W A A R O M GEEN DEEL NEEM
A A ;\\ H ET
KERKELIJK CONGRES.
DOOK
Dr. Ph. J. HOEDEMAKBR.
Op den Isteu Jannari 1887 werd ik namens den Kerkeraad der Ned. Gereformeerde Kerk te Amsterdam uitgenoodigd, de eerste der drie resolutiën in te leiden, die lieden op liet //Kerkelijk Congres\'\' worden behandeld.
Ik zou deze uitnoodiging onverwijld en onvoorwaardelijk hebben aangenomen, indien het mij nit een en ander niet duidelijk ware geworden én dat genoemd Congres zon staan op den grondslag die door de bekende Vergadering in Frascu/i, den Uilen April 1883 gehouden, was gelegd, én dat althans van de leiders werd verwacht, dat zij het eens waren met zekere beginselen, die voor mij niet boven allen twijfel waren verheven.
Vandaar mijn antwoord, den S\'len Januari 1. 1. verzonden.
Het luidde als volgt:
Den Kerkeraad der Ned. Geref. Kerk te Amsterdam.
Il\'deer/c. en Eenv. Hue ren !
Het zou mij zeer aangenaam zijn, het gevraagde referaat te leveren. Uw optreden als Kerkeraad heeft mijne volle sympathie. Hoe ik over de Synode deuk, hehoett voor niemand een geheim te zija. .Met de resolutiën beu ik het geheel eens.
Toch staat het niet aan mi], te beslissen of ik een werkzaam aandeel aan de handelingen van het Congres zai kunnen nemen.
Sedert jaren is het mijne gevestigde overtuiging, dat alle kerken ouder de organisatie van 1816, rechtens op deu grondslag der drie
Formulieren staan, en onafhankelijk van die organisatie eene geestelijke eenheid vormen, die door de ontrouw van hare opzieners niet kan, en door ons niet mag worden verbroken.
Verder, dat deze organisatie, als opgedrongen kerkvorm, niet samenhangt met het levensbeginsel dier kerken, zoodat zij niet als eene „kerk\'7 en bijgevolg niet als ,/eene valsche kerk\'\' mag worden beschouwd. Voorts, dat God kennelijk bezig is het schijnbaar verstorven leven dier kerken te doen opbloeien en dat het zoowel onmogelijk als ongeoorloofd is, het volk des Heeren onder welken vorm ook uit deze kerken te leiden, voordat het proces heeft doorgewerkt. Alsmede, dat de losmaking van het z. g. Synodaal verband hiertoe de allereerste voorwaarde mag heeten.
Eindelijk, dat de ambten in die kerken, om het verkeerde in de ambtsdragers niet mogen worden miskend, zoodat bijgevolg de dolee-rende leden alleen als zoodanig en niet als ambtsdragers hebben te handelen.
Door deze beginselen wordt de gedragslijn die ik wensch gevolgd te zien bepaald ;
aan die gedragslijn ben ik, totdat men mij uit Gods Woord beter onderricht, gebonden.
Verre zij het van mij te eischen dat de Kerkeraad zich over het Schriftmatige van mijne overtuiging zal uitspreken.
Dit ligt niet op zijn weg.
Het is uitsluitend de vraag: of ik vrij ben deze beginselen op het Congres te bepleiten, dus ook de maatregelen, die daar worden besproken, aan het Woord Gods te toetsen, dau wel:
of men daar samenkomt om naar een vastgesteld schema te handelen.
Over hetgeen tot dusver in strijd met mijne beschouwing is geweest en de gevolgen van dien, wil ik zwijgen.
Uit hetgeen ik in het programma lees moet ik echter afleiden dat in de sectiën beginselen zullen worden toegepast, die niet uit de resolution voortvloeien en m. i. niet in overeenstemming zijn met het Woord van God of den eisch van het oogeublik ; beginselen, waarvan de toepassing moeielijk valt te keeren én omdat men niet in
alle sectiën tegelijk kan ziju, én omdat de vraagstukken, die aan liet Congres worden voorgelegd, in een vorm zijn gebracht, waarin hetgeen b. v. door mij als bijdrage tot een broederlijk overleg zou zijn bedoeld, licht door anderen als oppositie zou worden beschouwd.
Oppositie wensch ik daar niet te voeren.
Maar ik wensch ook niet solidair te zijn met hetgeen ik als onbijbelsch, verkeerd en verderfelijk zou moeten beschouwen.
Gij zult mij dus veroorloven de beslissing over mijn al of niet optreden aan u over te laten.
Laat mij evenwel den wensch uitspreken, dat het mij worde mogelijk gemaakt, als medestrijder voor de rechten van Koning Jezus in uw midden op te treden. Het is mijne hartelijke begeerte met u saam te werken. Tot ieder offer ben ik daartoe bereid, uitgenomen dit eene, dat mij ook voor u onbruikbaar zou maken, de verzaking van hetgeen Gods Woord mij tot plicht heeft gesteld.
Den Heere bevolen,
IJ w d w. Br. in C h r i s t u s,
Pu. J. Hoedejiakeu.
Toelichting is overbodig.
Alleen wil ik nu uitspreken, wat ik én in den brief én in het mondeling onderhoud met de leiders van het Congres heb verzwegen, t. w. dat het onkerkelijk karakter van de te houden samenkomst mij onaangenaam aandeed.
Strikt genomen heb ik hiertegen dezelfde bezwaren, indertijd in deu Amsterdamschen Kerkeraad tegen den //op te richten Kerke-radenbondquot; geopperd.
Alle bezwaren zijn evenwel niet van dien aard, dat zij de samenwerking beletten. Al mocht ik dus gaarne gezien hebben, dat het nu gekomen was tot de bijeenroeping van vertegenwoordigers der kerken, waarop ik sedert den aanvang van het Conflict heb aangedrongen, het was mij tot groote vreugde, dat het persoonlijke en plaatselijke, dat tot groote schade voor de goede zaak zoo lang op den voorgrond heeft gestaan, zou plaats maken voor gemeenschappelijk overleg en gemeenschappelijke handeling.
