-ocr page 1-

DE EENHEID,

|ANSCHOUWELIJK IN HET KARAKTEE

VAN DEN

CHRISTUS DER EVANGELIËN.

:en bewijs vooe de geschiedkundige waarheid

van hun getuigenis.

Naar het Engelsoh van 0. A. ROW.

G. S. ADAMA VAN SCHELTEMA.

gt;OCgt;§§Oxgt;o--

nijmegen. — p. j. milb01ïn.

-ocr page 2-

Onze o nieuwe vi vierend d dwaashek der wetei niet haai alle eeuv ons geloo Van d meent i het geloo heeft u in de h hemels ( wijzen v openbaar Vader lilt; Wie d om dooi

Nijiiicgcu. Snelpersdruk der Weesinricliting.

-ocr page 3-

INLEIDING.

Onze oude Bijbel wordt in deze dagen aan eene nieuwe vuurproef onderworpen en hij zal ook die zegevierend doorstaan. Bij deze overtuiging is het enkel de dwaasheid der vrees, die het onderzoek en den strijd der wetenschap kan willen aan banden leggen, want niet haar laatste woord, maar naar de ervaring van alle eeuwen eene vrije daad Gods is beslissend voor ons geloof.

Van de Schriften zeide Jezus tot de Joden: „gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben;quot; van het geloof, als vrije genadegift Gods; „vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is.quot; „Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard.quot; „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke.quot;

Wie de verzekerdheid des geloofs buiten den Vader om door het onderzoek der wetenschap zelf vermees-

-ocr page 4-

teren wil, vergeefs zal zijn worstelen blijken, „het eeuwige- levenquot; zal zijn deel nooit worden; maar wie in den Zoon gelooft heeft reeds „het eeuwige levenquot;, omdat de Vader Hem gegeven heeft zijne heerlijkheid,; „zijne waarheid en genadequot;, in den Zoon te aanschouwen.

Op de verhooring van Mozes\' bede: „Heer, toon mij uwe heerlijkheidquot;, komt het voor ons aan.

Die bede kan de onze niet zijn, zoolang het bij ons blijft bij dat berekenend geloof, dat niet tot een openlijk belijden kan komen, omdat eene innerlijk gewekte overtuiging gekluisterd wordt, door een meer beminnen van „de heerlijkheid der menschen dan de heerlijkheid Gods.quot; (Joh. 12 : 44.)

Zoolang wat in de wereld als „heerlijkheidquot; geldt, geleerdheid, macht, aanzien, rijkdom de schat is, waaraan ons hart kleeft, kunnen wij de heerlijkheid Gods niet beminnen, niet biddend verlangen haar tot eiken prijs te zien en mede deelachtig te worden.

Op dit gebied, en daar alleen, ligt de beslissing over ons al of niet „des eeuwigen levensquot; deelachtig worden.

Hoe onwaardeerbaar de Schriften zijn, reeds door de onzekerheid en den strijd der wetenschap maakt God het ons onmogelijk, langer met de Joden te meenen, dat wij in dezelve het eeuwige leven hebben. Alleen wanneer wij kunnen beginnen op te houden met „het beminnen van de heerlijkheid der menschenquot; door een ontwakend begeeren en bidden „om de heerlijkheid Gods te zienquot;, naderen wij het standpunt, waar het mogelijk wordt in Jezus van Nazareth den eenig ge-

-ocr page 5-

5

boren Zoon des Vaders, en in den Zoon den Vader, „de heerlijkheid zijner vergevende en zaligmakende liefdequot; te aanschouwen.

Om dit standpunt te bereiken is een eerste ver-eischte gehoorzaamheid aan\'s Heeren vermaan: „onderzoekt de Schriften.quot; Het is echter niet genoeg, dat wij ze met den zin van een Nathanaël en niet met dien van een Kajafas onderzoeken. Alles hangt af van den aanvang en de richting van ons onderzoek. Begint „de heerlijkheid der menschenquot; ons onvoldaan te laten, is ons haar beminnen aan \'t verkoelen, zoodat wij aanvangen te begeeren eene betere heerlijkheid, „de heerlijkheid Godsquot; te zien, dan zal ook ons Schriftonderzoek bovenal zijn een zoeken naar het zien van deze, en nu „ziende op Jezusquot; zal dat zoeken niet worden teleurgesteld.

Tot zulk een „zien op Jezusquot; als uitgangspunt van verder Schriftonderzoek is bijgaand boekje eene voortreffelijke hulp. Het Engelsch godsdienstig traktaatgenootschap doet een goed werk met uit te geven boekjes van gelijken omvang en geest naar de behoeften van dezen tijd. In die reeks ken ik gaarne aan dit geschrift eene eerste plaats toe. Het is een woord machtig om te brengen tot gelooven en van gelooven tot belijden, maar alleen wanneer het overtuigd verstand en het gewonnen hart, die bij dit al machteloos blijken om in eigen kracht de kluisters van „een beminnen van de heerlijkheid der menschen meer dan de heerlijkheid Godsquot; af te schudden, ook langer niet

„het wie 3nquot;, eid, ren. mij

ons en-kte in-ier-

it, j is, 3id tot

rer in. de od at n-et 3n id et e-

-ocr page 6-

6

van eenigen vleeschelijken steun, maar van den Geest Gods, die de liefde Gods in het hart uitstort, wil verwachten.

Zoolang wij „kennen naar den vleeschequot; (naar den maatstaf, dien de zelfzucht des vleesches ons arglistig aanprijst,) zullen wij ook „wandelen naar den vleeschequot;, zal zelfs al „die heerlijkheid der menschenquot; welke wij 1 Kor. XII : 1—3 opgesomd vinden, ons niet baten om in de Schriften „het eeuwige levenquot; te vinden. Alleen „het dringen der liefde van Christusquot;, welke is „de openbaring der heerlijkheid Godsquot; kan „de liefde wekkenquot;, die zalig maakt, omdat zij ons in de Schrift het Woord Gods, de blijde boodschap der verzoening en wederaanneming tot kinderen heeft doen hooren.

Moge dit boekske ook onder ons velen helpen zoo op „Jezus te zienquot;, dat zij tegenover den strijd der meeningen, en onverschrokken bij het hooggaandst krijgsgewoel, in kinderlijk blijmoedig geloof belijden: „wij hebben zijne heerlijkheid gezien en dat is ons genoeg.quot;

-ocr page 7-

BEKNOPTE INHOUD DES WEEKS.

In dit geschrift wordt niets zonder bewijs aangenomen , wat niet zoowel door ongeloovigen als geloovigen moet worden toegestemd. Bij voorbeeld, het bestaan der evangeliën; dat deze bevatten de teekening van een groot karakter, welks beeld voor ons uit hunne gezamenlijke berichten ontstaat; dat de gedeelten tezamen eene eenheid vormen en althans de drie eerste evangeliën hetzelfde karakter van verschillend standpunt teekenen; en het gevolg, dat uit deze gegevens wordt getrokken, is, dat deze eenheid alleen bestaanbaar is bij het feit, dat\'de teekening ons eene geschiedkundige werkelijkheid doet aanschouwen. Niet één van de ontkennende theoriën, die van het ontstaan der evangeliën zoeken rekenschap te geven, doet zelfs poging om ook rekenschap te geven van het ontstaan van deze eenheid in het zoo eenig karakterbeeld. De twee faktoren des karakters, de goddelijke en menschelijke, zijn op onafscheidbare wijze vereenigd en beiden gekenmerkt door eenzelfden zedelijken toon. De samen-

-ocr page 8-

8

smelting van liefde en heiligheid, van hoog zelfgevoel en diepe nederigheid, en het evenwicht ook van alle overige karakterdeelen zijn van dien aard, dat het voor het gezond verstand niet te verklaren is, hoe eene reeks mythendichters, onafhankelijk van elkander te werk gaande, zulk een beeld zouden hebben kunnen verdichten. Jezus zedekundig onderwijs staat zoo vèr boven zijnen tijd, dat het niet is kunnen verzonnen worden door de legenden verzamelaars, die men beweert, dat onze evangelieverhalen hebben bijeen gebracht. Het zedekundig onderwijs hangt zoo nauw tezamen met de wonderverhalen, dat het niet mogelijk is ze als twee niet bij elkaar behoorende deelen van elkander te scheiden. De toon der wonderverhalen en het daaruit zich ontwikkelend onderwijs is even zuiver en hoog gestemd als die van alle enkel leerende gedeelten. De theorie, dat de evangeliën met door kerkelijke richtingen bepaalde bedoeling zouden geschreven zijn, wordt wederlegd. De eenheid van den Christus, zooals de synoptische evangelisten en het evangelie van Johannes die teekenen, wordt gestaafd, en uit alles het gevolg getrokken, dat er onder alle meeningen slechts één is, dat een bevredigend antwoord geeft, namelijk, dat het afbeeldsel van den Christus der evangeliën\' de teekening eener geschiedkundige werkelijkheid en niet eene schepping der dichterlijke verbeelding is.

-ocr page 9-

DE EENHEID, AANSCHOUWELIJK IN HET KAEAKTER VAN DEN CHRISTUS DER EVANGELIËN, EEN BEWIJS VAN DE GESCHIEDKUNDIGE WAARHEID VAN HUN GETUIGENIS.

De persoon, het werk en het onderwijs van den Heer, zooals zij ons in de Evangeliën geteekend zijn, maken het wezen des Christendoms uit en geven ons de gewisheid, dat wanneer deze linn inhoud geschiedkundige werkelijkheid bezit, dan ook het Christendom in den hoogsten zin des woords eene goddelijke openbaring is. Het hedendaagsch ongeloof heeft getoond een open oog te hebben voor deze waarheid. Vandaar het verschil in aard van den vroegeren en lateren strijd. Al is men toch ook in deze eeuw het Christendom blijven bekampen door de Schriften des Ouden Verbonds aan de scherpste kritiek te onderwerpen, toch heeft men nog meer krachten aangewend om meester te worden van het punt, dat in werkelijkheid de sleutel en citadel van het christelijk grondgebied is. Met al de macht, die geleerdheid schenken kan, heeft men getracht het bewijs te leveren, dat de evangeliën ,

-ocr page 10-

10

die voor ons de eenige *) bron zijn, om kennis te verkrijgen aangaande de daden en het onderwijs van onzen Heer, niet zijn een waarachtig bericht omtrent hel leven en de leeringen van den werkelijken Jezus. Toegevende, dat zij eenige zeer kleine deeltjes geschiedkundige waarheid bewaard hebben, houdt men staande, dat het overgroote deel van hun inhoud bestaat uii een samenraapsel van mythen, legenden en scheppingen der verbeelding, waarmede de lichtgeloovigheid en dweepzucht der volgers van Jezus zijn geschiedkundig beeld hebben omhuld.

De twiststrijd, uit dit beweren geboren, strekt zich, zoo wat den aanval als de verdediging aangaat, ovei

\') Het is con alleropmerkelijkst feit, dat het der overlevering niet geluk\' is, om iets wezenlijks toe te voegen aan do berichten, die ons in di evangeliën aangaande \'s Hecrcn onderwijs cn daden bewaard zijn. De gan sche verzameling van de geschriften dor kerkvaders bevatten slechts cei twaalftal van zulke bijzonderheden en deze van niet de minste boteekenis terwijl enkele nog kennelijk verdichtsels zijn. In werkelijkheid vermeerderei zij in niets onze kennis van zijn onderwijs en daden. Toch is het onbetwij felbaar zeker, dat omtrent beiden tot aan de helft der tweede eeuw over leveringen in omloop waren; en wij mogen wel zeker zijn, dat zij in he eerste tijdperk talrijk moeten geweest zijn. In het overgeblevene van Papia: geschriften bezitten wij een voldoend bewijs voor dit ons gevoelen, ei eigenlijk behoeven -wij niet eens zijn getuigenis, want de zaak spreekt bijm van zelve en ook de schrijvers der evangeliën laten er ons r.iet onzeke van, dat de Heer vele dingen gezegd en gedaan heeft, welke door hei niet zijn opgeteekend. In de Brieven van den apostel Paulus treffen wij ééi elders niet bewaard zeggen des Heeren aan, maar het overige van d Nieuw Testamentische Schriften heeft niets dergelijks. Over de Apocryfc Evangeliën spreken wij later.

-ocr page 11-

11

een zeer wijd veld uit. Schrijver dezes stelt zich voor des lezers aandacht bij één enkel punt der bewijsgronden te bepalen, voor zichzelven zeker, dat dit ééne punt in dit vraagstuk eene beslissende beteekenis en waarde heeft. Hij is van oordeel, dat de eenheid, die voor onpartijdigen in het oogvallend is bij het beschouwen van het door de gezamenlijke evangeliën geteekend beeld van den Christus, het voldoend bewijs is van de geschiedkundige getrouwheid der teekening, terwijl zij geheel onbestaanbaar is met het beweren der theorie, welke van eene schepping der verbeelding droomt.

De navolgende feiten, die den grondslag van ons redebeleid zullen vormen, moeten beide door geloo-vigen en ongeloovigen als waarheid worden erkend. Eerstens: de evangeliën bestaan.

Ten tweede: welke theorie men ook voorsta omtrent hun ontstaan en het gehalte van hun inhoud, onloochenbaar bevatten zij de afbeelding van een groot karakter, dat van Jezus Christus, onzen Heer. Ten derde: dit karakterbeeld wordt gevormd door eene menigte losse gedeelten en verrijst uit de samenvoeging van deze voor ons oog.

Ten vierde: de afzonderlijke deelen, waaruit het geheel moet worden bijeengebracht, vormen eene harmonisch samenstemmende eenheid.

Ten vijfde: In minstens drie van de vier evangeliën, die van Mattheus, Markus en Lukas, gewoonlijk de Synoptici genaamd, en gelijk wij

-ocr page 12-

12

gelooven en verder zullen bewijzen, ook in het vierde, bezitten wij verschillende afbeeldsels van hetzelfde karakter, maar waarin het eenig onderscheid is, dat ieder der schrijvers het van eenigzins verschillend standpunt beschouwt.

En nu grond ik op deze gegevens de volgende stelling: dat deze eenheid alleen denkbaar en bestaanbaar is in een afbeeldsel, dat de teekening biedt eener geschiedkundige werkelijkheid en ten volle onbestaanbaar bij de theorie, dat de evangeliën in hoofdzaak bestaan uit een mengsel van mythen, legenden en scheppingen der verbeelding.

Vermits het nu als zeker vast staat, dat hoe wij ons ook de wording der evangeliën voorstellen, zij het afbeeldsel van den Heer bevatten, moeten wij voor alles ons rekenschap geven van het ontstaan van dit beeld. Ik stel dus de vraag, hoe is het daar gekomen?

Één theorie geeft daarvan eene voldoende verklaring, zeggende, dat het de teekening is van een karakter, dat werkelijk heeft bestaan, dat naar het leven getee-kend is. Dit beweren geeft een bevredigend antwoord, terwijl geene theorie, die het ongeloof heeft weten te vormen, zich evenzeer voor eene gezonde rede kan rechtvaardigen.

