WAT NU?
EEN ERNSTIG WOORD
AAN DE
LEDEN DER NED. HERVORMDE GEMEENTE
TE AMSTERDAM
DOUR
H. V. HOGERZEIL,
Predikant aldaar.
DERDE DUIZENDTAL.
amsterda m. F. W. EGEL ING.
Aan
de leden der Nederd. Hervormde Gemeente te Amsterdam.
Geliefde Broeders tu Zusters in \'Jezus Christus onzen Heer!
Wat nu r Die vraag is ongetwijfeld bij velen uwer, na het bekend worden der synodale uitspraak, opgekomen. Zij verdient ernstige overweging, en is reeds door hen, wie die uitspraak getroffen heeft, beantwoord. Of wij met dat antwoord instemmen, zal grootendeels van ons oordeel over den tot nog toe gevoerden strijd afhangen. Dat wij bij het vormen van dit oordeel niet op eigen inzicht of de vaak bedriegelijke woorden van menschen mogen afgaan, maar ons alleen door Gods Woord moeten laten leiden, mag wel telkens worden herinnerd. En wij hebben wel toe te zien, aan welken kant wij ook staan, dat wij onze zaak niet ondoordacht met \'s Ueeren zaak verwarren, want dat zou een eigendunkelijkheid zijn, waartoe de vleeschelijke mensch zich wel gemakkelijk laat verleiden, maar die aan de majesteit der heilige waarheid tekort doet Ieder lid onzer kerk zal in deze ernstige dagen zichzelven moeten onderzoeken, hoe hij tegenover den alwetenden God staat? Moge de Heilige Geest ons allen de apostolische vermaning: »Gij zijt duur gekocht, wordt
4
geen dienstknechten der menschen (i Cor. 7 : 23) helder in de oogen doen blinken. Om de eere van Koning Jezus zij het ons niet met woorden alleen, maar met de daad te doen.
Wij kunnen ons voorstellen, dat de stukken in »het Predikbeurtenbladquot; van 18 Dcc. opgenomen, waarvan het eerste onderteekend is door de H.H. F. van Son en H. W. van Loon, en het tweede door de H.H. P. van Son, J. Bechthold en W. J. Buré, op velen indruk maken. Zij zijn met talent geschreven en bevatten veel, do dadelijke strekking, waarmede het gezegd wordt, daargelaten, waarop iedereen, die onze kerk en hare belijdenis liefheeft, ja en amen kan zeggen. Ik schroom niet dit te erkennen, en doe het te eerder, omdat ik tegen die strekking met grooten ernst moet waarschuwen. Ziet, iemand kan voortreffelijke dingen zeggen, waartegen gij uit Gods Woord niets kunt inbrengen; maar het i-: de vraag, of zij op het geval, waarom zij gezegd worden, van toepassing zijn. Mij komt het voor, dat dit hier niet het geval is. En heb ik tot nog toe op alles, wat na de uitgave mijner drie brochures tegen mijn persoon gezegd is, gezwegen, door \'s Heeren genade iets van dezen troost kennende, dat het oordeel van God gaat boven dat van een mensch, nu meen ik, waar zoo groote scheuring onze gemeente bedreigt, met een eenvoudig kort woord tot u te moeten komen. God zegene het, hoe gebrekkig het ook zij, tot opbouwing van onze gesmade kerk. En gij, geliefde Broeders en Zusters! neemt het aan niet als een woord, dat over u heerschen wil, maar als geschreven met de stille bede, dat God het tot voorlichting, heeling en samenbinding moge gebruiken.
