r
I
i
i
V
3. c, /
El
VAN DEN
KEliKERAAD DER NED. HERT. GEMEENTE TE GENDRINGEN c. a.
AAN DE HEEREN
C. SEESINK EN J. TEEUWSEN,
IN ANTWOORD OP HUN VERZOEK
„dat ile Kertoaad de Reformatie zijner kerk ter liand neme.quot;
ÖIBtïÜI HctK DER ^KSUMlVEBStTeit UT«ECH T.
doetinche m ,
Snklpersdr. Vereen. Doetinchemsch Weekblad. •18 8 7.
In de venccM aan de Ileeren mede kan dien. helende zielen Gemeente beslot\' den in de gem Kerk het daartc
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0958 9718
: verwachting, dat dit Herderlijk Schrijven, Ileeren C. Seesink en J. Teeuwsen gericht, 11 dienstbaar zijn tot voorlichting van iran-zielen heeft de Kerke raad der Ned. TIerv. \' besloten het te doen drukken en rondzen-de gemeente met de bede j dat de Heer der daartoe zegene.
niet eene enkele bede voor den Kerkeraa te hebben. Wij willen vragen: is dat chri naar de wijze van eenen Paulus, die no; bidden kon voor het Israël, dat den He kruisigd ? Is dat naar het voorbeeld van or tigen Hoogepriester, die nog tranen va storten kon over het Jeruzalem, dat de pr en dat Uem verwierp ? Ziet mannen bi schijnbaar eene kleinigheid; een verzuim, verzuim wettigt de vraag: is uw brief u H. Geest in de pen gegeven? De H. G zulke dingen niet. Er is nog iets veel erg. kan niet oprecht gemeend zijn. Daartoe kc Gij komt tot den Kerkeraad met de verkla des Kerkeraads plicht is om zeker werk cl ter hand te nemen en eerst, wanneer de K gert moogt gij naar het ambt der geloovi. overnemen. Welnu indien deze overtuisriner
O - O
dan hadt gij geenen voetstap mogen verzettei werk der reformatie de hand niet mogen ui gij aan den Kerkeraad de vraag, waan: komt, gedaan hadt. Maar gij weet het nc wij het weten, hoe gij al wekenlang in de eenen uwer doleerende vergaderingen hel en hoe gij reeds zóóver gevorderd zijt, in de dagbladen de aanbesteding van den hulpkerk voor de doleerende gemeente Gei volden is bekend gemaakt. Is het nu eerlijk om tot den kerkeraad te komen met de vra dat werk doen of anders beginnen wij? Gr gonnen. Wederom willen wij u vragen: Is n u door den H. Geest in de pen gegeven ?
7
Niettemin wij begeeren overvloedig in liefde te zijn over u en vergetende het gebrek aan liefde en waarheidszin, dat er in Uw schrijven valt op te merken, zullen wij n antwoorden en terechtwijzen. Dat is christenplicht. Gij zijt op eenen dwaalweg, waarheen gij u door verkeerden invloed hebt laten leiden.
Dit is overvloedig merkbaar.
Reeds aanstonds blijkt zulks, waar gij spreekt van een werk der reformatie „ter handnemen.quot; De reformatie, lieve vrienden, is geen werk, dat door menschenter hand genomen wordt; maar dat is een werk, dat de Heere doet. Van het volk Gods, zegt de Heere in Zijn Woord (Jes. 60 : 21h.) „Zij zullen zijn een spruit m ij n e r plantingen; een werk mijner handen; opdat Ikver-h eerlij kt worde.quot; Alle menschenwerk is ijdel; wordt verbroken, gelijk onze Heiland zegt (Matth 15 : 13.) „Alle plant, die mijn Hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.quot;
Het werk der reformatie is geen werk van onderhandeling, waarbij gelijk gij wilt dat geschieden zal, de eene mensch tot den andereu mensch komt om te vragen: „doe gij het of anders doe ik het.quot;
God roept de arbeiders in Zijn koninkrijk bij name. En wie in waarheid zich door God geroepen weet, hij doet dat werk gewillig en zonder aarzelen, zonder eerst aan anderen te vragen: „doe gij hetquot; Dat gij met die vraag tot ons komt, ons dunkt dit bewijst, dat gij geene goddelijke roeping bezit. Gij hebt geene stemme Gods in uw hart gehoord, die zeide: doe alzóó. Gij hebt nergens in het Woord Gods tot u hooren zeggen: doe alzóó. Het is zeer opmerkelijk — wel moogt gij zelf, en mag de gemeente er een oog voor hebben — in
8
uwen ganschen brief komt niet één woord voor uit het Woord onzes Gods. Dit teekent. Gij hebt, bekent het maar eerlijk, uwen brief geschreven, omdat menschen tot u gezegd hebben: „dat moet gij doen.quot; Uw brief draagt daarvan genoegzaam de sporen. Met wat gij in de taal der doleerenden noemt: „het werk der reformatie ter hand nemenquot; bedoelt gij de stichting van dolee-rende kerken. Naar onze innige overtuiging hebben wij hierin niets clan een meuschenwerk te zien. Het is eene kunstmatig op touw gezette beweging. Eertijds is op het bekende Amsterdamsch congres het besluit genomen, dat het gansche land tot in alle hoeken en gaten voor die beweging moest worden bewerkt; men doorreist het gansche land om één doleergenoot te maken ; geheimzinnige lijsten worden in omloop gebracht en tot zelfs op de Jaarfeesten der Christelijke Jongelingsvereenigingen sluipen de agenten der doleerende kerk binnen om ook daar verdeeldheid te zaaien. Gij behoeft maar wekelijks „de Herautquot; te lezen om te zien hoe zorgvuldig de gestichte gemeenten worden geteld en met hoeveel ophef, niet zelden met hoeveel overdrijving, wordt opgesomd^ hoeveel menschen op deze of gene plaats de vergadering der doleerenden hebben bezocht. Week aan week worden daartoe de zonden onzer kerk blootgelegd; opruiende artikelen in dagbladen geschreven: meermalen onware berichten verspreid en tal van mannen, die met God en met eere jaren lang onze kerk gediend hebben, verdacht gemaakt. Van de Dajakkers wordt verteld , dat zij hunne huizen op menschenhoofden bouwen. Maar hoevele doleerende kerken worden gebouwd ten koste van den goeden naam van dezen of genen ijverigen dienstknecht in den wijngaard des He eren? Waarlijk, broeders, meer dan
een ernstige, teerhartige vrome, die het Amsterdamsch congres bezocht heeft (wij zouden n namen kunnen noemen) is daarvan teruggekeerd zeggende: ik ben voor goed genezen. Ik heb nu gezien, dat het geen arbeid des geloofs; maar een arbeid van koude berekening is.quot; Niet weinige rijkbegaafde predikers, wier naam in onze Vaderlandsche kerk van jaren her een goeden klank heeft en die een eind weegs met Dr. Kuyper hebben meegewandeld, zijn van weerzin vervuld teruggekeerd, toen zij zagen, Avaar het heen en hoe het toeging.
