-ocr page 1-
-ocr page 2-

Q. oct.

1861*

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

L O B A T T O\' S LESSEN

OVER

VIERDE

OP NIEUW BEWERKTE DRUK DOOR

A. E. RAHÜSEN,

Leeraar aan do Polytechnische School.

S N E E K, J. F. VAN D R U T E N. 1892.

Ibibliotmeek der I rijksuniversiteit imRimKi^ïliyS^!L \'RECHT.

0344 1981

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORBERICHT.

Toen ik op mij nam den vierden druk to bewerken van de Lessen oter de Hoogere Algebra van Lobatto, vermoedde ik weinig, dat de veranderingen, die ik aan zou brengen, zoo talrijk en zoo omvangrijk zouden zijn. De eene wijziging maakte echter vaak de andere wensclielijk, en zoo werden ten slotte de meeste hoofdstukken in meerdere of mindere mate gewijzigd, sommigen zelfs geheel omgewerkt. Het zou te ver voeren, hielde belangrijkste wijzigingen alle aan te geven; deze mogen voor zich zelf spreken. Slechts worde hier vermeld het hoofdstuk over determinanten, dat geheel omgewerkt en uitgebreid is, en de nieuwe hoofdstukken over de oplossing van een stelsel vergelijkingen van den eersten graad, over symmetrische functiën en over eliminatie-methoden, die naar mijn oordeel niet langer mochten ontbreken. Sommige reeksontwikkelingen, waarvan eene eenvoudige afleiding zonder behulp der differentiaalrekening niet gemakkelijk te geven is, werden daarentegen weggelaten.

Het was niet gemakkelijk, vooral met het oog op de nieuwe hoofdstukken, tot eene bevredigende volgorde te komen. Zooveel mogelijk is daarom de volgorde van den voorgaanden druk behouden. Daar het wenschelijk was, dat aan de hoofdstukken over symmetrische functiëa en over eïiminatie-methoden do behandeling dor determinanten en der oneindig voortloopende reeksen was voorafgegaan, zijn deze beide hoofdstukken geheel aan het eiude geplaatst. Het hoofdstuk over determinanten, dat in den vorigen druk als aanhangsel voorkwam, heeft nu eene plaats te midden der overige hoofdstukken ontvangen, terwijl ten einde ook in

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORBERICHT.

Toon ik op mij nam den yiorden druk to bewerken van de Lessen over de Hoogere Algebra van Lobatto, vermoedde ik weinig, dat de veranderingen, die ik aan zou brengen, zoo talrijk en zoo omvangrijk zouden zijn. De eene wijziging maakte echter vaak de andore wensclielijk, en zoo werden ten slotte de meeste hoofdstukken in meerdere of mindere mate gewijzigd, sommigen zelfs geheel omgewerkt. Het zou te ver voeren, hielde belangrijkste wijzigingen alle aan te geven; deze mogen voor zich zelf spreken. Slechts worde hier vermeld het hoofdstuk over determinanten, dat geheel omgewerkt en uitgebreid is, en de nieuwe hoofdstukken over de oplossing van een stelsel vergelijkingen van den eersten graad, over symmetrische functiën en over eliminatie-methoden, die naar mijn oordeel niet langer mochten ontbreken. Sommige reeksontwikkelingen, waarvan eene eenvoudige afleiding zonder behulp der differentiaalrekening niet gemakkelijk te geven is, werden daarentegen weggelaten.

Het was niet gemakkelijk, vooral met liet oog op de nieuwe hoofdstukken, tot eene bevredigende volgorde te komen. Zooveel mogelijk is daarom de volgorde van den voorgaanden druk behouden. Daar het wonschelijk was, dat aan de hoofdstukken over symmetrische functiën en over eliminatie-methoden de behandeling dor determinanten en der oneindig voortloopende reeksen was voorafgegaan, zijn deze beide hoofdstukken geheel aan het einde geplaatst. Het hoofdstuk over determinanten, dat in den vorigen druk als aanhangsel voorkwam, heeft nu eene plaats te midden der overige hoofdstukken ontvangen, terwijl ten einde ook in

-ocr page 10-

voorbericht.

andere hoofdstukken van het rekenen met determinanten partij te kunnen trekken, enkele andere wijzigingen in de volgorde zijn gebracht.

Het hoofdstuk over complexe grootheden heeft daarentegen zijne plaats als aanhangsel behouden, niet wegens de mindere belangrijkheid, maar met het oog op de moeilijkheid, dit hoofdstuk de juiste plaats te midden \'.\'e andere aan te wijzen. Het had wellicht aanbeveling verdiend dit hoofdstuk voorop te plaatsen. De lezer wordt dan ook nitgenoodigd het aanhangsel als een voorvoegsel te beschouwen, en met de lezing van het aanhangsel, tenminste van de §§ 289—294 te beginnen, terwijl de overige paragrafen van het aanhangsel bij § 114 en bij § 8 ingelascht kunnen worden.

vi

De omvang van het werk is niet onaanzienlijk vermeerderd door de invoeging van een groot aantal toepassingen, die, naar ik meen te mogen aannemen, de waarde van het leerboek zullen verhoogen.

A. E. IIAHÜSBN.

Delft, Juli 1892.

-ocr page 11-

inhoud.

Lessen. Biz.

i. vurkl.uung van het begkip functie. meetkunstige voorstelling. afgeleide functie. hoogere-

machtsvergelijking.......... 1

/ II. Algemeene eigenschappen der hoogere-machtsver-

GELIJKINGEN.............10

III. Over de veranderingen der vergelijkingen ten aanzien van hare wortels........23

IV. Over den regel van descartes, ter bepaling van het aantal positieve ;en negatieve wortels eener vergelijking............39

V. Theorema van budan . ..........47

VI. Over het bepalen van de limieten der positieve

en negatieve wortels. theorema van rolle . . go

VII. Over het opsporen van de meetbare wortels eener

vergelijking............71

/ VIII. Over de gelijke wortels dee vergelijkingen . . 7G

! /

IX. Theorema van sturm..........87

y X. Over de oplossing der hoogeke-machtsvergelijkin-

gen door benadering. handelwijze van newton. 102

XI. Benaderingsleehwijze van horner......115

XII. Onderzoek van eenige getallen vergelijkingen . 124

XIII. Over de rechtstreeksche oplossing der derde- en

vierde-machtsvergelij kingen.......135

XIV. Over de oplossing der wederkeekige vergelijkingen ..............147

La ■

\\

( (

-ocr page 12-

inhoud.

Lessen. Blz.

XV. Over de oplossing der binomiaa.l-vergelijkingen . 152 ^ XVI. Over de permutatiën en combinatiën. . . .166 XVII. Toepassing van de leer der permutatiën en combinatiën op de ontwikkeling der geheele en positieve machten van eenig polynomium . . . 179

XVIII. Over de determinanten........185

XIX. Over de oplossing van een stelsel vergelijkingen van den eersten graad......224

XX. Ovek de ontbinding van rationale gebrokens in

andere meer eenvoudige gebeokens .... 248

XXI. Over de rekenkundige reeksen van iioogeee orde. 261 \\ XXII. Over het sommeeeen van oneindig voortloopende

beeksen en het onderzoek van haee convergentie. 288

XXIII. Over de \'wedeekeebige reeksen......321

- XXIV. Over de theorie der gedurige of kettingbbeuken. 340 XXV. Toepassingen van de tiieobie dee kettingbreuken. 353 XXV[. Algemeen betoog der formule van newton voor de ontwikkeling van (a -|- a:)quot; voor alle waab-

den van den exponent 11........365

XXVII. Ontwikkeling dee exponentiale en logarithmi-

sche functiën............ 373

, XXVIII. Over de ontwikkeling der goniometrische func-

tiën, en haar veeband met de exponentiale en

logarithmische functiën........384

XXIX. Over symmetrische functiën.......402

XXX. Over eliminatie-methoden........417

, XXXI. Complexe grootheden......... 435

viii

-ocr page 13-

LESSEN

OVER

DE HOOGERE ALGEBRA.

EERSTE LES.

VERKLARING VAN HET BEGRIP FUNCTIE. MEETKUNSTIGE VOORSTELLING. AFGELEIDE FUNCTIE. HOOG ERE-MACHTSVERGELIJKING.

§ 1. Men zal reeds in do beginselen der Algebra opgemerkt hebben, dat indien er slechts eene enkele betrekking of vergelijking tusschen twee of meer onbekende grootheden gegeven is, elke dezer laatste een onbepaald aantal verschillende waarden kan toelaten, welke afhankelijk zijn van die, welke men aan de overige grootheden toekent. Elke algebraïsche uitdrukking nu, welker waarde afhankelijk is van die der daarin voorkomende grootheden x, y, z...., draagt in het algemeen den naam van functie dezer grootheden, die, uit hoofde zij voor verschillende waarden vatbaar ondersteld worden, den naam van veranderlijken verkrijgen. Men. is gewoon haar meestal op eene der navolgende wijzen voor te stellen.

ƒ(•\'•, y, -•••). Ffa y, *•••■). y, *••••)gt; y,

Aldus zal bijv. elke veelledige uitdrukking (Polynomium) van den vorm

A-\\-Bx-\\- Cu? .... 4- Kx\\

waarin x willekeurige waarden verkrijgen kan, eene functie dei-veranderlijke grootheid x heeten, terwijl de coëfficiënten 4, B,

welke voor elke waarde van x onveranderd blijven, standvastige grootheden genaamd worden.

lobatto. 1

-ocr page 14-

2

De uitdrukkingen

zijn daarentegen function van twee en van drie veranderlijke grootheden.

§ 2. De wiskundigen zijn gewoon de versebillende soorten van functiën door bijzondere benamingen van elkander te onderscheiden. Onder algebraïsche functiën verstaat men in het bijzonder de zoodanige, waarin de veranderlijke en standvastige grootheden door eenige der gewone bewerkingen van optelling, aftrekking, vermenigvuldiging, deeling, machtsverheffing en wor-toltrckking aan elkander verbonden zijn, gelijk met de navolgende

functiën het geval is:

(„ s)to (0,

Zij worden daarenboven in rationale en irrationale, in gebeele en gebrokene functiën onderscheiden. Aldus is bijv. de vorm

ax3 -f- hx2 cx -\\-d

eene geheole rationale; daarentegen de vorm

a lx cx2

sa-ï-üx -t-ca-x \\ a ~|- -|- rx2 )

fix -j-

eene gebrokene irrationale functie van x.

Wanneer echter de functiën samengesteld zijn uit termen, waarin de veranderlijke grootheden als exponenten voorkomen, dan heeten zij exponentiale functiën.

Hiertoe behooren bijv. de functiën

£. -L A-\\-£a aX, Aa\' enz.

Eveneens worden de uitdrukkingen

log.{a-\\-x\'), A log.{ax-\\-y), enz.

logarithmischc functiën, en de uitdrukkingen

a sin.{x -\\-y) -f- h cos.(x -\\- y), B f sin = ^—- \\

\\ 6x )

goniometrische en cyclometrische functiën der daarin voorkomende veranderlijke grootheden genaamd.

Deze laatste soorten van functiën worden daarenboven met de algemeene benaming van iranscendenldle functiën bestempeld. In de hoogore deelcn dor wiskunde spelen zij eene voorname rol.

-ocr page 15-

3

en onderscheiden zioh van de algebraïsche voornamelijk hierin, dat, terwijl de berekening van de waarden dezer laatste functiën een bepaald aantal hoofdbewerkingen der algebra vordert, de transcendentale daarentegen, zooals later blijken zal, eeniglijk hetzij met behulp van oneindig voortloopende reeksen, hetzij door herhaalde worteltrekkingen bij benadering kunnen berekend worden, waarom dan ook de getallenwaarden van vele funetiën dezer soort voor bepaalde waarden der veranderlijke grootheid reeds vooraf berekend en in tafels gebracht zijn, waarvan de gewone logarithraen- en sinus-tafels onder anderen tot voorbeelden kunnen strekken.

§ 3. Het onderzoek eener functie eischt de kennis van bepaalde hulpmiddelen. Een dezer hulpmiddelen is de meetkunstige voorstelling der funetiën, die van veel belang is, omdat zij als van zelf aanwijst wat in het bijzonder te onderzoeken valt. Wij zullen hier de meest gebruikelijke voorstelling van de funetiën van eene enkele veranderlijke laten volgen.

Stellen wij daartoe den vorm

— 0,02a:3 -f 0,2a\'2 -f 0.1a- — 1,

die, als men voor x verschillende waarden substitueert, de volgende waarden verkrijgt:

Waarden van x. Waarden der functie.

— 2 —0,24

— 1 —0,88

0 —1

1 —0,72

2 —0,10

3 0,56

4 1,32

5 2

6 2,48

7 2,64

8 2,36

9 1,52 10 0 11 —2,32

terwijl ook elke andere of tusschengelegen waarde van x eene enkele eindige waarde dor functie oplevert. Teekent men nu, zooals iu Figuur 1 gedaan is, twee lijnen loodrecht op elkaar, OA\' en OF, die raen gewoonlijk assen noemt; zet men daarna op

1*

-ocr page 16-
-ocr page 17-

5

O-Y van het punt O af een stuk OQ=5, eene der waarden van x uit het tafeltje, trekt dan uit Q eene lijn evenwijdig aan de as OY en neemt men daarop een stuk QP=2, de waarde die de functie krijgt voor x = 5 en wel van Q af naar boven als de waarde der functie zooals hier positief is, zoo zullen door het punt P do correspondeerende waarden 5 en 2 volkomen aangewezen zijn. Neemt men eveneens OQquot; = 11, trekt door Qquot; eene lijn evenwijdig aan OY en zet van Qquot; af Qquot;Fquot; naar beneden gelijk aan 2,32, zoo geeft evenzeer F1\' een paar correspondeerende waarden aan. Men moet deze laatste waarde naar beneden uitzetten, omdat de waarde der functie negatief is; eveneens zet men do negatieve waarden van x links van het punt O af.

Zet men zoo allerlei waarden van x en de daarbij behoorende waarden van de functie uit, zoo krijgt men een onbepaald groot getal punten P, die allen op eene bepaalde kromme lijn gelegen zijn, eene kromme lijn waarvan elk punt een paar correspondeerende waarden van x en van de functie aangeeft.

Noemt men de waarde der functie in het algemeen y en stelt dus

^ = — 0,02^ 0,2a:2 0,1* — 1,

zoo noemt men dezo vergelijking do vergelijking dor kromme.

§ 4. De zoo geteckende kromme lijn geeft een aanschouwelijk beeld der functie, veel beter dan een tafeltje van waarden. Men wordt er dadelijk door gewezen op verschillende belangrijke punten ten onderzoek. Zoo zullen, zie Fig. 1, do punten van groot belang zijn, waar de kromme lijn de as OX snijdt en dus do functie van teeken verandert. Om deze punten te vinden moeten de waarden van x opgezocht worden, waarvoor de uitdrukking nul wordt, en moet dus de vergelijking

— 0,02ir3 -f 0,2a;2 0,1* — 1 = 0

opgelost worden. Men noemt dit eene hoogere-machtsvorgelijking en wel eene vergelijking van den derden graad.

Vooral zal do richting van de raaklijn PT in eenig punt der kromme voor do kennis der functie van belang zijn, omdat daar waar de raaklijn meer op de as OX helt de veranderlijkheid dor functie grooter is. Wij zullen daarom de richting der raaklijn lee-ren aanwijzen, en wel voor do algemeene functie

F{j:) = AyX* -j- A^xquot; -)~ -\'A\'®quot; *■dH_2Xi-\\-An_lx-^-A^ waarin A0, Al enz. verschillende getallen kunnen voorstellen.

-ocr page 18-

Denken wij ons deze functie door dé kroratne lijn van Fig. 1 voorgesteld, zoodat voor eene waarde

x = a — OQ

de waarde der functie is

FQ= sl0a\' .... -f Jn.

Men stelt deze waarde ook wel voor door F(a), dat dus wil zeggen dat in F(x) de x overal door a vervangen is. Neemt men nu eene tweede waarde,

x = a /1= OQ\',

waardoor dus QQ\' = //, zoo wordt de waarde der functie

Iquot;Q\' = F(a h) = J0 (a h)\' -f J, (a -f h)n~\' ....

Ah_2 (a A)2 4- A)

Trekt men nu FF\' en verder FR evenwijdig aan de as OX, dan is F\'R^F\'Q\'—FQ

en ook

F\'Jt F\'R lgF\'FR = taF\'Sq\' = ^ = —

en daaruit na substitutie en eene kleine herleiding,

, D-cvv / (a-\\-hT— a\' , (a-f-A)-\'— a\'quot;1

tg F SQ = JQ .--- At--- ....

(a /j)2—a2 (a 4-/0—«

^-2-h-h

en daarmede is de tangens gevonden van den hoek, dien de snijlijn FF\' maakt met de as OX. Ontwikkelt men nu een dezer quotiënten, b. v.

(a— aquot; n , , n(n — 1) , , , , -= J «-\' \\ 2 / •••• Aquot;quot;

zoo blijkt dat, als men het stuk h zeer klein neemt, het quotient zeer weinig gaat verschillen van den eersten term

naquot; ~\'

en dat dus tgF\'SQ\' ook zeer weinig zal verschillen van

wy/0aquot;_\'-f-— l)^/,an 2-f-(?2 — 2) A2a* *-\\-\'iAn_2a-\\-An_x,

maar toch nimmer daaraan geheel gelijk zal worden, al neemt men h ook nog zoo klein.

In de figuur is de beteekenis van het zeer klein nemen van h, dat het punt F\' zeer dicht bij F komt en de snijlijn FF\' veel zal

-ocr page 19-

7

hebben van de raaklijn PT, maar toch altijd nog iets met PT in richting zal verschillen. Daar nu tgP\'SQ\' aan den eenen kant onbepaald nadert tot de verkregen uitdrukking en aan den anderen kant evenzeer onbepaald nadert tot UjPTX, mag men hieruit besluiten dat

tgPTX= nA0a^ (« — \\)A^ -f- .... 2^_2« -f /4-,

zal zijn, cn hiermede is de gevraagde richting der raaklijn bepaald in eenig punt P. waarvoor x = a is.

Het bewijs blijft geheel hetzelfde als de tweede waarde P\'Q,\' kleiner dan P^is; dan is de uitdrukking voor IgP\'SX negatief, maar is hoek P\'SX en dan ook hoek PTX stomp, als men slechts steeds dezelfde richting in de as OX denkt, namelijk van O tot X.

§ 5. Stelt men in de gevonden uitdrukking van tg PTX voor a weer x, zoo wordt deze

«Ax*-\' O —l)^-2 .... 2A,^x -J- J,_„

waarin men nu voor x slechts de waarde voor eenig punt P behoeft te stellen om don tangeus van den hoek te kennen, dien de raaklijn met de as OX maakt. Deze uitdrukking is eene functie van x van den (n,— l)sten graad en wordt uit de eerst gegeven functie

FQc) = Agcquot; -j- Axxn 1 _ïX\' -(- An_xx An

op zeer eenvoudige wijze afgeleid, waarom zij ook den naam van afgeleide functie gekregen heeft. Men vindt de afrjeleide functie door eiken term van de gegeven functie met den exponent te vermenigvuldigen en daarna den exponent met de eenheid te verlagen. Deze regel gaat ook door voor den bekenden term, want men kan deze altijd met x0 vermenigvuldigd denken. De afgeleide functie is van het grootste belang voor het onderzoek der functie. Zij wordt gewoonlijk door het teeken F\'(x) voorgesteld als de functie F(x) heet.

De uitdrukking, die in de vorige paragraaf voor tgP\'SQ\' gevonden werd, hoeft voor elke eindige waarde van h eene eindige waarde, en nadert bij het kleiner worden van h tot F\'(a). Daar nu P\'R of /\'\'(« h\') F(a), d. w. z. de toename der functie bij den overgang van x = a tot x — a-\\-h, gelijk h.tg P\'SQ\' is, zoo zal, als h tot nul nadert, ook F(a -|- /lt;) — F(a) tot nul naderen ; m. a. w. het is mogelijk h zoo klein te nemen, dat F(a-\\-li) — F(a) kleiner is dan elke gegeven grootheid. Hieruit blijkt dat do verandering van de functie niet sprongsgewijze geschiedt, maaibij intervallen, die zoo klein genomen kunnen worden, als men

-ocr page 20-

8

slechts wenscht. Men drukt dit uit door te zeggen, dat de functie met x continue verandert.

§ 6. De afgeleide functie van de vroeger gekozen uitdrukking — 0,02a:3-f0,2x2-J- 0,1a-—1

zal dus zijn

— 0,06a-24-0.4.r-f 0,1.

Wil men nu. Fig. 1, de punten ü en ü\' bepalen, waar de raaklijn evenwijdig loopt aan de as OX en dus UV eeue bijzondere waarde der functie, in ons geval eeno maximum-waarde, zal zijn, zoo moet men daarvoor al de waarden van x— O V nagaan, waarvoor de afgeleide functie de waarde nul krijgt en dus aan de vergelijking

— O.Oe.c2 -f 0,4a; 4-0,1=0

voldaan wordt. Men moet daartoe in dit geval eene vierkantsvergelijking oplossen, maar in het algemeen zal het ook de oplossing van eene hoogere-machtsvergelijking eischen.

Ook de afgeleide functie kan door eene kromme lijn voorgesteld worden. Zoo is Fig. 2 de voorstelling van

— 0,06a;2-f 0,4a\'-|-0,1

en deze functie is zelf de afgeleide van de functie, die in Fig. 1 voorgesteld is. Wil men aan de kromme lijn, die de meetkunstige voorstelling is van de afgeleide van F(x), dus van

F\'(x) = ns10x\'~\' -f- O— l)^rïquot;quot;24- .... -}- 2An_%x-\\-J,_„

de richting van de raaklijn bepalen, zoo moet men van dezen vorm weer de afgeleide opschrijven, die men ten opzichte van de oorspronkelijke functie F{x) don naam geeft van tweede afgeleide functie en door het teeken 7\'-(x) voorstelt. Derhalve is

r\\x) = n (n — 1).V -2 («—1) (ra — 2)Jlxquot;-3 -f- .... -j- 2gt;.1An_3x -j- 2^/n_2

en voor de waarden van x, waarvoor deze uitdrukking nul wordt, zal men weer op bijzondere punten van de kromme, of op bijzondere waarden van Fix) heengewezen worflen. Ook tot het vinden van deze waarden van x zal in het algemeen hot oplossen van eene hoogere-machtsvergelijking noodig zijn. Van de reeds nagegane funtie is de tweede afgeleide

— 0,12a; -j-0,4,

welke uitdrukking nul wordt voor .r = 3^. Bij deze waarde van x

-ocr page 21-

9

zal de kromme lijn van Fig. 1 eene grootere helling ten opzichte der as OX hebben dan in den onmiddellijken omtrek van deze waarde.

Bepaalt men de afgeleide functie van F2(x), zoo vindt men eeno functie van den (re — 3)den graad, die door F^x) wordt voorgesteld en de derde afgeleide van de oorspronkelijke functie wordt genoemd. Aldus voortgaande vindt men voor eene functie van den «den graad n afgeleide functiën; voor de ?ide of F*(x) vindt men het getal n(ti—1) (n — 2).... 2.1.^0.

§ 7. Het voorgaande wijst genoegzaam op het groote belang der meetkunstige voorstelling van functiën heen. Het leert ons daarenboven, dat tot het onderzoek van de geheele rationale function voornamelijk vereischt wordt het oplossen van hoogere-machts-vergelijkingen, dat dan ook hier in de eerste plaats zal behandeld worden. Voor den algemcenen vorm der hoogere-machtsvergelij-kingen kan de volgende gekozen worden:

-)- AjXquot;quot;1 -f- -)- An_Ix -|- An= 0,

waarin de coëfficiënt van de hoogste macht nog al veel de eenheid voorstelt, daar men een der coëfficiënten altijd naar eigen zin nemen kan. Het is nu niet altijd mogelijk, en waar zulks mogelijk is, toch van weinig practische waarde, om, zooals bij de vierkantsvergelijkingen hot geval is, de onbekende in eindigen vorm met behulp der coëfficiënten J0, J,, A.l enz. uit te drukken. Evenwel zijn er verschillende handelwijzen bekend, die het mogelijk maken, om, als de coëfficiënten A0, Ax, A.i enz. in getallenwaarde gegeven zijn, de waarden der onbekende zoo nauwkeurig als men verlangt te berekenen.

TOEPASSING.

Breng de functie

x3 — ^2 —0,75.* 0,5

in teekening; eveneens de drie afgeleide functiën. Bepaal de waarden van x, welke behooren bij de punten, waar de raaklijn aan de kromme, die de gegeven functie voorstelt, evenwijdig aan de as OX is.

-ocr page 22-

TWEEDE LES.

ALGEMEENE EIGENSCHAPPEN DER HOOGERE-MACMTS-VERGELIJKINGEN.

§ 8. Het is altijd mogelijk eene hoogere-machtsvergylijking saam te stellen, waarvan de wortels gegeven getallen zijn. Vermenigvuldigt men b. v. de vormen x -j-2, x— 1, x — 3 en a; — 5 met elkaar, zoo zal het product

(x -j- 2) (^—1) (« — 3) (a: — 5) = x* — 7ar3 -)- 5i\'2 -|- 3lx — 30,

eene uitdrukking van den vierden graad, natuurlijk nul worden, als men daarin voor x substitueert een der getallen —2, 1, 3 of 5, waarvoor een der factoren nul wordt. Derhalve zullen deze vier getallen wortels zijn van de vergelijking

x* — 3 —J— 31 J •— 30 = 0.

Hierdoor ontstaat het vermoeden, dat het eerste lid van eene willekeurige hoogerc-machtsvergelijking

F(x) = JgXquot; J{xquot; 1 -\\-Aa_xX

deelbaar zal zijn door x — a, als a een wortel is der vergelijking

I\\x) = 0.

Dat dit werkelijk zoo is, is gemakkelijk aan te toonen; want als a een wortel is, zal men hebben

-j- .Artquot;\'1 4quot; •••• -1quot;2 4quot; -1- An = 0,

waaruit volgt dat

= — Ay — A^aquot;quot;1 — .... — An_.1a2 — An_la,

en substitueert men deze waarde in

F{x) = A0xn -)- A^x*~\' .... -j- At_2x2 An_xx An ,

zoo vindt men na eene kleine herleiding

F\\X)=A0{a:\'—a\') At{x\'-,—a\'-,) .... An_2(xIai) A,_l(x—a), welke uitdrukking blijkbaar door x a deelbaar is.

-ocr page 23-

11

Men kan ook aldus redeneeren. Deelt men F{x) door (xa), zoo verkrijgt men een quotient Q en een getallenrest A\'; derhalve kan I\'X*) ook aldus voorgesteld worden

F(x)=(x — a) Q-j- 71.

In deze vergelijking komt het eerste lid geheel overeen met het tweede lid. Aan de vergelijking wordt dus voor elke waarde van x voldaan, wat men uitdrukt door de vergelijking eene identieke vergelijking te noemen. Wij willen dit hier evenals in het vervolg aangeven door het teeken = te vervangen door =.

Stelt men nu3- = a) zoo blijkt dat F(a) = R,

dat is, als F(x) gedeeld wordt door x — a zal de gelallonresl zijn F(ci), dal is wat F{x) wordt voor x = a. Is nu a een wortel dei-vergelijking

F{x) = 0,

zoo zal Fijx) nul zijn en dus geen rest gevonden worden, als men F{x) door x — a deelt.

Derhalve geldt de volgende stelling:

Indien a een wortel is der ne machtsvergelijking F(x) = 0, zal het voorste lid F(x) door x — a zonder overschot deelbaar zijn.

Omgekeerd volgt nu hieruit tevens, dat F\'je) niet door x — a kan deelbaar wezen, tenzjj x — a een wortel der vergelijking F{x) = 0 zij.

Neemt men nu eens als bewezen aan, dat er altijd ten minste één wortel x = a te vinden is, welke aan de vergelijking F{x) = 0 voldoet, dan leidt do zoo even betoogde eigenschap van zelf tot deze gewichtige gevolgtrekking, dat elke «e machtsvergelijking ook n wortels zal opleveren. Immers, hot eerste lid is dan deelbaar door x — a en het quotient Q eene functie van den (n— l)sten graad. Stelt men nu (3 = 0, zoo is dit weer eene hoogere-machts-vergelijking, die nu zeker één wortel 6 hebben zal, waaruit blijkt dat Q door x — 6 deelbaar zal zijn. Stelt men nu

zoo zal men voor F(x) kunnen schrijven

F(x) = (x — a) (x — i) Qr Nu zal wederom de vergelijking Q,= 0 een wortel x = c toelaten,

en dus —^— = O,, zoodat men heeft

.1?-n

-ocr page 24-

12

F{x) = (x—a) (x — i) (x — c) Q2 ;

en op die wijze voortgaande, ziet men duidelijk in, dat na n deelingen het laatste quotiënt het getal .4a zal wezen, en dus

1\'Xx) = J0(x — d) (x — b) (x — c) .... (x — /c),

waaruit blijkt dat de vergelijking F(x) = 0 een aantal van n wortels, a, i, c.... k, zal tellen.

Het is mogelijk, dat eenige der waarden a, b, c .... Tc gelijk zijn. Men rekent in dit geval dat de vergelijking eenige gelijke wortels heeft, evenals dat bij de vierkantsvergelijking gedaan is.

Behalve deze n wortels zal geene andere waarde van x aan de gegevene vergelijking kunnen voldoen. Want geen der n eerste-machtsfactoren, waarin F{x) reeds ontbonden is, zal voor eenige waarde x = p kunnen verdwijnen, indien niet p gelijk aan eenen der wortels n, b, c.... k genomen wordt.

Hieruit laat zich onmiddellijk afleiden, dat wanneer aan eene vergelijking van den M(len graad voldaan wordt door meer dan n waarden van x, de vergelijking noodwendig eene identieke moet zijn, d. w. z. de coëfficiënten A alle gelijk nul zullen zijn.

Het bewijs, dat elke vergelijking F{x) — 0 ten minste één wortel heeft, welke stelling het theorema van d\'Alembert genoemd wordt, zal later volgen. De algemeenste vorm van dezen wortel zal zijn

a -j—i]/— 1,

dezelfde als bij de vierkants vergelijkingen. Wij zullen, daar hier het bewijs nog niet gegeven kan worden, de stelling alleen gebruiken waar zulks volstrekt noodzakelijk blijkt.

TOEPASSINGEN.

1. Welke is de vergelijking, die 3, 2 en — 1 tot wortels heeft?

Antw. x3 — ix* .£ 6 = 0.

2. Gegeven zijnde dat 1 een wortel is der vergelijking

x2 — 5.c9 — 1 = 0,

vraagt men de beide overige wortels te bepalen.

Antw. 2 K3 en 2 — K3.

3. Bepaal de vergelijking, die

Vp Vq, Vjo — Vq, — Vp Vq en — Vp Vq tot wortels heeft.

Antw. xl — 2 {p q) x2 (p — qY — 0. i. Bepaal de wortels van de vergelijking

-ocr page 25-

13

Daar 1 blijkbaar een wortel is, kan voor het eerste lid geschreven worden {x — 1) (or- x 1).

Antw. 1, — i i V— 3, — i — i y— 3.

5. Bepaal de wortels van de vergelijking

^ 1=0.

Hier is — 1 een wortel, zoodat voor het eerste lid geschreven kan worden {x 1) (.r2x 1).

Antw. — 1, i i V— 3, i — J V—3.

6. Bepaal de wortels van de vergelijking

x4 — 1 = 0.

Hier is zoowel 1 als — 1 een wortel, zoodat voor het eerste lid geschreven kan worden (x — 1) (.r 1) (x- 1).

Antw. 1,-1,-1- V— 1, — V — 1.

§ 9. Stelling. ImUen eene vergelijking met bestaanbare coëfficiënten eenen onbestaanbaren wortel a 5 ]/ — 1 heeft, zoo zal ook a—by —1 een wortel der vergelijking zijn.

Wanneer het binomium a b}/ — 1 tot eenige positieve macht p verheven wordt, zal do reeks, welke de ontwikkeling van (a-^-by—l)\'\' uitdrukt, zooals men weet, samengesteld zijn uit bestaanbare termen en uit onbestaanbare, die jX — 1 als factor bevatten. Daarvan zullen de eerste slechts de evene, en de laatste de onevene machten van b bevatten. Schrijft men nu voor de som der bestaanbare termen M, en voor die der onbestaanbare termen iV]/— 1, dan zal (a -|- by— 1)\'\', voor alle waarden van den vorm M-^-Ny—1 aannemen. Voorts is het klaar, dat F^:), voor x — a-\\-by—1, na de vereeniging zoo der bestaanbare als der onbestaanbare termen, welke uit die substitutie zullen ontstaan, insgelijks zal kunnen herleid worden tot den vorm P Qy— 1, waarin Pen Q function van a en b voorstellen. Nu kan aan de vergelijking

F{x) = F{a by— 1) = P QV— 1 = 0

onmogelijk voldaan worden, tenzij afzonderlijk P — 0 en Q = 0 gesteld worde, vermits anders eene bestaanbare grootheid gelijk aan eene onbestaanbare zou wezen. *

Schrijft men echter voor x de onbestaanbare waarde a by — 1, dan is het licht in te zien dat, daar in eiken term van P eene evcne, en in eiken terra van Q eene onevene macht van b voorkomt, bij don overgang van A in — b P onveranderd blijft en Q daar-

-ocr page 26-

14

entegen in — Q zal overgaan, zoodat F{x) den vorm P— lt;31/— 1 zal aannemen. Daar nu aan de vergelijking

F{x) = F{a — hY— 1) = P — qV— 1 = 0

insgelijks voldaan wordt door P=0 en lt;3 = 0 te stellen, zoo blijkt hieruit terstond dat, indien a-j-i]/—1 een wortel is, a — h}/—1 mede een wortel der gegevene vergelijking zijn zal, waaruit verder volgt, dat de onbestaanbare wortels altijd paarsgewijs of in een even aantal zullen voorkomen, en het voorste lid eener vergelijking met onbestaanbare wortels altijd deelbaar zal zijn door den bestaanbaren tweede-machtsfactor

(x — a — hY — 1) — a-^hy — 1) = a;2— lax -)-a2 -fquot; A2.

Terwijl voor eiken bestaanbaren wortel het eerste lid eener hoo-gere-machtsvergelijking een bestaanbaren eerste-machtsfactor bezit, zoo heeft dus dit lid voor elk paar bij elkaar behoorende, zoogenaamd toegevoegde, onbestaanbare wortels een bestaanbaren tweede-machtsfactor. Tevens blijkt dat het eerste lid van elke hoogcre-machtsvergelijking en dus elke geheele rationale functie van ééne veranderlijke als het product van bestaanharc eerste- en tweede-machtsfactoren beschouwd kan worden.

In het voorgaande betoog wordt stilzwijgend aangenomen dat al de coëfficiënten y/,, A.l.... bestaanbare getallen zijn. In het tegenovergestelde geval zou men uit de vergelijking

Fta bV—\\) = P-]-qV—\\

niet mogen besluiten

F{a—bVr~V) = P—QV—ï,

aangezien de functiën P en Q alsdan zoowel de evene als de on-evene machten van h kunnen bevatten (1)

1

Dc besprokene stelling kan ook als volgt gemakkelijk worden aangetoond. Deelt men F{x) door (x — o)2 i2, zoo vindt men een quotient Q van den («—graad en eene rest van den vorm lljr S, waarin i? en 5 bestaanbare getallen zijn, zoodat

-PM — [(f — o)2 i2] (gt; -t- Ex 8.

Stelt men hierin x = a hv—1:

F(a h V— l) = R(a l)V—l) S.

Is nu a h y— 1 een wortel der vergelijking F( r) — 0, en dus /Tquot; h y—1) — 0, zoo vindt men

1) S=:0

-ocr page 27-

15

§ 10. Stelling. In elke n^-machtsvergelijking, welker eerste term de eenheid tot coëfficiënt heeft, bestaan de navolgende betrekkingen tus-scheu de coefjiciënten der termen en de ivortels der vergelijking:

Be coëfficiënt van den ticeeden term is gelijk aan de som der wortels, met het tegengestelde teéken genomen.

Die van den derden term is gelijk aan de som der producten van de wortels twee aan twee.

Die van den vierden term is gelijk aan de som der producten van de wortels drie aan drie, met hel tegengestelde teeken genomen, enz.

De laatste of bekende term eindelijk zal gelijk zijn aan het product van al de wortels, met hetzelfde of met hel tegengestelde teeken genomen, naar dat de aanwijzer n even of oneven is.

Het bewijs dezer stelling laat zich onmiddellijk afleiden uit de wijze van samenstelling der vergelijking. Zijn namelijk a,, a2, a3....an de u wortels der vergelijking en p,, ......... de opeenvolgende coëfficiënten, zoo is

-lrp2xn~2 4- .... /gt;„ = 0 — 0,) {x — a.z)....(p;—a,l).

Ontwikkelt men het gedurig product, dat in het tweede lid voorkomt, zoo vindt men vooreerst den term xquot;; voor den coëfficiënt van kquot;-1 vindt men —lt;7, —a2—.... — a„, d. w. z. de som dei-wortels met het tegengestelde teeken genomen; voor den coëfficiënt van ~2 de som der producten der wortels twee aan twee enz. Om in het algemeen den coëfficiënt van xn~k te vinden, bedenke men, dat om een term met xquot;\'* te verkrijgen men in nk der eerste-machtsfactoren de grootheid x moet nemen en in de k overige factoren minus den daarin voorkomenden wortel, zoodat deze term tot coëfficiënt verkrijgt (•—l)4\' maal het product van k wortels. Door bijeenvoeging van alle overeenkomstige termen, vindt men voor den coëfficiënt van x\'\'~k (—l)4\'maal de som der producten van de wortels k aan k, waarbij achtereenvolgens alle mogelijke verschillende samenstellingen van k wortels genomen moeten worden. Stelt men nu de coëfficiënten der gelijknamige machten van

Aan deze vergelijking wordt, als b ongelijk nul is, slechts voldaan voor 7? = O en S=0, wat gemakkelijk gevonden wordt door het bestaanbare en het onbestaanbare deel van het eerste lid der vergelijking afzonderlijk nul te stellen. Men vindt dus dat, als a b V— 1 een wortel der vergelijking Hx) - O is,

F(x) = [(x-ay b^Q

d. w. z. het eerste lid deelbaar is door den tweede-machtsfactor (r — nY hquot;, en dus ook n — bv—1 een wortel der vergelijking is.

-ocr page 28-

16

a- in de beide leden van bovenstaande identieke vergelijking aan elkaar gelijk, zoo vindt men

V\\= -(S1 quot;t- quot;l-•••• quot;1* ö«) |

Vt.— iaia2 ai«3 «2«3 •••• ««-1 «») | p3= a,niai •— gt;.......rgt;

p, = (—l)quot;ata2a3....a, J

waarmede de juistheid van het gestelde is bewezen.

Is b. v. n = 4, zoodat de vergelijking wordt:

^-{-PtX3 p.^x1 p.3x -\\-pi = d

zoo vindt men:

P\\ — — («i 4- quot;z a3 ai)

/»2 = «.«3 «,«4 a/h a/U ajh) p3 = — (f/,a2rt3 -f- a,a2a4 -}- axa.iai (ixUJ01*)

p4 = 4- a/t.fl.a,,

Is de coëfficiënt van a.quot; niet gelijk aan de eenheid, beschouwt men bijv. de vergelijking

-^o®quot; ^\\x\' 1 4quot; -^2®quot; 2 4- 4quot; = O,

zoo heeft men slechts, deze vergelijking door deelende, in de

boven gevonden betrekkingen /j, = pL = ^ .... pn = ~ te

sIq SIQ

stellen.

§ 11. Daar hiermede n vergelijkingen gevonden zijn, bevattende de v wortels, zou men wellicht geneigd zijn tot de onderstelling, dat deze vergelijkingen voor de berekening van de n wortels met voordeel gebruikt knnnen worden. Dit is echter in het algemeen niet het geval. Elimineert men n.1. uit deze n vergelijkingen n—1 der wortels, zoo zal de vergelijking, die men voor de bepaling \\an den overblij vonden wortel verkrijgt, geheel met de oorspronkelijke vergelijking overeenstemmen, zoodat daarmede de moeilijkheid gelegen in de oplossing van deze vergelijking in geenen deele verminderd is. Bepaalt men zich tot het geval n = 4, zoo kan de eliminatie van b. v. do wortels a2, a3 en a4 plaats vinden dooide vergelijkingen II bij elkaar op te tellen, nadat de eerste met a,3, de tweede met a,2 en do derde met n, is vermenigvuldigd, waardoor men vindt

-ocr page 29-

17

P.quot;i3 quot;Km2 /¥*■ ^4 = — quot;,4 of a,4 -f p.\'?,3 ^3«-, A = 0

welke vergelijking met de oorspronkelijke vergelijking overeenstemt, wanneer daarin x door », vervangen is. Op overeenkomstige wijze kan voor het algemeene geval de eliminatie van de wortels flj, a3....an plaats vinden door de vergelijkingen I respectievelijk met ff,quot;-1, fl\',quot;-2, ....a, en 1 te vermenigvuldigen en daarna bij elkaar op te tellen. Merkt men op, dat de wortels n,, a.,.... an in de vergelijkingen I op geheel dezelfde wijze voorkomen, zoodat, welke ook de wortel zij ter wier berekening men de overige wortels elimineert, de resulteerende vergelijking steeds dezelfde blijft, en aan deze vergelijking dus voldaan moet worden door alle wortels ff, dan laat zich reeds onmiddellijk vermoeden, dat deze resulteerende vergelijking geene andere dan de oorspronkelijke vergelijking zal zijn.

Hoewel dus de betrekkingen tusschen de wortels en de coëfficiënten eener hoogere-machtsvergelijking, die in de vorige paragraaf gevonden zijn, bij de oplossing van deze in het algemeen geen hulp kunnen verleenen, zoo kunnen zij toch dikwijls deze oplossing vergemakkelijken, zoodra men bijzondere betrekkingen tusschen de wortels kent.

Zij b. v. gegeven, dat van de wortels o,, a2 en a3 der vergelijking

a,.\'—2a-2—5a,--|-6 = 0 er één gelijk is aan de som der beide anderen, dus:

(\'\\==aï-\\- quot;3

zoo kan men uit deze betrekking en uit de betrekkingen

quot;t- fl2 quot;l- quot;3= 2

a\\ai quot;h ata3~\\~ ^

de drie wortels gemakkelijk berekenen. Men vindt a1 = ct2 a3=l

aï(l3 = — 6

waaruit a2 = % a3 = — 2.

Aan de betrekking

= — 6

die hier voor de berekening van de wortels niet gebruikt is, blijkt door de gevonden waarden voldaan te worden, zoodat werkelijk LOBATTO, 2

-ocr page 30-

18

do wortels der gegeven vergelijking aan de betrekking a, — a.l -f- a3 blijken te voldoen.

Ook kan men de betrekkingen tusschen de wortels en de coëfficiënten eener vergelijking gebruiken voor het vinden van de betrekking tusschen de coëfficiënten, die met eene gegeven betrekking tusschen de wortels overeenkomt.

Als voorbeeld hiervan moge gevraagd worden aan welke betrekking de coëfficiënten der vergelijking

x3 -(- px* qx -\\-r = 0 moeten voldoen, opdat do wortels eene rekenkunstige reeks vormen. De wortels kunnen hier voorgesteld worden door a — b, a en de in de vorige paragraaf gevonden betrekkingen geven nu: 3a = — p 3a2 —«2= q a(a2Ij1) =—r.

Elimineert men a en b, zoo vindt men gemakkelijk

2/)3 — -j- 27r — 0 voor de betrekking tusschen de coëfficiënten, welke overeenkomt met de gegevene betrekking tusschen de wortels.

TOEPASSINGEN.

1. De vergelijking

—8^ — 12=0

heeft twee gelijke wortels. Men vraagt de wortels te bepalen.

Antw. — 2, — 2, 3.

Men vergete hierbij niet na te gaan, of ook aan de niet gebruikte betrekking tusschen de coëfficiënten en de wortels wordt voldaan.

2. De wortels der vergelijking

2.r* — 15x3 35x* — 30r 8 = 0 te berekenen, wetende dat deze oene meetkunstige reeks vormen.

Antw. 5, 1, 2, 4.

3. Druk door eene betrekking tusschen de coëfficiënten uit, dat de wortels der vergelijking

A0x3 AiXz -1- AzX -1- A3 — 0 eene meetkunstige reeks vormen.

Antw. A^As = AnA,,*.

i. Druk door eene betrekking tusschen de coëfficiënten uit, dat het product van twee wortels der vergelijking

x3 -1- j0.r9 -1- r = 0

gelijk de eenheid is.

Antw. pi- — rquot; — q 1 — 0.

-ocr page 31-

19

§ 12. Stelling. Wanneer F{x) voor twee verschillende waarden a en b, aan de veranderlijke grootheid x gegeven, tegengestelde ieekens verkrijgt, zoodat. F(a) positief, doch F{b) negatief wordt, of omgekeerd, zal de vergelijking F{x) = O ten minste één wortel tusschen de grenzen x = a en x = b bezitten.

Neemt men in aanmerking, dat Fix) voor alle eindige waarden van x eene eindige waarde behoudt, zoo volgt uit de continuïteit der functie, die in § 5 besproken werd, dat als de functie verandert van F{a) tot F(b), dit niet kan geschieden zonder dat de functie daarbij alle tusschengelegen waarden aanneemt. Is nu F{lt;i) positief en F{b) negatief, of omgekeerd, zoo zal voor minstens eene waarde van x tusschen a en h de functie de tusschengelegen waarde nul aannemen; m. a. w. tusschen o en lt;5 is minstens één wortel der vergelijking gelegen.

Verandert bij de toename van x — a tot x = h de functie meermalen van teeken, zoodat men, als a en /S twee andere tusschen a en h gelegene waarden van x voorstellen, de navolgende rij van teekens bekomt:

Fid), F{a), Fiji), F(b)

-

dan vloeit hieruit voort, dat er een wortel tusschen a en a, een tweede tusschen a en [i, en een derde tusschen P en b gelegen is, en de vergelijking alzoo drie wortels tusschen a en i zal hebben, In het algemeen zal het aantal wortels, door het verschil in teekens van F(a) en F(b) aangewezen, altijd oneven moeten zijn.

§ 13. Uit deze eigenschap, waarvan later bij de benadering der wortels eener vergelijking veelvuldig gebruik zal gemaakt worden, zou men nochtans verkeerdelijk besluiten, dat, indien F(a) en F(6) geene afwisseling van teekens vertoonen, er uit dien hoofde geen wortel tusschen a en J kan gelegen zijn. Integendeel bestaat de mogelijkheid, dat er alsdan twee, vier enz. en in het algemeen een even aantal wortels tusschen die grenzen aanwezig zijn. Immers, bijaldien F(x), voor eenige waarde van x =a\' gt; a en lt; b, negatief wordt, terwijl F{a) en F(h) positief zijn; of positief, indien de beide laatste waarden negatief zijn, dan zal de vergelijking in zoodanig geval minstens één wortel, zoowel tusschen a en a\' als tusschen a\' en b, en dus minstens twee wortels tusschen a en i bezitten. Bij gelijkheid van teekens van F(a) en F(b) zal er alzoo in de vergelijking F(x) = 0 of geene enkele, of

2*

-ocr page 32-

20

een even aantal wortels aanwezig zijn tusschen genoemde grenzen. Men zal hierna een theorema leeren kennen, waaruit het aantal bestaanbare wortels, tusschen gegevene grenzen voorhanden, met zekerheid kan bepaald worden.

Herinnert men zich de wijze, waarop in § 3 van F(x) eene meetkunstige voorstelling is gegeven, zoo kan de meetkunstige beteekenis van hetgeen in deze en in de vorige paragraaf gevonden is, aldus worden uitgesproken:

Zijn twee punten van de kromme, die F(x) voorstelt, overeenkomende met de waardenat a en a: = b, aan verschillende zijden van de X as gelegen, zoo is er tusschen deze punten een oneven aantal snijpunten van de kromme met de X as gelegen. Liggen de beide punten aan dezelfde zijde van de X as, zoo is het aantal der tusschengelegen snijpunten even, waarbij nul als een even getal te beschouwen is.

§ 14. Stelling. In elke vergelijking F(x) = 0 zal men altijd aan x zoodanige waarde kunnen geven, dat F(x) voor deze en voor elke grootere ivaarde van x hetzelfde teeken- verkrijgt als de eerste term xn. Indien het polynomium

F(x) — x\' -j- -f A^xquot; 2 -f-.... -f- Aa

eeniglijk positieve getallen tot coëfficiënten heeft, zal klaarblijkelijk F(x) voor elke positieve waarde van x evenals xquot; positief zijn. De onderhavige stelling vordert dus alleen dan een betoog, ingeval er zich negatieve getallen onder die coëfficiënten bevinden. Men beschouwe nu het ongunstigste geval, namelijk dat waarin al de coëfficiënten negatief genomen worden, dan zal, als Jm de grootste getallenwaarde van de coëfficiënten voorstelt, F{x) eene positieve waarde bekomen, zoodra men slecht voor x eene zoodanige waarde kiest, dat hierdoor

x*gt;Am (a--, a;quot;-2 .... a--|-l)

wordt, of wel

waaruit volgt, als men x gt; 1 denkt.

ofgt;x(l —^).

Daar nu, x gt; 1 nemende, 1--lt;1 is, zal aan de voorgaande

xn

ongelijkheid des te eerder voldaan worden, indien men x — 1 gt; Am

-ocr page 33-

21

oi xgt; \\ Jm neemt. Men is derhalve verzekerd dat F(x) positief wordt, door aan x oone positieve waarde G te geven, gelijk aan don grootsten coëfficiënt met de eenheid vermeerderd, terwijl bij toenemende waarde van x, F(x) blijkens de laatste ongelijkheid noodzakelijk eene positieve waarde zal behouden.

Is de eerste term in F(x) met eenen positieven coëfficiënt Aa

aangedaan, dan zal men slechts xgt;l -|—~ hebben te nemen.

O

Voor eene evene-machtsvergelijking zal blijkbaar x = —G het voorste lid insgeljjks positief maken. Bij eene onevene daarentegen zal x = — G aan F(x) steeds eene negatieve waarde geven.

Uit dit een en ander besluit men gemakkelijk, dat het altijd mogelijk is, voor x zulk eene positieve of negatieve waarde G te vinden, waardoor F{x) hetzelfde teeken als de eerste term verkrijgt.

Hierbij valt echter op te merken, dat indien men voor x alleen zoodanige waarde verlangt te nemen, waardoor de som der positieve termen grootor wordt dan die der negatieve, het voldoende zal zijn den grootsten coëfficiënt A,„ te vervangen door den grootste der negatieve coëfficiënten. Zoo zal men bijv. in de vergelijking

^—3^4-120» 6 = 0

het voorste lid positief kunnen maken door a\' = 4 te stellen. Neemt men echter a1 =121, dan zal het voorste lid insgelijks positief worden voor .r = —121, doch niet voor x = — 4.

De voorgaande eigenschappen leiden onmiddellijk tot de navolgende belangrijke stelling.

§ 15. Stelling. Elke onevene-macJitsvergelijHny heeft altijd minstens een hestaanhareu wortel, welke positief of negatief zal zijn, naardal de laatste of bekende term An met het teeken — of -J- aangedaan is.

Elke evene-machtsvergelijking, waarin de laatste term An negatief is, heeft altijd minstens twee bestaanbare ivortels met ongelijke teekens.

Wat het eerste gedeelte dezer stelling betreft, zoo is het klaar, dat indien de bekende term An negatief is, F{x) voor x = 0 insgelijks negatief wordt; en aangezien men, ingevolge de voorgaande stelling, voor x altijd eene waarde G=Am-\\-l of eene grootere kan substitueeren, waardoor F(x) eene positieve waarde verkrijgt, zal de vergelijking, krachtens het betoogde in § 12, noodzakelijk een positieven wortel tusschen 0 en G bezitten. Is An daarentegen positief, en dus ook F(x) positief voor x= 0, dan zal, omdat de vergelijking van eene onevene macht is, F{x) voor x = •— G eene

-ocr page 34-

22

negatieve waarde bekomen, waaruit volgt dat er alsdan een wortel tusschen 0 en — G en dus een negatieve wortel voorhanden zal zijn.

Voor het tweede gedeelte is het betoog even gemakkelijk. Immers, daar ï(x) voor x = 0 in den laatsten term overgaat, en dus negatief wordt, terwijl de substitutie, hetzij van x= G, hetzij van x = — G, aan F{x) eene positieve waarde geeft, zal de vergelijking zoowel een wortel tusschen 0 en G, als een tusschen 0 en — C, en dus minstens twee bestaanbare wortels met ongelijke teekens bezitten, waardoor het gestelde betoogd is.

Indien de laatste term eener evene-machtsvergelijking positief is, zal men, daar in zoodanig geval F(x), voor x= — G, x=Q en x—G, telkens eene positieve waarde verkrijgt, daaruit niets met zekerheid ten aanzien van het al of niet aanwezig zijn van bestaanbare wortels tusschen — G ea G kunnen besluiten.

Uit de twee betoogde stellingen volgt nog dat el/ce hoogere-machtsvergelijking, waarvan de laatste term negatief is, minstens een positieven wortel heeft.

§ 16. In sommige vergelijkingen van eene evene macht, waarin de laatste term positief is, kan men wel is waar voor x eene waarde lt; G vinden, welke het voorste lid negatief maakt, en waardoor alzoo voor dusdanige vergelijkingen het aanwezig zijn van twee bestaanbare wortels erkend wordt, gelijk bijv. met de vergelijking

Fix) = a;4 -f 2x3 25a;2 — 26« 120 = 0

plaats vindt, waarin voor x=3, F(x)= — 48 wordt. Zulks is echter niet altijd mogelijk, hetgeen onder anderen blijken kan, wanneer het voorste lid der vergelijking uit de som van twee of meer vierkanten samengesteld is, zooals in de volgende zesde-machtsvergelijking

x* -f (2a;2 3xy -f (5a; — 12)2 = «6 4a;4 — 12x3 34^

— 120a; 144 = 0.

Het is klaar, dat in zoodanig geval geene positieve of negatieve waarde van x, F{x) negatief of nul zal kunnen maken. Vergelijkingen van deze soort kunnen derhalve geenen enkelen bestaanbaren wortel opleveren.

§ 17. Stelling. Wanneer de coëfficiënten eener vergelijking van den vorm

x\' A.x\'quot;1 .... 4. = 0

allen geheele getallen zijn, zal die vergelijking geen meetbaar gebroken tot wortel kunnen hebben.

-ocr page 35-

23

Stelt men men namelijk voor a; het onverkleinbare gebroken —, dan gaat de vergelijking over in

of na vermenigvuldiging met iquot;quot;\' in

—~bAJ)\' \' = 0.

Daar nu de getallen a en A hier ondersteld worden onderling ondeelbaar te zijn, zullen aquot; en b geen gemeenen deeler kunnen

aquot;

hebben, waardoor de eerste term — een onverkleinbaar gebroken

moet worden. Al de overige termen stellen echter gehcele positieve of negatieve getallen voor en alzoo bevat de vergelijking blijkbaar eene tegenstrijdigheid in zich. Hare bestaanbare wortels kunnen mitsdien niet door meetbare gebrokens uitgedrukt worden, en zullen óf geheele óf onmeetbare getallen moeten zijn.

DERDE LES.

OVER D£ VERANDERINGEN J)ER VERGELIJKINGEN TEN AANZIEN VAN HARE WORTELS.

§ 18. Bij de oplossing eener hoogere-machtsvergelijking wordt dikwerf vereischt, dat men uit die vergelijking eene andere afleide, welker wortels op eene bepaalde wijze van die der oorspronkelijke vergelijking afhangen. Zoodanige verandering geschiedt met verschillende oogmerken, welke men nader afzonderlijk zal leeren kennen. De meest gebruikelijke veranderingon van den hier bedoelden aard onderstellen zeer eenvoudige betrekkingen tusscben de wortels der beide vergelijkingen, en komen op de navolgende neder:

1°. De wortels met behoud hunner getallen-waarden van tee-ken te doen veranderen, zoodat de positieve in negatieve en deze laatste wederkeprig in positieve overgaan;

2°. De wortels met eenig getal m te vermenigvuldigen ;

-ocr page 36-

24

3°. De wortels om te keeren, dat is eiken wortel a te vervangen door een wortel —, en a

4°. De wortels met eenig getal p te verminderen of te vermeerderen.

§ 19. De eerste der opgegeven veranderingen vordert slechts, dat men in de gegeven vergelijking voor de onbekende x eene nieuwe onbekende — z substitueert. Is dan x— a een wortel der gegeven vergelijking, zoo zal aan de nieuwe vergelijking voldaan worden door z = — ate stellen, en dus de wortels der vergelijking in z die van de vergelijking in x zijn met tegengesteld toeken. Is de vergelijking van eene evene macht, zoo zullen de coëfficiënten der onevene machten een tegengesteld teeken bekomen. Is daarentegen de vergelijking van eene onevene macht, dan zal men, om den voorsten term het positieve teeken te doen behouden, de teekens van alle termen der vergelifring moeten omkeeren, waardoor de coëfficiënten der evene machten het tegengestelde teeken verkrijgen. In beide gevallen zullen dus de termen van even rangnummer, d. w. z. de 2de, 4ie, 61,6 enz. van teeken verwisselen, zoodat als

4,* 42xquot;~2 .... -f 4,_, a: -j- 4. = 0 de oorspronkelijke vergelijking is, door

— An_lz±Jn = Q

de vergelijking voorgesteld worden, welker wortels slechts in het teeken van die der oorspronkelijke vergelijking verschillen. Hierbij hebben de bovenste teekens betrekking op het geval dat n even, de onderste op het geval dat n oneven is.

Hetzelfde resultaat wordt ook gemakkelijk gevonden met behulp der betrekkingen tusschen do wortels en de coëfficiënten, die in § 10 zijn afgeleid. Geeft men toch aan de wortels tegengestelde teekens, zoo verandert ook de som der wortels, welke gelijk

A, .

— ~j 1S, van teeken, verkrijgt dus, als Ja onveranderd blijft,

/?o

het tegengestelde teeken. De som van de producten der wortels twee aan twee, welke gelijk is, behoudt daarentegen hetzelfde

O

teeken, dus eveneens. Op gelijke wijze wordt gevonden, dat ^3i •••• enz., in hot algemeen elke ^.mct oneven aanwijzer het tegengestelde teeken verkrijgt, dat daarentegen A^, A...... enz., in

het algemeen elke A met even aanwijzer hetzelfde teeken behoudt.

-ocr page 37-

25

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt naar de vergelijking, welker wortels met die van de vergelijking

x* Sx3 2^= 5,c — 8 — 0 alleen in de teekens verschillen.

Antw. s4 Sz3 Zz- — 5z — 8 = 0.

2. Hetzelfde voor de vergelijking

x1 Sxquot; — öx\' 10 = 0.

Men voege hier de ontbrekende termen in met de coefliciënten 0.

Antw. s\' — Si6 5,ï4 — 10 = 0. § 20. Begeert men de wortels eener vergelijking i\'O) = ^ ... 4t = o

m maal grooter te maken, dan zal z — mx de betrokking uitdrukken tusschen de wortels der nieuwe vergelijking in z, en die der gegeven vergelijking. Men schrijve dan in deze laatste slechts

— voor x, waardoor zij overgaat in m ^ 0

2quot; - 1 zquot; ~ 2

^ ^ 0\'

en verder na het verdrijven der gebrokens in

Aa 2quot; -f- mA.z*quot;1 -j- n?Aj?L~\'1 -f- mnAn = 0.

Hieruit vloeit deze eenvoudige regel voort, ter afleiding van de vergelijking in z:

Vwnienigmldifjt men de coëfficiënten der gegeven vergelijking, die der onthrelcende termen door nullen aanvullende, achtereenvolgens met de termen der meetkunstige reeks 1, m, ni\'.... mquot;, dan zullen de overeenkomstige producten de coëfficiënten worden eener nieuwe vergelijking, welker wortels het m-voud van die der oorspronkelijke vergelijking zijn.

Aan den lezer wordt overgelaten hetzelfde resultaat af te leiden uit de betrekkingen tusschen de wortels en de coëfficiënten eener vergelijking (§ 10).

Het spreekt van zelf, dat in het voorgaande m niet alleen een geheel, maar ook een gebroken of zelfs een irrationaal getal kan voorstellen, zoodat wanneer men de wortels eener vergelijking tot op het kie gedeelte wil verminderen, men slechts in het voorgaande m = ~ heeft te nemen.

K

-ocr page 38-

26

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt naar de vergelijking, welker wortels 3 maal grooter zijn dan die der vergelijking

x* — S-c3 10^a 6^ — 8 = 0.

Antw. z4 — ISs3 90zs 1623 — 648 = 0.

2. Men vraagt naar de vergelijking, welker wortels het A bedragen van die der vergelijking

x5 — 200x3 SSw8 — 75000 = 0.

Men dcnke hier om de ontbrekende termen.

Antw. s5 — 2z* 0,03552 — 0,75 = 0.

Het voorgaande doet tevens het middel aan de hand, eene vergelijking met gebroken coëfficiënten te vervormen in eene andere, welker coëfficiënten uit geheele getallen bestaan, zonder dat daarbij die van den eersten term verandert. Men heeft daartoe slechts de wortels te vermenigvuldigen met een getal m zoodanig gekozen, dat de producten mAl, enz. geheele getallen zijn.

Ook stelt het voorgaande gemakkelijk in staat uit eene vergelijking, waarin de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende niet gelijk aan de eenheid is, eene andere af te leiden, waarin deze coëfficiënt gelijk aan de eenheid is, en de andere coëfficiënten geheele getallen zijn. Daartoe heeft men slechts de gegeven vergelijking door den genoemden coëfficiënt te deelen, om daarna de door deze deeling mogelijkerwijze ontstane gebrokens op de juist besproken wijze te doen verdwijnen.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt uit de vergelijking

x* — èx2 i\'ex , A c = 0 eene andere af te leiden met geheele coëfficiënten.

Stel s = 12j\\ Antw. z* — 120z2 32iz 16 = 0.

2. Men vraagt uit de vergelijking

— 3x3 2.r\'~ 5x — 1 = 0

eene andere af te leiden, waarin de coëfficiënten geheele getallen zijn, en die van den eersten term de eenheid is.

Deel de gegeven vergelijking door — 3, en stel daarna z — 3.c.

Antw. — 2z* — 15z 9=0.

§ 21. Om de wortels eener vergelijking om te keeren, stelle

men daarin x = -. De vergelijking I\\x) = 0 gaat hierdoor over in

-ocr page 39-

27

of, na vermenigvuldiging met zA en rangschikking der machten, in

^n-l ^ ^o = 0,

welke nieuwe vergelijking die op de omgekeerde wortels genoemd wordt.

Het is duidelijk dat de coëfficiënten der vergelijking in ^ zullen verkregen worden, door de coëfficiënten Aa, A.,.... An der oorspronkelijke vergelijking in omgekeerde volgorde te nemen.

Wenscht men in de nieuwe vergelijking aan 2quot; de eenheid tot coëfficiënt te geven, zoo heeft men slechts alle coëfficiënten door An te deelen. Ook hier lette men weer op de ontbrekende termen, die met den coëfficiënt nul worden ingevoegd.

TOEPASSING.

Bepaal de vergelijking welker wortels de omgekeerden zijn van die der vergelijking

xquot; — Bx5 4x-3 2ix\' 30x _ 60 = 0.

Antw. z\' — iz\' — SaZ — A 0.

§ 22. Wij zijn thans genaderd tot de in de toepassing meest gewichtige verandering, welke eene hoogere-machtsvergelijking ondergaan kan, namelijk het verminderen of vermeerderen van hare wortels met eenig gegeven getal p.

Stelt men daartoe x = z-\\-p en substitueert men deze waarde in de gegeven vergelijking, zoo zal de nieuwe vergelijking in z de gevraagde zijn. Want is a een wortel van de vergelijking

i\\x) — AqX* -f- Ai^,n 1 -|- A.jX* 2-|--j-= 0,

zoo zal aan de vergelijking

4)0 ?)quot; 4 1 -. -1 O 1\') 4 = 0

voldaan worden door voor z-\\-p ook a te nemen en dus voor r te nemen o—p. Zoo zijnde wortels, al naar mate/1 een positief of een negatief getal is, p eenheden kleiner of grooter dan de wortels van de oorspronkelijke vergelijking.

Ontwikkelt men nu het eerste lid van de nieuwe vergelijking, zoo vindt men rangschikkende naar de afdalende machten van z

PJ -P»_, .... -f PJ P/ P^ Po = 0

waarin

-ocr page 40-

28

-P0 = ^0/\'quot; ^l/gt;quot; 1 quot;2-f- .... -|- ^„_2p2 4quot; A

l\\=nAup*-\'(n — \\)Alp*-ï-\\-.... 2An_.ip-{.An_i n(n—1) (»—1) (ji — 2) y

- j_2 quot;P ^ •■•• SA^p -}- A)1_2

p _^l)(»-2) («_1)(?1_2)(W_3) _4

1.2.3 ^ H--L2^- --

^/„_3

_?/(«—!) »_!

n -2 |2 A^ p -|— ^/2

-P. = A0.

§ 23. De uitdrukkingen voor Pm Pl enz. hangen op zeer eenvoudige wijze van de gegeven functie af. Schrijft men uit

F{x)—Aax -(- A^x* 1 A^xquot; 1 An_ïx\'i -\\- An_yx An

de functie op, die men reeds in de eerste les heeft leeren kennen en daar de afgeleide genoemd is, omdat zij uit F{x) wordt afgeleid door elk der termen met den exponent van x te vermenigvuldigen en daarna den exponent zelf met de eenheid te verlagen, zoo verkrijgt men

F\\x) = nA0xn-\' -f- (a — 1) A^ -f .... -f 2An_^ An_,.

Van deze functie kan weer de afgeleide opgeschreven worden, die men de tweede afgeleide van de gegeven functie noemt en door V~{x) voorstelt. ^ an deze wéér de afgeleide, die de derde afgeleide heet van de gegeven functie en door P(x) wordt voorgesteld, enz. Deze vormen worden dus:

F\\x) = n O — V)Aax*quot;iJr (n — 1) {n — 2) A^-if- .... ^.2A^,x

2.1 An_v

FXx) = »(«—1) {n—2)A0x*-* 0—1)0 — 2) (« — 3)^,;rquot;-4-f-....

-j- 4.3.2 An_ix -j- 3.2.1 ^n_3.

Fquot;-\\x) = n(_n~\\){n — -2)....Z.2Aj:-\\-{n - 1).... 3.2.1^, Pquot;\'(x) = n (n — 1).... 3.2.1 A0.

Bij vergelijking van deze uitdrukkingen met de gevonden vormen voor P0, P„ P2.... blijkt

-ocr page 41-

29

1°. dat Pa eu -P, volkomen gevonden worden door in F{x) en F\\x) voor x te substitueeren p, en men derhalve heeft

P0 = F{p) en P, = ƒquot;(»;

2°. dat de substitutie x—p in de andere afgeleiden, de coëfficiënten P2, P3 enz. telkens op een factor na oplevert, en men zoo vindt

P - F^P)

2 ~ 1.2 73

p„..= p.. =

1.2.3

F\'(P)

1.2.3.4

1.2.3 .... (n— 1)

F\'(p)

1.2.3....»

waarbij op te merken valt, dat in Fn(x) x niet voorkomt, zoodat men deze uitdrukking even goed door ƒquot;\'(/)) als door Fquot;{x) kan voorstellen. Voor P„ kan ook geschreven worden Aa, regelraatig-heidshiilve wordt hier echter bovenstaande vorm vei-kozen.

Voor de nieuwe vergelijking in z kan nu geschreven worden

F*(p) Fn~Hn) F^iv)

: . o . ïT •••• -^z* F\\p)z Fip)=0.

1.2....« \' 1.2....(«—1) 1 1 1.2

Uit de afleiding kan men nagaan, dat het eerste lid dezer nieuwe vergelijking identiek gelijk is aan wat F{x) wordt als men voor x substitueert z-\\-p, dus aan Schrijft men x voor z en h

voor p, zoo vindt men evenzoo

F{x h) = F{li) F\\lC)x ^ ^ ....

1.2 .... (n— 1) 1 1.2....« \'

of ook door eene verwisseling van x en h, welke F(x -f- h) niet verandert

Pi* /\') = m F\\*) h H- Ir ....

I ^-\\x) F\\x)

ï,2....(«-T)h xTïZTnh

-ocr page 42-

30

In deze beide vormen wordt de ontwikkeling het meest gebruikt voor allerlei onderzoek.

§ 24. Wil men nu met behulp van het voorgaande de vergelijking opschrijven, waarvan b. v. de wortels drie eenheden kleiner zijn dan de wortels van de vergelijking

_ 15x2 -f 74.v —120 = 0,

zoo heeft men voor dit geval

F(a;) = a-3 — 15a,\'2 74a; — 120 F\'(.v) = 3^—S0^~j-74 I\'!(x) = 6.c—30 F3(.v)=6.

en vindt men, door a; = 3 te nemen,

F(8) = —6; Jquot;(3) = ll; ^3) = —12,

dus

1.2

^3(3) 1.2.3

terwijl

= Jn=l

en zal dus

^(3) .3 , ^(3).2 , F,m_ , 0 Ï72^3 (3)^ ^(3) = 0

of

z\' — öz\'-j-112 — 6 = 0

de gevraagde vergelijking zijn. Men kan zich trouwens gemakkelijk overtuigen, dat de wortels van de eerste vergelijking zijn 4, 5 en 6 en van de tweede vergelijking 1, 2 en 3.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt de wortels der vergelijking

2.c4 — 5.r3 7* — 8 = 0

met twee te verminderen.

Antw. 2«4 lis3 -h ISs2 11« — 2 = 0.

2. Men vraagt de wortels der vergelijking

é.c6 — 2a\'3 7x — 3 = 0

met 1 te vermeerderen.

Men neme hier jgt;= — 1.

Antw. 4j5 — 20s4 38^3 — 34J2 21« —12 = 0.

-ocr page 43-

31

§ 25. De voorgaande afleiding is zeer geschikt om de betee-kenis der nieuwe coëfficiënten te doen inzien, en dit zal nog van veel dienst zijn. Maar om de getallenwaarde der coëfficiënten te vinden als voor p willekeurige waarden genomen worden, is de berekening, in de voorgaande § uitgevoerd, nog al omslachtig. Aan Hornek, een Engelsch wiskundige, is men het denkbeeld van een veel eenvoudiger afleiding verschuldigd. Deze zullen wij nu lee-ren kennen.

Als voor x gesubstitueerd is z en in de komende uitdrukking de z wéér door xp vervangen wordt, krijgt men don oor-spronkelijken vorm natuurlijk weer terug. Maar als men de uitdrukking na de substitutie x — z-\\-p hooft geordend naar de afdalende machten van z en men dan voor s schrijft xp, krijgt men dus den oorspronkelijken vorm gerangschikt naar de afdalende machten van {xp) terug. Om derhalve uit

F(x) = A0x\' -|- A,xn~x -f- A^^x1 An_xx —

eene vergelijking af te leiden, waarvan de wortels p eenheden minder zijn, heeft men slechts het eerste lid T{x) te rangschikken naar de machten van (xp), waarna men xp door z kan vervangen. En dit wordt op de eenvoudigste wijze verricht door het eerste lid te deelen door {x —p), waardoor men een quotiënt Q, verkrijgt van één graad lager en een getallenrest Ji,; daarna Q, te deelen door xp, waarbij het quotiënt Qz en de rest 7i2 moge heeten en deze bewerking n maal te herhalen. De resten Jl,, R, enz., die men achtereenvolgens verkrijgt, zijn de gevraagde coëfficiënten. Immers, volgens deze achtereenvolgende deelingen is

T{x) = {x—p) Q. iü,

q, ={xp) q2 -j- e2

Qn-2=iX—P)Qn-i K.,

Qn-, = iX—p)A K-

Het nquot; quotiënt is namelijk Am zooals gemakkelijk te zien is. Stelt men nu in de eerste vergelijking de waarde Qt uit do tweede, zoo komt er

F(x) = (x—2gt;)a Q, R2 (.r—p) Tt,

en hierin voor Q, stellende de waarde uit de derde vergelijking

-ocr page 44-

32

F(x) = ix —pf Q, ^3 (* —pf R/Kx — p) B,

en zoo voortgaande vindt men eindelijk

F{x) = Ja(x—p)n -f Rn{x—py-l .... B3{le—pf jti(x__p-)

waaruit men ziet dat de resten der deelingen de gevraagde coëfficiënten zijn.

§ 26. Het deelen van F{x) door xp is eene eenvoudige bewerking, die door het weglaten van alle overbodige teekens en cijfers dadelijk tot den volgenden regel leidt:

Schrijf op eene rij de coëfficiënten Jn, A„ A2....Jn van F{x) (waarbij de coëfficiënten nul niet weggelaten mogen worden), tol bjj -//, op het product van yl0 en p; de zoo gevonden waarde met P vermenigvuldigd wordt bij den volgenden coëfficiënt gevoegd ; de zoo verkregen waarde met p vermenigvuldigd weór bij den volgenden coëfficiënt y/3 enz. Door deze bewerking zullen al de coëfficiënten van het quotient en de rest der deeling bekend worden.

Tot toelichting diene het volgende voorbeeld.

Om F(x) = 3x4 — 8,ï3 -j- 12a-2 — 1 Ox — 22 te deelen door x — 2, komt de bewerking aldus te staan:

3 —8 -f 12 -10 —22 _6 — 4 16 12

3 —2 —|— 8 -|— 6 -—10,

waarbij gehandeld is naar den opgegeven regel, en nu zal —10 de rest der deeling zijn en de cijfers

3—286 do coëfficiënten van het quotiënt; dit laatste is dus 3ï3 — 2a•2 8a- 6.

Het eenvoudigst is het dezen regel, zooals reeds gezegd is, uit de gewone deeling af te leiden. Men kan dien ook aldus bewijzen. Als de functie

4^quot; A,Xn \' .... AH_2x\'2-j-yin_,x An,

gedeeld door x—p, tot quotiënt zal hebben

Q = A0xquot; a^quot;-2 .... a _3a;2 ^ «„_,

en de rest der deeling Ji genoemd wordt, zal F(x)=(x—p) Q 7?,

-ocr page 45-

33

of na ontwikkeling doov werkelijke vermenigvuldiging

= ^quot; («1 — (a2 — pajx\'-2 («3—i\'a.Kquot;3 •—

(a« _ i — Pa„ - d-1-\' # —Pa.i -1 •

Door gelijkstelling der coëfficiënten vindt men a,—pJ0 = J,

«2—pax = At

R Pan - I ~ n ï

waaruit dadelijk volgt:

^2

-^=^«.-1 A

en hiermede is de gegeven regel aangetoond.

§ 27. De achtereenvolgende deelingen, die men verrichten moet om F{x) volgens de machten van {xp) te schrijven, loo-pen volgens dezen regel eenvoudig af en de geheele bewerking komt als volgt te staan.

Men vraagt 3a:4—8,i\'3 -j- 12.(\'2—lOx — 22 te rangschikken volgens de machten van x — 2.

3 — 8 4-12 —10 -22

6

-4

16

12

3

— 2

8

6

PÏÖ:

G

8

32

3

quot;4

16

| 88 =

li.

6

20

3

To

136

= Tïj

6

3 116 = #,

De uitdrukking wordt dus

3(a\' — 2)4 16(a,- — 2)3 3 6 (ar — 2f 38(j,\' — 2) — 10.

De eerste deeling gaf namelijk tot quotiënt

3.r3 — 2a,\'2 -|- Sar -}- 6 en tot rost — 10.

Dit quotiënt door x — 2 gedeeld, gaf tot quotiënt

3a:2-j-4a--j-16 en tot rest 38.

LOBATTO. 3

-ocr page 46-

34

Dezen tweede-machtsvorm door x—2 deelende, kreeg men tot quotiënt

Stf-f-lO en tot rest 36.

En dit door x — 2 gedeeld, was het quotiënt 3 en de rest 16.

Vervangt men eindelijk x — 2 door s, zoo vindt men

3z4 16^ 36z2 -f 3amp;r — 10 = 0

als de vergelijking, welker wortels 2 eenheden kleiner zijn dan de wortels van de vergelijking

Sx4 — 8.r3 12a;2 — 10a: —22 = 0

Men kan hierbij nog opmerken dat, als men dezelfde uitdrukking volgens de machten van b. v. (x — 2,2) wil schrijven, men daartoe de coëfficiënten bij de ontwikkeling volgens de machten van (x — 2) met vrucht gebruiken kan. Zoo men x 2 —z stelt, is x — 2,2 — r—0,2 en is het slechts nog noodig de uitdrukking in 2 te rangschikken naar de machten van 2 — 0,2, hetgeen aanleiding geeft tot do volgende bewerking :

3 16

36

38

- 10

0,6

3,32

7,864

0,1728

3 16^quot;

39,32

45,864

1-0,8272

0,6

3,44

8,552

3 l?\\2

42,76

[54,416

0,6

3,56

3 17,8

| 46,32

0,6

3 llM

en is

3(x - 2,2)4 18,4 (x - 2,2)3 46,32 (x - 2,2)2 54,416 (a-- 2,2)- 0,8272

de gevraagde vorm, zoodat, als al deze termen ontwikkeld worden. men de uitdrukking Sx*—Sa;3-)-!2a;2—10a;—22 terug krijgt. Stelt men nu x — 2,2 = z\', zoo vindt men

Sz\'* 18,4z\'3 -j- 46,32s\'2 54,4165\' — 0,8272 = 0

van welke vergelijking de wortels gelijk zijn aan die der oorspronkelijke vergelijking, elk met 2,2 verminderd.

-ocr page 47-

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt volgens de methode van Horner de vergelijking te vinden, welker wortels de wortels zijn van de vergelijking

xl — Zx* — 10.C — 27 = 0

elk met 3 verminderd.

Men vergete niet voor den coëfficiënt van den ontbrekenden term 0 te schrijven.

Antw. s4 12.-3 ï)2~- -t- 80; C = 0.

2. Men vraagt do v.-ortels der vergelijking

xquot; lx1 lO-r -H 12 = 0

met 2,1 te vermeerderen.

Men vermeerdere de wortels eerst met 2, daarna met 0,1.

Antw. s3 0,lz- — G,17~ 12,G09 = 0.

§ 28. De transformatie, die in het voorgaande besproken werd, kan gebruikt worden ora uit eene gegevene vergelijking eene andere af te leiden, waarin de tweede terra ontbreekt. Schrijft men voor de vergelijking in x—21 of z

PX -P»-. •••• P* = o,

zoo werd voor Pn_x gevonden

P„-i ^i-

Om dns in de nieuwe vergelijking den tweeden term te doen wegvallen, heeft men slechts

»^o?\' ^t=0

A,

of ?gt; =--y

nAa

te nomen, heeft men dus do wortels der gegevene vergelijking

met--—- te verminderen, of met te vermeerderen. Ook uit

■aAa nAa

de rekenwijze van Horner blijkt gemakkelijk, dat de coëfficiënt van jquot;-1 in de nieuwe vergelijking verkregen wordt door bij A^ n maal het product Aap op te tellen.

Eindelijk kan nog hetzelfde resultaat worden afgeleid uit debetrekkingen tusschcn de wortels en de coëfficiënten, die in § 10 werden gevonden. Baar bleek de som der wortels van de vergelijking

A^cquot; -j- A,vn 1 -f- .... -j- ^„ = 0

gelijk---\' te zijn. Vermeerdert men nu eiken wortel dezer ver-

^0

3*

-ocr page 48-

36

J A

gelijking met—zoo wordt de som der wortels grooter en

dus nul; eveneens de coëfficiënt van zn~x in de nieuwe veree-lijking.

Laat bijv. gevraagd worden den tweeden term te verdrijven in elke der beide vergelijkingen

x3 18»quot; — ix — 210 = 0,

a;4 — 8a-3 12a-2 _ G.i- -f 7 = 0,

dan heeft men voor de eerste p = — 6, dus, de wortels der vergelijking met 6 vermeerderend :

1 18

- 4

-210

— 6

- 72

456

12

- 76

246

- 6

- 36

6

-fÏ2

- 6

Ö

Vergel. in z f= a- 6):

z3— 1123-j- 246 = 0.

Voor de tweede vergelijking is p — 2, dus de wortels met 2 verminderend

1 _8 12 — 6 7 J^_12 0 —12

-IT quot;Ö —~6 —5 2 — 8 —16 -i —-22quot;

_2_ — 4 ^2 —12 2

Vergel. in z (==x — 2) :

z* — 12zJ — 22^ — 5=0.

§ 29. Wensclit men den derden terpi te verdrijven, zoo moet aan p eene waarde gegeven worden, die

75 _ Fquot;-\\p) _n(n — 1) ^ 2 , n — 1 ^ ^

quot;-2_ 1.2...(h —2) 1.2 aV 1

\'

-ocr page 49-

87

nul maakt. Men vindt aldus voor p eene vierkantsvergelijking, waarvan de wortels zijn

P ~ n-la

Is ^\'l sloA2, zoo zal voor twee verschillende waarden van

n — 1

In

p nul worden. Is Af lt; ^^ A0A„ zoo zgn er geen reële waarden van p te vindon, dioden derden term in de nieuwe ver-

2n

gelijking doen verdwijnen. Is eindelijk A? =-- AUA^, zoo zal

voor p ---niet alleen do tweede maar ook de derde terra der

nA0

nieuwe vergelijking wegvallen.

Minder gemakkelijk valt het den vierden of eenigen verderen term te verdrijven. Om toch den vierden term te verdrijven, moe-ton de wortels verminderd worden met een getal p, dat bepaald wordt door de vergelijking van den derden graad

A_3 = 0.

In het algemeen wordt voor het verdrijven van den mAeB term ver-eischt de oplossing van de vergelijking van den (7» — l)8\'™ graad

Heeft men voor p een zoodanig getal genomen, dat de laatste term P0 verdwijnt, dan zal p juist een dor wortels van de vergelijking in x zijn, dewijl P0 = F(p) is, en dus p aan de vergelijking F{x) — 0 voldoet. De vergelijking in z, alsdan door z deelbaar wordende, verandert in

Pnz*quot; Pn_lz\'-\' ....-\\-Pl = 0,

welke vergelijking de u — 1 overige wortels der vergelijking l\\x)=0, elk met p verminderd, zal bevatten.

§ 30. Het zal niet onbelangrijk zijn hier de opmerking bij te voegen, dat het altijd mogelijk is, uit elke vergelijking eene andere af to leiden, waarin de term, die den laatsten voorafgaat, ontbreekt, zonder dat het noodig is daartoe eene vergelijking van den {n — listen graad op te lossen. Men behoeft namelijk slechts den tweeden term der gegeven vergelijking te verdrijven, en uit dc aldus gevonden vergelijking die op de omgekeerde wortels, volgens het hiervoren (§ 21) besprokene af te leiden. Zij tot voor-

-ocr page 50-

38

beeld genomen de in § 28 reeds behandelde vierde-machtsvergelijking

x* — 8x3 12,r— 6.1- 7 = 0,

welke, voor x — 3 2, verandert in

^ — I2z- 223 — 5 = 0,

en dus tot vergelijking op de omgekeerde wortels geeft

52\'4-l- 22.3\'3 1223—1 = 0.

Hierin is 3\' = —.

iV -

TOEPASSINGEN.

1. Verdrijf den tweeden term uit de vergelijking

((Qx3 Sciix2 -h Sazx -h «3 = 0.

«i «i

Men neme hier p —--, dus z = x -\\--.

«o «0

. . . , 3(«ort2 — ft2) , «,/«:, — 3no«iquot;a 2«,3

Antw. s3 ---„--z -------—---= 0.

«oquot; «0

Hieruit laat zich afleiden, dat als o0«2 — «i2=0is, de wortels der vergelijking in x gemakkelijk bepaald kunnen worden.

2. Bepaal de wortels van de vergelijking

x\' — 9ju2 27JC — 35 = 0.

Hier is no«a — «ja = 0. Men verdrijve den tweeden term, waartoe men z — x — 3 stelle

s3 — 8 = 0.

De wortels van deze vergelijking zijn

5 = 2 z = —1 1^—3 en z— — 1 —K — 3,

en die der gegeven vergelijking dus

x=5 x=2 V—3 x — 2—V—3.

3. Verdrijf den tweeden term uit de vergelijking

«O *-\'4 idio;3 Gttzx\'3 lt;; -(- «1 = 0.

» * . . 6(ao«2 — «i2) 2 , 4(«03a3 — Soooiaa 2rt13)

Antw. z* H--r-z\' H----.--z

«o2 «o3

ao3(\'t — 6^0«!\'ng — 3«!* _ ^

«o*

Hieruit blijkt dat, als (to\'t\'a — 3(fo«i«2 2a!3 = 0 is, de wortels van de vergelijking van den vierden graad gemakkelijk bepaald kunnen worden door

-ocr page 51-

39

het verdrijven van den tweeden term en het oplossen van de daardoor verkregen vierkantsvergelijking in s2.

i. Bepaal de wortels van de vergelijking

j;\' — m-3 49jr3 — 78u; 40 = 0.

Hier is ao\'c\'s — SooniCfj-t-2(Ti3 = 0. Men verdrijvc dus den tweeden term eu losse de komende vierkantsvergolijking in z\' op.

Antw. it- = 1, 4- 2, 4 en 5.

5. Leid uit de vergelijking

— 3,c3 3.x-2 Ij; — 10 = 0

eene andere af, waarin de derde term ontbreekt.

Stelt men x = s p, zoo vindt men voor p de vierkantsvergelijking — Op 3 = 0, waaruit p = 1 en J.

Antw. ^ = 1 s4 z3 — 10 = 0. p=.i s« —3» Vs—= 0.

Deze zijn de voornaamiite veranderingen, welke men gewoon is bij de oplossing der hoogere-machtsvergelijkingen toe te passen, en waarvan het nut in elk bjjzonder geval achtereenvolgens zal blijken.

Ten slotte merken wij op dat, als men in het eerste lid der algemeene vergelijking voor x substitueert ■/mr -f- u en de komende uitdrukking ordent naar de machten van z, al do in deze les gevonden eigenschappen uit deze enkele transformatie kunnen afgeleid worden.

VIERDE LES.

OVER DEN REGEL VAN UESCAUTES, TER BEPALING VAN HET AANTAL POSITIEVE EN NEGATIEVE WORTELS EENER VERGELIJKING.

§ 31. Uit de in § 10 betoogde eigenschap van de wortels eener vergelijking heeft men reeds kunnen opmaken, dat, indien deze wortels alle bestaanbaar en positief zijn, de teekens -f en — van de coëfficiënten 1, Jz.... elkander regelmatig zullen

afwisselen, en het aantal afwisselingen of variatiën van teekens alzoo met dat dor wortels zal overeenstemmen, terwijl, indien de wortels daarentegen alle negatief zijn, de coëfficiënten zonder onderscheid het teeken -f- voor zich zullen bekomen, en de verge-

-ocr page 52-

40

lijking dus geen variatiën van teekeus zal vertoouen. Men inag dan ook bij voorraad hieruit reeds besluiten dat, zoodra in eenige «de-machtsvergelijking do teekens niet geregeld afwisselen, al hare wortels niet positief kunnen zijn, maar zich daaronder een zeker aantal negatieve of onbestaanbare moeten bevinden. Er schijnt derhalve eenig verband te bestaan tusschen de teekens der opvolgende coëfficiënten en het aantal positieve en negatieve wortels eener vergelijking. Descartes, die zoodanig verband bet eerst ontdekte, heeft te dezen aanzien een regel bekend gemaakt, welke zijnen naam draagt, en in de theorie der hoogere-machtsvergelij-kingen eene veelvuldige toepassing vindt.

Om den regel te verklaren moeten wij eerst opmerken dat men spreekt van variatiën en van permanentiën van teekens; van eene variatie telkens als twee opvolgende termen verschillende teekens hebben on van eene permanentie als twee opvolgende termen hetzelfde teeken hebben. Men onderstelt daarbij de vergelijking behoorlijk geordend en rekent de ontbrekende termen niet mede; het teeken van den eersten term natuurlijk wel. Zoo heeft de vergelijking

x4—3,t3 —2ar-f 5 = 0

twee variatiën en eene permanentie van teekens, terwijl de vergelijking

4,r7 — 6a,-6 lxquot; -|- 8a.-4 -f- 7,r3 — 23a-3 — 22a\' —6 = 0

drie variatiën en vier permanentiën vertoont.

De hoofdregel, die nu zal bewezen worden, luidt aldus;

liet aantal positieve wortels van eene vergelijking is gelijk aan het aantal variatiën, of het bedraagt een even aantal minder.

Volgens dezen regel heeft do vierde-machtsvergelijking, hierboven voorkomende, óf twee positieve wortels, óf zij heeft er geen enkele, terwijl de zevende-machtsvergelijking, die daarna voorkomt, óf drie positieve wortels, óf er een hebben zal, en dus minstens een positieven wortel, zooals ook reeds uit eene vroegere stelling volgt.

§ 32. Om deze stelling te bewijzen, zullen wij eerst aantoo-nen dat als een geordend polynomium in x

Affü\' Aixn \'-j-An_xx-\\-An

vermenigvuldigd wordt met een factor x — a, waarbij a een positief getal voorstelt, het aantal variatiën in het product altijd vermeerderd zal zijn mot een oneven getal.

-ocr page 53-

41

Nemen wij daartoe een polynotnium, waarvan de teekens elkaar aldus opvolgen,

-]----\\- 0-^—oh—o —-f oo-f,

zoo zullen na vermenigvuldiging de teekens der gedeeltelijke producten aldus onder elkaar komen te staan;

----1-4-0 —o —o— 4--f-oo-f-

—-f-|---o —-f o — o h----o o — ,

zoodat de teekens van het product zullen zijn

_|--±-t- zfc--1---1-H---1---h ± db —0-j--,

zijnde de dubbele teekens geplaatst overal waar hot teeken van de getallenwaarde der coëfficiënten afhangt. Tot beter overzicht zullen wij ze aldus onder elkaar schrijven:

0 4 — 0

H— o-

0 0

(i)

0 H— o

^--0 —

o 0 -f-

(2)

-

--0-

0--1- 0

_|-----0 0 —

H—±

±- -

- -

±±-OH—

(3)

waarbij do rij (1) de teekens van het polynomium en (3) de teekens van het product voorstelt, terwijl de rijen f2) de teekens van de gedeeltelijke producten aanwijzen en dus de eerste er van dezelfde teekens en de tweede de omgekeerde teekens van de rij (1) aangeeft.

Uit de rijen (1) en (3) volgt dadelijk dat zij nimmer hetzelfde aantal variation kunnen vertoonen, daar de beide rijen met hetzelfde teeken beginnen, maar verschillende teekens op het eind hebben, zoodat de eene rij een even aantal variation vertoont — hier de eerste — en de andere een oneven aantal, hier de tweede rij. Het aantal variatiën is derhalve vermeerderd of verminderd niet een oneven aantal. En uit de wijze waarop de rij (3) ontstaat, blijkt duidelijk dat dit bij elk ander polynomium evenzeer het geval moet zijn.

Om nu te laten zien, dat er geen vermindering van variatiën mogelijk is, noch bij dit noch bij eenig ander polynomium, verdeelt men de rij (1) in vakken, die elk voor zich slechts ééne variatie bevatten en daarenboven allen met het teeken beginnen. Als men dan de deelhjnen doortrekt, zoo zullen de overeenkomstige vakken, waarin daardoor de rij (3) verdeeld wordt, ook allen met het teeken -j- beginnen, daar dit teeken ontstaat door

-ocr page 54-

42

bij een positieven term te voegen een term met een teeken. dat het

omgekeerde is van dat van den laatsten term van eenig vak, en ^

deze laatste termen óf nul èf negatief zijn. Daarenboven zal in

elk vak van de rij (3) ten minste één negatieve term voorkomen,

want als men in elk vak van de rij (1) den eersten negatieven .term

neemt, die blijkbaar door een -)- of ^ wordt voorafgegaan, zoo is

de overeenkomstige term uit de rij (3) ontstaan door optelling van

termen, die geen van beiden het teeken -j- voor zich hebben en

waarvan er een zeker negatief is.

Tusschen de eerste termen van elke twee opvolgende vakken vindt men derhalve in de rij (1) twee variatiën en in de rij (3)

minstens twee variatiën, zoodat de rij (3) niet minder variatiën kan vertoonen dan de rij (1). Derhalve is dit aantal vermeerderd, en wel met een oneven getal.

Uit het betoogde volgt nu dadelijk dat. als een polynomium door x — a deelbaar is, waarbij a een positief getal is, het quotient een oneven aantal variatiën minder zal vertoonen dan het polynomium zelf.

§ 33. Om nu met behulp van het voorafgaande de stelling, in §31 genoemd, te bewijzen, zullen wij onderstellen dat de hoogere-machtsvergelijking tgt;

F(x)=xn -j- -f A^-2 -f.... -f -lt; = 0

een aantal p positieve wortels heeft, die wij zullen noemen

«i «2 a3..,.ap_t aH ;

dan is het eerste lid deelbaar door x — a,, x a2 enz. Voert men al deze deelingen na elkaar uit, zoo vermindert bij elke deeling het aantal variatiën met een oneven getal, dat is óf met de eenheid, óf met de eenheid plus een even getal. Na de p deelingen is het aantal variatiën dus verminderd met p of met p plus een even getal, dat is met

p 2t,

waarin t óf nul, óf een geheel getal is. Derhalve is het aantal variatiën ia F(x) al minstens p of p -)- 2t. Het quotiënt dat men krijgt na de laatste deeling zij

?(a0 = a;-p •••• A.-P.

Ook deze functie kan nog variatiën bevatten, maar slechts een even aantal, daar anders de laatste term negatief zou zijn en dus

-ocr page 55-

43

p(j:) = O

nog minstens één positieven wortel zou hebben, die dan nog een positieven wortel van i^.r) = 0 zou aanwijzen. Noemt men het aantal variation, dat fgt;(x) nog bevat, 2tl, zoo is het geheele aantal variation van I\'lx)

p -\\-2(l lt;,),

dat is óf gelijk aan het aantal positieve wortels, óf een even aantal meer, en daarmede is de genoemde stelling bewezen.

Ook bij dit betoog geldt de opmerking dat, als er gelijke positieve wortels zijn, deze elk op zich zelf geteld moeten worden. Men moet dan bij het voorgaande bijv. 2\'i en p, aan elkaar gelijk denken.

§ 34. Uit den regel, die nu dadelijk het hoogste aantal positieve wortels doet kennen, kan men ook gemakkelijk nagaan wat er van het hoogste aantal negatieve wortels is. Men construeert namelijk eene vergelijking, waarvan de wortels op het teeken na dezelfde zijn als de wortels van de gegeven vergelijking, door voor x te substitueeren —z\\ het aantal positieve wortels van de nieuwe vergelijking is dan gelijk het aantal negatieve wortels van de gegeven Tergelijking.

Is de gegeven vergelijking volledig, zoo zullen door de substitutie van —z voor x al de variatiën in permanentiën en al de per-manentiën in variatiën van teekens overgaan, daar van twee opvolgende termen dan de een eene evene, en de ander eene onevene macht van x bevat en dus een der termen door de substitutie van teeken verandert en de andere niet. Het aantal permanentiën van de oorspronkelijke vergelijking is dus gelijk of een even aantal grooter dan het aantal positieve wortels van de nieuwe vergelijking, dus dan het aantal negatieve wortels van de oorspronkelijke vergelijking. Derhalve geldt de volgende regel:

In elke volledige vergelijking is het aantal negatieve wortels gelijk aan het aantal permanentiën of het bedraagt een even aantal minder.

§ 35. Is de vergelijking niet volledig, zoo gaat de voorgaande regel niet door. Ontbreekt b. v. een term tusschen twee met gelijke teekens, dan heeft men daar eene permanentie in de vergelijking, die bij de substitutie van—z voor x niet in eene variatie overgaat. Immers als deze drie termen tot coëfficiënten hebben

0 ,

-ocr page 56-

44

zoo zullen bij de substitutie, daar de exponenten van den eerste en derde dezer termen twee eenheden verschillen en dus óf beide oneven óf beide oven zijn, do beide termen of te gelijk van teoken veranderen of beide hetzelfde toeken behouden, en in elk geval dus eeno permanentie blijven. Noemt men dan P het aantal permanentiën van de oorspronkelijke vergelijking, zoo is het aantal variatiën van de nieuwe vergelijking:

P—1

en het aantal negatieve wortels van de oorspronkelijke vergelijking F— 1 of een oven aantal minder.

Hierdoor is men in staat voor deze soort vergelijkingen nog eeno belangrijke opmerking te maken. Als men het aantal variatiën van do gegeven vergelijking V noemt, is bij eene volledige vergelijking V-|- P—n, waar u de graad der vergelijking voorstelt. Maar hier, waar volgens de onderstolling een term ontbreekt, zal

V -\\-P = n — 1

zijn, en daar het aantal positieve wortels hoogstens F en hot aantal negatieve wortels hoogstens P—1 zal zijn, is het aantal bestaanbare wortels hoogstens

F P-l,

en daar volgens do voorgaande vergelijking

F P—l = ri—2

zijn zal, blijkt er uit dat;

Eene vergelijking, waarin een term ontbreekt tusschen twee andere met gelijke teekens, minstens twee onbestaanbare wortels heeft.

§ 36. Onderzoekt men wat er gebeurt als een term ontbreekt tusschen twee met verschillende teekens, zoo blijkt dat na de substitutie van x door —z het aantal variatiën van de nieuwe vergelijking zal zijn

r h

als P weer het aantal permanentiën van de oorspronkelijke vergelijking voorstelt. Deze kan dus dan meer negatieve wortels hebben dan er permanentiën zijn. In dat geval is het hoogste aantal positieve wortels V, als deze letter het getal variatiën voorstelt, en dus het hoogste aantal positieve en negatieve wortels van de oorspronkelijke vergelijking te zamen

-ocr page 57-

45

r P i

en daar hier V-\\- P=n — 1 is, heeft men F P-f 1=«.

Als dus een term ontbreekt tusschen twee ongelijke teekens, bewijst dit niets van het aantal onbestaanbare wortels, dat de vergelijking hebben zal.

Gaat men op dezelfde wijze na wat er gebeurt, als er meer dan een term tusschen een paar andere ontbreken, zoo vindt men de volgende stellingen:

Ah tusschen twee termen een even aantal 2p termen ontbreken, heeft de vergelijking minstens 2p onhesiaanhare wortels.

Als tusschen twee termen een oneven aantal 2y) 1 termen onthre-ken, heeft de vergelijking minstens 2p onbestaanbare wortels zoo de twee termen eene variatie van teekens vertoonen, en minstens 2^3 -(- 2 onbestaanbare wortels zoo de tivee termen, waartusschen de anderen ontbreken, eene \'permanentie van teekens vertoonen.

Het betoog van deze twee stellingen laten wij aan den lezer over, evenals het betoog van de volgende stelling:

Als al de wortels van eene vergelijking bestaanbaar zijn, zal het aantal variatiën gelijk zijn aan het aantal positieve wortels, en het aantal permanentiën, vermeerderd met zoo veel eenheden als er termen ontbreken, gelijk zijn aan het aantal negatieve wortels.

TOEPASSINGEN.

1. Wat leert do regel van Descartes omtrent den aard der wortels van de vergelijking

a;quot; 3x\'- — 5.cG 4a,-1 -7 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 3 of 1 positieve wortels, geen negatieven en

8 of 10 onbestaanbare wortels.

2. Toon aan dat als q positief is, de vergelijking

,x3 qx r = 0

twee onbestaanbare wortels heeft, terwijl het teeken van den derden wortel tegengesteld is aan dat van r.

1

Wat leert de regel van Descartes omtrent don aard van de wortels der vergelijkingen

xquot; —1 = 0

en a;quot; 1 = 0

-ocr page 58-

46

De vergelijking, die men vindt door de gegevene met {x — l)2 te vermenigvuldigen, heeft blgkens den regel van Descartes 2 positieve wortels en 0 of 1 negatieven, naarmate n even of oneven is. Hieruit volgt, dat de gegeven vergelyking geen positieven en 0 of 1 negatieven wortel heeft. Het aantal onbestaanbare wortels is mitsdien n of n — 1.

5. Als in eene vergelijking 3 opeenvolgende coëfficiënten eene meetkundige reeks vormen, zoo heeft de vergelijking onbestaanbare wortels.

\' / Zij A, l\'A en k2A de drie opeenvolgende coëfficiënten. Men vermenigvul-1 \' ^dige de gegeven vergelijking met a? — h en toone aan dat de vergelijking, die aldus verkregen wordt, minstens 2 onbestaanbare wortels heeft.

6. Als 4 opeenvolgende coëfficiënten eene rekenkunstige reeks vormen, zoo heeft de vergelijking onbestaanbare wortels.

Men vermenigvuldige de vergelijking met (.r — l)2, en toone aan, dat de komende vergelijking minstens 2 onbestaanbare wortels heeft.

7. Als eene vergelijking geene onbestaanbare wortels heeft, zoo geldt tus-schen elk drietal opeenvolgende coëfficiënten de betrekking

Clc [ \' L t ^ a2pgt;aP*IaP-U

8. Als in de evene-machtsvergelijking

A,,./:2quot; Aj.c2quot; ~\' - - AsX2\'~2 .... A*„ = 0 men voor elke waarde van k heeft

/

Aai Aan 2 gt; A^k - i zoo heeft de vergelijking geene bestaanbare wortels.

9. Als eene volledige vergelijking, die geene onbestaanbare wortels heeft, slechts permanentiën vertoont, zoo geldt tnsschen elk viertal opeenvolgende coëfficiënten de betrekking

A/j Ap 3 lt; Ap* i Ap 2,

Heeft de vergelijking slechts variatiën, zoo heeft men

Ap Ap 3 ^ -Ap i ^p 2\' ■

10. Als de vergelijking F{.r) — 0 slechts bestaanbare wortels heeft, zal de vergelijking, die men verkrijgt door

^ r- • _ quot;

lt; Tc t. 1 y

te stellen, evenveel variatiën hebben als de gegeven vergelijking wortels tnsschen a en h.

-ocr page 59-

VIJFDE LES.

theorema van budax.

§ 37. Zoo men uit eene vergelijking F(x) = 0 eene andere afleidt, waarvan de wortels p eenheden kleiner zijn, zal de nieuwe vergelijking, die volgens § 23 zijn zal:

F-ip) .. , F-\\p) F*(r) _2

--------- -----2 -• o ^

1.2.3 ....ji \' 1.2 .... {n — 1) 1 \' 1.2

F\'(p)z F(p) = 0,

even veel positieve wortels hebben als de gegeven vergelijking wortels heeft grooter dan p. Van dit aantal kan dus eene grens gevonden worden, zoo men op de nieuwe vergelijking den regel van Descartes toepast. En daar F*(p), F3{p) enz. dezelfde teekens zul-F2{p) F*(n)

len hebben als , enz., kan men den gevonden regel

1. tL 1. ^. o

nitbi-eiden en ook aldus voorstellen:

Zoo men in de rij functiën

F\\x) F\'-\\x) F\'-\\x).... F\\x) F\\x) F(x)

voor x snbstitueei-t een getal p, zal het aantal variation van teekens, dat deze rij oplevert, of gelijk zijn aan, of een even aantal meer bedragen dan het getal der wortels, die vergelijking

F{x) = 0

heeft, grooter dan p.

In dezen vorm wordt evenwel de regel gewoonlijk niet voorgesteld, daar gevonden is dat bij het substitueeren van p = 1, 2, 3 enz., of anders bij het opschrijven der vergelijkingen, waarvan de wortels 1, 2, 3 enz. eenbeden kleiner zijn, dan die der gegeven vergelijking, het aantal variatiën in de opvolgende rijen steeds afneemt, en het daardoor aan Büdan gelukt is, eene nog eenvondi-ger betrekking af te leiden tussclien de wortels en het verlies in variatiën van twee opvolgende rijen. Deze gewichtige regel luidt aldus:

Ah het eerste lid van eene vergelijking geschreven ivordt volgens de

-ocr page 60-

48

machten van (x—p) en (x — q), toaarhij p lt;q, zoo zal het aantal variatie», dat de tweede rij minder heeft dan de eerste of gelijk zijn aan, of een even aantal weer bedragen dan het aantal wortels, die de vergelijking

F{x) = O

heeft tnsschen p en q.

Hetzelfde theorema is in eenigszins gewijzigden vorm ook door Fourier gegeven.

§ 38. Om tot een bewijs van deze stelling te geraken, zal het weör voldoende zijn na te gaan, wat er is van de teekens van de rij function

F\\x) Tquot;-\\x) .... F\\x) F\\x) F[x) (1),

als men in deze voor x alle waarden tusschen p en q substitueert, daar bijv. de waarden voor x=p weOr, op positieve factoren na, gelijk zijn aan de coëfficiënten der vergelijking in x — p.

Substitueert men nu voor x de waarden p, p -f- ö, p -\\- 23 enz., waarbij men 6 zoo klein kan nemen als men wil, en denkt men de rijen teekens die men verkrijgt opgeschreven, zoo blijkt al spoedig dat men geone verandering, dus noch vermeerdering noch vermindering in het aantal variatien zal vinden, tenzij een of meer der functiën nul worden voor eenige waarde tnsschen p en q. Immers als geen der vergelijkingen

F{x) = 0 F\\x)=0 F1{x) = 0....

een wortel heeft tusschen p en q, zal het eerste lid van elk dezer vergelijkingen geen verschillend teekcn kunnen krijgen voor waarden van x tusschen p en q (zie § 12). Derhalve zullen in dit geval de overeenkomstige termen, uit de rij (1) afgeleid, allen hetzelfde teeken hebben en dus hetzelfde aantal variatiën vertoonen. Alleen bij eene substitutie, waarbij een of meer der functiën verdwijnen, kan eene verandering in hot aantal variatiën voorkomen, en daarom zal het voldoende zijn de teekens na te gaan der drie volgende rijen;

F\'\\a — d) F\'-\\a — 8).... F\\a — S) F\'ia— 3) F\\a—S) F(a — o) F\\a) Fquot;-\\a) .... F\\a) F\\a) F\\a) F(a) (2) /quot;(fl-p) -?gt; lt;\') F(a lt;?),

wanneer ondersteld wordt dat een of meer termen van de mid-

-ocr page 61-

49

delste rij verdwijnen, en verder S positief en zoo klein gedacht wordt als men zelf goedvindt.

§ 39. Om over de teekens in de drie rijen (2) te oordeelen, denke men zich een willekeurig polynomium y(^), dat elk der functiën in de rij (1) kan voorstellen. Zoo men hierin voor x stelt x h, en de uitdrukking rangschikt naar de opklimmende machten van h, vindt men blijkens de in § 23 verkregen uitkomst:

y{x -|- h) = V(x) hlt;p\\x) ~ lt;f2(x) .... 1 ^ r V\' (x),

waarbij lt;p(x) van den graad r gedacht is. Uit dezen vorm zullen nu twee hulpstellingen afgeleid worden voor het verlangde onderzoek.

De eerste dezer stellingen luidt:

Als lt;f{a) van nul verschilt, zullen lt;p(a -|- d) en lt;f(a — S) hetzelfde teeken hebben als lt;P(a), zoo men d slechts Hein genoeg neemt.

Zij wordt aldus bewezen. Uit den gevonden vorm van lt;p{x -f- h) volgt:

lt;f{a -f lt;J) = lt;p(a) -f «V(«) -1- 1 2quot; f («)

— a) = y(a) —.... ± j-Y—

Neemt men nu S klein genoeg, dan kan men zorg dragen, dat de getallenwaarde van elk der termen, die in de tweede leden op lt;p(ci) volgen, minstens 10, 100, 1000 maal enz. kleiner wordt dan de getallenwaarde van lt;p{a), zoodat de teekens van de tweede loden bepaald worden door het teeken van lt;f{a).

De tweede hulpstelling is de volgende:

Wanneer lt;f(a) = 0 is, zoo zullen lt;f{ad) en hetzelfde

teeken krijgen, maar zullen lt;p{a — S) en ^\'(a — 5) verschillend teeken vertoonen, als 3 klein genoeg en positief is.

Daar namelijk lt;pl{x) ook een polynomium in x is, waarvoor de ontwikkeling van lt;f(x -f-\'\') geldt, kan men de volgende vergelijkingen opschrijven:

? (« -H) = f («) -f V(a) Y2 -• 12. .. r ^ (a)

lt;p\\a = 9\\d) -f 5lt;f\\a) ~ lt;f\\a) -f-.... 1 2 ^ (r_ ^ y(a).

waaruit volgt, aangezien volgens de onderstelling yia) = 0 is, i.ouatto. 4

-ocr page 62-

50

^gt;) r2p2(a) quot;

y (« lt;?) = t?

V\\a

Is nu v\'{d) niet nul, zoo zullen teller en noemer van het gebroken in het tweede lid voor kleine waarden van 3 weer beiden het tee-ken krijgen van ^\'{a), dus zal het gebroken positief zijn, en derhalve lt;p{a -f- lt;5) en lt;p\\a -f- o) hetzelfde teeken verkrijgen. Is ^\'(a) = 0, zoo kunnen teller en noemer door gedeeld worden, en blijkt daarna eveneens, dat het gebroken in het tweede lid positief is. Is ook lt;p\'Xa) = 0, zoo vindt men, deelende door 32, hetzelfde resultaat. Aldus voortgaande, blijken d) un (p\\ad) steeds hetzelfde teeken te verkrijgen.

Schrijft men eveneens ?gt;(« — S) en lt;p\'(a — lt;5) op, zoo vindt men, in de onderstelling van lt;p{a) = 0,

s «y-\'

v\\a) — Ys ^(a) -• i ! 2 r v (a)

lt;pr{a)

1.2 ....(?• — 1)

waarin bij kleine 3 het gebroken in het tweede lid wéér in alle gevallen positief is, zoodat het tweede lid negatief is, en 9gt;{a — lt;J) en \'p\'ia d) verschillende teekens zullen hebben.

