-ocr page 1-
-ocr page 2-

Kast 4:28 Pl.G N0.33

-ocr page 3-
-ocr page 4-

!ïgt;:

mMÊÊÊ

-ocr page 5-

LOCUS

DE

CREATIONE

COLLEGE-DICTAAT VAN ONDERSCHEIDENE STUDENTEN.

-ocr page 6-

im

-ocr page 7-

§ 1. De Schepping als werk Grods.

üe Schepping is een uitwendig en in den tijd vallend Averk van den Drieëenigen God.

Met te zegyen gt; God werkt* negeer en we het Demne, dat zegt: zGod werkt niet, God is in zijn eigen rust verzonken. Volgens de H. S. is God niet een ^sluimerend God*, Ps. 121 : 3, en dit negatieve vinden wij positief uitgedrukt Joh. 5 ; 17.

In welk verband slaat nu dat werken Gods met het werken der mensehen ?

1°. In God. is het werken archclgpisch, in den rnensch ectgpisch. Archetypisch wil zegaen, dat de vorm van aanzijn, van werkzaamheid niet ontleend is aan den vorm van werken van een ander, maar dat Hij dien oorspronkelijk in zich zelf heeft. De vorm van aanzijn, dien wij werken noemen, is door God aan niemand anders ontleend, hoort oorspronkelijk bij Hem thuis, hangt met Zijn wezen samen. Hij is daarentegen bij den rnensch ectgpisch, dus niet oorspronkelijk, maar afdruksel van het werken Gods.

\'2quot;. Is het werken hij God de uiting van zijn ganse he wezen, bij ons niet. (Bijv. het schrijven, waarbij de spraukorgonen zich niet uiten). Dientengevolge is het werken bij God ecu harmonieuse en altijd doorgaande uiting van Zijn. wezen. Schijnbaar strijdt hiermede Gen. 2 : 2, maar beteekent niet dat God ophield met werken, alleen dat God

overging van de eene werkzaamheid, .het scheppen*, tot eene andere, »het onderhouden van het geschapene*. Bij God is dus wel overgang, maar geen stilstand; de Sabbath, op den zevenden dag ingegaan, duurt tot nu toe.

3quot;. De werken Gods zijn uitwendig of inwendig. Ectgpisch vinden wij dezelfde onderscheiding bij den rnensch. Wanneer een architect een huis wil houwen, arbeidt hij eerst inwendig, d. w. z. peinst, denkt er over na, maakt een plan enz., terwijl eerst wanneer deze intense arbeid gedaan is, de bouwlieden aan het uitwendige beginnen.

Bij den rnensch bereidt de inwendige arbeid altijd den uitwendige voor en is de inwendige werkzaamheid onvolkomen. Bij God is dit niet aldus. In God is al zijn werk volmaakt en het gebrekkige komt er eerst aan door den invloed van het schepsel. Daar het inwendige buiten het

-ocr page 8-

4

CoHege-diciaai van een der studenten (Dogmatiek).

bereik Uyt van het schepsel, volgt daaruit dat de inwendige werken altijd volkomen, de uitwendige onvolkomen zijn. Ook bij den mensch staat het iverken hoog er naar gelang het werken meer of mjnder stoffelijk is. Vergelijk een ruwen poldergast met een redenaar, een hoer met een dichter, een opperman met een denker, een matroos met een kapitein, een soldaat met een veldheer, en wij voelen dat bij de laatsten het werken veel hoog er en edeler is, wijl het intenser arbeid is. Brengt men dit op God over, dan komt men tot de conclusie: dal \'t inwendige arbeiden Gods in God hoog er moet staan dan de uitwendige arbeid, die naar binten treedt, en dat het inwendige werken dus bij God ook veel intenser is dan het uitwendige. Bij God in Zijn inwendigen arbeid valt at het stoffelijke teeg en wordt geheel de arbeid geestelijk. Het inwendige werken Gods is een dichtstuk, het dichtsel van het harte Gods, en \'dat gedichtsel heet zijn eeuwige raad, die is de hoogste, de volkomenste, de eenig volmaakte arbeid! Men mag dus den raad Gods met vergelijken hij het project van een architect, want bij het plan van den bouwmeester is er nog niets, terwijl in den raad Gods de machten en krachten geponeerd waren, waaruit die houw eens gerealiseerd zou worden. Hiermede vervalt vanzelf de vraag, altijd door ongeleerden opgeworpen, wat God vóó) de Schepping zou gedaan hebben. In plaats van te zeggen : God is werkeloos geweest tot de Schepping, moet men antwoorden: God is de werkende, de altoos werkende, de eenig werkende. Want alle werken van menschen, enyelen en dieren is uitvloesel van het werken Gods. Dit drukt men uit door te zeggen: Deus est actus punssimus, d. w.z. zoodanige actus, waarbij niets intreedt, waardoor die actus gestoord wordt; in God ui. a. w. is de aotuositas divina operans van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Waar deze actuositas nu ook activiias wordt, moeten wij drieërlei onderscheiding maken en wel:

A. tusschen

a. ró iQ/ov toT^ Toiai hqoowttoi^ x o i v ca v o v ;

b. to toy on wat tusschen de drie personen wordt af gedaan, van den een op den ander overgaat, genaamd\' öiatntrov of separatum.

B. tusschen

a. de inblijvende daden Gods, dat zijn de werken, die in Hem blijven, en

b. de uitgaande werken, d. z. die naar buiten treden.

De inblijvende daden Gods zijn de hoofdzaak, de uitgaande uitvloeisel van de inblijvende. Deze beide nu, de opera immanentia en exeuntia worden te samen weder onder een hoofd gevat, n.l. de opera interna, in

-ocr page 9-

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

tegenstelling met de opera externa, d. w. z. quae exierunt. De opera externa zijn dus eerst interna geweest; interna zijn oorspronkelijk alle werken Gods, terwijl slechts een deel van die interna (de exeuntia, i. q. exit) externum wordt.

De opera interna, quae manent h. e. de immanentia zijn altijd de werken der drie personen op elkander. Be #«/« xnivtava. daarentegen zijn ten deele immanentia, ten deele exeuntia. De uitgaande daden zijn dus altijd xoivoiva. d. w. z. gemeen aan Vader, Zoon en 11. Geest.

De opera exeuntia loorden

C. weder verdeeld in:

a. primaire daden, die iets doen ontstaan, terwijl er nog niets is;

b. secundaire daden, die iets doen ontstaan, toen er reeds iets was.

De wedergeboorte is dus een opus e.reuns secundarium, de schepping

een opus exeuns primariuvi, cf. Gen. 1:1.

De opera exeuntia willen echter niet aanduiden een exire e Deo, zooals wij uit een huis treden; het duidt m. a. w. geen locale scheiding, wel een onderscheiding aan. Verg. Hand. 17 : 28, waar de apostel leert: iv uvrio fyyptv, zoodat wij nooit kunnen zeggen: hier is God en daar het schepsel, dewijl het schepsel in God leeft en bestaat.

Van deze opera exeuntia Dei behandelen wij eerst de Schepping, omdat zij bovenaan staat. De Schepping is niet alleen een opus externum en exeuns, maar tevens een opus temporale; want al wat buiten het wezen Gods treedt, heeft een vorm van tijd, die het doorloopt en doorleeft. Men moet bij dit ^temporale••lt; niet te vee! aan ons begrip van tijd hechten; onze tijdvorm houdt eenmaal on, wanneer wij sterven en het getik der klokken daarboven niet teruggevonden wordt. Tn de eeuwigheid is echter ook een tijdvorm voor den niensch, want er is bewustzijn van overgang van het eene oogenblik in het andere. Wij zien dit in den Heere Jezus, die in den hemel leeft als tnensch; er staat geschreven, dat Hij u\\\\ wederkomen, en zoodra we een futurum en dus ook een praesens en praeteritum hebben, is er ook »tijdlt;. Dat temporale is met het eigen wezen van al het geschapene onafscheidelijk verbonden, omdat tijd wil zeggen, dat iets een begin gehad heeft, en iets niet geschapen kan zijn of het moet een anyt] hebben. De opera, immanentia daarentegen zijn alle «icona. De vraag, »of het eenmaal geschapene weer terug zal keeren in het niet, of dat God er eeuwige duurzaamheid aan verleend heeft Alt; beslist voor het temporede niets.

-ocr page 10-

§ 2. De tegenstelling tusschen het Opus naturae en het Opus gratiae.

Onder igt;opns gratiae^ verstaan wij het werk der verlossing van zondaren, onder :opus naturae* de schepping der dingen zonder zonde. Zij staan dus naast elkander, maar mogen nooit zoo uit elkander genomen, dat ze met elkander in strijd geraken. God heeft niet eerst het opus naturae gemaakt en daarna het opus gratiae uitgedacht, om het verstoorde te herstellen.- Be gedachte, dat het opus naturae zou mislukt zijn, doet aan de eere Gods te kort en mar/ dus niet geduld. Deze uitdrukking wraakt de Schrift zelf. Doch stel, dat deze voorstelling waar was, dan zou nog uit de sapientia en de praescientia Dei volgen, dat God den val des menschen voorzien had, en hoe zou. God dan het opus naturae beraamd hebben, zonder het opus gratiae? In denzelfden raad Gods waren het opus naturae en hel opus gratiae zoo geponeerd, dat het opus naturae evengoed gemaakt is met het oog op het opus gratiae, als het opus gratiae met het oog op het opus naturae.

In de creatio hominis zijn de gegevens neergelegd, die, viel de menscl, de redding van den gevallen mensch mogelijk maakten. Dit is het punt, waarin de Methodisten en Gereformeerden uiteen gaan. De Geref. belijdenis vindt daarin haar kracht, dat zij bij den gevallen zondaar zijn verleden niet uit het oog verliest, maar het werk der verlossing terugvoert tot achter de ontvangenis, en om dat te doen, teruggaat tot de verkiezing en in die verkiezing den grond vindt nan de liefde Gods.

Evenzeer dient de voorstelling afgewezen, alsof het opus naturae een onvolkomen werk was en alsof het opus gratiae; als hooger werk op het opus naturae moest volgen, nadat het eerste verbroken was. Het opus naturae moet op zich zelf als volkomen beschouwd. Hiermee hangt ten nauwste de vraag samen, of de mensch in een staat, van heiligheid, en rechtheid geschapen is ? Tegenwoordig beweert men, in een staat van onmondigheid. Was de mensch echter onvolkomen, geschapen, dan zou de zonde ook geen absolute schuld over den mensch gebracht hebben; en dan zou de schuld ook gedeeltelijk op Hem rusten, die den mensch onvolkomen schiep. Juist om de schuld geheel op den mensch. te werpen dient dus beleden, dat het opus naturae op zich zelf volkomen was; niet, dat het reeds voltooid ■was, zijn ré/.o^ bereikt had, maar dat alle gegevens aanwezig waren om het volmaakt te maken.

-ocr page 11-

1

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Wij voeqert hierbij nog deze twee opmerkingen: 1°. dat hel werkverbond op zich zelf volkomen was, omdat wel deyeiijk de zaligheid en het leven beloofd was aan hem, die de wet hield; 2°. dat de engelen met door het opus gratiae, maar door het opus naturae tot den staat van gelukzaligheid zijn gekomen.

-ocr page 12-

§ 3. Onderzoek der quaesties, die zich met betrekking tot den locus de Creatione voordoen.

I. De yroofe tegensteliiny is: gt;ix er eene Scheppiny of is er (jeene?lt; Bijna leder gelooft, dat er een wereld is (de idealist en alleen ontkennen dit), maar de groote strijd loopt over deze vraag: is dat heelal ontstaan of niet? De eene school antwoordt: »Neen, het is niet ontstaan, maar het is eeuwige, de andere: »Het heelal is niet een wig, maar heeft een begin gehad\'.. In den strengst en zin van het woord kan men zeggen, dat alle godsdiensten, philosophieën enz., die zich op dit vraagstuk geworpen- hehhen, de schepping ontkennen en alleen de H. S. haar teert. De idee, om de eeuwigheid van het heelal te mainteneer en, is puur heidensch. Zij, die het paganisme hierin volgen, bewandelen echter verschillende paden, die hoofdzakelijk op twee wegen uitkomen. Zij houden vol of dat de stof, de elementen er eeuwig geweest zijn of wel dat zij ontstaan zijn door emanatie uit de Goden of uit God. Deze twee stelsels nu komen feitelijk op \'t zelfde neer. 7 Zij men beweert, dat de stof op zich zelf eeuwig is, \'t zij dat zij ingesloten lag in het goddelijke wezen, in beide gevallen heeft er geen schepping plaats.

Deze twee stelsels nu vindt men in de Indische, Chineesche, Egyptische, Babylonische inythotoyieën, in de Noorse he en Germaan sche say en, bij de Griekse he en Romeinsche wijsyeeren. De Eleatische schoot wit hetzelfde als teyenwoordiy de Fichtiaansche philosophiie; Plato yaat gedeeltelijk denzelfden wey op. Al deze. scholen, die er toe komen om de eeuwiyheid van de stof te stellen, zijn pantheïstisch. Zij moeten dat zijn, omdat, waar zij het universum als een zelfstandiy bestaande stof verklaren, zij of God in de stof of de stof in God moeten besluiten. Ook de tegenwoordige stelsels volgen geheel deze paganistische idee. De schoot van Darwin o.a. leert, dat de stof eeuwig is; dat er krachten in besloten liggen, die zich zelf ontwikkelen door inhaerente beweging, en dat zoo uit de stof de plant, uit de plant het dier zou ontstaan zijn. Voor zoover men in de wetenschappelijke wereld niet met Darwin mee yaat, neemt men het pantheïsme van de andere zijde, door God te verklaren als anima mundl. Zoodra als in Europa het yeloof uit de Christelijke Kerk week, is de oude payanistische stroom weder opyekomen en ook alle sectarischie stelsels, die dooryedacht hebben tot op den bodem der dinyen.

-ocr page 13-

9

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

zijn vervallen in ditzelfde streven. Zoo de latere Joden in den Talmud; de Gnostieken met Inm Demiurg; Oriyenes met zijn leer van de eeuwigheid van den xón/io,-.

Tegenover deze twee meeningen staat de Christelijke Kerk, welke de creatio belijdt als eene productio universi e nihilo voluntatis libero actn in tempore.

1quot;. als eene productio e nihilo, waarmee genegeerd wordt een zoocje-naamd ^protojjlasma«, waar uit de -/.ónuo,- zon zijn geformeerd, hetzij door inwonende nalunrkrachten, hetzij door schiepping; (want volgens sommige half slacht ig en zou God uit die prof opia smen de wereld (jeschapen hebbenj;

2°. productio universi, dus met alleen van de aarde en lagere sferen, maar ook van den hemel, van het rijk der gelukzaligheid, van het nieuwe Jerusalem, van alles wat buiten God is.

3°. voluntatis actu staat tegenover emanatie, omdat alle emanatie onwillekeurig is (evenals het ademen van den menschj.

4°. libero actu en niet necessitate co ad us. God had een anderen hemel en aarde kunnen scheppen dan de bestaande. Ook verkeerde God van eeuwigheid aj niet in de noodzakelijkheid om een wereld te scheppen.

Deze waarheid, dat God hemel en aarde geschapen heeft, is het fnn-darnent van alle gnlooj. Alle afwijking hiervan loopt uit op afgoderij. De Christelijke Kerk begint daarom haar belijdenis: »//• (jeloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde . Over die waarheid heen te loopen en te roepen: Xaar Jezus toe, naar het kruis van Golgotha«, zooals de ^Methodisten doen. is onschriftuurlijk en snijdt den wortel van den godsdienst af // ij moeten beginnen bij het begin, met de schepping en niet met de verlossing door Jezus. Daarom is de belijdenis van God, als den Schepper ran hemel en aarde, ook de belijdenis dei-Schrift in Gen. 1:1; Dn,/. ]0 ; 14; 2 Kon. 19 : 15 i); 2 Chr. 2 • 11* Neh. 9 ; 6; Psalm 115 : 15; 121 : 2; 124 : 8; 146 : 6: Spreuken 3 : 19; Jesaja 37 : 16; 42 : 5; 44 : 24; 45 : 12; 45 : 18; 48 : 13; 51 • 13* 51 : 16; Jer. 10 : 12; 32 : 17; 51 ; 15; Zach. 12:1: Handel. 4 : 24; 14 : 15; Openb. 14 : 7.

Aan deze belijdenis hangt weer de belijdenis:

a. dat God Almachtig is ;

b. dat God God is;

c. dat er maar één God is;

d. cd ons geloof, daar wij, wanneer wij hieraan vasthouden, tevens gelooven, dat de Heere ons gansche leven bestuurt en o/is voor alle kwaad

1) Altoos wordt naar den Hebreeuwschen eu Ut\'iekscJien tekst geciteevd.

2

-ocr page 14-

lu

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

beware)! zal, terwijl wij, door loxlaliuy ilezêr belijdenis, (/een grond voor dit verf rouwen hebben. Cf. Psalm 121 : 2 en 124 ; 8.

Orihodox is ei(/enlijl\' alleen hij, die (hl artikel van harte beaamt. K/t waar nu zoovel en tegenwoordig roepen: JSiet meer de Jorvniheren van een\'u/heid, maar wel de 12 artikelen des geloofx, daar antwoorden wij: gt; Welnu (joed, maar dan ook die artikelen in luui volle kracht, en wat is dun anders de Gereformeerde belijdenis, dan jnist in het genadeiverk God Almachtig tot zijn recht te laten kamen. Hem alleen te erkennen als den Schepper van ons gelooj, van onze zaligheid, van alle genadewerk in den hemel en op narde?*

II. Een andere qnaestie raakt niet de Schepping, maar het Scheppingsverhaal. Teii en dit ver ha il zijn verschillende bedenkingen ingebracht en-wel van cri\'ti schen, pliilosopiiischen, natnnrknndigen en historisch en aard.

a. van critischeu aard; men heeft bevonden, dat het verhaal bestond uit twee redactiën, door elkander gevlochten, en die met elkander in strijd zijn.

1). van philosopliisdien aard; de voorstelling van de Wording der wereld wordt op philosophischie gronden voor onhoudbaar verklaard.

c. van natumkundigen aard, b.v. door te wijzen op de anlidiluvi-aansche dieren.

d. van historisclien aard; b.v. dat de lijsten der koningsdgnastiën in Eggpte veel verder teruggaan, dan den tijd, dien het Scheppingsverhaal aangeeft.

