esy. b* c). A Kê
«r
ALLERLEI,
VOOR HET
REKENEN UIT HET HOOFD,
DOOK
G. E. MES.
MAASTRICHT,
St. PAULUSVEREENIGING.
Niet voor de school, maar voor het gt;LEVENquot; wordt er geleerd. Brugsma.
EEN WOORD VOORAF.
Het hoofdrekenen is een belangrijk deel van hei lager onderwijs. Vooral in de heide laatsie leerjaren verdient het veel behartiging, wijl het een voornaam middel is om het kind geregeld ie leeren denken. Dit leervak bevordert in ruime mate de vaardigheid om zich gemakkelijk, juist en op onderscheiden manier uit te drukken. Hei spoedig vinden der plaats, waar de schoen wringt, de omschrijving dier vinding, de geleidelijke wijze om hetgeen men zelf\' nauwkeurig weet aan anderen duidelijk , glashelder mee te deelen, eischt gestadige oefening en schenkt den leerling wapens, die in het volgend leven in \'t geheel niet ie versmaden zijn. Dat het rammelen mei cijfers menig en woelwater van 9 en 10 jaren minder aangenaam is dan het gescharrel in zijne knoopen, stukjes griffel en knikkers, behoeft niet gezegd. De dorre stof eischt daarom verscheidenheid, ic aar door
het Hoofdrekenen een der prettigste lessen vein den c/cmschen schooldttfj wordt.
Dit hoekje verschijnt met de verklaring, dat elke opgave de vuurproef in de hoogste klasse, laagste afdeeling, doorstaan heeft, en — toch nog gebreken zal hebben.
Alle op- en aanmerkingen zullen mij steeds icelkonx zijn, mits zij het heil des kinds hc-oogen. Hiermee den gebruiker heil, en het hoekje een hescheidene plaats in de school.
M.
Wychen, Oct. \'87.
§ 1
1. Toon doelt met 5 makkers de helft van 4 maal 30 noten. Wat is elks part ?
2. Een boer heeft een knecht van f 100. Zoo deze op zijn huur eerst 8 rijksdaalders, daarna een bankje van/25 en later nogSö1^ Gld. als voorschot krijgt, hoeveel kwartjes heeft dan de knecht nog te ontvangen ?
3. Kunt gij 72 ct. met 4 stukken geld betalen ? Uoe het tweemaal anders met 3 stukken en 3 stukken terug.
4. Onze meid haalt 5 pond gort van 16 ct. de halve KG. Hoeveel halve-stuiverstukken krijgt ze van een gulden terug ?
5. Zeker landbouwer verkoopt zijne aardappels op de markt voor 3 ct. den L. Tegen hoeveel is dat een vijfkop ? Hoeveel het kwart mud ? Hoeveel anderhalve HL.\'?
6. Vrouw Van der Veen brengt eiken dag aan een heerenhuis voor 6 ct. groenten. Hoe groot is de rekening der groenvrouw in 13 weken ot een kwartaal ?
7. De gang van een school, 12 M. lang en 1 M. breed, moet bevloerd worden met plavuizen, die een halven M. in het vierkant zijn. Zoo elke steen / 0.50 kost, noem dan het getal rijksdaalders, noo-dig om den vloer te betalen.
8. Een kleermaker huurt oen huisje voor ƒ 60. Wanneer hij elke week een daalder buitenkansjes heeft, na hoeveel weken heeft hij dan de huur bijeen ?
9. Zeker vrouwtje breit in 3 dagen 2 kousen. Zoo zij voor iedere kous 2 dubbeltjes breigeld krijgt, wat is dan haar verdienste in 7 weken ?
10. Betaal eens ƒ0.125 met 3 geldstukken. Doe het eveneens met 36 ct., ook nog twee en zestig en halven ct. met 3, 4,5 stukken.
11. Een koopman huurt een pakhuis. Ais hij elke week een halven rijksdaalder huur moet geven, hoeveel bedraagt dan deze opbrengst in 12 weken ?
12. Oom Cornelius stierf in het jaar MDCCC-LXXVI en was 49 jaar oud geworden. In welk jaar werd hij geboren ?
13. Moeder kocht laatst 2 paar schoentjes: een
Ëaar voor Marie en een paar voor Jan. Die van [arie kosten f4, en die van Jan de helft van dat geld met nog een kwartje en 5 dubbeltjes. Hoeveel kwartjes kosten de schoentjes bijeen ?aar voor Marie en een paar voor Jan. Die van [arie kosten f4, en die van Jan de helft van dat geld met nog een kwartje en 5 dubbeltjes. Hoeveel kwartjes kosten de schoentjes bijeen ?
14. Zoo een winkelier voor 6 pond rijst 13 stuiver en 1 ct. vraagt, wat is dan de prijs in stuivers van 1 KG. 3 HG., 2 KG. 2 HG. bijeen ?
15. Vrouw Veldhoven staat met 25 tatelperen en 6 druiventrossen op de markt. Elke peer wordt met 2 ct. en elke tros met 4,5 ct. betaald. Welk stuk geld is er noodig om vrouw Veldhoven te betalen ?
16. Onze school heeft 8 klassen, elk verlicht door 2 ramen. Zoo nu elk raam 3 gordijnen heeft van een daalder het stak, bereken dan de waarde van al de gordijnen onzer school.
17. Zeker arbeider heeft Maandag 4 uur, Dinsdag 8, Woensdag en Donderdag telkens 9 en de overige dagen der week 11 uur per dag gewerkt. Zijn loon bedraagt een dubbeltje in het uur. Hoe-
veel gulden heeft de man voor die week te ontvangen ?
18. Mijntje haalde 9 pond zoutevisch van 15 ct. het pond. Hoeveel stuivertjes kreeg zij van een muntje van 10 Grid, terug ?
19. De burgemeester verhuurt in deze straat 3 huizen : een voor.... Grid, \'s jaars, het tweede voor 4 rijksdaalders in het kwartaal, het laatste voor /22.50 in het half jaar, samen voor ƒ 117. Noem de huur van het eerste huis ?
20 Twee beurzen bevatten evenveel geld, niet evenveel stukken. Zoo in de eene 2 bankjes van /40 zitten met nog 3 gouden tientjes en 20 halve guldens ; hoeveel rijksdaalders moeten er dan in de andere zijn ?
§2.
1. Mijn broer Jan is 17 jaar, 3 maanden en 15 dagen oud. Bereken het getal maanden, dat hij geleefd heeft. (Een maand = 30 dagen).
2. Juffrouw B. vraagt in haar winkel voor elk strengetje garen / 0.125. Wat moet haar voor 19 zulke strengetjes garen betaald worden?
3. Op de Illustratie staat: „De inteekenprijs bedraagt ƒ 3.60 per jaar.quot; Nu zegt onze Toon: Zij kost 7V2 ct. per week. Heeft Toon zich niet misrekend ? Hoeveel wel ?
4. Buurmans moestuin is 22 M. lang enl9M. breed. Hoelang moet een touw zijn, dat om den heelen tuin kan gespannen worden ?
5. Jan, Bertus en Grerard moeten 80 kastanjes zóó verdeelen, dat Jan er 5 en Bertus 6 meer dan Gerard ontvangt. Wat krijgt ieder? Zou
het ook verschil geven, als Jan er 5 meer dan Bertus en deze 6 meer dan Gerard ontvangt ?
6. lietaalt 12 stuivers met twaalf stukken geld, en wel op drie onderscheidene manieren.
7. Een heerboer verkocht laatst 9 schapen en 5 lammeren. quot;Wanneer hij voor een schaap f S, en voor een lam het vierdedeel van dien prijs met nog een kwartje bekwam, was hij dan met 9 gouden Willempjes voldaan ?
8. Een ambachtsman werkt 10 uur daags voor 14 ct. per uur. Wat houdt hij over, zoo hij elke week ƒ 7.60 noodig heeft ?
9. Zeker tuinman brengt ter markt 200 kool-planten, de 10 voor een stuiver, en 250 andijvie-planten, de 10 voor 3 ct. Ontvangt hij meer of minder dan een rijksdaalder ?
10. Peter, de zoon van een jager, verkocht 10 konijnen voor / 9, en zijn broer Klaas 6 voor 2 rijksdaalders min 2 dubbeltjes. Wie heeft per stuk het duurst verkocht. Peter of Klaas ?
11. Een stoelenmaker kiijgtin 2 weken een achttiental stoelen gereed. Hoeveel dozijn is dit in een gansch jaar, zoo hij 2 weken niet kan arbeiden?
12. Van Nieuwland, de veearts, laat bij een boer 6 zieke schapen slachten, de 3 beste ter waarde van f 10 het stuk, de overblijvende van ƒ8. Wat krijgt de boer, zoo hem 3/i van de waardel der geslachte schapen wordt vergoed V
13. Zeker schoenmakersgezel geeft iedere week /3 en een kwartje kostgeld. Hoeveel kwartjes houdt hij in een kwartaal over, zoo^zijn loon in dien tijd /60 bedraagt.(Een kwartaal— 13 weken).
14. Betaal eens 8.50 Grid, met 2 stukken geld
— 9 —
en 2 stukken terup. Kunt gij het ook met 4 stukken en 4 terug ?
15. Een slijter koopt een vaatje bier voor / 12. Hij tapt het op 200 kruiken, die hij voor 7.5 et. verkoopt. Hoe groot is zijn winst in dubbeltjes V De kruiken worden teruggebracht.
16. Dit jaar groeiden in den tuin van oom Willem 48 mandjes aardbeien, die voor 8 stuivers vlot van de hand gingen. Brachten ooms aardbeien een bankje van /25 op?
17. De lantarenopsteker van het dorp Gr. krijgt voor eiken lantaren 10 ct. per week. Zoo er 15 lantarens zijn, die 36 weken branden, reken dan uit, hoeveel de man te ontvangen heeft.
18. Hendrik heeft een spaarboekje , waarin gedurende 15 weken telkens 30 ct. worden bij-gesebreven. Hoeveel kwartjes zijn de bespaarde penningen van den zuinigen jongen ?
19. Betaalt 6.25 Gld. met 4 stukken geld. Doet het ook met 3 stukken, maar dan 3 terug, a. j. bl.
20. Een heer krijgt een kistje van 250 sigaren thuis. Hoelang kan bij daarmede toekomen, zoo hij er 5 in de 2 dagen oprookt?
§ 3.
1. Op de Nijmeegsche markt stond een boer met appels en 5 mud peren. Zoo hij in het geheel ƒ36.25 ontvangt, de appels voor een rijksdaalder, en de peren voor 3 gulden \'t mud verkoopt, hoeveel HL. appels had de boer dan ter markt gebracht ?
2. Iemand betaalt 7.25 Gld. met 2 stukken geld en ontvangt 3 gelijke stukken terug. Welk ^eld wordt hier gebruikt ? Betaal eens met 3 gelijke stukken en 3 terug.
— 10 —
3. Betje, de meid, moet 9 pond rijst halen van 8.5 ct. het pond. Zij hrijgt een gulden mee en ontvangt een kwartje terug. Ia hier niet een abuis begaan ?
4. Vier ambachtsgezellen gaan in een gaarkeuken eten en gebruiken ieder een portie erwtensoep van 8 et., een portie zuurkool met spek van 12 ct., daarna koffie met een botram, voor 7.5 ct. elk. Zoo de oudste voor allen betaalt, heeft hij dan aan een gulden genoeg?
5. Lina haalde een ons boter, en betaalde 5 halve stuiverstukken. Kunt gij nu den prijs berekenen van 4 KG. ?
6. In een kookvertiek worden groote blauwe plavuizen gelegd, 10 in de lengte en 8 in de breedte. Wanneer elke steen 75 ct. kost, vraagt men, hoeveel rijksdaalders de vloersteenen te zamen kosten.
7. Een landbouwer heeft 18 arbeiders in zijn dienst. Elke man verdient een daalder per dag. Zeg nu \'t getal guldens, dat de boer eiken Zaterdagavond moet gereed hebben om die menschen uit te betalen.
8. Twee reizigers kochten van een krantenjongen aan het station 5 dagbladen, door elkaar voor 7.5 ct. het stuk. Ieder gaf den jongen een kwartje met bijvoeging; „Net gepast!quot; Hoeveel fooi had de jongen gekregen ?
9. De prijs van een pond gort is 1272 Noem de knappers kwartjes, die men noodig heeft om 200 KG. te betalen. (Een knapper —f\\0 aan kwartjes.)
10. Zeker slager slacht 6 varkens, die door elkaar 150 pond het stuk wegen. Wat brengen die varkens op, zoo hij ze voor een kwartje de halve KG. verkoopt?
- ii
11. Een drakkersleerlinp en brengt elke week het viB dienste naar de spaarbank.
jongen in een half jaar bijeenv tweemaal overslaat?
12. Tante Lize Iaat een vaatje bier van 42 L. aftappen en gebruikt daartoe kruikjes van driekwart L. quot;Wat kosten haar de kruikjes, zoo het stuk 4 ct. geldt ?
13. Acht jongens verdeelen 130 noten zoo, dat de 2 oudste er elk 5 vooruitkrijgen. Hoeveel is het deel van den eersten en van den laatsten samen \'i1
14. Zooveel centen een kop of L., zooveel guldens bet mud of de HL., niet waar? quot;Welnu, als een vijfkop aardappels met 30 ct. betaald wordt, wat is dan de prijs van een mud ? Noem den prijs als de vijfkop /0.225 geldt.
15. De arbeider Gerritse heeft een huisje gekocht voor / 800, geleend geld tegen 5%. Zoo hij alle jaren ƒ 100 afdoet, na hoeveel jaar is dan de schuld betaald, en hoeveel interest heeft hij in het geheel moeten opbrengen ?
16. Vijf mannen en 7 jongens deelen f 115 zoo, dat een man /16 krijgt. Bereken gij nu het aandeel in kwartjes, dat iederen jongen toekomt.
17. Jan de Jager bracht 3 gouden tientjes, 2 rijksdaalders en een gulden thuis, wijl hij 12 hazen en eenige patrijzen had verkocht. De hazen golden
2 gld., de patrijzen 3 kwartjes het stuk. Nu wordt gevraagd naar de hoeveelheid verkochte patrijzen.
18. De schoolkinderen te quot;W. werden op krentenbroodjes met chocolade onthaald. Het geheele teest kostte 17 rijksdaalders. Ieder kind ontving
3 broodjes van 2 ct, en de uitgave der melk met de
- 12 -
chocolade bedroeg 2 gouden tientjes min een daalder. Kunt gij nu zoggen, hoeveel kinderen te W. schoolgingen ?
19. Juffrouw Rozeboom heeft eiken dag voor haar groot gezin 3 zesponders, dat zijn brooden van 6 pd., noodig. Zoo de 1/2 KG. 6 ct. kost, heeft de juffrouw dan 3 rijksdaalders \'sweeks voor brood noodig ?
20. Een schapenfokker verkoopt op de Rotter-damsche markt voor /254. Daartoe levert hij 9 schapen van ƒ 16 het stuk, het overige waren lammeren van 5 en een halven GId. Bereken het getal geleverde lammeren.
§4.
1. „Mijn patroon,\'\' zei een jongen, „zond me naor het postkantoor met eenige boekjes en 26 brieven, en een rijksdaalder ter betaling. Zoo een brief 5 ct. en elk boekje 4 ct. kostte, noem dan het aantal verzonden boekjes.
2. Op een grasverpachting worden 16 perceelen tegen ƒ15 het perceel afgemijnd.Hoeveel rijksdaalders brengen de gezamenlijke perceelen den verpachter op?
3. Een juffrouw stapt in het spoor 2e klasse. Zoo zij kwart voor 9 in - en 15 minuten over 10 ure uitstapt en ƒ 3,60 betaalt^ wat kost dan een uur sporens 2e klasse ?
4. In het meer bij ons dorp werd gisteren gevangen: 5 halve KG paling; 7.5 KG. snoek en 2.5 KG. brasem. De paling ging van de hand voor 12, de snoek voor 6 en de brasem voor 4 stuiver de halve KG. Hoeveel geld bracht deze vangst op ?
— 13 —
5. Boer Thomas kocht een hofje, groot 85 Are, tegen ƒ4000 de HA. Zoo de notaris 10 0/0 als opgeld rekent, wat is de som der kooppenningen, die boer Thomas den notaris moet voldoen ?
6. Mijn grootvader werd geboren in het jaar MDOCCIX en stierfin het jaar MDCCCLXXXI. Heeft hij 800 maanden geleefd ?
7. Eon houtkooper is eigenaar geworden van 6 boomen tegen ƒ 150 het stuk. Zoo hij 9 Grid, onkosten heeft, voor hoeveel moet hij dan het stuk verkoopen om 21 Gld. te winnen ?
8. Vier menschen erven de helft van 448 gulden. Wat is ieders aandeel in dubbeltjes ?
9. Op een veemarkt kocht een vetweider eenige koeien en 9 kalveren voor de som van 1220 Gld. Indien ik u zeg, dat de prijs der koeien 95 Gld. en die der kalveren 12 rijksdaalders is, noem gij dan het getal koeien.
10. Een pond kaas kost het derde part van 9 stuiver en 3 ct. Reken uit, hoeveel KG. men kan koopen voor 2 maal 24 dubbeltjes ?
11. Oom Gerrit heeft een jongen os geslacht, wegende 280 pond en wel naar de markt van 26 ct. het half KG. Wat ontvangt oom terug, zoo hij 2 bankjes van 40 Gld. ter betaling afgeeft V
12. Iemand leent 300 Gld. uit gedurende 9 maanden. Zoo hij 6 ten honderd\'s jaars bepaalt, hoe hoog loopt dan de interest van dat geld ?
13. Een dame heeft de volgende schulden, bij A /1.30, bij B ƒ2.40, bij C ƒ 3.60 en bij D ƒ 4.70, Kan zij alles nut 5 rijksdaalders betalen?