Gij schrijft: „In de 16e eeuw is hunne kerk juist door haar protest en verzet tegen de Hierarchie gereformeerd geworden. Weer eene Ilierachie te dulden is alzoo het werk der vaderen te niet doen en ons langzamerhand en ongemerkt op Roomsche paden leiden.quot; Grij gebruikt hier een vreemd woord, dat gij blijkbaar niet verstaat en omtrent welks beteekenis wij u gaarne beter willen inlichten. Het woord Hierarchie beteekent priester-heerschappij. Het geeft dus te kennen, dat eene kerk, die hiërarchisch bestuurd wordt, door eenen stand van priesters wordt beheerscht, die in rangorde verschillen ; en bij welke regeering ten slotte de hoogste macht is vereenigd in eenen opperpriester. Zóó is het in de Roomsche kerk. Nu zegt gij in uw schrijven; dat er zulk eene hierarchie in onze kerk bestaat. Mannen broeders, dat is volstrekt niet waar. Dit zeggen is eene der vele onwaarheden, die door de stichters der dolee-rende kerken met zoo kwistige hand worden verbreid. Daar is in onze kerk geen aparte priesterstand. Wij protestanten gelooven naar des Heeren Woord dat het volk des Heeren een priesterlijk volk is en dat allen die
lö
n den Heere Jezus Christus gelooven priesters zijn. Wél zijn er in onze kerk verschillende bedieningen. Daar zijn dienaren des Woords, ouderlingen, armverzor-gers enz.; die ieder hunnen aangewezen werkkring hebben, maar waarbij de een geen gezag oefent over den ander.
Een dienaar des Woords heeft in de regeering onzer kerk niet meer te zeggen dan ieder ander lid van den Kerkeraad. Het is u zoo goed als ons bekend, dat b.v. meermalen in den kerkeraad dezer gemeente een besluit is genomen of eene keuze is gedaan tegen het advies van den predikant. Zóó verre is het er van af, dat wij hier een priesterheerschappy zouden hebben. — In eene hiërarchische kerkregeering is er tusschen de priesters verschil in rangorde. Daar zijn kapelaans, pastoors, bisschoppen, aartsbisschoppen en als met het hoogste gezag bekleed zetelt er in Rome\'s vaticaan een paus. In onze kerk is dit geenzins het geval. Alle dienaren des Woords zijn gelijk in rang en ieder predikant brengt evenals de ouderling en de diaken maar ééne stem uit. Een predikant in de hoofdstad van ons vaderland heeft dezelfde rechten en plichten als de predikant van het geringste dorp. — In een hiërarchische kerkregeering worden aan de verschillende kerken door hooger macht de ambts-bekleeders toegezonden of aangewezen. De bisschoppen benoemen de pastoors en kapelaans enz. Ook dit is bij ons niet het geval. Iedere gemeente mag naar eigen keuze haren leeraar beroepen en hare ouderlingen en diakenen verkiezen.
Dit recht oefenen verscheidene gemeenten door middel van den kerkeraad uit. Doch ook dit geschiedt zóó, omdat de gemeente zelve zulks verkiest. Ieder 10 jaar
11
kan zij hierin verandering brengen, indien het haar goeddunkt. — Evenmin als er sprake van priesterheerschappij kan zijn in de afzonderlyke gemeenten evenmin is daarvan sprake in de hoogere kerkbesturen. Daarin zitten zoowel ouderlingen als predikanten die allen met dezelfde macht zijn bekleed. Al de gemeenten oefenen op de regeering der kerk eenen rechtmatigen invloed uit. Elke gemeente zendt hare afgevaardigden naar de klassikale vergaderingen , waar het getal ouderlingen en predikanten aan elkaar gelijk is. De klassikale vergaderingen kiezen het klassikaal bestuur en de provinciale kerkbesturen en deze laatste weêr kiezen de leden der synode. Gij ziet hieruit dus hoe alles geregeld opklimt en hoe welbeschouwd de synode uit den boezem der kerk voortkomt. Bovendien moet het nog opgemerkt worden, dat de leden der kerkelijke besturen volstrekt niet voor hun leven, doch slechts voor beperkten tijd gekozen worden. Elk jaar kunnen de gemeenten op hunne samenstelling invloed oefenen. De synode bezit de wetgevende macht in de kerk meer in naam dan in de daad. Omtrent alle wetten , die zij maakt, moet zij het oordeel der klassikale vergaderingen en der provinciale kerkbesturen vragen en ten laatste mag zij geen wet uitvaardigen, tenzij de provinciale kerkbesturen bij meerderheid van stemmen hunne goedkeuring hebben verleend. Meermalen dan ook — nog in dit jaar is zulks het geval geweest — zijn voorstellen der synode verv/orpen door de provinciale kerkbesturen of door haar zelve ingetrokken, omdat het oordeel der klassikale vergaderingen overwegend ongunstig luidde. Ook in de rechtspraak onzer kerk is er geregelde opklimming. Dat ten slotte één college in hoogste instantie beslist, spreekt van zelf. Dat kan niet an-
12
ders. Dat zal in de doleerende kerk ook zóó zijn. Daar moet ook de hoogste rechtsprekende macht bij de synode berusten. Dit weinige is genoeg, broeders; om u glas-helder te doen zien hoe weinig er waar is van uwe bewering, die gij op voorgang van anderen uitspreekt, dat er in onze kerk eene hiërarchische regeering bestaat en wij weêr naar Rome teruggaan. Integendeel in de kerk van onzen tijd is de invloed der predikanten minder nog dan die in der 17e eeuw. Veeleer zou het van de doleerende kerk kunnen gezegd worden, dat deze naar Rome teruggaat. Bij ons is er niet één man aan te wijzen van wien men zeggen kan, „bij is de paus, die het bewind in handen heeft.quot; Maar bij de doleerenden is Dr. A. Kuyper de man, die alles drijft en allen over-beerscht en wee dengene, die bij hem in ongenade valt. Op het synodaal convent te Rotterdam werd er niet eenmaal over de besturen gestemd. Eén man zeide, „deze moeten bet wezen.quot; Gij zult, indien gij hier eene doleerende kerk sticbt, zelf ontdekken hoezeer gü in die kerk u bukken moet voor menschelijk gezag. Daar is — om maar eens iets te noemen — niemand onder u, die tegen het zingen van gezangen is; integendeel velen uwer hebben de gezangen lief. Toch zult gij in uwe doleerende kerk nooit mogen zingen: „Geloofd zij \'sVaders eenige Zoon enz.quot; (Gez. 2:3) en nooit mogen zingen: „Jezus Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart.quot; Waarom niet? omdat menschelijk gezag zegt: „gij moogt niet.quot; En voor dat menschelijk gezag moet in de doleerende kerk de lof onzes dierbaren Hei-lands worden opgeofferd.