§ 40. Door deze twee hulpstellingen, die van elke uitdrukking in x gelden, op de rijen (2) toe te passen, vindt men, daar elke functie van de rij (1) de afgeleide van de naast volgende is, dat:

Waar een term van de middelste rij van (2) niet nul is, de overeenkomstige termen in de drie rijen hetzelfde teeken bekomen, en:

Waar een of meer termen van de middelste rij nul worden, de overeenkomstige term of termen in de onderste rij elk met den dadelijk voorafgaanden eene permanentie van teeken vertoont, terwijl de overeenkomstige term of termen in de bovenste der drie rijen elk met den dadelijk voorafgaanden eene variatie van teeken hebben zal.

Onderstellen wij nu verschillende gevallen omtrent het nul worden van termen in de middelste rij van (2).

Eerste geval. F(a) = 0, dus a een wortel van Fix) = 0. Men verkrijgt dan, als F\'{a) positief is, de volgende teekens:

-ocr page 63-

51

F\'(x) F{x)

x — a — S -f-

x-=a -f- O

a: = a -}- -)- -|-

en derhalve in de onderste rij een verlies van ééne variatie vergeleken met de bovenste rij. Is F^{a) negatief, zoo komen de volgende teekens:

Fx(x) F{x)

x — a — 3 — -|-x = a — 0

x=:a-\\- 3 — —

en derhalve weêr een verlies van ééne variatie. Is eindelijk F\'(a) ook nul, en zijn daarbij bijv. ook F2(a) = 0 en -F3(n) = 0 en F4(a) positief, zoo vindt men

F\\x)

F\\x)

F\\x)

F\\x)

F^)

x = a— S -|-

x = a -|-

0

0

0

0

x=a-\\-S -j-

-f-

en een verlies van vier variatiën. Maar in dit geval zal F(x), volgens de machten van (x — a) geschreven, geen lager machten bevatten dan (x — a)4, en zijn er dus vier gelijke wortels a. Men vindt hetzelfde resultaat, indien F4(a) negatief is, of als er meer of minder gelijke wortels a zijn, en mag dus besluiten dat:

Telkens wanneer men een wortel of eenige gelijke wortels passeert, men een even groot aantal variatiën verliest.

Tweede geval. F{a) is niet nul, maar een of meer der andere functiën verdwijnen. Stel, men heeft voor x = a de volgende rij teekens

-fo ooH—o—oo—h00-f-000—gt;

zoo zal men door middel van de hulpstellingen besluiten, dat de drie rijen teekens zullen zijn voor

x = a — \'J -|---1--|---[--)---1---1----1----hH I

x=a 0 00-]-- 0 — 0 0 --1- 0 —0 0 0 0 —

= ---------[--|----h H

Waar dus een term nul wordt tusschen twee met gelijke tee-

4*

-ocr page 64-

52

kens in de middelste rij, zal men in de onderste rij een verlies hebben van twee variatiën; waar een term nul wordt tusschen twee termen met ongelijke teekens, krijgt men geene verandering in het aantal variatiën; waar meer termen achter elkaar nul worden, krijgt men zeker een verlies van variatiën, maar altijd een verlies van een even aantal, daar de eerste en de laatste termen hetzelfde teeken behouden in de drie rijen. De eerste term namelijk, Fquot;(a) is constant. Het valt niet moeilijk in te zien, dat waar /!• opeenvolgende termen in de middelste rij nul worden, als A even is, ook k variatiën verloren gaan, terwijl als k oneven is, k—1 of A: -)-1 variatiën verdwijnen, al naar mate de termen, die nul worden, liggen tusschen twee termen met ongelijke of met gelijke teekens.

§ 41. Hiermede is nu uitgemaakt dat, als men in de rij (1) alle waarden van a =p tot x = q substitueert, het aantal variatiën nimmer kan aangroeien, en er twee oorzaken zijn, waardoor dit aantal kan verminderen. Ten eerste doordien de vergelijking F(x) = 0 wortels heeft tusschen p en q, waarbij men evenveel variatiën, en wel op het eind der rij, verliest, als men wortels passeert. In de tweede plaats kan men variatiën verliezen, doordat er termen in het midden nul worden, waarbij, zoo men variatiën verliest, dit een even aantal zal zijn.

Zoo derhalve de substitutie x=p een aantal m variatiën meer geeft dan het nemen van x = q, waarbij altijd p lt;q, zal de vergelijking F^x) = 0 j» wortels tusschen p e.n q kunnen hebben, en wel als alle variatiën op het eind verloren gaan, terwijl er slechts m — 2r wortels tusschen deze grenzen aanwezig zijn, zoo 2r dezer m variatiën in het midden verloren zijn. En hiermede is het theorema van Budan bewezen.

Nog kan men uit het gegeven bewijs het volgende afleiden. Als men in de rij (1) alle waarden tusschen x = — co en x = -f- oo substitueert, zal de eerste rij n, en de laatste rij 0 variatiën ver-toonen, waarbij F(x) = 0 eene vergelijking ondersteld is van den »den graad. Gaan er dan bij de substitutiën 2r variatiën in het midden verloren, zoo kunnen slechts n — 2r variatiën op het eind verloren gaan, heeft derhalve F{x) = 0 n — 2r bestaanbare wortels, en zijn er dus 2r onbestaanbare wortels. Telkens dus als men variatiën in het midden verliest, doelt dit op evenveel onbestaanbare wortels. En dit zal o. a. gebeuren als een term in het midden nul wordt, tusschen twee andere met gelijke teekens.

Het kan goed zijn, nog twee gevolgen van de stelling te noemen.

-ocr page 65-

53

1°. Zijn er in do vergelijkingen in {xp) en (a: — g) evenveel variatiën aanwezig, zoo kan er tusschen p m q geen enkele wortel liggen.

2°. Indien er slechts eene variatie verloren gaat, kan deze slechts op het eind verloren zijn, en heeft de vergelijking een, maar ook niet meer dan een wortel tusschen p en q.

§ 42. Door middel van het zooeven betoogde theorema van Büüan en van de rekenwijze van Horner is men thans in staat, getallen op te sporen, tusschen welke een of meer wortels eener vergelijking gelegen zijn. Te dien einde berekene men de coëfficiënten der vergelijkingen in {x—1), (z—10), (x — 20)...., totdat men enkel permanentiën bekomt. Hieruit kan men dan bepalen hoe vele woi\'tels er tusschen 0 en 1, tusschen 1 en 10, tusschen 10 en 20, enz., dat is, tusschen twee op elkander volgende tientallen kunnen liggen. Wat de negatieve wortels betreft, zal men, na x — — z gesteld te hebben, van de vergelijking in z de positieve wortels te onderzoeken hebben.

Alvorens tot eenige toepassingen over te gaan, behooren wij hier nog op eene omstandigheid opmerkzaam te maken, waardoor soms eenige verlegenheid zou kunnen ontstaan in de bepaling van het mogelijke aantal bestaanbare wortels, tusschen twee ge-gevene grenzen gelegen, te weten het geval, waarin een of meer termen in eene der afgeleide vergelijkingen mochten ontbreken.

Men stelle bijv. dat de vergelijkingen in (x — a), (x — 6), (x — c) (zijnde ad cc) respectievelijk p, q, r variatiën tellen, en die in (x—b) door hare onvolledigheid de aanwezigheid van 2i onbestaanbare wortels te kennen geeft. Denkt men zich nu de afgeleide vergelijkingen in {x — [b — dj), en (x — {b lt;J)), dan weet men uit het betoogde, dat men de teekens der eerste verkrijgen zal door eiken term nul te vervangen door een teeken tegengesteld aan het tee-ken van den voorafgaanden term, en die der tweede vergelijking door eiken term nul te vervangen door hetzelfde teeken als dat van den voorafgaanden term. Ziet men daardoor het volgende ontstaan :

Verg. in {x — a) p variatiën «

» » (x—— lt;5)) 1 »

„ „ (gt;—(6 -^) q )gt; )ï (^\' 1 c) v „

zoo liggen er tusschen b — «J en é -|- (J geen wortels, daar do variatiën in het midden verloren worden; tusschen a en 6 — lt;5, dat

-ocr page 66-

54

is tusschen a en h liggen Loogstens p — q — 2i wortels en tusschen b en c hoogstens q — r wortels.

§ 43. Zie hier thans eenige voorbeelden:

1°. Zij gegeven de vergelijking

x* _ Qx3 2j;2 4a;— 3 = 0.

Men zoeke in de eerste plaats de vergelijkingen in (a- — 1) en (a —10).

1 — 6 -f- 2 4 — 3 O— 1) —5— 3-1-1—2

-4— 7 — 6

— 3 — 10

— 2

1 — 6 -j- 2 4 — 3 (x—10) 10-f40 420

~4 42 424

Het is onnoodig, deze laatste bewerking verder voort te zetten, dewijl het terstond in het oog loopt, dat men geene andere dan positieve coëfticicnten zal bekomen.

Men heeft alzoo de navolgende rijen van teekens:

3 var.

-- ■

Verg. in x

„ O—10)

waaruit men besluit, dat de opgegeven vergelijking twee wortels kan hebben tusschen 0 en 1, en eenen wortel heeft tusschen 1 en 10, zijnde het onzeker of de beide eerste wortels bestaanbaar of onbestaanbaar zijn.

Voor de bepaling der negatieve wortels schrijve men — 2 in plaats van x, en ga vervolgens op dezelfde wijs als hiervoren te werk.

1 6 2 — 4 — 3 1 var.

(*_1) 7 9 5 2

Ook deze bewerking behoeft niet verder voortgezet te worden om te bemerken, dat de vergelijking in (z—1) eeniglijk permanentiën en dus die in (ir 1) eeniglijk variatiën zal bevatten. De rijen van teekens zijn alsnu:

-ocr page 67-

55

Vorg. in (a\'-)-!) -j---\\---1- i var.

» » x 4---1- H-- 3

Derhalve heeft de vergelijking slechts een negatieven wortel, welke tusschen O en —1 zal liggen.

2°. Zij gegeven de vergelijking

x* — — 3a- -j- 20 = 0.

Men zal vinden voor de teekens der afgeleide vergelijkingen:

Verg. in (a\'-)-l) H---1---h 4

» » x -|--0--[- 2 „

» » C1\' — 1) quot;1quot; 0---1~ 2 „

„ («—10) • -!- o „

Daar de ontbrekende term in de gegeven vergelijking tusschen twee gelijke teekens geplaatst is, zoo geeft zulks de aanwezigheid van oen paar ouhestaanbare wortels te kennen (§ 35). Tusschen de grenzen 0 en — 1 kan dus geen enkele wortel gelegen zijn; evenmin tusschen 0 en 1. Derhalve zal de vergelijking hoogstens twee bestaanbare wortels tusschen 1 en 10 kunnen bezitten. De beide overige wortels der vergelijking zijn onbestaanbaar. 3°. Men neme de vergelijking

a-5—10*3-t-6a: l = 0.

De teekens in de afgeleide vergelijkingen zijn hier de volgende:

Verg. in (i£-|-10) ---1---1-- 5 var.

» » (x i) H— o -|---f- 4 „

„ „ x ~|- 0 — 0 2 „

n » (^-1) quot;1--hO-----1 »

,, («—10) o ..

De ontbrekende termen in de vergelijkingen in x en {x — l)geen stellig kenmerk van onbestaanbare wortels opleverende, zoo kan men uit de voorgaande rijen alleen het navolgende besluit opmaken. Tusschen —1 en —10 ligt één enkele wortel. Tusschen 0 en — 1 kunnen er twee voorhanden zijn. Tusschen 0 en 1, zoo mede tusschen 1 en 10, zal noodzakelijk een wortel liggen.

-ocr page 68-

56

TOEPASSINGEN.

1. Onderzoek de vergelijking

2.x.\'3 — 3a; 2 = 0.

Antw. De vergelijking heeft

1 wortel tusschen 0 wortels „

2 of 0 „

0 of 2 onbestaanbare w

2. Onderzoek de vergelijking

x* x\' ix — 3 = 0.

Antw. 1 Wortel tusschen —10 en — 1

0 wortels „ — 1 en 0 3 of 1 „ „ Oen 1 0 of 2 onbestaanbare wortels.

3. Onderzoek de vergelijking

xs 3a;\' — 24r1 95x2 — 46,r —101 = 0.

Antw. 1 Wortel tusschen —10 en — 1

1 — len 0

0 wortels „ 0 en 1

3 of 1 „ „ 1 en 10

0 of 2 onbestaanbare wortels.

i. Onderzoek de vergelijking

J-;5 3xl 2a;8 — 3a;2 — 2« — 2 = 0.

Antw. 2 of 0 wortels tusschen — 1 en 0

0 „ „ Oen 1

1 wortel „ 1 en 10 2 of 4 onbestaanbare wortels.

§ 44. Uit het theorema van Budan is reeds de gevolgtrekking afgeleid, dat wanneer de vergelijking in {x — q) ééne enkele variatie minder vertoont dan de vergelijking in (a: —p), men verzekerd is, er tusschen p en q één wortel der vergelijking is gelegen. Bedraagt echter het verlies van variatiën meer dan één, bijv. k, zoo staat men voor eene onzekerheid, wat aangaat het aantal der tusschen j) en q gelegen wortels. Dit aantal kan k bedragen, maar kan ook een even aantal minder zijn, welk laatste geval zich voordoet, wanneer er variatiën in het midden zijn verloren gegaan. Hoewel nu de hier genoemde onzekerheid in elk voorkomend geval kan worden opgeheven met behulp van een theorema, dat spoedig onder den naam van dat van Stürm zal worden

— 10 en — 1

— 1 en 0 0 en 1

rortels.

-ocr page 69-

57

besproken, zoo moge bier nog gewezen worden op een ander middel, dat in vele gevallen kan dienst doen.

Vooreerst zij opgemerkt, dat wanneer er werkelijk tusschen p en q een aantal k bestaanbare wortels liggen, het altijd — ten minste wanneer men afziet van gelijke onmeetbare wortels, waarover later gesproken zal worden — mogelijk is, door het interval tusschen p en y in kleinere deelen te splitsen, de wortels te scheiden, zoodanig dat twee opeenvolgende vergelijkingen een verschil van niet meer dan ééne variatie vertoonen. Is bijv. q=2) 200 berekene men de vergelijkingen in (a-—p — 0,1), (a; — p— 0,2),.... («—p — 0,9), en wanneer dan nog twee opeenvolgende vergelijkingen een verschil in variatiën grooter dan één mochten vertoonen, dan kan men de intervallen nog kleiner kiezen. Zijn er werkelijk k wortels tusschen p en q aanwezig, zoo moet men op deze wijze het doel bereiken, en is bovendien met het oog op het benaderen dezer wortels geen onnutte arbeid verricht.

Zijn daarentegen tusschen p en q minder dan k wortels gelegen, zoodat enkele variatiün in het midden zijn verloren, zoo zal men door op de beschreven wijze te werk te gaan twee opeenvolgende vergelijkingen in x—p\' en in x—q\' kunnen verkrijgen, waarvan de eerste 2 variatiën meer vertoont dan de laatste. Ging men nu het interval tusschenp\' en q\' \'m kleinere onderdeelen splitsen, zoo zoude dit in het geval van onbestaanbare wortels tot goen resultaat voeren. Zekerheid of de twee verloren variatiën op twee onbestaanbare of op twee bestaanbare wortels tusschen p\' en q\' heenwijzen kan dan echter vaak op de volgende wijze vei-kregen worden.

Men leide uit de vergelijking in x—p\', die op de omgekeerde

wortels af, d. w. z. de vergelijking in z = —-—. Heeft nu de

xp\'

vergelijking in x twee wortels tusschen p\' en q\', die in xp\' dus twee wortels tusschen 0 en q\'p\', zoo zal de vergelijking in

z twee wortels tusschen -= r en oo moeten hebben. Ver-

9 —V

mindert men do wortels van de vergelijking in z met r, dan moet de vergelijking in z — r twee positieve wortels en derhalve minstens twee variatiën hebben. Heeft nu deze vergelijking geen variatiën, zoo is men verzekerd, dat er tusschen p\' en q\' geen wortels der gegeven vergelijking liggen, en het verschil in variatiën tusschen de vergelijkingen in xp\' en ^ — q\' op twee onbestaanbare wortels heenwijst. Heeft daarentegen de vergelijking in z — v

-ocr page 70-

58

juist twee variatiën, zoo blijft de onzekerheid bestaan. Men kan dan de vergelijking in z — r verderonderzoeken en nagaan of deze vergelijking twee positieve wortels heeft. Daartoe trachto men weer eerst de beide wortels te scheiden; zoo ook hier de beide variatiën gelijktijdig verdwijnen, passe men do zoojuist beschreven rekenwijze ten tweede male toe, en behandele de vergelijking in z ■— r evenals eerst met de vergelijking in x is geschied. Het valt niet te ontkennen, dat vaak eerst na herhaalde toepassing der hier aangegeven methode de verlangde zekerheid verkregen wordt.

§ 45. Tot toelichting van het voorgaande moge het volgende voorbeeld dienen. Zij gegeven de vergelijking

12a:3 —120^ 326^—127 = 0.

Vermindert men de wortels telkens met de eenheid, zoo vindt men voor de coëfficiënten van do vergelijking

in

X

12

— 120

326

— 127

3 var,

a

(*—1)

12

— 84

122

91

2 „

a

{x — 2)

12

— 48

— 10

141

2 „

)i

(x — 3)

12

— 12

— 70

95

2 „

a

{x — 4)

12

-f- 24

— 58

25

2

a

(* — 5)

12

-f 60

26

3

0 „

Hieruit blijkt, dat er zeker een wortel tusschen 0 en 1 ligt, terwijl er twee andere wortels tusschen 4 en 5 kunnen zijn.

Om zich omtrent de aanwezigheid van deze wortels zekerheid

te verschaffen, bepale men de vergelijking in z =-—, voor de

x — 4

coëfficiënten van welke vergelijking men vindt:

Verg. in ^ 25 — 58 -(- 24 -f- 12.

Vermindert men de wortels van deze vergelijking met dat is hier met de eenheid:

Verg. in {z— 1) 25 17 —17 3

Aangezien deze laatste vergelijking twee variatiën heeft, dus twee positieve wortels kan hebben, zoo kan ook de vergelijking in x twee wortels hebben tusschen 4 en 5, en is dus omtrent den aard dezer wortels nog geen zekerheid verkregen.

Men onderzoeke nu op dezelfde wijze de positieve wortels van

-ocr page 71-

59

de vergelijking in {z — 1). Voor de vergelijking in (z — 2) vindt men slechts permanentiën, zoodat de vergelijking in z twee wortels tusschen 1 en 2 kan hebben. Leidt men uit de vergelijking in (z—1) die op de omgekeerde wortels af, zoo vindt men voor

de vergelijking in z\'= — ^ :

Verg. in 2\' 3 —17 17 25.

„ „ (z\'—l) 3 - 8 — 8 28.

Daar deze vergelijking twee variation vertoont, zoo is ook hier

nog geen zekerheid verkregen en moeten de positieve wortels dezer laatste vergelijking nog nader onderzocht worden. Men vindt voor:

Verg. in (2\' — 2) 3 1 —15 15.

» ,, 0\' — 3) 3 10 —

„ (*\'-4) 3 19 25 13.

De vergelijking in z\' kan dus twee wortels hebben tusschen 3 ^ en 4. Voor de vergelijking in zquot; = —-- vindt men voorts:

Verg. in 4 —4 10 3.

„ „ (*«_!) 4 8 14 13.

Daar nu deze vergelijking geen variatiën vertoont, kan men eindelijk besluiten tot de onbestaanbaarheid der wortels, waarover het onderzoek loopt.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt volgens de in § 44 ontwikkelde methode te bepalen het aantal der bestaanbare wortels van de vergelijking

a?3 2a;2 — 3a- -H 2 = 0.

Antw. Behalve een negatieven wortel heeft de vergelijking geene bestaanbare wortels. De beide variatiën. die verloren gaan, als de wortels der gegeven vergelijking met 1 verminderd worden, wijzen heen op twee onbestaanbare wortels, waarvan men zich gemakkelijk overtuigt door de vergelijking in z=^—, en daarna die in {z — 1) op te maken, welke laatste vergelijking geene variatiën vertoont.

2. Men vraagt hetzelfde te onderzoeken voor de vergelijking

xz — 7a; 7 = 0.

-ocr page 72-

58

juist twee variatiën, zoo blijft de onzekerheid bestaan. Men kan dan de vergelijking in z — r verder onderzoeken en nagaan of deze vergelijking twee positieve wortels heeft. Daartoe trachte men weer eerst de beide wortels te scheiden; zoo ook hier de beide variatiën gelijktijdig verdwijnen, passe men do zoojuist beschreven rekenwijze ten tweede male toe, en behandele de vergelijking in z — r evenals eerst met de vergelijking in x is geschied. Het valt niet te ontkennen, dat vaak eerst na herhaalde toepassing der hier aangegeven methode de verlangde zekerheid verkregen wordt.

§ 45. Tot toelichting van het voorgaande moge het volgende voorbeeld dienen. Zij gegeven de vergelijking

12a;3—120^ 326a:—127 = 0.

Vermindert men de wortels telkens met de eenheid, zoo vindt men voor de coëfficiënten van do vergelijking

in

X

12

— 120

326

— 127

3 var

(x-i)

12

— 84

122

91

2

a

(*—2)

12

— 48

— 10

141

2 „

(* — 3)

12

— 12

— 70

95

2 „

«

0 — 4)

12

-f 24

— 58

25

2 „

»

(a;—5)

12

-j- 60

26

3

0 „

Hieruit blijkt, dat er zeker een wortel tusschen 0 en 1 ligt, terwijl er twee andere wortels tusschen 4 en 5 kunnen zijn.

Om zich omtrent de aanwezigheid van deze wortels zekerheid

te verschaffen, bepale men de vergelijking in ï = —^——, voor de

coëfficiënten van welke vergelijking men vindt:

Verg. in ^ 25 — 58 24 12.

Vermindert men de wortels van deze vergelijking met dat is hier met de eenheid:

Verg. in (z— 1) 25 17 —17 3

Aangezien deze laatste vergelijking twee variatiën heeft, dus twee positieve wortels kan hebben, zoo kan ook de vergelijking in x twee wortels hebben tusschen 4 en 5, en is dus omtrent den aard dezer wortels nog geen zekerheid verkregen.

Men onderzoeke nu op dezelfde wijze de positieve wortels van

-ocr page 73-

59

de vergelijking iu (z—1). Voorde vergelijking in (z — 2) vindt men slechts permanentiën, zoodat de vergeljjking in z twee wortels tusschen 1 en 2 kan hebben. Leidt men uit de vergelijking in (z—1) die op de omgekeerde wortels af, zoo vindt men voor

de vergelijking in s\' =-—:

Verg. in z\' 3 —17 17 25.

„ (^—1) 3 — 8 — 8 -j- 28.

Daar deze vergelijking twee variatiën vertoont, zoo is ook hier nog geen zekerheid verkregen en moeten de positieve wortels dezer laatste vergelijking nog nader onderzocht worden. Men vindt voor:

Verg. in (V — 2)

3

1

— 15

15.

„ (*\' —3)

3

10

— 4

4.

„ „ (*\' —4)

3

19

25

13.

De vergelijking in z\' kan dus twee wortels hebben tusschen 3 ^ en 4. Voor de vergelijking in zquot; = ——^—- vindt men voorts:

^ Z - O

Verg. in zquot; 4 —4 4quot; 10 -f- 3.

„ „ (2quot;_l) 4 8 14 13.

Daar nu deze vergelijking geen variatiën vertoont, kan men eindelijk besluiten tot de onbestaanbaarheid der wortels, waarover het onderzoek loopt.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt volgens de in § 44 ontwikkelde methode te bepalen het aantal der bestaanbare wortels van de vergelijking

Xs 2a;2 — 3.r 2 = 0.

Antw. Behalve een negatieven wortel heeft de vergelijking geene bestaanbare wortels. De beide variatiën, die verloren gaan, als de wortels der gegeven vergelijking met 1 verminderd worden, wijzen heen op twee onbestaanbare wortels, waarvan men zich gemakkelijk overtuigt door de vergelijking in 2= en daarna die in (z — 1) op te maken, welke laatste vergelijking geene variatiën vertoont.

2. Men vraagt hetzelfde te onderzoeken voor de vergelijking

x\' — 7« 7 = 0.

f

-ocr page 74-

60

Antw. De vergelijking heeft 1 negatieven en 2 positieve wortels.

3. Hetzelfde voor de vergelijking

x* — 3a;2 30a: — 88 = 0.

Antw. De vergelijking hoeft 1 negatieven, 1 positieven en 2 onbestaanbare wortels.

4. Hetzelfde voor do vergelijking

x6 — Cx5 40a.-3 60a;2 — o; — 1 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 negatieven, 1 positieven en 4 onbestaanbare wortels.

ZESDE LES.

over het bepalen \'van de limieten der positieve en-negatieve wortels. theorema van rolle.

§ 46. Bij het benaderen der bestaanbare wortels eener vergelijking is het wenschelijk limieten of grenzen te kennen, builen welke geene zulke wortels gelegen zijn. Men weet reeds uit het theorema van Budan dat, indien p en q twee getallen zijn, zoodanig dat van de vergelijkingen in (x p) en (x q) de eerste uitsluitend variatiën, en de tweede uitsluitend permanentiën oplevert, al de wortels der vergelijking in x tusschen die beide getallen zullen gelegen zijn. Hoezeer het nu op die wijze altijd mogelijk zij, eene grens zoo voor de positieve als voor de negatieve wortels te bekomen, zoo valt het nochtans niet te ontkennen dat, indien de wortels eenige tientallen bevatten, daartoe soms vele herhalingen der zelfde bewerking vereiseht worden. Het is derhalve wenschelijk, andere hulpmiddelen te bezitten, om ook zonder toepassing van het gemelde theorema spoedig tot de kennis te geraken van een getal dat den grootsten positieven wortel in waarde overtreft, en van een ander dat kleiner zij dan de kleinste negatieve wortel. Uit het in § 14 betoogde kan reeds afgeleid worden, dat wanneer G de getallenwaarde van den grootsten negatieven coëfficiënt aangeeft, en de coëfficiënt van den eersten term de eenheid is, 1 -f- 6? eene limiet is van den grootsten positieven wortel. De volgende stellingen doen echter in vele gevallen eene nauwere limiet kennen.

§ 47. Stelling. Indien in eene nde-inachtsvergelijking, waarvan

-ocr page 75-

61

de eerste term de eenheid tot coëfficiënt heeft, de eerste negatieve coëfficiënt tot den term x\'~m behoort, en G de getallen-waarde van den

m

grootsten negatieven coëfficiënt is, zal \\ G eene limiet van den

grootsten positieven wortel zijn, of, met andere woorden, deze wortel

m

zal lt; 1 -j- G wezen.

Om zulks te bewijzen, zal het voldoende zijn aan te toonen, dat de substitutie voor x van een getal, gelijk of grooter dan de op-gegevene waarde, fcet voorste lid der vergelijking noodzakelijk positief zal maken. In dat geval toch zal T?(x) geene afwisseling van teekens meer kunnen vertoonen, en dus geen wortel de bedoelde waarde overtreffen.

Onderstellen wij nu dat al de termen, te rekenen van den term met den grootsten negatieven coëfficiënt — G aangedaan zijn. Wanneer in deze onderstelling T{x) positief wordt, dan zal dit om zoo meer het geval zjjn, als sommige dezer termen positieve coëf-ficiünten hebben, of negatieve welker getallenwaarde kleiner is dan G. Bepalen wij ons dus tot het hier onderstelde ongunstigste geval, dan hebben wij, om F(x) positief te maken, voor x slechts eene waarde te vinden, welke voldoet aan de ongelijkheid

Onderstelt men tevens xgt;l, zoo zal men slechts

hebben te nemen, waaruit volgt waarvoor men schrijven mag

m

(x — l)m = of gt; G, dus x — 1 = of gt; G,

daar de laatste ongelijkheid de voorgaande van zelve insluit. Hieruit blijkt terstond, dat do substitutie van

x= oi gt;\\ -{-V G

F{x) positief maakt, en deze waarde dus eene limiet van den grootsten positieven wortel aangeeft.

-ocr page 76-

62

f

Laat bijv. gegeven zijn de vergelijking

^-[-3^ —2a-3-f-14^—18^ 10 = 0.

dan vindt men, door toepassing der betoogde stelling, voor de begeerde limiet 1 1/18, of zich tot geheele getallen bepalende, 6.

Bij het zoeken naar de opvolgende geheele getallen, tusschen welke de wortels van deze vergelijking gelegen zijn, zal men dus voor x geene grootere waarde dan 6 behoeven te nemen.

§ 48. Stelling. Indien G de getallen-waarde van den grootsten negatieven coëfficiënt is, en S de som van al de positieve coëfficiënten, welke aan den eersten negatieven coëfficiënt voorafgaan, zal - G •

1 eene limiet van den grootsten positieven xcortel zijn.

S

Men onderstelle wederom, dat de m eerste termen alle positief zijn, dan zal het ongunstigste geval blijkbaar plaats vinden, indien al de daarop volgende termen negatief, en met den coëfficiënt — G aangedaan zijn. Het is derhalve voldoende, voor x zulk eene waarde te nemen, dat

«-m l_ 1

Aan deze ongelijkheid wordt, xgt;\\ ondersteld, voldaan door

n —m l_1

K ^. .... X.1)^quot;°\'t\' = ^-quot;\'quot;gt;g j X_x j.

dus ook door

xn~m \\

Sxn-m igt;G-

= X-1

of

S{x—1)gt;G * ^ 1

te stellen.

Het voorgaande bewijs onderstelt, dat er geen termen ontbreken tusschen den laatsten positieven en den eersten negatieven coëfficiënt. Mochten echter tusschen deze beide termen k termen ontbreken, zoo zal, naar gemakkelijk gevonden wordt, in dat geval aan de ongelijkheid

n-//i-^ l

Sx*-mquot;gt;G-^

x— 1

1

i

-ocr page 77-

63

of, hetgeen hetzelfde is, aan de ongelijkheid

S(x— l)^\' gt; G behooren voldaan te worden, hetgeen geschieden kan door

G 1 1 G

(x-!)**•gt; .£ of «gt;1 1/|

te stellen, welke uitkomst, voor 0, wederom de vorige oplevert.

Bij de toepassing van de regels in deze en in de voorgaande paragraaf gegeven, zal nu eens de een dan weder de ander de kleinste limiet opleveren. Men zal dus goed doen de beide regels toe te passen, en met de kleinste limiet rekening to houden.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal eene limiet van den grootsteu positieven wortel van de vergelijking

x* ■ ■ 16x1 — 2jr — 11a; 8 = 0.

Wil men als limiet een geheel getal vinden, zoo geeft de regel van § 47 5, die van § 48 2 als limiet.

2. Hetzelfde voor de vergelijking

a;6 100a;2 5xs — 12.c — 1000 = 0.

Hier geven de twee regels beide 5 als limiet.

3. Hetzelfde voor de vergelijking

x5 2a;3 — 10a;3 — 18a; 1 = 0.

De regel van § 47 geeft hier 4, die van 8 48 7 als limiet.

4. Als men in eene vergelijking de getallemvaarde van eiken negatieven coëfficiënt deelt door de som van alle voorafgaande positieve coëfficiënten, zoo zal de grootste dezer breuken met de eenheid vermeerderd eene limiet van den grootsten positieven wortel aangeven.

Zij bijv. gegeven de vergelijking

«o xe thx4 — «sa;3 «3\'£- — «ia; — a5 = 0.

Zoo is het grootste der getallen 1 H--—-, 1 -;—\'—:- en

«o «j «o «i quot;3

1

Men toone dit aan door voor de vergelijking te schrijven

2

* «O «1 «O «t «3 «0 Ol «3/

3

«o (ti «3

4

«o fa;0 —-—— a-3--- x--quot;quot; —)

-ocr page 78-

64

«3 (x* --—- x----) =: O

\\ «0 «1 «3 «0 «I «3 \'

en op elk der uitdrukkingen tussohen haakjes den regel van § 48 toe te passen.

5. Bepaal met behulp van den voorgaanden regel eene limiet van den grootsten positieven wortel van de vergelijking

xquot; — 2xi 4a;4 9a,\'3 — 25a;3 10a,- — 40 = 0.

2 25 40

Van de breuken — en is de eerste de grootste,

1. J. I 4 quot;r «/ J. I 4 quot;i «7 quot;t- AU

zoodat | -H 1 = 3 als limiet wordt gevonden. De regels van § 47 en 48 zouden hier beide eene veel grootere limiet nl. 41 gegeven hebben.

§ 49. Door de voorgaande regels op bijzondere wijzen toe te passen, kan men dikwijls nog kleinere limieten vinden. Wij zullen dit door een paar voorbeelden toelichten. Stel ten eerste, dat gegeven is de vergelijking:

_j_ a,.» 1040a;s -f x\' — Za,\'quot; — 3.e5 12 8a;4 — 10000a;3 -f

-f 72a\'2—810 = 0,

zoo vindt men volgens den eersten regel (§ 47)

4

1 ^10000 = 11,

en volgens den tweeden (§ 48)

1 WWlt;11

als grens voor den grootsten positieven wortel. Maar denkt men de eerste twee termen der vergelijking weg, die positief zijn, zoo vindt men daarna volgens den eersten regel, dat het eerste lid zeker positief wordt voor eene waarde van x gelijk of grooter dan

1 4-l^i oooo ^ s

en laat men den term a;\' weg, zoo vindt men volgens den tweeden regel:

\\-\\-V loooQ-^cB.

\' I I l 040

In beide gevallen vindt men zoo eene veel nauwere grens.

Laat in de tweede plaats gegeven zijn de vergelijking;

a;4 —3a;3 75a;2-f 60a;—250 = 0.

zoo geven de beide regels op de gewone wijze toegepast 251 als grens voor den grootsten positieven wortel. Maar verdeelt men het eerste lid in twee deelen, nl.

-ocr page 79-

65

s\'—Sx3 on 75«l-t-60* —250,

zoo vindt men uit dezelfde regels, dat het eerste deel positief wordt voor a; gt; 3 en het tweede deel voer

l_l_ 250 ^ A 7 5 00\'

en daar dit laatste kleiner dan 3 is, blijkt daaruit dat xgt; 3 het

eerste lid van de vierde-machtsvergelijking altijd positief zal maken en dus de positieve wortels lt; 3 moeten zijn.

Door dus of positieve termen weg te laten, bf het eerste lid in verschillende deelen te verdeelen, kan men dikwerf veel nauwer grenzen vinden met behulp der twee gevonden regels, dan door dezelfde regels op de vergelijkingen in hun geheel toe te passen.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt naar eene limiet van den grootsten positieven wortel der vergelijking

x5 50x4 3x8 2.r2 — 15* — 2000 = 0.

De regel van § 47 geeft hier 1 V 2000 of 8, die van § 48 1 quot; of 37 als limiet. Door echter den term x* weg te laten en § 47 toe te passen, vindt

men 1 K 40 of 5, en door de termen 3a;3 en 2jr weg te laten en § 48 toe

te passen 1 K of ook 5 tot limiet.

2. Hetzelfde voor de vergelijking

x* — Gx* ISxquot; 30^s — 6 Ox — 42 = 0.

Men schrijve voor het eerste lid

x8 {x — 3)° 0 (x3 — 7) 30x (x — 2),

waardoor als limiet 2 gevonden wordt.

3. Hetzelfde voor de vergelijking

3.c3 — 4.r2 — llx — 57 = 0.

Schrijft men voor het eerste lid

x\'ix — 4) a; {.r* — 11) (x\'3 — 57),

zoo vindt men 4 als limiet.

4. Hetzelfde voor de vergelijking

x* — x3 —5X2 — 18.r — 150 = 0.

Na vermenigvuldiging met 4 schrijve men voor het eerste lid

,x3 (x — 4) {x- — 20) ar (x3 — 72) {xl C00),

waardoor gemakkelijk gevonden wordt, dat 5 eene limiet van den grootsten positieven wortel is.

5. Als, voor x = (i, f(x) en de n afgeleide fnnctiën f\\x), fs(:r)....f\'(x) allen LOBATTO. 5

-ocr page 80-

66

positief zijn, zoo is a eene limiet van den grootsten positieven wortel van de vergelijking f(x) = 0.

Men bewijst deze stelling gemakkelijk, door op te merken, dat als ƒ(«), ƒ\'(n) positief zijn, de vergelijking in (.r — a) geene variatiën, dus geene

positieve wortels heeft; of ook door uit de reeksontwikkeling

f(a h) = ƒ(«) h f\\a) f-(a) ,... —^-ƒ quot;(a)

1.2 1.2....«

af te leiden, dat f (-?\') voor elke waarde van x grooter dan a positief is. 6. Stelt men

f(x) = Oo.rquot; .... (In-iX «»

fi(x) = diX*\' 2 ....

A _ i (.f) = «ox (h f* (.r) = rt0

zoo is, als voor x = (t fix), fi(x).... fn(x) positief zijn, a eene limiet van den grootsten positieven wortel van de vergelijking f{x) = 0.

Men merke op, dat bij de deeling van f(x) door (x — a) ƒ,.(«).... fi{a) de coëfBcienten zijn van het quotiënt en ƒ(«) de rest der deeling.

§ 50. Tot dusverre hebben wij alleen de middelen doen kennen om eene limiet van den grootsten positieven wortel te verkrijgen. Doch het is klaar, dat zij evenzeer kunnen dienen om eene limiet van den kleinsten positieven wortel, dat is een getal kleiner dan dezen laatsten, te vinden. Te dien einde behoeft men slechts uit de gegevene vergelijking die op de omgekeerde wortels, volgens de handelwijze van § 21, af te leiden, dewijl de grootste positieve wortel dezer laatste vergelijking alsdan met den Ueimten positieven der gegevene zal overeenstemmen. Men vrage bijv. naar eene limiet van den kleinsten positieven wortel van de vergelijking

ar9 -1- lOx\' — 50Oir3 -f 400^ — 18a- 10 = 0,

welke voor x=— overgaat in z

10/ —18/ -f 400/ — 500/ lOz 1 = 0.

Volgens § 48 toepass. 4 is

^lt;l-f i§ = 2,8.

Schrijft men echter de vergelijking onder dezen vorm; 10/ [z —1,8) 400/ (z —-1,25; lOz -f-1 = 0,

9 15

dan ziet men terstond in, dat «lt;1,8 of Derhalve wordt x = — .

5 z 9

De regel van § 48 geeft voor de limiet van den grootsten posi-

-ocr page 81-

67

tieven wortel 1 -j- V\' W lt; 4- De positieve wortels der vergelijking in x zijn derhalve tusschen de grenzen tj- en 4 begrepen.

Wat de limieten der negatieve wortels eener vergelijking betreft, zij kunnen op gelijke wijze bepaald worden, nadat men door x = — z te stellen, de teekens der wortels zal omgekeerd hebben. Hierdoor zal namelijk het onderzoek der bedoelde limieten teruggebracht zijn tot het onderzoek van de limieten der positieve wortels van de vergelijking in z.

§ 51. Ten slotte volgen hier nog een paar zeer belangrijke stellingen, die wel voor de practische bepaling der limieten weinig of geen waarde hebben, maar waarvan het gewicht bij allerlei toepassingen groot blijkt te zijn. Zij worden gewoonlijk als het theorema van Holle aangeduid.

Stelling. Laten aA, a2, a3...., naar orde van grootte, de bestaanbare wortels eener vergelijking I\\x) = 0 voorstellen, dan zal er tusschen a, en a2, tusschen a2 en a3 enz. en in het algemeen tusschen elke twee op elkander volgende wortels dezer vergelijking minstens één wortel der vergelijking F\\x) = 0 gelegen zijn, zoodat de eerstgemelde wortels als de limieten dezer laatste beschouwd kunnen worden.

Men kan deze eigenschap met weinig moeite aldus betoogen. Zoo o, en o2 twee opvolgende wortels der vergelijking zijn, zal het eerste lid Tix) voor alle waarden van x tusschen a, en o2 een zelfde teeken behouden, daar anders volgens § 12 de vergelijking nog een wortel tusschen ö, en a% zou hebben. Stel dit teeken positief, zoo is

JK) = o i\\a. lt;5) -f

T{ci.—S)

waarin men 8 zoo klein kan nemen, als men zelf wil. Maar volgens de tweede hulpstelling van § 39 hebben, als ip(a) = 0 en o positief en klein genoeg is, ?gt;(«-|-en se\'(a-|-(J) gelijke, lt;p(a — gt;gt;) en \'/quot;(a — amp;) ongelijke teekens; derhalve volgt uit het bovenstaande dat

-*quot;(0, \'J)

het teeken -f-, en tevens dat

Jquot;(a2 — S)

5*

-ocr page 82-

68

het teeken — verkrijgen zal, derhalve dat de vergelijking

Z,(^) = 0

minstens één wortel zal hebben tusschen a, -f- «5 cn a2 — lt;J, en dus ook tusschen a, en «2. Heeft F\'(x) = 0 meer dan één wortel tusschen a, en ff,,, zoo is het aantal dezer wortels toch steeds oneven (zie § 12).

Had men F(x) tusschen c, en a2 negatief gedacht, zoo zou men hetzelfde resultaat verkregen hebben.

Men kan ditzelfde ook gemakkelijk betoogen uit de figuur. Stel dat I{x) meetkunstig is voorgesteld door Fig. 1 | bl. 4 J, en dat de kromme lijn de as OA^snijdt voor x = a1 en voor x = a2, dan zal zeker in een punt, dat behoort bij eene tusschengelegen waarde van x, eene raaklijn aan de kromme kunnen getrokken worden, evenwijdig aan de as OX. Voor deze waarde van x verdwijnt dus

F\\x),

die de tangens van den hoek voorstelt, wolken de raaklijn met de as OX maakt. En dit is juist wat betoogd moet worden.

Hieruit volgt verder onmiddellijk:

Stelling. Tusschen twee opeenvolgende wortels bi en b2 van de vergelijking F\\x) = 0 ligt één enkele of geen wortel der vergelijking F{x) = 0.

Waren toch tusschen hl en h2 twee wortels van F{x) = 0 gelegen, zoo zou tusschen deze wortels, volgens de voorgaande stelling, een wortel van F\\x) = 0 moeten liggen, en en b2 dus geen opeenvolgende wortels zijn.

§ 52. Hieruit volgt nu gemakkelijk de stelling, die in eenigs-zins anderen vorm door Rolle is gegeven.

Stelling. Zijn bt, .... b^ de bestaanbare wortels van de vergelijking F\'ix) = 0, genomen in volgorde van grootte, zoo zal het aantal variatiën van teeken, dat de rij

-(—00 ), m), Fib2)....F{bk), J( oo).......I

vertoont, overeenkomen met het aantal der bestaanbare wortels van de vergelijking F{x) = 0. Deze zullen bovendien gescheiden zijn door de grootheden—oo , bi, b2....b]{, -f-oo , met dien verstande dat tusschen bi en bi l al of niet een wortel van F(x) zal liggen, naarmate F{ hi) en F(bit,) eene variatie of eene permanentie van teeken vormen.

Roeds werd gevonden, dat tusschen twee opeenvolgende wor-

-ocr page 83-

69

tels hi en ii 1 vau de vergelijking ^(x) = O, en om gelijken reden tusschen — cc en b,, en tusschen bk en 00 gt; of geen of één wortel van F(x) = 0 ligt. Volgens § 12 en 13 is het aantal wortels tusschen 6i en 5, 1 echter oneven als F(6i) en F(bi 1) ongelijke, en even als deze vormen gelijke teekens vertoonen. Derhalve ligt er in het eerste geval één enkele, in het tweede geval geen wortel van J,(a;) = 0 tusschen 4; en

§ 53. Uit het theorema van Eolle laten zich nog verschillende gevolgtrekkingen afleiden. Vooreerst dat, als F\'(x)=0 2m onbestaanbare wortels heeft, F(x) = 0 minstons 2m onbestaanbare wortels zal bezitten. Zijn de wortels van F(x) = 0 allo bestaanbaar, zoo geldt dit zelfde ook voor de vergelijking F\'(x), en op gelijken grond voor de vergelijkingen F\'{x), F3{x) enz. In dit geval ligt er tusschen elk paar opeenvolgende wortels a, en a, van F(x) = 0 slechts één wortel van F\'(x) = 0, Voor de bestaanbaarheid van de wortels van F{x) = 0 is de bestaanbaarheid van die van J,,(ar) = 0 wol noodig, maar niet voldoende. Bovendien wordt veroischt dat de grootheden, die in de rij I voorkomen, eene afwisselende rij van teekens vertoonen.

Heeft de vergelijking Jquot;(x) = 0 eon (2m 4- l)-voudigon wortel bi, welke geen wortel van de vergelijking F(x) = 0 is, zoo bevat de rij I slechts n — grootheden en kan alzoo hoogstens n — 2m

variation vertoonen. De vergelijking F{x) heeft in dit geval dus minstens 2m onbestaanbare wortels. Is J,- een 2ni-voudige wortel van F\\x) = 0 en wederom geen wortel van F(x) — 0, zoo vindt men dat F(x) = 0 minstens 2m—1 onbestaanbare wortels hoeft. Daar echter hot aantal der onbestaanbare wortels eenor vergelijking steeds even is, zoo kan men ook in dit geval tot minstens 2m onbestaanbare wortels van F(x) = 0 besluiten. Is b-, een 2m- of (2m -f- l)-voudige wortel van F\'(x) = 0 en tevens wortel van F(x) = 0, zoo is b; (men vergelijke de achtste les) een (2m-]- 1)- of (2m-j-2)-voudige wortel van F{x) = 0, en kan men niets omtrent de aanwezigheid van onbestaanbare wortels dezer laatste vergelijking besluiten.

Ook op andere als geheele rationale functiën is het theorema van Rolle van toepassing, ten minste voor zoo ver de functie zelf en hare afgeleide continue zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal door toepassing vau het theorema van Eolle do voorwaarden voor do bestaanbaarheid van de wortels der vergelijking

-ocr page 84-

70

xs 4- px q — 0

F^x) — 0 wordt hier

3x2 -\\-p = 0.

Is p positief, zoo heeft deze vergelijking en dus ook de gegevene onbestaanbare wortels. Is negatief, zoo zijn de wortels van F^x) = 0

ht — —V—^ en h* — -\\-V —

3 3

Verder vindt men

^--IpV-^ q F(h) = lpV-^ q.

Daar F{— lt;») het negatieve en F{-\\- «) het positieve teeken heeft, zoo moet volgens het theorema van Holle voor de bestaanbaarheid van de wortels der gegeven vergelijking

-^K-| ïgt;0 i1gt;V~^ qlt;0

welke beide ongelijkheden zich herleiden tot

n\' q*

lt; 0.

27 4

B3 o2

zoo is of F(bCl of y{h«) gelijk nul, en heeft de vergelijking twee gelijke wortels.

2. Onderzoek op gelijke wijze de bestaanbaarheid van de wortels der vergelijking

x* px q — 0.

Is p positief, zoo heeft de vergelijking 4 onbestaanbare wortels. Is p negatief, zoo zijn er drie gevallen te onderscheiden:

P

q2 lt; h^p^V——- 2 onbestaanbare en 3 bestaanbare wortels,

5 p

q^ — Wp^V—— 2 onbestaanbare en 3 bestaanbare wortels, waarvan 2 gelijke,

O p

22gt;4Sigt;1V—— 4 onbestaanbare en 1 bestaanbare wortel.

5

3. Toon aan dat de vergelijking

Y»n y*n 1 2 «

F(x) = — -- .... ^- ^ 1 = o

n n — 1 2 1

één of geen bestaanbaren wortel heeft, naarmate « oneven of even is.

De vergelijking F\\x) = 0, voor welke geschreven kan worden - = 0,

x — 1

heeft, als n oneven is, n — 1 onbestaanbare wortels; de vergelijking ii1[.r) = 0 eveneens,

-ocr page 85-

71

Is n even, zoo heeft de vergelijking F\\x) = 0 één bestaanbaren worte.quot;

_1. De rij F(—lt;»), F(—1) en 1\'\\ 03) vertoont alsdan geen enkele variatie,

waaniit de onbestaanbaarheid van de n wortels volgt.

i. Toon aan dat de vergelijking

-V*1 1 J1 — X quot;|

^ = ^ n-)-fc_i quot;quot; ifc^ fcTï ï = 0

naardat » even of oneven is, « of n—1 onbestaanbare wortels heeft. Men passé op de vergelijking xk F{j-) = 0 het theorema van Rolle toe.

ZEVENDE LES.

OVER HET OPSPOREN VAN DE MEETBARE WORTELS EENER VERGELIJKING.

§ 54. Alvorens tot het benaderen van de bestaanbare wortels eener getallen-vergelijking over te gaan, is bet veelal gewenscht vooraf te onderzoeken, of de vergelijking meetbare wortels beeft. Zijn de coëfficiënten, die in de vergelijking voorkomen, gebeele getallen, en is die van de boogste rnacbt der onbekende de eenheid, zoo zullen, zooals in § 17 is aangetoond, de meetbare wortels gebeele getallen moeten zijn. Komen onder de coëfficiënten breuken voor, of is de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende niet gelijk aan de eenheid, zoo beginne men met, op de wijze als in § 20 is geleerd, uit de gegeven vergelijking eene andere af te leiden, waarin aan de beide genoemde voorwaarden is voldaan. Voor de bepaling van de meetbare wortels van de gegeven vergelijking heeft men dan slechts de geheele getallen op te sporen, die aan de nieuwe vergelijking voldoen, zoodat het vinden van de meetbare wortels steeds terug kan worden gebracht tot het bepalen van de geheele wortels eener vergelijking.

Om te onderzoeken, of het gebeele getal a een wortel is der vergelijking F(j:) = 0, heeft men slechts F(j:) door (x a) te deelen, en te onderzoeken of de getallenrest nul is, in welk geval a een wortel der vergelijking is. Deze deeling kan geschieden volgens de verkorte rekenwijze, die in § 26 is aangegeven.

Wenscht men bijv. te onderzoeken of 2 een wortel is van de vergelijking

F(x) = x* — 16 a?3 91ar — 216.v 180 = 0

-ocr page 86-

72

zoo geeft de deeling van F(x) door (x—2):

1 —16 -f91 —216 180 2 —28 126 —180 l —14 63 — 90 | () = i?.

De rest der deeling nul zijnde, blijkt 2 een wortel te zijn, terwijl tevens voor het quotiënt der deeling

^^ = ^—14^ 63^ — 90

X- 4

gevonden wordt, welk quotiënt gelijk nul gesteld eene vergelijking oplevert, die de overige wortels bevat. Het is duidelijk dat, als de coëfficiënten der gegeven vergelijking en ook a geheele getallen zijn, in bovenstaande berekening slechts geheele getallen zullen voorkomen, en derhalve a een deeler van den bekenden term 180 moet zijn. Bij het zoeken naar de geheele wortels eener vergelijking heeft men dus slechts de deelers van den bekenden term, zoowel positief als negatief genomen, te beschouwen, onder welke deelers natuurlijk ook de getallen 1 en — 1 zijn te begrijpen. Bepaalt men tevens, op de wijze als in de voorgaande les is verklaard, de grenzen tusschen welke de wortels der vergelijking moeten liggen, zoo heeft men slechts in aanmerking te\' nemen de deelers van den bekenden term, die tusschen deze grenzen vallen.

§ 55. De boven aangegeven methode heeft echter het nadeel, dat men voor elk der genoemde deelers de geheele berekening moet uitvoeren, en als een deeler geen wortel is, dit eerst bemerkt wordt, nadat de deeling geheel is uitgevoerd. Wil men bijv. onderzoeken, of het getal 4, hetwelk een deeler van 180 is, een wortel der vergelijking is, zoo vindt men de volgende becijfering:

1 —16 91 —216 180 4 —48 172 —176 — 12 43 — 44 | 4 = i?.

It hier niet gelijk nul zijnde, bljjkt 4 geen wortel te zijn.

Om nu de bewerking voor de deelers, die geen wortels zijn, spoediger te doen afloopen, kan men de berekening eenigszins wijzigen. Men deele nl. F(x), geschreven in omgekeerde volgorde, dus naar de opklimmende machten van x, door (a — x). Is a een

-ocr page 87-

wortel der vergelijking, dan zal ook hier de deeling geeue rest opleveren, en slechts het teeken van het quotiënt zijn veranderd. Deze deeling kan weer geschieden volgons do verkorte rekenwijze, die men in § 26 heeft leeren kennen.

Deelt men bijv. het eerste lid der bovenstaande vergelijking, geschreven naar de opklimmende machten vau x, door 2 — x, zoo komt de becijfering als volgt te staan:

180 —216 91 —16 1 90 —63 14 —1 ^126 28 — 2 0,

Hierbij wordt elk getal in de tweede rij gevonden door het voorgaande getal in de dorde rij — en wat het eerste getal der tweede rij betreft, het voorgaande getal in do eerste rij — door 2 te deelen, en wordt elk getal in de derde rij gevonden door optelling der overeenkomstige getallen in de beide andere rijen. Daar de deeling hier geene rest geeft, blijkt 2 een wortel te zijn. Het quotiënt is hier 90 — 63a: 14a;3 x3. De coëfficiënten van dit quotiënt worden in de tweede rij aangetroffen. Wonscht men voor het onderzoek naar de overige wortels do coëfficiënten van F(x\\

het quotiënt —te kennen, zoo heeft men slechts het toeken x — 2

van het voorgaande quotiënt om te keeren.

Is nu a geen wortel der vergelijking, zoo bemerkt men dit, doordat óf de rest niet nul wordt, óf wel voor eene der coëfficiënten van het quotiënt een gebroken getal optreedt. Zoodra dit laatste geval zich voordoet, behoeft de becijfering niet verder te worden voortgezet, en is men verzekerd, dat a geen wortel is. Onderzoekt men bijv. op de hier aangegeven wijze of 4 een wortel is van de bovenstaande vergelijking:

180 —216 91 —16 1 45 — 171

De berekening behoeft niet verder voortgezet te worden, aangezien 171 niet door 4 deelbaar is, en dus voor het tweede getal in de middelste rij een gebroken optreedt.

De hier ontwikkelde methode, die door Newton is gegeven, biedt dus boven de eerst besprokene het voordeel aan, dat zij de becijfering voor de deelers, die geen wortels zijn, spoediger doet afloopen.

-ocr page 88-

74

§ 56. Heeft de bekende term in de vergelijking een groot aantal deelers, gelegen tusschen de limieten, die men voor de wortels kan aanwijzen, zoo is het van belang het aantal der deelers, die beproefd moeten worden, zooveel mogelijk te beperken. Dit nu kan op de volgende wijze geschieden.

Is het geheele getal a een wortel van de vergelijking l\\x) = 0, zoo is a—1 wortel van de vergelijking in z = x—1, en dus een deeler van den bekenden term, die in deze laatste vergelijking voorkomt, d. w. z. van i^l). Eveneens zal a 1 een deeler van -F(— 1) zijn. Men beginne nu met 2\'\'(1) en .F(— 1) te berekenen, hetgeen toch reeds geschieden moet, om te onderzoeken of 1 en — 1 wortels van de gegeven vergelijking zijn. Schrijft men nu de deelers van den bekenden term op, die tusschen de limieten der wortels begrepen zijn, zoo zullen van deze deelers alleen die in aanmerking komen, welke met de eenheid verminderd tot de deelers van jP(l), en met de eenheid vermeerderd tot de deelers van /■(—1) behooren.

Tot toelichting strekke het volgende voorbeeld. Zij gevraagd de meetbare wortels te bepalen van de vergelijking

a5 7^ —41x3—291.r2-f-144«-f 1620 = 0.

Door toepassing van § 47 vindt men, dat de positieve wortels kleiner zullen zijn dan 1-|-|/291 lt; 19. De positieve deelers van 1620, kleiner dan 19, zijn

2, 3, 4, 5, 6, 9, 10, 12, 15 en 18.

Stelt men x~ — z, zoo wordt de vergelijking

/ — 7/ — 4U3 -f 291^ -J-144« —1620 = 0,

en vindt men voor de limiet der negatieve wortels —42. De negatieve deelers van 1620, grooter dan —42, zijn

— 2, —3, —4, —5, —6, —9, —10, —12, —15, —18, — 20, —27, —30 en —36.

Hier zouden dus niet minder dan 24 deelers in aanmerking komen. Dit aantal kan echter belangrijk verminderd worden door toepassing van het hierboven besprokene. Men vindt

^(1) =-f1440 en -F(—1)=-|-1232.

Daar -F(l) en F(— 1) geen van beiden nul zijn, zoo blijken -j- 1 en — 1 geen wortels der gegeven vergelijking te zijn. Onderzoekt

-ocr page 89-

75

men nu, welke van de bovenstaande deelers met de eenheid verminderd tot de deelers van 1440, en met de eenheid vermeerderd tot de deelers van 1232 behooren, zoo blijkt aan dit dubbele kenmerk slechts voldaan te worden door de deelers

3, 6, 10, —2, —3, —5, —9 en —15,

zoodat het aantal der te beproeven deelers tot 8 is teruggebracht. Het verdere onderzoek leidt nu tot de volgende berekening:

*=3 1620 -1-144 —291 —41 7 1 -(-540 -t- 228 —21 -f684 — 63 —62.

Daar 62 niet door 3 deelbaar is, zoo blijkt 3 geen wortel te zijn.

x = Q 1620 144 —291 —41 7 1 270 69 —37 —13 —1 414 —222 —78 — 6 0

F(x)

zoodat 6 een wortel is, en voor —gevonden wordt

X- D

— 270 — 69a; 37 a:2 13a;3 a;4

welke uitdrukking gelijk nul gesteld eene vergelijking geeft, die de overige wortels bevat. Onderzoekt men nu verder deze nieuwe vergelijking, zoo blijken 10 en —2 geen wortels te zijn. Het onderzoek van den deeler — 3 geeft:

x — — 3 —270 —69 37 13 1

-1-90 — 7 —10 —1 21 30 3 0

zoodat — 3 een wortel blijkt te zijn, en voor het eerste lid dei-vergelijking na deeling door {x 3) gevonden wordt:

— 90 7a; 10.r2 a;3.

Het onderzoek van den deeler — 5 geeft voorts:

x = — 5 —90 7 10 1

-|_18 — 5 — l quot; 25 5 Ö

-ocr page 90-

76

zoodat ook — 5 een wortel is, en voor de vergelijking na deeling door (x -}- 5) gevonden wordt:

_18-f

Onderzoekt men eindelijk, of — 9 een wortel dezer vergelijking is, zoo blijkt dit niet het geval te zijn; terwijl dit onderzoek voor den deeler — 15 niet verricht behoeft te worden, als zijnde — 15 geen deeler van den bekenden term in de laatste vergelijking. De gegeven vergelijking heeft dus drie geheele wortels, nl. -j-6, —3 en — 5. Voor het eerste lid kan geschreven worden

{x—6) (a\'-j-S) (a;-}~ ?gt;) (ir2-)-5a; — 18).

De beide overige wortels worden gevonden uit de vergelijking

x1 5x — 18 = 0.

TOEPASSINGEN.

1. Men yraagt de meetbare wortels te bepalen van de vergelijking

x3 — IGx2 88x —160 = 0.

De eenige deeler, welke hier beproefd moet worden is 4.

Antw. 4. De overige wortels worden bepaald door de vergelijking x1 — 12a; 40 = 0.

2. Hetzelfde voor de vergelijking

x4 — 24a-3 206.7;= — 732x 864 = 0.

Antw. De meetbare wortels zijn G en 8, terwijl de overige wortels bepaald worden door de vergelijking

cc\' — 10»c 18 = 0.

3. Hetzelfde voor de vergelijking

a,-5 3.x\'4 — 23a,-3 — Sla,-11 94a; 120 = 0.

ij

Antw. 2, 4, —1, —3 en —5.

ACHTSTE LES.

OVER DE GELIJKE WORTELS DER VERGELIJKINGEN.

T

§ 57. Schrijft men het eerste lid eener hoogere-machts-vergelijking als het product van u eerste-machtsfactoren:

-ocr page 91-

77

F{x) = [x—a) {x — h) (x — c).... (x — h),

waarin a, b, c.... /j, de wortels der vergelijking, bestaanbare of onbestaanbare getallen van den vorm a /3)/—1 zijn, zoo kan het voorkomen, naar reeds werd opgemerkt, dat sommige dezer eerste-macbtsfactoren aan elkander gelijk zijn. Komt de factor (x — a) p maal voor, zoo zegt men, dat de vergelijking F{x\') = 0 p gelijke wortels a beeft, in welk geval F(x) deelbaar is door (x — ay.

De gelijke wortels kunnen, voor zooverre zij gebecle getallen zijn, gevonden worden door toepassing der in de voorgaande les behandelde methode. Is toch het geheele getal a gebleken een wortel te zijn van de vergelijking F(x) = 0, en tevens een deeler van den be-

F{x)

kenden term in de vergelijking-= 0, zoo onderzoeke men of a

ook een wortel is van deze laatste vergelijking. Is dit het geval, dan is a een tweevoudige wortel van de gegeven vergelijking. Blijkt a

x\'}

bovendien een wortel te zijn van de vergelijking -------2 = 0, zoo

(a; — a)

is a een drievoudige wortel der gegeven vergelijking; en zoo voort. Nemen wij bjjv. de vergelijking

xgt;_ lamp;s4 -f- 126a;3 — 432^ 729.r — 486 = 0.

De deelers van den bekenden term, die hier in aanmerking komen zijn 2, 3, 6 en 9. Past men Newton\'s methode voor het opsporen der geheele wortels toe op het getal 2, zoo blijkt dit geen wortel te zijn. Voor het getal 3 komt de berekening als volgt te staan;

— 486 -1-729 —432 126 —18 1 — 162 189 — 81 15 —1 567 —243 45 — 3 0.

Dus blijkt 3 een wortel te zijn, terwijl voor de vergelijking Fix)

-— = 0 gevonden wordt:

X quot; O

162 —189a\' 81a;2—15a;3 a;4 = a.

Weer is 3 een deeler van den bekenden term. Het onderzoek, of 3 een wortel dezer laatste vergelijking is, geeft;

\'

»

T

-ocr page 92-

78

— 189

81

— 15

1

54

— 45

12

— 1

— 135

36

— 3

0

3 blijkt dus een wortel te zijn, en tevens een deeler van den bekenden term in de vergelijking

F{x)

{x — 3)2

Onderzoekt men of 3 ook een wortel van deze vergelijking is, zoo

; = —54 45^—12^ ^ = 0.

i» —

ekt men

vindt men

— 54 45 — 12 1

— 18 9 —1

27 — 3 0

zoodat dit werkelijk het geval is. Onderzoekt men eindelijk of 3 een wortel is der vergelijking

18 —9 1 6 —1 —0

F(x)

zoo blijkt ook dit het geval te zijn, terwijl --= — 6 a; ge-

(X o)

vonden wordt. Voor de gegeven vergelijking kan derhalve geschreven worden

(a;—3)4 (a: —6)=0.

De vergelijking heeft vier gelijke wortels 3 en een wortel 6. Dat de gegeven vergelijking 4 gelijke wortels 3 heeft, blijkt ook onmiddellijk door do vergelijking in z = x — 3 op te maken. 1 — 18 126 - 432 729 —486 3 - 45 243 — 567 486

— 15 81 - 189 162 ^ -j_ 3 — 36 135 — 162

-12 45 - 54 Ö

3 _ 27 54

— 9 18 0 3 - 18

— 6 0 3

-ocr page 93-

In de vergelijking in z zijn de coëfficiënten der vier laatste termen nul; zij wordt:

s5—S/ess\'O —3) = 0.

Deze vergelijking heeft vier gelijke wortels £ = 0; de gegevene dus vier gelijke wortels a; = 3. Do vijfde wortel r = 3 geeft x = 6.

§ 58. In de voorgaande paragraaf zijn twee berekeningen uitgevoerd. die in het wezen der zaak geheel overeenstemmen, en alleen in den vorm verschillen. Eerst zijn de vier gelijke wortels 3 gevonden door toepassing van de methode van Newton; daarna is ditzelfde geschied door do vergelijking in (o-—3) op te maken. Uit de laatste berekening ziet men echter zeer duidelijk eene eigenschap der coëfficiünten van eene vergelijking, die gelijke ge-heele wortels heeft.

Beschouwt men de derde kolom, aan het hoofd waarvan het getal -f-126 staat, zoo kan men opmerken, dat -|- 126 na met —45, — 36, —27 en —18 te zijn vermeerderd een som 0 oplevert. Elk dezer laatste getallen is gevonden door een getal uit de tweede kolom met 3 te vermenigvuldigen, en heeft dus 3 tot deeler. Dit laatste geldt daarom voor alle getallen, die in de derde kolom voorkomen, met name voor het getal -{~126.

Beschouwt men de vierde kolom, zoo kan men op gelijke wijze aan-toonen, dat alle in deze kolom voorkomende getallen 3quot; tot deeler hebben. De getallen -|- 243, -|- 135 en -f- 54, die bij —432 opgeteld een som 0 geven, zijn nl. gevonden door getallen uit de derde kolom met 3 te vermenigvuldigen, en zijn dus door 32 deelbaar, waaruit men gemakkelijk afleidt, dat ook alle andere getallen in deze kolom 32 tot deeler hebben. En op gelijke wijze wordt gevonden dat -[-729 en alle andere in dezelfde kolom voorkomende getallen door 33, en eindelijk dat — 486 door 34 deelbaar zal zijn.

Uit het voorgaande laat zich besluiten, dat als hot geheele getal a een p-voudige wortel is van de vergelijking

x\' -\\-Aixn 1 .... -{- An_ix1\'-\\- An = 0

waarin de coëfficiënten geheele getallen zijn, /tn door ar, An_x door a\'\'-1, -^„_2 door a\'\'quot;2, ....A„ .pirX door a zonder overschot deelbaar zal zijn.

-ocr page 94-

80

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal de meetbare wortels van de vergelijking

x\' 2x-5 _ 40.1* lO.i:3 31 Sx-3 — 108a:- — 756 = 0.

Antw. 3, 3, 3, —2, —2, —7.

2. Bepaal de meetbare wortels van de vergelijking

ƒ\'(,,■) = 4.t;\' éx3 Wx\' — 30a; — 9 = 0.

Men deele eerst de vergelijking door 4 en stelle daarna ter verdrijving der breuken z — 2j\\

Antw. Fi-r) - {2x 3)!!{xl! — — 1).

§ 59. De handelwijze, die in het voorgaande besproken werd, leert de meervoudige wortels te bepalen, voor zoover deze meetbaar zijn, maar is niet van toepassing op het geval van onmeetbare of onbestaanbare gelijke wortels. Men kent echter een middel om, wanneer eene vergelijking meervoudige wortels heeft, deze te splitsen in eenige andere vergelijkingen, waarvan de eerste de enkelvoudige, de tweede de tweevoudige, de derde de drievoudige wortels bevat, enz. Vooraf zullen eenige stellingen ontwikkeld worden, die op gelijke wortels betrekking hebben.

Stellino. Ts a een p-voudige wortel van de vergelijking F{x) = 0, zoo is a tevens een wortel van de vergelijkingen

F\\x) = 0 F\\x) = 0....T\'\'-\\x)=0,

maar geen wortel van de vergelijking Fp(x)~0.

Is a een p-voudige wortel van de vergelijking F(x) = 0, heeft dus Ilx) (x — njr tot deeler, zoo heeft de vergelijking in z = x — a, dat is de vergelijking, die men vindt door de wortels der gegeven vergelijking elk met a te verminderen, p gelijke wortels 0. Het eerste lid dezer vergelijking moet derhalve zp tot deeler hebben, zoodat de bekende term in deze vergelijking en tevens de coëfficiënten van z, z2,.... •z\'\'-1 gelijk nul zullen zijn. Deze coëfficiënten zijn echter op getallen-factoren na gelijk aan F\\a), F2(a),.... Fp~\\a), waaruit blijkt, dat a een wortel is van de eerste {p— l) afgeleide vergelijkingen

F\\x) = 0 Fn{x) = 0....Fp-\\x) = ü.

De coëfficiënt van zp zal echter van nul verschillen, daar anders do vergelijking in z een aantal ip -f-1) gelijke wortels 0, die in x dus {p -[- 1) gelijke wortels a zoude hebben. Deze coëfficiënt verschilt slechts door een getallen-factor van F\'\\a), zoodat a geen wortel

-ocr page 95-

81

is van de vergelijking F\'\'{x) = 0. Hiermede is het gestelde bewezen.

§ 60. Stelling. Is a een wortel van de vergelijkingen

F{x)=:0 F\\x) = 0 F\\x)=0....

en geen wortel van de vergelijking Fp{x) = 0, zoo is a een p-voudige wortel van de vergelijking F{x) = 0.

Deze stelling, die als de omgekeerde van de voorgaande te be-schouwen is, kan op eene gebeel overeenkomstige wijze worden aangetoond. Uit het onderstelde volgt namelijk dat F{a) = F\'\'{a) = .... = Fr\'~\'(a) = 0 en F^ia) ^ 0, dat dus de p laatste termen van de vergelijking in 2 wegvallen. Deze vergelijking heeft dus p gelijke wortels 0, die in x derhalve p gelijke wortels a.

§ 61. De beide voorgaande stellingen kunnen echter eenigszins uitgebreid worden.

Stelling. Is a een p-voudige wortel van de vergelijking F{x) = 0, zoo is a een (p—\\)-voudige wortel van F\\x) = 0, een (p — 2)-vou-dige wortel van F^^x) — 0, en zoo vervolgens, eindelijk een enkelvoudige wortel van FF~\'(x) 0 en geen wortel van Fr(x) = 0.

Eeeds werd in § 59 gevonden, dat als a een p-voudige wortel is van de vergelijking F(x) = 0, a tevens een wortel is van de eerste (p—1) afgeleide vergelijkingen, dus F\'(a) = F2^) =.... = Fp~\'(a)=0.

Uit Fp~Xa) = Fp~\'(a) = 0 volgt echter, blijkens de in § 60 bewezen stelling, dat a een tweevoudige wortel is van de vergelijking Fp~\\x\') — 0. Uit F\'\'-3(a) = Fp-2(a) = F\'-\'ia) = 0, dat a een drievoudige wortel is van de vergelijking Fp~3(x) = 0, enz. Eindelijk uit F\\a) —F^la) = ....= Fp-\\a)=0, dat a een (p — l)-vou-dige wortel is van de vergelijking -?quot;(gt;\') = 0.

Ook de stelling van § 60 kan nu aldus worden uitgebreid:

Stelling. Is a een wortel van de vergelijkingen

F{x) = 0 F\\x) = 0 Frl{x) = Q....Fp-\\x)=^0

en geen wortel van de vergelijking F\'^x) — 0, zoo is a een p-voudige wortel van de eerste, een {p— V)-voudige wortel van de tweede dezer vergelijkingen, en zoo vervolgens; eindelijk een tweevoudige wortel van de vergelijking F^\'Xx) = 0, en een enkelvoudige wortel van de vergelijking Fp~x{x) = 0.

Voor het bewijs van deze stelling heeft men slechts de stelling van § 60 achtereenvolgens op F(x) en op elk der eerste {p—1) afgeleide functiën toe te passen.

lobatto. 6

-ocr page 96-

82

§ 62. Heeft de vergelijking T{x) = O één wortel a, twee gelijke wortels h, drie gelijke wortels c, enz. en eindelijk m gelijke wortels k, zoo kan men schrijven:

F(x)=(x — a) (x — b)1 (x — c)3.... (x — /lt;)quot;•

waarbij de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende de eenheid is ondersteld. Blijkens het voorgaande is voorts

-F\'Ctf) = ?,(») (x — i) (x — c)\'.... (x — /lt;)■quot;-\' ^(x) = ?2(x) (x — c) .................(x — /i)quot;quot;-\'

en zoo vervolgens. F(x) en F\'(x) hebben dus (x — 6) (x — c)2.... (x — /ij\'quot;quot;1 tot gemeenen deeler. Eveneens is (x — c)....(x — een gemeene deeler van F{x), F\\x) en F1{x).

Het valt bovendien niet moeilijk aan te toonen, dat {x — b) (x — c)a.... {x — de grootste gemeene deeler is van F{x) en m. a. w. dat 50,(2-j geen der factoren {x—a), {x b), (x—c),.... (amp; — zal bevatten. Was toch (x — a) een factor van p/x), a dus een wortel van !quot;(«) = 0 en ook van F(x) = 0, zoo zoude blijkens de stelling van § 60 a een tweevoudige wortel zijn dezer laatste vergelijking, wat tegen de gemaakte onderstelling strijdt. Eveneens zou, als (a: — 6) een factor van 50,(a;) was, 6 een tweevoudige wortel van F\'(x) = 0 en een drievoudige wortel van F(x) = 0 zijn. Geeft men door D, den grootsten gemeenen deeler van F(x) en F\'(x) aan, zoo is dus:

D^ix — b) (x — cf ..,.(x — h)m~1 F(x)

-^-=(x—a) (x—6) (x—c)....(x — i).

Wil men rekening houden met het geval, dat de vergelijking meer dan één enkelvoudigen, twee-, drie- ....m-voudigen wortel heeft, zoo kan men als a,, a2,.... ak de enkelvoudige wortels zr\'n (ar — a,) (x — öa).... (x — ak) = Pt stellen; eveneens door P2 voorstellen het product der eerste-machts factoren, die tweemaal voorkomen, door Pm het product dezer factoren, die m maal in F(x) optreden.

Daardoor wordt:

F{x) = Pi.P.l\\P3\\...Pnr 2). =P1.P*....Pmquot;-\'

F(x)

v / = p p p p jy — i ■ 1 • J 3 •••• .

-ocr page 97-

83

En hiermede is een middel gevonden, om uit de gegeven vergelijking eene andere af te leiden, die alle wortels der eerste vergelijking, elk slechts eenmaal genomen, bevat. Men berekene daartoe den grootsten gemeenen deeler van F(x) en F\'(x), en stelle gelijk nul het quotiënt van l\\x) door dezen deeler.

§ 63. Men kan echter nog verder gaan; het is namelijk mogelijk de vormen F,, F2.....Pm afzonderlijk te berekenen.

Stelt men door Zgt;2 voor den grootsten gemeenen deeler van D, en van de afgeleide van D,, zoo vindt men:

D2 = F3.F* ....Fmm-\\

Voorts door Igt;3 aangevende den grootsten gemeenen deeler van B2 en van de afgeleide van 1)2 en zoo vervolgens:

Igt;1 = Fi.P*....Pmm-s

PJ

— Pm •

Verder vindt men;

— — PP F D ~ 2\' 3quot;quot; quot;*

~ = P F F

- ƒ) 1}

j\\ m— 1 m

m— 1

- 1 ~ P m gt;

waaruit men afleidt:

D, • D,

p = ^ 2_ B, \' -D ,

F

m — 1- t\\ nt

m -1

P.n=Dm_t.

De vergelijking P, = 0 bevat nu de enkelvoudige wortels der gegeven vergelijking, P2=0 de tweevoudige wortels, elk een-

6*

-ocr page 98-

84

maal genomen, en zoo vervolgens, Pm = 0 bevat eindelijk de TO-voudige wortels, elk eenmaal.

Past men bijv. deze methode toe op de vergelijking

T{x) = xt -1- lxh -f- 12a;4— Ua3— 59a;1— 57a\'—18 = 0

zoo vindt men;

F\\x) = 6xs 35a;4 48a;3 — 42^ — 118a\' — 57 A = a;3 5a;s4-7a; 3 Da = a; 4-1.

D,

V,

D.

Voorts:

J\'\'^=x\' 2xï — rjx-

~ =** 4x 3

en eindelijk:

F(x) 7),

P, =-^ : ~ =x—2

. A A P2 = g :D2 = X S P, = D2 =a l

Voor F(x) kan dus geschreven worden (x — 2) (a; -j- 3)2 (a; -{- l)3; de gegeven vergelijking heeft één wortel 2, twee gelijke wortels — 3, en drie gelijke wortels — 1.

§ 64. Naar aanleiding van het voorgaande kunnen nog een paar belangrijke opmerkingen gemaakt worden. Men merke vooreerst op, dat de deelingen, die achtereenvolgens moeten worden uitgevoerd, allen verricht kunnen worden zonder eene rest achter te laten. Voorts is het uit den aard der berekening duidelijk dat, als de hoogste macht van de onbekende in F(x) de eenheid tot coëfficiënt heeft, de vormen D en ook de vormen P slechts ge-heele coëfficiënten zullen vertoonen. De enkelvoudige wortels, en eveneens de tweevoudige, de drievoudige en zoo vervolgens, worden dus bepaald door eene vergelijking met geheele coëfficiënten. Hieruit volgt onmiddellijk:

Als a de eenige m-voudige icortel eener vergelijking is, zoo is a een meetbaar getal.

In dit goval toch wordt a bepaald door eene vergelijking van den eersten graad. Zijn er twee w-voudige wortels aanwezig, zoo

-ocr page 99-

85

worden deze gevonden door oplossing eener vierkantsvergelijking. Van elke vergelijking, die niet meer dan twee wortels heeft, welke evenveel malen voorkomen, kunnen dus de wortels door directe oplossing gevonden worden. Eindelijk kan men nog opmerken, dat als (a-f-è]/quot;—1) een wortel is van eene der vergelijkingen Pi.= 0, (a hy—1) een wortel zal zijn van deze zelfde vergelijking. Is dus {a-\\- 6 ]/ — 1) een fc-voudige wortel van de vergelijking F(x) = 0, zoo zal ook (a — i 1/— 1) een X\'-voudige wortel zijn.

§ 65. Uit het in paragraaf 63 behandelde voorbeeld kan men zien, dat het bepalen van den grootsten gemeenen deeler van F(x) en F\\x) reeds spoedig tot zeer omslachtige becijferingen aanleiding geeft. Het is daarom niet van belang ontbloot op te merken, dat bij vergelijkingen van lageren dan den zesden graad de gelijke wortels gevonden kunnen worden, zonder dat het noodig is dezen grootsten gemeenen deeler te bepalen.

Beschouwt men vooreerst de vergelijking van den derden graad, zoo is het duidelijk dat, wanneer deze twee gelijke wortels a en een wortel b heeft, zoowel a als b meetbare getallen zullen zijn, en dus gevonden kunnen worden op de wijze als in den aanvang van deze les is besproken. Ditzelfde geldt voor het geval van drie gelijke wortels a.

Bij de vergelijking van den vierden graad kunnen onmeetbare of onbestaanbare gelijke wortels slechts voorkomen in het geval, dat twee paar gelijke wortels aanwezig zijn, in welk geval het eerste lid der gegeven vergelijking

I{x) =x4-\\- JjX* -f- 4quot; ^ -j- ^, = 0 het vierkant zal zijn van een vorm van den tweeden graad

x1 ar -\\- ft.

Door de coëfficiënten in F{x) gelijk te stellen aan de overeenkomstige coëfficiënten in {xl -j- ax -|- §f, vindt men

24,

A

4 =

Wordt aan deze beide betrekkingen voldaan, zoo is F{x) het

A A

vierkant van {x1 -\\-ax fi), waarin aen P==^J\' en

de gegeven vergelijking twee paar gelijke wortels, welke gevonden worden uit de vergelijking

a;quot; -j- aa; /3 = 0.

^ -él Ai - A?

-ocr page 100-

86

Wordt daarentegen aan de beide bovenstaande betrekkingen niet voldaan, zoo kan de gegeven vergelijking geene andere dan meetbare gelijke wortels hebben, welke op de bekende wijze gevonden worden.

Ook bij de vergelijking van den vijfden graad kunnen slechts in één geval onmeetbare of onbestaanbare gelijke wortels voorkomen, nl. als de vergelijking twee wortels a, twee wortels h en één wortel c heeft, voor het eerste lid dus geschreven kan worden

F(x) = (x — af (x — hf (« — c).

Hier komen 2 tweevoudige wortels a en 5 voor; deze kunnen volgens het in de voorgaande paragraaf besprokene dus onmeetbaar of onbestaanbaar zijn. De derde wortel c moet echter meetbaar zijn. Eene vergelijking van den vijfden graad, die geen meetbaren wortel heeft, heeft dus ook geene gelijke wortels. Vindt men een meetbaren wortel c, zoo onderzoeke men of het T{x)

quotiënt 7—een volkomen vierkant is.

O — c)

In alle andere gevallen, in het geval namelijk van een twee-voudigen, of van een drievoudigen, of eindelijk van een twee- en een drievoudigen wortel, zullen de gelijke wortels steeds meetbaar zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal de gelijke wortels van de vergelijking

I\\x) = xe — 6x\'B 12x4 — Ba:3 — 12^ — 4 = 0.

Past men de methode van § 63 toe, zoo wordt gevonden

.Di = x\' — ix2 5a; — 2 Z)a = a: — 1

Pi = x 1 P% = x — 2 P3^ x — 1.

Antw. F{x) = (a: 1) (a; — 2)2 (x — l)8.

2. Bepaal de gelijke wortels van de vergelijking

P(x) = x\' 2a:8 — 9a;a — 10a: 25 = 0.

De vergelijking blijkt geene meetbare wortels te bezitten. Men onderzoeke dus of P(x) een volkomen vierkant is. Dit blijkt het geval te zijn.

Antw. JFtx) = (xa x — 5)a.

3. Heeft de vergelijking

^X-x) = x5 — 6x\' — 10a:8 a:J -t- 7a; — 1 = 0

gelijke wortels?

-ocr page 101-

87

Antw. De vergelijking heeft geene meetbare wortels, en kan dus ook geene

gelijke wortels hebben.

i. Bepaal de gelijke wortels van de vergelijking

jn(x) = a:5 — 2x* — 9x\' 2^ 9.C — 4 = 0.

De vergelijking blijkt een meetbaren wortel 4 te hebben. Om na te gaan of er onmeetbare of onbestaanbare gelijke wortels aanwezig zijn, onderzoeke Fix)

men voorts of —-—- een volkomen vierkant is.

oc—4

Antw. tXx) = (x — 4) {x\' x — 1)\'.

5. In welk geval zal F{x) F\'i.r) tot deeler hebben?

6. Als IXx) en geheele functiën van x zijn, en a een dubbele wortel is van de vergelijking

Fix) k lt;p(x) ~ 0

waarin k een getal voorstelt, zoo voldoet a tevens aan de vergelijking F(x) lt;p\'(x) — F\'(x) lt;p(x) = 0.

NEGENDE LES.

theorema van sturm.

§ 66. Uit de aandachtige beschouwing van het in de vijfde les gegeven theorema van Budan heeft men kunnen opmerken, dat het verschil in variatiën van de rijen

F(a),

F\'(S) JF\'Ci) Iquot;(6) F{b)

alleen daarom niet altijd overeenstemt met het aantal wortels, dat de vergelijking F(x) = 0 tusschen a en i bezit, omdat het gebeuren kan, dat als voor eenige waarde van x eene der functiën nul wordt, bijv. F\'ix), de voorafgaande en de volgende term, Fr*\\x) en Fr-\\x), hetzelfde teeken verkrijgen, of ook dat voor eenige waarde van x twee of meer opvolgende termen in het midden nul worden, in welke beide gevallen variatiën in het midden verloren gaan. Was men verzekerd, dat de twee genoemde omstandigheden zich niet zouden voordoen, zoo zou het verschil in variatiën van de bovenstaande rijen juist overeenstemmen met het aantal der tusschen a en i gelegen wortels.

Het is aan Stukm gelukt, uit F{x) eene rij functiën af te lei-

-ocr page 102-

88

den, zoodanig dat als een der termen dezer rij nul wordt, dit steeds gebeurt tusschen twee andere termen, die verschillende teekens vertoonen, en dat nooit twee of meer termen in het midden voor eene zelfde waarde van x verdwijnen. Hierdoor heeft Stürm een middel gevonden, om het aantal bestaanbare wortels tusschen twee gegeven getallen gelegen met zekerheid te bepalen, welk middel wordt uitgedrukt door het volgend theorema, dat zijn naam draagt.

Zij F(x) = X het eerste lid eener n-de machtsvergelijking, die geen gelijke wortels heeft, en zij Fi(x) = Xi. Men deele X door X,, en noeme X, de rest der deeling met omgekeerd teek en genomen, zoodat men heeft:

X= P, X, — Xv Men vorme evenzoo de vergelijkingen:

X=P2X2 — X3,

X2=P3X3 — x^,

X^^P^X^ — X,,

op de wijze van het zoeken van den grootsten gemeenen deeler tusschen de functiën X en Xt, maar waarlij het teeken van elke rest veranderd wordt, en deze veranderde rest als nieuwe deeler gebruikt wordt.

Laat nu de rij functiën

X X, X,....Xn_, Xn

voor x=p vertoonen F, variatiën, en voor x = q {q gt; p) een aantal V2 variatiën hebben, zoo zal F, — V2 het aantal wortels zijn, dal = 0 tusschen p en q bezit.

§ 67. Voor wij tot het betoog dezer stelling overgaan, merken wij op, dat in het algemeen X2 eene functie van den (n— 2)den graad, X3 eene functie van den (n — 3)den graad enz., en XB een getal zijn zal; een getal, omdat men ondersteld heeft, dat de vergelijking F(x) = 0 geene gelijke wortels heeft, en er dus geene functie van x als gemeene deeler van X en X, bestaat. De functiën Pt, P2 enz. zullen in het algemeen van den eersten graad zijn.

Evenals in de vijfde les is opgemerkt voor de functiënrij, die in het theorema van Budan optreedt, zal ook in de rij der SxuKM\'sche functiën:

X X, Xj ...x„_I X.

-ocr page 103-

89

bij substitutie van alle waarden tusschen x =p en x q^ eene verandering in het aantal der in deze rij voorkomende variatiën zich slechts kunnen voordoen voor eene waarde van x, die eene der functiën nul maakt. Merkt men op, dat X„ een getal is, dat van nul verschilt, en dus voor elke waarde van x hetzelfde teeken behoudt, zoo blijken twee gevallen beschouwd te moeten worden; het nul worden van eene der functiën X, X2.... Xn_1, en het nul worden der eerste functie X.

Gaat men nu in de eerste plaats na, wat er gebeurt, als eene der functiën in het midden X, X2.... X„_, nul wordt. Men merke daartoe op, dat voor geene enkele waarde van x twee op elkander volgende functiën tegelijk nul kunnen worden. Want was dit bijv. het geval met X6 en X,, zoo zou daar

X5 = P6Xa —X,

ook X5 nul worden, eveneens X4 enz.....X,, en eindelijk ook X

nul zijn, en daar X, de afgeleide van X is, de vergelijking X= 0 gelijke wortels hebben.

Is nu voor x~a eene der functiën nul, bijv. X6, zoo blijkt uit bovenstaande vergelijking, dat voor dezelfde waarde van x

Xj = — X,

zijn zal, zoodat er alleen termen nul kunnen zijn tusschen twee andere met ongelijke teekens.

Men heeft derhalve in zulk een geval óf deze teekens:

X5 X6 X,

x — a — J -j- —

x =a -|- O —

x = a-\\-d -j- —

óf, als X5 voor x = a negatief is:

X5 X6 X,

x = a — S — -|-x—a — ^

x = a-\\-S —

Wat nu de teekens van X6 ook mogen zijn voor x = a S en x = a-\\-3J zoo is het duidelijk dat in beide rijen van X5 tot X, eene variatie blijven zal, en dus geene verandering in het aantal varia-

-ocr page 104-

90

tiën ontstaan zal door het nul worden van X6 of van eene der andere functiën X,, Xa....X„_1.

Eindelijk moet nog beschouwd worden het geval, dat X of -f(^) voor eene waarde x = a nul wordt, in welk geval a een wortel der vergelijking is. Daar de vergelijking ondersteld wordt geene gelijke wortels te bezitten, is voor x — a X, — F\\x) ongelijk nul. In de vijfde les werd reeds betoogd dat, als x = a een wortel der vergelijking is. X en Xt voor x = a 3 eene variatie en voor x = a-\\-d eene permanentie van teeken zullen vertoonen, zoodat de rij der SiuEM\'sche functiën bij het passeeren van eiken wortel a eene variatie verliest. En daar dit gebleken is de eenige oorzaak van verandering in het aantal der variatiën te zijn, zoo is hiermede het theorema bewezen.

§ 68. Om nu het geheele aantal bestaanbare wortels van de vergelijking X=0 te leeren kennen, behoeft men slechts p = —oo en y = -j- 00 te stellen. Het aantal onbestaanbare wortels wordt daardoor ook bekend, terwijl, doordien deze substitutiën aan de functiën het teeken geven, dat de term met de hoogste macht van x in elke functie verkrijgt, men voor het aantal onbestaanbare wortels nog den volgenden regel kan geven:

Indien élk der functiën X X,.... Xn van één graad lager is dan de onmiddellijk voorafgaande, zal het aantal paren onbestaanbare wortels overeenkomen met het aantal variatiën in de teekens der coëfficiënten van de hoogste machten van x in deze functiën.

Want is i dit aantal variatiën, zoo zal voor a: =-)-oo de rij functiën ook i variatiën opleveren. Stelt men daarentegen a:= — co | zoo zal van twee opeenvolgende termen in de rij der SïüRM\'sche functiën de een het teeken van den coëfficiënt van de hoogste macht van x behouden, terwijl de ander het omgekeerde teeken zal verkrijgen. Elke variatie gaat dus over in eene permanentie, en omgekeerd elke permanentie in eene variatie. De i variatiën gaan dus voor x = — oo in permanentiën over, zoodat het aantal variatiën in deze rij n — i bedraagt. Derhalve is «— 2i het aantal bestaanbare wortels en zijn er 2i onbestaanbare.

Zijn er minder dan n-\\-l functiën X X, X2 enz., zoo heeft men zeker onbestaanbare wortels, daar dan voor x = — oo geen n variatiën mogelijk zijn, en men zou ook daarop betrekking hebbende regels kunnen opmaken. Liever dan dit te doen, merken wij op, dat uit het voorgaande blijkt, dat alleen dan alle wortels van de wde machtsvergelijking bestaanbaar zullen zijn als:

1°. het aantal functiën XX, X, enz. n -j- 1 bedraagt;

-ocr page 105-

91

2°. de coëfficiënten der hoogste machten van x in deze func-tiën allen positief zijn.

§ 69. Men zal gemakkelijk inzien, dat de berekening der opvolgende hulpfunctiën, waartoe dezelfde bewerking vereischt wordt, als bij het zoeken van den grootsten gemeenen dealer van twee geheele, rationale functiën, des te omslachtiger zal worden, naarmate de macht der vergelijking hooger is. Dat bezwaar zal zich vooral doen gevoelen bij het bepalen der laatste functiën, waartoe meestal berekeningen met vrij groote getallen vereischt worden. Gelukkigerwijs bezitten de bedoelde functiën eenige eigenschappen, met behulp waarvan men het hier aangewezen bezwaar in sommige gevallen zoo niet geheel, althans grootendeels kan opheffen. Wij zullen uit dien hoofde in eenige nadere ontwikkelingen te dezen aanzien treden, alvorens tot de toepassing van het theorema op bijzondere voorbeelden over te gaan.

In de eerste plaats merken wij op, dat het onderzoek naar het teeken van het laatst overblijvende getal X,, waarmede de rij der hulpfunctiën besloten wordt, en welks bepaling het meest omslachtige gedeelte der berekening uitmaakt, door de navolgende beschouwing aanmerkelijk kan vereenvoudigd worden.

De vergelijking

waarin Xn_l van den vorm ax -j- b, en A\'„_a van den vorm Ax* -)- Bx -|- C is, leert ons namelijk dat voor x=--, waardoor

X,_1 = 0 wordt, de functie Z,_2 het tegengestelde teeken verkrijgt van het getal X,. Men behoeft alzoo de bewerking nimmer verder dan tot de functie Xn_1 van den eersten graad voort te zetten, om spoedig het teeken van X„ te leeren kennen. Immers, de substitutie van x = — — in de functie Xn_2 zal meestal op het oog kun-a

nen doen beslissen, welk teeken die functie hierdoor bekomt; het tegengestelde teeken behoort alsdan aan X„.

§ 70. De navolgende eigenschap kan dikwerf met vrucht toegepast worden, om het berekenen van eenige der laatste functiën overtollig te maken.

Indien eenige functie Xr van dien aard is, dat zij voor alle waarden van x, iusschen p en q gelegen, hetzelfde teeken behoudt, zal men de rij der hulpfunctiën bij Xr kunnen afbreken, en het verschil in variatién, welke die verkorte rij voor x=p en voor x = q oplevert,

-ocr page 106-

92

zal alsdan insgelijks het aantal der tusschen die grenzen gelegen bestaanbare wortels aangeven.

De waarheid dezer stelling zal spoedig blijken, door slechts op te merken, /lat aangezien de functie XT ondersteld wordt voor geene waarde van x, tusschen p en 5 gelegen, te verdwijnen, de rij

ingevolge het hiervoren betoogde, hetzelfde aantal variatiën voor x—p als voor x = q zal moeten opleveren. De volledige functiën-rij zal derhalve, bij den overgang van x=p tot x = q, evenveel variatiën verliezen als de afgebroken rij.

De hier aangenomen onderstelling ten aanzien der functie Xr zegt, dat de vergelijking Jr= 0 geene bestaanbare wortels heeft tusschen p en q. Heeft deze vergelijking slechts onbestaanbare wortels, zoo kan de verkorte functiënrij niet alleen tusschen de grenzen p en q, maar voor de bepaling van alle bestaanbare wortels gebruikt worden. Is Xr eene functie van den vorm Ax2 BxG, dan zal bovenstaande regel toegepast kunnen worden, als het blijkt dat B^cAAC is.

§ 71. Wij zullen thans tot nadere opheldering van het theorema van Sturm eenige toepassingen laten volgen.

1°. Zij gegeven de vergelijking

Z=a:3 — 5x2-f 8a: — 8 = 0.

Men heeft alsdan:

X.sSa;1—lOx-fS.

De bewerking tot het vinden der functie X.L is naar de gewone handelwijze de volgende. Het is hierbij geoorloofd, ter vermijding van gebroken getallen, eene functie, die als deeltal voorkomt, met een getallenfactor te vermenigvuldigen, en ook eene functie, die als rest of deeler voorkomt, door een getallenfactor te deelen, mits deze factor steeds positief zij, teneinde geene veranderingen in de tee-kens der hulpfunctiën te veroorzaken.

3a:3—-15^ 24« —

24

3a:2—10a: 8

3a:3 — 10a;2 -f- 8a:

X

— 5a:1-j-16a: —

24

__15a:l-f 48a: —

72

3a:2—10a;-|-8

—15a:J-l-50a:—

40

— 5

— 2x— 32 Xa = a;-t-16.

-ocr page 107-

93

Om nu, zonder verdere deelingen te verrichten, het teeken van X3 te bepalen, heeft men slechts in X,, ingevolge § 69, x= — 16 te suhstitueeren, waardoor J, blijkbaar eene positieve waarde ver-krijgt. Het teeken van X, is derhalve negatief.

De rij der functiën is thans:

X =x3 — 5a:2 -|- 8a; — 8 X, = 3a;2 — 10a; 8 X2 = a; 16 X3=-.

De voorste termen dezer functiën vertoonen ééne variatie. De vergelijking heeft mitsdien één paar onbestaanbare wortels en slechts één bestaanbaren, welke blijkens het negatieve teeken van den laatsten term positief zal zijn. De grenzen van dien wortel zijn gemakkelijk te bepalen. Men vindt namelijk dat de functie X voor x = 3 negatief en voor a: = 4 positief wordt. De positieve wortel ligt alzoo tusschen 3 en 4.

2°. Zij gegeven de vergelijking

dus

X = 4a:3 27a;2 18a;- 41 = 0, X, EE 12a*-f-54a:-f 18,

waarvoor men, uithoofde van de deelbaarheid der coëfficiënten door 6, ook schrijven mag;

X, EE 2a;2-f 9a; 3.

Hieruit vindt men volgens de gewone handelwijze X2=57r 109-Voor x=— 1S(V=—wordt X, blijkbaar negatief; dus zal X3 positief zijn.

Daar nu de voorste termen der rij

X X, X2 X3

allen positief zijn, besluit men hieruit tot de bestaanbaarheid van alle drie de wortels der vergelijking.

Voorts vindt men:

voor a; = — 00

„ a; = 0 » a; = 00

-ocr page 108-

94

De vergelijking heeft mitsdien een positieven en twee negatieve wortels, evenals zulks ook door toepassing van den regel van Descartes wordt gevonden, waarbij echter twijfel omtrent de aanwezigheid der beide negatieve wortels overblijft. Wat de grenzen dezer wortels betreft, zoo blijkt dadelijk, dat voor a1 = 1 Zgt; 0 is. Er ligt derhalve een wortel tusschen 0 en 1. Stelt men vervolgens x = — 1, —2 enz., zoo zal men voor de teekens der Sii\'rm\'sche functiën vinden:

X X, X2 X,

x= 0

-

1

var.

x =—1

1

tt

x = — 2

----1-

1

x= — 3

2

it

x = — 4

_}---

2

a

x — — 5

-

2

ff

x = — 6

- -

3

ff

Hieruit volgt, dat een der negatieve

wortels ligt tusschen

en — 3, en de andere tusschen — 5 en — 6. 3°. Zij gegeven de vergelijking

Xe= a:3 -f 15a:2 -f 75a.-- -12 = 0,

waaruit men vindt:

X, = 8*quot; 80*-1-75,

ofwel Z, es*quot; 10*-1-25

en X2=113.

Daar de derde functie X2 hier twee machten lager dan de tweede is, kunnen de wortels niet allen bestaanbaar zijn. Blijkens het teeken van den laatsten term in X zal de eenige bestaanbare wortel negatief zijn; deze blijkt te liggen tusschen — 1 en 0.

4°. Nemen wij thans nog de navolgende vierde-machtsvergelij-king:

X = a;4 — 4a:3 — 5 7a;a 71 a; — 25 = 0, dus X1 = 4a:3 —12a:2—114a: 71.

Op de gewone wijze te werk gaande, heeft men de navolgende bewerkingen:

-ocr page 109-

95

4X s 4a:4 — 16a;3 — 228^ -f 284ar —100 a:X1 = 4a;4—]2a:s—114^-|- 7Lr

_ 4x3—114ar1 213ar—100 — 4a:3 12X2 4-114^— 71

— 126a:2-f- 99a:— 29 X2= 126a:2— 99x4-

Hier doet zich tet geval voor, dat in § 70 besproken werd. Daar 992lt;4.126. 29, zoo heeft de vergelijking X, = 0 slechts onbestaanbare wortels, en kan de functiënrij dus bij X2 worden afgebroken. Voor de teekens der functiën X, X, en Xa vindt men:

X X,

x = — co 4- — 4quot; ^ var.

x— o — -(-4quot; i»

quot;■■=4quot;00 0 ..

waaruit men tot de aanwezigheid van 1 negatieven, 1 positieven en 2 onbestaanbare wortels besluit. De negatieve wortel zal blijken tusschen — 7 en — 6, de positieve tusschen 4-9 en -|-10 te liggen.

§ 72. Beschouwen wij nog de volgende derde-machtsvergelijking:

X=a:3 4-i^ 4quot; = 0.

zoo heeft men

X, = 3a:24-^

X2 = —2px — 3q,

waaruit al dadelijk blijkt dat, als p positief is, de vergelijking een paar onbestaanbare wortels zal hebben, hetgeen bovendien hieruit op te maken is, dat de ontbrekende term zich alsdan tusschen twee andere met gelijke teekens bevindt. Is echter p negatief, dan zal het al of niet aanwezig zijn van onbestaanbare wortels van het teeken van X, afhangen. Ter bepaling van dat teeken heeft men, door

3o

X2 — 0 te stellen, z = — —, en deze waarde in X, substituee-

2p

rende, komt er:

^ 27?\' 27?\' 4?\' \' 4/gt;\' ^ 4f

^_27g2 V 4p

-ocr page 110-

96

Tot de bestaanbaarheid der drie wortels wordt dus gevorderd dat

V 27?2lt;0,

of (^)3 (i?)2lt;0

zij, hetgeen alleen mogelijk is, ingeval p negatief is.

Schrijft men voor de gegeven vergelijking

a;3px -J- 5 = 0

zoo vindt men, dat voor de bestaanbaarheid der drie wortels gevorderd wordt, dat

evenals ook in eene volgende les zal worden gevonden. Is

zoo heeft de vergelijking 2 onbestaanbare wortels en 1 bestaanbaren, waarvan het teeken tegengesteld is aan dat van q. Ts eindelijk

(ilt;?)2 = (iP)3 zoo heeft de vergelijking twee gelijke wortels.

Aldus heeft de vergelijking

a;\'—15a: 8 = 0 drie bestaanbare wortels, vermits

42lt;53 is.

§ 73. Gaat men het betoog, dat van het theorema van Sturm is gegeven, aandachtig na, zoo ziet men gemakkelijk in, dat in dit theorema de functiën X,, X2....X,, zooals deze hierboven bepaald zijn, vervangen mogen worden door andere functiën F,, Fj.... F„, mits de functiënrij

X F. Fj.... Vm_t Vm Fm 1.... F,

aan de volgende voorwaarden voldoe:

1. Twee opeenvolgende functiën Vm en Fm 1 worden niet nul voor eenzelfde waarde van x;

2. Als voor eene waarde van x de functie Vm nul wordt, verkrijgen de voorafgaande en de volgende functie, Fm_1 en Fm , tegengestelde teekens;

3. De laatste functie Fn behoudt voor elke waarde van x hetzelfde teeken;

-ocr page 111-

97

4. Als a een wortol van de vergelijking X= 0 is, vormen de teekens van X en Ft voor x = a S eene variatie en voor x — a-\\-S eene permanentie, waarbij lt;J eene zeer kleine grootheid voorstelt.

Wordt aan deze vier voorwaarden voldaan, zoo kan men op gelieel dezelfde wijze, als voor de rij der Sturm\'sche functiën is geschied, aantoonen, dat het aantal der bestaanbare wortels van de vergelijking X= 0, gelegen tusschen de grenzen x =p en x=q, overeenstemt met het aantal variatiën van teeken, dat de bovenstaande functiënrij voor x = p meer vertoont dan voor x = q, waarbij p is ondersteld. Ook de verdere gevolgtrekkingen, die uit het theorema van Sturm zijn afgeleid, blijven hier geldig. Past men het theorema slechts tusschen de grenzen x — p en x ~ q toe, zoo is het voldoende, dat aan de bovengenoemde vier voorwaarden door de functiën V tusschen deze zelfde grenzen voldaan wordt.

§ 74. Als toepassing van de uitbreiding, die inde voorgaande paragraaf aan het theorema van Sturm is gegeven, moge nu onderzocht worden, of dit theorema ook dan nog geldt als de vergelijking X — 0 gelijke wortels heeft. De functiën X en X, hebben alsdan een grootsten gemeenen deeler Xk, die voor eiken ;?-vou-digen wortel a den factor (x — a)pquot;\' bevat. Bepaalt men ook hier, op de wijze als in § 6G werd aangegeven, de rij der Sturm\'scIic functiën

X X. X4.......I

zoo vindt men voor de laatste dezer functiën den grootsten gemeenen deeler Xk. Deze is niet alleen een deeler van X en X, maar ook van de overige functiën X2.... Xk_t. Deelt men de bovenstaande functiënrij door X4., zoo vindt men eene nieuwe rij

F F, V2.... Fk_l rk......II

X X

waarin V = — , enz. Men merke op, dat Fk=l, en

Xk •Ai-

dat de vergelijking F = 0 dezelfde wortels heeft als de vergelijking A\'=0, eiken meervoudigen wortel slechts eenmaal genomen. De functiën nu, die in de rij II voorkomen, voldoen aan de vier voorwaarden, die in de voorgaande paragraaf zijn genoemd;

1. Uit X, .ESP X —X,,,,.

m -1 nt in f i

yolcrt .:==z P V - T/r ,,

v r m _ 1 -x m m //« 1 »

waaruit zich af laat leiden, dat Fm _, en Fm niet gelijktijdig lob.vtto. 7

-ocr page 112-

98

nul kunnen zijn. Uit Vm i= Vm = O toch zon volgen Fm 1 = 0, eveneens Vm 2 = 0 en eindelijk Vk = 0, hetgeen strijdt met Vk= 1.

2. Voor eene waarde van x, die nul maakt, geeft bovenstaande betrekking

f - _tt

m — 1 m f 1

zoodat als eene functie F nul wordt, de voorafgaande en de volgende functie tegengesteld teeken bezitten.

3. De laatste functie Vk is gelijk 1 en behoudt dus voor elke waarde van x hetzelfde teeken.

X F

4. Men heeft —- =

x, r,

Daar nu, a een wortel van de vergelijkingen Z = 0 en V —0 zijnde, X en X, voor x=a — verschillend teeken en voor ,r =« -]- \'J hetzelfde teeken verkrijgen, zoo geldt ditzelfde ook voor F en F,.

Hieruit blijkt, dat op de rij II het theorema van Sturm raag worden toegepast, en het aantal bestaanbare wortels van de vergelijking F~0 tusschen do grenzen x = p en x = q overeenkomt met het aantal variatiën, dat de rij II voor x = p meer vertoont dan voor -v = q. De rij I geeft echter voor elke waarde van x evenveel variatiën als de rij II, terwijl de wortels van de vergelijking F=0 overeenstemmen met de wortels van de vergelijking X= 0, als van deze laatste elke meervoudige wortel slechts eenmaal wordt geteld. Hieruit besluit men, dat het aantal variatiën, dat de rij I tusschen x = p en x = q verliest, het aantal verschillende wortels van de vergelijking X = 0 tusschen deze grenzen aangeeft. Derhalve

Oo/j tn het geval van gelijke wortels is het theorema van Sturm van toepassing, waarhij echter elke meervoudige wortel slechts eenmaal geteld wordt.

§ 75. Tot toelichting van het voorgaande moge het volgende voorbeeld strekken. Zij gegeven de vergelijking

A\'= xquot; — a;3 a-2 — 3a- 2 = 0.

Men vindt hier

4a;3 3x2 -\\-2x — 3 X=— 5a\'2-f 34.r —29 X3 = —ar-f 1.

-ocr page 113-

99

Daar X, door X3 zonder overschot deelbaar is, zoo eindigt de rij der SxuRM\'sche functiën hier met X,, waaruit de aanwezigheid van gelijke wortels blijkt. Door in de rij functiën achtereenvolgens voor x —oo en -j-oo te stellen, vindt men:

X X, X2 X3

x = — 00 -|----f- 2 var.

tf = -t-co -|--1--- 1„

Hieruit blijkt dat, als men eiken meervoudigen wortel als één wortel in rekening brengt, de gegeven vergelijking slechts één bestaanbaren wortel heeft. Deze wordt gevonden door X3 = O te stellen, en is een tweevoudige wortel. De beide overige wortels zijn onbestaanbaar. Voor X kan geschreven worden

O—l)2 (V-f x 2).

TOEPASSINGEN.

1. Pas het theorema Tan Sturm toe op de vergelijking

A\'= a:3 2.V2 — 3.r 2 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 negatieven en 2 onbestaanbare wortels.

2. Hetzelfde voor de vergelijking

X= x3 — 5a:2 9jr — 1 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 positieven en 2 onbestaanbare wortels. Men merke op, dat de vergelijking Xi = 0 slechts onbestaanbare wortels heeft, A\', dus voor elke waarde van x hetzelfde teeken behoudt, zoodat de rij der siuem\'sche functiën bij X, kan worden afgebroken.

3. Hetzelfde voor de vergelijking

A\'= a;J — 3.r2 30.r — 88 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 positieven, 1 negatieven, en 2 onbestaanbare wortels. De functiënrij kan bij A\'o worden afgebroken.

4. Hetzelfde voor de vergelijking

X=xe — GxB 40.r3 — 6,c — 24 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 positieven, 1 negatieven en 4 onbestaanbare wortels. De functiënrij kan bij Xs worden afgebroken.

5. Hetzelfde voor de vergelijking

X= xquot; 3.«° — Sa?4 — 2,c3 — 5a;a x — 1 = 0.

Antw. De vergelijking heeft 1 positieven, 1 negatieven en 4 onbestaanbare wortels. Daar A\'o = 27a,\'4 34.r2 4-11 voor alle waarden van a; hetzelfde teeken behoudt, kan de rij der STüRM\'sche functiën bij Xs worden afgebroken.

C. Hetzelfde voor de vergelijking

X = a\'4 — G.v- — 8a; — 3 = 0.

-ocr page 114-

100

Antw. De vergelijking heeft 2 verscliillende wortels, waarvan de een driemaal voorkomt.

7. Hetzelfde voor de vergelijking

X = it!5 ö,.;\' a.:3 13. c1 8.r 12 = 0.

Antw. Do vergelijking heeft 3 verschillende wortels, waarvan 2 elk tweemaal voorkomen.

8. Als voor de vierde-machtsvergelyking X—0 de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende in A\'a en in -A\'s respectievelijk de teekens — en hebben, zoo heeft het getal A\'4 noodwendig het teeken , en zijn alle wor. tels der vergelijking onbestaanbaar.

9. Als voor de vijfde-machtsvergelijking X = 0 de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende in A\'a en in A\'o respectievelijk de teekens — en hebben, zoo is deze coëfficiënt in A\', en ook het getal A\'s noodzakelijk positief, terwijl de vergelijking i onbestaanbare wortels heeft.

10. Pas het theorema van Stuem toe op de vergelijking

A = x\'\' nax (« — 1) 6 = 0,

waarin a een positief getal is.

Antw. Men vindt, als n even is,

voor aquot; gt; hquot;\'1 2 ongelijke bestaanbare en h — 2 onbestaanbare wortels „ nquot; = /)quot; ~1 2 gelijke „nu * »

„ fflquot; lt; iquot;-1 «

En, als « oneven is, steeds 1 bestaanbaren en « — 1 „

11. Pas het theorema van Stuem toe op de vergelijking

X = xquot; — nax {« — 1) i = 0,

waarin a een positief getal is.

Antw. Men vindt, als n even is, dezelfde uitkomst als in het voorgaande vraagstuk; en, als n oneven is,

voor nquot; gt; i»-1 3 ongelijke bestaanbare en n—3 onbestaanbare wortels „ aquot; =: bn~1 3 bestaanbare, waarvan 2 gelijke, enn—3 „ „

„ «» lt; Jquot;-1 1 bestaanbaren en n — 1 „ „.

