-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

447 v

LEVENSREGEL

VOOR DENquot;

liOOllSCII KATH0IJF1BS «ILITAIIl,

nagelaten door den WelEd. Gextr. • lleev

O, W. G-OBIXJS,

Kapitein der Artillerie.

Üilgogeven door den Kciw. Paler II. VAN KKL(iTEgt;, Hedeinpiorist.

TWEEDE DRUK.

ROERMOND,

J. J. KOJIEN amp; ZOXEX.

Pfrp eniqinq

Vek 164

•V-i.

-ocr page 4-

GOEDKEURING.

Nihil Obstat.

Jmstelodami,

7 Nov. 1879.

P. OOIIEN. C.S.S.E. Sup. Prov.


IMPRIMATUR.

Haaren, 25 Decemliris 1879.

J. CÜYTEN, Lihr. Cens.

Visa supra-allegata approbatione, permititur imprimi.

EüBiEMUND^E, 28 Jan. 1889.

P. BUSSEL, Lioror. Censor.

-ocr page 5-

A

Kapitein Otto Willem Gobius, zoon van den Luitenant-Admiraal bij de Xederlandsche Marine O. W. Gohius en van Vrouwe M. de Brauiv, werd geboren te Montfoort, in de Provincie Utrecht, den 20 April 1803. Van zijne jeugd af geneigd voor den Krijgsmansstand, begon hij zijne opleiding daartoe als Kadet op de Militaire School te Delft voor het wapen der Artillerie den 17 Juni 1818. Bij dit wapen werd hij den 22 - Juli 1822 tot 2\'eu Luitenant bevorderd, en tot l*,equot; Luitenant den 21 Juli 1828. Bij Besluit van Z. M. Koning Willem I werd hij bij een legerorder eervol vermeld den 10 September 1831, en ontving het Metalen Kruis den 5 April 1832. Hij trad in den echt met Vrouwe T. Gauthier den 9 April 1834; van de zeven kinderen heeft één zoon O. W. II. Gobius den 5 Mei 1868 dienst genomen hij het wapen der Infanterie. (1) Ver-

(lt;) Olto Willem Ueriburtus Gobius, geboren te Delft, den 42 Juni «844, vertrok den 13 November 18G9 naar üost-lndië, en overleed als Officier te Kotlu liadja in Atjeh den 12 Mei 1878. Zijne familie ontving tot aandenken zijner godsdienstigheid kerkboeken en andere voorwerpen van godsvrucht.

-ocr page 6-

volgens werd de Heer Gohius den 2 Mei 1842 iot Kapitein 3\'lc klasse benoemd, ontving den 6 December 1844 een onderscheidingsteeken als Officier, en werd den 20 April 1846 benoemd tot Kapitein der Artillerie 2\'1quot; klasse. In dezen rang bleef hij in actieven dienst tot den 1 October 1852, als wanneer hij gepensionneerd werd. Zijn rustend leven duurde weinige jaren, want na eene langdurige ziekte stierf hij te Venlo den 3 October 1855. Ook in het burgerlijke leven was hem de militairen-stand dierbaar, en verlangde hij zijnen wapenbroeders voor hun heil nuttig te zijn. Daarom schreef hij een werkje met den titel: „Levensregel voor den Koomsoh Katholieken Militairquot;; dit is onderteekend in 1854. Dit handschrift, waaraan de schrijver door het overlijden verhinderd werd de laatste hand te leggen, werd mij onlangs met de noodige wijzigingen ter uitgave toevertrouwd. Ik heb hier en daar enkele uitdrukkingen verduidelijkt, en slechts kleine veranderingen gemaakt, die zonder twijfel door den schrijver aangenomen zouden zijn. Het blijft dus hoofdzakelijk zijn werk en alle eer komt hem toe. Als Kapitein, die zijne wapenbroeders oprecht lief heeft, verklaart hij hun rondborstig en gemoedelijk de plichten van hunnen stoat en toont hun duidelijk aan, dat hij Militairen trouw aan den Vorst en echte vaderlandsliefde goed gepaard kunnen gaan met o\'e onder-

-ocr page 7-

houding der voorschriften van het Christelijk leven. Overigens gaf hij zelf hiervan een stichtend voorbeeld, waarvan ik in mijne jeugd meermalen getuige mocht zijn. Zonder hvijfel zal deze Levensregel gaarne en met nut door iederen Militair gelezen worden.

H, VAN KRUGTEN,

Redemptorist.

-ocr page 8-

O O M. ]BL H D

Jian den J\\iüitair.

Reeds van de vroegste eeuwen af liadden de Vorsten der aarde hunne krijgsbenden; zij riepen deze bijeen, wanneer hen gevaar van overmeesterd te worden bedreigde, en zij zeiven, hun eigendom of hun rijksgebied blootgesteld waren in de macht van andere volkeren te vallen.

Toen werd de kiem van den stand gelegd, die thans de militairen stand genoemd wordt, en wiens doel bestaat in het verdedigen van Vaderland en Vorst tegen de onwettige aanvallen des vijands, en in het bevestigen van den troon, die wankelt of dreigt in te storten.

Het is een stand, dien God erkent, ja zelfs zegent, indien hij wordt nageleefd, zooals God het vordert.

De geschiedenis van het Oude Verbond levert hiervan reeds de sprekendste bewijzen. Toen Abraham zijnen neef Loth in de handen van vier Koningen had zien vallen, die de stad Sodoma, waar deze toen woonde, verwoest hadden, trok hij zijne dienaren, ten getalle van

-ocr page 9-

— VII —

drie honderd en achttien, bij een, vervolgde de overwinnaars tot Dan, haalde hen in, versloeg ze, bevrijdde Loth met zijn huisgezin, en hernam al de goederen, die door de Koningen genomen waren. Nadat Abraham, na de behaalde overwinning , tot de zijnen terug gekeerd was, kwam Melchisedecli, Koning van Salem en Je tevens Priester van den Allerhoogsten God,

3n tot hem, en gaf hem den zegen met deze

r- woorden: „Gezegend zij Abraham door den

n, Allerhoogsten God, die hemel en aarde ge-

li schapen heeft; en gezegend zij de Allerhoogste

te _ God, door wiens bescherming de vijanden in uwe handen zijn.quot; (Schepping 14. 19, 20.)

Ziedaar dan een Vorst, na eene wettige it, overwinning behaald te hebben, namens God

i,n $ gezegend; en zouden zoo ook niet onze heden-tl. daagsche Vorsten, met hunne legers wettig

in strijdende, Gods zegen kunnen ontvangen? Ja,

u zeer zeker, indien dit met dezelfde goede

fs oogmerken, als toen ter tijde, plaats grijpt.

J(1 Met alleen worden de Militairen door God

gezegend, waarvan genoeg bewijzen te vinden rt zooals van den hoofdman Cornelius, den H.

,n Sebastianus, den H. Mauritius en meer anderen,

m welke zich in hunnen stand geheiligd hebben;

l(j maar ook ieder Vorst acht dien stand als een

der verhevendsten in zijn rijk. Tot bewijs ln hiervan kan strekken, dat hij, bij welke gele-

-ocr page 10-

— VIII —

genheid ook, het kostuum en een graad van den Militair aanneemt en doorgaans draagt.

Wat moet nu de Militair doen, die dezen verheven stand bekleedt, om denzelven voor God, zijnen aardsohen Vorst en zijn Vaderland in eer te houden?

Hij moet zijne plichten, die hij bij zijne intrede plechtig beloofd heeft na te komen, in alle deelen nauwgezet vervullen, en tevens aan de Grondwet, door den Koning met eede bekrachtigd, gehoorzamen. Die Grondwet nu, welke ons waarborgt, dat alle Katholieken, even als de leden der andere eerediensten, dezelfde rechten zullen genieten, zoowel wat de belijdenis van hunnen godsdienst als alle andere zaken betreft, geeft den R. K. Militair een vasten steun, opdat ook hij zijne godsdienstplichten nauwgezet moge en kunne vervullen.

Militair, wees dus God getrouw, dan zult gij tevens uwen Vorst en uw Vaderland getrouw dienen, en zoo gij de volgende leefregels, voor u ingericht, nauwgezet opvolgt, zult gij hier op aarde rust en vrede smaken, en hiernamaals eene eeuwige belooning ontvangen.

Dit is het eenige doel en de innigste wensch van den

Schrijver, EEN KEDERLANDSCH OFFICIER.

-ocr page 11-

INLEIDING.

Bij de schepping- beval God aan de boomen vruchten te dragen, ieder naar zijne soort; Hij beveelt zoo ook aan alle geloovigen, die de levende planten zijner Kerk zijn, waardige vruchten van godsvrucht voort te brengen, naar hunnen staat en hun beroep.

De regels der godvruchtigheid zijn daarom niet voor allen dezelfde, maar verschillen naar den staat en het beroep, die men bekleedt; want deze regels zijn anders voor de Vorsten dan voor het volk; anders voor heeren dan voor dienstboden; anders voor menschen die weinige of geene bezigheden hebben dan voor hen, die daarmede overladen zijn en slechts weinige oogenblikken voor zich overig hebben; eindelijk anders voor Militairen, die daarvan, helaas, zoo veel door het verfoeielijk mensche-lijk opzicht afgehouden worden.

De ware godvruchtigheid mismaakt niets, maar maakt integendeel alles volkomen, en het zoude eene grove dwaling zijn het godvruchtig leven uit het hof en uit de legers te willen verbannen.

Wel is waar, die godvruchtigheid kan daar

-ocr page 12-

— 10 —

niet zoo plaats hebben als in de kloosters, maar er zijn andere soorten van godsvrucht, die bekwaam zijn om degenen, die in dien staat leven, tot volmaaktheid te brengen.

De hoofdman Cornelius, de H. Sebastianus, de H. Mauritius en meer anderen hebben in het leger; Constantinus de Groote, de H. Lo-dewijk en de H. Ednard op den troon zich in hun beroep geheiligd: zoude dan misschien de Militair van ons leger in den moeielijken stand.

waarin hij geplaatst is, omgeven van anders- to

denkenden, die er menigmaal op uit zijn om of

wat ons het heiligste is te loochenen, te be- in

schimpen en te lasteren, ook niet godvruchtig zo kunnen leven, en zelfs naar de volmaaktheid

streven? Ja, zeer zeker, indien hij slechts deze ee twee hoofdvereischten nastreeft, namelijk; den \' de

vasten wil behoudt van godvruchtig te leven, te

en het verfoeielijk menschelijk opzicht van k( zich verbant.

