1 HET TREURIGE VAN HET DOIEEREÏ
IN DRIEËRLEI OPZICHT AANGEWEZEN.
TER OVEHWEGINa AANGEBODEN
AAN
.1\'
DOLEERENDEN EN N1ET-DOLEERENDEN.
DOOR
EEN PREDIKANT EECHTZINNIG IN DEN ZIN DER BELIJDENIS SCHRIFTEN.
Prfls 25 ex. f 1,—.
J. CAMPEN. — SNEEK.
Zij, die het ongelukkige Doleeren op touw gezet hebben, meenden aanvankelijk, zooals zij het uitdrukten, het net der Reglementen van de Hervormde Kerk te kunnen en te zullen aflichten, zóó de Gemeente in vrijheid (?) te stellen, en op de Dorische manier in te richten. In die meening zijn zij ten eenenmale teleurgesteld. Wat zij gehoopt hadden, is niet gebeurd. Zij hebben het net er niet kunnen aflichten, maar zijn zeiven uit de Kerk geraakt, terwijl de vroeger door hen gesmade Afgescheidenen ook nog niet allen zóó begeerig zijn, zich met hen tot één Kerkgenootschap te vereenigen. De schranderste onder dezen zien zeer goed in wat daarvan de vermoedelijke gevolgen zullen zijn.
Hoogstwaarschijnlijk zal de vereeniging van de Afgescheidenen en Doleerenden in het algemeen dan ook wel niet tot stand komen. Het zal wel bij aansluiting van enkelen hier en daar blijven. Dit laatste, lijkt mij, indien men niet tot de Ned. Herv. Kerk wil terugkeeren, ook verreweg het beste toe. Wij raden dit zelfs allen aan, die de vrijheid in de Ned. Herv. Kerk niet kunnen verdragen, en blijkbaar meer behoefte hebben aan een Kerkgenootschap op Roomschen leest geschoeid.
Hoe dit zij, de grootendeels mislukte 1) poging van Dr. A. Kuyper en de zijnen heeft een allertreurigsten invloed gehad en heeft dien tot op den huldigen dag. Vele Gemeenten, waar men vroeger eendrachtig en geregeld opging in het huis des Heeren, om het Woord Gods te hooren, zijn geheel en al uiteengejaagd. Men bezie slechts van naderbij den allertreurigsten toestand van vele Gemeenten, waar doleerende predikanten zijn. De predikanten zijn veelal op den dag des Heeren buiten de Gemeente, om in zoogenaamde vacante Gemeenten te prediken, en wdar men vacant was en tot Doleeren oversloeg, heeft men, behalve de grenzenlooze verwarring, die daar aangericht is, en het altijd spreken over Doleeren
1
Tevergeefs zoekt men de uittreding uit hot Synodaal verband als veel grooter, dan zij werkelijk is, te doon voorkomen. Wanneer er een kerkeraad met eenige lidtaaten uitgetreden is, stelt men het voor, alsof de geheelc Gemeente is uitgetreden.
4
en het trachten goed te praten, wat men in de war gestuurd heeft, of geene prediking, of de prediking van een ouderling öf van een kandidaat van de Vrije Universiteit, öf van personen, die in der haast, zonder behoorlijke voorbereiding, tot predikant gemaakt zijn, terwijl men vroeger in de vacature op geregelde tijden nog eene rechtzinnige prediking had. Voor het betere heeft men veelal het mindere gekregen, voor orde wanorde, voor rust onrust, voor de vroegere prediking menigmaal een Jehu-ijveren voor het Doleeren.
Zij hebben wat op hun geweten, die de Gemeenten in dien treurigen toestand hebben gebracht, waarin deze nu verkee-ren, en wellicht nog jaren zullen verkeeren.
