonde en hare macht. Het ontneemt ons de lust daartoe, omdat ons oog werd geopend voor een hooger genot, het hoogste, de zaligheid van Gods wil te doen.

Wie gelooft in God, kan, durft en wil niet gelooven aan de onmogelijkheid der overwinning van al wat er slechts in den mensch of in de menschen wereld is. Wij denken dan niet aan een »van nature geneigd zijn tot alle kwaadquot;, of aan »het niet in staat zijn tot eenig goedquot; uit de overgeleverde kerkleer.

Toch is ook de zonde (in het licht des geloofs) een bewijs onzer grootheid, of liever van Gods welgevallen in den mensch. Zij is een noodzakelijk gevolg van onze zelfbewustheid, van onze »persoonlijkheidquot;. De gelijkenis der talenten is het beeld

-ocr page 73-

61

van het menschelijk leven. (Matth. 25 : .1.4—30. Luc. 19: 12 —27). God schonk ons het aanzijn en daarbij de vrijheid, de macht om het te besteden naar ons eigen welgevallen.

Hij stelde ons tot heer over ons eigen leven. Daarom dat wij xondigen hunnen {kunnen, niet dat wij zondigen!) is onze adel en niets minder. Zonder de mogelijkheid om te zondigen geen deugd; zonder zedelijke verzoeking geen zedelijke overwinning ; zonder verleiding geen verheffing; zonder wilsvrijheid geen doel, geen kroon. Zonder de mogelijkheid om te zondigen is ons leven niets en dient het tot niets 1).

Wij kunnen niet spreken van de zonde of wij denken aan die ideale heerlijkheid van een menschelijk leven, dat door geen enkele smet wordt ontwijd. Die ideale heerlijkheid is het doel, de bloem, de bloei, de bekroning van een waarlijk tot volle ontwikkeling gekomen en met volkomen zelfbewustheid, xedelijk ingericht, menschelijk leven.

Wij deuken daarom bij het woord zondaar dan ook niet enkel aan doodslagers, echtbrekers, dieven, lasteraars enz., maar aan allen, ook aan ons zeiven, zoolang er »voor ons eene gevoelige les ligt in den uitroep van Jezus : «Niemand is goed, dan één, nl. God!quot;quot;.... d. w. z. zoolang wij nog uiet hebben bereikt den hoogsten roem des levens, de volmaaktheid. Een groote afstand scheidt ons nog altijd van dat ideaal.

Het geloof stemt ons alzoo tot ootmoed, tot droefheid en het wekt iu onze borst het berouw, het verlangen naar verzoening, naar vergiffenis, naar herstel der opgeheven harmonie, naar hereeniging met den hoogsten wil, met dien van God en tevens de ernstige zucht, den heiligen wensch, den onverzette-lijken wil en de zaligende kracht om ons leven anders, steeds volkomener in te richten, om zoo mogelijk onze roeping te volgen, onze bestemming te bereiken, de volmaaktheid dus.

\') Wahr ist\'s die Tugencl kostet Jlüh\',

Bezwiugung böser Lüste;

Allein, mein G-ott! was ware sie,

Wenn sie nicht kiitnpfen müsste\'? (Gellert.)

Vaincre sans péril c\'est triompher sans gloire.

On n\'est pas vrai bon, quand on n\'a pas la force d\'etre méohant.

(Do la Rochefoucauld.)

(cf. Hoekstra. De hoop der onsterfelijkheid, p. 165. 411.)

-ocr page 74-

62

(Gelijkenis van Fariseër en Tollenaar en van den verloren zoon.) Deze geheele verandering van zin, van levensopvatting en levensrichting door het geloof in God gewerkt, noemen wij de bekeering, de wedergeboorte, omdat het een nieinv, echt zalig leven heeten kan. (Zondebewustheid, gewetenswroeging, straf? 2 Cor. 4 : 16.) Levenslicht 44.

b. Hel lijden. Evenzoo vergaat het ons met het leed des levens. Veel is ook het lijden, dat \'s menschen ziele ter neer drukken kan. Hier worden wenschen gekoesterd, die op zich-zelve goed en betamelijk zijn en die toch niet worden vervuld. Daar worden behoeften gevoeld, die niet alleen streelend zijn voor onze zinnelijkheid, maar die ook van onze hoogere natuur getuigen en die toch niet worden bevredigd. Overal vinden wij bijna eene treurige werkelijkheid, in plaats van een algemeen nagejaagd volkomen geluk. Teleurstelling, miskenning, ontbering, verlies, welke droeve toestanden roepen ze voor onzen geest, waarin het menschenhart smacht naar vertroosting.

Waartoe zooveel lijden ? vragen wij.

Niet een is er, die het raadsel des levens volkomen kan doorgronden. Het geloof leert ons echter antwoorden: »opdat wij zouden leeren vertrouwen — ons zeiven ten zegen en Gode ter eere — dat buiten Gods wil geen haar op ons hoofd kan worden gekrenkt; dat wij menschen eene bestemming hebben; dat wij bestaan en hier leven op aarde om ons te vormen, te ontwikkelen, te heiligen.quot; Daartoe is de smart een middel; een eenig middel, waarop wij eenmaal het woord zullen toepassen: »Wat den mensch ten kwade dunkt (verkeerd, slecht schijnt) zal God ten goede keerenquot;, (zal goed blijken te zijn). Het geloof leert ons bescheiden zijn en zwijgen en de orde des heelals (Gods wil!) eerbiedigen, als wijs en volkomen, als goed, ook al gaat zij bo^en ons begrip. (Job 40 : 1—9, 42 : 1 6, 2 Cor. 4 : 17.)

De beproevingen des levens schokken dit geloof en schijnen het te weerspreken, maar bevestigen het tevens.

»De meeste onzer dagen zijn moeite en verdriet\' (Ps. 90:10, Pred. 1 : 18) sprak de gewijde schrijver en, overdrijving of niet, er ligt in die moeite en dat verdriet een zegen verborgen. Zij blijken ons eene noodzakelijkheid.

-ocr page 75-

63

Dat wij smart gevoelen — diepe, redelooze, onbeschrijfelijke smart — dat is het juist, \'t welk den menseh onderscheidt van heel de bezielde en onbezielde natuur. En al is dit ook een droeve troost op zich zelve, dit wijst ons op iets anders. Daardoor kon slechts aan het licht komen de teedere zijde van ons wezen, de wereld des gemoeds. Deze teedere, deze vrouwelijke zijde van ons wezen, maakt ons juist tot menschen.

Maar evenmin als ons verstand kan worden verlicht en ons inzicht verhelderd, tenzij wij ons aanhoudend oefenen en kennis trachten te vergaderen, evenmin kan ons gemoed worden verruimd, dan in \'s levens strijd. Tegenstand is de voorwaarde voor iedere ontwikkeling. Sterk is alleen de man, die zijne spieren beproefde. Eerlijk is hij, die kon stelen (zonder vrees voor ontdekking), maar het liet. Deugdzaam is slechts hij, die in de woestijn des levens heeft rondgezworven, dagen lang, hongerende en dorstende, maar den verzoeker steeds afwijzende. »Geen mensch heeft karakter voordat hij zijne liefde heeft geoefend in den strijd tegen de haar belemmerende machten.quot; Hoever uw geduld gaat, wat uwe liefde vermag, hoe groot uwe zedelijke veerkracht is, blijkt eerst dan als gij met moeite en tegenwerking hebt te kampen.

»Wie liefheeft ondauks rouw en pijn, in weerwil van miskenning, ten spijt van allerlei misgrepen, — is grooter dan hij, die al deze dingen niet kent.quot; Hij eerst wordt zich zelf bewust en toont, dat zijne liefde is zonder zelfzucht, zonder bijbedoelingen, zonder datgene dus, wat haar berooven en verlagen zou. Alexander, Caesar, Napoleon, Columbus, Franklin, Newton waren daarom groot en hoog boven hunne tijdgenooten verheven, omdat zij met de reuzenkracht van hun geest zegevierden over bijna onoverkomelijke bezwaren. En niet anders is het op elk ander levensgebied. Jezus in Gethsemané, waar hij worstelde met zijn God en Jezus aan het kruis, waar hij, schoon half verstorven, nog eene geheele wereld liefheeft en wil zegenen, is grooter en edeler, openbaart ons meer menschelijke heerlijkheid en majesteit en meer van het welgevallen Gods en meer van God zelf, dan Jezus, de timmermanszoon, die blijmoedig predikte aan de oevers van Galilea\'s meer, te midden eener schatrijke natuur, waar alles zonneschijn en vreugde schijnt te voorspellen. Lijden was

-ocr page 76-

64

hier de weg tot heerlijkheid. Via crucis, via lucis. »Zoo vliegt de pijl te sneller naarmate de boog sterker gespannen werd. Zoo slaat de slinger te verder door, naarmate hij verder van zijn rustpunt werd verwijderd. Zoo springt de veer te hooger op, naarmate hij dieper werd neergedrukt.quot; Aan den onophou-delijken strijd hebben wij het te danken, dat de geschiedenis der menschenwereld een triuraftocht van den geest is geworden. \')

c. De dood. Niets echter is er moeilijker voor ons verstand en pijnlijker voor ons hart, dan het geheimzinnig einde van ons leven. Alle paden des levens leiden tot den dood. Het is onze somberste gedachte.

De dood, met de Génestet doet hij ons spreken : «mysterie het leven, mysterie ons lot.quot;

Wat is de dood? »Waken, slapen, misschien droomen ?quot; Is het de vernietiging van onze persoonlijkheid of eene wijziging in ons bestaan? (Rups en vlinder, de lente, \'t opschietende zaad.)

■) Niet de school kweekt den mensch, maar het leven. De mensch is als een boom, die zijne kracht niet zoozeer uit den bodem trekt, als wel aan licht en lucht, aan weer en wind en aan den storm zelfs ontleent.

(Loop. von Ranke op zijn negentigsten verjaardag.)

Deus nihil mali sinit accidere ex quo non aliquid boni possit et velit elicere.

(Augustinus.)

Fatfium habet Deus adversus bonos viros animum et illos fortiter amat, et doloribus, operibus et damnis exagitenter, ut verum colligant robur.

(Seneca, de prov. 2.) Plus haut! plus haut! Combats, grandis, travaille Monte aux sommets do l\'apre vérité;

Nul n\'est héros, qu\'au soir de la bataille.

Nul n\'est croyant, qu\'après avoir douté.

(Mad1quot;® de Pressensé.) Zoo gaat het Christus uitverkoornen.

Zoo groeit de lely onder doornen,

De roos op scharpe doornehagen,

Zoo trekt men zegen uit de plagen!

Geen akkers worden meer gezegend Dan die veel zijn met bloed beregend.

(Vondel.)

Zoo leven na den dood, die \'t leven hier versmaèn.

Zoo komt de glory thuis, die naar geen glory staèn.

id.

Gij ziet de zon in \'t water dalen Om op te staan met Wijder stralen.

id.

-ocr page 77-

65

Is het leven op zich zelf genomen dan niet goed genoeg, blij genoeg en een dankgebed waard? Onze voorstellingen van het hiernamaals zijn flauw en onbepaald. »Het is ons niet geopenbaard, wat wij zijn xullenquot; (1 Joh. 3 : 2.)

De eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat de dood op onze schouderen weegt als een vreeselijk zwaar kruis. En toch onze ziele schreit om een langer voortbestaan; — bidt om, haakt naar het »eeuwige levenquot; meer en sterker, dan het moe- en afgejaagde hert naar de frissche waterstroomen.

Zij zijn voor ons gevoel één, de levenden en de dooden. Nog leven zij in onze ziel, die van ons henen gingen. Nog in het schemerend avonduur hoeren wij het fluisteren hunner stemmen, vernemen wij hunne zachte en vriendelijke woorden. Weer zien wij — mat en nevelig wellicht — maar wij xicn dan toch hun beeld in de vlammen van den haard, in de donkere plooien van de gordijnen onzer legersteden, wanneer wij peinzend daar neder-liggen en vergeefs trachten naar den slaap. Zij verschijnen ons in onze droomen, of plotseling somtijds op onze feesten en hoogtijden in een helderen, frisschen lach of in een ernstig woord. Dit zijn geen beelden der dichterlijke fantasie, scheppingen eener ziekelijke verbeelding of de ervaring van slechts zeer enkelen; neen, dit ervaart elk onzer, indien hij ooit heeft liefgehad en indien hij ooit aan de aarde moest afstaan, wie hij meende niet te kunnen missen.

Zien wij op ons zeiven; na hoeveel en hoe langen strijd en zelfverloochening, onder hoeveel moeite en verdriet, zorg en smart groeien wij op. Na zulk een langen en moeilijken tocht komt eerst de ontwikkeling, de verbetering, de wasdom, de bloei en de rijpheid op het gebied des geestes — en dan? Zou dan »een graf zonder wijsheid en wetenschap en verzinning het einde zijn ? (Pred. 9 : 10. cf. Homerus II. IX. 320.) Kunnen wij ons een God denken, die ons met zulk een doel zou hebben geschapen ?quot;

Ontslaat zulk een geloof — of liever zulk een ongeloof! — niet van eiken plicht ? Rooft het niet alle oprechte vreugde weg ? Maakt het ons leven niet tot een duldeloozen last? \')

1) cf. Hoekstra, dc Hoop dor Onsterfelijkheid, p. 415 v.

5

-ocr page 78-

66

Maar wie kan dat gelooven, durft dat gelooven? Gaat er dan wel één enkel stofje, hoe onzieulijk klein of nietig ook, in de schepping verloren bij de millioenenvoudige verwisseling, die zonder ophouden plaats grijpt ? Zou het uitnemeudste in ons dan vergaan, nl. de Geest ? Alles bereikt zijne bestemming — de onze is de volmaaktheid — zouden wij ons einddoel missen?

Wij hebben de onzen lief en zij verpandden ons wederkeerig hun hart. Zouden wij—stond het in onze macht — deze schoone banden als zoovele rafels verscheuren, de smart niet achtende ? Zouden wij den kinderen zonder reden hunne ouders ontnemen, of de ouders berooven van hunne kinderen ?

Een kreet der smart gaat er op onder de kinderen der men-schen — zouden wij de geslagen wouden niet heelen, indien wij het vermochten ? Maar wie zijn wij, dat wij zoo oordeelen ? quot;Waarom druischt dat tegen onze gansche »natuurquot; in ?

Er wordt gestreden in de wereld voor wat recht en groot en edel en goed is en de strijders, de moedigste helden, de pioniers der beschaving, de\'heroën van ons geslacht, sneuvelden meermalen op hun post, soms met de bede op de lippen van zooveel liefde en vertrouwen op God getuigende: »Vader, het is volbracht, in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot;

Wat oordeelt Gij? Komt er dan niet een stem uit het alleven der natuur tot ons, van God den Heer, die spreekt: »Ik leef en gij zult leven ?quot; Komt ons verstand daartegen op ? En spreekt ons hart, in de beste en edelste oogenblikken, daarop niet met vertrouwen het amen? God-is een God der levenden en niet der dooden. De mensch gaat naar Zijn eeuwig huis.

»De heilige Geest,quot; zegt Paulus, »verzekert ons het eeuwige levenquot; (Rom. 2 : 6, 7. 8 :14—^18, 1 Cor. 15 : 53—58), d. w. z. hoe meer het kwaad wordt bestreden, de zelfzucht overwonnen en de liefde toeneemt in kracht; hoe breeder wij ons wezen ontplooien en hoe meer wij volgen den drang onzer mensche-lijke natuur, hoe volmaakter wij worden — te vaster zullen wij vertrouwen, — te sterker gelooven, te meer zullen wij «verzekerdquot; zijn, dat wij leven en sterven voor God, maar des te vaster wordt ook onze overtuiging, dat wij niet te vergeefs hebben geleefd en geworsteld, geleden en gewoekerd met onze talenten, voor de menschheid niet en voor ons zeiven niet —

-ocr page 79-

67

te helderder wordt onze hoop, dat onze persoonlijkheid door den dood niet zal worden opgelost.

De helderheid van deze hoop hangt enkel af van onze persoonlijke en zedelijke reinheid van geest en gemoed en niet van ons kerkgeloof of vamp;n wat ook buiten ons. Zij hangt af van de volheid en rijkdom van ons liefhebbend hart. Steeds zullen wij de waarheid van Jezus\' uitspraak ervaren: »Zaligzyn de reinen van hart,quot; maar nergens meer dan bij het geloof aan de onsterfelijkheid is reinheid, rijkdom, volheid van hart onmisbaar, eerste en laatste voorwaarde. »Denkt slechts aan Socrates, die een heiden, aan Jezus, die een jood, aan Luther, die een E. C. Christen was. Zij waren zich bewust, den dood te machtig te zijn.quot; Wie heeft den moed hen gelukkige dwepers te noemen ? Hij, die de smart verbond aan ons bestaan en het leed legde op den bodem van ons leven, gaf ons een oog, dat opziet naar de ruime, blauwe zalen, een blik die bergen overspant, maar ook een geest die verder dringt dan onze blikken reiken. II faut savoir espérer. Er is een hoop, zoo zeggen ook wij, ja, er is een hoop. Hoop op de goedheid, de liefde, de genade van den Hernelschen Vader; hoop op leven van en met den levenden God. \') (vgl. Charles Boissevain. Onder de kastanjeboomen, p. 236—285, en Levenslicht, 205, 207, 210, 211, 440.)

1) Geloof in \'t beeld tier Mei, die wonderzoet

Met duizend tinten, geuren, tooverzangen Natuur uit \'t droomenland ontwaken doet.

Dat kluisfrend hare zinnen hield bevangen.

De Meimaand roept... en straks in groenen dos

Tooit d\'aarde zich verheugd op veld en dreven.

Het voog\'lijn jubelt in het geurend bosch En dankt in \'t reine lied voor \'t nieuwe leven.

Geloof in \'t beeld der Mei, o mensch 1 Een schooner Mei

Zal uit uw doodslaap eens u doen ontwaken.

Onsterflijk is Natuur. Xatiuir zijt Gij.

Als zij zult g\'eens uw doodscho banden slaken. —

Zou alles eeuwig leven, steeds bestaan,

Slechts gij, het schoonste scheppingswerk, vergaan ?

Nescire veile quae Magister Optimus docere non vult, erudita inscitia est.

(J. Scaliger.)

-ocr page 80-

68

23. Terugblik.

Wanneer wij \'s menschen leven stellen in het licht van het godsdienstig geloof, dan is het niet meer donker. Het leven is eene gave Gods en God is het reinste, heiligste, wijste en liefderijkste wezen, dat wij denken kunnen of liever oneindig veel meer dan wij denken kunnen. Met het geloof aan Zijne leiding — \'t is zoo — worden niet alle raadselen voor ons opgelost, maar wij zien ze aan met een geheel ander oog. Het gaat met de donkerheden en vreugden van ons bestaan, als met de schaduw en het licht op eene schilderij, die in hooger eenheid zich oplossen. Het is met het leven als met de toppen der hoogste bergen; in eeuwige sneeuw en ijzel zijn zij gehuld; de nevels en wolken legeren zich van rondom; koud en dood schijnen zij. Een beeld zijn ze van den mensch zonder geloof. Maar als de zon komt, dan blinken en schitteren zij, dan gloeien zij en smelten te zamen met den stralenden hemel; — sneeuw en ijzel \' versmelten, de wateren stroomen en klateren en bergen in haar schoot een zegen voor talrijke volkeren. Een beeld zijn zij van den mensch met geloof.

Het lijden verdwijnt niet door het geloof, de smart wordt er niet door opgeheven, maar wordt er door geadeld en gewijd. Het lijden verkrijgt er waarde en beteekenis door. Wij leeren er over henen zien. Job, Jezus, Paulus of wie wij onder de helden van ons geslacht ons deuken willen, welk een leven werd het hunne — dat schijnbaar zoo ellendig was — door het geloof. Indien wij gelooven, dan zullen onze klachten wel klinken, doch niet als die van verbitterden en wanhopigen, maar als die van beproefden.

Door het geloof verkrijgt het leven een doel, een grootsch en verheven doel. Wij menschen zijn schakels in de groote keten van het scheppingswerk; wij hebben eene taak te vervullen. Ook wij moeten mede (gelijk alles) beantwoorden aan Gods bedoelingen. Ook wij staan in des Allerhoogsten dienst. En wat zou het anders kunnen wezen dit dienen van God; wat zou het anders kunnen zyn, dit opvolgen van zijn wil, dan te zijn en te worden het beste en edelste, wat een mensch worden kan ? Wat

-ocr page 81-

69

is het anders dan zich verwerven, wat een mensch verlangen of verwachten mag, nl. de volmaaktheid d.i. eene harmonische, vol-komene ontwikkeling van al de ons verleende gaven, van geheel ons menschelijk zijn.

Dat te gevoelen, daarnaar te streven is »de zaligheid hebben is »inuerlijk wel te moede zijn is »vrede hebben met en onder alles.quot; Dat is dankbaar zijn voor de gave des levens. Dat — indien er ooit sprake wezen mag van vergelding — dat is »den Heere vergelden, al de weldaden aau ons bewezen.quot; (Ps, 116 :12.) Door het geloof leeren wij ons en al het onze levenslang wijden aan God en aan het door Hem uitverkorene, nl. het goede. En aan het einde, gelijk eeu kind zich ia de smart en den nood in de duistere oogenblikken zijns levens, klemt aan den schoot zijner moeder, zoo bevelen ook wij onzen geest in Gods handen. Wij leeren het den dichter nazeggen: »Nooit kan \'tgeloof ie veel verwachten !quot; 1)

»De Heer zal er in voorzien,quot; (Gen. 22 : 14) wordt de grondtoon van ons innerlijk leven. Of is öocZ niet te vertrouwen ? iïy die ons alles schonk, te veel om maar eene poging ter opsom ming te wagen ? Die nog oneindig grootcr wonderen wrocht dan wij kennen ? Die alles vermag ? Is Hij dan niet te vertrouwen, die elk voorjaar uit een schijnbaar doode en geheel verstorven aarde eene geheel nieuwe schept, uit iederen nacht een morgen, uit een nietig korreltje zaad een machtigen boom, uit een ruwen, ordeloozen chaos van wetten en krachten, eene wereld vol heerlijkheid en majesteit ?

Ik wacht getroost mijn licht van God,

Verborgen ie bij Hem mijn lot,

Maar veilig oolc geborgen. Ps. 130.

Het geloof brengt zegen, vreugde, heil, geluk, brengt licht en warmte. Het hecht de levenden aan de dooden, het verleden aan het heden, het heden aan de toekomst ; het brengt aarde en hemel tot elkander. En dit geloof — waarmede ons verstand het groote raadsel der schepping kan oplossen, dat zoo schoon is en edel, dat het deel was van de edelsten van alle eeuwen,

1

Sic juvat perire. Homo carior diis quam sibi.

-ocr page 82-

70

het geheim hunner wonderbare kracht, waarom onze ziele schreit, waardoor geheel ons leven wordt verklaard en begrepen, waarop het beste binnen in ons het »amen\'; spreekt — dit geloof, dat zich bij den meest volmaakte zoo krachtig doet gelden — zou het niet waarachtig zijn ? Het is de hoogste waarheid, de bloem, de kroon van ons wezen, het leven van ons leven (Hebr. 11) \'). »Heer! wij gelooven, kom Gij ons ongeloof te hulp quot; (Vgl. Levenslicht 69.)

1) Dubius non anxius vixi,

Incertus morior non perturbatus. Deo confido, optimo, benevolentissimo. Ens entium miserere mei!

-ocr page 83-

D E E I II.

DE CHRISTELIJKE ZEDELEER. HOOFDSTUK VL

HET ZEDELIJK GOEDE.

24. Verband tusschen geloof en zedelijkheid en tusschen geloofs-en zedeleer.

De beschouwing des geloofs, eens de onze geworden, in waarheid de onze, za! ons dringen ons leven daarnaar in te richten. Zij openbaart zich noodzakelijk in onze gezindheden en daden. Van het menschelijke leven de hoogste en edelste gedachten te koesteren — d. w. z. — eerlijk gelooven in de eeuwigheid en goddelijkheid van ons bestaan en het uitleven, als ware het ijdel en nutteloos, is eene onmogelijkheid \').

In den blooten natuurstaat te blijven is eene onmogelijkheid. Heel de menschheid ontwikkelt zich langzamerhand naar Gods bedoelingen en ieder mensch wordt daarbij hervormd. Niemand, die zich geheel aan deze algemeene strooming onttrekken kan. Maar die ontwikkeling wordt het doel van \'s meuscheu zelfbewust streven, zoodra hij zich volkomen van ziju wezen, taak en roeping, van zich zelf, en van de plaats, die hij in Gods wereldplan inneemt, is bewust geworden.

Het geloof in God bepaalt de richting van ons leven. Wij moeten dan God Hlienenquot;. Wij moeten, want aan Gods bedoelingen beantwoorden, dat is gewis het hoogste en niet dan tot onze schade zouden wij ons daaraan onttrekken.

1) A mans moral self is concentrateii in each moment of his lip : it lives in the tips of his fingers, and in the spring of his insteps. (Newman.)

De la notion que 1\'on a de Dien, depend la manière de coneevoir la des-tinée de 1\'homme. (Edm. Caro.)

-ocr page 84-

72

»Waarmede zullen wij echter den Heer tegenkomen?quot; Wij kunnen God niet dienen in den gewonen zin des woords; dat kunnen wij slechts menschen, gelijk wij zelve zijn (Ps. 33 : 16—20; Hand. 17 : 24 en 25). Toch mogen wij dit woord in zekeren zin wel gebruiken. Ook wij mogen wel spreken van gods-dienst.

Onze bepaling daarvan kan zeer kort zijn. Wij dienen God, den Hemelschen Vader, wanneer wij aan onze bestemming • beantwoorden, wanneer wij onze roeping vervullen. Wij zijn yodsdiemtiy, wanneer wij naar lichaam en geest rein zijn, goed en heilig zijn, d. i. wanneer wij menschen zijn. Godsdienstig zijn wij dus, wanneer wij alle talenten en vermogens, die wij bezitten, tot hun recht doen komen, wanneer wij ernstig streven naar eene harmonische of volkomene ontwikkeling van geheel ons wezen en zijn.

»Godsdienst en zedelijkheid zijn niet twee levens in den éénen mensch, maar één! Beide ontspringen aan een en dezelfde bron,1\' nl. het goddelijke in ons. »Daarom bestaat in hunne praktische samenvloeiing het ware leven des menschen.quot;

De zedeleer, (moraal, ethiek) stelt zich ten doel dit godsdienstig leven der menschheid nader te omschrijven. Zij tracht de regelen op te sporen, waarnaar de mensch moet leven. (De wetten te ontdekken waaraan het zelfbewust geestelijk leven zich moet onderwerpen.)

Belangrijk is de zedeleer zeker. Wil de geloofsleer eene verklaring beproeven van de wereld (waarvan wij deel uitmaken) en van ons leven ; de zedeleer wil ons meer uitsluitend bepalen bij de vraag: hoe behoort de mensch te leven? Wat betaamt een mensch, wat niet ? Hoe behoort hij gezind te zijn en hoe te handelen ? Welk is het doel des levens en hoe kan hij dat bereiken ? Wat kan daartoe leiden ? Al wat daartoe strekken kan, noemen wij zedelijk, goed, deugd, al wat ons daarvan afvoert en terughoudt noemen wij onzedelijk, kwaad, zonde.

25, Het zedelijk goede of het hoogste goed.

Wat is goed ? Zedelijk goed ? Met welk recht noemen wij de eene handeling goed en de andere slecht? Waarom moeten

-ocr page 85-

78

wij het eene najagen en het andere vlieden ? Waarom achten wij sommige dingen geoorloofd en sommige verboden? Wat noopt ons anderen en ons zeiven, onder bepaalde omstandigheden eene bepaalde gedragslijn voor te schrijven ? Op deze vragen behooren wij een antwoord te kunnen geven, eer er van eene zedeleer sprake wezen kan. Vooraf dient het algemeen beginsel te worden aangegeven, eer het bijzondere kan worden omschreven.

Wat is dus goed, absoluut goed ? Het antwoord moest kunnen luiden: »Het goede, het zedelijke is datgene, wat alle menschen zoeken en najagen, wat allen zouden willen bezitten of betrachten, ware het hun mogelijk.quot;

Doch wat jagen alle menschen na, overal en altijd, bewust en onbewust ? Is het strikt genomen wel iets anders dan het genot, \'t welk hun toelacht en aangenaam schijnt ? Onze zinnelijke natuur heet het genot het goede. Elke levende ziel zoekt het welbehagelijke, het genoegelijke. Zij kent geen andere drijfveer. »Een kind heeft voor niets anders gevoel, oor, oog en hart dan voor het genot — maar ook de volwassene, al schijnt hij met meer ernstige bedoelingen te handelen, streeft in den grond der zaak naar niets anders. De deugdzame vindt genot in het betrachten der deugd. De wijsgeer, de denker, die de leer van het genot bestrijdt, vindt in die bestrijding zelve zekere voldoening.quot; (Janet.) Het genot zonder meer kan echter niet het zedelijke zijn. Dan was iedere zedeleer zeker overbodig, of haar inhoud zou deze moeten zijn : geniet zooveel gij kunt en zoolang gij kunt; profiteer van het leven, zooveel in uw vermogen is.

De beste moralisten van alle tijden hebben het genot daarom niet willen aannemen als grondslag en beginsel der zedelijkheid. Wij behoeven daarom nn wel niet te meenen, dat het genot onzedelijk is. Integendeel, niemand, geen ernstig Christen althans, zal de vreugde en genietingen des levens veroordeelen. Op hun tijd zijn deze wel goed en het goede zelf biedt zekerlijk genot. Maar het genot en het zedelijke zijn niet noodzakelijk hetzelfde.

Onze eerste stelling luidt dus : Het genot (het aangename) kan onmogelijk dienen, als eenige grondslag van welke zedeleer ook.

