-ocr page 1-

Uitlegkumlige

OVERDEMINGEN

VA N

ondersclieidene Predikanten GEREFORMEERDE KERKEN

UITGAVE VAN HET

TRAKTA ATOENOOTSOHAP „FI1,1 FPUS.\'

-ocr page 2-

gunning 4

-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

Oi

2944 417 5

-ocr page 5-

GUNNING

r

4\'i- 3c. ■\'!

Uitlegkundige

OVERDENKINGEN

VAN

onderscheidene Predikanten

DER

GEREFORMEERDE KERKEN.

UITGAVE VAN HET

TRAKTAATGENOOTSCHAP „FILIPPUS.quot;

BIBLIOTHEEK DER SljKSUNlVERSlTEn UTRECHT.

-ocr page 6-

BEE

lü^RITESArëRf^Rl

-ocr page 7-

UITLEGKUNDIGE OVERDENKINGEN,

-ocr page 8-

V ■ . • ■

• \\

_

_

__

.

\'X

-ocr page 9-

HET BOEK RUTH.

In de dagen, als de richters richtten, zoo geschiedde het, dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda, om als vreemdeling te verkeeren in de velden Moabs, hij, en zijne huisvrouw, en zijne twee zonen. De naam nu dezes mans was Elimélech, en de naam zijner huisvrouw Naómi, en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; •en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven aldaar. En Elimélech, de man van Naómi, stierf; maar zij werd overgelaten met hare twee zonen. Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam der eene was Orpa, en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren. En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzoo werd deze vrouw overgelaten, na hare twee zonen en na haar man. Toen maakte zij zich op met hare schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in liet land van Moab, dat de Heere zijn volk bezocht had, gevende hun brood. Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was, en hare twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg, om weder te keeren naar het land van Juda, zoo zeide Naómi tot hare twee schoondochters: „Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis ■van hare moeder; de Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de dooden, en bij mij. De Heere geve u, dat gij ruste vindt, een iegelijk in het huis van haar man!quot; En als zij haar kuste, hieven zij hare stem op en weenden. En zij zeiden tot haar: „Wij zullen zekerlijk metuweder-keeren tot uw volk.quot; Maar Naómi zeide: „Keert weder, mijne dochters! waarom zoudt

11

-ocr page 10-

6

het boek rüth.

--—d—-----

gij met mij gaan? heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? Keert weder, mijne dochters! gaat heen, want ik ben te oud, om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja ook zonen baarde; zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijne dochters! want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand des Heeren is tegen mij uitgegaan.quot; Toen hieven zij hare stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste hare schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.

Ruth I ; 1 — 14.

ooral in onze dagen ontwaakt er eene krachtiger beweging tot het verwezenlijken der bede uit het allervolmaaktste gebed; „Uw Koninkrijk kome.quot; Meer en meer wordt de roeping verstaan, om het evangelie der genade te brengen over de lengte en breedte der aarde en het woord van den ouden Simeon, den trouwen wachter, te doen hooren: „een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van zijn volk Israëlquot;.

Voor beiden is de Christus Gods de vrede. In Hem is de middelmuur des afscheidsels gevallen. Beiden hebben aan Hem hun heil te danken en beiden vinden alleen in zijn bloed de reiniging

hunner zonden.

De gedachte, dat Jood en heiden één in Christus zouden zijn of worden, is niet eerst geopenbaard in de dagen des Nieuwen Verbonds, maar was ingevlochten onder de Oude Bedeeling, en waar de Heere Israël had uitverkoren tot zijn volk, om de andere volken te laten voorttrekken op eigene wegen, daar liet Hij het aan Israël hooren, dat de profetieën van Noach vervuld zouden worden en de heidenen zouden deelen in de erve Israels.

Daarom treden reeds in de dagen der schaduwen verschil-

-ocr page 11-

HET BOEK RUTH. 7

--~lt;£—^---

lende personen uit het heidendom op, om met en in Israël te leven, als zoovele onderpanden voor de vervulling dier gedachte.

Krachtig en heerlijk treedt zij te voorschijn in het geslachtsregister van Jezus zelven, waar onder al de namen, daar vermeld, ook worden genoemd eene Thamar, eene Rachab en eene Ruth.

Inzonderheid heeft de laatste naam eene zoete bekoring voor menig hart. Bij het hooren van dien naam toch worden wij teruggevoerd naar de vlakke velden Moabs, naar Bethlehems akkers en naar Boaz\' dorschvloer ; en bepaald bij hare stille deug den, haar krachtig geloof, hare kinderlijke liefde, ons altezaam zoo treffend geteekend in het boek, naar dien naam genoemd.

Het is slechts een klein bijbelboek, geplaatst tusschen de Richteren en het eerste boek van Samuel, doch hoewel klein, rijk van inhoud en schoon van gedachte.

Wij worden ingeleid in het familieleven van Davids voorouders, en bekend gemaakt met de wondere leidingen en wegen onzes Gods, die uit Moab eene Ruth brengt onder de vleugelen van den God Israels, om als type te dienen voor de toebrenging van dat heidendom tot de ware vertroostingen Israels, en te openbaren den rijkdom der genade Gods. Ja meer, opdat uit haar de Messias geboren zou worden.

Een eenvoudig en lieflijk verhaal wordt ons in de vier hoofdstukken van dit boek gegeven.

Wanneer en door wie is het geschreven?

Ziehier vragen, waarop men zeer verschillend heeft geantwoord.

Sommigen meenen, dat Samuel de vervaardiger is geweest, doch de opvatting van velen is, dat dit boek eerst in het laatst der regeering van David en op zijn bevel zou zijn samengesteld en bijeengebracht door een ongenoemd persoon. Menig moeilijk en donker punt uit Davids leven wordt verhelderd bij het doorlezen van dit boekske. Ook hierin komt wederom de weg Gods uit. Personen vallen weg, doch zijn Woord blijft.

Gewichtiger is de vraag, wanneer de geschiedenis, hier

-ocr page 12-

8 HET BOEK RUTH.

--lt;$.—^—-$■---

beschreven, heeft plaats gevonden. Er staat: „In de dagen, toen de Richters richttenquot;. Vele namen worden nu genoemd, nl. Barak of Thola; ja, sommigen meenen, dat Boaz niemand anders is geweest dan de richter Thola, en stellen Ruth voor als de dochter van koning Eglon.

De meesten denken aan Gideons dagen, toen de Midianieten als sprinkhanen kwamen, om Israël te berooven ; en wat de tijdrekening van Davids geslacht betreft, dan heeft deze voorstelling den meesten schijn voor zich.

Doch treden wij nader, om te bezien, hoe God ons tegenkomt op eigenwillig gekozen wegen, maar zijne trouwe en ontferming weder heerlijk wil openbaren.

Het tijdvak der Richteren is een donker gedeelte van Israels geschiedenis. Het is een tijd van verwarring, woeling en tegenstrijdigheid; een tijd, waarin het kookt en schuimt en bruist; een tijd van stoutmoedig, krachtig, overmoedig optreden; een tijd van diepe afwijking, maar ook van berouwvol wederkeeren; een tijd, zooals het door iemand werd aangegeven, van zonde en genade; een tijd, waarin menigmaal de tuchtroede werd opgeheven en de bezoekende en slaande hand Gods neder-kwam.

Dit laatste is ook de droevige toestand, ons geteekend in den aanvang van het boek Ruth.

\'tWas een sombere tijd voor het volk des verbonds, want de Heere was met zijne kastijdingen gekomen, om Kanaan met het scherpe zwaard van den honger te slaan en den staf des

broods te breken.

Welk eene tegenstelling: Kanaan naar de belofte en toezegging Gods een land, vloeiende van melk en honing en nu — onder het oordeel Gods, niet opleverende tot het noodige levensonderhoud, en dat om der zonden wille. Tal van pijlen heeft de Heere immer op zijn boog, om ons er mede te treffen. Wie zijt gij dan, o mensch, dat gij u tegen God verheft, tegen Hem, die het broodhuis (Bethlehem) maakt tot eene plaats des hongers

-ocr page 13-

.......■

HET BOEK EUTH. 9

---lt;^--^-----

■en het vruchtbare (Efratha) stelt tot onvruchtbaarheid?

In die dagen van zorg en kommer trok een man uit Bethlehem, dat gelegen was in den stam van Juda, (ter onderscheiding van de plaats, die in Zebulon was) op, om met zijn gansche gezin als vreemdeling te verkeeren in de velden Moabs.

Het was een viertal, dat besloten had, land en volk voor een tijd vaarwel te zeggen, om te trachten aan de bezoekende hand te ontkomen, en in Zuid-oostelijke richting zich keerend, henen te gaan aan gene zijde van de Doode Zee.

Dit viertal landverhuizers spoedt zich voort langs de heirbanen in het land van Israël.

Landverhuizers, onwillekeurig stemt dat woord u tot weemoed, omdat het gewoonlijk de vrucht is van eene lijdensgeschiedenis, en van menige donkere bladzijde uit een levens-of familieboek.

Niet dat het gaan uit land en volk en het afscheid nemen van huis en haard op zich zelf altoos verkeerd is; integendeel, ook daarin komt dikwerf de gehoorzaamheid uit en de vervulling van het woord: „Beërft het aardrijkquot;, doch niet altoos is de aanleiding goed en recht voor het oog van een alwetend God.

Toenemende landverhuizing is dikwerf zulk een droef verschijnsel, en nog droever, als de aanleiding tot die daad niet rust op gronden, geoorloofd voor onzen Ood, maar op eigenwillige begeerte.

Hoe was het bij hen, die de landouwen van Efratha verlieten ?

Kon Elimelech, wiens naam zulk eene rijke beteekenis heeft» nl. mijn God is Koning, zich hierin vrijmaken voor zijn God?

Zeker, het blijkt, dat het in het huisgezin van Elimelech ook niet alles voorspoed was, en dat de man des huizes en zijne vrouw Naomi (de vroolijke) gebogen gingen onder de zorgen des levens.

Daar was misschien reeds een kruis, dat door hen gedragen moest worden in hun huiselijk leven, met het oog op de kinderen, door God hun verleend.

-ocr page 14-

10 HET BOEK KUTH.

--------lt;£—^-lt;ggt;------

De namen ten minste, die zijne kinderen dragen, zijn zoo vol beteekenis. De eene zoon heet Machlon (de zwakke) en de andere Chiljon, wat zeggen wil de smachtende of de teringachtige.

Ieder huis heeft alzoo zijn kruis en dikwerf een, dat gedragen wordt in het verborgene, maar dat niettemin loodzwaar drukt.

Toen Elimelech zag op zijne beide, wellicht zoo zwakke, kinderen en op het land zijner inwoning, bezocht met honger, toen achtte hij het beter eene wijle land en maagschap te verlaten en henen te trekken naar het land der vreemdelingschappen, naar Moab. Daar wilde hij een weinig tijds vertoeven en dan wederkeeren.

Xeen, blijven was zijne gedachte niet. Het was slechts een toevluchtsoord, waar hij zou wachten, totdat God zijn volk met gunst zou bezoeken; en dan terug naar de haardsteden Israels.

Schijnbaar is het eene daad van liefde tegenover zijn gezim Schijnbaar, maar was het zoo in werkelijkheid?

Was het eene onbaatzuchtige daad, was het eene uiting van het leven des geloofs, eene handeling, zijn naam waardig?

Kon hij het verantwoorden voor zijn God? Ging hij eene roeping vervullen, gelijk Abraham deed, die uittrok uit land en maagschap?

Was het een wandelen in den weg Gods? Was het de daad van een kind?

Neen ; schijnbaar mogen de omstandigheden zijn besluit rechtvaardigen; wie dieper ziet, zal verstaan, dat wij hier geene vrucht des geloofs, geene openbaring van kinderlijk vertrouwen hebben, maar eer den boozen lust van het hebzuchtig gemoed en de vrucht eener valsche vreeze: zondig mistrouwen in de vaderzorge Gods en een ontvlieden van het oordeel en de bezoeking des Al machtigen.

Neen, Kanaan was de plaats, door Jehova aan zijn bondvolk toegedacht; dat was de erve, hun verleend. Geheel anders was dus de daad van Elimelech met de zijnen dan die van zijn vader Abraham.

-ocr page 15-

HET BOEK BUTH. 11

--

Zijn wegtrekken was eene poging, om aan de straffende hand Gods te ontkomen; om de handen zijner broederen te verslappen, die onder dezelfde tuchtroede doorgingen.

Het was een wandelen op een door hem zelf gezochten en gekozen weg; eene daad, zooals Loth eenmaal deed, verkiezende voor zich de vlakte van den Jordaan.

Was Elimelech nog naar het Overjordaansche getrokken en onder zijn volk gebleven, dan zou het minder berispelijk zijn geweest. Als een Loth verlaat hij de tente Abrahams, dat is de gemeenschap met Abrahams God. Hij verlaat het volk, de aanbidding, den dienst van Jehova, en trekt henen naar Moabr naar het heidendom; hij kiest de wereld boven het volk des Verbonds.

Ach, die keuze levert gevaar op voor het gezin, voor zijne kinderen!

„\'tls immers slechts, om als vreemdeling te wonen?quot; zou Elimelech u toeroepen, „\'tls toch zoo heerlijk uitgekomenquot;,, zegt wellicht een ander, „\'tMoest immers zoo zijn; anders was Ruth niet tot Israël gekomen, en het bleek dus de weg te zijn van Gods aanbiddelijk voorzienig bestuur,quot; spreekt een derde.

Voorzeker, de Heere heeft het zoo geleid, maar was dit de bedoeling van Elimelech?

Neen, neen ! \'t Is een eigenwillige weg, dien Elimelech inslaat; en langs een hellend vlak zinkt hij steeds dieper.

Als vreemdeling wil hij daar zijn, en zoo opmerkelijk eindigt het tweede vers: „En zij bleven aldaarquot;.

Zoo is er voortgang in de zonde. Zal de Heere zijne goedkeuring openbaren over de handeling van Elimelech?

Neen. De mensch overdenkt zijn weg, maar de Heere stiert zijne gangen; ook hier zou het zoo duidelijk worden aanschouwd.

Nog nauwelijks is Elimelech in Moab aangekomen, vervuld met allerlei gedachten en voornemens, of de Heere verijdelt ze als op een oogenblik, want de kille hand des doods raakt den man en vader aan en brengt rouw over Naomi en hare kin-

-ocr page 16-

12 HET BOEK RUTH.

-----3-—^^-----

deren. Weenend staan zij in het vreemde land aan de stervenssponde van hem, die den steun van het gezin uitmaakte.

Welk eene bittere teleurstelling! Sterven moet hij, ver van het land zijner vaderen, ver van het heiligdom, en dan nog zijne geliefde betrekkingen achterlaten te midden van den dienst der afgoden.

Welk eene ernstige en gewichtige waarschuwing, door God gegeven aan allen, die eigenwillig gekozen wegen bewandelen. Dat er bij ons een heilig vrcezen zij, om niet buiten den weg te gaan, maar te mogen wandelen in de paden, door God ons aangewezen en voorgeschreven.

Zonde gaat gewoonlijk verder, tenzij zich eene krachtige werking der genade Gods openbaart.

In Naomi\'s geschiedenis blijkt dat ten volle.

Daar zit zij als weduwe met hare beido zonen, en zie! in plaats van weder te keeren en de roepstem Gods te verstaan, maken zij er zich nog vaster, want hare zonen verbinden zich met Moabietische vrouwen: de eene kiest zich Orpa (gazelle) de ander Ruth (vriendin) tot echtgenoote.

Een huwelijk met ongeloovigen, dit is het droef gevolg van het verkeeren in een heidensch land.

Welk een ernstige wenk wordt hierin gegeven aan zoo menig ouder, ook met het oog op de navolgende geslachten. Wie zelf het ongeloof en de wereld opzoekt, ziet de wrange vruchten daarvan zoo dikwerf geopenbaard in het leven zijner kinderen.

Het geslacht van het uitverkoren volk verbindt zich hier met het heidendom, en dat ging zoo in tegen het gebod Gods.

Nu is het waar, dat met de Moa bieten te huwen niet zoo duidelijk verboden was, als met de Kanailnieten, doch goedgekeurd werd het allerminst.

God heeft uit het kwade nog het goede doen voortkomen, doch dit neemt niet weg, dat de daad der zonen van Elimelech niet geschiedde, om daardoor de eere Gods te verhoogen.

-ocr page 17-

HET BOEK RUTH. 13

--lt;5-—lt;2?-—lt;$gt;-

Van het huwelijksleven zelve wordt ons niets medegedeeld, en een tijdvak van tien jaren overgesprongen. Tien jaren al gehuwd en nog is er geene sprake van terugkeer naar het land der vaderen. Het ging hun, als eeuwen later met zoo menig Israëliet, die zich in Babel tehuis gevoelde, en aan geen terug-keeren dacht.

Tien jaren in het vreemde land — en Naomi is nog niet wedergekeerd.

Was dan de roepstem Gods niet krachtig genoeg geweest in het wegnemen van Elimelech? Moet er nog krachtiger waarschuwing uitgaan?

Ja, nog krachtiger. Het hart wordt haar vaneengereten, want daar is de kille adem des doods heengetrokken over hare beide kinderen en als een boom ontdaan van blad eri vrucht staat Naomi nu.

Ingrijpend staat het geschreven: „En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzoo werd deze vrouw overgelaten, na haar twee zonen en na haar man.quot;

Alles is haar nu ontnomen. Overgelaten werd zij in het vreemde land. Zij staat tusschen twee weenende schoondochteren, doch dezen kunnen de smart niet peilen, die de ziel van Naomi doorvlijmt. Als eene eenzame staat zijdaar; kinderloos zijn hare zonen heengegaan; het geslacht is uitgestorven.

Als de wind zich krachtig laat hooren, als hij zee en golven zweept, ■ en de eiken des wouds doet beven, dan buigt door de stormvlaag ook de zwakke bieze zich diep terneder, doch heft zich daarna weder op. Neergebogen als eene bieze was ook Naomi door de slagen, haar toegebracht, doch gelijk eenmaal de verloren zoon in het vreemde land, tot zich zeiven komende, zeide: ,Ik zal opstaan en tot mijn vader gaanquot;, zoo kwam ook bij Naomi de begeerte en het verlangen op naar de woonsteden Israels. De kastijding begon vrucht te dragen. Dikwerf houdt

-ocr page 18-

14 HET BOEK RUTH.

---------lt;$.—^-----

•God in zijne trouw en zijne liefde zware wegen met zijne kinderen, •om ze maar terug te brengen tot het punt, vanwaar zij zijn afgeweken; om zoo, geoefend door de kastijdende hand Gods, als nieuwgeboren kinderkens welbehagelijk voor Hem te leven en te wandelen.

Hoe treurig, dat God dikwerf zulke middelen moet aanwenden, om de zijnen terug te voeren; maar welk eene ontferming en barmhartigheid des Heeren spreekt zich ook daarin weder uit. Hij weet, wat maaksel zijn volk is, en roept het daarom ook zoo teeder toe; „Schapen, schapen mijner weide, gij zijt menschen, maar Ik ben de Heere, uw God.quot;

In de donkerheid ging ook voor Naomi het licht op en in haar harte weerklonk, wat eenmaal vernomen werd aan de oevers der Roode Zee: .Naar Kanaiin.quot;

Naar het land der vaderen, dit was de gedachte harer ziel, maar die ze verwerkelijken wilde, want zij maakte zich op met hare schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab, daar zij had gehoord in het land van Moab, dat de Heere zijn volk bezocht had, gevende hun brood.

Niet slechts, dat al het leed Naomi\'s begeerte opwekte, om weder te keeren naar de erve der vaderen; misschien zou haar de moed daartoe ontbroken hebben, als de slaande hand Gods nog op Israël gerust had; doch neen, in Moab was het gerucht tot haar doorgedrongen, dat God in gunste tot zijn volk was wedergekeerd.

Hij zal niet eeuwiglijk twisten. Schoon zwaar getergd, is Hij barmhartig en groot van goedertierenheid; en dit had Hij ook nu willen betoonen.

Jehova had zijn volk bezocht niet met de roede en de plage, zooals weleer. Neen, het was een bezoeken en gedenken ten goede, waardoor Hij betoonde, dat Hij zijn volk niet had vergeten. Met welk een getrouwen God hebben wij te doen, die telkens weder de eerste wil zijn in het opzoeken en terechtbrengen van zijne afgedwaalde schapen.

-ocr page 19-

HET BOEK RUTH. lü

--------^----------

De blijde tijding is doorgedrongen tot Naomi, dat de Heere zijn volk verschenen is ten goede, gevende hun brood. Zij hoort het, zij gelooft het; en mede geeft het den doorslag in haar hart, om weder te keeren. Naomi is verteederd geworden onder de kastijdingen Gods. Zoo menigwerf wordt het tegenovergestelde waargenomen, een slaan tegen de prikkels, een zich verzetten en verharden, een ballen van de vuist tegen God in den hemel en een vragen: wat heb ik met U te doen ?

tweeërlei toch kan de vrucht der kastijdingen des Heeren zijn, of een buigon onder God of een zich verzetten tegen Hem.

Lieflijk was de vrucht, gerijpt in Naomi\'s ziel: een bukken voor God, een erkennen van het dwaze en het verkeerde.

Of lag in het wederkeeren uit Moab niet die erkentenis opgesloten?

Uit Moab, — naar Karuuln.

Moab is het land der ruste niet. Lang mag men er toeven,

doch het blijft het land der vreemdelingschappen.

Naar Kanaan.

Op den heirweg van Moab naar Kanaan bevindt zich een drietal vrouwen. Gij herkent ze, drie weduwen zijn het. Tusschen de beide jeugdigen gaat Naomi voort, op wie het leed des levens zijn stempel heeft gedrukt.

■„Zij ging weg uit hare plaatsquot;, zoo lezen wij. Het zijn weinige woorden, doch wat zal het voor Naomi geweest zijn !

Zooveel was daar geschied.

Zooveel leed, zooveel zorg, zooveel droefenis was er doorworsteld.

Inderdaad een leven van kruis en teleurstelling had zij er doorleefd.

En nu — dat blad van haar levensboek zal worden omgeslagen ; zij gaat uit van de plaats, waar zij geweest is.

Naomi gaat scheiden van de assche harer geliefde dooden. die daar rusten in den schoot der aarde.

-ocr page 20-

16

Wat tal van gedachten zal het hoofd en het hart van Naomi vervuld hebben, toen zij voor het laatst den blik liet gaan over de nu zoo wel bekende streken, toen zij terugdacht aan het verleden. Welk eene tegenstelling dan! Ja, dan was het, zooals zij het later betuigde: „Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeerenquot;.

Jaren geleden ging zij met Elimelech en hars beide zonen hoopvol Moab binnen; — en nu — hoe eenzaam is het pad geworden. „Noem mij Mara, want de Heere heeft mij bitterheid aangedaan.quot;

Zij gaat uit hare plaats, terwijl Orpa en Ruth haar vergezellen en haar uitgeleide doen.

Gods Woord geeft ons telkens van die kleine trekjes, waarin zooveel is op te merken en waardoor soms veel ons duidelijk wordt of de gestalten van personen ons lieflijker tegentreden.

Zoo ook hier.

Naomi heeft hare schoondochters bij zich. Het bewijs wordt hier geleverd van de goede verstandhouding tusschen schoonmoeder en schoondochters, en dat Naomi ondanks verschil van godsdienst en afkomst hare schoondochters aan zich heeft weten te verbinden. Zoo was er een band der liefde ontstaan,, die moeilijk was te verbreken.

Hierin is Naomi ons zulk eene lieflijke verschijning, en te wenschen ware het, dat tusschen menige schoonmoeder en schoondochter eene verhouding bestond als tusschen de drie; wier schreden gericht zijn naar het land der belofte.

Als zij wellicht genaderd zijn bij de grenzen van Moab, dan houdt Naomi hare beide dochters staande en zegt ze vriendelijk: „Gaat henen, keert weder, een iegelijk tot het huis harer moederquot;.

Naomi wil nu afscheid nemen, ook nog van deze beiden^ om dan aanstonds, van ieder verlaten, naar Bethlehem terug te keeren.

„Keert weder, mijne dochters! een iegelijk tot het huis harer moederquot;. Zij spreekt niet van het huis haars vaders.

-ocr page 21-

HET BOEK RUTH. 17

—--^^--

Sommigen hebben gemeend, dat Naomi dit zeide, omdat Orpa geen vader meer had. Wij gelooven echter, dat deze uitdrukking ziet op het leven der vrouw in het Oosten.

Die verkeerde in haar eigen vertrek en bij haar waren gewoonlijk ook de kinderen, vooral de dochters. Keerden zij dus weder als dochteren naar het ouderlijk huis, dan stond het verblijf in het vrouwenvertrek weder voor haar open.

„Keert weder, mijne dochters.quot; Niet, dat Naomi verlangt van Orpa en Euth ontslagen te worden; integendeel, gedrongen door de liefde, zegt ze: „\'tls voor u beter, mijne kinderen.quot;

Waartoe zouden ze met haar, de arme en verlatene, medegaan quot;?

Zegenend zal zij afscheid nemen.

„De Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de dooden en bij mij.quot;

Waardeerend erkent zij, wat hare schoondochters gedaan hebben. Een voorrecht, als wij, gelijk Naomi, zegenend van eikander kunnen gaan, ja met een gebed op de lippen.

De Heere — Jehovah zelve — doe bij u weldadigheid. Hij vergelde u, al wat gij gedaan hebt. Krachtig klemt zij zich hier vast aan den Bondsgod, die helpen kan en zijn zegen goedgunstig wil openbaren.

Ja, verder strekken zich hare zegenbeden uit: ,,De Heere geve u, dat gij ruste vindt, een iegelijk in het huis haars mans.quot;

Van ganscher harte wenscht Naomi hare beide schoondoch-dochters een goed en gezegend huwelijk toe. Zij gelooft, dat dit het beste voor haar zal zijn. Zij zijn beiden nog jeugdig genoeg, om dezen stap te doen. Er is nog verwachting, dat God haar huwelijk bekronen wil met een huwelijkszegen en daarom zegt zij : „De Heere geve u ruste, een iegelijk in het huis van haar man.quot;

Naomi handelt hierin geheel anders, dan zoo menig ander doet of gedaan zou hebben.

Het leven laat dikwerf het tegenovergestelde zien ; vaak meenen schoonmoeders dat het eene soort van heiligschennis is?

-ocr page 22-

18 HET BOEK RUTH.

------lt;Cgt;.—^--

als de overgeblevene er aan denkt, tot een tweede huwelijk over te gaan.

Bij Naomi het tegenovergestelde.

Voor haar is het eene geloofsdaad.

Zelve gaat zij eene onzekere toekomst tegen. Wat haar te wachten staat, weet zij niet, doch hare dochters wil zij daaraan niet blootstellen.

Zelfverloochening is de lieflijke trek, die ons tegentreedt in de verschijning van Naomi.

Alleen zal zij den strijd tegentreden. Jehova zal hare hulpe zijn.

Tevens blijkt het zoo duidelijk, dat Naomi een recht inzicht heeft in de roeping der vrouw en den aard van het huwelijksleven.

De gehuwde staat, zal \'t goed zijn, moet een staat van rust wezen. In het huisgezin moet het steunpunt van \'t leven zijn voor kerk en maatschappij.

Waar \'t huiselijk leven veronachtzaamd wordt, en de kracht en beteekenis van \'t huwelijk worden ondermijnd, daar laat dit alles zijne gevolgen in breede kringen zien.

In onze dagen, waarin door de materialistische beschouwingen èn huwelijk èn huisgezin van hunne sieraden worden beroofd, mocht het woord van Naomi wel ernstig ter harte worden genomen.

Het huwelijksleven moet een staat van ruste zijn onder den zegen Gods; daarin moet uitkomen de stille, kalme omgeving: huiselijke vrede, opgewekte arbeid.

Van den God des huwelijks, die machtig is te geven, smeekt zij het af en zegt het diep ootmoedig : ^De Heere geve u ruste.quot;

Lieflijk afscheid van moeder en kinderen.

Doch nu is het genoeg En als zij hare wenschen voor hare kinderen heeft doen hooren, kust zij ze, om nu te scheiden.

Scheiden ? Neen, dat is te veel voor het hart dier beide dochte-ren. Te lief hebben zij Naomi, dan dat zoo op eenmaal die banden zouden verbroken worden. Zij kunnen er niet denken, en weenend klemmen zij zich aan heur moeder vast, met de vaste overtui-

-ocr page 23-

HET BOEK RUTH. 19

---lt;£.---$gt;-

•ging; wii zullen u niet laten gaan, maar zekerlijk met u we--derkeeren tot uw volk.

Aan afscheid kunnen en willen zij niet denken. Zij •hebben Naomi lief en willen met haar medetrekken naar haar Jand en volk.

Menigmaal zal Elimelech\'s vrouwe haar hebben gesproken ■over dat wondere volk, dat Jehova zich ten eigendom had verkoren uit al de volkeren der aarde.

Gesproken over den dienst van den God Israels : dat Hij iiooger is dan de afgoden der heidenen, dat Hij de wereld heeft voortgebracht met al wat bestaat, en zijne heerijkheid rondom openbaart.

Beiden willen medegaan en allen vaarwel zeggen.

Wat zal Naomi doen ? Zal zij het aanbod aannemen ? Opent het dan geen lichtpunt voor de toekomst? Als zij medegingen, was zij immers van steun verzekerd in hare overige levensdagen ? Ja, zou \'\'t geen voorrecht zijn, die beide vrouwen te hebben medegebracht uit het land der afgoden, om ze te stellen onder den dienst van Jehova?

Naomi denkt er anders over.

Zij wederstaat de gedachte, door hare kinderen uitgesproken en zegt: „Keert weder, mijne dochters; waarom zoudt gij met mij gaan ? heb ik nog zonen in mijn lijf, dat zij u tot mannen zouden zijn ? keert weder, mijne dochters, gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben; wanneer ik al zeide; ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja •ook zonen baarde, zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgebonden worden om geen man te nemen? Niet, mijne dochters, want het is mij veei bitterder dan u ; maar de hand des Heeren is tegen mij uitgegaan.quot;

Welk een antwoord geeft Naomi aan hare dochters!

Neen, trekt niet met mij mede. Wat zou het u geven ? Zou er eenig voordeel voer u in zijn, dit te doen?

Van welke zijde zij het ook beschouwt, voor hare dochteren

-ocr page 24-

20 HET BOEK EUTH.

--lt;^,--Q,----

is er geen enkel lichtpunt in.

Zelfs kan er geene sprake zijn van een leviraats-liuwelijk, zooals door God in Israël was ingesteld. Treffend wordt de inzetting uit Deut. 25 : 5 door Naomi hier aangehaald.

Om de geslachten in wezen te houden, was nl. door den Heere verordineerd: „Wanneer broeders te zamen wonen, en een van hen sterft, en heeft geen zoon, zoo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daar buiten geworden, haars mans broeder zal tot haar ingaan, en nemen ze zich ter vrouwe, en doen naar den plicht van eens mans broeders. En \'tzal geschieden, dat de eerstgeborene, dien zij zal baren, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen: zoodat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël.quot;

Ook die gedachte Gods, mijne dochters, kan voor u niet verwerkelijkt worden. Zonen heb ik niet meer, in verwachting leef ik niet, en voor een tweede huwelijk ben ik te oud ; mijnerzijds is er voor u dus geene verwachting.

Keert weder, zoo roept zij haar tot tweemaal toe. InMoabligt voor \'t uiterlijke alles voor u : eene toekomst, aanzien, eer, rust in het huis uws mans, en in Israël, wellicht: armoede, smaad, kruis.

Keert weder, laat mij maar alleen voorttrekken, mijne dochters ; want het is mij veel bitterder dan u.

„Noem mij Mara, want de Heere heeft mij bitterheid aangedaan,\'\' zoo sprak zij later bij het binnentreden van Bethlehem. Het is mij bitterder dan u : voor mij is de toekomst donker, geen man, geene kinderen, geene aanspraak op \'t recht van lossing.

Het is mij bitter ook om uwentwil, mijne dochters, als ik denk aan de scheiding, die plaats zal vinden.

\'t Is, als zien wij de stille Naomi voor een oogenblik overmand door de smart en als uit zij al de pijn en den weedom harer ziele in het woord: „Het is mij bitterder dan u.quot;

Doch neen ! het is geen opstandskreet, die oprijst uit hare ziel, want aanstonds laat zij er op volgen: ,,De hand des Heeren is tegen mij uitgegaar.\'\' Heerlijk bespreekt hier Elimelech\'swe-

-ocr page 25-

HET BOEK RUTH. 21

---lt;3^—-----—

weduwe het geloof aan de Voorzienigheid Gods. De Heere heeft het gedaan. Hij maakt arm en maakt rijk. Hij vernedert en verhoogt. Hij doodt en Hij maakt levend. Hij wondt en Hij heelt.

In al de donkere wegen, die zij heeft moeten bewandelen, ziet zij de leiding van dien getrouwen God, van wien de dichter het betuigde:

Geen ding geschiedt er ooit gewisser Dan \'t hoog bevel van \'s Heeren mond.

Die wetenschap heeft haar staande gehouden en geeft haar nu ook kracht, om te rusten in Hem. Het geloof in Gods Voorzienigheid geeft zulk eene bijzondere vertroosting in donkere dagen, wijl het ons doet verstaan, dat niets ons toekomt zonder zijn goddelijken en vaderlijken wil.

Daarop wijst Naomi nu ook hare dochteren, en zegt: „\'t Is de Heere; Hij doe, wat goed is in zijne oogen.quot;

Bij het hooren dier woorden begint de tranenstroom mildelijk te vloeien, weenend hangen de beide schoondochters Naomi om den hals en allen gevoelen, dat nu het beslissende oogenblik daar is.

Allen zijn aangegrepen door droefenis. Orpa en Ruth, beiden weenen, beiden hebben Naomi\'s woorden gehoord, en toch de uitwerking, op beiden daardoor gemaakt, verschilt onbegrijpelijk veel, want Orpa zal wederkeeren, maar Ruth kleeft hare moeder aan, en blijft. Orpa en Ruth, welk eene tegenstelling.

Orpa houdt ook veel, zeer veel van Naomi; zij weent aan haar hals, zij klemt zich aan haar vaat. Zij weet het: Naomi is eene lieve, trouwe moeder. Veel, zeer veel heeft zij hare schoonmoeder lief, doch nu \'t er op aankomt, allen te verlaten en hare schoonmoeder te volgen, nu weifelt zij. Het weifelen wordt terugzien, ja terugkeeren, en zij gaat, zij het ook weenend, om Naomi te verlaten.

De keuze is ook zoo beslissend.

Achter haar ligtMoab, haar land, hare goden, hare vrijheid, het leven naar \'t goeddunken des harten. Daar wonen hare maag-

-ocr page 26-

22 HET BOEK EUIH.

----lt;§■—^-----

schap en hare vrienden. Daar wordt zij geëerd, en gevierd ; daar geniet zij straks alles, wat voor \'t vleesch aantrekkelijk is.

En wat staat daar tegenover ?

Een vreemd land, een miskend volk; een God, die zijne heilige wetten gaf, om te kruisigen, wat het vleesch zoekt en begeert; en voorts armoede, verachting, eene donkere toekomst. Ach, Orpa bedenkt niet, dat zij dan gaat behooren tot het volk der belofte, deel erlangt aan \'t heiligdom Goda,leeft onder de vleugelen van Jehova, en in bestendige genieting van Xaomi\'s gezelschap.

Wel heeft zij Naomi lief, maar om nu alles, alles te verlaten, neen, daar kan Orpa niet toe besluiten ; zij beseft niet, dat zij er alles bij kan winnen.

Orpa beslist, ja weenend, maar zij gaat. Zij kust Naomi, en keert terug naar Moab.

quot;Wilt gij ook niet weggaan ?

Ruth heeft het ook gehoord. Zij staat voor dezelfde keuze en indien \'t waar is, wat wel eens gezegd wordt, dat zij eene koningsdochter is, dan is de keuze nog ernstiger en beslissender-

Ruth, zult gij niet medegaan met uwe schoonzuster?

Denk aan Moab, aan al, wat u daar bekoort. O, zij weet het, zij gevoelt het, zij ataat op den tweesprong, maar zij kan niet terug. Niet slechts Naomi is haar lief, maar haar volk, haar God, en die liefde is krachtiger dan al het andere. Ruth kleeft hare schoonmoeder aan.

Welk eene tegenstelling tusschen Orpa en Ruth. De eerste is het beeld der scheidende, de tweede dat der aanklevende ziel.

Moab of Kanaan.

God of de wereld.

Christus of Belial.

Jehova of Baal.

O, die Orpa\'s Wel weenend, maar zij keeren terug. Zalig de keuze van Ruth.

M. W. IT. O.

-ocr page 27-

„Daarom zeide zij : Zie, uwe zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en hare goden ; keer gij ook weder uwe zwagerin na.

Maar Ruth zeide Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keeren : want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God.

Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar begraven worden ; alzoo doe mij de Heere en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tus-schen u.

Als zij zag. dat zij vastelijk voorgenomen had, met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar te spreken.

Alzoo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem kwamen, en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de gansche stad over haar beroerd werd en zij zeiden : Is dit Naomi ?

Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan. Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?

Alzoo kwam Naomi weder en Ruth, de Mo-abietische, hare schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gerste-oogst.quot;

Ruth 1 ; 15 — 22.

-ocr page 28-

24

HET BOEK RUTH.

---

00 zagen we dan van de drie vrouwen — Naomi, Euth en Orpa, — op het grensgebied van Moab en Kanaan gekomen, de laatste wederkeeren.

Orpa, „de gazellequot;, zooals haar naam beteekent, is wel beweeglijk; ze draagt haar naam met recht. Ze omhelst, ze kust hare schoonmoeder, ze neemt afscheid, en hoewel tot schreiens bewogen, wendt zij zich af, niet slechts van Naomi, maar ook van Naomi\'s volk en — wat niet het minst is, van Naomi\'s God. Haar hart is in Moab, hare schreden wendt ze thans weder naar Moab.

Het woord van den Christus geldt hier: „Wie zijne hand aan den ploeg slaat en ziet achterwaarts, is onbekwaam tot het Koninkrijk Gods.quot; Twee van de drie zijn nog overig. Met diepen weemoed zal Naomi Orpa hebben nagestaard; en nu, hoe moet het, hoe zal het met Ruth gaan? Hoe zal na 10 bange jaren van lijden het wederkeeren van Naomi te Bethlehem zijn ? Op deze vragen vinden we het antwoord in de verzen 15—22.

Letten we hierbij op:

le. een laatsten voorslag,

2e eene besliste keuze,

3e. eene stilzwijgende goedkeuring,

4e. eene smartelijke ontmoeting,

5e. eene hartgrondige belijdenis, en

6e. eene bemoedigende wederkomst.

I. In vers 15 lezen we: „Zie, uwe zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en hare goden ; keer gij ook weder uwe zwagerin na.quot; Naomi ziet, hoe Rath haar aankleeft, terwijl Orpa terugkeert. Zal Naomi van dit oogenblik gebruik maken, om Ruth te overreden nu met haar te gaan? Het is voorzeker de innerlijke begeerte harer ziel geweest, dat beide schoondochters den God van Israël mochten belijden en onder zijn volk zich scharen zouden. Ééne heeft zich nu beslist afgewend. De rich-

-ocr page 29-

HET BOEK VAK RUTH. 25

------^---

ting van Orpa\'s liart is openbaar geworden. Naomi ziet, dat het met Euth tot beslissing komen moet; beslist afkeeren, of beslist volgen-, maar dat zij dan ook weten moet, wat zij doet! Naomi doet een laatsten voorslag, een voorslag, die getuigt van levenservaring, van menschenkennis. Cieloof vrij, dat het Naomi niet gemakkelijk viel, dit aan Euth voor te stellen.

Maar Naomi denkt zich de zaak goed in. Er moet iets meer zijn dan uiterlijke aanhankelijkheid aan haar persoon, iets meer dan beweeglijk gevoel, om mede te trekken, hare maagschap en hare goden te verlaten en Israels volk en Israels God aan te hangen. Naomi rekent niet als zoovelen, alleen met gevoel: maar ook met verstand en wil. Zij weet, dat bij eene gewichtige beslissing de zaak goed doordacht en hartelijk gewild moet zijn. En daarom, hoe pijnlijk het zij, Naomi wijst Euth op hare wedergekeerde zwagerin: zij is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden, keer gij dan ook weder.

Met opzet gewaagt ze niet alleen van haar volk, maar ook van hare goden. Niet om de schoonmoeder Naomi mag het gaan; maar het moet beslist worden tusschen een volk, dat zich met valsche goden ophoudt, en een volk, dat den waren God belijdt.

Zijt ge ééns geestes met uwe zwagerin, volg haar na. Naomi is zoo verstandig, dat ze in haar voorstel niet op het gevoel werkt. Hare schoondochter moet zich goed bewust zijn, welke keuze ze doet; het mag geen besluit van hartstochtelijkheid, maar moet een besluit des harten zijn. We kunnen uit dezen laatsten voorslag van Naomi aan Euth eene goede les trekken. Stel toch nooit den weg van waarachtige bekeering, van de besliste keuze om te breken met de wereld, de zonde, de goden der begeerlijkheid te licht voor. Werk nooit met hen, bij wie ge eenige overtuiging aantreft, alleen op het gevoel. Hoe menigeen, die slechts geleid werd door de beweegliikheid van het gevoel, keerde later weder en toonde daarmede, dat de dienst des Heeren nooit werkelijk de keuze des harten was. Het moge

-ocr page 30-

•26 HET BOEK EUTH

--^-

schijnbaar eenigszias afstootend zijn, wanneer ge voorstelt zich goed rekenschap te geven van de keuze tot den dienst des Heeren en den weg naar den hemel, het is niettemin noodzakelijk. De ziel moet zich helder bewust zijn van de keuze; het moet goed doordacht zijn, wat het zegt, te breken met Moab en Moabs goden en zich te voegen bij Israel en Israels God. Het oprecht geloof is een kennen en vertrouwen, de wil moet er toe overgebogen zijn. Wie er alleen eene zake des gevoels van maakt bij zich zei ven of bij anderen, komt bedrogen uit en misleidt. Naomi heeft hare schoondochter Euth niet misleid. Ruth zal nu rekenschap dienen te geven van hare keuze en dit doet zij op treffende wijze. We wijzen u dan ook in de tweede plaats op eene besliste keuze.

Maar Ruth zeide: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keeren, want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten. Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar begraven worden; alzoo doe mij de Heere en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen scheiding zal maken tusschen mij en tusschen u !quot;

Ruth maakt een einde aan de zaak door eene plechtige belijdenis van hare onbeweeglijke trouw aan Naomi, haar volk, haar God. De gedachten haars harten worden nu geheel openbaar. Allerlei omstandigheden leiden er toe, om zich beslist uit te spreken. Het terugkeeren van hare zwagerin werkt mede, om in haar bewustzijn des te krachtiger uit te doen komen het verschil in beginsel der harten, in levenskeuze met hare zwagerin. Haar schoonmoeders voorslag doet juist krachtig in haar opwaken, wat in het verborgen .harer ziel leeft; het doet haar des te beslister uitkomen ! Zoo gebruikte onze Heere Christus de vraag; „Wilt gijlieden ook niet heengaan ?quot; om tot de besliste uitspraak te leiden bij zijne jongeren : „Tot wien zullen wij heen gaan, Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens.quot;

En zoo wil onze God nog wel voor menige naar Hem zoe-

-ocr page 31-

HET BOEK EUTH. 27\'

kende ziel het af keer en van anderen en het zitten voor eene krachtige beslissing gebruiken, om zich vaster dan ooit uit te spreken.

Ruth smeekt hare schoonmoeder, niet langer aan te houden, niet tegen hare begeerte in te gaan: „Val mij niet tegen, om . u te verlaten.quot;

Orpa volgen is Naomi verlaten, de valsche goden volgenis den waren God verloochenen.

Dit kan Ruth door de ontferming haars Heeren niet. „ Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan.quot; Zij wil met Naomi trekken, waar ook henen, al is het naar eene streek, die ze nimmer zag, van eigen land verwijderd; met Naomi zal haar iedere weg aangenaam, zal haar iedere streek liefelijk zijn. Haar eigen ik, haar eigen wil is omgewend; niet haar eigenbelang, haar uiterlijk voordeel prikkelt haar. Ook hierin komt het werk Gods bij Ruth uit.

, Waar gij zult vernachten, zal ik vernachten.quot; Niet alleen aanvankelijk volgen ; maar met haar blijven wonen en in alles met haar deelen, is de keuze van Ruths hart. Al zou het een vernachten moeten zijn als een Jakob, met een steen tot hoofdpeluw, het zal haar goed zijn, beter dan te vernachten in de woningen Moabs. En dit vloeit voort, niet slechts uit werkelijk gevoel, maar uit de vaste overtuiging, dat zij ééns geestes is met Naomi; één leven met haar leeft, zoo gansch onderscheiden van het leven in haar land, vanwaar ze uittoog.

Ze wil alle ontberingen met Naomi lijden; waar Naomi, het kind van God, de tente opslaat, zal zij met haar lotgemeen zijn. Waar de oprechte liefde tot en de geestelijke band aan één kind van God zich openbaart, kan het niet anders, of er is liefde tot het gansche volk, dat dien God belijdt, een band aan het geheele volk, dat naar dien God vraagt. Zoo zegt Ruth : „ üw volk is mijn volkquot;. Naomi sprak : keer weder tot uw volk en nu, om eene besliste tegenstelling te geven, verklaart Ruth zich los van de kinderen Moabs, en voor goed verbonden aan het volk

-ocr page 32-

\'28 HET BOEK RUTH.

---lt;$■——■$gt;---

des Heeren ! Tweeërlei volk aanhangen kan niet; en wel heeft Ruth nog geene kennis gemaakt met dat volk als volk ; maar zij meet naar hare schoonmoeder Naomi ook het volk af, waartoe zij behoort, en waar ze er één lief kreeg, heeft ze allen lief. Zij wil ook gerekend worden tot het volk des Heeren en plech-tiglijk verbindt ze zich in dit oogenblik aan de kerke Gods!

En nu kan het bij deze uitdrukking niet blijven. Immers die liefde tot één der kinderen Gods. die liefde tot het volk Gods ontsprong uit de bron der liefde tot Hem zelf, die ook haar had opgezocht, en door zijne genade in haar hart die besliste keuze had gewekt. „ Cw God is mijn God.quot; Zij geeft zich aan den Heere!

Zie ook hier de tegenstelling, die ze maakt. Naomi had gezegd; „Keer weder, zooals uwe zwagerin tot hare goden !quot; Maar neen, door \'s Heeren ontfermen was er eene finale breuk gekomen met de valsche goden, en zij doet thans belijdenis van den waren God. Tot Hem is de begeerte harer ziel; aan Hem is zij verbonden met de liefde haars uarten ; aan zijn dienst geeft zij izich; door Hem wenscht ze geleid te worden. Dit nu is eigenlijk de grondslag van al het andere; — van de liefde, die haar aan Naomi en aan \'s Heeren volk verbindt. De gemeenschap dei-heiligen wortelt in de gemeenschap met den God der heiligen.

De goden van Moab zijn haar nu leugen, ja minder dan de Ijdelheid. Ze kniel\' aanbiddend neder, met het: „Mijn Heere en mijn God !quot; Eenzelfde geloof, eenzelfde hope, eenzelfde liefde, eenzelfde verwachting met Naomi en het volk des Heeren, wortelend in het „Uw God is mijn God!quot;

„ Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden.quot; Ze wenscht het gansche leven van den tegenwoordigen tijd met haar te leven ; hare liefde tot Naomi is zoo groot, de band des geestes, die verbindt, is zoo sterk, dat ze ook in den dood met haar wenscht te zijn. Hoe gansch anders dan bij Bileam, die wel bij de oprechten in den dood wil zijn, en die getuigt : „Mijn einde zij gelijk het hunnequot; ; maar wiens leven geheel ilos is van Israels Gods en zijn volk ! Maar hier hebt ge in leven en

-ocr page 33-

29

sterven met liet volk des Heeren één. Ja, ze wenscht niet haar ook het graf te deelen. Dit heeft vooral voor die dagen eigenaardige beteekenis. We weten, hoe Jakob en Jozef bevelen gaven om begraven te worden niet in het vreemde land van Egypte, maar in Kanailn. Kanaan was het land der belofte, het land van \'s Heeren erfvolk. Als Ruth hare begeerte te kennen geeft, om bij Naomi te worden begraven, toont ze hierin haar volkomen afstand van Moab. Neen, \'t is niet: laat toch in het land mijner geboorte mijn stof rusten ; ze is één met het volk des Heeren, ze wil er éen mede blijven ; ze heeft volkomen met Moab gebroken. Ook haar lichaam zal rusten bij dat van haar, die ze liefhad met al de liefde har er ziel; in het midden van het volk, dat het hare was, en wiens God haar God was.

Eindelijk, om een eind te maken aan alle tegenspreken, bevestigt ze hare schoone belijdenis, de besliste keuze van haar hart, met het aanroepen van den naam des Heeren. Ze noemt thans den Verbondsnaam en in dit aanroepen heiligt ze den Naam : „Zoo doe mij Jehova, en zoo doe Hij daartoe!quot; Zij roept Hem aan als getuige, terwijl ze hierin Hem belijdt en van Hem alleen al hare kracht verwacht! Het is niet slechts,vorm ; maar het is hier de oprechte en plechtige verzekering, waarmede zij zich aan Naomi en in Naomi aan den God des verbonds verbindt. „De dood alleen zul scheiding maken tusschen mij en tusschenu!quot; Niet, dat met den dood de band des geestes en der liefde zou verbroken worden, want de liefde is sterker dan de dood en reikt over dood en graf henen. Het is de liefde, uitgestort in de harten door den H. Geest! Maar scheiding op aarde zal plaats vinden ook voor eene Naomi en Ruth. Echter zoo lang die scheiding niet komt, dus spreekt Ruth zich beslist uit, zal er geene scheiding tusschen ons zijn ! Geene vriendschap of aanlok-sel of verzoek van eigen familie of volk zal haar tot scheiding bewegen ; ze heeft gekozen ! Ja, al mocht ze soms onvriendelijkheid gewaar worden onder Israel, of vrees voor armoede haar overvallen ; — niets zal scheiden, dan alleen datgene, waardoor

-ocr page 34-

30 HET BOEK RUTH.

--^—£gt;--

de hand des Heeren scheiden zal: de dood I Zoo kan alleen de liefde spreken, die haar grondslag vindt in Israels God !

Kuth is het beeld van de oprecht zoekende ziel, die geen vrede en rust vindt, voor ze die gevonden heeft in God!

Zijt ge soms ook zulk een zoekende gelijk? Weet dan uit deze historie, dat wie Hem zoekt, Hem vindt, dat de Heere op zijn tijd en op zijne wijze u brengt tot de besliste keuze, tot de krachtige uitspraak van Ruth !

Als ge ziet. hoe anderen, die een eind medeliepen, openbaar worden, door in beslistheid zich van den Heere en zijn dienst te scheiden, en we stellen u in dezen eens voor de vraag: „Wilt gij hen niet achterna ? Keer terug: volg de wereld na, neem afscheid van \'s Heeren volk, van zijn dienst, ja van den Heere en zijnen Gezalfde!

O, lelde dan die vraag u, oprecht naar den Heere zoekende, tot het heldere inzicht, waar ge tehuis behoort!

We zien uit deze laatste keuze van Ruth, dat liefde tot \'s Heeren volk één is met de liefde tot den Heere. Ge kunt Hem niet liefhebben en zijn volk haten. Ja, het is juist een van die duidelijke bewijzen des levens, in het werk des H. Geestes, van den band der liefde Gods in Christus, dat ge u hartelijk verbonden kent aan het volk des Heeren. Die lief heeft dengene, die geboi\'en heeft, heeft ook lief degenen, die uit Hem geboren zijn ! Dan wilt ge met Mozea liever met het volk Gods smaadheid lijden, dan een tijdlang de genieting der wereld te hebben!

Maak dan in de practijk des levens geene scheiding tusschen het „uw volk is mijn volkquot; en het „uw God is mijn God.quot; Het is óf beide waar, óf het is geen van beide waar! Wie met den ouden prediker Groenewegen zingt:

Zoete banden, die mij binden Aan het lieve volk van God,

bedenke, dat de gemeenschap der heiligen er niet is, zonder de gemeenschap met het hoofd Christus door dien Geest, die de zoekende ziel leidt tot de zalige wetenschap, tot de besliste keuze :

-ocr page 35-

HET BOEK RUTH. 81

--lt;5—--^--—--

,Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God !quot; Op Ruth\'s besliste keuze volgt in de derde plaats eene stilzwijgende goedkeuring.

III. „AU zij nu zag, dat zij vasteljk voorgenomen had, met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar te spreken.quot; Naomi zwijgt. Tegenover zulk eene besliste overtuiging waagt zij niet verder in te gaan. En in dat zwijgen ligt de goedkeuring van Ruth\'s voornemen. Ja, in die goedkeuring ligt ook het vertrouwen van Naomi in de oprechtheid van Ruth\'s belijdenis. — Ruth heeft het in zekeren zin noodig, dat de oudere en rijpere in levenservaring, Naomi, haar volkomen vertrouwen schenkt. — Twijfel aan de oprechtheid harer keuze zou voor Ruth ondraaglijk zijn. Naomi heeft opgemerkt, dat geene reden meer iets vermag tegen de vaste overtuiging harer schoondochter en ze spreekt niet meer. Voor allen, die gewoon zijn dan toch vol te houden, is dit eene nuttige les. Terecht merkt iemand op ;

„O, laat ons niet al te zachtkens, maar toch vooral ook niet al te hard omgaan met teedere en pas ontluikende geloofstoe-standen eener naderende ziel, die argeloos tot ons, oudere geloo-vigen, komt, zich aan ons wil aansluiten en met ons in onzen arbeid en in onze zorgen deelen wil. Neen, men moet den pas bekeerden niet te spoedig de handen opleggen, maar toch vooral ook niet de hand er geheel van aftrekken; of de toegestoken hand koud en ruw terugwijzen, veel minder uit de hoogte doen, alsof men de aangeboden hand niet zag.

Vouw liever de handen ten gebede, of, o gij vader of moeder in het geloof, leg ze zegenend op dat jeugdig hoofd. Door niet meer te spreken, neemt Naomi nu zeker dankbaar hare schoondochter mede, als eene gave, van haar God haar geschonken, en aanvaardt haar als eene zuster in het geloof, als eene gezellinne op den weg niet slechts naar \'t aardsche, maar ook naar \'t he-melsche Kanaixn.

Wat in het hart leefde en in Ruth\'s keuze zoo heerlijk zich uitsprak, bezingen we met het schoone vers van den psalmdichter;

„Ik beu eeu vriend, ik ben een metgezel,

-ocr page 36-

32 HET BOEK EUTH.

-^—cgt;-

Van allen, die uw naam ootmoedig vreczen,

En leven naar uw goddelijk bevel.

O Heer! hoe wordt uw goedheid ooit volprezen ?

Gij doet op aard aan alle scheps\'len wel.

Och, wierd ik in uw wetten onderwezen!quot;

IV. Eene smartelijke, ontmoeting: „Alzoo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem kwamen, en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de gansche stad over haar beroerd werd en ze zeiden: „Is dit Naomi?quot;

Wat er op den langen en moeilijken tocht naar Bethlehem is verhandeld, staat ons niet opgeteekend. We mogen echter op grond van het treffend voorval bij de grensscheiding gerust veronderstellen, dat haar gesprek liep over de wondere leiding en trouwe Gods met zijn volk. Maar als ze te Bethlehem komen, wacht Naomi eene pijnlijke herinnering aan het verleden. Zij zal nu eerst recht beseffen, welk eene groote verandering in dat tiental jaren plaats vond. Het zal als eene schilderij vóórhaar oog komen, daarin geholpen door de Bethlehemsche vrouwen, die met ontroering toetreden en van mond tot mond gaat het: „Is dit Naomi?quot; Bethlehem was eene kleine stad, vandaar dat naar het echte kleinsteedsche in de gansche plaats Naomi\'s wederkomst bekend was. Door sommigen wellicht op verwijtenden toon, door velen zeker met diep medelijden uitgesproken, bewijst de uitroep van verwondering, dat het onderscheid zeer groot moet zijn ! Haar rijkdom ia verloren, haar erfdeel aan anderen gekomen; doodarm en met een gelaat, waarop al het lijden van het tiental jaren gegrift staat, bevindt ze zich onder vroegere bekenden. Het was geene verwondering over de terugkomst zelve; maar juist in dat woord: „Is dit Naomiwordt haar herinnerd de ontzettende verandering, die ze onderging. Het is, alsof de vergelijking wordt gemaakt tusschen de roos als frisch bloeiend en de roos als verwelkt en verdord ! Dat korte woord : „Is dit Naomi?quot; snijdt haar door de ziel! Het maakt de ontmoeting smartelijker, dan wanneer men haar stil door het stedeke

-ocr page 37-

HET BOEK RUTH. 83

--—-Q---------

had laten gaan. Zonder dat zij het wellicht goed beseffen, zijn hare bekenden oorzaak, dat al het leed, en ook de oorzaak van het leed, helder voor haar treedt! \'t Is, alsof ze met dit woord : „Is dit Naomi?quot; bij vernieuwing ontdekt wordt aan haar wezenlijken toestand van ellende en armoede, aan hare smart en vernedering ; aan hare zonde en ongeloof ? Is niettemin die ontdekking niet heilzaam, om ons tot oprechte belijdenis te brengen ? Voorzeker. Het gaat hier, als in het leven der kinderen Gods, die \'na afdwaling wederkeeren tot den Heere ; maar juist in dat wederkeeren de smart over hunne afkeering het diepst gevoelen.

Kent ge het ook in uw leven, waar ge als een verloren schaap van uwe afzwerving wederkeerdet, en het u, soms door de vingerwijzing van anderen, duidelijk werd herinnerd, dat ge udan met een hart vol smart en schaamte niet verbergdet, maar kwaamt tot hetgeen we nu bij de diep gewonde Naomi vinden, nl.: tot eene hartgrondige belijdenis\'?

V. „Maar zij zeide tot henlieden; .Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara: want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan. Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft\'?quot;

Naomi spreekt hier oprechte taal des harten. Zij veinst niet. Ze stelt het niet anders voor, dan het werkelijk is. Geen dwazen trots zien we bij dit beproefde kind des Heeren, waarachter ze hare armoede en ellende verbergen wil, zooals menig arme valsche schaamte heeft. De opmerking is juist; .Arm te zijn is geene schande; maar wel is het schande, zich voor eerlijke armoede te schamen !quot;

Naomi, wier geest verbroken en vernederd is, komt open en rond uit voor den waren toestand ! De verandering in haar toestand drukt ze dan ook kort uit in eene verandering van naam. Zij wenscht, dat alles in overeenstemming zal zijn. naam en werkelijkheid.

-ocr page 38-

^4 HET BOEK RUTH.

--lt;§—lt;§.----

„Noem mij niet meer Naomi, d. i. de liefelijke; maar noem mi] Mara, d. i. de bittere of bitterheid, nl. die veel bitters heeft ervaren; want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan.quot;

Hoe menigeen, die vernederd en verarmd is, wil toch nog ijdele titels en eernamen behouden, om achter die schoone namen de vernedering te verbergen.

Niet alzoo bij Naomi. — Zij wenscht geen schoonklinkenden naam ; zij wil een naam, die past bij haar tegenwoordigen staat. Gewillig doet ze afstand ; ze aanvaardt hiermede ten volle hare vernedering ook tegenover de menschen. Gewis, er is veel toe noodig, om rondweg hiervoor uit te komen ; ten minste wanneer de goede gave, het eergevoel, niet geheel weg is. Genade leerde Naomi het hart buigen, üe verdrukking had haar lijdzaamheid gewerkt. In het woord, dat ze volgen laat: „want de Almachtige heeft mij bitterheid aangedaanquot;, vinden we dan ook volstrekt geene beschuldiging tegen God, geene taal van opstand tegen Hem. Zoo mogen we het niet opvatten ! Immers de eene uitdrukking : „Jehovah heeft tegen myj getuigd,quot; geeft u een blik in de hartgrondige belijdenis niet slechts van hare veranderde toestanden ; maar wat veel meer zegt, van haar zondigen weg, waarin ze met haar man gewandeld heeft door, waar ze goederen genoeg had, naar Moab te trekken. Tegen mij heeft de Heere getuigd; woordelijk is het: Hij heeft tegen mij geantwoord. In mijne kommervolle wegen ligt een antwoord Gods. een antwoord der kastijding over mijne zonde! O, de tuchtroede hoort ze als eene stem van haar Verbondsgod; ze noemt hier toch den naam Jehova! Hij was trouw, maar ze had aan die trouw getwijfeld en in ongeloof was ze naar het heidensche land Moab gegaan ! En nu moest wel de kastijding volgen. In die tien jaren was de roede eene stem Gods en die stem Gods eene getuigenis tegen hare zonde geweest. Ze valt in haar eigen smaad; zij wil des Heeren gramschap dragen, want ze erkent ten volle tegen dien trouwen God te hebben gezondigd! In het licht van dit woord van Naomi moeten we

-ocr page 39-

HET BOEK RUTH. 85

----------------------

al liet andere bezien. Nu moest de Almachtige haar groote bitterheid aandoen. Het is rechtvaardig. Waar zij tegen Jehova, als haar Bondsgod had overtreden, stelde Hij zich als de Almachtige tegenover haar. ■ De grimmigheid des Almachtigen was openbaar geworden. Zij was in eigen kracht opgetrokken en had gemeend, het nu wel buiten Hom te kunnen stellen in Mo-abs vlakte; maar — en hierom noemt ze den naam des Al-machtigen — zijne macht had Hij geopenbaard in alles, waarmede Hij haar was tegengekomen en waardoor hare kracht ve rbroken was. Voorts ligt in deze woorden de belijdenis des har ten, dat de Almachtige alleen de Bewerker is van de ellende; zij wijt het niet aan allerlei omstandigheden. Neen, ze erkent rechtstreeks de oorzaak ; zij ziet niet alleen de roede, maar ook, wie de roede heeft besteld ! Ze komt, in één woord samengevat, met al hare wegen, met al haar kommer en vernedering onder God.

, Vol toog ik weg, maar ledig heeft de Heere mij doen weder-koeren.quot; Ook deze woorden zijn opmerkelijk en geven een blik in Naomi\'s hart.

Niet slechts, dat ze er door zeggen wil: Toen ik heenging, was ik rijk, niet alleen in akkers en geld, maar ook in het bezit van man en kinderen, wat een vrouwenhart rijk maken kan; en nu ben ik van alles beroofd, arm,ja, en—wat het zwaarst is — beroofd van man en kinderen.

Er is nog eene andere tegenstelling in hare woorden. Vol toog ik weg; ik ging heen, eigenwillig, de Heere beval het mij niet, vol ging ik mijn eigen weg; maar zie, waar ik niet rekende met Hem, heeft Jehova mij ledig doen wederkeeren. Hij is mij in dien weg tegengekomen. Dit erkent ze; ze billijkt het en in die hartgrondige belijdenis zouden we haar weder den naam Naomi geven: de liefelijke in oprelt;:ht belijden. Zij ziet niet alleen op de bitterheid, neen, ze ziet op Hem, die het „Maraquot; maakte!

O mijn broeder, mijne zuster, waar ge zijt afgezworven van

-ocr page 40-

36 HET BOEK KUTH.

------------------^^—$-----

den Heere en in dien weg de Heere u tegenkwam en de pijlen, des Almachtigen op u nederkwamen ; zijt ge ook tot deze hartgrondige belijdenis gekomen ? Wellicht heeft Hij u zwaar bezocht en beproefd, en smaaktet ge veel bitterheid ; maar zeg mij : hebt gij er de hand van uw God in gezien ? Of ziet ge op allerlei bijkomstige omstandigheden, op menschen soms, en is de vraag, niet opgekomen: Ik zwierf moedwillig af; ik ging mijn eigen pad; vol ging ik heen ; zou soms de hand des Almachtige» tegen mij zijn en het mij ledig maken ? Wil Hij soms al die wegen gebruiken om mij terug te brengen, daar, waar Hij als mijn trouwe Verbondsgod mij hebben wil?

O, stellen we toch ons hart op de wegen des Almachtigen^ en als we er in opmerken de stem van Hem, die tegen ons getuigt, zoo is er geen beter weg, dan te belijden ! Houd dan uw naam niet vast, om er onwaarheid achter te bedekken. Belild\' het, afgezworvene van uw God: Mara! Ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan! Niet opstaan tegen Ur maar buigen onder U, dat is de begeerte mijner bedroefde en beproefde ziel!

VI. Hoe Naomi ook haar „Maraquot; erkent, we mogen toch spreken van eene bemoedigende ivederkomst!

„Alzoo kwam Naomi weder en Euth, de Moabietischc, hareschoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam en zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gersteoogst.quot;quot;

Jehova is genadig, in den toorn gedenkt Hij des ontfer-mens! Hij had zijn volk bezocht, gevende hun brood. Naomi is te Bethlehem wedergekeerd, en \'t is opmerkelijk, hoe er in dit vers met nadruk op gewezen wordt, wie ze bij zich heeft eene Moabietische, eene oorspronkelijke heidinne, maar door de genade des Heeren toegebracht tot zijn volk. De Heere is rechtvaardig, Naomi had het beleden ; maar Hij is ook barmhartig: en genadig. Hij geeft bij eene smartelijke ontmoeting aan Naomi hope voor de toekomst. Hij gaf hair eene teeder liefhebbende schoondochter, met meer dan aardsche liefde aan haar verbonden.

-ocr page 41-

HEÏ BOEK KUTH. 37

-----^—-§gt;--—--

En—immers moeten we inalles7ookin de tijden en omstandigheden, de hand des Heeren zien ? — zij kwamen in het begin van den gersteoogst. Dit was de eerste oogst, waarop de andere volgden. Ook was die eerste oogat nog slechts aan het begin. En Naomi wist, wat Jehova in betrekking tot de armen had voorgeschreven aan zijn volk, wanneer het met den oogst gezegend was. Voorzeker is er dus veel bemoedigends voor haar. Naomi en Paith zullen ervaren, dat na het bittere door Jehova ook het zoet wordt beschikt, dat er op Mara ook een Elim volgt!

Mijn broeder, mijne zuster ! zien we dan toch vooral in moeilijke wegen niet voorbij, dat de Heere ons aanvankelijk bemoedigen wil. Hij schenkt u op uw zorgvollen weg wellicht een ziele-vriend of vriendin, die met u deelen wil in vreugd en smart. Hij toont, dat uw brood zeker, uw water gewis zal zijn, dat zijne zegenende hand ook over uwe tijdelijke zorgen gaat. En als ge dan eenerzijds belijdr, dat uw God rechtvaardig was in het kastijden, erken dan andererzijds ook, dat zijne trouw en genade niet ophouden zullen.

Dertien eeuwen later komen we in hetzelfde Bethlehem. Daar is een ledige stal en in dien stal eene kribbe en in die kribbe ligt Hij neder, in wien de volheid Gods woont: de Christus. Uit zijne volle heerlijkheid daalt Hij neder in de diepste vernedering. Hij, die rijk was, is arm geworden. In dat Bethlehem wordt Hij geboren, die zeggen zal: „De vossen hebben holen, de vogelen hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft niets, waar Hij het hoofd op nederleggequot;. Ledig, arm! Armer nog dan Naomi ! Op Hem zijn de pijlen des Almachtigen in volle mate nedergedaald, Hij heeft den toorn des Almachtigen gedragen. Niemand had medelijden met Hem.

Naomi had eene Ruth. Christus is verlaten door al zijne discipelen. En waartoe nu die Christus, ook naar het vleesch uit Ruth geboren? O, is het niet, om armen rijk te maken. Ook om eene Ruth toe te brengen tot de schapen zijner weide ; om

-ocr page 42-

38 het boek ruth.

-----

zielen samen te binden door het geloof in Hem en vrede te schenken met God ? Daarom zult ge ook deze geschiedenis niet buiten den Christus bezien. In dien komenden Messias hebben ook Naomi en Ruth geloofd. Hem hebben zij in de schaduwen beleden; door Hem zijn ze vriigemaakt, door Hem het hemelsche Kanaan ingegaan! Zijt ge, mijn broeder, mijne zuster, door zijne armoede rijk geworden, en moogt ge ook in dien Christus- u verheugen?

In dien Christus is ook de scheiding tusschen Jood en heiden -weggenomen. Het werd afgeschaduwd door Naomi en Ruth, de Joodsche en de Moabietische, saamverbonden! Het is de profetie, dat ook de heidenen zullen toegebracht worden, en dat ook zij rust zullen vinden in den Christus van Bethlehem. M. J. D. v. d. V.

-ocr page 43-

AAR de beurtordening is mij te lote gevallen voor en met u gerstearen te gaan oplezen.

Het schoonste veld en de allerheerlijkste garven, garven zelfs, die gegroeid waren op den geestelijken akker van het verbond der genade, dat zich, o wonder ! had uitgebreid en geopenbaard in het Moabietische land, hebben de maaiers, hebben de knechten CTods, reeds afgemaaid en afgelezen.

Doch de kruimkens te vergaderen, en van de kruimkens te leven, die daar vallen van de tafel der heeren, kan ook nog wel in het geloof, en dies met genot en ter eere Gods, geschieden. Als wij door \'s Heeren genade in den geest der Kananeesche vrouw, van den armen Lazarus en gelijk de Moabietische Ruth staan en verzamelen, dan zal het ons ook goed zijn, in de ure, waarin wij het hier volgende gaan overdenken.

Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimélech; en zijn naam was Boaz.

En Ruth, de Moabietische, zeide tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien, in wiens oogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar : Ga heen, mijne dochter !

Zoo ging zij heen, en kwam, en las op in het veld, achter de maaiers ; en haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimélech was.

En zie, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers : De Heere zij met ulieden ! En zij zeiden tot hem : De Heere zegene u !

-ocr page 44-

40

HET BOEK RUTH. ---

Daarna zeide Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw?

En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zeide: Deze is de Moabie-tische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen quot;is uit de velden Moabs.

En zij heeft gezegd: Laat mij toch oplezen, en aren bij de garven verzamelen, achter de maaiers; zoo is zij gekomen en heeft gestaan van des morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig.

RUTH. 2 : 1 — 7.

Voor dezen of genen is het wellicht na liet lezen van deze woorden eene vraag.... welk het onderwerp zal zijn, waarover wij thans behooren te spreken. Ontegenzeggelijk is er hier ter bespreking van de sociale toestanden stof te over. Daarenboven weet een ieder, die even meeleeft, dat de sociale toestanden en de sociale quaestiën tegenwoordig aan de orde zijn en vooral bespreking aan de hand der Heilige Schriften vragen. Ook is liet bekend, dat er in ons land eene patroonsvereeniging is. die zich „Boazquot; noemt naar den bloedvriend van Elimélech, Naomi\'s overleden man. En dat deze naam goed gekozen is, zal wel niemand tegenspreken, die Boaz kent en die met ons erkent, dat de sociale quaestie niet zou bestaan, in elk geval geene reden van bestaan zou hebben, indien alle patroons tegenover hunne werklieden en tegenover de armen gehandeld hadden, gelijk Boaz.

Dat zij zich „Boazquot; durft noemen, is dus van beteekenis en spelt veel goeds. Van harte hopen wij, dat zij. door het kiezen van en het zich noemen naar zijn naam, Naomi\'s bloedvriend geene oneer zal aandoen, maar in alles, wat goed is, op hem /al gelijken. Doch door het kiezen van zijn naam heeft deze patroonsvereeniging misschien meer willen uitspreken, dan dat de patroons, die tot haar behooren, gelijk hij moeten en willen handelen. Daar de naam Boaz beteekent, „in hem is sterktequot;\', wil zij daardoor wellicht ook wel te kennen geven, dat zij in

-ocr page 45-

HET BOEK EUTH. 41

--lt;5.—^ -----

en door vereeniging sterkte zoeken tegenover de werklieden, die zich ook en éerat in bond vereenigd hebben.

Dat de socialistisch gezinde werklieden het daarnaar wel maken, kan ook niet worden tegengesproken.

Inderdaad, de patroons mogen gerust en vrijelijk bij Boaz, den bloedvriend van Elimélech, en de werklieden bij zijne knechten en bij Ruth, de Moabietische, in de leer gaan.

Welk een zegen zou het zijn, indien allen, die werk geven, als Boaz, en die werk vragen en verrichten, Jils zijne knechten en als Ruth waren.

Doch hoewel wij aan de hand van onzen tekst over de sociale toestanden zouden kunnen spreken, hoewel hij daarvoor schoone en veelvuldige stof oplevert, toch mogen wij ons daartoe niet laten verleiden, omdat in onzen tekst niet Boaz en zijne knechten, maar wél Ruth en Naomi de hoofdpersonen zijn en op den voorgrond treden. Wie Ruth voor Naomi is en wat zij voor hare schoonmoeder doet, moet in de eerste plaats in het licht worden gesteld. Over Ruth, die altijd afgebeeld en voorgesteld wordt met eene korenaar in de hand, moeten wij spreken.

De trouw harer liefde moeten wij doen uitkomen; en daaraan al het overige, hier vermeld, ondergeschikt maken ; allen en alles moeten rondom haar en de trouw harer liefde worden gegroepeerd. Zelfs treedt de ongeziene Hand, die lang daarna het „Mené, Mené, Tekel, Upharsinquot; schreef en óók hier, doch op geheel andere wijze, is op te merken, op den achtergrond ; ja, zóó op den achtergrond, dat er zelfs met geen enkel woord sprake van is.

Het oplezen van gerstearen door Ruth, Ruth, gerstearen oplezende, ziedaar het onderwerp, ons door den tekst gegeven.

Daarin zien wij, hoe

I. de trouw harer liefde wordt beproefd;

II. de trouw harer liefde wordt geopenbaard; en

III. de trouw:\' harer liefde wordt gekroond.

O. wat buigt de Heilige Geest, die de auteur der Heilige

-ocr page 46-

42 HEÏ BOEK RUTH.

---lt;$--^---

Schriften is, ja die alles onder zijn geheel eenigen, wondervollen invloed overeenkomstig zym keuze schril ven liet. zich toch diep neder, dat Hij zelfs het oplezen van korenaren daarin deed opnemen. Zeker, ook hiervan geldt het woord : „Al, wat tevoren geschreven is, is tot onze leering tevoren geschreven, opdat wij door vertroosting en lijdzaamheid der Schriften hoop hebben zouden.quot;

Dat Ruth gerstearen leest, dat zij dit moet en wil doen, ook daarin zag zij van achteren en zien ook wij de hand van haar God. Uit hetgeen ons van hare levensgeschiedenis beschreven is, blijkt het zoo duidelijk, dat dit aren lezen geleid heeft tot eene kennismaking, die zeer rijke, opmerkeliike, zelfs profetische gevolgen had. Deze gevolgen mogen wij. daar wij niet op het veld van onze broederen willen komen, niet in het licht stellen. Het zal, naar wij vertrouwen, zoo de Heere wil, later wel geschieden.

Maar dit- is waar van allen, die de Heere tot het geloot brengt, doch inzonderheid van hen, die Hij hier op aarde eene bijzondere bestemming geeft, dat Hij hun geloof beproeft en loutert.

Zooals wij reeds hoorden, is Ruth tot het geloof gebracht, ja, tut het geloof gebracht op zeer opmerkelijke wijze. Immers daarin kunnen en mogen wij het ondoorgrondelijke der regeering Gods zien. Elimélech en Naomi toch hadden met hunne kin-deien het land, door den Heere speciaal aan de Israëlieten tot woonplaats gegeven, niet moeten verlaten. Dat land te verwisselen met het land der afgoden, was eene niet te rechtvaardigen, willekeurige daad. Het is, of zij - in plaats van zich te buigen en te verootmoedigen onder de rechtmatige oor-deelen Gods, deze hebben willen ontvluchten.

Inderdaad opmerkelijk zijn dan ook met het oog hierop de woorden, door Naomi bij haar weder intreden in Bethlehem gesproken, de woorden: „Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeeren.quot; Let er wel op, dat zij zegt, dat

-ocr page 47-

HET BOEK RUTH. 4H-

-------

de Heere haar ledig deed wederkeeren. Zij heeft dus leeren inzien en diep gevoeld, dat Hij hen tegengekomen is in den weg, dien zij gingen ; dien zij gingen, misschien op haar aanhouden. Maar toch — en dit behoort mede tot het ondoorgrondelijke der wegen Gods — is hun henengaan naar het land der Moabieten tot een rijken zegen geweest, niet het minst voor Ruth.

Gewis, door hen heeft de Heere Ruth geleerd Hem, als den eenigen, waren God, als den God van Irsaël, te kennen en lief te hebben. Immers zegt ons dat hare onvergetelijk schoone en rijke belijdenis : „Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.quot;

Allen, met wie zij den God van Israël heeft mogen dienen, zijn gestorven; alleen Naomi is overgebleven. Hoeveel heeft zij van Naomi, die immers de hand van haar God in heur bange wegen heeft gezien en opgemerkt, mogen leeren; hoe diep heeft zij met haar gevoeld, hoe menigmaal met haar getreurd, geweend en over de geliefde dooden gesproken, maar ook gesproken over den dienst en de wegen Gods. Naomi is haar in dei-waarheid meer dan eene schoonmoeder; eene geestelijke zuster, meer nog, eene geestelijke moeder is zij haar geworden. Natuurlijke en geestelijke banden heeft de Heere tusschen haar en Naomi gelegd. Van Naomi te scheiden, is haar dan ook ondenkbaar. Zij wenscht met deze hare onvergetelijke schoonmoeder te leven, tot dat de dood haar scheiden, voor eene kleine wijle scheiden zal.

Eén en lotgemeen, alzoo is hare keuze. Immers, toen hare aanhankelijkheid op de proef gesteld werd en Naomi op het wederkeeren naar haar land en volk sterk aandrong, maakte zij daaraan een einde met de woorden: ,Waar gij zult henengaan, zal ik ook henengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik ook vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; al zoo doe mij de Heere en alzoo doe Hij

-ocr page 48-

44 HET BOEK EUTH.

--------------------0—^-------—

daaitoe, zoo niet de dood alleen scheiding maken zal tusachen mij en tusschen u!quot;

Met Naomi, die niet langer op haar wederkeeren aandrong, kunnen en moeten wij erkennen, dat Ruth het oprechfmeent, dat zij met meer dan natuurlijke banden, dat zij met de banden van de liefde des geloofis aan Naomi, aan het volk, aan den dienst Gods en aan denHeere zelf verbonden is.

