hf 1 f, q
/L^ li.?
/ f
DE GETUIGENIS DES GEHEELS.
Collegium hiblicum, Praktische ErklSrune der heiligen Schrift A. u. N. Test, von Ur. A. P C Vilmar, herausg. v. Chr. Muller. Neue Ausgahe, Gutersloh, C. Bertelsmann, 1891. Ie Heft (Ter-schijnt in 15 afleveringen tot Paschen 1891).
I.
Li de Gemeente wordt de Bijbel, de heilige Schrift ■
God Wr i 1TTnd 0rgani3me\' als de Schrift.\'P^
b oord, erkend. De man wiens Schriftkritiek hem
.ohrttene°iTT, ZeSi;en, dquot; ^ «\'quot;
schriften uit later eeuw dan de apostolische is, beklimt den kansel, slaat den Bgbel op, eS leest den welken hij prediken zal. In dat oogenblik zet hü zijn ge ee e kritiek zoo radikaal mogelijk op zijde. Immers
Seidf iTT\'i is quot;■de
van éen\' „\'jl,, \'|quot;quot;V !\' 0P be.ta.»
\' ee° ? -j lt;ler Ö«quot;«Mte, dau- ,|i. toch de grond
komen H° t vquot;quot;/llequot; di« lt;«\' terkgebonw samen-. Hy erkent dat bij persoonlijk in dat geloot\'deeit andera zo„ hij dien kansel niet beklimmen Hij 7e« »•».,Cks\' \'quot;Marende: .Jea„s sprak» - en werp, daa.\'
mede eensklaps al zij,, Sehriftkritiek omver, daar deze hom toch moest doen zeggen: .omtrent Jezus\' geselde.
DE GETUIGENIS DKS GEHEELS.
denis en woorden staat, wegens de kritische onvertrouw-baarheid der bronnen, niets vast.quot;
Zoo grgpt de macht van het leven dat in de Gemeente ademt, den in zyu verstand verdorden schriftgeleerde en kamergeleerde aan, en ook deze Saul moet zgns ondanks profeteeren. Want een nieuw leven omringt en ondervangt hem. Welk is dat nieuwe leven? Het is het leven van het koningrgk der hemelen, dat zich, hoe aanvan-kelyk en gebrekkig ook, in de Gemeente openbaart. Het koningrijk Gods is een geestelyke, hoogere wereld, één hemelsch Geheel, in Christus hier op aarde gedaald; nu nog slechts zichtbaar voor hem die gelooft, eerlang, in de Toekomst van Christus, zichtbaar wordende voor allen in richtende majesteit. De aardsche verschijning-van dat geestelyk Geheel noemt men met een onbeha-gelyk woord „het Christendom.quot; Dat Christendom is een levend, een geestelijk samenstel, welks bestaan gevoeld wordt door elk die zelf er in leeft; terwgl hy die vreemd is aan dat leven, zegt: „wat is dat Christendom? er wordt zoo verschillend over gedacht! Kunt gy geen scherpe definitie er van geven, zoo zwgg er over. En wederom: „wat is dat geloof der Gemeente? er wordt op duizend manieren geloofd, dus als gy niet precies opgeven kunt wat dit geloof is en zyn grenzen niet trekken kunt, zwgg dan van dit uw nevelbeeld.quot;
Niettemin bestaat er, of men het gelooft of niet, hier-beneden een Lichaam des Heeren, de Gemeente. Haar leven is een organisme, waarin elk der deelen met het Geheel samenhangt en dat Geheel in elk der deelen leeft. In haar zinneiyke verschijning is de menschheid geïsoleerd in volken, in individuen; en die individuen in aparte deelen en organen, en die organen in atomen. Hoe lager leven in natuur en menschheid, hoe meer alles slechts als los aggregaat met elkander verbonden, of
50
DE GKTUIG-KNIS DES GEHEELS.
eigenlijk niet verbonden, is. Het algemeene, het saam-verbindende, bestaat dan eigenlyk niet. Maar hoe hooger leven gg ontmoet, hoe meer juist dat algemeene werkelijk wordt en heerscht, en voor het afzonderlijke de wet geldt: wie zijn leven verliezen zal om des Middelpunts wil, die zal het winnen. Is een goed organisch lichaam gezond, zoo wordt het leven der afzonderlijke organen niet apart gevoeld; maar is een der leden krank, gij voelt dan juist dat lid, uwe hand, uwen voet.
