GESCHIEDENIS
i, iisiiiiii fia mmmi
en van de ^apel de ji. 0tede;
ÏERBiAl T4S DE MEEKWAASDISE WOKDEEEN
geschied iot Aquot;. 15 7 8.
\'IVpcko.nen cndo womlerlicke dingiiea hcel\'t Hl 1\' -Im-I;,.\',! \'I\' ll ( in-dt.\'ll lt; iodl .
Dan. ill : 99.
Kerkelijk Goedgekeurd.
(i. B O li (1
A MS\'i\'HtlDA.M .
\'ff 149 •• %
1
/h
GESCHIEDENIS
en van de jKapel de ji. 0tede;
UENEVENS HET
VERHAAL VAN DE MERKWAARDIGE WONDEREN
geschied tot Aquot;. 157 8.
Teeckenen ende wonderlicke dinghen heeft in U ghedaen den Grooten Godt.
Dan. III : 99.
Kerkelyk Goedgekeurd.
G. BORG,
AMSTERDAM, 1886.
Imprimatur.
Amstelodami. r. T. H. VAN OGTROP
die 25 Februarie 1886. Lihr. Can.
Voorrede.
Toen onze Goddelijke Zaligmaker uit den maagdelijken schoot van Maria ter wereld kwam, was Zijne komst, eene komste van vernedering en lijden, om ons tot de hoogste heerlijkheid op te voeren. Wanneer Hij eens weder zal komen, op den Jongsten dag, zal Zijne komst eene komste zijn van den rechtvaardigen rechter, die, alhoewel met eene onbegrijpelijke mate van barmhartigheid, als den gestrengen rechter, het goede zal scheiden van het kwaad, en de blijvende glorie, die niet tanen kan, of de onherroepelijke strafspre-king zal toepassen, over al wat geademd heeft, van eeuwen her.
Maar, gelukkige stervelingen als wij zijn, onze beminnelijke Verlosser is ten allen tijden, begrensd door Zijne beide komsten, bij ons. — In het allerheiligste Sacrament noodigt Hij ons dag aan dag, en, wanneer wij willen, kunnen wij dag aan dag bij Hem zijn, en Hij bij ons.
4
Toch, niet genoeg voor Zijne almachtige goedheid , toch spreekt Hij waar en wanneer Zijne oneindige wijsheid het goeddunkt, op eene buitengewone en bovennatuurlijke wijze tot Zijne kinderen.
Wat de historie geboekstaafd heeft omtrent het gebeurde met het H. Sacrament, in het jaar 1345 te Amsterdam, is daarvoor een bewijs te meer. Vat men den draad dezer wonderbaarlijke geschiedenis en volgt men hem ten einde, dan ziet men daaraan duidelijk, dat de stad Amsterdam op eene bijzondere wijze door God bevoorrecht is geworden. En, zonder de aanmatiging van het recht, in de besluiten der Voorzienigheid te treden, mag men aannemen, dat de volharding in het katholieke geloof der Amsterdammers, eene genade Gods is geweest, eene gunst, eene gave, samenvallend of liever overeenstemmend met die. welke meer dan eens door de Goddelijke Voorzienigheid aan de machtige koopstad is toebedeeld.
De historie-schrijvers, die de pen in den inkt hebben gedoopt, om den zegen der Reformatie te boekstaven hebben, wat sedert 1345in de H. Stede voorviel, niet durven, niet kunnen verzwijgen. Dat maakte hun wrevel. En daarom en daarom alleen schreven zij tusschen bijna eiken regel historie daarover, een regel vlijmenden spot of satyre. Niet genoeg voor hen. Waar sprake was van een bovennatuurlijk wonder door de inwerking -van Goddelijke macht gewrocht, daar riepen zij
5
den kleingeestigsten twijfel van het menschelijk verstand te baat, en hunne tegenbewijzen werden gegrabbeld uit de kortzichtigste waarschijnlijkheid van opgeworpen, sobere mogelijkheden. Wat God vermag, maten zij af naar het weinige wat den mensch begrijpen, doen kan. De eerwaardigste historische bewijsstukken, werden met een paar pennestreken ongeldig verklaard.
Toen in 1639 Pastoor Marius over het Sacrament van Mirakel een klein 8° boekje van 304 pagina\'s in den handel gebracht had, werden zijne schitterende bijgebrachte bewijzen doodgezwegen. Sedert schreef geen katholieke pen een woord over het merkwaardige feit, waaraan «Amstelredam zijn eer ende opcomen» verschuldigd was.
In het jaar 1845, liet vijfde eeuwfeestjaar van het Mirakel, werd dat anders. De Warmondsche Professor A. J. Pluym gaf een werkje in het licht, dat hij onder den zedigen titel van Historisch-Kritische Proeve ten beste gaf. Het was veel meer dan een Proeve: het was een model voor historiebeoefening; doch genoeg, het werkje behoeft geen lof. — Het is uitverkocht.
Daarom beproefden wij de samenstelling van dit boekje, dat, door de vermelding van de geschiedenis en de wonderen der H. Stede, het geloovig vertrouwen van de katholieke Amsterdammers, en anderen, telken jare moge opwekken!
6
Men lette wel! De inhoud van dit boekje is zijn ontstaan niet verschuldigd aan eene nauwkeurige navolging van hetgeen het boekje van Prof. Pluym bevat. Die, zooals de schrijver, zich de moeite gegeven heeft, de door Prof. P. aangegeven schrijvers e. a. na te slaan, zal dit onmiddelijk in het oog vallen, al bevindt hij ook, dat Prof. Pluym bijna niets nieuws te behandelen overgelaten heeft.\') Hoe en wat het ook zij, de schrijver biedt het als een gering en nederig offer van diepen eerbied en ontzag, en als een oprechte belijdenis van zijn onschokbaar geloof aan de waarachtige tegenwoordigheid van Jezus Christus in het aanbiddelijk Altaar-Sacrament, zijnen katholieken landgenooten aan. Jos. W.
1) Merkwaardige historische, topografische, genealogische en ook bibliografische toelichtingen, omtrent dit onderwerp, vindt rnen, van do hand des Hoogleeraars Alb. Thijm, in de Dietsche Warande. Dl. VIII. 2Ü1 e. v.
GESCHIEDENIS
VAN HET
TT Sacrament van iVT i r a k e 1 EN VAN DB KAPEL DE H. STEDE;
BENEVENS HET
^Vcz.haai van 9c 91Cc^fnuaar.3iq.c tyVondamp;zen gesoMed tot A». 1578.
Amsterdam, «dat het groote marckveldt van de heele weereldt met haer seylen overvlieght,» was in den tijd, waarin dit verhaal voorviel, een «kleine bijwoninghe van Bergers, hoorende onder de heerlyckheit van Amstel.» \')
Het voornaamste gedeelte van de stad strekte zich niet verder uit, dan de Nes en de Warmoesstraat, aan den Oostelijken Amsteloever, en werd genaamd de Oude Zijde, in tegenstelling van de Nieuwe Zijde: eenige gebouwen in den omtrek van de overblijfselen van het slot van Gijsbrecht (Nieuwendijk) en de Laen, een streek Zuid-West-
1) Zie Marius, Amstelredams Eer ende Opcomen pag. 55.
8
waarts van den Middel-dam gelegen en ten huidi-gen dage Kalverstraat genoemd.
In het jaar 1342 werd de «Bijwoninghe van Borgers» gesteld onder stadsvrijheid door Willem, Graaf van Henegouwen, van Holland en Zeeland en Heer van Friesland. In den Grafelijken brief, daarop betrekking hebbende, worden de grenzen van de opkomende stad aldus bepaald: «Sullen die palen (grenzen) van hare vrijheid wesen op die Oostzijde van der Poorten aen Jans Witten Hofstede; i) op die Noortzijde aen het groote Gods-huys-Land,\'1) op de Westzijde aan den uvtere egge van der laen 2) die legget in IJsbrantsquot; Landt van der Zijd-wijnde, op die Zuydt-zyde in die Nesse tegen der Lane over 3), also alst metter Graft begreven is. Ende in die Haven, ten halven stroom toe in t Ye ■•) ende voorts streckende in \'t Ye langhes den Dycke Oostwaerts vyftigh roeden buyten de Wint-molen G) die haer Willem van Outshoorne van onsen wegen maken dede.