Och, keerden Leeraars en Gemeenteleden, die ter kwader ure zich tot het Doleeren hebben laten verleiden, slechts terug, eer het te laat is. Mochten de Kerkbesturen der Ned. Herv. Kerk de misleide Gemeenten en de meestal jeugdige predikanten, die de Gemeenten in verwarring en in een al-lertreurigaten toestand gebracht hebben, de gelegenheid om terugtekeeren, zoo gemakkelijk mogelijk maken. Wij dringen daarop te meer aan, omdat de Gemeenten en de Leeraars beiden maar half te beschuldigen zijn. Zij hebben, de lessen der geschiedenis öf niet kennende, bf uit het oog verliezende, niet geweten wat zij deden. Zij zijn opgeruid en misleid geworden, en worden nu nog altijd zóó betooverd, ook door allerlei voorstellingen, die nooit verwezenlijkt zullen worden, dat zij ten minste ten deele meenen, dat het zóó moet.
Wel komt ook de oude Adam er bij, die het wederkeeren tegenhoudt. Maar zoovelen dan willen terugkeeren, deze make men het zoo gemakkelijk mogelijk.
Treurig is vooral ook de toestand van vele Doleerenden in die Gemeenten, in welke de predikant, kerkeraad en kerkvoogden niet Doleeren, en het Doleeren op den gewonen gang geen invloed heeft. Ach, hoevelen daar, die meenen nu vrij te mogen doen wat zij vroeger niet durfden doen, te weten, geheel leven naar het goeddunken van hun hart.
Dat leven naar het goeddunken van het hart kon vroeger
5
f-,
niet, maar nu wel, want zij Doleeren nu. Zij wanen zich zelfs door dat doen meer en beter, dan anderen. De prediking des Woords heeft op het oogenblik geen invloed meer op hen, want hij, die het predikt, doleert niet, en zijne prediking, ofschoon men er vroeger stichting onder had, en zegen onder genoot, ia nu niet goed meer. Men loopt \'s Zondags veelal rond, vaart uit op den predikant, ontneemt hem zooveel men kan zijn invloed, beroert de Gemeente, met één woord men doet wat men goed vindt, zonder te vragen, of dit wel gereformeerd en overeenkomstig Gods quot;Woord is. Jongelingen en groote kinderen zelfs doen belaas evenzoo, verachten den predikant, en meenen een Gode welgevallig werk te doen, wanneer zij zicb aan de prediking onttrekken. Weg is de vroegere eendracht, het vroeger vertrouwen, de vroegere eerbied. De baat is bier en daar tot bet ongelooflijke geklommen. In sommige Gemeenten kan zelfs deswege het Avondmaal niet worden gevierd.
Die zicb, als vroeger, tegenover de prediking en den predikant gedragen, worden veroordeeld, aangevallen, en niet zelden wordt bun de bemel ontzegd. De Doleerenden zijn alleen ware geloovigen en gaan alleen naar den bemel.
Menige Gemeente, ja scbier elke Gemeente is beroerd, vele Gemeenten zijn diep ongelukkig. Zelfs op vele beter gezinden beeft de prediking des Woords niet meer dien invloed, dien zij vroeger bad. Gelukkig, dat de Ned. Herv. Kerk in bet algemeen zicb beeft weten te handhaven, en dat bet getal predikanten, die bet slachtoffer van het Doleeren zijn geworden, zöö klein is. O kwame men spoedig en algemeen door de ervaring geleerd, tot de overtuiging, door Wormser eens zoo treffend uitgesproken: Afscheiding levert geenerlei ker-kelijk, en vooral geenerlei geestelijk voedsel op. 1)
1
Wat ik hier en vorder van de Afscheiding zeg, moet dienen, om het Doleeren des te beter te doen kennen. Er is tusschon beiden in willen en bedoelen geen wezenlijk onderscheid.
6
Maar zegt gij: Was er dan geen oorzaak? Moest men niet breken met de Ned. Herv. Kerk, of liever met de Synodale organisatie? Moest men de Reformatie niet ter hand nemen?1) Is het niet opmerkelijk, dat zoovelen dit hebben gedaan ?