()
Tot mi]ue teleurstelling ontving ik eenige dagen later het volgend schrijven.
Amsteudam 6 Jan. 1887.
Aan Prof. Dr. Hokdemakeu.
Hooggeleerde Heer!
U dankzeggende voor uw belangrijk schrijven, ziet de Kerkeraad zich tot zijn leedwezen genoodzaakt, U te melden dat de tijd ten eenemale ontbreekt, om zulke bedenkingen, als Gij in uwe missive geopperd liebt, hetzij schriftelijk, hetzij door eene commissie, met U\' te bespreken. Geheel afgaande op uw jongste pennevrucht, had de Kerkeraad gemeend, dat hartelijke samenwerking van uwe zijde voor dit Congres mogelijk geacht en bedoeld werd.
Maar het ligt toch wel in den aard van de zaak, dat op eene bijeenkomst van minstens honderden eenvoudige personen uit alle oorden des lands, kwalijk eene principiëele gedachtenwisseling kan gevoerd worden over de vraag of bv. uwe zienswijze aangaande het ambt al dan niet met de onderwijzing van Gods Woord overeenstemt. Zoo iets zou wel kunnen op een theologisch of wetenschappelijk Congres, maar is ondenkbaar op een Congres van eenvoudige geloo-vigen, die uit alle oorden des lands opkomen om te vragen, welke weg moet worden imjeslao-en om onze kerken te redden, dat ze niet
O O O \'
ondergaan. Zeer terecht merkt U dan ook op, dat zulk eene gedachtenwisseling tegen uwe bedoeling in, oppositie zou opwekken en maken dat reeds den volgenden dag, de meeste leden van het Tongres voorgoed teleurgesteld, huiswaarts keerden.
Onder deze omstandigheden mogen wij dus niet van U vergen dat Gij door toe te geven aan ons verzoek óf U zei ven binden zoudt, óf de zaak zoudt embrouilleeren.
Geloof ons. Hooggeleerde Heer, met hoogachting en heilbede.
Namens den Kerkeraad der Ned. Geref. Kerk, Zijne Commissie,
P. van Son.
Voorzitter.
In dit antwoord is niet weinig waartegen ik ernstige bedenkingen
C3 O O O
zon hebben in te brengen, indien het mijn doel was het te criti-seeren. Ik wijs alleen op hetgeen mij persoonlijk diep heeft gegriefd. Immers, het zou onmannelijk en onverantwoordelijk zijn, indien ik mij liet gezeggen wat de Commissie hiev te kennen gaf, dat mijn schrijven in tegenspraak zou zijn met hetgeen ik nit volle overtuiging in mijne jongste brochure ,/jiAcnisvKinoox of wettk; gezag, de Synodale maanbrief en li e t woord van de n Koning der Kerkquot; heb geschreven.
Ieder woord van die brochure doe ik gestand en, indien ik mij al genoodzaakt mocht zien, een reserve met betrekking tot mijn naschrift te maken, dan geldt dit niet het door mij uitgesproken beginsel, maar de mogelijke verloochening van dat beginsel in geval de Kerkeraad zich feitelijk losmaakt van een deel der hem toevertrouwde gemeente, van broeders opzieners en van al wat in de kerken dezes lands niet onmiddellijk bereid is, zooals men het uitdrukt, nde Synodale hierarchies af te werpen.
Op het Congres is dus voor mij geen plaats, omdat er geen plaats is voor hetgeen waaraan ik in mijn schrijven heb verklaard, door z/Gods Woord gebonden te zijn.quot;
Immers, in het licht van deze afwijzing beteekent de formule //afwerping van liet Synodale juk plichtmatigquot; iets, wat in mijn oog ongereformeerd en onbijbelsch is, omdat het niet alleen de eenheid der kerken, maar ook de eenheid der p 1 a a t s e 1 ij k e k e r k verbreekt.
De regelings-commissie wenscht in het midden te laten ^of mijne zienswijze aangaande het ambt, al dan niet met de onderwijzing van Gods Woord overeenkomt.quot; Deze //vraag.quot; meent zij, //kan wel aan eene principieele gedachtewisseling op een theologisch ot wetenschappelijk Congres, maar niet op een Congres van eenvoudige ge-loovigen onderworpen worden.quot;
Welnu, gedachtig aan het Schriftwoord: //Vertel het niet teGath, verkondig het niet op de straten van Askalonquot;, wil ik deze zinsnede niet commentarieeren. Aan mijzelven en de kerk waartoe ik behoor, ben ik evenwel verplicht, thans nit te spreken, dat mijne ./ziens-
8
wijzequot; omtreut liet ambt te vinden is in Art. XXX t van de Ned. Geloofsbelijdenis, waarbij ook Art. XXXII kan worden geraadpleegd.
Wat vloeit hieruit voort voor de practijk van ons kerkelijk leven? Ziedaar de vraag, waarop liet Congres eïn antwoord zal geven. Maar indien dit antwoord in strijd is met hetgeen waartegen ik sedert de vergadering van de bekende nGerei\'. Commissie van adviesquot; en vooral sedert de Conferentie van April 1883, niet heb opgehouden, op allerlei wijze, sedert Juli 1885 in het openbaar, te protesteeren, dan staat het aan mij, uit te spreken, dat mij eene nitnoodiging onverklaarbaar is, die de opheffing veronderstelt van gemotiveerde bezwaren, waarvan niet één is weerlegd.
Maar juist dit opzettelijk ignoreeren van de pogingen om de broeders terug te brengen van hetgeen m. i. niet naar het Woord is, noopt mij thans, openlijk te verklaren, waarom ik geen deel neem aan een Congres, waarop ik zeker niet zou worden gemist, indien hartelijke instemming met de belijdenis mijner kerk, prin-cipieele verwerping van de organisatie van 181(1 en volkomen toewijding aan de zaak van de Reformatie der kerk mij daar konden brengen.