Welke toch is het redebeloop door de hedendaagsche ongeloovigen in het behandelen van dit onderwerp gevolgd? Terwijl zij als zeker vaststellen, dat de evangeliën geene geschiedkundige waarde hebben, stemmen ook zij volmondig toe, dat zij op voor de rede bevre-

-ocr page 13-

13

digende wijze rekenschap van hun ontstaan moeten geven. Talrijke theoriën, die onderling zeer van elkander afwijken, zijn met dit doel te berde gebracht. Bij alle verschil in bijzonderheden kunnen zij teruggebracht worden tot het volgend viertal.

1. De naturalistische theorie, de verklaring door het oude rationalisme, welke nu geheel is opgegeven als hopeloos onverdedigbaar.

2. De mythen-theorie.

3. De legenden-theorie.

4. Eene theorie, die wij kortheidshalve noemen, de ontwikkelingstheorie of de theorie der tendenzen (een schrijven met berekend overleg ten behoeve der oogenblikkelijke tijdsomstandigheden). Deze theorie evenwel maakt een zeer ruim gebruik van het onderstellen van mythen, legenden en verbeeldingsscheppingen, bij haar rede geven omtrent den aard der bouwstoffen, waaruit de evangeliën, welke wij bezitten, bestaan.

Merke de lezer hierbij terstond op het merkwaardig feit, dat al deze theoriën zijn te berde gebracht, niet tot het geven van rekenschap omtrent het ontstaan van het afbeeldsel van den Christus, maar enkel omtrent het ontstaan der verhalen en meer bijzonder van het bovennatuurlijke daarin. Nu is mijn beweren, dat geene theorie, welke faalt in het geven van eene de rede bevredigende oplossing ten aanzien van het ontstaan van het beeld, kan aanvaard worden als voldoende oplossing van het ontstaan der verhalen, en

-ocr page 14-

14

dit om de duidelijk voor de hand liggende reden, dat het ons voor oogen staande beeld uit de vereende samenwerking der verhalen ontstaat.

Mij dunkt, dit is middagklaar, en toch, hoe vreemd het klinke, het is juist dit punt, dat algemeen over het hoofd is gezien door hen, die aan de evangeliën een geschiedkundig karakter ontzeggen. Zoo ver ik weet, heeft niet een eenig schrijver van dien kant, de noodzakelijkheid ingezien om aan te toonen, hoe het mogelijk heeft kunnen zijn, dat indien de evangeliën slechts zulk een overleveringsmengsel zijn, hoe zij dan een zoo scherp belijnd karakterbeeld, waarin zich de heerlijkste eenheid voordoet, kunnen bevatten. Ook heeft niemand hunner zelfs getracht om op eeni-gerlei wijze deze moeielijkheid, die hunne theoriën in den weg staat, te verwijderen. Toch zal ieder, die onpartijdig nadenkt, moeten erkennen, dat elke theorie, die niet bij machte is rekenschap te geven van het ontstaan van het ééne beeld, geen recht heeft om als waar door te gaan wat betreft haar rekenschap geven van het ontstaan der verhalen.

En nu vraag ik, lezers, uwe aandacht voor de vol gende bijzonderheden, die in het nauwst verband staan tot het ons voorgeteekend beeld en die de theorie, dat wij hier met eene bloote schepping der verbeelding te doen hebben, ten eenenmale ongeloof baar maken.

1. De evangeliën bevatten niet slechts de teekening van een bepaald karakter, maar bovendien van zoodanig een, dat zelfs de groote meerderheid der onge-

-ocr page 15-

15

oovigen gedwongen zijn te erkennen als het verhe-venste, dat ooit werkelijk bestond of door verdichting gedacht werd. Ook heeft het geteekend beeld dit opmerkelijk eigenaardige, dat het de macht bezit om in gelijke mate de bewondering der meest eenvoudigen en kinderlijken en van de meest verstandelijk ontwikkelden uit te lokken. In waarheid het door de evangeliën geteekend karakterbeeld is algemeen menschelijk, voor alle volken en tijden als geen ander; en spreekt krachtiger dan eenig ander tot \'s menschen hoogeren aanleg.

2. Kennelijk is ook dit karakterbeeld geene schepping van kunst, zooals wij in de geschriften van gewone geschiedschrijvers en dichters ontmoeten. Deze hebben de gewoonte eene uitgewerkte teekening te geven van het karakter hunner helden, eene teekening, waarin zij hunne eigene opvatting van dat karakter belichamen, met het doel, om eene zelfde opvatting bij hunne lezers ingang te doen vinden. Zulke karakterbeelden worden dus niet gevormd door de mededeeling der verhaalde feiten, maar zijn de kunstmatige scheppingen van historieschrijvers en dichters. Laat mij mijne meening met een voorbeeld ophelderen. De geschriften van Lord Clarendon, Macaulay en anderen zijn rijk aan beschrijvende teekeningen van dit soort, schilderstukken, die de schepping van den geschiedschrijver zijn. Niet anders vinden wij het in de werken der dichters. Hunne karakterbeelden zijn afgeronde kunstwerken, of geheel naar eigen gedachten verwekt óf geschetst met behulp van zulke geschiedkundige be-

-ocr page 16-

scheiden als hun ten dienste stonden, terwijl zij hunne verbeelding te hulp riepen om het ontbrekende aan te vullen of sterker te kleuren. Ieder mijner lezers zal wel zonder nadere aanwijzing gevoelen, dat al zulke teekeningen het onmiskenbaar werk in zichzelven hebben, dat zij een bloot kunstwerk zijn.

Maar bij de Evangelisten ontbreekt geheel dit eigenaardige van de scheppingen der kunst. Ook de allereenvoudigste lezer moet dit voelen en tasten. Niets kan meer onkunstmatig zijn dan de samenstelling dei-evangeliën. Onmogelijk is het deze geschriften te lezen en niet de overtuiging te ontvangen, dat de sclirijvers niet bedoelden eene karakteekening te geven, maar dat zij bloot een verhaal hebben willen geven, aangaande de dingen, die Jezus beide geleerd en gedaan heeft. Het in leven roepen van het karakterbeeld is onbedoeld, is, als ik het zoo zeggen mag, de toevallige uitkomst van een ander streven. Met dat al staat het beeld niet minder duidelijk en bepaald in hunne geschriften voor onzen geest. En nu, ik herhaal het, het is onmogelijk om in de evangeliën, van hun begin tot het einde, iets te ontdekken, dat op het allerminst naar een volgen van de regelen en eischen der kunst gelijkt.

Er is een tweede feit, dat onze aandacht verdient. Hoewel niemand betwijfelen kan, dat de schrijvers vervuld waren van de diepste bewondering van de persoon huns Meesters, vinden wij bij hen geene enkele uitweiding tot heenwijzing op zijne edele hoedanigheden.

-ocr page 17-

17

Nergens treffen wij uitroepen van bewondering over zijne goedheid, over de waardigheid van zijn handelen, over zijne nederigheid, geduld, zondeloosheid of volmaaktheid in een heiligen wandel en zelfopoffering. Zij doen niets meer dan zijne daden en gesprekken vermelden , waarbij zij niet dan hoogst zelden eenige eigen opmerking voegen. Zelfs vinden wij bij hen nauwelijks een eigen hard woord over \'s Heeren tegenstanders, ofschoon zij deze wel niet anders beschouwen konden dan de hoofdaanleggers van den raad, die hem als een uitvaagsel der menschheid tot den smadelijksten moordenaarsdood deed veroordeelen. Het sterkste woord van veroordeeling, dat wij bij hen vinden is dat van „verraderquot; door Lukas (Luk. 6 : 16) en van „diefquot; door Johannes (Joh. 12 : 6) aangaande Judas gebezigd. In dit opzicht staan de evangeliën opvallend tegenover de Brieven. De schrij vers van deze laatsten geven telkens toe aan den drang om \'s Heeren grootheid, zijne zachtmoedigheid, zijne zichzelven opofferende liefde te bewonderen, terwijl zij gedurig de volmaaktheid van zijn karakter op den voorgrond stellen als het toonbeeld, dat zijne discipelen ter navolging moet voor oogen staan en waaraan zij met inspanning van al hunne krachten moeten zoeken gelijkvormig te worden. Een enkele maal wijzen zij ons ook op Hem als de geduldige lijder. In één woord, Hij is het voorwerp, waarvoor de schrijvers en de onderscheiden gemeenten de innigste liefde openbaren. Wanneer wij van dit alles in de evangeliën niets vinden, kan dit niet een gevolg zijn

2

-ocr page 18-

18

van een geheel ontbreken dezer gevoelens en gezindheden bij de schrijvers, maar het vindt klaarblijkelijk zijne verklaring in het feit, dat zij aan niets anders dachten dan aan een eenvoudig verhalen van zijne levensbijzonderheden, daden en onderwijs. En nu toch, niettegenstaande het in het allerminst niet in hun bedoelen en streven lag ons een karakter te teekenen, hebben zij dit toch gedaan, en met meer waarheid en bepaaldheid dan het ooit aan vroegere of latere geschiedschrijvers of dichters is mogen gelukken.

3. Wat dan vormt de karakterteekening in deze geschriften en hoe staat het beeld ons voor oogen. Onwedersprckelij k komt het ons voor den geest door den vereenden indruk der onderscheiden verhalen, die den inhoud der evangeliën uitmaken; het beeld rijst ons voor oogen enkel door de verhalen zoo nevens elkander te plaatsen, als zij daar zonder kunst door de evangelieschrijvers gerangschikt zijn. Evenzoo is het in het oogvallend, dat de uitwerking niet de vrucht is van een beleidvol kunstmatig schikken der onderlinge deelen. Bijzondere aandacht vraag ik voor dit punt, opdat ieder er recht van doordrongen zij, dat de arbeid der schrijvers geheel vreemd is aan alle schikking of regel van kunst. Hoe is dan het ons geschonken beeld ontstaan? Het doel der evangelieschrijvers was, zooals twee hunner dit zeiven mede-deelen, de geloovigen te stichten en hun de beginselen des Christendoms te leeren. Met dit oogmerk hebben zij ons in vier van elkander onafhankelijke verhalen

-ocr page 19-

19

en geschriften berichten gegeven aangaande \'s Heeren onderwijs en daden, maar dit doende hebben zij eene uitkomst teweeg gebracht, welke zij kennelijk niet op het oog hadden, namelijk, zij hebben ons een mensch te aanschouwen gegeven, in wien wij het levend beeld van volmaakte heiligheid en liefde aanschouwen.

De deelen uit welke dit beeld bestaat zijn overtalrijk. Indien de stelling, welke ik bestrijd, juist is, dan zijn die talrijke deelen een mengsel van mythen, legenden en scheppingen der verbeelding, onafhankelijk van elkander ontstaan en door verschillende personen op verschillende tijden te voorschijn gebracht zonder de minste bedoeling om een karakterteekening te leveren. Met dit al is het onwederlegbaar, dat deze losse deelen zoo bij elkander passen, dat zij een sluitend harmonisch geheel vormen, want de ervaring leert, dat het beeld zich geheel van zelf aan het geestesoog van iederen lezer vertoont. Voorts is het even in het oog vallend, dat terwijl de Jezus der evangelisten op een wijd veld van handeling, onder de meest verschillende omstandigheden en dikwerf in de allermoeielijkste toestanden handelend en sprekend optreedt, en terwijl de hem toegeschreven redenen de meest verschillende onderwerpen omvatten, toch de eenheid van karakter al de verhalen door wordt bewaard.

4. Voorts zij opgemerkt, dat het beeld de uitkomst is van twee faktoren en een goddelijk en menschelijk element bevat. Het eerste deel aanschouwen wij in de wonderverhalen der evangeliën en in die gedeelten van

-ocr page 20-

20

\'s Heeren redenen, waarin hij zijn bovenmenschelijk karakter uitspreekt of verklaringen doet, die alleen bestaanbaar zijn bij zulk een hooger zelfbewustzijn. De ongeloovigen zijn allen eenstemmig in hun beweren, dat deze gedeelten der evangeliën tot de mythen en legenden behooren, door overspannen verbeelding verdicht tot verheerlijking van Jezus werkelijke daden en onderwijs.

Waar dit laatste vaststaat, vraag ik des lezers aandacht voor een punt van het hoogst belang in dezen strijd en welks waarheid ieder zelf gemakkelijk kan toetsen. Wat zedelijk gehalte en kleur aangaat, is het niet mogelijk eenig verschil aan te wijzen tusschen het bovenmenschelijk bestanddeel en de overige deelen des verbaals. In dit opzicht zijn de goddelijke en de menschelijke Jezus geheel aan elkander gelijk. Beiden dragen onmiskenbare teekenen van met een en denzelfden stempel gestempeld te zijn. In plaats dat wij in de evangeliën twee Jezussen vinden, de een een goddelijk en de ander een menschelijk wezen, vloeien beide faktoren steeds onmiskenbaar in elkander en vereenigen zich zoo tot eene geheel harmonisch sluitende eenheid. Zoo innig is in de evangeliebladen deze vereeniging, dat het kortweg onmogelijk is om den bovenmenschelijken van den menschelijken Jezus te scheiden zonder het geheel der verhalen tot een warhoop te maken. Klaarblijkelijk is het alzoo, dat indien de menschelijke bestanddeelen historisch en de boven-menschelijke onhistorisch zijn, dat zij, die deze laatste verzonnen hebben, geheel doordrongen moeten zijn

-ocr page 21-

21

geweest van het hooggestemd zedelijk gehalte, dat het andere kenmerkt.

De volgende opmerking toone het gewicht dezer bedenking. De Heer Mill spreekt het in zijn nagelaten schriften als zijne meening uit, dat het onaannemelijk is, dat de Jezus der synoptische evangeliën een schepping der verbeelding zou kunnen zijn, vermits zijn daarin geteekend karakter zoodanig is, dat het verre staat boven het voorstellingsvermogen, dat het deel heeft kunnen zijn der eerste christenen en zelfs van een man als de apostel Paulus. Doch terwijl hij dit toegeeft, zegt hij het voor zichzelven geheel mogelijk te achten, dat zijn discipelen vroeger en later de reeks van wonderen hebben uitgedacht, welke hem in de evangeliën worden toegekend. Ofschoon nu de Heer Mill het niet met zoovele woorden zegt, geloof ik toch hem geen onrecht aan te doen, als ik uit zijne woorden afleid , dat hij ook al de verhevene uitspraken van den Heer aangaande zichzelven onder de bovennatuurlijke bestanddeelen wil opgenomen zien; want zoo Jezus niet bewust is geweest van het hem inwonend bovenmenschelijke, dan zijn deze zijne woorden blijken van den verregaandsten hoogmoed en zelfverblinding, en dus geheel onbestaanbaar met het zedelijk karakter, dat de Heer Mill terecht aan den Jezus der Synoptici toekent. Al verder spreekt hij het op stel-ligen toon als zijn gevoelen uit, dat de inhoud van het vierde evangelie, dat in zijn oog slechts een armelijk samenraapsel is, door Jezus aanhangers is

-ocr page 22-

22

verdicht en lichtelijk tot in het oneindige had kunnen vermeerderd worden.