14. Een tonnetje haring kost, een kwartje vracht medegerekend, juist een rijksdaalder min een vijfstuiverstuk. Zoo de prijs van een haring 8 ct. is, hoeveel haringen zaten dan in het tonnetje ¥
— 14 —
15. Een boerin brengt voor 2 rijksdaalders eieren ter markt. Zoo de gast met 5 halve stuiverstukken voldaan wordt, bereken dan het aantal verkochte eieren. (Een gast =4 eieren.)
16. Een fabrikant heeft eenige sigarenmakers in zijn dienst, van welke de vlugge werkers vijftienhonderd sigaren, de overigen twaalfhonderd stuks per week vervaardigen. Zoo nu \'s Zaterdagsavonds van de eersten 90000 en van de laatsten 36000 sigaren worden ingeleverd, hoeveel werklieden heeft die heer in zijn dienst ?
17. Drie jongens hebben samen 6 400 30 noten. De eerste bezit er 2x55, de tweede 9 80 100. Welk getal noten komt nummer 3 toe ?
18. Iemand koopt een kip stokvisch, en betaalt daarvoor 11 rijksdaalders en 1 gulden. Zoo hij 1.50 Grid, meer had moeten betalen, was de prijs van eiken stokvisoh juist 12 stuiver geweest. Noem het getal, dat in den reep zat.
19. Wanneer uw moeder 36 jaar oud is, en geboren werd in het jaar MDCCCIL, zeg mij dan in welk jaar uw zusje het levenslicht ontving, die 27 jaar jonger dan uw moeder is.
20. Langs een rijweg staan 500 boompjes. Van elk tiental worden er 2 verkocht tegen f 8 het stuk. Hoeveel bankjes van 25 Grid, heeft men noodig om de verkochte boompjes te betalen ?
§ 5.
1. Een boer deelt 75 manden aardappelen met zijn buurman, doch zoo, dat hij zelf 3 manden tegen de laatstgenoemde 2 ontvangt. Noem de ontvangst des boers in rijksdaalders, zoo de buurman de zijne voor 45 Gld. verkocht heeft.
- 15 —
2. Twee leiendekkers moeten op een schooldak 14400 leien leggen. Hoeveel weken moeten zij samen arbeiden, indien elk 200 leien daags kan vastspijkeren?
3. Bereken de kosten der verzending van de postpakketten, die men van 4500 sinaasappelen maken kan, zoo er in elk kistje, 25 et. vracht kostende, 125 van die vruchten zitten.
4. Een jongen is op dit oogenblik de helft van 19 jaar en 6 maanden oud. quot;Wanneer hij zooveel kwartjes bezit, als hij kwartjaren (of?) beleefd heeft, wat is dan zijn rijkdom ?
5. Voor 4 jonge paarden ontvangt een boer: 2 bankjes van40Gld., 3van25Gld., 4 muntjes van 10 Gld., vier goudstukjes en 2 rijksdaalders. Welke is de waarde van één paard, zoo de dieren evenveel opbrengen ?
6. Onze huishoudster gebruikt elke week anderhalve KG. boter. Indien de gemiddelde prijs dezer waar 40 et. per pond is, hoeveel geld aan boter heeft onze huishoudster dan in het jaar wel noodigV
7. Wat moet men betalen voor 64 L. grauwe erwten, zoo de HL. 5 rijksdaalders kost ?
8. Moeder viert haar zilveren bruiloft 14 dagen voor Sint-Laurens [10 Augustus] en tante Gonda juist 3 weken voor Sint-Maarten [11 November], Op welke dagen vallen deze familiefeesten, en hoeveel tijd zijn zij van elkaar verwijderd ?
9. quot;Wat zoudt ge liever hebben : het derde part van 2x33 kwartjes met nog een cent; of het vijfde deel van 11 rijksdaalders en twee halve centen.
10. Kunt gij 28,5 ct. met 3 stukken geld betalen ? Ook 28,5 Gld. ? En welke 3 gelijke stukken moet gij geven om 3 gelijke stukken terug te krijgen ?
— 16 —
11. Een jongen was jarig en ontving van zijn oom Gerrit een kwartje, van zijn tante 2 kwartjes en 5 dubbeltjes, van zijn grootvader en grootmoeder elk een rijksdaalder. Zijn ouders legden er zooveel bij, dat hij een gouden Willem naar de spaarbank kon brengen. Hoe groot was de laatste gift ?
12. Koopman Hobbemans bestelt l1^ maal 12 balen rijst van 100 KGr. elk. Hoe groot is de rekening, zoo de 100 pond f 4.50 geldt ?
13. Op een zolder liggen 5 vakken boekweit. In het eerste vak 26 HL,, in het tweede 3 HL. minder, in het derde 25 HL., in het vierde 34 HL. en in het laatste 27 HL. Hoeveel last koren drukt er op dien zolder ?
14. Opeen zomerdag komt de zon te half 5 ure op. Hoe laat gaat ze onder, — en hoeveel minuten schijnt zij dien dag ?
15. Mijnheer Claassens koopt bij den goudsmid een ring van 5,50 Grid., een doekspeld van 9,25 Grid, en een paar oorhangers van 16,75 Gld. Wat krijgt meneer terug, zoo een bankje van ƒ 40 ter betaling wordt gegeven ?
16. Jan schrijft eiken schooltijd door elkaar 3 vraagstukken in zijn schrift. Zoo er \'s Zaterdags geen school wordt gehouden, vraagt men, hoeveel vraagstukken Jan in een kwartaal bijeen heeft.
17. Als anderhalve M. linnen 90 cent kost, hoeveel kwartguldens krijgt men dan terug van 2 tientjes om 21il2 M. van die stofte betalen i1
18. Een boer zaait een gedeelte zijner winterrogge op Sint Michiel [29 September] en een. ander gedeelte op 23 Februari. Hoeveel dagenis dit na elkander¥
19. Mevrouw Bloemendaal laat een zijden japon
- 17 —
vervaardigen. Daartoe koopt zij 24 el zijde van 5 Grid, de el, en 60 knoopen van een stuiver het stuk. Zoo de naaister voor voering, maakloon, enz. 11.50 Gld. rekent, wat is dan de waarde van dit kostelijk kleedingstuk ?
20. Noem het aantal pooten van 12 spinnen, 13 vliegen, 14 katten en 7 kanarievogels bijeen.
§ 6.
1. Wanneer ik u zeg, dat een kip gewoonlijk 21 dagen broeit, reken dan uit, op welken dag de kuikens uitkomen, zoo de hen den 28 Maart op de eieren gaat zitten,
2. Mietje, de naaister, moet elke week ander-halven dag aan de pastorie gaan naaien. Wat is haar verdienste in een heel jaar, zoo zij ƒ 0,40 daags heeften in 2 weken niet behoeft te komen ?
3. Mijnheer Hamers heeft een kistje aardappelmeel, 60 KG. zwaar. Naliet derdedeel verkocht te hebben, maakt hij van het overblijvende meel pakjes van 1/4 KGr. Bekomt hij 180 pakjes ?
4. Bij een keuterboerderij ligt een halve, anderhalve, derdehalve en zesdehalve A. bouwland, dat bij verkoop 85 et. den M2 opbrengt. Noem de waarde van al den grond.
5. Op den laatsten marktdag gold de boter 8 stuiver en 2 cent het pond. Zoo men naar dien prijs 5 KG. te betalen heeft, zijn dan 2 rijksdaalders voldoende ?
6. Onze Willem gaat vioolles halen, en wel driemaal inde week tegen 0.40 Gld. per les. Als de meester na 3 maanden de rekening zendt, hoeveel moet vader dan betalen ? (3 maanden —13 weken,) 2
— 18 —
7. Boer Verploegen had een toom van 38 biggen. Nadat er 3 gestorven waren, verkoopt hij het derdedeel voor /6 het stak, en de overschietende voor anderhalven rijksdaalder. Krijgt Verploegen 2 bankjes van 40 Gld. bij elkaar ?
8. Jas, broek en vest bijeen, een pak, kost 17 rijksdaalders, noch afzonderlijk moet de jas/24, de broek /quot;12.50 en het vest ƒ 7 75 opbrengen. Is de eerste koop niet 2 gulden voordeeliger ?
9. Een metselaar legt eiken dag 1800 steenen, en ontvangt anderhalven gulden per duizend. Bereken zijn weekloon.
10. Zekere melkvrouw verkoopt eiken dag 25 L. melk, en doet bij 10 L melk 2,5 L. water. Zoo de L. van dit knoeisel 8 ct. kost, voor hoeveel stuivers water verkoopt zij dan, zoo doende, in een maand ?
11. Zes jongens krijgen schaatsen; drie een paar Hollandsche van /2 min een kwartje het paar; de overige knapen een stel Friesche van een daalder. Is deze boodschap met een muntje van 10 Gld. te betalen ?
13. Een boekhandelaar doet papier op van 8 Gld. den riem en verkoopt dat voor 2 ct. het vel. quot;Wat is zijn winst per baal ? (Een baal = 10 riem, een riem = 20 boek en een boek =24 vel.)
13. Moeder doet 48C0 turven op tegen 4272 ct. het honderd. Moet zij 8 rijksdaalders betalen ot meer ?
14. Negen kinderen, waarbij 4 jongens, hebben 135 noten te verdeelen. De jongens ontvangen er ieder 10. Noem bet aandeel van een meisje.
15. Hoeveel pond boter kan men koopen voor 3.84 Gld., als de prijs van een KG. / 1.20 is. Denk aan den regel: zooveel dubbeltjes een KG., zooveel centen een HG. of ons.
— 19 —
16. Notaris Wr. verkocht eens voor ƒ 150 kalveren, en wel 2 stuks voor 6 rijksdaalders. Waren er meer of minder dan 25 kalveren verkocht ?
17. Op de voorlaatste jaarmarkt kocht een juffrouw een rolletje linnen van 24 el voor 0.61 Grid, per el. De koopman bood het haar aan voor een gouden tientje, een rijksdaalder en 2 guldens. Had de juffrouw daarbij voordeel ?
18. Een knecht moest voor zijn heer sinaasappelen halen en kreeg /1 mee. Hoeveel stuks bracht hij thuis, als 3 sinaasappels 12.5 ct. kosten ?
19. Drie stukken land leveren 36, 40 en 44 HL. tarwe op. Hoeveel last is dit, en wat is de opbrengst in rijksdaalders, zoo één HL. voor 8.75 Grid, verkocht wordt ?
20. De kinderen van oom Frederik hadden een spaarvarken geheel vol. Bij het openen vonden zij: 1 gouden Willem, 2 rijksdaalders, 3 guldens, 4 halve guldens, 5 kwartjes, 6 dubbeltjes en 7 stuivertjes. Konden zij 9 rijksdaalders in hun spaarboekje laten schrijven ?
§ 7.
1. Een onderwijzer ontving op zijn zilveren feest van de leerlingen zijner klas een klein aandenken, dat ƒ5.75 had gekost. Wanneer elke leerling 12.5 ct. had bijgedragen, noem dan het getal leerlingen in die klas.
2. Van een rolletje lint werd 3/7 en 9 M. afgesneden, waarna er nog 19 M. overbleef Hoe lang was het heele stuk ?
3. Vrouw Roelofsen heeft een koe, die eiken dag 30 L. melk geeft. Zoo zij van de 5 L. melk
- 20 —
anderhalf ons boter karnt, die per KG. 1.50 Grid, opbrengt, reken dan eens na, hoeveel voordeel deze koe in een week oplevert.
4. Vijf huurlieden lezen samen een krant, die eiken medelezer 1.80 Gld. in het kwartaal kost. Moeten zij samen meer of minder dan 15 rijksdaalders in het jaar voor die krant betalen?
5. In een boomgaard staan 8 rijen van 25 hoornen. Het vierdedeel dezer boomen zijn pere-boomen, het vijfde van de overblijvende appel-boomen en de rest kerseboomen. Hoeveel van de laatste zijn er meer dan van de eerste ?
6. Antje zei: ,,17 kwartjes min 22 dubbeltjes is juist het vierde part van mijn geld.quot; Hoeveel postzegels van 5 ct. kan zij in haar spaarboekje plakken ?
7. Zooveel guldens den HL., zooveel centen den L., niet waar? Welnu, wat moet betaald worden voor S1/! HL. grauwe erwten, zoo de vijfkop met 7 stuivers betaald wordt? Het antwoord in kwartjes, asjeblief!
8. Iemand heeft 1850 Gld. ter leen tegen 4% \'s jaars. Wat moet hij na een jaar teruggeven?
9. Een fabrikant pakt driemaal het achtste deel van 1200 sigaren in kistjes van 25. Zoo de prijs van een kistje ƒ 1.25 is, bedraagt dan de rekening dezer bezending een bankje van ƒ 25 ?
20. Mijnheer Verbrugge heeft een kooibaas, die in G dagen voor ƒ1200 eenden ving. Noem het getal eenden, zoo het koppel voor een rijksdaalder verkocht werd.
11. Ik heb 3 broertjes: een van 3 jaar en 5 maanden, een van 5 jaar en 7 maanden en de derde van 7 jaar en 9 maanden. Hoelang hebben zij gezamenlijk geleefd ?
— 21 —
12. Een voerman moest eenige vracliten dennenhout van het bosch naar het station brengen. De man bedong een daalder per vracht, en ontving bij uitbetaling ƒ 108. Waren er 80 vrachten geweest ?
13. Op 3 kwartjes na heeft Antoon 2 en een halven rijksdaalder bijeen. Betaal tweemaal zijn rijkdom met 2 geldstukken.
14. Twee boeren gaan met biggen ter markt. A krijgt /2.50 voor het stuk en ontvangt ƒ 17.50, terwijl B 33 Grid, beurt en ƒ5.50 per stuk ontvangt. Wie heeft de meeste biggen geleverd?
15. Meneer Voorst heeft een tuin overgenomen voor /850 met 10% onkosten. Eenigen tijd daarna verkoopt hij dien voor f 1030. Hoeveel winst heeft meneer op dien tuin ?
16. Willem zei: „Vader heeft een varken geslacht tegen f 0.24 het pond, wegende 130 KGr. Hij betaalde met 2 stukken geld en kreeg er een terug.quot; Kunt gij nu zeggen, welke stukken gebruikt zijn ?
17. Op een boompje hingen 135 fijne tafelperen. Het vijfdedeel viel af en de overige werden tegen 0.08 Grid, het stuk verkocht. Noem het getal stuivers, dat er bij moet om een tientje bijeen te krijgen?
18. Als het daggeld eens timmermans 36 stuivers is, hoeveel dagen moet hij dan arbeiden om 90 Grid, loon te ontvangen?
19. Welk geld is gebruikt, zoo een rekening van 87.50 Grid, met 3 stukken betaald werd ? En welk, wanneer men 3 stukken gaf en 3 terugkreeg ?
20. Boer Sengers heeft 6 dienstboden; een
— 22 -
knecht van /120 en 2 meiden ieder van ƒ80. Zoo zij gezamenlijk ƒ415 verdienen, wat is dan het loon van elk der overige?
§ 8
1. Een naaister krijgt een lapje linnen thuis om er 15 hemdjes van te maken. Zoo het linnen 24 M. lang is en zij voor één hemdje ^ M. behoeft, komt zij dan toe ?
2. Op de Wychensche markt kocht eenPruisisch koopman 5 veulens. De boer bedong 80 Grid, per stuk, doch de koopman wilde niet meer besteden dan 700 Mark voor al de veulens. Welke koop was den boer het voordeeligst ? (Een Mark, Pruisisch geld, = 60 ct., doch wordt voor 58 ct. verrekend.)
3. Zes en dertig machinenaalden kosten een gulden min een dubbeltje. Wat is de prijs van één naald ?
4. In een school zijn 3 lokalen, in elk lokaal staan 4 rijen van 7 bankjes, elk voor 2 leerlingen. Is er plaats in die school voor 150 leerlingen ?
5. De zoogenoemde korentiende is hier ter plaatse 1 schoof op de 12. Als er 1416 schooven zijn, wat moet men dan den tiendheffer afstaan ?
\' 6. Een Groesbeeksche bezembinder brengt op één dag aan den man het derde deel van 6 maal 270 bezems. Zoo zijn verdienste op het dozijn 2 dubbeltjes bedraagt, hoeveel kwartjes winst brengt hij dan thuis ?
7. Christiaan haalde Vio kist sigaren van de 5 voor een dubbeltje. Hij betaalde echter maar f 1.80. Hoeveel Pet. korting heeft hij genoten ?
8. Een brouwer mengt 25 L. bier van \'3 ct, den
_ 23 -
L. ondereen met 20 L. van 15 et., alsmede BL. water. Hoeveel kost nu 2 L. van dit gemengde bier?
9. Doortje, Marie en Liza spelen op het ganzenbord. Doortje staat op nummer 57, Marie op 60 en Liza op 62. Ieder werpt 12 oogen. Kunt gij zeggen, op welke nummers de kinderen nu komen ? Bedenk wel, dat het spel niet hooger loopt dan tot nr. 63.
10. Een kaasboer had 24 planken, elk met 45 kazen belegd, in voorraad. Hiervan verkocht hij eerst het vierdedeel, daarna 311 stuks. Hoeveel kazen hield de boer over ?
11. Mijn zusje moet wekelijks een dubbeltje en mijn broertje 3 stuivers schoolgeld betalen, Hoeveel is dit in een kwartaal ?
12. Wanneer een ambachtsman een huisje huurt van ƒ 93 \'sjaars, wat moet dan in één maand voor de huur verdiend worden ?
13. Frans krijgt een nieuw pak, waarvoor 4 en 72 stof noodig is. Zoo de el ƒ 1.50 kost en het maakloon / 2.25 bedraagt, is dan een gouden tientje ter betaling voldoende ?
14. Twee menschen ruilen. A geeft 2 zijden spek, ieder 20 KGr. zwaar, naar den prijs van 10 stuivers de KGr. Hoeveel mudden aardappels van /2.50 moet B geven om de ruiling gelijk te doen zijn ?