Gewis, dat gevoelde zij, toen de voorslag om weder te keerer? haar werd gedaan, dieper dan wel ooit tevoren. Daar, in het veld, op dien tweesprong koos zij met een beslist en volkomen hart; zii legde daar eene onvergetelijk schoone belijdenis af en bleef met een ernstig voornemen bij den Heere, bij zijn volk en bij hare schoonmoeder. Doch liet is naar de opvoedkunde van haar en onzen God en Vader, ons geloof te beproeven, te louteren en alzoo te versterken. Die Hij lief heeft, die Hij, als Ruth, hooger opvoeren en eene bijzondere plaats geven wil, kastijdt Hij. Degenen, die Hij verhoogt vernedert Hij; Gods wegen met haar loopen zóó, dat zij in den toestand en in de gelegenheid komt, hare schoone belijdenis te bevestigen, ja, met daden te bezegelen. Ja, door zijne verootmoedigingen maakt Hij ons groot.

Dat, mag en moet ook de Moabietische ervaren. Gods weg gaat ook met haar eerst door de diepte; ook haar is Hij een God, die zich verborgen houdt, doch tegelijk, zooals haar van achteren blijkt, de God Israels, de God van trouw en liefde.

Maar zie, dan is het de vraag, of wij onze liefde, als Petrus, verloochenen zullen, of wel, dat wij haar gestand doen en getrouw blijven, hoe ook de wegen loopen.

Toen Naomi en Ruth Bethlehem, het broodhuis, binnentraden, stond oogenschijnlijk alles goed aan; immers werden zij met de grootste belangstelling door de inwoners gadegeslagen en daarenboven werd vooral de moeder diep beklaagd. Maar ach, weldra bleek het, dat te beklagen en woorden van deernis uit te spreken ook te dien tijde wel zoo gemakkelijk

-ocr page 49-

HET BOEK EUTH. 45-

-----—#—^gt;-----

ging als te helpen, in\' den zak te tasten of op andere wijze niet daden hulpe te bieden.

Naomi is naar Bethlehem wedergekeerd, omdat zij had gehoord, „dat de Heere zijn volk bezocht had, gevende hun broodquot; ; doch uit vers 2 blijkt het wel, dat zij, die van God weer brood hadden gekregen, aan de weduwe, die zij zoo diep beklaagden, niet hebben gedacht, ja, dat zij haar niet hebben voorzien van de eerste levensbehoefte.

De Heilige Geest, die dit verhaal ons beschrijven liet en die ons natuurlijk de toestanden steeds naar waarheid teekent, geeft ons den indruk, dat de nood bij deze weduwe zeer hoog was geklommen. Het gebrek aan voedsel blijkt aanwezig te zijn.

Immers spreekt Ruth tot hare schoonmoeder, gelijk men doet in hoogen nood\'; zooals men spreekt, wanneer al menigmaal over den treurvollen toestand gesproken en reeds aan velerlei verwachting de bodem ingeslagen is ; gelijk men spreekt als men zich, na vele samensprekingen, gaat vernederen en het eenige middel, dat overbleef, bij de hand neemt. „Laat mij toch, zegt ze tot Naomi, — „in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien, in wiens oogen ik genade zal vinden.quot;

Het is zóóver gekomen, dat zij genadebrood moeten gaan eten; ach ja, zelfs weet zij niet, of haar dat zal vergund en gegeven worden; en moge dit al het geval zijn, dan nog moet zij het verdienen door het verrichten van den arbeid der doodarmen, en in de hitte van de zon.

Is het waar, wat de Joodsche overlevering zegt, dan is zij eene dochter van Eglon, den koning der Moabieten; maar hoe dit zij, wij zien, dat de wegen Gods met haar door de diepte gaan, en wij gevoelen wel, als wij met aandacht bij hare woorden stilstaan, dat zij zich diep vernederen moet en dat de nood hoog is. Zóó diep moet zij zich vernederen, dat Naomi haar er blijkbaar niet voor over heeft; het is, of deze het reeds eenigen tijd heeft tegengehouden, en zij daarom zegt: „Laat mij toch gaan.quot;

Daar komt bij, dat het Ruth, die gehoord heeft, en zoo kinder-

-ocr page 50-

46 HET BOEK RUTH.

--lt;$-----

lijk heet\'c mogen gelooven, dat de Heere in zijne liefde en trouw zijn volk bezocht heeft, gevende hun brood, gewia en zeker erg tegenvalt in dit goede en heilige land, in het land, waar de Heere God op geheel eenige wijze woont, in het land, waar Hij zijn vuur en haardstede heeft, waar Hij alleen gekend en gediend wordt, en zijn uitverkoren volk wonen doet.

Xiet waar, als ons geloof zoo kinderlijk is, als wij, gelijk zij, Ood en zijn volk tegemoet treden, daaraan ons verbinden en overgeven, dan hebben wij van God en zijn volk meest goedertierens gedachten; in den beginne zijn wij op dergelijke wegen en ervaringen het allerminst voorbereid.

Het kan wel niet anders, of het moet ook Euth bitter tegenvallen. Hetgeen zij in \'s Heeren tegenwoordigheid, in het land, naar zijn naam genoemd, en onder zijn volk ervaren en doorleven moet, heeft zij zich zeker niet voorgesteld. Ontegenzeggelijk was hare voorstelling eene andere.

En dat de Heere in en door deze wegen de trouw harer liefde beproeft, ja, op eene zware proef stelt, neen, dat verstaat zij nu nog niet.

Het is daarom (ie vraag, of zij bij zoovele en zulke bittere teleurstellingen niet denkt aan wederkeeren. Of hare oogen niet terug zien, nu het hier zoo bijster tegenvalt, naar haar land en volk, waar zelfs Elimelech en Naomi met hunne zonen in dergelijken nood zijn heengegaan.

Het is niet tegen te spreken, dat haar geloof in God en hare liefde tot Naomi en haar volk op eene zeer zware proef worden gesteld.

Het geloof, dat stand houdt in de diepe en donkere wegen, dat de brokjes, die daar vallen van de tafel der heeren, nog een zegen, een rijken zegen acht. overwint echter en wordt ten slotte, gelijk later dat der Kananeesche vrouw, geprezen. Driewerf gelukkig! zij houdt stand in het midden der beproeving; immers blijkt het genoegzaam, dat er van wederkeeren zelfs geene sprake is.

De teleurstellingen en de moeielijke wegen zijn anders

-ocr page 51-

HEÏ BOEK RUTH. 47 --

maar al te dikwerf oorzaak, dat de onderlinge liefde verkoudt en dat de een den ander als de oorzaak der ellende aanziet en dies daarvan de schuld geeft. Het allermeest is dat nog wel bij armoede het geval. De critiek op elkander blijft dan vaak niet uit.

Doch van dat alles blijkt uit de korte levensbeschrijving, die wij van Ruth en Naomi hebben, zelfs niet het allerminste. Integendeel. Deze weg van beproeving geeft Ruth de ongezochte gelegenheid om de trouw harer liefde op onovertrefbare wijze te openbaren. Deze openbaart zij ook tegenover den Heere ; want het komt zelfs niet in hare gedachten, heen te gaan en weder te keeren naar het land der afgoden, den Heere een scheid-brief gevende. Zij blijft in het land, waar de Heere woont, waar Hij zijn tabernakel en zijn volk heeft en waai\' Hij thans uitsluitend wordt gediend.

Door hare daden spreekt en zegt ze nog: „Naomi.! uw God is mijn Godquot;.

Ook tegenover het Israölietische volk openbaart Ruth de trouw harer liefde; in weerwil van de teleurstellingen houdt zij vast ook aan dit gedeelte harer belijdenis: „ Uw volk is mijn volkquot;. Geeft het haar arbeid noch brood; kan het beter medelijden uitspreken dan hetoonen, beter beklagen dan helpen, zij wil het evenwel niet verachten, noch het den rug toekeeren, zij heeft het desniettegenstaande lief; zij heeft het lief, al wordt zij er ook mee teleurgesteld. Dat toont zij, want zij blijft nog in zijn midden, ja nog meer, zij treedt het tegemoet en wil zien. of zij „genadequot; bij hetzelve vinden kan, door voor hare moeder en haar zelve door den nederigsten arbeid brood te zoeken.

Niet verwijtend en eischend, niet op der socialisten wijze, maar ootmoedig en nederig, vragend om en pleitend op ontferming, wil zij uitgaan en gaat zij uit tot het volk. Gewia, daardoor heeft zij de trouw harer liefde aan het volk harer keuze geopenbaard.

Doch hoe kennelijk en voorbeeldig heeft zij die jegens Naomi, hare schoonmoeder, ten toon gespreid.

-ocr page 52-

48 het boek ruth.

-----lt;§■—^—-$gt;-----

Gewis, zij is een voorbeeld, naar de beschrijving des Heiligen Geestes, voor alle eeuwen en alle geslachten, een voorbeeld van kinderlijke gehoorzaamheid, aanhankelijkheid, onderdanigheid, arbeidzaamheid, liefde en trouw.

In en door haar gedrag zegt de Heere God ons, hoe Hij wil, dat kinderen tegenover hunne ouders, zelfs tegenover hunne schoonouders zullen staan en zich gedragen.

Zij mort, zij klaagt, zij gebiedt niet, maar zij vraagt; en dat doet zij daarenboven op nederige en zeer onderdanige wijze ; immers spreekt zij als iemand, die erkent, dat een ander over haar te gebieden heeft: „Laat mij toch in het veld gaan , zegt zij tot hare schoonmoeder.

Het is, alsof zij kinderlijk van haar smeekt, het armoedige en nederige werk van gerstearen te gaan lezen te mogen verrichten. Zelfs weet ze niet, waar ze zal heengaan; geen akker is haar aangewezen en gegeven; op Gods genade wil ze uitgaan en daar lezen, waar zij genade vinden zal, waar het haar

maar zal vergund worden.

Ze loopt evenwel niet eigenwillig heen, maar wacht; ze wacht, tot hare schoonmoeder heeft gesproken. Deze zegt; „Ga heen, mijne dochter!quot;

Voorbeeldige Ruth ! Wij beminnen u, wij hebben u lief om uwe nederigheid, uwe aanhankelijkheid en gehoorzaamheid, ja om de trouw der liefde, die gij tegenover uwe schoonmoeder aan den dag legt.

Gij toont, dat het woord, door u gesproken, geen woord der lippen is geweest. Gij zegt het en gü meent het. Geen blijk van teleurstelling toch wordt bij u opgemerkt, nu gij de toestemming tot den arbeid verkregen hebt. Inderdaad gebeurt het, dat eene zoodanige toestemming tegenvalt en daarom met allerlei bedenkingen wordt beantwoord. Het spreekt vanzelf, dat men in dat geval zich mooier voordeed, dan men was.

Maar zoo is het bij Ruth niet.

„Zij ging heen, en kwam, en las op in het veld achter

-ocr page 53-

HET BOEK EUTH. 49

--^^--

de maaiers.quot; Zonder aarzeling dus, zegt ons de Heilige Schrift, dat zij uitging en oplas. Zij las, doch niet op eigen gezag en zonder te vragen, of zij dit mocht doen; niet als haar recht, maar als eene gunst las zij op van de aren.

De geest van het socialisme is haar vreemd. Hij is. haar vreemd, hoewel, volgens de Goddelijke wet, de nalezing-voor de armen en de vreemdelingen was.

Wat voor den Israëliet verplichting is, wat hij verplicht is te geven, vraagt zij, en is voor haar eene gunste. Immers, zij hadden de wet kunnen houden, maar het anderen armen of vreemdelingen kunnen geven. Dit gevoelde en erkende zij, al staat dat recht, — namelijk, om het te geven aan wie men wilde, en niet aan den eerste, die zich aanmeldde — niet in de Schrift beschreven. Daarom zeide ze tot Naomi: „Achter dien zal ik lezen, in wiens oogen ik genade zal vinden.quot; Immers geheel dienovereenkomstig bemerken wij, uit vs. 7, dat zij gehandeld heeft.

De persoon, die over de maaiers gezet was, verhaalt aan Boaz, dat zij eerst tot hem gekomen is en gezegd heeft: ..Laat mij toch oplezen en bij de garven verzamelen achter de maaiers.quot;

Zij heeft zich alzoo niet slechts nederig en bescheiden voor hare schoonmoeder, maar ook voor den vertegenwoordiger van Boaz geopenbaard. De trouw harer liefde komt in haar ootmoedig, maar dringend verzoek, om te mogen lezen, bij vernieuwing voor den dag. Ze legt het zoo bescheiden aan, dat weigering van haar verzoek niet wel mogelijk is.

Door van recht te spreken, zou ze wellicht prikkelen en de gevraagde geringe arbeid haar nog worden betwist en ontzegd. Doch nu zij het zoo nederig vraagt, heeft „de jongenquot; er blijkbaar zelfs niet aan gedacht, haar een weigerend antwoord te geven.

Het is, als wil hij tot zijn meester, tot Boaz, zeggen: Het spreekt vanzelf, dat ik haar lezen liet. Ze heeft er zich dus ook op het veld niet van afgemaakt, maar het zoo aangelegd,

-ocr page 54-

-50 HET BOEK EUTH.

--^^---

dat zij lezen kon en lezen mocht, en dat zij, door dat te doen, de trouw harer liefde aan Noami kon openbaren.

Deze heeft zij ook nog geopenbaard door haar. in het oog vallenden, aanhoudenden arbeid.

Wanneer, zooals bij Eulh, de trouw der liefde ons drijft en ons een prikkel is, arbeiden wij voorbeeldig; koude en hitte kunnen wij dan trotseeren ; en met het uur wordt zoo niet gerekend ; veel te verzamelen, teneinde in de behoefte te voorzien, is dan de begeerte. Hare arbeidzaamheid heeft dan ook de aandacht getrokken; haar vrijheid tot lezen te hebben gegeven, berouwt niet; inderdaad, zij is het waard. „Zyj heeft gestaanquot;, zegt de jongen tot Boaz, „van des morgens af tot nu toe.quot;

Wij moeten, wil hij zeggen, hare vlijt en alzoo de trouw harer liefde bewonderen. Ja, de trouw harer liefde bewonderen ; want wij kennen haar; wij weten, wie zij is en voor wie zij

O

arbeidt; „zij is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomiquot; — die beklagenswaardige — „is wedergekomen uit de velden Moabs.quot; En het waren, gerekend met de hitte en de uren van den dag, slechts oogenblikken, dat zij onze hut, als haar tehuis, als hare rust- en schuilplaats heeft bezocht.

Als iemand, die aandrift voor den arbeid heeft en zich zelve daarom geene rust gunt, openbaarde zij zich van den aanvang van onzen en haar arbeid tot nu toe.

III. Reeds in het zeer gunstige getuigenis, dat door „den jongenquot; aan Boaz van hare arbeidzaamheid gegeven wordt, wordt de trouw harer liefde gekroond. De jongen stelt haar, als de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi wedergekeerd is uit de velden Moabs, op de loffelijkste wijze aan Boaz voor.

Hieruit blijkt, dat zij genade gevonden, dat zij de achting en de gunst althans van Boaz\' knechten al verworven heeft.

Wanneer wij als vreemdelingen in een ons vreemd land voor het eerst uitgaan en wij zulke aanbevelingen ontvangen, dan hebben wij reden van tevredenheid. Een goeden naam en gunst bij het volk te hebben, is een zegen. Daarenboven is zij door

-ocr page 55-

HEï BOEK RUTH. 51

---^^-

-den jongen ingeleid en onwillekeurig aanbevolen als iemand, met wie zijn meester in familiebetrekking staat. Wellicht toch heeft hij, zonder het te weten, door het noemen van Naomi\'s naam, Boaz herinnerd aan de betrekking, waarin deze arme, jonge vrouw tot hem, en hij alzoo tot haar, staat. Dat dit van beteekenis is, dat op die betrekking hier de aandacht gevestigd wordt, leert ons reeds het eerste vers, ons thans ter overdenking gegeven.

Hoe treffend komt in alles het voorzienig bestuur van haar •God hier uit. Hoe langer hoe duidelijker treedt dat in deze geschiedenis in het licht. Ik onthoud er mij van, dat in bijzonderheden aan te wijzen, omdat dit later, zoo de Heere wil en wij leven, door mijne ambtsbroeders moet en zal gedaan worgden. Slechts voorzoover het in deze verzen uitkomt, spreken wij er thans over.

Zij heeft aan die betrekking niet gedacht, er niet mee gerekend, toen zij uitging, om te zien, of zij ergens lezen mocht. Immers toen zij tot hare schoonmoeder zeide: „Laat mij toch gaan,quot; luidde het; „Ik zal oplezen achter dien, in wiens oogen ik genade zal vinden.quot; Zij was onbekend ; zij wist niet, op welk veld zij kwam en was; het was haar alles vreemd, op genade hopende, ging zij uit. Doch het is wel zeker, dunkt mij, dat zij, toen zij uitging, haar oog niet slechts op de genade van het volk, maar ook, en wel in de eerste plaats op de gunst en de hulpe van Hem gericht heeft, dien zij in één adem en volzin met het volk heett genoemd, toen zij tot Naomi zeide : „Uw volk is mijn volk en mv (rod is mijn God.quot;

Immers als God onze God is, dan bidden wij tot Hem. Dat doen wij bij name in den nood; dat doen wij vooral, als wij in den vreemde zijn en uitgaande in het veld, als zij, ons eenzaam •en verlaten gevoelen. Daar komt bij, dat de gewijde geschiedenis ■ons leert, dat de Heere, wanneer Hij ons helpen, redden en geven, ja wanneer Hij ons groot maken wil, ons eerst leert indden. Opdat Gods kinderen de hand, de liefde en de trouw

-ocr page 56-

52 HET BOEK EUTH.

---O—^-

van hun God en Vader zouden zien en prijzen in hetgeen Hij hun geeft, leert Hij er hen in den regel eerst om bidden. Omdat deze dingen alzoo zijn, durven wij aannemen, dat Ruth niet op de genade van haar volk gehoopt heeft, zonder de genade van haar God in te roepen. Ja, dat zij den Heere gebeden heeft, dat Hij haar gang besturen, haar genade bij het volk doen vinden en haar een goed veld met aren geven mocht.

Het is in het derde vers, naar het voor ons vaststaat, dan ook maar beschreven, gelijk het zich aan den mensch oogen-schijnlijk voordoet.

Wij lezen er: „Haar viel bij geval voor een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimelech wasquot;.

Het woord „toevalquot; of „bij gevalquot; mogen wij wel gebruiken ; immers de Heilige Geest gebruikt het hier ook en Jezus heeft het in de gelijkenis van den Samaritaan insgelijks gedaan. Wij mogen alzoo de dingen bespreken en beschrijven, gelijk ze zich voor ons menschelijk oog voordoen, want wat de Heilige Geest en de Zoon des menschen deden, mogen wij ook doen.

Doch tegelijk moeten wij met den Catechismus inzien en erkennen, dat er, uit het oogpunt van Gods voorzienig bestuur de zaak beschouwd, geen toeval is. Geen haar zelfs valt er van ons hoofd zonder den wil van den hemelschen Vader. Rijkdom en armoede, ja, alle ding komt van zijne vaderhand ons, zijn kinderen, toe.

Gewis, Hij is het, die den gang van de Moabietische bestuurt. Hij brengt haar door zijne vaderlijke leiding tip het veld van Boaz ; Hij doet haar genade vinden bij den jongen en de knechten van dezen heer; Hij beschikt het zóó, dat zij komt bij den bloedvriend van haar man, bij hem, die van het geslacht van Elimelech is.

O, die goddelijk verborgen vaderhand is, gelijk van achteren wordt ingezien, hier kennelijk werkzaam. Ja, haar God is met haar, meer dan zij op het oogenblik inziet en weet; Hij geeft haar, en in en door haar aan Noami, van deze ure aan hetgeen haar noodig is tot onderhoud van het leven.

-ocr page 57-

HET BOEK RUTH. 53

--—t-❖---

quot;Wonderlijk zLjn, sedert dezen gang naar het veld, ook weer ■de wegen, die de Heere met haar houdt. Liep het pad eerst «aar do diepte, steeds meer naar de diepte, nu, nu is er, zonder dat zij het nog weet, een keerpunt in hare levensgeschiedenis gekomen.

In die diepe wegen heeft zij het onvergetelijk schoone woord: „Uw volk is mijn volk en uw God is mijn Godquot;leeren uitspreken. Driewerf gelukkig, als zij in de wegen des voorspoeds •even diep die liefde en dien band mag blijven gevoelen, als zij daarin evenveel leeren mag.

Onder het bestuur van haar God en Vader in den hemel is zij in aanraking gekomen met een man van beteekenis; met een man, „geweldig van vermogenquot; ; een man, die machtig, rijk en goed is, en wat nog meer zegt: ze is in aanraking met -een man, die — als zij — den Heere vreest en dient.

Deze man nu is „een bloedvriendquot; van haar schoonvader en dies ook van haar overleden man. Een bloedvriend, dat wil hier zeggen, dat hij een van hare lossers is. En hij kan lossen, omdat hij geweldig van vermogen is en omdat hij geene vrouw heeft.

Niet alleen het erfgoed kan hij Naomi en haar wedergeven, maar hij kan ook, volgens de Mozaïsche wet, haar man worden, en haar overleden man onder den zegen Gods zaad verwekken.

Hoe wonderbaar zijn toch de wegen des Heeren. Denken wij aan hare diepe armoede en haar heengaan naar het veld, waarop zij genade vinden zal, aan haar komen juist op den akker van Boaz, „een bloedvriendquot;, dan, niet waar ? zien wij in dit alles •de hand haar Gods ; ja, dan wordt het ons duidelijk, dat de Heere .ze op ongedachte wijze elkander ontmoeten doet, en dat Hij de trouw harer liefde kroont.

M. A. L.

-ocr page 58-

Toen zeide Boaz tot Ruth : Hoort gij niet, mijne dochter ? ga niet, om in een ander veld op te lezen ; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij rnijne maagden.

Uwe oogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en gij zult achter haarlieden gaan ; heb ik don jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? als u dorst, zoo ga tot de vaten, en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben.

Toen viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde, en zij zeide tot hem; Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij kent, daar ik eene vreemde ben?

En Boaz antwoordde, en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt, na den dood uws-mans, en hebt uw vader en moeder, en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.

De Heere vergelde u uwe daad! en uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels,\', onder wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen.

En zij zeide : Laat mij genade vinden in uwe oogen, mijn heer! dewijl gij mij getroost hebtr en dewijl gij naar het hart van uwe dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben., gelijk eene uwer dienstmaagden.

Ruth 2 8.-13..

.

-ocr page 59-

55

HET BOEK RUTH.

-lt;$quot;■——quot;£gt;-

\' LSDAN zal de Koning zeggen ; Komt in, gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is voor de grondlegging der wereld; want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven ; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gege-ven. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd ; Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik was krank en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zij t tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij ü hongerig gezien en gespijzigd, dorstig en te drinken gegeven, vreemdeling en geherbergd ? Dan zal Hij hen antwoorden: voor zooveel gij dit aan een mijner minste broederen gedaan hebt, zoo hebt gij dat aan Mij gedaan.quot;

Daar is eene vergelding des loons in den dag aller dagen. Een beker koud waters, om Christus\' wil gegeven, heeft loon bil Hem. Niet om het loon alleen mag het gedaan worden; maar wel mag er worden gezien op de vergelding des loons. Dit deed Mozes. Dit was ook de gedachte, die de ziel van Boaz vervulde, toen hij tot Ruth zeide: „De Heere vergelde u uwe daad en uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels.\'quot; In de vorige verzen van dit hoofdstuk zagen wij de lieve Ruth ijverig bezig met aren lezen op Boaz\' akkers. Niets was haar te veel geweest en met belangstelling had de meester zelf haar gadegeslagen. Nu achtte hij het oogenblik gekomen, om haar eene wijle te doen rusten van den vermoeienden arbeid en enkele stonden met haar te spreken.

Het gesprek tusschen deze beide personen is treffend en schoon, en vergunt ons een blik te slaan in beider hart.

Wonderlijk zijn vaak de wegen van Gods voorzienig bestuur, en treffend juist drukt onze onderwijzer in de tiende Zon-dagsafdeeling het uit, als hij zegt, dat niets ons bij geval

-ocr page 60-

56 HET BOKK RUTH.

--O—#—-

overkomt, maar alles van zijne vaderlijke hand ons is toekomende.quot;

Dit was in alles de ervaring van Ruth geworden. Wonderlijk waren de wegen geweest, waarlangs C4od ze geleid had, en zij was in dit alles een leerzaam en treffend beeld van de wondere leidingen des Heeren met de zijnen.

Hoe had Hij ze uit Moab geleid, naar Bethlehem gevoerd, daar hare liefde beproefd, zoodat zij, wellicht eene koningsdochter, als eene arme dienstmaagd de hitte des daags moest verdragen, om achter de maaiers van Boaz\' akkers de aren op te lezen.

Wondervolle weg des Heeren.

Dikwerf leidt het pad door het heiligdom en is Hij een God, die zich verborgen houdt, maar die op zijn tijd ook weder heerlijk de nevelen vaneen scheurt, om ons te bestralen met het lieflijk licht van zijn gunstrijk aanschijn.

Onder alles had de Heere \'t wel gemaakt en zou het ook voorts weimaken met de Moabietische.

Terwijl Ruth zoo bezig is op het veld, om de aren bijeen te lezen, komt de eigenaar zelf, teneinde het werk eens te overzien.

Aanstonds wordt zijne aandacht getrokken door die jeugdige vrouwe. Zij boezemt hem belang in, zoodat hij tot den opzichter de vraag richt : „Wiens is deze jonge vrouw?quot;

Deze beantwoordt zijn meester, en dat antwoord wakkert bi] Boaz de begeerte aan, om meer van haar te weten.

Hij richt zich nu persoonlijk tot die arenleester en zegt tot haar: „Hoort gij niet, mijne dochter T\'

Wellicht had hij haar eenmaal geroepen, maar had zij, hetzij uit verlegenheid, of wel door den ingespannen arbeid, geen antwoord gegeven op de toespraak.

Hoe het zij, recht vriendelijk klinkt de vraag, door den landheer tot haar gericht.

Daar is niets hoogs, niets terughoudends of slepend deftigs in, om den afstand te laten gevoelen, die er tusschen beiden bestaat. Niets van dit alles.

-ocr page 61-

HET BOEK EÜTH. 57

--. lt;£■--^--«£gt;----

Och, het ia zulk een verschil, hoe men iemand toespreekt, en vooral hoe de aanspraak is van iioogeren tot lageren.

De een stoot terug door hoogheid, norschheid, onvriendelijkheid, een ander trekt aan door de welwillende houding en weet den mindere aanstonds op zijn gemak te brengen en tot spreken uit te lokken.

Zoo was het met Boaz.

Mijne dochter, zoo betitelt de rijke landheer de arme vreemdelinge, en dat deze titel geen losse klank of navolging is van eene bestaande gewoonte, blijkt in het vervolg helder en klaar.

De uiterlijke, koude welwillendheid moge soms gebruik maken van woorden, die een lieflijken klank hebben en dat slechts doen ter wille „van den vormquot;, — zonder het daarom te meenen, — bij Boaz is daar geene sprake van. Hij meent, wat hij tot Ruth zegt, evenals zijn groet tot de maaiers oprecht en welgemeend was.

Wellicht noemt hij ze zoo om Naomi\'s wille, die zijne bloedverwante is.

Neen, hij schaamt zich zijner arme en verarmde familie niet, gelijk zoovelen doen in het leven, voornamelijk als zij zelf uit lageren kring zijn opgeklommen en nu bevreesd zijn, dat anderen dit zullen vernemen.

Hier ligt ook een sociaal gebrek bij zoovelen, om de familiebanden te miskennen van diegenen, die niet op dezelfde sport van den maatschappelijken ladder met hen staan, maar immer, te pas en te onpas in het gesprek de namen te noemen van die leden der familie, die klinkende titels hebben gekregen.

Het leven is soms zoo onwaar, zoo huichelachtig.

Boaz schaamt zich zijner familie niet.

Hij noemt ze zijne „dochterquot;, na al wat hij van haar vernomen heeft; maar ■ dadelijk bepaalt hij ze ook bij de roeping, die zij moet volbrengen. Hij zegt: Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van mij niet weggaan, maar hier zult gij u houden hij mijne maagden.

-ocr page 62-

58 HET BOKK RUTH.

---—amp;—•£gt;-

Hoe schuchter zal Ruth hebben opgezien bij het hooren dezer woorden. Als muziek zal haar hebben tegengeklonken het „mijne dochter.quot; Voor haar begint de hemel op te klaren. De Heere geeft uitkomst. Hij zorgt. Gansch den oogsttijd kan zij daar blijven en mag zij vertoeven op de akkers van Boaz. Dit begrijpt zij: daar is voor haar werk en brood.

Eene leerzame terechtwijzing ligt er tevens in dit woord opgesloten.

quot;Wat toch is het geval? Bij menigeen is de zucht naar verandering groot en sterk, en dikwerf ontmoet men personen, die het niet lang bij iemand kunnen uithouden, maar gedurig, als stormvogels overal heenvliegen en zich nergens tehuis gevoelen..

Onder het dienend personeel zijn er verscheidenen, voor wie het moeilijk en bezwaarlijk schijnt, zich ergens tehuis te gevoelen, die maar immer uit zijn op „den trekquot; en eene zekere voorliefde schijnen te bezitten, om gedurig de voeten onder eens anders tafel te kunnen steken.

Vooral ook onze tijd mist zoo menigwerf dat gevoel van saamhoorigheid, van rustige rust, van meeleven. Er worden zoo weinig Eliëzers gevonden, en nog minder, die verlangen, als in de dagen van Israël, dat het oor doorpriemd mag worden. Onze tijd brengt eene losheid mede ; daar wordt zoo weinig band gevoeld. Vandaar ook weinig vertrouwen en weinig over hebben voor elkander.

De les, door Boaz aan Ruth gegeven: „Ga niet in een ander veld, om te lezenquot;, mocht door velen wel eens ter harte worden genomen, vooral door dezulken, die zoo menigvuldig klagen over de weinige liefde onder het menschdom, en het weinig over hebben voor elkander.

Waar geen band is, hoe kan daar ooit de rechte liefde worden geopenbaard?

In menig opzicht (zeker, er zijn altijd uitzonderingen !) zou \'ter beter uitzien met de verhouding tusschen heer en knecht, vrouw en meid, als de les van den Bethlehemiet meer

-ocr page 63-

HET BOEK RUTH. 59

---gt;£gt;-----

ter harte werd genomen; dan kwam er vanzelf meer vertrouwen, hulpvaardigheid en gemeenzaamheid, meer een leven met en voor elkander, begrijpende, dat de belangen niet tegenstrijdig, maar bijeen behoorende zijn.

Mochten dan velen in onze dagen de waarschuwing verstaan, om niet, terwijl ze nog op den eenen akker arbeiden, waar werk in overvloed is, al weder uit te zien naar een anderen, soms om eene kleinigheid meer verdiensten.

Gedurig wisselen mag soms tijdelijk eenig geldelijk voordeel medebrengen, in werkelijkheid is de vrucht; stoffelijk, zedelijk en geestelijk nadeel.

Boaz waarschuwt dus Ruth, om te blijven, en om een mogelijk bezwaar, dat bij haar zou kunnen opkomen, weg te nemen, nl. dat de knechts niet zouden handelen als de meester, voegt hij er aanstonds bij: .,Reh ik den jongens niet gehoden, dat men 11 niet aanroere ?quot;

Er zijn zoovele treffende punten van overeenkomst tusschen Boaz\' dagen en de onze, wat betreft de verhoudingen en toestanden in het maatschappelijk leven.

Ook in dit woord van den meester wordt gewezen op eene wondeplek van onze dagen in den omgang tusschen de verschillende sexen, vooral onder de lagere standen, wanneer beiden in ééne en dezelfde betrekking vertoeven.

„Ik heb gebodenquot;, zoo klinkt het stellig en ernstig van Boaz\' lippen tot Ruth, „dat mijne knechts u niet aanroeren zullen, zich geene ongepaste aardigheden en vrijheden tegenover u zullen veroorloven.quot;

In die dagen, zoovele honderden jaren geleden, was het, zooals het helaas, nu zoo onrustbarend erg is, dat nl. het gevoel van schaamte, kieschheid en zedelijkheid verre beneden peil was, vooral onder hen, die dagelijks met elkander in aanraking kwamen, en als vanzelf, op meer vertrouwelijken voet leefden.

Wie, die nu de straten onzer steden en dorpen langs gaat, ischaamt zich niet vele malen over de taal, die door ons op-

-ocr page 64-

60 HET BOEK RUTH.

--^^---

komend geslacht wordt geuit; over de woorden, die aan aankomende meisjes, aan onze dochters, worden toegevoegd, en die ze de kleuren doen uitslaan?

En bleef het nog bij woorden ! Doch wat spreekt er niet uit de gebaren en handelingen!

Het is schande, dat het gedaan wordt, en diep te bejammeren, dat het besef van zedelijkheid en welgemanierdheid bij velen onzer jongelingen en mannen zoo bedroevend gering bevonden wordt; -doch schandelijker is het, dat het zedelijk peil van menige jongedochter zoover beneden het nulpunt staat, dat zij door lach en blik en woord betoont, volstrekt niet onaandoenlijk, laat staan beleedigd te wezen voor en om de tegen haar geuite woorden.

Mocht menig heer een voorbeeld nemen aan Boaz, die ook hiervoor waakte.

Het pleit zoo voor hem, dat hij hieraan dacht, maar ook, dat hij geloofde, dat Ruth zelve hierdoor gerustgesteld zou zijn.

Het is goed, op deze woorden te letten, daar zij ons een blik doen werpen in het hooge, zedelijke karakter van den landheer uit Bethlehem, wat door sommigen in verband met de geschiedenis, in hoofdstuk 8 vermeld, wel eens in twijfel is getrokken.

Doch Boaz waakt niet slechts over haar, dat geen kwaad haar overkome, hij gaat verder, door haar in gelijke voorrechten te doen deelen met zijne knechten en maagden.

Het is brandend heet soms op het maaiveld, als de felle zonnestralen het aardrijk roosteren; eene verkwikkende teug is dan zulk eene lafenis voor degenen, die arbeiden op den akker. Als een goed landheer zorgt ook Boaz voor verkwikking van zijn volk, en stelt hij in de nabijheid vaten, \'t zij met een zekeren gemyrrheden drank gevuld, of anders voorzien van het heerlijke, frissche water uit den bronput van Bethlehem, waar in later dagen koning David zoo naar verlangde.

Nu geeft Boaz aan Ruth de vrijheid, om mede te gebruiken

-ocr page 65-

HET BOEK RUTH. 61

-—-----

van wat voor zijn dienstvolk is gereed gemaakt, en beschouwt haar dus in dit opzicht reeds als eene der zijnen.

„Als u dorst, zoo ga tot de vatenquot;.

Is het niet, als hooren wij hier alreeds de zachte fluistering van hetgeen later Boaz\' en Davids groote Zoon zou uitspreken, die alle dorstigen tot zich zou noodigen, ja \'t deed weerklinken over Palestina\'s landouwen en Galilea\'s bergen: „Zalig zijn ze, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd wordenquot; ?

„Wie dorst heeft, die kome, en wie wil. die neme de wateren des levens om nietquot;.

„Zoo u dorst, ga tot de vaten.quot; Welk eene lieflijke noodiging-naar de plaats, waar verkwikking en lafenis is te verkrijgen.

Meer dan Boaz kon, wil de getrouwe Zaligmaker den dorst lesschen dergenen, die zich in waarheid tot Hem wenden.

Hoe lieflijk waren de donkere wolken al weggetrokken van boven het hoofd der Moabietische ! Wat al voorrechten waren nu reeds haar deel geworden! Welkeen rijken zegen had God haar verleend !

Neen, dat heeft Ruth niet durven hopen, en \'t is, als trekt een blos van lieve verlegenheid haar over de wangen, waar de bemoedigende woorden van Boaz haar tegenklinken.

Het is, als zien wij ze daar eenigszins schuchter staan tegenover den meester, luisterend naar zijne woorden, en gelijk eenmaal Rebekka deed bij Izak, zoo doet ook Ruth, zi] valt op haar aangezicht en buigt zich ter aarde.

Het is eene diep deemoedige houding, die door de Moabietische wordt aangenomen bij de voor haar zoo verrassende en troostrijke toespraak.

Dat had zij niet durven en kunnen denken; zij, de vreemdelinge, arm, onbekend en dan zooveel voorrechten !

Uitgestrekt op de aarde, betuigt zij daarmede hare verwondering en blijdschap en verslagenheid, maar ook treden die te voorschijn in de woorden, die zij hooren laat tot Boaz :

-ocr page 66-

■62 HET BOEK RUTH.

-^—•$gt;-

„Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij kent, daar ik (ene vreemde ben?quot;

Wat lieflijk woord, door Ruth hier gesproken ! Zij is er ons te liever om, waar zij zoo hare verwondering en verbazing ons te kennen geeft.

„Waarom heb ikquot;, zoo vraagt zij, „genade gevonden?quot;

Zie, dat is haar een raadsel. Waarom zij? Juist zij. Wie is zi) ? Is zij geene arme vreemdelinge, geene heidinne ? Zijn er niet vele anderen onder de maagden op Boaz\' akkers, die haar overtreffen ? Waarom zij ?

Waarom haar die gunst en onverdiende goedheid bewezen, dat hij haar noemt zijne „dochterquot; en mee laat deelen in de voorrechten van zijn huis?

Ruth kan geene enkele reden vinden, waarom hij dat doen moest en zijn oog in welgevallen op haar sloeg.

Dat is voor haar onuitsprekelijk groot. Verslagen staat zij onder die bewijzen van gunst en ontferming.

Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen ?

Welk cene lieflijke houding van Ruth tegenover Boaz! Hoe treffend beeld is zij hier van liet verslagen en gebroken hart, dat verbrijzeld is onder de goedertierenheden en barmhartigheden en genade Gods, en bij het ondervinden der zegeningen Gods met David betuigt: „Wie ben ik, en wat is mijn huis, dat gij mijner gedenkt, en wat zal David nog meer tot u spreken : Heere, Heere ?quot;

Zoo was de houding van eene Elisabeth en van eene Maria, de moeder van Jezus, waar de wondervolle tijding Gods tot haar werd gebracht.

Het is de taal en de houding van allen, die de Heere uit vrijmachtig welgevallen tot zich gebracht heeft, en die, ziende op eigen schuld en wangestalte, gedurig verwonderend moeten uitroepen; „Waarom heb ik, onwaardige, genade gevonden in uwe oogen ?quot;

Te dieper en te grooter wordt die verwondering, als de

-ocr page 67-

HET BOEK RUTH. 68

-^-

afstand gemeten wordt,, die tusschen beiden bestaat. Ja, dan is het: „Waarom ia het, dat gij myj kent, daar ik eene vreemde hen ?quot;

Diep doordrongen is Euth van eigen kleinheid en geringheid, en het verbaast haar, dat die Boaz haar, Moabietische, vreemde, heidinne, die zij is, kennen en erkennen wil in het bijzijn van al ziine knechten en maagden.

Hier juist wordt kennen genomen, gelijk het veel in do Schrift voorkomt, nl. in den zin van ; gunstig zijn, een erkennen, welgevallen in iemand hebben, zooals b.v. staat; „De Heere kent degenen, die de zijnen zijnquot;, of: ,.De goede Herder kent zijne schapen.quot;

Het is voor Ruth een raadsel, wat dien Boaz bewogen mag hebben, haar te kennen, daar zij eene vreemde is, of gelijk er eigenlijk staat, van zoo volstrekt heidensche afkomst is, die niet van nabij zelfs verwant is met Israël, maar zooals Paulus dat zegt in zijn Efezerbrief, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen der beloften.

Is Ruth niet het treffend beeld van het hart, dat wegsmeltend vanwege eigen kleinheid en geringheid, van zonde en schuld, doordrongen is van den rijkdom der genade Gods in Christus Jezus, den Ueere?

Ja, dan ook wordt het: „Waarom Heere, aan mij die genade bewezen, want wie ben ik?quot;

„Ja, wie ben ik en waarom op mij ter neder gezien en duizenden voorbij gegaan ?quot;

Dan wordt het ook : „Het is niet desgenen, die wil. noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.quot;

Hij doet het om zijns zelfs wil.

Welk een genot is het, op Ruth te zien, waar zij zoo, eigen kleinheid betuigend, de grootheid van Boaz heerlijk laat uitschitteren.

Ruth heeft gevraagd, en uit dat vragen sprak haar kinderlijke geest: zij kon \'t zich niet verklaren, hoe die Boaz zoo met haar handelde. Zij overwoog en bedacht niet, dat het gerucht vquot;n

-ocr page 68-

64 HET BOEK KUTH.

hare daad en van hare liefdevolle toewijding tot hem zou zijn doorgedrongen, ja bedacht zelfs niet, of het eigenlijk der moeite waardig was, om er over te spreken. De liefde handelt immer zonder te vragen, of een ander het weet — uit eigen drang en aansporing.

Waar de Moabietische dat zelf niet heeft overwogen en bedacht, daar zal Boaz haar er de verklaring van geven, en daarin den sleutel schenken tot het geheim, hoe hij haar kent.

Ruth had bewezen de rechte liefde te bezitten, en er niet aan gedacht, of er ook iets verdienstelijks zou kunnen zijn in hare daden. Zij had niet gedacht aan eer of lof van menschen.

Op hare verlegen vraag klinkt aanstonds het mannelijke antwoord van Boaz : „Het is mij wel aangezegd, alles wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt, na den dood uws mans, en hebt uw vader en uwe moeder en het land uwer geboorte verlaten en zijt heen gegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.quot;

Alles wordt haar hier in soberen eenvoud herinnerd en voor de aandacht der jonge weduwe teruggeroepen.

Misschien hoort zij wel met eenige verwondering de woorden van Boaz aan, en staat zij er verslagen over. dat er zoo gesproken en geoordeeld wordt over dingen, die in hare schatting zeer gewoon en natuurlijk zijn.

Alles wordt haar hier herinnerd, en Boaz ontsluit haar als \'t ware de bladzijden van haar levensboek, en laat ze nu hare eigen geschiedenis lezen. Eenmaal zullen zoo in den dag aller dagen de boeken genomen en geopend worden en iedei inblikken in eigen leven, maar dan onder ander licht en andere omstandigheden.

Een heerlijk vergezicht opent het Woord onzes Gods er in, hoe dan ook de rechtvaardigen als Ruth zullen antwoorden: „Heere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en blind en naakt ?quot; om dan ook uit den mond van den hemelachen en waarachtigen Rechter het antwoord te hooren: „Wat gij aan de minsten mijner discipelen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan.quot;

-ocr page 69-

HEÏ BOEK RUTH. 65

--lt;^,---^gt;---—— —

,Het is mij wel aangezegdquot;, zoo herinnert Boaz haar. „al wat gij gedaan hebt.quot;

Eene Abrahamsdaad is het geweest: gelijk hij aan de roepstem Gods gehoor gaf en Ur der Chaldeën verliet, om heen te trekken naar het land, dat de Heere hem zeggen zou, zoo heeft ook zij gedaan. Zonder murmureeren toch, als de vader, der geloovigen, heeft zij ouders en verwanten verlaten, het land der geboorte vaarwel gezegd, om naar den vreemde te trekken, naar een volk, dat zij gisteren en eergisteren niet kende.

Welk eene gedachte zit er niet in opgesloten, in de eenvoudige teekening van Ruth\'s geschiecTenis.

Het is toch geene lichte zaak, van alles te moeten scheiden, wat ons lief en dierbaar, ja schier onmisbaar is geworden.

Zeker, het gebeurt dikwerf, dat zoon en dochter het ouderlijk huis en alles verlaten, om eigen huis te bewonen en een zelfstandig huwelijksleven aan te vangen, of wel, dat zij om eigen lot en toekomst te verbeteren den vreemde intrekken.

Dat men ter wille van de eer, van het genot, van den roem, van den gouddorst alles loslaat, is niet vreemd te noemen in deze wereld, doch dat iemand zijne eigen ouders en betrekkingen verlaten kan, om eene arme, behoeftige weduwe te volgen, die zonder toekomst is, dat is iets ganscH anders.

Nog grooter wordt dit alles, wanneer wij bedenken, hoe in die tijden de familiebanden sterker waren en het gevoel van saamhoorigheid zooveel inniger dan tegenwoordig.

Onze tijden zijn op dat gebied al zeer veranderd. De zelfzucht zit bij velen op den troon. Weinig band en saamhang bestaat er dikwerf. Een ieder tracht voor zich zei ven te zorgen. Waar dus nu de banden, onder de menschen in het algemeen, en ook onder familieleden, als vrucht van de hedendaagsche beschouwingen, veel losser zijn dan vroeger, daar wordt de daad van Ruth nog grooter en beteekenisvoller.

Neen, dan is het niet te verklaren uit natuurlijke oorzaken, want dan was alles er tegen. Wat trekt sterker, voornamelijk

-ocr page 70-

60 HET BOEK KUTH.

---^---

voor ecne dochter, dan \'t moederhart ? En Ruth scheurt er zich van los.

God zelf heeft op deze zondige wereld banden willen leggen, die hecht en krachtig zijn, banden, die slechts na eene smartelijke bewerking kunnen losgemaakt worden. Daar zijn banden van bloed en verwantschap, banden aan \'t vaderland en den grond der geboorte, banden aan den vaderlijken godsdienst.

De drie banden van Moed, van vaderland en godsdienst moesten hier verbroken worden.

Dat kon niet geschieden uit een natuurlijken drang, maar kon alleen daad des gtloofs wezen, om liever in een vreemd land naar de roeping Gods te leven, dan in eigen land de afgoden te dienen.

Het was een breken met alles, met het verleden en schij n-baar ook met de toekomst.

Duidelijk blijkt uit alles, dat hier alleenlijk de werking des geloofs openbaar werd. Het geloof redeneert niet, maar handelt. Alleen door de almachtige genade onzes Gods komt het tot een breken, zelfs tot een blijmoedig breken met alles, wat ons eerst gebonden hield. Dan leeren wij \'t zien, dat er inniger en heerlijker banden ziin, dan die ons binden aan vriend en magen en dat de banden des geestes alle andere verre overtreffen; dan begrijpen wij het woord: en zijt heengegaan naar een volk, dat gij van te voren niet kendet..

Zoo was het met Ruth naar waarheid gegaan. Zij had alles verlaten, om heen te trekken tot een volk, in alles zoo anders dan haar eigen volk en geslacht. Een volk met andere zeden, met vreemde gewoonten, met eene eigene taal, met andere opvattingen, en bovenal met de erkentenis, dat al de goden der volkeren afgoden waren, maar Jehova alleen de Heere ; een volk, dat stond tegenover al de andere volken en het voorwerp was van den haat en de verachting van de natiën der wereld.

Dat volk had zij tevoren niet gekend, doch de omgang met Naomi zal haar genoopt hebben, dat volk lief te hebben; en waar

-ocr page 71-

HET KOEK RUTH. 67

------^—Sgt;---

«de Geest dea Heeren haar hart opende, daar werd de zelfzuchtige gedachte weggenomen en de afkeer gebroken tegenover dat Israël, en openbaarde zich eene hartelijke toegenegenheid en ■ eene warme liefde tot dat volk, uit Abraham gesproten, ja zoo hartelijk, dat zij eigen huis en natie vaarwel zeide, om te trekken tot een volk, dat zij gisteren en eergisteren niet gekend had.

Hoe hoog en wonderlijk zijn de wegen Gods. Als Hij werkt, wie zal \'t keeren ? Hij maakt van ongewillig, gewillig, van tegenstrevend, volgzaam. Hij, die van haters bidders maakt, en vijanden tot vrienden verwekt, is dezelfde, die \'t harte bereid en volvaardig maakt, om alles te verlaten, en heen te trekken uit Ur der Ghaldeën en uit te gaan naar het land, dat de Heere, onze ■God, ons wijzen zal.

Bij dat alles wordt Ruth nu bepaald. Zij had er niet aan •gedacht, dat het parelen waren, wat haar nu voor de aandacht werd geroepen.

Ja, nog verder gaat Boaz, en als een ootmoedig zoon van Israël, als een patriarch onder de zijnen, roept hij haar, als \'t ware profetisch en priesterlijk toe : „De Heere ver gelde u uwe daad.quot;

Al die opeenvolgende daden van Ruth voegt Boaz bijeen. \'Zij vormen voor hem een geheel, de eene volgt uit de andere, omdat van alle de liefde de grond was en uit alles zulk «en kennelijke trek der genade Gods sprak, dat de landheer van Bethlehenr geen oogenblik twijfelt, maar haar zegenend ■toeroept: „De Heere veïgelde het uquot;, dat is geve u, wat u toekomt. Iemand iets vergelden is: iets terug betalen naar dat het waardig is.

Be Heere Jehova, die een heilig en rechtvaardig Rechter is, die zou haar geven naar hare daad, wijl Hij een Belooner is dergenen, die Hem zoeken, en wiens loon volkomen is vooral de zijnen.

„Uw loonquot;, zoo gaat dan ook Boaz voort, ,.zij volkomen van den Heere, den God Israels.quot; Niet een loon uit verdiensten, want als wij alles gedaan hebben, wat wij schuldig zijn, dan zijn wij slechts onnutte dienstknechten.

-ocr page 72-

68 HEÏ BOEK EUTH.

---lt;£.—^^---

Geen loon naar verdiensten, maar uit genade.

Daar is eene vergelding des loons en de heiligen uit het Oude Verbond waren diep doordrongen van die vergelding des loons en verstonden het daarom ook, dat de Heere recht is en rechtvaardig in zijn richten.

Daar is eene vergelding des loons. Alles roept het ons toe.. Het kan niet anders.

Nu reeds in het leven openbaart Hij het, en wie een open oog gekregen heeft voor het leven rondom zich, kan duidelijk de gangen Gods hierin bespeuren.

Vraag het aan Eli en zijn geslacht, of er geene vergelding des loons was reeds in dit leven.

Vraag het aan David en zijn huis, waarvan het zwaard niet zou wijken.

Zie het aan het geslacht van Jerobeam en van Achab.

Eoepen u niet de wateren der Roode Zee, en de puinhoopen van Jeruzalem, Babel en Ninive, met machtige stem toe; „Er is eene vergelding des loons?quot;

Straks, bij het geklank der bazuin, als het Maranatha zal worden vernomen, dan zal het volkomen worden aanschouwd, dat er eene vergelding des loons is bij den Heere, als de rechtvaardigen zullen ingaan in heerlijkheid, en de onrechtvaardigen moeten uitroepen: „Bergen, valt op ons, en heuvelen, bedekt ons. voor het aangezicht van den Almachtigequot;.

Daar is eene vergelding des loons.

Boaz riep het Ruth troostend toe: „Uw loon zij volkomen van den Heere, den God van Israël.quot;

Het is voor ons beperkt gezicht vaak onverklaarbaar, hoe die vergelding zijn zal, daar zelfs onze beste werken met zonden zijn bevlekt en door ongerechtigheden zijn bezoedeld.

De Heere ziet het hart aan. Hij weet en kent alle dingen^

Nog eene schoone gedachte voegde Boaz bij al de andere» die hij had uitgesproken, door te zeggen;

, Van den God Israels, onder wiens vleugelen gvj gekomen zijt~

-ocr page 73-

HET BOEK RUTH. 69

---$—--

■om toevlucht te nemen.quot;

Hoe lieflijk is het beeld, door Boaz gebruikt, het beeld van de klokhen, die, als er gevaar dreigt, hare kiekens tot zich roept en ze alle dekt met hare vleugelen, om ze zoo te beveiligen tegen het naderende gevaar.

Of was het niet een beeld, ontleend aan de arke des Verbonds, daar boven op het verzoendeksel de cherubim ston-\'den met uitgebreide vleugelen?

Toevlucht nemen onder de vleugelen van den God Israels, welk eene hartverheffende gedachte, en hos bepaalt het ons bij zijne vaderlijke ontferming en barmhartigheden, omtrent al de •zijnen. Is het niet, als beluisteren wij hier wederom de stemme van Hem, die het Jeruzalem verwijtend en klagend toeriep Jeruzalem,.Jeruzalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen bijeen-vergaderen, gelijk eene klokhen hare kiekens, en gij hebt niet gewildquot;.

De gedachte, door Boaz hier uitgesproken, vinden wij telken male terug, vooral in de Psalmen.

Uedurig is het hier: „Bewaar mij als het zwart uws oogappels, verberg mij onder de schaduw uwer vleugelen.quot;

Of: „Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, dies de menschen-kinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen.quot;

Het was zelts in later tijd in Israël de gewoonte, om een Jodengenoot, d. i.\'iemand, die uit het heidendom tot Israël was overgegaan, aan te duiden met den naam van; toevlucht genomen hebbende onder de vleugelen van Jehova.

De vleugel is eene verberging, maar ook een machtig wapen voor het dier.

Waag het niet, een zwaan, die jongen heeft, te naderen, want met krachtigen vleugelslag zou hij zijn vervolgers terugdrijven.

Nu zou het loon volkomen zijn van dien God, onder wiens vleugelen zij toevlucht had genomen, en die de zijnen weet te behoeden, te dekken, te bewaren en te vervullen met zijn heil -en goedertierenheden,

-ocr page 74-

HEÏ BOEK EUTH.

Bemoedigend en troostrijk was de verklaring van Boaz geweest en de wensch, over haar uitgesproken. Door al dat gesprokene wordt zij niet hoovaardig, maar blijft even nederig/ als tevoren, en zegt:

„Laat mij genade vinden in uwe oogen, mijnheer, dewijl gijmij getroost hebt en dewijl gij naar \'t hart van uwe dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet hen, gelijk eene uwer dienstmaagden.quot;

Zij blijft dezelfde, even klein en nederig, en waar de toezegging van Boaz en zyne lofspraak zoo heerlik zijn geweest., daar begint Ruth weder te zeggen : „Mijnheer, laat mij genade vinden in uwe oogenquot;, zij beveelt zich zijner liefde aan, en wel op. grond hiervan dat hij haar getroost en naar het hart van zijne dienstmaagd gesproken had.

Niet dat Ruth twijfelde aan de toezegging van Boaz, dat zij -daarom hier hare bede herhaalt, doch\'t was voor haar zoo groot,, zoo onbeschrijfelijk groot, dat hij met haar, arme, vreemde, te doen wilde hebben, dat zij het nu nog eens laat hooren met een toon van dankbare erkenning en waardeering, want zoo zegt zij: „dewijl gij mij getroost en naar het hart uwer dienstmaagd, gesproken hebtquot;.

Hoe lieflijke voorafschaduwing is die Boaz van zijn Zoon en Heer, die uit hem zou voortkomen. Boaz was de trooster voor Ruth, maar deze? Is er zaliger Trooster denkbaar, dan Hij,, die den vrede laat hooren aan al de zij nen. Hij alleen kan troosten en wil troosten het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Hij is de Trooster, die alleen de ware vertroosting schenken wil aan al de zijnen door zijn Heiligen Geest.

Christus Jezus is de Trooster voor al de zijnen. Hij wekt de behoefte aan troost, maar kan ook alleen vervullen met de-ware en rechte vertroostingen.

Dat doet de Heere geduriglijk bij al degenen, die Hem toe-behooren, om dan te spreken naar hun hart, gelijk Boaz dit deed bij Ruth.

„Hoewel ik niet ben gelijk eene uwer dienstmaagden,quot; zoc--

70

-ocr page 75-

HET BOEK RUTH. 71

-------lt;$■--^-------

klinkt het zeer bescheiden achteraan. Het is, als maakt Ruth eene verontschuldiging, nu zij heeft durven vragen, dat zij ge-genade in zijne oogen vinden mocht.

Zij beziet zich en maakt dan eene vergelijking tusschen de dienstmaagden van Boaz en zich zelve. Zij meent veel minder te zijn en komt nu ook met die verontschuldiging tot den meester.

Hij heeft haar wel dochter genoemd, maar zij durft zich nauwelijks gelijk stellen met eene dienstmaagd, en is be-vreesd zich te hooge eer en rechten aan te matigen.

Welk eene lieflijke gestalte is Huth toch, als zij zich tegenover Boaz bevindt, met die erkentenis van hare kleinheid tegenover hem. Te liever wordt er ons de Moabietische om.

Zij haar beeld meer en meer eene vingerwijzing voor eigen hart en leven, om ziende op de groote genade, aan ons bewezen, die in Christus Jezus zijn en gerechtvaardigd zijn voor het aangezicht Gods, te dieper het te mogen verstaan:

,Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij kent?quot;

M. W. H. O.

-ocr page 76-

Als liet nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het bruod, en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd en hield over.

Als zij nu opstond, om op te lezen, zoo gebood Boaz zijn jongens, zeggende; Laat haar ook tusschen de garven oplezen en beschaamt haar niet.

Ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het opleze en bestraft haar niet.

Alzoo las zij op in dat veld tot aan den avond; en zij sloeg uit, wat zij opgelezen had, en het was omtrent eene efa gerst.

En zij nam het op, en kwam in de stad ; en hare schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voor en gaf haar, wat zij van hare verzadiging overgehouden had.

Toen zeide hare schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Oezegend zij, die ugekend heeft! En zij verhaalde hare schoonmoeder, bij wien zij gewrocht had, en zeide ; De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz.

Toen zeide Naomi tot hare schoondochter ; Gezegend zij hij den Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en de dooden! Voorts zeide Naomi tot haar; Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.

En Ruth, de Moabietische, zeide ; Ook omdat hij tot mij gezegd heeft; Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij den ganschen oogst, dien ik heb, zullen hebben voleindigd.

En Naomi zeide tot hare schoondochter Euth : Het is goed, mijne dochter! dat gij met zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld.

Alzoo hield zij zich bij de maagden van

-ocr page 77-

73 HET BOEK EUTH.

---^^--------- -

Boaz, om op te lezen, totdat de gerst eoogst en tarweoogst voleindigd waren ; en zij bleef bij hare schoonmoeder.quot;

Ruï.t 2 : 14 — 23.

X liet alleszins godsdienstig heidensch Athene moet er onder de vele tempelen ook één geweest zijn, die aan de barmhartigheid was gewijd, dus een tempel der Cs barmhartigheid! En. zoo wordt er bij vermeld, het was de grootste schande voor den Athener, wanneer hij dezen tempel niet bezocht had. De gemeente des levenden Gods heeft geen aparten tempel der barmhartigheid; maar zij heeft in alles het beeld Ie vertoonen van haar barmhartigen Hooge-priester; en het is de grootste schande voor een Christen, wanneer hij zich verbergt voor den ellendige! De Heere vraagt van zijn volk niet slechts even over den drempel van den tempel der barmhartigheid te komen en weldadigheid te doen; maar kenmerkend is liet woord : „Wat eischt de Heere van u dan, onder meer, ook iveldadigheid lief te hebben ?quot; Dat is het rechte: weldadigheid te doen, omdat men weldadigheid lief heeft. En dit gevoelt de beweldadigde meestal zeer goed. De beweldadigde kan het zoo spoedig bemerken, of iets hem toegeworpen wordt, dan wel of er ontferming, liefde tot weldadigheid uit spreekt. We maakten reeds kennis met Boaz. Ruth en Naomi en staan nu stil bij den weldoener en de beweldadigden! (Zie Hfdst. 2 . 14—23) We zien in dit gedeelte:

1. hoede weldadigheid hartelijk wordt bewezen,

2. hoe de weldadigheid dankbaar wordt erkend,

3. hoe de weldaden blijvend worden genoten.

1. Hoe de weldadigheid hartelijk wordt bewezen, (vers 14 — 18). We zien hier het aanzitten aan den maaltijd, We hooren het hevel aan de jongens, we letten op de vruchten van den dag.

-ocr page 78-

74 HET BOEK RUTH.

-----------lt;J~—^---

Het aanzitten aan den maaltijd vs. 14. „En als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, eet van het brood en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers en hij langde haar geroost koren en zij at en werd verzadigd en hield overquot;.

Het moet ons treffen, dat de Heilige Geest als de eerste bewerker der Heilige Schrift niet slechts wijst op verhevene en geestelijke zaken, maar ook op den etenstijd. Gods Woord is niet eenzijdig, rekent niet alleen met de ziel en hare belangen, maar evenzoo met het lichaam en de behoeften des lichaams. Xiet slechts heeft het lichaam rust noodig na den arbeid, maar ook voedsel. Er is ook een tijd om te eten, om het van God verordende middel te gebruiken tot instandhouding van onze levenskracht. En ook hierin moet regel zijn. Boaz denkt niet: het is nu zoo druk met den oogst, er moet niet zoo op den tijd worden gelet. Neen. Als het etenstijd is, is het eten gereed, en worden de dienstbaren geroepen. En Ruth ? Ze heeft geen recht op den maaltijd, ze is niet in dienst bij Boaz; de arenlezers moesten thuis hun maal zoeken. Maar Boaz heeft weldadigheid lief en hij bewijst ze Hij laat haar niet naar Bethlehem gaan, vermoeid en hongerig, als ze zijn moet. Hij zegt tot haar: „Kom hier bij en eet van het brood en doop uwe bete in den azijn.quot; Wellicht zegt ge: ,Had Boaz niet wat vriendelijker kunnen nopdigen en het aan haar overlaten ? Klinkt het niet als een soort bevel: Kom hier bij!quot; Neen, Boaz heeft Ruth in haar spreken reeds leeren kennen als ietwat beschroomd ; ze heeft het noodig, dat tot haar gezegd wordt: „Kom hier bij!quot; Ze ware anders uit bescheidenheid wellicht achtergebleven.

Een wijs Christen rekent met de karakters, rekent met de omstandigheden. Brutale menschen behoeft ge werkelijk het zoo niet te zeggen. Leer hieruit, hoe ge den beschroomde behandelen moet. En zonder te willen vergeestelijken, leeren we tevens hieruit, dat we ook in zaken, die het geestelijke raken, vooral de beschroomde zielen niet te veel aan eigen keuze over-

-ocr page 79-

HET BOEK RUTH. 75

laten. De groote Boaz, Hij, die uit Buaz en Ruth gesproten is,. Christus komt in zijn Woord de bescbroomden tegen en zegt; „Komt, alle gij dorstigen, komt tot de wateren! en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, zonder prijs en zonder geld!quot;

Hoe menige waarlijk ontdekte en schroomvallige ziel wordt soms door verkeerde behandeling van de tafel des Heeren, van zijn Avondmaal afgetrokken. Neen, treed zulke zielen in Christus\' naam te gemoet met het: Kom!

Wat moet het voor Ruth geweest zijn, tot den maaltijd te worden geroepen en aan te zitten met de dienstmaagden, waar ze gezegd had; „Hoewel ik niet ben gelijk uwe dienstmaagden.quot; Ze achtte zich zelve er ver beneden, en ze zit mede aan. Dan wordt het des te grooter weldaad, wanneer we ons als de onwaardigste gevoelen. Zoo is het ook op geestelijk terrein. Dan worden de zegeningen en weldaden des Heeren ons het grootst, naarmate we ons de minste zien van alle Gods kinderen !

Ruth ziet zich dus rijk beweldadigd, al is het een eenvoudige maaltijd. Twee dingen moeten ons hier vooral treffen. Boaz, de gastheer, zit zelf mede aan. Hij laat zijn oog ook over den maaltijd gaan. Hij laat zijne dienstbaren niet aan hun lot over bij het eten. En de tafel wordt er des te heerlijker om; waar Boaz zelt mede aanzit. Maar vergelijk er onze tijden eens mede! Menigeen mag zich wel diep schamen, als hij hier Boaz aan denzelfden maaltijd ziet met zijne dienstbaren. En al zijn de toestanden veranderd, het beginsel zeker niet!

En Christus schaamt zich niet als de rijkste gastheer aan te zitten met de zijnen, met wat arm is en ellendig!

De maaltijd is eenvoudig : Brood, azijn: d. i. om niet mis te verstaan, wat frissche land wijn met olie vermengd, met ee-nigszins zuren smaak, en zoodoende in de warmte van den oogst verfrisschend, en daarbij geroost koren. De nog niet harde en geheel droge korenkorrels werden in den oogsttijd veel geroosterd en maakten dan eene voedzame en aangename spijze uit.

Boaz blijft ook in zijn rijkdom eenvoudig, dat wil volstrekt

-ocr page 80-

76 HET BOEK RUTH

---------lt;:?.—— ----------

niet zeggen : schraperig; want hij geeft zooveel, dat Ruth verzadigd wordt en nog overhoudt. Ach, was de eenvoudigheid meer bewaard gebleven, we zouden niet tot zulke ellendige toestanden gekomen zijn. Dat opdrijven in alles, waarvan hoogmoed de wortel is, heeft al wat kwaad berokkend. We behoeven tenminste op Boaz\' maaltijd niet den psalmregel toe te passen: „En maken van dm buik hun God.quot;

Het voedsel moet zoo zijn, dat wij en onze dienstbaren weder bekwaam zijn tot den arbeid; niet zoo, dat of door te weinig of door overdaad de arbeid niet goed kan worden hervat.

Zoo zien we dan Ruth beweldadigd ; het is voor haar een rijke maaltijd, ze heeft overvloed, ze houdt over ! En wat ze overhoudt, is haar gegeven; ze mag het straks medenemen, ze! vergeet aan dezen maaltijd zeker hare arme schoonmoeder niet.

Hoe teeder zorgt de Heere voor de zijnen ! Hoe wordt de belofte bevestigd: „Hun brood zal zeker, hun water gewis zijn !quot;

Voor ziel en lichaam beide wil de Heere zorgdragen. Hij richt de tafel aan en doet den beker overvloeien. In den meerdere dan Boaz is zoowel gegeven het brood des levens en het water ■des levens, als de spijze en de verkwikking des lichaams!

Boaz laat het echter niet bij den maaltijd. Als Ruth weder •opgestaan is, om den arbeid te hervatten, geeft hij een hevel aan de jongens. „Als zij nu opstond, om op te lezen, zoo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tusschen de garven oplezen, en beschaamt haar niet. Ja, laat ook allengskens van ■de hand vollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het opleze, en bestraft haar niet.quot;

Zie, Boaz is niet alleen een man van het woord, maar ook van de daad! Het woord van Ignatius, den kerkvader, was eens: „Laat uwe woorden zoo zacht als olie zijn, zij zullen de gewonden niet genezen : laat ze druppen als honigzeem, ze zullen den hongerige niet verzadigen!quot; Boaz beveelt den jongens: „Laat haar ■ook tusschen de garven oplezen, beschaamt haar niet; — ja, laat ■ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen en laat

-ocr page 81-

——quot; 1 - 1 mmzmm www m »w

I

]

HET BOEK RUTH. 77

het liggen, dat zij het opleze en bestraft haar niet!quot; Het oplezen tmschen de garven was in den regel niet geoorloofd. Boaz wil,

dat de jongens dit toelaten ; ja, meer nog, ze moeten ongemerkt van tijd tot tijd eens handvollen laten vallen. Dit ging ver over de grenzen der weldadigheid en van het medelijden niet de armen henen; het toont ons, dat Boaz weldadigheid liefheeft, dat hij ook getroffen is door de trouwe aanhankelijkheid van Ruth aan hare schoonmoeder, door deliefde totlsraëls volk enlsraëlsGod I De rechte weldadigheid is ook voorzichtig. Boaz had haar op eens veel kunnen geven : haar van allen arbeid kunnen ontslaan en naar huis zenden! Dit doet hij niet! Hij eert den arbeid. Hij wil haar niet op eens in een anderen toestand brengen.

Terecht is hierbij opgemerkt: Maak iemand plotseling rijk en ge maakt hem veeleer arm, innerlijk arm, — omdat hij evenmin geschikt is voor den rijkdom als de rijkdom voor hem.

Plotselinge overgangen zijn zelden heilzaam. De Heere laat het in het geestelijke ook meestal geleidelijk toegaan. Dat is zijne goddelijke wijsheid. Hij liet niet op eens gansch Kanaan in de handen der Israëlieten vallen, maar dreef de volkeren langzamerhand uit.

Het is niet de vraag, wat de Heere zou kunnen doen; maar wat zijne wijsheid goedkeurt. Zoo wordt het geloof juist beproefd,

en dit heeft heerlijke vrucht I

Boaz ziet, dat het de tijd nog niet is, om zich bekend te maken als den bloedvriend van Naomi, en toont daarin levenswijsheid. Erken ook de wijsheid des Heeren, indien Hij uallengs-kens zijne zegeningen mededeelt, al schijnt het dan ook in den weg van moeite verkregen! Op zijn tijd zal Hij toonen, wat Hij in al zijne volheid is voor degenen, die in den weg der middelen den zegen zoeken !

De rechte weldadigheid bestaat echter niet alleen in geven ;

maar ook in beschermen. Boaz beveelt den jongens haar niet te beschamen en haar niet te bestraffen. Het eerste woord wil zeggen:

leed aandoen, het tweede : ruw toespreken.

-ocr page 82-

78 HET BOEK RUTS.

----------lt;5-------

3oaz kent zijn volk. Zoo licht kon er de gedachte rijzen: Zij, eenc vreemde, en dan wellicht straks evenveel medenemen, als ons loon is, waarop wij recht hebben — en zij heeft geen recht, zij is eene arme vreemdelinge! Boaz wil niet, dat bij het leed der armoede nog het leed van de tong haar treffe. Hij heft het schild der bescherming op over de arme Ruth ! Dat is ook weldadigheid !

\'rjuinctilianus heeft gezegd; „Het is eene soort van wreedheid, iemand in zijne nooddruft te helpen, zonder medelijden, zonder medegevoel met hem te hebben.quot;

Boaz voelt mede, en zoo beschermt hij haar voor alle leed.

Laat ons er uit leeren, dat weldoen niet alleen is. den arme iets toewerpen, maar ook den arme beschermen voor het leed, dat door afgunst en nijd zoo licht wordt berokkend !

Sn de meerdere dan Boaz. de Koning, die op Davids troon eeuwig zitten zal, Hij deelt niet alleen koninklijk zijne gaven en weldaden uit, maar Hij beschermt evenzoo koninklijk den arme en den ellendige! Gods kinderen zijn niet alleen beweldadigden, ze zijn ook beschermden, en in die bescherming zijn ze veilig te midden der wereld!

Zoo heeft dan Boaz zijne weldadigheid bewezen. Bij hem was verstandige opmerking, teedere ontferming en milddadige uitdeeling.

Bij hem waren naar de eigenaardige uitdrukking van Watson uiet slechts vleugelen des geloofs om te vliegen, maar ook handen onder de vleugelen, om wel te doen ! Dit wordt nog duidelijk, als we letten op de vrachten van den dag.

„AIzoo las zij op in dat veld tot aan den avond; en zij sloeg uit, wat zij opgelezen had, en het was omtrent eene efa gerst. En zij nam het op en kwam in de stad; en hare schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van hare verzadiging overgehouden had.quot;

Zij las op in het veld tot aan den avond ; zij verloor geen tijd, zij werkte, terwijl het dag was, terwijl het werkenstijd was. Zij

-ocr page 83-

HET BOEK RUTH. 79

----■$quot;—#—--------

kon op eeu moeitevollen arbeid nederzien, als op een goed besteden dag. Zij at het brood der luiaards niet. En al schijnt ons dat iets bloot uitwendigs toe, het moet de vrucht zijn en het leven eens Christens, trouw in den arbeid te zijn. Wie in waarheid bidt: „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aardequot;, is het eens met de keurige uitlegging van onzen Catechismus: onze uitwendige roeping zoo getrouw en gewillig te doen als de engelen in den hemel!

Hoe komt in dit eenvoudig verhaal de vrucht uit van Ruth\'s geloof. Zij beleeft hare belijdenis ook in trouwen arbeid en in de liefde tot hare schoonmoeder! Niet alleen in geestelijke gesprekken moet de vrucht van het leven uit God blijken: evenzoo in ons dagelijksch leven, in den arbeid van den morgen tot den avond toe.

Ruth zamelt alles op; en zij dorscht zelve de aren uit, ja ze weet, wat ze heeft opgelezen. Ze geeft rekenschap van haar arbeid. En zie, de vrucht van den dag is rijk. „Het kostelijk goed der menschen is der vlijtigenquot;, zegt Salomo ! Eene efa gerst bijna! Naar onze maat gerekend, meer dan een vierde mud.

Zij brengt het zelve naar huis, ze wil zelve dien heerlijken last dragen; ze neemt het op, komt in de stad en hare schoonmoeder ziet, wat ze opgelezen heeft en ook wat ze van hare verzadiging overgehouden heeft.

De liefde tot hare schoonmoeder heeft haar den weg licht gemaakt, hoe zwaar zij ook beladen was. En wie zal de blijdschap van dien avond beschrijven. Twee beweldadigde urmen ; maar die rijk zijn in God en met elkander één in blijdschap.

Zoo ooit de waarheid bewezen is van het spreekwoord: „Gedeelde smart is halve smart, gedeelde vreugd is dubbele vreugdquot; ; dan wel in het leven van Naomi en Ruth!

Ruth brengt de vrucht van haar arbeid bij hare schoonmoeder thuis, ze laat zich door niets ophouden. Hoe menig kind kan hieruit eene les des levens trekken. Hoe dikwijls wordt het loon in plaats van thuis gebracht, voor allerlei nietswaardigen

-ocr page 84-

80 HET BOEK RUTH.

--_lt;^—^-----------

opschik en IJdelheid gebruikt, terwijl men er eene arme moeder door verblijden kon.

Van het rechtstreeks uit den dienst zich naar huis begeven weten tegenwoordig slechts weinigen. Rondzwerven tot laat in den avond, ge ziet het van zoo menigeen, ook van onze dienstbaren ! Zie in Ruth, welk eene heerlijke vrucht de vreeze Gods draagt, eene vrucht van vrede en vreugde ook in het huiselijk leven ! Ruth heeft ook het 5de gebod van \'s Heeren wet liefge-kregen. Zij eert door trouwen arbeid en gehoorzaamheid hare schoonmoeder! Ruth heeft den C-tod van Israël beleden, en heeft zijne geboden lief. En in de efa gerst wordt het woord des Heeren bewaarheid, dat de Heere een belooner is dergenen, die Hem zoeken en zijne geboden bewaren !

II. Zien we nu, hoe de weldoener dankbaar ivordl erkend, verzen 19 en 20: „Toen zeide hare schoonmoeder tot haar; Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht\'? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde hare schoon-m oeder, bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz. Toen zeide Naomi tot hare schoondochter: Gezegend zij hij den Heere, die zijne weldadigheid niet iieeft nagelaten aan de levenden en aan de dooden ! Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande, hij is een van onze lossers.quot;

We vinden hier; een verstandig onderzoek naar, eene treffende bede voor, en eene gewichtige aanwijzing van den iveldoencr.

Naomi ziet met verwondering den rijken voorraad gerst door Ruth thuis gebracht, en als eene verstandige Christin-moeder doet zij onderzoek naar de herkomst van al dat koren. Niet dat zij Ruth wantrouwt; niet, dat ze louter nieuwsgierig is, doet haar de vraag over de lippen komen : „Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht ?quot; Neen, zij vraagt eigenlijk naar den weldoener, dit kunt ge duidelijk merken aan het woord, dat zij er aan toevoegt: , Gezegend zij hij, die u gekend heeft!quot; Maar ze kleedt het onderzoek naar den weldoener zoo in.

-ocr page 85-

HET BOEK RUTH. 81

dat zij meteen een verstandig onderzoek doet, hoe Kuth aan zooveel koren gekomen is. Naomi is eene vrouw van levenservaring ; zij heeft, en dat bleek ons reeds meermalen, een rechten blik in de dingen des levens, en de gevaren des levens; maar weet ook hare woorden juist in te kleeden! Zij vraagt niet; Bij icien zijt ge geweest ? maar; Waar hebt ge opgelezen\'! Zeer juist heeft iemand opgemerkt; zoo lang het nog niet noodigis, de namen van personen te weten, is het wijs en voorzichtig daarnaar niet te vragen. Zoo kan dus door deze vraag de teergevoelige Ruth niet worden gekwetst. En toch, als Naomi de plaats weet, zal ze lichtelijk tot de kennis van den weldoener komen ! Zoo terecht knoopt een Engelsch uitlegger dezer historie hier den practischen wenk aan vast; Ouders moeten steeds zorg dragen te onderzoeken naar te plaats, waar hunne kinderen zijn en arbeiden. Zij moeten verstandig onderzoeken naar hunne wegen, want als ge de plaatsen weet, waar uwe kinderen vertoeven, weet ge meteen hun gezelschap, hunne omgeving. O, hoe menig ouder doet zelden onderzoek, waar zijn kind is geweest. Hoe weinig ouders vragen aan het eind van den dag, als soms hunne kinderen laat thuis komen: Waar zijt ge geweest\'? Het zou zoo menige ellende voorkomen. Ja, de ouders moeten weten, waar ze zijn en vanwaar ze de dingen verkrijgen, die ze bezitten. Alleen, dit onderzoek geschiede niet wantrouwend, maar verstandig. Vraag niet het eerst: met wie gaat gequot;? maar: Waar zijt ge geweest ?

Nog eens: Naomi had geen wantrouwen in Ruth, dit blijkt uit het woord: „Gezegend zij hij, die u gekend heeftquot;, d. i. die u heeft welgedaan, die u niet als eene vreemde heeft behandeld; maar die zich uwer heeft aangetrokken of, zooals er eigenlijk staat, die u heeft aangenomen, u gunst heeft bewezen !

Den haar nog onbekenden weldoener erkent ze, door hem den zegen des Heeren toe te bidden!

En zie, hoe Ruth op de vraag harer moeder geheel vertrouwend antwoordt: „De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boas.quot;

-ocr page 86-

82 HEÏ BOEK RUTH.

------- ------ ---^----------

Het kind, dat in rechte wegen wandelt, heeft geene geheimen voor de oudere, en wordt niet kwaad, wanneer gevraagd wordt naar de plaats, waar het is geweest. Het beseft, dat de ouders recht hebben dat te weten —, dat zh niets onbillijks vragen. Gelukkig het kind, de zoon en de dochter, al zijn ze reeds niet zoo jong meer, wanneer ze als de godvreezende Ruth gaarne rekenschap geven van hun dagwerk, van hunne wegen en dat ongekunsteld, vol vertrouwen en oprecht doen.

Het is de heerlijke vrucht van de vreeze Gods. En als de vreeze des Heeren in onze dagen meer bij ouders en zonen en dochters gevonden werd, wat zou het anders zijn, dan het helaas, nu in menig Christelijk gezin wordt gevonden.

