-ocr page 1-
-ocr page 2-

yV

-ocr page 3-

ZT

Sus ter en

]quot;\'N

lilil iiiiiiti,

HANDBOEKJE

len dienste der Pelgrims.

ROERMOND.

VAN DEf^ MARCK. 1886.

Vf

-ocr page 4-
-ocr page 5-

iïT

liSftiti

Z IJ N E

en

E I L I G E N.

HANDBOEKJE ten dienste der pelgrims.

ROERMOND,

Henri van der Marck. 1886.

-ocr page 6-

Imprimatur.

RuRiEMüNDiE, 12 August! 1886.

P. J. H. RUSSEL, Can. et Prol\'. Librorvm Censor.

-ocr page 7-

SUSTEREN EN ZIJNE HEILIGEN.

Dc Heiligen zijn de vrienden van God.

Tijdens hun leven op aarde waren zij toonbeelden van deugd, thans genieten zij in den Hemel de genoegens der eeuwige zaligheid.

De Heiligen zijn ook onze vrienden, onze voorsprekers bij God.

Volgens de leer der H Kerk is het goed en nuttig de voorspraak van Gods lieve Heiligen aan te roepen, en ons te stellen onder hunne liefderijke bescherming.

Geldt dit voor alle Heiligen zonder onderscheid, eene geheel bijzondere vriendschap en tusschenkomst zal ons geworden van wege de-genen, die in onzen vaderlandschen kale7ider staan opgeteekend, en op onzen vaderlandschen bodem, in de dagen van het verleden, den zoeten geur van deugd en heiligheid verspreid hebben.

Klein is ons Limburg wel, doch vruchtbaar aan vrienden Gods; rijkdom bezit het niet, maar wel schatten van reliquieën en gebeen-ten van Heiligen. Maastricht heeft 200 jaren lang bisschoppen gehad, die de openbare vereering der geloovigen zijn waardig bevonden; Odiliënberg bezit zijn roemwaardig drietal:

-ocr page 8-

4

de H. H. Wiro, Plechebnus en Otgerus, de kloeke verkondigers van Gods woord in het voormalig land van Gelder; de stad Weert is fier op een H Antonius en H Hieronymus, die te Gorkum blijmoedig voor God hun leven opofferden; Houthem bezit het heilig gebeente van den ridderlijken kluizenaar Gerlacus, den boetvaardige.

In de volgende bladzijden vestigen wij de vrome aandacht der katholieken op de Heiligen, welke in de ve7-maardc, aloude stiftskerk van Susteren bewaard en vereerd worde?i.

Schitteren zij met onver doof bar en luister aan den sterrenhemel van Jesus\' zegepraletide Kerk, staan hunne namen met eer en eerbied geboekt in de gedenkschriften onzer kerkelijke geschiedenis, ook huil heilig gebeente zal, dank zij de zorgen va?i Susterens volijverigen herder, in kostbare reliekschrijnen bewaard en den geloovigen ter vereering uitgesteld worden.

Ongetwijfeld zal het plechtig feest, dat gevierd wordt, de toeloop der geloovigen, en de godsvrucht der pelgrims Susterens dierbare Heiligen in ruime mate schadeloos stellen voor de vergetelheid, waartoe zij, tengevolge der Fransche Omwenteling, waren vervallen.

Ongetwijfeld zullefi deze Gelukzaligen, zoo machtig bij God, met meer liefde dan ooit nederblikken op de plek grotids, waar zij voor het hemelsch leven herboren, en hunne overblijfselen ter ruste en ter verheerlijking neder-gelegd werden.

-ocr page 9-

5

Ongetwijfeld ook zal de vroomheid en de edelmoedigheid der pelgrims den wakkeren herder in staat stellen, niet alleen het door hem met zooveel moed en toewijding begonnen werk gelukkig ten einde te brengen, maar ook nog de hand te slaan aan den reuzenarbeid, die hem wacht, en tevens zoo gebiedend noodzakelijk is, namelijk de wederopbouwing van den eerbiedwaardiger Romaansch-Byzantijnschen Sal-vatorstempel, waar zoo menige Heilige zijne ziel voor God en Gods Moeder in gebed en verzuchting heeft uitgestort.

-ocr page 10-

I HOOFDSTUK.

Stad en Stift Susteren.

----gt;./gt;---

Het oude Suestra is een van die plaatsen, welke ons herinneren aan het verblijf der Frankische vorsten op Limburgschen bodem, en aan de verkondiging van het ware geloof langs de boorden der Maas.

Op het einde der VU\'10 eeuw werd de abdij van Susteren door Blittrudis, gemalin van Pepijn van Herstal, gesticht en in het jaar 714, bij uiterste wilsbeschikking, door Pepijn aan den H. Willebrordus geschonken.

De H. Willebrordus werd er de eerste abt, en vertoefde er met eene zekere voorliefde, wanneer de zware taak der Evangelie-verkondiging hem eenige dagen van rust, van eenzaam gebed en eigen ziels verkwikking gedoogde.

In een zijner werken verhaalt ons de geleerde Alcuinus het volgende: Toen de H. Willebrordus alhier verbleef, sloeg hij op zekeren dag, om \'zijnen weg te verkorten, een voetpad in, dat door den akker van een rijken grondbezitter liep. De bewaarder van dien akker, hierover vertoornd, barstte los in bittere verwijtingen tegen den man Gods.

-ocr page 11-

7

De gezellen van Willebrordus wilden deze beleediging wreken, doch de zachtmoedige zendeling, die zoo dorstig was naar de zaligheid van allen, wilde niet den ondergang van een enkele. Hij vermaande hen tot vrede, en daar hij niet bij machte was de dwaze gramschap van dien man te bedaren, keerde hij zich om, en sloeg een anderen weg in.

De ongelukkige echter, die zich verstout had den dienaar Gods te beschimpen, werd desanderendaags door een haastigen dood getroffen.

Heden ten dage nog wijst ieder bewoner u den ^Groenenwegquot; aan, dien de Heilige betreden heeft, en die altoos, bij zomer en winter, met groen als met een tapijt bedekt is.

