-ocr page 1-

„V/

h

«f

DE GETUIGENIS DES GEHEELS.

II.

Het „Collegium biblicuraquot; van Vilmar, welks eerste Aflevering wij vroeger in dit Tijdschrift aankondigden, is nu geheel uitgegeven in 15 Afleveringen. Wij vestigen er nogmaals de aandacht op , met hartelijke aanbeveling van de geheele strekking, het doel, den geest van dit werk.

In het Nachworf, van Pf. Christian Muller, den uitgever van dit werk, achter de 8stlt;! Aflevering, met welke het O. T. eindigt, vindt men den oorsprong van de geheele onderneming verhaald.

Vilmar was diep overtuigd dat de godgeleerdheid kerkelijk zijn moet. Dit wil niet zeggen dat zy,de Belijdenis eener afzonderlijke kerk ten grondslag leggen en het onderricht dus daaraan binden moet: maar dat de kerk, als het Lichaam des Heeren, in den loop der geschiedenis ervaringen gemaakt heeft die zy in hare leer heeft neder-gelegd. Voor deze leer blgft de heilige Schrift norm en toetssteen. Maar de theoloog die de kerk dienen wil, moet in haar staan, met zijn persoonlek geestelijk leven in haar geworteld zijn. De studie moet dit zyn geloot reinigen door heilzame, van hetzelfde leven uitgaande kritiek, en aldus dat leven bevestigen. Zoo moet er een

4:2*

-ocr page 2-

fifiO DE GETUIGENIS DES OEHKELS.

innig verband tusschen de kerk en de faculteit der godgeleerdheid bestaan. Niet de kerk moet over haar heer-schen, niet zy over de kerk, maar boven beide moet staan, beide bezielende, de Heilige Geest, zich uitsprekende in het Geloof der Gemeente. Vilmar richtte, toen hy hoogleeraar te Marburg werd, daartoe een adres aan de Staatsregeering van zyn vaderland Hessen, verzoekende stichting van oen theologisch seminarie aan de hoogeschool. En intusschen deed hy voor zich wat onder de bestaande omstandigheden te doen stond , en begon een Collegium biblicum, eene lezing der geheele heilige Schrift achtereenvolgends, met de studenten die hem hooien wilden. Niet om in de geleerde bijzonderheden der uitlegging in te gaan, maar de om de Schrift praktisch als het boek der leidingen Gods, als de oorkonde der van God gegeven waarheid te doen beschouwen, en overal den aanstaanden leeraren wenken te geven, tot het voeren van hun ampt heilzaam.

Uit dit oogpunt moet men dan ook dit werk beschouwen , en er niet in zoeken wat daar buiten ligt. By deze praktische verklaring der heilige Schrift is het ons niet te doen om van die Schrift of van haar iets te weten of te spreken, maar om aan haar, door haar, iets te worden. De wereld heeft eerst blydschap, daarna leed: het Evangelie gaat den omgekeerden weg. Wie niet de geheele heilige Schrift als zulk een bron van smart en vreugde voor zich persoonlyk heeft leeren kennen, is geen herder.quot; (9de Aflev, Inl. p. 3).

Het is voor dit doel, en niet voor elke uitlegkundige beweering van Vilmar (gelyk we reeds vroeger zeiden) dat wij dit werk van harte aanbevelen aan de geheele gemeente, vooral aan de studeerenden in de godgeleerdheid welke wij, daar zy op het geloof gegrond is, van harte de sheilige godgeleerdheidquot; noemen.

-ocr page 3-

DE oetüigenis des gkhebls.