In het antwoord van Ruth komt ook hare nederigheid uit, die schoone vrucht des geloofs, ze noemt alleen den naam van haar weldoener. Ze doet geen omstandig verhaal van hetgeen Boaz tot haar lof heeft gezegd, zie verzen 11 en 12: „En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt na den dood uws mans, en hebt uw va-der en uwe moeder en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet. De Heere vergelde uwe daad! en uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt _ om toevlucht te nemen quot;

Ach, hoe menigmaal wordt uitgebazuind, wat anderen toch wel voor goeds en voor schoons van (ms hebben gezegd, hoe ze ons en ons werk hebben geprezen en onder den schijn van slechts te vertellen, wat gezegd is, groeit het hoogmoedig hart er in. En in zulk een geval zou de weldoener achteraan komen. Niet alzoo bij de godvreezende Ruth. Hoe meer we haar leeren kennen, hoe meer we in haar de schoone vrucht van het leven uit God, de lieflijke planting des Heiligen Geestes zien uitkomen : nederigheid voor God en menschen; ootmoedigen zin.

Ruth denkt niet aan wat zij deed voor hare schoonmoeder, maar ze erkent den weldoener: ze prijst BoazLaat ons, Broe-

-ocr page 87-

HET BOEK RUTH. 83 ------------—--

•ders en Zusters, die de weldadigheid en barmhartigheid Gods in Christus leerden verstaan, vooral den naam van onzen Weldoener noemen. Ja, ook dan, wanneer we de vruchten des ge-loofs en der liefde mogen openbaren; en wanneer anderen, of meer nog, wanneer de Heere zelf in zijn Woord die prijst ; wanneer de meerdere dan Boaz, onze Heere Jezus Christus, zegt : ge zult uw loon geenszins verliezen, laat dan niet onzt roem, maar de naam des Weldoeners op onze lippen en in ons hart zijn.

Waar Naomi den naam van den weldoener hoort: Boaz, is ■het eerste, wat ze doet—en daaruit kunt ge zien, wat het hoogste in Naomi\'s hart is — eene treffende hede opzenden voor haar weldoener; „Gezegend zij hij den Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de dooden.quot; Naomi weet, dat zij geene wedervergelding kan doen, zij, de arme weduwe met hare arme schoondochter ; maar wat ze wel doen kan, het is, den zegen van den Verbondsgod, van Jehova, af-smeeken voor den weldoener! Zegenen, het wil in de taal der Schriften zeggen: het goede over iemand spreken en brengen. Welnu, Naomi bidt van Jehova af, dat Hij uit den schat zijns verbonds het goede spreke en brenge over hem, die weldadigheid heeft bewezen aan de levenden en de dooden.

Met dii laatste doelt zij op haar man en hare zonen, aan wie Boaz in\' dit opzicht weldadigheid bewijst, dat hij voor de weduwen zorg draagt. Welk een voorrecht voor geloovige armen, waar ze niets kunnen weder vergelden, dat zij alsnu het gebed des geloofs op mogen zenden tot hun God, een gebed voor hunne weldoeners! Dat is de roeping en tevens het voorrecht van beweldadigde armen ! Dat is wat anders, dan het vleiend kruipen van menig arme voor zijn weldoener of ook dan het ondankbaar zijn voor de weldaden: het gebed voor die ons wel gedaan hebben ! Job, de weldoener, kon getuigen : „De zegen

-ocr page 88-

84 HET BOEK RUTH.

------—\'$gt;-

desgenen, die verloren ging, kwam op mij, en het hart der we-duwen deed ik vroolijk zingen!quot;

En die God, die de tranen der verdrukten ziet en de klacht der verdrukten tegenover hunne verdrukkers hoort, hoort evenzoo-het gebed der beweldadigden voor hunne weldoeners!

0, wie weet, mijn broeder, mijne zuster, indien ge weldadigheid liefgehad, en weduwen en weezen welgedaan hebt en het u gezegend gaat en gij u verblijden moogt in zegeningen van boven ; wie weet, of dit niet de verhooring is van het gebed eener arme weduwe en weeze, van een arm gezin, dat den Heere bad : ..Gezegend zij door u, o mijn God, degene, wiens hart geneigd was mij wel te doen!quot;

Dit derft de gierigaard, dat mist de onbarmhartige, het gebed der armen om zegen voor hem !

Augustinus heeft zulk een schoon woord gezegd: „Geefaan de armen, hetgeen ge niet kunt behouden, opdat ge moogt verkrijgen, wat ge niet kunt verliezenquot;; en hierbij mag gerekend worden de zegen van Jehova!

Na de treffende bede voor den weldoener volgt nu eene gewichtige aanwijzing van den weldoener n.1. als een der lossers. „Die man is onze nabestaande,quot; zegt Naomi, „hij is een van onze lossers.quot; Door het lange verblijf in Moab, zoo schijnt het, was ze hare nabestaanden vergeten, maar door deze aanwijzing der Goddelijke voorzienigheid komt het in hare herinnering terug met alle helderheid en bewustheid. Die Boaz is ons na, hij is onze bloedvriend, hij is een van onze lossers, d. i. van diegenen, die het recht, maar ook de roeping hebben, ons te verlossen en in onzen vorigen staat te herstellen. Over de beteekenis van dit lossen wordt later uitvoerig gehandeld.

Alleen willen we hier even wijzen op den wonderen weg van Gods voorzienig bestel.

Ruth\'s gangen zijn dien morgen door den Heere gericht. Er waren vele velden in Bethlehem, maar Jehova leidt Ruth op het veld van Boaz; er waren vele landbouwers in Bethlehem,.

-ocr page 89-

HET BOEK RUTH. 85 ----lt;£—^--

het broodhuis; maar de Heere brengt Ruth in aanraking met dien éêne, met Boaz, met den blosdverwant, met een der lossers. Zoo wordt zeker over Naomi en Ruth dit heerlijk stuk der voorzienigheid Gods beleden.

En wij? Laat ook door ons nu nog het kinderlijk geloof aan \'s Heeren voorzienigheid beoefend worden. In \'s Heeren hand zijn alle onze wegen; Hij richt onzen voet en dat tot heerlijkheid zijns naams. Wanneer Naomi en Ruth de psalmen van hun nazaat David hadden gekend, zooals wij, ze zouden dien avond hartelijk ingestemd hebben met de schoone verzen van Ps. 71 (vss. 15, 16 en 17:)

Gij deedt mij veel benauwdheid smaken En drukkend harteleed;

Maar, tot mijn hulp gereed.

Zult Gij mij weder levend maken,

Blij uit den afgrond trekken.

En met uw vleuglen dekken.

Gij zult met luister mij omringen.

Mij troosten in mijn smart.

Dan zal ik, blij van hart,

Met luit en harp uw goedheid zingen,

O heilig Opperwezen!

Door Israël geprezen.

Mijn lippen zullen juichend roemen In psalmen, U gewijd,

Dat Gij mijn Helper zijt.

Mijn tong zal U mijn Kedder noemen;

lrw gunst den God getrouwen Den gansehen dag ontvouwen.

111. Inde verzen 21-23 vinden we, hoe de weldaden blijvend ■worden genoten. Hierbij kannen we letten op een welmeenend aanbod, een goeden raad en een gehoorzaam gebruik. „Eu Ruth, de Moabietische, zeide : Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij den ganschen oogst, dien ik heb. zullen hebben voleindigd. En Naomi zeide tot hare schoondochter Ruth : Het is goed, mijne

-ocr page 90-

86 het boek euth.

---c0gt;-------

dochter! dat gij met zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld. Alzoo hield zij zich bii de maagden van Boaz, om op te lezen, totdat de gersteoogst en tarwe oogst voleindigd waren ; en zij bleef bij hare schoonmoeder.quot;

Ruth gaat nu voort met de vriendelijkheid van den weldoener te roemen. Er gaat tevens voor Ruth eenig licht op over de woorden en de gedragingen van Boaz. Ze zegt: „Ook omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de.jongens, die ik heb, totdat zij den ganschen oogst, dien ik heb, zullen hebben voleindigd.quot; Het zal niet bij eene oogenblikkelijke weldaad blijven ; neen, het welmeenend aanbod van Boaz is voor den ganschen oogst. Het is, alsof Ruth zeggen wil: Boaz\' woorden ontvangen nu nog rijker beteekenis, de beteekenis van een blijvenden weldoener, ja meer nog, van een Goël, van een losser.

Boaz heeft zich nog niet uitgelaten over deze zaak; hij is-wel een der lossers, maar onderzoek moet vooratgaan, of hij wel de naaste losser is. Maar Boaz wil haar toch van meet af zijne weldadigheid bewijzen en de weduwen mogen het zien als eene voorbereiding voor de dingen, die komen zullen.

Zoo krijgt dit welmeenend aanbod nog rijker beteekenis. En de groote Goël, die uit Ruth naar den vleesche is geboren ; onze Heere Jezus Christus, Hij handelt ook voorbereidend met dt zijnen : dikwijls gaat ons later het licht op over wat Hij tot ons sprak in zijn Woord! In het blijvend noodigen tot zijne zegeningen, in het blijvend schenken van zijne weldaden ; in het welmeenend aanbod om zich toch bij Hem te houden, komt zijne verlossende liefde uit. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis. Op zijn tijd openbaart Hij zich aan de ziel, die Hem zoekt als den volkomen Verlosser in allen nood, als den blijvenden Weldoener.

Naomi geeft aan hare schoondochter een goeden raad: „Het is goed, mijne dochter ! dat gij met zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veldquot;. Sommigen willen hieruit afleiden, dat Naomi met het noemen der maagden Ruth

-ocr page 91-

HET BOEK RUTH. 87

------------------------lt;5-—*$gt;—■$gt;--

eene kleine terechtwijzing geeft in tegenstelling met het „Gij zult u houden met de jongens!quot;

■ Dit behoeven we hier volstrekt niet uit af te leiden. De jongens toch waren, zooals vroeger was aangeduid, de hoofdlieden bij het werk, daarom had Boaz ze genoemd. Naomi let meer op het gezelschap, waar ze zich bevindt, waar ze als jongedochter bij past, op de bindsters, die achter de maaiers zijn. Naomi raadt haar dus, te blijven op Boaz\' veld; niet te veranderen; zij is daar onder bescherming tevens. Niet alleen wordt haar weldadigheid bewezen ; maar ze zal er tevens bescherming genieten van haar bloedvriend. Vandaar de uitdrukking : „opdat zij u niet tegenvallenquot; of, zooais er eigenlijk staat, opdat ze u niet aanvallen of beleedigen in een ander veld.

Daarbij komt, dat het een blijk van wantrouwen zou wezen tegenover den weldoener. Naomi raadt, bij den weldoener te blijven, om zijne weldaden blijvend dankbaar te genieten.

Als dan ook de Koninklijke Weldoener en Beschermer u in zijn veld de zegeningen en bescherming blijvend aanbiedt, zoek het dan ook nergens elders, wantrouw zijne goedheid niet. Onder zijne bescherming zijt ge veilig, elders wacht u allicht leed en schade. Ge kunt een weldoener nooit meer eeren dan door getrouw gebruik te maken van zijne weldaden. Daarin wordt ook de weldoener verheerlijkt !

Ruth volgt als eene gehoorzame schoondochter den raad harer moeder op. Ze maakt een gehoorzaam gebruik van de weldaden Zij houdt zich bij de maagden van Boaz om op te lezen, totdat de gersteoogst en de tarweoogst voleindigd zijn en zij blijft bij hare schoonmoeder !

Zij blijft bij den arbeid. De gedachte, dat Boaz straks verandering zal kunnen brengen in den toestand der weduwen, houdt haar geen oogenblik terug, om de twee maanden van den gerste- en tarweoogst dag aan dag op het veld het eentonig werk van het arenlezen te verrichten. Zoo wordt de vreeze Gods, het geloof in den God van Israël gelouterd en geoefend.

-ocr page 92-

88 HET BOEK RUTH.

^------

En alsof ze voor den ganschen winter opzamelen moet. gehoorzaamt Ruth gewillig den raad harer moeder!

\'s Avonds gaat ze direct naar huis, ze blijft bij hare schoonmoeder. Ze beleeft hare belijdenis. Ze heeft beleden uit liefde tot Israels God en Isniöls volk; en zoo ook uit liefde tot Naomi: „Waar gij zult vernachten, zal ik vernachten.quot; Ze blijft bij hare schoonmoeder, ze houdt hare moeder na den arbeid des daags trouw gezelschap ! Het tegenovergestelde van wat ge tegenwoordig bij de meeste jongedochters en jongelingen ziet.

Dina, de dochter van Jakob, ging uit om de dochters van het land te bezien; ge weet den treurigen afloop, die tot waarschuwing voor onze jonge dochters in de Heilige Schrift is beschreven: zij kwam tot diepen val in de zonde.

Ruth, de schoondochter van Naomi, het tegenbeeld van Dina, gaat \'s avonds terstond na den arbeid naar huis, zij helpt hare moeder onderhouden, zij gaat alleen uit tot hare verzorging ; en later zullen we zien, hoe de Heere zulk een weg zegent.

En ten slotte, zeg nu niet: wat zijn dit tocli alledaagsche dingen ! Wees voorzichtig! Tast de Heilige Schrift, en tast in die Heilige Schrift den Heiligen Geest niet aan ! De Schrift toont u de dingen van het aardsche leven ook ; de Heiligen Geest wil ons door het Woord lessen geven voor het leven, lessen voor jong en oud, lessen van barmhartigheid en trouw; laat het ons niet te gering zijn, ook deze lessen van den Geest te leeren !

De vreeze Gods moet zich niet alleen openbaren in allerlei geestelijke verrichtingen ; neen, evenzoo in al de kleine dingen van het dagelijksche leven.

Daarin wordt \'sHeeren wil volbracht, als Dorcas kleeding vervaardigt voor wat arm is en verlaten, als gij uw brood breekt voor den hongerige, trouw zijt in uw dagelijkschen arbeid, eert en liefhebt degenen, die over u gesteld zijn. \'t Is den Heere even aangenaam, als wanneer ge komt tot den dienst zijns Woords en u oefent in gebed en geestelijke meditatie.

Daarmede is het de overgeestelijke mensch niet eens ; maar

-ocr page 93-

heï boek ruth. 89 ----•$-^—-ggt;----——

deze vvete dan, dat hij het ook niet met de Heilige Schrift en met den Heiligen Geest eens is.

Deze leert ons, dat de godzaligheid tot alle dingen nut is. Ruth heeft de belijdenis van Israels God beleefd niet alleen met vrome woorden, maar met de daden. Ruth hield niet alleen van de eerste tafel der wet, maar door de genade Gods had ze de geheele wet des Heeren lief; ook in het liefhebben van den naaste ! Wie uit de diepte zijner ellende verlost ia door Christus\' verdienste, wiens hart vernieuwd is door den Heiligen Geest, hij toone dan ook, dat de belijdenis van den Christus oprecht is geweest en bewijze dat, zooals Ruth het deed, zooals Naomi en Boaz het beoefenden, in een leven ook in de dingen der aarde den Heere gewijd !

M. J. D. v. d. V.

-ocr page 94-

En Naomi, hare schoonmoeder, zeide tot haar: Mijne dochter! zoude ik u geene rust zoeken, dat het u welga ?

Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest ztjt, van onze bloedvriendschap ? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorsch-vloer wannen.

Zoo baad u, en zalf u, en doe uwe kleederen aan, en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.

En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal neder-gelegen zijn, ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zoo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.

En zij zeide tot haar; Al, wat gil tot mij zegt, zal ik doen.

Alzoo ging zii af naar den dorsch vloer, en deed naar alles, wat hare schoonmoeder haar geboden had.

Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vroolijk was, zoo kwam hij, om neder te liggen aan liet uiterste van een fcore«-hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en leide zich.

En het geschiedde ter middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep, en zie! eene vrouw lag aan zijn voetdeksel.

En hij zeide: Wie zijt gijquot;? En zij zeide: ik ben Ruth, uwe dienstmaagd ; breid dan uw vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt de losser.

En hij zeide; Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter! gij hebt deze nwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geene jonge gezellen zijt nagegaan ; hetzij arm of rijk.

En nu, mijne dochter! vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen ; want de gansche

C3=

-ocr page 95-

91

HET BOEK RUTH.

-^----

stad mijns volks weet, dat gij eene deugdelijke vrouw zijt.

RUTH 3: 1-11.

OEN wij aan de hand van hootdstuk 2:1 — 7 Ruth in

den hoogen nood, in het haar vreemde land en op V9 hope van „genadequot; te zullen vinden, zagen henen-gaan, om gerstearen te lezen, stonden wij stil bij de trouw harer liefde-, bij de trouw harer liefde, die zwaar beproefd, treffend geopenbaard en heerlijk bekroond werd.

De woorden, die wij nu overdenken, gebieden ons de toen gelezen bladzijde om te keeren en de andere zijde te lezen. De liefde toch komt in de geschiedenis, naar Ruth\'s naam genoemd, zooals het behoort, niet slechts van haar kant, maar ook van de zijde harer schoonmoeder. Het is de zorgende liefde van Naomi, die wij aan de hand van deze verzen mogen aanschouwen en overdenken. Eer wij dat doen, meenen wij echter elkander te mogen herinneren, dat de schoenen van de voeten moeten, omdat wij hier op gewijden bodem staan en de plaats dus heilig land is.

Dat deze herinnering niet overbodig is, gevoelen wij reeds bij het lezen der woorden, die wij be spreken moeten ; immers zij zeggen ons, dat hare schoonmoederlijke, zorgende liefde gaat over hetgeen wij tot het intieme leven rekenen te behooren, ja,, over hetgeen in romantische verhalen ongaarne en zelden gemist wordt.

Het is de Heere, onze God, die onder de leiding van den Heiligen Geest deze hare zorgende liefde tot ons aller leering, waarschuwing en vertroosting beschrijven liet. Hij, die ze beschrijven liet, bestiere zijn dienstknecht, die ze thans bespreken moet; ja. Hij doe ons allen zóó onder het beslag zijner heiligheid verkeeren, dat alle ijdele, zondige gedachten verre van ons zijn ï

-ocr page 96-

92 HET BOEK RUTH.

----^^----

Jn het boek, in ziin geheel genomen, gunt de Heere ons een blik in het Oostersche familieleven, en in de verzen, hierboven afgeschreven, levert Hij ons eene kleine bijdrage van:

Naomi\'s zorgende liefde voor hare schoondochter.

Deze zorgende liefde is:

menschkundig aan den dag gelegd;

kinderlijk erkend:

\'wonderwel gelukt.

Dat Naomi zorgende liefde voor Ruth bezit, ja, dat deze groot is, en niet op hartstochtelijke, onoordeelkundige, maar op mensch-kundige wijze zich openbaart, bleek ons reeds een-en andermaal en kan en zal ons bij vernieuwing blijken. Het bleek ons reeds, toen zij uit het Moabietische land wederkeerden, in het bijzonder op die onvergetelijke plek, waar zij van hare schoondochters afscheid nam en bij haar op wederkeeren aandrong.

Uit de woorden, daar gesproken, blijkt het, dat zorgende 1-icfde voor Ruth en Orpa haar op dat wederkeeren naar eigen land en volk deel aandringen ; ja, uit liefde tot haar wilde zij in ware zelfverloochening verder en voortaan met achterlating van alles haar weg alleen bewandelen. Het spreekt wel vanzelf, dat zij, ging zij met vleesch en bloed te rade, en volgde zij dies de neigingen van haar moederlijk harte, deze eenig overgeblevene en zeer goede en hartelijke dochters zoo gaarne bij zich gehouden en alzoo meegenomen zou hebben. Immers wat zij in haar bezat en wie en wat zij voor hare geliefde dooden waren geweest, weten wij uit hetgeen de Heere ons door haar zeggen, laat in de woorden: „De Heere doe bij u weldadigheid, gelijk cd* gij gedaan hebt hij de dooden en hij mij.quot;

Inderdaad zij moet zich zelve verloochenen, om deze goede, hare eenig overgeblevene dochters te la\'en gaan. Ware de zelfzucht hier aan het woord geweest, had zij met hare eigene begeerte en belangen gerekend, gewis, zij zou niet gesproken hebben, gelijk zij het deed. Zie, zoo voorbeeldig komt het uit, dat zij niet om harentwil; maar moet en zal het. alleen om

-ocr page 97-

98

HET BOEK RUTH.

-0 —*$gt;-

\'s Heeren en om haars zelfs wille mogen medegaan, naar liet voor haar vreemde land en volk. Onder de bijzondere leiding haars Gods stelt zij, meer dan zij wellicht zelve weet, hare schoondochters in dezen op de proef.

Wij zouden zoo zeggen: alles pleitte er voor, om uit hooger, uit godsdienstig beginsel haar tot meegaan te nopen ; maar neen, hare zelfverloochenende liefde moest uitkomen, en bij de dochters de diepste gedachten en begeerten des harten. Zoo is het, van Gods zijde bezien, en of zij uit nog hoogere liefde dan zij aan den dag legde, op meegaan had moeten aandringen, laten wij thans onbesproken. Dit is zeker, dat zij hare zorgende liefde menschkundig aan den dag legt. Zij toch wil niet, dat zij om harentwil ongehuwd zullen blijven ; ja, meer nog, zij wenscht, dat ze in de plaats van hare eigene zonen andere mannen zullen krijgen. Dat is cordaat. Niet alle schoonmoeders kunnen het tot dien wensch met volkpmene harten brengen. Zoo menigmaal is hier het eigenlievend gevoel, in plaats van het gezonde verstand en het wijs beleid aan het woord. Met het oog ook op dien wensch en omdat zij dat voor jeugdige weduwen het beste acht, raadt zij haar, weder te keeren.

Dat raadt zij, al is het waar, dat haar geslacht dan zekerlijk uitsterven en het erfgoed voor altoos verloren gaan zal.

Maar zie, toen zij zoo alles losliet en overgaf, kwam er verandering, ja, toen gaf cte Heere haar Ruth als eene bijzondere gave zijner hand en zijner liefde. Teederder dan ooit tevoren was van nu aan hare zorgende liefde voor de schoondochter, die ook voor haar alles prijsgaf. Dat bleek ons, toen wij zagen, wat het haar kostte, om Ruth korenaren te laten lezen.

Ja, welk eene plaats zij in haar hart heeft, blijkt reeds uit de aanspraak, die wij in het eerste vers onzer overdenking aantreffen. AVij lezen; „En Naomi, hare schoonmoeder, sprak tot haar: Mijne dochter!\'quot; De schoonmoeder beschouwde haar en had haar lief als haar eigen kind. Wij kunnen dat, rekening

-ocr page 98-

94: HET BOEK RUTH.

-lt;^gt;—

houdende met hetgeen gebeurd is, met hetgeen God gedaan heeft en met het beminnelijke en kinderlijke karakter van Ruth zoo goed begrijpen.

Zij beschouwt haar niet als eene schoondochter, met en voor wie men de intieme zaken, bijvoorbeeld van het huwelijksleven, zoo niet bespreken en bestellen kan, geliik die van een eigen kind. Zii leeft voor haar als voor een eigen kind, zij spreekt met en tot haar als met en tot eene eigene dochter. Hoor, het is: „Mijne dochter, zoude ik u geene rast zoeken?quot; „Ik leef voor u, — u ruat te zoeken, is het onderwerp van mijne overdenkingen en overleggingen des harten. Gij kunt bij mij, oude van dagen; gii kunt in dezen diep armoedigen toestand en als jeugdige weduwe in dezen uw ongehuwden staat geene rust hebben. Gewis, de eischen van het leven zijn voor u andere ; in elk geval wensch ik voor mij u uit dezen armoedigen toestand en uit uw ongehuwden staat te zien gebracht. De Heere geve u, dat gij ruste vindt in het huis van uw man!quot;

„Ntt dan, is niet Boaz, met wiens, maagden gij geweest zijt, .van onze bloedverwantschap ?quot;

„Als ik er aan denk, mijne dochter! hoe moeielijk het mij viel, ii aren te laten lezen; maar hoe de Heere uw weg bestuurde, u op liet veld van Boaz bracht, met hem in kennis deed komen, in zijne oogen genade deed vinden, ja, hoe hij u in alles hielp en voorstond, en als ik mij tegelijk herinner, hoe het u trof, en gij mij verhaaldet. wie hij voor u was, dan, dunkt mij, is er reden, om de ruste, die ik u toewensch, en voor u zoek bij hem en in zijn huis te zoeken. Te meer omdat liij van onze bloedverwantschap, ja, een van onze lossers is.

Mij dunkt, dit alles is te opmerkelijk, om het onopgemerkt te laten voorbijgaan. Naar het mij voorkomt, worden wij geroepen te beproeven, of de Heere hem ons als losser en alzoo u als man geven wil.quot;

„Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorschrloer wannen. Zoo ha,ad en zalf u, en doe uwe kleederen aan, en ga af naar

-ocr page 99-

HET BOEK EUTH. 95

---lt;$ —■#—$gt;-

den dorschvloer; maak u den man niet bekend, tot dat hij c/eëin-digd zal hebben te eten en te drinken. En het sal geschieden, als hij nederügt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal neder-gelegen zijn, ga dan in en sla zijn voetdeksel op, en leg u, zoo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.quot;

Uit deze aangehaalde woorden blijkt het ons. hoe groot hare zorgende liefde is en hoe ver ze gaat. Wij vragen zelfs onwille keurig: „Gaat ze niet tè ver?quot; Hoe dit zij. dat de liefde vindingrijk is, komt hier duidelijk uit.

De moederlijke zorgen voor hare schoondochter worden hier zoo in het oog loopend aan den dag gelegd.

„Al te zorgzaam !quot; zullen hier honderden zonen en dochteren uitroepen.

Zij toch heeft voor hare dochter zich op de hoogte gesteld; immers, zij weet, dat hij van hare verwantschap is. en ook, dat hij „dezen nacht gerst op den dorschvloer zal wannen.quot; Daarenboven heeft zij, zooals genoegzaam blijkt, alles door- en overdacht. Getuige haar bestel, om zich te baden, te zalven en feestkleederen aan te trekken; alsmede, het aangeven van den tiid, wanneer zij zich bekend maken, en van de plaats, waar zii zich nederleggen moet. Doch tot hareeere zij het gezegd, dat ten slotte in deze hare woorden ook uitkomt, dat zij de weldadigheid, haar vroeger reeds van den Heere toegebeden, ook bij deze gelegenheid bij den Heere heeft gezocht. Zij schijnt in den weg des gebeds tot aanvankelijk geloof in het welslagen harer pogingen gekomen te zijn. De geest der profetie toch is haar deel en voorrecht. Immers zij zegt tot Ruth: Als gij daar nederligt, ,.zal hij u te kennen qeven, wat gij doen moet.quot;

Daarenboven moeten wij bij het lezen en overdenken nog met drieërlei rekening houden. Ie. moeten wij rekening houden met de gebruiken van dat volk en van dat land. 2e. met de rechten en de plichten der weduwen in Israël, Se. ook daarmee, dat zij Euth kende en uit alles, wat zij van Boaz wist, op hem meende te kunnen vertrouwen.

-ocr page 100-

96 HET BOEK EUTH.

--lt;£—^-—

Doch al heeft de uitkomst, naar de beschrij ving de« Geestes, ons gegeven, haar vertrouwen niet beschaamd gemaakt, toch meenen \\vy ook hier te mogen en te moeten herinneren, dat niet alles, wat de heilige mannen en vrouwen deden en wat ons beschreven is, ter navolging is gemeld.

Om te weten, wat ons ter waarschuwing en wat ons ter navolging is beschreven, is er veel onderzoek en veel licht en wijsheid des Geestes noodig.

In ieder geval zijn in betrekking tot het huwelijk de rechten en plichten der weduwen, ©m maar niet te spreken van de zeden en gebruiken, nu gansch anders.

Wij vragen dus niet: hoe staan wij tegenover de diepingrijpende en teedere schoonmoederlijke zorgen, maar wel: hoe staat Kuth er onder?

Overschrijdt naar hare gedachte de zorgende liefde dei-hooggeachte schoonmoeder niet de grens, aan die liefde gesteld?

Zegt zij niet, zooals in onzen tijd vaak gebeurt, dat geen derde zich met deze zaken inlaten moet; dat deze dingen in eigen hart moeten opkomen ; dat het huwelijk geene zaak is van overleg ; dat zij in dezen liever geen raad ontvangt en geene uitgewerkte plannen verneemt; ja, dat zii op dit terrein niet op bevel wenscht te handelen en dat in elk geval Boaz haar te oud is ?

Neen; niets, niets van al het genoemde vernemen wij van haar. Integendeel; immers zij zeide tot hare schoonmoeder: „Al, wat gij zegt, zal ik doen.quot; Zij lacht dus niet om den voorslag, hem schoonmoederlijke dwaasheid achtend. Zij wordt niet boos bi] de mededeeling harer overdenkingen en bestellingen,, haar van ongehoorde bemoeizucht beschuldigende. Zelfs maakt zij zich van de zaak niet af met een ironisch woord of een iro-nischen lach.

Op in het oog vallend naïeve, kinderlijke wijze onderwerpt deze jeugdige weduwe zich; immers zij brengt niets in het midden, zij heeft geene tegenbedenkingen, zij onderwerpt zich,

-ocr page 101-

HET BOEK RUTH. ^7 -;----------^-----

zij neemt den voorslag eenvoudig aan, zeggende: „Al, wat yi/j zegt, zal ik doenquot;.

Daarin nu ligt de erkentenis van Naomi\'s recht, van haar wijs beleid en van hare goede bedoeling opgesloten. En in de erkentenis daarvan wenscht zij ook hare zorgende liefde met kinderlijke gehoorzaamheid te beantwoorden.

Inderdaad, Kuth is ons hier een voorbeeld van kinderlijke onderwerping en kinderlijke gehoorzaamheid, en Naomi van eene schoonmoeder vol zorgende liefde, zooals wij schier tevergeefs elders zoeken.

Ruth\'s woord, op het bestel harer zorgende liefde geuit, is zóó voorbeeldig, dat wij onwillekeurig zeggen; „Och, namen wij het allen en altijd over met het oog op de bestellingen en woorden van onzen God en Heere ! Zijne bestellingen en woorden toch — dit weten wij — falen nooit, ze zijn onafgebroken de vrucht en de openbaring van zijne liefde en trouw; ze zijn altoos wijs en heilig en goed. Gewis, wij hebben alle reden om zonder uitbeding tegenover en tot den Heere, onzen God, te zeggen: „Al, wat Gij zegt, zullen ivyj doen.quot;

Het zijn de beste, de heiligste en gelukkigste oogenblikken van het leven, wanneer ons hart daar staat, alzóó spreekt en alzóó doet.

Bij Ruth is het geen woord der lippen. Hoor maar, wat de Heilige Schrift ons verder zegt. Het luidt: „Alzoo ging zij af naar den dorschvloer, eu deed naar alles, wat hare schoonmoeder haar geboden had/\'

Boaz, de derde in het geding, houdt met zijne knechten en maagden het oogstfeest. Daarom lezen wij, dat hij gegeten en gedronken had, en dat zijn hart vroolijk was. En niet alleen, omdat Ruth zich ala bruid aandienen moet, maar ook, omdat het feest is op den akker, dien zij bezoekt, baadt en zalft zij zich, en doet zij, overeenkemstig het „gebodquot; harer schoonmoeder, hare feestkleederen aan.

In bruidsgewaad verlaat zij alzoo de moederlijke woning

-ocr page 102-

98 HET BOEK RUTH.

------.lt;^—^^ —---

en gaat xij Boaz opzoeken. En wij behoeven hier niet spottend van een schrikkeljaar te spreken, wijl zij handelt naar het gebod der moeder, ja, wat meer zegt, in overeenstemming met de wet des Heeren.

Zii gaat naar het woord des Heeren een losser zoeken. Ze gaat hem zoeken, die, zooals Naomi zeide, haar zeggen zal, wat zij doen moet. Ja, zij gaat naar Boaz, wiens naam beteekent: in hem is sterkte, ten einde, na zooveel onrust „rustquot; te zoeken.

O, deden ook wij dat bij de onrust en de wederwaardigheden van het leven, deden wij dat alleen bij den tegen beeldigen Boaz, wiens naam is: „sterke (Jod-, Vader der eeuwigheidquot;; bij Hem, die, als de geheel eenige Losser, ons de ware, geestelijke en eeuwige ruste uit genade schenkt!

Wie tot Hem komt, zal geenszins uitgeworpen worden; zij, die Hem zoeken, vinden Hem ; zij vinden in Hem rust en zaligheid. en zij vernemen van Hem, wat zij doen moeten. Ruth doet nu nog, wat hare schoonmoeder haar geboden heeft. Op den dorschvloer aangekomen, maakt zij zich „niet bekendquot;, maar weet zich schuil te houden.

Eerst toen de avondwind het kaf had weggevaagd, en nadat Boaz gegeten en gedronken en zich ter bewaking „aan het uiterste van een korenhoopquot; nedergelegd had „kwam zyj stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op. en lelde zich.quot;

Daar ligt zij. die, volgens het Woord des Heeren, een losser zoekt — naar wij gelooven — niet met onedele bedoelingen, maar met een biddend hart terneder.

Heeft zij in alles, gelijk «ns bleek, de zorgende liefde van hare schoonmoeder erkend, gewis, zij heeft, naar zij ons geteokend is in de Schrift, in dit gewichtig oogenblik van haar leven ook op de zorgende liefde en op de macht van haar ■God gezien en gepleit.

Immers mogen wij niet voorbijzien, dat in het geheele boek van Ruth de ongeziene hand des Heeren Heeren is op te merken, maar dat zij overal, zeker om heilige redenen, op den achtergrond treedt.

-ocr page 103-

HET BOEK RUTH. 99

----lt;£---__-—

In het gedeelte, dat wij thans bespreken, treedt de zorgende liefde van Naomi geheel op den voorgrond. En wij zijn nu aan het punt gekomen, waarin zich als vanzelve de vraag naar de lippen dringt, of de bestellingen van Naomi\'s zorgende liefde de gewenschte en door haar verwachte vruchten dragen.

Het antwoord nu, ons door de gewijde bladen gegeven, is toestemmend: zij zeggen ons, dat zij overeenkomstig de verwachting waren, dus, dat hare zorgende liefde wonderwel gelukt is.

Zie, het Woord onzes Gods verhaalt ons: „En het geschiedde ■ter middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep, en zie, eene vrouw lag aan zijn voetdeksel. En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik ben Ruth, uwe dienstmaagd: breid dan uv: vleugel uit over ime dienstmaagd, want gij zijt de losser. En hij zeide: Gezegend zijt gij den JJeere, mijne dochter! gij hebt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geene jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk. En nu, mijne dochter! al, wat gij gezegd, hebt, zal ik doen: want de ■gansche stad mijns volks weet, dat gij eene deugdelijke vrouw zijt.quot;

Dit woord, ons onder \'s G-eestes leiding geschreven, getuigt voor Ruth en voor Boaz beiden.

Reeds de eerste dezer woorden getuigen voor Boaz.

Ter middernacht toch werd hij reeds wakker; ja, toen had hij blijkbaar reeds zijn eersten slaap genoten. In ieder geval blijkt het, dat hij toen reeds een tijd geslapen had; en daaruit volgt ontegenzeggelijk, dat zij niet tot middernacht feest gevierd, gegeten en gedronken hebben ; maar dat hij en zijne knechten zich intijds ter ruste hebben begeven. Hierin nu is hy ook voor onzen tijd tot een voorbeeld. Het is niet goed, van den nacht een dag te maken; dat is niet goed, zelfs als wij, zooals hij, feest vieren.

Hierbij zij ter voorkoming van misverstand en verkeerde beoordeeling nog opgemerkt, dat de woorden : „En zijn hart vwo-lijk was,quot; alleenlijk zeggen willen, dat het „goedquot;, dat het in

-ocr page 104-

100 HET BOEK RUTH.

--V--^--

eene opgewekte stemming was. Er meer uit af te leiden, is. Boaz onrecht aandoen. In eene goede, blijde en dankbare stemming des harten eindigde het feest en sliep hij in.

Naar het gebruik van dien tijd bewaakte ook hij zijn koren,, en lag dientengevolge „aan het uiterste van een hoopquot;; geen wonder dus, dat hij „verschriktequot;, toen hij ter middernacht, onder Gods wijs bestel, wakker werd en iets of iemand in zijne nabijheid bemerkte. En het spreekt vanzelf, dat hij, die zijn koren tegen hongerige dieren en tegen diefstal, door wie dan ook, beveiligen moet, een onderzoek instelt. Dit onderzoek nu bracht hem de wetenschap, dat eene vrouw aan zijn voetdeksel lag.

Het ligt voor de hand, dat hij vraagt; „ Wie zijt gij?quot; In deze vraag nu ligt ook opgesloten : Wat wilt gij, wat doet gij hier ?

Door deze vraag wordt al aanstonds en aanvankelijk bevestigd, wat Naomi als in profetischen geest gezegd heeft, namelijk, dat Ruth maar zwijgen moet, dat hij wel spreken en haar zeggen zal, wat zij doen moet.

Hij begint door zijne vraag te zeggen, dat zij meedeelen moet, wie zij is en wat zij wil.

Dienovereenkomstig nu doet zij, zij zegt: „Ik ben Ruth, uwe dienstmaagdquot;, en wat zij wil, zegt zij in de woorden : „Breid dan uw vleugel uit over uwe dienstmaagd; want gij zijt de losser.quot;

Hij weet nu, dat het haar niet om koren en evenmin om, onheilige dingen te doen is. Zij is Ruth, zijne dienstmaagd, en hij kent haar, en hij weet, wie zij is.

Zij is hier in Gods weg, zij handelt naar \'s Heeren Woord en wet. Op bevel harer moeder, ziende op en rekenende met de geliefde dooden; zij is met het oog op hen en op liet erfgoed tot den losser gekomen\'.

Eene onopzettelijke, gelukkige vergissing heeft hier echter bij haar, allerwaarschijnlijkst in navolging van hare schoonmoeder, plaats. Ze is deze, dat zij zegt: „Gij zijt de losserquot;

-ocr page 105-

HET BOEK RUTH. 101

—---lt;$gt;——-$gt;----------

want de losser, de allernaaste bloedverwant, die lossen kan en lossen moet, is Boaz niet; neen, hij is niet de eerste, maar wel de tweede, die daartoe naar de wet des Heeren geroepen wordt. Maar in die onwillekeurige vergissing, die hier onder het heilig bestuur haars Gods plaats heeft, spreekt zij tot hem als tot den eerst aangewezene, en hare bede tot hem is: „Breid dan uw vleugel uit over uwe dienstmaagdquot;, terwijl de veelzeggende drangreden is: „want gij zijt de losser.quot;

Ze wenscht, dat hij haar beschermen, rust geven, huwen en alzoo in zijn huis opnemen zal.

O. welk een zegen is het, indien alzóó onze bede tot den Heere Jezus Christus, en in Hem tot Zijn God en Vader zijn mag 1

Omdat Hij de Losser is, wil Hij, als wij in de oprechtheid van Ruth tot Hem komen, over ons zijn vleugel uitbreiden, en ons onder den vleugel van zijn Vader doen vernachten.

Meer dan Boaz Ruth prees, worden wij geprezen en gezegend, wanneer wij onder zijne vleugelen toevlucht nemen. Echter niet om hetgeen wij in en van ons zeiven, maar wel om hetgeen wij dan door zijne genade zijn. God eert zijn eigen werk.

Biiaz nu prijst de zelfverloochening der jeugdige weduwe, die, door tot hem, oudere van dagen, te komen, in plaats van Jonge gezellenquot; na te gaan, hem het bewijs levert, dat geene wellustigheid, maar wel eerbied voor haar gestorven man en zijne familie haar drijft en thans hier doet komen.

Daarvan is hij zóó diep overtuigd, dat hij in deze eenzaamheid terstond den naam en den zegen des Heeren Heeren over haar inroept.

Zie, als dat vanwege ons gedrag kan en mag geschieden, en als hij, die daarbij betrokken is, zulks doet, dan is het volgens Gods Woord onwedersprekeiijk, dat wij hun onrecht aandoen, wanneer wij uit en bij dit nachtelijk bezoek aan iets onheiligs denken.

De hier gesproken — en onder \'s Geestes leiding gesproken — woorden getuigen voor Ruth en voor Boaz beiden.

-ocr page 106-

102 HET BOEK RUTH.

---—«g.—$gt;---

Het is; „Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter! gij hebt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste dewijl gij geene jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.\'\'

Deze daad, d. i. hetgeen zij doet, overtreft alles, wil hij zeggen, wat zij reeds voor haar doode, ja, voor de dooden deed.

Hij acht haar om deze hare daad nog hooger dan hij reeds vroeger deed. Vrees, dat dit bezoek en dat hare bede hem van haar vervreemden, ja, dat hij haar hierin afwiizen en versmaden zal, behoeft zij niet te hebben. Hoor maar, wat hij zegt: ,Eh mi, mijne dochter\', vrees niet, al, wat gij gezegd hebt, zal ik doen; want de gansche stad mijns volks weet, dat gij eem deugdelijke vrouw zijtquot;.

Gelijk hieruit blijkt, is hij genegen, zicli aan haar te verbinden ; immers hij wil alles doen, wat zij gezegd en gevraagd heeft, mitsdien over haar zijne vleugelen uitbreiden en de losser zijn. Dat zal hij doen, indien hij mag, en hij mag het eerst, als de eerst aangewezen losser haar versmaadt. In dit geval zal deze de schande dragen en hij de eer genieten, om deze jeugdige weduwe, aan wie de gansche stad een goed getuigenis geeft, te-trouwen.

Laten wij hier nog alleen mogen zeggen, dat het alzoo geschied is.

Naomi\'s zorgende liefde voor hare schoondochter Euth, die zoo menschkundig aan den dag gelegd en zoo kinderlijk erkend is, is alzoo onder het bestuur haars Gods boven bidden en denken bekroond.

Zooals vooral van achteren blijkt, is in deze geheele geschiedenis, bijname in dit huwelijk, de tevoren zoo verborgen, goede en wijze hand des Heeren Heeren op te merken. Ook in onze wegen wordt later diezelfde hand geduriglijk en vaak even kennelijk aanschouwd!

Zoo menigmaal en door alle tijden heen heften Gods kinderen het lied aan;

„Perst eens de bittre tefrenspoed

-ocr page 107-

HET BOEK KUTH. 103 -----lt;£■—^^---

Uefc avonds het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag,

Nauw rijst des morgens vroeg de dag,

Of C4od verleent, in plaats van lijden.

Weer stof tot juichen en verblijden.quot;

Door lijden heiligt de Heere, onze God, ons. En onder dat heiligen doet Hij dikwerf het licht in de duisternis opgaan. Ja, de wegen Gods door de diepte voeren ons tot de rijkste zegeningen. Hem God en Heere te laten, Hem te volgen, waar zijn weg met ons ook heenga, is vóór alles onze roeping en ook onze hoogste zaligheid. En bij den Heere Heere zijn uitkomsten zelfs tegen den dood. Naomi heeft, blijkens haar profetisch woord: „Hij zal u te kennen yeven, wat gi/j doen moetquot;, kunnen zeggen en zingen:

Maar de Heer zal uitkomst geven,

Hij, die \'s daags zijn gunst gebiedt,

\'k Zal in dit vertrouwen leven En dat melden in mijn lied.

\'k Zal zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht.

En mijn hart, wat mij moog\' treffen.

Tot den God mijns levens heffen.

-ocr page 108-

Nu dan, wel ia waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.

Blijf dezen nacht over; voortsin den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen ; maar indien het hem niet lust, u te lossen, zoo zal ik u lóssen, zoo waarachtig als de Heere leeft! leg u neder tot den morgen toe.

Alzoo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe; en hij stond op, eer dat een den ander kennen kon, want hij zeide: Het worde niet bekend, dat eene vrouw op den dorschvloer gekomen is.

AToorts zeide hij : Lang den sluier, die op u is, en houd dien; en zij hield hem : en hij mat zes maten gerst, en leide ze op haar; daarna ging hij in de stad.

Zij nu kwam tot hare schoonmoeder, dewelke zeide : Wie zijt gij, mijne dochter ? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.

Ook zeide zij : Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven: want hij zeide tot mi;\'; Kom niet ledig tot uwe schoonmoeder.

Toen zeide zij: Zit stil, mijne dochter ! totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen: want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.

EÜTH 3 : 12 — 18.

4kl \'iKWERF komen wij in het Woord onzes Gods te staan ftK q. voor tegenstellingen, die schijnbaar elkander uitsluiten. Zoo zegt b. v. de Heere nu eens tot Israël, dat het Y strijden moet, en dan weder, dat Hij het voor zijn volk doen zal.

Als Israël uit Egypte gaat en uit het diensthuis trekken

ibs^ssssss^ssssss.ss.ss.amp;sp

©s®o©©©©©©©©©©^Ss^^^

-ocr page 109-

HET BOEK RUTH. 105

--lt;$S----—---

7.al, dan, wanneer het volk van alle zijden is ingesloten en bedreigd, dan klinkt het hun tegen : „Ik zal voor u strijden en zal ze met eene machtige en sterke hand uitvoeren en mijne grootheid] betoenen aan Egypte.quot;

Als Israël echter straks in de woestijn is gekomen en verraderlijk door Amalek wordt aangevallen, dan mag het niet stil zitten, maar moet zelf strijden en opkomen voor de eere van zijn Bondgod.

In en tegen Egypte moet het stil zijn, en tegenover Amalek moet het strijden.

Verwonderlijke tegenstelling.

Sn toch — als wij de gedachten en bedoelingen onzes Gods eenigszins nauwkeuriger beschouwen, dan gaat er een helder licht over op.

Waar het de verlossing betreft uit het diensthuis, daar doet het de Heere alleen, daar is het zijn werk; doch als het aankomt, om de eere onzes Gods te openbaren, zooals bij Amalek, dan moeten wij strijden in zijne mogendheden en door zijne kracht.

Zoo ook, als het betreft het werk Gods voor ons en in ons, dan is dat de taak. die Hij zelf hoogheerlijk volbrengt, maar als het is, om voor zijn naam en zijne eere op te komen, dan is het de roeping van al de zijnen, om in de kracht des geloofs zijne deugden te openbaren.

Treffend komt deze gedachte ook uit in het woord, dat Naomi hare schoondochter laat hooren, als zij tot haar zegt: „Zit stil, mijne dochter! totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen.quot;

In het voorgaande gedeelte van dit hoofdstuk werd ons beschreven de nachtelijke ontmoeting, waar menigeen aanstoot in heefr meenen te vinden; doch bij ernstig onderzoek en aandachtige lezing, beschouwd in het licht dier tijden, is er niets

-ocr page 110-

306 h\'j;t boek kuïh.

lt;^-—----

aan te wijzen, wat ook maar ee.nigszins in strijd zou zijn met kieschheid en welvoegelijkheid.

Integendeel.

Noch op liet karakter van Boaz, noch op dat van Naomi, die hare schoondochter dit nachtelijk bezoek had aangeraden, noch op dat van Ruth in eenige aanmerking te maken.

Ook in dit alles komt uit de verheven schoonheid van het Woord onzes Gods en worden wij getroffen door de rijke leering, die in alles ligt opgesloten.

Vooral ook dit gedeelte, dat wij nu een weinig nader wen-schen te beschouwen, doet voor ons een lieflijk licht opgaan over de beteekenis van de lossing en van den losser.

Bemoedigend had het woord van Boaz haar tegengeklonken hl de stille, nachtelijke ure op den dorschvloer.

Geene enkele aanmerking had hij gemaakt over hare verschijning.

In plaats van ze te berispen, had hij ze vriendelijk en vaderlijk toegesproken en ze genoemd „zijne dochter,quot; gelijk hij dit tevoren al meermalen had gedaan.

„Vrees nietquot;, zeide hij, „want de gansche stad mijns volks weet, dat gij eene deugdelijke vrouw zijt.quot;

Boaz verstaat en begrijpt het, dat haar komen tot hem volstrekt niet zijn grond en oorsprong vindt in eene onreine en zondige begeerte, maar voortvloeit uit het bewustzijn van te leven naar de goddelijke ordonnantiën.

Voor Ruth, de vreemde, de Moabietische, was het zeker troostend, zulke woorden te mogen hooren en zoo verzekerd te zijn, dat in niets hare vrouwelijke kieschheid en zedigheid werd tekort gedaan of verdacht, en toch —

In het hart van Boaz leefde nog eene andere gedachte, die hij zich verplicht acht, Ruth mede te deelen, al is het ook, dat deze misschien haar leed zal veroorzaken.

-ocr page 111-

HET BOEK RUÏH. 107

-lt;$■—-

Euth meende zeker, dat zij lag aan de voeten van hem, die naar de goddelijke instelling geroepen was, de losser te zijn.

Dit kan waar zijn. en toch was er eene vergissing en onjuistheid, en Boaz, die in alles de blijken geeft van eer. waar, een eerlijk zoon van Israël te zijn, een Nathanaël, in welken geen bedrog is, ziet zich genoodzaakt, die onjuistheid en het heerschend misverstand aan te wijzen ; vandaar dat hij tot Ruth spreekt: „Uu dan, ivel is waar, dat ik een losser hen. maar er is nog een losser, nader dan ik.quot;

Mei spannende aandacht zal Ruth de woorden gevolgd hebben van Boaz; en zie, de man, op welken zij hoopte, begint ook zijn woord te wijzigen door er een maar achter te voegen.

Hij erkent, dat hij als verwant van Elimelech en Machlon geroepen is als losser op te treden, maar —

Ach, die „maarsquot; hebben al wat ellende en «mart in de wereld gebracht.

Hoe menigmaal heeft een „maarquot; de schoonste hoop en zoetste verwachting wreed en bitter ternedergeworpen.

Hoe is menige illusie eene bedrieglijke morgenwolk geworden.

En nu ook voor Ruth.

Waarom haar dan zoo voorkomend bejegend? Dat smart immers te dieper.

Waarom gedachten opgewekt, als zij toch niet verwerkelijkt kunnen worden ?

Waarom het hart dier Moabietische zoo gepijnigd ?

Dus, Boaz wil zich ook losmaken van deze jeugdige vrouwe en zich onttrekken van de grijze Naomi ? Waar het er nu op-aan moet komen, daar doet hij als zoovelen, daar werpt hij verontschuldigingen op, daar zoekt hij vijgebladen, daar zegt ook deze: — „Ga heen en word warm.quot;

Neen, wie dit mocht meenen, zou onrecht plegen tegenover Boaz, zou een smet werpen op het karakter van dezen Beth-lehemiet.

-ocr page 112-

108 het boek ruth.

--------

In het minst niet.

Verre is de ziel van dezen man van zulk eene handelwijze.

Boaz wil losser zijn, maar in den weg van recht en gerechtigheid.

Geene enkele smet mag er kleven aan de lossing, en al is het, dat hij voor eene wijle Ruth smart moet veroorzaken door zijn woord, Boaz is zich bewust, dat het niet anders mag.

Er was eene vergissing, die noodzakelijk moest worden opgehelderd.

Naomi had hare schoondochter eenigszins verkeerd ingelicht. Misschien was hare lange afwezigheid de oorzaak, dat zij de iamilieverwantschap niet zoo nauwkeurig meer kende, en nu m gemoede, zonder eenige bijgedachte, voor zeker geloofde, •dat Boaz de naaste losser was, doch er was een ander, nader dan hij.

Dat was Naomi ontgaan.

Deze vergissing kon echter de bitterste gevolgen met zicli brengen en eene groote verwarring stichten, daar alles in de Wet Gods nauwkeurig was aangewezen omtrent deze zaak.

Wij staan hier voor eene merkwaardige instelling Gods in het midden van Israël.

In Leviticus 25 en Deuteronomium 25 wordt n.1. gesproken van de lossing en van het zoogenaamde leviraats- of zwagershuwelijk, dat n.1. God aan Israël voorschreef, wanneer een broeder, getrouwd zijnde, stierf, zonder kinderen na te laten, dat dan de daarop volgende broeder geroepen was, de weduwe te huwen; en de eerstgeborene, die uit dit huwelijk zou voortkomen, moest gezet worden op naam van den gestorven broeder.

Di0 geschiedde, om het geslacht van den eerstgeborene, zoo mogelijk, voor uitsterven te behoeden.

Zoo gaf God dus aan de bloedverwanten ook verplichtingen tegenover elkander, opdat nimmer uit het oog zou verloren worden de nauwe band, die er onder hen moest bestaan.

-ocr page 113-

HET BOEK RUTH. 109-

——--lt;$-—^—-$gt;—— ----

Evenzoo had de Heere aan de bloedverwanten het recht der bloedwraak voorgeschreven, d. w. z. om den dood van den broeder te wreken.

Zoo ook was er eene roeping te volbrengen omtrent de goederen van den bloedverwant, wanneer hij n.1. uit armoede iets van zijne bezitting verkocht had, zoo was liet des lossers plicht, hetzelve te lossen.

Wanneer er nu bij het lossen telkens gesproken wordt van een broeder, dan moet dit niet slechts in den engen en gewonen zin worden opgevat, maar dikwerf in de beteekenis van bloedverwant.

Het lag dus op den weg der familie, om de plichten, naaide ordonnantie Gods, tegenover elkander te volbrengen.

Nu was het echter altijd zoo bij het lossen, dat de naaste bloedverwanten eerst moesten optreden; indien die echter niet konden of — wat ook wel gebeurde, zie Lev. 25 — niet wilden, dan kwamen de verder verwijderde familieleden aan de beurt.

Heel het feit der lossing had, gelijk wij straks nader hopen te zien, eene heerlijke en typische beteekenis.

Ook hier eene afschaduwing van den eenigen en waren Goèl, van den Losser, die alleen en volkomen de zijnen kan lossen, en vrij maken.

Boaz erkende dus tegenover Ruth, dat hij behoorde tot den kring der verwanten, maar dat er nog een was, nader dan hij. en wien dus krachtens de instelling Gods het eerst moest gevraagd worden, hier twee dingen te doen, nl.:

het goed van Naomi te lossen, en de jonge weduwe te iiuwen, opdat het huis van Elimelech niet zou uitsterven uit het- midden van Israël.

Hij wil haar huwen, haar losser zijn, en om haar te helpen, zal hij zelf die zaak in orde brengen, en haar het pijnlijke besparen, om waar zij eerst tot hem gekomen is, nu naar een ander te gaan.

-ocr page 114-

110 HET BOEK RUTH.

----

Welnu, zegt hij, zie, „als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien het hem niet lust, u te lossen, zoo zal ik lossen, zoo waarachtig als de Heere leeft.quot;

Onder heilige en plechtige eedzwering verklaart hij dus, zich niet te zullen onttrekken.

Alles zal hij voor haar doen, daar zij eene weduwe is, weshalve haar naar het bevel Gods barmhartigheid moet bewezen worden.

Bij Boaz openbaart zich dus bij een krachtig plichtsgevoel, ook een hoog gevoel van recht, en tevens de openbaring van een toegenegen hart.

Hij wil haar lossen, maar in Gods weg.

Opdat Kuth weten moge, dat alleen dit gevoel van recht hem drijft en anders niets, zoo geeft hij haar aanstonds eene vriendelijke vergunning nl.: „Blijf dezen nacht over, leg u neder tot den morgen toe.quot;

In al deze kleine trekjes komt het mannelijk en oprecht karakter van Boaz uit. In de vergunning om \'s nachts op den dorschvloer te blijven, ligt immers opgesloten eene goedkeuring van de handelwijze der Moabietische, en tevens dat Boaz terecht begreep, dat Paith na al de spannende oogenblikken, die zij had doorleefd, behoefte moest gevoelen aan rust

„Leg u neder tot den morgen toe.quot;

Welk eene stille zedigheid en kieschheid ontdekken wij op den dorschvloer tusschen die beide personen.

In den stillen nacht, terwijl zij daar alleen vertoeven, is alle vermoeden van onreinheid verre weg. Het is hier, zooals het iemand uitdrukte : twee schutsengelen houden de wacht inde stille, nachtelijke ure nl.: de vrouwelijke eerbaarheid en het levendig besef van Gods nabijheid.

Zoo kon Ruth op den dorschvloer blijven. „Alzoo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe.quot;

-ocr page 115-

HET BOEK nt\'TH. l il

---$—^---

Toen het echter morgen zou worden, tegen den tijd der schemering, die in het oosten vooral kort is, stond Boaz op ■eer de een den ander kennen kon, want hij zeide: „Het worde niet bekend, dat eene vrouw op den dorschvloer gekomen is.quot;

Onbarmhartig drijft Boaz ze niet weg van den dorschvloer ; integendeel spaart hij in alles haar vrouwelijk gevoel, doch hij vergeet ook de wijze voorzichtigheid niet.

Boaz wacht niet, tot dat het licht is geworden, maar voor dien tijd staat hij op en laat ook Ruth den rusttijd afbreken, opdat het niet bekend worde, dat eene vrouw op den dorschvloer is geweest.

Voor zich zelf had Boaz dat niet noodig, en evenmin voor de Moabietische, want dan kon hij vrijmoedig de oogen opslaan en de menschen tegemoet treden, doch Boaz handelt als oen man van ervaring, van karakter en van godsvrucht.

Het was noodig, dat die maatregel werd genomen, want de goede naam van Ruth moest ongerept blijven.

Hierin geeft Boaz aan velen eene nuttige les, die zich verheven achten boven de oordeelvellingen en de uitspraken dergenen, die hen omringen.

Zeker, op alles kan en mag men niet letten; daar zijn van die vitachtige en lastige naturen, die nooit te voldoen zijn, en immer en altijd wat aan te merken hebben, doch anders mag het ons niet onverschillig zijn, hoe de menschen over ons oor-deelen, beseffende, wat de Heere ons in zijn Woord laat hooren, dat een goede naam beter is dan goede olie.

Wat Boaz deed, was noodig en goed om verschillende redenen.

Vooreerst gold het hier de eere van Ruth zelf. r/A\\ behoefde zich niet te schamen, om aren op te lezen, dat mocht haar bekend doen worden als eene arme, maar niet als eene schuldige, als eene overtreedster.

Armoede deert niet, maar de zonde is eene schandvlek dei-natiën, en ook van ieder persoonlijk.

Maar meer nog.

-ocr page 116-

112 HET BOEK RUÏH.

-----^-

Het was noodig, dat er geen valscii vermoeden tegen haar kon ingebracht worden, nu het ging over het recht der iossing en over de voltrekking van het huwelijk.

Ongerept moest in dezen haar naam blijven.

De Heere had toch aan Israël vastgesteld, dat een loco«er vrij was van den huwelijksplicht, wanneer hij kon aangeven, dat er eene smet kleefde aan de vrouw, die hij geroepen was te huwen. En vooral, wanneer de losser niet zeer gezind was, om zijn plicht te vervullen, hoe gemakkelijk kon dan niet eeu vermoeden worden opgezocht.

Zie, dat wilde Boaz voorkomen, dat nl. de losser, die \'t eerst gerechtigd was, ook maar het minste vermoeden zou kunnen vormen tegen de reinheid van eene Ruth en hem zoo zou verplichten, als losser op te treden.

Boaz wil ze lossen, want uit alles blijkt, dat hij Ruth lief heeft, maar dan moet de andere losser eerst zijn onwil of onvermogen uitspreken.

Alles hing dus saam met de lossing. Maar zelfs afgedacht hiervan, blijft het immer de roeping des Christens, om zelfs den schijn des kwaads te vermijden, en in al zijn wandel zich te openbaren als een, wiens lust en begeerte het is, voor den Heere te leven.

In dit alles heeft de Heere ons zelf een voorbeeld gegeven.

Vooral voor een discipel van Christus is het zulk een ver-eischte, om zonder opspraak te wandelen, want het geldt hier niet slechts onzen naam, maar de eere van onzen getrouwen God, en de eere en den naam van zijne gemeente. Voorzichtig te wandelen in den dag is het werk en de roeping der kinderen Gods.

Waar hij Ruth zal laten wegtrekken, om al den schijn des kwaads te voorkomen, daar laat hij ze allerminst met ledige handen weggaan.

Er zijn dikwerf menschen, die een zak vol met beste raadgevingen voor iemand over hebben, maar, als \'t er op aankomt.

-ocr page 117-

HET BOEK RUTH. 113

---quot;$gt;---

om zelf practisch te toonen, en de hand eens in de beurs te steken, dan blijkt het, helaas, zoo vaak, dat er meer kracht stak in den mond, dan bereidwilligheid in de beurs.

Boaz weet niet slechts goeden raad te geven, maar ook goede hulp te bewijzen.

Neen, hij zal de Moabietische zoo niet laten wegtrekken, en dat niet, om tegenover anderen te huichelen, die haar soms onderweg mochten ontmoeten, zoodat die de gedachte krijgen, dat Ruth naar den dorsehvloer is geweest, om koren te verzamelen.

Deze gedachte is verre van hem, want zulk eene voorzorg was geheel verkeerd geweest, daar hij ze beter den sluier kon laten omhouden, en dichter om haar heentrekken, daar ze zoo weinig kenbaar zou wezen voor die haar tegenkwamen.

Doch Boaz zegt: „ Lang den sluier, die op u is, en houd dien; en zij hield hem, en hij mat zes maten gerst en leide ze op haar; daarna ging hij in de stad.quot;

Boaz zal ze niet ledig laten gaan uit het huis, waar zij wellicht spoedig als meesteres zal vertoeven.

Zij moet hem den sluier, den omslagdoek, het overkleed, ophouden, opdat hij daarin de gerst kan uitstorten.

Niet karig betoont hij zich. Boaz geeft ook hier eene over-loopende en welgeschudde maat. Zijn hart dringt er hem toe, om mild te geven. Het is zoo\'n voorrecht, als men goed mag geven. Het is waar, er wordt veel gegeven, en vooral in onze Christelijke kringen.

En toch alle geven is niet gelijk. Er is nog al verschil onder. Daar wordt soms gegeven ter wille van het fatsoen, omdat men niet anders kan, uit plicht, of om welke andere bijoorzaak ook. Doch het geven uit den diang der liefde is eerst het rechte, het blijde, het dankbare geven.

Dat is geven om te geven.

Dan wordt het geen toetellen, maar toestroomen.

Zoo handelt Boaz.

8

-ocr page 118-

114 HEX BOEK RUTH.

------Q,—^----

Nu hij eenmaal aan het uitstorten is, weet hij schier niet van ophouden; en geeft ze zes maten of zes gomers, een zoo zwaren last, dat de Rabbijnen zeer eigenaardig hierbij opmerken, dat de Heilige Geest Ruth moet hebben ondersteund, om dat te kunnen dragen.

Door onderscheidene uitleggers wordt nog al beteekenis gehecht aan het feit, dat hier gesproken wordt van het getal zes, en zij vragen: „Waarom gaf Boaz juist zes maten, daar dit een symbolisch getal is van den arbeid?quot;

Iedere week heeft zes werkdagen en daarmee is de arbeidstijd voltooid. Dus zes ziet op voltooiden en volbrachten arbeid.

Dit getal, zoo zegt men, moest voor Naomi eene aanwijzing worden, dat de arbeid volbracht was en de rusttijd naderde.

Anderen meenen, dat het getal zes eene profetische aanwijzing moest zijn, dat uit haar en in haar geslacht zes rechtvaardige mannen zouden geboren worden.

Hoe het ook zij, in de gift van Boaz zat eene treffende gedachte.

Met het oog op Boaz zelf sprak er uit v oldoening aan eene zuivere behoefte des harten-. Hij deed het uit liefde en niet uit gemaakte vriendelijkheid, wier gaven eerder pijn doen dan het hart verkwikken.

Dat hij haar zooveel gaf, geschiedde weder uit overleg en uit kiesche bedachtzaamheid. Zoolang het geding hangende was over de lossing, mocht Ruth niet komen op de velden van Boaz, vooral niet als zij zoo straks als de aanstaande mouw van den BetWehemiet zijne woning zou binnentreden.

Het paste der vrouw niet, aren te lezen op de akkers, die straks tot hare bezitting zouden behooren.

Met het oog op dit alles en dat Naomi en hare schoondochter goed verzorgd zouden wezen in dien tusschentijd, geeft hij haar zoo ruime maat.

Voor de Moabietische zelf sprak uit die gifte, welke zij met zich voerde, eene lieflijke gedachte, nl. dat Boaz, hoewel zij eene

-ocr page 119-

HET BOEK RUTH. 115

-lt;5--^—$gt;----

quot;vreemde was, haar niet als zoodanig behandelde, maar uit teedere voorzorg in hare nooden voorzag.

Voor Naomi eindelijk lag er een veelbeteekenend onderpand in opgesloten.

Met spanning zal zij hebben afgewacht, hoe het hare schoondochter zou vergaan op den dorschvloer bij Boaz. Hoe zal zij wederkeeren ? Zal hij haar aannemen ?

En nu, zie, Naomi keert terug, maar niet ledig. Zij brengt ■een bruidsgeschenk mede. Voor Naomi was dit alles genoeg.

Zij begreep de bedoeling der gaven.

Zoo moeten altijd onze giften eene bedoeling te kennen geven; gelijk de Heere zelf immer een doel openbaart met en in alles, wat Hij ons doet toekomen. Al wat Hij geeft, beantwoordt volstrekt en volkomen aan het doel, dat Hij zich heeft voorgesteld. Dit is juist het heerlijke in al de gaven onzes Gods, zij zijn berekend naar de nooden en de omstandigheden, en naar ■de personen, die ze ontvangen moeten.

Iedere gave Gods heeft hare heerlijke bestemming en inzonderheid aan zijne kinderen.

Dan zijn zij als zoovele onderpanden van nog grooter zegeningen in Christus, die Hij voor hen heeft weggelegd, en richten oog en hart naar die erfenis, welke onverderfelijk, onbevlekke-lijk en onverwelkelijk is, en in de hemelen bewaard wordt voor al de zijnen.

De gaven onzes Gods laten immer zijne heerlijke deugden en volkomenheden zien, en moeten ons voortdurend bepalen bij :züne onveranderlijke trouw en souvereine genade.

Zou Ruth ook aan dat alles gedacht hebben, toen zij heen toog naar de woning van Naomiquot;? Misschien niet.

Terwijl de Moabietiache heenging naar haar huis, maakte ■ook Boaz zich gereed zijne opdracht te vervullen.

Daarna ging hij in de stad.

Hij deed. wat Jezus eenmaal Judas aanried en beval: Jiij deed haastelvjk, wat hij doen moest.

-ocr page 120-

116

HET BOEK EUTH. -lt;$.—---

Hij wacht niet.

Boaz houdt niet van uitstel.

Hoe verlammend werkt dat uitstellen vaak! Wat schade-heeft de kerk van Christus daarvan al gehad! Wat schade heeft menig hart geleden door al dat uitstellen en dat ge durig wachten!

Als Abraham, gaat Boaz aanstonds heen, om het werk te-verrichten, zoo bereidwillig en met zooveel liefde op zich genomen.

Ruth heeft eindelijk de woning harer schoonmoeder bereikt; en zie, nauwelijks is zij tot haar gekomen, of eene voor ons eigenaardige vraag wordt tot de jeugdige weduwe gericht: „Wie-zijt gij, mijne dochter ?quot;

Naomi ziet haar, als \'t ware, scherp aan en onderwerpt haar aan eene eerlijke ondervraging.

Wie zijt gij ?

Maar kende Naomi dan hare schoondochter niet meer ?

Voorzeker, dat zou al te dwaas geweest zijn, want zij noemt haar „mijne dochterquot;.

En toch die vraag?

Ja, Ruth bleef hare dochter, welke ook de uitslag van haar bezoek mocht geweest zijn.

Neen, zij vroeg \'t niet, zooals sommigen wel eens doen, om eens al de nieuwtjes te weten, en daar anderen op te kunnen onthalen, vooral wanneer het wat sensatienieuwtjes zijn.

Het was geene ijdele nieuwsgierigheid van de bedaagde-Naomi, om eens te weten, wat er toch wel was voorgevallen.

Hare vraag heeft diepen zin.

Onderzoekend ziet zij hare schoondochter aan en zegt: mijne-dochter, hoe zijt gij nu tot mij gekomen, als de bruid van Boaz,. of als de arme, verlatene Moabietische ?

Leeft gij in hope, straks de vrouw van Boaz te worden of wel, is het alles ijdel geweest en is aan onze verwachting de bodem; ingeslagen ?

Er hing voor Naomi zooveel van af, wat het antwoord zijn zóu.

-ocr page 121-

HET BOEK RUTH. 117

- - - ---lt;5-—^^—----

Nu zou het beslist worden, of haar geslacht zou worden Tjitgewischt onder de kinderen van Israël.

Ruth begreep dit.

Aanstonds geeft zij er het antwoord op. ,, Ea zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.quot;

Er heerscht zulk eene lieflijke openhartigheid tusschen die beide vrouwen.

Een beschamend voorbeeld voor zoo menige jonge dochter, die in gansch andere verhouding staat tegenover hare ouders, eu in plaats van alles aan hare moeder te durven vertellen, liever maar •de dingen voor zich houdt, uit vreeze, dat de goedkeuring zou gemist worden, op wat werd medegedeeld.

Het is geen geruststellend teeken, als moeders en dochters niet meer vrij kunnen en durven spreken tot en met elkander.

Dikwijls heeft het vertrouwolijk gesprek van ouders en kinderen onder den zegen Gods veel kwaad verhoed en van veel verkeerds teruggehouden.

Rath en Naomi zijn vrij tegenover elkander, want de dochter deelt hare moeder alles mede.

Hoe vreemd zal Naomi hebben opgezien van hare vergissing ten opzichte van den losser, en in pijnlijke onzekerheid enkele oogenblikken den loop der gebeurtenissen hebben aangehoord, doch omgekeerd zal hare blijdschap weder groot zijn geweest bij het vernemen der toezegging van Boaz.

Aanstonds liet Ruth op de woorden van Boaz ook volgen de bewijzen zijner welwillendheid, die hij haar had medegegeven.

Want zij zeide : „Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven ; want hij zeide tot mij : kom niet ledig tot uwe schoonmoeder.quot;

Bij Boaz gaan woord en teeken saam.

Dat is ook de lijn, die de Heere, onze God, volgt.

Hoewel wij aan het Woord genoeg moesten en konden hebben, heeft Hij uit grondelooze barmhartigheid er het teeken aan toegevoegd, tot verzekering en bevestiging van ;het geloof.

-ocr page 122-

118 HET BOEK RUTH.

-^—lt;Sgt;--

Zoo gaan woord en teeken saam, en openbaren beide de groote en rijke genade onzes Gods.

Waar Naomi nu alles vernomen heeft, geeft zij als verstandige vrouw aan hare schoondochter eene wijze bemoediging en-zegt :

„Zit stil, mijne dochter! totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen ; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze-zaak voleind hebbe.quot;

In dit antwoord geeft zij aan hare dochter drieërlei aanwijzing.

Vooreerst maant zij haar aan tot stil zitten; verzekert haar-vervolgens van den ijver van Boaz, om eindelijk eene betuiging, af te leggen over het vertrouwen, dat zij stelt in dezen man.

Zij.raadt haar aan, stil te zitten. Overijling kan soms veel. teleurstelling baren.

Daar is een haasten en ijveren, dat verkeerden zondig is, voornamelijk wanneer dit geschiedt in eigen kracht en een on-geloovlg vooruitloopen wordt op de wegen en leidingen Gods.

Dikwerf geeft geloovig wachten bewijs van vertrouwen op-Gods kracht en genadige hulpe.

Jeremia roept het ons toe in zijne Klaagliederen ; „\'t Is goed, dat men stille zij en hope op het heil des Heeren.quot;

Stil zitten kost soms meer dan hard werken. Te moeten wachten vraagt zelfverloochening, vooral wanneer men eene werkzame natuur bezit, en dan te verstaan het woord, dat Jacobus zegt: „Zoo zijt dan lankmoedig, broeders; zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en den spaden regen zal hebben ontvangen. Weest gij ook lankmoedig.quot;

Stil zitten is een zwaar werk, vooral wanneer wij vooruit willen, de toekomst door willen kijken en een weg wenschen te banen naar het doel, dat voor ons ligt.

Toch moeten wij ook in dezen voorzichtig zijn.

Niet altijd komt tot ons het woord des Heeren : „Zit stil \'V

-ocr page 123-

HET BOEK EUTH. 119

—---------\'lt;gt;gt;---

maar gedurig het tegenovergestelde : „Werk en doe!quot;

Hier ligt eene gevaarlijke klip, waar velen op gestrand zijn, ;geen onderscheid makende tusschen lijdzaamheid en valsche lyjdélyjkheid.

De laatste is hoogst gevaarlijk en is of wordt een miskennen van de roeping onzes Gods.

Stil zitten is niet; de handen over elkander leggen in den schoot, en willoos afwachten.

De roeping tot stilzitten kwam hier eerst, zooals het verband ons leert, na zwaren arbeid.

r4od geeft ons eerst de roeping, te doen, wat onze hand vindt om te doen, en dan: in diepe afhankelijkheid den uitslag alleen aan God over te laten, geloovende, dat Hij het maken zal wijl Hij de Heere is.

Eerst als Ruth alles gedaan heeft, wat zij slechts doen kan, en al de paden heeft ingeslagen, die tot het doel kunnen leiden, ■eerst dan zegt Naomi tot haar: „Zit nu stil, mijne dochter.quot;\'

Vooral in de wegen van Gods voorzienig bestuur moeten wij leeren, dit woord van Naomi te verstaan, om stil te zitten, als de Heere er ons toe roept, en te hopen op zijn heil, alles overlatende aan Hem, die gezegd heeft; „Werp al uwe bekommernis op Mij.quot;

Stilzitten dus, totdat wij weten, hoe de zaak zal vallen.

En tot versterking in dat wachten wordt gezien op de trouw en de ijzeren volharding van den losser.

Ruth kan stil zijn, want Naomi wijst op een lieflijken trek in het karakter van Boaz.

Al is het ook midden in den oogsttijd en dus druk, de Moabietische behoeft niet bevreesd te wezen, dat hare zaak geen voortgang hebben zal. Integendeel.

De man zal niet rusten. Ruth mag stil zijn. Hij zal arbeiden, en wel zoolang, totdat hij alles zal voleind hebben. Zij kent hem en spreekt haar volle vertrouwen uit in de wijsheid, ■bedachtzaamheid en het overleg van Boaz.

-ocr page 124-

120 het boek ruth.

•-----------------—

Welk een lieflijk beeld is hier geteekend in de verhouding tusschen Ruth en Boaz, en wat schoone trekken zijn hier gegeven over den losser en de lossing.

Te schooner wordt alles, wanneer wij in den losser Boaz het schaduwbeeld zien mogen van den Meerdere van dezen, van den eenigen waren, volmaakten Losser, van Christus Jezus, den Heere zelf.

Hij is de Losser en Verlosser van al de zijnen, die ze gelost heeft door zijn dierbaar bloed, en verlost uit alle geweld des duivels.

En hier vooral geldt, wat Naomi tot Ruth zeide; „Zit stil, want Hij zal niet rusten, tot dat Hij de geheele zaak zal voleind hebben.quot;

Hij voleindt geheel de zaak voor al zijn volk, daar Hij een volkomen Zaligmaker is, die ze naar lichaam en ziel heeft gekocht.

Hij is de trouwe Herder Israels, die niet rusten zal, waar het geldt de zaliging van al de zijnen.

Hij is onze naaste en heerlijke Losser. Been van ons been, en vleesch van ons vleesch, die \'t alles volkomen volbrengen zal.

Hij, als de trouwe Herder, roept zijne schapen ; trekt ze, lokt ze, noodigt ze, behoedt en bewaart ze, leidt ze in grazige weiden en naar frissche waterstroomen.

Alles zal Hij voor de zijnen voleinden, en niet verlaten, wat zijne hand begonnen heeft te doen.

Hij heeft reeds alles voor hen volbracht.

De schuld is betaald.

Het rantsoen is gegeven.

Het handschrift der zonde is aan \'t kruis genageld.

Alles is voor hen volbracht, maar Hij zal ook alles in hen volbrengen door zijn Heiligen Geest.

Alles, wat hun nuttig en noodig kan zijn.

Hij maakt al de zijnen gereed en bekwaam en geschikt voor het Vaderhuis.

Niet rusten.

-ocr page 125-

]21

HET BOEK EUTH.

-lt;$—^^-

quot;Wij denken \'t soms.

Wij klagen dikwerf,; „Zou God zijne genade vergeten en nooit meer van ontferming weten?quot;

Qp al dat klagen, dat moedeloos zuchten, klinkt de stemme des Heeren :

„Zit stil en hoop volkomenlijk.quot;

Waar het zijn werk geldt voor en in ons, daar geeft Hij ons de taak, om stil te zitten en te verbeiden, maar anders is het:

„Werk, zoolang het dag is, eer de nacht komt, waarin niemand werken kan.quot;

Wij hebben een volkomen Zaligmaker, die in heerlijkheid vervullen zal al de nooden van zijn volk.

Meer dan Boaz is hier.

M. W. H. O.

-ocr page 126-

En Boaz ging op in de poort en zette zich aldaar: en zie, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij; zoo zeide hij: Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een! En hij week derwaarts en zette zich.

En hij nam tien mannen van de oudsten der stad en zeide : Zet u hier, en zij zetten zich.

Toen zeide hij tot dien losser; Het stuk lands, dat van onzen broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land wedergekomen is, verkocht;

En ik heb gezegd : Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners en in tegenwoordigheid van de oudsten mijns volks; zoo gij het zult lossen, los het; en zoo men het ook niet zou kunnen lossen, verklaar het mij, dat ik het wete, wanteris niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij : Ik zal het lossen.

Maar Boaz zeide; Ten dage, als gij het land aanvaardt van de hand van Naomi, zoo zult gij het ook aanvaarden van Ruth, de Moabie-tische, de huisvrouw des verstorvenen om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel.

Toen zeide de losser : Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve, los gij mijne lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen.

Nu was dit van ouds af eene gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling om de gansche zaak te bevestigen, zoo trok de man zijn schoen uit en gaf dien aan zijn naaste ; en dit was tot een getuigenis in Israël.

Zoo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u ; en hij trok zijn schoen uit.

Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk ; Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimelech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest

-ocr page 127-

123

HET BOEK RUTH

-lt;$•—-

is, van de hand van Naomi.

Daartoe aanvaarde ik mij ook Euth, de Mo-abietische, de huisvrouw van Machlon, totvrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijne broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen.

Ruth 4 :1 —10.

E zullen heden vertoeven in de poort van het stedeke-Be thlehem en willen getuigen zijn van eene lossing, zooals die naar de gewoonte van Israels wet plaats had in de poort.