Aanvankelijk werd de abdij bewoond door kloosterheeren en broeders, die echter reeds zeer spoedig, stellig althans in 882, toen de abdij door de Noormannen verwoest werd, door vrouwen werden opgevolgd.

Niettemin bleef ook, na de verandering der abdij in een vrouwelijk stift, het mannelijk kapittel voortbestaan.

In lateren tijd treffen wij telkens vier kanunnikken aan, waarvan ee\'n de herderlijke bediening uitoefende in het zoogenaamde Papenmunster (de voormalige, in 178Q afgebroken bouwvallige parochiekerk) dat naast de kerk der abdij, het Vrouwenmunster, gebouwd was.

-ocr page 12-

I HOOFDSTUK.

Stad en Stift Susteren.

------

Het oude Suestra is een van die plaatsen, welke ons herinneren aan het verblijf dei-Frankische vorsten op Limburgschen bodem, en aan de verkondiging van het ware geloof langs de boorden der Maas.

Op het einde der Vir1quot; eeuw werd de abdij van Susteren door Blittrudis, gemalin van Pepijn van Herstal, gesticht en in het jaar 714, bij uiterste wilsbeschikking, door Pepijn aan den H. Willebrordus geschonken.

De H. Willebrordus werd er de eerste abt, en vertoefde er met eene zekere voorliefde, wanneer de zware taak der Evangelie-verkondiging hem eenige dagen van rust, van eenzaam gebed en eigen zielsverkwikking gedoogde.

In een zijner werken verhaalt ons de geleerde Alcuinus het volgende: Toen de H. Willebrordus alhier verbleef, sloeg hij op zekeren dag, om \'zijnen weg te verkorten, een voetpad in, dat door den akker van een rijken grondbezitter liep. De bewaarder van dien akker, hierover vertoornd, barstte los in bittere verwijtingen tegen den man Gods.

-ocr page 13-

/

De gezellen van Willebrordus wilden deze beleediging wreken, doch de zachtmoedige zendeling, die zoo dorstig was naar de zaligheid van allen, wilde niet den ondergang van een enkele. Hij vermaande hen tot vrede, en daar hij niet bij machte was de dwaze gramschap\' van dien man te bedaren, keerde hij zich om, en sloeg een anderen weg in.

De ongelukkige echter, die zich verstout had den dienaar Gods te beschimpen, werd desanderendaags door een haastigen dood getroffen.

Heden ten dage nog wijst ieder bewoner u den »Groenenwegquot; aan, dien de Heilige betreden heeft, en die altoos, bij zomer en winter, met groen als met een tapijt bedekt is.

Aanvankelijk werd de abdij bewoond door kloosterheeren en broeders, die echter reeds zeer spoedig, stellig althans in 882, toen de abdij door de Noormannen verwoest werd, door vrouwen werden opgevolgd.

Niettemin bleef ook, na de verandering der abdij in een vrouwelijk stift, het mannelijk kapittel voortbestaan.

In lateren tijd treffen wij telkens vier kanunnikken aan, waarvan één de herderlijke bediening uitoefende in het zoogenaamde Papenmunster (de voormalige, in 1789 afgebroken bouwvallige parochiekerk) dat naast de kerk der abdij, het Vrouwenmunster, gebouwd was.

-ocr page 14-

8

De aloude stiftskerk, thans parochiekerk, is in zuiveren Romaansch - Byzantijnschen bouwtrant opgetrokken.

Ten oosten van het koor heeft zij eene krypt of onderaardsche kerk, die (volgens den heer Victor de Stuers) ouder is dan de krypt van O. L. Vrouw te Maastricht, welke uit de Xrle eeuw dagteekent.

De heer L. von Fisenne, Nederlandsch bouwkundige, heeft er in zijn »Art monumental du Moyen agequot;, eene uitgebreide studie over geleverd, met daarbijbehoorende tee-keningen.

Het allerprachtigst handschrift met niini-aturen, dat te Susteren wordt bewaard en Evangeliarium of Evangelieboek wordt genoemd, werd door den heer Jos. Gielen van Maeseijck beschreven.

In de XVI eeuw werd Susteren omwoeld door de kettersche Sacramentisten en We-derdoopers, totdat de hertog Jan van Gulik, in 1533, aan deze misbruiken door eene commissie van visitatoren paal en perk stelde. De sekte der Wederdoopers evenwel bleef tot in 1580 voortwoekeren. Te Susteren werden nog den 20 October 1574 eenige Wederdoopers verbannen, en anderen weder in de Roomsch-Katholieke Kerk opgenomen. Eene eeuw later, den 5 November 1656, vindt men den ambtman van Born nog met eene instructie tegen Wederdoopers in den gerechtsdwang Sittard bezig. In 1591 werd

-ocr page 15-

9

aan de andere Protestanten of Lutheranen gewetensvrijheid in deze Guliksche streken geschonken. In 1610 richtte Marras Mignon te Susteren eene afzonderlijke gemeente op. In 1622 werd Georg Adam Trappius predikant te Susteren.

Voorzeker is het aan de machtige voorbede der lieve Heiligen van Susteren te danken, dat deze plaats, ondanks de besmetting der kwade voorbeelden en de pogingen tot verleiding, steeds aan het ware geloof, dien kostbaren voorvaderlijken erf-schat, is getrouw gebleven.

In het jaar 1542, toen de Geldersche op-volgingstrijd tusschen Karei V en hertog Willem van Gulik was ontstaan, werd het hertogdom Gulik door :s keizers luitenant, den prins van Oranje, Réne\' van Chalons, bemachtigd; Sittard en Susteren kregen Bourgondische bezetting. Den 23 Maart werden de Keizerlijken op den Kollenberg bij Sittard geslagen, en, bij het vernemen dezer nederlaag, verliet de bezetting van Susteren \'s nachts deze vesting, en zocht een goed heenkomen aan gene zijde van de Maas. Bij den vrede van Venlo, 8 Sept. 1543, bleef Susteren onder het Guiiksch bewind tot aan de Fransche Revolutie.

Toestand van Susteren in 1736, volgens den omslag door den scholtis Montz en de schepenen van Susteren opgemaakt voor de belastingen van dit kerspel.

-ocr page 16-

10

Het kerspel had toen eene oppervlakte van 1811 morgen, 3 vrechten en 213/4 roeden, en moest opbrengen 3582 rijksdaalders, 22 albus Q heller.