De man, die alles, ook zichzelven, vergetende, een poging waagt om de hollende paarden voor het rijtuig tot staan te brengen, drijft zijne toewijding te ver, indien hij zich laat medeslepen in de woeste vaart.
Om des beginsels wil moet men zich soms een pijnlijk isolement getroosten.
Bij de toepassing van dit beginsel moet men soms onder de meest onbillijke en onverstandige oordeelvellingen doorgaan.
Dit alles moet men voor de goede zaak overhebben.
Maar nooit mag worden verlangd, dat men het beginsel v e r-loochent.
Dat zou zijn een zedelijken zelfmoord te plegen.
En toch, jnist dit zon hier het geval worden.
Laat mij dit even in het licht stellen.
In 1878 kwam ik, het doet er niet toe langs welken weg, tot het inzicht, dat alle pogingen om tot //reformatie der kerkquot; te
9
komen met onvruchtbaarheid waren geslageu^ omdat zij omgingen buiten het Woord van God.
Na hetgeen ook in den laatsten tijd over deze zaak door mij is gezegd, zal ik niet herhalen waarin deze wijziging bestond.
In de aanhalingen uit het schrijven aau H. H. Directeuren der Vereeniging voor Hooger Ouderwijs, hieronder opgenomen, vindt men een en ander ter dezer zake.
Genoeg, ik werd van lieverlede van mijn gezelschap gescheiden en kwam straks voor de vraag te staan: of ik, omdat ik een anderen weg tot kerkherstel wilde bewandelen, dan dien waarop de broederen zich bewogen, zou nalaten met hen in de Vrije Universiteit saam te werken?
Met hart en ziel was en b\'eef\' ik voor deze stichting Zij meende mij noodig te hebben. Ik heb mij, ofschoon het mij veel kostte en kost, de bediening des Woords vaarwel te zeggen, niet noode, maar met vreugde gegeven, en vertrouwende op de doorwerking van het Gereformeerde beginsel teruggetrokken uit het kerkelijk leven, ten einde conflicten te vermijden, die de zaak waarvoor ik van toen af stond, licht hadden geschaad.
In Juli 1884 kwam het evenwel, ten gevolge van het besluit der jaarvergadering te Utrecht, ook in den kring der Universiteit tot botsing.
Het gold de vraag: langs welken weg de candidaten der Vrije Universiteit tot de bediening des Woord in de Hervormde Kerk zouden geraken?
De Vereeniging had besloten zich neutraal te honden. Ik meende, dat deze //neutraliteitquot; tot, stilzwijgende voorwaarde had, de ontkenning, dat men met de bestaande organisatie behoefde te rekenen, en trachtte de cjuaestie in eeue gedrukte maar onuitgegeven memorie principieel te stellen en eene beslissing hierover uit te lokken.
Enkele aanhalingen uit dit geschrift komen hier niet te onpas, omdat zij den aard aanduiden van het verschil tusschen mij en enkele mijner collega\'s, dat hunnerzijds bloot formeel werd behandeld, zoodat ik tot machteloosheid werd gedoemd \').
\') Men vintll /(.• als Bijlage I.
10
Zooals men zien kau, heb ik destijds niet getracht de publieke opinie te bewerkeu, maar mij door een beginsel van broedertrouw en de hoop, dat ik zijdelings en iu stilte invloed op den gaug van zaken kon uitoefeneu, zoo lang mogelijk laten weerhouden mijne bezwaren in wijdereu kriug bekend te maken.
Eerst toen het kerkelijk Conflict ophanden was zocht ik een welwillend gehoor af te persen, — of de breuke, die ik voorzag, nog door eeue meer besliste en zuivere maar juist daardoor minder afstootende toepassing van het Gereformeerd beginsel kon worden voorkomen !
Het mocht niet baten.
Mijn voorname zorg was en bleef zoo te spreken, dat de tegenstanders geen misbruik konden maken van hetgeen ik zeide om personen en zaken te bestrijden, die mij lief waren. Niet alleen bleek het, dat de tijd voor eene kalme, waardige bespreking van beginselen voorbij was, maar ook dat de gedragslijn van de Heraut, om mij eenvoudig dood te zwijgen, in mijn geval volkomen doel-treöend was.
Het publiek vernam slechts een onzeker gerucht van bestaande verschillen. Zij, die geen vrede hadden met de kerkelijke beweging, misten den moed om recht recht te noemen, verkrachtten hun geweten, sloten hun hart tegen de broeders, en lieten zich op sleeptouw nemen door de voorstanders van de organisatie van 188(3 of .... wachtten zwijgend af, wat komen zon.
Mij bleef niets over dan de broederen brutaal of geniepig, maar in ieder geval met felheid en rechtstreeks aan te vallen.
Een publiek schandaal wekt nog altijd de belangstelling. En tot dien prijs wenschte ik mij geen gehoor te verschaffen.
Aan den ingang van een nieuw tijdperk in de geschiedenis onzer kerk mag ik evenwel niet gedoogeu, dat dezelfde verkeerde beginselen, die reeds zooveel schade hebben aangericht, in den nieuwen toestand worden overgeleid, zonder althans een woord van protest te doen hooren, dat thans door den wind mag verstuiven, maar dan later toch, zijn werking zal doen.
Een woord van protest.
11
Niets meer.
Zal ik aautoüiieu, waarom vau geen //aisciieidiug,quot; vau geeu //uittreding uit bet Synodaal verband \' sprake kan zijn; waarom liet zelfs niet zuiver is van //een afwerpen van het Synodale jukquot; te spreken ?
Zal ik uiteenzetten, waarom en waarin de analogie, waarnaar men thans schynt te willen bandelen, met //de doleereude kerkenquot; uit den tijd der Remoustrantsche twisten niet opgaat?