12. Bepaal het aantal bestaanbare wortels van de vergelijking

A = a;quot; nctxn~1 i = 0.

Men stelle x = - , en passé het theorema van Stürm toe op de vergelij-

y

king in y.

, 1

13. Stelt men x --= 1/

x

a-» — = F„

x

zoo kan als eene geheele functie van den XJ\'-11 graad in y worden uitgedrukt. Men heeft nl.

-ocr page 115-

101

To = 2 T, = ,\'/

Ta = //a - 2 Ta = I/3 — 3//

enz.

terwijl drie opeenvulgenJe functiën V voldoen aan de betrekking Ti- = Vt T,_2.

Men vraagt aan te toonen, dat de vergeljiking Vu = 0 ;i ongelijke, bestaanbare wortels heeft, welke liggen tusschen — 2 en 2.

Men bemerke daartoe, dat de functiënrij

T„ T„_1.... Ta T, T0

voldoet aan de vier in paragraaf 73 opgesomde voorwaarden, zoodat voor het onderzoek naar de bestaanbaarheid van de wortels der vergelijking T» — 0 op bovenstaande functiënrij het theorema van Stubm kan worden toegepast. Deze rij nu geeft voor »/ = — 2, of j: = — 1, «variation, en voor .y= 2, of x = l, 0 variatiën.

14. Stelt men

IT/( — T„ T, Tj -t- 1,

waarbij de notaties van het voorgaande vraagstuk worden aangehouden, zoo heeft de vergelijking van den graad in //

IT„ = 0

» ongelijke bestaanbare wortels, gelegen tusschen — 2 en 2.

Men toone aan

TT,. = W„_1 ij — Tr„.a en passé het theorema van Stukm toe op de functiënrij 1T„ W„ _!.... Wz IT. IT».

15. Bepaal door toei^assing van het theorema van Stuum het aantal bestaanbare wortels van de vergelijking

r__.lt;■\' - x\' ~3 x 1 _

^ quot;X 2 3 it — 1 ii

a,»-! — !

Men vindt A\'a = x*\'2 a;quot;~ 3 -)- .... x 1 =--—.

x — 1

Is k even, zoo heeft de vergelijking A\'a = 0 slechts onbestaanbare wortels, en kan bij de toepassing van het theorema van Sturm de functiënrij bij A\'j worden afgebroken; men vindt alsdan 2 bestaanbare wortels.

Is n oneven, zoo heeft de vergelijking Ao = 0 één bestaanbaren wortel, welke gelijk — lis. X2 behoudt hier hetzelfde teeken tusschen de grenzen .r = — oo en x=-—1 — 5, en eveneens tusschen de grenzen x= —1 5 en .r— ^ x. Tusschen deze grenzen kan dus het theorema van Stukm toegepast worden op de functiënrij X, A\'j, A\'s.

Men vindt A\' A\'i A^

x=^— » — —

x~ — 1 — S — —

x= — l --1-0

x = — 1 S --1-

a; = .

-ocr page 116-

102

Hieruit blijkt, dat tusschen — ® eu — 1 — S geen, en tusschen — 1 5 en oo één wortel van de vergelijking jr=0 ligt. Daar —-1 geen wortel van deze vergelijking is, en derhalve tusschen —1 — S en — 1 S geen wortels zijn te zoeken, zoo heeft de gegevene vergelijking hier slechts 1 bestaanbaren wortel.

16. Als de vergelijking F(x) — O geene bestaanbare wortels heeft, zoo heeft ook de vergelijking

A\'= i-V) aF\'[x) a-F-i-r) .... aquot; Fquot;(jc) = O

geene bestaanbare wortels.

Voor de toepassing van het theorema van Sïuem kan hier de functiënrij

X, X,, — F{x)

genomen worden, w elke voldoet aan de vier in paragraaf 73 genoemde voorwaarden. Men lette hierbij op de betrekking

X= aXi Fi.c).

Bovenstaande rij vertoont zoowel voor x =:—oo als voor x= x ééne variatie, waaruit men tot de onbestaanbaarheid van alle wortels der vergelijking X — 0 besluit.

TIENDE LES.

over de oplossing der iioogeue-maci1ts ver gelijkingen door benadering. handelwijze van newton.

§ 76. Bij het oplossen eener hoogere-machtsvergelijking, dat is bij het bepalen van de getallenwaarden dei\' bestaanbare wortels, kan men onderscheid maken tusschen de bepaling der meetbare, en die der onmeetbare wortels. Terwijl de meetbare wortels volgens de in de zevende les behandelde methode, welke door Newton is gegeven, steeds volkomen nauwkeurig bepaald kunnen worden, zoo is dit in het algemeen voor de onmeetbare wortels niet het geval. De getallenwaarde dezer laatste kan slechts bij benadering gevonden worden. Ook hiervoor is door Newton eene handelwijze gegeven, die in het volgende zal verklaard worden.

Hierbij wordt, evenals bij elke andere benaderingsmethode, ondersteld, dat men twee getallen of grenzen a en 5 kent, tusschen welke geen andere dan de gezochte wortel x is gelegen, in welk geval F(a) en F(6) tegengestelde teekens vertoonen. Is daarbij a lt; i, zoo is x gt;a en lt; 5, en kan men x — a-j-z, stellen.

-ocr page 117-

103

Substitueert men deze waarde in zoo komt er:

F(a-\\-3) = l\'la) zF\'(a) ^F\\a) .... ,

en als men deze uitdrukking nul stelt, krijgt men, om z te berekenen, eene hoogere-maohtsvergelijking van den nden graad op te lossen. Onderstelt men echter, dat a en b weinig van elkaar verschillen, zoodat z eene kleine waarde heeft, dan kan men als eerste benadering in deze vergelijking do termen, die de tweede en hoo-gere machten van z bevatten, welke termen zeer kleine waarden zullen bezitten, verwaarloozen en zal de vergelijking

JP(a) ^Jquot;(a) = 0

eene waarde van z, opleveren, die weinig van de juiste waarde z verschilt. Men maakt dus in dit geval slechts eene kleine fout, als men hieruit afleidt:

F{a)

F\'{a)\'

en dus voor eene eerste benaderde waarde van don wortel schrijft

m

(!)•

F\\a)

Met deze aldus verkregen waarde van o, gaat men thans op dezelfde wijze te werk, als zoo even met a geschied is, zoodat hieruit eene tweede benaderde waarde van x ontstaat:

2 \' Jgt;.)

Op die wijze voortgaande, zal men, indien a reeds weinig van de waarheid afwijkt, voor a,, n^,\'.... getallen vinden, die veelal onbepaald naderen tot den onbekenden wortel x. Aan welke voorwaarden voldaan moet worden, opdat men verzekerd zij, dat an werkelijk nadere tot do limiet x, zal in eene volgende paragraaf worden nagegaan.

Men ziet, dat de berekening hierop neerkomt, om in de uitdrukkingen

F(x)=xquot; -1- 1 4-.........

F\\x)=nx\'\'-, (n — l)JlxH-* (n — 2)J.ji:\'-!\' . . ^„_1

voor x de waarde van a te substitueeren, de eerste uitkomst door

-ocr page 118-

104

de tweede te deelen, dit quotiënt van a af te trekken, waardoor a, gevonden wordt, en deze bewerking achtereenvolgend voor de waarden van .... te herhalen.

Had men « = 6 — z gesteld, dan zou men uit de vergelijking Jn {x — b), op gelijke wijze als voren, voor eene tweede benaderingsformule gevonden hebben:

............

welke van do voorgaande (1) alleen hierin onderscheiden is, dat de benadering op do tweede grens b in plaats van op de eerste a wordt toegepast.

§ 77. Alvorens eenige aanmerkingen op do beide formules (1) en (2) te maken, zal het niet ondienstig zijn, haar gebruik door een voorbeeld nader toe te lichten, waartoe wij met Newton de navolgende vergelijking kiezen:

F(x) = ar3 — 2x — 5 = 0.

Men vindt voor x = 2 F(x) = — 1, en voor x = 3 F{x) = 16, waaruit blijkt dat de vergelijking een wortel tusschen de grenzen 2 en 3 heeft. Nu is F\'^x) = 3a\'2 — 2, dus Jquot;(2)=10, en

,=_m=:_m=oi.

1 F\\a) F\\2) \' \'

cr, = -)-r, = 2,1 is alzoo eene eerste benaderde waarde van x. Do benadering voortzettende, verkrijgt men jP(2,1) = -[•-0,061, waaruit blijkt dat de wortel tusschen 2 en 2,1 zal gelegen zijn; wijders is Jquot;(2,l) = 11,23, derhalve

quot; - - — ^ 2,1 - i 2,1 - 0,0054 = 2,0946.

2 1 -?\'■(«.) \' 11,23

Deze tweede benaderde waarde opnieuw in Fix) en F\\x) sub-stitueerend, komt er:

F(a,) 0,0005416 ^-tf,T62Ö5-0\'00()04852-

Dus

a3 = 2,0946 — 0,00004852 = 2,09455148,

welke uitkomst bevonden zal worden tot in het laatste decimale cijfer nauwkeurig te zijn.

-ocr page 119-

105

De voorgaande vergelijking was bijzonder gunstig voor de benadering van den wortel, uithoofde deze slechts weinig van de eerste limiet verschilde, en alzoo de tweede en hoogere machten van het verschil z veilig konden verwaarloosd worden. Zulks zal echter niet altijd het geval zijn, en alsdan kan de verwaarloozing dezer termen in de vergelijking in {x a) of z genoegzamen invloed uitoefenen om geheel onjuiste uitkomsten op te leveren.

Alvorens verder te gaan, moge de meetkundige beteokenis van de benaderde waarde van den wortel, zooals deze door de New-ton\'sche benaderingsformule gegeven wordt, in eene figuur toegelicht worden.

Men denke zich, zie Fig. 3, F{x) door eene kromme lijn voorgesteld op de wijze als in § 3 werd besproken. Zij OQ = a en OQ\'= h. De overeenkomstige punten van do kromme, P en liggen, daar l\\ii) en I\\l)) tegengestelde teekens vertoonen, aan weerszijden van de as OX. Denkt men zich T{a) negatief, zoo is jPQ = —Q\' 1quot; = Fib). Daar de vergelijking F(x) = 0 onder-

Fig. 3.

,/

-ocr page 120-

106

steld wordt één wortel te bezitten tusschen u en 6, zoo snijdt de kromme de as OX éénmaal tusschen P en P\'. De gezochte wortel is hier = OA en QA = z. Trekt men in F en in P\' de raaklijn aan do kromme, en noemt de hoeken, welke deze raaklijnen met do as OX maken, zooals deze in de figuur zijn aangewezen, « en /3, dan is volgens § 4:

tg a = F\'{n) —

In driehoek PQT vindt men:

OT-™__

1 tg a F\\a) 1

dus

OT — a ■

r{a) ■

Eveneens heeft men in driehoek P\'Q\'T\':

p\'Q\' m

tgp F\\b)

T\'Q\'

dus

m

üe benaderde waarden, die men vindt door de methode van Newton toe te passen op de grenzen a en b, blijken dus overeen te komen met de afstanden van O tot de punten T en T\', d. w. z. tot de snijpunten van de as OX met de raaklijnen getrokken in de punten P en P\'.

§ 78. Wij zullen nu in bijzonderheden moeten nagaan, in welk geval de methode van Newton met zekerheid toegepast kan worden. Daarbij wordt ondersteld, dat tusschen de grenzen a en h geen wortel van de vergelijkingen F\\x) =0 en F^ix)— 0 is gelegen, zoodat zoowel F^x) als F\'Hx) voor alle waarden van x tusschen « en i hetzelfde teeken behoudt. Aan deze voorwaarde kan, als de vergelijking geene gelijke wortels heeft, steeds voldaan worden door slechts het verschil h a voldoende klein te nemen.

Vooraf moge de reeksontwikkeling, die in § 76 voor F{a -j- z) gegeven werd, in eenigszins gewijzigden vorm geschreven worden.

Stelt men z = n8, zoo vindt men:

F{a -M) = F(a) SF\\a) ^ F\\a) enz-

-ocr page 121-

107

l\\a 4- 2(5) = Fia ^ SF\\a lt;?) -% F\\a lt;?) •

1. J

^ i\'3(s 4quot; enz-

1.2.3

^2

F(a 4- 3^) = F{a 2S) SF\\a -\\-23)-\\- — F\\a 2^4-

1 . U

^ F3(a -j- 2lt;J) -(- enz.

1.2.3

F(a nS) = F{a -f [?i — l](Jj -{- SF\'(a [« _ 1]^ -|-

~ F\\a quot;f [« — 1]\'J) -f enz.

In de tweede vergelijking is voor a -|- 2(5 geschreven (a lt;J) S, en daarna het eerste lid ontwikkeld naar de opklimmende machten van S; eveneens is in de derde vergelijking voor n -)- 3(5 geschreven (a -f- 2(5) -f- lt;5 enz. Telt men nu de overeenkomstige leden dezer vergelijkingen bij elkaar op, waarbij de gelijke termen weggelaten worden:

F{a ?i^)=i?,(«) (51 F\\a)-gt;rF\\a (5) .... —1](5)}

^2 I F\\a) F\\a (5) .... F\\a [n -1]^) |

^ \\ r(a) -j- FXa lt;?) .... FXa [«— 1]lt;J) ] enz. (1).

Ontwikkelt men volgens deze formule F\'(a -|-(5), ^quot;(« 20).... F\\a-\\-[n — l]f5), zoo vindt men:

F\\a (5) = F\\a) (5 F\\a) ~ F\\a) enz.

F\\a 26) = F\\a) d\\ F\\a) F\\a (?) }

^{n«) ^3(« lt;\')l enZ.

^(a [/l-l]cf) = JP,(^

(5J F2(a) FXa -f- 3) .... F^a ln-2^ | ^ I FXquot;) FX« *) ■■.. FXa in -2^)1 enz.

-ocr page 122-

108

en na substitutie in vergelijking (1):

F(a nS) = F(a) nSF\\a) -(-

-j- Y2 5 — -^) F\'ifl quot;l~ ö) -|- ....

.... ZF\\a [« - 2]^) F\\a [n — lp) | I (3« - 2) F» (3/1 - 5) F\\a lt;?) ....

.... -)- ±F\\a |gt; — 2](Jj FXa -f- [n — 1]«?) J enz. (2).

Lettende op ii8=z, kan voor de verg. (1) en (2) geschreven worden;

F{a z) = F(a) ZlF (3)

Fia z) = Fia) (^)

waarin

^\'(«) lt;?) •.■• [w—ip)

n

, ö ^(a) Fquot;-{a tf) .... F* {a [« — 1 ]r5) , 2 - enz.

n __ (2« —1) F^ia) (2« — 3) Fn{a-\\-d) .... ^quot;(a -f- [« — 1]\'J) ,

y----

lt;5 (3«. — 21 F3(a) (3» — 5)P3(a lt;J) 4-.... F3(rt [«—1]lt;J)

----^---h enz.

o n

De eerste der breuken, waaruit P bestaat, is het rekenkundig gemiddelde van de waarden, die F\\x) aanneemt voor x = a, a-\\- S, .... a -f- (n—!){?. Stelt G de grootste, K de kleinste der waarden van F{x) tusschen de grenzen a en a-\\-z voor, dan ligt de waarde dezer breuk tusschen G en K.

Merkt men voorts op, dat de volgende breuken, die in de voor -P gevonden uitdrukking voorkomen, achtereenvolgens ê. H2.... dquot;\'\' bevatten, elk met een eindigen coëfficiënt vermenigvuldigd, zoodat door slechts J voldoende klein te nemen, men de waarde dezer termen kleiner kan maken dan elke gegeven grootheid, zoo blijkt dat ook de waarde van F ligt tusschen G en K. Dus zal voor eene waarde van x tusschen a en a -f- z, F\'^x) gelijk P worden. Stelt men deze waarde voor door a -)- 6z, waarin 9 een getal kleiner dan de eenheid, zoo wordt:

-ocr page 123-

109

\'

P= F\\a 9z).

Eveneens kan men zonder moeite betoogen, dat de waarde van Q ligt tusschen de grootste en de kleinste waarde, die F1{x\') aanneemt tusschen de grenzen a en a -f- z, waaruit men afleidt, dat voor eene waarde van x tusschen a en a-\\- z, stel a -f- dz, de waarde van F\\x) overeenkomt met Q, zoodat

Q = F\\a-\\-ez).

De vergelijkingen (3) en (4) worden nu:

F{a z) = F{a) Z-F\\a 0z) (5)

F{a -f z) = F(a) 1 F\'(«) ^ F\\a 6z) (6).

Op gelijke wijze kan men voor elke geheele, rationale functie aantoonen:

F{a z) = F(a) F\\a) F\\a) F\\a ör) of in het algemeen:

F(a z)= F(a) 1 F\\a) ^ F\\n) ....

F (a -)- 6z)

1.2....(^ 1)

in welke vergelijkingen ^ steeds een getal voorstelt kleiner dan de eenheid.

§ 79. Het voorgaande stelt ons in staat te beoordeelen, wanneer de benaderingsmethode van Newton met vrucht toegepast kan worden. Uit de vergelijking 6) toch volgt, als a z de gezochte wortel, F{a -f- z) dus nul is:

F(a) z2 F\\a Bz) Z~ F\\a) 2 F\\a)

terwijl de methode van Newton toegepast op de grens a geeft:

m

waaruit voor het verschil van de werkelijke en do benaderde waar-do volgt:

^ F\\a 0z) C — 2 F\\a) quot;

-ocr page 124-

110

Hior zjj vooreerst opgemerkt, dat F(a) en F\\a) tegengestelde tee-kens hebben. Is toch F{a) bijv. negatief, zoo zal daar F(a -f- z) nul is, F{x) tusschen de grenzen a en a-\\-z toenemen, en F\'[a) positief zijn. Voor z, wordt dus eene positieve waarde gevonden.

Is nu ook e — z, positief, zoo ligt de benaderde waarde a z, tusschen a en de werkelijke waarde a-j-z, en is dus door toepassing der NEWTON\'sehe methode werkelijk eene benadering verkregen. Opdat z — z, positief zij, moeten F\'(a -fquot;- amp;~) en F\'(a) verschillend teeken hebben, of daar het teeken van F2(a -f- ffz) overeenkomt met dat van Fn(a) en het teeken van F\\a) tegengesteld is aan dat van F(a\'), moeten F(a) en F2(a) hetzelfde teeken hebben. Zijn daarentegen de teekens van F(a) en F2(a) ongelijk, zoo wordt z — z, negatief, ligt dus de werkelijke waarde van den wortel a -\\- z tusschen a en de waarde a-\\~ zt, die door de benaderingsmethode wordt gevonden, en is men niet verzekerd, dat werkelijk eene benadering is verkregen.

Op geheel dezelfde wijze wordt aangetoond, dat als F(b) en F\\l) gelijke teekens vertoonen, de benaderde waarde , die men vindt door de ïsEWTON\'sche methode op de grens h toe te passen, tusschen b en de werkelijke waarde van den wortel zal liggen, in welk geval de benaderingsmethode dus met vrucht op de grens h kan worden toegepast. Merkt men op, dat F(a) en F{b) tegengestelde, F2{ei) en F^iji) daarentegen gelijke teekens bezitten, zoo blijkt dat of F{a) en F^ia), óf wel F(h) en F2^) gelijke teekens zullen vertoonen, zoodat de benaderingsmethode steeds op ééne dei-beide grenzen met zekerheid kan worden toegepast. Kan de benadering toegepast worden op de grens a, zoo geldt dit tevens voor de benaderde waarde a, = a -jquot; gt; dailr toch bij den overgang van a op lt;7, F{x) en F\\x) niet van teeken veranderen. De benaderde waarden, die men achtereenvolgens vindt, zijn dus óf alle kleiner, óf alle grooter dan de werkelijke waarde van den wortel.

§ 80. Aan de hand van Fig. 3 moge het voorgaande nu nog kortelijk meetkundig toegelicht worden. De gemaakte onderstelling, dat F^ix) — 0 geen wortel heeft tusschen a en h, beteekent meetkundig, dat in geen punt van de kromme tusschen P en P\' de raaklijn evenwijdig is aan de as OX; de onderstelling, dat ook F2^) = 0 geen wortel heeft tusschen de genoemde grenzen, dat de hoek, dien do raaklijn maakt met de as OX, van P tot P\' óf voortdurend toeneemt, óf voortdurend afneemt. Het eerste geval doet zich voor als Jr\\x) positief, het tweede als F2{x) negatief is. In het eerste geval keert de kromme haar bolle zijde naar bene-

-ocr page 125-

Ill

neden, in liet tweede geval naar boven. In Fig. 3 is F\\x) positief, en verkeert men dus in het eerste geval. Voorts zij opgemerkt, dat als F(x) en F\\x) gelijke teekens bezitten, wat hier in P\' het geval is, de kromme haar bolle zijde naar de as CLY keert, de raaklijn in de nabijheid van het raakpunt dus tusschen de kromme en de as OX ligt. Hebben daarentegen ^(.r) en F2(x) ongelijke teekens, zooals hier in P, zoo keert de kromme haar hollo zijde naaide as OX, en ligt in de nabijheid van het raakpunt de kromme tusschen de raaklijn en de as OX.

Daar voor x = i F(x) en F2{x) hetzelfde teeken vertoonen, zoo moet volgens het in de voorgaande paragraaf besprokene de benaderingsmethode hier toegepast worden op do grens b, dat is op het punt P\'. Ook uit de beschouwing der figuur blijkt duidelijk, dat, daar de raaklijn P\'T\' tusschen de kromme en de as OX ligt, het snijpunt T\' tusschen A en Q\' zal liggen, de benaderde waarde OT\' dus tusschen b en de werkelijke waarde GA.

Voor de grens a hebben daarentegen F(x) en F\\x) ongelijke teekens en kan dus de benaderingsmethode niet met zekerheid toegepast worden. Ook uit de figuur ziet men duidelijk dat, aangezien de kromme ligt tusschen de raaklijn in P en de as OX, het snijpunt 2\'ligt op het verlengde van QA en het dus zeer goed mogelijk is, dat de waarde OT, die door de benaderingsformule wordt gegeven, meer van de werkelijke waarde van den wortel GA verschilt dan de waarde a = OQ, van welke men uitging.

Eone andere benaderde waarde OTquot; vindt men door hot trekken van de lijn PP\'. Men vindt gemakkelijk:

PQ Q\'P\' PQ Q\'P\'

QTquot; T\'Q\' QQ\'

of daar PQ — — T(a), Q\'P\' = F{b) en QQ\' = b — a

F(a) =F{h)~F{a)

QTquot; b — a

0rn_ (fi — d)F{a) V F{h) — F{a)-

(h — «) Fin) aF(h) — bF(n) OT^OQ QT^a-=

Men ziet uit de figuur, dat deze benaderde waarde en die, welke gevonden wordt door toepassing der methode van Newton, in tegengestelden zin van do werkelijke waarde van den wortel afwijken.

-ocr page 126-

112

§ 81. Passen wij nu nog de benaderingsmethode van Newton toe op de vergelijking:

x* — 3ar 75» — 10 000 = 0,

welke bevonden zal worden één positieven wortel tusschen 9 en 10 te hebben. Men vindt namelijk voor de coëfficiënten der vergelijkingen in {x — 9) en (x—10):

i F\\a) F\\a) F^a)

{x— 9) 1 36 483 2937 —3007

i F\\b) F\\b) F(b)

(A._10) 1 40 597 4015 450.

De regel van Bldan toont aan, dat de gegeven vergelijking tusschen de grenzen a—9 en 4=10 slechts één wortel heeft, en daar tusschen deze grenzen F\\x) niet nul wordt,zoo kan de benaderingsmethode van Newton toegepast worden. Dit behoort hier te geschieden voor de grens li= 10, aangezien voor deze grens F(x) en F2{x) gelijke teekens vertoonen. Het loopt trouwens in het oog, dat de grens «= 9 daartoe ongeschikt is, vermits de correctieterm F(a)

z, = — . grooter dan de eenheid zou worden.

Jgt; (a)

Voor de eerste benaderde waarde wordt nu gevonden:

6\' = l\' ~10 — löTh =10 — ö.11 =9.89.

Om don volgenden correctieterm te berekenen, vermeerdere men de wortels der vergelijking in (x —10) met 0.11, ten einde de coëfficiënten der vergelijking in (x — 9,89) te verkrijgen, waardoor men vindt 7\'1,(i|) = 3885,107 en J\'(41) = 15,521. Duswordt:

- 7W=9\'89-«Sr\' = ^89 ~ o-00=9\'88601-

Men zou de benadering kunnen voortzetten, door nog eenige malen do Newton\'scIio formule toe te passen. Dit kan echter ock geschieden door middel van do benaderingsformule, die aan bet slot der vorige paragraaf besproken werd. Daarbij werd de kromme tusschen de punten P en F\' door eene rechte lijn vervangen, de toename van F(x) tusschen de beschouwde grenzen dus gelijkmatig ondersteld. Neemt men a = 9.88G en 4 = 9,887, zoo wordt

-ocr page 127-

113

F(a) = —0,010481, .F(J) =-j-3,870540, en vindt men voor de benaderde waarde

(b — a) F{a) QQa , 0,001.0,010481 QQCAAO,

X = a~m=W) \' -X8-8T()2r— =9\'8860027

welke waarde, zooals ons in eene volgende les langs een anderen weg zal blijken, tot in de laatste decimaal nauwkeurig is.

Het kan soms gebeuren, dat hoezeer volgens den regel omtrent de teekens van F{x) en F\\x) de Newton\'sche formule voor de eene grens moet worden toegepast, toch de benadering spoediger afloopt, als men hiervoor de andere grens kiest. Deze omstandigheid zal zich voordoen, als voor de tweede grenswaarde F(x) weinig van nul verschilt, zoodat mot grond vermoed kan worden, dat de gezochte wortel dicht bij de tweede grenswaarde gelegen is. De reeds hierboven behandelde vergelijking

x* — 2x — 5 = 0

kan hiervan tot voorbeeld strekken. Zij geeft voor de coëfficiënten der vergelijkingen in

(x — 2) 1 6 10 — 1

(ar —3) 1 9 -j-25 16.

Daarvoor 3 F(x) en F2(x) gelijke teekens vertoonen, moet volgens den gevonden regel de ïlEWTON\'sche formule toegepast worden voor de grens ^=3. Toch zal, met het oog op de kleine waarde van F(2), waardoor zich laat vermoeden dat de gezochte wortel dichter bij 2 dan bij 3 is gelegen, het hier de voorkeur verdienen de benaderingsformule toe te passen voor de grens x — 2. Doet men dit, zoo vindt men eene benaderde waarde 2,1, welke hier niet gelegen is tusschen 2 en de werkelijke waarde, die dus te groot is. Daar men over den wortel is heengesprongen, vertoonen voor 2 = 2,1 F(x) en F2{x) hetzelfde teeken, zoodat bij de verdere toepassingen van de benaderingsformule aan den regel omtrent de teekens van F{x) en F^ix) voldaan is.

§ 82. Voor den lezer, die vertrouwd is met de beginselen der differentiaalrekening, moge hier nog opgemerkt worden, dat de methode van Newton niet alleen van toepassing is op algebraïsche vergelijkingen, maar evenzeer gebruikt kan worden voor de benadering van de wortels eeuer transcendentale vergelijking. Ook hier moeten eerst twee grenzen a en 5 gevonden worden, tusschen lobatto. 8

-ocr page 128-

114

welke één wortel van de vergelijking F(x) = 0 en geen wortels van de vergelijkingen Fx(x) = 0 en F1^) = 0 zijn gelegen, terwijl ondersteld wordt, dat de eerste leden dezer vergelijkingen tus-schen de grenzen a en i continue zijn. De benaderingsformule wordt weer toegepast op de grens, waarvoor F{x) en F\\x) hetzelfde teeken hebben.

Zij, als toelichting hiervan, gevraagd te benaderen den wortel van de vergelijking

F(x)=sinx-\\-x — 2=0,

waarin x is uitgedrukt in deelen van den straal.

Men vindt:

F*(x) = cos a: 1.

F2(x) = — sin x.

Daar F\'(x) voor geene waarde van x negatief wordt, neemt F(x) steeds toe, en heeft de gestelde vergelijking slechts één wortel. Voor « = 63° en en voor 5 = 64° vindt men:

F(a) = — 0,00943 0,01580.

De gezochte wortel ligt alzoo tusschen 63° en 64°. Daar F^x) en F2(xj tusschen deze grenzen niet nul worden, en voor 0=63° F(x) en F2(x) hetzelfde teeken vertoonen, kan de newton\'sche benaderingsformule toegepast worden op de grens a.

Men vindt dan Jquot;(a) = 1,45399

«, = boog 63° -f = 1,09956 -f 0,00649 = 1,10605.

Als eerste benaderde waarde moge hier a1 = 63022\'genomen worden, waarvan de boog = 1,10596 is.

Door de methode van Newton nogmaals toe te passen vindt men:

ƒ■(«,) = —0,00015 ƒquot;{«,) =1,44828 e2 = boog 63°22\'-f-= 1,10596 0,00010 = 1,10606 =

= boog 63022\'21quot;

Past men op de waarde a, = 63022\'en ê, = 63°23\' de benaderingsmethode toe, die aan het slot van § 80 besproken werd, zoo vindt men:

^\\ai) = — 0,00015 Jlft) = 0,00027 (i,—a,)F{a,) , 0,00015

W = \' ^5542 ■ l\' - 6^2 \'21-

dus geheel dezelfde uitkomst.

-ocr page 129-

115

TOEPASSINGEN.

1. Benader volgens de methode van Newton den kleinsten positieven wortel van de vergelijking

a;3 — 21a,- 4- 21 = 0.

Antw. x — 1,05609.

2. Benader volgens de methode van Newton den kleinsten positieven wortel van de vergelijking

tg cc — x.

Antw. x = 257\'\' 27\' 12quot;.

3. Een cirkel wordt door eene koorde verdeeld in twee deelen, welker inhouden zich verhouden als 1 tot 2. Hoe groot is de boog, dien de koorde onderspant ?

Antw. 149° 16\' 27quot;.

ELFDE LES.

benaderingsleerwijze van hokner.

§ 83. Bij de toepassing van de benaderingsmethode, welke in de voorgaande les behandeld werd, doen zich verschillende moeilijkheden voor. Zoo is het vooreerst bezwaarlijk na te gaan, hoe-vele decimalen van eene benaderde waarde vertrouwen verdienen. Ook weet men niet, hoevele decimalen van eene benaderde waarde men gebruiken moet voor de berekening van den volgenden correctieterm. Daarbij komt nog, dat de berekening van de waarden van F{x) en F\\x) voor de achtereenvolgende benaderde waarden zeer bewerkelijk is. Met het oog op deze bezwaren verdient, wat de werkelijke benadering van de wortels eener getallenvergelijking betreft, de benaderingsleerwijze van Hokner, die het onderwerp van deze les zal uitmaken, verreweg de voorkeur. Deze biedt tevens het voordeel aan, dat zij ook de meetbare wortels doet kennen, waartoe de methode van Newton zeer weinig geschikt is.

De methode van Horner berust in hoofdzaak op het beginsel, dat als F{a.) en F{h) ongelijke teekens vertoonen, tusschen a en 4 minstens één wortel van de vergelijking F{x) = 0 is gelegen; terwijl voor de practische toepassing van groot belang is de wijze, waarop in § 27 geleerd is de wortels eener vergelijking met een gegeven getal te verminderen. De achtereenvolgende decimalen in den wortel worden daarbij één voor één bepaald; eerst het ge-

8*

-ocr page 130-

heele getal, dat in den wortel begrepen is, dan het cijfer der tiende deelen, vervolgens dat der honderdste deelen enz. Hierbij gaat men op de volgende wijze te werk. Stel men heeft gevonden, dat tusschen 22 en 23 een wortel der vergelijking is gelegen. Men vermindert nu de wortels der vergelijking eerst met 20, daarna met 2. De nieuwe vergelijking in (x—22) heeft dan een wortel tusschen 0 en 1. Zij de bekende term in deze vergelijking, welke gelijk •/\'(22) is, positief, zoodat 2^23) negatief wordt. Bepaalt men nu i^(22,l), i7\'(22,2).... 7\'\'(22,9), zoo zullen de eerste dezer waarden positief, de laatste negatief zijn. Zijn bijv. ^(22,1).... 2^22,4) positief en ■i?(22.5).... i\'\'(22,9) negatief, dan weet men, dat de gezochte wortel ligt tusschen 22,4 en 22,5 en is 4 het cijfer der tiende deelen. Om F(22,l) te vinden, vermindert men de wortels der vergelijking in (x — 22) met 0,1, waarbij de bewerking slechts zoover voortgezet wordt, als noodig is om den bekenden term, dat is 2^(22,1), te vinden. Eveneens wordt J,(22,2) gevonden door de wortels der vergelijking in (x — 22) met 0,2 te verminderen enz.

Hierbij is het niet noodig alle tnsschengelegen waarden van F{22,\\) tot i\',(22,9) te berekenen. Men bepale bijv. eerst-F(22,5); vindt men hiervoor het negatieve teeken, zoo volgt hieruit, dat de wortel ligt tusschen 22 en 22,5. Daarna bepaalt men bijv. JP(22,3); vindt men hiervoor het positieve teeken, dan weet men, dat de wortel tusschen 22,3 en 22,5 gezocht moet worden. Eindelijk beslist het teeken van i\'\'(22)4), of de wortel tusschen 22,3 en 22,4, dan wel tusschen 22,4 en 22,5 gelegen is. Blijkt, zooals hier ondersteld wordt, dit laatste het geval te zijn, dan maakt men de vergelijking in 22,4 op, uit welke vergelijking zich op geheel overeenkomstige wijze het cijfer der in den wortel begrepen honderdste deelen laat afleiden. Vindt men bijv. 2^(22,46) positief en ^(22,47) negatief, zoo ligt de wortel tusschen 22,46 en 22,47 en maakt men voor de bepaling van het cijfer der duizendste deelen de vergelijking in {x—22,46) op enz.

Is de gezochte wortel meetbaar, zoo komt men eindelijk op eene vergelijking, waarin de bekende term nul is. Is de wortel onmeetbaar, dan kan men den wortel in evenveel decimalen nauwkeurig bepalen, als men wenscht.

Tot toelichting strekke het volgende voorbeeld. Men vraagt te bepalen den positieven wortel van de vergelijking

.?(«) == 4a:5 — 17®2 — 13» — 42 = 0.

Deze is volgens § 47 kleiner dan 11^. Na een paar beproevin-

-ocr page 131-

117

gen vindt men, dat het eerste lid negatief is voor z = 5, en positief voor x = 6, zoodat de gezochte wortel ligt tusschen 5 en 6. Voor de vergelijking in (x—5) vindt men:

■ 42 10

— 13 15 2

115 117

Verg. in x

— 17

20 ^i 20

23 20

-32

117 —32.

Verg. in (x — 5)

Om het cijfer der tiende deelen te vinden, kan men achtereenvolgens bepalen ^(5,5) waarvoor het positieve, daarna -f\'(5,3) waarvoor ook het positieve, en eindelijk ^(5,2) waarvoor het negatieve teeken gevonden wordt. De wortel ligt derhalve tusschen 5,2 en 5,3. Men bepale nu de vergelijking in (x—5,2), waartoe men de wortels van de vergelijking in (x — 5) met 0,2 vermindert:

Verg. in (x — 5) 4

-

I

43

117

— 32

0,8

8,76

25,152

43,8

125,76

— 6,848

0,8

8,92

44,6

134,68

0,8

45,4

45,4

134,68

— 6,848.

Verg. in (x — 5,2) lt;

Bepaalt men, ten einde het cijfer der honderdste deelen van den wortel te vinden. ^(5,25) waartoe men de wortels van de vergelijking in (x—5,2) met 0,05 te verminderen heeft;

Verg. in (x — 5,2) 4 45,4 134,68 —6,848

0,2 2,28 6,848

0

45,6 136,96

zoo blijkt J\'(5,25) = 0 te zijn, zoodat de gezochte wortel 5,25 is. Deze is hier meetbaar.

§ 84. Hoewel het voorgaande voldoende is om de wortels eener getallenvergelijking tot in een willekeurig aantal decimalen

43 43

-ocr page 132-

118

te bepalen, zoo komt toch de benaderingsmethode van Horner eerst ten volle tot haar recht, door haar in verband te brengen met de benaderingsformule van Newton. Volgens deze formule zal, als a op weinig na de gezochte wortel is, het overblijvende

f(cl\\

deel van den wortel weinig verschillen van — ^ Is nu a de

reeds in eenige decimalen benaderde wortel, zoo zal deze formule meestal voldoende zijn om de volgende decimaal te doen kennen. Daar bij toepassing van de methode van Horner de vergelijking in (x — a) is opgeschreven, kent men l\\a) en ook ^quot;(a), en kan de correctie-

term — \\ ^us gemakkelijk berekend worden, van welken term £ (a)

men alleen het eerste van nul verschillende decimale cijfer heeft te kennen. Men overtuigt zich daarbij onmiddellijk van de juistheid van dit cijfer. Is toch het door de newton\'sehe formule aangegeven cijfer te groot, zoo zal, nadat de wortels van de vergelijking met deze decimaal zijn verminderd, F{x) van teeken zijn veranderd. Is daarentegen do beproefde decimaal te klein, zoo zal men voor de volgende decimaal een getal grooter dan 9 vinden. Hierbij kan nog met den invloed van In(_o.) rekening worden gehouden. Hebben Jquot;(a) en i,2(a) gelijke teekens, zoo neemt de waarde van F\\a), afgezien van het teeken, toe en geeft de newton\'sehe formule voor het ontbrekend gedeelte van don wortel eene te groote waarde. Verschillen daarentegen de teekens van F\\d) en .F2(a), zoo neemt de genoemde waarde af, en geeft de formule van Newton eene te kleine waarde. Slaat men hierop acht, dan zal de benaderingsformule van Newton bijna altijd onmiddellijk de volgende decimaal met juistheid doen kennen. Voor de bepaling van het geheele getal, dat in den wortel begrepen is, en soms ook van de eerste decimalen, zal men echter tot enkele achtereenvolgende beproevingen de toevlucht moeten nemen.

In het voorbeeld, dat in de voorgaande paragraaf behandeld werd, worden de beide decimale cijfers van den wortel door de Newton\' sche formule onmiddellijk met juistheid aangegeven. Voor de bepaling van het eerste decimale cijfer heeft men — ^ = yW =

0,2...., voor die van het tweede — = 0,05....,

welke beide cijfers bleken de juiste te zijn.

Nemen wij als toelichting nog de vergelijking

-ocr page 133-

119

F(x) = 3x3 14a:2 — 218a- 76 = O

welke, zooals blijkt uit l\'(0) = -|-76, ^\'(1) = —153, een wortel heeft tusschen 0 en 1. De benaderingsformule van Newton geeft voor het eerste decimale cijfer

^0)=ü = 0,3....

i?quot;(0) 218

Men vermindere de wortels der vergelijking dus met 0,3:

Verg. in x 3—14 —218 -f-76

0,9 — 3,93 —66,579

— 13,1 —221,93 9,421

0,9 — 3,66

— 12,2 —225,59

0,9

— 11,3

Verg. in O—0,3) 3 —11,3 —225,59 9,421.

Daar de bekende term positief gebleven is, zoo is het decimale cijfer 3 niet te groot genomen. En dat dit cijfer niet te klein is genomen, dat m. a. w. de gezochte wortel kleiner is dan 0,4, kan blijken dcor de wortels der vergelijking met nog 0,1 te verminderen, waardoor de bekende term negatief wordt; of ook door op te merken, dat daar F\\x) en F\\x) gelijke teekens vertoonen, de waarde 27r0¥\' de formule van Newton geeft, te groot is; of eindelijk door uitgaande van de vergelijking in (x—0,3) het cijfer der honderdste deelen te berekenen, welk cijfer kleiner dan 10 wordt gevonden. Men vindt hiervoor:

W) _ 9,421 =0)04 _

^(O.S) 225,59

Vermindert men de wortels van de vergelijking in (x — 0,3) met 0,04:

Verg. in (x—0,3) 3 — 11,3 —225,59 9,421

0,12 — 0,4472 —9,041488 — 11,18 —226,0372 0,379512

-ocr page 134-

120

— 11,18 —226,0372 0,12 — 0,4424

11,06 —226,4796 0,12

— 10,94

Verg. in (« — 0,34) 3 —10,94 —226,4796 0,379512.

Ook hier blijkt 4 het juiste cijfer dor honderdste deolen in den wortel te zijn. Voor het cijfer der duizendste deelen geeft de benaderingsformule :

^0,34) _ 0,3795.^ 0)001i

.f\'(0,34) 226,4

En hieruit blijkt voldoende het verdere verloop der bewerking. § 85. Hier moge nog opgemerkt worden, dat als men reeds eenige decimalen van den wortel gevonden heeft, men voor het bepalen van de volgende decimaal slechts een deel van de gevonden waarden noodig zal hebben. Zoo heeft in het voorbeeld, dat in de voorgaande paragraaf besproken werd, de vergelijking in (x— 0,34) tot coëfficiënten:

3 —10,94 —226,4796 0,379512,

en zal de volgende decimaal reeds gevonden worden door 22 tientallen op 37 honderdste deelen te deelen. Daarom zal men bij de voortgezette bewerking ook volgende decimalen kunnen bepalen, zonder in de laatste kolom meer dan zes decimalen op te schrijven. Maar als men in de laatste kolom niet meer dan zes decimalen opschrijft, heeft men bij de bewerking met 0,001 in de voorafgaande kolom niet meer dan vier decimalen noodig | de vierde om de zesde decimaal in de laatste kolom ook juist te doen zijn, met inachtneming der volgende decimaal |. Maar om dezelfde reden zijn er dan in de tweede kolom niet meer dan twee decimalen noodig, en komt de bewerking aldus te staan:

Verg. in {x— 0,34) 3 —10,94 —226,4796 0,379512

— 0,0109 —0,226491

f! O L -- -----

J - —226,4905 0,153021

— 0,0109

— 226,5014

Verg. in {x—0,341) 3 —10,94....—226,5014... 0,153021....

-ocr page 135-

121

Het vermenigvuldigen van 0,001 met 3 lieeft geen plaats gehad, omdat dit in de tweede kolom eene derde decimaal zou geven, en de tweede decimaal al voldoende is om het product van 0,001 en het getal in de tweede kolom tot in vier decimalen, met inachtneming van de vijfde, juist te doen zijn. Daar

— 10,94 x 0,001= — 0,01094 en de laatste decimaal minder dan vijf is, laat men deze weg, en schrijft men —0,0109 onder den volgenden coëfficiënt. De vermenigvuldiging van—226,4905 met 0,001 geeft, als men slechts zes decimalen opschrijft,

— 0,226491, welk getal onderden bekenden term geschreven is. En zoo is men voortgegaan.

De volgende decimaal is nu volgens de formule van Newton

= 0,0006.... Bij de bewerking met 0,0006 of een cijfer

in de vierde decimaal zullen, als men de laatste kolom zes decimalen juist wil hebben, in de voorlaatste kolom slechts drie decimalen noodig zijn, en in de voorgaande kolom geen enkel. Men schrapt daarom deze cijfers weg, en de bewerking komt aldus te staan:

Verg. in (a:—0,341) 3 —10,9ii (-11.)

Verg.in(a:—0,3416) 3 —11,

— 226,50U 0,153021 _ 0,007 —0,135905

— 226,508 0,017116

— 0,007

— 226,515

— 226,515.... 0,017116....


De volgende decimaal 0,00007 kan nog met volkomen zekerheid bepaald worden, terwijl bij de nu volgende bewerking met 0,00007 of 7 in de vijfde decimaal voor zes decimalen in de laatste kolom slechts twee decimalen in de voorgaande kolom noodig zijn, en in de nog voorgaande kolom twee cijfers vóór het decimaal-teeken weggeschrapt mogen worden. Men verkrijgt dus de volgende bewerking:

Verg. in (ar—0,3416) 3 —ii, —226,515 0,017116...

— 0,015856 0,001260

Verg. in (x — 0,34167) 3 —11, —226,52.... 0,001260.,.. Hier is dus de bewerking niet anders geweest dan eene deeling

-ocr page 136-

122

van de voorlaatste kolom op de laatste. Men kan zoo nog voortgaan, waarbij men, zoo men evenals bij de voorgaande decimalen redeneert, den gewonen regel voor de bekorte deeling te voorschijn ziet komen. Men vindt aldus den wortel tot in zeven decimalen juist, met inachtneming van de achtste.

De geheele bewerking komt ten slotte aldus te staan voor de benadering van den wortel tusschen 0 en 1 van de vergelijking:

3 ,—

3a:3—14a-2—218a: 76 = 0 a: = 0,3416756,

II

III

IV

—14

0,9

r—218

j— 3,93

I

( -1-76..............

—66,579

..o,a

—13,1

I

lt;—221,93

\' 9,421.......

..0,04

0,9

1— 3,66

II

— 9,041488

—12,2

(—225,59

0,379512..

..0,001

0,9

f— 0,4472

III

— 0,226491

—11,3

II

)—226,0372

0,153021..

..0,0006

0,12 —11,18

1— 0,4424 \'—226,4796

IV

— 0,135905 0,017116.

..0,00007

0,12

I— 0,0109

— 0,015856

—11,06

III

)—226,4905

V

0,001260..

..0,000005

0,12

j— 0,0109

VI

— 0,001133

— 10,94

\'—226,501^

0,000127..

..0,0000006

— 10,94 -U,

IV

[— 0,007 )—226,508 |— 0,007

—226,5? —226,5

V VI

Met een klein getal berekeningen is dus de wortel met hoogen graad van benadering bepaald. Wil men den wortel in meer decimalen kennen, zoo vereischt de benadering natuurlijk meer werk, maar men heeft op deze wijze wortels van vergelijkingen bepaald tot in honderd en meer decimalen, om een bewijs te geven van het groote voordeel van deze methode, die dan ook de beste der tot nu toe bekende is.

§ 86. Ten slotte zullen nog eenige speciale opmerkingen gemaakt worden.

Als men volgens de behandelde methode de wortels van eene vierkantsvergelijking benadert, krijgt men twee kolommen in plaats van drie, en wordt dus de bewerking nog iets eenvoudiger. Is in de vierkantsvergelijking de coëfEciënt van de eerste macht der on-

-ocr page 137-

123

bekende nul, zoo gaat deze benaderingsmethode geheel over in den bekenden regel voor de vierkantsworteltrekking. Het is meestal voordeelig, de wortels der vierkantsvergelijkingen ook op deze wijze te benaderen, vooral als de coëfficiënten groote getallen zijn.

Bij de derde-machtsvergelijkingen, die altijd minstens één bestaanbaren wortel hebben, zal het benaderen van dezen wortel meestal tevens een oordeel geven over het al of niet bestaanbaar zijn. der beide andere wortels. Schrijft men bijv. de vergelijking, die in § 85 behandeld werd, volgens de machten van x — 0,841675 =z, zoo wordt deze:

3— 10,94.... 22— 226,515 .... * -f- 0,000127 = 0,

welke vergelijking één zeer kleinen wortel zal hebben, terwijl de beide andere op zeer weinig na de wortels zullen zijn van de vierkantsvergelijking :

\'óz*— 10,94 ....z — 226,515.... = 0.

Heeft nu deze vergelijking duidelijk twee bestaanbare wortels, zoo zullen ook de overige wortels der derde-machtsvergelijking bestaanbaar zijn, en omgekeerd. Men kan dit ook in het algemeen nagaan, en vindt dan nog een scherper kenmerk voor de bestaanbaarheid dezer wortels. Heeft namelijk de derde-machtsvergelijking:

^40x3 A,ci;2 -f- -j- ^3 = 0

een wortel a, en schrijft men het eerste lid van de vergelijking volgens de machten van x a = s, zoo wordt de nieuwe vergelijking :

J0z^iF\\a).z2-{-ria).z=Q, of 2 = 0 en sJqZ2 -|- -.V i\'2(a). z -f- F\\a) = 0,

en deze vierkantsvergelijking zal bestaanbare wortels hebben als Nu is

-?quot;(a) = 3^0a2 -)- 2^,3 -)- en -P(o) — 6J0a -)- 2Al,

derhalve

[ i 2(a) — 9J402tt2 -j- §AaA,a -j- Af —

= ZA01 3yyoa2 2^.« — ZA0A,,

-ocr page 138-

124

of [i F\\a)J = 3J0. F\'ia) J* — SJ0J2.

Men vindt door deze waarde te substitueeren dat, naarmate

A?—ZAaAz — Aa.F\\a)

positief of negatief is, de overige wortels der derde-machtsvergelijking bestaanbaar of onbestaanbaar zijn. Deze uitdrukking zal vooral dan eenig gemak opleveren, als de getallenwaarde van de uitdrukking, waarvan men het teeken kennen moet, zeer klein is en men dus uit de altijd slechts benaderde waarden van de coëfficiënten in de tweede en derde kolom niet met voldoende zekerheid tot het teeken kan besluiten.

Bij de vierde-machtsvergelijkingen krijgt men eene kolom meer; bij de vijfde-machtsvergelijkingen komt er weêr eene kolom bij. De bewerking wordt dus langer, maar bij de besproken bekorting zullen de kolommen ook spoediger uit de berekening wegvallen.

De behandelde methode geeft eindelijk een zeer eenvoudigen regel voor het trekken van den derden, vierden____machtswortel

n

uit eenig getal. Wil men bijv. a kennen, zoo benadert men den wortel van de vergelijking:

a:quot; — a = 0,

Men vindt zoo een veel eenvoudiger middel om den derde-machtswortel te bepalen, dan door de in vroegeren tijd daartoe aangewezen methoden.

TWAALFDE LES.

OXDEKZOEK VAN EENIGE GETAXLENVEKGELIJKINGEN.

§ 87. In de voorgaande lessen is alles aangewezen, wat noo-dig kan zijn om eene getallenvergelijking te onderzoeken en de bestaanbare wortels er van met genoegzame nauwkeurigheid te leeren kennen. Eene geregelde volgorde van onderzoek zal daarbij tot groot gemak zijn, en daarom zal hier een en ander over den meest wenschelijken gang besproken worden.

De volkomen zeker gaande weg zal zijn, dat men van elke vergelijking eerst onderzoekt, of zij gelijke wortels bevat, en de daar-

-ocr page 139-

125

bij behoorende bewerkingen zoo inricht, dat tevens de SïUBM\'sche functiën bekend worden. Men vindt zoo de gelijke wortels, als deze er zijn, en tegelijkertijd een middel om met zekerheid te bepalen het aantal bestaanbare wortels tusschen twee willekeurige getallen gelegen. Maar de daartoe noodige bewerkingen zijn nog al omslachtig, zoodat het in het algemeen niet aan te raden is, dezen weg te volgen, daar de waarschijnlijkheid, dat eene gegeven getallen-vergelijking gelijke wortels zal hebben, uiterst gering is, en men dus beter doet, bij een eerste onderzoek te onderstellen, dat de vergelijking geen gelijke wortels bezit. Een paar voorbeelden van zulk een onderzoek zullen hier gegeven worden.

§ 88. Als eerste vergelijking, waarop het onderzoek zal toegepast worden, wordt gekozen de vierde-machtsvergelijking:

a:4—4a:3-f-3^ 77»—10077 = 0 (l).

Men onderzoekt in de eerste plaats wat er is van de positieve wortels. Er zijn drie variatiën; dus zullen er óf drie óf een positieve wortels zijn, terwijl eene grens voor den grootsten wortel zal zijn 1 10077. Door echter het eerste lid in twee deelen x*— 4a;3 en 3a:2-|- Hx —10077 te verdeelen, vindt men dat het eerste deel positief wordt voor a; gt; 4 en het tweede deel voor x gt; 1 -(-quot;l/10^7\' of voor xgt; 59. Derhalve is 59 eene limiet van den grootsten positieven wortel.

Daar deze grens nog al groot is, gaat men nu het eerste lid schrijven volgens de machten van {x — 10), {x — 20) enz.

Verg. in a: 1 —4 3 77 —10077 3 variatiën.

10 60 630 7070 63 707 — 3007

10 160 2230

16 223 2937

10 260

26 ^83 10 36

Verg. in Oe—10) 1 36 483 2937 —3007 l var.

Er kunnen, daar twee variatiën verloren zijn, twee wortels liggen tusschen 0 en 10, terwijl uit de vergelijking in (a;—10) dadelijk blijkt dat, zoo men de vergelijking in (x—11) opmaakt.

-ocr page 140-

126

ook de laatste variatie zal verdwijnen, zoodat de derde wortel tus-schen 10 en 11 ligt.

Om te onderzoeken wat er is van de wortels, die tusschen 0 en 10 kunnen liggen, zoeke men de vergelijkingen in {x—1), {x — 2) enz.

Verg. in x 1 —4 3 77 —10077 3 var.

Verg. in (a;—1) 1 0 —3 75 —10000 3 var.

— 4

3

77

— 10077

3

— 3

0

77

— 10000

— 2

— 2

75

— 1

— 3

0

0

— 3

75

— 10000

3

1

— 2

73

— 9927

2

0

73

3

3

4

4

3

73

— 9927

1

Verg. in (o:—2) 1 4 3 73 — 9927 1 var.

De vergelijking in {x—1) heeft nog 3 variatiën, die in {x — 2) ééne variatie, derhalve kunnen er twee wortels tusschen 1 en 2 gelegen zijn; zoo niet, dan heeft de vergelijking twee onbestaanbare wortels. Om dit te onderzoeken, stelt men x — 1 = z; dan zal van de vergelijking in z onderzocht moeten worden of zij twee

wortels heeft kleiner dan 1, en dus van de vergelijking in z, = —

z

of zij twee wortels heeft grooter dan 1. De vergelijking in z, is : lOOOO?,4— 75^ -f- 3^—1 = 0.

Als men het eerste lid hiervan schrijft volgens de machten van (z, — 1) zijn alle variatiën verloren. Deze vergelijking heeft dus geen wortels gt; 1, die in z dus geen wortels lt; 1, en de oorspronkelijke vergelijking geen wortels tusschen 1 en 2. Deze heeft dus slechts een positieven wortel en twee onbestaanbare wortels.

De vergelijking in (x—1) heeft een term nul, maar daar deze ligt tusschen twee andere met ongelijke teekens, gaf dit niets omtrent de bestaanbaarheid der wortels te kennen.

Hiermede is het voorloopig onderzoek ten opzichte van de positieve wortels afgeloopen. Daarmede is ook al uitgemaakt, dat de vergelijking geen gelijke wortels zal hebben, hetgeen voor de onmeetbare wortels ook daaruit blijkt, dat de bekende term geen volkomen vierkant is, terwijl de meetbare wortels, hetzij gelijke,

-ocr page 141-

127

hetzij ongelijke, bij dit onderzoek van zelf zouden te voorschijn gekomen zijn.

Om de negatieve wortels te onderzoeken, heeft men, x = — a:, stellende, slechts de positieve wortels na te gaan van de vergelijking: ar,4 4a:,3-i- 3a:.2 — 77a:, — 10077 = 0.

Deze heeft eene variatie, dus een positieven wortel, die kleiner is dan

1 Kl0077lt;23.

Men make eerst op de vergelijking in {xt —10): 14 3 _77 —10077 10 140 1430 13530

14 143 1353 -f 3453.

Men behoeft deze bewerking niet verder voort te zetten; alle variatiën gaan verloren, en er zijn geen wortels grooter dan 10. Het laatste getal wijst genoeg aan. dat de wortel toch dicht bij 10 zal gelegen zijn. Men schrijve daarom de vergelijking in (a; — 9) op :

4

3

— 77

— 10077

9

117

1080

9027

13

120

1003

— 1050

9

198

2862

22

318

3865

9

279

31

597

9

40

40

597

3865

— 1050

Verg. in(a:, — 9) 1 40 597 3865 —-1050 1 var.

Dus ligt de wortel tusschen 9 en 10, daar tusschen deze grenzen F(xt) van teeken verandert.

De vergelijking (1) heeft dus een positieven wortel tusschen 10 en 11, een negatieven wortel tusschen —9 en — 10 en twee onbestaanbare wortels.

§ 89. Nu blijft nog het benaderen der beide wortels over. Voor den positieven wortel, tusschen 10 en 11 gelegen, neme men de vergelijking in (a: —10), waarvan de coëfficiënten zijn:

Verg. in (a: —10) 1 36 483 2937 —3007,

waar door deeling van den voorlaatsten term op den laatsten het cijfer van de tiende deelen niet gevonden zal worden, daar men een

-ocr page 142-

128

quotiënt gt; 1 krijgt. Men kan nu de vergelijking in {x— 11) zoeken, om daardoor het cijfer der tiende deelen te leeren kennen, maar ook kan men eerst 10,5 beproeven, dan 10,8 enz. om zoo te bepalen tusschen welke tiende deelen de variatie verloren gaat. Men vindt op eene van deze wijzen 8 voor het cijfer der tiende deelen. Stelt men zich verder voor de wortels te kennen tot in vijf decimalen, zoo komt de bewerking aldus te staan:

.36 0,8

0,8 \' 37^6 0,8

|3M 0,8

\'397? W,

483

29,44 15T2~44 30,08 (542,52 30,72 573,2^ \' 3,1 [576,3 I 3,1 579,4 3,1 58?,5»

I

II

III

II

II

II

III

13880,4

De wortel is dus 10,88600 met inachtneming van de zesde decimaal. Bij het bepalen van het cijfer der honderdste deelen bleek, dat men reeds eene decimaal ia de laatste kolom kon weglaten, en dan toch de zesde decimaal nog bepalen.

Voor het benaderen van den negatieven wortel neme men de vergelijking in (ar, — 9) uit de vorige §. Bij deze vindt men dadelijk de tiende deelen door deeling.

Verg. in O, — 9)

\'40 [597 /3865

0,2 ( 8,04 1 121,008

— 1050 ............0,2

797,2016

1605,04 8,08

j6ÏM2 8,12 \'621,24 r 2,4 i 623^6 \' 2,4 626,0 2,4

140,2 0,2 40,4

\'

140,6 0,2 ^40,3

40,3

II

4,035 3,765 0,270 0,251

III

ii

IV

II

ui

II

/2937

409,952 3346,952 434,016 (3780,963 46,10 3827,07 46,35 [3873,4?

3,5 13876,9 3,5

| 3986,008 122,624 ^4108,63? [ 37,42 \'4146,05 I 37,56 l4183,$J 4183,0

....0,0009 ....0,00006 — 0,019 ....0,000004

1—3007 ............0,8

[ 2677,5616

329,4384....0,08 306,166

.0,006

252,7984....0,06 248,763

23,272 23,261

— 0,011 ....0,000003

-ocr page 143-

129

Men vindt dns ten slotte —9,26096 voor den negatieven wortel.

Alleen tot duidelijkbeid is hier tusschenbeide een getal, zooals 4183,6 bij III, nog eens opgesclireven, om te lateu zien welk deel er van bij elke bewerking gediend heeft.

§ 90. Als tweede voorbeeld zal onderzocht worden de vergelijking :

a\'3 11a2—102a: 181 = 0 (2).

Deze vergelijking heeft twee variatiën, dus hoogstens twee positieve wortels, die volgens den regel van § 47 kleiner zullen zijn dan 1 ]/ 102 lt;12; de regel van § 48 geeft 1 -f- ^ lt;10. Men zoeke eerst de vergelijking in (x — 2), daar uit de coëfficiënten genoegzaam blijkt dat de twee variatiën niet zoo dadelijk zullen verloren gaan.

Verg. in x 1 11 —102 181 2 var.

Verg. in(* —2) 1 17 — 46 29 2 var

11

— 102

181

2 \'

26

— 152

Ï3

—^76

29

2

30

15

—quot;Te

2

Ï7

17

— 46

29

18

— 28

1

19

— 9

20

20

— 9

1

Verg. in (a: — 3) 1 20 — 9 12 var.

Verg. in (r — 4)..........0 var.

Er zijn dus twee wortels mogelijk tnsschen 3 en 4. Daar de bekende term klein is ten opzichte der voorafgaande coëfficiënten, is het waarschijnlijk, dat de wortels er werkelijk zijn, en dat zij dicht bij elkaar zullen liggen. In zulk een geval is het voordeelig, eerst te beproeven tusschen welke tiendedeelen de variation verloren gaan; ^misschien verkrijgt men daardoor wol eene scheiding van het verlies in variatiën. Men vindt:

Verg. in {x — 3,2) 1 20,6 —0,88 4- 0,008 2 var.

Verg. in {x—3,3) l..........0 var.

De wortels zijn nog niet gescheiden; zoo zij er zijn, liggen ze

9

LOliATTO.

-ocr page 144-

130

tusschen 3,2 en 3,3. Stelt men nu x—3,2 =r^, dan zal van de vergelijking in z;

23 20)622—0,88.--{-0,008 = 0 (3)

onderzocht moeten worden, of deze twee wortels heeft lt;0,1, en

dus of de vergelijking op de omgekeerde wortels «, = — twee wor-

z

tels heeft gt;10. Deze vergelijking is:

Verg. in z, 0,008 —0,88 20,6 1 2 var.

Verg. in (r. —10) 0,008 —0,04 5,4 127 2 var. Verg in (?, —40) 0,008 0,08 —11,4 —71 1 var.

Derhalve heeft de vergelijking in z, twee wortels grooter dan 10; dus de vergelijking in z twee wortels lt;0,1 en de vergelijking in x twee wortels tusschen 3,2 en 3,3. Daarenboven is 40 een getal, tusschen de twee wortels van z, gelegen, derhalve ^=0,025 een getal tusschen de beide wortels van z.

Het zal, waar men twee variation tegelijk verliest, vooral als zij dicht bij het einde verloren worden en de bekende term niet groot is ten opzichte der andere termen, meestal voordeelig zijn te handelen zooals hier gedaan is, en dus eerst de tiendedeelen te zoeken, tusschen welke de wortels moeten liggen. Als de wortels onbestaanbaar zijn, zal men dit op deze wijze bijna altijd bij de eerste omkeering ontdekken.

Nu de grenzen voor de positieve wortels nagegaan zijn, zal men eerst onderzoeken, wat er van den negatieven wortel is. Men stelle daartoe x= x, in de vergelijking (2), en heeft dus naar den positieven wortel der vergelijking

x,3— 1 lx,2— 102a:, — 181=0

te zoeken. De grens door de coëfficiënten aangewezen is 182. Men zoeke eerst de vergelijking in {xt — 12), daar de bewerking met 11 den bekenden term zeker nog negatief laat.

Verg. in x,

1

— 11

— 102

— 181

12

12

— 1080

1

—90

— 1261

12

156

13 12

66

-ocr page 145-

131

25

66

— 1261

5

150

1080

ÜO

2Ï6

— 181

5

175

35

391

5

40

40

391

— 181

Verg. in (a, —17) 1 40 391 — 181 1 var. Verg. in (a;,— 18)..........0 var.

De wortel ligt dus tusschen 17 en 18 en de negatieve wortel van (2) tusschen —17 en —18; deze is dus ook onmeetbaar.

§ 91. Men kan nu overgaan tot de benadering der wortels. Van de twee positieve wortels weet men reeds, dat de een ligt tusschen 3,2 en 3,225, en de ander tusschen 3,225 en 3,3. In plaats van uit te gaan van dit verkregen cijfer, had men, om tot de scheiding der twee wortels te geraken, ook uit kunnen gaan van het theorema van Roli.e, dat zegt, dat de afgeleide vergelijking altijd een wortel zal hebben tusschen de beide andere, dus ook als deze zeer dicht bij elkaar liggen. Gaat men nu uit van de vergelijking in x—3,2 = 2 int de vorige paragraaf, zie (3),

23 20,6/ —0,882 0,008 = 0 (3),

die twee wortels heeft tusschen 0 en 0,1, zoo zal de afgeleide vergelijking

322-f-2.20,62—0,88 = 0

hier dan ook een wortel hebben tusschen deze grenzen en wordt

0 88

het eerste cijfer gevonden door het quotiënt 2 20 6 ~ 0\'02\'

dan ook reeds de scheiding bewerkstelligen zal. Men ziet, dat de afgeleide vergelijking daar niet voor gebruikt behoeft te worden, maar dat het genoeg is om in de vergelijking (3) te nemen het quotiënt der coëfficiënten van den voorlaatsten term en van het dubbel van den voorafgaanden. Na eenige beproevingen vindt men verder, dat de eerste wortel ligt tusschen 3,21 en 3,22 en de tweede wortel tusschen 3,229 en 3,23. De benadering levert verder geen bezwaren op en volgt hier onder.

Verg. in (a\', —12) 1 25 66 —1261 1 var

9*

-ocr page 146-

132

Benadering van den luortel lusschen 3,21 en 3,22.

Verg. in {x — 3,2):

1 /20,6 , —0,88 , 0,008 ...............0.01

0,01 l 0,2061 IJ—0,006739

120,61 1 —0,6739 0,001261 .........0 003

. ^01 0,2062 n —0\'001217403

)20,62 _n,4677 j 0,0000435||....o,0001

,01 ( 0,061899 TTr)—0,0000342

\' 20,63 n\'—0,405801 ( 0,0000094........0,00003

0,003 ( 0,061908

! 20^633 —0,343893

,003 ( 0,0021

20,636 111 —0,3418

,003 I 21

^20,639 —0,3397

De wortel is dus 3,21313 met inachtneming van de zesde decimaal. Bij het narekenen zal men vinden, dat het cijfer 0,003 door

deeling als 0,002 gevonden werd. Maar het quotiënt

^ 0,4677

geeft op weinig na 0,003 en de deeler is nog vrij sterk afnemende; reden genoeg om zelfs dadelijk 0,003 te beproeven. Men zij verder indachtig, dat daar waar het eerste doorgeschrapte cijfer 5 of grooter dan 5 is, men het voorafgaande cijfer met de eenheid verhoogt. Ten slotte merken wij bij deze berekening op, dat men reeds bij de bewerking met 0,003 cijfers had kunnen wegschrappen, daar er na deze bewerking al twee in de laatste kolom te veel voorkomen. Als men dit doet, zal men kunnen nagaan dat deze bekorting meer schijnbaar dan wezenlijk is, en wordt daarom aangeraden te handelen als in het gegeven voorbeeld gedaan is.

-ocr page 147-

133

Benadering van den wortel tusschen 3,229 en 3,23. Verg. in (x—3,2):

20,6 0,02

-—0,88 | 0,4124

ij

0,008..............

—0,009352

0,02

20,62 ,02

Ij

\'—0,4676 | 0,4128

(

lij

—0,0.01352 0,001180989

0,009

20,64 ,02 20,66 0,009

11

,—0,0548 . 0,186021 1 0,131221 0,186102

111!

—0,0001710JJ.. 0,0001638 0,0000072,.....

..0,0005 0,00002

20,669 ,009

|

■ 0,317323 0,0103

20,678 ,009

1111

| 0,3276 l 103

20,6$5iï

1

[ 0,3379

De tweede wortel is derhalve 3,22952 met inachtneming der volgende decimaal. De eerste cijfers 0,02 en 0,009 waren reeds door beproeving gevonden.

Voor de benadering van den negatieven wortel gaat men uit van de vergelijking in (a;, — 17) van de voorgaande paragraaf. De berekening komt aldus:

Verg. in O, — 17):

/40 1 0,4

391 16,16

1

181...............

162,864

...0,4

140,4

\\ —

Uo.8 4

\'i

\'407,16 16,32 423,48 1,6496

quot;

18,136........

17,005184 1,13O8J0 0,8537

0,04 0,002

\' 41,2 0,04

II

425,1296 1,6512

Hij

0,2771.....

0,2561

0,0006

41,24 ,04

,426,780? 0,08

IV|

0,0210......

0,00005

) 41,28 ,04

III

426,86 ,08

\'41,3?

[426,911

HI M,

De negatieve wortel van de vergelijking (2) is dus —17,44265. De drie wortels zijn derhalve:

-ocr page 148-

134

3,21313 3,22952 —17,44265 som —11.

De som der wortels is naar behooren —11. In deze som had eene fout mogen zijn van iy2 in de vijfde decimaal, daar de wortels elk eene fout van een half in de vijfde decimaal kunnen hebben,

In dit voorbeeld verschillen de positieve wortels slechts weinig van elkaar. Zulk een geval zal slechts bij uitzondering voorkomen, maar blijkt dan toch geen bijzondere moeilijkheden op te leveren.

Ten slotte zjj opgemerkt, dat als de coëfficiënten der vergelijking uitkomsten van metingen en dus slechts bij benadering bekend zijn, door de bewerkingen, die men heeft uit te voeren, meteen aangewezen wordt, welke fout daardoor in elk der kolommen kau ontstaan, en dit dus eene grens stelt tot hoever de benadering der wortels voortgezet kan worden.

TOEPASSINGEN.

Men vraagt te benaderen de bestaanbare wortels van de volgende vergelijkingen:

1. Xs x — 60 = 0.

Antw. 7,262087348 en —8,262087348.

2. 34,0850U\'2 — 10,9613ö.r — 92,86328 = 0.

Antw. 1,81925 en —1,49757.

3. x3 — 2J\' — 5 — 0.

Antw. 2,0945514815423266. Twee onbestaanbare wortels.

4. x-3 — 2 lx 2i = 0.

Antw. 1,0560897, 3,9623344 en —5,0184241.

5. Xs 49../- «58.r — 1379 = 0.

Antw. 2,557351, 23,213112 en 23,229537.

6. x\' — 12aa 12x — 3 = 0.

Antw. 0,44328, 0,60602, 2,85808 en —3,90738.

7. 25xi 298.r3 576xs — 281x — 26 = 0.

Antw. 0,0799596, 2,9874965, 9,3196912 en —0,4671473.

8. xs 2x\' 3j;3 ix°- 5x — 321 = 0.

Antw. 2,6386058. Vier onbestaanbare wortels.

9. — 2 = 0.

Antw. 1,1040895. Zes onbestaanbare wortels.

-ocr page 149-

DERTIENDE LES.

OVER UE RECHTSTREEKSCHE OPLOSSING DER DERDE- ENquot; V1ERDE-MACUTSVERGELIJKINGEN\'.

§ 92. Na in de belde voorgaande lessen du meest gescbikte handelwijze verklaard te bebben voor de oplossing der getallen-vergelijkingen door benadering, gaan wij alsnu over tot de recht-streeksche oplossing der derde- en vierde-macbtsvergelijkingen, bestaande namelijk in het vinden der formules, waardoor de wortels dezer vergelijkingen onder eenen eindigen vorm in functie van hare coëfficiënten kunnen uitgedrukt worden.

Caedanüs, een Italiaansch wiskundige der zestiende eeuw, was de eerste, die zulk eene algemeene oplossing, voor zooveel de derde-machts of cubische vergelijkingen betreft, bekend maakte. (*) De naar hem genoemde formule is gegrond op het geval, dat de gegeven vergelijking van den tweeden term bevrijd en alzoo gebracht is tot den vorm

3-f-2 = 0 (1)»

welke herleiding, ingevolge het geleerde in § 28, altijd mogelijk is. De bedoelde formule kan aldus verkregen worden:

Stelt men x=y\\-z, zoo wordt de vergelijking door deze substitutie :

{y z)* p(y =0.

of

y3 (3yz -f/j) O *) ? = 0-

In deze vergelijking kan nu nog een der twee onbekenden naar ei «en zin aangenomen worden; dus kan men ook eene willeken-

o o

rige betrekking tusschen y gh z oiiderstellen. Neemt men vooi deze betrekking:

(#) Deze oplossing werd aan Card anus medegedeeld door ïartaglia, en waarschijnlijk reeds voor Tartaglia door Scipio Ferreo gevonden, doch niet bekend gemaakt.

-ocr page 150-

136

3yt-\\-p=0 (2)

zoo verandert de voorgaande vergelijking in:

y3 ^ \'7 = 0 (3)

en uit deze beide vergelijkingen moeten nu y on z en daardoor gevonden worden. Uit (2) volgt ƒs3 = — ^i?3, derhalve zijn van y3 en z3 bekend do som en het product, zoodat deze beide waarden de wortels zullen zijn van de vierkantsvergelijking:

en verkrijgt men daaruit:

(^)-

Dit zijn nu nog derde-machtsvergelijkingen, maar van den bijzonderen vorm y3 = m, of

3____3 __3 _

y3 — m = {y — V m) (y2 yV 711 -f- V nf) = 0,

waarvan de wortels zijn:

3 _

yi = K m,

y\'=^™\\-± }y~H=py»

!/j — f — 2 — — 31 =/)2^1,

als men—i —3=/j stelt, daar dan p* = — —j K—3

zijn zal. Hier zijn 1, ^ en [? de drie derde-maohtswortels uit de eenheid. Men verkrijgt op deze wijze drie waarden voor y en even zoo vele voor z, maar moet dan, om de waarden van x te vinden, die waarden van y en z bij elkaar voegen, waardoor yz=~\\p.

§ 93. Onderstelt men nu in de eerste plaats, dat -)- VTp3 positief is, zoo zijn de tweede leden der vergelijkingen (4) positieve of negatieve getallen, en noemt men de bestaanbare derde-machtswortels dezer getallen yx en z,, zoo wordt zeker aan de betrekking yz — — ±p voldaan door .y =y, en z=zt. Eveneens wordt aan deze betrekking voldaan door y ~ pyI en ? = te nemen, en eindelijk door y ~p\'1yI en z=pz1, zoodat voor de wortels van de vergelijking (1) gevonden wordt:

-ocr page 151-

137

xi—y\\-\\- z\\i

..= /,, = _?l±i

«.=,quot;j, /■•,=-t±i S.

Ingeval -f- ijpositief is, verkrijgt men dus een bestaan-baren en twee onbestaanbare wortels. Men overtuigt zich gemakkelijk, dat ar,, x.^ en x3 de wortels zijn van de vergelijking (1) door aan te toonen:

x-i »3=0 a.-,^ -j- Vs -|- x^xz = p en = — q,

wat aan den lezer wordt overgelaten.

Onderstelt men in de tweede plaats \\(f -|- o1, ;/3 = 0, zoo wordt

3

y, = ^, = ]/ — en vindt men :

ar, = 2^, ^2= y, x-i—

dus drie bestaanbare wortels, waarvan twee gelijke.

In het derde geval, ul. dat -\\q- -j- 2\'Tp3 negatief is, en dus de tweede leden der vergelijkingen (4) onbestaanbaar zijn, zal men kunnen onderzoeken, of er twee getallen t en u te vinden zijn, zoodanig dat

y(— 4- ïViP3) = 4 quot;V— 1 •

Door beide leden in de derdemacht te verheffen en zoowel de bestaanbare als de onbestaanbare deelen aan elkaar gelijk te stellen, vindt men daaruit:

f — otu* — — \\q,

— a3 = l/(— \\rf — .^ps).

De som der kwadraten dezer beide vergelijkingen geeft: r 3£V 3lt;2«4 -f M8=(f uy=—2v p\\

waaruit, daar i1 -|- if bestaanbaar is, volgt:

en do waarde van u1 hieruit in l1 3tii? = -^q substitueerende, vindt men:

4:i3 -\\-pl -Jf- -^q — O,

-ocr page 152-

138

zijnde weder eene derde-machtsvergelijking waarvan, zooals licht na te gaan is, de wortels de helft zijn van do wortels van de vergelijking (1). Kan men dus hierdoor t en u niet rechtstreeks in eindigen vorm bepalen, zoo weet men toch, dat elke derde-machtsvergelijking minstens een bestaanbaren wortel heeft, en er dus altijd eene bestaanbare waarde van t te vinden is. De daarbij be-hoorende waarde van u zal ook bestaanbaar zijn, daar anders t -j- — 1 zelf bestaanbaar worden zou, en de derdemacht er van volgens onderstelling onbestaanbaar zijnde, dit niet mogelijk is.

Daar het niet mogelijk is t en u in eindigen vorm uit te drukken, spreekt men hier van het onherleidbare geval.

Stelt men nu, na t en u gevonden te hebben:

li

Zx = t-- 1,

zoo is ook hier y,.-, = ilu\' — — \\p, zooals behoort, en vindt men:

^x—yx zx = ^t\'

«2 = PIJi Al = — lt; «K3.

«3 = /fyi — «1/3,

zoodat in dit onherleidbare geval de drie wortels alle bestaanbaar zullen zijn. De voorwaarde daartoe is:

if -hï\'3 = (ii)2 -f (ipy negatief,

waaruit blijkt dat p ook negatief moet zijn.

§ 94. De onmogelijkheid, die blijkt te bestaan om t en u in eenen eindigen vorm in functie van de gegevens p en q te bepalen en die aan het thans behandelde geval den naam van onherleidbaar geval doet geven, maakt dat er voor de berekening dei-wortels, naar de formule van Cabdanus, geen anderen weg over is dan de ontwikkeling van

(a-\\-bY—l)3 en (o — bY•— l)3,

waarbij — \\lt;i = a en ]/(— = b gesteld is, in oneindig

voortloopende reeksen volgens het binomium van Newton, op gebroken machten toegepast. Bij die ontwikkeling zal het blijken, dat alle termen van onevenen rang bestaanbaar, de overige daarentegen alle met Y aangedaan zullen zijn, terwijl deze laatste

-ocr page 153-

139

termen in de boiclo reeksen tegenovergestelde teekens verkrijgen. De eerste reeks zal dus door l -1- «1/ — 1, en de laatste door lt; — ny — 1 kunnen voorgesteld worden.

Zie hier de reeksen, welke in zoodanig geval tot berekening der drie wortels kunnen dienen.

Zij namelijk a = — \\q, Ir = a\'lc, dan vindt men door de bedoelde ontwikkeling:

= 211 -(- ht vvsk\' quot;F ïWr^\'3 — quot;I- equot;z-1

x.z en .r3 =--— 111 — -gjk -j- j2f jk\' — quot;l-

~1~ AWtV^\'4 enz.ll/a.y —.

§ 95. Nemen wij, om de voorgaande formules op een onkel voorbeeld toe te passen, de vergelijking

x3 — 8a; — 12 = 0,

waarinp = — 8, en q = — 12, dus ]/(\\if = ]/(36 — ( J):J)

= 1/^=11/345 = 4,1275946.

Daar positief is, heeft de vergelijking slechts een

bestaanbaren wortel en twee onbestaanbare.

Men vindt voorts:

y, = V\'{ 6-f §1/345| = 1/10,1275946 = 2,163559 ^ = 1/16 — ^1/3451 = 1/ 1,8724054 = 1,232537 en voor de wortels .r,, .r2 en .r3:

x\\ —yi\'\\\'z^=: 3,396096

a\', = — y\' y— 3 = — 1,698048 0,465511 1/^3

2 2

^3 = —y\' ^\'y\'~g\'l/— 3 = —1,698048 —0,4655111/^3

Li U

§ 96. Eene andere oplossing kan door goniometrische formules gevonden worden. Deze zal voor het onherleidbare geval boven de oplossing door reeksen te verkiezen zijn, en levert ook meer rechtstreeks het bewijs, dat daar de drie wortels bestaanbaar zijn. Zij wordt voor dit geval gevonden door middel van de betrekking :

-ocr page 154-

140

cos olt;f = 4 cos3lt;igt; — 3 costp.

Stelt mon, om tot deze oplossing te geraken, in de vergelijking (1) x = rco8lt;p, zoo gaat deze over in:

r3cos3lt;p -f- p r cosy -)- y = O,

of

I 3 I

icos lt;p ~\\—coslt;p —--j-.

Stelt men nu — — 3, of )-=l/(—%p), waartoe dus p negatief zijn moot, zoo wordt volgens de goniometrische betrekking, die voorafgaat:

en door hieruit -ïy te berekenen, kan men lt;p vinden. Men merke hier op, dat als voor r genomen wordt de positieve wortel uit — aan cos \'3lt;p het teeken van —q moet worden gegeven. Daar cos 3y kleiner dan 1 moet zijn, zal, het negatieve teeken van p in aanmerking nemend:

27(?2 lt; — ip3, of «(/ V7/lt;0

moeten zijn. Men vindt nu voor 3lt;p een onbepaald aantal waarden, die, als een dezer waarden a genoemd wordt, begrepen zullen zijn in de twee vormen

a-f^.360o en — «-f A;. 360°,

waarin k elk geheel positief of negatief getal kan voorstellen. De waarden van lt;p zijn dan:

i-a -4a

ia±120o — ï a i 120°

^a± 2400 — 240°.

enz. enz.

Bij dit onbepaald aantal waarden van lt;p verkrijgt men evenwel slechts drie van elkaar onderscheiden waarden van cosp. Deze zijn bij onderzoek;

cos ^ a, cos « -f-120°) en cos Q a -j- 240°).

-ocr page 155-

141

Derhalve heeft men het volgend stel vergelijkingen op te lossen om de drie wortels te bepalen:

r=V(—ip); cos«=—

x, = r cos ^ a,

x2 = r cos a-j-120°),

x3—\'r cos (-,1, a -|- 240°),

waarbij in acht te nemen is hetgeen omtrent de teekens van ?• en cos a is gezegd.

Past men de goniometrische oplossingswijze toe in het geval, dat -f-gt; 0, zoo vindt men de drie wortels in onbestaan-baren vorm, hoewel zooals bekend is een der wortels nog altijd eene bestaanbare waarde bezit. In dit geval verdient daarom de methode van Cahdanus de voorkeur.

§ 97. Voor de oplossing der vierde-machts of biqnadraatsche vergelijkingen bestaan verschillende handelwijzen, welke echter alle hierop neerkomen, dat men de oplossing dezer soort van vergelijkingen van die eener cubische vergelijking afhankelijk maakt. Wij zullen ons bij die van Descartes en Eüler bepalen, in welke beide handelwijzen ondersteld wordt, dat de gegeven vergelijking herleid zij tot den vorm:

.r4 -)- px2 qx .....(5).

Descartes beschouwt het voorste lid dezer vergelijking als het product der tweede-machtsfactoren:

x1 — mx ti, x1 -j- mi) -f- n\'.

Zoodra men nu de drie onbekenden m, n, n\' uit de gegevens bepaald heeft, zal de oplossing der beide vierkantsvergelijkingen

a-2 — mx -j- n = 0, x1 mx-\\-n\' = 0

blijkbaar de vier waarden van x opleveren, welke aan de verge-Ijjking (5) voldoen. Om hiertoe te geraken, vermenigvuldige men de twee voormelde factoren met elkander, waardoor men vindt:

■r4 -|- (?j -)- n\' — wr) x2 -|- m (« — ra\') x -|- nn\' = 0. . . (6)

Door de gelijkstelling der coëfficiënten van de vergelijkingen (5) en (6) verkrijgt men, ter bepaling van m, n en n\', de drie betrekkingen :

-ocr page 156-

142

n-\\-n\' — m*=p, m (n — n\') = q, nn\' = r;

dus

q

n-\\-n\'=pn — n\' = —; 1 ^ 1 m

en omdat

(ra -f- ra\')2 = (ïi — n\'f 4ra ra\'

is, heeft men, na substitutie der voorgaande waarden:

0-f02 = ^ 4\'-.

welke vergelijking, na ontwikkeling en herleiding, geeft:

?ra6 2/j)«4 (jr — 4r))«2 — J2 = 0,

of, z voor «i2 schrijvende,

23 2^ (r — 4/-) r — ?2 = 0.....(^).

Deze derde-machtsvergelijking wordt de herleide genoemd. Heeft men nu hieruit de waarde van m of gevonden, dan zijn de beide overige onbekenden bepaald door de formules:

}l = i(m2 igt; ^-), n\'^^nr p ^),

en heeft men voor de vier waarden van x-.

*=i (« ± v iy—4« D=* j ± k (— —2p—5)1

4»\']) = ij-M±l/(—^2—2p ^)j-

§ 98. Euler gaat aldus te werk. Hij beschouwt den wortel x als uit drie onbekende deelen t, u, v samengesteld, en stelt diensvolgens:

x = t-\\-u-\\-v,

dus

a? = ^ ,t2 r2 2{tu lt;» -1- uv).

Zij voorts

i1 _|_ M2 -j- ii2 = p, tfV -|- lt;2y2 -j- «V = Q gt;

-ocr page 157-

143

dan volgt uit de waarde van ,i;a:

(V — Ff=4:Ql-\\-amp;tuv(t-\\~u-\\-v) = \'i:Q-\\- Stnvx,

of

■ 2.ZV— 8lt;mw -f- P2 — 4Q = 0.

Nu kan men aan de nog onbepaalde getallen t, u, v zoodanige waarden geven, dat de laatst gevondene vergelijking met de ge-gevene identiek wordt, waardoor men bekomt:

— 2P=p of P= — \\p, tuv = — \\q,

n jH liM

P2 — 4:Q = r, dus Q = \'

p1 — 4r

16

en men heeft derhalve ter bepaling van t, u, v het stelsel vergelijkingen :

p2 — Ar 16 \'

lW=

64\'

i2 -)- m2 -f- quot;quot; = — ^p, thr i7v~ mV

aanduidende dat /2, u%, v2 de wortels zullen zijn der cubische vergelijking:

w (^gt;-if=«. ...

welke, door y = - te stellen, dezelfde als de herleide vergelijking

(A) van Descartes zal worden. Noemt men de drie wortels dei-voorgaande vergelijking y,, y.,, y3, zoo is

t= ±Vy,, u=±V!/2, v=±Vry3,

en

«= ± Vyi ± Vy* ± Vi/3-

De dubbele teekens zullen in dier voege behooren gecombineerd

te worden, dat het product hiv = \\/\'yti/2i/3 = —^eene negatieve

8

of positieve waarde verkrijgt, naardat g positief of negatief is. Hieruit ontstaan derhalve twee stelsels van formules voor de vier onderscheiden waarden van x. te weten

r

|

-ocr page 158-

144

1°. lt;7 positief.

x — — Vyx — Vy.~ VVz

- x=zyyx -f Yy-i-VVy*

Vyx — Vyi^rVy-i *= Vy, -\\-Vy2—Vy*-

2°. q negatief.

z— VlJt Vy2 Vlh x= Vy^ — Vvi—Vyz x ~Vy, Vy.V y* = —Vy, — Vy.JrVy^

§ 99. Dat nu deze waarden van x volkomen overeenstemmen met die volgens de oplossing van Descartes, laat zich gemakkelijk bewijzen. Men kan namelijk de in de vorige oplossing verkregen vier uitdrukkingen voor x in dezen eenigen vorm omvatten :

a-=^| ±m ±V \\ —

waarin ml = z = 4:y, dus ?ii= ± 2]/;/ is. Nu volgt uit de vergelijking in y

yi -f 2/2 ^3 = — if, ^1^3 =

dus 1)1* = 4»/, stellende,

—4(y2-f ^), 8KW3=^- = 5-

Derhalve

x— ±Yyl ±V (//,, 2/3 ± 21/1/^3),

of

= ± Vy* ± Vy* ± Vy3,

welke uitkomst, voor m\'1 it/., en m2 = onveranderd blijvende, met die van Euler volmaakt overeenstemt, en bovendien doet zien, dat het in de oplossing van Descartes geheel onverschillig is, welke van de drie wortels der herleide vergelijking tot de berekening der vier wortels x gebruikt wordt.

§ 100. Het valt niet moeilijk na te gaan, in welke gevallen de wortels der gegeven vergelijking bestaanbaar, of onbestaanbaar zullen zijn.

-ocr page 159-

145

In de eerste plaats is het duidelijk, dat, indien al de wortels y positieve bestaanbare waarden hebben, de vier wortels x alsdan insgelijks bestaanbaar zullen wezen. Is daarentegen slechts een dei-drie wortels y positief, en zijn de beide overigen negatief, dan worden de wortels x alle onbestaanbaar. Het negatieve teeken van den laatsten term der vergelijking in y sluit blijkbaar het geval van slechts één negatieven wortel uit. Zijn de beide negatieve wortels aan elkander gelijk, dan heeft men twee bestaanbare wortels x.

Zijn twee wortels y onbestaanbaar, bijv. y, = a 4quot; 1 en

y^ = a — /3J/quot;—1, dan zal l^/j de bestaanbare waarde

V[Za 2Vtf r)\\,

j/y, — V^iji echter de onbestaanbare waarde y {2a — 2l/(a2 -)- /32) |

verkrijgen, en hieruit volgt terstond dat in zoodanig geval twee wortels x bestaanbaar, doch de beide overigen onbestaanbaar zullen zijn.

Aangezien de berekening der wortels eener vierde-machtsver-gelijking naar de voorgaande handelwijze in geenen deele gemakkelijker geschiedt dan volgens de benaderingsmanier van Hornek, vooral ingeval de wortels der herleide vergelijking bestaanbaar zijn, zoo zal voor de oplossing eener getallenvergelijking van de vierde macht de rechtstreeksche oplossing slechts zelden gebruikt worden.

§ 101. Voor de vijfde- en hoogere-machtsvergelijkingen heeft men er niet in kunnen slagen, de oplossing er van tot die van andere vergelijkingen van lageren rang te herleiden.

Door Abel is daarenboven bewezen dat geene eindige algebraïsche vormen te bedenken zijn, die de wortels van eene vijfde- of hoogere-machtsvergelijking kunnen voorstellen. In dit opzicht zijn dus de oplossingen der derde- en !«erf/e-machtsvergelij kingen ook alleen van historisch belang.

TOEPASSINGEN.

1. Los op de vergelijking

x\' Gx — 20 = 0.

3 _

Men lette op K10± K108 = 1 ± K3.

Antw. x — 2. en x — — 1 dz 3 K—1.

lobatto. 10

-ocr page 160-

146

2. Los op de vergelijking

«\' 2 = 0.

3 3 ,3 3 3 3

Antw. x=V2 Vi en x = i{—K2 l--\'4±(V2 K4)K—3}.

3. Los op de vergeliiking

r3 — 15x- — 4 = 0.

3__

Past men de formule van Ca kd anus toe, en let men op 1/2 111/—1 = 2 K—1, zoo vindt men:

Antw. x — 4 en x = — 2 K3.

4. Los op de vergelijking

xn — 3abx — n3 — i3 = 0.

Antw. a\' = a i en i { — (« 4J (« — i) K3}.

5. Men vraagt een halven bol in twee gelijke deelen te verdeelen door een vlak evenwijdig aan het grondvlak.

Stelt mon den afstand h van het deelvlak tot het bolmiddelpunt = fix, dan vindt men voor x de vergelijking

x\' — 3a; 1 = 0.

Door de goniometrische oplossingsmethode toe te passen vindt men J\' — 2 « = 120°, zoodat de drie wortels zijn Icos 40°, 2eo.lt;f 160° en 2cos 280°, van welke echter alleen de laatste eene oplossing van het gestelde meetkundige vraagstuk oplevert.

Antw. h = 0,34730 R.

C. Los op de vergelijking

x\' x2 ix — 3=0.

Past men de methode van Descartes toe, zoo wordt de herleide vergelijking:

zquot; 2z2 13z —16 = 0,

welke een wortel 1 heeft. Men kan dus »» = 1 nemen, waardoor de beide

tweede-machtsfactoren worden x2 — a S en x2 x_1.

Door de methode van Eui.eii te volgen, vindt men voor de vergelijking (B);

»/3 iy2 üy — t=0

waaruit:

!/i = i lt;/2 = i (—3 1/ — 55) i/3 = j(—3—|/—55) \' = ±4 H = ±:1i(V 5 y —11) f = l(K5—K—11)

Antw. x = i (— 1 ± ^5) en x = i (1 K — 11).

-ocr page 161-

VEEETIENDE LES.

OVER DE OPLOSSING DEK WEDERKEEKIGE VERGELIJKINGEN.

§ 102. In paragraaf 21 is geleerd uit eene gegevene vergelijking eene andere af te leiden, welker wortels de omgekeerden zijn van die der eerste. Blijft daarbij de vergelijking onveranderd, zoo wordt zij eene icederkeerir/e vergelijking genoemd. Is

een wortel van eene wederkeerige vergelijking, dan is — een

a,

wortel van de vergelijking op de omgekeerde wortels en, daar deze met de oorspronkelijke vergelijking overeenstemt, ook van deze laatste. De wortels zijn dus paarsgewijze van den vorm

1 1

a\\j gt; aigt; ~~

«, a..

Zij

de gegevene vergelijking, zoo is de vergelijking op do omgekeerde wortels

1 •••• ^lt;2/

Opdat deze vergelijkingen overeenstemmen, moet

_ -^I _ __^lt;1

üit de gelijkheid der eerste en laatste breuk volgt Au-=AU2, of A0= ±: An, zoodat elk der breuken hetzij gelijk -j- 1, hetzij gelijk — 1 is. Er zijn dus twee gevallen te onderscheiden. In het eerste geval heeft men

Aa = An = enz.

zijn de coëfficiënten van twee termen, die even ver van het begin en van het eind verwijderd zijn, dus gelijk.

In het tweede geval heeft men

A0 = — Ah Al = — An_x A^ — A,^ enz.

10*

-ocr page 162-

148

verschillen in. a. w. twee zulke coëfficiënten alleen in het tee-ken.

§ 103. Laat vooreerst de vergelijking van de eerste soort zijn, dus van den vorm:

®a-a.\'2-f- a:4-= 0

Is n even, dan kan, zooals in de volgende paragraaf aangewezen zal worden, de oplossing teruggebracht worden tot die

71

eener vergelijking van de -x-de macht. Is n oneven, dus gelijk

£

2w l, zoo is naar gemakkellijk valt in te zien— 1 een wortel der vergélijking, daar toch voor x = —1 Anxn ——Aa Atxn~i=z — A, x enz. Deelt men dan de vergelijking door x4-l, zoo vindt men eene vergelijking van dezelfde soort en van de 2 7?zde dus van evene macht.

Beschouwt men eene vergelijking van de tweede soort, dus van den vorm

Aaxn A,xn~* A„xn~2 — A^x*—A^x — Ao — 0

zoo valt in het oog, dat als n even is, zoowel 1 als — 1 een wortel der vergelijking is. Zoowel voor = 1 als voor a,= — 1 toch is Anx* — Aa A,x*~\'l=zAtx enz. Deelt men de vergelijking door (x—1) (a: l) = .r2—1, zoo vindt men eene vergelijking van de eerste soort en van de {n — 2)de, dus van evene macht. Dat deze deeling kan geschieden zonder rest over te laten blijkt ook door voor het eerste lid te schrijven:

A0(xquot; — 1) x{x*quot;*— 1) -f- A^ (xquot;-* — 1) -j- enz.

Men merke op, dat hier de middelste term, dat is de term met

n

x1 moet ontbreken, daar toch A, = — An moet zijn, dus An = 0.

li 2

Is de graad n van eene vergelijking van de tweede soort oneven, dus gelijk 2m4-1, zoo is voor a\'=-j-1 Aaxn—Aw Alxn~,=Alx enz.; dus is -j-1 een wortel der vergelijking. Deelt men deze door x — 1, zoo verkrijgt men eene vergelijking van de eerste soort en van de 2 m-de, dus van evene macht.

Uit het voorgaande blijkt, dat elke wederkeerige vergelijking teruggebracht kan worden tot eene evene-machtsvergelijking van de eerste soort.

§ 104. Zie hier thans, op welke wijze men de oplossing van

-ocr page 163-

149

eene wederkeerige vergelijking van de eerste soort en van de evene macht 2 n terug kan brengen tot die eener vergelijking van de re-de macht. Men schrijve namelijk de gegevene vergelijking :

A0x^ A.lx^-Ï .... An x\' ....

A 2 xquot; AI x A 0 —- 0

na deeling door xquot; onder den vorm

aAx\' ^) A (irquot;quot; ^) A\'=0-

Men stelle verder (1):

, 1

* -=y

y» i _L_ v

14 \' X\'n~ K\'quot;\'

dan is in het algemeen:

waaruit

Vm= V^y-V,,,^

Met behulp van deze betrekking, die voor elk drietal opeenvolgende functiën V geldt, kan men al deze functiën in y uitdrukken, zoodra men de beide eerste kent.

Nu is

F0=*0 l0=2

vi=x -=2/

waaruit voor de volgende V\'s volgt:

F.y—F0=ya—2

F4= V3y— F!=2\'4 — 4y2 2

, mim-r-l)(m-r-2)....{m-2r l) m_2,.

\' 1.2.3 ....?•

1

Men yergelijke Toepassing 13 blz. 100.

-ocr page 164-

150

De juistheid dezer laatste formule wordt betoogd, door aan te toonen, dat als zij waar is voor Vm en Fm 1, zij eveneens geldt voor F„1 2.

Door substitutie dezer waarden in de gegevene vergelijking, geschreven in den vorm

-^o quot;fquot; -^I ^ quot;^2 _ 3 ~| I ~)~ ^ n — O

verkrijgt men nu eene vergelijking van de »dc macht in y. Heeft men uit deze de waarden van y bepaald, zoo geeft de vierkantsvergelijking ;

of x1—y«-)-l = 0

voor elke waarde van y twee waarden van x, dus twee wortels der gegevene vergelijking.

In verband met het in de dertiende les besprokene, blijkt uit het voorgaande, dat elke wederkeerige vergelijking van de eerste soort met inbegrip van die van de 9de macht, en elke dusdanige vergelijking van de tweede soort met inbegrip van die van de lOquot;16 macht rechtstreeks kan worden opgelost.

§ 105. Nemen wij thans als voorbeeld de vergelijking

6 .r5-f 11 a;4 — 33 .r3—33ar-f 11 :r-f-6 = 0

Deze is van de eerste soort en van onevene macht. Zij heeft dus een wortel —1. Na deeling door (a-4-1) vindt men:

6 a.\'4-f 5 a.\'3 — 38 5 6 = 0

of

6 5 (* ;?)_ 38=0

waaruit, als men x-\\-^-=y stelt:

6(y2— 2) -j- 5y — 38 = 0

Qy^hy— 50 = 0

5 10

y = - en y=—Y

üit do vergelijking

a;2yx -[-1 = 0

-ocr page 165-

151

ö

volgt nu voor y — 0 :

U

9 1

x = 1 en -v — ïï

10

en voor =

1

■ o en .i\' = — —

O

De wortels der gegeven vergelijking zijn derhalve: —1, 2,%,

■ 3 en —■£.

TOEPASSINGEN.

1. Los op de vergelijking

3 a\'* — 10xs 12x2 — 10 oc 3 = 0

Antw. .i- = é {5 K 7±K —4 10K7}ené {5 — K 7±K — 4 —10K 7}.

2. Los op de vergelijking

j;s 4x, 10^6 16^\'5 19x4 16j:3 10i,2 \'ta! l = 0 Antiv. De vergelijking heeft 2 viervoudige wortels i (— 1 zh K — 3).

3. Bepaal de wortels der vergelijking

Igj-8 — 21 a1\' — 22 a;0 — 84 .r\' — 62.r4 — 84.r-3 — 22 .r 2 — 21 j- 18 = 0

De vergelijking in y blijkt eene wederkeerige te zijn, en wordt als eene zoodanige behandeld.

Antw.x=;(3±K5); J(1±K—35); •A—l±2V—2); i(-3±K —7).

4. De wederkeerige vergelijking, die het onderwerp van paragraaf 104 vormt, wordt gevonden door fc = 1 te nemen in de vergelijking

AoX3\' At x*quot;\'1 .... Ana:n k A*.! xquot;-1 k-An-ia;n-- .... k\'\'-1A1x k\'\'A0 = 0.

Deze meer algemeene vergeliiking kan op geheel overeenkomstige wijze behandeld worden. Zij kan geschreven worden;

M^ ^) MX\'~, ^0 quot;quot; ylquot;-,(r *) X\' = O\'

Men stelle verder

k kquot;\'

j: -- — Wm

arquot;

waaruit

Wm — Wm-t!/— Wm-.k

iro = 2 Wi =.\'/

W.2 = !/,-—2 /.\'

W3 = y3 — 3ky enz.

-ocr page 166-

152

Als toepassing bepale men de wortels van de vergelijking x* — ix3 T— 8 a: 4- 4 = 0

Autw. a- = 1, 2 en J (1 ± K — 7).

5. Los op de vergelijking

•r6 xb 15 0:* 2 xs 15 x2 — x —1 = 0 Hier is, zie het voorgaande nummer, k =—1

Antw. a: = 1, — 1, 2 ± K 5 en 5 (— 3 ± K 13).

VIJFTIENDE LES.

OVER DE OPLOSSING 1)EU UINOMIAAL-VERGELIJKINGEN.

§ 106. Men verstaat onder binomiaal-vergelijkingen zoodanige hoogere-maohtsvergelijkingen, waarvan het voorste lid slechts éénen onbekenden term bevat, die alzoo in den algemeenen vorm

x\'^f a = 0

begrepen zijn. Hieruit volgt onmiddellijk

n

x = V ± a,

en aangezien elke «de-machtsvergelijking n wortels telt, blijkt hieruit tevens, dat de wde-machtswortel van eenig positief of negatief getal ook n verschillende waarden zal moeten hebben, welke gedeeltelijk bestaanbaar en gedeeltelijk onbestaanbaar zullen zijn. Stelt men in de oorspronkelijke vergelijking

n n

x=yVra of xn = ayn, waarbij men onder ]/a den positieven «den machtswortel verstaat, dan verandert zij in

y T 1 = 0,

waaruit

y=K±l en a-=l/a X Ki 1,

zoodat de bepaling der hiervoren bedoelde n wortels tcrugge-

n

bracht wordt tot het opsporen der n waarden van ]/ ±1 of, het-

-ocr page 167-

153

geen op hetzelfde neerkomt, tot het bepalen der n eerste-machts-deelers van het voorste lid der vergelijking if 1=0.

§ 107. Voor kleine waarden van n kan die splitsing in factoren door het oplossen van vierkantsvergelijkingen met weinig moeite verkregen worden, zoo als wij thans zullen aantoonen, Is n = 1, dan geven de vergelijkingen

y quot;\' —1=0 en y2-1-1 = 0

terstond:

(y-l)(y-M) = 0, (y_i/_l)(y K-l) = 0;

dus

y= 1, y = — 1 cn y=zY—\\, y= Y — i.

Voor m = 3 heeft men:

/-l = (y-l)(/ y l) = 0.

Uit y —1 = 0 vindt men vooreerst y=l.

De tweede-machtsfactor gelijk nul stellende, vindt men hieruit de bekende onbestaanbare derde-machtswortels van de eenheid, te weten:

• l K—3 1 —i/ —3

y=--- en y;

Evenzoo vindt men uit de vergelijking

y3 i=(y i)(/-y i) = o,

l 1/_3 1 — 1/—3

y = —\\,y =---, y=-.

Voor h=4 geeft de vergelijking

/-1=(/-1)^ 1) = 0: y=i, y=—\\, y=V—igt; y= — V— i.

terwijl uit de vergelijking

y4 i = o

voor welke geschreven kan worden

(/ y]/2 l)(/—yl/2 l) = 0

volst:

-ocr page 168-

154

— K 2 ± V— 2 K 2 ± V— 2

!/ =-2- ---.

Voor w = 5 :

/-l = (y-l)(y /-t-/- ^ l) = 0)

dus vooreerst y = 1. De vergelijking cene wederkeerige zijnde, stelle men:

waardoor zij overgaat in

52—2-f-j-f —1=0,

— l ]/5 — 1 —K5

gevende S =---, r =---,

s±Y{z\'~4:) —l-f |/5 ±]/(_10 —2]/5) dus y=---=----^-—

— 1 — 1/5 ± ]/( —10 2l/5j en y=----.

Op gelijke wijze volgt uit de vergelijking

/4- 1- = (y i)0\'4—/4-r—2\' 1)=0:

l K5±l/(—10 2]/5)

y = — l, y-

4

1 —1/5 ± l/(—10 — 2 )Z5)

en

§ 108. De Goniometrie geeft ons echter eene algemeene en in de toepassing meer eenvoudige handelwijze aan de hand ter berekening der n wortels van elke der beide binomiaal-vergelij-kingen

y—1 = 0, 2/quot; 1 = 0.

Alvorens die handelwijze te verklaren, zal het niet ondienstig zijn, hier eenige eigenschappen der «de-machtswortels van de eenheid mede te deelen, waardoor hunne berekening in sommige gevallen kan worden bespoedigd.

-ocr page 169-

155

Stelling. Zij « een der wortels van de vergelijking y\' — 1=0, dan zat elke yeheele positieve of negatieve macht van a insgelijks een wortel dezer vergelijking zijn.

Is toch « een wortel van de vergelijking yquot;—1 = 0, zoo heeft men aquot; = l, dus ook = 1, of (am)quot;=l, en is derhalve ook een wortel der vergelijking. Hierin kan voor m elk positief of negatief geheel getal genomen worden.

Op geheel dezelfde wijze toont men aan:

Stelling. Zij a een der wortels van de vergelijking y* = dan zal elke positieve of negatieve oneveue macht van a insgelijks een icortel dezer vergelijking zijn.

§ 109. Stelling. Indien n =pqr...., dan zullen de wortels der vergelijkingen

yP—1 = 0, yi—1 = 0, yr—1 = 0 enz.

tevens wortels zijn der vergelijking yquot; —1 = 0.

Immers, als a een wortel van de vergelijking yquot;—1 = 0 is, dan heeft men ^ = 1, dus ook aWquot;quot; = 1, of aquot; = l, en is derhalve a ook een wortel van de vergelijking yquot;~l.

§ 110. slis m en n twee onderling ondeelbare getallen zijn, zoo hehhen de vergelijkingen y\'quot; — 1=0 en. yquot; —1 = 0 geen anderen ge-meenschappelijken wortel dan 1.

Zij /j, het quotiënt en de rest, die men vindt door m op n te deelen, zoodat

n =2h m lt;7,

Zij eveneens jgt;2 het quotiënt en q2 de rest bij de deeling van q, op m, zoodat

m = p2qt -f ff.

Gaat men op deze wijze voort met de bekende bewerking tot het zoeken van den grootsten gemeenen deeler van de getallen m en n, dan vindt men

?i =A li

?r-2=A?r_,

Zijn m en n onderling ondeelbaar, dan is de laatste rest qr—l.

Zij nu a een gemeenschappelijke wortel van de vergelijkingen yquot;\' —1 = 0 en yquot;—1=0, zoo volgt uit = 1 en «quot; = 1 dat aii-;)1quot;i = a?1 = l. Eveneens leidt men uit aquot;\' = l en a\'1\' = 1. af,

-ocr page 170-

156

dat ook a\'2=l. Aldus voortgaande vindt men a\'3 = 1, en eindelijk al\' = 1; of, daar q, =l, « = 1.

Is /c de grootste gemeene deeler van m en u, zoodat y,. =1;, zoo vindt men op gelijke wijze a1\'— 1, waaruit blijkt dat hier de gemeenschappelijke wortels van de vergelijkingen ƒquot; —1 = 0 en yquot;—1 = 0 de wortels zijn van de vergelijking y1\'—1 = 0.

§ 111. /s n een ondeelbaar of priem-getal en a een onbestaanbare loortel van de vergelijking yn—1=0, dan bevat de rij

1 a a2 a3 .... aquot;-\' (1)

alle wortels van deze vergelijking.

In § 108 werd reeds aangetoond, dat elke term van deze rij een wortel der vergelijking is. Er blijft dus slechts te bewijzen, dat de termen alle verschillend zijn. Onderstel dat de beide termen ak en al gelijk waren, dan zou ak~al, of ak\'1 = 1, dus a een wortel zijn van de vergelijking ƒquot;= 1, waarin rn = k-l. Dit laatste is echter, daar m lt; n, m en « dus onderling ondeelbaar zijn, met het oog op het in de voorgaande paragraaf bewezene niet mogelijk. Hieruit blijkt, dat de rij (1) n verschillende en dus alle wortels van de vergelijking aangeeft.

g 112. Stelling. Indien n het product is van de beide priem-getallen p en q, dan zullen al de wortels van de vergelijking yquot; —1 = 0 gevonden worden door eiken wortel der vergelijking yv —1 = 0 te vermenigvuldigen met eiken wortel der vergelijking y\'gt; —1 = 0.

Zij a een onbestaanbare wortel van de vergelijking yquot; —1 = 0 en yS zulk een wortel van de vergelijking yq —1=0, dan kunnen de wortels van de eerste vergelijking voorgesteld worden door

02 „p-\'

a a a .... a

en die van de tweede vergelijking door

0 /3\' F .... ft\'\'-\'

Onze stelling nu zegt, dat elke wortel van de vergelijking yquot; —1 = 0 voorgesteld kan worden door ak fil, waarin aan k de waarden 0, 1, 2 .... p—1, aan l de waarden 0, 1, 2 .... q — 1 gegeven worden.

Het is vooreerst duidelijk, dat ak ft1 een wortel der vergelijking y\' —1 = 0 is; men heeft nl. (\'oi)p=l en (/?\')\'\'= 1, dus ook («*\')» = 1 en (ftl)M= 1, en eindelijk (akft1)quot; = 1.

Het aantal der producten a.k ft1, die men vindt, bedraagt pq = n. Het gestelde is dus bewezen, zoodra aangetoond is, dat geen

-ocr page 171-

157

twee dezer productea gelijk kunnen zijn. Onderstel a*p1 = ak\'j3l\'•, hieruit zou volgen ak-k\' = P1\'-1. Nu is echter ak-k\' een wortel van yp—1 = 0 en ft\'-1\' een wortel van —1 = 0, terwijl deze vergelijkingen, daar p en q onderling ondeelbaar zijn volgens § 110 geen gemeenschappelijken onbestaanbaren wortel kunnen hebben. Hieruit blijkt derhalve, dat de n producten alle verschillend zijn, en dus werkelijk de n wortels van de vergelijking ?/— 1=0 aangeven.

§ 113. Ook als 2\' en q geen priemgetallen maar toch onderling ondeelbaar zijn, blijft de stelling gelden, en kan het bewijs op dezelfde wijze worden gevoerd. Daarbij moet echter op het volgende gelet worden.

In § 111 werd aangetoond, dat als n een priemgetal en a een willekeurige onbestaanbare wortel van de vergelijking yquot; —1 = 0 is, alle wortels dezer vergelijking voorgesteld worden door de rij

12 n -12 n -1

a a .... a

Het bewijs dezer stelling steunde er op, dat a geen wortel kan zijn van eene vergelijking van gelijken vorm en lagere macht. Is nu n geen priemgetal, dan kan dezelfde stelling op geheel dezelfde wijze bewezen worden, mits men voor a neemt een wortel van de vergelijking yquot; —1 = 0, die geen wortel is van eene dergelijke vergelijking van lagere macht. Zulke wortels worden wel primitieve wortels van de vergelijking genoemd. Is n een priemgetal, dan zijn alle wortels primitieve wortels; is n geen priemgetal, zoo zijn slechts sommige der wortels primitieve wortels. Zijn dus in de stelling van § 112 p en g geen priemgetallen maar toch onderling ondeelbaar, zoo moet men voor a en [i een der primitieve wortels van de vergelijkingen y —1 = 0 en yi—1 = 0 nemen.