De stadspoort hebben we ons voor te stellen als een met tinnen bedekt en van torens voorzien gebouw, en de vrije plaatsruimte, die: zich binnen de stad — vlak naast de poort — uitstrekte, was het middelpunt van het openbare leven des volks. Hier hielden de oudsten gericht, hier spraken de profeten tot de verzamelde menigte, hier werden koopen gesloten, reeds ia Abrahams tijd, waar deze van Efron, zittend in het midden van de zonen Heths en voor de ooren van allen, die de stadspoorte ingingen, den akker van Machpela tot eene bezitting kocht; hier werden allerlei twisten gebracht en beslecht; hier sloeg in één woord de polsslag van het publieke volksleven. Hier ziet ge het leven naar Gods ordinantiën in de practijk.

De Heere had aan zijn volk allerlei wetten gegeven, niet om die ongebruikt te laten, maar om ze toe te passen op de gevallen, die zich in het leven van het volk voordeden.

Ook in de geschiedenis der Moabietische, van Ruth, komt de stadspoort ter sprake. In die poort vindt eene gewichtige zaak plaats, waarvan we lezen in Ruth 4 : 1 — 10.

We zien hier :

le. hoe de lossing aanvankelijk wordt aangenomen,

2e. hoe de lossing bij nadere verklaring wordt afgeslagen,-

-ocr page 128-

HET BOEK RUTH. 124

---lt;$,—^—£gt;-------

en 3e. hoe de lossing in volle kracht wordt aanvaard.

Onder de inzettingen des Heeren voor zijn volk Israël behoorde ook die der publieke lossing.

Den grondslag vinden we in het woord uit Lev. 25 :

„Het land zal niet voor altoos verkocht worden, want — het land is het mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.quot;

„Daarom zult ge in het gansche land uwer bezitting lossing voor het land toelaten.quot;

De wijze, waarop dit geschieden zal, wordt ook duidelijk aangewezen : „Wanneer uw broeder zal verarmd zijn en iets van zijne bezitting verkocht zal hebben, zoo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen en zal het verkochte zijns broeders lossen.quot;

Mocht echter iemand gansch geen losser kunnen vinden, zoo kwam in allen gevalle met het jubeljaar, het 50ste jaar, het verkochte weder aan dengene, die het uit armoede had verkocht.

Het woord lossen beteekent eigenlijk wederkoopen, inlossen, en daarvan afgeleid nu ook verlossen, bevrijden. Dikwijls komt het in verband voor met het woordeke bloed en wil dan zeggen ; hloedwreken d. i. het bloed terugvorderen, en wijl nu het recht en de roeping tot wederkoop, tot inlossing, maar ook tot bloedwraak, aan den naastbestaande toekwam, zoo beteekent het Hebreeuwsche, ook wel in het Hollandsch gebruikte woord Goel de bloedverwant, de losser, en eindelijk de verlosser.

Door het erfdeel te lossen, werd hij dan ook verlosser, bevrijder voor den verarmde.

Lezen we nu, na deze inleidende opmerking, de verzen 1 — 4 en zien we, hoe de lossing aanvankelijk wordt aangenomen. „En Boaz ging op in de poort, en zette zich aldaar ; en zie, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij ; zoo zeide hij : Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een ! En hij week derwaarts en zette zich. En hij nam tien mannen van de oudsten der

-ocr page 129-

125 HET BOEK RÜTH.

-lt;$amp;—-$gt;-—

stad en zeide: zet u hier; en zij zetten zich. Toen zeide hij tot dien losser: Het stuk lands, dat van onzen broeder Elünélech was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land wedergekomen is. verkocht; en ik heb gezegd : Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks, zoo gij het zult lossen, los het; en zoo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij : Ik zal het lossen.quot;

Boaz is reeds vroeg opgestaan, nadat hij tot Ruth het geruststellende woord gesproken heeft:

„In den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed,laat hem lossen ; maar indien het hem niet lost, u te lossen, zoo zal ik u lossen, zoo waarachtig als de Heere leeft! leg u neder tot den morgen toe.\'\'

Boaz rust echter niet. Hij gaat op in de poort en zet zich neder.

Daar was de plaats, door Jehova in zijne wet aangegeven. Reeds in Deuteronomium heette het: „Rechters en ambtslieden zult gij u stellen in al uwe poorten, die de Heere, uw God, u geven zal onder uwe stammen, dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid!quot; Daar moet iedere openbare zaak worden behandeld. In Deuteronomium 25 wordt dit ook geboden, wat de zaak betreft, die Boaz thans bezig houdt; de lossing. Boaz wacht en neemt nauwkeurig iederen voorbijganger op, en zie, daar nadert de persoon, om wien het hem juist in de eerste plaats te doen is, de losser, die nog nader verwant is aan Naomi dan hij — en die dus niet mag worden voorbijgegaan in het stuk der lossing.

„De gangen des mans zijn van den Heere!quot; Boaz draalt niet, maar zegt: „Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een !quot; Tegenwoordig zouden we dit aldus zeggen : het is mij juist om u te doen !

Wellicht merkt ge op, dat Boaz wel wat vriendelijker had kunnen zijn en hem had moeten aanspreken als zijn familielid.

-ocr page 130-

HET BOEK RUTH. 126

-lt;$-—#—----

Maar het gaat hier niet, om een gezellig familiegesprek te houden ; neen, er moet hier eene vordering van het recht Gods worden geboekt; er moet hier eene publiekrechtelijke zaak worden behandeld.

Vandaar klinkt het hier meer als een bevel dan als een verzoek! En al draagt deze nadere bloedverwant geene kennis van de zaak, die het ttians geldt, toch weet hij nu, dat er iets belangrijks te behandelen valt en hij zet zich neder.

Boaz laat zich echter nog niet uit. Eerst toch moeten er achtbare getuigen zijn.

Tien mannen van de oudsten der stad neemt hij tot zich, en als zij nu met hun twaalven bij elkander zijn, neemt Boaz het woord en spreekt den naasten losser aldus aan: „Het stuk lands, dat van onzen broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land wedergekomen is, verkocht.quot;

Naomi, want de zaak moet hier eerlijk worden blootgelegd, Naomi heeft den erfgrond, die het bezit was der familie, verkocht. Zij heeft het gedaan uit armoede. Het is, alsof Boaz daarop zinspeelt, met de uitdrukking: zij is uit der Moabieten land wedergekomen.

Hoewel het door hare hand alleen eigenlijk, volgens sommigen, niet had mogen geschieden, het was verkocht en nu moest één van beide : of tot het jubeljaar gewacht worden; öf het kon nu reeds door den naasten losser worden opgevraagd, maar dan moest deze de koopsom aan den kooper van het verkochte land wedergeven.

Dit laatste nu wordt door Boaz aan den naasten losser, zijn bloedverwant, voorgesteld.

Boaz gaat voort te spreken : „Ik heb gezegd : Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende ; Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks, zoo gij het zult lossen, los het, en zoo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete, want er is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u.quot;

-ocr page 131-

HET BOEK EUTH. 127

-------^------

Boaz geeft de zaak dua geheel aan hem over, hij moet spoedig beslissen; de zaak is nu openbaar gemaakt en voor de ooren der getuigen moet hij zich uitspreken.

Eu — die uitslag is gunstig. Bereidwillig wordt de lossing door hem aangenomen.

Er zijn uitleggers, die deze bereidwilligheid verklaren uit hebzucht. Het gaat hier nog slechts om het erfgoed, en het erfgoed zou dan na overlijden der weduwe aan hem komen !

Toch vinden we hier geene reden voor. We nemen liever aan, waar deze naaste losser zoo onmiddellijk en zonder omwegen uitspreekt: „Ik zal het lossen\'quot;, dat hij zijne bereidwilligheid hiermede openbaart, om naar zijne roeping te handelen, overeenkomstig de rechten van Jehova!

Zoo schijnt dan de zaak afgehandeld. Maar neen! We moeten in de tweede plaats er op wijzen, hoe de lossing bij nadere verklaring wordt afgeslagen, verzen 5- 8. „Maar Boazzeide: Ten dage, als gij het land aanvaardt van de hand van Naomi, zoo zult gij het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te ver, wekken over zijn erfdeel.

„Toen zeide de losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve, los gij mijne\' lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen.

„Nu was dit van ouds af eene gewoonheid in Israel, bij de lossing en bij de verwisseling, om de gansche zaak te bevestigen, zoo trok de man zijn schoen uit en gaf dien aan zijn naaste ; en dit was tot een getuigenis in Israël.

„Zoo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u: en hij trok zijn schoen uit.quot;

Boaz geeft eene nadere verklaring. Er is aan deze lossing meer verbonden dan alleen het inlossen van het erfgoed: het gaat hier niet slechts om het goed, maar om een persoon ; het gaat hier niet slechts om de bezitting, maar om den naam des verstorvenen over zijne bezitting.

-ocr page 132-

128 HET BOEK EUTH.

--------

Daarmede verandert nu de zaak voor den naasten losser, Laat ons hooren: „Maar Boaz zeide; „Ten dage als gij het land aanvaardt van de hand van Naomi, zoo zult gij het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeelquot;. Wat was toch het geval onder Israël, zoo duidelijk door Jehova aangewezen ?

Het was eene schrikkelijke zaak, ja een vloek gelijk, als iemands geslacht werd afgesneden, als iemands naam werd te niet gedaan. Naam en persoon worden in de Heilige Schrift zeer nauw verbonden. Denk slechts aan de bijzondere naam ge vingen des Heeren. De naam Gods is voor ons de openbaring van zijn wezen ! Zijn naam ziet het wezen ! is de krachtige uitdrukking in Micha\'s profetie.

Een geslacht uitdelgen heet in de Heilige Schrift dan ook : zijn naam en gedachtenis van de aarde verdoen !

Het was de vloek over Amalek, dat de Heere de gedachtenis zou uitdelgen !

In den 9den psalm vinden we: „Gij hebt den goddelooze verdaan, gij hebt hun naam uitgedelgd !quot;

Tegenover dit uitdoen van naam en gedachtenis staat nu in de wet van het z. g. leviraatshuwelijk; het vei wekken van den naam des verstorvenen; zoodat dan de eerstgeboren zoon uit dat huwelijk in de plaats trad van den verstorvene en zoo diens naam bleef.

Het staat woordelijk in dat deel der Heilige Schrift, Deut. 25, handelend over het leviraatshuwelijk : „En het zal geschieden, dat de eerstgeborene, dien zij baren zal, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen, opdat zijn naam niet uitgelgd worde in Israël.quot; Met het oog daarop nu spreekt Boaz het uit tot den naasten losser: Deze roeping zal tevens naar Gods ordinantie op u liggen, dat ge Ruth als vrouw aanvaardt en den naam des verstorvenen over zijn erfdeel verwekt.

Op deze nadere verklaring moet nu een antwoord volgen,

-ocr page 133-

HET BOEK RUTH. 129

---lt;£,—-------

en in dit antwoord verklaart de naaste losser, dat hij er in dit geval van moet afzien.

Toen zeide die losser: „Ik zal het voor mij nieï kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve ; los gii rcijnfe lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen!quot;

De losser geeft niet nader de reden op, waaruit zijn niet kunnen lossen voortkomt, wel geeft hij zijdelings iets te kennen. Hoogstwaarschijnlijk is deze losser zelf gehuwd geweest, en had zijne vrouw hem kinderen nagelaten, zoodat een huwelijk, dat hem op het onderhouden van twee gezinnen kwam te staan en daarbij nog van Naomi, te zwaar viel, en alzoo liet erfdeel zijner kinderen verloren zou gaan, wat hij niet kon en mocht toelaten, vooral nu er een andere weg geopend was in Hoaz.

Hoe het echter zijn moge, we weten, dat de eerst tot de lossing geneigde losser, er thans van afziet en nu zijn recht overgeeft aan Boaz, zeggende: „Los gij mijne lossing voor u !quot;

Zoo komt «lus Boaz voor de zaak te staan en staat het aan hem, niet alleen het erfgoed weder te koopen, maar ook de persoon van Ruth re aanvaarden, opdat de naam van den verstorvene niet uitgeroeid worde uit Israël. De getuigen hooren de overdracht aan.

Toch is het hier niet mede afgeloopen.

Deze overdracht gaat gepaard met eene symbolische handeling. We lezen in vers 7 : „Nu was het van ouds eene gewoonheid in Israël bij de lossing en bij de verwisseling, om d«-gansche zaak te bevestigen, zoo trok de man zijn schoen uit en gaf dien aan zijn naaste en dit was tot een getuigenis in Israël.quot;

„Zoo zeide deze losser tot Hoaz: Aanvaard gij het voor u ; en hij trok zijn schoen uit.quot;

Het schijnt toen ter tijd niet met schriftelijke onderteekening te zijn geschied. Later, in Jeremia\'s tijd, lezen we, dat een brief onderschreven werd en verzegeld en dat de getuigen betuigden

de zaak, die was geschied. Hier hebben we eene eigenaardige

y

-ocr page 134-

130 HET BOEK RUTH.

----------

gewoonte, die haar grond vond in de instelling van Jehova

De beteekenisis de volgende: Wijl men goederen in land dooi het betreden van den grond en bodem in bezit neemt en met den schoen daarop staande zijne bezitting erkent, zoo werd het uittrekken en overgeven van den schoen het symbool van het overgeven van ziin recht, van het overdragen van de bezitting.

Als dan ook in den psalm wordt gesproken door David, dat hij zijn schoen op Edom zal werpen, wil dit zeggen, dat hij het in bezit nemen zal.

In het geval nu, dat men uit onwil niet wilde lossen, en de weduwe met het erfgoed weigerde te aanvaarden, lezen we in Deut. 25. trok de weduwe den onwilligen losser den schoen uit en spuwde daarbij in zijn aangezicht, zeggende: „Alzoo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niet bouwen zal.quot;

Hier vinden we echter, dat de man zelf den schoen uittrekt, — de weduwe is er denkelijk niet bij tegenwoordig geweest, ook valt het spuwen in \'t aangezicht hier weg.

Dit nu spreekt vanzelf. Immers is er nog een losser, die bereid is alles te aanvaarden. En daarbij, de naaste losser betoonde zich niet onwillig, ja eerst was hij bereid ; later bleek het hem ondoenlijk te zijn. Zoo was dus alleen noodig het zinnebeeld van de overdracht der lossing, in het bijzijn der getuigen. En zoo doet dan, terwijl de schoen uitgetrokken is, de naaste losser geheel afstand van zijn recht met het woord: „Aanvaard gij het voor u.quot;

Overdragen is echter niet genoeg, ge kunt het uit dit laatste woord duidelijk merken. Wat overgedragen wordt, moet aanvaard worden.

Hierom wijzen wij er in de derde op, plaats hoe de lossing in volle kracht wordt aanvaard.

„Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk: Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimé» lech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi. Daartoe aanvaarde ik mij ook Ruth,

-ocr page 135-

HET BOEK RÜTH. 131

-----------lt;-gt;—^—4gt;-.--—---—

de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot eene vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijne broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden .getuigen.quot;

Had Boaz niet aanvaard, de zaak zou geheel afgesneden ziin geweest. Maar Boaz houdt woord. Hij is volkomen bereid, om in alle deelen, in volle kracht te aanvaarden èn het erfgoed èn de persoon, om den naam des verstorvenen te verwekken over .zijn erfdeel.

Boaz spreekt tot de oudsten en al het volk, dat bij zulke openbare gelegenheid in de poort verzameld was; „Gijlieden zijt getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimélech geweest is. en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi.quot;

Hiertoe nu was ook de naaste losser bereid geweest, dat kon hij zonder bezwaar doen. Boaz aanvaardt de erve, de kooper kan de gegeven koopsom bij hem wederbekomen ; en eenmaal ingelost, treedt ook straks de bevrijding in van de beide weduwen, van Naomi en Ruth.

Naomi kwam ook voor zijne rekening.

Dat Boaz de lossing dan ook volkomen aanvaardt, drukt hij uit in de woorden: „Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische en de huisvrouw van Machlon, tot eene vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijne broederen en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen.quot;

Terecht merkt iemand op: „Niet alleen de doode eigendommen, maar ook de levende personen worden aanvaard.quot; En dat zijn twee zwakke, alleenstaande vrouwen en hulpbehoevende weduwen, waarvan de eene het wettig erfdeel verkocht had en de andere, als vreemdelinge en Moabietische, geen erfdeel in het beloofde heilige land had, of naar de wet mocht bezitten. Hij daarentegen, Boaz, verklaart zich bereid een met schuld bezwaarden erfgrond benevens twee arme vrouwen door lossing met opoffering van

-ocr page 136-

132 HET BOEK KÜTH.

-----------lt;5,—--

het zijne en van zijn persoon te aanvaarden ; hij, een rijk, aanzienlijk grondbezitter, die van al, wat hij lost, voor zich zeiven niets noodig heeft. Het geschiedt geheel ter wille der personen, die gelost worden moeten. Het is hem te doen, niet om het erfgoed, maar om de erfgenaam ; niet om de verwachte opbrengst van het land, maar om het zaad der vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken.

Wij mogen hier bij Boaz niet denken aan een spelen met •woorden, alles geeft ons den indruk van heiligen ernst. Boaz heeft de ordeningen Gods op het oog in dit huwelijk met Ruth. Hij doet weldadigheid aan de levenden en aan de dooden.

Hii zegt niet: Ik aanvaarde ook Ruth, omdat zij mij gevalt, en omdat zij schoon is, wat — zooals zeker uitlegger opmerkt — nergens staat beschreven, wel dat zi; eene deugdelijke vrouw was; we gelooven, naar de gansche verschijning van Boaz oolr hier in hem te vinden den man, die niet in de eerste plaats, rekent met zich zeiven, maar met de geboden des Heeren, met de rechten van zijn verbond. Zoo vinden we in hem den losser, den Goël, die lost en verlost ; en die in het lossen en verlossen, ook in het aanvaarden van Naomi\'s erfdeel en de Moabietsche Ruth, toont iemand te zijn, die zijn God vreest en met Hem rekent.

Na de korte toelichting dezer openbare lossing in de poort van Bethlehem, willen we het licht der vervulling in den waren en eenigen Goël, den Heere Jezus Christus over deze historie, ook over de schaduw der lossingswet laten vallen.

Niet, versta ons wel, dat we deze gescliiedenis nu gaan. vergeestelijken, door alles — of het past of niet past — te willen overbrengen op de geestelijke dingen. Sommigen verlangen dit en meenen, dat anders de Schrift niet tot haar recht komt; voor ons is de Heilige Schrift te heilig, om haar te mishandelen en er dingen in te leggen, die de Heilige Geest er kennelijk niet in gelegd heeft. Gods Woord verklaart zich zeiven. en het is onze roeping alles in verband te zetten met de verheer

-ocr page 137-

HET BOKK RUTH. 133

--^—lt;5gt;—-g.-------

lijking Üodd en het licht, dat in deu Christus Gods ons gegeven is!

Zoo moeten we dat licht van den Christus, den grooten Losser en_ Verlosser zijner gemeente, laten vallen over de typen en schaduwen des Ouden Verbonds. De lossing onder Israël is er om den Christus, en niet omgekeerd. Het beeld wordt ■ eerst duidelijk door het tegenbeeld.

Keurig is liet eenmaal gezegd; „Teeken en beeld, woord en gezicht, offer en, wet, altaar en verbondsark zijn alle als srer-ren van ongelijke grootte aan den majestueuzen hemel van Gods volk, als veelvervige openbaring aangaande den eenen Christus Gods

Uit Boaz en Kuth is later de Christus geboren. Is Boaz als ware losser het schaduwbeeld, de type; Christus is de eenige geestelijke Goël, het tegenbeeld, de anti-type, in wien alles is vervuld.

Beteekent Boaz : „In hem is sterktequot; en bleek het uit de geschiedenis, dat Boaz niet alleen de bereidwillige, maar ook de daartoe bekwame en krachtige losser is; van Christus geldt het in den volsten zin des woords; „In Hem is sterkte:\'

Sterkte bezit Hij om te lossen en daarin te verlossen, wat onmogelijk op andere wijze of door anderen kon gelost en verlost worden.

Wat toch is het geval?

Cod, de Heere, schiep ons eenmaal naar zijn beeld, met do volle kracht om den eisch des Heeren, zijn wil, zijne wet te volbrengen, en die wet zal het eeuwig leven, het eeuwig erfgoed schenken bij volkomen gehoorzaamheid. Moedwillig hebben we die wet overtreden, we hebben de gehoorzaamheid opgezegd ! Zoo staan we als schuldigen voor het aangezicht van Hem, die zijne wot had gegeven, opdat we door dezelve leven zouden f Zoo ■ontvalt ons de kostelijke bezitting, en de gerechtigheid Gods treedt als schuldeischeresse op.

De naaste losser is en blijft, de Wet. Het eeuwig leven was

-ocr page 138-

•^34 HET B0EK RUTH*

-----lt;£■—^--

beloofd op de onderhouding der wet. En dit blijft zoo. Op de-volkomene gehoorzaamheid aan de wet blijft God het eeuwig leven toezeggen. De naaste losser, om uw verloren erfgoed weder

te ontvangen, is altoos de icet.

Lag er nu geene schuld, geene persoonlijke schuld, laagt ge nu niet onder de macht en de straffe des doods, zoo zou die wet kracht hebben, om u nog uw verloren goed weder te schenken, en zou de mogelijkheid er zijn, dat deze naaste losser volkomen bekwaam was te lossen. De wet is echter volkomen-onbekwaam en machteloos om u te helpen.

Immers, gesteld al, dat ge de wet volkomen gehoorzamen kondet, daarmede zou uwe schuld niet weg zijn ; daarmede-zoudt ge niet ontheven zijn van de rechtvaardige strat, die aan uwe zonde en schuld verbonden is!

En zoo past hier het woord van den Romeinen-brief: «Hetgeen der wet (die eigenlijk de naaste losser was om het leven te geven); hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl ze door het vleesch krachteloos was, heeft God gedaan, zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches en dat voor de zonde, de

zonde veroordeeld in het vleesch.quot;

Zoo wordt ons oog gericht op den waren en machtigen

Goël, Jezus Christus!

Alleen in dezen weg kan het erfgoed worden gelost, als ook de persoon wordt gelost. En nu wordt in den Heere Jezus als in den Borg en Losser alles gevonden ! Niet slechts dat de-Middelaar in alles de wet zijns Gods volbrengt, als de Borg zijner gemeente; maar er is ook verzoening noodig._ Het van God afgevallen geslacht ligt onder schuld, er moet een rantsoen en losprijs worden betaald, eenprijs der verzoening-Het gaat hier dus om den persoon zelf, niet slechts om liet

erfgoed.

De wet, die wel bereidwillig zou zijn, om te lossen, staat hier krachteloos; niet alzoo de ware Goël, Jezus Christus. Wat door eigen schuld tot in den dood is weggezonken, wordt door

-ocr page 139-

HET BOEK RUTH. IBS\'

-----

Hem aanvaard. Het is Christus te doen, om den naam des verstorvenen, die buiten Hem, den waren Losser, zou uitgeroeid quot;worden, te verwekken over het erfdeel.

Daartoe gaat Hij zelf in den dood, is Hij gehoorzaam geworden tot in den dood des kruises, en daarna verhoogd, heeft Hij een naam ontvangen boven alle namen.

En dat niet voor zich zeiven, maar in zijne opstanding rekent zijne gemeente ook in Hem, staat ze op uit de dooden. De naam des verstorvenen is verwekt; wat in den dood was weggezonken, herleeft in en door Hem, den waren Boaz.

Buiten dezen Christus uitdelging van geslacht en naam, ja van de gedachtenis.

In dien Christus lossing en verlossing, vrijmaking van den dood, herleving van gedachtenis en naam, de voortplanting van zijn naam van geslacht tot geslacht.

Buiten Christus den grooten Boaz, den wezenlijken Goël, eene volkomen afgesnedene zaak, in Hem eene volkomen geredde zaak.

Daartoe heeft dan ook Christus zich uitermate vernederd, en is Hij, die rijk was, in datzelfde Bethlehem arm geworden, opdat Hij door zijne armoede rijk maken zou.

Dit is het groote doel van dezen Goël, den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken.

Hij aanvaardt door zijne lossing, door zijne voldoening en verzoening, uit de hand der Goddelijke gerechtigheid persoon en erfdeel, zijne gemeente en het voor haar verworven eeuwig: leven.

Het gaat den Christus om zijne gemeente, die Hij door zijn dood van de schuld heeft gelost en door zijne opstanding volkomen eerlost.

Maar om nu de heerlijkheid van dezen Goël in dit leven te verstaan, is noodig, dat we sterven aan de wet.

Wie in den weg der werken gerechtvaardigd wil worden, dien is Christus ijdel geworden.

-ocr page 140-

]^(3 HEI\' BOKK RÜÏH.

Ach ! hoevelen willen nug van de wet, als van een waren losser, het leven verwachten.

Hoe menigeen zal, liuewel levend onder de bedeeling van het verbond der genade en onder de verkondiging van den waren Ooel: Jezus Christus, in den weg der eigengerechtigheid zijne hulpe verwachten van het verbond der werken.

Laat\' dan in deze ure de waarschuwing nog gehoord worden, dat ge zoodoende den eenigen waren Boaz verwerpt, uwe sterkte niet zoekend in Hem, in wien alleen de sterkte dei-lossing en verlossing is.

Zoo worde het door de werking des Heiligen Geestes en des Woords in uw bewustzijn eene volkomen afgesneden zaak, het leven te willen ontvangen door de werken der wet.

En als dan het oog der ziel tot de heilzame ontdekking komt, dat de wet u nimmermeer lossen kan. dat opheffing uwer schuld en verwerving des levens nooit van de zijde der wet u toekomen kan, dat - om met Ps. 49 te spreken - niemand u verlossen kan, noch Ciode zijn rantsoen zal kunnen betalen, en het in uwe gedachte verloren, geheel verloren is, dan openbaart zich de meerdere dan Boaz, de Gocl uwer ziel; dan vindt ge in Hem alles, wat ge van noode hebt; in Hem ziet ge dan uwe schuld weggenomen, en het eeuwig leven bereid; uwe rechtvaardigmaking.

quot;VVat rijke vertroosting voor het verslagen zondaarshart, in zijn Jezus een volkomen Goël te vinden. Deze Goël heeft niet gerust, voordat Hij de gansche zake uwer zaligheid heeft voleind.

En dus hebt gij, mijn broeder en zuster! niets te voleinden voor uwe lossing; ivat ge noodig hebt, is: in stil geloof, in u geplant en gevoed door Geest en Woord, het Amen der ziel uit te spreken op deze lossing, zoo kostelijk, zoo volkomen 1

Dan wordt gij niets, en uw Goël alles. Dan ziet ge u geheel voor zijne rekening. En straks u eeuwig verblijdend in den nieuwen naam, door uw Goel u verwekt, zingt ge t hier

-ocr page 141-

137

het boek ruth.

--$-V-*----

den uit het Jodendom tot den Christus bekeerden dichter Da •Costa na:

Mijn Redder, mijn (xoëi, mijn Zouden vernieler,

Mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mij if God,

Mijn Onlieilverwinner, mijn Leveusbezieler!

Gezegend, geheiligd, heslist is mij» lot. M. J. D. v. d. V.

-ocr page 142-

HET LOFLIED DES HEMELS.

Sn ik zag in de rechterhand desgenen, die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. En ik zag een sterken engel, uitroepende met eene groote stem: Wie is waardig, het boek te openen en zijne zegelen open tequot; breken? En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve inzien. En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om het boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien. En een van de ouderlingen zeide tot mij : Ween niet; zie, de leeuw, die uit den stam van Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen en zijne zeven zegelen open te breken. En ik zag en zie, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht,-hebbende zeven hoornen en zeven oogen; dewelke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

En het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand desgenen, die op den troon zat. En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen. En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig, het boek te nemen en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; en gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren ; en wij zullen als koningen heerschen op de

-ocr page 143-

HET LOFLIED DES HEMELS. 139 -----lt;$S--^------

E Openbaring van Johannes is een wonderlijk, en toch zoo\'n voortreffelijk boek. Zou liet wel genoeg gelezen en overdacht wordenj of zou het alleen voor zonderlinge menschen geschreven zijn ? Het is zeker waar, dat er groote moeielijkheden aan de uitlegging verbonden zijn, maar dat behoeft geenszins te verhinderen, er troost en sterkte uit te putten, waartoe het zoo uitnemend geschikt is.. Bovendien het eerste gedeelte levert niet de bezwaren op, welke ons toeroepen ; Hier moogt ge u niet wagen.

Na eene schoone inleiding vestigen de Hoofdstukken II en III ons oog op een zevental gemeenten, die ons een beeld vertoonen van de kerk van Christus in alle eeuwen. Het volgende capitteL verplaatst ons in den hemel. Majestueus is het gezicht. Hier mogen wij onzen blik wel versterken. Nu de zichtbare hemelen als een gordijn terzijde geschoven zijn, aanschouwen wij den troon des Allerhoogsten, rondom welken de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen zich bevinden. Deze, vol bewondering voor de heerlijkheid, welke daar glanst, zingen den lof des Scheppers. Daarna beschrijft de Ziener een tafereel vol leven en handeling, niet vaag, maar bepaald en nauwkeurig. Wij blijven hier een oogenblik staan.

De Troon des Allerhoogsten is omringd van andere tronen, waarop Johannes de vierentwintig ouderlingen ziet. Men kan de vraag doen: «Wie zijn dat?quot; en met eenigen antwoorden; „De twaalf patriarchen en de twaalf apostelen, die als de vertegenwoordigers van heel de kerk te beschouwen zijnquot; doch o. i. is het beter, hierbij te denken aan de vier en twintig orden, waai-in de bedienaars des aardschen tabernakels verdeeld waren, en hen dus te houden voor de vertegenwoordigers van de Kerk des Ouden Testaments.

Bij de dieren heeft men gedacht aan de dieren, welke in Ezech. 1 : 10 beschreven worden, maar deze verklaring stuit

-ocr page 144-

140 HET LOFLIED DKS HKMELS.

------

op moeielijklieden, welke niet zoo gemakkelijk weg te nemen zijn. Immers in dit laatste visioen worden daarmede Engelen aangewezen, en van hen ia hier geene sprake, want naar vers 9 zijn het menschen. Engelen kunnen toch niet zingen; „die ons gekocht heeft met zijn bloedquot;.

Om die reden kunnen wij ons beter vinden in de voorstelling van anderen, die in hen zien de dienaren des Nieuwen Testaments, aan welke de apostel Paulus verklaart, dat zij bestaan uit: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leeraars. In hen is dan de kerk des Nieuwen Testaments vertegenwoordigd.

Heel de kerk zingt alzoo, zij zingt de heerlijkheid van haar Verlosser, zij bezingt deze heerlijkheid in een nieuw lied. Eentonig is het in den hemel niet. i-iteeds ontvangen zij nieuwe stof. Telkens komt er eene andere zijde van die heerlijkheid bloot. Thans is het al een bijzonder plechtig oogenbiik. Verrukkelijk schoon zijn dan ook de tonen, welke wij beluisteren ; indrukwekkend en hartroerend het lied, dat daar welt uit de borst der hemelingen.

Wat gaf er aanleiding toe ? In de hand des Almachtigen lag eene boekrol. Zij was van buiten en van binnen beschreven, en met zeven zegelen gesloten. Johannes begreep: op die rol staan de raadsbesluiten Gods, alles wat nog gebeuren moet. Hem was ook beloofd, dat de verborgenheden aan hem toevertrouwd zouden worden, opdat hij ze zou mededeelen aan de strijdende kerk op aarde. Daaruit had hij afgeleid, van hoe groot belang het zou zijn voor het volk Gods. wanneer het in \'t bezit gesteld werd van die kennis.

Met belangstelling verbeidt hij de dingen, die komen zullen, en luistert naar het geroep van den sterken engel: „Wie is waardig, het boek te nemen en zijne zegelen open te breken?quot; Onwillekeurig laat hij zijne oogen gaan over de breede rijen van engelen, die daar staan. Hemel en aarde worden in de gelegenheid gesteld, deze taak te aanvaarden. Wie uit de menschen is er voor berekend? O, er zijn groote mannen geweest, die

-ocr page 145-

HET LOFLIED DES HEMELS. 141

-----«O,—•§,—----------■

door hunne kennis de geslachten hebben verbaasd en de mensch-heid eene schrede vooruit hebben gebracht op den weg der wetenschap. Aan hen hebben de eeuwen hulde bewezen en hunne namen blinken nog met een nooit verdoofden glans.

Of anderen, op wier schouders eene uitgestrekte heerschappij heeft gerust, uitvoei\'ders van machtige plannen, die het gelaat der aarde hebben veranderd. Op hun wenk bewogen zich duizenden en volken deden zij beven.

Waar zijn nu de wijzen der aarde, waar de machtigen der wereld, waar de man, waardig om het boek te nemen ?

Doch al durft niemand uit de menschen te naderen, er zijn nog za\'ige troongeesten, wier verstand geen nevel, wier wil geene zwakte kent. Zijn zij nift de sterke helden, van wie één opweegt tegen een gansch leger; zijn zij het niet, die nu reeds eeuwen achter elkander de werken des Heeren nauwkeurig hebben onderzocht? Kn nochtans geen hunner verschijnt.

Zal het dan gesloten blijven; zal niemand den inhoud bekend kunnen maken ? Deze gedachte ontroert den ziener. Tranen wellen op in zijne oogen. In welk een schoon licht verschijnt ons hier de balling op Patmos. Hij bekommert zich meer over de kerk dan over zijn eigen lot. Voor hare smart kan hij de zijne vergeten. Gelukkig, wie daar iets van kent,, want deze smart wordt gelenigd. , Ween nietquot;, zoo spreekt toch een der ouderlingen. Wat kommer baart aan den aardbewoner, bestaat voor de gezaligden niet meer. Daarom moeten wij er naar staan, elke zaak te bezien, zooals zij haar aanschouwen; en dit kan alleen, nis er het licht uit het hemelsche heiligdom op valt.

Bij Johannes valt het woord in een ontvankelijk gemoed. Hij luistert en vestigt zijn oog opnieuw op den troon. Zie. daiir nadert de Leeuw uit Juda\'s stam. Met vrijmoedigheid treedt Hij voor den Vader. In \'t volle bewustzijn van zijn recht doet Hij dezen stap. En de Vader aarzelt niet. Geen twijfel bestaat er, of Hij het, wel waardig is. En als nu de Heiland

-ocr page 146-

142 HET LOFLIED DE3 HEMELS.

het boek genomen heeft, breekt al, wat adem heeft, loa in een lofzang, zooals hij alleen vloeien kan uit de bronnen van het leven. Doch — niet de engelen zetten in — ; de ouderlingen en de vier dieren heften aan. Deze zijn het dichtst bij den troon en kunnen nog dieper dan zelfs de engelen verstaan, welk eene heerlijkheid aan Christus toekomt.

„Gij zijt waardig!quot; Het is derhalve geene aanmatiging, •.neen, Christus is er toe bevoegd. Hij heeft het recht, om het verzegelde boek te nemen; zijne kennis is voldoende, om heb verzegelde te openen en het verborgene bekend te maken ; zijn vermogen is toereikend, om de raadsbesluiten des Heeren te volvoeren. Het welbehagen des Heeren zal door zijne hand voorspoedig voortgaan.

Johannes heeft zijne tranen gedroogd en de kerk volge hem. Donker zag het er destijds uit. Het was eene kleine schare te midden van eene ontzaglijk groote vijandelijke macht, eene kudde schapen in \'t midden van grijpende wolven. Zou zij kunnen bestaan? De Romeinsche wereldmacht, tegen wie tot dusver niets bestand was, had zich aireede opgemaakt, om haar uit te roeien. Geene bange zorg meer: niet aan den Caesar, maar aan Christus behoort de heerschappij ; niet in de handen van Rome, maar in de doorboorde handen van den Middelaar berust het lot der wereld. Het Lam heeft zeven hoornen en bijgevolg de macht, om elke trotsche hoogte neder te werpen, en zeven oogen, en bijgevolg kent Hij alle listige •raadslagen.

Bange tijden zullen er komen, maar de kerk zal haar toch kunnen volvoeren en haar werk verrichten. Zij staat onder de bescherming van Hem, in wiens hand alle macht gegeven is, ■en Hij zal alles doen medewerken ten goede van hen, d|e zijn naam liefhebben.

Het is op aarde ook wel gebeurd, dat iemand tot eene groote macht is geklommen. Denk maar aan een Cyrus. Uit ■de vergetelheid trad hij te voorschijn. En als hij dan op zijn

-ocr page 147-

HET LOFLIED DES HEMELS. 143

--$■—^—■$gt;---7-

troon zijne vorstelijke majesteit ten toon spreidde, en de vorsten van de verschillende landen, waarover hij den schepter zwaaide, voor hem stonden om zijne bevelen te ontvangen, maakte dit een diepen indruk. Ook zijn lof is verkondigd. Verweerders hebben uitgeroepen; „O, Koning, hoe groot zij t gij! Gij hebt talrijke legers op de vlucht gedreven, sterke vestingen ingenomen, het machtige Babyion verwoestquot; — edoch — zij hadden lt;er bij moeten voegen : „Daartoe hebt gij het bloed uwer dapperen vergoten, zoodat hunne beenderen liggen te bleeken op de slagvelden, en hunne weduwen en weezen als veriatenen staan op aarde.quot;

Geheel anders is het hier. Om tot deze heerschappij te komen, heeft Hij zijn eigen bloed vergoten. Toen de zijnen gevaar liepen, heeft Hij hen doen ontkomen door het woord: , Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dezen heengaanquot;, en waarlijk, Hij gaf zich zelf over in de hand zijner vijanden. „Gij zijt geslacht!quot; Neen, het is niet te kras gezegd. Of is dat geene slachting, die lange marteling van Gethsemané af tot Golgotha toe?

„Hij heeft ons Gode gekocht.quot; De prijs der koopsom wordt berekend naar de waarde van het voorwerp. Nu is de prijs, door Christus betaald, hoog; zijn wij dan zoo uitnemend? Gij weet beter. Dat is eene stof tot eeuwige verwondering: — ons — hoe is het mogeljjk ? Aan ons was niets goeds, geen zweem van heerlijkheid was ons gebleven ; wij waren integendeel geheel bedorven, en lagen met de geheele wereld verdoemelijk voor God. En niettemin stelde Hij zulk een prijs op ons, dat Hij er voor in den dood ging. Dat was de eenige weg, want aan \'s Heeren recht moest voldaan, en ofschoon die weg door eene zee van lijden en door afgronden van smart liep, zoodat ontroering Hem aangreep, en Hij uitriep: „Vader, verlos mij uit deze urequot;; toch heeft Hij niet geaarzeld, dien tocht te volvoeren.

Hoe kan het ons reeds treffen op aarde, maar hoe moet het daar boven de harten dan wel doen gloeien van liefde tot

-ocr page 148-

HET J.OKUKD DES HEMEJ-S. 144

------lt;§,----^gt;---------------

Christus! En verhoogt het den indruk niet, als gij hen juichen hoort: „uit alle geslacht en taal en volk en natiequot;? Hun is het eene oorzaak van vreugde en dankzegging, dat zii uit alle geslachten der aarde samengekomen zijn. Verre zijn zij in den hemel van alle benepenheid. Voor hun bewustzijn is het zoo rijk eene weeldei

En tot welk een staat zijn zij gekomen, en tot welk eene eere zijn zij gebracht.

Tot priesters (ïode. In Gods nabijheid mogen zij kumen,. alle hinderpalen zijn weggeruimd. Niets verhindert hen, om nabij God te leven, in zijne onmiddellijke gemeenschap zijn zij toegelaten. Zij verheffen zicli daarop niet, maar in diepen ootmoed erkennen zij er eene vrucht in, die geplukt is van den kruisboom op Golgotha. Wie kan den vollen zin dezer uitdrukking verstaan ? Hij eenigermate, die met den dichter mag zeggen: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziele tot U, o Godquot;, of met den kerkvader Augustinus: „Mijn hart is onrustig in mij, totdat het rust in U, o Heere!quot;

Jets er van wordt geproefd op deze aarde, als het ons eens-vergund wordt, bij alles door te dringen tot den eeuwigen God) in Christus .Jezus en wij ons zelf verliezen in Hem.

Nog meer. Ook koningen zijn zij. Nu reeds — want op aarde waren zij steeds overwinnaars — want ais koningen hebben zij thans aanvankelijk den voet gezet op den nek van. al hunne vijanden — en eens zullen zij op de aarde heersc\'oen. Waartoe zouden zij anders den koninklijken aanleg hebben ontvangen? Op een schept,ev zijn zij aangelegd, op heerschen in den echten zin.

O, het kan zoo \'diep weemoedig aandoen, als gij den mensch zicti hoort beroemen, dat hij de aarde beheerscht, want gij ziet, hoeveel zweet er kleeft aan den arbeid, aangewend om meester te worden van de schatten der aarde. Wij herkennen in dien zwoegenden mensch nog wel den vorst, edoch den onttroonden,

-ocr page 149-

HET LOFLIED DES HEMELS. 145

--lt;5-—^—£gt;-------------

wiens kroon door eigen moedwil in \'t slijk gevallen is en die nu alles inspant, om de -verloren heerschappij te herwinnen. Het gaat hem als den laatste van Rome\'s koningen, Tarquinins Superbus, die, na uit de stad verdreven te zijn, geene middelen ontzag, om weder den troon te bemachtigen. Alles echter tevergeefs. Zijn plan werd verijdeld en hij stierf later in ballingschap. Geen ander uitzicht voor den mensch buiten Christus. Na een zwaren en harden en drukken den arbeid sterven in ballingschap. Maar aan \'t einde van die worsteling komt er eene nieuwe orde, en de heerschappij over die aarde wordt gegeven aan de heiligen. Koninklijk zullen zij dan heerschen. Men zal op hun wenk hen dienen. Zooals Christus aan den storm liet stilzwijgen oplegde, van dien aard zal hunne heerschappij wezen.

Het moet, dunkt mij, een indrukwekkend gezicht geweest zijn, toen in 1870 de drie groote legerafdeelingen naar de grenzen van Frankrijk oprukten. Daar waren de Duitschers uit alle gouwen van het uitgestrekte rijk. Elk koninkrijk, elk hertogdom, elk graafschap, elk vorstendom had zijne strijders geleverd. Geene stad, geen dorp, geen gehucht zelfs, of het had zijne zonen gezonden. Heel het Duitsche volk stond als \'t ware gereed den eifvijand te bevechten. En hoe sterk wa.s het, want uit aller hart was liet lied geweld, waarvan het slot luidt: „Lief vaderland, gij moogt rustig zijn, wij allen toch willen u bewaken en beschermen.quot; Met welk eene kalmte trekt het voort; met welk eene doodsverachting jaagt het den trotschen vijand op de vlucht, en met welke lauweren gekroond, keert het tot altaren en haardsteden terug.

Mag de Christen minder zijn ; mag het leger van Christus minder moedig zijn? Doch dit is geene vraag meer, als gij den heerlijken zang beluistert, die uit den hemel naar de aarde klinkt en zeker ook in uw hart snaren doet trillen, zoo ge u tenminste overgegeven hebt in de hand van den Heiland, en toevertrouwd aan zijne leiding. Met de strijdende kerk trekt gij dan voort, door de dichte drommen der vijanden henen, u

-ocr page 150-

146 HET LOFLIED DES HEMELS.

-❖—^-lt;egt;-

niet schamende voor zijn naam, wijl gij u bewust zijt, dat de Vader aan Hem de uitvoering van den eeuwigen raad toevertrouwd heeft. Daarom verkeert gij niet ia twijfel over de vraag, of die zwakke gemeente wel den strijd zal kunnen volhouden. Waar is de macht van het vierde wereldrijk gebleven, dat de Christenen doodde en hunne talentvolle woordvoeders bande? Het liet wel opteekenen, dat het de secte, die alom tegenspraak vond, uitgeroeid had. maar die aecte is gebleven, en het groote rijk is verdwenen. En zou Hij, die achttien eeuwen geheerscht heeft in \'t midden van zijne vijanden, nu de teugels losgelaten hebben; zou het lied, door de verloste schare aangeheven: „Gij zijt waardig, het boek te nemenquot;, een leugen zijnquot;? „Neenquot; roept gij uit, „dat is waarquot;. Welaan, als dat waar is, doe gij dan, wat de verloste schare doet: verblijd u, en zing zijn lof zoo luide, dat de wereld het hoort. Uw loon zal uit genade groot zijn, want eens staat gij mede voor den troon, om het Hallel te zingen, eens heerscht gij mede op de aarde en zoo draagt gij ook bij tot verheerlijking van dien God, voor wien Christus u gekocht en u tot een koning en priester gemaakt heeft.

Laat vrij het schuimend zeenat bruisen ;

De ontroerde waatren hevig ruischen;

De golven mogen, door haar woên,

Het berggevaarte daavren doen :

De stad, het heiligdom, de woning Van God, den allerhoogsten Koning,

Wordt in haar muren fallen tijd,

Door beekjes der rivier verblijd.

Ps. 46 : 2.

E. L. B.

-ocr page 151-

ISRAELS HULP DAAGT SNEL.

Ik zag des nachts, en zie, een man rijdende op een rood paard, en hij stond tusschen de mirten, die in de diepte waren ; en achter hem waren roode, bruine en witte paarden. En ik zeide : Mijn Heere! wat zijn deze ? Toen zeide tot mij de Engel, die met mij sprak : Ik zal u toonen, wat deze zijn. Toen antwoordde de man, die tusschen de mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de Heere uitgezonden heeft, om heit land te doorwandelen. En zij antwoordden den engel des Heeren, die tusschen de mirten stond, en zeiden : Wij hebben het land doorwandeld, en zie, het gansche land zit en het is stil. Toen antwoordde de Engel des Heeren, en zeide : Heere der heirscharen ! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren ? En de Heere antwoordde den Engel, die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden. En de Engel, die met mij sprak, zeide tot mij : Roep uit, zeggende; Alzoo zegt de Heere der heirscharen : Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grooten ijver. En ik ben met een zeer grooten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen : want ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen. Daarom zegt de Heere alzoo: Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen : mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de Heere der heirscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.

Zachabia 1:8—16.

-ocr page 152-

148

ISRAËLS HULP DAAGT SNEL.

-—-

\'ET eerste gedeelte van Zacharia\'s boek behelst na de Inleiding ééne openbaring, welke hij in eene reeks van zeven gezichten ontvangen heeft. Israël was terugge-gekeerd uit Rabels ballingschap en koesterde groote verwachtingen, doch teleurstelling was zijn deel. Met allerlei moeielijkheden had het volk te kampen, en daarom vorderde de herbouw van stad en tempel weinig. De naburige volkeren maakten den arbeid zwaar en er bestond weinig uitzicht, dat er beterschap komen zou. Aan zijne knechten Haggaï en Zacharia droeg de Heere nu op, Israels handen te sterken en de Israëlieten tot volharding aan te sporen.

Wanneer wij de zeven nachtgezichten achter elkander met aandacht lezen, blijkt duidelijk, dat zij innerlijk samenhangen. Zij vormen één geheel, en staan met elkander in verband. Eij de verklaring evenwel gaan allen niet van dezelfde gedachte uit, en daarom wordt ons dadelijk de vraag voorgelegd, of ons in dit gezicht het verleden wordt herinnerd, of het heden voor oogen gesteld. Zij, die voor \'t laatste kiezen, kunnen niet denken, dat een visioen eene vroegere gebeurtenis op den voorgrond plaatst, hoewel zij gevoelen, dat de tijdsbepaling van zeventig jaar er voor pleit. Wij deelen dat bezwaar niet, want juist de verlossing van Israël uit de macht van het wereldrijk bood zulk een geschikt uitgangspunt aan, om vandaar het heil aan te wijzen, dat de Heere aan Israël schenken zou. En waarlijk, zoo opgevat, lag er zooveel troost voor het toenmalige volk des verbonds in het eerste nachtgezicht. Hoe spoedig weet de Heere eene wending ten goede te geven. Dit was zoo helder uitgekomen. Nog even, voordat Israël terugkeerde naar het land der vaderen, heerschte er allerwegen rust, en hot scheen wel, alsof de Baby-loniër niets te vreezen had. Wie zou zich tegen deze reuzen-macht durven verzetten ? Wie ? God had zich reeds opgemaakt, om haar te verpletteren. Als Israël dit maar goed indacht, van.

-ocr page 153-

ISRAELS HULP DAAGT SNEL. 149

---lt;$■—^-—-

harte aannam en in \'t geloof aanvaardde, zou het zich niet al te zeer bekommeren over de sterkte zijner tegenwoordige be lagers, maar uit zijn druk opzien tot Hem, bij wien hulpe, snelle hulpe te vinden is.

Het visioen viel den profeet bij nacht te beurt. Hij bedoelt den eigenlijken nacht, waarin de mensch slaapt. Eene zeer gepaste ure voor een gezicht. Als de nacht zijne donkere vleugelen over de aarde uitspreidt, begint er eene plechtige stilte te heerschen. Het dagelijksche leven met zijne woelige drukte komt tot rust. De ziel hoort en ziet scherper; de gedachten bewegen zich veel gemakkelijker.

En wat zag hii ? Een mirtenboschje en daarin een ruiter. De mirt is een boom, die ongeveer tien voet hoog wordt. Hij groeit het meest in dalen en aan de oevers van rivieren. In Azië komt hij op vele plaatsen voor. Zijne, bladeren zijn glad en altijd groen, terwijl zijne witte bloesems eene aangename schakeering veroorzaken. Bloem en blad verspreiden bovendien een lieflijken geur en het bevreemdt dus niet, dat hij van ouds beschouwd werd als een sieraad in tuinen. Bij alle feestelijke gelegenheden gebruikte men de takken tot opsiering van de woningen en in \'t bijzonder mocht de mirtenkrans niet ontbreken op de bruiloft, wijl hij als een symbool van de echtelijke liefde gold.

Het is niet zonder reden, dat de ruiter zich tusschen de mirten bevond, en men heeft niet verkeerd gehandeld door in deze een beeld te zien van het Israëlietische volk. Evenmin is het ongeoorloofd, als men eene schrede verder gaat en er eene voorstelling van de kerk des Heeren in ziet. Zij mag ais een mirtenboschje beschreven worden, dat in de vallei groeit.

De machtige wereldrijken liggen op de hoogten der aarde; aller oog is er op gericht; zij beminnen het blinkende, het schitterende ; zij willen de aandacht trekken. Maar de kerk des Heeren is geplant in de laagte. Menigeen, die in hare onmiddellijke nabijheid woont, ziet en acht haar niet, en stoort zich in \'t geheel niet aan haar. Zij streeft ook niet naar de heer-

-ocr page 154-

150 ISRAELS HULP DAAGT SNEL.

--------

lijkheid dezer wereld ; liever gaat zij in navolging van haar oversten Leidsman in nederigheid en zachtmoedigheid haar weg. In de vallei van ootmoed, waar de wateren des levens vloeien, slaat zij hare wortelen uit, en daar groeit zij ongemerkt, maar toch zeker voort. Zij schijnt in \'t geheel geen weerstandsvermogen te hebben, en in \'t oog van den vijand is het licht, haar te drukken, te kwellen, ja, te vernietigen, maar zij blijft zelfs in den strengsten winter groen.

Welk eene schoone schilderij. Israël, in \'t oog der volken hebt gij geene gedaante, noch heerlijkheid ; de bewoners van de hoogten dezer wereld zien minachtend op u neder maar in \'t oog des Heeren, die zich door geen schijn misleiden Iaat, zijt gij den mirt gelijk, en het groen, dat gij ten toon-spreidt, boeit zijn oog, en de geur, welken gij verspreidt, is Hem aangenaam. Daarom zal Hij voor u zorgen; en gelijk menigeen met nauwkeurigheid den mirt verpleegde, zoo zal Hij zorgvuldig over u waken, tengevolge waarvan geen storm u ontwortelen zal.

Wij gaan niet te ver, heb er geene vrees voor, wijl de ruiter zich tusschen de mirten bevindt. Wie is Hijquot;? Een beroemd man, een krijgsheld, die, op zijn ros gezeten, de volkeren tot onderwerping brengt. Hoe men er toe gekomen is, om hierbij aan Alexander den Groote te denken, is ons een raadsel, want welk belang kon Israël hebben bij den man, die den Perzischen troon deed vallen? De Perzen toch hebben het volk des verbonds nooit verdrukt; integendeel zij hebben vele weldaden aan hen bewezen. En daarbij, hoe kort duurde het rijk der Perzen! Neen, liever gaan wij met hen mede, die in den ruiter den Engel des Heeren herkennen. Kennelijk is het de Engel des verbonds, ook wel genoemd de Engel van Gods aangezicht. Wij begroeten alzoo in hem den tweeden Persoon der aanbiddelijke Drieëenheid, onzen hoog geloofden Heiland en Verlosser, die reeds in de dagen des Ouden Testaments dikwerf in zichtbare gestalte verscheen. Opmerkelijk. De staat der kerk is laag, maar voor Hem, den heerlijken Koning;

-ocr page 155-

ISRAELS HULP DAAGT SNEL. 151

--lt;£—^—.$gt;----

van Sion, niet te gering. Hoe geruststellend is dit! O, zeker; doch weet ge, wat dikwerf het geval is? Wij zien dit niet. Evenals in den donkeren nacht alles aan ons oog onttrokken is, zoo is ook dikwerf de tegenwoordigheid van Christus voor de gemeente verborgen. En dan gaat het haar, als Israël weleer.

Israël richtte het oog op de geduchte wereldmachten, die het op zich zag aandringen, en vol weemoed klaagde het: „De Heere heeft onzer vergeten en onze vijanden doen, wat zij willen.quot; Haar toestand is dan treurig. In stede van te midden der duisternis te hopen op den naam des Heeren, let zij op de sterkten, waarachter hare vijanden rustig nederliggen, en het schijnt haar toe, dat zij omkomen zal. Daarom is het zulk een voorrecht, als de Heere de nevelen eens doet vluchten en alle beletselen verwijdert, want dan merken wij wel, dat Hij er nog is, en wanneer wij maar weten: Hij is er nog, de Wachter Israels, dan vliedt de bange onrust, en er rijst een loflied uit het hart.

Doch waarom verscheen de Heiland toen juist in de gestalte van een ruiter ? Ontgaan is liet u niet, dat de Heere niet altijd in dezelfde gedaante zich vertoonde, en daarvoor zal natuurlijk eene reden bestaan. Wie met deze gedachte voor oogen de Heilige Schrift raadpleegt, ziet spoedig in, waarom de Heere zich zoo en niet anders heeft geopenbaard.

Toen Jozua voor de muren van Jericho stond, om eens te zien, welke de meest geschikte plaats was, om de stad aan te-vallen, verscheen hem de Engel des verbonds als een krijgsman In volle wapenrusting, met het ontbloote zwaard in de vuisten zeide : „Ik ben de vorst van het heir des Heeren en ik ben nu gekomen.quot; Nu is Jozua gerust, want hij weet, dat zij onder het opperbevel van Christus zeker triumfeeren zullen.

Welnu, in de dagen der ballingschap was er een man noodig, die hulpe bestellen kon voor Israël en op snelle wijze redding brengen. Christus verschijnt daarom als een krijger, gezeten op \'t strijdros, om in die behoefte te voorzien. Hij is hier dus bij het volk Gods, om het geweld der vijanden te verbreken, en

-ocr page 156-

152 I3RAKLS Hü\'Ll\' DAAGT SNEL.

-------^^-----

de tirannie te beteugelen. Ofschoon Hij de hulp van geen creatuur van noode heeft, bevinden zich toch nog tal van ruiters achter Hem, opdat zijne macht en majesteit des te luisterrijker uitblinken zou.

De profeet staat verwonderd, maar vat de beteekenis niet. Hij verzoekt derhalve opheldering van dit raadselachtige schouwspel. Zijne begeerte wordt vervuld. De ruiter aan \'t hoofd van den stoet geeft het antwoord, een antwoord, dat ons een blik gunt in de engelenwereld. Die ruiters op roode. witte en bruine paarden zijn engelen, want zij behooren tot het heir-leger des hemels, en zij worden uitgezonden naar alle landen. Pas zijn zij van een hunner tochten teruggekeerd, en geven daarvan verslag aan den Aanvoerder. Overal zijn zij geweest, en overal is het rustig. Nergens onder de bevolking is eenige beweging; nergens zijn verschijnselen, die op eene spoedige verandering wijzen. De Chaldeër heeft niets te vreezen ; in zijn uitgestrekt gebied schijnt alle tegenstand gebroken. Israël heeft dus niets te hopen ? Luister, eer ge zoo iets uitspreekt. De toestand op aarde is in strijd met Israels belang, maar Israël heeft in dien ruiter een pleitbezorger, en deze wendt zich tot de kabinetten der vorsten, neen, tot den Heere der heirscharen. Hoor: „Hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren?quot;

Daar is eerbied, maar ook vrijmoedigheid in die vraag. Gram is Jehova geweest op zijn volk, en daar had Hij redenen toe, zoodat er geen recht tot eenig verwijt bestaat; edoch zeventig jaren reeds heeft het dit ongenoegen gedragen, en zal het teeder mededoogen nog niet aan \'t licht treden? Gelukkig het volk, dat zulk een voorspraak heeft, want uit de diepte van zijn leven welt deze klaagtoon, die in het hart van Jehova weerklank zal vinden. Als eene wolk van zegen daalt deze bede toch neder.

Er komen goede woorden, troostelijke woorden van \'s Heeren

-ocr page 157-

ISRAELS HULP DAAGT SNEL. 153

wege, woorden, die bronnen van verkwikking bevatten. Wij behoeven niet in \'t onzekere te verkeeren. welke woorden het geweest zijn. Op aarde moge het stil zijn, zoo is het niet in den hemel. In ijver is Jehova ontbrand over Jeruzalem en over Öion; op aarde moge niemand er aan denken, om Israels tegen-.standers in hunne macht te fnuiken; daarboven is de Heere vertoornd tegen die geruste heidenen, die al slapende neder-liggen bij hun buit.

Met Israels benauwing is liet weldra gedaan, en met de rust der vijanden is het uit, want niet in de kabinetten der vorst en wordt het beslist, of er woeling en oorlogen zijn zullen, maar in het geduchte paleis des Heeren. En nu moge het waar zijn, dat de heidenen eene roede geweest ziin in de hand des Heeren, om zijn volk te kastijden wegens zijne zonden; zij hebben de verwoesting over Jeruzalem en de steden van Juda gebracht, niet als gewillige werktuigen, maar als despoten, die met den God van Israël lachten, en die in hun woeden alle perken te buiten zijn gegaan. Dat zullen zij thans gevoelen, die trotsche wreedaards, die er behagen in hadden, Israël te vertreden. Of kunt gij meenen, dat de Heere bij dit alles een ledig aanschouwer kan blijven? Maar, dan kent gij Hem niet, wienhet reeds smartelijk valt, zijn volk te moeten tuchtigen. Hier komt het uit, met welk een oog Hij het gezien heeft, toen de heerschers der aarde losstormden op de heilige stad, en wat er in zijn hart omging, toen de heidenen hun moedwil bot vierden aan Israël.

Denk dus nooit hard over God in dagen, als zijne hand ■zwaar op u drukt en Hij alles tegen u in \'t harnas jaagt. Het moge u als vader pijnlijk vallen, uwe kinderen te kastijden ; het kost den Heere nog veel meer, om u te treffen. Wonderlijke zaak. Hij is verbolgen tegen de roede, en Hij verbreekt haar, alsof Hij met haar de gedachtenis aan \'s volks overtreding en eigen ongenoegen uitwisschen wil. Dat hier elke bedrukte stilsta. Er is een oogenblik in zijn toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid. Ach, wat klaagt gij dan over de moeiten

-ocr page 158-

154 ISRAELS HULP DAAGT SNEL.

---lt;5-—§ —---

in uw leven, over de wolken, die zich boven uw hoofd ontlasten, over de vijanden, die u tegenwerken; het dient alles, om u bij uwe zonde te bepalen, en u tot de erkentenis te brengen van uwe schuld, opdat gij er althans iets van verstaan zoudt; uit de diepte om ontferming te roepen. Er is dikwerf zooveel ongevoeligheid, en welk een voorrecht zou het zijn, wanneer in ieders hart iets meer woonde van wat den Engel des Heeren zoo aangreep. Gods volk in de hand zijner vijanden, als eene vrucht van \'s Heeren ongenoegen, is dat geen schouwspel, dat tot aanhoudend gebed moet bewegen? Zien wij op eigen afwijkingen en op de lauwheid van Gods kinderen, dan kan het bang worden, maar het pleiten op de onveranderlijke ontferming doet den moed rijzen, en wij aanschouwen dan te midden van de donkerheid het morgenrood van den dag. die zegen zal aanbrengen, waardoor de tenten der vromen vervuld zullen worden met vroolijkheid.

Immers: ,,Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfer-mingenquot;, en als Hij daar is, zal zijn volk er dan niet komen; en als Hij daar is, is dat niet meer, dan wanneer de tempel met schooner glans dan voorheen praalde ; en als Hij daar is, mag dan zijne erfenis niet alles hopen ? O, gewis ; en versterkend is het, dezen dag in de verte te mogen aanschouwen.

Verontrust u dan niet, o Israël! over de rust uwer vijanden, want al schijnt hunne heerschappij altijddurend, op de voorbede van den Engel des Heeren zal hun troon wankelen en hunne macht verbroken worden ; geef u niet aan moedeloosheid over, o discipel van Jezus, als alles tegen u saamspant, en uwe consciëntie u aanklaagt, dat gij tegen de geboden des Heeren zwaarlijk gezondigd hebt, maar roep uit de diepte uwer ellende tot Hem, die zich steeds ontfermt op het gebed, want de Hooge-priester onzer belijdenis zit nog altijd aan \'s Vaders rechterhand, ten tewijze, dat Hij uwe schuld heeft betaald en uwe zonde verzoend; ontzet u niet, o kleine kudde van Christus, als gij ziet, dat uwe vijanden zich over u verblijden en in hunne

-ocr page 159-

ISRAELS HULP DAAGT SNEL. 155 -—--—0---$gt;-:-----

vermetelheid meenen, dat zij u voor altijd teruggedrongen hebben, want nog altijd is Hij in uw midden, in wiens doorboorde handen de teugels van het bewind over alle volken gelegd zijn. Wanneer wij maar in deze overtuiging staan, dan is het ons, alsof reeds de ure aangebroken is, waarin wij het lied der verlossing aanheffen;

De Heer wou mij wel hard kastijden.

Maar stortte mij niet in den dood;

Verzachtte vaderlijk mijn lijden,

En redde mij uit allen nood.

Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden

De poorten der gerechtigheid ;

Door deze zal ik binnentreden En loven \'s Heeren majesteit.

Ps. 118:9.

E.

L. B.

-ocr page 160-

HET WARE FEESTVIEREN.

Zuivert chtn den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, geiijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha ia voor ons geslacht, namelijk Christus. Zoo dan, laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broeden der oprechtheid en der waarheid.

1 Oorinthe 5:7 en 8

\'ET ware feestvieren behoort tot des menschen oorspronkelijke bestemming. Om telkens, ja eindeloos met zijn arbeid in het ware feestgenot ter verheerlijking Gods te eindigen, daartoe had hem de Heere geschapen. Maar de zonde heeft alle ware geluk en vreugde verstoord en vernietigd, ja, in plaats van het leven den dood gebracht. De zondige, de wereldsche vreugde, het feestvieren buiten God, brengt niet anders dan meerder onvrede, dieper inzinken, en loopt uit op eeuwige ellende.

Doch: ware feestvreugde, waar genot is bereid voor allen, die naar Gods grondelooze ontfermingen in Christus Jezus als arme zondaren hun Borg en Middelaar erkennen door het geloof. Zij ontvangen vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. De treurigen Sions ontvangen sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest. Ja, zij zien begeerig naar het genot dier vreugde uit, gelijk David, toen hij vanwege zijne zonden ternedergebogen

-ocr page 161-

HET WARE FEESTVIEREN. 157

-------^--^---

was en tot den Heere riep; „Doe mij vreugde en blijdschap hooren; dat de beenderen zich verheugen, die gij verbrijzeld hebtquot;. En wat hier in den aanvang wordt gekend, zal in den hemel in alle volheid worden gesmaakt: „Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht en van blijdschap vroolijk zijnquot;, fin nu is het niet alleen een voorrecht, maar ook de roeping van Gods kind, om de goedertierenheden Gods in het tijdelijke, de zegeningen zijner lankmoedigheid en de vrucht zijner algemeene gratie te gedenken, zich met de zijnen daarover te verblijden, maar steeds moet de blijdschap over zijne bijzondere genade in zijn ge-lietden Zoon Jezus Christus den hoofdtoon voeren. Over deze blijdschap handelt onze tekst, bij haar willen wij eenige oogen-blikken vertoeven.

Geschiede het tot eere God* en om zelf die feestvreugde bij aanvang of bij toeneming te leeren kennen en te leeren beoefenen te midden van de vele zorgen, de vele smarten, de vele vragen van dit leven. Heilige de Heere om zijns lieven Zoons wil door zijn Geest zijn Woord aan onze harten! Verblijd u in den Heere, wederom zeg ik u ; verblijd u !

In de eerste plaats merken wij in onzen tekst op : het volkomen colhruchte werk van Christus. „Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christusquot;. Het ware Pascha is Christus. Wat wij het Pascha noemen, is : het schaduwachtig en het voorbeeldig Pascha. Dit herinnerde uit geschiedkundig oogpunt aan den voorbijgang van Israël, toen Gods wrekende gerechtigheid het eerstgeboren zaad in figypte sloeg, en aan de verlossing uit Pharao\'s hand. Doch het Paaschlam voorbeeldde vooral Christus, den Zone Gods, wiens tusschentreden Israël deed leven, en die hen bevrijdde van Pharao\'s juk, maar die de verschooning is voor al zijn volk van den toorn Gods en hun Verlosser uit des satans en der zonden diensthuis. Wat in het Israëlietisch of Oud-testamentisch Pascha schaduwachtig en voorbeeldig ]a.g opgesloten, is nu naar het lichaam zelf, is nu tegenbceldig aanwezig.

-ocr page 162-

158 HET WARE FEESTVIEREN.

------------

Het is volbracht. Door éene offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Ook ons Pascha is voor ons geslacht. Aan Gods recht is door Gods Zoon voor Gods ge-kenden voldaan. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het, die rechtvaardig maakt; wie is het, die verdoemt ? Christus is het, die gestorven is; ja. wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. En door Hem ontgaan zij ook de tiran-niën van Pharao, welke is de duivel, om in te gaan in het geestelijk land Kanaan.

Maar nu was aan het Pascha onafscheidelijk verbonden het feest der ongezuurde of ongehe velde brooden. „In de eerste maand zoo luidt de inzetting, aan den veertienden dag der maand, in den avond (den avond van Pascha) zult gij ongezuurde broaden eten, tot den een en twintigsten dag der maand. Dat er zeven dagen lang geen zimrdeesern in uwe huizen gevonden worde! want al wie het gedeesernde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingehorene, des lands quot; Het feest der ongezuurde brooden herinnerde den Israëliet, hoe zijn volk in haaste op Gods bevel, zonder omzien naar hetgeen achter was, uit Egypte was getogen, zoodat zij het deeg, waaruit brood moest worden gebakken, (en dat ongezuurd of ongeheveld als deegklompen) medenamen, gebonden in hunne kleederen op hunne schouders, zoodat in de eerste dagen na den uittocht niet anders dan uit dit deeg bereid, ongezuurd brood werd gebakken en gegeten. Maar ook had het feest der ongehevelde brooden eene schaduwachtige of voorbeeldige bedui-denis. Het zag op Christus. Het Paaschlam, Christus, bracht niet alleen rechtvaardigmaking maar ook heiligmaking en heerlijk-making. En beteekende het eten van het Paaschlam het Hem zich toeêigenen door het geloof als volkomen Verlosser, het e^en der ongezuurde brooden beduidde het ontvangen van en meer en meer opwassen in het nieuwe leven, dat Hij heeft aangebracht. De vrucht van Christus\' lijden en sterven en opstan-

-ocr page 163-

HET WARE FEESTVIERENquot;. 159 --^----

ding en verheerlijking is; de vergeving der zonden, maar ook : het eeuwig leven.

Het feest der ongezuurde broeden duurde eene volle week. Eene week is een afgerond tijdsgeheel. Zij stelt hier de volheid van het leven der verlosten op aarde, voortgezet in den hemel, ja tot in eeuwigheid voor. Het is alles: ee\'n feest, het Is één eeuwig feestvieren, verlost van de zonden. En al wat in volheid in den hemel wordt genoten, het vangt reeds in beginsel hier aan.

Alles verkondigt hier de volkomenheid van het werk der verlossing naar het voornemen Gcds, des Vaders. Hiervan handelende, mogen wij niet onopgemerkt laten, dat de apostel in dit verband van de geloovigen zegt: „gelijk gij ongezuurd zijt.quot; Door het ongezuurde deeg worden dus de kinderen Gods voorgesteld, aangezien in Christus. Zijn zij dan zonder zonde, zijn zij dan volmaakt ? Ja, aangemerkt in hun hoofd Christus. En gij zijt in Hem volmaakt, die het Hoofd is. Zij zijn in Hem verstandig, in Hem rein, in Hem gegrepen en gekocht tot het eeuwige leven. En wanneer hetgeen hen zich nu \'nog als onvolmaakt doet openbaren, vanwege de zwakheid des geloofs, het verkeer in dit Mesech, de nog aanklevende overblijfselen der verdorvenheid, zal zijn weggenomen, dan zal die volmaaktheid in Christus zich ook in en aan hen in heerlijken glans openbaren!

Maar zoo zien wij dan ook, dat de ware geestelijke betee-kenis van het Pascha en van het feest der ongezuurde brooden slechts door het geloof kan worden verstaan en genoten, het geloof, dat de Heilige Geest in de harten van Gods uitverkorenen werkt.

En zoo komen wij dan nu meer bepaald tot de zaak, wer-waarts ons Schriftwoord ons bijzonder leiden wil, namelijk het ware feestvieren, de ware feestvreugde, doch, waarvan het alweder eerst noodig was, den grond, den eenigen grond m Christus en zijn volmaakt werk, naar het welbehagen des Vaders over zijne uitverkorenen, gekend en bezeten door den Heiligen

-ocr page 164-

160 HET WAKE FEESTVIEREN

-----jO-,—^------

Geest, aan te wijzen. „Laat ons feest huuden, niet in den ouden zunrdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid.quot;

De gemeente is geestelijk één lichaam. En nu is dit op te merken, dat, wanneer er eene of andere zonde uitbreekt in de gemeente, die gemeente in haar geheel slap is geweest tegenover zoodanige zonde, er niet ernstig genoeg tegen gewaakt, gestreden en gebeden heeft. Zoo was het in Corinthe. De zonde van hoererij brak op \'t schrikkelijkst uit. En de gemeente, die zich nog wel op hare kennis en geestelijken stand verhief en daarin beroemde, had niet genoeg gevreesd voor en gewaakt tegen dit Corinthisch kwaad en wat daartoe leidde, als: weelde, wereldschgezindheid, dartelheid. Er was wel vreugde, er was wel eene opgewekte stemming, maar niet als vervulling van het feest der ongezuurde brooden. Er was een roemen, maar niet in het geloof, een prijzen van de uitnemendheid der gemeente, maar niet van de uitnemendheid van Christus, een prijzen van de leeraars, doch niet, om daardoor den naam Gods, maar om daardoor den naam van Corinthe te verheffen.

Ernstig treedt de apostel hiertegen op. Het innigst belang, het leven der kerk, staat hier op het spel. „Weet gij niet, dat een weinig zuurdeesem het geheele deeg zuur maaktquot; ? O, zoo moet de zonde in elk harer openbaringen, hoe onschuldig die schijnen, worden tegengestaan, en onder waken en veel ge-beds in de mogendheid des Heeren dat nieuwe leven geopenbaard worden, dat Christus, ons Pascha, heeft verworven en dat Hij zijn volk geeft. Feestvieren, een opgewekt vreugdevol leven leiden, gij moogt het, ja! het is uwe roeping, Corinthischs gemeente ! alleenlijk: in den Heere! Dat feestvieren bestaat in het leven der ware heiligmaking met en door Christus in de gemeenschap Gods. Daarin smaakt het kind Gods den heerlijken vrede der schuldvergeving en de ware blijdschap van de gemeenschap des Heeren, en, zouden wij er ook

-ocr page 165-

HET WARE FEESTVIEREN. 161

---lt;£—!§gt;----

niet aan mogen toevoegen: van de gemeenschap der heiligen?

Dat is dan hetatleggen van, het geheel en al ophouden met: het feesthouden in den ouden zuunleesem, zooals het natuurlijk, onvernieuwd hart dat wil, een feestvieren in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, dat is: voortvloeiende uit het bedorven hart en eindigende in hetgeen God vertoornt. En het is een bij aanvang en taii toeneming feestvieren in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid, d. w. z. uit een rein hart en in werkelijkheid, zooals het ware feestvieren (rode ter eere en ons tot zaligheid geschiedt.

Maar dit leven, dit feestvieren heeft niet plaats zonder voortdurenden strijd en worsteling. En ook hierop wordt door den apostel met ernst en kracht gewezen, als het heet: „Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Bij de instelling van het feest der ongezuurde brooden was er uitdrukkelijk bepaald : „Dat er zeven dagen lang geen zuurdeesem in uwe huizen gevonden wordequot;. En wij weten uir de latere en hedendaagsche Joodsche praktijk, dat vóór den aanvang van het feest door het hoofd des gezins, tien huisvader, een opzettelijk plaatselijk onderzoek werd en wordt ingesteld, om te zien, of er zich soms hier of daar in een of ander hoekje nog een stukje gedeesemd brood mocht bevinden. En is dit het geval (men legt soms wel opzettelijk wat neer), dan wordt het met de grootste zorgvuldigheid verwijderd. Hierop zinspeelt waarschijnlijk de apostel, wanneer hij vermaant: „Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit.quot; Dit is dus de aflegging der zonden, het afsterven van den ouden mensch, en dat in het persoonlijk, huiselijk, kerkelijk leven. Op dit laatste heeft de apostel niet het minst het oog, juist omdat, hij de Corinthiërs moet bestraffen wegens het houden van den hoereerder in hunne gemeenschap. Neen, in het maatschappelijke kunnen zij onmogelijk allen omgang met de zondaars mijden, maar in het gemeentelijk leven zullen zij zich niet met

hen vermengen. „Namelijk, indien iemand, een broeder genaamd

ii

-ocr page 166-

162 HET WARE FEESTVIEREN.

-------^—$gt;---

zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover, dat gij met zoodanig een ook niet zult etenquot;, (d. w. z. Avondmaal vieren, gemeenschap oefenen.) Dus nooit in vrede verkeerd met de nog inwonende verdorvenheid, dus geene gemeenschap geoefend met de onvruchtbare werken der duisternis.

Doch daar wordt nog iets aan toegevoegd : „Opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt.quot; Wat is van deze woorden de beteekenis ? Zij wijzen ons de kracht en het einddoel van de uitzuivering van den ouden zuurdeesem aan.

De kracht. Wij hebben het reeds gehoord : de apostel spreekt hier tot geloovigen, tot hen, voor wie Christus is gestorven en opgewekt, die getrokken zijn door de eeuwige liefde des Vaders en levend gemaakt in Christus, ingeplant door den Heiligen Geest. Zij zijn in Christus volmaakt, die hun Hoofd is. En wat zij dan nu in kracht reeds bezitten, zal ook in werkelijkheid hun eigendom worden. Door de kracht van Christus, door den Geest, die in hen woont, zal de oude mensch worden gedood, zullen zij der wereld sterven, zal de oude zuurdeesem worden uitgezuiverd.

Het einddoel der uitzuivering. Dit is : dat zij eenmaal zonder vlek of rimpel den Vader zullen worden voorgesteld door Christus. Staat en toestand zullen eenmaal volkomen overeenstemmen. Hun staat is, dat zij in Christus volmaakt zijn. Hun toestand beantwoordt hier nog slechts ten deele aan dien staat. En dit is nu de strijd, de worsteling, het zuchten, het verlangen : mocht de toestand met den staat overeenstemmen ! „Ik jaag er naarquot;, betuigt de apostel elders, „of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik ook van Christus Jezus gegrepen benquot;. Zij zijn ongezuurd, nu zal de Heere hen louteren, tot zij ook in allen deele een nieuw deeg zijn.

Die tot eere Gods wil leven, zal hier veel verdrukking in het vleesch hebben. Smartelijk zal het vaak vallen, den ouden mensch te dooden ; pijnlijk zal de strijd ziin met wereld en eigen

-ocr page 167-

HET WARE FEESTVfEEEN. 163

---^---

vleesch. bang de worsteling met satan, maar te midden daarvan zal de vrede van Gods kinderen groot zijn, zullen er psalmen worden gezongen in den nacht. Doch het volmaakt feestvieren zal worden gekend en gesmaakt in den hemel, waar hetgeen ten deele is, zal zijn te niet gedaan, waar toestand en staat eeuwiglijk volkomen zullen overeenstemmen, waar de zonde niet meer zal zijn en geen gekrijt en geene moeite, waar Christus eeuwiglijk zal leiden tot levende fonteinen der wateren en God zal zijn : alles en in allen !

„Want ook ons Pascha is voor ous geslacht, namelijk Christusquot;. Met dubbele kracht zal deze waarheid getuigen tegen allen, die den Woorde ongehoorzaam zullen zijn geweest, die het Woord hebben gehoord als kinderen des Verbonds, maar bij wie het met het geloof niet is gepaard gegaan en wien het alzoo geen nut zal hebben gedaan. Laat toch het niet-verstaan der waarheid, laat toch de hardheid des harten geene verontschuldiging zijn; maar dat beide veeleer tot schuld mogen worden. Ja, dat de schuld en de tirannie van satan mochten worden betreurd «n daarmede uitgezien naar de verlossing, die daar is in Christus Jezus.

Zijt gij verslagen vanwege uwe zonden, o sta er toch naar, om door het geloof te mogen belijden : „Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christusquot;. Alleen in dien weg is er vrede, vrede door dit offer, vrede door het bloed des kruises. maar door Christus alleen gaat gij ook in tot het feest der ongehevelde brooden, tot het leven in Gods zalige gemeenschap.

Ziet uwe roeping, broeders! 6ii zijt ongezuurd, volmaakt in Christus! Maar in een weg van afsterven van zonde en wereld zal des Heeren werk aan u moeten blijken, zult gij een nieuw deeg moeten zijn.

Alsdan zult gij uw God mogen en moeten verheerlijken, hier aanvankelijk, hierboven volmaakt. O, bedenkt, dat de Heere hierin juist verheerlijkt wordt, wanneer zijn werk aan zijne knechten blijkt. En daarom moet het u tot schaamte, tot droef-

-ocr page 168-

164 HET WARE FEESTVIEREN

--lt;5-—---

beid zijn, indien uw staat, waartoe u de Heere in zijne gronde-looze ontferming heeft gebracht, nog zoo weinig in het leven openbaar wordt in het afleggen der zonden en in het opwassen in Christus, in het toenemen in alle goed werk.

