[PELGRIMSBOEKJE
290 ™
-EIN LOURDES) IN LIMBURG,
J. B. H. MAESSEN,
Pastoor van Sivolgen en Tienray,
A. VAN SOEST,
Pastoor van Well.
DERDE DRUK.
ROERMOND,
J. J. ROMEN amp; ZONEN,
likers van Z. H. den Paus en van het Bisdom. 1888.
Pfe__
Vak 162
BISSCHOP VAN ROERMOND,
Die, de voetstappen van Zijn Doorluchtigen, onvergetelijken Voorganger volgend, de vele bevoorrechte Heiligdommen van Zijn Bisdom, door de bijzondere vereering en machtige voorspraak van Maria opgeluisterd, onder Zijne hooge bescherming gelieft te nemen, en het Christenvolk ten voorbeeld, gaarne Zijne schreden derwaarts richt, wordt de derde oplage van dit
/ fa
j
FRANCISCUS ANTONIUS HUBERTUS
o/1l\'cf zintï Sodljc van S^ienzatj met den diepsten eerbied opgedragen door
DE SCHRIJVERS.
YEEKLAEING.
Om te gehoorzamen aan liet decreet van Paus IJrbanus VIII, verklaren wij aan de wonderbare feiten en gunsten en aan alles, wat in dit Pelgrimsboekje voorkomt, slechts een bloot menschelijk gezag toe te kennen, behoudens dat, wat reeds door den H. Stoel en de Roomsch-Katholieke Kerk is bekrachtigd.
DE SCHKIJVEES.
--wvw—-
IMPRIMATUR.
P. J. H. RUSSEL, Can. Theol. et Prof., Librorum Censor. UuRiKMUND^E, 13 Jan. 1888.
TEBKLAEmG.
Om te gehoorzamen aan liet decreet van Paus Urbanus VIII, verklaren wij aan de wonderbare feiten en gunsten en aan alles, wat in dit Pelgrimsboekje voorkomt, slechts een bloot menschelijk gezag toe te kennen, behoudens dat, wat reeds door den H. Stoel en de Eoomsoh-Katliolieke Kerk is bekrachtigd.
DE SCHRIJVERS.
--quot;A/VW--
IMPRIMATUR.
P. J. H. RUSSEL, Can. Theol. et Prof., Librorum Censor. RuR.KMFKüyE, 13 Jan. 1888.
4
A^oo:RJR.I3;O:B
voor den
DERDEN DRUK.
Het Pelgrimsboekje van Tienray houdt op den weg\' van vooruitgang gelijken tred met de Kapel. Voor den derden keer staan de bouwlieden met hamer en truweel op de muren van het Heiligdom van Maria, om het andermaal beduidend grooter en schooner te maken. Te gelijkertijd nemen de Schrijvers wederom de per., op, om de derde uitgaaf van het Pelgimsboekje vax Tienray ter perse te leggen. Voorwaar, een gunstig en verblijdend verschijnsel.
Moge de Heilige Maagd nogmaals welgevallig op ons werkje nederzien, opdat het voor u, vrome Pelgrims bij de Grot van Klein Lourues, een nuttig en gezegend handhoekje blijve en bijdrage tot meerdere eer van God en Zijne Onbevlekte Moeder, eu tot verderen bloei van Tienray.
Tienray, den 20 van Kozenkransmaand 1887.
Onder bescherming- van Zijne Doorl. Hoogw.
r. Fr. A. H. BOEEIAHS,
^isschop van Roermond.
TIENRAY ONDER SWOLGEN,
door Z. H. Paus PIÜS IX met den eerenaam van KLEIN LOURDES begiftigd.
Geschiedkundig O ver zicht.
In het noordelijk gedeelte van het Bisdom Roermond, in de eenzame, achter sombere den-nenbosschen versoholen Parochie Swolqen, de geboorteplaats van den in onze — en vooral in de Keulsche Kerkgeschiedenis der zestiende eeuw, zoo vermaarden Vicaris-Generaal, Jan van Steal-
gen; niet ver van de zuidelijke grens der Lim-burgsche burgerlijke gemeente Meerlo; nabij het Station Meerlo-Tienray op de nieuwe spoorweg-lijn Venlo-Nijmegen; een uurtje van het lieve Bvoekliuysen aan de Maas, en een weinig verder van het aanzienlijke Peeldorp Horst, ligt de oude, thans in nieuwen luister pralende Bedevaartsplaats Tienray.
Tienray, tien huizen en ééne Lieve Vrouw! zeide men nog vóór korten tijd, om in twee woorden een der nederigste gehuchten van Limburg te beschrijven, en tevens de Genade-Kapel aan te duiden, waardoor dit plaatsje sinds eeuwen alleen bekend was, en nu in de tweede helft der negentiende eeuw, eene vermaardheid krijgt, die aan slechts weinige, grootere en bevoorrechte oorden te beurt valt.
Inderdaad, wie kent en bemint thans Tienray niet? Wie weet niet, dat daar eiken Vrijdag door het jaar, maar vooral op de Vrijdagen in de Vasten, de Vrijdagen in de Meimaand en de Peesten van Maria, een .groote toevloed van pelgrims van heinde en verre, uit Nederland^ Duitschland en België samenstroomt.
Hoe stil en aanlokkend ligt zij daar ook, de schoone nieuwe Romaansche Kapel, met haren
slanken toren, tussohen het donkergroene loover onzer noordsche ceders verscholen ?
Als gij haar nadert, spreekt eene geheimzinnige stem in nw binnenste: daar vóór u ligt eene heilige plek, waar menig zuchtend Adamskind troost en opbeuring vond. eu met hemelsche weldaden overladen werd!
Wanneer gij opziet, schijnt het genaderijk Heiligdom u te wenken en toe te roepen:
Vrome Pelgrim, nader snel!
Rust in de eenzaam Bidkapel!
Hoor, hoe lief het Klokje luidt! \'t Noodigt u tot bidden uit.
Kniel hier voor Maria\'s troon.
Zie, zij helpt U bij haar Zoon.
Door wien en wanneer juist, hier aan de voormalige koninklijke heirbaan tussohen Venlo en Grave, gewoonlijk de Meerlosche haan geheeten, de oorspronkelijke Kapel ter eere van Onze Lieve Vrouwe, de Troosteres der Bedrukten, gebouwd werd, is niet met volkomen zekerheid te bepalen. Alle oude bescheiden ontbreken hieromtrent.
Nogtans aarzelen wij niet de grondlegging der eerste Kapel van Tienray omtrent de helft der vijftiende eeuw te plaatsen, daar zij op eene naamlijst der Kerken en Kapellen dezer streken
— 10 —
van 1400 nog niet voorkomt, terwijl op eene tweede van 1485, onder het Kerkdorp Swolgen, de Kapel van Onze Lieve Vrouw in Tinroede vermeld wordt (1).
Niet onwaarschijnlijk is het dus, dat het Jaar-schrift in een Register der Kapel, in de vorige eeuw, door den Pastoor van Swolgen en Deken van het Land van Kessel, Arnoldus Aerts, aangelegd, waarheid spreekt, wanneer het zegt; geMetttk orIente, strVeratVk LoCVs Iste, et CVLtVs beatae VIbgInIs IïjCiioaVIt ; dat is : In het jaf.r 1442, toen het Oosten onder de dwingelandij der Turken zuchtte, werd deze Kapel gebouwd, en begon hier de vereering der H. Maagd te bloeien.
Dit beweren vindt mede steun in het opschrift van het oude Maria-Klokje, waarop in sierlijke gothische letters te lezen staat; J. Gobel me fecit, anno Domini MCCCCXXXXII. In het jaar ouzes Heeren 1442, heeft J. Gobel mij gemaakt. Het Kapelletje, hoe klein en nederig ook, behoefde van den beginne, eene gewijde metalen tong, om den lof van Maria te verkondigen, en
(I) Zie Habets, Geschiedenis van het Bisdom Roermond f. Blz. 357.
— 11 —
den Pelgrim, die over de onafzienbare heide aankwam, nader te roepen.
Meer dan vier eeuwen dus had Tienray zijne Kapel, waarin de H. Maagd sinds dien, onder den titel van Troosteres der bedrukten, veelvuldig vereerd werd, en ontelbare gunsten en genaden voor hare vrome vereerders bekwam.
Van den aanvang schijnt eene vrome hand deze Kapel vrij goed begiftigd te hebben. Daar waren tot 1648 twee wekelijksehe gestichte Missen: de ééne op Donderdag, de andere op Zaterdag.
In 1618, onder den WelEerw. Heer Pastoor Alexander Noten, werden deze twee Missen door Eoermond\'s derden Bisschop, Jacobus a Castro (van den Borgh) op ééne gebracht, wijl, door den voortdurenden oorlog van dien tijd, schier alle inkomsten der Kapel, waren verloren geraakt.
In die benarde tijden, toen het gansche Land van Kessel geweldig geteisterd werd, onder anderen, twee Pastoors van Swolgen spooi\'loos verdwenen, Meerlo in 1581 bijna geheel in de asch gelegd werd. Well jaren lang verwoest en verlaten bleef, had ook Tienray veel te verduren.
De uitgeplunderde Kapel zelve had zoo vree-selijk geleden, dat zij dreigde in te storten.
— 12 —
Een oud Pelgrimsliedje van Tienray jammert hier over op de volgende aandoenlijke wijze: Wanneer den oorlog\'sbrandt;
Wanneer die droeve tijden;
Wanneer liet ongeluk Ons land niet kost vermijden;
Soo treft dit Huis den slag;
Het valt en gaet te grond, Men plundert dees Kapel;
Vernielen was geen sond.
Den 29 Mei 1617, gelastte bovengenoemde Bisschop, Jacobus a Gastro, een vurig vereerder van Maria, in 1639 in geur van heiligheid gestorven, de Kapel wederom op te houwen.
De Pelgrims, die ook de half verwoeste Kapel, waarin de Godsdienstoefening gestaakt was, hieven bezoeken, kwamen nu met nieuwen ijver toegestroomd. Het mocht echter niet lang duren. De zwarte dood, de Pest, kwam deze streken ontvolken, die bovendien door de vernielende Croaten (1635) door de Landstroepen tot ontzet van \'s Bosch (1629) en van Roermond (1632 er. 1637) afgestroopt werden. De Kapel had ook in dit allertreurigst tijdperk zeer veel te lijden. Weerom een nieuwe slag. Miserie,\'nieuw ruïnen.
Een nieuwe oorlogsvlam Doet dit Hnys schier verdwynen.
Toen na den tachtig-jarigen oorlog en den vrede van Munster (1648) deze gewesten herademden, begon ook Tienray en de vereering van Maria hier derwijze te herleven, dat de Kapel in 1669 met een nieuw Altaar mocht prijken. O Moeder van Gods Zoon,
O Maget van Loretten!
Hier moet Gij zijn vereerd;
Men komt een Autaer zetten.
In 1702, in de maand Mei, tijdens het beleg van Veulo, werd de Kapel andermaal door de woeste krijgslieden zoodanig beschadigd, dat zij eer op een paardenstal dan op een Godshuis geleek. O wee, wat eeuw komt aan?
Een eeuw van schrick en anxt. Een nieuwe eeuw vol suchten!
Gansch Tienray dat gaet vluchten. Die treurige toestand hield aan, zoo lang de Spaansche successie-oorlog voortduurde, en had ten gevolge, dat alle inkomsten der Kapel verloren gingen.
Hoe arm ook geworden, zal dit door den Hemel zoo gezegend pelgrimsoord toch niet vervallen ; integendeel, na eiken scaok, dien het in
— 14 —
den loop der tijden te verduren heeft, met nieuwen luister herleven.
Nu was het Koermonds elfde Bisschop, Joannes Antonius de Eobiano, een zeer vroom Kerkvoogd en vereerder van Maria, die het voorbeeld zijner Doorluchtige voorgangers volgende, het zoo zwaar beproefde Tienray onder zijne vaderlijke bescherming nam.
In 1749 gaf hij den toenmaligen pastoor van Swolgen, Joannes Cui/pers, van Well geboortig, later pastoor van Wanssnm en deken van bet Land van Kessel, opdracht de kapel in haren vorigen luister te herstellen.
Deze ijvervolle Herder, verheugd iets ter eere van Maria te kunnen ondernemen, sloeg kloekmoedig de handen aan het werk.
Het bleef zelfs niet bij liet oude. Een zijpand werd aan den vroegeren bouw toegevoegd, en reeds den 8 December 1751, op den feestdag van O. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, werd daarin tot groote vreugde van den ganschen omtrek, de eerste plechtige Hoogmis opgedragen.
Met de vergrooting der kapel groeide ook de stroom der pelgrims, die bij duizenden en duizenden, van wijd en zijd, bij de Troosteres der Bedrukten hulp in hunnen nood, troost en
opbeuring in lijden en kwellingen, licht en sterkte op den weg des levens kwamen zoeken.
Ook de hulpmiddelen voor de innerlijke versiering der kapel begonnen ruimer en ruimer te vloeien, zoodat men, in 1764, het genoegen mocht smaken, den nieuwen aanbouw met een Altaar van den Heiligen Bewaar-Bngel verrijkt te zien.
Gods Engelen zijn voortaan bij den bloei van Tienray en de vereering hunner nooit volprezen Koningin op deze plaats, betrokken. Zij zullen er over waken, den geesel der verwoesting verre houden, en de pelgrims in steed grooter drommen herwaarts voeren.
Zoo geschiedde het, vooral sedert in 1765 de eerwaarde heer Arnoldus Aerfs, een Swolgenaar van geboorte, pastoor dezer parochie en later tevens deken van het Land van Kessel werd. Deze waardige Herder, overtuigd van het woord van onzen zaligen landgenoot Canisius van Nijmegen. dat al wie door zijn ambt geroepen is Gods eer te bevorderen, hiervoor een allerkrachtigst middel vindt in de vereering van Maria, liet niets onbeproefd, om Tienray onder de pelgrimsoorden des lands meer en meer te doen stijgen. Tot dit einde vroeg en verkreeg hij in 1773 voor zijne geliefde kapel van Tienray, van Zijne Heilig-
— 16 —
heid Paus Clemens XIV en later, den 16 Sep-tem\'oer 1780, van Paus Pius VT, verscUllende volle- en gedeeltelijke aflaten. Ook gelukte liet hem, tot groote vreugde der pelgrims, op de vier voornaamste feestdagen van Maria: O. L. Vrouw Boodschap, Hemelvaart, Geboorte en Onbevlekte Ontvangenis eene Vroegmis te stichten. Grooter en grooter werd dan ook de toeloop niet alleen van afzonderlijke pelgrims, maar ook van hen, die onder geleide hunner geestelijken, in plechtige processiëu herwaarts kwamen.
Jaarlijks zag Tienray, behalve de processiën van Swolgen, Horst en Meerlo, van den Maaskant die van Grubbenvorst, Lottum, Broekhuysen, Broek-hnysenvorst, Blitterswijok, Wanssum en Geysteren opdagen; enkele dezer zelfs tweemaal \'sjaars, zoodat in het geheel viertien processiën ieder jaar Tienray bezochten.
Tijdens de veepest in 1774, toen hier, tot afwering van dien vreeselijken geesel, zeven opvolgende Vrijdagen, openbare gebeden gehouden werden, kwam zelfs de processie van het ver afgelegen Capellen (Pruissen) herwaarts, waar haar aanvoerder, de Kapelaan der Parochie, tot groote stichting van alle aanwezigen, eene plechtige Hoogmis met Preek opdroeg.
— 17 —
Dit voorspoedig tijdperk mocht echter voor Tienray niet lang duren. De Fransche ovnrheer-sching kwam, en verspreidde schrik en angst en soldaten-legers zonder tal over deze landen. Troepen van alle natiën en kleur zag Tienray, van 1793 tot 1815, over de oude heirbaan van Venlo naar Grave en Nijmegen, die thans doodsch en vergeten ligt, voorbij trekken.
Wel kwam van tijd tot tijd een troosteloos moedertje of een betraande zuster nog voor de Troosteres der Bedrukten nederknielen, om het spoedig wederkeeren af te smeeken van een zoon of broeder, die de groote keizerlijke legers van Napoleon I naar Spanje of Rusland had moeten volgen, en maar niet terug kwam; meestal echter-stond de kapel verlaten. Nog slechts op de Vrijdagen in de Vasten kon Tienray eene bedevaartsplaats heeten.
Zoo bleef het, helaas! ook na den Franschen tijd, gedurende meer dan een halve eeuw, tot dat in 1874 een nieuwe dageraad aanbrak.
In dit jaar werd de WelEerwaarde Heer Joannes Baptista Hubertus Maessen, in 1825 te Maasniel hij Roermond geboren, tot dusverre Kapelaan, eerst te Wanssum en daarna te Horst, tot Pastoor van Swolgen en Tienray benoemd. Van nu af
— 18 —
ging Tienray een bloeitijd te genioet, zooals het in vroegere eenwen nooit gekend had.
Tienray moest eene nieuwe, grootere en schoo-nere kapel hebben in plaats der tegenwoordige, die den stempel dragende van eeuwen, welke geen denkbeeld hadden van smaak en christelijke bouwkunst, onaanzienlijk en tevens andermaal bouwvallig geworden was.
Ook de oude stroom der Pelgrims moest wederom naar Tienray geleid, en zoo mogelijk nog versterkt worden.
Dit was de dubbele gedachte, die den nieuwen Herder van den beginne bezielde.
Eene nieuwe, zoo niet prachtige, dan toch doelmatige kapel en talrijke Pelgrimsscharen te Tienray! Zullen het niet slechts droombeelden en vrome wenschen blijven?
Waar vandaan zullen die Pelgrims en vooral de schatten komen, om eene nieuwe kapel te bouwen?
Dat weet de Hemel! zei een ieder, die het doodarme Tienray kende. Ja, de Hemel wist het, en hielp zoo zichtbaar, dat zelfs zij, die de stoutste verwachting koesterden, over den voorspoedigen loop der zaken in Tienray, verbaasd stonden.
Met meer moed dan hoop, nam de nieuwe Herder den bedelstaf ter hand, en deed eerst eenen
— 19 —
rondgang door zijne Parochie, die zoo buitengewoon veel opbracht, dat hij niet vollen ijver zijne schreden ook naar de naburige dorpen richtte. Ook daar werd zijne verwachting niet te leur gesteld. Buren, verwanten, vrienden en bekenden toonden ingenomenheid met Tienra}\', en voegden de proef op de som. Het regende guldens en thalers. Ook de offers in de kapel werden wekelijks beduidender.
De gelukkige Pastoor begon dan ook reeds in 1875 aanstalten te maken voor den nieuwen bouw. Op het gehucht de Gun zette hij een steenoven, die buitengewoon goed gelukte. De landbouwers van Swolgen rekenden het zich tot eene eer en een geluk de steenen voor de nieuwe kapel kosteloos te vervoeren. Blijde zongen zij vreugdeliederen ter eere van Maria, terwijl zij hunne zwaar geladen karren langs de morsige wegen voortdreven.
In 1875 brak voor Tienray een nieuw tijdperk, een tijdperk van buitengewone gunsten en ongekenden bloei aan.
Vooreerst verleende \'A. H. Paus Pius IX, den 22 April, verschillende volle- en gedeeltelijke Aflaten, wat reeds niet weinig bijbracht, om de vereering van Maria te bevorderen. De Pastoor van zijnen kant vatte de gelukkige gedachte op.
— 20 —
de Devotie van Onze Lieve Vrouw van Lourdes te Tienray te vestigen. Hierdoor vooral nam de vereering van _Maria aldaar spoedig eene zoo buitengewoon hooge vlucht, dat Tienray van nu af onder de meest bezochte Bedevaartsplaatsen van Nederland tellen zal.
Den 8 Juli, richtte de ijvervolle Herder er, onder de beschermende goedkeuring van Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid Monseigneur Joannes Augustinus Paredis, Bisschop van Roermond, de Broederschap der Onbevlekte Ontvangenis van Onze Lieve Vrouwe op, zoo als die sinds 1873 bestaat in de kerk van Lourdes in Frankrijk, boven de grot waar Maria in 1858, aan Berna-detta Soubirons zoo herhaaldelijk verscheen.
Hij plaatste tevens een eenvoudig, maar schoon beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, door eene vrome hand geschonken, op een zij-Altaar, en begon van toen af aan de gretige Pelgrims water uit te reiken van de wondervolle bron van Lourdes, dat deze met vreugde medenamen, om voor de zieken onder hunne verwanten en bekenden, als een bovennatuurlijk heilmiddel te dienen. Dit bracht niet weinig bij om den stroom der Pelgrims machtig te doen aangroeien, en de behoefte eener nieuwe en ruimere Kapel van dag
- 21 —
tot dag meer te doen gevoelen. Buitengewone gunsten en genezingen, door het gebruik van het water van Lourdes verkregen, werden spoedig niet alleen aan den Pastoor, zoo wel schriftelijk als mondeling medegedeeld, maar ook in de ge-heele streek hekend.
Nu werd het Kapelletje van Tienray hijna eiken Vrijdag te klein. Het werd dus gebiedend vereischt, onverwijld de hand aan het werk te slaan, om dit nederig hedehuisje door een ander te vervangen.
Den 9 April 1877, werd de moker aan den muur van het oud kapelletje gezet, en dit groo-tendeels voor den grond gehaald; slechts een klein gedeelte met de sacristie hleef bestaan, om den H. Dienst te kunnen voortzetten.
De eerste dag der opvolgende Maria-maand was een buitengewone vreugde-dag voor Tienray. Het was de dag der Grondsteenlegging van de nieuwe Kapel, waarvoor een talentvolle zoon der streek, die menig jaar als Pelgrim naar Tienray kwam, de WelEerw. ZeerGeleerde Heer G. Slits van Horst, Professor der Christelijke Oudheidkunde, Bouw- en Schilderkunst te Kolduc, het plan geleverd had, dat de kundige Architekt J. Kayser van Venlo later volvoerde. De Heer
— 22 —
H. Coppes uit het naburig Broekhuysenvorst, die reeds menig prachtig kerkgebouw, volgens de voorgelegde plannen op Limburgs bodem deed verrijzen, was de aangewezen bouwmeester der nieuwe Romaansche Kapel van Tienray.
Keeds vroeg in den morgen, wapperden, op dien heuglijken eersten Mei-dag, vlaggen en wimpels op hot vreugdig bouwterrein, waar omstreeks 9 uur duizenden belangst; \'lenden van heinde en verre samenstroomden, om te toonen, hoezeer het hun ter harte ging, dat hier, waar hunne vaderen gebeden, en troost en hulp gezocht hadden, eene waardiger Maria-Kapel werd opgericht.
En toch was het, alsof de hel spookte, om dat heilig voorgenomen werk op dien dag te keer te gaan. Het was een eerste Mei-dag, zoo als er nooit een was. Een koude oostenwind schuifelde machtig door het geboomte, en deed de vi\'ome scharen bibberen en klappertanden op het feestterrein, waarop do jagende sneeuwvlagen hun het verblijf als onmogelijk wilden maken.
Desondanks waren allen vol moed. Met geestdrift eu uit volle borst zong de Zeer Eerwaarde Deken van Horst J. Geene, de plechtige wijdingszangen, terwijl hij in naam van den Bis-
schop den giondsteen en de fundamenten met wijwater besproeide.
Met van eerbied bevende liand plaatste en metselde bij den gewijden grondsteen vast, die bet volgend gedenkschrift in zich besluit:
Regnantibris Pio IX Papa et Guilielmo III Eege, nomine Illustrissimi Episcopi Rnrieniun-densis J. A. Paredis, hujus Saoelli, Matri Dei sub invocatione Virginis Immaculatae Lourdensis et Cousolatricis Afflictorum dicati, primum lapi-dein posuit Jacobus Geene, Decanus Horstensis, praesentibus Parocho J. B. H. Maessen et aliis testibus.
Onder de Eegeering van Paus Pius IX en Koning Willem III, heeft Jacobus Geene, Deken van Horst, in naam van Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid J. A. Paradis, Bisschop van Roermond, den eersten steen gelegd dezer kapel, onder den titel der Onbevlekte Maagd van Lourdes en Troosteres der bedrukten, in tegenwoordigheid van Pastoor J. B. H. Maessen en anderen, als getuigen.
Met een traan van Hemelzalige aandoening in het oog, legde de Eerwaarde Herder der plaats met eigen hand in de fondeering vier hoeksteenen. herkomstig van de wondergrot van Lourdes,
— 24 -
waarop Maria\'s maagdelijke voet bij hare achttien verschijningen aan de engelachtige Bernadette, gerust had.
Intusschen speelde de Harmonie van Horst, die bijna uitsluitend tot opluistering van kerkelijke plechtigheden bestaat, en jaarlijks met de Processie, O. L. Vrouw van Tienray komt begroeten. Hare leden stieten machtig in hunne speeltuigen, als wilden zij de ontketende elementen tarten, en feestelijk rolden hunne welluidende accoorden, door den stormwind gedragen, over velden en bosschen.
Onder de Hoogmis, door den ZeerEerw. Heer Pastoor van Swolgen, bijgestaan door de Eenv. Heeren Kapelaans L. Aerts van Venray, een Swolgenaar, en J. Peters van Broekhuijsenvorst, opgedragen, hield de Eerw. Heer A. van Soest van Lottum, Kapelaan van de oudste Maria-kerk van Limburg en van geheel Nederland, van O. L. Vrouw te Maastricht, de feestrede. Na getoond te hebben, hoe deze dag een vreugdedag voor den Herder der plaats was, die nu zijn heilig droombeeld van vele jaren ging verwezenlijkt zien; voor de aanwezige Pelgrims, wier hart zoo warm voor O. L. Vrouw van Tienray klopte, riep hij diepbewogen uit: ook voor mij
— 25 —
is deze dag een vreugdedag; voor mij, die hier als kind gebeden heb, aan de hand mijner dierbaren geleid, die hier als jongeling gekomen beu, in het gevolg der stichtende Processie van het zoo oprecht geloovig volkrijke Horst, die hier in de laatste jaren herhaaldelijk het H. Misoffer heb opgedragen.quot;
Toen hij verder den Pelgrims ontvouwde, dat het voor hen eene eer en een geluk was dezen Tempelbouw te bevorderen, vond zijn woord als van zelf ingang in hunne vrome harten. Wijd ontsloten zij dan ook hunne beurzen voor de opvolgende collecte, welke aller verwachting ver te boven ging.
Nu toog men volijverig aan het werk, en terwijl de muren voorspoedig vorderden, kwam de I blijde tijding aan, dat het Z. H. Pius IX behaagd had, bij Breve van den 4 Maart 1877, aan de Kapel van Tienray alle gunsten en Aflaten te verleenen, tcelke aan de Baziliek van Lourdes geschonken u-aren, waaronder ook het voorrecht, dat de Pelgrims voortaan, op een dag naar helleven, telken ja re, onder de gewone voortvaar den, een vollen Aflaat konden verdienen. Bij dezelfde Breve schonk Z. H. aan de Kapel van Tienray den eeretitel van 2
— 26 —
Klein Lourdes,
welken eeretitel, de nieuwe Kapel, de eerste op Nederlandschen bodem aan O. L. Vrouw van Lourdes gewijd, wellicht ten eeuwigen dage alleen bezitten en met trotscblieid dragen zal.
Het is bijna, alsof de groote Pins, door don eerenaam van Klein Lourdes, iu profetisclien geest de toekomst van Tieuray heeft willen teekenen.
De bouw der Kapel werd allervoorspoedigst voltooid. Reeds den 10 Augustus stond hij voltrokken, en werd hij, in naam van den Bisschop, door den Pastoor der Parochie ingezegend.
Komt. ziet het Kapelletje heerlijk hier staan!
Het wenkt U, en maant om te hidden TI aan.
Den 15 Augustus 1877, op Onze Lieve Vrouw Hemelvaart, was er Hoogfeest en ongekende vreugde in Tlenray.
De statige klokken van Swolgen, door liet zilvertonig klokje van Tienray beantwoord, luidden plechtiger dan ooit. De Processie van Swolgen, wie die eer van nature toekwam, zou de eerste zijn, die op dien dag, het nieuwe Heiligdom in triomf zou binnen trekken.
Wie zal de vreugde malen van den gelukkigen
— 27 —
Herder, nu hij zijne dierbare schapen naar het door zijne zorgen zoo heerlijk verrezen Tienray, door den Paus zeiven tot Kr,eis Louiides verheven, mag opvoeren?
Wie zal de blijdschap beschrijven van zijne vrome parochianen, die Tienray zoo nietig en vervallen gekend hadden, en het daar nu zoo prachtig zien prijken, dat zij hunne oogen nauwelijks kunnen gelooven?
Waarlijk, de Heer en zijne machtige Hoeder-Maagd waken over Tienray! zeide menigeen hunner, in de stilte van zijn bewogen gemoed.
Dat bleek overigens duidelijk, niet alleen uit de nieuwe kapel, die zich aan aller bewondering aanbood; maar ook uit het ontzaglijk getal Pelgrims, die vau den beginne van alom naar de nieuwe kapel toestroomden, en op de gewone Vrijdagen niet zelden tot duizend klom, terwijl op de Maria-feesten soms drie tot vijfduizend vreemdelingen elkander verdrongen.
Tot dat in October 1878 de Eerw. Heer M. J. Janssen van Venray tot kapelaan van Swolgen benoemd werd, maakte zich voor Tienray vooral verdienstig de Eerw. Heer J. Peeters, kapelaan te Broekhuysenvorst, die den Pastoor bijne eiken Vrijdag kwam bijstaan.
— 28 —
Ook de Eerwaarde Paters Minderbroeders van Venray, die hier, door linnnen dienst eu hunne stichtende predicatiën, zoo menig1 Maria-feest kwamen opluisteren, en zulks nog voortdurend doen, verdienen mede allen lof.
In October 1882 werd de Eerw. Heer Janssen opgevolgd door den Eerw. Heer P. J. L. Litjens, van Wanssum, met jeugdigen ijver voor Tienray bezield.
Dat de talrijke Pelgrims niet te vergeefs naar Tienray kwamen, bewijzen de menigvuldige ex-voto\'s: zilveren handen, voeten, hoofden, harten, rondom het Beeld van 0. L. Vrouw van Lourdes uit dankbaarheid opgehangen, alsook de veelvuldige gunsten en genezingen, in dit boekje, naar geloofwaardige, aan den Pastoor gedane mede-deelingen, geopenbaard en beschreven.
Neen, niet te vergeefs draagt Tienray in de toekomst den pauselijken eerenaam van Klein Lourdes. Ook hier blijkt de vereering van 0. L. Vrouw van Lourdes voor goed gevestigd, en Maria bij uitstek de Machtige Maagd, de medelijdende Troosteres der Bedrukten.
Door de milddadigheid en dankbaarheid der Pelgrims wordt haar Heiligdom steeds schooner en schooner. Eeeds prijkt het koor met eenen
prachtigen marmeren mozaïek-bodem en geschilderde vensters, die fonkelen als edelsteen, geschenken van den beroemden glasschilder Nicolas van Roermond. Eeeds schittert het houten verwulf met een keurige Romaansche beschildering, door den Heer Guill. Deumens van Oirsbeek, volgens de plannen van den Heer J. Kayser, in passende kleurenmengeling uitgevoerd. Keeds pralen in het lieve Heiligdom, in statigen Eomano-Gothischen vorm, eeue overrijke Communiebank en een Hoog-Altaar, dat in het Noorden van Limburg zijn weerga niet heeft, met de Heiligen-Beelden der Familie van 0. L. Vrouw en de Profeten, die Haar voorspelden, eeu keurig gegraveerd en schitterend geëmailleerd koperen Tabernakel, overhuifd door een gouden Troonhemel, herkomstig van de vermaarde Ateliers der Heeren Cuypers en Stoltzenberg te Roermond.
Blijft de ijver en de offervaardigheid der pelgrims voortduren, waaraan wij geenszins twijfelen, dan zullen ook weldra twee Romaansche torens naast het koor, den vreemdelingen, die van Noord en Zuid langs Tienray stooraen, toeroepen:
Hier ligt Klein Lourdes, een der gezegendste en vermaardste Bedevaartplaatsen van Nederland!
Nog konden de gewenschte torens niet gebouwd
— 30 —
worden, en onze voorspelling is reeds vervuld.
AVat was het vol te Tienray! zeiden de weder-keerende Pelg-rims zeer dikwijls op de gewone Vrijdagen des jaars, en altijd op de Jlaria-feesten en andere met meer plechtigheid gevierde dagen.
Nooit echter heerschte er een drukte, als op Zondag, den 15 Juli 1883, toen hier het Zilveren Jubelfeest der verschijningen van O. L. Vrouw van Lourdes met buitengewonen luister gevierd werd. Men schat het getal Pelgrims, dien dag uit de huurt en de Pruisische grensdorpen niet alleen, maar van heinde en verre saamgestroomd, op ongeveer acht duizend. Tienray had zijn schoonste feestkleed aan, en het ontbrak niet aan bewonderaars.
Onder de eersten, die aanwezig waren, was een maagdenrei van 180 Congreganisteu van O. L. Vrouw uit Blerick, aangevoerd door haren Herder, den Eervv. Heer L. A. J. Smidts, welke alle tot de H. Tafel naderden, en eeue schoone eerewacht der Onbevlekte Maagd vormden. Edoch, die eerewacht was nauwelijks merkbaar tussclien damp; steeds aangroeiende menigte. Het scheen dien dag een waar Pinksterfeest te Tienray. Nooit was er bonter kleurenmengeling van kleederdracht, noch
grooter verscheidenheid van tronies onder Tien-ray\'s eiken vergaderd geweest.
DaaV zag men naast den breeden halfopgetooin-den pluimhoed der hoogere standen, den voorvaderlijken, saamgeknoopten hoofddoek der Gnliksche vronwen en de ond-Geldersche en Brabantsche knipmuts in hare jongste en laatste période met bloemen en phümen bedekt; daar stond de vrome landman, door de zon verbmind, met zijn Eozen-krans in de hand,, naast den verfijnden stedeling met sik of zwierigen krulbaard en aanmatigende houding.
Wie zal het daar heersohende gewemel stillen; die menschenzee doen bedaren? De gewijde redenaar, de Eerw. Heer A. van Soest, Pastoor van Well, een oude kennis van Tienra}-, zoodra hij van uit den hoofdingang, waar de kansel geplaatst was, der gretige menigte van Lourdes, van Onze Lieve Vrouw, van boetvaardigheid en zaligheid begon te spreken. Zoo min als het gedrnisch der aankomende Processies vermocht den redenaar, die zich in Tienray als te huis gevoelt, uit het veld te slaan, even zoo min waren de nederplas-sende buien in staat het geloovig volk van het feestterrein te verdrijven.
Na de feestrede droeg de WelEerw. Heer
— 32 —
Pastoor Maessen, bijgestaan als index door den ZeerEerw. Heer J. Geene, Deken en Pastoor te Horst, en door de WelEerw. Heeren Smidts, Pastoor te Bleriek en Geurts, Kapelaan te Broek-huysenvorst, als Levieten, de Hoogmis op, waarbij de zangkoren van Swolgen en Broeklmysen hunne welluidende feesttenen lieten weergalmen.
Hiermede was echter de plechtigheid niet afgeloopen, noch de drukte te Tienray geëindigd.
Des namiddags kwam de H. Familie van Horst met haren wakkeren Directeur, den Eerw. Heet Lemmens, aan het hoofd en onder begeleiding-van het deftig zangkoor en de feestelijke Harmonie dier plaats, de gedunde rangen wederom aanvullen. Zij was vergezeld van eene ontzaglijke menigte volks, die nog versterkt werd door allerwegen saamstroomende Pelgrims.
Voor deze even talrijke schare als die des morgens voerde de Eerw. Pater J. C. Lambertz uit het klooster van Venray het woord. Terwijl hij in mannelijke en echt apostolische taal de macht en grenzenlooze goedheid van Maria niet slechts te Lourdes, maar ook hier zoo herhaaldelijk gebleken, afschilderde, veroverde hij aller harten, en deed ze van de teederste liefde tot Maria trillen.
— 33 —
Die verteederde harten gingen zich weldra onder het plechtig Lof door den ZeerEerw. Heer Deken Geeue gezongen, met onbegrensd vertrouwen in vurige smeek- en dankgebeden uitstorten. Nooit klonk de kerkelijke Dankhymne, het statig Te Deum, schooner dan heden, nu ieder hart getuigde: dat was een onvergetelijke, een hemelsche dag!
Den volgenden morgen, den eigenlijken vijf-en-twintigsten verjaardag der laatste verschijning van O. L. Vrouw te Lourdes, kwamen de Eerw. Zusters Ursulinnen van Grubbenvorst met hare 140 Pensiouairen, onder geleide van den Wel Eerw. Rector Welters, nog een laatsten nagalm van het schoone Jubelfeest zingen.
Op haar volgden later nog de H. Familie van Venloo, de Pensionairen van Venray, de H. Familie en de Congregatie van Tegelen, de Heeren van het Missiehuis te Steyl, welke vereenigingen meestal jaarlijks wederkeeren.