Een veertigtal jaren waren er slechts noodig of het bleek, dat het\'hoogst noodzakelijk was, dat de grenspalen van de wakkere en nijvere koopstad verder gezet moesten worden.
1
Waarschijnlijk de Oude Kerk.
2
De uiterste hoek van do Kalverstraat.
3
Ir„4,gt; quot;f\' ,g®defltekIvan Nes dat eindigt bij de Grimnessensluis. Het ander
9
Ziehier wat grootendeels de oorzaak was van de snelle uitbreiding der stad en van het verbazingwekkende «Amstelredams Eer ende Opcomen.»
Twee jaren ongeveer, nadat Amsterdam stedelijke rechten had verkregen, dus in 1345, was lt;ie Laen, (Kalverstraat) voor het grootste gedeelte het eigendom van een zekeren IJsbrant van der Zuidewinde, en die daarop een lijndraaierij schijnt uitgeoefend te hebben.
«In IJsbrants Dornmers Lane dan woonde in
1345 een bejaard en welgesteld man____ Waarom
zou het IJsbrant Dommer zelf niet zijn?.... die ter dood toe ziek lag.» \') Doch vervolgen wij het verhaal aan de hand van het mirakel-boekske , eene uitgave van het jaar 1518, waarin het relaas van dit groot wonder omstandig en met diepen eenvoud verhaald wordt. 1)
«Een wonderlijk schoon mirakel Christi, met alle waardigheid te ontvangen, is billijk niet te verzwijgen, maar met geheele innigheid des harten aan alle menschen te openbaren.
Het geschiedde in het Graafschap van Holland, in de stad Amsterdam, in het jaar onzes Heeren, toen men schreef \'1345, des Dinsdags vóór Palmzondag, welke viel op den zestienden dag van
1
Met eenige vrijheden ter verduidelijking bijna letterlijk gevolgd. De toevoegingen uit andere historische bescheiden geput, zijn gesteld tusschen ( ).
10
Maart, dat een ziek mensch, begeerende te voorzien in de zaligheid zijner ziele een priester ontbood. !) Hij ontving het H. Sacrament kort na vespertijd. (Bij deze hooge plechtigheid zullen natuurlijker wijze zijn huisgenooten aanwezig geweest zijn. Willem van Hillegaersberch geeft als de leden van het gezin aan lo. de zieke; ^o. zijn zoon; 3o. diens vrouw; 4o. een kind; 5o. een dienstvrouw of waakster.) Daar volgens verklaring van de huisgenooten de man van tijd tot tijd braakte, gaf de priester last, mocht dit gebeuren, het uitwerpsel in het vuur te gooien. Dit geschiedde echter eerst langen tijd na zonsondergang. Toen begon de zieke man op te geven, en de vrouwen, die hem bewaakten, denkenden aan het H. Sacrament, dat hij kort geleden ontvangen had, vingen, wat hij overgaf in een rein vat op en goten het in een groot vuur. Dit vuur brandde in de ziekenkamer-den geheelen dag en nacht door, omdat dit voor den zieke noodig was. Des anderen daags omtrent priemtijd 1) stond een der vrouwen uit het bed op, en toen zij haar jong kind gekleed had, en haar bed zoude spreien, voelde zij een groote koude door alle hare ledematen, die on weerstaan-
1
In den morgenstond.
11
baar scheen. Daarom ging zij naar het vuur om zich te verwarmen. Daar het vuur meer smeulde dan vlamde, rakelde zij het op, en zie! in bet midden der vlammen zag zij een witte hostie. Zij had nog denzelfden vorm en kleur, als die welke zij zag in de handen van den priester aan het altaar. Toen de vrouw dit zag, werd zij verschrikt ; maar onvervaard stak zij haar hand in de hitte vlammen, en nam de hostie daaruit, zonder dat de hand dooi\' het vuur beschadigd werd. Zij. bevoelde de hostie en bevond haar koud te zijm Zij legde die van de eene hand in de andere. Terwijl zij dit deed, zag zij, dat op eene wonderlijke wijze , de witte kleur van de hostie veranderde,, en de kleur aannam alsof zij door het vuur geschroeid was. Door dit voorval verschrikt riep zij eene andere vrouw, die met haar in hetzelfde huis woonde en zeide haar: «Ziet, ik heb hier in mijn hand het heilige Lichaam onzes Heeren Jesus-Christus, dat ik met mijn hand genomen lieb uit dit vuur», en gaf de hostie in de hand van die vrouw. Deze vrouw lag het H. Lichaam in een reinen doek en sloot het weg in haar schrijn. •) Korten tijd daarna kwam de man van de eerstgenoemde vrouw te huis en de vrouw vertelde hem alle dingen, die geschied waren. De man vroeg haar, waar zij het H. Lichaam gelegd had.
1) Kist.
12
Zij antwoordde: In het schrijn. Toen hij dit hoorde, begeerde hij het H. Lichaam te zien. Hij nam het in zijne hand en roerde het met zijn vinger aan. Het H. Lichaam begon in zijne hand op- en nederwaarts te bewegen, gelijk als het hart van een snoek, dat uit zijn lichaam is genomen. Toen de man dit mirakel zag, werd hij zonderling en zeer vervaard en hij gaf het aan zijne vrouw. Toen ontboden zij den priester, en zeiden hem wat daar geschied was en toonden hem het H. Sacrament in de kist. En toen hij het zag, begon hij zeer zwaar te znchten en legde het H. Sacrament in een busje. !) En toen de priester den doek, waarin het gelegen had, wilde wasschen, en weder tot de kist ging, vond hij de bus omgevallen , en de H. Hostie was weg. Toen zochten de priester en de vrouw het H. Sacrament in de kist, maar vonden het 11. Sacrament niet terug. Maar des anderen daags sloot de vrouw de kist weder open en vond de H. Hostie, in een schoonen doek op een kussen weder. Onmiddelijk ontbood zij den priester; deze kwam en bracht de H. Hostie met groote devotie en waardigheid in stilte naar de parochie-kerk (Oudekerksplein.)
Twee dagen daarna (de man had aan zijne vrouw verboden, dat zij de mirakelen, die daar geschied waren, aan iemand zou vertellen, maar onder
1) Pyxidem of doos.
13
zich houden) zat de man met zijn jong kind op den schoot, en berispte zijne vrouw, omdat hij de lieden hoorde spreken over de wonderen, die daar geschied waren. Terwijl hij dit deed, viel dat kind jammerlijk van zijn schoot, vervaarlijk gekweld door vallende ziekten. Dit herhaalde zich nog twee malen. Toen besloten de man en de vrouw, met velen van hunne vrienden, in wollen kleêren gestoken en barvoets, het H. Sacrament in de kerk te gaan vereeren.
Den daaropvolgenden dag vond de vrouw de H. Hostie wederom in de kist. Zij liet onmiddelijk den priester roepen, die uit dit mirakel begreep, dat God Zijne wonderen openbaar gemaakt wilde hebben, en daarom aan de geestelijken van de stad er kennis van gaf.
Daarop begaf zich de geheele geestelijkheid, seculiere zoowel als reguliere, in plechtige processie, voorafgegaan door vanen en kruisen, naar de plaats, waar het wonder geschied was, en werd het H. Sacrament, onder zingen van lof- en dank-liederen, teruggebracht naar de kerk aan de Oude Zijde. de St. Nicolaas-kerk.»
Deze opvolging van wonderen , in zulk een kort tijdsbestek, verwekte groot opzien en het geloof aan de waarachtige tegenwoordigheid van Jezus Christus in het H. Sacrament werd er door, bij die er van hoorden. gesterkt. Men zag er algemeen een teeken in dat de stad, die in haar jongste
14
opkomst was, door God op eene uitnemende wijze bevoorrecht werd. De regeering van Amstelland en Amsterdam trokken zich het wonder aan, en in een brief, behoorlijk van hare zegels voorzien en van hare handteekeningen, omschreven zij dit mirakel en bevestigden den gang van de omstandigheden daarvan. Den brief luidde als volgt:
«Wij nu, Floris van Boekhorst, Ridder, Baljuw van den vermogenden Prins, Heer, Graaf van Holland, in den lande van Amstel, en in Waterland, Schout, Schepenen en Burgemeester der stad Amstelredam, vermits alles waar is en wij weten dat alles in waarheid geschied is, zooals het boven beschreven en verhaald is, zoo brengen wij de gemelde mirakelen, waardig om door alle geloovigen herdacht te worden, door deze schriften ter kennis van alle christen-geloovigen, onder het zegel van mij Floris van Boechhorst, Ridder, voornoemd , te zamen met het gewoon zegel dei-stad Amstelredam, aan dezen tegenwoordigen (brief aangehangen.) Gegeven in het jaar des Heeren als boven, (1345) op Donderdag in het Octaaf van Paschen».