Het genot, zonder eenige nadere bepaling, in den meest onbe-perkten en platten zin gedacht, vernietigt zichzelve, want de erva-

-ocr page 86-

74

ring van alle eeuwen en menschen leert, dat het op den duur zou tegenstaan. Het meest voor de hand ligyeml genot kan natuurlijk niet het zedelijke zijn. Maar evenmin dat, \'t welk met verstand en overleg wordt gekozen. Reeds zeer vroeg onderscheidde men tusschen tijdelijk en blijvend genot. Zinnelijk genot was niet slechts vluchtig, maar het liet ook op den duur den mensch onvoldaan, door smart werd het vele malen gevolgd. Rust en vrede of liever eene zekere onaandoenlijkheid achtte men begeerlijker. Sommigen predikten in de oudheid onomwonden den zelfmoord, wijl het leven altijd lijden met zich brengt. Een Grieksch wijsgeer (Plato 429—348 vóór Chr.) zegt van het genot, dat voor de hand ligt en elk oogenblik kan worden genoten (van het zinnelijke dus): »het is alsof het niet ware.quot; Hij oordeelt, dat een geestelijk beginsel onze handelingen moet besturen, dan zullen verleden en heden en zelfs de toekomst ons vreugde kunnen bieden. Er is valsch en waar, gemengd en zuiver, edel en schandelijk, vluchtig en blijvend genot. Deze leer werd voor ruim honderd jaren door een Britscli geleerde (Jer. Bentham) opnieuw uitgewerkt. Hij heette geluk (het goede) »de grootst mogelijke som van genot met zoo weinig mogelijk smart.quot; Maar wij gevoelen zelf bij eenig nadenken wel, dat het aangename ook zóó niet het xedelijke kan zijn, want het zou er toe leiden, dat ieder deed wat hij verkoos en het zedelijke zou voor den eeneh mensch geheel iets anders zijn dan voor den ander.

Men heeft dit gevoeld en daarom voor het genot willen stellen het nuttige. Maar ook deze nuttigheidsleer (utilisme, utilitaria-nisme) brengt ons niet verder, leert ons niet wat zedelijk goed is. Immers wie moet bepalen wat nuttig is ? !)

Wat is nuttig? Hetgeen ergens toe dient ? Dat nuttig is voor iets anders. Het nuttige is middel, nooit doel. Anderer en eigen welzijn is het doel van het meuschelyke leven en middelen

]) Het spreekt van zelf, dat deze leer hare goede zijde heeft en zelfs met warmte kan worden verdedigd. Trouwens dit kan ook van de genots-leer gezegd worden, want steeds zal de „betere natuurquot; des menschen, die uit God is, een woord medespreken en voor de verschrikkelijkste en meest platte toepassing behoeden. ,

-ocr page 87-

75

daartoe zijn b.v. wetenschap, kunst, beschaving, ontwikkeling, handel en nijverheid. Deze zijn dus nuttig, omdat zij tot het doel leiden.

Een bekend denker onzer eeuw (J. Stuart Mill, 20 Maart 1806—8 Mei 1873) heeft deze nuttigheidsleer willen bevestigen. Hij erkent, dat men \'s menschen daden niet kan beoor-deelen naar het voordeel, dat zij afwerpen. Men kan onmogelijk medelijden prediken uit vrees voor eigen mogelijke ongelukken, of vriendschap om de diensten die ze aanbrengen kan, of getrouwheid aan gedane beloften aanprijzen, in de hoop, dat anderen ook hun woord zullen houden. Het goede, het zedelijke (zegt Mill) biedt genot, maar de meeste mensehen zoeken schijngenot eu daarom is het goede, datgene, \'t welk door bevoegde en behoorlijk ontwikkelde personen, als iverkelijk genot, als goed eu nuttig voor den mensch wordt aanbevolen. Maar goed beschouwd, wordt de kwestie wel verplaatst, maar niet opgelost. Want wie zijn die zoogenaamd bevoegden ? Een lichtmis en een hebzuchtige hebben geen hart voor kunst en wetenschap, voor welvaart of beschaving. Zij heeten bij Mill onbevoegd. Maar kunnen zij hunne bedillers niet verwijten, dat deze onbevoegd zijn om een leven van Jan Pleizier of het genot van veel geld te hebben, te beoordeelen ? Mill beriep zich op: »meer verheven eigenschappen, die de mensch bezitquot; (human beings have faculties more elevated than the animal appetites). Maar deze kunnen wij niet aannemen, tenzij wij gelooven aan \'s menschen hooge afkomst en adel.

Het goede, zoo oordeelen wij, is zeker iets boven alles begeerlijks. Aan iedere goede daad is een gevoel van voldaanheid verbonden. Het goede is zeker voor den mensch zeer nuttig en leidt gewis tot het hoogst denkbaar geluk. Zelfs al kost het goede opoffering en strijd, een leven lang, toch bereidt het ons vreugde en onbeschrijfelijke zaligheid. Maar het goede, het zedelijke is niettemin een voorwerp van geloof. Immers wij noemen een ding goed, als het geschikt is voor het doel, waartoe het werd vervaardigd, en den mensch daarom goed (zedelijk), die bekwaam is tot zijne roeping! \')

1) Jezus had in lijden en sterven vrede — niet omdat hij de smart niet gevoelde, maar omdat hij ze aanvaardde, als eene noodzakelijkheid, omdat

-ocr page 88-

76

Het goede, het zedelijke is plicht. Het is als eene macht, die staat boven onzen lust en boven onzen wil. De deugd kan niet afhangen van onze persoonlijke wenschen en begeerten. Het goede is een voor den mensch geldende tv et. Men zou bijna kunnen zeggen : wat het instinct is voor het dier, de kleur en geur voor de bloem, dat is het goede voor het zelfbewuste, geestelijke leven van den wel ontwikkelden mensch. Het is het menschelijke in den mensch. Tiet xedelyk f/oede, het plichtmatige, is het dooi\' God gewilde; het is, wat God wil en eischt van den door Hem zoo hoog bevoorrechten mensch. Zonder geloof aan dien hoogeren wil van God — aan \'s raenschen bestemming dus — is geen ware zedelijkheid bestaanbaar 1).

26. Het Geweten.

Maar, zou men nu kunnen vragen: safe de teil van God het (joede is en Hij zich gelijk openbaart aan alle menschen, waar-

1

Geen v:are zedelijkheid, natuurlijk wel iets, wat er naar gelijkt, want in onze maatschappij kan een mensch niet doen, wat hij verkiest. Hij zal zich schikken en vormen naar de meerderheid, naar de in zijn kring geldende denkbeelden, maar op den naam van zedelijkheid kan deze bewuste of onbewuste gedwongenheid . of deze slag van leven geen aanspraak maken. Er is een vroomheid en zedelijkheid buiten de kerk, maar schijnbaar ook buiten allen godsdienst oin, doch zij leeft „du parfum de la religion des ancêtres.quot; Do warmte is niet terstond verdwenen, als de bron er van wordt weggenomen en ook de gourniet plotseling uit onze kamers, wanneer de riekende bloem en worden verwijderd !

-ocr page 89-

77

om zijn dan aan alle plaatsen en in iederen tijd de zedelijke begrippen en voorstellingen zoo ongelijk ?quot; Hoeveel verschil van opvatting en inzicht bestaat er tusschen den ouderen en den nieuweren tijd en ook nu nog tusschen verschillende volken en personen !

Het is waar, er bestaat op zedelijk gebied veel verschil, maar evenals op het gebied des geloofs, hangt dit voor verreweg het grootste deel af van de meerdere of mindere «ontwikkelingquot;, die de menschheid heeft bereikt. Met die ontwikkeling houdt de zedelijke bewustheid, de kennis van Gods wil, gelijken tred.

De kiemen van eene volkomene zedelijkheid zijn aanwezig bij eiken mensch, maar eerst door allerlei levenservaringen en omstandigheden komen zij tot vollen wasdom. Hulpeloos komt het kind ter wereld; afhankelijk is het in ieder opzicht; lichamelijk en geestelijk wordt het opgevoed en ontwikkeld, geleid en geholpen. Het neemt ook zijne denkbeelden voor een goed deel van anderen over. (Welke denkbeelden natuurlijk reeds weer de vrucht zijn van eene eeuwenlange ontwikkeling der menschheid.) Onder bepaalde invloeden staande (van huisgezin en school, kerk en maatschappij) neemt alles, ook zijne zedelijke bewustheid, zijne zedelijke kennis bepaalde vormen aan. Deze zedelijke bewustheid noemen wij het (jeweten {weet hebben van het goede).

Het geweten is dus bij den een noodzakelijk anders dan bij den ander. Het is bij den een ruimer, bij den ander enger. Die achterblijven bij de algemeene ontwikkeling {)nen denke hierbij toch niet alleen aan wetenschap en kennis) hebben nauwelijks een geweten. Die met den grooten hoop meegaan, hebben natuurlijk altijd een vrij rekbaar geweten. Alleen wie op de hoogte van hun tijd zijn, wat den verstandelijken, aesthetischen en godsdienstigen toestand van ons geslacht betreft, zijn zeer nauw van conscientie, zij weten waarom en waartoe zij leven. Wij zouden recht hebben, gelijk wij wel eens spreken van godsdienstige genieën, ook te spreken van zedelijke genialiteit ot heroïsme (Jezus).

Het geweten (geen wet, geen rechter, geen getuige, geen jury, maar als een vaderlijk vriend, dien wij van jongs af mogen leeren vertrouwen en eerbiedigen), onze zedelijke bewustheid is

-ocr page 90-

78

dus het peil onzer zedelijke ontwikkeling. Dit te weten, hiervan overtuigd te zijn, moet ons doen streven naar steeds hooger ontwikkeling. Het goede zal dan steeds meer door ons worden gekend en hoe meer wij het leeren kennen, te hooger zullen wij het waardeeren, te grooter zal onze lust en kracht worden om het te volbrengen.

Bloeit de bloem onbewust met de schitterendste kleuren, en reinigt en balsemt zij de ons omringende atmosfeer zonder het te weten — voor den mensch is het hoogst denkbaar geluk, is het hoogste goed, zelfbewust te komen en zich te verheffen tot dien vollen en rijken wasdom naar lichaam en geest, dien wij de v#lmaaktheicl noemen, en die het doel Gods is geweest met de schepping van den mensch. \') (Vgl. Levenslicht 2, 3.)

27. De verdeeling van het zedelijk leven.

Het goede, het zedelijke omvat geheel het menschelijke leven. Is iet nu en dan, maar ten allen tijde klinkt zeer duidelijk eene stem in ons binnenste: »dit zult gij doen en dat nalaten.quot; Er zijn geen oogenblikken in het leven, hoe vluchtig ook, of er rust eenige verplichting op ons. Al wat wij denken, spreken en doen valt onder het bereik der zedewet, van Gods wil.

Er bestaan geen onverschillige daden of overtollige deugden. Al wat wij doen is zedelijk of onzedelijk, goed of kwaad. Een derde is niet mogelijk.

»De hemelsche vader werkt tot nu toequot;, sprak Jezus, »en ik werk ook.quot; (Joh. 5 : 17.) God — wie kan, wie durft het zich anders voorstellen, is werkende, ieder oogenblik, zonder ophouden of verpoozing en wie zou het dan niet onze roeping achten, dat wij desgelijks handelen.

1) Vgl. de Bussy. Ethisch Idealisme, p. 63, o.

Suchst du das Höchste, das Gröszte ?

Die Pflanze kann es dich lehren.

Was sie \'willenlos ist,

Sei du es wollend.

(Schiller.)

Chaque être doit se tenir a sa place et ne pas affocter d\'autres perfections que celles qui lui appartiennent. (Joseph de Maistre.)

L\'ambition dont on n\'a pas le talent est un crime. (Chateaubriand.)

-ocr page 91-

79

Volmaakt te zijn als God (Matth. 5 : 48) is het doel onzes levens, d.w.z. is God, als zelfbewust en geestelijk wezen volkomen ; de mensch, als mensch, behoort te zijn als Hij, voorzoover \'s menschen natuur dat toelaat ^wij hebben bv. ontspanning, rust, slaap, spijs, drank, kleeding noodig en God niet. Deze dingen eischen dus met vele andere onze kracht en inspanning).

De taak van den eenen mensch is niet als die des andereu. Al naar de omstandigheden verschillend zijn (en hoe duizendwerf verschillen ze bij de menschen!) moet ons gedrag worden gewijzigd. Het is daarom ook onmogelijk eene xedeleer te geven, die passend is voor allen, in ieder oogenblik huns levens verbindend, tenzij wij ons bepalen tot de omschrijving van de algemeeue beginselen, waardoor wij ons in ons leven behooren te laten besturen.

Jezus bracht de geheele zedeleer terug tot deze twee stellingen : »Heb God lief boven alles en den naaste als u zelveu,quot; welke nog tot één kunnen worden herleid, want liefde tot God sluit in zich liefde tot de menschen.

Wij kunnen ons den zedelijken mensch echter denken in de verschillende betrekkingen, waarin hij b.v. staat, behoort te staan, tot God, tot zichzelven, en tot zijne medemenschen. \'t Is waar, deze drie betrekkingen doordringen elkander. Wie het welbehagen van God volbrengt, zal noch zich zelven, noch zijne medemenschen verwaarloozen. Wie goed voor zich zelven zorgt, zal evenmin God, als den naaste vergeten. Eu wie het welzijn van den naaste beoogt, zal niet God of zichzelven kunnen veronachtzamen. Dit mogen wij niet vergeten, als wij achtereenvolgens handelen over:

A. Het zedelijk leven voorzoover het meer onmiddellijk schijnt samen te hangen met onze geloofsvoorstellingen.

B. Het zedelijk leven voorzoover het »persoonlijkquot; kan worden genoemd.

C. Het zedelijk leven voorzoover het de gemeenschap (onze medemenschen) betreft.

In het eerste deel moeten wij niet denken aan en spreken van plichten tegenover God, dat is geheel ons leven en alles, wat den naam van zedelijk verdient. Als wij alles aan God wijden en

-ocr page 92-

80

geven, wat wij kunnen, dan geven wij Hem immers nog niets meer dan Hem onvoorwaardelijk toekomt. Evenzeer moeten wij in het tweede bij »persoonlijkquot; niet denken aan het tegenovergestelde van onpersoonlijk, maar aan die zedelijke gezindheden en handelingen, die ons persoonlijk meer gelden dan onze mede-menschen. ^

HOOFDSTUK VU.

HET ZEDELIJK T.EVEX VOORZOOVER HET .MEER ONMIDDELLIJK SCHIJNT SAMEN TE HANGEN MET ONZE GELOOFS VOORSTELLINGEN.

a. Godsdienstige gezindheden.

28. Gevoel van afhankelijkheid van God.

Het geloof eischt van ons geheele overgave aan God. Gelijk een kind zich hecht aan zijne onders en van hen verwacht, wat het zichzelf niet verschaffen kan, zoo behoort ook onze verhouding tot God te zijn. Daartoe is noodig dat wij ons van onze afhankelijkheid van God diep bewust zijn.

Uit ons zelf zijn wij niets en vermogen wij niets. (Hand. 17 : 28, 1 Cor. 8:6.) Alle kracht, elk talent, ieder vermogen is uit God. »Uit God, door God en tot God zijn alle dingenquot;, dus ook het menschelijke leven. Dit besef is bij alle geloof noodzakelijk; klein moeten wij ons gevoelen om groot te kunnen worden.

Of zijn wij welbegrepen niet klein? Een wijze der oudheid sprak reeds, »wat zou in een wereld zonder goden mij het leven nog waard zijn?quot; (Vgl. Ps. 63 : 4, 27 : 13.) Dit is geen smalen op \'s menschen grootheid, geen verachten van de gaven Gods, maar het steeds en immer erkennen, dat het Gods gaven zijn.

1) Elke verdeeling van het zedelijk leven is gebrekkig. De gemakkelijkste is de beste. Zijn er schaduwzijden aan verbonden, vqor dwaling en misverstand kan ernstige waarschuwing ons zeker behoeden.

-ocr page 93-

81

Men denke hierbij evenmin aan lijdelijkheid of zwakheid. |Wij gevoelen ons in meer dan éen oogenblik sterk door eigen kracht en bij machte om menig kwaad te weerstaan, maar deze kracht werd ons eenmaal door God op \'s levens reize medegegeven. Het is geen zwakheid maar kracht te kunnen spreken: »de wereld kan mij niets doen; om haar gunst bedel ik evenmin, als ik voor haar ongunst vrees. Voor hare gaven dank ik haar even weinig, als ik mij onder hare slagen buig, — want alles is Godes en God, die met ons is, is meerder dan de wereld is.quot; (1 Joh. 4 : 4, Ps. 23.)

Te meenen, dat het afhankelijkheidsgevoel en het wantrouwen van eigen krachten noodzakelijk samengaan, rust op misverstand. Er is waarheid in het bekende versje;

„Is onder n de brug bezweken,

Waan niet, dat God Zijn hand U wel ter redding toe zal steken En heffen u aan land.

God toonde u Zijn groot erbarmen.

Toen Hij u armen gaf.

Red daarom ook met deez\' nw armen,

U zei ven uit het graf.quot;

Niemand gevoelde dieper zijne afhankelijkheid van God dan Jezus en waar vinden wij krachtiger persoonlijkheid? Wie zich zoo één gevoelt met God, zijne kracht Gods kracht acht, »hij vermag alle dingen.quot; Hij heeft, om zoo te spreken, niets te verliezen, daarentegen alles te winnen. Teder om Jezus heen is bewogen ; zijne vrienden, zijne vijanden, de toeschouwers, maar Jezus is en blijft zichzelf gelijk. (Matth. 15 : 12, 13. Vgl. ic-venslicM 102, 130.)

29, Lijdzaamheid en berusting in Gods wil.

Het geloof dat de orde en inrichting van het heelal goed en heerlijk heet, eischt daarom van ons lijdzaamheid en stille berusting. Die orde is immers Gods wil.

Geen morren betaamt ons, dat is meer dan eens opstand tegen God genoemd. Het strekt den mensch tot oneer. Hij immers kan een deel van Gods bedoelingen doorzien, werd zelf door Gods scheppende macht een redelijk wezen.

6

-ocr page 94-

»Waar een mensch niet gezaaid heeft, zal hij gewis ook niet komen om te oogsten;1\' God zal dan veel minder van ons iets eischen, dat onmogelijk is. Hij zal ons geen kruis opleggen, dat werkelijk te zwaar is en nergens toe dient. Ook waar wij dan lijden, is dat lijden een middel tot onze opvoeding, tot onze vorming. (Job 15 : 11.) Het goede ontvangen wij van God, waarom ook niet het kwade? (Schoone voorbeelden van deze lijdzaamheid en echt menschelijke berusting vinden wij in Ps. 42 en 43.)

Geen lot is zoo raadselachtig of God zal het ontknoopen. God zal uitkomst geven. Waar wij het aanvaarden als eene gave van zijn vaderhand en het als zoodanig doorleven, daar brengt het zegen. (Gen. 22 : 14, Hand 21 : 10—15.)

Zeker, er zijn omstandigheden mogelijk in het leven, waarin deze stille berusting te veel is voor een menschenhart, waarin de smart ons als het ware overmant. Dan komt het raadsel des levens ons zoo moeilijk voor, dat er zich een dichte nevel plaatst tusschen God en ons hart. Denken wij b.v. aan Aaron bij den dood zijner zonen; aan Naomi; aan David weenende over Absalon ; aan Jezus weenende over Jerusalem, dat weigerde zich op zijne liefdestem te bekeeren; aan Jezus\' klacht aan het kruis. Deze menschelijkheid, die beter is dan veler ongevoeligheid en onaandoenlijkheid, strekt ons geenszins tot schande, maar toch is een Gode eerbiedig zwijgen onze taak, onze roeping, onze plicht. (Lev. 10 : 3, Job 39 : 37, Ps. 37 : 7, 39 : 2, 10, 62 ; 6, 143 : 3. Klaagl. 3 : 28, Amos 5 : 13, Hab. 2 : 20, Zef. 1 : 7, Zach. 2 : 13 enz.)

Niets kan ons zeker meer brengen tot eene lijdzame onderwerping aan en aanvaarding van ons lot dan de overtuiging, dat wij toch altijd zijn en blijven middelen in Gods hand om Zijne bedoelingen met de menschenwereld en met ons zelf te vervullen.

Dat dringt ons om te lijden, vooral om der gerechtigheid wil. Ons daaraan te onttrekken, zou een indruischen zijn tegen Gods wil, die wijs en goed is. Maar bovendien, hoe zouden wij ons daaraan kunnen onttrekken, tenzij wij de hand sloegen aan ons eigen leven en dit zou wezen, niet enkel een bewijs van zwakheid of lafheid, maar een onherstelbaar kwaad! Wij hebben de

-ocr page 95-

83

macht om ons leven af te leggen, maar indien wij daarbij dwaalden, (en hoe dikwijls dwalen wij niet en wenschen wij het gedane ongedaan te maken) bezitten wij niet de macht om de dwaling te herstellen, om het leven weder aan te nemen? »Wat God doet is welgedaanquot;, moet de stemming wezen onzer ziel, ook waar zij zich nederbnigt onder de slagen van het lot (E,om. 8). »De voorzienigheid regelde de dingen zóó, dat in den beker van ieder mensch, hoe bitter hij ook moge zijn, eenige zoete droppels gevonden worden, die, wanneer zij met wijsheid er uitgehaald worden, voldoende zijn, om hem zoo al niet gelukkig te maken, dan ten minste onderworpen te doen zijn.quot; (Sterne.) {Levenslicht, 200.) \')

30. Blijdschap in God.

Het geloof\' doet ons het leven niet slechts aanvaarden, maar ook blijde yenicteu. Zonder geloof zet zich alle genot om in smart. In de hoogste en heiligste vreugde zelfs, in de liefde, ligt dan ook de grootste pijn, of moeten wij niet achtereenvolgens derven, wat ons eenmaal de hoogste zaligheid deed smaken ? Het tijdelijk bezit werd de oorzaak van smartelijk gemis. Zonder geloof zou het voor ons menschen zeker zeer de vraag zijn of het leven (voor den fijngevoelige althans) wel de moeite des levens waard was.

De smart toch werkt na en wekt reeds vrees, als zij dreigt in de toekomst en het goede, de vreugde is voor ons gevoel altijd vluchtig en ijl. De ouden zeiden daarom: »hecht u toch nooit zoo aan een menscb, dat met zijn verlies uw geluk zou verloren gaanquot;. Dat is misschien zeer «verstandigquot; gezegd, maar eene onmogelijkheid voor een mensch met een hart.

1) Kommt dir ein Schmerz. so halte still

Ünd frage was er von dir will.

Die ewige Liebe schickt dir keinen Blosz darum dasz du möchtest weinen.

(Geibel.)

Een leerling is de mensch ; de smart zijn onderwijzer En niemand kent zichzelf, tenzij hij heeft geleèn.

(A. de Musset.)

quot;Wie zijn kruis wèl draagt, wordt op zijn beurt gedragen door zijn kruis.

(Th. a Kempis.)

-ocr page 96-

84

Ook de gedachte, dat de dingen nu eenmaal zoo en niet anders zijn, kan ons niet alleen niet troosten, maar op den duur zou zij ons rampzalig maken. Ook het zoeken van genot, dat bijna altijd mogelijk is, kan ons het leven niet blijde doen aanvaarden, want hoe dikwijls vergaat het ons dan niet, als den kranke met de fijnste spijzen ?

Blijdschap, waarachtige blijdschap, is alleen mogelijk bij een . oprecht en sterk geloof\'. Het is eene andere vreugde dan de zwijmel van het zingenot, maar daarom edeler. Zij doet de ziele tintelen en maakt ons hart week. (Ps. 4 : 8.) Zeker :

rEr spreekt, een andere Jach uit *t oog der aangebedene,

Waar gij haar drukt in d\'arm, als \'t zoetst geschenk van God. De vriendschap heeft met Hem verhoogde teederheden,

De luit een reiner klank en \'t leven meer genot.quot;

(de Génestet.)

Daar mengt zich bij de gedachte aan God ten allen tijde iets in den beker des levens, dat ons onuitsprekelijk wel te moede doet zijn. Al is de deugd geen loondienst, toch blijft het waar, dat iedere goede en edele handeling den dader loont, maar wie daarbij bedenkt, dat hij staat in den dienst van God en van Zijn koninkrijk, van Zijn grootsch wereldplan, smaakt een hemel op aarde. (Matth. 5 ; 10—13. Joh. 17 : 13. Hand. 8 ; 39, 13:52, 26:29. Fil. 4:10—13.)

Kan een mensch »ten allen tijde blijde zijn ?quot; (1 Thess. 5 : 16.) Blijde in den gewonen zin zeker niet. Dat ware een onmogelijke eisch, maar dat was ook niet des Apostels bedoeling. Zeker echter is dit, dat het geloof, indien het waarlijk ons eigendom is, altijd in onze ziel iets doet leven, dat ons met het leven verzoent, en is dat geen blijdschap ? (Joh. 19 : 30, Luc. 23 : 46.) Alle vrees wordt opgeheven, alle angst verdreven, de bezorgdheid wijkt, zelfs de vrees voor den dood wordt overwonnen (Socrates) (Rom. 8:35—39.). Wie denkt hierbij niet aan\'het bekende hervormerslied :

..Delf vrouw en kind in \'t graf!

Neem goed en bloed ons af!

Het geeft u geen gewin,

Wij gaan ten hemel in

En erven Koninkrijken/\' Ev. Gez. 264.

(Vgl. Levenslicht 124, 125.)

-ocr page 97-

85

31. Tevredenheid en dankbaarheid jegens God.

Met berusting in Gods wil, lijdzaamheid en blijdschap in God zijn zeer nauw verbonden tevredenheid en dankbaarheid. Al het goede des levens, dat ons deel werd, moet ons daartoe opwekken, en hoeveel werd ons geschonken naar lichaam en geest! Niets kan ons daartoe zeker meer dringen dan het besef, dat God ons heeft uitverkoren om middelen in Zijne hand te zijn, waardoor Zijn wereldplan wordt vervuld. Dat besef eischt die willige stemming des gemoeds, die wij tevredenheid noemen, maar niet minder dankbaarheid. Wie zou God niet daarvoor danken, dat hij de bewuste getuige is van de schoonheid der schepping ? Een loflied te kunnen opzenden naar den hoogen, als Ps. 104 er ons een biedt, welk een adel!

God had ons lief en toonde in tallooze gaven en zorgen ons deze Zijue liefde. Zijn welbehagen in menschenkinderen, deze Zijne liefde moet wederliefde wekken in onze borst, en waarin zou zij kunnen bestaan, waaruit zou zij kunnen blijken, werd de dankbaarheid bij ons gemist en ware tevredenheid verre te zoeken? (Vgl. Laurillard, Rust een weinig, p. 139, 141, 144.)

Lo présent est lift ri par nos voeux cVavenir:

Ifous demandons plus d\'air, quot;plus de jour, plus d\'espace, Des champs, un toit plus grand. Ah, faut 11 tant de place,

Pour aimer un jour et — mourir?

(Em. Souvestre.)

32. Vertrouwen op God.

Het geloof vergt van ons vertrouwen op God. Wij werden hier op aarde gesteld om te leven. Dat leven kan niet doelloos zijn. Denken en werken en leeren is \'s levens taak. Zal dit tot niets leiden?

Een, die gelooft, wanhoopt niet aan zichzelven, noch aan iets. Al is het een ander die zaait en wederom een ander die maait, het ergert hem niet, het verschrikt hem niet. Zijn werk is immers Gods werk, van God, die meer eeuwen tot Zijne beschikking heeft dan de mensch oogenblikken.

De geloovige vertrouwt zich zelf, al de zijnen en al het zijne

-ocr page 98-

80

God toe. Veilig weet hij zich onder Diens Vaderlijke hoede. Een Vaderhand leidt hem, een Vaderoog slaat hem gade, een Vaderhart waakt over hem, een Vaderland wacht hem. Het goede zal zegevieren, het kwade verdwijnen. God immers wil het. »A1 waren er dan ook zoovele booze geesten rondom hem, als er pannen zijn op de dakenquot;, hij vreest niet en wankelt niet, als »een rots staat hij pal te midden van de baren.quot; (Luther te Worms. Vgl. Tollens Volksuitgave, p. 754, 787. Tevredenheid en dankbaarheid.)

33. Ootmoed en berouw tegenover God.

Groot is de mensch ontegenzeglijk en steeds grooter kan hij worden. Oneindig vele kunnen de openbaringen des levens zijn, want vele zijn onze talenten en vermogens, waarvan er, helaas! blijven sluimeren of nooit tot volle ontwikkeling komen. Wie, denkende aan God, den Allervolmaaktste en Heiligste, voelt niet zijne kleinheid en vele tekortkomingen ?

Hoevele dagen en uren, die tegen ons getuigen, als in oogen-blikken van opgewekt godsdienstig leven, onze roeping en bestemming ons helder voor den geest staan ! Wie was zich steeds van zijne afhankelijkheid bewust? Wie boog zich ten allen tijde willig onder den last van \'s levens kruis ? Wie morde niet vaak ? Wie verheugde zich immer in de gave des levens, was tevreden en welgemoed, dankbaar en vol vertrouwen op God ? Wie was en werd, wat hij kon zijn ? Wie gevoelde niet, dat hij veel meer had kunnen worden ? Jeugd, kracht, schoonheid, geest, hoe dikwerf werden ze verbeuzeld en verspeeld ? Zoo rein en volkomen is geen mensch, dat hij zich in het licht van het godsdienstig ideaal niet klein zou gevoelen.

Hoe weinig menschen zijn veelxijdig begaafd ! Wie, die iets is, gevoelt niet, »dat hij nooit iets meer kan wezen dan éen bijna verdwijnende droppel in de zee van de oneindig rijke menschelijke gaven rondom hem ?quot; Aan een ieder past meer des tollenaars ootmoed dan Farizeesche grootspraak. (Luc. 18: 9—15, 1 Joh. 1 : 9.) Slechts daar waar deze ootmoed leeft in het hart, is ware vroomheid en reinheid en heiligheid mogelijk. Daar zal de ziel

-ocr page 99-

87

zich steeds meer richten op de bron van haar bestaan. (2 Cor. 7 : 16. Vgl. § 22, a.) \')

„De hemel heeft het kleene zich verkoren ;

Al wie door ootmoed werd herboren.

Die is van \'t hemelsche geslacht. (Vondel.)

(Vgl. Levenslicht, no. 59, (54, 103, 109.)

h. Godsdienstige handelingen. 1)

34. Eerbied voor God en vereering van God.

Zeker, het kan niet te dikwijls gezegd worden, wij kunnen voor God niets doen. Waarmede toch zouden wij Hem kunnen dienen. Wiens alles is? (Ps. 116 ; 12, Ps. 104.) Aan Zijne grootheid kunnen wij niets toevoegen, veel minder nog dan een hulpeloos wicht iets kan schenken aan zijne moeder.

Maar iets kunnen wij toch. Wij kunnen luisteren naar de stem onzer betere natuur en volgen den drang van ons hart. Al offeren wij niet de vrucht van ons werk, gelijk de volkeren der oudheid, wij kunnen toch offeren de liefde van ons hart. Wij kunnen God eerbied betoonen, door houding en woorden trachten uit te drukken, wat onze ziel voor Hem vervult. Wij kunnen spreken over God, van Zijn lof getuigen, Zijne grootheid prijzen. Zijn naam verheerlijken!