In de Lente van 1884 wilde de Pastoor aan de Noordzijde der Kapel eene nabootsing van de Grot van Lourdes oprichten. Een rijzig beeld van O. L. Vrouw van Lourdes was daarvoor reeds besteld. De Grot moest echter voorloopig achterwege blijven, nu het bleek dat de ruime
— 34 —
Kapel van 1877 reeds te klein was. Inderdaad, zeer dikwijls kon de Kapel het aantal Pelgrims niet bevatten, en bleven dezen, gedurende de H. Diensten, aan weer eu wind blootgesteld.
Men besloot nu den bouw aan de Westzijde niet een derde te verlengen, zoodat voortaan vijftien honderd man daarin konden plaats vinden.
Architect en Bouwmeester van het eerste werk, de Heeren Kayser en Coppes verschenen weldra op het terrein, om ook dit tweede gedeelte te voltrekken.
Nauwelijks stond het daar, aan de Kapel geheel het aanzien van eene degelijke Bedevaartskerk gevende, of eene groote eer viel aan den steeds groeienden en bloeienden bouw ten deel.
Den 14 September 1884, zou Zijne Doocrl. Hoogwaardigheid Monseigneur Joannes Augustinus Parerlis, Bisschop van Roermond, het mirakulens 0. L. Vrouwe-Beeldje der nabij gelegen Zuster-Kapel te Oostrum bij Venray. namens Zijne Heiligheid Paus Leo XIII gaan kronen.
De negentigjarige Kerkvoogd nam deze gelegenheid te baat, om den lang gekoesterden wensch te vervullen van ook eens het nu zoo vermaarde Tienray te bezoeken, dat hij slechts in al de vroegere nietigheid en armoede gezien had.
Op geuielclen 14 September kwam de Door-hclitige Pelgrim, zijne hooge jaren vergetende, \'s morgens nuchter van Roermond, om in Limburgs Klein Lourdes de H. Mis te lezen.
Om half tien was de extra-pelgrimstrein van Veilo het station Meerlo—Tienray genaderd, en nam de Doorluchtige Pelgrim, vergezeld van Mgr Hoefnagels. President van het Seminarie te Eoennond en Mgr. Everts, Directeur van het bloeinid opvoedingsgesticht Rolduc, plaats in het schitterend gala-rijtuig van den HoogWelgeboren Heer Frans Johan, Baron von Schloissnigg van Well, Kamerheer van den Keizer van Oostenrijk. De fitre rossen schenen trotsch op de Hooge Pelgrins, die zij ter Bedevaart voerden.
Door eene laan van hooge mastboomen, waaraan Neerlands driekleur wapperde, stapten zij moedig ^oort tot aan den eereboog, waar de gelukkige Herder van Swolgen den Doorluchtigeu Prelaat en Beschermheer van Tienray hartelijk welkom heette.
„Monseigneur, zoo sprak hij den Eerbiedwaar-digen, hoogbejaarden Pelgrim toe wij allen jubelen van vreugde en geluk, nu wij Uwe Door\'. Hoogwaardigheid de voetstappen zien drukken van Uwe onvergetelijke Voorgangers Jctcohns c.
— 36 —
Castro, Joannes Antonius de Rohiano en Come Uus liichardus Antonius van Bommel, drie Dooi-luchtige IJveraars der eertijds zoo bloeience devotie tot 0. L. Vrouw de Troosteres der le-drukten alhier, van wie de annalen der oide Kapel zoo dikwijls gewag maken.
Naast de eerbiedwaardige namen dezer Irie Doorluchtige Kerkvoogden. Monseigneur, zal voortaan ook Uw glorievolle naam Joannes Aiyus-tinus Paredis, met gouden hoofdletters ii de archieven van Klein Lourdes staan opgeteeiend, als een blijk onzer kinderlijke dankbaarheic1 voor al de gunsten en weldaden door Uwe D. ï. aan Tienray\'s Heiligdom geschonken, het eerste heiligdom, Monseigneur, dat op Limburgs bodem, ja in gansch Nederland gebouwd, dooi Z. H. Paus Pius IX, onsterfelijke!\' gedachteais, met alle gunsten en Aflaten der Baziliek van Lourdes verrijkt, en door Uwe D. H. aan de bijzondere vereering der Onbevlekte Maagd van Lourdes werd toegewijd....quot;
Omstreeks 10 uur trad Z. D.H., voorafgegaan van lieve bruidjes, herderkens, het zangerskoor en de beide kanunniken van zijn kathedraalkapittel, Mgr. Hoefnagels en Mgr. Everts, de feestelijk versierde Kapel binnen, om aan het
— 37 —
prachtig Hoog-Altaar de H. Mis op te dragen, terwijl Mgr. Hoefnagels aan het Altaar van O. L. Vrouw van Lourdes de Heilige Geheimen vierde.
Na de Mis, waaronder het zangkoor passende feestzangen aanhief, besteeg de Eerw. Pater Lamberts, Minderbroeder uit het klooster van Venray, het spreekgestoelte, en hield met zijne gewone welsprekendheid eene treffende predicatie, welke op de duizenden aanwezigen, die mede van hunnen eerbied, van hunne liefde en toegenegenheid voor onzen alom beminden Kerkvoogd blijk wilden geven, een diepen indruk maakte.
Met innige ontroering zag de vrome schare den hoogbejaarden Prelaat het Heiligdom verlaten. Op aller lippen zweefde toen de wensch van den Herder: „Moge de Hemel, die reeds zooveel voor Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid gedaan heeft. TJ met nieuwe gunsten overladen, U ondersteunen en versterken! Moge de Onbevlekte Maagd van Lourdes U verkrijgen nog vele jaren levens, ter liefde Uwer kinderen, tot stichting Uwer geloovigen, tot wélzijn en bloei van Klein-Lourdes.quot;
Wie zou, na al wat hier in de laatste jaren gebeurde, en wat deze dag te aanschouwen gaf.
— 38 —
aan den verderen bloei van Tienray kunnen twijfelen?
In \'t verleden Ligt het heden En het lieden, prachtig goed,
Zegt wat Tienray worden moet.
Zoo schreven wij op het einde van 1884.
Sinds dien is onze voorspelling in vervulling gegaan. Drie jareu later waren dezelfde Pastoor en dezelfde architect wederom ter plaatse, om nieuwe vergrootingsplannen te beramen. Men was tot de overtuiging gekomen, dat eene nagebootste Grot van Lourdes in de open lucht, in onze Noordsche streken, groote bezwaren oplevert. De helft van het jaar zou de afgematte en dikwijls verhitte Pelgrim, aan wind en koude, aan het guurste weder blootgesteld zijn.
Dat mocht niet.
Er werd dan zeer wijselijk besloten, de Kapel nogmaals en nu met eene Noordelijke kruisbeuk, eenige onmisbare nevengebouwtjes en vooral een schoonen toren aan de Evangeliezijde van het koor, te vergrooten. In die kruisbeuk zou dan de Grot van Lourdes met een Grot-Altaar worden aangebracht.
Dat is in den loop van den zomer van 1887, tot groot genoegen van velen, gebeurt.
Twee zaken immers lieten tot hieraan in Tienray te wenschen over.
Tienray had van Z. H. Pans Pius IX z. g., den Paus der Onbevlekte Ontvangenis, den hoogst vereerenden naam van Klein Lour des ontvangen, en men zag er eigenlijk slechts hitter weinig, wat op waardige wijze, aan Lour des herinnerde. Een beeld van Onze Lieve vrouw van Lourdes op een zeer voorloopig Altaar geplaatst, te midden van Ex-voto\'s van allerhande soort. Dat was alles.
Thans echter is dit heerlijk verbeterd.
Als gij de nieuwe beuk binnentreedt, verbeeldt ge u in Lourdes zelf te zijn. Gij bevindt u voor een groot rotsgevaarte. Uit eene hooge nis, wenkt u het zedig beeld der Onbevlekte Maagd van Lourdes om biddend neer te knielen, even als Bernadette, de hoogbegunstigde, arme molenaarsdochter, die aan uwe linkerzijde, met het rozenhoedje in de eene, de kaars in de andere hand, en de oogen naar Maria opgeheven, op een rotsblok ter neer geknield ligt. Rechts voor ii is eene wijdgapende spelonk door een traliehek afgesloten, waarin eerlang, even als te Lourdes. het Altaar der Grot zal geplaatst worden.
— 40 —
Een tweede toostanil riep eveneens om voorziening-. Het eerbieclwaardig- Mariabeeld, dat eeuiren ?«»(/het Hoog-Altaar van Tienrd// versierd had, hoe keurig ook door den heg-aafdeu kunstenaar Jozef Thissen van Roermond hersteld, was door den drang der omstandigheden en den ijver voor Onze Lieve Vrouw van Lourdes, geheel op den achtergrond geraakt. Een oningewijde wist het bijna niet meer te vinden. Ook dit mocht zoo niet blijven.
Sedert de grot in de kruisbeuk door den heer Emile Biernaux, van Namen, meesterlijk is afgewerkt, heeft het beeld van O. L. Vrouw van Tienray de plaats ingenomen, welke tot hieraan op het zij-Altaar aan den Evangeliekant aan het beeld van O. L. Vrouw van Lourdes gegund was.
Tot vreugde der pelgrims kunnen wij er bijvoegen, dat het beeld van O. L. Vrouw van Tienray de Troosteres aller bedrukten, hier weldra, naast het beeld van O. L. Vrouw van Lourdes, staande in de grot, op een schoon, nieuw Altaar zal prijken.
Hiermede zal de godsvrucht der pelgrims weer voor een oogenblik bevredigd zijn. Het vrome hart zal echter spoedig wederom zeggen : rondom de beelden van 0. L. Vrouw van Lourdes en van
Onze Lieve Vrouw van Tienray moet het steeds schooner en schooner: een ware Hemel worden!
Ook in haren uiterlijken vorm is de Kapel in den loop van dezen zomer, merkelijk vooruit gegaan.
Tot hieraan lag zij onder de omringende hoornen als verborgen. Heden verheft zich een slanke Eomaansche toren, die, zooals het behoort, van den grond af, hoe langer hoe rijker wordt, aan de Noordzijde van het koor, meer dan drie en veertig meter hoog in de lucht. Statig over-schouwt hij velden en bosschen. Ji\'et ongeduld wacht hij op zijn tweelingbroeder, die aan de andere zijde van het koor verrijzen moet, om met hem, de uit alle streken opdagende Pelgrims toe te roepen:
Hier is het land van Onz Liev\' Vrouw, Die troost in droefheid en in rouw,
In alle wonden olie giet.
En hulp in alle nooden biedt.
— 42 —
AFLATEN,
te verdienen in de Kapel van Tienray, goedgunstig verleend door Z. H. Paus Clemens XIV! (1773), Z. H. Pins VI, (den 16 Sept. 17S0), Z. H. Pius IX, (den 22 April 1875).
J. Volle Aflaten, te verdienen in de Kapel „Klein-Lourdesquot; te Tienray,
mits men waardig Irieehte en communiceere en eenigen tijd bidde volgens de bedoeling van Zijne Heiligheid den Paus.
1. Op den feestdag vau O. L. Vr. Lichtmis, 2 Februari.
2. Op den feestdag van den H. Joseph of wel onder de octaaf, als men het blauwe Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis draagt.
3. \'s Vrijdags vóór den 4e Zondag in de Vasten.
4. Op O. L. Vrouw Boodschap, 25 Maart.
5. Op O. L. Vrouw Bezoeking, 2 Juli.
6. Op O. L. Vr. Hemelvaart, 15 Augustus, (processie van Swolgen).
7. \'s Vrijdags onder deze Octaaf.
8. \'s Zondags onder deze Octaaf.
9. Op O. L. Vrouw Geboorte. 8 September, (processie van Horst).
10. \'s Vrijdags onder deze octaaf.
— 4:3 —
11. \'s Zondags onder deze Octaaf, (processie van Meerloo).
12. Op 2 Oct., (oude-Kapehvijdingsfeest).
13. Op O. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, 8 December, (patrones van Klein Lourdes).
14. Op een dag naar ieders keuze, onder deze Octaaf, mits men. het blauwe Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis draagt.
2. Oedeeltelijke Aflaten.
1. Een Aflaat van zeven jaren en 7 Quadra-genen of zeven maal veertig dagen, op alle Vrijdagen des jaars.
2. Een Aflaat van honderd dagen, op alle andere dagen des jaars.
3. Buitengewone Gunsten en Aflaten, verleend
door Z. H. Paus Pius IX.
Bij Breve van 4 Maart 1877, gewaardigde zich Z. H. Pius IX aan de Kapel van Tienray den eerenaam van Klein Lourdes toe te kennen, met het bijzondere voorrecht, dat de Pelgrims aldaar kunnen verdienen alle Aflaten, welke aan de Groote Baziliek en Bedevaartskerk van Lourdes in Frankrijk gehecht zijn, namelijk;
1. Een vollen Aflaat op een dag naar ver-
— 44 —
kiezing, het (/eheele jaar door, onder de gewone voortvaarden.
2. Alle Aflaten, welke te verdienen zijn in de twee Hoofdkerken van Rome: St. Jan van Lateranen en Maria de Meerdere, waaronder ook den Aflaat van Portiuncula, den 2 Augustus.
3. Een Aflaat van 200 dagen, dagelijks te verdienen, wanneer men, in staat van genade, in deze Kapel iets bidt volgens de bedoeling van Zijne Heiligheid.
Volgens bovengemeld onschatbaar voorrecht aan Tienray geschonken, kan dus een ieder, eens in het jaar, op een dag naar zijne keuze, een Vollen Aflaat verdienen, mits hij goed biechte, commu-niceere, en in de Kapel van Tienray eenigen tijd — minstens 5 Onze Vaders en Wees gegroeten — bidde tot intentie van Zijne Heiligheid.
Ingevolge dit voorrecht, is de Kapel dagelijks voor de Pelgrims toegankelijk.
Orde der Heilige Diensten.
De H.H. Missen beginnen op de gewone Vrijdagen door het jaar ten S\'/i eu 9 ure. Valt een feestdag op Vrijdag, dan Hoogmis te 10 uren, uitgenomen Allerheiligen, Allerzielen, Kerstmis en
- 45 —
Driekoningen op welke dagen (Vrijdagen) nogtans ten 10 ure eene stille Mis gehouden wordt.
De Feestdagen waarop plechtige diensten te Klein Lourdes gehouden worden, zijn de volgende:
1. Op O. L. Vrouw Lfchtmis, 2 Februari, Vroegmis om S\'/i, Hoogmis om 10 ure, waaronder Preek. Extra-trein, vertrek Venlo 9.1 \'s morgens.
2. Op \'t Feest van den H. Joseph, 19 Maart, namelijk wanneer dit feest op een Vrijdag valt, anders den eerstopvolgenden Vrijdag 97« ure.
3. \'s Vrijdags voor den 4en Zondag in de Vasten, Vroegmis S\'/i, Hoogmis 10 ure met Preek. Extra-trein.
4. Op O. L. Vrouw Boodschap, 25 Maart, Vroegmis S\'/j, Hoogmis met Preek te 10 ure,
N.B. Valt dit feest op een dag in de Goede Week, dan wordt de plechtigheid verschoven tot op Maandag na Beloken Paschen. De aflaat blijft te verdienen den 25 Maart. Extra-trein.
5. Op den 31 Mei: Sluiting der Meimaand eu sedert 1878 Pelgrimstocht van Well, Hoogmis met Preek ten 9\'A ure. Valt de laatste Meidag op een Zon- of Feestdag of op de Vigilie van Pinksteren, dan heeft de Pelgrimstocht den laat-sten Vrijdag van Mei plaats.
— 46 —
6. Op O. L. Vrouw Bezoeking, 2 Juli, Hoogmis teu 9 ure. Valt dit feest op een Zondag, zoo wordt de plechtigheid niet op Zondag, maar op den eerstkomenden Vrijdag gehouden. Hoogmis ten 9\'/lt; ure.
7. Op O. L. Vrouw van den Berg Carmel, 16 Juli. Op dezen dag wordt het JAARFEEST tot herinnering der laatste ver-schijning van Onze Lieve Vrouw aan Bernadette in de Grot te Lourdes aller-plechtigst gevierd, ook als het op Zondag valt. Extra-trein, vertrek Venlo 9.1.
Vroegmis oin 87\', Hoogmis om 10 ure.
8. Op O. L. Vrouw Hemelvaart, 15 Augustus, Processie van Swolgen en Tienray. Vroegmis ten 8, Hoogmis ten 10 ure, na aankomst van den extra-treiu der Duitsche pelgrims.
9. \'s Vrijdags onder deze Octaaf, Hoogmis ten 9\'/4 ure.
10. \'s Zondags onder deze Octaaf, Processie van Meerlo. Vroegmis ten 8, Hoogmis ten 10 ure. Extra-trein.
11. Op O. L. Vrouw Geboorte, 8 September, Processie van Horst. Vroegmis ten 8, Hoogmis ten 10 ure. Extra-trein.
— 47 —
12. \'s Vrijdags onder deze Octaaf, Vroegmis ten 8, Hoogmis om 9l/4 lire, op de overige dagen dezer twee Octaven dagelijks Mis om 9 nre.
13. \'s Zondags onder deze Octaaf, Hoogmis ten 10 ure. Extra-trein.
14 Den 2 Zondag van October, feest der vroegere Kapelwijding en kermis te Tienray. Hoogmis ten 10 ure. Extra-trein.
15. De Opdracht van 0. L. Vrouw in den Tempel, den 21 November, Hoogmis ten 9 ure. Valt dit feest op een Zondag dan wordt dit feest uitgesteld tot den opvolgenden Vrijdag.
16. Op O. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, 8 December, Vroegmis om S\'A, plechtige Hoogmis met Preek om 10 uur. Extra-trein.
Kort verhaal der verschijningen van O. L. Vrouw van Lourdes.
(Het zul zeer nuttig wezen dit verhaal te lezen alvorens de Novene te beginnen.)
De 11 Februari 1858 is in de Annalen der vereering van Maria een onvergetelijke dag. Op dien dag verscheen de H. Maagd aan een eenvoudig, nederig, veertienjarig meisje te Lourdes, in het Zuiden van Frankrijk, aan den voet der
— 48 —
MMUr
hooge Pyreneeën. Haar eenige schat was die harer godsvrucht en zuiverheid. Zij kon zelfs niet lezen noch schrijven. Haar naam was Ber-nadette Souhirous.
Op gemelden 11 Februari, omstreeks 11 uur voormiddag, werd de arme dochter Souhirous met hare zuster en eene andere gezellin door de 1 moeder uitgestuurd, om op den gemeentegrond van Lourdes wat dor hout te sprokkelen.
He drie meisjes waren tot dit einde naar het riviertje de Gave en de Massahielle-rots gegaan, hopende daar spoedig den noodigen voorraad te j vinden.
Eensklaps hoort Bernadette als het geruisch van een hevigen wind.
Baar alles stil was, werd zij ontsteld, sloeg \' echter verder geen acht op dit huitengewoon verschijnsel.
Toen kort daarop ditzelfde gedruisch zich ten tweeden male liet hooren, verhief zij het hoofd, en verbaasd liet zij eenen gil, dien zij aanstonds onderdrukte.
Toen zij opzag naar de wondervolle vertooning, welke zich voor haar oog ontrolde, viel zij bevend op hare knieën.
Wat was er gebeurd?
— 49 —
Bene Vrouw van Hemelsche schoonheid stond vóór haar, in de rotsholte. De bloei der jeugd, opgeluisterd door alles, wat de andere tijdvakken des levens bekoorlijks hebben, versierde haar hoofd. Goedheid en zachtaardigheid zweefden op hare lippen. Zij droeg een lang kleed, witter dan de sneeuw. Een hemelblauwe gordel omgaf hare lenden, en daalde van voren af tot nabij hare voeten, waarop twee zinnebeeldige gouden rozen zich ontplooiden. Een witte sluier omsloot haar hoofd, en bedekte hare schouderen en het bovengedeelte der armen. Tusschen hare vingeren ontrolde zij een Eozenkrans, zonder hare lippen te bewegen. De koralen, blank als ivoor, waren met eene keten van het schitterendste goud aan elkander gehecht.
Zij maakte het teeken des H. Kruises, niet als een sterveling, maar zooals slechts een Hemeling dat maken kan.
Bernadette teekende zich insgelijks met het teeken der Verlossing, en begon den Rozenkrans te bidden. Nauwelijks had zij dien geëindigd, of de geheimvolle Vrouw verdween uit hare oogen.
Achttien keeren begunstigde Zij het bevoorrecht meisje door haar bovennatuurlijke tegenwoordigheid. Bij enkele dezer verschijningen deed
zij aan het kind mondelinge mededeelingen, waarop wij, bij de overwegingen der Noveen, de aandacht vestigen. Eens deed zij in de nabijheid der grot eene waterbron ontspringen, waar van te voren niet de geringste sporen eener bron geweest waren. En die bron werd eene wonderbare heilbron, niet slechts voor Lourdes, maar voor alle oorden der wereld, waar het Water van Lourdes werd heengevoerd.
Onder deze oorden bekleedt Tienray eene voorname «laats. Duizenden en duizenden kwamen daar van het Wonderwater van Lourdes halen; velen keerden dankbaar weder, en legden met tranen in de oogen getuigenis van hunne- of hunner dierbaren genezing af.
De geheimzinnige Vrouwe openbaarde aan Bernadette verschillende geheimen, die haar alleen raakten, en die zij aan geen sterveling mocht mededeelen.
Den 23 Februari beval Zij haar naar de Priesters te gaan, opdat zij zorgen zouden, dat Haar op de plaats der verschijning, eene Kapel gebouwd wierd. Eeeds vroeger had zij den wensch uitgedrukt, dat zij daar veel volk hoopte te zien.
Op den feestdag van O. L. Vrouwe-Boodschap, den 25 Maart, werd Bernadette door eene
— 51 —
inwendige stem onweerstaanbaar naar de grot geroepen. Zij vertrok aanstonds, en, volgens gewoonte, werd zij door eene groote menigte volks gevolgd. Nauwelijks was zij neergeknield, of zij zag de Verschijning, schitterend van Hemelglans en van een onbeschrijfelijken straalkrans omgeven. Op het zien van deze hemelsche schoonheid is Bernadette als los gemaakt van de aarde. In zaligende geestverrukking verstout zij zich de verschijning toe te spreken: O Vrouwe, wees zoo goed en zeg mij, wie Gij zijt, en hoe Gij heet?
Driemaal herhaalde zij dezelfde vraag, zonder ander antwoord dan een minzame en welwillende glimlach. Toen Bernadette ten vierden male dezelfde vraag tot de Verschijning richtte, ont-lt; sloot de edele Vrouw hare handen, en liet haren hagelwitten Rozenkrans met gouden keten langs haren rechter arm afglijden. Zij opende dan hare i heide armen, liet ze een weinig naar den grond i afzakken, als wilde Zij hare maagdelijke handen, met zegeningen gevuld, aan de aarde toonen, en geheel het menschen-geslacht in hare Sloeder-liefde omhelzen. Vervolgens vouwde zij wederom hare handen, hief ze ten Hemel op, en met een gevoel van diepe dankbaarheid ten hooge blikkende, sprak Zij:
— 52 —
ik ben de onbevlekte ontvangenis.
Na deze woorden gesproken te lieMen, verdween Zij, en liet kind bevond zich voor de woeste rots.
Nadien verscheen de H. Maagd nog tweemaal aan Bernadette, voor het laatst op den feestdag van O. L. Vrouw van het Scapulier, den 16 Juli, toen Zij haar, zonder meer te spreken, nog zachtjes toelachte en beur engelachtig hoofd naar Zekei haar nederboog, als om haar een laatst vaarwel w
toe te roepen.
Langen tijd sloeg niet alleen de wakkere Pastoor van Lonrdes, de Eerwaarde lieer I eyra-male, maar ook zijn Bisschop, Mgr. Laurence het ( van Tarbes, het gebeurde bij de Massabeille-rots gcho] met de grootste omzichtigheid gade, zonder^te b( hun gevoelen over deze buitengewone feiten uit j dj te drukken. de n
Eindelijk benoemde de Bisschop eene commissie, kelijl om al het voorgevallene nauwkeurig te onder- om zoeken. mede
Hij handelde hierin geheel volgens den geest ioovi der H. Kerk, die nooit overgaat tot het goed- g.ei0( keuren van zulke feiten, dau nadat ook de Dj geringste twijfel is opgeheven. kath
Den 18 Januari 18G2 vaardigde de Bisschop daar
een j
deelei
God,
Soubi
dagei
rots
alle
voor
0. L den 1 wil ■
— 53 —
een Mandement uit, waarin Hij zeide; Wij oor-deelen, dat Maria, de Onlievlekte Moeder van God, wezenlijk versohenen is aan Bernadette Soubirous, den 11 Februari 1858 en volgende dagen, tot achttien malen toe, in de Messabielle-rots bij de stad Lourdes; dat deze verschijning alle kenmerken der waarheid draagt, en dat er voor de geloovigen grond bestaat, om haar voor :1 naar zeker te houden.
arwel Wij staan in ons Bisdom de vereering van | O. L. Vrouw van Lourdes toe . . . en ingevolge kkere | den herhaaldelijk bij de verschijning uitgedrukten wil van de H. Maagd, zijn wij voornemens op het terrein der grot, dat het eigendom der Bisschoppen van Tarbes geworden is, een Heiligdom ;oiidert te bouwen.
m uit Die opbouw zal, wegens de lastige ligging en de ruwheid van den bodem, veel werk en betrek-nissie, lelijk groote kosten vorderen. Alzoo hebben wij, jnder- om ons godvruchtig plan te verwezenlijken, de ! medewerking noodig van de Priesters en ge-geest loovigen van ons Bisdom, van de Priesters en goed- geloovigen van Frankrijk en het buitenland, enz. )k de Dank aan de offervaardigheid van de geheele katholieke wereld, verheft zich reeds sinds jaren, jschop claar, waar vroeger niets was dan eene woeste
, ver-ar de
emaal istdag ;ii 16 ii, nog
\'eyra-irence e-rots
— 54 —
onbekende rots, eene prachtige kerk aan ü. L.
Vrouw van Lourdes gewijd.
De H. Maagd had slechts eene kapel gevraagd.
De liefde en dankbaarheid harer kinderen bouw- quot;\'f A
den Haar eene rijke kerk, die nu reeds te klein On
geworden, weldra eene tweede ter eere van SP001
O. L. Vrouw van den Rozenkrans, aan hare zijde f Wie
zal zien oprijzen. J8, z
De naam van Lourdes was vóór 1858 bijna dat
onbekend; nu is hij niet alleen in Europa ver- perse
maard, maar ook over de zeeën in hooge eer, f klop;
en doet hij, de geheele wereld door, de harten qnot\'
der kinderen van Maria, ja alle katholieke broo
harten, van vreugde kloppen. ^uc
Oi
Iets over Novenen. * beha
Ik heb nog nooit een Noveen gehouden: ik houc
weet zelfs maar half wat eene Noveen is, en en ^
hoop toch in den Hemel te komen! zegt gij ^et
wellicht, waarde Lezer. ^eul Dat hopen wij ook, en zal u ook wel lukken, ^
als gij maar de Geboden zorgvuldig naleeft: vooral ^001
wanneer gij daarbij nog eene welgemeende en ^ou
warme vereering voor Maria hebt. e_ell{
Dit belet echter niet, dat eene Noveen of eene r\'c\'\'
negendaagsche oefening van het een of ander goed maa
werk vaste is, w
L). L. werk, li.v. van eene verstandige Bedevaart, van vasten, van zekere gebeden, zeer aan te prijzen aagd. is, wanneer men eene bijzondere gunst van God )ouw- : wil verkrijgen.
klein Onze Moeder de H. Kerk keurt dit goed, en van spoort er zelfs toe aan. En hoe kon het anders? : zijde t Wie met geloof en vertrouwen eene Noveen houdt, ja zelfs de eene Noveen aan de andere sluit, is bijna dat de man niet, van wien de Heer zegt: si ver- perseveraverit pulsans, zoo hij aanhoudt met e eer, •\' kloppen, flico rohif, ik zeg het u, dabit illi ajten quotquot habet nee es sari os; hem zullen zooveel 3lieke brooden gegeven worden als hij noodig- heeft? (Luc. XI. 8.)
Onze Lieve Vrouw van Lourdes schijnt vooral ri behagen te scheppen iu de. Haar ter eere ge-n: ik houden Novenen. Wanneer meu de Geschiedenis Si en en de Annalen van Lourdes leest, springt het in t gij het oog, dat daar slechts zelden een wonder gebeurde, tenzij onder of na eene Noveen.
kken. Wilt gij dus de eene of andere bijzondere gunst rooral door de voorspraak van Onze Lieve Vrouw van de en Lourdes verwerven, houd dan met vertrouwen eene Noveen, of zelfs Noveen op Noveen. Ver-
• eene richt dan dagelijks eenige Gebeden tot hare eer,
• goed maar nogmaals, doe dit met een onbegrensd
iMir
— 56 —
vertrouwen, het woord gedachtig, dat de Heer zoo menigwerf tot de geheilden sprak: fides tua te salvain fecit, uw geloof heeft u gezond gemaakt. Wees overtuigd, dat, zoo het u zalig is, u de gevraagde guust zal verleend worden, en is u dit niet zalig, u iets anders, wellicht nog meer dan het gevraagde zal gegeven worden.
Nader ook gedurende de Noveen met godsvrucht tot de heilige Sacramenten. Slechts aan zijne vrienden zal God zijne bijzondere gunsten laten toekomen.
Zijt gij ziek, drink dan van het water van Lourdes, en wasch daarmede vooral het zieke deel uws lichaams. Wat de Onbevlekte Maagd tot Bernadette zeide; Drink van het water der bron en wasch u daarmee! schijnt zij tot allen te zeggen, die door Onze Lieve Vrouw van Lourdes ^ hulp en genezing verwachten.
Water uit de wondervolle heilbron van Lourdes kunt gij in de Kapel van Tienray bekomen, zoo dikwijls er de Heilige Dienst verricht wordt; op de andere dagen bij den koster Litjens.
Ook is het goed u in de Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Lourdes te laten inschrijven, waarvoor dan telkens gelegenheid bestaat.
Om u de Noveen gemakkelijker te maken, kunt gij u van het volgende bedienen.
— STOP den eersten dag der Noveen.
Gebed ter voorhereiding.
God H. Geest, verlicht mijn verstand en verwarm mijn hart door het vuur uwer goddelijke liefde, opdat ik mijn Heer en mijn God steeds meer en meer heminne; mij meer en meer door-dringe van de noodzakelijkheid van mijne zaligheid en alle mijne plichten met onafgebroken ijver te behartigen; maar vooral, schenk mij de genade, dat ik steeds een waar kind van Maria moge wezen, Haar liefhebbe, zooals de Heiligen Haar hebben lief gehad, om in leven en dood, harer bescherming en gunsten deelachtig te zijn. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet, Maria.
OVERWEGING.
O. L. Vr. van Lourdes en de christelijke eenvoudigheid.
In het Zuiden van Frankrijk, in een bekoorlijk dal aan den voet der Hemelhooge Pyreneeën, ligt het kleine stadje Lourdes, dat tot 1858, bijna aan niemand bekend was, en thans niet slechts in Europa, maar tot ver over de zeeën met eerbied genoemd wordt.
Lourdes telt nu onder de meest bevoorrechte plaatsen van Maria, waar jaarlijks duizenden en duizenden uit alle oorden der wereld komen nederknielen, om de Heilige Onbevlekte Maagd op bijzondere wijze te vereeren, hare machtige voorspraak eu hulp af te smeeken.
Welke groote gebeurtenis heeft dien breeden wereldstroom van Pelgrims daar heen gevoerd?
Op den laatsten Donderdag vóór de Vasten, op vele plaatsen, ook in ons Limburg, Vetten Donderdag genaamd, zag het alles behalve vet uit in de nederige woning der echtelieden Franciscus Soubirous eu Louisa Castérot te Lourdes. Het sloeg elf uur op de torenklok van Lourdes, en nog flikkerde er geen vonkje aan den dooden haard van den eerzamen Soubirous, die uit armoede, den dierbaren molen, welken hij vroeger bemaalde, had moeten vaarwel zeggen, om als eenvoudig daglooner voor zijne vrouw en zijne kinderen den kost te winnen.
Moeder Soubirous zond dan hare twee dochtertjes Bernarda, gewoonlijk Bernadette geheeten, een meisje van omstreeks veertien jaren, en Maria even buiten de stad, om op de boorden van het riviertje de Gare, wat dor hout te sprokkelen.
In hare. tot op de lenden afdalende hoofd-
— 59 —
kapsels gehuld, huppelden zij, aan do zijde van een buurmeisje, Joanna Ahadie, op hare klompjes vroolijk naar buiten.
Nabij de Massabielle-rots, zooveel als de oude rots, waren Maria en Joanna reeds ijverig aan het werk, terwijl Bernadette nog- bezig was zich van hare kousen te ontdoen, om barrevoets door de bijna droge rivier te waden.
Eensklaps schrikt zij op, als bij het gesuis van een hevigen wind, dat slechts een oogeublik aanhoudt. Nauwelijks heeft zij de hand aan hare tweede kous geslagen, of zij hoort andermaal hetzelfde gedruisch. Ontsteld ziet zij op naar de rots, die tegen haar over is, en wat ontwaart haar oog V
In eene nis, boven eene wijdgapende rotsspelonk, ziet zij eene verrukkende Hemelgestaltei van ongekenden glans omstraald.
Onwillekeurig laat zij eenen gil, die echter in de keel verstikt, en zinkt, half verschrikt eu half opgetogen, eerbiedig op hare knieën.
Zij blikt en herblikt en verzadigt haar oog aan Hemelsche schoonheid.
Vóór haar staat in den vollen glans der eerste jeugd, met bovenaardsche zedigheid op het gelaat, eene vrouwengestalte van middelbare grootte-Iets, wat al het aardsche overtreft, schittert in
— 60 —
hare zachte, blaiiwe oogen, en op haar engelachtig ovaal gelaat. Eene aantrekkelijke afsclie-mering van Gods goedheid en Majesteit zweeft op hare lippen en haar onbewolkt en ongerimpeld voorhoofd.
Haar kleed, zoo wit als de blanke lelie, daalt met golvende plooien bevallig op haren maagdelijken voet, waarop eene geheimzinnige gouden roos in schitterende pracht geopend ligt. Met dezen voet rust zij zachtjes op den twijg van eenen wilden rozelaar.
Haar hoofd is zedig omsluierd, en de witte wijle, welke hare schouders en bovenarmen bedekt, strekt zich van achteren bijna tot aan den\' zoom van haar kleed uit.
Hare lenden zijn door eenen Hemelblauwen gordel omsloten, waarvan de beide uiteinden van voren schier hare voeten raken.
Noch kroon, noch halssieraden, noch armbanden, slechts een rozenkrans, blank als ivoor, met gouden keten, schittert tusschen hare ten Hemel geheven handen.
Majestatisch, maar eenvoudig, vertoont zich de Onbevlekte Maagd — want zij is het — aan de ienvoudige Bernadette.
Is het niet, alsof zij aan de weelderige wereld
-
61
jnzer dagen en ook u toeroept: Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum ccelorum?
Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het rijk der Hemelen?
Hoe is het? Deelt ook gij niet in het alge-meene euvel des tijds van te willen schitteren en u boven uwen stand verheffen?
Pan maakt gij te vergeefs aanspraak op den eeretitel van kind van Maria.
Heersclit een passende, christelijke eenvoudigheid in uw huis, uwe kleeding. in geheel uw bestaan ?
Of bemint gij de ijdelheid, overdreven opschik en wellicht tot zondige doeleinden ?
Hoe verschilt gij dan van de nederige en eenvoudige Dienstmaagd des Heeren? Hoe durft gij dan hare bijzondere bescherming en gunsten hopen?
O, Heilige Maagd, ik zal den zieken tijdgeest onzer dagen, die oorzaak is van zooveel kwaad en zooveel rampen, niet verder volgen. Ik zal mij, U ter eere, meer en meer op de christelijke eenvoudigheid en nederigheid toeleggen en mij steeds herinneren, dat God den hoovaardige weerstaat en aan den nederige zijne genade schenkt.
H. Maagd, verwerf mij hiervoor de noodige genade!
— 62 —
(Lees vervolgens, tot opwekking van mv vertrouwen, de volgende treffende gebeurtenis.)
Plotselinge genezing van Frits Jjtipont te Swolgen,
den 21 Januari 1880, waarvan ik J. B. H.
Maessen, Pastoor, ooggetuige getveest ben.
Frits Dupont, oudste zoon van de Weduwe Dupont, wonende op het gehucht de Gun, onder Swolgen, had, den 15 Januari 18S0, eeue hevige ontsteking in de beide longen gekregen, door te werken in de koude sneeuw, die zijn geheel lichaam verkleumd had. Vol geloof, nam hij aanstonds zijne toevlucht tot O. L. Vrouw van Lourdes, de Behoudenis en gebruikte
met een bewonderenswaardig vertrouwen, het miraculeus water, voortkomende uit de wonder-bron te Lourdes. Den 18 Januari, (Zondag) werd zijn toestand zoodanig, dat ik mij verplicht zag hem spoedig de Sacramenten der stervenden toe te dienen.