Een » Reformatiequot; daarvan spreekt men, en deze spiegelt men u voor. Uitstekend, wanneer men daarmede bedoelt op den weg der godzaligheid het Woord van God in onze kerk steeds meer in eere te brengen. Geen kerk is volmaakt, ook de üvve niet. Zij is het nooit geweest en tegenwoordig allerminst. Daar is veel in haar, wat dringend in haar gereformeerd, hervormd moet worden. Bovenal komt dit in een groote gemeente als de uwe uit. Door den strijd tusschen geloof en ongeloof heeft onze kerk
5
veel geleden, en veel goeds is daardoor verwoest. Daar zijn dingen gebeurd, en die gebeuren nog, welke in een op Gods Woord gebouwde kerk niet moesten toegelaten worden. Iedereen, die de belijdenis onzer kerk liefheeft, zal dit grif toestemmen.- Op bijna ieder terrein van hare werkzaamheid is dringend hervorming noodig, en wie die op eerlijke wegen voor haar zoekt, is niet haar vijand, maar haar vriend. Ja, het ware hartelijk te wenschen dat allen, die het goed met uwe kerk meenen, in de kracht Gods zich opmaakten en onderling verbonden, om dat werk der reformatie moedig en met volharding op te nemen. Dan zoude men er ook op uitgaan in uwe groote gemeente, om het verlorene en afgedwaalde op te zoeken, uwe kranken geestelijk te verzorgen, en het Evangelie van Gods vrije genade in Jezus Christus zoo ver mogelijk te brengen.
Maar dat bedoelt men niet met de voorgestelde reformatie, of juister gezegd, dat bedoelt men niet alleen en in de eerste plaats. Men stelt de reformatie, welke men zoekt, op één lijn met die der kerkhervorming, en tracht u over te halen om uwe kerk, waarin gij zijt geboren en waartoe gij door uw doop en belijdenis behoort, te verlaten.
Want al beweert men ook, dat men u tot geen afscheiding zoekt te verlokken, op een afscheiding komt het toch feitelijk neer. Een nieuwe kerkeraad tegenover den wettigen heeft zich reeds opgeworpen, en zij, die daartoe behoo-ren en er zich bij aansluiten, scheiden zich feitelijk van uwe kerk af. Uw kerkeraad en de andere wettige besturen zullen ook niet in gebreke blijven om het als zoodanig te beschouwen. De naam, dien men zichzelven geeft: » Neder-duitsche Gereformeerde Kerk (Doleerende)quot;, verandert daaraan niets. Men treedt uit de bestaande Ned. Hervormde kerk die, welke bezwaren men ook tegen haar moge hebben, de voortzetting is van de vroegere Gereformeerde kerken in ons vaderland. En nu kan men wel beweren, dat zij zóó niet langer verdient te heeten — wat dan de Christelijke Gereformeerde Gemeente met hetzelfde recht kan doen — maar feitelijk komt het toch hierop neer, dat zij, die haar verlaten, onder een ouden of nieuwen naam een nieuwe kerkgemeenschap stichten, welke men naar eene kerkordening uit vroegere dagen inricht. Hebt
6
gij nu vrijheid voor God en uw geweten om u daarbij aan te sluiten? Wij gelooven het niet, al stemmen wij gaarne toe, wij zien het in de dagen der Kerkhervorming, dat de stichting van zulk een nieuwe kerkgemeenschap de eisch van Gods Woord en ons geweten kan wezen, maar dan moet dit ook onbetwistbaar duidelijk zijn gebleken.
In de 16de eeuw gold het de vrije prediking van het Evangelie naar de Heilige Schriften. Daarvoor hebben ook uwe vaderen goed en bloed over gehad. Hij, die zulk een prediking bracht of zocht, werd in de Roomsche kerk van ons vaderland niet geduld, en zóó was het ook elders. Uitgestooten, verbannen en vervolgd moest men wel tot de oprichting van een nieuwe kerkgemeenschap overgaan. De gehoorzaamheid aan Gods Woord gebood te weder-staan en te handelen.
Maar die zedelijke noodzakelijkheid bestaat nü niet. Welke bezwaren men ook tegen uwe kerk moge hebben, dit kan men haar niet ten laste leggen, dat het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften niet meer in haar gepredikt zvordt en mag worden. Niemand wordt op dit punt ook maar in een enkel opzicht moeite aangedaan. Gij kunt er over klagen, dat er in onze kerk te groote vrijheid is, dat ook de dwaling wordt geduld, maar de prediking van Gods heerlijke genade staat vrij, en is ook nog in uwe kerkgebouwen te hooren. Ja, dat laatste zeker meer dan in vroegere jaren.