Daar dit nu kennelijk zoo is, volgt daaruit de belangrijkheid van het feit, waarop ik thans de aandacht vestig, dat het zedelijk voorkomen van de boven-menschelijke en menschelijke bestanddeelen in de evangeliën van geheel gelijk gehalte zijn. Indien het niet mogelijk is, als waarheid aan te nemen, dat deze laatste een uitvindsel hebben kunnen zijn van Jezus volgers, omdat het ons voorgeteekend karakter hoog verheven staat boven hun voorstellingsvermogen, dan is deze zelfde reden evenzeer van toepassing op de andere. Al verder, indien men de laatste voor historisch moest houden en de eerste niet, dan is het klaarblijkelijk , dat zij, die de bovennatuurlijke bestanddeelen hebben uitgedacht, zich geheel hebben moeten laten doordringen van het hoog zedelijk gehalte, dat aan de bloot menschelijke eigen is, — een zedelijk gehalte, dat de Heer Mill stellig niet bereid zou zijn om aaneen kring van bijgeloovige mythenformeerders toe te kennen. Het geheele vraagstuk lost zich dus op in een punt, dat op het gebied der feiten ligt. Die vraag is deze: Staat het zedelijk gehalte van de boven menschelijke bestanddeelen der evangeliën op gelijken grond met dat der menschelijke? Wij voor ons beweren, dat op die vraag een bevestigend antwoord moet gegeven worden.

Voor de ons noodige bewijsgronden verwijzen wij den lezer niet enkel naar eene reeks onsamenhangende Bijbelplaatsen, maar naar het geheel der evangelie-

-ocr page 23-

23

schriften. Het Nieuwe Testament is onder ieders bereik en ieder kan dus de waarheid van ons beweren toetsen aan een nauwkeurig nagaan van den inhoud dier schriften. Wie dit doet, ik ben ik zeker van, hij zal moeten komen tot de erkentenis, dat het zedelijk voorkomen van het bovenmenschelijke in Jezus van geheel gelijk gehalte is als het gewoon menschelijke, en dat beide in het evangelie verhaal zoo onmerkbaar in elkander overgaan en samensmelten, dat het niet mogelijk is ze in werkelijkheid van elkander los te maken en te scheiden. 1)

Deze zijn eenige der meest treffende feiten, die wij op het oppervlak der evangeliën aantreffen, en die aan iederen lezer moeten in het oog vallen. Hoe nu wordt door hen, die het historisch karakter der evangeliën loochenen, van het bestaan dezer feiten rekenschap gegeven?

Hunne theorie komt in het kort hierop neder. De historische Jezus was een zeer groot man, wien het gelukt is een zeker getal ijvervolle en lichtgeloovige

\') Het zij mij vergund om deze samensmelting met enkele voorbeelden te staven. In Matth. V en in geheel de Bergrede wordt Jezus ons voorgesteld als Wetgever op het gebied van het Koningrijk Gods, waarbij hij alleen op eigen gezag wetten uitvaardigt, en voorschriften wijzigt of opheft, die Hijzelf en zijn hoorders gewis met goddelijk gezag bekleed achtten. Gelijke toon van gezag is eigen aan zijn zedelijk onderwijs, b. v. Matth. X:32 — 42: Matth. XI;25- 30: Matth. XXV : 31 —46 enz. Voorts als wij de wonderverhalen in hunnen samenhang lezen, treft het ons, dat de Heer ons in zijn spreken en handelen wordt voorgesteld als oen machthebbende, die macht heeft in eigen naam teekenen te doen en zonden te vergeven.

-ocr page 24-

24

volgers aan zijn persoon te verbinden. Deze hebben zich ingebeeld, dat hij de door zekere oude profetiën voorspelde Messias was, en geloovende, dat de Messias dingen doen moest, als zij beschreven hebben, beeldden zij zich ook vast in, dat Jezus deze teekenen werkelijk gedaan had. Deze neiging om den Heer wonderen toe te dichten groeide met macht aan gedurende de eerste eeuw na zijn dood. Een groot aantal ideën-kramers vond een groot aantal verhalen uit, die hem een bovenmenschelijk karakter en het bezit van wondermacht toekenden, en de lichtgeloovigheid der eerste geloovigen leidde hen er toe om in deze verhalen feiten uit zijn werkelijk leven te zien. Het gevolg hiervan was , dat de historische Jezus allengs eene gedaanteverwisseling onderging, waardoor hij in een mythischen held werd herschapen en waardoor de werkelijke gebeurtenissen uit zijn leven onder een vracht van mythen en legenden werden begraven. Zoodanig was de gesteldheid van zaken, toen de schrijvers der drie eerste evangeliën deze legendarische herinneringen ter hand namen, en met behulp van enkele reeds in aanwezen zij nde geschriften hunne evangeliën hebben samengesteld. Spoedig reeds verkreeg deze hun arbeid zulk een bijval onder hunne tijdgenooten, dat hij al de andere overleveringen verdrong op die na, welke in achttien geschriften, welke onecht gerekend worden, zijn bewaard. Het vierde evangelie is, zoo verzekert men stoutweg, een opzettelijk vroom bedrog, het werk van een onbekend christen, die geheel doordrongen van de be-

-ocr page 25-

25

ginselen der Alexandrijnsche school, zijn Meester in den geest dier school heeft willen verheerlijken. Deze theoriën zijn, het is zoo, met belangrijke wijzigingen voorgesteld, maar wat ik mededeelde is voldoende om haar algemeenen inhoud en karakter te teekenen. Met dit oppervlakkig beweren maakt het hedendaagsch ongeloof zich van de zaak af bij het voor ieder noodzakelijk zich rekenschap geven van het karakterbeeld van den Christus in de Schriften. De navolgende zijn eenige van de onmogelijkheden, welke dit stelsel bevat.

Naar de theoriën, die wij te wederleggen hebben, hebben de uitvinders van het legendarisch deel, waaruit onze tegenwoordige evangeliën zijn geworden, eene talrijke reeks gevormd. Dit wordt niet alleen toegestemd door hen, wier inzichten ik bestrijd, maar deze opvatting volgt als van zelf uit het beweren, dat de stof allengs en gedurende een ruim tijdsverloop is aangegroeid. Ook is het uit de tijdsomstandigheden middagklaar, dat onderling overleg eene onmogelijkheid is geweest, in zoover de mythenscheppers behoorden tot gemeenten, die verre van elkander verwijderd leefden.

Wat wil men nu, dat wij zullen aannemen als de ware verklaring van de wording van het Christusbeeld in plaats van de voor de hand liggende, dat wij in dat beeld de afteekening der historische werkelijkheid bezitten ? Men dringt ons als waarheid te erkennen, dat eene reeks ideëndrijvers, ieder op eigen hand, zijn bezig geweest met het verzinnen van een aantal verheeldingsgeschie-

-ocr page 26-

26

(ienisseu, die men als woorden en daden van Jezus heeft voorgesteld. Uit deze menigte overleveringen hebben de drie eerste evangelisten eene keus gedaan en door hun daaruit een verhaal scheppen, zijn drie afbeeldsels van Christus aan het licht gekomen, die ieder op zichzelf eene eenheid vormen en evenzeer alle drie vereenigd dezelfde eenheid van karakter vertoonen. Geene andere is de voorstelling, welke men ons als waarheid zou willen opdringen, waar het er op aan komt ons zeiven rekenschap te geven, van den oorsprong van het levensbeeld van den Christus in de Schrift.

Misschien zal iemand, die dit leest, zich verbazen, dat de schepping van het geheele karakterbeeld niet aan een eenigen ideëndrijver is toegeschreven, maai dit te beweren is zoo in strijd met al de ter onzer beschikking staande zekere historische gegevens, dat niet één bestrijder van den inhoud der evangeliën daarmede is kunnen of durven optreden. Verder merke men op, dat het eenig middel, dat de uitvinders van het afbeeldsel tot hun behulp konden hebben, is het beeld van den Messias, zoo als dit in losse trekken voorkomt in de geschriften des Ouden Verbonds, voorts in enkele apocryfe boeken, waaronder het boek Henoch de eerste plaats bekleedt, en dan in de ten dien dage heeschende volksvoorstelling aangaande den verwachten Messias. Intusschen de hulp uit deze bronnen te putten moest wel bijna onberekenbaar klein zijn, vermits bij velerlei karakterverschil

-ocr page 27-

27

de Messias des Ouden Verbonds doorgaans geteekend wordt als een zegenvierende krijgsheld, terwijl de Christus der evangeliën de Vredevorst is, die het zijnen volgers zelfs verbiedt om zijne zaak met vleesche-lijke wapenen te dienen. De Messias van het boek Henoch is een bovenmenschelijk wezen, wien niet een enkele trek van het menschelijke eigen is, en de hoofdvoorstelling dor volksverwachting was een held, die het juk der Romeinen verbreken en Israël verheffen zou tot heerscher over alle volken. Met al deze voorstellingen is het beeld, ons in de evangeliën geteekend, niet alleen in strijd, maar daarvan het tegenbeeld. Zeker is het dus, dat wanneer de ideëndrijvers eenige van de boven aangewezen grondstoffen als model voor hun beeld gekozen hadden, zij ons een Christus zouden hebben geteekend hemelsbreed verschillend van dien, welke in de evangeliën beschreven is.

Naar de theoriën van hen, wier beschouwing ik bestrijd, zijn nu toch de evangeliën op natuurlijke wijze voortgesproten uit de zedelijke on godsdienstige denkbeelden en uit de Messiaansche voorstellingen in dien tijd. Deze echter waren zonder weerspraak we-reldsch en vleeschelijk. De mythenformeerders moeten dus op een of andere wijze eene machtige schrede vooruit hebben gedaan en zich op zeer opmerkelijke wijze hebben weten te verheffen boven den zedelijken en geestelijken dampkring, waarin zij leefden, want de Christus der evangeliën is onloochenbaar een geestelijke Christus en de zedeleer in zijn.onderwijs omvat.

-ocr page 28-

28

beantwoordt aan de hoogste eischen, die aan een zedelijken wandel te stellen zijn. Daar er nu geen sprake van zijn kan, dat zij, die naar men wil de mythen en legenden, waaruit de evangeliën bestaan, hebben verzonnen, tot onderling overleg hebben kunnen bijeenkomen , leidt dit tot de wettige gevolgtrekking, dat zij allen als van zeiven gekomen zijn tot eene geheel gelijke opvatting van het karakter, dat aan den Christus moest eigen zijn. Wie, die nog eenigszins onpartijdig kan oordeelen, zal zoodanige onderstelling niet geheel on geloof baar achten.

Maar aan eene andere onderstelling kan nog de voorkeur gegeven worden. Zij, die de evangeliën, welke wij bezitten, hebben samengesteld, kunnen uit eene groote menigte bouwstoffen, die ter banner beschikking stonden, alleen die, welke aan één bepaald type beantwoordden, hebben gekozen, en door hun verwerpen van al de overigen, die aan de vergetelheid hebben prijs gegeven. Deze onderstelling evenwel is slechts in zeer geringen graad minder ongeloof-baar dan de vorige; want het is een onderscheidend kenmerk van de theorie, die wij bespreken, dat men aanneme, dat de eerste geloovigen (en daaronder ook de mythenformeerders) in de hoogste mate lichtgeloovig en bijgeloovig geweest zijn. En nu bewijst de geschiedenis van alle eeuwen, dat waar lichtgeloovigheid en bijgeloof mythen en legenden uitdenken, die altijd een zeer laag merk vertoonen. Hoe dan nu zijn de schrijvers onzer .evangeliën in het bezit geraakt van

-ocr page 29-

29

eene reeks verhalen, die aan een standaard der hoogste zedelijke eischen beantwoorden ; of zoo ook al deze voor hen verkrijgbaar waren, wat verklaart ons de uitkomst, dat zij tot één toe al wat laag en van minder allooi is, hebben verworpen en alleen wat rein en verheven is, in hunne verhalen hebben opgenomen? Onmogelijk is het, om op deze vraag een antwoord te geven waarmede het gezond verstand vrede kan hebben.

Al verder zij opgemerkt, dat de evangeliën, welke wij bezitten, al wat als overlevering van minder gehalte bestond of overig is, hebben verdrongen. Waardoor is deze uitkomst verkregen? Lichtgeloovige en bijgeloovige geestdrijvers toonden steeds een voorkeur voor het tot wanstaltigheid overdrevene, en de veronderstelling, die wij bespreken, neemt als bewezen aan, dat de eerste belijders zulke lichtgeloovige en bijgeloovige geestdrijvers zijn geweest. Wat kan er dan zulken toe gebracht hebben, om een reeks verhalen van het meest verheven karakter aan te nemen, als het eenig waar verhaal van het leven en de daden van den Stichter der gemeente, in plaats van zulke overleveringen te kiezen, als de volle overeenstemming met hun smaak vertoonden? Toch is het blijkens de uitkomst een feit, dat zij het reine en edele gekozen hebben en al het overige als waardeloos der vergetelheid prijs gegeven; terwijl de apocryfe evangeliën, als geschriften van later dagteekening ongezocht bewijzen, hoedanig hun werk zou zijn geworden, als hen de hun toegedachte geest had gekenmerkt.

-ocr page 30-

30

Deze laatste opmerking is voor ons van het hoogst gewicht, want door het nog bezitten van deze apocryfe evangeliën behoeft de gemeente voor geen oogenblik onzeker te zijn aangaande het soort van verdichtsels, welke bijgeloovige mythenvereerders als een hun kostelijke schat verzamelen. In deze door de gemeente als onecht verworpen evangeliën bezitten wij een aantal verdichtsels, die den persoon onzes Heeren tot middelpunt hebben. Twee van deze dagteek enen van voor het einde der tweede eeuw, de overigen zijn van nog later tijd. Wij kunnen uit die geschriften met zekerheid weten, welk soort van daden in die dagen de verdichters bij voorkeur aan den Heer toeschreven. De voorvallen, die zij vermelden, zijn beperkt tot twee gedeelten zijns levens, namelijk, zijn kinderleeftijd en jeugd, waaromtrent de evangeliën bijna geheel zwijgen, en het tijdperk van zijn lijden en zijner opstanding, maar de geschiedenis van zijn openbaar optreden en onderwijs gaan zij geheel voorbij. De wonderen, die zij als door hem verricht mededeelen, zijn bijna zonder uitzondering ongerijmd en aan allen ontbreekt een zedelijk karaktermerk. Bijna allen wekken een te pijnlijk gevoel om zelfs hun inhoud te kunnen mededeelen , daar zij nauwlijks anders dan eene bespottelijke misvorming zijn van Hem, dien de evangeliën ons als verheven en heilig doen kennen. Elders heb ik in een mijner geschriften het beeld van den Jezus dezer geschriften en dien der evangelisten tegen elkander overgesteld en deze was de slotsom dier vergelijking:

-ocr page 31-

31

T

„De zaak dan is dus gesteld. Onze evangelisten geven ons het beeld van een verheven, heerlijken Christus, de apocryfe bevatten een beeld, dat walging en minachting inboezemt. Onze evangeliën kennen hem den hoogsten vorm van menschelijke grootheid toe, de mythische weten van hem niet ééne daad te vermelden, die eenigen indruk van grootheid wekt. In onze evangeliën spreekt hij met meer dan menschen-wijsheid, in de mythische daalt zijn spreken daarentegen tot laffe ongerijmdheid. In onze evangeliën ichittert hij door den glans van volmaakte heiligheid, in de apocryfe ontbreekt dit karaktermerk geheel. In onze evangeliën ontsiert hem niet één smet van zonde, in de apocryfe is Jezus een luimige en boosaardige maap. Onze evangeliën leeren eene zedelijkheid, die de scherpste toets kan doorstaan , maar in het werk der mythenverzinners is daarvan zelfs geen spoor. De wonderteekenen, die in beide soorten van geschriften vermeld worden, staan in karakter lijnrecht tegen elkander over. Gelijke tegenstelling geldt van ieder punt.quot;

Zoo spreekt en handelt de mythologie, zoodra, zij den persoon onzes Heeren wil doen kennen. Van daar dat de onderstelling, dat het grootsch karakter, dat de evangeliën teekenen, eene schepping is van eene menigte lichtgeloovige en bijgeloovige geestdrijvers met de tastbare werkelijkheid te zeer in strijd is, om eenig geloof te verdienen.