Daar bestaat alzoo in onze kerk geene hierachische
13
regeering. In dit opzicht zijt gij te goeder of te kwader trouw door anderen misleid. Daar gij nu in uwen brief den kerkeraad oproept om den strijd tegen de hierarchie in onze kerk aan te binden is het duidelijk, dat gij ons oproept tot eenen strijd tegen iets , wat slechts in de verbeelding van de stichters der doleerende kerken bestaat. Dat wij ons tot zulk een strijd tegen eenen denk-beeldigen vijand niet ernstig geroepen gevoelen, zult gij nu lichtelijk kunnen vermoeden.
Bovendien , mannen broeders! het heil eener kerk ligt geenzins in den eenen of anderen regeeringsvorm; maar hierin dat de leden der kerk den Heere vreezen en den Heiland kennen. Hoofdzaak is, dat de harten voor den Heere gewonnen worden. Daartoe heeft de Heere Jezus op aarde gearbeid. Hij heeft zijne apostelen uitgezonden niet met de boodschap: „Werpt de synagogen omverquot; maar met de boodschap: , Predikt het Evangelie aan alle kreaturen hen doopende in den Naam des Vaders; des Zoons en des H. Geestes.quot; De stichting van de Christelijke kerk in ons werelddeel (gij kunt daarvan het verhaal lezen in het boek van de Handelingen der Apostelen) is begonnen met de redding van de ziel ééner vrouw (Lydia). Haar huisgezin werd de eerste Christelijke gemeente in Europa. Zoo gaat het nog. Wie de harten wint, wint ook de huizen en ook de gemeenten.
Zoo hebben ook de hervormers en onze vaderen gewerkt. Zij hebben zich tot de menschenharten gericht om deze te winnen en om zoo van onderen opklimmende langzamerhand te komen tot eene hervorming van huis en kerk. Nog in onze eeuw zijn mannen des ge-loofs en des H. Geestes begonnen onze vervallen kerk in dezen zin en op deze wijze op te richten. Niet zon-
u
der zegen. In de laatste 50 jaren (oude menschen, die meegeleefd hebben in de dingen van Gods Koninkrijk kunnen dat getuigen) is onze kerk veel vooruitgegaan. In gansche streken, waarin men vroeger op uren afstands geen enkele prediker van het Evangelie der zaligheid vinden kon, is eene gewenschte en gezegende verandering gebracht. Van tal van kansels, die te voren door moderne predikers bezet waren, klinkt nu onvervalscht de boodschap des heils. Wat is er in onze eeuw niet verbazend veel op christelijk gebied gearbeid. Wat een scholen zijn er gesticht, wat een toevluchtsoorden gebouwd voor ouden en zwakken; voor weduwen en weezen^ voor veriatenen en voor gevallenen, voor lijdenden aan allerlei krankheden, voor zwervers en krijgers. Daar is bijna geen gebied, waarnaar in ons vaderland de christelijke liefde niet hare reddende band uitstrekt. Dit alles hebben wel niet de kerkelijke besturen gedaan, maar het meeste van dezen arbeid is toch uit den boezem onzer kerk voortgekomen en binnen de muren onzer kerk werden vaak voor dien arbeid de gaven der liefde ingezameld en van de kansels onzer kerkgebouwen werd meestal tot ondersteuning van dezen arbeid een bezielend woord gesproken. Voorwaar in de 17e eeuw moge er een nauwer belijdenisband zijn geweest, vaak was het toch ook een doode rechtzinnigheid. In mildheid en blijmoedigheid van geestelijk leven, in werken der barmhartigheid en der liefde staat onze tyd bij de 17e eeuw, waarheen de stichters der doleerende kerken terugwillen, niet achter. Meent niet, mannen broeders, dat het in onze kerk in vroegere dagen zóó rooskleurig was, als men het u voorpraat. Wilt gij daarvan eens iets hooren ? Nu dan : de welbekende Wilh. a B rakel getuigt van de kerke zijner
15
dagen als volgt: „De ledematen van de kerk zijn niet te kennen uit haar gedrag, leven niet beter als andere, die buiten de kerke zijn, ja zijn er sonden die van de vervreemde van de waarheid bedreven worden, in de kerk vindt men de stapel van de zoodanige — de wereld in den top is in de kerke te zien. De sabbath-schen-dinge, nieuwe leeringen, onwetendheid, de haat, nijd en bitterheid vervullen de kerkequot;. Witzius zegt onder meer: „Ik derf schier niet spreeken van de voorgangers in de kerkquot;. S Simonides klaagt: „Het ontbreekt noch aan huurprofeten en lichte Levieten, die met de zonen van Eli den Heere om een bolle broodts dienen. De religie is als uit het hart der menschen verstorven. Gansch weinigen zijn er, die \'t aangezicht des Heeren zoeken; wij mogen met den profeet wel uitroepen: O Heere behoud, de goedertieren ontbreekt.quot; J. van Lodensteijn, mede om zijne gereformeerdheid geroemd, weerhoudt zich niet uit te roepen: „Als ik merk hoe het nu gesteld is met de tegenwoordige staat van ons land en kerke dan zie ik, dat de Heere met Zijne heilige inwooning geweken is (had ik bijna gesegd) maar altoos zeer aan het wijken is, van onze genaamden Christenen kerkequot; De. Kran\'ckel verklaart: ,Overal waar men de voet zet of in de kerk of in het hof of op het raadhuis of in bizondere huishoudingen och \'t is al bedorven, van de voetzolen af tot het hoofd toe, van ie groote tot de kleine, van cTe oversten tot de houtdragers en de water-putters toe. Seer vele gouden hoofden staan op leemen voeten. En hoe is dien witten linnen priesterlichen rock bevuijlt met het slijck des werelds ende besoedelt met allerleij sonden! Wat draegt er al vele menige den naam van God op \'t voorhooft, die den swarten^Beëlze-
16
bul in \'t herte plaats geeft, alsoo is het bedorven van boven tot beneden in \'t midden van ons ende niemand bijna wacht sich seer sorghvuldeleik van allerley quade saken om die niet te bedrijvenquot;. Ja de boven reeds genoemde J. v. Lodenstein klaagt: „Ik mag zeggen, dat de Gereformeerde kerk is een Babel der Babelen, duysendmaal erger dan die van \'t Pausdom, vanwegen het licht, dat zij heeft, doch niet recht gebruijkt.quot;
Broeders; wij zouden zóó nog urenlang kunnen voortgaan met het afschrijven van getuigenissen van bekende, godvruchtige, om hunne gereformeerdheid beroemde mannen uit den tijd, waarnaar gij zoo terug verlangt. Hoort daartegenover nu eens wat Dr. A. Kuy-per weinige jaren geleden in eenen bedestond op den Hervormingsdag heeft moeten uitspreken: Hij zeide: „O zoo gij den toestand onzer kerk van thans met dien van voor 30 jaren vergelijkt, neen, ik stem het u toe, dan is er geen stof tot geklag, maar veeleer tot roemen en juichen. Immers niet dan dank en lof moet op onze lippen zweven, waar wij alom getuigen zijn van eene weer opbloeijing des Evangelies zooals de stoutste hoop aan geen der ouden van dagen geprofeteerd hadquot; „Zijn de rechtzinnigen in den lande, eens weggesmolten tot een handvolle, niet weer aangewassen tot een schare, die nauwelijks iemand tellen kanquot; ? „Er is niet alleen een winst in aantal van belijders, maar ook een winst aan oprechtheid, die vooral niet lager moet geschat worden.quot;
Komaan, mannen broeders, legt de hand eens op uw hart en vraagt het nu, nadat gij dit alles gehoord hebt, uzelven eens ernstig als onder het oog van den Alweten-den God af: of gij niet misleid wordt door hen, die u voor-
17
praten, dat onze kerk in vroeger jaren onder de Dordsclie kerkorde zoo gelukkig en zoo zuiver geweest is en dat thans bij toen vergeleken onze kerk zóó reddeloos diep is gezonken, dat gij niet meer in haar midden blijven moogtquot;.