661

Door den geest des tyds, van welken onze wet op het Hooger Onderwgs een noodzakelgk uitvloeisel is, bevat het onderwijs aan onze faculteiten der godgeleerdheid twee bestanddeelen die elkander uitsluiten. Het eerste is de godgeleerdheid. Deze gaat van het geloof in den Christus der Schriften uit. Anders toch zouden de leervakken die tot haar behooren, geen band van onderlinge eenheid hebben, en dus geen samenhangende wetenschap vormen; en anders zou ook de inschrijving der studeerenden in die faculteit, met het doel om voorgangers der gemeente te worden, geen zin hebben. Tegenover deze godgeleerdheid staat in onze faculteiten als tweede bestanddeel de „onvooringenomenquot; wetenschap, die zonder vooraf van het geloof in den Christus der Schriften uit te gaan, onderzoeken wil of dit geloof den toets der wetenschap kan doorstaan, en het slechts voor zoover dit zal blyken werkelijk alzoo te zyn, kan laten gelden. Men noemt deze wetenschap vrg algemeen „godsdienstwetenschap.quot; Die naam is zeer goed, doch kan, zoo men een beteren aanwijst, er door vervangen worden. Hoe ook genaamd, deze wetenschap en de godgeleerdheid staan volstrekt tegen elkander over, van wege beider uitgangspunt. De godgeleerdheid kan niet anders dan beweeren dat eene onpartydigheid voor welke het geloof in den Christus der Schriften als eene open vraag geldt, vooreerst op zich-zelve onbestaanbaar is, en ten andere nimmer tot het geloof in den Christus der Schriften vermag te leiden: zoodat zij wel van hare resultaten kennis nemen en die in een ander verband gebruiken, doch haar nimmer als bestanddeel der godgeleerdheid erkennen kan. De godsdienstwetenschap van hare zyde kan niet anders dan een onderzoek dat het geloof in den Christus der Schriften ten grondslag heeft, van zich en van de wetenschap in \'t algemeen uitsluiten omdat het bevooroordeeld is, en

-ocr page 4-

DE GETUIGENIS DES GEHEELS.

662

iets dat nog eerst in kwestie staat, reeds als gelegden grondslag aanneemt.

Dit verschil van uitgangspunt heeft natuurlijk ook op de beschouwing van de heilige Schrift heslissenden invloed. De man der godsdienstwetenschap en de godgeleerde, beide willen kritiek op deze Schrift, om haren oorsprong, hare samenstelling, haren inhoud te onderzoeken. Maar beide beschuldigen elkander daarbij noodzakelijk van halfheid. De eerste zegt tot den tweede: dat gg kritiek wilt, is goed. Maar gg wilt haar niet met vollen ernst. Want de noodige kritiek op uzelve, die eerst tot vervullen van deze taak in staat stelt, is niet by u voor af-gegaan. Het vooroordeel dat het onderzoek benevelt, blyft uws ondanks invloed oefenen. En zoo is het in den gang uwer kritiek duidelyk te zien dat gy haar ongemerkt daarheen stuurt, dat ten slotte in hoofdzaak de onder u. overgeleverde meening bevestigd wordt.quot; Weder-keerig zegt de man der godgeleerdheid tot den man der godsdienstwetenschap: „dat gy kritiek wilt, is goed. Maar gy wilt haar niet met vollen ernst. Want de noodige kritiek op uzelve, die eerst tot vervullen van deze taak in staat stelt, is niet by u voorafgegaan. Gy blyft in hoofdzaak staan by de gebrekkige zielkunde van Descartes die het „ik denkquot; tot uitgangspunt stelde. Gy vergeet dat de „ikquot; die in het Cogito verscholen ligt, zijn inhoud aan het denken oplegt en er onbewust zyn kleur aan geeft. Of, indien gy aan dat gevaar denkt, meent gy het door een ernstig voornemen om onpartijdig te zijn, te boven te kunnen komen, en vergeet dat ook hierin, gelijk in alles, „het willen wel by u is, maar het goede te doen, dat vindt gy nietquot; ^). Zoo blyft het vooroordeel

1) Overal en altoos is de toetssteen van het verschil der overtuigingen liet inzicht dat men heeft in de zonde. Descartes stelde het weten des

-ocr page 5-

D]ï GETUIGENIS DES OEHEBLS.

6^3

dat het onderzoek benevelt, uws ondanks invloed oefenen. En zoo is het in den gang uwer kritiek duidelijk te zien dat gij liaar ongemerkt daarheen stuurt, dat ten slotte in hoofdzaak de onder u overgeleverde meening bevestigd wordt.quot;