Zelfs door ongeloovigen is erkend, dat het karakter

-ocr page 32-

32

van den Christus der evangeliën door de zuiverste verhevenheid uitmunt. Indien dan dit karakter niet meer is dan eene schepping der verbeelding, moet het gerangschikt worden onder de meest volkomen voortbrengsels der kunst; is het een kunstwerk evenals voortreffelijke dichtstukken, schilderstukken en beelden dit zijn. Maar nu is nog nooit eenig kunststuk als een spel van het toeval ontstaan. Al wat waarlijk zich als kunstwerk onderscheidt, is de schepping van personen met buitengewone talenten begaafd. Indien dus, zooals de onderstelling van hen die ik bestrijd , dit medebrengt, de Christus der evangeliën de vrucht is van het werk van een aantal m^ythenverzamelaars, dan volgt uit dit beweren, dat allen, die aan deze schepping aandeel hadden, personen van buitengewoon talent en hoog zedelijk karakter zijn geweest.

Wanneer wij deze theorie op eenig erkend kunstwerk, hetzij gedicht, schilderwerk of beeld toepasson, moet de ongerijmdheid er van zonneklaar worden. Nemen wij aan, dat een karakter, hetwelk door een geheel dichtstuk heen handelend optreedt, een nauwsluitende eenheid openbaart; dat èn gedicht èn karakterbeeld onder dit soort van kunstwerken op eene eerste plaats aanspraak hebben, en voorts, dat deze beiden de vrucht zijn van den arbeid van een groot aantal dichters, die onafhankelijk van elkander en geheel naar eigen inzicht de verschillende deelen hebben bewerkt. Maar daar het geheel uit al zijne deelen bestaat, moét noodzakelijker wijze worden ondersteld,

-ocr page 33-

33

dat een aantal personen, allen van zeldzaam dichterlijk talent, op eigen hand en naar eigen inzicht tot het geheel hebben bijgedragen. Indien men ons evenzoo wilde dwingen om te gelooven, dat eenig beroemd schilderij of beeld op gelijke wijze was ontstaan, dan zouden wij noodwendig moeten aannemen het tegelijk bestaan van een groot aantal kunstenaars van den eersten rang, die öf bij onderlinge overeenkomst of bij toeval zich gezet hadden tot het afzonderlijk vervaardigen der verschillende deelen, die dan tesamen-gevoegd het schilderstuk of beeld zouden vormen; en dat deze verschillende afzonderlijke deelen, na te zijn bijeengevoegd, niet slechts eene eenheid, maar een schilderstuk of beeld van de uitstekendste kunstwaarde hadden gevormd.

Een enkel voorbeeld is voldoende om het ongerijmde van zulk eene onderstelling duidelijk te maken. In de schilderij verzameling van het Louvre is een beroemd schilderstuk als „de Bruiloft te Kanaquot; bekend. Het vertoont een zeer groot aantal personen met groote kunst tot eene groep gerangschikt, zoodat bij alle verscheidenheid en afwisseling de eenheid, die de kunstenaar heeft weten te bewerken, oog en geest aangenaam aandoet. Passen wij nu op deze schilderij de theorie toe, die men ons als eene redelijke verklaring van het ontstaan der evangeliën wil doen aannemen; alsook van het eenig karakterbeeld ons in die geschriften bewaard. Wanneer dan de Parijsche schilderij niet is de samenstelling van een eenig kunstenaar doch

3

-ocr page 34-

34

van eene menigte schilders, die ieder, zooals die tlieori( eischt, op eigen hand en van elkander onafhankelijl; eene reeks beelden moeten hebben geschilderd, dan ilt; deze schilderij gevormd uit eene nevens elkander schikking dezer groepen. Maar dit is eenvoudig weg eene onderstelling, die niemand met gezonde hersenen, aanvaarden kan. En toch is het onwedersprekelijk, dat de theorie, welke men ons als redelijk ten aanzien van de wording der evangeliën wil doen aannemen, en dus ook als voldoende verklaring van het daarin geteekend karakterbeeld van den Christus, nog dooi verreweg grooter moeielijkheden wordt gedrukt. Immers die schrijvers verre van mannen van groot talent en hooge zedelijkheid te zijn, waren naar den eisch dei theorie, die wij verwerpen, een hoop lichtgeloovige en bijgeloovige geestdrijvers.

Terecht mag men vragen, waarom zij, die de verschillende theoriën voorstaan, welke door mij bestreden worden, zichzelven bemoeielijken met het beweren, dat de eerste belijders des evangelies zoo lichtgeloovige en bijgeloovige geestdrijvers waren. Zij worden daartoe gedrongen, om zoo dezer gereedheid te verklaren tot het als waarheid aannemen der verschillende wonderdaden, die aan Jezus worden toegeschreven, ofschoon hij, naar men nu beweert, niet één daarvan heeft verricht.

De geest, die legenden zoekt en bij voorkeur daarin leeft, gaat als eigenaardig gevolg des bijgeloofs, altijd gepaard met een laag zedelijk ideaal, maar hierbij komt nu nog, dat naar de theoriën, welke bij cl\'

I

-ocr page 35-

35

ongeloovigen zoo ruimschoots ingang vonden, deze bijzondere legenden de scheppingen moeten geweest zijn van personen, die te gelijk zeer bekrompen en lichtgeloovig , en tot dweepzucht toe overspannen waren. Intusschen zijn de evangelieverhalen in de werkelijkheid vrij van alle tint van dweeperij en is er, zooals ik reeds vroeger opmerkte, nauwelijks eenig spoor van opgewonden geestdrift in te ontdekken. Hierbij komt nog, dat volgens de theoriën van het moderne ongeloof de gemeente, in wier midden deze legenden ontsprongen, bezield waren door een machtigen partijgeest, welke haar in ontelbare sekten splitste. Indien dit zoo geweest is, welke uitkomst zou dit moeten gehad hebben, welk soort van legenden moest dan daarvan de vrucht zijn geweest? Het kan niet anders, of deze zouden krachtig getint zijn geworden door dezer zedelijke gesteldheid, en zij zouden de onbetwijfelbare kenmerken van hunne kleingeestigheid hebben gedragen. Iedere sekte zou eene reeks van legenden in overeenstemming met haar eigen bij zonderen smaak hebben uitgedacht, en daar de Joodschgezinde partij de talrijkste en machtigste was, zou deze gewis legenden hebben verzonnen, die het afdruksel van hare bekrompenheid van geest en onverdraagzaamheid waren. En nu blijikt ons. dat het een onloochenbaar feit is, dat die geest zich nergens afspiegelt in het verhaal van eenige daad, die aan den Heer wordt toegekend. Groot moet dus wel de eenstemmigheid der uitvinders geweest zijn en zij door een ideaal van

-ocr page 36-

36

zeldzame verhevenheid bezield zijn geworden! Hierop nadruk leggende, vraag ik nu aandacht voor eenige weinige feiten tot toelichting van de moeielijkheden, welke de ideëndrijvers moeten hebben kunnen overwinnen, alvorens het hun had kunnen gelukken om de verschillende deelen te teekenen, waaruit dit zoo verheven karakter is gevormd.

1. Zonder voorafgaand overleg moeten zij hebben samengewerkt tot het teekenen van een karakter, dat buiten alle tegenspraak eene vereeniging van goddelijke en menschelijke eigenschappen en deugden in eene en dezelfde persoonlijkheid toont. Het karakterbeeld ons in de evangeliën gegeven is voor ieder kennelijk niet de teekening van zulk een, dat door en door goddelijk noch ook dat zuiver menschelijk is, maar het wordt gevormd door eene paring van het boven-menschelijke aan het menschelijke. Het vraagstuk zou niet zoo moeielijk op te lossen zijn geweest, indien een mythenschepper zich had voorgesteld een karakter te schetsen, waarin beide eigenaardigheden afzonderlijk nevens elkander voorkwamen; zoodra zij echter ten nauwste vereenigd moeten worden afgemaald , wordt het een zeer moeielijk op te lossen vraagstuk, welk deel aan het bovenmenschelijke en aan het menschelijke toe te kennen, zoo dat zij ongemerkt in elkander overgaan en eene harmonische samenstemmende eenheid vormen. Maar deze moeielijkheid neemt onberekenbaar in omvang toe, indien een aantal mythenverzamelaars ieder in eigen weg deelen van zulk een karakter hadden

-ocr page 37-

37

uitgedacht, die te samen gevoegd, of zelfs na eene keus uit de deelen, zulk eene eenheid zouden opleveren. Intusschen is het eene voor ieder tastbare waarheid, dat de Christus der evangeliën deze eenheid te aanschouwen geeft en dat de twee bestanddeelen zijns karakters met keurige volkomenheid ineensluiten.

2. Ook hebben zij moeten samenwerken tot het teekenen van een karakter, waarin wij de volmaakte openbaring van welwillendheid gepaard zien aan volmaakte heiligheid, terwijl het tegenover enkele vormen van zedelijk kwaad die vlekkelooze heiligheid als toornende gestrengheid vertoonde. Met nadruk vestig ik de aandacht op dit bijzonder punt, omdat wij eene rijke letterkunde bezitten ten aanzien van de uiteenzetting, hoe deze drie eigenschappen wel zich in een en denzelfden persoon moeten voordoen om eene eenheid, die een goed gesloten karakter aanbiedt, te vormen; terwijl niet weinigen samengaan in het beweren, dat het volmaakt zijn in goedheid noodwendig de strengere gestalte van heiligheid uitsluit. Toch voegt zich dat strenger karakter volkomen in het beeld, dat ons de evangelisten geteekend hebben, zoo volkomen in het vriendelijk zachte, dat hem eigen is, dat de meeste overeenstemming in het afbeeldsel des Heeren ons treft. Ook vinden wij in de evangeliën niet de minste vingerwijzing naar een eenige legende, die hem anders zou hebben geteekend. In dit opzicht is de eenheid in \'s Heeren karakterbeeld volkomen:

3. Talrijk als de mythenverzamelaars moeten ge-

-ocr page 38-

38

weest zijn, hebben zij toch hierin eene volmaakte eenstemmigheid betoond, dat zij aan Jezus eene volstrekte onzelfzuchtigheid toekennen. Wanneer wij de vier evangeliën van de eerste tot de laatste bladzijde doorlezen, zullen wij in het beeld des Heeren niet een eenige trek, welke zelfs naar zelfzucht zweemt, ontwaren. Hieruit volgt, dat geen van de talrijke legenden, waaruit het geteekend karakter is samen gevoegd, hem heeft kunnen voorstellen, als door eene persoonlijke beleediging tot gramschap geprikkeld of door eenigen anderen prikkel van zelfzucht in zijn spreken en handelen gedreven. Toch wordt bij meer dan ééne gelegenheid van zijn toornen gewaagd, maar bij ieder dezer gelegenheden blijkt ons, dat die toorn door een uitersten vorm van zedelijke verdorvenheid is gewekt. En nu komt dat onzelfzuchtige wel nauwelijks ergens meer sprekend uit dan in de wonderverhaen, welke volgens de beschouwingswijze, die ik bestrijd, niets dan een samenraapsel van legendarische verzinsels zijn.

4. Even eenstemmig hebben zij moeten wezen in het toeschrijven een er zelfbewustheid aan den Heer, waarin het doordrongen zijn van het kennen zijner eenige grootheid zich met de meest volkomen nederigheid vereenigt. Ik spreek van zelfbewuste grootheid, omdat het zich toekennen van deze op zoo sterk mogelijke wijze in den Christus der evangeliën aan het licht treedt. Het zijn beweringen, welke, met één woord gezegd, onzin, ja, heiligschennis in den mond van elk ander mensch zijn zouden, terwijl hare buitensporigheid te

-ocr page 39-

39

grooter wordt, wanneer wij letten op het maatschappelijk laag standpunt van hem, die ze uit. Zou er wel zwaarder proef voor het talent van een novellen-schrijver of dichter kunnen worden uitgedacht, dan om de onderdeden van zulk een karakter zoo met elkander in overstemming te brengen, dat daarin eene ideale volkomenheid zich uitspreekt ? Ik vat niet, welk moeielijker gegeven hun zou kunnen worden voorgesteld, en toch sluiten deze in keurige overeenstemming in den Jezus der evangeliën en ontwaren wij dit bijzonderlijk in de verhalen zijner wonderdaden. Maar hoe ver hij ga in het zich toekennen van heerlijkheid , nooit dringt hij zichzelven op, maar overal en in alle omstandigheden zien wij hem met nederigheid bekleed. Dit zijn trekken, wier fijne toetsen alle macht van nabootsing tarten, en wie kan ontkennen, dat zij in den ganschen bouw der evangeliën sprekend aan het licht komen. Reeds een eenig ideënvertolker zou het teekenen van dit deel van het Christuskarakter allermoeielijkst bevonden hebben; en nu hebben volgens de theorie, die ik bestrijd, niet alleen de talrijke myth en verzamelaars der eerste christenheid eenstemmig deze treffende karaktertrekken aan Jezus toegekend, maar het is hun ook gelukt daarvan eene onberispelijk volmaakte teekening te geven.

5. Eveneens moeten zij eenstemmig zijn geweest in het toeschrijven van het ideaal van zedelijke volmaaktheid aan het door hen uitgedacht karakter, en wat nog merkwaardiger is, zij moeten allen slechts ééne

-ocr page 40-

40

meening gehad hebben omtrent den aard en het wezen der karaktertrekken, die het ideaal van zedelijke volmaaktheid openbaren. Allen weten wij, dat de meeningen steeds hebben uiteengeloopen, wanneer het er op aankwam om wijsgeerig te bepalen in welke mate en graad de verschillende menschelijke deugden zouden moeten worden bijeengevoegd om een zedelijk karakter te vormen. Nu moeten de teekenaars van het beeld van den Jezus der evangeliën op een of andere wijze gekomen zijn tot eene onbewuste eenstemmigheid, want in hunne geschriften is geen enkele trek van tweestrijd te ontdekken. Voorts is door alle tijden en vooral in de oudheid de mensch er toe geneigd geweest om de hoogste plaats toe te kennen aan hei-den- en staatsmansdeugd, en aan die van zachter, minder in het oogvallend karakter de lagere toe te wijzen. Maar al ontbreken nu in den Christus der evangeliën de trekken niet, welke een onverschrokken heldengeest onderscheiden, deze treden op den achtergrond nevens het vriendelijk zachte, dat in zijn gansche wezensopenbaring spreekt. Hier moeten dus alweder de talrijke my then verzamelaars eenstemmig tot een besluit zijn gekomen, dat lijnrecht overstaat tegen datgene, dat de bijna eenstemmige meening aller eeuwen hen moest gedrongen hebben te nemen.