Eerst in het organisme — Kant leert het zoo schoon en diepzinnig in zijn Kritik der Urtheilskraft — eerst in het organisme zit het doelstellend leven voor. Dat leven is hier het inwonende, immanente doel, en eigent zich de stof toe, door haar in de warme verbinding zyns Geheels in te voegen.
Er bestaat eene volks-ziel, een algemeene geestdrift die bij groote gelegenheden te voorschijn breekt -en allen tot éénheid bezielt. Er bestaat een mystische eenheid van Christus in de Gemeente, Ef. 5, 32j een wijnstok met z^ne ranken Joh. 15. De Heer en de z^nen zyn één vleesch. Maar het geïsoleerd en isoleerend verstand vraagt: „waar is die eenheid? Ik zie slechts afzonderlgke menschen die zich naar eigen keuze samenvoegen; die eenheid is een abstractie, een gedachte, geen werkelijkheid.quot;
Zoo is ook de Schrift eene éénheid. Er is een leven des Heiligen Geestes dat zich in den kritischen arbeid der vroegere Gemeente, door veel mistasten heen, den Kanon gevormd heeft.
De menschen die dit gevoelen, loochenen niet dat ook de detail-kritiek noodig is. Maar zij zeggen dat deze kritiek geoefend n oet worden nadat men eerst het leven des Geheels gevoeld en ervaren heeft. De verstands-menschen daarentegen, ook de oprecht geloovenden onder
51
DE GKTÜIGENTS DES GKHKKLS.
hen, zeggen: „neen, dat Geheel, hetwelk gij roemt, is samengesteld uit aparte deelen die er waren voordat het Geheel er was; want dat Geheel is slechts aggregaat van die deelen.quot; Spreekt gy van het levend Geheel der Schrift, zoo noemen zy dit den dood voor elke kritiek.
En toch ook deze „orthodoxenquot; zetten, even goed als de „modernenquot; van zoo straks, op den kansel, in de Gemeente, hun kritiek op zyde. Want zy denken en spreken daar niet uit het op \'t oogenhlik voorhanden resultaat hunner kritiek, die immers ook nog in volle beweging en niet afgesloten is — maar zy spreken uit het geloof der Gemeente, reeds daardoor dat zij op den kansel staan, den bijbel opslaan en zeggen: „Gemeente des tleeren, in den brief aan de Galaten, het zooveelste hoofdstuk, zegt de apostel Paulus,quot; enz. enz.;— terwijl zy toch volgens hun kritiek moesten zeggen: „tot nog toe meent een deel (of het beste deel) der beoordeelaars dat deze brief van Paulus is,quot; enz.
Een der mannen nu die met groote kracht uit het geloof der Gemeente gesproken hebben en de éénheid der Schrift in haar goddelyk leven hebben gevoeld, was August Frie-drich Christian Vilmar. Met onze eeuw geboren, is hy in haaien zyn eigen negenenzestigste jaar gestorven (1800 — 186S) Ieder kent den smaakvollen letterkundige en zyn Geschiedenis der duitsche nationale litteratuur. Maar weinigen kennen den man zeiven, in zyn krachtvol massief geestelyk leven. Diepe ernst, wereld verachtende moed, rustelooze toewyding aan zijn levensdoel kenmerkten dit eminent partijhoofd. Eene levensvreugde die des doods niet gedenkt, zegt hy, heb ik nooit gekend. Den kerkvader Tertullianus eert hy boven anderen omdat „deze man met zaken, niet met woorden en begrippen denkt.quot;\' Als opvoeder had hy uitgebreiden invloed door de macht zyner persoonlijkheid. Als kerkregeerder heeft hij de
52
1gt;E GKTÜIOENIS DES ÜEHEKLS.
kerk van zijn vaderland Hessen geheel naar het model der antieke toestanden willen hervormen, en is daar voor een groot deel in geslaagd. Hij geloofde dat wy niet in een tyd van verdeeldheid en splitsingen leven, maar in den tijd der scheiding. Onontwijkbaar gaat de goddelijke wereldregeering haren vóór de tijden der eeuwen bepaalden gang, volgens welken tegen bet einde slechts twee soorten van mensehen, even als in het begin de Kaï-nieten en de Sethieten — slechts twee soorten, de kinderen Gods en de vijanden Gods zullen overblijven. Er zyn rechtmatige grieven tegen zijn heerschzucht en geweld, maar welk kerkelyk-staatkundig partijhoofd kan die missen ?