In de geheel gelgke woorden welke wg beiden in den , mond leggen, spreken beide partgen terecht van de „onder u (tegenstander) overgeleverde meening.quot; De mannen der godgeleerdheid hangen aan „het geloof dat eenmaal den heiligen is overgeleverd,quot; om den wille waarvan zy datgene wat buiten de Gemeente geldt, als „ijdele overleveringquot; hebben verworpen. De mannen der godsdienstwetenschap daarentegen, als zoodanig, verwerpen als ijdele overlevering dit geloof der Gemeente en hebben onder zich een andere, even sterke overlevering. Terecht erkent dit Dr. Eauwenhoff als hij in zyn „Wijsbeg. v. d. godsd.quot; p. 41 de analogia fidei van „het collectief bewustzyn der op eenerlei hoogte van ontwikkeling verkeerendenquot; voor zich als maatstaf der exegese van de godsdienst-verschynselen erkent; en met weinig moeite

geestes in het denken. Dit denken heeft, even als later het den naam „denkenquot; dragende attribuut der substantie van Spinoza, twee vormen: 1® het kenvermogen of verstand, de wil. De dwaling nu ligt in den wil. Het verstand oordeelt niet en dwaalt dus ook niet: alleen de wil trekt het verstand in verkeerde richting mede, zoodat dus de dwaling altijd iets vrijwilligs blijft, en de mensch , zich ernstig voornemende onpartijdig te zijn, dit ock kan zijn. Hier werkt de roomsche pelagiaansche zuurdeesem. Kaut, met zijn „radikaal kwaad,quot; zag ontegenzeggelijk veel dieper. Maar ook hij vestigt toch (hoe sterk de schijn van het tegendeel ook zij) ten slotte het zedelijke op het verstandelijke. Goed en kwaad zijn bij hem niet eigenschappen die aan ons denken voorafgaan en het bepalen, maar zij ontstaan eerst door den denkvorm van algemeenheid en noodzakelijkheid. De kritiek der zuivere rede blijft — zie de Voorrede van haren eersten druk — het gerechtshof waar al het volgende, dus ook de kritiek der praktische rede, aan onderworpen is.

-ocr page 6-

DE GHTTTIGKNTS DKS GEHEELS.

somt men uit zijn boek de leden van hel gezelschap der mannen van 8onafhankelijke wetenschapquot; op, door hem en zijn geestverwanten geëerd. Ook Dr. S. Cramer verklaart naar waarheid dat zij „allen één taal spreken en Prof. Kuenen, niet minder juist, dat „ook onder den warmsten strgd het besef van ééne familie uit te maken, hen nooit begeeftquot; \').

Men ziet dus hier het verschil. Hoogst wenschelijk ware het zoo men eindelyk ophield, elkander te beoor-deelen naar de resultaten van de gevolgde denkrichting, en uitsluitend het oog vestigde op het uitgangspunt. Dat men dus ophield, elkander de namen orthodox, evangelisch, modern — eernamen, alle drie even schoon — toe te voegen, en liever elkander naar het punt van uitgangf dat inderdaad alleen beslissend is, in twee groepen onderscheidde. Men kan namelyk uitgaan van het geloof dat ons verstand, by ernstige onpartijdige waarheidsliefde, ons op het gemeenschappelgk gebied van godgeleerdheid en godsdienstwetenschap tot de waarheid brengt. Of men kan uitgaan van het geloof in den levenden God, die zich ons in Christus gegeven heeft. Wat alleen niet kan, niet mag, dat is het over-treden op elkanders gebied, dat aan beide zyden zoo veelvuldig tot heillooze verwarring leidt.

6«4

Zoo mag — om alleen te spreken van de zijde tot welke schrijver dezes behoort — de man der godgeleerdheid niet nalaten te belgden dat hij bij elk onderzoek uitgaat van het geloof in den levenden God, en er dus geen aanspraak op maakt om door de anderen als een onpartijdig man van wetenschap erkend te worden; even-

1) 1866—1890 Gedachtenisrede in de Verg. van moderne Theologen, 7 Apr. 1891, uitgespr. door den Voorzitter A. Kuenen. Op de beteukenis Tan zulke „kringenquot; te letten, heldert veel op.

-ocr page 7-

DE GETUIGENIS DKS GEHEELS.

min als om den blaam van bekrompen hoogmoed te ontgaan. Men kan het geloof in den levenden God, d. i. den God die zich ons persoonlijk geopenbaard heeft, verwerpen: maai1 men kan dit geloof niet aankleven cn dan toch tegelijk er niet van uitgaan in alles, ook in het ■wetenschappelgk onderzoek. Want dit geloof brengt mede dat elke toestand in welken het niet alles beheerscht, zich openbaar maakt als schuldig, namelyk als verduistering van liet bewustzijn door verzaking van God (Rom. 1,21). Tusschen deze twee standpunten is dus niet slechts een wetenschappelyk maar een zedelyk verschil.