6. De teekening van den lijdenden Christus is wonderbaar schoon, en zoo belangrijk is de plaats, welke deze beslaat, dat zij bijna drie zeventienden van den geheelen omvang der evangeliën inneemt.

-ocr page 41-

41

Maar nu stemmen, gelijk wij zagen, de zoogenaamde mythendichters er gezamelijk in overeen, om aan hun denkbeeldigen Christus een bovenmenschelijk karakter toe te schrijven. Zij kwamen daardoor te staan voor een allermoeielijkst op te lossen vraagstuk, hoe zulk een karakter in de gestalte eens lijders te teekenen. De geheele omvang der oude letterkunde, gesteld zij waren daarmede bekend geweest, kon hun voor het gewenschte beeld geen type als model leveren; want hadden zij het weinige, dat oude dichters op dit gebied bevatten als voorbeeld gebezigd, het zou hen verre hebben afgeleid van de beeldtenis van den Christus, welke ons de evangeliën te aanschouwen geven. Denkt slechts aan den Prometheus van iEschylus. Slechts twee hulpbronnen boden hier zich aan, namelijk de twee en twintigste Psalm en het drie en vijftigste hoofdstuk van Jesaia, maar beide deze Oud-Testamen-tische profetiën aangaande den Christus gaven hun toch niet meer dan onzekere schetslijnen en die nog moeielijk waren in overeenstemming te brengen met andere profetische voorspiegelingen van het Messias-beeld. Voorts hadden zij bij de poging om den Messias als een geduldig lijder voor te stellen, den ganschen stroom der volksverwachtingen tegen zich. En nu aanschouwen wij in hun afbeeldsel van den lijdenden Christus een geheel, dat in al zijne deelen op de treffendste wijze sluit. Er is geen enkele schrille trek aan te wijzen, die de heilige harmonie verstoort. Zijne onderwerping aan \'s Vaders wil is volkomen, een

-ocr page 42-

42

hoogere vrede spreekt in al zijne woorden en daden, zijne waardigheid handhaaft hij ten einde toe tegenover zijne vervolgers en rechters, tot onder het lijden der folterendste pijnen blijven zijn geduld en lijdzaamheid onverminderd. Wat kan de waardigheid en zelfbeheersching, door hem tegenover Pilatus betoond, overtreffen, en is grooter geduld of lijdzaamheid denkbaar dan wij den Lijder op het kruis zien openbaren ? Voorts leert ons de ervaring aller eeuwen, dat hooggaand lijden den mensch er als van zelf toe brengt, om al zijne gedachten tot zichzelven te bepalen. Maar dit is geenszins het geval in den Christus der evangeliën. Toch is het iets geheel menschelijks door lijden beangstigd te worden, tegen het dulden daarvan op te zien, en nu is de Lijder der evangeliën opgevat als bovenmenschelijk maar evenzeer als zuiver men-schelijk wezen, — en hoe zijn die beide bestand-deelen van hetzelfde karakter in het geteekend beeld tot overeenstemming en eenheid gebracht? Het antwoord der Synoptische evangeliën vinden wij in het voorgevallene in Gethsemane. Wie is in staat na hen iets zoo innigs en roerends te schetsen? Het gansche verhaal des lijdens is van den aanvang tot het einde eene eenheid. Indien dus dit verhaal mythische be-standdeelen bevat, moeten de mythendichters eenstemmig geweest zijn in de door hen gevolgde wijze van teekening. Wat zij ons hebben nagelaten is in zijne uitvoering zoo volmaakt, dat een het Christendom weinig gunstig gezind schrijver aan een door hem ver-

-ocr page 43-

43

dicht persoon, die men evenwel meent, dat zijne eigen gevoelens op dit punt weergeeft, de woorden heeft in den mond gelegd: „indien het sterven van Socrates was, zooals het een wijsgeer betaamde, is wel het lijden en sterven van Jezus, zooals de evangeliën dit voorstellen, eenen God waardig.quot;

7. Renan heeft als zijne overtuiging uitgesproken, dat geen karakter, werkelijk of verdicht, dat van Jezus nabij komt in het bewustzijn eener innige verwantschap met God en in het waarlijk beseffen van Gods zedelijk vaderschap. Versta ik hem wel, dan beschouwt hij dit als een in werkelijkheid bestaan hebbende trek in het karakter van den historischen Jezus, al moet ik tevens zeggen, dat het zeer moeielijk te vatten is, hoe zulk eene meening bestaanbaar is met zijn oordeel, dat eene menigte stof van legendarisch karakter in de evangelieverhalen is opgenomen. Hoe dit zij, erkend moet worden, dat het aannemen van zooveel historische waarheid in de evangeliën, als waartoe Renans stelling noodzaakt, geheel onbestaanbaar is met de theoriën, die als juist bij de moderne ongeloovigen gangbaar zijn. Nochtans heeft Renan niet meer erkend dan een feit, dat voor ieder, die de evangeliën leest, tastbaar is, namelijk, dat de Christus ons zonder afwijking is geteekend als hebbende het meest innerlijk bewustzijn van gemeenschap met God en dat hij God niet alleen als zijn eigen Vader erkent, maar ook der menschheid de groote waarheid, dat God haar Vader is, heeft doen kennen. Het feit, waarop Renan wijst, kan

-ocr page 44-

44

meer nauwkeurig dus worden beschreven. De Christus, zooals de evangelisten hem ons voorstellen, is zeer bestendig bewust van het hem eigen, goddelijk beginsel. Voorbeelden hiervan treffen wij op bijkans elke bladzijde der evangelieverhalen aan, maar vooral daar, waar bij als zedeleeraar alleen op eigen gezag de wetten van het koningrijk der hemelen uitvaardigt, of waar hij wonderteekenen doet, of waar wij hem mogen gadeslaan in het oefenen van innige gemeenschap met God. Indien nu zijn afbeeldsel niet meer is dan de vrucht van afgetrokken bespiegeling, dan moet bet waar zijn, dat de mythendichters als van zelf tot eene overeenkomst zijn geraakt, hoe zij het in dit opzicht zouden malen. Immers het door hen geteekend beeld is ten dezen aanzien geheel eenig, en zij waren zonder eenig model als hulpmiddel bij hun arbeid; nochtans zijn zij er in geslaagd om over een uitgebreid gebied van aanschouwelijk handelen bun gedachtenbeeld op de meest voldoende wijze te belichamen. Oordeele nu ieder lezer zelf, of zulk eene voorstelling eene voldoende oplossing mag heeten van de eenheid, die ons in de opvatting van Jezus karakter treft, en die meer bepaald in de aangewezen punten in geheel het ons bewaarde verhaal is op te merken.

8. De evangeliën zijn al verder een geschiedkundig lijstwerk, dat is, deze geschriften bevatten talrijke zinspelingen op de geschiedenis, gebruiken, denkwijzen en tijdsomstandigheden uit het tijdperk, waarin de bijzonderheden voorvielen, die zij verhalen. Het is

-ocr page 45-

45

zoo, de juistheid van eenige weinigen van deze zijn door eene vijandelijke kritiek in twijfel getrokken, maar evenzeer staat vast, dat de meerderheid er van, en wel de overgroote meerderheid bij onderzoek gebleken zijn juist en waar te zijn. Ieder lezer kan zonder overspannen geestesinspanning beseffen, dat het aller-moeielijkst is om scheppingen, door de verbeelding in leven geroepen, in het juiste geschiedkundig lijstwerk te brengen, zoodra hij maar de moeite nemen wil, om eenige hem bekende werken van dit soort op dit punt te toetsen. Hierbij zal hem blijken, dat dichters en romanschrijvers, zelfs van den eersten rang, als zij over eenig wijd veld personen in de lijst van hun tijd hebben voor te stellen, maar zeer onvolkomen slagen om geheel trouw te blijven aan de geschiedkundige werkelijkheid. Hoe blijkt dit, bij voorbeeld, in een dichter als Shakespeare, waar hij zijne stof aan de Romeinsche geschiedenis ontleent. Het karakter en de gevoelens, door hem toegeschreven aan do personen, die hij opvoert, zijn geheel nieuwer-wetsch en dragen alleen een Romeinschen naam. Erger nog is zijn verwarren der twee Brutussen, Decimus er Marcus Brutus, als hij den laatste tot Cesars gunsteling maakt, terwijl de eerste dit geweest is. Hij stelt Marcus Brutus voor als de man, die van niets zoo zeer walgt, als van zich met eenig oneerlijk voordeel te verrijken, terwijl wij uit Cicero\'s geschriften de zekerheid hebben, dat dit toonbeeld van Romeinsche deugd zich door de schandelijkste middelen heeft bevoordeeld. Hij laat een volks-

-ocr page 46-

40

hoop op het Forum toespreken als „vrienden, Romeinen, landgenooten,quot; terwijl geen Romeinsch redenaar onder gelijke omstandigheden die benamingen zou hebben gebezigd. Elders doet hij de leden van den Senaat toespreken als „mijne Heeren,quot; een titel, waarvan zelfs Keizer Tiberius, toen men dien jegens hem bezigen wilde, zeide, dat hij alleen paste in den mond van slaven bij het toespreken hunner meesters. Het was een vast gebruik de leden van den Senaat toe te spreken als „beschrevene Vaders, „Patres conscripti.quot; Het zou mij licht vallen uit dezen grooten dichter nog eene reeks van soortgelijke onjuistheden aan te halen, maar het aangevoerde is genoeg om mijne meening te staven. Heeft nu Shakespeare, de grootste der tooneeldichters, zoo grof gefeild in het nauwkeurig teekenen van historische persoonlijkheden en het trouw zijn aan zeden en gebruiken , ik heb dan nauwelijks te wijzen hoeveel moeielijker dit pad was voor lichtgeloovige mythen-dichters. Wie gevoelt niet welk eene reuzentaak het voor zulken zou geweest zijn, om de mythische en legendarische verhalen, waaruit men zegt, dat onze evangeliën in hoofdzaak bestaan, nauwkeurig te doen beantwoorden aan den maatstaf, die hun door geschied-kennis en aardrijkskunde kunnen worden aangelegd. Toch zijn de toespelingen op heerschende denkbeelden en op gebeurtenissen des tijds in de evangeliën veel talrijker dan in Shakespeares dichtstukken, en bijna allen zijn zoo, dat elke nieuwe ontdekking op het gebied der geschiedenis, ook nieuwe bewijzen levert

-ocr page 47-

47

van de juistheid en trouw van den arbeid der evangelieschrijvers. Het is eene onwederspreekbare waarheid, dat het voortgaand onderzoek telkens helderder de nauwkeurigheid van het evangelisch getuigenis in het licht stelt. Ieders gezond verstand moet beseffen, dat voor verdichters om zulk eene trouw te bereiken, het doelwit niet slechts zeer moeielijk te treffen maar in der daad onbereikbaar was.

9. Het is waarlijk geen klein deel der evangeliën, dat wordt ingenomen door het verslag, gegeven van \'s Heeren zedelijk onderwijs, waartoe ik ook zijn onderwijs door gelijkenissen breng. Ongeloovigen als die, waartoe de onlangs overleden I. S. Mill behoort, zijn bereid om het zedekundig onderwijs van de synoptische evangeliën als het werkelijk onderwijs van den historischen Jezus te erkennen, terwijl zij alles in hem verwerpen wat naar het bovennatuurlijke zweemt. Deze stelling echter, zelfs al kon zij worden aangenomen als de ware oplossing der feiten, raakt het wezenlijke uitgangspunt zelfs met den vinger niet aan. Zooals ik reeds vroeger heb opgemerkt, is de grond van dezen begaafden schrijver deze, dat het zedekundig onderwijs, dat deze evangeliën aan Jezus toekennen, zoo verre verheven is boven de opvattingen zijner volgers, dat het volstrekt boven hun voorstellingsvermogen was om te kunnen hebben uitgedacht, wat hij leerde. Deze zijne stelling aanvaard ik van voller harte. Zij rust op het algemeen geldend beginsel, dat niemand, door eigen geestesinspanning, zich meer dan eenige

-ocr page 48-

48

graden verheffen kan boven de zedelijke en geestelijke atmosfeer, waarin hij geboren en opgevoed is. Wanneer dit nu eene waarheid is, dan eischt de volgende vraag een beslist antwoord. Indien Jezus slechts was een gewoon mensch gelijk wij allen, vanwaar dan zijne begaafdheid om zich zoo hoog te verheffen boven de omgeving van zijn geboorte en opvoeding? Ieder lezer moet inzien, dat het standpunt door Mill en anderen ingenomen, de moeielijkheid niet oplost, maar ze enkel een stap hooger opschuift. Zij, die deze meening voorstaan, als eene voldoende oplossing van de feiten, worden met recht gedrongen tot een bevredigend antwoord op de vraag reeds voor achttien eeuwen gedaan en die tot op heden onbeantwoord blijft, tenzij men een boogeren dan menschelijken geest in Jezus erkenne: „Vanwaar heeft deze die wijsheid?quot;

Ik houd mij verzekerd, dat een nauwlettend lezen van de evangeliën eiken lezer zal overtuigen, dat het niet mogelijk is, om zulk een scheiding te maken tusschen het zedekundig onderricht van den Heer en de bovennatuurlijke bestanddeelen, die deze geschriften bevatten. Men merke slechts op, allereerst, dat een aanzienlijk gedeelte van het zedekundig ondewijs rechtstreeks zich uit het wonderverhaal ontwikkelt en er zonder aan het geheel geweld aan te doen, niet van is los te maken. Hier komt bij , en daarop leg ik vooral gewicht, dat verreweg het grooter deel van dat onderwijs doorvlochten is van uitingen, waarin de Heer aanspraak maakt op een zoo hoog standpunt, als alleen bestaanbaar is bij het

-ocr page 49-

49

aannemen, dat hij zich het aanwezen van een goddelijk deel in zichzelven bewust was. Reeds vroeger wees ik op dit punt en al wat ik hier nog daarbij wensch te voegen is, dat deze uitingen evenzeer het aanwezen van een bovenmenschelijk deel insluiten, als de bepaalde daden, waaraan wij gewoon zijn den naam van „wonderteekenenquot; te geven. Toch is het geheel van Jezus hoog verheven zedelijk onderwijs als doordrongen van dit denkbeeld. Door al de evangeliën heen stelt hij zijn woord zoo hoog, dat hij het op één lijn plaatst met door zijn volk als godspraken erkende woorden. Zijn nu al die bovenmenschelijke bestanddeelen der evangeliën niet meer dan scheppingen eener overspannen verbeelding, dan moeten ook al deze verheven uitingen omtrent zichzelven en alle onderwijs, dat uit de wonderhalen zich ontwikkelt, de uitvindsels der mythendichters zijn. Hieruit volgt dan al weder, dat deze lichtgeloovige en bijge-loovige volgers van Jezus menschen moeten geweest zijn, die door zedelijke ontwikkeling het voorstellingsvermogen hunner dagen verre vooruit waren, want anders hadden zij niet de uitvinders van zooveel voortreffelijks kunnen zijn. Maar deze onderstelling is niet alleen in strijd met het beginsel, waarop Mills redebeleid gebouwd is, zij is om zichzelf ten eenen male ongeloofbaar

