Se^aeele Ev
BIJ
MEN5CH EN DIER
VRIJ NAAR HET HOOGDUITSCH
VAN
I)\'-. El). SELIGSON
kais. russ. Staatsrath etc.
t.
L EID K N
A. H. ADRIANI
3896
M. oei.
um
^exueele Evolutie
1
1
Se^ueele Evolutie
BIJ
MEN5CH EN DIER
VKI.I NAAK HET HOOGDLITSCH
VAX
Dr. ED. SELIGSON
kais. russ. Staatsrath etc.
V ^ ■\'. ƒ/gt;.
/ \'o ■.■•A
LEIDEN
A. H. ADRIANI
1890
quot;A \'s\' vgt;/;. _
\'■•o\'9
Dit hoek is minder eene vertaling dan wel eene min of meer zelfstandige bemrldng van het oorspronkelijke van Dr. Er». Seligsox: «Willkürliche Zeugung von Knaben oder Miidchen». (Manchen, 1805.)
De bewerking wijkt in vele opzichten van het origineel af. Niet alleen heeft de bewerker zich op een meer skeptisch standpunt gesteld dan Dr. Seligsox, zoodat op vele plaatsen diens oorspronkelijke werk is veranderd, doch ook heeft hij in plaats van lueggelalen gedeelten andere bewijsvoeringen, crilmhe opmerkingen en gegevens ingelascht.
Hij acht zich verplicht, dit met een enkel woord mede te deelen.
INHOUD.
Voorrede...............B!z. mi
I. De voortplanting...........» ^
Het ei.............» ^
Menstruatie en bronst........» *gt;
Het sperma (semen virile).......» H
De geslachtsdrift.............» lö
Coitus en bevruchting........» 23
Zwangerschap buiten de baarmoeder ... » 30
Meervoudige zwangerschap......» 31
II. De statistische theorieën over het ontstaan
van het geslacht...........» 37
De menstruatie...........» 44
De leeftijd............» 4.»
De voeding............» 53
Klimaat en jaargetijden........» 55
De voortplantingshartstocht......» 57
De wil en de voorstellingskracht .... » 60
III. De anatomisch-physiologische oorzaken van het
geslachtsverschil...........» \'d4
Ervaringen bij den man.......» 93
Ervaringen bij de vrouw.......» 103
IV. De coïtus en de willekeurige bepaling van het geslacht van het te verwekken kinh ... » 134
VOORREDE.
Tot ilc vraagstukken, die steeds in liooge mate de belangstelling van natuuronderzoekers hebben gewekt. behoort dat betreffende liet ontstaan van het geslacht. Scheen het, oppervlakkig beschouwd, zeer natuurlijk, dat een kind lichumelijke en geestelijke trekken en eigenschappen zoowel van den vader als van de moeder erft. te meer moest het feit de aandacht trekken, dat het geslacht of uitsluitend dat van den vader nf uitsluitend dat van de moeder is. Hoe was dat te verklaren I
Het meest lag voor de hand, aan te nemen: dat degene der ouders, die ten tijde der hevruchlinggeestelijk of lichamelijk de krachtigste was, ook den grootsten invloed op den geest of het lichaam van het kind zou doen gelden. M. a. w.. dat het kind lichamelijk of geestelijk het meest op den krachtigste der ouders zou gelijken. Ook liet geslacht werd daarvan afhankelijk gesteld. Een aantal theorieën, die in Hoofdstuk 11 ter sprake komen. gaan van een dergelijk beginsel uit. Zij zijn echter eenerzijds gegrond op twijfelachtige gegevens, terwijl andererzijds niet alle feiten eene gereede verklaring daarin
INHOUD.
Voorrede...............Blz. vu
I. De vooim\'LANTixi;...........» 1
Het ei..........................» ^
Menstruatie en bronst........» 6
Het sperma (semen virile).......» 11
De geslachtsdrift.............» 19
Coitus en bevruchting........» -3
Zwangerschap buiten de baarmoeder ... » 30
Meervoudige zwangerschap......» 31
II. Dk statistische theorieën over het ontstaan
van het geslacht...........» 37
De menstruatie...........» 44
De leeftijd........................» 49
De voeding........................» 53
Klimaat en jaargetijden........» 55
De voortplantingshartstocht......» 57
De wil en de voorstellingskracht .... » 60
III. De axatomisch-pl 1ysiologisciie oorzaken van het
geslachtsverschii.........................» 04
Ervaringen bij den man.......» 93
Ervaringen bij de vrouw.......»103
IV. De coïtus en de willekeurige hei\'ai.ing van het
geslacht van het te verwekken kind ... » 134
VOORREDE.
Tot de vraagstukken, die sleeils in lioogc mate ilo belangstelling van natuuronderzoekers hebben gewekt. behoort dat betrelTende het ontstaan van liet geslacht. Scheen het. oppervlakkig bescbomvd. zeer natuurlijk. lt;lat een kind lichamelijke en geestelijke trekken en eigenschappen zoowel van den vader als van de moeder erft. te meer moest het feit de aandacht trekken, dat het geslacht öf uitsluitend dat van den vader of uitsluitend dat van de moedei\' is. Hoe was dat te verklaren
Het meest lag voor de hand, aan te nemen: dat degene der ouders, die ten tijde der bevruchting geestelijk of lichamelijk de krachtigste was, ook den grootsten invloed op den geest of het lichaam van het kind zou doen gelden. M. a. w.. dat het kind lichamelijk of geestelijk het meest op den krachtigste der ouders zou gelijken. Ook het geslacht werd daarvan afhankelijk gesteld. Een aantal theorieën, die in Hoofdstuk 11 ter sprake komen. gaan van een dergelijk beginsel uit. Zij zijn echter eenerzijds gegrond op twijfelachtige gegevens, terwijl andererzijds niet alle feiten eene gereede verklaring daarin
vm
vinden, integendeel, er mede in strijd zijn. Wij voeren het volgende als voorbeeld aan: werd werkelijk het geslacht van het kind bepaald door den lichamelijken en geestelijken toestand der ouders in den tijd van den bevruchtenden coitus, dan zouden tweelingen, drielingen, enz. wel steeds tot hetzelfde geslacht moeten be-hooren. Dit is niet het geval. Verder zijn er voorbeelden genoeg van ouders, die zich steeds in denzellden gezondheidstoestand en kracht van lichaam en geest konden verheugen, en locli afwisselend zonen en dochters kregen.
Ook de waarnemingen in de dierenwereld zijn met elkander in strijd.
Tegenover al deze theorieën staat de anatomische hv-pothese, zooals wij haar kunnen noemen (zie Hoofdstuk 111), volgens welke elke testis en elk ovarium uitsluitend kiemen voor kinderen van één bepaald geslacht vormen. En wel zouden de rechter testis en liet rechter ovarium (als regel) uitsluitend mannelijke, dezelfde organen der linkerzijde uitsluitend vrouwelijke kiemen voortbrengen. In de tweede helft der vorige eeuw nam Jon. Chr. Hknke proeven met varkens, honden en konijnen, die alle tot een resultaat leidden, dat in overeenstemming was met de juist genoemde hypothese (vgl. blz. 70—78).
Het aantal proefdieren, door Hknke gebruikt , is echter klein — de kansen van het „toevalquot; zijn niet uit te sluiten. Eene herhaling van deze proeven op uitgebreide schaal is zonder twijfel noodzakelijk, vóórdat men de anatomische hypothese als proefondervindelijk bewezen
IX
mag aannemen. Ons voornemen is, ons daarmede bezig te houden.
Behalve nu die proeven met dieren, zijn er ook ervaringen bij den gezonden en den zieken mensch bekend, die haar steunen. Ook hiervan is evenwel het aantal zeer bescheiden, zooals wij zullen zien.
Dat het aantal bekende ervaringen niet grooter is. moet geweten worden aan het feit, dat de anatomische theorie op den achtergrond is gedrongen door andere, ja! bijna geheel in vergetelheid is geraakt. Het doel van dit werk nu is tweeledig:
1°. om den lezer een mogelijken, d. i. nog niet met zekerheid vastgestelden, weg aan te wijzen ter verwekking van een kind van een bepaald geslacht (Zie Hoofdstuk IV). Mocht deze weg blijken niet juist te zijn, dan is daarmede niets bedorven.
2°. om een beroep te doen op zijne belangstelling in een zoowel uit een maatschappelijk als uit oen wetenschap p e 1 ij k oogpiint hoogst hela n g r ij k vraagstuk, en hem op te wekken, gegevens bij te dragen, die tot steun van de anatomische theorie kunnen dienen, doch even goed zulke, welke hare onhoudbaarheid kunnen aantoonen.
Het is ons intusschen uitsluitend te doen om volkomen betrouwbare en volledig waar ge no-mene feiten. Leeken zijn evenwel niet dan bij zeer hooge uitzondering in staat ons die te verschaffen.
Het is dan ook daarom, dat wij het
d r i n g e n d e v e r z o e k aan den leze r
X
lichten, die ons de eene of andere ervaring wil toevertrouwen, ons naast zijn eigen naam dien van zijn huisdokter te willen noemen. Eene strikte geheimhouding wordt hem onzerzijds verzekerd. Hebben wij aldus een groot aantal goed waargenomen gevallen verzameld, dan ligt het in onze bedoeling, daarvan gebruik te maken in eene volgende uitgave van dit werk. Natuurlijk zullen dan geen namen genoemd worden, doch de verzamelde ervaringen eenvouiliü;genummerd worden, wan-
O O ~
neer zij eene bijzondere vermelding verdienen.
Kan deze of gene onzer lezers, die ons eene waarneming wenscht mede te deelen, niet besluiten, zijn naam te vermelden, dan kan hij zich van een pseudoniem bedienen, mits hij zoo goed wil ziju, dit aan zijn huisdokter bekend te maken. Komt het ons dan ge-wenscht voor, bij dezen omtrent de eene of andere bijzonderheid navraag te doen, dan blijlt liet zoodoende toch mogelijk, den bedoelden persoon aan te wijzen, zonder hem te kennen.
Om nu het doen van waarnemingen en de beantwoording der vraag te vergemakkelijken, vestigen wij de aandacht op de volgende punten:
K Ouderdom der ouders.
2°. Hun alaemeenen gezondheidstoestand van lichaam
~ O
en geest, met vermelding van eventueele veranderingen.
3°. Den toestand der geslachtsorganen, met opgave van liet tijdstip waarop eventueele veranderingen optraden (tengevolge van ziekte of operatie).
i0. Den aard der veranderingen in den algemeenen
XI
gezondheidstoestand en in dien der geslachtsorganen.
5°. De ligplaats in bed, en de houding bij den coitus, en eventueele veranderingen daarin met hare gevolgen op het geslacht der daarna verwekte kinderen.
6°. Het geslacht der verschillende kinderen.
De beantwoording dezer vragen gelieve men in te zenden bij den uitgever van dit boek, die zich welwillend beschikbaar heeft gesteld voor hare verdere opzending aan den bewerker, zonder zelf inzage van de mededeelingen te nemen.
X
lichten, die ons de eene ui\' andere ervaring wil toevertrouwen, ons naast zijn eigen naam dien van zijn huisdokter te willen noemen. Eene strikte geheimhouding wordl hem onzerzijds verzekerd. Hebben wij aldus een groot aantal goed waargenomen gevallen verzameld, dan ligt het in onze bedoeling, daarvan gebruik te maken in eene volgende uitgave van dit werk. Natuurlijk zullen dan geen namen genoemd worden, doch de verzamelde ervaringen eenvoudig genummerd worden, wanneer zij eene bijzondere vermelding verdienen.
Kan deze of gene onzer lezers, die ons eene waarneming wenscht mede te deelen, niet besluiten, zijn naam te vermelden, dan kan hij zich van een pseudoniem bedienen, mits hij zoo goed wil zijn, dit aan zijn huisdokter bekend te maken. Komt het ons dan ge-wenscht voor, bij dezen omtrent de eene ol\' andere bijzonderheid navraag te doen, dan blijit bet zoodoende toch mogelijk, den bedoelden persoon aan te wijzen, zonder hem te kermen.
Om nu het doen van waarnemingen en de beantwoording der vraag te vergemakkelijken, vestigen wij de aandacht op de volgende punten:
lp. Ouderdom der ouders.
2°. Hun algemeenen gezondheidstoestand van lichaam en geest, met vermelding van eventueele veranderingen.
3°. Den toestand der geslachtsorganen, met opgave van het tijdstip waarop eventueele veranderingen optraden (tengevolge van ziekte of operatie).
4°. Den aard der veranderingen in den algemeenen
XI
gezondheidstoestand en in dien der geslachtsorganen.
5°. De ligplaats in bed, en de houding bij den coitus, en eventneele veranderingen daarin met hare gevolgen op het geslacht der daarna verwekte kinderen.
6°. Het geslacht der verschillende kinderen.
De beantwoording dezer vragen gelieve men in te zenden bij den uitgever van dit boek, die zich welwillend beschikbaar heeft gesteld voor hare verdere opzending aan den bewerker, zonder zelf inzage van ile mededeelingen te nemen.
i
DE VOORTPLANTING.
Kr kan uit den aard der zaak geen sprake van zijn, een uitvoerige uiteenzetting van de voortplanting te geven. Ik meen echter, dat een kort algemeen overzicht volstrekt noodzakelijk is, om de verschillende theorieën, die over het ontstaan van het geslacht opgesteld zijn, te begrijpen, daar anders voor den leek veel duister zou zijn. Ik zid derhalve het noodzakelijkste over het ei. het zaad, den coitus, enz. mededeelen.
Voor alle diersoorten, van de hoogst georganiseerde tot de laagst ontwikkelde, geldt als een wet zonder uitzondering, dat zij uitsluitend door natnurlijke voortteling nieuwe individuen voortbrengen. Ken zoogenaamde oer-voortteling (generalio spontanea s. aequivoca), die noch met zekerheid aangetoond is, noch ten eenenmale verworpen kan worden, komt hier niet in onze volgende beschouwingen te pas.
Men onderscheidt twee hoofdsoorten van voortplanting: ten eerste de geslachtelijke of dubbelgeslach-t e 1 ij k e en ten tweede de o n g e s 1 a c h t e 1 ij k e.
2
l!ij de geslachtelij Ice voortplanting wordt een ei of vrouwelijke kiemcel, dat uitsluitend bereid wordt iu voor dit doel bestemde lichaamsdeelen (de vrouwelijke kiemklieivn. eierstokken, ovariën), aangewezen voor de lt; mi wikkeling tot een nieuw organisme. Oin echter deze kiem die reeks van vervoriniiigen te doen aanvangen eu teu einde brengen, welker resultaat een nieuw indi-vMu is. moet zij de stolTelijke inwerking onderviinleu van een tweede stof. Liet zaad. dat eveneens in bijzondere Ucbaamsdeelen, de jnannelijke kiemklieivn \') (ballen), bereid wordt.
11 Onder klier in ongeren zin wordt verstaan oen orgaan, dat een vloeistof vormt of uit liet bloed afscheidt. Zulke vloeistoffen (secreten) dienen öf om de spijsvertering, de opname van voedende bestanddeelen uit de spijzen in liet bloed, tot stand te brengen (speekselklieren, klieren in maag-en darmwand, alvleesch-klier. lever), of om stoffen uit het lichaam te verwijderen (nieren, ten deele ook de zweetklieren), of voor de voortplanting, óf ten slotte voor andere doeleinden, b. v. om dquot; huid lenig en ver (smeèrklieren), slijmvliezen vochtig te houden (slijmklieren), \\0(r: de voeding der zuigelingen (melkklieren1. quot;Wij\'stippen hier slechts eenige hoofdzaken aan en behoeven niet te wijzen op andere rollen, b. v. de zoogen. inwendige secretie, die sommige klieren vervullen. Bijna elke klier heeft of meer afvoerbuizen, waardoor het afscheidingsproduct wegstroomt naar ae plaats van bestemming. Zoo b.v. loopt van de lever een afvoerkanaal, dat door een zijbuis met de galblaas in verbinding staat, naar den darm, welks wand het doorboort. De in de lever bereide gal vloeit daardoor in den darm. Als afvoerbuis van de ballen doen de zaadleiders dienst, waarover later meer, terwijl de eileider de overeenkomstige rol bij de vrouw vervult. Hot begrip: klier wordt uitgebreid, waar men ook de ballen en de ovaria daarmede bestempelt.
O »)
Dat loclredeii van hel zaad lot het ei. zijne vereeni-■ging daannede. noemt men; bevruchting, en spreekt van eene vcor lp lan I i ug door bevruchle eiljes, in legenstelhng van de zeldzame gevallen, waarin ook on b e v r u e h l e eitjes zelfstandig de gansehe reeks onhvikkelingsprc.cessen lol de vorming van oen levend individu doorloopen ([tarllienogenesis, d. i. A\'oorlplanting door maagden ». Men mag hierbij echter niel uil het oog verliezen, dal de parihenogenesis eene uitzondeling is, die slechts bij eenige diersoorten voorkomt, en dan nog niet eens altijd als éénige wijze van vooiiplantinu\'. P.ij dieren me; twee geslachten toch worlt;lt naast de parihenogenesis bijna steeds ook eene voort planting door twee geslachten gezien. Men vindt hierbij, tenminste als regel, dat de door parthenogenesis verwekte nakomelingen zonder uitzondering lot één en hetzelfde geslacht behooren. tot hel mannelijke (bijen) of lot hel. vrouwelijke (psychiden), terwijl eene voortplanting door samenwerking van twee geslachten noodig is. om nakomelingen van het andere geslacht te verkrijgen.
De ongeslachtelijke voort jilan t ing kenmerkt zich daardoor, dal liet niet een bepaald, uitsluitend voor de voortteling bestemd voortbrengsel van hel moederlichaam is, dat zich tot een nieuw individu ontwikkelt, «toch een of under bestanddeel van dal lichaam, dat lot .het individueele organisme behoort en daarin zijne rol vervult. Verder is eene toetreding van een andere, uitsluitend voor dit doel gevormde, stof niet noodzakelijk voor de ontwikkeling tot een nieuw schepsel. Men
(wlerscheiill \'leze ongeslachtelijke voor 1 planting in eene door deelihg en eene door knopvorining.
HET EI.
Met ei van den menscli en van de zoogdieren is een bolvormig blaasje van 0,140—0.ÜÜ0 ni.^1. doorsnede. Het is een eigenaardig gewijzigde kiemcel, waarover aanstonds meer. Zijn wand beslaat uit een elastisch vliesje. het dooiervlies, welks doorsnede zich onder den rnikro-skoop als een helderen, tijn gestreepten zoom (zona pellu-cida) vertoont. Dit blaasje bevat een taaie, troebele pi otoplasmatische massa \'). den dooier. In dezen dooieibol ligt, zoolang hei ei nog onrijp is, meestal niet in het midden, een klein, waterhelder blaasje van 0,025—0,030 m.M. doorsnede, het kiemblaasje (Purkinje), dat nog een donker lichaampje (kiemvlekje) en een dradennet
\') Protoplasma is de u iam van een scheikundig zeer samengestelde stof\', waaraan alle levensverscliijnselen in de dieren- en plantenwereld gebonden zijn. Zij komt in alle cellen van het samengestelde organisme even goed voor, als zij do grondstof is van de ééncellige. Hare scheikundige eigenschappen komen die der eiwitstoffen nog het meest nabij, ofschoon het protoplasma nog veel samengestelde!quot; is. wat a priori te verwachten is van een stof, die zich van de andere tot dusverre scheikundig bekende stoffen onderscheidt door hare zeer merkwaardige levensuitingen (bewegingen, ademhaling, voortplantingsvermogen, voeding, stofwisseling). De scheikundige onderzoekingen hebben tot dusverre mot zekerheid aangetoond, dat deze stof bestaat uit verschillende eiwitten en proteïnen (eiwitachtige stoffen).
; gt;
beval. Zulk een ei is nog niet te bevruchten. Zoodra hol. •«\'i rijp won 11. verdwijnt liet kiemblaasje. In zijne plaats koiul een veel kleiner, volkomen homogeen lichaiuupjo, de eikern, waarschijnlijk onlslaan nil bestanddeelen van hel kiembl uisje. Deze eikern is de vrouwelijke kiem voor het nieuwe individu.
Soms zijn er twee kiemblaasjes, resp. eikernen. wat van Itelang is voor het onlslaan van tweelingen uit één eitje.
De ])laatsen, waar de eicel gevormd wordt, bestaan bij de gewervelde dieren gewoonlijk in gesloten follikels (blaasjes), follikels van De Graaf, gevuld met een eiwit houdende vloeistof, l\'ij de zoogdieren liggen zij, zoolang zij nog niet rijp zijn. midilen in het weefsel van den eierstok; zijn zij rijp. dan puilen zij met een klein gedeelte boven de oppervlakte van den eierstok uit. De fierstokken. ovariën, zijn twee eivormige orgaantjes van ongeveer 4 c.M. lengle, c.M. breedte en 1,3 c..M. dikte, die ter weerszijden van de baarmoeder (uterus) in het bekken gelegen zijn. Ofschoon buiten de eigenlijke, door het buikvlies begrensde, buikholte gelegen, steekt hun bovenste helft hierin uit, en wordt slechts door een laag cellen hiervan gescheiden. Uit deze cellen, kiemcellen, onlwikkeleii zich de fcllikels van De Güa.uquot; en de eitjes daarin. ]{■ ijs b;j het pasgeboren meisje bevat hel ovarium niet alleen talrijke, zij quot;1 ook kleine, dan toch in alle opzichten ontwikkelde follikels. doch zelfs bevinden zich hierin reeds gedeeltelijk bereide eitjes. De eierstokken vertoonen derhalve follikels in alle mogelijke
I
O
groollen, tie jongste diep in bét weefsel, ile rijpere «lichter aan de oppervlakte, de rijpste hierboven uitpuilend in de buikholte.
Ofseboon een eierstok sle«\'lils 10—20 grootere Ibllikels beval, bevinden er zich vele andere nog onontwikkelde in. Küu.ikeu geelt 30—100 als bet gewone aantal op. zoodat hoogst waarschijnlijk niH alleen de reeds voor-iiandene in «len eierstok rijp wonlen, doch ook nieuwe lollikels en eitjes daarin worden aangelegd.
MENSTRUATIE EN BRONST.
Zoodra liet eerste eitje rijp geworden en uit den i\'ol-likel getreden is, is het meisje geslachtsrijp geworden. De leeftijd, waarop dit geschiedt, sclionnnelt tusschen zekere grenzen, waarop vooral het klimaat van invloed is. In onze streken treedt de menstruatie tusschen het li\'quot;\' en lG\'lc levensjaar op.
Van dat tijdstip af worden met langere of kortere tusschenpoozen de in de kiemklier bereide eiljes spontaan afgezonderd, d. i. zonder eenige hulp van builen af. Volgens Bois.moxt en Sciiweiu duurt lt;le tusschenpooze gemiddeld 27\'i- dagen.
Ofschoon deze periodieke afstooting van eiljes voor het raeerendeel «Ier dieren een reeds lang als bronst bekend feit was. werd eerst in 1844 door Biscikiff bewezen. dat ook bij den mensch met regelmatige tusschen-
I
poozen een sponlane ai\'stoofing van «V-n i»f meer cilje.-? jilaats iieel\'t, en dat w.iai\'scliijiilijk ook bij ilcn inenscli nitslullend zulke eitjes bevnich! kunnen worden. Jte menstj\'iiatie is \'lus niets anders dan een analogon van de bronst. Toch bestaat er een belangrijk onderscheid. Terwijl u.l. bij de ilieren ook de maunelijkc kieinklieren slechts periodiek, eji da! wel op de tijden der vrouwelijke bronst, in werking treilen, en verder beide geslachten door ..inslinctquot;quot; tot elkander worden gebracht, zijn de geslachtsklieren van denman voortdurend in werking. Hij is dus te allen tijde in staat, nakoinciingscbap te verwekken. Kn ook de vrouw is liieiioe steeds in staat, geheel onathankelijk van do meiistruaJie. Dezeheeft dus voor haar niet die beteekenis. welkr de bronst voor het dier heeft.
Elke losstootiug van een eitje gaat gepaard met oen bloeding nil het slijmvlies van den uterus (baarmoeder), tengevolge waarvan bloed uit do genitaliru vloeit. Dit duurt verschillend lang, bij de meeste vrouwen 4—5 doch (zelden) ook wel 8 dagen. Gedurende de menstruatie is het slijmvlies van de baarmoeder belangrijk gezwollen en bevat het meer bloed dan in do tusschenpoozen.
De afstooting van het ei komt aldus tot stand: de vloeibare inhoud van den ibllikel, waarin zich hel ei bevindt, neemt vrij snel toe, zoodat zijn wand al sterker en sterker wordt gespannen, totdat hij ten slotte barst. Dit heeft juist in dat gedeelte plaats, dat boven de oppervlakte van den eierstok in de buikholte uitpuilt: het eiljo treedt aldus uit ibllikel en eierstok tegelijker-
8
tijd in de buikholle en wordt mi voortbewogen, in den eileider, welks open uiteinde zich in de onmiddellijke nabijheid van den eierstok bevindt. (De eileider is een buis. die van de omgeving van het ovarium naar de baarmoederholte voert. Zie blz. 11\'J.
De ontledigde follikel (corpus luteum. d. i. geel lichaampje ), valt samen, de scheur in den wand geneest. De verdere veranderingen, die bij ondergaal. zijn at\'lian-kelijk daarvan, of het uitgestooten ei al dan niet, bevrucht wordt. m. a. w. of er al of niet zwangerscliuj) volgt. Indien er geen zwangerschap volgt, woekert de wand van den follikel korten tijd een weinig, om dan vrij snel zich gedeeltelijk in vet om te zetten, gedeeltelijk weg te slinken: ten slofte is na hoogstens twee maanden nog slechts een klein overblijfsel ervan in liet ovarium aanwezig (onecht corpus luteum). AVordt bel uitgestooten ei daarentegen bevrucht, dan verdikt zich de wand van den saamgevallen follikel zeer aanzienlijk, zoodat in de 4\'10 tot O\'1\'\'zwangerschapsmaand het corpus luteum wel 3—4 malen vergroot is. en op bet einde der zwangerschap nog eene doorsnede van (i—10 m..M. bezit. Zulk een ..waarquot;\'corpus luteum slinkt, nog wel mettertijd, doch veel langzamer en in mindere mate dan in het eerste geval. Ken en ander hangt samen met de verhoogde levensuitingen der zwangere vrouw. Xog jaren later kan men aan een ovarium zien. of liet ooit een ei heeft geleverd, dat bevrucht werd. Dit is van groot belang voor onze verdere beschouwingen,
I üj de vrouw levert liet ovarium 30—35 jaren achter-
9
eon alle vier weken een ei, flat voor verdere ontwikkeling vatbaar is. en toch komt bij een groot aantal vrouwen geen enkel eitje ooit tot ontwikkeling, bij andere slee his weinige. Het aantal kinderen dat een vrouw krijgt, ver-seUilt zeer. in Moskan is het in het algemeen groot: in de kraaminrichting aldaar komen jaarlijks meer dan 100 vrouwen, die 10—1U kinderen gebaard hebben: in 1877 bedi\'oeg dat aantal zelfs ,i4(3.