Wij doen dat, als wij iedere onreine gedachte uitbannen uit de ziel en wandelen door het leven steeds Zijner gedachtig. quot;Wanneer wij op vaste tijden Zijn aangezicht zoeken en in Zijne gemeenschap het hart verheffen ; wanneer wij in onze tempels en huizen, door ons lied, ons woord en ons gebed het uitspreken luide voor elkander of stil voor ons zeiven, hoezeer wij

1

Strikt genomen bevat dit opschrift eene onjuistheid. Godsdienstige handelingen moeten alle echt zedelijke handelingen der menschen geheeten worden. Toch kunnen wij hier het woord wel laten gelden, in zooverre wij hier niet slechts eene gezindheid, eene gesteldheid des gemoeds bedoelen, maar het oog hebben op die zijde van de betrekking van den geloovige op God7 waar hij meer handelend optreedt.

-ocr page 100-

88

ons door Hem gezegend weten, hoe oneindig wij ons aan Hem verplicht gevoelen. O, gebrekkig zal dit zeker wezen, maar toch indien het op de rechte wijze en met geheel het hart geschiedt, den menschen moet het goed doen en Gode zal het zekerlijk welgevallig zijn ; hebben ook wij niet een welgevallen in het stamelen onzer kinderen ? \')

35. Het gebed.

Het gebed is de hoogste daad van den godsdienstigeu mensch. Zonder gebed is geen geloof, geen godsdienst denkbaar. De moeder hecht zich aan haar kind, het kind zich aan zijne moeder en beiden hebben behoefte in houding en woorden, dit elkander te doen gevoelen. De wederzijdsche liefde put daaruit telkens nieuwe kracht en schept daarin het reinst genot. Zoo hebben ook wij bij eene heldere en krachtige godsdienstige bewustheid behoefte, onze verhouding tot God uit te drukken, als te belichamen, dat is het geheel!

Er zijn er die meenen, dat het gebed bij meerdere ontwikkeling onmogelijk is en verdwijnen zal. Niet alzoo, wanneer tenminste het gemoedsleven daarbij geen schade heeft geleden. Wel zal, zooals vanzelf spreekt het gebed van den meer ont-

1) MOEDEROOCtEN dook CARMEN SYLVA.

Ik liet mijn kind de kleine handen vouwen En wilde hem iets toonen yan den zegen Voor elk onmisbaar, en die eens verkregen Voor immer \'t rustpunt zijn mag van \'t vertrouwen,

Opdat hij weten zou, waarop te bouwen,

Als moeders lippen eens voor altijd zwegen;

En dan noch ooit, verlaten of verlegen Om troost en uitkomst om zich heen zou schouwen.

\'k Wou \'t „Goede God!quot; hem op de lippen leggen;

Maar hij — als ging dit boven zijn vermogen —

Bleef ..moederquot; en maar al door „moederquot; zeggen.

Schalks, o, zoo min\'lijk, lachend met mijn pogen, En \'k moest in \'t eind wel \'t slagen mij ontzeggen.

Voor God was \'t één: Hij woont in Moederoogen!

(Ph. R. Hugenholtz.)

-ocr page 101-

89

•wikkelde noodzakelijk anders wezen dan van den onontwikkelde. (Orabo et mente.) ïfaar de meer of minder bekrompen voorstelling, die wij ons van God vormen, wijzigt zich noodzakelijk de inhoud van ons gebed.

Het bidden is voor den geloovige behoefte. Hij kan niet in zijne ziel besloten doen blijven, wat hij voor God gevoelt en van God verwacht.

Maar er is bidden en bidden. Er wordt vaak gebeden op eene wijze, die het gebed ontwijdt en zijne waarde rooft. Dan b.v. als er gebeden wordt in eene allesbehalve (voor het gebed) passende stemming, of wanneer men bidt in het geloof aan de magische kracht van het gebed, wanneer men alzoo zijn eigen wenschen en begeerten stelt boven den wil Gods. Ook ontheiligt men het gebed, wanneer men het tot sleur- en slenterdienst verlaagt. Er wordt in dien zin (hoe is het mogelijk!) te veel gebeden!\')

Een echt godsdienstig gebed is het volgen van den drang van het oogeublik, wanneer bij vreugde of droefheid, bij voor- of tegenspoed, bij bliidschap of smart ons een Abba-Vader uit de ziele welt. Soms ook is het bij de beslommeringen en drukten des levens, die geheel onze persoonlijkheid in beslag dreigen te nemen, een middel (een éénig middel) om weer het oud vertrouwen en de liefde en het geloof terug te vinden en te versterken.

Het is niet onverschillig, ivat wij bidden. Het gebed is noodzakelijk een prijzen en danken, een loven en verheerlijken van God, (Neh. 8 : 10) maar overigens is het een voor ons zeiven

1) Le genre humain arrive .:i prier de moins a moins; car il sait bien qu\'aucime prière (dans le sens ordinaire ... de requète adressée au ciel pour un objet spécial) ii\'a jamais été suivie d\'effet. Mag Kenan (preface des Nou velles étudies d\'histoire religieuse) zoo spreken, als wetenschappelijk man; m. a. w. wordt bet gebed verhoord in dezen bepaalden zin? — Dit is geen vraag, waarop iemand een beslissend antwoord kan geven. Dat weet niemand. Het gebed, de ervaring leert het, wordt niet altijd verhoord,., maar somtijds dan? — Onze allerheiligste ervaringen beslissen in dezen niets. God alleen weet het — God alleen en ..wie Gods geheimen na wil sporen, die dwaas is dwazer dan een kindquot; (Tollens). Maar al weten wij dit niet, wat schaadt het, indien het onze overtuiging maar blijft: God weet wat goed voor ons is, beter dan wij het zelf kunnen weten. God is meerder dan ons hart.

„Het gebed/\' zegt Emerson, „is de beschouwing van de feiten des levens van het hoogste standpunt, t Is de alleenspraak van eene mijmerende en jubelende ziel.quot; Vgl. de Bussy. Eth. Idealisme, p, 209, 210.

-ocr page 102-

90

klaar en duidelijk uitspreken van de betrekking, die er bestaat tusschen God en ons, tusschen Gods wil en ons lot. Zulk een gebed is doorgaans niet sraooi1\'. (Een »raooiquot; gebed is zelden een vroom gebed!) Het bestaat niet uit vele woorden. Uit zijnen aard is liet noodzakelijk warm, maar kort. (Math. 6:7,8, 28 : 14. Vgl. Pred. 5 : 1. Cicero noemt lang bidden: Deos fatigare. Het meest volmaakte gebed is daarom zeker wel het iiOnxe Vader.quot; (Matth. G : 9—13, Luc. 11 : 1 —14.) Dikwijls bidden is beter dan lang bidden. (1 Thess. 5 : 17.) Wat wij moeten bidden, in blijde zoowel als in droeve omstandigheden, kan Jezus\' voorbeeld ons leeren (Matth. 26 : 36, 46, Mare. 14 : 32—42, Luc. 22 : 39—46. Vgl. Joh. 12 : 27, 28). Het is verre van onverschillig, hoe wij bidden. Eerbiedig behoort ons woord en dient zelfs onze houding te zijn. Wij mogen nooit vergeten tot Wien wij spreken. Dit geldt werkelijk van onze houding en gebaren niet minder dan van onze woorden. Een kerkvader zeide (Au-gustinus 353—430): »Hoewel de wil van den biddende onzichtbaar en de bedoeling van zijn hart Gode altijd wel bekend „ is; — hoewel die uitwendige verrichtingen niets beteekenen, wanneer men daarmede mocht bedoelen voor God ten toon te spreiden, wat men bedoelt of meent, toch hebben ze deze be-teekenis, dat ze den mensch steunen in het deemoedige en innige bidden!11

Al heeft het bidden op vaste tijden en dagen (morgen- en avondgebed, vóór en na den maaltijd enz.) zijne schaduwzijden, omdat het zoo licht gedachteloos geschiedt, toch heeft het zijne goede zyde ook, omdat het bij den weldenkende het godsdienstig leven wakker houdt. Evenzoo gaat het met bidden op vaste plaatsen (Joh. 4 : 20). Als het gebed geschiedt om en voor de menschen dan is het kortweg walglijk (Matth. 6 : 5—7).

Een gebed voor anderen heeft alleen dan waarde, als ons hart daarop het amen spreekt en het dus beantwoordt aan eene innerlijke behoefte.

Gemeenschappelijk bidden heeft alleen beteekenis, als wij ons diep bewust zijn van den ernst van het oogenblik en er tusschen de daarbij aanwezigen groote overeenstemming bestaat, en we-derkeerig vertrouwen, achting en liefde (b.v. ouders en kinderen, leden eener eensgezinde gemeente). Wordt er zoo gebeden, dan

-ocr page 103-

91

is de vrucht van het gebed zeer groot. Zulk een gebed schenkt vreugde aan het hart. \')

»Het verheft boven de wisselingen des levens; het stemt tot ernst en heiligheid ; het maakt dankbaar en blijmoedig. Het sterkt den zwakke; vertroost den bedroefde; het richt den wankelmoedige op; het verlevendigt de hoop. Het omgordt ons met kracht om in het geloof te wandelen en te staan, als wij in verzoeking komen. Ja, het is spijs en drank des geestes voor den geloovige.quot; (Prof. Dr. S. Hoekstra Bzn.)

HOOFDSTUK VIII.

HET ZEDELIJK LEVEN VOORZOOVER HET PERSOONLIJK KAN WOKDEN GENOEMD.

36. Het besef van persoonlijke waarde.

Voor alle zedelijkheid is onmisbaar gevoel van eigenwaarde of grootheid. Wie zich zelf niet acht, aan zich zelf niet gelooft, is niet in staat tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.

Zelfachting is eene deugd en geenszins, gelijk velen meenen, eene ondeugd. Dat zij echter zeer dikwijls voor iets laakbaars wordt gehouden, heeft zijn reden. Zij ontaardt meermalen in een afschuwelijk gebrek, dat zich voordoet in alle rangen en standen, nl. pedanterie, ijdelheid, trotschheid en hoogmoed; gebreken, die verraden gebrek aan ernst, aan ontwikkeling, aan degelijkheid en beschaving. (Jak. 3 ; 17.)

Dit besef van eigenwaarde is niet in strijd met het gevoel van afhankelijkheid van God of is ook niet het tegenovergestelde van ootmoed tegenover God. Neen, in eene levendige godsdienstige bewustheid wortelt juist alle menschelijke waarde en grootheid.

1) Das Unser Vater isfc ein schön Gebet,

Es dient und hilft in allen Nöthen.

Wenn Einer audi Vater-ünser llelit.

In Gottes Nahmen lass\' ihn beten.

(Goethe.)

-ocr page 104-

92

Uit ons zelf vermogen wij niets. Van waar toch de kracht en drang onzer natuur? Toch vermag een mensch veel. Indien wij er aan twijfelen, zou de geschiedenis van zoovele helden het ons kunnen bewijzen. Van waar de grootheid en adel van dezen? Van God, die den mensch heeft uitverkoren tot Zijn medearbeider, tot Zijn beelddrager, tot het (zichzelf) bewust middel, om Zijne bedoelingen te vervullen. In het O. T. maar meer in het N. T. komt deze gedachte reeds uit. (Gen. 1 : 27; 2 7; 9:6; Job. ol : .18, 15; 33 : 4, 6; Ps. 8. De bergrede Matth. 5—7; Hand. 17 : 28 vv.; Jak. 3:9; I Joh. 3 : 1 vv. enz.) \')

Onze zedelijke zelfbewustheid wortelt in het godsdienstig geloof. »Een mensch heeft waarde en een menschenleven is hoos:, wan-

o7

neer wij het beschouwen in het licht van het echt evangelisch geloof, volgens hetwelk God ons heeft verkoren tot Zijne kinderen en tot woonsteden van Zijn Heiligen Geest.quot; Een hooger besef van waarde is zeker niet denkbaar, dan deze onze wetenschap, dat wij door God zijn geschapen.

Parker zeide hiervan : »Eerbied voor ons zeiven is bestaanbaar met de zuiverste zedigheid. De ware zedelijke mensch verdenkt en eerbiedigt zichzelven tegelijk. Die eerbied is het tegenovergestelde van ijdelheid .. . van trotschheid en hooghartigheid. .. en van onbeschaamdheid . . . Hij behoort tot het bevallig gezin, waarin geloof, hoop en liefde wonen, die zich voeden met de openbaring van den levenden \'God, die kennelijk een welgevallen had in het werk Zijner handen, toen hij den mensch schiep. Groot en verheven is de man, die besef heeft van zijne waarde. Geen verzoekingen kunnen hem overhalen tot de mismaking van zijn leven. Geen verleidingen van buiten kunnen zijn leven verderven, hem afvoeren van zijn pad. Slaat hem gade in zijne genoegens — hij is matig. Hij behoeft zijne vreugde niet te verbergen achter een masker, noch zich er over te schamen. Slaat hem gade in zijn werk, — hij gaat rechtop als een palmboom. Geen leugen heeft hij op zijn tong; geen bedrog is er in zijn gemoed ; geen slecht geld is er in zijne beurs. Slaat hem gade in zijn openbaar leven, — hij blijft aan zichzelf getrouw, al staat hij alleen. Hij handhaaft zijn beginsel, al plaatst zich

1) Vgl. Dr. W. Scheffer, Godsd. en zedelijkh. p. 33 v.

-ocr page 105-

93

eene geheele wereld tegenover hem. Hij heeft eene eigene ziel en gelooft God zijn bondgenoot. Een zalig genot schenkt ons de kostelijke deugd der waardeering van ons zeiven.quot; (Vgi. Maronier, Godsd. in het leven p. 25 —27.) Zij leidt ons op tot alle andere deugden en behoedt ons voor ieder kwaad. Zij doet ons het leven ernstig opvatten en waardig besteden. Zij zet aan al onze handelingen en bewegingen die waardigheid bij, die wij in menig mensch bewonderen en die ons tegelijk eerbied en achting afdwingt. Eerbied voor ons zelf; gevoel, besef van eigenwaarde in den edelsten zin is eerbied voor God zelf, want het is de waardeering van den mensch en het menschelijke, van het schoonste werk, dat wij van Zijne handen kennen. (Vgl. Levenslicht 121. Tollens, Volksuitg. p. 587 Mannenwaarde.)

37. Zelfstandigheid,

Om zedelijk te kunnen handelen, moeten wij personen zijn of moeten wij karakter hebben. Wij kunnen niets worden in de wereld, indien wij niets zijn. Wij kennen het bekende leekedichtje:

„Wees u zelf!quot; zei ik tot iemand,

Maar hij kon niet. Hij was niemand/\' (de Génestet.)

Wij moeten, zal ons leven vruchten afwerpen, »iemand zijn.quot; Wij moeten ons wol bewust zijn van onzen persoonlijken adel, van Gods welgevallen in ieder onzer. Wij zijn immers allen door God aan het niet onttogen. Ons allen deelde hij mede van zijn heiligen geest. Daarvan overtuigd, kunnen wij slechts iets be-teekenen voor God en voor anderen. Een ieder onzer werden eigenaardige gaven en talenten toebedeeld. (Matth. 23, Luc. 19, 1 Petr. 4 : 10.) Zeker toch, opdat ieder daarmede eene eigenaardige roeping zou vervullen, eene eigenaardige plaats beklee-den in het geheel.

Het is ongetwijfeld waar, wij menschen zijn gemeenschapswezens en dus in vele opzichten afhankelijk van onze mede-mensciien, maar dit gaat niet zoover, dat wij in onze medemen-schen geheel mogen opgaan. Wij moeten onzen eigenen weg gaan, eene eigene overtuiging en eene eigene wijze van handelen hebben. Eene eigene overtuiging, want wat zou eene overgenomene of aangeleerde ons wezen. Anderer handelwijze kan nooit geheel

-ocr page 106-

94

verplichtend voor ons zijn, want hoe zelden zijn in dezelfde zaken, voor dezelfde personen de omstandigheden volkomen gelijk.

Indien wij ons persoonlijk karakter niet handhaven, zijn wij niet veel meer dan machines, dommekrachten. Reeds Homerus zag in, dat zeker de helft der deugd weg is, bij een man, die tot slavernij vervalt. (Odyss. XVII, 322, 323.) Dit sluit natuurlijk voorzichtigheid niet buiten. Men kan dit overdrijven. Zelfstandigheid sluit anderer oordeel niet uit, want wij kunnen dwalen. Evenmin als wij »de wijsheid in pacht hebben,quot; kennen wij alleen Gods wil en welbehagen. Na het voorrecht van een kunstenaar, wijsgeer enz. te wezen is het bewonderen van een kunstwerk, van een wetenschappelijken arbeid, enz., het eerste en hoogste. Het oordeel en voorbeeld van de uitnemend-sten zal altijd invloed hebben op onze zedelijke denkbeelden, zoowel als op onze zedelijke handelingen. Wie zou zich niet gaarne stellen onder den invloed van eene persoonlijkheid, zoo groot als Jezus. Zijn woord en voorbeeld zal tot in lengte van eeuwen het ideaal blijven van duizenden. Bien compreudre c\'esfc égaler.

Toch mogen wij dezen regel vaststellen: Laat uwe gezindheid en wandel de uwe waarlijk zijn, d. w. z. wijzigt ze niet en verwisselt ze niet. tenzij gij innig overtuigd zijt, dat de nieuwe beter zijn. Weest u zelf! (Tit. 1 : 16. Matth. 10 : 16; 7 : 16. Joh.

5 : 43; 12 : 43. Vgl. Levenslicht 89, 90, 113, 114.) \')

38. Moed, geduld, volharding.

Een echt zedelijk leven eischt betoou van moed, d. w. z. er zijn gevaren en moeilijkheden aan verbonden, die men trotseeren moet, waarvoor men niet terugdeinzen mag. Ieder zedelijk leven is moeilijk op zijne wijze. Het is daarom noodig, dat wij durven. (Het geloof zelf is reeds eene daad van edelen moed!)

Maar durven is niet alles durven. Er is een karikatuur van den echten, christelijken moed. Wij denken b. v. aan ondeugden (der jeugd vaak eigen!) als roekeloosheid, onbesuisdheid, waag-

1) Schleiermacher tegenover zijn vader, Luther tegenover den rijksdag te Worms, Paulus tegenover Agrippa en Festus, Jezus tegenover de wereld.

-ocr page 107-

95

\\

halzerij en overmoed. Het is niet verstandig, laat staan Christelijk, zich noodeloos in gevaar te begeven. Deze »moedquot; (?) vindt zijn grond in de zucht naar het avontuurlijke, die sommigen bezielt of in het jagen naar de toejuiching van lieden, wier ernst meer dan verdacht is. Bovendien kunnen ijdelheid en valsche eerzucht, hoop en vrees den mensch tot groote dwaasheden en ergerlijke dingen verleiden.

Moedig in Christelijken zin is slechts hij, die bij den last om het goede te doen, om menschen te behouden, zijn geweten rein te bewaren of eer te verwerven bij God, ook de kracht daartoe bezit.

De Christelijke moed vordert van ons vrijmoedigheid om onze overtuigingen te belijden, om ze te handhaven en te verbreiden zoo mogelijk. Aan dezen moed is vooral ouder het tegenwoordig geslacht groote behoefte. Hoevelen, die zich schamen over hun geloof! Geen menschenvrees, noch zucht om men-sclien te behagen, mag ons weerhouden van het werk onzer roeping. (Matth. 10 : 19, 32, Rom. 1 : 16, Joh. T : 26, 18 ; 20. Eph. 6 : 19. 1 Thess. 2 : 20, Gal. 1 : 6, 2 Cor. 1 ; 3—6, 3 : 12, 7 : 4, 10 : 2—6.)

De echt Christelijke moed openbaart zich in die onbeweeglijkheid en onverzettelijkheid van karakter, die iemand zonder afwijking naar rechts of links zijn weg (Gods weg!) doet vervolgen. In een blijmoedig aanvaarden van wat ons daarbij (door God !) wordt opgelegd of door de menschen in den weg gelegd. In vreugde over het lijden om der gerechtigheid wil, omdat het een bewijs te meer is, dat er op den mensch en zijne kracht werd gerekend, bij de vaststelling van Gods groote wereldplan. (Ps. 18 ; 30, Matth. 5 : 10, Luc. 12 : 32, Joh. 16 : 23, 1 Cor. 15 : 58, Coll. 1 : 24, 1 ïhess. 1 : 6, 2 Tim. 2 : 10, 1 Petr. 3 : 14, 2 : 19, 4 : 14.)

De Christelijke heldenmoed schittert zelden in de wereld, bv. Alexander, Cesar, enz. werden meer geprezen en bewonderd dan Jezus of Paulus. Dit maakt den Christelijken moed des te grooter, want hij is onbaatzuchtiger dan de moed naar de wereld. De wereld toch loont de vroomheid, in den regel met weinig of met ondank en verguizing.

Geduld, kracht om te wachten en te dragen en te blijven

-ocr page 108-

/

9G

hopen op de zegepraal van het goede in de wereld is evenzeer moed. Volharding in ons werken aan de komst en de vervulling van het koninkrijk Gods niet minder. Of behoort er geen moed toe, groote moed, om voort te gaan, als anderen (allen) ons verlaten, tegenwerken of vervolgen ? Is het geen moed te dichten aan gelijkenissen, als die van het mosterdzaadje en van den zuurdeesem, te profeteeren van een koninkrijk Gods of van den tijd, waarin het zal wezen ééne kudde onder éénen herder, in dagen zoo wanhopig verdorven, ais Jezus beleefde ? (Matth. 13 : 31 v., Joh. 6 : 66—68, Joh. 8 : 20, 59. Mare. 4 : 30? Luc. 13 : 18, v.)

Moed, te durven, geduld te hebben, te volharden, is daarom eene Christelijke deugd bij uitnemendheid. Een eerlijk geloof vordert eu onderstelt dien. Wij zien den groeten Geloovige midden in den storm gerust slapen, terwijl de overigen wanhopen aan hun behoud! Zulk een heroiek geloof kan bergen van zwarigheden verzetten-, eene geheele wereld in het aangezicht weerstaan en doen veranderen van gedaante. (Mark. 14, Luc. 8 : 50. Matth. 16 ; 24, Rom. 8 ; 31, Hand. 24 :16, Joh. 15 : 20,16 ; 33, Jez. 41 ; 10. Vgl. Levenslicht 112, 116, 117, 118, 119.)

39. Nauwgezetheid.

Bij al wat wij denken, spreken, doen is nauwgezetheid een eerste vereischte. Wat gij doet, doet het van ganscher harte. Slordigheid en ruwheid, gehaastheid en oppervlakkigheid heer-schen er maar al te veel ook op zedelijk gebied. Het is noo-dig, dat wij ons den weg door het leven zoo juist mogelijk afbakenen, opdat wij niet onze krachten verspelen. Hoe menig talent blijft renteloos, omdat het niet zóó wordt besteed, als noodig is.

Hoeveel half werk, dat is, geen werk wordt er geleverd, omdat men, aan hetgeen men onderneemt, niet al zijne zorg besteedt. Hoeveel svordt er »ten deelequot; gedaan, omdat men vergeet, dat men niet aan twee zaken tegelijk al zijn aandacht wijden kan. Hoe weinigen beseffen iets van de ernstige waarheid der spreuk: niet velerlei maar veel (non multa sed mul-tum). Wie van alles wat wil doen, doet eigenlijk niets, maar

-ocr page 109-

97

wie daarentegen iets wil, werkelijk wil, al is het iets zeer moeilijks, hij zal zijn doel kunnen bereiken.

Zoo nu is het met geheel ons leven. Indien wij het niet nauwgezet opvatten en het niet met allen ernst besteden, niet bedenken wat het leven van ons eischt en waartoe het ons verplicht; wanneer wij niet steeds het doel des levens voor oogen houden, ons niet steeds onzer hooge roeping volkomen bewust zijn, dan zal op den duur het leven op niet veel anders dan teleurstelling uitloopen, dan leven wij grootendeels tevergeefs. De winst toch, die wij moesten behalen, de vermeerdering ouzer geestelijke eigenschappen, is verre beneden de verwachting gebleven en tot eene harmonische en volkomene ontwikkeling van geheel ons wezen kwam het niet. Hoe menigeen zal de klacht moeten naspreken: »ik heb tevergeefs geleefd!quot; Hoe menig leven is ijdel en tot niets nut en dat enkel en alleen, omdat het niet nauwgezet werd ingericht en met ernst besteed! (I Petr. 4 : 13.)

Getrouwheid in het kleine is zoowel noodig als in het groote — dies nauwgezetheid. »Omdat er een spijker ontbrak, ging het hoefijzer verloren ; omdat het hoefijzer ontbrak, ging het paard verloren; omdat het paard weg was, ging de ruiter verloren, want hij werd door den vijand achterhaald en verslagen.quot; (Franklin.) Nauwgezet is hij, die als Jezus kan spreken : »Mijne leer is de mijne niet, maar »die van mijn Zenderquot; (Joh. 7 : 16.), »De hemelsche Vader werkt tot nu toe en ik ookquot; (Joh. 5 : 17.), »Ik moet werken, zoolang het dag is, voordat de nacht komt, waarin niemand onzer meer werken kanquot; (Joh. ü : 4). (Vgl. gelijkenis van de wijze en dwaze maagden en van de dienstknechten, die wachtten op hun heer.)

40. Waarheidsliefde en goede trouw.

Liefde tot de waarheid en goede trouw is een der eerste en hoogste plichten van den Christen. »Leugen is bedrog.quot; Door te liegen vernedert men zichzelf en daalt men in de achting van anderen. De leugen vervreemdt ons van God, Die immers de waarheid kent. Eerbied voor God, den naaste en ons zeiven gebiedt ons waar te zijn. (Ps. 62 : 10, 11G : 11, Kom.

-ocr page 110-

98

3 : 4, Eph. 4 : 25, Jak. 3 : 2.). Ook dan nog is lengen ontrouw aan onze roeping, wanneer wij er geen kwaad mede bedoelen noch een ander willen benadeelen. 1)

Dit maant ons aan tot groote voorzichtigheid in spreken en handelen. Wij zullen nooit iets mogen beloven, zonder den vasten wil om onze belofte ook te volbrengen. Onvoorzichtige en onvervulbare beloften moeten herroepen worden. (Jefta.) Ze te geven is en blijft echter onzedelijk, zonde. Wij kunnen onze medemenschen er door in groote verlegenheid brengen. »Een man een man, een woord een woordquot; zegt het spreekwoorden in waarheid, want zonder dat lijdt ons karakter zeker schade. Wij moeten in ons spreken te meer voorzichtig zijn, omdat wij licht iemand pijn kunnen doen. »Meen, wat gij zegt, maar zeg niet alles, wat gij meent.quot; Al is openhartigheid een bewijs van eerlijkheid, dikwijls is zwijgen beter dan goud. Maar dan moeten wij niet zoo zwijgen, dat ons stilzwijgen zelf weer een leugen wordt.

Goede vormen en beleefdheid, die vele malen in lengen ontaarden, mogen niet geëerbiedigd worden, dan voor zooverre zij met de waarheid kunnen bestaan. Vleierij en kruiperij zijn af-

schuwelyk.

Een iiioodleugen\'1, »een leugen om bestwilquot; is zedelijk niet verdedigbaar, al is het ook waar, dat men omstandigheden zou kunnen opnoemen, waarin waarheid spreken zeer moeilijk is. (B. v. bij een doodelijke kranke komt men niet aan met een verpletterend bericht enz. Ygl. Tollens, Volksuitg. p. 696. De geuzenvrouw te Gouda.) Maar hoe dikwijls zou zich zulk een geval in een menschenleven voordoen?

De eed, het met meer of minder klinkende betuigingen bevestigen van de waarheid, is daarom ongeoorloofd. Wat men er in hooge of lage kringen ook voor aanvoere, het is eu blijft een onheilige vorm, door niets gewettigd, onzedelijk, in strijd met Jezus\' uitdrukkelijken wil. (Ex. 20 : 7, Lev. 19: 12, Deut. 5 : 11, Matth, 5 : 33—38, Jac. 5 ; 12.) Het afleggen van den eed is ten deele reeds zijne geloofwaardigheid prijsgeven, maar bovendien maakt het afleggen van den eed op velen, vooral op

1

Oportet mendacem esse memorem.

-ocr page 111-

99

oaontwikkeklen den indruk, alsof men in gewone gevallen ge-rustelijk liegen mag, doch dat alleen dan, wanneer er een eed of plechtige verzekeriug aan onze woorden wordt toegevoegd, de waarheid onvoorwaardelijke plicht is. Niets is bedroevender en verderfelijker, dan deze meening van velen, en nooit genoeg kan men er op aandringen, dat men de waarheid moet liefhebben boven alles.

41 Onze arbeid, ons werk.

Zoodra de mensch zichzelf, zijne roeping en hooge waarde, als »kind van Godquot; bewust is geworden, wordt de zucht geboren om voor den kring, waarin hij vei keert, zooveel mogelijk iets te zijn en te beteekenen. Het is ons onmogelijk het leven hoog te waardeeren, het blij te genieten, tenzij wij eene zekere taak op ons nemen en eene rol trachten te vervullen. Werkzaamheid en arbeidzaamheid werden daarom door alle groote mannen als allerheiligst aangeprezen. (Spr. 12 ; 2o, 24, 22 :29, 1 ïhess. 2 : 9, 4 : -,13, 2 Thess. 3 : S—12, Hand. 20 : 33, 1 Tim. 5 : 12, 13, Eph. 4 ; 28.) Alexander de Groote zeide: »Weekelijk en weelderig te leven getuigt van slavenzin; de arbeid is koninklijk.quot;

Onze gestalte, ons lichaam vordert arbeid. Ledigheid vernietigt het op den duur. Bij ingespannen arbeid is alleen ontwikkeling mogelijk. «Rijkdom wordt benijd, schoonheid bewonderd, lichaamskracht gevreesd, karakter geëerbiedigd, maar wezenlijke eer verdient slechts de arbeid, en niet alleen om zijne vrucht, maar ook als zedelijke daad. De meest beschaafde, geestige, talentvolle, beminnelijke mensch blijft een vaurien, wanneer hij een luiaard en anderen tot last is.quot; (prof. Dr. S. Hoekstra Bzn.)\')

1) Ledigheid is lijden.

(Pittacus.)

Valt den luiaard niet lastig met harde verwijten, want hij ondervindt den toorn der godheid.

(Thales.)

De nietsdoeners gelijken-op de horzels, die de vrucht van den arbeid der bijen verteren. Do arbeid zal u dierbaarder maken aan goden en menschen, want zij verafschuwen den nietsdoener.

(Hesiodus.)