Van 221 familiën werd, uit hoofde van hun beroep, belasting geheven. (Eene soort van patentbelasting). Zij waren te zamen voor 49 rijksdaalders, 30 albus aangeslagen en aldus ingedeeld; 123 kotter, (kleine boeren) 74 akkerlieden, 4 bierbrouwers, 4 jenever-tappers, 3 schoenmakers, 3 smeden, 2 stroo-dekkers, 2 snijders, 1 watermolenaar, 1 pleisteraar, 1 linnenwever, 1 radermaker (esser) en 1 jood.

Het kerspel telde 81 paarden en 202 koeien.

De zoogenaamde pensionsomslag (de belasting, geheven ter betaling van renten en intresten door de stad verschuldigd) gaf in cijfers 1Q51 rijksdaalder, 25 albus, 2 heller, zoodat in \'t geheel aan belasting opgebracht moest worden, met inbegrip der bovengemelde grond- en bedrijfsbelasting, 5583 rijksdaalder, 17 albus, 11 heller per jaar.

Uit eene opgaaf van Lambert Schalleij, maire te Susteren, den 29 Brumaire, IX jaar der Republiek, aan den burger Robillard, ontvanger der Registratie en Domeinen te Heinsberg, departement van de Roer, gedaan, blijkt dat de gemeente Susteren 1200 inwoners telde. Thans heeft Susteren eene bevolking van 1990 zielen.

-ocr page 17-

II HOOFDSTUK.

De H. Willebrordus, bisschop en Belijder, apostel van Nederland, en eerste stichter van Susteren

(7 November).

—----

Deze groote geloofsverkondiger was geboortig uit Northumbrië omtrent 657 of 658; zijn vader Wilgis was een vroom krijgsman, uit een Angelsaksisch geslacht, die later monnik werd, en als Heilige wordt vereerd. Reeds in de eerste jaren zijner kindsheid, zegt de geleerde Alcuinus, werd Willebrordus geplaatst in het klooster van Ripon, onder de leiding van den abt Wilfried, die later aartsbisschop van York werd. Te Ripon ontving Willebrordus de kruinschering en het habijt der orde van den H. Benedictus. Twintig jaren oud verliet hij Ripon, en begaf zich, met goedkeuring van zijnen abt, naar Ierland, alwaar hij zich gedurende 12 jaren, onder Egbert, abt van het klooster Rathmelsigi, (thans Meifont,) dien men reeds in zijn leven voor een Heilige hield, en van den niet minder vromen priester 1 Wigbert, op de geestelijke studie toelegde, en op dertigjarigen leeftijd, volgens den toenmaligen

-ocr page 18-

12

regel, door Egbert werd priester gewijd. Bijna drie en dertig jaren oud, werd hij door Egbert aangespoord om zijn leven en werken aan de verkondiging van het h. Evangelie onder de Friezen toe te wijden. In het jaar 690 zond hem Egbert, aan het hoofd van elf metgezellen, naar Friesland. Dit land werd ten westen begrensd door de Schelde, ten oosten door de Eems, alsmede de geheele kust, van den Dollart af tot Ostende; het bezat echter noch steden, noch groove dorpen en de bevolking legde zich uitsiuitend toe op de jacht en de vischvangst.

Te Katwijk, aan de uitmonding van den Rijn, stapten onze zendelingen aan wal. Volgens de kerkelijke geschiedenis van Beda, was Willebrord aan Paus Sergius voorgesteld geworden, en had hij van dezen Paus de noodige volmachten, benevens reliquieën der H. H. Petrus en Paulus verkregen. Vol vertrouwen op God betrad Willebrordus het gebied zijner missie, in hetwelk zijn heilige leermeester Wilfried reeds in het jaar 617, onder koning Algis, met vrucht was werkzaam geweest. Toen echter bestond er onder de Friezen niet veel neiging tot het Christendom ; koning Radbout en het volk vreesden, dat, indien zij de geloofszendelingen van hunne vijanden, de Franken, aannamen, zij weldra door dezen zouden onder het juk gebracht worden. De H. Willebrordus echter, die uit Brittannië hierheen kwam, werd met

-ocr page 19-

13

minder mistrouwen ontvangen, en zocht vooreerst den koning zeiven te winnen. Daartoe begaf hij zich naar de vesting Wiltaburg (het latere Utrecht). Toen hij echter bespeurde dat koning en volk der Friezen geheel besmet waren met heidenschen eeredienst, vond hij goed zich naar Pepijn van Herstal te begeven, om de bescherming der Franken te verkrijgen,

Pepijn ontving hem goed, en schonk hem het schier verwoeste paleis der Friesche vorsten te Utrecht; hij beloofde hem krachtigen steun, en wees hem het land tusschen Maas en Moezel tot missiegebied aan; tevens versprak Pepija zijne vorstelijke gunst aan al degenen, die het Christendom zouden aannemen.

Zoodra nu de H. missionaris de vergunning van Pepijn had ontvangen, spoedde hij zich naar Rome in \'t jaar 695, Hier werd hij door Paus Sergius tot aartsbisschop der Friezen gewijd, hij ontving het pallium en den bijnaam van Clemens, Na een verblijf van veertien dagen te Rome, keerde Willebrordus naar Friesland terug. Nu aanvaardde hij voor goed zijnen arbeid, tot heil der hem toevertrouwde zielen en tot verspreiding van het licht des waren geloofs; men zegt dat hij meermalen, tot dit laatste doelwit, met den H. Lambertus, bisschop van Maastricht, alsook met den H. Wiro van Odiliënberg bijeenkomsten en samenspraken had.

-ocr page 20-

14

In het jaar 698 stichtte Willebrordus de abdij van Echternach aan de Sauer, tot eene kweekschool voor missionarissen; tevens regelde hij het bestuur van het hem door Pepijn en zijne gemalin Plectrudis of Blittrudis geschonken klooster te Susteren, hetwelk nu eene abdij werd, waarvan hij zelf abt was. Dit geschiedde vermoedelijk in het jaar 714, toen Pepijn overleed.