Thans rijst de vraag: hoe komt het nil den follikel Insgestooten ei in de baarmoeder ! Bij allo gewervelde «lieren toch. de beenvisschen iiitgezondei\'d, is de opening van den eileider, waarin het ei moot geraken, op eenigen, zij het ook geringen, afstand van het ovarium gelegen.
Om hot antwoord op deze vraag te kunnen begrijpen, moeten we in hot kort een en ander mededeelen over do ligging der baarmoeder, eileiders, enz. De baarmoeder (uterus) is een hol. peervormig lichaam, in vi\'ini-achterwaarIsche richting afgeplat. Zij is achter de pisblaas gelegen: haar bovenste einde, het dikste gedeelte van de peer, steekt een weinig boven de blaas uit. De punt van do peer puilt boven in do scheede uit. In doze punt bevindt zich een opening,- die tot de baar-raoedorholte toegang geeft. De lengte van de baarmoeder is zeer verschillend, vooral van den euderdom en van het al of niet gebaard hebben afhankelijk. Zij bedraagt ongeveer 7 c.M. Do baarmoederwand beslaat uit twee \'loeien: hot buitenste is uit in verschillende lichting vericopende spiercellen opgebouwd; het binnenste, de wand van de holte, is slijmvlies, d. i. bindweefsel, waarin
10
slijiiikliemi. die liaar product, de slijm, in de hdlle loozoi. Aan het bovenste, dikste gedeelte der baarmoeder ontspringen de twee eileiders, aan elke zijde één. Zij liggen tril opzichte van de baarmoeder ongeveer als twee zij waar Is gestrekte armen ten opzichte van den romp. Ecu eileider is een buis, welker wand, evenals die der baarmoeder, uil een buitenste spier- en een binnenste slijiuvlieslaag bestaat. Deze twee wandlagen gaan in de overeenkomstige van de baarmoeder, evenals de eileiderholle in die van den uterus, over. liet andere uiteinde van den eileider eindigt vrij in de buikholte. (Indien dit met de noodige kracht kon geschieden, zou een in de baarmoe lerholte gespoten vloeistol\' dus in de buikholte vloeien.) Dat open uiteinde (mond) van den eileider bevindt zich in de onmiddellijke nabijheiil van het bovenste gedeelte van den eierslok, dat in de buikholte uitsteekt, en waarboven de rijpe follikels uilpuilen.
iüj die dieren, bij welke, evenals bij den inensch. het einde van den eileider vrij beweeglijk is, heeft men door onmiddellijke waarneming aangetoond, dat op hel tijdslip. waarop het eitje uit den follikel zal treden, het uiteinde van den eileider hel ovarium genaderd is. en den rijpen, bijna barstenden follikel zóó omvat, dat het uitgeslooten eitje noodzakelijk in den eileider moet geraken. Doch ook zonder dat de opening van den eileider het ovarium nadert, zou het eilje daarin gebracht worden door bepaalde cellen, die met trilhaartjes zijn voorzien. en niet alleen op de binnenvlakte van den gelieelen
11
eileider (en ile baarmoeder), doch ook op de raiulen vau zijn opening gezeten zijn. Die cellen maken met hare trilharen zvveepende bewegingen, gerielil naar de baar-moederholle. De ilinme huig vldfislni\'. die steeds in den eileider en op het ovarium aanwezig is. bevindt zich daardoor in een voortdurende slronnnng v:in den eierstok naar do 1 marmnederholte. Met josgcstonten eitje word! in dien stroom opgenomen en door liem meilégevoeril in den eileider, en van daar naar de baarmoeder.
Hierdoor wordt de verklaring gegeven van het verschijnsel. dat ook bij die dieren, bij welke de mond van den eileider onbeweeglijk op eenigen at\'sland. van den eierstok is bevestigd, hel eitje toch in den eileider terechtkomt.
Is liet ei in den eileider gekomen en wordt het daar bevrucht, dan heelt het bij den mensch —•! weken noodig, om de baarmoeder te bereiken. Het ei van een merrie heelt daarvoor 8—10. dat van een hond (volgens PdSDORiT) 10 dagen noodig, terwijl het hij runderen en schapen reeds na 24 uren ter bestemder plaatse zou zijn gekomen.
HET SPERMA (semen virile).
F.venals de eit jes hel voortbrengsel zijn van de vrouwelijke geslachtskheren, is het sperma (zaad) dat van de mannelijke. Zooals hot uit de pisbuis treedt, is het ei-n
12
■wUachlige, kleverige, laaie, eigenaardig riekende vldoi-slof, die ontstaan is door vermenging van liet eigenlijke zaad (uil den bal afkomstig) met at\'sebeidingsproducten van eenige klieren (de zaadblaasjes, de prostata en de Cowperscbe klieren), die in de pisbuis uitmonden. Het nog onvermengde afscbeidingsproduct van den bal beeft geen reuk en is minder doorschijnend dan na de vermenging.
liet sperma, waaronder wij, tenzij bet tegendeel vermeld wordt, de vloeistof na de vermenging verstaan, bevat tallooze zicb bewegende elementen, zaaddraadjes (spermatozoën) van bepaalden bouw. die in de taaie vloeistof als quot;t ware zweven.
Zulk een spermatozoon is 0,004 m.M. lang en bestaat uit een kop (lichaam) en een draadvormig aauhangsel, den staart, resp. draad. Van elke diersoort bezitten de spermatozoën een anderen eigenaardigen vorm, zoodat bet zaad van een bepaalde diersoort slechts eitjes van diezelfde soort kan bevruchten.
De meest in bet oog loopende eigenaardigheid van versch geloosde spermatozoën is hunne beweeglijk-beid, die echter geen willekeurige is. Zij vertoonen regelmatige, rhytbmiscbe bewegingen, verschillende veranderingen van lengte en gedaante, waardoor zij zicb verplaatsen. Voornamelijk zijn liet de golfvormige kronkelingen van den staart, waardoor de kop voortbewogen wordt en wel in die richting, waarheen zijn spitse uiteinde wijsl. Door die bewegingen zijn zelfs natuuronderzoekersals ElIBKXHETMi. V.VI.EXT1X. GKKUKn. ScilWAXX,
lot de verkeerde meeuing gebracht, dat de spermatozoën diertjes waren (het woordbeteekent dan ook zaaddiertjes). Eerst in lateren lijd is het Küt.uker gelukt te bewijzen, dat het eenvoudig vervormde cellen van de ballen zijn, evenals de eitjes oorspronkelijk kiemcellen zijn.
[n het versch ontledigde spei\'tna van een zoogdier is de snelheid van die bewegingen het grootst, en wel legt een. spermatozoon volgens Hkxskx en Kkümer l.w2—2,7 m.M.. volgens Chabpextier 2.2 niM., volgens Lott zelfs iri..M. in de minuut af. Onder ongunstige omstandigheden heeft een spermatozoon ongeveer 10 uren noodig om den afstand van den uitwendigen baarmoedermond lot den eierstok af te leggen. Stoot het op een hinderpaal, dan blijft liet niet steken, zooals men vroeger algemeen aannam, doch keert terug, zooals lliiiXEB waarnam. Hexi.e. de groote anatoom, zag spermatozoën, die kristallen met zich voortsleepten, welke tien malen groeier waren dan zijzelf, en Poucueï zag hen zich voortbewegen, niettegenstaande 8—10 bloedlichaampjes aan hun kop kleefden. Deze feilen wijzen er op, dol een spermatozoön zich met een vrij belangrijke kracht verplaatst.
Buiten het lichaam neemt hunne snelheid langzamerhand af, en eveneens hunne levensuitingen, totdat een oogenblik komt. waarop de langzame, trage bewegingen van den draad („staartquot;) niet meer in staat zijn het geheel voort te bewegen en het spermatozoön op dezelfde plaats blijft liggen, totdat eindelijk de bewegingen geheel ophouden. Overal is de zoogenaamde „staartquot; het werk-
■zaïiir bewojjiiigslt;trgaan: men misl ook elke beweging, waar liij ontbreekl. Is die draad kort, dan beweegt Jiij zich slechls als een slinger heen en weer of kromt zich telkens naar dezelfde zijde, zoodal de plaatsverandering van het spermatozoöu een huppelend karakter verkrijgt.
De bewegingen van de zaaddraadjes worden begunstigd •dooi\' de verdunning, die liet product van de ballen tengevolge van de menging met ile afscheidingsproducten van de bovengenoemde klieren (zaadblaasjes, prostata en (\'owpersche klieren) ondergaat. Zonder twijfel oefent de latere vermenging met afscheidingsproducten van de vrouwelijke geslaclitsdeelen (na een coitus) een gelijken invloed uit. daar de spermatozoën in den uterus en dru •eileider dagen lang hunne beweeglijkheid behouden. Daarentegen wordt deze verminderd door liet zure slijni, dat zich in de vrouwelijke scheede bevhult rn het zeer taaie slijm, dat in den ingang van de baarmoeder word; afgescheiden. 1 In ven lien kan men de beweeglijkheid der spermatozoën kunstmatig opheffen door water, aether, alcohol, chloroform, looizuur, azijnzuur en alle mineral; a uren.
De plaatsen, waar bet eigenlijke zaad gevormd wordi, de mannelijke kiemklieren. zijn de twee ballen, die ongeveer dezelfde grootte, vorm en ligging hebben. Jdiihn en eierstokken hebben een overeenkomstige functie. Over hun ontslaan uit oorspronkelijk geheel dezelfde lichaampjes wordt later nog een enkel woord gezr- L (zie biz. (iO). Like bal is ongeveer 5 c..\\l. lang ou \'5 c.M. dik. en bestaat uit twee deelen: den eigenlijke.l
bal. die dm vunii van een eenigszius plu!gedrukt ei lieel\'t en. ongeveer hot SU gedeelte van de geheole massa is, lt;■11 den bijbal, een langgerekt lieluiaiii. dal achter tegen den bal aanligt,.
De bal (testis) bestaat in liooldzaak uit een nanlal veelvuldig geslingerde buisjes van 0.5 m.M. doorsnede, «le zaadbuisjes. Hun gezamenlijke lengte zou ongeveer 4(10 M. bedragen. Uit bepaalde ondenleelen (eelK\'n) van die zaadbuisjes worden «le spermatozoën gevoriml. De zaadbuisjes, die als reehle buisjes uit den Ijai treilen, zetten zicli voort in den bijbal, waar zij zieli zeer slerk slingeren en in hun venler verloop meer en meer samensmelten, om ten slot te één buis. den zaa d! ei «Ier. te vormen. Deze loopt, met slagaderlijke, aderlijke en v.vivaien en zenuwen «le zaailstreng vormende, «loor het li^-lcanani naar «le bekkenholte, alwaar hij zich. naast dien van de andere zijde, in het begin van «le pisbuis uitstort, juist waar deze uit de pisblaas is getreden. Kven véér (leze uitmonding bezit de zaadleider in een zijner zijden een vrij belangrijke, zakachtige verwijding, het boven reeds genoemde zaadblaasje, «lat tegen de pisblaas aan ligt. De zaadblaasjes bevatten een inhoul. die bestaat uitliet door «le [alrijke klieren van hun wand gevormde slijm, gemengd met sperma. Door «leze vermenging is het aantal zaaddraadjes daarin betrekkelijk niet zoo groot als in den zaadleider. ]n ilen wand van den zaadieider bevindt zich Hink ontwikkeld spierweefsel, «lat door zijn samentrekkingen, die golfve-rmig, in de richting van den bal raar Let zaadblaasje, verloopen. het gevormde zaai
l(gt;
iu zijn I ijl olijke bewaarplaals, liet zaadblaasje, perst. Hierin wordt het verdund door vermenging niet slijin. dat door den zaadblaasjeswand wordt afgescheiden, is deze gemengde inbond bij den coitus in de pisbuis geperst, dan komt bier de verdere vermenging met de afsebeidingsproducten van prostata en C\'owpersc\'ie klieren tot stand.
De ontleliging van het zaad heeft plaats door samentrekking van verschillende spieren: van het spierweefsel in den wand van den zaadleider, die ook buiten den coitus schijnt te geschieden (zie boven), en, uitsluitend bij den, coitus: de spierelernenten in den wand van het zaadblaasje \'). die het zaad in de pisbuis persen, eenige spieren, die de pisbuis omsnoeren, zoodat zij door tiaar rhythmische samentrekking haren inhoud, -het sperma, met kracht naar buiten spuiten. Waarschijnlijk hebben nog eenige andere spieren deel aan de om-lediging van het sperma, doordat hare samentrekking de ruimte in liet kleine bekken verkleint en bijgevolg den druk op de zaadblaasjes en de pisbuis verhoogt.
De mannelijke geslachtsklieren bevinden zich na de geboorte in dergelijken toestand als de vrouwelijke. Spermatozoën worden er dan nog niet iu gevormd. Dit gebeurt eerst bij den aanvang der puberteit, (jongelingschap), d. w. z. geslachtsrijpheid. De andere veranderingen. die dan in het organisme optreden (verandering
\') Wij zullen later nog er op terugkomen, dat bij een coitus waarschijnlijk slechts het secreet van éénquot; bal, dus ook slechts één zaadblaasje ontledigd wordt.
17
Tan stem, de ontwikkeling van snor- en baardgroei, van scluuiml laren, enz.) verloopen in liet algemeen sneller dan de rijping der geslachtsorganen. Terwijl tocli in ons klimaat de jongen ongeveer op 15—IGjarigen leeftijd de puberteit intreedt, is liij eerst op zijn 17—!8|U\'levensjaar geslachtsrijp en in slaat nakomelingschap te verwekken.
Terwijl nu bij de vrouw bet rijpen -der eitjes met lusschenpoozen plaats beeft, wordt bet mannelijk zaad altijd door, onafgebroken, gevormd, zoodat de man te allen tijde in staat is een bevruebtenden coitus uit te oefenen. Verder is dit vermogen niet zoo aan leeftijd gebonden als bij de vrouw, docb kan bet zelfs tot in zeer hoogen ouderdom, ja. tot den dood blijven voortbestaan. —
Zooals boven werd gezegd, bestaat naast een geslacbte-üjke voortplanting, die slechts mogelijk is door vereeni-ging van mannelijk zaad met een (vrouwelijk) eitje, ook wel eens een ongeslachtelijke, waarbij een nieuw individu zich uit een onbevrucht eitje ontwikkelt. Wij moeten hierbij nog een oogenblik stilstaan, daar wij bij de bespreking van de verschillende theorieën over het ontstaan van bet geslacht eenig begrip van die parthenogenesis moeten hebben.
Bij bijen, wespen, mieren en andere in kolonies levende insecten heelt men waargenomen, dat ook onbevruchte eitjes zelfstandig de gansche reeks ontwikke-lingstrappen doorloopen tot aan de voltooiing van een levend individu.
18
Ik\'l duidelijkste, meest leerrijke en in alle opziclilert meest belangwekkemle voorbeeld van zulk een ware parthenogenesis levert, ons de voortplantingsgeselnedenis dei\' honingbij. Elke bijenhuishoinling bestaat uit drie soorten van imliviiluen: de bijenkoningin, de darre en de werkbij. De bijenkoningin is een volkomen vrouwelijk individu, de darren zijn mannetjes, de werkbijen daaren-legen wijfjes, die echter tengevolge van een gebrekkige voeding zulke gebrekkig ontwikkelde geslachtsorganen hebben, dat eene paring met darren onmogelijk Uitstand kan komen.
De bijenkoningin legt in de door de werkbijen gebouwde cellen eitjes neer, en wel zoo, dat als regel uil de ind ■ wijde celletjes gelegde eiljes mannelijke, uit de in de nauwe celletjes gelegde eitjes vrouwelijke individuen ontstaan. Hierbij is merkwaardig, dat de eiljes, waaruit de darren ontstaan, onbevrucht zijn. lerwijl elk bevrucht eitje zich tot een vrouwelijk individu ontwik kelt.
De koningin paart zich met de darren steeds buiten de korf\', en waarschijnlijk steeds hoog in de lucht. Keert zij vim haai- bruidsvaart terug, dan zijn de kenteekenen van de paring, die plaats had, duidelijk; het, openstaan der bij de maagdelijke koningin gesloten uihvendigo geslachtsopening, vulling van het receptaculnm sennnis \')
\') D. i. zaadhouder. waarin hot sperma bewaard wordt. De koningin schijnt naar willekeur daaruit de eieren al of niet te kunnen bevruchten! Zij schijnt, volgens sommige waarnemingen, daarbij met de eischen harer omgeving te rade te gaan.
10
mot oen voor het bloofe oog waar te iiemou melkachtige vloeistof, waarin met, den rnikroskoop tal van sperma-to/oi\'ii zijn te zien: men lieel\'L zelfs ilikwijls afgescliourde stokken van mannelijke geslachtsorganen in de scheede der koningin aangetnond. Deze ééne paring bezorgt der koningin een hoeveelheid bevruchtend sperma voor meerdere jaren: men vindt nog wel 4 — 5 jaren daarna zich bewegende zaaddraadjes bij haar. Zoolang de voorraad strekt, heeft de koningin het vermogen, mannelijke eitjes in de wijde, vrouwelijke in de nauwe cellen te leggen. Is zij echter niet bevrucht, of is haar voorraad spermatozoon uitgeput, dan legt zij slechts manne-i ij llt; e oil jes.
Door dit mol zekerheid vastgesteld feit is men wel geneig 1 geweest, aan te nomen, dat het ontstaan van mannelijke individuen uit onbevruchte eitjes een :dge-meeue wei is. AVij zullen later (blz. 40) zien. dat zulk een veronderstelling geheel onjuist is.
DE GESLACHTSDRIFT.
Voor liet voortbrengen van nieuwe indivl Inen is bij verreweg do meeste dieren noodzakelijk vereischte: de stolfelijke vereeniging van hel, eitje met het zaad. in. a. w. de bevruchting. Om aan dat vereischte te vol loen, moeten de beide geslachtsstollen in rijpen toestand, op het juiste oogenblik, op de aangewezen plaats en onder gunstige
20
onistandiglieclen mot elkander in aanraking komen. Daarvoor zorgt de geslaclitsdrilt. In het algemeen kan zij omschreven worden als de opwekking tot liandelin-gen. die de bevruchting ten doel hebben. Die handelingen zijn zeei\' vci\'scliillend van aard. naar gelang van de omstandigheden. waaronder de bevrucliting bij de verschillende dieren van elkander afwijken. Eveneens vertoont ook de geslachtsdrift, die vooral aan liet mannelijk geslacht eigen is. verschillende wijzigingen. Zij is het. die het mannet je opwekt, het wijf je op te zoeken of aan te lokken (men denke aan de vogels); zij is het, die den mannetjes-visch aanspoort, het bronstige wijfje te volgen naar de plaats, waar het knit schiet, en de gelegde eitjes te bevruchten.
Ook de menscli luistert naar de geslachtsdrift, en dikwijls heeft het niet bevredigen van haar een onaan-genamen invloed op hein. Aan de andere zijde is het een geluk, dat hij, die het geslachtelijke samenleven nog niet kent, door de onthouding niet veel lijdt. Zelfs dieren kan men hun geheele leven elke bevrediging van hunne pa r i ngsdrif t ont hou den.
Over den aard en het ontstaan van do geslachtsdrift kunnen wij kort zijn. Volgens PFi.üoicn zou zij bij den man opgewekt worden door een zeer sterke vulling van do zaadbuisjes in den bal met rijp sperma, waardoor de uiteinden van de balzenuwen geprikkeld worden. Die prikkel wordt naar do her.-ens overgebracht en verwekt daar den aandrang tot den geslachtelijken omgang. ( Wellicht worden zenuwuiteinden in den wand der zaad-
\'21
blaasjes eveneens geprikkeld tlour sterke vulling, d. i. door do rekking van dien wand.)
Bij de vrouw zou zij op analoge wijze ontstaan: hier zou het de sterke spanning van den follikelwand (bij de toenemende uitzetling) zijn. waardoor eiers lokszen uwen geprikkeld worden, die dan dien prikkel naar liet ceidrale zen luvstelsel o verbre ngc n.
Bovendien speelt de geest, hel voorslellingsverrnogen. enz., een belangrijke rol. Volgens Krafkt-Erinu is de geslaclitsdrift naast den honger een der sterkste behoeften van het organisme; zij vertoont dan ook v; le punten van overeenkomst met den honger. Beide driften ontstaan op gelijke wijze: die naar voedsel, begeleid door het algemeen gevoel van honger, komt tot stand door prikkeling van zenuwen, die in het maag-darmkanaal eindigen. als-gevolg van bepaalde toestanden in d-.ü kanaal, waaraan de graad van prikkeling evenredig is1); en, zooals we boven zagen, ontstaat de geslachtsdrift door prikkels in de geslachtsklier, welke op en neer gaan met den graad van hare werkzaamheid. Bij dieren, welke een bronst bezitten, ontwaakt zij met den aanvang der werkzaamheid van de goslaehtsklieren, en verdwijnt zij met den stilstand hiervan. Hij den voortdurend bronstigen man komt het nooit tot een ware tusschen-pcoze; wel echter doen zich tijdelijke versterking en
\') Wij laten hier buiten beschouwing de gevallen van buitengewoon hongergevoel, welke b. v. in de reconvalescentie van zware ziekten, bij uitputtingstoestanden, waar te nemen zijn. Zij be-liooren niet tot de verschijnselen bij den gezonden raensch.
4
vetzwakkinu\' van de gosluclitsdrill bij heui vooi\'. Toevallige geslachtelijke opwekkingen kunnen élk oogenblik Avaarschijnlijk gelijktijilig de werkzaamheid dei\' ballen en de geslaehlsdrill vevhoogen. (quot;Wij welen eveneens, dal toevallige vooi\'stellingcn, enz. in slaat zijn ilen trek naar sjiijzen op te wekken.) iüj de vrouw is. niellegen-staande de periodiciteit in de werkzaamheid der eierstokken. niet bewezen, dat daarmede de geslachtsdrilt. die zich bij haar Irouwens miirler actief en in geringere mate vertoont, op en neer gaat. Zulk een ebbe en vloed in hare geslachtsdrilt zon dan ook moeilijk overeen te brengen zijn met de voortdurend beslaande bij den man. lu tegenstelling met de dieren vertoont de vrouw zeli\'s gedurende de menstruatie een vermindering van hare geslachtsdrilt, ja. zelfs een tegenzin in geslachtelijken omgang. Ziekten van de vrouwelijke geslachtsorganen daarentegen verhoogen wel eens de geslachtsd rit I.
üe geslachtsdrilt en hart; bevrediging zijn derhalve bij den mensch niet aan een bijzonderen, korten lij ! gebonden: man en vrouw zijn Ie allen tijde in staal geslachtelijk met elkander te vei\'keeren.
De bevrediging van de geslachtsdrift is met zeker gevoel van wellust verbonden, dat bij den man met de zaadloozing ophoudt, waarmede dan ook de coitus geëindigd is. Bij de vrouw echter houdt dat gevoel, zoodra het eenmaal ontstaan is, langer aan. Intusschen heefl Guttckit opgemorkI, dat van tien vrouwen slechts twee na de defloratie (d. i. den eersten coitus) dadelijk genot hebben, terwijl van de overige acht slechts bij de helit
een gevoel, zooals de man bij de zaadloozlngondervuKll. zich eei st na een half jaar. of zelfs eerst na meerdero jaren doet kennen, terwijl de vier overblijvende vronwén hieraan steeds vreemd blijven.
Volgens lrt.vni hadden van i3 vronwen elf gedurende den eoitus in \'t gelieel geen wellustgevoel, bij zeven trad het sleehls uu on dan en dan zeer matig op. en bij zes ontstond liet eerst na meerdere jaren. Al deze vrouwen waren onvruchtbaar.
Volgens de ervaringen van Ski.iusox had van de vrouwen, met wie hij over dat kiesche onderwerp sprak, hoogsl zelden eene dadelijk na het huwelijk genot van den geslachtelijken omgang; ja. de meesten verklaarden, eerst na de eerste bevalling zulk een gevoel ondervonden Ie hebben. Slechts één dame, die toch nit liefde voor haar man gehuwd was. had in haar tienjarig huwelijk nog nooit genot van den coitus gehad. Dal zulke vrouwen ..uit den aard der zaakquot; onvruchtbaar zou ten zijn. is een verzinsel, dat door menig voorbeeld te logenstraffen is. Zoo b. v. had de laatstgenoemde dame twee malen een miskraam. Dat hare zwangerschap niet gewoon ten einde liep. moest geweten worden aan de svphilis van haren man.
coïtus en bevruchting.
Door paring, bij den mensch bijslaap of coitus genoemd, verstaat men de min of meer innige lichamelijke ver-eeniging van een mannelijk met een vrouwelijk individu
2i
van oeiie diersoort, hi het belting van de voortplanting ou het behoud der soort. Door I taai\' wordt aan de mannelijke geslachtsstoiTeu gelegenheid gegeven, met de vrouwelijke in aanraking te komen en zich daarmede te vereenigen. Dit heeft nu eens binnen, dan eens buiten (b.v. bij de visschen) het vrouwelijk organisme plaats, en wel of onmiddellijk \'»f eerst eenigen tijd na de paring, al naar de verschillende organisatie der diereu en van hunue geslachlswerk 111 igen.
Het eigenlijke doel van de paring in het algemeen is de bevruchting, die er echter niet een noodzakelijk gevolg van is: paring zonder bevruchling is even goed mogelijk als bevruchling zonder voorafgaande paring (ook bij den mensch. zie blz. 2(3).