Dat velen dit hebben gedaan, daaruit kan men in dit geval alleen zien wat één man van talent en geestkracht en slimheid, wien daarenboven de tijdsomstandigheden dienen, vermag. Velen hebben het gedaan, omdat Dr. A. Kuyper het hun ried. Zij hebben het gedaan, omdat zij de scheeve, eenzijdige, door en door onware redeneringen niet konden weerleggen, en tegen dien man en die redeneeringen niet opgewassen waren. Vóór hij hen overstelpte en de Ned. Herv. Kerk zoo zwart mogelijk maakte, waren zij gelukkig in de Herv. Kerk, hadden haar lief, baden voor haar, en dachten in elk geval in de verste verte niet aan hetgeen zij in latere dagen deden, en meenen uit eigen overtuiging gedaan te hebben.
Maar nog eens: Is er dan geene oorzaak? Wij antwoorden met al wat in ons is: Neen, althans geen voldoende.
Het Woord Gods mag in de Ned. Herv. Kerk vrij en onbelemmerd gepredikt en gelezen en beoefend worden. Och, of dit to a ar meer plaats had, en men zich daarop maar meer toelegde. Dit zou gezegender vruchten dragen, dan het Doleeren.
Men beroept zich op de dagen der Reformatie. Maar die vergelijking is ten eenenmale onjuist. De prediking des Woords welke m mag, waarop de Reglementen der Ned. Herv. Kerk gedurig weer aandringen, werd toen niet geduld. Luther wilde de Roomsche Kerk niet verlaten, als hij de rechtvaardiging des zondaars door het geloof maar mocht preeken. Maar de Roomsche Kerk liet hem dit niet toe.
Toen was er oorzaak, nu niet.
1
Ds. Gispen zegt in de Vrije Kerk van Juli, dat do redenecringen en handelingen van de Doleerenden ten opzichte van de Eeglomenten der Ned. Herv. Kerk voegen hij oen platonische opvatting van hot leven. Hij vraagt: Wie zou wenschon, dat hunne rechtsphilosophio do heorschende werd in het maatschappelijk leven!
7
Nu niet? En ieder mag maar preeken wat hij zelf goed vindt; ieder mag maar ten Avondmaal gaan. Tucht is er in de Herv. Kerk niet. De Reglementen laten dit alles toe. Is het niet vreeselijk? Zóó zegt men. Zoo zeggen velen, die het beter dienden te weten.
Wat ten dezen in de praktijk bestaat, is niet het gevolg van de Reglementen, maar bestaat in weerwil van en in strijd met de Reglementen. De Reglementen der Ned. Herv. Kerk kennen wel degelijk tucht. Volstrekt mag ieder niet prediken wat hij wil, en kan elk niet worden aangenomen, noch ten Avondmaal komen. Maar onze Reglementen verliezen bij al hunne bepalingen het protestantsch karakter onzer Kerk niet uit het oog. Zij eerbiedigen het beginsel van vrij onderzoek.
Ons Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht zegt, Art. 3: „Aan de kerkelijke tucht zijn onderworpen alle lidmaten, en inzonderheid leeraren, ouderlingen, diakenen en andere leden van kerkelijke Besturen, 1 ter zake van onchristelijken wandel, 2 van openbaren strijd met den geest en de begiu-selen van de Belijdenis der Hervormde Kerk, 3 van verstoring van orde en rust, en van verzuim of vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen.
Tuchtmiddelen, welke de kerkelijke collegiën, na kennisneming en onderzoek kunnen aanwenden, zijn 1 eene berisping;
2 ontzegging van het gebruik des Avondmaals voor bepaalden of onbepaalden tijd.
3 vervallen verklaring van de bevoegdheid tot het uitoefenen van kerkelijke rechten en tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen voor bepaalden of onbepaalden tijd;
4. schorsing in de waarneming van kerkelijke bedieningen en ambten ;
5 ontzetting van kerkelijke bedieningen en ambten;
6 ontzetting van het lidmaatschap der Ned. Herv. Kerk.