Hoe zal dit verschil zich teekenen by de beschouwing van den Bijbel als één Geheel, by de „Getuigenis des Geheels?quot;

Hier komt weder alles op het uitgangspunt, niet op de resultaten aan.

De man der godgeleerdheid zal de Gemeente beschouwen als het werk van den Heiligen Geest. Hy zal haar zien als een heerlijk geordend Geheel (Ef. 4), dus ook niet individualistisch naar onberekenbare sympathicn arbeidende. Ook in de vorming van den Kanon, dat hooggewichtig werk der eeuwen, zal hy niet slechts het overleg van een schrander bemiddelende katholieke kerk, die de partijen bevredigen wilde, maar het gewrocht der leiding des Heiligen Geestes zien, die door veel mistasten en onzekerheid heen tot eene slotsom is gekomen; eene slotsom die de kerk voortdurend door hare wettige organen van kerkleiding en wetenschap heeft te herzien, maar zulks dan altoos beginnende met dankbaar het ver-kregene te erkennen en te eeren.

De man der godsdienstwetenschap zal hier niet anders zien dan „israelitische en nieuw-testamentische letterkunde.quot; Hy zal den arbeid van de kerk der eerste eeuwen willen herzien niet naar den maatstaf van haar eigen leven.

665

-ocr page 8-

DE GETUIGENIS DES GEHEELS.

maar volgens zyn eigen denkbeeld van „waarheidquot; zoo-als de litteraire combinatiën, het letterkundig verkeer van den dag, dit aan de hand geven. Een gezelschap van privaat-litteratoren, over verschillende landen verspreid, en elkander als mannen van „de wetenschapquot; eerende, vormt door samenvoeging van studeerkamers de voortzetting van Hippo en Laodicea. Het gezamenlijk leven der Kerk, het geloof der Gemeente aan de verlossing in Christus, wordt even goed als al het andere als open vraag behandeld; er van uit te gaan by het onderzoek heet bevangenheid door de kerkelijke traditie. Een soort van geestelijk Marcionitisme, ik bedoel een van de Kerk en haar leven onafhankelyk schiften en samenvoegen, zal hier over den Kanon en de vragen, met zijn wording in verband, beslissen.

De man der godsdienstwetenschap zal hierbij tot den man der godgeleerdheid zeggen: „wy kunnen niet anders, zoo wij althands met de wetenschap ernst maken. Want te verklaren, gelijk wij u zien doen, dat de geestelgke kracht, de inwonende heiligheid die uit de bgbelboeken spreekt, u van de echtheid dier boeken overtuigt, dat druischt tegen alle wetenschap in. De geestelijke ervaring eeren wij gaarne op haar eigen gebied, maar zij heeft met de kwestie of zekere boeken echt of onecht zgn, niets te maken.quot;

De man der godgeleerdheid zal hierop andwoorden: „de geesteiyke ervaring der Gemeente heeft wel degelijk op deze kwestie zeer wettigen invloed. Want deze ervaring betuigt dat er feitelijk een overwinning van het leven over den dood bestaat. Niet in de edele opwellingen en strevingen van uitnemende geesten van alle tijden, of in oogenblikkelyke zegepralen over den dood gelijk b.v. in Socrates. Want hoe heerlijk deze strevingen en feiten ook zijn, ze blgven toch sporadisch; zy vestigen

666

-ocr page 9-

WE GETUIGENIS DES GEHEELS.

geen doorloopende overlevering van een toestand van overwinning over den dood, gelijk die in de Gemeente van Christus, blykens de historie, bestaat. Er heeft dus feitelijk zulk een overwinning plaats gehad. Deze moet nu wetenschappelijk verklaard worden. Eene hypothese moet gesteld worden die deze overwinning op den dood begrijpelgk make; eene historische hypothese ter verklaring van dit historisch feit. Nu verklaart de prediking van het geloof der Gemeente zulk een hypothese aan lt; te brengen, namelijk de opstanding van Jezus Christus. Zou door die opstanding, indien zij werkelyk gebeurd ware, dat leven der Gemeente inderdaad verklaard zyn ? Ja zeker. Is er ook een andere hypothese,\' die beter dan de opstanding geschikt zy om dit leven te verklaren ? Neen. Wij laten dus deze hypothese der opstanding van Christus als de meest voldoende gelden.