I)e twee behandelde (pnaesties zijn dus:

I. Is er een Schepping of niet ?

II. Is er een Scheppingsverhaal of niet ?

Op den eersten aanblik schijnen deze beide quaes lies niets met elkaar (/emeen te hebben; maar al is hel denkbaar, en al komt het ook wel \'voor, dat iemand zegt: ■gt; Ik geloof wel aan eetie Schepping, maar niet zooals die beschreven \' staat in \' Genesis«, in de realiteit is dit veelal niet het gevrd en hanqen deze qnaestics daarentegen zoo \'nauw samen, dat hij die gelooft, dat God de Schepper is, ook gelooft aan het Scheppingsverhaal en oimjekeerd. // at is hiervan de oorzaak ? Jen eerste dient (jewezen op het eiiipirische feit, dat de nienschen, die aan het Scheppingsverhaal hegonnen te tornen, ook pure Darwinisten, werden. jSiet alsof elk. die het Schrift verhaal loochent, daarom een ongeloovige, een atheïst is, maar wel, dat de eenmaal gedane stap consequent tot loochening van de Schepping moet voeren.

-ocr page 15-

11

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Hoe komt dit ? Ëên vraag en het zal ons duidelijk wordenIndien cle wereld geschapen is, van toien weet gij dat dan ? Noch uw vader, noch Adam is er bij geweest (met de kinderen Gods hij Joh worden natuurlijk niet de vromen, maar de engelen bedoeld); want Adam kreeg eerst het bewustzijn, toen de aarde geschapen was; en waar dus niemand hij de Scheppim/ h\'t/enwoordig was, undenam seis, an tot am universum ereatum sit e nihilo ?

Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk:

1°. uit gissing, als postulaat van het denken.

2quot;. uit bericht.

Als o\'Je antwoord zou nog mogelijk zijn: door genealogische ontdekkingen; maar waar het hoek der natuur alleen van overgangen spreekt, blijven feitelijk alleen de twee eerste gevallen over.

lu. uit gissing. Men kan zeggen: het dier leeft van planten; dus kan het dier niet zonder planten geleefd hebben; citr/ui ergo zijn de planten vóór de dieren (/eschapen. Men kan aantoonen, dat alles een begm moet gehad, hebben. Men kan zoodoende de eenheid der uatuurrijken aantoonen. Maar als men op deze postulaten afgetat, heeft men toch nooit zekerheid; het blijft cene hypothiese.

2°. uit berichten; wil er een bericht zijn, dan moet dit gegeven zijn door iemand, die hij de Schepping tegenwoordig was, aan een mensch. of mensch en, die na de Schepping geleefd hebben; dus of door God of door de engelen. Als iemand nu door gissingen komt tot de opinie: God zal de wereld wel geschapen hebben, dan is dit geen geloof, maar vrucht der pliantasie. Daarbij is de mensch er dan van zelj op uit, om aan de eere Gods te kor! te doen en is het tevens voor hel menschelijk verstand aannemelijker te mee tien, dat de xociiki; eeuwig is. Stel daarentegen, dat men het alleen uit berichten weten kan, dan komt men of tot ons Scheppingsverhaal of men moet een ander verhaal aantoonen, dat verkieslijker is. En dan zal ieder toegeven, dat het Bijbelse he verhaal verre boven dat der Arabieren h.v. slaat. Het is de Pelagiaansehe aard onzer natuur, dat wij altijd geneigd zijn Gode de eer te on!nemen. II ij moeten dan ook met alle macht de ethische richting weerstaan, die van het Scheppingsverhaal als van een mgthe fd.w.z. dat onze denkbeelden zoo-l veel mogelijk naar waarheid in een historisch kleed gehuld zijn) spreekt, \\ en daardoor de waarheid en werkelijkheid ervan ontkent.

-ocr page 16-

8 4. Onderzoek naar de kennis van het verhaal der Schepping.

De vraag is, hoe wij lof de kennis van hei verhaal der Sehepjnnq gekomen zijn? Het antwoord der Schrift vinden wij Hebr. 11 ; 3. De ethische richting wit door dezen tekst hewijzen, dat wij niet door eenin verhaal lt;J hencht, maar door jlaru-, d.w.z. door iieioof, de kennis-se der Schiepping hebben. // anneer wij nu nittr^ opvatten in den zin van vertrouwen en gelooven buiten iiet woord om, dan vatt hier niets teyen te zeggen. Maar deze beteekems ran jinn,- dient (/ewraakt; marti\'i-iv is altijd getooren, fidem habere alicni lofjiienti, aiiquid asserenti. Er kan geen liartg zijn. waar lt;gt; 9{o,- orx ilócltpft; f/elooven is juist op grond van het vertrouwen, dat ik in ie mand stet, aannemen, wat hij ze(/t. Very, vers 7 en 8; aan Abrahams gelooj gmg eene roeping vooraf. Das is ■tuïtu volgens de Ethischen geloof niet op het Woord,

» » » Gereformeerden » op » »

Op het standpunt der taatsten staande volgt, of dat het Scheppingsverhaal ons geopenbaard is of dat men er niets van af weet.

Is het geopenbaard. dan zijn er wederom twee mogelijkheden: of dat het geopenbaard is aan Adam of aan Mazes, den schrijver.

Het Schejjpingsverhaat moet reeds geopenbaard zijn aan Adam. omdat hij anders niet kon gelooven; om te gelooven immers moest er vein God tot Adam een Ao/o,-. een (tijfiu zijn uitgegaan. Zij, die dit aannemen, moeten zich het verloop nu zoo voorstellen, dat Adam het aan Seth, Seth aan Enos enz. overgeleverd heeft; dat daardoor traditiën ontstonden, waaruit Mozes, onder leiding des H. G., de twee meest betrouwbare uitgekozen, gezuiverd en te boek rjesteld heeft.

De andere voorstelling is, dat Adam niets zon medegedeeld zijn, maar dat aan Mozes in een visioen in zeven heelden de Schepping zou vertoond zijn door God {Verg. de Schepping van Ten KateJ. Die van het geloof afhellen, brengen de openbaring liefst op Mozes over; toch zijn er ook onder de strenggeloovigen, die me enen, dat het aan Mozes geopenbaard is, maar met behoud eener vroegere mededeeling aan Adam. Tn den laaiden tijd is deze quaestie uitgemaakt. Door de critische studiën van het O. 7. is gebleken, dat tn Genesis twee verhalen zijn van verschillenden stijl, taalgebruik en religieusen oorsprong; het lstc kent alleen den Godsnaam D^K; het 2lt;ic HliTV Dit nu is onvereenigbaar met de

visionnaire voorstelling.

-ocr page 17-

13

CoUege-diciaat van een der studenten (Dogmatiek).

Op deze twee gronden steunt derhalve het gevoelen, dat God het Scheppingsverhaal reeds aan Adam heeft meegedeeld, en dat dit verhaal door de traditie in tweeërlei vorm aan Mozes is overgebracht.

De vraag blijft echter, hoe men aan die twee verhalen kwam ? Niets belet ons te gelooven, dat God beide aan Adam gegeven heeft. Beeds het aanmerkelijke verschil tusschen beide wijst hierop. In het eerste staat de schepping van den xóofio,- voorop en wordt deze tellnrisrh, enz. beschreven, terwijl de schepping van den menseh slechts als onderdeel van den xorruo,- vermeld wordt. In Gen. II daarentegen is de menseh hoofdzaak, wordt alles aangaande hem beschreven en vermeld. Is het eerste een tellurisch-cosniische, het tweede is een anthropologiseh-ethische mede-deeling ; zij raken dus twee geheel verschillende werelden. De naam Jehova (nlrP) in het tweede verhaal behoort geheel bij dit anthropologiseh-

ethisehe karakter thuis.

-ocr page 18-

§ 5. Over de woorden, die de H. S. bezigt, om het idee „Scheppenquot; uit te drukken.

Deze komen in hoofdzaak op 3 neder:

1. {03 \' — 2. n\'amp;V — 3.

TT TT - T

In \'t Chaldeemosch bovendien:

Deze woorden komen in \'i IV. T. overeen met:

1. y.Titm\' - 2. noicTi\' — 3. Trï.avTiiv,

die de begrippen uitdrukken van.

1. creare 2. facere — 3. for mare.

Cf. Jesaja 45 ; 18; Jesaja 43 ; 7.

Vraagt men verder, welke de overdrachtelijke uitdrvkkinfjen zijn, dan luidt het antwoord:

1°. rüp — bezitten, verkrijgen, acquirere Ps. 139 : 13; Gen. 14; 19.

2°. quot;iS — baren en Hiph. = doen voortbrengen (imnnelijk)

kunnen gebruikt worden voor igt;produccre«, vandaar

origines.

3°. SSm == Pilei van Sm oj\' S*n CPs. 90 : 2): Sn b dec kent eig.

draaien; vandaar alle beweging, waarbij een mensch draait; ook krom men van pijn en zoo heekhpreukig van het lijden eener harende vrouw; zoo kreeg rT\\ de beteekenis «barend en verder van »scheppen^.

Dat nvy — scheppen, bestrijden de Socinianen; zij zeggen n.l.:

— Ttoirir ziet op iets bestaands, wat van vorm verandert; ze beschouwen het dus — renovare. Deze exegese der Socinianen is eene dogmatische; immers, door de godheid des Zoons te ontkennen, moeten zij ook de deelneming des Zoons dan de Schepping negeer en; vandaar laten zij Joh. 1 : 2 niet op de creatie aller dingen, maar op de renovatie slaan. Wed hiervan aan is, blijkt uit Ps. 33 ; 6 ea 121 : 2.

H al Creare betreft, men acid, dat het samenhangt met den stam., die CPA luidt, en dien wij terugvinden in Gr. woorden als *nalvw.

-ocr page 19-

15

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

-xocctcoo fh.v. rrrgt;jto/mutmoJ en ivissclneti iv cerdo. Cm c zoy. (lus macht, krach! heteekcnev. pof en Ha; de denkhoelden van gt;poHsequot; en gt;creare« hingen dan oorspronkelijk samen.

Wal Kquot;l3 liHrefl, men heft dit in verhand zoeken te brengen met

TT

V woord /onnare, parëre en qtoeir; door dit laatste zov het samenhangen met ons igt;barenlt;i. Op welke wijze de Semitische taalstam met den Tndo-Germ. samenhangt, valt alsnog moeilijk te heslissen, aangezien de wetten, volgens welke deze verschuiving zou gaan, nog niet gevonden zijn. fForm are in 7 Latijn heeft zijn oorsprong in den Sanskr. dh ar stam.; de f hangt samen \'met het Sanskr. dh, hh of gh, cf. duo en bis, helium en duelliumj

XIÜ is identisch met den gelijkluidenden Arabisch en stam, die het eekent

T T

snijden, houwen. Hoe kond men echter van de bet eekenis % snijden« tot die van scheppenquot;? Stellen wij ons een marmerblok voor; nu komt iemand, die daar een beeld van wil maken; dat beeld nu is niet in \'t marmer, maar in de conceptie van dien man; hij spireert zijn gedachte in \'t marmer en lc(/t er in, wat er niet in was. Later werd dit gt;snijden\'?, overgebracht op het baren; waar eveneens een productie is uit niets en 7 kind als 7 ware vit de moeder wordt uitgesneden. In het Chald. het eekent ^ haren, en heet een kind wat wij ook in 7 Noorsch terug-

T T

vinden: hörn. De Niphal van is = geboren worden en

komt alleen in die het eekenis voor; ze is dus van een ouderen stam, die met \'t Aram. overeenkomt. De Piel {OD heeft niets gemeen noch met het

een noch met het ander, maar het eekent gt; in stukjes snijden\'\'., b.v. Josua 17 : 15 en Ezech. 21 : 24. (Enkele malen komt K13 ook voor in den

T T

zin van eten, mesten, cf. vetgemest, doch schijnt dan een andere stam J

Van NIH komt wat bet eekent novum quid, quod creavit

TT T * ;

Dominus; onze vertalers zeggen-. . Die iets nieuws schept\'-.

De verwante stammen zijn: en quot;)quot;gt;

c\' T x - T

ni3 heteekent eveneens snijden en komt uit het Arab.; van dezen stam

T T

komt — verhond, eig. snijdsel, zoodat JTID cig. een pleonasme

is. Later is nquot;l3 iets geheel anders gaan bet eekenen; evenals n.l. van cernere kwam discernere en y.qlvtiv later de hef eekenis kreeg van oordeel en.

-ocr page 20-

Co/lege-dictaat if an een der studenten (Dogmatiek).

kiezen, zoo is ook de 2de heteekenis van Hl3: kiezen. De uitdrukking \'13

voor gt;vef« bet eekent dus euj. het gt; Hityekozcne« en moet eer naar dezen stam dan naar worden overgebracht. H\'TS het eekent »spijze«. Doch

kan dit ook in een nevenvorm komen, die hij JOD vet of vol

zijn hoort.

quot;n3 het eek ent gt;separarelt; (hetzelfde her/rip dus als »snij den«) en

vandaar »afzonderem destinare en praedestinnre 1 Kron. 9 : 22. ma = rem, afgezonderd van het onreine; zoo ook SJOlp = heitü/

(afgezonderd van het kwadej en ilil\'lp = hoer (afgezonderd van het goede, tot het kwade).

De etymologie geeft dus geen oplossing van 7 woord dat nog

gebruikt wordt in Qal om aan te duiden

1°. het onderhouden der dingen, Jesaja 45 ; 7; Ps. 102 : 19; 104 : 30. 2°. het doen van iets oni/ewoonH (wonder) Num. 1(5; 30; jes. 4:5; Jer. 31 ; 22.

3°. het renovare der ingezonken aarde door de genade Jes. 65 : 17 ;

Ps. 51 : 12 en xtIZhv 2 C\'or. 5 ; 17.

De Rabbijnen verklaren jn| ah C\'* = produdio ejus

quod adest ex eo tjuod abest.

-ocr page 21-

^ 6. Het begrip van scheppen.

IFaf verstaat de Schrift onder J03 ? Creare is producere e nihilo.

Bewijzen vit de Schrift:

1°. Apoc. 4 : 11; de woorden, waar het hier op aankomt, zijn\'óxi av ty.xiriu* Tu iravTu == ta creasti omnia (Hehr. /D nKquot;)D nn^). Hieruit

T TT T -

moet het begrip van yivi^tiv verklaard worden. Er staat n.l. dat de dingen hun ontstaan te danken hebben aan den wil van God C\'-ui Sid tó dthjua gov rfiar xai txtigamp;tjgavj, en daar waar iemand iets door zijn wil in het aanzijn kan roepen is het een \'producere e nihilo. Be ketters en ongeloo-vigen hebben daarom altijd getornd aan dit woord en trachten te bewijzen, dat Sin {HXyua moet vertaald worden niet per volmtatem, maar propter voluntatem tuum sunt et creahantur. Zij zeggen: »Sia e. Ace. heeft een andere bet eekenis dan dia c. Gen.; het laatste is instrumentaal, het eerste finaal, .dia tó amp;ïhjua bet eekent dus ter wille van uw ml. doelende op uw wihlt;.

Wat is hiervan waar?

In het algemeen moet dit beweren toegegeven; Sia c. Gen. is gewoonlijk instrumentaal en niet dia c. Acc. Intusschen gaat dit gebruik niet constant door; evenals in Buitschland in de dorpen dikwijls verwisseld worden an mich en an mir; en bij ons hen en hun. Hij hebben dus te vragen naar de grondbeteekenis van dia; en dan staat dit vast, dat dia altijd den grond aanduidt. Be grond van iets nu kan en finaal en instrurueutaal zijn fb.v. hoe komt die tafel daar? 1°. Boor den timmerman {insfrumenty, 2°. omdat er colleges gegeven worden \\ finis\\J. Beze verwarring van due c. Acc. en c. Gen. vinden wij ook bij klassieken, b.v. Demosth. de Corona, pag 354quot;, vinden we dia c. Acc. instrum; Amt. Ethica Leber, 1 Cap. 10.• dia Tv-pp\' ivduiuovtXv (gelukkig worden door het lot). Wiener in zijn Neu - Testa men tiseh en Sprach idiom, pag. 355. geeft een reeks van voorbeelden ontleend aan de klassieken. Ook in \'t N. T. zelf komt dit gebruik van dia c. Acc. instrumentaal vaak voor, b.v. Joh. 6 : 57 Kdyixj tó) did róv nartoa. Wiener neemt hier dia finaal, maar dit kan niet, wegens de vergelijking met het brood; wij leven niet gt;propterlt;s., maar ygt;per« het brood. Zoo Apoc. 12 : 11; Bom. 8 : 10, 20; Rom. 15 : 15; 2 Betr. 3 : 12.

Ayoc. 12 : 11 xat avToi tvixijGav ui rot\' did to aiua rov doi\'iov y.ai did

3

-ocr page 22-

18

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

tói\' J.óyov Tiji uttQTvqiaj nvTÜv; zij overwinnen niet om, maar door het helijden.

Hom. 8 : 10 to utv aüfAu vcxoój\' Si duunriuv; hef lichaam i* dood niet gt;om der zonde wit», maar door de zonde; door de macht der zonde.

Bom. 8 ; 20 Sia rój\' tiTToral-ai\'Tu; daar er vooraf (/aal ov% ixovau, kan hier geen sprake zijn van een doel; de quaestie is alleen, of het dooide persoon zelf of door een ander q esc hied is.

11 Petr. 3 : 12 ijutou;, til ijl\' ovouyoi TTVQOi\'jitvoi liiamp;ifiDVTui ; niet: »oni welken dag«, maar »door de effecten van welken days..

Wanneer in onzen tekst fApoc. 4 : 11) lt;5i« c. ylcc. finaal (jenomen worden moest, dan zon er moeten staan Sid rijv do^av aov, cm de eere Gods. Maar nu er staat fttliifiu, heteekent dit niet het doel, maar den grond der dingen. Bovendien hebben wij hier met een lied, een Hehreeiiwsci vers te doen, en kan dus het eerste lid niet anders bet eekenen dan het tweede; zij moeten paralel loojien; dus moet rui t\'y.nnu^ fjelijk zijn aan

Öifi ró tft).7jult;\'. aov.

2°. Bom. 4 : 17. Uit de volgende verzen hlijkt, dat wegens de vixiwjn^ van Abrams lendenen en Sara\'s uterus de geboorte van Isaac als van mets tot iets wordt voorgesteld; lt;gt;; txüXtaf /lij oitu ut,- ovru.

8°. Hebr. 11 : 3. Hier wordt oj) tweeërlei wijze over de Schepping gesproken:

a. als een ontstaan door het machtwoord van God.

b. als een worden van het geziene uit het niet geziene.

4°. Gen. 1 : 3. Hie actio creandi circumscribitur voce loquendi; evenals in Hebr. 11:3 (»/«« soo hier quot;101^*1. Va-u meer dan ééne zijde

wordt beweerd, dat en (\'»/,«« niet is de flatus vocis, maar het verhum

subst anti ale, n.l. Christus (het verbum for male is het gesp) roken woord). Zij beroepen zich hierbij op 1 Cor. 8:6. I C\'or. 8 ; 6. zegt men, in verhand met Joh. 1 : 3 duidt aan, dat het scheppen door (per) Christus heeft plaats gehad; het is dus natuurlijk, dat er staat: de Schepping is per Verbum (sc. Christus) geschied. De theosophen en ook de ethischen brengen tegenwoordig deze exegese in zwang. Hiertegen dient door ons geprotesteerd:

1°. omdat het in Gen. 1 : 3 is een spreken van den Vader tot

den Zoon en den H. Geest; immers, waar in vers 26 het tot den

Zoon gericht is, kan men moeilijk aannemen, dat het in de eerste verzen als Christus zelf bedoeld was.