En zoolang dat het geval is, houden wij een afscheiding, als nu wordt bedoeld, voor ongeoorloofd. In sommige gemeenten der Apostolische kerk, met name in Galatie en te Korinthe, werden grove dwalingen vrijelijk gepredikt, de apostelen en die hen terzijde stonden, hebben ze met kracht bestreden, maar nergens lees ik een bevel aan de geloovigen om zich kerkelijk af te scheiden. Tgt;e noodzakelijkheid daartoe is eerst dan daar, wanneer het Evangelie en de Sacramenten niet meer naar Gods Woerd viogcn bediend worden. Maar zoover is het, Gode zij dank, in uwe gesmade kerk nog niet gekomen.
En zult gij nu die kerk, hoe diep zij dan ook moge gezonken zijn, maar over welke God in vroegere dagen zijn genadig welbehagen zóó kennelijk heeft getoond, en waaruit Hij met zijn Heiligen Geest nog niet is geweken.
^aan verlaten ? Doet het niet. Tot die kerk hebben uwe vaderen behoord, velen van hen liggen in hare bedehuizen begraven, gijzelven hebt in haar den Heiligen doop ontvangen, den dood des Heeren verkondigd, en misschien het woord gehoord, dat u de levensvraag op de lippen heeft gebracht: »Wat moet ik doen om zalig te worden?quot; En zult gij haar nu den rug toekeeren, nu zij uwe warme toewijding het meest noodig heeft, omdat u eene reformatie wordt voorgespiegeld, waarvan het nog zal moeten blijken, of zij uit God dan wel uit den mensch is. Inderdaad, men zoude kunnen vragen, of het geen overmoed is, om een beweging, gelijk die nu onze vaderlandsche kerk beroert, met die uit de dagen der Kerkhervorming te vergelijken? Welk een verschil toen en nu! Toen ging de strijd om het Woord van den levenden God, dat de herders en leeraars niet anders dan met gevaar van hun leven konden prediken, werden de geloovigen naakt uitgeschud, verbannen en vervolgd, en is de lange lijst der martelaren tot duizenden aangegroeid. Vergelijkt daarmede nu eens den toestand, waarin wij tegenwoordig verkeeren. En, welk een andere geest in die dagen ! Men stond als een éénig man tegenover Rome, maar was onderling door hetzelfde geloof in één band van teedere liefde verbonden. Tegenwoordig staan zij, die voorgeven een even dierbaar geloof deelachtig te zijn, als felle vijanden tegenover elkander. Ik kan in wat men nu een »Reformatiequot; noemt, het ruischen van den Heiligen Geest nog niet hooren. Dan zou ik — en God beware mij, om ooit zijn heilig werk te miskennen — andere vruchten van haar moeten zien. Men kan gemakkelijk, op welk standpunt men ook sta, het prachtige woord »Reformatiequot; uit de geschiedenis nemen, en daarmede versieren wat men poogt tot stand te brengen, maar de reformatiën, welke wij zond/ge menschen beproeven, steken sterk af bij die, welke God Zelf in zijn duurgekochte Gemeente werkt. Door ons gemaakt of door God gewerkt, dat is een verbazend verschil.
Of zoude, wat men klaagt en schrijft over de synodale hierarchie, u allen moeten bewegen, om u bij de nu op
8
touw gezette reformatie aan te sluiten ? Dat, zoo beweert men, is het juk, dat verbroken en afgeworpen moet worden. Laat ons zien, wat er van aan is.