De volgorde der levensregels, welke ik voor- hi

nemens ben mede te deelen, zal deze zijn; eerst d(

Algemeens regels, en daarna Bijzondere regels. ei

te

O]

---- ^

Oquot;

o: u

-ocr page 13-

I.

ALGEMEENE REGELS.

Heb steeds voor den geest, dat God de roeping tot den Militairen stand of wel voor u bestemd of wel toegelaten heeft, en gij dus denzelven in alle deelen nauwgezet moet naleven, voor zooverre znlks met Gods wil overeenkomt.

Herdenk de verplichting en belofte onder eede afgelegd zoo gij Officier zijt, en anders de krijgsartikelen, welke gij met uwe hand-teekening bekrachtigd hebt, om die alle nauwkeurig na te leven.

Verlang u nimmer boven anderen te verheffen; wees nederig, doch in dien geest, dat de stand en graad, die gij bekleedt, aan God en uwe overheid aangenaam zijn. Gehoorzaam terstond aan de bevelen, u door uwe meerderen opgelegd, indien zulks niet strijdig is met Gods wil. Al zouden uwe kameraden u ook willen overhalen, om hieraan niet gehoorzaam te zijn, of wel om dezelve op eene andere wijze ten uitvoer te brengen, laat u daartoe nimmer

-ocr page 14-

bewegen teuzij door noodzakelijkheid, en dan nog eerst na dit onder de oogen van den bevelhebber gebracht te hebben, welke gelegenheid u billijkerwijze nimmer kan of mag ontzegd worden.

Bespeurt gij, dat het gezelschap uwer kameraden u nadeelig is of kan worden, tracht alsdan hun bet wangedrag voor oogen te houden; doch indien gij voorziet, dat dit vruchteloos zoude zijn, hen te ontvlieden.

Begeef n nimmer in die gezelschappen, alwaar onmatigheid in spijs en drank heerscht, en wees steeds op uwe hoede om u in dit opzicht niet te laten verleiden; want eenmaal toegestemd zijnde, worden de bekoringen menigvul-diger en heviger; op den eersten val volgen andere, veel diepere, die u eindelijk een volslagen ondergang zullen berokkenen.

Bezoek nimmer, in de meening van niet gezien te zijn, die plaatsen, waarover gij u zoudt schamen als men n ontdekte; houd steeds voor oogen, dat God overal is, alles hoort en ziet, zelfs de verborgenste schuilhoeken, ja ook uw hart doorgrondt, en dat gij eens van alles rekenschap zult moeten afleggen.

Schuw steeds de ledigheid, die des duivels oorkussen is, en ga nooit door den dag te bad liggen, tenzij dit u vergund wonle om vermoeienis, of na des nachts dienst verricht te hebben.

-ocr page 15-

13

Wanneer de tijd zich hiertoe aanbiedt, lees dan in een goed boek, dat door de H. Kerk niet verboden is, b. v. de Levens der Heiligen, de werken van den H. Alphonsus de Lignori, en meer andere, waartoe uw zielzorger u wel de gelegenheid zal verschaffen van deze ter leen te bekomen.

Sta des morgens vroeg cp, en begeef u \'s avonds bijtijds ter ruste; zoo gij de kazerne bewoont, voeg u dan daarin volgens de bepaalde seinen voor reveille en laatste avondappèl.

Word nimmer lid van gezelschappen, die voor uwe ziel schadelijk zijn, en wat de overige, die niet slecht zijn, betreft, raadpleeg eerst uwen zielbestuurder, hoe gij daarin moet handelen.

Wordt gij lid eener militaire of burgerlijke sociëteit, zoo bezoek dezelve, om daardoor goede blijken te geven, dat gij er niet afkeerig van zijt, of bet gezelschap uwer kameraden en burgers wilt ontvlieden. Gebruik aldaar, indien het noodig is, datgene wat u niet schadelijk kan zijn. Geef u niet te veel aan het spel over.

Onderhoud u aldaar nimmer over godsdienstige onderwerpen, noch over eens anders fouten of gebreken, want van deze zijt gij zelf niet vrij.

Tracht altijd goede en brave Katholieken

n clan q den legen-j ont-

kame-tracht en te rruch-

hvaar it, en pzicht toege-igvul-rolgen n vol-

i niet gij « steeds irt en ja ook . alles

uivels ;e bad noeie-ebbeu.

-ocr page 16-

— 14 —

tot vrienden te bekomen, zoowel onder uwen stand als den burgerstand, opdat gij de oogen-blikken van uitspanning in ware stichting kunt doorbrengen.

Laat u nimmer in andere dan Katholieke Kerken vinden. Indien het mogelijk is en uwe dienstaangelegenheden zulks toelaten, woon dan dagelijks het H. Misoffer bij; doch kunt gij dit niet, wees dan daar in den geest tegenwoordig, wat zelfs uwe dringendste bezigheden u niet kunnen beletten.

Verzuim nooit bij uw ontwaken het morger-gebed te verrichten, al ware het slechts door eenige verzuchtingen, indien daartoe verder de tijd ontbrak.

Eet of drink nimmer dan uit behoefte, en vergeet niet God vóór het eten te bidden, en daarna te danken.

Herinner n de menschwording van onzen goddelijken Zaligmaker, en vereenig u daartoe met de H. Kerk, die dit geheim drie malen daags door het kleppen der klok aan de ge-loovigen in het geheugen brengt.

Woon, zoo gij kunt, de Vespers, of het Lof, en den Eozenkrans bij, en vooral des Zondags, welken dag gij bijzonder godsdienstig moet vieren.

Kom nauwgezet de verplichtende heiligendagen na. Ten opzichte der door de Kerk

-ocr page 17-

— 15 —

opgelegde vasten- en onthoudingsdagen, wordt den Militair eene groote toegevendheid vergund. Wie niet weet hoe hij hierin moet doen, wordt vermaand hierover zijnen zielbestuurder te raadplegen.

Verzuim nooit het gebod der H. Kerk van jaarlijks uwe biecht te spreken, en in uwe parochiekerk de II. Paaschcommnnie te ontvangen.

Eindig steeds den dag met het gebed, en verzuim vooral niet het onderzoek des gewetens. Het is onbekend, op wat uur, dag eu jaar onze dood zijn zal, en of wij plotseling of na eene ziekte, op het slagveld of wel in het bed zullen sterven, doch het is zeker, dat ons oogenblik van sterven eenmaal daar zijn za), en veel spoediger zal komen dan wij meenen.

Ga dus nimmer ter ruste dan met de gedachte dat het de laatste maal kan zijn, dat gij uw bed intreedt, om daaruit naar het graf gedragen te worden.

Onderzoek nauwkeurig uw geweten, eu zoo gij mocht ontdekken, dat gij eene doodzonde bedreven hebt, wacht dan niet lang om u door het H. Sakrament van boetvaardigheid van dien last te ontdoen; verwek intnsschen een oprecht berouw over deze en al uwe vroegere zonden, en geef uw hart en uwe ziel aan Gods

-ocr page 18-

- 16 —

wil over. Mocht het den Almachtigen God behagen u dien zelfden nacht tot zich te te roepen, zoo zal zijne barmhartigheid, om uwen goeden wil, uw oprecht berouw en genomen besluit van ten eerste uwe zonden te biechten, over u nederdalen, en u niet in het

eeuwige verderf storten.

— ---

II.

BIJZONDERE REGELS.

1. — Voor den Officier.

Gedenk steeds, dat het de wil van God is, dat gij deze waardigheid bekleedt, en Hij van u daarvoor eenmaal verantwoordelijkheid zal vorderen.

Behandel nwe minderen, zoo als gij gaarne van uwe meerderen wenscht behandeld te-worden.

Wees streng en rechtvaardig, ernstig en goed tevens, en vorder eene lijdelijke gehoorzaamheid zonder tegenspraak.

Onderscheid misdaden van irisslagen, voornamelijk wanneer deze uit onkunde voortspruiten.

-ocr page 19-

Eerbiedig u zelven, opdat men u eerbiedige.

Laat uwen minderen nimmer moedwillig ontbreken hetgeen Imn toekomt.

Verzorg altijd uwe ondergeschikten, alvorens aan u zelven te denken, en wijd eene bijzondere oplettendheid aan hunne godsdienstige gezindheid, ten einde deze niet verwaarloosd worde.

Om hierin beter te slagen, ga hun in dit opzicht met een goed voorbeeld voor, want voorbeelden trekken meer tot navolging dan woorden.

Behartig daarom steeds het godsdienstig belang usver minderen, en mocht het gebeuren, dat deze door onwettige redenen in de\'uitoefening hunner Godsdienstplichten verhinderd worden, toon dan dat gij u hun belang aantrekt, en tracht dit op eene betamelijke en billijke wijze te herstellen.

Wijd eene bijzondere oplettendheid aan zieken en gekwetsten.

Vloek of laster God nimmer, opdat gij zulks met recht kunt tegengaan, verbieden en straffen.

Wees zindelijk op uwe kleeding, en draag nooit iets, dat tegen de voorschriften is, om met meerder recht dit ook bij anderen te kunnen beletten.

Sta nimmer toe, dat er slechte boeken gelezen worden, en tracht dit onheil af te weren door het verschaffen eener goede gelegenheid van goede boeken te bekomen.

-ocr page 20-

Verban uit hun midden alle lichte liederen en gesprekken, en verhied op marsch en bij de militaire wandeling al deze luidruchtigheden, liever dan ongepaste toe te laten.

Wees omzichtig in uw gedrag jegens be-schonkene Militairen, en laat hen steeds door hunne gelijken in rang behandelen, opdat er geene insubordinatie plaats hebbe.

Vermaan hen, zoodra ze daarvoor weder vatbaar zijn, op eene recht vaderlijke wijze en mocht zulks vruchteloos zijn, neem dan die middelen te baat, welke uwe reglementen voorschrijven.