Deze stelling kan gemakkelijk uitgebreid worden tot het geval, dat n het product is van een willekeurig aantal onderling ondeelbare factoren p, q, r .... De n wortels worden in dit geval gevonden door telkens te nemen het gedurig product van één der wortels van elk der vergelijkingen y —1 = 0, if —1 = 0, yr—1 = 0 enz.

§ 114. Alvorens nu tot de goniometrische oplossing van de vergelijkingen yquot; —1=0 en y\' 1 = 0 over te gaan, moge eerst eene merkwaardige betrekking afgeleid worden, bekend als de formule van de Moivre. Zooals bekend is (*), kan elke onbestaan-

(\') Men vergelijke het aanhangsel.

-ocr page 172-

158

bare uitdrukking a -j-ó IS — 1 geschreven worden in den vorm r (cos lt;f sin (f —1), waarin de positieve grootheid r de modulus, en de hoek lt;p het argument heet. Beschouwt men nu twee zulke uitdrukkingen

r (cos ip -j- sin tp ]/ — 1)

?•, (cos lt;p^ -|- sintpx y — 1)

zoo vindt men voor het product:

rr, | (cos(p cos (p^ — sin lt;psiult;px) -|- (•s?w. lt;p cos lt;pl -f- sin lt;pl cos lt;p) ]/— 11 of wel:

ri\\ | cos (lt;p ^,) sin (lt;p p.) K—1J

waarbij voor het vierkant van ]/—1 is geschreven —1. Vermenigvuldigt men dit product opnieuw met de onbestaanbare uitdrukking

n (cos (p., -j- sin lt;p , 1/ — 1),

zoo vindt men op gelijke wijze:

rr\\ri Icos (f vi) quot;f-s\'\'11 (?gt; Pi lt;P\'i) V7quot;— 11 welke bewerking op een willekeurig aantal onbestaanbare factoren kan worden toegepast. Hieruit blijkt, dat het product van eenige onbestaanbare uitdrukkingen, eene nieuwe onbestaanbare uitdrukking is, waarvan de modulus gelijk is aan het product der modulen, en het argument aan de som der argumenten van de samenstellende factoren.

Stelt men r=r, =r:2=.... en lt;p = lt;pi = (p^.... zoo vindt men, als n het aantal der factoren aangeeft:

J r (cos (p sin lt;p — 1) | quot; = rquot; (cos nip -f- sin nlt;p —1)

of in woorden: de nie macht van eene onbestaanbare uitdrukking heeft tot modulus de «-de macht van de modulus, en tot argument het w-voud van het argument van deze uitdrukking. De hier gevonden betrekking wordt gewoonlijk de formule van be Moivre genoemd.

§ 115. Zij nu gevraagd te bepalen de n wortels van de vergelijking

a;quot; — a — Sj/ —1 = 0 of xn =a-\\-b\'\\f—1 (1)

d. w. z. de n onbestaanbare uitdrukkingen, die elk tot de «-de macht verheven u -f- h — 1 opleveren.

-ocr page 173-

159

Zij x = r (cos lt;p -)- sin lt;p\\f — 1)

dan moet

a-* = | r (cos lt;p -|- si» (p ]/ — 1) |quot; = ?■quot; (cos nip -(- sin nlt;p — 1) = = a-j~i]S — 1

Door gelijkstelling der bestaanbare en der onbestaanbare dee-len vindt men:

r* cos Hlt;p — a rn sin nlt;p = h

Door optelling van de vierkanten dezer vergelijkingen:

■rquot;=a2-|-52

2n

r=Va\' V1

waarbij voor r de positieve bestaanbare 2ttde machtswortel uit (a2 -}- ^2) te nemen is. De hoek lt;p wordt voorts bepaald door

a

cos na = —7=—

^ Va\'-Yh1

en

h

sin Hip = —7==r

r Ka2-j-i2

Tusschen 0 en 2- is steeds een enkele hoek te vinden, waarvan de cos en de sin de hier gevonden waarden hebben. Noemt men deze hoek na, zoo moet

nlt;p = 7ia

waarin k elk geheel positief of negatief getal kan voorstellen. Men heeft dus

2 tjr

* = ,• j ™s( «-f (« 4-?A!L) 1}

waarmede eene uitdrukking is gevonden, die alle wortels van de vergelijking (1) voorstelt. Hoewel voor k alle positieve en negatieve geheele getallen genomen kunnen worden, moet men daarom niet meenen, dat de gevonden uitdrukking meer dan n verschillende waarden aangeeft. Dit blijkt duidelijk, door op te merken,

2 amp; TT

dat als h met n eenheden wordt vermeerderd, de hoek a -j---- met

n

-ocr page 174-

160

2 n toeneemt, de cos en de sin van dezen hoek en dus ook de waarde van x onveranderd blijven. Men vindt derhalve voor x dezelfde waarde, als men k — k\', Tc = k\' -\\-n, k=k\' -[■In enz. neemt, zoodat om alle waarden van x te vinden, men voor k slechts n opeenvolgende geheele getallen heeft te substitueeren. Zoo kan men bijv. k=0, 1, 2, .... (n — 1) nemen. Hieruit blijkt duidelijk, dat de voor x gevonden uitdrukking slechts n verschillende waarden heeft.

§ 116. Uit het voorgaande laat zich nu onmiddellijk afleiden de oplossing van de vergelijkingen yquot; — 1 — 0 en y\' -f-1 = O. Beschouwen wij in de eerste plaats de vergelijking

yquot; —1 = 0 (2)

zoo heeft men slechts in de oplossing van de vergelijking (1) a = l 5 = 0 te nemen, waardoor men vindt:

2« _

»• = W j2 = I

a

\' W a2 b

HCA — , /---\\J

W 52 « = 0

2^ tt

y = C08--\\- S171-1/-1

n n

waarin men weer voor k n opeenvolgende geheele getallen, bijv. 0, 1, 2, .... {n—1) heeft te nemen.

2 TT 2 TT

Stelt men cos--[- sin — ]/ — 1 = a zoo kunnen blijkbaar de

n

a

wortels van de vergelijking (2) voorgesteld worden door

1 a a2 a3

Onderstelt men nu vooreerst n even, zoo vindt men door /„■= 0 n

en k — — te nemen, dat zoowel -)- 1 als — 1 een wortel der ver-

A

gelijking is. De overige wortels zijn onbestaanbaar en verschillen twee aan twee slechts in het teeken van den onbestaanbaren term. Zoo vindt men voor k — u — 1

2(» — 1)^ , . 2(m—l)7!1 , . 2?r . 2^

cos—--\\-sm-y —l=cos — •—sin — y — 1,

n n n n

welke uitdrukking, behoudens het teeken van den tweeden term.

-ocr page 175-

161

ook gevonden wordt door Jc = \\ te nemen. Eveneens vindt men door k = 2 en n — 2, door fc = 3 en ra—3, en eindelijk door

k — ll- — 1 en ^ -j- 1 te nemen uitdrukkingen, die alleen ver-2 Z

schillen in het teeken van den onbestaanbaren term. De onbestaanbare wortels kunnen derhalve ook voorgesteld worden door

Ikit . 2^?r ^

cos-± sm-y — 1

n n

waarin men aan h de waarden 1, 2 .... — 1 j geeft.

Men kan nu tevens de eerste-machtsdeelers van yquot; — 1 opschrijven. Deze zijn

y—\\

2\' 1

IkTt . Ikt:

y— cos-=F sin -—y — 1

waarin weer k=l, 2, .... —1^.

\\2

De onbestaanbare eerste-machtsdeelers kunnen twee aan twee tot bestaanbare tvveede-machtsdeelers verbonden worden. Men heeft namelijk

/ ITct: . 2kit . \\/ 2^5r . ^kTz \\

( v — cos--sin-y — IJl ?/ — cos--V-sin-y — 1) =

v n n J \\ n n /

2JCT:

= y2 — 2y cos--[- 1

Zoo vindt men bijv. voor de bestaanbare eerste- en tweede-machtsdeelers van ym—1:

y—1

^4-1

yi—2ycos~ 1

ƒ — 2y cos ~-\\~l

3 TT

y —2y cos— 1

4 7C

yi — 2ycos— 1

LOBATTO. 11

-ocr page 176-

162

Onderstelt men nu in de tweede plaats n oneven, zoo vindt men door A = 0 te nemen, dat -f~ 1 een wortel is. De (n — 1) overige wortels zijn onbestaanbaar, en verschillen weer twee aan twee slechts in het teeken van den onbestaanbaren term. Zij kunnen voorgesteld worden door

2Jc7r . 2k tt

cos-± stn-y — 1

n n

tl _ 1

waarin k= 1, 2.....—-— genomen wordt. Men kan ook hier de

2i

eerste-machtsdeelers opmaken, en de onbestaanbare twee aan twee tot bestaanbare tweede-machtsdeelers verbinden. Voor de bestaanbare eerste- en tweede-machtsdoelers vindt men dan

.V —1

O/. _

y1— 2^ cos ——^ -|-1 n — 1

waarin /j=1, 2, .... .

A

§ 117. Ook de oplossing van de vergelijking

/ 1 = 0 (3)

laat zich uit die van de vergelijking (1) in paragraaf 115 onmiddellijk afleiden, door daarin namelijk a = — 1, i = 0 te nemen. Men vindt dan

j=l

cos n a = — 1 sin n a = 0

JT

o = —

n

y=C0/2fc 1)- .»^ 1)V-i

n n

waarin voor k wederom n opeenvolgende geheele getallen genomen moeten worden.

Stelt men cos- sin-y—1 = ;3, zoo kannen de n wortels van

n n

de vergelijking (3) voorgesteld worden door

/3 /J3 /S5 .... i?2quot;quot;1 Is n even, zoo wordt voor geene waarde van k sin ^^— gelijk

-ocr page 177-

163

nul, zijn dus alle wortels onbestaanbaar. Zij verscliillen twee aan twee alleen in het teeken van den tweeden term, en kunnen ook voorgesteld worden door

(2^ 1)^ , . (2* !)*^ , s -- sm-y — 1

9? — 2

waarin men £ = 0, 1 .... —-— neemt. De eerste-machtsdeelers van

Ji

yquot; _|_ 1 kunnen weer gemakkelijk opgeschreven worden, die twee

aan twee verbonden ^ bestaanbare tweede-machtsdeelers 2i

, „ (21-4-1)^ , ,

f —lycos----[-1

opleveren.

71 X

Is n oneven, zoo vindt men door k~—-— te nemen den be-

2i

staanbaren wortel —1. De overige wortels zijn onbestaanbaar en kunnen voorgesteld worden door

(2fc l)5r . (2^-fl)jr

cos -—^ ± sm---——

n n

71 i 3

waarin it = 0, 1, 2, .... —^—. Voor de bestaanbare eerste- en tweede-machtsfactoren vindt men:

2/ 1

, „ (Zk l)* . ,

y — 2y cos -----1- 1

n — 3

waarin weer ^ = 0, 1, 2, .... —^—*

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal de wortels van de vergelijking

yquot; = l

1°. door toepassing van de goniometrische oplossingswijze;

2°. door gebruik te maken van de wortels van de vergelijkingen y7\' ~ 1, en yl = 1, met inachtneming van paragraaf 112.

Antw. » = 1: -4- V— 1; i ( K 3 ih V— 1); i (i 1 i ^—3).

11*

-ocr page 178-

164

2. Bepaal de bestaanbare eerste- en tweedemachts deelers van

x\' 3

Antw. a; K3

x* — 2a; cos — K9

35r \' i x — 2x cos —— K 3 K 9

Stt \' \' a2 — 2x cos — K3 K9.

3. Vraagt men de wortels te bepalen van de vergelijking

a x-quot; b xquot; c = 0

zoo vindt men vooreerst

— b ^ b^ — i ac

xquot; =-r-

Twee gevallen zijn hier te onderscheiden, al naar het teeken van b2 — 4 ac. Is vooreerst b- — 4 ac gt; 0, dan heeft men, de beide bestaanbare waarden van x* p en q stellende, slechts de vergelijkingen

x*—j\' xquot; = q

op te lossen. Is in de tweede plaats b3 — 4 ac lt; 0, zoo moet men, als I,1_4 ac — t* gesteld wordt, de wortels bepalen van de vergelijkingen

h t h t ,

X*= — ---h — K—1 en xquot; — —---—V — 1

2a 2a 2« 2a

De eerste geeft:

2« (, — b t r = K — cos not

k4«c 4 nc

( 2A;9r\\ , . ( , 2fc7r\\ ,

x = r i cos I a H——j stn ^ a H—— j K— 1 /

waarbij aan cos net het teeken van —2^en aan S \'in van ^quot;wor(i^ Se*\'

geven. De tweede vergelijking wordt op overeenkomstige wijze opgelost. De wortels der beide vergelijkingen verschillen slechts in de teekens van de onbestaanbare termen.

Men passé het voorgaande toe op de vergelijking

^io _1_ 2 a;5 2 = 0

10\\ 3 SA? _ , . 3 SA? _ w Antw. K 2 j cos —± sm —t V-

h = 0, 1, 2, 3 en 4.

4. Men passé de in paragraaf 115 besproken methode voor het bepalen van de w-de machtswortels uit eene onbestaanbare uitdrukking toe op de formule van Cardanus (zie § 92) in het zoogenaamde onherleidbare geval, dat is als i lt;/2 -A p* lt; 0, waardoor men de goniometrische oplossingswijze (§ 97) te voorschijn zal zien treden.

-ocr page 179-

165

Men heeft

,/=z — iq y ! r iV p* of t ï3 p* = — t* stellende

y^z= — iq l V— 1

waaruit men vindt:

»• = V — —r cos 3a =-

3 k-£-3

27

t

sin 3« =-x

K-?-27

?/= K—f { clt;gt;s

Eveneens vindt men

V

Met het oog op \\jz— — \\ p moet in de uitdrukkingen voor y en « aan k dezelfde waarde gegeven worden. Eindelijk vindt men, evenals in § 97;

M ( ik T \\

x = y z =■ iVcos ya --g- j

waarin k = 0, 1 en 2 is te nemen.

5. Als men de vergelijking

a;» 1 = 0

zoo mogelijk door (.\'■ — 1), {pc -1- 1) of [x* — 1) deelt, en in de aldus verkregen wederkeerige vergelijking x --; —,\'/ stelt, zijn de wortels van de vergelijking in I/ alle bestaanbaar en tussehen — 2 en 2 gelegen.

6. Men leide uit de paragrafen 116 en 117 de stellingen af, die bewezen zijn in de paragrafen 108 tot 113.

-ocr page 180-

ZESTIENDE LES.

OVER DE PEEMÜTATIËN EN COMBINATIËN.

§ 118. Beschouwt men eene groep van n gvootheden, zoo kan men zicli deze in eene bepaalde volgorde geplaatst denken, kan men xn.a.w. aan elk dezer grootheden een rangnummer toekennen. Let men dan niet op de waarde der grootheden, maar uitsluitend op de volgorde, waarin zij geplaatst zijn, zoo wordt de groep der n grootheden eene permutatie dezer grootheden genoemd.

Beschouwt men bijv. 3 grootheden a, h en c, waarbij dus ?i = 3, dan kan men van deze grootheden 6 permutatiën vormen:

4 c c h

Voor n = 4 vindt men 24 permutatiën van de grootheden a, i, c en d:

b c

c b

a c

c a

a b

b a

d a d a d b d b d c d c

b b c c d a d

d

a d c c a d c d a d a c d c a

a c

a b d a d h bad b d a dab d b a

Het aantal permutatiën, die men van n grootheden of elementen kan vormen, wordt veelal door Fn voorgesteld.

Dit aantal kan gemakkelijk bepaald worden.

In de vierde kolom van de boven opgeschreven permutatiën der grootheden a, 6, c en d vindt men die, welke beginnen met het element d. Schrapt men in elk dezer permutatiën dit element weg, zoo houdt men over permutatiën van de grootheden a, b en c, en wel, zooals gemakkelijk valt in te zien, alle mogelijke permutatiën dezer drie grootheden, elk éénmaal. Het aantal der permutatiën in de vierde kolom, d.w.z. die met d beginnen, is dus Pj, en daar het aantal permutatiën, die met a, b of c beginnen, even groot is, heeft men;

-ocr page 181-

167

Op gelijke wijze kan men aantoonen;

P5=5P4 P^GPs

Pn = n?,,-,

En daar

P3 = 3P2 jP2 = 2 P,

P, = l.

zoo vindt men door vermenigvuldiging:

Pn=n 0—1) ... 3. 2. 1 (1).

Vaak wordt » (»—1) ... 3. 2. 1, d.w.z. het product van de eerste n geheele, positieve getallen door het symbool n.\' voorgesteld ; men heeft dus:

P» = n !

§ 119. De grootheden of elementen, die de permutatie vormen, zijn in het voorgaande door de letters a, b, c enz. voorgesteld. Zij kunnen ook aangeduid worden door eenzelfde letter a, voorzien van de aanwijzers 1, 2, ... n, dus door a,, a2, ... o„, of kortheidshalve met weglating van de letter a door de aanwijzers 1, 2, ... n. Bij de beschouwing van de permutatiën, die van deze elementen gevormd kunnen worden, kan men uitgaan van eene oorspronkelijke of hoofdpermutatie, voor welke gekozen kan worden de permutatie (12... n), waarin de aanwijzers in de natuurlijke volgorde der getallen voorkomen. In de hoofdpermutatie gaat dan van elk tweetal elementen het element met den laagsten aanwijzer vooraf aan het element, dat den hoogsten aanwijzer heeft. Bij eene afgeleide permutatie is dit niet meer het geval. Bij deze komt het voor, dat van de aanwijzers van twee elementen de hoogere aan den lageren voorafgaat. Twee zulke elementen worden dan gezegd eene inversie te vormen. In de permutatie (4 13 2) vormen bijv. de elementen 4 en 1 eene inversie ; eveneens de elementen 4 en 3, 4 en 2, 3 en 2. Daarentegen vormen de elementen 1 en 3, 1 en 2 geenc inversie, daar hier de lagere aanwijzer aan den hoogeren voorafgaat. De permutatie (4 13 2) bevat dus 4 inversies.

De permutatiën van n elementen kunnen in twee klassen verdeeld worden. Tot de eerste klasse worden gebracht de pevmu-

-ocr page 182-

168

tatiën, die een even, tot de tweede klasse die, welke een oneven aantal inversies bevatten.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal het aantal inversies en daarmede do klasse voor elk van de per-mutatiën:

(5 7 1 6 2 4 3)

(1 9825376 4)

(5 4 3 2 1)

2. Van welke klasse is de permutatie:

(« n —1 ... 3 2 1)

Antw. De permutatie bevat —\' —^\' inversies, en is dus van de eerste klasse als n = ik of H- 1, en van de tweede klasse als « = 4A- 2 of 4A: 3.

3. Toon aan, dat de permutatie

(a b c ... m h)

van de eerste of van de tweede klasse is, naarmate het product

(b—«) (c—\'/) . . . (hi — a) (n — o) X (c — 6) . . . ()« —i) (n — b) X

(u—iti)

positief of negatief is, waarbij a, b, c . . . m, n de aanwijzers der elementon voorstellen.

§ 120. De klasse eener permutatie kan steeds bepaald worden door het aantal der inversies te tellen. Daarbij kan echter vaak met vrucht gebruik worden gemaakt van de volgende eigenschappen.

Door eene eenvoudige verwisseling van twee elementen verandert de klasse der permutatie.

Onder eene eenvoudige verwisseling wordt verstaan eene verwisseling van twee naast elkaar geplaatste elementen. Daarbij blijft de volgorde van elk tweetal elementen onveranderd behalve die van de twee verwisselde elementen. Vormen deze eene inversie in de eene permutatie, zoo zullen zij in de andere permutatie geene inversie vertoonen. Het aantal inversies is mitsdien met één af- of toegenomen, de klasse der permutatie dus veranderd.

Hieruit laat zich gemakkelijk afleiden:

Boor eene verwisseling van twee willekeurige elementen verandert de Masse der permutatie.

-ocr page 183-

169

Men kan namelijk aantoonen, dat zulk oene algeraeene verwisseling gesplitst kan worden in een oneven aantal eenvoudige verwisselingen. Zij

. b p c d e q f . . .) (a)

de beschouwde permutatie, waaruit door verwisseling van p en g wordt afgeleid de permutatie

(. ..iqcdepf...) {p)

Dit kan geschieden door eerst p op de verlangde plaats te brengen, waartoe men p achtereenvolgens verwisselt met c, met d, met e en met q. Hierdoor heeft men de permutatie

{. ..bcdeqpf...) {y)

verkregen. Het aantal eenvoudige verwisselingen, die hiertoe noodig zijn, is, als k het aantal der tusschen p en q gelegen elementen aangeeft, blijkbaar fc-j- 1, daar toch p met elk dezer elementen en bovendien met q verwisseld moet worden. Om nu q op de verlangde plaats te brengen, verwisselt men in de permutatie iy) q achtereenvolgens met e, d en c, waardoor de permutatie {fi) verkregen is. Het aantal dezer laatste verwisselingen is blijkbaar k, zoodat men om de permutatie (/S) uit de permutatie (a) af te leiden, 2k dus steeds een oneven aantal eenvoudige verwisselingen heeft uit te voeren. En daar nu bij elke eenvoudige verwisseling de permutatie van klasse verandert, zoo volgt hieruit dat ditzelfde geldt voor eene algemeene verwisseling.

Als men in eene permutatie het element a door b, b door c, c door d, en d weer door a vervangt, zoo zegt men dat op de elementen a, h, c en d eene kring ver wisseling is toegepast. Zoo leidt men door eene kringverwisseling der elementen 1, 5, 7 en 4 uit de permutatie

(2 1 7 3 6 5 4 8)

de permutatie

(2 5 4 3 6 7 1 8)

af.

Boor eene kringverwisseling van m elementen zal de klasse der permutalie al of niet veranderen, naarmate m even of oneven is.

Elke kringverwisseling laat zich namelijk splitsen in m — 1 algemeene verwisselingen. Zoo kan bijv. van de beide boven op-

-ocr page 184-

170

geschreven pqrmutatiën de tweede uit de eerste afgeleid worden door liet element 1 achtereenvolgens te verwisselen met 5, met 7 en met 4, dus met elk der overige elementen, op welke de kringverwisseling betrekking heeft. Daar nu bij elk dezer verwisselingen de permutatie van klasse verandert, zal als m even is de kringverwisseling de permutatie wel, daarentegen als m oneven is niet van klasse doen veranderen.

Van twee permutatiën kan de een steeds uit de ander worden afgeleid door eenige kringverwisselingen uit te voeren. Om bijv. uit de permutatie

(8 9 1 5 3 7 4 6 2 10)

af te leiden

(1 6 9 5 8 10 2 3 4 7)

heeft men slechts de kringverwisselingen 8, 1, 9, 6, 3 — 7, 10 en 4, 2 uit te voeren. Het element 5, dat niet van plaats veranderd is, kan beschouwd worden tot eene kringverwisseling van één element te behooren. Hieruit laat zich voorts gemakkelijk afleiden:

Ah van tioee permutatiëa van n elementen de een uit Je ander kan worden afgeleid door h kringverwisselingen uit te voeren, zoo behoor en de permutatiën al dan niet tot dezelfde klasse, naarmate n — k even of oneven is.

Als de k kringverwisselingen achtereenvolgens betrekking hebben op m,, m2, . . . mk elementen, dan kan blijkens het voorgaande de geheele omzetting geschieden door (m, — —1) -f-...-)- {mk 1) = (m, -f- m, -t~ . . . -(- mk) — k algemeene verwisselingen uit te voeren. Nu is echter, als men voor elk element, dat niet van plaats verandert, eene kringverwisseling van één element in rekening brengt, m2 -f-. . . -f- = n, waardoor voor het bovengenoemde aantal « — k gevonden wordt. En hieruit laat zich het bewijs der genoemde stelling onmiddellijk afleiden.

Zoo was bijv. voor de beide boven opgeschreven permutatiën « = 10 en 7; = 4 ; daar nu n — k = 6 even is, zoo behooren de permutatiën tot dezelfde klasse.

Hiermede is een eenvoudig middel gevonden om de klasse eener permutatie te vinden. Men heeft daartoe slechts te bepalen het aantal k der kringverwisselingen, waardoor men de gegeven permutatie uit de hoofdpermutatie kan afleiden. Naarmate

-ocr page 185-

171

dan n k even of oneven is, zal de permutatie tot de eerste of tot de tweede klasse behooren. Om bijv. de klasse te bepalen van de permutatie

(8 9 1 5 3 7 4 6 2 10)

vergelijkt men haar met de hoofdpermutatie

(1 2 3 4 5 6 7 8 9 10)

Voor k vindt men dan gemakkelijk 3, en daar n —/i, = 7 hier oneven is, zoo behoort de permutatie tot de tweede klasse.

TOEPASSING.

Bepaal door toepassing van den laatstbesproken regel de klasse der per-mutatiën, voorkomende in de Toepassingen 1 en 2 op blz. 168.

§ 121. Bij de groepen, die in het voorgaande beschouwd werden, kwamen steeds in elke groep alle n elementen voor. Men kan echter ook uit n elementen eene groep van m elementen vormen, die men zich weer in eene bepaalde volgorde gerangschikt denkt. Zulk eene groep heet dan eene variatie m aan m der n elementen. Twee variatiën kunnen dus verschillen in de elementen, die zij bevatten, of in de volgorde, waarin deze elementen genomen worden. Zoo kan men van 4 elementen a, b, c zn d 12 variatiën twee aan twee vormen:

a b a c ad b c b d cd ba ca da c b d b d c

Het aantal variatiën van n elementen m aan m wordt aangegeven door V™, en kan als volgt bepaald worden. Om de variatiën twee aan twee alle op te schrijven, voege men achter elk der elementen achtereenvolgens elk der (?t — 1) overigen. Dan zijn er niet te veel opgeschreven, want geen twee groepen zijn hetzelfde, en er zijn ook geen andere groepen te bedenken, daar elke te denken groep uit een der elementen bestaat, gevolgd door een der overigen, en dus reeds opgeschreven zal zijn. Het aantal groepen is derhalve n maal n — 1, dus is

Fl=n (n — 1).

De variatiën drie aan drie worden opgeschreven door achter elk der variatiën twee aan twee achtereenvolgens elk der [n — 2)

-ocr page 186-

172

daarin niet voorkomende elementen te schrijven. Aldus zijn alle mogelijke variatiën drie aan drie verkregen, terwijl bovendien geen dezer tweemaal is opgeschreven. Hieruit blijkt:

F^ = (n — 2)F; = n(n~-l)(n — 2)

Op gelijke wijze vindt men-

K=0\'-3)K

f™ = (n —m-f 1) F™ \'

waaruit door vermenigvuldiging

V\'\'\'=n(n—1)(« — 2). . . {n — (2)-

Wordt het aantal elementen in elke groep gelijk aan het totale aantal elementen, dus m = n, zoo gaat de variatie over in eene permutatie. Door dus in vergelijking (2) m = n te stellen, vindt men het reeds bekende resultaat

Z7quot; = Pn = n {n — 1) (« — 2) ...2.1.

§ 122. Onder combinatiën van elementen verstaat men de groepen, waarbij de rangschikking in de groep onverschillig is en dus a b en b a als eenzelfde groep beschouwd worden. Het aantal combinatiën van n elementen m aan m, dat door C™ wordt voorgesteld, kan uit de reeds gevonden uitdrukkingen gemakkei yk afgeleid worden. Had men nl. al de groepen voor de combinatiën opgeschreven, zoo zou elke groep van m termen op Pm = 1 . 2 . . . m wijzen geschikt kunnen worden en zoo telkens eene variatie der n elementen m aan m opleveren. Men ziet gemakkelijk in, dat aldus alle variatiën m aan m verkregen worden, en elk dezer slechts éénmaal. Derhalve zal

F:=l . 2 . . . m . C

zijn, en dus is:

r. K iiin — l) . . . (?t—m-t-1)

n 1.2...« 1 . 2 ... to

waarbij in teller en noemer evenveel factoren voorkomen.

-ocr page 187-

173

Men vindt zoo:

0\' = -=» n ^

^ ?i(re — 1) C»- 1.2

_ n(re —l)(w —2)

1.2.3

§ 123. Uit het voorgaande blijkt, dat het aantal combinatiën van n elementen, een aan een, twee aan twee, enz., juist de bekende binomiaal-coëfficiënten opleveren. Dat dit zoo moet zijn, is gemakkelijk aan te toonen. Als men het product der n factoren

O «O O aa) O» »3) • • • (^ «.)

wil opschrijven, zal bijv. xnquot;p vermenigvuldigd worden met groepen van p elementen uit de n waarden o,, a.^ a3 . . . an, en elke groep van p dezer elementen zal daarbij voorkomen. Het aantal dezer groepen wordt dus door Cf voorgesteld, en daar, als aI = a2 — . . .=an — a genomen is, elk der groepen ap oplevert, vindt men voor den coëfficiënt van .rquot;quot;p in de ontwikkeling van (# «)quot; Clal\', zoodat:

(a: a)quot; = a:quot; Cgt;quot;-,a Cgt;quot;-Ja24-... C\'^-\',ap-f...4-aquot;(4).

§ 124. De binomiaal-coëfficiënten, of de getallen, die het aantal combinatiën van elementen aangeven, hebben verschillende zeer belangrijke eigenschappen, waarvan hier eenige zullen volgen. In de eerste plaats volgt uit

„n «(«—1)—wï 1) _ji(JI — 1) ...(« —«1 2)

Cquot; quot; 1 . 2 . . . m 611 quot; 1.2... (m—1)

eene betrekking tusschen twee opeenvolgende binomiaal-coëfficiënten, nl.

c:=n—m \\ c„-, (5).

Daar verder, wanneer men uit n elementen eene groep van m neemt, er n—m elementen overblijven, die men ook in eene groep

-ocr page 188-

174

vereenigen kan, zal het aantal groepen van beide klassen gelijk zijn, en men dus hebben:

cc=crrquot;.

Zoo zal men van 10 elementen kunnen vormen ^ ^ \' ƒ = 120

L , u • o

groepen van drie, maar ook 120 groepen van zeven dezer elementen. Als men de uitdrukking voor het aantal combinatiën aldus vervormt:

_ n(?i—1) . . . (n — m-\\-\\)_ n{n—1) ...3.2.1

quot; 1 . 2 . . . m 1 . 2 ... ot, X 1 • 2 ... (ra — m)

n!

of cr=

m! {n — m) !\'

blijkt dit ook uit de formule zelve, daar deze onveranderd blijft, als men m door n — m vervangt.

Eene andere betrekking verkrijgt men, als men de Oquot; combinatiegroepen in twee deelen splitst, namelijk in een deel, waarin een der elementen, bijv. a wel, en in een ander deel, waarin dit element niet voorkomt. De groepen, waarin a niet voorkomt, zijn groepen van m uit de overige n — 1 elementen, en dus C., in aantal. En de groepen, waarin a wel voorkomt, zijn, wanneer men deze letter wegschrapt, groepen van m — 1 elementen uit de ra — 1 overigen en wel alle groepen, die men van

ra—1 elementen m—1 aan m — 1 op kan schrijven, en dus C^,\' in aantal. Derhalve heeft men:

c:=c::; c:_, (6).

Past men op deze zelfde formule toe, zoo komt er

cC^cC cC C.

en, na herhaalde bewerking, daar Cquot;=C\',Tli = l

c:= c::: c;\' c.quot; • • • c:.\' (7).

§ 125. Ook door van de formule van het binominm gebruik

-ocr page 189-

175

te maken, kan men belangrijke betrekkingen vinden. Zoo zal, als men in de uitdrukking voor (a; -|- a)n, x — a = l stelt, gevonden worden:

2«=i -f c?quot; c„2 ... cr ■ c:.

En zoo men x=l en a = —1 stelt, vindt men:

0 = 1 —c: c,2—... ± ct-\'tc:.

Door eene kleine herleiding vindt men hieruit:

Cj-f C„3 lt;7,5-f ...=2quot;-\'

C,^ ^4^-C: . . .= 2»-—1.

Bedenkt men verder, dat (x -j- a)quot; ;gt; door vermenigvuldiging der uitdrukkingen voor (x «)quot; en (x -f- af ontstaat, en gaat men na welke termen bij deze vermenigvuldiging bij elkaar gevoegd moeten worden, om bijv. den coëfficiënt van aquot;xquot;*\'\'\'quot;1 op te leveren, zoo zal blijken, dat zoo mlt;n en ook lt;p is:

Cp=Cp c: c; - ■ d c;-2 -f... c: - c; C (8).

Deze formule gaat in zekeren zin ook door voor rn gt;p en gt; n. Is bijv. mgt;p, zoo heeft Cp als uitdrukking voor een aantal combinatiën geen beteekenis, maar bij het opschrijven op de gewone wijze zal dan in den teller een factor nul voorkomen, waardoor deze en andere termen verdwijnen. Met inachtneming dezer opmerking is de formule voor alle geheele waarden van in, n en p juist.

§ 126. Tot nog toe zijn de elementen van elke groep, die gevormd werd, verschillend gedacht. Wil men groepen vormen, waarbij de rangschikking der termen van invloed is en elk element zoo veel mogelijk herhaald mag voorkomen, zoo zijn de groepen van twee, uit n elementen n2 in aantal; men schrijft deze nl. alle op door elk element te doen volgen door ieder der n elementen. De groepen van drie elementen zijn dan en de groepen van p elementen nv in aantal. Hierbij mag p grooter dan n zijn.

Bij de groepvorming, waarbij op de rangschikking der termen niet gelet wordt, kan men ook de elementen zooveel mogelijk herhaald denken, en kunnen dan ook de groepen uit meer termen bestaan dan het aantal elementen aanwijst. Men spreekt

-ocr page 190-

176

dan van lierhalingscombinaticn, en stelt het aantal van n herhalingscombinatiën m aan m voor door

c:.

Om dit aantal te bepalen, zullen wij weer alle groepen verdeeld denken in een deel, waarbij een der elementen, bijv. a, niet en een ander deel, waarbij dit element wel voorkomt. Het eerste deel bevat alle herhalingscombinatiën van de n — 1 overige elementen, en het aantal groepen, waarin a wel voorkomt, bevat, als men overal een element a afneemt, groepen van m— 1 elementen, maar waarin a ook nog voorkomt en wel zoo veel mogelijk herhaald, even als de andere elementen. Men heeft dus:

c=c_,-f-cr\' (9).

Bij herhaalde toepassing dezer formule, of, wat het zelfde is, door de groepen, waarin a niet voorkomt, te gaan verdoelen ten opzichte van een tweede element b, enz., vindt men:

êr\' c::; ... cr ■ (iogt;.

Wil men hierdoor de herhalingscombinatiën twee aan twee opschrijven, zoo vindt men, omdat Cp — Cy, daar bij groepen, een aan een, van geen herhaling sprake is:

ë:=c: c:_1 . .. c;

en dus volgens formule (7):

1.2

Voor de herhalingscombinatiën, drie aan drie, komt er: amp;*=amp;, Cl ^ ... 01

En daar Cp=Cp 1 is, volgens het daareven gevondene, mag men ook schrijven:

A. = 1 C. • . . Cj

-ocr page 191-

177

en daardoor weer, volgens formule (7):

-3 3 ^ (w 2)(«-|-l)« = n(nl) (n2) quot; quot; 2 1.2.3 1.2.3

Op dezelfde wijze vindt men:

-P rtp n(n-\\-l)(n-{-2) ...(n p — l)

Cn=Cn p_, =-1.2.3...^- (l])-

§ 127. Van de gevallen, dat slechts enkele elementen herhaald worden, zal alleen dat behandeld worden, waarbij men spreken kan van het aantal permutatiën van n elementen, waaronder eenige gelijke voorkomen. Zijn daarbij p gelijke elementen, zoo zal elke groep, als men de gelijke elementen door onderling ongelijke vervangt en deze onderling zooveel mogelijk verwisselt, aanleiding geven tot 1.2,..;) gewone permutatiën, en dus het gevraagde aantal zijn:

1^2 ! \'^=r(-P 1)0 2) • • • » (12).

Zijn er p gelijke elementen a en daarenboven q gelijke elementen h, zoo zal het aantal permutatiën zijn:

12 • • ■ quot; Qg-v

1.2...p.l.2...? (

en men verkrijgt eene soortgelijke uitdrukking, als van drie of meer elementen eenige gelijke voorkomen.

TOEPASSINGEN.

1. Op hoeveel verschillende wijzen kunnen 7 personen rondom eene tafel geschikt worden, als twee schikkingen, waarbij een ieder dezelfde buren heeft, als eene enkele worden beschouwd?

Antw. 360.

2. Hoeveel verschillende getallen kunnen uit het getal 11223 door omzetting der cijfers gevormd worden?

Antw. 30.

3. Men geeft » punten, waarvan er geen drie in eene rechte lijn liggen. Hoeveel verbindingslijnen van twee punten kunnen worden getrokken?

Antw. 6 = —-———.

« 1.2

LOBATTO. 12

-ocr page 192-

178

4. Men geeft n punten, waarvan er geen vier in een plat vlak liggen. Hoeveel vlakken zijn er, die door drie dezer punten gaan?

n (h—1)(«—2)

Antw. C =

1.2.3

5. Hoeveel getallen zijn er beneden 1000, waarin geen der cijfers herhaald wordt?

Antw. 738.

G. Op hoeveel verschillende wijzen kan men een spel van n kaarten verdoelen in vier hoopjes van n, h, c en d kaarten, waarbij a h e d — ti?

H !

Antw. -quot;-r zoo «, h, e en d ongelijk zijn. Zijn twee dezer getal-

a.\'.b.\'.cJ.d !

len gelijk, zoo moet de uitdrukking door 2 gedeeld worden; zijn er drie van gelijk, zoo moet door 2 . 3, en zijn alle vier gelijk, door 2.3.4 gedeeld worden.

7. Hoeveel verschillende worpen kunnen er geschieden met p gelijke dob-belsteenen van n zijvlakken, als elk dezer vlakken met een verschillend aantal oogen van 1 tot « gemerkt is?

. . 1) • • • (n-hp —1)

Antw. 6\' =-z—---

quot; 1.2...^

8. Op hoeveel verschillende wijzen zal men een product, uit m n factoren samengesteld, in quot; producten elk van gt;» factoren kunnen ontbinden?

mn(mn—l)(mn—2) . . . (/( 1)

Antw. -—---r-.-

(1.2... »»)«

!). Toon aan, dat het product van in opeenvolgende geheelo getallen steeds deelbaar is door het product der eerste m geheele getallen.

10. Oeef eene zelfstandige afleiding van de betrekking

(yquot;_ n1 lt;V« -1

n in n

Men merke daartoe op, dat als aan elk der combinatiën (/«—1) aan (w — 1) van « elementen beurtelings elk der «—m 1 ontbrekende elementen wordt tocvoegd, men alle combinatiën in aan m verkrijgt, elk m maal herhaald.

11. Geef een zelfstandig bcwiis van de betrekking

CT- Cquot;\\ ,

n n m — 1

Men denke zich alle combinatiën m aan tn opgeschreven van n m — 1 elementen, die door de aanwijzers 1, 2, ... . (rt w — 1) worden voorgesteld, en in elke combinatie de aanwijzers in klimmende volgorde genomen. Vermindert men nu overal den tweeden aanwijzer met 1, den derden met 2, en zoo voort, en eindelijk den nlet m—1, zoo verkrijgt men alle herha

lingscombinatiën van do aanwijzers 1 tot n, elk éénmaal, waaruit zich het verlangde bewijs onmiddellijk laat afleiden.

12. Toon aan

m m—i i m—2 2 rrr — k Ji I wi 1 in

c , = d C C , .Cn Cf ... Cn C, ... CC, 6\',

w n n n n n n n n n n

-ocr page 193-

179

Men vindt deze betrekking door gelijkstelling van de coëfficiënten van x\'quot; in de beide leden der identieke vergelijking

13. Toon aan

cquot;»=1 ( (r! )2 - (r\'!1 y (ci)2

Deze betrekking wordt verkregen door in de voorgaande ni — n — n\' te nemen.

ZEVENTIENDE LES.

TOEPASSING VAN DE LEER DER PERMüTATIËN EN COMBINATIËN OP DE ONTWIKKELING DER GEHEELE EN POSITIEVE MACHTEN VAN EENIG POLYNOMIUM.

§ 128. Reeds in § 123 is aangewezen, hoe men door middel van de leer der combinatiën tot de ontwikkeling van O a)quot; komen kan voor het geval dat n een geheel positief getal is. Zie hier nog een bewijs, dat beter geschikt is om voor het algemeen geval van de macht van een polynomium uitgebreid te worden.

Uit de regels der vermenigvuldiging blijkt, dat als het product der n gelijke factoren

a -\\-h, a-\\-b, . . . a-\\- J)

gevraagd wordt, een der partiëele producten verkregen zal worden door uit elk der factoren een der termen a of b te nemen, en het product van deze termen op te schrijven.

De partiëele producten dezer ontwikkeling zullen nu alle den vorm a1\'bi aannemen, waarin p-\\~q = n is, en p evenals q alle waarden van 0 tot n ingesloten kan verkrijgen, zoodat er n -p 1 afzonderlijke termen gevormd worden, welke op de coëfficiënten na zullen zijn:

aquot;, aquot;-1^, aquot;_2Zgt;2, . . . . . . cfhn~-, ab\'~\', bquot;.

Om den coëfficiënt van aquot; bquot; te bepalen, heeft men slechts na te gaan, op hoeveel verschillende wijzen deze waarde als partieel product voor kan komen. Om daartoe te geraken, denke men zich do permutatiën opgeschreven van n elementen, waarbij

1 2*

-ocr page 194-

180

p elementen elk gelijk a en de overigen elk gelijk b zijn. Elk dezer mogelijke versclnkkingen geeft één der wijzen aan, waarop men uit de n factoren a-\\-b in geregelde volgorde p termen a en np termen b nemen kan. En daar dit aantal volgens § 127

1.2...» n{n — !)...(» — ^ -j- 1) _

\\ .2 . . .p .1 .2 . . . 1 .2 .. .p _ »

zijn zal, is dit ook de coëfficiënt van aV V~p, die dus ook overeenkomt met liet aantal combinatiën p aan p, waarvoor n elementen zonder herhalingen vatbaar zijn.

Hieruit blijkt dus reeds, dat de algemeene termen ai\' bquot;\'p en nquot;\'quot;/)quot; met denzelfden coëfficiënt zullen aangedaan zijn. Stelt men thans achtereenvolgens p = l, 2, 3 tot n ingesloten, dan bekomt men hierdoor voor de ontwikkeling van (n -f- b)quot; de bekende formule van newton :

(« b)quot; = aquot; «aquot;_ 1 i -j- aquot;-2 J2 ...

X . _

n(n — \\)...(n—p l) Ph,-p «Xn — 1) quot;4quot;,

^ 1 .2 . 3 . . .p 1.2

welke ook, ingevolge onze aangenomen notatie, onder eenen meer beknopten vorm aldus kan geschreven worden:

= Cgt;»-252-f ... (%a?b1\'\'1\' ...

... C;a2iquot;-2 Cl ab*-\' b\\

De getallen Cl, C2, . . . 0^, . . . heeten binomiaal-cocfficiënten, en worden ook door eenige wiskundigen kortheidshalve aldus voorgesteld;

t 2 p

(»), 00. • • • O). • • •

Voor het geval dat n even is, bestaat de reeks uit een oneven aantal termen, waarvan de middelste zal wezen

n(n—1) . . . 1)

nnn v 7 \\V fnn

010?? =-—-a1?

Is echter n oneven, dan zal de reeks uit een even aantal termen bestaan, waarin twee opvolgende termen denzelfden coëfficiënt zullen hebben, namelijk de termen

-ocr page 195-

181

n 1 w-gt; w-f 1 n-l n .f I

2 2 2 22 2

C„ a b en Cn a h ,

«(« —1) quot;t-1 »—1 n (w — 1) ... \'^1 ül\'

n V. Z / 2 2 \\ J / 2 2

01 --^— a o en--— « 6 .

1.2.3...^=! i.2.3...^

§ 129. Beschouwen wij thans een product van n factoren, elk gelijk aan het trinomium of aan de drieledige uitdrukking a b c, dan is het duidelijk, dat zoodanig product, hetwelk de ontwikkeling van (a -f- ^ c)quot; is, eene rij zal opleveren, bestaande uit partiëele producten van den vorm aquot; bi cr, elk met eenen ge-tallencoëfficiënt aangedaan, en waarin de exponenten alle mogelijke positieve waarden kunnen verkrijgen, die aan de vergelijking p-\\-q-\\-r = n voldoen. Zulks volgt onmiddellijk uit den aard der vermenigvuldiging, dewijl elk dezer producten uit n factoren, waaronder slechts drie van elkander verschillende, zal moeten samengesteld zijn. Het aantal dezer termen komt overeen met het aantal herhalings-combinatiën van drie elementen a, 5 en c, w aan n genomen, en bedraagt alzoo, blijkens § 126:

0fi 2— n 2--2

Wijders zal de coëfficiënt van eenigen term a\'\' J\' cr weder aanduiden op hoeveel verschillende wijzen n elementen onderling ge-permuteerd kunnen worden, indien zich daaronder bevinden p elementen =a, q elementen = £ en r elementen = c. Derhalve heeft die coëfficiënt tot getallenwaarde

__n(» —1) ... 3 . 2 . 1 n (71 — 1)... (V -f-1)

(1.2.3 ...p) (1 . 2 . 3 ... ?) (1. 2 . 3 ... r) (1 .2 . 3 ...^) (1. 2 .3 ... q)\'

De termen, waarin twee letters voorkomen, zooals ap b1\'~p, at\' c\'-p, bp cn-P, hebben blijkbaar tot coëfficiënt het aantal onderlinge permutatiën van n elementen, onder welke zich p aan elkander gelijke bevinden, terwijl de overige n—p eveneens aan elkander gelijk zijn. Deze coëfficiënt bedraagt alzoo:

n{n — 1) ... 3 . 2 . 1 u{ii — Ij ... («—^1) ^

1. 2 . 3...P .1.2.3... (« — /gt;) = 1.2 .2, ...p _

De termen, die slechts eene enkele letter bevatten, namelijk

-ocr page 196-

182

aquot;, V\' en cquot; zullen geenen anderen coëfficiënt dan de eenheid kunnen verkrijgen.

Stelt men nu kortheidshalve de som der laatstgemelde termen, namelijk aquot; -)- -f cquot; = S. aquot;; de som der termen uit producten van twee letters gevormd, waarvan een der factoren tot de /xle macht en de andere tot de («—^)de macht verheven is, dat is

aquot; i1\'cquot;-p -\\-b\'l-P(f= S. d\'bn\'IJ,

alle welke termen tot coëfficiënt hebben d\'n; voorts de som dei-producten, uit drie letters gevormd, waarvan een der factoren tot de jfde, de tweede tot de qda en de derde tot de rde macht verheven is = S.agt;\'h\'icr, zijnde hierin altijd £gt; ? \'quot;= ra\' dan zal, volgens deze notatie, de ontwikkeling van c)quot; op eene eenvoudige wijze kunnen voorgesteld worden door de uitdrukking:

£rt„ , „ w(ra-l)...(r l)

1.2.3 ...p (1.2.3.../gt;)(1.2.3.. y)

mits hierin voor ^), q en r alle positieve waarden substitueerende, waarvoor zij vatbaar zijn, en vervolgens de onderscheidene daaruit voortvloeiende termen bij elkander voegende. Men neme bijv. achtereenvolgens n = 2, 3, 4, 5, enz., dan vindt men gemakkelijk, mot behoud van het teeken S:

(« ó4-c)2=\'S\'.a2-[-2lt;S.fli.

(« 5 -f c)3= /S\'.a3 3lt;S\'. cri GS.abc.

{a h c)4= S.ai ±S.a\'b GS.d1bi 12S.cfbc.

(a b c)s= amp;as 5S.a46 10£.ffl35a 20£a3óc 80S.a2i2c. (a «-|-c)6=-S\'.a9 6^.a54 15lt;S.a463 20^.a3i3 30amp;flJic 60«S.a3é2c-|-

90 6\'. «VA-,

§ 130. Gaan wij thans over tot de beschouwing van een po-lynomium abcd-\\~ e..., uit een willekeurig aantal van m termen samengesteld. Men zal met weinig moeite inzien, dat de ontwikkeling van

(jt b -|— c -|- d 6 -)— . .

samengesteld is uit partiëele producten van de vormen aquot;b\'i, at\'bicr, avb\'icrd enz., elk met een coëfficiënt aangedaan, en waarin de som der exponenten = n moet zijn; voorts dat elk der termen aquot;, bquot;, cquot; ens. de eenheid tot coëfficiënt heeft, terwijl in het algemeen de coëfficiënt van een willekeurigen term van den vorm

-ocr page 197-

ai\' h\' cr ds e\' . . . zal overeenkomen met het aantal permutatiën van n elementen, waaronder zich p bevinden elk gelijk a, q elk gelijk 6, enz., welke coëfficiënt dus tot waarde heeft:

n (» — 1) (» — 2) ... 3 . 2 . 1 F,

(1 . 2 . 3 ... p) (1 . 2 . 3 ... j) (1 . 2 . 3 ... r) enz, P^PqPrem.\'

zijnde hierin steeds P q ...=n, zoodat men, van dezelf

de notatie als hiervorea gebruik makende, zal kunnen schrijven:

{a-\\-b-\\-c-\\-d-\\-e ...)quot; = S. aquot; -)- - quot;y S. at\' M -f-

ri\'r\'l

S-aquot; bq cr p pp p s-aquot;1,1 cr ds enz-

LPJr\'lJrr -L p -L q -L r -Ls

Na volledige ontwikkeling zal die reeks uit zoo veel verschillende termen samengesteld zijn, als het aantal combinatiën n aan u bedraagt, waarvoor de m elementen a, b, c, d . . . met toelating van allo mogelijke herhalingen vatbaar zijn, namelijk:

_ m O -[- 1) . . . (in « — 1)

1.2.3. . .n

§ 131. Do voorgaande handelwijze kan nu tevens leiden tot de ontwikkeling der «do macht van het polynomium

a-\\- hx -\\- av\' dx3 -|- enz.,

en zulks naar do opklimmende machten van x gerangschikt.

Te dien einde vervange men in den algemeenen term dei-voorgaande reeks

P

——- _ quot;--.ai\' h\'i cr ds e\'. ..

Pp Pq Pr Ps Pt ■

b door bx, c door c.c~, d door dx3, enz., waardoor zij overgaat in

P..

.aPMc\'d\'eK . . X a\'\' 2\' 3S«\' 1 quot;

PpPqPrPsPt.

cn nu is het duidelijk, dat de coëfficiënt van eenige macht x!x uit zoo veel termen zal bestaan, als het aantal wijzen bedraagt, waarop men aan de vergelijking

5 2»- _j_ -j- 4lt; f

in guheele positieve getallen, met inbegrip van nul, kan voldoen.

-ocr page 198-

184

Laat bijv. gevraagd worden naar den coëfficiënt van ar5 in do ontwikkeling van

(a -|- hx -)- cx* -f- cfo3 -f- ex* -f- fx*)\'1,

dan heeft men de onderscheiden waarden van q, r, s, t en u te bepalen, welke aan de vergelijking

q2r Zshu = 5

voldoen. Met weinig moeite zal men het navolgende tafeltje kunnen samenstellen, aantoonende dat er zeven termen met x* zullen aangedaan zijn:

?

r

s

lt;

u

0

0

0

0

1

0

1

1

0

0

1

0

0

1

0

1

2

0

0

0

2

0

1

0

0

3

1

0

0

0

5

0

0

0

0

De hiermede overeenstemmende termen zijn de volgende:

-P.

af ƒ of aquot; \' ƒ, tot coëfficiënt hebbende —= n;

quot;n-\\

P

ai\' cd of aquot; 2 cd, met den coëfficiënt —= n {n — 1) = 2C,n2;

n-2

P

a? he of aquot; 2 be, met den coëfficiënt quot;-=«(« — 1) = 2Cn2;

1\\ — 2

af hé1\' ofaquot;-3 hc*, met den coëfficiënt = —-r—^-- = 3C„3;

■^n-3 quot;2. 1 quot;

a\'\' Vd of aquot;~3 Ifd, met den coëfficiënt ——n—— = 3 C,,3;

n - 3 -*2

a^3cofan-4 63c, met den coëfficiënt ^ quot;(»-1)^-2)^-3)^

•*n — 4 3 1 . Z . O

= 4C„4, en

p

ap è5 of aquot; 3 i5, met den coëfficiënt ——= Cn5.

n — 5 S

Deze verschillende termen met elkander vereenigende, komt er voor den Legeerden coëfficiënt van a;5:

-ocr page 199-

185

na\'\'\' 2 Cl aquot;-2 (be ca?) 3 C„3 aquot;\'3 6 (bd c2) 4- 4Cgt;quot;-433c-f-(7„5aquot;-si5.

Men oefene zich thans in het bepalen van den coëfficiënt tot den term xquot; behoorende, en men zal hiervoor vinden:

C„2 a»quot;2 (25/-)- 2ce d2) 4- C* a» quot;3 {362e -f 6icd c3) -f- C* a* \'4 (U kl -f 6 JV) 5 C: aquot; quot;5 i4c Cn8 aquot; quot;6 bs.

Wij achten het onnoodig, hier in meer bijzonderheden nopens dit onderwerp te treden, dewijl het voldoende zal zijn, te hebben aangewezen, hoedanig men bij de ontwikkeling der termen van eenig willekeurig polynomium te handelen hebbe.

ACHTTIENDE LES.

OVER DE DETEEMINANTEN.

§ 132. Wanneer men de waarden van x en y bepaalt uit de vergelijkingen

atx -sr^ty=Pi v Ky=P2

vindt men met weinig moeite:

Wx—Px lt;*2 ■ ^2

PA—Mi

x = —7-7— en y -

(1)

flt] ^2 0^2 b^ b.

waarbij de noemers eenzelfde uitdrukking

ö j b ch^b y

zijn van de coëfficiënten der onbekenden. Deze uitdrukking, die op regelmatige wijze uit de coëfficiënten a en h is saamgesteld, wordt dikwijls voorgesteld door het teeken

(, b

lt;2 b,

Lost men op gelijke wijze x, y va. z op uit de vergelijkingen alx-\\-bty-\\-clz=px a2a, 52j/4-caz=^a \'\'3x-{-b3y-\\-czz=p3

(2)

-ocr page 200-

186

zoo vindt men drie breuken, die tot gemeenschappolijken noemer hebben

CL,—|— Cl.JijCj —- üJ)—|— o^h^c.^ Cl Jl.^C\\ 5 (3)

welke uitdrukking men weer gewoon is voor te stellen door het teeken

«, ö, c,

«2 K c2 (4)

«3 ^3 C3

Uitdrukkingen, als wij hier onder (1) en (3) hebben aangetroffen, en welker samenstelling in de volgende paragraaf besproken zal worden, spelen in vele deelen der wiskunde eene belangrijke rol. Zij worden determinantuitdrukkingen of determinanten genoemd. Het symbolische teeken, (2j en (4), door hetwelk men gewoon is den determinant voor te stellen, heet do matrix van den determinant.

§ 133. Men denke zich n rijen, elk van n grootheden, geschreven in den vorm van ecu vierkant:

l,

L k

4, c,

h., 6*2 h, c.

«1

C,. . . . ln

Daarbij zullen de horizontale regels rijen en de verticale regels kolommen genoemd worden. Zoo vormen bijv. av b2, c.,, . . . l2 de tweede rij en c,, c2, c3, . . . cn de derde kolom. De n2 grootheden a„ h„ enz. zullen elementen heeten.

Men vorme nu het product van n elementen, zoodanig gekozen, dat daarin één element uit elke rij en één element uit elke kolom voorkomt, m.a. w. dat in het product elk der letters «, h, c ... I éénmaal, en ook elk der aanwijzers 1, 2, 3 . . . w éénmaal voorkomt. Daarbij kunnen de letters steeds in de volgorde a, b, c . . . I geschreven worden, terwijl voor de opeenvolgende aanwijzers eene willekeurige permutatie van de getallen 1, 2, 3 ... n genomen kan worden. Stelt men deze permutatie voor door (£, Y/, f . . . a), dan kan voor het bedoelde product geschreven worden:

zlo bq cg , . .

Men geve daarbij aan dit product het positieve of het negatieve

-ocr page 201-

187

teeken, al naar mate de permutatie (f, y, Z ■ • ■ a) tot de eerste of tot de tweede klasse behoort, d. w. z. al naar mate het aantal inversies, die in de permutatie voorkomen, even of oneven is. Onder den determinant van de elementen verstaat men nu de som van alle producten, die op de aangegeven wijze gevormd kunnen worden, en die dus verkregen worden door in

rfc h^c-e- . . .1*

voor de rij der aanwijzers f, jj, ^ n achtereenvolgens elk der n! mogelijke permutatiën der getallen 1, 2 ... k te nemen, waarbij het teeken van elk product volgens den opgegeven regel is te bepalen. Deze determinant wordt voorgesteld door het teeken

ff,

4,

c, .

■ l,

a1

K

c..

. L

«3

h

quot;3 •

■ h

K

«n ■

■ l.

en wordt gezegd van den w4611 graad te zijn. De determinant bevat n! termen, die voor de helft met het positieve, voor de helft met het negatieve teeken zijn aangedaan. Een der termen bestaat blijkbaar uit het product der elementen c, . . . ln die in de zoogenaamde hoofddiagonaal van den determinant worden aangetroffen. Deze term heet de hoofd- of aanvangsterm van den determinant, en heeft het positieve teeken. De overige termen van den determinant worden door permutatie der aanwijzers gemakkelijk uit den hoofd term afgeleid. In navolging van Cauchy wordt de determinant ook voorgesteld door den hoofdterm voorzien van het dubbele teeken onder het sommeeringsteeken I te schrijven:

^ i ff, ^ C3 • • • K-

TOEl\'ASSIN GEN.

1. Men vraagt uit te schrijven alle termen van den determinant

quot;i

h

CL

di

((■2

h

C.2

d.2

«3

bs

C3

fh

«4

h

f\'4

ch

-ocr page 202-

188

Men heeft daartoe slechts allo permutatiën der getallen 1, 2, 3 en 4 op te schrijven, en deze als aanwijzers te plaatsen bij de letters van het product a b c d, waarbij het teeken van het product bepaald wordt naar de klasse dei-permutatie. Schrijft men eerst op de permutatiën, die met het getal 1 beginnen :

12 3 4 1243 1342 1324 1423 1432

waarvan de l*quot;, 3e en 5e een even, de 2\', 4= en Ge een oneven aantal inversies vertoont. Hierbij behooren de termen

«1 h C3 rfi «1 bi ct lt;l3 is ct (1-2 — «1 is Cu tlt o, bl (73 b, c3 d*

Uit elk dezer termen kunnen nu nog 3 andere worden afgeleid door op de aanwijzers eene kringverwisseling toe te passen. Daar het aantal der aanwijzers hier even is, verandert bij elke kringverwisseling (zie § 120) de permutatie van klasse, dus de term van teeken. Zoo worden uit den eersten term «i i» rs dt afgeleid de termen — «2 ia c4 d1 «s i4 Cj r/2 at ii ca ds.

Antw. «i ig C3 (/i — o2 ia c4 d1 rfj — b\\ a f/s

«1 h2 ct d, Ui hf Cz di — o1 i8 Cj d* a3 bi Ca di

«1 ij Cl dz — O3 ij Co di -t- «4 i» Cj f/s — a2 b^ c3 d,

— «! is Ca rf» «3 i» c, r/. — a2 i^ Ci lt;/3 bi c3 d2

«! ii c- lt;?s — «4 is Cs «,i «^.ia\'Ci di — «sA Ci dt

— «1 ilt; Cs d2 o, is Ca f\'i — d, ■ ■ «a ii c4 lt;/3.

2. Hoeveel termen bevat de determinant van den 6lt;len graad s ± «t ij r3 dt C5 fs, en welk is het teeken van den term ie quot;1 c3 c/a fs ei ?

Schrijft men voor den gegeven term n, i6 C3 ds «4 dan bevat de permutatie (1 6 3 2 4 5) vijf inversies. De term verkrijgt dus het negatieve teeken. Het aantal termen bedraagt 6! = 720.

3. Welk teeken verkrijgt in den determinant van den n1\'»11 graad S±«i ia C3 . . . l,, de term «n i» -1 en - a . . . I,, gevormd door de elementen, die in de tweede diagonaal voorkomen? (Verg. Toep. 2 § 119).

4. Schrijf uit de determinanten i

Antw. a3 i3 c3 — 3 « i c; n* — 3 ct2 i c i2 c2.

§ 134. In het voorgaande werden de elementen van eenzelfde kolom door dezelfde letter aangeduid, terwijl de aanwijzer de rij aangaf, tot welke het element behoort. Het verdient echter meestal de voorkeur alle elementen door dezelfde letter voor te stellen, die men dan twee aanwijzers geeft, waarvan de eerste de rij, de tweede de kolom aanduidt, tot welke het element behoort. De determinant van den ?iden graad, wordt dan voorgesteld door

-ocr page 203-

189

«11

a12

a.3 •

• «1«

fl,,

ja

(0

a.i3

a3I

a32

«33

»„1

an2

• «„n

of ook door S rt «i, «22 ^33 • • •

Om nu hier het teeken van een term te bepalen, kan men, evenals in de voorgaande paragraaf met de letters geschiedde, hier de tweede aanwijzers in de natuurlijke volgorde plaatsen, en het aantal inversies tellen in de permutatie door de eerste aanwijzers gevormd. Bedraagt dit aantal Ic, dan verkrijgt de beschouwde term het teeken, dat door (— l)4\' wordt bepaald. Zoo verkrijgt bijv. in den determinant van den 5deu graad de term

^51 ^13 quot;22 ^45 ^34

dien men na rangschikking der tweede aanwijzers kan schrijven

0f5l a22 ^13 CÏ34 «45

het negatieve teeken, aangezien het aantal (k) inversies in de permutatie (5 2 1 3 4) gelijk 5, dus oneven is.

Men kan echter ook het teeken van den beschouwden term bepalen door (—1 als k weer het aantal inversies aangeeft in de permutatie door de eerste aanwijzers, en l dat in de permutatie door de tweede aanwijzers gevormd. Dit is duidelijk, als de tweede aanwijzers in de natuurlijke volgorde zijn geschreven, daar dan 1=0. De regel blijft echter gelden, als de elementen in geheel willekeurige volgorde geschreven worden. Elke verwisseling van twee elementen toch doet, volgens § 120, zoowel k als l met een oneven, i-j-l dus met een even getal veranderen. Zoo vindt men voor de bepaling van het teeken van den term asl a13 a22 aA5 a3t, dat k, het aantal inversies in de permutatie (5 1 2 4 3), = 5 en l, het aantal inversies in de permutatie (1 3 2 5 4), = 2, dus k-{-l=7 is. Hieruit blijkt weer, dat de bedoelde term het negatieve teeken verkrijgt.

Bij het volgen van den hier gegeven regel is de volgorde, waarin de elementen geplaatst worden onverschillig. Men kan dus ook de eerste aanwijzers in de natuurlijke volgorde plaatsen, waardoor k=0 wordt, en het teeken dus bepaald wordt door (—1)\'. Doet men dit met den bovenbeschouwden term, dan vindt men

-ocr page 204-

190

\'13 22 34

waarbij het aantal inversies in de permutatie (3 2 4 5 1), = 5 is.

§ 185. Uit eiken determinant kan men door verwisseling van rijen met kolommen oen anderen afleiden. Men neme daartoe de l8te rij van den gegeven determinant tot lste kolom van den nieuwen, de 2ae rij van den gegeven tot 2tle kolom van den nieuwen determinant, enz. In het algemeen make men dus de rij van den gegeven, tot de fcde kolom van den nieuwen determinant, waardoor ook omgekeerd de kie rij van den tweeden determinant, de hie kolom van den eersten zal worden. In dit geval verkee-ven bijv. de determinanten

^.14 quot;as

5 4 7 1 3 2

6 8 9

5 16 4 3 8 7 2 9 |

Het valt niet moeilijk aan te toonen, dat twee zulke determinanten uit dezelfde termen bestaan, en dus dezelfde waarde bezitten. Stollen wij nl. de beide determinanten, die wij van den 5clequot; graad zullen denken, voor door

A = - ± «22 «33 «44 «53 CU A\'= ^ ± \'gt;U Kl K K \'h,,

dan is volgens onderstelling voor alle waarden van h en l

akl=blk (5)

Beschouwt men nu een willekeurigen term van A, bijv.

«41 «12 «35 «54 «23 (^)

dan kan men door verwisseling van de eerste met de tweede aanwijzers den term

^14 ^21 ^53 ^45 ^32 (^)

van A\' verkrijgen. Volgens de betrekkingen (5) stemmen echter de termen (6) en (7) wat hun getallenwaarde betreft overeen, terwijl het teeken van eiken term bepaald wordt door het al of niet even zijn van de som der inversies, voorkomende in de eerste en tweede aanwijzers. Daar echter de eerste aanwijzers in (6) de tweede aanwijzers in (7) zijn en omgekeerd, is deze som voor beide termen dezelfde, en verkrijgen dus de termen hetzelfde teeken. Hieruit blijkt, dat elke term van A tevens een term van A\' is, terwijl men op gelijke wijze kan aantoonen, dat alle ter-

-ocr page 205-

191

men van A\' ook in A voorkomen. De beide determinanten bestaan dus uit geheel dezelfde termen, zoodat:

Een determinant blijft onveranderd bij verwisseling van rijen met kolommen.

Hoewel in het bovenstaande bewijs de determinant va*i den 5lt;lcn graad ondersteld werd, zoo is het gegeven bewijs toch blijkbaar van algemeene geldigheid.

Uit het voorgaande laat zich onmiddellijk afleiden, dat elke stelling, die voor rijen geldt, ook voor kolommen juist zal zijn, en omgekeerd. Men kan namelijk alvorens de bedoelde stelling toe te passen rijen en kolommen verwisselen, waarbij, zooals wij zagen, de determinant onveranderd blijft.

§ 136. Worden twee rijen (of kolommen) van een determinant onderling verwisseld, dun verandert alleen het teel en van den determinant.

Laat van do determinanten

/S = 2 ®1I «a. ^33 ^-11 ^55 A = -Z* i b22 ^33 ^55

die wij weer van den 5den graad zullen onderstellen, de tweede verkregen zijn door in A de tweede met de vierde rij te verwisselen, dan heeft men voor elke waarde van l;

a-d — Ki en = (8)

terwijl voor elke waarde van I-, die niet gelijk 2 of 4 is:

aki—bki (9)

Beschouwt men een willekeurigen term van A. bijv.:

»41 «ia 03,, aM aTX (10)

dan kan men door verwisseling van de eerste aanwjjzers 4 en 2 daaruit den term

^21 b amp;35 amp;54 ^43 (11)

afleiden. Volgens de betrekkingen (8) en (9) zijn de termen (10) en (11) wat hun getallenwaarde betreft gelijk, terwijl zij tegengestelde teekens zullen bekomen. Terwijl toch de tweede aanwijzers in de beide termen dezelfde zijn, wordt de permutatie, gevormd door de eerste aanwijzers in den term (11), verkregen door in de overeenkomstige permutatie voor den term (10) twee der aanwijzers onderling te verwisselen, waardoor het aantal inversies, volgens § 120, met een oneven getal verandert. Deter-

-ocr page 206-

192

men van A zullen dus alleen in het teekcn van die van A\' verschillen, zoodat men heeft:

A = — A\'

Uit het in de voorgaande paragraaf behandelde volgt onmiddellijk, dat dezelfde stelling ook van toepassing is op de verwisseling van twee kolommen.

Men kan aan deze stelling nog de volgende uitbreiding geven. Leidt men uit A een tweeden determinant A\' af, die uit dezelfde rijen en kolommen bestaat, welke echter in andere volgorde worden genomen, dan zal A\' gelijk A zijn, als de som dei-inversies, voorkomende in de eerste en in de tweede aanwijzers, die men in den hoofdterm van A\' aantreft even, en gelijk — A als deze som oneven is. Daar men A\' uit A kan afleiden door achtereenvolgende verwisseling telkens van twee rijen of van twee kolommen, blijkt vooreerst dat A en A\' slechts in het teeken kunnen verschillen. En om het teeken vast te stellen, heeft men slechts het teeken te bepalen van den term, die in A overeenkomt met den hoofdterm van A\'-

Zoo heeft men

bijv.

als

«n

*12

»13

*14

*24

*21

*23

*22

#21

*22

*23

*24

II lt;1 a

D

*44

*41

*43

*42

A =

ai\\

*32

#33

*34

*14

*11

*13

*12

*41

*42

*43

*44

*34

*31

*33

*32

het teeken te bepalen van den term, a24 a41 al3 a32, die in A overeenkomt met den hoofdterm van A\'- Daar dit teeken het negatieve blijkt te zijn, heeft men hier

A = —A\'

§ 137. ^ls de elementen eener rij {of kolom) gelijk zijn aan de orereenlcomstir/e elementen eener andere rij {of kolom), zoo is de waarde van den determinant nul.

Als toch A de beschouwde determinant is, en A\' de determinant, dien men verkrijgt door verwisseling der beide gelijke rijen (of kolommen), zoo heeft men volgens de voorgaande paragraaf

A = —A\'

Maar, aangezien door de genoemde verwisseling de determinant niet verandert, zoo heeft men ook

-ocr page 207-

193

A = A\'

waaruit volgt

A = 0.

Men kan ook aantoonen, dat in de ontwikkeling van A de termen twee aan twee alleen in het teeken verschillen, waaruit het verdwijnen van den determinant volgt.

§ 138. Als men alle, elementen van eene rij {of kolom) met eenzelfde getal p vermenigmldigt, wordt de waarde van den determinant p maal grooter.

Zoo heeft men bijv.:

«1

i,

c.

fl,

Cl

^«2

pl2

pCi

= p

(72

K

C2

quot;3

«3

h

C3

In eiken term van een determinant komt namelijk één element van de tweede rij voor, zoodat als men alle elementen dezer rij met p vermenigvuldigt, elke term en dus de geheele determinant p maal grooter wordt.

Hieruit volgt tevens, dat als men de teekens van alle elementen eener rij (of kolom) omkeert, men den determinant met — 1 vermenigvuldigt; en dat als de elementen eener rij (of kolom) p maal de overeenkomstige elementen eener andere rij (of kolom) zijn, de determinant nul is. Zoo heeft men bijv.:

0

a

h

c

a

0

c

h

b

c

0

a

c.

h

a

0

ax

pa,

6,

a\\

a,

a*

pa?

K

= P

«2

a2

h

«3

pa3

«3

«3

h

TOEPASSINGEN.

1. Toon aan

hc

1

a

1

a a1

ca

1

h

=

1

h h2

ah

1

c

1

c c~

Men vermenigvuldige de rijen van den eersten determinant respeetievelyk met «, h en c, en deele daarna de eerste kolom door ahc.

1

Toon aan

0 111

1 0 ca i2

1 c2 0 n2

1 b- aquot;- 0

LOBATTO.

-ocr page 208-

194

Men vei-mciiigvuldige de rijen van den eersten determinant respectievelijk met ale, a, b en c, en deele daarna de kolommen respectievelijk door 1, bc., ca en ab.

3. Toon aan

h bs

1

«2 fc] C] O, 1h Cl

1

h * Ci o, b3 c, «j

1

Co fifi ij Ca»! \'h

«i

«i bi c,

«3

Men vermenigvuldige de kolommen van den eersten determinant respectievelijk met ijc,, c1al en «, i,, en deele daarna de eerste rij door ai h, c,. Op overeenkomstige wijze kan men blijkbaar eiken determinant terugbrengen tot een anderen, waarin alle elementen eener aangewezen rij (of kolom) de eenheid zijn.

4. Herleid den determinant

6 i I

A =

tot een anderen, waarin de elementen der eerste ry alle de eenheid zijn.

Men vermenigvuldige de kolommen respectievelijk met de getallen 12, 4, 2 en 3, die zoodanig bepaald zijn, dat de elementen der eerste rij daardoor gelijk worden aan 12, het kleinste gemeene veelvoud van 1, 3, 6 en 4, waardoor men vindt:

A =

1

12 .4.2.3

12

12

12

12

24

0

10

—!)

0

—28

2

6

36

16

4

0

Na deeling der eerste rij door 12, waarbij men tevens uit de derde rij den factor 2 en uit de vierde den factor 4 kan nemen, vindt men:

1

1

1

1

24

0

10

—9

0

—14

1

3

S

4

1

0

5. Yermenigvuldigt men elk element au van den determinant

A = 2 «II «2» «33 . . . «,,»

met pk\'l, zoo blijft de waarde van den determinant onveranderd.

Dit wordt onmiddellijk gevonden door de rijen respectievelijk met ju, p-, pquot; ... /i» te vermenigvuldigen, en daarna de kolommen respectievelijk door deze zelfde getallen te deelen.

C. Toon .aan, dat de determinant

«n •

. (tin

(tni

. (fnn

-ocr page 209-

195

niet verandert als men de elementen, voor welke de som der aanwijzers oneven is, met — 1 vermenigvuldigt.

A =

7. Men toone aan, dat als

#ii #12 • • • #1* #21 #22 • • • #2»

#nl #n2 • • • #»t

(hm

#»gt;«—1

• • #lt;il

#„-!,«

#/»—l.n-i

• • #lt;1-1,1

= A

(1\\n

#l»n-l

. • #11

men heeft:

#22 •

. Ctan

#21

Mng •

. Cl/in

#iil

#12 •

. #1»

«11

«in

#1,*-1

. #11

#2«

■■#2gt;n-l

• #21

Clan

#/!gt;«-1

• #nl

11 (n—1)

2

; = (-i) quot; A

— {b — a) (c — «) (d — a) (c — b) (d — b) {lt;! — c)

8. Toon aan

1111

a b c d

A =

h- c- d* bquot; c\' d3

Als h = a is, heeft de determinant twee gelijke rijen en is dus nul. Derhalve is (j _ „) een factor van A, en om gelijke reden zijn ook (lt;• — «), (rf — «), (c — b), (d _ h) en [d — c) factoren. Men kan dus stellen

A = (i — a)(c — o) [d — «) (c — b)(d — i) {(I c)

waarin nu nog A bepaald moet worden. Daar alle termen van A ten opzichte van ff, b, c en d van den zesden graad zijn, zoo moet A een getal-lencoëfficiënt zijn, die als men een der termen van A, bijv. den hoofdterm bc^d3, opschrijft de eenheid blijkt te zijn.

Op gelijke wijze kan aangetoond worden, dat de op overeenkomstige wijze gevormde determinant van den «den graad het product is van de i n (/» 1) verschillen der « daarin voorkomende grootheden.

§ 139 Uit een determinant van den naequot; graad kan men door weglating van een aantal rijen en van een gelijk aantal kolommen andere determinanten van lageren graad afleiden, die onder-determinanten of minoren genoemd worden. Schrapt men ééne rij en ééne kolom, zoo verkrijgt men een minor van den (n—l)den graad; door weglating van twee rijen en van twee kolommen wordt een minor van den (« — 2)den graad verkregen; in het algemeen door m rijen en m kolommen weg te laten een minor van

13*

-ocr page 210-

196

den {n — m)den graad. Daarbij blijven de overige rijen en kolommen hunne volgorde behouden. De minoren van den l,ten graad zijn de elementen van den determinant. Daar men het meest met de minoren van den {n — l)den graad te maken heeft, zullen wij deze kortweg minoren of onderdeterminanten heeten, zonder bijvoeging van den graad, en noemen wij minor van het element aki den minor verkregen door weglating van de rij en de kolom, waartoe dit element behoort, dus van de rij en de ^de kolom. Zoo is bijv. in den determinant

flfjj cil2 ^,3 aH

^21 ^22 ^23 ^24 ^31 ^32 ^33 ^34 £i42 «j3 au

de minor van fl!32;

au a13 aH

CE21 ^23 ^21 a4t ^43 ^44

terwijl

a2i au

a31 0!34

een minor van den tweeden graad is, verkregen door weglating van de eerste en vierde rij en van de tweede en derde kolom.

Het aantal wijzen, waarop men bij de vorming van een minor van den (ra — m)den graad de m weg te laten rijen kan kiezen, is blijkbaar het aantal combinatiën m aan m van n grootheden, dus

m

C?=(n). De m weg te laten kolommen kunnen op een evengroot aantal verschillende wijzen gekozen worden, waaruit blijkt,

dat het aantal minoren van den (» — m)ael1 graad [cquot;\']\' = [(n)]2 bedraagt. Zoo heeft bijv. een determinant van den 4den graad 16 minoren van den 3den, 36 minoren van den 2den en 16 minoren van den lsten graad.

Een minor van den w,den graad heet toegevoegd aan een minor van den (ti — m)den graad, als de eerste bestaat uit de rijen en de kolommen, die in den tweeden ontbreken. Zoo zijn bijv. in bo-venstaanden determinant van den 4dl:n graad

#12 Cln

en

^21 ^24

^43

^31 a34

twee toegevoegde minoren.

-ocr page 211-

197

§ 140. In eiken term van een determinant komt van elke rij en ook van elke kolom één enkel element voor, m.a.w. de determinant is eene lineaire, homogene functie van de elementen van elke rij en van elke kolom. Voegt men bijeen de termen, die hetzelfde element uit de eerste rij bevatten, dan kan men voor den determinant, dien wij van den 4(len graad onderstellen, schrijven:

A =an -^11 «12^12 013^13-l-ai4 ^14

waarbij door Au is voorgesteld de som van alle termen, die a,, bevatten, na deeling door dit element, en in het algemeen zal aangeven de som der termen, die a^i bevatten, na weglating van dit element.

Wij hebben hier A, zooals men zegt, ontwikkeld naar de elementen van de eerste rij. Men kan eveneens A ontwikkelen naaide elementen van eene der overige rijen, of van eene der kolommen. Ontwikkelt men bijv. naar de elementen van de derde kolom, zoo komt er:

A = «13 -^13 4quot; a23 ^23 quot;fquot; a33 ^33 quot;quot;t~ a43 ^43

Men kan nu gemakkelijk aantoonen, dat Au niet anders is dan de minor van het element «,,, dus de determinant verkregen door uit A de eerste rij en de eerste kolom weg te laten. De termen van A. die an bevatten, worden nl. verkregen door in au 033 a44 voor de rij der tweede aanwijzers alle permutatiën te nemen, die met 1 beginnen, door dus de tweede aanwijzers 2, 3 en 4 op alle mogelijke wijzen te permuteeren; terwijl het teeken van elk dezer termen positief of negatief is, naar mate het aantal inversies in de rij der tweede aanwijzers even of oneven is. Bij de bepaling van dit aantal kan de aanwijzer 1 buiten beschouwing blijven, daar deze met geen der anderen eene invei-sie vormt. Is dus (ƒ g h) eene willekeurige permutatie der getallen 2, 3 en 4 en k het aantal inversies, dat deze permutatie bevat, dan is

au (— \\yKütf a3a ctih

een der termen, die bevatten, en als men voor (ƒ g h) achtereenvolgens alle permutatiën der getallen 2, 3 en 4 neemt:

■dll ==^l( 1)* amp;3g ^ih

Deze laatste som is echter blijkbaar de determinant, die uit de

-ocr page 212-

198

laatste 3 rijen en uit de laatste 3 kolommen van A bestaat, dus de minor van a,,:

^22 ^23 ^24

An = ^32 0^33 «34

a42 a43 ^44

Wij onderstelden hier gemakshalve A van den 4den graad; het is echter duidelijk, dat het bewijs voor den determinant van den rede» graad op geheel dezelfde wijze gegeven kan worden, en de verkregen uitkomst dus algemeen geldig is.

§ 141. Beschouwen wij nu Akl, dat is de coëfficiënt van het element a^i in de ontwikkeling van

A =

ff,.

• • a\\,L.t

a,l

• ■ «t.

• ■ «k-t.U,

ak-\\,l

• • ak.t,.

quot;kx

■ • ak,U

Ckl

ak,hlt;

■ ■ akn

aU\\,\\ •

• • ahi,l-i

ahl,l

• * ak \\,n

$„1 •

• • «„L,

«ni

antl l

««.

Beginnen wij met uit A een anderen determinant af te leiden, waarin akl de eerste term der eerste rij is. Daartoe verwisselen wij de kie rij achtereenvolgens met elk der voorafgaande rijen, waardoor akl in de eerste rij is gekomen, en daarna de lie kolom met elk der voorafgaande kolommen, waardoor men vindt den determinant

A\' =

au

aki

ak,l-t

• • akn

a,i

aii •

a,n

ak-i,l

• «A-,..

aK l,l

a/t l,i. •

ak i,H

a.i

«„1

an,l-l

■ •

Daar men hier eerst {k— 1) keer twee rijen, en daarna {l_1)

keer twee kolommen heeft verwisseld, dus —2) verwisse

lingen heeft uitgevoerd, en bij elke verwisseling de determinant van teeken verandert, zoo heeft men

A =(— l), iquot;a A\' = (— 1/ \'A\'

-ocr page 213-

199

In de ontwikkeling van A\' verkrijgt aki tot coëfficiënt den determinant verkregen door in A\' de eerste rij en de eerste kolom te schrappen, dat is de minor van aki, derhalve is Aki gelijk aan den minor vermenigvuldigd met (—l)t !, dus

«11

• • al.i_l

«i.M

• • «in

ak-t,i •

■ • «t-i.Ll

nk-uUt

■ • «it-i,»

«i l.l •

• • «J- I.;-I

«A i.f i •

• • «iquot; l,n

««l

an,; l

• • «n»

Be coëfficiënt van het element aki in dt ontwikkeling van A de minor van dit element met het positieve teeken, als h -[-1 even en met het negatieve teeken, als k-\\-l oneven is.

§ 142. Als men elk der elementen van eene rij of van eene kolom met den coëfficiënt A van het element vermenigvuldigt, dan is, naar wij vonden, de som dezer producten gelijk aan den determinant Aj dus is voor elke waarde van k en van l.

aki ak2 Aki ■ - • • • = A (l2)

a,; • • • a»i-^n!=A

Vervangt men in de eerste dezer betrekkingen de elementen aA.l . . . akn der fcJe rij door de elementen ak\', . . . akrn eener andere rij, zoo verkrijgt A twee gelijke rijen en wordt dus nul. Men heeft derhalve

ak\'i Akl -j- (ik\'z Akl -f- . . . Akn 0 (14)

waarin k\' lt; k. Op gelijke wijze vindt men door in (18) de elementen aü . . . a,i der Zde kolom te vervangen door de elementen a,;/ . . . anV eener andere kolom

a,i\' ^ii «•2!\' ^2i • • • = ®

of in woorden: vermenigvuldigt men de elementen eener rij (of kolom) met de coëfficiënten A van de overeenkomstige elementen eener andere rij (of kolom), zoo is de som dezer producten nul.

Stelt men het eerste lid van de vergelijking (14) voor door

2^ (lk\'r Aj: r

-ocr page 214-

200

waarbij aan r achtereenvolgens alle waarden van 1 tot n worden gegeven, dan is dus deze uitdrukking nul als le en k\' ongelijk zijn, en gelijk A als k = k\'. Eveneens is

S^Clrl\' Ari

gelijk nul of gelijk /\\, naarmate I en V ongelijk of gelijk genomen worden. Zoo is bijv. voor den determinant van den S^11 graad:

au ^tl quot;1quot; Ai2 ai3 Ari -

^21 quot;^11 quot;{ \' ^22 A\\2 ~f~ ^23 A= 0

quot;u-du a32 Al2-j-a33AI3 = 0

^12 Al | [ #22 A.n —|— #32 = 0

®12 A12 —}— fl,22 A\'2£ 1 #32 A32 —-ai2 \' 3 ~|~ #22 A23 #32 A33 = 0


§ 143. Het behoeft zeker wel geene nadere verklaring, dat als alle elementen eener rij (of kolom) nul zijn, de waarde van den determinant nul is. Evenmin dat, als de elementen eener rij (of kolom) op één na alle nul zijn, de determinant gelijk is aan het product van dit element met den overeenkomstigen coëfficiënt A, hetgeen onmiddellijk gevonden wordt door den determinant naar de elementen dezer rij (of kolom) te ontwikkelen. Zoo is bijv.:

0 #n

0 #23

a32

0 ÖU

a\\\\ ö13 a\\lt;

a2\\ a2Z aiA #41 #4.1

- #32 - ( l)5 fl3.

Zijn alle elementen, die aan de eene zijde van de hoofddiagonaal staan, nul, zoo herleidt de determinant zich tot den hoofdterm. Men heeft nl.:

#ii • #i;

#99 #\'J

#31 #1J

- #,, #22

#11 #22 ^33 ^44

0 0

0 fl22 «23 0 0 #33 a3i 0 0 0

»ii

#,.

Een determinant van den ?id™ graad kan geschreven worden als een determinant van den (m-fl)lt;len graad. Daartoe heeft men aan den gegeven determinant toe te voegen eene rij en eene kolom, waarvan het gemeenschappelijke element de eenheid is, terwijl de overige elementen óf van de rij óf van de kolom alle nul zijn. Zoo heeft men bijv.:

-ocr page 215-

201

1

a

/3

r

1

0

0

0

ö,

c,

0

a.

C,

a

0,

K

e,

«2

b2

C2

-

0

«2

b2

/S

K

c*

fl!3

C3

0

«3

6,

r

fl53

h

@3

waarin /3 en y willekeurige getallen kunnen voorbtellen.

Op overeenkomstige wyze kan een determinant van den n^en graad geschreven worden in den vorm van een determinant van den (?i-l-w)del1 graad. Zoo is bijv.:

«12 «38

A =

1

0

0

0

0

l

a

/3

r

s

a

i

0

0

0

0

1

0

0

0

ax 6,

/3

/3\'

1

0

0

=

0

/3\'

1

rquot;

Öquot;

£7-2 S2

r

r\'

/

«!

b.

0

/

0

«i

s

lt;5\'

0M

a.

K

0

0

4,

waarbij wederom a, /5, /3\', enz. willekeurige getallen kunnen zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Ontwikkel

«u

«13

«13

A =

«21

«29

«93

«31

«32

«33

naar de elementen der tweede rij

«12 «13

- ■ «32

«11 «18

- «23

= — «21

«32 «33

«31 «33

«n ff»i

2. Bepaal de waaide van den determinant

7

2

—1

1

3

0

1

—6

—2

0

5

2

1

3

1

0

Het ligt voor de hand hier te ontwikkelen naar de elementen van de tweede kolom, waardoor men vindt:

—6 2 0

3 —2 1

3

A = -2

Den eersten dezer beide determinanten ontwikkelende naar de elementen van de laatste rij vindt men;

CO i

3

— 6

5 2

— 2

2

- (2 30) —(6 —12) = 38

-ocr page 216-

202

en als men den tweeden ontwikkelt naar de elementen ran de eerste rij:

= 7 (2 30) (6 —12) (15 2) = 235

A = — 2 . 38 3 . 235 = 629.

§ 144. De ontwikkeling naar de elementen van eene rij of kolom, die wij in § 140 leerden kennen, kan als een bijzonder geval beschouwd worden van eene meer algemoene ontwikkeling, die wij nu zullen bespreken.

Beschouwt men in den determinant A van den «lien graad m willekeurig gekozen kolommen, dan kan men uit deze een aantal

m

(n) minoren van den miea graad vormen. Vermenigvuldigt men elk dezer minoren mot den toegevoegden minor (zie § 139), zoo

rn

ontstaan (re) producten, aan elk van welke een teeken gegeven wordt, dat op nader te bespreken wijze wordt bepaald. Wij willen nu aantoonen, dat de som dezer producten den determinant A zal opleveren.

Beschouwen wij eenvoudigheidshalve den determinant van den 5den graad

A =

a,

c,

d.

«i

«2

h

d.

a3

h

d*

K

Cl

d\\

«4

h

ds

e5

en nemen van dezen determinant de beide eerste kolommen, uit

2

1-6

3 —6

3

1

5 2

—2 2

—2

5

zoodat ten slotte

welke men (5) = 10 minoren van den 2ien graad kan vormen. Denkt men zich dan elk dezer minoren met den toegevoegden minor vermenigvuldigd, en aan elk product volgens nader aan te geven regel het positieve of het negatieve teeken gegeven, zoo moet worden aangetoond, dat de som dezer producten den determinant A zal opleveren, dus:

d* d. d.

(16)

Beschouwt men een willekeungen term van A, bijv. aabicldiev zoo valt gemakkelijk in te zien, dat deze ook in het tweede lid

-ocr page 217-

203

van de vergelijking (16) zal worden aangetroffen. De term komt nl. voor in het product

ti3

lt;h b,

van den minor van den 2\'len graad, bestaande uit de 3J|! en 5de rij, met den overeenkorastigen toegevoegden minor. Er blijft nog te onderzoeken, of de term in de beide leden met hetzelfde tee-ken voorkomt. Het teeken van a5 b3 c, e.2 in A wordt bepaald door (—1)^ als k het aantal der inversies voorstelt, voorkomende in de permutatie (5 3 1 4 2), terwijl het teeken van den beschouwden term in het product (17) bepaald wordt door (— 1)= \'\', als g is het aantal inversies in de permutatie (5 3), en h dit aantal in de permutatie (1 4 2). Men merke voorts op, dat h=g -\\-h i, als i voorstelt het aantal inversies, die in de permutatie (5 3 1 4 2) door één der getallen 5 of 3 gevormd worden met één der getallen 1, 4 of 2, m.a.w. het aantal inversies in de permutatie (3 5 1 2 4), die uit (5 3 1 4 2) is afgeleid door zoowel de eerste twee als de laatste drie der aanwijzers in de natuurlijke volgorde te schrijven. Als men dus aan het product (17) het teeken geeft, dat door (—1)\' wordt bepaald, dan zal de beschouwde term in de beide leden van vergelijking (1(5) met hetzelfde teeken voorkomen. Men kan daarbij opmerken, dat dit teeken overeenstemt met het teeken, dat in A toekomt aan den term 55 c, e4, dat is de term, die gevormd wordt uit de hoofdtermen van de minoren, welke in het product (17) voorkomen. Houdt men zich aan dezen regel voor de bepaling van de tee-kens der minoren-producten, zoo komt derhalve elke term van A met hetzelfde teeken in het tweede lid der vergelijking (16) voor.

Men kan nu ook omgekeerd aantoonen, dat elke term, die in dit tweede lid wordt aangetroffen, een term van A is. Dit laatste betoog is echter overbodig, als men opmerkt, dat elk der mino-ren-pfoducten, zooals (17), bij ontwikkeling een aantal 2! . 3!, of in het algemeen m! . [n m)! termen oplevert, zoodat, daar

het aantal minoren-producten («) = —r,-r7 bedraagt, in het

m![n — m)\'

tweede lid der vergelijking (16) een aantal n! termen wordt aangetroffen, welk aantal overeenstemt met het aantal termen van A. Hieruit blijkt in verband met hot boven bewezene, dat in

c, lt;/, e,

Cj f 2

c4 di e4

(17)

-ocr page 218-

204

het tweede lid van (16) geen termen kunnen voorkomen, die niet tevens in A worden aangetroffen.

De geldigheid van de betrekking (16) is hiermede aangetoond. Zij geeft aan, hoe A ontwikkeld kan worden naar de minoren, gevormd uit de beide eerste kolommen. Het valt gemakkelijk het bovenstaande betoog toe te passen op het meest algemeene geval, waarbij een determinant van den /^cl\' graad beschouwd wordt, dien men ontwikkelt naar de minoren gevormd uit m willekeurig gekozen kolommen (of rijen). Daarbij wordt het teeken van elk minoren-product steeds bepaald door het teeken, dat in A toekomt aan den term, gevormd uit de hoofdtermen van de beide minoren, die in het bedoelde product voorkomen. Zoo zal bijv., als men ontwikkelt naar de minoren van den 2den graad, gevormd uit de 3de en 5de rij, aan het product

cx ei

^3 3

*

@2 Co €2

^4 C4 £4

\'het teeken toekomen, waarmede de term b3 db al c2 ei in de ontwikkeling van A is aangedaan.

§ 145. Als alle minoren van den »den graad, die men uit m rijen (of kolommen) van A kan vormen, nul zijn, dan is ook A nul. Dit blijkt onmiddellijk bij ontwikkeling van A naar de genoemde minoren. Zoo is bijv.:

= 0

ö, i, c, d, e,

@2 ^2 ^2 ^2 ^\'2

0 0 0 d3 e3

0 0 0 dt e4

0 0 0 d, es

en

daar alle minoren van den 3den graad, die men uit de eerste drie kolommen kan vormen, nul zijn. Dit geval doet zich steeds voor, als alle elementen, die tot m rijen en tot m\' kolommen behooren, nul zijn, en

Zijn de minoren van den mieu graad, die uit m rijen (of kolommen) gevormd kunnen worden, op één na alle nul, dan blijft er in de ontwikkeling van A slechts één product over, en vindt men voor A dus het product van twee determinanten van den mden den {n — »«)den graad. Zoo is bijv.:

-ocr page 219-

205

o,

a.

d.

d.

A =

K

fl,

b,

c,

d.

e.

a2

K

d.

€2

0

0

C3

d3

e*

0

0

«4

d\\

e*

0

0

ds

e*

Dit geval doet zich steeds voor, als alle elementen, die tot m rijen en (n — ra) kolommen behooren, nul zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Ontwikkel

dx hi Ci di ei «3 Zgt;2 c2 d* e2 «3 h Cs da e3

ci*, bi Ci dt e*

«5 ^5 ^-5 ^5 ^3

naar de minoren gevormd nit de 3de en kolom.

Antw. Stelt men elk dezer minoren en ook elk der toegevoegde minoren voor door tusschen haakjes te schrijven de daarin voorkomende aanwijzers, zoodat bijv.

«3 ^3 ez

en (3 4 5)= a* e4

«3 amp;S ^5

(12) =

dan vindt men:

A = (12) (345) — (13) (245) (14) (235) — (15) (234) (23) (145) — (24) (135) (25) (134) (34) (125) --(35) (124) (45) (123).

2. Toon aan

A =

Ci di

Cg da

1 a ei

1 b b\' Ih

1 c c\' cc\'

1 d d

aa

B

B\'

A =

dd\'

B

C

c

A

B\'

C\'

C\'

A\'

waarin A = (6 — c)(«—d] B = {c — a)(b — d) C=(a — b){c—d)

Al = (V—c\')(a\'—d\') B\'— (c\'— ^(b\'— d\') C\' = (a\' —b\') (c\'—d\')

Ontwikkkelt men A naar de minoren gevormd uit de l»te en kolom, zoo vindt men;

A = ^4 {b\'c\' a\'d\') B (c\'«\' b\'d\') 4- C{a\'b c\'d\')

waaruit, daar A-\\- B C— 0 of A — B C:

B C I B\' Cquot; 1

^—B{a\' — b\'){c\' — d\') — C(c\'—n\')(b\' — ^) = BC\'-B\'c=

1

-ocr page 220-

206

§ 146. Jls alle elementen eener kolom {of rij) geschreven worden als de som van twee termen, zoo is de determinant de som van twee anderen, die men verkrijgt door als elementen der bedoelde kolom {of rij) beurtelings de eerste en de tweede termen te nemen.

Beschouwt men bijv. den determinant

a, -f- a\', 4, . . . ly a2 -)- a\'2 i2 . . . /2

K

A =

a.

dan vindt men door ontwikkeling naar de elementen der eerste kolom

A = («i a ,) -f- (a2 -)- a\'2) -f- ... -j- (a„ ^,=

a\'n ^n)

— (ai a2 ^2 4- ••• -|- an ^n) quot;h (a\'i -j- a\'2 ^2 -f- •

of

«1

. z.

A =

a2

b, .

. h

a„

K ■

• L

K

daar toch de eerste dezer determinanten bij ontwikkeling naar de elementen der eerste kolom a, «2 ^2 -f- ... -j- an en de tweede a\', a\'2 ^2-)- ... -\\-a\'nAn oplevert.

Bestaat elk der elementen eener kolom (of rij) uit de algebraïsche som van k termen, zoo kan op overeenkomstige wijze de determinant geschreven worden als de algebraïsche som van k determinanten. Zoo is bijv.:

^ b\\—V\\ e,

a

c* I =

c.

«2 h b\'—bquot;, «3 i.i-f- b\\ — bquot;3

a, b, c,

a, b\'t c,

a, bquot;, c|

ö2 b * c2

a2 b 2 o-i

ce2 b 2 c2

^3 ^3 ^\'3

^ 3 ^3

®3 ^ 3 ^3


Hieruit blijkt tevens, dat voor de som van eenige determinanten, die alleen verschillen in de elementen van ééne kolom, geschreven kan worden de determinant, dien men verkrijgt door samentelling van de overeenkomstige elementen der ongelijke kolommen. Zoo is bijv.:

a, c,

a, 5, 0

a, i, 0

a, b, c,

a2 i2 c2

a2 i2 ^ 2

a2 i2 0 I =

a2 è2 C2 -p c 2

Ct3 Cjj

^3 ^3 ^3

a3 h cquot;* 1

a:lt; b3 C3-\\-c\'3-\\-cquot;3

-ocr page 221-

207

Bestaat elk der elementen van twee kolommen uit de som van twee termen, dan kan men, na eerst gesplitst te hebben met betrekking tot de elementen van de ééne kolom, elk der hierdoor verkregen determinanten nogmaals splitsen met betrekking tot de elementen van de tweede kolom, waardoor voor den determinant de som van 4 anderen wordt gevonden. Zoo is bijv.:

«i ai ^i Pi quot;t a2 «2 ^2 ^2 C2 ff3 a3 ^3 amp; C3

waarbij, zie § 133, elk der verkregen determinanten is voorgesteld door den hoofdterm met het dubbele teeken onder het som-meeringsteeken te schrijven.

Bestaat in het algemeen elk element van eene eerste kolom uit de som van k termen, elk element eener tweede kolom uit de som van l termen, elk element eener derde kolom uit de som van m termen, enz., zoo kan de determinant gesplitst worden in de som van kim . . . anderen. Wat in het voorgaande voor kolommen is besproken geldt blijkbaar evenzeer voor rijen.

§ 147. Be waarde van een determinant verandert niet, als men bij de. elementen eener rij (of kolom) optelt de overeenkomstige elementen eener andere rij {of kolom) elk mei eenzeljden factor vermenigvuldigd.

Zoo is bijv.:

a, b, c,

ö, -j— kb.

bx c,

a2 b., c2

=

fl2 -f- kb2

b 2

a b3 c3

a3 kb3

b3 c3

Bij splitsing van den determinant in het tweede lid dezer vergelijking verkrijgt men namelijk twee determinanten, waarvan de eerste de determinant is, die iu het eerste lid voorkomt, en waarvan de tweede, na deeling van de elementen der eerste kolom door k, twee gelijke kolommen heeft, en dus nul blijkt te zijn.

Eveneens vindt men:

=2±a,bic3-{-2± a\\p2c3 ^3= aJ-Sz 2 ± «j/SjCj

kax -j- ~|- mc\\ ci

ka., -(- Ibz -(- mc., h., c2 ka3 -|- lb3 -j- mc3 b3 c3

o, 0, e,

^2 ^2 br. C*

(18)

§ 148. Voldoen de elementen van elke rij {of van elke kolom) aan éénzelfde homogene, lineaire betrekking, zoo is de determinant nul.

-ocr page 222-

208

Beschouwen wij bijv. den determinant van den 3den graad voorkomende in het eerste lid der vergelijking (18), en onderstellen wij, dat de elementen van elke rij voldoen aan de betrekking

kar~\\-lbr-\\-mcr = (i

welke dus geldt voor r = 1, 2 en 3. De elementen van de eerste kolom van den determinant, die in het tweede lid van vergelijking (18) wordt aangetroffen, zijn hier alle nul, waaruit het verdwijnen van dezen en dus ook van den beschouwden determinant onmiddellijk volgt.

Door middel van de eigenschappen, die in de voorgaande paragrafen zijn besproken, kan men de waarde van een determinant bepalen, zonder dat het noodig is een groot aantal termen op te schrijven. Daarbij zal men meestal, door toepassing van § 147, de elementen eener rij of kolom op één na alle nul maken, waardoor de gegeven determinant teruggebracht kan worden tot een anderen, waarvan de graad één minder bedraagt, In de volgende toepassingen vindt de lezer hiervan verschillende voorbeelden.

TOEPASSINGEN.

1. Bereken de waaarde van den determinant

14 4 17

8

17 7

24 7

A=:

Door van de eerste rij driemaal, van de derde rij tweemaal, en van de laatste rij éénmaal de tweede rij af te trekken, waardoor volgens § 147 de waarde van den determinant niet verandert, vindt men;

—4 7 10 0

_2

6 12 9

—4 —2 10 12 0 9

A =

— —2

1 —1 —1

9 5 12 4 0 9

waarbij zoowel de eerste rij als de tweede kolom door 2 gedeeld is. Telt men nu 5 maal de eerste rij bij de tweede op, dan krijgt men;

1 —1 —1 14 0 7 4 0 9

14

4

A= —8

= — 8 {14 .9 —7 .4} :

-784

Had men deze waarde willen vinden door alle termen van den determinant uit te schrijven, dan zou men 24 producten, elk van 4 getallen, moeten berekenen. De hier gekozen weg is dus veel eenvoudiger.

-ocr page 223-

209

2. Bereken de waarde van den determinant

A =

6

0

2

3

—7

5

10

—11

2

—G

1

2

9

3

4

—8

Antw. A = —51CS.

3. Toon aan

— (h — lt;■) (e — a) (a — i) (« 1 c)

1

h h*

Men trekke de eerste kolom van elk der beide anderen af, enz. 4. Toon aan

a b c d

b a d c

c d a b

d c b a

-d)

A =

= — (u b c d)(h c — a — (!)(r a — b — d){n h-

Telt men bij de eerste kolom elk der overigen op, dan blijkt {a h c d) een factor van A te zijn. Door bij de eerste kolom de 4d« op te tellen, en er de 2^ en 3de van af te trekken, vindt men, dat ook (b c — a—d) een factor van A is. Op overeenkomstige wijze toont men aan, dat (c n — b d) en (a bcd) factoren zijn. Men kan dus stellen:

A(a b c d)(b c —a — d) {r a—h — d)(a h — c — d)

waarin, daar A van den é1™ graad is, A een getallencoëffieiënt voorstelt. Hiervoor wordt, door «=1 en 6 = c=rf=0 te stellen, —1 gevonden.

5. Toon aan

0 o

a 0

b c

c b a

b c c b 0 a 0

A =

= — (u b c)(b c—a)(c a — b)(a b — c)

Dit kan onmiddellijk worden afgeleid uit de in do voorgaande Toep. verkregen uitkomst, maar kan ook op de volgende wijze worden gevonden. Men schrijve eerst voor A (zie Toep. 2 blz. 193):

0 111

1 0 c2 V 1 r2 0 n

1 i2 rt2 0

A =

Trekt men de tweede rij van elk der beide volgenden af:

1 1

c- Ir

i

1

u\'—tr —b-

A =

—c2 n2—i2 2_c2 -h-

14

b-

i2

LOBATTO.

-ocr page 224-

210

Door de eerste kolom van elk der beide anderen af te trekken vindt men: 1

0 O

— 2c2 «a—hquot;—c crh2cquot;

(rt2 h\' — c2)2 — 4Zgt;2c2 waaruit de gezochte uitkomst gemakkelijk wordt afgeleid. G. Toon aan

— a {0 — a) (c — b) [d — lt;•)

Men trekke van elke kolom de onmiddellijk voorafgaande af. 7. Toon aan

aquot;Ir— Vj\'

— 2c-a- hr— c2

A = -

a a a

h h h

h c. c

h c d

1 1

1 c 1

1

1

abcd

(\'

1

a

T

1 d

l

0

0

— i

0

1

0

— i

= abcd

0

0

1

— i

1

a

1

b

1

c

1 1d

- ahcd (n-i - i i-,i

l-\\-a 1 1 1 h

•l)

Men vindt:

= ahcd

a

0

0 —

0

b

0 —

=

0

0

c —

1

1

1 1

1

0

0

0

0

1

0

0

0

0

1

0

1

a

1

b

1

c

l U

a

1

b

\\ a b c dj

7 i

Daarbij is eerst de laatste rij van elk der Toorafgaanden afgetrokken, daarna de kolommen respectievelijk door a, h, c en d gedeeld, en eindelijk bij de laatste kolom elk der voorafgaanden opgeteld, terwijl de laatstgevonden determinant zich tot den lioofdterm herleidt.

8. Bereken de waarde van den determinant van den «llcn graad

An =

i

i

i .

. 1

1

i

0

i .

. 1

1

i

i

0 .

. 1

1

i

i

1 .

. 0

1

i

i

1 .

. 1

0

Men vindt door de tweede rij vau de eerste af tc trekken:

-ocr page 225-

211

0 1 0 ... 0

1 1 ... 1

1 0 1 ... 1

1 0 ... 1

II

1 1 0 ... 1

-

= — A-i

1 1 ... 0

1 1 1 ... 0

waaruit, daar -li = I. gevonden wordt:

^ = (_!)»-1

9. Bepaal de waarde van den determinant van den u-den graad

Bn =

ü

1

1 .

. 1

1

0

i .

. 1

1

1

0 .

. 1

1

1

1 .

. 0

Door bij de eerste rij elk der overige rijen op te tellen, vindt men: Bn = (n —1) An = (n —1) (-1)quot; quot;1 10. Bepaal de waarde van den determinant van den //lt;len graad

—1

1

1 . .

1

1 -

-1

1 . .

1

0.=

1

1

—1 . .

1

1

1

1 . .

—1

rij bij elk der

overigen op

O O N

—1 1 1 ... 1

0 0 2 ... 2 C.= 0 2 0 ... 2

0 2 2 ... 0 11. Toon aan

| 0 2 ... 2 2 0 ... 2

2 2 ... 0

= ——2)(-

•Xi y,

Xquot;. !h a h

1

«1

«2

«3

X

((n

«3

quot;i

X2

«3

«4

«S

X*

«4

«5

OR

«1

ht

Cx

lt;*1

«2

h*

C*

*2

«3

ös

C3

^3

«4

64

CA

1

bi ei

_ I x,—a i/i — i j

1 «2 —« ya —J I

«2---ff] X «3 -«G X «4 - «3 X

«s — «2 a: «4 — «3 a; ff5 — (U x al — ff3 x — ff 4 x «o — ff» a;

62 — ff2êi 61C2 — /\'j t-\'j Cj e?» — Corfi ffi J3 — ff3 hi bi 03 — A3 Ci Ci f?3 — C3 rfi lt;i\\hx—axhi Ai C4 — J4C1 Ci (/4 — (\'4 \'A


14*

-ocr page 226-

212

12. Door ontwikkeling van een determinant, welke nul is, kan men vaak identieke betrekkingen op eenvoudige wijze afleiden. Tot toelichting hiervan strekke het volgende voorbeeld. Men heeft

= 0

1 « da 1 h il—h

1 c d—e

§ 149. Heeft men twee determinanten van den u11611 graad

«i-,. !gt;U = cH.

daar na optelling der tweede kolom bij de derde, en deeling dezer laatste door lt;1, de determinant twee gelijke kolommen verkrijgt. Door ontwikkeling volgens de elementen der laatste kolom vindt men de identieke betrekking

(h — c) (« — rf) (c — (i){l — (f) 4- (n — i) (c — (?) = 0 Men vergelijke Toepassing 2, blz. 205.

quot;n

C12 .

• ®ln

^12 •

■ K

Ai =

nk\\

ak2

akn

en A2 =

h

ii* ■

■ K

anl

Oh2 .

• «\'nn

^112

Kn

dan vindt men, door de elementen der Ade rij van Ai te vermenigvuldigen met de overeenkomstige elementen der lie rij van Ai, voor de som dezer producten:

aki bu «l-a quot;fquot;

Door hierin achtereenvolgens elk der rijen van Ai en ook elk der rijen van A2 te nemen, vindt men n2 zulke uitdrukkingen, die de elementen zijn van een nieuwen determinant:

C.i .

. . ^li . .

• Cl.

A =

«tl •

Cki ■ •

Cnl •

■ . C,l , .

• Cm

Aldus kan men uit twee determinanten van den Mdei1 graad een nieuwen determinant van denzelfden graad samenstellen. Zoo vindt men bijv. uit de determinanten van den ?.dequot; graad

«n

quot;12

«13

^11

6,2

^13

Ai =

quot;xi

«23

en A2 =

42i

1gt;22

^23

032

quot;33

h,

^32

^33

den determinant

-ocr page 227-

213

quot;tl ^Il4*ai2^13quot;tquot; ön^l3 011^214quot; a\\ Jgt;vi-\\\' f 13^23 quot;li ^3lquot;lquot; quot;12^32quot;!quot; quot;13^33 /\\ —- Ö21^n~l_6f22^ia~l-fl22^I3 üf2I^21_l\'quot;22^22-l-ff23^23 ^21 ^31 ~1~ ^22 ^23 ^33

tt31^1lquot;i~fl32^12quot;l_fl\'33^13 ®31 ^21~i~ ö32^22~h ^33^23 ^31 ^31 ~lquot; fl32 fl\'33 ^33

Wij willen nu aantoonen, dat de aldus gevormde determinant liet product is van de twee oorspronkelijke determinanten, dus:

A = Ai A2

Het bewijs van deze belangrijke stelling zal gegeven worden voor de bovenstaande determinanten van den 3den graad, maar is blijkbaar van algemeene geldigheid.