Evenals bij de zoogdieren bestaat de paring bij den mensch daarin, dat het mannelijk voorlplantingslid in de vrouwelijke scheede gebracht wordt. Door de bewegingen, gedurende den coitus gemaakt, worden gevoels-zennwen, die in die geslachtsdeelen eindigen, van den man zoowel als van de vrouw, geprikkeld. Door de langzamerhand zich opeenstapelende prikkels wordt tenslotte de zaadloozing bij den man, en waarschijnlijk soms ook de verdere opname van het zaad bij de vrouw, bewerkt. Het zaad. dat in de vrouwelijke scheede geloosd wordt (vroeger, op blz. 16, bespraken wij de krachten, die dit ten uitvoer brengen), komt hier al dadelijk tot vóór den baarmoedermond, d. i. de opening in de punt van de peer (vgl. blz. 0), waardoor de ba-.u\'moederholte in gemeenschap staat met de scheede.
Ook bij de vrouw heeft op liet hoogste puut tier geslachtelijke prikkeling een beweging ia enkele geslaehts-deelen plaats, die overeenkomt mei de juist bij den man genoemde. Zij bestaat in een samentrekking van de eileiders en de baarmoeler in de richting van binnen naar huilen, tot aan den baarmoedermond.
Door de bovengenoemrlc samentrekking nu van \'le wanden der eileiders en der baarmoeder wordt het slijm» dat zich onder gewone omstandigheden in de baarmoederholte vormt, in de scheede uitgeperst. Verier richt zich de baarmoeder (die normaliter vrij sterk naar voren gekanteld, is), door hare samentrekking en door samentrekking van twee spierhondende banden, die zich aart haar hechten, op. zoodat liiiar mond, die naar den achterwand der scheede «■erielit was, zich nu meer naar
O quot;
het midden verplaatst. Verslapt de baarmoederwand na deze samentrekking, die te gelijk met het ophouden der geslachtelijke prikkeling eindigt, dan zet zij zich weder uit en haar aldus srooter wordende holte zuist bet zaa l.
O O
dat vóór den mond ligt. naar binnen.
Dat nu bij eiken coitus en bij elke vrouw dit een en ander plaats heeft, is stellig evenmin het geval, als dat elke vrouw van eiken coitus genot heeft. Immers die bewegingen treden juist op. wanneer de geslachtelijke prikkeling haar hoogste punt heeft bereikt, zijn dus aan deze gebonden. De juist beschreven zuiging, door de baarmoeder uitgeoefend, is trouwens voor de bevruchting volstrekt niet noodzakelijk, daar de spermatozoën door hun eigen bewegingen in den uterus kunnen dringen.
20
Dil is bewezen dooi\' de waarneming van xwangemiiap. zonder dat het mannelijke lid in do sclieede gevoerd was. waar dus de ppermatozoën zelfs den weg door de gclieek\' sclieede door eigen kraclit liadden afgelegd. Lat de kracht, waarmede de spermatozoën zicli veert-y.weepen, een belangrijke is. blijk! daaruit, dat zij zelfs den eierstok kunnen bereiken, niettegenstaande van hier naar de sclieede heen een voortdurende vloeistofstrooming plaats heelt, zoodat de zaaddraiidjes tegen den stroom in zich bewegen (vgl. ook blz. 10 en 13).
Dal niet elke coitus bevruchtend is. behoelt hier wel nauwelijks opgemerkt te worden, lüj dieren is daarentegen gewoonlijk één paring voldoende. Worden zij echter geheel aan zichzelf overgelaten, zooals op de weide geschiedt, dan wordt de paring meermalen door hen herhaald.
Tot vóór een halve eeuw hield men zich ann de voorstelling van Spai.i.anzaxi (178(3), dat de bevruchting ze.n beslaan in eene aanraking van spermatozoon en eitje. Kerst geruimen tijd nadat JIary (1840) aangetoond had. dat Let spermatozcna noodzakelijk in het eitje moest dringen, wilde er van bevrnchting sprake zijn. heeft de oude, eerstgenoemde zienswijze voor deze plaats gemaakt. Aan het grootste belang was de ontdekking van de mikro-pyle (letterlijk: kleine poort), een opening in den wand van insecteneiljes. bestemd voor hel binnendringen van het spermatozoun. Ofschoon bij den mensch zulk een mikro-pyle nog niet met zekerheid is aangetoond, mogen we toch. gesteund op vele waarnemingen, gerust aannemen.
27
lt;l;il het eitje van alle dieren, zoowei als van den mrnscli. niet beviuelil kan worden zonder dat liet spermatozoon er in dringt.
Die waaniemingen hebben o. a. lot de welenscluip gevoerd, dat het draadje onmiddellijk ophoudt zich te bewegen, zoodra de koj) van liet spermatozoon in hel eilje is gedrongen. Die kop heel nu zaadkern. Deze vereenigt zirli met de ei kern (zie hlz. r») en versmell er mede tol een geheel: de eerste splij 1 ingskern. Dit is het lieiiaampje, dat bestemd is een reeks veranderingen te ondergaan en daardoor zich lot een nienw individu Ie ontwikkelen.
Is nu na den coilus hel mannelijke zaad in de baarmoederholte gekomtm. dan heelt het meerdere uren, ja. wei dagen noodig. om het eil je te bereiken, dat bevrucht zal worden. Gewoonlijk n.1. wonll het, ei. dat door Irilhaar-bewcgingen van den eileiderwand naar debaarinoederholle bewogen wordt, eerst in den eileider, of ook wel op het ovarium, door het zaaddraadje bereikt en bevruchl. Hel wordt dan verder naar de baarmoederholte gevoerd. Intussehen is eene bevruchting van het eitje, dat reeds in deze holte was gekomen, aldaar niet uitgesloten. Integende l wordt in den laalsten tijd de overtuiging door sommigen uilgesproken, dat de bevruchting vaak in de baarmoederholte zelf plaats heeft.
Het spermalozoön moet dus soms den weg door baarmoederholte en eileider afleggen. Is hel in aanraking gekomen met het eilje, dan dringt liet daarin door borende bewegingen. Of het daarbij in staat is zich
een weg te baneu door liet dooiervliesje (zie blz. 4)y ol\'wel slechts in reeds bestaande kanaaltjes in dat vliesje kan dringen, is nog niet met zekerheid uitgemaakt. Merkwaardig is het, dat het spermatozoon in staat is. liet ei op te zoeken en, zoodra het, bereikt is, zijn bewegingen zóódanig te wijzigen, dat het daarin doordringt, liad men dit vóór 100 jaren geweten, men zou zeker minder gemakkelijk de overtuiging hebben laten varen, dat het spermatozoon een diertje is, met eigen wil voorzien. Wij weten wel, dat dit niet zoo is. al zijn ons de krachten nog niet zeker bekend, waardoor een en ander te verklaren is zonder aan het zaaddraadje een eigen wil of „instinct\'\' loe te kennen.
Wal het aantal spermatozoën betreft, dat noodig is voor ile bevruchting van één eitje, is zeker één spermatozoon voldoende, en wel is het datspermatozoön.dat het eerst met het eitje in aanraking komt (O. Hertwig). Hiermede wordt niet uitgesloten, dat ook meerdere te gelijk dat kunnen doen (zooals bij ééneiige tweelingen), ofsdioun dit stellig uitzondering is.
Als het tijdstip, waarop de vrouw liet nicest ontvankelijk is voor bevruchting, moet dat onmiddellijk na de menstruatie beschouwd worden. Volgens sommigen is ■ lit zelfs de eenige tijd, waarop de vrouw bevrucht kan worden. Volgens Hippokratks en ook lateien zou dit ook in geringere mate tij lens de menstruatie mogelijk zijn.
liet is echter boven allen twijfel verheven, dat ook meerdere dagen na de menstruatie de bevruchting tot
29
stand kan komen. Het eitje tcdi blijft eenigen lijlt;l na zijne losstooting uit den eierstok ontvankelijk voor bevruchting. Hoe lang bet deze eigenscbup in den eileider of in de baarmoeder behoudt, weet men niet, daar men nog nooit een onbevruebt ei op een van die beide plaatsen heeft gevonden. Wellicht duurt die termijn 8—14 dagen. Het mannelijke zaad tenminste behoudt zijn bevruchllngsvorinogen (beweeglijke zaaddraadjes) langen tijd in den eileider, zooals Bischoif. wel is waar niet bij den mensch. maar toch bij de zoogdieren 11eelt waargenomen.
Heeft de bevruchting dus binnen 8—ii dagen na de menstruatie plaats, dan mag men aannemen, dat een zaaddraadje in het eitje is gedrongen, dat bij die menstruatie behoorde. Geschiedt de bevruchtende coitus daarentegen meer dan : i dagen na eene menstruatie, dan is bet zee\'r waarschijnlijk, dat het zaaddraadje wellicht zelfs tol aan liet ovarium zich heeft voortbewogen en aldaar in het eitje, dat met de daaropvolgende menstruatie word! losgestooten, dringt. (Zie ook blzz. 117.157).
Het eitje, dat uit den gebarsten follikel getreden is en in hel laatst veronderslelde geval onmiddellijk bevrucht werd, komt in den eileider terecht, op dezelfde wijze als bet niet bevruchte (zie het hierover op blz. 10 gezegde). Na 1—5 dagen heeft het bij de herkauwende dieren de baarmoederholle bereikt, bij honden volgens Hischoi-t binnen 8—10 dagen, volgens Hvuti. binnen uiterlijk 4 dagen.
In de baarmoederholte aangekomen, zet het eilje zich
ergens op een \'geschikte plaats van den wand vast en begint daar de reeks van veranderingen te ondergaan, die tot liet ontstaan van een nieuw individu voeren. Zeedra hel eilje zich heelt vastgezet, is de vrouw zwanger geworden.
Ten sldlto dient hier te worden opgemerkt, dat eene-bevruchting slechts dan lot stand komt, wanneer mannelijk en vrouwelijk zaad van dezel I\'d e d ie rsoort. althans van zeer nauw verwante dieren (b.v. paard, ezel. zebra) zich vereenigen. In dit laalste geval ontstaan bastaards. Anders is eene bevruchting niet, mogelijk., (Vgl. blz. 12.)
ZWANGERSCHAP BUITEN DE BAARMOEDER.
Niet altijd evenwel zet liet eil je zirh op den binnenwand van de baarmoederholte vast. Het kan n.l. voorkomen. d:it de eileider door ziekelijke veranderingen (ontsteking b.v.) hier en daar vernauwd en geknikt is. Het eitje kan dan niet uf all hans niet zoo gemakkelijk de baarmoederholte bereiken. Ook kan ilil het gevolg zijn van gezwelvorming in den baarmoederwand Wordt liet eitje nu loeh in den eileider bevrucht, dan blijft hel, daarin en zet het zich aan zijn wand vast, om thans op die ongewone plaats zich verder Ie ontwikkelen. Zulk eene zwangerschap buiten de baarmoeder wordt ektopiseh oi\' extraulerien genoemd.
ai
Zt\'lis kau liet voovko;nen, dal liet eitje zich op het ovarium of ergens op het buikvlies vasthecht.
Deze toestanden moeten gekend worden om later volgende beschouwingen te kunnen begrijpen.
Ook is voor ons van belang te weten, dat somtij.Is liet eitje niet in den gelijkzijdigen eileider, doch in dien van de andere lichaamsheit\'t lerechtkomt. .Men herinnert zich de op blz. 8 besproken veranderingen, die ile gebarsten 1\'ollikel ondergaat, indien het ei bevrucht wordt. Er werd toen op gexvezen, dat die veranderingen, welke het ware corpus lutenm doen ontstaan, ons in staat stellen de herkomst van bet eitje, dat tot zwangerschap aanleiding gaf, op te sporen. Xu is door verschillende onderzoekers niet alleen bij den mensch, doch ook bij enkele huisdieren waargenomen, dat het corpus luteum. dat blijkbaar tot het bevruchte eit je in betrekking stond, in het linkerovarinm zich bevond, terwijl de vrucht zich in den ree h ter eileider ontwikkelde, of omgekeerd.
liet zon ons te ver voeren, hier de verklaring van zulke „omwandelingenquot; van het eitje te bespreken.
MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP.
Gewoonlijk brengt de vrouw slechts één kind ter wereld, zelden meerdere te gelijk. Het is niet te loochenen, dat rasverschillen zekeren invloed daarbij oefenen. Ook erfelijke aanleg schijnt een rol te spelen.
T woe 1 i ngen. •
Terwijl men in liet algemeen op 70 — 80 enkelvoudige Tja ringen 1 I weel i ngsgebnorte rekent (in Pruisen 1 op \'8!! volgens G. in l-\'rankrijk l op 78. in Nederlami
1 op 78 en in Italië al naar de landstreek 7. 15 en 42 op 1000). komt in Rusland op 50 enkelvoudige 1 tweelingsgeboorte.
Tweelingen kunnen op verseliillende a\\ijzen ontstaan: óf er worden t w e e eitjes bevrucht, die óf van hetzelfde of elk van een ander ovarium afkomstig zijn;
nf in één eitje heeft een dubbele bevruchting plaats. Van zeer groot belang is voor ons, dat dan de tweelingen zonder uitzondering van iietzelfde geslacht zijn.
Of er één of twee eitjes bevrucht zijn. is mei zekerheid uit te maken aan den vruclitzak: in het eerste geval hebben de tweelingen een gerneenschappelijken. in het tweede elk een afzonderlijken vruclitzak. Ook de placenta geeft ons opheldering: in het eerste geval zijn de bloedvaten van de gelieele placenta van uit die van elk der beide navelstrengen op te spuiten, in het tweede niet. Ja. men vindt dan scans we! twee geheel afzonderlijke placentae. Aan het aantal corpora lutea is dat niet steeds met zekerheid te zien, daar het kan voorkomen, dat twee eitjes van één follikel afkomstig zijn: men mag dus uit de aanwezigheid van één corpus luteum (op beide ovariën te zamen) volstrekt niet besluiten tot -dubbele bevruchting van één eitje.
Dat één eilje twee kiemblaasjes (cikernen) kan bevatten.
is meermalen mikroskopiscli vastgesteld. De follikel is in zoo\'n geval grootei\' dan andere van hetzelfde onhvik-kelings-stailinm. Bij vogels is liet eveneens bekend, dal één ei twee dooiers bevatten kan.
Bovendien schijnt het ook wel eens te gebeuren, dat één kiem zich later in twee splitst.
Drielin quot;en
O
komen veel zeldzamer voor dan tweelingen. Ook hier doen de fasverschillen hun invloed kennen. Zoo komt in Frankrijk 1 drielingsgeboorte op 6209 enkelvoudige, in Nederland 1 op 5812. in Duitscbland 1 op 7910. in Rusland 1 op 3000 voor.
1\'at drielingen op nog meer verschillende wijzen kunnen ontstaan dan tweelingen, spreekt vanzelf;
1°. of o]) 1 ovarium barsten drie follikels, elk met 1 eitje; 2°. óf op 4 ovarium barsten twee follikels. waarvan één 2 eitjes bevat: 3°. öf op i ovarium barsten twee follikels, op bet andere één, enz. enz.
Ook hier geldt het boven omtrent liet geslacht en den vr ucht zak oj)gemerk t e.
Of nu al de denkbare mogelijkheden omtrent de lier-komst der eitjes wel vervuld worden, is zoor te betwijfelen. liet feit. dat in 1 follikel drie eitjes kunnen voorkomen, werd door Ki.ikx vastgesteld, die dat iu
3
3i
tiet ovarium van ei^i gestorven meisje vond, naast 8 undere follikels, elk met 2 eitjes.
V1 e r l i ii ge n.
Een viervoudige zwangei\'scliap behoort tot. de zeldzaamheden. In Frankrijk werd waargenomen: l op 121.082 enkelvoudige geboorten; in Nederland I op 1lt;.)2.0.quot;?0; in ile kraamzaal te Dublin 1 op 152,:51)5: in Dnitscldand 1 op 371.120; in twee Saksische plaatsen (GLmchau en rrimmitzschau) kwamen in 23 jaren op 20.000 geboorten drie vierlingen en wel in 1847 vier meisjes, in 1809 twee jongens en twee meisjes, in 1870 vier meisjes ( Leoi\'olh).
Een vi.ji\'linggeboorte is al uiterst zeldzaam, volgens Sickki. éénmaal op 17.730.074 enkelvoudige geboorten.
In verband met de meervoudige zwangerschap moeten wij nog even stilstaan bij twee verschillende wijzen, waarop de bevruchting zou kunnen plaats hebben. Indien tweelingen geboren zijn, die zich kennelijk uit twee alzonderlijkc eitjes ont wikkeld hebben, dan is het mogelijk, dat deze niet door denzellden coitus, doch korten tijd na elkander bevrucht zijn. al zijn zij gelijktijdig uil den 1\'ollikel gestooten. Dat verschijnsel heeft men over be-
z\\v angering (suporl\'oecnntlalio) genoemd. Dal zij 1( i-telijk bestaat, is echter niet aiVloende bewezen, tenminste niet voor den menscii. lüj dieren komt zij zeer zeker voor. zooals wij later zullen, zien.
Ver.ler heet\'l men zich gevraagd, of het niet eveneens mogelijk zou zijn, dat Iwee eiljes. van verschillende rnenstrnatie al\'komslig, na elkander bevrucht, worden, m. a. w. of eene o v er he vr u ch t i n g (superfoetatio) ook voorkomt\'? Terwijl dus het tijdsverloop tusschen de twee bevruchtende coitus bij lt;le overbezwangering niet meer dan eenige dagen bedraagt, zou het hier één of meer maanden kunnen duren. Dij den mensch is het bestaan van een overbevruchting zeer onwaarschijnlijk, zoolang niet bewezen is, dat ook na ingetre len zwangerschap afstooting van eitjes plaats heeft. Later komen wij hierop terug.
Thans kunnen wij lot de beliaiuleling van ons vraagstuk o vei\'gaan: hoe kan men naar verkiezing een jongen ol\' een meisje venvekken !
Deze vraag iieei\'t men zich reeds in zeer oude tijden voorgelegd en getracht le beantwoorden. Niel alleen bij de Romeinen. Grieken en Israëlieten, doch zelfs bij de Oud-Indische geneesheeren vindt men haar behandeld. Door alle tijden heen tot op heden en bij zeer vele volken is zij steeds een vraag geweest, die zich in groote be-lanastelliniï kon vorheuuen.
Alle mogelijke omstandigheden en bijzonderheden, die blijkens de ervaring vcorkwamen en kunnen voorkomen bij den coitus, de bevruchting, enz., zijn als uitgangspunten voor beschouwingen gebruikt, die veelal den naam hypothesen niet verdienen en zich vaak geheel op het gebied der phantasie bewegen. Daar enkele daarvan zoo nu en dan nog met klem en overt uiging worden verkondigd, zullen wij die achtereenvolgens bespreken, om ten slotte na le gaan. ol\'er ook voorslagen zijn gedaan, die werkelijke waarde bezitten.
Al die theorieën zijn in twee hoofdgroepen te verdoelen:
1° theorieën gegrond op sta tistische opgaven en ervaringen bij den mensch en bij sommige dieren;
2° theorieën berustend op anatomisch-pln-siolo-uischen oronlslag.
O O O
II-
DE STATISTISCHE THEORIEËN OVER HET ONTSTAAN VAN HET GESLACHT.
In deze groep vooral behooren beichouwingon Ihuis, •lie geheel of grootemleeli uitde pliantasie zijn gesproten. Voor een aantal daarvan is men van de voorstelling uil-gegaan, dat de coitus een strijd zon zijn van twee individuen van verschillend geslacht, niet alleen om de eigenaardigheden van karakter, doch ook om een bepaald geslacht in hel te verwekken individu te doen voortbestaan. Volgens sommigen zoude de in dien strijd .,overwinnende partijquot; trachten haar eigen geslacht, volgens anderen juist dat van de „tegenpartijquot; te verwekken. Daarnaar kan men spreken van een gelijk e-ge-slachts- en een gekruiste-geslachtsovererving.
Hoe men ooit den coitus als een slrijd heeft kunnen beschouwen, waar beide partijen slechts toegeven aan hunne geslachtsdrift en te zamen naar hare bevrediging streven, is ons een raadsel. Doch ook degene, die zulk een voorstelling de zijne noemt, moet wel gotrolTfn worden door het groote aantal tegenstrijdige feiten, die
oo t)0
beide ..theorieën\'quot; evenveel, of liever even weinig recht van beslaan overlaten. Aanstomls komen wij op zulke teilen in het kort terug. Hier willen wij slechts er op wijzen, dat indien degelijke-geslaclitsoverervinghel streven van den coitus was, het eerstgeboren kind wel steeds tot het mannelijk geslacht zou moeten behooren, terwijl het steeds een meisje zou moeten zijn. indien de andere voorstelling de juiste ware. Immers, zooals wij boven zagen, heeft de ervaring steels geleerd, dat de vrouw in den eersten tij l van het huwelijk zelden geslachtelijk genot van den coitus heelt, dat zij zich geheel passiet gedraagt. De man zou dus in dien tijd (tot de eerste baring) bijna steeds de sterkere, de overwinnaar in den „strijdquot;\' zijn. bijgevolg zou het eerstgeboren kind óf steeds een jongen of steeds een meisje moeten zijn. Ieder weet echter wel, dat het even vaak tot bet mannelijk als tot het vrouwelijk geslacht behoort.
De gel ijke-gesla chl sovererving.
Waarscbijrdijk is IIippokiutf.s (geloren in de 5,lr eeuw v. Chr.) de grondvester van deze theorie. Na hem is zij door verschillende anderen verdedigd.
In den allerjongsten tijd worden nog warme voorvechters van haar gevonden. Wij willen sleehls noemen den Engelschman quot;Wall (1887 ), die zich op de statistische gegevens van de Europeesche vorstenhuizen, den graven-kalender en de Engelsche pair-families beroept ; Düsino (1883). die uil zijn statistische onderzoekingen bij den rneaseh. in hel dieren- en plantenrijk de gevolgtrekking
39
inaakt ; «lat een jong vrouwelijk eitje tot het vrouwelijke, en een even jong mannelijk spermatozoon tot liet mannelijke geslacht overhelt. Maveriiofer (1879) ten slotte laat tijdens de bevruchting het spermatozoon voor het mannelijke tegen het eitje voor het vrouwelijke geslacht strijden: de overwinnaar beslist het geslacht van het aanstaande nieuwe individu.
De oekruiste-geslachtsovererving.
~ O O
Volgens deze voorstelling zou, zooals wij boven zeiden, liet verwekte individu mannelijk zijn. indien de vrouw, vrouwelijk daarentegen, indien de man de sterkere was.
De verdedigers van deze voorstelling, onder wie Jankk vooral genoemd moet worden, hebben tal van feiten en waarnemingen verzameld, die haar schijnen te bewijzen, althans te steunen.
In de eerste plaats heeft men wel gewezen op de klacht van eenige veefokkers, dat in zeker aantal jaren zonder uitzondering mannelijke kalveren door hunne koeien werden geworpen. Daar nu de gemeenschappelijke vader een oude stier was, die slechts door aanzetten tot de paring kon bewogen worden, zouden de koeien steeds in den strijd de sterkeren geweest zijn.
Opvallend is, dat Mayehhofeh. die een aanhanger van de gel ij ke-geslachtsovererving is, om het tegendeel te bewijzen, de waarneming mededeelt van een ram. die, zoolang hij in het bezit van zijn volle kracht was. meer mannetjes- dan wijfjesschapen verwekte. Zoodra hij echter eenige dagen later genoodzaakt was. vele
10
schapen te bespringen, en zijn krachten daardoor nitge-jmt werden, kwamen er meer wijfjes ter wereld. Entoen hij ten slotte weer krachtiger was geworden en zich met minder schapen paarde, nam het aantal mannetjes weer toe!
Verder heeft men zich beroepen op de boven medegedeelde feiten uit de bijenwereld. Uit het feit, dat een onbevruchte koningin slechts mannelijke, een bevruchte slechts vrouwelijke bijtjes ter wereld brengt, heelt men de gevolgtrekking gemaakt, dat de vrouwelijke eicel (lorspronUeiijk slechts voor de voortbrenging van een mannelijk individn is bestemd. Door de bevruchting met mannelijk zaad zou het geslacht dan gewijzigd worden.
Ook al geldt deze gevolgtrekking voor de bijen, is men nog niet gerechtig!, voor den mensch door analogie hetzelfde aan te nemen. De vergelijkende ontwikkelingsgeschiedenis en dierkunde hebben geleerd en leeren nog dagelijks, dat het volmaakt ongeoorloofd is, uit ervaringen bij lagere dieren tot de aanwezigheid van denzeltden toestand bij hoogere te besluiten. En hoeveel te meer moet men zich daarvoor wachten, waar Vox Siebold bij andere insecten gansch andere toestanden beschreef. Zoo b.v, bestaat bij de zakdragermolten (solenobia) en bij een zakdragersoort (psyche helix) parthenogenesis: de joukvrouwelijke insecten brengen uitsluitend wijfjes ter wereld, ja. van psyche helix is tot dusverre nooit een mannetje gevonden. Verder ontwikkelen zich bij de zijdewormvlinders (bombvx mori) zoowel mannetjes als
il
wijfjes uit de onbevi\'achte eitjes. .Men zóu evenveel recht hebben, op grond van deze waarneming bij solenobia een ircvoliïtrekkinsf voor den mensch te maken, avheel tegenovei\'gesteld aan die, waartoe de ervaring bij de bijen sommigen heeft verlokt.
Janick beroept zich op eenige feiten, b.v. dat een man in uitgepntten toestand een jongen verwekte, zonder evenwel te kunnen bewijzen, dat zijne kinderen van vóór dien tijd uitslnilend tot het vrouwelijk geslachtbehooren 1 Zi jn bewering, dat lijders aan rnggemergs-of longtering in vergevoi\'derden toestand uitsluitend jongens zouden verwekken, woedt door vele andere waarnemingen geheel weersproken. Wellichl weet deze of gene van onze lezers (tok wel voorbeelden van zeer verzwakte mannen, die toch docldertjes verwekten. Bovendien zou het wol meer dan gewaagd zijn, uit eenige weinige waarnemingen algemeene gevolgtrekkingen te maken.