Wat verstaat men onder synodale hierarchie ? Is de uitspraak der synode in zake het Amsterdamsche kerkge-ding daar een staaltje van ? Maar dan zal men eerst moeten aantoonen, dat die uitspraak berust op gronden met Gods Woord en onze kerkordening in strijd. Dat bewijs is nog niet gegeven. Het is verleidelijk om, wanneer men op een of ander punt dwaalt, en daarom door de uitspraak van een bevoegde macht getroffen wordt, op de laatste de schuld te werpen ; maar dat houdt toch geen steek. Of laat het geval zich niet zeer goed denken, dat zij, die zich nu van onze kerk afscheiden, over eenigen tijd in hun eigen boezem een kwestie krijgen, welke volgens de kerkordening, nu door hen aangenomen, ook door een synode zal moeten worden beslist r Tien tegen één, dat dan de veroordeelde partij ook weer gaat klagen over synodale hierarchie, en zal beweren het recht en de waarheid aan haar kant te hebben. Men noemt ons, en dat meestal op geen vleienden toon » de synodalen,quot; maar daarvoor hadden de Remonstranten de Contra-remonstranten ook kunnen uitschelden. De eersten, getroffen door de uitspraak der Dordrechtsche Synode, hebben misschien ook wel van synodale hierarchie gesproken. De beschuldiging, men zal het inzien, moet nog een anderen grond hebben dan het nu gevallen vonnis.
En nu stem ik gaarne toe, dat er in de laatste jaren menig besluit door de kerkelijke besturen is genomen, hetwelk kan gerekend worden in strijd te zijn met den geest onzer belijdenis; maar voor wier rekening komt dat mede r Niet uitsluitend, maar toch in de eerste plaats voor rekening der verschillende gemeenten, die de kerkelijke besturen verkiezen. De kiescollegiën en kerkeraden hebben in onze kerk alles in handen. De eersten worden onmiddellijk door de stemgerechtigde leden der gemeente gekozen, en waar de kerkeraad zichzelven kiest, heeft hij dat recht door een vrije beslissing van de gemeente ontvangen. Het gaat dus van onderen naar boven. De kiescollegiën verkiezen de kerkeraadsleden, de kerkeraden zen-dun hunne afgevaardigden naar de classicale vergaderingen.
9
Door die afgevaardigden worden de leden voor de classi-cale en provinciale besturen gekozen, en door de laatsten die voor de synode. Ik laat nu de vraag rusten, of het bestaan van een kiescollegie in onze kerk zuiver Gereformeerd is? Het is van algemeene bekendheid, dat toen die vraag eenige jaren geleden voor uwe gemeente aan de orde kwam, zij, die ons nu hebben verlaten, het sterkst voor het behoud van het kiescollegie geijverd hebben. Maar hierop wil ik komen : of men recht heeft voor de bewering, dat uwe kerk, alsof de kerkelijke besturen een macht boven en buiten haar waren, onder een juk van synodale hierarchic gebogen gaat r Dat is onwaar. De gemeenten zeiven, omdat van haar de verkiezingen uitgaan, zijn er in de eerste plaats aansprakelijk voor, in welken geest de door haar benoemde kerkelijke besturen zijn. En wanneer het nu in den laatsten tijd bij vele zich noemende »Gereformeerdenquot; regel is geworden, om beslist te weigeren aan de stemming voor de verschillende kerkelijke besturen deel of er zitting in te nemen, dan moet men het niet het minst aan hen wijten, dat zij gekomen of gebleven zijn in handen van mannen, tegen wie men nu allerlei bezwaren inbrengt. Waarheid is dat, wanneer men den toestand van nu vergelijkt met dien van vroegere jaren, er veel ten goede veranderd is ; maar men gaat zelf op onverantwoordelijke wijze prijsgeven, wat gewonnen was. En zoo uwe kerk in handen valt van het ongeloof, mogen zij dat voor God verantwoorden, die er nu bij u op aandringen om haar te verlaten.