Wij leven in een tijd van grooten afval, in een tijd van veel wereldgelijkvormigheid en eigenwilligen godsdienst. Naar Gods Woord, naar de kracht, die in u werkt, gestaan naar een Gode behaaglijken wandel, naar de inrichting van uw huis overeenkomstig zijn wil, naar een kerkelijken wandel, waarin duidelijk blijkt, dat er geene gemeenschap is tusschen Christus en Belial!

Richt dan weder op trage handen en slappe knieën. Wie-, wettiglijk heeft gestreden, zal ook wettiglijk worden gekroond. Ja, eenmaal, krijgsknecht Christi! smaakt gij, en dan verheerlijkt, den vollen troost der verlossing, die daar is in Christus Jezus, onzen Heere, als hetgeen nog ten deele is, zal zijn te niet. gedaan.

V. J. H.

-ocr page 169-

WANDELEN IN DE DUISTERNIS EN WANDELEN IN HET LIGHT.

Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet. Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk jjij in het licht is, y.oo hebben wij gemeen-met elkander, en het bloed van Jezus schap us, zijn zoon, reinigt ons van alle zonde. Christ

1 Joh. 1 : 6 en 7.

AT die mond al niet zeggen kan! Het praat-Christendom is nog niet uitgestorven. En dat Praat-Christen rederijk is, leert ons niet alleen het bekende en beroemde boek van Bunjan, maar ondervinden wij ook nog heden ten dage. Doch laat ons met dat voorzichtig wezen. God, onze Heere, heeft lust tot waarheid in het binnenste. Hij doet zich overblijven in het midden der wereld een ellendig en arm volk. En is het het ■ kenmerk van dat volk, dat het op den naam des Heeren betrouwt, dit is evenzeer het kenmerk van allen, die er door genade toe behooren : „Zij zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geene bedriegelijke tong gevonden wordenquot;. Zeph. 3 :12 en 13.

Wat die mond al niet zeggen kan ! De tong, die een klein lid is, roemt nochtans groote dingen. Maar is daar bij ons eene tegenstelling tusschen zeggen en doen, dan loopen wij groot ge-■vaar, tot die „velenquot; te behooren, die op den grooten dag tot Jezus

-ocr page 170-

1(6 WANDELEN IN DE DUISTERNIS

--lt;$•—^—■$gt;----

zullen zeggen: „Heere, Heere! hebben wij niet in uw naam geprofeteerd ?quot; en wien de doorluchtige Rechter openlijk antwoorden zal: „Ik heb u nooit gekend ; gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt.quot; „Wantquot; — zegt de Heiland — „een iegelijk, die deze mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwaas man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft. En de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.quot;

Luisteren wij nu naar den beminnelijken Johannes. „Indien tv ij zeggen, dat wij gemeemehup met Hem hebbenquot; .... hier staan wij een oogenblik stil. Wie dit zegt, spreekt van ^iets onbedenkelijk heerlijks. Gemeenschap met God te hebben, met den Vol-zalige en Almachtige, maar die tevens is de vlekkeloos Reine en Heilige, het is niet slechts een onuitsprekelijk voorrecht, het is tegelijk de grootste eere, die aan een nietig, zondig menschen-kind bewezen kan worden. Het is het voorrecht, het is de eere van des Heeren gunstgenooten, van ziine uitverkorenen,, van zijne geroepene heiligen, van hen, tot wie Hij spreekt: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid.quot;

Te zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, beteekent dus nog al iets. Met dat zeggen scharen wij ons in de rijen der toegebrachte kinderen Öions. Maar indien nu ons leven en onze wandel met ons „zeggenquot; in strijd zijn, wat dan ? Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met den Heere hebben, en w;j wandelen in de duisternis, is dan het vonnis te streng, dat in deze bewoordingen over ons uitgesproken wordt: „Gij liegt, en gij doet de waarheid nietquot;? Neen, niet te streng, maar volkomen rechtvaardig!

Let toch op, wat Johannes zegt. Hij spreekt niet van een vallen, uit zwakheid, in de eene of andere zonde, die dan weer met tranen beleden wordt voor des Heeren aangezicht. Ook dit

-ocr page 171-

EN WANDELEN IN HET LICHT. 167

--lt;5-—^----

zijn woorden van dezen zelfden apostel: „Indien wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij ons zeiven en de waarheid is in ons niet; indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons.quot; O, hij wist het wel, die oude, trouwe discipel des Heeren : er kan waarachtige, teedere, zalige gemeenschap met God zijn, en dat toch de bange klacht ons van de lippen moet; „Want, o Heer ! ik ben aan \'t zinken, en tot hinken ieder oogenblik gereedquot;, en de ootmoedige bede uit het diepst des harten opstijgt naar den hemel: „Houd uw knecht ook terug van trotschheden, laat ze niet over mij heerschen; dan zal ik oprecht zijn en rein van groote overtreding.quot; Dat toch geen enkele oprechte van harte, wien \'t om den Heere te doen is, uit de zonde en zwakheid, die nog tegen zijn wil in hem is overgebleven, de valsche slotsom trekke, dat hij geene gemeenschap met den Heere heeft. De Hoogverhevene woont immers bij den verslagene van geest en bij dien, die beeft voor zijn Woord!

Maar Johannes spreekt van een wandelen in de duisternis; „namelijk van onwetendheid, dwalingen, onheiligheid en zonden, die werken der duisternis zijn ; alzóó dat de zonde over ons zou heerschen.quot; (Kantt.) Hij spreekt dus van een leven in de zonde, \'t zij dan fijnere of grovere; van een leven, gelijk dat door Paulus gekenteekend wordt als een wandelen „naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheidquot;, als een „verkeeren in de begeerlijkheden onzes vleeschesquot;, als een „doen van den wil des vleesches en der gedachten.quot; En hij roept overluid, dat zulk een wandel onbestaanbaar is met de gemeenschap des Heeren, en de gemeenschap met den Heere onvereenigbaar met zulk een wandel. Is dit niet een getrouw woord en alle aanneming waardig?

Gewis. Dit toch is de verkondiging, die wij van Hem, van Christus, gehoord hebben, dat God een licht is, en gansch geene duisternis in Hem is. Dat God licht is, staat er letterlijk. Hij

-ocr page 172-

108 WANDELEN\' INquot; DE DUI3TERXIS

---------- -----------------

ia do Heilige, te rein van oogen, dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen. De serafim jubelen het uit, voor den glans zijner majesteit hunne aangezichten bedekkende: „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.quot; Gansch geene duisternis is in Hem. Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht. Het kan dus niet anders, of de innerlijke, waarachtige gemeenschap met Hem oefent eene heiligende kracht; en wie met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel mag aanschouwen, wordt naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. Indien wij dan zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet.

Schrikkelijke toestand. De leugen in het heilige is de ergste, schandelijkste leugen. Zijn niet Annanias en Saffira voor alle eeuwen en voor alle geslachten tot een waarschuwend voorbeeld gesteld ? En dan op dien grooten dag als leugenaar voor God te staan, en het dan te moeten hooren uit den mond van Hem, aan wien het oordeel is overgegeven : hij zij vervloekt! Voorwaar, voorwaar ! in het nieuwe Jeruzalem zal niet inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en kagen spreekt! Och, dat wij toch ernst maakten met deze ontzaglijk gewichtige zaak ! Onderzoeken wij ons nauw, zeer nauw! Want niet een iegelijk, die tot Jezus zegt: „Heere, Heere !quot; zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil des Vaders, die in de hemelen is. En de rechtvaardige, die welgelukzalig wordt geprezen, is niet slechts een man, die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; maar evenzeer.een man, wiens lust is in des Heeren wet, en die zijne wet dag en nacht overdenkt.

Tegenover den wandel in de duisternis staaf nu de wandel in het licht. Is de wandel in de duisternis een leven in de zonde, de wandel in het licht is een leven in ware reinheid en heilig-

-ocr page 173-

EN WANDELEN IN HET LICHT. 169

----0—----

heid, een leven, waardiglijk het evangelie van (Jhriatua, een leven tot Gods eere. Deze wande! in het licht is wèl te onderscheiden van gewone menschelijke braafheid, vroomheid en godsdienstigheid. Hoezeer de waarheid er van ook op allerlei manieren misduid en misbruikt zij, er bestaat een kenmerkend en beslissend verschil tusachen een wereldling op zijn best en een Christen op zijn slechtst. De wandel in het licht is alleen en uitsluitend het kenmerk, het voorrecht en het sieraad van hen, die in Sion zijn geboren, der hemelsche roeping deelachtig weiden, vrijgemaakt zijn door den Zoon en in beginsel vernieuwd en geheiligd door den Heiligen Geest. Niet dat zij \'t aireede gegrepen hebben of aireede volmaakt zijn. Zij struikelen allen in velen. Maar zij jagen er naar, of zij het ook grijpen mochten. En zij zeggen tot zich zelf en tot elkander: „Dewijl wij dan de grootste en dierbaarste beloften hebben, opdat wij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zouden worden, en des Heeren goddelijke kracht ons alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis desgenen, die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; zoo laat ons ons zei ven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods.quot; Deze wandel in het licht vloeit rechtstreeks voort uit de gemeenschap met het Licht. Al Gods kinderen worden tot dezen wandel bewerkt door den Geest, die in hen woont. Want dit is de genade van den Heere Jezus Christus, dat Hij zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en zich zeiven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. Bovendien : God, die een Licht is, is ook „in het licht.quot; De heiligheid is zijn element. Vernieuwt Hij nu zijne lieve kinderen en erfgenamen naar zijn goddelijk evenbeeld, dan kan het niet anders, of Hij doet ook hen in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is. Wie gemeenschap met den Heere heeft, dorst naar heiligheid en bidt ook deze bede : „Leer mij uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God ; uw goede Geest geleide mij in een effen land.quot;

-ocr page 174-

170 WANDELEN IN DE DUISTERNIS

..............amp;—^—lt;$gt;--——~

Aan dezen wandel in het licht is een tweevoudige zegen verbonden. ,Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot;

Gemeenschap met elkander. Dit is de eerste zegen, aan het wandelen in het licht verbonden. De zonde kan niet anders dan ontbinden en scheiden. Werd zij in hare volle werking gezien, het zou een ieder duidelijk -worden. Maar die volle werking wordt nu nog veelszins door de algemeene genade tegengehouden. Uit kracht van die algemeene genade is er nu ook onder de kinderen der wereld vriendschap, liefde, hartelijkheid. Laat ons dit niet ontkennen. Waarom zouden wij dat doen ? Dat er op die vriendschap, die liefde, die hartelijkheid veel af te dingen valt, is eene andere zaak. Dat zij het echte en rechte karakter niet dragen, veelszins nabootsingen zijn van het echte en rechte, staat vast. Want het staat vast, dat er tusschen de kinderen der wereld geene waarachtige gemeenschap bestaat. Los van God, zijn zij ook los van elkander. Maar de geloovigen in Christus Jezus, die in Christus tot één lichaam worden samengevoegd, éénzelfde leven deelachtig zijn, één Heere, één geloof, één doop, zij hebben gemeenschap met elkander. Zij gevoelen zich niet slechts tot elkander aangetrokken ; zij gevoelen zich met elkander één. Want zij zijn één. Uitverkorenen van één Vader ; gekochten door één bloed; geheiligden door één Geest; wandelaars op één pad; erfvvachters van ééne zaligheid.

Dat er aan de oefening en de betooning van die „gemeenschap onder elkanderquot; veel ontbreekt, moet door ons met schaamte beleden. Het komt, omdat wij nog maar zoo weinig en zoo gebrekkig „wandelen in het licht\'. Daarom zijn er nog altijd zooveel oneenigheden, twisten, krakeelingen onder de broeders en zusters van hetzelfde huis. Dat „Indien wij in het licht wandelen, zoo hebben wij gemeenschap met elkanderquot; moge dan ook voor ons eene aansporing zijn, om — vergetende, hetgeen achter is, en ons strekkende naar hetgeen vóór is — te jagen naar het

-ocr page 175-

EN WANDELEN IN HET LICHT. 171 \'

■wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

En C-tod, onze Heere, verwerpt zijne kinderen on; hunne struikelingen niet. Zie hier den tweeden zegen, aan het wandelen in het licht verbonden: „en het bloed van Jezus Christus,, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot; Welk eene vertroostende waarheid. De wandel in het licht is de openbaring naar buiten van de gemeenschap met God. Maar wie gemeenschap met God heeft, heeft óók gemeenschap, is in gemeenschap gebracht met het bloed van Christus. Wie gekomen is tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, is evenzeer gekomen tot dén Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. Dit bloed nu heeft niet slechts vergevende, het heeft ook reinigende kracht. Die gewasschen is, heeft niet van noode, dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein. En naar die fontein, die daar geopend is voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinigheid, draagt de Heere gedurig zijne kinderen heen. En onder die fontein legt Hij ze neder, en het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt hen van alle zonde. Niet slechts van de zonden, maar ook van de zoncfe, want de vernieuwing door den Heiligen Geest omvat den geheelen mensch, wiens geest en ziel en lichaam onberispelijk bewaard wordt in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus. Hij, die ons roept, is getrouw, die het ook doen zal.

Kind der duisternis ! zie toe, dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt. Kind des lichts ! eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere, wandel als een kind des lichts. Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort;

Zij wandlen, Heer, in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort. Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden.

Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in\'t lijden: Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,

Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.

Ps. 89: 7.

S. J. J. I.

-ocr page 176-

^^!®soe®^so®eos;sos©lt;e©®lt;see:egee®®©e©lt;3©scgoseo©lt;

HEBT DE WERELD NIET I.ILF,

Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al, wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en tiare begeerlijkheid, maar die den wille Gods doet. blijft in der eeuwigheid.

1 Joh. 2; 15-17.

1 !f li

E apostel Johannes schreef aan gdoovigen. Aan geloo-vigen is deze gansche brief gericht. Nu eens mogen kinderkens, dan weor jongelingen, dan weer vaders onderscheidenlijk worden aangesproken, gelijk het bepaaldelijk in de voorafgaande verzen geschiedt; die kinderkens, die jongelingen, die vaders worden aangesproken als begenadigden in Christus. En tot hen komt nu dit woord, dat tegen wereldliefde zoo ernstig en zoo krachtig waarschuwt. Het komt ook tot ons, al mogen wij gelooven. dat er aan ons barmhartigheid is geschied en dat God ons voor tijd en eeuwigheid tot zijne kinderen heeft aangenomen. Hebben wij dan nog zulk eene waarschuwing noodig?

Maar wie is er onder u, die roemen durft boven haar ver-heven, aan haar ontwassen te zijn ? Indien gij dezen roem niet aandurft; indien gij belijdt, eene waarschuwing als deze wel terdege noodig te hebben, neigt het oor en hoort naar den vriendelijken Johannes, die als een vader u toespreekt en als een

L

-ocr page 177-

HEBr DE WERELD NIET LIEF. 173

--lt;$gt;—amp;—-$■--

broeder u vermaant. Gedenkt, dat üod zelf u door hem aanspreekt en bidt!

9Hébt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld isquot;. Met de wereld wordt hier bedoeld, om met onze kantteekenaars te spreken, „al wat buiten de rechte kennis en dienst van God in deze wereld van wereldsche menschen groot geacht, begeerd en nagetracht wordtquot;; of, met Calvijn ; „alles, wat dit leven aangaat, hetwelk van het rijk Gods en de hope des eeuwigen levens afgezonderd is, en als zoodanig in zich bevat allerlei verdorvenheden en een afgrond van alle kwaad.quot; Al, wat in die wereld is, trekt ons af van den levenden God, en de overste dezer wereld, die genaamd wordt satanas, verbergt in zijne lokspijs den doodenden angel. Niet dus het genot, dat het geschapene elk naar zijn aard, den Christen bere\'dt, behoeft hij zich te ontzeggen. Alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. Maar aan de zondige wereld en aan het zondige in de wereld geve geen Christen zijn hart; want de liefde tot de wereld is onvereenigbaar met de liefde des Heeren !

Dit laatste drukt de apostel uit met de woorden: „Zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde den Vaders is niet in Hemquot;. Eene scherpe, snijdende uitspraak, maar wie zal haar wraken? Inderdaad, deze beide neigingen, gelijk zij in hare werkingen elkander bestrijden, sluiten in beginsel elkander uit. Zij zijn aan elkander zoo vijandig tegenovergesteld, als God en de zonde zelve. Hoe zouden die man, die vrouw, die jongeling, die jonge-dochter den Vader kunnen liefhebben, als zij liefhebben de wereld en wat in de wereld is? Hoort Jacobus: „Weet gij niet, dat de vriendschap der wereld eene vijandschap Gods is ? Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld.quot; Hoort den Heere Jezus Christus : „Niemand kan twee heeren dienen ; want of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben ; of hij zal den eenen aanhangen en den

-ocr page 178-

174 HEBT DE WERELD NIET LIEF.

—-—#—$gt;-

anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.quot; Vergeten wij het toch niet: God vraagt ons hart, ona geheele hart. Alle halfheid, alle hinken op twee gedachten is Hem een gruwel. Hij eischt beslistheid. En als naar de zondige wereld en naar het zondige in de wereld ons hart nog uitgaat, zóó; dat ons hart zich aan die wereld en aan hare ijdelheden geeft, zich in die wereld en hare ijdelheden vermaakt en verlustigt, het is een bewijs, dat de liefde des Vaders ons niet boven alle dingen gaat. En indien de Heiland met recht en reden zeggen mocht: .,Wie vader of moeder, zoon of dochter lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardigquot;, zou dan zijn eeuwige Vader niet spreken met majesteit en met geduchten ernst : „Wie de wereld lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardigquot; ? Wel mocht een dichter ons toeroepen : „De proeftijd krimpt; nog moogt ge kiezen ! Wat wilt gil winnen, wat verliezen ? Het kort genot ? den langen schrik ? Ziet d\'uchtend der vergelding krieken ! Uw eeuwigheid rust op de wieken van \'t tegenwoordig oogenblik !quot;

Had de apostel Johannes dan geene reden, om het den geloo-vigen toe te roepen : „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hemquot;? Wat is de wereldquot;? Wat biedt zij ons aan? Begeerlijkheid des vleesches, begeerlykheid der oogen, grootsch-heid des levens. In dit drietal hoofdgestalten treedt zij op, en tracht zij te verleiden het arglistige hart. Slaan wij ze gade van nabij.

Begeerlykheid des vleesches. Wie verstaat niet, wat met haar wordt bedoeld? Wie denkt hier niet èn aan die onreine drifter.,-die vleeschelijke neigingen en hartstochten, die vaak met zooveel kracht daar binnen kunnen woeden; èn aan dat verzorgen van het vleesch tot begeerlijkheden, waartegen wij elders, Rom. 13 : 14, met zooveel ernst en kracht worden gewaarschuwd? En dat ook begenadigde kinderen Gods voor een oogenblik of vooreen tijd door de macht dezer begeerlijkheid overweldigd kunnen worden, ach, het is niet het exempel van David, den man naar

-ocr page 179-

HEBT DK WERELD NIET LIEF. 175

Gods harte, alléén, dat het ons leert. Daarom, koestert haar niet! Geeft haar geen voet! Bindt biddend en wakend den strijd tegen haar aan. Is dit niet de ellende des menschen en de straf zijner zonde, dat hii vleesch werd; en vindt niet de Christen, die door den Geest Gods geleid wordt en daarin het kenmerk vindt van zijn kindschap, zijne dure roeping uitgedrukt in het woord; „Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelenquot;?

Daar daagt eene tweede gestalte op. Begeerlijkheid der oogen is haar naam. Was zij niet in het Paradijs het begin van den val? „En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was, om verstandig te maken; en zij nam van zijne vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.quot; Is \'t niet in \'t biizonder tot haar, dat onze Heiland verzocht werd, toen in de woestijn satan hem toonde de koninkrijken dezer aarde en derzelver heerlijkheid ? Bezweek ook voor haar niet de rechtvaardige Lot. als Abram hem eene scheiding voorgesteld en hem de keuze gelaten had? „En Lot hief zijne oogen op, en hij zag de gansche vlakte van den Jordaan, dat hij die geheel bevochtigde ; eer de Heere Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als Egypteland, wanneer gij komt te Zoar.quot; En diezelfde begeerlijkheid der oogen, hoeveel duizenden bracht zij reeds ten val? O, mijn broeder, als satan u kan vasthouden, al is \'t maar met één strik; u naar beneden, naar de\' diepte kan trekken, al is \'t maar met ééne keten, hij is reeds tevreden. Waak en bid, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.

Eene derde gestalte. Zij schittert in verblindende glansen nog boven de beide andere uit. Vraagt gij, hoe zij heet? Johannes antwoordt u: grootschheid des levens. Daaronder is — terecht wordt het ergens opgemerkt — niet de hoogmoed in \'t algemeen te verstaan. Zij is eene bijzondere uiting van de hoogmoedige wereldschgezindheid, de tegenstelling van den eenvoud, naar de

-ocr page 180-

176 HEBT DE WEKELD NIET LIEF.

-■--^^—-$gt;--

beteekenis van liet woord in den grondtekst: het zelfzuchtig pronken niet de nietige en iidele goederen der wereld. Zij openbaart zich vooral in de weelde des uiterlijken levens, in \'t bijzonder gewicht, dat men hecht aan fraaie kleederen en prachtige stoffeering der woning ; in liet voeren van sen stand boven dien, waarin men door God geplaatst is, en wat daar meer te noemen valt. En dat zij doorgedrongen is ook tot onze Christelijke huisgezinnen — wie durft het ontkennen ? Is daar misschien een „goede, oude tijdquot; geweest, waarin de eenvoud der vaderen het waarschuwen tegen haar in de kringen der godvruchtigen minder noodzakelijk maakte ; — in onze dagen mag \'t wel luide van de daken verkondigd worden, niet slechts aan de wereld, maar ook in \'t midden der gemeente: hebt de wereld niet lief; ook niet die grootschheid des levens, die het kenteeken bij uitnemendheid van wereldgelijkvormigheid is. Levende in de wereld, hebt gij te toonen, niet van de wereld te zijn.

Ziehier nu, „ai wat in de wereld is.quot; Meer heeft zij niet te bieden. En schijnt de smaak van die begeerlijkheid des vleesches, die begeerlijkheid der oogen, die grootschheid des levens zoo zoet, de nasmaak is bitter als galle. Trouwens, wat de wereld geeft, is „uit de wereld.quot; Het draagt een wereldsch karakter. Uit den Vader is het niet. Want, ofschoon de zondige wereld het uit het zijne genomen heeft, zij heeft het door misbruik tot het hare gemaakt. En wie met de wereld lotgemeen wil zijn, wordt met de wereld veroordeeld.

Den sterksten drang tot het verzaken der wereld heeft Johannes voor \'t laatst bewaard. „En de. -wereld gaat voorbij, en hare begeerlijkheid, maar die den wille Gods doet, blijft in der eeuwigheidquot;.

De wereld gaat voorbij. Eene korte samenvatting van \'t geen Jesaja (2:12—22) schilderachtig profeteerde: „Want de dag des Heeren dei\' heirscharen zal zijn tegen allen hoovaardige en hooge en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; en tegen

-ocr page 181-

HEBT DE WERELD NIET LIEF. 177

---S^.---

alle hooge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; en tegen alle hooge bergen en tegen alle verhevene heuvelen; en tegen allen hoogen toren en tegen allen vasten muur ; en tegen alle schepen van Tarsis en tegen alle gewenschte schilderijen. En de hoogheid des menschen zal gebogen en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de Heere alleen zal in dien dag verheven zijn. En elkeen der afgoden zal ganschelijk vergaan. Dan zullen zij in de spelonken der rotssteenen gaan. en in de holen der aarde, vanwege den schrik des Heeren, en vanwege de heerlijkheid zijner majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal. om de aarde te verschrikken. In dien dag zal de mensch zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen, gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des-Heeren en vanwege de heerlijkheid zijner majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken. Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijne neusgaten is, want waarin is hij te achten ?quot;

En hare begeerlijkheid gaat ook voorbij.In de eeuwige rampzaligheid is er niets begeerlijks meer. Dan zal het woord geschieden, dat geschreven is (Openb. 18 : ö-8): „Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. Zooveel als zij zich zelve verheerlijkt heeft en weelde gehad heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart; ik zit als eene koningin en ben geene weduwe, en zal geen rouw zien. Daarom zullen hare plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger; want sterk is de •Heere God, die haar oordeelt.quot;

Hoe dwaas dan en roekeloos, zich aan haar vast te

klemmen! Doch hun, die uit deze tegenwoordige booze

wereld getrokken zijn en overgezet in het koninkrijk van

Gods wonderbaar licht, wacht een ander en beter voor-

12

-ocr page 182-

178 HEBT DE WERELD NIET LIEF.

-sgt; -

uitzicht: „Maar die den tv ill e Gods doet, blijft in der eeuwigheidquot;.

Wie is dat? Wie doet den wille Gods? De nieuwe mensch, de uit God geborene. Om met Johannes te spreken : de vaders, de jongelingen, de kinderkens, „wien de zonden zijn vergeven om zijns naams wilquot; ; „die Hem kennen, die van den beginne is, en zijn eeuwigen Vaderquot; ; „die den booze overwinnenquot; in en door de kracht des Heiligen Geestes. Maar ach, welke Christen en welke Christinne beeft en siddert niet, en schrikt niet van zich zeiven terug, als hij of zij staart in dezen onbezoedelden spiegel ? „Die den wille Gods doetquot; — en ik doe zoo vaak mijn eigen wil, den wil des vleesches en der gedachten, den wil der wereld, die in het booze ligt; nochtans, dat weet God ! tegen mijn wil; want ik zou anders willen. Ik heb eene vermaking in de wet van God naar den inwendigen mensch. . . . Heil u, zoo ge dit moogt betuigen in oprechtheid. Dan blijft ook gij in der eeuwigheid. Als straks de wereld voorbijgaat en hare begeerlijkheden, en de dag des Heeren komt, gelijk een dief in den nacht, en de hemelen inééngerold worden als een doek ; en de elementen, mitsgaders de aarde en de werken, die daarin zijn, brandende versmelten ; dan beërft gij, naar Gods beloften, den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, die gij in den geloove verwachttet; dan staat gij voor den troon van het Lam ; dan schept gij water met vreugde uit de fonteinen des heils ; dan zult gij eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

Hier denken wij aan het woord van Paulus (2 Oor. 4 :16 — 18) „Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dage tot dage. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdeiyk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwigquot;.

Bed mij van hen. die \'t ruim genot, enz. Ps. 17 : 7.

S. J. J. I-

-ocr page 183-

DE KINDEREN GODS EN DE KINDEREN DES DUIVELS.

Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe ia de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude. Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.

Hierin .zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar.

1 Joh. 3 : 8 —10a.

IT Schriftwoord handelt over de kinderen Gods en de n kinderen des duivels. Daar zijn slechts tweeërlei menschen op aarde. En ook wij zei ven zijn van tweeën één : kinderen des Heeren uit kracht van waarachtige wedergeboorte en geloof in Christus, of kinderen desgenen, die elders genoemd wordt de menschenmoor-der van den beginne.

Het schijnt wel hard, allen, die niet met hun mond belijden den Heere Jezus, en niet met hun harte gelooven, dat Hem God uit de dooden opgewekt heeft, zoomaar zonder omwegen kinderen des duivels te noemen. Zij zijn toch niet allen booswichten in uitwendigen, ergerlijken zin. Wij treffen onder hen zoovele lieve, beminnelijke, nuttige menschen aan. En dan van hen te zeggen, dat zij kinderen des duivels zijn ....

De Schrift zegt het van hen. Wie durft de Schrift berispen ? Wie wil wijzer zijn dan God? Bovendien, de apostel Johannes, gedreven zijnde door den Heiligen Geest, bewijst, wat hij zegt.

-ocr page 184-

180

DE KINDEEEN GODS -lt;£•-^-

Hij toont het kenmerk van de kinderen des duivels aan en maakt ten volle duidelijk, waarin zij zich onderscheiden van de kinderen Gods, en waarin de kinderen Gods onderscheiden zijn van hen. Zoo geeft hij ons een toetssteen in handen, waaraan een iegelijk onzer zich zeiven beproeve als in de tegenwoordigheid Gods. Want de Rechter staat voor de, deur !

„Die de zonde d,oet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne.quot; Eene eigenaardige uitdrukking : die de zonde doet. Maar uit het verband en het geheele redebeleid ontvangt zij genoegzame verklaring. Reeds de kantteekeningen verspreiden hier een helder licht. „Door het woord zondigen en de zonde doen verstaat Johannes hier, hetgeen Paulus noemt wandelen naar het vleesch en dienstknechten der zonde zijn. Het wil zeggen: zich te begeven tot een kwaad en zondig leven, de zonde over zich te laten heerschen. Want anderszins zoo vallen ook de ware geloovigen somtijds wel in zonden.quot; Niet dus het bekende: „Wij struikelen allen in velenquot; wordt hier tot een kenmerk gesteld van het zijn „uit den duivel.quot; Een Paulus, kan klagen over die andere wet in zijne leden, die strijdt tegen de wet zijns gemoeds en hem gevangen neemt onder de wet der zonde, die :n zijne leden is ;kan zwaarlijk zuchten ; „ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot; en toch, niet daarna, maar terzelfder tijd, in \'t zelfde oogenblik, den jubel doen hooien: „Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere !quot; Waarom? Omdat hij door Gods genade vaststond in het besef: „Indien ik datgene doe, wat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woontquot;. En wederom : het moge waar zijn, dat ik met het vleesch de wet dei-zonde dien; dit is niet minder waar: ik zelf dien met het gemoed de wet Gods!

Doch hierop komen wy zoo aanstonds nader terug. Wij weten nu, wat Johannes bedoelt niet dat korte, maar veelbetee-kenende: „die de zonde doet.quot; En nu, wat men ook zegge: de.

-ocr page 185-

EN DE KINDEREN DES DUIVELS. 181

----^^--

lieiden, de Jooi, de naam-Christen, wie hii ook zii, die niet uit God geboren werd en een ander leven ontving, die niet werd, in Christus Jezus, een nieuw achepwel, die doet de zonde. Alis zijn leven uitwendig onberispelijk, al oefent hij zich in velerlei •deugden, al arbeidt hij rusteloos aan zijne zelfverbetering; hij doet de zonde. De zonde is het element, waarin hij zich beweegt, de nieesteresae, voor welke hij zich neerbuigt en die hij gehoorzaamt. Tegen sommige zonden moge hij misschien den strijd aanbinden, tegen de zonde zelve strijdt hij niet. Zij -heerscht over hem. Want een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. En in den naam des Heeren wordt over hem dit vreeselijk oordeel uitgesproken: gij zijt uit den duivel. Een kind des duivels zijt gij. De geest des duivels beheerscht u. De duivel is uw vader en als zijn geesteskind wilt gij de begeerten uws vaders doen. „ Want de duivel zondigt van den beginne.quot; De duivel bracht de zonde in de wereld. En gij, gij volgt hem na. Gij doet, wat hij doet. Onder zijn vaandel schaart gij u. En wel verre van te luisteren naar de stem des Heeren, luistert gij naar de stem van uw vader, den duivel. Gij draagt zijn beeld. Gij doet zijn werk. Kunt gij dan nog langer ontkennen, dat gij „uit hemquot; zijt?

Harde waarheden, zegt ge misschien. En \'t is waar. Harde. Maar toch waarheden, die wij hebben te belijden en te verkondigen naar de Schriften. En wie gehoor geeft aan het roepen;

Spreek tot ons zachte dingen!quot; is hij niet even dwaas, als wie met dat roepen met-doet?

En nu laat Johannes dadelijk volgen; „Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de iverken des duivels verbreken zoude.quot; Waarom lascht hij dit woord hier in? Om den kinderen des duivels aan te toonen, welk lot hen eenmaal treffen zal, als zij volharden in kwaaddoen? Of om hun te goeder ure te .herinneren, dat er voor hen, ook voor hen, genade is en verlossing ? We zullen in elk geval niet verkeerd doen, als wij uit dit tweeërlei oogpunt dit heerlijk woord beschouwen.

-ocr page 186-

182 DE KINDEREN GODS

--lt;£■—--------

De Zone Gods is geopenbaard. Vóórgekend was Hij, als Borg, als Middelaar, als Redder en Verlosser, in één woord: :ils Christus, vóór de grondlegging der wereld. Maar geopenbaard is Hij in de volheid des tijds om der uitverkorenen wil. „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond; en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid, als des Eénge\'oorenen van den Vader, vol van genade en waarheid. En in dezen zelfden brief jubelt Johannes het uit: „Het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard.quot;

Waartoe is de Zone Gods geopenbaard? „Opdat Hij de loerken des duivels verbreken zouquot;. De duivel had, zooveel in hem was, Gods werken verbroken ; in elk geval verontreinigd, bezoedeld, verdorven. Maar nu kwam Christus om zijne, om des duivels werken te verbreken. En dat heeft Hij gedaan. Want ofschoon de duivel nog een rijk overgehouden heeft, het rijk des lichts zal het rijk der duisternis eenmaal ganschelijk tenietdoen. En de duivel zelf is een overwonnen vijand. En niet slechts heeft de Zone Gods de werken des duivels verbroken, als Hij ten priize van zijne tranen en zijn bloed en zijn leven het handschrift, dat tegen ons was, nagelde aan het kruis; en de overheden en de machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar ten toon stelde, en over hen triumfeerde ; maar Hij gaat nog voort, de werken des duivels te verbreken, als Hij de zijnen weder-baart door zijn Geest, waardoor Hij hen verlost van de heerschappij en de slavernij der zonde, en van hen maakt een volk, dat ijverig is in goede werken. Maar indien dan de Zone Gods geopenbaard is, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude, wat staat hun te wachten, die des duivels voetstappen drukken ? Zal het te hard, te streng, zal \'tonrechtvaardig wezen, als de Christus hen eenmaal verplettert met een ijzeren schepter, en hen in stukken slaat als een pottenbakkersvatquot;? Voorwaar neen ! En dit te minder, wanneer zij leven onder het geklank van

-ocr page 187-

EN DE KINDEREN DES DUIVELS. 183

---lt;£■---v^gt;----

het liefelijk evangelie. Want dan irf er ook voor hen behoudenis, in den weg der bekeering en des geloofs. Kind des duivels! Daar is er Eén, die de werken des duivels verbreekt, en daartoe is geopenbaard. Kus dien Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen !

Nu komt Johannes tot het kenmerk en het herkennings-teeken van de kinderen Gods. En nu komen wij tot „dat scherpe, krasse, stalen woord dat een aanstoot en ergernis is en blijft voor o zoo velen, die anders, met u, alle perfectisterij van harte als onwaar en tegenschriftunrlijk verfoeien.quot; 1) Dat dit woord door de volmaaktbaarheidsdrij vers ten gunste van hun stelsel dikwijls gretiglijk aangewend is, bleef ons geen geheim. Maar dat het een zwaard is, \'twelk zich tegen hen keert, is evenzeer openbaar. Eeeds voor jaren werd het op uitmuntende wijze in het licht gesteld ; „Had Johannes geschreven : wie zijn wasdom in Christus verkreeg, zondigt niet en hij kan ook niet zondigen, want het zaad Gods is in hem tot gedijen gekomenquot;; dan, ja, zouden wij geslagen en de Perfectisten gered zijn. Maar nu — „wie uit God geboren isquot;, zegt Johannes, „doet de zonde nietquot;. Dat geldt dus in volstrekten zin van een ieder en een iegelijk. Van alle bekeerden. Ook van de pas toegebrachten. Niet slechts van de „allerheiligste,quot; of „bevestigde,quot; of „meer gevorderdequot; Christenen, maar van alle verlosten, van alle wedergeborenen, van allen, die in der waarheid zijn en heeten mogen : kinderen Gods. En nu ze zeiven ons aanpreêken, dat een uit God geborene aanvankelijk nog wel zondigt, en eerst later, eerst door eene acte van vernieuwde, algeheele toewijding in de hoogere sfeer van het „niet zondigenquot; overgaat, nu spreekt het vanzelf, dat zij den letterlijken zin van Johannes\' woord niet meê, maar tegen

1) Dr. A. Kuyper. Uit het Woord. Derde bundel. Bladz. 1 •0gt;2.

-ocr page 188-

184

DE KINDEREN GODS -$--#—-$gt;-

zich hebben, en zelf niet aandurven, wat zij ons voorhouden als door Johannes geleerd.quot;])

Maar wat beteekent het dan toch. dat raadselachtige woord : „Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet?quot; Nu komen wij nog eens op Romeinen zeven terug. Daar zegt de heilige apostel Paulus: „Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe, dat zij goed is. Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.quot; En wij stemmen \'t dus den zooeven genoemden godgeleerde hartelijk toe, dat het opgevat moet worden, zooals Johannes het zegt; Een kind van God doet zelf de zonde nooit. En dit moet betuigd en moet beleden, niet wijl de ervaring het ons zoo leert. Integendeel, door de ervaring komen wij schijnbaar tot eene geheel andere slotsom. Maar moet beledeo, omdat niet kan zondigen, wie eenmaal uit God is geboren ; dat wil zeggen : beleden, wijl het tegendeel eenvoudig onmogelijk zijn zou. Letterlijk dus hetzelfde als wat Jezus gezegd heeft: „Een goede boom kan geeue kwade vrucht voortbrengen.quot;

Maar wat moeten Gods kinderen dan nu met hunne dage-lijksche struikelingen? En wat dan inet die „verdorvenheid der geheele natuur, die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel derzelve; die ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet^ gedaan, noch geheel uitgeroeid is, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit eene onzalige fontein ; hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenisse niet toegerekend, maar door zijne genade en barmhartigheid vergeven wordtquot; ? Wederom is het naar waarheid gezegd : „De onbekeerde en de bekeerde beiden nemen in hun leven aan zichzelf zonden waar. Maar het verschil ligt hierin, dat de onbekeerde de zonde doet, zelf, willens en wetens doet, terwijl de bekeerde de zonde ondergaat, als iets, dat hij afbidt, dat hem een lijden veroorzaakt, waar hij zich van los wil voelen. Bij de kinderen (1 Zie dat gehoele 14e artikel met hot opschrift: ran de zonde af!

-ocr page 189-

EN DK KINDEBEN DES DUIVELS. 185 --;----—-

des duivels is het een zondigen, waarbij men de zonde mint ; bij de kinderen Gods een zondigen, waarbij men de zoude haat.quot;

Doch Johannes zegt niet slechts, dat een iegelijk die uit God geboren is, de zonde niet doet; hij voegt er bij : „ Want zijn zaad blijft In ham. en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.quot; Zyn zaad bliift in hem; Gods zaad, waardoor hij wedergeboren is. Daarom kan hij — ja, wel in de zonde vallen; maar hij kan de zonde niet meer doen; hij kan en wil haar niet langer als heerscheresse erkennen ; hij wenscht den wille Gods te doen en eene eere des Drieëenigen op aarde te zijn. quot;Wel mocht Johannes schrijven : „Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openhaar.quot;

Laat ons eindigen met eene oude geschiedenis. Ghrysostomus bisschop van Constantinopel, was den Byzantijnschen keizer een doorn in \'t oog. De hovelingen zeiden tot hem : „Verban hem, neem zijne goederen in beslag, of sla hem in ketenen, verbrand hem, laat hem dooden !quot; Toen zeiden echter anderen: „Dat helpt u alles niets; in de verbanning vindt hij toch in zijn Gnd een tehuis; zoo gij zijne goederen neemt, berooft gij niet hem, maar de armen ; slaat gij hem in boeien, hij zal de ketenen kussen; doodt gij hem, dan ontsluit de dood hem den hemel. Er bestaat slechts één middel, om hem ongelukkig te maken; dwing hem te zondigen. „Hij vreest in de wereld niets dan de zonde!quot; Hierin werd Chrysostomus als een kind van God openbaar. Wij ook?

Hoe lief heb ik uw wet! het is mijn doel,

Pen gansc-hen dag haar ijvrig te betrachten.

Hoe listig ook mijn snoode vijand weer,

\'k Heb wijzer geest en edeler gedachten

Door uw gehoon, wier kracht ik staiig gevoel,

T)io \'k eeuwig zal met heü\'gen eerbied achten.

Ps. 119:49.

-ocr page 190-

^0lt;s:00c0elt;s^g0000e^s^30e0lt;e^^00^0^€^^0€:g0€:€

!

DE LIEFDE GODS IN HET GEVEN VAN ZIJN ZOON.

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad en zijn Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden.

1 Joh. 4 : 9 en 10.

ftpRIJ di: liefde Gods in het gecen van zijn Zoon bepaalt ons ^ dit woord. Een weerklank is het, als \'t ware, op het woord van den Heiland tot Nicodemus, dat ongetwijfeld een verbazend diepen indruk heeft genaakt op Johannes\' gemoed : „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot; En die liefde Gods, die onnaspeurlijke en onuitsprekelijke liefde, brengt hem nog op zijn ouden dag dermate in verrukking, dat hij van haar jubelen gaat en al zijne krachten Inspant, om hare dierbaarheid althans eenigermate naar waarde te vermelden.

„God is liefde.quot; Met deze majestueuze gedachte is blijkbaar zijne geheele ziele vervuld. Dies wordt hij aangegrepen door heilige verwondering. En nu weet hij het we! en hij verzwijgt het niet, dat deze liefde Gods voor hare gelukzalige deelgenooten de dure roeping meebrengt tot hartelijke wederliefde, mitsgaders tot vurige en ongeveinsde liefde onder elkander; maar hij weet het evenzeer en verzwijgt het evenmin; de liefde Gods is de

-ocr page 191-

DE LIEFDE GODS IN HET GEVEN VAN ZIJN ZOON. 187

-_--------lt;$.—^-----

liefde bij uitnemendheid, zij alleen is onze Hallels waard!

Ja waarlijk: God is liefde. En die liefde is niet in \'t hart des Ongeschapenen verborgen gebleven. Zij heeft zich geopenbaard. Zij kwam te voorschijn; zij verheerlijkte zich; — waarin ? Nu noemt Johannes het grootste, dat te noemen is; de samenvatting aller liefdes-uitingen en liefdes-openbaringen des volza-ligen Gods: de zending, de gifte, de overgave zijns Zoons, zijns Eeniggeborenen, ten goede van in zichzelf verlorenen, opdat zij, door dien Zoon met den Vader verzoend, leven zouden tot in alle eeuwigheid in de gemeenschap des drieëenigen Gods.

De liefde Gods. Mag er Christen, Christinne, mag er eigenlijk wel een dag, een uur in uw leven voorbijgaan, zonder dat gij bij haar stilstaat en u in haar verdiept met eerbiedig ontzag ? Is \'t niet voor ons eene oorzaak van beschaamdheid der aangezichten, dat er zooveel uren en dagen voorbijgaan, waarin wij niet of weinig aan haar denken, en ons afgeven met duizend andere dingen? De liefde Gods in \'tgeven van zijn Zoon, zegt mij, mijn broeder en zuster, moet het nu juist Kerstfeest zijn, om ons opgewekt en gedrongen te gevoelen, ons hart op haar te zetten en haar te overdenken met stille verbazing? Komt, schenkt aan haar nu eens uwe aandacht. Het zal u niet berouwen. En als uwe ziele in de heilgeheimen dier liefde rondweiden mag met een verwonderend oog, \'t zal u, voorwaar! niet ledig noch onvruchtbaar laten. Het karakter, het geschenk, en het oogmerk dier liefde mogen d;in nu beurtelings door ons in \'toog worden gevat.

De liefde Gods, dus onderwijst ons Johannes, is in \'t geven van den Zoon geopenbaard. Dit verspreidt over het karakter dier liefde al dadelijk een heerlijk licht, \'t Is niet alzoo, dat die liefde Gods met de zending des Zoons een aanvang nam. Om zich te openbaren, moest zij er zijn. En zij was er, gelijk het Woord er was, éér het vleesch werd. Even eeuwig is zij, als dat Woord en de eeuwige Vader zelf. Dit juist is de onwrikbare

-ocr page 192-

188 DE LIEFDE GODS IN HET

-—---lt;$•—^—•$gt;-

vastheid en de allerzaligste vertroosting dergenen, die in Sion zijn geboren : van eeuwigheid ziin zij bemind!

Maar in de zending, in de gifte des Zoons heeft die liefde Uuda zich geopenbaard. Voor \'t eerst ? Waarlijk niet! De openbaring dier eeuwige liefde, hare intrede in de wereld, hare ■betooning aan een onwaardig en verdoemelijk menschengeslacht begon reeds in het Paradijs, toen onze goede God, ziende, dat zich de mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zich begaf, om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en hem troostte, belovende hem zijn Zoon te geven, die worden zou van eene vrcuw, om den kop der slang te vertreden en hem gelukzalig te maken. En sinds hielden de betooningen en openbaringen van die liefde niet op. Maar hare volle openbaring toefde nog. En deze geschiedde in den zaligen nacht, waarin Maria haar eersteling baarde en de engelenreien in Efratha\'s velden jubelden voor de ooren der herders : „ Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.quot;

Dat die liefde Gods in den tijd en bijzonderlijk in de volheid des tijds geopenbaard is, zegt ons dus, dat zij er was, vóór zij zich openbaarde; ontdekt ons haar eeuwig karakter. En het nadrukkelijk zeggen van Johannes: „Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaardquot;, maakt ons met haar genadig karakter bekend. Want immers: wie zijn die „ons?quot; Wij zouden kunnen volstaan met ten antwoord te geven: de uitverkorenen Gods, de opgeschrevenen in het boek des levens des Lams, die Hij tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zich zei ven, naar \'t welbehagen van zijn wil. Want zij alleen, maar ook zij allen, zijn deelgenooten van de liefde des Vaders; vrijwillig heeft God, de Heere, hen lief, met eene eeuwige liefde. Maar aldus redeneerende, schoon er, op zich zelf beschouwd, niets, volstrekt niets tegen in te brengen is; schoon de gansche Heilige Schrift er ja en amen op zegt; bewegen wij ons toch nog niet geheel in den gedachtenkring

-ocr page 193-

(iEVEN VAN ZIJN ZOUN. 189\'

------^-----

van Johannes. Want die uitverkorenen, zoolang zij niet toegebracht zijn, zoolang zij nog zwerven op hunne eigene wegen, zijn wel voorwerpen en deelgenooten van des Vaders liefde naar zijn eeuwig, onbsrouwelijk raadsbesluit; maar deelen in haar nog niet met bewustheid en bij eigen ervaring; gevoelen, genieten haar nog niet; juist omgekeerd: bedroeven, beleedigen, versmaden haar nog, en stemmen dus geenszins in, kunnen geenszins instemmen met het jubellied van den apostel der liefde : „Hierin is de liefde Gods jegens om geopenbaard ; hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij onamp; liefgehad heeft.quot;

Dit komt eerst met en door en na hunne toebrenging tot den Christus. En dan eerst, maar dan ook gewis leeren zij die liefde als eene genadige kennen. Dan, ziende op zich zeiven, is-*t hun een eeuwig wonder, dat zij betuigen mogen: „Hierin is de liefde Gods Jegens ons geopenbaardquot;. Jegem om! jegens mij. O Heere! wat was er dan in mij, dat u kon bewegen ? Ik was immers een hater van u en een hater van mijn naaste? Ik had immers, naar uw rechtvaardig oordeel, tijdelijke en eeuwige straf verdiend? Nu mijn broeder, spreek alzoo in uw harte en sin met verrukking het geschenk van deze liefde gade.

..Hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat God zijn ixnigge-boren Zoon gezonden heeft in de wereldquot;. Ziedaar wat de liefde Gods over had voor een zondig Adamsgeslacht; wat zij voor hare deelgenooten vermocht; wat zij in haar eeuwigen raad te hunner behoudenis beraamd; wat zij in de volheid des tijd» voor hen gedaan heeft. God heeft zyn Zoon gezonden ; niet iets. maar iemand; Hem, zijn Geliefde, de wellust van zijn vaderhart; zijn Eeniggeborene; en als gij, aardsche vaders, bij ondervinding weet, hoe lief en dierbaar u een eeniggeborene is, dan weet gil nu ook en stemt gi] toe, dat God het hoogste gaf, wat Hij zelf te geven had: alles, alles, alles, zijn Zoon,zijn eeniggeborenZoon. Nog meer. God heeft zijn Zoon, zijn Eeniggeborene, gezonden in de wereld. Op eene aarde, om der zonde wil vervloekt; in

-ocr page 194-

190 DE LIEFDE GODS IN HET

-#—❖--

\'t midden van een boos en verkeerd geslacht, dat Hem, den Zachtmoedige, schelden; dat Hem, den Heilige, bespotten; dat Hem, den Alzegenaar, smaden; dat Hem, den Onschuldige, ver-oordeelen; dat Hem, den eeuwigen Zoon des Vaders, bloedig geeselen, wreedaardig kruisigen, schaamteloos vermoorden zou. En dat wist de Vader, dat wist Hij onfeilbaar zeker ; ja, wat meer is, daartoe zond Hij Hem, daartoe gaf Hij Hein over aan den vloek der wet, aan de handen der zondaren, aan den smaad van het kruis. Dit zijn bekende dingen, ik weet het wel, en die u reeds duizend malen in herinnering werden gebracht. Maar indien wij niet zulke tragen en onverstandigen en verharden van harte waren van nature, indien wij er meer toe arbeidden, om de liefelijkheden des Heeren te aanschouwen en te doorzoeken ia zyn tempel; onze harten zouden week worden als was voor het aangezicht des Heeren bij het besef van zoo groote liefde; en daar zou een traan trillen in onze stem, als wij, met Johannes meê, het lied der liefde zongen; ..Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad, en ons zijn Zoon gegeven heeft.quot;

Meer dan eens is hier het voorbeeld aangehaald van Abraham, den vader der geloovigen. En metterdaad: alle vromen van den ouden en den nieuwen dag bewonderen tot Gods eere de kracht des geloofs en de kracht der liefde van dien held, die niet weerspannig was, maar gehoorzaam aan de stem van Jehova: „Neem nu uw zoon, uw eenige, dien gij lief hebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.quot; Maar wie durft ontkennen, dat Abraham dit aan den Heere ver-plicht was, en dat hij, hoe groot een geloof en hoe groot eene liefde hij door de kracht des Heiligen Geestes ook toonde, slechts deed, wat hem bevolen was? En toch, toch onthoudt hem de Heere de lofspraak niet: „Nu weet ik. dat gij godvreezende zijtquot;,

-ocr page 195-

GEVEN VAN ZIJN ZOON. 19] -^----

maar bekroont ziin eigen werk met deze heerlijke getuigenis.

Vergelijk nu eens, wat Abraham deed met \'t geen de Heere heeft gedaan, de Vader, die aan de wereld, die aan zijne uitverkorenen niets verplicht was; integendeel, die redenen had, om de gansche creatuur voor eeuwig te verdoemen; en die nu, door zich zelf bewogen, zijn Zoon, zijn Eenige, dien Hij liefhad, niet onthoudt, niet spaart; maar hem offert, werkelijk offert op het altaar des kruisea, en geen ram in zijne plaats geeft. En gij, beken het: met aanbidding des harten moet de gansche triomfeerende kerk in den hemel en de gansche strijdende kerk op aarde jubelen tot zijne eer; nu weten wij, dat Gij ons liefhebt met eeuwige liefde, wijl Gij uw eeniggeboren Zoon om onzentwil in de wereld gezonden en voor ons allen overgegeven hebt.

Spreekt dan ook gij alzoo in uw harte, kinderen Gods! En bekent, met alle de heiligen, welke de lengte, en breedte, en diepte, en hoogte dezer liefde zij!

En waartoe nu deze gifte des Zoons? Welk is haar oogmerk? Op tweeërlei wijze drukt Johannes het uit: „God heeft zijn Zoon gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. God heeft zijn Zoon gezonden tot eene verzoening voor onze zonden.quot; Beginnen wij met het laatste, wijl het van het eerste de grondslag is.

God heeft zijn Zoon gezonden tot eene verzoening voor onze zonden. Dat hier geene algemeene, maar eene particuliere verzoening geleerd wordt, is openbaar, en blijkt ten overvloede uit dat andere : „opdat ivij zouden leven door Hem\'quot;. Waarlijk, men moet dezen brief van Johannes wel met zeer zonderlinge oogen lezen; ook moet men wel zeer zonderlinge gedachten hebben van de liefde des Vaders, van de genade des Zoons, van de kracht des Heiligen Geestes, om de leer der algemeene verzoening, eene ketterij, zoo dwaas als er ééne dwaas wezen kan, met ernst te verdedigen. Aanmerkt hier dan eene verzoening, die ontwijfelbaar zeker haar doel bereikt: uit kracht waarvan

-ocr page 196-

192 DE L1EFUK GODS IN HET

---lt;5-—----

de gekenden des Heeren ontwijfelbaar zeker op Gods tijd worden levend gemaakt; en dan eerst, dan tintelt dat heerlijke woord , verzoeningquot; van kracht; dan drukt het volle, glorievolle, zalige werkelijkheid uit. Neen, niet maar tot een exempel ter navolging zond God zijn Zoon in de wereld. Ook niet slechts tot een mogelijk maken van de zaligheid. Daarmede was de mensch, de zondaar niet gebaat. Hij is verdoemelijk voor God. Hemelhoog is de berg zijner schuld, diep bedorven zijne natuur, hij zelf tot alle goed onbekwaam, van alle goed afkeerig. Die zonde moest verzoend, die schuld weggenomen worden. En dat deed de Christus. Hij stelde zijne ziel tot een slachtoffer. Hij werd tot zonde gemaakt, opdat allen, die gelooven, zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij kwam niet maalais de volmaakte, als de ideaal-mensch, in de wereld, maar als de Middelaar Gods en der menschen. Zijne onbevlekte ontvangenis, zijne reine geboorte, zijn heilig leven, zijn bitter lijden, zijn schuldeloos sterven, zijn triumfantelijk verrijzen, zijn luisterrijk opvaren, \'t was alles, alles borgtochtelij k, en dies verzoenend ; tot eene verzoening zond Hem zijn Vader, en Hij, de verzoening zelve, bracht verzoening teweeg voor al zijn volk.

En uit kracht van die verzoening, door de herscheppende mogendheid des Pleiligen Geestes, komt nu op Gods tijd het nieuwe, geestelijke leven in de harten der uitverkorenen Gods, en deelen zij in den zegen, door Johannes aangeduid in\'t woord: „Opdat wij zouden teven door Hem.quot; Wij namelijk, voor wie Hij eene verzoening is. Hier is geene mogelijkheid slechts, maar volle zekerheid. ,Indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veel meer zullen wij, nu verzoend zijnde, behouden worden door zijn leven.quot; Dat leven, het is reeds in den loop der eeuwen aan millioenen meégedeeld, en nog heden zijn er tienduizenden levenden op aarde; levenden te midden van de dooden, om hen heen. Maar levenden door Christus. Van hun leven is Hij de Verwerver, de Bron, het Middenpunt. „Ik leefquot;, zeggen zij, , doch niet meer ik, maar

-ocr page 197-

193

Christus leeft in mij. En hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en zich zeiven voor mij heeft overgegeven.quot;

O, wat een heerlijk leven is dit. Zoo arm en toch zoo rijk, zoo afwisselend en toch zoo onveranderlijk. Dagelijks strijdend met den ouden dood, en toch door den ouden dood nimmer overwonnen. Een leven, dat schreit — en jubelt; dat zucht — en psalmen zingt; dat klaagt — en halleluja\'s aanheft tot Gods eere. En wei mag de liefde Gods in \'t geven van zijn Zoon den psalm ons op de lippen leggen ;

Gij zijt mijn Uod, IJ zal ik loven,

Verhoogen uwe uiiijesteit.

Mijn God! niets jraat uw roem te boven;

U prijs ik tot in eeuwigheid!

Laat ieder \'s Heeren goedheid loven,

Want goed is de Oppermajesteit!

Zijn goedheid gaat het al te boven.

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!

Ps. 118:14.

s. J. j. L

u

-ocr page 198-

EENE HEERLIJKE WETENSCHAP.

Doch wij weten, dat de Zone Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

1 Joh. 5 : 20.

IJ weten, wij weten, wij weten, zoo luidt het tal van keeren in dezen eersten brief van Johannes, en als in één adem tot drie malen toe aan het einde van dit echt vaderlijk schrijven. De gemeente der ge-loovigen gaat niet af op een misschien. Het geloof is haar een vaste grond der dingen, die zij hoopt, en een bewija der zaken, die zij niet ziet. Want dat geloof rust op deugdelijken grond. Immers op de openbaring en het getuigenis des waar-achtigen Gods, van Hem, die niet liegen kan. De wereld praalt met hare wetenschap, maar in \'t wezen der zaak weet zij niets. Hare wijsheid is dwaasheid bij God. Zij wandelt in de duisternis en weet niet, waar zij henengaat. Maar de begenadigden in den Geliefde weten, zij \'t dan ook in een klein beginsel, de dingen, die hun van God geschonken zijn. Want de Christus is hun óók tot wijsheid geschonken. En er wordt aan hen een genade-arbeid besteed, die er op uit is, hen te leiden „tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus, in denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen

-ocr page 199-

EE NE HEERLIJKE WETENSCHAP. 195

----------

.-zijn.quot; Dat zij dan rusteloos zich benaarstigen, om in deze kennis op te wassen, en daartoe geduriglijk en vuriglijk bidden: „Heere! zend uw licht en uwe waarheid neder, dat die ons leiden!quot;

En hoort nu Johannes. „ Wyj weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zich zei-ven, en de booze vat hem niet.quot; „Wyj weten, dat wij uit God zijn, en dat de geheele wereld ligt in het booze.quot; , Wuj loeten, dat de Zone Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.quot;

Bij deze laatste wetenschap staan wij thans stil. Dat zij gewaagt van eene kostelijke genadegift, roemt in eene zalige gemeenschap, zich oplost in eene jubelende belijdenis, leert ons het woord, dat ditmaal onze aandacht vraagt.

„Doch wij weten, dat de Zone Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen.quot; Inderdaad eene kostelijke genadegift. Het „dochquot;, waarmee de apostel aanvangt, toont ons eene schrille tegenstelling. De geheele wereld ligt in het booze. De macht der duisternis heeft haar overweldigd. Duisternis der zonde, duisternis der ellende, duisternis lt;Jer onwetendheid bedekt haar, omhult haar als eene ondoordringbare wolk, houdt haar gevangen naar het oordeel des rechtvaardigen Gods. Maar eene zalige tegenstelling tegelijk. In het midden der gemeente schijnt het licht. Al hare levende leden, ofschoon zij eertijds duisternis waren en mét de geheele wereld in het booze lagen, zijn nu kinderen des lichts. Zij zijn vernieuwd óók tot kennis, naar het evenbeeld desgenen, die hen geschapen heeft. Zij kennen den Waarachtige. Niet dat zij Hem doorgronden. Hoe zou iemand tot den einde toe den Almachtige vinden? God is groot en wij begrijpen Hem niet. Toch kennen zij Hem. Wanneer zij Hem aanbidden, knielen zij niet neder

-ocr page 200-

196 BENE HEERLIJKE WETENSCHAP.

------lt;£—---

voor het altaar van een onbekenden God. Neen, zij kennen Hem, gelijk een kind zijn vader kent. En hoeveel ondoorgrondelijks daar voor hen nog in dat vaderhart verborgen zij, dat vaderhart zelf is voor hun zielsoog niet gesloten. Het staat voor hen open. Zij blikken er in met „verlichte oagen des verstands.quot; Dit, dit is het verstand bij uitnemendheid; dit de ware wijsheid, die haar bezitters het leven geeft en den vrede.

Maar dit verstand hebben zij niet van zich zeiven. Het is hun gegeven. Door wien ? Door den Zone G-ods. Want wel is het waar, wat onze schoone belijdenis zegt: „Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige kracht en goddelijkheid. Ten tweede geeft Hij zich zeiven ons nog klaarder en volkomenlijkei te kennen door zijn heilig en goddelijk Woord, te weten, zooveel als ons van noode is in dit leven tot zijne eere en de zaligheid der zijnen.quot; Maar vergeer het niet: dit is de belijdenis des Christens. De natuurlijke Godskennis eindigt voor den natuurlijken mensch met een bankroet, en dient slechts, om hem te overtuigen en hem alle onschuld te benemen. De schepping, de menschenwereld, de geschiedenis wordt niet verstaan, tenzij liet licht der bijzondere Openbaring er op valle. En hebben wij die bijzondere Openbaring in het dierbare Woord van onzen God, ook dat dierbare Woord blijft voor ons een gesloten boek, met zeven zegelen verzegeld, tenzij het Lam liet opene door zijn al machtigen Geest. De waarachtige, zaligmakende Godskennis hebben de begenadigden aan Christus te danken. Hij gaf hun tot die kennis het verstand Daartoe is Hij gekomen. Niemand heeft ooit God gezien ; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. Door zijn Geest verspreidt Hij\'t helderst licht over de ontzaglijkste geheimen ; licht ook over dien Waar-

-ocr page 201-

EENE HEERLIJKE WETENSCHAP. 107

:-lt;S —-lt;$gt;---------------

achtige, van wien Hij uitging, en tot wien wij slechty komen dot)r Hem ! Wie zijn evangelie lezen mag met een oog. door Christus\' Geest verlicht, bekent, dat het waar is, wat wederom onze belijdenis zegt: wat nog duister is in het oude Testament, dat is zeer klaar in het nieuwe. Christus heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen.

Gezegende Godskennis! Zij gaat aan alle andere kennis vooraf. Vooraf aan de zelfkennis, de kennis der zonde, de kennis van het evangelie. „Bij uw licht,quot; zingt de psalmist, „zien wij het licht.quot; Nog eens: gezegende Godskennis! „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den éénigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot; God te kennen en het eeuwige leven door de aderen der ziel te voelen stroomen, zijn dus, naar Jezus\' eigen woord, volstrektelijk één. Niet zoo, gelijk iemand naar waarheid heeft opgemerkt, alsof men, na •God te hebben leeren kennen, als loon van zijne inspanning, als vrucht van zijn arbeid, het eeuwige leven inoogstte. Maar in dezen zin, dat die kennis met het leven samenvalt, van het leven onafscheidelijk, dat leven zelf is en ons inbrengt in de zielsgenieting des eeuwigen levens!

Trouwens, wat zouden wij hier van onzen arbeid en van onze inspanning spreken ? Zij is ons immers meegedeeld ; eene genadegifte is zij, en eene kostelijke.! Maar daaruit volgt dan ook, dat allen haar deelachtig zijn, in wier hart, om met Jeremia te spreken, de wet Is geschreven als in vleeschen tafelen. Zij toch zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leeren, zeggende : „Ken den Heerequot; ; want zij kennen Hem allen, van den kleinste onder hen tot den grootste onder hen. En gij. kent Hem ook ; gij, die door genade den Heere Jezus Christus aanhangt, gij kent Hem ook. Hoeveel duisters en onhelders er ook in uwe kennis van den Waarachtige overblijve, gij kent Hem als uw Schepper, als uw Vader, als uw Leidsman op den weg, dien gij gaan moet.

Kostelijke genadegift! Genadegift van den ontfermenden

-ocr page 202-

198 BENE HEERLIJ KK WETENSCHAP.

--lt;$•—---

Heiland ! Gezegend zij die groote Koning, die tot ons kwam in \'sHeeren naam !

Met deze kostelijke genadegift hangt eene zalige gemeenschap-op \'t allernauwst samen; en in deze gemeenschap roemt de wetenschap, die Johannes allen geloovigen toekent, als \'tdaar heet; „En wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijn Zoon Jezus Christus.quot; De kennis van den Waarachtige en de gemeenschap met den Waarachtige vallen dus samen. Hier is eene wisselwerking. Die kennis brengt gemeenschap meè, die gemeenschap brengt kennis meê. En de gemeenschap met den Vader is op hare beurt vrucht en zegen van de gemeenschap met Christus. Daarom noemt hier de apostel zoo nadrukkelijk zijn naam. Het is om ons, die gelooven, tot het rechte inzicht te brengen van het zalige voorrecht, dat ons te beurt viel.

Dat toch de geloovigen in Jezus Christus zijn, leert ons de Heilige Schrift zoo duidelijk en klaar, dat het met recht een geopenbaard mysterie mag heeten. Nochtans een mysterie, het moet ootmoedig beleden! Ook deze gemeenschap, dit in-zijn in Christus, schoon het feit vast staat, en allen, die gelooven, de-zalige ervaring er van genieten, is en blijft een geheim. Maar een geopenbaard mysterie! „Uit Hem zijn wij in Christus Jezusquot;,, dat is de geloofstaal aller toegebrachte kinderen Gods. Zij zijn. niet maar op de eene of andere wijze aan Hem verbonden ; neen, zij zijn met Hem vereenigd, zij zijn met Hem één, gelijk de rank één is met den wijnstok en het lichaamslid met het lichaam zelf. Het is in \'t bijzonder in het heilig avondmaal, dat deze gemeenschap met Christus, dit in-zijn in Christus, den geloovigen beteekend en bezegeld wordt. Waarom dan ook de Gereformeerde Kerk aller eeuwen op de vraag: „Wat is dat te zeggen: het gekruiste lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?quot; vrij moediglij k geantwoord heeft: „Het is. niet alleen met een geloovig hart het gansche lijden en sterven van Christus aannemen, en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen ; maar ook daarbenevens, door den

-ocr page 203-

EENE HEERLIJKE WETENSCHAP. 199

--lt;5-—^—-©■--

Heiligen Geest, die te zamen in Christus en in ons woont, alzoo met zijn heilig lichaam langs zoo meer vereenigd worden, dat wij, al is het, dat Christus in den hemel is en wij op de aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch en been van zijne beenen zijn, en dat wij door één Geest (als leden ééns lichaams van ééne ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.quot;

Evenwel, al wordt deze gemeenschap geproefd, gesmaakt, genoten, zij zelve, en wat haar verborgen achtergrond uitmaakt: het in-zijn in Christus, is en blijft eene zake des geloofs, gelijk Paulus het uitdrukt: „Wat ik leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Godsquot;. Maar dit geloof is geen gissen. Ook hier is \'t: wifj weten ! Wij weten, dat wij zijn in Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods.

Maar zijn de geloovigen in Christus Jezus, dan zijn zij ook in den Vader. Ook in den Waarachtige. En gaat dit heil-geheim hun kort begrip te boven ; kunnen zij \'t slechts aanbiddend bewonderen en bewonderend aanbidden ; wat het voor hen medebrengt, omvat hun heil en hunne zaligheid voor tijd en eeuwigheid. Zij zijn in den Waarachtige, in Hem, die hen met lichaam en ziel voor zijne rekening heeft genomen. En als Sion nu angstvallig klaagt: „De Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergetenquot;; alzoo heimelijk twijfelende aan de waarachtigheid van zijn God; dan komt die Waarachtige zelf en zegt: „Kan ook eene vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haar schoots? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten ! Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd ; uwe muren zijn steeds voor mij.quot;

Neen, wij hebben hier waarlijk niet met een dor en afgetrokken leerstuk te doen. Maar met eene belijdenis, die tintelt van leven; met eene wetenschap, die overvloeit van zaligen troost; met eene ervaring, eene bevinding, eene genieting, die kracht geeft tot waken en bidden, tot strijden en lijden, tot dragen en dulden, tot hopen en wachten. Uw God, o Sion ! is

-ocr page 204-

200 EKXE HEERLIJKE WETEN SC H Al\'.

-------------^---------

de Waarachtige. En zijt gij in Jezus Christus, krachtens de gemeenschap des Heiligen ( ieestes ; de éénheid van Vader, Zoon eu Geest brengt meê, dat gij ook in den Vader zijt; in den Waarachtige, die zweert: .Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere. uw Ontfermer.quot;

Geen wondei, dat zulk eene wetenschap zich oplost in eeue juhelende belijdenis. „Deze is de tmarachtigc God en het eeuwige levenquot;. Neen, dat belijden is niet eene slotsom van een leerstellig betoog. Het dogma, het leerstuk van Christus\' waarachtige Godheid geeft ons de Heilige Schrift; dat is waar. Buiten de Schrift om komen wij tot dit belijden niet. Maar die leer der Schrift, blijft niet waarheid hinten ons; maar wordt, zoovelen wij gelooven, waarheid in ons. Dit is dan ook de diepe zin van het schoone zeggen onzer vaderen, dat wij de drieheid der Personen in de éénheid des goddelijken Wezens wel allereerst weten uit de getuigenissen der Heilige Schriftuur, maar ook uit hunne werkingen, en voornamelijk uit die, welke to ij in ons gevoelen. Zoo nu ook Johannes. Dit is zijn gedachtengang: zou Hij, die ons het verstand heeft gegeven, dat wij den Waarachtige kennen ; Hij die de Leidsman is, door wiens hand wij tot God geleid worden ; Hij, wiens gemeenschap het meebrengt, dat wij gemeenschap met den Waarachtige hebben ; — zou Hij niet zijn de Waarachtige God\'? Ja waarlijk, Hij is het. Hij is het! En is Hij de waarachtige God, dan is Hij ook het eeuwige leven. De Vader is er wel de oorsprong van, maar Hij, de Zoon, de verwerver, de gever, de fontein van het leven, dat duurt tot in eeuwigheid. Hij heeft niet slechts het leven; Hij is het; en daarom : wie in Hem gelooft zal leven, al ware Hij ook gestorven ; ea een iegelijk, die leeft en in Hem gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.

Gelooft gij dat ?

-ocr page 205-

EENE HEERLIJKE WETENSCHAP. ----lt;$-—--

O, hue hebben we noodig, dat de Geest vooral in dezen onze zwakheid mede te hulp kome. en dat, ons ten goede, in toenemende mate de bede worde verhoord;

Zend. Heer, nw licht en waarheid neder,

En breuji mij, door lien «rlans peloid.

Tot nw gewijde tente weder;

Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid,

Waar mij uw gunst verbeidt.

Dan ga ik op tot Guds altaren.

Tot God, mijn God, de bron van vreugd,

Dan zal ik. juichend, stem en snaren Tot roem van zijne goedheid paren.

Die na kortstondig ongenengt.

Mij eindeloos verheugt.

I\'s. 43 : 3 en 4.

S. J. J. I.

-ocr page 206-

NATHANAËL.

„Philippus vond Nathanaël en zeide tot hem: Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.

En Nathanaël zeide tot hem ; Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Philippus zeide tot hem; Kom en zie.

Jezus zag Nathanaël tot zich komen en zeide van hem : Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.

Nathanaël zeide tot hem: Vanwaar kent gij mij ? Jezus antwoordde en zeide tot hem : Eer u Philippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u. Nathanaël antwoordde en zeide tot hem : Rnbbi! gij zijt de Zone Gods, gij zijt de koning Israels. Jezus antwoordde en zeide tot hem : Omdat Ik u gezegd heb : Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij; gij zult grooter dingen zien dan deze.

En hij zeide tot hem : Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden : van nu aan zult gij den hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.quot;

Joh. 1 : 46-52.

\\ODS vrijmacht komt uit in al zijne werken, niet het minst in het werk der verlossing.

Hoe schittert die vrijmacht reeds in zijn eeuwigen raad, waar Hij zich eene gemeente verkiest; in de zending Zijns Zoons, door wien Hij haar verlost; maar ook in het werk des Heiligen Geestes, in de toebrenging der zijnen, in de saamvergadering zijner geloovigen door Woord en Geest.

-ocr page 207-

NAIHANAEL. 203

-lt;$ ----

Hoe souverein werkt ook de Heilige Geest, zooaïs dit uitkomt niet alleen in de schenking van wedergeboorte en geloof; maar ook in de openbaring daarvan, wanneer de wedergeboorte hare vrucht toont in waarachtige bekeering en het gelo of tot bewustzijn komt.

De verscheidenheid der leidingen Gods doet ons zien, hoe vrijmachtig de Heilige Geest een iegelijk deelt, gelijkerwijs Hij wil.

Daarom is het zoo verkeerd, zoo diep zondig om naar de leidingen Gods met anderen, onzen weg af te meten; dan miskennen we de vrijmacht des Heiligen Geestes.

Lijdia, de purperverkoopster van Thyatire, de stokbewaarder in Philippi\'s kerker, Saulus van Tarsen, de boetvaardige zondares in Simons huis, Timotheüs en Maria Magdalena, ze zijn allen verschillend geleid ; en toch in al dat verschil openbaart zich de hoogste eenheid; de Heilige Geest leidt hen allen als ontdekten tot het bewust geloof in Christus Jezus, Hij wil dit middellijk doen en in die middelen zich ook den Vrijmachtige toonen.

Johannes de Dooper heeft gewezen op het Lam Gods, en zie, twee discipelen, dit hoorende, volgen Jezus. Een van deze twee is Andreas, de broeder van Simon Petrus. Andreas vindt zijn broeder Simon en leidt hem tot Jezus. Des anderen daags vindt Jezus Philippus en zegt tot hem de korte woorden : „Volg mijquot;! En ook Philippus is zijn discipel. Wat ligt er in die korte verhalen veel heerlijks, ja goddelijks! Geen omhaal van woorden, maar eenvoudig het wachtwoord des Heeren en de bereidwilligheid, om met verlating van alles den Heere te volgen en in zijn dienst te treden.

En nu gebruikt de Heilige Geest Philippus weder voor Na-thanaël, wiens geschiedenis we uit de Heilige Schrift in enkele trekken u toonen willen.

We zien in dit treffend verhaal:

I. een blij bericht, na eene ernstige tegenwerping overtuigend aangedrongen;

-ocr page 208-

204- NAÏHANAEL.

---^---—---- ■ ■■

/ƒ. een heerlijk getuigenis, na eene besliste vraag krachtig bevestigd;

III. eene vrijmoedige belijdenis, na eene korte verklaring genadig verrijkt.

I. Een blij bericht, na. eene ernstige tegenwerping overtuigend aangedrongen.

Nadat Philippua volgeling van den Heere Jezua was geworden en het zoet van de kennis van Christus smaakte, gevoelde bil terstond behoefte voor anderen. De genade van \'s Heeren volgeling te zijn, voert niet tot afgunst, maar tot bliimoedig mededeelen. Dan blijft het niet bij het gebed: „Maak er meerderen tot uwe discipelenquot; ; dan gaan we zoeken, noodigen, opwekken. Dan zeggen we niet in valsche lijdelijkheid : „Christus moet hen discipelen maken en daarom zwijgen wijquot;. Neen, bij het waar gebed vindt ge oprechte werkzaamheid, ook in het zoeken van anderen. Zie het in Philippus.

En ook hier geldt: „Die zoekt, vindt.quot; Zoo kort staat er: „En Philippus vond Nathanaëlquot;. Dit vinden, dit ontmoeten geschiedde in den weg van Gods bijzondere Voorzienigheid. Indien de Heere menschen als instrumenten gebruiken wil, weet Hij ook den juisten weg en den juisten tijd, om hen bij elkaar te brengen. De Heere wilde Philippus gebruiken, om dien Israëliet, die in oprechtheid vrede zoekt, te wijzen op Hem, die de Vrede is; daartoe deed de Heere hen elkander ontmoeten. Philippus zocht gelegenheid om de blijde boodschap te brengen en hij vond Nathanaël.

Terloops zij opgemerkt, dat Nathanaël dezelfde is als Bartho-lomeüs, een van de twaalf discipelen.

In Joh. 21: 2 vinden wij bij de zeven discipelen aan de zee van Tiberias Nathanaël. Bij de opgave der twaalf jongeren vinden we een anderen naam; Bartholomeüs, d. i. zoon van Tholineüs. Zoo was het dan Nathanaël, zoon van Tholinëus. Philippus ziet

-ocr page 209-

NATHANAEL. 205

----------lt;£,—^ _ -----

ter nauwernood dezen Nathanaël, of hii roept hem het blijde bericht toe: „Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten: namelijk Jezus, den zoon van Jozef van Nazareth.quot;

Nathanaël stond bekend als een ijverig en oprecht onderzoeker van de bueken des ouden Verbonds. Dit blijkt ons uit den vorm, waarin Philippus dit blijde bericht brengt. Hij geeft geene nadere verklaring of uitlegging van wat er geschreven stond in de heilige rollen. Nathanaël kent ze ; alleen hij zoekt het tot nog toe in de wet en de profeten zelve, in plaats van in Hem, van wien ze getuigen. En nu komt de blijde tijding: „Wij hebben gevonden !quot;

Hoe spreekt hieruit ten eerste de blijdschap van Philippus in het vinden van den Christus en wel den Christus der Schriften ; niet een Christus van eigen gedachten. Neen, Philippus heeft Hem gevonden, van wien geschreven was, als van den waren Gezalfde, het zaad der vrouw, den «ilo, den profeet uit het midden der broederen ; den zone Davids, den Immanuël, den Messias, den Koning Israels.

En dezen heeft hij gevonden! In dat vinden lag blijdschap, zaligheid, vertroosting! Juist, omdat er een hartelijk zoeken aan vooraf ging. Juist, omdat die Christus het begeerde en gezochte voorwerp is voor de waarlijk ontdekte en naar vrede vragende ziel. Die blijdschap van het vinden moet medegedeeld en vooral den zoekende verkondigd worden.

Toch leeren we in de tweede plaats uit dat blijde bericht, hoe een blijde vinder wel eens onduidelijk kan zijnen tegenover eene zoekende ziel zich soms vergist. Hij noemt Christus : Jezus van Nazareth, hoewel Hij van Bethlehem is ; hij noemt Hem den zoon nan Jozef] hoewel Hij slechts diens aangenomen zoon is. Het is ; „Wij hebben gevondenquot;, terwijl Christus hen eerst vond, vóórdat zij Hem vonden. Zij hadden, om met een Enge\'lsch uitlegger te spreken, nog niet gegrepen, wat Paulus na meerder ervaring uitsprak; „Waartoe ik van Christus gegrepen benquot;.

-ocr page 210-

206 NATHANAEL.

-—--—^gt;,—--

Zoo gaat het meer. In de eerste blijdschap van het vinden begaat menigeen van die kleine vergissingen, die door Gods ge nade en latere ervaring worden hersteld. Het „Ik heb Hem .gevondenquot;, wordt bij dieper inleiding: „Hij heeft mij gevondenquot;.

Maar het is de volle blijdschap, die spreken doet en de Heere rekent hiermede !

Nathanaël maakt eene ernstige tegenwerping.

Kan uit Nazareth iets goeds zijn ?