-ocr page 112-

100

„Jlen zegge wat men wil, maar \'s menscben beste dagen Bestaan in bezig zijn; in zoeten last te dragen ;

In iets te mogen doen omtrent een goede zaak.quot;

De arbeid, die ons adelen zal en recht geven op eene eervolle plaats in het groote rijk Gods kan en mag niet bestaan in »lief-hebberenquot; — in nu dit, dan dat, en altijd slechts doen, wat ons heden of morgen mocht invallen — dat is geen werken, maar spelen. De eenig eervolle en nuttige arbeid is en blijft ernstige beroepsarbeid.

Beroepsarbeid is strikt genomen verstandige zelfbeperking. »Van alles en allesquot; te doen en yoed te doen is eene onmogelijkheid bij de beperktheid onzer menschelijke krachten. Trouwens bij de voortdurende ontwikkeling en beschaving van het menschelijk geslacht zijn de behoeften zoovele geworden, dat verdeeling van arbeid noodzakelijk werd. »Het doel van allen menschelijken arbeid is het tot stand brengen van al die dingen, die middel en voorwaarde zijn van het algemeen geluk, en dit laatste bestaat in de volkomen bevrediging van al onze zinnelijke en geestelijke, persoonlijke en gemeenschappelijke behoeftenquot;, en in de ontplooiing dus van onze eigene en anderer lichamelijke en geestelijke talenten. Alle arbeid moet leiden tot de bereiking van ons levensdoel. 1)

Dit maakt het kiezen van een bepaalden werkkring noodzakelijk. Het beste en meest waardige beroep is dat, hetwelk het meest met onze persoonlijke neigingen en vermogens (stoffelijke en geestelijke) overeenkomt. Ieder beroep is op zichzelf goed, indien het slechts past in onze maatschappelijke samenleving. Er is geen

1) Die niet werkt zal ook niet eten. 2 Thess. 3 : 10.

De arbeid is een loflied aan den Eeuwige. (Garibaldi.)

Arbeit ist des Menschen Zierde. (Schiller.)

Arbeid is niet alleen een zegen, maar ook een eer. (Sarafin.)

Nous ne reeevons 1\'existenee,

Qu\'afin de travailler pour nous et pour autrui.

De ce devoir sacré quiconque se dispense,

Est puni de Ia Providence

Par le besoin ou par 1\'ennui. (Florian.)

Arbeid adelt; maar de oudste adel is de godsvrucht, want zij adelt den arbeid....

-ocr page 113-

101

werkkring zoo laag of bij eene nauwgezette vervulling kan de menseh, die dien aanvaardde, daarin ten zegen zijn en betrekkelijk groot worden. De edelste arbeid is en blijft echter die, welke ten doel heeft, de ideale en geestelijke goederen van ons geslacht te vermeerderen.

Niet voor alle menschen is dezelfde arbeid geschikt en ook niet mogelijk. Bij sterken en zwakken, bij geleerden en onge-letterden, bij mannen en vrouwen is de rol, die zij in de groote wereld vervullen, zeer uiteenloopend en het is goed, dat het zoo is.

Niemand is van den plicht van den arbeid verschoond, ook de rijke niet, want hij zou dan ophouden iets in en voor de wereld te zijn en eene ergernis voor zoovele nijveren was hij zeker. *

W ij behooren niet in onzen beroepsarbeid op ie gaan. Behalve voor dezen blijft er toch voor verreweg de meesten gelegenheid genoeg over, om nog iets meer te doen ter eigen of anderer ontwikkeling en geluk. Deze waarschuwing is hierom te minder overbodig, omdat onze beroepsarbeid in den regel ons zelf het meest ten goede komt en voor verreweg het grootste deel strekt ora enkel in onze tijdelijke behoeften te voorzien. \').

Onzedelijk is een beroep, dat op den duur alle ontwikkeling van ons hooger leven belemmeren zou, of een beroep, dat de goede zeden kwetst, of oen beroep, dat louter aan genot is gewijd of eindelijk een beroep, waarvan men niet getuigen kan, dat het eenige »roeping of adel vergt.quot; (Equilibristen.)

Het is zeker waar, dat een groot deel (het grootste deel 1) der menschheid zicii aan handenarbeid moet wijden en bij de voortdurende ontwikkeling van het machinewezen wordt deze arbeid hoe langer zoo machinaler en meer geestdoodend. Dit is een euvel, dat vooral in fabriekssteden zich pijnlijk doet gevoelen. Dit gevaar kan men alleen ontgaan door de werkende klasse zooveel mogelijk aan de droevige gevolgen er van te onttrekken, b. v. door te zorgen voor gepaste gelegenheid ter ontspanning en geestesontwikkeling. Evenzoo zijn de pogingen, in den laat-

Arbeitsam sein ist süss, nur sorge du dabei Dass Martha diese Hand, der Geist Maria sei.

(Benigna. Gril tin Keuss.)

i)

-ocr page 114-

102

st.en tijd aangewend, om eenzijdig geestelijken arbeid zooveel mogelijk tegen te gaan zeer toe te juichen. Ook deze eenzijdigheid is zeer te betreuren en in hare gevolgen bedenkelijk.

Alwie echter in elk opzicht zijn leven op waardige wijze besteedt en ieder oogenblik zijns levens, zooveel als mogelijk is, benut-tist om voor anderen en zichzelven, voor God en de wereld,

O 7

iets te zijn, hij heeft voorzeker het eéne noodige, het beste deel gekozen. (Vgl. Levenslicht, 134—138, 387.)

42. De zorg voor het lichaam en voor het tijdelijke.

Er is een tijd geweest, dat men in naam van den godsdienst lêerde, dat de zorg voor het menschelijk lichaam en in het algemeen voor alles, wat ter instandhouding van het aardsche leven strekte, zeer bedenkelijk was. Wat was eerder noodig en hooger te schatten dan een leven geheel aan den Hemel en het eeuwige gewijd? Deze dwaling, die zich bij de vóór-christelijke godsdiensten reeds openbaarde, heeft zich in het Christendom overgeplant. Zij heeft geleid tot vele ergerlijke dwaasheden en tot verschrikkelijke zonden. (Vgl. George Ebers. Homo Sum.) De geschiedenis der middeleeuwen geeft daarvan treurige dingen te lezen. Het kloosterleven leidde tot schrikwekkende uitbarstingen der op onnatuurlijke wijze onderdrukte en mishandelde menschelijke natuur. Niets echter was meer in strijd met het Christelijk geloof dan dit. \'

Het is niet godsdienstig de zorg voor het lichaam of voor onze tijdelijke behoeften te veronachtzamen. Ons lichaam zelf leert ons reeds betere dingen. Hoe kostelijk toch is het ingericht, hoe fraai geboetseerd, hoe fijn is zijne bewerktuiging, hoe schoon is het geheel en elk zijner deelen. Hoeveel zorg heeft de Schepper er kennelijk aan besteed! Zouden wij dan weldoen en Gode welgevallig handelen met het te minachten en opzettelijk te verwaarloozen ? De zorg voor het lichaam is betamelijk en plicht. Daarom ook matigheid, want onmatigheid richt het ten gronde; daarom ook reinheid, want onreinheid rooft zijne schoonheid en zijn welstand weg. Voeding en kleeding ziju noodzakelijk, en dat wij een deel van onzen tijd en arbeid daarvoor uitgeven is even natuurlijk als gepast.

-ocr page 115-

103

Wij behooren voor het uiterlijke evenmin onverschillig te zijn. Ook het gevoel voor het schoone werd ons ingeschapen. Wij hebben een oog gekregen voor de harmonie van vormen, lijnen en kleuren. Een schoon gelaat, eene bevallige houding, een gunstig uiterlijk, eene smaakvolle kleeding en eene gepaste versiering zijn niet iets overtolligs of iets bijkomstigs slechts, evenmin ais goede manieren of aangename vormen dat zijn. \') Het heeft alles beteekenis voor het zedelijk leven. Zeker, alle deze dingen kunnen tot in het bespottelijke overdreven worden (dat geschiedt zelfs veel te vaak), en kunnen leiden tot zedelijke verslapping, nochtans vereert het en adelt het een mensch, wanneer hij de goede vormen eerbiedigt. \'1) »Uit een zedelijk oogpunt is gewis niets beter dan het goede, maar wij noemen het edel, als dat goede tegelijk het karakter van het schoone draagt.quot; (Prof. Dr. S. Hoekstra. Bz.) De zorg voor het lichaam is noodzakelijk, opdat het een geschikt orgaan voor den geest blijve en nog altijd geschikter werktuig worde. Het is heidensch en geenszins Christelijk het lichaam te beschouwen als een hinderlijke boei of band voor den geest.

Ook is het minnelijk (jenot op zichzelf niet onzedelijk, het wordt het eerst dan, ivanneer men er niet om bidden durft noch voor danken mag of kan. (1 Tim. 4 : 1—4.) Rust en ontspanning zijn noodig en dus op haar tijd goed. Zij worden onzedelijk, als ze niet meer middel zijn om te leven, maar doel van het leven !

-Nu is het bovendien waar, en iedere dag kan het ons nog leeren : evenals de welstand des lichaams onmisbaar is voor den welstand des geestes, zoo wil het zedelijk leven des men-schen het best en weligst tieren in onbekrompen omstandigheden. 2) Armoede en bekommernis, even goed als ziekelijkheid

1

Hie Socrates commemoratur, hie Diogenes, hie Caecilianum illud: Saepe sub palliolo sordido sapientia. — Cicero. Tusc. quaest. III, 23, 56.

2

8) Ygl. Jonathan. Waarheid en droomen. odie druk p. 7 v. v.

-ocr page 116-

104

en zwakheid, verzwakken op den duur de geestelijke veerkracht (niet bij allen, maar bij velen !) eeus tnenschen. Een rechtgeaard mensch van wien Paul us\' woord geldt, dat hij »met vreeze en beven (met groote nauwgezetheid) zijne zaligheid werkt,quot; streeft daarom naar welstand, naar de vermeerdering van zijne stoffelijke, zoowel als van zijne geestelijke goederen. IJver, orde, zuinigheid (geheel iets anders dan inhaligheid of gierigheid) zal hij beoefenen, overtuigd als hij is, dat hij in liet bezit van grooter stoffelijk en geestelijk kapitaal, ook verdienstelijker lid kan wezen van de maatschappij, en te meer gelegenheid zal hebben om breeder zijn wezen te ontplooien, om beter aan Gods bedoelingen te beantwoorden, dat te meer van liem wordt gevorderd als burger van het Koninkrijk Gods. (Spr. (J : 6—11, 1 Tim. 5 ; 8, 9 : 17 —19.)

De zorg voor het lichaam en voor het tijdelijke in het algemeen is dus zeer gepast, een eisch der ware zedelijkheid, maar zij behoort niet te ontaarden noch in bezorgdheid, noch in overschatting (Matth. 6 ; 24—3-4, Fil. 4 : 6—-7), want wie alle deze dingen winnende, schade leed aan zijne ziel, in zijn hooger leven, zou meer hebben verloren dan gewonnen. De geest is meer dan het vleesch, het geestelijke meer dan het stoffelijke en zinnelyke. Het laatste moet in dienst staan van het eerste, onder tucht en hoede worden gesteld. Zelfbeheersching en zelfverloochening zijn daarom Christelijke deugden, veel meer dan onnatuurlijke onthouding. Le plaisir n\'est pas un piège de Satan, on la toilette une vanité, ou le monde un danger.

-ocr page 117-

105

HOOFDSTUK IX.

HET ZEDELIJK LEVEN A\'OOE ZOOVER HET DE GEMEENSCHAP

BETEEFT.

(Wij staan tot onze medemenschen op zeer onderscheidene wijze in betrekking, — anders tot ouders, echtgenooten, kinderen en vrienden, anders tot de bewoners van hetzelfde vaderland, anders wederom tot onze overige medemenschen. — Dit is noodzakelijk zoo. Het is een uitvloeisel onzer natuur zelve. (Vgl. Matth. 12 : 46.) Maar toch hebben wij tegenover alle menschen zonder onderscheid plichten te vervullen. Zij hebben, als even hoog door God bevoorrecht, als van denzelfden adel als wij, recht op onze eerbiediging, waardeering, hulp en lieide.)

a. Het zedelijk leven in de maatschappij.

43. Aansprakelijkheid voor anderer lichatnelijken en geestelijken toestand.

Wij zijn aansprakelijk voor den toestand naar lichaam en seest, waarin onze medemenschen zich bevinden. Onze mede-

O \'

menschen zijn als wij schepselen van Gods bijzondere zorg en hebben reeds daarom recht op onze belangstelling. Van God , gezegenden zijn wij allen zonder uitzondering, en al is er onderscheid tusschen menschen en menschen, al zijn de talenten naar lichaam en geest ons verleend zeer verschillend, toch getuigt ieder menschenleven van goddelijk welgevallen. Allen hebben wij dezelfde roeping, dezelfde bestemming. Wat kan er nu Gode welgevalliger wezen, dan dat wij leven voor elkander ?

Wij bebooren elkander in ieder opzicht te steunen en te helpen, opdat wij ons levensdoel mogen bereiken. Gelooven wij dit met al de warmte van ons hart, dan is er voor ons gevoel niets hooger en edeler, dan dat wij mogen medewerken (met God !) aan de volmaking en het geluk van anderen. Dan ach-

-ocr page 118-

106

ten wij het waarachtig geluk hierin gelegen, dat wij steeds inniger en heiliger met onze medemenschen mogen verbonden worden.

Lichamelijke en geestelijke armoede wekt ons medelijden. Dit is een echt menschelijk gevoel en als zoodanig eene onmiddellijke aanwijzing voor ons, wat God van ons verlangt. Welgevallig is het den ouders, wanneer hunne kinderen hand aan hand, elkander steunend en helpend en troostend door het leven gaan. Eu wij zijn kinderen Gods. Wie mocht gelooven, dat de vroomheid bestaat in de zorg voor het heil zijner ziel alleen, bedriegt zich zelf, want »waarachtige zelfvorming kan slechts wezen vorming van ons zeiven tot steeds volmaakter medearbeiders Gods en tot organen voor Zijuen Heiligen Geest.quot; »Als het dienen en liefhebben van God niet eeue concrete gestalte verkrijgt in het dienen en liefhebben der kinderen Gods, dan zijn ze de wereld van godsdienst en liefde onwaardig.quot; (Prof. Hoekstra, 1 Joh. 4 : 20, 5 : 1 ; 2 Petr. 3 : 9.)

Zonder iets te willen afdingen op ieders persoonlijke zelfstandigheid en waarde, moeten wij toch erkennen, dat deze voor verreweg het grootste deel bepaald wordt door ieders waarde voor geheel de menschheid, voor de gemeenschap. (Sibi vivit, qui aliis vivit.) Wie voor anderen leeft, leeft voor zichzelven en omgekeerd; wie zijn eigen waarachtig heil bedoelt, werkt het heil van anderen. Onze eigene volmaaktheid en die van anderen (van alleii), dat is het wat God wil van de menschheid en deze kan slechts het resultaat, het einddoel zijn van • aller samenwerking, toewijding en liefde. Het »ben ik mijns broeders hoeder?quot; (Gen. 4:9) is eene Kaïnsleuze, die van een broedermoorder. Het is eene ernstige waarheid, die Paulus uitsprak (1 Cor. 12 : 26); »als één lid lijdt, lijden alle leden.quot; (Vgl. Levenslicht 379.)

44. Openbare zedelijkheid.

Wij zijn aansprakelijk voor elkanders toestand, als kinderen van denzelfden Vader; daarom rust er op ons als eene dubbele verantwoordelijkheid, met name, wat het kwaad, de zonde, het handelen tegen Gods wil en bedoelingen betreft. Handelen wij

-ocr page 119-

107

in strijd met onze bestemming, dan zondigen wij niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen. Er zijn er altijd, die met een beroep op onze zwakheid of slechtheid zich kunnen verdedigen of liever hun geweten daarmede in slaap trachten te wiegen. Groot is de macht van het voorbeeld ten goede often kwade. »Geen leeringen ter wereld — al werden zij ook gepredikt met vurige tongen — kunnen in de verte vergeleken worden met den invloed van daden.quot; (Jakobi.) Hoe hooger onze plaats in kerk en school, of in staat en maatschappij is, te zwaarder wordt deze verantwoordelijkheid. Bijna iedere bladzijde der geschiedenis kan ons dit leeren. Jezus en zijne tijdgenoo-ten zijn er ons wel de meest sprekende voorbeelden van. Geheel ons openbaar leven behoort zoo ingericht te zijn, dat wij nooit de zedelijkheid kwetsen. Integendeel, men moet ons kennen als medearbeiders Gods, als kampioenen, als onvermoeibare strijders voor wat waar is en liefelijk en welluidend. Al wat in het maatschappelijk samenleven daarmede in strijd is, moet door ons worden bestreden uit alle macht. Hoevelen toch zijn er, die daardoor worden bedorven en er de nauwgezetheid des gewetens door verliezen ! (2 Cor. 8 : 21.)

Dat de zedelijkheid van eiken menseh werkelijk eene zaak is, die het geheel, de gemeenschap betreft, kan eene ernstige zelfbeproeving ons leeren.

De proef op de som is gemakkelijk. Immers bij iedere stuitende en in het oog loopende, ergerlijke misdaad, gevoelen wij ons, en niet ten onrechte, diep veronhvaardigd. Wij gevoelen ons gekwetst, beleedigd in ons besef van menschenwaarde, geschokt. in ons geloof. Maar tot ons zelf gekomen maakt het gevoel van afschuw plaats voor medelijden. Hoe toch zijn vele menschen geworden, wat zij waren. Hebben de omstandigheden (eene slechte opvoeding, slechte vrienden, armoede, gebrek aan godsdienstzin enz.) niet menigeen tot een dief of moordenaar, of tot iets ergers gemaakt? Wat zou er in zulke omstandigheden van ons geworden zijn ? Zeker, dit verontschuldigt den boosdoener niet, maar toch..!? Wat zijn wij geworden, die in beter kring opgroeiden? Wat zijn wij geweest? Wat hebben wij bovendien gedaan om anderer beteren mensch te wekken, hun geweten te doen spreken, hun gevoel van roeping en adel

-ocr page 120-

108

wakker te schudden ? Tallooze malen niets. Schaamte en berouw paren zich aan ons medelijden en verkeeren onze verontwaardiging in gevoel van aansprakelijkheid. Het bewustzijn ontwaakt in ons, dat wij, bij al ons doen en laten, hebben te letten op onze medemenschen. (Gal. 6 : 1.)

45. De plicht der waardeering van onze medemenschen.

Besef van persoonlijke waarde, gevoel van eigenwaarde hee-ten wij eeue deugd en niet ten onrechte, want zonder dit besef is elke andere deugd eene onmogelijkheid. Maar volgt hieruit niet terstond, dat wij ook »den menschquot; in onzen medemensch moeten eerbiedigen ? Wij zijn »woonsteden van Gods Heiligen Geestquot; (behooren het althans te zijn,) medearbeiders, kinderen Gods, maar onze medemenschen niet minder. (Hand. 14 : 15.)

Eene beleediging of vernedering onzen medemensch aangedaan, is eeue miskenning van het goddelijke in hem. Slavernij, of een toestand die daaraan zeer nabij komt (onderdrukking, onnoodige belemmering der persoonlijke vrijheid, zuiver mechanische of fabrieksarbeid, dwang in overtuiging en geweten), is met een edel godsdienstig geloof onbestaanbaar (Ex. 21 : 6, Deut. 15 : 79). Reeds in het O. ï. werd dit gevoeld. De Mozaische wet bevat menige bepaling, die in het lot der slaven verlichting brengen moest. (Vgl. Job 31 : 1H.) Door het Christendom is de slavernij en iedere andere onwaardige toestand geoordeeld. Wie een ander vernedert, veracht of onteert, doet het zichzelf.

Al blijft het natuurlijk waar, dat wij den meest waardigen en verdienstelijken en den met echte zedelijkheid en vroomheid toegerusten mensch onwillekeurig hooger schatten dan een misdadiger of een die in ieder opzicht beneden hem staat, toch hebben wij niet het recht te vergeten dat ook deze laatsten nog menschen zijn! (Job 34 : 19, 20, Spr. 11 : 12, 14 : 21, 31, 17 : 5, 22 : 2, Matth. 18 : 10, Jak. 3 : 9, 10, 1 Petr. 2 ; 17.) Alle menschen zijn voor God gelijk (Matth. 20 : 26, 23 : 1—13, Hand. 20 : 28, 2 Cor. 1 : 24, 1 Tim. 3 : 1, 4 : 12, ïit. 1; 5, 2 ; 7, Jak. 3 : 1, 1 Petr. 5 : 2), al zijn er, die wij hooger schatten dan anderen (1 Cor. 1G : 15, 18, Fil. 2 : 29,1 Thess. 5 : 12,

-ocr page 121-

109

1 Tim. 5:17, Hebr. 13 : 7), noch stand en werkkring (Rom. 8 : 14—18, Jak. 2 : 1—lo), noch bijzondere voorrechten en vermogens (Matth. 25 : 14, Luc. 9 : 12, 11 ; 16, Rom. 12 : 1, 1 Cor. 12), niets geeft het recht op anderen laag neder te zien.

Daaruit volgt niet, dat wij allen behooren gelijk te stellen, geheel afgezien van hunne verdiensten. Wie zou dat kunnen ? Bovendien, men behoort niet met het booze en kwade te heulen, te schikken of te plooien en men behoort dit den kwaaddoener ^.wel degelijk te laten gevoelen. (Lev. 19 : 17, Matth. 18 : 15—17, Luc. 17 : 8, 4, Gal. 6 : 1, Eph. 5:11 enz.). Wie zou den dronkaard kunnen aanzien als een achtenswaardig: man? Wie zou met een slechtaard kunnen verkeeren als een vriend met zijn vriend? (Matth. 9 : 10, 1 Cor. 5 : 9—lo.)

Nederigheid en bescheidenheid tegenover den naaste zijn daarbij tevens plicht. Wij behooren ons zelf niet te vernederen, maar mogen ons toch ook niet noodeloos boven iemand stellen. (Voorbeeld van Jezus en zijn eisch tot de discipelen om aller dienaar en de minste te zijn. Vgl. Rom. 12 : 10—14, 1 Cor. 8 : 11.)

De plicht der waardeering van den medemensch sluit in zich zachtheid in het oordeelen. Hoeveel kost ons soms onze noo-

O

zoo gebrekkige deugd ? Wie weet den inwendigen strijd te schatten, waarin deze of gene viel ?

Wij behooren ook zeer voorzichtig te zijn tegenover den naaste met ons wantrouwen. W ij leven wel in eene onvolmaakte wereld. Menschen op wier woord en trouw wij huizen zouden hebben gebouwd, vallen ons soms bitter tegen. Toch behooren wij ons wantrouwen te verbergen. Dit toch doet pijn en heeft menig kind en menig volwassene verbitterd en slechter gemaakt. Het »wees vertrouwd maar vertrouw niemand,quot; is eene gevaarlijke spreuk. Men behoort veeleer iemand zooveel en zoolano- tnoo-e-

*■ O O

lijk te vertrouwen, totdat het ons ontwijfelbaar mocht blijken, dat hij trouweloos is. Zoo voeden wij elkander op, want een, die weet, dat anderen rekenen op zijn woord, zijne eer, zijn karakter, voelt daardoor zijne roeping en zijn adel.

Een eisch der waardeering van den naaste is ook de dank-baarheid. Indien iemand aan ons of aan de onzen — of aan de menschheid in het algemeen — goede diensten heeft bewezen, die getuigenis afleggen van zijne goede gezindheid, wat kan

-ocr page 122-

no

er dan meer aanmoedigend voor hem zijn, dan dat wij op edele wijze, zonder ophef, onze erkentelijkheid toonen. Vleiend (in den goeden zinquot;) is het voor den verplichte, maar eene vreugde voor den weldoener, zijn werk, zijne zorg, zijne moeite beloond te zien. Dit wederkeerig uitwisselen onzer beste gevoelens is een groote zegen. Ondankbaarheid daarentegen, die ongevoeligheid voor het goede, dat ons van onzen medemensch wedervaart, hoe menig hart heeft zij doen verstijven; hoe menig goed voornemen heeft zij verstikt; hoe menigmaal heeft zij de geestdrift voor het heilige en de liefde tot den naaste verkoeld ! Hoe menigeen sloot zich om haar zelfzuchtig op in zijn eigen kring en grendelde de poorten van zijn hart! \')

\\\\ aardeeren moeten wij den medemensch, zooveel in ons is. Die wederkeerige achting is de sterkste prikkel tot deugd en reinheid en zedelijken adel. (Vgl. Levenslicht 154.)

46. Waardeering van anderen oordeel over ons.

Niets kan ons ernstiger opleiden tot de waardeering en achting van anderen, dan de erkenning van de waarde van hun oordeel over ons voor ons zedelijk leven. Wij hebben er meer dan eenmaal op gewezen, hoe noodzakelijk het is, dat wij onzen eigen weg door het leven gaan, dat wij zelfstandig en onafhankelijk van onze medemenschen ons leven inrichten.

Toch heeft anderer oordeel hooge waarde voor ons. Het is de spiegel van den indruk, dien wij op anderen maken en het is goed, dat wij af en toe daarin een blik werpen. Zeker, dit oordeel zal niet altijd aan de werkelijkheid beantwoorden.

1) ,.Dat is een hatelijk slag van menschen, zegt Cicero, die de door hen bewezen weldaden gedurig in herinnering Jbrengen. Wel moet hij, die ze ontvangt, ze dankbaar in het geheugen bewaren, maar die ze-bewezen heeft, moet ze nooit weder ter sprake brengen. De vervulling van geen plicht is meer noodzakelijk dan die der dankbaarheid.quot;

..De dankbare, zegt.Seneca, heeft altijd genot van een weldaad, de ondankbare maar eenmaal. Men behoort alles te doen wat men kan om zooveel mogelijk dankbaarheid te toonen. Al zijn velen ondankbaar, zoo mag ons dit niet afhouden van velen te dienen. Hoe zou het edel kunnen zijn velen nuttig te wezen, indien men zich nooit in iemand bedroog ?quot; Dergelijke uitspraken vinden wij bij de ouden gedurig, een bewijs, dat ook zij reeds dankbaarheid en wederzijdsche waardeering een kostbaar goed achtten.

-ocr page 123-

Ill

»De mensch ziet alleen aan wat voor oogenis.quot; (1 Sam. 16:7.) Men zal ons meestentijds of te hoog of te laag schatten. De uitnemende verdiensten van menigen stille in den lande en van vrouwen in het algemeen, worden zelden naar eisch erkend.

Wij mogen natuurlijk aan het oordeel van allen niet dezelfde beteekenis hechten. Wanneer Jezus door »onwaardigenquot; werd geprezen, dan antwoordde hij met een hard : »gij geveinsden.quot; (Matth. 22 : 16.) Het oordeel van de besten mag ons alleen bekoren en eenigen invloed op ons hebben. Wie zich den lof van onbevoegden laat welgevallen of daarnaar streeft, is ijdel of dom en. heeft zijn eer weg. (Matth. 5 ; 10—12, 6 : 1—18.) A nderer goedkeuring sluit geenszins persoonlijke fierheid buiten. Het Christendom veroordeelt niet allen menschenlof; dan slechts, wanneer deze schade doet aan ons karakter. Hang en titelzucht of trotschheid daarop is erger dan dwaasheid (noblesse oblige), gezochte eer is waardeloos. Onzedelijke (onverdiende) lof is eerloosheid.

Dat der menschen goede meening te onzen opzichte door ons niet gering geschat mag worden, werd eens schoon gezegd I. G. Fichte aangehaald door prof. Hoekstra): «Besliste onverschilligheid omtrent alle kwade geruchten, die er van ons in omloop geraken, dat is ook onverschilligheid, ja verachting van onze medemenschen, op welke wij invloed hehooren uit te oefenen. Dat is koelheid en onverschilligheid voor onze zedelijke bestemming zelve en alzoo wel eene zeer verwerpelijke gezindheid.quot; Dit is zeer waar: van het oordeel onzer medemenschen hangt voor een goed deel onze invloed af, en door dezen invloed moeten wij juist onze taak in de wereld afwerken. Wij zijn allen vertegenwoordigers van het Christendom, allen gehouden om liefde voor het Christelijk ideaal te wekken, en wij moeten wel zeer op onze hoede zijn, dat wij niet ounut onze krachten verspelen. Terecht vermaande Paulus: »dat uw goed niet gelasterd worde\'quot;\' (Hom. 14:16) en wederom: »dat niemand u verachtequot; (1 Tim. 4 : 12, Tit. 2 : löb).

47, Eerbiediging van anderer rechten.

De gemeenschap, het leven in eene geordende maatschappij.

-ocr page 124-

112

legt iederen mensch altijd eenige beperking op. Waar twee of drie of meer personen samenwonen, daar kan niet ieder doen, wat goed is in zijne eigene oogen. Waar menschen hetzelfde huis, hetzelfde land, dezelfde wereld bewonen en steeds toenemen in aantal, daar wijzigen zich ook noodzakelijk de wederkeerige rechten. Deze rechten zijn tweeërlei, stoffelijke en geestelijke. Zal de gemeenschap niet ontaarden in een oorlog van allen tegen allen, dan behoorcn de leden dier gemeenschap die rechten te eerbiedigen. Ligt de waarheid hiervan voor de hand, waar het eigendom en bezit, onze stoffelijke bezittingen en genietingen in het algemeen geldt (daar orde en vrede anders onbestaanbaar zijn en dus eene geleidelijke ontwikkeling onmogelijk zou wezen,

I Cor. 7 : 15, 14 ; 33—40, 1 Petr. 2 ; 13, Matth. 5 : 9, Mark.

II : 15, Hebr. 12 : 14, Rom. 14 ; 19, 1 Thess. 5 : 13, Jak. 3 : 18), evenzeer geldt dit op geestelijk gebied. Elk mensch heeft recht op volkomen geestelijke vrijheid, op vrijheid van geweten.

Kan men op het gebied der maatschappij misschien, ter wille van de orde in het geheel, banden aanleggen, niet alzoo op geestelijk gebied. Waar men de gewetens, de geesten aan banden gaat leggen, daar doodt men de zelfstandigheid en met haar het besef van persoonlijke waarde. De vrije geest des menschen is de heerlijkste schepping Gods, die ons bekend is, en deze kan gewis alleen zijn hoogsten en schoonsten bloei bereiken, wanneer hij zich onbelemmerd mag ontwikkelen. Immers ook de bloem, die in het vrije veld naar eigen natuur zich ontplooit, is schooner dan die kunstmatig in de trekkas werd gekweekt. Deze vrijheid is onbetwistbaar op het gebied des geloofs, van deu godsdienst. Deze toch behoort tot het innerlijke, intieme leven van den mensch met zijnen Schepper. Dit heiligdom door dwang te ontwijden is niemand geoorloofd.