Zooals men dus ziet, ontbreekt aan de beide voorstellingen, zoowel aan die der gelijke- als aan die der\' gekruiste-geslacht so vererving elke wetenschappelijke, of nok maar empirisch vastgestelde grondslag. En waar deze scheen te bestaan, waren bij nader onderzoek zonder veel moeite andere voorbeelden in het dierenrijk te vinden, die met dezelfde kracht het tegenovergestelde van de geopperde meening kunnen bewijzen.
Tot dusverre werd slechts van „kracht\'\' in het algemeen gesproken. Hieraan dient nog te worden toegevoegd, dat volgens Janke de mannelijke kracht afhankelijk zou zijn van het aantal zaad lraadjes en hunne leven-
lt;ligheid, die der mouw van de volle onlwikkeling van het losgestooten ei en van hare vooilplanthig.shartstcelif, en vcortplanlingskracht.
Laat ons nagaan, wat daarvan bekend en hoiulbaar is. Reeds de Oud-Indische geneesheeren dachten, dat een gi\'oote hoeveelheid sperma tot de geboorte van een jongen, een geringe daarentegen tot die van een meisje aanleiding zou geven. Eveneens stelt Moukli.o (1873) het geslacht afhankelijk van den concentratie-graad van het. sperma.
Ofschoon de physiologen in den laatsten tijd hebben vastgesteld, dat één spermatozoon voldoende is om een eitje te bevruchten, en het vermoeden uitspreken, dat ook dan, wanneer er meerdere in het eitje dringen, slechts één de bevruchting volvoert, blijven deaanhangers van Mouello hunne meening volhouden. Ja. zij beroepen zich zeli\'s op onderzoekingen van den bekenden physioloog Pflügek. Gaat men echter met deze onderzoekingen te rade. dan blijken zij lot een geheel andere slotsom geleid te hebben. Pkuiger ging daarbij ui; van het feit, dat bij de kikvorschen in de vrije natuur •/ich als regel 30,3 0/0 mannelijke tegen (»3.7 o/0 vrouwelijk.\', individuen ontwikkelen. Met gecomenlreerd kikvor-schen-sperma nu verkreeg hij van 492 kikvorschen l\'.\'i (d. i. 39,4 quot;/„) mannetjes en SUS (d. i. 00.0 quot; (i) wijfjes; met verdund sperma kwamen van 209individuen 57 mannetjes (d. i. 27.3 0/:(1) op ir)2 (d. i. 72.7 no) wijfjes. Hiervan moet echter de inhoud van het aquurium, waai in van de 72 individuen slechts 8 mannetjes en 04 wijfjes
4:1
Avarcn. afgetrokken worden. Men krijgt dan als slotsom 49 mannetjes tegen 88 wijfjes (d. i. 36.5 70 en G3,5 %). verkregen met verdund sperma. Een derde proefneming met waterig extract van de testikels van kik-vorscben gaf 35.2 0/0 resp. 04,8 %• Uit deze proeven blijkt dus zonneklaar, dal de concentratiegraad van bet sperma geen invloed uitoefent op bet g e s 1 a c hl.
Jaxkf, spreekt, zooals boven aangehaald werd. van een voorlplantingsbartstocbt en een voortplantingskracbt bij de vrouw. Dat de eerste bij de bevruchting uiterst zelden in het spel is, werd vroeger door ons betoogd. En wat de voortplantingskracbt aangaat, wat kan .1 anke daarmede bedoelen? Een vrouw, die regelmatig menstrueert en volkomen gezond is, beeft zulk een kracbl. Waaruit blijkt echter itaar invloed op bet geslacht! Ook de uildrukkino- „volle ontwikkeling van bet losgestooten eiquot; is raadselachtig. .Ianke wil daarmede toch niet op de mogelijkbeid wijzen, dat een onrijp ei door een in het ovarium dringend spermatozoon bevrucbt zou kunnen worden? Wellicbt bedoelt hij, dat het niet on-verscbillijï is, op welk tijdstip ten opzichte van de voorafgaande en volgende menstruatie de bevruchting plaats beeft.
En biermede komen wij aan de bespreking van eenigc levensomstandigheden en lijd[lerken, die volgens sommigen invloed op het geslacht zouden uitoefenen.
In de eerste plaats noemen we
DE MENSTRUATIE.
Volgens sommige onderzoekers (Kuxdrat . Engkl-5iann e. ii.) zou het slijmvlies van de baarmoeder reeds 1quot; dagen vóór den aanvang der menstmeele bloeding beginnen bloedrijker te worden en daardoor te zwellen. ( i\'NIn rende de bloeding is die zwelling het belangrijkst om daarna al\' te nemen, totdat 4 — 5 dagen later het slijmvlies weder normaal van dikte is. Eenige dagen later begint de zwelling opnieuw.
Men heeft zich nu wel voorgesteld, dat het eitje onder den invloed van dat proces zou staan, waaraan zelfs menige vrouw zich niet kan onttrekken. Zóó zon het, naar gelang de zwelling toeneemt, een vermindering van levenskracht omlervinden. Het is dan bijgevolg al zeer gemakkelijk de mindere in den strijd met liet spermatozoon, zoodat het iu dien tijd verwekte individu tol het vrouwelijke geslacht zal behooren.
Heels Hiim\'Okuatks ried aan, om een jongen te verwekken, den coitus buiten den menstruatie-tijd uit te oefenen, voor een meisje echter in dien tijd.
Men heeft wel gewezen op een hoog 0\'o jongens onder ■ Ie Israëlieten-kinderen en heeft dat willen verklaren uit een voorschrift in den Talmud, volgens welk strengge-loovige Israëlieten in de eerste 7 dagen na de menstruatie geen coitus mogen uitoefenen. Het j.s echter volstrekt niet bewezen, dat onder de Israëlieten meer jongens dan meisjes geboren worden. En of zij zich werkelijk aan dat voorschrift zouden houden, is wel
4~gt;
twijfelaclitig. indien men uit de geboorle-slatislieken, b. v. in Moskau. ziet, dat in de vastentijden de coitus blijkbaar nanwelijks minder wordt uitgeoefend dan daarbuiten, ofschoon hij dan toch geheel verboden is.
Godsdienstige voorschi-ilten seIlijnen den aandrang der natuur al zeer weinig te beteugelen.
De ervaringen van veefokkers en vee-arlsen zijn ook hier al even tegenstrijdig, als wij boven ten opzichte van de gelijke- en gekruiste-geslaclitsovererving zagen. Zeo beweert Tiiuuv, dat in den aanvang der bronst gedekte koeien vrouwelijke, op het einde der bronst besprongene daarentegen mannelijke kalveren zouden werpen.
Andere veefokkers echter beweren wel het tegenovergestelde. Maar ook al ware Imnne uitspraak volkomen gelijkluidend, zou men haar toch niet zonder meer op den mensch mogen toepassen. Waar toch de bronst bij verseliillende dieren reeds verschillen vertoont, zouden hare eigenschappen zeker niet op de menstruatie overgedragen mogen worden. Zooals wij nl. vroeger (blz. 7) zagen, beslaat er een belangrijk onderscheid lusscheu bronst en menstruatie.
Morello is van meening. dat door een coitus na de menstruatie jongens, door een vóór dien tijd meisjes verwekt worden. Mij gaat zelfs zoo ver, op het voetspoor van Avicenna (S\'Sl) na C\'hr.). dagen in de tusschen-pooze (van de menstruatie) aan te wijzen, waarop zeker jongens verwekt zouden worden. Het zijn de 8Squot;\'. -1211\'\'. •15\'quot;= en 18dc dag na het optreden der bloeding. De coitus mag dan echter telkens éénmaal plaats hebben en
4(5
dat wel bepaaldelijk lu de iliorgenureu ( ! ). Volgens deiir-zcUden schrijver zou de vrouw op den Krquot;, 17Jci1, IS\'1™ en 19llin dag na liet einde der menstruatie nooil bovrnclit worden!
Om een meisje te verwekken moet van al\' den 10\',C11 dag vóór het optreden der bloeding alle\'6 — 8 uren, en. indien de man hiervoor te zwak is, alle 10 uren de coitus iiitgeoelend worden! Zooals men ziet, zijn liet gedetailleerde voorschriften, die Morki.i.o geelt.
Anderen verkondigen geheel tegenovergestelde ineenin-gen. Zoo beweert liomx. dat een vrouw des te meer meisjes het levenslicht doet zien. naarmate zij zich van geslaclitelijk verkeer oiithoult en dal de vruchtbaarste vrouwen de meeste jongens baren.
Lexjci-is komt door redeneering tot de slotsom, dat in de eerste 10 —12 dagen na de menstruatie meisjes, in de laatste 10—12 dagen vóór de menses jongens worden verwekt. Volgens hein n. 1. zon een vrouwelijk eitje vroeger rijp zijn dan een mannelijk, evenals de vrouw ook op jongeren leel\'lijd dan de man gedachtsrijp is.
Daktigues verkondigt als zijne overtuiging, dat een bevruchting. 1 of 2 dagen vóór of onmiddellijk na de menstruatie tot, de geboorte van een dochtertje, eene, die 2 of ^ dagen na de menses iilaats heeft, tot die van een
O J
zoontje aanleiding geeft.
Vergelijkt men de hier medegedeelde meeningen onderling. dan springt hare volmaakte tegenstrijdigheid in liet oog. Die kon dan ook wel haast niet uitblijven, waar de beschouwingen en voorstellingen niet gesproten
47
zijn uil een studie vandeugJelijke, vaststaande gegevens^ doch veeleer aan de pbantasie haar ontstaan te danken hebben. Wat zou inen n.1. moeten weten, om de hier besprokene vraag naar den invloed van de menstruatie en haar tussehenpoozen op het geslacht te kunnen beoordeelen! ifen zou den dag. waarop de bevruchtende coitus plaats had. mei zekerheid moeten kunnen aanwijzen en dat niet slechts inéén geval of in een zeer beperkt aantal, doch in een reeks gevallen, daar eerst door een groot aantal het „toevalquot; kan worden buitengesloten.
Kn dat groole aantal waarnemingen staat ons niet ten diensle. De groole moeilijkheid toch is daarin gelegen, met juistheid Ie kunnen bepalen, wanneer de bevruchting heeft plaats gehad. Wij willen aannemen, dat eenige weinige gehuwde vrouwen in staat zijn ons den dag aan te wijzen, waarop de bevruchtende coitus geschiedde, de meeste zijn daartoe zeker niet in slaat. Slechts dan is die dag met zekerheid bekend, wanneer vóór de zwangerschap de coitus slechts éénmaal werd uitgeoefend. Doch die gevallen zijn zeldzaam. Kn overigens bezitteii wij niet één betrouwbaar teeken om dien dag-vast te stellen. Bovendien hel eekent de dag van den he vruchtenden coitus niet hetzelfde als die van de bevruchting zelf. zooals wij vroeger zagen (zie blz. 2;*). De moeilijkheid, dezen aan te wijzen, is zóó groot, dal men nog niet eens met zekerheid den duur der zwanger-sehap heeft kunnen bepalen, al mag hij op ongeveer -80 dagen ge.-1 dd worden. Zoo mag men uil liet
48
fc4t, dal het eerste kind ongeveer 280 dagen na de bruiloft geboren werd. volstrekt niet aannemen, dat de eerste coitus de bevnu-htende was, daar de daarop gevolgde even goed daarvoor in aanmerking komen. Een deugdelijke statistiek bestaat in het hier behandelde vraagstuk niet, en zij kan vcorloopig niet bestaan. Bavst heeft 14. Scnwirr 20 gevallen verzameld, waarin vóór de zwangerschap slechts éénmaal geslachtelijke vereeni-ging had plaats gevonden Doch deze getallen zijn te klein, en bovendien blijkt uit hunne opgaven niets met zekerheid omtrent de tijdsruimte tusschen den coitus en de laatst waargenomen menstruatie. Maar ook al ware deze bekend, dan zou het tijdstip der bevruchting zelf. waarop het, toch juist aankomt, nog niet bekend zijn.
Verder heeft Schroeder. de vóór weinige jaren overleden Berlijnsche hoogleeraar in de verloskunde, door navragen van moeders, die zoowel den dag van den coitus ais dien van de laatste menstruatie waarschijnlijk nauwkeurig opgaven, gevonden, dat in 2(3 gevallen van jongensgeboorte de vruchtbare coitus gemiddeld 10.88. en in 29 gevallen van meisjesgeboorte gemiddeld 0,70 dagen na den aanvang der laatste menstruatie plaats vond. Zooals men ziet. zou hieruit de gevolgtrekking moeten gemaakt worden, dat een invloed van de menstruatie (zooals hier bedoeld wordt) op het geslacht geheel ontbreekt.
Sommigen zijn met hunne statistische speculaties zóóver gegaan, dat zij zelfs de uren opgeven, waarop jongens Tesp. meisjes verwekt worden. Zoo zouden volgens
49
O ook \'s avonds vóór middernacht jongens, \'s morgens daarentegen meisjes voortgebracht worden! Dit als een merkwaardig staaltje van de dwaasheden, waartoe het\' spelen met ..statistischequot; gegevens leidde, welker werkelijke waarde, met uitsluiting van mogelijke fouten en toevalligheden, zoo hoogst zelden begrepen wordt.
Na liet hier besprokene kunnen wij dus gerust aannemen, dat door niets de invloed is bewezen, dien de menstruatie on het voortbi\'engen van een bepaald geslacht zou uitoefenen.
Thans zullen wij nog eenige andere vermeende invloeden bespreken.
DE LEEFTIJD,
De Duitscher Hofaker (1828) en de Engelschman Sadler (1830) hebben gemeend, uit de statistiek do gevolgtrekking te mogen maken, dat, wanneer de man ouder is dan de vrouw, zij meer zoons dan dochters krijgen: wanneer zij even oud zijn, het aantal zoons een weinig geringer is: en ten slotte, wanneer de vrouw ouder is. het aantal dochters de overhand heeft. Natuurlijk hoeft ook deze theorie aanhangers verworven: zelfs in den laatst en tijd kunnen deze nog aangewezen worden. Zoo heeft ScustEciiTER. (1882) 60.000 paren verzameld (van 1708—1870) uit welker onderlinge vergelijking hij tot de slotsom is gekomen, dat bij gelijken
50
middelbaren leeftijd der ouders de vrouwelijke, bij gelij-ken hoogen leei\'lijd de uaanuelijke geboorten belangrijk overwegen, en verder dat, boe ouder in bet algemeen de vader is, des te meer zonen, hoe ouder omgekeerd de moeder is, des te meer dochters geboren worden.
Een andere aanhanger van deze beschouwing. Wai.l (1887), ontkent, dat de leei\'lijd als zoodanig invloed dp liet geslacht zou oeienen. Hij slelt echter als regel up: dat, wanneer de ouders denzeifden vollen bloei van het geslachlsleven bezitten, door den sterkeren invloed van den vader meer jongens geboren worden; is liet verschil tusschen vader en moeder in leeftijd niet groot, dan zien meer dochters bet levenslicht. Wat be-teekent „dezelfde bloei van het geslachtslevenquot; 1 De man is in staat kinderen te verwekken of niet, de vrouw eveneens, \'t Is hier alles of niets. Voor de vrouw, wier menstruatie aan den leeftijd gebonden is, zou zulk een uitdrukking nog eenigszins begrijpelijk zijn, voor den man echter is zij al heel raadselachtig.
Het heeft echter niet aan tegenstanders van deze Iheorie ontbroken. Een der voornaamste is wel de Kranschman C.iuo.r (1838). Hij komt op grond van talrijke waarnemingen o. a. lot de volgende uilspraak: 1quot;. jonggehuwde paren krijgen .meer dochters dan jon-irens; 2°. zij. die op gevorderden leeftijd gehuwd zijn, brengen meer jongens dan meisjes voort; 3quot;. meermalen g.\'huwde mannen krijgen in hot tweede en derde huwelijk meer zonen dan in het eerste; 1quot;. mannen, die weduwen huwden, kregen meer dochters dan zonen.
quot; o
M
Ofsclioou (iirou dus oolc iiiu den leel\'lij I invloed lt;i|i het geslacht der iirogeniliuif toeschrijft, is deze volgens hein juist tegenovergesteld aan den door Hoi aker. Sa ui.ku e. a. aangenomenen. Wij zien hier dus wederom dezellde lijnreclite tegenspraak, waarop bij de bespreking van den invloed der menstruatie gewezen werd.
Doch (tirou gaat nog verder en kent ook aan het kurakler en andere eig.\'nscilappen invloed tee: mannen van een ibrsch karakter, onverschillig ol\' zij goed ol\' slecht zijn, verwekken meer meisjes dan jongens; mannen met een zwak, gehuwd met vrouwen van een vast karakter, krijgen meer zonen dan dochters, zelfs al is hun karakter niet bepaald zwak; ten slotte verwekken mannen van groeten lichaamsbouw, of dikke en zwnre mannen meer jongens dan meisjes!
Van de latere onderzoekers noemen wij hier nog: I\'1111• kii (1878), Kckiiakdt (1887) en Aiilfeld (1870). Volgens Bidder zouden zeer jonge eerstbarenden veel zonen, eerstbarenden van af 20—2i jaren oud daarentegen meer meisjes krijgen. Daarna neemt langzamerhand het aantal jongens met den leeftijd toe: hoe ouder de eerst barende is, hoe meer zonen zij relatief krijgt. lÜKiiAiiDT komt weder tot een tegenstrijdigheid: onder 543 gevallen vond hij bij 30-en 40-jarige eerstbarenden meer zonen dan gewoonlijk bij eerste geboorten voorkomen; daarentegen bij eerstbarenden boven de 40 jaren meer dochters.
Ook Aiii.fei.d vond onder 102 baringen van oudere vrouwen 50 jongens en 43 meisjes, dus = 137 : 100.
52
o\'u Heck kr onder 432 baringen 247 jongens en 18.quot;) meisjes, «lus = 133 ; 100. Schramm vond bij 1038 eerstbarenden van 28 jaren en onder de verliouiling 124 : 100. Daarentegen vordon uit 430 huwelijken, waarin de vader 10—50 jaren ouder dan de moeder was, 082 jongens en 094 meisjes peboren, dus; 40..): .)0..). Daarbij kwamen bij een leeftijdsverschil van 10 jaren 108 jongens op 105 meisjes, bij een van 11 jaren 00 jongens op 117 meisjes, en bij een van 12 jaren 403 jongens op 84 meisjes. Men ziet. hoe onregelmatig de verdeeling in deze laatste cijfers is! De tegenstrijdigheid daarin valt vanzelf in het oog. Men kan dan ook niet anders dan aannemen dat. indien leeftijdsverschil in enkele gevallen wellicht eenigen invloed op het geslacht heeft, deze focli nog niet bewezen is. In geen oyval beeft men nog het recht den een of anderen algemeenen regel vast te stellen. Integendeel wijzen de zeer uiteenloopende getallen op een ontbreken van zul keu invloed, want feitelijk worden op allerlei leeftijden zoowel jongens als meisjes ge-bo ren.
Algt; voorbeeld lot welke merkwaardige slotsom men moet komen, indien men zoo maar op getallen vertrouwt. moge bier dienen, dat te Berlijn, waar de ouderdom der moeder bij den burgerlijken stand genoteerd wordt, zou blijken: dat vrouwen van 21. 24, 20, 3i. 38. 42, 48 en 40 jaren meer meisjes, moeders van 17. 18, 31. 33, 37. 40, 45, 40 en 51 jaren daarentegen meer jongens zouden baren!!!
Tea slotte zij hier vermeld, dat Stieda voor .Duilscli-laiid, Berniïr voor Noorwegen en Birelu voor Sicilië hebben aangetoond, dat tusscheu den volstrekten of bctrekkelijken leeltljd der ouders en hel geslacht, der kinderen niet het geringste verband bestaat.
Sommigen hebben uit een kleine statistiek van Oi.s-iiaisex, uit Malle, willen afleiden, dat vrouwen met vernauwde bekkens meer jongens dan meisjes baarden. Doijiin bewees echter, dat In Königsberg de statistiek leerde, dat liij vernauwde bekkens 100 meisjes o]gt; 101 jongens, bij normale bekkens 100 meisjes op 101.(1 jongens geboren werden, dus elke invloed afwezig was.
ril een eu ander dat hier aangevoerd is, hebben wij dus nog geen factor loeren kennen, die het geslacht van het verwekte individu zou bepalen.
DE VOEDING.
Dal een dier, ook de inensch, onder overigens dezelfde omstandiiiheden des Ie vruchtbaarder zal zijn, naarmate het beter gevoed is, kan men zeer goed begrijpen. Dat echter zijn voedingstoestand invloed zou hebben op het geslacht der progenituur, lijkt zeer zonderling. En toch zijn er verscheidene onderzoekers geweest, die dat hebben beweerd.
H ii\'1\'okuatks reeds schreef een menu voor. dienstig om meisjes, en een om jongens te verwekken. Zoowel
lt;lo man als de vrouw meet zicli daaraan houden: een waterig diëet zou aangewezen zijn om een meisje, vurigequot; spijzen om een jongen voort te brengen.
In den lateren tijd heelt Belungeri (1840) een tegenovergestelde werking aan den aard van het ge-notone toegeschreven. Volgens hem zouden allo spijzen, die het lichaam verwarmen, bloed en rauw vleesch vooral van dieren, die zich met rood en warm bloed voeden, verder geestrijke en alcoholische dranken aan de vrouw een grootere kracht geven voor den coitus, waardoor zij haar eigen geslacht voorlplant. Ook de warme hemelstreken en jaargetijden werken in dien zin. Daarentegen krij^f de man door de koude hemelstreken en jaargetijden, door een „veri\'risschendequot; voeding met voornamelijk plantaardige spijzen en ooit, vleesch van dieren mei koud en rood bloed, en het drinken van frisch, kond water, grootere voort plantingskracht en verwekt 1 lijpnolg meer jongens.
Kenige jaren later (18(50) heeft Wii.kf.xs uit een groote statistiek, opgemaakt bij paarden, runderen, schapen en varkens, willen aantoonen, dat een betere voedingstoestand van de moeder oorzaak zon zijn van de geboorte van meer vrouwelijke individiiën, een slechtere voedingstoestand daarentegen de voortplanting van het mannelijk geslacht in de hand zou werken. Hij schijnt echter zelf deze uitspraak niet zeer veel waarde toe te kennen, daar hij er wijselijk bijvoegt, dat er zeker nog wel andere, onbekende invloeden bij in het spel zullen zijn.
Niettegenstaande de hier aangehaalde bewonngrn volmaakt in de Incht hangen, zijn er toch wel menschen geweest, die den raad hebben gegeven: dat de man zich zooveel mogelijk door geslachtelijken omgang (met andere vrouwen? ?), slechte voeding enz., moet uitputten, vóórdat hij een jongen wil voortbrengen —- terwijl zijn vrouw zich zooveel mogelijk versterkt. Zelfs het omgekeerde raden zij aan, om een meisje te verwekken: de vrouw moet zich zooveel mogelijk uitputten door geslachtelijk verkeer (met andere mannen??) en slechte voeding, de man zich daarentegen versterken vóór den beslissenden, bevrnchtenden coitus!!
Natuurlijk zijn er ook geweest, die deze theorieënquot; hebben aangevallen. Vooral Wappakus heeft, op grond van een statistiek van SS\'/i millioen geboorten, aangetoond. dat zij niet de geringste reden van bestaan hebben, en dat het beroep op waarnemingen in de dieren- en zelfs plantenwereld, ongeoorloofd is.
KLIMAAT EN JAARGETIJDEN.
Gercedelijk kan men toestemmen, dat het klimaat en de jaargetijden een grooten, somwijlen zelfs een beslissenden invloed oefenen op liet aantal baringen in het algemeen. Wij zien toch, dat dieren uit de warme luchtstreken in onze koudere landen meerendeels onvruchtbaar zijn. terwijl omgekeerd b.v. onze konijnen.
50
kippen, enz. onder de keerkringen bijna tweoimud meer-jongen voortbrengen dan bij ons te lande.
Op welke wijze echter hot klimaat en de jaargetijden liet geslacht der progenituur moeten beheerschen, is ons een volmaakt raadsel. Desniettegenstaande zullen wij hier als curiosa eenige voorbeelden aanhalen.
Zoo zegt Girov; mannen nit het Zuiden, gehuwd met vrouwen uit liet Noorden, krijgen meer dochters dun zonen, indien geen andere invloed zich doet gelden (!). Mannen uit het Noorden, gehuwd met vrouwen nil het Zui len, daarentegen, hebben meer zonen dan dochters.
Volgens Breslaü zouden in de warme maanden minder jongens en meer meisjes geboren worden, zoodat (!) de warme jaargetijden een grooteren invloed op de vrouwelijke-geslaclitsvornnng heeft.
Een verband, dat Liov tusschen de geslachts voort-planting en de verschillende phasen van de maan meende op te merken, is door Herthox tot een algemeenen regel uitgebreid: De maan zou niet alleen op het geslacht der progenituur invloed uitoefenen, en de mannelijke en vrouwelijke individuen op aarde zouden, in voortdurend gelijkblijvende evenredigheid, afwisselend verwekt worden, evenals de maan voortdurend en gelijkmatig in andere phasen komt. Dat alles zou uitvloeisel van een kosmische wet zijn.
Zeker zijn het schoonklinkende woorden. Of zij evenwel waarheid bevatten, is zeer twijfelachtig, lieden ken wij ook bier alweder, dat het aankomt op het tijdstip
.j7
der bevruchting. Jat meer dun ecu week vau dat van den coitus verschillen kan. terwijl de duur der zwanger-schap niet op een paar weken met zekerheid l-;an geschat worden. Moe hebben Bertiion en de zijnen dan zoo nauwkeurig den samenhang met de verschillende maan-kwaiiieren kunnen nagaan?
DE VOORTPLANTINGSHARTSTOCHT.
Hot is niet te loochenen, dat bij eiken coilns een zekere hartstocht van meer of min Ier hoogea graa l in het spel is. Ook is het zeer wel mogelijk, dat hijeenigen invloed heeft op de overerving van sommige eigenaardigheden, als karakter, bekwaamheden, enz., al weten wij niet, in welken zin zulk een invloed zich zou doen gellt; len.
Dat echter die hartstocht in staal zou zijn. het geslacht vau het kind te bepalen, schijnt wel wal veel gezegd te zijn.