Daar elk element van A uit de som van 3 termen bestaat, kan, volgens het in § 146 besprokene, door splitsing van de eerste kolom voor A de som varl 3 determinanten geschreven worden. Elk dezer determinanten geeft door splitsing van de tweede kolom 3 nieuwe determinanten, en eindelijk levert elk dezer laatste door splitsing van de derde kolom wederom 3 determinanten op. Aldus vindt men voor A de som van 27 determinanten:

K

«12 ^ 22

«13 ^33

«11

*11

«12 *22

«12 *32

A =

quot;21

*11

«22 ^22

«23 ^33

«21

^11

a.,r. b22

«22 *32

quot;31

lgt;n

«32 ^22

«33 ^33

«31

*11

«32 *22

«32 *32

-}- enz.

Beschouwt men een dezer determinanten, dan valt in hot oog, dat de elementen van elke kolom een element b als gemeenschap-pelijken factor bevatten. Brengt men deze factoren buiten het determinantteeken, dan vindt men:

«li quot;■3\'.

«13

®aa

»12

®22

amp;R1

«n »21

»ii

^12

«22

-)- enz.

-j- /\'ii h^_ hx

A - ^11 ^22 ^3:

Elk van de hier verkregen determinanten bestaat blijkbaar uit drie kolommen van Ad en is dus gelijk Ai, als de drie kolommen verschillend zijn, en gelijk nul, als er twee gelijke kolommen in voorkomen. Zoo is van de beide hier opgeschreven determinanten de eerste gelijk Ai en de tweede nul. Hieruit volgt, dat A het product is van Ai net eene uitdrukking, waarin alleen de coëfficiënten l) voorkomen. Op gelijke wijze kan echter aangetoond worden, dat A het product is van A2 met eene functie der coëfficiënten a. Men mag dus stellen

A = ^ Ai A2

-ocr page 228-

214

waarin A nog slechts een getallencotifficlënt is. Neemt men de elementen, die in de hoofddiagonalen van Ai en Aa voorkomen, de eenheid en de overigen nul, waardoor A = Ai — Ao = 1 wordt, dan wordt ten slotte voor A de eenheid gevonden.

§ 150. Een ander bewijs van de voorgaande stelling kan op de volgende wijze gegeven worden. Men heeft:

^11 ^21 ai2^22~{\' ai3^23 ^31~l~ fl!I2^32~i-fl!13 «2, «2, O 22 ^22 ^23^23 ff21 ^31quot;Iquot; ^22^3!

ffll

«12

«13

0

0

0

021

a22

«23

0

0

0

«31

«32

^33

0

0

0

— 1

0

0

«11

^21

*3.

0

—1

0

«12

^22

^32

0

0

—1

^23

^33

— Ai Az

zooals, zie § 145, gevonden wordt bij ontwikkeling naar de minoren van den derden graad uit de eerste drie rijen gevormd. Wij hebben dus slechts aan te toonen, dat de bovenstaande determinant gelijk is aan A- Daartoe telle men bij de eerste rij op de laatste drie rijen, respectievelijk vermenigvuldigd met an, en at3-, bij de tweede rij elk der laatste drie rijen, respectievelijk vermenigvuldigd met a2,, a21 en a23; en eindelijk bij de derde rij elk der laatste drie rijen, met a3l, a32 en a3:gt; vermenigvuldigd. Aldus vindt men voor bovenstaanden determinant:

0 ö,, ^i, fl12^12

O ^22^12^

O ®3]^n-{~fl!32^12~l~\'\'E33^13 ff31 ^32ff33^23 ^31 ^3l4quot; ^32^3:

O

0—1 O O 0—1

iu

K b,-.

^21

h22 b-i-x

Ontwikkelt men nu naar de minoren van den derden graad, uit de eerste drie kolommen gevormd, dan vindt men

—1

0 0

0 0 -1 0 0 —1

■A.

= A

waarmede het gestelde is bewezen. De lezer overtuige zich, dat ook als men twee determinanten van den nim graad beschouwt, ten slotte het positieve teeken wordt gevonden.

§ 151. De determinant, die als het product van twee determinanten van den reden graad wordt gevonden, kan behalve in den

-ocr page 229-

215

reeds gevonden vorm nog op drie andere wijzen worden geschreven. Men kan n.1. alvorens den vermenigvuldigingsregel toe te passen, zoowel in Ai als in Aa rijen met kolommen verwisselen, waardoor elk element van A de som wordt van de producten der overeenkomstige elementen van twee kolommen van Ai en A-i-Of ook kan men deze verwisseling op sleelits één der gegeven determinanten toepassen, waardoor elk element van A de som wordt van de producten van de elementen eener rij van Ai (of A2) met de overeenkomstige elementen eener kolom van A2 (of Ai)-

Men kan nu ook het product opschrijven van een determinant van den Mtlen graad met een van den mien. Is m lt; n, zoo transfor-meere men op de in § 143 besproken wijze den determinant van den ?«den graad in een van den nien, waardoor na toepassing van den vermenigvuldigingsregel voor het product een determinant van den raden graad wordt gevonden.

Neemt men A2 gelijk aan Ad dan wordt A het vierkant van Ai, waaruit blijkt dat voor het vierkant van een determinant een determinant van denzelfden graad kan geschreven worden. Men ziet gemakkelijk in, dat deze laatste in 3 verschillende vormen kan worden gevonden. Als toelichting van het in deze paragraaf besprokene, moge naar de onderstaande toepassingen verwezen worden.

TOEPASSINGEN.

1. Schrijf op 4 verschillende wijzen het product

H l p 1

als determinant van den tweeden graad. Antw.

a b

1 p 1

ap bq ar bs

ap er aq cs

c d

1 ,• «

cp dq er ds

bp - ■ dr bq ■ ■ ds

aj) -h cq ar • ■ cs hp H- dq br -t- ds

ap hr cp dr

aq -h hs cq -f- ds

2. Schrijf als determinant van den derden graad het product

dt

dn

- bi C3 quot; ba €-2 ■ b3 eo

«i d.3«2 ch • «3 lt;h \'

Cl c*

cs

«1 C!

Cltj ba Co (13 ba c3

Antw.

ai

bi

Ci

dt

ei

0

ai

bn

Ca

d*

Co

0

«3

bs

lt;•3

0

0

1

«1 di • ■ bi ei r/o di -h bn ei ((3 lt;h b3 ei

-ocr page 230-

216

3. Schrijf op 3 verschillende wijzen het vierkant van

«i

als determinant van den tweeden graad.

«ina iii.

A =

«i iiquot; b\\ ■

\' 0-2 amp;2 -j;

ai lt;*2 ^2 (i\\ quot;i~ b}.

Ai =

voldoen aan de betrekking

Antw. A2 =

ög amp;2

«i ii quot;

« 1 «fo il «1 «2 a2 ^2 «i /gt;i èj ^2 «2 hl 4. Als de elementen van de determinanten

«11 .

en

As —

in .

hm

«/Jl .

• • (imi

Ö/Jl •

. hm

quot;Ai «ii «ij «/2 • • • lt;\'knlt;\'ln = lgt;h lgt;ii h;bl2 ■ ■ ■ hub In

geldig voor alle, ongelijke zoowel als gelijke, waarden van h en l, dan heeft men

Ai = ± Aa

De determinanten, die men vindt door op Ai en A2 den regel voor vierkantsverheffing van determinanten toe te passen, stemmen namelijk overeen, waaruit men afleidt

A; = AI;

5. Als de elementen van den determinant

A =

«11 •

. «171

dm

• cinn

voldoen aan de betrekkingen

ah «*2 ah • • • «■ka quot;In = 0 geldig voor alle onyelijke waarden van k en l, en

geldig voor alle waarden van k, dan heeft men

A — ± 1

Men vindt nl. voor het vierkant van A een determinant, die gelijk de eenheid blijkt te zijn.

6. Toon aan

Ihc — a- c2 b2 j

c\' 2ca — b\' n2 1= («3 i3 c3 --«ie)quot;

b2 a2 lab — c2 |

Mea vermenigvuldige daartoe de determinanten

-ocr page 231-

217

a

b

c

a

c

b

h

c

a

en

—h

a

c

c

a

h

c

h

a

die elk gelijk zijn aan — («\' i3 c3 — 3 abc).

§ 152. In paragraaf 132 is het vierkant gevormd door de elementen de matrix van den determinant genoemd. In het algemeen verstaat men onder eene matris den rechthoek gevormd door mn elementen, gerangschikt in m rijen en n kolommen:

a\\\\

05,2 . .

ft\\n

M =

a2\\

^22 •

• «2/t

nm\\

aim • •

amn

Is m — n, dan stelt de matrix een determinant voor. Zijn daarentegen m en n ongelijk, zoo wordt door de matrix geene functie der elementen voorgesteld, en heeft deze dus op zich zelf geene beteekenis. Toch kan, zoo als ons uit liet volgende zal blijken, ook de beschouwing van zulke matrices in vele gevallen van nut zijn.

Door de elementen te nemen, die tot p rijen en tot p kolommen behooren, kan men uit M determinanten van den p\'leu graad vormen. Daarbij is p hoogstens gelijk aan het kleinste der getallen m en n. Van bijzonder belang zijn de determinanten, voor welke

m \'«•

p deze grootste waarde heeft. Hun aantal bedraagt (w) of (»»), naarmate n grooter of kleiner dan m is.

Door op de rijen van twee matrices van gelijke afmetingen den vermenigvuldigingsregel voor determinanten toe te passen, vindt men een determinant, waarvan de graad overeenstemt met het kolommenaantal der matrices. Zoo leidt men uit de matrices

Ou

«12

^12

M,=

»21

^22

en M2 =

K

^22

«31

a32

^31

^33

ail ^11 quot;l- ai2^12 an ^31 quot;t- aVl b-a ail ^31 quot;fquot; ai2^32 a2, ^,1 «22^12 «21 ^21 -tquot; «22 ^22 «21 ^31 «22 ^2 «31 ^11 quot;iquot; «32 ^12 «31 ^21 quot;l- «32 ^22 «31 ^31 1 «32 ^32

af. Wij zullen nu aantoonen:

den determinant

A =

-ocr page 232-

218

Voor m gt; n heeft men A = 0.

Voor men, is A gelijk aan de som der producten, die men ver-krijgt door eiken determinant van den mitn graad van Mi te vermenigvuldigen met den overeenlomstigen, d. w. z. uit dezelfde kolommen bestaauden, determinant van Mv

Voor het bewijs van het eerste deel dezer stelling beschouwen wij de bovenstaande matrices en .1/,, voor welke ra = 3 en 11 = 2. Voegt men aan elk der matrices ééne kolom (in het algemeen (wi — n) kolommen) toe, waarvan de elementen alle nul zijn, dan verkrijgt men twee determinanten, die door vermenigvuldiging donzelfden determinant A opleveren. Dus is A het product van twee factoren, die beide nul zijn, waaruit volgt:

A = 0.

Voor het bewijs van het tweede deel onzer stelling nemen wij de matrices

K

a,.

M\\ =

en M\\

die door toepassing van den vermenigvuldigingsregel den determinant

ait bit quot;tquot; ai2 ^22 quot;tquot; ai3 ^2:

A\' =

I ^21 quot;lquot; a22 I

\'\'23 ^23

au ^ii | ®i2^i2

a\'2l ^11 quot;i- a22 ^12 quot;l- a22 ^13

opleveren. Hiervoor kan geschreven worden:

ail ^11 -f-ai2^12 ai3^13 «11 ^21 «12 ^22 «13 ^23 0 0 0

«21 ^11 ~j~ «22 ^12 «23 ^13 «21 ^21 «22 ^22 i «23 ^23 0 0 0

bn b21 10 0

^,2 ^22 0 1 0

b,3 ^23 0 0 1

of als men van de eerste rij de laatste drie rijen, respectievelijk vermenigvuldigd met an, av, en a,3, aftrekt, en van de tweede rij deze zelfde rijen na vermenigvuldiging met a2t, a22 en aa:

A\' =

0

0 -

—«li

— 0,2

— a

0

0

«21

«22

— a

K

bn

1

0

0

bn

b22

0

1

0

bn

ba

0

0

1

-ocr page 233-

219

waaruit door ontwikkeling volgens de minoren uit de eerste twee rijen gevormd:

«21 «23

waarmede het tweede gedeelte onzer stelling is bewezen voor to = 2 en n — 3. Men ziet gemakkelijk in, dat voor willekeurige waarden van m en n het bewijs op overeenkomstige wijze kan worden gegeven. De lezer overtuige zich, dat daarbij elk der determinantenproducten het positieve teeken verkrijgt.

§ 153. Door de elementen van de tweede matrix gelijk aan die der eerste te nemen, leidt men uit het voorgaande onmiddellijk af:

De determinant, dien men verkrijgt door op de rijen eener matrix, bestaande uit m rijen en uit n kolommen, den regel voor vier-Tcantsverhefflng van determinanten toe te passen, is nul als in gt; n, en gelijk aan de som der vierkanten van de determinanten van den mim graad der matrix, als rn lt; tt.

Zoo vindt men door op de matrix

!i b,

!, 6,

j ^12 ^13

j ^22 ^23

den vermenigvuldigingsregel toe te passen

a x l\'i Oi o2 bi amp;2 ^i ^3 quot;lquot; ^3 o, a2 -|- b,b, al -f b\'^ a.. a3 b2 b3

^12

A\' =

hi, l)n\'

= 0

ai a3 quot;tquot; ^1 \'

en uit de matrix

a2a3 b, b3

3 ■ 3

»2

dat

ai^l aï^ï\'\\\' a3 b

\'A K K

[2

4-

«. «3 él b^

waardoor men komt tot de identieke betrekking:

(«1 quot;fquot; ffl2 ~t~ quot;D ^2 = (aiit-h a2 ^2 | «3 S3)2 Cai S2-«2 ^l)\' 4quot;

quot;fquot; C0! ^3-a3 ^l)2 quot;fquot; (ff2 ^3 a3 •

fl, 4, fl2 52 quot;l- ^ I a, a

= Ui !gt;■.

-ocr page 234-

220

TOEPASSINGEN.

1. Bewijs, door op de matrix

1 1 1 I

a h c \\

den regel voor vierkants verheffing toe te passen, de identieke betrel king 3 (a- -h J- c) — (a-{- b-\\- c)2 — (b — c)\' -h (c — «)3 (a 6)3 Welke is de overeenkomstige betrekking voor n grootheden a, b,

2. Toon, door toepassing van den vermenigvuldigingsregel op de matrices

«•;

«i

1

1

26,

b\\

al

1

1

262

bi

»\'•

en

«a

1

1

263

bi

«l

«4

1

1

2b,

b\'i

-ij»)2 («J 63)2 (rtj

(«i M2 («1 •

(«s ^i)2 («sH-^)2 («a-i-ès)2 («a •

(a3 - - bx)2 («3 - - h*)2 («3 J3)2 («3 ■

aan dat

-^)2 -^)2 -b4)2 -h)2

= 0

3. Toon aan

1 cos (x — (3) cos {cc — y)

cos ((3 — tz) 1 cos ((3 — 7) =0

cos (y — oc) cos [y — (3) 1

Men passé daartoe op de matrix

cos cc sin x cos /3 sin (3 cos y sin y den regel voor vierkantsverheffing toe.

4. Toon aan

sin (x -h as\') sin (se -H (3\') sin {x - - y\')

sin ((3 -h x\') sin ((3 (3\') sin (/3 - - y\') =0 sin {y-\\-x\') sin (y-h (3\') sin {y -h y\')

Men passé den vermenigvuldigingsregel toe op de matrices

cos x\' sin x\' cos (3\' sin (3\' cos y\' sin y\'

sm x cos x sin (3 cos (3 sin y cos y

§ 154. Wij hebben door Aki aangegeven den coëfficiënt van au in de ontwikkeling van

A =

a,, .

• «i.

ann

-ocr page 235-

221

dat is de minor van dit element vermenigvuldigd met (—l)l \'. Uit deze coëfficiënten A kan men een nieuwen determinant

Au ■

A.

• 4.»

vormen.

Be determinant, gevormd uit de coëfficiënten A, is gelijk aan de (n—l)de macht van den oorspronlcelijhen.

Door vermenigvuldiging van A met A\' vindt men n.1. een determinant, waarvan het element, dat in de lAe rij en in de lAe kolom voorkomt, is

ou 4h 0^2 Aii ! • • • ~j «A-„ Ain welke uitdrukking (zie § 142) nul is, als 1: en l ongelijk, en gelijk A als Tc en l gelijk zijn. Men heeft dus

A O ... O

O A ■ • • O

A A\' = .....— Aquot;

O O ... A

waaruit men vindt

A\' = Aquot;quot;.

§ 155. Een determinant heet syminctriscb, als men vooralle waarden van h en van l heeft

quot;kl — alk

dus als elk paar elementen, die ten opzichte der hoofddiagonaal symmetrischen stand hebben, gelijk zijn. Zoo is b. v. de determinant, dien men vindt door op eene matrix den regel voor vierkantsverheffing toe te passen, een symmetrische determinant. Het valt niet moeilijk aan te toonen, dat in een symmetrischen determinant de coëfficiënten Aki en Am gelijk zijn, zoodat ook de toegevoegde determinant symmetrisch is.

Heeft men voor alle waarden van h en l

(\'ki - — quot;Ik

zoo heet de determinant scheef-symmetrisch. Daarbij volgt uit

Okk = -akk

dat alle elementen, die in dc hoofddiagonaal staan, nul zijn.

-ocr page 236-

222

Voor do eigenschappen van deze determinanten verwijzen wij den lezer naar uitvoeriger handboeken.

TOEPASSINGEN.

1. Toon aan

x «i «2 ccx

CC^ CCo Ci~ X

Cix CC.2 CC*

ets ht b2

X Cl

= (.r — (a: — a.) (a; — a3) (x — x,)

waarbij de grootheden o,, a», (ia, i,, en Cj in de ontwikkeling niet voorkomen.

2. Toon aan, dat de determinant

a

h

c

d

e

e

a

h

c

d

d

e

a

h

c

c

d

e

a

h

h

c

d

e

a

het produet is van vijf factoren van den eersten graad, die men vindt door in

a xb ce2c ce3 cl x\'c voor cc achtereenvolgens te nemen elk van de wortels der vergelijking

Xs—1 = 0.

3. Als in een determinant A van den «den graad alle elementen, die tot m rijen en tot f« — m 1) kolommen behooren, den factor i- bevatten, dan is k een factor van A. Men vraagt het bewijs.

4. Een determinant van den «den graad wordt met —[m — 2) Squot;quot; ~1 vermenigvuldigd, als men m kolommen op zoodanige wijze transformeert, dat men van elk element dezer kolommen de tot dezelfde rij behoorende elementen der {m — 1) overige kolommen aftrekt. Is dus:

«„

«12 • •

• «17«

«1}//1 1 • •

• «1»

Ai =

«21

«22 • •

. «27/1

«2,771 1 • •

. «211

«/«

«//2 • •

• «/WW

«//j77J 1 . .

. «/17/

«11—«is—•

.-«i7/i —

-«11H

-«12 — -

• -«1//2

. . . —«n

— «12 —

«21-«22-•

•-«27« —

quot;«21 quot;

- «22 — •

.—«2///

. . . —«21

«22

—... — finm —(tni f\'h-2 —... \'l-inn • • • —(Cu-i—ff/is—... \'t/un lt;*n,m i ,. .ann dan heeft men;

As — — U»—2)2\'quot;-1 A,

Men vraagt het bewijs.

-ocr page 237-

223

Men vermenigvnldige Ai met den determinant van den «den

1

—1 .

. . —1

0 .

. . 0

—1

1 .

. . —1

0 .

. . 0

—1

—1 .

. . 1

0 .

. . 0

0

0 .

. . 0

1 .

. . 0

0

0 .

. . 0

0 .

. . 1

waarvan de eerste rij (n —-.«) elementen nul bevat. De waarde van dezen determinant is in Toep. 10, § 148, gevonden.

3. Toon met behulp der in Toep. 4 bewezen eigenschap aan:

«, a-t-6, |3—c,quot;/ n2 a 6213 — c-jy o3 « ia (3 — ^ 7

—«! a it (3 C! y a,«—6,/3 c, y —a3 a(3ca y a^a — hi^ c^y —naSe hP Cny «3 a — is (3 Os 7

61 ia ha

lt;p(x) =

\' izfiy

«3

G. Ontwikkel den determinant

h

h x f

verkregen door by de elementen, die in de hoofddiagonaal van een sym-metrischen determinant voorkomen, x op te tellen, naar de afdalende machten van x, en bereken C l.r) .lt;p (—r),

Antw. Men vindt;

cp (x) = X3 Ij-hc)x* (be ca nb — f-—- — (abc — nf — bff2 — ch\'2 2fy/i).

A — x2 H G

cp(a:).cp(—x)= H B—x2 F G F C—a

waarin

A = a* h* g* Ii = b- f- h- C-c^ cf f-F=gh f(b c) G — }if y(c (i) H=fg h(a b)

of den laatsten determinant ontwikkelende;

lt;f (a;). 4gt; (—aO = —xquot; Lx\' — Mx* JV

waarin

L = A B C—a- b- 0quot; 2(f! g- h1)

M— BC CA AB — F* — G\'1 — Uquot; = (bc - f)- (ca — gquot;)quot; (ab — tr)-

2 (af — gJ^\' i (bg--hf)- 2 (ch — fg)-N= ABC— AF- — BG- — CH2 2 FGH = (abc — af — bgquot; — eh- — 2 fgh)quot;. 7. Toon aan, dat de wortels van de vergelijking

4gt; («) = 0

(zie de voorgaande Toepassing) allo bestaanbaar zijn.

Men merke op, dat de vergelijking in xquot;

4gt; (.c). (f) (—- x) = 0

rraad

-ocr page 238-

224

slechts variaties bevat, en dus geene negatieve wortels heeft, waaruit men

afleidt, dat de beschouwde vergelijking geene wortels van den vorm /3 V_1

kan hebben. Dat ook geen wortel van den vorm « (3 K — 1 kan zijn, toont men aan door op te merken, dat in dit geval (3 V—1 een wortel zou zijn van de vergelijking, die men verkrijgt door in (p 0») = 0 «, 6 en c te vervangen door n a, h u en c ct.

NEGENTIENDE LES.

OVER T)E OPLOSSING VAN EEN STELSEL VERGELIJKINGEN VAN DEN EERSTEN GRAAD.

§ 156. Eeno belangrijke toepassing vinden de determinanten bij de oplossing van oen stelsel lineaire vergelijkingen, d. w. z. vergelijkingen van den eersten graad. Wij zullen in de eerste plaats het geval behandelen, dat deze vergelijkingen niet homogeen zijn, dat er dus behalve termen, die eene der onbekende grootheden bevatten, tevens geheel bekende termen in de vergelijkingen optreden.

Beschouwen wij vooreerst n vergelijkingen met n onbekenden

) • • * xn \'-

••• -|- -fquot; ... -]r quot;u^n—Pt quot;u -\\-aï%Xï -j- ®2i xk -f- ••• a2nXn==Pi

önl«1 a«2ar2 — quot;.k Xk - an*Xn=P„ en noemen wij

an

«12 •

• ^«1,

A =

«21

«22 •

• • «2«

«.1

«„2 •

• •

don determinant van het stelsel. Daarbij wordt ondersteld:

A^O

Stellen wij voorts, evenals in het voorgaande hoofdstuk is geschied, door Aft den coëfficiënt voor van in de ontwikkeling van A, dat is de minor van dit element vermenigvuldigd met (—

-ocr page 239-

225

Worden de vergelijkingen (1) respectievelijk vermenigvuldigd met , A^, ... Anl, en daarna bij elkaar opgeteld, dan zal in de komende vergelijking de coëfficiënt van xl zijn

ail ^11 a21 ^21 ••• quot;l- a«\\ ^«1 = A

De coëfficiënt van .r, wordt

••• -\\-a*2-An,

welke uitdrukking, volgens het in § 142 besprokene, nul is. Eveneens zijn de coëfficiënten van x3 ... xn nul, en men vindt dus

A ~= Pi \'A1 4quot; P- \'^21 quot;l- * *quot; ^Tquot;\' Pn-^nl

De uitdrukking, in het tweede lid dezer vergelijking, is de determinant A gt; als daarin de elementen der eerste kolom vervangen worden door de geheel bekende termen p,, j)2, ... p„, dus

Pi

an .

■ ■ «1»

Pt

Cl22 .

■ • «2n

Pn

(I..2 ■

• • «,.»

welken determinant wij willen voorstellen door Ai- Men heeft dus

A = A,

Wil men op gelijke wijze eene vergelijking vinden, waarin alleen voorkomt, zoo vermenigvuldige men de vergelijkingen (1) respectievelijk met Atk, A.lk, ... A,^, waardoor men na optelling zal vinden:

. A Xk = Ak

Hierin stelt Aa- de determinant voor, dien men vormt door in A de £de kolom, dus de coëfficiënten van xk, te vervangen door de geheel bekende termen /),, p2, ... p^.

Uit de vergelijkingen (1) kan men dus afleiden de vergelijkingen

A a-\'i = Ai A »2 = Az

A Xk = Ak A = A,.

Maar ook omgekeerd kan men aantoonen, dat de waarden der on-

LOBA.TTO. 1 5

-ocr page 240-

226

bekenden, die aan de vergelijkingen (2) voldoen, tevens voldoen zullen aan de gegeven vergelijkingen. Om bijv. de eerste der vergelijkingen (1) af te leiden uit de vergelijkingen (2), telle men deze laatste bij elkaar op na vermenigvuldiging respectievelijk met au, a,2, ... atk, ... De verdere uitwerking hiervan wordt aan den lezer overgelaten.

De vergelijkingen (2) zijn dus gelijkwaardig met de vergelijkingen (1), en mogen voor de oplossing der onbekenden deze laatste vervangen. Uit de vergelijkingen (2) volgt eindelijk, in het oog houdende, dat A ondersteld is niet nul te zijn:

Ai A

A_« A

xk =

A

of in woorden: Elk der onbekenden is gelijk aan eene breuk, die tot noemer heeft den determinant van hel stelsel, en waarvan de teller gevonden wordt door in dezen determinant de coëfficiënten der beschouwde onbekende té vangen door de overeenkomstige geheel bekende termen, welke laatste genomen worden met de teekens, die zij, overgebracht naar de tweede leden der vergelijkingen, aannemen.

Uit het voorgaande blijkt tevens, dat als A lt; 0 de gegeven vergelijkingen steeds eene enkele oplossing toelaten.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal x, y an z uit de Tergelijkingen

lx — 31/ 53— 7 5y— z— —9 x y «= (X

Men heeft hier

-3 5 5 —1 1 1

A =

= —10

en als Ai, A a en A 3 de determinanten zijn, die meu verkrijgt door in A de l5te, 2\'le en 31e kolom te vervangen door de rij der geheel bekende termen:

7—3 5

2 7 5

co 1

lt;N

A,=

—9 5 —1

11 1

CO

O gt;

ll

r-i

1

C5 1

O

11 to

O gt;

II

0 5 —9

0 11

10 1

110

waaruit

= 10

-ocr page 241-

227

2. Bepaal cc, y en z uit de vergelijkingen

ax ay bz~l ax cy bz ^ 1 hx bij az = 1

Men vindt; A = (ra2 — /-gt;quot;) (c — n), Ai — (« — b) (c — a),

As = (a — b){c — a), waaruit, A lt; O ondersteld, volgt:

1 1

x =- ——, // = 0 en z =--.

= (6 — a) (c — «) (fl! — a) (c — h) (d — b) (rf — c)

A =

3. Bepaal jc, i/ en z uit de vergelijkingen

ax by cz = b c bx cy az — c a cx ay bz = a-±- b

Antw. «=0, ,\'/ = 1 en 3 = 1, waarbij amp;=3abc — aquot; bquot; — r3 ^ 0 ondersteld is.

4. Bepaal x, y, z en w uit de vergelijkingen

a\' y s «• = U ax by cz (ho = 0 a-x b3y C-Z d\'w = 0 a3x b3// c3z -{- rl3ir = 1

Men heeft hier, vergelijk ïoep. 8, blz. 1!)5:

1 1 1 1 |

a b cc?

o2 b2 c2 rf2

a3 b3 o3 \'l3 i

Aa = 0

0 1 0 b

A, = j

waaruit:

-Ai-

A

0 b2 c2 rf2 | 1 b3 r3 rf3

1

(i — a){b — c)(b — rf)\' (c — «)(c—b) (c —rf)

(a — b) (« — c) ia — rf) 1

= -(c —i) (rf — b) (rf— c)

gevonden wordt, en op overeenkomstige wijze

1 __1___

(d — o) (rf — b) (rf — r)

1

rf rf2


§ 157. In de voorgaande paragraaf werd het aantal der vergelijkingen gelijk aan het aantal der onbekenden genomen, ea tevens ondersteld, dat de determinant van het stelsel niet nul is. Beschouwen wij nu het meest algemeene geval, en nemen wij daartoe 711 vergelijkingen met n onbekenden, waarbij m grooter dan, gelijk aan, en ook kleiner dan n kan zijn:

15*

-ocr page 242-

228

Xt = auxx-\\- a1;1a-a ... axlcxk ... amxHp{ =0

A\'2 = «21 X\\ «22 ^2 - «2i-^ «2,i l^A . — «2)1^1-^2 =0

Zi = «t-, at2^ — aktxk-\\- «W- I®i- 1 — aknxnpk =0 Xt. t = at. )i,«, «^ ,.2 ^ quot;- «A- a-^ «i- a i®A- i «n—-ft-ti = 0

„Tm = ^m2x2 quot;{quot;■••quot;fquot; C!m,i 1 ■\'ÏJ\' i amiixn Pvt — 0

De eerste leden dezer vergelijkingen zullen bij verkorting voorgesteld worden door de teekens X, . .. X,„, waarbij men de geheel bekende termen naar de eerste leden denkt overgebracht. De matrix

«11

«12

. aik

«a i •

• • «171

«21

«22

. a2k

«2,A 1

. • (l2n

Uki

«A\'2

• • akk

ak,k i

. . akn

ak 1,1

«A* 1,2 •

ak i,k

ak \\,k i •

• • ak t,n

«mi

«ma

. Clmk

«m,A* 1

• • «m?t

gevormd door de coëfficiënten der onbekenden, zal de matrix van het stelsel heeten. Door uit deze matrix een zeker aantal rijen en een gelijk aantal kolommen te nemen, kan men determinanten vormen. Onder deze determinanten willen wij er één kiezen, en hoofddeterminant van de matrix noemen, die van nul verschilt, terwijl alle determinanten van hoogeren graad, die uit de matrix gevormd kunnen worden, nul zijn. Zijn derhalve alle determinanten van den (Je -f- l)dei1 en dus ook van hoogeren graad nul, terwijl dit niet het geval is met alle determinanten van den A:,en graad, zoo kan elk dezer laatste, mits van nul verschillend, als hoofddeterminant worden gekozen. Het is duidelijk, dat zulk een hoofddeterminant steeds kan worden gevonden. De graad van den hoofddeterminant A, die hoogstens gelijk is aan het kleinste der getallen m en u, zij gelijk ie. Daar men geheel vrij is in de keuze van de volgorde waarin de vergelijkingen, en van die waarin de onbekenden geschreven worden, mag men aannemen dat A gevormd wordt uit de eerste h kolommen en de eerste h rijen van M, zoodat

-ocr page 243-

229

«11

«12 ■

■ «li

«21

«22 •

. (l2k

«Ai

«i-2 •

akk

Vormen wij verder den determinant

«ll

«12 quot;

■ «iA-

Pl

«21

«22

• «2A-

Pi

«Al

«Aquot;2

• «AA

Pk

«A- i,i

«A* 1,2 *

• «A i,A-

Pk l

die verkregen wordt door aan A als laatste kolom toe te voegen de geheel bekende termen van de eerste k vergelijkingen en van de (k -f- l)de, en als laatste rij de coëfficiënten van x, . . . xk en den coëfficiënt p in de (/t -f- l)dc vergelijking. Voorts mogen P,, Pi - ■ ■ Pk \\ de coëfficiënten van p2, . . . pk , in de ontwikkeling van D, voorstellen.

Beschouwen wij nu de uitdrukking

P. J, P, . . . Pk xk Pk , Xk t (4)

De coëfficiënt van xl hierin is

P\\ait quot;t- P2a2i 4quot; ■ • • quot;lquot; Pk ak\\ 4quot; -Pa- 1 ak 1,1

dus wat Z), wordt, als de laatste kolom door de eerste wordt vervangen. Daar echter een determinant met twee gelijke kolommen nul is, zoo geldt hetzelfde van den coëfficiënt van Op gelijke wijze toont men aan, dat ook de coëfficiënten van . . . xk nul zijn. De coëfficiënt van xk , in de uitdrukking (4) wordt gevonden door in f, de laatste kolom te vervangen door de getallen a,jt. ,, a2gt;k ,. . . .ai. l!i.4l. Deze coëfficiënt is een determinant van den (k l)dei1 graad van JU, en dus eveneens nul, daar toch volgens onderstelling alle determinanten van M, waarvan de graad hooger is dan de /jae nul zijn. Om gelijke reden zullen ook de coëfficiënten van xk 2. . . xn in (4) nul zijn, zoodat deze uitdrukking zich herleidt tot

—P,P, — PiPi— • • • —PkPk — Pk iPk t= — D, Men heeft das de identieke betrekking

P.X, P2 . . . PA.Xi P, ,Xigt;1= —D, (5)

-ocr page 244-

230

Er zijn nu twee gevallen te onderscheiden, naarmate £gt;, niet of al nul is.

Zij vooreerst i), van nul verschillend. Uit de betrekking (5) volgt dan, dat als X,, X2. . . Xk nul zijn, dit met Xk , niet het geval kan zijn, m. a. w. dat een stel waarden der onbekenden, dat aan de vergelijkingen

X, = 0 X = 0 . . . .^. = 0 (6)

voldoet, niet zal voldoen aan de vergelijking

Xt 1 = 0. (7)

Hier is dus deze laatste in strijd met de eerste Ic vergelijkingen.

Is daarentegen i), nul, dan heeft men

P1X1 P2.Y2 . . . Pk xk - - Pt , xkjr, = 0 uit welke identieke betrekking volgt, dat als X,. . . Xk nul zijn, ook Xj. 1, en dus, daar Pj. 1 = A lt; 0gt; ook Xj. I nul zal zijn, m. a. w. dat elk stel waarden der onbekenden, dat aan de vergelijkingen (6) voldoet, tevens voldoen zal aan de vergelijking (7). Hier is dus deze laatste vergelijking een noodzakelijk gevolg van de vergelijkingen (6). Het blijkt dus, dat naarmate D, niet of al nul is, de vergelijking (7) strijdig is met, of een gevolg is van de vergelijkingen (6).

Stelt men door D2, D3,. . . D,n_k voor de determinanten, die men verkrijgt door in I), de elementen van de laatste rij te vervangen door de coëfficiënten van x, . . .xk en door den geheel bekenden term, voorkomende respectievelijk in Xt. 2, Xkt3,. . . Xm, zoodat dus bijv.:

«11

an

P,

au

On

■ a,k

Pt

«21

a^k

Pi

en Dm_k =

Éf21

@22 \'

^2k

K

«Jt

«Ai •

• ■ akk

Pk

ak\\

quot;h ■

• quot;kk

Pk

«i- 2gt;2

ak l,k

Pk i

ain\\

am2.

amk

Pm

dan kan men op geheel overeenkomstige wijze betoogen, dat naarmate D.2, -Dj ,. . . Dm_k niet of al nul zijn, de overeenkomstige vergelijkingen Xj 2 = 0, Xt. 3 = 0, . . . Xv, = 0 strijdig zijn met, of afhankelijk zijn van de vergelijkingen (6).

Twee gevallen moeten nu achtereenvolgens beschouwd worden. Zij vooreerst minstens één van de getallen 7),, Zgt;2,. . . IJm _ k niet

-ocr page 245-

231

nul, dan is minstens één van de vergelijkingen Xj. , = O,. . . Xm = O in strijd met de eerste k vergelijkingen, en is er dus geen stel waarden der onbekenden te vinden, dat aan de gegeven vergelijkingen voldoet.

Onderstellen wij in de tweede plaats 2), = Z)2 = . . . = Dm _ 1= 0. Hier zal elk stel waarden, dat aan de eerste h vergelijkingen voldoet, tevens voldoen aan elk der volgende vergelijkingen, en heeft men dus voor de bepaling der onbekenden slechts rekening te houden met de eerste k vergelijkingen, dus met de vergelijkingen :

Xl = au xl -f a12 Zj-j- • • • quot;liquot;xk »1- i • • • ainxn—Pi = 0 X2 = auxl-]rau a:2-f ... -f -f oa 1 a.-i t . . .-f- amxn—p^=ü

Xk = flj-, X, ffA-ï ^2 -(-••• akk «i- 1 «A 1 • ■ • akn X„-Pk = 0

waarin k lt; re. Zij vooreerst k = re, in welk geval men n vergelijkingen met evenveel onbekenden heeft. Men verkeert dus in het in de voorgaande paragraaf behandeld geval, en vindt voor elk der onbekenden ééne enkele waarde.

Is daarentegen ken, dan kan men in de vergelijkingen (8) aan de onbekenden ^;. 1, . . .ar,,, dat zijn de onbekenden, waarvan de coëfficiënten in den hoofddeterminant niet voorkomen, willekeurige waarden toekennen. Men heeft dan ter berekening van ar, . . . xk k vergelijkingen, waarvan de determinant A niet nul is, zoodat men voor elk dezer grootheden eene enkele waarde vindt. Hier laten dus de gegeven vergelijkingen een oneindig groot aantal oplossingen toe.

Resumeerende, hebben wij in het voorgaande gevonden:

Zijn de determinanten D niet alle nul, dan laten de gegeven vergelijkingen geene oplossing toe, zijn deze dus met elkaar in strijd.

Zijn de determinanten D alle nul en tc, de graad van den hoofddeterminant, gelijk n, hel aantal der onbekenden, zoo laten de vergelijkingen eene enkele oplossing toe.

Zijn de determinanten D alle nul en k lt; n, dan vindt men een oneindig groot aantal oplossingen. Daarbij kunnen de waarden van n—k der onbekenden, en wel van die welker coëfficiënten in den hoofddeter-minant niet voorkomen, willekeurig worden aangenomen.

-ocr page 246-

232

TOEPASSINGEN. 1. Bepaal j-, ij en z uit de vergelijkingen x hij z — \\ ax y dz=-l x en z—1 en beschouw alle gevallen, die zich kunnen voordoen. Antw. Men vindt

1 b 1

aid 1 c 1

= (a — (?) (c — h)

Er zijn in hoofdzaak 4 gevallen te onderscheiden.

I. Zij a ^ d en h ^ c, dus ook A lt; 0. De vergelijkingen laten eene enkele oplossing toe, voor vrelke men vindt:

A =

Ai _ l — d

A « — d

= (l-rf)(c-6)

Ai =

As „

\'J~~K ^

A2 =

= 0

— (a — 1) (c — i)

a — 1 a d

As —

II. Zij a — d en b ^c, dus A = 0.

Onder de determinanten van den tweeden graad van A is

b 1 I

zeker van nul verschillend; deze kan dus als hoofddeterminant worden aangenomen. In verband hiermede moge voor de gegeven vergelijkingen geschreven worden

ii/ z a; = 1 cy s a; = 1 y az a^c — \\

Daar /» — k — 1, treedt hier één determinant D op;

lt;

D =

b

1

1

e

1

1

=

(o — 1) (c — b)

1

a

1

0,

en

laten

de gegeven vergelijkingen

geene oplossing toe.

-ocr page 247-

233

Is daarentegen a — 1, zoo is D = 0, en heeft men ter bepaling der onbekenden slechts rekening te houden met de vergelijkingen

hij z—\\ — x cy z — 1 —x

waarin aan x eene willekeurige waarde kan worden gegeven, üit deze vergelijkingen vindt men

// = 0 z— 1 —x

III. Zij a^d en 6 = c, dus A = 0.

Onder de determinanten van den tweeden graad van A is

1 1

a cl

zeker van nul verschillend, en kan dus als hoofddetermiuant worden beschouwd, in verband waarmede voor de gegeven vergelijkingen geschreven wordt:

x-\\- z-\\- hy—1 ax dz -f- y — l x z -f- hy — 1

De determinant D is hier nul; men heeft nl.:

111 D — a d 1 =0 1 1 1

De derde vergelijking is een gevolg van de beide eersten, in welke men aan y, dat is de onbekende, waarvan de coëfficiënten in den hoofddeterminant niet voorkomen, eene willekeurige waarde kan geven.

Door a? en 2: op te lossen uit de vergelijkingen

x - - z—1 — hy ax dz—1 — y

-d a — d a — d

IV. Zij eindelijk a = d en h=-c, dus weer A =: 0.

Is daarby ah ^ 1quot;, zoo kan

1 h a 1

als hoofddeterminant worden aangenomen. De determinant D wordt hier

1 h 1 \\

D— a 1 1 j =0 1 h 1

Daar deze nul is, zijn de vergelykingen niet met elkaar in strijd, terwijl men door x en y op te lossen uit de vergelijkingen

x-^rhy—l — z ax 4- y—1 (tz

a — 1 , 1

en z =-- —

vindt men eindelijk

1—d

a — d

hd—1

-ab

-!/

x —

-!/-

-ocr page 248-

234

in welke aan z eene willekeurige waarde kan worden toegekend, vinden zal 1 — h 1 — a

----„ — z en y— -

1 — ah 1 — ah

Is daarentegen ah—1, zoo zijn ook alle determinanten van den tweeden graad van A nul, en kan als hoofddeterminant het eerste element der eerste rij 1 worden aangenomen. De determinanten D, waarvan het aantal m — jfc = 2 zal bedragen, worden hier

1 1

a 1

1 1 1 1

A =

— 1 — a en D* —

= 0

Is nu a ^ 1, zoo is Di ^ 0, en zijn dus de vergelijkingen met elkaar in strijd. Is daarentegen a = 1, zoo gaat elk der gegeven vergelijkingen over in

x-^r y z— 1

en heeft men

x=. 1 — y — z

waarbij aan y en aan z willekeurige waarden kunnen worden toegekend.

2. Behandel op gelijke wijze de vergelijkingen

ax -\\r ay-\\r hz =■ \\

ax cy -H = 1 hx hy az — 1

in het geval, dat A = 0 (Vergelijk Toep. 2, blz. 227).

3. Bepaal x, y en z uit de vergelijkingen

x-\\- ay-\\-a*z=l

~x~\\- y a z = l

0

1 .1 .

_a; _2/ z_x

en beschouw de rerschillende gevallen, die zich daarbij kunnen voordoen.

Antw. Is n ^ h, zoo laten de vergelijkingen ééne oplossing toe: h{a —1) (a — 1)(6 — IJ 1—6

x-T\' y^--1—\' ï=—i

a — h a — o a o

Is a — h ^ 1, dan zijn de vergelijkingen met elkaar in strijd.

Is eindelijk a = b = l, zoo laten de vergelijkingen een oneindig groot aantal oplossingen toe, waarbij aan twee der onbekenden willekeurige waarden kunnen worden gegeven.

§ 158. Het voorgaande stelt ons tevens in staat uit een stelsel vergelijkingen van den eersten graad de onbekenden te elimi-neeren. Het elimineeren van de onbekenden uit een stelsel vergelijkingen beteekent het bepalen van de betrekkingen, waaraan de coëfficiënten dezer vergelijkingen moeten voldoen, opdat deze

-ocr page 249-

235

eene gemeenschappelijke oplossing toelaten. Het behoeft geen nader betoog, dat deze betrekkingen zijn:

DI — 0, D2 = 0, . . . = 0

Tevens blijkt, dat de eliminatie slechts mogelijk is, als m gt; h; het aantal der vergelijkingen moet dus grooter zijn dan de graad van den hoofddeterminant. Is m = k, zoo laten de vergelijkingen steeds eene gemeenschappelijke oplossing toe. Eindelijk zij nog opgemerkt, dat het aantal der betrekkingen, die uit de eliminatie voortvloeien, m — k bedraagt.

Beschouwen wij als toelichting n-\\-\\ vergelijkingen met n onbekenden, waarbij wij gemakshalve ra = 3 zullen nemen:

y cis =Pi

atx-\\-b2y -\\-c2z=p1

aix-\\-biy-\\-clt;z=pi

en laat gevraagd worden uit deze vergelijkingen de grootheden a, y en z te elimineeren. Onderstellen wij in de eerste plaats, dat onder de determinanten van den derden graad, die men uit de matrix

kan vormen, er minstens één, bijv.

a,

c,

a2

K

C2

«3

h

niet nul is, zoodat deze als hoofddeterminant kan worden aangenomen, en fc = 3 is. Het aantal vergelijkingen, die uit de eliminatie voortvloeien, bedraagt dus hier m k = 4 — 3 = 1. Deze resulteerende vergelijking is blijkbaar

«i by cl px

Cl2 b.L Ca pz _ ^

a, c, pi

^4 Ct V*

-ocr page 250-

236

Onderstellen wij in de tweede plaats, dat alle determinanten van den 3den graad van M nul zijn, dat echter onder de determinanten van den 2den graad er minstens één, bijv.:

a, bt i2

van nul verschilt, zoodat deze als hoofddeterminant kan worden beschouwd. Hier is /; = 2 en ra — = 2; en men vindt voor de twee vergelijkingen, die uit de eliminatie voortvloeien:

bx

K K

a,

a.

P*

Vi V*

— 0, en

= 0.

K K

P* Ih

Zij eindelijk in de dorde plaats ondersteld, dat ook de determinanten van den tweeden graad van M alle nul zijn, dan zal toch minstens één der determinanten van den eersten graad, d. w. z. der elementen, bijv. a, van nul verschillen. Dit element kan dan als hoofddeterminant worden beschouwd, waarbij k = \\ en m — k=3. De drie resulteerende vergelijkingen worden hier:

ax Pt

«3 Ih

a, Pt

o* Pi

o, p, «4 Pi

= 0,

= 0 en

= 0.

TOEPASSINGEN.

1. Elimineer x, ;/ en z uit de vergelijkingen a; ay a\'z = a\' x hy — h* oc cy c*z= c* x dy (Pz = d1

waarin a, b, c en d ongelijk zijn.

1

Antw.

= 0

« a\' «•

h b2 b*

c c2 c*

d d- d*

of

(i — rt)(c — «)(lt;? —o)(c — b){d — b){d — c)(a 6 c rf) = 0. 2. Elimineer x, y en z uit de vergelijkingen ax by = c2 — cy az = b-cx bz-=z a-

lacx bcy uhz— abc De determinanten van den derden graad, die men uit de matrix van de

-ocr page 251-

237

coëfficiënten der onbekenden kan vormen, zijn alle identiek nul. Daarentegen is, « en c ^ 0 ondersteld,

a h 0 —c

of

van nul verschillend, eu kan dus als hoofddeterminant -worden aangenomen. Voor de resulteerende vergelijkingen wordt gevonden

a

h

C-

a

h

c2

0

c

h2

— 0, en

0

c

b2

= 0

c

0

a\'2

hc

abc

43 c3 —• a3 = 0 en i3 2c3 abc = ü

Men beschouwe voorts het geval, dat een der grootheden a, b of c nul is, en toone aan, dat in dit geval ook de heide anderen nul moeten zijn.

§ 159. In de voorgaande paragrafen werden de beschouwde vergelijkingen niet homogeen aangenomen, werd m. a. w. ondersteld, dat de geheel bekende termen p niet alle nul zijn. Daarentegen willen wij ons in het verdere deel van dit hoofdstuk bezig houden met homogene vergelijkingen van den eersten graad, dus met vergelijkingen, waarvan elke term de eerste macht van een der onbekenden bevat.

Het is duidelijk, dat aan elke homogene vergelijking, en dus ook aan elk stel homogene vergelijkingen voldaan wordt, door aan elk der onbekenden de waarde nul te geven. Van deze steeds voorkomende oplossing zien wij daarom verder af, om alleen de oplossingen te beschouwen, die niet nul zijn. Daarbij wordt eene oplossing gezegd niet nul te zijn, als minstens ééne der onbekenden eene waarde verkrijgt, die van nul verschilt.

Merken wij voorts op, dat als aan een stel homogene vergelijkingen tusschon de onbekenden xl, x.,,. , voldaan wordt dooide oplossing

xt= ai, x2 = a2, , , . xll = a,,

aan deze vergelijkingen ook voldaan zal worden door

z, =pa,, x2 — pa2, . . . —pan

te stellen, waarin voor p een willekeurig getal kan worden genomen.

§ 160. Beschouwen wij vooreerst n homogene vergelijkingen tusschen de n onbekenden x,. x... . . . x..:

-ocr page 252-

238

«,i*i «.2^4- • . . -f a,n xn = 0 «21». «22^2 • • • fl2,»„ = 0

a»i«i «„2^2-1- • • • «„.»„ = O

en nemen wij aan, dat de determinant

Ö.l

a\\2 •

A =

a2l

a22 •

a2n

«nl

«n2 •

ann

dien wij den determinant van het stelsel zullen noemen, van nul verschilt. Uit het in § 156 besprokene volgt dat, aangezien A ic 0, de vergelijkingen (9) slechts ééne oplossing zullen toelaten. Deze oplossing is blijkbaar

xl = x2= . . . =xn = 0,

welke uitkomst verkregen kan worden door in de oplossing, die in de aangehaalde paragraaf werd gevonden, de geheel bekende termen^?,, p2, nul te stellen, waardoor ook elk der deter

minanten, die aldaar door Ai, A21 • • • A„ zijn aangeduid, nul wordt.

Is dus A lt; 0, zoo laten de vergelijkingen (9) geene oplossing toe, die niet nul is.

§ 161. Nemen wij nu (n—1) homogene vergelijkingen tus-schen « onbekenden:

«11 «1 «12®2 --- o1.«»=0

ai\\X\\ quot;l- * • • ~1~ az,n-.\\Xn-\\ = 0

(10)

®rt — 1,2 »2 quot;an-1,n-l\'\'\'n-l an-1,n —0

en zij onder de determinanten van den (»—l)den graad, die men uit de matrix

al1

«12

* * «JjB-l

quot;in

M=:

®21

«22

• • «2,71 _ 1

a2*

—1,1

«n_l,2 •

quot;n-Un

-ocr page 253-

1

239

kan vormen er minstens één, bijv.

au

• • «,,»-1

A =

«ai

a22 •

0n_l,l

quot;*-1,2 •

• • -1,1,-1

van nul verschillend. Men kan dan aan de onbekende xn, waarvan de coëfficiënten niet voorkomen in A. eene willekeurige waarde geven. Lost men daarna ar,, a:2, . . . ar, , uit de vergelijkingen (10) op, waarbij de termen met in de tweede leden dei-vergelijkingen worden overgebracht, zoo vindt men volgens § 156:

—«1,^»

«12

••• «l.n-l

«1»

«12

••• ai,n-\\

A *1 =

— «a.*»

«22

••• «2,n_l

= —

«2.

^22

•••

«„_

,2 ••• «n— l,n_ 1

«»-,.„

®n —1,2

•• an-1,n-i

= — Aï*.

waarbij door Aquot; wordt aangegeven de determinant, dien men verkrijgt door in A de iia kolom te vervangen door de wquot;16 kolom van M. Op gelijke wijze wordt gevonden:

A*2 = — Aquot;z.

A«„_, = —Aquot;_,«.

Deze betrekkingen bepalen de verhoudingen tusschen de kenden. Zij kunnen ook geschreven worden:

onbe-

— Aquot; —A: quot; \' \' -AL, A

Men kan nog opmerken, dat de noemers dezer breuken de coëfficiënten van o,, . a, zijn in de ontwikkeling van den determinant

1

«11

ai2

fll,n-1

«1.

fla,

a22

ö2,H -1

a2n

1

^\'n —1,2 •

ön-l,n_l

an_hn

a\\

a2

a

IX

verkregen door aan M eene rij, bestaande uit willekeurig gekozen elementen a,, a2,... an toe te voegen. Stelt men deze coëfficiënten voor door si,, A1,. , . Angt; dan vindt men bijv. voor Ai:

-ocr page 254-

240

ai2

• ^lgt;n — 1

«1»

«in

«12 •

•• «l,n —1

(-1)quot;-\'

@22

•• a2,n-l

a2n

= -

a2n

«22

•• «2,n — 1

— 1,2 *

an~1tn

«»1-1,2 •

* «» —l,n —

De boven gevonden betrekkingen kunnen derhalve ook aldus geschreven worden;

aj- = —= _ ^ ^

-\'^1 ^2 -dn _ j

of in woorden: De onbekenden zijn evenredig aan de coëfficiënten van de élementen der laatste rij in de ontwikkeling van den determinant, verkregen door aan M eene nie rij toe te voegen.

Zoo vindt men bijv. uit de vergelijkingen

a, a,- -f- y -|- c, 2 = 0

dat;

x y z

^1 C\\

ai cx

a, b,

^2 C2

CI2 @2

Cl 2 Ifo

waarbij ondersteld is, dat minstens één der noemers van nul verschilt.

§ 162. Beschouwen wij voorts m homogene vergelijkingen tusschen de n onbekenden, waarbij men:

a\\\\x\\ quot;l- • • • au\'n txm t quot;quot;tquot; • • • =0 j

...................(11)

ftjnm i * • ■ quot;fquot; ^hin — 0 J

en zij onder de determinanten van den ))tden graad, die men uit de matrix

«11 \'

• «1WJ

«1,»I 1

• «1/1

«wn •

• «WJWl

«m,»j 1 •

• «WUl

kan vormen, er minstens één, bijv.:

«11 •

• «1W

«Wl 1 •

• «WJ»l

-ocr page 255-

241

van nul verschillend. Geeft men aan de onbekenden xm , . . . xn, welker coëfficiënten in A niet voorkomen, willekeurige waarden, en lost men daarna xI . . . xm uit de vergelijkingen (11) op, zoo vindt men, als wederom door A* voorgesteld wordt de determinant verkregen door in A de iae kolom te vervangen door de kolom van M:

—A^, =Ar,^ . Ar2w • • • Agt;.

-A ^2 = A\'quot;\' ®,n l Aquot; 2a:m 2-j- • • • A2^«

— A«n. = Ar,a:m . Ari!a!m 2 • • • Agt;„

Men vindt dus voor elk der onbekenden, welker coëfficiënten in A

voorkomen, eene lineaire, homogene functie der overige onbekenden,

van welke laatste de waarden willekeurig kunnen worden aangenomen.

§ 163. Beschouwen wij eindelijk het meest algemeene geval van m vergelijkingen met n onbekenden:

X, = O,, • • • Ö|,A- 1 • • • a\\nxn = ® \\

Xk = «i, ar, . . . 4quot; ak,k i ■ • • [

-^A* i == 1,1 quot;T • • • quot;F quot;fquot; fl!A- i,fc 1 ~f~ • • ■ quot;l- 1,71 ~ 0 f

X,n = ^\'7/11 quot;lquot; • • * ^ink xk _l quot; ^wi,A* 1 1 quot;f- . • • ~fquot; ®inn •T/I — 0

De matrix van het stelsel is hier:

fl,,

a\\k

at,k t •

atn

ak, .

• • akk

ak,k 1 ■

akn

ak i,\\ •

• • ak i,k

ak, hk , ■

ak itn

ain 1

. . (Ijnk

a7n,k 1

. . Cfmn

Zij voorts

«n •

(Ik, .

• • akk

de hoofddeterminant van M, als welke gekozen kan worden elke determinant van M, die van nul verschilt, terwijl alle determinanten van hoogeren graad nul zijn. De graad van den hoofdde-LOBATTO. 16

-ocr page 256-

242

terminant zij k, waarbij h hoogstens gelijk is aan het kleinste dei-getallen m en n.

Als nu vooreerst li = n is, waarbij m noodzakelijk ^ u is, dan zullen blijkens het in § 160 behandelde, de vergelijkingen Z, = 0 ... Xn ~ 0, en dus ook bet geheele stel vergelijkingen (12) geene oplossing toelaten, die van nul verschilt. Het geval, dat Tc = in is, werd reeds in de vorige paragraaf besproken, zoodat ons nog alleen ter behandeling overblijft het geval dat h kleiner dan m en tevens kleiner dan n is.

In dit geval kan men gemakkelijk aantoonen, dat elk der vergelijkingen, waarvan de coëfficiënten in den boofddeterminant niet voorkomen een noodzakelijk gevolg is der overige vergelijkingen, d. w. z. dat elke oplossing dezer laatste vergelijkingen tevens aan elk der eerstgenoemden zal voldoen.

Beschouwt men namelijk de uitdrukking

c, x, c2 x . . . 4- c, x, 4-a . Xk .

waarin C\', . . . Cj. , de coëfficiënten zijn van de elementen der laatste kolom in do ontwikkeling van

an ... cl

«j., . . . akk et «i i.i • • • Ct. 1

dan vindt men voor de coëfBciënten van ^, . . . xj in deze uitdrukking determinanten met twee gelijke kolommen, welke dus nul zijn, en voor de coëfficiënten van . . . xn determinanten van den {k -)-1 jdetl graad van M, welke daar de hoofddeterminant van den graad is, eveneens nul zijn. Men heeft dus

O. X, c2x2 . . . Cu Xk C, 1 X, , = 0

Uit deze identieke betrekking blijkt, dat als X,, X2, . . . X^. nul zijn, ook C\'k lXk l, en daar Ck l = A lt; 0, ook XA. , nul zal zijn, m. a. w. dat elke oplossing, die aan de vergelijkingen J, = 0 ... Xk = 0 voldoet, tevens voldoen zal aan de vergelijking X^, = 0, en naar op gelijke wijze kan worden aangetoond, ook aan de vergelijkingen X4. 2 = 0 . . . Xm = 0.

Als dus voor een stelsel van m homogene vergelijkingen de hoofddeterminant van den graad k is, zoo zijn m — k dezer vergelijkingen een gevolg der k overigen.

-ocr page 257-

243

Voor de bepaling der onbekenden heeft men verder slechts rekening te houden met de vergelijkingen

^, = 0, X2=0, . . . Zt. = 0.

voor welke bepaling naar het in de voorgaande paragraaf besprokene kan worden verwezen. Voor de onbekenden x, . . .xk, welker coëfficiënten in den hoofddeterminant voorkomen, zal men homogene, lineaire functiën der overige onbekenden vinden, aan welke laatste willekeurige waarden kunnen worden toegekend.

§ 164. Vraagt men uit een stelsel van m homogene vergelijkingen met n onbekenden, deze laatste te elimineeren, dan moeten de betrekkingen worden afgeleid, waaraan de coëfficiënten moeten voldoen, opdat de vergelijkingen eene oplossing toelaten, die van nul verschilt. Daartoe is het, zooals wij zagen, noodig en tevens voldoende, dat k, de graad van den hoofddeterminant, kleiner zij dan h.

Is nu in de eerste plaats m oi, zoo is h hoogstens gelijk m, dus steeds kleiner dau n. De vergelijkingen zullen hier steeds eene oplossing toelaten, die van nul verschilt, en het is derhalve niet mogelijk de eliminatie uit te voeren.

Zij in de tweede plaats m = n. De vergelijkingen zullen eene oplossing toelaten, die van nul verschilt, als A gt; de determinant van het stelsel, nul is. Uit de eliminatie vloeit dus ééne betrekking voort, en wel:

A = 0

Als eindelijk in de derde plaats m gt; n is, zoo zullen de vergelijkingen alleen dan eene oplossing bezitten, die van nul verschilt, als alle determinanten van den tiim graad, die men kan vormen uit de matrix van het stelsel, nul zijn. Beschouwt men bijv. de vergelijkingen

a^x -\\-h2y cïz-=(i I c3^-j-i3!/-i-c3z=0 gt; (13)

a4xc^z^O l

« -j- y c5 2: = 0 J

Deze zullen alleen dan eene oplossing toe laten, die van nul verschilt, als alle determinanten van den derden graad, die men kan vormen uit de matrix

16*

-ocr page 258-

244

quot; 3

ff.

6,

c,

a2

K

^2

quot;3

h

^3

«4

K

C4

c5

nul zijn. Het aantal dezer determinanten bedraagt (?n) = (5) =10. Door elk dezer determinanten nul te stellen, verkrijgt men dus 10 betrekkingen. Men moet nu echter niet meenen, dat de eliminatie van x, y en z uit de vergelijkingen (13) tot 10 onafhankelijke betrekkingen voert. Het valt namelijk niet moeilijk aan te toonen, dat als aan 3, in het algemeen aan m —

dezer betrekkingen, mits goed gekozen, voldaan wordt, tevens voldaan zal worden aan elk der overigen.

Men mag aannemen, dat onder de determinanten van den 2den graad, die men uit Jfkan vormen, er minstens één niet identiek nul is, daar anders ook alle determinanten van den Bquot;1611 graad identiek nul zouden zijn. Laat

a. 6,

C= 1

a2 o,

deze determinant van den tweeden graad zijn. Lost men dan uit de eerste 2 vergelijkingen x, y en z op, zoo vindt men

A B

x = -Qz en y = iQz (14)

waarbij A, B en C de coëfiBciënten van do elementen der laatste rij zijn in de ontwikkeling van den determinant

o, bx c,

#2 ^2 ^2 a i c

Laat verder door (1, 2, 3) aangegeven worden de determinant, diu uit de l8te, 2de en 3dc rij van M bestaat. Wij willen nu aantoo-nen, dat als

(t, 2, 3) = (1, 2, 4) = (1, 2, 5) = 0 (15)

ook alle overige determinanten van den 3aen graad, die uit M gevormd kunnen worden, nul zullen zijn. Uit (1, 2, 3) = 0 volgt, dat de oplossing (14) niet alleen voldoet aan de eerste 2 der ge-

-ocr page 259-

245

geven vergelijkingen, maar tevens aan de 3alt;: vergelijking, en uit (1, 2, 4) = O en (1, 2, 5) = O volgt op gelijke wijze, dat deze oplossing ook voldoet aan de 4ae en 5116 vergelijking. De gegeven vergelijkingen bezitten dus eene gemeenschappelijke oplossing, waarvan in elk geval de waarde van z van nul verschillend kan worden aangenomen, waaruit volgens § 160 zich onmiddellijk laat afleiden dat alle determinanten van den 3de\'1 graad van M nul zullen zijn. Als resultaat der eliminatie kunnen dus de drie vergelijkingen (15) worden aangenomen. Het aantal dezer vergelijkingen bedraagt blijkbaar in het algemeen m n De in deze paragraaf verkregen resultaten laten zich aldus samenvatten:

De eliminatie van n onbekenden uit m homogene vergelijkingen leidt tot m — »-(- 1 resulteerende betrekkingen. Deze worden gevonden door gelijk nul te stellen de determinanten, die men verkrijgt door aan n — 1 der rijen van de matrix van het stelsel beurtelings elk der m — n 1 overige rijen toe te voegen. Deze n — 1 rijen moeten daarbij zoodanig gekozen worden, dal onder de determinanten van den (h— l)den graad, welke uit deze rijen kunnen worden gevormd, er minstens één van nul verschilt.

Een ander bewijs van de stelling, dat uit de betrekkingen (15) het verdwijnen volgt van alle overige determinanten van den 3den graad van M, vindt men in No. 4 der onderstaande Toepassingen.

TOEPASSINGEN.

1. Als de elementen van elke rij (of kolom) Tan den determinant A voldoen aan éénzelfde homogene, lineaire betrekking, zoo heeft men

A=0.

Als nl. aan de betrekking

A, «i, *2 «/2 . . . A, «X,. = 0

voldaan wordt door de elementen van elke rij, dus voor alle waarden van i.-van 1 tot «, dan heeft men:

Ai fln An «12 . . • Art flln = 0

Aj «21 ^2 ö22 . . • Art«3n = 0

Ai «m As «„a . . . -t-AnO„„ = 0

Daar nu deze vergelii\'kingen, in welke At . . . A„ als onbekenden beschouwd worden, eene oplossing toelaten, die van nul verschilt (voor A! = A2 = ... = A„ = 0 toch zou de gegeven betrekking eene identiteit worden), moet de

-ocr page 260-

246

determinant van het stelsel, dat is A, nul zijn. Een ander bewijs dezer stelling werd reeds in § 148 gegeven.

2. Als de determinant A nul is, zoo voldoen de elementen van elke rij (of kolom) aan éénzelfde homogene, lineaire betrekking, terwijl de minoren van de elementen eener rij (of kolom) evenredig zullen zijn aan de minoren van de overeenkomstige elementen eener andere rij (of kolom). Men vraagt het bewijs.

Het eerste gedeelte dezer stelling is het omgekeerde der voorgaande, en wordt bewezen door op te merken, dat aan de vergelijkingen

«ii a-i «u a-a . . . «,„ar» = 0

«21 quot;I- «22 ^2 «2« = 0

«nl Zl «n» ^\'2 . . . «an = 0

voldaan wordt door .rj — Au, #3 = ^12, . . . xn = Aln te nemen.

Het tweede gedeelte der stelling behoeft alleen bewezen te worden, als de minoren der elementen niet alle nul zijn. In dit geval zullen de waarden der onbekenden, voortvloeiende uit ééne oplossing van bovenstaande vergelijkingen, evenredig zijn aan de waarden, voortvloeiende uit eene andere oplossing. Nu wordt echter aan bovenstaande vergelijkingen ook voldaan door Xj = A?,, a-a — A~22, . . . a\'n — A.,n te nemen, waaruit volgt

_A]-2 ___ -^1 ji

Aaj A22 -^2«

3. Als een determinant A nul is en tevens de minor van een der elementen, dan zullen bovendien nul zijn de minoren van de overige elementen of van de rij, óf van de kolom, waartoe het bedoelde element behoort.

Zij A = 0 en A,, ~ 0. Men heeft:

«11 ^tll «12 ^12 • ■ • «in — A «21 ^lll «22 Al? . . . -i- (lSa Aln= 0

«nl -4II «»2 ^12 . . . ««n ^ln — 0 welke betrekkingen door A en Au nul te stellen overgaan in: «12^12 ■ • . alnAin — 0

«22^12 • . • O2«^llii = 0

«n2-4l3 ■ • • quot;n»^lin = 0

Zijn nu ^li» . . . ^i,, niet alle nul, zoo laten deze vergelijkingen eene oplossing toe die van nul verschilt, en moeten dus alle determinanten van den (« — l)dsn graad, die men kan vormen uit de matrix

«12 •

. (fin

«22 •

• «2«

fhl3 •

. «/m

dat zijn Am , A31 . . . Ani nul zijn. Uit A =^11 = 0 volgt dus dat of AuAi3 = . . . = AIn = 0, óf A^i = A31 = . . . = A,,! — 0, hetgeen te bewijzen was.

-ocr page 261-

247

Een ander bewijs leide de lezer af uit het tweede gedeelte der in Toep. 2 bewezen stelling.

4. Zij m het aantal der rijen, n dat der kolommén van de matrix M, waarbij

m gt; n ondersteld wordt. Uit deze matrix kunnen (m) determinanten van den «den graad gevormd worden, waaronder {m — « 1) voorkomen, die n — 1 bepaalde rijen van M bevatten.

Men toone aan, dat als deze laatste nul zijn, ook de overige determinanten nul zullen zijn, waarbij wordt aangenomen, dat onder de determinanten van den (« — l)^quot; graad, die men uit de («— IJ aangewezen rijen kan vormen, er minstens één van nul verschilt. Zij bijv. »( = 5, n — 3, zoodat voor Jf geschreven kan worden

«ia

«22

(3, 4, 5).

«11

«12

«13

«21

«22

«28

«31

«32

«33

«41

«42

«43

«51

«52

«53

en laat onder do determinanten van den 2\'lcn graad, die men uit de beide eerste rijen kan vormen er minstens één van nul verschillen. Er moet dan aangetoond worden, dat als

(1, 2, 3) = (1, 2, i) = (1, 2, 5) = 0

ook alle overige determinanten van den derden graad van M nul zijn. Hierbij is door (i, J, k) voorgesteld de determinant, die uit de »ae, en rij van M bestaat.

Om dit bewijs te geven bijv. voor den determinant (3, 4, 5), schrijve men;

«U «ia «12 «13

«21 «22 «21 «22 «23

0 0 «3i «32 «33

0 0 a4i «42 «43

0 0 «51 «52 «33

Men toone aan, door de S16 kolom van de lste en de 4\'le kolom van de 2le af te trekken en daarna te ontwikkelen volgens de minoren uit de eerste twee kolommen gevormd, dat deze laatste determinant nul is, waaruit zich het gestelde onmiddellijk laat afleiden.

5. Toon aan, dat als aan de vergelijking

a0 oc* Ui xquot;1-1 . . . - -«„_, a: «,, = 0

voldaan wordt door n 1 waarden van x: a, (2, . . . onder welke geen twee gelijke voorkomen, elk der coëfficiënten «lt;,, «i, . . . «« nul zal moeten zijn.

Substitueert men in de gegeven vergelijking voor x achtereenvolgens de waarden a, (3, . . . A, zoo verkrijgt men n 1 homogene vergelijkingen tus-schen de grootheden «lt;gt;, «i, • ■ . ««• Men toone aan dat, als a, (3, ... A ongelijk zijn, de determinant dezer vergelijkingen van nul zal verschillen (men vergelijke Toep. 8, blz. 195), waaruit onmiddellijk volgt dat aan deze vergelijkingen slechts voldaan wordt door «o==«i= • . . =«»=0.

6. Bepaal in de vergelijking

Ax* Bxt/ C!/!! Dx E!/ F=0

-ocr page 262-

248

de coëfficiënten A, B, ... F zoodanig, dat aan deze vergelijking voldaan wordt door x = x1, y — yXi door x x^^ y y^, door a; = ^, y=zyZy door x — xi, y = yi en door x — x^, y — y^ te nemen.

xy y- x

x\\y\\ 2/12

Antw.

x** ^3 2

^4 2 ^5 2

x-iy* yaquot; xzijz ?/32

x^Ja. 2/42

xamp;y$ 2/52

x% 2/2

^3 2/3

^4 2/4

#5 2/5

= 0

waarvan men het eerste lid ontwikkele naar de elementen der eerste rij.

TWINTIGSTE LES.

OVER DE ONTBINDING VAN RATIONALE GEBROKENS IN ANDERE MEER EENVOUDIGE GEBROKENS.

§ 165. Wanneer men eene rij van n gebrokens heeft van den vorm

-^1 -^2 -^/i x — x — a2\' x — an\'

welker tellers standvastige getallen zijn, en welker noemers de grootheid x slechts in de eerste macht bevatten, zal de som dezer

f C *^0

gebrokens blijkbaar een ander gebroken van den vorm

opleveren, tot noemer hebbende het polynommm van den nien graad (x—ö,) (x—a.2) ... (x—«„) en tot teller een polynomium van een lageren graad.

Omgekeerd kan men zich nu ook de vraag stellen, het gebroken

/O)

n*y

waarin F{x) ondersteld wordt van den nim graad te zijn en geen

gelijke factoren te hebben, in n gebrokens van den vorm —

x — a

te ontbinden. Zijn nu a,, a2... an de n, verschillend en bestaanbaar onderstelde, wortels der vergelijking Fix) = 0, dan heeft men nog alleen de tellers der n gebrokens te bepalen. Te dien einde stelle men:

-ocr page 263-

249

/O) A , A , I A F(x) x—a, xx

dan zal hieruit, door het herleiden dezer gebrokens tot denzelfden noemer F{x), de navolgende vergelijking ontstaan:

f{x)=A^x—a2)0—O..-O—O ^O—ad{x—a3)...(x—an)-\\-

... ^„(a-quot; —«,)(«—%)• •(« — «n-l) (1)-

De ontwikkeling van het tweede lid dezer vergelijking zal een polynomium van den vorm

-Po Pz3? 4quot; ••• quot;l- -Pti-i®quot;-1

opleveren, waarin de n coëfficiënten in functie der onbekende tellers Ax, J,,... An zullen uitgedrukt zijn. Dat polynomium geheel identiek moetende wezen met den teller ƒ(gt;), die van denzelfden of van lageren graad ondersteld is, zoo zullen de coëfficiënten -P0, .P,, enz. met die der gelijknamige machten van ƒ(«) moeten overeenstemmen, waaruit men alzoo een stelsel van n vergelijkingen verkrijgt, welke ter bepaling der onbekende tellers A,, A2,... An moeten strekken, en waardoor dus het vraagstuk der ontbinding van het bovenstaande gebroken volkomen opgelost is.

Bijaldien de hoogste macht van x in den noemer F(x) het getal k in plaats van de eenheid tot coëfficiënt heeft, zullen de noemers der afzonderlijke of partiëele gebrokens van den vorm ax — /S zijn, hetgeen echter in de handelwijze ter berekening van At, A.,... geene verandering te weeg brengt. ,

Laat, om de voorgaande beschouwing door een paar voorbeelden nader toe te lichten, in de eerste plaats gevraagd worden het gebroken

3xz-\\-32x—88

140; 24 \'

welks noemer samengesteld is uit de eerste-machtsfactoren

x—2, x—3, x-\\~4:,

in drie andere moer eenvoudige gebrokens te ontbinden. Stelt men nu

3ar! 32* —88 _ A, A., A, x3 — x2— 14x -|- 24 ;r_3quot;^^f4\'

dan ontstaat hieruit de vergelijking

-ocr page 264-

250

3x2 S2x—88=Jt{x* x—12) -f-2®—8) A^— Sa: 6) = .-/3)^2-|-(^/, -[- !IA1— S^Z-j)x—12,-/,—8^ 6^3,

gevende ter bepaling van ,4,, Aï en A3 het stelsel vergelijkingen:

^. ^ ^3 = 3, ^, 2/^—5^3=32, —12^,-8^ 6^3=—88,

waaruit men vindt:

= 2, Aï=h, ^3 =—4.

Derhalve zal men in de plaats van het gegeven gebroken kunnen stellen:

x—l x—3 a: 4quot;

§ 166. Er bestaat evenwel nog eene andere handelwijze ter berekening der tellers Ax, A^, A3,welke in de meeste gevallen eenvoudiger zal bevonden worden, vermits men hierdoor de oplossing van een stelsel eerste-machtsvergelijkingen kan vermijden. Zij komt hierop neer, dat men in de vergelijking (1) achtereenvolgens x = ai, x = a2, ...x = atl stelt, waardoormen terstond vindt:

A,~

(«i—«2) («1 — «3) • • • («i — O\' /Os)

A*

\' (a2— a,) (a2— «3) ... (a2— an) \' enz. enz.

In het voorgaande voorbeeld hadden wij:

ff-, = 2, Öf2==^ï ^3== 4,

f(x) — Sx* 32a;— 88,

dus /(quot;,) =12. /(a2) = 35, f(a3) = —168,

, —12 „ , 35 „ v —168 \' _6 ~ A2- — -5, A3- 42 _—4,

even als hiervoren op eene meer omslachtige wijze gevonden is. Nemen wij tot een ander voorbeeld de breuk

43a; 30 _ 43a; 30 _ A

10a;a—3a;—18 (2x— 3) (5® 6) 2a;— 3 1 5a; 6quot;

Volgens de eerste handelwijze heeft men ter berekening van A, en A2 de vergelijkingen

-ocr page 265-

251

5^ 2^ = 43 6^,-3^=30

waaruit

Ax = l ^3 = 4.

Volgens de tweede handelwijze stelle men in de vergelijking 43^ 30 = (5« 6) -f- (2x — 3)

3 —- G

achtereenvolgens x—— en x = ——. Hierdoor verkrijgt men ter-

u O

stond

^(T 6) = ^ 30\' dus^ = ^ = 7,

^(l^_3)=-^ 30) dus ^ = ^=4.

Derhalve

43x-f30 _ 7 4

lOx2—3a:—18 = 2x—3 öir e\'

Men merke hier op, dat men voor elk der coëfficiënten steeds ééne enkele eindige waarde vindt, die van nul verschilt, waaruit blijkt, dat de ontbinding steeds, en slechts op ééne wijze, mogelijk is. Dat de coëfficiënten steeds eindige waarden bezitten, volgt uit de ongelijkheid der wortels a,, a2 enz., waardoor geen der verschillen (a,—a2), (a, — 0(3) enz. nul is; en om te betoogen dat geen der coëfficiënten nul is, merke men op, dat als een dei-tellers van de voor de coëfficiënten A gevonden breuken, bijv. ƒ (a,), nul was, /(x) door (x—a,) deelbaar zoude zijn, en men teller en noemer der gegevene breuk door (x—a,) had kunnen deelen.

§ 167. In het bij zonder geval van F(x) = (x—af en /(x) een po^-nomium van eene macht lager dan p zijnde, zal de ontbinding kunnen geschieden door te stellen:

f(x) __1____1 ^3 I I

{xaY (x—;a)p (a-(x—a)p~2 xa

Men heeft alsdan:

f(x) = ^, ^(x-a) J3(x — af .. Jp(x—af-\' (2).

Het tweede lid dezer vergelijking ontwikkelende en naar de machten van x rangschikkende, zal hieruit een polynomium van de macht p—1 ontstaan, hetwelk met f(x) identiek moet zijn, en een stelsel van p eerste-machtsvergelijkingen zal opleveren,

-ocr page 266-

252

waardoor de onbekende tellers At, Az... Av kunnen bepaald worden.

Voorbeeld. Zij het gegeven gebroken

2^ ll^-f 19 (^-|-2)3

Men heeft alsdan de vergelijking

2*2 11* 19 ee^, 4, (gt; 2) -f 4, (gt; -f 2)3

= ^3 a:quot; -j- {A,, -)- 4.43) a- iA3)

dus A3 = 2 ^2-j-4^3=ll, ^,-{-2^ 4^3 = 19, ^2=11—8 = 3, ^, = 19 — 6 — 8 = 5, 2^ 11® 19 _ 5 3 2

n3

(x 2)3 -(® 2)3 1 (a- 2)2 1 0 2)

Ook in het hier behandelde geval kan echter de ontwikkeling der vergelijking (2) vermeden worden. Stelt men n.l. x=a, dan heeft men terstond At = ƒ(«). Brengt men daarna dezen term naar het eerste lid over, zoo zijn beide leden der vergelijking deelbaar door x — a. Na deze deeling kan A., gevonden worden door opnieuw x = a te substitueeren. Aldus voortgaande worden alle coëfficiënten gevonden. Men kan echter in het hier beschouwde geval de coëfficiënten A ook vinden door f(x) te schrijven naar de opklimmende machten van {x—a). Men heeft n.l., in het oog houdende, dat f(x) hoogstens van de {p— l)de macht is, volgens § 23:

/0) =ƒ(« «—o)=/(a) /\'(«) (x—a) {x—af ...

| jr-.

1.2... (p—1)( \'

waaruit men afleidt:

4=/(.w.=/w ^

1 \' 3 l .2 p 1.2 ...{p — 1) quot;

Ook hier vindt men weer voor elk der coëfficiënten eene enkele eindige waarde, zoodat de ontbinding slechts op ééne wijze kan geschieden. Daarbij is, daar f(x) niet door xa deelbaar ondersteld wordt, A, van nul verschillend, maar kunnen de volgende coëfficiënten Aï, A3, enz. nul zijn.

§ 168. Bijaldien in het algemeen

F(x) = (cix—li)m (atx—öty(a2x—... X P

-ocr page 267-

253

is, zijnde Peen poljnomium in x van de juic macht, en eeniglijk nit ongelijke bestaanbare of onbestaanbare factoren van den eersten graad samengesteld, zal de ontbinding aldus kunnen geschieden. Men stelle namelijk

/O) __ __

F(x) (ax—i)quot;* {ax—ó)m_1 ax — b

_J___J____L _l__I

{alx — biy {axx—alx—bl

j____|__^ | | 0* |

(a2.r—b^f (a2j,\' — 52)pquot;1 a2x — b^

i aix,J\' ,-\\-a~iXgt;J- 2-f--fquot; «ft i- p

en bepale door eene der vorige handelwijzen de onbekende tellers Ay, A2 Bt, 71,... jSn, C\\, C.,... Cj,, zoo mede de coëfficiën

ten a,, a,...tot den teller van het laatste gebroken behoorende. Heeft nu de vergelijking P= 0 eeniglijk bestaanbare wortels, dan laat zich het zooeven gemelde gebroken opnieuw in fi gebrokens A

van den vorm —-—— ontbinden. Zijn echter die wortels gedeeltelijk onbestaanbaar, zoo splitse men het polynomium P in de bestaanbare eerste- en tweede-machtsfactoren,

(a\\x—h\\){a\\x—b\'^ ... (alir2-)-/ï1a; ^) (a2a;2-|-/S2,r-}-r2) ...

welke laatste factoren de onbestaanbare wortels in zich bevatten. Men stelle vervolgens voor het bedoelde gebroken:

^1.-4». , .__p^ q.

a\\x—b\\ a\'.jc—b\'2 \' a^ ^x r, ^ ^ quot;quot;\'

en het zal blijken, door het vereischte aantal dezer verschillende factoren aan te nemen, dat er op die wijze altijd een genoegzaam aantal vergelijkingen voorhanden zal zijn, ter berekening der onbekenden.

Het kan gebeuren, dat F(x) tevens factoren van den vorm (ax2 -f- /Sj.\' -j- bevat. Alsdan zal men de partiëele gebrokens aanvullen met eene rij van ra gebrokens, tot noemers hebbende

(ax* fix r)\'quot;, (ax2 -j- /3.V -f r)quot;- ... (ax2 -f fix -f /),

en welker tellers van den eersten-machtsvorm /w-J-j zijn.

-ocr page 268-

254

TOEPASSINGEN. 1. Men vraagt het gebroken

5a:2 4- 49a: —122

6a:3 a:a iix 21

waarvan de noemer geschreven kan worden (2a- — 1) (a- 3) (3a: — 7), in eenvoudige gebrokens te splitsen.

KOI

Antw.

2a: — 1 a: 3 Sa: — 7

2. Doe hetzelfde voor het gebroken

3.r4 — 7a:3 2a-2 — 9a- 2 (a: —2)6

16 11 32 17

Antw. —

(x — 2)5 (a: — 2)4 (a:—2)3 (a- —2JS a: —2\'

Men vindt deze uitkomst het gemakkelijkst door op de in § 27 besproken wijze den teller der gegeven breuk te schrijven volgens de machten van (cc — 2):

3(a: — 2)4 17(a- — 2)3 32(a; — 2)2 ll(x — 2) —16 waaruit de bovenstaande uitkomst zich onmiddellijk laat afleiden.

3. Doe hetzelfde voor de breuk

2a:5 5 a:4 Ha:3 15a:2 10a: 3 (a:2 a: 2)3

3a: 7 .r — 3 2.c 1

Antw. —T-r--— -r^ -

(a:2 a: 2)3 (.c2 a: 2)2 a:2 a- 2

Men schrijve hier den teller der breuk f(x) volgens de machten van (x2 a- 2), hetgeen door achtereenvolgende deelingen door (a-2 -i- j: -i- 2.1 kan geschieden. Men vindt n.1.

ftr) = (a:2 a: 2) (2a:3 3a:2 4a: 5) — 3x — 7 2a-3 3a:2 4x 5 = (a:2 a- 2) (2a: 1) — a:-t- 3

dus

f(a-) = (a:2 a: 2)3 (2a: 1) — (x — 3) (a:2 a: 2) — (3x 7)

waaruit zich het antwoord onmiddellijk laat afleiden.

4. Hetzelfde voor de breuk

3a:4 6a:3 — 4a-(a: 4) (a:2 4)2\'

Men stelle hier de breuk gelijk aan

_A_ Pix g, /gt;ax go a: 4 (a:2 4)2 a:2 4

waardoor men vindt

3a;4 6a:3 — 4a: = yi (a-2 4)2 (ptX ql)(x i) (p^.v r/,,) (x 4) (a-a 4). Stelt men nu de coëfliciënten der gelijknamige machten van x in de beide

-ocr page 269-

255

leden dezer identieke betrekking aan elkaar gelijk, zoo vindt men 5 vergelijkingen, uit welke de 5 onbekende getallen A, pi, (ft, p* en kunnen worden opgelost.

Men kan ook A bepalen door in bovenstaande betrekking x— — 4 te nemen, waardoor men vindt 400 = 400 A of A — 1. Brengt men nu A (1c2 4)s naar het eerste lid over, dan vindt men na deeling door x i:

2x3 — 2x- — 4 = Qj1,r (?!) f pi,v qitiir2 4)

Stelt men hierin «=2^ — 1:

— 16k-—1 4 = 2/^—H-y,

waaruit Jh ^—8, \'/, = 4. Door ipix q,) naar het eerste lid over te brengen en door {x- 4) te deelen, vindt men eindelijk = 2 en q? = — 2.

1 8a- —4 2x — 2 AntW\' a- 4 (a:- i)- x\' i\'

§ 169. Bij het vevdeelea van eenig gebroken in twee of meer andere, welker noemers respectievelijk tot de pie, qie, rde... macht opklimmen, zal men er steeds op te letten hebben, om voor de overeenkomstige tellers polynotnia te stellen, welke van ééne macht lager zijn, en dus uit zoo veel termen bestaan als de macht des noemers bedraagt. Door een kleiner aantal termen in den teller van elk gebroken aan te nemen, zou men meer vergelijkingen bekomen, dan tot het berekenen der onbekende coëfficiënten gevorderd wordt, waaruit eene tegenstrijdigheid in de uitkomsten ontstaan kon. Het volgende voorbeeld zal deze opmerking nader toelichten. Laat gevraagd worden het gebroken

15 _ 40;r — 21a;2— 9a\'3-f 22a:4 (6 -f 2ir -f- x2 — 3a:3) (1 -f a: — a:2)

in twee andere te verdeelen, respectievelijk tot noemers hebbende de beide hier aangewezen factoren van den 2ien en 3den graad. Men zal alzoo voor het gegeven gebroken moeten stellen:

a-\\-bx a 4quot;

i \' ,

1-j-a\' — x1 6-{-2a:-|-a:2—3a:3

Deze beide gebrokens tot denzelfden noemer herleidende, bekomt men voor den teller een polynomium van den 4den graad:

k -|- i\', x -f- x2 x3 -}- a-\'4

waarin de coëfficiënten k, k, ... in a, b, a, /3 en /- uitgedrukt zijn. Deze coëfficiënten nu aan die van den gegeven teller gelijk stellende, zoo ontstaat hieruit het vereischte aantal vergelijkingen om

-ocr page 270-

256

de vijf onbekenden a, b, a, /J, /- te kunnen bepalen. Men zal op die wijze daarvoor vinden:

lt;1 = 2, b = — l, a = 3, /S = —5, r = — \\,

zoodat het gegeven gebroken kan vervangen worden door

2 — lx 3 — 5« — a:2

1-|—ar —x2 6 2^ a;2 — 3ar3quot;

Had men echter daarvoor gesteld

a -j-6x a -J- /Sar

1 •! a- —.c2 6 2a; -j- x2 3a:3\'

dan zou men hieruit wederom vijf vergelijkingen afleiden, doch daar zij slechts vier onbekenden bevatten, zouden deze over het algemeen niet aan al deze vergelijkingen kunnen voldoen, waardoor alsdan de aangenomen wijze van verdeeling onmogelijk wordt.

ar2 3 ar

Wilde men bijv. het gebroken —^—— verdeelen in

^ , A

ar2-)-ar-(-l x — 1\'

dan zou dit aanleiding geven tot de vergelijking

ar2 -j- 3ar = ^ar2 -(- {A, -f- ar -j- — A, dus ^, = 1, — Ai — A=0,

welke uitkomsten blijkbaar onderling in strijd zijn.

De hiervoren gemaakte opmerking geldt echter niet van de par-tiëele gebrokens, welker noemers naar de machten van eenig po-lynomium a-f-5arcar2-f- ... -j-tar\'\' gerangschikt zijn, vermits het alsdan voldoende is tot overeenkomstige tellers aan te nemen po-lynomia van ééne macht lager dan r, gelijk zulks onder anderen door de Toepassingen 2, 3 en 4, blz. 254 bevestigd wordt. § 170. Wij hebben tot dusverre ondersteld, dat de teller van

ffx)

het te ontbinden gebroken steeds van eene lasere macht dan

jP (ar)

de noemer is. Had het tegendeel plaats, dan zou men, als p en y de hoogste exponenten in den teller en noemer zijn, door werkelijke deeling tot quotiënt bekomen eene geheele rationale functie van ar van de macht p — q, met een gebroken, tot teller hebbende een polynomium, hoogstens tot de macht q — 1 opklimmende, en waarop derhalve de hiervoren verklaarde wijze van ontbinding kan toegepast worden. Aldus zal men voor het gebroken

-ocr page 271-

257

-1 Oa? -j- 26a;2 — 9a;3 — 2^r4 (5 -)- y) (l -)- a; — x2)

3 —26a; 18a:2

(5 -f- (i -\\-x

en de ontbinding eeniglijk op dit laatste meer eenvoudige gebroken van toepassing maken.

§ 171. De verdeeling van gebrokens op de thans verklaarde wijze is altijd mogelijk, en kan slechts op ééne wijze geschieden, zoo lang men de tellers der partiëele gebrokens, gelijk gewoonlijk plaats vindt, van lageren graad dan de noemers neemt.

In het tegenovergestelde geval wordt de onderhavige ontbinding een onbepaald vraagstuk, uithoofde men meer onbekenden aanneemt, dan er vergelijkingen voorhanden zijn om die te bepalen, zoodat men alsdan verplicht is, over eene of meer dezer onbekenden naar welgevallen te beschikken.

Stel bijv. dat men het gebroken

6 7a:

(2-,t) (3 -)- x)

wilde verdeelen in twee andere van den vorm

a-\\-bx at~\\-5,x 2—x \' 3-t-.r \'

dan zou men verkrijgen de vergelijking:

6 -|- 7a: = (a -f- amp;«) (3 a:) -f- (a, (2 — x)

~ 3cf 2ctt —j- (36 (i -|— 25, — a^x ö^x2.

Hieruit heeft men, ter bepaling der vier onbekenden, slechts de drie vergelijkingen:

3fl 2ct1 ~ 6, 35 —|— ti 2hï — öj = 7, b —

de tweede verandert in;

55 ci — cï, = 7 j

a, tusschen deze en de eerste vergelijking elimineerende, komt er:

2b-j-a = 4.

LOBATTO. 17

schrijven;

-ocr page 272-

258

Stelt men nu a = O, dan heeft men 4 = 2, a, = 3, i, = 2,

a = 2, „ „ ,, 5 = 1, flj = O, 5, = 1 j

enz. enz.

Derhalve:

6-]-7a: _ 2x Z-\\-2x_2-f-^ . x

(2—a:)(3-|-J) 2—x 3-|-a: 2—x 3-)-®\'

en men zal op die wijze een oneindig aantal verschillende uitkomsten kunnen verkrijgen.

§ 172. Het zal niet ondienstig zijn, ten besluite dezer les, nog op eene bijzonderheid opmerkzaam te maken, welke er plaats heeft-, indien het te ontbinden gebroken zoodanig samengesteld is, dat de teller f{x) juist de afgeleide functie F,{x) van den noemer F{x) of van het polynomium

x~ A,x*\'1 JiX*-2-\\- A^x\' . .. An_ix An

voorstelt. In dat geval zullen namelijk de tellers der partiëele gebrokens alle gelijk aan de eenheid zijn, zoodat men zal hebben:

F\\x)_ 1,1, ,1

F^x) x—a, x—a, \' x — an\'

Zie hier, hoe men zich van de waarheid dezer belangrijke eigenschap kan verzekeren.

Stelt men

n«0 _ ^\'—4-(w—ik^-\' ... ^ p, .___

F{x) ajquot;. x—a, a: — aa

waar a,, «2 enz. de wortels voorstellen der vergelijking F(x) = 0, dan verkrijgt men, als men beide leden der vergelijking vermenigvuldigt met F{x):

nx\'-gt; _l_ {n—l)Atxquot;-* ...==Pt P2 (3).

OC - cc #2

Nu is, daar a, een wortel is van F{x) = 0,

a: Aa: 1 ^2öi\'\'3• • •-i-=o,

en, met inachtneming dezer betrekking,

Fjx) _xn — oln ar-1—q,\'-1 x—a,

(ar — a,) a: —a, \' 1 a; —a. ^ quot;quot;\'ar —a.\'

-ocr page 273-

259

zoodat, na uit te voeren deelingen, het tweede lid van deze laatste vergelijking voor a; = at overgaat in:

na\' ~1 -j- (w — l)-^iaiquot; 2~i-• • •-fquot; ^«-i •

Stelt men nu in de vergelijking (3) voor x de waarde a,, zoo worden de tweede en volgende gebrokens van het tweede lid nul, daar de tellers nul worden, en de noemers bepaalde waarden verkrijgen, en gaat de vergelijking, met inachtneming van de

waarde voor gevonden, over in:

x — a,

na,quot;\' in—l)Alt;-2 • • • = ^ I |,

gevende

F, = l.

Op dezelfde wijze vindt men F2—l, P3=l enz., waarmede het gestelde bewezen is.

Zoo men in de nu bewezen formule

r(x)_ 11 1

F(x) x — a, x — a2 x — a„

het tweede lid dezer vergelijking tot denzelfden noemer herleidt, en vervolgens a: = a,, x = a2, x = a3.,.x = an stelt, leeren wij hieruit nog de volgende eigenschap der functie F\\x) kennen, namelijk

Jn(a1) = (a1—«^(a, — a3) . . . (a, — a,), F*2) == {^2 \'*2) • \' • (,a2 an) 1

F(a3) = (a3 a,) (a3 — o2) . . . {a3 — ff.) ,

= —0i)K — quot;2) • • • («»—a»-i)-

Deze waarden van Jquot;(Oi). ^\'(02) ■ ■ ■ stellen ons nu in staat, de tellers J,, ^ ... in het meer algemeene geval van

/0*0 — I I . I

F(x) x — a, x — a3 \'\' x — a„

door eenvoudige formules uit te drukken.

Ingevolge de reeds in § 166 gevonden waarden dezer tellers hebben wij namelijk;

, „/(«.) .,_ƒ«gt; . /K)

F\\ax) l~ Fl{o^)..... F\\a,r

17 *

-ocr page 274-

260

welke formules, ingeval de noemer uit een groot aantal factoren bestaat, voor de berekening gemakkelijker zullen worden bevonden. De coëfficiënten Al, A^, . . . zijn derhalve de waarden, die f (*^0

de breuk —^— aanneemt voor x = a., a.,, enz.

F (x)

Met behulp der in de XVde Les verklaarde splitsing van den vorm xquot; i 1 in factoren van den eersten en tweeden graad, zal men thans geene zwarigheid vinden in de verdeeling der gebro-

/\'C •\'■O

kens van den vorm ——- in andere, welker noemers slechts van x ± 1

den eersten en tweeden graad zijn.

De splitsing van rationale gebrokens vindt in verschillende deelen der hoogere wiskunde, vooral in de integraal-rekening, eene gewichtige toepassing.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt de breuk

1

Gr—l)(a.\' — 2)fe—3). . .(a- — «) in eenvoudige gebrokens te splitsen.

(—l)»quot;1 1__, (—1)quot;-- 1 , (—1)quot;-

Antw.

1

1.2... («— 1) x — 1 1.1.2. . . (« —2) x — 2 1.2.1.2... (n — 3) x_£

_---i- ... _1 .-i-

1.2.3.1.2... («—4) x i 1.2... (h —1) x — n

-ocr page 275-

261

waaruit door gelijkstelling der coëfficiënten van xquot;\'1 in de beide leden dezer identieke vergelijking, de bovenstaande betrekking gevonden wordt.

4. Toon in dezelfde onderstelling aan

1 1 . . . 1 =

(Hi-FMai) quot;2 -FMf\'a) dn-F\'M «1 «2 ■ • ■

Deze betrekking wordt op overeenkomstige wijze gevonden door gelijkstelling der bekende termen in de beide leden der vergelijking (4).

5. Toon in gelijke onderstelling aan, dat

(iik «aA\' quot;J\'

ƒquot;(«.) -fn2) ■quot; F\'M

nul is voor klt;n—1, gelijk de eenheid voor fc = » — 1, terwijl voor waarden van amp; gt;n — 1 deze uitdrukking gelijk is nan den coëfficiënt van xquot;quot;1 in den teller der breuk, die men overhoudt bij de deeling van ^ door ƒquot;(»). Hierbij is k een positief, geheel getal ondersteld.

xk

Voor het bewijs hiervan splitse men de breuk — - in eenvoudige gebrokens.

EEN EN TWINTIGSTE LES.

OVER DE REKENKUNDIGE REEKSEN VAN HOOGERE ORDE.

§ 173. Wanneer men zich eene willekeurige getallenrij

A, B, C, B, E, F, G......(1)

voorstelt, en uit die rij eene tweede afleidt, waarin de achtereenvolgende termen de verschillen zijn tusschen twee opvolgende termen der oorspronkelijke rij, dan wordt die nieuwe rij de reeks der eerste verschillen of eerste verschilreeks genoemd. Uit deze laatste op gelijke wijze eene derde rij afleidende, zoo ontstaat hieruit de reeks der tweede verschillen, welke door achtereenvolgende aftrekkingen op gelijke wijze de reeksen der derde, vierde verschillen, enz. zal opleveren.

Alzoo geeft bijv. de getallenrij

3, 6, 7, 10, 15, 26, enz.

-ocr page 276-

262

voor de reeks der eerste verschillen;

3, 1, 3, 5, 11, enz.;

voor die der tweede verschillen:

—2, 2, 2, 6, enz.;

voor die der derde verschillen:

4, 0, 4, enz.

§ 174. Indien de gegeven rij eene gewone rekenkundige reeks is, zullen de termen, welke de reeks der eerste verschillen vormen, alle aan elkander gelijk zijn. Men kan echter voor de gegeven rij zoodanige getallen nemen, dat de reeks der eerste verschillen eene gewone rekenkundige reeks wordt, waardoor de tweede verschillen gelijke waarden zullen verkrjjgen. In dit geval wordt de oorspronkelijke rij eene rekenkundige reeks van de tweede orde genoemd. Van dien aard is bijv. de getallenrij

4, 7, 12, 19, 28, 39, 52, 67, 84, enz. 1ste verschillen 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, enz. 2de „ 2, 2, 2, 2, 2, 2, 2, enz.

Is de rij (1) van dien aard, dat de derde verschillen aan elkander gelijk zijn, dan heet zij eene rekenkundige reeks van de derde orde, en in het algemeen zal zij van de nie orde wezen, indien de reeks der «de verschillen gelijke getallen oplevert. Het zijn deze reeksen, welke de benaming van rekenkundige reeksen van hoo-gere orde verkregen hebben. Zie hier nog een paar voorbeelden daarvan:

1,

8,

27,

64,

125,

216,

enz.

1ste

verschillen

7,

19,

37,

61,

91,

enz.

2de

12,

18,

24,

30,

enz.

3de

6,

6,

6,

enz.

1.

5,

15,

35,

70,

126,

enz.

1ste

verschillen

4,

10,

20,

35,

56,

enz.

2de

»

6,

10,

15,

21,

enz.

3de

if

4,

5,

6,

enz.

4de

if

1.

1,

enz.

Van deze beide reeksen is de eerste van de derde en de tweede

-ocr page 277-

263

van de vierde orde. Men ziet daarenboven, dat de eerste uit de cuben van de natuurlijke getallen samengesteld is. Het zal straks blijken, dat in het algemeen de m4e machten van getallen, die met gelijke verschillen opklimmen, eene rekenkundige reeks van de mie orde opleveren.

§ 175. De voorgaande voorbeelden toonen van zelve aan, hoe deze soort van reeksen door achtereenvolgende optellingen kunnen voortgezet worden. Om bijv. den 7lt;len term van bovenstaande reeks van de derde orde te bepalen, schrijve men in de derde verschilreeks als 4\'ien term het getal 6, daarna in de tweede ver-schilreeks als 54en term 80 6 = 36, daarna in de eerste verschilreeks als 61,611 term het getal 91 4- 36 = 127 en eindelijk als 7den term van de oorspronkelijke reeks 216 127 = 343,

Men kan echter een willekeurigen term eener rekenkundige reeks van hoogere orde ook onmiddellijk uit de eerste termen der achtereenvolgende verschilreeksen afleiden, zonder dat het noodig is alle voorafgaande termen te kennen.

Stellen wij de termen der oorspronkelijke reeks voor door

til ^2 i ^3 » ^4» • • •

die der eerste verschilreeks door

A » A ^2 » ^3 ï ^4 J • quot; •

waarbij = t,, A 4 = ^ — \'21 enz-

Geven wij verder de termen der tweede verschilreeks aan door

A2\'ij A2\'2gt; A24J A ^4! • • 1

waarbij A2lt;1 = Alt;2—A\',. A2lt;2=A4—A\'», enz., en in het algemeen door

A^., Akt2, A^3, A^4, ■ • •

de termen van de reeks der /jde verschillen of fcao verschilreeks. (*)

De oorspronkelijke reeks en de achtereenvolgende verschilreeksen kunnen nu aldus geschreven worden:

1

Daar de aanwijzer k hier geen exponent voorstelt, zoo behoort A 1 ^1 niet verward te worden met (A )^; waardoor de macht van AU wordt aangeduid.

-ocr page 278-

264

^ *3 ti ti t6 , . .

At, A 4 A ti Alt;4 .

AX A\\ A% A% . . .

A% AX A\\ . . .

AX AX ■ ■ ■

Hierin is elke term gelijk aan den term, die er boven geplaatst is, verminderd met den term, die aan de linkerzijde van laatstgenoemden staat, dus

A1\'^ =Al~\' lt;( , — A*quot;1 h

§ 1/6. Wij willen nu aantoonen, dat de xie term van de oor-spionkelijke reeks, dat is tx, op de volgende wijze uitgedrukt kan worden in de eerste termen van de oorspronkelijke reeks en van de achtereenvolgende verschilreeksen:

-fquot; A \'i a2lt;i ...

. -1

^ A-\'*! (2)

waarin de coëfficiënten van t,, A t,. enz. de binomiaal-coëfficiën-ten zijn, die men vindt bij de ontwikkeling van (n -f 6)x-\\ Men kan dus ook schrijven:

= A\'i Cgt;_i A2^. • •. Cï_i A^i •..

C;_1 A\'-^. A\'quot;^.

Men kan zich onmiddellijk overtuigen, dat de betrekking (2) geldt voor kleine waarden van x. Voor x = 2 vindt men:

ti —Ati

Voor x = 3 heeft men:

-j- A \'a \'2= \'i -f- A \'i

A4 = A^i A2t,

waaruit

\'3= \'1 -f- 2 A lt;1 -j- A1\'!

dat is de formule (2) voor « = 3.

Wij zullen nu betoogen, dat als de formule (2) geldt voor den

-ocr page 279-

265

mAm term der reeks, dus voor x — m, zij ook geldt voor den (»i-f-l)dei1 term, dus voor x —

Volgens onderstelling is

- A lt;. A2lt;t - Ci_, ... Aquot;quot; V,

Daar de eerste verscbilreeks eene reeks is, die A\', tot eersten term, en A2\',» A3^,. enz. tot eerste termen der opeenvolgende verschilreeksen heeft, zoo is de »ide term van deze reeks:

A*m=A*. C\'.. A2«, ... ; A quot;K ... , Aquot;*- V. A^,

waaruit door optelling:

A = lt;, (1 c:_,) A^. Aalt;. •..

(c*:; ,) A1lt;, ... (c:., 1) A\'- \\ A-t,

of daar Alt;m=C 1 en (zie § 124) C,^; ,= Q

c: A^ A2lt;. ... CiA^, ... A-\'i, A-i.

Hiermede is dus aangetoond, dat als de formule (2) geldt voor den m\'len term, zij ook geldt voor den {ra -f- l)aen. Nu vonden wij reeds, dat de formule geldt voor de drie eerste termen, dus geldt zij ook voor den 4den, dus ook voor den 5den term, enz. Zij blijkt dus algemeen geldig te zijn.

§ 177. In het voorgaande betoog is het niet noodig te onderstellen, dat de beschouwde reeks eene rekenkundige reeks is. De formule (2) geldt dus niet alleen voor eene rekenkundige reeks van hoogere orde, maar evenzeer voor elke andere getallenrij.

De voor tx gevonden uitdrukking bestaat in dit geval uit x termen. Is echter de reeks eene rekenkundige reeks van de niK orde en n ca-—1, dan zullen, daar Aquot; \'*i, Aquot; 2lt;i. enz. nul zijn, de laatste x — n — 1 termen in de voor tx gevonden uitdrukking wegvallen, en deze dus eindigen met den term

(,r — 1) (a: — 2) ... (ar — «) A n/

-17277»--A l-

Zoo vindt men voor de reeks van de eerste orde, dus voor « = 1:

X —— 1

= r— Ail

Voor re = 2 :

, x — 1 (x—1) (x—2)

t* = i, —A ti —-f72- A\'\'-

-ocr page 280-

266

Voor » = 3:

f 1 a;-1 w ,(^-1)^-2) A , (x-l)^)^) a3j

tx ti H | Alt;i -^^2-A lt;• ---A \'i-

Hieruit blijkt tevens, dat de voor t, gevonden uitdrukking eene geheele functie van den radeo graad in x is, en zij dus in het algemeen voorgesteld kan worden door:

\'J; = cto a\\x •••

TOEPASSINGEN.

1. Bereken voor de reeks van de orde, waarvan de eerste vijf termen zijn

1 5 15 35 70

de eerste termen der verschilreeksen en daaruit de algemeene uitdrukking voor den o^en term.

Antw. Men vindt lt;1 = 1, A ^ = 4, A2lt;, =6, A8lt;i = 4, A^i = l, en daaruit

f | ^-l)(^-2)c ix-l)(x-2f.{x-3)

1 1.2 1.2.3

{x — 1) fa? — 2) (cr — 3) (.n — 4)

1.2.3.4 1\'

of tj:=lx ±lx, lx, ±x^

Zoo wordt bijv. (2o = 8855.

2. Bewijs:

. . x(.x — 1) x{x~l)(x — 2)

A \'i — «x i — H-- J tx-t ...±t, (3)

en

x — 1 (a: — 1) (ic — 2)

h — tx — —J— A-i ---- Aslt;1!_,-...±AiC-1^ (4)

ilen toone daartoe voor elk dezer formules aan, dat als zij geldt voor x =: m, zij ook moet gelden voor x = m 1. Deze betrekkingen gelden voor elke ri; van getallen.

3. Men toone aan, dat bij de reeks van de nie orde n 2 opeenvolgende termen lt;«, ! voldoen aan de betrekking

n 1 {n Dn

^ « 1 ——Yquot;~^ n ^ I 2 —...±tK = 0 (5)

Stelt men n.1. in vergelijking (3) a? = n -M, dan vindt men daar A* 1lt;i = 0 is: n -h 1 («- - 1)m

lt;« a — ^ j 2 tn — .. • ± lt;i — 0

-ocr page 281-

267

waardoox* de betrekking (5) voor k — 1, d. w. z. voor de eerste « 2 termen is gevonden. Daar echter elke term als eerste kan beschouwd worden, geldt zij voor elk (« 2)tal opeenvolgende termen, dus voor elke waarde van k.

4. Bereken met behulp der betrekking (5) voor de reeks der vierde orde

1 5 15 35 70 enz.

enkele der volgende termen.

De vergelijking (5) wordt hier;

tk i — 5tkn 10«- 3 — 10lt;t- a 5 ^A- 1 — = 0

waaruit voor fc = 1

fg — Sta —10 /4 -f-10 — 5 ^2 \'l

waardoor na substitutie van de waarden van it, h, enz. gevonden wordt

h = 126

Voor fc = 2 heeft men

= 5?6 —10lt;5 10^ — 5lt;3 = 210

en zoo vervolgens.

§ 178. In het voorgaande werd de rekenkundige reeks der «de orde bepaald als eene reeks, waarvoor de nde verschilreeks uit gelijke getallen bestaat, en aangetoond dat de xie term uitgedrukt wordt door eene geheele, rationale functie van den Ji4en graad in x.

Men kan echter bij de behandeling der rekenkundige reeksen van hoogere orde ook uitgaan van de geheele, rationale functie van den nien graad

F(x) = «o ai ^ - a*x\'

en de rekenkundige reeks der tfi\' orde bepalen als de getallenrij, die men verkrijgt door in deze uitdrukking voor x achtereenvolgens te stellen de opeenvolgende geheele getallen 1, 2, 3, enz. Om aan te toonen, dat deze definitie met de eerstgegevene overeenstemt, moet bewezen worden, dat voor de reeks, die men verkrijgt door in bovenstaande functie x = \\, 2, 3, enz. te nemen, de 7ide verschilreeks uit gelijke termen bestaat. Stelt men daartoe wederom den a;den term der eerste verschilreeks door A voor, dan heeft men

A := \'x 1

of daar

^ . = ao4-a|(® l) «a(;i; l)2 ••• «.(« 1)quot; tx ==a0~t_a, x «2 ^ ... 4-a.

vindt men

-ocr page 282-

268

A i!x= «, aa (2a: 1) -f ö3 (3a;1 3a: 1) -f... 4-an(»a:\'\'~\' quot;^~1)a:\'quot;a ... l)

Men vindt dus voor A tx eene functie van den {n—l)aen graad in x. Daar verder A\\ op dezelfde wijze uit A^ wordt afgeleid als Atx uit tx, zoo vindt men voor £\\tx eene functie van den (ra — 2)(len graad in x. Voorts voor A3^ eene functie van den («— 3)lt;len en eindelijk voor Aquot;^ eene functie van den 0den graad, d. w. z. een constant getal, dat blijkbaar gelijk is aan an.n (ra—1) ...2.1. De rade verschilreeks bestaat dus uit gelijke termen, hetgeen te bewijzen was.

§ 179. De overeenstemming tusschen de beide definities, die van rekenkundige reeksen van hoogere orde gegeven zijn, kan ook op de volgende wijze worden aangetoond.

Deelt men F{x) door x — 1, zoo vindt men als quotiënt een po-lynomium van den (ra— l)den graad Ql en als rest een getal i?,:

T{x) = Rt q,{x—V)

Deelt men voorts Q, door x — 2, zoo vindt men

§.=.»2 §j(a: —2)

waarbij R2 weer een getal en Q2 een polynomium van den (n—2)den graad is. Aldus voortgaande, vindt men:

Qi — ^3 quot;F Qsix — 3)

Qn-, = K-{-an (x—n)

waaruit

F(x) = E, R^x—1) E3(x — 1) {x— 2) ■... Rn{x—\\){x — Z)...(x—n-\\-\\) an{x—l)(a:—2)...(a;—n).

A2t

Deze uitdrukking stemt, als men R, = t,, R2 = At,, R3 = =—1,...