-ocr page 23-

19

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

2°. omdat nergens in de yeheele Schrijf het Verbum subst. fds verbaalvorm voorkomt. .Bovendien is het aan tijd. onderhevig, want ah het uitgesproken is, bestaat het niet meer; deswege kan de Zoon nooit in den verbaalvorm worden gesubmmeerd.

3quot;. omdat Christus nooit tó i\'vnquot;, maar altijd, « koyoj wordt genoemd. Aoyvi is de innerlijke gedachte, het woord dat in ons denken leeft. \' f\'ï,au is de productio row hiyov #»»• r« Reeds Plato, Democrilus en Hera-

clitus hebben dit altijd gezegd: )■lt;gt;■/lt;gt;? is het blijvende, het proflueerende, dat wegvloeit, als het over de lippen is; hr/oj de rivier, r« = de

bedding, waardoor de lóyoi zich uitwerpt.

Eigenaardig is het, dat wij in Hebr. 11 : 3 niet lezen rm koym, maar rugt; (njfian; hier is dus niet gedacht aan \'t Verbum subst.; dat dit niet mag blijkt duidelijk uit Hebr. 1 ; 2 en 3. In 2 Cor. 4:6; Ps. 33 ; 6; Ps. 104 : 5, 6. 7 vinden we hetzelfde.

Wij hebben dus in God:

a. een opus immanens, hoc est actio, quae est ei us beneplacitum, ex quo in consilio suo omnia, quae producer en tar, praedestinavit, quaha existerent.

b. een opus transiens prim urn, actio tempus constituens h. e. creatio.

c. een opus transiens alterum, actio in tempore sustinens i. e.providentia.

De creatio sluit in de pot ent ia Dei, sluit uit alle instrumenteel gebruik-

van Godswege bij die creatie. De mensch gebruikt altijd een instrument; God is niet alleen niet gebonden aan een instrument, maar het gebruik van alle instrument druischt tegen Gods wezen in. Homo facit. Deus ereavit. Zoo ook wanneer wij spreken, dan hebben wij het instrument van de stem noodig; maar het wonderbare bij God is, dat Hij spreekt zonder eenig instrument. H\' ij lezen dikwijls in de. H. S. »God. sprake; wanneer dit geschiedde door kunstmiddelen, dan zou het eenvoudig een ■menschelijk, mechanisch spreken geweest zijn. Ook bij het scheppen, heeft God geen instrument gebruikt: hadde Hij dit wel gedaan, zoo zou de schepping slechts een kunstwerk geweest zijn. zooals men ook wel onder de mensch en aantreft. God de lleere doet echter alles onmiddellijk, versmaadt alle bruggen en tussehenwegen en doet op t zelfde oogenblik, dat Hij wii, door de maeht van zijn wil ontstaan, wat Hij wil. Onmiddellijk vloeit, hieruit voort, dat de praedestinatie en de verkiezing nooit hun grond kunnen hebben in iets, wat in het schepsel is. Wel werkt de lleere ook ■middellijk op de menschen, maar bij al wat x) rund legend\' is kan God. geen instrument gebruiken.

Logisch geredeneerd, zegt men van tweeën één: Dal instrument zou

-ocr page 24-

20

CoHege-diciaat van een der studenten (Dogmatiek).

f/eweest zijn of geschapen of ongeschapen. Si istiusmodi instrnmentum fuisset non creatum, fuissef ipse Deus; si contra f uissef creafum, ipsum ilhid insfrnnwnturn futsset creatum sine instrumento, adeoque creatio sine instrumento ï)eo vel sic tarnen tribueretur. Dit heeft onze Gereformeerde Kerk dan ook altijd staande gehouden tegenover vierderlei dwaling: V. tegenover de Gnostieken (vroeger ook tegen de SimonianiJ; 2°. de Arianen; 3°. de polytheisten; 4°. de philosophen.

1 . Het pogen van de Gnostieken was om zoolang de materie te verdunnen, totdat men een schijn kreeg van een phgsischcn overgang van het zichtbare tot het onzichtbare. Zij zeiden: die aarde dankt haar oorsprong aan een fijner schepsel; dat fijner schepsel weer aan een nog fijner, enz., totdat men zoodoende aan geestelijke wezens kwam, die men \'!gt;aeonen« noemde. De Bijbelsche Gnostieken zeggen: quod Deus per angelos creavit mundum; de Orientalistische Gnostieken beweren: quod Deus creavit mundum per aeones.

2°. Bij de Arianen was het: God, die niet drieëenig, maar uni-tarisch bestaat, heeft in zijne oneindige heerlijkheid eens een heerlijk wezen geschapen, u.l. den Zoon en die vioj roilt; Oror heeft te zijner tijd de wereld geschapen. Zij komen hiermede de persoon van den Zoon te na en doen tevens de eere Gods te kort. De strijd tusschen Athanasius en Arius was eenvoudig: Zal het hart van Gods kind onmiddellijk gemeenschap hebben met den Eeuwige, ja of neen ? Athanasius zeide: inquietum est cor meum, donee quiescat in te, o Domme Deus! De qod-zaliyen hebben maar één streven; om God te vinden; met den levenden God voor eigen hart innige, mystieke gemeenschap te ervaren; alles, wat daartusschen is, te verwijderen; te verzoenen, wat als scheidsmuur zich openbaart; en Gode daarin de hoogste eer te geven, dat de Oneindige in direct contact staat met den eindigen mensch. Daarentegen is het altijd het streven niet alleen van de Arianen, maar van alle dwaalleeraars geweest, om zich tusschen de ziel en God te plaatsen. Dat vinden we bij de Roomschen de priesters tusschen God en mensch, hij de ethische» -— de geleerdheid tusschen God, en mensch en ook bij Arius. Want wanneer kunnen wij slechts een Middelaar gebruiken? Alleen dan, wanneer hij waarachtig God is, in men we met God gemeenschap hebben. Daarom, is Athanasius de grooic verdediger geweest van het heil der wereld. Ditzelfde zondige streven, om, tusschen God en mensch iets in te schuwen, vinden wij ook bij de Arianen omtrent de Schepping; tusschen God en de Schepping plaatsten zij den geschapen Zoon.

3°. De polytheïstische voorstelling van Hesiodus, Homerus, Boeddha enz.

-ocr page 25-

21

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

noemt men ook wel ■» cosmoffomën«. T)e wereld is hij hen voorfgekomen uit de (joden door generatie. Bij hen wordt de aarde, de hoorn, de plant, alles in het persoonlijke genomen, h.v. Terra, Cij etc. Jan de Heidenwereld is de creatio e nihilo nudo imperio voluntatis geheel onbekend.

4°. Bij de philosophische school, zoowel in de Grieksche als in de Duitsche wereld, heerscht de voorstelling: t\'De stof is eeuwig^ en uit de elementen (vuur, waterJ is nu de wereld geproduceerd^. Tegenover al deze voorstellingen staat, dat de creatio met een instrument het hegrip van creatie zelf opheft. Voorts heeft mende voorstelling, alsof de wereld door emanatie zou zijn geproduceerd, hr zijn leeraars geweest en nu nog (vooral onder de t \'heosophen), die het doen voorkomen, alsoj de ■wereld door emanatie uit God zou zijn voortgekomen. Zij meenen, dat in Gods raad reëel de wereld besloten lag, zoodat er een zekere kracht uit God vloeide, en dat dat iets de kiem. was van alles wat bestaat. Zij beroepen zich op Pu. 90 : 2 en Gen. 2 ; 4. Ook op Act. 17 : 2amp;, amp;fov /do ytvoi fG.uti\', alsof de mensch uit God geëmaneerd was, terwijl ivij weten, dat dit terugslaat op de simïlitudo Dei, Gen.- 1 : 26. Die het krachtigst dit volhielden waren de Manicheërs, wier streven was, idt het Parsisme, uit de Christelijke en de polythiéistische godsdiensten één geheel saam te smelten. Zij beriepen zich met name op Pont. 11 : 36, waar staat: avrov. Doch in Hand. 5 ; 39 en 2 Cor. 3 ; 5 staat ook fiiov, en wij zien dus dat tx lang niet altijd een emanatie te kennen geeft.

De leer van de emanatie wordt aldus bestreden:

1°. o\' ftfós Tcvivfia t et riv; rrvfinia is in de Schrift altijd onderscheiden van stof en wereld. Dus ** mv nvivtiuTo; kan nooit het stoffelijke voortgekomen zijn. Of ook:

2°. Deus in se perfectus absolutissimusque est, apiid quem neque mutatio neque umbra mutationis est; si igitur universuni e Deo esset emanatum, aliquid, quod antea in Dei essentia fuisset, eociisset e Deo et non amplius in Deo consisteret, iinde sequeretur aliquid e Deo demptu/m esse.

Verder vragen wij: sluit de logica de product ia e nihilo niet uit? E nihilo nihil prodire potest, adeoque contra log ices, si tu diets, iiiundum creatum esse e nihilo. Antw.: lla sane est e nihilo nihil prodire potest unquam et haec logicae jirmissima lex est. omne quod exsistit aliquant habere formani, originem, fontein, unde oriatur. Sed neque Sacra Scriptura, neque Ecclesia Christiana unquam contendit, universuni e nihilo prodiisse; id quod conténderunt Sacra Scriptura et Ecclesia Christiana hoc fuit: id quod videtur, omne visibile, procreatimi esse e nihilo visibili

-ocr page 26-

22

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

et nulla materie, e nullo elemento, quod antea exsütmet. Sacra Scriptura et Ecclesia Reformat a semper contendenmt, omnia visibilia creata fuisse e pofentiu Dei, e mijedate coelesti. Causa iyitur indicatnr, orü/o, fons, unde omnia creata prodierunt et istius modi cansa, origo afque fons, qaae major est omnibus catisis, oriyinihus et fontibus, (/ui enistnnt in universo.

Twee opmerkingen ten slotte:

1°. dat de productio e uihilo ook geleerd wordt op die plaatsen, waar staal, dat er een rco/t] geweest is en dat toen nog geen dier dingen aanwezig waren, die tegenwoordig het heelal vormen. Cf. Spreuken 8 en Job 28.

2quot;. dat God de Heere wordt gezegd alleen de wereld geschapen te hebben, zonder eenig helper: Jol) 9 : 8; Jesaja 44 : 24.

Waarbij wij dan nog voegen, dat aan God toegekend wordt het uitsluitende en souver cine bezit van het heelal. Dus moet ook aan God de stof behooren, waarmt de wereld geschapen is en moet de Heere dus ook deze stof geschapen hebben. Spreuken 8 : 25; Joh 28 : 25.

-ocr page 27-

§ 1. Of de macht om te scheppen mededeelbaar is aan den mensch.

God alleen heeft, zooals wij zagen in de vorige paragraaf, de wereld geschapen sine adjutore, sine inatmmeuto, sine ewematione. Nu komt de vraag: »Kan God niet de macht om te scheppen aan een mensch geven?* De Boomschen beweren van wel. en zeggen: »creatnra creata creat crea-torenn. De R. Kerk leert n.l., dat in de Mis de priester de macht heeft om het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus te veranderen, te transsubstantiëeren; waaruit volgt, dat de Schepper de macht om te scheppen (tan het schepsel kan geren. Ten deele beweren dit ook de Socianen. Hun leer is, dat Christus als schepsel geschapen is, maar tot God geworden is, als loon voor zijn arbeid. II at hij gedaan heeft bij de schepping heeft hij dus als schepsel gedaan. De Remonstranten hebben Vorstius niet durven weerspreken en beweren dus ook, dat Christus de wereld, geschapen heeft. Ze bedoelen het met zóó, dat de creatura op één lijn kan staan met den Creator, maar zeiden: Actio ilia rn creat ore principalis est et independens, et contra in creat ura numquam principalis et independens, sed semper dependens et mutual a. Ten tweede benepen zij zich op de omnipotentia Dei en zeiden: Omnipotentia Dei ponit: Deuni facer e posse omnia. Deus, (jui creandi potentiam cum alns com -municare non potest, omnipotens nominan netjuii. Ten derde beriepen zij zich op de miracula en zeiden: Mir acuta a idem semper includere aliquant vim creativam, per homines sc. patratum esse alt (pi id novum, adeoque in wiraculis ipsis arguiuenta Demi cum creat ttra pot est at em creandi communicare posse.

Op het eerste dient geantwoord, dat die onderscheiding tusschen een actio principalis et actio dependens met mag worden toegelaten. Is het gebed van Elia b.v. het magische middel, waardoor het kind van de weduwe te Sarphat aan zijn moeder teruggegeven wordt, of heef! de Heere zelf het lévend gemaakt? God had het immers ook zonder Eha kunnen doen. Ook Jezus geneest soms met slijk en speeksel; op een anderen keer eenvoudig door het woord uit de verte; een wonder gaat dus altijd van God zelf uit. En gesteld al, dat wijn en brood werkelijk overging in het lichaam van Christus, zou dan de priester of God zelf dit wonder voortbrengen ? Waarom dan gesproken van of dit wonder verklaard uit eene creandi potestas dependens? Het begrip van creat to als eene pro\'

-ocr page 28-

24

Col/ege-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

ductio e vihilo is of onhoudhaar of moet verklaard icorden als produdio e pofentia. De potentia creatrix onderstelt het in dependen s dus. 7 Is er mee als met ademen en spreken; spreken kannen wij naar ei (jen wel-gevallen, maar ademen moeten wij, kunnen wij evenmin stuiten als den omloop van ons bloed; dat zijn involontaire werkingen, werkingen zonder potentia; want het is niet onze werking, maar een. werking in ons. Even zoo nu is het met de mirakelen, Hand. 3 ; 12 en 1G. Wat nu het tweede punt betreft, vanneer wij zeggen, dnt God die macht kan overbrengen op een mensch, dan zon daarin besloten liggen, dat Hij zelf zou kunnen ophouden God te zijn. En dat nu strijdt tegen II Tim. 2 : 13. God kan zich zelf niet verloochenen. Bovendien moeten wij onder omni-potentia Dei niet verstaan dat God alles kan, maar dat alle macht, die bestaat, vit God is. Wat nu het derde punt betreft, de wonderen behoor en niet tot de creatie, maar tot de provident ia Dei.

Men zou echter kunnen tegenwerpen, dat men toch van een genie, van een scheppend vermogen in den mensch spreekt. De Heidenen echter wisten reeds: Est Deus in nobis; agitante calescimus Ulo. In iis mo-mentis, in quibus Deus ipse in eins corde agitat, producit poet a ea, quae nondnm esse ut cognita.

Wij lezen in Gen. 1:12, dat God de aarde zoo schiep, dat se

was, uitspruitende gras, geboomte enz. en dit geeft ons een treffend beeld van het genie. God legde in den mensch de kiemen, en nu doet de mensch die kiemen naar buiten treden, ze zichtbaar worden voor de buitenwereld. Het is dus verkeerd te spreken van een kunstschepping, wanneer men een schoon schilderij of gebouw ziet; de gedachte, de kiem schiep niet de. kunst, maar God.

-ocr page 29-

8. Over den Auctor Creationis.

1°. T)eus ponitur als de Auctor Creationis Gen. 1:1; Neh. 9:6; Joh 38 : 4; Jes. 40 : 26, 28; 42 : 5; 45 :8; Acta 17 : 24; Openh. 4 : 11.

2°. »De wereld is eemciy of ontstaan uit zich zelf of uit een andere. Zij is niet eeuwig faiwrcojJ omdat er een xavapoh] is; bovendien is een uit zich zei* ontstane wereld een contradictio in terminis; om uit zich zelf te ontstaan, moet men eerst zelf bestaan, anders heeft men in den volst en zin des woords eene productio e nihilo, wat natuurlijk onzin is.

Be O116 voorstelling is die der epicuristen, dat de wereld uit atomen is ontstaan door een zekere rr/t;, die de atomen in contact met elkander brengt. Bit stuit af, omdat niet alleen de mundus materialis moet verklaard worden, maar ook de mundus spirit ualis. Be atomist en nu laten de mundus spiritual is uit den mundus materialis ontstaan; de materia \'wordt dus door hen boven den spiritus gesteld, zoodat dan ook het stoffelijke en het zingenot fijSovijJ hun meer in waarde toeschijnt dan deugd en eer. Zoo hebben ook onze tegenwoordige materialisten geen oog voor religie, kunst enz., maar verzinken in de bestialiteiten der materie.

De 4lle hypothese is, dat de natura ipsa vivens zou zijn; stof en geest worden dan als twee keerzijden genomen van eenzelfde essentia. Ook Spinoza stelde dit met alle pantheitische philosophen en onderscheidde dientengevolge tusschen de natura natural a en de natura n at u rans. liet heelal werd geducht als één organisme (gelijk ons licit aamJ, waarin het krachtige de geest (na-turansj, het zwakkere het lichaam fnaturataj is. Het heelal en de ziel van het heelal hangen bij hem samen en ontwikkelen zich uit elkaar. Be wereld, zegt hij, is oorspronkelijk een kiem geweest; uit die kiem heeft zich eerst de wereld, zooals zij thans bestaat, ontwikkeld en daarna de geest. Sommigen noemen dezen geest God, anderen de natuur. De mensch zou dan eigenlijk de hersenen van den xófsuo,- zijn. Tegen deze opvatting strijdt:

a. volgens deze theorie zijn alle kiemen eeuwig, en daar het eeuwig zijn van iets, dat aan wisseling onderhevig is, zich niet denken laat, strijdt deze theorie tegen de wetten der logica.

b. deze theorie neemt het absolute uit God, dus God zelf, weg.

c. deze voorstelling eindigt met op fatale wijze de zedelijkheid en heiligheid des levens op te heffen, door het zedelijke en stoffelijke te vereenzelvigen.

i

-ocr page 30-

§ 9. Bepaalt nader, dat de auctor Creationis niet alleen is Deus, maar Leus Triunus.

Dit is van zeer groot yewicht, omdat de voorstel!in// tegenwoordig algemeen heerscJit, dat de Schepping het werk zou zijn van den Vader alleen, en niet van den Zoon en de» H. Geest. Daarom is het in de eerste plaats noodig uit de H. S. aan te toonen, dat de auctor Creationis is God Drieëenig. Hiertoe voeren we aan:

lo- teksten als Jes. 40 : 26, 28; Openh. 4 ; 11, waaruit blijkt, dat cds auctor Creationis 6 amp;fó,\\ genomen wordt en het is

zeker, dat, waar deze namen zonder onderscheiding des persoons voorkomen, daaronder altijd God Drieëenig verstaan wordt.