Nu zien wij rond onder den voorhanden voorraad van geschriften der oudheid, hierop betrekkelijk. Wy onderscheiden twee groepen. In de eene (de N. T, geschriften) wordt deze opstanding niet slechts beschreven maar overal ondersteld geheel op dezelfde wgze als waarop wg. Gemeente, die geestelijke kracht nog heden ervaren. In de andere groep van nagenoeg gelijktydige geschriften (de apokriefe en na-apostolische litteratuur) wordt die opstanding ook wel beschreven en ondersteld, maar bg lange na niet zoo zuiver. Want daar is sprake van wonderen die, in tegenspraak met de bijbelsche, in de opstanding culmineerende wonderen, een magisch, aan de natuur geweld doende, karakter dragen. En bovendien is de geestelyke atmosfeer in die geschriften niet zoo rein als in die der eerste groep.

Daarom heeft deze eerste groep van zelf een sterk vooroordeel vóór zich, dat zy waarschynlyk de echte overlevering omtrent de opstanding en de feiten die zich

667

-ocr page 10-

DB GETUIGENIS DES GEHEELS.

rondom baar voegen, zal bevatten. De grenzen tussehen de beide groepen zijn niet nauwkeurig af te bakenen; die taak blijft over voor de latere kritiek. Maar voor de hoofdzaak mogen wy toch den voorhanden voorraad van geschriften uit dien tijd in die twee groepen schiften.

Verder dan dit gaan wg niet. Maar indien men nu godgeleerde is, d. w. z. indien men uitgaat van persoonlyk aandeel aan het geloof der Gemeente, even zoo goed Sils de man van den kring of (om met Prof. Kuenen te spreken) van de familie der mannen van de godsdienstwetenschap uitgaat van „de wetenschapquot; gelgk zij in dien kring verstaan wordt; zal er dan niet een noodzakelyk verband zijn tussehen den familiegeest der godgeleerden cn hun bevinding op historisch gebied ? en wel niet meer of minder dan er noodzakelgk^en wettig verband is tussehen den familiegeest der mannen van de godsdienstwetenschap en hun bevinding op hetzelfde historisch gebied?

Laat ons dus aan beide zgde billgk zgn en erkennen dat de bevinding op historisch gebied aan beide zyden afhangt van den familiegeest, de wereldbeschouwing of hoe men het ook noemen wil. De familiegeest der mannen van de godsdienstwetenschap is het onpartgdig, onvooringenomen onderzoek zonder meer: de familiegeest der mannen van de godgeleerdheid is het geloof in den levenden God, gelyk Hg zich in den Christus der Schriften geopenbaard heeft. Wg loochenen daarbij natuurlijk niet dat ook de man der godsdienstwetenschap oprechtelijk beweert, persoonlijk in den levenden God te gelooven, even zoo goed als de man der godgeleerdheid persoonlijk oprechtelijk beweert, onpartydig, onvooringeüomen onderzoek in te stellen. Ja beiden beweeren dit zelfs beter, zuiverder, te doen dan de tegenpartij. Wat wij alleen willen zeggen is dat het uitgangspunt des wetenschappdijken onderzoeks aan beide zijden is wat wy als zoodanig opgaven.

668

-ocr page 11-

/

DE GETUIGENIS DES GEHEELS. 6(59

En laat ons evenzeer van kerkelijken partijhartstocht vrij, ook hier niet den maatstaf van het bloot kwantitatieve aanleggen; niet spreken van „te verquot; of van „niet ver genoegquot; gaan. Laat ons principieel oordeelen, d. i. niet naar de resultaten, maar naar het uitgangspunt. Laat ons niet vragen of iernané veel of weinig b. v. voor echt erkent, of zyne kritiek, zooals men het noemt, positief of ne gatief is. Het zij alleen fle vraag of hij uitgaat van onpartijdige waarheidsliefde zonder meer, dan wel van het geloof in den levenden God.