In één opzicht ligt er wat goeds in die tegenwerping. Het is hem ernst. Hij kan zoo maar niet alles aannemen, wat gezegd wordt. Hij wil onderzoek, en dit blijft altijd geraden ! Daarbij kwam, dat Nathanaël de profetieën, kende en zoo maakte het hooren van Nazareth de zaak voor hem te meer onwaarschijnlijk. Immers stond in Micha 5 de profetische aankondiging: „Gii Bethlehem Efrata!quot; Kan dan deze de ware profeet zijn?quot; Wijl Philippus Nazareth noemt, wordt zijn twijfel vermeerderd. Eene min juiste uitdrukking kan dikwerf een twijfelmoedige nog verder van het spoor leiden.

Tevens blijkt uit de tegenwerping Nathanaëls onwetendheid ten aanzien van den gewonen loop der goddelijke dingen. Alsof het afhing van wat voor het menschelijk oog voornaam is en groot. Voor hem, die in oprechtheid des harten de onderhouding van Gods geboden zocht, was het niet te vatten, hoe de Christus zou komen uit eene plaats, die berucht was vanwege hare zedeloosheid, veracht om hare armoede.

Nathanaëls twijfel was verkeerd, was zondig. Toch dient onderscheiden te worden, waarover de twijfel gaat. Er is een twijfel aan de genade Gods, aan de beloften des Verbonds en der zaligheid. Bunjan riep in zulk een oogenblik van bangen twijfel: „O God, mijne ziel sterft voor eeuwig!quot;

Herman Francke riep in vertwijfeling eenmaal: „Indien er een God is, dat Hij zich over mij ontferme!quot; Het was echter bij Nathanaël geen twijfel aan de genade Gods, aan zijne belof\' ten aangaande den Christus. Alleen twijfelt hij hieraan, of

-ocr page 211-

207

NATHANAEL.

—^^—-$gt;—

die door Philippus gevonden persoon wezenlijk de ware Messias is. Hij zoekt dien Messias, hij.gelooft wel degelijk, dat hij in Hem alles vinden zal, wat hem is beloofd.

Nathanaël is de naar Jezus zoekende ziel gelijk, die nog niet tot bewustzijn gekomen is, dat de ware Heiland zich heeft geopenbaard ook voor haar!

Hoe begeerlijk nu die beloofde Christus voor Nathanaël is, hij twijfelt, of de genoemde de ware is, en werpt tegen: „Kan uit Nazareth iets goeds zijn?quot;

Hoe beantwoordt Philippus dien twijfel, die tegenwerping? Met overtuiging zal hij de blijde tijding aandringen. Hij spreekt: „Kom en zie!quot; Hij gaat niet aan het wederleggen, veel minder aan het redeneeren; ook begint hij aan Nathanaël niet zijn eigen weg te vertellen! Neen, \'t is: „Kom en zie !quot;

Voor de ware heilbegeerigen, denkt Philippus, zal Jezus zich openbaren, en het komen tot, het zien van den Christus, is het beste geneesmiddel voor den twijfel. Moge menigeen uit dit kort en overtuigend aandringen iets leeren. Als we voor ons bewustzijn dien Christus hebben gevonden. Hem kennen leerden als onzen Vrede, en er komt tot ons eene naar vrede zoekende ziel, een twijfelmoedige, tot ons komend met de vragen der twijfelmoedigheid, o, dat we dan zulke zielen niet ophouden met allerlei redeneeringen en sluitredenen, en evenmin met het vertellen van eigen bekeeringsgeschiedenis, zooals herhaaldelijk geschiedt.

Ach, wie weet, hoe menige naar hulp zoekende ziel is opgehouden door het aanhooren en verkeerd lezen van allerlei bekeeringsverhalen !

Antwoord met het: „Kom en zie!quot; Maar, zult ge zeggen, dat kan nu toch niet meer. Christus is niet meer op aarde, ge kunt toch zulk een naar vrede zoekende niet medenemen naar Christus!

Voorzeker! Hoe deed dan de diaken Philippus met den Moor-schen kamerling, die over Jesaja 53 vroeg ? Deze zei ook : „Kom,

-ocr page 212-

208 SATHANAËL.

-----lt;$■—^---

en ziequot; ; want er staat van hem geschreven: ,,En hij verkondigde-hein Jezus.quot; Hii toonde hem dien Christus der Schriften, Hij liet Hem zien. Waar nu \'s Heeren getuigenis volkomen ia geopenbaard en Christus er geheel in geteekend staat en al zijn werk, is liet de roeping dergenen, die Hem door de genade des Geestes voor eigen hart in die Schrift vonden, den zoekende en twijfelmoedige te brengen tot die Schrift en hem Christus te toonen in zijn Middelaarsrijkdom en heerlijkheid voor schuldigen en verlorenen. De Christus der Schriften moet gepredikt! Maar verder dan er heenleiden gaat niet. Philippus kan Nathanaël tot Jezus brengen, hem innerlijk overtuigen is Christus\' werk door zijn Ceest. Dat zien we nader in onze geschiedenis.

11. Eert heerlijk getuigenis, na eene besliste Draag krachtig bevestigd, verzen 48 en 49.

Jezus ziet Nathanaël komen en geeft van hem een heerlijk getuigenis; „Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.quot;

Dit zegt Christus niet, om hem te vleien, want Christus vleit niet; dit zegt Christus niet, om hem in de hoogte te steken. Hij kent het bestaan van Nathanaël, om hard en gestreng over zich zeiven te oordeelen, geneigd om gedurig te twijfelen aan zijne oprechtheid,

Christus wil hem toonen, dat Hij hem kent, dat Hij zijn leven kent. Christus kent Nathanaëls hart, met het oprecht verlangen naar den vrede der ziel, naar het houden van \'s Heeren geboden.

Hij heeft hem gadegeslagen in al zijn oprecht verwachten van den Messias, in zijn oprechten wandel voor God en voor de menschen. Zelfs in zijne tegenwerping kwam zijne oprechtheid uit; hij zoekt naar waarheid.

Eigenlijk staat er; „Zie hier iverkelyjk een Israëliet, een, die niet alleen den naam draagt van Israël, maar werkelijk kind Abrahams is, verwachtende de vertroosting Israels; hij is werkelijk een Israëliet, die oprecht is in het belijden, oprecht in het zoeken

-ocr page 213-

N^THANAEL 209

--lt;5,---

oprecht in het leven, en daarom zegt Jezus : „in welken geen bedrog isquot;. Hiermede wil Jezus niet zeggen, dat Nathanaëls hart eene uitzondering maakte op dat van anderen, alsof het van nature niet even arglistig ware ; het heet niet: in welken geene zonde is, maar: „in welken geen bedrog isquot; ; oprecht in zijn handel en wandel tegenover de menschen, oprecht tegenover den Heere, in zijn berouw over de zonde, in zijn zoeken naar vrede, oprecht In het verbond met den Heere, zonder bedekte en goddelooze afwijking van \'s Heeren geboden; het tegenbeeld van den schijnheiligen Pharizeër.

En verre van dit als eigen werk van Nathanaël te boeken, heeft de Heere Jezus veel meer zijn werk, het voorbereidend werk des Geestes, aanschouwd in het oprecht zoeken naar den vrede.

Wat de naam Nathanaël beteekent: nl. Godsgeschenk, het was van zijne oprechtheid voor God en menschen waar: een Godsgeschenk.

Leeren we uit dit heerlijk getuigenis, dat Christus geeft, hoe noodig het is, niet alleen den naam van Christen te dragen, maar het werkelijk te zyn en te openbaren in het leven. En wilt ge een der duidelijke kenmerken hebben van het werk Gods, ook waar ge nog niet met bewustzijn dien Christus als den uwen omhelsdetquot;? Lust aan oprechtheid. De bede van Ps. 25 is de bede van ieder aanvankelijk zoekend gemaakt hart: „Laat de oprechtheid en de vroomheid mij behoedenquot;! Oprecht in de belijdenis uwer zonde, oprecht in uwe liefde tot \'s Heeren geboden, oprecht in uw zoeken naar den Christus, en dan ook lust tot oprechtheid jegens den naaste!

Onderzoek u, of ge dien weg der oprechtheid kent en moogt bewandelen. De schijnheiligheid van den Pharizeër, van den schijngeloovige, is nog overvloedig; als in Jezus\' dagen, gaat de dienst des Heeren nog menigmaal onder in vormen en onoprechtheid. Als Christus oordeelt, wie weet, hoe weinige Nathanaëls, van wie Hij zegt: „Zie hier werkelijk een Christen, in wien geen bedrog is, oprecht voor God en menschen !quot;

14

-ocr page 214-

210 NATHAN AEL

--^---£gt;—---

Toch miste Nathanaël nog het bewustzijn, den Christus te hebben gevonden.

Daartoe wil Christus hem brengen.

Nathanaël doet eene besliste vraag: „Vanwaar kent Gij mij ?quot;

Nathanaël antwoordt niet: „Ja Heere, zulk een eerlijk en oprecht man ben ik! Ik lees gedurig de rollen der wet, ik geef aalmoezen, uwe wet draag ik op de zoomen van mijn kleed en op mijn voorhoofd!quot;

Ook vinden we hier niet eene lange, opbruisende achuldbe-liidenis! Het is bij Nathanaël al verwondering: „Hij kent mij, Hij kent mij door en door ! Hij kent mijn zoeken, mijn verwachten, mijn belijden! Vanwaar kent Hij mij ? Zou er soms een der vrienden zijn geweest, die van mij heeft gesproken? Hij kent mij, dat moet1 ik gelooven; maar vanwaar?quot;

En Jezus laat terstond een treffend antwoord volgen, waardoor zijn getuigenis, eerst gegeven, krachtig bevestigd wordt: „Eer u Philippus riep, zag ik u, daar gij onder den vijgeboom waart.quot;

Daar was hij alleen geweest, niemand kon dit verraden hebben. Juist dit antwoord geeft Jezus, om hem te doen zien, hoe hij zijn ganschen weg, ook het diepst verborgene, wist. Hij wist, wat onder dien vijgeboom was geschied en doorleefd in Natha-naëls hart. „Eer Philippus u riep, was mijn oog op u geslagen ; waar gij, Nathanaël, u terugtrokt in de eenzaamheid en geen menschelijk oog u bespiedde, rustte mijn oog op u.quot;

Wat er onder dien vijgeboom is geschied, weten wij niet.

Twee waren er, die het wisten : Jezus en Nathanaël. Eén ding is zeker, het was een gewichtig oogenblik geweest in Natha-naëls leven, hem onvergetelijk, zoodat het in zijne herinnering bleef; en nu raakt Jezus juist dit punt aan, waaruit hem blijken moet, dat deze waarlijk is de Christus. Het treft Nathanaël diep in de ziel, evenals het eens de Samaritaansche vrouw ging, waar Jezus haar de verborgenheden haars levens openbaarde en zij getuigde: „Komt en ziet een mensch, die mij gezegd heeft, al wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus ?quot;

-ocr page 215-

NATHAN AEL. 211

-----—

En als Augustinus zijne levensgeschiedenis verhaalt, spreekt hij eveneens van zulk een beslissend oogenblik, dat treffend overeenkomt met Nathanaëls geschiedenis. Eenmaal zat hij in den angst zijner ziel alleen onder een vijgeboom, en riep ia die onvergetelijke ure uit: „Heere, tot hoe lang? Zult gij eeuwiglij k den toorn behouden? G-edenk toch niet mijner zonden ! Hoe lang nog, nu niet, morgen niet, wellicht in der eeuwigheid niet!quot;

Welk eene teedere zorg heeft Christus toch voor de zijnen. Ook dan, wanneer zij zich zei ven nog niet bewust zijn, Hem te kennen, kent Hij hen en slaat het oog zijner alwetendheid en zijner genade op hen. Christus heeft kennis aan zijn volk, eer zijn volk kennis heeft aan Hem! „Ik riep u bij uw naam, ik noemde u toe, hoewel Gij mij niet kendetquot;, is hier een toepasselijk woord uit Jesaja\'s profetie.

De Heere houdt nog wegen met zijn volk, als met Nathanaël. In zijn Woord zegt Hij, wie ge zijt; in dat Woord teekent hij duidelijk al dat zoeken en zuchten en belijden der oprechten. En dan opent de Heilige Geest op den uitroep; „Maar hoe, daar wordt mijn beeld geteekend, daar wordt luist gezegd, wie ik ben!quot; het oog er voor, dat Christus zóó de zijnen kent, en verwonderd hoort ge het u tegenklinken; „Eer ge de stem des Woords opvingt, kende Ik u, en daarom teekende Ik u in mijn Woord!quot; üw oog wordt ontsloten voor de kennis van Christus, door Geest en Woord; het licht gaat u op over al uwe worstelingen in de eenzaamheid, en het wordt u toegesproken : „Eer gij dien broeder ontmoettet, eer ge onder den dienst des Woords nader gebracht werdt tot den Christus, kende Ik uquot;, en dit bemerkt ge, waar uw gansche weg in het Woord van uw God wordt teruggevonden. Ja, wat in die stille eenzaamheid werd doorgeworsteld, vindt ge dan helder u voorgeteekend in dat Woord; en op de vraag: „Hoe kan dat alles in het Woord staan, wijl dat Woord er toch eerder was ?quot; is het antwoord : „Het komt, omdat Ik u kende, en uw weg kende en uwe gangen door My werden gericht.quot;

-ocr page 216-

212 NATHANAEL.

-^^^--

Waar de Heilige Geest het licht doet opgaan over den Christus der Schriften, is het niet slechts: „Ik ken Hemquot;, maar dieper: „Ik ben Yan Hem gekendquot;.

Zoo kan er menigmaal veel voorafgaan, alvorens men Christus met bewustzijn aanvaardt en het lieflijk licht zijns aangezichts en zijne rijke gunst ook voor ons zeiven doorbreekt I

Maar het komt op \'s Heeren tijd. We zien de doorbreking van des Heeren werk ook in Nathanaël.

III. Eene vrijmoedige belijdenis, na eene korte verklaring genadig verrijkt, vss. 50 — 52.

Na het beslissende antwoord des Heeren beseft NathanaëL dat zijn gansche hart met alle zonde en schuld, met alle begeerte en verzoeking voor Hem openligt, dat hij niets meer behoeft te openbaren, want dat Christus zoowel zijne zelfveroor-deeling als zijne begeerte tot Hem doorziet.

Nathanaël spreekt vrijmoedig de belijdenis uit: „Kabbi. Gij zijt de Zone Gods, de Koning Israëls !quot; Dit was eene belijdenis des harten. Het ging Nathanaël als Petrus, toen deze geloovig-beleed; „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!quot; Alle bezwaren zijn bij Nathanaël verdwenen, alle nevelen weggevaagd. Geene tegenwerping meer: „Kan uit Nazareth iets goeds zijn ?quot; Het is hem nu onmogelijk, om niet te gelooven; de Heilige Geest leidt hem tot een bewust omhelzen van den Christus als den Zone Gods! Met het hart gelooft hij ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt hij ter zaligheid. Hij belijdt Hem als zijn profeet, zijn leermeester, Kabbi! Hij belijdt Hem in zijne Goddelijke natuur, in zijne Goddelijke zending, ofschoon hij Hem in men-schelijke gedaante aanschouwt; het komt, wijl hij door het geloof Hem aanschouwt als den van God gezonden Messias, den Goddelijken Verlosser, Gods eigen Zoon. Hij belijdt zijn koningschap tevens, en onderwerpt zich aan dien Koning Israëls met geheel zijn hart, dien Koning erkennend en zich voor Hem buigend.

Op deze vrijmoedige belijdenis van hart en mond laat Jezus eene korte verklaring volgen: „Omdat Ik u gezegd heb : Ik zag;

-ocr page 217-

KATHANAEL. 213

--lt;3-—---

-oi onder den vijgeboom, zoo gelooft gij !quot; Hiermede wil Jezus neggen: „Nu ge de kracht mijner alwetendheid en mijner goddelijke volmaaktheden in uw hart hebt ervaren, zijt ge door die openbaring tot het bewust geloof in Mij gebracht; door de goddelijke aanraking mijner alwetendheid zijt ge gekomen tot •de belijdenis en aanbidding: „Gij zijt de Zone Gods!quot; Door dat ééne woord, dat Ik sprak, werd uw oog geopend voor mijn Goddelijken persoon ! Het werk was in u voorbereid, reeds onder den vijgeboom, maar nu zijt ge gekomen tot de vrijmoedige belijdenis des geloofs in Mij als Zone Gods! Welnu, Ik zal uwe belijdenis nog verrijken. Ik zal u en uwe mede-discipelen nog meer doen zien en u nog dieper inleiden in mijn persoon en arbeid! Gij zult nog grooter dingen zien dan deze!quot;

Jezus belooft bevestiging en wasdom des geloofs. „Gij zult Mij meer leeren kennen in mijne Goddelijke volmaaktheden en werken; maar ook: gij hebt Mij nu als Zone Gods beleden, ge zult nog grooter dingen zien, dat Ik als Zoon des Vaders de heerlijkheid verliet, dat Ik, menschelijk vleesch en bloed aannemend, het werk der verlossing volbrengen ga — en daarom ; voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.quot; Het is een prachtig en krachtig Amm, Amen, dat hier door Hem, die de Amen is, uitgesproken wordt.

Christus noemt zich nu met opzet: den Zoon des menschen. Nathanaël heeft Hem beleden als den Zone Gods; maar Natha-naël zal Hem zien in zijne vernedering, en dieper ingeleid in die vernedering zijns Heilands, wassen en verrijkt worden in zijn belijden. Nathanaél mag niet van Hem een aardschen koning verwachten, hij zal grooter dingen zien, dan deze, n. 1.; een koning aan een kruis! „Gij zult den hemel geopend zien en de engelen opklimmende en nederdalende op den Zoon des men-: schen!quot; Het doet ons denken aan de Jakobsladder bij Bethel. Jakob -wordt door den dienst der engelen en door hun gezicht vertroost.

-ocr page 218-

214 NATHANAEL.

——----lt;3-—amp;—-§gt;--

Het slaat in onze geschiedenis op het dienen der engelen ; zij zullen, ja, Hem eeren als den Zone Gods; denk slechts aan den engelenzang in Bethlehems velden ; maar zij zullen Hem dienen als Zoon des menschen. Hij zal een weinig minder zijn dan de engelen, door het lijden des doods. Een engel zal Hem versterken in zijn bitter lijden in Gethsemané\'s hof; een engel ■zal afdalen, om den steen te wentelen van het graf; de engelen zullen in zijne vernedering als Zoon des menschen Hem ten dienste zijn!

Ons dunkt, dat Jezus hier tot Nathanaël zeggen wil; „Gij hebt Mij nu als Zone Gods, als Koning Israels beleden, en dit Is heerlijk; toch zult ge meer zien, dan dit. Het voorwerp van uw belijden zult ge hoe langer hoe meer zien in zijne diepe vernedering, in zijn heerlijk Middelaarswerk, en ge zult meer verrijkt worden met de kennis van Mij en mijn arbeid, u ten goede! \'t Is de toezegging van die rijkere kennis des Middelaars in Philipp. 2 uitgedrukt: „die zich zeiven heeft vernederd,, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja tot den dood des-kruises!quot;

Eerst wanneer het tot zulk eene heerlijke en hartelijke belijdenis van den Christus komt, heeft de ziel blijdschap en vertroosting. In die vrijmoedige belijdenis wordt Christus en zijne genade verheerlijkt. Word niet ontmoedigd, gij, die Hem in oprechtheid zoekt. Hij laat zich vinden; maar verzuim den weg niet, waarlangs Hij u tot dat zalig bewustzijn en tot deze vrijmoedige belijdenis wil brengen. Nathanaël liet zich door Philippus-tot Jezus leiden! Den weg der middelen geeft de Heere den-zijnen in de bediening des Woords en der Sacramenten ! Doormiddelen wil de Heilige Geest den zoekende tot meerder ge-loofsoefening brengen, ja tot de blijdschap des geloofs ! Maar-meen dan niet, dat ge tot het hoogtepunt gekomen zijt! Neen,, altijd wil de Heere nog dieper inzicht schenken in de heerlijke

-ocr page 219-

NATHANAEL. 215

---#—$--------

heid van zijn persoon, van zijn werk, van zijn verbond, en de belijdenis onzes harten verrijken!

Zoo zij er dan bij Gods kinderen een opwassen in de kennis en genade van den Heere Jezus Christus!

Op eene blijmoedige belijdenis kunnen we niet rusten. Wij moeten blijvend de openbaring van den Christus door Woord en Geest behouden en er in toenemen! Noodig is eene diepere inleiding in de hellgeheimen van Gods verbond, in de rijke schatten van den Middelaar, ja, in de volheid van een drieëenig God! Dit komt niet op eens! Zoo ging het ook bij Nathanaël niet. Trapsgewijze leidt de Heere zijn volk ! Maar de Heere belooft, dat gegeven zal worden te groeien in de voorhoven Gods, die geplant is in het huis des Heeren!

En waar er dan onder Gods erve zoo weinig blijmoedig belijden wordt gevonden, zoo weinig opwassen in de kennis des Heeren, zooveel ongeloof en twijfelzucht; mag het wel tot verootmoediging en gebed leiden.

Laat Nathanaëls geschiedenis ons meer tot de bede opwekken ; „Laat de oprechtheid en de vroomheid mij behoedenquot; ; maar tevens den naar Jezus zoekende bemoedigen, want Hij kent de zijnen, Hij vindt ze. Hij leidt ze. Hij oefent ze, en toont steeds de waarheid van het woord; „Den oprechten gaat het licht op in de duisternis /quot;

Welzalig zijn de oprechten van gemoed,

Die ongeveinsd des Heeren wet betrachten;

Die Hij op \'t spoor der godsvrucht wamVlen doet.

Welzalig, die bij dagen en bij nachten Gods wil bepeinst, en Hem, als \'t hoogste goed,

Van harte zoekt met ingespannen krachten.

M. J. D. v. D. V.

-ocr page 220-

DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP.

Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;

Zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde.

Doet geen ding door twisting of ijdele eer. maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zeiven.

Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.

Philippensen 2: 1—4.

4R is zeker niets buiten den persoonlijken omgang met den Heere, wat de zielen der geloovigen, ja van alle geloovigen zoo boeit en treft en verkwikt, als de gemeenschap der heiligen, de gemeenschap der geloovigen in Christus.

Ja gewia, het waren niet de minst schoone oogenblikken in de vergaderingen der jongst gehouden Generale Synode der Gereformeerde Kerken, toen de buitenlandsche afgevaardigden, wier aanblik reeds het hart verruimde en verkwikte, in hunne eigene talen van de eenheid der geloovigen in Christus getuigden, en spraken van het geloof in de Heilige Algemeene Christelijke Kerk. Ja, aangrijpend was het oogenblik, toen een hunner *)

•*) Kev. George S. Bishop, D. D., mede-afgevaardigde der Dutch-reformed Church, TJ. S.America.

-ocr page 221-

DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP. 217

----lt;£—^---

de sprake van ons aloud Avondmaalsformulier ten tolk van ziine gevoelens koos en al was het in gebrekkig Hollandsch, toch op zoo schoone en onvergetelijke wijze deze woorden van het formulier herhaalde : „Eén brood is het, zoo zijn ivy velen een lichaam, dewijl tvij allen ééns broods deelachtig zijn; want gelijk uit vele korenkens één meel gemalen en één brood gebakken wordt en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet en zich onder een vermengt, alzoo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde om Christus\', onzes lieven Zaligmakers wil, die ons tevoren zoo uitnemend heeft liefgehad, allen te zamen één lichaam zijn en zulks niet alleen met woorden, maar metterdaad jegens elkander bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus door zijn Heiligen Geest. Amen!quot;

Maar na zulke zielverheffende oogenblikken komt er vaak weder een diepe weemoed over de ziele, als de dagelijksche ervaring nog met zooveel in aanraking brengt, wat in de strijdende Kerk voorkomt en nog in tweespraak is met dien heiligen band en bond der liefde.

Doch daarom moeten wij niet ophouden er naar te staan, er toe te vermanen, die zalige gemeenschap te verwachten. Immers, zij is door den Heere Christus verworven! En zij zal ook in den strijd gekend en door wie wettig streden hiernamaals in alle volheid genoten worden door Jezus Christus, onzen Heere, tot heerlijkheid Gods, des Vaders !

„Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook samen-wonen /quot; 1) Wie dat waarlijk belijdt en wil, die zal ook den weg daartoe willen en de vermaning aannemen omtrent hetgeen dezen zegen belemmert, ja belemmert, niet zoo zeer in den broeder als in ons zeiven. Zal de gemeenschap der heiligen worden gesmaakt, dan zullen wij zeiven in den weg van bekeering, ook van voortgezette bekeering moeten komen. Zoo

1). Ps, 133:1.

-ocr page 222-

218 DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP.

--lt;£—lt;§gt;—--

zegt de Heere tot Petrus: „En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broederen!quot; 1).

En gaan wij thans onder de ootmoedige inwachting van \'s Heeren onmisbaren zegen door de werking zijns Geestes over tot de beschouwing van onzen tekst, zoo staan wij dan stii bij „de broederlijke gemeenschapquot; en vragen:

I. wat haar grond is ;

IL waarin zij bestaat;

III. wat ter wille van haar moet worden verloochend;

IV. wie haar moet begeeren.

I.

Zeer bekend — en dat terecht — is het heerlijke Schriftdeel, dat op onzen tekst onmiddellijk volgt: „Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus ivas, die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft, Gode even gelijk te zijn; maar heeft zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is den menschen gelijk geworden; en in gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises ; daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogdquot;.......2).

Maar waar het geloof in het bepeinzen van deze onnaden-kelijke en onnaspeurlijke liefde als wegzinkt, daar verlieze men toch niet uit het oog — en dit geschiedt nog al eens — waarom, met welk bijzonder doel de Heilige Geest hier van het mysterie der heilige liefde, van de zelfofferande van het vleesch geworden Woord gewaagt. Alle leven der geloovigen is uit Christus. Met ziel en lichaam behooren zij Hem toe, die hen kocht met zijn bloed. In alle betrekking des levens hebben zij Hem te belijden. Alles moet geschieden ter eere Gods en dat kan alleen door onzen Heere Jezus Christus. Zoo ook kan de ware broeder-

1). Lnc. 22 : 326.

2). philipp. 2 : 5 en v.v.

-ocr page 223-

DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP. 219 --—$gt;—--—-—-

lijke gemeenschap alleen vrucht zijn van het werk van Christus. Hij is het, die door het geloof in de ziele werkt, die als Middelaar den drang geeft tot de ware gemeenschap der heiligen.

Dus: de grond der broederlijke gemeenschap is Christus, de Christus Gods. Zij is dus uit Christus door het geloof. Zoo heet het dan ook in vers een: „Indien er dayi eenigevertroosting is in Christus-, indien er voor u vertroosting is door het geloof in Christus, die zich voor zijn volk heeft gegeven; indien die liefde Christi uw harte dringt en vervult.quot; Indien ...... eigenaardige zegswijze van den apostel. Neen, hij stelt hiermede de zaak voor de geloovigen niet in twijfel, maar hij lokt hierdoor juist uit tot de stellige verzekering : „Ja, daar is vertroosting in Christus!quot; maar tevens rijst dan de beschamende vraag: „Waarom is eiquot; dan niet meer vrucht ook in de broederlijkeliefde ?quot; „Indien er dan eenige vertroosting is in Christus !...quot; Beschamende uitdrukking ! Indien er maar eenige vertroosting was in Christus, en dat werd recht verstaan, welk eene kracht zou dat reeds oefenen in het samenleven van Gods volk. Maar nu is het niet eenige vertroosting; maar eene volheid van vertroosting!

Doch, de werking van Christus\' rijkdom openbaart zich door middel van zijne gaven, door middel der vruchten in de geloovigen. „Indien er eenige troost is derliefde!..quot; hiermede is de broederlijke liefde bedoeld, die Christus in de harten zijner jongeren werkt. „Indien er eenige gemeenschap is des Geestes Hier wordt de innerlijke éénheid genoemd, waartoe de Heilige Geest de leden van Christus onderling verbindt.

Elders drukt de Schrift dit aldus uit:

„ Want ook tvij allen zijn door een Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen, en ivij zijn allen tot één Geest gedrenkt.quot; 1).

Eén lichaam is hetL en één Geest, gélijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer beroeping!quot;

1). 1 Cor. 12 : 13.

-ocr page 224-

220 DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP.

—--lt;sgt;—^-

nEm lieere, één geloof, één doop.\'quot;

„Eén Goden Vader van allen, die daar is hoven allen, en over allen en in it uilen.quot; 1).

Nog één trek uit het nieuwe leven wordt hier aan toegevoegd : „Indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn quot; Hiermede worden de innigste bewegingen der liefde ten opzichte van de nooden en behoeften der medegeloovigen genoemd; het ware, hartelijke medelijden, de ongeveinsde ontferming en zelfopofferende toewijding. Dit alles uit Christus, dit alles door den Heiligen Geest, dit alles naar Gods trouwverbond, dit alles door het geloof. Zie hier dan den zuiveren en hechten en onwankelbaren grondslag, waarin de ware broederlijke gemeenschap wortelt.

11.

Maar ook verklaart ons Gods Woord te dezer plaatse, waarin de broederlijke gemeenschap bestaat, in welke kenteekenen zij zich openbaart. Het eerste, wat de apostel noemt, is : „dat gij moogt eensgezind zijnquot;. Het is wel opmerkelijk, dat in de opsomming van de kenmerken der broederlijke gemeenschap ook wederom hier de eenheid in het belijden, de eenheid in het kennen en in het geloof der waarheid voorop staat. Eenheid in het belijden, waarin ook de gereformeerde Kerken steeds haar onmisbaren band hebben gezocht. Het Hervormde Genootschap dezer dagen zoekt gansch onschriftuurlijk eene éénheid en samenbinding bij het grootst mogelijk verschil van belijdenis ; ja wil zelfs loochening van alle waarheid dulden.

Een waar Babel instede van eene Kerke Christi!

Eensgezind in het geestelijk verlichte verstand! Zoo vermaant de apostel ook: „Maar ik bid u, broeders.\' door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dal gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij

1). Eph- 4 ; 4—

-ocr page 225-

DE BROEDERLI.IKB GEMEENSCHAP. 221

---------

samengevoegd zyjt in eenzelfden zin, en in eenzelfde gevoelen.\'quot;!).

Maar dat dit belijden geen dor verstandswerk is, het blijkt uit wat daar volgt: „dezelfde liefde hebbendequot;. Dit beteekent, dat de geloovigen dezelfde voorwerpen van liefde hebben. Liefde tot den drieëenigen God en tot zijne werken in natuur en genade, liefde cot zijne wet en tot zijn dienst, liefde tot zijn volk. Hierin is Gods volk één.

„Zoude ik niet halen, Heere, die u haten; en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan ?quot;

„Ik haat hen met volkomeneti haat, tot vijanden zijn zij mij.quot; 2).

En hieraan is nu verbonden, wat in onzen tekst heet; „van een gemoed zijnquot;. Dit beteekent de ware samensmelting der zielen, het zich in waarheid in Christus één gevoelen. Die verborgen kracht van samenleving, waarvan ook ons Avondmaals-formulier zoo heerlijk getuigt, wordt alleen in dezen weg openbaar. Maar dan zal ook door eene wonderbare overeenstemming der geesten hetzelfde gezocht, hetzelfde bedoeld worden, wat onze tekst aanwijst met de woorden: „van één gevoelen zijndequot;. Zoo zal er eenheid zijn in de handeling, eenheid in de werkzaamheid voor het Koninkrijk Gods. Zoo worden de geloovigen gesterkt en gebouwd in den Heere, zoo wordt door de Gemeente aan de Overheden en de Machten getoond de veelvuldige wijsheid Gods.

Maar vergeten wij niet, dat dit alles hier beneden in de beginselen, in een weg van strijd, wordt betracht en verkregen en dat tot dat alles de voortdurende vermaning en onderwijzing en bestraffing van den Heiligen Geest noodig is.

III.

Dit laatste voert ons tot het derde punt: wat ter wille van de broederlijke gemeenschap moet worden verloochend, maar wat ook daarvoor moet worden betracht.

Doet geen ding door twisting of ijdele eerquot;. Twisting en.

1) 1 Cor. 1 ; 10.

2) Ps. 139 ; 21, 22.

-ocr page 226-

222 DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP.

—---- ^

ijdele eer, dit zijn de twee ergste pesten, die den waren vrede der Kerken verstoren. Twisting ontstaat, wanneer men zijn eigen zin en gedachte blijft vasthouden, omdat het eigen zin en eigen gedachte is, dus uit zondige eigenliefde. En twisting is reeds scheuring, zooals het woord reeds aanduidt, dat van het telwoord twee is afgeleid. Bedekte scheuring, om zoo stiaks naar de wet der evolutie in openbare scheuring zich te ontwikkelen.

IJdele eer vloeit voort uit zelfbehagen. (Christus heeft zich zeiven niet behaagd.) De ijdele eer kittelt de gemoederen, om, wat dan ook, ja ook het goede in Gods kerk na te jagen, maar om er zelf de eere van te hebben, genoemd en geroemd te worden. De ijdele eer is vleeschelijke eer. Wie roemt, roeme in het kruis.

Voor beide kwalen in het hart van Gods kinderen past de Heilige Geest dit geneesmiddel toe. „Maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zeiven.quot; Ootmoed, wat kostelijk sieraad ! Kostelijker dan eenig eereteeken! Gering te denken van zich zei ven ; te zien op eigen onwaardigheid en onbekwaamheid van zich zeiven, eigen afhankelijkheid diep te gevoelen.

Niet de gaven te verachten, welke de Heere ons heeft gegeven, o, neen! die mogen niet worden verzuimd! Maar toch de andere broeders uitnemender te achten dan zich zeiven. Door de ware ootmoedigheid belet de Heere, die haar werkt door zijn Geest, dat hij, die de gave ontving, er de schittering van zie, terwijl hij een geopend oog heeft voor het heerlijke dei gaven Gods in andere broeders of zusters, al is het de gave des dienens, die als een diamant in het duister gloort en flonkert.

„Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen des anderen is.quot; Dit sluit zich heerlijk bij het vooigaande aan. De Schrift vestigt hier vooral het oog op de gaven. Let niet te veel op eigen gave, maar zie vooral op hetgeen de Heere aan andere broeders schonk. En nu volgt dan het voorbeeld van Hem, wiens voetstappen de jongeren zullen nawandelen.

-ocr page 227-

DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP. 223

\' ~ --—lt;55—-----

„Die in de gestaltenis Gods zyjnde, geen roof heeft geacht Goda ■evengelijk te zijn; maar heeft zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbendequot;

Hij heeft zich niet laten voorstaan op hetgeen wettig zijn eigendom was. Hij heeft het niet als een buit voor zich doen dragen, maar zich van allen goddelijken glans en luister ontledigd en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen. En Hij is uitermate verhoogd. Zoo zal ook al, wat door Hem is, door de nederheid gaan tot de eere.

IV.

Ons lest nog ééne vraag, n.I.: wie de broederlijke gemeenschap moet begeeren.

Het antwoord geeft de apostel: rZoo vervult mijne blijdschap.\'quot; Elders heet het: „Zoo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt; met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde, u benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes.quot; (1)

En de psalmist legt aan al Gods volk de bede op de lippen : „ Vrede zij in uwe vesting, welvaren in uwe paleizen!quot;

„Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!quot;

„Om des huizes des Heer en, onzes Gods, loil zal ik het goede voor u zoeken.quot; 2)

Zoo is dit dan de roeping en de dure plicht van ieder kind Gods. Maar het moet ook de vurige begeerte zijn bij dagen en bij nachten, quot;Vervulling der blijdschap, dit ontbreekt er dus nog aan. De wegneming der oneenigheid, de ware eensgezindheid te mogen aanschouwen. Maai- o! wat is er dan nog veel bedroeving des Geestes, wat smart voor het geloovig harte ! Alleen in dien weg van ware broederlijke gemeenschap kan Sion worden gebouwd.

1] Eph. 4 : 1—3. 2] Ps. 122 : 7—0

-ocr page 228-

224

DE BROEDERLIJKE GEMEENSCHAP.

---

De oude mensch moet in ons meer en meer worden afgebroken.

„Indien er dan eenige vertroosting is in Christusquot; ... is er voor u eenige vertroosting in Christus ? Arme mensch ! wiens wonden niet worden verbonden en geheeld door den barmhartigen Samaritaan. Maar erger, die Hem afwijst, die Hem haat, ja, die van geene wonden wil hooren. Zoo zijn wij allen van nature. Door eigen boosheid schuldig en verlaten. O, leer toch uwe zonden kennen en den Medicijnmeester begeeren ! Dat uwe oogen voor uwe ellende en voor den Redder uit de ellende worden ontsloten !

Er is eenige, ja, er is eene volle vertroosting in Christus voor een met schuld bezwaard, door de zonde verwoest zondaarshart. Hoor het, verslagene van harte, verneem het hier wedero m door onweder voortgedrevene ziele! Hoor: „De Meester is daar en Hij roept u!quot;

Het ware leven in Christus\' kerk! Gaat er uw harte niet naar uit, geloovige? Immers, ja? O sta er naar! Christus heeft het verworven !

Ziet uwe roeping, uwe verantwoordelijkheid, broeders!

Die Christi zijn, hebben het vleesch gekruisigd! Doet geen ding door twisting of ijdele eer ! Ziet op de gave, die de Heere den broeder gaf!

Is dit de vervulling ook uwer blijdschap ? Het is ook de bede van uw Middelaar! Eu hoe ook Satan moge woelen en werken, en hoe uw harte nog menigmalen bloede door slagen in het huis uwer liefhebbers, eenmaal triomfeert uw Jezus en gij met Hem !

V. J. H.

-ocr page 229-

.JÉSIIi____

SÖOOOOOOOOOSSOSOOOOOOÓOOSOOOOOSSSS\'SSpfi:^

gg®eüs!©^©©®©e:©^e@^e®lt;§@©®®@e!slt;geise®lt;3!®!s©®^®|

PEREZ-UZA.

En David maakte zich op en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baalim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de naam van den Heere der heirscharen, die daarop woont tusschen de cherubim.

En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abina-dab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden den nieuwen wagen.

Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab; dat op den heuvel is, met de ark Gods, wegvoerden, zoo ging Ahio voor de ark henen.

En David en het gansche huis Israels speelden voor het aangezicht des Heeren, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten en met trommelen, ook met schellen en met cimbalen.

Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsch-vloer, zoo strekte Uza zijne hand uit aan de ark Gods, en hield ze, want de runderen struikelden.

Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uza en God sloeg hem aldaar, om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf aldaar bij de ark Gods.

En David ontstak, omdat de Heere eene scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.

2 Samuel 6 : 2—8.

-ocr page 230-

226

PEREZ-UZA. —lt;3gt;—^—^gt;—

LS Israel in de woestijn Zin te Kades gelegerd is, is er gebrek aan water. Het volk murmureert, het twist met Mozes en wenscht liever den geest te hebben gegeven in de woestijn !

Mozes en Aiiron vallen op hunne aangezichten en de heerlijkheid des Heeren verschijnt. Het woord des Heerea luidt: „Neem dien staf, verzamel de vergadering, gij en Ailron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hunne oogen, zoo zal zij hun water geven !quot;

Mozes neemt den staf, zooals de Heere geboden had ; samen vergaderen ze de gemeente ; maar in plaats van naar hét woord des Heeren tot de steenrots te spreken, heft Mozes zijne hand op en slaat de steenrots tot tweemalen toe met zijn staf.

Wel komt er nu veel waters uit; maar het uitdrukkelijk gebod Gods ligt geschonden. En om deze zonde der onbedachtzaamheid en des ongeloofs komt het woord des Heeren : „Omdat gijlieden mij niet geloofd hebt, dat gij mij heiligdet voor de oogen der kinderen Israels ; daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk ik hun gegeven heb.quot;

De Heere wil op zijn woord geloofd en gehoorzaamd worden en stelt daarom in de Heilige Schrift ook menig voorbeeld tot onze leering en waarschuwing.

Wij zien soms het kleine voorbij en meenen, dat het op eene geringe afwijking niet aankomt.

Wij zien op de hoegrootheid der afwijking, terwijl de Heere let op het wezen er van. Onbedachtzaamheid vindt bij menschen dikwerf verschooning; de Heere noemt ook onbedachtzaamheid in de heilige dingen, zonde van ongehoorzaamheid en ongelood

De heilige roeping, de roeping der dankbaarheid, is dan ook voor Gods erve deze: Waakt!

Bezien we nader dat gedeelte uit het tweede boek van Samuel, dat ons de zonde der onbedachtzaamheid en hare gevolgen teekent.

-ocr page 231-

rEREz-\'jZA. 227

-------^----

In de verzen 2, 3 en 4 lezen we : „En David maakte zich op lt;en ging lieen met al het volk, dat bij hem was, van Baalim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de naam van den Heere der heiracharen, -die daarop woont tusschen de cherubim. En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden den nieuwen wagen. Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel is, met de ark \'Gods wegvoerden, zoo ging Ahio voor de ark henenquot;.

Het opbrengen van de heilige ark Gods en het afwijken van ■des Heeren gebod vinden we hier.

De arke des verbonds behoorde tot de heilige gereedschappen, die in den tabernakel door Jehova besteld waren.

Deze ark van akaziënhout, met goud overtogen, met het verzoendeksel overdekt, en daarboven van twee cherubs voorzien, had tot plaats het heilige der heiligen, waar bijzonderlijk de woonstede Gods onder zijn bondsvolk was; waar Hij zich in de wolk boven de ark openbaarde, zoowel in zijne genaderijke tegenwoordigheid, als in zijne verterende heiligheid, in één woord in den glans zijner deugden.

Die arke des verbonds behoorde thuis op het gebied van de heiligheid zijns verbonds!

Er wordt dan ook in het tweede vers met nadruk gezegd, dat bij die ark Gods de Naam wordt aangeroepen, de naam van den Heere der heirscharen, die daarop woont tusschen de cherubim.

De zin hiervan is, dat over die ark de naam van Jehova genoemd werd, d. i. over welke ark Jehova zijne heerlijkheid of zijn Goddelijk wezen zijn volk openbaarde en de tegenwoor-•digheid zijner genade in Israël blijken deed.

De Naam toch ia de openbaring Gods, n.1. zooveel de Heere van zijn Goddelijk wezen zijn volk openbaren wil en vooral

-ocr page 232-

228 PEREZ-UZA.

----lt;3^—^----

lag clan voor Israël in die openbaring als Jehova der heir-scharen zulk eene heerlijkheid.

Den verbondsnaam: Jehova, de onveranderlijke en tevens die macht en heerschappij heeft: der heirscharen, vinden we-hier samengevoegd.

De ark des verbonds nu was jaren gescheiden geweest van den tabernakel, waar zij naar Gods bestel behoorde te zijn.

Door de Philistijnen veroverd, was ze door de trouwe zorg des Heeren weder naar Israël teruggezonden, wijl Jehova, de Philistijnen van stad tot stad bezocht had met oordeelen. Jaren lang vertoefde de ark te Kirjath-Jearim.

Dit mocht niet zoo blijven.

En David is dan ook nauwelijks aan de regeering, of hij maakt zich op met gansch Israël, om de heilige ark Gods op te brengen van de plaats, waar zij reeds veel te lang geweest is,. Baalim-Juda, wat hetzelfde is als Kirjath-Jearim.

David handelt hierin overeenkomstig \'s Heeren ordinantie.

Hij zal haar brengen naar den berg Sion; daar zal zij ruste vinden en naar Ps. 132 wil David niet in de tent zijns huizes ingaan en aan zijne oogen geen slaap geven, voor Hij eene plaats gevonden heeft voor Jehova.

Tot zoover loopt alles goed.

Nu lezen we in de verzen 3 en 4, hoe er eene bepaalde afwijking\' plaats vindt van \'s Heeren gebod.

Er ligt hier eene overtreding van het uitdrukkelijk bevel des Heeren, in Numeri beschreven :

„Als nu Aaron en zijne zonen het dekken van het heiligdom en van alle gereedschap des heiligdoms in het optrekken des legers zullen voleind hebben, zoo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen, maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven.quot; Num. 4 : 15.

En in Num. 7 : 9, waar eerst opgesomd is, aan wie wagens en runderen werden gegeven tot het vervoeren der heilige dingen, wordt hier uitdrukkelijk eene uitzondering gemaakt: „Maar den.

-ocr page 233-

PEKEZ-UZA. 229

--^^--■$----

■zonen van Kohuth gaf hij niet, n. 1.: wagens en runderen, want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen.quot;

De arke Gods moest altijd door de Levieten aan de hand-bcomen gedragen worden en mocht nooit op een wagen worden vervoerd.

Dit was Goddelijke ordinantie.

En wat zien we nu ? Zij voeren de arke Gods op een nieuwen wagen, nu zii haar uit het huis van Abinadab halen.

In de herinnering des volks leefde wellicht nog de.wederkomst van de ark uit der Philistijnen land; ook toen was zij op een wagen vervoerd en geen letsel was erbij geschied.

Wat echter den Philistijnen geene zonde was, is het voor :israël wel terdege. Ps. 146 zegt; „Hij heeft aan Jakob zijne rechten bekend gemaakt, aan Israël zijne inzettingen; alzoo ■ heeft Hij geen volk gedaan en zijne rechten kennen zij, n.1. de •volkeren, niet.quot;

Israël kent de ordinantie van Jehova, en niets mag ter vergoelijking worden biigebracht, ook niet de vreugde, waarmede men uittrok.

Vreugde mag nooit de geboden des Heeren doen vergeten en tot onachtzaamheid leiden ten aanzien van \'s Heeren geboden.

En al neemt men nu een nieuwen wagen, daarmede is het niet goedgemaakt. Tot twee malen toe wordt in ons vers dat nieuw herhaald.

Men zal zijn eerbied voor de heilige ark Gods toonen, door haar op een nog ongebruikten, op een reinen wagen te stellen. Maar .Israël vergeet, dat de Heere geen eigenwilligen godsdienst wil, al schijnt deze nog zoo schoon.

Neen, het nieuwe van uw wagen neemt de overtreding van het Goddelijk bevel niet weg.

En in het licht van deze overtreding moet ook het vervolg der geschiedenis worden bezien. Laat al het overige in den vorm zijn, laat Ahio als Leviet voor de ark uitgaan, laat Uza •op zijde gaan, laat de ark omgeven zijn door de Kohathieten ; des

-ocr page 234-

230 PEREZ-UZA.

-lt;§,-^-

Heeren heiligheden worden aangerand, zijn wet ligt geschonden ^

Verder worden we gewezen op de algemeens vreugde en het\' kennelijk ingrijpen Gods. „En David en het gansche huis Israels speelden voor het aangezicht des Heeren met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten en met trommelen, ook met schellen en met cimbalen.quot;

„Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorschvloer, struikelden de runderen.quot;

Het is een dag van algemeene vreugde, als de arke Gods wordt opgevoerd.

Het gansche huis Israels met David vooraan is innig verblijde

De vreugd komt openbaar in het spelen met allerlei zanginstrument.

Die blijdschap beluistert ge ook in Ps. 132: „Wij zullen in zijne woningen gaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank zijner voeten. Sta op, Heere, tot uwe ruste. Gij en de ark uwer sterkte ! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en dat uwe gunstgenooten juichen.quot;

De vreugde is algemeen !

David, hoe hoog als koning verheven, ziet zich één met het volk des Heeren, hij is één hunner — en in de vreugde zijn zij ook één! En toch, hoe hartelijk, hoe goedgemeend ook deze vreugde is. Jehova kan dezen optocht niet goedkeuren, en dat niet uit oorzaak van het optrekken zelve, maar om het overtreden van zijn gebod. Zijn verloste volk moet juist uit. dankbaarheid nog des te meer zijne geboden eeren!

Dat geluid van harp en luit, van trommel met schel en cimbaal is den Heere niet aangenaam.

Gehoorzamen is beter dan offerande van vreugde, die gepaard gaat met het veronachtzamen van de heiligheden zijns verbonds.

Zelfs David, de man, die \'s Heeren wet zoo kende, en zoo heerlijk van die wet zong, heeft in de algemeene vreugde geen

-ocr page 235-

PEREZ-UZA. 231

--lt;§■—^---

oog voor deze schijnbaar kleine afwijking van de rechten zijns Heeren.

En de priesters, de wachters over \'s Heeren huis, ze waken niet I

Kennelijk grijpt de Heere in en toont zijn ongenoegen.

Daar zijn ze bij den dorschvloer van Nachon, iu het boek der Kronieken Ch \'don genoemd, beide namen van ééne beteeke-nis; de eerste beteekent: slag, de tweede verderving.

Treflende overeenkomst met hetgeen er geschiedt.

De runderen struikelen! Is dit toeval ? Neen ! Er is verband tusschen de overtreding, zooeven genoemd, en het struikelen der runderen. Dit is, dunkt ons, moeilijk te weerspreken.

De Heere wil opmerkzaam maken, dat men te midden van alle vreugde, zijn gebod vergeet, ja tegen zijne inzettingen handelt.

Waar den Heere alle middelen ten dienste staan, zoo ook hier de runderen! \'tls alsof de Heere spreekt: „Maak die runderen los en draag mijne ark naar mijne inzetting!quot;

\'t Is een bewijs zijner lankmoedigheid tevens! De Heere straft die overtreding niet direct, maar is zoo vriendelijk, om als met zachte hand zijn volk opmerkzaam te maken op hunne afwijking ; en vooral geldt dit voor de wachters over het huis des Heeren ! Maar zie, in plaats van opmerken, wordt \'s Heeren heilig, gebod door onachtzaamheid nog verder overtreden.

We lezen van vernieuwde overtreding en het treurig gevolg daarvan.

„Uza strekte zijne hand uit aan de ark Gods, en hield zequot;.

„Toen ontstak de toorn des Heeren tegen TJza en God sloeg hem aldaar om deze onbedachtzaamheid en hij stierf aldaar bij de arke Gods.quot;

In plaats dat Uza, wien, als van priesterlijken bloede, mede de bezorging der ark was opgedragen, tot inzicht komt van de eerste overtreding, volgt er nu eene daad, nadrukkelijk verboden, en daarbij met de straf des doods bedreigd.

In Numeri 4 stond duidelijk: „Zyj zullen dat heilige niet aan-

-ocr page 236-

2-32 PKREZ-UZA.

\'--^^----

roeren, dat zij niet stervenquot;. In deze heilige ark tocli ligt afge-schaduwd de onaantastbare heiligheid Gods.

En nu moge menschelijke overdenking lang en breed redeneeren over Uza\'s liefde tot en bezorgdheid voor de ark Gods, niets kan hier wegnemen de aanranding van Gods ordinantie.

Geen vijgeblad is er voor Uza, die naar 1 Sam. 7 Leviet was, en dus het meest bekend was met de inzettingen des Heeren betreffende zijne heiligheden !

Het was, zooals ons in vs. 7 wordt gezegd, sonde der onbedachtzaamheid.

Het was Uza\'s doel niet, de wet zijns Gods te overtreden, neen, hij meent het goed met de ark des Heeren, met des Heeren .zaak.

Hij kan het niet zien, dat de ark des Heeren vallen zou !

Uza kan in waarheid een kind Gods geweest zijn; het gaat niet aan, over Uza\'s staat te oordeelen; maar hier gaat hij in onbédachtzaamheid zich vergrijpen aan de heiligheden Gods; hier wil hij Gods ark redden voor een val; hij doet dit echter •in den weg, die direct ingaat tegen het uitgedrukt gebod des Heeren!

Onbedachtzaamheid in de heilige dingen is zoo zware zonde; aanranden van Gods heiligheid moest voor Israël getee-kend worden als zwaar misdrijf; vandaar de goddelijke bepaling : „Wie haar aanraakt, zal den dood stervenquot;.

En de God der waarheid vervult hier, zooals altijd, zijn .Woord. Hij is wakker over zijn Woord, om dat te doen.

De toorn des Heeren ontsteekt tegen Uza: God slaat hem aldaar, dat hij sterft. De toorn des Heeren is niet anders dan gekrenkte heiligheid en Uza\'s dood is het gevolg van dit krenken van \'s Heeren heiligheid in het aanraken van de ark en van de ongehoorzaamheid aan \'s Heeren gebod. Voeg daarbij, dat de Heere geen menschenkind is, dat Hij liegen zou! „Den dood stervenquot;, zoo was uit \'s Heeren mond gègaan ! En gesteld, al is Uza een oprecht kind Gods geweest, dit oordeel moest toch

-ocr page 237-

PEREZ-UZA. 233

---^—^3gt;--------

voltrokken worden! Om zijner kinderen wil, verloochent Hij zijne heiligheid en waarheid niet!

Wij, menschen, rekenen soms met allerlei bedoelingen en verontschuldiging, en dan moet vooral onbedachtzaamheid en vergeetachtigheid in betrekking tot des Heeren geboden hierbij worden getrokken. Maar alzoo oordeelt Jehova niet.

Voorzeker, de Heere is genadig en veel vergevende, maar nooit in dien weg, dat daarmede aan zijne heiligheid, aan zyn gebod, aan zijne waarheid zou worden tekort gedaan. Schijnbaar klein is ook de zonde in het Paradijs, maar zij draagt het stempel van ongehoorzaamheid en is de straf volkomen waardig.

Eindelijk vinden wij in vers 8 sprake van eene getrokken scheur en Davids toorn hierover.

„En David ontstak, omdat de Heere eene scheur gescheurd had aan Uza, en hij noemde dezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.quot;

De Heere had eene scheur gescheurd aan Uza. De zonde van Uza brengt scheuring, breuke, scheiding teweeg.

Ten eerste eene scheur in de Levieten, uit wier midden plotseling een der hunnen werd weggenomen, eene scheur dus in de wachters over het huis des Heeren, welke scheur tot vermaning moet dienen aan de overigen, om toch met de heiligheden des Heeren te rekenen.

Ten tweede eene scheur in Abinadabs huis, eene scheur tusschen de broeders Ahio en Uza. Rouw dus in het gezin.

De breuke, als gevolg der ongehoorzaamheid, werkt ook op het terrein van het huisgezin door.

Ten derde eene scheur in de feestvreugde des volks. : De vreugde, is plotseling gestoord en de steniming des volks gaat over van blijdschap in geklag.

Harp en luit kunnen opgeborgen worden.

De feestzang verandert in een klaaglied.

Ten vierde eene scheur in Davids plannen. De ark gaat na

-ocr page 238-

234 PEREZ-ÜZA.

----lt;$—^—-ggt;--

niet naar Sioii, maar wordt terzijde van den weg gebracht in het huis van Obed-Edom.

Het plan was geheel in elkander gezet, de plaats gereed gemaakt, hoogst waarschijnlijk ook voor priesters en volk een aangename dag voorbereid. En zie, daar scheurt Jehova eene scheur in dat alles, eene scheur aan Uza. Hierover nu ontsteekt David.

Eigenlijk staat er: „David werd toornigquot;. Het ging hem, als Jona, die toornig werd, toen de wonderboom, waaronder hij zoo was verkwikt geworden, plotseling was verdord.

David is niet bedroefd, maar verstoord over deze scheur.

David ziet niet in, dat in zulk een godvruchtig werk, als zij deden, nu opeens eene scheur moet worden gebracht.

David kan niet goedkeuren, dat de Heere over zulk eene in zijn oog kleine dwaling, waarbij onbedachtzaamheid voor hem hoofdzaak was, zulk eene ontzettende breuk sloeg.

Die* verstoorde vreugde, dat mislukte plan, maakt hem bitter, en zoodoende heeft David geen oog in het rechtvaardige van Jehova\'s daad. En niet in verootmoediging des harten, maar in bitterheid der ziel geeft hij die plaats een naam; Perez-Usa d. i. Scheur van Uza.

Gelukkig schijnt David spoedig tot inkeer te zijn gekomen en geleerd te hebben uit deze scheur.

Er komt vreeze in zijn hart, en later keert, zekerlijk na verootmoediging, de vreugde weder.

En als dan na drie maanden de ark met vreugde naar Sion wordt opgevoerd, heeft men de ordinantie des Heeren gehoorzaamd, geleerd door deze bittere ervaring, want dan neemt men geen nieuwen icagen meer; maar draagt de ark Gods naar Sion, de plaats harer rust.

Uit deze geschiedenis valt veel te leeren. Ook hier geldt: „Alle Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering en tot onderwijzing.quot;

Wel is er onderscheid in de Oud- en Nieuwtestamentische bedeeling.

-ocr page 239-

PEREZ UZA 235

--------^-------

Met Christus\' komst zijn de plechtigheden van den schaduw-dienst vervallen ; geene heilige ark meer. die niet aangeroerd mag worden dan op straffe des doods, die gedragen moet worden door Levieten, en waarboven Jehova in het bijzonder verschijnt te midden van zijn volk.

Maar wat gebleven is? God zelf en zijne heiligheid en zijne waarheid. Wat gebleven is en nog helderder geopenbaard ? Zijn wil, zijne inzettingen voor het volk Gods, voor de kerk des Heeren ! Wat gebleven is? Allerlei gebied, waarop de Heere naar zijn Woord wil gediend en gevreesd worden: het gebied van uw persoonlijk, uw huiselijk, uw kerkelijk; uw burgerlijk leven; het heilig gebied van het verbond zijner genade, waar Hij zijne inzettingen voor gaf en die niet ongestraft overt reden worden.

Juist het volk des Heeren, dat nu leven mag onder het volle licht der vervulling, heeft niet op wettische wijze, maar uit dankbaarheid voor ziine verlossing; niet uit vrees voor gedreigde doodstraffen, maar uit liefde tot \'s Heeren geboden de heiligheden des Heeren te eeren! Als we elkander dus plaatsen voor de heiligheid des Heeren en zijne geboden, dan is er geen wettisch drijven, maar dit is de wil des Heeren, opdat wij bij het licht des Heiligen Geestes dieper zouden ontdekt worden aan onzen val, aan onze afwijkingen van \'s Heeren rechten, maar ook opdat wij, verlost zijnde door zijne genade ons leven uit dankbaarheid mogen inrichten naar zijne geboden!

Wij vinden in \'t kort in onze geschiedenis eene treffende herinnering aan de zonde in het Paradijs, ons aller zonde.

De Heere gaf zijn heilig gebod. De zonde schijnt klein, het eten van den verboden boom. In den grond der zaak is het echter een aanraken van de heiligheid Gods, eene daad van ongehoorzaamheid ; eigenwilligen dienst.

En Gods gerechtigheid en waarheid trekt door; den dood sterven!

De mensch wil en kan dan nog niet verstaan, dat werkelijk de straf rechtvaardig is. God trekt als de Heilige de scheur, de ontzettende scheur, dat er scheiding komt van God

-ocr page 240-

•236 PEREZ-UZA.

--lt;5^—■%—•$gt;------

zelf, van zijne gemeenschap, van zijne zaligheid, ja eene eeuwige scheur! En dit is het wonder der genade, dat de klove gedempt werd voor al \'s Heeren erve in den Christus, waar door Hem aan Gods gerechtigheid en waarheid wordt voldaan!

Buiten dien Christus trekt de scheur door! En dit zal ontzettend zijn!

In dien Christus alleen opheffing dier breuke!

En nu staat het voor Gods kinderen niet zoo: gij moet aan al die inzettingen en geboden des Heeren gehoorzamen, opdat gij bij Hem uwe zaligheid verdient, neen: Gods wil is in alle deelen door hun Christus volbracht; maar nu heeft Gods erve wel degelijk nog te rekenen met de heiligheden des Heeren, ja Hij let nauwkeurig er op en kastijdt de zijnen, wanneer ze op zijne geboden niet letten. Hij, die eenzijdig rekent met Gods genade in Christus en niet met het houden zijner geboden als vrucht der dankbaarheid, gaat geheel verkeerd.

Wij werden in deze treffende geschiedenis gewaarschuwd voor eigenwilligen godsdienst. De Heere vraagt aan zijn volk, Hem te dienen naar zyjn Woord, overeenkomstig zijne inzettingen.

Een nieuwe wagen helpt niet; m. a. w. al kleeden wij de dingen nog zoo vroom in, en we handelen niet overeenkomstig het Woord •des Heeren, dan begaan we de zonde van Israël, hier beschreven.

In het persoonlijk leven, wanneer men zich op Doopersche wijze afzondert, de middelen, door den Heere geboden, niet getrouw waarneemt en dan zegt: „Ja, de Heere kan het ook wel doen op de wijze, zooals ik dat liever wilquot; ; zie! ge kleedt dit vroom in en het is een nieuwe wagen, niet handelend naar den geopenbaarden wille Gods. Dan is het: „Hoe wil ik God dienenquot; in plaats van: „Hoe wil Hij gediend worden naar zijn Woord ?quot;

In uw huisgezin zijn verkeerde dingen; maar ge zult die naar uw zin verbeteren, ook wel op vrome wijze, maar niet overeenkomstig de inzettingen des Heeren, voor uw huisgezin gegeven. Weder een nieuwe wagen, maar een weg, die niettemin

-ocr page 241-

PEREZ-UZA. 237

----------lt;5 ---

verkeerd is en zondig. In de kerk des Heeren moet het anders-loopen ; ge ziet dit in, en wilt het zeer vroom aanleggen; maar nier wandelend naar \' s Heeren uitdrukkelijk gebod, voor zijne kerk op aarde gegeven, dan staat de nieuwe wagen gereed en ge zondigt!

Als het er op aankomt, willen wij nog al vroom en godsdienstig wezen; maar zie, in alle zaken zoo naar \'s Heeren ordinantie vragen, dat is te veel. Ach, hoe weinig rekenen we in ons leven met des Heeren wil!

Vooral ligt er in onze geschiedenis eene les voor de ambtsdragers en voor de geloovigen, die eene bijzondere kennis hebben van \'s Heeren wegen!

Naarmate de Heere in zijne gunst meer kennis geeft en ons meer toebetrouwt, des te grooter is onze verantwoordelijkheid.

Geen bedekken achter de Philistijnen, geen bedekken achter de onverzoende wereld ! Als die schijnbaar ongestraft afwijkt van \'s Heeren gebod, geeft dit geen vrijbrief aan \'s Heeren erve, de verzoende kerk van Christus.

Verder, in dagen van groote vreugde geeft de Heere geen verlof, om in die vreugde zijne geboden te veronachtzamen. Neen juist als Gods erve dagen van vreugde in haar God mag hebben, past het haar wel \'t meest, uit dankbaarheid op \'s Heeren geboden te letten.

De vreugde moet juist prikkelen tot nauwkenrig waarnemen van \'s Heeren geboden.

En zal de Heere werkelijk in dagen van vreugde met de zijnen blijven, zal hunne vreugde eenigszins blijvend zijn, dan dient er een vragen te zijn naar zijne inzettingen.

Ach, de vreugde kan nooit tot verontschuldiging dienen !

De ware vreugde der kinderen Gods dient geheiligd te zijn door het acht slaan op \'s Heeren geboden.

En als wij dan in door ons zeiven gekozen, zij het dan in onze gedachten, vrome wegen wandelen, is de Heere zoo genadig en lankmoedig, dat Hij waarschuwt in ons persoonlijk, huiselijk, kerkelijk en maatschappelijk leven!

-ocr page 242-

238 PBEEZ-UZA

-lt;$?-—---

Hij laat de runderen struikelen! Eenvoudige omstandigheden komen tusschenbeide, om ons tot inkeer te brengen. Hij laat in het persoonlijk leven soms dorheid komen over uwe ziel, grijpt in uw innerlijk of uitwendig leven, of u treft iets in uw huisgezin, om u tot inkeer te brengen ; of Hij laat in zijne kerk iets geschieden, waarin zijne hand kennelijk tegenkomt.

Het struikelen van de runderen was niet zulk een zwaar ongeval. De Heere is groot van goedertierenheid en lankmoedigheid en zoo gebruikt Hij allerlei middelen, soms kleine ongevallen, om ons oplettend te maken op onze afwijking van \'s Heeren gebod. En merkt ge dan op, dat de Heere u wil terugtrekken naar zijne geboden, zoodat ge uw eigen willigen godsdienst, uw door u zeiven gekozen weg verlaat, en uw nieuwen loagen weg doet, o, dan heeft de Heere zijn doel met u bereikt, met uw gezin, met zijne kerk !

Maar indien niet? Ach, dan zien we dieper wegzinken en vernieuwde overtreding.

Een zich meer bezondigen aan de heiligheden des Heeren!

Dan willen wc met onze goede bedoelingen gaan rekenen, dan willen we ons redden, ja, soms in een weg van ongehoor-z;aamheid \'s Heeren zaak redden, waar die in gevaar schijnt.

Want ook dit laatste mag hier niet worden voorbijgezien.

Door onbedachtzaamheid willen we dan na eene eerste overtreding, in eigenwilligen weg de zake Gods te hulp snellen, terwijl wij ons juist aan het gebod des Heeren vergrijpen.

De Heere wil geene hulp hebben in zijne zaak langs een weg, die niet is naar zijn Woord!

O, houd uwe hand dan terug, in plaats van u te bezondigen aan de heerlijkheden des Heeren !

En als er dan niet gerekend wordt met \'s Heeren geboden, dan trekt Hij eene scheur. Hoe menige scheur heeft Hij reeds getrokken in uw persoonlijk leven, in uw huisgezin, m zijne kerk en ook in uw maatschappelijk leven ! Eene scheur in uwe vreugde of ook in uwe plannen, eene scheur van rouwe! En al was het dan niet rechtstreeks door den dood, de Heere heeft zoovele

-ocr page 243-

£39

middelen, waardoor Hij eene breuke slaat, en onze vreugde ver--stoort, zoodat we moeten zeggen: „Perez, eene scheur !quot;

En als we dan maar geoefend mogen worden door die bittere ervaringen!

Hoe lichtelijk kan het ons dan nog gaan als David, dat we toornig worden en meenen, dat de scheur te groot is in verhouding tot de overtreding van \'s Heeren gebod !

En dan wordt het er niet beter op, totdat de Heere zijne vreeze weder doet heerschappij voeren in het hart en wij naaide wegen des Heeren gaan vragen en wandelen naar zijne geboden.

O, onderzoeken wij ernstig bij iedere scheur, die er getrokken wordt of er wel verootmoediging is en wij er door geoefend zijn geworden. Dat de gemeente des Heeren en elk geloovige voor zich meer en meer rekene met \'s Heeren geboden als vrucht van verkregen verlossing.

Dit drijve ook tot gedurige reformatie in hart en huis, in kerk en maatschappij ! Schenke de Heere ons genade, om in zijn dienst, in persoonlijk, huiselijk, kerkelijk en maatschappelijk leven, ja op alle terrein nauwkeurig te letten op \'s Heeren inzettingen en dat uit ware dankbaarheid aan Hem, die ons zijne rechten gaf!

Och, of wij uw geboón volbrachten !

Gena, o hoogste Majesteit!

Guu door \'t geloof in Christus krachten,

Om die te doen uit dankbaarheid !

M. J. D. v. D. V.

-ocr page 244-

CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED.

Deze is het, die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus, niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, die getuigt, dat de Geest de waarheid is.

1 Joh. 5 : 6.

UI het hooren van de woorden „waterquot; en „bloedquot; worden wij onwillekeurig herinnerd aan de inzettingen, welke de Heere ziin volk Israël gegeven had; immers wij lezen in de wet van onderscheidene wasschingen en offeranden, onder welke ook slachtoffers met bloed. Duidelijk wilde de Heere daarmede zijn volk leeren, dat de zonde den mensch verontreinigt en schuldig maakt; dat de zondaar van deze onreinheid en van die schuld moet worden verlost. Tevens liet de Heere hen echter onderwijzen, dat noch dat water, waarmede zij gewasschen werden, noch dat bloed van stieren en bokken eenige uitwerkende kracht hadden; het water nam de onreinheid, het bloed de schuld niet weg. Jeremia riep het volk toe: „AI wiescht gij u met salpeter en naamt u veel zeep, zoo is toch uwe ongerechtigheid voor mijn aangezicht ge-teekend, spreekt de Heere, Heere.quot; Op zichzelve hadden die ceremoniën dus geene beteekenis, maar zij wezen op den Christus, die komen zou. En nu zegt de apostel : „Deze, namelijk Jezus, is gekomen door water en bloedquot;. Hij is de ware Christus. Ongetwijfeld herinnert Johannes ons aan hetgeen hij ons mede-

-ocr page 245-

CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED. 241

--lt;5—^----

deelt in zijn Evangelie. Toen één der krijgsknechten de zijde van Jezus met eene speer doorstak, kwam er terstond bloeden •water uit. Als om op dit feit bijzonder de aandacht te vestigen, voegt hij er bij: „En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij gelooven moogt.quot;

In Christus zijn alle afschaduwingen der wet volkomen vervuld. Zijn bloed neemt waarlijk de schuld, zijn water de on reinheid der zonde weg. De schuld der zonde is zoo groot, dat zij niet anders dan door het bloed van onzen grooten Borg, den Zone Gods, kon worden uitgewischt. Het is opmerkelijk, hoe dikwijls er in de Heilige Schrift van het bloed van Christus wordt gesproken. Door het bloed van Christus moeten wij verstaan zijn bloedig lijden en sterven, zijne lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Hij heeft zijn bloed gestort in de plaats van zijn schuldige volk. Hij, rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij hen tot God zou brengen. Door die bloedstorting voldeed Hij aan het recht der wet. De wet eischte straf en gehoorzaamheid, door zijn lijden en sterven heeft Christus de straf gedragen en gehoorzaamheid betoond, gelijk wij lezen ; „Hij is gehoorzaam geweest tot den dood, ja tot den dood des kruisesquot;; en de vrucht hiervan was, dat al de zijnen in Hem hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de verzoening der misdaden naar den rijkdom zijner genade. Geen wonder, dat er gesproken wordt van het dierbare bloed van Christus, als van een onbestraffelijk Lam. In den hemel zingen de verlosten : „Gij o Lam Gods! hebt ons gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie.quot;

Johannes spreekt echter niet alleen van bloed, maar ook

van water. Hiermede wijst hij op den Geest van Christus.

Reeds onder de oude bedeeling was. de Heilige Geest beloofd

onder liet teeken van water. De Heere had gesproken: „Ik zal

water gieten op het dorstige en stroomen op het droge, Ik zal

mijn Geest gieten op uw zaadquot;, en de Heiland zelf getuigt:

16

-ocr page 246-

242 CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED.

-----^---

„Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot; Christus heeft ook den Geest verworven en zendt Hem in de harten der zijnen. Gelijk het water de onreinheid des lichaams wegneemt, zoo neemt de Geest van Christus de onreinheid des harten weg; bij aanvang in de wedergeboorte, de vernieuwing des harten; bij den voortgang in de heiligmaking, eene genadegave, waardoor het nieuwe leven tot wasdom komt en de kracht der zonde wordt gebroken ; en eenmaal volkomen in den hemel, als er geen spoor van zonde meer wezen en het beeld Gods weer heerlijk schitteren zal. Door dit water en dit bloed is Christus gekomen en daardoor is het gebleken, dat Hij de beloofde Messias, de Christus, is.

Misschien trekt het de aandacht, dat Johannes eerst het water en daarna het bloed noemt; naardien toch eerst de schuld moet worden uitgedelgd, alvorens de onreinheid kan worden weggenomen : de rechtvaardigmaking gaat in orde vóór de heiligmaking. Ongetwijfeld, doch wij zullen geene zekerheid ontvangen, dat wij gerechtvaardigd zijn, tenzij wij ons van onze heiligmaking bewust zijn. Trouwens die beide heilsweldaden zijn ten nauwste met elkander verbonden. Daarom herhaalt

de apostel ook zijne woorden, zeggende: „niet door het water

||

alleen, maar door het water en het bloed.quot; Wij kunnen dus de eene weldaad niet ontvangen zonder de andere. Zij, voor wie Christus zijn bloed heeft vergoten, opdat zij voor God zouden worden gerechtvaardigd, zullen ook zeker door dat levende water, dat is, door den Heiligen Geest, van hunne zonden gewasschen worden. „Die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.quot;

Tegen deze waarheid verzetten zich twee soorten van menschen. De eerste soort beweert, dat Christus wel gekomen is door water, maar niet door bloed. Smadelijk spreekt zij van de dusgenaamde bloedtheologie en versieren een Christus, die niet noodig had, zijn bloed te storten tot een rantsoen voor velen, maar die de menschen alleen

-ocr page 247-

CHRISTUS GEKOMEN DOOE WATER EN DOOR BLOED. 243

-—---lt;5-—Q------—-——

heeft te reinigen door het voorbeeld van zijn heilig leven en de aanradingen van zijn Geest. De schuld der zonde heeft zij nimmer gevoeld en daarom begrijpt zij niets van het antwoord van onzen Catechismus, dat vanwege de gerechtigheid en de waarheid Gods voor onze zonden niet anders kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods. De tweede soort roept luide, dat Christus gekomen is door bloed, maar wil niet hooren, dat Hij ook gekomen is door water. Hun getal is zeer groot. Hoe velen toch, die zeer ingenomen zijn met een Christus, die van de schuld en de straf der zonde vrijmaakt, maar zich afwenden van den Christus, die ook gegeven is tot heiligmaking en wel met de Gergezenen zouden willen bidden, dat Deze uit hunne landpalen vertrok. Zij zoeken troost tegen de beschuldigingen van hun geweten, tegen de sombere gedachten van dood en eeuwige verdoemenis, maar hebben nooit eene walging van zich zeiven gehad. Al is het ook, dat zij schijnbaar met afkeer van de verdorvenheid huns harten spreken, ze hebben nooit hunne zonden betreurd. Zie, hier hebben wij te denken aan de diepten des satans, waarin velen voor eeuwig zijn neergestort.

Hoe geheel anders is de oprecht geloovige met deze waarheid werkzaam. „Jaquot;, zegt hij. „zulk een Christus heb ik noodig, een Christus, die niet alleen gekomen is door het bloed en niet alleen door het water, maar door het water en het bloed.quot; Als een schuldige gaat hij tot den Christus en als de heerlijkste muziek klinken hem de woorden in de ooren : „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden.quot; O, hij gelooft het, en het strekt hem tot onuitsprekelijke vertroosting, dat hij, in dat bloed gewasschen, zoo vrij voor God staat, alsof hij nooit zonde had gehad ©f gedaan, ja, als had hij ook al de gehoorzaamheid volbracht, welke Christus voor hem volbracht heeft. En of ook zijn geweten hem beschuldigt, dat hij nog steeds tot alle boosheid geneigd is, hij roemt met den apostel ; „Wie zal beschultliging tegen mij inbrengen ? Christus is

-ocr page 248-

244 CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED.

---lt;£---^--s$gt;-—-

voor mij gestorven.quot; Dan staat hij voor God als zijn kind ers baadt zich in Gods liefde, eene liefde, welker lengte, breedte,, diepte en hoogte hij niet berekenen kan. Hoe zal hij die liefde beantwoorden ? Gode zij dank! Christus is niet alleen gekomen.\' door het bloed, maar ook door het water. „Ik zal rein water op u sprengen en gil zult rein zijnquot;, spreekt de Heere. Christus verlost hem niet alleen van de schuld, maar ook van de besmetting der zonde. De zonde is hem de dood geworden en van die zonde zal Christus hem vrijmaken. Hij kan zich geen Christen voorstellen, die in vrede met de zonde zou kunnen leven; integendeel verstaat hij de klachte des apostels : „Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?quot; maar voegt er ook den triumfkreet bij ; „Ik dank God,, dooi\' Jezus Christus, onzen Heere !quot;

Hoe zullen wij echter van deze waarheid vast overtuigd worden en blijven ? Het evangelie zegt ons, dat Christus is gekomen door water en door bloed, dat Hij de volkomen Zaligmaker is, ons van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardigmakingv heiligmaking en volkomene verlossing ; doch het hooren van het evangelie is op zich zelf niet voldoende. Wel is waar, dat. men zulks heeft beweerd, doch de ervaring leert ons duidelijk het tegendeel. Al wordt het nog zoo krachtig verkondigd, hoe-velen, die even blind en afkeerig blijven, als ze altijd geweest zijn. Christus zelf ging als profeet onder Israël rond en de schare riep vol verwondering uit: „Nooit heeft een mensch gesproken, als deze menschquot;; ja, zij zagen de wonderteekenen, die Hij verrichtte, en dat zelfs de dooden werden opgewekt, doch. zij kwamen niet tot het geloof.

Men heeft boeken geschreven tot verdediging van de waarheid des evangelies en deze hebben een betrekkelijk nut. doch niemand zal er door overtuigd worden, dat Jezus is de Christus. Eome heeft een anderen weg ingeslagen en den mensch trachten te dwingen door uiterlijk geweld, alles echter tevergeefs. Alleen de Geest getuigt, dat de Geest de waarheid is-,.

-ocr page 249-

V CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED. 245

----------------------lt;3gt; -—----

\'De Geest, die getuigenis geeft, is de Heilige Geest; de Geest, van wien Hij getuigenis geeft, is het heilig evangelie, dat Hij -zelf heeft laten beschrijven door heilige mannen. Meermalen wordt het evangelie de Geest genaamd, o. a. 2 Oor. 3 : 6, waar wij lezen ; „Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn -dienaars des nieuwen testaments, niet der letter, maar des Geestes.quot; Het evangelie is het middel, waarvan de Heilige Geest .zich bedient, om alle geestelijke weldaden te schenken. De zin van des apostels woorden is dus deze, dat de Heilige Geest getuigenis geeft aan de harten der uitverkorenen, dat het evangelie de waarheid is, dat Jezus gekomen Is door water en door bloed, dat Hij is de eenige en volkomene Zaligmaker van zon-\'daren.

Hij schenkt hun verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus, Hij bindt hen aan het Woord en in dezelfde mate en kracht aan Jezus Christus. Zoo sterk overtuigt Hij hen van de waarheid, dat Jezus is de ■Christus, dat ze eer zouden twijfelen aan alles, ja, aan hun ■eigen bestaan, dan aan deze hun zoo dierbare waarheid. Al zeggen duizenden geleerden, dat Jezus niet is de Christus, zoo gelooven zij het toch met hun gansche hart. Dat getuigenis des Geestes is echter niet altijd even sterk ; ja, het kan zoo zwak worden, dat het den kinderen Gods ia \'t geheel geen troost biedt, dat zij aan allerlei twijfel zijn bloot gesteld. Wie geen vreemdeling in zijn eigen hart is en oprecht met zichzelven omgaat, zal echter gemakkelijk de redenen kunnen vinden : de Heilige Geest is de Geest der heiligmaking en wie aan de zonde toegeeft, bedroeft den Geest en zal zijn getuigenis missen.

Daarom, geliefde lezer of lezeres ! zoo dikwijls gij het woord Gods ter hand neemt of opgaat naar Gods huis, laat er een gebed in uw hart zijn om het getuigenis des Heiligen Geestes, opdat gij in alle omstandigheden, in leven en sterven, gelooven moogt, dat Jezus is gekomen door water en door bloed. Scheid aiimmer de rechtvaardigmaking van de heiligmaking, want Hij

-ocr page 250-

246 CHRISTUS GEKOMEN DOOR WATER EN DOOR BLOED. \'

--^-----

is niet alleen gekomen door bloed, maar door water en door bloed. Zoo gij den Heiligen Geest niet in uw hart laat werken, zult gij zijn getuigenis verliezen, een verlies, dat door niets anders is te vergoeden Zij daarom uwe bede met den dichter r:

Och, schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest!