Indien dat waar is, wat Dr. Kuyper, gelijk gij gehoord hebt, moet toestemmen dat onze kerk in de laatste 30 jaren zoo wonderbaar is vooruitgegaan dan bewijst het wel, dat wij toen op den goeden, den door God geze-genden weg waren. Maar toen zeide men aan de synode de gehoorzaamheid niet op ; toen bewandelde men geene revolutionaire paden; toen zocht men langs wettigen en ordelijken weg, inzonderheid langs den weg van bekeering des harten, de kerk te hervormen.
Dit pogen zegende God. Dit is de ware hervorming; maar die gij wederstaat. De mannen, die doleerende kerken stichten, drijven niet de hervorming onzer vaderen ; maar de hervorming van Jan van Leyden, die zijn heil zocht in het omverwerpen van kerkelijke en wereldlijke regeeringen. Zijn werk is door God geoordeeld. Er is niets van overgebleven. Laten wij, bidden wij u, de beproefde paden niet verlaten. Laten wij niet in onverstand en door vrome klanken en valsche voorstellingen misleid, uittreden uit de kerk, voor welke onze vaderen hun goed en bloed hebben veil gehad en laten wij, niet door die kerk te verlaten haar overgeven in de handen van het ongeloof. Het is juist des christens schoone roeping om te midden van het ongeloof van de waarheid getuigenis te geven en te zoeken in de kracht Gods de verlorenen te redden.
Weest er verzekerd van: de vaderen, op wie gij u beroept, zouden zich met weerzin van uw werk afwen-
18
den. Hoort slechts wat de godzalige Br akel zegt in zijne Eedelijke Godsdienst le deel bl. 594: „Het is niet genoeg zich bij de kerk te voegen, eenigen tijd daarbij te blijven en daarna zich van dezelve af te scheiden. Maar men moet zich nooit van dezelve afscheuren en dn verlaten onder voorwendsels van de verdorvenheid der kerk om eene zuivere op te richten. De Heere heeft nooit zulk een werk gezegend. De Heere heeft er altijd in geblazen en zij zijn van zeiven gesmolten als de eerste aanleiders gestorven waren.quot;
Zóó spreekt Brakel. Desgelijks verklaart J. v. d. K emp in zijne Heidelb. catech. Zondag 30 „Hoe verdorven de kerk ook zij, ja dat zelfs goddelooze in Gods huis en aan het Avondmaal worden toegelaten scheidt u echter niet van haar af, want gij hebt haar helpen bederven. Ergert gij u, omdat de opzieners toelaten, die gij voor goddeloozen houdt? Men mag zich ook aan u ergeren, dat gij die menschen niet eerst aanspreekt en aanbrengt, gelijk het uwe plicht is. Wint gij niet met uwen plicht te doen, treur dan, maar loop niet weg, dat nog minder voordeel doet, het scheuren van eene kerk , daar nog waarheid en godzaligheid is, is ook kwaad en verwekt Gods toornquot;. Aldus v. d. Kemp. Wilt gij nog ééne getuigenis? Welnu:
Thomas Watson zegt in zijne verzameling van uitmuntende leerredenenquot; blz. 68 en 69 het volgende: „Eene scheur in Gods kerk te maken is erger dan den afgoden te offeren. Het was niet vreemd als de hoer zei de: „laat het kind gedeeld wordenquot;; maar zulks van de moeder te hooren is droevig.quot; Ziethier hoe de vaderen, op welke gij u beroept, over uw werk oordeelen. Zij zijn nog eens als uit de dooden opgestaan om u te
19
waarschuwen. Wat wij u bidden mogen: Luistert naar die ernstige waarschuwing die van wage godvruchtige mannen tot u komt; ja luistert naar het Woord Gods, dat u in Spr. 24:21b toeroept: „Vermeng u niet met degenen, die naar verandering staan.quot;
Blijkens uw schrijven is uw toorn vooral tegen de Synode van onze kerk gekeerd. Nu dit kunnen wij in zekere mate billijken. Het zij verre van ons; dat wij onze Synode prijzen zouden. Wij zouden haar ook van harte anders wenschen en wij willen, al wat in ons vermogen is, doen om haar anders te maken. Wij willen zooveel mogelijk het liberalisme en modernisme uit onze kerk weren, doch langs wettigen en ordelijken weg. Als wij op de klassikale vergaderingen onze stem uitbrengen dan stemmen wij alleen belijders van den Heere Jezus Christus als den Zone Gods en den Heiland der wereld. Wij zouden niet gaarne in den Kerkeraad willen opnemen, mannen, van wie wij weten, dat zij den Christus der Schriften loochenen en het evangelie weerspreken. De dienaar des Woords in onze gemeente hoopt nimmer op te houden met den vollen raad Gods te verkondigen tot behoudenis van zondaren en de ouderlingen en armverzorgers verklaren hierbij openlijk voor God en de gemeente dat zij nimmer hunne stem zullen verleenen om eenen herder en leeraar te beroepen, die zich niet voorgenomen heelt om niets te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Wij hebben altijd getrouw op de klassikale vergaderingen orthodoxe candidaten gestemd ; maar — het doet ons innig leed, dat wij het zeggen moeten — de man, die bij de stichting uwer doleerende kerk zeer waarschijnlijk uw consulent zal
Öö
worden, Ds. Gangel van Aalten, is verleden jaar door zijn wegblijven van de classikale vergadering, voor een groot deel de oorzaak geweest, dat toen modernen in het Klassikaal Bestuur van Zutfen werden gekozen. Toen hij langs ordelijken weg medewerken kon om de kerk te hervormen heeft hij zulks geweigerd om nu te zoeken langs onordelijken weg de kerk te hervormen.
