BIBLIOGRAPHISCH ALBUM.
DE CHRISTUS DER EVANGELIËN.
Onder dezen titel heeft de heer N. J. Hofmeyr, hoog-leeraar m de Godgeleerdheid te Stellenbosch in Zuid-Afnka, een boek uitgegeven (te Utrecht, bü J W Leeflang, 1887, 237 bladzz.) dat met vreugde zal ontvangen worden door hen die zijn vroegere geschriften „Uit de duisternis in het lichtquot; en „Jezus heerlükheid weerspiegeld in zijn aardsche levenquot; kennen. Het is een aanvulling van het laatste der beide genoemde boeken-en even als deze, ontstaan uit voordrachten die de schrijver in de wekelijksche godsdienstige samenkomsten met zijn leerlingen gewoon is te houden.
Dit boek is met levensbeschrijving, hoewel het aanvangt met de vraag van den twaalfjarigen Jezus aan Maria en Jozef, en dan tot de betrekking van Jezus tot Johannes den Dooper en zijn eigen optreden voortgaat. Het beschouwt veeleer den Heiland in de beteekenis van zijn persoon en werk en van zijn Middelaarschap, kortom van hem als voorwerp onzes geloofs.
De leer van de Godheid desHeeren, zijn twee naturen in de éénheid des persoons, zijn „menschwordingquot; en
BIBLIOURAPHISCH ALBDM. 83
wat er aan verbonden is , wordt dikwerf voor afgetrokken dogmatiek gehouden, goed voor godgeleerden en voor hen die aan spitsvondige redeneeringen behoefte hebben. maar dor en onvruchtbaar voor het geestelijk leven. In dit werk van Prof. Hofmeyr kan men zien van hoevee! belang deze schijnbaar bloot bespiegelende leerstukkeu zgn voor het leven, de helderheid, den praktischen ernst, de blijdschap des geloofs. Wij hebben het met groote ingenomenheid gelezen en bevelen het van harte aan. Hier is waarlgk stichtelijke, opbouwende, in de kennis der waarheid naar Gods Woord inleidende en bevestigende lectuur. Sommige hoofdstukken hebben, behalve den inhoud op zichzelf, ook nog belang om de persoonlyke mededeelingen van den schrgver. Zoo b. v. het 7e hoofdstuk over Jezus\' macht over de booze geesten. De schryver verhaalt daarin verscheidene ontmoetingen die hy op zyne reis door Europa, korte jaren geleden, heeft gehad, en uit welke hg belangrgke gevolgtrekkingen ook voor onzen tgd en toestand opmaakt.
Ia één punt kan ik met den geëerden schryver niet medegaan. Hy zegt bladz. 125: „Is het aan de zonden te wyten, of eischt de aard der zaak het, dat de mensch tot de kennis van God als Vader niet anders komen kon, dan door den menschgeworden Zoon van God? Wij antwoorden zonder de minste aarzeling, dat de aard dei-zaak, afgezien van de zonde, eischte dat Gods Zoon mensch zou worden, eer een mensch, in den vollen zin des woords, een Zoon van God worden kon.quot;
Ik heb dit vroeger ook geloofd, maar doe het nu niet meer. Wel is er, (en deze is juist de reden waarom ik, door niet juist genoeg te onderscheiden, vroeger die dwaling aankleefde) wel is er een eeuwige, oorspronkelijke betrekking van den Zoon tot de menschheid. Het eeuwige Woord, de Logos, staat als het „uitgedrukte Beeld van
0\'
BIBLIOGKAPHISCH ALBUM.
\'s Vaders zelfstandigheidquot;, als grond van \'s Vaders openbaring naar buiten, met den naar Gods beeld geschapen mensch in oorspronkelyke betrekking. En daar de mensch het Hootd der wereld is, zoo is de Zoon Middelaar dei-wereld in universeelen zin, zoodat ook in de heidenwereld niets goeds en edels is dan door de ongekende werking des Woords. Maar deze oorspronkelijke scheppingsbetrekking moet van die welke door de zonde ontstaan is, wel onderscheiden worden. De eerste is geenszins in rechte lyn tot de tweede door te trekken. Van deze oorspronkelijke betrekking des Zoons op de wereld spreekt b. v. Kol. 1, 15—17. Doch al wat tot deze oorspronkeiyke betrekking niet behoort, ziet op de van God verordende bemiddeling, den weg om dit koningschap van Christus over de schepping en de menschheid te doen tot stand komen. En deze bemiddeling, deze weg is ingericht naar de breuke tusschen God en wereld , die door den afval is ontstaan. En naar de heilige Schrift, op elke plaats waar zij er van spreekt, is de vleeschwor-ding des Woords geschied om de zonde, Zy is een bewijs van de oneindige liefde des Vaders die, volkomen vrij, volkomen onverplicht ook door de oorspronkelijke betrekking des Zoons tot de Schepping, den Zoon aan de wereld gaf ter behoudenis.