Na deze algemeene opmerkingen moet ik de aandacht vragen voor eenige treffende en kenmerkende trekken van des Heeren zedekundig onderwijs. Als

4

-ocr page 50-

48

graden verheffen kan boven de zedelijke en geestelijke atmosfeer, waarin hij geboren en opgevoed is. Wanneer dit nu eene waarheid is, dan eischt de volgende vraag een beslist antwoord. Indien Jezus slechts was een gewoon mensch gelijk wij allen, vanwaar dan zijne begaafdheid om zich zoo hoog te verheffen boven de omgeving van zijn geboorte en opvoeding? Ieder lezer moet inzien, dat het standpunt door Mill en anderen ingenomen, de moeielijkheid niet oplost, maar ze enkel een stap hooger opschuift. Zij, die deze meening voorstaan, als eene voldoende oplossing van de feiten, worden met recht gedrongen tot een bevredigend antwoord op de vraag reeds voor achttien eeuwen gedaan en die tot op heden onbeantwoord blijft, tenzij men een h oogeren dan menschelijken geest in Jezus erkenne: „Vanwaar heeft deze die wijsheid?quot;

Ik houd mij verzekerd, dat een nauwlettend lezen van de evangeliën eiken lezer zal overtuigen, dat het niet mogelijk is, om zulk een scheiding te maken tusschen het zedekundig onderricht van den Heer en de bovennatuurlijke bestanddeelen, die deze geschriften bevatten. Men merke slechts op, allereerst, dat een aanzienlijk gedeelte van het zedekundig ondewijs rechtstreeks zich uit het wonderverhaal ontwikkelt en er zonder aan het geheel geweld aan te doen, niet van is los te maken. Hier komt bij , en daarop leg ik vooral gewicht, dat verreweg het grooter deel van dat onderwijs doorvlochten is van uitingen, waarin de Heer aanspraak maakt op een zoo hoog standpunt, als alleen bestaanbaar is bij het

-ocr page 51-

49

aannemen, dat hij zich het aanwezen van een goddelijk deel in zichzelven bewust was. Reeds vroeger wees ik op dit punt en al wat ik hier nog daarbij wensch te voegen is, dat deze uitingen evenzeer het aanwezen van een bovenmenschelijk deel insluiten, als de bepaalde daden, waaraan wij gewoon zijn den naam van „wonderteekenenquot; te geven. Toch is het geheel van Jezus hoog verheven zedelijk onderwijs als doordrongen van dit denkbeeld. Door al de evangeliën heen stelt hij zijn woord zoo hoog, dat hij het op één lijn plaatst met door zijn volk als godspraken erkende woorden. Zijn nu al die bovenmenschelijke bestanddeelen der evangeliën niet meer dan scheppingen eener overspannen verbeelding, dan moeten ook al deze verheven uitingen omtrent zichzelven en alle onderwijs, dat uit de wonderhalen zich ontwikkelt, de uitvindsels der mythendichters zijn. Hieruit volgt dan al weder, dat deze lichtgeloovige en bijge-loovige volgers van Jezus menschen moeten geweest zijn, die door zedelijke ontwikkeling het voorstellingsvermogen hunner dagen verre vooruit waren, want anders hadden zij niet de uitvinders van zooveel voortreffelijks kunnen zijn. Maar deze onderstelling is niet alleen in strijd met het beginsel, waarop Mills redebeleid gebouwd is, zij is om zichzelf ten eenen male ongeloofbaar

Na deze algemeene opmerkingen moet ik de aandacht vragen voor eenige treffende en kenmerkende trekken van des Heeren zedekundig onderwijs. Als

4

-ocr page 52-

50

een geheel genomen bezit het die eenheid van opvatting, welke een erkend karaktermerk is van de voortbrengselen van een enkel bepaald persoon. Het heeft niet één merkteeken, dat eigen is aau eene los te samen-geregen reeks van zedespreuken, die uit een aantal verschillende stelsels bijeen gezocht, met kunst tot een nieuw geheel zijn omgewerkt. Algemeen is erkend, dat \'s Heeren onderwijs als zedelijk stelsel zich door een hoog verheven karakter onderscheidt. Het is in waarheid Katholiek, dat is, het grondt zich op niets tijdelijks of plaatselijks, maar is op de behoeften van het gansche menschengezin aangelegd. Het is een stelsel, welks beginselen geen plaats laten voor allerlei ontduiking, berekend om het getuigend geweten tot zwijgen te brengen. Het omvat in zichzelf alles wa,t bij mogelijkheid tot het gebied der zedelijke verplichting te brengen is, en besluit dus in zijne verheven beginselen alles wat de mensch aan God en zijne mede-mensch als plicht verschuldigd is. Het staat onmetelijk hoog boven de zedelijke en geestelijke atmosfeer der tijden, waarin het te voorschijn trad en vooral boven de bekrompenheid van het volk, in welks midden de Heer zijne leer verkondigde. Al deze opmerkingen zijn voor ieder tastbare feiten, die nog met zoovele anderen zouden te vermeerderen zijn.

Welnu, indien nu naar de theorie, welke ik wederleg , de evangeliën vooral bestaan uit een netwerk van mythen en legenden, dan volgt uit dit beweren, dat de gedeelten van hun zedekundig onderricht, dat met

-ocr page 53-

51

de nauwste banden in het legendendeel is ingeweven, het uitvindsel is van mythendichters, die ieder op eigen hand deelen fabriekten, welke nu door de schrijvers onzer tegenwoordige evangeliën tot een geheel zijn saamgevoegd. Voorts moeten zij, talrijk als zij geweest zijn, niet alleen allen hoog gestaan hebben boven den tijd, waarin zij leefden, maar zij moeten nog daarenboven eenstemmig hebben samengewerkt in de richting van het zedekundig onderwijs, dat aan Jezus wordt toegeschreven, tot bereiking van wat als de hoogste type van zedelijkheid erkend wordt. AVan-neer men hier tegenover beweren wil, dat de schrijvers der evangeliën uit de verspreide legenden eene keus hebben gedaan en met verwerping van de overigen alleen die gekozen, welke een hoog type van zedelijkheid vertoonden, dan zou men niet alleen in de evangeliën de kenbare sporen van zulk een kiezen moeten vinden, maar het daarbij toch een nooddwang blijven om het uitvinden van een zoo hoog verheven zedekundig onderwijs aan een groot aantal lichtge-loovige mythendichters toe te schrijven. Ik acht het niet noodig nog meer tijd te verspillen om aan te toonen, dat deze theoriën geheel onhoudbaar zijn.

10. De mythendichters, die uitvinders zijn van het uit verbeelding voortgesproten deel, dat men beweert hoofdbestanddeel der evangeliën te zijn, moeten mannen of van Joodsche of van Grieksche richting geweest zijn. Het kan nauwelijks anders, of de meesten uit dien kring moeten tot de eersten behoord hebben, en van

-ocr page 54-

52

de Joden uit den Apostolischen tijd weten wij met zekerheid, dat hun geest geheel doortrokken was van denkbeelden, welke door en door Joodsch waren. Maar nu zijn bij alle wetten, die zich bij het voortbrengen van mythen en legenden openbaren, zulke geestvoortbrengsels de belichaming van de gevoelens en denkbeelden der uitvinders, dat is, de uitvindsels der Joden zouden de belichaming der Joodsche, die der Grieken een belichaming van Grieksche denkwijze zijn. Maar het is een zonneklaar feit, dat de Jezus der evangeliën noch Jood noch Griek, en evenmin een mengsel van beiden is, maar dat wij in hem den mensch zien van en voor alle tijden. Hij vertoont een karakter, dat waarlijk en volkomen Katholiek is. Wat nu volgt hieruit? Indien de door mij bestredene theoriën waar en juist zijn, dan moeten deze lichtge-loovige mythendichters, zonder voorafgaand overleg, hebben samengewerkt in het teekenen van een aantal scheppingen der verbeelding, die in onze evangeliën, door rangschikking naast elkander, het groote karakter doen aanschouwen, dat noch Joodsch noch Grieksch, in den vol sten zin des woords algemeen menschelijk is. Wie kan met een gezond verstand tegenspreken, dat zulk eene theorie voor het gezond verstand onaanneembaar is.

11. De ontwikkelingstheorie, dat is die, welke beweert, dat de evangeliën geschreven zijn met bepaald opzet en doel, en wel om bestaande kerkelijke partijen te verzoenen en bij wederzij dsch toegeven tot een-

-ocr page 55-

53

stemmigheid te brengen, lijdt aan eigenaardige moeie-lijkheden, op wier aard en beteekenis ik nu moet wijzen. Zoo ik meen, laat deze theorie zich in korte trekken dus getrouw mededeelen:

Naar haar beweren waren de allereerste gemeenten verdeeld in een aantal tweedrachtige sekten, in wier midden de partijgeest met hevigheid woedde. Ieder van deze vond een stel leerbegrippen en verzonnen geschiedenissen uit met het doel, om zoo hunne eigene bijzondere opvatting van het christendom te belichamen. Toen deze sektegeest eene zoo groote hoogte had bereikt, dat het gevaar er van niet meer te loochenen was, ontwaakte de begeerte om bij wederzijdsche schikking eendracht tusschen de van elkander verschillende scholen te herstellen. Van zulk een gezindheid om bij verdrag den vrede te herstellen zijn, naar men beweert, vooral het evangelie van Lukas en de Handelingen der apostelen een sterk sprekend voorbeeld. Beide deze geschriften, zegt men, zijn geschreven met het kennelijk doel om twee partijen, de Petrus- en de Pauluspartij te vreden te stellen en zoo een gemeenschappelijk christendom in aanzijn te roepen. Met dit doel zou de schrijver de bouwstoffen, die hem verstrekt waren, belangrijk hebben gewijzigd en vooral de wonderen, die in het boek der Handelingen voorkomen , zooal niet verzonnen dan toch met de sterkste kleuren getint te hebben.

Bij alle bezwaren, welke deze theorie met de overigen gemeen heeft, is zij nog hierdoor gedrukt, dat zij

-ocr page 56-

54

iets als feit aanneemt, wat in lijnrechten strijd is met eene overal zich gelijk blijvende karaktertrek in den aard des menschen en met de gansclie geschiedenis. Het neemt als feit aan, dat men in de kerk een belangrijk getal schikkingen getroffen heeft om een eind te maken aan vinnige verdeeldheid en dat uit dit schikken en plooien het Katholieke christendom geworden is. Maar wat leert ons de geschiedenis omtrent de twisten door verschil in geloofszaken verwekt? Leiden deze tot een onderling toegeven en schikken? Komen de partijen tot verdragen door ten offer te brengen, wat ieder het meest wezenlijk achtte? Waar vinden wij de bemiddelaars tusschen de twistenden, wien het gelukken mocht allen te vreden te stellen en zoo uit eene door twist scherp verdeelde sekte een eenig eensgezind kerkgenootschap te vormen ? De geschiedenis levert ons op dit punt geen twijfelachtig antwoord. De partijgeest op godsdienstig gebied leidt niet tot schikking maar tot verwijding der kloven. De geschiedenis van den partijstrijd in de ons bekende godsdiensten getuigen hiervan eenstemmig. Waar zijn ooit • een aantal twistende sekten vrijwillig saamge-smolten en is uit zulk een toegeven op scherp betwiste punten een goed vereenigde gemeente ontstaan ? Geen spreekwoord komt der waarheid nader dan dat zegt: dat kerkelijke twisten evenals broedertwisten tot de meest onverzoenbare behooren. Toch kan zonder het als waarheid aannemen van zulk een wederzijdsch toegeven en schikken deze theorte geen stap vooruit

-ocr page 57-

55

komen. Zij moge dus voor de afgetrokken bespiegeling in het boekvertrek iets schijnen, zij wordt te pletter gestooten, zoodra zij in aanraking komt met de feiten der geschiedenis en met de ons bekende algemeene geaardheid der menschelijke natuur.

In betrekking tot de bovenstaande bewijsgronden is het iets geheel onverschilligs, of de bouwstoffen, waaruit de schrijvers hunne evangeliën vervaardigd hebben, mondelinge overleveringen waren, of wel, zooals sommige beweren, geschreven gedenkstukken, of wel dat beide hun hebben ten dienste gestaan. Nemen wij aan, dat de synoptische evangeliën samengesteld zijn met behulp van reeds bestaande geschriften, het is dan kennelijk, dat het karakterbeeld dat zij afmalen, reeds in die geschriften, zij het al minder uitvoerig geteekend, voorkwam. Zoo blijft dan immer een antwoord vereischte op de vraag: vanwaar is dit karakterbeeld in die oudere geschriften gekomen? Die eerste stukken moeten uit overleveringen zijn bijeengebracht, die, als de evangeliën geene geschiedkundige be teekenis hebben, alweder eene reeks van legendarische uitvindsels zijn geweest. Hieruit volgt dus , hetzij wij aannemen, dat de evangeliën uit schriftelijke bescheiden, hetzij rechtstreeks uit mondelinge overlevering zijn ontstaan, dat het karakterbeeld van Jezus gevormd is geworden uit wat bij aanvang eene zwevende massa legenden was, en voorts, dat die legenden het uitvindsel van talrijke en verschillende personen geweest zijn.