Vilmar heeft talrijke gewichtige werken geschreven. Uit de handschriftelijke nalatenschap zyner akademische Voorlezingen hebben wij ^Collegium Bihlicum. Praktische Erklarung der heiligen Schrift Alten und Neuen Testaments. Van dit werk is do Uitgever, de wakkere C. Bertelsmann te Gütersloh, eeue nieuwe uitgave begonnen, van welke de le Aflevering, gaande van Gen. 1 tot Exod. 8, vóór ons ligt. De prys is 1,60 M.
Wat is praktische Schriftverklaring? Zij onderstelt, als onmisbaren grondslag, wetenschappelyke exegese. Maar zij wil bovenal de Schrift doen kennen als éénheid, als het boek der openbaringen des levenden Gods, de geschiedenis der uitvoering van zyn Raad. Niet de bybelsche, heilige geschiedenis is de buitengewone en de overige wereldgeschiedenis de natuurlijke, de gewone; neen, het is andersom. Gelijk in Abraham alle volken gezegend worden, zoo is de heilige Geschiedenis zooals de Schrift, vooral het O. T. haar verhaalt, de normatieve geschiedenis die het doel van den overigen wereldgang daaromheen verklaart. Zonder dat doel blijft alles een raadsel, en de wereldhistorie is „niets dan een rad van gebeurte-
53
DE GETUIGENIS DKS GEHEELS.
nissen, onophoudelyk draaiend opdat de wereld en de menschheid niet een voortloopende poel worden.quot;
Naar de oude kerkregeling moest in dagelijksche of wekelgksche biduren de geheele heilige Schrift, van Genesis tot Openbaring, den volke uitgelegd worden. Tot zoodanige uitlegging, dus overeenkomende met wat ten onzent naar de oudste kerkordeningen de BProfetenquot; hadden te doen, wil dit Collegium biblicum handleiding geven. Wij bevelen het boek van harte aan alle leeraren, ook aan huisvaders voor den huisdienst, ten gebruike aan. Er is geen sprake van alles te beamen of elke uitlegging goed te keuren. Het streng luthersch, bovendien het kras persoonlijk karakter van\' Vilmar spreekt overal. Hy zal b. v. in Gen. 8 by het offer van Noach aanteekenen dat God, in letterlykheid, den reuk der offers riekt, wel is waar niet met den neus maar met een analoog orgaan. Doch gij die u aan dit „anthropomorfismequot; ergert, hebt gij bij uwe afgetrokken uitdrukking de beelde-lykheid kunnen overwinnen? Gelukkig niet, anders zoudt gy volkomen onverstaanbaar zijn.
Vilmar begrijpt dat de heilige Schrift niet, naar de wijze van hen die hare wetenschappelijke onfeilbaarheid drijven, beschouwd moet worden als wetboek voor historische of natuurkundige resultaten. Niet van de natuur der dingen, alleen van hun bestemming is hier sprake: niet van \'s menschen verhouding tot de wereld, maar van die tot God. Zoo leeren wij de H. Schrift opnemen juist zooals zy zich geeft, d. i. dus zeer veel hooger dan de beschouwing die een van buiten aangebrachten verstandelyken maatstaf aan haar aanlegt; hetzy men dan, met de „orthodoxen,quot; haar een wetenschappelyke onfeilbaarheid opdringe, hetzij men met de „modernenquot; zich boven haar „kinderlijkheidquot; wil verheffen. Om een voorbeeld te noemen, by de beschouwing van Gen. 1, 14—18
54
DK GETUIGENIS DES GEHEELS.