\'s Maandags, 19 Januari, was hij nog erger; hij kon nauwelijks meer ademhalen, schier geen druppel water tot zich nemen, \'s Woensdags, 21 Jan. kwamen er nog hevige toevallen bij. Dit verzwakte hem zoo zeer, dat hij zijn bewustzijn verloor. Omstreeks half twaalf \'s ochtends, werd zijn toestand hopeloos, en ik gaf dit aan zijne diepbedroefde moeder te kennen.
De menscheu van \'t gehucht de Gun, die in dergelijke omstandigheden altoos de handen in elkander slaan, om een ongelukkigen nabuur te helpen, waar en hoe ze slechts kunnen, deze droevige tijding vernemende, gebruikten in alle
— 63 —
haast hun middagmaal, en omstreeks één uur vertrokken zij,-ten getale van 16, hartelijk biddende, naar de genadekapel Klein Lourdes, te Tienray. om door de machtige voorspraak van Haar, die de H. Bernardus de Hoop der hopeloozen noemt, de gezondheid terug te bekomen van hem, die hun allen zoo dierbaar was.
Omstreeks 1 /. uur kwam ook de Dokter E......
van Venray den zieke bezoeken. Hij naderde hem, onderzocht hem allernauwkeurigst en verklaarde daarna aan de moeder, dat alle hoop op behoud van haar zoon verdrvenen was. De jonge man lag dan ook werkelijk zieltogend met den reutel in de keel. De moeder hierover tot in de ziel ontroerd, zeide: Maar, Dokter, sterven!. . . . Ja, antwoordde de Dokter, hij is reeds half dood, en zal zeer zeker dood zijn vóór ik te Meerlo ben. (Meerlo ligt op een afstand van slechts \'/i uur gaans.) Welnu, Dokter, sprak de moeder, dan zullen wij toch nog iets anders beproeven ter genezing van mijn zoon.
De Dokter reed weg, en de huisgenooten begonnen den Rozenkrans te bidden. En zie wat gebeurt er? Nauwelijks hadden zij het eerste Rozenhoedje geëindigd, en konden de 16 gebnren eenige minuten te Klein Lourdes bezig zijn geweest met bidden, of daar opent de stervende eensklaps zijne oogen, ziet in het rond, en zegt tot zijne moeder: Moeder, ik sta op; geef mij mijne broek. — Neen, neen. Frits! gij moet te bed blijven! zei de moeder. — Moeder, ik ben weer goed, waarom zou ik te bed blijven ? sprak Frits. De moeder voldeed aan zijn verlangen, en reikte
— 64 —
hem de broek toe. Trits trok ze aan. en stapte uit liet bed. Moeder wilde hem ondersteunen, doch het was niet noodig; geheel alleen verliet hij het slaapvertrek, en ging naar eene andere kamer. (De twee laatste dagen kon hij zulks slechts met behulp van twee personen). — Daar plaatste hij zich bij eene warme kachel, en vroeg belangstellend aan zijne moeder: Och, moeder, zeg mij toch eens; wat is er te Tienray gebeurd? De voorzichtige vrouw antwoordde: Ja, Frits,
wat zou er te Tienray gebeurd zijn ?..... Och,
moeder, zeide Frits hierop, er is te Tienray iets gebeurd; maar ik weet niet wat; ik kun het niet zeggen. Ja, Frits, zei de moeder, 16 geburen zijn voor u naar Tienray gegaan om te bidden. Glimlachende zeide hij: Zoo, zoo! ha, ja! — Nu kreeg Frits lust een pijp te rooken. Moeder gaf ze hem over; hij ontstak ze, en Frits rookte smakelijk zijn pijpje. Hij stopte ze zelfs nog een tweedemaal. Intussch\'en verlieten de 10 geburen Klein Lourdes, en, hartelijk biddende, keerden zij huiswaarts. O, hoe verheugd waren zij, bij de Weduwe Dupout nog altoos de vensters geopend te zien, want ook zij, even als de Dokter, dachten Frits bij hunne terugkomst dood te vinden. Doch, de algoede God had het anders beschikt. Binnentredende vonden zij Frits smakelijk zijn pijpje rookende. Zij konden hunne oogen niet gelooven. De vreugde des huizes was groot; zij namen er deel aan, en loofden en dankten Jezus en zijne Onbevlekte Moeder, die hunne wenschen en gebeden verhoord hadden. — O, wat spijt hadden de overige geburen, dat zij niet
— 65 —
van het getal diergenen geweest waren, die te Klein Lcmrdes zoo zeer hadden medegewerkt tot Frits\' spoedige en volkomene genezing. — Frits at en dronk daarna. (De twee laatste dagen had hij, slechts met moeite een druppeltje water van Lourdes kunnen binnen halen.) Doch eenige oogeuhlikken later had er hij Frits eene omstandigheid plaats, die ondertusschen niet vreemd is na eene plotselijke genezing. Frits rekte zich op eens, op zijn stoel gezeten, uit, en viel op den vloer neder; men wilde hem oprichten, doch zijne armen, beeuen en zijn geheel lichaam was zoo stijf, dat men genoodzaakt was hom te laten liggen. Zoo lag hij daar 10 minuten lang, be-weegloos, zonder bewustzijn, schijndood. Eensklaps opent hij zijne oogen, richt zich op, en gevoelt niets meer, dat hem kwelt.
\'s Anderen daags, toen ik hem een bezoek bracht, zeide hij tot mij: Nu ben ik gezonder dan ik ooit geweest ben. — Daags na zijne genezing, ging Frits\' broeder naar den Dokter. Deze hem ziende binnenkomen, zeide: „Zoo jongen, komt ge een briefje halen? — Om wat\' uur is uw broeder gestorven?quot; „Heer Dokter, Frits is niet dood; hij is genezen!quot; „Wat!quot; zeide de Dokter, „genezen! Hij moet dood zijn!quot;
Daar de Dokter van Frits\' genezing maar niet te overtuigen was, noodigde hij hem uit, zich van deze wonderbare zaak te komen verzekeren. De Dokter nam de uitnoodiging aan, en\'s namiddags om 1\'/. uur was hij er. Hij onderzocht Frits met de_ meeste nauwkeurigheid, en riep eindelijk tot driemaal toe, met de grootste verwondering uit:
— 66 —
„Moeder, wat hier gebeurt is, weet ik uiet. Ik vind geen spoor van ziekte meer in hem.quot; — „Jongen,zeide hij tot Frits, ,.laat de medicijnen maar staan; neem er geen druppel meer van, gij zijt totaal genezen!quot; „Welnu, Dokter,quot; zeide de moeder, gij weet, wat gij mij gisteren gezegd hebt, en wat gij ook te Meerlo en te Venray verteld hebt, namelijk; dat Frits stervende was, en dat hij zeer zeker dood zoude zijn, eer gij te Meerlo zijn zoudt; gij zult dan toch ook moeten bekennen, dat hier een mirakel heeft plaats gehad.quot; „Ja, ja, ja!quot; gaf hij ten antwoord.
Twee dagen later vroeg een der geburen hem beleefdelijk een attest van dit wonderbaar feit. „Dat zal ik geven,quot; antwoordde de Dokter, „doch. ik ben nu belet; bij uwe terugkomst over twee dagen, zal ik het u ter hand stellen.quot; Wijl echter deze plotselinge genezing te Venray en omstreken reeds bekend was, en hij, op denzelfden dag van Frits\' genezing hier en daar verteld had, dat hij wel zeker dood zou zijn, wilde hij er niet meer toe overgaan.
Des Zondags reeds kwam Frits ter kerk. Hij verhaalde mij daarna, dat hij zich niets herinnerde van wat er in zijne ziekte gebeurd was; „slechts dit weet ik,quot; zeide hij mij, „dat, zoodra ik vernam, dat ik in gevaar was, ik deze som gelds aan O. L. Vrouw te Klein Lourdes beloofd heb, als ik door hare voorspraak de gezondheid zou terugbekomen.quot;
Elf dagen na de genezing, ging Frits naar Venray om den Dokter te voldoen. Biunenko-
mende Troeg deze: „Wie zijt gij?quot; „Wel Dokter, kent ge mij niet meer:quot; was de vraag.
„Zijt gij niet een zoon van de Weduwe Dupont?quot; vroeg de Dokter, en toen daarop toestemmend werd geantwoord, vroeg hij verder:
„Hoe gaat het met uw broeder?quot;
„Welken bedoelt gij?quot; sprak Frits; „meent u misschien die ziek geweest is? dat ben ik zelf.quot;
„Wat! dat is onmogelijk! dat kan niet!quot; zei toen de Dokter; hij kon maar niet begrijpen, dat Frits zoo spoedig zijne krachten kon herkregen hebben, om 9 kwartiers uurs te voet af te maken.
Op dit oogenblik, bijna 8 jaar na zijne genezing, is onze Frits nog altoos volkomen gezond.
Aldus door mij, ondergeteekende, naar waarheid opgemaakt, als ooggetuige van dit wonderbaar feit, dat door de tussohenkomst der Onbevlekte Maagd van Lourdes, door het gebed en het gebruik van Lourdes\' wonderwater, heeft plaats gehad.
J. B. H. Ma essex, Pastoor.
Swolgen, den 25 Augustus 1881—1887.
Bid hierna een Rozenhoedje, of ten minste een tientje van den Rozenkrans en de
— 68 —
L I T A IST I E
TER EEBE VAN
ONZE LIEVE VROUW VAN LOURDES.
Heer, ontferm U onzer!
Christus, ontferm U onzer!
Heer, ontferm U onzer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer!
God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer!
God, Heilige Geest, ontferm U onzer!
H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer!
H. Maria, hid voor ons.
Maria, zonder erfsmet ontvangen,
H. Moeder Gods,
H. Maagd der Maagden,
Machtige Maagd,
Toevlucht der zondaars.
Troosteres der bedrukten, S
Heil der kranken, ^
Hulp der Christenen, o
Lelie der kuischheid, °
Boos der volmaakste Liefde Gods, o
piegel van alle deugden, S
3nhevlekte Maagd, wondervol werktuig der
Hemelsohe barmhartigheid,
Dnbevlekte Maagd, die achttienmaal te Lourdes verschenen zijt,
Onbevlekte Maagd, die U geopenbaard hebt in eene eenzame grot, om ons te leeren de ijdel-lieid te vluchten, bid voor ons.
die omgeven waart van een glansrijk licht, om onze harten naar den Hemel te trekken,
die gekleed waart met een schitterend blank gewaad, om ons de zuiverheid te leeren hoogschatten en beminnen,
die een Hemelblauwen gordel droegt, om ons te herinneren, dat wij, om don Hemel, ons vleesch en onze kwade lusten bedwingen moeten,
die u vertoond hebt met een langen witten sluier, om ons te herinneren, dat de zedigheid de beschermster der deugd is, ce die uwen blik ten hemel geheven hieldt, ^ om ons te herinneren, dat wij op aarde ~-^ den Hemel nimmer uit het oog verliezen amp; 2 moeten, ^
■S wier voet op de rots en de doornen stond S Ji en met de geestelijke gouden roos o a gesierd was, om ons te herinneren, dat P c wij door vele kwellingen het Rijk der Hemelen moeten ingaan,
die een Rozenkrans in uwe hand droegt, om ons aan te sporen den Rozenkrans _ veelvuldig met godsvrucht te bidden, die aan Bernadette bevolen hebt voor de zondaars te bidden, om ons te leeren de wegen der zonden te verlaten, en op onze beurt, voor de arme zondaars te bidden,
— 70 —
Onbevlekte Maagd, die aan Bernadette tot driemaal toe: Boetvaardigheid! Boetvaardigheid! Boetvaardigheid! deedt in de ooren klinken, en haar geboodt van de kruiden der aarde te eten, om ons te waarschuwen ons door den geest van zingenot onzer eeuw niet te laten beheersehen, en ons gewillig aan de wet van boetvaardigheid en vasten te onderwerpen, bid voor ons.
die haar naar de Priesters deedt gaan. met verzoek, op de plaats der verschijning eene Kapel te bouwen, om ons te leeren den luister van Gods Huis te beminnen, en gaarne, naar gelang onzer tS middelen, tot versiering- van Gods woon IP op aarde bij te dragen, gquot;.
^ die door hare tusschenkomst de wonder- ^ volle bron deedt vloeien, om ons aan o ■2 te sporen een onwankelbaar vertrouwen ° _cc op uwe machtige hulp en voorspraak o g stellen, S
■g die aan Bernadette gezegd hebt: Ik ver-O lang, dat velen herwaarts komen, om ons aan te toonen, dat Processieën en Bedevaarten, met een goed doel ondernomen, den Hemel en U welgevallig zijn, die u gewaardigt hebt aan Bernadette uwen naam bekend te maken, zeggende: He hen de Onbevlekte Ontvangenis, om ons aan te moedigen, U onder dien titel veelvuldig te vereeren en vlekkeloos op aarde te leven,
die de heilzame bron van Lourdes steeds
overvloedig laat vloeien en tot genezing van velen strekken, om ons te herinneren, dat Gij met te vergeefs de Machtige Maagd en de Behoudenis der Kranken genoemd wordt bid voor ons.
O. L. \\ r. van Lourdes, die de zondaren bekeert, die den ijver der rechtvaardigen opwekt, tj\' die den blinden het g\'ezicht wedergeeft ^ die de dooven doet hooren,
5 die den stommen de spraak wedergeeft. ^ die de lammen doet gaan,
a die den zieken de gezondheid terug scheukt, ^ S die de bedrukten vertroost, g
^ die hulp in allen nood verleent, g
5 die door de geheele wereld wordt aange- o g roepen, 0 g
gt; die dagelijks meer en meer Pelgrims naar t-4 Lourdes eu tot de kunstgrotten U ter q .eere opgericht, doet stroomen,
die ook in ïienray uwe macht meer dan eens deedt uitschijnen,
\\ oor onze Moeder de H. Kerk, roepen wij uwe machtige voorspraak in, O. L. Vrouw van Lourdes!
Voor onzen H. Vader den Paus, roepen wij uwe machtige voorspraak in, O. L. Vrouw van Lourdes!
Voor ons dierbaar Vaderland, roepen wij uwe machtige voorspraak in, O. L. Vrouw van Lourdes!
Voor de Geestelijken en de geloovigen van ons Bisdom roepen wij uwe machtige voorspraak in, ü. L. Vrouw van Lourdes!
— 72 —
Voor alle onze verwanten, roepen wij uwe machtige voorspraak in, O. L. Vrouw van Lourdes!
Voor onze vrienden en vijanden, 5^ c 3
Voor allen, die uwe hulp afsmeeken, § ° ^ Voor allen, die zich in onze gebeden heb- 3 « S ben aanbevolen, ^ ^
Tot afwering van alle ziekten en rampen, g k--—: Tot verkrijging van Gods zegen over al S\' ^
onze ondernemingen, 2
Tot vermeerdering van de Liefde Gods 5,5 !|
in ons,
Voor oen zaligen dood,
Tot verwerving van het eeuwig leven, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons Heer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons Heer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
Heer, ontferm U onzer!
Christus, ontferm U onzer!
Heer, ontferm U onzer!
Onze Vader, Wees gegroet.
GEBED.
Wij bidden TT, o Heer en God, verleen ons, uwen dienaren, dat wij ons in eene voortdurende gezondheid naar ziel en lichaam mogen verheugen, en door de roemwaardige voorspraak van de
heid bevrijd blijven en de eeuwige vreugde genieten. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed onder de Novene voor een zieke.
Heilige, Onbevlekte Maagd Maria, heil der zieken, verkrijg ons door Uwe machtige voorspraak bij Uwen Goddelijken Zoon, Onzen Heer Jezus Christus, de genezing van onzen dierbaren kranke, opdat hij, met ons, God in vreugde moge dienen. Amen.
Onder de Noveen voor eene bekeering.
H. Maria, Moeder Gods en Onbevlekte Maagd, die, zoowel als uw Goddelijke Zoon, den dood van den zondaar niet wilt, maar dat hij zich bekeere en leve, hoor het gebed, dat wij opdragen voor de oprechte bekeering van de ons zoo dierbare ziel, en verkrijg haar de genade het Hart van haren Verlosser voortaan door de zonde nooit meer te bedroeven, maar door een christe-lijken levenswandel, voortdurend te vertroosten. Amen.
Onder de Novene voor eene bijzondere aangelegenheid.
H. Maria, Moeder Gods, Onbevlekte en Mach-
tige Maagd, wij bidden uwe goedheid en smee-ken U ootmoedig, bij het Goddelijk Hart van Uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus voor ons ten beste te spreken, opdat de zaak (N. N.) door uwe voorspraak, met een gunstigen uitslag moge bekroond worden. Amen.
Gebed van den H. Bernardus.
Gedenk, o goedertierendste Maagd, dat het tot hieraan ongehoord is, dat iemand zijne toevlucht tot U nam, Uwen bijstand inriep, of Uwe voorspraak afsmeekte, en verlaten bleef. Door dit vertrouwen aangemoedigd, o Maagd der Maagden, snel ik tot U, mijne Moeder; ik kom tot U, en sta als een zuchtende zondaar voor U. O Moeder des Woords, wil toch mijne woorden niet versmaden, maar hoor ze genadig aan,-en gewaardig U ze te verhooren. Amen.
fSOO dagen Aflaat, zoo dikwijls men dit (jehed van den H. Bernardus met een romemoedig hart en godvruchtig bidt.) Pius IX, 25 Juli 184(i.
Onder Uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o H. Maria, Moeder Gods! Versmaad onze nooddruftige gebeden niet, maar verlcs ons altijd van alle gevaren, o glorievolle en gezegende Maagd, onze Vrouwe, onze Middelaarster,
- 75 —
onze Voorspreekster, verzoen ons met Uwen Zoon, beveel ons aan Uwen Zoon, stel ons voor aan Uwen Zoon.
Bid voor ons, o H. Moeder Gods!
Opdat wij der beloften van Christns waardig worden.
O Onbevlekte en Machtige Maagd, barmhartige Moeder, Behoudenis der Kranken, Toevlucht der zondaren. Troosteres der bedrukten. Gij kent al onze behoeften, onze bezorgdheid, onze kwelling, onze benauwdheid en smarten, gewaardig U een gunstigen blik op ons te werpen!
Gij hebt, door Uwe verschijningen in de grot van Lourdes, gewild, dat deze plaats een bevoorrecht oord zoude worden, van waar Gij Uwe gunsten over den ganschen aardbodem zoudt kunnen verspreiden. Reeds hebben, niet slechts te Lourdes, maar ook op vele plaatsen, waar de grot der verschijning werd nagebootst; waar Gij, bij het beeld der Onbevlekte Maagd van Lourdes vereerd, en het water der wouderbron met eerbied en vertrouwen gebruikt werd, en ook hier te Klein-Lourdes, vele ongelukkigen een hulpmiddel voor hunne geestelijke en lichamelijke krankheden gevonden; hoopvol komen wij dan ook hier Uwe machtige voorspraak en hulp af-
- 76 —
smeeken; verhoor o goede en barmhartige Moeder, ons ootmoedig gebed! Verkrijg ons, dat wij met Uwe weldaden overladen, voortaan Uwen Godde-lijken Zoon, onzen Heer met ijver en liefde dienen. Uwe deugden meer en meer navolgen, en eens Uwer glorie in den Hemel deelachtig worden. Amen.
Gezegend zij de heilige, onbevlekte en allerzuiverste ontvangenis der H. Maagd Maria, Moeder van God.
(300 dagen Aflaat. Leo XIII, 10 Sept. 1878.)
O Maria, die zonder vlek in de wereld zijt gekomen, ach! verkrijg mij van God, dat ik er zonder zonde moge uitgaan.
(100 dagen Aflaat, eens per dag. Pius IX, 27 Maart 1863. Racc. 1 C.)
Op den tweeden dag der Noveen.
Gebed ter voorbereiding. Zie bl. 56.
OVERWEGING.
Over de zonde en het gebed roor de arme zondaars.
Heerlijk rees de dageraad aan het oosten, als de voorbode van een schoonen dag, toen Berna-dette den 21 Februari, in het gezelschap harer moeder en zuster en van eenige vriendinnen, wederom naar de Massabielle-rots trok.
Duizenden waren daar reeds vóór haar vergaderd, om, zoo zij hoopten, ten minste getuigen te zijn van de verrukking van het wonderkind van den armen molenaar.
Nauwelijks was Bernadette door de met eerbied wijkende menigte doorgedrongen, en in stilte neergeknield, of haar gelaat werd verheerlijkt. De hemelsche schoonheid van het bevoorrechte kind, dat geheel aan het aardsche onttrokken, zijne blikken beweegloos op de verschijning gevestigd houdt, maakt een diepen indruk op allen. Dien indruk niet kunnende bedwingen, fluisteren velen reeds in de overtuiging van hun gemoed: „de H. Maagd! de H. Maagd!quot;
Wat zag Bernadette bij deze zesde verschijning?
„Nauwelijks,quot; zoo verhaalt zij, „had de Verschijning zich aan mij vertoond, of haar aanblik deed mij, zoo als de andere keeren, iets Hemelsch gevoelen. Ik beschouwde Haar reeds eenige oogenblikken in hare schoonheid en glorie, toen eensklaps de droefheid dat Hemelsch gelaat scheen te bewolken. Haar blik scheen alstoen geheel de aarde te overschouwen, tot dat zij hem geheel droevig op mij vestigde. Door de innige droefheid, die op hare wezenstrekken te lezen stond, getroffen, zeide ik tot haar:
— 78 —
Wat scheelt u? Wat moet men doen?
„Bidden voor de zondaars!quot; was het antwoord.
Ik nam deel in hare droefheid, en om aan haar verlangen te voldoen, begon ik inwendig voor de zondaars te hidden.
Eindelijk, alsof zij de vrucht der gebeden in de Kerk gedaan en de zondaars door eene oprechte bekeering met God verzoend had gezien, verscheen zij mij wederom in Hemelsche kalmte, terwijl de zaligheid der Hemelingen op haar gelaat uitblonk. Zij liet een straaltje van vreugde in mijne ziel overstroomen. Ik eindigde mijn Eozenhoedje, en zij verdween.quot;
Ach! hoe vreeselijk kwaad moet toch de zonde zijn, daar de H. Maagd, bij het beschouwen van den zondigen toestand der wereld, geheel met droefheid overstelpt wordt, zonder een spoor van de gewone Hemelsche helderheid op haar gelaat te behouden?
Maak dan toch het vaste besluit, voortaan, het koste wat het wil, geene doodzonde meer te bedrijven.
Wat doet gij, wanneer gij u aan doodzonde plichtig maakt?
Dan handelt gij even dwaas, als de verloren Zoon van het Evangelie, die zijn erfschap vroeg,
— 79 —
en zich haastte, zijne schatten in den vreemde te gaan verkwisten, en dan, na een korten tijd in hrasserij en overdaad te hebben doorgebracht, in een harden dienst, een armoedig en gebrekkig leven leiden moest.
Maakt gij u schuldig aan doodzonde, dan heeft de vrede uwe ziel verlaten; dan is de grondslag van uw geheel geluk weggezonken; dan is de knagende worm des gewetens in uw hart gevaren, en hij zal u folteren, zoolang gij de slaaf der zonde zijt.
Dan zijt gij, zonder ernstig na te denken; ongelukkig afgedwaald van het enge pad, dat ten Hemel leidt, en in een oogenblik gekomen tot voor de poorten der \'eeuwige hel, waarin de wreede dood u ieder oogenblik dreigt neer te storten.
Mocht gij het ongeluk hebben in doodzonde te zijn, zeg dan: Ik zal opstaan! heden nog, indien het mogelijk is, ten minste Zondag, tot mijn Vader gaan en zeggen; Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen TJ; ik ben niet meer waard uw kind genoemd te worden; verstoot mij echter niet, maar ontvang mij in genade en barmhartigheid!
Moet gij, als een waar kind van Maria, de
— 80 —
zonde mijden; gij moet, volgens het verlangen dier goede Moeder, die de Toevlucht der zondaren heet, ook voor de bekeering der arme zondaars bidden.
Wat moet men doen ? vroeg Bernadette, toen zij de H. Maagd zoo buitengewoon bedroefd zag. Bidden voor de zondaars! werd haar geantwoord. Bidden voor de zondaars is krachtig medearbeiden aan het groote Verlossingswerk van haren god-delijken Zoon; is bijdragen tot het heil der wereld, die vooral in onze dagen, geheel in het kwaad verzonken is; bidden voor de zondaars is den straffenden arm des Heeren tegenhouden. Gelukt het u, door uw gebed, eenen zondaar den breeden weg, die ten verderve leidt, te doen verlaten, dan hebt gij eene ziel gered, en den Hemel en Gods Engelen grooter vreugde veroorzaakt dan negen-en-negentig rechtvaardigen, die geene bekeering en boetvaardigheid noodig hebben.
Maria, zonder zonde ontvangen, en vrij van zonde tot aan uwen dood! ik zal voortaan niet slechts de zonde en de gelegenheden van zonden mijden, maar ook met ijver voor de bekeering der zondaren bidden. Ik zal dagelijks tot U roepen: o Heer, verlicht de verblinden door uwe
genade, en help de afgedwaalden, opdat zij tot U wederkeeren! Spaar uw volk, o Heer, en laat uw erfdeel niet te schande worden!
Zoolang ik uw kind zal heeten, dat is, tot aan mijnen dood, o heilige Maagd, zal ik mij herinneren, dat Gij te Lourdes aan Bernadette gezegd hebt: Gij moet voor de zondaars bidden! mijne handen biddend ten hooge heffen, en den Hemel smeeken, dat de zondaars de wegen des verderfs verlaten en zich bekeeren tot den Heer hunnen God; dat het rijk van Satan op aarde moge afnemen en Christus overal en in alle harten moge heerschen. Amen.
De volkomene genezing van Catharina Bullen, te Nieukerk (Pruisen), Juni 1881.
Catharina Bullen, slechts 18 maanden oud, viel, in Juni 1881, uit het hooge vensterraam der derde verdieping op de steenen der straat. Bij dezen val was de hoofdschedel des kinds zoodanig verbrijzeld, dat de dokter de wonde ongeneeslijk verklaarde, omdat ook het vlies onder het hoofddeksel gescheurd en verpletterd was. — Een tweede dokter verklaarde hetzelfde. De ouders des kinds namen nu, met vol betrouwen hunne toevlucht tot O. L. Vr. van Lourdes „de Onbevlekte Ontvangenisquot;, gebruikten het mira-kuleus water der bron, en begonnen eene Noveen. Eer het avond was, waren de oogen van het
— 82 —
kind weer op hunne rechte plaats, en binnen een tiental dagen, waren dc wonden van het hoofd dusdanig genezen, dat er nog slechts een gering plekje van te zien was.
Daar de dokters de wonden ongeneeslijk hadden verklaard, lieten de ouders de medicijnen ongebruikt, en stelden al hun vertrouwen op Maria, de Onbevlekte Maagd, die te recht, vooral in onze eeuw, de Behoudenis der kranken mag genoemd worden.
Dit wonderbaar feit geschiedde in de laatste helft van Juni 1881, volgens de verklaringen des vaders en een tiental mannen, die allen samen naar Tienray kwamen, om O. L. Vrouw, de onbevlekte Maagd, te danken, en om getuigenis te geven van bovenstaande wonderbare genezing.
J. B. H. Maessem, Pastoor.
Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje e;i het overige, op den eersten dag der Noveen, BI. 57 en volgende aangegeven.
Op den derden dag der Noveen.
Gehed ter voorhermding. Zie bl. igt;7.
OVERWEGING.
Over de Boetvaardigheid.
Op Woensdag, den 24 Februari, tegen zonsopgang, trok Bernadette wederom naar de grot. Als naar gewoonte, knielde zij daar, zonder ge-
— 83 —
zocitheid noch vertoon, te midden der eerbiedige meiigte neder. Zij trok haren Rozenkrans uit, en legon te bidden.
Weldra verandert geheel haar uiterlijk. De Venchijning vertoont zich aan haar. Nu is zij Benadette van zoo even niet meer. Zij is als een Engd, in Eemelzaligheid weggezonken. Haar gelait, hare houding, het geringste harer ge-harei zijn die van een gewoon sterveling niet meer; alles aan haar krijgt een engelachtige tint, hare eenvoudige kruisvormingen, zegt een ooggetuige, die toch gekomen was om haar te he-spiedei, zijn zoo schoon, dat, als men in den Hemel log kruisteekens maakt, deze gelijk moeten zijn aan die van Bernadette in hare zielsvervoering.
Te midden van deze geestverrukking, kruipt zij op eens, op hare knieën naar de grot, waarin zij zóó tot achter toe binnendringt. In deze vreemde houding, legt zij, over eene vrij steile en hobbelige helling, ongeveer vijftien meter af.
Op dien tocht hoorde men haar duidelijk deze woorden uitspreken; Boetvaardigheid! Boetvaar-digh eid! Boetvaardigheid!
Toen zij later den Pastoor verslag gaf van deze verschijnig,zeide zij: toen ik aan de Vrouwe uw verzoek overbracht van den wilden rozelaar
onder haren voet te laten bloeien, glimlachte zij, maar zonder te spreken. Vervolgens beval zj mij voor de zondaars te bidden, en tot achter n de grot op te komen. En zij riep tot driemaal toe: Boetvaardigheid! boetvaardigheid! boetvaardifheid! welke woorden ik, al voortkruipende, herhtalde.
Bij vroegere verschijningen had de gehejnvolle Vrouw — zeker tot een teeken van boetvaardigheid — haar geboden, van de wilde kruiien te eten, die rondom de wonderbron groeiden.
Slechts twee soorten van menschen wandelen op het enge pad, dat ten Hemel voert: zij die nog het witte doopkleed, het kleed der oischnld, dragen en zij, die in de verstorven boetepij gehuld zijn.
Hebt gij het eerste verloren, dan reoet gij u met het tweede omgorden, hoezeer uwe zinnelijke natuur daar ook tegen in streeft. Vaar zoude is, is boetvaardigheid noodzakelijk. Zoo gij geen boetvaardigheid doet, zegt de Heer, zult gij allen op gelijke wijze omkomen. (Luc. 13. 5.)
En toch, hoe groot is het getal der zondaren, en hoe gering dat der boetvaardigen ?
Het is bijna, als of de wet der boetvaardigheid, de wet van vasten en versterving, voor onze eeuw niet meer verplichtend was.
Onze steden vergaan in weelde en zingenot, en onze dorpen, die in hun uiterlijke, in hunne zeden en gebruiken, hoe langer hoe meer op de steden beginnen te gelijken, worden met den dag meer en meer door den verderfelijken wereldgeest, den geest der vermaken, aangeblazen en vreemd aan den waren geest des Christendoms, die een geest van boetvaardigheid is.
Zoo de H. Martelaar Petrus, van de orde der Predikheeren, andermaal terugkwam op de wereld, zou hij, als in zijnen tijd, al zijn preeken beginnen met deze woorden: „Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan! Mijn volk, gij zijt een tweede Ninive! Indien gij geene boetvaardigheid doet, zult gij weldra uwen oudergang zien. De geesel des Heeren is over u. Bekeer u tot Hem, en doe boetvaardigheid!quot;
Konden de verdoemden uit de Hel wederkeeren, hoe zouden zij boetvaardigheid doen in zak en asch, en leven als de Heiligen, als een Hierony-mus, een Franciscus, als de H. Pelgrim Bene-dictus Josephus Labre, als eene Theresia, eene Clara, eene Oda en andere?
H. Maagd, die in de Grot van Lourdes de menschen tot boetvaardigheid opriept, laat de drie woorden, daar door U gesproken, en door
— 84 —
onder haren voet te laten bloeien, glimlachte zij, maar zonder te spreken. Vervolgens beval zj mij voor de zondaars te bidden, en tot achter n de grot op te komen. En zij riep tot driemaal toe; Boetvaardigheid! boetvaardigheid! boetvaardiJieid! welke woorden ik, al voortkruipende, herhtalde.
Bij vroegere verschijningen had de gehejnvolle Vrouw — zeker tot een teeken van boetvaird\'.g-heid — haar geboden, van de wilde kruiien te eten, die rondom de wonderbron groeiden.
Slechts twee soorten van menschen wandelen op het enge pad, dat ten Hemel voert: zij die nog het witte doopkleed, het kleed der oischuld, dragen en zij, die in de verstorven boetepij gehuld zijn.
Hebt gij het eerste verloren, dan reoet gij u met het tweede omgorden, hoezeer uwe zinnelijke natuur daar ook tegen in streeft. Vaar zonde is, is boetvaardigheid noodzakelijk. Zoo gij geen boetvaardigheid doet, zegt de Heer, zult gij allen op gelijke wijze omkomen. (Luc. 13. 5.)
En toch, hoe groot is het getal der zondaren, en hoe gering dat der boetvaardigen ?
Het is bijna, als of de wet der boetvaardigheid, de wet van vasten en versterving, voor onze eeuw niet meer verplichtend was.
— 85 —
te Onze steden vergaan in weelde en zingenot, en
:j mjj onze dorpen, die in hun uiterlijke, in hunne zeden
jj dg en gebruiken, hoe langer hoe meer op de steden
1 toe. beginnen te gelijken, worden met den dag meer
foirf r en meer door den verderfelijken wereldgeest, den
geest der vermaken, aangeblazen en vreemd aan lvojje den waren geest des Christendoms, die een geest
ir(jjg. van boetvaardigheid is.
eil je Zoo de H. Martelaar Petrus, van de orde der
Predikheeren, andermaal terugkwam op de wereld, (lejen zou hij, als in zijnen tijd, al ziju preeken beginnen
y (jjg T met deze woorden: „Nog veertig dagen en Ninive .Injld zal vergaan! Mijn volk, gij zijt een tweede Ninive!
gjgpjj Indien gij geeue boetvaardigheid doet, zult gij
weldra uwen ondergang zien. De geesel des gij u Heeren is over u. Bekeer u tot Hem, en doe
gjjjjjg boetvaardigheid!quot;
zou(je Konden de verdoemden uit de Hel wederkeeren,
: geen hoe zouden zij boetvaardigheid doen in zak en
allen asch, en leven als de Heiligen, als een Hierony-
mus, een Pranciscus, als de H. Pelgrim Bene-Iargü dictus Josephus Labre, als eene Theresia, eene
Clara, eene Oda en andere?
j.jjgjd H. Maagd, die in de Grot van Lourdes de
geaw menscheu tot boetvaardigheid opriept, laat de
drie woorden, daar door U gesproken, en door
Bernadette herhaald en in beoefening gebracht, de woorden: Boetvaardigheid! Boefvaardigheid! Boetvaardigheid! mij tot aan mijnen sterfdag in de ooren klinken, opdat ik door den geest onzer wellustige en zinnelijke eeuw niet worde meegesleept, maar uit den grooten zondvloed des hederfs behouden blijve, mijn dartel vleesoh ver-sterve en ten onder brenge, steeds leve volgens den geest der christelijke boetvaardigheid, en zóó mijne ziel zaligmake. Amen.
Genezing eener njarige wond.
Eene dame uit Kaldenkirchen, die ons, helaas! niet vergund heeft haar naam bekend te maken, had gedurende 17 volle jaren, eene groote. en diepe wond aan een been. Na vruchteloos verscheiden geneesheeren te hebben geraadpleegd, kwam zij in den maand Juli 1884, naar Klein Lourdes. \'s Avonds van hare bedevaart thuis komende, begon zij hare Noveen en bad een Rozenkrans ter eere der Onbevlekte Maagd van Lourdes, de Troosteres der bedrukten, om, door hare machtige voorbede, de genezing barer wonde te erlangen. Alvorens zich ter ruste te begeven, dompelde zij een doekje in water van Lourdes, uit Tienray medegebracht, en legde dit op de wond. Hoe groot was hare verwondering eu vreugde, toen zij \'s anderen daags hare oogen opende, en de zoo oude wonde geheel genezer, zag.
J. B. H. Maessen, Pastoor.
Genezing van dartels in het aangezicht.
Eene andere flame uit Kaldenkirchen, die eveneens onbekend wenscht te blijven, kwam in Juli 1884 te Tienray. Haar aangezicht was misvormd en bloedrood door de dartels. „Mijnheer Pastoor, sprak zij tot mij, ik heb reeds drie jaar met drie verschillende geneeslieeren gedokterd; zij kunnen mij niet genezen, zeggen zij. Het is van daag de tweede maal dat ik naar Klein Lourdes kom; ik zou toch zoo gaarne genezen van deze lastige kwaal.quot; Ik las eene H._Mis ter eere van O. L. Vrouw tot hare intentie. Zondags onder de Octaaf van O. L. Vrouw Hemelvaart kwam zij wederom naar Klein Lourdes om aan 0. L. Vrouw haren dank te betuigen voor hare spoedige en volkomene genezing.