Karei Martel, zoon van Pepijn, had op zijne beurt den Frieschen koning Radbout overwonnen, en Willebrordus vestigde nu zijnen zetel te Utrecht, welke stad hem door den koning was ten geschenke gegeven. Deze heilige, ijvervolle en beminnenswaardige man werd, op den hoogen ouderdom van 82 jaren uit den harden strijd voor de belangen van Christus, tot de eeuwige zegepraal opgeroepen in het jaar 739, in den nacht van den 6 — 7 November, te Echternach, en ook aldaar, volgens zijn verlangen, in zijne bidkapel ter aarde besteld.

Toen zijne overblijfselen den 19 October 1031 werden verheven, vond men zijn H. lichaam en kleederen onbedorven, terwijl er zich bij het openen der zerk een aangename geur verspreidde. De steenen kist des Heiligen werd in de Fransche Revolutie door een vroom gezin te Echternach bewaard. Deze kist bevat nog het hoofd en eenige beenderen van den Heilige. Zijn haren boetekleed is nog te Echternach aanwezig

-ocr page 21-

15

en op de pastorie van O. L. Vrouwe berust zijn draagbaren altaarsteen. Het aandenken van den H. Willebrordus leeft nog krachtig in het gemoed van alle Nederlanders, en zijne nagedachtenis wordt in 75 Nederlandsche kerken, aan hem toegewijd, vereeuwigd (58 in de Noordel. provincieën, 17 in België). Ook wordt er, tot aandenken van hetgeen hij in zijn leven voor het Christendom heeft gewrocht, en tot bewijs van eerbied voor de wonderen, bij zijn graf geschied, nog jaarlijks te Echternach, op Dinsdag na Pinksteren een processie-dans, de zoogenaamde «springprocessiequot; uitgevoerd. Deze dans geschiedt op de maat der muziek, vijf schreden voorwaarts en twee terug, of drie voorwaarts en een terug. Deze processie bestond reeds in 1450.

De H. Willebrordus wordt, met een jeugdigen knaap op den arm, voorgesteld als bisschop, eenen heidenschen afgod verbrijzelend, of terwijl hij een wijnvat zegent, of wel eene bron doet ontspringen in den achtergrond der Abdij van Echternach, ook wel een kerkmodel dragend. Er zijn in ons Nederland verscheidene Willebrordus-putten bekend, die vroeger tot het H. Doopsel der bekeerde heidenen werden gebruikt, en aan wier water ook thans nog eene genezende kracht wordt toegeschreven (b. v. te Geis-teren, Venray, Stamproy en Hoengen). De H. Willebrordus wordt door de geloovigen aangeroepen, vooral tegen de koortsen.

-ocr page 22-

16

GEBED.

O Heer, Gij, die den heiligen Willebror-dus, bisschop en Belijder, gewaardigd hebt te zenden om uwe glorie aan de heidenen te verkondigen; verleen ons door zijne verdiensten en voorspraak: dat wij mogen volbrengen hetgeen Gij ons te doen voorschrijf;, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U en den H. Geest leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 23-

Ill HOOFDSTUK.

De heilige Amelberga, Maagd, eerste abdis en kerkpatrones te Susteren, 2i November. De HH. Benedicta en Cecilia, Maagden, abdissen te Sus-teren. De heilige Relindis, hare zuster, kluizenares te Flemalle bij Luik, 17 Augustus of 16 November.

De H. Amelberga was eene maagd, vermaard door de heiligheid van haar leven. Volgens de overlevering werd zij de eerste abdis van Susteren, nadat dit aloud gesticht, zoo eerbiedwaardig wegens zijne heilige bewoners en de aldaar berustende heilige overblijfselen, door den vromen koning Zwenti-bold van Lotharingen, die ook aldaar begraven is, was hersteld geworden.

Amelberga bestierde hare medegezellinnen in de stipte onderhouding der kloosterlijke tucht, en nam ook in hare abdij de drie dochters van voornoemden koning aan, om hare opvoeding te voltooien. Deze jonkvrouwen waren Benedicta, Cecilia en Relindis. Zij kwamen in dit stift, om door verachting van alle koninklijke praal, de nederigheid van Christus na te volgen, en met de zuiverste liefde voor de hemelsche dingen te

-ocr page 24-

18

worden bezield. Amelberga, de gids der drie vorstinnen-zusters, voerde haar tot zulk een zuiveren levenswandel, dat zij naderhand als Heiligen werden vereerd.

Relindis legde zelfs de grondslagen van een nog heiliger leven, en de strengere eenzaamheid opzoekend, kwam zij te Flemalle, boven Luik, aan de Maas, alwaar zij na een bewonderenswaardig heilig leven, een zaligen dood stierf.

Benedicta, de opvolgster der H. Amelberga, en insgelijks een luisterrijk voorbeeld van nauwgezetheid in de kloosterlijke tucht, werd opgevolgd door hare zuster Cecilia, die niet minder heilig van leven was. Beide zusters zijn te Susteren, in de kerk van het beroemd Benedictijnen-stift voor adellijke jonkvrouwen begraven en haar gebeente wordt er met zorg bewaard; ook de overblijfselen der H. Amelberga berusten in de Salvatorskerk, welke na de Fransche Omwenteling parochiale kerk is geworden.

Het feest der overbrenging van de H. Amelberga werd vroeger te Susteren op den laat-sten Mei-dag gevierd. De nagedachtenis van de HH. Benedicta, Cecilia en Relindis wordt op den 17 Augustus, die der HH. Benedicta en Cecilia in eenige Benedictijner Martyrologia op den 16 November vereerd.

-ocr page 25-

19

GEBED

TOT DE H. AMELBERGA.

Verblijde ons, o Heer, het roemrijk feest uwer heilige Maagd Amelberga, opdat zij, die door hare verdiensten U heeft behaagd, ook voor onze beleedigingen uwe vergiffenis afsmeeke, door Jesus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U, en den H. Geest leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

GEBED

tot de II.II. Bene dicta, Cecilia en Relindis.

O God, die ons heil zijt, verhoor ons, opdat, gelijk wij ons verheugen op het feest uwer heilige Maagden Benedicta, Cecilia en Relindis, wij ook zoo in den geest van vurige godsvrucht onderwezen worden. Door onzen Heer Jesus-Christus, die met U en den H. Geest leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen, Amen.