teckent Vilmar aan dat inderdaad de aarde middelpunt der geheele schepping is. „Indien wy niet daarop, maar bovenal op de onmetelykheid der schepping gewezen werden, zoo zouden wij als het ware van één gereten worden, ons verstrooien, het zelfbewustzyn verliezen. De zoogenoemde „kinderlijke beschouwingquot; in deze verzen is dus noodzakelijke voorwaarde tot ons zelfgevoel, onze menschenwaarde. Tegenover de natuurwezens, natuurkrachten , natuurgoden, is de prometheïsche trots, gelgk Goethe hem uitdrukking gaf, volkomen in zijn recht. „Bedek uw hemel, Zeus, met wolkennevels.quot; (In elk geval moeten van hier uit de grieksche mythen van Prometheus en de Titanen toegelicht worden: hier is een klein overblijfsel van de oorspronkelgke zienswijze omtrent \'s menschen verhouding tot de schepping). Zyn de natuurkrachten op die wyze den mensch dienstbaar, zoo wordt zonne- en sterren- of maandienst geheel ontnogelyk: die zgn slechts mogelgk als de mensch zich op aarde vau hen afhankelijk denkt. De aarde is werkelijk ons vaderland: wy zullen uit de aarde opstaan, en op deze aarde zal gericht worden gehouden. Hier op deze aarde, maar op eene vernieuwde, zal het nieuw Jeruzalem opgebouwd worden.quot;
Merkwaardige uitkomst! wie in de H. Schrift mensche-Igke wetenschap zoekt of meent dat ons verstand haar onfeilbaar moet noemen omdat wg haar anders niet genoeg zouden eeren, die vindt in haar geen wetenschap maar ongeremdheden. Wie haar daarentegen eenvoudig neemt zooals zy zich geeft , en zich zonder theorie aan haar onderwerpt, en dus geen wetenschap in haar zoekt, die vindt de diepste waarheid. Moet de wereld naar den bijbel of de bijbel naar dc wereld gemeten worden? De wereld naar don bijbel, en niet het omgekeerde. De heilige geschiedenis, die alleen, is de ware, normale.
55
DK GETUIGENIS DES GEHEELS.
Voor haar en voor de zoogenoemd ongewijde gescliiedenis moet één zelfde maatstaf der kritiek gelden. Namelyk de kritiek die haren maatstaf niet aan een afgetrokken verstandelijk denkbeeld van „waarheidquot; maar aan het voorwerp zelf ontleent, en dus de zaak zelve aan het woord laat komen. Dan ziet men dat de ware geschiedenis niet is de grieksche, die ten slotte de noodzakelykheid des Noodlots over alles laat heerschen. üok niet de historie-bouw b. v. van Hegel, die daar slechts een andere noodzakelykheid, de logische, den immanenten gang der idee, voor in de plaats stelt. Maar de ware geschiedenis is die welke als diepsten grond erkent den oppermach-tigen wil Gods, en derhalve den wil des menschen (p. 61). Derhalve zeggen wij: want Gods vrymachtige opperheerschappij is slechts ddéir triumfeerend, waar zij vrijheid aan het schepsel verleent; waar zij dus blykt in geen opzicht meer dwang, maar enkel vrijheid te zijn.
Zoo teekent Vilmar de historie naar de heilige Schrift, dat is: naar waarheid. Voor ons is hy een schoon voorbeeld van de „Getuigenis des Geheelsquot; over welke wij nog eenige woorden wenschen te zeggen.
II.
Wy gelooven dat de heilige Schrift, als één Geheel, Gods Woord is en juist zóó moet opgenomen worden als zy zich geeft. Op dien grond loochenen wy de wetenschappeli/ke onfeilbaarheid der Schrift, omdat de Schrift zelve door haar ganschen inhoud duidelijk zegt: gy moogt my die onfeilbaarheid niet toeschrijven. De geheele heilig-naieve wijze waarop de Schrift ons de geschiedenis aanbiedt, doet zien dat zy wil dat het historisch feit door de wetenschap uit haar worde opgemaakt, dikwerf tegen haar eigen letter in, en dat zij dit feit
56
DE GETUIGENIS DKS GEHEELS.
niet als wetenschappelyk toebereide stof aan den onderzoeker geeft. Wanneer, om één voorbeeld uit duizende te noemen, de wet der „tien woordenquot; in Ex. 20 op andere wgze (zie. slechts liet Sabbathgebod) wordt beschreven dan in Deut. 5, dan zegt ons de Schrift, als Geheel: „ik verbied u te zoggen dat wy omtrent dit punt stellige vastheid hebben, en dit verbied ik, geheele Schrift, u tegen de letter van Ex. 20 en ook van Deut. 5 in. Want die beide plaatsen, ieder afzonderlek genomen , zeggen beide dat er een stellige vastheid hieromtrent bestaat, ieder op de eigen wijze. Maar ik, geheele Schrift, zeg u juist door het onderling verschil van die beide plaatsen, dat wij hier yeen stellige vastheid maar een vlottende overlevering hebben.quot;
Wanneer wy zoo spreken, worden wy door de „Modernenquot; (ik zal ze kortheidshalve Wellhausen noemen) en door de vooratanders der wetenschappelyke onfeilbaarheid der Schrift (die ik kortheidshalve Hengstenberg noemen wil) — door beide worden wij dan bestreden in naam der kloekheid en heelheid. Wellhausen zegt; in Hengstenberg is karakter: zyn meening is rnassief-onge-rymd, maar men weet toch wat men aan hem heeft. Hengstenberg zegt: in Wellhausen is karakter: hy is geheel ongeloovig en goddeloos, maar hy gaat flink dóór. Zoo geven beiden elkander lof, en vereenigen zich daarna tegen ons, als tegen halven en vreesachtigen. Beiden zeggen ons: gij zijt tweeslachtig: kom over tot een van ons beide, blijf niet in het midden staan.