Verleen nooit uwe toestemming tot verloven, permissiën, te laat opgegevene mutatiën enz. die niet zijn toegekend, en vooral niet het laatste, daar uwe handteekening eene leugen voor waarheid zou bekrachtigen en IJ aan eenen meineed blootstellen.

Geef nimmer toestemming om na het avondappèl het kwartier te verlaten, dan in buitengewone omstandigheden, en dan nog eerst wanneer gij verzekerd zijt, dat het geen slecht doel of oogmerk hebbe; want daardoor zondt gij niet alleen de oorzaak zijn, dat kwaad bedreven werd, maar dit ook nog bevorderen en daarvan eenmaal rekenschap moeten afleggen.

Vermijd zooveel mogelijk allen gemeenzamen omgang met vrouwen beneden usven stand en

-ocr page 21-

rang; b. v. dienstboden, dochters zonder vermogen; wees haar beleefd, bewijs haar recht christelijke liefde, doch knoop met haar geen nauwe vriendschap aan, die vroeg of laat aanleiding tot een huwelijk zoude kunnen geven, en die dikwijls, door verblinding der eerst opwellende neiging, in het huwelijk de grootste armoede en ellende kan doen geboren worden.

Maar wees vooral op uwe hoede om nimmer huwelijksbetrekkingen aan te knoopen met onkatholieken. Gehuwd zijnde, weiger aan uwe kinderen uwe toestemming daartoe te geven; want het is eene stellige waarheid, dat zulke huwelijken nog nooit zonder schade aan de ziel hebben plaats gehad, en immer noodlottige gevolgen hebben zoo niet rechtstreeks, dan toch bij het volgende geslacht.

Laat u dus nimmer begoochelen door de wijsgeeren dezer eeuw, noch u hun evangelie als waarheid voorleggen, al mocht men dit als met bewijzen willen staven, wanneer fortuin, voorspoed, gezondheid, en alle ondernemingen medeloopen, ja zelfs tot den dood toe, alsof het een bewijs van Gods goedkeurig droeg. Denk dan steeds aan deze waarheid, dat God alles beloont, zoowel hier op aarde als hiernamaals, en dat zoo iemand hoogst waarschijnlijk al het goede op aarde tot zijnen dood toe als eenige belooning ontvangen heeft, om

-ocr page 22-

— 20 —

hiernamaals de rechtvaardigheid van God te ondervinden wegens zijn aangegaan gemengd huwelijk, dat mogelijk in zijne oogen nog tamelijk goede vruchten heeft ingeoogst, doch waarvan het zaad als van verbasterden oorsprong allengs door al geheele hederf zal ondergaan.

Werk, zooveel het in uwe macht en uw vermogen is, de aanknooping van zulke gemengde kennissen onder uwe minderen tegen, en tracht voural te beletten het zoogenaamd onderhonden van meisjes in kamers of het verschaffen van een huis in of buiten de gemeente.

Wat zijn hiervan meestal de gevolgen ? niets anders dan verleiding, onwettige kinderen, wanorde, ellende, verachting, ja zelfs kindermoord, en meestal geen huwelijk.

Dit kwaad, (dat, helaas! te zeer in het leger heeft wortel geschoten,) schijnt bijna niet tegengegaan, ja zelfs bevorderd fe worden; want ware dit niet, dan zoude zulks reeds lang uitgeroeid zijn, wijl daartoe middelen genoeg voorhanden waren. Ieder gemeentebestuur konde het beletten door verschillende middelen, en ook ieder chef had de macht c.it te ontbinden door bedreiging en door strenge maatregelen daartegen aan te wenden.

Is het ook geene schande voor het hoofd van een Korps, dien men uit een godsdienstig

-ocr page 23-

oogpunt als Vader van al zijne ondergeschikten moet beschouwen, zich aan het hoofd geplaatst te zien van al deze ergernissen, die hij onder medewerking zijner Officieren had kunnen tegengaan\'? Doch genoeg hierover; de rekenschap hiernamaals eens af te leggen, hoop ik, zal menigeen tot inkeer doen komen en datgene herstellen, wat uog hersteld kan worden.

2. — Voor den Onderofïicier en den Korporaal.

I

Alles wat hier hoven voor den Officier gezegd is, is mede, op eeuige uitzonderingen na, op hen toepasselijk.

t Daar zij evenwel, om zoo te zeggen, door een aanhoudend verblijf in de kazerne te huis behooren, (vooral de Korporaal, die dezelfde kamer als de manschappen bewoont,) en zij dus voortdurend een waakzaam oog op de manschappen moeten hebben, zoo wordt hun ten sterkste aanbevolen niet al te vertrouwelijk met hunne ondergeschikten om te gaau. Wil dus een Onderofficier zijnen graad doen eerbiedigen, dan moet hij zich nimmer in gelag-

I kamer of herberg met zijne minderen begeven, om daardoor den te vrijen omgang met hen te beletten en hoegenaamd geen onderscheid kamer of herberg met zijne minderen begeven, om daardoor den te vrijen omgang met hen te beletten en hoegenaamd geen onderscheid

-ocr page 24-

— 22 —

te maken in het vervullen zijner plichten jegens hen.

Wil de Onderofficier ook geëerbiedigd worden door den Korporaal, dan moet hij zich in of huiten dienst nooit op eenen al te gemeen-zamen voet met hem stellen, en datgene van hem vorderen, wat zijn graad, recht en billijkheid vorderen mogen en kunnen.

Geef steeds een goed voorbeeld, vooral in uw godsdienstig gedrag, en spoor zelfs uwe minderen aan, dit te volgen, door hun onder het oog te brengen, dat een Militair, die zijnen God getrouw dient, ook zijn vaderland getrouw zal zijn, zijne plichten in alle deelen goed vervullen, de achting en vriendschap van zijne chefs en kameraden voortdurend inoog-sten, en steeds opgeruiiml, met goeden moed, zonder tegenzin de militaire loopbaan zal bewandelen.

3. — Voor de Minderen.

Lees de algemeene en bijzondere Regels, te voren vermeld, na; daarin zult gij genoeg stof vinden, om uw gedrag in alle opzichten te onderzoeken, en datgene te verbeteren, wat nog niet daarmede overeenstemt.

Gehoorzaam onmiddellijk aan de bevelen,

-ocr page 25-

u door uwe meerderen gegeven, spreek nimmer tegen, en doet men u onrecht aan, tracht het dan op eene gepaste wijze onder de oogen te brengen; doch wordt u dit belet, draag dan met geduld uw kruis, onderwerp u aan Gods wil met eenige verzuchtingen, en weldra zal u deze onrechtvaardigheid minder zwaar vallen, ja zelfs heilzaam worden.

Wordt gij op eene onbillijke of onwettige wijze gestraft, gedraag u alsdan overeenkomstig de voorschriften, onderga met geduld en lijdzaamheid de u opgelegde straf, en beklaag u alsdan daarover door die middelen, welke daarvoor zijn aangegeven.

Spreek nooit een ongepast woord tegen uwe kameraden, en veel minder tegen uwe meerderen.

Laat u nimmer verleiden, om slechte wegen te bewandelen, of onwaarheid te zeggen tot dekking uwer eigene schuld of van die van anderen. Kom integendeel rondborstig voor de waarheid uit, en zoo iets u zeiven niet aangaat, en men u niet tot getuigen daarin roept, verraad alsdan uwen evenmensch niet, tenzij het eene zaak van belang ware, of wel die de eer van God en zijnen H. Dienst betrof.

Laat u nimmer misleiden of omkoopen door uwe meerderen tot het overbrengen van boodschappen, die aan uwe ziel schade zouden

-ocr page 26-

— 24 —

doen, al mocht men u daarvoor eene groote belooning aanbieden, of met straf bedreigen; uw geweten moet ongeschonden zijn, en uwe ziel rein bewaard blijven.

quot;Wees steeds tevreden met hec voedsel, u door de reglementen voorgeschreven, en beklaag u nooit daarover, dan in hooge noodzakelijkheid, en als er schijn of liever zekerheid van bedrog bestaat, en zulks met bewijzen te staven is.

Wees spaarzaam en zindelijk op uwe kleeding en soldij, en gedenk den armen, hoe gering ook uw inkomen moge zijn; want eenmaal zal u dit met gewin, zoo niet in dit leven, dan toch zeker hiernamaals, teruggegeven worden.

En gij jonge Miliciens, die tegen wil en dank onder de wapenen moet komen, om voor eenen tijd het juk van het militair leven te dragen, gij vooral dient behoedzaam en omzichtig te zijn in uwen omgang met andereu en de keuze uwer vrienden.

Houdt u in den beginne bij uwe lotgenooten en vooral bij hen, die ge bijzonder kent. Weest zoo min mogelijk in de kazerne, wanneer gij niet noodig hebt daarin te blijven. Gaat naaide Kerk, beioekt goede en godsdiensiige lieden, of gaat wandelen ; al deze uitspanningen zullen u meer nut aanbrengen, dan het verblijf in het kwartier, alwaar zoo menige ziel verloren gaat.

-ocr page 27-

— 25 —

Voor al het overige verwijs ik u naar de lezing en overweging van al hetgene vroeger geschreven staat.

4. — Gedrag op de verschillende wachten, by de exercitiën, op marsch, en in het nachtkwartier.

De militaire reglementen en voorschriften, waarin over deze stof gehandeld wordt, geven genoegzaam aan, hoe het gedrag van den Kommandant en de ondergeschikten op eene wacht moet wezen, opdat zij in alle deelen aan dezen plicht voldoen.

Evenwel kunnen er zich omstandigheden voordoen, waarin de reglementen niet voorzien hehhen, en die ook niet hij dezelve te huis hehooren, als zijnde eene geheel geestelijke zaak, die een ieder dus met zijn geweten moet regelen, en waarin trouwens de Militair, die God steeds voor oogen houdt, nimmer zal dwalen.

Het kan gebeuren bij poort wacht, alwaar niemand na poortsluiting, zonder toestemming van den garnizoenskommandant, in of uit mag en de sleutels dier poort des nachts hij de wacht blijven berusten, dat soms de een of

2

-ocr page 28-

ander waclitkommandant daarvan misbruik maakt, en eenen vriend of betrekking dezelve laat binnenkomen of uitgaan.