Zal ik niet de stukken bewijzen, dat liet niet aaugaat de Synodale „hierarchies en die van ,/Romequot; op één lij.j t« plaatsen; beide vergelijken en doen zien, dat Rome in een enkel opzicht nog beter is dan de Synode der Hervormde Kerk, omdat zij nog hare concilies heeft, waardoor de kerk op ééne manier wordt vertegenwoordigd, maar in alle andere opzichten niets met haar gemeen beeft, om de eenvoudige reden, dat de organisatie van 1816 niet uit de belijdenis der Gereformeerde kerken voortvloeit, maar door eigen toedoen als opgelegde kerkvorm in stand wordt gehouden ?
Waartoe zou het dienen ?
Pascal heeft gezegd: //De meeste meuschen deuken niet, maar deuken alleen, dat zij denken.quot;
Dat geldt van een groote menigte.
Vele andereu zijn gelijk wel doorvoede paarden, die reeds lang d or hun getrappel te kennen gaven, dat zij des wachtens moede zijn en, zonder de zweep uoodig te hebben, in gestrekten draf voort-rennen.
Ik ga niet verder. Wanneer een mau als Ds. Hogerzeil duidelijk toont geeu onderscheid te kunnen makeu tusschen hetgeen zedelijk en onzedelijk is, geheel onomwonden het beginsel, dat het doel de middelen heiligt, bepleit, en met het leukste gezicht komt vertellen, dat nog geeu deugdelijke argumenten uit-denmond van zijne tegenstauders ziju vernomen, ofschoon de //Rechtsgeleerde adviezenquot;, ofschoon het //La itste woordquot; vau Dr. Kuyper, olschoou mijne weêrleggiug van den Synodalen //inaanbrielquot; op zijne schrijftafel liggen, waarin o. a. op de meest duidelijke en ouwederlegbare wijze is aangetoond, dat, waarin en waarom de Synodale organisatie onwettig is iu haar oorsprong, on\'oijbelsch en anti-Christelijk is in haar
12
Wbzeu en verderfeljik is in hare strekking, dan is alle redeneeren voorgoed aan een eind.
Een protest dus.
Waartegen?
Tegen de onnoodige verscheuring van onze kerk, tegen de miskenning van de door God ingestelde ambten, tegen het prijsgeven vau onze rechten, van de onmondigen, van allen, die omdat men mi eensklaps heeft ontdekt, dat het onmogelijk is o n d e r de organisatie getrouw te zijn, conté qui coute op eene bepaalde wijze moeten handelen, iudien zij niet goedvinden met u mede te gaan, doodeenvoudig worden afgesneden.
„Wij begrijpen n niet!quot;
Neen, gij hebt mij niet begrepen, toen ik u zeide, dat liet kiescollege ons kerkelijk leven vermoordde, dat het niet aanging, om uw ambt als opzieners te verloochenen, eenvoudig omdat gij geen z/kansquot; zaagt zonder gevaar de sleutelen te gebruiken, die Christus u had toevertrouwd!
Gij hebt mij niet begrepen, toen ik u zeide, dat het onzuiver eu ongereformeerd was, de drie Formulieren ten grondslag te leggen van uwe plaatselijke kerk, zonder de kerkorde, waarin zij pasten en waarvan zij onafscheidelijk waren!
Niet begrepen, toen ik u smeekte, de hoogere besturen niet prijs te geven, zonder te gelijker tijd het zuiver Schriftmatige standpunt ten opzichte van de kerke raden in te nemen !
Niet begrepen, toen ik trachtte de kerken, in enger en of in ruimeren kring saam te brengen, om op waardige wijze, als liet allereerste terugkeer tot de G ereformeerde kerkregeerin g teeischen!
Niet begrepen, toen ik u op de jongste vergadering van de ,/Vrienden der waarheidquot;, waar broeders werden afgesneden, door eene onzuivere motie, open en rond heb gezegd, dat gij de tegenstelling tusschen hen, die in de hoogere besturen //de broeders vervolgdenquot; (omdat zij reglementen handhaafden, waartoe zij door hunne positie verplicht waren) en hen, die dit niet deden, zóó niet stellen mocht!
Niet begrepen, toen ik uitsprak, dat ik, indien ik zitting had in het Provinciaal Bestuur van Gelderland, Ds. Van Lingen
I
13
zeer ernstig wegens de bevestiging van Houtzagers zou hebben gestraft!
Niet begrepen. Waarom ?
O m d a t gij niet begrepen hebt wat liet is, uitsluitend naar het Woord te handelen;
wat het zegt, geen „vermenging tusschen wet en genadequot; te dulden;
omdat gij iu het dilemna bevangen waart: óf Synodaal, óf in alles met de anti-Synodalen.
Dat dilemna is uit den Booze.
Wij hebben alleen te vragen: Wat is recht; wat is bijbelsch; wat eischt de Koning der Kerk van ons?
nAfwerping van het Synodale juk plichtmatig.quot;
Deze formule, opgevat zooals dit te Zetten eu te \'s-Hage geschiedde, is m. i. niet zuiver.
Zij miskent ééne zaak en wel de zaak waarop het hier aankomt, EIGEN SCHULD.
Deze Synodale organisatie is wel niet in haar oorsprong, maar dan toch in haar voortbestaan het creatuur van de kerken.
Ieder onzer heeft medegewerkt om haar iu stand te houden.
Zij ontvangt haar mandaat van o n s.
Wi] zijn medeplichtig.
Iedere beweging, die d i t miskent, werkt verwoestend, niet zegenend.
De kerken blijven, de organisatie moet verwijderd worden.
Iedere kerkeraad en ieder lid zal het voor God moeten verantwoorden, indien zij, om welke reden dan ook, maar een oogenblik verantwoordelijk blijven voor hetgeen „door de Besture n\'\' ook in hun naam geschiedt. Maar ieder heeft dit te doen op de plaats en in het ambt waarin God hem stelde.
Daartoe behoeft men geen /.doleerende kerkquot; op te richten.
De eenige plaatsen waar dit met een schijn van recht zou kunnen geschieden, zijn plaatsen zooals Deventer, waar de Kerkeraad in Moderne handen is en op het oogenblik geen uitzicht bestaat op herstel.