2». die teksten, waarin aan elk persoon eene actio creationis is toegeschreven: aan den Vader 1 Cor. 8:6; aan den Zoon Joh. \\ : 1—3 en Hehr. 1:2; aan den H. Geest Gen. 1 ; 2 en Ps. 33 : 6.

8°. dat uit de algemeene verhouding, die de H. 8. ons lusschen God, zijn wezen en zijn werken toont, blijkt, dat alle actiones Dei ad extra Patri, Pilio et Spiritui Sancto communes zijn; en daar nu de creatio eene actio exeuns is, zoo moet volgens dien regel de Schepping aan Vader, Zoon en H. G. worden toegekend.

Evenwel, hoewel de Schrift ons dit alles zeer duidelijk leert, dient opgemerkt, dat nochtans God tgt;de Vader« oeconomiee zeer dikwijls *«r\' tjoxiji\' genoemd wordt waar sprake is van de Schepping. Men vindt n.l. ~ tweeërlei gebruik van TruTijo, 1°. voor den Drieëenigen God, 2°. voor den Vader alleen. In teksten als Matth. 6 : 6 lt;?« 9 staat nuTtjQ in den eersten zin. Daarnaast staat de bet eekenis van jruzijo, als de eerste persoon van het Goddelijk wezen, in Art. 1 der Geloofsbelijdenis en in Zondag 8 Vr. en Antw. 24 van den Catechismus, waar van God den Vader als onzen Schepper gehandeld wordt. Dit is te verstaan in dezen zin, dat er in het »innergött]icli« wezen eene onderscheiding in personen bestaat, en dat die onderscheiding iets aan den Vader toekent, wat niet toekomt aan den Zoon en den H. G. Dat bijzondere karakter van den Vader bestaat hierin, dat hij Hem hoort de praepositie i%, welke de H. S. dan ook steeds hij den Vader gebruikt. De Vader is 6 oï, want ix tov Tjctioo^ ityvu\' o vió,-, tx tou jT«r/«),■ tan tu nvtvfia ayior, c\'| avvov tan\' r« mcrru, omdat alles zijn grondoorzaak heeft iv toj ixutq\'i. Dit

-ocr page 31-

27

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

ov is niet toegekend aan den Zoon; bij Hem luidt de praepositie steeds Sia, de Zoon is ó 8! ov. In het ^innergöitlicht. wezen bestaat alleen deze pracferentie van den Zoon boven den H. G., dat de H. G. niet alleen uitgaat van den Vader, maar ook van den Zoon »e Patre Filioque». Over deze laatste bijvoeging was echter steeds strijd tusschen de Griekse he en Boomehe Kerk, en deze uitdrukking is feitelijk onzuiver, in zooverre daarmede een ov« aan den Zoon wordt toegekend. Het ov of ay\' ov is altijd oeconomice de nota Patris, 8i ov de nota Filii, zoodat de volkomen zuiverheid van dezen uitspraak »Filioque« iets te wenschen overlaat. — De Heilige Geest bekleedt in de Drieëenheid geheel de instrumenteel e, ministeriëele plaats; Hij dient om het werk van Vader en Zoon tot leven te brengen; de door Vader en Zoon toebereide lamp te ontsteken. Hij doet dit echter als God en deelt dus geheel in de eer. — Na deze uiteenzetting van het afzonderlijk werk der drie personen zullen wij ook begrijpen, dat in de H. S. de Schepping in bizonder verband wordt gebracht met den Vader. Bij de Creatie doen zich n.l. drie vragen aan ons voor: Undenam ? Per cquem ? en Quo nam Instrument o ? De diepste vraag is: Undenam? t\'l ov? Dat is de reden, dat oeconomice hij alle oorzakelijkheid notione ordinis metterdaad de rictTtjn meer op den voorgrond treedt, Acta 4 ; 24, 26, 27; Act. 17 : 24 cf. 31, en IlCor. 4:6. (Ook in deze laatste plaats moet nog wel onderscheiden de tegenstelling van Trartjn tegenover violen van TrartjQ tegenover Christus. De eerste is die tusschen twee personen in una divina essentia; de tweede is tusschen Deus triums en den Messias. Als Christus bidt, bidt hij fader, Zoon en H. G. aan.)

Deze waarheid, dat God Drieëenig de wereld schiep, moet ook in onze dagen weer op den voorgrond geschoven. Prof. Boedes bestrijdt haar. Boor hem wordt de Brieëenheidfeitelijk opgeheven; 6 ttut^q is volgens hem de eigenlijke God. Hij beweert, dat als er van God sorake is, er alleen sprake is van ó en dat de H. G. en de Zoon ook wel God

genoemd worden, maar alleen omdat God buiten zich zelf nog twee Goddelijke wezens heeft. Bit stelsel leidt tot trithéisme.

Maar niet alleen in onzen tijd tegenover prof. Boedes, neen ten allen tijde heeft de Christelijke Kerk er op aangedrongen, toch vooral zuiver te zijn op het punt van de Brieëenheid. If at is hiervan de reden ? Het greote belang van allen godsdienst is gelijktijdig vast te houden:

10. aan de meest absolute onderscheiding tusschen Schepper en schepsel.

2°. aan de innigste gemeenscha1» tusschen God en mensch.

Be ketterij heeft altijd gepoogd daar iets tusschen in te schuiven.

-ocr page 32-

28

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Als wij een absolute scheiding hebben, kan de vereeniging niet anders tot stand komen dan nvtviiccvixw^. Het schepsel echter heeft altijd getracht de vereeniging te zoeken in zijn oorsprong; dan immers is de mensch ontslagen van geloof en heiligmaking. Alle godsdienst weet, dat hij geen rust vindt, dan wanneer hij die vereeniging gevonden heeft; daartoe slaat hij tweeërlei weg in, of door den oorsprong, waardoor men uit God komt, of langs den weg, waardoor men naar God toekomt. De Schrift legt het zwaartepunt der vereeniging in het laatste, de mensch in het eerste. Hij doet dit op vierderlei wijze: Ariaansch, Gnostisch, Emanistisch of Pantheïstisch.

I. Het streven van het Arianisme ligt uitgedrukt in deze stelling; »De afstand tusschen God en mij ia zoo gioot, dat ik niet door God geschapen kan zijn. Geef mij derhalve iets, wet tusschen God en mij instaat a Hun antivoord was: gt;Dat geef ik u in Jezus; Jezus is geen God en ook geen mensch, maar iets tusschen beide in, die u aan God verbindt, met door verlossing, maar als een soort tusschenschakel tusschen schepsel en Schepper.*

II. Op gelijke wijze handelen de Gnostieken; alleen breiden zij het Arianisme meer uit. Volgens hen is er een eeuwige diepte, die eigent. God is, en uit die diepte komt een soort wezens, dat iets minder is, ui( die wezens weer mindere wezens enz., totdat zij eindelijk komen aan het schepsel. Zij doen dit verschillend; sommigen zeiden, dat de Jehova van Israël eig. maar de Sijutovo/o; was, dien de diepste God tot het scheppen der wereld gebruikt had; anderen beschouwen Jezus als den Sjjuiovnyo;.

TH. De Emanatisten, eigenlijk een onderdeel der Gnostieken, leeren, dat wij niet uit Gods wil, maar uit de essentia Dei geschapen zijn.

1V. Het Pantheïsme, dat thans vooral heer schil, zoekt een anderen overgang, het zegt: »Met een absoluut God kunt gij geen gemeenschap hebben, dus negeer ik een absoluut God. God wordt pas. Hij is er nog niet; naarmate het schepsel meer in staat is gemeenschap met Hem te hebben, wordt God meer Godlt;. Er is dus een gelijktijdige groei van God en mensch. Eerst dan, wanneer de mensch tot volkomenheid zal geraakt zijn, zal ook het infinitum, het Goddelijke, volkomen wezen.

Tegenover deze vier ongoddelijke pogingen, om den mensch van geloof en heiligmaking af te brengen, stelt de Kerk hare belijdenis: »dat wij geschapen zijn door Vader, Zoon en Heiligen Geest, waarmede dus geloochend wordt-, a. dat er een lusschensehepsel is;

1). dat God, op panthëistishe wijze, zou, »worden*.

-ocr page 33-

§ 10. Annon Deus universo creando subiret mutationem.

De reden eer iv// der tegemlanders luidt: » Gij zeyf, dat God onveranderlijk is. Daarmee is uw belijdenis van eene ere alio rerum onbestaanbaar, want als God de wereld geschapen heeft, dan is er één moment waarop die wereld f/esch apen werd, maar dan yiny er ook een reeks van momenten aan de scheppiny vooraf, waarop God niet schiep en volt/t er een reeks van momenten, waarop God niet zal scheppen. Kr is dus een wisseling van toestanden in God, en waar wissel in// is, is (/een (/elijkblijinnrj, maar verandering, mutatio; en dat nog te sterker, omdat, waar gij de schepping in uno quodam momento belijdt, de vraag kan gesteld worden, wat God in die eeuwigheid deed, die aan de Schepping vooraf ging; zoodat gij niet alleen een verandering van toestanden leert, maar zelfs deze verandering dat God eerst olios us was en toen creans vel operans werd. Antwoord :

lste bij de creatio moet wel onderscheiden, de ere alio active sump t a en passive sumpta. Passive geldt de creatio van id quod creatur, active van hem qui er eat. In zooverre nu de creatio passief genomen wordt, is zij zeer zeker aan een moment gebonden; maar active is dit geheel anders. Active sumpta mag de actio creandi niet afgescheiden worden van de voluntas creandi en die voluntas ontstond niet, toen de wereld passive geschapen werd maar van eeuwigheid tot eeuwigheid,zoodat zij ook niet ophoud! na de schepping, maar voortduurt, xvant anders zou al hef geschapene redire ad nihil. Daarom verwezen de vaderen altijd naar de simplicitas Dei n.l. dat er geen onderscheid is in God tnsschen essentia en accidens of m. a. w. dat de eigenschappen niet komen bij het goddelijke wezen, maar in de essentia Dei begrepen zijn. Het decretum Dei is derhalve Deus decernens en de creatio Deus creans. God blijft altijd de Deus decernens; hierin is ge ene verandering; maar God is tevens altijd, creatione active sumpta, de Deus creans.

\'2^° Hebben onze vaderen geantwoord: » Voor ons bestaat een ding niet, of wij moeten het kunnen waarnemen. A!zoo is V niet met God. Voor God bestaat elk ding lste in decreto 2tl0 in universo. IVat is nu meer reëel? Is het bestaan in universo gevolg van het bestaan in decreto of omgekeerd ? Het antwoord luidt hierop natuurlijk: Het bestaan in decreto is oorzaak van het bestaan in universo, het bestaan in universo is wissel-

-ocr page 34-

30

Co/lege-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

valliff, verandert geduriy; in decreto daarentegen bestaat de wereld voor God van alle eeuwigheid af. Er is dus nooit een moment denkbaar, waarop de reflex van de wereld voor het eerst bij God zou zijn hij gekomen. fan eeuwigheid af heeft God deze wereld gekend, met al wat er op doorworsteld en doorleefd is.

3de is er geen mutatio, omdat er niets bij God bijkomt of van Hem afgaat. Verandering ontstaat als ik iets aan eene zaak toevoeg of er af neem. (De Theosophische stelsels brengen verandering in GodJ. Volgens de H. S. is de Schepping niet dat er iets uit God gaat, maar dat God in essentia eeuwig dezelfde blijft en dat alleen door de voluntas Dei alles wordt te voorschijn geroepen. Ook komt er bij God niets bij. Er gaat mets van God af, evenmin als van ons gezicht, wanneer wij ons laten phiotograf eeren of van ons lichaam, wanneer onze schaduw op aarde valt, of wanneer wij met een licht andere lichten ontsteken. Het eenige verschil is dus, dat de t)o|« xov O-to\'u, die van te voren alleen »innergötHich,« bestond, nu door de Schepping »aussergöttlich« uitstraalt.

Vraagt men dan nu, waarom men dan van geen eeuwige schepping kan spreken, dan luidt ons anticoord: omdat te spreken van eene ereatio aeterna even absurd is, als te spreken van een circulus quadrans. Want de ereatio onderstelt een moment van begin en eeuwige ereatio heft dat moment op. (Men moet dus zeggen ^eeuwig aanzijn«.) Be Pantheïsten leer en dit dan ook of Spinozistisch of op andere wijze. Men heeft derhalve de keuze of God eeuwig te laten en de Schepping niet of de schepping eeuwig te maken en dan het essentieele van Gods wezen te verliezen.

Vraagt men dan nu, waarom God niet voor 600,000 jaar of voor 6 millioen jaar de wereld geschapen heeft, dan is ons antwoord: Stel de schepping had 6,000,000 jaar bestaan, dan zouden die 6 millioen jaar moeten gekomen zijn door een proces van jaar op jaar; dus zou er ook een moment geweest zijn, waarop de wereld 6,000 jaar bestaan had. Men zou dan ook wel kunnen vragen, waarom de wereld niet 60,000,000 jaar bestaan heeft, en zoo zou men in het oneindige kunnen teruggaan. De vraag is dus onzinnig:

a. omdat men met een oneindige grootheid te doen heeft.

b. omdat de Schrift zelf ons den weg aanwijst, om ons aan te toon en, hoe ongerijmd zulk eene voorstelling is; want zij zegt: Voor den Heere is één dag als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. Wit dus moet geantwoord is dit: Eeuwigheid en tijd zijn twee begrippen alius generis en ongelijkvormige grootheden kunnen niet met elkander gemeten worden en

-ocr page 35-

31

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

dus kunt (/ij de eeuwigheid niet meten met den tijd. De Schrift noemt dan ook eeuwigheid: Dip het donkere, duistere enthSy het bedekte, waar

men de onderscheiding verliest.

Men vraagt verder. W\' aar om stelt gij het decretim aeternum en waarom niet toegegeven, dat de creatio Dei ook het eeuwig karakter aan het decretim ontneemt? — Antwoord:

Het decretum divinum is een opus ad intus en ligt in God zelf, zoodat het decretim geen oogenhlik van God af scheidbaar is, maar als samen valt met het wezen Gods, in het wezen Gods besloten ligt en dus eeuwig moet zijn. De creatio daarentegen is een opus ad extra; zij beperkt niet Gods essentia; door haar ontstaat alleen relatie met het Goddelijk wezen, geen mutatie in het Goddelijk wezen en dus is zij niet eeuwig.

Wat leert nu de 11. S. dienaangaande?

1ste \'/jij teert zeer beslist, dat wij onze gedachten ook moeten richten op hetgeen aan de Schepping vooraf ging. Dit blijkt vooral uit de dikwijls voorkomende uitdrukking: noó xurapoXi^ xóauov, o. a. Matth. 13 : 35. Verder huk as 11 : 50, Matth. 25 : 34 en Joh. 17 : 24 füjró xaTarioXij; xóapov is eene vertaling van Fs. 78 : 2 Clp quot;OO; de heide uitdrukkingen zijn identisch.) In Joh. 17 : 24 wordt van eene goddelijke werking (/esproken niet alleen njió maar ook noó y.ura-io/.ij,-; dus voor dat de tijd begon, voor dat de Schepping er ivas; nl. het nyu-jav door den Vader van den Zoon. Verder Eph. 1 : 4, Hebr. 4 : 3; 9 : 26; IPetrA :20; Openb. 13 : 8. 7 Zelfde vinden wij met andere woorden Ps. 90:2. »eer de bergen geboren waren, waart gij GW/« terwijl in Job 28 en Spr. 8 uitvoerig aangetoond wordt hoe de aoyia reeds bij God aanwezig was, voor nog de stofjes der wereld geschapen waren.

2de ]je //. S. stelt een \'k\'ï.\'h moment, waarop de. dingen die zijn, begonnen zijn te zijn, zoodat het bestaan van een do^tj als primum verum op den voorgrond treedt Het O. T. begint reeds met In den

stroom der eeuwigheid is dat begin gesteld. Ook in het N. T. vinden wij dezelfde uitdrukking ;-V dn-fi] Joh. 1 ; 1.

3de De H. S. teert ons, dat er is een verloop van tijd. Nadat de doyjj (/esteld is, poneert de II. S. dat tijdsverloop in Gen. 1 : 3 en 5 •Den het was avond en het was morgen geweest*, en wel door het intreden van het licht. Zoodra het licht er is, is het morgen; zoodra het licht daalt is het avond. De wisseling der momenten in absoluten zin, ontstaat dus door wisseling van licht en duister. Daarna poneert de 11. S. dat

-ocr page 36-

32

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

nu in dit verloop van tijd, de inwerkingen loorden gebracht van de groote teekenen, zon, maan en sterren. Daaruit ontstaat dan de indeeling van dag en nacht en hunne onderaf deelingen.

4(le De II. S. leert cm dat er een moment komt, icaarop dat verloop van tijd weer zal verdwijnen. In Openh. 21 : 23 \'wordt gezegd dat de rft.io; en (tthivi] in het Nieuwe Jeruzalem niet meer schijnen zullen en daar dus ook geen dag of nacht meer zijn zal; en in Openh. 22 : 5 dat er geen nacht meer zijn zal; dus de duisternis, waarmee de eerste breking in de eeuwen gebracht werd, houdt dan on; zoomin het aetlerisch als het kunstlicht zullen dus meer noodig zijn xt/iuio,- /«o i-n\' avxovi yioruï; en daarna wordt het verdwijnen van den tijd met deze woorden aangeduid: xul fiuaiXttlaoviïii\' roe,\' «?«)/•«,■ tów ut\'ojvojr. In I\'s. 72 : 5 was dat reeds van te voren aangeduid.

Als wij deze gegevens van de Schrift samen vatten, krijgen wij de volgende voorstelling:

lste er is eene eeuwigheid, een eeuwig leven in God vóór de xaTapolij

TOV KOCljlOV.

2de in dat eeuwige de Schepping voorafgaande leven, heeft de Heere een O-thjuu, een (iouXij, en daarin liggen de kiemen waaruit de xon/to,\' zal voortkomen.