Voorzeker, het is aantrekkelijk met gelijkgezinde broeders en zustèrs een kerkgemeenschap op te richten, waarin men het dan alles maken kan, zooals men meent, dat het naar Gods Woord wezen moet; maar wat blijft er dan over van onze nationale kerk, welke zulk een groote roeping tegenover ons volk te vervullen heeft en waartoe de massa\'s behooren? Moet men de laatsten, die toch ook tot onze kerk te rekenen zijn, dan maar aan hun lot overlaten? En houden wij toch op datgene aan synodale hierarchic en kerkelijke besturen te verwijten, waaraan wijzelven mede schuldig staan. Ik stem het terstond toe, dat er in onze kerk bijna geen kerkelijk opzicht en tucht wordt uitgeoefend, maar zoo men gelooft, dat er die moeten en kunnen zijn, waarom past
IO
men ze dan niet toer Verbieden dat de kerkelijke reglementen? Volstrekt niet, zij schrijven ze voor. Nu zal men mij voorwerpen, dat een kerkelijke procedure over de leer nooit tot eenijje uitkomst heeft geleid, en dat dit van algemeene bekendheid is. Toegegeven, maar is dat het eenige punt, M\'aarover de kerkelijke tucht moet loopen ? Begint dan met hetgeen voor de hand ligt en gij wél kunt doen. Ik ben nu achtjaren lid van den Amsterdamschen Kerkeraad, en herinner mij maar een paar gevallen, dat een zijner leden het voorstel deed iemand om zijn openbaar zondig gedrag te censureeren. Ook zij, die nu door het kerkelijk vonnis getroffen zijn, hebben er volstrekt niet op aangedrongen om de behandeling van zulke aanklachten door te zetten. Vreemd, niet waar? De tucht moet niet alleen over dc her maar ook over het leven loopen. Men spreekt van een Augias\' stal, doch wat heeft men zelf gedaan om hem te reinigen? Zouden er niet velen onder de nu afgezette leden van den kerkeraad zijn, die van nabij personen kennen, op wie om hun openbaar zondig gedrag de kerkelijke tucht zou moeten worden toegepast? En toch hebben zij nooit, toen zij nog leden van den kerkeraad waren, het voorstel gedaan om de zoodanigen te censureeren. Het is gemakkelijk om veel van kerkelijke tucht te spreken en er de kerkelijke besturen een verwijt van te maken,. dat zij niet wordt uitgeoefend, doch wanneer is het in de laatste jaren voorgekomen, ik herinner er mij geen enkel voorbeeld van, dat een lid van uwe gemeente, na eerst zelf het uiterste in den geest der liefde beproefd te hebben (Matth. 18 : 15—17), personen bij den kerkeraad noemde, op wie hij de toepassing der kerkelijke tucht , vroeg? Gij hebt gelijk: »het is een moeielijke en teedere zaak,quot; maar klaagt dan ook niet over «synodale hierarchicquot;, alsof dat de zondebok ware, waarop men alles werpen mocht. Zij, die kerkelijke tucht uitgeoefend willen hebben, moeten dit niet alleen aan de Besturen overlaten, maar er zeiven mede beginnen. Neen, ik tracht het vele verkeerde en gebrekkige in onze kerk niet goed te praten. De afval is groot. Maar men zoeke de schuld, waar zij te vinden is. Deze zit niet in de inrichting uwer kerk, maar ligt bij de personen, die haar vormen en in hare besturen zitting hebben.
11
Doch hier moet ik nog céamaal op terugkomen, dat de nu ontzette kerkeraadsleden geen vervolgden »om den Woorde Godsquot; zijn. Het zij verre van ons deze mannen hard te vallen. Daar zijn er onder hen, die jaren lang met trouw en ijver de gemeente gediend hebben, en van meer dan één smart het ons bitterlijk, dat het zóóver heeft moeten komen. Maar men zegge niet, dat zij om hunne gereformeerde belijdenis zijn vervolgd geworden. Zij, die dit voorgeven, moeten het met de stukken bewijzen. In de gepubliceerde stukken, waarvan ik in den beginne sprak, wordt de attestenkwestie wederom op den voorgrond geschoven. Ik noodig mijn vroegeren ambtgenoot P. van Son. dien ik nog gaarne naast mij had, en van wien ik wel vermoed, dat hij de bedoelde stukken niet opgesteld, maar die ze toch, als eerste onderteekenaar, voor zijne rekening genomen heeft, openlijk en dringend uit eens aan te toonen, dat hem en den anderen Broeders om die attestenkwestie de bediening in onze kerk is ontnomen. Indien wij dwalen, of een valsche voorstelling van de zaak geven, dan moet dit uitgemaakt worden. Doch ik vraag geen rede-necringcn om dn zaak heen, maar feiten, waaruit het zonneklaar blijkt. Noch in het bericht der voorloopige schorsing, noch in de uitspraken van de verschillende kerkbesturen wordt van die attestenkwestie met een enkel woord gesproken. Het is zelfs bekend, dat het Classicaal Bestuur van Amsterdam, hetwelk de voorloopige schorsing heeft uitgesproken, aan de ouders, die over de weigering der attesten bij hetzelve een aanklacht tegen den kerke-raad hadden ingediend, heeft geantwoord geen termen te pinden om in deze zaak handelend tegen den kerkeraad op te treden Nu kan men over die attestenkwestie verschillend oordeelen, al of niet op dat punt met den toen-maligen kerkeraad medegaan, maar ik betwist, tenzij ik beter worde ingelicht, dat men om haar uit het kerkelijk ambt is gezet geworden.