J. B. H. Maessen, Pastoor.
Op den vierden dag der Noveen.
Gebed ter voorbereiding. Zie bl. 5/.
OVBEWECtING.
Over \'s menschen kwellingen en ziekten.
Toen Bernadette, in den vroegen morgen van den 25 Februari, wederom bij de grot was, deelde de Verschijning haar een derde en laatste geheim voor haar alleen mede. Vervolgens zeide zij: En nu, ga drinken en u wasschen aan de Bron en van het gras eten, dat daar in de nabij-
heid groeit. Daar was geen spoor van eene bron te zien. Het kind liep dan naar de Gave, raee-nende, dat zij daar den zonderlingen last der Vrouwe moest gaan vervullen.
Terwijl zij met hare hand naar de rechter zijde der grot wees, sprak zij: ga daar niet heen! Ik heb niet gezegd te gaan drinken aan de Gave; maar: ga naar de bron! hier is zij.
Ofschoon Bernadette op de aangewezen plaats niets zag, wat betrekking scheen te hebben op de woorden der verschijning, gehoorzaamde zij toch aan haar bevel.
Zij begon met hare vingers de aarde weg te krabben, en met hare kleine handjes holde zij een kuiltje in den harden grond.
Eensklaps wordt de bodem dezer kleine holte vochtig; het kuiltje raakt weldra met slijk gevuld.
Bernadette wil tot driemaal toe het morsig vocht aan hare lippen brengen, om er van te drinken, maar de natuur weigert het.
Een vierden keer doet zij zich geweld aan, en overwint. Zij drinkt en wascht zich, en eet een weinig van het wilde kruid, dat aan de voet der rots groeit. De opkomende druppels in het kuiltje van Bernadette vermenigvuldigen spoedig. De rots van Lourdes en de duizenden, die haar be-
dekken, staan verbaasd, nu het water de \'boorden van het kuiltje overstroomt. Gelukkige stervelingen, gaat ter zijde! valt vol eerbied en dankbaarheid op uwe knieën! De bron door de geheimzinnige Hemelvrouwe aangewezen, die daar onder Uw oog ontspringt, zal een nieuw Bethsaïda worden; ja meer dan Bethsaïda, daar zij hare wateren van bovennatuurlijke heilkracht tot aan de vier hoeken der wereld zenden zal, eu de volken van heel den aardbodem in vreugde doen uitroepen: Blinden zien, kreupelen wandelen, melaafschen worden gezuiverd, dooren hooren. (Matth. XI, 5.)
Nauwelijks was het ontstaan der bron te Lonrdes bekend geworden, of een arme werkman, met name Louis Bourriette, die tengevolge van het springen eener rots, met zijn rechter oog niet meer zien kon, sprak tot zijne dochter: Ga, en haal mij wat van dat water! Als het O. L. Vr. is, welke de bron heeft doen vloeien, dan heeft Zij slechts te willen, en ik zal genezen zijn.
Een half uur later kwam de dochter met het water, dat nog drabbig en morsig was.
De man waschte daarmede zijn ziek oog, na alvorens een gebed gesproken te hebben. Op hetzelfde oogenblik liet hij eenen gil; het licht
— 90 —
keerde weder in zijn verdonkerd oog\', en hij zag wat hem omringde, nog wel niet zeer duidelijk, maar als met gaas overtrokken. Intusschen bleef hij bidden en wasschen, en genas zoo volkomen, dat de geneesheer, die hem twintig jaren behandeld had, en hem een paar dagen later op straat ontmoette en onderzocht, uitriep: ik kan het niet ontkennen; dit is een mirakel, eeu waar mirakel! hoe mijne collega\'s van de Faculteit en ik zelf er ook over denken mogen.
Dit eerste Mirakel gebeurde daags na het ontspringen der bron, en werd ran duizenden gevolgd, niet alleen te Lourdes, waar zij ontelbaar zijn geworden, maar op alle plaatsen, waar het Wonderwater van Bernadette\'s bron is heengevoerd, en waarvan, buiten Frankrijk, Tienray een der voornaamste en meest gezegende is.
\'s Menschen leven hier beneden is kort en vol ellenden. Altijd en overal, zegt de vrome Thomas van Kempen, vindt men kruisen. De een beweent het verlies zijner ouders of dierbaren; de andere ziet den voorspoed uit zijn huis vluchten; een derde lijdt inwendige kwellingen of de smartelijke naweeën zijner teleurstellingen en bedrogen hoop, terwijl wederom anderen zuchten op het bed der smarten, en, om den langen duur, daaraan als ge-
nageld schijnen. Zal de mensch in al die ellende den dag vervloeken, waarop hij het eerste levenslicht aanschouwde ? Of zal hij zijne kruisen trachten te ontvluchten? Voor een enkel, dat hij ontloopt, zullen er hem tien op zijn weg tegemoet komen.
Neen, hij moet, op het voorbeeld van den lijdenden Zaligmaker, met geduld zijn kruis opnemen en tot zich zeiven zeggen: de knecht is niet beter dan de Meester. Ik zal niet klagen, maar mij sterken door de gedachte, dat de weg des kruises de weg ten Hemel is! Gelukkig. hij, die in lijden, zijn oog naar boven richt, en bedenkt, dat alle tijdelijke kwellingen niet opwegen tegen de eeuwige heerlijkheid, die ons in den Hemel wacht.
Met deze gedachte bezield, verzucht de H. Theresia: aut pati, aut mort! Laat mij lijden of sterven! en de H. Maria Magdalena de Pazzis: non mort, sed Pati! Laat mij niet sterven, maar lijden!
Strekt uw moed zoover niet, dan moogt gij wel met den Heer in Gethsemani bidden, dat die kelk des lijdens van u voorbij ga, maar dan moet gij er met den lijdenden Jezus bijvoegen: niet mijn, maar uw wil geschiedde, o Heer!
Ga in uw lijden en uwe kwellingen hoopvol
tot de Troosteres der Bedrukten, opdat zij u, als eene goede Moeder, bijsta en helpe.
Wend u, vooral in uwe ziekten, met een onbegrensd vertrouwem tot Haar, die sinds eeuwen de Behoudenis der kranken heet, en die sedert een-en-dertig jaren te Lourdes en waar sinds dien het water der bovennatuurlijke heilbron gebruikt, hare voorspraak en hulp met vertrouwen werd ingeroepen, zoo veelvuldig getoond heeft, dat Haar die naam niet te vergeefs wordt toegekend. Bid voor u of de uwen, dat zij zich de Machtige Maagd toone, en u niet ongetroost late.
H. Maagd, Moeder van barmhartigheid, verkrijg mij (of mijnen dierbaren N. N.) gezondheid naar de ziel en ook naar het lichaam, voor zoo ver deze ter zaligheid dienstig is. Mocht echter deze laatste gunst der ziele nadeelig wezen, verkrijg dan, door uwe machtige voorbede, een bestendig en onveranderlijk geduld, om met christelijke gelatenheid het kruis des lijdens te dragen op deze wereld, opdat wij der eeuwige vreugde deelachtig worden. Amen.
Plotselinge genezing van Elisabeth Nijendiclc uit
Ar een, den 31 Maart 1884, bevestigd door den Med. Br. Brunn uit Straelen (Pruisen).
Elisabeth Nijendick uit Arcen, 25 jaren oud, lid der Congregatie van O. L. Vrouw, was volgens onderstaand attest van haren geneesheer Dr. Brunn uit Straelen, gedurende drie jaren lijdende aan hysterie en krampachtige aanvallen.
Hoewel ziekelijk, was zij toch met een harer vriendinnen naar Klein Lourdes te Tienray gegaan, om daar tot O. L. Vrouw van Lourdes de Behoudenis der Kranken en de Troosteres der bedrukten hare gebeden en smeekingen op te zenden. Edoch, in plaats van de gezondheid terug te bekomen, zag zij hare kwaal weldra zoo zeer toenemen, dat haar de H.H. Sacramenten der stervenden werden toegediend. Waarom, zoo jammerde men te Arcen, waarom bleef dat ziekelijk meisje ook niet te huis ? de weg naar Tienray was immers te ver, te vermoeiend voor haar? Zoo redeneerde de wereld. Haar oordeel werd echter op schitterende wijze beschaamd.
Op Vrijdag, den 28 Maart ISSi, geraakte Elisabeth buiten kennis, zooals dit gedurende hare driejarige ziekte, meermaals voorkwam. In dezen toestand scheen zij dan van de hevige krampachtige pijnen, die zij te voren te verduren had, bevrijd; kwam zij echter weêr bij, dan was ze gansch afgemat en uitgeput als een stervende. Zoo was het gewoonlijk; nu echter waren de verschijnselen geheel anders.
Van Vrijdag tot Maandag-avond, den 31 Maart,
was zij buitengewoon woelig en ijlend. Het huis weerklonk soms van de heerlijke liederen, die zij zong uit het schoone pelgrimsboekje van Tienray. Ach! ach! zeiden de omstaanders tot elkander, wat zal Bethje, als ze bij verstand komt, weer zwak en ellendig zijn!
Doch neen, het uur is genaderd, waarop O. L. Vrouw van Lourdes de vurige gebeden zal verhooren, die het ziekelijk meisje voor haar genadebeeld te Klein Lourdes gestort heeft; het oogenblik is nabij, waarop Maria andermaal zal toonen, dat het miraculeus water van Bernadette\'s bron uit Tienray\'s heiligdom meegebracht, ook buiten Lourdes, eene hemelsche medicijn is.
Eensklaps begint de zieke als woedend te worden, zoodat hare tante, die haar met zooveel zorg en liefde oppast, uitroept: Mijn Gcd! mijn God! wat moet ons nu toch overkomen?
De ijlende kranke, in hare legerstede overeind gezeten, valt op eens achterover, en blijft zoo eenigen tijd stijf en als bijna levenloos liggen. Eindelijk opent zij hare oogen, en roept met krachtvolle stem: O Maria! Daarop zegt ze tot hare tante: geef mij irufer van Lourdes; O. L. Vrouw heeft mij gezegd: als ik wafer van Lourdes drink, dan zal ik genezen. Men v( Idoet aan baar verzoek. Zij drinkt er van; zij drinkt er nog een tweedemaal van, en ua ieder teugje beproeft zij om op te staan; doch machteloos valt zij telkens op hare legerstede terug. Zij vraagt nu voor de derdemaal water van Lourdes en voegt er vertrouwend bij: als ik nog eens water van Lourdes drink, dan hen ik genezen! Zij drinkt er voor
de derdemaal van, en aanstonds voelt zij eene buitengewone aandoening in haar hoofd; eene pijnlijke rilling doorloopt haar geheel lichaam van het hoofd tot de voeten. Hare voorspelling is vervuld. Zij is oogenblikkelijk en volkomen genezen.
Terstond kleedt zij zich aan, verlaat hare legerstede, en geeft aan de verbaasde en van blijdschap opgetogen huisgenooten een overtuigend bewijs harer volslagen genezing, door iets zwaars op te vatten en in den kelder te dragen. Met hare vroegere krachten is ook haar eetlust teruggekomen. Bethje gaat met de huisgenooten aan , tafel en eet, even als zij, van alles wat er op-p* gedischt wordt, \'s Anderen daags. (Dinsdag 1 April), gaat zij wederom ter kerke.
Woensdag 2 April, begeeft zich de gelukkige vader met zijne eenige, plotseling genezene dochter tot haar geneesheer, den WelEdelen ZeerGel. Heer Dr. Brunn, te Straelen, die haar nog kort te voren had bezocht. De geneesheer, Bethje ziende binnenkomen, roept vol verbazing uit: Wat is dat Bethje? Mijnheer Dokter, ik ben genezen! was het antwoord. Weihoe! gij genezen? Bij God is toch alles mogelijk! roept de bejaarde Dokter uit, haar geheel hersteld voor zich ziende. Om zich van haren gelukkigen toestand ten volle te overtuigen, doet de Dokter nog een ernstig onderzoek. Na afloop zegt de geloovige Arts tot haar: Bethje, dank veehnaals O. L. Vrouw! Zij heeft u genezen; ik heh het niet gedaan.
Hierop sprak Bethje: Dokter, wees zoo goed, mij schriftelijk ter hand te stellen wat u daar
— 96 —
zegt. Ja, was het antwoord, dat zal ik doen, ofschoon ik zulks nog nooit gedaan heb.
\'s Vrijdags 4 April, (dus 5 dagen na hare genezing), ging zij te voet naar Tienray. Daar zag men het plotseling genezen meisje met tranen van dankbaarheid in de oogen, neergeknield voor hetzelfde Mariabeeld, waarvoor zij drie maanden geleden, hare smeekeude bede had uitgestort.
Wie nu nog twijfelen kon aan de tusschen-komst van 0. L. Vrouw van Lourdes, de Behoudenis der kranken en de Troosteres der bedrukten, zal zeer zeker allen twijfel afleggen, als hij verneemt lo. dat de zieke, op het oogenblik barer wondervolle genezing, tevens een dik gezwel aan het been, een opgezwollen voet en een gezwel, met gestold bloed gevuld, in de zijde had, en dat dit alles mede plotseling verdwenen was, zoo zelfs dat er geen teeken of vlekje meer van te bespeuren was.
2o. Dat zich tot heden toe, 15 Januari 1888, vier jaar na hare plotselinge genezing, geen enkel spoor der ziekte meer heeft vertoonc, niettegenstaande de genezene telken jare in den zomer, in de brandende hitte der zon, haren gewonen en zwaren arbeid op het veld verrichtte.
3o. Dat haar geneesheer, die haar gedurende hare driejarige ziekte steeds behandeld had, over-eenkonistig de waarheid schriftelijk verklaard en bekrachtigd heeft, namelijk:
„Dat Elisabeth Kijendick te Ar een, gedurende „drie jaren door den ondergeteekende aan Hysterie „behandeld werd, en dat zij door hevige kramp-jachtige aanvallen, nu en dan (periodisch) zeer
„lijdend was; als ook dat zij sinds den 31 Maart „11. plotseling genezen, tot heden toe geen verderen aanval (Rückfall) daarvan gehad heeft, „wordt hierdoor, overeenkomstig de waarheid, „verklaard
Straelen, 14; Juli 1884.
(get.) Dr. Brünn.
Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje en het overige op bl. 73 en volgende aangegeven.
Op den vijfden dag der Noveen.
Gebed ter voorbereiding. Zie bl. 57.
OVERWEGING.
Over den Rozenkrans.
Wie de majestatische gestalte der H. Maagd beschouwt, zoo als zij door de vrome zienster van Lourdes wordt beschreven, en over de wijze nadenkt, waarop zij zich telkens vertoonde, staat verwonderd, bij elke verschijning, een Rozenkrans met gouden keten en als van het helderst albast hare hand of haren arm te zien versieren.
Ook het bevoorrecht kind van Lourdes bidt aanhoudend den Rozenkrans, tot groot welgevallen der H. Maagd.
Is het niet, alsof zij aan de kinderen der verlichte negentiende eeuw wilde zeggen; blijft bij het voorbeeld uwer vaderen! bemint den Rozenkrans !
5
— 98 —
Het eenvoudig Rozenkransgebed heeft in de dagen van den H. Dominicns de woeste horden der Albigenzers overwonnen, die noch kerken, noch kloosters eerbiedigden, noch weezen, noch kunne, noch leeftijd ontzagen.
Zou de Rozenkans ook nu, zoo hij algemeen gebeden werd, niet een krachtig middel zijn, om de woestelingen onzer dagen, die Kerk en Staat aanranden, en de geheele maatschappelijke orde dreigen omver te werpen, te breidelen en tot inkeer te brengen?
Zou hij niet, zoowel als in vroegere dagen, in staat zijn de dreigende rampen af te weren?
Ja! de Rozenkrans is een dam tegen den al-vernielenden stroom der verwoesting, die hooger en hooger stijgt.
Hij is tevens een sieraad en een zegen van het katholiek huisgezin, een heilige liefdeband van alle leden. Hoe welgevallig zien de Engelen des Hemels op een huis, waar eiken avond de Rozenkrans gemeenschappelijk gebeden wordt?
En wat gunsten verschaft hij aan de ziel zelve niet? Hij is een gouden keten, die den mensch aan den Hemel verbindt, en waar langs de genade rijkelijk afdaalt.
Hij is het allerkrachtigste gebed, zeide de
— 99 —
onsterfelijke Paus Pius IX, om de vereeriug van Maria in de harten der geloovigen te vermeerderen.
Zijn opvolger, Leo XIII, de Paus van den Kozenkraus genoemd, neemt elke gelegenheid te baat om het Eozenkransgehed aan te bevelen.
Geen wonder dan ook, dat de Priester, naast zijn Getijdenboek, niets dierbaarder heeft dan zijn Rozenkrans, en dat de brave geloovigen hem bijna zoo geregeld bidden, als de Priester zijn breviergebed, zoodat hij zelfs den naam draagt van het Psalter-boek van den leek, Psalterium laicorum. De Rozenkrans is vooral het geliefkoosd gebed van den Pelgrim, eu voor hem de sleutel van Maria\'s Hart en de Genade-schatten des Hemels.
Hoe ook hielden de Heiligen hem niet in eere ? De meeste ordestichters der latere tijden deden hunne kinderen den Rozenkrans aan den gordel dragen, opdat zij hem altijd bij de hand hadden. De meeste Heiligen maakten hem tot hun geliefkoosd gebed. De H. Franciscus van Sales liet hem geen enkelen dag achterwege, hoe veelvuldig zijne bezigheden ook geweest waren, en tot hoe ver in den nacht zij ook hadden voortgeduurd. De heilige Joannes Bechmans zeide, dat hij met zijn kruis, zijn regelboek eu zijnen Rozenkrans wenschte te sterven.
- 100 —
Inderdaad, gelukkig de sterveling, die in zijn leven den Rozenkrans dikwijls en godvruchtig heeft gebeden, en met den Rozenkrans in de hand aan de poorten der eeuwigheid aanlandt.
Heilige Maagd, ik zal den Rozenkrans blijven liefhebben, en dien dagelijks, zooveel mogelijk geheel, of ten minste een tientje daarvan bidden, om U als mijne Moeder te vereeren, en door U, zoowel in leven als in dood, beschermd te worden. Ieder Wees gegroet, dat ik U daarbij zal toesturen. neem dit aan als een nieuw bewijs mijner liefde, als eene verzuchting tot U, om steeds mijne voorspraak te wezen bij den gestrengen Rechter, en vooral, als een verzoek, om een zalig sterfuur en het voorrecht met U de eeuwige vreugde te deelen, in het hemelsch Koningrijk, waar de Maagden en Belijders, de Martelaren en Apostelen, de Cherubijnen en Serafijnen U als hunne Koningin begroeten, terwijl zij uwen goddelijken Zoon, met den Vader en den Heiligen Geest, het eindeloos Heilig! Heilig! Heilig! toezingen. Amen.
De volkomene genezing van Maria Sibilla Stecken te Straelen (Duitschland).
Maria Sibilla Stecken, geboren te Straelen, slechts 27 maanden oud, was een half jaar aan eene keelziekte en later aan drogen hoest lijdende
— 101 —
geweest. De zoo gunstig Lekende dokter Br----
te Straelen kwam schier dagelijks het zieke kind bezoeken, wendde alles aan tot haar behoud, doch zonder gunstig gevolg. Eindelijk voegden zich hierbij nog de stuipen, en wel in zoo he-vigen graad, dat het oog des kinds naar boven draaide, en aldus bleef staan. De moeder en een oom des kinds namen zich nu voor, aanstonds eene Noveen te beginnen ter eere der Onbevlekte Ontvangenis, en den eerstkomenden Zondag eene bedevaart te houden naar Klein Lourdes, gelijk Tienray tegenwoordig wordt genoemd. Wat gebeurde er? \'s Zondags, den derden dag der Noveen, vroeg het bijna stervende kind iets te eten; het verdraaide oog nam zijn rechte plaats weer in, en het kind, dat in de laatste dagen zoo zwak was, dat men soms moest onderzoeken en luisteren, of het werkelijk nog leefde, was genezen.
Op den feestdag van O. L. Vrouw Geboorte 1881, was het kind, volgens de verklaring van den oom, nog volkomen gezond.
Bid hierna een quot;Rozenhoedje of een tientje en het overige op hl. 73 en volgende aangegeven.
Op den zesden dag der Noveen.
Gehed ter voorbereiding. Zie hl. 57.
OVERWEGING.
Over de Bedevaarten.
Toen de H. Maagd op Donderdag, den 18 Februari 1858, voor den derden keer aan Ber-
— 102 —
nadette verscheen, was zij vergezeld van de jonge dochter Antoinette Peyret en vrouw Millet. Zij verzocht toen Bernadette veertien achtereenvolgende dagen naar de grot te komen, en op de vraag, of hare gezellinnen haar telkens mochten vergezellen, antwoordde zij; zij mogen meekomen, zij en ook nog anderen. Ik tcensch hier een grooten toeloop te zien.
Aan dezen wensch der H. Maagd werd voldaan. Bernadette kwam veertien dagen lang geregeld terug, en had gedurende dien tijd, herhaalde malen, het voorrecht de verschijning op nieuw te aanschouwen.
Vóór de veertien dagen verstreken waren, en ondanks de bemoeilijking der wereldlijke macht, zag zij zich hij de wondergrot eerst van honderden, dan van duizenden en nogmaals duizenden omringd, zoodat reeds van den heginne, op wonderbare wijze, het verlangen der Verschijning vervuld werd, die tot Bernadette kwam te zeggen: Ik wensch hier een grooten toeloop te zien.
Is dit alles, het verzoek aan Bernadette van veertien dagen lang naar de grot terug te komen; de gedurende dit tijdperk bijna dagelijks herhaalde verschijningen; het uitgedrukte verlangen van hier een grooten toeloop te zien; de zoo
— 103 —
schielijk aangroeiende schare, die den laatsten der veertien dagen, uit twintig duizend man bestond, niet eene eerbiedwaardige aanbeveling der dikwijls zoo kleingeestig beoordeelde, zoo helsch tegengewerkte, en soms zelfs laaghartig veroordeelde bedevaarten ?
Neen, neen, een eeuwenoud gebruik, dat de H. Kerk wel niet gebiedt, maar goedkeurt, ondersteunt, en door vele Aflaten zoo machtig aanprijst, kan onmogelijk lakenswaardig zijn.
Wie juicht, wanneer de Bedevaarten of Pro-cessiën naar de Heilige plaatsen bemoeilijkt of verboden worden ? De hel en de vrijgeesterij, die daarbij het grootste belang hebben, die begrijpen dat eene welgeregelde pelgrimsreis eene heerlijke uiting is van het katholiek leven, en dat ieder vrome pelgrim voor goed gebroken heeft met het menschelijk opzicht, dat zoo velen in de boeien van satan geklonken houdt.
Men zegge niet, dat de pelgrimstochten afkeurenswaardig zijn, wijl zij soms van misbruiken vergezeld gaan. Door \'s menschen bedorvenheid, sluipen die ook bij het heiligste in, bij voorbeeld, bij het ter Kerke gaan. De H. Kerk is er ver van af deze goed te keuren; integendeel vermaant zij aanhoudend tegen deze misbruiken, terwijl zij
— 104 [ —
eeu ieder aanspoort, om in goede gesteltenissen naar de heilige plaatsen te gaan, om heiliger van daar terug te keeren.
Wie met goede gesteltenissen ter Beevaart gaat, leeft voor dien tijd huiten den kring zijner gewone heslommeringen. en ter Bedevaartsplaats aangekomen, leeft hij als in hooger sfeeren, hidt inniger, voelt zich gesterkt en opgebeurd, smaakt daar een zielsgeuot, dat hem op andere plaatsen meestal onbekend bleef, zoodat ook hij daar zijue tent wel zou willen bouwen, zoo zijne bezigheden hem niet naar de zijnen terug riepen.
En de zijnen heeft de pelgrim niet vergeten; vuriger dan ooit heeft hij voor hen gebeden, opdat de Heer hen beware en versterke op de groote pelgrimsreis dezer wereld.
Ook de Heiligen, onze toonbeelden, hielden de Bedevaarten in liooge eer.
De H. Joannes Nepomocenus kwam terug van eene Bedevaartskapel der H. Maagd, toen hij, op \'s Keizers bevel, gevat, en van de brug te Praag in de rivier de Moldau gestort werd.
De heilige Joannes Berchmans ging in zijne jeugd wekelijks van zijne geboorteplaats Diest naar Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel, en legde daalden grondslag van zijne toekomstige heiligheid.
Het leven van den armen Benedictus Joseplius Latre, die in 1783 overleed, en den 8 December 1881 door Z. H. Paus Leo XIII onder het getal der Heiligen geplaatst werd, was bijna een aanhoudende pelgrimstocht door Frankrijk, Italië, Zwitserland en Duitschland. Naast de kerken van Eome bezocht hij bij voorkeur de Heiligdommen van Maria. Onder deze was hem Loretto zoo dierbaar, dat hij zijn versleten tabbaard nooit wilde afleggen, omdat die, zoo als hij zich uitdrukte, de muren van het Heilig Huisje van Nazareth had aangeraakt. Maar ook, hoe stichtte hij de menigte, waar hij als pelgrim nederkniel de? Ondanks zijne lompen, scheen hij eer een biddende Engel, dan een gewoon sterveling. Geen wonder dan ook, dat duizenden, die hem op de verschillende bedevaartsplaatsen zagen, hem toen reeds een Heilige noemden. In zijne laatste levensjaren, toen zijne afnemende krachten hem niet meer toelieten de Eeuwige Stad te verlaten, was hij te Eome algemeeu bekend onder den naam van den arme of den Heilige van het Veertig- Uren-gehed.
O H. Maagd, overtuigd, dat eene Bedevaart met goede bedoelingen en de vereischte gesteltenissen ondernomen, Uwen Goddelijken Zoon en U hoogst welgevallig zijn, zal ik, zoo mijne bezigheden het
— 106 —
mij toelaten, op het voetspoor der Heiligen, van tijd tot tijd een Uwer bevoorrechte Pelgrimsoorden bezoeken, daar mijne wenschen en behoeften met vertrouwen aan U aanbevelen. Ook zal ik mij beijveren, mij aldaar ingetogen te gedragen, volhardend in gebed en godsvrucht, om \'s Hemels gunsten en uwer bescherming waardig te worden, en tevens anderen ten goede te stichten. Wedergekeerd zal ik trachten heiliger te worden, en zóó aan die mij omgeven, laten blijken, dat ik niet te vergeefs eene heilige plaats bezocht heb. Amen.
De genezing van Entten, te Brei/el (Duitscldand).
Deze Hutten, geboren te Reuver, thans te Breyel wonende, en omstreeks 60 jaren oud, had\' gedurende twee jaren, de grauwe ster op ziju linker oog gehad, en steeds bij een kundigen oogarts te Neuss gedokterd. Om Rutten\'s rechter oog te behouden, besloot de dokter het quot;quot;geneesbaar linker oog zijns lijders uit het hootd weg te nemen. Op aanraden des dokters vertoetae Hutten nog eenige dagen te Neuss.
Niettegenstaande deze voorzorg, was echter weldra ook het rechter oog door dezelfde ziekte aangetast. — Eenige dagen later zeule de dokter tot Hutten; Keer maar huiswaarts! uw rechter oog is verloren! Hutten ging naar huis. Ues Zondags onder de Octaaf van O. L. Vrouw Geboorte (1880) kwam Hutten, vergezeld van vier
personen uit Breyel, naar de Genade-kapel Klein Lonrdes te Tienray, verhaalde mij het bovenstaande en voegde er nog deze merkwaardige woorden hij: Toen ik den Dokter te Neuss verliet, was ik stekeblind. Te huis komende, zond ik eene anr.e vrouw naar Tienray om water van Lourdes te halen, en er eene Heilige Mis te laten lezen tot mijne spoedige genezing. Ik begon toeu eene Noveen, gebruikte dagelijks van het wonderwater, en, vóór de Noveen ten einde was, begon ik reeds een weinig te zien. Ik hield aan met bidden en het oog met Lourdes\' water te wasschen. De onbevlekte Maagd verhoorde mijn bede. Dagelijks kwam het gezicht meer en meer terug, zoo dat ik thans U en alles wat mij omgeeft, goed kan zien en onderscheiden.
\'s Anderen daags hield hij te Klein Lourdes zijne derotie, dankte Jezus en zijne onbevlekte Moeder voor de reeds bekomene gunst, en bad nogmaals met vertrouwen om zijne volkomene genezing, indien hem zulks zalig mocht wezen. En bij het uitgaan der kapel stond hij nogmaals verbaasd, toen hij bemerkte, dat alles weer helderder voor zijn oog was.
Geloofd, geprezen en gedankt zij ten allen tijde Jezus en zijne onbevlekte Moeder Maria!
J. B. H. Maessen, Pastoor.
Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje en het overige op den eersten dag der Noveen bl. 73 en volgende aangegeven.
— 108 —
Op den zevenden dag der Noveen.
Gebed ter voorbereiding. Zie bi. 57.
O V E R W E G I N G.
Over de Kerken.
Op den 23 Februari was Bernadette reeds vroeg bij de grot. Eene onoverzienbare schare was baar vóór het krieken van den dag vooruitgesneld. Bedaard en eenvoudig dringt zij door de menigte, en knielt neder, in de ééne hand eene brandende kaars houdende en in de andere haren Eozenkrans. Nauwelijks had zij zich in het gebed verdiept, of de H. Maagd verscheen haar ten zevenden male, stralende van hemelsche schoonheid, en haar met buitengewone teederheid aanschouwende.
Ik heb u, zoo sprak zij, aan u alleen een geheim mede te deelen, dat ook u alleen aangaat. Belooft gij mij, het nooit iemand ter wereld te zullen openbaren?
Dat beloof ik U! was het antwoord.
Zij deelde dan aan Bernadette dit eeuwig geheim met de grootste welwillendheid mede, terwijl zij daarop aanstonds volgen liet;
„En nu, mijne dochter, ga, en zeg aan de
Priesters, dat ik wil, dat men mij hier eene Kapel bouwe.quot;
Na deze woorden verdween de H. Maagd. Bernadette eindigde haren Rozenkrans, en maakte zich gereed om te vertrekken. De menigte omstuwde haar, nieuwsgierig vragende: Wat heeft zij u gezegd? „Zij heeft mij twee zaken gezegd, antwoordde zij, verwonderd, dat de schare de samenspraak niet gehoord had; zij heeft mij twee zaken gezegd, êéne voor mij en ééne voor de Priesters. Ik ga op staanden voet tot hen. Dit zeggende sloeg zij den weg naar Lourdes in, en begaf zich regelrecht naar den Pastoor, wien zij stoutmoedig- de opgedragen zending mededeelde.
De WelEerwaarde Heer Pastoor Peyramale, rijkelijk bedeeld met de noodige voorzichtigheid en den vereiscliten tact om deze zonderbare zaak wijselijk te onderzoeken, ontving haar eer stuursch dan vriendelijk, als wantrouwde hij de verschijningen en openbaringen.
Zijt gij niet Bernadette, de dochter van den molenaar Soubirons? zoo sprak hij haar op ernstigen toon toe.
Ja, mijnheer Pastoor! antwoordde de eenvoudige afgevaardigde der H. Maagd.
Wat komt gij dan bij mij doen?
— 110 —
Mijnheer Pastoor, ik kom van wege de Vrouwe, die mij bij de Massabielle-rots verschijnt.
O ja! hervatte de Priester, gij brengt heel het land in beweging met uwe vertelsels. Wat is dit alles? Wat is u sinds eeuige dagen toch overkomen? Wat zijn dat toch voor buitengewone zaken, die gij voorgeeft, en die door niets bewezen worden?
Kent gij den naam niet van die Vrouwe?
Neen, mijnheer Pastoor, zij heeft mij niet gezegd wie zij is.
Zij, die u gelooven, meenen dat het de H. Maagd is.....
Ik weet niet, of het de H. Maagd is, mijnheer Pastoor, maar ik zie de Verschijning, zoo goed als ik u zie, en zij spreekt met mij, zoo als gij met mij spreekt, en ik kom u van harentwege zeggen, dat zij wil, dat men haar bij de Massa-bielle-rotsen, waar Zij mij verschijnt, eene Kapel bouwe.
Alhoewel inwending door dit verhaal getroffen, liet de Pastoor dit uiterlijk geenszins blijken. Hij deed Bernadette nog eens de juiste woorden herhalen van de opdracht, die zij ontvangen had.
Na mij het geheim te hebben toevertrouwd, dat mij aangaat, en dat ik niet mag openbaren,
voegde Zij er Lij; „En nu, ga aan de Priesters zeggen, dat ik wil. dat men mij hier eene kapel bouwe.quot;
Indien de Vrouwe, van wie gij spreekt, waarlijk de Koningin des Hemels is, zal ik mij gelukkig achten, naar mijne krachten te kunnen bijdragen, om Haar eene kapel op te richten; maar uw woord geeft geene zekerheid. Ik weet niet wie die Vrouwe is, en alvorens mij te bemoeien met hetgeen Zij verlangt, wil ik weten, of Zij daar recht op heeft. Verzoek Haar dus, mij een bewijs te geven van Hare macht. Gij zegt, dat de Verschijning met hare voeten rust op een wilden rozelaar, die uit de rotsen opgroeit. Wij zijn nu in de maand Februari. Zeg Haar van mijnentwege, dat, zoo Zij de kapel wil, Zij dezen rozelaar doe bloeien.
Dat zal ik doen! antwoordde het kind, en ging heen.
Het kerkelijk gezag heeft intusschen het wondervol gebeurde schroomvallig en nauwkeurig onderzocht, en echt bevonden.
De wil der H. Maagd werd dan eindelijk opgevolgd, of liever grootmoedig overschreden.
Op zekeren dag, dat de eerbiedwaardige Pastoor van Lonrdes, die als een tweede Esdras, de
— 112 —
werkzaamheden tot verfraaiing rondom de grot, zelf bestierde, zich van eene groep Geestelijken en leeken omringd zag, verscheen daar ter plaatse de bouwmeester, en bood hem een plan aan van een lief kerkje, boven de rots te bouwen. De Pastoor beschouwt het een oogenblik, en, als verontwaardigd, scheurt hij het aan flarden, en werpt de stukken in de Gave.
Wat vangt gij aan\'? roept de bouwmeester verwonderd uit.
De Pastoor antwoordt hierop met eene vastberadenheid, die geheel den man kenschetst:
„Tot aandenken der groote gebeurtenissen, die hier hebben plaats gehad, moet hier geen bekrompen dorpskerk komen, maar een marmeren tempel, zoo groot, als de kruin der Massabielle-rotsen kan bevatten en zoo prachtig, als uw geest in staat is er eenen uit te denken. Ga, mijnheer de Architect, geef volle vlucht aan uw vernuft! laat het in zijn vaart door niets gestoord worden; maar zorg, dat wij een meesterstuk krijgen.quot;
Dat meesterstuk kwam. Den 2 Juni 1876 werd de heerlijke Baziliek op de rots van Lourdes, een wonder der bouwkunst en der dankbaarheid van de katholieke wereld jegens Onze Lieve Vrouw in de negentiende eeuw, allerplechtigst ingewijd.
Die indrukwekkende ceremonie werd besloten door de kroning van liet Beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, op last van Z. H. Pius IX, den Paus der Onbevlekte Ontvangenis, door den Nuncius van Parijs zeiven verricht.
Niet minder dan 35 Bisschoppen, 5000 Priesters en 100,000 geloovigen waren bij die kerkwijding tegenwoordig. Waar is ooit zoo iets gebeurd?
O H. Maagd, ik verbeug mij met de gelieele katholieke wereld over den prachtigen Tempel, op uw verzoek en ü ter eere op het beroemdste Genade-oord van onzen tijd opgericht. Het woord door U gesproken: Ik wil, dat men mij hier eene kapel homcel zal mijnen eerbied voor alle Bede-vaarts-kerken of kapellen nog vermeerderen. Ik zal gaarne, naar mijn vermogen, tot hare instandhouding en verfraaiing bijdragen.
Waar ook ter wereld, ik voor den bouw eener kerk word aangesproken, zal ik, volgens de les der H. Moeder Theresia, nooit weigeren daartoe bij te dragen.
Vooral echter zal ik mij het lot der kerk aantrekken, welke ik onze kerk noem, mijner Parochie-kerk, waaraan voor mij zoovele en zoete herinneringen verbonden zijn. Onze kerk en ons
— 114 —
huis znllen mij onder alle gebouwen der aarde het dierbaarste zijn. Onze kerk mag niet vervallen; maar aan ahvie haar ziet, moet het duidelijk worden, dat zij bemind en hare schoonheid behartigd wordt door zoo velen, als onze plaats parochianen telt.
Ben ik niet onverschillig voor het Huis des Heeren, dan zal Hij daar voor mij ook niet onverschillig wezen bij mijn gebed.
Maar, wat zal het baten prachtige kerken ta hebben, zoo die, als in vele steden in onzen tijd, altijd ledig staan, en slechts door nieuwsgierige vreemdelingen bezocht worden?