Dit zeffde kan plaats hébben bij eeue Politiewacht ten opzichte van het verlaten van het kwartier, na bezetten tijd, door eenen daartoe niet gemachtigden; alsmede door arrestanten des nachts wegens koude de provoost of de politiekamer te doen verlaten; of ook wel door dekens, vuur, tabak, sterken drank enz. te doen bezorgen; al hetwelk met de voorschriften strijdig is.

Bij alle wachten kan het soms gebeuren, dat men hulp (assistentie) moet verleenen in nabij gelegen huizen, alwaar soms vechtpartijen plaats hebben, en wel bijzonderlijk in die huizen, welke men openbare of publieke huizen noemt. Men moet zich nimmer vrijwillig aanbieden tot die gevraagde assistentie, en die huizen nooit binnengaan dan bij hooge noodzakelijkheid en op bevel. Volbreng alsdan den last, die u gegeven is, tot herstel der rust, en vestig enkel en alleen uwe blikken op datgene, wat noodig is, doch laat nimmer uwe oogen rondgaan op hetgene daarin omgaat, opdat het eea of ander voorwerp, dat soms uwe nieuwsgierigheid opwekt, u niet in bekoring leide, die u misschien reeds op de wacht zelve, of wel na aflossing daarvan een diepen val zou kunnen berokkenen.

-ocr page 29-

Voor de exercitie drage men zorg steeds bij tijd gereed te zijn, om zindelijk en in het bepaalde tenu bij het appèl ter exercitie tegenwoordig te wezen.

Dat men geene verveling, geene traagheid bij de exercitie aau den dag legge; dat men oplettend zij op alles, wat bevolen of gekom-mandeerd wordt, nooit tegenspreke en hoe vermoeiend hetzelve ook zij, met geduld en onderwerping zich daarin gedrage, steeds voor oogen hebbende dat, al zoudet gij ook niet uit vrije keuze dezen stand aanvaard hebben. God u toch dit kruisje toezendt, om het in den naam van O. H. Jezus Chriitus ter zijner liefde te omhelzen.

Op marsch zijnde gedraag u zooals uwe reglementen en voorschriften het aangeven. Ga nimmer zonder toestemming buiten het gelid. Maak bij verhitting geen gebruik van te zeer verkoelende dranken, en vooral niet een onmatig gebruik van sterken drank; ja zelfs gebruik hiervan zeer weinig of beter niets, dan zal u de marsch veel minder vermoeiend vallen, dan wel aan hen, die zulks vooral bij den afmarsch met overdaad gebruiken, onder voorwendsel dat dit vocht hun goeden moed, of courage, geeft en onvermoeielijk maakt. En wat zijn meestal de gevolgen er van voor die jeneverhelden? dat men met hen

-ocr page 30-

juist de meeste moeite heeft. De een kan niet voort, moet op een kar of wagen geladen worden, wil men dien schat niet achterlaten ; de ander laat het daarbij nog niet, begaat schandaal op schandaal; de chef, die zijne plichten kent, en dus het doel der transportwagens weet, handelt streng, legt hem buiten het spoor van den weg, gaat met zijne troepen voort, hem aan zijn lot overlatende, of des noods eenigen bijstand achterlatende, om hem in staat te stellen weder bij de troepen te komen, of wel in het nachtkwartier zijn loon te gaan ontvangen.

Spreek en zing nimmer op marsch, tenzij dit vergund worde, en gedraag u daarbij zoo ala bij de bijzondere regels voor den Officier is voorgesteld.

In het nachtkwartier aangekomen, gedraag u aldaar zoo als u voorgehouden wordt. Wees tevreden met het u gegeven biljet, tenzij dit voor een huis bestemd ware, dat tegen de zedigheid strijdend is: beklaag u dan daarover bij tijds, opdat dit veranderd worde.

Wees tevreden met de ligging en het voedsel, dat u aldaar gegeven wordt; uw reglement schrijft voor wat men u per dag geven moet; voldoet dit niet aan de verdachten, en zijn soms de menschen, bij wie gij ingekwartierd zijt, zoo behoeftig, dat zij niet beter kunnen,

-ocr page 31-

wees alsdan tevreden met uw lot, toon mensch-lievendheid, en mededeelzaamheid; dit zal u schatten voor uwe ziel, en de eer en achting voor uwen stand verwerven.

Spreek nimmer over geloofsaangelegenheden, vooral niet bij andersgezinden.

Bespeurt gij, dat gij bij Roomsch-Katholieken zijt, (hetgeen gemakkelijk ontdekt kan worden, indien zich bij hen een Kruisbeeld, of wel platen en beeltenissen van Heiligen bevinden,) vraag dan den weg naar de kerk, de uren, waarop de H. Diensten er verricht worden, enz. Zoo zijt gij in staat dien dag beter te kunnen doorbrengen dan wel anderen, die gewoonlijk bij zulk eene gelegenheid alles doorsnuffelen, om aan hunnen lust te kunnen voldoen, en die, (men ziet het helaas meestal,) van den marsch in het garnizoen terugkomende terstond het hospitaal voor eersten intrek bekomen, om aldaar hun schandelijk gedrag, in het nachtkwartier gehouden, te gaan uitboeten.

5. — Gedrag wanneer men vóór den vijand, in een vyandelijk land, vóór vijandelijk vuur, gewond en doodelijk gewond is.

Wanneer gij u vóór den vijand bevindt, zoo vermijd allen omgang met onbekende personen.

-ocr page 32-

— \'30 —

Kom stipt de gegevene bevelen na, maak nimmer anderen bekend met uwe bekomene instructiën, tenzij zulks geoorloofd en noodzakelijk zij. Bewaar voor u als heilig het u toevertrouwd parool, contra-signe en woord.

Ga nooit diiar, waar uw plicht u niet roept, en begeef u niet roekeloos op eene plaats of een punt, waar gij niet noodig zijt, en uw leven in gevaar stelt, indien gij zulks alleen wilt doen om mogelijk te slagen, of wel om uwen verkeerd geplaatsten moed aan den dag te leggen.

Denk meer aan God, dan in uw gn.rnizoen; niet omdat ik veronderstel, dat zulks in uw garnizoen niet zoo noodig is, neen zeker niet, want altijd moet gij aan God denken, altijd moet gij bidden, altijd moet gij alles om God doen en laten; maar voor den vijand moet gij steeds bereid zijn, op het oogenblik zelf voor Gods rechterstoel te verschijnen, om rekenschap te geven van het u toevertrouwd rentmeesterschap.

In een woord, vóór den vijand, moet gij, zooveel het in uw vermogen is, u in staat van genade bevinden; en wat ik dus iedet Militair in het bijzonder aanbeveel, is dit; dat hij, alvorens zich op marsch te begeven om vóór den vijand te verschijnen, eene goede biecht spreke, en zoo het mogelijk is, tot de H. Tafel

-ocr page 33-

— 31 —

nadere, en deze H. Sakramenten in den geest als teerspijs ontvange; want dit zal voorzeker niet alleen aan God aangenaam zijn, maar hem zeiven tevens ook tot heil strekken, om in den strijd dapper, rechtvaardig en plichtvervullend te handelen. Mochten de raadsbesluiten van God het willen, dat gij sneu relt, wees dan verzekerd, dat Hij u hij uw laatste uur zijne genade niet zal onttrekken. Draag steeds hij u een gewijd Kruisbeeld, medaille en scapulier, in welker broederschap ik aanbeveel u als lid te laten opnemen.

Mocht het Gods wil zijn, dat het vuur zich opende terwijl gij vóór den vijand geplaatst zijt, o waarde Militair, wees dan niet bevreesd, en toon zulks vooral niet door uw uiterlijk, want deze kanker zoude al zeer licht anderen kunnen besmetten; en wat zoude het u baten dat te zijn? uw toestand zoude daardoor niet verbeteren, het gevaar, waaraan gij blootgesteld zijt, blijft het zelfde, ja het wordt erger, want ging uwe moedeloosheid op anderen over, uwe positie zoude weldra ten opzichte van die des vijands verzwakken en uw gevaar vergrooten.

Neem ook nimmer uwe toevlucht tot het voorwenden van ziekte, die u bij de reserve^ zoude kunnen terug doen komen, of wel bij de ambulance brengen, en wees steeds verzekerd, dat, wat het gevaar betreft, de meeste kogels

-ocr page 34-

over de hoofden der strijdenden gaan, en dikwijls de troepen treffen, die achter deze linie staan. Denk vooral, dat God, die almachtig is, u niet zal laten verwonden of doen sterven, indien het met zijne raadsbesluiten niet overeenstemt, en dat, bij aldien het lot van te sneuvelen u mocht treffen. Hij steeds over zijnen getrouwe zal blijven waken, opdat diens ziel voor eeuwig bij God gelukkig zij.

Gedraag u in het vijandelijk land omzichtig in uwen omgang en gesprekken; laat u nooit iets ontvallen, dat tot voordeel van den vijand konde strekken.

Zijt gij op bivouac of in nachtkwartier, zoo geef u nimmer over aan gewelddadigheden of iets dergelijks jegens de inwoners. Denk steeds dat ook zij eenmaal in uwe positie kunnen komen, en gij dan ook niet verlangen zoudet, dat men alzoo met u handelde.

Denk verder na, dat de toestand, waarin deze inwoners zich bevinden, niet de gelukkigste is, maar uit dwang hun is opgelegd; eindelijk dat de oorlog door den staat wordt gevoerd, en niet door de inwoners, evenzoo als gij voor uwen vorst en vaderland met de wapenen moet strijden, en niet rechtstreeks voor u zeiven.

Is er gelegenheid van ter Kerke xe gaan, doe zulks, en volbreng meerdere godsdienst-

-ocr page 35-

plichten als gij kunt; doch breng daardoor uwe positie en die van uw regiment niet in gevaar, door, bijvoorbeeld, in eene afgelegene Kerk of of op een nabijliggend dorp te gaan, en u bloot te stellen van door den vijand omsingeld te worden.