Heeds in den Talmud wor.lt met evenveel woorden beweerd dat, wanneer gedurende den coitus de vrouw hartstochtelijker is dan de man, een jongen, en in het omgekeerde geval n meisje geboren zal worden. Verder heeft R.vba den raad gegeven: wie zonen wil krijgen, moet twee malen achter elkander den coitus uitoefenen. De eerste coitus zou moeten dienen om den geslachle-lijkcn hartstocht der vrouw op te wekken, die, zooals
58
vroeger (biz. 12) gezegd word, veel scluiarsdier on lanu-y.ninor dan bij den man wordt gaande gemaakt, terwiji hij door den tweeden eoitns zijn toppunt moet bereiken.
Dat voorschrift van don Talmud is tot oene ..theoriequot; uitgewerkt: zennwaeblig aangelegde, meer slanke mannen en eveneens gevoelige, voornamelijk magere, slanke vrouwen zouden geslachtelijk harlstochtelijkor zijn. Daarom zouden zulke personen volgens de theorie der gekruislo-geslachgovorerving do grootste kans hebben kinderen van hot andere ges lacht voort te brengen, telkens als do andere minder hartstochtelijk is bij don coitus. Do vrouw zal daarbij do overwinnende partij zijn, ook al is ze juist even hartslochtelijk als do man.
In deze beschouwingen hooft echter een begripsverwarring plaats; terwijl men bedoelt: hartstocht bij don coitus, wordt ook wel gesproken van voor!plantings-hartslocht. Over den eersten spraken wij vroeger reeds: er werd toen op gewezen, hoe vaak hij bij do vrouw ontbreekt. Wat den voortplantingshartstooht betreft, doze kan niet anders betcekenon dan: wensch om kinderen te krijgen, welke wensch de afmetingen van oen hartstocht kan aannemen.
Doch dit gebeurt zoo goed als uitsluitend in kindor-ioozo huwelijken. Maar juist bier leidt hij niet eens tot zwangerschap. Hoeveel te minder kan hij dus het geslacht boheerschen! Kn moge die hartstocht ook al als hooge uitzondering bij met kinderen gezegende ouders voorkomen, zoo houdt hij toch stellig op met de geboorte van hot dorde of vierde kind. En vóór dien tijd komt
39
hot bij zulk een vrouw minder aan op wat zij baren zal. dan wel hierop, dat zij kintleren krijgt.
Zeker komt liet wel voor, dat vrouwen, die twee of di\'ie malen kort na elkander baarden, den wensch uil-spreken. dat zij gelukkig zouden zijn. op die wijze een dozijn kinderen te krijgen. Doch vaak blijkt zulk een uitgesproken wensch niet anders te zijn dan pronkerij of wel moet hij dienen als verontschuldiging voor de vaak herhaalde zwangerschap. Seugson zag meermalen, dat zulk een vrouw werkelijk ongelukkig was. zoodra zij voor den 4\'lC11 of r)\'1quot;1 keer zwanger werd. Kn dat weet niemand behalve misschien haar echtgenoot en haar huisdokter. Zelfs tegenover de naaste verwanten wordt met den kinderzegen gepronkt. Inderdaad treedt in de meeste gevallen na de derde of vierde baring geen \'zwangerschap meer op. Of deze nu altijd vanzelf, langs natuurlijken weg, wegblijft, is zeer te betwijfelen.
In die gevallen echter, waarin de vrouwen om gezondheids-, godsdienstige of andere redenen niet hare toevluchl willen nemen lot middelen, die de zwangerschap voorkomen kunnen, ziet men, niettegenstaande haren voor t pl anti ngsaf koer even goed jongens als meisjes geboren worden. Skugsox doet mededeeling van een zeer gelukkig gehuwde vrouw, die een groote kindervriendin was en hij hare eigen kinderen steeds vele vreemde in huis haalde. Een jaar na de geboorte van haar derde kind, een jongen, kreeg zij, niettegenstaande haar voorl-plantingshartstocht, een dochtertje. Doch nu beleed zij Dr. Ski.iosox haren angst voor meerdere zwangerschap.
GO
Desniettegenstaande kreeg zij nog drie jongens! Zooals men ziet, noch van gelijke-noch vau gelmiiste-geslachts-overerving eenige sprake.
DE WIL EN DE VOORSTELLINGSKRACHT.
Met den voorlplanliiigsluirtslorht kan men mot meer of minder recht den wil en de voorstellingskracht in verband brengen. Avickxxa, de beroemde Arabische geneesheer uit de 101lt;: eeuw, meende, dat de man in staat was het geslacht te beheerschen, door zich tijdens den coitus met alle kracht zijn eigen beel 1 of dat zijner vrouw voor oogen te houden.
Daarop steunende, achtte Rexaiid (1819) alleen een invloed van den geest, niet een physieken, beslaAiibaar op het geslacht van het te verwekken individu. Hij schrijft echter aan den wil der moeder een grooleren invloed toe dan aan dien van den vader. ..IV ha,reu man innig liefhebbende vrouw, die in den aanvang van hare zwangerschap, tijdens zijne afwezigheid, zijn beel l zich levendig voor oogen houdt, die vrouw znl nvt alleen een jongen baren, doch ook in dezen het rwu-beeld van den vader zien. Wilt gij, ouders, een meisje hebben, vereenigt u dan telkens vóór den coitus lot den wil, ditmaal een meisje te verwekken, en houdt dan dien wil vast, totdat de moeder voldoende teekeneu van zwangerschap toont. (lij moet dagelijks eenige
61
raaien ilaarovev met elkander spreken en u reeds bij voorbaat daarin verheugen, terwijl gij n recht levendig voorstelt, dat de vervulling van uw wensch zeker zijn en u veel vreugde verschalTen zal. Vooral de moeder moet van deze gedachte doordrongen zijn en den vasten wil behouden, een meisje te baren. Geen twijfel mag dezen vasten wil storen.quot;
Volgens onze legenwoordige begrippen zouden wij dat voorschrift als een soort suasestie of autosiui\'iiestie
O O O O
kunnen beschouwen. Had deze suggestie ook slechts in weinige gevallen het gewenschle gevolg, hoeveel rust en echtelijk geluk zou zij kunnen stichten! Jammer genoeg is het echter niet waar, dat de inbeeldingskracht. de vaste wil. bij een zwangere ook maar den geringsten invloed op het geslacht bezit.
Dat de inbeeldingskracht, de op een bepaald punt steeds gerichte aandacht van een zwangere vrouw in staat is invloed te oefenen op eenige uiterlijke hoedanigheden. b.v. de gelaatstrekken, dat psychische emoties zekere afwijkingen kunnen doen ontstaan (b.v. gekleurde, gepigmenteenle huidgedeelten, vlekken op een plaats waar de moeder zich in de zwangerschap gebrand heelt , dat willen wij toestemmen. Doch dat die inbeeldmaskrarht. het vurige, kracht ine verlangen, in
O - O ~
staat zou zijn. het geslacht van het kind te bepalen, dat leert de ervaring wel anders. Hoe vaak heeft men dat niet kunnen waarnemen in gezinnen, waar of slechts dochters iif slechts zonen geboren worden, en waar. niettegenstaande de ouders dat toch zco innig anders
tri
wenscliten, sleeps weiier een Idinl v;i,n hetzelfde geshu-ht ter wereld kwam! Zelfs komt het voor, dat het huwelijksgeluk daardoor geheel verstoord wordt, de ou Iers van elkaar vervreemden en er in het geheel geen kin l meer geboren wordt, leder, die b v. als huisdokter jareulang mei zulk een gezin intiemen omgang heeft gehad, zal zeker wel de ondervinding hebben opgedaan, dat na herhaalde geboorte van een meisje, de moeder zeker niet minder dan de vader de geboorte van een zoon wensebl! Zeer juist zegt Vkxf.ttk: „De inbeeldingskracht der vrouw, hoe sterk zij ook moge wezen, kan dien invloed (d. i. op het geslacht) niet nitoafeuen. Hoeveel vrouwen zijn er niel. die slechts meisjes het leven schenken, doch geen jongens kunnen voortbrengen, ofschoon hare inbeeldingskracht onophouilelijk door de gedachte aan de laatste wordt in beslag genomen en geheel er van vervuld is.quot;
l it het ontzaglijk aantal hypothesen en theorieën, die zich groot endeels op slatistische gegevens gegrond hebben, hebben wij slechts een kleine bloemlezing gegeven. Men zal daaruit gezien hebben, hoe men zich door alle tijden heen de grootste moeite gegeven heeft, om de factoren voor hel verwekken van een bepaal 1 geslacht te doorgronden.
Terwijl sommigen de voortbrenging van jongens uitsluitend afhankelijk van den sterkeren vader, anderen daarentegen van de moeder stelden, zoeken weer anderen de oplossing eenvoudig in het echtelijk verkeer op be-
03
paalde dagen vóór of na de menstrual ie. We Ier amlercu raden aan een bepaalde voeling, ofwel rekening te liouden met de verschillende maan phase u, of/.ij meenen de verklaring in den voort plant ingshartstochl of de voortdurend op een bepaald geslacht, gerichte aandacht gevonden te hebben.
Al de dcor ons tot dusver besproken theorieën hebben ons intusschen geen vaste aangrijpingspunten gegeven. Integendeel was er niet één beginsel, waarvan (soms~) zelfs de aanhangers door navorschingen tot dezelfde slotsom kwamen. Overal stuitten wij op tegenstrijdigheid, nergens kon met zekerheid een vaste regel opgesteld worden, liovendien waren er theorieën bij. die in het geheel niet voor eene practische toepassing in liet dagelijkscli leven, waarom het ons hier toch te doen is, vatbaar zouden zijn.
Dat er een bepaalde verhouding in groote getallen beslaat tusschen de beide geslachten, is duidelijk. Waar-dooi\' die verhouding ontstond en onderhouden wordt, is tut dusverre onopgehelderd. Doch in geen geval kan in het dagelijksch leven, in een concreet geval, iemand daarom lt;1)1 een bepaald quot;jo meisjes en op een bepaald 0/o jongens rekenen!
Laat ons thans nagaan, of er geen anatomisch-phy-siologische gegevens zijn, die ons wellicht, zij quot;t ook slechts ten deeie, een antwoord kunnen geven op de in dit boek behandelde vraag, en die voor een practische toepassing vatbaar zijn.
III.
DE ANATOMISCH-PHYSIOLOGISCHE OORZAKEN VAN HET GESLACHTSVERSCHIL.
Alvorens de vraag naar het ontstaan van bet geslacht van een anatomisch-physiologlscb standpunt te behandelen, is bet zeker niet ongepast eenige woorden te wijden aan bet ontstaan van den menscb uit liet ei. De inzichten daarover hebben zich, zooals vanzelf spreekt, naar den wisselenden stand der wetenschap, in den loop der tijden meermalen gewijzigd.
Heeds J1 U\'Pokrates en andere ouden vermoedden naar analogie van de voortplanting door eieren bij vogels, amphibieën en visschen, dat ook de menscb uit een eitje zou ontstaan. Zoolang het bestaan biervan echter nog niet was aangetoond, huldigde men de meening, dat de vrouw niets lot de vorming der vrucht zou bijdragen. Alleen zou baar periodiek vloeiend bloed voor de voortplanting noodig zijn, en wel met name voor de ontwikkeling en voeding der vrucht. De man daarentegen was de eenige, die de vrucht voortbracht in liet sperma, dat volgens Aristotei.es niet alleen als materie, docli ook
uls oorzaak werkte. D. w. ■/.. dat de vrouw, cl liever liaar uterus, niets anders zou zijn dan het natuurlijke veld. quot;waarop nieu zaait. (Vandaar de benaming zaad, seinen virile.) Haar taak zou uitsluitend en alléén daarin bestaan, het semen virile verder te doen groeien, evenals de akker dat tegenover bet daarin gestrooide zaad doet.
Toen nu Ant. van Lkecweniioeck (1G32—1723) on zijn leerling Ham (iü77) de ontdekking deden, dat bet sperma „een oceaan van kleine, levende en zich bewegende diertjes\'\' was, waarin sommigen al spoedig den volmaakt ontwikkelden inensch meenden te herkennen, toen daalde de vrouw nog moer in de waardeering als voortbrengster van den mensch. Ofschoon het niet aan geleerden ontbrak, die liet bestaan van spermatozoën loochenden, waren er omgekeerd al da lelijk andere, die zicb voorstelden, dat deze beweeglijke „diertjesquot; (vlg. blz. 13) die schepseltjes waren, die inen-schen „en miniaturequot; (homunculi) zouden zijn.
Eerst mei de ontdekking van het menschelijk eitje (C. E. Vox Baer, •1827) begon men in te zien, dat ook de vrouw een werkzaam deel bad aan de vorming van het nieuwe individu, al werd zij voor niet veel meer dan voor een eitjesleggeude automaat gehouden. Kerst zeer langzamerhand ontstond de overtuiging: dat noch de man noch de vrouw op zichzelf, doch slechts beiden in vereeniging met elkander in staat zijn een nieuw individu voort te brengen, en dat hun aandeel daaraan gelijkwaardig is.
iNu eenmaal dit standpunt bereikt is, dat zeker het
5
v\'rnige juiste is, cn dat wel niet gemnkkelijK\' aan het wankelen gebracht zal wor.len. rijst de vraag: op welke plaats en op welk tijdstip wordt het geslacht van liet kind bepaald?
Daar men nu de opvatting, dat de inensch als homuncuhis reeds in het spermatozoon of het eitje zou bestaan,. geheel moet laten varen, staat men voor het dilemma: of het geslacht wordt vóór of tijdens de bevruchting óf eerst daarna, in den uterus, bepaal l.
Ofschoon er wel geleerden waren, die het eerslgenoemde lid als hunne overtuiging verkondigden, waren er nog veel meer-, die de tweede meening waren toegedaan. Zij grondden haar op gegevens, die de embryoiogie ons verstrekt. Voor zoover n.I. met onze tegenwoordige hulpmiddelen kon worden nagegaan, is de zich in de baarmoeder ontwikkelende vrucht, het embryo (dat na de 2\'\'c maand foetus genoemd wordt), aanvankelijk geslachtloos. De lichaampjes, waaruit zich bij het.mannelijk individu de testes, bij het vrouwelijk de ovaria ontwikkelen. ontstaan door woekering van kiemcellen, in de omuidd\'ellijke omgeving der nieren. Uit deze kiemcellen ontstaan zoowel de eitjes en de follikels als de sperma-lozoën en de eigenaardige cellen der zaad bereiden le buisjes. Zooals men ziet, komen niet alleen bal en eierstok in afkomst overeen, doch ook hunne specifieke producten: de spermatozoën, resp. eitjes.
Nu is liet tot dusverre niet gelukt eenig verschil le zien in den bouw en de analomische kenmerken van die lichaampjes, waaruit z ch de bal, resp. de eiersto!:.
(17
ontwikkelt, vóór do derde zwaagerscliap\'iriiaaud. Tot dien lijd is de foetus geslachtloos. Dan eerst, beginnen herkenbare veranderingen op te Ire len. die lol dilleren-liatie van het geslacht leiden.
Hieruit volgt intusschen wel allerminst, dat de vrucht Int ilien tijd werkelijk geslachlloos was en dat het geslicht eerst beslist wordt, wanneer lt;!lt;• zwangerschap eenigc weken gevorderd is. Waren de factoren niet reeds in de eerste splijtingdcern («lie uit da versmelting van sperma- en eikern onlslaat, zie blz. til) aanwezig, dan zouden zij van builen af daarin moeten dringén, cti dat wel steels in dezelfde onlwikkeliugsphase der vrnclit. Immers, voor zooverre de waarneming bij miskramen, enz. geleerd heeft, ontwikkelt zich het geslacht steeds op denzelfden leellij l der vrucht. Van welken aard zouden die factoren uk •eten zi jn.\' En vanwaar zonden zij komen?
Wij zonden zeker niet kunnen ontkennen, dat de wetenschap ons hier mogelijkerwijze tot dusverre iu den sleek heelt gelalen, indien niet eenige feilen het minstens zeer waarschijulijk maken, dat de eerste sj lij-tingskern wel degelijk reeds de kiem bevat van het eene of het andere geslacht. Het is in de eerste plaats al niel wel aan te nemen, dat bij eene vrouw, die uit-sluilend jongens of meisjes vomihrengl, altijd in dezelfde z wan ge rschaps phase dezelfde oorzaken werkten, zonder dat ook slechts ééns een andere aanwezig zou zijn. die hel ontstaan van het andere geslacht bewerklo. Hoe zou omgekeerd het ontstaan van tweelingen, drielingen.
08
enz. van verschillend geslacht Ie verklaren zijn, indien invloeden van buiten alquot; het geslacht der vruchten in de baarmoeder beheerschten ? Wie kan zich zulke invloeden voorstellen, die tegelijkertijd van de cene vrucht een jongen, van de andere (in dezellde baarmoeder!) een meisje maken?! Verder dwingt de herhaaldelijk gedane waarneming (reeds Hutokrates was dit bekend) dat vrouwen met den eenen man slechts jongens, met een anderen daarentegen meisjes voortbrachten, wel tot de gevolgtrekking: dat het geslacht niet eerst in de zwangerschap, doch reeds bij do bevruchting beslist wordt of is. dus reeds op het tijdstip, dat het spermatozoon in het eitje dringt.
Gaan wij hiervan uil. dan is het duidelijk, dat de volgende mogelijkheden beslaan: ni\' het spermatozoon is drager van het geslacht, of het eitje is hot. of beiden zijn het.
Wij hopen aan te Iconen, dat zoowel elk sperrnatozcön als elk eitje een eigen geslacht bezit en dat bevruchting alleen mogelijk is door do vereeniging van een spermatozoon en een eitje van hetzelfde geslacht.
Intusschen zullen wij eerst nagaan, welke gedachten er al zoo in den loop der tijden over dit vraagstuk geuit en gewisseld zijn. Daarbij zal zich nu en dan ongedwongen de gelegenheid voordoen, opmerkingen td maken over de beteekenis van enkele zaken, die ons toeschijnen voor de oplossing van de door ons gestelde vraag van groot belang te zijn.
(1!)
Als nilgangspimt van alle theorieën, die opgesteld zijn op anatoiiiisch-physiologisclien gronl^lag, kunnen wij de uitspraak van Hippokrates en Anaxagoras besehoawen: ..De mannelijke vruclit ligt meer in de rechter-, de vrouwelijke meer in de 1 inker-licliaamshei ft der moedor.quot;
Had Hippokrates het besLtan der eierstokken gekend, en geweten dat zij ook ph vsiologiscli. dus in functie, met de ballen overeenkomen, dan zou hij stellig in plaats van, althans naast het boven aangehaalde, gezegd hebben: „De mannelijke vrucht komt uit het rechler-, de vrouwelijke uit het linkerovarium.quot; Want als tweeden regel verkondigt liij: „Men zie toe. welke bal (bij den coitus) vooruitspringt (d. i. naar boven wordt getrokken). Is het do rechter-, dan kan men een jongen, is het de linker-, een m e i s j o v o o r s p e 11 e n.quot;
.Met deze woorden zegt Hippokrates dus, dat de rechterbal slechts mannelijke, de linker- slechts vrouwelijke kiemen bevat, indien men aanneemt, dat de bal. die in de hoogte getrokken wordt, het. sperma bij dien coitus levert. Dat zullen we later trachten waarschijnlijk te maken. Men kan dt-zen regel nog anders uitdrukken: het. zaal van den recliLerbal kan slechts mannelijke, dat van den linker- slechts vrouwelijke kiemen bevruchten.
Van Hippokrates mogen wij wel verwachten, dat hij zulk een stelling verkondigd heeft op grond van een groot aantal waarnemingen en van een rijke ervaring. Dat neemt echter de waarschijnlijkheid niet weg, dat
70
hij ia verband met andere beschouwingen tot die uitspraak is gekomen. Elders toch zegt hij: ..De grootste beteekenis en waarde heeft de rechterborst, het rechteroog en ook de rechter lager gelegen deelen. Want ook de mannelijke vrucht ontwikkelt zich in de rechter-lichaainshelft.quot; Deze beschouwing is bij de Grieken en llomeinen vrij algemeen.
Dat werkelijk in het algemeen de rechter lichaamshelft sterker ontwikkeld is dan de linker, is door anatomische onderzoekingen boven allen twijfel verheven. Deze hebben aangetoond, dat de rechterarm 2—.quot;i m.M. langer is dan de linker, het rechtersleutelbeen 4 m.M. langer dan liet linker, en dat ook de spieren der rechter lichaamshelft veelal krachtiger ontwikkeld zijn dan die der linker. Zij staan tot elkander in rede als 1 : Ü.05\'27 (en wel: aan liet hoofd als 1 : 0,992, aan de beenen als 1 : 0,936, en aan de armen als 1 : 0,929).
Men moet zich niet voorstellen, dat de rechterarm sterker ontwikkeld is, omdat wij hem meer gebniiken — het tegendeel is waar: wij gebruiken hern meer, omdat hij sterker is door overerving.
De beteekenis van zulk een overerving moet intusschen niet uitsluitend in de ontwikkeling van de spieren van het bedoelde lichaamsdeel gezocht worden: zij dient stellig ook afhankelijk te worden gesteld van de ontwikkeling van de zoogenaamde centra voor den wils-impulsin de groote hersenen. Elke spier n.1. wordt door afzonderlijke zenuwvezelen beheerscht. die uit de tegenovergestelde zijde der groote hersenen in de gelijkzijdige helft van het ruggemerg.
71
\\an Lier op verscllillende hoogten (tnsschen bepaalde wervels) uittreden, om zich als zenuwen naar hai\\\' spieren te begeven. Elke spier vormt met hare zenuwvezelen en haar centrum voor den wils-impuls een physio-logisch geheel. Even goed nu als de spieren der beide lichaamshelften ongelijk ontwikkeld zijn, mogen wij ook aannemen, dat de beide helften der groote hersenen dat zijn. Er zijn ervaringen aan het ziekbed, die in verband met de bevindingen der pathologische anatomie en iu verband met liet experiment ons het recht daartoe geven, liet zou ons Ie ver voeren, hierop verder in te gaan.
Doch nu tol de rechtshandigheid teruggekeerd, liet vermoeden komt ons gewettigd voor, dat zoowel deont-vdkkeling der armspieren als die van de daarvoor bestemde centra van den wil ongelijk is in beide lichaamshelften. Met de sterkere ontwikkeling der spieren van den rechterarm is in overeenstemming, dat de rechter-armslagader, die het voedende bloed naar de spieren leidt, in den regel wijder is dan de linker. (Hvuti.,)
Door een en ander is de rechterarm voorbeschikt voor meerder en krachtiger gebruik dan de linker.
In sommige gevallen echter, die tot de uitzonderingen behooren, is juist de linkerarm geschikt voor het gebruik (linkshandigheid). quot;Werd de rechterarm stérker en li audi quot;er door het meerdere gebruik alléén, en be-
c? o
stond er in die plaatsen der hersenen, waar het bevel voor de eene of andere beweging gegeven wordt, geen verschil voor de beide lichaamshelften, dan zou, daar het kind toch in alle bewegingen de ouderen navolgt.
linksliandigheiil óf nooil, óf in ongeveer evenveel ge-vullen als rechtshandigbeid voorkomen. Iets anders is, dat b.v. na verlies van den rechterarm, de linker- door la ng-dnrige oefening leert, hein min of meer volkomen te vervangen.
Het schijnt zeer waarschijnlijk, dat ook de ovariën en de testes van de twee zijden ongelijk ontwikkeld zijn. Hiervoor pleit niet alleen de algernéene regel in het ovcriffe lichaam, doch ook een anatomisch verschil van hun bloedvaten. Zooals wij zagen, is in overeenstemming mot de meerdere ontwikkeling van den rechterarm de slagader, die hare spieren voedl, rechts gewoonlijk dikker dan links. Xu is het regel, dat van de slagaders, die, uit de groote buik-slagader ontspringende, naar de ballen, resp. eierstokken, verloopen en deze voeden, de rechter dichter bij het hart ontspringt dan de linker. Ook al waren zij even wijd, zou daardoor alleen een (zeer gering) drukverschil ontstaan, m. a. w. voor den bloedstroom in de rechterslagader een grootere drijfkracht bestaan dan voor dien in de linker. Ook de aderlijke valen, die het (gebruikte) bloe i van die organen afvoeren, vertoonen een anatomisch verschil: terwijl die van den rechterbal zich gewoonlijk onmiddellijk in de groote buikader ontledigt, stort zich het bloei uit dei linkerbal in de linker-nierader, die op hare beurt in de groote buikader uitmondt, ilet aderlijke bloei uit de linkerbalader strccmt aldus minder gemakkelijk weg, dan dat uit de rechter-ader. (Vandaar dat aderspatten, d. z. plaatselijke uitzettingen van de ader. tot
7,3
welker ontslaan een bemoeilijkte afvoer van ailerlijk bloed aanleiiliim\' is. in den \' linkerbalzak vaker voorkomen dan in den recliler.)
Of nu IJippokratks dit alles zóó inzag, is zeer te betwijfelen, daar men eerst in veel latere lijden zich een juiste voorstelling van den bloedsomloop vormde. Ofboveu-dieuen boe die verschillen in den bloedstroom onmiddellijk samenhangen met de voortbrenging van mannelijke, resp. vrouwelijke kiemen, zal nog moeten nagevorseht worden. Uier wilden wij slechts er op wijzen, dat de bloedstoevoer naar rechterbal en -eierstok gewoonlijk een ruimere is dan die naar die organen der linkerzijde. evenals dat verschil tusschen beide armen als regel wordt aangequot;rollen, terwijl de afvoer van het aderlijke bloed rechts gemakkelijker geschiedt dan links. Later zullen wij zien. dat als uit zondering het anatomische verscbil in tegenovergesteliIon zin is waargenomen.