-ocr page 26-

IV HOOFDSTUK.

Zwentibold, koning en tweede stichter van Susteren, vroeger vereerd als heilige Belijder den 13 Augustus.

(Boll. Acta Sanctorum ij Aug.)

In het jaar 8Q5 hielp Raginerus, graaf van Henegouwen, een der voornaamste vorsten van België, den keizer Arnulfus om dezes natuurlijken zoon Zwentibold, tot nadeel van zijnen wettigen zoon Lodewijk, op den troon van Lotharingen te plaatsen. Dit gebeurde op den vorstendag te Worms. Het koningrijk Lotharingen heeft zijn naam te danken aan Lotharius, achterkleinzoon van Karei den Groote. Het was verdeeld in Neder-Lotharingen, waartoe Maastricht behoorde, met Aken als hoofdstad, en Opper-Lotharingen met de hoofdstad Metz.

Om zijne erkentelijkheid aan Raginerus ce betoonen, gaf hem Zwentibold de abdij van St. Servaas te Maastricht; doch Radboud, bisschop van Trier, aan wien deze abdij toebehoorde, deed zijn beklag op den landdag des konings, ■ wiens leger bij Aken verzameld was; Raginerus werd den IS1\'1-\'quot; Mei 8Q8 te Aken gedwongen om de abdij terug te geven, doch trachtte zich in het bezit er van staande te houden. Zwentibold beroofde

-ocr page 27-

21

hem van zijn land en noodzaakte hem binnen 14 dagen het rijk te verlaten. Raginerus stelde zich aan het hoofd der misnoegde edelen, die de kroon van Lotharingen eerst aan Karei den Eenvoudige, koning van Frankrijk, vervolgens aan keizer Leopold en eindelijk aan Lodewijk, zijnen halven broeder, »het kindquot;, opdroegen. Na meerdere gevechten, sneuvelde koning Zwentibold den IS11011 Augustus Q00 in een veldslag tus-schen Susteren en de Maas, volgens zekere overleveringen op den Rohrsack of Wel-schenheuvel bij Urmond. Zijn stoffelijk overschot werd te Susteren in de abdijkerk bijgezet.

Zwentibold, die door het Limburgsch volk meer Sanderbout, ook Zwendebold en Suen-topold wordt genoemd, was omtrent Paschen 897 gehuwd met Oda of Odegundis, dochter van Otto, koning van Frankenland. Hij had drie dochters, Benedicta en Cecilia, ^ abdissen van Susteren, die op den 17 Augustus als Heiligen vereerd worden, en Relindis, die als kluizenares te Flemalle bij Luik ook heilig leefde en stierf;

Zwentibold bestierde zijn rijk met nauwgezetheid van geweten, en verwierf de liefde zijner onderdanen, maar tevens den haat der grooten. Hij reinigde en herstelde de kloosters en kerken, welke door de Noormannen waren verwoest; eene bijzondere voorliefde had hij voor de abdij Susteren, waar zijn

-ocr page 28-

22

*

heilig overschot rust en waar hij als tweede stichter wordt vereerd, 13 Augustus. Hij verwijlde bij voorkeur op een landgoed, ter plaatse waar, in het begin der vorige eeuw, het kasteel van Born werd gebouwd. Op de hoeve Grasbroek, gemeente Limbricht, tusschen Sittard en de Maas, werd vroeger een meubelstuk bewaard, dat thans naar het naburige kasteel Born is overgebracht, en door het volk »de stoel of troonzetel van koning Sanderboutquot; wordt genoemd. Deze , stoel is eene zoogenaamde kredens of aanrek, een meesterstuk van meubelmakersknnst, der beschouwing overwaardig. In de schatkamer te Susteren bevinden zich nog eenige merkwaardige stukken van Zwentibolds opperkleed.

»Ik ga naar koning Sanderbout,quot; is eene Limburgsche spreekwijze, die beteekent »ik ga naar de Graafheide.quot; De sage meldt het volgende over de schenking van 6666 bunders heide, genoemd de Graat of de Graat- . heide, aan zijne lieden van Sittard, Born, Guttecoven, Limbricht, Munstergeleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Berg, Obbicht, Papenhoven en Buchten.

Op zekeren morgen vóór den noen, deed de koning een man te paard stijgen, en zeide hem, dat er zooveel dorpen, als hij binnen den tijd van het noenmaal zoude omrijden, aan de gift zouden deel hebben. Onze ruiter reed dan over Born, Guttecoven,

-ocr page 29-

23

Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo naar Stein, van Stein uit kwam hij aan de Houzerlinden; aldaar stond een wit paard gereed, liet zijne was te zeer vermoeid; van hier nu rende hij in vollen draf over Urmond, Berg, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum; daar stond een oude vrouw aan den slagboom, hij verzocht haar dien te openen, doch zij weigerde. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen koning Sanderbout en zijne gasten water namen na den maaltijd. Hij vertelde hun zijne lotgevallen. Nu sprak de koning: »omdat het wijf te Holtum dezen man niet heeft willen doorlaten, zoo zal Holtum ten eeuwigen dage van deze gift uitgesloten blijven.quot;

Daarna stelde Sanderbout de rechten en gebruiken vast, welke de heeren van Born en de gemeenten voortaan in deze schenking zouden toepassen.

Tep. oosten van Sittard wijst men u nog een ouden toren en muur, die Zwentibold zou gebouwd hebben, en die nog naar hem genoemd worden.

Knippenbergh meldt, dat hij, bij een bezoek te Susteren, den grafkelder van Zwentibold, door eenen grooten steen, 2 meter lang 1 breed, gedekt heeft gezien.

De koning werd begraven aan den ingang van het koor, naast de H. Amelberga.

In 1836 werd het graf geopend en de

-ocr page 30-

24

degen van Zwentibold gevonden, doch door onvoorzichtigheid gebroken.

Vóór 30 jaren, verhaalt J. Russel, zouden er nog een borstbeeld van koper en een jachtkleed van groen zijden fluweel met parels en goudlijst bezet, van koning Zwentibold afkomstig, te Susteren geweest zijn. (*)

(*) Dit jachtkleed is nog aanwezig.