Welke van beide gegevens wij nu ook volgen, steeds

-ocr page 58-

56

volgt uit deze veronderstelling, dat het verheven ka- t , du rakterbeeld ons in de evangeliën bewaard, de schepping fe ■ op is der personen, die de oorspronkelijke uitvinders zijn ge der legenden, waaruit het werd te samengesteld en dat || af( ieder van deze, dat deel van het portret heeft gemaald, ■ ev dat in het door hem uitgedacht verhaal is bevat. De 1 m eenige andere mogelijke veronderstelling is, dat de 1 ev opvatting van het karakterbeeld reeds zoo diep in den K yc geest der mythendichters was ingeprent, dat de door m ev hen verzonnen legenden daardoor een zedelijke kleur a h( aannamen. Deze veronderstelling evenwel is onbestaan- ■ lij baar met de theoriën, welke wij in oogenschouw 1 namen, omdat daarbij wordt aangenomen, dat het ■ m karakterbeeld reeds in aanwezen was, en dus nood- ■ ai zakelijkerwijs de afteekening der geschiedkundige wer- ■ n kelijkheid bevatte. I _

In mijn geheele redebeleid ben ik tot hiertoe van I de veronderstelling uitgegaan, dat ieder, die onbevoor- I m oordeeld de evangeliën leest, als van zelf ontwaart, ■ »■ dat de teekening door hen van den Christus gegeven H is eene eenheid van opvatting doet aanschouwen. Ook || geloof ik niet, dat dit ooit ernstig ontkend is, wat 1 aangaat de Synoptische evangeliën. Al is er op een I ^ zeer enkele te wijzen, die anders oordeelde, hun ■ t beweren verdient geene opmerkzaamheid, tegenover 1 het zoo goed als algemeen gevoelen, dat anders oor- I deelt. De opmerkingen tegen het karakterbeeld ge- | maakt betreffen enkele weinige punten, die men als p bewijzen van een zuiver volmaakt karakter heeft aange- E, •

-ocr page 59-

57

duid. 1) Het ligt buiten mijn bestek om in te gaan op liunne kleingeestige en meestal geheel op willekeur gegronde aanmerkingen. Voor onze beschouwing is het afdoende, dat de grootheid van het karakter in de evangeliën aan Jezus toegekend, niet alleen eenstemmig door alle christenen wordt erkend, maar dat dit evenzeer is geschied door de groote meerderheid der voornaamste ongeloovigen. Ten aanzien van het vierde evangelie ligt de zaak echter eenigszins anders. Men heeft beweerd, dat de Jezus van dit evangelie groote-lijks verschilt van den Jezus der Synoptische evangeliën.

Laat mij bij dit punt voor alles opmerken, dat moesten wij al eens toegeven zooveel als ten dezen aanzien door het beslist ongeloof is beweerd, ook dan nog de door ons tot hiertoe aangevoerde bewijsgronden

1

) Door niet te onderscheiden zonde en misdaad heeft men beweerd, dat men Jezus gansehe leven in alle bijzonderheden zou moeten kennen, om te weten, of hij de zondelooze is geweest. Ten onrechte. Het lijden van den Heer is zoo uitvoerig geteekend, dat zijn geheele inwendige mensch voor ons open ligt, dat wij met volle zekerheid over zijne verhouding tot den Vader en de menschheid kunnen oordeelen, en uit eigen overtuiging met den Apostel instemmen in zijn: „deze heeft geen zonde gekend.quot; In het gewichtigst deel van zijn leven als volmaakt rein en heilig geopenbaard, besluiten wij daaruit wettig, dat ook zijn gansehe wandel vrij van misdaad is geweest, zoodat zij, die aanstooot nemen aan Jezus woord tot zijne moeder op de bruiloft te Cana of aan zijn vervloeken van den vijgenboom enz. enkel erge-nis nemen, aan wat juist opgevat, of in het rechte licht geplaatst, tot eene geheele andere voorstelling leidt, dan die de zucht van smetten te vinden in den smettelooze hun aan de hand deed.

Yert.

-ocr page 60-

58

daardoor nog niet in het allerminst zouden verzwakt zijn. De eenheid van karakter van den Christus der Synoptische evangeliën is alleen voldoende om de proef zegevierend te doorstaan. Al kon men het bewijs leveren, dat het evangelie van Johannes onecht en het Christusbeeld , daarin vervat, geheel ongelijk is aan dat der .Synoptische evangeliën, dan blijft het toch onmogelijk zich van de eenheid van het karakter van den Synoptischen Christus voldoende rekenschap te geven, tenzij bij erkenning dat wij daarin de teekening der geschiedkundige werkelijkheid bezitten. Ook zoo blijft de vraag hare volle kracht en beteekenis te houden: „wanneer dit beeld slechts eene schepping der verbeelding is, hoe is dan de gelijke teekening er van in deze drie evangeliën te verklaren ?quot; Het redebeleid verkrijgt ongetwijfeld meer kracht, indien de vier afbeeldsels afbeeldsels zijn van een en denzelfden Christus; maar deze zekerheid is in dezen geene hoofdzaak, omdat het ontzeggen van een historisch karakter aan het vierde evangelie niet één der moeielijkheden wegneemt, die op de door ongeloovigen voorgestelde theoriën drukken. Mijn standpunt evenwel is dit, dat de vier afbeeldsels zijn van denzelfden Christus, en dat het eenig verschil hierin gelegen is , dat het beeld uit een ander oogpunt is gezien. Wat ik gaarne toestem is, dat doordien de schrijver van het vierde evangelie een ander gezichtspunt koos, zijn beeld een grooter onderscheid met dat der Synoptische oplevert dan een van deze drie van de overigen verschilt.

-ocr page 61-

59

Het is met deze zaak aldus gesteld: terwijl het niet te weerspreken is , dat de Jezus van het vierde evangelie over het geheel zichzelven hooger stelt dan de Jezus der Synoptische evangeliën, doet toch deze laatste telkens aanspraken gelden, wier rechtmatigheid in het vierde evangelie gestaafd wordt. Laat ik mijne meening met een en ander voorbeeld ophelderen. In de bergrede maakt de Heer van zijne eischen als wetgever in het koninkrijk der hemelen niet alleen aanspraak op een hooger gezag dan voor de geboden door Mozes in den naam van Jehova uitgevaardigd, maar hij plaatst ze op één lijn met de woorden door God zeiven op Sinaï gesproken. Evenzoo spreekt hij in al zijn onderwijs op een toon des hoogsten gezags, maar zoo dat hij daarin een eigen, hem toekomend recht handhaaft. Die toon des gezags is een kenmerkend onderscheid, dat zijn leeren zoo verschillend maakte van dat der Schriftgeleerden, dat het aller verbazing wekte. Bij Mattheus lezen wij (Hoofdst. VII; 28, 29):

„De scharen ontzetteden zich over zijne leer, want hij leerde hen als macht hebbende en niet als de schriftgeleerden.quot;

Evenzoo eischt hij het volst vertrouwen en het offer der volkomenste zelfverloochening alleen op grond der hem eigene waardigheid en wil hij, dat de gehechtheid aan zijn persoon sterker zij dan die van eenigen anderen band, welke menschen aan menschen verbindt. Zoo zegt hij:

„Die vader of moeder liefheeft boven mij, is

-ocr page 62-

60

mijns niet waardig, en die zoon of dochter liefheeft boven mij, die is mijns niet waardig; en die zijn kruis niet opneemt en mij navolgt, die is mijns niet waardig.quot; (Matth. 10:37, 38.) En elders:

„Zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen ook schamen, wanneer hij zal gekomen zijn in de heerlijkheid zijns Vaders met de heilige engelen. (Mark. 8 : 38.) Ik zegge u, een iegelijk, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ook de Zoon des menschen belijden voor de engelen Gods, maar wie mij verloochenen zal voor de menschen. die zal verloochend worden voor de engelen Gods.quot;

Bij herhaling verklaart Jezus, dat hij het is en geen ander, die beslissend zal oordeelen over des menschen toekomstig lot, en wel als de van God gestelde rechter, naar den zin hier in ieders wandel en gedrag geopenbaard. In eene zijner gelijkenissen teekent hij zich-zelven als de koning gezeten op den troon zijner heerlijkheid voor wiens aangezicht al de volken der aarde zullen vergaderd worden. De teekenen, welke hij verricht, doet hij meest in eigen naam, zonder eenig beroep op eene hoogere macht. Zoo roept een smee-kende melaatsche tot hem:

„Heer, indien gij wilt gij kunt mij reinigen; en Jezus zeide: Ik wil, word gereinigd; en ter-

-ocr page 63-

61

stond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd.quot; (Matth. 8 ; 3.)

Of ook tot den geraakte:

„Ik zeg u, sta op. neem uw beddeke op.quot; (Mark. 2 : 11.)

Waar hij als redder optreedt of op andere wijze met goddelijk machthetoon handelt, gebruikt hij steeds soortgelijke taal. Ieder, die met opmerkzaamheid de drie eerste evangeliën leest, vindt daar zoovele van die machtvolle uitspraken, dat het overbodig is daarover meer in het breede uit te weiden.

Dit aanspraak maken op zoo hoog standpunt en geheel eenige macht, dat ons in den Jezus der eerste evangeliën treft, zou wel het toppunt van aanmatiging geweest zijn, indien hij, die zoo sprak, niet meer ware geweest dan een gewoon mensch, wien niet het bewustzijn inwoonde, dat een hooger, goddelijk levensbeginsel in hem aanwezig was. Eene verwaandheid zou daarin niet te loochenen zijn zoo groot, dat daarbij in een gewoon mensch niet van heiligheid of nederigheid sprake zou kunnen zijn. Woorden als in deze uitspraken van Jezust staan verre boven hetgeen ooit de grootste mannen, die wij uit de geschiedenis kennen , van zichzelven hebben durven zeggen. Geen profeet of apostel heeft het ooit gewaagd. Hunne eenige rechtvaardiging is, dat hij, die zoo sprak, in geheel bij zonderen zin zich aan God verwant kende.

Wanneer dit nu zoo is, ligt in de woorden, welke den Heer in het vierde evangelie worden toegeschreven.

-ocr page 64-

02

op zichzelf niets overdrevens. De evangeliën vullen slechts elkander aan. In het vierde evangelie hooren wij den Heer zeggen: „mijn Vader werkt tot hiertoe en ik werk ookquot;, terwijl hij in het eerste zegt: „Strek uwe hand uit!quot; en de hand is genezen.

Maar zij het ook, dat wij , naar het doel van het Johannes evangelie, daarin meer uitspraken van den Heer omtrent zichzelven vinden, zijn onderwijs is in allen gekenmerkt door een geheel zedelijk karakter, het is het onderwijs van een en denzelfden Jezus.

Wanneer wij voorts, afgescheiden van de redenen, de beide reeksen van verhalende stukken met elkander vergelijken, dan zijn de beide karakters, welke zij ons doen aanschouwen, geheel dezelfde. Men heeft beweerd, dat de Christus in het Johannes evangelie meer goddelijk en minder mensch is dan in de drie evangeliën. Ziedaar wat ik ten sterkste ontken; en daar dit punt van overwegend belang is, gevoel ik mij verplicht om wat ik beweer ook nader te bewijzen. Er is ééne plaats in de synoptische evangeliën, die beweringen des Heeren aangaande zichzelven bevat, welke zoo sterk en hoogklinkend zijn als iets van gelijken aard, dat in het vierde evangelie te vinden is, en welke als het ware een schakel vormt, die alle getuigenissen innig verbindt. Het is dit woord:

„In dien zelfden tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank u, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard.

-ocr page 65-

63

Ja, Vader, alzoo is geweest het welbehagen voor u. Alle dingen zijn mij overgegeven van mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren. Komt herwaarts, tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven; neemt mijn juk op u, en leert van mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte, en gij zult ruste vinden voor uwe zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is ligt.quot; (Matth. 11:23—30.)

Het zou wel moeielijk zijn eenige uiting des Heeren lin heu vierde evangelie te vinden, waarin hij sterker Izich een bovenmenschelijk karakter toekent dan in de |bovenstaande uitspraak. Zij verklaart, dat hijeenege-jheel eenige kennis van den Vader heeft en dat nie-Imand hem kent dan de Vader en niemand den Vader Idan hij; voorts, dat alle dingen hem van den Vader Izijn overgegeven. Op grond van dit zijn bovenmenschelijk karakter, noodigt hij allen, die vermoeid en belast zijn om van hem rust te ontvangen, met de verzekering, dat het juk en delast, welke hij oplegt, zacht jen licht zijn; maar te gelijkertijd noemt hij ze zijn jjuk en zijn last.

Doch terwijl het vierde evangelie vaak aan den Heer sterk sprekende verklaringen omtrent zijne hooge waar-! digheid in den mond legt, treffen wij daarin ook an-I dere gedeelten, in welke hij zich even menschelijk voordoet als in de drie eerste evangeliën. Zoo beschrijft

-ocr page 66-

64

hem Johannes als vermoeid van de reis, waar hij neder-zit bij de Jakobsbron , evenals de andere evangeliën zijne vermoeienis vermelden na zijn volbracht dagwerk. In het verhaal der opwekking van Lazarus lezen wij, dat de Heer tranen van deelneming stortte en doet het verhaal, hoe groote heerlijkheid het hem toeschrijve, tevens het zeer menschelijke in hem zoo sterk als ergens uitkomen. Evenals wij hem in het Johannes-evangelie bewogen zien, aanschouwen wij hem in dat van Lukas als weenende over Jeruzalem, bij het voorzien en aankondigen barer nabij zijnde verwoesting. In de beschrijving van den maaltijd, waarbij Maria den Heer met balsem overgoot, in die van het verraad, van het verhoor en van de kruisiging is bij allen volkomen overeenstemming in hunne voorstelling van den Meester. Al deze bijzonderheden laten zich niet rijmen met het eenzijdig overdreven beweren, dat de schrijver van het vierde evangelie een enkel goddelijken Christus heeft willen te aanschouwen geven, en daartoe met opzet alle menschelijke trekken verzwegen heeft, die hem in de Synoptische evangeliën onderscheiden. Wie niet bevooroordeeld leest, zal bij allen hetzelfde karakter vinden.

Deze overeenstemming zal nog sterker uitkomen, als wij ons niet tot het algemeene bepalen, maar een gedeelte uit de Synoptische evangeliën met een overeenstemmend deel uit het vierde vergelijken. Daar er geen langer en meer volledig gedeelte is aan te wijzen dan dat, hetwelk het lijden verhaalt, zullen wij dit ter

-ocr page 67-

beschouwing kiezen. Het zal hierbij genoeg zijn ons tot de hoofdzaken te bepalen.

Het verhaal des lijdens vangt aan met het bericht omtrent de zalving te Bethanië. Het komt voor in de drie eerste en in het vierde evangelie, maar niet in denzelfden samenhang. Het verdient opmerking, dat wij juist in het laatste evangelie niet vermeld vinden het woord des Heeren, waaruit blijkt, dat hij in die handeling eene daad van goddelijke beteekenis opmerkt: „Voorwaar, zeg ik u, al waar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgene zij gedaan heeft.quot;

In alle overige opzichten echter zijn al de mede-deelingen geheel gelijk.

Hierop volgt in het verhaal van het vierde evangelie de zegepralende intocht in Jeruzalem, in welke alle vier de evangelisten het doen uitkomen, dat de Heer, alvorens zich tot zijne hoogepriesterlijke zelf-offerande te wijden, in het karakter van Koning Messias is opgetreden. Bij alle kleinere afwijkingen is toch de beschrijving over het geheel aan elkander gelijk, behalve dat de synoptische evangeliën de Messiaan-sche tempelreiniging vermelden, van welke Johannes te dezer plaatse zwijgt. Van dit punt afloopen de verhalen uiteen, daar de drie eerste evangeliën melding maken van een driedaagsch onderwijs in den tempel en strijdgesprekken met de Joden, terwijl Johannes enkel gewaagt van de begeerte van eenige Grieken om

-ocr page 68-

6G

den Heer te zien, bij welke gelegenheid zijn spreken en handelen geheel menschelijk is voorgesteld. Daarentegen geven ons de synoptische verhalen van dit tijdpunt eene goddelijk verhevene voorstelling van den Heer. Ik doel hiermede op Jezus\' redenen omtrent zijn toekomst en op de gelijkenis bij Mattheus bewaard, die eene aanschouwelijke voorstelling van het laatste oordeel is. Deze redenen, die in verband met de gelijkenis, de treffendste en heerlijkste teekening van \'s Heeren majesteit bevatten en het goddelijke en men-schelijke in zijn karakter in helder licht stellen, worden nergens in de Nieuw-Testamentische geschriften overtroffen en stellig niet door eenige uitspraak in liet vierde evangelie.