Wat andwoorden wij, op grond van de getuigenis des Geheels? Ons andwoord luidt als volgt:
Wellhausen en Hengstenberg, wij staan niet in het midden tusschen u , maar tegen u beiden over. Oordeelt niet naar den schijn. Als wy iets zeggen dat gij, Wellhausen, ook zegt, dan is het niet omdat wy met u me-
•57
BE GETUIGENIS DES GEHEELS.
58
degaan (al erkennen wy dankbaar dat uwe kritiek ons menigmaal opmerkzaam maakt op wat wgzelve verzuimd hadden te zien) maar dan is het omdat wg dit, wat wy zeggen, naar ons eigen beginsel zien. Als de degens van Laertes en Hamlet elkander kruisen, dan is er, ja, een punt waarin zy beide dezelfde ruimte beslaan, doch dit is dan niet omdat Laertes en Hamlet het met elkander ééns zyn, maar juist omdat zg tegen elkander strgden. Wij gaan niet met u mede, doch dit is niet omdat gy, Wellhausen, ons „te vei-quot; naar links, of gg, Hengstenberg, ons „te ver\'\' naar rechts zoudt gaan en wg, tus-schen u beide in, met u beiden vrede zouden willen houden. Gg ziet toch wel dat dit zeer dwaas zou zijn , daar wij immers niet uwe vriendschap maar als „halvenquot; ulieder beider minachting beloopen, en ons dit om des beginsels wille getroosten. Welk is dat beginsel? Eenvoudig het geloof in Jezus als den Christus naar de heilige Schriften. Deze Christus is het bezielend beginsel der Schrift zelve: alles wat hem voorafgaat, wijst op hem, alles wat na hem komt, gaat van hem uit. Uit gehoorzaamheid aan Jezus Christus durven wg niet met u, Wellhausen en Hengstenberg, een van buiten aange-brachten maatstaf aan de Schrift aanleggen; niet met u, Wellhausen, den maatstaf van de „wetenschappelgke waarheidquot; uit eigen geest opgemaakt; niet met u, Hengstenberg, den maatstaf van een onfeilbaarheid die vooraf, wegens kerkelijke en praktische behoefte, en niet a posteriori uit de Schrift zelve opgemaakt is. Wij buigen ons voor het feit dat God, blgkens den werkelijken inhoud der Schrift, niet gewild heeft dat die Schrift een onfeilbaar wetboek zou zgn. Wg zetten eenvoudig de kritiek voort, naar welke de Schrift zelve, als één Geheel, ontstaan is. Naar dat men Christus al of niet er in voelde en erkende heeft men de voorhanden schriften (met wan-
BE GKTD1GENIS DES GEHEELS.
kelingen, nog een tyd lang, omtrent sommige daarvan, b. v. de Apokalypse van Johannes e. a.) kanomek genoemd , en daaruit eindelijk te Elippo en te Laodicea een slotsom opgemaakt. Nu zetten wij eenvoudig diezelfde kritiek voort. Dat is: wij laten niet ons zwak verstand, maar Jezus zeiven en zyn heilige Apostelen kritiek oefenen. Als b. v. Jezus onderscheid maakt tusschen den oorspronklyken en den blijvenden wil van God omtrent de vastheid des huwelgks (Matth. 19), of als hy in de Bergrede zyn „maar ik zeg u!quot; uitdrukkelgk stelt tegenover de oud testamentische wet (niet slechts tegenover farizeesche latere instellingen maar tegenover die wet zelve, juist omdat hy haar uiet ontbindt maar vervult); of als wij de apostelen en verdere bijbelschrijvers het oude Testament met de grootste vrijheid, dikwerf verkeerd naar de verkeerde vertaling der LXX, zien aanhalen, dan durven wijniet, met Hengstenberg, het oude Testament wetenschappelyk onfeilbaar noemen, evenmin als het Nieuwe. Wij durven niet te redeneeren: „als wy geen wetenschappelyk-onfeilbaren Bybel hebben, dan hebben we geen zekerheidquot;; want wy durven, nadat wy eenmaal Jezus Christus als onzen vrede hebben leeren kennen, noch een anderen grond leggen dan die gelegd is, ilemzelven, noch een andere zekerheid noodig keuren.