Mocht die mij op mijn pailn ten leidsman strekken ;

\'k Hield dan uw wet, dan leefde ik onbevreesd.

Dan zou geen schaamt\' mijn aangezicht bedekken,

Wanneer ik steeds opmerkend waar\' geweest,

Hoe uw geboón mij tot uw liefde wekken.

Ps. 119 : 3.

G. J. W.

-ocr page 251-

v v* v\'v v\'w*y Ir

5e^^0s?s?e^\'s?s0©lt;s©^«3ö^^©lt;3^3^\'©€xei©©©©lt;30\'30\'s©0o^i5l

^wwwwwmwwwwwwwwwr^

KINDEEEN ALS IZAK.

Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, a!s Izak was. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vleesch geboren was, vervolgde den-gene, die naar den geest geboren was, alzoo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. Zoo dan, broeders, wij zijn nietjkinderen der dienstmaagd, maar der vrije.

Galaten 4 ; 28—31.

^AN Abraham had de Heere de belofte geschonken, dat Sara, zijne huisvrouw, hem een zoon zoude baren; doch de tijd viel Sara te lang en zij overreedde haar man, om bij Hagar, hare dienstmaagd, zaad te verwekken. Abraham liet zich overreden en gewon bij Hagar een zoon, Ismaël, geheel naar de natuur, of zooals de Schrift zegt: „naar het vleesch.quot; Met Izak was het een geheel ander geval, zijne geboorte was wel aangekondigd, doch Sara was reeds negentig en Abraham reeds honderd jaren oud. Was het wonder, dat Sara ongeloovig lachte, zeggende : „Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben en mijn heer oud is ?quot; God echter betoonde zich den almachtigen en getrouwen Bondsgod : op den gezetten tijd werd Izak geboren overeenkomstig de belofte van Hem, die gezegd had: „Zoude iets voor den Heere te wonderlijk zijn?quot; Daarom staat geschreven, dat Izak uit de belofte of naar den geest geboren is. Wat is nu echter de be-

-ocr page 252-

248 KINDEREN ALS IZAK.

-------------^—-$gt;--------

doeling van den apostel; waarom haalt hij deze geschiedenis aan ? Alleen, om aan te toonen, dat er tnsschen de geloovigen en Izak groote overeenkomst bestaat. „Maar wij, broedersquot;, zegt hij, „zijn kinderen der belofte, gelijk Izak was.quot; Tegenover hen staan de kinderen der dienstmaagd. Door de dienstmaagd verstaat de apostel volgens vers 25 Jeruzalem, dat nu is. Op de uitdrukking: „dat nu isquot;, moeten wij den nadruk leggen, dat Jeruzalem, hetwelk den Christus heeft verworpen en geheel in het werkverbond leefde; door de onderhouding der wet zocht het zijne gerechtigheid voor God te verwerven, en stelde gebod op gebod en regel op regel. En ach, wat teelde het ? Niet anders dan Pharizeërs, blinde, eigengerechtige, hoogmoedige Pharizeërs. Paulus zelf was een sprekend bewijs : hij had geijverd met een grooten ijver, maar slechts zijne schuld verzwaard en zijn hart nog meer verdorven. Pin toch leeft datzelfde beginsel nog in vele harten. Heeft de Roomsche kerk niet veel overeenkomst met het Jeruzalem van Paulus\' dagen? Leeft ook zij niet uit het werkverbond ? Al roemt zij ook voor het uitwendige den Heiland, zij verloochent metterdaad zijne al\'ge-noegzame genade. Kweekt ook zij niet dienstbare kinderen? Die hunne belijdenis ernstig opvatten, zijn ook aan de grootste en zwaarste dienstbaarheid onderworpen. Zie hen biechten, vasten, bedevaarten doen, zich in kloosters opsluiten, zich zeiven geeselen. En de vrucht van dat alles is, dat zij nooit zeker zijn van hunne zaligheid, maar hun gansche leven door met slaafsche vrees zijn bevangen.

„Maar wij, broedersquot;, zegt de apostel, „zijn kinderen der belofte, gelijk Izak was.quot; Tegenover het Jeruzalem, dat nu is, staaü volgens vers 26 het Jeruzalem, dat boven is. Bij deze woorden moeten wij niet denken aan de triumfeerende kerk in den hemel, maar aan de gemeente des Heeren, de vergadering der geloovigen. Zij wordt genoemd het Jeruzalem, dat boven is, omdat ze haar oorsprong dankt aan de hemelsche genade, omdat haar Koning in den hemel troont, maar ook omdat zij zelve door het

-ocr page 253-

KINDEREN* ALS IZAK. \'249

----lt;5—^^——---------------

geloof in den hemel wandelt. Zij is gelijk aan de vrije Sara. Van nature was zi] ook dienstbaar, doch Christus heeft haar vrijgemaakt: van alle eeuwigheid heeft Hij zich tot Borg voor haar gesteld, in de volheid des tijds heeft Hij den borgtocht betaald, is als Borg gerechtvaardigd en heeft de vrijspraak van schuld en straf en het recht ten leven voor haar verworven ; haar met het geloof begiftigd en daardoor inderdaad gerechtvaardigd. Deze vnje moeder nu baart vrije kinderen. Inderdaad het gaat de kerk, even als Sara. In zich zelve is ze onvruchtbaar en niet bij machte, een geestelijk kind te telen; doch evenals Sara heeft zij de belofte: „Zing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt: maak geschal met vroolijk gezang en juich, die geen barensnood gehad hebt; want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere. Maak de plaats uwer tent wijd en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uwe koorden lang en steek uwe pinnen vast in.quot; Het scheen wel te allen tijde onmogelijk en menigeen heeft, bij het hooren dezer belofte, gelachen. Hoe zouden die eigengerechtige Joden en die lichtzinnige en wellustige heidenen tot het geloof in Christus gebracht en kinderen Gods worden? Hij, die Sara eene blijde moeder maakte, had ook der kerk zijne belofte gegeven en zou zijne belofte vervullen. En Hij heeft zijne belofte vervuld ; de Heilige Geest wederbaart en brengt tot het geloof Joden en heidenen, tot groote blijdschap der moeder. Zoo blijde als Sara was, toen haar een zoon werd geboren, zoo blijde is ook de gemeente des Heeren, als haar kinderen geboren worden. En die blijdschap drijft haar uit tot lof en dank aan Hem, die door zijne vrijmachtige genade dit groote en heerlijke werk verricht alle eeuwen door. Neen, geene eer aan menschen, maar alleen aan God! Lezer, zoovelen wij den Heere kennen, zijn wij kinderen der belofte, gelijk Izak was.

Maar ach, in Abrahams huis was de blijdschap niet ongemengd : in vers 29 lezen wij : „Doch, gelijkerwijs toen, die naar het

-ocr page 254-

250 KINDEREN ALS IZAK.

--lt;3gt;—^-----—--—-

vleesch geboren was, vervolgde dengene, die naar den geesl geboren was, alzoo ook nu.quot; De Schrift meldt, dat, toen Izak op twee- of driejarigen leeftijd gespeend werd en Abraham een grooten maaltijd aanrichtte, Ismaël hem bespotte. Ismaël was-niet zoo jong meer en was volkomen verantwoordelijk voor wat hij deed. Waarschijnlijk spotte hij met Izaks wondervolle geboorte en met diens recht op de goederen van Abraham. Die spot was zoo kwaadaardig en grievend, dat de apostel spreekt van vervolgen. En waarlijk, geene vervolging is schandelijker en wondt dieper dan de spot. Noch de vuistslagen, noch de geeselingen, noch de spijkers, noch de doornen hebben Christus zooveel smart aangedaan, als de spotternijen in Cajaphas\' zaal, voor Herodes en aan het kruis.

Evenals nu Ismaël Izak vervolgde, vervolgden de aanhangers der Joodsche synagoge ook de geloovigen, die hunne zaligheid alleen in Christus stelden. Hoe hebben die kinderen des vleesches den zoon der belofte, die naar den geest geboren was, namelijk Paulus, vervolgd! Ze hebben zijn apostelschap geloochend, zijne leer van vrije genade gelasterd, zeggende : „Hij leert, dat we de zonde moeten doen, opdat de genade te meerder worde.quot; Alle eeuwen door heeft die vervolging aangehouden. Gelijk de duisternis het licht en gelijk de dood het leven haat, zoo haten en vervolgen de kinderen des vleesches de vrijgeboren kinderen Gods. De geschiedenis der Christelijke kerk levert hiervan de meest sprekende bewijzen. Hoe hebben onze vaderen, alleen omdat zij niet uit de werken, maar uit genade wenschten zalig te worden; alleen, omdat zij met verwerping van al het andere, hunne hope stelden op de offerande van Jezus Christus, aan het kruis gebracht, allerlei vervolgingen van de Roomschen moeten verduren! De kinderen des vleesches moeten wel de kinderen der belofte haten en vervolgen, immers dezen veroordeelen hen, ook al spreken ze dit niet met zoovele woorden uit.

En nu hebben wij niet meer te lijden van vervolgingen met-het zwaard, maar wel van die spotternijen, waaraan ook Izak

-ocr page 255-

KINDEREN ALS IZAK. 251

----lt;$—^---

was blootgesteld. Hoe spot men met de wedergeboorte en stelt haar voor als de grootste ongerijmdheid, die ooit kan worden bedacht. Hoe spot men met de belijdenis der geloovigen, dat zij verzekerd zijn van de liefde des Vaders, van de genade van Jezus Christus en van de gemeenschap des Heiligen Geestes.. Hoe spot men met de hope der kinderen Gods op de toekomstige eeuwige heerlijkheid. „Gij zijt of verleiders en huichelaars, öf verleiden,quot; zoo lasteren de kinderen der dienstmaagd. Zelfs zij, die zelf met het Christendom geheel hebben gebroken, hebben nog een medelijdenden glimlach over voor den man, die in het zweet zijns aangezichts arbeidt, om zijne zaligheid te verdienen ; maar den vrijen zoon, die roemt in de hope der heerlijkheid Gods, kunnen zij niet verdragen. Ismaël trekt hen oneindig meer aan, dan Izak. De apostel herinnert den Galatiërs deze waarheid, opdat zij niet ontmoedigd zouden worden, als de kinderen der dienstmaagd hunne vergiftigde pijlen op hen afschieten zouden, noch hunne vrijheid in Christus zich zouden laten ontrooven door hen, die zich vroom voordeden, maar de vrije genade niet kenden. Ja, hij wenscht, dat zij zich zouden verblijden, en wijst hen daartoe op hetgeen Ismaël en Izak wedervoer. Toen Sara zag, dat Ismaël Izak bespotte, zeide zij tot Abraham: „Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit, want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.quot; En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen. Maar God zeide tot Abraham: „Laat het niet kwaad zijn in uwe oogen over den jongen en over uwe dienstmaagd.quot; Toen stond Abraham \'s morgens vroeg op en nam brood en eene tlesch water en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. Izak daarentegen werd erfgenaam van zijns vaders bezittingen. Alzoo zal het ook zijn met de geestelijke kinderen der dienstmaagd en die dei-belofte. Die uit de wet zijn, de eigengerechtigen, kunnen zich soms langen tijd verbergen onder en vermengen met de vrije kinderen Gods. Ja, zij kunnen zelfs eene aanzienlijke plaats

-ocr page 256-

252 KINDEREN ALS IZAK.

---^—lt;Sgt;---

innemen in het huis des Heeren; zich met een waas van vroomheid omringen, zoodat er een roep van hen uitgaat; zich tot keurmeesters van anderen opwerpen en dezen veroordeelen; straks wordt het anders.

Niet zelden worden ze reeds in dit leven uitgedreven uit de gemeente des Heeren. Ismaël bleef in het huis van Abraham, totdat hij openbaarde, wat er in zijn hart was; toen heette het; „Drijf den zoon der dienstmaagd uit.quot; Zoodra ook zij, die uit de wet zijn en de genade Gods in Christus versmaden, zich openbaren, worden zij ook uitgedreven. Doch al was het ook, dat zij zich tot hun dood toe verbergen konden, eindelijk komt toch de tijd, dat zij voor eeuwig verstooten zullen worden van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte. Hoe zullen zij dan gedenken, dat ook hun de vrije genade is aangeboden, maar dat zij haar niet hebben gewild ! Daarentegen blijven de vrije kinderen Gods eeuwig in het huis huns Vaders. Hoe zou Abraham ooit Izak hebben kunnen uitdrijven? En wat is de liefde eens vaders tot zijn zoon, vergeleken bij de liefde des hemelschen Vaders tot zijne kinderen!

Hij heeft hen verkoren in liefde, heeft het verbond der genade met hen opgericht en dit bevestigd in den dood van zijn geliefden Zoon, heeft hen wedergeboren door den Heiligen Geest, die in hen woont en hen verbindt aan hun heerlijk Hoofd in de hemelen, zoodat zij één leven met Hem leven. O, welk eene zaligheid, zekerheid te bezitten, dat zij eeuwig in het huis zullen blijven, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus te zijn. De kinderen der dienstmaagd verblijden zich over hunne bolle broods en hunne flesch watera in ■de woestijn; zij echter bezitten wat beters. Hebben ze niet den vrijen toegang tot den troon, ja tot het hart huns Vaders? Weten ze niet, dat die Vader hun al hunne zonden heeft vergeven en zij straks de eeuwige heerlijkheid zullen deelachtig worden ? Laten de Galatiërs en al de kinderen Gols, hoe groot hun druk op aarde moge wezen, ja, al worden ze

-ocr page 257-

KINDEREN ALS IZAK. 253

—--------lt;5r-----^---

ook uitgeworpen van vader of moeder, zich hiermede troosten en juichend zingen;

Looft, looft, verheugd den Heer der heeren!

Aanbidt zijn naam en wilt Hem eeren.

Doet zijne glorierijke dafm

Alom den volkeren verstaan,

En spreekt met aandacht en ontzag

Van zijne wond ren dag aan dag.

Ps. 105 : 1

G. J. W.

-ocr page 258-

1

: T::

lllli

mwwwwwwwwwwwmwwwwm

li

STRIJD DEN GOEDEN STRIJD DES GELOOFS.

Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt en de goede belijdenis beleden

li

hebt voor vele getuigen.

1 Tim. 6 : 12.

ENNELIJK heeft de apostel bij het neerschrijven dezer woorden het oog op de zoogenaamde heilige spelen, welke in Griekenland gehouden werden. Zij, die als strijders in deze spelen optraden, wedijverden met anderen in het loopen, het springen, het worstelen en het werpen met de lans ; hij, die overwinnaar was in den strijd, ontving een prijs, bestaande in den eersten tijd in eene of andere bruikbare zaak, later in een eenvoudigen krans, uit de takken van een olijf-, laurier-, palm of pijnboom vervaardigd. ,Welnu,quot; zegt de apostel, „ook de Christen neemt deel aan een strijd, doch het is een geheel andere, een geestelijke strijd, en de prijs, waarom het hem te doen is, is niet een vergankelijke kroon, maar niet minder dan het eeuwige leven.quot; Wat de apostel bedoelt met het eeuwige leven, is genoegzaam bekend. „Eet eeuwige leven,quot; zegt de Heiland, „is, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot; Hij, die God kent in het aangezicht van Jezus Christus, heeft Hem ook lief met zijn geheele hart en die Hem liefheeft, wil Hem ook dienen. Dit eeuwige leven is eene gave Gods. Van nature is de mensch dood in de misdaden en de zonden, vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid, die in hem is, doch God maakt hem levend door zijn Geest. Evenals wij

a

-ocr page 259-

STRIJD DE.NT GOEDEN SIRIJD DES GELOOFS. 255

---lt;£—^^------

iezen van dea eersten mensch, dat God hem heeft geschapen en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens, evenzoo blaast ook de Christus door zijn Geest het leven in de ziel. Gij, die levend gemaakt zijt, vergeet het nimmer, dat God u gewekt heeft, opdat gij Hem niet een deel van zijne eere\' ontrooft. Het eeuwige leven is dus niet te verdienen; hoe zou een doode iets verdienen kunnen ; hoe zou hij, die geene krachten heeft, zijne krachten kunnen inspannen ? Daarom is het godslasterlijk, van het verdienen van het eeuwige leven te spreken. Het is eene loutere genadegave, gelijk wij lezen: „De bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus, onzen Heere.quot; Gelijk Hij Lazarus opwekte uil de dooden, zoo wekt Hij ook de geestelijk dooden op. De uitdrukking „Grijp naar het levenquot;, zou ons echter in den waan kunnen brengen, alsof niet alle geloovigen dat eeuwige leven bezitten of dat er aan hun leven ten minste nog iets ontbreekt. Geenszins, alle geloovigen zijn uit den dood overgegaan in het leven en zij bezitten het volkomen ; het is immers ongerijmd, te veronderstellen, dat iemand voor een deel levend en voor een deel nog in den dood zou kunnen zijn.

Doch wat dan? Kan hij misschien dat leven weêr verliezen ? Sommigen beweren het, maar dan zou het immers geen eeuwig leven zijn. „De genadegiften Gods en de roeping zijn onberouwe-lijk.quot; „Een iegelijk,quot; zegt de Heiland, „die in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.quot; Wie in den Christus gelooft, is met Hem vereenigd. gelijk de rank met den wijnstok; zoo ijiin Christus sterven kan, zoo min ook de geloovige. Dit leven kan echter in een Koelenden, maar ook in een kwijnenden toestand rerkeeren. De eerste openbaart zich hierin, dat de geloovige vóór alles de eere Gods zoekt, dat hij gemeenschap oefent met Christus, dat hij zijn volk hartelijk liefheeft; de kwijnende toestand wordt hieraan gekend, dat eene zekere matheid en lusteloosheid heerscht bij alle geestelijke werkzaamheden.

„Grijp naar het eeuwige leven.quot; Evenals nu de kampvech-

-ocr page 260-

256 STRIJD DKN GOEDEN SÏEIJD DES GELOOFS.

----lt;5,—-----

ter bij de Grieken steeds de kroon in het oog hield, zoo moet ook de Christen het oog gericht houden op het eeuwige leven. Hoe heerlijk zal dit leven zich eens ontplooien in den hemeL Dan zullen zij Hem kennen, gelijk zij gekend zijn geworden, dan zullen hunne harten vervuld zijn met de liefde Gods, dan zullen zij den Heere dienen, gelijk de heilige engelen. Dan zal vervuld worden, wat de Heere door den mond zijns apostels beloofd heeft: „En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende : zie, de tabernakel Gods is bij de menschen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hunne oogen atwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn, want de eerste dingen zijn weggegaan.quot; Welke aardsche prijs is met deze volheerlijke openbaring van het eeuwige leven te vergelijken? Wie echter, die naar dezen prijs haakt, zal zorgeloos kunnen zijn, omtrent het leven, dat de Heere hem heelt geschonkenquot;? Wie zal niet verlangen, de beginselen te smaken der eeuwige vreugde ?

Gelijk nu echter de strijdenden in de kampspelen met geduchte tegenstanders te doen hadden, zoo ook de Christenen. Die machtige vijanden, de duivel, de wereld en de zonde, die nog in hen woont, staan hen tegen. Toen Israël in Kanaan was, woonden er vele vijanden rondom hen en in hun midden: Syriërs en Philistijnen, Ammonieten en Moabieten en vele andere vijandige volkeren ; sterke vijanden, die het Israël bang genoeg konden maken, „doch wij hebben,quot; zegt de apostel, „den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.quot; Listige vijanden zijn het: de duivel verandert zich soms in een engel des lichts; de wereld strijdt met allerlei wapenen ; het hart

-ocr page 261-

STHIJD DEN GOEDEN STRIJD DES GELOOFS. 257 -lt;£—^—-£gt;---

is doodelijk, arglistig, meer dan eenig ding. Daarenboven vereenigen zij immer hunne krachten en houden rusteloos hun doel in het oog: het leven ten onder te houden, ware het mogelijk, het te vernietigen. Hoe zal de Christen voldoen aan de vermaning des Heeren : „Strijd den goeden strijd des geloofs,

u

grijp naar het eeuwige levenquot;? En dan luidt het antwoord: voor alle dingen houde hij de hoofdzaak in het oog en late zich, om welke redenen ook, niet aftrekken tot andere zaken. Dezen wenk ontvangen wij, als wij onze tekstwoorden lezen in verband met hetgeen vooraf gaat. Daar waren er, die zich druk maakten met allerlei twistvragen en woordenstrijd, uit welke komen nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen. Anderen haakten naar rijkdommen; bemoei u daarmede niet, zegt de apostel, „want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen, maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de men-schen doen verzinken in verderf en ondergang.quot; Een zeer gewichtige en behartigenswaardige wenk vooral in onze dagen, waarin zulk een koortsachtige jacht heerscht om rijk te worden en om te genieten. Laat dat jagen naar het zinnelijke aan de wereld over, o Christen, strijd gij den goeden strijd des geloofs. Door die bijvoeging „des geloofsquot; wijst de apostel aan, hoe de strijd moet worden gestreden. Immers niet door vleesche-lijke middelen, maar alleen door het geloof. In den geestelijken strijd is het van het grootste gewicht, dat dit geloof zich werkzaam betoont. Is des Christens geloof^in slaap, dan zal de vijand hem zeer gemakkelijk diets kunnen maken, dat hij zoo waakzaam niet behoeft te zijn, ja, dan zal de twijfel in hot hart kunnen post vatten, of het eeuwige leven zelf geen herschenquot; schim is. Is daarentegen zijn geloof helder, dan ziet hij niet slechts het eeuwige leven, maar ook zijne vijanden. Door het geloof kent hij Christus, gelijk Hij zich in het Woord geopen-

17

-ocr page 262-

258 STRIJD DEN GOEDEN STRIJD DES GELOOFS.

-----^—lt;gt;gt;—$.--

baard heeft, als zijn genadigen, machtigen, bereidwilligen en getrouwen Zaligmaker, op wien hij zich volkomen verlaat. Door het geloof vraagt en verwacht hij van Hem alles, wat hij noo-dig heeft in zijn strijd: wijsheid en standvastigheid in den strijd tegen zijne vijanden, en een smaken van de beginselen der eeuwige vreugde. Door het geloof houdt hij zich verzekerd van de overwinning: al waren zijne vijanden ook duizendmaal sterker en al was hij ook duizendmaal onwaardiger, nochtans zal hij overwinnen en eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. Door het geloof verblijdt hij zich over die zalige toekomst, als ook de laatste vijand zal zijn te niet gedaan en hij het eeuwige leven in zijne volle openbaring zal genieten. Gelukkig hij, die alzoo den strijd voert, den goeden strijd bij uitnemendheid. Daar wordt zoo menige kwade strijd gestreden, een strijd, die uit een kwaad beginsel voortkomt, met kwade wapenen gevoerd wordt en kwade vruchten voortbrengt; maar dezen strijd heeft de Heere zelf verwekt. Lezen wij niet reeds in het eerste boek der Schrift: „Ik zal vijandschap zettenquot;; en zegt niet de Heiland, dat Hij gekomen is, om het zwaard op aarde te brengen ? Het is een schoone strijd, want hij wordt gestreden tegen verfoeilijke vijanden, van welke satan het hoofd is. Het is een strijd om eene onvergelijkelijk heerlijke zaak, immers om het eeuwige leven, de eere Gods en onze volkomene zaligheid. Het is een strijd in gemeenschap met al Gods kinderen en onder het oog en de hoede van den Zone Gods, den zaligen en alleen machtigen Heer, den Koning der koningen en Heere der heeren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, welken geen mensch gezian heeft, noch zien kan, welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. Voorwaar, het is eene groote eere, onder zulk een Koning te strijden ! Tot die eere is ieder Christen geroepen. Toen hij nog dood was in de misdaden en de zonden, heeft de Heere hem geroepen door zijn Woord en Geest; die roeping was eene liefelijke, maar ook krachtdadige, ja onwederstandelijke roeping,

-ocr page 263-

STRIJD DEN GOEDEN STRIJD DES GELOOFS. 259

--lt;sgt;----

God roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Hij riep hen tot het eeuwige leven, doch hiermede ook tot den strijd, want dat eeuwige leven is niet anders dan in den weg van strijd te verkrijgen. De geestelijke strijd is noodzakelijk, om dat ■eeuwige leven bij aanvang te genieten en eens in zijne volmaaktheid deelachtig te worden, want er staat geschreven ; „Wie volharden zal tot den einde, die zai zalig worden.quot; Wenscht gij •dus in gemeenschap met uw God te leven en de beginselen der eeuwige vreugde te smaken, hoor dan de stem van Jezus ; „Strijd den goeden strijd des geloofs.quot; Hij roept u op tot dien strijd ■eiken dag in zijn Woord, vooral des Zondags door zijne dienaren, maar ook door zich, als gij van den strijd aflaat, aan u te onttrekken en u in het duister te laten omdwalen. Daarom hoor zijne stem en gedenk, dat gij de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. Hoe lang is het misschien al geleden, dat gij de belijdenis hebt afgelegd, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, de Zaligmaker van zondaren, ook uw Zaligmaker, op wien gij al uwe hope steldet in leven en in sterven ? Velen waren als getuigen daarbij tegenwoordig. Zij, die bij de Grieken aan de kampspelen deelnamen, hadden eene wolke van getuigen rondom zich, doch wat beteekende die menigte menschen bij die ontelbare schare, van welke onze tekstwoorden spreken ? Niet slechts uwe medege-loovigen, maar ook de heilige engelen waren tegenwoordig, toen gij uw Koning trouw beloofd hebt. O, gedenk aan uwe belijdenis; in-dien gij haar verzaakt, doet gij u zeiven groote schade, der gemeente des Heeren, ja den Heere der gemeente groote schande aan. Daarentegen, welk eene zaligheid geniet gij reeds op aarde, als gij getrouw zijt. Mochten er onder mijne lezers zijn, die verflauwd zyn in hunne zielen, wij roepen hun toe: „Richt weder op trage handen en slappe knieën, maakt rechte paden voor uw voet; het strijden van den goeden strijd des geloofs is wel moeielijk, doch het is ook onuitsprekelijk heerlijk. Make de Geest van Christus u gewillig en bekwaam om te grijpen naar het eeuwige leven!quot;

G- J. W.

-ocr page 264-

WAT IS DE MENSCH, DAT GIJ ZIJNER GEDENKT ?

Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt; en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt ?

Psalm 8 : n.

E Psalm begint en eindigt met dezelfde woorden: „O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde!quot; In de hemelen openbaart God zijne majesteit op eene onuitsprekelijke wijze en toch heeft Hij op aarde zijn naam nog boven de hemelen verheerlijkt. Waardoor? waardoor anders, dan door de verlossing in Jezus Christus ? Hierover peinzende en zijne oogen opheffende naar den hemel, roept de dichter uit: „Als ik uw hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebtquot;, hoe groot en heerlijk zijt Gij en hoe is het dan mogelijk, dat Gij zooveel bemoeienissen met den mensch wilt hebben; „wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt; en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt?quot; De dichter vergelijkt den mensch met God en wel den mensch, zooals hij dooide zonde is geworden, want hij gebruikt in het eerste lid een woord, dat eigenlijk een ellendige beteekent en in het tweede omschrijft hij hem als den zoon van Adam. Welk eene vergelijking ! God is de eeuwige, voor wien duizend jaren zijn als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is ; en de mensch is van gisteren, der ijdelheid gelijk, en zijne dagen zijn als eene voorbijgaande schaduw. God is de souvereine, hooge God, aan wien alles zijn oorsprong is verschuldigd, door wien alles blijft be--

-ocr page 265-

WAT IS DE MENSCH, DAT GIJ ZIJNER GEDENKT ? 261 -----lt;£—--

quot;ataan, in wiena haud het leven en het lot der menschen ia ; de menach daarentegen ia een nietig schepsel, zonder zijn eigen wil geboren, zonder zijn eigen toedoen voortbestaande en zonder üods wil zich niet kunnende roeren of bewegen. God is de Al-wijze, wiens wijsheid geene perken kent of palen quot;en door hemel en aarde, door engelen en gezaligden bezongen wordt ; en de menach weet niets, ja, ia zoo dwaas, dat hij licht voor duisternis en duisternia voor licht aanziet, dat hij zijn geluk als eene ramp beschouwt en zijne ellende als geluk begroet. God is de Rechtvaardige, de Rechter der gansche aarde, die allen schep aelen het recht toeweegt; en de menach ontrooft God en zijn naaate de eere en verkracht het recht. God ia de Heilige, die ■zijne eigene volmaaktheden lief heeft, de hemelen zelfa zijn\'niet rein in zijne oogen ; en de menach ia een onrein wezen, in zonde ontvangen en geboren, geneigd, om God en zijn naaste te haten, uit wiens hart booze bedenkingen, doodslagen, dieverijen, hoererijen, valsche getuigenissen en lasteringen opstijgen, dood in de misdaden en de zonden, walgelijk in Gods oogen. God is de Volzalige, de Algenoegzame in zich zei ven, die niet noodig heeft, van menschenhanden gediend te worden, als iets behoevende ; en de mensch is een ellendige, een zoon van Adam, gedurende zijn gansche leven aan allerhande smart en straks aan de eeuwige verdoemenis onderworpen. Wat is de mensch, dat zulk een God met zulk een mensch wil te doen hebben, dat Hij iiem gedenkt, dat Hij hem bezoekt? En toch heeft de Heere het gedaan. In het volgende vers zegt de dichter; „Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond.quot; Hij heeft volgens hetgeen we lezen in het tweede hoofdstuk van Paulus\' brief aan de Hebreen, het oog op de vleeschwording des Zoons Gods. Hierop ziende, riep de profeet Zacharias uit: „God heeft bezocht en verlossing te weeg gebracht zijnen volke.quot; Hij, die in de ge-staltenisse Gods was, heeft zijne heerlijkheid achter het gordijn der zwakke, ellendige, menschelijke natuur willen verbergen,

-ocr page 266-

262 WAT IS DE MENSCH, DAT GIJ ZIJNEE GEDENKT?

-----

ja, Hij heeft een weinig tijds minder willen zijn dan de engelen : als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gedaante of heerlijkheid, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij is vernederd tot den staat van een dienstknecht, om in dien staat zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, tot den dood des kruises. Daarna is Hü met eer en heerlijkheid gekroond aan de rechterhand des Vaders en heeft alle macht ontvangen over alle werken van Gods handen. In Hem heeft God den mensch bezocht, want Hij is de tweede Adam, het Hoofd van al zijn volk. In Hem i3 dat volk, dat zich zelf in verderf en ondergang gestort had, uitverkoren vóór de grondlegging der wereld en in liefde aangenomen.

In Hem is dat schuldige volk van zijne schuld verlost, gelyk geschreven staat; „In welken wij hebben de verlossing doorzijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden naar den riik-dom zijner genadequot;; in Hem is dat volk met zijn God verzoend, want Hij is hun vrede, en in Hem treden zij vrijmoedig^toe tot. den troon der genade. In Hem is dat volk verlost van de dienstbaarheid der zonde; de banden, waarmee zij gebonden waren, zijn verbroken, de Zoon maakt waarlijk vrij. In Hem zijn ze hier op aarde reeds zalig in de gemeenschap met hun God, straks ontvangen zij de hemelsche heerlijkheid en eenmaal worden ook hunne lichamen gewekt door de machtige stem van Hem, in wlen de Heere hen bezocht heeft.

Wel mocht de dichter uitroepen: „Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt; en de Zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt ?quot; De dichter geeft zelf op die vraag het antwoord : „Als ik uw hemel aanzie,quot; zoo lezen wij, „het werk uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt.quot; Van de zon spreekt hij niet, wijl hij dezen psalm waarschijnlijk in den nacht heeft vervaardigd. Hij zag in dien hemel, die maan en die sterren-kunstgewrochten Gods, openbaringen zijner macht en heerlijkheid. Waarom bezocht de Heere dan nog dien nietigen, ellen-

-ocr page 267-

WAT IS DE MENSCH, DAT GIJ ZIJNER GEDEKKT? 263 -^--

digen mensch, dat hoopje stof, dat immers niets toebrengen kon aan zijne heerlijkheid ? Zouden wij niet veeleer denken, dat Hij zulk een opstandeling in zijne schepping zou hebben vernietigd of tot straf voor zijn opstand in het verderf hebben laten liggen, om eeuwig zijne straf te dragen ? In den mensch was geene reden, waarom de Heere hem bezocht, doch God nam redenen uit zich zeiven. Hij wilde zijn naam heerlijk maken op de aarde en zijne majesteit stellen boven de hemelen. Van de heilige engelen ontvangt Hij in het hemelsche heiligdom het offer der aanbidding; onophoudelijk roepen zij : „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen,quot; doch veel volkomener worden zijne deugden verheerlijkt in de vleeschwording des Woords en door die vleeschwording in de zaligheid van verloren zondaren. Niet slechts Gods macht en wijsheid, zijne rechtvaardigheid en heiligheid, maar alle Gods deugden blinken hier in het helderste licht. Inzonderheid echter zijne onuitsprekelijke liefde. De apostel vermaant de geloovigen, dat zij zouden bekennen de liefde van Christus, doch hij voegt er aanstonds bij, dat zij de kennis te boven gaat. Door in Christus den zoon van Adam te bezoeken heeft de Heere zich zeiven een gedenkteeken gesticht, dat tot in eeuwigheid staan zal. Tot in alle eeuwigheid zullen de gezaligden uitroepen: „O, Heere, hoe heerlijk is uw naam, Gij hebt uwe majesteit gesteld ver boven de hemelen!quot; Waar nu de Heere zich zoo verwonderlijk diep heeft nedergebogen tot arme en ellendige menschen, wat blijft ons over, dan onze eigene nietigheid en ellendigheid te erkennen en tot dien onuitsprekelijk goeden God in Christus de toevlucht te nemen? Deze goedheid Gods is de eenige grond, waarop wij ons tot Hem mogen wenden. In den mensch zeiven is geen grond ; hoe rijk en machtig, hoe deugdzaam en vroom hij in zijne eigene oogen of ook in de oogen van anderen moge zijn, van allen geldt: „Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt; en de zoon des men. schen, dat Gij hem bezoekt ?quot; Elke poging om zich zeiven voor te bereiden voor de genade Gods en zich aangenaam te maken

-ocr page 268-

264 WAÏ IS DE MEKSCH, DAT GIJ ZIJNER GEDENKT? --—-

in Gods oogen, is gansch onnut en ijdel, God stelt er juist zijne eere in, om zulken, die minder zyn dan niet en ijdelheid, met zijn heil te bezoeken en eeuwig zalig te maken. Daarom geldt ook geene enkele uitvlucht, welke een mensch zou willen maken, en waardoor hij de dwaasheid en vijandschap van zijn hart zou willen verbergen. Daarentegen is de grond, welken de dichter aangeeft, namelijk de onbegrijpelijke goedheid Gods, zoo vast, dat elk verslagen en heilbegeerig hart daarin ruste vindt. Hoe ellendig iemand zich zeiven ook zien moge, al getuigt hij ook met den apostel, dat hij de grootste der zondaren is, geen nood, aulk een gedenkt en bezoekt de Heere in zijne gunst. En op zijne vraag: „Waarom zou de Heere het doen ?quot; ontvangt hij ten antwoord: „Hij stelt daardoor zijne majesteit tot boven de hemelen.quot; Wie in Christus gelooft, verzegelt niet slechts, dat God waarachtig, maar ook, dat Hij liefde is.

Wie met een oprecht geloof de woorden des dichters tot de zijne maakt, zal ook zijne roeping verstaan, om dien heerlijken God van ganscher harte te dienen. Ach, wat is hij in zich zeiven ? Een nietige aardworm ! Een zondig stofje ! En hoeveel laat de Heere zich aan hem gelegen liggen ! En dat alles uit loutere goedheid! Moet nu de zonde niet uitermate zonde worden in zijne oogen en zal zijn hart niet worden ontstoken tot dankbare wederliefde tot zijn God, die hem in Christus zoo genadig bezocht ? Toen in Japan een tempel gebouwd werd, werden de balken opgetrokken aan koorden, van de haren van vrouwen gevlochten, maar wat zal hyj dan niet geven, opdat de tempel des Heeren gebouwd worde en zijn naam heerlijk worde over de gansche aarde? Moet hij niet inzonderheid worden opgewekt, om in alle omstandigheden des levens den Heere kinderlijk en ootmoedig te volgen en zijn lot en leven in \'s Heeren hand te stellen? De Heere toch had, toen Hij zijn volk gedacht, een hoog en heilig doel, namelijk het verheffen van zijn naam ; alle wegen, welke Hij met hen houdt, zijn daarop aangelegd en loopen zeker daarop uit. Al is het nu ook, dat zij

-ocr page 269-

WAT IS DB MENSCH, DAT «IJ ZIJNER GKDENKT? 265 -■$-—#—-$■--

liet einde van Gods wegen niet zien kunnen, ja, al druischen die soms lijnrecht tegen hun verstand in, het betaamt hun niettemin te zwijgen, te gelooven en te aanbidden. Verheft zich de opstand in hunne harten, och, dat ze zich het woord des dichters : „Wat is de mensch !quot; herinneren, maar ook kracht putten uit ■dat tweede gedeelte, om blijmoedig voort te gaan, biddende, dat Hij hen bezoeke met zijn heil. En eindelijk, behooren zij niet verlangend uit te zien naar den dag der toekomst, als de Heere volkomen openbaren zal, wat het in heeft, dat Hij hen in Christus bezocht heeft? Nu zien zij nog niet, dat hun alle dingen onderworpen zijn, maar dan zal het volkomen geopenbaard worden. Naar zijne belofte verwachten ze een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont. Och, of hunne harten dan niet trekken mochten naar deze wereld, met haar zonde en beuzelingen, met haar schijn en slijk, maar naar boven en naar dien dag, als de majesteit Gods in al haar luister schitteren zal

\'t Hijgend hert, der jacht ontkomen,

Schreeuwt niet sterker naar \'t genot Van de frissche waterstroomen,

Dan mijn ziel verlangt naar God.

Ja, mijn ziel dorst naar den Heer,

God des levens ! ach, wanneer Zal ik naadren voor uw oogen,

In uw huis uw naam verhoogen?

G. J. W.

-ocr page 270-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN EUTH.

En al het volk, dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden: Wij zijn getuigen; de Heere make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben ; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem.

En uw huis zij, als het huis van Perez, (dien Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw.

Alzoo nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in ; en de Heere gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baarde.

Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de Heere, die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël! Die zal u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden ; want uwe schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen.

En Naomi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijne voedster.

En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader. Dit nu zijn de geboorten van Perez: Psrez gewon Hezron; en Hezron gewon Ram ; en Ram gewon Am-minadab ; en Amminadab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma; en Salmon gewon Boaz; en Boaz gewon Obed; en Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.

Ruth 4 : 11—22.

-ocr page 271-

HET HUWELIJK VAiST BOAZ EN RUÏH. 267 --—--

N de eerste verzen van dit hoofdstuk, besproken door mijn geachten ambtgenoot, Ds. Van der Velden, is ons gebleken, dat de hinderpalen, die het huwelijk van Boaz en Ruth nog in den weg stonden, ja, die het hadden kunnen verijdelen, onder het voorzienig bestuur des Heeren zijn weggenomen. De weg tot het huwelijk is dientengevolge geëffend. Xu de eerst aangewezen losser er zich kleinzielig en baatzuchtig van heeft afgemaakt, kan en mag het door Boaz aangegaan worden.

Onder vele getuigen verklaarde hij zich nu ook gaarne bereid, het land van Elimelech te lossen, en ook Ruth te huwen, „om den naam des veratorvenen over zijn erfdeel te verwekkenquot;. Onder de toejuiching en de zegenbede van „al het volk, dat in de poort was, mitsgaders van de oudstenquot;, „nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwequot;. Het huwelijk van Boaz en Ruth, mag en moet alzoo het onderwerp onzer overdenking zijn.

Het zij mij vergund, u in de eerste plaats ie wijzen op de voorbereiding, die opmerkenswaardig is.

Natuurlijk moet ik, om dit te doen, op een en ander, dat vroeger behandeld is, nog even de aandacht vestigen. Zegt gij mij, dat ik niet op het reeds besprokene terugkomen, maar mij bij den tekst houden, en dien verklaren moet, dan vraag ik verlof, om niet met het dak in het huis te vallen; verlof, om op het afgelezen veld nog eenige aren op te lezen.

Bij trouwen en sterven toch, worden meestal één of méér bladzijden uit de levensgeschiedenis opgeslagen. En wanneer er twee trouwen, zóó ongelijk in jaren, in stand en afkomst als Boaz en Ruth, dan is dat regel, dan worden zelfs de bijzonderheden opgehaald en meegedeeld, om reden velen weten willen, hoe die twee ongelijken daartoe toch wel gekomen zijn. Zeer gaarne houden wij ons in betrekking tot Boaz en Ruth aan die gewoonte; want opmerkenswaardig is de aanleiding tot hun

-ocr page 272-

268 HET HUWELIJK VAN BOAZ en RUTH.

---lt;^--^---

huwelijk. Daarenboven is deze ons in Gods Woord, dus onder lt;ie leiding van den Heiligen Geest, beschreven. In alles, wat daartoe aanleiding gaf, zien wij, aan de hand der Heilige Schrift, het voorzienig bestuur des Heeren. Daaruit wordt het ons duidelijk, dat onze dwaasheden, door Gods bestuur er over, zelfs dienen moeten, om hetgeen Hij besloten heeft, te doen komen ; en ook, dat Hij naar zijn raad ontneemt, om ons te geven, wat wij naar dien raad hebben moeten en Hij ons geven wil.

Waar wij lezen : „Boaz nam Ruth en ze werd hem ter vrouwequot;, daar mag bij name Naomi wel zeggen, dat de gangen Gods in het heiligdom zijn, dat Hij, die zich zoo langen tijd verborgen hield, de God Israels, de Heere is.

Wanneer zij terug- en in de wegen Gods ingeleid wordt, dan is het haar duidelijk, dat deze vreugdedag in verband staat met hare wegen, die, op zich zelf beschouwd, zondig waren, met haar verlaten van het beloofde land en haar heengaan naar het land der Moabieten. Immers, was zij niet derwaarts gegaan, dan zou, naar den mensch gesproken, Machlon niet met Ruth getrouwd zijn, Ruth niet bij haar en in het Israëlietische land gewoond hebben en met Boaz in aanraking zijn gekomen.

Haar eigenzinnig gaan op den weg, waarop zij den Heere niet kon ontmoeten, ja, waarop de Heere haar „bitterheidquot; aandeed, wordt de eerste bladzijde van de geschiedenis, waardoor dit huwelijk mogelijk geworden en in het leven geroepen is, want uit hare eerste eigenwillige daad werd eene tweede geboren, deze namelijk, dat haar zoon Machlon met eene Moabie-tische dochter, met Ruth, in het huwelijk trad.

Dit huwelijk kunnen wij de tweede bladzijde noemen van de levensgeschiedenis, die thans kan herdacht en opgeslagen worden. Terwijl de derde de droeve bladzijde is, waarop te lezen staat, hoe God haar tegenkwam, door haar van haar man, en daarenboven van hare zonen, dus ook van Machlon te bcrooven. Daardoor toch is Ruth weduwe geworden en kon er over een losser gedacht worden en van een losser en een twee

-ocr page 273-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN KUTH. 269

----lt;5^—^—s$gt;----

den man sprake zijn. Doch dat daarvan sprake kon zijn binnen Bethlehems p., or te, kwam, omdat het haar, na den dood van Elimelech en hare zonen, te eng en te bang werd op haar zwerftocht en in het Moabietische land.

Uit alles toch blijkt het, dat Naomi in die diepe wegen tot zich zelve gekomen en tot den God harer vaderen wedergekeerd is. O, zij wist het immers zoo goed, dat de Heere tegen haar „getuigdequot;, haar „bitterheidquot; aandeed, en haar „ledigquot; deed wederkeeren. Blijkbaar heeft zij tot hare schoondochters daarover gesproken en den Heere, haar God, als den eenigen waren beleden, geroemd en geprezen.

En dat God de Heere dit aan het hart van Ruth geheiligd heeft, is de vierde en de schoonste bladzijde, die bij gelegenheid van dit huwelijk in Bethlehem mag en moet gelezen worden.

Wordt die niet gelezen, dan is het daar en voor ons de vraag, of hij, die wel het erfgoed lossen, maar Ruth niet trouwen wilde, niet te prijzen is boven Boaz.

Immers omdat Naomi\'s God haar God geworden was, kon zij van Naomi niet scheiden, maar ging zij met achterlating van alles naar Bethlehem mede. Zij kwam dientengevolge in Bethlehem. En wie zij was, was in Bethlehem algemeen bekend geworden. Dat wist ook Boaz. Er was dan ook geene sprake van bij Boaz, noch in Bethlehems poorte, of Ruth wel door een Israëliet tot vrouw mocht genomen worden. Dit stond vast.

De voorlaatste bladzijde der geschiedenis, die de naaste aanleiding tot dit huwelijk ons leert kennen, mag alzoo in ongeschokt vertrouwen gelezen worden. Op deze bladzijde nu lezen wij, dat de weg van teleurstelling en bitteren tegenspoed in het land, waar haar God woont, nog geen einde had genomen. Naomi toch moest^ ondanks zich zelve, hare geliefde schoondochter het werk der doodarmen en der vreemdelingen laten verrichten, haar korenaren laten lezen, wilden zij brood hebben.

In die diepe vernedering leidde de Heere haar op den akker van hem, die haar kennen leerde, haar lief kreeg en ter vrouwe nam.

-ocr page 274-

270 HET HUWELIJK VAN BOAZ EN HUTH.

--lt;Z—^—■$gt;---

Haar ter vrouwe nemen, zou hij echter niet hebben kunnen, mogen en willen doen, indien de laatste bladzijde der voorafgaande geschiedenis niet beschreven was, zooals de Heilige Schrift ze ons mededeelt.

Was de eerst aangewezene en rechthebbende niet bevreesd geweest, zijne erfenis en zijn naam te „verdervenquot;, door Ruth te trouwen, dan zou zijn naam niet ongenoemd zijn gebleven — sooals nu — en die van Boaz zou niet zoo gezegend zijn, tot in de geslachten.

Zij, die voor eigene eer leven en zorgen willen, verkrijgen ze niet, terwijl zij, die voor den Heere leven en er Hem voor zorgen laten, ze ontvangen, boven bidden en denken.

Gewis, het pleit voor Boaz, dat hij het recht, het woord en de inzettingen zijns G-ods vóór en boven de vervulling zijner begeerte, om Ruth tot eene vrouw te hebben en te nemen, heeft geplaatst, en alzoo aan den eerst rechthebbende de voorkeur liet. Hij begeerde haar van ganscher harte, doch alleen in den weg en in de gunste Gods.

Dat voorrecht nu werd hem, zegt ons deze laatste bladzijde, onder het voorzienig bestuur des Heeren geschonken; want wat hij vurig begeerde, dorst en wilde de éérst aangewezene niet aan.

Alzoo werd voor hem de weg geëffend en kon en mocht hij haar ter vrouwe nemen. Gaat hij, terwijl hij dit deed, gaat Naomi, gaat Ruth en gaan wij, gelijk wij deden, alles na, wat daartoe geleid heeft en daartoe dienstbaar gemaakt is, dan zien en bewonderen wij de hand en de wegen van Hem, die alles bestuurt en alles komen doet, ook dit huwelijk, naar zijn wil en welbehagen.

Niet aan de hand van een gephantaseerd romantisch verhaal, maar uit Gods heilig Woord zagen wij, hoe het huwelijk van Boaz en Ruth voorbereid, mogelijk gemaakt en tot stand gekomen is.

En in hetgeen God ons beschrijven laat, doet Hij ons altijd

-ocr page 275-

^ HET HUWELIJK VAN BOAZ EN EUTH. 271

----lt;$*-^-■$gt;---

zijn voorzienig bestuur opmerken en ons zien, hoe Hij het eene uit het andere doet geboren worden.

Dit hier in bijzonderheden na te gaan, was noodig en goec\', omdat dit huwelijk eene zeer gewichtige beteekenis krijgt in de gewijde geschiedenis. Op die gewichtvolle beteekenis vestigen wij in de tweede plaats onze aandacht. Het blijkt uit alles, dat het van den Heere is, dat Hij hen elkander ontmoeten doet en hen samenvoegt.

Is zij geene jonge gezellen nagegaan, maar tot hem gekomen, hij gevoelt zich van zyn kant met haar gelukkig en rijk, en wil daarom doen en doet daarom alles, wat zij „gezegd heeftquot;, en wat tot het gewenschte einde leiden kan.

Gewis, de Heere heeft den band der liefde, die het wezen van het huwelijk uitmaakt, gelegd en hen als gave zijner liefde en van zijn ondoorgrondelijk bestuur aan elkander gegeven.

„Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen,quot; mogen Boaz en Euth en mag ook Naomi wel zeggen. Ook Naomi.

Van beteekenis toch is dit huwelijk voor haar in- en uitwendig leven, alsmede voor den naam en de toekomst van haar geslacht, van heur overleden man en hare zonen; immers nu bestaat de mogelijkheid, dat haar geslacht niet uitsterven, maar herleven zal.

Voor haar geestelijk leven is het van beteekenis, omdat zij geloofd heeft, dat Boaz „niet rusten zal, tenzij hij deze zaak voleind hebbe.quot;

Ware dit huwelijk niet tot stand gekomen, hoe groot zou hare teleurstelling zijn geweest, hoe diep zou zij geschokt zijn geworden, in welk een maalstroom van verwarring ware zij dan wellicht gekomen!

Doch nu alle hinderpalen uit den weg geruimd zijn, hij haar nam, en zij hem ter vrouwe werd, nu ziet zij haar gebed verhoord, haar geloof bezegeld en haar beste! bekroond. Ze kan nu zeggen en jubelen : „Had ik naar ongerechtigheid met mijn

-ocr page 276-

272 HET HUWELIJK VAN BOAZ EN EUTH.

-----^---

hart gezien, de Heere zoude niet gehoord hebben. Maar zeker. God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stemme mijns gebeds. Geloofd zij God, die mijn gebed niet heeft afgewend, noch zijne goedertierenheid van mij.quot;

Ook voor haar tijdelijk leven is met dezen echt voor haar het licht in de duisternis opgegaan. De erfenis van hare overledenen is gelost, en deze kan nu door haar weder betreden worden. Ook is aan de diepe vernedering, aan den broodnood en het aren lezen een einde gekomen; want dit mag bij haar vast staan, dat Boaz en Ruth nu wel voor haar zorgen zullen.

Daarenboven bestaat nu de mogeliikheid weer, dat aan haar Machlon een zaad zal verwekt worden, dat zijn naam voortleven en de erfenis aan haar geslacht verblijven zal.

Na zooveel dagen van rouwe, moeite en verdriet kan ze zingen:

„God heeft bij ons wat groots verricht;

Hij zelf heeft onzen druk verlicht,

Hij heeft door wondren ons bevrijd;

Dies juichen wij, en zijn verblijd.quot;

Dewijl het lot en het leven van Naomi en Ruth sinds vele jaren op het nauwst vereenigd waren, zij samen leden en leefden, is nu ook hare blijdschap eene gemeenschappelijke. Daar Ruth in gehoorzaamheid aan en vertrouwen op hare moeder volgde en alles deed, wat zij zeide, ziet zij thans deze gehoorzaamheid en dat volgen boven verwachting vruchten dragen.

Zij handelde niet in jeugdige ijdelheid des harten; maar volgde de wenken van Gods voorzienig bestuur en ging daar brood zoeken, waar zij genade zou vinden. En zij vond meer dan brood, ze vond een nabestaande, één van Machlons lossers. Na dezen gevonden te hebben, deed zij alles, wat hare schoonmoeder zeide; zij ging geene jonge gezellen na, maar in gehoorzaamheid aan hare moeder zocht en begeerde zij, geheel in overeenstemming met den weg, dien de Heere aan de, Boaz als haren osser en man. Er is geen enkel blijk dat zij hèm begeerde,

-ocr page 277-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN RUTH. 273

----lt;3~—\'lt;£gt;—----

die quot;wèl het goed, maar niet het goed met \'haar lossen wilde. Alles zegt ons, dat zij Boaz wilde. Welnu, Boaz nam haar en ze werd hem ter vrouwe. Dit is naar haar hart en alzoo haar eene vreugde. Aan het bange gevoel van eenzaamheid en verlatenheid, van kommer en zorg en van meer dan gezegd kan worden, is thans voor deze jeugdige ivedmve een einde gekomen. De Heere heeft haar getoond, dat Hij meer dan één zegen heeft.

De dag, waarop Boaz haar nam en zij hem tot eene vrouwe werd, is een dag van zeer gewichtige beteekenis voor en in haar leven.

Doch het is bij dit huwelijk, zooals het moet wezen, zooals het is, als het goed en naar wensch is: allen, die er in betrokken zijn, zijn blijde; zeker, dat is ook Boaz. Hij kan zijn hart aan Euth geven, hij gevoelt zich gelukkig en rijk met haar. Neen, hij neemt haar niet ter vrouw uit medelijden, het is hem integendeel eene eer en een voorrecht, haar tot eene vrouw te kunnen en te mogen nemen. Hij doet dit niet zonder den Heere, niet onbesuisd, niet met vertreding van eens anders recht, ja, van de inzettingen Gods ; hij doet het met inachtneming van dit alles, dus met den Heere; maar toch ook niet weer om Gods wü, zonder haar te willen. Dit is ook onzin. Dit legt de Heere den mensch niet op.

Wat de Heere wil, dat Boaz doen zal, maakt Hij ook mogelijk. Wat God wil, dat hij doen zal, is zijne oprechte en vurige begeerte. Zooals uit zijne woorden blijkt, heeft hij alles voor haar over ; „allesquot;, zoo zegt hij, „wat gij gezegd hebt, zal ik doen.quot;

Hij gaat, volgens hetgeen de Heilige Geest ons aanteekenen

liet, ook niet van de gedachte uit, dat hij en alleen hij haar eene

weldaad bewijst, veeleer het tegendeel; immers het is hem tot

verwondering, en hij prijst het in haar, dat zij „geene jonge gezellen,

hetzij dan rijk of arm, is nagegaan.quot; Naar zijne gedachten had

zij dat kunnen doen, en zouden velen in haar geval dat gedaan

is

-ocr page 278-

274 HET HUWELIJK VAN BOAZ EN RUTH.

—----^—-^gt; ■--

hebben. Dat zij het niet gedaan heeft, valt hem in het oog en doet haar rijzen in zijne schatting. Daarenboven weet, zegt hij, „de gansche stadquot;, dat zij eene deugdelijke vrouw is.

Hij schat haar dus hoog en is zeer met haar ingenomen, ja, het is hem een voorrecht, haar als vrouw te mogen hebben. En dat de Heere met het oog op den eersten losser den weg gebaand heeft, om haar te kunnen nemen, heeft ook hem zeker bevestigd in het geloof, dat hij haar uit zijne hand ontving. Mitsdien is deze huwelijksdag, zoowel voor hem als voor Ru\'-h en Naomi, een onvergetelijke dag, een dag van beteekenis, voor hem, van nog niet gekende vreugde.

Zij hebben meer ontvangen dan zij weten en beseffen. Euth heeft niet slechts een man, een godzalig en vermogend man verkregen, maar zij is daarenboven door dit huwelijk in het eigen land, in den kring van het door God uitverkoren volk opgenomen.

Nog meer. Zij is opgenomen in het geslacht, waaruit naar de belofte Gods, de Christus naar het vleesch zal geboren worden.

Hare opneming in het Israëlietische volk en in het meest bevoorrechte geslacht is profetie van het wegvallen der scheidsmuren tusschen Joden en Heidenen, profetie van de inlijving der heidensche volken in de Kerke Gods, profetie van het deelgenootschap der heidenen aan den Messias, aan den geheel eenigen Losser en alzoo aan de vrijmaking van zonde en satan.

Het huwelijk van Boaz en Ruth is gewichtiger, meer zeggend en rijker van beteekenis, dan één hunner, ja dan iemand in dien tijd vermoeden kon.

Wat de Heere hier was doende, bleek daarna in gedurig rijker licht.

Voor Naomi, voor Ruth, voor Boaz, en ook voor de volkeren der aarde had deze huwelijksverbintenis eene zeer groote beteekenis. Het is, of er eenig onbepaald voorgevoel van is, \'zelfs bij de getuigen in de poort; in ieder geval zijn ook zij er mee ingenomen, drukken zij er het zegel hunner goedkeuring

-ocr page 279-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN EÜTH. 275 -^--^-----

•op; want zij wenschen zoo hartelijk mogelijk, dat het huis van Israël er door gebouwd zal worden. Er zijn hier geene wan-Tdanken, geene benijders en belagers; niemand heeft bedenking, allen keuren het goed. Inderdaad opmerkelijk!

„Al het volkquot;, zoo lezen we, „dat in de poort was, mitsgaders de oudsten zeiden: wij zijn getuigen; de Heere make ■deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en ala Léa, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handei kloeke-■lijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehemquot;.

Van minder aangename critiek op dit huwelijk is hier geene sprake, hoewel de kennismaking vóór dat het gesloten wordt, zeer kort is, en het, wat meer zegt, met iemand uit het Moabietische land wordt aangegaan. In plaats van ongemotiveerde oordeelvellingen en vloekspraken wordt de zegen Gods er over uitgesproken.

Deze nu, de zegen van den Allerhoogste, is niet achterwege gebleven, maar gekomen, zooals wij ten slotte nog nagaan.

Het eerste, dat wij daarvan lezen is: „En de Heere gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baardequot;

Zie, dat zij, de anders onvruchtbare zwanger werd, is ver-\'hooring van deze beden en vervulling van de wenschen; van de wenschen, uitgesproken door Naomi, door Boaz en door de getuigen. Op deze zwangerschap rustte de zegen van der vaderen God: Ruth werd bewaard en baarde; zij baarde een zoon. -Gewis, dat is naar wensch, met het oog op het verlangen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel.

De geburen, „de vrouwenquot;, loven en prijzen den naam des Heeren voor de bekroning van het huwelijk met dezen zoo ge-wenschten en rijken zegen. Deden dit zelfs de geburen, wie zegt ons dan, hoe blijde, hoe rijk, hoe gelukkig en dankbaar zich Boaz, Ruth en Naomi hebben gevoeld en getoond. Ontegenzeggelijk spreken deze vrouwen uit, wat dit edele drietal verlangt en doet, als zij zeggen tot Naomi: „Geloofd zij de Heere, die niet heeft nagelaten, u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël.quot;

-ocr page 280-

276 HET HUWELIJK VA.X BOAZ EN RUTH.

---^--------

Waar zij op de weldaad en hare grootheid wijzen, den;gt; Heere er voor loven en prijzen, en tot lof en dank aan Hem opwekken, spreken zij tegelijk de wenschen harer harten uit over-den zoon, die geboren is.

Nog meer. De wenschen harer harten worden daarbij door haar in de taal der voorzegging uitgesproken. „Die zalquot;, alzoc-gaan zij voort tot Naomi te spreken, „die zal u zijn tot eeiv verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden.quot;\'

Een verkwikker der ziel, dat was het kind van de ure dei-geboorte aan.

Het was haar bang geweest in de eigenzinnige wegen, die zij bewandelde; om hare zonden had de Heere haar bitterheid aangedaan ; maar nu, nu is hare ziel bij vernieuwing en nogquot; meer dan bij het huwelijk van Boaz en Ruth verkwikt geworden. De tranen worden nu gedroogd, de nacht is voorbijgegaan en een nieuwe dag is voor haar aangebroken. Ja, haar geslacht is als opgestaan en heeft, nadat het scheen afgesneden r, weer eene toekomst gekregen.

Van de wonderen haars Gods kan en mag zij nu blij gewagen, van een „ouderdomquot; wordt door de vrouwen gewag ge--maakt, en kan en wil zij nu hooren. Zij is als verjongd en kan* hem nu wenschen; want Mara is thans niet meer haar naam, in den naam Naomi is hij weer omgezet. Het leven heeft meer waarde voor haar gekregen, ze ontving weer levensmoed ; den zoon te zien groot worden, en mede aan zijne opvoeding werkzaam te zijn, is de begeerte der ziel en de aangename taak van haar nog overig leven. De geborene is ook haar kind. Dit beseffen zelfs de vrouwen, en zij vestigen er daarom de aandacht op, als zij voortgaan en zeggen : „ Uwe schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gehaard, dewelke u beter is dan zeven-zonen.quot;

Schoon is het getuigenis, in het: „die u liefheeft\'quot; nogmaals van Ruth gegeven; en veelzeggend is de uitdrukking :■ „dewélke u heter is dan zeven zonenquot;. Den rijkdom van zegen-

-ocr page 281-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN RUTH. 277

INaomi door dit huwelijk en in dit kind gegeven, doen /,ij uitkomen en stellen zij in het licht.

Zij doen dien rijkdom van zegen uitkomen meer dan zij zeiven ^ich bewast zijn; want hij zal groot zijn: Isaï en David, ja, de Zoon des menschen zal uit hem en zijn geslacht geboren worden.

Wat in Naomi\'s hart omging, toen „zij het kind namquot; en „het op haar schoot zettequot;, is ons niet gemeld, dat moeten wij ons denken. Maar dit staat vast, dat zij, die zoo vele jaren van recht heeft kunnen en moeten zingen, nu ook van goedertierenheid kan zingen. Dat heeft ze zeker gedaan. Met het kind des verlangens en der profetie op haar schoot is ze overgelukkig en jubelt haar harte.

„En Naomi werd zijne voedsterquot;, zoo, zoo luidt het verder. Met vreugde, ernst en teederheid des harten heeft zij zekerlijk de taak der verzorging en eerste opvoeding op zich genomen-Zij is het beeld van de gemeente van Christus, die door liefde wint, belijdt en opvoedt.

Wanneer de kerk, als zij, er uit de heidenen wint en in zich opneemt, en alzoo in haar zegen mag doen deelen, dan is ze groot en overeenkomstig hare roeping werkzaam; als zij een zegen ia, wordt zij gezegend, gelijk Naomi gezegend is. Doch als er in de kerk afval en ellende is, dan moet zij als Naomi boete doen, zich zelve veroordeelen en ook de bittere gevolgen daarvan dragen.

Hoe vele jaren van bange en bittere droefheid zijn door haar doorleefd, vóór deze dagen van zegen en vreugde aanbraken. Met blij gelaat mag ze thans dienen, verzorgen en opvoeden; en het voorwerp van hare dienende liefde en moederlijke zorgen is haar een „verkwikker der zielquot; en om haar ouderdom te onderhouden. Met het oog daarop en in dat vertrouwen „gaven de naburen .hem een naamquot;, zeggende: „Aan Naomi is een zoon geboren, en zij noemden zijn naam Obed (dienaar).quot;

„Aan Naomi, is een zoon geborenquot;, zóó spreken zij zich uit en~[dienovereenkomstig geven zij hem een naam. Na de ge-

-ocr page 282-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN HUTH.

boorte van het kind treden voor deze vrouwen Boaz en Ruth op den achtergrond, en opmerkelijk! dat doen zij ook in de beschrijving, die onder \'s Geestes leiding na deze geboorte gegeven wordt.

Het is geheel in overeenstemming met het Leviraatsch huwelijk en met hetgeen Boaz zelf gezegd heeft, dat namelijk de naam des verstorvenen over zijn erfdeel moest verwekt worden.

Deze naam werd groot; want Obed „is de vader van Isaï, Davids vader.quot;

In het geslachtsregister, dat hier volgt, wordt evenwel ook de naam van Boaz nog genoemd.

Hij behoort tot het geslacht van Abraham, en Isaï en David zijn, zooals wij zien, uit zijn geslacht voortgekomen; daarenboven weten wij, dat de Christus, naar het vleesch, uit het geslacht van David is.

Het huwelijk van Boaz en Ruth, zoo opmerkenswaardig voor-bereid, zoo groot van beteekenis, is, zooals wij zagen, zeer rijk aan zegen.

Dat de gangen Gods in het heiligdom zijn, dat Hij beproeft,, maar niet verlaat, bleek ons; en ook, dat Hij eene afgesnedene zaak op deze aarde doet; alsmede, dat de geloofsgehoorzaamheid, na beproefd te zijn, bekroond wordt.

Naomi en Ruth, die dat een en ander hebben ervaren, konden een lied zingen, als hier volgt:

„Perst eens de bittre tegenspoed,

Des avonds, het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag,

Nauw rijst des morgens vroeg dc dag,

Of God verleent, in plaats van lijden Weer stof tot juichen en verblijden!quot;

Gelijk het weleer eene opeenhooping van lijden was, ontvingen zij daarna vreugd op vreugd. Mond en hart zijn zij toen wel tekort gekomen, om den Heere te loven en te prijzen,

In het loven en prijzen van Gods naam heeft zeker Boaz,

278

-ocr page 283-

HET HUWELIJK VAN BOAZ EN RUTH. 279

--^--

meegedaan. Zij waren, als later Lazarus, Martha en Maria, één hart en ééne ziel.

Dat de Heere hen zoo wonderlijk bij elkander gebracht, aan elkander gegeven, met elkander gelukkig gemaakt en zoo rijk gezegend heeft, was ongetwijfeld menigmaal het onderwerp van hunne overdenking en bespreking. Dewijl zij allen den Heere vreesden, zagen zii onmiskenbaar daarin de hand van hun God.

„Aangaande ons en ons huis, wij zullen den Heere dienenquot;, alzoo is hunne gemeenschappelijke taal geweest.

Zij leefden niet alleen voor de aarde en voor elkander, maar ook en in de eerste plaats voor den Heere en voor den hemel.

Driewerf gelukkig, indien dat ook ons voorrecht is!

M. A. L.

P. S. Omdat voor dit laatste gedeelte uit het boek van Euth geene copie was, toen de andere gedeelten afgedrukt waren, en de vele werkzaamheden voor de Synode het schrijven er van onmogelijk maakte, komt het tot onze spijt achteraan.

-ocr page 284-

_____________esSaeeam__________

|SSS©®Sgt;Sgt;Sgt;SÖSO\'

NO ACH - DANIEL — JOB.

Verder geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende;

Menachenkind ! als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal Ik mijne hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit menschen en beesten uitroeie ;

Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hunne gerechtigheid alleen hunne ziel bevrijden, spreekt de Heere Heeee.

Zoo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen beroove, zoodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;

De drie mannen in het midden deszelven zijnde, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo zij zonen en zoo zij dochteren bevrijden zouden! zij zeiven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.

Of als Ik het zwaard brenge over datzelve laud, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zoodat Ik daarvan uitroeie menschen en beesten ;

Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zei ven alleen zouden bevrijd worden.

Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en mijne grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan menschen en beesten uit te roeien ;

Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden deszelven waren, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo zij een zoon, of zoo zij eene dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hunne ziel door hunne ge-

-ocr page 285-

281

NOACH — DANIEL — .JOi5. -lt;$.—#—-$gt;--

rechtigheid bevrijden.

Want alzoo zegt de Heere Heere: Hoe veel te meer, als Ik mijne vier booze gerichten. het zwaard, en den honger, en het booze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit menschen en beesten uit te roeien.

Doch zie, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; zie, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hunne handelingen ; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.

Zoo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hunne handelingen zien zult, en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere Heere.

Ezechiël 14 ; 12 — 23.

EN oud en veel gebruikt gezegde is, dat de kinderen Gods als de kurken zijn, waarop land en volk drijven. In dit gezegde is waarheid.

De Heilige Schrift toont, hoe menigmaal de Heere om der uitverkorenen wil zijne oordeelen, zij het dan niet introk, dan toch maligde of verkortte. Belooft de Heere niet aan Abraham, dat Hij, zoo er tien rechtvaardigen in Sodom gevonden worden, de stad niet omkeeren zal ?

Lezen we niet van een Mazes, EUa en Samuel, die als bidders voor het volk optraden en op wier gebed de Heere redding gaf te midden der gerichten ?

Keerde Pinehas niet de straf, waar hij de ontuchtigen doorstak en als een rechtvaardige voor het recht Gods opkwam ?

Toch zij men voorzichtig, om niet te steunen op anderer gerechtigheid en gebed !

Zorgeloosheid\'kan zoo licht ontstaan, wanneer men ook in

-ocr page 286-

282 NOACH — DANIEL — JOB.

---lt;£—^---

betrekking tot den afval van land en volk, denkt; „Wij zullen wel blijven drijven; immers God heeft zijn volk nog en daarom geene vrees!quot;

Tegen die zorgeloosheid wil de Heere ons in de Heilige Schrift wapenen, ook in onze tijden van veel afval en ongerechtigheid !

Zulk eene waarschuwing vinden we o. a. in bovenstaand gedeelte van Gods Woord.

Ezechiël, van afkomst een priester, behoorde onder de eerst weggevoerden naar Babel, en was daar vijf jaren, toen hij tot het pi-ofetiscli ambt geroepen werd. Onder het volk was veel ontevredenheid en verhardheid.

Hij moet van \'3 Heeren wege de afwijkers van Gods wet opwekken, om de rechtvaardigheid van Gods wegen te erkennen en de verkeerdheid hunner eigen wegen te belijden, — terwijl hij het klein getal der godvruchtigen aanmoedigt en vertroost met beloften van zegen en heil.

In hoofdstuk 14 komen eenige oudsten van Israël huichelachtig bij den profeet raad vragen. Ze worden echter door den profeet ontdekt, waar hij des Heeren Woord tot hen brengen moet en tevens hunne zorgeloosheid en gerustheid bestraft.

Zij meenden, dat het met hun dienen van de drekgoden zoo erg niet was en dat ze wel van de oordeelen bevrijd zouden blijven om der godvruchtigen ml, die er nog werden gevonden. Op dezen steunden zij en hielden meteen hunne zonden aan de hand. Hiertegen richt zich nu het woord des Heeren, dat wij kortelijk willen overdenken.

Eerst spreekt de Heere in het algemeen en past dit later op een bijzonder geval toe, n.1. op Jeruzalem, op het volk van Israël. Eerst heet het: „Menschenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende.quot;

Het woord „menschenkindquot;, aan Ezechiëls profetie bijzonder eigen, wijst vooral op het zwakke en nietige van den mensch tegenover de hoogheid des Heeren.

-ocr page 287-

KOACH — DANIEL — JOB. 283

-—---lt;£quot;------

Dit woord moest terstond herinneren aan de menschelijke zwakheid, aan de afkomst, aan het geslacht des menschen, en vooral wordt het tot Ezechiël gesproken, niet omdat de andere profeten het minder noodig hadden ; maar omdat de Heere met hem het meest sprak in gezichten, waarbij juist het onderscheid tusschen den hoogen God en zijn schepsel zoo sterk uitkwam.

CTenoeg-, met de aanspraak: „Menschenkindquot;, wordt aan Ezechiël voorgesteld; „als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende.quot; Hieruit blijkt duidelijk, dat er trappen of graden zijn in de overtreding.

Evenals er in het persoonlijk leven onderscheid is, niet in de bron, waaruit de overtredingen voortvloeien, want deze is bij alle kinderen van Adam volkomen gelijk; maar in de openbaring der zonde; zoo ook kan de zonde van een land en volk toenemen, er kunnen verzwarende omstandigheden zijn, die de overtreding zooveel ernstiger karakter geven. Is een land kennelijk door den Heere gezegend, heeft Hij het menigmaal wonderlijk gered uit allerlei nooden, heeft Hij bovenal het bevoorrecht met de kennis van zijn Woord, van zijne rechten en inzettingen, en het valt tegenover al die bewijzen zijner gunste van Hem af en wordt Hem ontrouw ; zie, dat is vooral het zwaarlijk overtreden, waarop hier wordt gedoeld. Het woord, hier gebruikt, beteekent eigenlijk; bedekken, trouweloos handelen, in het bijzonder door afval van Jehova!

Vooral moet ons in het verband treffen, hoe er gehandeld wordt over het volk van Israël, dat rijk was begunstigd geworden met allen geestelijken en stoffelijken zegen, en dat nu als een huichelachtig volk in hun hart de drekgoden had opgericht, terwijl het schijnheilig toch nog des Heeren profeten om raad vroeg. Men vertrouwde op valsche woorden, men riep nog: „Des Heeren tempel zijn deze,quot; terwijl men de zwaarste afgoderij met den mantel der vroomheid bedekte.

Ondertusschen hadden zij het hart des rechtvaardigen door valschheid bedroefd gemaakt en de handen des goddeloozen ge-

-ocr page 288-

284 NOACH — DANIEL — JOB.

---gt;$gt;—-----

sterkt, opdat hij zich van den boozen weg niet zou afkeeren.

Er is toeneming ook in de nationale, in de volkszonden.

Meestal begint het niet met zoo groote afwijking, maar trapsgewijze zinkt een land al dieper weg, soms ongemerkt, maar niet voor het oog des Heeren, is het al dieper afval van Hem en van den weg zijner geboden, van den weg der gerechtigheid.

En — gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is ■eene schandvlek der natiën.

Die schandvlek wordt grooter, naarmate de zonden der natie vermenigvuldigen; die schandvlek is het grootst, waar God het meest gezegend heeft en het licht zijns Woords het helderst schijnen liet.

Toch is \'s Heeren lankmoedigheid groot.

„Hij is lang van toornighedenquot;, zooals de Hebreër het in zijne taal uitdrukte. Hij komt eerst met voorboden van oordeelen en gerichten en met roepstemmen tot wederkeering en berouw.

Maar eenmaal is de maat vol.

Dit wordt in ons hoofdstuk aangetoond.

Wanneer een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaurlijk, ■d. i. krachtig en volhardend overtredende, zoo zal Jehova zijne hand er tegen uitstrekken, Hij zal zijne gerichten over zulk een land brengen.

In de verzen 13, 15, 17 en 19 worden ons vier gerichten beschreven, de voornaamste oordeelen, die de Heere komen doet om algemeene zonden van landen en volken: honger, boos gedierte, oorlog en pestilentie.

Een duidelijken terugslag vinden we hier op Leviticus 26 : 26, 22 en 25: „Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven ; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.quot;

„Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u berooven, en uw vee \'uitroeien, en u verminderen zal; en uwe wegen zullen woest worden.quot;

-ocr page 289-

NOAOH — DANIEL — JOB. 285

---------lt;£—^---

„Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zoodat gij in uwe steden vergaderd zult worden ; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.quot;

Evenals er verschil is in de overtreding, is er ook onderscheid in de kracht en de uitgebreidheid dezer gerichten.

Misgewas brengt altijd nog geen volstrekten hongersnood mede; \'t is echter de voorbode, wanneer de levensmiddelen verminderen en de duurte intreedt; wanneer de Heere bezoekt met langdurige droogte of regen ; het is zoo nauw verbonden met dit eerste gericht, het is slechts verschil in graad; indien toch de Heere doortrekken wil, breekt Hij ook den staf des broods !\'

Eigenaardige uitdrukking der Schrift voor den honger.

Brood wordt vergeleken bij een staf, waarop men leunt. Het brood onderhoudt het tijdelijk leven. Als de Heere honger zendt, zoo breekt Hii dien staf tot ondersteuning en moet men vallen.

En in het boek der Openbaringen wordt het gericht van den honger aangekondigd bij het openen van het derde zegel onder het gezicht van het zwarte paard des hongers, en die er op zat, had eene weegschaal in zijne hand.

Het gericht van het boos gedierte wordt verder genoemd, dat verwoest en rooft en dat in de macht des Heeren is om op zijn bevel verwoestingen aan te richten onder mensch en vee.

Ook hierin zijn trappen, en ons oog moet open zijn voor de opklimming in de oordeelen des Heeren, even goed als voor de toeneming der ongerechtigheid.

Alle schadelijk gedierte, dat verwoestenden invloed uitoefent, is in het wezen der zaak hetzelfde gericht.

En wanneer de voorboden niet in acht worden genomen en de zonde van land en volk vermeerdert, zoo gaat zijne gerechtigheid voort, zooals we in vers 15 zien. Hij, die naar het boek der Openbaringen op het vale paard zat, wiens naam was de dood, hij doodde het vierde deel der aarde en onder de middelen

-ocr page 290-

■286 NOACH — DANIEL — JOB.

—--—-—--—*0-- ~

daartoe worden door Johannes ook de wilde dieren der aarde aanschouwd.

Het gericht van het zwaard wordt in de derde plaats ge-genoemd.

Jehova brengt het zwaard ook als een oordeel, niettegenstaande alle vredes-congressen. Hoe ook de roeping is van vorsten en volken, zooveel mogelijk den vrede te bewaren; vergeten we niet, dat tot het einde der dagen, om der zonden wil, het zwaard is aangekondigd.

Ja, dat juist in \'t laatst der dagen dit vermenigvuldigen zal.

In vers 17 gebiedt de Heere : „Zwaard, ga door, door dat land.

Gewis, de Heere toornt over het land, dat zwaarlijk overtreedt en moge het voor een tijd voorspoedig gaan. straks wordt ook dat oordeel van den krijg vervuld, als de volkeren zich niet verootmoedigen voor Hem, die ze gemaakt heeft.

En nu moge het in het klein zijn, soms meer volkeren-twist dan een bepaalde oorlog; de Heere wijst ons door dat alles aan, dat er eene roede in zijne hand is om de overtreders te tuchtigen en daarom: „Land, land, land, hoor des Heeren woord!

En Johannes op het eiland Patmos ziet bij het openen van het tweede zegel een rood paard, en dien, die daarop zat, weid macht gegeven den vrede van de aarde te nemen en dat zij elkander zouden dooden en hem werd een groot zwaard gegeven.

Eindelijk werd het vierde gericht: de pestilentie aangekondigd.

Hoe dikwerf vinden we in de Heilige Schrift dit oordeel Gods gebracht.

David kiest van de drie: honger, zwaard en pestilentie het laatste met de woorden: „Laat mij in de handen des Heeren vallen.quot;

En ook hier geldt, wat we van de andere genchten zeiden.

Niet altijd komt dit gericht in volle kracht uit. Maar wie zal durven zeggen, dat dit oordeel in onze dagen rust?

En al is het slechts gering, gaat er niet gedurig eene stemme uit van allerlei besmettelijke ziekte? Moeten dan eerst deoogen

-ocr page 291-

koach — daniel — job. 287

^ ^—^gt;--------------------

\'van land en volk opengaan, wanneer het gericht in volle \'kracht komt, als de overtreding zwaarder is geworden en de mate vol is?