Het wonder dat geschied was, kwam ter oore van den Bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, die de zaak onderzocht en de getuigen hoorde. Na omstreeks een jaar hiermede bezig geweest te zijn, en zich overtuigd te hebben van de onomstootbare waarheid van dit mirakel, bevestigde
15
hij het door zijn gezag, en gaf verlof het gebeurde als een wonder te mogen verkondigen.
De H. Hostie werd nu in de Parochie-kerk van den H. Nicolaas (Oudekerksplein) onder toezicht van de Priesters bewaakt en bewaard, en vele mirakelen geschieden er aan hen, die met vroom gemoed en innigheid des harten, daar aan God gunsten kwamen vragen. Dit was de oorzaak, dat tal van godvruchtige personen het huis, waar het wonder geschied was, (n.1. in de Kalverstraat, in de Lane), deden afbreken en op dezelfde plaats eene schoone kapel bouwden, en op de plek. daar de vrouw het H. Sacrament met ongeschonden hand uit het vuur haalde, een prachtig tabernakel «ofte heilich Sacraments-huys» oprichtte, heerlijk versierd en dit met lofzangen en andere goddelijke officiën behoorlijk deden eeren. Venier wordt verhaald, dat door de asch, overgebleven van bovenbedoeld vuur, vele soorten van ziekten werden genezen, terwijl de asch, waarvan veel gebruikt werd, ter nauwernood verminderde en een aangename geur van zich afgaf. Men noemde deze Kapel de Heilige Stede.
Het juiste tijdstip van de stichting dezer Kapel is niet bekend. Zeker is het echter aan te nemen, dat dit kort na de wonderlijke gebeurtenis plaats heeft gehad, daar reeds in het jaar 1361 in een Schepenbrief melding wordt gemaakt van het Gilde van Kruisbroeders in de kerk: de Heilige Stede.
16
Evenmin weet men met zekerheid of aan de kerk een afzonderlijke geestelijke was verbonden, dan wel of de dienst daar werd waargenomen door een priester van de Parochie-kerk. Maar wel weet men met zekerheid, dat in 1365 een vasten kapelaan op bepaalde tijden er de diensten verrichtte. Dagelijks werd de Hoogmis door een stille Mis voorafgegaan, terwijl \'s avonds de Antiphoon met het Vers en de Collecten van het H. Sacrament gezongen werden, enz. enz. Reeds in 1360 vindt men melding gemaakt van plechtige processiën, waarin het H. Sacrament met grooten eerbied door de straten van het toenmalige Amsterdam werd rondgedragen. Dat het daarbij niet ontbrak aan bedevaartsgangers van elders blijkt hieruit, dat men, ten gerieve van hen, die uit Amstelveen en Sloten de Heilige Stede kwamen bezoeken een weg baande van den Amstel af rechtuit tot Sloten toe, welke genoemd werd de Heilige Weg. De straat, die van de Kalverstraat toegang geeft tot den Singel over het Koningsplein, draagt daarvan nog den naam van Heilige Weg. Insgelijks legde men een rechten weg van het Lange Loopveld naar den Overtoom, om den Amstelveeners, die vroeger van dit Loopveld over Ouderkerk den reis naar Amsterdam moesten maken, den weg te bekorten.
Deze weg behoorde in eigendom toe aan de kerk de Heilige Stede en werd bewaard en beheerd
17
door hare provisoren en bestuurders. In 1371 verkochten dezen den weg aan het Gasthuis, dat zich bij den verkoop, onder goedkeuring van Burgemeester en Schepenen, verplichtte, dezen te onderhouden. Om welke redenen dan ook, het Gasthuis voldeed aan deze verplichting niet. en de weg werd zoodanig verwaarloosd, dat zij onbegaanbaar en niet, dan ten koste van eene merklijke som gelds, kon hersteld worden. Het dak van de kapel en de kapel zelve, waren vervallen en stonden op punt een puinhoop te worden. Het kapittel van de H. Maria te \'s Graven-hage trok zich de zaak aan en droeg de eigendomsrechten van den wegen de kapel, onder bepaalde voorwaarden, over aan Burgemeester, Raden en Regenten van Amsterdam. Dit geschiedde den 24 Februari 1415.
De brieven, waarin deze voorwaarden vermeld worden en hierop betrekking hebben, worden tot op dit oogenblik in de ijzeren kapel in de Oude Kerk bewaard.
De Burgemeesters, Schepenen en Raden van Amsterdam werden in die brieven benoemd tot administrateurs van de kapel de 11. Stede, welke benoeming zij aannamen. De inkomsten en renten, welke de H. Stede ten goede kwamen, moesten besteed worden tot instandhouding van de kapel en den Heiligen Weg en alzoo strekken tot vermeerdering en opluistering van den dienst Gods, be-
2
18
nevens tot onderhoud van den kapelaan, die aldaar, in naam van het kapittel in den Maag, den dienst waarnam. Uit deze brieven blijkt ook de bijzondorheid, dat de H. Hostie, waarmede het mirakel geschied was, daar niet meer bewaard werd. Wen heeft, zeer zeker in aanmerking genomen den vervallen staat van de kapel, de H. Hostie in veiligheid gebracht naar de Oude Kerk. Dit was echter tijdelijk en geschied met liet voornemen, de H. Hostie later weer naar de H. Stede over te brengen.
In het jaar li22 vinden wij melding gemaakt van de Stichting van der II. Stede Gasthuis, Ghas-huyse van den heilighe Sacramente ter heylighe Steede; ook het Heiligh Sacraments of Oude mannen Gasthuis, staande op dezelfde plaats waar tegenwoordig het Burgerweeshuis in de Kalver-straat gelegen is. Het Bestuur van dit Gasthuis., gesticht door den Burgemeester Dirk Holland, welke stichting den 13 November 1422 goedgekeurd werd door Jan van Beijeren, werd opgedragen aan de vier provisoren van de kerk de H. Stede.
Dat de Heilige Hostie van de Oude Kerk naar de H. Stede weder was overgebracht, blijkt uit het voorgevallene op den 25 Mei 1452 —, nl. een schrikkelijken brand, waarbij omstreeks een derde gedeelte van Amsterdam vernietigd werd. Het Mirakelboeksken verhaalt hieromtrent het volgende ;
19
«Thans in het jaar onzes Heeren MCCCC en LTl, op Sint Urbanusdag, verbrandde bijna de halve stad Amsterdam en de kapel verbrandde mede met den tabernakel. Het H. Sacrament in den monstrans, en de zijden doek, die daaroverheen gelegd was voor de stof, bleef ongeschonden te midden van den brand. Dit mirakel was nog groo-ter, dan toen het H. Sacrament gevonden werd in het vuur.
Toen het volk dit hoorde, is bet in groote getale komen toestroomen om dit wonder Gods te zien. Toen zij vooruit drongen, verbrandden zij bunne schoenen en voeten, door de groote hitte, die nog door de steenen en den vlöer werd teruggekaatst. En dit ziende, hebben zij zicb met Mozes verwonderd, over den God, die te midden van het brandende braambosch ongeschonden bleef. Hunne verbazing was als die van Gedeon toen hij het vel, te midden van het droge veld, bedauwd terugvond. Zij loofden God, wierpen hunne schoenen weg, en naderden blootsvoets en aanbaden hel H. Sacrament, daardoor getuigenis alleggenden van de heiligheid van deze plaats.
Bevreesd zijnde, dat de vlammen en de brandende puin de H Hostie mochten beschadigen, gaven zij aan een slotenmaker last het H. Tabernakel, waarin de H. Hostie bewaard werd, uitte-breken, en het ergens bij een priester in veiligheid te brengen. Maar ziet, alle ijzeren instrumenten
20
die daartoe gebezigd werden, sprongen aan stukken. Dit geschiedde door het Almachtig toedoen van God, Die zijne wonderbare kracht op de Hem eigenaardige wijze wilde toonen, om het geloof aan de waarachtige tegenwoordigheid vaster in de harten der menschen te planten.