De groote menigte begrypt altoos de verstandelijke redeneeringen het best. Die zyn waterklaar als dat twee maal twee vier is. En ten andere oordeelt zij ook liefst naar veiligheids-redenen die onmiddelyk schynen voor de hand te liggen.
Om die beide redenen valt het zeer licht, ons, die Jezus volgen in zyn eerbied voor de Getuigenis des Geheels, voor de Schrift die „niet kan gebroken wordenquot; — als halfslachtigen, vreesachtigen, inconsequenten te brand merken, gelijk Wellhausen gaarne doet. En even ge-
59
DE GETUIUKNIS UKS GKHKKLS.
makkelek valt liet voor Hengstenberg, tegen ons te waarschuwen met: „Neemt u in acht, Gemeente des Heeren ! zg nemen één steentje weg, maar daarmeê is het geheele gebouw gewrikt.quot; De gropte menigte begrijpt het ook volkomen dat daarna Wellhausen en Hengstenberg de handen in elkaar leggen, zeggende; wij zijn beide vast en flink, ieder op onze wyze: maar deze halve lieden weten niet wat zij willen Ja (voegt Wellhausen er aan toe) zy hebben iets van den boom der kennis geproefd, maar nu hangen zij daarbij nog aan de overlevering: dat geeft een ongelukkig laveeren. Ja (herneemt Hengstenberg) zij zijn het eigenlijk in den grond met u, Wellhausen, eens, maar zg vreezen de gunst der Gemeente en hun traktementen te verliezen; daarom hinken zij op twee gedachten, en zijn te zwak voor uw krachtvol ongeloof en voor mijn krachtvol geloof.
Wij hooren dit niet zonder leedgevoel (want op ieders achting stellen wy prijs) maar toch rustig aan. Want wij zijn geen partij, en hebben niets te verliezen. Wy zien in onze dagen een ontzachlijk gericht zich voltrekken, het gericht Gods volgens hetwelk de Gemeente de we-reldheerschappg teruggeven moet, welke zij sedert Con-stantijns dagen onrechtmatig aan zich had getrokken. Daarom, omdat wij dit gericht meenen te zien (en niet omdat wg ons hoogmoedig boven de partgen verheven wanen als wisten wij alles beter dan beide), zien wy in vele ontkenningen, die men gewoonlijk ongeloofjnoemt, b. v. van de „modernenquot;, .nog geen ongeloof; en in vele bevestigingen en belijdenissen die men gewoonlyk geloof noemt\' b. v. van de „orthodoxenquot;, nog geen geloof. Het oordeel Gods ging oudtgds over de omtuining welke de farizeën om de wet hadden gemaakt en om welke /Aj voor by uitnemendheid vroom golden bij de menigte. Dit oordeel werd voltrokken in de blinde verwerping van
60
DE (IKTUIOENIS DES GEHEELS.
Jezus en in de verwoesting van Jeruzalem. Het oordeel Gods komt in onze dagen over de omtuining welke de middeleeuwen rondom de belijdenis van Christus hebben getrokken om haar in de wereld te doen heerschen, en welke de hervorming slechts zeer aanvankelyk nederge-worpen heeft. By de ontzaehlykheid van dit gericht verdwijnt ons de beteekeui* — niet van de ontwikkeling dei-kerk zelve, want die is houggewichtig, maar — van onze kerkelyke twisten, het schuim door die golven opgespat.