En als Johannes bij het vierde zegel het vale paard ziet en die daarop zat, wiens naam de dood was, dan wordt hem macht gegeven, om het vierde deel der aarde te dooden, niet alleen met het zwaard en met den honger en door de wilde beesten der aarde, maar ook met den dood, wat hier zeker in bijzonderen zin moet worden genomen, van wat we hier lezen ; de ■pestilentie, die in de donkerheid wandelt en op den middag verwoest.

Hoe gelukkig, dat aan dit alles voor Johannes\' oog voorafging het gezicht van Hem, die op het witte paard zat, met den boog in de hand en de kroon op het hoofd, die overwint, opdat Hij overwinne ! De Christus! te midden der oordeelen overwint Hij ! Daarom zal Hii zijne kerk ook door de gerichten heen bewaren.

En wanneer de teekenen der tijden ernstiger worden, is hare verlossing, ja haar Verlosser nabij !

Is achtereenvolgens sonde en gericht geteekend, de Heere spreekt door zijn profeet Ezechiël ook van bevrijding en uitroeiing.

Lees de verzen 14,16,18 en 20 : „Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hunne gerechtigheid alleen hunne ziel bevrijden, spreekt de Heere Heeee. Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo zij zonen en zoo zij dochteren bevrijden zouden! zij zeiven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. Ofschoon de drie mannen in het midden deszelven waren, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zeiven alleen zouden bevrijd worden. Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden deszelven waren, zoo [waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo zij een

-ocr page 292-

288 NOACH — DANIEL — JOB.

-----—#—^$gt;--

zoon, of zoo zij eene dochter zouden bevrijden ! zij zouden alleen hunne ziel door hunne gerechtigheid bevrijden.quot;

In deze woorden wordt de zorgeloosheid en valsche hope op ontkoming voor de goddeloozen ontdekt en wel op aangrijpende en krachtige wijze.

Het ongerechtige en afvallige volk steunde nog op de enkele godvruchtigen, die in recht en gerechtigheid wandelden voor hun God.

Dit nu moet bij den wortel afgesneden worden. Daarom dat woord: „Al waren Noach, Daniël en Job in het midden van een volk, dat zwaarlijk overtrad en onder de gerichten Gods kwam, zij zouden door hunne gerechtigheid alleen hunne ziel bevrijden.quot;

Deze drie mannen worden genoemd als voorbeelden van ware levensgerechtigheid, d. i.: de gerechtigheid, die vrucht is van het leven uit God en die zich in de daden des levens openbaart.

Zoo wordt Noach voorgesteld als wandelend met zijn God en is deze prediker der gerechtigheid genoemd, die door woord en wandel van gerechtigheid getuigenis heeft afgelegd.

Zoo wordt Daniël geteekend, als een trouwe belijder van zijn geloof in de praktijk des levens, voor vriend en vijand.

En van Joh leest ge, dat hij een man was: oprecht, vroom, godvreezend en wijkende van het kwaad. Wat tijdsorde betieft moest Job vóór Daniël komen, er staat echter; Noach, Danielzn Joh.

Dit is opmerkelijk.

Het gaat hier dan ook om de bevrijding van anderen voor te stellen.

En dan is er eene schoone opklimming.

Noach redde met zijne gerechtigheid zijn gansche gezin; vrouw, kinderen en schoondochters.

Daniël redde met zijne gerechtigheid zijne drie vrienden,

zie Daniel 2.

-ocr page 293-

XOACH — DANIEL — JOB. 289

---^—3,----

Job echter kon met zijne gerechtigheid niet eens zijne kinderen redden.

Thans haalt de Heere juist deze drie voorbeelden aan van personen, die uitblonken in de vruchten der gerechtigheid en zegt: „Al waren deze drie mannen in het midden van een land, dat zwaar overtrad, zij zouden van het oordeel en het gericht alleen hunne eigene ziel, d. i. hun eigen leven bevrijden.quot;

Als vanzelf wordt hier niet gedoeld op de gerechtigheid, die voor God noodig is, om onze ziel te bevrijden van den toorn Gods en van het verderf; wij weten, dat alleen de toegerekende gerechtigheid van den Heere Christus kan vrijmaken van den eeuwigen dood.

Maar hier wordt gesproken van den rechtvaardigen en godzaligen wandel, die vrucht is van de genade Gods.

Nu zouden Noach, Daniël en Job door hunne gerechtigheid in de dagen van zoo groote gerichten bevrijd blijven ; maar om de zwaarte der overtreding zou het geene vrucht dragen voor de anderen ; zij moesten dus niet rekenen, het oordeel te ontkomen.

Dit komt vooral uit in de herhalingen.

Er wordt in vers 14 nog niet gesproken van anderen, daar wordt slechts gezegd, dat zij hun eigen leven zouden bevrijden; maar in de verzen 15,18 en 20 wordt er bijgevoegd : „Zoo waarachtig als Ik leef, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden.quot;

Ook hier vindt ge opklimming.

Eerst wordt geleerd, dat in zulke groote gerichten hèt leven der godzaligen van wandel wordt bevrijd; maar vervolgens, dat de gerechtigheid dier godzaligen nooit ten goede zal komen aan afvalligen en goddeloozen ; naardien zelfs de meest uitstekende voorbeelden Noach. Daniël m Job slechts hun eigen leven redden zouden.

Opmerkelijk komt in de eerste uitspraak, vers 14, geene eedzwering voor, in de drie andere wel : nl.: „Zoo waarachtig Ik leef.quot;

Dit vindt hoogst waarschijnlijk zijne oorzaak hierin : Het

w

-ocr page 294-

290 NO ACH — DANIEL — JOB.

---Q,----

eerste, nl. dat God in zulke bijzondere strafgerichten de godzaligen redt, behoefde geene bekrachtiging, wijl deze waarheid niet in twijfel getrokken werd; maar juist de uitspraak, dat de goddeloozen niet zouden bevrijd worden om de gerechtigheid der vromen, behoefde voor de ooren dier valschelijk gerusten deze eedzwering; omdat zij deze vaste verwachting hadden, die hun met kracht moest worden ontnomen.

En zou het niet nog noodig zijn, dat velen die droggrond ontnomen werd?

Al zijn wij nog niet in die mate bezocht en al zijn de gerichten niet zoo zwaar; de waarheid, hie r uitgedrukt, blijft.

Laat toch de onbekeerde van hart en leven, zij het dan onder een dekmantel van vroomheid, niet meenen, dat de gerechtigheid van enkelen, die in godzaligheid en gerechtigheid uitmunten, hem helpen zal, als straks de gerichten en oordeelen in al zwaarder mate komen!

Gesteld, zij waren er: Noach, Daniël en Job, zij zouden in die dagen hunne zonen en dochteren niet bevrijden kunnen ; hoeveel minder de afvalligen van den Heere in tijden, waarin mannen als Noach, Daniël, en Joh, die in gerechtigheid uitblinken, zoo weinige zijn!

Zij er dan in onze dagen nog bijtijds een bukken voor den Heere, opdat niet bij dieperen afval tegenover grooten zegen, des te zwaarder oordeel worde ontvangen. Nu matigt de Heere over land en volk nog menig oordeel of stelt het uit; wie weet, om der rechtvaardigen wil!

Maar als de zonde verzwaard wordt en daarbij het gericht, zal ataderer gerechtigheid ook ons land en volk niet bevrijden !

Voor land en volk is er verwachting, wanneer de vreeze Gods vermeerdert; zijn heil toch is nabij degenen, die Hem vreezen, opdat in ons land eer wone!

Dan wordt genii van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van \'t recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit de aarde blij omhoog;

-ocr page 295-

no ach — daniel — job. 291

------

Gerechtigheid ziet neer van \'shemels boog:

Dan zal de Heer ons \'t goede -weêr doen zien,

Dan zal ons \'t land zijn volle garven biên.

Gerechtigheid gaat voor zijn aangezicht,

Hij zet ze alom, waar Hij zijn treden richt.

Xu volgt de toepassing op het bepaalde geval van Jeruzalem : quot;vss. 21, 22, 23a. „Want alzoo zegt de Heere Heere : Hoe veel te meer, als Ik mijne vier booze gerichten, het zwaard, en den honger, en het booze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit menschen en beesten uit te roeien!quot;

„Doch zie, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgeroerd zullen worden, zonen en dochteren; zie, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hunne handelingen ; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik ■over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.quot;

„Zoo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hunne handelingen zien zult.quot;

De val van Jeruzalem en de samenloop van de vier gerichten zou niet tegengehouden kunnen worden, zelfs niet door de gerechtigheid van Noach, Daniël of Job.

Tot goed begrip dezer verzen moeten wij opmerken, dat er tweeërlei wegvoering naar Babel was; eene eerste wegvoering onder koning Jojachin, waarbij Ezechiël was.

Toen was echter nog de verwoesting over Jeruzalem niet gekomen, waar slechts weinigen overbleven.

Ezechiël profeteert nu aan de eerst weggevoerden in Babel, wat het lot zal zijn van Jeruzalem, van stad en tempel; hoe niets die ontzettende oordeelen zal kunnen weerhouden.

Toch zullen er eenige ontkomenen overblijven en medegevoerd worden naar Babel en nu zullen de eerst weggevoerden .straks dat overblijfsel ontmoeten. De overgeblevenen moeten

-ocr page 296-

292 NOACH — DANIEL — JOB.

--lt;£--^---

de boodschap van de gerichten Gods overbrengen, opdat degenen, die in ballingschap reeds waren, zouden inzien de gerechtigheid van het goddelijk strafgerecht en zich zouden troosten. „Gij zult hun weg en hunne handelingen zien,quot; d. i. gij zult van die ontkomenen, niet alleen hun kommervollen staat en hunne groote ellende zien; maar gij zult aanschouwen hun weg en hunne handelingen, hun slechten wandel en booze werken, gij zult zien, hoe het ten volle verdorven was.

En het gevolg daarvan zal zijn, dat gij tot een recht inzicht komen zult van het noodzakelijke dier goddelijke oordee-len en van het rechtmatige zijner gerichten.

Die zonen en dochteren, die wel den dood ontkomen zijn, maar niet het oordeel der smadelijke wegvoering, zullen u als-een spiegel zijn, wanneer zij hun bedorven weg voortzetten, een spiegel, waarbij gij tot het inzicht komen zult, hoe rechtvaardig God in zijne straf over Jeruzalem is geweest.

Dan zult gij vertroost worden ovsr het kwaad, dat Jehova over Jeruzalem gebracht heeft, en als gij dan die booze werken en dien slechten wandel dier zonen en dochteren zult aanschouwen, zullen zij u vertroosten!

Wat wil dit zeggen?

Vanzelf niet, dat die eerst weggevoerden troostwoorden. zouden ontvangen van de ontkomenen.

Het wil zeggen : Wanneer gij hunne ellende, hunne boosheid,. hunne smaadheid zult zien, zult gij in dezen zin getroost worden,, dat ge bemerken zult, hoe God meer dan reden heeft gehad, om hen aldus te straffen, zoodat ge u over zijne oordeelen tevreden-, zult houden.

Het inzicht in de noodzakelijkheid van het goddelijk strafgericht maakt, dat ge u over het van God gebrachte gericht troost, wijl ge erkent, dat de straf eene welverdiende tuchtiging is ; maar ook, dat God naar zijne gerechtigheid de straf, wanneer die doel getroffen heeft, weder opheffen en den berouw-hebbenden zondaar genade bewijzen zal.

-ocr page 297-

NOACH — DANIEL — JOB. 293

-------lt;£—#-—gt;$gt;--------

Wonderlijk, troost uit het zien van goddelooze werken en (handelingen!

En toch het is zoo, het is nog zoo!

Niet, dat men troost scheppen kan uit de booze daden van .anderen als zoodanig; maar wanneer wij die booze daden en het Goddelijk strafgericht in verband met elkander mogen brengen, voorzeker dan is er troost.

David zingt er van in psalm 119: „Ik heb gedacht aan uwe •oordeelen van ouds aan en heb mij getroostquot;

Voorzeker, er ligt troost in de rechtvaardige vergelding Gods.

Onze Catechismus grijpt deze gedachte zoo krachtig aan in het: „Wat troost u de wederkomst van Christus?quot; „Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgestoken hoofde even denzelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht ;gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte, die al zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelsche blijdsclïap en heerlijkheid nemen zal.quot; Wij -willen niet beweren, dat het bij de eerst weggevoerden, die zelf zoo bestraft werden vanwege hun dienen der drekgoden, dien geestelijken achtergrond zal gehad ■hebben.

Wellicht is het bij menigeen slechts eene uitwendige goedkeuring geweest van het zware oordeel over Jeruzalem. Toch is het eene schrede vooruit, wanneer wij den Heere, zij het dan uitwendig, recht en gerechtigheid toekennen.

Zoo ook nog.

Hoe menigeen let zelfs niet op de oordeelen Gods en gaat in brooddronkenheid en godverzaking voort.

Het is een zegen, wanneer de welverdiende straf wordt ■erkend.

Laten wij er echter niet mede tevreden zijn!

De kleederen scheuren over de oordeelen Gods, is niet ge-aioeg; het hart scheuren, is beter.

-ocr page 298-

294 NOACH — DANIEL — JOB.

----lt;$—^--

Wei is er op uitwendige verootmoediging opheffing van oor-deelen gevolgd; maar nooit zegt de Heilige Schrift, dat dit tot behoud der ziel strekken kan.

Dan is de weg, dat wij innerlijk den Heere God in zijn heilig recht leeren kennen; Hem kennen als den Rechtvaardige, maar ook Hem kennen in Christus Jezus als dengene, die de volkomene rechtvaardigheid ook in het straffen der zonde heeft bewezen in de overgave zijns Zoons op Golgotha\'s kruis.

En wie zoo het rechtvaardig vonnis door zijn eigene ziel voelt gaan, wordt door den Heiligen Geest geleid in de zalige vertroosting, dat God recht is, en in een weg van recht genade bewijst aan den schuldigen zondaar!

Nog wijst de profeet op oorzaak en gevolg in vers 23ö :„En. gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere Heebe.quot;

Niet zonder oorzaak heeft God Jeruzalem verwoest en zijne vier gerichten gezonden.

O, onze God heeft met alles zijn doel, er is geen gevolg, ook bij Hem, of het heeft eene wettige oorzaak en er bestaat een goddelijk verband tusschon oorzaak en gevolg.

Wel is dit niet altijd voor zijne schepselen zichtbaar, menigmaal is het verborgen.

Niettemin het verband is er.

Nu moeten zij weten, dat de Heere niet zonder oorzaak,, niet maar ^villekeurig zoo zwaar heeft gestiaft, maar dat de oorzaak lag in de verzwaarde ongerechtigheid des volks.

Zij zullen weten, dat oorzaak en gevolg op elkander, passen,, en dat er geene onrechtvaardigheid bij God was, als Hij, honger,, zwaard, boos gedierte en pestilentie zond.

Toch kan dit weten ook tweeërlei zijn. Een. uitwendig zien van het verband tusschen zonde en plagen wordt gevonden.

Pharao zag ook gedurig uitwendig dat verband en in zooverre-

-ocr page 299-

NOACH — DANIEL — JOB. 295

---lt;$.

het dient om ons in onze consciëntie te overtuigen, dat zonde en ellende op elkander passen, is het een zegen van Gods alge-meene genade, om dit te doen zien.

Velen deelen echter in de gevolgen der zonde, zonder zelfs een oogenblik na te denken over het verband tus-schen hunne zonde en de zonden van het volk en de gedurige oordeelen, die de Heere zendt in het eigen leven en dat van ons volk.

Maar laten we toch ook niet gerust blijven bij het enkele toestemmen van dat verband. Neen, de kracht van dat verband moet gevoeld, moet bij het licht des Geestes en des Woords worden ingezien.

En zien we dit in voor ons eigen leven, o, dan zullen wij het ook gaan inzien met een geestelijk oog voor wat rondom ons is, ook voor ons land en volk.

Dit laatste is ook dringend noodig.

Of zoudt ge meenen, dat er geen verband bestaat tusschen wat de Heere brengt over land en volk en de volkszonden, die oprijzen tot Hem in den hemel?

Wanneer de Heere doortrekt, dan zal het ook gelden : „Gij zult weten, dat ik het niet zonder oorzaak gedaan heb.quot;

Laat ons onszelven onderzoeken, ons huis, onze omgeving, en de vraag doen:

„Is er oorzaak, dat de Heere over mij, over mijn huis, over land en volk komen moet met zijne oordeelen?quot;

Laat de vrucht van dat onderzoek zijn mogen belijdenis en verootmoediging, ja, een wandel in gerechtigheid, dan zullen we ons zeiven bevrijden in den dag des kwaads en wellicht ook nog onze zonen en dochteren.

Maar verre zij door Gods ontferming van ons geweerd het valsche steunen op anderer gerechtigheid, want de dagen zullen komen, dat ook dit woord weder in vervulling treedt:

„Ofschoon Noach, Daniël en Job in deszelfs midden waren.

-ocr page 300-

296 noach — daniel — job.

Q--gt;$gt;-------

zoo waarachtig Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo zij een zoon of eene dochter zouden bevrijden !quot;

God slaat een gram gezicht

Op boozen, die Hem tegenstaan :

Hij doet hun naam met hen vergaan

Door \'t hoogste strafgericht.

Maar Hij ziet gunstig neer

Op hem, die naar zijn wetten leeft;

God is het, die hem uitkomst geeft,

Zijn grooten naam ter eer. M. J. D. v. D. V,

-ocr page 301-

_______wSma _____________

3amp;©®èëiSSiS©©©amp;©amp;©\'SvS,SÖ©Sgt;SÖSiö!3©0 3SO©®0©ö^\\amp;li

sgoceoolt;sccy3lt;gt;Gxagxaooolt;3lt;socx5!CCiOOcclt;s®cgx5^

■■■P * quot;quot; quot; 7-Sf?\'i±\'?

ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN.

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.

Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.

Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gii met hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Col. 3 : 1-4.

^N de gemeente te Colosse waren verschillende dwalingen binnengedrongen. Eenerzijds waren zij ontleend aan de Grieksche wereldbeschouwing, misschien wel met de bedoeling om op die wijze de Christenen uit de heidenen te winnen ; en anderzijds aan de Joodsche wereld met de kennelijke bedoeling, om de gemeente terug te voeren tot de schaduwen des ouden testaments, welke al hunne waarde verloren hadden. Welk een gevaar alzoo! Gelukte het, de geloo-vigen met deze denkbeelden te vervullen, dan was het met de kerk van Christus te dier plaatse uit. Maar de apostel waakt, hij doorziet den toeleg, hij kent de treurige gevolgen, en daarom bestrijdt hij ze zoo beslist mogelijk. Zonder te sparen, tast hij ze aan, want hij begrijpt, dat alles op \'t spel staat. Met welke krachtige wapenen valt hij de vijandige macht aan, en zet den strijd zoolang voort, tot zij ontzield ter aarde ligt. Doch hij vergenoegt er zich niet mede het valsche in \'t licht te plaatsen, hij

-ocr page 302-

298 ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN.

--^----—

wenscht ook aan de gemeente het rechte spoor te wijzen. Zij heeft iets anders te doen, dan zich met allerlei nuttelooze bespiegelingen bezig te houden. Als zij met Christus opgewekt is, toone zij dit door de dingen te zoeken, die boven zijn.

Met Christus opgewekt. Veelzeggende uitdrukking. Onwillekeurig gaan wij in den geest terug naar den onvergetelij-ken derden morgen, en gedenken wij de heerlijke ure, waarin de steen van het graf gewenteld werd en onze Heiland verrees. Hij had den dood overwonnen en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Doch niet voor zich zelf alleen had Hij de macht van dien koning der verschrikking verbroken, maar voor allen, die Hem van den Vader gegeven waren, en met wie Hij zich vereenigd had. Wij mogen dus zeggen: Toen hij opstond, stonden zij met Hem op. Evenmin als de dood Hem houden kon, kan de dood hen houden. Hij moet hen allen loslaten. Hij heeft geene banden meer, om hen te binden.

Metterdaad openbaart zich die opstandingskracht van Christus ook in al de zijnen, en daaraan heeft de apostel dan ook gedacht, als hij zegt: met Christus opgewekt. Er was een oogenblik gekomen, waarop er uit den verrezen Heiland kracht uitgegaan was in het hart van de Christenen, welke tot dien tijd zich nog bevonden hadden in de macht des doods, en zie, nu waren ook zij tot een nieuw leven geboren. Bij de verbreking der boeien waren zij het graf der zonde uitgegaan, want de drang van het leven der opstanding was hun te machtig geworden. Zij konden zich niet meer gedragen, als tevoren. Welk een ommekeer ! Tot dusver hadden zij geleefd, alsof de behoeften van het hart vervulling erlangen konden op de aarde. Hoe geheel anders was het nu. Zij begonnen te zoeken naar schatten, die zij veracht hadden, en zij verachtten thans, wat zij vroeger op zoo hoogen prijs hadden gesteld. Dat was een gelukkige tijd; de Christenen te Colosse wisten het wel. Naarmate zij door de innige gemeenschap met Christus genoopt werden, zich uit te strekken naar de bovenzinnelijke schatten, naar

-ocr page 303-

ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN. 299 --lt;£—--

die mate smaakten zij den vrede, die alle verstand te boven gaat. „Welnu, als dit zoo is, als het met u zoo staat, handelt dan niet, alsof gij berouw gevoeldet, maar gaat op dien weg voort, en zoekt de dingen, die boven zijn.quot;

Wij verstaan het nu, hoe billijk het is, wat hier aan den Christen gevraagd wordt. Er is een band, die hem met Christus vereenigt, een band, die nimmer losgemaakt kan worden ; hii staat met den verheerlijkten Zoon des menschen in levensbetrekking, en hierdoor is hij onderscheiden van alle anderen; hij leve, hij wandele, hij handele, gelijk het betaamt. En dit is nog zoo, en ook even noodig. Wie in gemeenschap met Christus het leven ontvangen heeft, weet toch op onomstootelijke gronden, dat er behalve de wereld, welke wij zien, nog eene andere is, en dat deze het zoeken ten volle waardig is. Hij is er mede in aanraking gekomen, zij heeft zich aan hem vertoond in hare onvergankelijke schoonheid, zij heeft zich in hem geopenbaard, zoodat hij niet luistert naar wat de mannen van deze wereld verkondigen. Voor al het geroep: „Wij weten niet, of er wel eene andere dan onze wereld bestaat; het is mogelijk, maar het kan ook wel niet zoo zijn; in elk geval weten wij er niets van, het is en zal altijd voor ons blijven een onbekend land, en waarom zullen wij er ons dan mede inlaten?quot; sluit hij het oor; — het hindert hem niet, het schokt hem niet in zijne overtuiging. Die zelfde taal heeft hij beluisterd in zijn eigen hart, maar hij heeft daarin herkend de uitspraak zijner aardschgezindheid, en haar bij het licht van de Zon der gerechtigheid veroordeeld.

In zijn hart is eene snaar, die dadelijk klank geeft, als het woord tot haar doordringt: „Zoek de dingen, die boven zijn.quot; Ja, zegt hij, dat is verreweg het beste.

Doch welke dingen moet de Christen zoeken? Het is waar, er staal duidelijk bi] ; „die boven zijnquot;, en daaruit blijkt wel, dat zijn hart uitgaan moet naar wat boven is.

Maar daar is zooveel boven. Zonder meer is het wel wat vaag. Edoch er is nog eene nadere aanwijzing; „waar Christus-

-ocr page 304-

■300 ZOEKT DE DINGEN, DIK BOVEN ZIJN.

-—-----——-----

is, zittende ter rechterhand Gods.quot; Is het nu nog vaag, nog onduidelijk ?

Zou het onduidelijk geweest zijn als iemand tijdens de oude bedeeling aan Israël toegeroepen had: „Zoek de dingen, die in het heilige der heiligen zijn en bij name die, welke zijn bij de arke des verbonds!quot; Neen.quot; zegt gij, „want bij eene dergelijke opwekking had elk Israëliet dadelijk gedacht aan den zetel van Jehova, aan het verzoendeksel en wat dies meer zij.quot; Pas dit toe en gij zijt er. De troon, waarop Christus naast den Vader plaats genomen heeft, is niet de troon des gerichts, maar die der genade, tot welken wij met vrijmoedigheid naderen mogen, opdat wij in de gemeenschap Gods alle bange zorgen verliezen en op alle angstige vragen een antwoord vinden zouden. Evenals wij in Christus in gemeenschap getreden zijn met onzen verzoenden God en Vader, zoo behooren wij ook voortdurend deze gemeenschap te onderhouden. Waar Christus is, daar is des Vaders gunst, en zij is beter dan de uitgelezen schatten dezer wereld; waar Christus is, daar is de vergeving van al onze schuld, en wie het weet, hoe zwaar de last is, welke onze schuld ons op den schouder legt, welk goed kan begeerlijker voor hem zijn? Waar Christus is, daar is het licht, waarbij al de nevelen opklaren en alle donkerheid wijkt, en wie het weet, hoe akelig het is, in de duisternis te wandelen, voorzeker, hij zal het waar-deeren. In het kort, waar Christus is, daar zijn al de schatten, welke wij niet ontberen kunnen, en die ons rijk maken, zoo rijk, dat wij zeggen: „Al wilde iemand mij geven al het goed van zijn huis, ik zou het ten eenenmale verachten.quot;

De Christen zoeke dan deze dingen. Behoeft het wel aanwijzing, wat wij door zoeken verstaan moeten ? Ieder weet het. Als wij ergens belang in stellen, gaat ons hart er naar uit; er komt al meer eene begeerte in ons op, welke ons aanspoort, den weg in te slaan, waarop wij het vinden kunnen. Gij hebt de menschen maar gade te slaan, en gij weet, wat zij zoeken.

En met welk een ijver jaagt de mensch naar het doel, dat

-ocr page 305-

ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN. 301

--^---

hij zich voorstelt, en met welk eene inspanning tracht hij het te bereiken. Is de zaak van groot belang, dan ontziet hij moeite noch kosten. Zie het in den reiziger Nansen. Men weet: er is eene Noordpool. Tot dusver is het echter niet gelukt, daar te komen. Voor enkele jaren kwam deze man tot de overtuiging, dat er een weg is, en hij heeft het beproefd. Met welk eene nauwkeurigheid werden de maatregelen genomen, met welk eene zorg werd vaartuig en allerlei werktuig in orde gebracht, want men wist, met welke moeielijkheden men te kampen kreeg. Hij is gelukkig met zijne bemanning teruggekeerd, ofschoon hij niet verkregen heeft, wat hij wenschte. Alle nieuwsbladen hebben er over geschreven en den man geprezen, die met zulk eene volharding het eenmaal gevormde plan ten uitvoer legde, en in de geschiedenis van de ontdekkingsreizen zal zijn naam eene eervolle plaats vinden. Velen hebben over de Noordpool geschreven en gesproken, maar van Nansen kan men zeggen Hij heeft haar gezocht.quot;

Zoo nu hebben de Christenen te zoeken. Over die dingen spreken en schrijven velen, en dit is goed, maar dit kan men doen, zonder ze te zoeken. Hij, die ze zoekt, gaat er op uit, gebruikt alle middelen, neemt zijne maatregelen, laat zich niet afschrikken, maar houdt aan, tot hij in betrekking staat tot die onzienlijke dingen, tot hij er zich mede verrijkt, en houdt er het oog op gevestigd. Hij verstaat in beginsel, wat de apostel eens uitsprak: „Wij merken niet aan de dingen, die gezien worden, want zij zijn tijdelijk, maar de dingen, die niet gezien worden, want zij zijn eeuwig.quot; Dat heeft de Christen begrepen. De onvergankelijke waarde er van heeft hij leeren kennen, en daarom worstelt hij tegen zijne geestelijke traagheid, en is het hem eene oorzaak van droefenis, als hij zuchten moet: „Wat kleeft mijne ziel aan \'t stof.quot;

Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Paulus weet het en het is derhalve geen wonder, als hij het nader aandringt: „Bedenkt de dingen, die boven zijn, en niet die beneden zijn.quot; De

-ocr page 306-

quot;302 ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN.

--lt;$,—^--

Christen mag niet uitwendig leven, maar moet letten op de innerlijke roerselen van zijn leven. Daar, waar de beginselen van elke daad zijn, moet hij de wacht betrekken, en zorgen, dat de dingen, die boven zijn, bedacht worden. Wij hebben een hart, dat duizenden behoeften heeft, en dat zich dus altijd verder uitstrekt naar dingen, die buiten ons bestaan, en vergeten wij nu te waken, dan zal het zich bezig houden met de dingen, die beneden zijn, en natuurlijk, dan is er geene plaats voor de wezenlijke schatten.

Maar moeten wij, wat beneden is, dan verwaarloozen ? Wie zegt dat ? Paulus niet, en in zijn leven heeft hij het wel anders getoond. Neen, wie de dingen, die boven zijn, waarlijk zoekt, beschouwt alles, wat beneden is, bij het rechte licht en zal allerwegen de ordinantiën des Scheppers eerbiedigen.

Met welk eene kracht dringt de apostel deze vermaning aan; „Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.quot; Gestorven zijt gij. In het 203te vers van \'t vorige hoofdstuk had hij uitgeroepen; „Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast !quot; Dit geeft eenig licht. Daar toch heeft hij het oog — elke lezer van Paulus\' brieven weet het — op de ceremoniën des ouden testaminta. Daaraan waren zij gestorven d. w. z. er was tusschen hen en heel den Mozaïschen eeredienst eene scheiding ontstaan, zoodat zij niets meer met elkander te maken hadden. Waarom zouden zij die dingen nog bedenken en zoe ken? Wij mogen evenwel eene schrede verder gaan. Trouwsns in het eerste vers was gezegd: „met Christus opgewektquot; en wij zagen, wat dit inhield. Nu, wie opstaat, is eerst gestorven. Bovendien tijdens de afschaffing leefden er duizenden van Israëlieten, maar stierven die allen de oudtestamentische bedeeling af? Dat zii verre, enkelen slechts. Er moet dus eene dieper liggende oorzaak zijn, en deze vinden wij in het geestelijk gestorven zijn van de gemeente, en dit laatste geldt van eiken geloovige, in

-ocr page 307-

ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN. 303

-:-O—^—■$gt;-------

welken tijd hij ook leeft. De Christen is gescheiden van vele zaken, waarmede hij vroeger vereenigd was. Zoo is het b. v. met de wet. Het kan schijnen, alsof er geen verband tusschen den mensch en de wet bestaat, maar het is zoo niet, Ieder Christen heeft het ondervonden. Eens in zijn leven greep die wet hem aan, en vroeg om betaling. Hij trachtte haar te ontkomen, doch het baatte niet. Zij hield hem vast, en ontdekte zich aan zijn bewustzijn in al hare majesteit. Hij beloofde, haar te zullen bevredigen, en hij begon rekening te houden met al hare eischen. Er kwam werkelijk eene groote verandering. Hij wilde heel zijn leven in overeenstemming brengen met \'s Heeren bevelen. De wet evenwel vroeg altijd meer, drong altijd strenger aan, wees op het onvolkomene van al zijne verrichtingen, wilde zelfs het hart geheel rein hebben. Ach, welk een onderscheid was er tusschen de smettelooze heiligheid, welke de wet begeerde, en het beste van al zijne verzuchtingen. De toestand werd van dag tot dag meer onhoudbaar. Eindelijk moest hij het opgeven, want de laatste hoop lag ontzield ter aarde. Al zijne verwachtingen waren verdwenen, en in die ure ging zijn oog open voor Hem, die het einde der wet is. Nu wendde hij zich met al zijne schuld, en met al zijne onreinheid tot Christus, wiens bloed betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Aan de wet was hij gestorven, maar ook meteen aan zich zelf. Zijn ik was in den dood gegaan, en omdat hii niet meer eenig steunpunt vond in zich zelf, zocht hij het buiten zich in Christus-Zoo was hij dan gestorven. De apostel mocht het zoo noemen, vermits het zoovele punten van gelijkheid heeft met wat wij gewoonlijk onder sterven verstaan. Sterven is pijnlijk. Zelfs bij den zachtsten dood komen er van die tragische oogen-blikken, welke ons den uitroep op de lippen brengen: „Wat is sterven toch vreeselijk.quot; Zonder pijn gaat het bij het geestelijk sterven ook niet Wij willen er niet aan ; wij zien er tegen op, want wij gevoelen: het is eene harde zaak. Het kan zoo smartelijk zijn. Doch hoe smartelijk ook, het is een zegen, want

-ocr page 308-

304 ZOEKT DE DINGENquot;, DIE BOVEN ZLTN.

--—■#—$gt;------

hier rijst het licht uit het donker, uit het verlies komt de winst, uit den dood het leven. Wonderspreukig klinkt het: „Gjj zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in Godquot; ; niettemin is het zoo. Zij, die gestorven zijn, leven. Wij willen er niet naar staan om het te omschrijven, wat dit wel zegt, aangezien het nooit gelukken zal. Maar het is een groote schat, want dit leven is aan de macht van den dood ontsnapt, het is onvergankelijk, en het lescht den dorst onzer ziel volkomen. Maar het is nóg verborgen, evenals Christus verborgen is. Gelijk Christus door de hemelvaart onttrokken is aan het oog, zoo is het leven van den Christen bedekt. De wereld ziet en verstaat het niet, en daarom zal de wereld het ook altijd verkeerd be-oordeelen. In de dagen der apostelen begon zich dit leven overal te doen gelden in het groote Romeinsche ryk ; het maakte in alle standen veroveringen en hoe beschouwde men het? Tacitus heeft het uitgesproken. Wijl de Christenen geene beelden hadden in de plaatsen hunner biieenkomst, achtte hij hen gelijk aan menschen, die met het bovenzinnelijke gebroken hadden.

En dit was geen man, die zoo maar klakkeloos iets zeide; neen, wij bewonderen nog altijd in hem den nauwkeurigen historieschrijver, die een zeldzaam scherpen blik aan zin voor tiouw en waarheid paarde. En hoe was het in de dagen der Reformatie ? Beter ? Maar weet gij dan niet, wat Filips II, koning van Spanje, zeide ? Liever wilde hij 1000 dooden sterven, dan toestaan, dat zulke menschen in zijn gebied en onder zijn schepter leefden. En hij stond niet alleen. Hij vertolkte, wat daar leefde in het hart van heel de godsdienstige en beschaafde wereld dier dagen. En zou het sinds dien tijd anders zijn geworden ? Op alle gebied toch is er vooruitgang. Op dit alleen niet. De wereld acht het dweepzucht, pharizeïsme, bijgeloof, onkunde en met welke liefelijke namen zij voorts de Chiistenen wil treffen.

Verborgen is het voor de wereld, ja, voor u zeif. Gij kunt er ook niet bij. Het onttrekt zich aan uw onderzoek. Dewer-

-ocr page 309-

ZOEKT DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN. 305 ---lt;§.—^-----

king ondervindt gij, maar de wijze waarop is voor u bedekt. Of herinnert ge u niet eene ure, waarin gij beladen onder uwe schuld uw pad\' bewandelde^? Gij hadt belijdenis gedaan, maar uwe schuld bleef drukken. Doch zie, eens waart gij weder in uwe binnenkamer gegaan, terwijl gij de deur gesloten hadt. Daar boogt gij uwe knieën, uw hart ging open, gij legdet alles bloot, niets hieldt gij achtereen wonderlijk ! — er daalde uit den hemel vrede in uwe ziel, de ontroerde wateren van uw leven legden zich neder. Hoe kalm, hoe rustig werd het daar binnen, en blijdschap, heerlijke, onuitsprekelijke blijdschap vervulde u. Met een bezwaard gemoed kwaamt gij, en met lichten tred en een huppelend hart gingt ge. Nooit vergeet gij het weder. Maar verklaren kunt gij het ook nimmer.

Doch dit is niets, want het moge verborgen zijn, het is veilig. Het ligt buiten het bereik van alle vijanden. Treffend aangewezen: in God. Wie zou het uit God durven halen ? Stel eens: Satan zou het wagen — zou hij het ook kunnen ? Onmogelijk. Daar kan hij niet komen. Hij moet er afblijven, al knarsetandt hij van spijt, \'s Heeren majesteit doet hem stil staan, — de gloed van \'s Heeren oog doet hem vluchten. Veilig is het daar ook voor de verleiding der wereld en voor uw eigen arglistig hart. Welk eene nederbuigende goedheid Gods straalt hierin door. Er was nergens eene veilige schatkamer in den hemel noch op de aarde, in niemands hand was het vertrouwd, onder niemands hoede was het veilig. Toen verborg God het in zich zelf — want Hij wilde niet, dat het voor u te loor zou gaan.

Ontrukken kan geene macht ter wereld het u, en eens treedt het volkomen aan \'t licht. Evenmin als Christus verborgen blijft, blijft uw leven het. Hij wordt eens geopenbaard. Als de zichtbare hemelen ineengerold worden als een doek, vertoont Hij zich — niet, zooals Hij in de volheid des tijds verschenen is.

Toen kwam Hij in de gestalte eens dienstknechts, maar nu in de heerlijkheid, welke Hij had vóór de grondlegging der

wereld. Met Hem zult gij geopenbaard worden in heerlijkheid.

20

-ocr page 310-

306 ZOEKT DE DINGEN; DIE BOVEN ZIJN.

------——

Hij toch is uw leven en daarom was uw leven op aarde aaa het zijne gelijk, daarom schuilt het leven der gemeente hier weg achter het schamele kleed eener dienstmaagd, maar ook daarom glijdt dit eens van uw schouder, en treedt uw leven in heerlijkheid te voorschijn. Dat weet de wereld niet, dat er zulk een glans van dit leven zal uitstralen, maar gij gelooft het, en om die reden gaat uw hart uit naar dien dag, snelt gij hier in het gebed uw Heiland ^tegemoet, en verlangt gij naar de openbaring van Christus, omdat gij de heerlijkheid van Gods naam iiefhebt en deze eerst volkomen tot haar recht komen zal, als al het volk des Heeren gekleed is in die heerlijkheid en met dien vollen luister.

Heeft de apostel dus geen recht, als hij u oproept, om de dingen, die boven zijn te zoeken. Laat uw leven daarop gericht zijn, opdat gij met Azaf van harte zingen kunt:

Wien heb is nevens U omhoog?

Wat zou mijn liart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten ?

Niets is er, waar ik in kan rusten Bezwijkt dan ooit in bitt\'re smart Of bangen nood, mijn vleesch en hart,

Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed !

Ps. 73 : 13.

E. L- B.

-ocr page 311-

DE HEILIGE WATEREN.

Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en zie, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten ; want het voorste deel van het huis was in het oosten ; en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.

En hij bracht mij uit door den weg van de Noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; en zie, de wateren sprongen uit de rechterzijde.

Als nu die man naar het oosten uitging, zoo was er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.

Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.

Voorts mat hij nog duizend, en het was eene beek, waar ik niet kon doorgaan ; want de wateren waren hooge wateren, waar men door zwemmen moest, eene beek, waar men niet kon doorgaan.

En hij zeide tot raii : Hebt gij het gezien, menschenkind ? Toen voerde hij mij en bracht mij weder tot aan den oever der beek.

Als ik wederkeerde, zie, zoo was er aan ■den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.

Toen zeide hij tot mij; Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galiléa, en dalen ar in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden lt;le wateren gezond.

Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel

-ocr page 312-

308

DE HEILIGE WATEREN.

-lt;$■—#—O-

die er wemelt, overal, waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.

Ook zal het geschieden, dat er visschers aan dezelve zullen staan, van Engedi aan tot En-eglaïm toe, daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar visch zal naar zijn aard wezen, als de visch van de groote zee,, zeer menigvuldig.

Doch hare modderige plaatsen en hare moerassen zuilen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.

Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spiisge-geboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan ; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren vlieten uit het heiligdom; en zijne vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heeling.

Ezechikl 47 : 1 — 12.

ET water is dikwerf zinnebeeld van leven. Geen wonder. Als alles dor, droog en doodsch is, ontkiemt het en bot het uit, groeit en bloeit het, wanneer de Hemel regen geeft.

quot;Wanneer de Heere het aardrijk uit zijn winterslaap ontwaken, of door groote droogte dor en mat geworden,, door milden regen herleven doet, dan vernieuwt Hij het gehat des aardrijks, dan vertellen de hemelen Gods eer, het uitspansel zijner handen werk, dan stort de dag aan den dag overvloe-diglijk sprake uit.

Zoo nu is het ook op het gebied des geestelijken levens\'.

Aan eene onvruchtbare aarde, aan eene aarde, die doornen en distelen voortbrengt, is de mensch en zijn de volkeren der-aarde door de zonde geüjk geworden. En het volk Gods, de-.

-ocr page 313-

DE HEILIGE WATEREN. 309

----lt;^.—----

Kerk des Heeren is. helaas ! nog menigmaal gelijk aan een land, dat, dor en mat, van droogte brandt. Alzoo was het vóór de gevankelijke wegvoering naar en ook nog tijdens de ballingschap in Babel; dus in den tijd van Jeremia en Ezechiël.

Het volk des Heeren was een smaad, en het moest een zegen zijn voor de volkeren der aarde.

Deze Godsmannen weenden daarover en baden den God ■der vaderen, dat Hij zijn volk niet zou doen wegkwijnen, maar dat het Hem zou behagen, de gevangenisse Sions te wenden, gelijk waterstroomen in het zuiden.

Aan een milden regen van geestelijk leven had het be-\' hoefte. Zou het verlost worden en aan zijne bestemming beantwoorden, zou het herleven, groeien en bloeien, dan moest het dien ontvangen. Wij mogen aannemen, dat de profeet Ezechiël hierom gebeden heeft, en dat de Heere hem als verhooring van het gebed de reeks gezichten heeft gegeven, waartoe ook het gezicht der heilige wateren behoort.

In deze gezichten deed zijn God en Heere hem zien, dat . het oogenschijnlijk verloren huis Gods herbouwd en ten zegen worden zou. Ja, boven bidden en denken zou de Heerê zegenen. We lezen er van : „Zijne, stem was als het geruisch van vele iva-termquot;.

„En zie, de heerlijkheid des Heeren had het huis des Heeren vervuld. En de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheidquot;.

De Heere zou zich ontfermen, Hij zou wederkeeren, in het midden zijns volks wonen, het zegenen, ja, van het heiligdom zou een zegen uitgaan voor de volkeren der wereld.

Toen de profeet dat zag, viel hij, gelijk later Johannes, op zijn aangezicht. (Ezechiël 44 : 4.)\' Blijkbaar was hij toen enkel aanbidding, bewondering en dankzegging. Nu, dat kunnen wij begrijpen. Bij de reeks van gezichten, waarin hem dat alles getoond werd, behoort het gezicht der wateren, dat wij hier in het bijzonder overdenken.

Laten wij achtereenvolgens nagaan; de hooge beteckenis; den

-ocr page 314-

§10 DE HEILIGE WATEREN.

-------^1

hoven nutuurlijken oorsprong; het voortdurend wassen; en de heilrijke werking dezer wateren.

Sommige uitleggers der Heilige Schriften meenen, dat wij\' aan deze wateren niet zulk eene hooge beteekenis moeten hechten. Zij gaan van de gedachte uit, dat hier alleen van natuurlijk water sprake is; nl. van het water, dat uit de fontein-Etham naar den tempel werd geleid, teneinde den tempel, het voorhof, de offerande en de gereedschappen van den dienst te reinigen; en dat wij hier dies de voorspelling der wederoprichting des tempels, en van den dienst Gods in den tempel hebben-

Wij zeggen: gewis is deze wederoprichting van den tempel en de herstelling van den dienst Gods in den tempel niet buiten gesloten, maar begrepen in deze reeks van gezichten ; en ze wordt verondersteld in het gezicht der wateren, dat wij bespreken.

Maar meer, veel meer dan dat wordt den profeet in deze gezichten getoond en toegezegd, dan deze herstelling. Insgelijks wordt in het gezicht der wateren veel meer voorspeld en gezien, dan dat bij de wederherstelling des tempels het water uit de fontein Etham naar den tempel zou worden geleid en dezen zou dienen.

Immers wat van het water in ons gezicht gezegd en gezien wordt, kan onmogelijk alles gezegd zijn van het water uit de-fontein Ethams. Van die diepte, breedte en modderige plaatsen,. van dien plantengroei, die spijze en die visschen kan in betrekking tot het water in den tempel uit Ethams fontein wel

geene sprake zijn.

Zelfs hebben wij o. i. hier met meer dan eene gelijkenis te

doen.

Eene allegorie is het, die wij hier aantreffen. Door woor-dea, aan de natuur ontleend, en waarbij het water uit Ethams fontein in aanmerking komt, worden geestelijke dingen, rijke geestelijke zegeningen door den Heere aan den profeet voorgesteld en beloofd.

\'t Is daarom, dat wij van de hooge beteekenis dezer wate-

-ocr page 315-

DE HEILIGE WATEEEN. 811

-----

ren spreken en van heilige wateren aan het hoofd dezer over-denking gewag maken konden.

De beteekenis van dit gezicht is zóó rijk, dat zelfs\'de man, die het ontving, den ganschen zin er van wel niet zal overzien hebben. Een- en andermaal komt de Heere kennelijk op dit gezicht terug, en wordt het nader door Hem verklaard, gelijk zoo menigmaal met de profetien geschiedt.

In Zacharia 14 : 8 en 9, Openbaringen 22 : 1 v.v., ontving de Kerk er eene nadere verklaring van. Bij Zacharia luidt het: „Te dien dage zal het geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de Oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn. En de Heere zal tot Koning over de gansche aarde zijn; te dien dage zal de Heere een zijn, en zijn naam een.quot;

Bij Johannes is het: „En hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. In het midden van hare straat, en op de eene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.quot;

Wat reeds uit de gezichten van Ezechiël blijkt, krijgt door de nadere verklaring van ons gezicht in de aangehaalde verzen volkomene duidelijkheid, namelijk, dat het loopt en voorzeggingen doet tot den tijd van het einde.

Den rijkdom der zegeningen, die èn over Israël èn over de volkeren der aarde zal worden uitgestort, doet de Heere hem zien. „En de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid,quot; lezen wij bij Ezechiël. Bij Zacharia; „Be Heere zal te dien dage tot koning over de gansche aarde zijn. Terwijl Johannes ons zegt; „Be bladeren des hoorns waren tot genezing der heidenen .quot; Deze wateren zouden dus van hooge beteekenis, van de allerrijkste beteekenis zijn voor al de volken der aarde.

-ocr page 316-

812 DE HEILIGE WATEREN.

--^---

De kerke Gods zou niet wegsterven, maar leven en zich. uitbreiden onder alle natiën.

Maar om de hooge beteekenis van het gezicht der wateren nog meer te doen uitkomen, moet de vraag worden beantwoord: „Welke zijn de geestelijke zegeningen, die in woorden, aan de natuur ontleend, in het bijzonder aan het water, naar den tempel heengeleid, den profeet worden vertoond en toegezegd?quot; De antwoorden, op deze zeer belangrijke vraag gegeven, zijn niet eensluidend. Er zijn er, die hier alleen van het evangelie en zijn loop door de wereld gewag zien gemaakt en dies willen gesproken hebben. Terwijl anderen meenen, dat in het gezicht dei-wateren van de uitstorting des Heiligen Geestes en van zijne zegeningen en werkingen wordt geprofeteerd. Maar weer anderen passen het toe op de waarachtige bekeering des menschen, en wel in haar aanvang en in haar voortgang.

Ons komt het voor, dat dit alles, zoowel het eene als het andere, hier vertoond en gezien is en geloofd moet worden. Het eene sluit het andere immers niet uit, maar het behoort bij elkander. Waar het evangelie komt, daar is ook de Heilige Geest; en ook omgekeerd : waar de Heilige Geest is, daar is ook het woord des evangelies. En waar de Geest en het Woord zijn, daar worden menschen tot den Heere bekeerd en ook opgebouwd in het geloof.

De Heere nu doet den profeet zien, dat de tempel herbouwd en de gemeente zal uitgebreid worden, zal uitgebreid worden van oord tot oord.

Geheel in overeenstemming met het gezicht der wateren gaat dit gepaard mét en geschiedt dit door de uitstorting van den Geest der genade en der gebeden. En deze uitstorting gaat niet buiten het Woord en de bediening er van om. Door de dwaasheid der prediking maakt de Heere zalig, die gelooven. Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.

Aan de levende, geestelijke wateren, aan de wateren des heils, die hemelschen zegen verspreiden, daar waar ze neder-

-ocr page 317-

DE HEILIGE WATEREN. 313

--^—O------

dalen, aan die wateren, die den dood doen wijken en de doodsch-heid wegnemen en overal nieuw en Goddelijk leven geven, moe-te\'n wij denken bij dit gezicht.

Daarom is het dan ook van zulk eene hooge beteekenia. Maar vanwaar komen die wateren? Uit de fontein vanEtham?

Zijn ze gaven der natuur, der schepping Gods ?

Neen. Het zijn geestelijke wateren. Deze nu komen niet van beneden, maar wel van boven. Ze zijn geene gaven der schepping, maar der genade, die in Christus Jezus, door den Heiligen Geest, aan dood- en doemschuldigen worden geschonken. Ze zijn gaven der vrije liefde en der ontfermingen Gods. Dit wilden wij zeggen, toen wij spraken van haar hovennatuurlvj-ken oorsprong.

Ze zijn niet tegen-, maar öovewnatuurlijk.

De natuur kan ons en de volken der aarde niet uit onzen doodslaap doen opstaan en ook de vervallene hut van David niet weder oprichten. Nieuwe wegen moeten daarvoor worden gebaand, wegen, die op het terrein der schepping niet gegeven waren en daarom ook niet konden gevonden worden. De wonderen van Gods genade, die hetgeen de Heere in de natuur gaf zeer verre te boven gaan, moeten worden geopenbaard.

De natuur moet evenwel het rijk der genade dienen. Daarom loopt ook het water uit de fontein van Etham naar het heiligdom. Maar ook omgekeerd, moet de natuur door de wonderen van Gods genade van de zonde en haar vloek verlost en alzoo herboren worden.

Dit nu geschiedt door de wateren, die uit het heiligdom komen. Wanneer alles, wat in deze reeks van gezichten voorzegd is, zal vervuld zijn, hebben wij dan ook een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid wonen zal.

Want opmerkelijk is het, en het moet daarom onze aandacht trekken, dat de wateren uit de fontein Etham naar het heiligdom liepen, en dat de heilige wateren, waarvan sprake is in onze tekstwoorden, niet van buiten naar binnen, maar wèl

-ocr page 318-

314 DK HEILIGE WATEREN.

-----------^-----

omgekeerd, van binnen naar buiten, ja, van uit het heiligdom ten slotte naar de Doode Zee loopen.

De oorsprong dezer wateren is alzoo eene geheel andere; hij is bovennatuurlijk. Zooals gezegd is, zijn zij geene gaven der schepping, maar der genade en der herschepping.

Ze vlieten, staat er in vs. 12, „uit het heiligdomquot; ; dus onmiddellijk uit de woonplaats van Hem, die de oorsprong van alle levenskracht en vruchtbaarheid is.

De nadere verklaring, hiervan in de openbaring van Johannes gegeven, maakt het ons nijg duidelijker, dat zij als gave der genade van Boven komen; daar toch luidt het: „ Voortkomende uit den troon Gods en des Lams.\'\' Van den Vader aller genade dalen zij dus in Christus Jezus den Heere op de kinderen der menschen en op de aarde neer. Als de Heere de aarde en hare volken zegent, sluit Hij zich altijd aan aan het werk, dat Hij reeds begonnen heeft. Hij woont in het midden van zijn volk, en van uit zijn midden gaat en werkt Hij verder. Hij zet en breidt zijne kerk uit; Hij zegent haar en doet haar ten zegen zijn; ja, zij is medearbeidster Gods. „Beginnende van Jeruzalem,quot; zoo was het daarom in de dagen der apostelen, en zoo is het ook naar de gezichten, aan Ezechiël gegeven.

Het eerste woord van vs. 1, het woord; „Daarnaquot;, wijst ons op den rijkdom der zegeningen, den profeet getoond en beloofd. Na alles, wat Hij hem reeds getoond en beloofd had, ont-r ving hij alweer een ander, een nieuw gezicht, het gezicht der heilige wateren. Zie, zoo maakt de Heere hem en de kerk, dus ook ons, gedurig rijker. Het eene is niet geopenbaard en gegeven, of het andere komt. \'tls een schat van zegeningen, niet te overzien.

„Daarnaquot;, zoo luidt het, „bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en zie, er vloten wateren uit van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten; en de wateren daalden af van onderen uit de rechterzijde des huizes van het zuiden des altaars.quot;

-ocr page 319-

DE HEILIGE WATEHEN. 315

-lt;5-——-lt;•gt;-----—

„En hij bracht mij uit den weg van de noorderpoort, en voerde om den weg van buiten tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet, en zie, de wateren sprongen uit de rechterzijde.quot;

„Hij bracht mij weder tot de deur van het huisquot;, zegt de profeet. Uit de vss. 5 en 7 van hoofdstuk 43 nu blijkt het, dat ,de man, die met hem sprakquot;, de engel van Gods aangezicht is; want Hij zit op den troon, en daar zal Hij wonen tot in eeuwigheid. Door den Heere zelf, als aan zijne hand, wordt hij dus geleid en bij alles bepaald. O, hoe genaderijk en diep buigt Hij zich tot het „Menschenkindquot; neder !

En hoe vriendelijk en vaderlijk klinkt het ons in de ooren, waar wij lezen; „Hij bracht mij weder tot de deur van het huis, en zie, er vloten wateren uit.quot;

God moet en wil ons in het bijzonder bepalen bij hetgeen Hij ons zien laat en geven wil. Hij bracht hem hier „toederquot;\' Hij was er dus al meer geweest. Maar nu wil de Heere hier eens met hem stil staan en hem een schat van zegeningen openbaren en verzekeren. De wateren, die hij hier ziet. worden, heilige, levende, vruchtbaarmakende wateren.

Daarom gebruikt de profeet onder Geestes leiding een en andermaal het woord der bewondering, zeggende: „En zie!quot; Geen wonder. Want ze komen van de zijde des aUaars; ze sprongen uit de rechterzijde van den opgang, en ze gingen naar alle zijden van het huis.

Op het altaar wordt het offer gebracht en geslacht; en dat-altaar en dat offer is de man, die met hem sprak, is de Heere Jezus Christus. De wateren komen uit het heiligdom, „uit den troon Gods en des Lamsquot;, zegt Johannes. Als wij daarbij bepaald worden en dat zien mogen, dan zijn wij enkel bewondering, dan gaan wij op in aanbidding en dankzegging. Dan verstaan wij, wat het zegt: deze wateren zijn van bovennatuurlijken oorsprong.

Nog meer. Deze wateren sprongen uit de rechterzijde, uit

-ocr page 320-

•316 DE HEILIGE WATEREN.

-^^----

de rechterzijde van den opgang. Ook daarop wordt door het „en ziequot;, bijzonder de aandacht gevestigd. Geen wonder. Het wil immers zeggen, dat zij in de gunste, uit ontferming Gods, als blijk en vrucht van zijn Vaderlijk welbehagen, in den Zoon, die het Lam Gods is, door den Heiligen Geest nederdalen van ■den troon.

Daarenboven gaan zij naar alle zijden van het huis, en vervullen zij dus den tempel. Ze gaan van het zuiden naar het oosten en naar het noorden, ja, waar de Heere hem ook henenleidt en hij het oog opslaat, overal ziet hij de wateren des heils, de zegeningen der liefde Gods. Zóó overvloedig vloeien .zij van den troon Gods en des Lams in de eerste plaats en vóór alles in het huis, in de kerke Gods daar henen.

Welk een onderscheid ! nu dor en mat, van droogte brandend, en tot eene aanfluiting der volken, en dan met de heerlijkheid Gods vervuld, dan met zegeningen bij zegeningen verrijkt, dan, de pilaar en vastigheid, de draagster der heilswaarheid, dan, het orgaan des Heiligen Geestes, waardoor Hij spreekt tot en arbeidt onder de volken; hen zegenende en al zoo de kerk uitbreidende in steeds toenemende mate.

Gewis, wat de Heere den proleet zien laat en toezegt, ia boven bidden en denken. Ja, het is meer, dan hij begrepen heeft; in zijn geheele leven zelfs zal hij niet hebben overzien, wat in deze gezichten opgesloten lag en dies verzekerd was. Wat God hem gaf, was voor de geslachten tot aan \'3 werelds einde.

Bij zooveel, dat hier opmerkenswaardig is, is ook nog, dat, de Heere hem eerst en terstond in het heiligdom, naar de bron, naar den aanbiddelijken oorsprong der wateren leidt, en daarna naar de stroomen. Eerst naar binnen en toen naar buiten. Wij klimmen in den regel, omgekeerd, van de stroomen tot de bron op.

Volgden wij hem, gelijk God hem leidde, eerst naar binnen, en stonden wij daar bij de bron, bij den bovennatuurlijken oorsprong dezer wateren stil, welnu, laten wij dan nu ook met

-ocr page 321-

DE HEILIGE WATEREN. 317

----—---—lt;$:-—s$gt;---

hem naar buiten gaan, en op het voortdurend wassen dezer levende wateren acht nemen, en alzoo tot de levende stroomen komen.

Het is insgelijks belangrijk. Want wij zien er de gedurig mildere bedeeling des Geestes, den voortgang van het evangelie en de uitbreiding der kerke Gods. Gingen wij mee van het stroompje, dat van onder den dorpel des huizes kwam, naar de bron,, wij gaan thans van de bron naar de stroomen. Want het stroompje, waar de Heere hem eerst hee nleidde, waarbij Hij met hem bleef staan en dat hij met bewondering zag, verbreedt zich gestadiglijk, en daarenboven wordt het dieper en dieper.

In ieder opzicht, in breedte en diepte nemen dus de wateren toe.

„Als die manquot;, zoo lezen wij, „naar liet oosten uitging, zoo was er een meetsnoer in zijne hand, en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen. Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën ; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de watereu raakten tot aan de lenden. Voorts mat hij nog duizend, en het was eene beek, waar ik niet kon doorgaan, want de wateren waren hooge wateren, waar men door zwemmen moest, eene beek, waar men niet kon doorgaan. En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, menschenkind ? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek.quot;

Bij aandachtige lezing krijgt men aan den eenen kant den indruk, of de wateren alleen, en in die gansche breedte en diepte, in het huis Gods zijn. Zoo is het, als men de zooeven afgedrukte verzen, in verband met de verzen 1 en 2 leest.

Leest men echter het overige gedeelte van onzen tekst, dan krijgt men den indruk, dat zij ook buiten het huis Gods overal elders henenvlieten.

Beide nu is waar. Daarom gaat het dan ook geheel overeenkomstig deze voorstelling. Immers daar, waar de Heere door

-ocr page 322-

318 DE HEILIGE WATEREN.

-----lt;$■—--

zijn Geest en Woord komt, is en werkt, daar heeft men ook het huis des Heeren. De Heilige Geest doet door de gaven zijner genade alles gewijden grond, huis des Heeren worden.

De muren der kerk zet Hij uit, naarmate Hij de volkeren bezoekt en zegent met de genade des heils.

Het huis Gods treft men nu reeds over de geheele aarde aan. En waar het huis Gods is, daar is de Heilige Geest en daar zijn de gaven zijner genade, en waar de Heilige Geest is •en de gaven zijner genade zijn, daar is ook de kerk.

De kerk Gods uitbreiden en doen komen onder alle volken is de belofte, is naar de gezichten, aan Ezechiel gegeven, en het werk en het doel des Geestes.

Dienovereenkomstig ziet de profeet, en zien wij met hem, de wateren dan ook gedurig in breedte toenemen; want tot driemalen toe ziet hij den man Gods bij vernieuwing duizend ellen meten. Ziet hij mitsdien overal de wateren vloeien, den Geest Gods werken en zegenen, het evangelie de overhand krijgen, de kerk, door waarachtige hekeering, zich uitbreiden; meer nog dan dit mag hij aanschouwen; immers de wateren nemen niet slechts in breedte toe, maar ook in diepte.

Ook in diepte.

Het ondiepe stroompje van onder den dorpel is dieper en dieper, ja, is eene onpeilbaar diepe zee van levend water geworden.

Het is eene opeenstapeling van water, eene vermenigvuldiging van gaven des Geestes, waarbij wij hier worden bepaald. In steeds toenemende, in gedurig rijkere mate zou de Heere den geest der genade en der gebeden uitstorten.

Alzoo is het geschied en zal het nog geschieden.

In het laatste der dagen zal de satan gebonden zijn en zal de Heere op bijzondere wijze in het midden zijns volks wonen en het zegenen.

De volheid der heidenen zal ingaan, en Israël zalig worden. En „wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden?quot; „Te dien dagequot;, zegt Zacharia in de reeds aan-

-ocr page 323-

DE HEILIGE WATEREN. 319

—-—-lt;5-—-----

gehaalde plaats, „zal de Heere één zijn, en zijn naam één.quot;

Yan een rijkdom van zegeningen, wiens breedte wij niet meten en wiens diepte wij niet peilen kunnen, is er sprake in de woorden onzer overdenking. En dat hij een toenemende is, wordt ons duidelijk, waar wij vernemen, dat het ondiepe, gelijkvloersche stroompje, dat van onder den dorpel des huizes kwam, wateren geworden zijn, die tot aan de enkelen raakten; en dat deze wateren zóó toenamen, dat zij bij de tweede opmeting tot aan. de knieën, bij de derde tot aan de lenden en bij de vierde over het hoofd henengingen, alzoo dat men er niet meer door gaan, maar alleen door zwemmen kon.

Het ligt voor de hand, dat, naarmate de Geestesgaven meerder zijn, ook het opwassen in de kennis en in de genade van God en Christus toeneemt. Naarmate de wateren des heils en des levens rijkelijker vloeien, wordt de kerk, worden de kinderen Gods ook dieper ingeleid in de heilgeheimen van het hemelsch koninkrijk.

Zie, ook dat wordt ons hier aanschouwelijk voorgesteld.

De Heere toch leidt den profeet bij het stroompje; van het stroompje naar de bron en den oorsprong der zegeningen. Hij doet hem ook stilstaan bij het altaar; bij God en bij het Lam wordt hij dus bepaald; en voorts meet Hij voor zijne oogen, ja, dat doet Hij herhaalde malen; daarop doet Hij hem herhaaldelijk door de wateren gaan en steeds dieper gaat hij in de wateren ; eindelijk gevoelt hij geen grond meer, de wateren gaan over hem henen, en hij moet zwemmen.

Inderdaad, zoo is het ten slotte. Maar zien wij op de kerk Gods na de ballingschap tot op den tijd van de uitstorting des Geestes, dan isr het: „De Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.quot;

Toch was hij er; nooit week Hij geheel van de kerk. Zonder den Heiligen Geest en zonder het Woord Gods is er geene kerk. Doch toen vloeiden, vergeleken bij de dagen na Jezus\' komst, leven en verheerlijking en na de uitstorting des Gees-

-ocr page 324-

820 DE HKILIGE WATEEEN.

----lt;$quot;■--^-T-

tes op het Pinksterfeest, de wateren des Geestes nog gering, nog slechts bij kleine stroompjes. Maar toen de Zoon van God mensch werd, in zijn leven op aarde, bij zijn dood en opstanding uit de dooden, was de nieuwe bedeeling aangebroken, en daalden de wateren des heils, als bij volle stroomen van den troon Gods en des Lams. Dit was inzonderheid het geval, toen Hij aan de rechterhand Gods gezeten en verheerlijkt zijnde, den Heiligen Geest over zijne jongeren en de kerk uitstortte.

In dezen geheel eenigen tijd, wiesen de wateren des heils zóó snsl, dat er gedurig kon gemeten worden en dat de wateren zich weldra verhieven boven de hoofden der apostelen. Ja, het werd voor hun geloofsoog en voor hun bewustzijn eene zee van liefde, waarvan zij de breedte en diepte meten, noch peilen konden. Deze zee van liefde Gods stroomt sinds de wereld door. Doch zullen wij ze zien en er in zwemmen, dan moet de Heere ons, gelijk Ezechiël, bij de hand nemen, de oogen er voor openen en er ons inleiden. Zie, dan breekt ze zich ook baan in de harten, ja, dan verheffen zich daar deze wateren des heils en des levens, en drinken wij met volle teugen uit deze beken van Gods wellusten.

Maar wij moeten thans niet bij het stroompje dat in het heiligdom onzes harten vloeit, stil staan. Velen willen dat, en wel altijd en bij eiken tekst. Zij, die dat willen, twijfelen dikwijls en gronden hunne hope op hetgeen zij in zich bevinden; zij spreken ook meer over hetgeen zij gevoelen en ervaren en voor God zijn, dan over hetgeen God in Christus voor hen en voor de volkeren der wereld is.

God voerde Ezechiël naar nóg rijker stroomen, en ook naar de bron. Daar zien wij het meest en wij leeren er den Heere het kinderlijkst loven.

Doet Hij ons stilstaan bij het stroompje uit het heiligdom, leidt Hij ons naar de stroomen en naar de bron, bepaalt Hij er ons bij, dat de bron zich ontsluit bij het altaar, waarop het Lam Gods geslacht is, dan vallen wij als Ezechiël en als later

-ocr page 325-

DE HEILIGE WATEREN. 321

--lt;5.—^—•£gt;—--------------

Johannes neer, dan is er geen geest meer in ons, dan zijn wij enkel bewondering en spreken wij het amen des geloofs, onder dankzegging uit.

Bij de bron en bii deze wassende strooraen van heil en zegen te vertoeven, haar aandachtig gade te slaan en er ons in te verliezen, is alzoo onuitsprekelijk zalig. Wij heffen er her lied aan :

Geloofd zij God met diepst ontzag!

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met zijne gunst bewijzen :

Die God ia onze zaligheid!

Wie zon die hooge Majesteit Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons \'t eeuwig zalig leven;

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het nad\'ren van den dood Volkomen uitkomst geven.

Hoe rijk de zegen is, door deze wateren verspreid, leeren ons de verzen, die aldus luiden:

„En hij zeide tot mij : Hebt gij het gezien, menschenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek. Als hij wederkeerde, ziet, zoo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en gene zijde. Toen zeide hij tot mij\'. Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galiléa, en dalen af in het vlakke veld, daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden de wateren gezond. Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn. omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen. Ook zal het geschieden, dat er visschers aan dezelve zullen staan, van Engedi

aan tot En-eglaïtn toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding

21

-ocr page 326-

322 DE HEILIGE WATEREN.

----------

der netten ; haar viach zal naar zijnen aard wezen als de visch van de groote zee, zeer menigvuldig. Doch hare modderige plaatsen en hare moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven. Aan de beek nu, aan haren oever, zal van deze en van gene zijde opgaan, allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan ; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren vlieten uit het heiligdom ; en zijne vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heeling.quot;

Het doel der meeting is bereikt; het „menschenkindquot; heeft gezien, dat de Heere zijn God des Geestes overig heeft, ja. dat nog schatten van genade en zegen uit het heiligdom vloeien. Nu wil de Heere hem bij de zegenrijke werking dezer wateren bepalen. Daarom lezen wij: „Tom voerde Hij mij en bracht mij weder tot aan den oever der beek.quot; Daar toont de Heere hem, dat deze heilige wateren, eene levendmakende, gezondma-kende en vruchtbaar maken de kracht hebben.

In vers 8 wordt, naar het meest algemeen gevoelen, gesproken van de „Doode Zee.quot; Wat hier en daar in deze laatste verzen gezegd wordt, ook bij wijze van tegenstelling past geheel op hetgeen wij van de Doode Zee weten. Immers de wateren dezer Zee zijn ongezond, in plaats van het leven te wekken en te voeden doen zij het kwijnen en wegsterven. quot;Visachen worden er niet in gevonden, en alzoo worden de visschers en hunne netten er gemist, en boomen kunnen er aan hare oevers niet leven, en mitsdien kan er van bladeren, vruchten en spijzen geen sprake zijn.

„Alle levende zielquot; sterft er, en wordt er dus gemist. Het is er in ieder opzicht het tegen deel, van hetgeen ons van de wateren uit het heiligdom en zijne zegenrijke werkingen wordt gezegd. quot;Waar dezen wateren zijn leeft, groeit en bloeit alles, en waar de wateren der Doode Zee zijn, heerscht overal en alleen de dood.

De „Doode Zeequot; is het juiste beeld van den toestand dei-wereld en der menschen, zoolang zij met de wateren uit het

-ocr page 327-

DE HEILIGE WATEREN. 323

- ■ . ------quot; quot; \'

heiligdom niet zijn gezegend. De vloek der zonde is over de wereld der menschenkinderen verspreid, gelijk over de Doode Zee.

Alleen aan de wateren uit liet heiligdom en van het altaar, hebben zij het wijken van den vloek, het weder levend en vruchtbaar worden dank te weten. Van deze wateren gaat de levend- en vruchtbaarmakende kracht uit.

Waar zij henen vloeien, daar wijkt de dood, daar komt leven, groei en bloei.

Het leven dat zij wekken, geeft aan alles frischheid, kracht, en vroolijkheid ; zij roepen een leven van heilig vertier in het aanzljn_

Yoor de wereld, die in het booze licht, zijn zij levenwekkend, doen zij het oude voorbij gaan en alles nieuw worden.

De kerk in ballingschap en doodelijke verachtering, doen zij herleven, gezond, krachtig, frisch en vruchtbaar worden.

In plaats van in zak en asch, in treurigheid en klagen neder te zitten, doen zij haar juichen en roemen in de trouw, de liefde en de macht haars Gods.

En de geloovigen, die als Ezechiël, dit alles zien, bij dit alles bepaald en in dit alles ingeleid worden, vereenigen zich in den Heere en ontvangen een leven van hoop, van aanbidding en dankzegging; als Ezechiël spreken zij daarenboven, anderen versterkende, van de goedertierenheden huns Gods.

De zegeningen, die deze wateren des heils verspreiden, zijn inderdaad onnagaanbaar groot.

Onverantwoordelijk is het haar te minachten en te versmaden, en dat kan en zal ook plaats hebben; want er zullen zijn en blijven „modderige plaatsen en moerassenquot;, die niet gezond worden; menschen, die onder het oordeel der zonde leven, sterven en eeuwig verloren gaan.

Onder zulk eene rijke bedeeling, als uit dit gezicht wordt gekend, verloren te gaan, zal zwaar vallen. Zij, die den weg geweten en hem niet bewandeld hebben, zullen met vele slagen geslagen worden.

-ocr page 328-

324

DE HEILIGE WATEREN. --lt;$—^-

Dit worde toch niet vergeten !

De zegeningen, die beloofd worden, in de woorden, hier overdacht, mogen en moeten wij van den Heere bidden en ameeken.

Hij kan en wil en zal ze op het gebed geven. Hij heeft des Geestes overig. Hij geeft ze in Christus uit genade. Hij geeft ze boven bidden en denken. Hij vermenigvuldigt ze. De schatten van \' het hemelrijk ontsluit Hij ons hoe langer hoe meer. Hij wil, dat wij het zien, dat wij het erkennen, dat wij er ons in verlustigen en over verwonderen zullen.

Zijn verlangen is, dat wij er over spreken en anderen op wijzen. Wij moeten steeds rijker worden in den Heere.

Hoe donker de toestand ook is, van zijne liefde, trouw en macht moeten wij alles hopen. Onder opzien tot God moeten wij voor de herleving van de kerk, wanneer zij in verval is, werkzaam zijn. Ook mogen wij den arbeid onder de Heidenen niet vergeten. Aan de Joden moeten wij ook gedenken. Voor allen moeien wij bidden en werkzaam zijn. Het gezicht en besef van Gods onnagaanbare goedertierenheid moet ons goedertieren doen zijn. Bidden en werken, werken en bidden, ziedaar de roeping, waaraan wij steeds gedachtig moeten zijn.

Onder den zegen Gods kan het gezicht der heilige wateren ons tot betrachting dezer roeping opwekken, ons moed en krachten geven. De vervulling er van heeft de gemeente Gods reeds mogen zien en beleven, en die zal ze nog zien en beleven, tot den einde toe, ja, tot dat alles zal zijn geschied. De Heere heeft zijn volk bezocht. Hij heeft het verlost uit de boeien en doods-schaduwen van het Babel der heidenen, niet lang na het gezicht aan Ezechiël gegeven.

Hij heeft het bij vernieuwing bezocht en verlost, toen de wateren uit het heiligdom, door zijne zonde, weer waren opgedroogd, en het, als zonder ziel en leven, aan de wit gepleisterde graven gelijk geworden was. Uit dien toestand en uit de doodelijke onarming van het God in Christus vijandig geworden

-ocr page 329-

DE HEILIGE WATEREN. 325

------—$gt;-^lt;5-------

Jodendom heeft Hij het toen verlost; en het daarenboven stroo-raen des levenden waters van den troon Gods en des Lams doen toevloeien. Die milde stroomen heeft het zich ook baan aien breken, onder de volkeren der heidenen. En wel zóó, dat net waa alsof de owgewijde in eene gewijde aarde herschapen werd.

Maar ach, eeuwen daarna werd het weer dor en mat, het was alsof de wateren zich in het heiligdom teruggetrokken had, den, alsof de hemel van koper en de aarde van ijzer was geworden. God zij lof! op het gebed van de Ezechiëls dier jammerlijke dagen braken de wolken, werd de Geest der genade en gebeden weder uitgestort ; en het gevolg daarvan was, dat het alle leven- en zieldoodende Eomanisme wijken moest uit vele landen.

En om nu ten slotte alleen van ons land te spreken : eerst heeft het rationalisme, dat de rede boven het Woord plaatste ; daarna nog het humanisme, dat zich door het brave-Hendriks-leven spreekwoordelijk maakte, eindelijk het modernisme, dat met rasse schreden op het pad des ongeloofs voerde, de wateren des heils doen minachten en opdrogen, en den geest van verlatenheid, dorheid en doodschheid over oas land en volk uitgestort. Waarbij nog kwamen, de hierarchisch-kerkgenootschap-peiijke, alle leven verstikkende banden.

Doch wederom is de Heere opgestaan, heeft Hij zijn volk bezocht, de gevangenisse Zions gewend en het gedrenkt uit de beken Zijner wellusten ; en het alzoo een nieuw lied in den mond gegeven.

Er is dus reden om met den dichter-profeet te zsggen : „Laat ons voor den Heere zijne goedertierenheid loven en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen.quot;

Ja, wij moeten de daden des Heeren gedenken, en daarvan spreken.

En daar er bij alles wat Hij in onze dagen doet en geeft, nog veel te klagen over blijft, bijname over gebrek aan opgewekt geestelijk leven, zoo moeten wij het gebed, het gebed om den

-ocr page 330-

--:-:---------

- --------

t a oo 5

DE HEILIGE WATEREA, -lt;$----

Geest der genade en der gebeden vermenigvuldigen. Heerlijke dagen zullen wij beleven, indien de Heere in zijne ondoorgrondelijke goedheid bij het kerkelijke leven, bij het inderdaad diepe, voortgezette onderzoek der Waarheid, die naar de godzaligheid is, en bij de bediening des Woords en der Sacramenten, naar de belijdenis der vaderen, het licht en het leven des Geestes belieft te schenken. Wij hebben, om bij de Waarheid, zooals ze in Christus is, te blijven, er. om met waarachtige en volkomene harten in en door haar te leven, Gods bijblijvende en achtervolgende genade noodig.

Ze worde, om Jezus wil, bij den voortgang over ons en over ons geslacht mildelijk uitgestort!

M, A- L.

326

-ocr page 331-

INHOUD.

Bladz.

1.

Het

boek

Ruth. (Ruth 1

: 1

- 14.) W. H. Oosten.

5-

-22

2.

Het

boek

Ruth. (Ruth 1 ;

15

—22.) J.D. v.d. Velden.

23-

-38

3.

Het

boek

Ruth. (Ruth 2

: 1-

-7.) A. Littooij.

39-

-53

4

Het

boek

Ruth (Ruth 2

: 8-

-13.) W. H. Oosten.

54-

-71

5.

Het

boek

Ruth. (Ruth 2:

14-

-24.) J.D. v.d. Velden.

72-

89

6.

Het

boek

Ruth (Ruth 3

: 1

— 11.) A. Littooij.

90-

103

7.

Het

boek

Ruth. (Ruth 3 :

12

— 18.) W. H. Oosten.

104-

121

8.

Het

boek

Ruth. (Ruth 4

: 1

10) J.D. v. d. Velden. 122-

•137

9.

Het

loflied des Hemels.

(Openb. 5 : 1 — 10.).....L. Bouma. 138—146

10. Israels hulp daagt snel.

(Zacharla 1:8—16.).....L. Bouma. 147 — 155

11. Het ware feestvieren.

(1 Cor. 5 : 7 — 8.)......J. Huleebos. 156 — 164

12. quot;Wandelen in de duisternis.

(1 Joh. 1 : 6- 7.)......J. J. Impeta. 165 — 171

13. Hebt de wereld niet lief.

(1 Joh. 2 : 15—17).....J. J. Impeta. 172—178

14. De kinderen Gods en de kinderen

des duivels. (1 Joh. 3 : 8-10ci.) J. J. Impeta. 179 — 185

15. De liefde Gods in het geven van

zijn Zoon. (1 Joh. 4 : 9—10.) . J. J. Impeta. 186—193

16. Eene heerlijke wetenschap,

(1 Joh. 5 : 20.).......J. J. Impeta. 194—201

17. Nathanaël. (Joh. 1 : 46—52.) . . J. D.v.d. Velden. 202—215

18. De broederlijke gemeenschap.

(Phill. 2:1 — 4.)......J. Hulsebos. 216 — 224

-ocr page 332-

Bladz.

19. Perez-Uza. (2 Sam. 6 : 2-8.) . J. D. v.d. Velden. 225-239

20. Christus gekomen door wateren

door bloed. (1 Joh. 5:6.). . . .1. Westerhnis. 240 — 246

21. Kinderen als Izak.

(Gal. 4 : 28 —31.) .....J. Westerhuis. 247 — 253

22. Strijd den goeden strijd des ge-

loofs. (1 Tim. 6—21) . . . . ,1. Westerhuis. 254 — 259

23. Wat is de mensch, dat gij zijner

gedenkt. (Psalm 8:5). . . . J. Westerhuis. 260-266

24. Het huwelijk van Boaz en Ruth.

(Ruth 4 : 11-22).....A. Littooij. 267-279

25. Xoach — Daniël — Job.

(Ezech. 14 : 12-23.) . . . . J. D. v.d. Velden. 280-296

26. Zoekt de dingen, die boven zijn.

(Col. 3 : 1 — 4.).......L. Bonma. 297—806

27. De Heilige wateren.

(Ezech. 47 : 1-12.).....A. Littooij. 307-326

-ocr page 333-

--------------

-ocr page 334-

\'pL

-ocr page 335-
-ocr page 336-