In het eerste geval zal hij tot de Schrift treden zeggende: „nu, op \'toogenblik, weet ik nog niets van n. Maar ik zal u onpartydig onderzoeken; niets aannemen dan wat mg op goede gronden bewezen wordt, en my alleen door onbevooroordeelde wetenschap laten leiden.quot; Indien dan de zoodanige dit niet slechts voor de leus, om den wille der discussie, maar ten volle oprecht verklaart ; en indien hij by zyn onderzoek streng eerlyk blijft, niet sluikt, niets onwettigs zich toeeigent, zoo zal hij tot erkenning van de echtheid onzer heilige Schriften en van den Christus dier Schriften niet komen: want niet van God uitgaan, dat is in beginsel Hem loochenen \').

1) Men kan hier zeggen: „een frati getuigenis dat gij aan uwe eigen „overtuiging geeft, nametijk dat ernstige, onpartijdige waarheidsliefde tot „liet verwerpen van die overtuiging moet leiden!quot; Ik laat die tegenwerping ten volle gelden, namelijk in den zin waarin ik haar hier bedoel, en waarin ik haar ook besprak in mijn „Nog eens: werkelijkheid van den godsdienstquot; enz. bladz. 1G. Ik beweer namelijk dat wanneer bij ons, in onze toestanden, in onzen tijd, een onderzoeker, niet voor de leus of ter wille der discussie, maar oprecht en in waarheid zegt: „ik ga van niets „dan van ernstig onpartijdig onderzoek naar de waarheid uit, zonder „meerquot; — dat die onderzoeker dan wel naar zijn eigen oprechte meeuing, maar niet inderdaad onpartijdig is. Neen, dan is er reeds een verwerpen van den Christus der Schriften, indieu deze hem in zijn jeugd gepredikt is, of anders van de zedelijk-religieuze overtuigingen die hem vroeger

-ocr page 12-

DE GETUIGENIS DES GEHKELS.

670

Indien hg daarentegen uitgaat van het geloof in den levenden, in Christus geopenbaarden God, gelgk hij als lid der Gemeente, of b. v. als student door inschrgving in de faculteit der godgeleerdheid als aanstaand Voorganger der Gemeente, verklaart dit te doen, dan zal hij beginnen met de gansche Schrift, als een van zijn leven getuigend Geheel, voor echt, voor Gods gescbrevcn Woord te verklaren. Niet op grond van onpartydige wetenschap, maar op grond van het geloof der Gemeente, in hetwelk hy ook staat; op grond van de Getuigenis des Geheels. Nu zal hg verder, naar den eisch van alle wetenschap, het voorwerp zichzelf laten verklaren, door de kracht van zijn leven in \'t licht te stellen. Hij zal de Schrift zichzelve laten kritiseeren, uitgaande van het middelpunt haars levens, Jezus Christus, en van daar voortgaande naar den omtrek. Terwyl de man der „onvooringenomenquot; godsdienstwetenschap zegt: ik houd hier niets voor waar, dan wat mg als zoodanig voldoende bewezen wordtquot; — zal de man der godgeleerdheid zeggen: ik houd hier niets voor onwaar dan wat mg als zoodanig voldoende bewezen wordt. Wetende dat hem nog zonde, en dus beperktheid, aankleeft, zal hg daarbg ook oplettend aan de kritiek en den geheelen gedachtengang der tegenstanders het oor leenen, want deze zullen hem in bijzonderheden dikwerf heilzaam corrigeeren, gelijk datzelfde op elk ander levensgebied steeds het geval is.

eigen waren, bij hem voorafgegaan. Hij is dus niet werkelijk onpartijdig; hij heeft reeds eene stelling ingenomen welke hij nu heeft te verdedigen. Een zekere divinatie zal hem in zijn geest, in breede hoofdtrekken, de slotsommen teekenen tot welke hij nu in den grond (afgezien van opwellingen van begeerte naar het tegendeel) wil en moet komen. En onwillekeurig zal hij de voorgangers en de boeken die daarheen wijzen, voor meer vertrouwbare gidsen houden en er dus met een gewilliger hart naar hooren, dan naar voorgangera en boeken die het tegendeel leeren.

-ocr page 13-

DE GETUIGENIS DES GEHEELS.