Daar is veel, wat wij gaarne anders zouden wenschen in onze kerk. Doch door de kerk te verlaten, door onze rechten prijs te geven verbeteren wij haar geenszins. Wel door in haar midden te blijven en ieder in het zijne getrouw te zijn. Wij hebben het u straks aangewezen, de Synode komt uit den boezem der kerk voort. Als de harten maar beter worden — dan worden ook de huizen en ook de gemeenten beter en dan zal ook de Synode wel anders worden. Wij zijn ook in dit opzicht in de laatste jaren veel vooruitgegaan. Verscheidene geloovige mannen hebben in de Synode eene plaats verkregen ; ja de tijd scheen zeer nabij dat de meerderheid op onze zijde zou zijn. Dat was de vrucht van den trouwen arbeid der geloovigen. Dat was de verhooring huns gebeds. Mogen wij nu den dag der kleine dingen verachten en dezen zegen Gods versmaden ? Mogen wij nu met eigen hand die verkregen vruchten wegwerpen? Zou dat goed zijn in de oogen des Heeren, die ons dezen zegen geschonken heeft?
Voorts broeders laten wij ook in onze klachten tegen de Synode billijk en eerlijk zijn. Wat de Synode ook moge misdreven hebben, zij heeft ons nog altijd volkómen vrijheid gelaten om onvervalscht het Woord Gods te prediken en te hooren. Indien déze vrijheid ons ontnomen werd, wij zouden op eerlijke en ordelijke wijze
2l
breken met eene kerk, waarin wij dan geen vrede konden vinden voor ons hart. Maar zoolang wij binnen de muren onzer Kerk nog het Woord der Waarheid mogen hooren en belyden, zóólang ook zullen wij dankbaar voor dezen verbeurden zegen , ons binnen de muren der kerk in dezen zegen Gods verblijden. Wij bezitten hierin een voorrecht, dat de mannen der hervorming ons zonder twijfel zouden benijd hebben.
Wij lezen uwen brief verder en zien, zeer tot onzen spijt, dat gij door partijdrift vervoerd en ongetwijfeld weer door dezelfde verkeerde raadgevers misleid, er toe gekomen zijt om eene valsche getuigenis in te brengen. Het is niet waar, dat te Amsterdam, Rotterdam, Leiderdorp, Aalten, Bennekom en andere plaatsen „Gods volk vervolgd wordtquot;. Wel is het waar, dat in die genoemde plaatsen eenige mannen, die de macht hun door hunne kerkelijke betrekking verleend, misbruikten om de kerk aftebreken en onzalige verdeeldheid te zaaien, langs geheel wettigen weg door de overheid, aan wie zij krachtens Rom. 13 : 1 en 2 eerbied verschuldigd waren, uit hunne ambten zijn ontzet. Dit is geenzins om hunne vroomheid, maar eenig en alleen om hunne revolutionaire daden geschied.
Als deze mannen van hunnen snooden weg wenschen terug te keeren en weer langs ordelijken weg den Heere in onze kerk willen dienen staat de weg daartoe eiken dag voor hen open. Het behoeft hun maar één woord te kosten en zij worden in hunne vroegere eere hersteld.
Gij noemt deze mannen „het volk Godsquot;. Lieve Vrienden, wie al of niet tot het volk Gods behooren, dat zal de Heere zelf in den dag des oordeels met on-
È\'2
betwistbare zekerheid uitmaken. Aan u betaamt zulks niet.
Gij hebt hier weer nagesproken wat anderen in een onbewaakt oogenblik u hebben voorgezegd. Wij kunnen vooralsnog, naar den eisch der christelyke liefde, niet gelooven, dat dit uw zeggen in den boezem der dolee-rende kerken weerklank zal vinden. liet zou waarlijk binnen die kerken met den geestelijken hoogmoed al verre moeten gekomen zijn, zoo de leden dier kerken gingen roepen: „Wij zijn het volk Godsquot;. Waarheid zal wel wezen, dat zoowel onder doleerenden als onder niet-doleerenden kinderen Gods gevonden worden.
Met nadruk maken wij er u ook opmerkzaam op, dat op bijna al die genoemde plaatsen de bedoelde mannen meestal niet door de ongeloovigen, maar juist door hunne broeders in het geloof na ernstige waarschuwing zijn geschorst of ontzet.
Dr. Kuyper c. s. zijn te Amsterdam het eerst door het klassikaal bestuur van Amsterdam, dat orthodox was, provisioneel geschorst en aangeklaagd. Te Rotterdam is zulks met de predikanten Lion Cachet en Geesink eveneens geschied idoor het orthodox klassikaal bestuur van Rotterdam. Te Leiderdorp is het eerste het orthodox kl. bestuur van Leiden handelend opgetreden. En te Aalten, Bennekom en Dieren zijn de do-leerende predikanten door het orthodox provinciaal kerkbestuur van Gelderland ontzet. Het is dus volstrekt niet een strijd tusschen geloof en ongeloof; doch eenvoudig eene noodwendige handhaving van orde en recht tegenover hen, die wanorde stichtten; onrecht pleegden en hunne macht schandelijk misbruikten. Eene rechtvaardige veroordeeling van schuldigen is geene vervolging. Daar is geen enkel kerkelyk bestuur dat aan de
gevonnisden kwaad toewenscht of hun leed berokkenen wil. Om u maar eens één voorbeeld van het tegendeel te noemen:
Aan den afgezetten predikant van Dieren, Ds. J. C. Van Schelven, die door zijn breken met onze kerkelijke organisatie alle recht om in de pastorie te wonen verbeurd had, is, op zijn verzoek, aanstonds bereidwillig toegestaan om nog een tijdlang er in te mogen wonen.
Als de bedoelde mannen meenen, dat zij het in onze kerk niet meer kunnen uithouden en zij verlaten haar en stichten eene eigene kerk dan zal niemand hen daarin verhinderen of benadeelen of smaden. Eer zullen velen hen in dit geval om hunne oprechtheid en eerlijkheid prijzen. Maar het te dulden dat deze mannen het brood eten van eene kerk, die zij verachten, het te dulden, dat zij de macht hun verleend aanwenden om de kerk te verwoesten — dat kan niet, en dat mag niet. Dat zou niet recht zijn voor God en de menschen.