-ocr page 31-

V HOOFDSTUK..

De heilige Gregorius, bisschop van Utrecht, (25 Augustus) en de heilige

Vastrada, zijne moeder, (21 Juli.)

-.^.lt;5---

De H. Gregorius, abt en bestuurder van het bisdom Utrecht, was de bestendige en getrouwe begeleider van den H. Bonifacius. Hij werd ten jare 702 in het gebied van Trier geboren; zijn vader en grootvader schijnen beiden Albericus te hebben geheeten. Zijne moeder was de H. Vastrada of Vas-tradis. Deze Heilige nam, misschien in het klooster van Susteren, na den dood van haren gemaal den sluier aan. Op zekeren dag van 722 moest de jeugdige Gregorius voor de kloostervrouwen van Pfalzel eene godvruchtige lezing doen, en in de landtaal verklaren. Toen de jongeling zich verontschuldigde, wijl hij daartoe geene genoegzame bekwaamheid meende te bezitten, deed zulks de H. Bonifacius, die toevallig tegenwoordig was, en wel met zooveel zalving, dat Gregorius terstond besloot aan de wereld vaarwel te zeggen, om den H. apostel van Duitschland te volgen.

-ocr page 32-

26

Butler zegt dat zijne familie hem geen beletsel schijnt te hebben gemaakt; maar men gelooft dat hij nog eenigen tijd in het klooster Ohrdorf (Ohrdruf) zou vertoefd hebben, om er zijne studiën te voltooien. Zeker is, dat hij nog zeer jong was, toen hem de H. Bonifacius medenam op zijne missiereizen door Hessen en Thuringen, en dat hij hem als zijnen zoon beminde. Gregorius werd alzoo de bijzondere deelgenoot van alle werkzaamheden, gevaren en reizen des H. Bonifacius, en maakte onder de leiding van een zoo grooten leermeester, zulke vorderingen, dat hij weldra in de kennis der H. Schriftuur en in de beoefening aller deugden boven alle anderen uitmuntte.

Nadat de H. Bonifacius, gedurende eenige jaren den bisschopszetel van Utrecht had ingenomen, wijdde hij zich hoofdzakelijk toe aan de bekeering der Friezen; hij verhief Gregorius tot de waardigheid van abt van het klooster, dat hij te Utrecht gesticht had. ,

Na de dood des H. Bonifacius (5 Juni 755) aanvaardde de H. abt Gregorius, op verlangen van Paus Stephanus III en van koning Pepijn, het bestuur van Utrechts bisdom. Daarvandaan dat hij in eenige Martyrologia en ook in het Romeinsch Martyrologium voorkomt als bisschop, alhoewel hij nimmer de bisschoppelijke wijding heeft ontvangen.

Tot zoo hoog eene waardigheid verheven,

-ocr page 33-

27

veranderde hij niets aan zijne vorige levenswijze ; zelf een groot beoefenaar der schoone deugd van armoede, was hij milddadig jegens den behoeftige. Hij noemde de rijkdommen een zoet venijn en eene voorbereiding tot het verderf. Hij gebruikte geen wijn dan weinig, met water vermengd. Hij zeide aan zijne leerlingen dat zij de dronkenschap als de voedster der hel moesten vluchten, en onderwees hen gedurig, hoe zij de ondeugden zouden uitroeien, en zich de deugden eigen konden maken.

In zijne herderlijke bezorgdheid zond hij de H.H. Marcellinus, Lebuinus en Willibal-dus om de streken van Overijssel te be-keeren en te beschaven.

Hij vormde ook den geest en het hart van den jeugdigen Ludgerus in dier voege, dat deze later wegens zijne heiligheid van leven en bekwaamheid in de wetenschappen, als bisschop, de kerk van Munster tot sieraad ver-\' strekte. Zijne goedhartigheid bleek vooral, toen hem de stedelijke overheid de moordenaars zijner twee broeders toezond, opdat hij over hun lot zou beslissen. In plaats dat hij van zijn recht gebruik maakte, schonk hij hun de vrijheid en eene ondersteuning, met eene zachte vermaning over de wijze waarop zij hun misdrijf zouden boeten. Geoefend in alle deugden, geliefd bij God en de menschen, na in zijnen hoogen ouderdom, gedurende drie jaren met lamheid te

-ocr page 34-

28

zijn geslagen, welke hij met het grootste geduld verdroeg, uitgeput van krachten, zoodat hij zich nauwelijks in de handen zijner leerlingen kon overeind houden, voorspelde hij dat de H. Albricus, die destijds in \'s ko-nings dienst in Italië verbleef, bij zijn afsterven tegenwoordig zou wezen, en na zijnen dood den bisschopszetel van Utrecht zou beklimmen. Eindelijk zcide hij aan zijne geestelijkheid vaarwel, en na de H. Communie te hebben ontvangen, stierf hij den 25 Augustus 775.

Zijne heilige overblijfselen worden met eerbied bewaard in de voormalige stiftskerk van Susteren, alwaar hij veeltijds in zijn leven verbleef, en sedert vele eeuwen als tweede patroon wordt vereerd. Daar ligt ook zijne heilige moeder Vastradis begraven. De H. Ludgerus, bisschop van Munster, zijn leerling, schreef zijn leven. Pater Stilting, Bollandist, handelt over hem op den 25 Augustus (V. 241).

GEBED

tot den H. Grcgorius, Belijder en bisschop.

O God, die uwe Kerk door de verdiensten en leeringen uwer Heiligen opluistert, maak dat wij door de voorspraak van den H. Gregorius, uwen Belijder en bisschop, in

-ocr page 35-

29

het licht van het geloof onderwezen, met eenen wil, die u toegenegen is, mogen bezield worden, opdat wij uwe Majesteit met een oprecht hart mogen dienen. Door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U en den H. Geest leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

1

-ocr page 36-

VI HOOFDSTUK.

De heilige Albricus, Belijder en bisschop van Utrecht. 14 November.