Voorts volgt de beschrijving van \'s Heeren laatsten maaltijd en samenzijn met zijne discipelen. Het verhaal van Johannes, terwijl het verschilt van de andere op punten, die nu voor ons van geen belang zijn, behelst deze tafereelen, de voetwassching, de ontdekking des verraders, en de waarschuwing aan Petrus. In ieder van deze paart de Heer aan de handhaving zijner geheel eenige waardigheid eene nederigheid en nederbuigende liefde, welke hem een zeer bepaald menschelijk voorkomen geven.

En hoe is het nu, wat dit deel des verbaals aangaat, met de drie eerste evangeliën? Het is duidelijk, dat alle vier evangelisten bedoeld hebben om ons getuigen te maken van den Heer in de volle diepte zijner vernedering; en het is even kennelijk, dat bij alle

-ocr page 69-

67

en .si verschil, de voorstelling bij alle vier de schrijvers eene

ir- ■ gelijke is. De twee laatste in het bericht van Johan-

lit |g nes vermelde feiten maken ook een deel uit van het

en ■ synoptisch verhaal, terwijl daarin het eerste is voor-

nt ■ bij gegaan; en in het evangelie van Lukas inplaats

d, M daarvan voorkomt, een strijd om de meerderheid onder

ste 11 de jongeren aan den feestdisch zelf en hunne be-

je- || straffing door den Heer. Deze redewisseling bevat een

an H zeer opmerkelijk woord des Meesters (Luk. XXII :

in- Ë 29, 30).

)r- B „En ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk

en ■ mijn Vader mij dat verordineerd heeft, opdat gij

iet I eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk en zit op troonen, oordeelende de twaalf geslach-

en ■ ten Israels.quot;

iv- ■ In deze voorstelling van het evangeliebericht zien

sre ■ wij alzoo het betoon der uiterste nederigheid met het

n, m zich toekennen der hoogste majesteit gepaard gaan.

ik- ■ Tot hiertoe dus heeft het Johanneïsch verhaal, af-

is. H gescheiden van de gesprekken, niet één trek, die het

ag ■ kennelijk doel heeft een meer goddelijken Christus te

en ■ malen, of hem minder menschelijks toe te kennen,

-ld ■ dan in de eerste evangeliën plaats vindt.

Maar hoe te oordeelen over de lange rede in hoofd-

n- H stuk 14—16 bij Johannes en het gebed, dat die woor-

k, ■ den besluit ? Hebben niet deze ten doel, om den Heer

je- r- reeds voor zijn lijden met een goddelijken glans te om-

ier ■ ringen en hem een overwegend goddelijk karakter toe

He p te schrijven? Mijn antwoord is, dat het goddelijke

-ocr page 70-

GS

daarin niet sterker spreekt clan in Matthens 24ste en 25ste hoofdstuk, in de redenen nog geen twee dagen eerder en evenzoo als aan den voet des krnises uitgesproken. In beide deelen dezer geschriften hooren wij Jezus, die als machthebbende van zijne hoogheerlijkheid getuigt, onmiddellijk voor het ondergaan van den diepsten smaad en vernedering; terwijl hij in de eene rede en in de andere met geheel menschelijke deelnemendheid spreekt. In dit opzicht is er dus geen wezenlijk verschil tusschen den Christus, zooals Johannes dien voorstelt, en zooals de drie eerste evangelisten hem ons kennen leeren.

Wij gaan nu verder tot de tafereelen van de gevangenneming en het rechterlijk verhoor. Hier wijken de verhalen in bijzonderheden op opmerkelijke wijze van elkander af. Het verhaal van Johannes gaat den strijd in Gethsémané stilzwijgend voorbij, maar eene grond-beschouwing is aan allen gemeen, namelijk, de heenwijzing op het geheel vrijwillige in Jezus\' zelfovergave. In het vierde evangelie komt dit uit in de wijze, waarop wij Jezus zijne vijanden zien te gemoet treden, terwijl wij bij de anderen van zijne lippen het woord hooren, dat hij slechts den Vader te bidden heeft en deze zou hem meer clan twaalf legioenen engelen bijzetten. Het is ongerijmd te willen beweren, dat een dezer beide bijzonderheden zou uitgedacht zijn enkel om het treffende te verhoogen. \'s Heeren zelfbewustzijn, zooals Johannes dit afmaalt, heeft waarlijk geen meer goddelijk karakter, dan het verhaal der overige

-ocr page 71-

69

evangelisten hem toeschrijft. Beide voorstellingen beelden ons Jezus af, als door het bewustzijn van het goddelijke in zijn wezen gesteund bij de daad van het zich vrijwillig voor de zijnen tot den dood wijden. Wel verdient het hierbij onze bijzondere opmerking, dat de synoptische evangeliën onmiddellijk voor zijne veroordeeling tegenover den Joodschen raad den Heer zijn bovenmenschelijk karakter doen uitspreken, terwijl in het vierde evangelie dit sterk sprekend getuigenis niet wordt vermeld. Wat in dit evangelie daarmede gelijk te stellen is, is Jezus handhaving van zijn koningschap tegenover Pilatus. In beide verhalen is dus overeenstemming in de voorstelling van \'s Heeren persoon en karakter.

Wat echter zullen wij zeggen, omtrent de weglating in Johannes evangelie van den doodsangst in den hof doorstaan? Is niet de zoo dikwerf met nadruk gemaakte opmerking waar, dat de schrijver dien ziele-strijd heeft weggelaten uit vrees, dat zoo groote neder-gebogenheid eene schaduw zou werpen op zijn godde-lijken Christus? Dat zulk eene opmerking gemaakt is niettegenstaande de vele bijzonderheden van gelijken aard, waarop wij wezen, is slechts één van de vele proeven, welke staven, dat zij, die eene meening be-geeren door te drijven, daartoe weten gebruik te maken van alles, wat hun maar een schijn van bewijs voorkomt. Het is nu voor ons ten eenenmale onmogelijk om met stellige zekerheid te bepalen, wat den schrijver van het vierde evangelie deze bijzonderheid in zijn

5*

-ocr page 72-

70

verhaal der lijdensgeschiedenis stilzwijgend heeft doen voorbijgaan. Niets echter kan ons meer zeker zijn dan dat het niet de reden is, welke deze school van beoordeelaars er voor aangeeft. Immers terwijl hij het lijden in Gethsémané niet vermeldt, is hij de eenige onder de evangelisten, die eene andere gelijke zielsontroering des Heeren ons mededeelt, eene gebeurtenis van twee dagen vroeger, veroorzaakt ook door \'s Heeren vooruitzien van zijn lijden. Beide verhalen stellen ons hem op even menschelijke wijze voor. Plaatsen wij tot gereeder overzicht beide schriftplaatsen nevens elkander.

Johannes voorstelling van den Heer in zijne droefheid luidt dus:

„Maar Jezus antwoordde hun zeggende: „de ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. Die zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en die zijn leven haat in deze wereld zal het bewaren tot het eeuwige leven. Zoo iemand mij dient, die volge mij en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn; en zoo iemand mij dient de Vader zal hem eeren. Nu is mijne ziele ontroerd, en wat zal ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure, maar hierom ben ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk uwen zoon. Daar kwam eene stem uit den hemel, zeg-

-ocr page 73-

71

gende: en ik heb hem verheerlijkt en ik zal hem

wederom verheerlijken____ Jezus antwoordde en

zeide: niet om mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil. Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de Overste dezer wereld huitenge-worpen worden, en ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot mij trekken.quot;

De volgende is eene teekening van Jezus zieledroef-heid in één der drie eerste evangeliën:

Hij zeide tot de discipelen: zit hier neder totdat ik henenga en aldaar zal gebeden hebben. En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedéus, begon hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide hij tot hen: mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij. En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op zijn aangezicht biddende en zeggende: mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt. En hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met mij waken ? Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Wederom ten tweeden male heengaande bad hij zeggende: mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede. En komende vond hij

-ocr page 74-

72

ze wederom slapende, want hunne oogen waren bezwaard. En hen latende ging hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.quot; Matth. XXVI : 3G—44.

Na deze mededeeling volgt het verhaal van zijn zich vrijwillig overgeven aan zijne vijanden.

Ieder onpartijdige zal wel moeten toegeven, dat het gevoel, zooals het in beide verhalen spreekt, eenzelfde karakter draagt. Beide toonen ons Jezus in zijne ziel ontroerd door de voorstelling van zijn naderend lijden; in beide hebben wij op te merken een zich biddend wenden tot den Vader, waarna de kalmte in \'s Heeren fel bewogen gemoed wederkeert door een zich volkomen onderwerpen aan des Vaders wil. Het voorstellen van de droefheid is verschillend, maar de geest der uiting is een in beide, is uitdrukking van de gemoedsaandoening door den blik op het kruis gewekt.

Indien het vierde evangelie het werk van een opzettelijk bedrieger is, moet hij de gaaf van misleiden wel in eene geheel eenige mate hebben bezeten, want de karakterteekening in zijn geschrift gegeven, is dan een onberispelijk, volmaakt kunstwerk, dat eeuw aan eeuw op geheel eenige wijze tot hart en geweten gesproken heeft. Toch is het denkbeeld, dat hij het verhaal der zielsontroering zou hebben verzonnen en den strijd in den hof weggelaten, met het doei om aan \'s Heeren karakter een meer goddelijken glimp te geven) slechts bestaanbaar met de meening, dat hij de onhandigheid zelve is geweest. Immers de beschrijving

-ocr page 75-

73

in de drie eerste evangeliën is de meest indrukwekkende en daarin de onderwerping van den wil des lijders aan dien des Vaders volkomen. De strijd en einde-lijke onderwerping, zooals die ons in de synoptische evangeliën wordt afgemaald, is goddelijk en ter zelfder tijd geheel menschelijk, in volle overeenstemming met het karakter van den door Johannes ons geteekenden Christus.

Het verhaal der gerichtshandeling en van de kruisiging leidt niet tot bijzondere opmerkingen. Ook hier zijn de enkele gedeelten des verhaals niet eensluidend , maar deze verscheidenheid geeft slechts te meer kracht aan mijne bewijsvoering, want er komt in de twee verhalenreeksen niet één bijzonderheid voor, welke de gelijkheid der karakterteekening verstoort. Het is niet mogelijk te beweren, dat de schrijver van het vierde evangelie den Heer een meer goddelijk en minder menschelijk karakter heeft toegeschreven, dan ons de drie eerste evangeliën doen aanschouwen, hetzij in het verhaal van den gerichtshandel, hetzij op Golgotha. Laat Johannes de aanhaling uit den twee en twintigsten Psalm weg, hij heeft daarentegen het aandoenlijk: „mij dorst.quot; Heeft het laatste evangelie de aan Jezus sterven voorafgaande zegevierende uitroep; „het is volbracht!quot; uit de eerste evangeliën weten wij, dat de Heer een kreet heeft geuit en dat zijn sterven op den Hoofdman den diepsten indruk maakte. Voorts mag ook tegen dit, „het is volbracht,quot; het woord van majesteit worden geplaatst, dat Lukas heeft be-

-ocr page 76-

74

waard: „voorwaar, ik zeg u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn.quot;

Het volgende is een wettig besluit uit onze beschouwing. De Johanneïsche en synoptische Christus zijn afbeeldsel van hetzelfde karakterbeeld, alleen verschillend door het verschillend oogpunt, waaruit de schrijvers den Heer beschouwden. Dit beweren klemt te meer, als wij bedenken, dat hoe meer verschillend de onderdeden der teekening zijn, des te sterker de eenheid in de hoofdzaak uitkomt; want zoo de schrijver van het vierde evangelie met opzet bedoeld had een meer goddelijk karakter aan zijn Christusbeeld te geven, dan zou dit juist krachtig zijn uitgekomen in gedeelten, die hij alleen heeft bewaard. Het beeld van Jezus ons door de evangelisten geschonken, kenmerkt alzoo zich niet enkel in het algemeen door eenheid, maar het beweren, dat Johannes hem een karakter heeft toegeschreven, dat ganschelijk met dat der eerste evangeliën niet overeenkomt, is door en door onwaar. Ons standpunt is dus allezins gunstig en voor onpartijdi-gen afdoende. Wij hebben niet maar één enkel maar een veelvoudig karakterbeeld van den Heer, waarvan geen twee dezelfde hand verraden. De onafhankelijkheid der schrijvers staat onmiskenbaar vast, en toch hebben alle vier zulk eene wezenlijke eenheid van opvatting, als ons voor de geschiedkundige werkelijkheid hunner berichten borg moet zijn. Hoe een dergelijk beeld zou hebben kunnen voortkomen uit het verbeeldingsproces van eene menigte mythen-

-ocr page 77-

75

dichters, is even onbegrijpelijk als onverklaarbaar.

Ten besluite. Van tweeën één, of het beeld van den Christus der evangeliën is de afbeelding van een werkelijk bestaan hebbend karakter, óf dat beeld is eene schepping van het vernuft. De eerste dezer beide stellingen voldoet aan alle geschiedkundige eischen, de tweede aan niet één. Sterker nog, ik meen te hebben bewezen, dat dit beweren eene zoo groote menigte zich weersprekende en ongerijmde bijzonderheden bevat, dat het onmogelijk is, dat een gezond verstand zulk eene stelling als waarheid kan aannemen. Op al die gronden houden wij met innerlijke verzekerdheid staande, dat de evangeliën ons een historisch beeld met getrouwheid hebben bewaard. Is dit zoo, dan hebben wij daarin en in al wat uit deze erkenning voortvloeit, het voor de conscientie overtuigend bewijs, dat wij in den Christus en zijn evangelie eene bijzondere openbaring hebben ontvangen. Wat dit inheeft, weet ik niet beter dan met \'s Heeren eigen woorden te zeggen :

„Jezus riep en zeide: die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen, die mij gezonden heeft; en die mij ziet, ziet dengenen, die mij gezonden heeft. Ik ben een licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in mij gelooft, in de duisternis niet blijve. Indien iemand mijne woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet. Want ik ben niet gekomen, opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zalig make. Die mij verwerpt en mijne

-ocr page 78-

76

woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt: het woord, dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage. Want ik heb van mij zei ven niet gesproken, maar de Vader, die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen en wat ik spreken zal. En ik weet dat zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreke, dat spreke ik alzoo, gelijk de Vadei gezegd heeft.quot; Joh. XII : *44 50.

Laat daarom de uitnoodiging zijner genadevolle liefde

niet te vergeefs tot ons komen : _

Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoei enquot; belast zijt, en ik zal u ruste geven. Neemt mijn juk op u, en leert van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van harte, en gij za ruste vinden voor uwe zielen; want mijn juk is zacht, en mijn last is licht.quot; Matth. XI : 28-o0.