Maar de grondslag der kerk is, rechten s, onveranderd eu welke
1
14
wijzigingen ook iu ons Evaugelisatie-wezeu knuueu eu uaar Gods Woord ook ruogeu worden gebracht, doel van de tegenwoordige beweging moet blijven al de kerken vrij te maken van de opgedrongen organisatie. Dan zal men zien dat God wonderen werkt, waarvan meu thans nog niet de allergeringste notie heeft.
Toen de redacteur van dc Heraut eenige weken geleden zijn artikel schreef over geflatteerde balansen\'\'\', antwoordde ik: //Indien gij met uw 15000 getrouwen eene doieerende kerk vormt, is z/Jan Kap en zijn maat\'\' voor mij de voortzetting van de historische kerk onzer vaderen.quot;
Toen mij daarna het besiuit van de afgezette meerderheid van den Kerkeraad bekend werd, om als zoodanig op te treden, heb ik God gedankt.
Alles hangt voor mi] af van de zuiverheid van het beginsel.
Dat beginsel was formeel zuiver.
Maar nu zal het op het Congres blyken, of het in waarheid aanvaard is geworden, dan of wij te doen hebben met eene beweging, die slechts bedoelt, feitelijk een groep uit het geheel der gedoopten uaar wat men een gezuiverden toestand noemt te leiden.
Die toestand zul zeer onzuiver zijn, indien men de gemeenschap met de kerken eu de ambten onder de organisatie verbreekt, omdat men daar voorshands bleef op het standpunt, waarop de overigen gistereu stonden.
Wat ook geschiede, ik ga niet mede.
Maar wat dau ?
Toevallen, wat tegen het Woord is en de kerk verwoest?
Onmogelijk.
De oogen, die eens gezien hebben, kunnen niet terugzien.
God zal het maken !
Ik blijf\' bij hetgeen ik reeds in mijn brief aan den Kerkeraad te Schaars bergen heb uitgesproken.
Toch ga ik thans een stap verder.
Ik vraag broeders, predikanten en opzieners iu den lande, die, uitgaande van de overtuiging, dat de drie Formulieren van eeuig-
heid, rechtens de grondslag zi)11 der Hervormde Kerk, en de belijde-uis, daarin vervat, van harte zijn toegedaan;
die voorts overtuigd zijn, dat zij alle medeplichtigheid niet de organisatie en hetgeen onder eu krachtens haar geschiedt hebben af te werpen, m. a. w. dat zij tot handelen worden geroepen ;
maar, die, hetzij om den toestand hunner gemeente, hetzij omdat zij geen licht hebben omtrent de wijze waarop hun plicht moet worden vervuld, en wel omdat zij het ongeoorloofd achten d e rech ten der kerk, d. i. de rechten van den Koning der kerk, mis-schik.v onxooüig in ge va au te stellen, in verlegenheid zijn;
mij, in een min of meer gemotiveerd schrijveu mede te deelen, wat zij in verband met deze zaak te zeggen hebben, met bijvoeging of zij in staat en bereid zijn, indien de besluiten op het Congres te nemen, dit noodig mochten maken, deel te nemen aan eene Vergadering, die op nader te bepalen plaats en tijd staat gehouden te worden, teu einde maatregalen te beramen, om door eenparige handeling tot eene gewenschte kerkeorde te komen.
o o
Verlichte ons de Heere in deze bange dagen met zijnen Geest, opdat wij, zonder aanzien des persoons, maar eenig en alleen uit liefde tot Hem, zijne Gemeente en zijn Woord, mogen doen, wat tot waarachtig heil zijner Kerke strekt 1) !
\') Moi\'lit hot ten slotte blijken, dat het Congres alles was, wat ik hiervan had gehoopt; mochten de besluiten daar te nemen mijne vrees en de verwachting der Synodalen beschamen ; mocht zelfs alleen het principieele bezwaar wegvallen : dan zal ik mij haasten, om alle verschil omtrent bijzaken voorbijziende, mij ten spoedigste aan de zijde tier broederen te scharen, zooals ik in de verwerping van het onbijbelsch regiment der z. g. Kerkelijke Bnsturen sedert lang heb gedaan, en dit onmiddellijk na afloop van de samenkomsten ter kennis brengen
16
B IJ L A O E.
„Iedere maatregel — zeide ik — dien wi], dien onze kweekeliugen kunnen nemeu, om tot de bediening des Woords te geraken, is de uitkomst en toepassing van eene kerkelijke, theologische beschouwing.
Voor mij bestaat er slechts één weg, om tot de bediening des Woords in ouze kerk te geraken: die van het kerkelijk examen; eu slechts één middel om hem voor onze kweekelingen te openen en te banen ; die van eene geoorloofde zedelijke p r e s s i e.\'\'
Deze stelling rustte op den volgenden grond :
,/Zoolang wij het voor God kunnen verantwoorden, in het tegenwoordige „kerkverbandquot; (ik spreek liever van kerk regeer in g) te blijven, zijn wij verplicht met het bestaande te rekenen, ons in alle geoorloofde dingen hiernaar te voegen. En tot die op zichzelf genomen geoorloofde dingen behoort ook de roeping en ordening van leeraars.
Dit is geen conservatisme. Het is eenvoudig recht voor God. Men moet consequent zijn. Er komt geen einde aan de verwarring, indien men met het recht en den plicht tot Reformatie naar willekeur omspringt eu de geheele zaak feitelijk verlaagt tot eene kansberekening, tot eene quaestie van opportuniteit. Tusschen Reformatie en Revolutie ligt slechts éen stap.