Maar de historie der Schrift zal hem, in alles wat met Jezus Christus, het middelpunt, noodzakelgk verband houdt, onwrikbaar vast staan. Is toch — gelyk hg het met de Gemeente ervaren heeft — het volkomen Goede werkelyk geopenbaard, dan moet ook de historie, zoover zy dit goede draagt, waar zyn. Wie, gelijk de man der godsdienstwetensühap, van het „onvooringenomenquot; verstand uitgaat, zoekt ook op het gebied der {listorie naar de denkbeelden, de bloot logische verhoudingen, die zich daar openbaren. Het feitelyke heeft daarby voor hem bloot een historisch belang. Hg zal b. v. zeggen: de idee van het eeuwig, overwinnend leven blijft waar onafhankelyk van het beweerde feit, dat iemand uit de dooden zou zgn opgestaan \'). Erkent hij God, d. i. heeft zgn verstand hem veroorloofd aan zyn zedelgk beset dezen achtergrond te geven, zoo is zgn God, die zich immers nooit persoonlijk openbaarde 1), slechts een logische God, als ^het Denken des denkensquot; van Aristoteles, onbewegelijk, gelijk deze wijsgeer Hem uitdrukkelijk noemt, en onverschillig jegens het bestaan, zooals Kant terecht opmerkt dat men „het bestaan niet uit het begrip uitkluiven kan.quot; Doch geheel anders is het op het gebied der godgeleerdheid, die van het geloof in den levenden God, d. i. van de ervaring van het Goede, uitgaat. Immers het Goede is geenszins, gelgk het logische, onverschillig jegens het bestaan. Dat het Goede slechts als

671

1

Ware dit wèl zoo. hadde die God zich wel persoonlijk aam hem geopenbaard, dan zou hij ook niet meer het bestaan van God voor een open kwestie kunnen houden, hetgeen toch hier de onderstelling is waar wij van uitgaan.

-ocr page 14-

DE GETUIGENIS DES GEHEELS.

mogeiykheid, als eisch, bestaan /ou, is ongerymd. Want deze idee vordert volstrekt het bestaan. Wanneer in het Hoogste dat er is, iets ware dat de volkomen werkelijkheid van het Goede verhinderde, dan zou zich in dat Hoogste zelf een fatalistisch dualisme bevinden dat ons verhinderde, het ak het Hoogste te erkennen. Nu ii het Goede ons verschenen, geopenbaard als levenwekkend, 1 Joh. 1 , 1—3. Dit is de ervaring der Gemeente, die vervulling is van het besef, ten allen tijde in de uitnemendsten onzes geslachts levendig; „het ideaal moet wel bestaan, ons hart en de edelste aspiratiën der mensch-heid zeggen het onsquot; \'). Feitelijk zijn wy verlost, uit den dood tot het leven overgegaan: wij weten dit, 1 Joh. 3, 14, en belyden het als feit met stille, aanbiddende blijdschap. Het is de Heilige Geest, die met onzen geest getuigt dat wij kinderen Gods zyn, Rom. 8, 16;; en in dit feit ligt (zie vs. 17) de existentie van Christus, van zijn lijden en verheerlgking, onmiddelijk opgesloten. Dat Christus is opgestaan, blykt daaruit dat wy niet meer zijn in onze zonden, 1 Cor. 15, 17.

Op dien grond klemmen wij ons aan het Woord van God, de Heilige Schrift des Ouden en des Nieuwen Testaments, als aan een onuitsprekelijke weldaad Gods vast. Als zoodanig, als Woord der eeuwige Majesteit en der onpeilbare Genade, doet Vilmar\'s Collegium Biblicum ons de Schrift kennen door de Getuigenis des Geheels. En op dien grond bevelen wy het nog weder, inzonderheid aan onze Medebroeders in de heilige Bediening des Woords, by zijn voltooiing gelijk by zijn eerste verschy-ning aan. Maar tevens was het, in dit en het vorig opstel

I) Heerlijk zegt Schiller tot Columbus: „ware de nieuwe wereld er niet, zij zou om uweutwille uit de golTen omhoog rijzen.quot; Zoo schildert hem Piloty op de voorplecht Tan zijn schip in den nacht, in het museum Schack te Münchea.