En wat het aannemen en bevestigen van lidmaten betreft,
daaromtrent zeggen onze Reglementen; Wordt de mate der verkregen kennis van de Christelijke geloofs- en zedeleer, en van de bijbelsche en kerkelijke geschiedenis met name ook
8
van die der Hervorming door de meerderheid van de afgevaardigden des Kerkeraads voldoende bevonden, en bestaan er geen bezwaren tegen het zedelijk gedrag der aannemelin-gen, dan heeft de aanneming voortgang, wanneer de aanne-melingen zich bereid verklaren toestemmend te antwoorden op de volgende, of soortgelijke vragen: Vooreerst: Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen Eenigge-boren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?
Vervolgens: Zijt gij des zins en des willens bij deze belijdenis door Gods genade te volharden; de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?
Eindelijk: Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv. Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijvrig mede te werken?
Ook wil ik herinneren, welke verklaring en belofte volgens onze Reglementen de kandidaten bij de toelating tot den predikdienst in den Ned. Herv. Kerk hebben afteleggen, en met hunne onderteekening te bekrachtigen. Wij ondergeschrevenen tot de openbare Evangelie bediening in de Ned. Herv. Kerk toegelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn, om overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier ie lande het Evangelie van Christus te verkondigen, en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Ned. Herv. Kerk. met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen te behartigen.
Eindelijk herinner ik nog aan Art. XI van het Algemeen Reglement van de Ned. Herv. Kerk, waarin met zoovele woorden staat: De zorg van de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der
9
godsdienstige kennis, de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk Bestuur belast zijn.quot;
Geheel in overeenstemming hiermede is het dan ook in el-ken beroepbrief; „De Kerkeraad vertrouwt, dat de beroepe-ne door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht alles zal doen wat een herder en leeraar overeenkomstig Gods Heilig Woord volgens de verordeningen der Ned. Herv, Kerk betaamt, inzonderheid door het verkondigen van het Evangelie, en het bedienen van den H. Doop en van het H. Avondmaal op de bij de Gemeente vastgestelde tijden, en het vertroosten \'der kran-ken, het bezoeken der Gemeenteleden aau hunne huizen, en door het onderwijzen in de bijbelsche en kerkelijke geschiedenis, en van de geloofs- en zedeleer van den Christelijken godsdienst in catechisatiën.
Goed, zegt gij, maar onze Reglementen verplichten een Kerkeraad toch, om lidmaten door moderne predikanten aangenomen, in te schrijven.
Het is zóó.
Maar hierop antwoord ik: Wanneer zij de drie bovengenoemde of soortgelijke vragen hebben beantwoord, is er kerkelijk geen bezwaar, om hen als lidmaten te erkennen en inteschrijven. Men kan billijkerwijze van hen, die lidmaten wenschen te worden, wel niet meer vragen, dan de beantwoording van de drie bovengenoemde vragen. Wil men verder gaan, wil men een onderzoek instellen naar de rechtzinnigheid in bijzonderheden en naar de hartsgesteldheid, dan zou men dit ook moeten doen bij hen, die voor rechtzinnig worden gehouden. Maar men gevoelt op welk een glibberigen weg men zich dan begeeft.
Maar indien het dan later overvloedig blijkt, dat zij niet zijn, die zij naar hun antwoord op de drie vragen, of ook overeenkomstig hunne attestatie moesten zijn, wat dan? Het antwoord op die vraag ligt voor de hand. Dan kan men hen
10
naar het Reglement voor Opzicht en Tucht censureeren, gelijk wij boven hebben gezien.
Het verkeerde, dat in de Ned. Herv. Kerk wordt gevonden is niet de schuld van de Reglementen, maar van de zonde. Onze Reglementen eischen zóóveel, als men op protestant-schen bodem eischen en vaststellen mag.
Maar hierover aanstonds nader.