Derhalve, onbekommerd om onze veroordeeling door het intellectualisme in zijn beide gestalten, de „modernequot; en -de „orthodoxequot;, stellen wy met Vilmar, bij kritiek en uitlegging beide, de Getuigenis des Geheels tot grondslag voor het onderzoek van de byzonderheden. In onze kritiek is geen beginselloosheid, geen vreesachtig naaide oogen zien, noch van wat zich, onder ons protest, „dequot; wetenschap noemt, noch van de conservatieve, aan het oude hangende schare. Wy hooren eenvoudig naaide Getuigenis des Geheels. Zie, het „Christendomquot; ia dadr, is aanwezig. Het „Christendom\'quot; is niet slechts een inwendige gezindheid, maar een historisch verschijnsel, samengesteld uit al die werkingen, inrichtingen, daden en woorden, die te zamen toonen dat er een hooger leven dan het aardsche, dat het koningryk Gods op aarde gedaald is. Van dat „Christendomquot; als één Geheel, geiyk de • historie het ons toont en de eigen tegenwoordige ervaring ons daaraan doet deel hebben, gaat een kracht uit. Eene kracht tot vernieuwing, tot onuitsprekelyken vrede, tot daden van heiligheid, liefde, zelfverloochening, martelaarsmoed, welke niet uit dit aardsche leven, niet uit den zedelyken aanleg des menschen alleen, kunnen verklaard worden. In het samenstel van die feiten en iurichtingen bekleedt de Heilige Schrift als „genademid-
61
DK GETDIOKNIS DKS GKHEKLS.
62
delquot; een zeer voorname plaats. Van haar gaat, blijkens onze ervaring en die van millioenen, die kracht grooten-deels uit, namelyk als regel der waarheid. Want in de Gemeente is de waarheid, er is een rechtstreeks verband met den levenden God, er is de Heilige Geest, maar de Schrift toont ons dat leven der Gemeente in zyn oor-spronkelyke gestalte. In haar teekept de Gemeente ten allen tyde en onder alle vormen de zuivere uitdrukking van haar leven. Naar haar moet alles geregeld, aan haar alles getoetst en in zijn waarheid of onwaarheid, waarde of onwaarde geschat worden. Welnu, de echte weten-schappelgke kritiek, welke wg niet vreezen maar eischen, is gehouden met de feiten te rekenen. Bepaaldelijk ook met liet teit van de kracht die in alle eeuwen van deze schriften is uitgegaan en er ook thans van uitgaat. Wanneer nu een kritische verklaring van oorsprong en samenstelling dier Schriften zich voordoet, welke met die kracht, in de Schriften werkende, niet bestaanbaar is, zoo heeft de wetenschap plicht en recht, deze verklaring te verwerpen als zijnde geen verklaring. Iets wat het voornaamste der kenmerken van eene zaak niet verklaart maar er tegen strijdt, kan geen verklaring heeten. Zoo zeggen wy dan met vol wetenschappelgk (hoewel door velen niet erkend) recht, dat wg eene kritiek, volgens welke deze Schriften des O. en N. T. slechts partijschriften (om niet te zeggen pamfletten) uit latere eeuwen zyn, niet als verklaring van haren oorsprong kunnen laten gelden. Wanneer wij evenwel tegelijk daarbij niet schromen te erkennen dat b. v. uit Gen. 36, 31 gelyk uit vele andere plaatsen duidelgk blijkt dat de Pentateuch niet door Mozes alleen geschreven maar in veel latereu tijd voltooid is, — dan is dit niet omdat wy vreesachtig een kleine concessie aa,n de moderne kritiek willen doen, maar eenvoudig omdat wij gehoorzamen aan de Schrift
de oetuigknis des oehekl3.
zelve, en haar dus niet door het opdringen van weten-schappeiyke onfeilbaarheid willen beheerschen.
Aldus stelt ook Vilrnar de Schrift veel te hoog om haar tot deze onfeilbaailioid neder te trekken. Hy ontsluit hare schatten als een waardig Schriftgeleerde, en geeft voor iedereen , maar bovenal voor leeraren die den bijbel aan het volk hebben uit te leggen, een overvloed van de uitnemendste wenken.
Wij bevelen dus met warmte het Collegium biblicum van Vilmar aan. Indien op onze aansporing vele leeraren dit boek met oordeel des onderscheids gebruiken, en zich van den krachtvollen, dichterlijken, waarlyk bybel-schen geest die er in ademt, laten doordringen, zal de Gemeente in hun bijbellezingen het sterkend voedsel ontvangen dat zij behoeft.
Leiden, Dec. 1890. J. II. Gunning.
63
i