De éénige oorzaak is de beheerskwestie. Men heeft de poging voorbereid om met behoud der kerkelijke goederen uit het kerkelijk verband te treden. Ik heb dat vroeger genoemd: »De revolutie gereglementeerd,quot; en blijf dat ook
12
nu nog handhaven. Wanneer men een kerkelijke commissie, aan wie de zorg over de stoffelijke goederen is opgedragen, gelast om, zoodra er een conflict met de wettige besturen oiitstant, met de gcschorsic of afgezette kerkeraads-leden mede te gaan, en deze als den éénig en en zvettigen ker-keraad te beschouwen, dan vat ik niet, hoe men het onwettige en verkeerde daarvan niet gevoelt en het anders noemen kan. Wij verdichten geen bedoeling, zij springt uit de nieuw gemaakte artikelen ons tegen. En de aanhef van Art. 41, waarin van het houden der gemeente bij Gods Woord en de belijdenis onzer kerk wordt gesproken, verandert aan deze beschouwing niets, want zelfs de mogelijkheid, dat men om een andere oorzaak zou kunnen worden geschorst of afgezet, wordt niet éénmaal toegelaten. De kerkelijke commissie moet, tegenover de uitspraken der wettige kerkelijke besturen in, geschorste of afgezette kerkeraadsleden, zoo deze maar voorgeven de gemeente bij-Gods Woord en hare belijdenis te willen houden, als den éénigen en wettigen kerkeraad volgen. Hoe is met zulke bepalingen een geordende kerk bestaanbaar?
Ik zal de geschiedenis van den treurigen strijd niet op nieuw ophalen ; maar ziet niet voorbij, dat zich in deze nieuw gemaakte wetsartikelen als belichaamt, wat wij van een bekenden kant onder allerlei vormen reeds lang hebben gehoord. Uwe kerk met haar tegenwoordige organisatie zen en moest vallen. En nu men het plan maakte om de daad bij het woord te voegen, mochten de kerkelijke besturen dat lijdelijk aanzien ? Dat zcude naar mijn innige overtuiging een daad van ontrouw tegenover God en de aan haar opzicht toevertrouwde kerk geweest zijn. Ik heb deze woorden, voordat ik ze neerschreef, ernstig overwogen, want ik begrijp zeer goed, dat zij geen algemeene instemming zullen vinden. Maar laten zij, die nu de verschillende kerkbesturen en hen, die zich daarbij houden, hard vallen, toch eens beproeven zich op ons^ standpunt te verplaatsen.
Men heeft uwe predikanten, die in uwe kerk terugblijven en hare verordeningen willen gehandhaafd zien, gedurig van groote ontrouw beschuldigd. En toch konden zij, gebonden door een overtuiging, waarvan zij gelooven, dat zij op Gods Woord gegrond is, niet anders handelen. Zoolang de zaak nog
13
niet voor de verschillende kerkbesturen was gebracht, hebben wij op verschillende verg-aderingen onze medebroeders ernstig gewaarschuwd, om toch niet dien naar ons inzien verkeerden weg op te gaan, hun dringend verzocht hunne voorstellen terug te nemen en hun voorspeld, welke treurige gevolgen zij na zich zouden slepen. Maar het heeft niet mogen baten, en mijzelven is het overkomen, dat ik in een wettige vergadering van den Amsterdamschen Kerkeraad ben » uitgefloten en uitgetrappeldquot; geworden. Ik deel dit laatste mede, niet om er eenige vertooning mede te maken, maar om te doen uitkomen, welke verkeerde geest, want ik stel niet den gehee-len kerkeraad daarvoor verantwoordelijk, sommigen bezielde.