1.2

A-V, A%

R* = , n ,-t-, en a„ = ——- stelt, geheel overeen met den

l.lt;i...(ra—1) 1. 2 ... ra

vorm, die in § 177 voor tx werd gevonden. Hieruit blijkt, dat de reeks, die men vindt door in F{x) achtereenvolgens a: = l, 2, 3, enz. te stellen overeenkomt met de rekenkundige reeks der nAe orde, waarvan «, de eerste tei-m en A\',, A^i, — Ant; de eerste termen der verschilreeksen zijn.

-ocr page 283-

269

§ 180. Uit her, voorgaande ziet men tevens hoe, wanneer F(x) gegeven is, Ai, ■■■ AX bepaald kunnen worden. De achtereenvolgende deelingen door (x—1), (x — 2),... (x — «), die men daarbij te verrichten heeft, kunnen geschieden volgens de verkorte rekenwijze, die in § 26 besproken werd. Het volgende voorbeeld strekke tot toelichting.

Van de rekenkundige reeks bepaald door

i^a:) = a;3 — 7 a:2-f 2 8a; — 18

vraagt men te berekenen den eersten term en tevens de eerste termen der verschilreeksen. Men schrijve daartoe

1 — 7 -(-28 —18 1 _ 6 22 ^6 22 14^ = ^.

2—8

| 1-4 = -B2

1^1 =

Eerst werd op de bekende wijze F(x) door (j: — 1) gedeeld, waardoor als rest li, — 4 en als quotiënt Q, = x2 — 6a; 22 gevonden werd; daarna werd Q, gedeeld door (,r — 2), waardoor men de rest E2= 14 en het quotiënt Q2 = x—4 vond; en eindelijk werd Q2 door (s — 3) gedeeld, hetgeen eene rest R3 = — 1 en een quotiënt a, = l gaf. Men beeft nu:

^(a\') = 4 14 (a;—I) —(a; — 1) (a;—2) (a; —■ 1) (a\'— 2) (a;—3) waaruit lt;, = 4, A\'i = 14, A% = — 2 en A3\', = 6.

Is omgekeerd j?\'(a;) gegeven in den laatstopgeschreven vorm, en wenscht men F(x) te schrijven naar de afdalende machten van x, zoo heeft men slechts bovenstaande becjjfering in omgekeerde volgorde uit te voeren. Deze kan dan, dezelfde reeks als hierboven genomen, op de volgende wijze geschreven worden;

1 —1=^3

3

— 4 14 = if3 2 — 8

— 6 22 4 = 7?, 1 _6 22 ZT? 28 ^Ï8

-ocr page 284-

270

waardoor ten slotte x3—lx2 -|- 2Sar—18 wordt teruggevonden. Bij deze berekening, waarvan wij de nadere verklaring aan den lezer overlaten, wordt telkens een getal van het er boven geplaatste afgetrokken.

TOEPASSING.

Men vraagt voor de rekenkundige reeks van de orde, waarvan de o-le term door x* wordt voorgesteld, den eersten term en tevens de eerste termen der verschilreeksen te bepalen.

Antw. Men vindt li1 = l, i?2 = 15, Rs = 25, Rt = 10, a, = 1,

waaruit h = 1, Alt;i = 15, A8^ = 50, Ab#i=:60, A4lt;i = 24.

§ 181. Stelt men in het polynomium

-FOr) = a0-fa,*-!-

x=az-\\-^, zoo vindt men een polynomium van denzelfden graad in z:

9{z) = b0 6^- - -f . . . -f 5b«»

Door in lt;p{z) voor z achtereenvolgens de getallen 1, 2, 3, enz. te stellen, verkrijgt men eene rekenkundige reeks van de rade orde. Dezelfde reeks wordt echter gevonden door in T{x) voor x achtereenvolgens te stellen

a-f/9, 2a-f-/ï, 3a -j- fi, . . .

Hieruit blijkt, dat door in F{x) voor x te nemen getallen, die eene rekenkundige reeks van de eerste orde vormen, eene reeks van de orde wordt verkregen.

Men kan dus ook in F{x) voor x nemen de getallen

. . . —4, —3. —2, —1, 0, 1, 2 . . .

waaruit blijkt, dat eene rekenkundige reeks in beide richtingen kan worden voortgezet. Daarbij kan elke term als eerste worden gekozen, welke keuze echter invloed heeft op de uitdrukking F{x), die den xien term aangeeft. Wil men n.1. in plaats van t,, tk l als eersten term beschouwen, dan moet men in F(x} x vervangen door

Stelt men in F(x) voor x een polynomium van den pieD graad in z, dan levert de substitutie eene uitdrukking van den graad np in z op, waaruit volgt, dat door in de uitdrukking van den nien graad F(x) voor x waarden te stellen, die zeiven eene reeks der pie orde vormen, eene reeks der npie orde wordt verkregen,

-ocr page 285-

271

Men kan ook zeggen, dat als men uit eene reeks der Mae orde termen kiest, welker rangcijfers eene reeks der orde vormen, deze termen eene reeks der orde np zullen uitmaken. Kiest men bijv. uit de reeks van de 24e orde

1 2 4 7 11 16 22 . . ,

termen, welker rangcijfers wederom dezelfde reeks vormen, zoo verkrijgt men de reeks der 4;de orde

1 2 7 22 56 121 .. .

Vermenigvuldigt men eene uitdrukking van den nien graad in x met eene andere van den graad p, dan verkrijgt men een poly-nomium van den graad n -\\-p. Hieruit laat zich gemakkelijk afleiden, dat als men de overeenkomstige termen van twee rekenkundige reeksen vermenigvuldigt, de producten eene nieuwe rekenkundige reeks zullen vormen, waarvan de orde de som is van de orden van de beide oorspronkelijke reeksen. Zoo zullen de beide reeksen van de eerste orde

2 5 8 11 14 . . .

4 6 8 10 12 . . .

door vermenigvuldiging der overeenkomstige termen de reeks der

2de or(je

8 30 64 110 168 .. .

opleveren.

§ 182. In het polynomium van den raden graad F(x), dat men voor den ^lt;ltn term eener reeks der ndc orde gevonden heeft, komen («-f-1) coëfficiënten voor, zoodat er voor de bepaling van zulk eene reeks [n 1) gegevens noodig zijn. Zoo kan men eene reeks bepalen door te geven de eerste termen van de reeks zelf en van de « verschilreeksen, voor welk geval men F{x) reeds heeft leeren vinden. Men kan ook de reeks bepalen door te geven {n -|- 1) termen der reeks. Zijn deze termen de eerste termen der reeks, zoo kan men door aftrekking gemakkelijk de eerste termen der verschilreeksen en daaruit F{x) vinden. Men kan echter ook een anderen weg inslaan, die tevens dienst kan doen als de gegeven termen niet op elkaar volgen, en die vooreerst door het volgende voorbeeld moge duidelijk gemaakt worden.

Zij gevraagd den algemeenen term te bepalen van de reeks der vierde orde

-ocr page 286-

272

5, 10, 14, 22, 31, enz.

Stelt men den algemeenen term der reeks voor door

tx = a0-\\~ aix -\\- a2,\'c2 -\\-a3x3 aia:i

dan vindt men door hierin voor x achtereenvolgens 1, 2, 3, 4 en 5 te nemen:

«o-f «, a2-f «3-|- o4= 5 a0-\\-2ai-\\- 4aa-|- 803-)- 16fl!4 = 10 fl03^,-|— 9ff2-|— 27ü3-j~ 81ff4= 14 o0-t-4«,-f-64i5!3-)-256a4 = 22 a0-j- 5a, -j- 25a2 -j- 125a3-|- 62504= 31

Door uit deze vergelijkingen a0. . . a4 op te lossen, vindt men:

97 103 25 1

a0=—14, «i = -g, «2 =--g-, 3,= — ena4 = — -, waaruit

^=1 |_84 194a:—103^ 25^—2a;4 | (6)

De becijfering wordt echter belangrijk eenvoudiger door als eersten term der reeks niet 5, maar 22 aan te nemen, waardoor de rangnummers der vijf gegeven termen worden —2, —1, 0, 1 en 2.

Stelt men weer den algemeenen term voor door ^ = a0 -|- atx-{- a2a;2 a3x3 quot;l- aix*

dan worden de vergelijkingen ter berekening der coëfficiënten a; a0—2a1-|-4a2 — 8a:l l6a4= 5 quot;0 ai quot;f «2— «3 a4 = 10 a0 =14

ffo ai~\\~ ®2~l~ a3 quot;lquot; 04 = 22 a0 -j- 2a, -)- 4a2 -|- 803 16a4 = 31

waaruit men gemakkelijk vindt:

35 7 1 1 A l

o0— 14, ai=-Qj a2=g. ^ = 0quot; en a4 = — -, zoodat

^ = 1184 35^ 14^-1-^—2^1 (7)

In deze uitdrukking stelt x het rangnummer voor, gerekend van af 22 als eersten term. Wenscht men nu wederom 5 als

-ocr page 287-

273

eersten, dus 22 als vierden term te beschouwen, zoo moet in de formule (7) x vervangen worden door x — 3, waardoor de formule (6) teruggevonden zal worden.

Zijn van eene reeks der ?»de orde {n 1) niet opeenvolgende termen gegeven, zoo kan de uitdrukking voor tx langs geheel denzelfden weg worden afgeleid.

§ 183. Het vraagstuk, uit {n -[-1) termen der reeks de uitdrukking voor den x*1™ term af te leiden, moge nu nog geheel algemeen worden behandeld.

Zij

Vl gt; 2/2» \' • Vn

de (n 1) gegeven termen, welker rangnummers voorgesteld worden door

Stelt men wederom den .raen term voor door

^ = «o alx -|- a^2 • • • a\'X\' (8)

dan vindt men door hierin voor x achtereenvolgens te substitu-eeren x0, x,, x2,

l/u — an - a,Xo a2Xo2 • • • «Aquot; \\ yi = «o atxt o^x,2 4-... V,quot; I 2/2 = «o ■ «,^2 a2x22 -f . . . anxquot; ) (9)

3/» = «0 «2«,.2 ■ • • «A* I

De waarden, die men vindt door uit de vergelijkingen (9) a0, a,, a2, ... an op te lossen, moeten nu in de vergelijking (8) gesubstitueerd worden, m. a. w, tusschen de (n -j- 2) vergelijkingen (8) en (9) moeten deze (u -f- 1) grootheden geëlimineerd worden. Als resultaat der eliminatie vindt men

tx

1

X

x1 .

. x\'

Vo

1

#0

xa ■

. *0

Vx

1

X? .

. X*

y*

1

a:2

X? .

. X.:

y*

1

LOBATTO. 18

-ocr page 288-

274

of, na ontwikkeling van het eerste lid naar de elementen van de eerste kolom:

Atx — — ... —4,^ = 0

waarin

j4q ^2 | i An

= \'Ayo \' \'Ay\' Ay*

1

ao

xa •

. x0n

1

Xx

X? ■

. X*

1

xz

X.,2 .

. lt;

1

Xn

X* •

. *»quot;

terwijl A0 gevonden wordt door x0, Jl door x,, en in het algemeen Ak door xk in A te vervangen door x. Merkt men voorts op, dat (men vergelijke Toep. 8 blz. 195):

A — (xn .v0) (^rl ., ^\'0) t.. (^\'i ■\'d) (xn —— x^ ••• (xn xn_,) en dus

A0=(.x,i — x)(xn_, — x) ... (x, — x){x,l — xl)... (x,—xn_,) dan vindt men

4) __ (g— ar.) (a — -^) ... (J — a.)

A (x0 (.)•„ X2) • . * (a-n #„)

en overeenkomstige uitdrukkingen voor -7 • • • -r gt; waaruit ten slotte

(.r — x,) (x — x2) ... (x — a:„) (.r — x0) (x — ... (^ — xn]

(#0-^\'1) C*^0-^2) ••• (^O ^n) (^1 *^0) (*^1 ^2) ••• (*^1 ^\'n)

, (g —a;o)(a.- —g,) ... (ar —ir„_,)

(®» — »o) («» — »1) - («» — a-»-t) (10)

welke formule door Lagrange het eerst bekend is gemaakt. Wij zochten hier een polynomium van den «den graad in x, dat voor (?i 1) gegeven waarden van x : x0 ... xn, gegeven waarden y0... y„ moet verkrijgen. De lezer overtuige zich, dat de voor tx gevonden uitdrukking aan deze voorwaarden voldoet.

§ 184. Gaan wij nu na, hoe men de som van een zeker aantal opeenvolgende termen eener rekenkundige reeks van hoogere

-ocr page 289-

275

orde kan bepalen. Laat Sx voorstellen de som der eerste x termen van de reeks der nie orde

txi ^21 t3, , , , tj; , , , .

Deze reeks kan beschouwd worden als de eerste verschilreeks van de getallenrij

0, -j-\'a-t-\'ai • ■ •gt; -\\-txt • •

of

0, S„ S2, S3, . . . Sx, . . .

Hieruit blijkt, dat Sx de (x 4- l)de term is van eene reeks der (n -(-1)46 orde, waarvan de eerste term 0 is, en de eerste termen der opeenvolgende verschilreeksen t,, , enz. zijn. Om dus de uitdrukking voor Sx te vindon, heeft men slechts in de formule (2) § 176, x door a\'-f-l, t, door 0, /\\t, door l,, /S2t, door Alt;i enz. te vervangen, waardoor men verkrijgt:

x , x(x—1) , x(x — 1)(.ï2) , ,

S* = J 4----12 3-A lt;1 • • • (11)

Laat als toepassing gevraagd worden naar de som van de vierkanten der getallen 1, 2, 3, . . . x, dus naar de som van x termen van de reeks der tweede orde

1 4 9 16 . . .

3 5 7 . . .

2 2 . . -

dan heeft men *, = 1, A\'i —3 en A% = 2, dus

x x(x — \\) x{x — l)(x — 2)

s*=ï -r^r-3 —1^73—12

waaruit na eene kleine herleiding

x[x-\\- 1) (2x-\\- 1)

\'Sx- =

1.2.3

§ 185. Voor eene reeks van de n*quot; orde vindt men voor tx een polynomium van den «\'lei1 en voor Sx een polynomium van den (»-|-l)(lel1 graad in x, in welke laatste uitdrukking de constante term ontbreekt.

Men kan dus schrijven

18*

-ocr page 290-

276

tx = n0 -j- «, x -j- a^x1 a„xquot;

Sx = ipi\' -f- ê,®2 -fquot; • • •

Is nu de uitdrukking voor Sx gegeven, dan kan men gemakkelijk die voor fr vinden door op te merken, dat

tx — Sx-

of

tx = 60-|- (2a;— 1) 1*2(3x2 •— Sa* -|— 1) ,. ,

i,, ((« l)*quot;-(n ^\'V\'1 • • • ±l) (12)

waaruit, als de coëfficiënten 6 gegeven zijn, de uitdrukking voor tx gemakkelijk gevonden wordt.

Men kan ook omgekeerd vragen uit de uitdrukking voor tx die voor Sx af te leiden. Daartoe stelle men het tweede lid van de vergelijking (12) gelijk aan de uitdrukking, die voor tx is gegeven. Door gelijkstelling van de coëfficiënten der gelijknamige machten van x in de aldus gevonden identieke vergelijking, verkrijgt

men (« -j- 1) betrekkingen, waaruit de coëfficiënten hm b.....ba

bepaald kunnen worden.

Laat als toepassing hiervan gevraagd worden naar de som dei-eerste x termen der reeks, die door de vierkanten der opeenvolgende geheele getallen 1, 2, 3 enz. gevormd wordt. Hier is n = 2; men stelle dus

Sx = b0x -f- b,x2 -j- b,x3

waaruit

tx = Sx — Sx_l = b0-)rbl(2x—l) b2(3x* — 3x-{-!) =

= (So — 1gt;*) (2b, — U2)x 3b2x2

of daar tx = xl:

x1 = {ba — i, -J- b2) (24,— Zh jx -f U.y

waaruit door gelijkstelling van de coëfficiënten der gelijknamige machten van x:

2 = 1 2b, — 3J2 = 0 b0 — b, b .i= 0

Hieruit vindt men gemakkelijk: amp;2=-i, b,=^-, b0 — ^-, zoodat;

O ^ u

-ocr page 291-

277

S, = lx 4- 1*3 = ^ (x 1) (2.f 1)

Deze zelfde uitkomst is in de voorgaande paragraaf reeds gevonden door uit de voor tx gegeven uitdrukking ti en de eerste termen der versclülreeksen af te leiden, en daarna de formule (11) van § 184 toe te passen.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt te bepalen S. x\' voor n — 1, 2, 3, 4, 5, . . . Daarbij wordt onder S. x* verstaan de som der eerste x termen van de reeks, voor welke tx = x\'.

I? =-.7!3 -4--.7? ~

,v ( r 1)

Autw. S. x

_ „ 1 , . 1 „ , 1 x{x l)(2x l) S.xi = -—x3 —x- —---

, 1 , 1 , 1 , »a(.c l)3

S. x3 = — a-4 — x3 — x;2 —-

4 2 4

S.X* = \\x\' \\x* ^-±x\'.

2. Bepaal S. x* voor eene willekeurige waarde van n.

4 L * ^ J

Antw. Men vindt

enz.

8.^ = «.\']^ —— A,- AS

1 1

waarin .ii = 1 As — -—- Au -

1 1

1.2 1

1 1.2 1

A,-

1.2.3 1.2 1 1 1

1

1 . 2 1

1.2.3 1 .2 i 1

1.2.3.4 1.2.3 1.2

1.2 1

1.2.3 1

1.2.3.41.2.3 1.2

1.2.3.4.5 1.2.3.4 1.2.3 1.2 daarbij is door n ! aangeduid het gedurig product der getallen 1, 2,... n. 3. Bepaal finals tx — x* lx3 28x —18.

Antw. amp; = —{3a:4 —22x3-I-129j;3 —G2x}

Ia

-ocr page 292-

278

Men kan hier den weg volgen, die in de laatste paragraaf is aangewezen, of ook opmerken dat

SJ: = S.x3-1 S.a;* 28S.x — 18x

en gebruik maken van de uitdrukkingen, die in Toep. 1 voor S.x3, S.x* en S .x zijn gevonden.

4. Bepaal de som van de vierkanten van de eerste x onevene getallen.

Antw. Si =---; daarbij is het laatste der beschouwde getallen gelijk 2x—-l. Stelt men 2x—1 = 1, zoo kan men ook schrijven S,---.

5. Bepaal de som van de derde-machten van de eerste x onevene getallen.

Antw. Sc = x-(2x- — 1).

§ 186. Men kan tusschen elke twee op elkander volgende termen eener reeks van de nae orde, evenals zulks bij de gewone rekenkundige reeksen plaats vindt, een willekeurig aantal termen interpoleeren, welke met de beide gegeven termen eene reeks van dezelfde orde vormen. Men heeft daartoe slechts in eene der voor tj: gevonden uitdrukkingen aan z gebroken waarden toe te kennen. Wenscht men bijv. tusschen den /cden en den (X- -f-1)quot;1quot;11 term (p — 1) termen te interpoleeren, dan heeft men in tx voor x achtereenvolgens te nemen

PP P P

waardoor men getallen vindt, die met den en den (k -j- l)dei1 term, volgens het in § 181 besprokene, eene rekenkundige reeks van dezelfde orde vormen.

Vragen wij, als toelichting, tusschen de eerste twee termen der reeks van de tweede orde

1, 13, 43, . . . (13)

twee termen te interpoleeren. Men vindt = 12, = 18. waaruit

^=9^—15a.--f7.

De beide termen, die men tusschen 1 en 13 wenscht te interpoleeren, worden nu gevonden door in deze uitdrukking o: = 1^ en = 1 § te nemen, waardoor men vindt 3 en 7. Op gelijke wijze vindt men door a- = 2^ en 2^ te nemen voor de beide termen, die tusschen 13 en 43 geïnterpoleerd kunnen worden 21 en 31. De

-ocr page 293-

279

geïnterpoleerde termen vormen met de gegcvene eene nieuwe reeks der 2de orde;

1, 3, 7, 13, 21, 31, 43, . . . (14)

die de gegeven getallen tot l8tel1, 4lle,1 en 7\'len term heeft. Men had ook van deze reeks den algemeenen term kunnen bepalen, waartoe men in

tx = aixi atx -f quot;0

voor x achtereenvolgens 1, 4 en 7 en voor 1, 13 en 43 heeft te stellen. Zoodoende zal men voor den algemeenen term van de reeks (14) vinden

tj[ = xl — a -j- 1

welke uitdrukking voor a- = 2, 3, 5 en 6 de geïnterpoleerde termen 3, 7, 21 en 31 oplevert.

§ 187. Beschouwt men de vergelijking

tx = y=:aQ-\\-alx-\\-a^xl . . . -\\-anxn

als de vergelijking eener kromme ten opzichte van een rechtlijnig coördinatenstelsel, dan vindt men eene zoogenaamde parabolische kromme van den 7ideD graad. De ordinaten overeenkomende met de abscissen x—l, 2, 3, enz. stellen daarbij de termen voor der rekenkundige reeks, waarvan tx of y de algemeene term is. De getallen, die men volgens de voorgaande paragraaf tusschen de termen der reeks kan interpoleeren, zijn blijkbaar de ordinaten van tusschengelegen punten der kromme, waarvan de abscissen met gelijke verschillen opklimmen. De kromme geeft dus eene voorstelling niet alleen van de termen der oorspronkelijke reeks, maar ook van alle getallen, die men tusschen deze termen kan interpoleeren. Volgens § 181 zullen, als men abscissen aanneemt, die eene rekenkundige reeks van de eerste orde vormen, de overeenkomstige ordinaten eene reeks van de nae orde opleveren. Het probleem der interpolatie komt dus meetkundig neer op het bepalen van tusschengelegen punten van eene parabolische kromme van den nden graad, die door(«.-f-l) punten bepaald is.

§ 188. Bij vele onderzoekingen komt het voor, dat men van eene veranderlijke grootheid y = F{x) kent de waarden, die zij aanneemt voor een zeker aantal, stel (ra -I- 1), bijzondere waarden van x, zonder dat de aard der betrekking tusschen x en y bekend is, terwijl men zoo nauwkeurig mogelijk de grootheid y wenscht te kennen voor tusschengelegen waarden van x. Men kan dan dc

-ocr page 294-

280

waarden, die voor y gegeven zijn, beschouwen als de termen eener rekenkundige reeks van de niK orde, welker rangnummers de bij-behoorende waarden van x zijn. Door interpolatie kan men nu voor elke waarde van x vinden de overeenkomstige waarde van y.

Dit komt meetkundig neer op het vervangen van de onbekende kromme, voorgesteld door de vergelijking y = T{x) door de parabolische kromme van den ?ilt;len graad

y = a0-\\-alx-]r -f . . . -f anx\'

welke gaat door de {n -)-1) punten, die bepaald worden door de (?i -f-1) gegeven waarden van y. Men kan ook zeggen, dat men zich F{x) ontwikkeld denkt naar de opklimmende machten van x, en de termen, die machten van x hooger dan de nde bevatten, verwaarloost.

Ten einde nu de coëfficiënten a in bovenstaand polynomium te bepalen, kan men, als de waarden van x waarvoor y gegeven is met gelijke verschillen opklimmen, in welke geval de gegeven waarden van y beschouwd kunnen worden als de eerste («-[-1) termen der rekenkundige reeks, de eerste termen der versehilreeksen opmaken en daaruit het polynomium vinden. Klimmen daarentegen de genoemde waarden van x met ongelijke verschillen op, dan moet men den in § 182 besproken weg inslaan, of kan men ook de formule van Lagrange toepassen.

Kiezen wij als toelichting het volgende voorbeeld. Een waterstand is waargenomen ten 3, 4, 5 en 6 uur, waarvoor men respectievelijk gevonden heeft 2,16 M, 2,23 M, 2,34 M en 2,50 M. Men vraagt zoo nauwkeurig mogelijk den waterstand ten 4 uur 30 min. te kennen. Daar de tijden, waarop men heeft waargenomen, gelijke verschillen vertoonen, kunnen de waargenomen grootheden beschouwd worden als 4 opeenvolgende termen, dus ook als de eerste 4 termen eener rekenkundige reeks van de 3lli: orde. Men vindt dan .

2,16

2,23

2,34

2,50

l«te verschilreeks

0,07

0,11

0,16

2de

0,04

0,05

co olt; ce

0,01

waaruit

^ —1a, . (*—^O—2) i (* — 1)0—2) (® —3) 1 A rT2 Ai, -i .2. 3

-ocr page 295-

281

of daar lt;, = 2,16, Alt;1 = 0,07, A^^O.Oé en A3ii = 0,01; f^. 0,0, quot;-;)lt;72gt;. 0.04 .0,

Aan de waarneming ten 3 uur is het rangcijfer 1 en aan die ten 4 uur het rangcijfer 2 toegekend. Om den waterstand ten 4.30 te kennen, moet dus in bovenstaande uitdrukking x — 2,5 genomen worden, waardoor men vindt:

2,16 ^ . 0,07 -f ; g\'5 • 0,04- 3Q\'50.01 =

= 2,16 0,105 -f 0,015 — 0,000625 = 2,279375 M

of bijna 2,28 Al. Men ziet, dat de laatste term in bovenstaande uitdrukking slechts eene zeer kleine waarde heeft, zoodat men zonder belangrijk verschil in de uitkomst de waargenomen grootheden ook als termen eener reeks van de 2ae orde had kunnen beschouwen.

Men had ook ten einde geene gebroken waarde te moeten sub-stitueeren, het halve uur als eenheid kunnen aannemen. Geeft men daarbij aan het gezochte getal het rangcijfer 0, zoo verkrijgen de waargenomen getallen de rangcijfers —3, —1, 1 en -|-3, en moet men a0 berekenen, wetende dat

a0 -f- a, x -f- a2x2 a3x3

voor x=—3, —1, -f-1 en -|- 3 respectievelijk gelijk wordt aan 2,16, 2,23, 2,34 en 2,50. De verdere uitwerking wordt aan den lezer overgelaten.

Men vergete niet, dat het voorgaande vraagstuk een onbepaald vraagstuk is. Van de kromme lijn, die de verandering van den waterstand voorstelt, waren toch slechts enkele, hier 4, punten gegeven, door welke punten men een onbepaald aantal kromme lijnen kan brengen. Onder deze kromme lijnen is hier gekozen de parabolische kromme van den 3del, graad. Men mag echter aannemen, dat als de waargenomen punten niet te ver uiteen-liggen, deze laatste kromme over het beschouwde gedeelte slechts weinig van de werkelijke kromme zal afwijken. Wenscht men zich hiervan te overtuigen, dan kan men sommige der waargenomen grootheden ongebruikt laten bij de berekening van het polyno-mium voor y, en deze later gebruiken als controle op de nauwkeurigheid der verkregen benadering. Het valt aan te raden, de

-ocr page 296-

282

hier besproken methode niot te gebruiken voor de bepaling van punten gelegen buiten het deel der kromme, dat door de beide uiterste waarnemingen wordt begrensd.

§ 189. Eene dergelijke benadering wordt ook vaak gebruikt, als de waarde eener transcendentale functie y voor een zeker aantal, meestal met gelijke verschillen opklimmende, waarden van x is gegeven, gelijk bij voorbeeld het geval is met de logarithmen en met de goniometrische fanctiën in de tafels, die men voor deze functiën heeft vervaardigd. Hier is wel de functie bekend, maar kan de waarde er van niet door directe substitutie gevonden worden.

Wenscht men nu de functie te kennen voor eene waarde van x, die niet in de tafel voorkomt, zoo beschouwt men de naast-bijliggende waarden der functie als de termen eener rekenkundige reeks. Van welke orde deze reeks moet genomen worden, wordt gevonden door de achtereenvolgende verschilreeksen op te maken, totdat men eene verschilreeks vindt, welker termen slechts weinig verschillen. Men onderstelt dan, dat deze volkomen gelijk zijn, waardoor de orde der reeks bepaald wordt. Door interpolatie in deze reeks vindt men eindelijk de gezochte waarde van y.

Bij de interpolatie, zooals deze gewoonlijk geschiedt, onderstelt men, dat de aangroeiing der functie evenredig is aan de aangroeiing van x, maakt men m. a. w. gebruik van eene rekenkundige reeks der lsle orde, die men bepaalt door de beide termen in de tafel, waartusscben de gezochte waarde der functie is gelegen. Wenscht men eene grootere nauwkeurigheid te bereiken, dan zal het echter vaak noodig zijn meerdere verschilreeksen in rekening te brengen.

Zie hier een voorbeeld van zulk eene interpolatie. In de groote logarithmen tafels van Veg a vindt men:

le verscbilleu 2e verscliillen

log. 10000 log. 10002 log. 10004 log. 10006 = 4,0000000000 = 4,0000868502 = 4,0001736831 = 4,0002604985

868502 868329 868154

— 173

— 175


Wenscht men nu te kennen de log. van 10008, dan vindt men door op de gewone wijze te interpoleeren tusschen log. 10002 en log. 10004, door dus bij log. 10002 op te tellen de helft van het verschil dezer logarithmen :

-ocr page 297-

283

log. 10003 = 4,0000868502 -f 0,0000434165 = 4,0001302667

Men heeft hier bepaald den term, waarvan het rangnummer 1,5 is, voor de reeks der eerste orde, die log. 10002 tot eersten en log. 10004 tot tweeden term heeft.

Nauwkeuriger wordt echter de uitkomst, als men ook de 2lt;,e verschillen in aanmerking neemt. Deze zijn hier bijna gelijk, zoodat de getallen, die de logarithmentafel geeft, met grooten graad van benadering als termen eener reeks der tweede orde beschouwd kunnen worden. Neemt men voor de tweede verschillen het gemiddelde van —173 en —175, dus —174, en beschoiiwt men log. 10000 als eersten term, dan vindt men voor den xim term

of

i x—1 i —IM®—2) „

\'i H—^— A H--j—2-^ 1

40000000000 868502 — ^ ^174

1 1.2

Om log. 10003 te vinden moet hierin eindelijk x = 2,5 gesteld worden, waardoor men vindt:

40000000000 -)- 1302753 — 65 = 40001302688

Derhalve vindt men log. 10003 = 4,0001302688 evenals zulks in de aangehaalde tafels wordt opgegeven.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt tusschen elk paar termen der reeks van de orde

1, 1, 28, 103, . . .

twee termen te interpoleeren.

Antw. Men vindt 1, 3, 2, 1, _3, 11, 28, J57, 101. 163, . . . waarbij de ge-interpoleerde termen onderstreept zijn.

2. Men heeft eene temperatuur afgelezen ten 5, 6, 7, 8 en 9 uur en daarvoor respectievelijk gevonden 110,2, 140,3, IS0,!, 110,5 en 11°,1.

Men vraagt naar de temperatuur ten 6 uur 30 min., als de afgelezen temperaturen als termen eener rekenkundige reeks der 4116 orde beschouwd mogen worden.

Antw. U0,8773i375.

§ 190. Wij zullen nu als slot onzer beschouwingen over rekenkundige reeksen eenige merkwaardige rijen van getallen bespreken, welke zullen blijken zulke reeksen te vormen.

-ocr page 298-

284

De zoogenaamde polygonaal- of veelhoekige getallen ontstaan uit het sorameeren der achtereenvolgende termen van gewone rekenkundige reeksen, welke met de eenheid aanvangen. Aldus geeft do getallenrij

1, 2, 3, 4, 5 . . . a;

de reeks der driehoekige {trigonaal) getallen

1, 3, 6, 10, 15 . . .

Op gelijke wijze geven de rijen

1, 3, 5, 7, 9 ... 2a:— 1,

1, 4, 7, 10, 13 . . . 3a; —2,

respectievelijk de vierhoekige {tetragonaal) en de vijfhoekige (pen-tagonaal) getallen

1, 4, 9, 16, 25 . . . x1,

1, 5, 12. 22. 35 . . .

En in het algemeen zal de reeks

1, in — 1, 2m — 3, 3wi — 5, . . . (m—2)x {m — 3) bij sommeering de reeks der ra-hoekige getallen

1, m, 3m — 3, 6m — 8. lOm —15, enz.

opleveren, waarvan de algemeene term tot waarde heeft:

^ = 1 0« ——l)-t- \'quot;I ^ (x — l){x—2),

of, na herleiding:

= \\ (m — 2)x — {m—4) |.

waarin x de wortel van het wi-hoekige getal genoemd wordt.

De polygonaal-getallen vormen alzoo de termen eener rekenkundige reeks van de 2ae orde. Hunne benaming heeft haren oorsprong hierin, dat de eenheden van elk veelhoekig getal, als punten beschouwd, op eene regelmatige wijze kunnen gerangschikt worden in de hoekpunten en laugs de zijden van veelhoeken, die een gemeenschappelijk hoekpunt hebben.

-ocr page 299-

285

Voor de drie- en vierhoekige getallen wordt zulks door de volgende figuren terstond aanschouwelijk gemaakt:

Het aantal punten op elke zijde des veelhoeks stelt den wortel van het polygonaal-getal voor.

Wat de vijfhoekige getallen betreft, zoo laten zich de punten rangschikken langs de zijden van vijfhoeken, op de wijze

als nevenstaande figuur zulks aantoont voor de getallen 5, 12, 22 en 35.

In het algemeen zij m het aantal hoekpunten des veelhoeks, dan heeft men voor den eersten veelhoek m hoekpunten ; voor den tweeden daarenboven m deelpunten, dus in het geheel 2in punten, waarvan echter 3, tot den eersten veelhoek behoorende, punten moeten worden afgetrokken. Voor den derden veelhoek bedraagt de vermeerdering slechts 3m — 5 deelpunten, uithoofde er vijf punten tot den voor-gaanden veelhoek behooren. Op gelijke wijze voortgaande, bekomt men dezelfde rekenkundige reeks, uit welker sommeering de po-lygonaal-getallen hiervoren afgeleid zijn geworden.

Door het optellen der termen van de reeks der polygonaal-getallen ontstaan de zoogenaamde pyramidaal-gvidAlan, welke blijkbaar eene reeks van de 3de orde vormen, tot algemeenen term hebbende:

x{x—1) 1.2

x{x—1) (x — 2) 1.2.3

Sx — -|-

(»»— 1)

(m —2),

of, na ontwikkeling en herleiding:

-ocr page 300-

286

(^ 1) — 2) x — im5) I (15)

voor den xim term der ?«-hoekige pyramidaal-getallen.

§ 191. Behalve de voorgaande getallen onderscheidt men nog eene bijzondere klasse van rekenkundige reeksen van alle orden, onder den naam van figuurlijke getallen, welke door achtereenvolgende sommeeringen uit de reeks der natuurlijke getallen aldus afgeleid worden:

1, 2, 3, 4, 5, 6, enz.

1ste som 1, 3, 6, 10, 15, 21, enz. 2de „ 1, 4, 10, 20, 35, 56, enz. 3de „ 1, 5, 15, 35, 70, 126, enz.

Men zal, naar de hiervoren aangegeven manier te werk gaande, de navolgende uitkomsten voor den algemeenen of .rquot;16quot; term van elke dezer reeksen bekomen.

Voor de l9te reeks, welke niet anders dan die der driehoekige

getallen is, —-—^,

1 , Li

-\\- 2)

Voor de 2de reeks

1.2.3

ode ^ l)(a- 2)(.r 3)

1.2.3.4

Voor de volgende reeksen zullen de algemeene termen door gelijksoortige producten uitgedrukt worden, zoodat men voor de nde reeks zal mogen stellen:

*0 1)(* 2).. .(* «)

1 . 2 .3 . . .(H-j-l) ^ ;

welke formule het eenvoudigst afgeleid wordt door middel van de betrekking (10) van § 126, waardoor al spoedig blijkt, dat deze figuurlijke getallen de herhalingscombinatiën van x elementen een aan een, twee aan twee, enz. zijn.

§ 192. De beschouwing van de pyramidaal-getallen vindt onder anderen eene toepassing bij de berekening der in de krijgs-magazijnen aanwezige kogelstapels, welke meestal van pyramida-len vorm zijn. Aldus zal het aantal kogels in een driehoekigen stapel, welks ribbe x kogels bevat, de xie term zijn der driehoekige pyramidaal-getallen, en dus ingevolge formule (15) uitgedrukt worden door

-ocr page 301-

287

c. x(x 1) {x 2)

1.2.3 \'

Op gelijke wijze vindt men voor het aantal kogels in een vier-hoekigen stapel:

sfr l^g l)

_ 1.2.3

Bij de langwerpige vierhoekige stapels heeft echter elke laag den vorm van een rechthoek, welks zijden van onderen naar boven geregeld met één kogel verminderen, zoodat de bovenste laag of rug slechts uit ééne enkele rij kogels bestaat. Zij n het aantal kogels in den rug, dan zullen de achtereenvolgende rijen, van boven naar beneden gerekend, respectievelijk bevatten

n, 2 (?i -f-1), 3 (w 2) , . . . x (»i -i- x — 1) kogels,

zijnde x het aantal kogels in de korte zijde van het grondvlak. Deze getallenrij geeft voor hare eerste en tweede verschillen

n -j- 2, -j- 4, -|- 6 . . .

2 2 . . .

Alzoo zal het aantal kogels, in een dusdanigen stapel aanwezig, kunnen berekend worden door de formule

•t = ., ïlt;ï=lgt; . (» 2) . 2 = = J12.- 3« 3.-21= \'\'(, 1)(26, i\'—2).

TOEPASSINGEN.

1. Van een afgeknot-driehoekigen kogelstapel bestaat de ribbe van het bovenvlak uit 4, die ran het grondvlak uit 10 kogels. Hoeveel kogels bevat de stapel?

Antw. 210.

2. Bij een afgeknot-vierlioekigen stapel vindt men in elke ribbe van het grondvlak 11, in elke ribbe van het bovenvlak 6 kogels. Hoeveel kogels bevat de stapel?

Antw. 451.

3. Bij een langwerpigen vierhoekigen stapel vindt men in de korte ribbe van het grondvlak C en in do lange ribbe 12 kogels, üit hoeveel kogels bestaat de stapel?

Antw. 217. Men heeft hier « = 12 — 0 1 = 7 en a; = G.

-ocr page 302-

288

4. Bij een afgeknot-langwerpigen vierhoekigen stapel vindt men in de ribben van het grondvlak 20 en 12 kogels, terwijl de stapel 7 lagen heeft. Hoeveel kogels bevat de stapel?

Antw. 1099.

TWEE EN TWINTIGSTE LES.

OVER HET SOMMEEREN VAN ONEINDIG VOORTLOOPENDE REEKSEN EN HET ONDERZOEK VAN HARE CONVERGENTIE.

§ 193. Men onderstelle eene rij getallen of grootheden

«.2, M3, m4, enz.,

welke allen volgens eene bepaalde wijze van elkander afhangen, dan zullen zij de termen eener eindige of eener oneindig voort-loopende reeks uitmaken, naarmate het aantal termen n eene eindige waarde verkrijgt, of onbepaald groot genomen wordt. Hierdoor onderscheidt men twee soorten van reeksen. De in de XXI9te Les behandelde reeksen behooren tot de eerste soort, en aldaar is tevens geleerd, hoe men voor deze reeksen de som der termen kan bepalen. Thans zullen wij ons in het bijzonder bezighouden met de reeksen der tweede soort, welke in de hoogere deelen der wiskunde van uitgestrekt gebruik zijn.

Stellen wij de som van de eerste n termen der reeks door Sn voor, zoodat

Sn = Ui-]ru2-\\- . . . -f-

Gaat men na, wat er van lt;S\', wordt, als men n steeds grooter neemt, dan laten zich drie gevallen onderscheiden.

Als vooreerst, bij het grooter worden van n, Sn onbepaald nadert tot eene eindige grenswaarde S, dan wordt de reeks conver-geerend of convergent genoemd en heet de S de som der reeks. Men heeft dan

S = Lim S„ = Lim [u, -f- m2 -f- . . . Mnl

n= oo n = co J

waarvoor ook geschreven wordt

,S= M, «3 4quot; • • • un enz.

-ocr page 303-

289

Stelt men dooi* R„ de som der termen voor, die op den nitn volgen, dus

= -\\-urn.i • • •

dan heeft men voor eene convergente reeks

Lim Rn -- Lira [S1 — »Sn] = 0

waarbij door het teeken Lim steeds wordt aangegeven de limiet of grenswaarde voor ra = ao .

Als, in de tweede plaats, bij toenemende waarde van « ook lt;5, onbepaald toeneemt, heet men de reeks divergeerend of divergent.

Eindelijk kan in de derde plaats het geval zich voordoen, dat Sn niet onbepaald toeneemt, zonder echter tot eene bepaalde limiet te naderen, in welk geval de reeks eene onlepaalde reeks heet. Als voorbeeld van eene onbepaalde reeks geven wij de reeks

1 -1 1 -1 • • .

waarvoor beurtelings 1 en 0 is. Door sommigen worden de onbepaalde reeksen tot de divergente gebracht.

§ 194. Wanneer men de som van n termen eener reeks op eenvoudige wijze kan voorstellen, zoo zal daaruit meestal het middel te vinden zijn om te onderzoeken of de reeks convergeert en wat er van de som is. Zoo kent men van de reeks

1 xx* x3 ... (Ij

de som van n termen, namelijk

lt;? i _l i «-1 1xquot; 1 x\'

aS, = 1 4- a; -f- . . . 4- .rquot; \' = --= -----.

1 1 1—-.r 1—x 1 — ^

Is nu a-lt;l, dan zal, als men n grooter en grooter maakt, de xn

breuk --tot nul naderen, zoodat voor deze waarden van x

1—x

S=LimS,= -——

1—x

zijn zal, en dus de reeks (1) convergent is. Uit dezelfde uitdrukking voor Sn blijkt, dat voor waarden van xgt;\\ de reeks (1) divergent zal zijn, daar de som van n termen dan onbepaald toeneemt, wanneer men n grooter maakt. Dit zelfde resultaat verkrijgt men ook voor x = l.

Vergelijkt men de reeks (1) met de reeks

a ax ax1 ax3 LOBATTO. 19

-ocr page 304-

290

waarvan de som van n termen n maal grooter is dan de som van v termen der reeks (1), zoo blijkt dat de onbepaald voortloopen-de meetkundige reeks met positieve termen convergent is, als de reden kleiner dan de eenheid is, en divergent, als de reden gt; 1 is. Onderzoekt men de reeks (1) voor negatieve waarden van x, zoo zal men op dezelfde wijze vinden, dat het voor de convergentie slechts noodig is, dat de getallenwaarde van de reden kleiner dan de eenheid is.

Deze weg, het bepalen van de som van n termen, kan evenwel bij de meeste reeksen niet gevolgd worden.

§ 195. Er bestaat echter een geval, waarin men zeer gemakkelijk de som van n termen en daaruit de som der reeks kan bepalen. Als men n.1. kan vinden eene reeks

waarvan de gegeven reeks

Wj j ^2gt; ^3 J * • • ^H» * * *

de eerste verschilreeks is, zocdat dus:

U\\~vxVq, u.x~v^ — V), u3~v3 v2,.,,un~vn vn_l enz. dan heeft men

8* — M1 4quot; U2 quot;fquot; • • • quot;l- Un = ^0

Is nu Lim d„ = 0, dan vindt men

S = Lim Sn\' \' Lim (v, — v0) — — v0 De gegeven reeks is dus hier convergent, terwijl de som gelijk

is aan —v0.

Nemen wij als voorbeeld de reeks

1 , 1 .1 _1_ . . .

p{p-\\-q) {p titp zq) Oj4-2?)(2\' 3?)

waarvan de ndc term is

i =i \\_i___i-t

quot;quot; _ [n — Y\\q) (p «?) ? [\'l — !]? p *

De gegeven reeks is dus de eerste verschilreeks van de reeks lil 1

waarvan do algemeene term

-ocr page 305-

291

1

quot; quot; {P ^l)l bij toenemende waarde van n tot de limiet nul nadert. De gegeven reeks blijkt dus convergent te zijn, terwijl de som gelijk is aan —f0, dus:

,S\'= —

VR

Zoo vindt men bijv.:

1 H—^—I——--f 1

1 q ~ Ö 1 1 ~

2.5\' 5.8\' 8.11 1 6

JL • 1 1 1 1

l . 8 ^ 8 .15 ^ 15 . 22 ^ quot; 7

§ 196. Zij nog gegeven de reeks

viv^r l)(p 2\'l) (P 4-1) (P 4-2\'/) (P 3?)

n

,

Men heeft

n

Wquot; _ (p -f- [n —1](?) {p ■ nq) (j» [ra ).]?) ~

_ J_ ( ^ (2»—l)g__igt; (2ra l)g I

25quot; Up [n — !]!?)(/\' »?) (/\'-t-«!/)(^ [ra 1](?)gt; zoodat de gegeven reeks de eerste verschilreeks is van de reeks, waarvan de algemeene term

j ___1 ^ -f- (2» -f- l)g

quot;quot; V (/\' »?) (P [« 1]?)

bij toenemende waarde van n tot de limiet nul nadert. Men heeft

derhalve voor de som der gegeven reeks

1

\'0 2^

Deze zelfde uitkomst wordt ook aldus gevonden:

_1_.=±\\-±___1_[

?(^i-?)(^-t-2?) 2q lp{p-\\-q) (p q){p-\\- 2?) i

_2__1 { 2___2 )

(p-{-q\'\\{p-\\-2q){p-\\-Zq)~ 2? t (^ ?)(^ 2?) {p 2q){p %q)\\

19*

-ocr page 306-

292

_3_ Ij 3___3 gt;

(p 29)(^ 39)(^ 4j) 2q\\(p-\\-2q){p-\\-\'amp;q) (^ 39)(^ 4^)) enz. enz.

waaruit voor de som der gegeven reeks:

„lil 1 1 , J

2q\\p(p q) [p-\\-q){p 2q) {p 2q)(p-\\-%q) \' \' quot;S Voor de som der hier tusschen haakjes voorkomende reeks is in de voorgaande paragraaf gevonden —, zoodat men wederom vindt:

\'S ÏPÏ

Zoo is bijv.:

1

1.3.53.5.7 1 5.7.9

1 . .=i

3.4.5 r4.5.6l 5.6.7 6

§ 197. Beschouwen wij nog de reeks

1 j__^__|__i-------j_ .

\' o /a. _ i i ?! c- _i_ a-i \' \' c-r _L „.i ~

x

-|-1 2(a; 2) 1 3(^ 3) \' quot; \' 1 n{x n)

waarin x een positief, geheel getal ondersteld is. Schrijft men voor den nden term

V=iji__—|

;■ 4- ») x I n x -4-n)

n{x -]-n) x \\ n x -j-;

zoo kan men voor de som der eerste n termen schrijven:

1(1,1 , • • • -r -TT 1 • • ■ 1

a:(« l x-\\-2 n »2 1 n-\\-x

=zTl1 4 i -,, Tl-T!^i ^2 -,- ^l

waaruit men voor de som der reeks vindt

l . .-f A

Door x achtereenvolgens = 1, 2, 3, enz. te stellen, verkrijgt men:

-ocr page 307-

293

1 ...=!

1.2 1 2.3 1 3.4

—--f —--h —--h . . .=-(14-- W-

1.3 2.4 3.5 2 V 2/ 4

JL J_ JL . . . = i = H

1.4 2.5 3.6 3 \\^2^3; 18 Uit de eerste dezer reeksen volgt tevens deze:

1 , 1 , 1 , 1 ,

T ^ T TÖ4quot;- • \'^2

waarin de noemers de opvolgende trigonaal-getallen voorstellen. TOEPASSINGEN.

quot;\' \' \' r quot;]2)(p »?)( \' r \' ^ Antw. S — -

1. Sommeer de reeks 1 1

p(p q)(p 2q) (p q)(p 2q){p Sq) (i) [quot; —1]2)(/gt; «9)(j!) [» 1]7)

1

ipq(p q) 2. Sommeer de reeks

a _a 4- h _a (/lt; —1)6

p(p q){p lq) (p q){p iq)(p Sq) quot; (^ [«—i]?)(i\' «?)(i) [« 1]?)

Ai aq\' bp

Antw. S=-V;— r

Ipq^ip q)

3. Sommeer de reeks, waarvan de nquot;6 term is a (h — l)i

(p [k l]?)(p nq) . ..(p [m n — l]y) _{m —\\)aq-\\-hp

Antw. S—-

ii(m — l)pqs(p q)(p 2q).. .(p [m—l]q)\' i. Sommeer de reeksen

4 5 6

. . .

1.2.3 2.3.4 3.4.5

6 ; 7

1.2.3.4 2.3.4.5 3.4.5.6

5 11 Antw. j en

5. Sommeer de reeks

be hc

^ a(a b) c2 ^ ^ i)(a 2amp;) - - c2

hc

B tg. -

{a [« — l]fc) (a H- nh) -f c-

-ocr page 308-

294

waarbij men in het oog houde dat.

r c ___bc___

B gt;rJ- i]6 — B Uj\' a nh ~~ B quot;J\' (« [» — 1]6) (« nb) cquot;

c

Antw. S =■ B tg.—.

6. Toon aan

^ = £lt;-7. Y Ktg.^ ... Btlt;j.ni \\ 1 . ■ ■

Men stelle in de reeks, voorkomende in Toep. 3, a = b = c=\\.

7. Bepaal

1 2,r Si.-2 -l,/-3 ... nx*-1 . . .

waarin # lt; 1 ondersteld wordt.

Men schrijve

S= \\ x x- ... «*-1 . . .

x x, ... x\'-1 . . . a;2 ... x\'~1 . . .

Sommeert men elk dezer reeksen, zoo vindt men:

§ 198. Men kan gemakkelijk aantoonen, dat eene reeks niet convergent kan zijn, tenzij de algemeene term onbepaald klem worde, als men n grooter en grooter neemt, of, zooals men gewoonlijk schrijft, tenzij

Lim itn = 0.

Men heeft namelijk

\'\' n -1

dus als de reeks convergent is

Lim «, = Lim Sn — Lira SK_t

waaruit, daar zoowel S„ als Sn_, tot de limiet S nadert, het gestelde onmiddellijk volgt.

Deze voorwaarde, ofschoon noodzakelijk, is echter voor do convergentie niet voldoende.

Beschouwt men bijv. de reeks

die gewoonlijk de harmonische reeks wordt genoemd, en waarvan de algemeene term nul tot limiet heeft. Dat deze reeks divei-

-ocr page 309-

295

gent is, toont men aan door de termen der reeks in groepen te verdeelen en de volgende sommen na te gaan:

(i i) gt; 2 • quot;i gt; G tV --- TV)gt;8.tV.

(tV quot;f- tV quot;lquot; • ■ • TiV) gt; 16 • u\'-J )

Men verkrijgt zoo een onbepaald aantal groepen, die olk gt; .1-zijn. Derhalve is de som der termen onbepaald groot en de reeks divergent.

Evenzoo zijn divergent de reeksen, die men verkrijgt door termen op gelijke afstanden uit deze reeks te nemen, bijv.

i i~t- • • •gt;

want uit de ongelijkheden

3 • i i -j- \\ ,

blijkt, dat driemaal de te onderzoeken reeks eene oneindig groote som heeft.

§ 199. De termen eener reeks kunnen positief en negatief, bestaanbaar en ook onbestaanbaar zijn. In de eerste plaats zullen wij ons bezighouden met reeksen, welker termen bestaanbaar en tevens positief zijn. In de volgende paragrafen wordt dus, als niet uitdrukkelijk het tegendeel vermeld wordt, ondersteld dat aan deze voorwaarden voldaan is. Daar het bij de meeste reeksen niet mogelijk is op directe wijze de limietwaarde va,n Sn te bepalen, moet men meestal, om de convergentie der reeks te be-oordeelen, een anderen weg volgen. Daarbij wordt de reeks, die men wenscht te onderzoeken, vergeleken met eene andere reeks, waarvan men weet of zij convergeert dan wel divergeert, en gaat men uit van de beide stellingen, die in de twee volgende paragrafen zullen worden besproken.

§ 200. AU elke term van de reeks

uï, U2, W3, • . . (2)

-ocr page 310-

296

Ideiner is dan de overeenkomstige term der reeks

v,, Vi, vz, . . . (3)

dan zal, als de tweede reeks convergeert ook de eerste convergent zijn. Is daarentegen elke term der eerste reeks grooter dan de overeenkomstige term der tweede reeks, dan zal uit de divergentie van reeks (3) ook de divergentie van reeks (2) volgen.

Onderstellen wij eerst, dat voor elke waarde van p

Up Vp

dan heeft men, daar lt; r,, u, lt;:v2,..., u,, lt; v„:

waarbij door .S\',, de som der eerste u termen van reeks (2), door 2, deze zelfde som voor reeks (3) wordt aangeduid. Daar volgens onderstelling de reeks (3) convergent is, nadert bij toenemende waarde van n 2, tot eene bepaalde limiet 2. Men weet dus, dat 5,, eene grootheid is, die met n steeds toeneemt, zonder eene bepaalde eindige waarde 2 te kunnen overschrijden, waaruit men afleidt, dat ook Sn eene bepaalde eindige limiet heeft, en dus ook reeks (2) convergent is.

Is daarentegen

nv gt; Vy

dan heeft men

Sn gt;2»

Is nu reeks (3) divergent, dan neemt 2,, onbepaald toe, dus ook S„, zoodat ook reeks (2) divergeert; waarmede het tweede gedeelte der stelling is bewezen.

Men merke hier op, dat het onverschillig is of sommige der eerste termen niet aan het kenmerk vF vr voldoen, mits slechts aan deze ongelijkheid voldaan wordt voor elke waarde van p groeier dan een willekeurig getal k. Men kan dan namelijk de beide reeksen doen aanvangen met uk en vk en zich de voorgaande termen weggenomen denken, waardoor in de con- of divergentie der reeksen geen verandering wordt gebracht. Deze opmerking geldt voor alle kenmerken van convergentie of divergentie, die in het volgende besproken zullen worden. Steeds is het voldoende, als aan het gevonden kenmerk voldaan wordt gerekend van af een zekeren term uk.

§ 201. Als van twee reeksen

-ocr page 311-

297

Wj) w2j M3J . . • (2)

V,, V2, v3, . . . (3)

de tweede convergent is, en men steeds heeft

quot;p i vp i u„

Mjj Vp

zoo zal ook de eerste reeks convergent zijn. Uit de ongelijkheden

v„ n, v, v. v. ; —; —; —lt; —, enz. v. u, v, u, v.

volgen door de eerste met de tweede, dit product met de derde enz., te vermenigvuldigen, de nieuwe ongelijkheden

ii3 v3 ui v, — lt; —; —c—, enz., «, vt II, v,

zoodat men heeft:

u, — »2 V,

u, lt; —

De termen van reeks (2) zijn dus kleiner dan de overeenkomstige termen van de reeks, die men vindt door reeks (3) met nl

— te vermenigvuldigen. En daar deze laatste reeks convergent

is, kan men met het oog op de in de voorgaande paragraaf bewezen stelling tot de convergentie van reeks (2) besluiten.

Op geheel dezelfde wijze wordt gevonden:

Heeft men

M/\' i quot;p i Up vr

dan zal, als reeks (3) divergeert, ook reeks (2) divergent zijn.

Men neme hierbij in aanmerking, wat aan het einde der voorgaande paragraaf is opgemerkt.

Gebruik makende van de beide voorgaande stellingen kan men

-ocr page 312-

298

nu, door eene te onderzoeken reeks te vergelijken met eene meetkundige reeks, meestal op eenvoudige wijze over de al of niet convergentie besluiten. Verschillende kenmerken zijn daartoe, hoofdzakelijk door cauchy, aangewezen.

§ 202. Indien k de limiet is, vmartoe de verhouding

«n l

va7i twee opvolgende termen eetier reeks onbepaald nadert, zal deze reeks convergent zijn zoo £lt;1, en divergent als 1.

Zoo namelijk deze verhouding onbepaald tot k nadert, zal ze, door n groot genoeg te nemen, zeer weinig van k afwijken. Is nufcel, zoo zal een getal k\' grooter dan k en kleiner dan de eenheid te bedenken zijn, zoodat van af zekeren term de verhouding der opvolgende termen steeds kleiner dan k\' blijft. Neemt men nu de meetkundige reeks, waarvan k\' de reden is en die dus convergent is, zoo zal, bij vergelijking met deze, de gegeven reeks, volgens de stelling van § 201, convergent blijken te zijn.

Is fcgt;l, zoo blijkt dat op den duur elke term grooter wordt dan de voorgaande, en daar de algemeene term dan niet nul wordt, is de reeks zeker divergent.

Is amp;=1, zoo geeft dit kenmerk geene beslissing. Maar nadert de verhouding van den grooten kant tot de eenheid, zoo zal de reeks toch zeker divergent zijn, daar de termen dan steeds blijven toenemen.

Onderzoekt men bijv. de reeks

1~^fT2^quot;l.2.3\'^quot;\',^1.2...n~\'quot;

zoo is hier

1 1

quot;quot; 1. 2 ... ?i\' 1 .2...(»-f 1)\'

derhalve

1 _ 1

un n

en neemt men nu n hoe langer zoo grooter, dan is

Lim ^ = 0 m.

en de reeks dus convergent.

-ocr page 313-

299

Het kan voorkomen, dat ^i-1 niet tot eene bepaalde limiet

nadert, maar dat men kan aantoonen, dat van af zekeren term u

J1±- steeds kleiner is dan een getal fccl, of steeds grooter dan

Un

een getal igt;l. Door vergelijking met de meetkundige reeks, waarvan k de reden is, toont men dan zonder moeite aan, dat de reeks in het eerste geval convergent, in het tweede geval divergent is. Als toelichting zij hier gewezen op de reeks

2-\\-cosx (2 -f- cosx) (2 cos2x) (2 cos x) (2 -|- cos 2x) {2 ^ cos 3.r)

waarvoor

^ 2 cos(n 1) g u, *

welke uitdrukking bij toename van n tot geene grenswaarde na-

1 3

dert. Zij ligt echter steeds tusschen — en — en is dus steeds kleiner dan een getal £ lt;1, zoodat men tot de convergentie dei-reeks kan besluiten.

§ 203. Indien k de limiet is, waartoe

onbepaald nadert, dan zal de reeks convergent zijn, cds amp; lt; 1, en divergent, als amp; gt; 1.

Als vooreerst £lt;1, dan zal als men een getal k\' aanneemt, grooter dan k en kleiner dan de eenheid, van af een zekeren term ur

Yu.ck\'

of

Van af den pim term zijn dus de termen der beschouwde reeks kleiner dan de termen der convergente meetkundige reeks

k\'?, k\'p*\', enz.

waaruit men tot de convergentie der beschouwde reeks besluit.

Op overeenkomstige wijze toont men de divergentie der reeks aan, als ^ gt; 1, in welk geval men voor k\' een getal kiest grooter dan 1 en kleiner dan k.

-ocr page 314-

300

Is k=:\\ en nadert k van den grooten kant tot de eenheid, dan blijven de termen steeds grooter dan de eenheid, en is de reeks dus divergent. Nadert daarentegen h van den kleinen kant tot de eenheid, zoo geeft het hier besproken kenmerk geen beslissing.

n

Ook hier kan weer opgemerkt worden, dat als ]/«„ geene bepaalde grenswaarde heeft, de reeks convergent zal zijn, als men

n

kan aantoonen, dat van af zekeren term yun steeds kleiner blijft

n

dan een getal ^d, en divergent als men weet dat ]/mh van af zekeren term steeds grooter blijft dan een getal ^gt;1. § 204. Als voor de reeks

U\\ » WW3 J • • • ï Wrt ) • • •

u n

zoowel quot;* als eene bepaalde limiet heeft, zoo vindt men voor

Un

deze heide limieten één zelfde waarde.

un , «

Zij Lim— = k en Lim ]/«„ = l, dan zal aangetoond worden,

Un

dat de onderstelling k niet gelijk aan l tot eene ongerijmdheid voert.

Beschouwen wij daartoe de reeks

u,x, u2x2, u3x3,... ,unxquot;,... (4)

waarvoor de limiet der verhouding van twee opeenvolgende termen geeft

Lim x ^±1 — lx

K

terwijl voor de limiet van den nien machtswortel uit den jiquot;1quot;1 term gevonden wordt

Lim x\']Sun = lx

Zgn nu k en l ongelijk, clan vindt men door x te kiezen tus-

schen en — eene reeks, die volgens een der in de beide voor-

/c L

gaande paragrafen besproken kenmerken convergent en volgens het andere kenmerk divergent moet zijn, wat klaarblijkelijk eene ongerijmdheid is.

Hieruit blijkt, dat het meestal niet noodig is de beide ken-

-ocr page 315-

301

merken toe te passen. Voert het eene kenmerk tot het twijfelachtige geval van /;= 1, zoo zal dit ook met het andere kenmerk het geval zijn. Voor sommige reeksen zal echter de toepassing van het eene, voor andere reeksen die van het andere kenmerk gemakkelijker zijn. Ook kan het voorkomen, dat het eene kenmerk tot geene bepaalde limiet leidt, terwijl dit wel het geval is bij toepassing van het andere kenmerk.

Door de beide kenmerken toe te passen op de harmonische reeks vindt men dat:

n

Lim 1/n = 1

TOEPASSINGEN.

1. Onderzoek de convergentie of divergentie der reeks

_L _L i_

1 22 33 quot; \' quot; \'

M 1

Antw. Men vindt Lim V u» = Lim — = 0, waaruit blykt dat de reeks

n

convergeert.

2. Onderzoek de convergentie of divergentie der reeks

a-\\- b 1 / 2« -t- è \\2 1 / na 4- b \\quot;

«\'H-ft\'\' 2 \\2a/H-6\'/ \' n\\na\' b\')

Antw. Men vindt Lim. **\' of gemakkelijker Lim Vii„ = —waaruit

Un a

volgt, dat de reeks convergeert voor a lt; a\' en divergeert voor « gt; a\', terwijl voor a = a\' de behandelde kenmerken voor de beslissing omtrent de convergentie onvoldoende zijn.

3. Doe hetzelfde voor de reeks, waarvan de term is

(2 cos njc)quot;

n

Antw. Hoewel niet tot eene bepaalde limiet nadert, kan men toch aantoonen, dat deze uitdrnkking steeds kleiner is dan een getal k lt; 1, vraarnit men tot de convergentie der reeks besluit.

4. Bepaal door achtereenvolgende toepassing van de beide kenmerken van i§ 202 en 203 op de reeks

1 r^ rii --- r2i7^ - ••

de waarde van Lim . 2 ...

Antw. Men vindt Lim ^ 1.2... n = »

-ocr page 316-

302

§ 205. Door vergelijking met de harmonische reeks kan men aantoonen, dat elke reeks, waarvoor

Lim 0

divergent is. Is toch

Lim nun = Tc

en dan zal, als k\' een getal is tusschen 0 en k, van af

zekeren term, dien men als eersten term der reeks kan beschouwen

n m„ gt; k\'

en dus de termen der reeks grooter zijn dan de overeenkomstige termen der reeks

V k\' k\'

T Y T ---

Deze laatste reeks verschilt van de harmonische reeks slechts in den factor k\' en is das divergent, waaruit volgens § 200 volgt, dat ook de beschouwde reeks divergeert.

Voor de convergentie eener reeks wordt dus vereischt, dat Lim nu,= 0. Men meene echter niet, dat het voldoen aan deze voorwaarde de convergentie der reeks in zich sluit. Er bestaan divergente reeksen, waarvoor Limnun — 0.

§ 206. De kenmerken voor het al of niet convergeeren eener reeks, die in de paragrafen 202 en 203 behandeld werden, bleken onvoldoende te zijn in het geval k gelijk aan de eenheid is, en

u**\' en ]/«, van den kleinen kant tot deze limiet naderen.

Voor deze gevallen zullen nu nog nadere kenmerken opgezocht worden.

Daartoe betoogen wij eerst de volgende stelling;

Indien elke term der reeks

yi y2 y* yi-\\-ys enz- (5)

kleiner dan de voorafgaande is, zal de daaruit afgeleide reeks

V, quot;f 2y, 8ys ens. (6)

tegelijk met de eerste convergeeren of divergeeren.

Onderstellen wjj namelijk de reeks (5) convergent, en noemen wij hare som S, dan zal, omdat blijkbaar

-ocr page 317-

303

4^4 lt; 2^3 2^

lt; 2^5 -f- 2ya -|-2y7 -|- 2ye e»2. enz.

is, de som der reeks (6) eene kleinere waarde hebben dan

#i -j- 2y2 -}- 2^3 -)- 2y4 -|- enz. = 2 lt;5quot;—y,,

waaruit terstond blijkt, dat de reeks (6) alsdan insgelijks convergent zal wezen.

Onderstellen wij in de tweede plaats de reeks (5) divergent, dan zal, omdat

22/Jgt;y2 j ys

4i\'4gt;y4 ?/5 y6-f y,

enz. enz.

is, de som der reeks (6) grooter worden dan die der reeks (5), en dus evenals deze divergeeren.

Men mag hieruit nu ook bij omkeering besluiten, dat de reeks (5) tegelijk met (6) convergent of divergent zal wezen.

Ook hier bedenke men, dat de reeksen alleen op den duur behoeven af te nemen, daar het bijv. onverschillig is voor de convergentie, of aan de eerste millioen ongelijkheden wel voldaan wordt.

Door middel van deze stelling kan men de convergentie onderzoeken van de reeks:

1 . 1 . 1

iquot; 2\'\' S7quot; ^ \'

waarbij Lim = 1 is, en waarvan de termen steeds afnemen.

Mn

Deze reeks zal nu tegelijk convergeeren en divergeeren met de reeks

l 2.^-l-4:-i? 8--i; • . .,

dat is met de meetkundige reeks

1 quot;lquot; 2?quot;1 4F-Ï gf-1 • • • gt;

waarvan de reden —is. Deze reden zal kleiner dan de eenheid zijn, als /)gt;1, en grooter dan de eenheid, als plt;l, en al-

-ocr page 318-

304

zoo zal voor alle waarden van gt; 1 ook de bovenstaande roeks convergent zijn en voor divergent. Zoo blijkt hieruit, dat

de reeksen

• • •gt;

2K2 3K3 4K4

14-—4- — 4- — 4-

22 32 I 42 I \'\'

convergent, en daarentegen de reeksen

1 i4-i -i - • •

1 KT quot;kT KT • • •

divergent zijn.

§ 207. Het is nu mogelijk, iets naders aan te wijzen voor het geval, dat de limietverhouding van twee opvolgende termen de eenheid is, en wel door de navolgende stelling te bewijzen: De reeks

waarvan de verhouding van twee opvolgende termen

_ 1 1 a»

terwijl Lim «an=£, zal convergeeren of divergeeren, al naardat k grooter of kleiner dan de eenheid is.

Aan de voorwaarde kgt;\\ zal zeker voldaan worden, als de limietverhouding van twee opvolgende termen kleiner dan de eenheid is. Immers dan zal an al meer en meer tot eene eindige waarde naderen, en wordt dus ««„ onbepaald groot. Het kenmerk wordt evenwel alleen gebruikt, als Lim a„ = 0 is, en er dus onzekerheid bestaat.

Onderstellen wij eerst dat lol.

Zij m een getal, begrepen tusschen 1 en k en dus gt;1. Nu zal men altijd aan n eene zoodanige waarde kunnen geven, dat vcor deze en hoogere waarden tot in het oneindige toe

1-fa. gt;(1-1-1)quot;

Met het oog op het geval, dat k tusschen 1 en 2 is gelegen, waarbij het niet mogelijk is voor m een geheel getal te kiezen,

-ocr page 319-

305

zullen wij eerst voor vi schrijven het quotiënt der geheele getal-

J)

len %) en q, dus m — —, waardoor bovenstaande ongelijkheid overgaat in

/ 1 \\^-

(l -.)gt;(l i)\'

of na ontwikkeling volgens het binomium van newton :

1 JLa g(g—1)g2 ...gt;i jP.l ^-1\\.l ...

1.2 »4 1.2

. . u

en na vermenigvuldiging met —

P , y(p—l) ^

lt;? ai. 2.5 ?i

««,. —j—g1-

Daar nn voor toenemende waarden van n het eerste lid tot h en het tweede tot m nadert, en k gt; m ondersteld is, zal steeds voor n eene waarde aan te wijzen zijn, te rekenen van welke aan do ongelijkheid

. «.=. (i i)quot;

voldaan wordt. Hieruit volgt 1

1 a«

of wel

Beschouwen wij, in verband met deze ongelijkheid, de reeks

1 . 1

(7),

— 4- — — .. 1 m \' 2quot;\' 3quot;\'

waarin de verhouding tusschen twee op elkander volgende termen

1

20

(^r

LOBATTü.

-ocr page 320-

306

on dus grooter dan in de voorgestelde reeks is. Nu is de reeks (7) convergent, uithoofde van m^gt;l. Ingevolge de in § 201 bewezen stelling, zal dus de voorgestelde reeks eveneens convergent moeten zijn.

Onderstellen wij in de tweede plaats

Lim na—k en £lt; 1.

Men kan dan op geheel overeenkomstige wijze aantoonen, dat als m wederom een getal tusschen 1 en /ó, en dus hier lt; 1 is, er eene waarde van n te vinden is, van welke af voldaan zal worden aan de ongelijkheid

of

U,

1 4quot; «n \'

M.

Hier zal dus de verhouding ten laatste overtreffen die van

«»

de overeenkomstige termen in de reeks (7). Daar echter thans ?nlt;l, en deze laatste reeks dus divergent is, zal ook de voorgestelde reeks divergent moeten zijn.

In het geval van lim, «a„=l zal men over het algemeen in onzekerheid verkeeren nopens de convergentie of divergentie der reeks. Is echter na steeds kleiner dan de limiet 1, zoo zal hieruit tot de divergentie der reeks mogen worden besloten. Want alsdan is

n n

n -|- Ka,. w -f- 1\'

of

1 1

n

De verhouding is derhalve grooter dan de verhouding

-, betrekking hebbende op de divergeerende reeks

H -J- 1

, , 1 , 1 , , 11 ,

1 2 3 --- Vquot;t~^fl -\'-

-ocr page 321-

307

waaruit volgt, dat de voorgestelde reeks eveneens eene divergeo-rende moet wezen. Het eenige onzekere geval, dat nog over blijft, is dat, waarbij na niet steeds kleiner dan de limiet 1 is.

Voor de beoordeeling van de convergentie in dit twijfelachtige geval, bestaan nog andere scherpere kenmerken, waarvan enkele in de volgende toepassingen te vinden zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Onderzoek de convergentie van de reeks

1.1 1.3.1 1.3.5. ^ 1.3.5...(2» —1). 1

2 3 2.4 5 2.4.C 7 quot;\'\' 2.4.6...2n 2» l quot;\'\'

Men vindt

k. 1 (2» l)3 _ 1

«„ (2« 2)(2» 3) 1 | 6» 5

(2M 1)2

Lim quot;**\' is dus 1, zoodat liet kenmerk van § 202 tot het twijfelachtige

Ua

geval voert. Past men nu het kenmerk van § 207 toe, dan vindt men 6ns 5« 0

««= ... k = Um na = —

in- in l i

zoodat, k gt; 1 zijnde, de reeks convergeert.

2. Onderzoek de convergentie van de reeks

, 1 , 1.3 , 1.3.5 , , 1.3.5 — (2« — 1) ,

| -4- •— -4- ■ — -4---[- . . . -4------ —f— , , .

2 2.4 2.4.6 2.4.0 ... 2«

Hier is

quot;.ti _.2H 1 1

»„ 2« 2 1 2« 1

Daar Lim = 1, zoo geeft het kenmerk van § 202 geen beslissing. Uit

Ha

nU = l^l\'

volgt verder dat de reeks divergeert.

3. Toon aan dat de reeks, waarvan «„ de algemeene terra is, terwijl

lquot;\'J —

T . _ ,

Lim--A

log n

convergeert, als 1, en divergeert, als A* K. 1. Voor k — 1 blijft de convergentie onbeslist.

Men vergelijke daartoe de beschouwde reeks met de reeks, waarvan —j-,

de algemeene term is, onder toepassing van de in § 200 bewezen stelling. Daarbij is k\' een getal tusschen 1 en k.

20*

-ocr page 322-

308

Dit kenmerk kan gebruikt worden als de kenmerken van §§ 202 en 203 niet beslissen. Hot voert tot dezelfde uitkomst als het kenmerk van § 207; men kan namelijk aantoonen, dat de grootheid, die daar door k werd aangewezen, dezelfde waarde heeft als die welke hier door k is voorgesteld.

i. Leid uit het voorgaande kenmerk af, dat als Lim nku* — P

waarin P eene eindige waarde heeft, de reeks convergent is als k gt; 1.

109 ^

Uit Lim h\'h. = P volgt namelijk Lim --= k.

log »

5. Toon aan, dat als

?(«)

quot;quot; fiquot;)

waarin ;.(«) en ƒ(») twee geheele functiën van n zijn, respectievelijk van (Jen ZJen en «fden graad, de reeks divergeert als lgt;_m — 1 en convergeert

als l lt; m — 1.

Men merke daartoe op, dat ais / gt; m—1, Lim min niet nul kan zijn en

de reeks dus divergeert (§ 205). Is daarentegen l lt; m — 1, dus m l gt; 1, zoo zal daar Lim eene eindige waarde heeft, volgens Toep. 4 de

reeks convergent zijn.

(!. Men toone aan, dat de reeksen

ÏT2 273 sTl \'\'\' h (« 1) \'

■i 5 6 w -h 3

1.2.3 2.3.4 3.4.5 \'\' quot; n(n 1) (« 2) convergent zijn, en dat de reeks

12 3 «

^ F 4=quot; --- (^TÏ^ - • •

divergent is.

7. Bewijs, dat als

«„ , _ 1 ng~2 . . .

hi 1 ha nV 2 . .

de reeks convergeert, als fti — «i gt; 1, en divergeert voor hi —(ti lt; 1. Men passé het in § 207 behandelde kenmerk toe.

S. Toon aan, dat de reeks

1 1

2 (log 2)1\' 3 (log 3)1\' 4 (log 4)\'\'

convergeert voor p gt; 1 en divergeert voor p lt; 1.

Door toepassing van de in § 200 gegeven stelling blijkt, dat de gegeven reeks tegelijk convergeert en divergeert met de reeks

1 1 1 ,

r .. ■ • •

(log 2)? (log 4)\'\' (log 8)\'\'

waarbij wat steeds veroorloofd is ^ als tweede term is beschouwd.

J 2 (log 2)1

-ocr page 323-

309

Door deze laatste reeks met {log 2)\'\' te vermenigvuldigen vindt men de reeks

J_ JL Jl

IP 2P ^ \' \' \'

waaruit in verband met § 206 het gestelde gemakkelijk volgt.

9. Voeren de kenmerken van § 207 en van Toep. 3 tot het twijfelachtige geval, zoo kan men soms van het volgende kenmerk partij trekken.

Is

log--

Lim-= h

log . log . n

zoo zal de reeks convergeeren voor kgt;l, en divergeeren voor h lt; 1. Men vraagt het bewijs.

Men vergelijke daartoe de beschouwde reeks met die waarvan in Toep. 8 de convergentie of divergentie werd onderzocht.

10. Onderzoek of de reeks 1

2K2

11 1

1 t—I ~i--^--h ... H---— .

3K3 nfn

convergeert.

1

log —

Men heeft hier Lim ------— = 1. zoodat het kenmerk van Toep. 3 en ook

log n

dat van § 207 tot het twijfelachtige geval voert. Past men nu toe het kenmerk van Toep. 9, zoo vindt men

loq ——

««„

Lim -= 0

log . log . n

waaruit de divergentie der reeks blijkt.

Voor het geval, dat ook dit kenmerk geen beslissing geeft, kan men nog scherpere kenmerken opstellen, die echter slechts zelden van toepassing zijn.

11. Een convergentiekenmerk van zeer algemeen karakter is het volgende. Zij s(«) eene functie van n, die voor elke waarde van « positief is, en

Lim | ■- («) —---\'fi» 1) J = l-

( quot;« i \'

dan zal de reeks, waarvan urK de algemeene term is, convergeeren als h gt; 0.

Men vraagt het bewijs.

12. Wat wordt er van het voorgaande kenmerk, als men s(«)=l neemt, en wat voor =

§ 208. In het voorgaande is steeds ondersteld, dat alle termen der reeks positief zijn. Beschouwen wij nu reeksen, waarvan de termen voor een deel het positieve, voor een ander deel het negatieve teeken bezitten, en toonen wij vooreerst aan:

Eene reeks met positieve en negatieve termen is convergent, als de reeks, die men verkrijgt door aan alle termen het positieve iecken te geven, convergeert.

-ocr page 324-

310

Men kan zich namelijk de gegeven reeks gesplitst denken in twee reeksen, waarvan de eene uit de positieve, de andere uit de negatieve termen bestaat. Deze beide reeksen zijn convergent, daar anders de reeks verkregen door aan alle termen het positieve teeken te geven niet convergent kan zijn. Beschouwt men nu de som van n termen der gegeven reeks, zoo bestaat deze uit de som van k positieve termen en uit de som van l negatieve termen. Neemt men n grooter en grooter, dus ook ft en l, zoo nadert elk dezer laatste sommen tot eene eindige limiet, de som van n termen der gegeven reeks dus tot het verschil dezer limieten. Deze reeks is dus convergent.

Het omgekeerde van de hier bewezen stelling is niet juist; eene convergente reeks met positieve en negatieve termen kan divergent worden, als men aan alle termen het positieve teeken geeft. Zoo is bijv. de reeks

convergent, terwijl de reeks

1-4 l r l --- (9)

zooals wij reeds weten divergeert.

Dat de reeks (8) convergent is, volgt onmiddellijk uit de volgende stelling:

Eene reeks, waarvan de termen afivisselend positief en negatief zijn, is convergent als de getallenwaarde van eiken term kleiner is dan die van den voorafgaanden, en bovendien

Lim k, = 0.

Stelt men namelijk de reeks voor door

u, — —quot;4 «5—• • •

zoo kan deze op de twee volgende wijzen geschreven worden:

m, — 02 — u3)—{u4 — us) — («aut) — • • • (M, — m.J -f («3—«4)-H«s—«») • • •

waarbij de uitdrukkingen tusschen haakjes allen positief zijn.

Hieruit blijkt, dat de som van een even aantal termen dei-reeks voortdurend grooter wordt en grooter is dan «, — u2, cn dat de som van een oneven aantal termen voortdurend afneemt en kleiner is dan Nu is

-ocr page 325-

311

^2« 1 2 it — wai i

en, daar Lim ?;2, , = 0,

Lim K. i —\'^»] = 0

waaruit blijkt, dat de som van een oneven aantal termen en de som van een even aantal termen eenzelfde limiet hebben, gelegen tusschen w, — m2 en «,, en de reeks dus convergent is.

Ook hier is het weer voldoende als aan de voorwaarde, dat de getallenwaarde der termen moet afnemen, slechts op den duin-voldaan wordt. Voldoen de termen, die aan een zekeren term uk voorafgaan, niet aan deze voorwaarde zoo kan men deze buiten beschouwing laten, en de reeks met % doen aanvangen, wat op het al of niet convergeeren der reeks geen invloed heeft.

§ 209. Reeksen met positieve en negatieve termen treden op, als men reeksen beschouwt van den vorm

a-o axx -f -f . . , fln.rn -f . . .

geordend naar de opklimmende machten van eene grootheid x, waarvan dus de (?i -f- l)de term hot product is van eene constante (in met de »de macht van x. Zoekt men eerst de limietverhouding der coëfficiënten, en zij

Lim = k,

ö»

dan zal kx de limiet verhouding zijn van twee opeenvolgende termen der gegeven reeks, en volgens het kenmerk van § 202 de reeks convergent zijn voor alle waarden van x tusschen

— 1- en —, en divergent voor alle waarden van x grooter dan -k k k

of kleiner dan — —. Dat de reeks convergeert voor eene waarde k

van x tusschen — en 0, blijkt onmiddellijk door op te merken,

tc

dat de reeks, die men vindt door aan alle termen het positieve teeken te geven, convergent is, terwijl de divergentie voor eene

waarde van x kleiner dan--— duidelijk wordt, als men bedenkt

dat voor zulk eene waarde niet voldaan wordt aan de voorwaarde Lim un = 0, die ook bij reeksen met afwisselende teekens eene nood-zakelijke voorwaarde voor de convergentie is. Stelt men voor x

-ocr page 326-

312

--—of -j- —, zoo leidt het kenmerk van § 202 tot het twijfel-

fij K

achtige geval, en moet men de convergentie onderzoeken door gebruik te maken van een der scherpere kenmerken, in § 207 en in Toep. 3, blz. 307 behandeld.

Is h = 0, zoo is de reeks voor alle waarden van x convergent. Beschouwt men bijv. de reeks

1 T T^ T^3 -\'- l.2...n - • ■

Hier is

_ 1

k = Lim — Lim —;—- = 0 a» n 1

zoodat de reeks voor alle waarden van x convergent is. Daar geene reeks convergent zijn kan, tenzij de achtereenvolgende termen meer en meer tot nul naderen, zoo blijkt hieruit tevens dat

xn

voor elke eindige waarde van x de breuk -—--, voor n = oc ,

1.2...«

nul tot limiet heeft.

TOEPASSINGEN.

1. Men vraagt te onderzoeken voor welke waarden van x de reeks

l 2x 3x2 ix\' ... (« !):*•■\'-t-enz.

convergeert.

Antw. Men vindt k—Lim 1 = Lim quot; ^ = 1, zoodat de reeks a, « 1

convergent is voor waarden van x tusschen —1 en 1, divergent voor alle overige. Het valt onmiddellijk in het oog, dat voor de grenswaarden 1 en —1 de reeks divergeert.

2. Doe hetzelfde voor de reeks

x2 x2 xquot;

» - ...-1--- . . .

2 3 n

Antw. De reeks convergeert voor —llt;a;lt; l en divergeert voor x lt;—1 en voor »gt; 1. Voor de grenswaarde 1 is zij divergent, voor de grenswaarde —1 convergent.

3. Onderzoek de convergentie of divergentie der reeks

x i _2x2 | 3xs i nxquot;

VTS\' 3s. 52 52. 7= \'-quot; (2« —1)!!(2» l)3 \' * quot;

. . „ . ,, , r, «„ i T. (« 1)(2«—l)2

Antw. Men vindtamp; = —Lim---——=l.Dereekö

n(2w-H3)a

-ocr page 327-

313

is dus convergent voor alle waarden van x tussehen —1 en 1, divergent voor alle waarden van x grooter dan 1 of kleiner dan —1. Voor de grenswaarden 1 en —1 is de reeks convergent, zie Toep. 5, blz. 308.

4. Doe hetzelfde voor de reeks

5a;3 25a:3 125j~4 5quot;quot; l.rquot;

x — —— ——--h . . . H-----H . . .

4 9 16 n-

Antw. Men vindt k=5, zoodat de reeks convergeert voor — J, lt; -e lt; -i- \', en divergeert voor .r gt; t en voor .r lt;—Zij convergeert voor de beide grenswaarden en —i, verg. § 206.

§ 210. Het is van belang op te merken, dat men zeer voorzichtig moet zijn bij het uitvoeren zelfs van eenvoudige herleidingen, die men reeksen doet ondergaan. Zoo kan men bijv. aantoo-nen, dat wanneer eene reeks convergent is, maar dit niet blijft als men alle termen het positieve teeken geeft, eene verplaatsing der termen invloed op de som zal kunnen hebben. Stel bijv. de reeks

1 — i i — i ■ i — i 4- • • • gt;

die, volgens de voorgaande paragraaf, convergent is. Verplaatst men de termen zoodanig, dat telkens twee positieve termen gevolgd worden door een negatieven, en dus de reeks:

— i i l — \'è • • •gt;

ontstaat, zoo zal de laatste reeks eene andere som hebben dan de eerste. Zij, om dit aan te toonen

^=1—i-M—

de som van 2« termen der eerste reeks, zoo zal de rij termen

i • - 4^3 ^111—4

gelijk zijn aan

^\'\' 2» l 2» 8~,~ * quot; • 47^1\'

waar S.ia gevolgd wordt door nog n termen, die allen grooter zijn dan de laatste en dus te zamen grooter dan

ii 1 4h —1 = 4_J_\'

n

-ocr page 328-

314

welke uitdrukking, bij groote waarde van n, zeer weinig van { verschillen zal. Het blijkt dus dat de tweede reeks meer dan ^ grooter zal zijn dan de eerste, en de beide reeksen dus niet dezelfde som hebben. Men kan aantoonen, dat de som der tweede reeks 1^ maal de som der eerste reeks zijn zal.

§ 211. Als eene convergeerende reeks alleen uit positieve termen bestaat, zal eene verplaatsing der termen op de som niet van invloed zijn. Want neemt men de som van n termen der eene reeks, die door s„ moge worden voorgesteld, zoo zal men, door een genoegzaam aantal termen van de andere reeks te nemen, kunnen zorgen, dat daaronder de n termen der eerste reeks allen voorkomen. Heeft men daartoe p termen der tweede reeks en noemt men de som dezer termen s\',,, zoo zal, omdat alle termen positief zijn,

s\'ygt;Sn-

Maar nu kan men ook nog zoo veel termen der eerste reeks beschouwen, dat onder deze de p termen der tweede reeks allen voorkomen. Zoo men daartoe q termen der eerste reeks noodig heeft, zal weer

on dus ook

Sy ^ S JJ gt; S^ ,

en daar

Lim s„ = Lim = s is, volgt uit deze beide ongelijkheden;

lm s\'p — s,

waarmede het gestelde bewezen is.

Bestaat de convergente reeks uit positieve en negatieve termen, maar is deze ook convergent, als men alle termen positief neemt, zoodat de positieve en negatieve termen, elk afzonderlijk, convergeerende reeksen uitmaken, zoo kan men op dezelfde wijze aantoonen, dat eene verplaatsing der termen geen invloed heeft op de som. Men heeft dan alleen in het bewijs de som der positieve en de som der negatieve termen, die in een aantal van w termen voorkomen, afzonderlijk te noemen.

Uit de gegeven bewijsvoering blijkt, dat men alleen verplaatsingen op het oog heeft, waarbij, als men in de nieuwe reeks slechts een genoegzaam aantal termen neemt, elke aan te wijzen

-ocr page 329-

315

term van de eerste reeks voor kan komen. Nam men eerst de oneven termen, om daarna de even termen te laten volgen, zoo zou men, door het oneindig voortloopen der reeks, nimmer een dei-even termen opschrijven, en zou de stelling niet doorgaan.

§ 212. Sommen en verschillen van convergeerende reeksen zijn zelf convergent. Geeft men namelijk door s en s\' aan de sommen der convergente reeksen

S = M, W* M3 • • • O»)

«\' = », vï ®3 • • • O1)

en door squot; de som der reeks

«quot;= (\'lt;l -t-t\'i) quot;1- (quot;2 -f- quot;lquot; (quot;3 vl) 4quot; • • • (12)

dan heeft men

«» =«1 % ••• K»

s\'» = «\'i »2 - • •

waaruit

= («1 quot;l) 4quot; (Wi 4- quot;ï) ■ • • • 4quot; (quot;n ~t~ Vn) = S* quot;I- S\'» I en zoo men n onbepaald laat toenemen, zal

s\' = Lim 4nquot; = Lim (sn -j- = s-\\-s\' zijn.

Hieruit blijkt tevens dat de som van reeks (12) gevonden wordt door de sommen der reeksen (10) en (11) bij elkaar op te tellen. Op gelijke wijze toont men aan, dat als men de overeenkomstige termen van twee convergente reeksen van elkaar aftrekt, ook de nieuwe reeks convergent is, en de som dezer reeks het verschil is van de sommen der beide oorspronkelijke reeksen.

§ 218. Als twee reeksen geordend zijn naar de opMimmende machten van een zelfde letter x, zal het product dezer reeksen, mar de machten van deze zelfde letter geordend, eene reeks geven, die convergent is voor alle waarden van x, icaarvoor de twee gegeven reeksen convergent zijn, zonder op de teekens der termen te letten. En de som der verkregen reeks zal gelijk zijn aan het product van de sommen dei-gegeven reeksen.

Denkt men zich ten eerste twee reeksen:

. . .

s\' = b0-\\-llx . . .

met alleen positieve termen, en zij de reeks uit de vermenigvuldiging dezer beide afgeleid:

-ocr page 330-

316

squot; = C0 -|- -)- c^x1 .

dan zullen bij vermenigvuldiging van .s„ , met .s\'n 1 alle gedeeltelijke producten begrepen zijn in de eerste 2n-\\-l termen der derde reeks. Deze termen bevatten bovendien producten, die niet begrepen zijn in het produet s„ 1. s\'l, 1. En daar alle termen positief zijn, heeft men dus de ongelijkheid

Neemt men nu echter het product van 2n -)-1 termen dei-eerste reeks en 2« -|-1 termen der tweede, zoo zal dit product, behalve alle termen, die in squot;2n , voorkomen, er nog een aantal bevatten, die, allen positief zjjnde, aanleiding geven tot de ongelijkheid

S2rt I • 5 2 1 ^ 5 2Jt l »

zoodat

S2ii I • 5 2 1 gt; 5 2« 1 gt; S,i 1 • S n I IS.

Voor de positieve waarden van x, waarvoor de beide gegeven reeksen convergent zijn, en dus

lira s„ 1 = Lira s2 1 =s,

Lim .s\'n | = Lim .s\'2, 1 = x\'

volgt uit deze ongelijkheden:

Lim squot;2 ,=s . s\',

en is dus het gestelde bewezen.

Bevatten de twee gegeven reeksen ook negatieve termen, hetzij in de coëfficiënten, hetzij door substitutie van negatieve waarden van x, zoo zal men, na in het laatste geval eerst x door — x vervangen te hebben, de positieve en negatieve termen in elk der beide reeksen afzonderlijk kunnen nemen. Zoo deze dan op zich zelf convergent zijn, en men elk der beide reeksen, waarvan het verschil de eerste reeks vormt, met elk dei-beide reeksen, waarvan het verschil de tweede gegeven reeks vormt, vermenigvuldigt, dat nu volgens het reeds bewezene geoorloofd is, zoo zal de vereeniging der vier reeksen, met behoorlijke teekens, juist de reeks voor den dag brengen, waarvan de convergentie onderzocht moet worden, en waardoor de stelling, in het begin dezer § genoemd, ook voor dit geval bewezen is.

Het noodig het is, deze stelling aan te toonen, kan weer door een voorbeeld blijken. De reeks

-ocr page 331-

317

1-----j—-------(_

1/2 1/3 1/4

is o.a. convergent voor x= 1. Neemt men nu het kwadraat dezer reeks, zoo verkrijgt men eene reeks met afwisselende termen, waarvan de coëfficiënt van xquot;, op het teeken na, zijn zal:

1 1 1 , , 1

1/0 1) ■ 1/(2.«) l/[3(ra—1)] 1/[pin 2—P)\\

1

^1/0 1)\'

en dus bestaat uit «-f-l termen. Daar nu de meetkundig middelevenredige van de getallen p en n -)- 2—p gelijk of kleiner dan de rekenkundig middelevenredige is, zal

V [pin 2 —p)\\ ~ ^1-2

en derhalve elk der termen

1 _ 2

!/[gt;(«-f-2 —p)] gt; n 2quot;

Derhalve is de coëfficiënt van xquot; grooter dan

o Hl1 *« 2\'

Deze coëfficiënt is dus in alle gevallen grooter dan de eenheid, en derhalve is de nieuwe reeks voor a-=l divergent, zoodat het kwadraat van eene convergeerende reeks eene divergeerende kan opleveren. Maar de gekozen reeks, die convergent is voor x—1, blijft dit niet, als men alle teekens positief neemt.

§ 214. Het begrip van convergentie en divergentie is tevens vatbaar om tot zoodanige reeksen te worden uitgestrekt, wier termen den complexen vorm p -f- q]/ — 1 aannemen. Zij bijv. de oneindige reeks

;\'o qaV—1, Pi y.V\'—l, p*-f qM—i, • . . (13) waarvan de som van n termen kan voorgesteld worden door

= (i:gt;o Pi -]rPi ••• ^,1) (?o ?i ?2 -f- ?„)1/— 1.

Is nu elk der beide reeksen

Po ^1 ^2 -|- • • • (14)

5\'O 9I ?2 4_\' • • (15)

-ocr page 332-

318

convergent, dan nadert, voor toenemende waarden van n, pa -f- p, ... -|-pn tot eene grenswaarde s en ?o 9i ••• lt;?» tot eene grenswaarde s\', en heeft men dus

Lim Sn = s -j—s\' ]/—1

waarin s en s\' de sommen der reeksen (14) en (15) voorstellen. In dit geval wordt ook de reeks (13) gezegd convergent te zijn, en heet s s\' y— 1 de som dezer reeks. Is een der beide reeksen (14) en (15) divergent, dan heet ook reeks (13) divergent. Schrijft men voor -(- 5]/ — 1 = ^ (cosy j/— 1 sin lt;p), waarin

^ = ]/(;;2 -j- lt;■[\') de modulus en = BT/j^- het argument der complexe uitdrukking heet, en dus voor de reeks (13):

q0{cos lt;p„ V 1 sin fo), q,{cos -f- V— 1 sin lt;p,),

Qi{cos lt;p2-{-V—1 sin . . .

dan gaan de reeksen (14) en (15) over in:

go cosfo e, cos 9», e2 cos . . .

Qo sin lt;f0 -j- O, sin lt;p, o, sin . . .

Beschouwen wij bovendien de reeks

00 02 4- • • •

die door de modulen wordt gevormd.

Als deze laatste reeks convergeert, dan zullen ook de reeksen (14\') en (15\'), en dus ook de reeks (13\') convergent zijn. De volstrekte waarden der termen van de reeken (14\') en (15\') zijn toch kleiner dan die der overeenkomstige termen in reeks (16), terwijl volgens § 208 de negatieve teekens, die sommige termen der reeksen (14\') en (15\') kunnen verkrijgen, aan de convergentie dezer reeksen geen afbreuk kunnen doen. Derhalve;

Eene reeks, die uit complexe termen bestaat, is zeker convergent, ah de reeks, gevormd door de modulen der termen, convergeert.

Men mag echter deze stelling niet omkeeren. Het is namelijk mogelijk, dat de reeks der modulen divergeert, terwijl toch de reeksen (14\') en (15\') en dus ook de reeks (13\') convergent zijn. Voor de convergentie van de reeks (13\') is dus de convergentie van de reeks (16) wel voldoende, maar niet nooodig.

Men kan echter aantoonen, dat de reeks (13\') niet kan conver-geeren tenzij Lim q,, = 0. Is toch Lim £)„ niet nul, dan zullen de nA* termen van de reeksen (14\') en (15\') niet beide tot nul

(13\')

(14\') (15\')

(16)

-ocr page 333-

319

kunnen naderen, hetgeen voor de convergentie dezer reeksen, en dus ook voor de convergentie der reeks (13\'), eene noodzakelijke voorwaarde is.

Hieruit volgt tevens, dat de reeks (13\') zal divergeeren als Lim —1, daar toch in dit geval Lim g, niet nul kan zijn.

Uit de convergentie van de reeks (13\') mag men dus niet besluiten tot de convergentie van de reeks (16), maar wel tot Lim 1.

Qn

§ 215. Als de reeks

«o -j-a„a-quot;-j-• • . (17)

tvaarin a0, «,, enz. reëele maar ook complexe getallen hunnen voorstellen, convergeert voor x = r (cos a -j- — 1 Si\'M a)gt; ^a/i convergeert zij eveneens voor elke waarde van x, waarvan de modulus r\' kleiner dan r is.

Zij tn de modulus van a„, dan is volgens de formule van de moivre tj-n de modulus van a„xquot;, en wordt de reeks der modulen

\'o \'i\'quot; t2r\'i O\'quot; • • • (18)

Daar volgens onderstelling de reeks (17) voor x = r(cosa-\\-V-i sin a) convergeert, zoo zal, volgens de opmerking aan het einde der voorgaande paragraaf, de verhouding van twee opeenvolgende termen in de reeks (18) naderen tot eene limiet, die gelijk of kleiner dan de eenheid is, dus:

Lim —— ?• 1 tn -

Geeft men nu aan x eene waarde r\'(cos o\'-|-]/quot; 1 sin «\'), waarvan de modulus r\' kleiner dan r is, zoo gaat de rij der modulen over in

-^r • • •(19)

De convergentie van deze reeks kan nu gemakkelijk aangetoond worden. Men vindt n.1. voor de limiet der verhouding van twee opvolgende termen

Lim —— r\' — —■. Lim 1 r K r tH

^

Hierin is Lim r ^ 1 en — volgens onderstelling lt; 1, zoodat

r

-ocr page 334-

320

Lim r\' lt; 1 K

waaruit, volgens § 202, de convergentie van reeks (19) volgt en volgens de in de voorgaande paragraaf bewezen stelling tevens de convergentie der reeks, die men vindt door in (1 T)x~r\' {cos a\' 4-v—i sin a\') te nemen, hetgeen te bewijzen was.

Uit het voorgaande laat zich onmiddellijk afleiden, dat als de reeks (17) voor eene waarde van x, waarvan r de modulus is, divergeert, zij ook divergent zal zijn voor elke waarde van x, waarvan de modulus r\' grooter dan r is. Was toch deze laatste reeks convergent, dan zou volgens de zoo juist bewezen stelling ook de eerste reeks convergeeren.

Hieruit blijkt, dat er voor de modulus eene grenswaarde R bestaat, zoodanig dat de reeks convergeert voor elke waarde van x, waarvan de modulus kleiner, en divergeert voor elke waarde van x, waarvan de moditlus grooter dan R is.

Stelt men elke waarde van x = r (cos « -j- ]/ — 1 sin a) door een punt voor (men zie het Aanhangsel), waarvan de coördinaten ten opzichte van twee loodrechte assen zijn r cos a en r sin a, dan convergeert dus de reeks voor alle waarden van x overeenkomende met punten gelegen binnen den cirkel, die den oorsprong van coördinaten tot middelpunt en R tot straal heeft, en divergeert zij voor alle waarden van x overeenkomende met punten, die buiten dezen cirkel liggen. Deze cirkel heet daarom de cou-vergentiecirkel en R de convergentiestraal der reeks. Voor waarden van x overeenkomende met punten, die in den convergentiecirkel liggen, blijft de convergentie der reeks nog onbepaald.

Om den convergentiestraal te bepalen, kan men volstaan met aan x bestaanbare waarden te geven; vindt men dan voor de grenzen, waartusschen de reeks convergeert — k en -j- 1c, dan is 1c de convergentiestraal.

Het kan voorkomen, dat de convergentiestraal eener reeks nul is, in welk geval zij voor elke waarde van x, die van nul verschilt, divergeert, welk geval zich voordoet bij de reeks

1 -|-ar-|~ 1 . 2x2 1 . 2 . 3^ 1.2.3. 4*4 enz. Verkrijgt de convergentiestraal eene oneindig groote waarde, dan convergeert daarentegen de reeks voor elke eindige waarde van x, waarvan tot voorbeeld strekke de reeks

1 t 1^ enz-

-ocr page 335-

321

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal den convergentiestraal voor de reeks

x x* x*

1 — — — ...

a a2

(i

die men vindt bij ontwikkeling van -, waarin a een complex getal ondersteld is.

Antw. De convergentiestraal is de modulus van a.

2. Toon aan

1 -h r cos oc -h r2 cos 2 a -I- r3 cos 3 a .

r sin oc r2 sin 2 a r3 sin 3 a 4- .

waarin r lt; 1 ondersteld wordt. Men neme in

a x x* x3

— 1 ---\'--Tquot;!--3~ • • •

a—x a a2 a3

a = 1 en x—r {cos a 4- K—1 sm a) en stelle de bestaanbare en de onbestaanbare deelen der beide leden aan elkaar gelijk.

DRIE EN TWINTIGSTE LES,

OVER DE quot;WEDERKEERIGE REEKSEN.

§ 216. Onder wederkeerige reeksen verstaat men oneindig voortloopende reeksen, welker termen naar de opklimmende of afdalende machten eener veranderlijke grootheid x gerangschikt zijn, en waarvan de getallen-coëfficiënten zoodanig van elkander afhangen, dat elke coëfficiënt, die na den OTden komt, gelijk is aan de som der m voorafgaande coëfficiënten, elk met een standvastig positief of negatief getal vermenigvuldigd, zoodat, als den coëfficiënt van x* voorstelt, m-\\-l opvolgende coëfficiënten aan elkander verbonden zijn door de eerste-machtsvergelijking

J2an_2-\\- . . . Jman_m = 0,

of

an—2han-l -\\-• • • -\\-pma*-m,

LOBATTO. 21

1 — 2 r cos oc 4- gt;,a

r sin oc 1 — 2 r cos oc r2

-ocr page 336-

322

waarin

De getallenrij

i\'l. ?2. Vz ■ • -Pm wordt alsdan de letrekldngsschaal der reeks genoemd, waarbij deze getallen zoowel geheele als gebroken waarden kunnen hebben. Tot voorbeeld eener wederkeerige reeks strekke de reeks

2 3a;-t-7a;2-f 13a:3 27a;4-j-53.r5 . .

waarin = -f-2a„_2, als zijnde

7 = 3 2.2, 13 = 7 2.3, 27 = 18 2.7. . .

Hier wordt dus de betrekkingsscbaal voorgesteld door de getallen

1, 2.

Elke meetkundige reeks

p vx Yx* YxZJr\' \' \'

zal, ingevolge de voorgaande bepaling, tot de wederkeerige reeksen behooren, aangezien

= of a„ = —a,.,,

V

zoodat de breuk — hier tot betrekkingsscbaal dient. Met elke P

reeks van den vorm

p ip qy ip fy)** • ■ •.

waarin de coëfficiënten volgens eene rekenkundige reeks opklimmen, is zulks insgelijks het geval. Men heeft hier

—2a1,_1 a„_2 = 0.

Indien de schaal uit m getallen bestaat, worden er even zoo veel termen der reeks gevorderd, om den coëfficiënt van eonen willekeurigen term te berekenen. Men noemt de reeks alsdan eene wederkeerige reeks van de mie orde. Door het aannemen van m willekeurige getallen ce,, «2. . . am _, als coëfficiënten der m eerste termen, kan men zoo veel wederkeerige reeksen

-ocr page 337-

323

als men verlangt verkrijgen, die alle dezelfde betrekkingssehaal hebben. Zulks is bijv. het geval met de reeksen

1 3®-f 4a:2 4-3^-1- 6a;4 19a;5-f . . . 2-|-5a; 7a;2 7a;3 13a;4-|-33a;s-f . .

die elk tot betrekkingssehaal hebben de getallen

2, —3, 4,

vermits in beide reeksen an = 2a„_1 — 3a„_2-f-4rtB_3 is.

§ 217. De wederkeerige reeksen bezitten de eigenschap, dat zij ontstaan uit de ontwikkeling van eenig gebroken van den vorm

a0~f-«ia; -{-«gar\'-f- ... -j-g^a^

- / -|- j x —yi^ xquot; —Amxm

in eene oneindig voortloopende reeks, mits hierin p lt; ?« zij. Het gebroken zelf wordt alsdan de voortlrengende hreiik genoemd.

De waarheid dezer stelling zal door de navolgende voorbeelden buiten allen twijfel gesteld worden.

Men beschouwe in de eerste plaats de breuk

r -\\-sx AAiX

De deeling van den teller door den noemer op de gewone wijze verrichtende, zal men tot quotiënt bekomen eene reeks van den vorm

«o ai« «2a;2 UzX* -f- . . .,

welke de voortbrengende breuk tot som of limiet zal hebben, indien men x tusschen de grenzen neemt, binnen welke de reeks convergent blijft. De coëfficiënten a0, a,, a2, . . . laten zich, in plaats van door werkelijke deeling, gemakkelijker aldus bepalen.

Men vermenigvuldige het bovenstaande quotiënt met den noemer der gegeven breuk, dan zal het product, omdat men alleen de reeksen beschouwt, als zij convergent zijn, en dus de rest der deeling nul tot limiet heeft en verwaarloosd mag worden, noodzakelijk den teller opleveren. Hieruit ontstaat dus de vergelijking:

(ao -{- «i a\' -f- a;2 -j- . . .) {A -J— A, x -j- A^x3) S r -{- sx,

welke, na rangschikking der termen, verandert in;

21*

-ocr page 338-

324

Aaa — r -\\- (Aiaa-\\- Anx — •?) ^ 4quot; (^2quot;0 Aa2)x2 -)-

(Azd, Ata2-\\- Aa3)x3 (A2a2 Ata3 Aajxt-r ... = 0. (1)

Nu kan in het algemeen aan de vergelijking

P P,* iV P3*3-1-• • • = 0,

waarvan het eerste lid uit een bepaald of uit een onbepaald groot aantal termen bestaat, niet voor alle waarden van x voldaan worden, tenzij men heeft P=0, P, = 0, P2= 0, enz. Immers voor 2 = 0 heeft men terstond P=0, en de vergelijking wordt alsdan, na door x gedeeld te zijn:

Pi4-P2a; P3a;3 . . .^o,

waaruit, door x zeer klein te denken, op gelijke wijze afgeleid wordt:

Pj = 0, en eveneens P. = 0, P3 = 0 enz.

Op dien grond geeft ons de vergelijking (1) terstond de betrekkingen

Aaa — r— 0, dus

, . „ f s—A%

Aia0-\\-Aa^ — s = 0, of ai =--,

Acii Alal-\\- A2a0 = 0,

Aa$ —|— Ai0*2 quot;f- A^ciy = 0,

Ac/j -|— A, j -|— A2ci2 = 0,

en in het algemeen

■Aan -j- Alan_x -)- A2an_2 = 0,

waaruit blijkt dat de reeks, welke het quotiënt voorstelt, eene wederkeerige reeks is, en de betrekkingsschaal hier gevormd wordt door de twee getallen

-^2

A \'

Om dit door een voorbeeld in getallen nog nader toe te lichten, zij het te ontwikkelen gebroken

1 —x

1 — 3a; — 2a;2\'

Hier is r=l, s = — 1, voorts A=l, Ax=^ — 3 en ^ = — 2, waardoor men voor de coëfficiënten der beide eerste termen vindt:

-ocr page 339-

325

00=1. 0, = — 1 quot;I-3 — 2,

en voor de betrekkingsschaal:

3, -\\-2,

zijnde

—3an_, —2a._2=0,

of

an = 3an-l quot;tquot; 2a„_2,

waaruit men vindt

Ö2=8, 03 = 28, a4=100, a5 = 856 . . .

De wederkeerige reeks door het gegeven gebroken voortgebracht, is alzoo;

1 -j- 2# -{- Sa;2 28^3 -j- 100a;4 -j- 356ii,s ■ • • § 218. Nemen wij in de tweede plaats de breuk

r-]- sx -\\- tx*

A -|- A^x -)- A^x1 A^\'

Stelt men wederom voor het quotiënt de reeks aa —|— d^x —j—

dan ontstaat, na vermenigvuldiging met den noemer der breuk, de vergelijking:

\\ A a \\ ^2\'3\'0 ] ^ )

Aa° I Aa, . ir Af\' . ^ Af\' L3 Af* .*lt; ... = O, -r J 1 ~fquot; ö2 l •^■\\a2 1 quot;h 1

—quot;i ) --j- A a^} -f- A ci^J

waaruit, op gelijke wijze als in het vorige voorbeeld, de navolgende betrekkingen afgeleid worden:

Aa0 = r, Aax -j- Axa0 ~ s, Aa.l -f- Atat A2a0 = t, Aaz -(- Alaï -j- A^a, -)- A-iaQ = O, Aa^ A-|— A./i-j- A/i, = O,

em.

Te rekenen alzoo van den vierden term, is elke coëfficiënt a„ met de drie voorafgaande verbonden door de vergelijking:

Aa, A2an_2-]- A3an^ = 0.

-ocr page 340-

326

De getallonrij

«V V3 • • •

vormt derhalve eene wederkeerige reeks, hebbende tot betrek-kingsschaal:

— — ^2 ^3

A \' A \' 2 quot;

Nemen wij als voorbeeld de breuk

6 _ 3x 2 a:2 2 _ 5a: -f x2 — 3a:3

waar gt;• =6, s= — 3, t=2, A=2, A, = — 5, ^.2=1 en^3=—3.

Bepaalt men de coëfficiënten der drie eerste termen met behulp der vergelijkingen

Aa0=r, Aax-\\- Axaaz=s en Aa^-\\- A^ax-\\- A^ü0 = t

dan wordt gevonden

o0 = 3, o, = 6 en a,, = ,

terwijl de volgende coëfficiënten berekend worden met behulp der betrekking

2quot;„ —Sa»., a„_2—3aH_3 = 0

of

— f®»_l -\\an-ï quot;f- ïö«_3

waarbij de getallen

i\' — f

de betrekkingsschaal vormen. Aldus vindt men voor de gezochte reeksontwikkeling

6 — 3a- 4- 2 a;2

2_5a; ^-3^-3 ^ 2^ \'t^3 7-|V . . .

De wijze waarop in deze en in de voorgaande paragraaf de coëfficiënten a zijn bepaald, wordt wel de leerwijze der onbepaalde coëfficiënten genoemd.

Beschouwt men nu eene breuk, waarvan de noemer eene ge-heele, rationale functie van den »«del1 graad is:

A -f- A^x -|- A^x1 . . . -\\-Am xm,

zoo wordt op overeenkomstige wijze gevonden, dat de reeks, welke

-ocr page 341-

327

uit de ontwikkeling van dit gebroken ontstaat, eene wederkee-rige reeks van de orde zal zijn, waarvan m-\\-\\ opeenvolgende coëfficiënten voldoen aan de betrekking

quot;tquot; ^2an_a quot;1quot; • • • ^mnn-m=-ü

en die dus tot betrekkingsschaal heeft de getallen

___ ^2 _ -dm

§ 219. Werd in het voorgaande betoogd, dat elk gebroken van den boven aangegeven vorm bij de ontwikkeling eene we-derkeerige reeks oplevert, men kan ook omgekeerd aantoonen, dat elke wederkeerige reeks

ao «\'i® «3^ • • •

waarvan m opeenvolgende coëfficiënten voldoen aan de betrekking

quot;l- • • • ^m®n-m = 0 (2)

voortgebracht wordt door de ontwikkeling van een gebroken, waarvan

A A,x A.^-\\- . .. Amxm

de noemer is. Vermenigvuldigt men toch de bedoelde reeks, welke convergent ondersteld wordt, met dezen noemer, zoo worden blijkens de betrekking (2) in het product de coëfficiënten van x\'quot; en van alle volgende termen nul, zoodat dit product den vorm

«0 alX quot;1quot; a2a\'2 quot;lquot; • • • quot;fquot; am-\\a;\'quot; 1

aanneemt, en voor de gegeven reeks dus geschreven kan worden:

| , 2 1 3 1 «o-fquot; «1®-j-«2^ quot;l- * • •\'Sram-\\X\'n \'

Nemen wij als voorbeeld de reeks

l-f2a--f 3a;2-)-3;r3-f7a4 5;i;s 15a:\'-f 9^ . . . waarin de betrekkingsschaal is

— 1, -f-2, -j-2,

zoodat

0« 4quot; lt;ln-\\-2fl,n_2 2fl„_3 = 0.