Toegestemd moet worden, dat de Reglementen beter moeten worden gehandhaafd. De Kerkbesturen zouden niet alleen meer overeenkomstig Gods Heilig Woord, maar ook meer overeenkomstig de Reglementen handelen, wanneer zij beter toezagen op de belijdenis en het gedrag der Lidmaten. Men moest ook voorzichtiger zijn in het aannemen van Lidmaten. De predikanten moesten het dikwijls ernstiger opnemen met hunne gedane verklaring en helofte. Het gaat op het gebied van de Kerk helaas maar al te zeer, als op elk ander gebied. Men blijft te ver beneden de roeping.
Doch, om van andere Kerkgenootschappen thans niet te spreken, is dit een en ander bij de Doleerenden en bij de Afgescheidenen, zooals het behoort? Zie ik integendeel bij de Doleerenden ook, het niet al te zeer aan tucht ontbreken. Is men niet blij, als er maar zooveel mogelijk uit de groote Kerk ten Avondmaal komen? Ik oordeel naar hetgeen ik zie. Ik hoop dat er Doleerende Gemeenten zijn, waarin het beter toegaat.
Over het Formalisme, Zelotisme, eenzijdige Dogmatisme, en het weinig Bijbelsche van vele Doleerenden wil ik op het oogenblik niet spreken.
Wat mij van tijd tot tijd van de tuchtoefening bij de Afgescheidenen ter oore is gekomen, daarover wil ik thans ook zwijgen. Ik merk alleen op, dat het aannemen van Lidmaten bij de Afgescheidenen ook vaak veel, zeer veel te wenschen overlaat. Het gaat daar menigmaal al zeer oppervlakkig toe. De Christelijk Gereformeerde Kerk sta toch niet al te zeer naar vermeerdering van ledental!
Wat mag wel de reden zijn, dat de Doleerenden, de Afge-
11
scheidenen en vele Orthodoxen in de Ned. Herv. Kerk over de Herv. Kerk zoo ongunstig oordeelen?
Een groote reden ligt in deze fout. Men vat het Christendom te eenzijdig op. Men redeneert, alsof het Christendom alleen in de orthodoxe leer bestond. Laat een Kerkgenootschap of Gemeente zóó dor en zóó dood mogelijk zijn, wanneer men slechts orthodox, of gelijk men tegenwoordig veelal zegt. Gereformeerd is in de leer, dan is alles wel, dan is de ware Kerk er. Velen meenen dit ter goeder trouw. Dat
r | onontwikkelden, niet met het Evangelie en de Kerkgeschie-
r | denis bekende menschen dit kunnen meenen, verwondert mij
n | niet, maar dat zelfs kundige Leden en Leeraars soms zoo
i. | kunnen spreken, gaat mijn begrip te boven.
it I De Ned. Herv. Kerk wordt tegenwoordig voorgesteld en d | gescholden in allerlei bladen als de valsche Kerk. De reden ■- | hiervan is, dat men niet onderscheidt tusschen hetgeen in | strijd met de Reglementen bestaat en de Reglementen zelve, .e | die volstrekt geen leervrijheid wettigen, maar zeer zeker niet le | alleen opzicht en tucht over het leven, maar ook over de ij I leer voorschrijven. Men oordeele toch een waarachtig oor-3- | deel, en late zich niet door allerlei vooroordeelen leiden. *) le | Hier vraag ik: Is in de Afgescheidene Kerk ook niet dik-t- | wijls en op vele punten het onderscheid tusschen de kerkelij-n, | ke bepalingen en de werkelijkheid groot? Beantwoordt in die zusterkerk de practijk aan het Ideaal ? Kan men naar waarin | beid zeggen: de Afgescheidene Kerk is in elk opzicht de ver-et | wezenlijking van het Christendom? Zij is het hoogste, wat men I te dezen hebben kan? Dikwijls redeneert men zóó. — Waarom? le | Omdat de Heere Jezus daar algemeen door bet geloof leeft ik | in de harten en spreekt uit den wandel? Helaas neen. Men e- | redeneert zóó, omdat de Formulieren van Eenigheid en de Dort-el, | sche Kerkorde daar in volstrekten zin verbindend gezag heb-,al | -
rk I *) Zie hier bovenal het Gereformeerde leesboek van Ds. Gravemeijer,
*1! I die de beschuldiging, dat onze Ned. Herv. Kerk de kenmerken van de
r I valsche Kerk hebben zou, treffend weerlegt..