15. Een jongen krijgt een rijksdaalder mee en moet postzegels halen ; 4 van een dubbeltje, 20 van een stuiver, 10 van 21li ct. en 40 van een cent, het overschietende geld is bestemd voor sinaasappels van 3 ct. het stuk. Zou hij 20 sinaasappels meebrengen ?
— ^4 —
16. In onze kerk wordt een bank met 9 plaatsen voor ƒ 100 verhuurd. No 1 en 2 gelden elk ƒ9,50, No 3 en 4 ieder ƒ 11,50, terwijl No 5 en 6 gezamenlijk ƒ 26,50 opbrengen. quot;Wat kost elk der laatste plaatsen, die even duur zijn ?
17. Jan, Theodoor en Karei moeten 144 noten zóó verdeelen, dat Jan er 1 tegen Theodoor 2 tegen Karei 3 ontvangt. Noem ieders part.
18. Een boer verkocht 7 mud pootaardappelen tegen ƒ 2,625 het mud. Zoo hij 2 stukken geld ontvangt, betaal dan voor hem 4 stukken terug.
19. Een sjouwerman heeft een tas steenen opgestapeld. In de lengte liggen er 16, in de breedte 9 en in de hoogte 15 steenen. Heeft hij er 2000
^20. De soeperwten gelden dit jaar /270 het last. Betaal eens naar dien prijs 7.5 L.
§ 9-
1. Een winkelier kocht 4 kisten thee: een woog 98 KG., de tweede 104 KGr., de derde 97 KG. en de vierde 106 KG. Hoe zwaar zijn de kisten bijeen?
2. Tante Dientje gaf haar nichtje eenig geld om
daarvoor te koopen : 2 boeken, elk van 0.40 Gld., een atlasje van 16 stuivers, een griffeldoos van een kwartje, een penhouder met liniaal voor / 0.30. Toen hield het nichtje nog 35 ct. over. Zeg mij, welk geld tante had meegegeven.
3. Een metselaar moet 1800 steenen verwerken. Hij gebruikt er eerst 923 en daarna 782. Hoeveel steenen bleven liggen ? , , . ,
4. Een liefdadig heer heeft een hofstede, groot 12 HA., in pacht f 45 opbrengend per HA. Het
— 25 —
derdedeel van dit geld is voor de Üoomsche armen, nog een derde voor de Protestantsche en de rest moet tusschen het Wees- en het Gasthuis gelijk verdeeld worden. Hoeveel rijksdaalders ontvangt elk gesticht ?
5. Een machinist heeft deze week gewerkt: Maandag 17 uren, Dinsdag 13, quot;Woensdag 20, Donderdag 4, Vrijdag 12 en Zaterdag 14 uren. Noem zijn weekgeld, zoo het arbeidsloon 2272 et- per uur bedraagt.
6. In ons gezin leven : grootvader 84 jaar oud, grootmoeder 76 jaar, vader 54, moeder 46, een broer van 17, een zuster van 14 en ik. Zoo wij allen CCCII jaren geleefd hebben, hoe oud ben ik dan ?
7. Een KG. garen telt 275 strengetjes, die voor 1 ct. het stuk worden verkocht. Reken me eens uit, liefst in rijksdaalders, wat er op 28 KG. verdiend wordt, als de KG. ƒ2 bij inkoop kost.
8. Hoeveel raderen hebben 57 melkwagentjes met 2 wielen, meer dan 36 rijtuigen ?
9. Juffrouw Fransen koopt bij een borstelmaker 12 borsteltjes en eenige kwastjes. Zij betaalt voor een borstel 8 stuivers, voor een kwastje 15 cent, en in het geheel ƒ 7.05. Hoeveel kwastjes neemt de juffrouw mee ?
10. Hendrik, Wouter en Gerard moeten 136 knikkers zoo verdeelen, dat Wouter er 17 en Gerard er 38 vooruitkrijgen. Wat is ieders part ?
11. Een schipper heeft 450 zakken turf in zijn schip, waarvan hij eerst 214 en later 135 zakken verkoopt. Daags daarna laadt hij er weer 627 zakken bij. Wat heeft hij nu in zijn schip ?
12. Iemand verteert wekelijks 20 Gld., en houdt in 3 maanden of 13 weken 9 rijksdaalders over. Hoe groot is\'s mans driemaandelijksch inkomen ?
— ^4 —
16. In onze kerk wordt een bank met 9 plaatsen voor / 100 verhuurd. No 1 en 2 gelden elk ƒ9,50, No 3 en 4 ieder ƒ 11,50, terwijl No 5 en 6 gezamenlijk /26,50 opbrengen. Wat kost elk der laatste plaatsen, die even duur zijn \'i1
17. Jan, Theodoor en Karei moeten 144 noten zóó verdeeleii,dat Jan er 1 tegen Theodoor 2 tegen Karei 3 ontvangt. Noem ieders part.
18. Een boer verkocht 7 mud pootaardappelen tegen ƒ 2,625 het mud. Zoo hij 2 stukken geld ontvangt, betaal dan voor hem 4 stukken terug.
19. Een sjouwerman heeft een tas steenen opgestapeld. In de lengte liggen er 16, in de breedte 9 en in de hoogte 15 steenen. Heeft hij er 2000 bijeen?
20. De soeperwten gelden dit jaar /270 het
last. Betaal eens naar dien prijs 7.5 L.
§ »
1. Een winkelier kocht 4 kisten thee: een woog 98 KG., de tweede 104 KG-., de derde 97 KG. en de vierde 106 KG. Hoe zwaar zijn de kisten bijeen ?
2. Tante Dientje gaf haar nichtje eenig geld om daarvoor te koopen : 2 boeken, elk van 0.40 Gld., een atlasje van 16 stuivers, een griffeldoos van een kwartje, een penhouder met liniaal voor /0.30, Toen hield het nichtje nog 35 ct. over. Zeg mij, welk geld tante had meegegeven.
3. Een metselaar moet 1800 steenen verwerken. Hij gebruikt er eerst 923 en daarna 782. Hoeveel steenen bleven liggen ?
4. Een liefdadig heer heeft een hofstede, groot 12 HA., in pacht /45 opbrengend per HA. Het
— 25 —
derdedeel van dit geld is voor de Hoomsche armen, nog een derde voor de Protestantsche en de rest moet tusschen het Wees- en het Gasthuis gelijk verdeeld worden. Hoeveel rijksdaalders ontvangt elk gesticht ?
5. Een machinist heeft deze week gewerkt; Maandag 17 uren, Dinsdag 13, Woensdag 20, Donderdag 4, Vrijdag 12 en Zaterdag 14 uren. Noem zijn weekgeld, zoo het arbeidsloon 22l/2 ct. per uur bedraagt.
6. In ons gezin leven: grootvader 84 jaar oud, grootmoeder 76 jaar, vader 54, moeder 46, een broer van 17, een zuster van 14 en ik. Zoo wij allen CCCII jaren geleefd hebben, hoe oud ben ik dan ?
7. Een KGr. garen telt 275 strengetjes, die voor 1 ct. het stuk worden verkocht. Reken me eens uit, liefst in rijksdaalders, wat er op 28 KG. verdiend wordt, als de KG. f2 bij inkoop kost.
8. Hoeveel raderen hebben 57 melkwagentj es met 2 wielen, meer dan 36 rijtuigen ?
9. Juffrouw Fransen koopt bij een borstelmaker 12 borsteltjes en eenige kwastjes. Zij betaalt voor een borstel 8 stuivers, voor een kwastje 15 cent, en in het geheel ƒ 7.05. Hoeveel kwastj es neemt de juffrouw mee ?
10. Hendrik, Wouter en Gerard moeten 136 knikkers zoo verdeelen, dat Wouter er 17 en Gerard er 38 vooruitkrijgen. Wat is ieders part ?
11. Een schipper heeft 450 zakken turf in zijn schip, waarvan hij eerst 214 en later 135 zakken verkoopt. Daags daarna laadt hij er weer 627 zakken bij. Wat heeft hij nu in zijn schip ?
12. Iemand verteert wekelijks 20 Gld., cn houdt in 3 maanden of 13 weken 9 rijksdaalders over. Hoe groot is \'s mans driemaandelijksch inkomen ?
- 26 —
13. Hendrik zei: „Als een jaar op 365 dagen en 5 uren gerekend wordt, daa is het gemakkelijk te onthouden, hoeveel uren er in een heel jaar zijn.\'
Weet gij te zeggen, waarom Hendrik dit zoo gemakkelijk onthouden kan ?
14. Hoeveel pakken kan een kleermaker snijden uit 11 stukken bukskin, elk van 60 M,, zoo voor een broek M., voor een jas 272 M. en voor een vest s/4 M. noodig is ?
15. Een som van ll?1^ Grid, wordt met 3 stukken betaald, waarna 3 stukken worden teruggegeven. Welke zijn deze ?
16. Oom Frans bezit een huis, dat jaarlijks 460
Grid, rente moet opbrengen. Te dien einde verhuurt ,
hij den kelder voor ƒ 3 \'s weeks, het pakhuis voor ƒ1.25, de beneden- en de bovenwoning te zamen voor 4 Gld. min een kwart. Komt oom Frans aan zijn geld V
17. Een rijk heer heeft een koetsier, wien hij elk kwartaal 35 Gld. loon uitbetaalt. Voorts met Kermis en Nieuwjaar telkens een fooi van ƒ3.50 en aan kleeren voor ƒ63. Wat kost die koetsier zijn heer ?
18. Kunt gij de wekelijksche verdienste berekenen van een ambachtsman, die in 2 dagen een rijksdaalder min een dubbeltje verdient ?
19. De secretaris plaatst een advertentie in de krant, groot 13 regels. Zoo 6 regels ƒ 1.50 kosten en elke regel meer een kwartje bedraagt, heeft de secretaris dan aan een rijksdaalder en een gulden genoeg om de postquitantie te betalen ?
20. Een boerenknecht verslijt elk kwartaal 2 paar klompen en één paar leertjes. Hoeveel geld verslijt hij aan de voeten in 3 jaar, zoo een paar klompen 35 ct. en een paar leertjes 3 st. kost ?
_i
§ 10.
1. Een schaapherder zei : „Als ik 6x7 schapen verkoop, houd ik nog de helft van 8 maal 15 schapen over.quot; Hoeveel pooten heeft de kudde ?
2. Reken eens na, wat een molenaar wekelijks verdient, zoo hij gemiddeld eiken dag 16 zakken graan maalt, tegen 8 en een hal ven stuiver de zak. (\'s Zondags wordt niet gemalen.)
3. Twaalf kippen en 4 hanen worden verkocht voor ƒ13.20. Zoo een kip met 18 stuivers betaald wordt, noem dan den prijs van een haan.
4. Zeker arbeider bewerkt een stuk land bij boer Van Lieshout voor de derde mand, d. i. het derde van de opbrengst. Als het land 25 en een halven vim opleverde, hoeveel bossen haalt de arbeider dan binnen ?
5. Nichtje Koba wierp met 3 dobbelsteenen : de eerste maal 3 zessen, den tweeden keer 3 vieren en het laatst 3 vijven. Hoeveel oogen had Koba bij elkaar ?
6. Een winkelier ontvangt van zijn fabrikant een soort sigaren, die hem 2lli Grid, de tiende kist kosten. Hoeveel sigaren moet de winkelier voor een dubbeltje geven om op 6 zulke kistjes 6.50 Gld. te verdienen ?
7. Twee arme kinderen verkochten laatst op een feest gekleurde strikjes. Daartoe haalden zij 60 M. lint van een halven stuiver den M. en naaiden een strik van \'/4 M., die een dubbeltje opbracht. Welke verdienste haalden zij op ?
8. Zes leerlingen der hoogste klasse betalen jaarlijks 108 Gld. schoólgeld. Hoeveel schoolgeld moeten 25 dier leerlingen geven ?
— 28 —
9. Zeven en een halve HL. aardappelen worden met 9 rijksdaalders betaald. Noem de waarde van 32V4 HL.
10. Mijn vriend Herman zat in het spoor van \'s voormiddags 8-40 uur tot \'s namiddags 6-10 uur, en betaalde 6 rijksdaalders met 2 dubbeltjes. Hoeveel kost hem op die reis een uur sporens ?
11. De weduwe van Klaasboer heeft een mel-kerij van 8 koeien, die elk anderhalf KGr. raapkoeken per dag krijgen. Reken uit, hoeveel KG. raapkoeken zij in 4 weken noodig hebben.
12. Een jongen gaat op het ambacht en heeft noodig; 2 beitels, een van 12 en een van 7 stuiver, een schaaf van 85 ct., een passer van 42,5 ct. en een duimstok van 11 en een hal ven stuiver. Hoeveel E.D. zijn er noodig om deze rekening te betalen ?
13. Iemand heeft 8 arbeiders gedurende 15 dagen in zijn dienst. Elk ontvangt 1272 stuiver daggeld. Is een bankje van ƒ60 voldoende om het loon dier arbeiders te betalen ?
14. Juffrouw Hendriks ontvangt een histje zwarte thee, zwaar 22.5 KG. Hoeveel pakjes thee kan zij daarvan maken, als elk pakje 2.5 ons of HG. moet wegen ?
15. Een half dozijn tuinstoelen kost ƒ 16. Hoeveel zullen 15 zulke stoelen kosten ? Te betalen met een stuk en 1 terug.
16. Een boerenmeisje gaat met eieren ter markt. De eene korf bevat er 3 dozijn, de andere 54 stuks. Zij rekent het stuk 3 ct,, doch verkoopt ze voor 7 stuiver het dozijn. Komt zij met haar geld thuis ?
17. Wanneer een arbeider 16 dagen haver gemaaid en een bankje van 40 Gld. verdiend heeft.
— 29 —
reken dan uit, hoeveel kwartjes naar deze afrekening zijn werkloon zou zijn ?
18. Moeder telde enkele uitgaven der vorige week op: 2 pd. boter van 9 stuiver, een pd, koffie van 8 stuiver en 2 et., anderhalf pd. suiker van vijf en een ct., en derdehalf pd. rijst van 12 ct. Bedroegen deze uitgaven minder dan ƒ 2 ?
19. Zeker landbouwer verkoopt 4 paarden: een voor 220 Grid., 2 voor ƒ 200 elk, en het laatste voor 280 Grid. Met dat geld koopt hij veulens van 45 Gld. het stuk. Hoeveel veulens brengt de landbouwer mee ?
20. Een pelgrim kan zijn reis in 15 dagen afleggen, mits hij 8 uren per dag voortstapt. Halfweg krijgt hij letsel aan den voet en moet — behalve 4 dagen rust — voortaan 4 uur per dag gaan. Hoelang heeft de tocht geduurd ?
§ U.
1. Een dienstmeisje haalde 2 72 pond koffie, 3 pond suiker en 2 pakjes aardappelmeel. Zoo de prijs der koffie 40 ct., der suiker 28 ct. en van het aardappelmeel per pakje 21/2 ct. is, heelt zij dan genoeg geld aan 7 kwartjes?
2. Het koppel jonge hoenders geldt 15 stuivers. Noem het aantal hoenders, dat men kankoopen voor een tientje min een gulden.
3. Een naaister maakt in 2 dagen 8 hoedjes gereed, en verdient aan elk 7 stuiver min 1 ct. Wat is haar weekgeld ?
4. Vijf dagen iu de week moet een vleesch-houwer in een logement telkens 6 KGr. vleesch bezorgen. Hoe hoog loopt de driemaandelijksche rekening, zoo het vleesch / 0.80 de KGr. kost ?
— 30 -
5. Uit een vaatje bier van 40 L. tapt men het drievierde in flesschen van 3/4 L., de rest in kruikjes van eea halven L. Zijn er meer flesschen dan kruikjes gevuld ?
6. Honderd koolplanten worden met 20 ct. be laald.Wat moet men naar dien prijs voor 475 zulke planten geven ?
7. Iemand koopt op de vischmarkt 15 schelvis-schen en eeriige botjes. Hij betaalt voor een schel-visch 6, voor een botje 2 stuivers, en in het geheel /8.40. Zijn er 25 botjes bij ?
8. Timmerman van Dijk levert dakribben, lang 121/, voet. Zoo de voet 4 ct. kost en de gansche rekening 13.50 Gld. bedraagt, bereken dan het getal geleverde dakribben.
9. Opeen erfhuis worden dooreen schilder 18 portretten gekocht voor 60 ct. het sink. De notaris eischt 1272 ct. opgeld. Maak de rekening des schilders eens goed op.
10. Een jongen zei, dat al zijn meikevers 250 pooten hadden. Indien gij weet, dat er 61 kevers in zijn doos zaten, hoeveel pooten heeft de jongen dan te weinig gerekend ?
11. Zeker meubelmaker zendt Mevrouw Br. een kastje van 42.5 Gld., zes stoelen van ƒ6.50 het stuk en een tafel van ƒ 57.50. Hoe hoog komtMe-vrouws rekening ?
12. Om prijs Nol te behalen moet eenvereeni-ging 250 punten schieten. Onze 5 schutters haalden achtereenvolgens 48, 41, 67, 42 en 59 punten. Waren de onzen bij No 1 ?
13. Een brouwer doet 11 tonnen bier van ƒ 7.50 deton,en 7 tonnen van ƒ 9 ondereen.Als hij er 2 ton water bijdoet, hoe duur komt dan een ton van dit mengsel ?
-ai-
ié. Drie broeders en 3 kinderen hunner overleden zuster moeten een erfenis deelen, groot ƒ500. Wanneer de notaris 20 Grid, onkosten aftrekt, wat is dan het aandeel van een broederen van elk der kinderen ?
15. Een hovenier verkoopt zijne aardappels liever per maat dan per KG. Twaalf HL., elk om en om 40 KG. zwaar, brengen 29.50 Gld. op, terwijl een KG. aardappelen een waarde van 6 et. heeft. Is de maat hem voordeeliger dan het gewicht ?
16. Vader laat uit den tuin 240 pond zwarte bessen plukken. Zoo de KG. ISYa et, geldt, en Vader lot. voor het plukken moet geven, zeg dan welk een winst deze bessen opleveren ?