Ik zal dan, vooral op den dag des Heeren, om dien waardig te heiligen, getrouw de kerkelijke diensten bijwonen, en ook in de week, zooveel mogelijk, dagelijks ter kerke gaan en godvruchtig de H. Mis hooren.
Nooit, neen nooit, zal ik onder welk opzicht ook, aan het Huis des Heeren vreemd worden, opdat ik eens aan de poorten der eeuwigheid, voor de eeuwige Bruiloftszaal des Heeren, niet als een vreemdeling worde afgewezen. Amen.
Plotselinge genezing van Jozef Girkes, lijdende aan jicht en krampen, te Bom hij Bruggen (Pruisen).
Jozef Girkes, schoenmaker te Born, bij Bruggen, was, sinds ruim drie maanden, lijdende aan jicht en krampen, vooral in ééne hand. Den 21 September 1883 reisde hij naar Tienray ter bedevaart. Hij kwam bij mij, liet mij zijne hand zien, waarvan de vingers en duim zoo stijf en krom waren, dat hij voor zijne vrouw en vier kinderen geruimen tijd niets had kunnen verdienen. Wat moet ik nu doen? vroeg hij mij, waarop ik ten antwoord gaf: Stel een groot betrouwen op de machtige Maagd van Lourdes; houd eene Noveen; drink van het water van Lourdes en wasch daarmede uwe hand, terwijl gij uwe gebeden verricht. Volgt echter geene beterschap bij de eerste Noveen, doe dan eene tweede, eene derde, enz. Verder raad ik u aan (zoo als men te Lourdes zelf pleegt te doen) aanstonds bij het beeld van O. L. Vrouw biddend te gaan nederknielen, van liet water der wonderbron te drinken en daarmede uwe hand te wasschen. Zoo gezegd zoo gedaan. Omstreeks elf uur ontmoette ik hem ten tweeden male en vroeg hem: Wel, hoe is het thans met uwe hand? Hij gaf mij ten antwoord: ach, Pastoor! zie maar eens! Hij toonde mij zijne hand, en oogenblikkelijk gingen de vingers open: de stijve hand was genezen. Met verbaasdheid zag hij mij aan, opende en sloot meermalen zijne hand, alsof hij zijne oogen niet vertrouwde. Dit wonderbaar feit geschiedde in de tegenwoordigheid van verscheidene pelgrims, die
— 116 —
met hem ter bedevaart waren gekomen. Van af dien gelukkigen dag heeft hij, even als voorheen, goed kunnen werken. Schier eiken feestdag komt hij naar Klein Lourdes om O. L. Vrouw zijn hartelijken dank te betuigen voor deze wonder-hare genezing, waarvan hij ook eene eigenhandige heschrijving heeft afgegeven, die bij de grot is opgehangen.
J. B. H. Maesseh, Pastoor.
Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje en het overige op bl. 73 en volgende aangegeven.
Op den achtsten dag der Noveen.
Gebed ter roorbereidhig. Zie bl. 57.
OVERWEGING.
Over de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Toen, op den 25 Maart van het jaar onzes Heeren 1858, de H. Kerk het Feest van 0. L. Vr. Boodschap vierde, en hare kinderen over den aardbodem, in blijde en dankbare herinnering den groet des Engels herhalende, tot \'s Heeren Moeder verzuchtten: Wees gegroet, Maria, vol van genade! lag Bernadette, in den vroegen morgen, voor de grot van Lourdes geknield. Zij zag andermaal de Vrouwe, die haar zoo herhaaldelijk
versclicen, in een onbeschrijfelijken straalkrans en hemelsclien luister.
Was het door den bijzonder liefderijken aanblik der Verschenene of door de blijde herinnering, die het Feest bij haar teweeg bracht, of wel door \'s Hemels ingeving, dat zij zich verstoutte Haar naam te vragen en tot viermaal toe te herhalen; O Vrouwe, wees toch zoo goed mij te zeggen, welke mc naam is?
Wij weten het niet. Wel weten wij, dat de Vrouw, als ware zij huiverig, om zelve haren grooten eeretitel uitte spreken, en als wilde zij ons een voorbeeld van nederigheid geven, tot de vierde vrage wachtte, alvorens zij antwoordde: Ik hen de Onbevlekte Ontvangenis!
Zondig Adams-kind, aanhoor dit antwoord, en wees verheugd voor Maria, uwe Moeder, maar wees beschaamd over u, haar kind.
Wie zijt Gij, o Vrouwe? Gij zijt de volmaakt-schoone, de nieuwe Eva. de eenige, die sinds de eerste vrouw der wereld, zonder vlek was. Gij zijt de zuivere aarde, waarop de vloek des Heereu nooit gerust heeft. Gij zijt de Maagd der Maagden; Gij zijt de Koningin der zuivere Engelen; Gij zijt de vreugde des Hemels; Gij zijï de geliefde Dochter des eeuwigen Vaders, de Bruid van God
— 118 —
den Heiligen Geest, de Moeder van mijn Verlosser. Gij zijt het pronkstuk van Gods almacht en liefde, o Onbevlekte Maagd.
En Gij veroorlooft mij, U mijne Moeder te noemen. Welke verplichtingen legt dit voorrecht mij niet op?
Gij zijt de Onbeclehte; Hoe zou ik, uw kind, dan langer in zonde kunnen leven? Neen, de eeretitel in de Grot van Lourdes door IJ zelve aan de wereld verkondigd, de eeretitel vier jaren vroeger door het onfeilbaar woord van Christus\' Stedehouder, den ousterfelijken Pius IX, overeenkomstig het christelijk gevoelen van alle volken en tijden, overeenkomstig de Goddelijke Openbaring, TJ toegekend, zal mij met nieuwen afschuw voor de zonde vervullen. Ik zal nauwkeuriger over mijne gedachten, over mijne woorden en •werken waken, opdat voortaan geene zonde mijn levenswandel meer besmeure.
Denkende aan het witte kleed, dat Gij bij uwe verschijningen droegt, zal ik teu minste van nu af, het kleed mijns Doopsels onbevlekt trachten te bewaren.
Vooral zal ik mij toeleggen, om met de grootste zorg, die zonde te vermijden, welke tegen het voorrecht uwer Onbevlekte Ontvangenis het meest
aandruist, die de schande des menschen, het ongeluk der wereld, de vreugde der Hel is. De ontucht, o Allerzuiverste Maagd, in uw oog een gruwel, overstroomt de wereld onzer dagen, en vult de Hel met verdoemden. Ik zal mij door den stroom van het algemeen bederf niet laten medesleepen, maar de gevaren zorgvuldig vermijden. Ik zal de kuischheid, zooals zij mij door mijn levensstaat gehoden wordt, in eere houden, mij het woord des Heeren herinneren, die gezegd heeft: Zalig zijn de zuiveren van harte, toant zij zullen God zien. (Math. V, 8.) Opdat de vijand mij den schat mijner kuischheid niet roove, zal ik mijn hart, als met eenen muur, omheinen, en eene wacht aan mijne oogen stellen.
Stijgt de bekoring in mijn binnenste op, of komt de aanval van buiten, dan zal ik aanstonds tot U snellen, en biddend tot U roepen: o Maria, zonder vlek ontvangen, bid voor mij, die mijne toevlucht tot U neem!
Heilige Maagd, verkrijg mij, dat ik altijd de zonde en vooral de onkuischheid, als de grootste ramp, verafschuwe, de gevaren mijde, mij dikwijls het voorrecht uwer Onbevlekte Ontvangenis her-innere, om daardoor tot een kuischen levenswandel op aarde aangemoedigd te worden. Om mij dezer
— 120 —
genade en uwer bescherming meer en meer waardig te maken, roep ik U eerbiedig toe: Gezegend zij de Heilige, Onbevlekte en allerzuiverste Ontvangenis van Maria, Gods Moeder. (300 dagen aflaat. Leo XIII. 10 Sept. 1878.) Amen.
Verschillende merkwaardige genezingen.
1. Johanna Kursten, een dertienjarig meisje van Swolgen, nam hare toevlucht tot het water van Lourdes, en werd den 13 September 1876 plotseling van eene oogziekte genezen. Tegen den Vrijdag in hare derde Noveen, had zij eene Bedevaart naar Tienray beloofd. Toen de Moeder, dien dag \'s morgens bij haar in de kamer kwam, om met haar op weg te gaan, riep het kind haar vreugdevol tegen: „Moeder! mijne oogen zijn genezen!quot;
2. Op het Feest der H.H. Apostelen Petrus en Paulus van het jaar 1880 kwam een man uit Wachtendonk (Pruisen) naar Tienray. Hij verhaalde, dat hij door jichtigheid, jaren lang niet had kunnen werken, en nu door het gebed en het gebruik van het water van Lourdes genezen was. Met een vreugdetraan in het oog voegde hij er bij, dat hij eene reis van vier uren te voet, had afgelegd, om O. L. Vrouw in Tienray te komen bedanken.
3. Verscheidene kranke kinderen zijn door het gebruik van het water van Lourdes genezen, als te Horst, Blerick, Broekhuijsenvorst, Sevenura, Vierlingsbeek, Straelen, Wachtendonk, Wankum, Kevelaer en in vele andere plaatsen van Duitschlar.d.
Bid hierna ecu Rozenhoedje of een tientje en het overige, op den eersten dag- der Noveen, hl. 73 en volgende aangegeven.
Op den laatsten dag der Noveen.
Gebed ter voorbereiding. Zie hl. 57. OVERWEGING.
O eer den Hemel.
Wanneer wij ons oog aandachtig vestigen ep de H. Maagd, zooals zij zich voortdurend aan Bernadette vertoonde, dan zien wij Haar niet slechts met een helder wit kleed, treffend zinnebeeld harer Onbevlekte Ontvangenis en van de ons noodige reinheid van zonden, omgeven, maar wij zien dat kleed omsloten door een Ilemel-blanwen gordel, die met zijne twee uiteinden tot schier op de voeten afdaalt. Haar voet is versierd met een gouden roos en hare saamgevouwen handen zijn hij voorkeur naar den Hemel gericht.
Spreekt ons dit alles in Maria niet van den Hemel, en moet het ons niet krachtig aansporen om met onze harten naar den Hemel op te varen, daar met onze gedachten te wonen, en alles in het werk te stellen om ons hoofddoel, den Hemel, niet te missen?
C
— 122 -
Ja, de blauwe kleur van den gordel en de gouden rozen op liare voeten herinneren ons aan den Hemel.
Zij roepen, als van zelf, het heerlijke beeld der blauwe Hemeltent boven onze hoofden en de fonkelende starren voor den geest.
Hoe verrukkend schoon is dat onmetelijke blauw Hemelgewelf met de millioenen starren, die daar als diamanten flikkeren?
En toch zijn zij slechts als de lampen van \'s Hemels voorportaal.
Wat zal dan de Hemel zelf wezen?
Bernadette in geestverrukking, die aan geen gewoon sterveling meer gelijkt, maar dan als een weerglans van den Hemel op haar Engelachtig gelaat draagt, zal er ons wellicht eeuig denkbeeld van kunuen geven: ten minste zal zij ons kunnen verhalen van hetgeen zij, met den geest ver boven de aarde verheven, in hooger sferen gezien heeft.
Neen! roept de H. Paulus uit, geen oog heeft gezien, geen oor gehoord, in \'s menschen hart is het nooit opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem lief hebben.
De Hemel is het einde van alle kwellingen, van alle lijden, van alle tranen en geween.
— 123 —
De Hemel is de eeuwige rust ua deu moeite-vollen dags des levens: hij is de vergelding na den arbeid; de kroon na deu strijd.
De Hemel is de eindelijke bevrediging van alle ouzo verlangens en wenschen; hij is de volmaakte rust ouzes harten.
De Hemel is het einde onzer pelgrimsreis op aarde, de intrede van deu balling in zijn geliefd Vaderland.
De Hemel is het blijde wederzien onzer dierbaren, die iu God gestorven zijn, en met wie wij in eeuwige liefde zullen vereenigd blijven.
Do Hemel is de aanschouwing Gods, het bezit van God, die door een straal zijner heerlijkheid Petrus reeds gelukkig maakte op den Thabor.
De Hemel is de volmaakte vreugde, waaraan niets ontbreekt; is zich verzadigen aan de bron der vreugde, die God zelf is.
De Hemel is de eemviye, eindelooze vreugde, de eeuwige Gelukzaligheid.
Wat hebben de Heiligen niet gedaan, om zich deze onbeschrijfelijke, eeuwige Gelukzaligheid te verzekeren?
Voor de eeuwige Hemelvreugde stierf Petrus kloekmoedig aan het kruis; Andreas groette vreugdevol het kruis, dat hem den Hemel zoude
— 124 —
openen; Stephanus was verheugd te midden eener hagelbui van steenen, en riep in verrukking uit; ik zie den Hemel open! de Martelaren wandelden over gloeiende kolen, en zij schenen hun rozen, wijl zij met hun oog reeds den Hemel inblikten; zij bogen onverschrokken hun hoofd voor de bijl der beulen, of gaven hun lichaam aan woedende leeuwen prijs, ia de zekere hoop, dat zij het verheerlijkt zouden wederbezitten in den Hemel; de Belijders leidden een verstorven leven tot aan hunnen dood, om de kroon der eeuwige zaligheid te gewinnen, terwijl de Maagden zorgvuldig haar vleesch in bedwang hielden, de gevaren vermeden, en in waakzaamheid hare lampen van olie voorzien hielden, om ter eeuwige Bruiloft te worden toegelaten, en in het gevolg van den Hemelschen Bruidegom harer zielen, de onnavolgbare liederen van het reine Maagdenkoor in eeuwigheid te
kunnen medezingen.
De ure zal komen, ure van bitteren spijt, waarop de wereldlingen en zij, die hunne bedorven natuur opvolgden, zullen uitroepen: „dwazen, als wij zijn! Wij hielden dezen eens voor onzinnigen. hun leven voor eene schande; zie, hoe zij nu onder Gods zonen geteld worden; hoe hun deel nu met de Heiligen is!quot;\'
De Heiligen, van hunnen kant, roepen ons uit
de eeuwige vreugde toe: „Zoekt wat hierboven is! smaakt wat hierboven, en niet wat op aarde is!quot;
Heilige Maagd, die hier op aarde steeds een Hemelsch leven geleid hebt, verkrijg mij, dat ik U navolge, de aarde gering achte, en den Hemel nimmer uit het oog verlieze! laat mij steeds gedenken, dat mij in den Hemel de kroon der zaligen wacht, en laat mij niets te veel zijn om deze eeuwige Hemelkroon te winnen. Maria, Koningin van alle Heiligen, bid voor mij! Amen.
Genezingen.
1. Een meisje uit Velden, 26 jaren oud, verkreeg, door haar vertrouwvol gebed en het gebruik van het water van Lourdes, de genezing eener liesbreuk, welke zij zich in October 1878, op het veld arbeidende, berokkend had. Vóór het einde der tweede Noveen was zij volkomen genezen. Uit dankbaarheid voor deze weldaad schonk zij aan 0. L. Vrouw te Tienray hare gouden broche.
2. Eene godvruchtige huismoeder te Vierlingsheek (Noord-Brabant), stelde in 1880, in hangen barensnood, al haar vertrouwen op de hulp, die de H. Maagd bij de Genade-Kapel van Tienray pleegt te verkenen. Zij zond eene arme vrouw derwaarts, om wat water van Lourdes te halen. Nauwelijks had zij dit gebruikt, of zij verheugde zich hare wenschen vervuld te zien.
— 126 —
en meende deze voorspoedige gebeurtenis aan liet wondenvater van Lourdes te moeten toeschrijven.
3. Niet slechts in de laatste jaren was Tienray een buitengewoon gezegend pelgrimsoord; ook in vroegere tijden waren de gunsten aldaar, door de voorbede van Maria verworven. menigvuldig, zooals getuigden de krukken en windsels, die vóór eenige jaren, nog in grooten getale, in de oude Kapel aanwezig waren.
Wij stippen, tot bevestiging hiervan, slechts een enkel feit aan, waarvan de getuigen nog in leven zijn.
Elisabeth Lit Jens van Horst, eene zuster van den tegenwoordigen koster van Tienray, was met een blind oog, dat altijd etterde, op de wereld gekomen. Alle geneeskundige hulp bleef vruchteloos. Veertien jaren oud zijnde, beloofde zij, door een bijzonder vertrouwen gedreven, eene bedevaart naar Tienray. Zij begaf zich met hare moeder en nog vijf verwanten derwaarts , stortten er een hartelijk en hoopvol gebed voor het oud Beeld van de Troosteres der Bedrukten en offerden, Haar ter eere, een zilveren oog. Toen zij de Kapel verlieten, doopte Elisabeth eerbiedig hare hand in het wijwater, en zegende zich met het teeken des kruises. Op hetzelfde oogenblik ontsloot zich haar oog. Elisabeth en hare verwanten dankten God en Zijne H. Moeder, en keerden in vreugde huiswaarts. Dit gebeurde in 1839.
Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje en het overige, op den eersten dag der noveen bl. 70 en volgende aangegeven.
Om uw vertrouwen, dat gij in O. L. Vrouw van Loimles en in O. L. Vrouw van Ticnray, de Troosteres der Bedrukten, stelt, nog meer te versterken en te doen aangroeien, bieden wij u nog eenige wonderbare genezingen van verschillende ziekten, uit die honderden uitgekozen, welke alhier sinds 1884 zijn voorgekomen, ter lezing aan.
Genezing van vallende ziekte in 1885.
Heinrich Scheurhorst te Burgwaldniél, 36 jaren oud, leed, van zijn dertiende jaar af, aan rallende ziekte, soms meermalen in de week. Den 2 Februari 1885, feestdag van O. L. Vrouw Lichtmis, te Klein-Lourdes ter bedevaart gekomen zijnde, hield hij er zijne devotie, waschte zich met water van Lourdes en dronk een teugje van dat miraculeuse water, in de stellige hoop van te genezen. Inderdaad, zijne hoop werd niet te leur gesteld, daar, sinds dien dag, geen,enkel toeval meer heeft plaats gehad, volgens de bevestiging van verscheidene geloofwaardige mannen zijner parochie.
J. B. H. Maessex.
Genezing van galsteen in 1885.
Christina Geurts, oud 41 jaren, wonende te Hardt (Pruisen), echtgenoote van Mathias Moll, leed, sinds zeven jaren, aan galsteen, soms vergezeld van de vreeselijkste pijnen. Nadat drie bekwame geneesheeren vruchteloos beproefd had-
— 128 —
den haar van hare kwaal te genezen, kwam zij eindelijk naar de kapel Klein Lourdes te Tienray ter bedevaart. Den 2 Februari, feestdag van O. L. Vrouw Lichtmis (1885), zag men haar bij Maria\'s genadebeeld in diepe godsvrucht neergeknield, hare genezing afsmeekende. Twee novenen ter eere van O. L. Vrouw van Lourdes, die te recht in onze dagen de behoudenis der kranken mag genoemd worden, waren reeds ten einde, toen zij naar Tienray kwam. Nu begon zij hare derde noveen, gebruikte Lourdes water, en, na weinige dagen, dankte zij God en bracht hulde aan Maria, door wier machtige tusschenkomst zij van hare pijnlijke kwaal geheel genezen was. Hare genezing hield stand tot heden den eersten November 1887.
J. B. H. Maessen.
Genezing van een kind te Kevelaar in 1887.
De eclitgenooten Gerard Valks en Ida Linssen, te Kevelaar, hadden een zoontje, slechts 18 maanden oud, Peterke geheeten. Een hall jaar lang beproefden de beide zoo gunstig bekende genees-heeren van Kevelaar, dr. Van GSlick en dr. Van der Loo, de heilvolste medicijnen, maar zonder gevolg; het kind werd steeds zieker, zwakker en kwam den dood nabij. Zijn toestand scheen hopeloos, ook volgens het gevoelen der dokters. In die bedroevende omstandigheden bleef er voor de ouders nog ééne troostvolle hoop over. Voor de eerste maal vernomen hebbende, dat er te Tienray, door Maria\'s machtige hulp en het gebruik van Lourdes water, zoovele buitengewone
gevallen van genezingen hadden plaats gehad, begaf de qrootvader van het zieke kind zich tot eene familie te Kevelaar, die pas van hare pelgrimsreis naar Tienray was teruggekeerd, vroeg en bekwam een weinig Lourdes water van Tienray medegebracht, gaf er een weinig van aan het zieke kind, waschte er zijn voorhoofd, handen en voeten mede, en o, wat vreugde voor de ouders! \'sanderendaags, den 19 Maart, feestdag van den H. Joseph, was het kind reeds merkelijk beter en den S5quot;11 dag der noveen liep hun Peterke weêr gezond en spelende door de kamer heen. Jesus en Maria zij lof en dank. Een eigenhandig geschrift van den vader, in een raampje bij de grot te Tienray, als ex-voto opgehangen, geeft getuigenis van bovenstaande genezing.
Eene genezing van kanker aan een oog in 1886.
1quot;. In 188G genas Johanna Puijn, wonende te Kevelaar, van den kanker aan een oog. Zij kwam te Tienray om O. L. Vrouw haar dank te betuigen en om, door de hulp van de onbevlekte Maagd, verder van deze kwaal te mogen bevrijd blijven. Tevens overhandigde zij ons het volgend briefje:
For einem Jahre toiirde ich vom Krebs (of Kanher), dem Ich am Auge hatte, glücklich geheilt, und hoffe, mit Hülfe der Mutter Gottes von Lourdes, dass es nicht teieder zurück kehre. Geteekend; Johanna Puijn zd Kevelaar.
Vele pelgrims van Kevelaar getuigen ons de echtheid dezer genezing.
— 130 —
2°. Eene jonge dochter van omstreeks 20 jaren, te Kevelaar, gehoord hebbende dat Johanna Puijn van den kanker genezen was, ging bij Johanna een weinig Lourdes water halen en met dat weinige water, zoo verhaalde zij mij, ben ik ook genezen van eene neg\'enjarige oogziekte of schier blindheid.
J. B. H. Maessen.
Genezing eener waterbreuk.
Mijn geliefde broeder Franciscus Habertus Maessen, echtgenoot van Margaretha Heiligers, wonende te St. Odiliënberg, bij Roermond, leed verscheidene jaren aan een vreeselijken waterbreuk, die nog immer vergrootte. De geneesheer, die hem van den beginne af behandeld had, verklaarde hem eindelijk, dat er zoodra mogelijk eene operatie moest gedaan worden, wilde hij het leven behouden. Daar de lijder reeds meermalen te vergeefs zijne toevlucht genomen had tot O. L. Vr. van het H. Hart te Sittard, besloot hij nu eene bedevaart te doen naar O. L. Vrouw van Lourdes te Tienray. Twee dagen na deze droevige verklaring van den geneesheer, lag hij reeds neergeknield bij Maria\'s genadebeeld te Klein Lourdes, vurig en hoopvol biddend, om, door hare machtige voorbede, zijne genezing te erlangen, \'s Anderen daags knielde hij nogmaals bij Maria\'s Genadebeeld neder, en smeekte haar met nog meer vurigheid en vertrouwen dan ooit tot genezing zijner ongeneesbare kwaal. En zie, zijne bede werd verhoord, want, huiswaarts keerende, genas hij onder weg; het water verdween op
— 1S1 —
eene wonderbare wijze, en den opvolgenden morgen ontwakende, was zijne genezing volkomen.
Dit wonderbaar feit had plaats in de maand October 1883, het ja^ar mijner schoone pelgrimsreis naar de wondergrot te Lourdes.
Heden 1 October 1887, dus vier jaren na zijne genezing, geniet hij nog den besten welstand.
J. B. H. Maessex , pastoor.
Genezing van een beeneter te Neer in 1886.
Een zeer vertrouwbare ooggetuige schrijft ons hierover het volgende:
Zeer Eerwaarde Heer Pastoor!
Volgens onze afspraak van den 17 Mei 11., toen ik te Tienray ter bedevaart was met den gelukkigen jongeling Jacobus Vievekens geheeten, die door toedoen van 0. L. Vr. van Tienray en het gebruik van Lourdes wonderwater pas volkomen genezen was van een beeneter, kom ik n, wel eerwaarde, thans mededeelen hoe deze zaak zich in haar geheel heeft toegedragen.
Den 29 Juni 1885 voelde .Tacobus eensklaps pijn aan een been; do eerste sporen zijner ziekte vertoonden zich reeds op den enkel. Terstond begaf hij zich naar eene vrouw te Mülbracht. Deze, zich onkundig verklarende om het been te genezen, ried hem aan, naar een ervaren dokter te gaan. Den 21 Augustus begaf hij zich dan ook, per rijtuig, naar den zoo gunstig bekenden dokter Walraven tc Eoermond. De dokter verklaarde hem al aanstonds, dat de kwaal van
- 132 —
zijn been eene bedenkelijke en ernstige was. Hij beproefde alles ter genezing. Tot driemaal toe moest Jacobus eene allerpijnlijkste operatie onderstaan; er werd gesneden en gebrand, doch te vergeefs; de kwaal groeide immer aan. Zoo heeft Jacobus, tot den feestdag van Allerheiligen, de hevigste en onverdragelijkste pijnen uitgestaan. Eindelijk verklaarde de dokter aan den Zeer Eerwaarden Heer Pastoor der Parochie, dat hij al het mogelijke ter genezing van Jacobus been had aangewend, maar dat het ongeneesbaar was, wijl men te laat zijne geneeskundige hulp had ingeroepen, en dus, dat hij niet meer terug kwam.
Zeven weken na het laatste bezoek van den dokter, het was juist de feestdag van Allerheiligen, komt de diep bedroefde moeder van den onge-lukkigen lijder weenende bij mij. Zij had vernomen, dat ik naar Tienray ter bedevaart was geweest en vroeg mij een weinig water van Lourdes. Ik gevoelde mij gelukkig aan haar verlangen te kunnen voldoen. Met het volste vertrouwen namen zij nu hunne toevlucht tot O. L. Vrouw van Lourdes, de troosteres aller bedrukten en begonnen gezamenlijk eene noveen. Jacobus dronk van het miraculeuse water van Lourdes en waschte daarmede de wond, liet eenige heilige missen lezen, en zie, eer de noveen ten einde was, begon de wonde te genezen. Dat gaf moed. Met nog grooter vertrouwen bègon men eene tweede noveen, daarna eene derde, en de genezing van het been hield gelijken tred. De zoete hoop van eene volkomene genezing
herleefde thaus in ieders hart, bracht vreugde in geheel het huisgezin, ja, bij allen die Jacobus been voor ongeneesbaar hadden gehouden. Halfvasten kon Jacobus een weinig gaan, en, in de eerste dagen van de Meimaand genas het been geheel en al.
Om nu aan eenen duren plicht van dankbaarheid te voldoen, vergezelden wij den gelukkigen en door God en Maria zoo bevoorrechten jongeling naar Klein Lourdes te Tienray. Den 17 Mei waren wij er reeds, en knielden wij samen neder bij het altaar van O. L. Vrouw van Lourdes. Met aandoening des harten loofden en dankten wij Jacobus groote Weldoenster, O. L. Vrouw van Lourdes, aan wier machtige hulp en voorspraak hij de volkomene genezing van zijn been te danken had, volgens het innig gevoelen van alle inwoners van Neer, zoo geestelijken als leeken, die den ongelukkigen staat van zijn been gekend hadden.
Nu, zeer eerwaarde heer Pastoor, de reden waarom ik zoo lang gewacht heb u het bovenstaande te schrijven is deze: ik wilde toezien of de genezing ook stand hield, of zij volkomen en duurzaam was, en nu, wijl de genezing tot heden toe volkomen en steeds voortdurend is, heeft onze zeer eerwaarde heer Pastoor mij gezegd , dat ik u maar alles volgens geweten zou schrijven, hoe deze wonderbare genezing, waarvan ik van het begin tot het einde ben ooggetuige geweest, zich heeft toegedragen. Dit alles, zeer eerwaarde heer, kunt u dan ook gerust in de Annalen van Klein Lourdes en in het Pelgrimsboekje van Tienray plaatsen tot
— 134 —
meerdere eer en glorie van God, tot lof en dank van Jesus\' onbevlekte Moeder en tot vermeerdering van het betrouwen der ongelukkigen op Maria\'s machtige hulp en voorbede.
Neer, den 8 December 1886.
(Get.) W. Schoenmakers.
Genezivg van eene verouderde wond aan voet en heen te Ileijen, hij Boxmeer.
De heer Joannes Sassen, 72 jaren oud, gepensioneerd commies, wonende te Heijen, had, ruim 28 jaren geleden, zijn voet gewond. Deze wond begon langzamerhand pijnlijker te worden, te zweren en te etteren. De krachtigste geneesmiddelen werden aangewend door den zoo gunstig
bekenden dokter H..... te Gennep, doch de pijn
werd immer groot er en de wond gevaarlijker, zoodat eindelijk de dokter zich genoodzaakt zag den heer Sassen bekend te maken, dat er eene operatie noodig was, en dat hij hiertoe zou overgaan, na vooraf de voorgeschrevene zalf geheel gebruikt te hebben. Beangstigd voor zoo eene pijnlijke operatie, besloot hij aanstonds zijne goede en godvreezende echtgenoote eene bedevaart naar Klein Lourdes te laten doen. Den opvolgenden Vrijdag was zij er reeds. Bezield met het grootste vertrouwen op Maria\'s machtige hulp, bad zij tot haar met alle vurigheid ter genezing van haren man. Te huis komende zeide zij tot hem: stel nu al uw ver-trouwen op O. L. Vrouw van Lourdes, werp alles van het heen af, en géhruik slechts dit water van Lourdes. Zoo gezegd, zoo gedaan. Zijne vrouw
nam liet fleschje Lourdos-water, goot er eenige droppels van over de wond, en de pijn liet af, liet vuile vleesch (waarom de dokter de operatie noodig achtte), ontlastte ziek aan het been, eu de wond begon aanstonds te genezen, zoodat den 8il\'quot; dag der noveen, de geheels plaats reeds met een licht velletje overtrokken was.
Den zeventienden dag kwam de dokter terug eu vroeg aan Sassen\'s huisvrouw: hoe gaat het met het heen van uwen man ? Zeer goed, 31. dokter. Hebt gij de zalf gebruikt? Neen, M. dokter, was
het antwoord. IVat neen...... De dokter liep
naar binnen en zeide; Sassen, laat mij uw been eens zien. Met genoegen, M. dokter; ziedaar. De dokter bezag het genezeu been en zeide: Och, het is dit niet, dut ik hebben moet; toon mij het zieke been! Sassen toonde hem dan het ander. Maar hoe verwonderd stond de dokter te zien, toen hij ook dit geheel gezond bevond. Nu verlangde hij het eerste nogmaals te zien, beschouwde eu onderzocht hetzelve met de grootste oplettendheid en sprak: o hoe schoon, hoe schoon genezen! Later verklaarde hij , dat hij deze wond immer beschouwd had als zijude eene van die soort, welke als ongeneesbaar gehouden worden. Jammer maar, dat hij ons zijn gevoelen aangaande deze wonderbare genezing niet schriftelijk ter band stelt.
J. B. H. Maessen.
— 136 —
Plotselinge genezing rati een blind jongentje te Amern St. Georg (Pruisen), den 8 December 1883, \'s morgens te half vier uur.
Het jongentje, waarvan Mer sprake is, heet Theodor Jörissen, wonende te Amern St. Georg. Den 8 December van het jaar 1885 kwam zijne godvreezende moeder te Tienray met haar 5 en een halfjarig zoontje aan de hand, dat van af den ouderdom van 18 maanden schier blind was geweest, maar op den feestdag van O. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, den 8 Dec. 1883 plotseling genezen was door het godvruchtig gebruik van het water uit de wonderbron van Lourdes, te Tienray gehaald. Het was een treffend schouwspel de gelukkige moeder met haar, door de H. Maagd zoo bevoorrecht kind, voor Maria\'s altaar neergeknield te zien. God lovende en Maria hartelijk dankende voor de groote weldaad aan haar en beur kind bewezen.
Ziehier een kort relaas betreffende de ziekte en plotselinge genezing van het jongentje:
De kleine Theodoor, slechts 18 maanden oud, leed aan eene vreeselijke oogziekte, soms blindheid. De ouders riepen gestadig de hulp der geneeskunde in. doch vruchteloos. Eindelijk kwam de moeder te Klein Lourdes ter bedevaart, beval haar zoontje ter genezing aan O. L. Vr. aan, begon eene noveen, en, te huis teruggekeerd, zette zij de druppels van den dokter ter zijde, gebruikte slechts Lourdes\' water, geheel haar betrouwen op 0. L. Vrouw van Lourdes stellende. Ook het vertrouwen, dat de kleine Theodoor in
— 137 —
Maria stelde, was wonderbaar; hij hield het beeldje van O. L. Vrouw van Lourdes gestadig in zijne hand, drukte het aan zijne lippen, en zeide tot allen die hem kwamen bezoeken: Onze Lieve Vrouw van Lourdes geneest mij, niet de dokter! Doch God beproefde hun vertrouwen, want, tijdens de eerste noveen werden de oogen dagelijks zieker en pijnlijker. Er kwam zelfs etter uit de oogeu. De vader dit ziende sprak tot zijne vrouw: het is niet wel gedaan wat ge doet; moet het kind de oogen uit het hoofd verliezen ? Ga naar den dokter. De moeder, hoe ongaarne ook, gehoorzaamde. Te huis terug gekeerd zijnde wilde zij het voorgeschrevene des dokters aanwenden, doch de kleine Theodoor liet er zich geen druppel van in de oogen doen; halsstarrig weigerende en zijn geheel vertrouwen op Maria\'s hulp stellende, zeide hij: Och! moeder, werp het fleschje toch aan stukken; de dokter geneest mij ja niet; Maria geneest mij. Dit buitengewoon groot vertrouwen van het kind, boezemde ook de moeder nog grooter vertrouwen in. Zij plaatste nu het fleschje andermaal ter zijde, en gebruikte wederom uitsluitend Lourdes\'miraculeus water. Het was de vooravond van het schoone feest van Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis. De eerste noveen was juist teneinde; ja men begon gezamenlijk eene tweede. Doch, wat gebeurt er? \'s Morgens omstreeks half vier ure (feestdag van Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis) komt de kleine Theodoor vroolijk en blijde het slaapvertrek van vader en moeder binnengeloopen, roepende: vader, moeder, ik kan zien! De moeder
- 138 —
ontstak hpt licht, en vroeg: hunt gij dit zien? Ja. moeder, antwoordde de kleine, terwijl hij recht tegen het licht inzag, zonder de minste pijn aan zijne oogen te gevoelen. Met vreugde en aandoening des harten verlieten zij hunne legerstede, loofden en dankten God en Maria, toen zij zagen dat heide oogen van den kleine werkelijk van alle vuiligheid en etter gezuiverd waren, ja zelfs hunne natuurlijke grootte hadden herkregen. Te elf nre kwam de dokter, die het gebeurde vernomen had, den kleine een hezoek brengen, en, na een ernstig onderzoek, drukte ook hij zijne groote verwondering over deze plotselinge en volkomene genezing uit.
Uit dankbaarheid voor deze buitengewone gunst hebben de ouders een groot eu prachtvol ex-voto aan O. L. Vrouw van Lourdes te Tieuray ten offer gebracht, waarop de gelukkige moeder eigenhandig en meesterlijk de volgende woorden in gouden letters geteekend heeft:
Uit dankbaarheid aan onze Lieve Vrouw van Lourdes, voor de plotselinge genezing mijner oogen, den 8 December 1883.
(Geteekend) Theodou Jöeissen, te Amern St. Georg, thans te Glad bach.
Tot heden 8 December, feestdag van 0. L. Vr. Onbevlekte Ontvangenis, is het jongentje aan zijne oogen nooit meer lijdende geweest.
J. B. H. Maessen, pastoor.
— 139 —
Eene plotselinge genezing van een ruggemerg-ont steking.
Hein rich Büken, 19 jaren oud, wonende toenmaals te Bosheim thans te Bracht of Breijel, leed geruimen tijd aan ruggemergontsteking. Het merg der ruggegraat gansch uitgezworen zijnde, namen zijne levenskrachten dermate af, dat hij met de laatste H. Sacramenten der stervenden voorzien werd. Zijne arme moeder, ziende dat zij Heiiirich, haar eenig kind en kostwinnenden zoon, door den dood stond te verliezen, (hij was reeds drie weken hediend en den dood nabij), nam hare toevlucht tot O. L. Vrouw van Lonrdes, de hehoudenis der kranken, vooral in onze dagen, begon eene noveen, en liet Heinrich een teugje Lourdes\' water drinken. Oogenblikkelijk gevoelde hij een pijnlijken schok in geheel zijn lichaam, liet een gil en deed eene poging om zich op te richten, meenende reeds genezen te zijn, doch neen, dat gelukkig oogenblik, in Gods raadsbesluiten vastgesteld, was er nog niet. Ku ging de moeder haren keukenarbeid verrichten, na vijf minuten hoort zij een geroep; het was de stem van Heinrich, die haar blijde toeriep: 3/oc-der! kom eens zien, ik ben genezen! Moeder opende de deur. en zie, daar stond Heinrich reeds gekleed en vroolijk door de kamer wandelend. Zijne genezing was volkomen en den tweeden dag daarna, kon hij wederom voor zich en zijne moeder het dagelijks stukje brood winnen. Moeder en zoon kwamen naar Tienray om hunne groote Weldoenster te danken.