De noemer der voortbrengende breuk is blijkbaar \\-\\-x — 2a2 — 2x3,

-ocr page 342-

328

terwijl de nog onbekende teller van den vorm

«o aa2*2

zal wezen. Men heeft alzoo:

a0-\\-aix-\\- aaa-2 = (l -j-a; — 2a;2 — 2a;3) {\\ -\\-2x-\\- 3a;2-|- . . .).

De ontwikkeling van dit laatste product tot de drie eerste termen bepalende, bekomt men onmiddellijk:

ao=1gt; ai = 3. a2=3.

De gegeven reeks is mitsdien voortgebracht door het gebroken

1 4. 3ir 3a;2 1 -(_a;_2a;2 —2a;3quot;

§ 220. Daar het zoeken der voortbrengende breuk hetzelfde is als het bepalen der som of limiet van de reeks, ingeval deze convergent is, zoo kan men, de zaak uit dat oogpunt beschouwende, hierbij ook aldus te werk gaan.

Zij tot voorbeeld eene reeks:

fl,0 flVr fl2a;2 a3 • • •gt;

waarin elke coëfficiënt an van de drie voorafgaande afhangt volgens de vergelijking

Aan-\\- , =

zoodat A-\\-JzX*-\\-de noemer der gezochte breuk zal zijn.

Men stelle voor de vier termen van dien noemer respectievelijk A, q = A^, r = A^x2 en s=A3x3, dan hebben er tusschen de termen der reeks zelve de navolgende betrekkingen plaats:

aas axrx -|- a^qx1 -\\- a^px3 = 0,

a,sx -1- a2rx2 -f- a3qx3 -\\- aipx\',= 0,

a2sx2 -j- a3 rx3 -)- a4 qx* -j- a^px^ — 0, . enz. enz.

Stelt men verder de begeerde som = S, dan zal men door het optellen der vorige vergelijkingen gemakkelijk verkrijgen:

s. 5 -f r{S— a0) -{-q^S— aQ — a^x) -j- p {S— a0 — axx — a^\') = 0,

of CP quot;f ? ^ «) ^ O 9 O «o (;? ?) aix pa^x*. Het tweede lid dezer vergelijking is nu blijkbaar niet anders

-ocr page 343-

329

dan de teller van het gezochte gebroken, en wijst tevens aan, hoe deze teller, de betrekkingsschaal dezelfde blijvende, van de drie eerste termen der reeks afhangt. Men kan nu voor den teller nog schrijven;

{A -|- Axx -f A^x1) ö0 (^ ^\\x) atx -fquot; Aa^x1 Bestaat de noemer uit vijf termen

A A^x A2x2 A3X3 -f- AjX*

naar de opklimmende machten van x gerangschikt, dan vindt men op gelijke wijze voor den teller:

{A Axx Aïx2 -f- A3 x3) a0-\\-{A-{- A.x A^ x2) a,x -|--\\-(A-\\- Ajx) a^x2 -)- Aa3x3

waarin de wet van voortgang duidelijk is.

Bij toepassing op het voorbeeld van § 219, waarbij

A Alx A^x2A3x3 = 1 -\\-x — 2ira — 2a;3

vindt men voor den teller der breuk:

(1 -j-x — 2x2) -f (1 -fr) 2x 3^=1 -f 3a; 3a;1,

hetgeen met het aldaar gevondene overeenstemt.

§ 221. Indien de noemer van het te ontwikkelen gebroken geen volledig polynomium is, moet men bij het opschrijven der betrekkingsschaal indachtig zijn, om aan de ontbrekende termen nul tot coëfficiënt te geven. Aldus zal de reeks, voortkomende uit de ontwikkeling van het gebroken

5 —2a; -f-x2 3 —Sa^-f-a;4

tot betrekkingsschaal hebben:

0gt; 4\'

overeenkomende met de vergelijking:

3a„ — =

Hier hangt nu elke coëfficiënt niet van vier, maar slechts van twee voorafgaande coëfficiënten af, welke echter thans niet onmiddellijk op elkander volgen, zooals de laatste vergelijking van zelve aanduidt.

§ 222. In sommige gevallen kan het verkieslijk zijn, de breuk naar de afdalende machten van x te ontwikkelen, ten einde voor

-ocr page 344-

330

zekere groote waarden van x eene convergeerende reeks te verkrijgen. Men zal hiertoe kunnen geraken door in de gegeven

breuk - voor x te schrijven, vervolgens de nieuwe breuk naar

y

de opklimmende machten van y te ontwikkelen, en in de gevonden reeks y wederom door - te vervangen. Laat bijv. gevraagd wor-5 — 2x.

den, de breuk -——^, in dien zin te ontwikkelen, dan heeft men 4 -|- 2^ — x2

r = — stellende, in plaats der gegeven breuk, de navolgende

y

y(5y —2) ( 2 — hy

V (1j/4 ,) =y(2-y 6/ 8y 40/ -f . . .).

J±_ =v j — 1 — \'

4/-f-2y —1 \' 1—2y — \\yl

Nu is

2 — 5^

■ 2y — 4 ƒ

Derhalve

5 — lx _2 1.6i84_40i

! ,, I quot;1 I • • ■

4-|-2a:—x2

Dezelfde uitkomst zou insgelijks verkregen zijn, door den teller en noemer der breuk naar de afdalende machten van x te rangschikken, en vervolgens het quotiënt der deeling met behulp derzelfde betrekkingsschaal te ontwikkelen.

§ 223. De rekenkundige reeksen van hoogere orde bezitten de opmerkelijke eigenschap, dat, indien men hare termen met die der meetkundige reeks 1, x, x2 . . vermenigvuldigt, hieruit steeds eene wederkeerige reeks zal ontstaan.

In § 177 Toep. 3 werd nl. aangetoond dat als

U0) W| , Wg, W3, . . .

de termen zijn eener rekenkundige reeks van de (m — l)de orde, m-\\-\\ opeenvolgende termen voldoen aan de betrekking:

m{in—1) m{m—l)(jn—2)

Mn—»quot;\',,-1-1--1 2 «,.-2--1 2 3-«,-3 -±W.-m=0

waaruit volgens de definitie, die van wederkeerige reeksen is gegeven, onmiddellijk volgt, dat

u0 M1a;-j-w:la:2 U3^2-|- • • •

-ocr page 345-

331

eene wederkeerige reeks van de j»ae orde is, waarvan de betrek-kingsschaal bestaat uit de getallen

m(m—1) in{m — 1) (m — 2)

m\'—ny-\' —17273—.....^1-

De voortbrengende breuk dezer reeks heeft alzoo tot noemer

Wij mogen tevens uit het voorgaande besluiten, dat, indien P

de breuk —-—, welker teller een polynomium is van eene

macht p cm, in eene reeks ontwikkeld wordt, deze eene wederkeerige reeks zal zijn, tot coëfficiënten hebbende eene rij getallen, die eene rekenkundige reeks van de {m—l)de orde vormen.

Men vraagt bijv. de voortbrengende breuk te vinden der oneindig voortloopende reeks

1 -t-24a:-f 3V-f 4V-f . . .,

tot coëfficiënten hebbende de vierde machten van de reeks der natuurlijke getallen. Deze coëfficiënten eene rekenkundige reeks van de éde orde vormende, zoo kan men voor de begeerde breuk stellen:

a0 atx -\\~ a.2X\' -f- a3z3 a^x*

\'

en men zal, met behulp van de vijf eerste termen der gegeven reeks, onmiddellijk vinden:

a0=l, ai = 24—5 = 11, a2=34—5.24 10 = ll,

«3 = 44 —5.34 10 .24— 10 = 1,

a4 = 54 — 5 . 44 10 . 34— 10 . 24 5 = 0.

Derhalve heeft de voormelde reeks, voor alle waarden van a1 lt; 1, tot som:

l ll^ ll^ a;3

(i—xy

TOEPASSINGEN.

1. Ontwikkel het gebroken

5 7^ —8a:3

1 — 2x 3j.,a a

-ocr page 346-

332

in eene wederkeerige reeks. Welke is de betrekkingsschaal ?

Antw. ö llx llx2 Six3 — 118a;4 . . . De betrekkingsschaal bestaat uit de getallen 2, — 3, en —1.

2. Van eene wederkeerige reeks der ide orde zijn de vier eerste termen 1 2x 3r2 4^3, terwijl de verdere coëfficiënten voldoen aan de betrekking

2a„ 3a„_i —««-2 2(»„ _s a„_4 = 0

Bepaal de voortbrengende breuk en enkele der volgende termen.

Antw. 2 7* 17^ = 1 2j 3^ 4a, _ 7xt 17 ^

2 3x—x\'1 2cc3 xi 2

3. Ontwikkel bovenstaande breuk naar de afdalende machten van x, en geef de betrekkingsschaal aan.

17x3 l\\x- lx 2 17 23 70 212 529

n W\' x* - - 2a:3 — a;2 3x 2 x x* ^ x3 x* ^ x* \' \' \'

De betrekkingsschaal bestaat uit de getallen — 2, 1, — 3 en — 2.

4. Bepaal de voortbrengende breuk der wederkeerige reeks

l 2hx amp;x* ilt;ix3 . . .

. L l 26x GGx* 2Ca;3 x*

Antw. --

(1-a-)8

5. Als de coëfficiënten der termen van de wederkeerige reeks

cio a1x cisx\' asxs . . ,

eene rekenkundige reeks der {in — 1)^ orde vormen, waarvan de opeenvolgende verschilreeksen beginnen met Aa,,, A quot;«o • ■ • Aquot;\'_ \'«oj zoo kan de voortbrengende breuk geschreven worden

«o(l —x)quot;quot;1 A«o . x{l —x),quot;~2-i A\'ap .x-(.1 — x)\'quot;\'3 ... ^quot;\'\'^ao.x\'quot;-1

(l — x)m

6. Pas dit toe op de bepaling der voortbrengende breuk van de wederkeerige reeks

l 2x 5x* 10,c3 17a,-4 . . .

waarvan de coëfficiënten eene rekenkundige reeks der orde vormen.

Antw. Men vindt «0 = 1, Aa0 = l en A2 «o — 2, zoodat de voortbrengende

1 — x 2.c2

breuk wordt ——-tt— .

(1 — x)3

§ 224. Bij de wederkeerige reeksen kan men zich, evenals bij alle oneindig voortloopende reeksen, de vraag stellen, om eene algemeene uitdrukking te vinden voor den nien term der reeks, ten einde de waarde daarvan zonder behulp der voorgaande termen te kunnen berekenen.

Hiertoe zal men met weinig moeite geraken, zoodra de be-

-ocr page 347-

333

staanbare eerste- en tweede-machtsfactoren, welke den noemer der voortbrengende breuk samenstellen, bekend zijn, waardoor men tevens in staat zal zijn, de grenzen van de convergentie dei-reeks te bepalen.

Laat de voortbrengende breuk aanwijzen, en F{x)

T{x) = (rt, — 6, x) (a2 — b2x). . . (am — bmx)

zijn, dan zal, ingevolge het geleerde in do XXste Les, deze breuk kunnen ontbonden worden in m partiëele gebrokens van

den vorm —-. Elk dezer laatste in eene oneindige reeks ont-a ox

wikkeld zijnde, zal haar som de gegeven wederkeerige reeks wederom moeten opleveren. Nu is

A 1 A

X

, ,b , ,

aX o2quot; • \'

a — bx a , b a

1--x

a

welke reeks tot ndel1 term heeft:

A hn~l xn~x Ab*-X

-X-ïrrT- = —

a a a

Derhalve zal de nA* term der door de ontwikkeling van het ge-

(n (

broken voortgebrachte reeks tot waarde hebben:

Fix)

\\Axbrx , Ajrx , , Ambm^\\ n_,

Hiermede is de vraag omtrent den algemeenen term beantwoord. Maar tegelijk geeft deze ontwikkeling het middel aan om over de convergentie der reeks te oordeelen.

De eerste dezer partiëele reeksen is namelijk convergent voor

waarden van x, gelegen tusschen — ^ en 7 De tweede zal

0, bx

zulks zijn voor waarden van x, gelegen tusschen —^ en \'r • • .

Tot de convergentie der wederkeerige reeks wordt noodzakelijk gevorderd, dat elke dezer partiëele reeksen convergent zij, zoodat als men door /« de getallenwaarde van den kleinsten wortel der vergelijking F(x) = 0 aangeeft, de voorgestelde reeks eeniglijk convergent zal zijn binnen de grenzen xgt; — /t en Geeft men aan x onbestaanbare waarden, zoo wordt voor de convergentie

-ocr page 348-

334

der reeks gevorderd, dat de modulus van x kleiner zij dan ju, zoodat m a. w. fi den convergentiestraal der reeks aangeeft. Zij bijv. de reeks

1 4_ 4* 14*2-f 46*3 146** ... =-Jpf—;

1 — ox ox

stelt men

l — x _ A .At 1 — 5a; -j- 6a;2 1 — 2a;quot;\' 1 — 3®\'

dan vindt men A^ — — 1, Az=2, en dus voor den nim term der reeks:

(—2n-|-f 2 of voor den coëfficiënt van xn:

2 . 3quot; —2quot;,

terwijl de convergentiestraal der reeks gelijk ^ is. Bepaalt men zich tot bestaanbare waarden van x, zoo wordt voor de convergentie der reeks dus gevorderd, dat x gelegen zij tusschen de grenzen — ^ en -|~

Ingeval er zich onder de partiëele breuken eenige bevinden van den vorm:

A A 1

(a — bx)r a? ^ ^ ^ xj\'

zal men, het binomium van newton op de ontwikkeling van — ~x^ F toepassende (zie de XXVIste Les), voor den coëfficiënt van x\' vinden.-

wP(P l)(P 2) .. • (p w —1) f

1.2...« V quot;\'

§ 225. Er blijft thans nog over, het geval te behandelen, waarin de partiëele breuken den vorm

r -f sx a-^-bx-j-cx*

aannemen, en deze noemers in geen bestaanbare factoren van den eersten graad kunnen ontbonden worden.

Men stelle alsdan, hetgeen altijd mogelijk is:

-ocr page 349-

335

r m a-\\- Px

a-f-^-j-cx1 p2—2pxcos fgt;x2\'

voorts

p2 — 2p xcos lt;p x2 = (x — m) (x — ra,),

zijnde

m =p(cos lt;p ■\\-\\r — 1 . sin lt;p),

mi = p(cos lt;p —y — 1 . sin lt;p).

Het aangenomen gebroken splitsende in

•^i j -d-i m — x m, — x\'

vindt men gemakkelijk

a-\\-Pm a-j-Pm,

■d-\\ - j -quot;2-

771, — m m — mx

Derhalve zal de coëfficiënt van a;quot; tot waarde hebben:

%—ra^m* mnl

1

— m, \\??i1quot; 1 ^requot; , / p* 2sinlt;p

Eveneens heeft men

m—mquot;/ pquot; \' sin tp

Door deze substitutiën komt er voor den coëfficiënt van arquot;, in de ontwikkeling van het bedoelde gebroken:

o sin {n(p-\\- p p sinn lt;p

pquot;*2 sin lt;p

welke thans van alle onbestaanbare uitdrukkingen geheel bevrijd is.

2

f 1 \\ \\_sin(n-\\-\\)lt;p

-ocr page 350-

336

De iuistheid dezer uitkomst laat zich tevens met behulp der betrekkingsschaal nader bevestigen. Men beschouwe namelijk drie achtereenvolgende termen

an-*** 2. «»-1®quot; a*xquot;

der wederkeerige reeks, voortgebracht door de breuk

a-\\-j3x p* — 2p x cos lt;p x1

dan moeten hunne coëfficiënten aan de vergelijking

joX — \'2pan_1cos 9gt; -Jran_2=0 (3)

voldoen.

Stelt men hierin

a sin (n1) lt;pP p sin n lt;p

-quot; n 2. • 1

p sin y a sin n y -\\- ft p sin (n — 1) lt;p a\'\'-, pn 1 sin f \'

a sin (n— 1) y» s^n in — ^

— 2-* n • \'

p sm y

dan zal het, met behulp der goniometrische betrekking

sin (n-\\-\\)(p -\\-sin(n — 1) ygt; = 2 sin n lt;p coslt;p

gemakkelijk blijken, dat de algemeene waarde voor o, aan de vergelijking (3) voldoet.

Wat de convergentie der reeks betreft, kan men opmerken,

dat de reeks ontstaan is door sommatie van de reeksen -

ra — x

A

en-, welke convergent zijn als de modulus van x kleiner is

?«, — x

dan de modulen van m en m,, welke beide gelijk p zijn. De con-vergentiestraal der beschouwde reeks is dus gelijk p, of als men zich tot bestaanbare waarden van x bepaalt, zoo wordt voor de convergentie der reeks gevorderd, dat x gelegen zij binnen de grenzen —p en -\\-p-

Uit het voorgaande blijkt nu, dat als

Pi, Ih, ■ • - Pn

de betrekkingsschaal is van eene wederkeerige reeks en men voor de hoogere-machtsvergelijking

-ocr page 351-

337

x . . .■\\-p*xl pix—\\=0

de kleinste getallenwaarde der bestaanbare wortels en de kleinste modulus der onbestaanbare wortels opmaakt, het kleinste dezer beide getallen de convergentiestraal aangeeft.

§ 226. Wil men de som van een bepaald aantal termen n eener wederkeerige reeks bepalen, dan zal zulks onder anderen kunnen geschieden door de som der, convergent onderstelde, oneindige reeks te verminderen met de som der reeks, gerekend van af den (n -|- l)den term, waarbij alsdan de handelwijze van § 220 met vrucht kan toegepast worden.

Laat, om zulks door een enkel voorbeeld op te helderen, de

som Sn gevraagd worden der eerste n termen van de reeks;

waarin

a» —2fli„_1 a„_a = 0.

De voortbrengende breuk heeft dus tot noemer:

l —

Voorts is, volgens de notatie van § 220,

p = 1, q— — 2x, r=a.-2.

Dus

(1 — 2*)-f2* 1 ei-*)* (i-xy

Voor de reeks

(ïi-f l)a:quot; («-}-2)a;,\' , («-l-3)xquot; 2-f . . .

is

(1—2x)(w 1) ar\'-h ()i 2) xquot; 1

(l-xy

Dus

O O O, 1—(« l)*- «*quot; \'

Sn=S-S=- (!_*)*--•

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal voor de wederkeerige reeks

X_oc

l lxquot; 2a-3 6x4 IOj-5 22a,0 ...= —

1—X—2X-22

den coëfficiënt van xquot; en den convergentiestraal. LOBATTO.

-ocr page 352-

338

Antw. Men yindt = ^ { T ^- ï^2x !\' T00r

den coëfficiënt van xquot; : i [2n 2(— 1)quot;] en voor den conver-gentiestraal i gevonden wordt.

2. Doe hetzelfde voor de reeks

i 14a: — 10a:2

4 10a-\' 38a:3 — 68a:4 258a:5 . . .=

1 a: —Sx^Sa:3

4 14a: — lOa?2 2 3 1

Antw. Men vindt —-_ „ , „ „ = --^ :--, , jWaar-

1 a: — 5a:2 3x3 (1—a:)2 1—a: 1 3a;

uit men voor den coëfficiënt van xquot; vindt 2h 5 — (— 3)quot; en

voor den convergentiestraal S.

3. Doe hetzelfde voor de reeks

3 4a:

■J J a: V ar a:3 — Ja:4 — . . . =

2 — 2a; x-

I.

Antw. Men heeft hier p — 2\' en -f zoodat voor den coëfficiënt

van a:quot; gevonden wordt

« 1 . * 5- w 3 sm —-— t 2 sm —tt 4 4

n 1 2 2

en voor den convergentiestraal 2\\

4. Bepaal de som van « termen voor de reeks

1 3x 5a:2 7a:3 . . .

waarvan de coëfficiënten eene rekenkundige reeks der l3le orde vormen.

1 a:—(2n ^a;quot; (2«—l)a;» 1 Antw. .S; =-(13^-

5. Doe hetzelfde voor de reeks

1 —x

l — x — lx-l_a:—4{2quot; 2(—l)quot;gt;a;» —-JiS» 4(—l)quot; 1}a;\'\'

1 Oir 2x2 2a:3 6a;4 . . . = Antw. Sn

1 — x — 2a:2

6. De berekening van den algemeenen term der wederkeerige reeks van de 21® orde

«o «ia; . . . rtjia:quot; . . .

die bepaald is door de coëfficiënten «o en «i en door de betrekking

yla, ^i«,-1 ^2««-2 = 0 (1)

kan ook op de volgende wijze geschieden. Door in de vergelijking (1) n — 2, 3, ... n te nemen, kan men achtereenvolgens a=, a3, . . . «„ berekenen, waarvoor men blijkbaar lineaire, homogene uitdrukkingen in «o en «, vindt. Men kan dus stellen

-ocr page 353-

339

», = Pa0 Qn, (2)

waarin P en Q uitsluitend afhangen van de coëfficiënten van vergelijking (1). Men stelle voorts

«^ 2quot; = bn

waarin z een der wortels van de vergelijking

Az^ A^z A.^O (3)

is. Vervangt men a„ door h„—zquot; en en 2 door de overeenkomstige uitdrukkingen, dan gaat de vergelijking (1) over in

Abn Ai in —i Alt;ibn-2 —squot;quot;2 (,Az2 AiZ Az) = 0

of met het oog op de vergelijking (3);

Ab,, Axb*-1 Azb,,-!!^ 0 (4)

zoodat de grootheden b aan dezelfde tercgloopende betrekking voldoen als de grootheden a. Drukt men met behulp dezer betrekking i„ uit in b^ en 6i, dan vindt men

in = l\'ha Cii (5)

waarin P en Q, daar zij alleen afhangen van de coëfficiënten A, dezelfde waarden hebben als in de vergelijking (2). Door aftrekking vindt men uit de vergelijkingen (2) en (5):

6» — ««= -P(amp;o — «o) Qih — «i)

of daar bn — re„ = z\', b0 — «o = = 1 en b, = z:

z\'\' = P Qz

Aan deze betrekking wordt voldaan door elk der beide ongelijk onderstelde wortels van de vergelijking (3); noemt men deze z, en z.i, dan heeft men dus

zS^P Qz, ) (6)

2an = P Qzi )

uit welke vergelijkingen P en ^ kunnen worden opgelost.

Op overeenkomstige wijze kan de algemeene term berekend worden voor eene wederkeerige reeks van hoogere orde.

Pas de voorgaande methode toe op de bepaling van den coëfficiënt van x* in de wederkeerige reeks, waarvan de beide eerste termen zijn 1 en ix, terwijl drie opeenvolgende coëfficiënten voldoen aan de betrekking

«, — 5a„ _i 6a„_2 = 0

Antw. Men heeft hier z, = 2, «s = 3, zoodat de vergelijkingen (6) worden:

2quot; P 2^

3« = P 3(?

waaruit P=3.2\'\' —2.3quot;, §=3« —2« en

«„ = Pa0 §«, = 2.3» — 2quot;

evenals reeds in § 224 werd gevonden.

22*

-ocr page 354-

340

VIER EN TWINTIGSTE LES.

OVER DE THEORIE DER GEDURIGE OF KETTINGBREÜKEN,

§ 227. Indien de verhouding van twee positieve getallen A

en B door de breuk — aangewezen wordt, Agt; B is, zal de B

deeling een quotiënt a, en eene rest r, opleveren, en kan men schrijven:

A r,

B=a\' B-

Zijn nu verder r2gt; r3 enz. zoodanig bepaald, dat B r2

- = «2 T--

rt r,

rgt; « _L r3 -= a3 H—

r-, r.

waarbij ra lt;r,, r3lt;rï enz., zoo verkrijgt men achtereenvolgens door substitutie:

—\' 1

B \' \' , r2

ai H—

r.

A

-B=agt;

-ocr page 355-

341

welke vorm den naam van gedurige of kettingbreuk verkregen heeft.

§ 228. Men bemerkt terstond, dat de opvolgende quotiënten a,, oa, a3 . . . geene andere zijn dan de wijzergetallen, die de gewone handelwijze voor het zoeken van den grootsten gemee-

nen deeler tusschen A amp;a. B oplevert. Is nu de verhouding ^

B

meetbaar, dan zal. men eenmaal op eene deeling komen, die geene rest meer oplevert. De breuk bestaat dan uit een eindig aantal termen, en kan geschreven worden:

A , 1

B \' \' , 1

a2 -)-

-|-

terwijl het eerste wijzergetal o, nul is, als AcB. Is evenwel de verhouding — onmeetbaar, dan zullen de deelingen nimmer op-

JD

houden, en zal de kettingbreuk uit een oneindig aantal termen bestaan.

Men neme bijv. de breuk V^V3gt; di® 0P de voorgaande wijze behandeld zijnde, tot wijzergetallen oplevert:

1, 4, 9, 2, 1, 1, 4 en als kettingbreuk dus op de volgende wijze wordt voorgesteld:

VA3 = i 1 i-

9

Men ziet gemakkelijk in, dat op gelijke wijze elk meetbaar gebroken zich in eene eindige kettingbreuk laat ontwikkelen, en dat omgekeerd elke eindige kettingbreuk een meetbaar gebroken voorstelt.

-ocr page 356-

342

§ 229. Men is gewoon, eene kettingbreuk ook op de volgende wijze voor te stellen;

A v ,

-={«,, o2, a^. . .an\\,

waarbij dus de wijzergetallen tusschen haakjes geschreven worden. Ingeval de wijzergetallen van achteren af in dezelfde volgorde terugkeeren, zooals in:

A-i ,

£ - t J a21 • ^3,

noemt men de kettingbreuk symmetriek. En onder eene periodieke kettingbreuk verstaat men zulk eene, die uit een oneindig aantal termen bestaat, waarvan de wijzergetallen of geheel, of gedeeltelijk in dezelfde volgorde terugkeeren. Zoo zal

é-s ,

£--^3» ^5gt; ^3) ^4 gt; • • *5

eene periodieke kettingbreuk voorstellen, waarvan a^, o4, a5 de periode genoemd wordt.

§ 280. Wanneer men de kettingbreuk achtereenvolgens bij het eerste, tweede, enz. wijzergetal afbreekt en de waarden, die F P

men dan verkrijgt, door —~ enz. aanwijst, zoo heeft men:

-P. _fl!i

\' 1\'

— = (? |

Qt a i Bz

—L = a i 1

Q3 ,1 «3«2 l

2 n—

waarbij men onder f,, F.,, F3 enz. de tellers en onder Q,, Q2, Q, enz. de noemers verstaat van de zoover herleide breuken. Deze breuken hebben den naam van naderende breuken verkregen, daar zij, zooals spoedig aangetoond zal worden, de eigenschap bezitten van beurtelings grooter en kleiner te zijn dan de juiste waarde

— en minder en minder van deze waarde te verschillen, naarmate er meer wijzergetallen in de berekening gebruikt zijn.

-ocr page 357-

343

Deze naderende breuken kunnen met behulp der wijzergetallen gemakkelijk uit elkaar worden afgeleid.

§ 231. Ten einde dit laatste aan te toonen, merken wij op, dat volgens de voorgaande paragraaf;

-Pj = ÖÏJ ; Qi = 1 j = (il (i-t -|— 1 j Q2 ~

en men dus kan schrijven;

-f1^_a3(ffi «2 1) \'f\' ai _ quot;3-^2 ~|--Pi

Qs «3a2 l quot;iQz-hQt\'

waaruit:

_P3 = «3P, -j- Ft

§3= «362 Qt

Wij zullen nu aantoonen, dat voor teller en noemer van de nie naderende breuk de overeenkomstige betrekkingen

Fn = anFn_,-i-Fn_

Qn— anQ„-t -h Qn-2^

gelden. Onderstellen wij, dat deze betrekkingen gelden voor de mie naderende breuk dus:

P„. _ am Pm_,

Qm am -j- Qm_2

De (m -|- l)46 naderende breuk wordt gevonden door in de mie naderende breuk am te vervangen door -j--^— dus:

am 1

3l±l = P\'quot;\'2■, Pm_,

^quot;\' , Z\',, _L 1 ^ I /-) quot;m li^rnQm-l -h Qm-l)-h Qm.l

I rn I j xm -1 1 _ 2

^ am 1\'

Q//1 1 ^/» 1 Q,n -hQm-l

waaruit:

-Fm 1 Pm 1 Fm ~j~ Pm _ 1

§m l ^m \\Qm 1 Qm-1

Hieruit blijkt, dat als de betrekkingen (1) gelden voor n — m, zij eveneens gelden voor « = m-|-l. Nu vonden wij reeds, dat deze betrekkingen gelden voor n = 3, dus gaan zij ook door voor n = 4, dus ook voor «= 5 en zoo vervolgens. De betrekkingen (1) zijn derhalve algemeen geldig.

-ocr page 358-

344

Daar 1, zoo volgt uit de vei-gelijkingen (1) dat bij toenemende waarde van n ook de getallen P en Q onbepaald toenemen.

§ 232. De betrekkingen (1) leveren een gemakkelijk middel op ter berekening der tellers en noemers van de naderende breuken, zoodra de wijzergetallen gegeven zijn. Plaatst men namelijk deze wijzergetallen op eene rij naast elkander, en daaronder de daarmede overeenstemmende naderende breuken, dan is het duidelijk, dat, indien de twee eerste breuken bekend zijn, de teller en noemer der derde breuk gevonden worden door het derde wijzergetal beurtelings te vermenigvuldigen met den teller en noemer der tweede breuk en bij dat product den teller en noemer der eerste breuk op te tellen, welke bewerking eveneens op alle volgende breuken toepasselijk is. Voor de eerste naderende breuk

heeft men blijkbaar y, terwijl de tweede naar den voorgaanden

regel kan afgeleid worden door de rij der breuken met ^ te doen aanvangen. Bestaat nu de kettingbreuk uit een eindig aantal termen, dan zal de laatste der op die wijze verkregen naderende

breuken tevens de juiste waarde der verhouding —, welke in de

H

kettingbreuk ontwikkeld is, doen kennen.

Men neme tot voorbeeld de breuk, welker wjjzergetallen zijn:

3, 7, 2, 5, 11,

dan vindt men de naderende breuken door de navolgende bewerking :

3, 7, 2, 5, 11,

h l ¥. H, W. ¥i¥.

welke geene verdere verklaring zal behoeven.

Bij de ontwikkeling der breuk Wy in eene kettingbreuk, zal

men de bovenstaande wijzergetallen terugvinden. Is de breuk —lt; 1,

B

dan kan men voor het eerste wijzergetal 0 schrijven, of wel de wij-

ft

zergetallen beschouwen als tot de breuk — te behoorcn, en de

A

uitkomst vervolgens omkeeren.

TOEPASSING.

Bepaal de kettingbreuken {1, 2, 3, i, 5} eu {0, 3, 1, 7, 2, 2}.

Antw. Hï en tVj

-ocr page 359-

345

§ 233. Zoeken wij thans het verschil v, tusschen twee op

P P

elkander volgende naderende breuken ~ en J1*\', dan komt er:

Qm Qn t

_ -P» -fii-H _ -PxQn l -^n I Qa

Qn ^it l QnQn l

Voor den teller van deze breuk kan men echter volgens (1) schrijven:

J\'.Q. ,—J3* ,Q.=-P.(\'\'. ,Q. Qn-,) — Qn K

of

PnQ.*t — l,..gt;Qn = - ■ • ■ (2).

Deze nieuwe betrekking tusschen de tellers en noemers der achtereenvolgende naderende breuken toont aan, dat de teller der breuk, welke het verschil van twee willekeurige op elkander vol-P P

gende breuken ~ en quot;* ■ voorstelt, op het teeken na, steeds y» Qn t

dezelfde waarde behoudt. Om nu die standvastige waarde te bepalen, heeft men slechts P,Q2 P^Q, te bepalen, waarin P, = at, §, = 1, 0,0^-1-1 en Q2 = al, waarvoor men vindt:

PtQiPzQx—— 1.

Hieruit volgt verder, naar aanleiding der vergelijking (2),

QQ} P3Q2 — quot;j- 1gt;

fiQt PiQz—— ij enz.,

dus in het algemeen:

^,-^.«. = (-1)quot; (3),

(—1)quot;

= (4)-

Het verschil van twee achtereenvolgende naderende breuken is dus, het teeken daargelaten, steeds gelijk aan de eenheid, gedeeld door het product van hare noemers.

Men ziet hieruit onmiddellijk, dat indien van drie achtereenvolgende naderende breuken

P. P..,

Qn-1 Q« Qn l

de eerste grooter dan de tweede is, deze daarentegen kleiner dan

-ocr page 360-

346

de derdo zal zijn, en zoo ook omgekeerd. Verder dat, aangezien de getallen Q,, Q2, Q3, enz. achtereenvolgens grooter worden, de verschillen v,, v2, v3, enz. steeds in volstrekte waarde zullen afnemen.

De vergelijking (3) toont daarenboven aan, dat de getallen iJ„, Q„, zoo mede -P„ 1, Q„ , onderling ondeelbaar, en dus de naderende breuken onverkleinbaar zullen zijn.

§ 234. Er blijft thans nog te betoogen over, dat deze beurtelings grooter en kleiner wordende breuken al minder en min-

der van de juiste verhouding — zullen verschillen. Te dien ein-

jgt;

de merken wij op, dat wanneer in de waarde der breuk 1 het

tyn t

quotiënt fl!n 1 vervangen wordt door het volledige quotiënt «„ 1 -f-

— quot;, hetwelk wij x zullen noemen, die breuk alsdan in de nauw-r,

keurige verhouding — overgaat. Men heeft mitsdien;

3

A

QjrP quot;I- Qn - 1

waaruit

^ P._ (-1)quot;quot;\' B Q,i Cn_t)

en

£ _ iki =

Qn_l Qn-liQn10 Qn-t)

Hier blijkt ten eerste, dat die beide verschillen met ongelijke

teekens aangedaan zijn, en dus de waarde van — steeds gelegen

B

zal zijn tusschen twee opeenvolgende naderende breuken; voorts

dat de volstrekte waarde van het verschil van met eene ca-

B

derende breuk grooter is dan de volstrekte waarde van het verschil met de volgende, als zijnde xgt;l en Qn_ilt;Qn, zoodat de volstrekte waarden der verschillen aanhoudend verminderen. De P P

breuken —15—, —quot; enz. zullen dus eene voortgaande benadering der Qn-1 Qn

verhouding — opleveren, waaruit dan ook de benaming van na-B

derende breuken ontstaan is.

-ocr page 361-

347

Dat twee opvolgende breuken beurtelings kleiner en grooter

dan de verhouding zijn, kan ook onmiddellijk aldus betoogd £

worden. Daar namelijk het volledige quotiënt, tot het wijzergetal

an behoorende, tusschen an en an -|—— begrepen is, zal ook de

1

-A PP

breuk tusschen ~ en moeten gelegen zijn.

B Qn Qn 1

§ 235. De naderende breuken bezitten daarenboven nog deze

P

opmerkelijke eigenschap, dat geen ander gebroken uit kleine-

p

re getallen dan de breuk —^ gevormd, de waarde der ketting-

breuk nauwkeuriger dan deze laatste zal kunnen voorstellen. Aldus zal, in het voorbeeld van § 232, de breuk een graad van benadering opleveren, welke door geene andere breuk kan overtroffen worden, zonder dat de teller grooter dan 47 en de noemer grooter dan 15 zij.

Zie hier het bewijs dezer eigenschap.

P P

Laten ~ en —— twee opvolgende naderende breuken voorstelen Qn l

V

len. Indien nu eenige andere breuk — nader bij de juiste waarde ^ p

van — komt dan het gebroken , zoo moet klaarblijkelijk P PP

— gelegen zijn tusschen —quot; en , en zou men, het teeken ? te» % !

daargelaten, hebben:

Pn p P„ Pn t

Qn lt;1 Qn Q,,tt

of

P,9—QnP 1

Qn lt;3„ .

Maar daar de teller van de eerste breuk een geheel getal en dus in getallenwaarde óf 1 óf gt; I is, zal, opdat aan de ongelijkheid voldaan zal worden,

9 Qn I

moeten zijn.

-ocr page 362-

348

Daar in dezelfde onderstelling omtrent de waarde van — ook

1

de omgekeerde waarde — moet gelegen zijn tusschen ~ en

V P*

betoogt men op geheel dezelfde wijze dat ook

Pgt;Pn^

zal moeten zijn, waarmede het gestelde bewezen is.

Voorts heeft men, wat de volstrekte waarde der verschillen betreft

A P 1 1

-B Q„ Q. , Q, Q.Q, , Q:\'

Alzoo zal het verschil tusschen de juiste waarde der breuk en eene der naderende breuken steeds minder bedragen dan de eenheid, gedeeld door het product der noemers van deze naderende breuk en van de daarop volgende, en dus ook minder dan de eenheid, gedeeld door het vierkant van den noemer der beschouwde breuk, waardoor de graad van benadering, dien men bij het voortzetten der wijzergetallen verkrijgt, gemakkelijk kan bepaald worden. Begeert men bijv. eene naderende breuk te bekomen, die minder dan een millioenste van de waarheid afwijkt, dan zal dit resultaat zeker verkregen zijn, als haar noemer minstens uit vier cijfers samengesteld is.

Merkt men op, dat Q„ l = a„ ,Qn -j- Qn_I en dus

en —~^ ^—-, zoo vindt men ook

AP, 1

voor de berekening waarvan het niet noodig is Qn 1 te kennen.

§ 236. Ingeval de verhouding — onmeetbaar is, zal hare ont-

B

wikkeling in eene kettingbreuk een zeer geschikt middel verschaffen om de waarde er van met een bepaalden graad van nauwkeurigheid in meetbare getallen uit te drukken, iets dat in zeer vele toepassingen der wiskunde van bijzonder nut kan zijn. Daarbij merke men het volgende op.

Zijn Xt en X2 twee getallen, die als kettingbreuken geschreven de eerste k wijzergetallen gemeen hebben, zoo zal ook elk getal

-ocr page 363-

349

X, dat tussehen X, en X, is gelegen, als kettingbreuk ontwikkeld, deze zelfde wijzergetallen vertoonen.

Zij n.1.

Xi = | i aa) • • • 1 ■ • • J X2 = { fli, , . . . , 5j. , . . . J X ~\\a\\ i Q-D • * \' aki a}i \\ • • •!

dan liggen Xt en Xi, en dus ook X, tussehen de opeenvolgende gebeele getallen a, en a, -j- 1, zoodat «, het eerste wijzergetal van X zal zijn, of ai=ai. Voorts heeft men

{ a2, . . . «i, Uk i • • • J

{quot;ai* quot; • ai\') ^A 1 • • • |

{a2, • • • «A-» «A i • • 1

waaruit men afleidt, dat —- en —-tussehen de opeenvol-

—flll JL2—fl!,

gende geheele getallen a2 en 1 liggen; en daar — tus-

X—«,

schen —^— en ^-is begrepen, zoo ligt ook —^— tus-

-^1 -^-2 — flfj

schen o2 en fl2 l, waaruit volgt a2 = a2. Aldus voortgaande, vindt men az = az. . . au = ak, terwijl ai 1 ligt tussehen en 5i 1 of aan een dezer getallen gelijk is.

Op geheel overeenkomstige wijze kan men betoogen, dat als een getal langs twee verschillende wegen in eene kettingbreuk is ontwikkeld, deze beide kettingbreuken geheel zullen overeenstemmen, m. a. w. dat elk getal slechts op ééne wijze als eene ketting-breuk kan worden geschreven.

Wenscht men nu een onmeetbaar getal in eene kettingbreuk te ontwikkelen, zoo neme men twee meetbare gebrokens, die zeer weinig van elkaar verschillen en waartusschen het onmeetbare getal is gelegen. Voor zoover dan de wijzergetallen, die men bij de ontwikkeling der beide gebrokens vindt, overeenstemmen, gelden zij tevens voor het onmeetbare getal.

Nemen wij als voorbeeld het bekende getal k = 3,1415926 5359 . . ., dat gelegen is tussehen de breuken

-ocr page 364-

350

31415926535 31415926536

_ pri _

lO10 lO10

Voor deze breuken vindt men achtereenvolgens \\3, 7, 15, 1, 292, 1, 1, 6....] en f3, 7, 15, 1, 292, 1, 1, 1,...| waaruit men afleidt:

w = |3, 7, 15, 1, 292, 1, 1,...|

Hieruit vindt men voor de waarden der naderende breuken:

8, 7, 15, 1, 292, enz.

h h ¥ m, m, mw, enz.

De tweede naderende breuk 2T2 levert de verhouding van Archimedes op, en zal, omdat de voorgaande te klein is, eene te groote waarde voor re geven, terwijl het verschil minder dan | X T^rs = Tij —za^ bedragen. De vierde breuk j, welke de verhouding van Metius voorstelt, en insgelijks te groot is, zal minder dan X = i5TTi3ïTr== van

ware waarde afwijken, zoodat deze benaderde waarde van rr tot in de zes eerste decimalen nauwkeurig moet zijn, en men zal, volgens het hiervoren betoogde, geene andere meetbare breuk, welker teller en noemer uit kleinere getallen bestaan, kunnen aanwijzen, door welke de waarde van tt nauwkeuriger uitgedrukt wordt.

TOEPASSING.

Ontwikkel lt;?= 2,718281828 ... in eene kettingbreuk en bepaal de naderende breuken.

Antw. Men vindt 2,71828182 = {2, 1, 2, 1, 1, 4, 1, 1, 6, 1, 1, 9, . . .} 2,71828188 = {2, 1, 2, 1, 1, 4, 1, 1, 6, 1, 1, 8, . . .} waaruit e = {2, 1, 2, 1, 1, i, 1, 1, G, 1, 1, . . .}

Voor de naderende breuken vindt men:

h h S V, V, Si, W, W, VsV enz.

P

§ 237. De naderende breuk —^ kan voorgesteld worden door

tyli

W ^3 Ql) Qr Wn Qt-l\'

en deze som is, volgens de gevonden eigenschappen der naderen de breuken, gelijk aan:

-ocr page 365-

351

QiQi Q2Q3 Q3Q1

Is de kettingbreuk onbepaald voortloopend, zoo kan zij voorgesteld worden door de oneindig voortloopende reeks:

I 1 1 1 1 1 I

01 ^ Qi Q* Q*Q3 ^ QM* Qlt;Qs ^

welke reeks convergent is, daar de termen afwisselende teekens vertoonen, terwijl de volstrekte waarde van eiken term kleiner is dan die van den voorgaanden en tot de limiet nul nadert. Hieruit blijkt tevens, dat elke onbepaald voortloopende kettingbreuk eene eindige bepaalde waarde heeft.

§ 288. De meer algemeene kettingbreuk:

„ , 6,

a3 -f- enz.

kan op gelijke wijze nagegaan worden. Men vindt dan:

1. dat de naderende breuken, zooals men ze, niet geheel terecht, blijft noemen, nog op eenvoudige wijze van elkaar afhangen, en wel door de betrekking:

Pn _

Qn a,Qn-t -i-Ö.Qn-ï\'

ao Po

waarbij de eerste naderende breuk —^ door wordt aangeduid.

2. dat, als de tellers en noemers a en ê positief zjjn, de verschillen van twee opvolgende breuken achtereenvolgens positief en negatief zijn, en men heeft:

Pn__-P.-l_ .

Qn Qn-, QnQn-, \'

P

8, dat dientengevolge de breuk voorgesteld kan worden door de reeks:

I ^1^2 J ^1^2 \' * * ^11

0 \' lt;3o«. lt;2. «2 \' 0203 6,.-.«»

De oneindig voortloopende kettingbreuk van den meer alge-

-ocr page 366-

352

meenen vorm zal alleen dan eene bepaalde waarde aanwijzen, als de daarmede samenhangende oneindig voortloopende reeks convergent is.

TOEPASSINGEN.

P P P

1. Beschouwt men de breuken —, —, —, enz., die zooals men weet

VI V3 V5

eene klimmende reeks vormen, zoo kan men tusschen elke twee opvol-

- , , Pn-2 Pn _®n-Pn —Pn-2 , j • i.

gende breuken —— en —--——- er («« — Ij andere interpo-

^«-2 Qn «„^„-1 (gt;,1-2

leeren, die men verkrijgt door in an^~x quot;!quot;^nquot;1 voor art achtereenvolgens

-Iquot; (gt;/1-2

1, 2, . . . («» — 1) te nemen. Deze nieuwe breuken vormen met de naderende P P

breuken —, enz. eene klimmende reeks, waarvan twee opeenvolgende Q\\ Qz

termen door en voorgesteld mogen worden. Op overeenkomstige

Sk ofc i

Pa P*

wijze kan men tusschen de naderende breuken —, — enz. andere breuken

Qi

interpoleeren, die met de eerstgenoemde eene afnemende reeks vormen,

waarvan twee opeenvolgende termen door en ^ *** worden voorgesteld.

o A: o A: i

Zoo vindt men bijv. by het getal e (zie Toep. blz. 350) voor de breuken R

—: tgt; S®, SV, enz. en voor de breuken R\'

gT\'. h V,W, ft» H» W enz., waarbij de gein-terpoleeerde breuken onderstreept zijn.

Men toone aan:

a. RkSk i—Rk iSk— — 1

R\'kS\'k i — R\'k iS\' k= - ■ 1

b. Ligt de breuk — tusschen ^ en (of tusschen en ^ zoo

q Sk Sk 1 S k S jc i

is qgt; Sk i (of gt; 5quot;Am i) en p gt; Rk i (of gt; P\'it i).

2. Hiermede is de weg gevonden ter beantwoording van de vraag: de beide

breuken te vinden, waarvan de noemers niet grooter zijn dan een gegeven

getal a, en die zoo weinig mogelijk in den eenen of in den anderen zin ver-

■d A

schillen van eene gegeven verhouding —. Men ontwikkele daartoe — in eene

Xgt; JÖ

kettingbreuk, berekene de breuken — en —, en neme in elk dezer rijende

O O

breuk, waarvan de noemer zoo groot mogelijk is zonder a te overschrijden. Vraagt men bijv. het onmeetbare getal e zoo nauwkeurig mogelijk te benaderen door eene breuk, waarvan de noemer niet grooter dan 20 is, dan vindt men hiervoor de breuken V en ifI, waarvan de eerste kleiner en de tweede grooter dan e is.

1

Men vraagt het geval sr zoo nauwkeurig mogelijk in den eenen en in

-ocr page 367-

353

den anderen zin te benaderen door eene breuk, waarvan de noemer niet groo-ter dan 100 is.

Voor de breuken ^ vindt men: ï, V, . • W, enz.

amp;

R\'

en voor de breuken —: enz.

O

Antw. Vo\' en V.

4. Hoeveel tanden moet men aan twee op elkaar werkende tandraderen geven, opdat de verhouding der omwentelingssnelheden zoo nabij mogelijk gelijk zij aan Vs5, zonder dit getal te overtreffen, terwijl het kleinste der beide raderen hoogstens 40 tanden mag hebben.

Antw. 38 en 201.

5. Toon aan, dat de teller Pm van de nAt naderende breuk aldus in de-terminantvorm kan worden voorgesteld;

«.«I 0 ... 0 0 1 am-i 1 ...0 0

_ 0 —1 «,H_2 ... 0 0

quot;in — i

0 0 0 ... ö2 1 0 0 0 ... —1 o,

terwijl de noemer Qm gevonden wordt door in Pm de laatste rij en kolom weg te laten. Hierin zijn «i, «2, de opeenvolgende wijzerge-

tallen. Leid door ontwikkeling naar de elementen van de eerste kolom de betrekkingen af;

Pm = a mPm _ i Pm - 2 Qui = cimQm-i

VIJF EN TWINTIGSTE LES.

TOEPASSINGEN VAN DE THEORIE DER KETTING BREUKEN.

§ 239. Met behulp van de theorie der kettingbreuken laat zich gemakkelijk het bewijs leveren der volgende stelling, die in verschillende deelen der wiskunde hare toepassing vindt.

Zijn a en h twee onderling ondeelbare, geheele getallen, dan kan men steeds twee geheele getallen u en v vinden, zoodanig dat

au-\\-bv=\\ (1)

Daarbij kan men steeds a en i positief onderstellen, in welk ge-LOBATTO. 23

T

-ocr page 368-

354

val u en w tegengestelde teekens verkrijgen. Ontwikkelt men

a . P ,

— in eene kettingbreuk, dan heeft men, als —1—- de voorlaatste 0 % _ i

der naderende breuken is, en dus —^ :

o

a^., —1)quot;

waaruit blijkt, dat

M=(—lye»-.

®=(

aan de betrekking

au -j- = 1

zullen voldoen.

§ 240. Geeft men eene vergelijking tusschen twee onbekenden

ax-\\-ly = c (2)

waarin a, J en c geheele getallen ondersteld mogen worden, zoo kan men vragen naar de geheele waarden van x en y, die aan deze vergelijking voldoen. Daarbij mag men aannemen, dat a en b onderling ondeelbaar zijn; want hebben a en 5 een gemeenschappelijken deeler, die geen deeler van c is, zoo laat de vergelijking (2) blijkbaar geene geheele oplossingen toe, terwijl een gemeenschappelijke deeler van a, i en c door deeling uit de vergelijking verwijderd kan worden. Eene geheele oplossing wordt gemakkelijk gevonden door de getallen u en v volgens de voorgaande paragraaf zoodanig te bepalen, dat

au hv =1

Neemt men dan x = cu en y = cv, zoo zullen deze waarden blijkbaar eene geheele oplossing van de vergelijking (2) vormen.

Hiermede is ééne geheele oplossing van de vergelijking (2) gevonden. Men kan echter aantoonen, dat deze vergelijking een onbepaald aantal geheele oplossingen toelaat, die, wanneer x = x,, y=y, eene dezer oplossingen is, alle voorgesteld worden door:

x = x,-\\-bt |

(3)

y=y,—at ) \'

waarin t een willekeurig geheel getal voorstelt.

Dat als ar,, en yx, eene oplossing van de vergelijking (2) voorstellen, m. a. w. als

-ocr page 369-

355

a«i -f = o,

aan deze vergelijking ook voldaan wordt door x = xl -\\-ht en y = ?/, — at te stellen, vindt men onmiddelijk door deze waarden in de vergelijking (2) te substitueeren.

Er moet nu nog betoogd worden, dat de formule (3) alle geheele oplossingen aangeeft. Stelt men door x,, y,, eene willekeurige geheele oplossing van vergelijking (2) voor, dan volgt uit

ax, -\\-by%=c

ax2 hy .£ = c

dat

a{xï — x,) -j- 4(w2 —yt) = 0

a_yi—^2

b xï — xl

Daar een onverkleinbaar gebroken is, zoo moeten teller en noe-b

mer der tweede breuk veelvouden zijn van a en h, en mag men dus stellen:

ar2 — «, = lt yx—y*=at

waarin t een geheel getal voorstelt, of

x.l = xt-\\-ht yi=yi—at

Hiermede is aangetoond, dat de formule (3) alle geheele oplossingen van de vergelijking (2) oplevert, waaronder begrepen de oplossing x,, yi, die verkregen wordt door lt;—0 te stellen. Men heeft ten slotte voor x,, y, te nemen de oplossing, die men in het begin dezer paragraaf heeft leeren bepalen.

Wenscht men de geheele oplossingen te vinden van de vergelijking

ax — hy = c

zoo kan men eerst deze oplossingen bepalen voor de vergelijking

ax -\\-by— c

en dan aan de waarden van y het tegengestelde teeken geven.

23*

-ocr page 370-

356

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal de geheele oplossingen van de vergelijking

amp;£ lli/ -- 417

Antw. Door - — — in eene kettingbreuk te ontwikkelen, quot;vindt men b 11

als voorlaatste naderende breuk waaruit ?( = — 4, i\' — 3, *, = — 4.417 (/, = 3.417

a-= —4.417 11lt; = —1668 11«

i/= 3.417— 8«= 1251— 8lt;

waarin voor t elk geheel getal kan genomen worden. Vraagt men naar de geheele, positieve waarden van .r en y, die aan de gegeven vergelijking voldoen, zoo moet men O ,H0 en lt;,V1 nemen, zoodat t tnsschen 151 en 157 moet liggen. Men vindt dan:

t =152, 153, 154, 155, 156.

a-= 4, 15, 26, 37, 48.

y= 35, 27, 19, 11, 3.

2. Men vraagt naar de geheele, positieve oplossingen van de vergelijking

7« 13//=254

Antw. «= 1, 14, 27.

y = 19, 12, 5.

3. Bepaal de geheele oplossingen van de vergelijking

31«-51i/= 22

Antw. a; = — 506 51lt;

2/ = —308 31lt;

Men mag echtei\', daar — 506 = 4 — 51.10 en — 308 = 2 — 31.10, ook schrijven

oc=4 51lt;

I/ = 2 31/.

§ 241. Men zal den vierkantswortel uit een willekeurig geheel getal altijd in eene kettingbreuk kunnen ontwikkelen, zonder eenige worteltrekking te verrichten, en deze oneindig voort-loopende breuk zal alsdan eene periodieke kettingbreuk worden. Deze eigenschap, waarvan wij voor het bewijs naar de volgende § verwijzen, kan door het navolgende voorbeeld bevestigd worden. Laat gevraagd worden de waarde van 1/19 in eene kettingbreuk uit te drukken, dan ga men hierbij aldus te werk;

Daar 1/19 tusschen 4 en 5 valt, stelle men:

]/19 = 4-)- —, en « = 4,

-ocr page 371-

357

verder

VW 4 , 1 ~ i • :«• ■

]/19 — 4\' 3 quot; \' ^

De teller dezer breuk valt tusschen 8 en 9, derhalve a, = 2, en

K 19 4 1

-3-= 2 ^\'

waaruit

«3 -|--; flj = 3

xi

ö4 -]--; — 1

5

a5 -|--; ff s = 2

*6

Cü H--i quot;s—S

\' y i9 — 4

Wij komen alzoo wederom tot dezelfde breuk terug, welke ons het tweede en de volgende wijzergetallen opgeleverd heeft, waaruit men derhalve besluiten mag:

1/19=^4, 2, 1, 3, 1, 2, 8, 2, 1, 3, 1, 2, 8, enz.},

gevende voor naderende breuken:

4, 2, 1, 3, 1, 2, 8, enz.

h - h V3. n, H. W VW. enz.

dus 1/19= =4^| ten naasten bij, bedragende het verschil minder dan (7^)2.

TOEPASSINGEN.

1. Schrijf als periodieke kettingbreuken de wortelgrootheden K17, i/\'M, K28 en K31.

_1/19 —

2

5

5

l/19-|-3

V 19 —

■3

2

2

1/19 3

1/ 19 —

■ 3

5

5

1/19 2

1/19 —

2

3

3

1/ 19 4

1/19 — 4 1 \' a:.

1

Antw. K17={4, 8, enz.}

K21 = {4, 1, 1, 2, 1, 1, 8 enz.} K28={5, 3, 2, 3, 10, enz.}

K31 = {5, 1, 1, 3, 5, 3, 1, 1, 10, enz.}

-ocr page 372-

358

waarbij de periode door eene horizontale streep is aangeduid. Men merke op, dat de periode steeds begint bij het tweede wijzergetal, en eindigt met een getal, dat het dubbel is van het eerste wijzergetal.

2. Men yraagt Kft2 ^ Krta_)-2, a en Kaaals kettingbreuken te ontwikkelen.

Antw. Va*~ l =z (quot;gt; enz.}

^a!l 2 = (quot;gt; 2quot;\' enz-i l^a\' a — 2gt; 2a\' enz-}

y„2 2n = 1. 2«, enz.}.

§ 242. Niet alleen de vierkantswortels van geheele getallen, maar ook de onmeetbare wortels van elke vierkantsvergelijking, waarvan de coëfficiënten meetbare getallen zijn, kunnen door periodieke kettingbreuken uitgedrukt worden. Onderstellen wij, om dit aan te toonen, dat de vergelijking

(4)

één wortel heeft tusschen a, en 0,4-1- Stelt men

, 1

^•=0, H--,

zoo zal de nieuwe vergelijking

^, ^ = 0 (5)

slechts één positieven wortel hebben, grooter dan 1, en deze gevonden moeten worden. Ligt deze tusschen a2 en -)- 1, zoo zal de substitutie

, 1

eene nieuwe vierkantsvergelijking opleveren, die nu slechts een enkelen positieven wortel hebben zal. Aldus voortgaande verkrijgt men den wortel in eene kettingbreuk, en om te laten zien, dat deze periodiek zal zijn, moet men slechts aan kunnen toonen, dat bij deze bewerkingen eenmaal eene vierkantsvergelijking voor den dag zal komen, die men reeds gehad heeft. Nu is gemakkelijk in te zien, dat men heeft;

-®0 = A0a? quot;I- ^1®! quot;t- ^2

-S, = 2A0at Al

waarbij dus, als An, Ax, geheele getallen zijn, dit ook het ge-

-ocr page 373-

359

val zal wezen met Bll, Bl en Bv Daarenboven volgt uit deze gelijkheden :

-S,2 — 45052 = A? \\A0AV

Elk van de volgende vierkantsvergelijkingen heeft slechts één positieven wortel, en dus een negatieven bekenden term, zoodat, als men deze vergelijkingen voorstelt door:

C0x* ± Ctx,— C2= 0

f a®32 ± ^1^3—A = 0

de coëfficiënten C0, C,, C2, Da enz. alle positief zijn. Daarbij vindt men, evenals hierboven:

A2 4^0, = C12 4C0C2

dus ook

C12 4(70C!J = 7)I24i)0ü2= . . .=J* 4A0A2.

Hieruit volgt, dat de coëfficiënten C0, C,, C2, I)0, 2),, Z)2 enz. allen kleiner zijn dan At2 — A0A2, en daar het geheele positieve getallen zijn, kunnen er slechts een eindig aantal getallen voor deze coëfficiënten voorkomen en kan het dus niet anders, of in het onbepaald aantal vierkantsvergelijkingen, dat men verkrijgt, moet er eenmaal eene zijn, geheel gelijk aan eene der vorigen. En van deze af komen dan de wijzergetallen, die men reeds gehad heeft, terug, waaruit dus blijkt, dat de kettingbreuk eene periodieke is.

Bij dit bewijs is van de onderstelling uitgegaan, dat de gegeven vierkantsvergelijking slechts één wortel heeft tusschen twee opvolgende geheele getallen. Het valt echter gemakkelijk aan te toonen, dat, waar dit niet plaats heeft met de gegeven vergelijking, dit toch het geval zal worden met eene der volgende vergelijkingen. Heeft n.1. de vergelijking (4) twee wortels tusschen a, en o, -)- L die wij door a, -j- o en a-, /3 voorstellen, waarbij dus a en /S kleiner dan 1 zijn, zoo heeft de vergelijking (5) twee wortels

\\ en i. Het verschil dezer wortels -——^ is blijkbaar grooter dan pa ap

het verschil ^—a van de wortels van vergelijking (4). Door het omkeeren der wortels wordt dus het verschil der wortels grooter.

-ocr page 374-

360

zoodat als men de bewerkingen voortzet men eindelijk zal komen op eene vierkantsvergelijking, waarvoor dit verschil grooter dan de eenheid is. Deze vergelijking heeft dan slechts één wortel tusschen twee opvolgende geheele getallen. Alleen zal dit niet plaats hebben als de gegeven vergelijking gelijke wortels heeft, maar in dit geval zijn do wortels meetbaar, en het betoogde geldt alleen voor de onmeetbare wortels. In het hier besproken geval vindt men voor de beide wortels twee kettingbreuken, die eenige der eerste wijzergetallen gemeen hebben.

§ 243. Heeft men in de vorige paragraaf geleerd, dat elke onmeetbare wortel eener vierkantsvergelijking met meetbare coëfficiënten zich als eene periodieke, kettingbreuk laat schrijven, zoo willen wij nu omgekeerd aantoonen, dat elke periodieke kettingbreuk wortel is van eene vierkantsvergelijking met meetbare coëfficiënten.

Beschouwt men vooreerst de kettingbreuk

x= \\ «\\, «2, • • • enz. 1

waarin de periode met het eerste wijzergetal begint.

Men heeft dan

, 1

xat ~ i

2 -1- •

ff, -jquot; enZ\'

of ir = a, 4-— ,

x

daar hetgeen aan het wijzergetal ok moet worden toegevoegd, om de juiste waarde van x te geven, gelijk — is. Men heeft dus

X

x = \\a,, fl2, . . . ak, «1

Berekent men nu de waarde dezer kettingbreuk uit de opvolgen-

A A\'

de wijzergetallen, dan vindt men als — de ^lt;le en — de {k—I)0\'

BB

naderende breuk voorstelt:

Ax-\\-A\'

X~ Bx B\'

-ocr page 375-

361

\'

waaruit voor x eene vierkantsvergelijking wordt gevonden. § 244. Heeft men eene kettingbreuk

;r= a,, a2

al ï a\'1 1 G 2 ï

, enz.

waarin de periode door eenige andere wijzergetallen wordt voorafgegaan, zoo stelle men

y=lat, ff2. . . oj., enz. t * = la,, a2 - ••ai, y\\

Door op de in de vorige § besproken wijze te werk te gaan, vindt men dan;

Ay A\'

y-

(6)

By B\'

en door de waarde van x uit de opvolgende wijzergetallen te be rekenen

„ Cy G\'

(7)

By V\'

C C\'

waarbij — en — de en de (Z—l)de naderende breuk aangegeven, Uit (7) y oplossende, vindt men

D\'x—C\'

y-

C— Dx

welke waarde in (6) gesubstitueerd eene vierkantsvergelijking in x oplevert. Dat in deze vierkantsvergelijking de coëfficiënt van x2 niet nul kan worden, is duidelijk, daar men in dit geval voor x eene meetbare waarde zou vinden.

TOEPASSINGEN.

1. Schrijf als kettingbreuken de wortels Tan de vergelijking 2xa — 5a\' — 8 = 0

ik

Antw. «i = {3, 1, 1, 1, 1, 4, 9, 4, enz.}

— a;2 = {1, 9, 4, 1, 1, 1, 1, 4, enz.}

Om den negatieven wortel te vinden, stelle men .c = — z en berekene den positieven wortel van de vergelijking in s.

2. Ontwikkel in kettingbreuken de wortels van de vergelijking

55x5 — 125^ 71 = 0

Antw. x, = {1, 6, 2, 1, enz.}

:C2 = {1, 8, 1, enz.}

-ocr page 376-

362

3. Leid voor elk der in de Toep. 1 en 2 gevonden periodieke kettingbreuken do vierkantsvergelijking af, die deze breuk tot wortel heeft.

4. Schrijf als kettingbreuk den positieven wortel van de vergelijking

— ahx — « = 0 waarin a en h positieve geheele getallen zijn.

Antw. x — {«, b, enz.)

5. Eene vierkantsvergelijking heeft tot wortel xt = {l, 1, ff, enz.}.

Welke is de andere wortel?

Antw. a\'o = — {0, o, 1, 1, enz.}.

§ 245. Lagrange heeft eene belangrijke toepassing van de kettingbreuken gemaakt op het benaderen van de wortels der hoogere-machtsvergelijkingen. Het is dezelfde benaderingsmethode, die wij reeds in § 242 voor de vierkants vergelijkingen hebben leeren kennen. Terwijl daar echter voor eiken onmeetbaren wortel eene periodieke kettingbreuk werd gevonden, zoo verkrijgt men bij vergelijkingen van hoogeren graad kettingbreuken, die wel onbepaald doorloopend, maar niet periodiek zijn.

Laat de vergelijking F(x) = 0 slechts één wortel x tusschen dé

geheele getallen a en hebben. Zij x = a-]--dus a;, gt; l.

re,

Men zoeke thans de vergelijking in (x — a) of — , en keere de

•quot;i

wortels dezer laatste om, dan zal de hieruit ontstaande vergelijking

■dxiquot; -f- 1 • ■ • -f- = 0

slechts één wortel grooter dan de eenheid hebben. Heeft men door achtereenvolgende substitutiën gevonden, dat die wortel tusschen de getallen a, en c, 1 gelegen is, dan schrijve men wederom = a, -]—~, zoeke de vergelijking in (x, — a,) en keere

x2

insgelijks hare wortels om, ten einde eene vergelijking in z2 te bekomen. Stelt men nu weer x1 = «2-1—— , zoo verkrijgt men, al-

\'T3

dus voortgaande, voor den gezochten wortel x de kettingbreuk:

x=a -~\\ 1 i \' r T\'.l

a2.~\\--,

«3 -|- enz.

-ocr page 377-

363

waarvan de waarde den wortel des te nauwkeuriger zal doen kennen, naar mate de zoo even verklaarde bewerking verder voortgezet wordt. Hoe grooter de achtereenvolgende wijzergetal-len a, a,, a2. . . worden, des te spoediger zal men de verdere benadering hunnen staken, dewijl de verschillen met de juiste waarde van x, ingevolge de in § 235 betoogde eigenschap, alsdan noodzakelijk geringer worden.

Bijaldien de gegeven vergelijking twee of meer wortels tus-schen dezelfde grenzen a en a 1 bezit, zal de vergelijking in

noodzakelijk even zoo vele positieve wortels gt; 1 bevatten, welke een gelijk aantal vergelijkingen in zullen kunnen opleveren.

Liggen er tusschen a en a -|- 1 twee wortels, die slechts weinig van elkander verschillen, dan kan het gebeuren, dat de eerste wijzergetallen a3. . . am voor beide wortels dezelfde zijn,

en eerst de vergelijking in xm t twee wortels oplevert, die meer dan de eenheid van elkander verschillen.

Dezelfde opmerking geldt voor het geval, waarin drie of meer bijna aan elkander gelijke wortels tusschen a en a -f-1 mochten aanwezig zijn.

§ 246. Zij tot toelichting gevraagd te bepalen den positieven wortel van de vergelijking:

x3 — 2x — 5 = 0,

welke wij reeds vroeger behandeld hebben. Daar die vergelijking slechts één wortel tusschen 2 en 3 bezit, zoeke men de coëfficiënten der vergelijking in {x — 2), waarvoor men vindt:

1 -)- 6 10 —1 en derhalve voor de vergelijking in .r,:

x* — IOa^ — 6xl — 1 = 0.

Het is duidelijk, dat ^,gt;10 moet zijn, en dewijl volgens den

regel van § 47 ^,lt;11 is, stelle men ;!,•, = 10 -1-—. Decoëfficiën-

x2

ten der vergelijking in (x, —10) in omgekeerde orde opschrijvende, zoo komt er voor de vergelijking in x2:

61^ — 94x1 — 20X2— 1 =0,

welke bevonden wordt een wortel tusschen 1 en 2 te hebben. Zij

dus x2=l-\\--, dan volgt uit de vergelijking in (x21):

ar.

-ocr page 378-

364

Séa:\' 25^3 — 89^ — 61 = 0,

welke laatste vergelijking insgelijks een wortel tusschen 1 en 2

heeft, en hieruit vindt men, door x:s= 1 -|--te stellen, de ver-

gelijking

llx3 — 123a:* —187^ — 54 = 0,

4 4 4 7

welker positieve wortel tusschen 2 en 3 ligt, zoodat x4 = 2 -\\—

■quot;s

is. Op die wijze voortgaande, kan de benadering naar welgevallen voortgezet worden. Bepaalt men zich tot de hiervoren gevonden wijzergetallen, dan heeft men

a={2, 10, 1, 1, 2 . . .},

waaruit men op de bekende wijze voor de naderende breuken bekomt:

fv\' ff» W •

De laatste dezer breuken te klein zijnde, zoo is

*gt; uy gt;2,0943 . . .

terwijl het verschil met de juiste waarde van x minder dan (s1^)2, of 0,0004 bedraagt, zoodat men bij dezen graad van benadering slechts van de nauwkeurigheid der eerste drie decimalen verzekerd is.

De ontwikkeling van de wortels der vergelijkingen in ketting-breuken is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op het geval, waarin die vergelijkingen meetbare, doch gebroken getallen tot wortels hebben. Alsdan zal de kettingbreuk ergens moeten afbreken.

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat in de meeste gevallen de benaderingsmethode van horner, wat spoed der bewerking betreft, verreweg de voorkeur verdient boven die van lagrange.

TOEPASSINGEN.

1. Ontwikkel elk van de wortels van de vergelijking

lOOa-3 — 550a-2 875a; — 349 = 0

in eene kettingbreuk, en benader eiken wortel door een gebroken, dat niet meer dan 0,0000001 van de ware waarde verschilt.

Antw. X: = {0, 1, 1, 1, 1, 31, 1, 1, 1, 8, enz.}

x, = {2, 124, 1, 1, 2, 4, 1, enz.}

cc3 = {2, 1, 8, 6, 1, 1, 2, 1, 1, 2, 1, enz.}

-ocr page 379-

365

en met den verlangden graad van nauwkeurigheid a;, = mt = 0,6012402 . . .

^2 = ^^ = 2,0080262 . . .

a* = 1^ = 2,8907336 . . .

waardoor voor Xi x* juist 5,5 gevonden wordt.

2. Voor elk priemgetal p heeft men het volgende kenmerk van deelbaarheid. Zij a het aantal der tientallen in eenig getal, en h het aantal der eenheden, zoodat het getal voorgesteld kan worden door 10« H- h. Naarmate dan hm « al of niet een veelvoud van p is, zal ook 10« -t- 6 al of niet deelbaar door p zijn. Daarbij is m de noemer van de voorlaatste der naderende

10

breuken, die men vindt door — als kettingbreuk te ontwikkelen, en moet

P

het positieve of het negatieve teeken voor « genomen worden, al naar mate

deze voorlaatste naderende breuk kleiner of grooter dan —— is. Men vraagt

P

het bewijs.

n

Antw. Men heeft, als — de voorlaatste naderende breuk is

m

10«( — pn = 1

dus ook

o(10w 1) = apn m(10rt i) — (i/K o) = apn

waamit blijkt, dat 10« 6 en hm a 6f beide deelbaar, of beide ondeelbaar door p zijn.

3. Bepaal de kenmerken van deelbaarheid voor de getallen 7 en 13.

n 3 10

Antw. Voor p = 7, vindt men — = —, welke breuk grooter dan — is.

ml 7

Het getal 10« i is dus deelbaar of ondeelbaar door 7, al

naar mate 24 — a al of niet een veelvoud van 7 is.

Voor p — 13, vindt men hm tt = ih a.

ZES EN TWINTIGSTE LES.

ALGEMEEN BETOOG DER FORMULE VAN NEWTON VOOK DE ONTWIKKELING VAN {(1 -|- x)quot; VOOR ALLE WAARDEN VAN DEN EXPONENT n.

§ 247. Wanneer men het binomium ax door achtereenvolgende vermenigvuldigingen tot de ?iae macht verheft, dan verkrijgt men, gelijk uit de theorie der combinatiën en permutatiën is afgeleid geworden, de algemeene formule:

-ocr page 380-

366

= naquot;~1a-1-}-^j—2~^aquot;

-(M7^(;-2).quot;-V . . . -\\-naxn-*-\\-xn,

waaruit voor n=\\ volgt:

n{n—1) , , n{n—l)(?i—2) ,-i , «

(i ^r^ ^H—^1.2.3— •* ••• «* , ®quot;.

In elk dezer ontwikkelingen wordt de exponent ?i ondersteld een positief geheel getal te zijn, als wanneer de reeks uit een bepaald aantal, n -j-1, termen zal bestaan.

Stelt men echter voor n eene geheel willekeurige waarde /i, dan zal de reeks

I ^H—1-2-^4--17273-^ --. (1)

blijkbaar in eene oneindig voortloopende overgaan, welke eeniglijk convergent, en dus voor eene limiet vatbaar, zal zijn voor waarden van x, gelegen tusschen —1 en -|-1. Immers, met toepassing van den bekenden regel, heeft men, daar de algemeene term:

_ Miquot; — ^— 2) • • • O — « 1) ,

Uquot; 1 . 2 . 3 . . . m

is, voor de verhouding

(l-\'i

1_211

li ^l

u„ V n -j- 1 / 1 i i 1 I

waarvan de limiet, het teeken daargelaten, voor n = cc tot waarde heeft x; dus is de reeks convergent voor alle waarden van x tusschen —1 en -}-l, of om ook met onbestaanbare waarden veji x rekening te houden, voor alle waarden van x, waarvan de modulus kleiner dan 1 is.

§ 248. Wij zullen thans betoogen, dat de reeks (1), mits convergent zijnde, voor alle waarden van ju tot limiet of som heeft eene der waarden van de functie (1

Stellen wij de vooralsnog onbekende som voor door en

n

maken wij kortheidshalve gebruik van de verkorte notatie (/i), om den coëfficiënt van den algemeenen term der reeks, dus

-ocr page 381-

367

iquot;0— I) • • • (n — quot; !)

1.2...«

uit te drukken, dan heeft men

?lt;,«) =1 Cv)* (-quot;K (i«gt;3 • • • (2)

Daar men hierin aan /.i willekeurige waarden geven kan, zoo heeft men insgelijks

K/O = 1 Cv\'V 0V • • • (3)

Het produet dezer beide convergeerende reeksen zal, zooals in § 213 betoogd is, insgelijks eene convergeerende reeks zijn, tot som of limiet hebbende het product lt;p{fx) .

Ontwikkelt men het product, dan komt er na rangschikking volgens de opklimmende machten van x:

f(M) firö=i-H(/\'o (/b]^ [(/O (/V) (;t) ihv

[(Zo oo C) («\') («) ob]*3 •..

waarin de coëfficiënt, tot de macht xquot; behoorende, dezen alge-meenen vorm aanneemt:

P* = (/\'■) (,«) (,«\') (,«) (/\'\') (/\') • • • (,«\') (/lt;) (,quot;\')•

Het zal thans blijken, dat deze coëfficiënt van a.-quot; zich laat herleiden tot de uitdrukking

/ quot; ^ _(/« /«\') (/lt; /«\' — 1)...(/« / — « 1) 1.2.3...«

Om zulks te bewijzen, merken wij in de eerste plaats op, dat er tusschen twee opvolgende coëfficiënten in de reeks (2) deze betrekking bestaat:

Stellen wij voorts de reeks, die uit de ontwikkeling van het product •p(ju). is ontstaan, kortheidshalve aldus voor:

fifi) vi/i) = l Py • • • PX -f . . . (4) en vermenigvuldigen wij den coëfficiënt P„ met den factor

— ^ -. Wij zullen tot eene uitdrukking voor dat product

11 —j— 1

kunnen geraken, door vooraf eene waarde te zoeken voor het pro-

-ocr page 382-

368

r n-r

duct van dien factor met eenigen willekeurigen term (/u\') (/lt;) van P„, om hierin vervolgens aan r alle waarden van 0 tot n te geven. Nu is

Maar ingevolge de hiervoren aangewezen betrekking tusschen twee opvolgende binomiaal-coëfficiënten, heeft men:

— n r H-r 1

(M)-j—= (/*),

li, —-f-1

,r, i«\' — i\' l\'*! ^)-7 T=(^)

Derhalve:

.. _4_/#\'_n r n-r —1 r M-r 1 -i-1 r , nv

(/quot;\') (-«) = \'t (/quot;\') (p) (/0 (/\'). n -j- 1 ti -|- 1 9i -j- 1

Deze algemeene uitkomst alsnu van toepassing makende op de onderscheidene termen, waaruit de coëfficiënt Pn is samengesteld, zal men voor die achtereenvolgende producten naar rangorde vinden:

/1 1 2 1 n (/lt;) (v\') (/*),

11 1 n 2 2 «_ |

- lt;gt;\') (/quot;) --rT1\'^\') ^)\'

—r-v \' ^ j yr-j r ZJI

n_1 2 *-1 3 3 w-2

—TT^\') (^ rjTT^ {/l)\' ii —|— 1 n \\

n_2 3 n-2 4 4 n-3

-—j—r (V ) (^) —TT ^

W -j- l W -f- i

J n 1 n 1

H 1

waarvan de som zich gemakkelijk laat herleiden tot de navolgende uitdrukking:

Oj -f- (^\') ip) {/x\') (/lt;) (iquot;J (iquot;\') (lt;quot;) (iquot;\')-

Bij vergelijking dezer uitkomst met de algemeene waarde van den coëfficiënt. P„ bemerkt men terstond, dat zij met deze, na

-ocr page 383-

369

daarin n door n-\\-l vervangen te hebben, volkoaaen overeenstemt, waaruit men besluit tot de betrekking

V n-\\-l ) n\'

Daar nu de coëfficiënt P, van x in de reeks (4) gelijk is aan {n -}-//\')gt; 200 geeft de voorgaande betrekking voor « = 1:

{fi -f-zi\') —1)

1 . 2

•A

P,=

en op gelijke wijze voor n = 2, 3 . . .

P3=P* X

P* = Pz X enz.

en in het algemeen

— C« V)

enz.

/quot; /«\'-» 1

Pn = Pa., X

Derhalve gaat de reeks (4) thans over in:

• ¥(/* ) = 1 -{-(/« /*\')amp; -j- (fi -j- -f- (jM -j- jquot;\')1\'3 ~1~ • • •

Doch de reeks, welke door lt;p(ju) voorgesteld is, geeft, zoo men daarin fj. door /(-j-/i\' vervangt:

Deze reeks met de voorgaande volkomen overeenstemmende, zoo mag men hieruit besluiten dat

lt;p{fx) = (5)

welke vergelijking eene kenmerkende eigenschap der onbekende functie fi) voorstelt, zoodat het er thans eeniglijk op aan komt om den aard dezer functie uit die eigenschap af te leiden.

§ 249. Te dien einde kan men aldus te werk gaan. Vervangt men /«\' door dan komt er

24

of

y(/«) = fin ^1 /0-

LOBATTO.

-ocr page 384-

Op gelijke wijze voortgaande, vindt men voor een willekeurig aantal waarden /u., /u,, fa, fa . . .

lt;p(/j.)lt;p(fa)lt;p(fa)lt;p(fa). . . = r(fi-\\-fa fa-\\-fa-\\- . . .)•

Stelt men hierin fi = fa=n2t. , . = a, en het aantal dezer waarden = m, zoo komt er

[?(«)]\'quot; = ?gt;(»quot;«) i (6) waarin m een geheel positief getal beteekent. Deze vergelijking laat zich echter eveneens uitstrekken op het geval, dat m eene gebroken waarde, of zelfs eene geheel willekeurige waarde verkrijgt. Want, neemt men «/3 = ma, dan is

!gt;(amp;•]quot;=—9(.ma) = [^(«)3m

of

dus

waaruit blijkt, dat de vergelijking (6) ook voor gebroken waar-

den van m geldt. Onderstelt men voorts, dat de breuk — tot eene

n

onmeetbare waarde /u nadert, en neemt men de limieten van beide leden van bovenstaande vergelijking, zoo komt er:

lt;p(tla) = [?(a)yx

waarmede is aangetoond, dat de vergelijking (6) ook voor onmeetbare waarden van m geldt. Stelt men hierin a = l, dan zal voor alle positieve waarden van /li

dus ook

f(0) = l.

Doch indien men in de grondvergelijking (5)

jii\'=fi stelt, verkrijgt men:

waaruit blijkt, dat de vergelijking (7) insgelijks voor negatieve

-ocr page 385-

371

waarden, en dus voor alle mogelijke waarden van fi geldig is.

Wanneer men nu in de reeks, welker som door voorgesteld is, fi—1 stelt, dan is blijkbaar ®(1) = 1 -|-a:.

Derhalve y(yu) = (lhetgeen te bewijzen was. § 250. De ontwikkeling van (a-j-a1)quot; is altijd tot de voorgaande terug te brengen. Schrijft men namelijk daarvoor:

dan volgt hieruit, dat de oneindige reeks

na*-\'x quot;fo ^ v -f . . .

voor alle waarden van den exponent n de ontwikkeling van (a -}- x)\' zal voorstellen, mits x gelegen zij tusschen de grenzen —a en a, of rekening houdende met onbestaanbare waarden van x en a, mits de modulus van x kleiner zij dan die van a. Is daarentegen de modulus van x grooter dan die van a, zoo is bovenstaande reeks divergent en stelt zij dus niet de uitdrukking (a. #)» voor. Voor positieve waarden van n zal de reeks convergent blijven, als de modulus van x gelijk is aan die van a.

De functie (a -j- #)quot;, en in het algemeen elke onafgebroken functie van x kan slechts op ééne wijze in eene convergeerende oneindige reeks naar de opklimmende en geheele machten van x ontwikkeld worden. Hiervan kan men zich aldus overtuigen. Men neme aan, dat f(x) de som kan voorstellen van elke der twee reeksen

ö0 Oia; quot;!2a:2 a3ir3 • • •gt; • • ■

Daar zij beiden voor dezelfde waarden van x moeten convergee-ren, zullen zij voor 0 dezelfde uitkomsten behooren te geven, waaruit al dadelijk volgt: a0=i0.

Men heeft derhalve

atx -j- a2x2 -}- a3x3 -f- • . . -(- l^x*

Beide leden door x deelende, vindt men

ö, -f- a^x a^x1 -|- bzx -f- b^x1 -f- . . .

welke betrekking moet gelden voor alle waarden van x, waarvoor de gegeven reeksen convergeeren, behalve voor x = (), daar bij de deeling door x ondersteld is, dat x eene van nul verschil-

24*

-ocr page 386-

372

lende waarde bezit. Het is dus niet veroorloofd in deze laatste betrekking »= 0 te stellen. Men kan echter aan x eene kleine waarde geven, die men tot nul doet naderen Door dan de limieten van beide leden te nemen, vindt men 0, = ^,.

Hierbij is stilzwijgend ondersteld, dat voor x = 0 geene on-doorloopendheid intreedt, welke onderstolling veroorloofd is, daar men kan aantoonen, dat elke reeks, gevangscliikt volgens de opklimmende machten van x, eene doorloopende functie van x aangeeft voor alle waarden dezer grootheid kleiner dan de conver-gentiestraal.

Op dezelfde wijze voortgaande, zal men bevinden, dat de coëf-ficiïinten in beide reeksen met elkander moeten overeenkomen en deze dus identiek zullen zijn.

Het zal nu niet moeielijk zijn, de navolgende toepassingen der Newtoniaansche formule op gebroken en negatieve waarden van 7?i te maken.

V(«2 ± a\') = «(l ±^)quot;:

3*3 3.5 a;4

= i: Tv

2a 2.4fl2.4.Ca5 2.4 . 6 . Sa\'\'

3a2 3.6a3.6.9as 3.6,9.12a,,

2 a;2 2.5 «3 2.5.8 a;4

--)--------L

^ -5 -1- o /? „8 o n n quot;i o _i i

1 z \'óx2 3.5a:3 3.5.7a:4 a 2fl3 2. 4as ^2.4.60\' 2.4.6.8 a9

a^1 3fl4~^3. 6 a\' ^ 3.6 . 3 .6 . 9 . ^a13 \' quot; \' {a-j-x}/\'—(a — .t}/—1)quot; =

(a1)quot; _ (a _ x ]/_ 1)» =

-ocr page 387-

373

Bij het benaderen van don reaen machtswortel uit een willekeurig getal Agt;\\ zal men de Newtoniaansche formule ook onder den navolgenden vorm kunnen schrijven. Men stelle namelijk A — an± b, dan zal, omdat

1 1/ b \\ 1/

aquot; ± b flquot;\\ ^ aquot; ± b) aquot;\\ ^ Aj\'

is, dus

(«quot; ± = a T quot;,

VA^Yia* ±b) =

, (i , | W 1C5\\2, (» l)(2» l)/«\\3 -a 11 ±»b) ^quot;V2) ±--VA) •

zijn, welke reeks des te spoediger convcrgeeren zal, naarmate de breuk — kleiner wordt. Op gelijke wijze vindt men:

1 _ 1

VA K(«quot;±«)

1 j, 1 n — lrbS {n — \\)(.2n — \\)(b^ |

~a\\ T n \\a] 2«a \\a) \'t 2.3«3 \\a)

ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.

ONTWIKKELING DER EXPONENTIALE EN LOGARITHMISCHE FüNCTIËN.

§ 251. Zoo men in de nu voor alle waarden van den exponent betoogde reeks

(l-M-=l ïx 4=iW...,

die voor a;2lt;:l geldt, x vervangt door ix en « door -i, verkrijgt men:

(1 io;)^ 1 x (1 _i) (1 -0(1 _20 ... (1)

-ocr page 388-

374

Neemt men hierin i hoe langer zoo kleiner, zoo zullen de termen (1 — (1 — 2i), enz. hoe langer zoo meer tot de eenheid naderen. Eer men evenwel hieruit besluit dat

Zim(l jaOi=l « -p2 1-2-3 • • • (^)

zal zijn, en wel voor alle waarden van ix lt;1 dus voor alle eindige waarden van x, moet men zich overtuigen wat er wordt van een eindig aantal, bijv. q termen der reeks, daar, als men een onbepaald aantal termen der reeks (1) opschrijft, men niet goed inziet wat er van den factor

(1—0(1 — 20 . . . (1 -pi)

wordt, waarin i hoe langer zoo kleiner, maar daarentegen p hoe langer zoo grooter kan gedacht worden.

Wij zullen daartoe q termen der reeks opgeschreven denken, en voor alle volgende eene eindige uitdrukking trachten te vinden. Deze volgende termen zijn:

xi xl**

(1 - 0 •• (1 - [? -1] 0 YJTq (1 - 0 •• (1 - ? 0 1.2...(?-f-l) -

of, gelijk men ze ook schrijven kan:

xl

(1—0(1—20 . . . (1 —b—i]012 i g x

ji a—yo^ ï c1—?0(i—[? i] t)(2 i)(? 2) quot;quot;l*

De uitdrukking tusschen de haken zal bij elke kleine, doch eenmaal aangenomen waarde van i, ten slotte overgaan in eene rij termen met afwisselende teekens, omdat de factoren 1 —si negatief worden. Maar door de verhouding van een paar opvolgende termen, waar deze afwisseling plaats heeft, op te maken, vindt men, wat de getallenwaarde betreft, voor deze verhouding:

si — 1 six

——nrlt;:!a:

s 4quot; 1 s 1

en zullen dus voor ix cl de termen voortdurend blijven afnemen in getallenwaarde, terwijl ook de algemeene term tot nul nadert. Noemt men dan de termen, waarbij de teekenwisseling begint:

-ocr page 389-

375

«gt; —ft

zoo is de som van deze en van alle volgende termen gelegen tus-sclien de positieve waarden a en a — /5, en daar, tot aan den term [1, ook alle termen voortdurend afnemen, als x is de

uitdrukking tusschen de haken kleiner dan

\' ? l \' (? l)(? 2) 1 * quot;

dat is ook kleiner dan de som van de termen dezer reeks

/

\' ? l \' (? l)2 \' (? l)3

of kleiner dan

1

1 —

? l

Aan den anderen kant is deze som grooter dan nul. Derhalve zijn, als S een getal tusschen 0 en 1 voorstelt, alle termen, die op den ydcn voigen) gelijk te stellen aan

^ = (1—0(1 — 20 . . . (! — [? — 1] 0

1.2...^

9 1

Hieruit volgt, dat voor {xlt;l en x cq-\\-l (l iar)7=l-[-ar-t-(l_i)^-f . . .

(1-0(1 — 20 . . . (1 ~[?-2]0 ^ «• Neemt men nu i onbepaald klein, zoo wordt bij bepaalde q Urn (l tgt;)quot;i=:l ar -^- ..-(- * \' * 8

x

1.2 \' \' 1 1.2..(y—1) \'

? l

waarbij x nog alleen kleiner dan ? -j- 1 behoeft te zijn.

En hierin q grooter en grooter nemende, zoo blijkt, dat de reeks (2) werkelijk juist is voor elke eindige waarde van x.

§ 252. Stelt men in de reeks (2) voor x de eenheid, zoo komt er:

-ocr page 390-

376

Zm(l ^=2 ri 3-^ . • •\'

waarvan de som gewoonlijk door e wordt voorgesteld. Men vindt:

e = 2,7182818 . .

zijnde het grondtal van het eerste, door John neper berekende logarithmensteisel, dat dan ook het Neperiaansche stelsel genoemd wordt.

Daar nu verder

Lm{ 1 -}- ix)\' = Lim | (1 -f- ix)iz |\'

en daar Lim (1 -)- i) gt; = Lim (1 -{-ix)1\' = e, zoo is

_i

Lim (1 -|- ix) \' = ex, en voor alle eindige waarden van x:

x1 , x*

e*

=1 ^rr2 r^3 --- (3)

Om den meer algemeenen vorm ax in eene reeks te ontwikkelen, stelle men ax — ew, waaruit men vindt u — xNep.log.a, of u = xl(d), als men onder dit laatste teeken den Neperiaan-schen logarithmus verstaat. Ontwikkelt men nu eu, zoo vindt men:

(.) eB|r ^f ... w

welke reeks ook voor alle eindige waarden van x doorgaat.

§ 253. In de vergelijking ax =y kan men, waar x bekend is, y des noods ook zonder behulp van de reeks (4) vinden. Iets anders is het om, als y gegeven is, x te bepalen. Daartoe geven de gewone herleidingen geen middel. Om zulk een middel op te zoeken en dus den logarithmus van eenig getal met behulp van dit getal uit te drukken, zullen wij den volgenden weg inslaan.

Zij ex=l-\\-z, waarin e het grondtal van het Neperiaansche logarithmensteisel voorstelt, zoodat

x — l{l

Verheft men beide leden der vergelijking e* = 1 -f- z tot de nie macht, zoo komt er

-ocr page 391-

377

e\'*=(l *r,

Elk lid dezer vergelijking ontwikkelende, verkrijgt men op grond van formule (3):

ii i 4,2 , 1 11 1 n(n — 1),

l M o r^3 -quot;=1 W2 -r2-^ - • •

geldende voor alle waarden van n, mits z2 cl.

Nu de eenheid van beide leden dezer vergelijking aftrekkende, en vervolgens door n deelende, komt er:

/ I ^ I I I nl.t 1 (»—!)(«—2) 3 .

V 1.21.2.3 / 1.2 1.2.3 ? -\'

Deze betrekking blijft gelden als n tot nul nadert, zoodat men, de limieten nemende waartoe in deze onderstelling de beide leden naderen, vindt;

x = l(l z)=:z—.. . (5)

welke reeks de ontwikkeling van den Neperiaanschen logarithmus van het getal l z uitdrukt, mits z2 d genomen wordt. Voor negatieve waarden van z wordt x negatief, zoo als behoort, dewijl egt;-1 is.

Uit de wijze, waarop wij zoo even de ontwikkeling van /(1-f-^) verkregen hebben, zal men tevens gemakkelijk inzien, dat de waarde dezer functie zich, ook als z gt; 1 is, onder een eindigen vorm aldus laat voorstellen:

Z(l -H) = Lim(1 ^quot;~1

n

wanneer men hierbij n tot nul doet naderen.

§ 254. De waarde van x in de vergelijking ax = y is nu met behulp va.n het voorgaande gemakkelijk te vinden. Zij namelijk x\' do Neper, logarithmus van y, dan heeft men

ax = e*\' —y,

dus is x\'— l{y) en x = L{y), waarbij L den logarithmus in een stelsel van willekeurige basis a aanduidt.

Neemt men den Neper, logarithmus van elk lid der voorgaande vergelijking, dan bekomt men:

x 1(0) = x\', dus x = L(jj) =~^-.

-ocr page 392-

378

De logarithmus van eenig getal y in het stelsel, waarvan a het grondtal is, wordt alzoo gevonden door den Neper, logarithmus van dat getal te vermenigvuldigen met eene standvastige breuk, tot teller hebbende de eenheid en tot noemer den Neper, logarithmus van het grondtal a. Deze factor draagt den naam van Modulus van het stelsel, en wordt gewoonlijk door den let-

J.

ter M aangewezen. Daar door deze definitie a = eM en hieruit ook volgt aM = e, kan men ook zeggen dat de Modulus den logarithmus van e voorstelt in het stelsel, dat a tot grondtal heeft.

Men heeft derhalve in het algemeen:

I{l z) = M{z — ^ i24-f . . .) (6)

In het Neperiaansche stelsel is blijkbaar de modulus quot;gelijk aan de eenheid.

Zoodra dus eene tafel der Neperiaansche logarithmen berekend is, kunnen daaruit de logarithmen in elk ander stelsel door vermenigvuldiging met den modulus M worden afgeleid. In het gewone logarithmenstelsel, welks basis 10 is, en dat, naar den eersten ontwerper briggs, het Briggiaansche genoemd wordt, zal de modulus tot waarde hebben

:0,4342945 .. .

«10)

§ 255. De formule (6), hoewel alleen geldig voor zJlt;l,

kan toch, ook zonder wijziging, dienen om de logarithmen van alle getallen te berekenen. Daar bijv.

X(29) = _Z(^)

is, zal men, door in (6) voor z te stellen — en de komende som van teeken te veranderen, i(29) verkrijgen. Men kan even-wol formule (6) met voordeel eenigszins wijzigen. Men stelle in-(6) voor z de waarde —2 en trekke de beide reeksen

L{l—z)=—M{z \\f %z* {z* . . van elkander af, waardoor men bekomt:

X(r=-D=2 ^ k i (7).

Stel thans

-ocr page 393-

379

1 \'? u •

= U, dus Z

1 M\') VlllO amp; --| 1 f

1 — 2: w 1.

kunnende hierin u alle mogelijke positieve getallen voorstellen, vermits z daardoor altijd lt; l blijft, dan heeft men de nieuwe reeks:

. £M=2«|ï=i i(ï=i), 1c-=-;), ...j (8).

waaruit men bijv. vindt:

Z(10) = 2f^ £(VV)34-KA)5 -quot; 1 =2,3025851 ...

dus

quot;quot;iPT0-4342945-quot;

zijnde het standvastig getal, waarmede de Neperiaansche loga-rithmus van eenig getal moet vermenigvuldigd worden, om den gewonen logarithmus van datzelfde getal op te leveren.

§ 256. De beschouwing der reeks (8) doet terstond inzien, dat zij des te langzamer convergeert naarmate u een grooter getal is. Uit dien hoofde hebben de wiskundigen andere reeksen uit de voorgaande afgeleid, waardoor de logarithmen spoediger kunnen berekend worden. Wij zullen er hier eenige van mede-deelen.

Men stelle in de reeks (7)

~2M-fl\'

dan wordt

m 1 quot;fquot; 2 W -]— 1

1 — z u

derhalve

j^1 ^)%4(^)\' ... jo»,

welke reeks zeer geschikt is om, indien de logarithmus van eenig getal u reeds bekend is, daaruit dien van u 1 te vinden, en men zal van deze reeks des te minder termen behoeven te gebruiken, naarmate u grooter is. Zoo vindt men:

-ocr page 394-

380

Zf2) = 2^^ Ki)3 ia)5 . - I.

i(3) = i(2) 2M H Ki)3 Ki)5 • • l,

i(5) = 2Z(2) 2M^ Ki)3 ia)5 . • •}.

en bij grooter en grooter getallen zullen telkens minder termen van de reeks noodig zijn, zoodat men al spoedig aan een enkelen term genoeg heeft.

Wil men voor het grondtal 10 den modulus berekenen, zoo kan

men, daar -^. = /(10) = /(2) -j~ ?(5) is, met behulp der opgeschreven reeksen vinden:

^=6u ia)3 i(i)s - • -i 2H Ki)3 iws • • i.

en een klein getal termen dezer reeksen is reeds voldoende om M met groote nauwkeurigheid te bepalen.

Stelt men in de reeks (7) voor z:

a

2«quot; -t- a

zoo vindt men:

kv ~ • j- d»)-

Hieruit laat zich tevens eene reeks afleiden, welke zeer geschikt is om den logarithmus van eenig getal m -j- 1 spoedig to berekenen, wanneer die der twee voorafgaande getallen m en m — 1 reeds bekend zijn.

Stelt men te dien einde n = 2, a = — 1, dan volgt uit de reeks (10):

ZO? — 1) = Z(gt;-I-1) Z(gt; — 1) ==

= 2 Liu) - 21/ j i(2^=l) • * •!\'

dus

L(u -{-1) = 2 L{u) — L{u — 1)

-quot;i27 4(2^ri)\' K2?^T)\' ---!

Zoo vindt men bijv. uit deze laatste vergelijking: Z(3)=2Z(2)-2Mji i.i !.! . . . [ = 0,4771213,

welke nog sterker convergeert dan de daareven gevonden waarde voor Z(3).

-ocr page 395-

381

Heeft men met behulp dezer reeksen de logarithmen der ondeelbare getallen mot genoegzame nauwkeurigheid berekend, zoo kunnen die der deelbare getallen door optelling er van afgeleid worden.

Daar het grootste aantal termen der reeksen gebruikt moet worden om de logarithmen der kleinere getallen te vinden, en deze grondgetallen daarenboven nauwkeuriger dan de anderen bekend moeten zijn, heeft men nog het volgend middel bedacht om de logarithmen der eerste ondeelbare getallen te vinden.

Men zoekt de logarithmen van gebrokens, waarvan teller en noemer één verschillen, terwijl beide in eenvoudiger factoren te ontbinden zijn. Zoo zijn bijv. volgens formule (8):

L (If) =21(7)- Z(3)-4Z(2) = 2M{ (^)3 ..|,

L (|§) = L (2) -f 2Z(5) - 2X (7) = 2 .¥ J ^ i Ws)3 •■ I. L (ff) = 6Z (2) — 2L (3) — X(7) = 2JV|T^T ^(T^ ..|,

i(2) 2i(3) Z(7)-3Z(5)=2i¥{^T ^T)\' ..|.

Deze reeksen convergeeren zeer sterk. Tien termen der eerste zouden volstaan om de waarde tot in ongeveer 40 decimalen juist te vinden. En na het bepalen dezer waarden kan men nu L (2), L (3), L (5) en L (7) uit de vier zoo verkregen vergelijkingen als onbekenden oplossen.

§ 257. De eerste ontwerpers eener logarithmentafel waren van de hiervoren verklaarde hulpmiddelen geheel verstoken, en moesten zich zeer langwijlige berekeningen getroosten om hunnen arbeid te volbrengen.

Neper (hij schreef zijn naam ook napeir en naippee) vergeleek de termen eener meetkundige en eener rekenkundige reeks met elkaar, en nam de reden der meetkundige reeks zoodanig, dat, als men onbepaald veel termen tusschen twee gegevenen dacht, deze reden gelijk werd aan de eenheid venneerderd met het verschil van de bijbehoorende rekenkundige reeks. Zijne reeksen waren dus:

meetk. reeks 1 (1 -f- 5) (1-j-(J)2 . .

rekenk. reeks 0 lt;1 2d .. .

Derhalve is in zijn stelsel des te nauwkeuriger:

log (1 quot;l- ^) =

naarmate d kleiner is. Noemt men het grondtal e, zoo is dns

/= 1 ^

-ocr page 396-

382

en e — Lim (1 -|- 5)^

dat met het in § 252 gevondene overeenstemt.

Om de handelwijze van briggs te leeren kennen, diene het volgende.

Uit de grond vergelijking 10*=y volgt tevens, voor elke wille-

n n

keurige waarde van n, )/ 10-c=]/ry. Nu is het altijd mogelijk,

n

het getal n zoo groot te nemen, dat y weinig van de eenheid

n n

verschilt. Men stelle dan Y^y = l -j- z, en ■l/quot;10 = l-j-a, zoodat a en z beide zeer kleine breuken voorstellen. Men heeft derhalve:

l z = (l a)^l ^a a(gt;~1)a\' . .

in welke ontwikkeling de tweede en hoogere machten van het kleine gebroken a te verwaarloozen zijn. In dat geval komt er:

1 = l -\\-ax, dus x — —,

of wel:

1/10 — 1

welke formule blijkbaar des te nauwkeuriger uitkomsten voor L {y) zal opleveren, naarmate de exponent n grooter genomen wordt, Briggs berekende zijne logarithmen door 60maal achtereen den vierkantswortel zoo uit 10 als uit het gegeven getal y tot in 30 decimalen te trekken, en voltooide op die wijze zijne logarithmentafel, welke in 1618 voor het eerst in het licht verscheen. Neemt men het grondtal e in plaats van 10, zoo wordt de voorgaande vergelijking:

iW=h=l.

]/e —1

maar daar e=^l-f-^ zal zijn, als n hoe langer zoo grooter wordt, volgt

l{y) = n{Yy—\\)

des te nauwkeuriger, naarmate n grooter is.

-ocr page 397-

383

§ 258. Het zal niet ondienstig zijn, hier nog aan te toonen, dat de vorenstaande benaderingsformule mede in de algemeene formule

waarin y tusschen 0 en 2 ondersteld wordt, opgesloten ligt.

n

Schrijft men namelijk ^y \'va. plaats van y, dan verandert de voorgaande reeks in:

Z (^) = » if {(Ky - 1) - i — l)2 -J (Ky — 1 )3-. .. j (12),

waarin nu y lt; 2quot; moet zijn, en voor y = a, het grondtal van het stelsel, heeft men:

\\ = nM\\(ya — l) — ±(ya — \\f-\\-i5(ya-\\y— . . .|. Derhalve:

r AA_(l/y-^-iCKy-iy iCKy-i)3— : ■

w) n n n gt;

(IS a— 1) — (V^«— l)3—• • •

welke, bij het verwaarloozen van de machten der kleine groot-

n n

heden yy—1 en ]/a—1, n steeds een groot getal ondersteld zijnde, de boven gevonden benaderingsformule zal opleveren. Stelt men in de formule

Z(y) = _^-y i(l-y)2-K(l-y)3-f • • -1

voor y, -i-, dan gaat zij over in de reeks:

Vy

L{y)=nM11--H-if1--irV if1--\' quot; quot;lquot;

1 Vy Vy Vy \'

Deze met de reeks (12) vergelijkende, zoo blijkt hieruit dat men voor alle waarden van n steeds zal hebben;

L(y)gt; nMi\\--) en cwJ/Q/y — 1),

Vy

zijnde deze beide grenzen voor de Neperiaansche logarithmen:

/ 1 \\ n, m(1 — — ) en n{Vy—!)•

Vy

-ocr page 398-

384

En deze grenzen zullen des te minder van elkaar en dus ook van den logarithmus verschillen, naarmate n grooter genomen is.

ACHT EN TWINTIGSTE LES.

over de ontwikkeling dek goniometeische functiën en haar verband met de exponentiale en logarith-mische functiën.

§ 259. De in § 114 betoogde algemeeno vergelijking

(cos V rb sin y l/\'—\\)\'l = cosnlt;p±sinnlt;p\'\\f—1 (1),

die door de moivre gevonden is, kan beschouwd worden als den voornamen grondslag uit te maken voor de ontwikkeling der goniometrische functiën. Wij zullen thans doen zien, welke vruchtbare gevolgen daaruit kunnen afgeleid worden.

In de eerste plaats zij hier opgemerkt dat, ofschoon de varge-lijking volgens het ter aangehaalde plaatse gegeven betoog slechts voor geheele positieve waarden van n geldig schijnt, zij zulks evenwel voor alle mogelijke waarden van n is. Hiervan kan men zich gemakkelijk aldus overtuigen.

Onder de uitdrukking

v_

(cos lt;p éisin lt;p y—l)\'

moet een vorm verstaan worden, waai-van de qAt macht oplevert:

(cos (f ±sin lt;p ]/ — \\y =z cosp ±sin — l.

Maar dit is het geval met

V -Pr-,

cos—lt;p±sin — VY — 1,

1 1

volgens het reeds gegeven bewijs. Derhalve is

V ï) . V

(cos lt;p Jcsin lt;p ]/ — 1) ï\' = cos — lt;p ±5?« -- — 1,

1 1

en gaat de formule ook door voor het geval, dat n een gebroken getal is. Men moet evenwel opmerken, dat de c/6 macht van

-ocr page 399-

385

p 2kTr\\ . /p 2Jcn\\ ,

cos [—lt;f±-)±«quot;(—Pi-]V—1

\\q q ) \\q q )

waarin h eenig geheel positief of negatief getal voorstelt, eveneens

cosp lt;p ±sinp fYquot;— 1

geeft, en dat dus in het algemeen

. , ,p in 2ki:\\ . in 2i,7r\\ ,

icosy ±.Mnlt;py— lp = cos (—ydr-)±m«(—-\\y — 1

\\q q ) \\q q J

door het tweede lid van welke vergelijking q verschillende waarden worden aangegeven.

Om aan te toonen, dat de vergelijking (1) ook geldt, als voor n een onmeetbaar getal /i genomen wordt, schrijve men eerst voor V

n de breuk —. Laat men dan deze breuk onbepaald naderen tot 1

de waarde /x, en neemt men de limieten van de beide leden dei-vergelijking, zoo blijkt deze ook te gelden voor /i=/x.

Voor negatieve waarden van n vindt men:

{cos(p -\\- sin(py—1) m=

(coslt;p-\\- sinyy—1)quot;

cos mlt;f -\\- sin my]/ — 1quot;

Vermenigvuldigt men nu teller en noemer van dit laatste gebroken met

cos m lt;p — sin in y]/— 1,

zoo wordt de noemer de eenheid en krijgt men, in plaats van het gebroken, de waarde:

cos m lt;p —sin m cp]/— 1,

en dus, daar

cos mlt;p = cos(—mlt;p) en —sin m lt;/gt; =sin{—m lt;p),

vindt men:

(cos (p-\\-sin(py — !)quot;\'quot;=cos (— m y) -j- sin (— m tp) ]/^ — 1,

waaruit blijkt dat de regel ook voor negatieve waarden van den exponent doorgaat. Het bewijs voor

cos(psinyy —1

kan op geheel dezelfde wijze gegeven worden.

lobaïto. 25

-ocr page 400-

386

De formule van ue moivre blijkt dus te gelden voor alle bestaanbare waarden van n.

§ 260. Uit de vergelijking

(coslt;p -\\-sinlt;p\'\\/\' — 1)quot; = cos n lt;p -|- sin n lt;pl/ — 1

volgt, wanneer men het eerste lid volgens het schema van newton ontwikkelt en dan de bestaanbare en onbestaanbare gedeelten in

beide leden der vergelijking aan elkaar gelijk stelt: 2 _ . 4

cosn (p^cosquot; (p—{n)cosn 2(psin2(p-\\-(n)cosn A(psin (p —

«

— («.) cosquot; 6 (psin6(p-\\- ... (2)

1 3 _

sin nlt;p = {ri)cosquot; ^fpsinlt;p — (tocos\'1\'3(psin*(p

5 - . O

-(-(m)cosquot; S(psini(p—. . . (3).

In deze reeksen stellen

(«), (»), (»)...

de binomiaalcoëfficiënten voor. De beide reeksen (2) en (3) kunnen ook op de volgende wijze geschreven worden:

2 4 0

cosnip = cosquot;(p\\l—(p-\\-yn)tg4(p — (n)lt;lt;7V-f- ...] (4),

1 3 5

sinn lt;p — cosquot;(p[(n)fg(p — (p -j- {p)tgslt;p —...] (5),

Is n een geheel positief getal, zoo bestaan deze reeksen uit een eindig aantal termen, terwijl zij anders in oneindig voortloopende overgaan.

In dit laatste geval geldt de ontwikkeling van

(cosy -j- sin lt;f ]/—l)n = cosquot; lt;p (1 -j-typj/1)quot;

slechts als tfipcl, en zullen dus ook de betrekkingen (4) en (5) slechts in deze onderstelling, dus voor waarden van lt;p gelegen

tusschen — ^ en geldig zijn.

Door deeling der beide reeksen (4) en (5) ontstaat nog do volgende uitdrukking voor den tangens van het veelvoud eens boogs:

(n)Ujq, — {ri)t(f,p {n)tff(p— . . .

tcjnlt;p =------------(6).

1

— (»)\'/ lt;P tnW lt;P — i\'W lt;P • • •

-ocr page 401-

387

Men kan aan de reeksen (2) en (3), als n een geheel positief getal gedacht wordt, nog eenen anderen vorm geven, door daarin sirftp door 1 — cos2 lt;p te vervangen. De reeksen kunnen dan aldus geschreven worden:

V\'3cos*-3(p -f-

2»-\'c0s-V . . .J (8),

waarvan men zich kan overtuigen door cos{n -\\-1)^ en sin (n -f- l)(p te berekenen met behulp van (7) en (8), waardoor men zal inzien dat, als de vormen doorgaan voor zekere waarde )i, zij ook juist zullen zijn voor n -f-1. Bij deze ontwikkeling is de reeks (7) een geheel polynomium van coslt;p van den niea graad en de uitdrukking tusschen de haakjes in de reeks (8) een geheel polynomium van cosq) van één graad lager.

De voorgaande formules geven voor n = 2, 8, 4, 5, 6 . . . de navolgende uitkomsten:

cos 2 9)= 2cos*(p— 1,

cos 3 (p= 4 cos3 cp — 3 cos (p,

cos4(p~ 8cos4(p— 8 cos2 991,

cos 5^ = 16 cos5lt;p — 20 cos3(p -f- 5 cos lt;p,

cos 6 93 = 32 cos6 (p — 48 cos4 93 -|- 18 cos2 (p — 1,

sin 2 (p = 2 sin rp cos lt;p,

sin 3 qi = sin lt;p ( 4:Cosilt;p — 1),

sin i (p = sin (p { 8 cos3 cp — 4 cos (p),

sin h fp = sin 9? (16 cos4 (p — 12 cos2\'(p -j- 1),

sin 6 ip = sin 5) (32 cos5 (p — 32 cos3 -j- 6 cos qï),

§ 2G1. De reeksen (2) en (3) laten zich elk nog op twee

25*

-ocr page 402-

388

onclersclieiden wijzen ontwikkelen, waarbij wij n weer geheel en positief zullen onderstellen, in welk geval de reeksen uit een eindig aantal termen bestaan. Voor de reeks (2) kan men namelijk schrijven:

n 2 n — 2

cosn(p = (l — sinïpY— (n)(l —shf (p)^~suf tp -f-

4 n — 4

-|-(»)(1—sin2(p)~ï\'sin*lt;p—. .

of ook:

n_1 2 «—3

cosn (p — cosq) |(1. — sin2 lt;p) 2 —(«) (1—sin2 (p) 2 sin2 lt;p-\\-

4 n-5

(w) (1—sin2 (p) quot; sin4 (p— . . .J,

en voor de reeks (3):

1 n — 2 3 i» _ 4

sin 11 (p = cos (p I («)(1—sin2 (p) 1 sin (p — («) (1—sin2 tp) 2 sin3 (p -|-

5 »1-6

-(-(»)(1 — sin2 (pY1^shf tp — . . . I,

of ook:

1 n—1 3 n—3

sin n (p = (?«) (1 — sin2 (p) 2 sin (p — («) (1 —sin2 (p) 2 sin3 cp .