De Schrift leert dus metterdaad, dat er een overgang, een progressus is; er wordt eene incisio gemaakt, maar niet een overgang van het niet -zijn tot het zijn, maar een overgang van een zijn in de voluntas Dei ad int us tot een zijn ad extra. Nadat de Schepping tot stand gekomen is, leert de Schrift nu niet, dat het weer uit is, \'dat de actio externa Dei ophoudt, maar dat zij voort gaat; m. a. w. een overgang van creatio tot sustentatio. Onderscheiden van deze beide is weer de dominatio. Eindelijk leert de II. S. dat daarna de Heere ook nog teeg en middel vindt, om dat schepsel op te nemen in de eeuwigheid. Dus weer een overgang, die plaats grijpt bij de wederkomst des Heer en. En niettegenstaande al die overgangen, heeft er toch geen mutatie in God plaats; het is er mee als met een schrijver: hij onderzoekt, peinst, ordent zijn gedachten, en stelt die te hoek; en terwijl nu die arbeid geschiedt, wordt het hoek voorbereid voor de uitgave. Eindelijk is de arbeid gereed; het hoek wordt gedrukt en uitgegeven. Ook hier heeft men overgangen; eerst in de gedachte, vervolgens in het hoek en zoo in de wereld, toch heeft de persoon zelf geen verandering ondergaan. De uitgave van het hoek is wel een overgang, maar brengt volstrekt geen mutatio in den auctor rei. Alle pogingen om verder te komen, deze zaak helderder en duidelijker te

-ocr page 37-

33

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

maken, brengen niet meer licht maar meer duisternis aan. Men moet daarom echter niet zeggen, dat de Theologie hiermede haar taak volbracht heeft; zij heeft ook de roeping om deze leer der H. S. te formuleeren, en wel zoo, dat gevaren van beide zijden worden afgeweerd. Hier heeft de theologie de roeping te zorgen, dat de formuleering van dit dogma zóó geschiede, dat God niet in het eindige en het geschapene niet in het oneindige worde getrokken, \'t Eerste doet het pantheisme, dat spreekt van een ^wordenden God\'; \'t laatste zij, die van eene creatio aeterna spreken. Wij hebben das, tvanneer wij over God en de wereld spreken, twee onderscheidene factoren, één eindige en één oneinduje. die tijdelijk en eeuwig in beginsel tegenover elkander staan, en het groote probleem is, hoe deze beide bij elkander te brengen freligio wordt ook wel vertaald door »verbinding\'!, en dit is juist; het was altijd het werk van den pontifex, dat hij twee oevers verbinden moest; en zoo is de religie de band tvsschen God en ons hart, het centrum van den godsdienst.) Ook hier bij de creatio komt dus de kwestie van »verbindinf/«. te pas, en is de groote vraag hoe deze twee factoren, die elkaar uitsluiten, wijl God, eeuwig en oneindig, de wereld tijdelijk en eindig is, te verbinden.

Wij hebben hiertoe drie wegen:

late De eene school zegt: schrap den eersten factor wei/ en alle moeilijkheid is verdwenen.

2,1(\' De andere school zegt: neen, niet de eerste, maar de tweede factor moet geschrapt.

7 Eerste antwoord geven de materialisten; (de dwaas zecjt in zijn hart: »daar is geen God«); de Epicuristen ftjdovij tan to dyaiïór, «oiiiTorJ; en feitelijk ook He gel door een wordenden God ie stellen.

Het tweede antwoord geven de Idealisten, en onder de nieuwere phi-losophen Fichite, wiens leer is, dat buiten mij niets bestaat, en dat alles, wat wij meenen, dat bestaat, eenvoudig product is van ons eigen ik. Zij meenen aldus een eenheid gevonden te hebben. Dit is echter geen oplossing, maar vernietiging.

3de Een derde poging, die noodzakelijk op den rechten weg voeren moet, omdat zij beide termen laat staan, tracht uit den eenen factor in den andere over te komen. Hierbij zijn twee wegen mogelijk:

a. of door het tijdelijke in het eeuwige te dringen,

b. of door uit het eeuwige in hiel tijdelijke te dringen ; of anders gezegd door het eeuwige met den maatstaf des tijds te meten of omgekeerd. Tijd en eeuwigheid zijn ongelijksoortige factoren, men moet derhalve zoeken of de eeuwigheid zoo te analgseeren, dat zij in een formule van tijd

-ocr page 38-

u

Óollege-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

kan worden nitfjedrulcl (xquot;J of mei) tracht in de eemoiyieid den tijd uit te drukken; (door den V uit x te. zoeken.)

De schrift wijst ons aan, dat de tijd niet is de maat om het eemoifje te meten, maar dat omgekeerd de eeuwigheid is de basis van den tijd. Dit teert duidelijk Prediker 3 : 11, God plaatste den in de

harten der menschen, en dat hart is als V ware de poort, waar het eeuwige en tijdelijke elkander ontmoeten.

De schrift leert ons dienaangaande dus:

lste dat de eeuwigheid is de grond, waarop het tijdelijke rust.

2\'Il\' dat de eeuwigheid aldaar de inhoud van den tijd blijft.

•j,le dat de eeuwigheid ook nog zijn licht laat doorschemeren in de donkerheid can den tijd en wel in het hart van den mensch.

4,le dat het tijdelijke in den mensch weer wordt opgenomen in het eeuwige, cds de profetie vervuld zcd worden: «jwmT in\' uvtov^ -/.ui ftuni/.tt\'aovaiv c!,- roe,- «iüt\'u; rtor idcorwr.

Langs dezen weg leert ons de 11. S. de /.üOuoai,- vinden; voor dien tijd worstelen de beide factoren in ons hart; daarna rusten wij in den vrede Gods. Bij de kinderen Gods is dit probleem opgelost. Neem twee menschen, de een tot God bekeerd, maar een eenvoudige in den lande; de andere niet bekeerd, maar een der grootste denkers, die al deze (je-dachten heeft nagevorscht. En wat ziet men nu; dat de eerste dien heerlijken vrede heeft, een bewijs, dat waar de eeuwige God in het hart raakt, de ziel niet meer ontrust is; terwijl de tweede rondt ast als in dikke duisternis, zonder ooit ruste te vinden.

En. wanneer men dan nu ten slotte vraagt : »Maar vóór de Schepping, wat is er toen gebeurddan is ons antwoord: Uw vraag is een ongerijmdheid, wanneer gij daarojj een antwoord verlangt, dat u in dezen vorm des levens zou voldoen; dat kunt gij alleen weten door openbaring.« Kant heeft de verdienste, hier vooral licht in te hebhen aangebracht. Kant, die de categorieën van ruimte, tijd, enz. genoemd heeft categorieën van het menschelijk bewustzijn. Hij heeft aangetoond, dat elke poging om dit probleem op te lossen onmogelijk is, dat men van het tijdelijke in het eeuwige niet komen kan, zoodat men moet belijden voor onze voorstellingen omtrent den tijd vóór de Schepping alle zekerheid te missen. En op die vraag, wat God heeft gedaan, vóór den tijd der Schepping, kunnen wij (dleen uit de Schrift dit antwoorden : God, heeft zich eeuwig vermaakt in zijn schepping, evengoed toen zij nog in het deer et um Dei verborgen lag, als toen zij naar buiten was getreden. En ook innerlijk

-ocr page 39-

35

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

doet God volkomen hetzelfde, wat Hij deed en doen zal, d. i. leven en zalifjheid (jenieten uit het innerlijk samenleven van den Vader, den Zoon en den Heilu/en Geest.

Op (/rond van de II. S. mogen wij dus spreken :

lste van een eewwif/ leven en werkzaamheid van Godook noó yiuxafto).^ rot\' y.óauov.

2lt;le dat vit dat eeuwige zijn een over (jan;/ heeft plaats f/ehad lot de ereatio; dat voorzoover nil dien overgang eene verandering plaats greep, deze niet was in het wezen Gods maar in de relatie tot God, doordien God vroeger buiten zich geene relatie had, maar door de schepping een relatie ad extra kreeg.

Heeft nu de Theologie, na deze heide resultaten, niets meer te doen? Voorzeker, de theologie moet pogen de mysteriën en dus ook dit dogma, op te lossen ; zij moet pogen hij dit en hij alle mysteriën der II. S. de consequentie van twee zijden zoo af te toopen, dat zij tot eene formuleering geraken kan. De dialectiek leidt tot een heg rip, een definitie en heeft nu te waken, dat in de fonuideering niets insluipt, wat te kort doet aan het wezen Gods of aan de natuur der ereatio. De zelfgenoegzaamheid Gods (/aal te loor, indien ik aan de Schepmng een noodzakelijk bestaan toeken, ■want dan is er immers eene lacune in God geweest die door de ereatio werd aangevuld. Zoo ook met betrekking tot den wil, tot het raadsbesluit Gods; het moet eeuwig zijn; zet ik het dus in den tijd, dan beroof ik het van zijn eeuwig karakter. Evenzoo als ik belijd: er is een God en tegelijk de Brieëenheid loochen, dan blijft er voor dien God geen werk-zaaiiiheid over ttqó rij; xccrapolfj^ rot\' xóguov. En toil ik eindelijk door den actus purisfimus te ver op den voorgrond te dringen iederen overgang in God wegnemen, dan moet de dialectiek aantoonen, dat daardoor een God komt, van wien geen wedergeboorte, geen gehedsverhooring enz. kan komen, omdat deze altijd een overgang in God veronderstellen.

[Het wonder is altijd het inkomen van den deus agens in de Schepping; zoo is h.v. de gehedsverhooring het inkomen in de schikking der aangelegenheden; zoo ook de wedergeboorte een inkomen van den Deus agens in het zondige hart enz. Loor dit te ontkennen zou men alle mysterie wegnemen uit de gehedsverhooring, de wedergeboorte enz. en dit nu mag niet; men moet het mysterie zijn vollen eisch laten.\']

-ocr page 40-

§11. Creatio Dei est actio libera.

Actio libera ml zeggen; Pof uit Deus create mundum, zed potuil etiani non create tel aliter create.. Tegenwoordig is het vrij algemeen, niet alleen buiten de Christel, wereld muur ook onder orthodoxen de gewoonte de actio creundi als necessatia voor te stellen en te beweren, dat God geen andere wereld kon geschapen hebben, dan die welke Hij (/eschapen heeft. Men maakt de actio creandi aldus necessatia en hieft zoo de vrijheid Gods in het al of niet scheppen op. Be vraag nu of de actio creandi necessatia of libera is, bedoelt eig. wat is de laatste en diepste grond, waaruit de wereld voortgekomen is? Cut creavit Deus? Quia voluit an quia deb uit? De heidenen hebben 7 altijd voorgesteld, dat hun goden de wereld geschapen hebben, tjuia debaerunt. Zij plaatsten n.l. boven de goden nog een fatum, en dal dwong hen tot scheppen. Tegenwoordifj redeneert men wel niet in dien zin, maar zegt toch: gt; God moest«. Welnu, laten wij dit een oogenblik aannemen en dan vragen: Debuitne propter causani ex tra se post lam of in se positam? In het eerste geval krijg ik iets buiten God, waarvan God afhankelijk is, dus een God boven God; zeg ik het tweede, dan loochen ik de sifjicientia Dei, want dan nemen wij aan, dat God et nog iels bij moest hebben om volkomen te zijn, \'t zij door dal et in God zelf eene lacune was, \'/ zij door gemis aan een plaats waar Hij zijn krachten kon uitoefenen.

Sommigen redeneer en hierbij aldus: »God is liefde, liefde kan niet zonder een object zijn; dus moest God de wereld scheppen^. Natuurlijk zeggen dit alleen de Unitariërs, want de Trinilariërs weten, dat de liefde des V\'.uiers zijn, Eengeboren zoon tot voorwerp heeft.

Derhalve is de Creatio niet geschied quia Deus debuit, sed quia voluit; niet in dien zin alsof de Heere God zich eerst eenigen tijd zou bedacht hebben, voor Hij de wereld schiep, maar in den zin van het eeuwige willen en welbehagen Gods. Triandaar dat de H. S. ons altijd wijst op de JoiAij, fït/.ijUH en tvdo/.la rov 9 tov als op den laatst en grond. Vandaar ook dat Ps. 102 : 27 zoo krachtig uitdrukt, dat hemelenaarde vergaan zullen, wat natuurlijk niet kan gebeuren als zij noodzakelijk waren voor God.

\'t Zelfde geldt van \'t ygt;potuisset aliter create.« Natuurlijk kon de Heere God (/een wereld scheppen in strijd met zich zeiven, met zijn wezen, daar de Schrift leert, -!gt;dat God zich zelf niet verloochenen kan.« In dien zin

-ocr page 41-

37

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

is dus het potuisset aliter creare geenszins te verstaan. Wut wil deze uitdrukking dan zeggen ? Dit, dat als de wereld zoo zijn moest, als zij nu is, het deer et um Dei gebonden en niet vrij zou geweest zijn. Bet decretum bepaalt immers, hoe de schepping zou zijn, en hoe de historie in de wereld haar pad zou afloop en. In het decretum Dei is dus elke persoon, elke relatie, elk vermogen, elke ontwikkeling der dingen gegeven. Zoodat te zeggen: \'gt;gt;potuisset non aliter creare« hetzelfde is als: potuisset non aliter decernere. Wie dus vooraf gezien heeft, dat het decretum Dei vrij ts en niet neces-sarium, moet ook erkennen, dat de creatie libera is in hare modaliteit.

Bij al deze quaesties blijft steeds de vraag: Stelt gij het bepalend ■motief in God of in het schepsel, en is het altoos weer de strijd tusschen Pelagius en Augustinus, tusschen Erasmus en Luther. De ketterij tracht expresselijk deze mysteriën te verminken en te besnoeien, op dat naderhand hare doling er in passen zou. Zij betreffen dus rechtstreeks de godsvrucht. Wij moeten weten, wie onze God is, omdat anders de troost en de vastheid der ziele weggaat. Wie zuiver de lijnen in deze dogma s trekt, aanschouwt ook de heerlijke vrucht, dat de godsvrucht in zijn- eigen hart en in zijne omgeving op de rechte wijze groeit en bloeit.

-ocr page 42-

§ 12. De Schepping in verband met de drie Personen van \'t Goddelijk wezen.

lste De Vader is de bron, de fontein, de sprinkader, de oJ,« niet alleen ten opzichte van de stof, maar ook van de gedachte, die in die stof bezielend ingedragen wordt, en ook van het leven, waardoor de bezielde stof tot actie geraakt. I Cor. 8 : 6. Bom. 11 : 36.

2de De Zoon is de schikker van het schepsel naar het decretum Bei; dus niet uit den Zoon komen stof, gedachte en leven maar did rov vlov. Be Zoon is »6 öi\' lt;gt;v.« Door Hem komt de. stof, de wijsheid en het leven van het schepsel, maar zoo dat Hij niet anders doet, dan de uit den Vader voortgekomen stof, wijsheid en leven, schikken naar het decretum Bei. Job 28. Spr. 8. I Cor. 8 ; 6. Coloss. 2 : 3.

3de Be Heilige Geest is de ontvonker, de bezieler, de brenger des levens fveni creator, vivificatorj die het uit den Vader gekomene en dooiden Zoon naar het decretum Bei geschikte stof, gedachte en leven, in beweging en tot zijn levensuiting brengt. Be wijsheid, b.v. die in de wereld ligt, is de ontwikkeling van de levensgedachte uit den Vader, door den Zoon geschikt, maar door den H. G. ontvonkt en tot werking gebracht. Be dichter dicht alleen door den Heiligen Geest, de kunstenaar brengt door dien Geest zijn kunstwerk voort, de huismoeder wordt in haar dagelijksch bestier door dien Geest geleid. Job. 33 ; 4. — Ps. 104 : 30. — Ps. 33 : 6.

Beze paragraaf geeft derhalve aan, dat terwijl het decretum en ook de creatio het werk is van God Drieèenig, nochtans (economice d. i. als opus intra Beum, er een onderscheiden werking van de drie personen in de creatio plaats grijpt, die door de drie praeposities 8ia en fiV het best wordt aangegeven.

Be Vader is 6 ov.

Be Zoon is ó Öi\' ov.

Be H. G. is Hij, ö,- ayti fis uvtov.

-ocr page 43-

§13. Creatio duplex.

De Creatio is duplex: lste een creatio e niidlo.

2de een » e jam creatis.

Men zou zich de creatio ook zoo kunnen denken, dat God op een gegeven oogenhlik alles geschapen had, zooals wij nu op dit oogenhlik de dingen zien; dan zouden wij echter een mechanische schepping krijgen. Dat denkbeeld nu verwerpt de 11. S. en stelt daarvoor m de plaats eene creatio duplex, die verschillende perioden doorloopt en in verschillende categorieën uiteen valt: n.l.

1 in eens e nihilo.

2 in meerdere perioden, waarin successieve opklim ming plaats heeft, e jam creatis.

Omdat nu de wereld organisch bestaat, is ook het een uit het ander organisch voortgekomen en ontwikkeld en is er daarom een progres, zoodat eerst de creatio e nihilo, daarna die e jam creatis heeft plaats gehad. Zie Gen. : 1 en Gen. 1 : 2—27.

Intusschien, is ook hier misverstaml mogelijk, waardoor de belijdenis onzuiver zou gemaakt worden. Men stelt het n.l. soms voor, alsof God in den beginne niets geschapen zou hebben, dan wezenhoze atomen en alsof God naderhand daarin het leven had gebracht. Ook deze voorstelling strijdt met organische ontwikkeling; alle elementen, waaruit zelfs het fijnste organisme bestaat, zijn in de oorspronkelijke Schepping aanwezig geweest. God heeft door combinatie van sommige elementen telkens een nieuw element in de Schepping ingedragen. Evenals een menschi geboren wordt uit vader en moeder en toch een nieuw element representeert, evenzoo is in 2(1(: schepping het nieuwe telkens uit het bestaande organisme genomen, maar zóó, dat er een nieuwepotentia creatrix divina bijkomt. God legt in de stof en de aansluiting aan het oripmische leven (Gen. 1:11 jnxn Nsr-iri gt; dai de aarde uitschieten èn den nieuw bijkomenden scheppen

T T ■ \' _ *

den wil Gods fST TOfÓlJ Dat God sprak: Daar zij licht, voordat Hij

gezegd had: gt;dat de aarde voorthrenge grasscheutjes*, was geen toeval, maar dit moest, omdat licht een noodzakelijk bestanddeel is om een plant onjaniseh in het leven te doen treden. — Dit mag echter niet verward

-ocr page 44-

40

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

wet de providenha en susfenfatio Dei. Het geboren worden van een mensch valt onder de provident la en sustentatio, omdat hetgeen nu in \'t leven treedt, mets anders is dan de individueele repetitie van de soort; terwijl Adam en Eva geschapen werden om de soort zelf aan te geven.

-ocr page 45-

§ 14. Het doel der Schepping.

Deze parcujraaf behandelf de maag: cttr universum creation sit ? Hierop zijn 3 antwoorden mogelijk:

1ste propter üeum.

O01® » hominem.

3Jf\' » se ipsurn.

Het antwoord, dat de H. S. hierop geeft, vinden wij Spr. 16 : 4. Dezelfde gedachte vinden wij Bom. 11 : 36; Ps. 8:2; Ps. 19 ; 2; Rom. 1:19 en 20. Het getuigenis van de H. S. is dus dat alle dingen om God geschapen zijn en dit getuigenis beveelt zich tevens als het meest natuurlijke van zelf aan het menschelijk bewustzijn aan.