De kwestie tusschen de afgezette Broeders en ons komt ten slotte hierop neêr, dat zij voor zedelijk geoorloofd honden, wat tvij zedelijk ongeoorloofd noemen.
Ieder lid der Ned. Herv. kerk is door een belofte, voor God en menschen afgelegd, gebonden aan die kerk.
Verreweg de meeste lidmaten van de Amsterdamsche Gemeente, ook zij die nu, gelijk men dat noemt, met gt;\'de geschorstenquot; medegaan, hebben, toen zij werden bevestigd, de volgende vraag toestemmend beantwoord:
» Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nsd. Herv. kerk in het bij zonder, niet opvolging van hare verordeningen, naar nw vet mogen volijverig mede te werken?
Zij zullen het eenmaal voor God verantwoorden, op welke wijze zij nu die belofte nakomen.
Alle ouderlingen en diakenen in de Ned. Herv. kerk aanvaarden onder deze voorwaarde hunne bediening, dat
zij „geen tegenstrevers van kerkelijke verordeningenquot; mogen zijn (Art. 3 van het Regl. v. d. Kerkeraden). Bij iedere nieuwe verkiezing moet dit artikel in de vergadering van uw kiescollegie worden voorgelezen. Ook de mannen, die nu uit hunne bediening zijn ontzet, hebben haar vroeger onder deze voorwaarde aanvaard
En wij pred kanten, zoo dikwijls wij een beroeping aannemen, beloven met onze handteekening, om alles te doen, ivat een herder en leeraar overeenkomstig Gods heilig Woord, volgens de verordeningen ner Ned. Hervormde kerk betaamt/\' Op grond van die belofte wordt de beroeping door de bevoegde besturen goedgekeurd.
14
Beteekent dat alles niets ? Mag men met zulke beloften spelen? Ook zij, die nu uit hun ambt in onze kerk zijn ontzet en haar verlaten hebben, kunnen dat niet willen. Maar hoe kan men dan verdedigen, dat men, ofschoon gebonden door die belofte en staande binnen het kerkelijk verband, het in die kerk aanvaarde ambt mag gebruiken, om haar omver te werpen? Ik vat dat niet. Ja» men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschenquot; — geen kind van God wil van dat heilige woord iets afdoen — maar tot die gehoorzaamheid behoort ook, dat men » bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen.quot; (Rom. 12- 17). Gelooft gij door Gods Woord in uw geweten gebonden te zijn, om de Ned. Hervormde kerk tegen te staan en u aan hare tegenwoordige organisatie te moeten onttrekken, begint dan met uwe belofte om hare verordeningen op te volgen terug te nemen en haar te verlaten. Dat is, dunkt mij, de eisch van waarheid en goede trouw. Want al is het waar, dat bij een kerkelijke bediening niet alleen de uiterlijke aanstelling door de kerk, maar ook de innerlijke roeping van God in aanmerking komt, wanneer ik mij eenmaal door eene kerk in het ambt heb laten stellen, dan heb ik haar in den naam des Heeren door dat ambt te dienen, en kan ik dit niet langer doen, dan moet ik haar verlaten. De belofte bindt, zoolang ik binnen het kerkelijk verband sta.