God, die uwen goeden wil kent, wordt steeds nauwgezet gediend, wanneer men zijne plichten nauwkeurig vervult, en datgene volbrengt, wat mogelijk en niet schadelijk is. Want wat zoude het voor eenen godsdienstplicht zijn, bij aldien men op eenen Zondag in bovengenoemde positie zich bevond, de H. Mis aldaar bijwoonde, en zoo doende, door zijne schuld, zich omsingeld zag, in vijands handen viel, en wellicht het doel door uw korps beoogd geheel verviel.

Waarde Militair! God in alles te dienen is uw plicht; maar die plicht wordt, helaas! zoo weinig gekend, en zoo weinig beoefend, dat men zeer dikwijls in de meening is, zijnen godsdienstplicht vervuld te hebben, en denzelven verwaarloosd heeft.

Wanneer het lot u treft en gij gewond wordt, ja zelfs doodehjlc gewond, zoo geef u alsdan geheel aan Gods wil over, wordt niet mistroostig en kleinmoedig in uw lijden, onderwerp u aan alles, wat de geneesheer aan u doen zal. Moet een arm, been of een ander deel uws lichaams afgezet, of anders behandeld

-ocr page 36-

— 34 —

worden, lijd met geduld en onderwerping, en houd steeds voor oogen uwen goddelijken Jezus, die zooyeel heeft moeten lijden, en den hitteren kruisdood steryen voor ons allen, die denzelven verdiend hadden, en dit alleen uit liefde voor ons.

Neem uwe gewijde voorwerpen in uwe handen, kus dezelve met eerbied, liefde en onderwerping, vooral uw kruisbeeld; breng het aan uwe oogen en alle zintuigen, en vraag vergiffenis over alle zonden, welke gij daarmede gepleegd hebt; (vele aflaten, en ook een volle aflaat in het uur des doods zijn daaraan toegevoegd,) en geef uwen laatsten snik onder het uitspreken der namen van Jezus, Maria, Jozef, om uwe ziel aan God haren Schepper terug te geven.

Vergeet vooral niet de H. Maagd Maria, de Koningin der Martelaren, de H. Moeder Gods en ook uwe en ons aller moeder. Zij zal uwe voorspraak bij Jezus zijn.

Koep ook den H. Jozef aan, die, zooals de overlevering zegt, tusschen de armen van Jezus en Maria gestorven is, en als patroon van eenen zaligen dood wordt aanbevolen, opdat hij voor u deze genade verwerve.

Vergeet eindelijk ook niet uwe beschermheiligen , uwen Engelbewaarder, enz.; allen wachten naar uwe aanroeping om u hulp en bijstand aan te brengen.

-ocr page 37-

— 36 —

En gij, brave Militair, die hierbij tegen-woordig zijt, vergeet niet uwen broeder, met wieu gij in liet lot deeldet. Bid, zooveel gij kunt. voor zijne ziel. Begraaf zijn stoffelijk overschot op eeue betamelijke plaats, en plant op hetzelve een eenvoudig kruisje, van takjes vervaardigd. Neem nogmaals afscheid van dit » zalig overschot, en herdenk zijne ziel in uwe godvruchtige gebeden, en daarna weder tot rast gekeerd zijnde, in de H. Offerande der Mis.

6. — Gedrag in het hospitaal, of de infirmerie.

Zoodra gij aldaar zijt aangekomen, onderwerp ii aan alles, wat met u zal gedaan worden, en kom stipt de bevelen na, welke u zullen opgelegd worden.

Volg nimmer het voorbeeld, hetwelk velen, helaas! maar al te dikwijls geven, door in het geheim voedsel, dranken en andere zaken te doen binnen brengen, omdat (naar hun zeggen) zij anders van honger, dorst en andere oorzaken zullen omkomen.

Wees steeds overtuigd, dat de geneesheer, die u behandelt, beter weet dan gij, welk voedsel, hetzij spijs of drank, en welke hoeveelheid tot uw herstel nuttig zijn, en dat

-ocr page 38-

— 36 —

bijaldien het u heilzaam is daarvan meer te w gebruiken, het n ook zeker zal gegeven worden. lt;quot; la Beklaag u nooit over de geringe soldij, u w, aldaar uitbetaald; het u ingehoudene moet oj strekken tot bestrijding der kosten voor de zieken; hoe dikwijls heeft het niet plaats, dat M een militair zoodanige behandeling ondergaat, he die verre het bedrag zijner soldij te boven gaat. gt; zu Wees dus hiermede tevreden en gedraag u to in alles zoo, dat niet alleen de geneesheeren m over u tevreden zijn, maar ook eer van hunne behandeling ondervinden. ^ hf Verlangt gij tijdens uwe ziekte uwen biecht- ki vader, of eenen vriend te spreken, zoo kan of re mag u dit nimmer ontzegd worden, en werden sn hierin bezwaren gemaakt, vraag dan naar den • cj Kommandant uwer Kompagnie, of eenen Officier de of onderofficier derzelve, die Koomsch Katholiek is, ten einde deze voor u zorge in uwe billijke w: verlangens. be Verzuim niet uw geweten van tijd tot tijd w: aan uwen zielzorger open te leggen, en door k\\ zijne tusschenkomst de H. Communie te ontvangen en vrees geen menschelijk opzicht w: daarin, al waart gij daar ook omringd van ha andersgezinden. Uw godsdienstig gedrag daarbij ni zal integendeel anderen stichten, en wie weet 01 misschien zelfs tot inkeer brengen. ni Mocht u evenwel dit alles mislukken, en 4 d(

-ocr page 39-

— 37 —

wordt gij teleur gesteld in uw dringend verlangen van de H. Communie te ontvangen, word alsdan niet moedeloos, maar blijf steeds op God vertrouwen, die u nimmer zal verlaten.

Neem vooral uwe toevlucht tot de H. Maagd Maria, alsook tot die Heiligen, in welke gij het meest uw vertrouwen heht gesteld; zij zullen u niet verlaten, maar al datgene, wat tot uwe zaligheid strekken zal, door hunne machtige voorspraak bij God voor u verwerven.

De H. Stanislaus Kostka levert u hiervan het sprekendste bewijs. Dit heilig kind zijne krachten van dag tot dag voelende verminderen, verdubbelde zijne gebeden en aanhoudende smeekingen bij allen, die bij hem kwamen, cpdat zij zijnen huismeester ten zijnen voor-deele zouden spreken.

Deze was een stijfhoofdig onkatholiek, bij wien hij met zijnen broeder Paulus en zijnen bestuurder Bilinski inwoonde, en die bem wreedelijk vervolgde ten tijde, dat hij aan de kweekschool te Weenen studeerde.

Keeds lang riep hij de II. Barbara aan, tot wie hij eene groote godvrucht had, om door hare voorspraak de gunst te bekomen, van niet te sterven zonder de H. Sakramenten ontvangen te hebben. Zijne gebeden bleven niet onverhoord, want toen hij op zekeren nacht door de hevigheid zijner ziekte niet kon slapen,

-ocr page 40-

— 38 —

zag hij neven zijn bed de H. Barbara met twee Engelen verschijnen; een hunner droeg het H. Sakrament. Stanislaus richtte zich vol vreugde op eu zette zich in zijn bed op de Sl

knieën. In dien staat had hij tegenwoordigheid van geest genoeg om zijnen bestierder, die bij in

hem waakte, te vermanen van Onzen Heer te aanbidden. Daarna zeide hij met luider stemme . ^i het gebed, dat men gewoonlijk vóór de H. Wl

Communie leest, en na de H. Hostie ontvangen 80

te hebben, legde hij zich weder in zijn bed neder, en bleef lang in eene stilzwijgendheid en ingetogenheid, die genoegzaam aanduidde, ^e

dat er in hem iets buitengewoons omging. lij

Van deze ziekte hersteld, had hij nog een- a\'

maal het geluk, van op zulk eene wonderdadige ëa

wijze de H. Communie te mogen ontvangen. vo

Gij ziet dus, waarde Militair, dat hoe het va

ook met ons in dit tijdelijk leven, eu zelfs in G(

den militairen stand, wat ons geestlijk heil va

betreft, kan tegen loopen, de goede God zijne ëe

kinderen nooit verlaat of verlaten zal, indien wij hem van onze zijde ook niet verlaten: ja, iy

dat zelfs alles, wat onmogelijk beschouwd wordt,

voor God even mogelijk en gemakkelijk is.

Wanneer evenwel uw laatste uur nadert, en gij dit zelf ontwaart of wel u dit bekend ge- ee

maakt wordt, draag dan zorg, dat uwe tijdelijke bij

aangelegenheden in orde gemaakt worden. u

-ocr page 41-

— 39 —

et Hebt gij soms nog eenige schuld te voldoen,

.g doe zulks, indien gij dit kunt, hetzij door uwe

ol in bewaar zijnde geldmiddelen, of door uw te

le goed op uw kleedingsfonds, en raadpleeg daar-

id over bijtijds eenen Officier uvver Kompagnie,

iij in wien gij het meest vertrouwen stelt,

te Neem afscheid van uwe vrienden en allen,

^ , die u omringen; vergeef allen, die u vijandig j waren, en vraag vergiffenis aan allen, die gij

!n soms zoudt kunnen beleedigd hebben,

id Spreek uwe laatste biecht, ontvang de H.

id Sakramenten der stervenden met liefde, vurig-

ei * heid en geheele onderwerping aan den godde-lijken wil. Blijven er nog oogenblikken over, alvorens gij vf\'ór uwen goddelijken Schepper re J gaat verschijnen, besteed deze alsdan geheel voor God; zeg de aarde en al wat zij bevat, jt vaarwel, en leef, deuk en spreek alleen met

n God en zijne Heiligen, tot dat het oogenblik

il van scheiden daar is, om voor eeuwig bij God

[e gelukkig te zijn.

a\' 7. — Gedrag voor hen, die met eenige

administratie belast zijn.

n Eerlijkheid staat hier op den voorgrond, eu

i- eene aanhoudende herinnering aan uwe belofte

e bij het in dienst treden, of aan den eed door

u als Officier afgelegd.