672

-ocr page 15-

DE GETUIGKNIS DES GEHEELS.

onder denzelfden titel, ons doel, aandacht te vestigen op de hooge beteekenis van de Getuigenis des Geheels.

In het Geheel is het volle leven, dus de waarheid.

Afzonderlgke tijdsstroomingen, eeuwen, leeftgden, kunnen tegen het Evangelie van Jezus Christus, het Evangelie der Schriften, getuigen. Maar het geheel der wereldgeschiedenis , zooals in het Gericht zal blijken, getuigt er vóór.

Een geïsoleerd leven, in \'t welk de polsslag van het groote volksleven niet merkbaar is, kan het Woord dei-waarheid ontkennen. De kamergeleerde kan zyn kritiek er tegen richten. Maar als het Geheel des volks spreekt, in groote gebeurtenissen of krisen die het volksleven in zyn ware gestalte, in zijn diepste leven doen naar boven komen, dan wordt altoos Gods Woord beaamd.

Göthe schrijft in zijn Wahrheit und Dichtung over Ilamann: „het beginsel tot hetwelk de gedachten van dezen man zich samen laten terugbrengen, is dit: alles wat de mensch onderneemt te doen, om \'teven of het door daad of woord of hoe dan ook voortgebracht worde, moet uit \'s menschen vereenigde krachten ontspringen: al wat afzonderlyk werkt, is verwerpelijk.quot;

Zoo schrift dan ook deze zelfde Hamann aan Jacobi: „Mij komen alle krachten onzer natuur voor als de krijgsknechten in het Evangelie, die komen, gaan en doen naar woord en wenk des Hoofdmans.quot; Hij wil kennelijk zeggen: afzonderlijke krachten hebben geen zelfstandigheid. Ze zyn afhankelyk van ééne centrale kracht, die aan het geheele leven en karakter zijn ware gestalte geeft.

Welnu, zoo is het ook met de heilige Schrift. Afzonderlijke uitspraken zyn dikwerf onwaar, afzonderlijke boeken onverstaanbaar. Maar neem het Geheel, laat het licht des Geheels op elke bijzonderheid vallen, en alles, alles wordt u heerlijk schoon en goddelijk waar. Lees

43

C73

-ocr page 16-

DE GETUIGENIS DES OEHEELS.

674

de Schrift met een afzonderlek vermogen uwer ziel: j,lees haar als geleerde met uw „onvooringenomenquot; verstand, als mysticus of dogmaticus met eenzijdige aandacht op afzonderlijke dealen haars inhouds; en gy zult geen waarheid vinden. Maar lees gyzelf haar, dat is: gy in de geheelheid van uw bestaan en uw naar alle zijden uitgebreid leven — en alles wordt u licht.

Daarom zeggen wij met onze Belijdenis (Art. 5): Alle deze Boeken alleen ontvangen wy voor heilig en kano-niek, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En gelooven zonder eenigen twyfel al wat in dezelve begrepen is, enz. Ja, mits alle de boeken, en al wat daarin staat. De afzonderlijke „Schriftenquot; kunnen gebroken worden (gelijk de losgemaakte staven die de stervende vader in de bekende fabel aan zyn oneenige zonen toonde) maar de Schrift — als één Geheel — niet (Joh. 10, ö5). Afzonderlijke stukken kunnen voor de kritiek niet bestaan, het Geheel wordt door haar enkel bevestigd. Het Geheel, met zyn historische fouten en andere afzonderlijke wetenschappe-lyke feilen, — (ja deze feilen ingesloten, anders ware het een kunstmatig menschenwerk en kon, in zyn gemaaktheid, niet door den Heiligen Geest zyn ingegeven gelyk het dat waarlyk is) — het Geheel dan zóó als het Gode beliefd heeft het te laten geboren worden en het ons te geven — dat Geheel geeft een getuigenis die voor elk ontvankelijk hart in heilige duidelijkheid haar eigen waarheid bepleit. Wij behoeven de waarheid niet te bewyzen, wij hebben slechts de Getuigenis die zijzelve geeft, te laten spreken. Moge de apologetische wetenschap dit meer en meer leeren verstaan. Niet wy hand-4 haven en dragen de waarheid, maar zij doet het ons.

Leiden.

J. H. Gunning, Sk.