Na ontwikkeling der machten van 1 — sin2 qj, en rangschikking der termen zal men bevinden, dat die reeksen de navolgende vormen aannemen:

, n2 . , . «gt;2-4) . 4 n2(n2-±){n2-16) . ,

cosntp^l-^nn ^--1.2.8.4.5.6 smlt;P -

(9),

( n2—1 • 22—IKquot;2—9) . . i /ia\\

cosnlt;p=coslt;pll--Y2~Squot;1 ^--1234-Stn ^—\'quot; *| ^

( . n{n24) , 3 sinn(p=cos(p\\nsin(p--12 3—Sln ^

n(n2—^){n2—16) . 5 I /-n\\

^--1.2.3.4.5 ml CP~\' quot; quot;l ( ^\'

. ( n{n2—1) . 2 «O2—1)(»2—9) . 4 )

smgt;i(p=sin(pyi--2 3 sm yi--2 3 4 5 sin v---|(12)gt;

waarin de wet van voortgang gemakkelijk op te merken is, terwijl men zich ook hier van de juistheid der coëfficiënten overtuigen kan door

cos (11Y) (p en sin (tl1) cp

-ocr page 403-

389

met behulp dezer reeksen af te leiden, waaruit weder blijkt, dat als zij doorgaan voor eenige waarde n, dit ook het geval zal zijn voor K-j-l.

Is n even, zoo zullen de reeksen (9) en (11), is n oneven, de reeksen (10) en (12) uit een eindig aantal termen bestaan, in welk geval deze reeksen voor ons van het meeste gewicht zijn. Zoo geven bijv. voor w = 4 de formules (9) en (11):

cos 4^=1 — 8 sirf (j) -f- 8 sin* cp sin 4 tp = cos (p j 4 sin rp — 8 sin3 lt;p |

en voor n = 5 de formules (10) en (12):

cos b lt;p— cos (p {1 —12 sin2 (p -|- 16 sin* lt;p |

sin 5 rp = sin lt;p\\h — 20 sirr lt;p -|- 16 sin* lt;p |.

§ 262. Met behulp der reeksen (2) en (3) kan men ook sin rp en cos cp ontwikkelen volgens machten van den boog (p, dus van lt;p in deelen van den straal uitgedrukt. Daartoe merken wij eerst op dat, als n hoe langer zoo grooter genomen wordt,

. fP sm —

Lim-- = 1

SL.

n

zijn zal. üit de ongelijkheden

— lt; —en

n n n n

toch volst;

lt;p . cp

- 8111-

n ^ n cp

lt; 1 en -gt; cos—.

cp cp 11

n n

En daar cos — voor toenemende waarde van n onbepaald tot

n

de eenheid nadert, volgt de genoemde gelijkheid van zelf. Eveneens heeft men in dezelfde onderstelling omtrent n:

cp

Lim cos11—= 1.

Immers, daar

-ocr page 404-

390

cosquot; —= —sin?(pY is,

volgt door ontwikkeling:

s\'V=lnin^ 2^2Js.ni^_ _ _ ^

C0S n~- 2 quot;quot;quot; n \' 1.2

waarvan de tweede term

sin**

n . . (p n w\'

— sin2 — — \'-

2 n (vV V n \'

tot limietwaarde nul heeft, als men n onbepaald laat toenemen. Dit is evenzeer met de volgende termen het geval, en op dezelfde wijze aan te toonen. Het tweede lid heeft derhalve 1 tot limiet, en daarmede is ook de tweede gelijkheid bewezen.

Stelt men nu in de reeksen (2) en (3) voor y in de plaats —,

zoo komt er:

cos w — cos* —--(n) cosquot;quot; 2—siii1—4- (n) cosquot; ~ ^ sm4 — —. . .

n n n n n

sin tp = (nj cosquot;quot;1— sin —--(n)cosquot;-3—«i»3 — -j-

-\\-{ri)cosquot; i~sin\'gt;—--. . .

n n

Doet men nu n onbepaald toenemen, zoo gaan deze vergelijkingen over. in:

2 . Q5 OP

cos w = 1 — Lim. {n) sin2-?- -f- Lm, (ri)sirc— — . .

n n

* , w . 3 . (p . 5 w

sin (p = Lim. (n) sin--Lim. (n) sin3--Lim. (n) sin\'---. . .

n n n

De nog te vinden limietwaarden worden op de volgende wijze bepaald. Men heeft

. lt;p

sin —

. ^ (p • n

Lim.(n)sin —=Iim.w-= (p,

n lt;p

-ocr page 405-

391

■ zV

sm — =

i V , , n (n) Lim.Msm—= Lim. m —;—.—j- = K \' n y (p2 nl

n\'

sin2!?-

2 n V n J lt;p — Lim. lt;p ^ ■ 1 2 -^72\'

n

sin

. ~lt;p T. « n .... r

Lim.in) sm —= Lm. qr-r-.-=—^—5-= ^ 0 Qj

n ( ^ ) J- • ^ • o i.z.o

n \\ n J \\ n /

en in het algemeen vindt men aldus:

p , (p (pp

Lim. (n) sin1\' - —

n 1.2 ... p Derhalve komt er na substitutie dezer waarden:

C0S(p=1 _ 1213ii • • • (13)

= (14).

Om de grenzen der convergentie voor elke dezer reeksen te onderzoeken, heeft men voor den algemeenen term in de eerste reeks

2n

v

quot; 1.2... 2« en dus voor de verhouding

l lt;P*

Un (2«-)-l)(2« 2)

waarvan de limiet voor toenemende waarden van n nul is, hetgeen bij de tweede reeks insgelijks het geval zal zijn. Beiden zijn derhalve convergent voor alle mogelijke positieve en negatieve waarden van (p.

Dit volgt ook uit de afleiding, daar da ten grondslag van het

betoog genomen reeksen convergent zijn mits — ligt tusschen

_^ tt en i en bij toenemende waarden van n daaraan voldaan zal worden voor elke waarde van 93.

-ocr page 406-

392

§ 263. Met behulp dor reeds bekende ontwikkeling

X2 i\'3

^ = i ^ t-o4

1.2 1 1.2.3 1 • ■ \'

en van de hiervoren gevonden reeksen voor sin lt;p en cos cp kan men een opmerkelijk verband opstellen tusschen de exponentiale, de logarithmische en de goniometriscbe functiën. Zij namelijk x = (p]/^—1 gesteld, dan gaat de vorenstaande reeks over in eene andere, uit bestaanbare en onbestaanbare termen samengesteld, en welke aldus kan geschreven worden :

ey v-i — i V | f___V i

~ 1 .21.2..4 1.2 ..6 * * quot;

waaruit door de gevonden reeksen voor cos (p en sin lt;p volgt:

v-* cos (p s{n fp -j/—i (15^,

terwijl, door (p te vervangen door — «p, deze formule overgaat in:

e_?v-1 = co«(p — siiKpy^—1 (16).

Door beide leden dezer vergelijkingen tot de «de macht to verheffen, verkrijgt men:

(cos 95 ± sin rp iX — ly=e±quot;fy~, = cos nep ± sin n(py —1,

of de reeds bekende formule van de moivre.

Door optelling en aftrekking van de formules (15j en (16) komt er:

I e-?v-i

cos(p =----(17),

e?v~l — equot;pv-i sin(P= 2V-1 (18)-

§ 264. Debetrekkingen (15) en (16) kunnen ook dienen om verband te brengen tusschen de logarithmische en de cyclome-trische functiën. Zoo men (15) door (16) doelt, verkrijgt men de vergelijking:

coscp sincpy — 1 \\ tgcpV— 1

e2?y-,=

cosfp — sincp\\f—1 1 — tgfpY^—1\'

-ocr page 407-

393

en, van beide leden den Neperiaanschen logarithmus nemende:

1 \\-\\rtg(p \'V— 1

* = 217=1 ^ 1 — tg rpV — 1\'

of, tyrp^x stellende, waardoor (p = B.tgx:

B-i0x = 2V=\\Nep- l09\\-XxV-\\ (19)\'

uit welke betrekking zich nog de volgende laten afleiden:

B.nnx =B.tg —yj—- =v^—Nep.Log J 1/(1—a:2)-f xj/—1 | (20), 1/(1—x) y—l

i/n_xi-\\ 1

B.cosx—B.tg-- = ——-Nep.log J a-j-j/(1—x2).]/—1} (21),

x y —1

waardoor men eiken boog, die door eene zijner gonioraetrische lijnen gegeven is, in eene logarithmische functie kan vervormen.

§ 265. Door de gevonden betrekkingen kan men nieuwe reeksen afleiden. Zoo wij in de in § 255 gevonden reeks

Nep. iog = 2 (^ -|- i s5 -f- . . .)

x X/—1 voor z schrijven, dan verkrijgt men, op grond van vergelijking (19), de reeks:

B.tgx^zx—isx\' lx*—. . . (22),

waardoor elke boog in functie van zijn tangens wordt uitgedrukt. Zij is convergent voor alle waarden van x, gelegen tus-schen —1 en -j- 1gt; en tevens voor a; = ± 1. Wij achten het niet overbodig, hier de opmerking bij te voegen, dat die reeks, ook zonder behulp der onbestaanbare vormen, rechtstreeks had kunnen afgeleid worden uit de reeks (5), door namelijk deze door » te deelen, en vervolgens de limietwaarde voor w = 0 te zoeken. Men vindt alsdan, omdat voor re = 0 :

sinnm sin n w

cos «1 = 1; Ltm.-=wLim.-— lt;P,

n tKp

T. (n) T. (» —1)(» —2) . . p 1) 1

en Lim^=Iim±-1 o 1 ^ = ± —.

n 1.2.. yp\'L)p p

(p = tg(p — }itcf(p-\\-ltgi(p—. . .

-ocr page 408-

394

welke reeks, door tgrp = x te stellen, in de reeks (22) overgaat. Uit deze reeks volgt, daar B .ctgx = B .tg —, voor alle waarden

X

van a\'gt;l nog de volgende:

« , 1 11,11 /OQ\\

B.ctgx = ---.- . . (23).

En uit deze wederom;

zoodat de reeksen (22) en (24) elkaar aanvullen.

Stelt men in (22) \'p — ^ of «=1, dan geeft zij, ter berekening van het getal n, de reeks:

4=1—i i — 1 • • •gt;

welke het eerst door leibnitz gevonden werd. Zij is echter slechts langzaam convergeorende, en uit dien hoofde voor gezegde berekening weinig geschikt. Men kan te dien einde andere sneller convergeerende reeksen verkrijgen. Daar namelijk in het algemeen

, , i 7s tga-\\-tgb

7C

zoo volgt hieruit, in het geval van a -f- 5 = j, en dus tg{a-\\-b) = l,

4\'

1 — tg a

tgh —

l-\\-tga

Stelt men nu bijv. a = B .tg(\\), dan is

lt;s,6=jqi|=igt; dus 1r=B-t(A^)-

Men heeft mitsdien:

B.tg{X) = ^=B.tgU) B.tg{V =

—-i-i i-uV—T•T^¥^~• • • i 1 -ïtVT • •

-ocr page 409-

395

1 1 — ntg a

Zij nog ty{a-\\-b) = —, clan vindt men trjb— ^ ^ tga\'

Men neme thans tga --

, dan volgt Heruit!

» 1

quot;(« 1) 1

tgb-.

Derhalve

Voor « = 2 komt er;

B.tg{ls) = B.tg(is)-\\-B.tg{i[).

~ = B.ig{\\)±B. tgi# = 2B. tg{\\) B . tg{\\),

= ïW • • • ï

T — i-uiTT-!-• • *•

door welke reeksen de waarde van n vrij spoedig zal kunnen berekend worden.

Op overeenkomstige wijze kan men nog andere formules afleiden, die sterker convergeerende reeksen bevatten, en die dus nog meer dan de voorgaande ter nauwkeurige berekening van het getal t geschikt zijn.

§ 266. Evenals een boog, blijkens de reeks (22), in functie van zijn tangens kan uitgedrukt worden, bestaat er ook eene reeks, waardoor men eiken boog in functie van zijnen sinus volgens eene oneindige reeks kan ontwikkelen.

Daartoe merken wij vooreerst op, dat alhoewel bij de afleiding der formules (9) tot (12) door ons ondersteld werd, dat n een geheel, positief getal is, men evenwel kan aantoonen, dat deze betrekkingen gelden voor elke waarde van n, op welk bewijs wij hier niet nader zullen ingaan.

Volgens formule (12) heeft men:

Dus:

2 —1). \'1.2.3

sin n (p

- sin (p I

-sin lt;p —

sin (p ■

(re2 — 1) («2 — 9)

1.2.3.4.5

2 _ 1) (w2 _ 9) {gt;r — 25) 1.2.3.4.5.6.7 \'

gt; • • •)■

-ocr page 410-

396

Van beide zijden de limiet nemende voor «=0, gaat Squot;\'quot; \'P

n

over in (p, en als men verder sin lt;p = x stelt, dan bekomt men terstond :

2^3 *3 2^ 27Ï^7x\' - ^25)\'

welke reeks zal blijken convergent te zijn voor alle waarden van x, gelegen tusschen —1 en -)-l, zoo mede voor x = ±l. In deze laatste onderstelling geeft zij:

!l = i 3-5 | 2 2.32.4.52.4.6.7

1

en voor x = — -.

u

T_11 1 3 1 3.5 1 6~2 2.3\'23 2.4.5\'25 2.4.6.7quot;2iquot; \' \'

welke reeks veel sterker convergeert dan de reeks van lèibnitz.

B.cosx zal klaarblijkelijk gelijk zijn aan —, verminderd met

£

de reeks voor B. sin (p.

§ 267. Wij willen nu nog aangeven, hoe men eenige macht van cos(p en sin lt;p uit kan drukken in goniometrische lijnen van de veelvouden van den boog.

Men stelt daartoe:

cosy-^siiKpy — 1 = ^ = e? vquot;

dus:

cosrp — sm ip |/ — 1 =

z

en dien ten gevolge:

cosplt;p -\\-sin plt;p\\/\'\\ = zp,

cos pep — sinptp v-l=-v,

zp

uit welke betrekkingen men verkrijgt:

2cosw = z -l-i,

1 T

-ocr page 411-

397

2cosp(fi = ^ —

zr

2y — 1 sin (p — s — - ,

z

2]/ — 1 sinp lt;p~zr--

ZT

Neemt men nu de nie macht van 2 cos (p — z , waarbij ti

amp;

geheel en positief gedacht wordt, en ontwikkelt men het tweede lid door middel van het binomium, zoo komt er, als men telkens twee termen, die evenver uit het midden staan, bijeenvoegt :

2quot; cosquot; g) =(*quot;-)-—) O) {squot;~2 -1- O) («quot;quot;■\' •. •, waarin de laatste term, voor n oneven, zal zijn

(«)(. !).

Is echter n even, dan zal er, uithoofde de ontwikkeling van -f- —^ alsdan een oneven aantal termen oplevert, nog een middelste term

«(»—i)...(y I) }„

- = (»)

bij te voegen zijn.

Wordt nu in de voorgaande ontwikkeling 2 cos n lt;p voor

zn ~ gesteld; evenzoo 2 cos {n — 2)lt;p voor aquot;-2 -f- —^ enz., dan

z z

verkrijgt men, na door 2 gedeeld te hebben:

1 2 2n Vosquot; (p = cosn(p-\\- (?i) cos (n — 2)^ (w) cos (n — 4)^

-t-(n)cos{n — 6) 99 ■ -••• (26),

met bijvoeging van den term:

-ocr page 412-

398

1.3...-

indien n even is, welke reeks voor alle geheele, positieve waarden van n uit een eindig aantal termen zal bestaan.

Voor n = 2, 3, 4, 5, 6... vindt men uit (26):

\'Icostj) = cos 2(p -[- 1,

4ccos3(p = cos 3(p -|- 3cos(p Scos4^ = cos 4(p -j- 4cos 2(p -(- 3,

16cos5(p == cos b(p -f- 5co.s 3(p -J- lOcosy,

S2cosr\'(p = cos 6(p -f- 6cos 4^) 15cos 2(p 10.

Zoo men de vergelijking 21/quot;— lsinw=z--— tot de ?tde macht

z

verheft, komt er, voor even waarden van n:

2-(i/_ iysin\\ = («)(*n-24-^) ... ±00,

of:

t

i 2n~1smquot;lt;p = cos ti(p —■ (u)cos (n — 2)(p -f-2

(n)cos(n — 4:)lt;p — . ±^(«) . .. (27),

zijnde het bovenste teeken geldig, als n van den vorm 4p, en het onderste teeken als n van den vorm 4p-j-2 is. Is n oneven, zoo verkrijgt men:

2»(1/ — iyshquot;lt;p = (zquot; — ^r) — («) (2quot;~2—7^) • • •\'

waaruit bij substitutie gevonden wordt:

1

±2n~\'smn(p=:Mn7gt;(p—(n)sm(n — 2)rp-\\- . . (28),

waarbij het bovenste of het onderste teeken geldt, naardat n van den vorm 4p -f- 1 of 4;gt; — 1 is. Men verkrijgt hieruit:

— 2si?r cp = cos 2 lt;p — 1,

— Asin3 (p = sin 3 (p 3sin cp,

8siV (p = cos 4 (p — 4cos 2cp-\\-3,

-ocr page 413-

399

16sms (p=sinb(p — hsin 3 y -j- 10.«« rp,

— 32sm6 (p = cos6lt;p — 6cos 4 ^ -j-1 ^eos 2(p—10,

enz. enz.

§ 268. Wij willen ten slotte nog opmerken, dat, evenals elke goniometrische lijn tot een oneindig aantal bogen behoort, ook elk gegeven getal een oneindig aantal logarithmen, tot dezelfde basis behoorende, heeft, waaronder er slechts een enkele, namelijk de gewone logaritbmus, bestaanbaar zal wezen. Immers, stelt men in de vergelijking

e±pv-i —C0S(p j. -j/—Isinip,

rp = 2kit, Tc een geheel getal zijnde, dan volgt hieruit terstond:

dus ± 2amp;3r|/—1 = ^(1),

En aangezien l{a) = l (a) -|-1 (1) is, zoo beeft men tevens

l (fl) = l (tl) i 2 t TT -1

voor het oneindig aantal verschillende waarden van den Nep. logaritbmus van eenig positief getal a, welke algemeene of veelvoudige waarde wij, ter onderscheiding van de gewone of bestaanbare, in navolging van cauchy, door l((a)) zullen aanwijzen. quot;Wij stellen alzoo :

l{{a)) = l(a) ±2kKV—l,

l(il))=±2knV—l,

ten blijke dat de logaritbmus van eenig positief getal a, in welk stelsel genomen, een oneindig aantal waarden van den vorm A B |/—1 toelaat, waaronder die, welke met £=0 of i\'=0 overeenstemt, den gewonen bestaanbaren logaritbmus oplevert. Eveneens vindt men, door rp — (2/j 1)- te stellen:

e*(« 0Tv—1=1) 0f ± {2k-\\- 1)t]/—1=Z((—1)).

Derhalve:

Z((_0))=Z(a) Z((—l))=Z(a) ± (2^-flj^K—1

zoodat de logaritbmus van eenig negatief getal eeniglijk onbestaanbare waarden kan hebben.

Om insgelijks eene algemeene uitdrukking te bekomen voor den logaritbmus van eenigen onbestaanbaren vorm a —1,

stelle men a — rcos(p en p=rsinlt;p, dus a -{-[i1 =gt;\'quot;gt; dan beeft men:

-ocr page 414-

400

a-\\- — !=»• {cos 93 -f- V — IsitKp) = r efv~\\

Hierin (p ±2kn voor 99 schrijvende, komt er evenzeer: a-{- py—l=reV**kr)r-t.

Derhalve:

l((a-\\-pV—l)) = l(r) (lt;p±2kn)V—h

of

z ((« /9 v-1))=*((gt;•)) V K-1,

waarin (p een hoek kan voorstellen kleiner dan 2?: en zoo dat

3

(p = B . tg —

a

terwijl de teekens van /5 en a ook de teekens zijn van sin y en cos tp, waardoor de hoek lt;p geheel bepaald is.

Is /3 = 0, dus ook (p=0 en r = a, dan vindt men wederom:

l({a)) = l(a) ±2k7:V—l.

Voora = 0, dus = 611 r=Pi komt er:

u

i(iPV—1))=^^)4- (y =t2for) y1-

Ook de exponentiale functie is vatbaar tot den vorm

j BV—1 te worden gebracht. Men heeft namelijk:

aP ?v-i | cos q I (a) sin q l («). — 11 •

TOEPASSINGEN.

1. Toon aan, dat voor a!!lt; 1:

sin f .

sin s o sin arsin 3^ . . . — —— ;----(1)

\' \' 1 a- — 2a cos f

(2)

„ cos f-«

cos ? « cos 2y a-cos 3v . . . — :—;—„-r

\' r 1 n2 —2n cos f

Men vindt de waarde dezer reeksen door cos y sin \'f V — 1 = x te stellen, -waardoor cos pf =— ^ en sin _j ^xV — —^) wordt,

na welke substitutie men twee meetkundige reeksen te sommeeren heeft. Vergelijk Toep. 2, blz. 321.

-ocr page 415-

401

2. Toon aan, da b voor w2 lt; 1:

• ci i 9 * k i (1 «) Sin \'r

sm p « sm 3p 4- a2 sm 5p . . . = ——----— (3)

\' — 2a cos 2p

cos f 4- « 3v a2 5p -f-. . . = -—^(4) \' l-Ha- — 2a cos 2p

De betrekking (3) wordt gevonden door bij de leden der vergelijking (1) op te tellen de overeenkomstige leden van de vergelijking, verkregen door in (1) a door —a te vervangen, waarna men nog eene kleine herleiding heeft uit te voeren.

De betrekking (4) wordt op overeenkomstige wijze uit de vergelijking (2) afgeleid.

3. Toon aan, dat voor a2 lt; 1:

a2 . , a3 . . _ a sin p

a sin p ■ ■ — sm 2v -t- — sm 3p -t- . . . — B .tg ---(5)

r 2 7 3 r 1 — a cos p

a2 a3

a cos p H—cos 2p 4- — cos 3p 4- . , . = — {14-aa — 2a cos p} (6)

2 o

Men voere wederom dezelfde substitutie uit als in Toep. 1, waarbij men in het oog boude, dat

Voor de eerste reeks vindt men dan

1 ^ 1 — a cos p 4- a sin p V — 1 _

2 V — 1 \' 1 — a cos p — a sin p V — 1

^ a sin p ^

= —i=B lt;■ -r (Zie (19) § 264)_

2 K — 1 4 a p 1 — a cos p

1---— V—1 r

1 — a cos p

terwijl de waarde der tweede reeks onmiddellijk wordt gevonden.

4. Toon aan, dat voor a2 lt; 1:

«8 . « «5 . „ . ^ 2a sin p , x

a sm p 4- —-sm 3p 4- — sm op 4-. . .quot;=■ \\B .ty--— (7)

3 5 1 — ft quot;

«3 „ . «5 - , , 1 «quot; 2a cos 9 , _

a cos p —- cos 3p — cos 5j- . . . = M ——i---- (8)

8 5 1 «quot; — 2« cos -f

o3 . «6 . _ , 1 «2 2a S!H ï ,

a sm ? — — stn 3s — stn 5r — . . . = i l --j--—■—- (9)

r 3 r 5 r 1 a2 — 2a s»i 5;

n3 „ a5 , . „ 2a cos ? , , a cos \'r — — cos 3p cos 5? — . . = i B. tg - ^-- --(10)

De betrekkingen (7) en (8) worden uit (5) en (6) afgeleid op dezelfde wijze als (3) en (4) uit (1) en (2) werden gevonden. Om de formules (9) en (10) te

vinden, vervange men in (8) en (7) f door — p.

LOBATTO. 26

-ocr page 416-

402

5. Toon aan, dat voor elke waarde van «;

a sin f sin 2j- quot; sin 3? . . . = ea c0\'? sin (n sin -r) (11) 1.2 1.^ . o

1 « cos -J cos 2p 1 ^ 3 cos 3? . . . = ea C\'JS ? cos (« sin o) (12)

Toert men dezelfde substitutie uit als in Toep. 1, zoo vindt men voor de eerste reeks

1 ( ) „a sin pv-i_„-a sin ov-i

---}equot;* — e*\'( = equot; ™s ? -f-1-----=

2K—1| ) 2K—1

ea cos p .v/j;

terwijl de formule (12) op overeenkomstige wijze wordt verkregen.

C. Toon aan, dat voor ffi3lt;l;

a- „ n3 „ 1 er — 2« cos 2? ,,

o sin-f — sm22» — s(«23p . . . = M -7,-r;; (13)

r 2 r 3 r (1 — «)\'

« cos2 f H--cos22s — cos2 3f . . — i l \\(1 — a)a(l-f-«quot; 2« cos 2p)} (1-4)

2 3

a3 . «5 . o , . . , ((1 «)2 1 »2— 2« cos_2? ) H ra « sm- ? Tsln-3f T sm- 5? ----W | - —s 2a c0, 2? | (1jJ

c3 . C(5 o- . 1 o2 2« cos 2p ) f, « COS- ? cos-Sr — cos-op ----- ? -rj. 7 lt;16J

— CUS Of-l--— I\'WÖ • • • — Ö ^ I /j ^ , O n n

3 5 ((1 — ff) 1 ff2 2a cos if

Voor de afleiding van de formules (13) en (14) kan men wederom van dezelfde substitutie gebruik maken, terwijl door in (13) en (14) a door —«te vervangen, na eene eenvoudige herleiding de formules (15) en (1G) worden verkregen.

NEGEN EN TWINTIGSTE LES.

OVER SYMMETRISCHE FUNCT1ËN.

§ 269. Onder eene symmetrische functie der grootheden a en b verstaat men eene functie, waarin deze grootheden op geheel dezelfde wijze voorkomen, die dus niet verandert bij onderlinge verwisseling van a en h. Eveneens heet eene functie symmetrisch ten opzichte van de grootheden a, 6, c, . . . k, wanneer zij onveranderd blijft bij onderlinge verwisseling van elk tweetal dezer grootheden. Zoo is bijv.

a?Pc3 ahc

-ocr page 417-

403

en eveneens

lc ca ab a b c

eene symmetrische functie der grootheden a, b en c.

In het volgende zal alleen sprake zijn van rationale symmetrische fnnctiën. Is de functie eene gebroken functie, zoo kan zij herleid worden tot eene enkele breuk, waarvan teller en noemer twee geheele symmetrische functiën zijn. Zoo is bijv.

bc .ca ah 42c2 -)- cla~ «6c abc

Wij zullen dus kunnen volstaan met de beschouwing van geheele symmetrische functiën.

De termen eener symmetrische functie kan men verdeelen in groepen, zoodanig dat de termen van elke groep door verwisseling van letters afgeleid kunnen worden uit één term van de groep. Elke groep heet dan eene enkelvoudige symmetrische functie, de som der groepen eene saamgestelde. Zoo kan de saam-gestelde symmetrische functie

a? b3 c*hc-\\-caahabc

gesplitst worden in de enkelvoudige functiën

a3 é3 -j- c3, hc ca ah, a-{-b c.

Eene enkelvoudige symmetrische functie is bepaald door een enkelen term der functie, en kan derhalve aangeduid worden door achter het sommatieteeken S een enkelen term te schrijven. Zoo kan bovenstaande functie aangegeven worden door

Sa3 -f Sab -f- Sa

waarbij men echter weten moet over welke grootheden de functie zich uitstrekt.

TOEPASSINGEN.

1. Schrijf uit de sj\'nimetrische functie £43 oj (h, waarbij de aanwijzer 4 aangeeft, dat de functie zich uitstrekt over de grootheden «1, . «3 en «4.

AntW. «l5((» «3 Öiaff2a4 «ialt;\'3f\'4 Ö3aai«3 (It\'ll! (li

0O203«4 f\'l (l^-a, «4 (I^ClaCIt tu ~ quot;1 lt;\'2 (U2Ui 03 ff42«2a3.

2. Druk de functie

26*

-ocr page 418-

404

(«2 «3 - quot;l «lt;) («3 «1 -«2 «4) («1 quot;2 — «3 quot;4)

uit in enkelvoudige symmetrische functiën.

Antw. (h2quot;22a--i2 — 0i«aa304 Sjffi2.

3. Eveneens de functie

(«2 — quot;a)2 («3 — O1)2 («i — «2)2-

Antw. E3 «142— 2E3 «i3«23 2«i O2 quot;3 S3«l 2«2

—2rti a» «3 s:3 aiquot; — 6ni2fl22quot;32-

§ 270. Elke symmetrische functie van de grootheden a,, .. .an staat, zooals wij spoedig zullen aantoonen, in een nauw verband tot de coëfficiënten van de vergelijking, die ax, ... an tot wortels heeft, welke vergelijking wij willen voorstellen door

p„:=0 In § 10 werd reeds gevonden 1,^=—p,, S.aiaï=pï . . .

«A •••«„ = (—!)gt;»

zoodat elk der coëfficiënten p eene zeer eenvoudige symmetrische functie van de wortels aangeeft.

Men kan nu vragen ook andere minder eenvoudige symmetrische functiën uit te drukken in de coëfficiënten p. Dit kan voor de niet zeer saamgestelde functiën gemakkelijk geschieden met behulp van de bovenstaande betrekkingen. Vraagt men bijv. te vinden ^„a,2, zoo kan men opschrijven:

• • • quot;i- 0n

(2\'Aff1)J = (a12 -t- «a2 -j- • • • 4* an) 2 (a,^-}- -j- . . . =

= 2\'„a12-j-2 2,,fl!,a2

waaruit, daar = —Px en Stalaï=pï\\

2*1? =P?—2p2

In volgende paragrafen van dit hoofdstuk zal worden aangetoond, dat elke rationale symmetrische functie van de wortels rationaal kan worden uitgedrukt in de coëfficiënten, en tevens den weg worden aangewezen, waarop dit kan geschieden.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal voor de vergelijking van den 3den graad Sai2»» en En,3. Wat wordt er van de gevonden uitdrukkingen als de vergelijking van hoogeren graad is, en wat als deze van den 2llen graad is?

-ocr page 419-

405

Antw. üit Srt!. En, «2 — Ea,3^ 3«! no «3

yindt men Ea^a., = Sj??—pi /h

en uit £«1 e«i2= e«13 Sn.\'n»

Sni3 = —iV\'I Sp, P2 — 3j)3.

Deze uitkomsten gelden voor vergelijkingen van den 3den en van hooge-ren graad; voor eene vergelijking van den 2ll(;n graad heeft men daarin p3 nul te stellen.

2. Bepaal voor de vergelijking van den 4^en graad Sa^floffa, if/i\'(i*quot;,

en Eff,4. Wat wordt er van de gevonden uitkomsten als de vergelijking van hoogereu of van lageren graad is?

Antw. Uit E«, Enj «o O3 = Eöi^rta (13 4öi «a ffjOU

(Ere, re»)2 = Ere,2 re»1 2Eni2n2 «3 6a, «2 re 3 m Ere,2 Ere, «2 = Ere13re2 Ere,2 «3 «3 (Sre12)2= £«,* 2ïffi2«22

vindt men achtereenvolgens

S«,2nsre3 = pt2gt;-i — ipi

Ere,8 023 = Pa\' — 2jgt;, pz 2pl Ere,3 re» — IH\'Pi lp*2 —JhPz ilh Ere,* — 4 — 4/;, -p* 2/)2 3 ilhPa — ipi-Deze uitkomsten blijven onveranderd bij vergelijkingen van hoogeren graad, terwijl men bij de vergelijking van den 3^en graad pt, en by die van den 2de\'1 graad tevens pi nul heeft te stellen.

3. Bepaal S„ —, E„ , E„ i en 5:„ —^—-

re, re, «2 re,quot; a^\'a^-

Zijn 6,, . • .4» de wortels van de vergelijking

PnXquot; . . . ^iX l = 0

zoo heeft men 6,=—, . .b*——, waaruit:

«, quot; «2 «»

= ^1 ^2 enz.

«, «, «a

Ai t 1 _ i\'quot;-\'

Antw. quot;n —--

«1 p*

£ 1 _ P\'L- quot;

o, n» y),,

j. _1__p-,K-i—2p*-Ugt;*

* re,5 —3 v 1 _pit-a — 2ygt;i,_3 Ipn-ip*

quot; re,3 «23 Z1»3

4. Druk uit in de coëfficiënten der vergelijking van den 3lt;len graad de

«1

symmetrische functie der wortels s —.

rto

. . «1 «1 . «a . «1 . «3 . «2 . «3 Srt,9rt2

Antw. S3 — =--1---1---1---1---1--=------=-— 3.

«2 #2 «X f 3 w2 ^1 a2 (lZ p8

-ocr page 420-

406

„ «i

5. Bepaal eveneens ^n —.

1 ..

Antw. Men heeft Sn. Sn — = £h--hu waaruit:

«i «2

«a /?.«

4 i rt2

6. Bepaal voor de vergelijking van den 4«en graad S-.

«3 Cli

«i«3 ZtafaS _ ps* „PiPs , „ Antw. £4-=-=-— 2--h 2.

«3 (U «i (to rtj «4 ^4 ^\'4

^ «O

7. Bepaal eveneens sn--------.

«3 «4

1 «1 rta , tfj . «(gt;i-1)

Antw. Men heeft £„lt;^«3.211-= Sn--h (n — 2) Sn--1--r-

«2 «s «4 aa ^

«1«2 Pi Pi-2 , , w(n—3) waaruit: sn-= --— [u — 2 j--1----.

«3 «4 i^/t P* 2

8. Toon aan de betrekkingen:

S„ — (» — 1) Pij\'» —pip* -1 quot;3

(» ——PtP*-!

quot;■2 quot;3 Pi,

/\'l2 _ PlP\'1 —Pl\'Pn-, 2/J2 jOn _ 1 i.n -

«3 jO/»

r quot;l JJ, -1 /gt;» — P,1 2/),p,, -*p„

«o --,

«3- igt;J

v «l2 Pl-]U-1 — - 2 — i)i -1 «p»

n —

«2 «3

O, a2 _ psp\'j-r —2p»/gt;n-°p*-—ptpn-, P„ IIpk

Osquot; lgt;\'i

■waarvan de eerste gevonden wordt door in acht te nemen

1 «1 Oo , ^^

En Oj «2. — = s„--H (« — 1)

«1 «3

en de overigen op overeenkomstige wijze.

§ 271. In de toepassingen van paragraaf 270 zijn verschillende symmetrische functiën van de wortels in de coëfficiënten uitgedrukt, zonder dat daarbij volgens een vasten regel js te werk gegaan. Wij zullen nu eene methode aangeven om elke geheele rationale symmetrische functie in de coëfficiënten uit te drukken, en zullen daarbij vinden dat dit steeds geschiedt door eene rationale functie der coëfficiënten die, als de hoogste macht der onbekende do eenheid tot coëfficiënt heeft, tevens eene geheele functie is.

-ocr page 421-

407

Beschouwen wij in de eerste plaats de symmetrische functiën, waarvan elke term slechts één wortel bevat, die dus in het algemeen voorgesteld kunnen worden door 2quot;,Voor de berekening dezer sommen van gelijknamige machten der wortels zijn door newton formules gegeven, die in het volgende zullen worden afgeleid.

In § 172 werd gevonden 1 - 1

F{x) x — a, x—«2 x-

0f F\\x) = S^^- (1)

x —ax

waarin

• • • Vn = {x — a^ix—a2) . . . (x — an)

en Fgt;(x) = nxn-l-]r{n — l)plxn-\'l-\\-(ti—2)pïx\'l~3-\\-. .

Door deeling van F{x) door (x—a,) vindt men:

quot;1 (a,_2 (a.2«. ^2)quot;3

(«.:, ?iai2-fiP2(!!i ^)i,;quot;quot;4 • • • («■quot;■\' ;;i«rquot;2 ?2«,aquot;3 . • • A-2a. ^-t)

terwijl, daar a, een wortel der vergelijking F{x) = 0 is, de rest der deeling nul is. Vervangt men in deze betrekking 0, achtereenvolgens door elk der overige wortels, zoo vindt men door samentelling der aldus verkregen vergelijkingen, waarbij de som der mie machten der wortels, dus Sa™, door Sm wordt voorgesteld:

2I^L=r (x)=Mquot;-, (,S1 V.Kquot;2 iS^p, Sx np.:)x*-*

X quot;quot; öj

-\\-Pi Si -\\-p2 Si -\\rnP3) a,n~4 • • •

Het laatste lid dezer vergelijking moet nu identiek zijn met

l)ij1a:quot;quot;2 («—2)^2a;\'\'quot;3-|-(?i—3)p3a:quot;quot;4-l- . .. /?„_,

Door gelijkstelling van de coëfficiënten der overeenkomstige machten van x vindt men de door newton gegeven betrekkingen

-ocr page 422-

408

£. ^ = 0] $2 -\\-P\\ St 2p?.— 0 ^ ^^ ^^. 3^=0

— 1 quot;1 P1 — 2 quot;1quot;P2— 3 quot;t- • • • ^«-2^1 (n-1)A_1 = 0 J

Met behulp dezer vergelijkingen kan men achtereenvolgens lt;5,, Sj, S1 . . . Sn_x in de coëfficiënten p uitdrukken. Men vindt n.1.

^1 = —Px

Si=pt- 2pï

S3 = —^,3 3/), p2 — 3^3

^ = f,4 — 4^ -f 4p, -f- 2^,2 — 4^4 enz.

Men merke hierbij op, dat men voor elke S eene geheele, rationale functie der coëfficiënten vindt, en dat in de uitdrukking voor iS* slechts de coëfficiënten p, . . . voorkomen.

De vergelijkingen I kunnen ook gebruikt worden om omgekeerd de coëfficiënten p uit te drukken in de grootheden S; zoo ■vindt men:

pl=—st

P2 = iiS,2 — S2]

p^ll—S,3 3StS2—2S3] enz.

1. Leid uit de vergelijkingen I af;

S, =

2. Leid uit deze vergelijkingen af:

S, S* S3

st

1

S, s,

Ss

0 0

2 0

S, 3

Si S.

1

s,

2.3jgt;3 = -

2.3.4/), =

Ipn =

S,

TOEPASSINGEN.

Pi 1 ÏP2 Pi

Pl

1

0

s3 = -

ïlh

lh

1

st-

3^3

P2

Pi

^,100 lp* Jh 1 0 3^3 P2 lh 1 Pi Pi Pl

1 S,

Si

De vergelijkingen I hebben ons geleerd S, . te berekenen. Om nu ook de sommen van hoogere machten der wortels te vinden, vermenigvuldige men de vergelijking F(x) = 0

amp;

§ 272.

• • • Pn-lXk*, -\\-pnXk=0

met xk:

n k

Py \'\'-t py k-*

-ocr page 423-

409

Telt men de vergelijkingen, die men verkrijgt door hierin voor x achtereenvolgens elk der n wortels te nemen, te samen, dan vindt men:

• • • ,?\'«_t\'S\'i i= 0 (2)

Stelt men hierin Ie achtereenvolgens 0, 1, 2 enz.:

s* • • • 4quot;^-! =0\\

^«-1 • • • H

\'S\'.. 2_l_igt;l\'^n l -j-ft\'S\',. ■ • • ^»-1\'S\'s /\'«\'%= 0 (

waarbij men bedenke dat S0 = a,quot; -f- nquot; . . , -\\-an0=7i.

Zijn nu »S\', . . . (S, , gevonden uit de vergelijkingen I, dan leeren de vergelijkingen II ons achtereenvolgens Sn, Sn l, lt;S\'„ 2 enz. te berekenen.

Ten einde de sommen van gelijknamige negatieve machten der wortels te vinden, stelle men in vergelijking (2) k achtereenvolgens — 1, —2 enz., waardoor men met inachtneming van S0=n, vindt:

■^n-l 4-Pl quot;fquot; • • • 4quot; MPn - 1 P» 1 = ^

P«_l\'SLl ^

welke vergelijkingen, als S, . . . S„_t eenmaal gevonden zijn, leeren S_I, S_2 enz. in de coëfficiënten uit te drukken. De som van gelijknamige negatieve machten der wortels wordt echter nog gemakkelijker gevonden door gebruik te inaken van de vergelijking op de omgekeerde wortels:

A • • • ^.^. 1=0

Door voor deze vergelijking de som der kic machten der wortels te bepalen, vindt men S_]! voor de oorspronkelijke vergelijking.

Uit het voorgaande blijkt, dat elke som van gelijknamige machten der wortels zich uit laat drukken door eene rationale functie der coëfficiënten. Is de bedoelde macht positief, zoo is deze functie tevens eene geheele functie, waarbij ondersteld wordt dat de coëfficiënt van de hoogste macht der onbekende in de vergelijking de eenheid is. Is daarentegen deze coëfficiënt gelijk p0, zoo moeten in de gevonden uitkomsten p,, p2 enz. vervangen

27 n

worden door ——— enz., en vindt men voor Sk eene breuk, die

Po Pa

p0k tot noemer heeft.

-ocr page 424-

410

§ 273. De sommen van gelijknamige machten der wortels kunnen ook langs een anderen weg gevonden worden, die de voorkeur verdient, waar het geldt deze sommen te berekenen voor eene vergelijking, welker coëfficiënten als getallen gegeven zijn.

Wij vonden:

J\'W 1

Fix) x — «,

Nu is

1 i gi | V | V i

x — a, x x* x3 x*

welke reeks convergent is voor elke waarde van x, waarvan de modulus grooter is dan die van a,. Stelt men voor a, achtereenvolgens elk der andere wortels, dan vindt men door samentelling :

_i_

F{x) ^ x^ xquot; ^ x3^ x* ^ \'

Daar volgens § 212 de reeks, die ontstaat door optelling der overeenkomstige termen van eenige convergente reeksen, wederom convergent is, zoo is de laatst opgeschreven reeks convergent voor elke waarde van x, waarvan de modulus grooter is dan r, als r de grootste der modulen van de wortels voorstelt. Vermenigvuldigt men met x, en stelt men daarna ~ = zi 200 gaat het eerste

lid van bovenstaande vergelijking na vermenigvuldiging van tel-

(p. (z\\

Ier en noemer met zn over in , . en vindt men

^aO)

^ . .

welke reeks convergent is voor elke waarde van z kleiner dan -.

r

Hieruit blijkt dus dat de sommen der gelijknamige positieve machten der wortels de coëfficiënten zijn der opvolgende mach-

ten van ^ in de ontwikkeling van ; , waarbij lt;p^{z) en lt;pi(z)

lt;PAZ)

op de aangegeven wijze uit F\\x) en F(x) worden afgeleid. Deze ontwikkeling kan geschieden door lt;p.±{z) op ^,(2) te deelen, of ook door gebruik te maken van hetgeen in de 239te Les omtrent we-derkeerige reeksen is besproken.

-ocr page 425-

411

Op overeenkomstige wijze kunnen ook bepaald worden de sommen van negatieve machten der wortels. Men heeft n.L: __= . . .

x — o, a, — x o, o,2 a,3

waaruit

welke reeks convergent is voor elke waarde van x kleiner dan de kleinste der modulen van do wortels. Hieruit blijkt dat S_t, S_2, S_3 enz. gevonden worden als de geheel bekende term en de coëfficiënten der opvolgende machten van x in de ontwikkeling F\' (x)

van--^ naar de opklimmende machten van x. Men rang-

F(xj

schikke bij deze deeling F1 (.r) en F(x) naar de opklimmende machten van x.

TOEPASSINGEN.

1. Bepaal voor de vergelijking

x3 — 2x — 5 = 0

de sommen der gelijknamige, positieve zoowel als negatieve machten der wortels.

Men vindt

x F1 (jj) _ 3.(.\'3 2x

F{x) x3 — 5

en x = — stellende

y,^)_ 3-2^

^(z) 1—2is —5^

Door deoling vindt men nu

^4^ = 3 4^ lóz3 Sz\' 50is . . .

pa (z)

waaruit-

S, =: 0 Sj = 4 = 15 Si = 8 S6 = 50 . . .

Voor de bepaling van de sommen van de negatieve machten der wortels heeft men

/•\'quot;(a,-) —2 3X3 ~ F(x) ~5 2x-x3 * \'** t\'hx . . .

waaruit

S-i — — ï «S1- 2 —- ïV 3 — l\'V\' . . .

2. Men vraagt hetzelfde voor do vergelijking

-ocr page 426-

412

x* — Sxquot; 3jr — 3x 2 = 0.

Antw. S, = 3 Si = 3 Si = 9 Si = 19 . . .

S-J^i S_2— -^ S_3 —8 ^-4 — ïü» • •

3. Hetzelfde voor de vergelijking

x8 1 = 0

Antw. Si = Sa = 0 S3 = —3 S4 = S5=0 S6=3 . . . S_ , =S,_2 = 0 S_3 =—3 S_4 = S_5 = 0 S_6 = 3...

§ 274. Werden in het voorgaande alleen behandeld de symmetrische functiën, waarvan elke term slechts één der wortels bevat, zoo willen wij nu beschouwen functiën, waarbij in eiken term twee der wortels optreden, die dus voorgesteld kunnen worden door SafaJ. Vermenigvuldigt men met elkaar

8p=.2alP=aiP, . .-)-«/

S1 = Z aj = ati «a5 -|- «3\' . . • -f- ani

zoo vindt men in het product termen van den vorm en termen van den vorm a/aj-, de eerste vormen te samen de functie Sp q = de laatste geven Za/aj, zoodat

SpSg — SJ,i.q-\\-I af aS

waaruit

2 ajP aj = S,, Sq—5^, , (3)

en daar wij geleerd hebben de grootheden S in de coëfficiënten uit te drukken, zoo kan dit nu ook voor de functie Safa£ geschieden. Men merke op, dat als p = g, is, de termen van twee aan twee gelijk worden, zooals bijv. fl/a// en waar

door Zafajf overgaat in 2 laf a^. Men heeft dus

Beschouwen wij nu de functie SafaJ a/, waarvan elke term drie der wortels bevat. Vermenigvuldigt men Zafaj met Sr—2alr, dan vindt men in het product drie groepen van termen. De termen der eerste groep geven te samen Safaja/, die der tweede 2atp*ra^, die der derde Sa^ ra/, zoodat men heeft

Sr laf a£ = lafajfa* -f 2axquot;*TaJ Saf^a.,quot;

Stelt men hierin, volgens vergelijking (3):

2 af a£ = Sp Sq Bp q 2Clf r ~ Sp r Sq fip q r 2aiï r «ƒ Sq r Sp- Sp q^r

zoo vindt men

-ocr page 427-

413

2(1 J1 — SpSqSr-$pSqrr SqSp r SrSp q -|- 2Sjj -t-- r (4:^

Wordt hierin r = \'p genomen, dan worden de termen van SafaJaj weer twee aan twee gelijk en gaat deze uitdrukking dus over in 22\'a1pa/a3\', zoo dat :

Zafa£a£ — -J [5^^— 2SpSl] q — SqS2p 4- 2S2p q]

Neemt men p=q = r, zoo worden de termen van Zafaja.f zes aan zes gelijk, zoodab:

ZaPa/a./ = \' [S3p —SSP S2p 2^]

Op gebeel dezelfde wijze kan men voorts de functie Safajajaf uitdrukken in functiëu van den vorm Zafaja/, daarna deze in functiën van den vorm ZaJ\'afl en deze laatste eindelijk in de grootheden S, terwijl men ook voor functiën, waarvan elke term een grooter aantal wortels bevat op geheel dezelfde wijze te werk kan gaan. De grootbeden S kunnen daarbij ten slotte in de coëfficiënten p worden uitgedrukt. Worden h der exponenten gelijk, dan moet de gevonden uitdrukking door k(k—1) . . . 2 . 1 gedeeld worden.

Uit het voorgaande blijkt, dat elke rationale symmetrische fun-tie van de wortels eener algebraïsche vergelijking rationaal in de coëfficiënten kan worden uitgedrukt. De weg, die hiervoor in deze paragraaf werd aangewezen, en waarbij de functie eerst wordt uitgedrukt in de grootheden S, is echter vaak zeer omslachtig en kan bij de berekening eener bepaalde functie meestal aanmerkelijk bekort worden (zie de Toepassingen in § 270).

TOEPASSINGEN.

1. Druk Zn a/ (i,s uit in de grootheden S, waarbij p, q, r en s ongelijk ondersteld zijn.

Antw. Sff | ^ f/3\'\' — Sp SqSf Si — S Sp Sq $r s 2 S Sp Sq r s

s — G Sp q r s waarbij zSpSqSr s ~ SpSqSr s ^ SpSrSq s SpSsSq r

SqSrSp s SqSsSp r Sr SsSp q Z Sp Sq r s = SpSg r s SgSji r s SrSp q s SsSji q r ^■Sp qSr s=:SptqSr s Sp^rSq^s Sp sSq r.

2. Druk eveneens in de grootheden S uit (uPa3P aj\'.

Antw. S a f (hP a3Plt;iJgt; = ^ — 6 Sp-S2p iiSp SaP Sip—G Stp].

§ 275. Bij eene symmetrische functie onderscheidt men het

-ocr page 428-

414

gewield en de orde der functie. Onder het gewicht der functie verstaat men den graad van eiken term in al de wortels, welke graad blijkbaar voor alle termen der functie dezelfde is. Onder de orde der functie verstaat men den graad der functie in één der wortels, m. a. w. de hoogste macht, waartoe elk der wortels in de functie voorkomt. Zoo bedraagt bijv. voor de functie Sa*a£ het gewicht 5 en de orde 3, en zijn de functiën, die in § 10 voor de coëfficiënten -p gevonden werden, alle van de l\'te orde.

Stelling. Zij 2 eene symmetrische functie van de wortels en F de overeenkomstige uitdrukking in de coëfficiënten p, dan is voor el-ken term van F de som der aanwijzers gelijk aan het gewicht van 2.

Zoo werd bijv. voor la^a^a^, waarvan het gewicht 4 bedraagt, gevonden (zie Toep. 2, § 270): — 4p4, waarin voor eiken term de som der aanwijzers 4 bedraagt.

Om zich van de juistheid dezer stelling te overtuigen, merke men op, dat zij geldt voor de symmetrische functiën van de eerste orde, die zich door één der coëfficiënten laten voorstellen; waaruit men gemakkelijk afleidt, dat voor elk product van machten der coëfficiënten de som der aanwijzers gelijk is aan den graad in al de wortels, d. w. z. aan het gewicht der overeenkomsbige symmetrische functie. Bovendien zal de som der aanwijzers voor de verschillende termen van F dezelfde moeten zijn, daar anders in 2 termen van verschillend gewicht zouden voorkomen.

Een ander bewijs van de stelling kan als volgt gegeven worden. Maakt men elk der wortels k maal grooter, zoo wordt Z vermenigvuldigd met km, als in het gewicht van 2 aangeeft. Dus moet door de genoemde bewerking ook elke term van F met k\'quot; vermenigvuldigd worden. Nu gaat als de wortels k maal grooter genomen worden, p, over in kpt, in Pp^ . in k\'p^, wordt

dus elke term van F vermenigvuldigd met eene macht van k, waarvan de exponent gelijk is aan de som der aanwijzers, waaruit blijkt dat voor eiken term van F deze som gelijk m moet zijn.

§ 276. Eene tweede stelling, die op de orde van de functie betrekking heeft, is de volgende.

Stelling. Be orde van 2 is gelijk aan den graad van F in de coëfficiënten. ■

Zoo is bijv. 2a?a,La^ van de 2ae orde, terwijl de overeenkomstige uitdrukking in de coëfficiënten pxp^ — 4^4 van den 2\'len graad is. Men merke hierbij op, dat in het algemeen de verschillende termen van F niet van denzelfden graad zijn, m. a. w. dat F niet

-ocr page 429-

415

homogeen is in de coëfficiënten. Hierbij regelt zich de graad van F naar dien van de termen, die van den hoogsten graad zijn. Heeft de hoogste macht van x in de vergelijking niet de eenheid maar p0 tot coëfficiënt, zoo moeten in de uitdrukking F p1,. . pn

respectievelijk vervangen worden door —, waardoor

Po Po Pa

men voor F vindt eene homogene uitdrukking in de coëfficiënt gedeeld door pj, als l de orde van S aangeeft.

Men overtuigt zich gemakkelijk van de juistheid der bovengenoemde stelling, door op te merken, dat zij geldt voor de eenvoudige symmetrische functiën, die men in § 10 voor de coëfficiënten heeft gevonden. Dus zal ook voor elke geheele functie der coëfficiënten p de graad der functie overeenstemmen met den graad der overeenkomstige symmetrische functie in één der wortels, d. w. z. met de orde dezer functie.

§ 277. In verband met het voorgaande, mogen nu nog een paar opmerkingen gemaakt worden, die bij de berekening van symmetrische functiën van nut kunnen zijn.

Is het gewicht eener symmetrische functie 2 gelijk hlt; n, dan zullen blijkens de in § 275 bewezen stelling in F slechts de coëfficiënten Pi, p2, ... pk kunnen optreden. Hieruit laat zich afleiden, dat voor vergelijkingen van den en van hoogeren graad de uitdrukking F geheel dezelfde zal zijn.

Men behoeft dus om F te vinden voor eene vergelijking van een graad hooger dan den ^den, slechts F te berekenen voor de vergelijking van den kien graad

a:lquot;quot; • • • JrPk^x -\\-Pk = ^

Wenscht men daarentegen F te vinden voor eene vergelijking van den wiaen graad, waarbij m lt; k, zoo heeft men slechts in de uitdrukking F, berekend voor de vergelijking van den /jderl graad, pm 1 . . . Pt nul te stellen, daar hierdoor k — m der wortels nul worden en dus overgaat in Zm. (Vergelijk de Toepassingen 1 en 2, § 270).

Ter verificatie van eene betrekking tusschon symmetrische functiën, kan men vaak bepalen het aantal termen, waaruit elk dezer functiën bestaat. Dit aantal moet dan voor de beide leden der vergelijking hetzelfde zijn. Het valt daarbij in het oog, dat als in eiken term van 2,, oa./ . . . k wortels voorkomen, het aantal termen gelijk is aan het aantal variatiën van h grootheden k aan k, dus aan

-ocr page 430-

416

n(n—1) . . . (n — A-j-1),

■waarbij p, q, r enz. ongelijk ondersteld zijn. Worden i dezer exponenten gelijk genomen, dan moet het aantal der termen door 1.2.3. . .{ gedeeld worden. Als toepassing nemen wij de in Toep. 2, § 274 gevonden betrekking

2 a fa Pa/[^-6^ 8^ 3^ — 6^]

t—l)(n—2)(m—3)

Het aantal termen van Sa/a.J\' aj\' ajgt; bedraagt ■

1.2.3.4

dat van Sp, S2p, S3p en Sip elk n, dat van lt;S^4 dus ra4 enz., waardoor men voor het aantal termen in het tweede lid der vergelijking vindt ^ [re4—dn3 -J- 1 l?i2—6n], welk aantal overeenstemt met het aantal termen, dat voor het eerste lid werd gevonden.

TOEPASSINGEN.

1. Leidt uit de voor •% gevonden uitdrukking af, dat de vergelijking

xn pia;tl~1 p2xquot;~1 . . . = 0 zeker onbestaanbare wortels heeft, als ~ lt; 2 /gt;.,.

2. Uit het theorema van Eoli.e laat zich afleiden, dat als eene vergelijking slechts ^bestaanbare wortels heeft, de som van de vierkanten der wortels grooter is dan de som van de vierkanten der wortels van de afgeleide vergelijking. Maak hiervan gebruik om aan le toonen, dat bovenstaand3 vergelijking onbestaanbare wortels heeft, als

2n

3. Men verscherpe het voorgaande kenmerk tot pi2 lt;--~ gt; door aan

71 — 1

te toonen, dat als alle wortels bestaanbaar zijn:

C)

■M?)\'

4. Toon aan, dat voor eene vergelijking van den tweeden of hoogeren graad

1 _ f -jg

1 Sl Si (»1—«2)

Men besehouwe daartoe het vierkant der matrix 1 1 1 ... 1 «i «a a3 . . . ei»

onder toepassing der in § 153 bewezen stelling.

1

De toepassingen 1, 2 en 3 zijn ontleend aan „Algebraïsche hoofdstukkenquot; door Corneille L. Landré.

-ocr page 431-

417

Op gelijke wijze vindt men door het viei-kant te nemen van de matrix 1 1 1 ... 1 «i «2 ffs . . ; «/i rt]2 «22 (h2 . . . a„5

dat voor elke vergelijking van den derden of hoogeren graad

50 S1 S.

51 .% S3 Si Ss sl

terwijl voor de vergelijking van den tweeden graad deze determinant mil is.

DERTIGSTE LES.

OVER ELIMINATIE-METHODEN.

§ 278. Onder het elimineeren van de veranderlijke grootheden x, y, z, . . . uit een stelsel vergelijkingen verstaat men het opstellen der betrekkingen, waaraan de overige in deze vergelijkingen optredende grootheden moeten voldoen, opdat de vergelijkingen eene gemeenschappelijke oplossing voor x, y, z, . . . toelaten. Bedraagt het aantal der niet-homogeen onderstelde vergelijkingen één meer dan het aantal der veranderlijke grootheden, zoo vindt men in het algemeen ééne betrekking Ii=Q, die de resul-teerende vergelijking van het stelsel wordt genoemd. Het eerste lid R van de op nul herleide resulteerende vergelijking heet de Resultante der gegeven vergelijkingen.

Het geval, waarin de vergelijkingen van den eersten graad zijn, werd reeds in de 19ae Les uitvoerig besproken. Wij zullen dus nu onderstellen, dat de vergelijkingen van hoogeren graad zijn, en bepalen ons daarbij tot het geval van het elimineeren van ééne veranderlijke grootheid uit twee vergelijkingen.

Vraagt men x te elimineeren uit de vergelijkingen van den tweeden graad

a0x- -(- 2alx = 0 50.r2 -(- 20^ -(- = 0

zoo kan men uit elk dezer vergelijkingen x oplossen, en de gevonden waarden aan elkaar gelijk stellen:

LOBATÏO. 27

= E (a2 — a2)-(«3 _ «,)= (n, — ((,J-

-ocr page 432-

418

--7quot; ± — V\' («i2 a0ai) =--Tquot;- zfc J- (^i2-Ma)

«O »0 O o

waaruit na eene kleine herleiding gevonden wordt:

(quot;A Job2 — 2o/,)2 — 4 (a,2 — ff0a2) (V — ^A) = O

het eerste lid van welke betrekking de resultante der gegeven vergelijkingen is. De hier gevolgde methode wordt echter voor vergelijkingen van den derden en vierden graad zeer bezwaarlijk, en laat ons zelfs voor vergelijkingen van hoogeren graad geheel in den steek. Men heeft daarom andere eliminatie-methoden uitgedacht, bij welke het oplossen der gegeven vergelijkingen wordt vermeden.

§ 279. Zij

0(.r) = ffoaquot;* 0,®quot;\'-\'-f . . . -\\-am_ix-lram = 0 (1)

yj{_x) = bax* -f . . . -fJ„ =0 (2)

de beide gegeven vergelijkingen, uit welke men de veranderlijke grootheid x wenscht te elimineeren. Wij zullen dus de betrekking tusschen de coëfficiënten moeten opstellen, welke uitdrukt dat de vergelijkingen (1) en (2) een gemeenschappelijken wortel bezitten. Noemen wij de m wortels van de vergelijking (1)

1 ^3 • • • (tin j

en de n wortels van de vergelijking (2)

PlJ P* • \' • Pal

en beschouwen wij het gedurig product van de mn wortelver-schillen :

niamp;k Pi) (^1 Pl)iai Plïi^l Pi) • • • (tol Pn) X (ö2 Pl) (.ai Pi) (amp;2 Pi) • \' • /\'*) X

(«3 -^l) («3-p2) («3-f\'l) • • ■ («3-Pn) X

(a,,,——/ï2) (a,„—fa) . . . (a,,.—/ij.

Hebben de vergelijkingen een gemeenschappelijken wortel, dan is een der grootheden a gelijk aan een der grootheden /S, is dus een der factoren en derhalve ook het product TZXaj. — pi\\ nul. Is omgekeerd dit product nul, zoo moet een der factoren nul zijn, en dus de gegeven vergelijkingen een gemeenschappelijken wortel hebben. De betrekking

-ocr page 433-

419

n{ak—fH) = 0

drukt dus uit, dat de vergelijkingen (1) en (2) een gemeenschap-pelijken wortel bezitten. Het eerste lid dezer betrekking is eene symmetrische functie zoowel der wortels a, als der wortels ji. Zij kan dus, blijkens het in de voorgaande Les besprokene, rationaal worden uitgedrukt in de coëfficiënten a en b. Daarbij kan men, door haar eerst te beschouwen als eene symmetrische functie dei-wortels p, eene uitdrukking verkrijgen, die de coëfficiënten b en de wortels a bevat, en door deze uitdrukking als eene symmetrische functie der wortels a te beschouwen, ten slotte eene uitdrukking vinden, waarin alleen de coëfficiënten a en i voorkomen. Deze uitdrukking zal echter, daar n{akfit) ten opzichte van de wortels et en /3 respectievelijk van de nie en mie orde is, geen geheele functie zijn, maar blijkens § 276 in den noemer a^bjquot; bevatten. Om dus voor de resultante R eene geheele functie der coëfficiënten te vinden, zullen wij R = aquot;b,quot; II{akpi) moeten nemen, waardoor de resulteerende vergelijking wordt

R=aa*b0m II{ak -/?,) = () (3)

Men kan de resultante nog in twee andere vormen schrijven, waarin óf alleen de wortels a, óf alleen de wortels p voorkomen. Men heeft n.1.:

ygt;O) = b0{x — pi) {x — pi) (x—pi) . . . (x — pj en dus ook

vOO^oCai — AKa.—amp;)(«, — amp;) • • •(«,—/?.)

waardoor, als men in de hierboven opgeschreven ontwikkeling van II(ak pi) telkens bij elkaar neemt de factoren, die in eenzelfde horizontale rij voorkomen, gevonden wordt;

R = a0n V\'(«,) vK) KS) • • • V(0 (4)

welke uitdrukking de wortels p niet meer bevat, en eene symmetrische functie der wortels a is.

Houdt men in het oog

lt;P{x) = a0{x — ai){x — ai)(x — a3). . . (x—aj

en dus ook

^(/?■) = «o(/?i —«,)(/?, — O O3! —O - • •(/?■—«J

dan vindt men door nu telkens bijeen te nemen de factoren, die in eenzelfde vei-ticale kolom voorkomen:

27*

-ocr page 434-

420

j?=(—irv-pOs,) • • • lt;£(/?»)• (5)

quot;Was men uitgestaan niet van TTCajt — pi) maar van TI fit — «i), clan zou de factor (—1)quot;*quot; niet in de uitdrukking (5), maar in de uitdrukking (4) zijn opgetreden. Daar het ons echter meestal alleen om het nul worden der resultante te doen is, zoo is het tee-ken van deze uitdrukking veelal onverschillig.

TOEPASSING.

Elimineer volgens de boven ontwikkelde methode x uit de vergelijkingen lt;i\' (x) = ciqX2 QctjX «2 — 0 v (x) = bo-ir 1hiX Zgt;2 — 0 Zijn 2, en a, de wortels der eerste vergelijking, dan vindt men volgens (4); R = ff02(ioi,!i2 2^1«! i») (toa-22 2iia2 ^2) =

= Hh\'^cc. h*- \'ibolgt;ici-loci(ecl ctj hj)* (a12 a!22)

261Mai quot;2)}

2rt, «2 o . o _ ^ff!2— 2ffoff2

of, als men hierin a, -I-«o— gt; aia2— en cz-l--Jr a*-— „

\' «o ^0 quot;0

stelt:

It = h0~a*quot; 4ao^l2ft2 «02^22- ^0^2 (4:rti2-2«oquot;2)-4^0«!^1 ^2 =

— (Cf0^2 -^O^a)2 4(^0«! -«o^l) (f 1^2 -2»!#2) = 0

welke uitdrukking ook geschreven kan worden in den vorm, dien wij in § 278 leerden kennen.

§ 280. Uit de toepassing der voorgaande paragraaf blijkt, dat de bovenstaande methode voor de bepaling der resultante reeds spoedig tot langwijlige berekeningen aanleiding geeft. In de volgende paragrafen zullen wij daarom andere methoden aangeven, die voor de werkelijke berekening der resultante de voorkeur verdienen. De ontwikkeling der voorgaande paragraaf heeft echter het voordeel, dat zij ons duidelijk het verband doet zien, waarin de resultante tot de wortels der beide vergelijkingen staat. Bovendien doet zij ons gemakkelijk een paar belangrijke eigenschappen der resultante kennen.

Merken wij vooreerst op, dat de resultante eene homogene functie is van de coëfficiënten van elk der beide vergelijkingen. Ten opzichte van de coëfficiënten der vergelijking (1) is zij van den HdCT graad, zooals onmiddellijk blijkt uit den vorm (5). Eveneens volgt uit den vorm (4), dat de resultante van den roden graad is ten opzichte van de coëfficiënten der vergelijking (2), Dit laatste blijkt ook door op te merken, dat de resultante ge-

-ocr page 435-

421

schreven in den vorm (5) eene symmetrische funotie der wortels /9 is, waarvan de orde m bedraagt, zoodat de overeenkomstige uitdrukking in de coëfficiënten h, volgens § 276, van den mden graad zal zijn.

Drukt men R uit in de coëfficiënten a en b, zoo kan men aan-toonen, dat voor eiken term van R de som der aanwijzers mn zal bedragen. Schrijft men n.1. R eerst in den vorm (4j, zoo kan een willekeurige term voorgesteld worden door

jn i, i i * j k

aJn-iK-j ■ • ■

zoodat men door bijeenvoeging van allo termen, die dezelfde coëfficiënten b bevatten, vindt:

al K.i bn-j - • • K-k2a\',ai • • ■ am

Drukt men nu 2 a\\ al .. . akm uit in de coëfficiënten a, zoo vindt men eene uitdrukking, waarin, volgens § 275, voor eiken term de som der aanwijzers gelijk is aan i -\\-j . . . -\\-k. Telt men dus te samen de som der aanwijzers der coëfficiënten b, welke gelijk is aan

(« —0 («—i) • • • -f (« — k) = mn — {i -f; -f- . . . h)

en de som der aanwijzers der coëfficiënten a, zoo wordt hiervoor blijkbaar mn gevonden. In aansluiting aan het in § 275 besprokene wordt deze som, die tevens de graad is van R in al de wortels a en /S, het gewicht der resultante genoemd. Men heeft dus:

Het gewicht der resultante is gelijk mn.

Het bewijs van deze belangrijke stelling kan ook gegeven worden door op te merken, dat als men elk der wortels a en p met een factor p vermenigvuldigt, 11 («^ — ft) en dus ook R vermenigvuldigd wordt met/)quot;1quot;. Neemt men in acht, dat daarbij a, en bx overgaan in pal en pbu a., en b, in p2a2 en jfb^, enz., en dus elke term van R vermenigvuldigd wordt met eene macht van p, waarvan de exponent gelijk is aan de som der aanwijzers der coëfficiënten a en b, zoo laat zich afleiden dat voor eiken term van R deze som mn moet bedragen.

§ 281. Vermeerdert men de wortels van de vergelijkingen (1) en (2) met eenzelfde grootheid p, zoo zal de resultante dei-nieuwe vergelijkingen geheel overeenstemmen met die der oorspronkelijke. Door deze transformatie toch blijft elk der wortel-verschillen, en dus ook

-ocr page 436-

422

E = a\'Xn{ak-^)

onveranderd.

Leidt mea uit de vergelijkingen (1) en (2) de vergelijkingen amxm-\\-am_txm-* . . .-fa.ar a^O K\'on bn_,xn-^ . . .-|-5i;e 6o = 0

op de omgekeerde wortels af, zoo is de resultante dezer nieuwe vergelijkingen gelijk aan dio der oorspronkelijke, vermenigvuldigd met (—l)quot;m. Voorde resultante R\' der nieuwe vergelijkingen heeft men n 1.:

P\'_„n ,m jr(}__— (_1 ■)»\'»«quot; hm_ftl)_

- n\\ak ft) ( ) mK (a.a, . . . «,„)»(/».ft • • • PnT of daar

a.a, . . . am = (— 1)quot;\' — en . . . ^=(-1)»^

«O O

heeft men

R\' = {— irquot;a0quot;Vquot; Jt{ak — Pl) = (— l)mn£

§ 282. Wij zullen nu eenige methoden bespreken, met behulp van welke de resultante van twee vergelijkingen spoediger gevonden kan worden, dan langs den in § 279 aangegeven weg. In de eerste plaats willen wij de door euler aangegeven methode .doen kennen.

Als de vergelijkingen

0(x) = O (1) en !?(#) = 0 (2)

een gemeenschappelijken wortel 6 bezitten, dan is x — 5 een factor zoowel van lt;P{x) als van \'F(x), en zijn derhalve

lV J x — 6 \'K J x — i)

twee geheele functiën, respectievelijk van den (ni — l)den en (w—l)den graad, en is blijkbaar

lt;Sgt; (x) Y, (x) = lr(x) 0, (x) (6)

Maar ook omgekeerd kan men aantoonen, dat wanneer het mo-, gelijk is twee geheele functiën lt;P, (x) en !?, (x), van den graad (m—1) en (n — 1), te vinden, welke voldoen aan de identieke

-ocr page 437-

423

betrekking (6), de vergelijkingen (1) en (2) een gemeenschap-pelijken wortel zullen bezitten. Uit de betrekking (6) toch volgt, dat elk van de m wortels van de vergelijking 4gt;{x)~Q tevens wortel zal zijn van de vergelijking V(x) = 0 of van de vergelijking (p, {x) = Ü. Deze laatste vergelijking, die van den (m—l)^quot; graad is, heeft echter slechts (m—1) wortels, zoodat minstens één van de wortels van de vergelijking (1) tevens wortel zal zijn van de vergelijking (2).

Stelt men nu

\'P, 0) = ^, x\'quot;quot;1 -f . . . A,n

V,(x)==£lXquot;-\' £2xquot;-* . . . BU

dan vindt men, door gelijkstelling van de coëfficiënten der overeenkomstige machten van x in de beide leden der betrekking (6), m -j- u homogene vergelijkingen tusschen de m-\\- n coëfficiënten A en B. Volgens § 164 zullen deze vergelijkingen eene oplossing toelaten, die van nul verschilt, als de determinant A dezer vergelijkingen nul is. De resulteerende vergelijking is dus hier A = O, en A de resultante van de vergelijkingen (1) en (2). Nemen wij bijv. twee vergelijkingen van den derden graad:

lt;P {x) = a0x^ -\\- a^x1 -\\- a^x -\\-az = Q (x) = ^0a:3 -)- b, a,a -|- a; -4- ^3 = O

zoodat

0, (x) = j, x\' -\\-A2x-\\-A3 \'F, (x)=x2

waardoor de betrekking (6) wordt:

(V3 at3:~~1~ ff2s; quot;a) quot;l- B2x-f- B3) = (i0a;3-)-ilx2-j-i2x 63) X

(A,x2 A2x A3)

Door gelijkstelling van de coëfficiënten dei\' gelijknamige machten van x vindt men :

a0Bt —tgt;oA =0

a, B, -|- a0 B2 — — 60 A2 = O

^2 quot;f- B2 —ctQ B3 — h2 Ai è, A2 — bQA3 = O -{-a2B2-\\-a,B3 — b3At — b2A2—b,A3=0 { Ö3 B2 |- a2 B3 \' b3 A2 b2 A3 — O

—{— (i3 B3 b3 A3 = O

-ocr page 438-

424

Door eliminatie van de grootheden A en B wordt ten slotte voor de resulteerende betrekking gevonden:

%

0

0

«o

0

0

«1

0o

0

0

a.

«0

K

5,

K

«3

K

K

0

«3

ö2

0

h

0

0

#3

0

0

b*

De te volgen weg blijft blijkbaar geheel dezelfde als m en n ongelijk zijn.

TOEPASSINGEN.

1. Bepajil volgens de methode van Euler de resultante der vergelijkingen

(IqX* H-rt2 = 0

h^x- - ■ IhxX H- Z»2 = 0 en vergelijk het verkregen resultaat met de in § 279 gevonden uitdrukking.

2. Elimineer op gelijke wijze x uit de vergelijkingen

Antw. Men vindt

(IqX2 quot;f- dxX -f- «o — 0

xz = l.

«0

0

0

1

0

«1

«0

0

0

1

»3

«0

0

0

0

«2

«i

—1

0

0

0

«2

0

—1

waarvan het eerste lid na eene eenvoudige herleiding wordt:

«0 «2 «1 «1 Öfo

n, «o !

Door de resultante te berekenen volgens de methode van § 279, vindt men gemakkelijk, dat bovenstaande determinant gelijk is aan:

(«o (h «a) («oquot;8 «1« quot;s) (quot;ow «iquot;2 a»)

waarin w een der onbestaanbare derde-machtswortels uit de eenheid aangeeft.

§ 283. De methode van Euler kan ook gebruikt worden om de voorwaarde uit te drukken, dat de gegeven vergelijkingen twee of meer gemeenschappelijke wortels zullen bezitten. Om

-ocr page 439-

425

bijv. de betrekkingen te vinden, waaraan de coëfficiënten der vergelijkingen (1) en (2) moeten voldoen, opdat deze twee gemeenschappelijke wortels, ö en fl,, zullen bezitten, stelle men

*■(*)= (.-It\'-».) quot; ï\'-lt;\')=

waarbij lt;li2 (x) en !F2 (x) twee geheele functiën van den {m — 2)den en {n — 2)den graad zijn. Men heeft nu

0 (ar) T, (x) = \'1\' (x) (p2 (x) (7)

Omgekeerd zullen, wanneer er twee geheele functiën van den (m — 2)den en — 2)den graad, \'P, (x) en \'K (x), te vinden zijn, die aan de identieke betrekking (7) voldoen, de vergelijkingen (1) en (2) noodzakelijk twee gemeenschappelijke wortels bezitten. Door gelijkstelling van de coëfficiënten der gelijknamige machten van x in de beide leden der betrekking (7), vindt men voorts m-j-u — l lineaire, homogene vergelijkingen tusschen de ot—l coëfficiënten, die in 02(V), en de n ■—1 coëfficiënten, die in («) voorkomen. Elimineert men deze m -j- n — 2 coëfficiënten uit de m-\\- n — 1 vergelijkingen, zoo vindt men, volgens § 164, 2 re-sulteerende betrekkingen.

TOEPASSING.

Druk de voorwaarde uit, dat de vergelijkingen

lt;lgt; (x) = Oo^\'3 aix- tiax «a = 0 r (j-) = b0x3 bix\' ho.r 63 = 0

twee gemeenseliappelijke wortels bezitten.

Men stelle *;,{x) = AIx Ai v.2{x) = BiX B2

(«ox3 «i.ra n*x o3)(BjX Bj) = (b^x3 b^x 63) [A,x yl») waaruit: n.-Jljli0Al =0

ctiBi OoBo — biA, boA* -- 0 «oZ}, (i\\Bab^Ai b^A, = 0 OzB^ «aS» — b^Ai ■— = 0 - ■ (isBz b^A 1 - 0

De resulteerende betrekkingen, die uit de eliminatie van Bi, Bj, en A2 uit deze vergelijkingen voortvloeien, verkrijgt men, zie § 164, door gelijk nul te stellen twee der determinanten van den graad, die men kan vormen uit de matrix

«0

0

ho

0

«1

quot;0

ho

c/3

h

ht

quot;3

ba

ha

0

Cf3

ü

hz \\

-ocr page 440-

426

§ 284. Door Stlvester is eene eliminatie-methode gegeven, die de resultante in denzelfden vorm doet kennen, als de methode van Euler. Zij wederom

. . . -|- «m=0 (1)

Yƒ(^) = ^gt;0a:\', 4-6, Ïquot;-1-!- . . « 6,!= 0 (2)

de gegeven vergelijkingen. Vermenigvuldigt men de eerste vergelijking achtereenvolgens met xn~\\ xn~~. ... x en xquot;, en de tweede vergelijking met xm~\', xquot;\'~2. . . . x en xa, zoo verkrijgt men m -)- n vergelijkingen, waarin de hoogste macht van x de (m-\\-n— l)de is. Stelt men hierin xm*n~\\ xquot;\'*quot;\'2 , . . x2, x en xa door de teekens Xm n_„ XBI n_2, . . . X2, X, en A\'0 voor, dan heeft men (w -)- n) lineaire, homogene vergelijkingen tusschen de (ra-j-w) grootheden Xm , ... X,, jro. Deze vergelijkingen laten, als (1) en (2) een gemeenschappelijken wortel ö bezitten, eene oplossing Zm n_1= . . . X, = 6, X0 = 1 toe, die van nul verschilt, zoodat volgens § 164 de determinant van het stelsel vergelijkingen nul zal zijn.

Nemen wij bijv. de vergelijking (1) van den 3den en de vergelijking (2) van den tweeden graad:

(p (a;) = a0 x3-\\-atx2-\\~a2x-[- a3 ,I/(x) = b0x2-\\-btx b2 De (m -j- h) vergelijkingen worden hier:

a^x*a^3-\\-OiX*-\\-a3x =0

a0a\'3 ciiX1 a2x a3x0 = ü

-{-biX3 -\\-bzX1 =0

J0a-3 -)- 6, a;2 -|~ b2x = 0

50a;2 -\\-blx-\\- b^xquot; = 0

Elimineert men uit deze vergelijkingen x* . , . xquot;, waarbij, om duidelijk te doen uitkomen, dat men deze grootheden als, zelfstandige onbekenden beschouwt, men eerst x* ... xa kan vervangen door de teekens Xi . . , X0, dan vindt men voor de re-sulteerende betrekking:

ao

a.

a2

«3

0

0

«0

a,

a2

«3

h

bt

K

0

0

0

K

*gt;,

b2

0

0

0

K

-ocr page 441-

427

Het valt onmiddellijk in het oog, dat do determinant, die hier voor de resultante gevonden werd, door verwisseling van rijer met kolommen kan worden afgeleid uit den determinant, die volgens de methode van Euler werd verkregen.

§ 285. Wij zullen eindelijk nog eene eliminatie-methode bespreken, gegeven door Bezout, welke het voordeel heeft, voor de resultante te geven een determinant, waarvan de graad gelijk is aan het grootste der getallen m en n, terwijl deze graad bij toepassing der methoden van Euler en Sylvester m-\\~n bedraagt. Wij volgen daarbij de wijze, waarop door Cauchï de methode van Bezout is voorgesteld, en beschouwen in de eerste plaats hot geval m — n.

Zij bijv. m = n = 4, en dus:

0 (x) = a0x4 -j- a,x3 -)- a2i\'2 a3t: (74= 0 yfa) = ioX1 -)- ijX3 -{- izx2 -\\~hzx -|- = 0

Brengt men in elk dezer vergelijkingen de laatste vier termen naar het tweede lid over, dan vindt men door deeling:

Oa _ a,g3 -f- gaa2 -f- ajc a4 ba blx3 -\\- b.x1 b3x -)- bt

Brengt men daarentegen slechts drie, twee of een termen naar het tweede lid over, dan vindt men op gelijke wijze:

a0x -}- «, a^x1 -|- azx -j- at b0x -f- 6, b^ -|- b3x -j- bi

OqX1 —j— Cl1X —|— Cf2 Cl^X —|—

bax* b^x -f- bï b}x a0x3 -|- a,a;2-(- a2x -)- «3 _ «4 So®3 b,x\' -fquot; bt

Schrijft men de vier bovenstaande vergelijkingen in geheelen vorm, zoo vindt men:

(a0b,)x3 -f- Wh)* (quot;o^) = 0

(aA)®3 [{quot;Jh) {«A)]*1 [OA) («/3)]® OA) = 0 O.AK [0(A) -f • («.«,)gt;2 [0.«4) W\\* («A) = O 0(A)®3 O/4K Oa^)® OA)=o

waarin het teeken den determinant

-ocr page 442-

428

voorstelt en de overige teekens eene overeenkomstige beteekenis hebben. Beschouwt men nu in bovenstaande vergelijkingen .v3, x\'1 en x als zelfstandige onbekenden, ten opzichte van welke grootheden de vergelijkingen van den eersten graad zijn, dan vindt men door eliminatie dezer grootheden voor de resulteerende betrekking:

(«(A) («0^2) («(A)

R== (quot;0^2) («0^3) (aA) («0^4) (aA)

kA) («0S4) -f- {(\'A) {a-A) («A)

(«o^j («1^4) («^4)

De weg langs welken wij hier de resultante hebben gevonden, kan blijkbaar voor elke waarde van m gevolgd worden, en het valt zelfs niet moeilijk voor eene willekeurige waarde van m de resultante onmiddellijk op te schrijven, wat wij aan den lezer overlaten.

§ 286. Beschouwen wij nu het geval, dat m en n ongelijk zijn, en nemen wij als toelichting van dit geval de vergelijkingen

(p (x) = ctgX* -f ■ «i^3 4quot; a2a;2 quot;F a3x -f~ a4 — 0 \'Fix)___b0x- -|- 5,« -f- = 0

waar dus ?« = 4 en n = 2. Gaat men weer op dezelfde wijze te werk als in de voorgaande paragraaf, dan vindt men slechts twee vergelijkingen:

a0a.\'2 o,»3 -j- ci2x2 -)- a^x -|- a4 b0 h^x

a0xz -f- a^x1 a^\'2 -J- a3x -j-bax bl b..

of, in geheelen vorm geschreven:

(«A)-1\'3aibt^ — «4^0 = 0

(aAgt;3 4- [(«/2) — «3^o]«2— [«3^ aMxa441 = 0

Voegt men hieraan toe de vergelijkingen

x = 50a-3 -|- -(- h2x =0 ll\'{x) = b^x1 -[- = 0

zoo heeft men weer vier vergelijkingen, uit welke men j.\'3, a:3 en x als zelfstandige onbekenden kan elimineeren, waardoor men voor de resulteerende betrekking vindt:

(«.A) OA) (aA)

(«3^)

-ocr page 443-

429

(a/,) (a,A)

_ (VO («A)—«A —\' 7?= 5,

\'o

0

A

0

In het algemeen vindt men, als m gt; n, door toepassing der in de voorgaande paragraaf ontwikkelde methode, n vergelijkingen van den {m — 1 )(ler\' graad. Voegt men hieraan toe de vergelijkingen, die men vindt door de tweede vergelijking achtereenvolgens met xm~n~\'1, . . . x en l te vermenigvuldigen, zoo heeft

men m vergelijkingen, die ten opzichte der grootheden a;\'quot;-1, ffquot;1-2 . . . x, beschouwd als zelfstandige veranderlijken, van den eersten graad zijn. De eliminatie dezer grootheden levert eindelijk de gezochte resulteerende betrekking op.

§ 287. Als men uit twee vergelijkingen de resultante dezer vergelijkingen heeft afgeleid, is het vaak noodig na te gaan, of niet in den loop der berekening vreemde factoren zijn ingevoerd, waardoor men ten slotte de resultante verkrijgt, vermenigvuldigd met een factor, die vreemd is aan de oorspronkelijke vergelijkingen. Om duidelijk te doen zien, dat dit gevaar niet denkbeeldig is, moge nog de volgende eliminatie-methode besproken worden, die toegepast op vergelijkingen van een graad hooger dan den tweeden, tot het invoeren van zulk een vreemden factor aanleiding geeft.

Beschouwen wij vooreerst twee vergelijkingen van den tweeden

graad:

a0x2 -(- a^x -(-«2 = 0 box* -\\-bix-\\-b„ = 0

Door de eerste vergelijking met b0 en de tweede met a0 te vermenigvuldigen en daarna af te trekken, vindt men

{a0h^x (a,A) = O

Vermenigvuldigt men de gegeven vergelijkingen respectievelijk met b2 en a2, zoo geeft de aftrekking

OcA)* («A) = O

De eliminatie van x uit de bovenstaande vergelijkingen geeft eindelijk :

(a06,.)2 —KJ,) (aA,) = 0

Het eerste lid dezer vergelijking is zoowel ten opzichte der coëfficiënten a als ten opzichte der coëfficiënten b van den twéeden

-ocr page 444-

430

O0amp;1) KA) (alt;A) («A)

(quot;lt;A)

(0Ï1amp;3)

{«A)

(ilyhS)

= 0

graad, waaruit blijkt dat dit eerste lid de resultante geeft, vrij van vreemde factoren.

Passen wij nu deze zelfde methode toe op de vergelijkingen van den derden graad:

aax3 a,»2 -|- a2ar -(- «3 = 0 b0x3 V2 -f == 0 Door deze vergelijkingen met b0 en a0 en daarna met b3 en a3 te vermenigvuldigen en telkens af te trekken, vindt men:

(Ölt;Agt; («0^3) = 0 (a0b3)x2 {a,b3)x («A) = 0

De eliminatie van x uit deze betrekkingen geeft volgens het zooeven gevondene:

(quot;.A) (^0^3)

{aBb3) (a.,h3)

Het eerste lid dezer betrekking is van den vierden graad zoowel in de coëfficiënten a als in de coëfficiënten b, terwijl zooals wij weten, deze graad voor de resultante 3 moet bedragen. Hieruit laat zicb afleiden, dat het eerste lid van bovenstaande betrekking een vreemden factor bevat, die zoowel in de coëfficiënten a als in de coëfficiënten b van den eersten graad is. Deze factor zal blijken {a0b^) = a0b3 — a3ba te zijn. Eerst na deeling door deze uitdrukking wordt de resultante vrij van vreemde factoren gevonden. Met bet oog hierop verdient de hier aangegeven methode geen aanbeveling, als men te maken heeft met vergelijkingen, waarvan de graad hooger dan de tweede is.

Als men opmerkt, dat de uitdrukkingen, die men bij toepassing van de methoden van Eülek, Sylvester of Bezout voor de resultante vindt, ten opzichte van de coëfficiënten a en J respectievelijk van den nim en »4(len graad zijn, zooals volgens het in § 280 besprokene behoort, zoo blijkt dat de toepassing van een dezer eliminatie-methoden de resultante steeds vrij van vreemde factoren doet vinden.

§ 288. Het voorgaande stelt ons in staat uit twee vergelijkingen

(p{x.y) = (i y{x .y) — 0

waarvan de eerste van den en de tweede van den b 11611 graad moge zijn, de onbekenden a; en y op te lossen. Schrijft men de beide vergelijkingen naar de afdalende machten van a-:

-ocr page 445-

431

lt;P{x .y) = a0xm alxm 1-f . . . «». = O (8)

xF{x.y) = b0xn -f-i..,» 3n =0 (9)

Jan stelt elk der coëfficiënten a en 5 een polynomium in y voor, waarvan de graad hoogstens gelijk is aan den aanwijzer. In verband met het in § 280 besprokene, volgt hieruit dat de resultante van de vergelijkingen (8) en (9), die door R{y) moge voorgesteld worden, een polynomium is, dat ten opzichte van y hoogstens van den mnim graad is.

Zij nu x = x\', y=y\' eene gemeenschappelijke oplossing der gegeven vergeljjkingea, dan hebben voor y~y\' de vergelijkingen (8) en (9) een gemeenschappelijken wortel x = x\', waaruit volgt dat deze waarde van y voldoen moet aan de resulteerende vergelijking

B(y) = 0 (10).

Wordt, omgekeerd, door eene waarde y—y\' voldaan aan de vergelijking (10), dan hebben voor deze waarde van y de vergelijkingen (8) en (9) een gemeenschappelijken wortel x = x\', en vormt dus x = x\', y=y\' eene oplossing van de twee gegeven vergelijkingen. Men heeft dus eerst de wortels te bepalen van de vergelijking (10), waarvan het aantal, met het oog op den graad dezer vergelijking, hoogstens Ttin bedraagt. Is y=y\' een dezer wortels, dan kan de bijbehoorende waarde van x gevonden worden, door na in (8) en (9) y door y\' te hebben vervangen, uit de vergelijkingen die men bij toepassing der methode van Sylvester verkrijgt, x als onbekende op te lossen. Daarbij worden in deze vergelijkingen . . . x weer als zelfstandige onbekenden beschouwd, en kan een dezer vergelijkingen buiten beschouwing worden gelaten.

Uit het voorgaande blijkt tevens, dat het aantal oplossingen in het algemeen mn zal bedragen. Het aantal wortels der vergelijking (10) toch bleek in het algemeen mn te zijn, terwijl met elke waarde van y in het algemeen één gemeenschappelijke wortel der vergelijkingen (8) en (9), dus ééne waarde van x overeenkomt. In bijzondere gevallen kan de graad van de vergelijking (10), en dus ook het aantal der oplossingen, kleiner dan mn worden.

Aan het voorgaande betoog moet nog toegevoegd worden, dat ook als voor eene waadde y=y\' de vergelijkingen (8) en (9) meer dan één gemeenschappelijken wortel bezitten, het aantal der oplossingen niet boven mn kan stijgen. Men kan nl. aantoonen, dat in dit geval y=y\' een veelvoudige wortel van vergelijking

-ocr page 446-

432

(10) is, op welk bewijs wij niet nader zullen ingaan. Alleen wanneer 0 (x . ;y) en 1\' (x . y) een gemeenschappelijken factor f{x . y) bevatten, zal elke oplossing van de vergelijking f{x . y) = 0 eene gemeenschappelijke oplossing van de gegeven vergelijkingen zijn, en is bet aantal dezer oplossingen dus in het algemeen oneindig groot. In dit geval is de resultante R (?/) identiek nul.

Ziet men van dit laatste geval af, dan kan men dus de volgende stelling uitspreken:

Het aantal oplossingen van twee vergelijkingen, die van den en Mden graad zijn, bedraagt in het algemeen en hoogstens mn.

Algemeener kan men betoogen, dat k vergelijkingen met k onbekenden, respectievelijk van den graad m, n, ^, ... in het algemeen en hoogstens mnp . . . oplossingen toelaten.

-ocr page 447-

AANHANGSEL.

-ocr page 448-
-ocr page 449-

EEN EN DERTIGSTE LES.

COMPLEXE GROOTHEDEN.

§ 289. Wanneer de lijn OA, zie fig. 4, die eene lengte a heeft, en een hoek a maakt met de lijn OX, aangewezen wordt door het teeken

aa)

zoo kan elke lijn, evenwijdig aan O A en van dezelfde lengte, bijv. PQ, door ditzelfde teeken aangewezen worden. Maar zoodra de lengte of de richting verandert, zal het teeken niet meer hetzelfde blijven. Zoo zal a0 eene lijn voorstellen van dezelfde lengte a, maar in de as OX, of evenwijdig daaraan genomen, en a_ eene lijn op OX, maar in de richting XO. De algebraïsche herleidingen van deze teekens zijn zeer opmerkelijk.

§ 290. Zijn twee lijnen OA en OB op deze wijze voorgesteld door aa en bp (zie fig. 4), zoo zal, als men uit A eene lijn AC, evenwijdig aan, en even lang als OB trekt, daardoor eene lijn OC in

Fig. 4.

.R

C

-ocr page 450-

436

richting en in grootte voorgesteld worden. Bepalen c en ^ de lengte en de richting dezer lijn, zoo mag men schrijven:

aa =

als men door het teeken -]- deze samenstelling van lijnen aangeeft. Als men in plaats van OA genomen had PQ, zoo zon het resultaat der samenstelling de lijn PR geweest zijn, die even lang is en dezelfde richting heeft als OG, en die dus ook door het teeken cr wordt voorgesteld.

Daar eene lijn uit B evenwijdig aan OA getrokken en even lang als OA genomen ook in het punt C uitkomt, zal men mogen stellen:

aa ^ —^3 aagt;

dat wil zeggen, de volgorde der samenstelling is onverschillig. En eveneens is dit het geval bij de samenstelling van onderscheiden lijnen.

Nog is

aa ^ = 0-H)a\'

«o = (« -f b)a-

Als men dus voor do lijnen in de as OX het richtingsteeken weglaat en a0 en «_ door -j-a en —a vervangt, is de besproken samenstelling in deze lijn hetzelfde wat men gewoonlijk optellen en aftrekken van lijnen noemt.

§ 291, Met behulp der lijnen OA en OB, in richting en grootte bepaald, kan nog eene andere constructie uitgevoerd worden. Zoo men (zie fig. 5) op de as OX een stuk OL afzet

Fig. 5.

B

-ocr page 451-

437

ter lengte van de aangenomen lengte-eenheid, dan het uiteinde A der lijn OA met L vereenigt, en vervolgens op OB een driebeek OBC construeert, gelijkvormig met OLA, en zoo, dat OL on OB overeenstemmende zijden zijn, zoo zal de lijn OC door deze constructie bepaald zijn. Zij kan in grootte en richting aangewezen worden door het teeken:

aa X ^/3.

waar dus X de nieuwe constructie aanwijst, en a, h, a, ji de lengten en richtingen der lijnen GA en OB aangeven.

Uit de gelijkvormigheid der driehoeken OLA en OBC volgt, dat de lengte van OC door a. b wordt aangewezen { want l:a=b: lengte OC \\, terwijl de hoek, dien OC\'met OX maakt, a-\\~ f) zijn zal. Derhalve is:

aa X bp = {a6)a p.

Daaruit volgt ten eerste dat ook

6pXaa={ia)p a

en dus dezelfde Ijjn voorstelt, zoodat, als men op OA een driehoek construeerde, gelijkvormig met driehoek OLB, dezelfde lijn OC in grootte en richting zou ontstaan. Bij deze constructie is dus de volgorde onverschillig, en evenzoo bij opvolgende con-structiën.

De constructie, die aangewezen wordt door PoXla,

is slechts op ééne wijze uit te voeren en geeft (j\'q)a, hetzelfde alsof men p lijnen, elk gelijk qa, volgens de constructie der

vorige § samenstelt. Zoo zal ook qa zelf door q X^a kunnen worden voorgesteld, waar la eene lijn is, die de lengte-eenheid lang is en een hoek a maakt met de as OX.

Heeft men twee lijnen in de as OX, zoo valt de constructie geheel weg; maar door twee lijnen te nemen van dezelfde lengte en die kleine hoeken maken met OX, zal men dadelijk inzien dat

Po X qo=(pq)o=Pl

-ocr page 452-

438

moet gesteld worden, en de constructie dus overgaat in de gewone vermenigvuldiging. Wij zullen daarom de in deze § aangewezen constructie voor een oogenblik vervuldigen heeten.

§ 292. Eene combinatie dezer twee constructiën voert tot een belangrijk resultaat. Zijn nog weer (6g. 5) OA en OB twee lijnen, die door de teekens aa en hp kunnen worden aangewezen, en waaruit door vervulcliging OC ontstaan is, zoodat OL = l en A OBC gelijkvormig met A OLA. Zoo men zich nu OB samengesteld denkt uit 07) en DB, en deze lijnen door en nv worden aangewezen, zal men kunnen aantoonen dat

X aa-m^ X aa-\\-nv X aa

en dus dat elk der lijnen OD en BB met DA vervuldigd zijnde, de samenstelling der gevonden lijnen ook OC zal opleveren.

Beschrijft men nl. op OD een driehoek ODE, gelijkvormig met A OLA, dan wordt OE voorgesteld door:

mli X aa\'

en zoo men EC trekt, zal alleen nog aan te wijzen zijn, dat. deze lijn in grootte en in richting het resultaat is der vervuldiging van DB en OA. Maar daar A OEC gelijkvormig is met A ODB J zij hebben een hoek gelijk en de zijden om dien hoek zijn evenredig |, zullen de lengten van EC en DB in dezelfde verhouding staan als OE tot OD, dus als OA tot OL. Daarenboven maakt, ook door deze gelijkvormigheid, EG met DB denzelfden hoek als OE met OD, dat is, den hoek AOL. Derhalve zal EC werkelijk voorgesteld worden door

(nd).j a — nv X«a

en is het gestelde bewezen.

Doordien de volgorde der bewerking geen invloed heeft, is nu ook bewezen dat

[aa fyj] X [py -J- ^(j] =

= «a X Cj- «a X X -f fys X dé,

en dat eenzelfde regel geldt bij meerdere vervuldigingen. Dus geldt de volgende stelling:

De algebraïsche herleidingen volgen geheel dezelfde regels als de herleidingen der sommen en producten der gewone vormen.

-ocr page 453-

439

Daarom kunnen ten eerste de nieuwe teekens -|- on X vervallen en door de gewone teekens voor optelling en vermenigvuldiging vervangen worden.

In de tweede plaats kunnen, in plaats der namen samenstellen en vervuldigen, ook de namen optellen en vermenigvuldigen behouden blijven, indien men onder deze twee woorden slechts de constructiën van § 290 en § 291 verstaat. Waar het richtings-teeken verdwijnt, geven deze constructiën optelling en vermenigvuldiging in den gewonen zin, zoodat hier slechts eene uitgebreider beteekenis aan deze namen gegeven is, evenals dit reeds in de gewone algebra met de beteekenis van macht het geval is geweest.

In de derde plaats kunnen ook de namen en teekens voor aftrekking, deeling, machtsverheffing en worteltrekking behouden blijven, indien men verstaat:

onder aftrekking het vinden van eene lijn, in grootte en richting, die, met den aftrekker samengesteld, de aftreklijn oplevert ;

onder deeling het vinden van eene lijn, die met den deeler of noemer vermenigvuldigd (in den nieuwen zin), den teller oplevert ;

onder machtsverheffing het vinden van eene lijn, gelijk aan het product van eenige gelijke factoren;

onder worteltrekking het vinden van eene lijn, waarvan een zekere macht gelijk is aan de gegeven lijn.

Bij deze beteekenis der namen en teekens zijn alle gewone algebraïsche herleidingen geoorloofd. Zoo zal bijv. het binomium van newton doorgaan:

{da -f- hfi\\n = aaquot; -f- J aaquot; \'£/3 -^—2~^aaquot; \'^3 —\'

waar nu de beteekenis der termen ontleend wordt aan de §§ 290, 291 en 292.

§ 293. De voorgaande beschouwingen leveren het middel op, om de lijn in richting en grootte nog door een ander teekon aan te geven. Evenals in fig. 5 OB door de (nieuwe) som van 01) en DB kan worden aangewezen, kan elke lijn, zoo als OA, worden aangewezen door de som van OF en TA, waar F de projectie van A op OX is. Is nu de lengte van OF p en van FA q, zoo zal OA ten eerste kunnen voorgesteld worden door:

-ocr page 454-

440

Po V^ oiP qA^t waar I. cene lijn ter lengte der eenheid en loodrecht op OX

■itt

voorstelt. Men wijst 1. nog al eens door de letter i aan, en dan is

p qi

eene complexe uitdrukking, waardoor elke lijn in het vlak wordt aangewezen, als mon voor 2\' en q alle getallen aanneemt.

Men kan voor i nog eene andere uitdrukking schrijven. Volgens § 291 is namelijk:

^V^VV5^-1\' 8\'-(V=12.= 1\'

derhalve mag voor het vierkant van i steeds — 1 geschreven worden, en zullen wij om dit te doen uitkomen, i kunnen vervangen door het symbolische toeken ]/—1.

Vormen als

p-f?]/—1,

stellen dus lijnen voor, in grootte en richting aangewezen, terwijl bewezen is, dat de algebraïsche herleidingen van deze vormen naar de gewone regels mogen geschieden. De naam onbestaanbare grootheden is dus minder juist. Men noemt deze vormen daarom beter imaginaire of complexe grootheden.

Stelt men nog OA voor door aa en ook door p-j-yV^—1, dan is (fig. 5):

p —a cos a en q = a sin a,

zoodat p -f- q]/ — 1 = a (cos a -f- sin ajX — 1), waarin a= ]/(p2 -|- q1) de Modulus, en a het Argument der complexe grootheid heet. De Modulus stelt dus de lengte der lijnen voor. En daar volgons § 263 :

cos asin a]/—l = (jav~I is,

zal de lijn in grootte en richting door aa aangewezen, ook door

a.eav-,

kunnen voorgesteld worden.

§ 294. Het reeds vroeger bewezen theorema van de moivre volgt uit de gevonden uitkomsten van zelf. Immers is:

-ocr page 455-

441

(!-«)quot;= l-„a-

derhalve:

a

Nh is la cos « -f- sin a]/—1, l_a = cosa — sin a jX1,

l„a = cos n a -\\~ sin n a]/ — 1,

(cos a±sin a]/—1)quot; — cos na ±sin n —1.

Als tweede toepassing zullen wij behandelen de oplossing dei-vergelijking =cos a -j- sin a)/— 1, die uit zquot;=p-f ?]/_l voortvloeit door rquot;=ra;V(/ lt;72) te stellen. Zij in fig. 6 OA eene lijn ter lengte der eenheid, en die een hoek a met OA\' maakt, dus de meetkundige voorstelling van cos a-\\-sin aV—1. Neemt men dan hoek BOX gelijk het nAamp; deel van hoek AOX en OB in lengte gelijk de eenheid, zoo zal de nia macht dezer lijn OA opleveren, en dus OB voorgesteld door

a

cos —|- sin — 1/^— 1,

n n

een der waarden van x aangeven. Zoo men verder een cirkel trekt met OA of OB als straal en van B af den omtrek in tt gelijke deelen verdeelt door de punten C, B, E enz., zoo zullen de «(le machten der lijnen OC, OD enz. ook allen OA tot resultaat geven, en dus al de wortels begrepen zijn in den vorm:

/1 2fcr\\ . /1 21:71 \\ cosa

-ocr page 456-

442

waarin k elk mogelijk geheel getal voor kan stellen. Uit de verdeeling blijkt nu van zelf, dat er slechts n verschillende wortels zijn.

Tot oplossing der vergelijking a;quot; = -|- 1 zal men van L af den cirkelomtrek in n gelijke deelen verdeelen, en de doelpunten met O vereenigen. Is n even, zoo is L\' een der deelpunten en is dus zoowel -f- 1 als — 1 een der wortels. Is n oneven, zoo is L\' geen der deelpunten. In beide gevallen blijkt uit de verdeeling dadelijk, dat bij een wortel p -j- q\\f—1 er ook een p—qy—1 zal behooren.

Tot oplossing van xn=—1 moet de halve cirkel L\'AL, van het punt L af, in n deelen verdeeld worden en zal de lijn, die O met het eerste deelpunt vereenigt, een der wortels zijn. En verdeelt men van dit deelpunt af den cirkel zelf in n deelen, zoo zullen de deelpunten, met O vereenigd zijnde, al de wortels opleveren. Is n oneven, zoo is blijkbaar L\' een der deelpunten, en heeft de vergelijking dus den bestaanbaren wortel —1. Is » even, zoo is L\' geen deelpunt en zijn alle wortels onbestaanbaar.

§ 295. Om tot eene andere gewichtige toepassing te geraken, zullen wij de geheele rationale functie;

F{,z) = A0z*-lrA^-* ... A,_xz Jn

beschouwen. Schrijft men daarin voor z de complexe grootheid x-\\-iy of x-\\-yY—!gt; zoo wordt ]\'\\z) ook eene complexe uitdrukking van den vorm:

Fig. 7. Fig. 8.

-ocr page 457-

443

u — 1,

waarin u en v geheele rationale functiën van x amp;a. y voorstellen.

Bij elke waarde -j- {yi, die eenig punt F in het vlak XY van %. 7 aanwijst, behoort eene waarde u = u, en v=vl. Neemt men dus in fig. 8 OlAl = ul en At P\' = r,, zoo stelt P\' een punt in de tweede figuur voor, dat met P in de eerste overeenkomt, en kan men bij elk punt in het vlak X F een overeenkomstig punt in het vlak TJV teekenen. Neemt men in het vlak XY al de punten van eene bepaalde kromme lijn, zoo verkrijgt men in het vlak VF eene serie punten, die daar eene andere lijn aangeven, welke gezegd kan worden met de eerste te correspondeeren.

Laat, om daarvan een voorbeeld te geven, gekozen zijn de functie

die voor z = x-\\-iy overgaat in

x1 —y1 Ixy i = u-\\-vi,

zoodat hier

u = xi—y-,

v=2xy

zijn zal. Zoo nu in het vlak XY alle punten gekozen worden op eene lijn evenwijdig aan OX, en bijv. op een afstand 5 van deze verwijderd, zoo vindt men bij eenige waarde van x;

u=x2 — 25,

v=10x,

waaruit de volgende betrekking tusschen u en v volgt:

v2= 100m-|-2500,

dat wil zeggen, dat al de correspondeerende punten in het UV-vlak zullen gelegen zijn op eene parabool. Eveneens zal men vinden, dat met punten in het X F-vlak, op een cirkel gelegen, waarvan O het middenpunt is, bij de functie i2, de overeenstemmende lijn in het ü\'F\'-vlak ook een cirkel zijn zal, waarvan O, het middenpunt is.

§ 296. Keeren wij nu tot den algemeenen vorm:

I{z) = AQz* Alz*-yJr... Arl

terug. Als daarin z = zi = xi-\\-iyx het punt F aanwijst en P* het

-ocr page 458-

444

overeenstemmende punt is in het vlak UV (zie fig. 7 en 8), en men in het vlak XY eenig punt Q dicht bij F neemt, zal daarmede in het vlak VV een punt lt;2\' overeenstemmen, dat dicht bij P gelegen is. Stelt men FQ in richting en grootte door h voor, zoodat li evenals z, eene complexe grootheid is, zoo zal, volgens § 23:

li) - PO,) . . .

zijn. Deze uitdrukking gaat namelijk ook hier door, daar zij geheel uit de gewone algebraïsche ontwikkelingen is afgeleid. Maar het eerste lid stelt de lijn OQ\' voor, en de eerste term van het tweede lid OP. Derhalve zal P Q! in grootte en richting voorgesteld worden door

en als de lengte van PQ zeer klein is (of wel de modulus van li), zoo zal PQ\' met hooge benadering gelijk zijn aan den eersten term dezer rij en dus aan

kF\'C*,).

Maar daar F\'(s,) ook eene complexe grootheid is, die men bijv. den vorm a (cos a-j-sin a y—1) geven kan, zal PQ\' volgens de be-teekenis der vermenigvuldiging gevonden worden door PQ een hoek a te wentelen en in eene bepaalde reden te vergrcoten (als 1 : a).

Zoo men ook nog de punten F en F\' als overeenstemmende teekent en F eveneens zeer dicht bij F gelegen is, zal PF\' gevonden worden door FF denzelfden hoek a te wentelen en in dezelfde reden (als 1 : a) te vergrooten. Derhalve zijn de driehoekjes PQF en PQ\'F\', als zij zeer klein zijn, gelijkvormige figuren, en is daarmede de volgende gewichtige stelling aangetoond;

Be correspondeerende figuren in beide vlakken zijn zoodanig, dat de kleinste deelen gelijkvormige figuren zijn.

§ 297. Zie hier hoe men uit de voorgaande stelling kan afleiden, dat elke vergelijking

F{z)~A0zn-\\rAizA ^„ = 0

zeker één wortel heeft. Beschouwt men alleen het eerste lid en stelt daarin z = x-\\-iy, zoo zal men (fig. 7 en 8), door x en y alle waarden te geven, van alle punten in het vlak XY

-ocr page 459-

445

de correspoitdeerenden in het vlak UV kunnen geteekend denken. Zal daarbij niet het geheele vlak UV gevuld zijn, zoo moet er eenige grens, bijv. de lijn B\'C\', bestaan, die een eindig of anders een onbepaald deel van het vak aanwijst, zoodat aan de eene zijde dezer grens geen correspondeerende punten voorkomen. Dit kan echter niet het geval zijn, want is H\' een punt dezer grens en II het punt in het vlak XY, waarmede II\' correspondeert, zoo zal met een klein regelmatig drie- of vierhoekje, waarvan R het middenpunt is in het vlak XT, volgens de voorgaande §, ook een regelmatig drie- of vierhoekje in het vlak UV overeenkomen, waarvan H\' het middenpunt is. Maar dan zijn er zeker punten aan beide zijden van de onderstelde grens en bestaat deze grens dus niet.

Bij dit betoog is ondersteld, dat voor het punt H, waarmede ƒ/\' correspondeert, Fx (z) niet nul is. Maar daar F\' (z) slechts hoogstens voor n — 1 waarden van z nul kan worden, is altijd een punt van de onderstelde grens te nemen, waarvoor iquot; (^) niet nul zal zijn.

Bestaat deze grens niet, zoo wordt het geheele vlak UV gevuld, en is er dus zeker eenig punt w in fig. 7, dat met O, van fig. 8 overeenkomt. En voor Ow = x,-\\- y, i wordt dus

F{z) = F(xl-]ry,{) = 0,

daar, om het punt O, aan te wijzen, u en e beiden nul moeten zijn.

Hiermede is dus de stelling bewezen, dat elke hoogere-machts-vergelijking zeker één wortel heeft, die van den vorm p-\\-qi zijn zal. Het is de stelling, welke in § 8 is vermeld, en die aldaar het theorema van D\'Alemhert is genoemd. Men leidt er onmiddellijk uit af, dat elke hoogere-machtsvergelijking zoo veel wortels heeft als de graad der vergelijking eenheden bevat.

Het voorgaande zal genoeg zijn om het hooge belang der complexe grootheden aan te toonen, en leeren dat het onderzoek van de zoogenaamde onbestaanbare grootheden van zeer groot gewicht is.

-ocr page 460-
-ocr page 461-
-ocr page 462-
-ocr page 463-
-ocr page 464-