Het is mitsdien ook niet geoorloofd iemands eerlijke overtuiging aan bespotting prijs te geven of in minachting te brengen. Zeker, men kan niet alle ergernis ontgaan. «Jezus ergerde de Farizeën, de Sadduceën en de onwetende massa. Paulus ergerde de joden en de heidenen. Luther evenzoo honderdduizenden in zijnen tyd en de modernen tegénwoordig niet velen minder.quot; Maar er is ook ergernis en ergernis. Er wordt dikwijls

-ocr page 125-

113

ergernis genomen waar dit niet behoeft en niet behoort. Wanneer b.v. iemand onbeschroomd, edel en oprecht zijne overtuiging uitspreekt, omdat hij ze beter acht, dan de hier en daar heer-schende begrippen, dan maakt hij gebruik van »een recht, dat hem onvoorwaardelijk toekomt en is dit geenszins eene krenking van anderen.quot; Tot op zekere hoogte is dat zelfs dure plicht. Wie echter deze zijne overtuiging opzettelijk op voor anderen kwetsende wijze uitdrukt en deze op andere dan redelijke gronden (door overtuiging) ingang wil doen vinden (door dwang en geweld b. v.), hij geeft ergernis in den slechten zin des woords.

Verdraagzaamheid in het godsdienstige is een eerste christenplicht (op vrijzinnig standpunt zeker !) (Rom. 14 en 15; 1—3, 1 Cor. 8 en 9 : 20, 22. 10 : 22, 23, Fil. 1: 15—18) d. w. z. wij behooren te verdragen de personen, en deze behooren wij nog lief te hebben en als onze medemenschen te waardeeren, ook waar zij o. i. verkeerde meeningen voorstaan. Deze meeningen zelve mogen echter door ons met alle geoorloofde middelen worden bestreden, wanneer wij ze voor onwaarachtig houden. Onverdraagzaamheid — »het stellen van zijn persoonlijk oordeel als (absolute) maatstaf voor anderer gewetenquot; — is onchristelijk. Zij verdeelt, verbittert, vervreemdt en is onbestaanbaar met het gezamenlijk en liefderijk streven naar de vervulling van het Christelijk ideaal: God alles in allen, de menschheid ééne kudde onder éénen herder, God I

Niets is er, wat ons van dezen plicht ontslaat. Zoo diep kan geen mensch zinken of ons beleedigen, dat wij zijne wezenlijke cn echt menschelijke rechten zouden mogen aanranden. Integendeel, de liefde en de goede gezindheid tot den naaste, dat heilig vuur, mag nimmer gansch en al worden gebluscht. Verlangde Jezus daarom ook niet, dat wij elkander zouden vergeven en niet éénmaal maar zevenmaal zeventigmaal, d. w. z. altijd ? (Matth. 18:22.) Gebood hij niet liefde tot de vijanden zelfs? (Matth. 5 : 43, 44.) En eischte hij niet, dat wij zouden zegenen die ons haten? (Luk. 6; 28, 35.) Zooals wij verlangen, dat de menschen ons zullen doen, zoo behooren wij jegens hen gezind te zijn en te handelen. (Matth. 7 : 12, Luc. 6 : 31.)

8

-ocr page 126-

114

„Volbreng gij zelf — wat gij van anderen zoudt verlangen;

Beveel — alsof gij zelf het moest volbrengen;

Gehoorzaam zoo — alsof gij zelf het hadt bevolen ;

Heb anderen lief — gelijk ge u zeiven mint.quot;

48. Gezindheden jegens den naaste.

Jezus gaf slechts één enkel gebod, waar hij onze betrekking tot onzen medemensch wilde bepalen. ;gt;Heb den naaste lief\', als u zeiven.quot;

Zoo is het; in liefde lost zich elke andere betrekking op en iedere plicht ligt in haar opgesloten. Echter »dan eerst wordt onze menschenliefde volkomen, wanneer zij zich verbijzondert in een overvloeienden rijkdom van wehvillende gezindheden en zoo telkens nieuwe en heilige sympathieën wektquot; (prof. Hoekstra) en tot vernieuwd liefdebetoon voert.

Het kan onze bedoeling niet zijn, na al het reeds aangevoerde, ze hier een voor een uitvoerig te behandelen. Als wij ze noemen beseffen wij reeds, welk een schat van zegen zij voor de raenschheid bergen. Welwillendheid, vriendelijkheid, zachtmoedigheid, hulpvaardigheid, belangeloosheid, edelmoedigheid, vriendschap! Wie zal haar lof naar eisch bezingen? Wie weet ook maar bij benadering te zeggen, hoeveel reine vreugde zij wekken, hoeveel echten troost zij bieden, hoeveel ware verkwikking zij schenken. Een mensch leeft er bij, er door. Zij maken deze aarde tot een paradijs. Zij zijn als eene bron, die nimmer opdroogt, die altijd helder en als de hemel zoo zuiver water voortbrengt; zij zijn het, die aardeen hemel aan elkander doen grenzen. Zij schenken geur, kleur, gloed, warmte, bezieling aan het anders zoo troostelooze, eentonige, waardelooze leven. Van haar gaan uit alle reine uitingen, alle edele daden. Zij zijn de engelen Gods, die wonen en werken, geluk en zegen aanbrengen onder de menschen.

»Dat zich wederkeerig aan elkander geven en wijden, dat ons elkanders oog en hand doet zoeken; vooral bemind, innig bemind te worden door kinderen en eenvoudigen, is het niet het hoogste voor wie waarlijk groot is? Anderen zoeken in hunne hulde aan een grooten geest nog altijd eenigszins zich zelf, laten de zon op zich afstralen, die zij verheerlijken, of wel zij

-ocr page 127-

115

bederven de zuiverheid van hun gevoel door eenig voorbehoud, dat geheele overgaaf buitensluit. Maar zoo groot te zijn, dat een hart er door gewonnen wordt, zonder dat de geest het begrijpt of zoekt te begrijpen; -— bij kleinen en eenvoudigen het besef te wekken: hier is koestering, hier is schaduw, hier zijn vleugelen, die mij dragen, hier ben ik dichter bij God, dat is ware, immers weldadige, grootheid?\'\' \')

Och dat wij ze dan aankweeken alle die reine gezindheden, ze ons aanrekenen tot eene hooge eere, ze Gode welgevallig bij uitnemendheid achten. Zoo zijn wij kinderen Gods. »Zoo, zoo zien wij het Godsrijk komen en steeds meerder iederen dag!quot; 1)

h. Het zedelijk leven in den Staat.

49. Het ontstaan en doel van den Staat.

Het is noodzakelijk — een gevolg van den samenloop van vele omstandigheden en in overeenstemming met de menschelijke natuur — dat de bewoners van dezelfde landstreek of van verschillende streken der wereld zich bij elkander aansluiten en dus Staten vormen. Gelijkheid van taal en afkomst, gemeenschappelijke belangen, gemeenschappelijke vijanden, gelijke behoeften enz., doen toenadering ontstaan en waar deze voortdurend aanwezig zijn, daar vormt zich van zelf eene gemeenschap op bepaalde grondslagen — een Staat.

Deze »Statenquot; waren in den beginne noodzakelijk klein en

1

Wij zijn niet hier op aarde om te haten, maar om elkander lief te hebben.

(Sophocles.)

Wij hebben meer tranen ter beschikking, dan wij over ons eigen leed kunnen vergieten, en wij bezitten grooter schat van blijdschap, dan dien wij over ons eigen geluk rechtvaardigen kunnen. (Guyau. Fais ce que voudras.)

Ein edler Mensch zieht edle Menschen an Und weiss sie fest zu halten. (Goethe. Tasso.)

Aimons, aimons! La vie est un mystère Oü ramour seul a jeté des rayons;

Nous y verrons resplendir la lumière,

Si nous aimons.

{Madme de Pressensé.)

-ocr page 128-

116

gebrekkig. De leden van ééaen stam voelden zich om vele redenen nauw aan elkander verbonden en sloten als stilzwijgend een verbond om voor j gemeenschappelijke rekening geschikfe woonplaatsen, weiden voor hunne kudden en bebouwbare akkers te verwerven. Naarmate deze stammen in talrijkheid toenamen door geboorten of vrijwillige aansluiting aan andere stammen, werd hun gebied grooter. Werd de gemeenschappelijk bezeten grond bedreigd of liep het persoonlijk bezit gevaar, dan kwam het geheel te hulp om dat gevaar af te wenden.

Door geweld of vrijwillige verbintenissen ontstonden er groots rijken, waarvan sommige langen tijd bijna eene halve wereld omvatten. Hoe grooter deze Staten werden, des te grooter werd ook de behoefte aan een geregeld bestuur. In den beginne deed zich deze weder het meest gevoelen in tijden van gevaar. Hoe zou men met hoop op gunstig gevolg den vaak machtigen vijand bestrijden, als er geen aangewezen opperhoofd was, die den strijd en de voorbereidselen daartoe regelde ? Wij denken hier b. v. aan de Israëlieten vóór de komst in Kanaiin en gedurende het tijdvak der Richteren of aan de eerste bewoners van ons Vaderland kort vóór en na het begin onzer jaartelling.

Bij het ontwaken der beschaving bleek eene geschrevene wet, eene schriftelijke staatsregeling, steeds noodzakelijker, en hoe meer de menschheid zich ontwikkelde, des te humaner en beschaafder vorm nam deze aan. Met de menschheid groeiden de Staten en wetten^gelijkelijk op. Zij werden steeds edeler opgevat en ingericht en naar den eisch des tijds verbeterd, gewijzigd, hervormd. Steeds meer werden zij dienstbaar gemaakt aan het algemeen welzijn.

Zeker, deze ontwikkeling greep niet altijd geleidelijk plaats. Integendeel, de geschiedenis leert, dat dit vele raaien geschiedde onder oorlogen en geruchten van oorlogen. Stroomen bloeds werden daarbij dikwijls vergoten en nóg wel ! Dit moest en-behoorde zeker anders en bewijst ons, dat er op aarde nog zeer veel moet veranderen eer de gouden eeuw, waarvan het Christendom profeteert, zal zijn aangebroken. Wanneer en hoe zal echter voor Staten en volkeren een betere tijd aanbreken ? Zeker dan, wanneer het woord van den Israëlietischen ziener (Zacharia) algemeen wordt verstaan en gewaardeerd; »niet door

-ocr page 129-

117

kracht of geweld, maar door mijn geest zal het geschieden, spreekt de Heer!quot; Wanneer men algemeen heeft leeren inzien, dat het heilige alleen met heilige handen kan worden bevestigd, en dat iedere oorlog ongeoorloofd is, uitgezonderd (misschien !) een rechtmatige verdedigingsoorlog. (Matth. 5:38—48.) \')

Ook op het gebied van den Staat doet zich derhalve het godsdienstig leven gelden. Staat en godsdienst staan tot elkander als »lichaam en geest.quot; De tweede is het bederfwerend zout van den eerste. Er is geen staat mogelijk zonder geloof en zedelijkheid bij zijne burgers. Gaat de wereld rond: gij vindt geen volk of het heeft zijne altaren, tempels, offers en heilige dagen, door de staatswetten verordend of althans beschermd. Verdiept u in de geschiedenis; niet alleen Mozes grondde ziju Staat op godsdienst, — in Indië en Egypte, in Griekenland en Rome, bij onze heidensche voorouders en overal elders, is de godsdienst de grondslag, de eerste en voornaamste zorg, de ziel der Staten. Overal, hoe onzuiverder de godsdienst, des te gebrekkiger de Staat; hoe reiner de godsdienst, des te beter ook de Staat. Vraagt gij, welke de grond is van dien samenhang? Gij ziet dien gemakkelijk. De Staat behoeft, als het minste waarbij hij leven kan, het recht, in wetten uitgesproken, waaraan gehoorzaamheid ge-eischt kan worden. Zonder zulk een recht is geen Staat mogelijk. Maar nu hebben deze wetten geen vasten cjrond, waarop zij rusten ; geen duidelijk doel, \'t welk zij beöogen en geen tot gehoorzaamheid bezielende kracht, welke zij wenschen, zoo zij deze niet van den godsdienst ontvangen.

»Is de vaste grond der wetten niet Gods m;ï7(het absoluut goede!), maar de wil van de meerderheid van stemmen, waarom zullen wij dan niet met de Spartanen den diefstal, met de Chineezen den kindermoord of ook wel met de Mormonen de veelwijverij gaan wettigen ?quot; (Prof. P. Hofstede de Groot.) Is het doel van wet en Staat niet onze ontwikkeling als menschen in den edelsten zin, waarom dan niet kunst en wetenschap, braafheid en vroomheid veracht en het materialisme openlijk gehuldigd; gegeten en gedronken, omdat wij morgen wellicht reeds sterven ? Is de kracht der wet niet gegrond op het echt menschelijke in de menschenwe-

1) Toute liberté nait et périt avec I\'independance nationale. (Leopold II.)

-ocr page 130-

118

reld, dus op het goddelijke, — waarom dan niet vrij de wetten ontdoken, zooveel als maar mogelijk is en alleen er voor gewaakt, dat de rechter ons niet achterhale ? Dapperheid, krijgsroem, handel, landbouw, wetgeving, wetenschap, letterkunde, deze, hoe goed ook, maken op zichzelve een volk toch niet sterk. Alle Staten der oudheid stortten verouderd en krachteloos in puin ter neder, omdat de godsdienst en daarmede het recht, de deugd, de liefde, de geest der Staten was verdwenen.

Daar alleen is de Staat, wat hij wezen moet, waar liij het middel is om de belangen, het welzijn van alle burgers te bevorderen ; waar hij op stoffelijk en geestelijk gebied al datgene tot stand brengt, wat enkele personen en kleinere kringen niet kunnen verwerven ; waar hij welvaart en vooruitgang, ontwikkeling en beschaving, godsdienst en zedelijkheid aanmoedigt; waar hij dus den strijd des levens voor allen verlicht en allen hun streven naar hun levensdoel — de volmaaktheid der kinderen Gods ! — mogelijk maakt.

50. Burgerplicht.

De Staat — zijn zegenend vermogen en heilrijke kracht — hangt natuurlijk af van de personen, die hem vormen. Een Staat is machteloos, als zijne burgers geesteloos zijn. De Staat, hoe hij in de geschiedenis ook ontstaan moge zijn, is en blijft een sgedachtendiug.quot; quot; Hij is en blijft eene aaneensluiting, eene vereeniging van enkele personen, en al naardat deze enkele personen vrij of onvrij, goed of slecht, ontwikkeld of onbeschaafd, belangstellend of onverschillig, zedelijk of onzedelijk zijn, rijst of daalt noodzakelijk de waarde en beteekenis van den Staat. De Staat moet kunnen rekenen op al zijn leden \').

De burgers behooren voor den Staat en het staatsleven niet onverschillig te zijn. Vaderlandsliefde is daarom een Christelijke plicht, of zou een Christen verheven zijn boven het echt men-schelijke, waaruit de Staat is geboren? Neen, de Staat moet worden gesteund, waar dit mogelijk is, opdat hij sterk zij en

1) Comprendre son temps, lui apporter ce qui lui manque et dont 1\'absence entretient clans les ames une vague malaise, qui devient a mesure plus dou-loureuse, voila un mérite, qui n\'est pas vulgaire. II est d\'habitude recompense par la gloire. (L- Carrau. Epicure.)

-ocr page 131-

119

daardoor gemakkelijker zijn doel bereike — het stoffelijk en geestelijk welzijn van allen. \')

Bijzondere voorrechten behooren vrijwillig, zooveel mogelijk, aan de algeraeene belangen te worden opgeofferd. Waar ieder slechts zijn persoonlijk voordeel zoekt of dat zijner partij, is de Staat machteloos om iets ten algemeenen nutte te kunnen doen. De meerderheid der burgers \'raag de rechten der minderheid niet vertreden, want daar zou de Staat ophouden de vertegenwoordiger van allen te wezen. De meerderheid behoort steeds te bedenken, dat zij niet alléén beschikt over de waarheid en het recht. Voor allen moet de Staat zooveel mogelijk alles kunnen zijn.

De inrichting van den Staat, het bestuur, de rechten der overheid mag geen burger noodeloos veronachtzamen. Christelijke plichten tegenover den Staat zijn derhalve belangstelling in den algemeenen gang van zaken; offervaardigheid en eerlijkheid, waar de Staat een beroep doet op de stoffelijke en geestelijke bezittingen der burgers, om daardoor de middelen te verwerven tot bevordering van het algemeen welzijn ; het uitoefenen van het kiesrecht, dat allen geestelijk bevoegden toekomt, opdat de wetgevende macht werkelijk het volk in zijne beste schakeeringen vertegenwoordige; onderworpenheid aan de wetten, aan de op wettige wijze aangenomen staatsregeling; gehoorzaamheid aan de staatsmacht en aan de overheid, die immers krachtens den wil van het algemeen met gezag worden bekleed en die uitvoer-sters zijn van dien algemeenen wil; voorts orde en vredelievendheid, goede trouw, verdraagzaamheid en welwillendheid.

51. Wet en Overheid.

Geen geordende Staat of maatschappij is mogelijk zonder wetten, zonder een bepaald bestuur dus. Het gebied van den Staat behoort te worden aangegeven, de grenzen er van behooren nauwkeurig te worden bepaald, de werkkring van den Staat dient afgebakend te worden. Alle willekeur, de bron van eindelooze twisten, moet, zooveel als mogelijk is, uitgesloten zijn.

1) Patria est ubieumque est bene?? Cic. Tuse. quaest. V. 37, 108, vgl. Arist Plutus 1151.

-ocr page 132-

120

Hoe hooger de menschheid zich ontwikkelt, te ingewikkelder wordt het leven en ook het leven van den Staat, en naar die mate klimt ook de behoefte aan vaste wetten, aan eene bepaalde orde en regeling. Deze wetten behooren zooveel mogelijk uitdrukking te geven aan het beste en edelste wat de Staat kan bedoelen, \'t welk (laten wij het nog eens zeggen!) wel niets anders wezen kan, dan aan allen de middelen te verschaffen om de hoogste levensgoederen te verwezenlijken. Zij omschrijven de rechten der burgers, waarborgen deze en bepalen in hoeverre meer bijzondere belangen in de algemeene opgaan en omgekeerd in hoeverre de Staat de bijzondere belangen te hulp komt. Zij zijn dus wel ten nauwste met de heerschende geloofsvoorstellingen en zedelijke begrippen, met het godsdienstig leven alzoo, verwant! Vanae leges sine moribus.

Gehoorzaamheid aan deze wetten mag gevorderd worden. Waar toch zou het heen, wanneer de leden van eenige gemeenschap die orde niet eerbiedigden, die ieders taak, arbeid en las-teu, maar ook ieders vrijheden, voorrechten en lusten bepaalt en begrenst? Op elk gebied ware dit in zijne gevolgen schromelijk, niet het minst op dat der staathuishouding. Het N. T. dringt ten sterkste op gehoorzaamheid aan. God is een God van orde! (Rom. 13 : 1 -8, 1 Cor. 7 : 15, 14 : 33, 40, Ef. G : 1, Coll. 4 :1, 1 Petr. 2 : 13, 1 Thess. 5 : 14, 2 Tiiess. 3 : 6—11, Titus 1:10, vgl. Matth. 5 : 40, 1 Cor. 6 : 1 enz.)

Zeker, de plicht der gehoorzaamheid is niet zonder voorbehoud. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die verzet tegen de wetten veroorloven. Nooit toch mogen deze iets bevatten, dat de gewetens geweld aandoet, het gevoel van eigenwaarde rooft of de persoonlijke zelfstandigheid noodeloos aan banden legt. Daar zou de vrije ontwikkeling des karakters worden tegengehouden, dus het levensdoel worden gemist, althans het streven naar de vervulling er van zou kunnen worden belemmerd. Dan is verzet zeker gewettigd. Dit behoeft echter niet noodzakelijk te leiden tot opstand en omwenteling, tot revolutie.

Daartoe zou men eerst het recht hebben, wanneer alle andere door de wet zelf aangegeven middelen waren uitgeput. Eu ook dan nog zal een oprecht Christen alle mogelijke geduld oefenen, om later, wanneer betere tijden zijn aangebroken en anderen

-ocr page 133-

121

zijne opvattingen van wet en recht zijn gaan deelen, opnieuw naar wijziging en verbetering te streven. (Matth. 26 : 52.)

Evenzoo is het met de Overheid, Zij heeft recht van alle burgers gehoorzaamheid en toewijding te eischen, waar zij als uitvoerende macht voor het geheel optreedt en den algemeenen wil en het algemeen welzijn vertegenwoordigt. Dan alleen zou zij dit haar natuurlijk recht verliezen, wanneer zij ophield dienares van het algemeen geluk te zijn, en waar zij hare roeping vergat. Van den koning af tot op den geringste zijner dienaren is van toepassing Jezus1 gulden spreuk : »wie de meeste wil zijn, zij aller dienaar!quot; »Zelfs van Jhvh, den God, den koning van Israël heet het, dat gerechtigheid en gerichte de grondzuilen zijn van Zijnen troon, en van de vorsten wordt gezegd, dat zij regeeren door die wijsheid, die bestaat in godsvrucht en gerechtigheid, en dat hun troon door deugd en trouw en goedheid wordt bevestigd,quot; \') (Ps. 89 : 15, 97 : 12, Spr. 8:15,16,16 : 12, 20 : 28, 25 : 5, 29 ; 14. Vgl. Levenslicht, 407—411.)

e. Het xedelijk leven in het Huisgezin.

52. Huiselijk leven.

«Burgerdeugden zijn slechts deugden voor den schouwburg, wanneer zij niet in huiselijke deugden haar oorsprong vinden.2Dit is zeer waar gezegd, maar men mag dit woord nog uitbreiden en zeggen, dat het van alle en niet enkel van burgerdeugden geldt. De geheele maatschappij rust op het huisgezin. Waar het huiselijk leven in eere is, daar tieren vroomheid en reinheid, godsvrucht en zedelijkheid; daar bloeien kunst en wetenschap. Waar het huiselijk leven kwijnt, versterven zij alle. In en dooiden engen kring van het huisgezin komt meer dan ergens anders ter wereld de menschelijkheid tot haar recht. De mensch ontmoet er den mensch. Daar, daar alleen, beroeren de harten elkander en huichelen wij op den langen duur niet. Daar ver-toonen wij ons, zooals wij zijn. Daar wordt het masker van

1

Aujourd\'hui, pour qu\'un homme soit apte a remplir sa fonction sociale,

2

il lui faut beaucoup d\'idées dans la tète et de sentiments généreux dans le coeur. (E. Spuller.)

-ocr page 134-

122

vormelijkheid en gedwongenheid door een ieder afgelegd. Daar vertoont zich de mensch met zijn eigen gelaat. De grooteen de kleine, de eenvoudige en de onontwikkelde; de bedeesde en be-scheidene, zoowel als de vooruitstrevende en krachtige geest ontmoeten er elkander; wisselen er van gedachten en gaven; ontsluiten er elkander wederkeerig hun hart. Daar komen verborgen hartstochten en talenten aan het licht, die nergens anders ter wereld tot haar recht kunnen komen. Damp;ir vinden allen rust van hun strijd en eene schuilplaats voor de stormen en rampen des levens.

Het heil van Staat en maatschappij, ja van de geheele wereld, is met het huiselijk leven ten nauwste verbonden. Het is de kweekplaats van alle zachte deugden en van alle reine gezindheden. In het huisgezin worden banden gelegd, die een leven vol strijd niet geheel kan verbreken. Van daar worden herinneringen medegenomen, die nimmer verdwijnen ; en worden indrukken opgevangen en overtuigingen aangekweekt, die niet zullen uitslijten. Wie zal ons dan den zegen, die van het huisgezin kan uitgaan, naar eisch beschrijven ? Wie weet er al het goede van af te malen ? De beste schrijvers, de uitnemendste dichters, al de profeten van den ouderen en nieuweren tijd, hebben er om strijd den lof van verkondigd. Daar zijn de uitgangen des levens.

Daar is de bron van. den godsdienst, van geloof en hoop, van reinheid en zedelijkheid, van liefde. Waar die bron is bedorven, is de maatschappij in gevaar. Waar het huiselijk leven in verval is, kwijnt en versterft het goddelijke in den mensch.

Het huisgezin is het bederfwerend middel in de wereld — »indien dit zout smakeloos geworden is,quot; waardoor zal zij voor ondergang behoed, waarmede zal zij behouden worden ? 2 Tim. 1: 5.\')

1) GELUK.

Men wacht het zoo dikwijls van rijkdom en eer,

Men zoekt het bij opschik en praal;

Toch woont het zoo zelden in \'t vorst\'lijk paleis En schaars in de feest\'lijke zaal.

Men zoekt het op reis bij de pracht der natuur.

Maar wat ons het reizen ook biedt, —

Het schenkt wel genot, het verrijkt, het verstrooit,

Maar het ware geluk schenkt het niet.

-ocr page 135-

123

53. Ouders.

Geen heiliger band is er denkbaar, dan die er bestaan kan tusschen man en vrouw. Zij leven met en voor elkander. Hunne belangen zijn één, hunne wenschen, begeerten en bedoelingen zijn één, nl. elkanders tijdelijk en eeuwig welzijn en geluk. De vreugde des eenen is de zaligheid der andere; de blijde glimlach der eene het leven des anderen. De zegen van het huwelijk, van een Christelijk huwelijk, gaat de beschrijving, de zeggingskracht van elke menschelijke taal te boven. Een huwelijk kan echter eerst dan Christelijk heeten en ten zegen zijn, wanneer beiden, man en vrouw, de onvernietigbare overtuiging in zich omdragen, dat zij kinderen van God zijn en als zoodanig geroepen en geneigd naar Gods wil te handelen.

Dan zal een huwelijk niet om alle bijoogmerken worden gesloten. Dan zal met dezen band door lichtzinnigheid en oppervlakkigheid niet de spot worden gedreven. Men zal bij de keuze van een levensgezel en echtgenoot niet enkel letten op uitwendige schatten, op schoonheid, rijkdom, stand of eer, maar vóór alles op gaven van geest en hart. Wat zal er worden van een huwelijk, waar deze laatsten worden gemist of om niet geacht? Hoe zal daar de man de vrouw en omgekeerd de vrouw den man steunen, helpen, trouwe houden? Hoe zal daar liefde zijn, waar zonder deze boven alles uitnemende gaven naar geest en hart, zelfs geen achting, eerbied of onderling vertrouwen mogelijk is?

Een onchristelijk huwelijk — een huwelijk niet op het beste in den mensch gegrond — is eene levenslange marteling, een duizendvoudige dood, een zedelijke ondergang, eene geheele mislukking van het leven! Neen, de godsdienst brengt het huwelijk allerminst in minachting, integendeel — heiligt het, verheft het en maakt het tot eene bron van alle goeds, van oneindige en onbeschrijfelijke genietingen. Slaat ze gade, man en vrouw — •

Men zoekt het zoo ver — toch is liet nabij,

\'t Blijft bij ons in vreugd\' en in druk.

Gelukkig is hij, die dien schat heeft ontdekt,

Die schat is het huislijk geluk, C. D.

L\'esprit peut aimer les voyages, mais le coeur aime le retour.

-ocr page 136-

124

jong en vol moed, haast nog aan den ingang van het werkelijke leven, of oud en bedaagd, door hunne kinderen omringd, bijna aan het graf! — Wat blinkt er in hun oog? Wat trilt er in hun handdruk, hun woord ? Wat roert zich in hun hart ? Dat weet God alleen en beseffen zij zelf slechts ten deele.

Groot is de invloed van echtgenooten op elkander, maar groo-ter nog is de invloed, dien zij uitoefenen op hunne kinderen. Hun voorbeeld, woorden, daden en zelfs hunne gebaren worden door de kinderen als bestudeerd en overgenomen. Christelijke ouders beseffen dit en gevoelen, hoe groote en zware plichten zij daarom tegenover hunne kinderen te vervullen hebben. Hoe voorzichtig en behoedzaam gaan zij met hunne kinderen om. Hoe nauwgezet zijn zij ook daarom vooral in al hun doen en laten. In hun huis heerscht een liefdevolle en zachte geest. Onnoodige hardheid en gestrengheid worden vermeden. Weelde en overvloed eveneens. Uithuizigheid en genotzucht worden beteugeld.

De kinderen worden zoo weinig mogelijk aan hun lot overgelaten en nimmer aan slechte leiding overgegeven of in slecht gezelschap toegelaten. \') Christelijke ouders behoeden hunne kinderen op al hun wegen. Hun wakend oog volgt ze overal. Zij bewaren ze voor zondige gedachten, woorden en daden en daarom voor alle ontadelende invloeden. Op de ontwikkeling hunner kinderen, lichamelijk en geestelijk, geven zij nauwlettend acht.

Waar echtgenooten zoo van den Cliristelijken geest doordrongen, met reinheid en liefde, getrouw zijn bij de vervulling van hunne wederkeerige verplichtingen en van die tegenover hunne kinderen, hoe heerlijk een loon en zegen wordt daar hun deel. Hoe lieflijk is de atmosfeer, waarin zij ademen ! Hoe gezegend en ten zegen zijn zij tot in lengte van dagen. Onder de zaligsprekingen van een gelukkig, vroom en vry, aan alle deugden

1) Ali ! Malheur a celui qui laisse la débauche

Planter le premier clou sous sa mamelle gauche ;

Le coeur d\'un homme vierge est un vase profond;

Lorsque la première eau qu\'on y verse est impure La mer y passerait sans laver la souillure ;

Car 1\'ablme est immense et la tache est au fond!

(Alfr. de Musset.)

-ocr page 137-

125

rijk kroost, wassen zij op tot die rijpheid en volheid van leven, die het eeuwig leven reeds hier op aarde onder \'s menschen bereik brengt. »Christelijke ouders hebben een voorsmaak van den hemel.quot; Eph. 5 ; 22—32.

54. Kinderen.

»Kinderen zijn een zegen des hemels,quot; zegt het volksgeloof. Wie zou het ontkennen ? Zij wekken in het menschelijke hart het reinst gevoel. Let op die moeder 1 Zij speelt met haar kind. Zij wordt het niet moede. Zaligheid ligt er over haar gelaat. Slaat die kleine gade ! Hoe lacht hij als zijne moeder komt. Hoe klautert hij op haar schoot en slaat de armen om haar hals.

Wel mocht de dichter zingen:

„Heer! is een engel om uw troon geschaard,

Onze aarde moê en al haar schaudtooneelen.

Geef, dat een oogenblik, hem \'t schouwspel moge streelen,

Zijn heilige oogen waard lquot;

(des Amorie v. d. Hoeven.)