Kan men het dus voor God verantwoorden — eu dit schijnt tot nu toe het geval te zijn — lid en opziener in de Hervormde Kerk te blijven, dan verschaft de wensch, om een candidaat der Vrije Universiteit te beroepen, geen motief tot afscheiding, uittreding of hoe men het noemen wil.quot;
Het tegenovergesteld gevoelen bestreed ik op de volgende wijze :
,/Tot de leer, die op de vergadering te Utrecht gepredikt is, had men nooit kunnen komen, indien niet eene beschouwing van het kerkverband ingang had gevonden, waarbij de kerk, als
17
.■etie coufoederatie van kerken wordt beschouwd, en zelfs deze kerven slechts hier en daar uit deu algemeeaen zondvloed te voorschijii vomen als de toppen der bergen uit de golven, naarmate zij weder tot Gereformeerde kerken worden door adoptatie van de Formulie-en vau eenigheid.
Het verschil, waarvan ik sprak, ligt dus nog dieper, gaat dus om de vraag: Vormen de kerken al of niet, te zamen, eene kerk; is het verband tusschen de kerken confoederatief of natuurlijk en organisch? Hierop antwoord ik, met beslistheid:
De kerken iu deze landen zijn één, met eene onverbreekbare eenheid, omdat zij één Hoofd hebben, nl. Christus, en door éénen Geest zijn geleid tot de erkentenis van één zelfde waarheid. Zij zijn niet verbonden bij wijze van verdrag, worden uiet saamge-bracht door de attractie van een zelfde belijdenis, maar behooren krachtens hare afkomst en hare uatunr voorgoed te zamen. tiet geheel is vóór de deelen, en constitueert ze, ofschoon zich in ieder deel weder het geheel afspiegelt en onder gegeven omstandigheden daaruit kan worden voortgebracht. Wij spreken ook van deelen in denzelfden zin waarin Milton ze aan zijne engelen toeschrijft, als hij zegt: zij zijn
„Vital in every part. Which can but by annihilation die.quot;
Daaruit volgt;
1°. dat men de macht omtrent de belijdenis en de ordening van predikanten alleen dan aan eene locale kerk kan toeschrijven, wanneer men de kerk in haar geheel ontbonden acht. Alleen iu dit gev.al is zij competent te handelen alsof zij geheel alleen iu de wereld was. Over dezen terugkeer tot den chaotischen toestand zouden wij echter nog wel eeu woordje willen wisselen.
Welke gedachten men evenwel over deze verhouding moge koes-
O O O
teren, iu ons oog blijven de kerken eene gezamenlijke kerk, staande voorshands onder eene kerkregeering, die dagteekent van 18lij.quot;
Zoo sprekende paste ik eeu beginsel toe op de verhouding tot de kerk, dat geeu tegenspraak vindt, zoodra het in den kring van het
16
Ji IJ L A G E.
„Iedere maatregel — zeide ik — dien wij, dieu onze kweekeliiigen kunnen neiueu, om tot de bediening des Woovds te geraken, is de uitkomst en toepassing van e e n e k e r k e 1 ij k e , theologische beschouwing.
Voor mij Ijestaat er slechts één weg, om tot de bediening des Woords in ouze kerk te geraken : die van het k e r k e 1 ij k examen; en slechts één middel om hein voor ouze kweekelingen te openen eu te banen : die van eene ge oor looide zedelijke p r e s s i e.\'\'
Deze stelling rustte op den volgenden grond :
,/Zoolang wij het voor God kuuuen verantwoorden, in het tegenwoordige ^kerkverbandquot; (ik spreek liever van kerk regeer in g) te blijven, zijn wij verplicht met het bestaande te rekenen, ons in alle geoorloofde dingen hiernaar te voegen. En tot die op zichzelf genomen geoorloofde dingen behoort ook de roeping en ordening van leeraars.
Dit is geen conservatisme. Het is eenvoudig recht voor God. Men moet consequent zijn. Er komt geen einde aan de verwarring, indien men met het recht en den plicht tot Reformatie naar willekeur omspringt eu de geheele zaak feitelijk verlaagt tot eene kansberekening, tot eene quaestie van opportuniteit. Tusschen Uefor-matie eu Revolutie ligt slechts éen stap.
Kan men het dus voor God verantwoorden — eu dit schijnt tot nu toe het geval te ziju — lid en opziener in de Hervormde Kerk te blijven, dan verschaft de wensch, om een candidaat der Vrije Universiteit te beroepen, geen motief tot afscheiding, uittreding of hoe men het noemen wil.quot;
Het tegenovergesteld gevoelen bestreed ik op de volgende wijze :
z/ïot de leer, die op de vergadering te Utrecht gepredikt is, had men nooit kunnen komen, indien niet eene beschouwing van het kerkverband ingang had gevonden, waarby de kerk, als
17
ene confoedevatie van kerken wordt beschouwd, en zelfs deze ker-;en slechts hier en daar uit deu algemeeuen zondvloed te voorschijn iomen als de toppen der bergen uit de golven, naarmate zij weder ot Gereformeerde kerken worden door adoptatie van de Formulie-•en van eenigheid.
Het verschil, waarvan ik sprak, ligt dus nog dieper, gaat dus om Ie vraag: Vormen de kerken al of niet, te zamen, eene kerk; is het verband tusschen de kerken confoederatief of natuurlijk en organisch? Hierop antwoord ik, niet beslistheid:
De kerken in deze landen zijn één, niet eene onverbreekbare eenheid, omdat zij één Hoofd hebben, nl. Christus, en door éénen Geest zijn geleid tot de erkentenis van één zelfde waarheid. Zij zijn niet verbonden bij wijze van verdrag, worden niet saamge-en- bracht door de attractie van een zelfde belijdenis, maar behooren krachtens hare afkomst en hare natuur voorgoed te zamen. Het geheel is vóór de deelen, en constitueert ze, ofschoon zich in ieder deel weder het geheel afspiegelt en onder gegeven omstandigheden daaruit kan worden voortgebracht. Wij spreken ook van deelen in denzelfden zin waarin Milton ze aan zijne eugelen toeschrijft, als hij zegt: zij zijn
„Vihi! in every part, Which (.•an hut by aiinihihition die.quot;
Daaruit volgt:
1°. dat men de macht omtrent de belijdenis en de ordening van predikanten alleen dan aan eene locale kerk kan toeschrijven, wanneer men de kerk in haar geheel ontbonden acht. Alleen in dit geval is zij competent te handelen alsof zij geheel alleen in de wereld was. Over dezen terugkeer tot den chaotischen toestand zouden wij echter nog wel een woordje willen wisselen.