— 140 —
en door een eigenhandig geschrift, thans in de grot ter lezing opgehangen, deze plotselinge genezing, ter eere van Maria, kenbaar te maken.
J. B. H. Maessen.
Besluit.
Wanneer gij, aan het einde der Noveen gekomen, uwe wenschen geheel, of ten deele, vervuld ziet, laat dan niet na den goeden God en de Moeder der Barmhartigheid te bedanken. Bleeft gij hierin te kort, dan zoudt gij gelijk zijn aan de negen ondankbaren van het Evangelie, die door den Heer van hunne melaatschheid gezuiverd, zich niet eens de moeite wilden getroosten van Hem hunnen dank te komen betuigen.
Zijn uwe gebeden tot hieraan onverhoord gebleven, verlies daarom den moed niet; maar begin van voren af aan. Uit de aangehaalde voorbeelden hebt gij genoeg kunnen bemerken, dat ook bij O. L. Vrouw van Lourdes, niet altijd eene eerste vraag werd ingewilligd. Een weeskind van Rijssel, in Frankrijk, dat in alle leden lam was, werd pas bij de tiende Noveen genezen. Houd dus aan en vertrouw, het woord des Heeren gedachtig: klop en u zal open gedaan worden. (Luc. XI, 5.)
— 141 —
Mocht gij echter, ondanks uw vertrouwen en uwe volharding, uwe wenschen niet vervuld zien, draag dan uw kruis met christelijke gelatenheid. Zeg met moed: Heer, nw wil geschiede! Wellicht is het juist dit kruisje, waarvan gij wenscht verlost te worden, dat bestemd is om u den Hemel in te brengen, of u tot een hoogen graad van deugd op te voeren. Door vele kwellingen, heeft immers de Heer gezegd, moeten wij ingaan in het Rijk Gods. (Hand. XIV, 21.)
Schep moed! de goede God zal u niet boven uwe krachten laten beproeven; maar, zoo gij tot Hem blijft opzien, u sterken en vertroosten. Eens zal het uur slaan, waarop gij in de onverstoorbare vreugde des Hemels zult uitroepen: ik heb den Heer gezocht en Hij heeft mij verhoord, en uit alle mijne kwellingen heeft Hij mij gered. (Ps. XXXIII, 5.)
MORTEMGEBED
van den Pelgrim.
(Ook zeer voordeelig te hielden, wanneer men \'s morgens te vroeg in de Kapel komt.)
f lu den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.
Mijn Heer en mijn God, even gelukkig als de Aartsvader Jakob te Bethel, kniel ik heden op deze heilige plaats. Ik verblijf hier op geen gewonen grond. Ook hier is het Huis Gods en het voorportaal des Hemels, hier, waar Gij, door de milde hand uwer Onbevlekte Moeder, aan zoo velen rijke zegeningen deed toevloeien, en lien, als met geweld, ten Hemel opvoerdet. Om U, o groote God, en uwe nooit volprezen Moeder te eeren, ontwaak ik heden met al wat rondom mij herleeft.
Besproei mij, o Heer, in dit genaderijk oord, met den dauw uwer zegeningen; laat mijne ziel hier schooner worden dan de natuur in het parelend morgenkleed des zomers! Zegen geheel
— 143 —
mijn bestaan; zegen al mijne ondernemingen; zegen mijne gebeden; zegen mijne woorden; zegen mijne gedachten.
Mijne eerste gedachte is voor U, o God, niet alleen heden, maar al de dagen van mijn leven. O Vader, ik zend ze II op, als mijne eerste morgengifte. Moge ze U welgevallig zijn als de wierook, die opstijgt bij uw Heilig Offer!
God van goedheid en barmhartigheid! dankend en vol eerbied kniel ik neder voor den troon van uwe oneindige Majesteit. Ik leef — en dat ik nog leef, is het gevolg van uwe goedheid! Hoe-velen mijner broeders ziju dezen nacht ter eeuwigheid ingesluimerd? Dit had ook mijn lot kunnen zijn. Loof, loof dan, mijne ziel, Gods grenzen-looze barmhartigheid. — Gij schenkt mij, o God, in Uwe vaderlijke goedheid, den dag van heden nog, om U te dienen. Uwe Moeder te eeren, en zoo op bijzondere wijze aan mijne zaligheid te werken. Ik wil dan heden leven, alsof dezen dag de laatste van mijn leven ware. Heer, versterk mij door Uwe genade, opdat ik de vijanden mijner zaligheid wel kennen moge, en den strijd des Heeren kloekmoedig strijde! Leer mij de listen des duivels wel inzien! dat hij mijne verbeelding niet begoochele. en mijnen geest niet
— 144 —
verblinde, opdat ik tot de zonde niet worde voortgesleept! Laat mij doof blijven voor de verleidende taal der wereld; ontlieclit mijn hart van al wat aardsch en vergankelijk is, opdat ik mij niet tot bet stof verlage; maar hecbt mij meer en meer aan U, aan den Hemel en aan de Koningin van Hemel en aarde. Leer mij mijn vleescb met zijne zondige neigingen ten onder brengen, opdat ik tot geene ijdelbeid en valscbe vreugde worde meegevoerd, maar mij steeds her-innere, dat ik tot een hooger leven bestemd ben.
0 Vader in den Hemel! ik beb U gebeden mij te sterken tegen de gevaren mijner zaliglieid, en Uwe genade zal mij niet ontbreken. Ondersteun mij ook in het volbrengen van het goede, dat Gij van mij vordert! Alles wat ik heden ondernemen zal, zal ik slechts tot Uwe meerdere eer en glorie en ter verheerlijking Uwer bewonderenswaardige Moeder doen strekken.
Gij vergunt mij, o God, hier van daag buiten de beslommeringen der aarde te leven; geef dan dat deze dag voor mij waarlijk een Hemelsche dag zij, geheel aan het gebed, aan uwe eer, aan de vereering uwer Moeder en mijne zaligheid gewijd! Moge hij door uwe Engelen met gulden letteren worden opgeteekend in het boek des
levens, en ik, met rijke gunsten beladen en voor de toekomst gesterkt, van hier ga.
Zaligmaker der wereld! de weg, de waarheid en het leven! Gij hebt ons toegeroepen: Zoo gij tot het leven wilt ingaan, onderhoudt dan de geboden; Gij hebt ons het spoor getoond, dat wij volgen moeten, geef dat uw voorbeeld mij altijd voor den geest zweve, opdat ik van den weg der geboden niet afwijke, en verloren ga! Laat mij heden niet wandelen op den breeden weg, die ten verderve leidt, maar slechts hen nastreven, die op het smalle pad van uwe geboden, hun geluk en hunne zaligheid zoeken.
Heilige Geest, Geest van licht en van liefde! Een nieuwe lichtstraal verspreidt zich over de frissche natuur, en verblijdt al wat leeft en ademt; verlicht ook mijne ziel, en ontvlam haar in eene heilige stemming, opdat het heden bijzonder helder worde in mijn binnenste, en ik slechts smake wat hierboven is. Geef dat ik mij ook later niet hechte aan alles, wat voorbijgaat, en nimmer de aarde boven den Hemel stelle.
Heilige Maria, allerschoonste Koningin des Hemels en der Engelen, welwillende en machtige Beschermvrouw van ons bisdom! bescherm geheel de Kerk en den beminden Vader van alle geloo-
— 146 —
vigen; maar breid vooral uwe moederlijke bescherming over de kerk van Roermond (N. N.) uit, opdat de verwoesting des ongeloofs of der onverscliilliglieid in dit ons zoo dierbaar deel van \'s Heeren schaapstal nimmer lieersclie. Heilige Bisschoppen en Priesters, die eens liet zaad des Evangelies op dezen bodem liebt uitgestrooid, van af de H.H. Maternus en Servatius tot de H.IL Amandus, Lambertus, Willebrordus, Hubertns, Wiro en Pleolielmus, bidt, dat het onder or.s blijve gedijen. Verwerft den Opperherder onder ons macht en sterkte, opdat Hij ons steeds veilig geleide naar de heerlijke dreven van het hemelscli Sion! Mogen de Herders, die Hij tot ons afzendt, met getrouwheid over ons waken, en ons gestadig de gevaren wijzen, welke ons bedreigen. Mogen wij vooral niet doof blijven voor de stem van hunne vermaningen, opdat de vloek des Heeren niet over ons neerkome.
Heilige Bescherm-Engelen van deze plaats, bewaart en behoedt ons; weert den straffenden arm des Heeren boven onze schuldige hoofden af, en geleidt ieder van ons op den wea: der zaligheid. Heilige Jozef, bescherm de H. Kerk aan uwe hoede toevertrouwd; bescherm haar Opperhoofd en verkrijg ons allen een heilig leven
en een zaligen dood. En Gij vooral, die door God bij mijne wieg gesteld zijt, om mijne dagen te bewaken, reik mij eene behulpzame hand op den weg des levens, en bescherm mij tegen het gevaar der zoude. Geef dat ik altijd naar uwe stem luistere! Help mij vooral van daag om hier als een Eugel te bidden, eu den Heer mijnen God en de Koningin der Eugelen waardig te eereii; En als ik bang aan het einde van mijne levensbaan zal staan en worstelen met den dood, o onzichtbare Geest, wees dan aan mijne zijde! Weer dan de macht des duivels van mij af, en voer mij naar den schoot van Abraham, opdat ik daar de eeuwige rust geniete!
Heiligen des Hemels, Gij vooral Heilige pelgrims, H. Hieronymus, H. Rochus, H. Gerlacus, H. Benedictus Jozef, H. Oda, bidt voor mij, opdat ik uwe voetstappen drukke, mijne aardsche pelgrimsreis zoo aflegge, dat ik mij met LT in het Hemelsclie Jeruzalem verheugen moge, versierd met de kroon, die de Heer u reeds verleend en ook mij beloofd heeft. Amen.
Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz.
Ik geloof in God den Vader, enz.
Akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw.
— 148 —
AVONDGEBED.
Mijn God, die dag en tijd en eeuwigheid te-stuurt, een dag van mijn leven is wederom voorbij gesneld, een dag van buitengewone genaden en zegeningen. Gij hebt mij vergund dezen dag op een bevoorrecht pelgrimsoord, als in voorsmaak van de eeuwige Hemel-zaligheid, te slijten. Het is dan billijk, o mijn God, dat ik U mijnen dank spreke voor al het goed, dat Gij mij heden wederom bewezen, en voor al de gaven, die Gij mij van het begin van mijn bestaan geschonken hebt. Dank, o mijn God, voor alles, wat ik van daag, onder Uwen zegen, heb mogen ondernemen en voltrekken; ik had tot dusverre niets verdiend dan Uwe bestraffingen, en Gij hebt mij heden nog met uitstekende weldaden overladen. Dank, voor al het goed, dat Gij mij bewezen hebt, voor al het kwaad, dat Gij van mij hebt afgeweerd. Heer, wanneer ik al de weldaden tel, die ik van Uwe vaderhand ontvangen heb, en daarbij al de zonden gedenk, die ik tegen U bedreven heb, dan sta ik beschaamd voor Uw aanschijn; dan klop
— 14:9 —
ik rouwmoedig op mijne l)orst. Maar neen, o God, bij II is genade en barmhartigheid; ik neem dan vol vertrouwen mijne toevlucht tot U, en beveel mij opnieuw aan Uwe vaderlijke goedheid aan. Handel niet met mij, volgens mijne tallooze overtredingen, maar neem mij onder het getal uwer kinderen op, als een verloren zoon, die schoon oneindig ver afgedwaald, echter gerust, vol hoop en vertrouwen, naar zijne ouderlijke woning terug keert, omdat hij een langmoedig en goedertieren vader bezit. — Ja, God van eindelooze goedheid en barmhartigheid, waren de schulden zoo ontelbaar als het zand der zee, of zoo rood als scharlaken, een berouwvol zondaar mag vergeving . kopen, en de Engelen des Hemels zullen juichen over zijn terugkomst in het huis des Vaders. Daarom sla ik rouwmoedig op mijne borst en en roep uit mijne onwaardigheid tot U, Heer, ontferm U mijner, en wees mij armen zondaar genadig!
Ach ja, mijn God, ook op dezen dag heb ik wederom mijne zwakheid en geringe liefde ondervonden. Heden morgen had ik in Uwe tegenwoordigheid zoo vele goede voornemens gevormd; helaas! zij zijn slechts ten halve volvoerd, aan het zaad des Evangelies gelijk, dat tusschen de
— 150 —
doornen viel, en door deze onderdrukt en verstikt werd. Voortaan zal ik trachten een teter mensch te \'worden; ik zal den weg Uwer geboden bewandelen, mijn geloof in geene bloote bespiegeling meer laten bestaan, maar deugden en goede werken beoefenen. Mijn God en alziende Eecliter, in wiens aanschijn ik heden ten tweeden male vol eerbied nederkniel, gedoog dat mijne avondvoornemens niet met de laatste lichtstralen verdwijnen; maar doordring mij op dit stille uur, nu ik andermaal het nietige van mijn werk en mijn geringe verdienste beschouw, van de heilzame gedachte yan het voorbijsnellen mijns levens en de gestrenge afrekening aan het einde mijner dagen. Ja, mijn God, eens zal voor mij de avond aanbreken van dien dag, dien wij het leven noemen, en ik zal nauwkeurige rekening van mijnen tijd en de mij toevertrouwde talenten moeten afleggen, om loon naar werken: óf eeuwige bestraffing, óf eeuwige vergelding te ontvangen. Mijn Vader in den Hemel, laat mij deze gedachte toch nimmer uit het oog verliezen, maar steeds gedenken, dat ik aan het einde mijner dagen niet zal maaien, wat ik in mijn loven niet zal gezaaid hebben. En wanneer zal dat einde wezen? Zal het albeslissend uur voor mij nog ver afzijn? —
Neen, mijn God, want hoe groot ook het getal mijner dagen zij, de tijd vliegt heen, als de bode die voorbij rent, als de arend, die de lucht doorklieft, als de kogel, die langs suist........, en met
stoomende snelheid nadert het einde van mijn aardschen pelgrimstocht, de avond van mijn leven. O moge die avond voor mij zijn, als de avond van een schoonen zomerdag, een avond van rust en verkwikking. Daarom, o mijn God, laat mij het werk, den last van de hitte en van den dag niet schromen; laat mij zuiver, nederig en verstorven worden, en geef, dat ik in niets mij zeiven en aardsohe voldoening, maar in alles U en den Hemel zoeke.
Mijn God en mijn Vader, ik heb mij zeiven aan Üwe zorg en bescherming aanbevolen; maar hierdoor heb ik aan Uwe inzichten nog niet geheel beantwoord. Wij zijn op aarde allen broeders onder elkander, en Gij hebt ons zelf gezegd, dat het passend is, zich zijner broederen te herinneren; welaan, ik wil hen allen, vriend en vijand, in het gebed gedenken, alvorens ik mij ter ruste begeef, om alzoo in vrede met U, in vrede met alle menschen in te sluimeren. Zegen allen, die mij wel deden; die mij door banden van maag- of vriendschap zijn verbonden. Zegen mijn zielbestierders, (mijne ouders), verwanten en be-
— 152 —
kenden. Heer! geef hun weder wat zij mij naar ziel of lichaam geschonken hebhen; laat ons hier altijd in vereende liefde, maar vooral in Uwe vriendschap leven, in de zoete hoop van in den Hemel nimmer gescheiden te worden.
Na U mijne dierbaren te hehhen aanbevolen, o mijn God, bid ik U voor het land, waar ik het eerste levenslicht aanschouwde en welks geluk met het mijne zoo nauw vereenigd is; verwijder van hier alle rampen en plagen, bevrijd ons van hongersnood en aanstekende ziekten; dat de klaroen des oorlogs hier nimmer gehoord worde, maar ongestoorde vrede ons aandeel blijve. Ja, mijn God, bewaar ons van de droevige tooneelen des oorlogs! Dat de broeder zijn broeder niet vermoorde, en vooral in onze dagen, koning en onderdaan, heer en knecht, steeds begrijpen, dat zij door U op hun standpunt gesteld zijn, hunne plichten beseiïen en waardig vervullen. Heer, zie genadig neder op ons vaderland; zuiver het steeds meer en meer van alle dwaalbegrippen; verban van hier allen broederhaat en laat er Uw godsdienst in vrede bloeien; verlicht de blinden, en verwarm hen, die onder ons koud zijn voor U en voor het goede; schenk den rijke mildheid en bemoedig den arme; ondersteun de weduwe en
— 153 —
den wees, en doe het zweet van den werkman gedijen. Bescherm, o God, ons dierbaar vadererf en lever het niet over in de handen Uwer vijanden!
Sterke, onsterfelijke, heilige en goede God, hij de gedachte, dat er zijn, die U niet beminnen en vereeren, sta ik ontsteld en verslagen, en hef ik treurig mijne handen Hemelwaarts, U biddende, hunne oogen te openen, opdat zij U overal zien. Uwe beminnelijke eigenschappen beseffen en U met reinen en vurigen harte en zuiveren geest mogen zoeken. Ja mijn God, leer uwen vijand, leer den zondaar, U kennen, vreezen en beminnen in den tijd, opdat hem aan de deur der eeuwigheid niet toegeroepen worde: Ik ken u niet! — En wanneer Gij U over Uwe vijanden erbarmt, vergeet dan ook de mijnen niet, maar wees hun genadig, vergeef hun, gelijk ook ik hun van harte vergeef, en laat ons allen in ware broederliefde ten Hemel wandelen.
\'t Is avond, o mijn God! de vogel zwijgt, geheel de schepping rust, en ook ik zal weldra inslapen en overgaan tot eenen staat, die het afbeeldsel is van den slaap des doods, waaruit mij eens de bazuin des oordeels wekken zal. — Dien slaap zijn (mijne ouders), velen mijner vrienden, verwanten en bekenden reeds ingegaan, eu bij het
— 154 —
droevig\' scheiden, hebben zij zich aan mijn aandenken nanbevolen. Heer, zoo zij nog niet rein zijn in Uw oog, verhoor dan het gebed mijner liefde! Bij de liefde, die Gij Lazarus toedroegt eu die U bij zijn graf tranen afperste, bij Uw dierbaar Bloed, tot vergeving der zonden vergoten, smeek ik U, wees hun genadig, doe hen de woon Uwer vreugde binnengaan eu schenk hun de eeuwige rust! — En wanneer ik zelf mijn oog voor de aarde sluiten zal, moge ik dan in den Hemel met Uwe uitverkorenen den glans Uwer heerlijkheid aanschouwen!
Maria, mijne moeder, die bij God genade gevonden hebt en nog aanhoudend vindt, U verzoek ik deze mijue smeekingen te ondersteunen, opdat zij ingang vinden bij uwen goddelijken Zoon, die ons allen tot vrienden en broeders heeft aangenomen. Ik ben Uw kind, o Maria! Vooral wanneer ik mij des avonds van de wereld wegtrek en het aardsche voor eeu oogenblik vergeten ga, om mij met mijnen God en mijne ziel en mijnen Engel alleen te bevinden, troost mij de gedachte, dat gij mij teeder bemint, en niet alleen bij dag maar ook bij nachte over mij waakt. Andermaal bid ik U, terwijl ik slaap, den mantel uwer bescherming over mij uit te breiden, opdat de
vijand mij niet durve naderen, maar ik in vrede uitruste en morgen met de ontwakende schepping Gods goedheid love, met een verjongd gemoed mijne bezigheden hervatte, en met vertrouwen voortwandele op den weg, die ten Hemel leidt.
Heilige Jozef, die het uitstekend voorrecht waardig bevonden zijt van den goddelijken Verlosser te bewaren en tegen de listen van Herodes te beveiligen, bewaar ook mij tegen de macht van mijnen grooten vijand, wees mijn gids op den weg des levens, en verwerf mij, dat ik sterve in de omarming van Jezus en Maria. Beschermheiligen van dit Bisdom, H. Joannes de Dooper, alle Heilige Apostelen en Gij, die U zeiven in deze streken hebt geheiligd, of hierin bijzondere eere zijt, bidt voor mij, opdat ik een christelijk leven leide en eens den Hemel met U bezitten moge.
Mijn H. Bewaar-Eugel, waak zorgvuldig aan mijne zijde, geef dat ik TT nimmer door de zonde bedroeve, en voer mij, ver van het Sodoma dei-verleiding, langs den mij afgebakenden weg, naar het hemelsch Vaderland. Amen.
Onderzoek hierna even uw geweten en bid;
Onze Vader, enz.
Wees gegroet Maria, enz.
Ik geloof in God den Vader, enz.
De akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw. Driemaal het Wees gegroet, ter eere van de zuiverheid van Maria.
O Maria, zonder smet ontvangen, hiel voor ons, die tot U onze toevlucht nemen. Amen.
— 157 —
der Onbevlekte Ontvang-euis
VAN
O. L. VROUW.
GEBED TEE VOOEBEREIDIIfö.
Mijn Heer en mijn God, met eerbied en een diep bewogen hart kniel ik op deze bevoorrechte plek, waar uwe oppermacht en goedheid en de veelvermogende voorbede uwer Onbevlekte Moeder zoo menigwerf hebben uitgeschenen, om het H. Misoffer, de onbloedige hernieuwing van het groote Zoenoffer des Kruises, bij te wonen.
Ofschoon onwaardig en geheel doordrongen van mijn nietigheid, offer ik Dit met uwen Dienaar, den Priester op, om uwe Majesteit en Opperheerschappij over al het geschapene, uwe onbegrensde macht eu mijne algeheels afhankelijkheid en onderwerping te erkennen. Ik bid U in ootmoed Het uit \'s Priesters handen te aanvaarden, tot
- 158 —
vergeving mijner zonden en straffen en tot vergiffenis der zonden van geheel de wereld. Gewaardig U Het tevens aan te nemen, als een nieuw Dankoffer voor alle ontvangen weldaden, alsook om uwer genade en gunsten meer en meer waardig te worden.
Beziel mij, o God van goedheid en barmhartigheid, bij dit Hoogheilig Offer, met een levendig geloof en die innige godsvrucht, waarmede de Heiligen bezield waren, wanneer zij het voorrecht hadden de H. Mis op een genaderijk Pelgrimsoord bij te wonen. Vergun mij bij de H. Mis tegenwoordig te zijn met ongestoorde aandacht en diepe ingetogenheid, zooals een heilige Joannes Berchmans de H. Mis hoorde te Scherpenheuvel, als een H. Benedictus Josephus Labre in het eerbiedwaardig Huisje van Loretto, als een H. Gerlacus eiken Zaterdag in 0. L. Vr. Munsterkerk te Aken, of eiken anderen morgen der week, bij het graf van den H. Servatius te Maastricht, opdat ik den Engelen tot vreugde, mijnen medepelgrims tot stichting strekke, en der voorbede der Allerheiligste Maagd en uwer zegeningen waardig moge wezen. Amen.
— 159 —
BIJ HET BEGIN DER H. MIS.
Mijn G-od en liefderijke Zaligmaker, terwijl ik uwen doodsangst en uw bloedig zweet in den hof der Olijven gedenk, sla ik rouwmoedig op mijne borst, U om vergiffenis biddende, dat ik uw Verlossingswerk niet genoeg gewaardeerd heb. Uwen doodsangst en uw lijden heb ik door mijne zonden zoo menigwerf hernieuwd; ik vraag U daarvoor ootmoedig om vergeving.
Wil met uwen dienaar niet in het gerecht treden, o Heer, maar vergeef aan een rouwmoedig kind, dat U beterschap belooft, uw vaderhart door geene zonde meer zal bedroeven, maar uwe oneindige liefde en weldaden steeds gedachtig, U beminnen zal tot aan zijnen dood.
H. Maagd, verkrijg mij de noodige genade om deze mijne goede voornemens uit te voeren. Dit bid ik U, terwijl ik U toeroep: Wees gegroet, o Moeder van den Koning, die Hemel en aarde bestuurt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hem zij eer en glorie! Hem wil ik dienen en U vereeren al de dagen van mijn leven!
BIJ Igt;KN\' INTROÏTUS.
Vreugdevol verheug ik mij in den Heer, en mijne ziel verblijdt zich in mijnen God, want hij
— 160 —
trok mij aan de kleederen des lieils, en omgaf mij met het gewaad der gerechtigheid, als eene bruid met hare juweelen versierd. Ik wil U verheffen, o Heer, want Gij hebt mij opgenomen; Gij hebt mijnen vijanden geene vreugde gelaten over mij.
Eere zij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest! Gelijk het was in den beginne, nu en altijd en door de eeuwen der eeuwen. Amen.
BIJ HET KYRIE ELEISON.
Met een boetvaardig en vermorzeld hart, herhaal ik, o Heer, het gebed, dat de H. Pelgrim Gerlacus bij het graf van den H. Servatius gewoonlijk ten Hemel stierde: Heer, ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer! Heer, ontferm TJ onzer! Christus, ontferm U onzer! Christus, ontferm U onzer! Christus, ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer!
Straf ons niet volgens onze verdienste, o Heer, maar spaar uw volk! en Gij, H. Maagd, toon U altijd de Moeder van Barmhartigheid, en weer den straffenden arm des Heeren van ons af!
BIJ HET GLORIA IN EXCELSUS.
Uwen lof, o God, verkondigen alle schepsels, van af den Seraf, die voor uwen troon staat, tot den nederigsten worm, die over de aarde kruipt. Hoe ondankbaar zou ik niet zijn, indien ik, d!e tot de edelste klas uwer zichtbare schepsels behoor, in dat groote lof- en danklied niet instemde, vooral nu ik het geluk heb, mij op deze plaats te bevinden, waar alles spreekt van uwe genade en barmhartigheid en van de goedheid en liefde uwer Moeder?
Eer dan aan U, o God, in het allerhoogste en vrede op aarde aan de raenschen, die van goeden wille zijn. Wij loven U; wij prijzen U; wij aanbidden U; wij verheerlijken U; wij danken U om uwe groote heerlijkheid. Heer God, almachtige Vader! Heer, Jezus Christus, eeniggeboren Zoon. Heer God, Lain Gods, Zoon des Vaders, die de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer! Die de zonden der wereld wegneemt, ontvang ons gebed! Die zit aan de rechterhand des Vaders ontferm U onzer! Gij alleen zijt de Heilige; Gij alleen de Heer; Gij alleen de Allerhoogste, o Jezus-Christus, met den Heiligen Geest, in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.
— 102 —
O God, die door de Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd, uwen Zoon eene waardige woonplaats bereid lielit, wij bidden U, dat Gij, die Haar, krachtens den voorzienen dood van haren Zoon, van alle smet gevrijwaard hebt, ons, door hare voorspraak verleent, zuiver tot U te komen. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
IiIJ DEN EPISTEL.
Les uit het Boek der Wijsheid. (Spr. VIII. 22.)
De Heer heeft mij bezeten van den aanvang zijner wegen, alvorens Hij in den beginne iets gemaakt heeft. Van eeuwigheid ben ik veiordend en van oudsher, vóór dat de aarde werd. De afgronden waren nog niet, en ik was reeds ontvangen: de waterbronnen waren nog niet losgebarsten. Nog stonden de bergen niet vast op hunnen zwaren last: vóór de heuvelen werd ik geboren: nog had Hij de aarde niet gemaakt, noch de waterstroomen; noch de grondvesten van den aardbol. Toen Hij de heuvelen bereidde, was ik daar: toen Hij, naar eene bepaalde wet de afgronden omwalde. Toen Hij daarboven het uitspansel bevestigde, en de waterbronnen in
evenwicht bracht; toen Hij de zee in het ronde niet eene grens omgaf, en aan de wateren hare wet stelde, om hare grenzen niet te overschrijden; toen Hij de aarde hare grondvesten toedeelde; toen was ik alles bij Hem rangschikkende, en ik verlustigde mij telken dage, spelende voor Hem ten allen tijde, spelende op den aardkring. en het is mij eene lust met de kinderen der menschen te zijn. Nu dan, mijne kinderen, aanhoort mij: zalig zij, die mijne wegen bewaren. Luistert naar de leer, en weest verstandig, en wilt haar niet verwerpen! Zalig de man, die naar mij hoort, en die dagelijks voor mijne poorten waakt, en wacht houdt aan de stijlen mijner deure.
Die mij zal gevonden hebben, zal het leven vinden en zaligheid bij den Heer putten.
NA DEN EPISTEL.
Gezegend zijt Gij, allerheiligste Maagd Maria, van God, den allerhoogsten Heer, boven alle vrouwen op aarde. Gij zijt de roem van Jeruzalem; Gij zijt de vreugde van Israël; Gij zijt de eer van ons volk. Alleluja! Alleluja! Gij zijt volmaakt schoon, o Maria, en de erfsmet is in TJ niet. Alleluja!
— 16i —
BIJ HET EVANGELIE.
Vervolg van het Evangelie volgens Lucas 1. t In dien tijde, werd de Engel Gabriel van God gezonden naar eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene maagd, die verloofd was aan eenen man, wiens naam was Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. En de Engel kwam tot haar Linnen en sprak: „Wees gegroet. Gij vol van genade! De Heer is met U! Gezegend zijt Gij onder de vrouwen.quot;
Geloofd zij Jezus-Christus, nu en in eeuwigheid! Amen.
BIJ HET CREDO.
Als dat gebeden of gezongen wordt, bidt dan het: Ik geloof in God den Vader, almachtig, enz.
BIJ DE OFFERANDE.
Wees gegroet, Maria, vol van genade; de Heer is met U; gezegend zijt Gij onder de vrouwen. Alleluja.
Ontvang, o Heilige Vader, almachtige, eeuwige God, dit onbevlekt Offer, dat ik U, mijn levenden en waren God, met den Priester opdraag, voor mijne ontelbare zonden, beleedigingen en nalatigheden en ook voor allen, die hier tegenwoordig
— 165 —
r
zijn, alsmede voor alle geloovige cliristenen, zoo levenden als dooden, opdat het mij en hun ter zaligheid en ten eeuwigen leven strekke. Amen.
Heer. ik ofler U, met den Priester, uwen Dienaar, den kelk des hells, en bid uwe goedertierenheid, dat hij voor het oog uwer goddelijke Majesteit, tot mijne zaligheid en voor het welzijn der geheele wereld, met eenen liefelijken geur opstijge. Amen.
Neem, Heilige Drievuldigheid, deze Offerande aan, die ik U met den Priester opdraag, ter gedachtenis van het Lijden, de Verrijzenis en de Hemelvaart van onzen Heer Jezus-Christus, ter eere der Allerheiligste, altijd reine Maagd Maria, van den H. Joannes den Dooper, van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, van Hen, wier overblijfselen hier rusten en van alle Heiligen, opdat zij hun ter eere en ons tot zaligheid strekke en zij, wier gedachtenis wij hier op aarde vieren, voor ons in den Hemel te bidden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
BIJ HET ORATE FBATRES.
De Heer neme dit offer uit uwe handen aan, \'Ot lof en glorie van zijnen Naam, tot welzijn van ms en van zijne geheele Heilige Kerk. Amen.
— 166 —
BIJ DE STILLE GEBEDEN.
Aanvaard, o Heer, het heilrijk Offer, dat wij U bij de gedachtenis der Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd Maria opdragen en verleen, dat, gelijk wij Haar door uwe voorkomende genade, van alle smetten vrij belijden, zoo ook^ door hare voorspraak, van alle schulden ontslagen worden. Door onzen Heer Jezus-Christus, die met U leeft en heerscht door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
HIJ DE PRiEFATTE.
Het is waarlijk betamelijk en rechtvaardig, billijk en heilzaam, dat wij U overal en altijd dankzeggen, Heilige Heer, almachtige \\ ader, eeuwige God; dat wij U lovrn, zegenen en prijzen bij de vereering van de Allerheiligste en altijd reine Maagd Maria, die door de overlommering van den Heiligen Geest uwen eeniggebo-ren Zoon ontvangen en, met behoud van de glorie des Maagdoms, over de wereld het eeuwig licht, onzen Heer Jezus-Christus, heeft uitgestort, door wien de Engelen uwe Majesteit loven, de Heerschappijen Haar aanbidden, terwijl de Machten voor Haar beven, de Hemelen en de Krachten der Hemelen, de zalige Serafijnen Haar met
— 167 —
eenparig gejuich verheerlijken, met wie wij TJ hidden onze lofzangen te willen aanhooren, nu wij nederig met hen instemmen, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der Heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid. Hosanna in den hooge! Gezegend zij Hij, die komt in den naam des Heeren. Hosanna in den Hooge!
BIJ DEN CANON.
Wij hehhen onze stemmen met die der Engelen vermengd en U onzen lof toegestameld, o Heer.
Aangenamer echter dan lofzangen zijn U de gebeden, die wij, uwe kinderen, voor elkander ten Hemel sturen.
Verhoor dan, bidden wij U, barmhartige Vader, ons gebed voor het welzijn der Kerk en van geheel het Christen-volk. Bewaar uwe Kerk in vrede; bescherm onzen H. Vader den Pans, onzen eerbiedwaardige!! Bisschop, de geheele Geestelijkheid en het geloovig volk. Laat onze Oversten altijd inzien en behartigen wat tot ons heil dient, en ons hunne bevelen en vermaningen niet ijver nakomen, opdat wij het enge pad der zaligheid met vasten tred bewandelende, U met eiken dag meer en meer mogen behagen.
— 1()8 —
Schenk uwen zegen aan onze ouders, verwanten, vrienden en weldoeners; beloon hen voor de weldaden aan ons bewezen.
Werp een genadigen blik op de armen en ellendigen, op de weduwen en weezen, op de zieken, vooral op hen, die zich in onze gebeden hebben aanbevolen, of voor wie wij verplicht zijn te bidden.
Zie mede genadig neder op hen, die hier met ons vergaderd zijn; verhoor hun smeeken, dat zij, vertrouwende op de voorspraak uwer machtige Moeder, tot U stieren, opdat zij allen getroost en in vreugde van deze gezegende plek naar hunne haardsteden wederkeeren.
Verhoor ook ons, o Heerl Verleen ons door de voorspraak van uwe Onbevlekte Moeder en van alle Gods lieve Heiligen, de^vervulling onzer wenschen, waarvoor wij hier gekomen zijn, bijzonder ........
Verhoor ons nederig smeeken, o Heer! en mogen wij straks kunnen getuigen, dat deze plaats niet te vergeefs den pauselijken eerenaam van Klein Lour des draagt.
Maria, zonder erfsinet ontvangen, machtige Maagd, Troosteres der Bedrukten, O. L. Vrouw van Lourdes, bid voor ons!
— 169 —
BIJ DE OPHEFFING DEB H. HOSTIE.
Liefderijke Jezus, als zoenoffer onzer zonden, voor ons aan het kruis gehecht, ik aanbid U hier onder Broodsgedaante tegenwoordig, met den diepsten eerhied. In het stof ter neer gebogen, dank ik U voor uwe onbegrijpelijke liefde, ons niet alleen door het Heilig Kruis-offer, maar ook door deze Offerande van zegeningen, betoond. Heer Jezus, geef dat ik U beminne, in tijd en eeuwigheid! Maria, Moeder der schoone liefde, bid voor mij!
BIJ DE OPHEFFING VAN DEN H. KELK.
O Jezus, die ons door uw dierbaar Bloed verlost hebt, geef, dat ik mijne ziel, die tegen zoo hoogen prijs door TJ werd vrijgekocht, die door dat kostbaar Bloed zoo hoog geadeld werd, niet gering achte. maar alles in het werk stelle om hare zaligheid te verzekeren.
II. Maagd, Moeder van mijn Zaligmaker, bid voor mij, en help mij, dat ik zalig worde. Amen.
NA DE CONSECRATIE.
Uw bitter lijden eu uwen dood, uw glorierijke Verrijzenis en Hemelvaart gedachtig, o Heer, offeren wij U dit zuiver, heilig en vlekkeloos
8
— 170 —
Offer; het Brood des eeuwigen levens en den Kelk der eeuwige zaligheid.
Gewaardig IJ met een genadig en gunstig oog op dit offer neer te zien en Het met welbehagen aan te nemen, zooals Gij hebt aangenomen de giften van uwen dienaar, den rechtvaardigen Abel, hot offer van onzen aartsvader Abraham en do heilige en onbevlekte offerande, welke uw Hoogepriester Melchisedech heeft opgedragen.
Laat, bidden wij U ootmoedig, almachtige God, dit Offer, door de hand van uwen Heiligen Engel, op uw Hemelsch Altaar voor het aanschijn van uwe Goddelijke Majesteit gebracht worden, opdat wij allen, die aan dit Altaar deelachtig, hetzij werkelijk, hetzij op geestelijke wijze, het Allerheiligste Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen genuttigd hebben, met alle Hemelsche zegeningen en genade vervuld worden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
GEDACHTENIS DEB OVERLEDENEN.