Toen nu het derde gedeelte van de stad en de kapel van de H. Stede verbrand, en de monstrans met de H. Hostie ongeschonden bewaard gebleven waren, kwamen de Amsterdammers de woorden in de gedachte van den Profeet xKgeus: Is het wel tijd dat een ieder van u in versierde en vaste huizen zal wonen, en dit huis staat verlaten? Brengt hout en gereedschap en timmert mijn huis .. . het zal mij aangenaam wezen en ik zal er in wonen, zegt de Heer. En wederom een weinig verder: Mij behoort het goud en het zilver; meerder zal zijn de glorie van dat laatste huis, dan van het eerste, en in deze plaats zal ik vrede verleenen, spreekt de Heer der Heerscharen .. . Hierdoor aangemoedigd , hebben zij een heerlijker kapel gebouwd, met een schoon tabernakel. en deze vereerd met vele sieraden De fondatiën en de diensten, ten eeuwigen lof aan God, hebben zij vermeerderd en verbeterd. God zag hierop welgevallig neer, en tot belooning van den godsdienstigen ijver der geloovigen stond Hij toe, dat daar vele en wonderlijke mirakelen geschiedden.
\'21
Men bouwde een tempel van honderd vijf en tachtig voet lang en honderd en dertig voet breed ; het hemellicht viel daarbinnen door dertig groote glasramen, \'t Gewelf rustte op twintig ronde zuilen. Boven den westelijken ingang \') stonden in vromen zin deze woorden geschreven: Signa et mira-bilia fecit in te Deus excelsus; d. i.: T e e c k e n e n e n d e w o n d e r 1 i c k e d i n g h e n heeft in u ghedaen den Grooten Godt. Dan. 111:99. Een ranken toren stak zijn spits aan de Kal verstraat-zij de ten hemel.
Op welk tijdstip men met den bouw dezer kapel begonnen of voleindigd is, is niet met juistheid te zeggen. Dat het al zeer spoedig na den brand geschiedde, blijkt uit een paar schepenbrieven van 1455, waarin melding wordt gemaakt van: «het heylich cruys-autaer, staende in die heiliger stede,\'» waaruit men met grond besluiten mag, dat ten minste in dat jaar de kapel zoodanig volbouwd was. dat daarin de kerkelijke diensten uitgeoefend konden worden.
Tot nu toe was het wonder, met de H. Hostie geschied, nog niet algemeen bekend; men repte er slechts van te Amsterdam en in een beperkt gedeelte van het Graafschap Holland. Maar na het zooeven verhaald merkwaardige wonder, groo-ter en meer tastbaar en voelbaar en daarom des
1) Kalverstraat, schuin tegenover het Burgerweeshuis.
22
te wonderbaarlijker, weid de mare er van wijd en zijd in en buiten het land verspreid. Van alle kanten, van heinde en verre stroomden de geloo-vigen toe, die in ootmoedig vertrouwen voor het Allerheiligste Sacrament nederknielden, om van God de genezing van geestelijke en lichamelijke kwalen af te smeeken. En de bedrukten verlieten den tabernakel met een verlicht hart; de blinden knielden er neder met een verduisterd gezicht en /.ij stonden op . zich verheugenden in de aanschouwing van Gods heerlijkheid. De stommen naderden daar en baden zwijgend tot God om genezing van hun kwaal; luide juichend eu jubelend stonden zij op en loofden hoorbaar Gods onuitsprekelijke wondermacht. De kreupelen sleepten zich naar het Godsaltaar voort en daar neergeknield, stonden zij na een smeekgebed tot God gericht te hebben juichend en jubelend op, en sprongen voort als de heiten in het woud.
Rijken en armen, jongen en ouden, uit alle oorden des lands, stroomden naar de koopstad Amsterdam, en knielden neder voor het Sacramentsaltaar, om daar van God zijn gunsten af te vragen. \')
Onder het getal van dezen behoorde ook Keizer Maximiliaan van Oostenrijk , die te \'s Gravenhage of volgens anderen te Rotterdam, door eene doode-
4) Zie het tweede gedeelte waar de verschillende mirakelen, geschied ter H. Stede, voorkomen.
23
lijke, ongeneeslijke ziekte aangetast werd. De ge-neesheei\'en gaven alle hoop van herstel op. De keizer nam, van nienschelijke hulp niets meer kunnende verwachten, zijn toevlucht tot God. liij deed de belofte de H. Stede te Amsterdam te bezoeken en zie! tegen alle men schel ij ke berekening, herstelde hij. Eu ten dank aan God ollerde hij in de H. Stede een kostbaren gouden kelk, misgewaden en een buitengewone groole waskaars. Bovendien liet hij als eene blijvende herinnering aan zijne wonderdadige genezing aan de zuidoostelijke zijde van de kapel een glasraam plaatsen, waarop hij en zijn gevolg in knielende houding geschilderd waren, \') aanbiddende het U. Sacrament. Dat deze komst van Maximiliaan met groeten luister geschiedde, blijkt uit hetgeen de geschiedschrijver Wagenaar daarvan verhaalt. De gilden, welker getal genoemde geschiedschrijver destijds op twee en twintig stelt, benevens de drie schutterijen, die op het luiden van der stede klok moesten opkomen, en allen, die van wege het gerecht een toorts thuis werd gezonden, en moesten opkomen in een zwarten tabbaart, behoorden tot het gevolg, dat aanwezig was ter blijde inkomste des Keizers.
Wij vinden melding gemaakt van nog twee
4) In 1832 werd dit glas, waarop door den langen duur van tijd en de zorgeloosheid van de beheerders der kapel, de iiguren verdwenen waren, weggeno.nen , en vervangen door een gewoon glas.
24
processien, geschieil met de intentie omtrent keizer Maximiliaan. Toen hij nl. in 1488 door de Brug-genaars gevangen genomen was, hield men te Amsterdam een plechtigen omgang met liet H. Sacrament. Toen hij uit de gevangenschap ontslagen was, hield men eveneens een plechtigen omgang, om God te bedanken voor zijne verlossing.
Erkentelijk voor de vele diensten der Amsterdammers en zeer zeker ook onder den indruk van zijne wonderbaarlijke genezing, schonk hij in 1489 aan Amsterdam het voorrecht de keizerskroon boven het stedelijk wapen te voeren.
In het jaar 1498 vind men melding gemaakt van de processiën door de stad. Er schijnt destijds verschil bestaan te hebben omtrent de organisatie dier processie en den voorrang die de parochiën van de Oude en Nieuwe kerk daarin bekleedden. Althans, het stedelijk bestuur vond goed bij keuze den weg en de organisatie dier processie te regelen.
In het jaar 1498 vaardigde de Vroedschap der stad eenige bepalingen uit omtrent de te houdene processiën.
Jaarlijks, op den eersten Woensdag na St. Gre-gorius, werd het H. Sacrament gedragen uit de H. Stede, door de Kal verstraat naar den Dam, over den Nieuwendijk, door de Ramskooy, de Houttuinen, over de Nieuwe Brug, door de Nieuwe Brugsteeg, Warmoesstraat, de Nes, vervolgens de
25
Lange Brugsteeg, de Lange Brug, de Taksteeg door en door de Kalverstraat weer naar de H. Stede.
Voorop gingen de gilden van de stad, in het gewaad dat zij droegen, en voorzien van het gilde-teeken, op een standaard gedragen. Sommige van deze gilden lieten de patroonheiligen in de processie meedragen. De overlieden van de gilden droegen een brandenden fakkel. Sierlijk uitgedosclite jonge knapen en meisjes, voorstellende verschillende patroonheiligen volgden met St. Joris te paard. Dan volgden de drie vendels schutterij in harnas «n geweer, in het midden van hen de koning, versierd met de eereteekens zijner overwinningen. De scholieren in wit koorgewaad, sloten zich hierbij aan, met luider stemmen lofzangen zin genden. Dan de seculiere geestelijkheid, in vol ornaat, gevolgd door de reguliere, met een kruis voorop. Vervolgens een baldakijn van goudlaken, waarvan de vier houten standaards gedragen werden door de vier Burgemeesters van Amsterdam. Onder het baldakijn werd de miraculeuse Hostie gedragen in de ciborie door een priester. De stadsspeellieden volgden en bespeelden hunne pijpen en schalmeien. De rest van den magistraat en de geloovigen sloten de optocht. Naast het baldakijn liepen de gewapende dienaars van den schout. Wanneer de processie op de Nieuwebrug kwam, keerde de priester, die de ciborie droeg,
26
zich met het aangezicht naar de schepen, die in het IJ lagen, en gaf daarmee den zegen, van God een behouden reis afsmeekende.