Welke LCedachten men evenwel over deze verhouding moge koes-
O ~ o
teren, in ons oog blijven de kerken eene gezamenlijke kerk, staande .; voorshands onder eene kerkregeering, die dagteekent van ISlii.quot;
s,
gen i de ie,
des i) k
gen ke
ig Zoo sprekende paste ik een beginsel toe op de verhouding tot de ls kerk, dat geen tegenspraak vindt, zoodra het in den kring van het
i
18
geestelijk leven wordt gebracht, t. w. dat het schadelijk is //Weten Evangelie te vermengenquot;, en in teksten als de volgende: //Die zich laat besneden is schuldig de geheele wet te houden;quot; //Ik ben dooide wet der wet gestorvenquot;, haar Schriftuurlijke uitdrukking vindt.
,/Het is m. i. diep te betreuren — zeide ik verder— dat men omtrent deze kerkregeering, die door ons toedoen in stand wordt gehouden, niet alleen telkens wanneer de Classikale vergadering leden afvaardigt naar de kerkbesturen, maar evenzeer wanneer de opzieners van eene gemeente als u Kerkeraad der Ned. Herv. Kerk te A., li. of U.quot; samenkomen, heeft leeren spreken ea handelen, alsof* dit een ding ware, waarmede men ziin hoofd uiet zon breken, indien de opportuniteit niet gebood zich voor de leus daaronder te voegen.
Ik zeg. dit is te betreuren, omdat de bekeering van de kerk, evengoed als van het individu, altijd begint met kennis van ellende.
Deze z. g. anti-Synodale geest, die in ons arm volk is gegeven, verraadt echter een vrijheidswaan, even groot als die van de Joden in de dagen van den Heiland, die met den belastingpenning in hunnen buidel uitriepen: Wij zijn vrij en hebben nog nooit iemand gediend !
De fout ligt nl. niet hierin, m. i., dat men te anti-Synodaal, maar paradoxaal als dit moge klinken, niet anti-Synodaal genoeg is.
Men is tegen de Synode omdat zij de belijdenis niet handhaaft; : omdat zij de valsche eenheid bestendigt; in den laatsten tijd, althans hier en daar, dank zij de Heraut, ook nog, omdat de hoogere kerkbesturen door de macht, die zij zich aanmatigen, de eere van Christus als het Hoofd der kerk te na komen ; — maar voor alsnog n i e t, omdat de geheele kerkregeering, in al hare 1 deel en en stukken, tegen Gods Woord ingaat.
Vandaar is het dus, dat de leden en opzieners der plaatselijke kerk hunne handen in onschuld wasschen en niet inzien, dat ook zij, niet alleen zijdelings, b. v. in de belijdenisquaestie, maar rechtstreeks in hunne bediening in conflict komen met het Woord van God.
Zoolang wij nu alleen over de besturen klagen eu zelf vrij uitgaan, omdat wij nog niet inzien, dat wij — wijzelven ons ambt
19
niet uaar de instelliug van Christus kunnen bedienen \'), zijn wij nog niet anti-Synodaal genoeg, om tot eene doortastende Reformatie van de kerkregeering te komen.^
o quot;
Terwijl ik deu valsclien vrijheids- en getrouwheidswaan bestreed, liet ik evenwel niet onduidelijk uitkomen, dat men niet in het bestaande mocht berusten.
z/Wat de p ra et ijk van het ambt betreft, hebben wij, zonder eenige kansberekening, eenvoudig Gods Woord te gehoorzamen en alle gevolgen daarvan voor onze rekening te nemen. Wat de kerk zelve in haar geheel aangaat, moeten wij beginnen de zuivere kerk regeering, naar Gods Woord te zoeken en, voor zoover dit mogelijk is, te herstellen.\'\'
Waarin deze kerkregeering bestond wordt verder gezegd :
//A\\ ij hebben tot het punt van afwijking ia ons kerkelijk leven terug te gaau, m. a. w. herstel van de presbyteriale organisatie te zoeken.
Tijdens de Renioastrantsche twisten, bij de opkomst van het Réveil in ons land, heette het: Geef ons een nationale Synode! Maar sedert is de aandacht door ons kerkelijk gehaspel van deze zaak afgeleid, misschien ook wel omdat het ijdel scheen hierop aan te dringen
Telkens heb ik, én in den Kerkeraad én in gesprekken, voor doove ooren den wensch te kennen «jeoreven, dat de classis Amsterdam
O 3 \'
mocht worden geleid haar protest van 1816 als punt van uitgang weder op te nemen.
Tevergeefs.
.... Maar het feit dat in de Synode van dit jaar de eisch werd gehoord:
\') Als opzieners der gemeente zijn ons o. a. plichten voorgeschreven, ten aanzien viin de 1 o d e n . onze m e cl e lt;i r b e i d e r s , en de kerk in haar go-heel, die wij onder het bestaande regime niet kn nnen vervullen. Christus heeft ons niet geroepen om a a ii k la g e r s te worden of\' n d vies uit te brengen, maar om te re ge er en.