De waarheid in genoemde dwaling verscholen, is, dat inderdaad de Zoon Gods dat alles, wat hij eeuwig in zijn wezen is, historisch geworden is in den tyd. Dat hy zyn natuur niet heeft veranderd door in het vleesch te verschijnen, maar integendeel die natuur daardoor ten volle heeft geopenbaard. Want juist daar waar hij in den diepsten zin mensch is, waar hg in de allersmadelykste vernedering is ingedaald, juist diidr is hy eerst ten volle de Zoon van God. Het punt dat wij bespreken, heeft evenwel op het geheele werk van Prof. Hofmeyr geen
84
BIBLIOGRAPHISCH ALBUM.
overwegenden invloed. Het ontneemt niets aan de waarde van het geschrift op zichzelf, dat wy, gelgk wij reeds zeiden, met alle warmte aanbevelen. Onlangs kondigde ik in ditzelfde tijdschrift een werk van Dr. R. F. Grau, over „het zelfhewustzya van Jezusquot; aan. Dat boek behandelt vele gewichtige onderwerpen die ook bij Hofmeyr ter sprake komen. Maar in het werk van onzen Kaap-schen broeder is een warmte, een bezieling, die bij zyn amptgenoot in Koningsbergen niet gevonden wordt. Wy hopen dat er spoedig een tweede druk van dit schoone boek zal uoodig zyn. Voor het punt dat wij bespreken, bevelen wij dan aan onzen geliefden en hooggeschatten vriend Hofmeyr bescheidenlyk de overweging aan van wat Ju\'ius Müller in zyn Dogmatische Abhandlungen (Bremen 1870) er over zegt in bladz. 66—126. \') En ook nu danken wy hem hartelyk voor het genot en de leering, uit dit zyn jongste geschrift, even als uit de vorige, ontvangen.
Amsterdam, 7 Dec. 1887. J. H. Gunning Jr.
1) Na het bovenstaaucle geschreven te hebben las ik: „De vleeseh-wording des Woordaquot; door Dr A Kuyper (Amsterdam, Wormser 1887) Ook in dit geschrift (alleen zijn dogmatischen inhoud bespreek ik) wordt de waarheid dat de Zoon Gods vleesch geworden is alleen om der aonde wil, nadrukkelijk gehandhaafd en met hetgeen zij onderstelt en tot gevolg heeft, in verband gebracht. Mij heeft het, ik erken het gaarne, in mijn overtuiging bevestigd.
Parallel-Bibel oder die Heilige Schrift. Alten und Neuen Testaments. In drei Banden. Gütersloh. Druck und Verlag von C. Bertelsmann.
De wakkere en bekwame firma 0. Bertelsmann te
85
biblk geaphiscii album.
(iütersloh biedt ons hier aan; allereerst den luthersche bijbelvertaling naar de uitgave van 1545, dus geen „revi-du-tenquot; bijbel, al zijn taal en spelling gewijzigd, zoo als dat in den loop der jaren „om zoo te zeggen van zelfquot; geschied is, door de goede en trouwe zorg der biïbel-genootschappen. Noodelooze veranderingen zijn echter in Luther\'s werk niet gemaakt. Naast (parallel met) den tekst van Luther\'s bijbel is in een afzonderlijke kolom gedrukt een nieuwe vertaling van den Bijbel. De tekst, dien men aan die vertaling ten grondslag legde, wijkt damp;ir af van dien, welken Luther volgde, waar grondige tekstkritiek die afwijking gebood. Zoo werd voor \'t N. i. de tekst gevolgd, die in Tischendorf\'s zoogenaamde Ed. tertio, stereotypa (door Gerhardt bezorgd) ons gegeven is. Toch geschiedde dit volgen niet zonder zelfstandigheid.
De hier voorkomende nieuwe vertaling streeft naar de grootst mogelijke getrouwheid aan den grondtekst, en legt zich niet toe op het zich aansluiten aan nieuwer-wetsche vormen.
Hoe men vroeger vertaalde, en hoe men om dogmatische redenen gaarne ziet vertalen, het leverde geen grond op voor hen, aan wie wij déze vertaling danken, om zich teiug te laten houden van een nauwgezet toetsen van den grondtekst, en een eerlgk weergeven van hetgeen „ei staat . Waar men niet vast verzekerd er van was, dat men inderdaad de bedoeling van het oorspronkelijke had teruggegeven, daar gaf men dit eerlijk ook te kennen.
. bestaat geen vrees, dat door zulk een vertaling die van Luther in minachting zal komen, maar men wil het toch gemakkelijk maken, om met één oogopslag te zien, op welke plaatsen zij voor verbetering vatbaar is. De kantteekeningen zijn niet van stichtelijken of cudheid-kundigen aard, maar betreffen alleen de vertaling — en bevatten gelijkluidende plaatsen. In drie deelen I de ge-
86