17. Betaal een rekening van ƒ54.975 met 3 stukken en 3 terug.
18. Een heer laat 45 boeken inbinden tegen 18 et. per band. Is een muntje van /quot;10 ter betaling voldoende ?
19. Van een stuk laken, lang 64 M., snijdt een koopman driemaal het achtste deel at. Hoeveel jongenspakjes van M. elk kan men uit den overschot snijden ?
20. Juffrouw Brugmans koopt voor de twaalfde maal een loterijbriefje van 6.90 Gld. Op haar lot, een tiende, valt een prijs van ƒ 850. Hoe groot is haar winst na al dit spelen ?
§ 12.
1. Twaalf kaasjes, elk van 1.5 KG., worden verkocht voor 7.5 stuiver het half kilo. Brengt deze kaas 5 rijksdaalders op ?
2. Een toren, 8572 M. hoog, werd door het on-
- 82 -
weer beschadigd : 271/4 M. brandde af, waarna men er 323/4 M. opbouwde. Hoe hoog was toen de toren?
3. Moeder neemt 6 rijksdaalders en 36 ct. mee om graslinnen te koopen van 48 ct. den M. Noem de lengte van het rolletje, dat Moeder thuisbracht V
4. Vijf\'paarden hebben dagelijks 100KGr. droog voer noodig, Wat moet er zijn om 7 paarden één week in het leven te houden ?
5. Drie arbeiders graven 12 dagen aan een put en verdienen f 54. Noem het weekloon van een arbeider.
ö. Een wijnhandelaar doet 20 L, wijn van 60 ct., 30 L. van 50 ct. met nog 10 L. water ondereen. Zeg mij, het aantal L. wijn enden prijs per 5 L. van den gemengden wijn.
7. Om een tuin wordt ijzergaas geslagen van 12 ct. den M. Zoo de tuin 16 M. lang en J4M. breed is, palen en werkloon beloopen ƒ 3,60, hoeveel kost dan dit karweitje ?
8. Een klompenmaker ontvangt een som van 12 rijksdaalders, waarvoor hij klompen moet leveren van 24 ct. het paar. Bereken het getal dagen, dat hij moet werken, zoo 5 paar klompen op een dag gereed komt ?
9. Een rijtuigverhuurder heeft een ongeluk gehad, waarbij 3 koetsen werden beschadigd. In elk rad moeten 7 spaken worden vernieuwd, a.Hoeveel spaken bleven onbeschadigd; elk rad telt er 12. b. quot;Wat kosten de nieuwe, zoo \'t stuk met 21 ct. betaald moet worden ?
10. Zeker heer rookt eiken dag 12 sigaren van 3 ct. het stuk. Hij wil evenwel tweemaal bet derde deel van deze uitgave sparen. Bereken, wat hij in de maand bezuinigt. (Een maand=30 dagen.)
— sa
11. Een reiziger heeft het vierdedeel van zijn tocht afgelegd. Trekt hij 12 72 mijl verder, dan moet hij nog een derde der geheele reis afleggen. Is de reis groot?
12. Op een zolder liggen 42.5 HL. appels, die in kisten van 1.25 HL. verzonden worden. Hoeveel kisten zijn daartoe noodig ?
13. Gisteren werd de rekening van onzen schoenmaker thuisgebracht. Daar stond op : een paar nieuwe schoenen van ƒ6.25; pantoffels gelapt 40 ct.; 6 knoopjes met nieuw boordsel 7 stuivers ; zolen en voorschoenen aan laarzen 2.25 Gld., samen ; ƒ 9.25. Komt dat uit ?
14. A, B en C verdeelen / 400 op deze wijze : C krijgt het 8ste en B het 5de deel van de heele som vooraf. Het overblijvende wordt gelijkelijk verdeeld. Noem ieders aandeel ?
15. Hoeveel jaren liggen ertusschen den dood van Karei den Groote, DCCCXIV, en dien van keizer Karei V in MDLVI1I ?
16. Juffrouw B heeft een inkomen van/12 in de week. Zij gebruikt daarvan een tientje min 40 ct., het derdedeel der rest is voor de armen. Wat krij -gen deze ?
17. Een keukenmeid ging met 3 rijksdaalders naar den poelier, en had noodig: een haas van ƒ2,30, een konijn van 18 stuiver, 2 koppel patrijzen van 1.25 Gld. het koppel, en meende nu, dat haar geld op was. Maak gij haar rekening eens duidelijk.
18. Koopman Middelburg levert een stuk laken van 35 M., dat hem zelf 140 Gld. kost. Hoe hoog moet hij den M. aanschrijven om ƒ 21 winst te bekomen ?
3
— 34 —
19. Vijf mannen en 4 vrouwen moeten f 710 ver-deelen, doch zóó dat elke man f 16 vooruit ontvangt. Noem het aandeel van een man en ook van iedere vrouw.
20. Tante Doortje heeft 2 dagen in de week een werkster van 13 stuivers daags. Wat betaalt tante die vrouw in een kwartaal ?
§ 13.
1. Twee metselaars houden elke week Maandag, en verzuimen zoo doende ieder een daggeld van 1.75 Gld. Hoeveel nadeel hebben beiden door die leeglooperij in een half jaar ?
2. Als een winkelbediende /185 loon ontvangt met nog ƒ 27 fooien, en voor zich zelf/213.50 noodig heeft, met hoeveel kwartjes vermeerdert dan jaarlijks zijn spaarboekje?
3. Op een naaidoosje zitten boven 37 schelpjes, aan de voor- en achterzijde telkens 18, en aan elk einde 9 schelpjes. Noem het getal schelpjes, benoodigd voor 3 zulke naaidoosjes.
4. Mina is 7 jaar en 8 maanden, Cato 2 jaar en 1 maand ouder. Zijn zij samen twee tiende eener eeuw oud ?
5. Iemand bestelde een winterjas. Voor de stof behoefde hij 372 van ƒ6 den M. tiet maakloon was ƒ8.50. Voor voering, knoopen, band, enz. rekende de kleermaker 9.25 Gld. Is de jas met een bankje van f 40 te betalen ?
6. Zeventig peren van een halven stuiver het stuk, en 280 noten vier voor een cent, worden betaald met één geldstuk, waarna één stuk terug. Welke stukken zijn hier gebruikt ?
— 35 —
7. Een grutter doet 23 HL. boekweit op naar den prijs van /5 den HL. De man heeft 9 Gld. onkosten, en verkoopt de heele partij voor 3 bankjes — 60, 40 en 25 Gld. — en 1 muntje van ƒ 10. Is de winst groot ?
8. Een jongen brengt zijn onderwijzer eiken schooltijd een cent voor zijn spaarboekje. Als ik u zeg, dat er zaterdags namiddags, en gedn rende 4 weken in het jaar geen school is, komen er dan jaarlijks 2 rijksdaalders in het spaarboekje van den jongen?
9. Zeker heer kocht een pianino van 675 Gld., die hij op deze wijze afbetaalde; eerst ƒ 80, toen ƒ 102, later 221 Gld. en de laatste maal?
10. Zoo lYa M. katoen met Sl1^ et. betaald wordt, wat is dan de prijs van 4.5 M. ?
11. Het aantiil varkens van 4 boeren beloopt 147 stuks. De eerste bezit er 29, de tweede 43, de derde 61 stuks. Hoeveel zulke vierpooters bezit de laatste boer ?
12. Een schoenenfabrikant vervaardigt in 3 dagen 80 paar kinderschoenen, 29 paar meer voor jongens en 63 paar voor mannen. Hoeveel paar schoenen zijn er in 3 weken gereed ?
13. Het klaverzaad kostte het vorig jaar / 28 de 50 KG. Kunt gij naar dien prijs de rekening in dubbeltjes opmaken van 3.5 2.5 1.25 2.75 2.5 KG. ?
14. Een vrouw vraagt 5 dozijn knoopen van 30 ct. het dozijn. De winkelier zendt haar echter knoopen van 3 cent per stuk. Welk verschil brengt dit in de rekening der vrouw ?
15. Marie zegt, dat koning Willem III den 19 Febr, MDCCCXVI1 geboren werd. Dat is waar!
_ 36 —
Dat Z. M. den 12 Mei MDCCCIL gekroond is ge-worden.Heelemaal waar ! En dat Z.M. in Juni 1885 acht en zeventig jaar oud is en 46 jaar geregeerd heeft. Is dit ook waar?
16. In een gezin verdient de vader een gulden daags, de beide zonen elk f 1.20 en de moeder 15 stuivers. Is de verdienste van allen in een week een bankje van 25 Grid. ?
17. Twee tuinen tellen samen 145 vruchtboompjes. Zoo de eene er 2 tegen de andere 3 heett, hoeveel boompjes staan dan in eiken tuin?
18. Een boer verkoopt 16 varkens voor/202. Zoo zij hem 141.625 Gld. kosten, dan wordt gevraagd hoeveel kwartjes winst hij gemaakt heett ?
19. Een weldadige vrouw liet voor 18 gezinnen gedurende 33 dagen eiken dag een brood bakken. Zoo de 11 brooden een rijksdaalder kosten, is de gift der vrouw dan met 6 bankjes van
ƒ 25 te betalen ?
20. Een lapje grond, 36 bij 25 M. wordt gereed gemaakt tot het verbouwen v.tn tabak. Zoo de paden l1/-! Are beslaan, hoeveel bedden kunnen dan gemaakt worden van 10 M. lang en \'/j M. breed ?
§ 14.
1. Hoe zwaar is de vracht vaneen boodschap-looper, die een zak op den rug heeft, waarin 150 rijksdaalders en 50 guldens zijn ?
Een dubbelt]e=l Gram.
2. Drie sigarenmakers draaien in een week 1800, 1650 en 1325 stuks sigaren. Zoo zij 8 Grid, van het duizend ontvangen, wat is dan hun gezamenlijk weekloon?
- 37 —
3- 3. Onze buurman leende 800 Grid, tegen 4,5 pet.
5 gedurende 6 maanden. Wat moest hij aan kapitaal
d en interest terug geven ?
4. Een heereboer legt een boomgaard aan. De n plek is 20 D.M. lang en 15 D.M. breed. Zoo elke ir boom een plaats behoeft van 25 M2, bereken dan n het aantal benoodigde boomen ?
5. Twee vrienden ruilen. A geeft 12 JïL. rogge )- van 6 Gld. en een kwart. Kan B met 20 HL. aard-t, appelen van ƒ3 volstaan, om de ruiling gelijk te
doen zijn ?
J. 6. Een tolbaas ontving in een week een rijks-
3- daalder, 9 Gld., 35 kwartjes, 48 dubbeltjes en
? 196 et. Moest hij er nog bijleggen, om 3 gouden
i- tientjes te kunnen inwisselen ?
d 7. Mijnheer Karelse heeft een pensioen van
)- ƒ500 \'s jaars. Zoo hij 25 Gld. kostgeld per maand
n moet geven, en elke 3 maanden 4.75 Gld. aan kran
ten en sigaren, en 6.25 Gld, per halfjaar aan klee-(1 ren noodig heeft, vraagt men, wat hij op het einde
e \' des jaars overhoudt ?
n 8. Kunt gij 5 dozijn zakdoeken, van 0.18 Gld.
hot stuk, betalen met 2 geldstukken ?
9. Ons jongste broertje werd geboren den XI Januari, en stierf XXVI October van het volgend jaar. Hoeveel jaren, maanden en dagen heeft het jonkske geleefd?
i- 10. Een boerin ging met abrikozen ter markt.
0 Zoo zij 3 rijksdaalders en 3 guldens ontving, en het
stuk voor 6 ct. verkocht, hoeveel abrikozen had de vrouw dan naar de stad gebracht ? k 11. De veerman bracht gisteren 36 personen en
[. 11 hooikarren over. Zoo het veergeld van een per
soon 21/s ct. en van een kar met paard een stuiver
- 36 —
Dat Z. M. den 12 Mei MDCCCIL gekroond is geworden.Heelemaal waar ! En dat Z.M. in Juni 1885 achten zeventig jaar oud is en 46 jaar geregeerd heeft. Is dit ook waar?
16. In een gezin verdient de vader een gulden daags, de beide zonen elk f 1.20 en de moeder 15 stuivers. Is de verdienste van allen in een week een bankje van 25 Grid. ?
17. Twee tuinen tellen samen 145 vruchtboompjes. Zoo de eene er 2 tegen de andere 3 heelt, hoeveel boompjes staan dan in eiken tuin?
18. Een boer verkoopt 16 varkens voorƒ202. Zoo zij hem 141.625 Grid, kosten, dan wordt gevraagd hoeveel kwartjes winst hij gemaakt heett ?
19. Een weldadige vrouw liet voor 18 gezinnen gedurende 33 dagen eiken dag een brood bakken. Zoo de 11 brooden een rijksdaalder kosten, is de gift der vrouw dan met 6 bankjes van / 25 te betalen ?
20. Een lapje grond, 36 bij 25 M. wordt gereed gemaakt tot het verbouwen v.tn tabak. Zoo de paden l1/^ Are beslaan, hoeveel bedden kunnen dan gemaakt worden van 10 M. lang en 1/9 M. breed ?
§14.
1. Hoe zwaar is de vracht vaneen boodschap-looper, die een zak op den rug heeft, waarin 150 rijksdaalders en 50 guldens zijn ?
Een dubbeltje—1 Gram.
2. Drie sigarenmakers draaien in een week 1800, 1650 en 1325 stuks sigaren. Zoo zij 8 Grid, van het duizend ontvangen, wat is dan hun gezamenlijk weekloon?
3. Onze buurman leende 800 Grid, tegen 4,5 pet. gedurende 6 maanden. Wat moest hij aan kapitaal en interest terug geven ?
4. Een heereboer legt een boomgaard aan. De plek is 20 D.M. lang en 15 D.M. breed. Zoo elke boom een plaats behoeft van 25 M2, bereken dan het aantal benoodigde boomen ?
5. Twee vrienden ruilen. A geeft 12 HL. rogge van 6 Grid, en een kwart. Kan B met 20 HL. aardappelen van ƒ 3 volstaan, om de ruiling gelijk te doen zijn ?
6. Een tolbaas ontving in een week een rijksdaalder, 9 Grid., 35 kwartjes, 48 dubbeltjes en 196 ct. Moest hij er nog bijleggen, om 3 gouden tientjes te kunnen inwisselen ?
7. Mijnheer Karelse heeft een pensioen van ƒ500 \'s jaars. Zoo hij 25 Grid, kostgeld per maand moet geven, en elke 3 maanden 4.75 Grid, aan kranten en sigaren, en 6.25 Grid, per halfjaar aan klee-ren noodig heeft, vraagt men, wat hij op het einde des jaars overhoudt ?
8. Kunt gij 5 dozijn zakdoeken, van 0.18 Gld. hot stuk, betalen met 2 geldstukken?
9. Ons jongste broertje werd geboren den XI Januari, en stierf XXVI October van het volgend jaar. Hoeveel jaren, maanden en dagen heeft het jonkske geleefd?
10. Een boerin ging met abrikozen ter markt. Zoo zij 3 rijksdaalders en 3 guldens ontving, en het stuk voor 6 ct. verkocht, hoeveel abrikozen had de vrouw dan naar de stad gebracht ?
11. De veerman bracht gisteren 36 personen en 11 hooikarren over. Zoo het veergeld van een persoon 21/2 ct. en van een kar met paard een stuiver
— 38 -
bedraagt, bereken dan, hoeveel veergeld de schipper heeft opgehaald.
12. Moeder koopt 5 pond suiker en betaalt in \'t geheel 28 stuiver. Tante haalt ze bij 12\'/2 KG. en geeft /6.50. Wie gebruikt de goedkoopste suiker, Moeder of Tante ?
13. Een huurkoetsier maakt zoo zijn wekelijk-sche rekening op : 8 paarden van 75 ct. daags, 2 knechts elk van ƒ 6.50 in de week, aan den zadelmaker en hoefsmid samen ƒ 11.50. Aan ontvangsten 69,75 Grid. Blijft over aan winst ?
14. Grootmoeder is achtmaal het tiende van een eeuw oud met nog 3 jaren, en grootvader het 1/4 van 3 eeuwen met nog 9 jaar. Hoe oud zijn mijne grootouders met hun beiden ?
15. Een handelaar in geslacht vee verzendt varkens naar Engeland, en verdient op elke KG. een halven stuiver. Bereken zijn verdienste, zoo er 25 varkens, van 81 KG. dooreen, vervoerd werden.
16. Een juffrouw heeft een woning in huur voor 260 Gld. \'s jaars, te betalen in 4 termijnen. Voldoet haar huur eens met 2 stukken geld, ook met 3, met 4, eveneens met 5 stukken.
17. In een bakje, dat 1 d, M. lang, 1 d. M. breed en 1 d. M. hoog is, gaat juist een KG. zuiver water, niet waar ? Hoe zwaar weegt alzoo een bak water, die 4 d. M. lang, 3 d. M. breed en 2 d. M. hoog is, wanneer de bak zelf 1.5 KG. gewicht heeft ?
18. Geurtsen verkoopt zijn petroleum voor 18 ct. den L. terwijl de HL. hem / 14.50 kost. Hoeveel L. moet hij daags verkooj en om ƒ 1.40 winst bijeen te hebben ?
19. Een weide moet omheind wordeu. Voor de lengte heeft men 85 en voor de breedte 45 sparren
- 89 -
noodig, die 12,5 et. het stuk gelden. Spijkers en arbeidsloon loopen tot 6.50 Gld. Welk bankje is op zijn minst noodig om deze uitgave te bekostigen ?
20. Wat kost een vloer in grootvaders gang, zoo er 4 plavuizen in de breedte, en 52 in de lengte liggen kunnen, terwijl de 16 plavuizen een Gld. in rekening gebracht worden ?
§ 15
1. Karolien ging de belasting barer ouders betalen en wel het vierdedeel, zijnde ƒ24. Betaal dit deel, alsook de gansche belastingsom, met4 stukken geld en 4 terug.