-ocr page 42-

— 40 —

Plaats nimmer uwe handteekening onder een stuk, dat onwaarheid inhoudt, of waar aan gij twijfelt dat zulks zoude kunnen bevatten.

Laat u nooit papieren ter teekening voor-schuiven, zonder eerst u overtuigd te hebben of dezelve in orde zijn.

Volbreng altoos de mutatiën en alle verandering van het personeel op haren tijd, en nimmer te vroeg, maar ook nimmer te laat.

Sta nooit toe, dat verleende verloven te vroeg worden ingegaan, of dat men, na verschijning van het verlof eenige dagen (of zelfs maar eenen enkelen dag) later terug kome, en dat des niettegenstaande de mutatie van vertrek of terugkomst (of van beiden) op den bepaalden dag, zooals het behoorde te zijn, opgeteekend worde.

Zijt gij kommandeerend Officier, verplicht om over alles te waken, wat eerlijkheid, recht en belang van den dienst betreft, geef dan een goed voorbeeld in alles, houd een wakend oog op uwe minderen, en maak geen misbruik van uw gezag door oneerlijke handelingen.

Is u een verlof toegestaan, b. v. van veertien dagen, en is het uw verlangen dat dit verlengd worde, vraag het dan, doch teeken geen stukken in blanco, en vertrek niet vroeger om intusschen uwe presentie te veinzen, en een weinig oneerlijk geld in den zak te steken.

-ocr page 43-

I

— 41 —

Uwe minderen, en vooral hij, die uwen dienst tijdelijk bekleedt, laten dit mogelijk toe, uit vrees van slecht aangezien te worden, ja misschien uit vrees van wraak; hetgeen zeker wel wat erg gedacht, maar toch mogelijk is; want hij, die tot het eene in staat is, zou ook het andere, zonder eenig gewetensbezwaar, kunnen verrichten.

De almachtige God, die alles ziet en alles doorgrondt, laat zulks toe, uit inzichten voor ons onbevattelijk; doch zijn doel daarmede zal, misschien reeds hier op aarde of zeker in de eeuwigheid, ons bekend worden.

Ontvangt gij een order om buiten uw garnizoen eenen dienst te verrichten, maak dan uwe declaratie van reis- en verblijfkosten naar getrouwheid op, en doe niet, zoo als dikwijls wordt, b. v. met eenen last te volbrengen, die u drie dagen afwezigheid toestaat, en in éénen dag kan verricht worden, en dien gij ook in éénen dag volbrengt, en dan toch de declaratie voor drie dagen te maken.

Gij bedriegt daarbij den garnizoenskomman-dant van uwe tijdelijke verblijfplaats, door hem eene handteekening te doen zetten om eene onwaarheid te bekrachtigen, en van de andere zijde verklaart gij door uwe eigene handteekening, dat de declaratie naar waarheid is opgemaakt, niettegenstaande gij daarmede de grootste

-ocr page 44-

leugen doet. Deze leugen en wijze van liegen wordt zoo dikwijls oogluikend toegelaten, dat het als een aangenomen iets wordt beschouwd; want chefs zeiven, die daarvan de overtuigendste bewijzen hebben, zeggen er niets van en laten zulks toe.

Moet gij lotelingen uit eene zeer wijd afgelegene provincie afhalen, om onder de wapenen te komen, en bevinden er zich onder hen, die uit de hoofdplaats der provincie, onder welke zij te huis behooren. bij het marcheeren naar het garnizoen dicht langs hunne verblijfplaats voorbij gaan, verleen dan nimmer toestemming om daar een bezoek af te leggen, en bij het volgende of wel latere nachtkwartier weder bij den troep te komen, want wat is het gevolg daarvan?

1. Dat één of meerdere manschappen geen inkwartierbiljet noodig hebben.

2. Dat de soldij, welke per dag uitbetaald wordt, niet kan uitbetaald worden.

3. Dat de monsterrol, die het geheele personeel, bij den afmarsch present, moet inhouden, onwaarheid zal bevatten, en gij u tevens aan eene grove leugen zult schuldig maken.

4. Daar de kwitantiën voor huisvesting en voeding, tot staving der monsterrol, ook het geheele personeel moeten inhouden, benevens het J bedrag^? der aan ieder gemeentebestuur

-ocr page 45-

— 43 —

betaalde gelden, geschiedt het door omkooping van het gemeentelid, die dit totaal in zijn geheel plaatst, dat het bedrag, waarvoor geene biljetten zijn genomen, of wel door hem, of wel door den kommandant van het detachement, of wel door beiden, in den zak wordt gestoken.

Welk eene aaneenschakeling van bedrog; ik wil nu wel niet zeggen van opzettelijk bedrog, want het kan gebeuren, dat menschlievendheid en zwakheid daarvan oorzaak zijn. Doch genoeg is het, dat men daarbij zijne eer, en vooral zijn geweten bezoedelt.

Denkt men ook wel genoeg na, hoe de menschen, met wie wij in ieder vreemd nachtkwartier omgaan, hierover oordeelen? Is iemand een schurk, dan ziet hij tevens dat er meer zijn en ook de Militair onder deze behoort. Is hij daarentegen een eerlijk man, zoo doet hij zoo iets niet, en brengt daardoor den detachementskommandant in de grootste verlegenheid. Doch is hij toegevend, of wellicht bij gebrek aan verstand blind, dan begaat hij dezen misstap onwetend, vult den zak van den geleider, en ziedaar de zaak op het papier, dat blindelings gehoorzaamt, afgeloopen.

Wat nu zijn geweten aangaat, dit wordt in den beginne in slaap gewiegd; doch weldra ontwaakt het] en heeft geen rust voor aleer alles hersteld is.

-ocr page 46-

— 44 —

Van eene andere zijde, zoodra uw geweten ontwaakt, komt bij u stellig de gedachte op, \' vooral indien gij dit niet nit slechtheid bedreven hebt; wat zal men van mij denken, zoo al niet zeggen, over dit gehouden gedrag enz. Zal zulks niet ruchtbaar worden, zal de zaak geene noodlottige gevolgen hebben?

Doch stel u gerust, waarde Militair, indien ^ gij hieraan onschuldig zijt, en waak, opdat noch gij, noch anderen door uw deelnemen daaraan schuldig wordt.

Zijt gij echter schuldig aan deze misdaad, of wel zijn vroeger anderen in gevallen bij de administratie daaraan deelachtig geweest, zoo blijf uwe kalmte behouden, maar maak terstond het voornemen, daarover eene oprechte biecht te spreken. Verklaar de toedracht der zaak, • zoo als zij werkelijk heeft plaats gehad, en 1 volg den raad van uwen zielbestuurder, wiens raad Gods raad zijn zal, en wees overtuigd, dat de genade Gods tot u zal terugkeeren, en uwe ziel ware rust en kalmte zal genieten.

Ten slotte, hebt gij gelden, die u ter bewaring zijn toevertrouwd, wees dan steeds bereid en gereed dezelve op ieder oogenblik van den dag te verantwoorden. Nog vele, ja zeer vele gevallen kunnen zich voordoen, waarin het punt van eerlijkheid schade dan lijden;

doch ik vlei mij genoeg hierover gezegd te

-ocr page 47-

— 45

hebben, om anderen, die dit zouden kunuen aangaan, tot nadenken te brengen, om meer orde in hunne zaken te stellen, en datgene te herstellen, wat kan en moet hersteld worden.

8. — Gedrag van den Militair by de Biecht.

Hoe noodzakelijk het H. Sakrament van boetvaardigheid voor ons is, zal men niet betwijfelen, indien men den toestand der ziel eens gaat vergelijken bij dien van ons lichaam, en let op het gevaar, waaraan de ziel gedurende ons verblijf hier op aarde is blootgesteld.

Het lichaam is onderhevig aan vele kwalen, als: ziekten, wonden, verborgene kwalen enz. Wat doet men niet om daarvan bevrijd te worden ? Immers alles, wat moeielijk en bitter is, neemt men geduldig aan, om daardoor genezen te worden.

De geneesheer, die den zieke zal behandelen, kan dan eerst te werk gaan, wanneer de zieke zijne kwaal openbaart, dezelve, om zoo te zeggen, van haren oorsprong af openlegt; ja zelts de verborgene kwalen (die ik uit kiesch-heid niet wil opnoemen) moet hij aantoonen, alvorens behandeld te kunnen worden.

Dit lichaam nu, dat hier op aarde zoo zeer

i

-ocr page 48-

- 46 —

geliefkoosd wordt, waaraan niets mag ont- 1 breken, en waarvoor alles gedaan wordt, dik- , wijls zelfs tot verbeurdverklaring der ziel, zal eenmaal, en wel vroeger dan men meent, tot de aarde terugkeeren, en de ziel, dat hoogste pand, door God ons gegeven om bij Hem en met Hem voor eeuwig gelukkig te zijn, aan haar eigen lot overlaten.

Wat zoudt gij al niet doen, en wat niet laten) wanneer de geneesheer u verzekerde dat, bij aldien gij uwe kwaal in alle deelen aan hem openbaardet, en zijnen raad volgdet, hij op het oogenblik aan uw verlangen zou voldoen, en zeide; „ga heen, uwe ziekte is genezen, en waak over uw lichaam, opdat gij niei weder door uwe schuld de kwalen bekomt.quot; j

Voor zeker zal een ieder het met mij eens * zijn, dat hij het voorschrift stiptelijk zou nakomen, en zich alles getroosten, wat de geneesheer hem bevolen had.

Intusschen is de mensch zwak van natuur; spoedig vergeet hij, welk geluk hem is te beurt gevallen, valt weder, en is weder bereid, den raad des geneesbeers te volgen, die mogelijk daarin slaagt, doch ook mogelijk niet, en evenwel niets onbeproefd laat tot herstel van zijnen patiënt, voor zooverre deze daarin medewerkt.

Bij dit alles wordt de mensch vaa dag tot dag ouder; zijne kwalen hebben meer wortel

-ocr page 49-

— 4:7 —

geschoten, ja, om zoo te zeggen, is het lichaam met de kwaleu als in één gesmolten, zoodat noch hot een, noch het ander kan hersteld worden zonder gevaar van beiden uit te roeien.