Wees ook, o Heer, gedachtig uwe dienaren en dienaressen, die ons met het teeken des geloofs zijn voorgegaan en in den slaap des vredes rusten, bijzonder (onze dierbare ouders en) allen, met wie wij door de banden van verwant-
— 171 —
schap, dankbaarheid en vriendschap verbonden zijn geweest, die zich vóór hun scheiden in onze gebeden hebben aanbevolen, alsook voor alle pelgrims, die ooit deze heilige plaats bezocht hebben.
Wij biddenen ü, o Heer, dat Gij dezen en allen, die in Christus rusten, de plaats van verkwikking, van licht en vrede wilt verleenen en ons met hen, in het gezelschap van alle Heiligen, de eeuwige vreugde vergunnen, door Christus, onzen Heer. Amen.
BIJ HET PATER NOSTER.
Wanneer wij uwe grootheid gedenken, durven wij nauwelijks tot U opzien, o Heer! slechts door uwe heilzame bevelen aangemoedigd en door uwe goddelijke onderrichting onderwezen, durven wij zeggen: Onze Vader, die in de Hemelen zijt, enz.
Verlos ons. bidden wij II, van alle verleden, tegenwoordig en toekomstig kwaad, en verleen ons door de voorbede van de heilige en roemwaardige Moeder Gnds Maria, altijd Maagd, van de heilige Apostelen Petrus, Paulus, Andreas en alle Heiligen, goedgunstig vrede in onze dagen, opdat wij door den bijstand uwer genade geholpen, altijd bevrijd van zonden en tegen alle kwellingen beveiligd mogen blijven. Door denzelfden Jezus
- 172 —
Christus onzen Heer, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des Heiligen Geestes, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
BIJ HET AGNUS DEI.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm TJ onzer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm TJ onzer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef ons den vrede!
VÓÓR DE COMMUNIE.
Heer Jezus Christus, die tot uwe Apostelen gezegd hebt: ik laat TJ den vrede; ik geef ü mijnen vrede, zie niet op mijne zonden, maar op het geloof uwer Kerk en wil Haar, volgens uw welbehagen, in vrede en eenheid bewaren en ook mij voortdurend uwen vrede schenken, dien de wereld niet geven kan noch ontnemen; laat mij in vrede leven en in vrede sterven, om eens in den eeuwigen vrede te rusten. Heilige Maagd, vredelievende Koningin des Hemels, verkrijg mij deze genade.
ZOO GIJ TOT DE H. COMMUNIE GAAT:
Heer Jezus-Christus, Zoon van den levenden
— 173 —
God, die volgens den wil uws Vaders en door de medewerking des Heiligen Geestes, de wereld door uwen dood hebt lerend gemaakt, verlos ij door dit uw Allerheiligst Lichaam en Bloed, van al mijne ongerechtigheden en van alle kwaad; doe mij immer uwe geboden onderhouden en laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.
Heer Jezus-Christus, laat de nuttiging van uw Lichaam, dat ik, onwaardige, ga ontvangen, niet strekken tot mijn oordeel en mijne verdoemenis; maar dat het, door uwe goedertierenheid, mij naar ziel en lichaam een behoed- en geneesmiddel zij. Die leeft en regeert met God den Vader in de eenheid des Heiligen Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Ik belijd voor den Almachtigen God, voor de altijd reine Maagd llaria, voor den Heiligen Aartsengel Michael, den Heiligen Joannes den Dooper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, voor alle Heiligen en voor U Vader, dat ik zeer gezondigd heb met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld. Daarom bid ik de Heilige Maria, altijd Maagd, den Heiligen Aartsengel Michaël, den Heiligen Joannes den Dooper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heili-
— 174 —
gen en U, Vader, den Heer onzen God voor mij te bidden.
VOORTS DRIEMAAL, ALS DE PRIESTER DE H. HOSTIE OPHEFT.
Heer, ik )jen niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden.
DAARNA.
Het Lichaam van onzen Heer Jezus-Christus beware mijne ziel teu eeuwigen Leven. Amen.
Aanhid en dank vervolgens met den grootsten eerbied den Heer xuven God, den Bruidegom uwer ziel, die in onbegrijpelijke goedheid en liefde, zich zeiven aan u schenkt. Overdenk in de stilte van uw gemoed- het woord van Paulus: Ik leef, en niet slechts ik; maar Christus leeft in mij.
ZOO HIJ NIET COMMUNICEERT.
Hoe gelukkig zou ik zijn, zoo ik U heden kou ontvangen en in mijn hart bezitten! In afwachting van dezen blijden dag, bid ik TJ mijn God, mij mijne zonden te vergeven. Ik verfoei ze, uit geheel mijn hart, omdat zij U mishagen. Gelief mij deelachtig te maken aan de vruchten van
— 175 —
dit Heilig Offer. Vermeerder mijn geloof; versterk mijne hoop; zuiver mijne liefde; veredel en verwarm mijn hart, opdat het voortaan vooral kloppe voor U, en U steeds heminne bovenal en mijnen naaste als mij zeiven om U. Amen.
NA DE COMMUNIE.
Roemwaardige zaken zijn van U verhaald, o Maria, want groote dingen heeft Hij U gedaan, die machtig is.
GEBED.
Mogen de Sacramenten, die wij ontvangen hebben, o Heer en God, de wonden dier schuld herstellen, waarvan Gij de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, op bijzondere wijze, bevrijd hebt. Door Christus onzen Heer. Amen.
ALS DE ZEGESquot; GEGEVEN WORDT.
Ons zegene f de Almachtige God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
BIJ SINT JAN\'S EVANGELIE.
t In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn er door
— 176 -
gemaakt, en zonder dat is er niets gemaakt van hetgeen er gemaakt is. In hetzelve was liet leven, en het leven was het licht der menschen, en het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam Joannes was. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis van het licht te geven, opdat allen door Hem geloo-ven zouden. Hij was het licht niet; maar (Hij kwam) om getuigenis van het licht te geven. Dit was het waarachtige licht, dat verlicht allen mensch, komende in deze wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigendom, doch de zijnen namen Hem niet aan. Maar allen, die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, aan hen die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wille des vlee-sches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zijn. En (dit zeggende knielt men) het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne heerlijk heid gezien, eene heerlijkheid als van den Eenig-geborene des Vaders, vol genade en waarheid.
— 177 —
na. de heilige mis.
Mijn God, ik bedank U «it den grond mijns harten, dat Gij mij vergund hebt, hier op deze bevoorrechte plaats, liet ontzaglijk Offer van het Nieuw-Verbond, ter eere uwer Onbevlekte Moeder, bij te wonen. Ik vraag U vergiffenis voor alle onvolmaaktheden, waaraan ik mij door verstrooiingen, nalatigheid of lauwhartigheid heb plichtig gemaakt.
Verleen mij in uwen dienst en in de vereering van uwe goede Moeder getrouw te blijven tot aan mijnen dood.
Laat mij nu in vrede gaan, o Heer, bestuur mij, onder de bescherming der Heilige Maagd, op al de wegen mijns levens en geleid mij ter eeuwige zaligheid. Amen.
Gebed volgens decreet van Z. TL Leo XIII, na elke stille Mis te bidden, met 300 dagen aflaat.
Driemaal het Wees gegroet. — Dan eenmaal: Wees gegroet. Koningin, Moeder der barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet. — Tot TJ roepen wij ballingen, kinderen van Eva. — Tot U verzuchten wij klagende en weenende in dit tranendal. — Wel-
— 178 —
aan dan, onze Voorspreekster, sla Uwe barmhartige blikken op ons neder. — En vertoon ons na deze ballingschap de gezegende vrncht Uws lichaams, Jezus. — O goedertierene, o liefderijke, o zoete Maagd Maria.
t. Bid voor ons, H. Moeder Gods.
k. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons hidden.
God, onze toevlucht en kracht, zie genadig néér op het volk, dat tot U roept; en verhoor in Uwe barmhartigheid en goedertierenheid, door de voorspraak van de glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den gelukzaligen Jozef, haren Bruidegom, van Uwe gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen de gebeden, die wij storten voor de bekeering der zondaars, voor de vrijheid en de verheffing van onze Moeder de H. Kerk. — Door Christus onzen Heer. — Amen.
Daarbij voerft men de volc/ende aanroeping:
Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in den strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de lagen des duivels. — Dat God hem gebiede; daarom bidden wij ootinoediglijk; en Gij, aanvoerder der hemelsche legerscharen, verdrijf door de kracht Gods den satan naar de hel met de andere booze geesten, die tot verderf der zielen in de wereld rondzwerven. — Amen.
— 179 —
GEBEDEN VOOR DE BIECHT.
God Heilige Geest, die door uwe genade, leven, gbed en sterkte schenkt aan \'s menschen ziel en hart, zie hier een armen zondaar, die nauwelijks zijne oogen durft ten Hemel heften, voor U in het stof gebogen. Zend een Hemelsehen lichtstiaal op mij neder, opdat het helder worde in mijn binnenste, en ik mijne armoede en mijn nietigheid wel moge inzien. Laat mij mijne zonden en hare boosheden doorschouwen; doordring mijn ïleesch met schrik en angst voor het oordeel van den rechtvaardigen Rechter, die mij nu nog in genade en barmhartigheid wil ontvangen. Help mij opdat ik mijne zonden kenne, zóo als zij staan opgeteekend in het schuldboek des Heeren, en ze verafschuwe, zoo als de Heiligen, mijne Broeders, de werken der duisternis verafschuwden; versterk vooral mijn wil, opdat ik ze mijde in de toekomst, en mij nimmer meer in de naaste gelegenheid van zonden begeve.
Laat geene valsche schaamte nestelen in mijne ziel; maar geef mij de noodige sterkte, om mijne zonden, hoe vernederend ook, met oprechtheid aan uwen plaatsvervanger te belijden, opdat ik
— 180 —
verfrischt, en als een nieuw raensch, uit de badwateren der boetvaardigheid moge opstaan en in uwe genade en vriendschap blijve leven. Amer.
Onderzoek daarna uw geweten, overdenkende, wat gij door gedachten, woorden, werken en vir-zuimenissen tegen God, tegen u zeiven of wven evenmensch, alsook tegen de plichten van Mven staat misdaan hebt. Doe dit zorgvuldig, alsof de Biecht, die gij spreken gaat, de laatste van uw leven ware, en gij daarna voor het oordeel van God verschijnen moest. Gedenk, dat alle doodzonden met getal en de noodige omstandigheden moeten gebiecht worden.
Verwek vervolgens, niet slechts met den mond, maar ook met het hart, een akte van berouw. Overweeg elk woord, dat gij uitspreekt, zeggende:
Mijn Heer en mijn God, Gij hebt mij met weldaden overladen, en ik heb daaraan met ondankbaarheid beantwoord. Mijn Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen U; ik ben niet meer waard uw kind genoemd te worden. Ik val U te voet en bid U om vergeving. Uit het diepste van mijn hart, uit het binnenste mijner ziel, is het mij leed, dat ik U, Algoede, dien ik bovenal bemin, vergramd heb. Ik betreur, ik haat en verzaak deze en alle mijne zonden uit
— 181 —
liefde tot U, en neem mij ten stelligste voor nooit meer te zondigen, de gelegenheden van zonden met ernst en voor altijd te schuwen, eene rouwmoedige en rechtzinnige Biecht te spreken en liever te sterven dan TJ nog ooit te beleedigen. Heilige Maagd, Toevlucht der zondaren, bid voor mij, en verkrijg mij deze genade. Amen.
NA DE BIECHT.
Mijn Heer en mijn God, ik dank U, dat Gij mij in genade ontvangen en mij de kwijtschelding mijner zonden verleend hebt. Dank aan uwe barmhartigheid, ben ik geen ongelukkige, geen verworpeling geworden. Ik durf wederom tot U opblikken en U mijn Vader noemen. Mijn Vader, geef, dat ik voortaan uw gehoorzaam kind zij, uwe bevelen opvolge, en getrouw den weg uwer geboden bewandele. Laat mij vooral de plaatsen indachtig zijn, waar ik zoo ongelukkig struikelde, de gevaren en gelegenheden van zonde vermijden.
Doe mij ook begrijpen, o mijn God, dat wie gezondigd heeft, de boetvaardigheid niet moet versmaden. Kwellingen, ziekten en moeielijkheden
aan mijn levensstaat verbonden, neem ik met gelatenheid aan en oft\'er ik U op, o Heer, tot uitdelging mijner straffen, tot verkrijging van nieuwe genaden en den Hemel. Amen.
GEBEDEN VOOR DE COMMUNIE.
God Heilige Geest, die de Allerheiligste Maagd tot eene waardige woon van het Eeuwig Woord hebt voorbereid, zuiver eu ontvlam mijn hart door het vuur uwer liefde, opdat mijn aanbiddelijke Heiland daarin met welgevallen moge nederdalen en verblijven. Amen.
Mijn God, die de eeuwige waarheid zijt, wie kon het gelooven, zoo Gij zelf, in het plechtig oogenblik van het laatste Avondmaal, liet ons niet duidelijk gezegd had,- dat Gij in het H. Sacrament des Altaars wezenlijk tegenwoordig zijt? En nu, o Heer, wie zou durven twijfelen aan uw goddelijk woord, dat ons onmogelijk bedriegen kan\'? O Heer, ik geloof, dat Gij hier onder de gedaante van brood tegenwoordig zijt. dezelfde God, die op den Thabor een straal van uwen Hemelglans deedt uitstralen, die te Cana het water
— 183 —
in wijn veranderde, die door de Engelen te Bethleëm geprezen en aangebeden werdt. vermeerder mijn geloof. Geef dat ik U aanbidde en ontvange met den eerbied, waarmede de Drie-Koningen voor U nederknielden en hunne hoofden in het stof bogen; met de vurigheid, waarmede de vrome Simeon U op zijne armen nam; maak mij even gelnkkier, als dien edelen grijsaard, die wenschte te sterven, toen zijne oogen den Heiland aanschouwd en zijne handen den Lang-Verwachte der volkeren, den Heere hadden opgedragen.
Mijn God, wat spijt het mij nu, dat ik U ooit beleedigd heb! Ik haat en verfoei nogmaals de zonde, en wensch U meer en meer te beminnen. Verwarm mijn hart, o Heer, opdat ik U beminne als de Heiligen, die geheel in liefde verslonden waren, wanneer zij het geluk hadden het Brood der Engelen te genieten; schenk mij een vonkje van de liefde, die de Serafijnen verteert voor uwen troon; een greintje van de liefde, waarmede uw Allerheiligste Moeder U aanbad op het gezegend uur der blijde Boodschap! Kom nu, o Heer Jezus, kom! Bruidegom mijner ziel, vertoef niet langer!
Zeg vervolgens driemaal met den Priester:
Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn
dak komt, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden.
NA DE COMMUNIE.
Na de Heilige Communie, onderhoud u eenige oogenhlikkdn in stilte met den God uws harten, alvorens uw hoek te openen. Breng die oogenblih-ken door in diepe ingetogenheid en in liefderijke verzuchtingen tot den Heer, Uwen God. Zeg en herhaal Hem h. v.: Groote God, beminnelijke Jezus! Wees de God mijns harten, mijn deel in eeuwigheid !..... God van oneindige liefde, die mij geschapen en verlost hebt, die voor mij aan het kruis gestorven zijt, die heden wederom mijne arme ziel met dit Brood der Engelen voedt en versterkt, wees in eeuwigheid geloofd en geprezen!..... Heer Jezus, Zon der gerechtigheid,
blijf bij mij, opdat het nooit avond worde in mijne
ziel door de zonde!..... Neen, Heer Jezus, in
eeuwigheid geene zonden meer!....\'. Ik bemin U,
en zal IJ steeds meer en meer beminnen!.....
Heer Jezus, zegen mij, armen pelgrim! Geef dat ik mij heilige op de groote pelgrimsreis des levens! Heer Jezus, voor U wil ik leven; voor U wil ik sterven.
DANKZEGGING.
Wat zal ik U wedergeven, oneindig goede God, voor de uitstekende weldaad, voor de onwaardeerbare gunst, die Gij mij heden wederom geschonken hebt? Het Brood des Hemels hebt Gij mij toegestaan! Het Brood der Engelen heb ik, ellendig sterveling, door uwe onbegrijpelijke goedheid, heden andermaal genoten! Wat zal ik II voor deze Goddelijke gave teruggeven?
Ik heb U niets te schenken dan mij zeiven met al mijne ellenden, mijn hart met al zijne gebreken. O goede God, aanvaard dit mijn geschenk, hoe onwaardig ook; bezit het onverdeeld; bezit het voor eeuwig.
Waarom heb ik ten minste geen Engelentong, om U te danken, te loven en te prijzen.
Loof dan gij, mijne ziel, den Heer, en al wat in mij is, love zijn Heiligen Naam!
Mijne ziel, als vergoddelijkt door het dierbaar Bloed des Heeren, prijze zijne grenzenlooze goedheid! Mijn verstand, dat die Hemelsche weldaad beseft, love den Heer voor deze allergrootste gunst, welke een sterveling op aarde genieten kan!
Mijn geheugen verblijde zich altijd in het her-
— 186 —
deuken dezer zalige stond, waarop de God des vredes in mij nederdaalde!
Mi.jn wil, door liet Brood der sterken met nieuwe kracht bedeeld, kenne voortaan geen anderen wil, dan den uwen, o Heer!
Mijn hart, heden door U, o God, op nieuw geadeld en geheiligd, blijve als een gewijd altaar, waarop het vuur der reinste liefde altijd brandt, en de wierook der gebeden aanhoudend ten. Hemel stijgt!
Mijn lichaam, dat het Manna der onsterfelijkheid deelachtig werd, leve voortaan op de eerste plaats voor het Eeuwig leven!
Christus leeft in mij; Hij blijve in mij en ik in Hem! Amen.
Gebed om Gods zegen af te vragen.
Mijn Heer en mijn God, op dit Heilig oogen-blik herhaal ik U het woord van uwen vromen dienaar, den aartsvader Jakob; „ik zal TJ niet laten gaan vóór dat Gij mij gezegend hebt.quot;
Open ixwe zegenrijke handen over mij, o Heer. Zegen mij naar ziel en lichaam! Zegen mijn verblijf alhier; vervul mij met den geest des gebeds
— 187 —
en van innige godsvrucht, opdat ik gesterkt, getroost en als verjongd in mijn zieleleven, van hier ga. En wanneer ik tot de mijnen en mijnen werkkring zal zijn wedergekeerd, zegen dan mijne ondernemingen en mijne bezigheden, opdat zij naar uw welbehagen en tot mijn welzijn en dat van anderen voltrokken worden. Zegen mij in voor- en tegenspoed, in vreugde en in lijden, opdat ik, wanneer alles mij naar wensch gaat, mij niet verlioovaardige, en wanneer alles mij tegenslaat, niet kleinmoedig worde. Zegen mij hij alle hinderpalen, die ik op den weg der deugd ontmoet, opdat ik ze gelukkig te boven kome. Zegen mij vooral in het beslissend uur, wanneer ik aan het einde mijner aardsche loopbaan zijn zal, en Gij mij voor uwen rechterstoel zult dagen, opdat ik ia vrede met U sterve, een genadig oordeel vinde, en U, dien ik zooeven onder broodsgedaante ontvangen heb, in de eeuwige Hemelvreugde, van aanschijn tot aanschijn aanschouwen, loven en danken moge. Wat ik voor mij zeiven vraag, o Heer, schenk dat ook aan mijne dierbaren, aan mijne vrienden en vijanden. Amen.
Allerheiligste Maagd Maria, gewaardig U een liefderijken blik op mij te werpen, die nu, door de tegenwoordigheid van uwen Goddelijken Zoon,
— 188 —
voor U een voorwerp van welgevallen geworden ben. Spreek voor mij bij Hem ten beste, die mij wel met zijn dierbaar Vleesch en Bloed heeft willen versterken, en bied Hem uwe verdiensten aan, ter vergoelijking van wat ik in voorbereiding, in dankbaarheid en liefde ben te kort gebleven. Bedank Gij Hem in mijne plaats, en verwerf mij, door uwe veelvermogende voorspraak, dat Hij mij dien rijken zegen schenke, waarom ik Hem gebeden heb.
Mijn goede Engel, die U verheugt in mijn geluk, bid ook Gij voor mij, dat ik de vruchten dezer Heilige Communie altijd beware en voortaan, zoolang mijne pelgrimsreis op aarde duren zal, als een Engel blijve leven.
Alle Heiligen Gods, Gij vooral, wier gedachtenis heden gehouden wordt, alsook mijne bijzondere Beschermheiligen en alle zalige Pelgrims, bidt voor mij, die nu de bron van uw eeuwig geluk in mij bezit! Verkrijgt mij door uwe voorspraak bij Hem, wien Gij U, door woord en voorbeeld, zoo gelijkvormig hebt gemaakt, dat ik uwe voetstappen volge, mij op de volmaaktheid toelegge, en eens, rijk aan deugden en goede werken, tot uw gezelschap en de eindelooze vreugde des Hemels worde toegelaten.
— 189 —
(Blijf niet alleen nu, maar altijd na de H. Communie, ten minste een kwartier uurs, in gebed doorbrengen, en weet gij niet meer, wat te hidden, neem dan uwen Rozenkrans ter hand. om door de H. Maagd, den Heer verder te bedanken en zijn zegen af te smeeken, of ga tot dat einde met eerbied en godsvrucht, den H. Kruisweg af.)
en
nij
eft en
3i-
►rt en k, in
jn in t-
u
t i
e
e
j
1
*
— 190 —
Heev, ontferm U onzer!
Christus, ontferm U onzer!
Heer, ontferm U onzer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer!
God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer!
God, Heilige Geest, ontferm U onzer!
H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer!
H. Maria, hid voor ons.
H. Moeder Gods,
H. Maagd der Slaagden,
Moeder van Christus,
Moeder der Goddelijke genade, St
Allerreinste Moeder, ^
Allerzuiverste Moeder, o
Ongeschonden Moeder, §
Onbevlekte Moeder, o
Minnelijke Moeder, ?»
Wondervolle Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers,
Allervoorzichtigste Maagd,
Eerwaardige Maagd,
Lofwaardige Maagd,
LITANIE
— 191 —
Machtige Maagd, bid voor ons.
Goedertierene Maagd,
Getrouwe Maagd,
Spiegel der gerechtigheid,
Zetel der wijsheid.
Oorzaak onzer blijdschap.
Geestelijk vat.
Eerwaardig vat.
Uitmuntend vat van godsvrucht,
Geheimzinnige roos,
Toren van David, S4.
Ivoren toren, ^
Gulden huis, ^
Ark des Verbonds, §
Deur des Hemels, o
Morgenster, S
Behoudenis der kranken,
Toevlucht der zondaars,
Troosteres der bedrukten,
Bijstand der Christenen,
Koningin der Engelen,
Koningin der Patriarchen,
Koningin der Profeten,
Koningin der Apostelen,
Koningin der Martelaren,
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen,
Koningin, zonder erfsmet ontvangen.
Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans.
bid voor ons.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons Heer!
— 192 —
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons Heer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
Heer, ontferm U onzer!
Christus, ontferm U onzer!
Heer, ontferm U onzer!
Onze Vader, Wees gegroet.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o Heilige Moeder Gods, versmaad onze nooddruftige gebeden niet, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd, onze Vrouwe, onze Middelaarster, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
v. Bid voor ons. Heilige Moeder Gods. r. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
GEBED.
Almachtige en barmhartige God! wij bidden U aanvaard goedgunstig ons ootmoedig gebed, en doe ons, door de voorspraak der altijd zuivere en onbevlekte Moedermaagd, in al onze behoeften uwe hulp ondervinden, door Jezus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, Amen.
--WVW—
VERSCHILLENDE GEBEDEN
TOT
O. Ui. quot;VliOXJ quot;W.
Toewijding van den H. Aloysius.
Heilige Maria, mijne Meesteres, ik stel onder uwe gezegende hoede en bijzondere bescherming, en beveel heden en al de dagen mijns levens en in het uur van mijnen dood, mijne ziel en mijn lichaam in den schoot uwer barmhartigheid aan. Al mijn hoop en mijnen troost, al mijne kwellingen en ellenden, mijn leven en het einde mijns levens vertrouw ik U toe, opdat, door uwe allerheiligste voorspraak en door uwe verdiensten, al mijne werken volgens uwen wil en dien van uwen Zoon geregeld en voltrokken worden. Amen.
KRACHTIG GEBED
van den vromen Jacob Merlo Horstius (van Horst),
Pastoor van Maria- Weide te Keulen, in zijne jeugd een buurman van Tienray (f 1644).
VOOR AL WAT WIJ NAAR ZIEL EN LICHAAM NOODIft HEBBEN.
Ik bid U, heilige en allerliefderijkste Vrouwe, Maria, Gods Moeder, Dochter van den Koning
9
— 194 —
der koningen, allerroemwaardigste Moeder, Moeder der weezen, Troosteres der bedrukten, de reelite weg der dwalenden, altijd reine Maagd, Bron van barmhartigheid, heil en genade. Bron van troost en kwijtschelding. Fontein van godsvrucht en vreugde. Fontein van leven en vergeving, door deze heilige en onuitsprekelijke vreugde, die uwen geest in verrukking bracht bij de blijde Boodschap des Engels; ik bid TT door de heilige en onbegrijpelijke nederigheid, waarmede Gij den Engel Gabriël antwoordet; Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord! en door het Goddelijk geheim, dat de Heilige Geest toen in IJ bewerkte;
Ik smeek U door de onuitsprekelijke genade, gehoorzaamheid, barmhartigheid, liefde en nederigheid, waardoor Uw Zoon, onze Heer Jezus Christus van den Hemel is nedergedaald, om onze menschelijke natuur in uwen eerbiedwaardigen schoot aan te nemen en door de glorierijke vreugde, welke Gij van uwen Zoon onzen Heer Jezus Christus mocht smaken;
Ik bid U door de heilige en overgroote droefheid cn het bitter hartewee, dat Gij gevoeldet, bij het zien van uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, voor het kruis ontbloot, daaraan ge-
klonken, ten liooge gelieven en iiederliangend; tij den aanblik zijner wonden en van den bitteren drank, waarmede zijn gloeiende dorst gelaafd werd, toen Gij Hem op Elias hoordet roepen en aan bet schandhout sterven zaagt;
Ik smeek U door Zijne vijf wonden en door de overgroote droefheid, die uw binnenste samenperste bij bet zien dezer gapende openingen; door de smart, die Gij gevoeldet, wanneer Gij Hem verwond zaagt; door de stroomen bloeds en geheel zijn lijden; door uw hartewee en den vloed uwer tranen, dat Gij met alle Heiligen en Uitverkorenen Gods, mij te raad en ter bulpe snelt in al mijne gebeden en smeekingen; in al mijne kwellingen en behoeften; in alle zaken, waarvoor ik iets zal doen, spreken of denken; alle dagen en nachten; alle uren en oogenblik-ken van mijn leven.
Verkrijg mij van uwen beminden Zoon, onzen Heer Jezus Christus de vermeerdering en voltrekking aller deugden, met alle barmhartigheid en vertroosting; met allen raad en bijstand; met allen zegen en heiligmaking; met alle heil, vrede en voorspoed: met alle vreugde en blijdschap.
Verwerf mij ook allen overvloed van geestelijke- en genoegzaiiinheid van tijdelijke goederen
— 196 —
en de genade van den Heiligen Geest. Dat de Heilige Geest mij door alles gelukkig heenvoere; dat Hij mijne ziel beware; mijn lichaam bestiere en beschenne; mijn geest naar boven riclite; mijn gedrag regele; mijne handelingen goed-keure; mij heilzame gedachten ingeve; mijn verleden kwaad vergeve; het tegenwoordige ver-betere en het toekomstige ten goede geleide!
Dat Hij mij schenke eerbaar en knisch te leven, in de beoefening van Geloof, Hoop en Liefde, vasthoudende aan de leer des Geloofs, in de onderhouding van Gods geboden!
Dat Hij de zintuigen van mijn lichaam bestiere en beschenne, mij vooral van de doodzonde beware en behoede tot aan het einde mijner dagen!
Hij gelieve deze mijne bede te verhoeren en aan te nemen en mij het eeuwig leven te verleenen!
Aanhoor mij en bid voor mij, allerzoetste Maagd Maria, Moeder van mijnen God, Moeder van barmhartigheid! Amen.
GEBED van denzelfden Merlo Horstius, naar Pater Titelmans, om ons aan Maria, als onze Moeder, aan te hevelen.
O diepbedroefde Moeder, wij smeeken U oot-
moedig, bij de laatste woorden, welke uw stervende Zoon U van het kruis toesprak, terwijl Hij U zijn leerling aanbeval, dat Gij ons ouder het getal uwer kinderen wilt opnemen. Trouwens, wij meeneu, dat die woorden van uwen Zoon niet uitsluitend op Joannes, die toen naast het kruis stond, betrekking hadden, maar dat Hij in dien eenen • leerling de geloovigen van alle volgende eeuwen heeft bedoeld en U aanbevolen, terwijl wij overtuigd zijn, dat ook het gezegde tot den leerling; „Ziedaar uwe Moederquot;, niet alleen dien leerling beoogde, maar tot ons allen, die door het geloof uwen Zoon toebehooren, gericht was.
Dewijl dus uw teergeliefde Zoon bij zijn sterven ons aan U heeft aanbevolen, en aan \'t geheele menschdom in U eeue Moeder geschonken heeft, zoo zijn wij verzekerd, dat Gij die uiterste wilsbeschikking niet kunt, noch wilt voorbijzien.
Laat ons, o allerteederste Moeder, van weerskanten aan dien uitersten wil des stervenden Verlossers gehoorzamen! Neem Gij ons als uwe kinderen aan: wij zullen U, als onze Moeder, liefdevol met hart en ziel vereeren. Schenk ons uwe moederlijke zorg; wij zullen U eeue kinderlijke teederheid toedragen en hoewel Gij nu in
— 198 —
den Hemel, ver hoveu ons verheven, de eeuwige heerlijkheid geniet en aan de zijde van uwen Zoon regeert, houd daarom toch nimmer op, ons, verbannen kinderen, met liefde te bejegenen, want dit is de wil van uwen Zoon, die zich zeiven door U aan ons heeft geschonken en, stervende, ons aan U, zijne Moeder, heeft aanbevolen.
Wend dan uwe medelijdende blikken tot ons en maak ons Jezus, de gezegende vrucht uws lichaams, nu genadig, en toon Hem ons na onze aardsche ballingschap, o goedertierene, o liefderijke, o zoete Maagd Maria! Amen.
GEBED
van denzelfden Merlo Horstius, ioor eenen zaligen dood.
O allerzoetste Maagd Maria, Moeder van Jezus, mijne allerbarmhartigste Beschermvrouwe, kom mij armen zondaar ter hulp, opdat ik door geen haastigen en onvoorzienen dood getroffen worde, noch plotseling en onvoorbereid van deze wereld worde weggerukt.
Maria, gezegende Maagd, bid voor mij, bij het lijden en den bitteren dood van uwen eenigge-boren Zoon, onzen Heer Jezus Christus, dat ik door den haat mijner zonden, door verzaking aan
Satan en aan al zijne werken, door een waar berouw, door eene oprechte en nederige Biecht, door boetvaardigheid en voldoening, door een Gode waardig gedrag en naastenliefde met uwen Zoon verzoend, van deze wereld verlmize.
Toon mij uwe barmhartigheid, o allerzaligste Maagd en Moeder Gods, Maria, op dien ijzing-wekkenden dag, wanneer mijne levenskrachten mij zullen verlaten; wanneer mijne stervende tong zich niet meer zal kunnen bewegen om U aan te roepen; mijne oogen het licht niet meer kunnen aanschouwen en mijne ooren doof worden voor alle geluid; gedenk dan de gebeden, welke ik heden tot uwe goedertierenheid opzend, U smeekende ze te verhooren. Kom mij ter hulp in deze laatste stonde van mijnen dood, opdat ik van de trawanten des duivels bevrijd blijve en onder de getrouwe dienaren en vrienden van uwen Zoon, moge geplaatst worden. Amen.
GEBED VOOR DE FAMILIE.
O goede en waakzame Moeder, breid uwe bescherming uit over de geestelijke en tijdelijke behoeften mijner familie, die U beter dan mij bekend zijn. Zij, die mij dierbaar zijn, leven in de bedorven wereld, wier geest in strijd is met
— 200 —
de beginselen van het Evangelie, in gevaar van door eigen zwakheid of door den verderfelijken invloed van het menschelijk opzicht of der verleiding, voor eeuwig verloren te gaan. Ik smeek U: bevrijd hen van het kwaad, en laat hen gehecht zijn aan het katholiek geloof en aan onze Moeder de Heilige Kerk; laat hen iu de beoefening van den godsdienst nooit koud noch onverschillig wezen; bewaar hun den geest van nederigheid in voorspoed; van christelijke gelatenheid, wanneer zij door kommer of ziekte bezocht worden. O Maria, ik stel een onbegrensd vertrouwen op uwe goedheid en twijfel niet, of uwe bescherming zal mijner familie verzekerd blijven; maar ik bid U, er ons steeds aan te herinneren, dat wij in allen nood, onze toevlucht tot U moeten nemen, nooit ophouden uwe voorspraak amp;f te smeeken en in leven en dood op uwe machtige voorbede te vertrouwen.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Tienray, bid voor ons!
GEBED VOOK EENEN ZIEKE.
O Maria, die door uwe voorbede bij uwen Goddelijken Zoon alles vermoogt, spreek slechts één woord, een smeekend woord tot uwen Jezus
en N. N. zal genezen. O mijne Móeder, weiger mij deze genade niet. De zieken hebben eene bijzondere aanspraak op uw teeder medelijden. Ik beveel in uwe handen een leven, dat ons zoo dierbaar is. Verleng dat, indien het tot Gods glorie strekt en der ziele zaligheid dienstig is; maar zoo Gods wil het getal zijner dagen beperkt heeft, verwijder dan van den dierbaren lijder den angst des doods, verkrijg voor hem een volkomen gelatenheid in den wil des Heeren, en bied Gij zelve het offer zijns levens aan het Hart van Jezus aan. O Maria, gedoog niet, dat ik U te vergeefs hebbe aangeroepen, en gewaar-dig U, door deze zoo zeer gewenschte genezing, ons aller dankbaarheid en de vereering uwer Onbevlekte Ontvangenis te vermeerderen.
Onze Lieve Vrouw van Lonrdes en van Tienray, bid voor ons!
GEBED
voor de H. Kerk en onzen H. Vader den Paus.
O Maria, niet slechts met een levendig geloof, maar ook met een vast betrouwen, werp ik mij voor uwe voeten neder en smeek ik U de Kerk, de Heilige Bruid van uwen lieven Zoon, onzen Heer Jezus Christus, te verdedigen en te be-
— 202 —
schermen. Toon U de macMige Beschermvrouw der H. Kerk, vooral in deze dagen, nu zij door eene drieste goddeloosheid bedreigd wordt. Bedek door uwe bescherming den geheiligden Persoon van deu Paus, als met een schild. Boezem aan de Christenen den eerbied in, dien zij den Stede-houder van Jezus Christus verschuldigd zijn, de onderwerping aan zijn onfeilbaar gezag, de liefde, die de Vader aller geloovigen verdient. O Maria, die de bitterheden aanschouwt, waarmede zijn hart gedrenkt wordt, lie onuitsprekelijke smarten, die Hem het treffend afbeeldsel van uwen geliefden Zoon maken, sta Hem bij. Verwek in uwe Kerk Apostelen en verdedigers van hare rechten; gedoog niet, dat de ongerechtigheid zegeviere; bevestig te Kome deu zetel van den H. Petrus en hecht de geesten en harten krachtig aan dit middelpunt der katholieke eenheid.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Tienray, bescherm den Paus en de H Kerk.
GEBED roor de hekeering der zielen, die ons dierbaar zijn.
O Heilige Maagd, ik ben geen enkelen uwer blikken waardig; edoch, bid ik U, ter wille van
uwen goddelijken Zoon, onzen Verlosser, werp een barmhartigen oogslag op mijne ellende.
Zoete hoop der hopeloozen, red door uwe voorspraak en ter liefde van Jezus Christus, de zielen, die ik U aanbeveel. Ik weet, dat Gij er behagen in schept barmhartigheid te bewijzen. Ik beveel mijne ziel en de zielen mijner dierbaren in uwe handen. Schenk ons het verlangen en de sterkte om Gods vriendschap weer te krijgen en te behouden, om van stonde af aan uwe heilige ingevingen ten uitvoer te brengen. O Maria! Jezus, die zoo groot medelijden had niet de zondaars, heeft ons aan uwe moederlijke zorg aanbevolen. Gij bidt voor zoovele anderen, bid ook voor mij. Smeek Jezus om vergiffenis voor ons, en ons zal vergeving geschonken worden. Gij hebt slechts onze zaligheid te wenschen en Hij zal ons zalig maken. Ik bid U ons in eenen echt christelijken levenswandel te bevestigen.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Tienray, bescherm ons.