12 /
ben, en velen daar de Dortsche leer prediken, en vele Lidmaten daar trachten te gelooven wat de Vaders hebben beleden.
Hetzelfde mag worden opgemerkt omtrent de Doleerende Kerkjes.
O men zie toch niet voorbij, hoe hoog men ook de Formulieren van Eenigheid en de Dortsche Kerkorde schatte» dat de heerlijkheid van het Christendom niet in de orthodoxe leer alleen bestaat. Het Christendom heeft wel eene leer, maar het Christendom is tegelijk veel meer dan eene leer. Het Christendom is voorwerpelijk eene reeks van groote daden door God in Christus gedaan, en onderwerpelijk een nieuw leven in gemeenschap met God door het, door den H. Geest gewerkte geloof in Jezus Christus. Zij, die dat leven door het geloof deelachtig geworden zijn, onverschillig waar zij gevonden worden, en welken naam zij dragen, zij maken de ware Kerk uit. Zij komen zeer zeker in hoofdzaak tot overtuigingen en belijdenissen als neergelegd zijn in de Belijdenis Schriften onzer Gereformeerde Kerk, maar die overtuigingen en belijdenissen over te nemen, en na te praten en daarvoor in de bres te springen, — is nog niet wedergeboren te zijn uit water en Geest. Onderscheiden wij hier wel. Naarmate de Kerkgenootschappen het meest in staat zijn en zoeken te leiden tot het volle Christendom, zijn ze beter of minder te noemen. Dat de Roomsche Kerk hier wel allerlaatst moet worden genoemd, valt in het oog.
Ik stem gaarne toe, de Ned. Herv. Kerk heeft bij al het goede, dat in haar gevonden wordt, bij al de kracht, die zij uitoefent, en bij al den invloed, dien zij heeft op het volksleven, de ontwikkeling en den gang van zaken, hare groote gebreken. Ik pleit voor die gebreken niet. Er moet veel hervormd worden. Maar die gebreken zijn geen andere, dan die de Kerk altijd heeft gehad. Die gebreken zijn niet vreeselijker, dan welke men in de Apostolische Gemeenten aantrof. Toen wilden velen ten deele uit de werken der wet gerechtvaardigd worden Hand. 15. Gal. 2, enz. Toen zat men dronken aan het Avondmaal, 1 Cor. 11; 26—30. Toen loochenden sommigen de opstan-
13
ding der dooden 1 Cor. 15 : 12. Toen ontkenden sommigen, dat Jezus Christus, de Zoon van God, in het vleesch gekomen was, ] Joh. 2 en 4. Toen liet men toe, dat iemand die overspel met zijns vaders vrouw bedreven had, in de Gemeente bleef, 1 Cor. 5.
Men leze vooral ook eens Openb. 2 en 3.
Wat deden de Apostelen hier tegenover. Zeiden zij; gaat doleeren ?
Paulus en Johannes bestreden de genoemde dwalingen met de pen. Maar de ontuchtige, zegt Paulus, moest uit de Gemeente gesloten worden, opdatde geest behouden worde 1 Cor. 5.
Schrikkelijke dwalingen!
In onze Kerk zijn de dwalingen en ketterijen niet grooter en schrikkelijker. Door alle tijden heen is de Kerk beroerd geworden door allerlei ketterijen en dwalingen. Wie de Kerkgeschiedenis slechts oppervlakkig kent, weet dit, en weet ook, dat vele dier ketterijen en afdwalingen öf verdwenen zijn, öf later in anderen of gewijzigden vorm het hoofd weer hebben opgestoken. De H. Geest leidt in de waarheid. Hij alleen kan de dwalingen uitwerpen. Hij heeft dit reeds bij velen gedaan, en zal het eenmaal doen bij allen, die gelooven in den Heere Jezus. Verwachten wij van Hem de reiniging en volmaking der Kerk.