2. Een groenvrouw verkocht hare kooien op de markt 3 voor 16 ct. Reken eens na, hoeveel stuks zij aan den man bracht, zoo ze / 7.68 aan verkochte kooien thuisbracht.
3. Onze Francisca schreef 5 Gld. en 7 ct. meenten alzoo : 5007 ct. Welke fout maakte zij en hoeveel kwartjes was zij over het schrapje ?
4. Een veehouder gaat met 12 vette ossen ter markt. Vier gaan er weg voor f 250 het stuk^ 3 volgende voor /\'200 en de rest voer /180. Wanneer hij voor het vierde part van dat geld kalveren koopt van /\'25 het stuk, wat brengt de man dan thuis ?
5. Op een begrafenis worden 132 personen verzocht. Zoo n en voor 4 personen een tarwebrood uoodig heeft van GO ct, lioeveel geld aan brood is hier noodig ?
6. Boer Weyt gaat 3 baaltjes guano koopen, van 50 KG. elk. Zoo de 100 KG. guano ƒ 14.80 geldt, hoeveel rijksdaalders moet dan boer Weyt op zak steken ?
- 40 -
7. Betaal 12 stuivers met 12 stukken geld op drie onderscheiden wijzen.
8. Vader leest met 2 vrienden een weekblad, dat 4.80 Grid, per jaargang kost. Hoeveel stuivers bedraagt de quitantie van eiken lezer in het halfjaar?
9. Dichter Vondel werd 92 jaren ouden stierf in het jaar MDCLXX1X. Hoe schrijft men het jaar zijner geboorte ?
10. Een keukenmeid breekt 36 tafelbordjes van 2272 ct. het stuk. Betaal voor haar de schade met 2 stukken geld en 2 stukken terug.
11. Zeker rijk heer schonk aan het armbestuur 1200 soepbriefjes. Als er 48 gezinnen bedeeld worden, die elke week 5 briefjes ontvangen, noem dan het aantal weken, dat men met deze briefjes toekomt.
12. Onze grootouders huwden 15 November MDCCCIL. Zeg mij de jaren der koperen en der zilveren bruiloft.
13. Uit een bosch hakt men jaarlijks 654 sparren, waarvan 6 stuks één koop uitmaken. Als de koop dooreen 2 rijksdaalders opbrengt, en de eigenaar van het bosch jaarlijks 65 Grid, laat verwerken, hoe groot is dan de zuivere opbrengst van het bosch ?
14. Een juffrouw kocht een gouden doekspeld en een dito ketting voor f 52,75. Na 3 jaar verkocht zij het eerste stuk voor 9,55 Grid, en het andere voor 28.10 Gld. Verloor zij meer of\' minder dan 9 rijksdaalders ?
15. Een troep van 125 soldaten komt voor 2 dagen in een dorp. Wanneer voor elk soldaat 12 stuiver daags kwartiergeld betaald wordt, wat is dan de som der uitbetaling ?
— 41 —
16. Zeker huisgezin gebruikt in een jaar 16, 25, 35, 11, 14 en 18 HL. steenkolen van 70 ct. bij dadelijke betaling, doch op rekening 15 stuiver. Wordt gevraagd ten lsten de jaarlijksche rekening, ten 2en welk voordeel de prompte betaling oplevert ?
17. Een vrouwtje gaat in een gesticht wonen, waar zij elk jaar 180 Grid, voor hare verpleging moet storten. Zij bezit daartoe 3 kapitaaltjes : een van 1800 Grid, tegen 5 %) een van 2000 tegen 4 pet. en het derde van f 700 tegen 3 pet. Kan zij met haar geld rondspringen ?
18. Een bouwmeester moet tweemalen \'s weeks op reis naar een dorp op 5 uur afstands. Hij huurt telkens een rijtuig en wel op deze voorwaarde ; het eerste uur ƒ 1.50, elk uur meer 75 ct. Wat moet de bouwmeester elk kwartaal den huurkoetsier betalen ?
19. Zes jongens deelen 88 hazelnoten zoo : Jan en Toon krijgen er elk 4 vooruit. Piet en Daniël elk 3, Theodoor en Hubert ieder 1. Noem het aandeel van Jan, Piet en Theodoor.
20. Tot herstelling van een school worden 36000 steenen noodig gerekend. Zoo er dagelijks 1250 verwerkt worden, na hoeveel weken is het metselwerk dan voltrokken V
§16
1. Een klompenmaker vervaardigt elke week 30 paar klompen en verkoopt het paar voor 34 ct. Hoeveel bedraagt ziju verdienste in de week, zoo het paar hem 11.5 ct. aan hout kost ?
2. Van Bommel brengt ter markt 16 kazen van
— 42 —
1.5 KG., 12 van 3 KG. en 8 van 2.5 KG. quot;Wanneer hij de KG. dooreen voor 11 stuiver verkoopt, brengt Van Bommel 18 rijksdaalders mee naar huis ?
3. Twee heeren vertrekken \'s morgens ten 6 uur van Middelburg naar Rotterdam. De een gaat met de stoomboot, die ten 2 ure aankomt, en betaalt ƒ2.40 ; de ander met den trein, die half 12 op zijn bestemming is, betalende /4.40. Wat kost meer ; een uur sporens of een uur varens ?
4. Oom Gerrit houdt kippen, die hem elke week 4.50 Gld. zuivere winst aanbrengen. Zoo het voer der kippen ƒ 1.50 bedraagt, elke kip 4 eieren legt, en de eieren 6 et. het stuk gelden, reken dan eens na, hoeveel kippen oom Gerrit bezit t
5. Een jongen moet 5 en een half pond tabak halen van 8 et. het ons. Heeft hij aan een rijksdaalder genoeg ?
6. Een barbier had 24 klanten van een rijksdaalder per jaar eneenige klanten van een daalder. Zoo hij in het geheel f 132 in het jaar ontvangt, hoeveel klanten scheert hij dan voor anderhalven gulden ?
7. Onze meid ging 26 mud steenkolen betalen van 85 et. de mud. Zij kreeg een bankje van 25 Gld. mee. Kreeg zij terug ?
8. Boer Jan verkoopt 14 vim stroo tegen 5 rijksdaalders de vim. Hoeveel bos moet er afgeleverd worden, en hoe hoog loopt de betaling ?
9. Mijn zuster Daatje had /5.875 bij zich om voering te halen van ƒ0.125 den M. Bracht zij 45 M. mede ?
10. Hoeveel mudden steenkolen kunnen er in een hok liggen, dat 4 M. lang, 7.5 dM. diep en 2.5 M. breed is ?
11. Een man, wiens gezin ƒ7.80 in de week behoeft, loopt met schelvisch. Het dozijn kost hem zelf een rijksdaalder min een dubbeltje, terwijl bij de visch voor / 0.33 het stuk verkoopt. Hoeveel vidschen moet hij dagelijks verkoopen om zijn gezin te onderhouden ?
12. Moeder heeft elke week één dag een naaister en een werkvrouw noodig. De eerste verdient 16, de andere 12 stuivers daags. Wat is het loon dier beide vrouwen in een kwartaal ?
13. De tuin van oom Albert is 15 M. lang en 8 M. breed. Daaromheen wordt ijzergaas gespannen van 15 et. den M. Wat kost deze schutting ?
14. Een arbeider legt, om zijn schulden te betalen, elke maand 2 rijksdaalders en 1 gulden ter zijde. Die schulden zijn : de interest van ƒ800 tegen 4 ten honderd, 16,50 Gld. belasting en 28.50 Gld. weidepacht. Hoeveel kwartjes moet hij er op het einde des jaars nog bijleggen ?
15. Twee vrouwtjes breien wanten. De een heeft er 3 in 2 dagen, en de andere 5 in 3 dagen gereed. Het paar wanten brengt hun 3 stuiver op. Noem hun gezamenlijke verdienste in dubbeltjes gedurende 6 weken ?
16. Mijnheer V. verpachtte gister voor /345 hooigras. Wat ontvangt hij in het geheel, wanneer de opcenten 1272 bedragen ?
17. Zoo gij voor een winterjas 33/4 el duffel van ƒ 6 de el noodig hebt, wat kost dan dit kleeding-stuk, als er nog 21/2 el voering van 0.90 Gld. de el en ƒ 3.50 maakloon bijkomt ?
18. De stadhuisklok heeft stil gestaan van \'s morgens 12 minuten voor 9 tot \'s avonds 21 minuten na 8 uur. Hoeveel minuten heeft het uurwerk gerust ?
— 44 —
19, Een bode droeg in een zak 260 rijksdaalders en 100 guldens. Hoe zwaar was zijn vracht V (Een dubbeltje=:l gram.)
20. Een boekhandelaar heeft 2000 schriften noodig, en laat die maken van 5 riem papier. Zoo elk schrifo uit l\'/a vel bestaat, heeft de man dan papier genoeg genomen ?
§ 17.
1. Drie zusters met \'6 kinderen van een overleden broeder moeten /1800 verdeden. Zoo elk der broeders kinderen 100 Grid, vooraf ontvangt, noem dan het aandeel der erfenis van elke zuster en van elk kind.
2. Een reiziger is 3 dagen en evenveel n8,chten afwezig geweest. Zijn spoorkaartje (een retour) kostte hem 6.75 Grid. Aan logies moest hij driemaal 23/4Grld,, en voor andere kleinigheden /1.26 betalen. Bereken de gansche reiskosten.
3. Iemand betaalt een half varken, dat 820 pond woog, tegen 24 ct. per pond, met 4 goudstukken. Krijgt hij iets terug ?
4. Te Wr. werden geboren: in Januari 12, in Februari 10, in Maart 13, in April 6, in Mei 15 en in Juni 7 kinderen. In de tweede helft des jaars echter 16 kinderen meer dan in de eerste. Hoeveel geboorten zijn in dat jaar te Wr. ingeschreven ?
5. Een boerin verkocht in een week 15 pond boter van 12 stuiver, 4 dozijn eieren tegen 75 ct. de twaalf\', een kalf van ƒ 13.50 en twee biggen, elk van ƒ 6.40. Had zij 16 rijksdaalders bijeen ?
6. Op een graanzolder ligt 20 last rogge. Zoo het vak 5 M. breed en 6 d. M. hoog is, hoe lang is het dan ?
— 45 —
7. Om een tapijt, dat 8.5 M. lang en 6 M. breed is, moet een nieuwe franje gezet worden van 24 stuiver den M. Hoe hoog loopen de onkosten van het vloerkleed ?
8. Zoo men voor 22 paar handboorden27.50 Gld. betaalt, wat kosten dan llL dozijn dier handboorden ?
9. Zeker ambachtsman verdient ƒ 35 per maand, en verteert elke week ƒ 6. De helft van het overschietende geld zendt hij elk kwartaal in postze • gels van een stuiver naar zijn moeder. Hoeveel postzegels ontvangt deze ?
10. Onze meid betaalt een rekening van f 14.70 meteen gelijk getal kwartjes en dubbeltjes. Hoeveel stuks van elk gaf zij ?
11. Kleermaker Van Poorten kocht laken van f 4.20 de el, en verliest door het krimpen een zevende deel van delengte. Als h ij 10 stuiver per el wil winnen, hoe moet hij dan zijn rekening maken ?
12. Een arbeider mest twee varkens, die hij voor 6.25 Gld. gekocht heeft. Na ze 9 maanden gevoederd te hebben, ze kosten hem elk een rijksdaalder \'s maands, slacht hij er een voor zich zelf en verkoopt het ander voor f 64. Had hij het zijne vrij ?
13. Welke waarde hebben de aardappelen eener kuil, die 4 M. lang, 2 M. breed en 0,75 M. diep is, zoo de prijs van den vijtkop een kwartje bedraagt ?
14. Een baron verpacht een zijner hofsteden voor 1600 Gld. Zoo de grond 20 HA. op 2000 Gld. de HA. geschat wordt, hoeveel percent trekt die heer dan van zijn geld ?
15. Zeker jager schoot op een dag 21 hazen en
— 46 —
6 konijnen. Van de hazen behield hij het derde deel voor zich en van de konijnen de helft; de rest ging naar den poelier voor 15 stuiver het stuk. Bereken de waarde dier gelukkige vangst.
16. Hoeveel geld moet men tegen 4 0/0 uitzetten om 188 Gld. \'s jaars interest te kunnen trekken ?
17. Een keuken, lang 8 M. en breed 6.5 M. wordt met plavuizen belegd van 2 dM. in het vierkant. Hoeveel plavuizen zijn er noodig, en wat kosten dez^, als het stuk een dubbeltje geldt ?
18. Twee personen reizen van Nijmegen naar Middelburg en ook terug. A neemt een retour van N. naar M. voor ƒ6.25. B daarentegen betaalt een retour Nijm. —Tilburg ƒ2.75 ; Tilburg — Breda /0.85; Breda—Rozendaal /1.15 enRozendaal— Middelburg f 2.65. Wie reist het voordeeligst ?
19. Een juffrouw erfde 8000 Grid., waarvan de helft tegen 5 0/0, het 4e deel tegen -^/g pet. en de rest tegen 4 ten honderd is uitgezet. Kon zij van dezen interest leven, zoo zij /350 behoeft ?
20. Een manufacturier betaalt voor een pak wanten /19 op een dubbeltje na. Hoeveel paar zat in het pak, zoo hij de wanten voor 11 stuiver, met een dubbeltje winst, verkoopt ?
§ 18.
1. Een winkelvrouw had hare gewichten en maten naar den ijkmeester gezonden, en woog in dien tusschentijd met zilvergeld. Zeg mij hoeveel stukken, rijksdaalders of guldens om \'t even, zij noodig had om 3 en een half pond kaas, ook bl/2 pond boter en anderhalf ons koffie af te wegen.
2. Van een woonvertrek laat iemand de muren,
— 47 —
6 M. lang en 4 M. breed, tot op een hoogte van een M. met gekleurde tegeltjes afzetten. Hoeveel steentjes zijn er noodig, zoo een tegel 2 dM. in het vierkant is ?
3. Notaris Vossius verdeelt onder 4 erfgenamen 315 HA. bouwland. A krijgt het vijfde deel en 2 HA., B het vijfde deel van den overschot, C en D deelen het overschietende gelijk op. Noem het pait van D.
4. Een halve KG. zout kost 5 ct. Zoo men bet bij de 25 pond minstens koopt, wordt de prijs met een halven cent verlaagd. Hoeveel pond ontvangt men naar dien prijs voor/ 20.70 ?
5. Een pakhuisknecht verdiende in de maand December /1.20 daags. Hoeveel dagen heeft de man niet gewerkt, zoo zijn loon in die maand 28.80 Grid, geweest is ?
6. Zeker tuinman heeft bij den pastoor en bij den notaris gewerkt, bij den laatsten heer echter 272 dag minder dan bij den eerste. Wat is het daggeld des tuinmans, zoo hij bij den pastoor /15 en bij den notaris 12 Gld. ontvangt ?
7. Vader is op reis geweest en heeft betaald: een spoorkaartje van ƒ3.45, zes tramkaartjes elk van 12.5 ct., twee nachten logies voor /2.25 telkens, aan kleinigheden samen /1.80 en een pak theerandjes voor grootmoeder /1. Kost vader dit reisje meer of minder dan 5 rijksdaalders ?
8. Uit een L. bier schenkt men 3 glazen vol van een stuiver. Reken eens na, hoeveel HL. bier een herbergier verschonken heeft, zoo zijn ontvangst 37,50 Gld. bedraagt.
9. Op een school werden eens broodjes uitgedeeld, elke leerling ontvinger 4. Zoo elk broodje
— 48 —
2 ct. kostte, en de geheele rekening bij den bakker 28 Gld. bedroeg, vraagt men, hoeveel kinders daar ter school kwamen ?
10. Hoeveel HL. aardappelen kunnen in 3 even groots kisten gestort worden, zoo elke kist 1.6 M. lang, 5 dM. hoog en 1.2 M. breed is ?
11. Mevrouw Br. ontvangt een mandje met 24 flesschen wijn, en betaalt daarvoor 37.20 Gld. quot;Wat kost Mevrouw Br. een anker van dien wijn ? (Een anker = 44 flesschen).
12. Reken uit, wat Vader moet betalen voor een stuk laken van 32 M., wanneer de M. / 4.25 kost en bij dadelijke betaling 50/o korting wordt gegeven ?
13. Iemand laat pannen op zijn schuurtje leggen, aan elke zijde evenveel. Zoo hij 42 Gld. betaalt, en de 2 pannen 3 stuivers kosten, vraagt men, hoeveel pannen aan de voorzijde der schuur liegen.
14. Kootwijk, de manufacturier, deed 6 dozijn petten op, dooreen voor 1272 stuiver het stuk. Op de eene helft won hij 41/2 Gld., op de andere tweemaal die winst. Wat is de verkoopsprijs van elke pettensoort ?
15. Gisteren verkocht een groenvrouw 32 roode en 24 witte kooien voor ƒ2,56. Zoo de roode kool een cent duurder is dan de witte, geef dan den prijs eens op van een roode kool.
16. Antoon heeft 126 hazelnoten, Bertus het 2/3 van dat getal en nog 18 noten, terwijl Chris-tiaan\'s noten de helft bedragen van die van Antoon en Bertus te zamen. Hoeveel noten hebben de jongens met hun drieën ?
17. Een fruitvrouw bezorgde uit haar mand met perziken eerst het derdedeel en 50 perziken, daarna 65 dier vruchten en hield er toen nog 1b over. Hoeveel perziken waren in de mand geweest?
— 49 -
18. Mijnheer Koekoeks koopt een huis voor /4000, de onkosten daaronder begrepen. Voor hoeveel moet hij het huis per kwartaal verhuren om 5% van zijn geld te trekken ? De eO\'GHd. belasting komen voor rekening van den verhuurder.
19. Een luitenant gaat op marsch met 180 soldaten, wit-n hij elk een glas bier van 5 et., een broodje van Gquot; en een sigaar van l1/., et. laat uitreiken. Zoo hij zelf een vertering van 40 ct. maakt wat moet dan van een bankje, groot f 25, teruggegeven worden ? \' ë
20. Op een grasverpachting mijnt boer Wolters 18 perceel en af: 6 perceelen van ƒ17.50. viif van
^M2^0 f? de overige van /I5. Noem het aantal rijksdaalders, benoodigd om deze schuld te voldoen ?