Toen de heilige Gregorius het bisdom van Utrecht bestuurde, werd zijn neef Albricus, uit hoofde van zijnen voorbeeldigen levenswandel en stichtenden omgang, onder de geestelijkheid van Utrecht opgenomen, en toen dezelfde Heilige tot hooge jaren was gekomen, werd Albricus de getrouwe bestierder van het diocees, en kweet hij zich op waardige wijze van dit ambt jegens de geestelijkheid en het volk. Zijn roep van heiligheid kwam keizer Karei den Groote ter oore, en deze vatte een zoo grooten eerbied voor hem op, dat hij in de gewichtigste staatszaken getrouw zijnen raad volgde, en op zijn veldtocht naar Italië, ter verdediging van den Apostolischen Stoel tegen de be-leedigingen der Longobarden, Albricus me-denam, om door zijne wijsheid geleid en door zijne heiligheid verdedigd te worden. Toen Albricus uit Italië terugkeerde, en de H. Gregorius was overleden, werd hij met algemeene stemmen tot bisschop van Utrecht verkozen. Hij was de getrouwe navolger van zijnen heiligen voorganger, in herderlijke waak-

-ocr page 37-

31

zaamheid, apostolischen arbeid en in de opvoeding der jeugd. Onder zijne leerlingen munt bijzonder uit de H. Ludgerus, dien hij priester wijdde en als geloofsverkondiger naar de Friezen zond, in het dorp Oostergo nabij Dokkum, alwaar de H. Bonifacius met den marteldood was bekroond geworden. Nadat hij, gedurende tien jaren, het bisschoppelijk ambt allerlofwaardigst had vervuld, stierf deze heilige prelaat, omstreeks het jaar 783.

Hij werd naar de abdij van Susteren overgebracht alwaar hij, door vele mirakelen verheerlijkt, met zijn H. voorganger Grego-rius sedert verscheidene eeuwen als tweede patroon wordt vereerd. Te Susteren werd beider overbrenging vroeger op den 22 September herdacht.

GEBED

tot den H. Albricus, Belijder en bisschop.

Wij bidden U, o Heer, almachtige God, door de verdiensten van Uwen Heiligen Belijder en bisschop, schenk uwen bijstand aan onze zwakheid, en verleen ons, dat gelijk hij een leeraar en bestierder was voor uwe Kerk, hij ook bij U onze gedurige voorspreker zij, door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U en den H. Geest leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 38-

VII HOOFDSTUK. De reliquieën van Susteren.

. Even als in de oude Wet, zoo is het ook in de nieuwe Wet, van de eerste tijden der Kerk af, steeds gebruikelijk geweest, de reliquieën der Heiligen, hunne gebeenten en andere overblijfsels te vereeren; en God heeft deze vereering ten allen tijde door de grootste wonderen begunstigd. Zoo heeft hij door de gebeenten van den profeet Elizeus eenen doode verwekt. (IV. Kon. XIII. 21). De vrouw, die aan bloedvloeien leed, werd door het aanraken van het kleed des Zaligmakers genezen. (Math. XI. 20). Door de schaduw van den H. Petrus. (Handel, der Apost. V. 15) en de zweetdoeken van den \' H. Paulus (ibidem. XIX. 12) werden allerlei kwalen genezen, en de duivelen uitgedreven; zonder nog te spreken van de vele wonderen, die bij de graven der Martelaars en van andere Heiligen ten allen tijde gebeurd zijn, en nog geschieden.

Wij moeten de overblijfselen van Gods lieve Heiligen vereeren, volgens de H. Kerkvergadering van Trente, die zeer schoon hieromtrent zegt:

-ocr page 39-

33

»dat de heilige lichamen der Martelaren, «alsmede die der Heiligen, welke met Christus »leven, de levende ledematen van Christus »en tempels van den H. Geest geweest zijn, »dat zij eens door Christus tot het eeuwig «leven zullen opgewekt en verheerlijkt worden, »en dat God door de reliquieën, vele gunsten jaan de geloovigen verleent. Zij zijn de werk-ituigen hunner deugd en heiliging geweest »in dit leven; derhalve is het rechtmatig, dat »zij door ons in eere gehouden worden.quot; De vereering der reliquieën is niet alleen op de H. Schrift, de Overlevering en het aloude gebruik der H. Kerk gegrond, maar ook diep geworteld in de dierbaarste gevoelens van het menschelijk hart. Vraagt eens aan de moeder, wier lieveling haar door den wreeden dood werd ontrukt, waarom zij het ontzielde lijkje met kussen bedekt en de kleine zerk met bloemen versiert ? Zegt gij haar ook dat het voorwerp van hare moederlijke teederheid slechts een stoffelijk overschot is, zonder waarde, zij zal u ten antwoord geven: »ach! het is alles wat mij op aarde nog van mijn lief kind overblijft; deze, thans gesloten oogjes hebben zoo vaak de blijdschap in mijne ziel gestort, het gestamel van dezen onschuldigen mond heeft mij zoo dikwerf getroost, die kleine armpjes hebben mij zoo menigmaal omhelsd, en dat kleine lijkje spreekt nog tot mij en herinnert mij aan gelukkiger dagen.quot; Zoo spreekt ook

-ocr page 40-

34

tot ons de Katholieke Kerk: »deze overblijfselen zijn gedachtenissen mijner dierbaarste kinderen; deze lichamen waren de tempels des H. Geestes, en zullen eens schitteren in het rijk van mijnen hemelschen Bruidegom; deze verbrijzelde beenderen hebben den naam en het geloof des Heeren roemvol beleden; deze H. reliquieën zijn voor mijne kinderen, die nog strijden moeten voor het hemelsch Vaderland, een onderpand van de bescherming en voorspraak hunner reeds bekroonde medebroeders, en roepen ons welsprekender dan alle woorden toe: »weest onze navolgers, zooals wij de navolgers waren van Jesus Christus!quot;

De H. Ambrosius vermaant ons, dat wij vooral Gods Heiligen moeten vereeren, wier overblijfselen onder ons berusten; die Heiligen helpen ons immers door hunne voldoeningen en gebeden; er bestaat een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen en ons, dat wil zeggen: zij bewaren ons, levende in ons lichaam, en zij ontvangen ons, wanneer wij van ons lichaam scheiden.

GEBED

tot Gods lieve Heiligen te Susteren.