Wat in het bijzonder onze Vaderlandsche Kerk betreft, ik ken in hare geschiedenis geen tijdperk, waarin de toestand in zijn geheel genomen, beter was, dan thans. De orthodoxe leer is zeker wel eens meer algemeen gepredikt geworden, maar ook wel eens minder algemeen. Ik heb thans echter het oog op het Christendom in zijn geheel Men doe vooral afstand van de dwaling: de heerlijkheid der Kerk bestaat alleen in het aannemen van de orthodoxe, door de Dort-sche Synode vastgestelde leer. Och of allen, die met recht de Belijdenis onzer Vaderen liefhebben, dit mochten begrijpen.
Men lette toch eens op de werkingen van de Ned. Herv. Kerk, hoe ook misvormd en ontsierd door veel en velerlei, en vergelijke deze eens met de werkingen van andere Kerken
14
N
en Kerkgenootschappen, en men zal anders oordeelen, dan men nu dikwijls doet.
De Hervormde Kerk met hare prediking en haar arbeid op allerlei wijze is eene macht in Nederland. Van haar gaat behalve dat, wat ieder Christen in het oog valt, weteaschap, licht, beschaving, humaniteit en zedelijkheid uit. Tijdschriften boeken, couranten worden door de Leden dezer Kerk geschreven.
Door welk Kerkgenootschap wordt in dit en andere opzichten zooveel gedaan? Over Rome behoef ik hier niet te spreken.
Wat heeft de Christelijk Gereformeerde Kerk in dit opzicht geleverd?
Ja eenige bundels preeken, en een paar couranten en enkele populaire tijdschriften, maar welke wetenschappelijke werken hebben Leden van dat Kerkgenootschap geschreven? Dr. Bavinck is hier schier de eenige, die met eere kan worden genoemd. Maar deze is grootendeels te Leiden gevormd, en heeft daar de protestantsche beweegkracht in zich opgenomen. De Afgescheiden Kerk, hoe getrouw in vele opzichten ook aan de Dortsche leer en Kerkorde, is geen protestantsche macht in den lande geworden. De Afgescheidene Kerk heeft geen invloed gehad, die eenigszins mag worden vergeleken bij die der Ned. Herv. Kerk,
Wat mag daarvan de reden zijn? Eene der redenen is zeker: Zij heeft zich te gemakkelijk neergelegd bij de denkbeelden en de belijdenis, door de Vaderen eens uit de Schrift opgedolven. Men stak in die Kerk tot nog toe niet genoeg af in de diepte der Schrift zelve; men zocht te gelooven in de belijdenis der Vaderen, men bleef te veel hangen in het afgeleide, en kwam zoodoende niet tot frissche levenskrachten, men verviel zóó helaas te vaak en te veel tot formalisme, enghartigheid, en kerkisme. Men kwam niet tot eene waarachtig en volledig bijbelsch Christendom. Terecht heeft de oude Wormser in zijn brieven van de Afscheiding gezegd; de Af scheiding neemt de wrijving weg,enleidt tot onvruchtbaarheid. Wij hebben evenwel voor de toekomst vrat de Afgeschei-
15
denen betreft, goeden moed. Zij hebben niet te vergeefs vijftig jaren achter den rug. Er schijnt thans voor hen eene nieuwe periode te zijn aangebroken. Het protestantsch bewustzijn, de protestantsche werkzaamheden en de protestantsche geest worden daar thans meer dan vroeger gezien. Het protestantsch beginsel toont ook bij de Christelijk Gereformeerden zich een weg te kunnen en te zullen banen door alle bezwaren en hinderpalen heen.