Ouder- en kinderliefde wordt bij alle volkeren — bij beschaafde en onbeschaafde -- opgemerkt en meer dan iets anders getuigt zij ons van het wezen Gods. Maar nergens is zij reiner, wordt zij edeler opgevat dan onder de Christenen — onder de ware Christenen. Daar immers wordt zij beschouwd als de onwraakbare getuige voor de waarheid des Evangelies. Daarom »de kinderen zijn een zegen des hemels.quot;

Ook als de kinderen grooter worden, doch dan onder voorwaarde, dat de kinderen zich tevens bewust worden van hunne roeping en taak. Als in het kind zich langzamerhand ontwikkelt dat hooger leven, hetwelk er in den mensch — in den Christen — wonen moet, dan eerst smaken de ouders de heiligste vreugde.

Stelt u een kind voor dat wel ouder wordt, maar even onnoo-zel blijft als in zijne prilste jeugd, of wel, een kind, dat grooter wordende die aantrekkelijke onschuld en reinheid verloor, die het deel zijn van kleine kinderen ; — die argeloosheid en natuurlijkheid, die eenvoudigheid en onbaatzuchtigheid, welke zich bij een kind laten opmerken — daar wordt het bezit van kinderen tot eene pijniging en tot een vloek. »Door een klein kind op

-ocr page 138-

126

een uieuw en kostbaar kleed getrapt te worden zal geen ouder ergeren, maar door een grooter op het hart getreden te worden, maakt ouders rampzalig.quot;

Gij herinnert u het vijfde gebod. Het is het ernstigste der tien geboden. Omdat er eene belofte aan verbonden wordt? Neen, maar, omdat iemand, die het gebod der ouderliefde niet betracht, zich om de andere negen geboden evenmin bekreunen zal.

Hoeveel zijn wij aan onze ouders verplicht! Al het goede, wat er in en aan ons is, nam zijn oorsprong in het ouderlijke huis. Wat zou er van ons geworden zijn, zonder vader of moeder, of zonder hen, die zoo goed en kwaad, als zij vermochten, hunne plaats innamen !

»Kinderen zijn kleine nienschenquot;, maar het kinderlijk leven is daarom nog geen menschelijk leven. Het moet nog groeien, wassen, worden. Slechts de kiem van hethoogere leven is aanwezig. En deze werd gekoesterd met teedere, onvermoeide zorg. Moeders armen droegen ons. Vaders oog sloeg ons onafgebroken gade. Zij zorgden voor voedsel en kleeding. Ons spel, ons werk, ons leeren, onze blijdschap, onze kleine zorgen en verdrietelijkheden waren de hunne. Zij stortten ons de eerste zaden van deugd en vroomheid in. Zij vouwden onze handen het eerst ten gebede en leerden ons het eerste gebed. Zoo alleen werden wij, wat wij zijn. Maar is er dan heiliger plicht dan die der dankbaarheid aan hen, wien wij naast God alles zijn verplicht ? 1

„Een Vader doet voov hondert Sonen,

Dat hondert Sonen hem aUeenig niet en loonon.quot; (Huygens.)

Een Vader brengt veeleer met vreugd zes kinderen groot,

Eer dat zes rijke kinderen hem helpen uit den nood.

(N. Beets.)

Maar hoe kunnen de kinderen aan hunne waardige ouders naar eisch hun dank betalen? Zij kunnen dezen nooit vergelden, wat zij hun verschuldigd zijn! Maar welke ouders verlangen dit ook? Zij verwachten alleen liefde, en niets anders dan liefde. Doch deze liefde — is zij oprecht—zal zich noodzakelijk openharen en rijker en edeler, naarmate de kinderen ouder worden. Dan immers worden zij er zich langzamerhand van bewust, wat zij aan hunne ouders danken en tevens van hunne roeping, als menschen. !t Is waar, ook op betrekkelijk jeugdigen leeftijd reeds, kunnen

-ocr page 139-

kinderen zich van deze hunne taak bewust worden — en als een Christelijke geest hen reeds dan bezielt, zullen zij de liefde tot hunne ouders op aandoenlijke wijze toonen. Zij trachten dan op allerlei wijzen — ook door stoffelijke bewijzen — een deel van hunne groote schuld af te doen. Dit is zeker slechts eene schamele vergoeding. Wie daarom zijne ouders gelukkig wil maken, trachte daarnaar in hoogeren zin. Hij zij vlijtig in zijn werk, toone in huis en school en overal te beseffen, dat zijne eer en welvaart die zijner ouders zijn. Hij zij bescheiden, eerlijk, oprecht; welwillend en gedienstig; zachtmoedig en vredelievend; braaf en oppassend; kuisch en fatsoenlijk; rein en vroom. Een goed kind tracht overal in het goede uit te munten en hierom vooral dat hij weet, dat zijne ouders zich daarover verheugen.

Als een plicht tegenover ouders mag men zeker ook aan-nemen | de liefde tot broeders en zusters. Kinderen van hetzelfde huis behooren in vrede en liefde saam te leven. (Ps. 133.) Of wie die zijne ouders liefheeft, zal zijne broeders of zusters krenken, veronachtzamen en aan hun lot overlaten ? Wie zou de nagedachtenis zijner ouders in eere houden en zoo onchristelijk handelen? Zeker, wij behooren naar Jezus\' bevel alle uienschen lief te hebben als onszelven, maar zeker onze broeders en zusters in de eerste plaats. Eph. G : 1—4. \')

55. Huisgenooten.

Al kan het niet in onze bedoeling liggen het zedelijk leven in geheel zijn omvang te beschrijven, wij zouden toch te veel achterwege laten, indien wij, handelende over het huisgezin, niet met een enkel woord dachten aan onze overige huisgenooten. In den kleinen kring van het huisgezin heeft ieder recht op onze bijzondere waardeering en belangstelling. Zij zijn immers memchen, onze gelijken. Is het wel geheel overbodig, dit met zooveel nadruk te zeggen ?

1) Quand on le perd, l\'ètre qu\'on aime,

Lo coeur retombe sur lui-mème,

Pour se reproeher tons ses torts;

Et l\'heure oü rien n\'est reparable Est pour nous l\'heure inexorable De la mémoire et des remords.

(Casimir Delavigne.)

-ocr page 140-

128

Worden alle nabestaanden, of onze dienstboden, altijd naar eisch ontzien en behandeld ? Zijn er werkelijk, ook onder de zich noemende Christenen, geen personen, die vergeten hoeveel plichten zij te vervullen hebben, vooral tegenover hunne onder-hoorigen ? Zeker deze laatsten zijn niet altijd even beschaafd, welwillend en vriendelijk, toegevend, vertrouwbaar en gedienstig; niet zooals wij ze wel wenschen zouden. Er ontbreekt soms veel aan, getuige de vele klachten, die wij soms moeten aanhooren. Maar deze klachten — gegrond of niet — ontslaan ons geenszins van den plicht der tnenschelijkheid. Neen, veeleer wijzen zij ons den door allen, door oud en jong, te volgen weg.

De dienstboden en onderhoorigen behooren zich bescheiden en fatsoenlijk te gedragen. Zij moeten weten waar zij behooren te staan en niet enkel om het loon, dat zij verdienen, maar omdat zij zich bewust zijn, dat dienen aller menschen en dus ook hunne taak is. Doch wij kunnen dit eerst dan verwachten, wanneer wij onze dienstboden behandelen, gelijk wij zelf behandeld wenschen te worden. Wij behooren steeds te bedenken, dat onze onderhoorigen, zoowel als wij, kinderen Gods zijn en niet minder dan wij! Dat ook zij hier op aarde zijn geplaatst als in eene school, waar hun geest gewekt, hun karakter geadeld moet worden. Daarbij vergete toch niemand, dat de levensomstandigheden voor hen vaak veel moeielijker zijn dan voor ons. Zij zijn in den regel stoffelijk en geestelijk minder bedeeld. Zij hebben meestal weinig geleerd, gezien, gehoord, gelezen. Doet dit ons eenerzijds vele hunner gebreken over het hoofd zien, als ruwheid, onhandigheid en onwil, anderzijds wekt dit ons medelijden en het ernstig verlangen om hun lot te verbeteren en hun dat te verschaffen, wat hun zoozeer ontbreekt. Welwillendheid en toegevendheid, zachtheid en vriendelijkheid blijken steeds den meest gezegenden invloed uit te oefenen. Een Christelijk gezin is voor allen zonder uitzondering een zegen, eene veilige, heilige plaats. Christelijke dienstboden kunnen zelfs in een huis, waar een allesbehalve heilige geest heerscht, vrede en licht aanbrengen. Hoeveel is het Christendom niet verplicht aan werklieden en slaven! (Felieitas en Perpetua, Blandina. Leerzaam is de fabel van Menenius Agrippa, 1 Cor. 12 ; 12—31. Eph. 6 : 5—9. Kol. 3 : 22, 4 ; 1.)

-ocr page 141-

129

Aanhangsel.

Misschien was, naar de meening van enkele aandachtige lezers, hier eene afdeeling over het mishandelen van dieren niet misplaatst of zelfs over het noodeloos verwoesten der schoone natuur. Wij hooren daarvan nu en dan erbarmelijke dingen. Lenige jaren geleden beproefde men in zekere kringen weder volksvermaken (?) in te voeren, die van weinig waarachtige beschaving en fijn gevoel getuigen (b. v. duivenschieten). Ook zijn er jongelieden, die in het baldadig schenden van bloemen en boomen genot (?) schijnen te vinden. Ook zijn er menschen in onze maatschappij, die als zij konden aan morgenrood en avondpurper hun goud zouden ontrooven om er »winst mede te kunnen doen.quot; Maar tot dezulken mag dit boekje niet gericht heeten. Hebben zij het al gelezen, maar tot deze bladzijde gekomen, niet het schandelijke, onedele en dus het onchristelijke van zulk eene handelwijze ingezien, dan geloof ik niet, dat eene opzettelijke en uitvoerige behandeling hen van hun onheiligen zin verlossen zal. Voor ons volsta de opmerking, dat alles, dieren en planten, de bezielde en onbezielde schepping, Gods iverk is! (Vgl. Levenslicht, No. 290, 311.)

Dieu seul a droit sur tout ce qui respire:

Quand on ne peut créer, il ne faut pas détruire.

9

-ocr page 142-

DEEL III.

DE ONTWIKKELING EN AANKWEEKING VAN HET GODSDIENSTIG LEVEN.

HOOFDSTUK X.

GEYAIIEX EN ZIEKTEN VAN HET GODSDIENSTIG LEVEN.

(Het godsdienstig leven — een redelijk geloof en zijne vrucht reine zedelijkheid — komt eerst langzamerhand tot vollen wasdom. Het is de vrucht, de zegen van eene gelijkmatige en volkomene ontwikkeling van alle menschelijke vermogens. Dat er daarom vele omstandigheden gelukkig moeten samentreffen, zal het in zijn wasdom niet worden tegengehouden, ligt voor de hand. Er zijn gevaren, die het bedreigen; er zijn ziekten, die het in zijn bloei belemmeren.) \')

1) „Zulk eene volkomene doorzichtigheid voor zichzelven en zulk een rijkdom van levenservaringen, als tot een alzijdig eigen geloof noodig zijn — misschien is er maar één in de wereld geweest, die het gehad heeft. Bij ons anderen is ook hierin nog veel gebrekkigs en onvolledigs, het meest omdat wij nog al te weinig meester zijn van onze zinnelijkheid, en omdat het vrije leven van onzen geest nog voortdurend belemmerd wordt door onze zelfzuchtige neigingen. Ook opvoeding, gewoonte, lievelingsdenkbeelden of inzichten, die ons tot eene tweede natuur geworden zijn — vooroordeelen, wier bestaan wij niet of nauwelijks bespeuren, dit alles verhindert ons, om de stem van onzen inwendigen mensch op de rechte wijze te beluisteren, of althans om haar nauwkeurig te onderscheiden van allerlei andere stemmen, die zich tegelijk met haar in ons doen hooren.quot; Hoekstra. Bronn. en grondsl. p. 370.

So selten ist es dass die Menschen finden,

Was ihnen auch bestimmt gewesen schien.

So selten, dass sie das erhalten, was

Auch einmal die beglückte Hand ergriff!

Es reisst sich los, was erst sich uns ergab,

Wir lassen los, was wir begierig fassten,»

Es giebt ein Glück, allein wir kennen \'s nicht;

Wir kennen \'s wohl, und wissen \'s nicht zu schiitzen.

(Goethe. Tasso.)

-ocr page 143-

131

56. Gevaren, die het godsdienstig leven bedreigen.

Wij belijden eerlijk — ook al laten wij de stelling niet varen, dat \'s menschen ziel godsdienstig (christinne) van nature is — dat er menschen zijn zonder geloof en zonder zedelijke kracht. Wij zouden blind moeten zijn, om dit niet te zien. Wat heeft dan de natuurlijke ontwikkeling van hun godsdienstig leven tegengehouden? Waardoor is de ingeschapen aanleg vernietigd?

Jn de eerste plaats noemen wij hier ruwheid, domheid, botheid. Waar het fijn gevoel ontbreekt, wordt het geloof gemist. (Hoofdstuk III, 12.) Daar kan het onmogelijk bloeien, maar zonder dit kan er evenmin sprake zijn van nauwgezette trouw aan het geweten, want het geweten zelf blijft inhoudloos. (Hoofdst. VI, 27.)

Wie voorts zijn roeping en kracht en adel niet bewust werd, zal evenmin godsdienstig leven bezitten. De kiem is er wel, maar deze zal versterven of slechts zeer gebrekkig ontwikkelen. Zeker, er is geen volk zoo woest of onbeschaafd, of althans de sporen van godsdienstig leven worden er aangetroffen, maar het zijn daarvan toch vaak niet veel meer dan de sporen. De behoefte, de drang, de dorst, de honger zijn er aanwezig, maar op bekrompen en geheel onvoldoende wijze worden zij bevredigd.

Even gevaarlijk voor geloof en zedelijkheid zijn vooroordeel en eigenwaan, onverschilligheid en •xelfgenoegxaamheid. Waar men, gelijk in sommige kringen door opvoeding wezenlijk het geval is, zijn vooroordeel tegen geloofs- en zedelijke begrippen niet kan laten varen, daar is het godsdienstig leven bekrompen.

Wie »zichzelf genoegquot; is (Hoofdst. IV, IS, VII, 28) en nooit kwam tot het besef zijner kleinheid en afhankelijkheid; wie de vraag; waarom, waartoe is het leven? nie\'t zonder ophouden voelde nijpen in zijne borst; wie nooit het raadsel des levens ontdekte noch er zich om bekommerde (Hoofdst. II, 5), zijner is nooit een opgewekt godsdienstig leven. Hij zal nooit weten, wat het leven is, en er ook nooit den vollen zegen van genieten.

Maar er zijn nog andere gevaren, waarop met meor ernst

-ocr page 144-

132

moet gewezen worden, omdat zij inderdaad even verderfelijk zijn, ais de reeds genoemde, maar door velen lichter worden geteld.

Waar de mensch al te eenzijdig wordt ontwikkeld, kwijnt even noodzakelijk het hooger leven weg.

Heeft de zinnelijkheid de overhand, geldt niet de meerderheid van den geestelijken boven den zinnelijken mensch, het is tot schade van het geheel. De zinnelijkheid vermoordt op den duur het teedere en echt menschelijke in ons en maakt onvatbaar voor die hoogere en reinere genietingen, die het geloof en de zedelijkheid ons schenken. Zij verdierlijkt en ont-adelt, als zij heerschappij voert, in stede van onderworpen te zijn.

Eenzijdige verstandsontwikkeling — vooral een gevolg van bloote natuurstudie of van de exacte wetenschappen in het nlgemeen — is voor het gemoedsleven en dus voor het godsdienstig leven zeer gevaarlijk. Waar weten in den bekrompen en platten zin des woords het doel des levens wordt, waar men de waardeering van de onzienlijke en ontastbare geestelijke goederen uitsluit, is het geloof geheel onmogelijk. Onze tijd is, helaas! droevig rijk aan voorbeelden daarvan, nu kennis en nog eens kennis overal het machtwoord is geworden. Hoevele menschen hebben daardoor schade geleden aan hunne ziel.

Zelfs kan eenzijdige ontwikkeling van onzen aesthetischen zin, hoe nauw ook met het gemoedsleven verwant, belemmerend werken. Als het schoone niet meer middel is, maar doel wordt, en in eene soort afgoderij — idolatrie — ontaardt, zal weder het hooger leven lijden.

Nog ernstiger gevaren bieden vaak de lotswisselingen, ziekte en armoede, dood van geliefde betrekkingen of aanhoudende tegenspoed. Zij kunnen een mensch ter nederdrnkken, den geest verlammen en zijne veerkracht wegrooven. Zeker, een redelijk en met bewustheid gekozen, een eigen rechtmatig veroverd geloof, zal ook dan nog standhouden (Jezus, Paulus, Huss, Luther, Schleiermacher), maar een zwak, mat en werktuigelijk geloof verkwijnt daarbij of komt tot stilstand en misvorming. Het is daarom goed, reeds van jongs af aan, de aandacht te vestigen op den ernst en de moeilijkheid, den strijd en de

-ocr page 145-

133

bezwaren des levens. Un homme averti en vaut deux. (Vgl. H. III, 12.)

57. Ziekten, die het godsdienstig leven belemmeren.

Na de gevaren wijzen wij elkander op de ziektetoestanden, waarin liet godsdienstig leven vaak verkeert.

Het godsdienstig leven verkeert in een kwijnenden en zieke-lijken toestand, wanneer het verward of vermengd wordt met zaken, die niet tot het wezen er van behooren.

Zoo wordt in onzen tijd nog veel te dikwijls kerkelijk leven gelijk gesteld met godsdienstig leven. Niets is gevaarlijker dan deze dwaliüg. Hoe licht toch ontaardt kerkelijk leven in letter-knechterij en formalisme. Er openbaart zich dan wel veel vertoon van kracht en veel godsdienstig misbaar — maar het is een karikatuur van den echten godsdienst. Het gaat met het kerkelijk leven als met wetenschap en kunst; wordt het doel iu stede van middel, dan leidt het ten verderve. Er wordt dweepzucht uit geboren en met haar wordt de kern ongezond. Het ascetisme, de werkheiligheid en het kloosterwezen (in de R. C. Kerk) evenals de leerheiligheid en letterdienst (van vele protestantsche kerkgenootschappen) zijn er de wrange vruchten van. Zeker, niets moet verder van ons zijn dan de meening, dat het van ontwikkeling zou getuigen met bijbel en kerkleer den spot te drijven of in het algemeen op kerkelijk leven laag neder te zien. Dit verraadt veeleer bekrompenheid.

Bijbel en kerkleer met gezonden zin beschouwd en naar waar-de geschat, bergen een zegen, ook nog voor de kinderen van dezen tijd.

Wie, den bijbel lezende met een open oog of kennis nemende van de godsdienstige beschouwingen van vroeger dagen, zal den moed bezitten, daarmede te spotten ? Het zijn immers de gedenkstukken, de monumenten van vroegere eeuwen, de uitdrukkingen — meer of minder gebrekkig misschien — van hetzelfde godsdienstig leven, dat zich ook nu nog bij ons openbaart. Eu al zijn nu de openbaringen daarvan bij ons ook ge-.heel anders, dat het toch openbaringen zijn van hetzelfde leven, bemoedigt en versterkt ons. Maar waar men ze overschat en

-ocr page 146-

134

bijbel of kerkleer met een goddelijk gezag bekleedt; waar men ze den denkenden en vrijgeboren menschelijken geest als banden aanlegt, of waar men gemakshalve — om het denken, het moeielijk zoeken en jagen naar een eigen geloof\' te ontgaan — zich voor hun gezag redeloos buigt, daar zijn zij een vloek. Daar leiden zij tot stilstand en teruggang, dat is tot den dood.

In eea ziekelijken toestand verkeert het godsdienstig geloof evenzeer, wanneer de menschen zich te zwak of te klein gevoelen en niet den moed bezitten om af te gaan op de stemmen uit het alleven der natuur of op de inspraken van hun eigen hart. Een geestig man hekelde dit terecht als «arme zondaars-gevoelquot;. Het is gebrek aan karakter, aan edelen moed en eerlijk vertrouwen op de almacht der hoogste Liefde.

Eindelijk zijn er velen in onze dagen die de koninklijke stelling van Paulus omkeeren: »niet dat ik het al gegrepen heb, maar ik jaag er naar; och of ik het grijpen mochtquot;. Zij blijven in hetgeen zij geleerd hebben. Hun geloof blijft op ééne hoogte. Het ontwikkelt zich niet verder. Velen meenen __geheel verkeerd — dat men het geloof, evenals zijne aardsche schatten, eerst kan opstapelen, om het dan steeds met zorg te bewaren en levenslang op zijne renten te teren.

Niet alzoo. lederen dag moet men als het ware zijn geloof opnieuw veroveren en altijd door herzien en zonder ophouden toepassen. (Met welke onzer geestelijke bezittingen is dit niet het geval ?) Wie dat nalaat, zal tot zijn schrik bemerken, dat zijn geloof op den duur versteende en aan waarde verloor. Het is aandoenlijk om te zien en pijnlijk tevens, hoevelen in de volle kracht des levens verloren hebben, wat zij in den opgang hunner dagen meenden te bezitten en voor goed te bezitten!

Vooral op het toepassen des\'geloofs, op de zedelijkheid komt het aan. Een geloof zonder werken is om meer dan eene reden dood, even goed als (zoogenaamde) goede werken zonder de wijding des geloofs onmogelijk zijn. (Jak. 1 : 22 vv., 2 : 14—24.) \')

1) „Zal de godsdienst niet over de hoofden heen, maar in de harten ingaan, zal hij niet een slaapdrank, maar een prikkel zijn voor onze tijdgenooten, dan moet hij grijpen, putten uit het hedendaagscho leven, dan moet hij zich vastknoopen aan wetenschap en kunst, aan huisgezin en samenleving, dan moet hij heel het sociale leven uit een hooger oogpunt bezien. P. H. Hugenholtz jr..

Vgl. Hoekstra. Bronn. en grondsl. p. 375, 876.

-ocr page 147-

135

Maar genoeg van de gevaren en ziekten, waaraan het godsdienstig leven bloot staat. Wij weten, zij zijn vele. Zij werken twijfel en ongeloof in de hand. Zij behooren gekend en met zorg vermeden te worden. Niemand telle ze gering. »Ziet toe en waaktquot; geldt ook hier. (Matth. 26 ; 36—46.) Niet zonder reden kwamen daarom de discipelen tot Jezus met hunne bede : »Heer, zet ons geloof bij 1quot; Een waarachtig, edel, rein geloof is slechts het deel van enkelen, van heldenzielen!

HOOFDSTUK XL

AANKWEEKING VAN HET GODSDIENSTIG LEVEN.

58. Huisgezin, Schooi en Catechisatie.

Het godsdienstig leven, zal het groeien en tot vollen, rijken wasdom komen, moet met zorg en liefde worden gekweekt. Dit moet en kan op meer dan eene wijze geschieden.

Een eenige kweekplaats is het huisgezin. De ouders zijn voor hunne kinderen de eenige apostelen des geloofs. Door niemand kunnen zij vervangen worden. Zij bereiden den akker des harten waarop later het zaad van den godsdienst welig zal tieren of droevig kwijnen. Hun woord en voorbeeld doet bijna alles af. Heerscht in het huisgezin een onchristelijke en ongodsdienstige geest, dan is het honderd tegen een, dat het kind een anderen geest in zich opneemt. Het mag bijna onmogelijk geacht worden, tenzij misschien in dit ééne geval, dat de huis-genooten zoo wanhopig en consequent ongeloovig en ongodsdienstig zijn, dat het godsdienstig leven, op rijper leeftijd door de kinderen bij anderen opgemerkt, hun zoo nieuw en daardoor zoo aantrekkelijk voorkomt en bovendien hun natuurlijk gevoel zoo rein en duidelijk spreekt, dat zij op dit gebied geheel hun eigen weg zoeken en ook vinden.

Zeer nauw sluit zich bij het huisgezin de school aan. De school moet opleiden tot alle maatschappelijke en christelyke

-ocr page 148-

136

deugden. Niet om de hoofden der kinderen te vullen met allerlei meer of minder belangrijke kennis, mag het in de school te doen zijn, maar evenals in het huisgezin moet alles er op zijn ingericht, dat den kinderen, behalve dat zij de, voor het leven noodige, kundigheden opdoen, de geest worde ontwikkeld, de wil ten goede gestaald, het karakter worde gevormd. En dit moet het doel zijn, opdat zij later in het leven geen vreemdelingen mogen zijn, maar in staat hun weg met eere te gaan. Maar zal de school dat vermogen, dan moet de ouderwijzer zelf in de eerste plaats een Christelijk, een echt godsdienstig man zijn.

Een onmisbaar element bij de ontwikkeling van een rein en opgewekt godsdienstig leven is het catechetisch onderwijs. Dit wordt al te veel verwaarloosd en veronachtzaamd. Nog is het op lange na niet, wat liet wezen moest of worden kan. Het godsdienstonderwijs moet aanvullen, wat huisgezin en school niet geven kunnen. Het is hierbij te doen om kennis van alle zaken, het godsdienstig leven betreffende. Het moet zich aan school en huisgezin zooveel mogelijk aansluiten.

Het godsdienstonderwijs zal voor onontwikkelden anders zijn dan voor meer ontwikkelden. Dit is een noodzakelijk kwaad. Maar dit verschil behoeft bij een goeden wil en bij beschikbaren tijd niet zóó groot te zijn, als velen (ouders en gemakzieke leerlingen) gelooven. Integendeel, in godsdienstzaken geldt meer dan ergens en bij iets anders: een goede wil, een helder oordeel en een warm hart. Daarop komt het meer aan, dan op meer dan gewone kennis en ontwikkeling.

Het godsdienstonderwijs moet strekken om het aankomend geslacht op de hoogte te brengen van het godsdienstig leven van onzen tijd. Het draagt een opvoedend, louterend en bezielend karakter. Vele malen bleef het godsdienstonderwijs onvruchtbaar, maar aan wien de schuld?

Hoe dikwijls en om welke kinderachtige redenen worden vaak de lessen verzuimd, het opgegeven werk wordt niet afgemaakt, en dan, één uur per week wordt beschikbaar gesteld! Hoeveel onverschilligheid en onwil bij vele ouders en kinderen, in plaats van hartelijke belangstelling, ijver en liefde! Kan de vrucht dan rijker zijn? »Maait men, waar niet werd gezaaid en

-ocr page 149-

137

oogst men waar niet werd uitgestrooid ?quot; »Leest men druiven van doornen en vygen van distelen ?quot; O! er behoefden zooveel dweepzucht en bijgeloof, zooveel twijfel en ongeloof niet te zijn. God weet het! Wilden de blinden zich slechts de oogen laten openen! \')

59. Aansluiting asn anderen. Kerkelijk en gemeentelijk leven, enz.

Aaneensluiting is op elk gebied noodig. Zij is eene natuurlijke behoefte. De mensch is een gemeenschapswezen. Geen ontwikkeling, geen vooruitgang, ook uiet in het godsdienstige, dan in gemeenschap met anderen. Op godsdienstig gebied geldt dit nog meer dan ergens anders Wij hadden reeds meer dan

1) Pour savoir quelque chose il faut Favoir appris.

Alles wat wij bezitten zullen, ook geestelijk, moet verworven, veroverd worden. ..De beste dingen verkoopen de goden slechts voor zweet en arbeidquot; (Vondel). Meent men zonder zorgvuldige leiding en ernstige studie op godsdienstig gebied tot bewustheid en zekerheid te zullen komen. — Tot hoevele ouders moet de vermaning gericht worden: „Gij kunt een ziel even goed als een plant verschrompelen door haar te onthouden, wat zij noodig heeft. Zulk eene ziel kan een tijdlang den naam hehhen dat zij leeft. Zij kan uitwending geen teeken vertoonen van machteloosheid. Doch hare deugd zelve heeft die bleeke kleur van eene bloem, welke is opgegroeid in \'t donker, of als kruid, dat nooit de zon heeft gezien en geen geur ons tegen ademt/\'

Qu\'est ce qu\'une grande vie, si non une pensee de la jeunesse exécutée par l\'age mür.

(Alfr. de Vigny.) \'s Kinds herte is als was, waarin gedwee en mild De meester prent en past, de letter, die hij wilt.

(Vondel.)

Vgl. A. Pierson. Richting en Leven, 20 dr. p. 150—155.

2) „Een geweten alleen voor zich, een moraal alleen voor zich, een godsdienst alleen voor zich I De natuur dezer dingen laat het privaatbezit daarvan niet toe.quot; (Joubert.)

..De mensch is gemeenschapswezen ; hij is hot te meer, naarmate hij meer mensch is. Het moge waar zijn, wat Mephisto zegt, dat Sich der Mensch, die kleine Narremvelf,

Gewöhnlich für ein Ganzes halt,

van dezen waan wordt men radikaal genezen, als men in allen ernst een grenslijn zoekt te trekken tusschen het individu als geestelijk wezen en de gemeenschap. Dan ziet men al spoedig in, dat het individu een even onafscheidelijk deel der gemeenschap is, als het lid van het lichaam; het is dit zoozeer, dat buiten dezen samenhang ook niet één enkel zijner geestvermogens tot ontwikkeling komen kan. Gij zijt een man van genie, echt

-ocr page 150-

eenmaal gelegenheid dit op te mcrkon. (Moofdst. I, 3, II, 7b, III, 13, IX, enz.)

JEén blik op de geschiedenis van het Christendom kan ons in onze overtuiging bevestigen. Van de eorsto belijders van het Christendom wordt ons verhaald, dat zij zich ton nauwste bij elkander aansloten en gedurig te zamen waren. (Hand. 2:42 — 47.) Even natuurlijk als dit was — immers zij waren door ééne droefheid en ééne liefde verbonden — zoo gezegend is dit voor het jeugdige Christendom geweest. Wat zou er van des Nazareners beginselen zijn geworden, hadden deze eerstelingen elk op zichzelven hun weg vervolgd ?