O Heiligen Gods, die hier te Susteren in uwe gezegende nagedachtenis en in uwe kostbare overblijfselen vereerd wordt, ik

-ocr page 41-

35

verheug mij, en wensch u van ganscher harte geluk met de genade, die God u verleend heeft: van de wereld en al het tijdelijke te verachten, naar de deugd te streven, in het goede zoo lang te volharden, totdat gij, door een gelukzaligen dood, tot Hem gekomen zijt en de kroon des eeuwigen levens hebt verworven. God zij daarvoor in eeuwigheid geloofd en geprezen, en ik wensch van harte dat Hij door u, en gij door Hem alom geprezen en geloofd wordt; ik smeek u dan ook, door uwe groote verdiensten, verwerft mij de genade van uwe voorbeelden na te volgen, het tijdelijke steeds te verachten, en naar het eeuwige te streven, opdat ik op mijne beurt de zaligheid, die gij thans geniet in den Hemel, voor alle eeuwigheid moge deelachtig worden. Amen.

-ocr page 42-

BESCHRIJVING

DER

HH. RBLIQUIEËN TB SUSTERBN.

Vertaling van de officieele oorkonde, op last van Z. D. H. Mgr. J. A. Paredis, bisschop van Roermond, opgemaakt tot aan-erkenning der Reliquieën, die te Susteren bewaard worden.

In naam des Heeren. Amen.

In het jaar 1885 na de geboorte van Christus, het 8slc van het Pausschap van Z. H. Paus Leo XIII, den 28squot;quot;1 September, getuigen wij ondergeteekenden: Michael Wil-lemsen, eertijds schatbewaarder en kapelaan bij de St. Servaaskerk te Maastricht, thans pastoor te St. Odiliënberg, door Z. D. H. Mgr. Joannes Augustinus Paredis, bisschop van Roermond daartoe gemachtigd, Gu-lielmus Hillen, pastoor van Susteren, en Jacobus Augustinus de Rijk, hoogleeraar aan het bisschoppelijk Seminarie van Haarlem, in hoedanigheid van getuigen, door Z. D. H. den Bisschop daartoe aangewezen, volgens het voorschrift der H. Kerk-

-ocr page 43-

37

vergadering van Trente, onderzocht te hebben en als echt erkend de volgende H. reli-quieën, die sedert eeuwen her bewaard worden in de voormalige collegiale kerk van den H. Salvator — thans parochiale kerk van de H. Amelberga te Susteren.

ïn de kerk zelve bevinden zich;

Van de H. Amelberga, Maagd en abdis 1° groote beenderen in een houten reliekschrijn, dat versierd met fraai zilveren beslag, op het koor met eerbied is tentoongesteld.

2° Het ruggewervelbeen in een borstbeeld, afgesloten met glas.

Van den H. Z-wentiholdus: het hoofd, gewikkeld in zijde en uitgesteld op het hoogaltaar.

Van de H. Odegtmdis: het hoofd, gewikkeld in zijde en uitgesteld op het hoogaltaar.

Van den II. Gregorius, bisschop van Utrecht en Belijder, 1° groote beenderen in een borstbeeld, staande op het koor, 2quot; kleine gebeenten, als voorgaande.

Van den H. Albricus, bisschop van Utrecht en Belijder, groote en kleinere beenderen, met een gedeelte, waarschijnlijk van zijn onderkleed, in een borstbeeld op het koor.

Van de H. Benedicta, Maagd en abdis; grootere en kleinere beenderen, gewikkeld in een kostbaar met naaldwerk versierd linnen, bewaard in een mandje op het zijaltaar.

Va?i de H. Cecilia, Maagd en abdis: verschillende beenderen, gewikkeld in zijde en

-ocr page 44-

38

bewaard in een zeer fraai korfje met de reliquieën van de H. Walburgis en van andere Heiligen, op het zijaltaar.

Van den H. Gregorius, bisschop van Utrecht en Belijder: een groot gedeelte van het hoofd, bewaard in een korfje op het zijaltaar.

In de Heiligdomskamer bevinden zich:

Van den H. Gregorius, bisschop van Utrecht en Belijder: een ander merkelijk deel van het hoofd, gewikkeld in kostbare zijde, die in den vorm van een borstbeeld is opgevuld.

Van den H. Alhricus, bisschop van Utrecht en Belijder: het geheele hoofd, eveneens gewikkeld in kostbare zijde, als voorgaande.

Van de II. Bene dicta. Maagd en abdis: het geheele hoofd, gewikkeld in zijde, als voorgaande.

Van de II Cecilia, Maagd en abdis: het geheele hoofd, in zijde gewikkeld als voorgaande.

Bovengenoemde reliquieën, zorgvuldig gewikkeld en verzameld in zijde of linnen, hebben wij, op bevel van den Hoogwaardig-sten Heer Bisschop van Roermond, voor-loopig voorzien van het zegel van Z. D. H. afgedrukt in Spaansch lak, om naderhand in waardiger omkleedsel te worden ingesloten.

Tevens hebben wij verscheidene kostbare omhulsels, waarin eenige van bovengenoemde reliquieën waren geborgen, verzameld, gewikkeld in linnen, en eveneens, als boven voorzien van het zegel.

-ocr page 45-

39

Aldus gedaan ten pastoreelen huize te Susteren, in het jaar, de maand en op datum en onder het Pausschap als boven, in de tegenwoordigheid van twee getuigen: den WelEerw. Heer G. W. van Heukelum, pastoor van Jutphaas in het aartsbisdom Utrecht, en den Eerw. Heer F. X. Cremers, kapelaan te Susteren.

Is geteekend:

M. WILLEMSEN.

G. H. HILLEN.

J. A. DE RIJK.

Opdat bovengenoemde reliquieën in het openbaar vereerd worden.

f J. A. PAREDIS, bisschop van Roermond.

-ocr page 46-

I

I

-ocr page 47-

\'\'

■■ \' ■l -gt;-■-\' ; i \' , \' ■ . ■ ...... ■ - . .. l

l ■

|

■ ■

l

- . ■ l

l

l

- m

I

I

I ■

I ■

I

I

I ■

I

i- ■

■ I

.. ■

I

- ■

I I

\' i I

-ocr page 48-
-ocr page 49-