§ 19
1. Om een schilderij, lang 6 M. en breed 4 5 M moet een lijst van/1.36 den strekkenden M. Hoé groot zijn deze onkosten ?
2. In een rekenboekje staan 600 opgaven. Zoo een leerling elkeu dag door elkaar 5 opgaven in-schrijft, na hoeveel tijd werkt hij dan dit boekie door { ( s Zaterdags is er geen school.)
3. Meneer P. B. verhuurt 2 stukken poldergrond samen voor 343 Gld. Zoo \'t eene ƒ 3 tegen \'t andere/4 opbrengt, vraagt men den huurpriis van elk stuk. r J
Mnrr^ YT0Te?je Werd1ge,lJOren,den 26 Augustus MDCCCLXXIX en overleed na 130 dagen geleefd
te hebben. Noem den datum van zijn sterven.
5. Zeker heer liet 1Ö0 bankbiljetten na van
4
- 50 —
dezelfde waarde. Zijn zoon kreeg de helft dier erfenis zijn dochter het vierdedeel, zijn knecht het achtste, en de dienstbode het overschot,dat is ƒ 500. Welke bankjes liet de heer na ?
6. Een venter koopt een mand sinaasappelen, en wel 10 stuks voor ceti kwartje. Als hij ze vpor 4 ct. het stuk verkoopt en in het geheel een rijksdaalder min een kwartje wint, zeg dan, hoeveel sinaasappelen in de mand waren ?
7. A bezit/840, B het 3/i van dat geld en C het derde van hetgeen A en B te zamen hebben. Wat
bezit C? , u i
8. Hoeveel kwartjes is6Va rijksdaalder meer dan
de helft van 1680 halve stuivers ?
9. Een vader rookt elke week een half pond tabak, en zijn zoon een vierde pond. Hoelang hebben zij genoeg aan 7.5 KG. ?
10. De bediende van een goudsmid vervaardigt in een week 93/4 M. ketting. Zoo hij aan den M. 24 stuiver verdient, wat is dan zijn dagloon ?
11. Ineen gang worden witte plavuizen gelegd van een kwart M2 groot, ter waarde van 75 ct. Zoo de gang 12 M. lang en V/2 M. breed is, reken dan uit, wat deze vloer kost, zoo het arbeidsloon 51/.,
Gld. beloopt. _ .
12. Drie neefjes moeten een tientje zoo verdee-len. dat Jan ƒ 1.60 meer ontvangt dan Theodoor en Ignatius. Noem elks part.
13. Een slachter koopt een varken op het gezicht (in de roes of gissing) voor /61 Zoo de prijs der varkens 24 ct. bedraagt en het varken 240 pond weegt, zeg dan of de slachter een voordeeligen koop gedaan heeft ?
14. Zaker bediende heeft een inkomen van / ooO
\'s jaard. Zoo hij 250 Grid, kostgeld moet betalen, voor kleeren 162, voor schoenen en wasch 85, per week voor zakgeld 2 Grid, behoeft, houdt dat heertje dan wel over ?
15. Een winkelier leent/1500 van 16 November tot en met 15 Mei, tegen 72 % in maand. Wat moet hij op 16 Mei aan kapitaal en interest teruggeven ?
16. Vrouw B. haalt in een winkel 6 pond gort van 12.5 ct. en een zakje rijst, 5.5 ct. per pond duurder dan de gort. Zoo zij in het geheel / 1.56 betaalt, hoeveel pond rijst was dan in het zakje ?
17. Een dame trekt elke week ƒ 8 interest van eenig geld, dat uitstaat tegen 4 ten honderd. Noem het kapitaaltje.
18. Zeker schoenmaker verkoopt zijne laarzen, die hem zelf 4:1/i Grid, kosten, met 30% winst. Kunt gij hem voorrekenen, welke prijs op een paar laarzen staan moet ?
19. Toonboer ging ter markt en legde in zijn zakboek 8 bankjes van /\'40, zes van /25, en 9 muntjes van / 10. Hij verloor onderweg ƒ400 en hield 7 stukken over. Welke waren deze ?
20. In ons huisgezin worden 6 dagen in de week telkens 2 5 L. aardappelen gebruikt, prijs ƒ5 den HL. Zijn de aardappelen, in een half jaar verbruikt, met 8 rijksdaalders te betalen l1
§ 20.
1. Een pianofabrikant verhuurde mij een pianino voor /40 \'sjaars. Hij bood het instrument ook te koop voor ƒ 250. Reken eens na, hoeveel pet. die heer jaarlijks van dat kapitaaltje trekt.
- 52 -
2. Vier broeders krijgen van hun oom 2 rijksdaalders, 2 guldens, 2 kwartjes, 8 dubbeltjes en 2 stuivertjes. Zoo de jongens achtereenvolgens 10, S, 6 en 4 jaren oud zijn en zij het geld, naar de helft hunner jaren mogen verdoelen, wat is dan het part van den oudste en wat van den jongste ?
3. Een boerin ging met 180 eieren naar de markt, om ze voor 35 et. het dozijn teverkoopen. Onderweg brak zij er 30, en vroeg nu 4 cent voor \'t stuk. Had zij met breken iets verdiend ?
4. Op zekeren dag komt de zon te 4.15 uur op. Hoe laat gaat zij onder en hoeveel kwartieren schijnt zij op zulk een dag \'?
5. Een kruidenier ontving 5 kisten thee, die 62, 74, 80, GS en 86 KG. wogen. Zoo de 5 HG. hem een daalder kost, wat is dan het bedrag zijner rekening, als bij 1 ten honderd voor prompte betaling mag korten ?
6. Een juffrouw slaat 6 doosjes met stalen pennen in, een daalder per doos kostende. Zij verkoopt die in het klein en wel 4 stuks voor 5 ct. Kunt gij berekenen, hoeveel die juffrouw ten honderd van haar geld trekt ? Elk doosje —12 dozijn._
7. Te W. heb ik een gezin gekend, waarin leefden ; de overgrootvader, oud 92 jaren en7mamp;an-den, de grootvader 70 jaren en 3 maanden, de vader 48 jaar en 5 maanden, de zoon 24 jaaren9 maanden en de kleinzoon van 13 maanden. Hoe oud waren deze vijf geslachten bijeen ?
8. Op een erfhuis wordt juffrouw B. eigenares i vaneen ronde tafel, kostende ƒ 24, zes stoelen van
6 Gld. het stuk, een spiegel van ƒ 8.50, een kana-pee van ƒ 51.50. Hoe hoog loopt de rekening der juffrouw, zoo de notaris 1272 fen honderd als opgeld rekent ?
9. Een vetweider leverde op de Londensche markt 25 setiapen, voor 2 pond sterling elk. Wat was zijn ontvangst in Nederlandsche munt ?
(Een pond sterling =/11.80.)
10. Een metselaar rekende met zijn baas af, die hem /0.G0 per duizend schuldig is. Hoeveel stee-nen heeft de metselaar verwerkt, zoo zijn loon/27 bedraagt ?
11. Tante moest een vlag hebben. De stok alleen kost haar ƒ0.85. Van elke kleur is er 6 el noodig, doch het rood katoen kost 40, het wit 45 en het blauw 35 et. per el. Zoo maakloon en linten 13 stuiver beloopen, wat kost dan de heele vlag ?
12. Wanneer gij weet, dat de Pruisische Mark een waarde heeft van 60 ct., kunt gij dan zeggen, hoeveel Marken men ontvangt voor f 14.4U ?
13. Voor de groote kachel in het station is eiken dag 3/4 HL. kolengruis noodig van 12 stuiver den HL. Hoeveel geld aan steenkolen verslindt deze kachel in een kwartaal of 13 weken ?
14. Kees en Frans spelen met knikkers. Bij het begin van het spel hadden zij er ieder evenveel, aan het eind bezat Erans er 3 tegen Kees 7. Met hoeveel was Frans begonnen, zoo hij er na het spel 28 minder dan Kees had\'?
15. Een wijnkooper heeft een vat wijn van 180 L,, dat hem 90 Gld. kost. Hij tapt er eerst 60 L. uit, die hij verkoopt voor 75 ct. de kan. Hoe duur moet hij den overblijvenden wijn per L. verkoopen om in het geheel 30 Grid, te winnen ?
16. Kunt gij de rekening van een veekoopman met gelijke bankjes betalen, zoo hij 16 ossen heeft gekocht: de 5 beste voor li£ Gld., de 5 middelste voor /120 en de rest voor 112.50 Gld.\'f
— 54 —
17. Een timmermansbaas heeit 3 kuechtei), die werken \'s zomers van 5 uur tot 8 uur, van 9 tot 12, van half 2 tot half 5, van ó tot 8 uur, tegen 2772 ct- P61, ï11111- Hoeveel weekloon moet de baas hun zaterdags avonds uitbetalen ?
18. Vier kostschooljongens krijgen een kistje met 100 sigaren, die zij zóó moeten verdeelen, dat het aandeel van eiken volgenden jongen 2 sigaren meer moet zijn dan dat des vorigen. Noem ieders part.
19. Twee vrienden ruilen ; de een geeft 18 pond koffie van f 0.42, en de ander kippenvoer van 4.5 et. het pond. Hoeveel KG. kippenvoer moet er gegeven worden, om de ruiling gelijk te doen zijn ? .
•^0. De prijs van het rundvleeseh is 27.5 et. het pond. Wat moet Moeder den slager betalen, die haar 48 KG. thuisbracht?
§ 21.
1. Met hoeveel KG. zwaarte wordt een zolder beladen, waarop 1 last en 16 mud rogge is uitgestort, zoo één L. rogge 0.75 KG. weegt ?
2. Een arbeider moet een stuk grond vergraven, lang 35 M., breed 1,6 M. en 274 M. diep. Zoo op één kruiwagen het 1IS van een M3 kan geladen worden, bereken dan het aantal kruiwagens aarde , dat door den arbeider moet vervoerd worden.
3. Tante Marie laat een stuk vleesch rooken van 12 pond, dat zij kocht naar den prijs van 45 et. Hoe duur komt haar een HG. vleesch te staan, als het 74 van zijn gewicht door het rooken verlieamp;t?
4. Een winkelier ontvangt 12 even groote stuk-
— 55 —
ken linnen, die samen 780 M. lang zijn. Wat is het vijftiende deel van een stuk ?
5. Op een marktdag golden de zesweeksehe biggen /6 50 het stuk. Zoo een koopman 10 bankjes van /60, vier dito van ƒ40 en 2 tientjes bij zich heeft, hoeveel biggen kan hij dan koopen ?
6. Onze groote vacantia duurt 6 volle weken. Zoo de lessen eindigen op 27 Juli, wanneer begint dan weer de school V
7. Een sehapenboer heeft 3 kudden : een van 93, een van 122 en een van 65 schapen. Zoo ieder schaap gemiddeld 5 KG. wol oplevert, vraagt men te weten het voordeel aan wol, die dat seizoen 12.5 ct. de KG. geldt.
8. Drie kooplieden drijven handel met ƒ 1200. A legt 600 Gld. in, B/400 en C de rest. Zij verdienen 20 n/0. Noem ieders aandeel in de winst.
9. Van een partijtje chocolade wordt 2/5 met/15 winst voor 139 Gld. verkocht Het overige gaat weg voor / 150. Is er gewonnen of verloren
10. Een kerk geniet de opbrengsten van 3 huizen. Aan het eerste huis wordt een rijksdaalder huur per week opgehaald, uan het tweede/7 per maand en voor het laatste /45 in het kwartaal. Wat ontvangt die kerk jaarlijks aan huishuur ?
11. Hoeveel vruchtboompjes kan men planten op een stuk land, dat 1.6 HM. lang en 3.5 DM. breed is, zoo een enkele boom 5 M2 behoeft ?
12. Een kaarsenmaker koopt 550 halve KG, was, tegen / 1,60 de KG. Voor prompte betaling rekent hij 5 ten honderd korting. Wat is zijn eerste verdienste V Betaal zijn rekening met rijksdaalders.
13. Zeker schoenmaker vervaardigde in een
— 56 —
winter 84 paar pantoffels, die hem zelf 17 stuiver het paar kosten. Zoo hij ze voor ƒ 2.125 verkoopt en 4 paar niet betaald krijgt, wat is dan zijn zuivere verdienste ?
14. Acht pond koffie en 15 halve kilo\'s rijst van 12 et. worden betaald met 2 rijksdaalders, 1 dubbeltje, 1 stuiver en 1 cent. Tegen welken prijs is de koffie gerekend ?
15. Drie broeders hebben voor een geschenk aan hun moeder de som van 123/4 Gld. noodig. De oudste legt elke week 38 ct. ter zijde, de tweede 4 stuiver en een ct., en de jongste 3 stuiver en 1 ct. Na hoeveel weken hebben de jongens het noodige geld bij elkaar ¥
16. Een kasteel was gebouwd in MCCXIV en werd afgebroken in MDCCCLXXIX. Hoelang heeft het gebouw gestaan ?
17. Pieter, Antonet en Lina moeten een coupon van /5.^5 zóó verdoelen, dat Pieter ƒ1.35 en Antonet 7 stuiver en een cent voorop krijgt. Noem ieders aandeel.
18. Een boer moet/16.80 pacht betalen. Zijn oliezaad brengt het drie vierdedeel dier som op. Zoo nu de prijs van een HL. oliezaad 10.50 Gld. is, wordt gevraagd, hoeveel last oliezaad de boer geteeld heeft ?
19. Een brievenbesteller heeft een inkomen van ƒ 1.10 daags. Als hij 4.2 Gld. in de week kostgeld moet geven, wat houdt bij in het kwartaal over.
20. In Frankrijk en België rekent men bij francs, die in Nederlandsche munt een waarde van 4772 ct. hebben. Zeg nu, hoeveel gij voor 48 francs kunt bekomen.
- 57 —
§ 22.
1. Een jongen schreef \'21 stuivers in centen alzoo : 1005 cent. Hoeveel kwartjes schreef hij te veel?
2. Onze arbeider heeft in zijn huisje een schuld staan van / 680 tegen 4 ten honderd \'sjaars. Hij betaalt den jaarlijkschen interest in eens met 3 stukken en krijgt 3 stukken terug. Welke waren de laatste ?
3. Gij weet, dat een dubbeltje een Gr. weegt. Welk 3 zilverstukken moet een bakker in de schaal leggen om broodjes af te wegen van van ll/s, van en o3/^^ KG. \'i1
4. Een kooibaas ving op een dag 36 eendvogels en 88 talingen. De eenden zond hij weg tegen ƒ 1.50 het stuk, de talingen voor l21/2 stuiver het koppel. Noem in kwartjes \'s kooimans verdienste op dien dag.
5. Betaal 25 Gld. en 25 ct. met 5 stukken gel 1 en 5 stukken terug, üoe hetzelfde met 2 stukken en 4 terug.
6 Zes en negentig soldaten krijgen gedurende 3 dagen op een dorp inkwartiering voor 12 stuivers daags. Zijn deze verblijfkosten met een bankje van 200 Gld. te betalen ?
7. De heeren P, K en S brengen 4800 Gld. bijeen, en winnen met dat kapitaal 50/o • Zoo P 1/.i en K1/^ heeft ingelegd, vraagt men, hoeveel gulden S van de winst toekomt.
8. Een groenvrouw had 1200 augurken te koop. Hot Yy deed zij van de hand voor 2 ct. de 5, de overige voor 1/i ct. het stuk. Welk geld bracht zij thuis ?
— 58 —
9. Een wever levert 6 rollen linnen af, tegen 30 et. den hal ven M. Zoo hem 108 Gld. uitbetaald wordt, op hoeveel M. is dan de rol gerekend ?
10. Twee broeders hebben een kudde schapen, groot 345 stuks. Zoo de een er 2 tegen de andere 3 heeft, wat is dan elks bezit ?
11. Voor 5 jaar telden mijne ouders 68 jaar. Thans is vader in zijn twje en veertigste. Hoe oud is moeder ?
12. Slager Van Osch slacht 5 varkens, die door elkander 140 pond wegen. Als het pond 5 stuivers geldt, wat is dan de rekening des slagers ?
13. Van de onkosten eener reis moet A het l/G, -B 1/g en C de rest betalen. Zoo het aandeel van B / 1.88 bedraagt, noem dan hetgeen C moet bijpassen.
14. Een som van /1550 telt een bankier af in stapeltjes rijksdaalders. Weet gij te zeggen, hoeveel stapeltjes rijksdaalders, of bankjes van ƒ 25 er noodig waren ?
15. Zoo 25 konijnen evenveel kosten als 15 hazen, en 25 hazen en 25 konijnen samen met t 60 betaald worden, wat kost dan een haas en wat een konijn ?
16. Voor de herstelling van een spoorbaan betaalde onze stationschef aan 9 arbeiders ƒ 405. Zoo het dagloon van eiken arbeider een daalder bedraagt, zeg dan, hoelang de arbeiders gewerkt hebben.
17. De steden A en B liggen de helft van 900 KM. van elkaar veiwijderd. Hoeveel uren heeft een gewone trein noodig om van A naar B te stoomen, zoo hij 9 KW. in een kwartier aflegt ?
18. Een boer heeft voor 20 koeien hooi gedurende 6 maanden. Hij voedt echter 25 koeien gedurende 4 maanden. Hoelang zal hij de 20 koeien nu nog kunnen voeden ?
19. Buurmans tuinbaas heeft 21/4, S1^, 43/^ 3/s en 1% dag gearbeid tegen 64 ct. daags. Wat is het loon voor dezen arbeid ?
20. Vader en oom Gerrit koopen een hal ven os. Oom ontvangt 25 pond meer dan vader, en betaalt daarvoor /6.50. Vader is 39 Gid. schvl-dig. Kunt gij nu de zwaarte van den heelen os opgeven ?