Mannen broeders. Gij zijt nu beter ingelicht. Bedenkt nu voortaan, dat ook voor u in het 9de gebod geschreven staat: „Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naastequot;. Dergelijke leuzen, die gij gebezigd hebt, kunnen in den mond van handige agitators wel dienst doen om het volk aan te hitsen en op te ruien, maar de oogen des Heeren, die lust heeft aan waarheid, worden er niet mede bedrogen. Waarlijk eene doleerende kerk, die door zulke valsche leuzen moet worden opgebouwd, draagt de kiemen des verderfs in zich. Wat de Heere tot Abraham zeide; dat zegt Hij ook tot u: „wandel voor mijn aangezicht en weest oprechtquot;.
Gjj roept in Uw schrgven, ons, leden van den Kerke-
24:
raad op om wat gij noemt „het werk der reformatie ter hand te nemenquot;; doch hetgeen gij bedoelt is in onze taal uitgedrukt: de kerk afbreken en haar in handen van het ongeloof overlaten. Om ons tot dat werk aan te zetten wijst gij ons op de belofte, die wij bij de bevestiging in ons ambt hebben afgelegd. Broeders, juist de beloften, die wij meer dan eenmaal voor God en de menschen aflegden, verhinderen ons om u te volgen op den weg, dien gij zijt ingeslagen. De dienaar des woords heeft toen hij (deze week juist 6 jaren geleden) toegelaten werd tot de bediening des Woords in onze kerk eene verklaring onderteekend, waarbij hij zich o. a. verbond om orde en eendracht voortestaan en aan te kweeken en zich aan de uitspraken der kerkelijke besturen te onderwerpen indien hij zich misdraagt. In den beroepsbrief naar deze gemeente , dien hij heeft onderteekend stond geschreven , dat van hem verwacht werd, dat hij ,alles zou doen, wat eenen herder en leeraar overeenkomstig Gods Heilig Woord volgens de verordeningen onzer Ned. Herv. Kerk betaamtquot; en toen hij (welhaast 2 jaren geleden) te dezer plaatse in zijn heilig ambt werd bevestigd heeft hij bij vernieuwing beloofd zich naar de verordeningen der kerk te zullen gedragen. Ook de ouderlingen en armverzorgers hebben beloofd zich aan de kerkelijke verordeningen te zullen onderwerpen.
Als lidmaten der kerk weten wij schuldig te zijn „om tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv. Kerk in het bizonder, met opvolging harer verordeningen; naar ons vermogen mede te werken.quot; Telken jare vragen wij deze belofte nog van hen, die zich als nieuwe lidmaten der gemeente aanmelden. Op
25
ons rust de dure verplichting in de getrouwe vervulling dezer belofte allen met ernst voortegaan.
Indien ooit de gehoorzaamheid aan de kerkelijke verordeningen, die wij geroepen zijn te handhaven, ons in strijd mocht brengen met Gods Woord, dat ons boven alles dierbaar moet zijn, dan zouden wij als rechtgeaarde christenen ongetwijfeld Gods Woord boven menschelijke reglementen moeten kiezen; maar dan zouden wij ook evenzeer als eerlijke mannen moeten uittreden uit eene kerk en uit een ambt, waarin wij God niet naar Zijn Woord konden dienen. Wij zouden dan de trouwbelofte aan de kerk gedaan moeten terugnemen, maar tegelijk daarmede ook eigener beweging afstand moeten doen van alle rechten en voorrechten die wij door het afleggen van die trouwbelofte hebben ontvangen. Dat is eerlijk. En Gods Woord zegt ons „ dat alle dingen e e r 1 ij k en met orde moeten geschieden.quot;
Alle lidmaten onzer kerk zijn gehoorzaamheid verschuldigd aan de kerkelijke verordeningen. Meent iemand, dat zijn geweten hem die gehoorzaamheid verbiedt, welnu daarin is hij vrij — maar dan is voor hem de eenig eerlijke weg, dat hij vrijwillig voor zijn lidmaatschap bedankt.
Wij voor ons hebben wel een en ander, dat wij in onze kerkelijke reglementen gaarne gewijzigd zagen; maar tot nog toe kunnen wij niet inzien, dat de kerkelijke verordeningen ons verhinderen naar Gods Woord in ons ambt te wandelen. Daarom blijven wij voorals nog ons kerkelijk ambt met vreugde bekleeden en hopen krachtens onze roeping, met ernst te waken over de belangen der gemeente, die aan onze zorgen is toevertrouwd. Naar vermogen hopen wij over de kudde te waken en toe te zien,
26
dat zij niet door valsch alarm worde verdeeld en verstrooid ^
Zwijgen en stilzitten, gelijk gij schijnt te veronderstel- , ^
len, wil de kerkeraad niet. Wij zullen luide spreken en jo
handelen, waar plicht het gebiedt. Mij dunkt het kan re u ook niet onbekend zijn, dat inzonderheid de predikant
der gemeente reeds herhaaldelijk luide, met het vuur ^ eener heilige overtuiging, heeft gesproken en met ernst
wakend over de kudde hem toevertrouwd, de gemeente g
heeft gewaarschuwd om zich niet door vrome klanken op m
eenen doolweg te laten leiden. ei.
or
Wij gaan eindigen. Nog veel zouden wij kunnen zeg- ^
gen, doch wij kunnen onmogelijk alles bespreken. Uwen ee
brief hebben wij waarlijk niet met karigheid beantwoord. n-
Eèn woord in uw schrijven heeft de kerkeraad met w genoegen gelezen: dit n.1. dat gij gevoelt, dat gij als
geloovigen op uw eigen ambt hebt toe te zien. Inder- ei]
daad dit hebt gij te doen: toe te zien op u zeiven. ^
Niet allereerst op hoogen toon over synoden en kerke- ^ raden te oordeelen; maar toe te zien op u zeiven. U
ernstig als onder het oog Gods af te. vragen: „wie ben Zl]
ik en hoe wandel ik?quot; daarbij smeekende: „Doorgrond Zl|
me o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne nj
gedachten en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en vc leid mij op den eeuwigen weg.quot;
Toe te zien hebt gij of gij wel waarlijk geloovigen, aj
wedergeborenen uit den H. Geest, bekeerden, kinderen ^
Gods zijt, die de Heere, die de harten l ent en de nieren |jj
proeft, in den dag zijner toekomst als de zijnen zal er- cjj
kennen. Och onder al het geklank der partijleuzen en ji(:
onder de hitte van den partijstrijd wordt zoo licht de q(
eisch des geloofs vergeten en eeuwig waar blijft toch het „[
27
Woord des Heeren: „Wie geloofd zal hebben en ge-\' doopt zal zijn zal zalig worden: maar wie niet zal geloofd bebben zal verdoemd worden.quot; Een ijveren voor rechtzinnigheid in de leer en voor zuiverheid van kerkorden zegt nog zoo weinig. Gij hebt het straks uit den mond van onze vrome vaderen gehoord, zelfs by eene uitwendige eenheid van belijdenis kan de kerk nog een Babel der goddeloosheid wezen. Eens zullen alle kerkmuren zijn gesloopt; alle menschelijke reglementen en kerkorden zijn verscheurd en alle synoden zijn ontbonden en dan zal het voor u en voor ons maar de groote waag wezen of wij voor ons arm zondaarshart eenen rijken Heiland hebben. Heeft de Heere Jezus zelf niet gewaarschuwd, dat er in den dag des oordeels verworpenen zullen roepen: „Heere hebben wij niet in uwen Naam geprofeteerd en in uwen Naam duivelen uitgeworpen en in uwen Naam vele krachten gedaan?\', maar tot dewelken Hij antwoorden zal; „Ik ken u niet; gaat weg van mij, gij, die de ongerechtigheid werkt?quot;
Ach! Wij vreezen, dat er in de eeuwigheid wel zijn zullen, die als verworpenen in de plaats des verderfs zullen nederliggen naast mannen, met wie zij op aarde niet in één kerkgebouw wilden zitten, omdat zij hen voor te ongeloovig hielden.