GEBED
om zijne hinderen aan Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan te hevelen.
O allerzuiverste Maagd, ik beveel U op eene
bijzondere wijze mijne kinderen aan en smeek U, dat Gij zelve hunne onschuld gelievet te bewaren. Laat niet toe, dat de driften ooit in hen de stem der rede en des gewetens smoren.
Ik zag, even als de Koningin Blanea van Castilië, hen liever sterven, dan hunne eeuwige Hemelkroon verliezen. Verlicht hen betrekkelijk hunnen roep en levensstaat; help hen dien te aanvaarden en er alle verplichtingen wel van te behartigen. Dat uwe bescherming hen ondersteime tegen de bekoringen en hen doe volharden in de deugd. Gewaardig U ook mij en mijnen verwanten de genade af te smeeken, die wij ter zaligheid nocdig hebben, en vooral de volharding tot aan het einde, en in het uur des doods, open ons den Hemel.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Ti3n-ray, bid voor ons.
GEBED
van eene troostelooze ziel, ter eere van Onze Lieve Vrouw van Lourdes.
O Maria, wie heeft meer geleden dan Gij? Het lange vooruitzicht uwer moederlijke smarten heeft deze dubbel zwaar gemaakt, en toch is uw moed nooit bezweken. Ondersteun mij ia mijne kruisen, die mij noodig schijnen, zoowel voor mijne
heilig making als voor de uitboeting mijner zonden. Laat niet toe, dat de lange duur van mijn lijden mijne standvastigheid aan het wankelen brenge.
O Onbevlekte Maagd, ik bid U, den kelk des lijdens van mijne lippen af te weren; maar zoo ik hem drinken moet, verkrijg mij dan, dat ik mij doordringe van de gedachte, dat zoo ik minder te lijden had, ik uwen goddelijkeu Zoon, ook minder aangenaam zoude wezen. Ondersteun mij, opdat ik (gedurende deze Noveen) altijd bidde in volle overeenstemming met den wil des Heeren. Heilige Maagd, Troosteres der bedrukten, Koningin der Martelaren, heb medelijden met eene ziel, die onder den last van een zwaar kruis gebukt gaat; ontsla mij van dien last, indien het mij zalig is, en is dit mijner zaligheid niet dienstig, verkrijg mij dan bij uwen goddelijken Zoon, den Man van smarten, voortdurende vermeerdering van geduld, gelatenheid en sterkte, om altijd met edelmoedigheid te kunnen zeggen; Heere, uw uil geschiede! Door uwe Onbevlekte Ontvangenis en door uwe droefheid onder het kruis, verkrijg mij de genade, dat ik in mijn lijden nooit mismoedig worde, noch bezwijke.
O. L. Vr. van Lourdes en van Tienray, bid voor mij en help mij.
— 206 —
TWEE GEBEDEN
TOT
Onze Lieve Vrouw van Lourdes.
I.
0 Heilige en Onbevlekte Maagd Maria! Gods Moeder en ook onze Moeder! die in onze dagen, als ter bevestiging van het Leerstuk uwer Onbevlekte Ontvangenis, op zoo wondervolle wijze verschenen zijt, en ons de Grot van Lourdes met haar gezegend bronwater, als een nieuw redmiddel, tegen onze kwalen geschonken hebt; verhoor ons, nu wij vol kinderlijk vertrouwen, tot IJ en dit door U gezegend middel onze toevlucht nemen. Gedenk, o liefderijkste aller Moeders, dat het nooit is gehoord, dat U iemand te vergeefs om hulp heeft gebeden. Gedenk uw verheven voorrecht, tot welks verheerlijking Gij ons mede dit middel geschonken hebt. Gedenk het beminnend Hart van Jezus, uwen goddelijken Zoon, dat niets anders begeert dan ons geluk en U nooit onverhoord kan laten. Zie vervolgens op onze droefheid, op ons lijden, op onze ziels- en lichaamskwalen vooral op deze...... waarvan wij
- 207 —
in het bijzonder door uwe goedheid bevrijd wenschen te worden. O allerliefderijkste Moeder! voeg dan maar één woord bij onze smeeking, ja werp slechts, ter onzer gunste, een blik uwer barmhartige oogen op het almachtig Hart van uwen Jezus, en toon alzoo, in dubbelen zin, dat Gij Gods Moeder en ook onze Moeder zijt.
Aanhoor ons dan, o Onbevlekte Maagd, aanhoor ons!
En, bij Jezus uwen goddelijken Zoon, verhoor ons!
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Tien-ray, bid voor ons.
II.
O Onbevlekte Maagd, barmhartige Moeder, Behoudenis der kranken. Toevlucht der zondaren. Troosteres der bedrukten, Gij kent mijne behoeften, mijne smarten, mijn lijden; sla een genadigen blik op uw kind. Ik werp mij vol vertrouwen voor uwe voeten neder en smeek uwen bijstand af. Verhoor mij, o Maria; ik wil trachten mij nwe gunsten waardig te maken en uwe deugden na te volgen, om eens deel te hebben in uwe glorie. Amen.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes en van Tien-ray, bid voor ons.
— 208 —
VERBOND MET MARIA.
Wil ik tot Jezus gaan, dan spreek ik eerst \\ Want Jezus\' Moeder eu mijn Moeder is l Smeek ik om Jezus\' gunst, mijn voorspraak is J Ik vind mijn hoop en troost in \'t harte van j Ik schenk dus ziel en hart en leven aan J Ik wil in al mijn doen hehagen aan f W ant al watGod mij schenkt,gaat door uw hand, I Wanneer ik aan U denk, o zoete Maagdl Dan klopt mijn hart van vreugd, ter uwer eer,l g Ik noem U nooit genoeg, o Moeder Godsl M Al stamelt reeds mijn tong bij \'t morgenlicht,! l En vóór en na mijn werk een Jfees gegroet \\ p Geniet ik spijs of drank, dan groet ik weer \\ti Slaap ik in volle rust, mijn hart klopt voor /Jö In vreugd en vroolijkheid, vergeet ik nooit / •. In droefheid offer ik mijn zuchten aan) Bedreigt mij een gevaar, dan vlucht ik totl {k Drukt mij een ziekte neer, mijn troost is danl f Al foltert mij de smart, ik staar nog opl Mijn schild in eiken strijd is \'t harte vanl Zoo word ik steeds gesterkt door liefde tot 1 Ik leef en sterf gerust in uwen schoot, l En op mijn graf moet staan: ter eere van 1 irat is het sterven zoet, in de armen van 1 Mijn graf zegge iedereen: vergeet toch nooit 1 Wilt gij gelukkig zijn! teel, ga dan tot /
— 209 —
Bindgebed van den
Allerheiligste, Onbevlekte Maagd, gij hebt mij vergund, hier op deze aloude Bedevaarts-plaats, getuige van zoo vele gunsten en genaden, en in den jongsten tijd met al de voorrechten van het wondervol Lourdes verrijkt, mijn hart voor U uit te storten, U mijne behoeften en wenschen bloot te leggen. Ik dank U daarvoor en bid U nogmaals, gewaardig ü ze te verhoeren en mijne belangen bij uwen goddelijken Zoon, door uwen machtigen invloed en uwe alles vermogende voorbede, voor te staan en te bepleiten.
Alhoewel ongaarne, ga ik scheiden van dit bevoorrecht oord, waar ik mij met diepen eerbied in het stof gebogen heb, uwe voorspraak en bescherming heb afgesmeekt.
Ik ga tot de mijnen en mijne gewone bezigheden terug; mijn hart blijft echter bij U; uwen goddelijken Zoon en U blijft het in eeuwigheid gewijd.
Zegent mij beiden, en zoo mijn levenseinde nog verwijderd is, vergunt mij dan hier nogmaals weder te keeren om U een nieuw blijk van mijne liefde te geveu.
— 210 —
O eindeloos van God bevoorrechte Moeder, Onbevlekte Maazd, boven alle vrouwen met de rijkste zegeningen begiftigd, zie nogmaals vol goedheid en barmhartigheid op mij neder! Wend uwen eeuwig zuiveren blik met welbehagen tot mij, en reik mij voortaan uwe hand op de gevaarvolle pelgrimsreis des levens. Verwerf mij op die reis overvloedige genade, opdat ik mijn Heer en mijn God steeds getrouw moge dienen, U tot het einde mijner dagen met een dankbaar hart lief hebbe, met de namen van Jezus, Maria en Jozef op de lippen, mijnen geest geve, en mij in eeuwigheid, in het gezelschap uwer kinderen en van alle Heiligen, verblijde. Amen.
— 211 — LITANIE
TOT DEN
H» SJLiLIMI sfliSÜS»
Heer, ontferm IJ onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Jezus, hoor ons.
Jezus, verhoor ons.
God hemelsche Vader, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld.
God H. Geest,
H. Drievuldigheid één God,
Jezus, Zoon van den levenden God,
Jezus, schitterend licht des Vaders,
Jezus, weerglans van het eeuwig licht,
Jezus, koning der heerlijkheid,
Jezus, zou der gerechtigheid,
Jezus, Zoon van de Maagd Maria,
Minnelijke Jezus,
Bewonderenswaardige Jezus,
Jezus, sterke God,
Jezus, Vader der toekomstige eeuw,
Jezus, verkondiger van Gods verheven raad.
Al machtigste Jezus,
Allerverduldigste Jezus,
Allergehoorzaamste Jezus,
Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van harte,
Jezus, minnaar der zuiverheid,
— 212 —
onze minnaar, ontferm U onzer.
God des vredes,
oorsprong des levens,
voorbeeld der deugden,
ijveraar der zielen,
onze God,
onze toevlucht.
Vader der armen,
schat der geloovigen, g
,. . goede Herder,
^ / waar licht, g
N \\ eeuwige wijsheid,
W oneindige goedheid, ^
t-5 J onze weg en ons leven, g
blijdschap der Engelen, g
Koning der Patriarchen, r1
Meester der Apostelen,
Leeraar der Evangelisten,
sterkte der Martelaren,
licht der Belijders,
zuiverheid der Maagden,
kroon van alle Heiligen,
Wees genadig, spaar ons, Jezus!
Wees genadig, verhoor ons, Jezus!
Van alle kwaad, verlos ons, Jezus!
Van alle zonde, verlos ons, Jezus!
Van uwe gramschap, verlos ons, Jezus!
Van de listen des duivels, verlos ons, Jezus! Van den geest van onkuischheid, verlos ons, Jezus!
Van den eeuwigen dood, verlos ons, Jezus! Van het veronachtzamen uwer inspraken, verlos ons, Jezus!
— 213 —
Door het geheim uwer menschwording,
ons, Jezus!
Door uwe geboorte,
Door uwe kindsheid.
Door uw allergoddelijkst leven.
Door uwen arbeid,
Door uwen doodstrijd en uw lijden.
Door uw kruis en uwe verlatenheid,
Door uwe smarten.
Door uwen dood en uwe begrafenis,
Door uwe verrijzenis,
Door uwe hemelvaart.
Door uwe vreugde,
Door uwe glorie.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons, Jezus!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons, Jezus!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm U onzer, Jezus!
Jezus, hoor ons.
Jezus, verhoor ons.
LAAT ONS BIDDEN.
Heer Jezus-Christus, die gezegd hebt: Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden: wij bidden U, verleen ons op onze smeekingen het gevoelen
verlos
uwer allergoddelijkste liefde, opdat wij TJ uit gansch ons hart, door woorden en werken mogen beminnen en nimmer ophouden U te loven.
Maak, o Heer, dat wij te samen de vrees en de liefde van uwen heiligen Naam in eeuwigheid mogen bezitten, omdat (rij nooit van uwe bestiering berooft, al wie Gij U gewaardigt in de kracht uwer liefde te vestigen. Door onzen Heer, enz.
De gelooviyen van het bisdom Roermond, die deze Litanie bidden, verdienen 300 dagen aflaat.
— 215 —
AARiaBHOlDlRSCHAF
van de
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS
der
ALLEEHEILIGSTE MAAGD MARIA,
gevestigd in de kerk van O. L. Vr. te Lourdes en te Tienray (Klein Lourdes).
De Broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd Maria, volgens de kerkelijke regels, den 8 December 1872, door Zijne Doorl. Hoogvv. den Bisschop van Tarbes, in de kerk van O. L. Vr. te Lourdes opgericht, en den 14 Tebr. 1873 door Z. H. den Paus tot Aartsbroederschap verheven, is den 8 Juni 1875, met goedkeuring van Z. D. H. Mgr. J. A. Pakedis, Bisschop van Roermond, op verzoek van den WelEerw. Heer J. B. H. Maessen, Pastoor van Swolgen, kerkelijk opgericht, (volgens de statuten van Lourdes) in de ,0. L. Vr. kapel te Tienray (onder Swolgen).
— \'216 —
1. Doel der Aartsbroederschap.
De Aartsbroederschap heeft tot doel:
1». De Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd te vereeren.
2°. De gedachtenis der dogmatische uitspraak van den 8 Dec. 1854 te bestendigen.
3°. De Heilige Moeder Gods te danken voor hare verschijningen in de grot te Lonrdes, en voor al de weldaden, die zij onophoudelijk in haar heiligdom uitdeelt.
4quot;. Eindelijk, te bidden volgens de intenties, die Maria zelve in de grot heeft aangeduid, en die door de Heilige Kerk worden aanbevolen.
2. Oefeningen.
De leden verbinden zich, maar niet op zonde! om de lessen in beoefening te brengen, die de Onbevlekte Maagd bij hare verschillende verschijningen heeft gegeven.
1 . Zij zullen de medaille van Lourdes, of nog liever het blauwe scapulier der Onbevlekte Ontvangenis dragen.
2 . Zij zullen er zich op toeleggen het kruis-teeken goed te maken, naar het voorbeeld van
— 217 —
de Heilige Moeder Gods, en dagelijks zullen zij ten minste een tientje van den Rozenkrans bidden. (1) — De Heilige Maagd verscheen in de grot. met den Rozenkrans in de hand, en zij deed dien Bernadette bidden, na alvorens een kruisteeken te hebben gemaakt, gelijk men het alleen in den Hemel maken kan. — De personen, die de loffelijke gewoonte hebben, dagelijks eenige tientjes van den Rozenkrans te bidden, kunnen volstaan met één dier tientjes tot intentie der Aartsbroederschap te bidden.
3». Zij zullen, zooveel mogelijk, de vasten- en onthoudingsdagen der Kerk getrouw onderhouden; zij doen goed, dagelijks een werk van boetvaardigheid, en wekelijks \'s Woensdags of\'s Zaterdags, eene kleine versterving te verrichten; jaarlijks den 7 December, op de Vigilie van het feest der Onbevlekte Ontvangenis te vasten, om te beantwoorden aan de opwekking der Heilige Maagd: „Boetvaardigheid, boetvaardigheid, boetvaardigheid.quot; Zij die niet vasten kunnen, zullen den vastdag door eenig ander goed werk vervangen.
10
1
N.B. Ofschoon deze oefeningen allen dringend worden aangeraden, is nogtans het bidden van een tientje van den Rozenkrans alleen vereischt, om de Aflaten te verdienen.
— 218 —
3. Organisatie der Broederschap.
De Aartsljroeclerschap heeft baren zetel in de Kerk van O. L. Vr. te Lourdes. Zij heeft eenen algemeenen directeur; deze is bijgestaan door eeuen raad, die door bet boofd der Broederscbap, 1; g den Bisscbop van Tarbes, benoemd wordt.
In iedere bijzondere parochie, en in ieder diocees, kan een bijzondere directeur en een af- j ; ^ zonderlijke raad worden aangesteld, zoo de Bisschoppen zulks verlangen.
4. Aflaten en previlegiën
voor de Leden der Broederschap van de ONBEVLEKTE ONTVANGENIS.
I. Volle Aflaten.
De leden der Broederschap van de Onlevlekte Ontvangenis der Allerh. Maagd, kerkelijk opgericht met goedkeuring- van Z. D. Hoogw. Mgr. J. A. Paredis, Bisschop van Roermond, volgens de Statuten der Aartsbroederschap, in de Kapel van
0. L. Vrouw tb Tienray, den 8 Juni 1875, 13-kunnen onder de gewone voorwaarden verdienen:
(Brev. 4 Maart 1877. Pros IX.)
1. Een vollen aflaat op den dag, dat zij in het register der Broederschap zijn ingeschreven;
2-
— 219 —
2.
Een vollen aflaat in het uur des doods. Kan men de gewone voorwaarden alsdan niet volbrengen, dan moet men, teu minste met liet liart, den Heiligen Naam Jezus aanroepen. Een vollen aflaat op den feestdag der Onbevlekte Ontvangenis, op een dag naar believen onder de Octaaf.
Een vollen aflaat op de feestdagen van Maria\'s Geboorte, Boodschap, Zuivering en Hemelvaart.
II. Aflaten van 7 jaren en 7 quadragenen.
Indien de leden de kapel der Broederschap te Tienray bezoeken, en aldaar tot intentie der H. kerk bidden, kunnen zij een aflaat van 7 jaren en I 7 quadragenen verdienen op de volgende dagen:
1. Den 11 Februari, eersten dag, waarop O. L. Vr. aan Bernadette verscheen.
2. Den 18 Februari, eersten dag der veertien-daagsche verschijningen.
3. Den 25 Februari.
4. Den 4 Maart, laatsten dag der veertiendaag-sohe verschijningen.
III. Aflaten van 60 dagen.
Zoo menigmaal de leden een werk van gods-
3.
4.
— 220 —
vrucht, van boetvaardigheid of van liefde, volgens het reglement der Broederschap, verrichten.
b e m e u k i n a e n.
Tot het verdienen der bovengenoemde aflaten wordt vereischt, dat de leden dagelijks een tientje van den rozenkrans bidden.
aanneming.
Zij, die in de Aartsbroederschap wenschen opgenomen te worden, schrijven zeiven, of doen hunnen naam en hunne voornamen schrijven, in de daartoe bestemde registers der bijzondsre directeuren, of van den generalen directeur.
bewijs yan aanneming.
Ik
hen opgenomen iu de Actytshfoederschctp det Onbevlekte Ontvangenis, wettig opgericht in de kerk van O. L. Fr. te Lour des, als ook in de kapel van O. L. Vrouw der Onbevlekte Ontvangenis en de Troosteres der bedrukten, te Tienray.
De Bestuurder, J. B. H. MAESSEN.
Tienray, den
— 221 —
SCAPULIER
VAN
0. L. VR. ONBEVLEKT ONTVANGEN.
\'
1.
• On-
herh 2. kapel 3 lis en
De H. Alphonsus de Ligorio noodigt alle ge-loovigen dringend uit het Scapulier van O. L. 1 m Vrouw Onbevlekt Ontvangen aan te nemen en te dragen. Hij zegt, dat dit aan de H. Maagd bijdoen zonder aangenaam is; hierdoor immers, geeft m, in men het bewijs, dat men zich aan hare zoete adere dienst toewijdt, en tot hare uitgelezene familie wil behooren. De H. Maagd, die zoo edelmoedig is, pleegt het geringe met rijke weldaden, door hare voorspraak verkregen, te vergelden.
VOORWAARDEN.
Het blauwe Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis moet gewijd en opgelegd worden door een daartoe gemachtigd priester. Men draagt het altijd bij dag en nacht, vooral in het uur des doods.
Men verliest alle recht op de voordeden van het Scapulier, als men in plaats van het te dragen om den hals, de stukjes stof aan zijne kleederen naait, of ze in den zak draagt. Behalve bovengenoemde voorwaarden, is er niets anders voorgeschreven om deel te hebben in de algemeene voordeelen.
laten 3 een
— 222 —
Het is nochtans goed zich te voegen naar het gebruik van Lourcles, dat is: eiken dag 6 maal het Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij den Vader enz. te bidden ter eere der Allerheiligste Drievuldigheid en der Onbevlekte Ontvangenis, voor de verheffing der H. Kerk, voor de uitroeiing der ketterijen en voor de eendracht der Christen vorsten. — Ook raadt men aan het Scapulier eerbiedig te kussen, als men opstaat en slapen gaat, en vooral in gevaren en bekoringen. Doch al deze voorwaarden zijn enkel voorwaarden van godsvrucht en hoegenaamd niet in geweten verplichtend; hij dus die deze veronachtzaamt, zonder ze nochtans te verachten, bedrijft geene zonde, maar berooft zich geheel of gedeeltelijk van de daaraan verbonden voordeelen.
Opgave der voornaamste aflaten van het Scapulier der Onbevl. Ontvangenis.
Wij vermelden hier slechts de voornaamste afiaten, en welke het gemakkelijkst kunnen verdiend worden.
1. Volle Aflaat op den dag, waarop men het
Scapulier ontvangt, of op een der 8 opvolgende dagen.
2. „ „ op den Isten Zondag van elke
maand.
3. „ „ in het uur des doods, wanneer
men, niet kunnende biechten of communiceeren, minstens met het hart den H. Naam Jezus aanroept.
— 223 —
Volle Aflaat O. L. Vr. Boodschap, 25 Maart. „ „ Kruisvinding, 8 Mei. „ „ Joannes Baptista, 24 Juni. „ „ Petrus en Paulus, 29 Juni. „ „ Portiuncula, 2 Augustus. n „ H. Augustinus, 25 Augustus. „ „ H. Engelen Bewaarders, 2 Oct, „ „ H. Theresia, 15 October. ,, „ O. L. Vr. Hemelvaart, 15 Aug. n ti O. L. Vr. Geboorte, 8 September, n » O. L. Vr. Lichtmis, 2 Februari. „ „ O. L. Vr. Onbevlekt Ontvangen,
8 December, n „ Allerheiligen, 1 November. „ „ Pinksteren. „ „ H. Drievuldigheid. „ „ Kerstmis, 25 December, j) „ laatsten Zondag van Juli.
„ eenmaal \'sjaars bij gelegenheid van het 40-uren-gebed. ii „ Eenmaal \'s jaars op een dag naar ieders verkiezing. Ook kan men tweemaal in iedere maand verdienen alle aflaten der 7 hoofdkerken van Rome (waaronder meerdere volle).
Volle aflaat op het feest van den H. Jozef, of op een der volgende acht dagen, ji ji alle Zaterdagen van de Vasten, ii ii 3den Zondag na Paschen. — Beschermfeest van den H. Jozef — of op een der zeven volgende dagen (niet toevoeglijk aan de geloovige zielen).
4.
5.
6. 1. 8. 9.
10. 11. 12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20. 21.
22.
28.
24.
25.
26.
— 224 —
b e m e r ki n g.
N.B. Men kan dagelijks, krachtens het blauwe Scapulier der Onb. Ontv. alle aflaten verdieneyi der zeven hoofdkerken van Eome, van Portiuncula, van Jerusalem en van den H. Jacobus van Com-postella, zoo dikwerf men, onverschillig waar men zich bevindt, ter eere der Allerheiligste Drievuldigheid en der Onbevlekte Ontvangenis van Maria zesmaal het Onze Vader, zesmaal het Wees gegroet en Glorie zij den Vader bidt voor de verheffing der H. Kerk, voor de uitroeiing der ketterijen, en voor de eendracht der Christen Vorsten.
Nota. Om dagelijks deze aflaten te verdienen is het niet noodzakelijk te biechten en te com-mnniceeren; het is genoeg dat men zij in staat van genade.
De WelEerw. Heer Pastoor van Swolgen is bevoegd om het blauwe Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis te zegenen en er de aflaten aan te verbinden.
———A/WV»--
— 225 —
GEESTELIJKE LIEDEREN.
De Onbevlekte Ontvangenis.
Lieve Moeder van den Heer!
Laat ons, om uw Grotte dringen,
Laat uw kind\'ren U ter eer \'t Zielverrukkend feestlied zingen; \'t Moet weer klinken luid en blij, ) , • Moeder, Onbevlekt zijt Gij. )
2.
\'t Klinkt nog gansch de wereld rond. Over zee en over de aarde,
\'t Woord door Pius\' mond verkond, \'t Woord dat Gij in Lourd\' verklaardet. En wij jubelen op dit tij, ) ,.
Moeder, Onbevlekt zijt Gij. )
3.
Tienray, aan U toegewijd,
\'t Kleine Lourdes bier verrezen,
Zal getuigen, dat Gij zijt,
\'t Staat in Lourdes\' Grot te lezen,
Volgens Uw getuigenis, ) , •
De Onbevlekt Ontvangenis. )
4.
En wij voegen dank en beê Aan deez\' blijde feestgezangen;
Deel ons hier de gunsten meê,
Die in Lourdes zijn ontvangen,
Door het zalig jubeltij, ) . ■
Moeder, Onbevlekt zijt Gij. )
— 226 —
5.
Zonne-zuivre Moedermaagd,
Om de glorie U gegeven,
Hoor ook wat ons hart U vraagt: Dat quot;wij na een sclmld\'loos leven, Eeuwig juVlen aan uw zij: ) ^
Moeder, Onbevlekt zijt Gij. )
Aan Onze Lieve Vrouw van IjOurdes.
1.
O Maria, lieve Moeder,
Zeetiend in der Heemlen woou:
Smeekend naadren uwe kinderen Tlians tot uw genadetroon.
Zie, Maria, op ons neder Met een blik vol medelij;
Want wij allen zijn gevallen.
Niemand is van zonden vrij.
2.
Lourdes\' bronne moog\' getuigen Van de wond\'ren uwer macht;
Ook in Tienray\'s heiligdomme Schittert uwer bedekracht.
Troosteresse der bedrukten,
Lourdes\' Onbevlekte Maagd,
Droeve harten hier te troosten Heeft U steeds, ja steeds behaagd^
— 227 —
3.
Wil clan nimmer ons verlaten, Gij, die onze Moeder zijt;
Dat uw voorspraak fallen tijde Ons van alle kwaad bevrijd!
Want Maria, goede Moeder, Zeetiend in der Heemlen woon!
Hoopvol naadren wij, uw kinderen. Hier tot uw genadetroon.
Onze Lieve Vrouw van Lourdes.
1.
Te Lourdes op de bergen Verscheen in een grot.
Vol glans en vol luister De Moeder van God.
Ave, Ave, Ave Maria!
2.
Zij riep Bernadette,
Een nederig kind.
Wie zijt gij, vroeg \'t meisje,
Die u daar bevindt?
Ave, Ave, Ave Maria!
3.
„Ik ben d\'Onbevlekte „En zuivere Maagd:
„Gansoh vrij van de zonden „Heb ik God beltaagd.quot;
Ave, Ave, Ave Maria!
— 228 —
4.
Zij deed daar dan springen Eeu klare fontein, Met heelende waatren, Als waar medicijn. Ave, Ave, Ave Maria!
5.
„Ik wil hier een tempel „Op Massabiell\'s rots, „Ik zal er doen soliitt\'ren „De wonderen Gods.quot; Ave, Ave, Ave Maria!
6.
„Dat pelgrims hier komen, „Van wijd en van zijd. „\'k Zal zalving hier geven, „Aan ieder, die lijdt.quot; Ave, Ave, Ave Maria!
7.
En sedert \'t verschijnen Der Moedermaagd daar. Stijgt immer de smeekheê Der Christ\'nen tot haar. Ave, Ave, Ave Maria!
— 229 —
De verschy ningen van O. L..V. te Lourdes.
Wijze: Gij zijt des hemels Koningin.
(Ttcee.) Een grot, die oog en hart bekoort, (Allen) O Maria!
Koost gij te Lourd\' tot beêvaartoord, (Allen) O Maria!
(Eenigen.) Gij vertoondet u zonneklaar, (Anderen.) In \'t jaar acht-en-vijftig daar, (Allen.) Hemelschoon, aan Bernadet; (Eenigen.) A cht tien keer (Anderen.) Zag ze u weer,
(Allen.) Wond\'ren, nu nog, tuigen Let.
2.
Het kind kwam sprokk\'len Lij de Leek, O Maria!
Die toen langs \'t rotsgebergte streek, O Maria!
Takjes en laagwatertij Lokken Laar naar de overzij:
Doch zij seLrikt.... een stormwind jaagt! \'t Hoofd omLoog,
Ziet Laar oog In de grot de Moedermaagd!
3.
Gij draagt noch Loofd- noch halssieraad,
O Maria!
Maar blauwe sjerp en wit gewaad,
O Maria!
— 230 —
Gouden rozen op uw voet,
In uw hand een Rozenhoed!
\'t Kruis maakt gij met Beruadet: Vijftig maal Vat ge een kraal,
En verdwijnt bij \'t laatst gebed.
4.
Met twee is \'t kind teruggekeerd,
0 Maria!
En vraagt in schrift: wat gij begeert, O Maria!
Luister — zegt gij — doe wat \'k vraag: Kom hier daaglijks veertien daag,
„En ik loon u na den dood;
„Ook dees twee „Komen mee,
„\'k Wil de toeloop worde groot.quot;
5.
„Ga tot de priesters,quot; spraakt ge eens weer, O Maria!
„Zeg hun, dat \'k hier een kerk begeer!quot; O Maria!
U ter eer een tempel Gods,
Op de Massabiella-rots,
Bernadette juicht alreê!
\'t Woord der „Vrouwquot;
Deelt zij trouw Driemaal Lourdes\' herder mee.
— 231 —
6.
Gods dienaar, meldt ze U, hoort mij niet, O Maria!
Vöór hij dees struik nu bloeien ziet, O Maria!
„Bid voor \'tzondig menschdom God; „Kom, geknield, naar \'t diepat der grot;quot; Dus spreekt gij, vol teederheid!
En nu zij,
Koept als gij.
Driemaal luid: Boetvaardigheid!
7.
Des anderendaags beveelt gij haar, O Maria!
„Drink, wasch u aan de bronne daar!quot; O Maria!
Bernadette ziet, ziet rond,
In de grot krabt zij den grond. En, o wonder! diep uit de aard\' Borrelt op,
Drop bij drop.
Water van onschatb\'re waard\'!
Op \'t Feest der Boodschap ziet ze U weer; O Maria!
Nu vraagt, nu smeekt zij, ach zoo teêr, O Maria!
— 232 —
Ja, tot viermaal bidt, bidt zij: Vrouw! wie zijt gij? zeg, zeg \'tmij. Zeg mij hoe uw Naam toch is! Verhoord wordt zij,
\'k Ben, zegt gij. De onbevlekte ontvangenis!
9.
Met duizendtallen komt zij weer,
O Maria!
Met duizend lichten U ter eer,
O Maria!
Aller blik, op \'t kind gericht.
Leest op \'t stralend aangezicht, Dat zij „de Onbevlektequot; ziet! En daar brand,
Om haar hand,
\'t Licht der kaars, en deert haar niet!
10.
Nog eens, op \'t feest van \'t Scapulier, O Maria!
Zag Bernadet voor \'t laatste u hier, O Maria!
Zwijgend stond Ge er in de nis, Onbevlekte Ontvangenis,
Minlijk lachend, godlijk schoon! En hoe zoet.
Was uw groet.
Toen tot afscheid aangeboon!
— 233 —
11.
Nog altijd vloeit het water voort;
O Maria!
Miljoenen gaan naar \'t beévaartoord; O Maria!
De Kapel werd U gesticht:
Dag en nacht brandt offerlicht,
En wat wond\'ren afgesmeekt:
Lammen staan,
Kreup\'len gaan,
Blinden zien, die stom was spreekt!
12.
\'k Kan niet naar Lourd\' ter beevaart gaan,
O Maria!
Maar, Moeder! neem ons oftquot;er aan,
Ü Maria!
Klaarlicht zegt U, wie als kind, Onz\' Liev\' Vrouw van Lourd\' bemint, \'t Licht dat in de grot steeds brandt! En veel goed.
Moeder zoet!
Stroomt ons toe door uwe hand!
Aan het H. Hart van Jezus.
1.
O God! de zee verheft haar woeste baren. De storm breekt los op \'t uitgestrekte meer. En wij, verschrikt door alle die gevaren, Wij vallen hier voor uwe voeten neêr.
— 234 —
O God van vrede, reik ons uw hand,
Aanhoor onze geheden, voor Paus eu Vaderland. Aanhoor onze gebeden, voor Paus en Vaderland. 2.
Uw heilig Hart verschijnt in \'t diepe duister; Het geeft ons troost; het lenigt onze smart; \'t Verschijnt, omstraald van glorie en van luister, Al onze hoop is in uw Heilig Hart.
O God van vrede, enz.
3.
Ja, christ\'nen hoopt, in \'t midden der gevaren. Hoopt en betrouwt, in dezen duist\'ren nacht. Rond \'t heilig Hart, daar zullen wij ons scharen, Het heilig Hart, dat geeft ons moed en kracht. O God van vrede, enz.
4.
Het heilig Hart blijv\' ons genade geven! Het heilig Hart verwijd\'re ramp en straf! Het heilig Hart doe Paus en Kerk herleven! Het heilig Hart verbrijzel\' Satans staf!
O God van vrede, enz.
5.
O heilig Hart, zoo minnend en zoo machtig, Bescherm uw Kerk in \'t dringendste gevaar, O heilig Hart, wees uw belofte indachtig; De poort der hel vermag niets tegen haar. O God van vrede, enz.
——-—/-AA/v.—-
I M H O U D.
Bladz.
Opdracht.
Voorrede voor den derden druk.......6
De Genade-Kapel van Tienray onder Swolgen, door Z. H. Paus Pius IX met den eerenaam van Klein
Lou des begiftigd. Geschiedkundig overzicht . . 7
Klein L\'iurdis............27
Kort verhaal der verschijningen van O. L. Vrouw
van Lourdes............47
lets over Novenen...........34
Op den eersten dag der Noveen......S7
Litanie ter eere van O, L. Vr. van Lourdes. . . 68 Gebed onder de Novene voor een zieke .... 75
Ondi-r de Noveen voor een bekeering.....73
Onder de Novene voor eene bijzondere aangelegenheid 73
Gebed van den H. Bernardus.......74
Op den tweeden dag der Noveen......76
Op den derden dag der Noveen.......82
Op den vierden dag der Noveen.......87
Op den vijfden dag der Noveen. ...... 97
Op den zesden dag der Noveen.......101
Op den zevenden dag der Noveen......108
Op den achtsten dag der Noveen......116
Op den laalsten dag der Noveen......121
INHOUD.
Bladz.
Genezingen.............123
Besluit...............
Morgengebed van den Pelgrim •......^
Avondgebed.............
Pelgritnsmis ter eere der Onbevlekte Ontvangenis
vau O. L. Vrouw..........157
Gebeden voor de Bieebt.........lquot;*\'
Na de Biecht.............
Gebeden voor de Communie........182
Na de Communie...........
Dankzegging.............135
Gebed om Gods zegen af te vragen.....186
Litanie ter eere van de H. Maagd Maria.... 190 Verschillende gebeden tot O. Vrouw .... 195 Krachtig gebed van den vromen Jacob Merlo Horstius (van Horst) Pastoor van Maria-Weide te Keulen, in zijne jeugd een buurman van Tienray (f 16i-i) 193 Gebed van denzelfden Merlo Horslius, naar Pater Titelmans, om ons aan Maria, ais onze Moeder,
aan te bevelen...........196
Gebed van dentelfden Merlo Horstius, voor eenen
zaligen dood............198
Gebed voor de familie..........199
Gebed voor eenen zieke.........200
Gebed voor de H. Kerk en onzen H. Vader den Paus 201 Gebed voor de bekeering der zielen, die ous dierbaar ................202
INHOUD.
Bladz.
Gebed om zijne kinderen aan O. L. Vrouw van
Lourdes aan te bevelen.........203
Gebed van eene troostelooze ziel, ter eere van Onze
Lieve Vrouw van Lourdes........204
Twee gebeden tot Onze Lieve Vrouw van Lourdes. 206
Verbond met Maria...........208
Eindgebed van den Pelgrim........209
Litanie tot den H. Naam Jezus.......2H
Aartsbroederschap van de Onbevlekte Ontvangenis der Allerheiligste Maagd Maria, gevestigd in de kerk van O. L. Vr. te Lourdes en te Tienray
(Klein Lourdes)...........213
Doel der Aartsbroederschap........216
Oefeningen.............216
Organisatie der broederschap........218
Aflaten en previlegiên voor de leden der Broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis . . . .218 Scapulier van O. L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen . 221 Opgave der voornaamste aflaten van het Scapulier
der Onbevlekte Ontvangenis.......222
Geestelijke liederen.
De Onbevlekte Ontvangenis........225
Aan Onze Lfeve Vrouw van Lourdes.....226
Onze Lieve Vrouw van Lourdes.......227
De Verschijningen van O. L. Vrouw te Lourdes . 229 Aan het H. Hart van Jezus........233
VERBETERING.
Op Mz. 87. Boven vierden dag der Noveen tusschen te voegen: Bid hierna een Rozenhoedje of een tientje en het overige, op den eersten dag der Noveen op BI. 73 en volgende aangegeven.