Zeker en van belang voor ons is het, dat IIippo-k liati-s een middel aan de hand doet, om naar verkiezing een jongén of een meisje te verwekken. Wil men liet eerste, dan moet de man. zoo sterk als hij verdragen kan, den linkerbal afbinden, in liet andere geval doet hij dit den rechter. Plixu s (geb. 23 na (quot;nr. i. tie schrijver van een ..historia naluralisquot;. vermeldt de toepassing daarvan bij schapen: ..Door den rechterbal af te binden, bracht (het schaap) wijfjes, door den linker- af te binden, mannetjes voort.quot;
Aktits vermeldt, 800 jaren na Hippokrates de toepassing van diens raad. Doch eerst in de 1 Sile eeuw
I
74
wonlt deze uitvoerig besproken door Coiteai: (1760). Deze vestigde de aandacht op liet anatomische verschil tusschen de rechter en linker balader, en bovendien o) het geheel afgezonderde verloop en uitmonding der beide zaadleiders, terwijl het rechter-zaadblaasje grooter is d;in het linker. Uit een en ander besluit hij, dat ,,de eene bal dient om mannelijke, de andere om vrouwelijke kinderen voort te brengen, en (dat) het eveneens met de ovaria gesteld is. Men zou dus niets anders behoeven te doen, dan den bal of eierstok, bestemd voor het andere geslacht, weg te laten nemen, om kinderen van het gewenschte geslacht te krijgen.quot; Natuurlijk zal iemand niet gemakkelijk tot zulk een operatie besluiten. liij dieren is intusschen, zooals wij ainstonds zullen zien, het bewijs van do juistheid dezer uitspraak proefondervindelijk door Hkmck geleverd. Couteai\' y.egt echter niet, welke bal of eierstok voor het eene. welke voor het andere geslacht dient. Hij kent verder aan de vrouw het vermogen toe, het sperma naar dien eierstok te leiden, waarheen zij liet hebben wil. Zij behoeft zich daartoe slechts in den tijd vóór de zwangerschap voortdurend naar die bepaalde zijde te buigen. Het sperma vloeit dan door zijn zwaarte daarheen. Na wat wij vroeger gezegd hebben van de beweging der spermatozoën, blijkt het onjuiste en phantastische van deze vcorstelling vanzelf. Toen werd er n.1. op gewezen, dat de spermatozoën zich door eigen kracht voortbewogen. En daar zij in staat zijn in de baarmoeder door 1c dringen, en daarbij de zwaartekracht Ie ovenvinnen
(want door de knikking van de baarmoeder naar voren is dit zoowel bij liggende als bij staande bonding der vrouw noodzakelijk), bestaat er geen enkele reden, plotseling, zonder eenig gegeven, hier een zoodanigen invloed van de zwaartekracht aan te nemen. (Vgl. ook blz. 137.)
Ten slotte spreekt Couteau een zeer belangrijken regel uit. die ons later te pas zal komen: zoolang de voor een bepaald geslacht aangelegde eierstok der vrouw niet met dat sperma van den man in aanraking komt, dat voor datzelfde geslacht de kiem bevat, blijft de vronw onvruchtbaar. Zij wordt slechts dan zwanger, wanneer een eierstok met de voortplantingsstof uit liet daarmede overeenkomende geslachtsdeel van den man in aanraking komt.
Wij zullen trachten dezen regel te bewijzen en hem daarom volgens het tegenwoordige standpunt der wetenschap aldus uitdrukken: zwangerschap is alléén dan mogelijk, wanneer een of meer eitjes, van één ovarium afkomstig, in aanraking komen met spermatozoën, in den ge l ij kzijdige n bal ge vor m d.
Is deze regel nooit getoetst aan proefneming bij dieren .\'
Merkwaardig genoeg hebben alle natuuronderzoekers, die zich met het vraagstuk der willekeurige geslachts-voortplanting hebben beziggehouden, zich uitsluitend op theoretisch gebied bewogen. Niet één hunner heeft de uitspraak van 11 iim\'okkates proefondervindelijk nagegaan.
Ten slot Ie was hel een leek, Jou. Chr. Henke, de
zoo veel vu I\'lig geliooii\'le en gelasterde koster in llililes-heiin. die in 1780 in een boekje \') de resultaten van eene reeks proefnemingen publiceerde. Daar dit boekje zeldzaam en zijn inhoud zoo belangrijk is. zullen we daarvan de lioofdzaken mededeelen:
1°. Zijn eerste proef bestond daarin, dat hij in Augustus 17(35 een bronstige zeug met een ever (inannetjesvarken). wien de rechter bal was uitgesneden, liet paren. In December daarop wierp de zeug acht .wijfjesbiggetjes. In Maart 1700 wer l de zeug we Ier bronstig. Uexke liet haar we Ier met denzelfden ever paren: in Juli wierp zij elf biggetjes, alle van het vrouwelijk geslacht.
Hkxke liet den \'2Un September 170ü bij elk van drie mannetjeshonden den rechterbal wegsnijden. De eene reu (een bastaard) paarde den 8slcquot; Januari 1707 met zijn wijfje, dat den i2\'lcquot; blaart daarop 8 teefjes wierp. De tweede reu (een spits) paarde den 2üst-quot; Januari van hetzelfde jaar met zijn teel\'en deze bracht den^i31™ .Maart zeven vrouwelijke spitshondjes ter wereld. De derde reu (een spion) paarde den 23,i,cn Februari met zijn teef, die den ■28s,quot;1 April vier teefjes baarde.
Hij behield zijn teven, om met dezelfde half gecastreerde vaders proeven te nemen. De vrouwelijke spits-hond werd den O\'1™ Aug. bronstig, paarde met een van die mannetjes en wierp den 7lc\'1 October vijf vrouwelijke
\') Joh. Chr. He.vk-e, VGllig entdecktes Geheimmss der Natur, sowohl in der Erzeugung des Menschen, als auch in der will-kürlichen Wahl des Gesc\'ileo\'its des Kindes. Braunschweig 1785.
JI
spilsliondjes. De vrouwelijke bastaard paarde den IS3™ Aug. en wierp den •13\'k\'n October zeven wij fjesbastaard.s.
Het wijfje van den spion was niet bronstig geworden.
3quot;. Te gelijk met de honden liet bij van drie mannetjeskonijnen den re ebt er bal wegnemen. Jlij kreeg dien zomer bijna elke 5-—0 weken uitsluitend vrou-w e 1 ij k e konijnenjongen.
4°. Den 228tt\'quot; September 1707 liet bij bij een spils-liond en bij een baslaardbond den linkerbal wegnemen. Den December paarde de bastaardreu met zijn wijfje, dat den 13\'lm Februari 1768 zes reutjes wierp. De spitsreu paarde den 7lt;1cb Januari 1768 met zijn wijfje, dat den Pi\'1™ Maart acht reutjes wierp.
5°. Op dezelfde wijze liet bij mannetjeskonijnen, bij welke de linker bal was weggenomen, in den zomer van 1708 paren. Hij kreeg tbans uitsluitend mannetjeskonijntjes. boe vaak de wijfjes ook wierpen.
Daarop ging bij over tot proefnemingen bij vrouwelijke diersoorten;
0quot;. Den 17\'1™ Augustus 1768 liet bij bij verscheidene teven den rechter eileider en het rechterovarium wegnemen. Toen zij bronstig werden, liet bij ze paren met die reuen, bij wie de recht erbal was weggenomen. De eene bastaardteef paarde den I0\'l\'a December en wierp den 18,ieu Februari 1709 vijf teefjes. De tweede tecf paarde den ll\'1\'\'\'1 Januari 1769 en wierp den \'li-,iequot; Maart zeven teefjes.
7°. Dezelfde leef paarde den Ist™ Augustus met een
78
/
met-gecastfeei\'iloa reu en wierp in October slechts I eefj e s.
lt;Squot;. Met de andere teel\', die dus ook geen ree li I cr-Iuba en geen rechterovarium meer hal, liet hij een linkszijdig gecaslre-.rde reu paren; ei-volgde geen z \\va ngersch ap, ofschoon de paring goed tot stand kwam.
De Itler genoemde proeven, door Hknke meermalen herhaald, gaven steeds dezelde resultaten, zoo lat hij besloot:
1quot;. el k e Ij a 1 s e li e i d t z ij n eigen soort s pe r m a a I: -elke eierstok bevat zijn eigen soort eitjes, namelijlc de rechter de mannelijke, de linker de v r o u wel ij k e;
• gt;quot;. liet sperma van den rechterhiil kan slechts de eitjes van den recliter eierstok, dat van den linker bal slechts die van den linker eierstok bevruchten. Men verlieze niet uit het oog, dat in IJenkk\'s tijd de overtuiging zich nog niet gevestigd hal, dat zoowel het spermatozoon als het eitje aandeel hebben aan de vorming van liet nieuwe individu, en dat ons helen-daagsche begrip van de bevrnebting toen nog niet bestond. Het toenmalige was nog zeer verward. Hknkk laat dan ook geheel in het midden, wat het werkzame bestanddeel van het sperma is, en hoe do bavruchting tot stand komt.
\\olgens onze tegenwoordige kennis mogen wij aannemen. dat Henke bewezen heeft (voor de genoemde dieren althans); dat de sperma I ozoën nil den
70
rechterbal en ile eitjes van den rechtèr-eierstok uitsluitend mannelijke kiemen, do spermatozoën van den li n kerb al zoowel als-de eitjes van het linkei-ovarium uitsluitend vrouwelijke kiemen bevatten. Dat, verder alléén gelij kgeslacbtelij ke kiemen (zaad- en eikern) zich vereenigen kunnen en aldus de eerste splijtingskern (zie blz. 27) vormen, die zich verder tot een nieuw individu ontwikkelt.
11 enkic bracht de slotsom, waartos ziju proeven hem leidden, in verband mei de uitspraak van Hitpo-kuaïes, en het door Coi tkau gereleveerde geheel afzonderlijke verloop van beide zaadleiders bij den mensch, en maakte de gevolgtrekking:
4°. dal zich bij eiken ukgej.matk; uilgeoefen-den coïtus het sperma slechts uit één zaadleider uitstort, en dat wel uit dien zaadleider., welks bal gedurende den coil us omhoog wordt getrokken (dus het zaad uit den rechtor-zaadleideiv wanneer do rechter-, uit den linker-, wanneer de linkerbal omhooggetrokken wordt).
Daar deze gevolgtrekkingen van IIknke met de ervaringen van Seligson grosso modo overeenkomen, zullen de tegenwerpingen, die zij ondervonden, later afzonderlijk bespioken worden. Hier dient alleen o])geinerkl te worden, dat onmiddellijk na het verschijnen van het boekje tal van geleerden zich tegen Menke keerden, geleerden, die niet willen toegeven, dat een leek eene ontdekking van zoo groote waarde zou hebben gedaan..
80
Het ging bovendien biermede als met zoovele andere belangrijke ontdekkingen: aanvankelijk wordt de ontdekker nitgelacbën en bespot. Men geeft de oude voorstellingen, al zijn ze nog zoo verkeerd, maar niet voetstoots op, en jaren moeten er verloopen, eer deze hardnekkige vasthoudendheid genoegzaam verminderd is om de waarheid te doen zegevieren.
Zoo is het blijkbaar geen der geleerden, die zich zoo tegen Ukxice kantten, ingevallen, diens proeven te herhalen. Dit achtte men zeker beneden zijne waardigheid. Sri.igsox vond in de literatuur alleen het feit vermeld, dat Bisciioff de proeven herhaalde met een aanvankelijk gunstig, doch later negatief gevolg, maar van bijzonder-heden vermelde deze onderzoeker niets.
Iemand, die zijn naam geheim hield, zou eveneens een groote reeks van die proeven genomen hebben met ongunstig gevolg. Het is evenwel te veel gevergd, op de weten-schappelij ke waarde van onderzoekingen va n een anonymus te vertrouwen. Bovendien bleef dit boekje buiten ons bereik, zoodat de wijze waarop de proeven genomen zijn. ons onbekend, bijgevolg elke beoordeeling onmogelijk is.
En zoo werden Hf.nke\'s proefnemingen en hare belangrijke uitkomsten op den achlergrond gedrongen door tal van beschouwingen en theorieën, die wij vroeger reeds bespraken, totdat in 1807 een belangrijk werkje van Millot verscheen \'). Hierin komen twee bevesligingen
\') De Duitsche vertaling heet; Die Erzeugungskunst, oder wie sogieicli beim Beischtafe das Gesclileelit des Kindes zu bestim-men sei. Leipzig 1?07.
81
voor van IIexke\'s eierstokstheorie, die van destegrooter waarde zijn, daar het pathologisch-anatoinische bevindingen bij den mensch geldt.
Millot is. gesteund op waarnemingen van Yenette \'), tot de overtuiging gekomen: 1°. dat de rechtereier-stok al de mannelijke embryo\'s voortbrengt,
o ^ o quot;
terwijl daarentegen de linker- slechts aan een vrouwelijk geslacht het aanzijn geeft. Hij vond n.1. bij de lijkopening van een vrouw, dio zeven jongens gebaard had, den linker eierstok verhard en verschrompeld. Bij een andere vrouw, die vier dochters had gehad, was de rechtereierstok volkomen glad, zonder vlekken en zonder uitpuilende blaasjes, veel vaster en kleiner dan de linker. (Men herinnert zich, dat de echte corpora lutea, die alléén ontstaan als het uitgestooten ei bevrucht wordt, ons in staat stellen, nog na jaren te zien. of het een of ander ovarium ooit eitjes heeft geleverd, die bevrucht werden, vgl. blz. 8). Volstrekt bewijzend intusschen zijn deze vondsten op zichzelf niet. De mogelijkheid toch is niet uitgesloten, dat de linkereierstok na de baringen eerst verschrompeld is in het eerste geval en
\') Millot beroept zich op hetgeen in Venette\'s „Tableau de l\'amour conjugalquot;, etc. (Londres 1799, p. 248), te lezen staat; „Je connais quelques femmes, qui ont toujours accoutumé de se coucher sur le coté droit, lorsqu\'elles dorment avec leurs maris, et c\'est aussi dans cette posture, qu\'elles sont caressées et qu\'elles congoivent presque toujours des gargons. - Que les femmes, qui se couchent ordinairement du cute droit ne font presque jamais des filles.quot;
G
82
de rechter- eveneens verklein l na de baring in het tweede geval. Had de lijkopening kort na de laatste baringen plaats, dan zou de waarde der vondsten grooter zijn. Millot schijnt echter geene bijzonderheden vermeld te hebben. Doch in verband met later te vermelden ■waarnemingen kunnen zij van groot belang zijn (zie blz. 109);
2°. neemt Mu.i.ut aan, dat in hoogst zeldzame gevallen juist het rechterovarium vrouwelijke, het linker-mannelijke eitjes levert. Op deze verwisseling van beide eierstokken, die aan de soms voorkomende „linkshandigheidquot; doet denken, komen wij later terug:
:!0. wanneer liet ovarium (eitje) niet met het sperma -van den overeenkomstigen bal in aanraking komt, blijft de vrouw onvruchtbaar. Daarentegen volgt eene bevruchting, wanneer hel sperma van een bal met een eitje van hel gelijkzijdige ovarium in aanraking komt. Desniettemin verklaart Mili.ot, dat de man niets lol het ontstaan van het geslacht bijdraagt, en dat slechts de eierstokken het vermogen bezitten, dit te vormen, en wel elke eierstok kiemen voor uitsluitend één geslacht.
Om een bepaald geslacht voort te brengen, moet bij de vrouw volgens Mjlloï die zijde van het bekken, waarvan zij het ovarium bevrucht wenscht te hebben (tijdens den coitus), lager gelegen zijn dan de andere. Hij haalt meerdere voorbeelden aan voor het goede gevolg. Zoo zouden b.v. twee vrouwen, die steeds rechts van haren man lagen, achtereenvolgens. 0 meisjes gebaard hebben. Nadat zij echter hunne ligplaats in bed ver-
wisseld hadden (men mag aannernen, dat de ligplaats invloed heeft op de houding bij den coitus), werden uitsluitend jongens geboren. Een derde vrouw, die slecbts zonen kreeg, schonk, nadat zij hare ligplaats in bed verwisseld had, eenige meisjes, en daarna, toen /.ij weder de eerste ligplaats had ingenomen, wederom jongens het levenslicht. Miu.ot beschrijft nog meer andere gevallen, waarin de verandering van ligplaats liet gcwenschte gevolg had.
Er bestaat o. i. voorloopig geen grond orn aan te nemen, dat door deze houding dér vrouw als zoodanig invloed op het geslacht wordt uitgeoefend (vgl. blz. i:}8). Immers, wat haar deel daaraan betreft, hangt, dit uitsluitend af van welken eierstok het eitje, dat bevrucht wordt, afkomstig is (de juistheid van de eiersloksUieorie vooropgesteld). Iets anders is echter, dat door de houding der vrouw ook die van den man min of meer bepaald wordt. Over den invloed hiervan wordt in het laatste gedeelte van dit boek gesproken. Hier zij alléén opgemerkt, dat, bij het steeds aannemen van dezelfde houding de bevruchting zóólang zal uitblijven, totdat er een cilje van dat ovarium vrijkomt, dat beantwoordt aan den bal, welke bij die houding uitsluitend het, sperma levert. En zóó zouden ook o. i. de voorbeelden van Miu.ot verklaard moeten worden.
Na Millot moet Kol (1823) genoemd worden, die aan den linkereierstok de voortbrenging van het vrouwelijk\', aan den rechter- die van het mannelijk geslacht toeschreef. Men merkt op, dat beiden een dergelijk
84
vermogen niet aan de ballen toekennen. Sïeinbach (1823) meende ook, dat het semen virile niets anders doet, dan de in do vrouwelijke geslachtsorganen sluimerende kiem der nakomelingschap opwekken tot leven. De vro\'uw voegt de mannelijke voortplantingsstof met het eitje samen, voedt het, enz. Het embryo dankt zijne vorming noch aan den vader, noch aan de moeder, doch uitsluitend aan een eigen, oorspronkelijke vormingskracht (die gewoonlijk vis plastica s. nisus forma tion is genoemd wordt). Ten slotte tracht hij te bewijzen, dat in den rechterbal en -eierstok kiemen voor jongens, in linkerbal en -eierstok voor meisjes zich bevinden.
In den Jaatsten tijd (1884) heeft Rotii, een groot tegenstander der gckrniste-geslachtsovererving, een verklaring trachten te geven van de door Mil lot en Ve-xettk medegedeelde feiten. Hij neemt n.1. aan, dat op de (laagst liggende) lichaamshelft tijdens den coitus een druk wordt uitgeoefend en tevens schaamharen worden getrokken. Door een en ander worden zenuwen (nervus pudendus-plexus hypogastricus) geprikkeld. Die prikkels worden op de gelijkzijdige helft van de baarmoeder, den eileider en den eierstok overgebracht. Stelt nu elke eierstok een bepaald geslacht voor, dan wordt het ge-s-lacht bepaald door die lichaamshelft, waarvan de bovengenoemde zenuwen geprikkeld worden. Om dus jongens of meisjes naar verkiezing te krijgen, moet men aan de tegenovergestelde zijde van zijn vrouw, dan waar men dat tot dusver gewoon was, slapen. Hij steunt zijne meeaing door vier mededeelingen uit zijne praktijk.
O. i. ontbreekt elke wetenschappelijke of empirische grond aan deze voorstelling van Roth. In de eerste plaats is het zeer twijfelachtig, of juist de laagst liggende lichaamshelft der vrouw het meest (liefst uitsluitend?) aan de dooi- hein bedoelde prikkeling wordt blootgesteld. Doch ook al ware dit liet geval, welk is
O v—«
dan het verband tusschen die éénzijdige prikkeling van de genoemde zenuwen en het in liet gelijkzijdige ovarium vertegenwoordigde geslacht ? Door eene uitdrukking als: „die vermehrt hervorgerufcne LebenstMtigkeit im Nerv. pud. und seine Yerbindung mil dein Plex. hypogastr.quot; wordt al zeer weinig toegelicht. Veronderstelt Roth, dat door de prikkeling van genoemde zenuwen de rijping en losstooting van één of meer eitjes uitsluitend in het gelijkzijdige ovarium wordt veroorzaakt ? Doch door niets wordt zulk een verband bewezen of ook maar het vermoeden van zijn bestaan gewettigd.
Zooals wij boven zeiden, meenen wij, dat de houding der vrouw gedurende den coitus slechts in zóóver van beteekenis is, als zij ook die van den man bepaalt. En aangezien van den invloed van deze laatste op het geslacht van de vrucht eene o. i. aannemelijke verklaring te geven is (zie blz. 141), behoeven wij voorloopig niet tot andere de toevlucht te nemen, waaraan elke redelijke grondslag tot dusverre ontbreekt.
De Franschman De Bay voerde tegen de eierstoks-,
O -7
resp. baltheorie (zooals die dus door Henke gegeven was) bezwaren aan, voortvloeiende uit anatomisdi-phy-siologische feiten:
80
Jquot;. De rcchter- on linkereierstok bevatten eitjes, \'lie volkomen op elkander gelijken:
2°. evenzoo is de voortplantingsstof uit het rechter-en. het linker- (mannelijke) zaadblaasje volkomen gelijk en bezit geheel dezelfde physische, chemische en vitale eigenschappen :
3quot;. daarmede overeenkomstig bieden de eitjes uit beide eierstokken niet het geringste geslachtelijke onderscheid aan, vertoonen veeleer dezelfde natuureigenschappen;
4°. oj) dezelfde wijze bevatten ook de spermatozoën geen geslachtselementen;
5°. het (vrouwelijke) eitje wordt echter door de aanraking met een zaaddraadje bevrucht, zonder hetwelk een bevruchting ten eenenmale onmogelijk is.
Uit een en ander komt liij tot het besluit, dat bet geslacht afhankelijk is van de qualiteit van het vrouwelijk eitje en van die van het sperma, en gedurende den bevruchtenden coitus zelf bepaald wordt.
De juistheid van de vier eerstgenoemde gevolgtrekkingen is van uit een anatomisch-physiologisch standpunt buiten kijf. Doch zij leveren nog geen bewijs tegen de bewering, dat elk ovarium en elke bal kiemen voor een bepaald geslacht bevat.
In de wetenschap toch komt het meermalen voor. dat een geopperd denkbeeld aanvankelijk voor een verzinsel wordt uitgemaakt, terwijl eerst later de juistheid blijkt. Dit was, om een voorbeeld te noemen, b.v. ook het geval met de bewering, dat het spermatozoon in het eitje * dringt. Door groote anatomen en pbysiologen werd dit met
87
kracht bestreden, en .loch is er in den tegenwoordigen tijd niemand meer, die aan de juistheid van die waarneming twijfelt.
Met zuiver theoretische redeneeringen laat zich ook geen vaak opgedane ervaring zoo maar vernietigen, al moeten zij ons tot voorzichtigheid in ons oordeel aansporen en ons opwekken, vooral onbevangen en onbevooroordeeld meerdere waarnemingen te verzamelen. Zoo is het mogelijk, dat ten slotte overeenstemming ontstaat van theoretische bespiegeling en empirie.
De bezwaren, die De Day oppert, komen «lus hierop neer, dat wij het recht missen, aan te nemen, dat elke bal, resp. elk ovarium, spermatozoën, resp. eitjes, vormt, die elk op zich zelf de kiem voor een bepaald geslacht in zich hebben, daar wij met onze tegenwoordige hulpmiddelen nog niet in staat zijn, verschillen op te merken tusschen de producten van [rechter- en lin ke rb a i, res p. -o vari u m. Kan De Bay ook met zekerheid zeggen, dat dit altijd zóó zal blijven ? Bestaan ei* dan ook geen verschillen in de functie van verschillende onderdeden der hersenen, ofschoon de anatomische en chemische basis daarvan voor ons waarnemingsvermogen nog onbereikbaar is? Hebben, om bij de heramp;en-anatomie te blijven, de resultaten van Goloi e. a. in den laatsten tijd niet bewezen, hoe in betrekkelijk korten tijd onze inzichten in de anatomie zeer belangrijk gewijzigd kunnen worden? Is er, mogen wij vragen, wel één onderdeel der natuurwetenschap, waarin niet telkens de inzichten uitgebreid of gewijzigd worden
88
door verfijning van de methoden van onderzoek en hare hulpmiddelen ? Zou er geen onderscheid bestaan tusschen spermalozoën van twee vaders, wier kinderen hun sprekend evenbeeld zijn, ook al zijn wij dikwijls niet in staat, dat waar te nemen? Wij zouden tot in het oneindige voorbeelden kunnen aanvoeren, die alle bewijzen, dat De Bay alle recht mist tot zulk een uitspraak.
Wat moeten wij wel denken, dat diezelfde De Bay zich een nieuwe verklaring der geslachtsbepaling veroorlooft, die zich grondt op een verschil in de hoeveelheid stikstof van spermatozoon en eitje? Is n.1. dat van het spermatozoon grooter, dan zou een jongen, in het tegenovergestelde geval een meisje ontstaan. Berust die voorstelling op onomstootelijke feiten? Of ontsproot zij aan zijne phantasie? Wat zal er dan geboren worden, indien de hoeveelheid stikstof dezelfde is? Een herma-phrodiet, of is dan de bevruchting niet mogelijk?
Op één lijn met de verklaring van De Bay moet die van Agkermann gesteld worden, volgens welke voor een vrouwelijk embryo bij den coitus een eitje zou gevormd worden, dat meer waterstof dan zuurstof bevat.
En zoo zijn er nog meer voorstellingen, die wij hier stilzwijgend voorbijgaan.
Keeren wij thans tot de eierstokstheorie terug.
Ook in den laatsten tijd kunnen mannen van naam aangewezen worden, die met meer of minder klem als hunne meening hebben uitgesproken, dat het geslacht van het kind stellig reeds in het nog niet bevruchte ei bepaald is, en dat waarschijnlijk het rechterova-
89
riura mannelijke, het linker- vrouwelijke eitjes vormt.
Zoo lezen wij bij B. Schultze: „Waarschijnlijk zijn reeds in den eierstok de voorwaarden aanwezig voor de ontwikkeling van het eene üf van het andere geslacht.quot;
Verder vindt men bij Stockton-Hough: „De eitjes, van den rechtereierstok afkomstig, zijn, voor zooverre zij bevrucht worden, meer geschikt mannelijke, die van het linkerovariuin meer geschikt vrouwelijke individuen voort te brengen.quot;
Schroeder geeft toe, dat vóór de opvatting, dat het geslacht reeds in het nog niet bevruchte eilje bepaald is, veel spreekt.
Ten sloüe noemen wij nog Ahlfeld, die de waarschijnlijkheid grooter acht, dat het eitje reeds vóór de bevruchting een bepaald geslacht bezit, dan die, dat het eerst door de bevruchting beslist zou worden. Hij neemt het bestaan van mannelijke en vrouwelijke eitjes aan en acht het in elk geval buiten kijf, dat het geslacht niet eerst bij zekere ontwikkeling der vrucht ontstaan zou.