Overal waar zij hunne gezanten henen zonden en harten mochten winnen voor het evangelie, herhaalde zich hetzelfde verschijnsel steeds met even gezegend gevolg. De een sterkte den ander, steunde op den ander. De gemeente was het tehuis, waar men rust vond in den hevigen strijd. In den kring dier trouwe belijders ontstond het eerst de behoefte aan geschreven oorkonden omtrent hetgeen er met den Meester was geschied en door hem gesproken. Ons geheele N. T. is er de vrucht van geweest.

origineel! Ik guu u deze eer. als gij maar erkent, dat alles wat gij naaiden geest zijt en werkt, ook het meest geniale en origineele, resultaat is van uw leven met en onder do menschen. Ieder woord, dat gij spreekt, iedere gedachte die bij u opkomt, ieder apercu, dat gij als een gave uit den hemel begroet, iedere aandoening die u beweegt, ieder gevoel, dat u bezielt — het hangt af van oneindig vele voorwaarden, die buiten do gemeenschap

niet aanwezig, meestal niet eens mogelijk zijn. Wat het individu, wellicht met een zeker zelfbehagen, zijne eigeno idee, zijne vinding, eene schepping van zichzelven noemt, het is inderdaad slechts voor een mikroskopisch klein gedeelte het zijne; in substantie hoeft hij het alles ontvangen uit het medium, waarin hij leeft. Wat nu van hot geestesleven in al zijn omvang waar is, dat geldt in hooge mate van die zijde daarvan, waartoe de godsdienst (geloof en zedelijkheid) behoort, van het gemoed of het hart,quot; Prof, Hoekstra. — vgl, ook de Bussy, Eth. Idealisme p. 53.

Wie entzückend Und süss ist es, in einer schonen Seele Verherrlicht uns zu fühlen; es zu wissen.

Das uns\'re Freude fremde Wangen röthet,

Dass uns\'re Angst in fremden Busen zittert.

Das uns\'re Leiden fremde Augen wiissern.

(Schiller, don Carlos.)

-ocr page 151-

139

Tijdens en na de vervolging, al de eeuwen door, tot op de hervorming, is de kerk de bewaarplaats geweest van het Christendom. Zelfs in tijden van verbastering was zij nog onmisbaar. Na de hervorming deed zich hetzelfde verschijnsel voor. De gelijkgezinden sloten zich steeds bij elkander aan, ea door die aaneensluiting konden zij hunne bijzondere opvattingen en beleden beginselen voor vervloeiing bewaren en verder ontwikkelen.

Er zijn er, die het betreuren, dat het getal der kerkgenootschappen in onze dagen zoo groot is. Nu is het zeker waar, dat het verheffend wezen zou, alle menschen te kunnen vereenigen, als ééne kudde, tot één huisgezin! Maar bij de uiteen-loopende opvattingen, is dit in den eersten tijd eene onmogelijkheid en daarom ook niet wenschelijk.

Bovendien doen zich vooral in de grootere kerkgenootschappen verontrustende verschijnselen voor. Twist en tweedracht ontkerstenen er de zielen en onverschilligheid en onwil doen het overige. In kleinere kerkgenootschappen, waar minder verdeeldheid is en meer op alle leden moet kunnen worden gerekend en ook de eenvoudige krachten zich kunnen laten gelden, worden deze gevaren eerder vermeden. Er is bijna noodzakelijk meer belangstelling, meer liefde en daarom rijker zegen.

Dat er vele kerkgenootschappen zijn, brengt wellicht de vraag op de lippen; »Welk is het beste kerkgenootschap?quot; In het algemeen mag zeker het antwoord luiden; »dat is het beste kerkgenootschap, hetwelk aan zijne leden de meeste vrijheid laat en dit antwoord mag gelden voor alle kerkgenootschappen zonder onderscheid, onverschillig welke richting ook worde voorgestaan. Alle dwang is op den duur verderfelijk. In elk bijzonder geval zou men echter kunnen antwoorden: »dat is het beste kerkgenootschap, hetwelk het meest met uwe persoonlijke opvattingen en sympathiën overeenkomt.quot; Eene aansluiting aan een klein getal gelijkgezinden is verre te verkiezen boven een groot aantal met de meest uiteenloopende begrippen.

Een kerkgenootschap, eene gemeente, is gewis eene mensche-lijke vereeniging, als elke andere, maar toch door het schoone doel, dat wordt beoogd — de aankweeking van het ééne noodige, van het godsdienstig leven der menschheid — ontvangt

-ocr page 152-

140

zij eene wijding, die elke andere vereeniging mist. Lichtzinnige verandering van kerkgenootschap is mitsdien zeer te ontraden. Alleen zeer buitengewone omstandigheden kunnen deze handeling billijken.

Een kerkgenootschap behoort zooveel mogelijk alle geestelijke belangen der leden te behartigen. Ook de zorg voor de stoffelijke belangen der leden zij niet uitgesloten. Vooral eeue verstandige, liefderijke armenzorg ligt op den weg der christelijke gemeenten.

Behalve de kerkgenootschappen kunnen ook bijzondere ver-eenigingen veel goeds werken. Zij bewaren voor opgaan in de massa en hebben ongetwijfeld dit voordeel, dat zij de schaduwzijden van de verschillende kerkgenootschappen opheffen. Noemen wij hier als voorbeeld slechts den Nederlandschen Protestantenbond. Vele der beste krachten uit de verschillende kerkgenootschappen hebben zich hier vereenigd om te zamen te streven: xnaar de bevordering van de vrije ontwikkeling van het godsdienstig leven, zoo binnen den kring der kerkgenootschappen, als op ieder ander gebied.quot; Wat zulk eene vereeniging vermag, kan de geschiedenis der laatste jaren ons leeren. \')

60. Godsdienstoefeningen.

Wij moeten ons godsdienstig leven door oefening versterken. Van volle toepassing op het godsdienstig leven is het woord van den spreukendichter : »als er geen hout meer is, dan gaat het vuur uit.quot; :;Hebt gij iets geleerd, onderhoudt het,quot; die les hebben wij allen op onzen levensweg medegekregen, toen wij de school verlieten en het was eene ernstige waarschuwing, die wij niet dan tot onze schade konden vergeten.

Met den godsdienst is dit evenzeer het geval. Daarom is het goed, dat wij ook lang nog na onze leerjaren met godsdienstige zaken ons inlaten. Dit kan natuurlijk weder op velerlei

1) Eene vereeniging kan geen nut stichten, tenzij ieder barer leden, als kapitaal gevoel van eiyenwaarde aanbrenge, en geteld worde als een eijter en niet als een nul. Want anders is het geen vereeniging, dan is het slechts eene kudde met haren herder.

(Ernest Legouvé.)

-ocr page 153-

141

wijze geschieden. Door het lezeu van godsdienstige geschriften, door ernstige, wetenschappelijke en stichtelijke lectuur, door eene ernstige bespreking van onze godsdienstige belangen, door gemeenschappelijk gebed (H. VII, 35), vooral ook door het gezang enz. Onderlinge bijeenkomsten zijn zeer aan te raden.

Wij noemen hier in de eerste plaats huiselijke godsdienstoefeningen-, zij kunnen stichtend en opbouwend zijn in de hoogste mate, mits er in het huisgezin en bij alle daarbij aanwezigen stemmende en gepaste ernst bestaat. Het gezamenlijk lezen van een treffend bijbelvvoord of verhaal, van een kort stukje daarover aan den morgen of avond van iederen dag is eene goede gewoonte. Men overdrijve dit slechts niet en zij op zijne hoede voor sleurwerk. (Morgenlicht en Bijbelsch dagschrift.)

De openbare godsdienstoefening is nog steeds en zal altijd blijven uitmaken het meest strekkende middel ter opbouwing van ons Christelijk geloof. Er is moeielijk iets aandoenlijkers denkbaar dan eene schare van menschen, ouden en jongen, rijken en armen, uit alle standen en kringen, die te zamen zoeken het aangezicht van den Ongeziene.

Het is waar, wat daar van zekere zijde tegen ingebracht wordt — het valt niet te ontkennen, dat, hetgeen daar dikwijls wordt gesproken en in het midden gebracht, zich niet altijd kenmerkt door nieuwheid of hooge vlucht; dat het gezang vaak vrij kunsteloos is, dat de godsdienstoefeningen in vele opzichten zeer eenvoudig en zeer gebrekkig heeten mogen ; dat het volmaakte ook hier nog niet werd gegrepen — maar toch beweren wij vrijmoedig, dat »dat handenvouwen, dat knieënbuigen, dat godsdienstplegen met elkaêrquot; (Tollens) nooit nalaat ons goed te doen. Het heft ons op uit de alledaagsche sleur, ja, terecht werd eenmaal gezegd: »zoo nu en dan is het, of het stof der aarde van de wieken des ffeestes wordt afsreschud,quot; Soms is

O O

het of bij een gelukkig gekozen woord of eene nieuwe en rijke gedachte, God en de hemel ons nader komen. Dat opgaan naar één gebouw; dat aanhoudend verkeer in eenzelfden kring; dat gezamenlijk en met vereende krachten zich wijden, zoeken en trachten naar hetzelfde doel; het brengt toenadering tus-

\'O o

schen menschen en menschen; het wekt onderlinge liefde en

-ocr page 154-

142

daarin zien wij een afschijnsel van de hoogste Liefde, van God zelf — van God, Wiens adem alles bezielt; Wiens trouwe en teedere zorg alles en allen omvat. Zoo voor ons zelf, voor elkander, als voor de wereld mag dit zoeken naar en getuigen van wat wij het hoogste en beste weten, onmisbaar en een zegen heeten.

Daarom roepen wij u toe met allen ernst en aandrang, die daar in ons is: »Wilt nu en ook op rijperen leeftijd de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten!quot; (Hebr. 10 ; 25, Ps. 84.) Vgl. Levenslicht. 269—272.

Vormen en plechtigheden.

Het godsdienstig leven kan van abstracties — van afgetrokken denkbeelden — niet leven. lu de middeleeuwen (en nog wel) trokken de Christenen in grooten getale ter bedevaart naar het Heilige land en er was zeker veel overdrijving in dat reizen naar Jeruzalem en andere door de bijbelsche of kerkelijke geschiedenis gewijde plaatsen, maar toch er was iets menschelijks in ook. Op diezelfde plaatsen te wezen, waar eens de Meester rondwandelde of waar eens zijne levende woorden klonken; rondte dwalen in die eenzame oorden, waar de echo eenmaal zijne beden en verzuchtingen herhaalde, er moet iets onbeschrijfelijk verheffends in liggen. Als wij weer het huis betreden, waar wij met onze ouders onze eerste levensjaren doorbrachten, dan is bijna ieder plekje ons lief en vol schoone herinneringen. Ontroerd wordt ons hart binnen in ons, maar zoo gaat het den pelgrim aan die gewijde plaatsen. Dat is een echt natuurlijk gevoel.

\'s Menschen ziele wil iets tastbaars, ie ts zinnelijks, iets, dat zie voelen en grijpen laat. Uit dit gevoel zijn verschillende vormen geboren en plechtigheden ontstaan. Bij de Christenen, en met name bij de Protestanten, zijn er twee vormen, die algemeen bewaard bleven, nl. Doop en Avondmaal.

De doop is zoo oud als het Christendom, eigenlijk nog ouder; immers reeds Johannes doopte. Bij alle Christenen is de opvatting van den doop niet dezelfde. De meesten passen dien slechts op kleine kinderen toe; anderen bij volwassenen alleen.

De doop van volwassenen is zeker de meest Christelijke. Im

-ocr page 155-

143

mers wij lezen in het N. T. nergens van den kinderdoop. Eerst in veel lateren tijd, toen men aan den doop allerlei dogmatische bespiegelingen vastknoopte, kon de kinderdoop ingang vinden, (ïen tijde van ïertullianus en Cyprianus.) De kinderdoop is nu slechts een opdracht van het kind aan God en aan de gemeente en tevens eene plechtigheid, die meer de ouders dan do kinderen geldt. Deze laatsten toch zijn hier geheel lijdelijk.

De doop van volwassenen daarentegen is een zinnebeeld van de reinigende kracht, die het Christendom uitoefent, en eene zeer sprekende voorstelling van deze waarheid, dat het rein en redelijk geloof zich moet uitspreken in een rein, zedelijk leven. Gelijk het water het lichaam reinigt zoo loutert het Evangelie het leven. Indien niet, dan is ons geloof een ijdel gebazel, een woorden- en klankenspel, dat nergens toe nut is.

Den doop geheel af te schaffen naar sommiger wensch, is niet raadzaam. De vorm immers is niet stuitend en de gedachte, waarvan hij de drager is, is edel. Voorts is de doop eerwaardig, omdat hij door de eeuwen gewijd is, en ook Jezus dien eenmaal wenschte te oudergaan. (Matth. 3 : \'13—\'17.)

Het avondmaal, dat evenals de doop tot op onzen tijd werd gehandhaafd (zij het ook in geheel van het oorspronkelijke afwijkenden vorm), is eveneens eene schoone plechtigheid. Het is het antwoord van de Christenheid op de echt menschelijke bede, door Jezus in eene moeielijke ure geslaakt: „doet dit ter mijner gedachtenisquot;. (Matth. 26 ; 26, 1 Cor. 11 : 23, 24.) Het avondmaal is eene verzinnelijking van de belijdenis „eer wij u vergeten, vergete de rechterhand zichzelvequot;.

Meer nog dan tegen den doop worden er tegen het avondmaal en de wijze, waarop het wordt gevierd, bezwaren ingebracht. De meeste zijn eene ernstige bespreking en weerlegging niet waard. Toch is de tegenwoordige vorm — het behoort volmondig te worden toegestemd — zeer gebrekkig en bekrompen. Maar om de gedachte, die er aan ten grondslag ligt, de zegening van de nagedachtenis van Jezus, streve men liever naar wijziging in de viering, dan uaar afschaffing van deze plechtigheid.

Met een enkel woord spreken wij nog over belijdenis en aan-neming bij eene of andere Christelijke gezindte. Het is goed, dat de jonge \'nensch de scheiding van zijne kindsheid viere,

-ocr page 156-

144

op eene wijze, als dit bij de meeste kerkgenootschappen gebruikelijk is. De belijdenis, de toetreding tot een kerkgenootschap, vergezeld van een klaar en duidelijk uitspreken van de beginselen, die ons in het leven behooren te leiden, is een edele daad en gezegend in hare gevolgen. Geschiedt dit belijdenis afleggen schriftelijk dan is het dubbel goed. Dat de gemeente van de toetreding der nieuwelingen een feestdag maakt, is om meer dan ééne reden verklaarbaar. Voor de nieuwelingen, zoowel als voor de oudere leden is het een ernstig en plechtig oogenblik. De eerste zijn bereid rekenschap te geven „van de hoop, die er in ons isquot;. Zij leggen openlijk de belofte van trouw af aan de edelste beginselen en de anderen hernieuwen haar in stilte. Het is treffend en stichtend in de hoogste mate, een schouwspel menschen en engelen waardig. Het is een van die uren in het leven, die de ernstige mensch nooit vergeet.

Voorts is iedere plechtigheid en vorm goed, die op edele wijze eene schoone gedachte vertolkt.

Het plechtig vieren der Christelijke hoogfeesten en van gewichtige levensdagen, van Kerstmis, goeden Vrijdag, Paschen, Pinksteren en den Hervormingsdag, van Oud- en Nieuwjaar, enz. kan er veel toe bijdragen, dat het godsdienstig leven wordt gewekt en versterkt.

62. Beoefening van Wetenschap en Kunst. Beschaving enz.

Over wetenschap en kunst hebben wij reeds vroeger — zij het ook slechts zeer terloops — gehandeld. (Inl. en H. III, 17.)

De ivetenschap is eene bron van onnoemelijk vele zegeningen, van zoovele, dat wij zelfs geen poging zullen wagen, dit door eene schrale opsomming in het licht te stellen. De wetenschap staat niet vijandig tegenover het godsdienstig leven. Wel kan eene eenzijdige beoefening het teedere gemoedsleven belemmeren en onderdrukken, maar dit is niet noodzakelijk. \')

Behalve dat de wetenschap ons de geheimen van de zienlijke en onzienlijke dingen openbaart en ons de oogen opent voor de

1) Dein wissen Freund — ich staune d\'rüber —

Doch was du nicht weist, ist mir nocli lieber.

(Schiller.)

Bij het zoeken naar waarheid moet de poëzie niet verloren gaan.

-ocr page 157-

145

treffende wonderen des heelals, leert zij ons ook ons zeiven kennen. Onze blik wordt door haar verruimd, onze geest verhelderd ; onze talenten worden er door ontwikkeld, onze vermogens openbaar. Dit maakt ons meer, dan iets anders tot menschen. Ons zelfvertrouwen wordt er door gewekt, onze hooge afkomst spreekt er uit.

Niet minder is de invloed der schoone kunsten. Zij oefenen een veredelenden invloed uit. Hare schoonste scheppingen verheffen en bezielen, en wekken reine en grootsche gedachten. Zij openen de oogen voor het verheffend schoon der rijke en wondervolle natuur, der heerlijke schepping Gods. Zij bannen ruwheid en botheid uit, kweeken beschaving en fijn gevoel en maken ons zoo vatbaar voor de aanblazingen des Heiligen geestes. De dienst van het schoone is de dienst van het goede, de dienst van het goede is de dienst van God !

Dit kan niet gezegd worden zonder eenig voorbehoud.

„Wie godsdienst heeft, hij kan desnoods èn kunst èn wetenschap ontberen. Wie godsdienst niet bezit, wat baat hem wetenschap en kunst?quot;

(Prof. Loman.)

»Men moet aan het schoone den stevigen steun van de waarheid en den ernst geven, en den ernst der waarheid omstralen niet den glans der schoonheid.quot; (G. Renaud.)

Niet altijd werkt de kunst zegenend, maar dit is de schuld van sommige harer dienaren, die het onedele vaak verbergen onder schoone vormen. Dan is de kunst zeer gevaarlijk, een booze geest, die zich kleedt in het gewaad van een engel des lichts, te gevaarlijker, omdat zij bekorend is en daardoor groo-ten invloed oefent. \')

Wat wij opmerkten van wetenschap en kunst geldt van de

1) Waarheid, schoonheid, vrijheid, zijn begrippen die volmaakt in elkander opgaan. Kunst en geloof zijn één, omdat zij de hoogste uiting der persoon-Iijkheid vertegenwoordigen.

(Newman.)

Rien n\'est beau que le vrai et le vrai seul est aimable.

(Boileau.)

Le beau est le splendeur du vrai.

(Fontenelle.)

Le beau est ce qui plait au pafricien honnête homme.

(Joseph de Maistre.)

10

-ocr page 158-

146

beschaving in het algemeen. Is zij eene openbaring van een zeer fijn ontwikkeld, geestelijk leven, dan is zij boven allen lof verheven. Is zij slechts een sierlijk kleed, dat naar willekeur wordt aangetrokken of afgelegd — het volgen dus van de bestaande zeden of gewoonten, zonder meer — dan ja, dan zal zij wel veel stuitends kunnen bedekken, maar in den grond der zaak is zij de ondergang van alle hooger leven.

Hetzelfde zouden wij kunnen opmerken van het lexen van boeken \') of van het gezellig verkeer \'2) met onze medemenschen. Het hangt geheel af van den geest, die deze bezielt, of zij voor het godsdienstig leven nuttig of wel schadelijk zijn.

Alles samenvattende komen wij tot deze slotsom : al wat goed, rein, echt menschelijk is in den verheven zin des woords, onverschillig wat het moge zijn, het godsdienstig leven kan er door worden gewekt, onderhouden, versterkt, ontwikkeld. Wat rein is, kan nooit leiden tot iets onreins. Een goede boom brengt

1) II y a une sorte de critique, qui ne se pique point d\'etre uil genre. L\'art de lire les bons livres serait son vrai nom.

(Nisard.)

2) Niet van alles lezen en ten allen tijde, maar evenmin kan men met ieder over alles spreken, en met ieder zonder onderscheid omgaan.

Op een der gevaarlijke punten der tegemvoordige conversatie legt Fran-cisque Sarcey den vinger, als hij zegt: ,.La blague is eene zekere lust, bijzonder eigen aan de Parijzenaars van onze generatie (juist aan deze alleen?) om al wat de brave lui eeren en liefhebben te verkleinen, te bespotten, belachelijk te maken; — maar die spot heeft dit eigenaardige dat hij, die er zich aan overgeeft, het meer uit gekheid, uit lust tot paradoxen doet, dan uit overtuiging. Hij scheert den gek met zijne eigene spotternij: il blague ... II blague la patrie et au besoin il mourrait pour elle; — il blague l\'amour filial et pleure, grand on lui parle de sa vieille mere. II blague les beautés de l\'Italie et se mettrait h genoux devant un Raphael. Er is in de blague eene zekere zeer gewettigde minachting voor al wat slaafsche, con-ventioneele bewondering is, voor zekere vaste frazen, welke de een den anderen napraat; en aan die minachting paart zich het genot om die opgeblazen ballons te doen bersten en het verheven gevoel van geen dupe te zijn. Dat !s de goede zijde van de blague. Maar zij heeft ook een kwaden kant. De blague gewent den geest, zich geen rekenschap meer te geven van hetgeen waar en hetgeen valsch is, en overal stof tot spotternij te zoeken. Het is dan een bijtend zuur, dat oplost al wat het aanraakt en het gebeurt niet zelden, dat de blagueur van professie, in zijne eigene strikken gevangen, niet langer het goede van het kwade, het rechtvaardige van het onrechtvaardige weet te onderscheiden.quot; — (Zie de Gids Nov. 1SS5 p. 249.) Dit is zoo ernstig en waar, dat het de moeite waard is, \'t hier in zijn geheel mede te deelen.

-ocr page 159-

147

goerle vrachten voort, tenzij de bodem, waarop hij staat, worde vergiftigd en bedorven. Licht brengt licht voort, vuur steekt vuur aau, liefde wekt liefde, — wat goed is leidt tot iets goeds, wat uit God is, voert tot God! In het kort: kweekt het men-schelljke in den mensch en het andere volgt van zelf. ^God openbaart zich dengenen, die hem lief hebben.quot;(Lei;e«sZ/c/^ 76,319.)

63. Inwendige en uitwendige zending.

De aard van het godsdienstig (van alle geestelijk) leven brengt mede, dat zij, die er zich door bezield, gelukkig en sterk gevoelen, streven naar opwekking er van ook bij anderen. Wie een groot kunstgenot smaakt of eene nieuwe waarheid heeft ontdekt, gevoelt behoefte om wat in hem leeft aan anderen mede te deelen. »Waar het edele genietingen betreft, doet zich altijd drang naar uitbreiding gelden, welke steeds gereed is de enge grenzen der enkele persoonlijkheid te overschrijden.quot; Wie die zelf 7\'ijk is, kan aanzien, dat anderen gebrek lijden ? Wie die mensch is, zal niet trachten de ellende op te heffen, de smart en kommer te lenigen? Jïln welke armoede drukt zwaarder dan gebrek aan geloof? \')

In den stoffelijken en geestelijken nood onzer medemenschen hulp te bieden en dat op edele wijze te doen, is dure plicht. De laatste toevoeging is geenszins overbodig. Er is eene philan-thropie, die kwetst en pijn doet, omdat zij het fijn gevoel be-leedigt en uitdooft, die meer kwaad dan goed doet. Daarentegen goedbegrepen liefdadigheid verschaft niet alleen geluk aan hen, die beweldadigd worden, maar ook aan hen, die de weldaad bewijzen. Daarom waren de besten en edelsten met ontferming bewogen over de nooden hunner medemenschen. Dat drong de profeten om iu naam des Heeren op te roepen tot bekeering. Daarom offerden zij hun rust en geluk vrijwillig op om die van anderen te bevorderen. 2 Cor. 9 : 7.

Dat deed Jezus te Nazareth, in Galilea, te Jeruzalem zich stellen tegenover eene geheele wereld. Hij was daarom bereid in den vollen bloei des levens te sterven. De apostelen (Paulus

1) Vgl. do Gids Maart 1887 p. 4(U.

-ocr page 160-

148

vooral) doorreisden daarom stad en land. Te Antiochië, te Athene, te Corinthe, te Rome, overal plantten zij het Evangelie des kruises, opdat de geheele wereld zichzelf bewust mocht worden en zich zalig gevoelen. Dat wekte in de borst van honderden de zucht om op te treden als de weldoeners van ons geslacht.

Wij spreken tegenwoordig van inwendige en uitwendige zending.

Bij inwendige zending hebben wij op het oog, eerstens de bevordering van wat leiden kau tot opheffing van alle maatschappelijke nooden, dus tot opheffing van alles, wat eene gezonde ontwikkeling van het godsdienstig leven zou kunnen tegenhouden, van armoede en ellende, zoo stoffelijk als geestelijk, en voorts de bevordering van alles wat die ontwikkeling in de hand werkt, maar onder de Christelijke volken en in onzen eigen omniddellijken kring vooral.

Bij uitwendige zending denken wij aan den duren plicht, om het Christendom met zijne zegeningen over te planten in de heidenwereld, opdat het ideaal van Jezus vervuld moge worden. Niemand, indien hij prijs stelt op den Christelijken naam, mag zich aan deze eervolle taak onttrekken.

Het was reeds het bevel van Jezus aan zijne discipelen en hunne trouw daaraan is geweest het middel tot behoud van millioenen.

64. Besluit.

Slechts in zeer korte trekken hebben wij getracht het godsdienstig leven te schetsen. Zijn grond het geloof, zijne vrucht reine zedelijkheid, zijne ontwikkeling, aankweeking en venbrei-ding, hebben wij achtereenvolgens beschouwd, en op wat ons het meest belangrijk scheen, hebben wij den uadruk gelegd. Wat wij er van opmerkten was zeker voldoende om de overtuiging te verlevendigen, dat het godsdienstig leven niet schaamrood behoeft weg te vluchten uit de tegenwoordige wereld \').

1) Superstitie ignorantiam, religio autem sapientia pro fvmdamento habet. (Spinoza Ep. 21.)

„Het is hartverheffend aan te nemen, dat eene heilige macht de wereld regeert, dat de mensch dus eene grootsche bestemming heeft, dat eene zon

-ocr page 161-

] 49

Neen, het mag zieli ook nu nog vrij cn fier vertoonen. Wel is het waard, dat wij het najagen en trachten te grijpen, met al den ernst die in ons is. Deze opwekking, bijna aan het slot onzer beschouwingen, is hier niet misplaatst. Wie toch kan zeggen, dat hij het aireede heeft gegrepen, dat hij het in al zijne volheid bezit ? Zij het ons slechts eere genoeg er naar te streven! (»11 faut aimer les choses divines pour pouvoir les connaitre.quot; Pascal.)

Behoefte aan verlossing, aan verzoening, aan volmaking, aan heiliging en reiniging moet bij ons aanwezig zijn. Droefheid naar God (2 Cor. 7 : 10), dorst naar\' God (Ps. 42), berouw over zooveel, wat ons nog terughield van het ideaal op godsdienstig gebied — God alles in allen! moet er wonen in ons hart. Dan zuilen wij den lust, de kracht en den moed garen om ons te veranderen (/e hel;eer en), dan kan een nieuw, beter leven hier aanvangen. (Wedergeboorte.)

Een nieuw, beier leven! Wij zeggen er niet te veel van wanneer wij getuigen, dat het het hoogste goed der menschheid is en het »ééne noodigequot; heeten mag. Het verzoent ons met het leven. Het geeft een vasten grond onder de voeten en een heerlijk doel in het oog. Een vasten grond — God! Een heer-

van hemelsche gerechtigheid ons pad bestraalt. Maar in de laatste twintig jaar is dat geloöf voor duizenden verloren gegaan.

Blinde noodzakelijkheid is nu volgens hen het hart der wereld; zij gevoelen zich verloren te midden van de oneindige ruimte en don oneindigen tijd. Wezens van één dag, koesteren zij eene geheime minachting voor het menschelijk lot. Onbeteekenend in eigen oogen, achten zij zich]niet geroepen naar eene kroon van heiligheid te dingen. Zij begrijpen niet, dat zij iets aan zichzelven verschuldigd zouden zijn. Zij begrijpen evenmin, dat zij ernstige verplichtingen zouden te vervullen hebben tegenover de nietige schijn-selen, waardoor zij zich omgeven zien. Zoo dreigt met het godsdienstig geloof tevens de zedeleer te verdwijnen, welke daarin is geworteld . .. Maar dit moffen wij als eene voovhijgaande crisis heschouwen......Zoolang de terugblik op een welbesteed leven rust zal geven aan het menschelijk gemoed; zoolang het een grievend gevoel zal zijn de achting der edelsten verbeurd te hebben; zoolang het een niet minder pijnlijk bewustzijn zal wezen hooger gesteld te worden dan men verdient; — zoolang ouders het zichzelf verwijten zullen, wanneer zij de opvoeding hunner kinderen in eenig opzicht verwaarloosd hebben; zoolang deze en dergelijke feiten de dagelijksche ondervinding zullen zijn, zoolang is het onzin de werkzaamheid van het plichtsbesef te loochenen ; zoolang zal men eerlijk in God gelooven.quot; (Prof. v. d. quot;Wijck Gids. 1885, Juli, p. 4(5 et passim.)

-ocr page 162-

150

lijk doel — aller geluk, Gods welbehagen, eeuwiye zaligheid.r »Wat wierd er van ons leven, indien het niet gedragen werd door het meesttijds onbewust, maar daarom toch niet ontbrekend vertrouwen op eene alles omvattende Trouw, zonder hetwelk waarheidsliefde eene begoocheling, levenslust niets dan bedwelming en geestdrift eene tijdelijke krankzinnigheid zou zijn ?quot; Ph. R. Hugenholtz.

Zonder godsdienst zou het leven een doelloos lijden, zwerven, smachten zijn; een eindeloos dorsten naar een onbereikbaar geluk — »een eeuwig verbloeden.quot; Met godsdienst is het leven de hoogste zegening, de schoonste en edelste gave, de weg tot onbeschrijfelijk heil. Levenslicht 43.

Och, dat wij dan ons geloof mogen bewaren en steeds versterken, opdat ons leven zij Gode welgevallig, rijk eu vruchtbaar voor ons zeiven en voor de menschheid. Kweeken wij het godsdienstig leven aan met nauwgezette en teedere zorg!

Zij en blijve het onze leuze:

..Zij zullen het niet hebben,

Ons GocTlijk Christendom I Het is in ied\'re stonde

Steeds onze hoogste roem !

31et al hun schoone woorden,

Met al hun stout geschreeuw, —

Zij zullen het niet hebben.

De goden dezer eeuw!\',

-ocr page 163-

V E A Gr E IST.

INLEIDING.

Welk is het belangrijkst verschijnsel op geestelijk gebied ? Hoe oud is de godsdienst en hoe is deze ontstaan ? Hoe heeft de godsdienst zich ontwikkeld ? Onder wier invloed heeft die ontwikkeling plaats gehad? Wat zijn wereldgodsdiensten? Is de godsdienst een algemeen verschijnsel en wat bewijst dit ? Is een duidelijk begrip van den godsdienst noodzakelijk voor allen, voor geloovigen zoowel als voor ongeloovigen ?