En nu komt het niet bij mij op, om de afgezette broeders van opzettelijke ontrouw te beschuldigen. God alleen weet, wat er in ons hart omgaat, met welke bedoelingen wij handelen, en wanneer men eenmaal in een zekere strooming is gekomen, wordt men vaak verder gevoerd, dan men oorspronkelijk zelf wilde; maar hiertegen kom ik op, dat men ons onder allerlei vormen beschuldigingen van ontrouw en menschenvrees naar het hoofd werpt, omdat wij niet hebben huiven en zvi/lcn medegaan. Ik heb geen mandaat om uit naam mijner medebroeders tot u te spreken, maar ben zeker van hunne instemming, wanneer ik zeg, dat wij gebonden door Gods Woord, want geen ander richtsnoer mag hier gelden, voor zedelijk ongeoorloofd houden, wat men aan den anderen kant een duren plicht heeft genoemd. »Gode meer gehoorzaam dan den menschen.quot; laat ons daarvan toch niet afwijken, maar het Woord des Heeren
IS
leert mij ook, dat mijn »Jaquot; ja en mijn» Neenquot; neen moet zijn. En het zedelijk bewustzijn van een volk wordt geschaad, wanneer men in een kerk daarvan afwijkt.
En zoo is er dan nu een groote breuk in onze gemeente gekomen. Een twistvuur brandt, hetwelk met den dag grooter afmetingen aanneemt. Zij, die het hebben ontstoken en onderhouden, mogen er voor God de verantwoording van dragen. Zeker, een flinke strijd is verre te verkiezen boven doodelijke rust. Jezus Christus zelf zegt ons: »Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen op aarde maar het zwaard.quot; Alléén het zwaard, dat wij onder de menschen werpen, is niet altijd zijn zwaard; het -ijne wondt en heelt, het onze snijdt en vernielt. Bijna in alle gemeenten van ons vaderland is een bittere verdeeldheid ontstaan, en dat niet gelijk vroeger tusschen orthodoxen en modernen, maar nu onder mannen, die vroeger met elkander baden en werkten, en die nog belijden in Jezus Christus hun éénigen levensgrond gevonden te hebben. Zelfs tot in de huisgezinnen werkt die verdeeldheid door, zoodat ouders tegenover hunne kinderen en deze tegenover vader of moeder staan. Is het niet, bij hetgeen men er van ziet en hoort, om te schreien tot den levenden God, of Hij zich mocht ontfermen en nog genadig verandering geven! Waar is het geloof, dat in teedere liefde werkzaam is, en die christelijke hoop, welke over alles heen heilbegeerig naar \'s Heeren wederkomst uitziet ? Men wekt op tot algemeene verootmoediging; laat ons er dan ook toe komen, het onreine en verkeerde uit ons midden wegdoen en met de zonden en nooden van onze kerk komen tot het kruis van Golgotha. De verzoening door het bloed des kruises werkt verzoening. Nog kan de Heilige Geest het gebrokene heelen en het verscheurde samenbinden. En moet het dan zijn, dat een deel van onze gemeente uwe kerk verlaat, laat het geschieden op eerlijke wegen en zonder bitterheid. Verdraagt het, zoo gij wordt gelasterd, en misschien zelfs door vroegere vrienden teruggestooten, om des Heeren wil. Laat deze vraag ons vóór alles bezighouden : »Is mijne ziel gered en geloof ik in Hem, die overgeleverd is om onze zonden en opge-
i6
wekt om onze rechtvaardigmaking?quot; En gij, die nog een hart hebt voor uw fel bestookte kerk, bidt voor haar, komt in haar openbare samenkomsten, steunt haar arbeid met uwe gaven, verbindt u onderling vast aan elkander beoefent de gemeenschap der heiligen, houdt u oprechte-J aan het Woord des Heeren, voedt uwe kinderen daarbij op, en versiert uwen wandel met de zalige vruchten van en Heiligen Geest! Ook uw en onze troost is het, dat Jezus Christus de Koning zijner kerk is. In dat koningschap wordt Hij door geen menschen in- of uitgezet, maar dat bekleedt Hij naar Gods onveranderlijk raadsbesluit tot in eeuwigheid.
i Tre tler veIe beroeringen was het mij eene be-
noefte des harten dit eenvoudige woord tot u te richten. De Heere God werke er iets goeds door uit! En wij bevelen u Gode en den Woorde zijner genade, die machtio-is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheihgden.
I7zv. Dienstw. Herder cn Leer aar, H. V. Hogerzeil.
Amsterdam, 22 December 1886.