Daarvoor beware u genadiglijk de Heere, de God van alle barmhartigheid. Maar daartoe ook: ziet toe op uzel-ven, dat gij als geloovigen wandelt in het onverderfelijk versiersel van eenen zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. Ziet ernstig toe, dat gij niet lichtvaardig breekt met de belofte, die ook gij eens voor God en de gemeente hebt afgelegd. Ziet ook toe, dat gij niet poogt te verderven en te verstrooien eene kerk,
28
over welke God nog lankmoedig is en die Hij nog zegent. Ziet ernstig toe, dat gij niet zoekt de hoorders, weg te halen van onder de prediking eens dienstknechts, dien de Heere met Zijn Woord tot den dienst in deze gemeente heeft uitgezonden en van wien gij in uwe harten de getuigenis hebt, dat hij nog altijd het woord der waarheid verkondigt. Ziet toe, dat gij ijverende voor den naam des Heeren arbeidt met de bescheidenheid en voorzichtigheid van eenen Paulus, die zelf verklaarde, dat hij niet begeerde het evangelie te verkondigen waar een ander reeds den naam van Christus noemde, „opdat hij niet op eens anders fondament bouwen zou.quot; (Rom. 15:20). Doet geen onberaden stappen. Bedenkt het wel, dat gij u aansluitende bij de doleerende kerken, naar goddelijk en menschelijk recht u tevens afscheidt van de kerk, waarin gij gedoopt en opgevoed zijt en waarvan gij eens vrijwillig onder belofte van gehoorzaamheid aan bare verordeningen het lidmaatschap hebt op u genomen. Met al den drang, dien de Christelijke liefde ons ingeeft, hebben wij u gewaarschuwd. Zoo daar tegen onzen wil in ons schrijven eeu bitter woord zijn mocht, vergeeft het ons en vergeet het. Wij hebben niet tot twisting geschreven; maar tot uwe stichting en tot uwe vermaning.
Zoo gij in uw geweten soms eeu oogenblik de getuigenis vernemen mocht, dat er waarheid is in het woord, dat wij u schreven, smoort dan die stem van uw geweten niet; volgt dan die stemme Gods en keert terug van de dwaling uws wegs , eer het te laat is.
Wijkt af van eenen weg, waarvan reeds niet weinigen misleiden berouwvol zijn teruggekeerd en waarvan reeds meer dan één vrome in de ure des doods heeft getuigd,
29
ze- dat hij Maarlijk zag, dat deze weg niet de weg Gods is.(*) ers, Wij hebben gesproken. Aan u blijve de verantwoor-its. ding wat gij met dit woord, dat van \'s Heeren wege tot sze u komt, doen zult. Zult gij niettegenstaande dit woord ar- der waarschuwing toch uwe doleerende kerk bouwen? ier Welaan, doet dan datgene, wat gij niet nalaten kunt. )or Wij vreezen uw werk niet.
en -
Ie , (*) Vooral het getuigenis dooiquot; Ds. Ch. II. Bo\'kensteijn op zijn stei\'f-laj,. bed afgelegd is zeer merkwaardig. De Heraut verklaart deze geschiedenis voor leugen. Jlet welk recht? Do lozer oordeele na kennis te hebben genomen van het voigond schrijven door Ds. A. Keers, oom des m. ontslapene, aan het Wageningsch Weekblad gericht: «Op uw vraag of wat gij in uw blad omtrent Ds. Colkenstoijn hebt medegedeeld de volle waarheid is, kan ik u da verzekering geven, dat hij mij persoonlijk lal\' in tegenwoordigheid zijner echtgenoote vergeving heeft gevraagd voor de de bitterheid, die er in zijn hart was en dat hij nu hij voor de po:rt der eeuwigheid lag tot volle overtuiging was gekomen, dat het doleeren uit den mensch en niet uit den II. Geest was enz. Uit kieschheid om 3id de doleerenden niet te kwetsen heb ik daarvan èn op de begrafenis i.e_ èn in mijn toespraak bij het graf gezwegen. Hoe is het mogelijk, dat \' men zoo iets zonder eenigen grond durft tegenspreken of betwijfelt.
Weet men dan niet, dat er tegenwoordig reeds verscheidene predikan-:e- ten zijn, die met Ds. van Walscm zeggen: ik ben volkomen van de •• doleerziekte genezen? Wij zouden nog veel meer kunnen zeggen en openbaren, maar wij wenschen wars te blijven van alle vleeschelijke en middelen en wapenen in het stille en va-te vertrouwen, dat met den et! dag almeer de op zijn sterfbed uitgesproken overtuiging van Ds. Bol-kensteijn waarheid zal blijken.quot;
ilen heeft dus weêr een nieuw staaltje der onbetrouwbaarheid van 11- de Heraut. De Redactie schijnt zelf vermoed te hebben, dat het met voor leugen verklaren dezer geschiedenis zoo heel gemakkelijk niet gaan zal. Daarom heeft zij al vast opgemei kt: Och die sterfbedgetuigenissen, ie daarmede moet gij voorzichtig zijn, dan zijn de menschen soms zoo lig dof. Als de lezers van de Heraut nu imar dof genoeg zijn om aan te nemen, dat Ds. Bolkensteijn toen hij zijn zeer helder getuigenis aflegde, dol was, dan kan door die dofheid de doleerende kerk rustig worden en opgebouwd. Moge het den Heere echter behagen vele ooren en harten ids openen voor de ernstige waarschuwing, die uit den mond van den
, stervenden broeder liolkensteijn tot ons gekomen is.