Behalve deze processie hield men ook eene jaarlijksche op Palmzondag, waarin het H. Sacrament niet werd omgedragen. In dezen omgang werd de Zaligmaker voorgesteld door een beeld, zittende op een houten ezel, voortgetrokken en omringd door 12 mannen uit het oude mannenhuis, voorstellende de twaalf Apostelen. Waren op dat tijdstip pelgrims in Amsterdam, die eene bedevaart naar Jeruzalem hadden volbracht, dan waren dezen verplicht de processie mede te maken.
Er blijkt uit de regeling dezer processie, en ook uit andere brieven van het Stedelijk Gerecht, dat het Bestuur in het Mirakel en de kerk de H. Stede, en alles wat daarop betrekking had, eene groote mate van belangstelling liet blijken. Dat dit eveneens het geval was met de aanzienlijke poorters der stad en de bewoners in het algemeen, blijkt uit de verschillende stichtingen en erflatingen aan het Sacrament ter H. Stede geschonken. Aanzienlijke vrouwen, waaronder veelal echtgenooten van Burgemeesters en Schepenen, vormden het gilde van het H. Sacrament. Men vond daarin de namen van de aanzienlijkste patricische familiën der Stad.
In het jaar \'1501 werd de belangstelling in het
27
H. Sacrament van de H. Stede vermeerderd. In het jaar 1500 nl. was op luisterijke wijze het jubeljaar gevierd, liet jaar daaropvolgende had de feestviering te Amsterdam plaats. Op den 16n Maart, met de eerste vespers van het Mirakel,, nam de feestviering een aanvang en eindigde met beloken Paschen, den 18n April daaraanvolgende. Onder de bepalingen tot het verdienen van den jubilé-allaat was uitdrukkelijk verplichtend gesteld het bezoeken van de H. Stede. Wederom was het de Regeering van Amsterdam, die tot verhooging van den luister van het leest het hare bijdroeg. Zij verleende, ten dienste van de vreemde bedevaartsgangers, een vrijgeleide van den Kien Maart af tot den 24n April toe. Verder beijverde zij zich de plechtige feestviering op-vele plaatsen openlijk te verkondigen. Zoo verzocht zij o. a. de Regeering van de Stad Haarlem het desbetreffende plakkaat openlijk al te kondigen en verder aan de kerkdeuren te laten aanplakken. Er had een groote toeloop van bedevaartgangers plaats, die zeer waarschijnlijk bij latere gelegenheden herhaald zal zijn geworden. Dit gaf de geestelijkheid aanleiding aan den Bisschop van Utrecht te verzoeken, op den feestdag-van het Mirakel en wellicht ook in het octaaf, de getijden te lezen van het H. Sacrament, niettegenstaande andere feestdagen invielen, van \\yelke alleen den feestdag van O. L. V. Boodschap buiten-
28
gesloten was. De toestemming hiertoe werd gegeven en later door andere Bisschoppen beves-tigd.
Toen de nieuwe leer der Hervorming de Neder-\'landsche provinciën binnendrong en aanhang vond in vele steden van ons Vaderland, bleef Amsterdam liet laatst getrouw aan het voorvaderlijk geloof. Maar geheel gespaard bleef zij helaas ! niet.
Men begon in het land, op openbare plaatsen vergaderingen te houden, en openlijk den leer der Hervorming te preeken. Daar de vroedschap dit in Amsterdam niet toestond, gingen de Amsterdammers, die in \'t geheim den nieuwen leer toegedaan waren, onder aanvoering van Reinier Kant \') en nog eenige voorloopers naar Overveen en in de omstreken van Haarlem naar de predikatiën luisteren. Het duurde echter niet lang of de stoutheid der hervormers wist het zoo verre te brengen, dat men, niettegenstaande het verbod der overheid, dezelfde vertooningen in de onmid-delijke nabijheid van Amsterdam liet plaats hebben. Op de buitenplaats de Rietvink, waarschijnlijk gelegen hebbende ter plaatse waar nu de Vinken-straat is. preekte de leeraar Jan Arentzoon in het openbaar. Kort daarna grepen de schutters en burgers naar de wapenen, en beteekenden de vroedschap, dat zij elke storing hunner openbare
1) Zie hot belangrijk opstel van Pator H. J. Allard, s. i. in don Volks-Almanak voor Ned. Katholieken. Jg. 188G.
29
godsdienstoefening met geweld van wapenen zouden keeren. Vreemde predikanten stroomden de stad binnen, en de opgewondenheid der gemoederen onder de onroomschen werd zoo grootr dat de vroedschap het raadzaam oordeelde, aan de kerken en kloosters te waarschuwen hunne beelden en sieraden in veiligheid te brengen. Na een voorspel in de Nieuwe kerk, dat betrekkelijk rustig afliep, begon de dadelijkheid in de Oude Kerk. Terwijl de priester Zondags na vespertijd, bezig was met het H. Doopsel aan de kinderen toe te dienen, begonnen do wanordelijkheden. Twee uren daarna sloeg men een en ander aan stukken, werd er met steenen geworpen, en ten laatste de beelden en andere kerkelijke sieraden omvergehaald.
\'t Is licht te begrijpen, dat bij de verdere plundering van de 11. K. kerken. het neêrhalen van beelden en schenden van heiligdommen, de EL Stede niet vergeten werd door de rebellen. MaarT wat zij in de overige kerken van Amsterdam bijna zonder tegenstand konden volvoeren, gelukte hun minder, toen zij de schendige hand wilden slaan aan het heiligdom van de H. Stede.
In hun woeste razernij togen de beeldstonners-van de eene kerk naar de andere Ten laatste bestormden zij de kapel der II. Stede als de plaats waaraan zij hunne woede wilden bekoelen. Daar vonden zij echter een onverwachten tegenstand.
30
Tal van erlele vrouwen uit patricische familiën van Amsterdam, hadden zich als een wacht geschaard om het Sacramentsaltaar. Toen de wilde scharen bezig waren andere kerken te plunderen, knielden zij in vromen ootmoed voor het aanbiddelijk Sacrament neder en vroegen aan God de noodige kracht, om de ontzettende heiligschennis te keeren. Terwijl zij nog neergeknield lagen, hooiden zij met slagen de deuren rameien, zagen zij de kerkroovers het koor binnendringen, en met het staal en de bijl gewapend snellen naar de tabernakel kast. De aanzienlijke vrouwen, bereid tot den kamp en de verdediging van wat hun zoo dierbaar was , stelden zich te weer en verklaarden zich bereid liever te sterven dan toe te laten, dat ^e schendende handen het heiligdom vernietigden. Door hun manmoedige houding schrikten de geweldenaars terug en hot gehikte de vrouwen, door hun gezag, de inbrekers niet alleen van hun voornemen om het Heiligste der Heiligen te ont-eeren, terug te brengen, maar zelfs hun van de kerkdeuren te verwijderen.
. Hst volgende jaar \'luö? was de hervormingsgezinde Heer van Brederode binnen Amsterdam gekomen, en dit gaf aanleiding dat de gisting der gemoederen van weerszijde toenam. De vroedschap stelde alle pogingen in het werk. om hem de stad te doen verlaten ; \'t gelukte haar niet Dit quot;af de vroedschap aanleiding, om erger te voorkomen, den
31
jaarlijkschen plechtige omgang door de stad niet \'te doen plaats hebben, en te bepalen dat, op het mirakelfeest de processie binnen de kerk zoude geschieden Als verderen maatregel van voorzichtigheid gelastte de vroedschap, dat op den dag van het feest (den 17den Maart) de poorten van de stad zouden gesloten blijven, zoodat daar niemand uit of in kon, terwijl in de kapel de H. Stede geen dienst of predikatie gehouden werd. De processie werd uitgesteld en had plaats op den llden Mei daaraanvolgende.
In het. jaar 1572 werd Amsterdam belegerd door Lumey. Deze was genoodzaakt het beleg op te breken. Volgens het gevoelen van den Amsterdammer Opmeer geschiedde dit, tengevolge men op raad van een boer van Abcou, een plechtigen omgang hield met het H. Sacrament door de stad.