20
,/Geef ons onze prebytenale organisatie terug\'\', en voorts de omstau-digheid, dat zelfs een man als Dr. Bronsveld zich zoo guustig over het voorstel van de H.H. Ringnalda en Roodhuizen uitliet, dit alles en uog meer wat ik hier niet behoef te memoreeren, doet mij hopen dat wij in dezen tot eeue meer zuivere positie kunnen komen. De wensch om daartoe het mijne bij te dragen, door een woord in deze zaak mede te spreken, is een der motieven geweest, die mij deden besluiten u dit schrijven toe te zenden.quot;
Ik zocht tevens aan te wijzen w a a r o m men op dit punt niet tot een doortastend handelen kwam ;
,/Ik stem nl. geheel in, met hetgeen o. a. door de Heraut van tijd tot tijd over de onwettigheid der hoogere kerkbesturen is gezegd. Sedert jaren heb ik op de aangevoerde gronden daarin geen zitting willen nemen. Alleen heb ik het aanprijzen van deze gedragslijn, zo n d e r meer, betreurd als eeue oorzaak van verwarring en verzwakking. Deze eisch zou m. i. dan ook minder onverbiddelijk gesteld zijn geworden, indien collega Kuyper met mij blijkens het vroeger jiezegde van oordeel was, dat de Kerke raad onder hetzelfde oordeel viel. Wel is waar vinden wij bij den Kerkeraad, niet als bij de hoogere besturen aanmatiging, maar veeleer afstand van gezag (naar den eisch van het Woord eveu onzuiver), maar z ij n e vergaderingen worden door de reglementen, die een uitvloeisel z ij n van d e z e u s u r-p a t i e , geconstitueerd.
De bewoners van het soustei\'rein wonen onder één dak met die van de bel étage.
Heeft niet, ten opzichte van dien Kerkeraad eene verwarring plaats ?
Zijne leden zijn door de gemeente, en //mitsdien door God zei ven,quot; tot opzieners geroepen. Op zichzelf genomen mogen zij dus als vertegenwoordigers van de gemeente worden beschouwd. Hun reglement is het Woord huns Gods, hun eenig Hoofd Christus, Hem en Hem alleen zijn zy als zoodanig rekenschap schuldig.
21
Maar anders is het met liet college van opzieners, dat op reglementaire wijze wordt samengesteld en bestuurd.
De personen zijn dezelfde, maar de rechten en plichten verschillen. Uit den zuiveren brengen zij, naar den valschen toestand, niets mede, dan het recht en den plicht tot Reformatie volgens de beginselen, zooeven (op bladz. 9) door mij ontwikkeld.
Het verschil tusschen de Eingnalda\'s en Roodhuizens ter eene als leden van de Synode, de broeders opzieners als leden van den Amsterdamschen Kerkeraad ter andere zijde is dus gradueel . niet principieel. De overweging van opportuniteit, of wil men liever van Christelijke wijsheid en voorzichtigheid, geeft in beide gevallen den doorslag.
De eigenlijke reden, waarom derhalve //de kerkregeeringquot; sedert eenigen tijd, bij vele Gereformeerden, alleen negatief en incidenteel ter sprake komt, ligt in een krijgskundig stelsel van kerkherstel, waarin mijne nctie van Reformatie niet past. De Reformatie toch, die bestaat in het appliceeren naar den regel der opportuniteit, van een maatstaf, die volstrekt is en geeue transactie gedoogt, het zuiveren van colleges en commissies, die zelf niet zuiver kunnen staan, het bezetten van bepaalde posten uit een strategisch oogpunt, het nemen van onuitvoerbare besluiten, den aanloop tot eeuen toestand, die niet in het tegenwoordige kader behoort, ver w er pe n wij principieel. Deze dingen dienen slechts om de illusie van zuiverheid en getrouwheid te bestendigen, den strijd kleingeestige afmetingen te geven, de broeders te kwetsen, de geestelijke kracht te verlammen en teleurstelling in te oogsten.
Deze Reformatie is, wat ik vroeger genoemd heb, een metselen in een moeras. Zij brengt ons geen stap verder, dan alleen op weg naar de Afscheiding.quot;
Het volgende bezwaar tegen beginselen, die de tot hiertoe gevolgde gedragslijn bepaalden en die naar het zich laat aanzien, ook door het //Kerkelijk Congresquot; zullen worden toegepast, verdient m. i. nog altijd overwogen te worden:
12
Voorts blijkt hieruit, waarom ik uiet koa medegaau met het advies, indertijd door de Gereformeerde Commissie gegeven, en de hoofdbesluiten van de Vergadering in Frascati, niet name o. a. het proclameeren van de drie Formulieren van eenigheid als de grondslag der plaatselijke kerk. Daarmede toch wordt het historisch fundament verzwakt, waarop al o u z e kerken rechtens staan ; de gemeenschap verbroken met alle predikanten en kerken, voor zoover zij weigeren of nalaten dien grondslag met bewustheid te aanvaarden; ja feitelijk eene nieuwe kerk geknutsteld, op veelmin-der cordate manier, dan dat in de Afscheiding geschiedde.
Op dit standpunt moet men er zelfs toe komen, bepaalde kerken, om den toestand waarin zij tijdelijk verkeeren, af te snijden van bet lichaam van Christus, of — wat op hetzelfde neerkomt — als verstorven aan te merken, eene beschouwing, die in mijn oog in strijd is met de leer des verbonds en die der verkiezing \').
Vergun mij hier nog bij te voegen, dat het teruggaan tot den eisch eener bijbelsche organisatie, voor mij ook het onmisbaar complément is van het beginsel, waarop wij als Vereeniging staan, wijl de aanvaarding van het q a i a , eene kerk veronderstelt en vordert, die het recht en de macht lieeft gravamina te onderzoeken, en bijgevolg onze functie van eene Synode veroordeelt op gronden, waarop de tegenstanders zich plegen te beroepen. — Onze Synodale organisatie maakt „de leerquot; tot een petrefact en is reeds daarom principieel te bestrijden/\'
\') Vanzelf ondersclieicl ik de zuiver j u ridi.sc h e vraag: of eene plaatselijke gemeente hare rechten desnoods tegenover de Synode kan handhaven, en do theologische vraag, waarmede zij licht zou kunnen worden verward; of de kerken kunnen handelen, alsof de kerk ontbonden was.
V EE B ETEUI N G.
On tiRff 22 li06 regel van boven, staat:
»Er zou geen Ge.\'tor.eerde Ke.k .8» 8eko«». .nd.e. er reen GeEEformeerde Kerk ware geweest.quot;
Dit moet gelezen worden:
Er zou geen GeiiEformeerde Kerk zijn gekomen, mdien reen GeBEformeerde Kerk ware geweest.