Tot welke wetenschappen behoort de godsdienstwetenschap? Welke is de taak der wijsbegeerte ?

Hoe wordt de godsdienstwetenschap verdeeld ? Hoe de godsdienstleer ?

HOOFDSTUK I.

1. Waarvoor moeten wij ons hoeden als wij van de natuur spreken ? Wat ontwaren wij, als wij in de schepping rondom ons zien ? Wat is daarom voor onze kennis noodzakelijk ? Welke verdeelingen zijn er alzoo? Welke kunnen wij hier bezigen en waarom ? Waarom houden wij ons bezig met de psychische wereld of de wereld des geestes ?

2. Hoe komen wij tot kennis ? Hoe tot zelfkennis, tot kennis van ons zieleleven? Waarom noemen wij den mensch het hoogst bevoorrecht wezen ?

Hoe hebben de verschijnselen in de »natuurquot; plaats ? Merken wij bij planten en dieren niet iets hoogers op ? Is er in plantenen dierenwereld »ontwikkelingquot; op te merken ? In het men-schelijke dan wel?

-ocr page 164-

152

Wat moeten wij van \'s mensohen lichaam getuigen ? Waardoor staat de menscli echter het hoogst ? Hoe openbaart zich \'s menschen geest? Wat doet de mensch als redelijk wezen? Hoe blijkt \'s menschen voortreffelijkheid uit zijne vele bijzondere behoeften ? Is de mensch voldaan, wanneer al zijne zinnelijke behoeften bevredigd zijn ?

Wat bedoelen wij met zedelijken drang ? Wat bedoelen wij met gevoel en gemoed ? Wat met zelfbewustheid ?

3. Leeft de mensch alleen en op zichzelven ? Leven ook dieren niet in gemeenschap met elkander? Waarom hebben de menschen de gemeenschap aanvaard ? Is zonder maatschappij ontwikkeling en vooruitgang mogelijk ?, Zouden buiten de gemeenschap de begrippen van recht en plicht zijn ontstaan ? Zou het gemoedsleven zich daarbuiten hebben ontwikkeld ? Zou er sprake zijn geweest van roeping, aanleg, karakter, heroïsme ? Heeft de gemeenschap ook schaduwzijden ? Wie wees daarop vooral ? Wat oordeelen wij toch van het leven in de maatschappij ? Wie heeft daarop reeds vroeger welsprekend gewezen ?

4. Hoe werd de mensch zichzelf bewust ? Hoe openbaart zich \'s menschen wezen ? Waartoe behoort de mensch naar het lichaam ? Waartoe naar den geest ? Doet de meusch zich als eene twee-eenheid aan ons voor ? Zijn lichaam en geest dan hetzelfde? Wat is het lichaam van den geest? Stemmen allen dit toe ? Wordt de meerderheid des geestes door iemand consequent ontkend? Zou dat ook wel mogelijk zijn ? Waaruit blijkt de meerderheid des geestes ?

Hoe kunnen wij ondanks zijne eenheid den geestelijken mensch toch ontleden ?

Welk vermogen noemen wij het verstand\'? Wat bedoelen wij met den zin voor het schoone ? Wat met godsdienstig en zedelijk gevoel ?

Waartoe stellen deze vermogens den mensch in staat ? Komt bij alle menschen elk dezer vermogens evenzeer tot zijn recht?

-ocr page 165-

153

HOOFDSTUK 11.

5. Wat zou men willen getuigen van den mensch en het menschelijke, gedachtig aan de grootheid en verhevenheid daarvan? En oordeelt de mensch ook alzoo ? Waarvan hangt ons antwoord af op de vraag: Wat is het leven? Op welke drie zeer uiteenloopende opvattingen vestigen wij de aandacht ? Wat leert ons reeds dit verschil ?

0. Hoe oordeelt het optimisme over het leven? Wat zegt het van de moeiten en raadselen ? Wat van de ziekten en kwalen ? Wat van misdeelden en ongelukkigen ? Wat vergt het van ons ? Hoe over het optimisme te oordeelen, wie kan er o. i. slechts vrede mede hebben ?

7. Wat leert het .pessimisme ? Wat zegt het van\'s menschen deugd, vreugd, geluk en grootheid ? Waarop beroepen de pessimisten zich, om de waarheid hunner levensbeschoimmuj te staven ? Wat is ons oordeel over het pessimisme als zoodanig ?

8. Welke is de betrekkelijke waarheid van het pessimisme en waarom heeft het eerder onze sympathie dan het optimisme ? Welke mensch wordt door het lijden en de raadselen des levens het pijnlijkst getroffen? Is de inrichting der natuur met hare, wel wijze, maar onverzettelijke wetten voor den edelen liefhebbenden mensch smartelijk? Welke rampen en smarten zijn het gevolg der gemeenschap ? Ligt er ook in ons eigen geestelijk en zedelijk bestaan, wat de vreugde des levens wegneemt ?

Zou het verstandig mogen heeten over deraadselen des levens niet te denken ? Waarom niet ? Wat zou meer dan verschrikkelijk zijn ?

9. Wat wil het Geloofd Hoe oordeelt het over goed en kwaad, over lief en leed ? Waarmede laat zich het leven dan vergelijken? (Matth. 25 : 14—30. Luc. 19 : 12—17.) Wat is ons leven — hoe droevig schijnbaar ook — van het groot geheel der schepping ? Welke is de grondwet van \'t heelal ? Op welken grond leert het geloof dat ? Hoe voorloopig reeds over het geloof te oordeelen ?

-ocr page 166-

154

cgt;ï\'

HOOFDSTUK III.

10. Waarop komt het geloof in het kort neder ? Wat is bepaald noodig zal het geloof het onze worden ? Is de verzekerdheid des gemoeds alleen daartoe voldoende? Waarom niet? Wat moeten wij vooral bedenken, als wij het geloof willen rechtvaardigen ? Hoe worden geloof en wetenschap vaak tegenover elkander gesteld? Doet men daaraan wel? Wat is weten en wetenschap ? Wat gelooven en geloof ? Waarop komen geloof en wetenschap dan ten slotte beide te rusten ? Heeft het geloof ook belang bij kennis ? Wat zijn geloofs-voorsteliingen ? Wat zoudt gij deuken van een volstrekt onge-loovige ?

11. Waarop moet ons geloof rusten, waardoor zich laten rechtvaardigen ? Wat is dan echter onzerzijds noodig en wat volgt daaruit? Wie mag dan de geloovige mensch bij uitnemendheid heeten ? Wat getuigt echter het krachtigst voor die ongeziene, hoogere wereldorde, die het geloof veronderstelt ? Wat moeten wij daarom \'t ernstigst bij ons zeiven aankweeken en onderhouden ?

12. Kan het geloof ons gegeven worden ? Kan onze geestelijke mensch wel iets op gezag alleen aannemen ? Welke oorzaken werken het ongeloof in de hand, en belemmeren de vorming eener vaste overtuiging ? Is veler en eigen twijfel en kleingeloof dan wel onverklaarbaar? Waarvan is een onvervaard geloof ten slotte een bewijs ?

13. Kunnen wy in zake ons geloof in het geheel geen steun van anderen ontvangen? Van wie hebben wij leiding noodig? Hoe oordeelde Carlyle over helden en heldendom ? Hoe Pierson ? Geldt dit ook op godsdienstig en zedelijk gebied ? Hoe bevestigt zich dat in de geschiedenis van zelfs den grootsten mensch ?

14. Heeft de bijbel nog waarde voor ons geloofsleven ? Buigen wij voor het gezag der letter? Zouden wij zonder kennis van den bijbel eene zoo juiste voorstelling van het ontstaan

-ocr page 167-

155

en de ontwikkeling van den godsdienst hebben gehad ? Wat, leert ook de Bijbel, is allereerst noodig voor een krachtig geloof? Kan de bijbel ook nog om andere redenen een schoon en edel boek heeten?

15. Aan wien zijn wij voor ons geloof het meest verplicht? Welke eerenamen worden Jezus gegeven en hoe daarover te oordeelen ? Hoe kwamen de vroegste Christenen er toe Jezus te «vergoddelijkenquot;? Waarom houden wij hem voor een mensch? Welke is zijne onsterfelijke verdienste ? Welke beteekenis heeft zijn leven en sterven? Wat wekt hij in onze borst? Hoe is Jezus geworden, die hij was ? Kunnen wij zijne verschijning geheel verklaren ? Waarom niet ?

16. In hoeverre getuigt het Christendom voor de waarheid vau ons geloof? Wat bedoelen wij hier met het woord Christendom ? Welke zegeningen heeft het Christendom de wereld gebracht? Is het Christendom zuiver bewaard gebleven? Waarom niet ? Welke joodsche en heidensche dwalingen slopen de Christelijke kerk binnen ? Welke is de grondgedachte des Christendoms ? Was dit eene ongehoorde prediking in de oude wereld? Valt de grondstelling des Christendoms met die van ons geloof te zamen ? Hoe te oordeelen over den Christelijken naam ?

17. Welke is de dubbele zegen van wetenschap en kunst ? In hoeverre komen zij dus de «beschouwingquot; des geloofs ten goede ?

HOOFDSTUK IV.

18. Welk is de eigenlijke grond van onze troostvolle werelden levensbeschouwing ? Is God ooit gezien of gehoord ? Hoe over dergelijke verhalen te oordeelen ? Wien of wat noemen wij God? Waaruit blijkt onze afhankelijkheid? Is het beivijs voor Gods bestaan noodig ? Wat moeten wij echter wel trachten te betoogen ?

19. Waar wij God noch zien noch hooren, kuunen wij daar wel zeggen : Wie Hij is voor ons ? Zoo ja, langs welken

-ocr page 168-

156

weg komen wij tot die kennis ? Hoe uit de natuur ? Hoe uit de cjescluedenis ? Hoe uit den mensch en het mensehelijke ?

at leert nauwgezette bebordeeling van een en ander ons-aangaande den oorsprong, den grond van ons bestaan en van alle leven? (1 Joh. 4 : 11, 19.)

20. Kunnen wij ons God ten slotte voorstellen gelijk Hij is ? Waarom niet ? Welke eigenschappen moeten wij God toekennen ? Welke is de schoonste en meest verhevene ? Krachtens welken regel en met welk recht doen wij dat ?

HOOFDSTUK V.

31. Openbaart zich macht, wijsheid en liefde in het heelal, zon ons leven daarvan zijn uitgesloten ? Zouden wij zonder reden zoo rijk bevoorrecht zijn ? Kunnen wij ons \'t heelal en on: leven als doelloos voorstellen ? Kunnen wij ons een »Godquot; denken, die met ons speelt\'? Welk zon het doel des levens kunnen zijn? Is het reeds een troost dit te weten?

22, Is er veel lijden verbonden aan ieder menschenleven, aan het leven van goeden en boozen ? Waartoe zou deze wetenschap ons voeren, waren wij volstrekt zonder geloof?

a. Welke rampen voert de zonde met zich voor enkelen en allen ? Hoe is dit overeen te brengen met de opvatting des geloofs ? Zal de geloovige vrede hebben met het kwaad ? Er lijdelijk in berusten ? Aan de onmogelijkheid der overwinning er van gelooven ? Wat dunkt u van de mogelijkheid, der zonde, kan deze door God gewild zijn ? Waarop wijst het geloof tegenover het kwaad? Wie zijn zondaren? Wat werkt het geloof? ( W edergeboorte.)

h. Is het lijden des levens overeen te brengen met het geloof? Kan één mensch het raadsel des lijdens volkomen doorgronden, op ieder: u: aar om met een beslist; daarom antwoorden ? Wat leert het geloof van het lyden ? Wat bewijst de smart over het lijden Zou zonder lijden onbaatzuchtige grootheid, heroïsme mogelijk ziju ? Hoe blijkt dit uit de geschiedenis van elk groot man ? Hoe uit die van Jezus ?

-ocr page 169-

157

c. Is er pijnlijker raadsel voor ous dan dat van den dood ? Is het verstandig veel over den dood te denken ? Is het niet beter zijne gedachten bij het tegenwoordige te bepalen\'! Kan iemand ons iets zeggen van het leven na den dood ? Wat maakt den dood voor ons en de onzen zoo pijnlijk\'? Wat wordt daarbij van \'s levens vreugd, geluk en deugd?

Wat kan ons troosten bij de gedachte aan den dood ? In hoeverre de wetenschap, dat er in het heelal nooit iets verloren gaat ? In hoever de liefde van ons eigen hart ? In hoever de gedachte aan God, als de hoogste macht, wijsheid en liefde ?

Spreekt ergens de ervaring luider dan bij de hoop op de onsterfelijkheid, dat voor een edel en krachtig geloof reinheid van hart, adel van ziel de onmisbare voorwaarde is ?

Deert het ons niet, dat wij niets van die toekomst weten ?

23. Is met het geloof ons leven nog duister ? Wat wordt nu het lijden ? Welke plaats heeft de mensch daarbij in do schepping? Welk is ons levensdoel? Waartoe leidt dit in de toepassing, in de practijk ? In welke verhouding staan wij tot God ? Is het geloof geen volle, heilige waarheid ?

Welke bede betaamt ons?

HOOFDSTUK VI.

21. Openbaart zich het geloof ook naar buiten ? Zou de mensch-heid zich toch niet ontwikkelen ? Wat is godsdienst ? Welke is de taak der zedeleer?

25. Wat noemen wij goed, zedelijk, deugd of omgekeerd ? Kan het aangename en genotvolle niet het zedelijke heeten ? Ook dan niet als het door verstandigen met overleg wordt gekozen ? Kan het nuttige niet het goede heeten? Waarom niet? Biedt een leven van zedelijke reinheid dan geen genot en bevordert het niet aller en enkeier welzijn? — Wanneer noemen wij een voorwerp, schepsel of mensch goed ? Hoe blijkt dan daaruit, dat volstrekte zedelijkheid zonder geloof onbestaanbaar is ?

Is er dan geen zedelijkheid, schijnbaar althans, buiten allen godsdienst om

-ocr page 170-

158

26. Is de ivil ran God het goede, hoe zijn dan de begrippen der zedelijkheid zoo ongelijk ? Waarom hebben niet alle raen-schen gelijke kennis van Gods wil ? Wat noemen wij het geweten ? Wie hebben een ruim, wie een nauwgezet geweten ? Waartoe moet deze overtuiging ons dringen ?

27. Omvat de zedelijkheid geheel het leven ? Zijn er geen onverschillige daden en overtollige deugden? Kan men een zedelijk wetboek schrijven, passend voor allen, onder alle levensomstandigheden ? Tot welke twee stellingen bracht Jezus de geheele zedenleer terug ? Kan het niet nog korter ? Kunnen wij ons den mensch echter toch niet in verschillende levensbetrekkingen denken ? Hoe kunnen wij daarnaar de zedenleer verdeelen? Waarvoor moeten wij ons hierbij hoeden ?

HOOFDSTUK VII.

28. Waarom moeten wij onzer afhankelijkheid indachtig ziju ? Voert dit niet tot lijdelijkheid en zwakheid ?

29. Is berusting in Gods wil een plicht te noemen? Waarom mogen wij niet morren ? Vergt vertrouwen op Gods liefde van ons geen beter dingen? Kan toch de smart ons niet te machtig worden? Wat betaamt ons dan? Wat kan ons\'t meest, ook met ons leed verzoenen ?

30. Hoe is blijmoedigheid vrucht des geloofs ? Kan niets anders dan „geloofquot; de blijmoedigheid doen bewaren? Kan de mensch ten allen tijde hlijdc zijn ? (1 Thess. 5 : 16.)

31. Wat moet ons stemmen tot tevredenheid en dankbaarheid ?

32. Hoe vergt het geloof vertrouwen van ons, en met welke oogen doet het ons \'s werelds en \'s levens beloop aanzien ?

33. Kan de mensch niet nog grooter worden dan hij reeds is ? Waarin bleef hij achter ? Welke gedachte moet dit wekken ?

-ocr page 171-

159

34. Kunnen wij voor God iets doen ? Wat kunnen wij toch doen, als de liefde des harten ons dringt ?

35. Wat is het gebed ? Zal bij meerdere ontwikkeling het gebed niet verdwijnen ? Wordt er niet ongepast en soms te veel gebeden ? Waarvan moet het echt godsdienstig gebed de vrucht zijn \'? Wat zullen wij bidden ? Wat dunkt u van „mooiquot; en lang bidden\'? Doen houding en woorden wel veel af bij het gebed ? Wat te zeggen van bidden op vaste lijden en plaatsen ? Heeft een gebed voor anderen waarde ? Is gemeenschappelijk gebed aan te raden ? In welken zin kan men spreken van gebedsverhooring ?

HOOFDSTUK VIII.

3(j. Waarom is besef van persoonlijke waarde voor de zedelijkheid onmisbaar ? Kan dit niet tot allerlei ondeugden leiden ? Staan \'t gevoel van eigenwaarde en geloof tot elkaar in rechte reden ? Hoe weêrhoudt eerbied voor onszelf ons van alle kwaad ?

37. Is zelfstandigheid eene deugd ? Waarom moeten wij eene eigene overtuiging en eene eigene wijze van handelen hebben ? Wat zeide Homerus van het verlies der persoonlijke vrijheid ? Sluit zelfstandigheid waardeering van anderer raad of oordeel buiten\'?

38. Waarom is er tot zedelijk handelen moed noodig ? Is alle „moedquot;\' christelijk ? Wie is moediy in zedelijken zin ? Hoe openbaart zich die moed in het belijden en verbreiden onzer overtuigingen en in het volbrengen onzer levenstaak en van ons werk ? Wordt deze moed in de wereld veel geprezen en bewonderd 1

Is geduld en volharding ook moed te noemen ? Is de geloovige bij uitnemendheid ook niet moedig als geen ander ?

39. Is nauwgezetheid eene Christelijke deugd ? Welke verkeerdheden zijn hiermede in strijd ? Hoe moeten wij ons dan steeds \'s levens doel en taak voor oogen stellen ? Waarom is getrouwheid in het kleine even gewichtig als in het groote?

-ocr page 172-

1(30

40. Wat dunkt u van de leugen, kan deze vergeeflijk heeten in een Christen ? Welke voorzichtigheid past ons ? Is openhartigheid goed, altijd, in ieder opzicht ? Wat van beleefdheid en goede vormen te zeggen ? Hoe heet gij een zoogenaamd leugentje om bestwil ? Waarom veroordeelen wij den eed zeer scherp ?

41. Is de arbeid voor alle menschen noodzakelijk, ook als zedelijke daad ? Wat is beroepsarbeid en waarom is deze noo-dig ? Welke is de edelste arbeid ? Moeten wij opgaan in ons beroep ? Waarom niet ? Zijn er ook onzedelijke beroepen ? Welk gevaar dreigt bij enkel handenarbeid ; welk bij enkel geestelijke inspanning ?

42. Is zorg voor ons lichaam, voor onze lijdelijke behoeften in het algemeen, onchristelijk\'? Heeft men dat niet vaak en lang volgehouden ? Wat leert de inrichting van ons lichaam reeds ? Welke zedelijke waarde heeft het uitwendige ? Is het zinnelijk genot onzedelijk? Wanneer wel? Welken steun en voorrechten geeft stoffelijke welvaart? Waartoe dringt deze wetenschap ? Mag dit ontaarden in bezorgdheid ? Wat is erger bezorgd of zorgeloos te zijn ? Wat bevelen wij eikander aan ?

HOOFDSTUK IX.

Hoe staan wij tot alle menschen, zij het ook op verschillende wijze, in betrekking ?

43. Zijn wij ook aansprakelijk voor anderer lichatuelijken en geestelijken toestand? Wat verlangen ouders van hunne kinderen ? Wat zou God dan verlangen van ons ? Kan er sprake wezen van zelfvorming zonder zorg voor anderen ? Wie leeft het meest ? Wat dunkt u van de leuze: »ben ik mijn broeders hoederquot;?

44. Waarom spreken wij van openbare zedelijkheid ? Is de invloed van het voorbeeld zoo groot? Op welke personen rust de grootste verantwoordelijkheid ? Kan de proef op de som gemakkelijk gemaakt worden ?

-ocr page 173-

161

45. Leidt het besef van persoonlijke waarde ook tot hooge waardeering van den naaste op ? Wat is met deze waardeering in lijnrechten strijd ? Kunnen wij alle menschen even hoog schatten ? Waarom zullen wij zelfs den gevallene met zachtheid oordeelen ? Wat dunkt u van wantrouwen ? Hoe beoordeelen wij dankbaarheid en ondankbaarheid van Christelijk standpunt? Welke heerlijke vrucht brengt wederzijdsche waardeering ?

46. Kan men spreken van een Christelyken plicht der eer ? In hoeverre en van welke personen heeft het oordeel waarde voor ons ? Hoe hangt ook onze invloed ten goede af van het oordeel van onze medemeuschen over ons ?

47. Legt het leven in de geordende maatschappij ons ook beperkingen op ? Waarom moeten wij de stoffelijke rechten van den naaste eerbiedigen \'? Waarom echter de geestelijke vooral niet minder? Mag men iemands eerlijke overtuigingen —zelfs al waren deze dwaas — opzettelijk aan bespotting prijs geven ? Is het mogelijk alle ergernis te ontgaan ? Is verdraagzaamheid, mildheid plicht? Waarom allermeest voor vrijzinnigen? Wat dunkt u van den regel: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan eeu ander niet ?

48. Welke gezindheden betamen ons jegens den naaste ? Tot al welke daden moeten deze ons dringen ? Welken over-vloedigen zegen zullen deze ons brengen ?

49. Hoe zijn Staten ontstaan ? Hoe waren deze in den beginne ? Wat bleek bij toenemende grootte en ontwikkeling van deze noodig ? Wat zijn wetten en wat bedoelden deze? Kwam een en ander tot stand zonder geweldige schokken ? Wanneer mogen wij voor staten en volkeren een betere toekomst verwachten \'? Hoe blijkt dan ook op het gebied van den Staat de gezegende invloed van den godsdienst, van het geloof? Wat leert de geschiedenis dienaangaande ? Hoe zou een Staat wezen, waar alle burgers «Kinderen Godsquot; wilden zijn ?

50. Heeft de Staat recht op aller toewijding ? Is Vader-

11

-ocr page 174-

162

laudsliefde christelijk ? Hoe werken baatzucht en partijzucht ? Welke zijn de rechten van meerderheid en minderheid\'? Welke burgerdeugden prijzen wij aan, krachtens het beginsel onzes geloofs ?

51. Moet in Staat en Maatschappij willekeur uitgesloten zijn ? Wat moet bij de inrichting van den Staat en de vaststelling zijner ordeningen steeds in het oog gehouden worden ? Welke is de roeping van den Staat ? In hoeverre is gehoorzaamheid aan de Staatswetten plicht? Wanneer is verzet geoorloofd en hoever mag dat gaan \'? Mag men geweld gebruiken ? Welke zijn de plichten der overheid ?

„Wer ist das würdigste Glied des Staats ?

Ein wackerer Burger.

TJnter jeglicher (?) Form bleibt er der edelste Stoff!quot;

(Goethe. Jahreszeiten.)

52. Kan men de beteekenis van het huiselijk leven wel te hoog aanslaan ? Welken invloed heeft het huisgezin voor Staat en Maatschappij, voor kunst en wetenschap, voor zedelijkheid en godsvrucht? Wat geschiedt daar waar het huisgezin in verval is?

53. Is er schooner band denkbaar dan die des huwelijks ? Zou het Christendom het huwelijk veroordeelen ? Welk huwelijk is verderfelijk ? Wanneer is het gezegend ? Hoe voeden Christelijke ouders hunne kinderen op? Welken zegen smaken zij?

54. Welke gedachten wekken kinderen in ons hart? Mare. 10 : 13—16. Waarvan gold ouder- en kinderliefde als een bewijs, ook voor Jezus? Welke vreugde, welk bitter verdriet kunnen kinderen hunnen ouders berokkenen? Waarom is het vijfde gebod het voornaamste? Kunnen kinderen hunne ouders naar eisch danken? Hoe betoonen zij het best hunne dankbaarheid? Welke plichten hebben broeders en zusters tegenover elkander ?

55. Hebben alle menschen recht op onze toewijding, bloetl-verwanteu iu de eerste plaats? Strekt zich deze zorg ook tot

-ocr page 175-

163

onze onderhoorigen uit? Hebben omgekeerd deze ook verplicli-tiugen tegenover hunne meerderen ? Wat kan men zeggen van het Christelijk gezin en van al zijne leden?

Aanhangsel.

Waarom zullen wij de schoone natuur ontzien, met eerbied behandelen en veroordeelen wij dierenmishandeling als heiligschennis ?

HOOFDSTUK X.

Komt het godsdienstig leven in eens tot rijpheid en bij allen ?

50. Welke gevaren bedreigen het geloof? Waarom zijn ruwheid en domheid zoo te vreezen? Kan iemand daarbij zijne roeping en kracht bewust worden? Wat zal daar het geval zijn? Kan de «zelfgenoegzamequot; gelooven? Welke eenzijdigheid is zeer te vreezen ? Wat gebeurt als de zinnelijkheid overheer-schende is? Welke gevaren biedt eenzijdige ontwikkeling van den geest? (van het verstand, van den aesthetischen zin?) Welke brengen de lotwisselingen ? Is het daarom goed de menschen reeds vroeg op den ernst des levens te wijzen ?

57. Kan men ook spreken van ziekten van het godsdienstig leven? Wat gebeurt als kerk en godsdienst, gemeente en geloof met elkander worden verward ? Wat zal het geval zijn, als men bijbel en kerk overschat? Waartoe leidt noodzakelijk wantrouwen in eigen roeping en kracht ? Wat sterft, als de leuze: naar hooger niet meer klinkt? Waarom is toepassing des geloofs in de dagelijksche levenspractijk onmisbaar? Kan op deze gevaren en ziekten te ernstig gewezen worden?

HOOFDSTUK XL

5S. Moet het godsdienstig leven worden aangekweekt? Welke is in dezen de taak van het huisgezin ? Welke die der school en van den onderwijzer? Waarom is het godsdienstonderwijs onmisbaar? Is dit ook anders geworden in den

-ocr page 176-

164

laatsten tijd? Moet het hierbij enkel om theologische wijsheid te doen zijn? Waartoe moet het strekken? Hoe komt het, dat het zoo dikwijls geheel onvruchtbaar blijft?

59. Waarom is ook in zake den godsdienst aansluiting aan anderen noodig? Wat leert de geschiedenis der Christelijke kerk van vroeger en later dagen dienaangaande? Kunnen allen tot één kerkgenootschap behooren? Welke bezwaren zijn er tegen de (jroote kerken in te brengen? Waarom bestaan deze bij de kleinere veel minder? Welk is het tesfe kerkgenootschap ? Wat geeft aan een kerkgenootschap of eene gemeente voor ons gevoel eene hoogere wijding? Waartoe moet de gemeenschap op dat gebied strekken? Zijn ook andere vereenigingen dan die der gemeenten gewenscht? Wat dunkt u van den Nederlandschen Protestantenbond, blijft deze zijne roeping getrouw?

60. Wat zal het geval zijn, als wij geen blijvende zorg hebben voor wat het godsdienstig leven kan versterken ? Wat moeten wij dan doen ? AVaarom zijn huiselijke godsdienstoefeningen aan te bevelen ? Welken zegen heeft het openbaar gemeenschappelijk »godsdienstplegenquot; in ? Hoe is dit noodig voor ons zelf, voor anderen nuttig, tegenover de wereld gewenscht ? Welke vermaning nemen wij daarom over? Hebr. 10 : 25.

61. Kan de godsdienst van abstracties leven ? Doet de behoefte aan iets zinnelijks, ter uitdrukking van het geestelijk leven, zich alleen op het gebied des geloofs gelden ? Welke plechtigheden bleven bij de christenen over het algemeen bewaard ?

Hoe oud is de doop ? Is de kinderdoop christelijk ? Is de doop der volwassenen het? Wanneer werd de kinderdoop toegediend en waarom ? Is de doop enkel een gewijde vorm ? Zullen wij dien dan maar afschaffen? Waarom niet?

Wat is het avondmaal ? Wat heeft men daarvan in vele Christelijke kringen gemaakt ? Is de viering van het avondmaal in overeenstemming met de behoeften van onzen tijd ? Wat hiertegen te doen? Waarom als \'tanders kan, geen afschaffing er van ?

-ocr page 177-

165

Is eene belijdenis en plechtige aaaneming voor jeugdige christenen gewenscht ? Hoe geschiedt deze het best ? Hebben ook uidere leden daarbij belang ? Zijn er nog andere plechtigheden .-iegelijk ? Wat dunkt u van de zoogenaamde hoogtijden of van de viering van bijzondere levensdagen ?

62. Welke zegeningen en gevaren biedt de beoefening van de wetenschap ? Welke die van de schoone kunsten ? Hoe te oordeelen over al wat wij plegen saam te vatten in het woord beschaving 1 Welke lectuur bevelen wij elkander aan? Wat merken wij op van het gezellig verkeer ? Tot welke slotsom

en wij ?

63. Wat eiseht de aard en het karakter van het godsdienstig leven ? Is het plicht in anderer stoffelijken en geestelijken nood te voorzien ? Waarom en hoe moet stoffelijke ellende worden tegengegaan, het pauperisme bestreden\'? Welk voorbeeld gaven Jezus en de apostelen ? Wat bedoelen wij met inwendige, wat met uitwendige zending ? Zijn deze waarlijk onafwijsbare plicht

61. Wat werd in deze handleiding in het kort toegelicht ? Blijkt daaruit niet de redelijkheid van den godsdienst ? Moet het ons eene eer zijn naar de ontwikkeling er van te streven ? Wat is daartoe noodig ? Kan men zeggen, dat de godsdienst nieuw leven brengt en al dat goede wat wij behoeven om »wei te leven en zalig te sterven?\'\' Wat werd er van ons, van de menschheid, ging de godsdienst verloren ? Waarmede mogen wij dan besluiten? Phil. 3 : 12, 13.

-ocr page 178-
-ocr page 179-
-ocr page 180-
-ocr page 181-
-ocr page 182-

V

. ^

j i **

-. 1 « \'i

^tquot;: gt;: // ;•

^ ilr

L J* t- ., % v» *

\' ^

S* Aamp;Ï 4

V \'quot;\'^ quot; \'V -^3

iX /;f

\'ïvi h:\\

;.. x^

llt;™ \' ^a4 ; v

* ijzy , ytgt; ?lt;*amp;$

v1, r;

jM: * t-. *4

WA gt;


m^mmM

tb, 4,quot; vv r§f£ï jfé

i x; ^^S^skfi

gt; V T • • gt;4

TAv^ vv^:

\' -~V /-V^SuSve

lt;A

t ^gt;1,

M ^