Stel op een eiland in de Zuidzee leefde iemand alleen, zonder te weten, dat er meer menschen waren, dat er ecu wereld was buiten dat eiland. Zou deze man dan niet alles doen om zijns zelfs wil? En daar nu God, het eeuwige wezen, er geweest is, voor er nog eenig object bestond, wat kau daar anders het motief van zijn werken zijn, dan om zich zelf te verheerlijken ? Het einddoel valt altijd samen met het diepste motief ; als iemand een huis bouwt is het einddoel eensluidend met den eersten beweeggrond —. quod primum est in vol nut ate. semper e.rtremum m excuïtione opus. Wij mogen dit echter niet zóó opvatten, dat God de wereld noodig had; maar zóó dat Hij gewild heeft eenc wereld, waarin Zijn heerlijkheid en deugden konden uitstralen. Jlet is er niet mee als met eene vrouw, die een kind wenscht te bezitten, om zich er mee te occupeeren; want in den drieëenigen God zijn Vader, Zoon en H. G. het adaequate voorwerp van elkanders liefde, denken en bewustzijn. Te stellen, dat God de mensch geschapen heeft om zijn bewustzijn aan hem te out wikkelen, is even dwaas dis te zeggen, dat een wijsgeer een kind van 2 jaar bij zich plaatst met het doel om zijn bewustzijn in het bewustzijn van dit kind te rejlecteeren.

Met te zeggen, dat alle dingen zijn om Gods wil, wordt tevens uitgedrukt, dat alle dingen gaan om. het hoogste ideaal en dat derhalve nooit voor utiliteit, de vlag van het ideale mag gestreken. Cf. Ps. 50 : J0 12. De utiliteitsman moet voor alles een doel aangeven, waarom het geschapen is (bosschen om lucht te zuiveren, water om te varen enz.); dit wordt door de H. S. veroordeeld, omdat God m dezen Psalm er op wijst dat

6

-ocr page 46-

A2

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

er veel phuilcn en (lieren ~ijquot;, waaraan memand iet* heeft. Er zijn bert/streken van omnetelijke uit (/est rekt heid. vat van de schoonste ven/e-zichten, waar nog (/een menschenvoet binnentrad; de utiliteitsnian zegt : ■gt;Zij zijn er voor niets; hoe jammer dat zij er zijn /«• de //. 8. zegt-, zij bestaan pin Gods wit.

De belijdenis, dat (dte dingen om God zijn, is de grondslag van alle Chr. belijdenis; en die ééne waarheid (trrór 7Tlt;\'(i\'ra« goed opgevat en consequent toegepast leidt tot de zuivere Gereformeerde belijdenis. Alle deformeering der belijdenis wordt veroorzaakt door verzwakking van dit uvtöv tu ,T«rr««. B.v. bij het stuk van zalig worden uit ge

nade of om deugd is het alleen de vraag-. Heeft God zijn decreet gemaakt ah Hechter of als Schepper? £gt;e Arminianen en Pelagianen zee/gen als rechter; wij Gereformeerden: als Schepper; want (ds Schepper is er niets, waarop Hij letten kon, dan op zich zelf; dus is zelfverheerlijking het verhevenste motief van zijn (hen en laten. Vraag ik: Hoe doet God met mij? en luidt dan het antwoord: »Eerst bestaat en leeft (/ij en daarna neemt God kennis van uwe daden om u te richten^ —dan voel ik, dat ik om mij zelf en niet om God besta. Is het antwoord echter » Wie riep u tot aanzijn? Has het met God? en was God met volkomen vrij om u tot aanzijn te roepen als dier of plant of als een arm mensch ?« — dan voel ik weer, hoe die éénegedachte «crór -Jiurrwi de diepe toon is, die door ons heele leven moet weerklinken. Alle zonde komt hierop neer, dat het schepsel aan deze waarheid te ontkomen.

2e stelling, propter hominem. Ook deze stelling is waar, mits ik er terstond bijvoeg: homo creates propter demi. Er is n.L een organisch verband tusschen de verschillende deelen der Schepping ; wij onderscheiden drie deelen:

1. de uitverkorenen.

2. de mensch.

3. de wereld.

Gelijk nu de mensch bestaat om de Kquot;rk te doen ontstaan, zoo bestaat de wereld om den mensch te dragen. Christus est propter De urn, Ecclesia propter Christum, human um genus propter Ecctesiam, en universum propter human inn genus, ziedaar de kettingredeneering, die wij hierbij gebruiken. Evenals wij bij een perzik hebben de wil te pit, daarna de harde noot en om die noot het vleeschi der vrucht, zoo is het ook met het universum. De pit zijn de uitverkorenen, de harde bolster de mensch heid, het vleesch der vrucht, de verleidelijke, en schoone wereld. Jezus leert dit in I Cor. 3 : 22, 23. Zelfs de engelenwereld is in dien zin onderworpen aan de uit ver-

-ocr page 47-

43

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

korenen. CJ. II Car. 5:1; Hehr. 1:14. Verder \'t yenerale denkbeeld in Gen. 1 15; Gen. 1 ; 28, 29; llosea 2 : 23, 24, Jes. 45 :

12—18. — In de II. S. ligt dus deze gedachte, dat men bij het beschouwen der aarde wel zejjen moet: »dat is om God«, n\'iaar dut dit zoo is te verstaan, dat de mensch het ndddelpunt is van het universum en dal hiel middelpunt der menschheid weer ligt in den mensch Jezus Christus. Niet dat de wereld zoo is geschapen, alsof alles eerst door den mensch beteekenis krijgt; God heeft de wereld geschapen om den mensch, maar heeft haar toch ook rechtstreeks tot een sieraad van zijn naam gemaakt.

3\'lu stelling: propter se ipsimi. Is niet elk ding om zich zelf geschapen? — Antio. Ten deele ja en wel ten opzichte van het \'3». Telkens als God iets schiep, bezag God het geschapene en »vond het 3 VlD ^ d. i. foed in zich zelf, zoodat elk ding in zich zelf een af gesloten goed was. (Verg. b.v. door een microscoop een blad van een boom en een stuk fijn linnen, het eerste blijft altijd schoon, het laatste wordt grof en leeUjk.) Al wat geschapen is, is dus schoon in zich zelf; DilO O drukt

deze volmaaktheid van het geschapene uit, maar zoo, dat hel alleen daar. om (fezead is, omdat hel geschapene beantwoordde aan hetgeen in den raad Gods er over besloten was. Hij hebben dus:

1ste y// waf beslaat in de wereld, heejt een einddoel in zich zelf, m zooverre hel beantwoorden moet aan zijn archetype in het deer et um Dei en ook in staat moet zijn de taak \'te vervullen, waartoe het geroepen

werd (b.v. het licht.J

2de y// //,gt;/ zichtbare heeft zijn einddoel in het onzichtbare, al het vormelijke in het wezenlijke, al het uitwendige in hel inwendige, daarom heeft alles zijn einddoel in de onzichtbare wereld. Die wereld van het (jeeslelijke, zedelijke en intelleclueele beslaat weer om den mensch. De mensch alleen is met die wereld in rapport. Een vogel kan wel meezingen maar niet componeer en. 2!aar ook bij den mensch rijst weer de vraag: Wat is bij hem het heerlijke en schoone? — Antw. In den mensch is het hoogste zijn pneumatisch karakter, dat, door de zonde vernield, eerst tot zijn volle recht komt bij de uit verkoor uen Gods. \'Ier wijl alles zich dus om de gemeente Gods\' concentreert, komt tot haar de vraag: H\'ie is de kern van uw leven? en dan buigt de Kerk zich diep neer en antwoordt: ^ »Ik ben zwart, maar mijn Liefste is schoon» en dan belijdt zij, dat in Christus al de schat ten der wijsheid en des levens besloten liggen. Vraagt men verder: Om wien zijn al die schatten m Christus neergelegd? Antw. Om God zelfs; opdat Hij in zijn einddoel: n.l. zijn zelfverheerlijking, niet gefrustreerd zou worden.

-ocr page 48-

44

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Wij krijyen dus deze ketiingredeneering:

Elk ding om zich zelf.

De dingen huilen den menseh om den menftch.

De men se li om Chrislus.

Chris hes om God.

-ocr page 49-

§15. Deze wereld is het middelpunt der Schepping.

De quaestie staat kier aldus: volyens de H. S. is deze wereld te beschouwen als het middelpunt van het heelal; dus als dat deel van het heelal, waar heel het heelal om. bestaat; terwijl de tegenovergestelde meening is, dat deze aarde één der bollen is, die zich wentelen om de vele centraalzonnen. Die opinies staan lijnrecht tegen elkander over, en nu is het de taak der Theologie om na te gaan in hoeverre 4e opinie, tot dusver uit de H. 8. geput, waar is.

Wij merken daarbij op:

lste Duf er vroeger over de uitwendige verhouding der wereld tot andere hemellichamen geen objectieve maar een subjectieve voorstelling bestond. De subjectieve voorstelling is die, welke wij in onszelven van eene zaak ontvangen b.v. wanneer wij in een schuit zitten, schijnt het ons toe dat het land gaat; terwijl de objectieve voorstelling die is, welke men te weten komt, als men door allerlei waarnemingen en onderzoekingen er achter zoekt te komen, in hoeverre de subject, meening beantwoordt aan hetgeen objectief geschiedt. Die subjectieve voorstelling was, dat de aarde plat was en in rust verkeerde, de zon, moan enz. kleine bollen waren enz.

2(le Dat er door de nieuwere natuurstudie verandering kwam en nu nevens de subjectieve ook de objectieve verhouding tot onze kennis is gekomen. Niet dat de objectieve voorstelling de subjectieve heeft verdrongen, want men spreekt nog: de zon gaat op, onder enz., maar dat zij er naast is gekomen. Die objectieve voorstelling leert ons, dat de aarde een bol is, dat zij wentelt om de zon, dat de zon en de sterren veel groot er zijn, dan de aarde enz.

3clt! Dat wij ook moeten vragen niet alleen naar de suhj. en obj. maar ook naar de essentieele verhouding tusschen onze wereld en de andere hemellichamen. De essentieele verhouding kan zeer veel verschillen van de uitwendige verhouding; neem b.v. een koning, die in zijn paleis omwandelt; nu is de uitwendige verhouding tusschen paleis en koning, dat het eerste duizendmaal groot er is dan de laatste, dat \'t eerste er was voor den laatste, dat het eerste veel langer zal bestaan dan de laatste. En toch weten wij, dat de essentieele verhouding anders is, dat het paleis is om den koning en niet de koning om het paleis. Zoo is het ook met het kleed, dat wij dracjen; onze jas is ruimer dan onze huid, en toch is

-ocr page 50-

46

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

de essentieele mrhouiUug tusschen deze heide geheel anders dan men zeggen zou. Zoo vind/ men allerlei verkondingen, waarbij A uilwendig groot er is dan B, en waarvan men toch zal toestemmen, dat naar het essentieele B groot er is dan A. Neem b.v. von Bismarck eu Keizer Wilhelm. Bismafck is een maan vergeleken hij de zon des Keizers; en toch is essentieel Bismarck de man aan wiens hand de Duitsche keizer loopt. Bit nu komt daarvandaan, dat men meerdere middelen heeft om de waardij van iets te bepalen. Men meet water niet met een el en weegt geen straatweg; en zoo moet men ook oppassen, dat men bij den geestelijken maatstaf meten en wegen niet verwart. Wat is nu de essentieele verhouding tusschen de aarde en de hemellichamen? Vroeger antwoordde man: Be aarde is het middelpunt, en wat daar huiten is,bestaat slechts om de aarde. Thans zegt men: Dat kan niet; ook essentieel kan de aarde slechts een beseheiden plaats innemen in het heelal. Het juiste oordeel is echter dit: Men heeft zich vroeger vergist met niet te denken, dat er ook een objectieve verhouding bestond; nu vergist men zich door te meenen, dat de objectieve verhouding de essentieele is. Bus van de eene dwaling ging men over in de andere.

Wat is nu de fons solutionis? Wanneer een zieke aan een doctor vraagt, wat van meer belang is, zijn ziel of zijn lichaam, dan zegt de doctor -, ythel lichaam«, terwijl de zieke zelf zal zeggen: mijn geestelijk bestaan is hoofdzaak, mijn lichaam slechts bijkomstig cf. Matth. 10 : 28.

Wij moeten dus de bepaling van de objectieve verhouding van deze wereld, tot de overige hemellichamen overlaten aan de astronomen. Maar de essentieele verhouding kan de astronoom niet uitmaken — ne sutor supra crepidam — tenzij qua denker, qua philosoof. — Wat is nu het terrein, waar op de vraag naar de essentieele verhouding moet beantwoord, worden? Geen mensch kan zich daarover een oordeel aanmatigen. Ook de philosoof valt weg, omdat hij niets van de andere werelden, welen kan. En het antwoord, op deze vraag moet dus luiden: of wij welen er niets van of wij weten het door openbaring. Be essentieele verhouding tusschen de aarde en de andere hemellichamen is alleen af te leiden uit de Schrift en deze leert ons:

lste Bat de zon, maan en sterren als (teekenen) qesleld zijn

voor deze aarde, dus bestaan om de wereld.

2\'le Bat wij altijd lezen van »hemel en aarde«, nooit van »hemel en verdere lichtbollend. Be Schrift geeft eene deeling in tweeën, waarbij de hemel staat tegenover de aarde, y compris zon, maan en sterren.

-ocr page 51-

47

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

3lt;ie ]ijr wordt wel melding gemaakt van extramundane wezens, geesten, engelen, daemonen, maar nergens van starrenbewoners. En als er sprake is van de plaats waar de engelen Ut nis hoor en, dan is dat altijd de zalige hemel, lt;gt; ovoui\'o,-. De locus der daemonen is altijd de ahyssus of de lucht. (Eph. 6:12^.

4\'lu Ue Schrift in fine rermn zegt, dat de sterren van den hemel zullen vallen en zon, maan en planeten voorbij zullen gaan.

rjdc l)e Schrift leert, dat God aan deze wereld zijn Zoon gegeven heeft Hebr. I : B. Joh. 3 : 16.

G\'1\'quot; In dien Zoon vinden wij, als Hij op aarde rondwandelt, ons eigen geslacht terug; Hij is door irauoxcmu,- mcnsch geworden; de innigste aansluiting van God aan het schepsel vindt in den mensch plaats, en deze mensch hangt wederom organisch samen met de aarde, waaruit hij geformeerd is.

7Jt\' Als het getal der uitverkorenen op deze wereld zal vervuld zijn, dan zal tevens het einde aller dingen daar zijn. Het lot dezer wereld beslist dus over het lof van zon, maan en sterren.

Waar de H. S. dus leert, dat de mensch door zijn val een vloek over deze aarde gebracht heeft; dat daarom God* Zoon mensch geworden is en Hij daardoor zich heeft aangesloten aan het stof dezer aarde; en verder, dat de komst van dien Zoon, beslissend zal zijn voor het lot van het heelal, daar is geopenbaard, dat noch zon, noch maan, noch eenige andere ster, maar alleen deze aarde het middelpunt is van het heelal.

Op dien grond handhaven wij in volstrekten zin de geestelijke appreciatie. die de H. S. ons biedt, n.l. dat deze aarde het middelpunt is; terwijl dit resultaat door de ontdekkingen der astronomie geraakt noch gedeerd wordt.

En als men nu vraagt: \'goed, maar er staat toch in Jozua 10 : 12: iZonne sta stil te Gibeon« en is dat dan niet in strijd met het resultaat der astronomie^ ? — dan is ons antwoord: * Neen, dat is daarmede niet in strijd, omdat dozua daar in de taal van de subjectieve voorstelling heeft gesproken. Newton en Copernicus zouden onder gelijke omstandigheden niet anders gesproken hebben, dan Jozua hier sprak.

Het begrip »Heel ah is aan de H. S. vreemd; het is een heiden sch begrip, later door de natuurkundigen overgenomen, en tevens een begrip van heu, die niet aannemen, dat de. aarde middelpunt der Schepping is. Be IJ. S daarentegen is reëel en vat de zaken altijd op van hun geeste-

-ocr page 52-

48

CoHege-diciaai van een der studenten (Dogmatiek).

lijken kant. De H. S. spreekt niet van heelal, maar van * hemel en aarde* ; waar het nog iets uityeMreider moet van »de hemel, de aarde en hun heirt of waar van den hemel wordt afgezien: de aarde, de zee en al wat daarin is.

Het woord hemel komt af wisselend voor in verschillende beteekenissen; of in die van het ^firmament met zon, maan en sterren^ of in den zin van gt;de wereld daarboven, de hemel der hemelen.«

Be woorden voor aarde zijn, yi/, /.óauoj, olxovutrtj, quot;jSn, en

^ 3 D komt of van fSyr. in \'t Sgr. komt ook voor

m de bet eekenis: wereld) is eig. prod neer e en als zoodanig is de

grondheteekenis van niet klomp of figuur, maar datgene, waaruit

alles voortkomt. Daarmee hangt nauw samen de het eekenis van SDjI

bevlekking,. bezoedeling, contaminatio; 7 best kunnen wij dit gevoelen door er naast te zetten, dat in V Syr. en Arab oorspr. beteekeut:

het werken der geslachtsdrift vn mensch of dier; dientengevolge kreeg het ook de bet eekenis van »verbergen« ; omdat, men als de geslachtsdrift zich ontwikkelt, dit verbergt. Hiervan zijn nu twee woorden

□ uitgegaan, waarvan het eerste geslachtsdrift het eekent, en het tweede,

door de geduchte van producere, hetzelfde als Snn; en zoo vindt ? 1 men ook hij de het eekenis van universum en van coutaminatio (cf.

munidus et imnnundus.J

^7 H bet eekent »duration.

xóff.ao,\' is het geordende, het gesierde.

nlxovatvtj is de wereld, voor zooverre zij bewoond is, meest overdreven genomen van V Itomeinschie rijk; en

uiwi\' een vertalincj van dat in het N. T. Grieksch daardoor de

het eekenis van wereld erlangde.

Dat universum nu fhem cl en aarde) gaat niet weg. maar is eeuwig. De 11. S. leert, dat hij de parousie des Heeren de nieuwe aarde in den nieuwen hemel zal opgenomen worden en dat er dan eene harmonische verbinding tusschen die twee zat bestaan.

Deze wereld is verder volgens de H. S. de eerste wereld. Sommigen

-ocr page 53-

49

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

meenen dat zij de tweede in en beroepen zich daarvoor op IT Petrus 2 : 5 met eene verkeerde interpretatio. Met doptïo; xóaiio,- wordt hier bedoeld de antidiluviaansche Scheppiny. Cf. Cap. 3 : 6.

Evenzoo wordt ontkend, dat er not/ een universuin bestaat. Sommigen beweren n.L, dat het bestaande oneindig is en dat er vete heet alten zijn. De II. S. kent maar één xohko,- ; andere worden uitgesloten ; in Job 28 en Spr. 8 staat, dat de vermakingen Gods waren in de niet in eenig

geschapen ding.