§ 23
1. Vier personen maakten ieder deze verteering in een logement: kamer met ontbijt/1.50, middagmaal/ J,75, twee glazen bier van 10 ct, twee broodjes met ham k 15 ct., en een kop koffie 10 ct. Is aller bedrag met een bankje van 25 Gld. te betalen ?
2. Betaal 12 en een halven stuiver met 2 stukken en 2 terug. Ook met 3 en 3 terug.
3. Een vrachtje turf biacht een schippei op 2 dubbeltjes na juist 2 tientjes op. Wanneer de turf 40 ct. het honderd geldt, hoeveel turven had de schipper dan in zijn schuit ?
4. Twee vrienden pachten een stuk weidegrond voor / 450. De een biengt er 6 ossen in gedurende 5 maanden, en de andere 8 ossen. Zoo de eerste als zijn aandeel / 270 betaalt, hoelang hebben dan de ossen van den anderen geweid ?
5. Een juffrouw ontvangt een kistje met 80
(JO -
sinaasappelen tegen S1/^ ct. het stuk. Voor welken prijs moet zij de 4 appels verkoopen, wanneer ze 40 ct. onkosten heeft en in het geheel
1 Gld. winst begeert ?
6. Op een vergaderiug werd over het leggen van een binnendijk gestemd. Zoo er 871 stemmen werden uitgebracht, en het voorstel met 45 stemmen meerderheid werd verworpen, hoeveel stemmen waren dan vóór ?
7. Iemand heeft een vracht te dragen van 20 KG. aan gemunt zilver. Zoo het enkel rijksdaalders waren, hoeveel stuks droeg hij dan V Bereken het ook in guldens.
8. Ons varken werd geslacht en woog 2i56 pond. Zoo de KG. varkensvleesch 52 ct. geldt, de slachter ƒ 1.20 rekent en er 30 pond zout van 4 ct. ncodig is, noem dan de heele rekening van het gedoode varken.
9. Vier jongens, die we A, Ji, C en D zullen noemen, moeten /28.80 zóó verdoelen, dat A 2, B 3, C 4 tegen D 7 Gld. bekomt. Noem het part van D in dubbeltjes.
10. Mijnheer Mulders heeft 3 kinderen op kostschool, die hem /275, ƒ300 en /325 jaarlijks kosten. Hoeveel kapitaal moet mijnheer tegen 4% uitzetten om dat kostgeld bijeen te hebben V
11. Voor 2 jaar en 3 maanden waren Willem en Albert samen 17 jaar en 8 maanden, Hoe oud zijn zij samen over 21/2 jaar ?
12. Boer Sengers heeft een kuil aardappelen, bevattende 80 HL, die hij in den herfst voor
2 Gld. en een kwartje kon verkoopen. In de daaropvolgende lente bood men hem / 5.25 voor de 2 mud, nadat de aardappels Vio waren in-
gedroogd. Heeft boer Sengers met bewaren verdiend ?
13. Een winkelier koopt 25 balen rijst van 12 et. de halve KG. Zoo de baal 180 halve kilo\'s weegt, en de koopman 5 % korting voor prompte betaling geeft, maak dan de rekening des winkeliers eens op. (De vracht beloopt /3.75.)
14. Vader leest met 4 heeren een tijdschrift, dat ƒ 24 \'s jaars kost. Indien elk evenveel betaalt, noem dan vaders part in de betaling van een kwartaal.
15. Zeker brouwer heeft 20 vaten bier, dat hem ƒ 180 kost. Hij kan dit voor dien prijs niet verkoopen, en doet er zooveel water bij tot het bier wordt van ƒ 0,05 den L. Hoeveel water pompt de brouwer er bij ?
1G. Iemand bezit een vierkant stuk gronds. juist een HA. groot, en wil daaromheen boompjes planten ran 42 stuivers bet stuk. Hoe hoog loopen deze onkosten, als de boompjes 5 M. van elkaar staan ?
17. Zoo een jongen voor zijn moeder 13.5 pond koffie moet halen van 46 et. het pond, en hij 3 rijksdaalders meekrijgt, ontvangt hij dan, zooals zijn zusje beweert, 26 stuivers weer?
18. Grootmoeder betaalde 4 dozijn balsboor-dnn van 8 stuivers het stuk met een bankje van ƒ 25. Wat ontving zij terug\'i1
11). Een beddedeken, 3 el lang en 2 el breed, wordt aan beide zijden overtrokken met katoen van een half el breed. Hoe duur is dit naaiwerkje, als het katoen 40 ct. de el kost en het naailoon ƒ 1.60 bedraagt ?
20. Een winkeljuffer verkocht aan een dame
— 62 —
8 paar handschoenen van ƒ 1.375 hot paar, en ontving ter betaling 20 Marken. Hoeveel moest zij ternggcven ?
(De Mark geldt hier B8 ct.)
§ 24.
1. Een stad met 8000 zielen telt 1200 hinderen. Zoo er (iOO mannen meer dan vrouwen zijn, bereken dan het aantal mannelijke bewoners, indien ik xx nog zeg, dat van 6 kinderen er 2 jongens zijn.
2 Uit een theekist, 65 KG. zwaar, vulde een winkelbediende pakjes van 2,5 H(t. Hoe groot is zijn buitenkansje, zoo hem voor elk pakje 11/g et. toegeteld wordt ?
3. Onze nieuwe school telt 8 lokalen. In elk dezer staan 4 rijen van 8 Amerikaansche banken. Bereken het schoolgeld van al deze kinderen, zoo elk kind gemiddeld 7.5 ct. per week meebrengt. (De zoogenaamde Amerik. banken hebben plaats voor 2 leerlingen.j
4. Een rentenier heeft uitstaan : /\'8000 togen 5 0/0, 7000 Gld. ten 4 0/o en 40L0 Gld. tegen 2V2 ten honderd \'s jaars. Wat kan hij maandelijks verteeren, zonder dat zijn kapitaal behoeft aangesproken te worden ?
5. Vrouw Molders kocht in de stad 14 M. linnen, 36 M. katoen en 15 el zijde, te zamen voor ƒ 3i.50. Het linnen betaalde zij met 2 kwartjes en het katoen met 1 kwartje den M. Noem den prijs van de zijde?
6. Een keukenmeid meende heel slim te handelen. Toen de boerin haar 160 eieren aan-
— 68 —
bood voor Ü1 cent de 4, wilde zij niet meer geven dan 3 rijksdaalders en 1 gulden. Hoeveel voordeel had zij ?
7. Een bouwkundige levert bestekken en tee-keningen voor 3 huizen, die achtereenvolgens voor ƒ 5410, 6350 en 8290 Grid, worden aanbesteed. Zoo hij 5 ten honderd van de aannemingssom ontvangt, wat is dan zijn verdienste V
8. Als 3 sinaasappels 13.5 ct. kosten, hoeveel stuks ontvangt men dan voor ƒ 5.535 ?
9. Een boer maakt een kuil aardappelen in, lang 4 M., breed 1.5 M., diep 2 M. Zoo hij ze later verkoopt voor ƒ 2.60 den HL., bereken dan zijn ontvangst. (3.5 HL. is bedorven.)
10. Van een stuk bever snijdt de koopman 5 keeren \\ll2 M., zes keeren 3/4 M., acht kee-ren 2 en een kwart M, waarna er nog 16 koeren 23/4 M. overblijft. Hoelang is het stuk bever geweest ?
11. Brouwer L\'e Groot vermengt 5 tonnen bier van ƒ 12 de ton met 8 tonnen van ƒ 10, tien tonnen van ƒ 19 met 2 ton water. Is de prijs eener ton van het mengsel meer of minder dan 6 rijksdaalders ?
12. Een kaasboer verkocht van een kaas, 30 K(t. zwaar, eerst het Ll.j, daarna het \'/si toen rog de helft van den overschot, waarvoor hij / 5.60 ontving. Noem in kwartjes de waarde van den heelen kaas.
13. De milddadige juffrouw Chr. liet onder 16 arme menschcn 68 L. grauwe erwten rond-dcelen. Wat was de waarde van elks ontvangst, zoo de erwten 16 Gld. den HL. kosten?
14. Een schacheraar had in zijn koker 60
— (jü —
sinaasappelen tegen S1/^ ct. het stuk. Voor welken prijs moet zij de 4 appels verkoopen, wanneer ze 40 ct. onkosten heeft en in het geheel
1 Gld. winst begeert ?
6. Op een vergadering werd over het leggen van een binnendijk gestemd. Zoo er 871 stemmen werden uitgebracht, en het voorstel met 45 stemmen meerderheid werd verworpen, hoeveel stemmen waren dan vóór ?
7. Iemand heeft een vracht te dragen van 20 KG. aan gemunt zilver. Zoo het enkel rijksdaalders waren, hoeveel stuks droeg hij dan V Bereken het ook in guldens,
8. Ons varken werd geslacht en woog 236 pond. Zoo de KG. varkensvleesch 52 ct. geldt, de slachter /1.20 rekent en er 30 pond zout van 4 ct. ncodig is, noem dan de heele rekening van het gedoode varken.
9. Vier jongens, die we A, 13, C en D zullen noemen, moeten / 28.80 zóó verdeelen, dat A 2, B 3, C 4 tegen D 7 Gld. bekomt. Noem het part van D in dubbeltjes.
10. Mijnheer Mulders heeft 3 kinderen op kostschool, die hem ƒ275, ƒ300 en / 325 jaarlijks kosten. Hoeveel kapitaal moet mijnheer tegen 4% uitzetten om dat kostgeld bijeen te hebben V
11. Voor 2 jaar en 3 maanden waren Willem en Albert samen 17 jaar en 8 maanden. Hoe oud zijn zij samen over 21/2 jaar ?
12. Boer Sengers heeft een kuil aardappelen, bevattende 80 BL, die hij in den herfst voor
2 Gld. en een kwartje kon verkoopen. In de daaropvolgende lente bood men hem J 5.25 voor de 2 mud, nadat de aardappels Vio waren in-
— (31 —
gedroogd. Heeft boer Sengers met bewaren verdiend ?
13. Een winkelier koopt 25 balen rijst van 12 ct. de halve KGr. Zoo de baal 180 halve kilo\'s weegt, en de koopman 5 % korting voor prompte betaling geeft, maak dan de rekening des winkeliers eens op. (De vracht beloopt /3.75.)
14. Vader leest met 4 heeren een tijdschrift, dat / 24 \'s jaars kost. Indien elk evenveel betaalt, noem dan vaders part in de betaling van een kwartaal.
15. Zeker brouwer heeft 20 vaten bier, dat hem ƒ 130 kost. Hij kan dit voor dien prijs niet
i verkoopen, en doet tr zooveel water bij tot het bier wordt van ƒ 0,05 den L, Hoeveel water pompt de brouwer er bij ?
16. Iemand bezit een vierkant stuk gronds. juist een HA. groot, en wil daaromheen boompjes planten van 42 stuivers het stuk. Hoe hoog loopen deze onkosten, als de boompjes 5 M. van elkaar staan ?
17. Zoo een jonden voor zijn moeder 13.5 pond koffie moet halen van 46 ct. het pond, en hij 3 rijksdaalders meekrijgt, ontvangt hij dan, zooals zijn zusje beweert, 2ö stuivers weer?
18. Grootmoeder betaalde 4 dozijn halsboor-don van 8 stuivers het stuk met een bankje van ƒ 25. Wat ont ving zij terug V
19. Een beddedeken, 3 el lang en 2 el breed, wordt aan beide zijden overtrokken met katoen van een half el breed. Hoe duur is dit naaiwerkje, als het katoen 40 ct. de el kost en het naailoon / 1.60 bedraagt?
20. Een winkeljuffer verkocht aan een dame
— 62 —
8 paar handschoenen van ƒ 1.375 het paar, en ontving tor betaling 20 Marken. Hoeveel moest zij teruggeven ?
(De Marlc geldt hier 58 et)
§ 24
1. Een stad met 8000 zielen telt 1200 Kinderen, Zoo er 600 mannen meer dan vrouwen zijn, bereken dan het aantal mannelijke bewoners, indien ik u nog zeg, dat van 6 kinderen er 2 jongens zijn.
2. Uit een theekist, 65 KG. zwaar, vulde een winkelbediende pakjes van 2,5 HG-. Hoe groot is zijn buitenkansje, zoo hem voor elk pakje l1^ ct- toegeteld wordt?
3. Onze nieuwe school telt 8 lokalen. In elk dezer staan 4 rijen van 8 Amerikaansche banken. Bereken het schoolgeld van al deze kinderen, zoo elk kind gemiddeld 7.5 et. per week meebrengt. (De zoogenaamde Amerik. banken hebben plaais voor 2 leerlingen.^)
4. Een rentenier heeft uitstaan: ƒ8000 tegen 5 70 , 7000 Gld. ten 4 % en 40L0quot; Gld tegen 2ll2 ten honderd \'s jaars. Wat kan hij maandelijks verteeren, zonder dat zijn kapitaal behoeft aangesproken te worden ?
5. Vrouw Holders kocht in de stad 14 M. linnen, 36 M. katoen en 15 el zijde, te zamen voor ƒ 3S.50. Het linnen betaalde zij mei 2 kwartjes en het katoen met 1 kwartje den M. Noem den prijs van de zijde V
6. Een keukenmeid meende heel slim te handelen. Toen de boerin haar 160 eieren aan-
— 63 —
bood voor 21 cent de 4, wilde zij niet meer geven dan 3 rijksdaalders en 1 gulden. Hoeveel voordeel had zij ?
7. Een bouwkundige levert bestekken en tee-keningen voor 3 huizen, die achtereenvolgens voor ƒ 5410, 6350 en 8290 Grid, worden aanbesteed. Zoo hij 5 ten honderd van de aannemingssom ontvangt, wat is dan zijn verdienste r
8. Als 3 sinaasappels 13.5 ct. kosten, hoeveel stuks ontvangt men dan voor ƒ 5.535 ?
9. Een boer maakt een kuil aardappelen in, lang 4 M., breed 1.5 M,, diep 2 M. Zoo hij ze later verkoopt voor ƒ 2.60 den HL., bereken dan zijn ontvangst. (3.5 HL. is bedorven.)
10. Van een stuk bever snijdt de koopman 5 keeren l\'/g M., zes keeren 3/4
ren 2 en een kwart M, waarna er nog 16 keeren 23/4 M. overblijft. Hoelang is het stuk bever geweest ?
11. Brouwer L\'e Groot vermengt 5 tonnen bier van ƒ 12 de ton met 8 tonnen van ƒ 10, tien tonnen van f 19 met 2 ton water. Is de prijs eener ton van het mengsel meer of minder dan 6 rijksdaalders ?
12. Een kaasboer verkocht van een kaas, 30 Ktr. zwaar, eerst het daarna het \'/g, toen rog de helft van den overschot, waarvoor hij / 5.60 ontving. Noem in kwartjes de waarde van den heelen kaas.
13. De milddadige juffrouw Chr. liet onder 16 arme menschcn 68 L. grauwe erwten rond-deelen. Wat was de waarde van elks ontvangst, zoo de erwten 16 Gld. den HL. kosten ?
14. Een schacheraar had in zijn koker 60
— 1)4 —
paraplu\'s en 12 wandelstokken. Het 1/3 der paraplu\'s verruilt hij tegen versletene en ontvangt telkens 25 stuiver toe; de helft van de rest gaat voor ƒ 2.40 van de hand, terwijl hij het 2,3 der stokken voor ƒ 0.80 afstaat. Wat brengt de man thuis: le in zijn koker, 2e in zijn beurs V
15. Rondom een weide, 24 DM. lang en 180 M. breed, ligt een sloot, die door 2 arbeiders moet uitgediept worden. De een vergraaft 10 cn de ander 11 M. per dag. Na hoeveel dagen is het werk gereed ?
16. Een slijtster haalde bij een bakker 300 beschuiten tegen 10 voor een kwartje. Zij verkocht ze 3 voor een dubbeltje, doch 5 0/o
ze zelf gehouden. Won ze veel bij dien handel ?
17. Jager Van Mook schoot in een week 12 patrijzen, 15 konijnen en eenige hazen, die hij te zamen voor ƒ 47.70 verkocht. Zoo een patrijs op 60 cl, een konijn op 18 stuiver en een haas op een daalder gerekend is, hoeveel hazen waren er dan bij V
18. In een kerk hangen 24 lampen, die gemiddeld elke week 1.5 L. olie noodig hebben van 16 ct. den L. Is de olie, noodig in 3 maanden tijds, met 2 bankjes van ƒ25 te betalen?
19. Vier zusters P, S, ï en W hebben ƒ 48L0 uitstaan tegen 4 0/o \'s jaars. Wat krijgt elk van een half jaar interest, zoo bet aandeel van P 2, tegen dat van S 3 van T ook 3 en W 4 Gld. is?
20. In moeders beurs zitten kwartjes, dubbeltjes en halve stuiverstukken, van eik evenveel. Zoo alles bijeen ƒ6 waarde heeft, hoeveel stuks is er dan van elke geldsoort V
— 65 —
§ 25.
1. Een molenaar heeft een schuld van ƒ 6000 tegen 472 percent, en nog een van 9000 Gld. voor S\'/a ten honderd. Zoo hij zijn interest per kwartaal moet afdoen, wat is dan telkens zijn afrekening ?
2. Vijftien jaren geleden waren vader, moeder en grootvader samen CCLXXIX jaren oud. Thans is vader 70 en moeder 68 jaar. Bereken den leeftijd van grootvader?
3. Een winkelier koopt sigaren van ƒ 16 de duizend, en wil 6 Gld. daarop winnen. Wat moet hij de 5 stuks laten betalen ?
4. Mijn vriend B werd op een verkooping eigenaar van een schilderijtje voor ƒ 48. On ■ middellijk werd hem 50 pet. winst geboden. Hoeveel had hij te ontvangen, zoo den notaris 10 % opgeld moest betaald worden\'?