Doch geen wonder ook, dat men ook bij de Christelijk Gereformeerden het niet houden kan, gelijk het daar was, en dat het in de Ned. Hervormde Kerk is, gelijk het er is en steeds was. Wil men protestant zijn, en het protestantisme niet verruilen met Rome, dan kan men het niet anders verwachten, dan het is. Het protestantisme heeft door de Hervormers den Bijbel en het vrije onderzoek van den Bijbel ontvangen, Wordt de Bijbel aanvaard, en heeft het vrije onderzoek, waarlijk, niet op de manier van Rome, plaats, dan moet er noodwendig verscheidenheid van gevoelen ontstaan; dan is het onmogelijk, dat er eene Roomsche éénheid en éénvormigheid kan zijn. Hoe meer gebruik er van den Bijbel wordt gemaakt, des te meer en te grooter zal de verscheidenheid zijn. Ja, dan moet er verschil over en afwijking van de Waarheid komen. De verscheidenheid en zondigheid der onderzoekers zijn hiervan de oorzaak. Laat ons daarom den toestand, noodwendig uit het vrije onderzoek des Bijbels voortvloeiende, aanvaarden. Laat ons bedenken, dat wij hier op aarde nooit tot volkomen toestanden zullen komen, noch op het gebied van het denken, noch op het gebied van het leven. Laat ons bedenken, dat de toestanden, naar welke wij smachtend uitzien, eenmaal in den hemel zullen worden gevonden. Maar vooral ook om het gebrekkige, onvolko-mene en zondige dat er is, in geen geval de toevlucht nemen tot middelen, die erger zijn dan de kwaal. Laat ons niet, gelijk velen willen, de geesten en harten binden op de manier der Roomsche Kerk, en eene Roomsche Kerk op pro-testantschen bodem zoeken op te richten met eene in alle
16
deelen vastgestelde leer en kerkvorm. Dit werkt doodend, dit werkt bekrompenheid, eenzijdigheid, formalisme; dit sluit de oogen voor het goede bij hen, die niet van de onzen zijn, dit sluit af van de levensbron. Wij moeten, als echte Protestanten zeiven Gods Heilig Woord onderzoeken, zeiven afsteken in de diepte, zei ven ons blijven laven aan de frissche waterstroomen van Gods heerlijk Woord, en zoo tot een eigen inzicht en eene eigene belijdenis komen, gelijk de Vaderen e«ns. Het narekenen van de Vaderen is niet genoeg. Het Protestantisme is door dat zelf afsteken in de diepte en zich laven aan de frissche levenstroomen van Gods Heilig Woord juist eene levensmacht, en het wordt daardoor voor versteening bewaard. Het Protestantisme, hoe gebrekkig ook jn zijn optreden, en hoeveel ook misbruikt, is juist omdat het hiertoe roept en prikkelt, oneindig verkiezelijk boven de Roomsche Kerk met hare zieldoodende eenvormigheid, en boven eiken kerkvorm, die Rome nabootst.
Maar terwijl wij dan het Protestantisme aanvaarden, en Protestant willen zijn en blijven, en ons betoonen, laten wij ons tevans gedurig voor onzen God verootmoedigen, dat wij door het misbruiken onzer voorrechten zoo dikwijls aanlei-ding gaven, dat velen met verzaking van Protestantsche beginselen in beginsel tot Rome willen terugkeeren, al laten zij ook den naam van Protestant niet los.
En zoo meen ik dan behalve meer, duidelijk te hebben aangetoond, dat het Doleeren in drieërlei opzicht treurig is te noemen.
Allereerst wat betreft de werking er van in de Ned. Herv. Kerk, in haar geheel en in de afzonderlijke Gemeenten;
ten tweede omdat de Reglementen van de Ned. Herv. Kerk, het Doleeren volstrekt niet noodig maken;
en eindelijk omdat het willen en bedoelen van het Doleeren niet is overeenkomstig het werk en de beginselen van het Protestantisme,