Anderen weder zeggen, dat de wereld een ziel heeft en spreken dus van de »wereldzieh. Gelijk een olifant loopt en rolt, zoo ook zou de wereld een ziel hebben, en haar lichaam door de aardkorst gevormd worden. Men heeft hierbij tussclen tweeërlei bedoelen te onderscheiden:

lste de bedoeling om de organische eenheid der wereld goed voor te stellen, en dan is er zooveel verkeerds niet in.

2de een streven om de wereld als zelfgenoegzaam voor te stellen en dan leidt het tot atheïsme. 11 at is hierin dan het absurde? Dit, dat men dan de wereld zou moeten denken zonder mensch, dier en plant en haar dan als een levend organisme beschouwen; maar dan zou men niet kunnen spreken van een wereldziel, omdat de ziel alleen toekomt aan den mensch; maar van een dierlijk organisme. Doe ik dit, dan raak ik echter met mij zelf in strijd, want dan mag ik dier en. mensch van de wereld niet afgescheiden denken, omdat een dier notae heeft, die niet kunnen overgebracht op de wereld als zoodanig. Zeg ik daarentegen: ook de mensch behoort tot dat organisme van de wereld, dan verval ik tot pantheïsme; scheid ik daarentegen mensch en dier af, dan vervalt de stelling van zelf.

\\Nadere verklaring dezer passage:

Wanneer men van een wereldziel spreekt, stelt men de wereld als een levend organisme voor (ziel dan genomen als analoge uitdrukking voor de eenheid, die het wezen samenbindtj. Beschouwt men den mensch als de ziel, dan is de voorstelling juist. Laat men de wereldziel echter buiten den mensch, dan is de ziel van den mensch of lager of hooger; is de menschienziel lager, dan is de wereldziel hooger dan de rnenschenziel — dus God; zij subsumeert dan ook in zich den mensch, omdat hij tot het organisme der wereld behoort fpantheïsme); is de rnenschenziel hooyer, dan is de wereldziel lager en dit is een ongerijmdheid, want dan kan de hoogere rnenschenziel er geen deel van uitmaken].

7

-ocr page 54-

§16. De tempore creationis.

Dn gewone voortfeïïiny is, dat er een tijdperk van ongeveer 6000 jaar ligt tusschen ons en de schepping van den eersten mensei. De teidensche wetenschap leert, of dat er een tijdperk van duizende en millioenen jaren sinds vervlogen zijn, of dat die tijd eeuwig is; m. a.w. dat de wereld van eeuwigheid bestaat. Naar luid van de 11. S. is er een tijdperk van ,6 a 8000 jaar tusschen Adam en ons en wel ± 2000 jaar van ons tot op Christus, 2000 jaar van Christus tot ov den Zondvloed en 2000 jaar van den Zondvloed tot op de Schepping. Hoe komt hef. dan, dat sommigen leer en 6000 anderen 8000 ? Er is n.1. tweeërlei traditio, de eerste: de fraditio Graeca van de Septuaginta, de tweede: de traditio Hebraica. In onzen Hebreen wschen tekst komen wij tot 6000, in den Griekse hen komen er 1480 jaar bij en wel 600 in den tijd. van Adam tot op den Zondvloed en 800 in den tijd van den Zondvloed tot op Ter ah ; dit maakt een verschil van 1400 a VdOO jaar, omdat de codices ook verschillen betreffende het geboortejaar van Abraham. Gen. 11 ; 26 cf. Gen. 12 : 4. Gen. 11 : 32 cf. Acta 7 : 14. — Onze oude Theologen hielden zich steeds aan Gen. 11 : 26; immers als Ter ah 130 jaar was toen hij een zoon kreeg, zou Abraham geen geloof hebben noodig gehad, om aan te nemen, dat hij op tyOjarigen leeftijd een zoon zou krijgen. \'Terah was dus 70 jaar, toen hij Abraham kreeg. Bovendien is er nog een verschil over de vraag, hoelang Israël in Egypte gebleven is 200 of 430 jaar Gal. 3:17 en Est. 12 : 40. Verder bestaat er nog quaestie over, of men onder den Darius in het hoek Daniël, Darius Hgstaspes of Nothus te verstaan heeft. Eindelijk is er nog verschil over het geboortejaar van Christus, ^ of dat het 7tle of het 4de jaar voor onze jaartelling is. Wij komen dus, volgens de II. S. tot een som van 6 a 8000 jaar voor den duur van het menschelijk best aan op aarde. (De vraag of dit zon jaren waren moet toestemmend beantwoord, ook ten opzichte van. de longaevij. Tegen deze voorstelling nu wordt bedenking ingebracht:

1ste van historische zijde.

2ao op grond van. de ontwikkeling der menschelijke persoonlijkheid.\'

Bde op grond van geologische en astronomische gegevens.

I. van historische zij(1 e, beroept men zich op de overleveringen der Chaldeeuwen, Eggptenaren en Chineezen. Diodorus Siculus II 31 zegt, dat de Chaldeeuwsche astronomen heiveerden berekeningen te hebben

-ocr page 55-

51

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

van observaties der sterren over 470000 jaar. Ah men hierbij bedenkt, dat zij aan hwn oudste koningen een leven toeschreven van 3600 jaar, zal het onnoodiy zijn hier langer bij stil te staan. Diodorus stelt dan ook, dat er dagen mee bedoeld zijn.

Meer bezwaar leveren de registers der Egyptische dgnastien, waaruit men meende te moeten op maken, dat reeds gedurende 13Ö00yöör koningen over Egypte regeerden. Het cijfer is echter zoo groot, dat het weinig bezwaar oplevert. Voorat voor Egypte, dat aan de poort van Azie ligt, is het onmogelijk te denken, dat er zoolang koningen geregeerd hebben uit één geslacht. Men heeft er dus op te letten, dat in deze Egyptische documenten geen waarborg is geboden, dat wij hier te doen hebben met jaren in den gewonen zin, maar met maanjaren. Als men de \\oQ00jaar dan door 12 deelt krijgt men omstreeks duizend jaar, eene periode die reeds lang genoeg is voor ééne dynastie in een land als Egypte, waar veel wrijving en botsing plaats vond. Trouwens de zucht om zijn stamboom zoo oud mogelijk te maken, is aan elk volk eigen. Geen wonder dus, dat ook de vorsten aan Egypte hun stamboom al dieper en dieper in den »olam« terugschoven.

De Chhieesche boeken beweren, dat hun geslacht terugklimt tot op 884000. Ook dit levert geen moeilijkheid want de Chinee zen hebben tweeërlei soort van tijdrekening: de Van en de Ven ; 60 jaar in de Ven is 10000 jaar in de Van. Die Ven is ae gewone tijdrekening, de Van niets dan eene poëtische verzinning. Men heeft bovendien m dit cijfer 884000 te doen met een symbolische uitdrukking, evenals de 144000 van de Openbaring van Johannes, om het oneindig groote uit te drukken.

Tegen al dergelijke opvattingen pleit beslist, al wat ons van het men-schielijk leven en van de voortbrengselen van der menschen handen is overgebleven.

11. Op de ontwikkeling van den mensch beroept men zich voorts, uitgaande van de hgpothese, dat de mensch uit het dier door geleidelijken overgang ontstaan is. Daartegenover staat een notorisch feit, dat deze theorie omverwerpt, n.l. het universeele zond eb e wust zij n. Dat wijst terug op een heerlijker verleden; omdat er geen zonde is zonder val, en geen val zonder een voorafgaande heerlijke toestand. Dat heerlijke verleden kan niet langer geduurd hebben dan één oogenblik; anders zouden er meerdere menschen geweest zijn, waarvan er wellicht maar één gevallen zon zijn, en dan ware het zondebewustzijn niet universeel geworden. Bovendien zou de mensch niet gevallen zijn, als hij eerst ge-

-ocr page 56-

52

CoHege-diciaai van een der studenten (Dogmatiek).

rumen tijd ycluklciy en zonder zonde geweest was. Eindelijk is de ont-wikkeling van de zonden niet zoodanif/, dat men ver achter Kdin en Abel-kan teruggaan.

Ill- D\'\' geo 1 ogi s cli e bezwaren steunen hierop, dat de aarde bestaat uit verschillende lagen, die elk meer dan 1000 jaar zouden noodig gehad hebben om te worden wat zij zijn. De 4 aardlagen zijn:

lste de azo\'ische,

2de de palaeozoïsche,

3de de mesozoischie,

4de de tertraire.

Elk van deze lagen heeft weer zijn verschillende formaties:

in de 4rle: de plioceen, de mioceen, de eoceen formatie.

in de 3de: de tri as. de Jura en de krijt-for malie.

in de 2de; de permsche, carbonische, devonische en silurische.

in de lste: de aardsoorten of primitieve formaties.

Nu heiveren de geologen skeletten van mensehen gevonden te hebben naast skeletten van dieren, die tegenwoordig niet meer bestaan, maar wier geslacht is uitgestorven. Zie, zegt men nu, dat kan volgens het scheppingsverhaal niet gebeuren, want vólgens dat verhaal is de mensch eerst m de 6de periode geschanen. Wij hebben deze bedenkingen niet licht te achten, aangezien wij hier ie doen hebben met gegevens, die de Heere zelf ons in de Schepping toont.

De eerste bedenking is dus deze: Wij vinden verscheiden lagen op aarde liggen en die lagen toonen, dat er achtereenvolgens een nieuwe ledekking heeft plaats gehad.

Antwoord: J)ie voorstelling is niet juist voor den ge heel en aardkorst, wel voor enkele plaatsen. Men vindt, dat die opeenvolging van lagen zeer ongeregeld is. Uit de ligging van de laag is dus geen gevolg af ie leiden. Omdat nu op een van de onderste lagen overblijfselen van dieren gevonden worden, volgt daaruit nog geenszins, dat die dieren toen leefden, toen die laag de bovenste aardkorst was.

De tweede bedenking is, dat de mensch gelijk geleefd heeft met de eerste diersoorten. Als men zich aan de letter van den Bijbel houdt, dat n.l. de Scheppingsdagen gewone dagen en geen tijdperken van duizende jaren waren, levert dat geen bezwaar op, zoodat het feit niet behoeft ontkend te worden, maar alleen de gevolgtrekking onjuist is.

De derde bedenking luidt, dat die lagen om tot stand te komen minstens duizende van jaren noodig hebben gehad.

Antwoord; Het is zeer zeker waar, dat de versteening zeer langzaam

-ocr page 57-

53

CoHege-diciaai van een der studenten (Dogmatiek).

geschiedt. Maar is daarom uit hctyeen nu geschiedt te concludeer en tot hetgeen vroeger gebeurde? Is bij een kind de wasdom even traag als hij een volwassen menscl ? Vinden wij niet veeleer, dat er wel steeds een (/elijkmatige uitzetting der ledematen plaats heeft, maar hij een kind driemaal zoo snel als hij den jongeling? Zoo is ook het progres van aanslihhing vroeger veel sneller gegaan. Men kan dat nog waarnemen hij den Nijl, waar de aanslihhing in deze eeuw minder is dan in de vorige. Hoe honger het land wordt, des te langzamer gaat de aanslihhing. Ten tweede is daar, toaar van die hergen door de rivieren de aanslihmassa afdaal!, de quantiteit, die nu naar heneden komt. veel minder dan vroeger. Verder heeft men zich ook he roepen op de paalwoningen. In de vieren van Zwitserland n.l. heeft men hij zeer laag water geheele dorpen van paalwoningen gevonden, en men heeft daaruit afgeleid, dat er veel vroeger menschen moeten geleefd hehhen, dan de Bijhei aangeeft, n.l. in het 8\'1\'\' tijdperk. Die paalwoningen loonen echter door hun vorm en houw, dat zij vervaardigd zijn door menschen van onze soort, die daar in het water hun huizen plaatsten of omdat zij hang waren voor wilde dieren en zich zoo daartegen wilden vrijwaren, of dat het hekken, wat nu een meer is, vroeger een dal was, maar nu volgeloop en is door de giet schiers; (het smelten n.l. van één gletscher is meer dan genoeg om 3 of 4 meren te vullen ;J of dat ei een inzinking van den grond heeft plaats gehad, waardoor de rivier het hekken vulde of den waterstand in het meer verhoogde. In het laatste geval behoefde de inzinking niet eens belangrijk te zijn, om de paalwoningen onder water te hrengen.

Wat betreft de fossielen, die men gevonden heeft, (de steenen overblijfselen van nienschelijke gereedschappen en wapentuig) die fossielen berusten grootendeels op inbeelding en zelfbedrog. Doch er is ook eene groote collectie voorwerpen bij, die werkelijk door menschenhandengemaakt zijn. De overgang echter van de steen- naar de ijzerperiode kan niet meer tijd in beslag genomen hehhen dan duizend jaar.

Verder oppert men deze quae st ie, n./. of het feit, dat die aardlagen gevonden worden, dan geen bezwaar oplevert, tegen de voorstelling van de H. S. dat de Schepping nu nog is, zooals ze uit de hand van den Schepper op den 7(len dag voortkwam. Maar de fout schuilt bij deze redenatie hierin, dat de //. S. zulk eene voorstelling niet geeft, veeleer spreekt van twee of drie groote commoties.

1ste Toen de vloek over de aarde werd uitgesproken, en de Heere zeide, dat \'zij doornen en distel en zou voortbrengen. Daarna kwamen

-ocr page 58-

54

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

er verscheurende dieren en werd de viensch verdreven uit Eden om de aarde te bebouwen, terwijl het Paradijs zelf nu niet meer bestaat.

2de De zondvloed, toen uit Noach een nieuw mensehelijk geslacht ontsproten is, nadat de sluizen des hemels en de fonteinen des afgronds waren geopend.

De verwoesting van Sodom en Gomorrha, waaruit blijkt, dat de H. S. ook groote locale veranderingen kent.

De menschheid bewoonde oorspronkelijk alleen de groote bergvlakten van Azië, en de ontzaggelijke aardverschuivingen in Europa konden gerust hun gang gaan, zonder dat iemand ter wereld er iets van merkte. Nu is juist het hoogland van Azie tot dusverre nog niet geologisch onderzoch t; men put voor de geologie toornt, de gegevens uit Europa, Eng else h - In die en onzen Archipel.

Er is in de Schepping een opeenvolging waar te nemen; eerst het licht, daarna scheiding tusschen wateren in hun liquiden vorm en in hun nevel vorm; daarna de scheiding tusschen het drooge en de wateren en de schepping der planten ; vervolgens de lagere diersoorten, daarna de hioogere diersoorten en eindelijk de viensch. Lang heeft men gemeend, dat deze opklimming in de Schepping gedurende de (5 dagen der H. S. wanneer men deze als perioden opvatte, juist de geologische ontdekkingenbevestigden. Gugot en Ayassiz hebben zich veel moeite gegeven om aan te toonen hoe hetgeen de Schrift zegt, niet alleen overeenkomt met de geologische c/e-gevens, maar dat men uit deze mededeelingen ook juist de goddelijkheid der Schrift bewijzen kan, omdat niemand vroeger heeft kunnen weten, in welke opeenvolging deze lagen zich vertoonden. Dus zeiden ze, moet dat door God aan Mozes zelf zijn meegedeeld. Zij namen daarbij aan, dat de 0*0^ moesten opgevat als perioden en zeiden, dat men dan twee

perioden kreeg, de eene waarin het kosmische licht, de tweede, waarin het solaire licht hieerschte. Dat verder in de periode geschapen waren: het kosmische licht, het uitspansel, zee, land en planten; en in de 2(le periode: het solaire licht, de lagere diersoorten, de hoogere diersoorten en de mensch. Die voorstelling is thans omvergeworpen door de ontdekking, dat men ook mensch en skeletten gevonden heeft, liggende naast de skeletten van lagere diersoorten. Men moet dus deze theorie van langdurige perioden laten varen en wij moeten zeggen, dat de geologie zal moeten komen tot de erkentenis, dat al deze lagen in dagen zijn tot stand gekomen. Dan bewijst het vinden van menschenskeletten naast die van lagere diersoorten niets tegen het Scheppingsverhaal. Eu het blijkt.

-ocr page 59-

55

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

dat wij in de H. S. niet alleen een chronologisch maar ook een genetisch Scheppingsverhaal vinden. IVint dit staat vast, dat men de lagen in dezelfde volgorde vond, als ze in de H. S. worden gemeld. De scala creaturarum. loopt hij de geologie naar dezelfde volgorde op, als in de H. S. Het beweren van Gugot en Agassiz, dat het scheppingsverhaal daardoor zijn goddelijken oorsprong bewijst, vervalt dus niet, maar krijgt nog hooger waarde. De moreele bepaling van de creaturen is van meet af, door de H. S. alleen juist aangegeven. Das waar niemand er iets van wist en de aardkorst vroeger nooit is onderzocht, daar moet het verhaal door God aan Adam. zijn geopenbaard.

-ocr page 60-

§ 17. Het Hexaëmeron.

Hef werk der 6 dagen verschilt van de oorspr. Scheppiny in één opzicht. De oorspr. schepping n.l. was eene creatio e nihilo, het hexaëmeron eene procreatio in jaui creatis. Omtrent het eerste vernemen wij, dat de aarde was »quot;1 Pt31 1!!;quot;)«, dat er » was op den afgrond en dat

de »D,rt17« zweefde op de wateren.

JFat beteekent liin? Er is tang gestreden over de vraag, of

het beteekende ^verwoesting en out lediging« dan ivel: ^woestheid en ledigheid. lt; Wanneer ik het eerste zeg, dan onderstel ik, dat de aarde vroeger geregeld en vol geweest is, terwijl ik dit, wanneer ik het tweede zeg, ontken.

Naar de beste onderzoekingen van het woord moet het tweede vastgehouden worden. Hiermede vervalt de theorie van Hoffman en van de thieosophische school, dat er tusschen Gen. 1 : 1 en 1 ; 2 een wereldgeschiedenis inligt, n.l. de val van de engelenwereld en het komen van den vloek in de engelen wereld. De historieschrijver heeft van de met dit itohoe wabohoequot;. geenszins den val der engelen willen aanduiden.

Verder moeten wij er opletten, dat het »Dinn niet mag

worden opgevat als een gevolg van het gt;tohioe etc«. De TjiJTT is niet uit

de woestheid en ledigheid ontstaan, maar zij wordt genomen in antithese met het quot;llK. waarvan het eerst melding gemaakt wordt in vs. 3 en 4; het TIK kan niet voor de TjCP? best aan hebben.

Ook trekt het de opmerkzaamheid, dat reeds terstond op de onderscheid wordt gemaakt tusschen Dl Pin en DVO. Het water was er on-

\' T

middelijk na de Schepping en om de aarde heen. was een zee van nevelen; en over die wateren en die zee van nevelen, zweefde de Geest Gods. Onder □vnn moet men dus verstaan de donkere massa, die door die nevelen

heen, als er held geweest was, te bespeuren zou zijn geweest.