5. Hoeveel knikkers hebben 3 jongens ieder afzonderlijk, zoo Jan en Theodoor 78, Jan en Gerard 90, Theodoor en Gerard 94 stuks bezitten ?
6. Een vak rivierdijk, 45 M. lang en 16 M. breed, moet met zoden belegd worden, die 2 dM. in bet vierkant zijn. Als de zoden l1^ et- het stuk kosten en het arbeidsloon 14.25 Gld. bedraagt, kunnen deze onkosten dan met 260 Gld. voldaan worden ?
7. Tante heeft laatst een klok gekocht, die in een etmaal een kwartier achterloopt met de spoorklok. Op welken dag zullen de beide klokken weer gelijk staan, zoo zij op 1 September \'s middags 12 uur denzelfden tijd aanwijzen V
8. Een jongen heeft een spaarboekje, en laat
5
— 66 —
daarin de eerste week des jaars één cent inschrijven, en elke volgende week één cent meer. Weet gij het getal centen te noemen, dat op het einde des jaars bijeengespaard is?
9. Vrouw Roelofsen gaat met G kluiten boter ter markt, elk 7.5 pond wegende. Zoo de boter 13 stuivers min een cent geldt, wat brengt de vrouw dan thuis, zoo het spoorkaartje (retour) 40 ct. kost, en haar verteer 3 stuivers beloopt?
10. Drie Vetweiders hebben samen 32 ossen gekocht voor 85 Gld. het stuk. Wanneer zij ƒ 180 onkosten hebben en do ossen voor ƒ 3200 verkoouen, vraagt men elks aandeel in de winst.
11. Mijn zusje moest voor tante stuivers postzegels halen, doch bracht er mee van 2 ct. Zoodoende ontving tante 36 postzegels meer, dan zij belioefde. Kunt ge uitrekenen, hoeveel postzegels zusje mede had moeten brengen?
12. Onze woonkamer, 5 M. lang en 4 M. breed wordt ter hoogte van 12 dM. met gekleurde tegels belegd. Hoeveel tegels zijn er noodig, wanneer een tegel 2 dM. in het vierkant groot is, en 6 M- voor deurplaatsen wordt gerekend ?
13. Iemand sliep van Dinsdag avond kwart voor 10 tot Donderdag morgen 20 minuten voor 5. Reken uit, hoeveel minuten hij te bed heelt gelegen.
14. Een varken, dat 250 pond woog, werd door een boer verkocht voor 30 ct. het pond vuil. De koopman bood evenwel 36 ct. het pond schoon, welke koop gesloten werd. Had de boer voordeel ? (Het varken slacht \'/s in )
15. Vijf en veertig pakjes chocolade vorden met 10 pet, of 11.25 Gld. winst verkocht. Noem den inkoopsprijs van een pakje.
— 67 —
16. Een vader laat aan 6 zonen en 4 dochters 24.(J00 Gld. aan geld na. Dit vermogen wordt zoo verdeeld, dat een zoon en een docbter samen f 5000 krijgen. Hoe groot is elks part?
17. Drie gezinnen huren in de kerk een bank, die 70 Gld. moet opbrengen. Zoo het eerste gezin 2 en de beide andere elk 3 plaatsen noo-dig beeft, reken dan uit in kwartjes, wat elk gezin heeft te betalen.
18. Onze Willem zei den 14 September : „Na vandaag nog 50 d,:gen, dan is Moeder jarig.quot; Zeg eens, op welken dag Willems moedei- geboren is.
19. Met hoeveel bankjes van ƒ25 zijn 24 eike-boomen van /62.50 het stuk fe betalen, zoo de notaris 19l/2 ct. opgeld rekent V
20. Drie boeren. A, B en C handelen in vet vte, en leggen daartoe in ƒ J200, ƒ 1000 en ƒ800. Wanneer zij ƒ 4!\'0 winst behalen en de laatste 15 Gld. voor zijn moeite vooruit krijgt, wat is dan ieders part in de winst ¥
§ 1-
§ 2.
|
1. 10 noten. 2. 78 kw. 3. — 4. 8 halve st. n. 15 et., 75 et., 41/.) Grid 6. /5.46. 7. 10 RD. 8. 40 weken. 9. / 5.60. 10. \' - 11. j 15. 12. MDCCCXXVII. 13. 27 kw. 14. 15 st. en 2 et. 15. f 1.23 terug. 16. / 72. 17. /-5.20. 18. 173 st. 19. ƒ 32. 20. 48 RD. |
1. 20 7 72 mnd. 2. ƒ2. 375. 3. 6 st. te veel. 4. 82 M. 5. Jan 28, Bert 29, Ger. 23 kast. 6. — 7. f 6.75 terug. 8. 80 et, 9. 15 st minder. 10. P. 10 et. 11. 3772 doz. 12. 40\'/2 Gld. 13. 71 kw. 14. — 15. 30 dubb. 16. / 5.80 minder. 17. ƒ 54. 18. 18 kw. 19. - 20. 100 dg. |
70 —
§ 3.
|
1. 8l/2 mud. 2. - 3. 1.5 ct. abuis. 4. 10 ct. te weinig. 5. / 5. 6. 24 RD. 7 / 162. 8. ƒ 0.125. 9. 5 knappers. 10. ƒ 225. 11. ƒ 7.20. 12. /quot; 2.24. 13. \'35 kn. 14 ƒ6 en ƒ 4.50. 1?). 8 jaar en ƒ 180. 10. 20 kw. 17. 10 patr. 18. 400 kind. 19. Nog 6 ct. meer. 20. 20 lamin. § 4. 1. 30 boekjes. 2. 96 RD.\' 3. ƒ 2.40. 4. ƒ 8.50. 5. ƒ 935. 6. 64 mnd meer. 7. ƒ 155. 8. 560 dubb. 9. 10 koeien. |
10. 15 KG. 11. ƒ 7.20 te veel. 12. \'/• 13.50. 13. Vï Grid. over. 14. 25 haringen. 15. 160 eieren. 16. 90 man. 17. 137 noten. 18. 50 visschen. 19. MDCCCLXXVI. 20. 32 bankjes. § amp;• 1. 27 RD. 2. 6 weken. 3. /9. 4- ƒ9 3/.-5. 60 Gld. 6 ƒ62.40. 7. ƒ8. 8. 24 Aug., 2 Deo.. 100 dagen. 9. Evenveel. 10. - 11. ƒ3.75. 12. ƒ 162. 13. 41/2 last. 14. 900 min, 15. 81/, Gld. 16. 390 vraagsfc. 17. 14 kw. 18. 147 dag. 19. ƒ134.50. |
71 -
|
20. 244 pooten. S fi- 1. 18 April. 2. /30. 3. 20 pakjes minder. 4. ƒ935. 5. 80 ct. to min. (3. ƒ 15.60, 7. ƒ 1272 te weinig. 8. f l3/4 voord. 9. f 16.20. 10. f 15. 11. 1 kw. terug 12. /\'16. 13. 40 ct. meer. 14. 19 noten. 15. 6 pd. en 2 ons. 16. 5 kalv. minder. 17. 14 ct. 18. \'_4 sinaasapp. 19. 4 last, /1050. 20. Op 30 ct. na. § 7. 1. 46 leerl. 2. 49 M. 3. /-9.45. 4. ƒ 1.50. 5. 70 boomcn. 6. 164 postz. 7. 91 kw. 8. ƒ1924. |
9. 1 RD. te min. 10. 960 eend. 11. 1674 Jr. 12. 72 vruchten. 13. ƒ 10 en ƒ1. 14. A. 1 big meer. 15. ƒ 95. 1G. ƒ60, ƒ2.50, ƒ0.10. 17. 27 st. en 1 ct. 18. 50 dg. 19. — 20. ƒ45. § 8. 1. P/a M. over. 2. De laatste ƒ6 moer. 3. 273 ct. 4. 168 leerl. 5. 118 schooven. 6. 36 kw. 7. 10 pet. 8. 18 ct. 9. D op 57, M op 54 en L op 52. 10. 499 kaz. 11. ƒ3.25. 12. ƒ77,. 13. ƒ 1 te veel. 14. 12 mud. 15. 15 sinaasapp. 16. ƒ 10%. 17. J. 24, Th. 48 en K. 72 not. 18. 1,625. |
— 72 -
|
19. 160\'st. meer. 20. /0.675. S 9. 1. 405 KG. 2. 1 RD. 3. 95 steen en. 4. 36 RD. 5. / 18. 6. 11 jr. 7. 87, RD. 8. 30 raderen. 9. 15 kwastjes. 10. H 27, W 44 enG 65 kn. 11. 728 zakken. 12. ƒ 2827,. 13. 8765 uren. 14. 132 pakken. 15. - 16. /■ 41 ie weinig. 17. gt; 210. 18. / 7.20. 19. 1 kvv. over. 20. ƒ 10.20. § 10. 1. §04 pooten. 2. f 40. 80. 3. 12 st. 4. B\'/g vim. 5. 45 oogen. |
6. 3 sigaren. 7. ƒ 6.50. 8. 450 Gld- 9. f 963/4. 10. / 1.60. 11. 336 KG. 12. l3/25 RD. 13. ƒ 15 bij. 14. 90 palrj es. 15. 37V2 Gld. 16. 772 et. tekort. 17. 60 kw. 18. 1 et. meer. 19. 20 veulens. 20. 2672 ^ag- § 11. 1. ƒ 0.14 te min. 2. 24 hoenders. 3. f 3.06. 4. ƒ 312. 5. 40 fl. en 20 kr. 6. 95 ct. 7. 14 botjes meer. 8. 27 ribben. 9. ƒ 12.75. 10. 116 poot er.. 11. ƒ 139. 12. 7 ptn. over. 13. ƒ 7.275. 14. Br. /120, kind ƒ 40. 15. Maat 70 et. voord. 16. ƒ 13.80. |
|
17. - 18. ƒ 1.90 te veel. 19. 16 pakjes. 20. ƒ 2.20. § 12. 1. ƒ 1 meer. 2. 91 M. 3. 32 M. 4. 980 KGr. 5 j g 6. GO L. en ƒ 2.25. 7. ƒ 10.80. 8. 25 dagen. 9. 60 sp. en ƒ 17.64. 10. / 7.20. 11. 30 mijlen. 12. 34 kisten. 13. 27 et. te veel. 14. A 90,15 170,C140 ( 15. 744 jaar. 16. ƒ 0.80. 17. ƒ 1.80 over. 18. f 4.60. 19. / 86 en ƒ 70. 20. f 16.90. § 13. 1. / 91. 2. f I1/,, te kort. 3. 273 schelpjes. 4. 2 jr. en 7 md. minder. |
5. 25 at. over. 6, — 7. / 11. 8. ƒ 5.28. 9. / *272. 10. 9473 ct. 11. 14 varkens. 12. 1512 paar. 13. 70 dubb. 14. 6 st. 15. 68 jr., 36 jr. gereg. 10. Op f 0.10 na. 17. 58 en 87 boomen. 18. 2417, kw. 19 ƒ 15 over. 20. 155 bedden. § 14. 1. 474 KGr. . 2. / 38.20. 3. y 818. 4. 1200 boomen. 5. 5 HL. meer. 6. Nog / 2.99. 7. f 168.50. 8. — 9. 1 jr. 9 mnd. 17 dg. 10. 175 abrikozen. 11. ƒ 1.45. 12. Moeder2 ct. duurder. 13. ƒ 3.25. 14. 167 jaar. 15. ƒ 50.625. |
T
|
16. — 17. 2572 KG. 18. 40 L. 19. 39 Grid. 20. ƒ 13. § 15. 1. — 2. 144 kooien. \'3. 180 kw. 4. 25 kalveren. 5. f 19.80. 6. 9 RD. 7. — 8. ƒ 0.80. 9. MDLXXXVII. 10. — 11. 5 weken. 12. 15 Mei\'62,15 Nov.\' 13. f 480. 14. ƒ 7.40 meer. 15. ƒ 150. 16. ƒ 83.30 en / 5.95. 17. 110 dubb. over. 18. f 117. 19. 16, 15 en 14 hazeln. 20. 284/f) dag. § 16. 1. / 6.75. 2. 173/5 RD. 3. \'t Spoor/ Va mfier. |
4. 25 kippen. 5. 3 dubb. terug. 6. 48 klanten. 7. ƒ 2.90. 8. 1456 boa en f 175. 9. 47 M. 10. 75 HL. 11. 60 schelv. 12. ƒ 18.20. 13. f 6.90. 14. 20 kw. 15. 8572 dubb. 16. f 38878. 17. 2874 Grid. 18. 693 minuten. 19. 772 KG. 20. I74 riem temin. §17. 1. Zuster /375, kind ƒ 225. 2. ƒ 16.26. 3. 16 dubb. 4. 142 geboorten. 5. f 1.70 te min. 6. 20 M. 7. f 34.80. 8. 22 72 Grid. 9. 270 postz. 10. 42 stuks. 11. ƒ 5.30. 12. ƒ 12.75. 13. ƒ 300. |
4
— 75 -
|
14. 4 pet. 15. 123/4 Grid. 16. ƒ 4700. 17. 1300 plav., ƒ 130. 18. A / 1.15. 19. ƒ 20 over. 80. 42 paar. § 18. 1. 70, 110 en 6 HD. 2. 500 tegel.® 3. 100 HA. 4. 400 pond. 5. 7 dagen. 6. ƒ 1.20. 7. /quot; 1 minder. 8. \'272 HL. 9. 350 leerl. 10. 28V5 HL. 11. f 68.20. 12. \'j 129.20. 13. 280 pannen. 14. 15 st., IZVoSt. 15. 5 ct. J6. 342 noten. 17. 195 perziken. 18. ƒ 65. 19. 21 dubb. 20. 129 RD. § 19. 1. ƒ 28.56. |
2. 24 dg. 3. ƒ 147 en ƒ 196. 4. 3 Januari 1880. 5. fVó. _ 6. 150 sinaasapp. 7. ƒ 490. 8. 19 kw. minder. 9. 20 weken. 10. f 1.95. 11. 59V2 Grid. 12. J. f 4.40, Th. en J. ƒ 2.80. 13. ƒ 3.40 verlies. 14. ƒ 21 te kort. 15. ƒ 1545. 16. 4V2 pd. 17. 10400 Gld. 18. ƒ 5.85. 19. — 20. ƒ Yj over. § 20. 1. 16 pet. 2. 3 en 1.20 Gld. 3. 3 kw. verdiend. 4. 62 kw. 5. ƒ 1098.90. 6. 20 pet. 7. 237 jr. — 1 mnd. 8. ƒ 135. 9. 590 Grid. 10. 45000 steenen. 11. ƒ 8.70. |
_ 76 —
§ 22.
|
12. 24 Mark. 13. ƒ 40.95, 14. 35 knikkers. 15. 6272 c^- 16. ƒ 1900. 17. 594 dubb. 18. 22, 24, 26 eu 28 sig. 19. 84 KG. 20. ƒ 26.40. § 21. 1. 3450 KG. 2. 1008 kruiwagens. 3. 12 ct. 4. 4,/s M. 5. 120 biggen. 6. 7 September. 7. ƒ 175. 8. A ƒ 120, B ƒ 80 en C ƒ 40. 9. ƒ 21 verlies. 10. 394 Gld. 11. 1120 boomen. 12. f 22.—168 RD. 13. ƒ 98.60. 14. 42 ct. 15. 17 weken. 16. 6l3/2o eeuw. 17. 138,174 en 273 ct. 18. 4 last. 19. 45V2 Gld. 20. ƒ 22.80. |
1. 36 kw. 2. 1 RD., 1 kw., 1 st. 3. 50,150, 225, 375 Gld. 4. 326 kw. 5. — 6. ƒ 27.20 over. 7. ƒ 100. 8. 33 dubb. 9. 60 M. 10. 138 en 207 scbapen. 11. 37 jaar. 12. ƒ 175. 13. ƒ 2.82. 14. 31 stap., 62 bankj. 15. h./IVÏ, tom-ZVio- 16. 30 dagen. 17. 1272 uur. 18. 1 mud. 19. ƒ 8. 20. 650 pond. § 23. 1. ƒ 14.60 terug. 2. — 3. 4950 turven. 4. 272 mn(l\' 5. 20 ct. 6. 413 stemmen. 7. 800 RD., 2000 Gld. 8. ƒ 63.76. 9. 126 dubb. |
|
10. 22500 Grid. 11. 225/i2 jaar. 12. / 9. 13. 5163/4 Grid. 14. 12 dubb. 15. 6 HL. 16. ƒ 168. 17. 25 st. en 4 ot. 18. ƒ 5.80. 19. 112 dubb. 20. 60 ct. § 24. 1. 4100 mannen. 2. / 3.90. 8. 38.40 Grid. 4. ƒ 65. 5. I1/;, Grid. 6. 10 ct. nadeel. 7. ƒ 100272. 8. 123 sinaasapp. 9. 302,90 Grid. 10. 74 M. 11. ƒ 1.80 minder. 12. 96 kw. 13. 68 ct. 14. 40 par.,4 st., ƒ 79.\' 15. 40 dag. 16. / 2. |
17. 18 hazen. 18. ƒ 24.88 meer. 19. P , 16 S en T 24, W 32 Grid. 20. 16 stuks. § 25. 1. ƒ 146.25. 2. 96 jaar. 3. 11 ct. 4. f 79.20. 5. J 37, Th. 41 en G 53 knikk. 6. ƒ 2474 meer. 7. 18 October. 8. 1378 ct. 9. 287, Grid. 10. ƒ 100. 11. 24 postzeg. 12. 540 tegels. 13. 1855 min. 14. ƒ 3 nadeel. 15. 1 RD. 16. z. ƒ2000, d. ƒ 3000. 17. 70 en 105 kw. 18. 3 November. 19. 68 bankjes. 20. A 186, B 155 en C 139 Grid. |
-
\'
.
-i
\' !■
UP
V :
■ • \' - .■
_
_
-——
i
-• 4;\'\'
V : :
\'•, ■ •
V.. -
•\'V.--;- v
-
\'
r lt; .J • , ■r
■:
mhi
l -