Eindelijk brak het noodlottige jaar 1578 aan. Amsterdam dat den Koning getrouw was gebleven, ging bij capitulatie over aan de Staten van Holland, onder nadrukkelijke voorwaarden, dat de Uoomsche Godsdienst gehandhaafd zou blijven. Hoe weinig gemeend deze bepaling was, blijkt hieruit, dat een korten tijd daarna, een klein verschil tusschen het Bestuur en de Schutterij aanleiding gaf dat de storm met openlijk geweld losbrak. De verkondigers en belijders van den nieuwen leer bestormden het stadhuis, namen de Regeering gevangen en voerden deze met een deel
32
der geestelijkheid in schuiten de stad uit. Het bestormen van het Minderbroedersklooster en het verbrijzelen van de beelden en heiligdommen ging-hiermede gepaard. Drie dagen bleef de stad zonder magistraat.
l)e nieuw gekozen Regeering uit de Schutterijenr liet terstond de beelden uit de kerken wegnemen,, en de Hervormden namen bezit van de Oude en de Nieuwe Kerk.
De kapel der H. Stede onderging eenzelfde lot,, met dit onderscheid dat de Hervormden daarin niet hunne godsdienstoefeningen hielden, maar haar inrichtte tot een stal voor de trekpaarden van het geschut van den Prins van Oranje. Daarna, gebruikte men de kapel voor een stads turfhuis. Er schijnt zelfs aenigen tijd sprake geweest te zijn de kapel af te breken en de plek, waar zegt; gestaan had, voor een markt te gebruiken. Dit plan ging niet door en men gebruikte het heiligdom voor een bergplaats van zout. De fanatieke iiaat der Hervormers ging zoover, dat zij den naam van de H. Stede veranderde in dien van de Nieuwe Zijds Kapel, een naam, dien zij ten huidige dage nog draagt.
Wat de mirakuleuze hostie aangaat, men schijnt die bij tijds in veiligheid gebracht te hebben, in een huis tegenover de Enge Kapelsteeg, onlangs genoemd het Gesticht van Liefdadigheid en eenigen tijd geleden verbouwd en in gebruik voor een han-
33
delszaak in ijzerwaren, \'t Is echter niet uitgemaakt ot deze hostie dezelfde was, waarmede in 1345 het omschreven wonder gebeurde. Volgens gevoelen van sommigen was deze, in staat van verval gerakende, door den Bisschop van Utrecht genuttigd.
Het feest van het H. Sacrament van Mirakel werd nu overgebracht naar de R. K. Kerk op het Beggijnhof, waar \'s jaarlijks de plechtige viering en vereering van het H. Sacrament plaats heeft. Bij deze gelegenheid worden in den regel vier kussens ten toon gesteld, die volgens de overlevering gediend hebben voor den Aartshertog Maximiliaan en zijn gevolg, toen hij de H. Stede bezocht; benevens twee vanen die, vóór de Hervorming, gebruikt zijn bij de plechtige processiën. De kist of de schrijn, waarin de vrouw de H. Hostie bergde, wordt nog bewaard in het Burgerweeshuis in de Kalverstraat te Amsterdam.
II.
Mirakelen, geschied met het H. Sacrament.
i.
In den naam onze? Heeren, Amen.
Kondelijk en kennelijk zij alle Christenen, hoe ik, Zuster Lijsbet Franssendochter, bij de gratie
3
34
Gods, ziek geworden ben, Zondag vóór Vastel-avond. Ik ging in het ziekenhuis, en ik gevoelde zoo groote duizelingen in het hoofd, dat ik niet overeind konde wezen en gedurig dreigde te vallen. En des Donderdags vóór Onze Lieve Vrouwe dag, in de Vaste, beving mij zulke groote benauwdheid om het harte, dat ik waande dood te blijven; dan sprong mijn hart zoo vreeselijk, dat geheel mijn lichaam schudde en het bed beefde daar ik op lag. Gedurig zat eene zuster voor mijn bed, geheeten Lijsbeth Andriesdochter en die hield mijn handen en mijne ledematen vast. Bij wijle mocht ik niet spreken, bij wijle had ik zoo grooten dorst, dat ik ze niet lijden kon, en toch mocht ik niets drinken. Men moest mij met een veer laven. Dit duurde tot Mei toe. De pijn sloeg mij toen ook in de beenen, zoodat ik niet gaan of staan kon en op mijn knieën moest kruipen met behulp van een schraag. Deze kreupelheid heb ik gehad van af onze Lieve Vrouwendag in de Vasten en in Mei werden mijn beenen zoo doof, dat ik daarin geen gevoel meer had. En onze ziekenmoeder, genoemd Maria Jacobsdochter, placht mijne beenen te stooven en te wrijven met medicijnen, daartoe dienende, dat het vel er af ging en ik gevoelde er niets van.
Toen beloofde ik, dat ik gaan zoude naar het waardig Heilige Sacrament in de H. Stede om daar genezing te vragen, daar geene medicijn-
35
meester mij konde helpen of genezen. Toen ik lt;lan gaan zoude om dat waardig heilig Sacrament om genezing te verzoeken, toen viel ik op mijne knieën en kroop met behulp van een schraag naaide schuit, geholpen door Zuster Christijn Wij-brandsdochter, die mij er in tilde, met mij medevoer, en aangekomen, mij er uit hielp en naar liet kerkhof droeg. Toen kroop ik voort met mijne schraag naar de H. Stede tot het waardige Sacrament en viel met Zuster Christijn op mijne knieën, stond weer op en reed met behulp van de schraag om het heilig Sacrament, dat een vol half uur duurde. Toen liet ik de schraag staan, nam de Zuster bij den arm, en ging dooi\' haar geleid, andermaal om het H. Sacrament, telken reize op de knieën vallende, totdat God mij de genade gaf, dat ik ten derden male met een brandende kaars alleen om het Tabernakel ging. Vervolgens ben ik door de genade Gods alleen en gezond op mijne voeten naar huis gegaan.
En hier neem ik God tot getuige en het heilig waardig Sacrament, dat mij geholpen heeft, dat het aldus geschied is; en geheel ons Convent van Maria Magdalena in JBethaniën is hier ook getuige van, die allen van mijn ziekte kennis droegen en nu zich in mijne gezondheid verblijden, dank zij God.
Dit is geschied in het jaar onzes Pleeren 1414, den 8en Juni.
36
ii.
In het jaar onzcs Heeren 1508, op den\'15en Juni werden die van Weesp, in Holland, overvallen met kracht en verwonnen door den Hertog van Gelder, die veel van de poorters gevangen nam en hen liet martelen en pijnigen. Daar werd ook gevangen genomen, een goed man , geheeten Mar-tijn, Willemsz Hollaar, in zijn huis, op zijn eigen kamer. Nadat zij hem vele pijnen en tormenten hadden aangedaan, bonden zij zijne armen kruiselings over elkander. Daarna sprongen zij op zijne handen en armen, zoolang dat de knieën hem tot de borst kwamen. Toen namen zij een stok en staken die onder zijne knieën en boven zijn armen, en hingen hem. in dezen pijnlijken toestand, aan de haren op. In grooten pijn en smart, en van de menschen blijkbaar geen hulp kunnende verkrijgen, keerde hij zich geheel en al tot God, en verwekte een akte van berouw, over de misdaden en zonden, welke hij tegen God begaan had. Hij bad het volgende gebed: O, Allergoedertierendste God, ik bid u ootmoedig dat gij mij wilt verlossen door Uwe barmhartigheid, uit deze pijn, uit dit doodsgevaar. Ik doe de belofte een pelgrims-reize te doen, naar het heilig Lichaam onzes Heeren in de Heilige Stede te Amsterdam, met zooveel devotie en dankbaarheid, als mij mogelijk is. Nauwelijks had de man deze woorden ge-
37
sproken, of God was hem met zijne wonderbare macht nabij. De koorden, waarmede zijne armen gebonden waren, vielen hem af; hij ontbond met de handen de snoeren, waarmede men hem aan de haren gehangen had, en geheel vrij, loofde en dankte hij God. Maar, vrij van zijn knellende banden, zag hij geen kans te ontkomen, omdat het was op liet klaarste van den dag en daar veel volk op de been was. Maar God, die\'tal vermag, stortte hem moed in het hart. Hij kwam door een wonderbaarlijke beschikking der Voorzienigheid, uit zijne kamer, zonderling genoeg, ongezien door de rnitersvrouwen. die daar tegenwoordig waren. Hij ging zijn achterdeur uit en werd ook daar niet opgemerkt door de daar aanwezige rui-tersvronwen. Hij verborg zich in de koemest, bedekte zich met hooi, en bleef daar liggen tot \'s morgens drie ure. De ruitersvronwen, waarschijnlijk door de hoof [eigenaardige trek van het vrouwelijk karakter bezield: de nieuwsgierigheid, gingen naar den gevangen man zien en misten hem. Zij doorzochten alle hoeken van het huis, en den geheelen omtrek daarvan. De ruiters, de vrouwen ziende zoeken, vroegen naar de reden daarvan, en deze vernemende, werden zij boos en gram en sloegen de vrouwen. Zeiven gingen zij zoeken en staken met hunne zwaarden in het hooi. Dit vruchteloos blijkende, loofde zij een premie van zes gouden penningen uit aan dengene
38
die den vluchteling zoii vinden. Ten laatste gingen de ruitersjongens aan het zoeken om Martijn te vinden. Meermalen waren zij in zijne onmiddellijke nabijheid, maar door de voorzienigheid Gods vonden zij hem niet.