-ocr page 61-

57

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

De verschillende werkingen der 6 dagen zijn van dien aard, dat er steeds geschapen wordt. Dus de voorstelling van Keil en Delitzsch, alsof de kiemen reeds met de eerste schepping aanwezig waren, is foutief. De stof van dier, plant en mensch was in die vhj «ttoogo,\' aanwezig, maar hetgeen die stof tot levend organisme maakte, werd in de gt;tolioe wabohoe« ingeschapen door den li. G.

Eerste dag.

Op den eersten dag werd het quot;l1v\\ geschapen, wel te onderscheiden van de niNQ fcf. vers \\\\J

DND heteekent heus lucis, lucifer, drager des lichts. Dat licht is

dus niet uit de zon gekomen, evenmin als nu nog het licht uit de zon komt. Mant de zon zelf is een duistere hot en het licht ontstaat door aetherische stoffen, die van buiten af op de zon werken. Het is dus de geschapen lichtstof, niet de naar huiten gebrachte lichtstof. Nu lezen wij, dat de lleem scheiding maakte tusschen licht en duisternis. Dit kan op twee wijzen geschied zijn: of doordat de coruscatie van het licht werd geconcentreerd in een zeker deel van het heelal en dat de aardbol zich reeds ont zijn as wentelde, zoodat daardoor een periode van donkerheid en een van licht ontstond. Dan heteekenen dus de woorden dat de aarde tot nu toe geen rotatie om haar

as had, maar die nu kreeg. Of doordat, evenals men drijvende vuur-bakens in zee heeft, de sedes lucis zelve gekanteld en gewenteld heeft. Geen dezer beide voorstellingen putten echter de diepe gedachte van dat

uit. Het heteekent dat, nadat het licht geschapen was en het heelal

verlichtte. God scheiding maakte tusschen die voorwerp?)/, waaraan het licht bleef hangen en die voorwerpen, die het licht niet weerkaatsten. TjtP\'n wordt dan de stof, die donker is in zich zelf; de stof, beschenen door het licht. De eerste aangegeven verklaring kan hiermede zeer wel (jepaard gaan, omdat eerst door de rotatio ontstaan kan en DV, nSy en SpÜ.

De tweede dag.

Deze dag onderscheidt zich van de andere dagen, doordat er geen hij staat. Wat is hiervan de oorzaak? Men zegt gewoonlijk omdat hier geen schepping plaats vond, alleen een ; daar er alleen scheiding gemaakt

-ocr page 62-

58

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

wordt, is er ook niets waarop Gods welbehagen rusten kan. Waardoor ontstaat nu die scheiding tussehen wateren en wateren? Doordat er condensatie van water heeft plaats gehad. Eerst was er n.l. een nevelachtige massa geweest en nu werd door condensatie deze tot eene liquide massa gevormd; zoodra dat plaats greep, moest ze zinken. Ondertusschen was de middelpunt vliedende kracht en de aantrekkingskracht begonnen te werken door de rotatie der aarde, zoodat de wateren, die nog nevelmassa waren naar boven werden gedreven en wolken vormden. Men vraagt echter onwillekeurig: wat dan op dezen dag geschapen werd? Is hier niet de lucht geschapen? Toen er vroeger Dliin en was, was er nog geen

lucht. Deze veronderstelling alleen geeft ons het recht om van 6 scheppingsdagen te spreken en wordt des te aannemelijker, wanneer wij bedenken, dat juist de lucht scheiding maakt tussehen wolken en zee. Met

wordt alleen bedoeld het firmamentum.

De derde dag.

De korst der aarde was tot nu toe egaal en rondom met water omgeven, terwijl door het wentelen om de as, de wateren met snelheid omgedreven werden. Op den 3llen dag nu is de aardkorst verschrompeld en daaruit moet het inzinken der zee en het naar boven komen der bergen verklaard worden. Cf. Ps. 104 : 8 waar wij in een kort bestek de schepping poëtisch geschilderd vinden. Objectief had dus eene verschrompeling van den aardkorst plaats — subjectief verzamelden zich de wateren der zee en werd het drooge gezien. Dit alles is echter slechts Snap maken en daarna volgde de Scheppingsdaad: het voortbrengen

van gras, kruiden, planten en boomen. Nu mag men dit niet voorstellen, alsof de kiemen daartoe reeds in de aarde aanwezig waren, maar zij werden volkomen met bloemen en vruchten daar in de schepping gezet; het wonder der schepping ligt dus in het tot vollen rijpheid brengen cf.

n-i.ru -ipk.

De vierde dag.

Dezen dag heeft iets geheel anders plaats; die eerste planten zijn er geweest, voordat nog het zonlicht er was, zij hebben dus gebloeid, onder het kosmische licht. Op den 4ll\'\'n dag wordt ons meegedeeld, dat God de /TnKQ schiep; dus dat God zon, maan en sterren schiep en hun lichtgevend vermogen schonk en ze gesteld heeft tot teekenen en tijdperken, tot en voor deze aarde — OV en zijn reeds vroeger

-ocr page 63-

59

College-dictaai van een der studenten (Dogmatiek).

(vers ij de namen voor duisternis en licht in hunne wisse tiny. Maar terwijl die rotatio daar in verhand wordt (jesteld met het kosmische licht, worden nu zon, maan en sterren daarvoor bestemd. Daarmee is echter niet gezegd, dat van dit oogenblik af dag en nacht reeds 12 uur lang waren, want hoe meer de omvang van een hol inkrimpt, des te sneller gaat de rotatie. Deze zon, maan en sterren worden nu gesteld tot teekenen, gezette tijden, dagen en jaren. Zij hebben dus drie onderscheiden werkingen: lstü tot nlniS — 2lt;-le tot — 3de tot

en D\'Oti\'. De derde werking duidt eenvoudig het jaar aan, de

rotatie der aarde om haar as en om de zon. Behalve de zon doen ook de maan en de sterren hun werkingen. De gordel van sterrebeelden, die in 12 groepen om den horizon der aarde liggen, verdeden het jaar in 12 deelen door de wenteling van de maan om de aarde. Meer nog: ook lente, zomer, herfst en winter worden door deze verhouding bepaald. Die jaargetijden hebben weer hun voor geheel het leven van

planten, dieren en menschen. Ook zijn zon, maan en sterren gesteld tot nlnl^ in zooverre de groote periode van hei genaderijk vaste perioden doorloopen heeft. Deze uitdrukkingen nu hebben aanleiding gegeven tot astrologie of sterrenwichelarij; aan deze kunst ligt wel degelijk een waarheid ten grondslag; toch waarschiuwt de H. S. tegen de sterrenwichelarij, omdat de ordening aller dingen aan God voorbehouden is.

De vijfde dag.

Hier heeft men twee scheppingen n.l. de schepping van de visschen en van de vogelen. Twee scheppingen, die onder één gezichtspunt worden gevat, zoodat de visschen en vogelen als gelijksoortige dieren worden gesteld tegenover de Dat vogelen en visschen iets gelijksoortigs

vertoonen is duidelijk genoeg uit de zoölogie. Van die vogels en visschen lezen wij niet, gelijk van de latere dieren en van den mensch, dat zij geschapen werden als een paar, dat voortteelde, maar dat de aarde en de zee wemelde van eene menigte.

De zesde dag.

Hierop worden de dieren van het vasteland geschapen en wel: lste de

nianS; 2^ de trpn; de pK\'iivn.

De nlOrO zijn in onderscheiding van de vogelen en menschen de stomme dieren; de tTOl is al wat kruipt; de zijn de wilde.

-ocr page 64-

60

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

verscheurende dieren, de koninklijke dieren. De nOHS daarentegen

hehhcn meer een dienend karakter. Die (jeheele wereld vordt nu aangeboden aan den mensah, die het laatst geschapen wordt. De hemel en aarde moeten nu weer met elkaar in contact komen; daartoe wordt de rnensch geschapen. Hier, hij de Schepping van den mensch is het niet: »er zij en. er was«, maar hier is het een mededeelen van het beeld Gods aan den mensch. Hier treedt op het : laat ons menschen maken.

Dit kan niet zijn een spreken met de engelen, omdat de mensch niet geschapen is naar het beeld der engelen, maar naar Gods beeld. Aan den mensch wordt nu de Schepping gegeven. Voor de menschen is de l voor de dieren de Noch de slagtanden, noch iets anders

kan bewijzen, dat er toen reeds verscheurende dieren geweest zijn op den zesden scheppingsdag.

De zevende dag.

Deze dag is geen scheppingsdag (Gen. 1 : \'6\\J. Het IKp in

Gen. 1 : 31 is het placitum van God den Schepper over het geheele werk der Schepping. Voor den zevenden dag ontbreekt het ÜDlÜ\'Ó; nok

het »en het was avond en het was morgen geweeste, vinden wij hier niet. De sabbath van God is toen ingegaan en duurt nog voort, tenzij de sabbath beschouwd wordt als geduurd hebbende tot het begin van het genadewerk. Dat de \' Heere dien dag zegende en heiligde duidt de instelling van den sabbath aan; niet van den ceremonie eten, maar er lag in, dat en in den 7tlen dag en in de periode van rotatie gegeven is eene vaste indeeling, die in de planetarische samenhang van deze aarde van dezen stond aan gegeven is; maar dat terwijl nu jaar, dag en maand rechtstreeks door de kosmische en planetarische verhoudingen zijn aangeduid, de week daardoor niet is aangeduid. De weekindeeliug is veel heiliger dan de andere indeelingen, is alleen heilig. Dat is dus een nieuwe I.TlO, afgeleid uit het doen Gods en daarmede van zelf gelegd in den

mensch, die naar het beeld en de gelijkenisse Gods geschapen is. Gen. 1 : 27.

Vragen.

lste Wanneer is de wereld geschapen? Is het begin gevallen in den winter, den zomer, de lente of den herfst ? Hierover is altoos zeer verschillend geoordeeld. Het burgerlijk jaar begint bij Israel met de maand

-ocr page 65-

61

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

Tisri in het najaar ; het kerkelijk jaar met de maand Nisan. Dit lay daaraan, dat de uittocht uit Egypte had plaats gehad in Nisan en deze maand door het Pascha was yeheiligd. De Èoomsche kerk gaat voor het begin van het kerkelijk jaar terug naar het Kerstfeest; wij hebben het begin van het jaar in het voorjaar. Dat de schepping in den herfst plaats gehad heeft m. a. ic. dat het eerst herfst geweest 7S, is de oude meening. Het heeft deze beteekenis voor de Schepping: of de Heere, toen Hij de planten schiep, ze vol geschapen heeft of alleen de zaadjes in de aarde gelegd; in het tweede geval was het geen schepping. Door het begin te stellen in de lente vernietigt men dus de creatio van den 3\'1cn dacj. Tn-tussehen hoewel daaruit rechtstreeks volgt, dat de schepping van de planten moet plaats gehad hebben in den herfst, moet men wel in \'/ oog houden, dat dit voor de dagen, die achter dezen scheppingsdag liggen niets beduidt.

2cle ()j de. aarde zoo geschapen is, dat het begin in den nacht was of in den morgen? — Bij alle volken begint de dag \'s avonds; wij laten sZelfs den dag om 12 uur \'s nachts aanvangen, terwijl ook de Grieken spraken van een vv/Jftj^foov, dus eerst de dan de rhuina. Sommige volken rekenen zelfs bij nachten in plaats van bij dagen (Caesar de B. G. VI : 18 J Is de afwisseling, de scheiding tusschen dag en nacht begonnen met den nacht of met den morgen ? Wij kunnen bij deze quaestie alleen maar teruggaan tot »avondlt; of igt;morgem ; er staat : en het was avond en het was morgen geweest. Tevens, gaat daaraan vooraf: quot;llX TPT; eindelijk staat er dat aan dat weer een Tj^\'n voorafging.

Nu komt de vraag hierop neer of die eerste T|l^n meerekent als

of niet, zoodat in het laatste geval eerst daar, waar de 31,1^ inviel en

de nS\'S kwam, de wisseling begon. Antwoord; De eerste rekent

niet mee, omdat de onderscheiding tusschen avond en morgen pas begint, waar de scheiding tusschen heide komt. Nu lezen wij dat deze scheiding niet begint hij de eerste TJCn maar later. De kan eerst daar

beginnen waar het eens geschapene licht onzichtbaar wordt. De andere bewering zou veronderstellen, dat het eerst geschapene 1lN weer in de

Wn

was teruggegaan. Deze twee beweringen mogen dus niet verward worden.

3de Hoe stond het nu met de overige Schepping ? . De Joden hebben van ouds gezegd, dat ook de hemelen, de rnlH en de geschapen

-ocr page 66-

62

College-dictaat van een der studenten (Dogmatiek).

waren. Behalve de zichtbare schepping is er ook een onzichtbare schepping. In de schepping van de vogels b.v. is meteen de bovenwereld geschapen. Evenzoo waar de mensch geschapen wordt, daar wordt de aesthetische en ook de zedelijke wereld geschapen. Hoe is het nu met de / Dit woord wordt in de II. S. in vierderlei zin gebezigd.

Iste het firmament.

2cle de dampkring.

3de de vermenging van firmament en dampkring.

4(le de woonstede Gods en ook weer de vermenging van alle vier te samen.

In den lsten zin Ex. 24 : 10; Beat. 1 : 10; Jos. 10:13 19 :2.

» gt; 2den » Beul. 11 : 17; ƒ Kon. 18 : 45.

gt; gt; 4den » Gen. 28 ; 17; 2 Kon. 2 : 1; 2 Kron. 2: 5; 6:18;

Job 22 : 12, 14; Ps. 68 : 34.

Gemengd gebruikt men het in Gen. 1:1;2:4;14:19; De ut. 3 : 24 en eenige andere plaatsen. In die hemelen als woonstede Gods nu zijn (jcoiiara volgens Paulus, I Cor. 15 ; 40; 2 Car. 5:1; lïehr. 8 : 5; 9 : 23; 12 ; 22. Het opvaren ten hemel van Elia, de hemelvaart van Christus, het zitten ter rechterhand Gods, het opnemen van de heiligen in de lucht den Heere te gemoet, strekken alle ten bewijze hiervan. Heel de. openbaring van Johannes maakt altijd den indruk, dat er een plaats bedoeld is. Jcsaja 66 : 1 ; Ps. 113 : 5, 6; Joh. 14 : 2, 3; Col. 3:1;/ Thess. 4 : Ï7; Hebr. 11 : 10.

2 Cor. 12 : 2 spreekt van een derden hemel.

Hebr. 4 : 14 van een doorgaan door de hemelen.

Hebr. 1 : 3 van de hoogste hemelen.

Ephez. 4 ; 10 van een ver hoven alle hemelen.

-ocr page 67-

ERRATUM.

Op den titel staat Pars Prima. Be lezer schrappe deze woorden.

-ocr page 68-
-ocr page 69-
-ocr page 70-
-ocr page 71-
-ocr page 72-

.. * \\ \' ,v v t v V^ v \'i . .4 \' rv-v ) ^ r , A ^- gt; ». m ■- lt; \' f quot; .-*gt;■% ^ ■-gt; . _ * A- ,

V ^\'\\ ! \'

r i gt;-a / i 4 \' ! / -x v ^ ■

i \' ■ \' • ï. • ■ \' \' A ir - , f -., ** A; \' \' \'

:*j- -H* A\' , ^-rvc

ft / / . / - -.-^V Jniw - \' V v4 - -T ,■

-■ gt; ^ *Y ^ T^-;; ^ ;^c ■ ., \'\'n \' i /C ^

/ -i. r - /V ^ v Y ^ ^

\'M ^ 7 . - ^ u V .•

W ^ ~ ^ V ;HX V \' v ^ W ■ -V, \' ■/ quot;

^ • rgt; , -■ v- ,7* v /• ^ •• - , v • ,

v. ^ t .%\':■lt;*■ v v. ^ ^ i \'\'gt; è :

[l gt;lt;i gt; .\'i ,gt;• ^-\' jyii ^ X gt;-lt; jt-

r-/ .: -.. ■T ^ i. ;. \\ , - ƒ ,i \' :

I quot; C ^ \\ V \'■*■ nquot;\'quot; \'.. {Aafe.) quot; r -,\'vrgt;quot;\' #S,quot; *

h\' gt; r H !gt; . U C ^ rY^ ^\'.. gt;V.: ..

C/-\' ■ -r\' V - k.: quot; 1 v\'.\' t ^ ;\' lt;-?lt; -v

\'■\' \'X quot;;V\'■ J:C^y ^

Ir\'^ \'r

frquot; - f quot;■\' ■•/ I, * • f /

I ^

\\ k , \'1 -* 1 quot; gt; \' , l: r »- fc\'

\'V 7/, -/r -r^vV a.

£gt; . \\ ^ ^ •-/- /!/\'\'■ r /1 ^y - A

t\'^V i~*quot;-k \'rlt; i gt; quot; A y i / ^ \\ /, »•-■

T ^ ^ 1 ^ V ^ V-; ^ sfV*

L-\'^ h l quot; r r

r // : K-^ ■ ^ ^ r- gt;.;. * y ^

k%\' Jrrigt;^4- i-4 gt;

: -s gt; L \', —C 4 v •• ^ /

, ^ ^ . ■ k . t -r . . a / lt; - ■

v ./s., j Nr« ^■r\' t-- ^ 2 ^

I \\ gt;:^1 1 ^ r ^ ■/-■ \' ^, .---x ■ , ,i

. A x \' ■ ■ . lt;t * ! - - r x. • jlt; / v

| y/? s . \\ x ■*. r lt; quot;• ■»,• rr f- . , v \'•

\'•■ \' \' quot;v-^. ■/ y ■1-.- . t \' V gt;-- , , , Afcr, - quot;V .

7 ■; , ■ ■• 1 .^ t-, gt;.v.«!-\'V .-KV*quot; ^

1 Vf ,- V- \' \' ■lt;■ Pquot; \' ^•\'» -\'■ \' -\' quot;\'f

KV -•-• -\'L wW

-4V ..■• , V- • V /v i ï\' No\' t\'j \' h^l gt;

■ \' \' -ïvr-* •lt;* ■„ rw**^ ^ ■ \'•••- gt;- ■ t quot;\'

■ ■ \'\' w V \' ■ ^v\' \\:j. / \'\'lt; /\'lt; y - v

\' V fv ^*,\' ^s-J-J h-\'Jk -■s- V Wr v /, \\ . j

. ■ ^ ■ .-lt; ■quot; r J{T - gt; ;.- ^

rC-r- .1 ^vc-,

x -.K-\\\'* quot; i- c$lt;%^J-v

•4 7J gt; - v ^■^\'■■^■f\'h

. r.; v V/- - i \'•lt;quot; ^ ^ .

^ £ \' L/ j\' quot;V r\'1 \' ^. \\ -* Ji i, ■ i

■ -/-v ■? . 1