Seugson nu is verder gegaan. Hij had n.1. wel eens opgemerkt, dat ouders, die aanvankelijk slechts kinderen van één geslacht kregen, vaak ook kinderen van het andere geslacht voortbrachten, zoodra zij op reis gingen of verhuisden. Dit gebeurde n.1. dan, wanneer zij daardoor hunne ligplaats in bed ten opzichte van elkander verwisseld hadden: lag de man links van de vrouw, dan werd een meisje, in het tegenovergestelde geval een jongen geboren. Zelfs kon Seugson ten slotte alléén uit de ligplaats der ouders ten opzichte van elkander
01)
het geslaclit van het venvachle kind voorspellen. Onder 149 gezinnen, waarin 273 jongens en 268 meisjes geboren werden, ging dit slechts in 5 gezinnen (met 11 jongens en 12 meisjes) niet op.
Aanstonds (blz. 95) zullen nog eenige waarnemingen van SEI-Kisox worden meegedeeld, die geheel in overeenstemming zijn met de hier aangehaalde en met de in de vorige bladzijden medegedeelde van Ykneïte, Millot en Roth.
Wij zouden verwarring stichten, indien wij thans reeds op dat zoo mysterieus schijnende verband tusschen de ligplaats der ouders in bed en het geslacht van liet verwekle kind doorgingen. Dit komt in het lVde Hooid-stuk afzonderlijk in behandeling. Hier bepalen wij ons tot het vraagstuk: vormt elke bal zoowel als elk ovarium uitsluitend kiemen voor individuen v a n é é n bepaald g e s 1 a c h t .\'
Wij hebben reeds gezien, dat spermazoön en eilje, of nog beperkter: zaad- en eikern, een gelijkmatig aandeel \') hebben aan de vorming van een nieuw individu. Het zou ons te ver gevoerd hebben, dat in dit boek
1) E. van Beneden heeft door onmiddellijke mikroskopisjhe waarneming vastgesteld, dat bij de ascaris megalokephala (oen soort spoel worm) de even groote sperma- en eikern niet alleen dezelfde hoeveelheid stof voor de vorming van de eerste splytings kern leveren, doch dat hun aandeelen zich ook verder gelijkmatig ovor de progenituur verdoelen. Deze fundamenteele ontdekking wordt thans algemeen als typisch voor het splijtingsproces in do eitjes van alle diersoorten aangenomen.
91
uitvoeriger te bespreken en de vele hoogst belangrijke waai nemingen in de dieren- (en cok plantenwereld) daarbij te pas te brengen.
Wij hebben dal vooral daarom achterwege gelaten. omdat een beroep op toestanden bij lagere organismen en in de plantenwereld niet alleen ongeoorloofd . doch ook onmogelijk is, daar wij niet zouden weten, welke van de vaak tegenstrijdige feiten en waarnemingen voor zulk een beroep te moeten kiezen.
Daarna bleek. ten deele door een betoog ..uit het ongerijmdequot;, dat zeer waarschijnlijk het geslacht van het nieuwe individu reeds tijdens de bevruchting bepaaM wordt of is. Dat dit voor eenige zoogdieren kan worden aangenomen, daartoe geven ons de uitkomsten van de proeven van Henke het recht (vgl. ook de mededeeling van Plinu\'S), waaruit bleek, dat bij sommige zoogdieren de rechterbal en de rechtereierstok uitsluitend mannelijke, en de linkerbal en linkereierstok uitsluitend vrouwelijke kiemen vormden.
Verder werd uit die proeven waarschijnlijk, dat slechts gel ij k ges 1 acht elijke kiemen (zaad- en eikern) zich vereenigen kunnen tot de eerste splijtngskern, waaruit zich hot nieuwe individu ontwikkelt. Eerst meerdere proeven zullen hiervan zekerheid verschaffen.
Na deze proeven is liet niet moeilijk, een keuze te maken tusschen de op biz. ti8 genoemde drie mogelijkheden, en Ie bèslissen. welke in de werkelijkheid vervuld wordt. Diezelfde proeven toch toonen ons. dat. de verwijdering van één bal bij de door Henke gebruikte
mannetjes-dièren onveranderlijk hetzelfde \'gevolg had als de verwijdering van liet gelijkzijdige ovarium bij één der wijfjes-dieren. Dat onveranderlijke gevolg geeft ons het recht aan te nemen, dat het eitje oen gelijk aandeel heeft aan de vorming van het geslacht als het spermatozoon, een gevolgtrekking, die in volkomen overeenstemming is met de boven in liet kort herhaalde andere conclusies.
Tol zooverre over ervaringen in de dierenwereld. welker vermeerdering evenwel nog niet overbodig mag genoemd worden.
Bepalen wij ons nu verder uitsluitend tot den mensch.
Boven (blz. 88—80) wérden eenigé namen genoemd van in fle wetenschap bekende mannen, die als hunne meening met meer of minder klem uitspraken, dat ook bij den mensch\' reeds in het niet-bevruchte ei het geslacht bepaald is. en dat de linkereierstok waarschijnlijk vrouwelijk, de rechter- mannelijke kiemen vormt.
Over de testes werd nog niet gesproken.
flebben wij nu het recht, uit de resultaten van Henke\'s proeven bij de verschillende boven genoemde dieren tot dezelfde functie van ballen en eierstokken bij den mensch te besluiten ?
Hierover kan verschillend géoordeeld worden. Maar ook al nemen wij aan. dat wij reeds uit die proeven gerechtigd zijn, dezelfde toestanden bij den mensch te veronderstellen, blijft het toch onze taak, door zooveel mogelijk objectief gedane waarnemingen bij den mensch
93
zelf zulk eene veronderstelling tot een positieve wetenschap te doen naderen.
Van welken aard nu zijn de waarnemingen, die ons daarbij van dienst kunnen zijn?
Wat den man betreft ; indien elke bal uitsluitend sperma-kernen voor één bepaald geslacht.vormt, zal een man, die slechts in het bezit van één bal is, of bij wien wel belde ballen aanwezig zijn . doch bij wien de bijbal, resp. de zaadleider, door ziekelijke processen ondoorgankelijk is geworden, slechts in staat zijn kinderen van dat geslacht te verwekken, waarvoor zijn éénige bal de kiemen levert.
Mutatis mutandis moeten wij hetzelfde verwachten van cene vrouw, bij wie een der eierstokken of verwijderd, of door pathologische veranderingen buiten functie is gesteld. Bij de vrouw kunnen wij bovendien somtijds nog op andere wijze bepalen, van welk ovarium de kiem voor een bepaald kind afkomstig was. Dit zal aanstonds nader blijken.
Allereerst zullen wij ons bezighouden met de
ERVARINGEN BIJ DEN MAN.
Wij beginnen met even vooruit te loopen. Wordt de juistheid van de in Hoofdstuk IV nader te bespreken veronderstelling ook door volgende waarnemingen bevestigd, blijkt dus de houding bij den coitus van be-
04
slissenden invloed te zijn op het geslaclit van liet daarbij verwekte kind. eenvoudig omdat door een bepaalde liouding slechts het sperma van één bepaalden bal geloosd wordt, dan is daarmede vanzelf bewezen, dat. elke bal slechts kiemen voor één geslacht vormt.
Zooals wij n.L. eveneens in dat Hoofdstuk, zullen zien, bestaat er voorloopig geen grond, aan de houding bij don coitus een invloel toe te schrijven op dé vorming van eitjes (ovulatie) uilsluitend in één der ovaria (zooals Roïh dat doet, vgl. ook blz. \'85),. terwijl het kan worden aannemelijk gemaakt, dat die houding den bal aanwijst, welks sperma zal worden geloosd.
Eenige feiten, die hiermede in overeenstemming zijn. zullen later (blz. 104) worden medegedeeld, wanneer over overbezwangering en overbevruchting gesproken zal worden. Zij wijzen op de waarschijnlijkheid, dat, door kort na elkander in verschillende houding uitgo-oefende ooiius iweelingen van verschillend geslacht kim-
o o
nen worden verwekt.
Wij herinneren aan het op bldz. 72 besproken anatomische verschil, dat gewoonlijk tusschen de bloedvaten van rechter- en linkerbal wordt aangetroffen, en waarmede hunne verschillende geslachtelijke functie zeer wel zon kunnen samenhangen. Daar nu als uitzondering wel dat anatomische verschil in omgekeerden zin is gevonden, moei de mogelijkheid a priori toegegeven worden, dat het. eveneens als uitzondering, kan voorkomen, dat juist, de linkerbal kiemen voor het mannelijke, de rechter-kiemen voor het vrouwelijke geslacht vormt.
95
Trachten wij intussclieii zooveel mogelijk feiten te ■verzamelen, welker verklaring alléén in een verschillenfle functie der beide ballen ten opzichte van de voortplanting van een bepaald geslacht kan worden gevonden.
De „klinischequot; ervaringen bij den man zijn tot dusverre nog zeer schaars bekend. Er zijn ongetwijfeld vele te verzamelen, doch men heeft, onbekend met de bal- en eierslokstheorie. zooals wij kortweg de hypothese omtrent de vorming van kiemen voor één geslacht door eiken bal resp. eierstok zullen noemen, geen acht geslagen op het geslacht der kinderen, verwekt door mannen, die slechts één normaal fungcerenden bal bezaten.
De eenige ons bekende ervaringen zijn die van Ski.ih-son, welke hier een plaats mogen vinden.
Hij een zijner bekenden was de recht er bul operatief verwijderd. Toen hem diwina nog twee dochters geboren werden en hij zich over dien ongewenschten kinderzegen bij Dr. Seugsox beklaagde, ried deze hem aan, in liet vervolg rechts van zijne vrouw in bed te gaan liggen. Na dien tijd werd zijn gezin niet meer vermeerderd, ofschoon hij zelf eerst 50 en zijne vrouw jaren oud is en deze laatste nog geen enkel teeken van een optredend klhnakterium (d. i. ophouden der menstruatie) vertoonde.
Verder heeft Dr. Seuxgsox verscheidene mannelijke patiënten, bij wie ten gevolge van ontsteking de eene zaadleider ondoorgankelijk was geworden. Die mannen verwekten slechts kinderen van één geslacht, dat beantwoordde aan dat geslacht, waarvoor de kiemen door den
96
anderen bal gevormd worden. Zoodra zulk een patiënt op raad van Dr. Seligson zijne ligplaats in bed niet zijne vrouw verwisseld had, zoodat de coitus met opzet steeds in zulk een houding volvoerd werd, dat slechts hot sperma van den zieken bal geloosd kon worden, verwekte hij geen kinderen meer.
Nog een dergelijk hoogst leerrijk geval moge hier vermeld worden.
Een huwelijk was 0 jaren kinderloos gebleven. Toen Seligson den man onderzocht en een verdikking van den linker-bijbal vond, waardoor vermoedelijk de 1 i n k er-zaad lei der ondoorgankelijk was geworden, ried hij hem, daar hij tot dusverre steeds links van zijne vrouw had gelegen, van nu af aan rechts te gaan liggen. Hierdoor werd do coitus stelselmatig in zulk een houding uitgeoefend, die de loozing van het sperma van don rechter bal bewerkte. Het gevolg was dan ook, dat de vrouw daarna twee jongens ter wereld bracht.
De hier medegedeelde waarnemingen komen ons in Hoofdstuk IV ook nog Ie pas, wanneer wij spreken zullen over het verband tusschen een bepaalde houding bij het volvoeren van den coitus en de herkomst van het daarbij geloosde sperma.
Zooals rnen ziet, bleef in die waarnemingen het go-volg van een met opzet aangenomen bepaalde houdi ng bij den coitus niet uit.
Op dit oogenblik is voor ons alleen van belang, dat daaruit blijkt, dat het geslacht van de verschillende kinderen, verwekt door vaders, wier eene bal buiten
97
•working was gesteld, in overeenstemming is met de stelling, dat de rechterbal uitsluitend kiemen voor kinderen van het mannelijke., do linker- uitsluitend kiemen voor kinderen van het vrouwelijke geslacht levert.
Jammer genoeg moeten wij ons voorloopig met deze ■enkele feiten, klinische bewijzen, tevredenstellen.
Indien de aandacht op deze belangrijke zaak meer .gevestigd wordt en blijtt, zal het zonder twijfel niet moeilijk zijn, dergelijke waarnemingen met tal van andere te vermeerderen. Immers, zoowel éénzijdige castratie van gehuwde mannen als ondoorgankelijkheid van een ■der zaadloiders ten covoluo van verschillende ontstekingen
~ ~ £-J
of gezwel vorming, enz. enz., in hot kort: toestanden, waarbij hot sperma van één dor ballon stellig niet meer geloosd kan worden, bohooren niet tot de zeldzaamhotlen.
Tegen de voorstelling, dat elke bal uitsluitend kiemen vcor één bepaald geslacht zou vormen, is wel liet volgende bezwaar geopperd, dat wij hier nader zullen beschouwen.
Indien elke bal slechts de kiemen voor één bepaald geslacht levert, hoe is het dan moyelijk, dat mannen met één bal toch hinderen van beide yeslachten verwekken\'? En hoe zou het dan te verklaren zijn, dat eenüje volksstammen in Zuid-Afrika, de llottentotlen, de bewoners der Vriendschapseilanden, enz., van welke alle mannen éénzijdig (/ecastreeirl worden, niet reeds lang uitgestorven zijn.?
■Ilel hier gehouden betoog op zich zelf is zeker klem-
7
T
I
I
I
08
mend. Laat ons echter nagaan, in hoeverre de feiten, waarvan het uitgaat, juist zijn.
Wat de eerste vraag betreft, dient vooraf te worden opgemerkt, dat er twee soorten van„éénballigequot;mannen zij n. Bij de eene soort ontbreekl een der ballen w e r k e 1 ij k. Dit komt buitengewoon zelden voor. (Wij laten hier het gemis van een bal door een operatie buiten beschouwing.) üij de andere soort is hij slechts schijnbaar afwezig, doch inderdaad in de buikholte „verborgenquot;, zooals het woord: kryptorchisme, waarmede deze toestand bestempeld wordt, dan ook zegt.
Ter verduidelijking herinneren wij aan het op bladz. (»0 gezegde omtrent den oorsprong der ballen. Daar bleek, dat zij in de onmiddellijke omgeving der nieren, dus in de buikholte, door woekering van bepaalde cellen, de kiemcellen, ontstaan. Zij blijven daar ter plaatse tot de derde zwangerschapsmaand. Dan begint door verschillende factoren, die wij hier buiten beschouwing laten, de bal al meer en meer te dalen, totdat hij in de achtste zwangerschapsmaand in liet lieskanaal, en in de negende in den balzak treedt, waarna liet lieskanaal zich sluit.
Dat is de regel. Uitzonderingen, dat de bal eerst eeni-gen tijd na de geboorte in den zak afdaalt, kunnen nog niet als ziekelijke afwijkingen worden beschouwd.
Iets anders is het echter, indien een der ballen gedurende het geheele leven in de buikholte blijft liggen, hetzij op de plaats van zijn vorming, hetzij lager. Dan heeft men den toestand, die kryptorchisme wordt genoemd.
90
[Joe kan men nu uitmaken, of een man mei slechts één zichtbaren bal werkelijk of schijnbaar den anderen mist ?
Dat is alleen met zekerheid te doen door opening van de buikholte. Zonder deze is het niet geoorloofd, uit het ontbreken van één bal in den z.ik te besluiten tot zijn geheele afwezig!iei( I.
Kan dan een in de buikholte achtergebleven bal behoorlijk zijn functie verrichten en kan iiet door hem gevormde sperma bij een coitus geloosd worden?
Wij weten wel. dat de bal, die in het lieskanaal bleef steken, dikwijls veranderingen ondergaat. Deze kunnen, wanneer zij een Imogen graad bereikt hebben, aan de functie van dien bal een einde maken. Doch regel is dit niet.
Bleef de bal in de buikholte achter, dan schijnt hij niet meer aan zulke veranderingen onderhevig te zijn als een bal in zijn zak. wanneer hij n 1. niet, zooals Nikoladoxi wel heeft opgemerkt, om zijn as draait. Hierdoor toch wordt de zaadstreng in een spiraalvorm gewrongen en treden ten gevolge daarvan veranderingen in den bal op (door belemmering van den bloedstroom, enz.). Bovendien zou in zulk een geval de zaadleider afgesloten kunnen worden, zoodat er dan geen sprake kan zijn van loozing van het door dien bal gevormde sperma.
Heeft iets dergelijks niet plaats, dan kan het ons niet verwonderen, dat een kryptorchisch man zoowel jongens als meisjes verwekt.
100
Al dergelijke gevallen moeten dus elk op zich zelf onderzocht en beoordeeld worden. Een algemeene regel is niet te geven.
Iets anders is liet, wanneer een der ballon kunst matig verwijderd is. Dan is men zeker, dat er slechts sperma van den overgebleven bal geloosd kan worden; dan moeten wij ook verwachten, dat de door zulk een man (na de verwijdering van den eenen bal) verwekte kinderen uitsluitend tot één geslacht behooren. Het is zeer gewenscht. hiervan zooveel mogelijk nauwkeurig onderzochte gevallen te verzamelen.
Nu kan men wel eens lezen of hooren, dat ..mannen met één balquot; toch kinderen van beide geslachten kregen: doch gewoonlijk wordt dan niet opgegeven, of zij kryp-torchisch of gecastreerd waren.
Er zijn echter eenige gevallen waargenomen van ge-castreerden, die zoowel zonen als dochters kregen. Maar, vraagt Sei.igsox. zijn de waarnemers ook in staat, met zekerheid te ontkennen, dat wellicht de een of andere goede vriend daarbij heeft meegeholpen, wat zelfs mannen, die zich in het bezit van beide ballen kunnen verheugen, niet zoo zelden overkomt!
Wat ten slotte de ons berichte gewoonte van sommige volksstammen betrelt, de mannen éénzijdig te castreeren, kan men niet voorzichtig genoeg zijn met de beoor-deeling van de mededeelingen van natuuronderzoekers of andere reizigers.
Zoo verhaalt b. v. de plantkundige Peter Kolbex (1745), dat de Hottentotfche jongens door priesters links-
101
zijdig gecastreerd worden en dat geen. vrouw uit dat volk een niet zoodanig behandellen man ooit zou aannemen. Ree ls 30 jaren na Kolbex verklaart evenwel Le Vaielaxt diens bericht voor oen verzinsel. Wèl vond hij eenehalfzijdige besnijdenis (d. i.splijting of verwijdering van een deel der vóórhuid. van het prae-putium) bij do Hottentotten als gewoonte. Fritscu bevestigt doze mededeeling van Le Vaillant en spreekt het vermoeden uit, dat Kofjiex zich die besnijdenis als eeu castratie heeft laten wijsmaken.
Verder zouden volgens Otto lrixscii (1880) de bewoners van l\'onaps (oostelijk Carolina-eiland) bij jongens van 7—8 jaren den linkerbal verwijderen, daar de meisjes aldaar zulke mannen schooner en begeerlijker vinden. De bron, waaruit hij put, een „zeer betrouwbarequot; bron volgens hem zelf, is een op het eiland wonende blanke, een „zeemanquot; (beteekent dit zooveel als matroos?!). Zelf heeft hij zich, gedurenle zijn kort verblijf aldaar, niet van de juistheid van die mededeeling overtuigd. Het bericht lijkt des te meer verdacht, daar Kubary, die anders nogal niet karig is in meledeelingen, met niet één woord van dat gebruik op Ponape rept.
Berichten als van kapitein Wright, dat op Niuta-butabu (een der Vriendschapseilanden) bijna alle m innen op twintigjarigen leeftijd slechts één bal hadden, bewijzen niets.
De verwarring van besnijdenis met castratie, waarop Kou\'.ex door anderen betrapt werd, bewijst genoegzaam de verregaande onnauwkeurigheid, waaraan dergelijke
102
inededeelingeii en waarnemingen kunnen mank gaan.
Slechts nauwkeurige en volstrekt betrouwbare waarnemingen van gevallen, dat éénzijdig gecastreerde mannen na de castratie tocli kinderen van beide geslachten verwekt hebben, kunnen tegen de theorie pleiten, dat elke bal sleclils spermatozoën vormt, die uitsluitend zaal kernen voor individuen van één bepaald geslacht bevatten.
Natten wij nu in eenigc woorden samen, wat de klinische en andere ervaringen bij den man ons hebben geleerd, dan kunnen wij aannemen:
1°. dat er feiten en waarnemingen zijn. die liet zeer waarschijnlijk maken, dat elke Ij ai uitsluitend sper m a t o z o ë 11 v o r m t, w e 1 k e r zaadkernen voor individuen van één bepaald geslacht bestemd zijn, en wel de rechterbal voor individuën van het mannelijke, de linkerbal voor individuën van het vrouwelijke geslacht;
2quot;. dat er tot nu toe geen betrouwbare bewijzen van hel tegendeel zijn geleverd, die ons dwingen, deze opvatting prijs te geven;
3quot;. dat het zeer gewenscht is, klinische en andere feiten eu waarnemingen te verzamelen, die vóór of tegen de sub 1° genoemde stellingen pleiten.
Laai ons thans nagaan, tot welke gevolgtrekkingen de ervaringen bij de vrouw ons moeten leiden.
403
ervaringen bij de vrouw.
Wij beginnen ook liier met te herinneren aan hel anatomische verschil tiisschen de bloedvaten van rechter-en linkerovarinm. welk verschil waarschijnlijk met een quantitalief of zelfs qualilatief ondersclieid in hunne fimclie samenhangt.
O
Doch het komt nu nog minder op beschouwingen, dan wel op feiten aan. die de functie der beide ovaria ten opzichte van het geslacht der vrucht buiten kijf stellen.\'
Zooals boven (blz, 45) reeds met een enkel woord gezegd is. moeten wij van eene vrouw, wier eene ovarium operatief verwijderd of door ziekelijke veranderingen buiten functie gesteld is, verwachten, dat zij slechts in staat is kinderen van dal seslacut voort te brensen. waar-
C
voor haar éénige fungcerencle eierstok de kiemen levert.
Het komt dikwijls voor, dat bij eene vrouw één der ovaria operalief verwijderd wordt wegens de vorming van een of meer gezwellen daarin of wel wegens ver-
O O
etterende ontsteking, enz. Tol dusverre heeft men echter, voor zooverre ons bekend is, zoo goed als nooit zijne aandacht geschonken aan het geslacht der kinderen, die zulk een éénzijdig gecastreerde vrouw ter wereld bracht. Ons zijn slechts eenige weinige gevallen bekend, waarin dit wel is geschied. Allereerst volgt hier een door sciiatz waargenomen en medegedeeld geval.
Een 20jarig meisje, dat sinds haar I3\'le jaar geregeld menstrueerde, werd in 1880 wegens een gezwelvorming in den linkereierstok geopereerd. Daarbij werd niet
1Ü4
alleen liet gezwel met den ge heel en linker eierstok. doch ook het rechterovarinm gedeeltelijk verwijderd. Vier maanden na de operatie keerde de menstruatie terug, een bewijs, dat het overgebleven gedeelte van den red dereierstok eitjes afzonderde. (Al zal later wel blijken, dat waarschijnlijk niet elke ovulatie d. i. rijping en losstooting van een eitje, van een bloeding uit het baarmoederslijmvlies gepaard gaat, mogen wij echter omgekeerd aannemen, dat bij eene volkomen gezonde vrouw zulk een bloeding niet plaats heeft zonder ovulatie.) Dit werd later bevestigd. Want, nadat het meisje den23\'tcn April 1884gehuwd was, schonk zij den 12,len Mei 1885 aan een meisje het levenslicht.
Dit is blijkbaar een feit, dat in strijd is met de opvatting, dat het rechterovarium uitsluitend kiemen voor individuen van het mannelijk geslacht vormt. Immers, het eitje, waaruit zich dat meisje ontwikkelder kon niet anders dan van liet rechter ovarium afkomstig zijn.
Die tegenstrijdigheid bestaat eHder slechts schijnbaar, zooals wij later zullen zien bij eene afzonderlijke bespreking van zulke gevallen.
Behalve die waarneming van Sciiatz is ons slechts één mededeeling bekend van liet geslacht der kinderen van een vrouw, wier eene eierstok operatief was verwijderd. Wij danken haar aan Smith. Eene vrouw had drie jongens na elkander het levenslicht geschonken. Nadat haar rechter ovarium operatief was verwijderd, kreeg zij slechts dochters.
105
[Jot zou van zeer groot belang zijn. in zooveel mogelijk gevallen na te gaan, van welk geslacht de icindeivn waren, die gebaard werden door vrouwen, nadat een iler eierstokken operatief was verwijderd.
Welke kenmerken staan ons verder lea dienste, om uit te maken, van welk ovarium een vrucht afkomstig is?
Zooals reeds opgemerkt is. geeft de houding bij den coitus ons geene aangrijpingspunleu daarvoor. Voor de-door Rotit aangenomen verklaring toch (blz. 84) ontbreekt voorloopig elke grond.
Verder kan het onderzoek van de levende vrouw slechts bij uilzondering het vermoeden wettigen, dat een der eierstokken door ziekelijke veranderingen zoodanig veranderd is, dat zij stellig niet meer in staat is hare normale functie te verrichten. Zelfs de meest geoefende; vrouwenarts kan slechts grovere veranderingen van een eierstok met volmaakte zekerheid lier-kennen. Maar uit het bestaan van grovere veranderingen volgt nog niet noodzakelijk, dat zulk een eierstok geen eitjes meer vormt. Een nader onderzoek zou moeten beslissen, door welke veranderingen (niet alleen de aard. doch ook de graad) de functie van een eierstok opgeheven wordt.
Men heeft wel eens gemeend, dat de lichaamshelftT juister: baar moed erhelft. der zwangere vrouw, waarinde vrucht gelegen was, den eierstok aanwees, vanwaar bel bevruchte eitje afkomstig was. Wij hopen echter bij de bespreking van do verschillende bezwaren, die tegen de eierstokstheorie geopperd of te opperen zijn. aan te
100
loonevi, dut zulk eone veronderstelling eiken redelijken grond mist, ten minste voor normale baarmoeders.