Wat doet hij, nu dit, helaas! te laat is ingezien ? hij onderwerpt zich geheel aan de bevelen des geneesheers, die hem, zoo al niet reddeloos laat, dan, om mij zoo eens uit te drukken, wat oplapt, om het geheel nog zoo lang het duren kan bijeen te houden.

Soms ontwaakt nu zijn geweten; de ziel die steeds onbezorgd in dat lichaam huisvestte, en die gedurende de ballingschap hier op aarde van alle geestelijk voedsel beroofd was, gevoelt zich als uitgehongerd, en tracht naar verzadiging, om ook eenmaal dien gezonden toestand te herkrijgen, waarvan zij misschien sedert het ïï. Doopsel beroofd was, en dien zij niet eerder kan genieten, dan door tot haren Schepper terug te keeren.

Dikwijls, ja zelfs meestal, heeft deze ziel dit geluk niet, eu mocht zulks ook al in schijn voor de wereld plaats hebben. God alleen is het bekend, of deze bekeering oprecht was. Slechts ééne bekeering van dien aard levert ons het H. Evangelie op, die van den goeden moordenaar, en met recht, om ons daardoor te leeren, dat men bij zijn laatste uur nog Gods barmhartigheid kan ondervinden; doch ook

-ocr page 50-

slechts één voorbeeld, opdat men niet roekeloos en vermetel blijve ^oortzondigen, en zijne bekeering- tot den laatsten snik uitstelle. Want onze goddelijke Zaligmaker heeft immers gezegd, dat hij zal komen gelijk een dief in den nacht, en dus onze dood onverwacht zal zijn, zonder dat wij daarop gerekend hebben.

Waarde Militair, stel dus meer prijs op uwe ziel; behandel haar, zooals zij behandeld moet worden, en geef haar het geestelijk voedsel der H. Sakramenten niet slechts eens in het jaar, wijl de H. Kerk zulks gebiedt, maar ook, gelijk zij het van hare kinderen verlangt, meermalen \'s jaars.

De geneesheer uwer ziel is God; deze heeft daartoe zijne wettige dienaren hier op aarde aangesteld.

Het zijn de Priesters, door den Bisschop daartoe gemachtigd, die ook de geueesheeren uwer ziel zijn.

Openbaar daarom aan uwen biechtvader al de zonden, welke gij door gedachten, woorden of werken begaan hebt; stel u voor, deze belijdenis aan God te doen, en de ontbinding of absolutie van God te ontvangen. Want de Priester, als bedienaar van dit H. Sakrament,, spreekt en handelt in den naam van God, zoo als in het H. Evangelie beschreven staat, bij Joannes 20, 22. „Ontvangt den H. Geest;

-ocr page 51-

welker zonden gij vergeeft, die zullen vergeven zijn, en aan welken gij ze behoudt, die zullen behouden zijn.quot; Dit zijn de eigene woorden, welke O. H. Jezus Christus zelf tegen zijne Apostelen gesproken heeft.

Gij ziet dus, waarde Militair, dat, om den Priester met den toestand uwer ziel bekend te maken, gij al uwe bedrevene zonden moet openbaren; hij zoude anders over den toestand uwer ziel niet kunnen oordeelen, noch de middelen voorschrijven tot behoud derzelve, by aldien hij uwe zonden niet kende, evenals de geneesheer uwe kwalen moet kennen, alvorens zijne geneesmiddelen te kunnen voorschrijven.

Nu zult gij misschien zeggen: dit alles is waarheid; den geneesheer moet alles bekend gemaakt worden, maar God, die Almachtig is en alles weet, heeft zulks niet noodig; is het niet genoeg, dat men berouw heeft over zijne zonden ?

God vordert een vermorzeld hart, en heaft de belijdenis der zonden geboden, en daarbij de ontbinding of niet-ontbinding opgelegd; waaruit dus zonneklaar blijkt, dat men zijne zonden wel degelijk moet openbaren, opdat de Priester kunne oordeelen, of hij met recht dezelve mag ontbinden of deze moet doen houden.

Spreek dus, waarde Militair, steeds eene oprechte, berouwvolle biecht, ware het ook alle

-ocr page 52-

— 50 —

jjlli

P

weken, zelfs zoo dikwijls gij in doodzonden moogt gevallen zijn; uwe gewetensangsten zullen verdwijnen, uwe ziel zal hare kalmte en gerustheid herkrijgen, en steeds zult gij u bereid vinden voor de groote reis naar de eeuwigheid, om aldaar den Almachtige voor eeuwig te kunnen bezitten.

Wanneer gij bereid zijt voor de biecht, gedraag u alsdan stil en bedaard zoo wel elders als in de Kerk. Wees niet te overhaastig om in den biechtstoel te treden, maar washt uwe beurt af, en ga alsdan (zoo het goed geachieden kan) sa uw wapen, dat gij draagt, afgelegd te hebben, denzelven binnen.

Na uwe biecht gesproken en alles volbracht te hebben, wat de Priester u opgelegd heeft, verlaat alsdan, zoo uw plicht zulks vordert, het huis Gods, niet om u in het gewoel der wereld, vooral niet in de kazerne te begeven, maar daar, waar gij veilig denkt te zijn, om u bezig te houden en te bereiden voor den gropten dag der H. Communie.

Wanneer het uur daar is, dat gij u des avonds ter rust moet begeven, ga dan terstond dit doen, na alvorens uw avondgebed quot;olbracht te hebben, en sta des morgens bij tijds op, om, zonder oponthoud onder uwe kameraden, terstond het kwartier te verlaten, en u naar de Kerk te begeven, om de H. Communie te ontvangen.

-ocr page 53-

— 51 —

Had evenwel uwe biecht plaats in den morgen, dat gij de H. Communie ontvangen zult, zoo vervallen van zelve de voorgestelde maatregelen.

9. — Gedrag van den Militair by de H. Communie.

Nu nadert het oogenblik, dat gij uwe ziel het hemelsch hrood, dat mogelijk te zelden haar wordt toegediend, gaat doen genieten. Ik zeg, dat hemelsch hrood, dat aan de ziel haar leven teruggeeft, terwijl het aardsche hrood het leven des lichaams onderhoudt.

De Kerkvergadering van Trente noemt de H. Communie een middel, dat ons van dage-lijksshe zonden reinigt en van de doodzonde bewaart. Welaan dan, verzuim ook niets en maak een vast besluit van ten minste zoo te leven, dat gij alle acht dagen zoudt mogen communiceeren, en dat niet om tijdelijke bezigheden achter te laten. Want zeker is het, dat hoe meer gij met tijdelijke bezigheden overladen zijt, gij ook des te meer bekoringen tot zonde hebt te onderstaan, dat gij diensvolgens zoo veel grooteren bijstand noodig hebt.

Vraagt u de wereld, waarom gij dikwijls ter Communie gaat, antwoord haar dan, dat het is om God te beminnen, om u te zuiveren

-ocr page 54-

— 52 —

van de onvolmaaktheden, verlost te worden van uwe ellenden, troost te zoeken in uwe benauwdheden en u in de zwakheden te versterken.

Zeg verder aan de wereld, dat er twee soorten van menschen zijn, die dikwijls moeten com-municeeren; de volmaakten, die kwalijk zonden doen met niet tot den oorsprong der volmaaktheid te naderen, en de onvolmaakten, om naar de volmaaktheid te streven en volmaakt te worden; de sterken om niet zwak te worden, en de zwakken om zich te versterken., de gezonden, om zich tegen allerlei ziekten te behoeden, en de zieken, om gezond te worden.

Voeg er bij, dat gij, onder de onvolmaakten, zwakken en zieken behoorende, noodig hebt dikwijls den Gever der volmaaktheid, den God der sterkte, en den Geneesheer van uwe ziel te ontvangen. Zeg tevens, dat degenen, die niet veel wereldsche bezigheden hebben, dikwijls moeten communiceeren, omdat zij er den tijd toe hebben, en dat degenen, die met arbeid en bezigheid overladen zijn, het ook moeten doen, omdat zij meermalen eene sterke spijs noodig hebben.

Zeg eindelijk aan de wereld, dat gij dikwijls ter Communie gaat, om te leeren wel te communiceeren: want men doet zelden eene zaak wel, als men er zich niet dikwijls in oefent.

-ocr page 55-

— 53 —

Als gij dus ter Communie zult gaan, zoo bereid u reeds den vorigen dag; vermijd alle gewoel en verstrooiende gezelschappen en zorg bij tijds in de kerk te zijn, om u waardig voor te bereiden. Woon de H. Offerande der Mis bij, waaronder of waarna gij zult communicee-ren, en woon vervolgens nog eene H. Mis tot dankzegging bij, indien dit plaats kan hebben.

Ontdoe u van het wapen, dat gij draagt, alvorens tot de H. Tafel te naderen; wacht het oogenblik af, om uwe plaats te verlaten, ten einde daar anderen, die u voorgaan, door geen nutteloos gedrang te ontstichten. Ga met de handen voor de borst samengevoegd naar de Communiebank, kniel aldaar neder, breng uwe hand onder het Communiekleed, hetzelve vóór u een weinig vlak (horizontaal) uitstrekkende, en wacht het oogenblik af, dat de Priester u de H. Communie uitdeelt. Open dan den mond, plaats uwe tong op de onderlip, sla, even als van uwe plaats gaande, de oogen nederwaarts, en ontvang uwen God met die liefde, die vurigheid, waarmede Hij zich aan ons tot spijze wil geven.