De nacht brak aan, en de ruiters hadden hem nog niet gevonden. Martijn, gebruik makende van de duisternis van den nacht, klom met groot gevaar over de muren, zwom door twee grachten en ontkwam zijne vervolgers op den 21 Juni, op den H. Sacraments-avond. In vromen godsdienstzin volbracht hij zijne pelgrimsreize tot Amsterdam naar de 11. Stede en nuttigde daar vol eerbiedenis het Lichaam onzes Meeren Jezus Christus.
Daar dit alles was geschied t:,t lof en glorievan den Almachtigen God, zoo heeft deze Martijn Willernz, tot eeuwiger gedachtenis dooi\' een notaris hiervan eene oorkonde laten opmaken, in bijzijn van twee getuigen: Heer Gerrit Jansz. van Monnikendam; kapelaan van de Beggijnen te Amsterdam, en Jan Hendrikz, koster van de kapel.
ni.
Een blinde man, komende voor de H. Stede, hoorde een groot geluid binnen in de H. Stede; hij vroeg wat daar te doen was. ïoen men hem zeide, dat de Gildezusters van het 11. Sacrament binnen de H. Stede haar gildemaaltijd gebruikten, vroeg hij dat men hem, om Gods wille, voor het
39
H. Tabernakel brengen zou. Toen men hem voor het Tabernakel gebracht had, knielde hij daar ootmoedig neder en bad God vurig, dat Hij hem het gezicht zou wedergeven. En zie, toen hij opstond, kon hij zien. Hij dankte God innig. De Gildezusteren, daar tegenwoordig, waren allen getuigen van dit mirakel.
IV.
Een arme zieke man lag kreupel in het Gans-oort (Nes,) verdrietig, dat hij niet bij machte was in zijn dagelijksch onderhoud te voorzien. Hij ging tot het H. Sacrament van mirakel en bad God vurig tot herstel van zijne gezondheid. God verhoorde zijn gebed; de man stond gezond op. En toen hij genezen thuis kwam, sprak zijn huisheer tot hem: Zalig mensch, wat is u geschied? Gij hebt God gebeden om uw gezondheid; maar hebt gij God wel gevraagd: «in zooverre het mij nuttig en noodig is ter zaligheid ?» Twijfel daaromtrent rees in de ziel van den man; hij ging onmiddelijk naar de H. Stede, knielde daarop voor het Tabernakel en hernieuwde zijn gebed, met de bijvoeging: voor zooverre het mij nuttig en zalig is. En zie, zijn kreupelheid kreeg hij terug op hetzelfde oogenblik, dat hij zijn gebed deed. Treurig, maar geheel aan den wil Gods overgegeven ging de man dagelijks ter H. Stede, en herhaalde zijn gebed. God kreeg medelijden; ten
40
laatste keerde de man gezond naar het Gansoort terug.
v.
Een priester uit de Venen, die onmachtig was een hand of voet te roeren en wien de medicijnen niets baatten, heeft zijn toevlucht tot Christus Jesus genomen, met het vaste voornemen om jaarlijks in wol gekleed en harvoets naar de H. Stede te gaan, om zijne genezing to vragen. En zie! op hetzelfde oogenblik was hij gezond.
VI.
Eene vrouw van Hoorn, die met haar drie kinderen in een nachtschip naar Amsterdam wilde gaan, viel te water, doordat de schuit door den toevloed van personen omsloeg, waarbij verscheidene menschen verdronken. Zij hield twee van hare kinderen in de armen, terwijl het derde zich aan hare kleederen vasthield. Toen zij meer en meer begon te zinken, deed zij de belofte de H. Stede te bezoeken, en terstond werd zij met hare drie kinderen op wonderdadige wijze uit het doodsgevaar verlost.
VII.
Een Oostindië-vaarder raakte in noodweer met zijn schip in gevaar. Hij begaf zich met zijn volk in de boot. Zoodra hij beloofd had een bedevaart
41
te doen naar de H. Stede, bedaarde het onweder en zij konden zich vveêr op het schip begeven en kwamen behouden te Amsterdam.
VIII.
In het jaar onzes Heeren 1443 was een sterk jonkman, geboren te Bremen, gereisd tot een groote stad, genoemd Scyt. overwonnen door den Koning van Portugal, welke stad heeft voorzeit groote renten, om de Heidenen daarmede te bedwingen en te destrueeren. Deze stad ligt twee honderd mijlen boven St. Jacob in Gallicie, aan de uiterste grenzen van het Christenrijk. Uit deze voornoemde stad reisde de jonge man, wel met 2 of 3 duizend man, en marcheerden naar een heidensche stad in Barbarije, genoemd Alcaster, gelegen van Jeruzalem, wel 250 mijlen. Toen het voor de stad Alcaster tot een gevecht kwam, versloegen de Heidenen vele Christenen en namen ook velen gevangen. Bijna veertien dagen na St. Martynus sterfdag, werd bovengenoemde jongeling mede gevangen, nadat hij aan armen en beenen gekwetst was. Hij werd gestooten, geslagen en gesleept door bosch en braam, en gevankelijk in de stad Alcaster binnengebracht. Ter dood toe vermoeid, hongerig en dorstig en met opengereten wonden, werd hij gebracht in een grooten, donkeren, diepen kelder, waar padden, slakken, wormen en verder ongedierte om hem heen kroop.
42
Zij legden hem met den rug op den natten, onreinen grond, en zetten hem met het achterhoofd tegen een groot zwaar blok , en bevestigde daaraan zijn hals met een keten, van wel twee mansvingers dikte. Nadat deze kelder een poos lang gesloten geweest was, en de Heidenen zich hadden verwijderd, begon de jonge man aan zijne redding door menschelijke hulp te wanhopen; ten laatste wendde hij zich tot God. En, daar hij vroeger wel eens in Amsterdam geweest was, en gehoord had dat aldaar vele mirakelen door het H. Sacrament in de H. Stede geschied waren, begon hij te bidden tot den God, waarlijk en waarachtig aanwezig in het 11. Sacrament, en bij Wien geen zaak ter wereld onmogelijk is. Mij deed de belofte een bedevaart te doen, met een zilveren halsband om van «xu Stuuers», als God hem uit den kerker verloste. En ziet, een stemme sprak tot hem: Help u zeiven en ik zal medehelpen. Volbreng uwe belofte.
Toen sloeg hij met de hand aan den groven, ijzeren halsband, en zie, hij gleed van zijn hals, als een gebroken stroohalm; de deur van den kerker ging voor hem open, en zonder eenige hindernis kwam hij dien nacht uit de stad Alcas-ter, in een groot bosch, dat omheen de stad gelegen was. Daar bleef hij dien nacht. Den volgenden morgen hoorde hij vele heidenen in het bosch roepen en zag hun zoeken. Maar God ver-
43
borg hem, zoodat hij niet gevonden werd. Hij voedde zich met wilde kruiden en vruchten en dronk uit fonteinen. Des daags verborg hij zich, maar des nachts, niettegenstaande het strengen winter was, vervolgde hij zijne vlucht. Hij landde gelukkig weder onder de Christenen aan.
Hij volbracht zijn bedevaart en kwam behouden aan het H. Sacraments-autaar inde II. Stede. Met groote ootmoedigheid offerde hij hier zijn zilveren halsband met nog vele andere offeranden, die hij aan God opdroeg, en liet zijn begeerte volbrengen, dat men, met hetgeen hem gebeurd was, openbaar den volken verkondigen zoude.