êó
Wij weten, dat onze kerk niet is in uwe handen, maar in de handen van den levenden en trouwen God, die nog altijd de oude God is en van Wien wij met de blijmoedigheid des geloofs verwachten blijven, dat Hij nog om den wille der weinige rechtvaardigen onze Ned. Herv. Kerk sparen en zegenen zal. De Heere heeft reeds getoond, dat Hij zulks doen wil. Niettegenstaande de doleerenden geeue poging onbeproefd hebben gelaten om in Amsterdam het kiescollege in handen der modernen over te leveren, heeft de Heere naar het geroep der weinige getrouwen gehoord en gezorgd — het is als een wonder in onze oogen! — dat het kiescollege orthodox blijft en dat weldra in de plaats van overledene en afgezette predikanten weder 10 rechtzinnige herders en leeraars zullen worden beroepen. Zóó is het te Rotterdam ook gegaan. En te Leiderdorp evenzeer en te Zwartsluis en te Dieren. Zoo is, gelijk wij vernomen hebben, ook te Aalten het Kiescollege in handen der orthodoxen gebleven. En zoo mochten wij nog dezen dag lezen, dat ook te Dordrecht, boven verwachting, de orthodoxen de meerderheid hebben behaald.
Ziet broeders. Zóó getrouw is onze God. Is het wonder , dat wij niet wanhopen en uw werk niet vreezen ?
Gelyk onder Gods zegen onze kerk eens de afscheiding van 1834 is te boven gekomen, zoo zal zij onder denzelfden zegen van den lankmoedigen God ook trioniquot; feeren over deze nieuwe afscheiding.
Hoe spoediger uwe kerk gebouwd is des te spoediger zal het openbaar worden, dat gij aan de arme en verlorene zondaren geen ander evangelie hebt te brengen dan het ééne, dat God heeft gegeven en dat; Zijn Naam zjj geprezen, week aan week ook van onzen kansel
81
11 weerklinkt. Hoe spoediger uwe kerk gebouwd is des te
d, spoediger zal het voor aller oogen openbaar zijn, dat
Ie ook in de doleerende kerk, tarwe en onkruid; goeden
fi) en kwaden; bekeerden en onbekeerden naast elkander
d. zitten.
is Zult gij na dit woord der waarschuwing van uw bouw-
le plan afzien ?
m Om dat te kunnen doen is er voor u zeker een diepe
sn ootmoed, eene groote zelfverloochening; en veel genade
5r naodig.
Is Moge het u daaraan niet ontbreken!
gt;- Wat gij ook doen moogt — wij blijven u liefhebben
n en wij blijven voor u bidden.
n Wij bevelen u Gode en den AVoorde Zijner genade.
Hem nu, die machtig is u van struikelen te bewaren
;e en onstraffelijk te stellen voor Zijne heerlijkheid, in vreugde,
n Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid
ir en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwig-
ia lieid. Ajien.
e
De Kerkeraad der Ned Herv. Gemeente te Gendnngen c. a.
i
M. Göpneh , Predikant. J. W. Egberts, Ouderling. H. Westeeveld, ,
D. J. Scholten, „ J. W. Tenkink, „ H. Wisselink, Diaken. H. Semhelink,
i
E. J. Zeevalkink, , i ; \'
1 Gendringen, 8 Sept. 1887,
êó
Wij weten, dat onze kerk niet is in uwe handen, maar in de handen van den levenden en trouwen God, die nog altijd de oude God is en van Wien wij met de blijmoedigheid des geloofs verwachten blijven, dat Hij nog om den wille der weinige rechtvaardigen onze Ned. Herv. Kerk sparen en zegenen zal. De Heere heeft reeds getoond, dat Hij zulks doen wil. Niettegenstaande de doleerenden geeue poging onbeproefd hebben gelaten om in Amsterdam het kiescollege in handen der modernen over te leveren, heeft de Heere naar het geroep der weinige getrouwen gehoord en gezorgd — het is als een wonder in onze oogen! — dat het kiescollege orthodox blijft en dat weldra in de plaats van overledene en afgezette predikanten weder 10 rechtzinnige herders en leeraars zullen worden beroepen. Zóó is het te Rotterdam ook gegaan. En te Leiderdorp evenzeer en te Zwartsluis en te Dieren. Zoo is, gelijk wij vernomen hebben, ook te Aalten het Kiescollege in handen der orthodoxen gebleven. En zoo mochten wij nog dezen dag lezen, dat ook te Dordrecht, boven verwachting, de orthodoxen de meerderheid hebben behaald.
Ziet broeders. Zóó getrouw is onze God. Is het wonder , dat wij niet wanhopen en uw werk niet vreezen ?
Gelyk onder Gods zegen onze kerk eens de afscheiding van 1834 is te boven gekomen, zoo zal zij onder denzelfden zegen van den lankmoedigen God ook trioniquot; feeren over deze nieuwe afscheiding.
Hoe spoediger uwe kerk gebouwd is des te spoediger zal het openbaar worden, dat gij aan de arme en verlorene zondaren geen ander evangelie hebt te brengen dan het ééne, dat God heeft gegeven en dat; Zijn Naam zjj geprezen, week aan week ook van onzen kansel
81
11 weerklinkt. Hoe spoediger uwe kerk gebouwd is des te
d, spoediger zal het voor aller oogen openbaar zijn, dat
Ie ook in de doleerende kerk, tarwe en onkruid; goeden
fi) en kwaden; bekeerden en onbekeerden naast elkander
d. zitten.
is Zult gij na dit woord der waarschuwing van uw bouw-
le plan afzien ?
m Om dat te kunnen doen is er voor u zeker een diepe
sn ootmoed, eene groote zelfverloochening; en veel genade
5r naodig.
Is Moge het u daaraan niet ontbreken!
gt;- Wat gij ook doen moogt — wij blijven u liefhebben
n en wij blijven voor u bidden.
n Wij bevelen u Gode en den AVoorde Zijner genade.
Hem nu, die machtig is u van struikelen te bewaren
;e en onstraffelijk te stellen voor Zijne heerlijkheid, in vreugde,
n Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid
ir en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwig-
ia lieid. Ajien.
e
De Kerkeraad der Ned Herv. Gemeente te Gendnngen c. a.
i
M. Göpneh , Predikant. J. W. Egberts, Ouderling. H. Westeeveld, ,
D. J. Scholten, „ J. W. Tenkink, „ H. Wisselink, Diaken. H. Semhelink,
i
E. J. Zeevalkink, , i ; \'
1 Gendringen, 8 Sept. 1887,