Zoodra gij het geluk hebt uwen God ontvangen te hebben, doe alsdan niet eerder uwen mond dicht, dan nadat de Priester zijne beide vingeren teruggetrokken heeft. Ga naar uwe plaats terug op dezelfde wijze als gij naar de

-ocr page 56-

I

— 54 —

H. Tafel gegaan zijt; kniel neder, sluit uwe va

oogen, opdat er geene afleiding aan uwe god- st(

vruchtige gevoelens gegeven worde, en over- en

weeg bij u zeiven het oneindig groot geluk, de

dat u ten deel is gevallen. tei

Doe niet zooals vele anderen, die nauwelijks in

op hunne plaats teruggekomen, zich terstond K( van een hoek bedienen, om daaruit hunne T

godsvrucht te putten. Integendeel laat het w;

oogenblik niet voorbij gaan, dat Gei zich zo

zelfstandig in uw hart bevindt. Deze oogen- uv

blikken zijn kostbaar en van eene veel grootere ve waarde dan gij wellicht denkt. \' ov

Aanbid alsdan God, die in u woont, dauk go Hem en vraag Hem al uwe benoodigdheden,

zoo voor uw eigen geestelijk en tijdelijk welzijn, J de

als dat uwer dierbaarste betrekkingen; doch dl

weet, dat gij nimmer iets tijdelijks moogt de

vragen, dat soms schade aan uwe ziel of die oo

uwer betrekkingen konde veroorzaken; en dus iei

om zeker te zijn, moet gij het voorwaardelijk br

vragen, daarbij voegende: „Heer niet mijn, te maar uw wil geschiede.quot;

Wanneer nu daarna uwe gevoelens beginnen be

te verzwakken en te verminderen, neem dan dv

uw gebedenboek, en lees daarin met aandacht, \'s

wat uwe godsvrucht het doelmatigste daartoe da

uitkiest. to

Verlaat nimmer, na de H. Communie ont- H

-ocr page 57-

— 55 —

vangen te hebben, de kerk te vroeg; denk steeds dat onze Heer Jezus Christus wezenlijk en waarachtig in u tegenwoordig is, zoolang de gedaante van het H. Sakrament niet verteerd is, en blijf ten minste een vierde uurs in overweging of gebed bezig, alvorens de Kerk te verlaten.

Ik zeg nogmaals: ten minste een vierde uurs, want een langer tijd wordt u aanbevolen. Ook zoude het eene groote ondankbaarheid zijn, uwen God, uwen Weldoener, zoo spoedig te vergeten, om u aan het gewoel der wereld over te geven. Breng den dag verder in ware godsvrucht door.

En nu een woord over het dikwerf ontvangen der H. Communie. — Het is de biechtvader, die den gewoonlijken en tegenwoordigen staat des gewetens zijns biechtelings kent, en het oordeel hierover moet vellen. Waarom het aan ieder hoofdzakelijk wordt aanbevolen zijnen biechtvader te kiezen, en hierin gewoonlijk niet te veranderen, dan om noodzakelijke redenen.

Volg dus daarin den raad door uwen Ziel-bestuurder gegeven, zoo zult gij nimmer in dwaling vallen. Veroorlooft hij, dat gij viermaal \'sjaars, alle maanden, alle weken, ja zelfs dagelijks communiceert, zoo eerbiedig zijne toestemming, en gedraag u daarin evenals de H. Catharina van Senen, die iemand, welke

-ocr page 58-

niet goedkeurde dat zij dagelijks tot de H. Tafel naderde, tot antwoord gaf: „de H. Augus-tinns laakt noch prijst dat, doe zulks ook niet, en daarmede zal ik tevreden zijn.quot;

Maar, waarde Militair, wat de H. Augustinus den geloovigen sterk aanraadt, en waarop hij aandringt is: alle Zondagen te communiceeren. Doe dit dan ook zooveel het u mogelijk is, evenwel onder die voorwaarden, dat uw hart gezuiverd zij niet alleen van alle genegenheid tot doodzonde, maar ook tot dagelijksche zonde, opdat uwe ziel er nog beter toe gesteld zij, dan de H. Augustinus daartoe vordert; omdat gij alsdan niet slechts den wil hebt om niet meer te zondigen, maar zelfs met toestemming van uwen zielbestnurder meermalen met vrucht zoudt kunnen communiceeren.

Nu wil ik hiermede niet zeggen: geef aan uwe ziel dagelijks haar hoogste goed, haar beste voedsel, de H. Communie, want hiertoe behoort eene bijzondere gesteldheid, die zoo uitmuntend is, dat men over het algemeen dit niet aan allen kan aanraden, welke gesteldheid evenwel bij sommige godvruchtigen kan plaats vinden, en men het dus ook niet aan allen kan verbieden.

Nu nog een woord over de Paascb-Co-nmunie. — In de meeste garnizoenen bestaat het gebruik, dat den Militairen beneden den rang

-ocr page 59-

— 57 —

van Officier in den door de H. Kerk bepaalden Paaschtijd wordt afgevraagd, wie verlangend is zijnen Pasclien te houden, en die alsdan op den daartoe bepaalden dag, onder geleide van eenen onderofficier, naar de kerk geleid worden.

Deze maatregel is goed, doch mijns inziens kon hij beter zijn, en meer vruchten dragen, dan hij werkelijk doet.

Wordt het den Militair gevraagd, vooral bij een korps, dat zooals in ons rijk het geval is, meestendeels uit andersgeziuden is samengesteld, dan heeft het menschelijk opzicht daarbij veel invloed. De een komt rond voor de zaak uit, i en zegt; ja. De ander vreest, dat men hem voor een druiper zal aanzien. Een derde zegt tegen zijn geweten in: neen; en zoo doende verwijdert hij zich veeleer van dit groote gebod der H. Kerk, en geeft andersdenkenden gelegenheid en veel stof tot het belachelijk maken van onzen H. Godsdienst, het bespotten der H. Sakramenten, eu eindelijk tot het oordeelvellen, dat de paaschplicht ook door hem, die zich overigens godsdienstig gedraagt en nauwgezet ter kerke gaat, maar hieraan door menschelijk opzicht niet voldoet, als niet verplichtend en als niet noodzakelijk worde geacht.

Dit voorbeeld, dat ik hier mededeel, hoop ik, | zal geen weldenkend Militair navolgen, maar ; integendeel al het verfoeielijke daarvan inziende

-ocr page 60-

het rechte pad kiezen, om niet alleen voor God en voor zich-zelven, maar ook voor anderen blijken te geven, hoezeer hij de geboden der H. Kerk waardeert.

Het beste middel voor den Militair, dat ik aanbied, is dit; bereid u bijtijds tot het spreken eener goede biecht, waartoe gelegenheid genoeg bestaat, want zoo druk zijn nimmer uwe bezigheden, of de tijd is nog daartoe te vinden.

Vraag, indien gij soms geene vrije oogen-blikken voor u zeiven hebt, de toestemming van uwen chef, om éénen dag vrij van dienst te hebben, om uwe paaschplichten te kunnen vervullen. Zijn er vele Katholieken bij uwe Kompagnie, die daaraan wenscben te voldoen, zoo spreek met hen af, om niet allen te gelijk, maar met drie of vier te samen deze toestemming te vragen, waardoor op eenen dag het personeel geene noemenswaardige verzwakking zal lijden.

Billijker wijze zal, kan of mag zulks niet geweigerd worden. Ja zelfs ware het goed, dat de chef zulk eene wijze van handelen op dagorder hekend maakte, en deze verdeeling aan de Kompagnie overliet.

--fiAysjv»—-

-ocr page 61-

i 411 m i.

Voor zooverre ik kan nagaan, heb ik, zoo niet alle, dan toch de meeste omstandigheden, in welke de Militair zich gedurende zijne loophaan in dien stand kan bevinden, behandeld.

Iedereen, van den hoogste in rang tot den eenvoudigen soldaat, zal daaruit datgene kunnen putten, dat op hem toepasselijk is, en alhoewel voor iederen graad een bijzondere levensregel is aangegeven, is deze nochtans ook anderen dienstig.

Den Militair wordt dan ook ernstig aanbevolen het geheele werkje te lezen, te overwegen en op zich toe te passen. Mocht hij ondervinden, dat er onder de zijnen waren, die het punt van plicht en eerlijkheid overschrijden, dan zal hij trachten op eene betamelijke en recht Christelijke wijze hun zulks ouder de oogen te brengen, opdat er ware eendracht, christelijke liefde en zooals de militaire stand zulks gewoon is uit te drukken, ware en oprechte kameraadschap onder de troepen heerschen.

Heeft eenmaal de geest van dit werkje wortel geschoten, dan zullen de vruchten door Gods genade en uwe medewerking eenen rijken oogst opleveren, die niet alleen voor hen, die dit

-ocr page 62-

— 60 —

lezen, maar ook voor het volgend geslacht met zegen zal gepaard gaan. De troon zal daardoor verzekerd, het vaderland behouden, en het spreekwoord: Eendracht maakt macht bewaarheid worden.

Nu zult gij, waarde Militair, indien gij ten minste u gedreven gevoelt om het doel hiermede beoogd te bereiken, nog eene vraag doen; welke boeken en gebedenboeken z allen voor mij het geschiktste zijn, om dezen levensregel te kunnen volgen\'?

Het antwoord hierop te geven is moeielijk, een ieders keuze is verschillend; doch wat mij betreft, ik raad allen, zoo veel het in uw vermogen is, de rolgende te nemen:

a. De werken van den H. Alphonsus de Liguori.

b. Inleiding tot een godvruchtig leven door den H. Franciscus de Sales.

c. De navolging van Christus door Thomas van Kempen; voor uw dagelijksch gebruik om ter kerke mede te nemen, als zijnde zeer klein van formaat, en dus zeer geschikt om in de militaire kleeding geborgen te worden.

d. God is mijn heil, gebedenboekje voor Roomsch-Katholieken.

-ocr page 63-

i isr tï o xj :d_

Een woord oyer den Schrijver. . . .

Voorrede...........

Inleiding . . . ........

I. Algemeene Regels........

II. Bijzondere Regels.

1. Voor den Officier........

2. Voor den Onderofficier en den Korpo

raal ............

3. Voor de Minderen........

4. Gedrag op de verscliilleude wachten,

bij de exercitiën, op marsch, en in het nachtkwartier.......

5. Gedrag- wanneer men vöór den vijand.

in eeu vijandelijk land, vóór het vijandelijk vuur, gewond en doodelijk gewond is..........

6. Gedrag in het hospitaal, of de infir

merie ............

7. Gedrag voor hen, die met eenige admi

nistratie belast zijn.......

8. Gedrag van den Militair bij de Biecht

9. Gedrag van den Militair bij de H.

Communie . . . . :.....

Narede............

- -

-ocr page 64-
-ocr page 65-
-ocr page 66-
-ocr page 67-