IX.
Op den 15cn Juni 1475 werd een Religieus van het klooster der H. Clara door eene zonderlinge ziekte bevangen. Op den Zondag vóór St. Andries kreeg zij bovendien eene beroerte, die haar, gedurende negen dagen lang van de s praak beroofde. Zij bleef 28 weken bedlegerig, zonder zich te kunnen verroeren. Van den menschelijken hulp niets meer te wachten hebbende, liet zij zich Woensdag na Pinksteren van het jaar 147ö door vier barer medezusteren naar de H. Stede dragen. Voor het H. Sacrament neergeknield. ontving zij eensklaps hare gezondheid terug en geheel genezen keerde zij weder naar het klooster.
44
x.
Claes Pieterssen een schipper van Zierikzee, raakte op zee door de Franschen gevangen en ■werd binnen Honlleur gebracht, geboeid aan handen en voeten. Hij wist zich van zijne boeien gedeeltelijk te ontdoen en vluchtte met zijn gezel Pieter Janssen van der Schelling in een bootje weg. Door het onweder sloeg het schuitje om en Pieter verdronk. Claes deed de belofte eene bedevaart naar de II. Stede te doen en op wonderdadige wijze bleef hij, nog half geboeid, drijven, tot omtrent twee mijlen van Beune, waar hij weder door de Franschen gevangen genomen werd. Na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben, volbracht hij zijne belofte te Amsterdam.
XI.
De laatste van de wonderen geschied door het H. Sacrament van mirakel is het volgende: Zekere Barbara, de huisvrouw van een timmerman uit den Haag, Joris Klaesz genaamd, ging aan beide zijden mank. Zij deed eene gelofte eene bedevaart naar de H. Stede te doen om aan God genezing van hare kwaal af te bidden. Voor het H. Sacrament neergeknield, werd zij aanstonds genezen en keerde hersteld huiswaarts. Een harer buren verweet haar dat zij zich kreupel gehouden had. En zie, de vrouw die haar van valschheid beschuldigd had, stond den volgenden morgen zelve kreupel op.
45
Van de wondervolle genezing van keizer Maxi-miliaan spraken wij reeds te voren.
Wij eindigen dit boekske met het berijmd verhaal van het wonder, voorkomende bij de plaatjes van Boetius van Bolswert in het merkwaardige boekje over het mirakel, getiteld: Amstelredam eer ende opcomen enz.
Eedle Stad. bij God bijzonder Eertijds waard, toen Hij dit wonder
Wrocht op uw gebijden grond;
Denkt om \'t geen uw ouders zagen;
Laat u baar geloof bebagen
En bet woord van Christus\' mond.
Op des kranken leste bede Brengt, naar katholieke zede ,
Hem de Priester \'s Hemels Spijs;
Daar godvruchtigen voor knielen,
Opdat Jesus hunne zielen
Sterk\' op weg naar \'t Paradijs.
Daar de kranke , zwak en teeder,
Braakt de spijs , na \'t nutten, weder
\'t Voedsel, \'t welk men schat zoo dier: De vrouw, die \'t braaksel bad en zag Dat waardig pand niet, dat daar lag,
Stort bet reukeloos in \'t vier.
46
Ziet, hoe \'t Man\', vergeefs ontvangen t Brood, daar d\'Englen naar verlangen.
Van geen vuur des nachts verteert. Ziet, hoe \'t blijft en houdt zijn wezen, Opdat Christus werd geprezen:
Ziet eens wat deez\' prent u leert.
Als de vrouw komt in den morgen (Zoo zij plach) den haart bezorgen.
Vindt zij \'t heilig Sacrament Heel en overlicht, met stralen:
Nauwlijks kunnende ademhalen,
Neemt zij \'t op uit d\' asch in \'t end.
Nauwlijks is het wonderteeken Voor des Priesters oog gebleken.
Of men richt een statie aan,
Om met priesterlijke rijen Dit naar \'t outer te geleien ,
Dat het daar ter eer mag staan.
\'t Kind , dat door zijn hersens euvel Valt van \'s vaders schoot in sneuvel
En in \'t vure, wordt terstond Als het voor dit hemelsch Brood Was gebracht, vrij van zijn nood Op den tweeden dag gezond.
47
\'t Wonderwerk, nu aangebeden Wordt betuigd, versterkt met eedan
Op \'t stadhuis voor Magistraat. Kan de waarheid iemand grieven Ziet het zegel, leest de brieven, \'t Is geen droom noch kinderpraat.
Die ons leert met wet en raden,
Sterkt zijn woorden met zijn daden
Door een helder wonderwerk. Amsterdam, geraakt aan kolen ,
\'t Vuur en spaart niet, als \'t verholen Hoog geheim in Godes kerk.
\'t Wonder maakt den Keizer grage, Hij reist ziek uit \'s Gravenhage,
Keert gezond van Amsterdam.
Dien geen medicijnen baten,
Wordt van Jesus niet verlaten.
Daar hij toe zijn toevlucht nam.
Komt de blinde zich vertogen Voor \'t autaar, hij krijgt zijn oogen
Dat geen brein begrijpen kan. Wat Godvruchtigen dit kijken, Die staan stom en zij bezwijken Om den zienden blinden man.
-48
Die de joon uiet manna voedde , En hun rein wiesch met den bloede
Schuilt in \'t heilig Sacrament.
Ziet hoe d\' Englen \'t offer eeren Leert uw oogen herwaarts keeren. Dit \'t geloof bij God bekend.
Christus, aan het Kruis gehangen, Heelt den beet der felle slangen
Dat geen koperen slang nu doet; Als een pelikaan gedrongen Door de liefde, laaft zijn jongen Met zijn eigen hartebloed.
Ziet eens uit met open oogen Wat de sleutels al vermogen , Hoe den Hemel open gaat.
Eerst gesloten door de zonden De gebonden wordt ontbonden En verlost van \'t eeuwig kwaad.
Na d\'ontlasting der misdaden ,
Sterkt dit voedsel om verzaden
Voor een hongerig gemoed.
God wil zijn gena dus geven, \'t Strekt tot spijze heil en leven, Die \'t ontvangt met ware boet.
49
Deze spijs der vrome zielen,
Strekt op \'t Altaar daar ze kniei en
Haar voor God een oöerand. \'t Strekt voor levenden en dooden, In aanvechtingen en nooden, Ken gewis en Zalig pand.
Bij den Uilgew thKi-* k verslinnen
De Bruid des Konings, Margareta Maria en drie har tijdgenooten to Paray-le-Monial, door W. \\ a\\ Nieuwe iroi r S. -T. kerk. jjoe\'igek. 20\'.» blad/,., nette druk e Keurig gjê-Ijouden i)0 ets.
Het Heilig Uur, o, «nin. n ca . -n Itji d- -■■■lt;,uri aanbidding en iiot ai vwïrtij; I ren. Uiocbt-, Cot
munie- en Jfi-^elieilon, ruim 200 blad/,., ingquot;. ■gt;■) ets., geboden in lumen \'i-gt; \'is,, in lijuen banu met- etui j 1,5 (7 (lui/. Kx. wenlen or in \'i Jaar ver!; •ebt).
Bloemen uit Paray-le-Monial. Geestelijke oefeningen v de Giiiuk/,. 31 Hr tn Maria vlt; ■gt;\' - Itaon. dug der maar 3« druk, 48 i.la k.. -5 bij go!allen tot minder pri Een allerliefst boekje, keurig uitgevoerd, gepaard bij deg lijke inhoud.
Korte Onderrichtingen, opmerkingen en gebedeu bij li toedienen der 11. 11. Sucramenten volgens hot Bituftle llom num, bet Poniiticale iiumanum en andere goedgekenr wérken ü- W. li. M. Cr.\\.mki; s. J. vermeerder; uitgave, i t \' biad/.,, ing, 40 ets.,, gebonden 00 ets.
Jezus onze Dierb. Schat. Negendaagsohe Oefening vo het Kindje Jezus, geschikt voor alle tij\'len de? jaar.s, inzo dorheid voor de negen dagen die het Kerstfeest voorafga! door G. lioxiN\'d, Pastoor te Vv\'eesp, \'200 blad/,, mgt gekleui plaatje, 35 ets., gebonden in linnen 60 cenis.
Typ. v:gt;ii \'1\' \\nili. Di\'nick^/s- on • iitr.-M