Iets anders is het, wanneer men zwangerscÏÏap in de eene liell\'l van een uterus duplex aantreft. Zulk een uterus duplex (d. i. dubbele baarmoeder) is een baarmoeder. welker holte door een overlangscli tussclienschol in twee zijdelingscbe helften is verdeeld. (De oude benaming: dubbele baarmoeder is dus eigenlijk, ook uit oen enilirvologisch oogpunt, onjuist. Het zou juister zijn. van een tweekamerige baarmoeder te spreken.) Elk van deze helften staat uitsluitend door den gel ijk zij li gen oileider met het gelijkzijdige ovarium in verband.
Xn kan hel tnsschenscbot zich ook in de scheede voortzetten, en deze eveneens in een rechter- en linkerhelft verdeelen.
Nu zijn tot dusverre wel dubbele baarmoeders zonder gelijktijdige verdubbeling van de scheede waargenomen, het omgekeerde heeft men echter nog nooit gezien. Het is dan ook op grond van de ontwikkelingsgeschiedenis van baarmoeder en scheede niet zeer waarschijnlijk, dat een ..dubbelequot; scheede zon bestaan zonder dat het tusschenschot ook de baarmoeder in twee helften verbeelde.
Waar wij dus een dubbele scheede bij eene vrouw aantrellen, mogen we het bestaan van een uterus duplex reeds zonder verder onderzoek aannemen. Dit kan ons Ifn overvloede volkomen zekerheid verschaffen.
Ileeit nu de coitus steeds in één en dezelfde helft van zulk een dubbele scheede plaats gevonden en is de andere
107
helft bijgevolg maagdelijk gebleven, dan bestaat de meeste kans. dat de vrucht zich in de met gene helft overeenkomende kamer van den uterus heeft ontwikkeld. Met zekerheid kan men tlil niet zeggen, daar de kans bestaat, dat van het bij den coitus geloosde sperma ook wel eens een gedeelte in den ingang der nog maagdelijke scheedehelft. en aldus toch in de hierbij behooremle baarmoederhelft is terechtgekomen (vgl. blz. 20).
Is echter de eene scheedehelft ook na de baring iluidelijk maagdelijk gebleven, dan mogen wij als zeker aannemen, dat de vrucht zich in de baarmoederhelft van de tegenovergestelde zijde ontwikkeld heeft en dat bijgevolg het eitje, waaruit zij zich ontwikkelde, waarschijnlijk van het ovarium aan diezelfde zijde afkomstig is. Wij zeggen: waarschijnlijk, daar de mogelijkheid van eene zoogenaamde ..omwandelingquot; van het eitje (vgl. blz. 31) niet is uit te sluiten zonder opening-van do buikholte en opsporing van het bijbehoorende echte corpus luteum.
In het beneden volgende lijstje is een waarneming van Sïiïaich opgenomen van een zwangerschap in de rechterhelft van een uterus duplex. Van de eveneens dubbele scheede was de linkerhelft maagdelijk gebleven — een jongen werd geboren. Volgens het juist gehouden betoog mogen wij veronderstellen, dat het eitje, waaruit hij zich ontwikkelde, van het rechterovarium afkomstig was.
Zulke waarnemingen behooren intusschen tot de zeldzaamheden.
108
Wordt een vrouw tijdens lt;le zwangerschap of kort na de baring geopereerd, ol\' wordt bij eene in dergelijke tijden gestorven vrouw inwendige lijkschouwing verricht. dan zijn er na de opening van de buikholte twee zaken, die ons eene vingerwijzing kunnen geven omtrent de herkomst van het laatst bevruchte eitje:
1°. het vinden van een jong, „echtquot; corpus luteuin in één der eierstokken. Dit bewijst met volmaakte zekerheid de herkomst van het jongst bevruchte eilje.
2o. liet vinden van eene extra-uteriene zwangerschap en wel van zulk eene in een eileider of op eer. ovarium. Heeft het bevruchte eitje zich ergens op hel buikvlies vastgehecht en ontwikkeld, dan is dit voor ons doel alleen van heteekeuis, wanneer die plaats zicli duidelijk in de onmiddellijke omgeving van een dei ovaria bevindt. Eventueel kan, b. v. bij eene keizersnede. het aantoonen van een zwangerschap in een der helften van een uterus duplex denzelfden dienst bewijzen als dien het onderzoek der levende vrouw ons kan doen. (Zie boven.)
De gelegenheid tot het doen van zulke waarnemingen is echter schaarsch, ongetwijfeld zeldzamer dan die lol liet opteekenen van het geslacht der kinderen eener éénzijdig gecastreerde vrouw. Zij zal zich zoo goed als uitsluitend aan den gynaekoloog en den patholoog-anatoom voordoen.
Hier dient nog te worden opgemerkt, dat het aantoonen van een zwangerschap in den eileider (tubair-graviditeit genoemd, daar de eileider tuba Fallopiae
100
licet) niet met volstrekte zekerheid tie herkomst van het bevruchte eitje aanwijst.
Eene omwandelingquot; van het eitje toch is niet uit te sluiten, ofschoon zij onwaarschijnlijk wordt, wanneer noch iu de andere tuba, nocli in den uterus of elders een oorzaak daarvoor is op te sporen (vgl. biz. 31).
Is ten slotte het eitje in of op het ovarium zelf bevrucht en heelt het zich daar ter plaatse verder ontwikkeld, dan is zijn afkomst niet twijfelachtig.
En nu de waarnemingen.
Ons is slechts één geval bekend, waarin de vondst van een ,.echtquot; corpus luteuin in een eierstok met gelijktijdige opgave van het geslacht van de vrucht wordt vermeld. Dit geval is hoogst belangrijk, daar hel tweelingen van een ongelijk geslacht betreft.
Sippel doet mededeeling van eene vrouw, die plotseling aan het einde van haar vijfde, ongestoord ver-loopen, zwangerschap stierf. Bij de lijkopening vond men in e 1 k o v a r i u m é é n corpus 1 u t e u m, en verder in de baarmoeder een rechts liggenden j ongen en een links liggend, zwakker ontwikkeld, meisje. Elke vrucht had een afzonderlijk chorion (buitenste eivlies). wat met zekerheid de ontwikkeling uit twee verschillende eitjes bewijst.
liet schijnt ons niet gewaagd toe. het vermoeden uit te spreken, \'dat de jongen zich uit het eitje van den rechter-, het meisje zich uit dat van den linkereierstok ontwikkeld had.
Hier behooren ook eenigermate thuis de beide waar-
110
nemingen van Mn.lot (vgl. biz. 81), al bezitten zij niet die waarde, welke aan de vondst van (jonge) echte corpora lutea moet worden toegekend. Ter plaatse, waar zij meegedeeld werden, wezen wij er reeds op, dat hunne beteekenis voor de oplossing van ons vraagstuk grooter zon zijn geweest, indien de lijkopening korten tijd na de jongste zwangerschap had plaats gevonden, waaromtrent Miu.ot echter het stilzwijgen bewaart.
AVat nu de extra-uterione zwangerschap, resp. zwangerschap iu misvormle baarinoeIers, betreft, hiervan staan ons meer berichten ter bescliikking. Had men bij de publicatie van dergelijke gevallen steeds het geslacht van de vrucht vermeld, dan zou dat aantal veel grooter zijn. Jammer, genoeg is dat echter meer als uitzondering dan als regel geschied.
Wij laten de ons bekende gevallen hier volgen, met opgave van den naam van den waarnemer of schrijver..
|
1. |
Beauc a mp: |
zwangers -hap |
in |
re^htai |
•eileider |
— jongen, |
|
.) |
il a s u h k a: |
n |
n |
77 |
— | |
|
O. |
0. Schmidt: |
:i |
}) |
}) |
n |
- .. |
|
4. |
Spiegel berg: |
:J |
\'7 |
71 |
— | |
|
5. |
F r a n k e 1: |
:? |
?; |
77 |
17 | |
|
lt;5. |
M a 11 a k o w sky: |
;; |
71 | |||
|
i. |
Strauch: |
?) |
jj |
71 |
.. | |
|
8. |
n |
•7 |
V |
77 | ||
|
9. |
n |
linker- |
71 |
— meisje, | ||
|
10. |
W e i n b a u m : |
:j |
7} |
— | ||
|
11. |
Von 011: |
71 |
rj |
77 |
n 71 | |
|
1-2. |
S c li a t z: |
*? |
:) |
77 |
71 |
lil
13. Von Ott: zwangerschap in reshter mdimentairen uterus-
hoorn \') — jongen., linker uterus-hoorn — meisje.
„ rechterhelft van
uterus duplex — jongen.
Het is jammer, dal hierbij niet. tevens is opgegeven, in welk ovarium liet jongste echte corpus liitemn te vinden was.
Dit geldt in nog meerdere mate voor die gevallen, welke wij in de literatuur ontmoeten, die, evenals het op blz. 103 vermelde geval van Sciiatz, in strijd schijnen te zijn met de eierstokstheorie. Wij zullen die gevallen afzonderlijk bespreken, wanneer wij do verschillende bezwaren tegen de eierstokstheorie nader zullen beschouwen. Hiertoe zullen wij thans overgaan.
In de eerste plaats kan men. wat dan ook wel plants heeft gehad, tegen de eierstokstheorie aanvoeren:
1°. Indien elk ovarium uilsluitend kiemen voor één bepaald geslacht vormde, hoe is dan het verschillende (jeslncJd van de kinderen vaneen meei\'voudhje bafi rnj te verklarenquot;?
U. Galle: ] 0. S t r a u c h: (zie boven)
liet is a priori duidelijk, dat eene verklaring, die in overeenstemming met de eierstokstheorie is, alleen kan
\') De „hoornquot; is dat gedeelte van de baarmoeder, dat in de tuba overgaat en in een bepaald tijdperk van het intra-uteriene leven als een min of meer zelfstandig onderdeel bestaat. Als regel versmelt hij met dien van de andere zijde en vormt daarmede het bovenste gedeelte der baarmoeder. Als uitzondering kan hij blijven bestaan: de baarmoeder is dan misvormd.
m
gezocht worden in een gelijktijdige, of althans kort op elkander volgende ovulatie in beide eierstokken.
Alvorens na te gaan of dit bestaat, willen wij de vraag beantwoorden, wat liet meest voorkomt: een meervoudige baring van kinderen van verschillend, of zulk eene van kinderen van hetzelfde geslacht.
Bepalen wij ons in do eerste plaats tot tweelingen. Zooals in Hoofdstuk I gezegd is, komt het aantal geboorten van tweelingen niet indezelfde rede tot dat der enkelvoudige geboorten in verschillende landen voor. In Rusland (Moskan en Petersburg) worden op 17.701 enkelvoudige 3498 tvveelinggeboorten gevonden, d. i. 1 op öÜ.
Onder 144 van die tweelingen, waarvan het geslacht bekend was, kwamen öO malen 2 jongens, 4\'2 malen 2 meisjes en 52 malen 1 jongen en 1 meisje, d. i. dus 92 malen hetzelfde tegen 52 malen een verschillend geslacht voor.
Scanzoni kreeg een nog grooter verschil (in Duitsch-land); hij voml n.1. 92 malen hetzelfde tegen 32 malen een verschillend geslacht.
Een zeer opvallend overwegen van tweelingen van hetzelfde tegenover die van verschillend geslacht vermeldt Suahi\': onder 7(35 geboorten nam hij 13 malen tweelingen wiuir en van dezen 7 malen 2 jongens, 5 malen 2 meisjes en slechts éénmaal een jongen en een meisje. Deze getallen zijn echter zeer klein, zoodat zij op zich zelf geen groote waarde hebben.
Tellen wij nu deze drie opgaven bij elkander op, dan
413
krijgen wij als slotsom: dat van 284 tweelingen 490 hetzelfde en 85 een verschillend geslacht bezaten, d. i. 08,75 o/o van hetzelfde en 31,25 0/o van verschillend geslacht. Dit komt vrij wel overeen met de opgave van Carl Schroeder (04 «o van hetzelfde en 30 quot;.o van verschillend geslacht).
Wij mogen dus aannemen, dat tweelingen van hetzelfde geslacht ongeveer twee malen meer geboren worden dan die van verschillend geslacht.
Is nu de eierstokstheorie juist, dan komt het m. a. w. twee malen meer voor, dat één of twee eitjes van één ovarium, dan dat twee eitjes van beide ovaria bevrucht worden. Deze getallen zijn echter te onvolledig en te klein om eene kansberekening daaruit op te maken, ofschoon het ons daaruit toeschijnt, evenals uit de hier volgende betreffende drielingen, dat de kansen niet belangrijk zullen verschillen, dat het geslacht mannelijk, vrouwelijk of verschillend is.
Wat drielingen betreft, heeft Yeit bepaald, dat in 4089 gevallen van drielinggeboorte 409 malen 3 jongens, 359 malen 3 meisjes, 504 malen 2 jongens en 4 meisje en 420 malen 2 meisjes en 1 jongen ter wereld werden gebracht. Hier komt het dus meer voor, dat er kinderen van verschillend dan van hetzelfde geslacht werden geboren.
\\ roegei\' (hlz. 32) werd reeds in het algemeen gezegd, hoe de eitjes verdeeld kunnen zijn. uit welke zich tweelingen, drielingen, enz. ontwikkelen. Er werd toen ook op gewezen, dat tweelingen, door de bevruchting van één
8
114
eitje onlsüum, een geineenscluqtpelijk buitenste eivlie.s (chorion) bezilten, waardoor zij gemakkelijk en met /.ekerlieid te ondersclleiden zijn van tweelingen, die aan de bevruchting van 2 eit jes liet leven hebben te danken. Deze toch bezitten elk een afzonderlijk chorion.
Dit is voor ons van het grootste belang. Immers, daardoor zijn wij in staat, ook zonder de ovaria zelf met liet oog te onderzoeken, waartoe de gelegenheid zich slechts hoogst zelden zal aanbieden, uit te maken, of de tweelingen door bevruchting van één ofwel van twee eitjes ontstaan zijn. Daarvan gebruik makende, heeft Si\'aetii vastgesteld, dat van iquot;2(i tweelingen iCgt; zich uil-twee en de overige 31 zich uit één eitje ontwikkelden. Aiilfeld vond eveneens malen de bevruchting van twee tegen 02 malen die van één eitje. Dat ook drielingen zich uit één eitje kunnen ontwikkelen, is bewezen door redk, die een drielingsei met één gemeenschappelijk chorion heeft beschreven. (Aan de waarneming van Ivi.ikk dat zich in één follikel drie eitjes kunnen bevinden, die dus door dezelfde ovulatie tijdelijk uitgestooten worden, kunnen wij nog toevoegen die van Pkmicer. Grouk en SuiRüN, die eveneens drie eitjes in één follikel ontdekten.)
Wat nu voor ons uiterst belangi ijk moet genoemd worden is, dat als regel zonder eenige uitzondering is gebleken: dat tweelingen, die zich uit één eitje ontwikkelden (herkend aan het gemeenschappelijk chorion), wier moederlijke kiemen dus buiten kijf van één en hetzelfde ovarium afkom-
115
slig zijn, steeds van hetzelfde geslacht zijn!
Eenige weinige waarnemingen, die uitzonderingen op «lezen regel schenen te zijn, berusten volgens Aulfei-D op een verwarring van zeer gebrekkig ontwikkelde mannelijke met vrouwelijke geslachtsorganen. Ook Oi.s-hauskx verklaart die waarnemingen voor geheel waardeloos.
Was er nu ook omgekeerd aangetoond, dat er in talrijke gevallen van tweelingen van verschillend geslacht eveneens zonder uitzondering de kiemen van beide ovariën afkomstig waren, terwijl in alle gevallen van gelijkgeslachtelijke tweelingen, die zich uit twee eitjes ontwikkelden, deze eitjes in hetzelfde ovarium gevormd waren, dan zou onze stelling bewezen zijn: dat elke eierstok uitsluitend kiemen voor één geslacht vormt.
Zooals echter reeds werd opgemerkt, behooren waarnemingen als die van Siitf.i. tot de quot;roote zeldzaam-
o o
heden, daarde gelegenheid zich uitermate zelden aanbiedt, (nu de ovaria van eene vrouw, op het einde der zwangerschap of kort nadat zij tweelingen of drielingen gebaard heeft, met liet oog te onderzoeken, en de jongste corpora lutea daarin op te sporen.
Staan ons dan geen andere kenmerken ten dienste om uit te maken van welke eierstokken de kiemen afkomstig zijn, waaruit zich tweelingen, drielingen, enz. van gelijk of van verschillend geslacht ontwikkelden?
Wij moeten deze vraag ontkennend beantwoorden.
Wij kunnen hier nog slechts opmerken, dat tot dusverre nog niet één bewijs is geleverd, dat de kie-
110
men van tweelingen, drielingen, enz. van verse li ill e rul geslaclit wèl door één eierstok gevormd zijn.
Indien nu tweelingen, drielingen, enz. van versehillend geslacht alléén door lt;lc bevruchting van twee of meer clljes van beide eierstokken kunnen ontstaan (volgens de eierstokstheorie), werpt zich van zelf deze vraag op: hebben wij wel het recht, aan Ie nemen, dat op beide ovaria te gelijk één of meer eitjes rijpen en uit hun fol-likel treden?
Al is n.1., zooals in Hoofdstuk IV nader betoogd zal worden, de mogelijkheid eener overbevruchting (vgl. blz. 35) niet te ontkennen, moet zij toch in elk geval als hooge uitzondering beschouwd worden.
In de eerste plaats is er niet één feit, dat tegen een gelijktijdige ovulatie in beide eierstokken pleit.
In de tweede plaats zijn er integendeel waarnemingen, die op haar bestaan wijzen. Wij herinneren aan de boven medegedeelde belangrijke vondst van Sippel (zie blz. 100). Wij moeten hier intusschen reeds onmiddellijk de opmerking maken, dat in een dergelijk geval, waarin, aan het einde eener zwangerschap of kort na de geboorte van een jongen en een meisje (tweelingen). in eiken eierstok der moeder een echt corpus luteum werd aangetoond, de bevruchte eitjes niet juist tegelijkertijd, doch ook wel kort na elkander uit hun follikel kunneti zijn getreden. Dit zullen wij nader toelichten.
Zooals vroeger bij de bespreking der menstruatie werd gezegd, gaat elke periodieke rijping en uitstooting van
il7
een eitje, dus elke periodieke ovulatie, gepaard inet een bloeling uit het baarmoederslijmvlies. Dat geschiedt ;ds regel gemiddeld éénma:i.l in de 27% dagen. Intusschen heeft het vermoeden na de onderzoekingen van Leopold steeds meer en meer aan waarschijnlijkheid gewonnen, dat niet elke ovulatie vergezeld wordt van eene bloeding uit het baarmoederslijmvlies, doch dat ook wel eens in de interinenstruoele tusschenpooze een eitje rijpt en uit zijn follikel treedt.
Het is rn. a. w. zeer wel mogelijk, dat bij eene vrouw, die geregeld om de i28 dagen menstrueert, eenige dagen na de menstnutie hst daarbij uitgestóoten eitje wordt bevrucht, terwijl we ler na eenige dagen een ander eitje van denzeli\'den of van den anderen eierstok uit zijn follikel treedt en bevrucht wordt. Had deze intermen-strueele ovulatie in denzelfden eierstok plaats, dan kan het daarbij uitgetreden eitje bevrucht worden door hetzelfde sperma als het juist bevruchte eitje (dat van de laatste menstruatie afkomstig was). Immers, de spermatozoën bewaren hunne levenseigenschappen, ook hun bevruchtingsvermogen, dagen lang in den vrouwelijken eileider (vgl. biz. 2U). Doch ook kan zij door een hernieuwden coitus tot stand komen.
Kwam zulk eene intermenstrueele ovulatie echter in liet andere ovarium tot stand, dan kan de bevruchting waarschijnlijk slechts door een herhaalden coitus, waardoor sperma van den anderen bal geloosd wordt, plaats vinden.
Op de bijzonderhe len hiervan komen wij iu Hoofd-
MS
stuk IV terug bij de bespreking van den invloed van de houding bij den coilns op het daarbij geloosde sperma.
Het is ons hier voldoende, aangetoond te hebben, dat het voorkomen van eene meervoudige baring van kinderen van verschillend geslacht volstrekt niet in strijd is met de eierstokstheorie, dal het integendeel door de
C?
ons bekende feiten en tegenwoordig heersehende inzichten zeer wel in overeenstemminu\' met haar kan worden gebracht.
-iquot;. Indien dl;, ovarium nifsluilend kiemen voor één geslacht vormde (het linker voor meisjes, het ree hl er voor jongens), zou. zooals reeds Hippo-krates zcide. elke vrouwelijke vrucht in de linker-, elke mannelijke in de rechterhelft van de baarmoeder liggen, daar zich het bevruchle eitje, uit den eileider in de ulerushoUe gekomen, op het eerste het beste plekje van haar wand vasthecht. Nu is volstrekt niet altijd een links liggende vrucht van het vromuelijke. evenmin een reehls liggende vrucht van het mannelijke gedacht. Iljgeeolg is de eierstokslheorSé onjuid.
AVij merken hier slechts in het voorbijgaan op. dat de uitspraak van Hippokratks volstrekt niet zoo uitsluitend was, en dat zij wel degelijk uil zonderingen toeliet, en willen let hier uitgesproken bezwaar als zoodanig nader beschouwen.
In de eerste plaats dient hier te worden gezegd, dat men onder de ligging van een kind in de baarmoeder verstaat de ligging van de lengte-as van zijn lichaam ten opzichte van die der baarmoeder, welke met de
quot;I
119
lengte-as van het luoederlicliaam samenvalt. In de praldijk beoordeelt men de ligging der vrucht naar die van haar rug, hoofd,_ armen en beenen, welke men door uitwendig onderzoek van de zwangere vrouw bepalen kan. Voor ons is bovenal de ligging van het lichaam, dus den rug, van belang. Valt de lengte-as der vrucht samen met die der baarmoeder, dan spreekt men van een lengteligging; staan beide assen daarentegen juist of ongeveer loodrecht op elkander, van een dwars-ligging.
Valt de lengte-as der vrucht samen met die van de baarmoeder, dan kan het bekkeneinde of wol de schedel liet eerst geboren worden. Zulk een schedelligging komt
nu voleens uitgebreide statistische berekeningen van ~ ~ ~
Catu. Sgitroeder, Aon Winckel e. a. in meer dan 95 \'Vo van alle geboorten voor. Wij kunnen in de volgende beschouwingen derhalve volstaan, door met deze zoogenaamde schedelligging rekening te houden.
Is nu in een reeks van gevallen de ligging van het kind in de baarmoeder bepaald, terwijl na de geboorte het geslacht opgeteekend werd? Voor zooverre ons bekend is. heeft men dit nog nooit gedaan met de bedoeling. beide zaken met elkander te vergelijken. , En toch heeft men het recht te zeggen, dat lang niet altijd een meisje in de linker-, evenmin een jongen in de rechterhelft der baarmoederholte ligt.
quot;Wij weten toch uit zeer uitgebreide statistische gegevens. dat in het algemeen 100 jongens op 100 meisjes geboren worden. Lag nu steeds of bijna altijd een
*
120
jongen in de rechter-, een meisje in de linkerhelft der baarmoederholte, dan zou het ongeveer 100 malen moeten voorkomen, dat de rug van liet kind in de rechter-, op 100 malen, dat hij in de linkerhelft der baarmoederholte ligt.
Waf leert nu de ervaring?
Behalve, dat stellig ieder medicus herhaaldelijk heeft kunnen waarnemen, dat een jongen in de linker-, of een meisje in de rechterhelft der baarmoederholte lag, is Hkcker op grond van uitgebreide statistische berekeningen tot de slotsom gekomen, dat bij schedel-ligging de rug van het kind 2.50 malen in de linkerhelft, tegen éénmaal in de rechterhelft der baarmoederholle gelegen is, m. a. \\v. dat een links-zijdige rugligging der vrucht 2.50 malen meer voorkomt dan een rechts/, ij dig e. Er kan bijgevolg zelfs geen sprake van zijn, door een „omwandelingquot; van het eitje en dergelijke zaken de uitzonderingen te verklaren, daar men meer uitzonderingen dan gevallen die den „regelquot; bevestigen, zou aantreffen!
Wij mogen dus gerust aannemen, dat er tusschen de ligging in de baarmoeder en liet geslacht der vrucht niet het geringste verband bestaat. (De factoren, die wèl de ligging der vrucht beheerschen, doen hier niets ter zake.)
Het boven geopperde bezwaar grondt zich dus tot zooverre op vaststaande feiten. Doch de gevolgtrekking, dat het ontbreken van elk verband tusschen de liiiuinquot;\' en liet gdslacht der vrucht teaien de eierstoks-
o o o o o
1-21
theorie zou pleiten, is volkomen ongewettigd.
De bedoeling toch van het hierboven aangehaalde betoog is: ..Een eitje, afkomstig van het linkerovariiim (en naar rato een van het rechter-), zal zich, wanneer het bevrucht is, aan den linkerzijwand van de baarmoeder vasthechten. De zich daaruit ontwikkelen le vrucht zal zich .,bij gevolgquot; in de linkerhelft der baarmoederholte bevinden. Bevatten nu eitjes van den linker-eierstok uitsluitend kiemen voor het vrouwelijke, die van den rechtereierstok uitsluilend kiemen voor het mannelijke geslacht, dan zonden de vrouwelijke vruchten stee ls in de linker-, de mannelijke altijd in de rechterhelft der baarmoeder moeten liggen, hetgeen in strijd is met de ervaring.quot;
Dit betoog gaat o. i. in verschillende opzichten mank.
In de eerste plaats wordt verondersteld, dat de ver ontwikkelde vrucht zich bevindt in die baarmoederhelft, aan welker „zijwandquot; zich het eitje vasthechtte. Bedenken wij nu, dat de baarmoederholte in haar geheel eene zóó beperkte ruimte is, dat de ontwikkeling van sommige lichaamsdeelen der vrucht somwijlen daardoor gestoord wordt (b. v. ontstaan van horrelvoet); beienken wij verder, dat de vrucht, eveneens door die beperkte ruimte, steeds met gekromden rug, opgetrokken armen en bee-nen in de baarmoeder gelegen is; denken wij aan zulke feiten, dan moet. liet a priori al zeer weinig waarschijnlijk toeschijnen, dat de vrucht zich in dezelfde helft der baarmoeder zou ontwikkelen, waar het bevruchte eitje zich oorspronkelijk aan den „zijwandquot;\'heeft vastgehecht,
122
♦
waar zich dus later de moederkoek (placenta) vormt. \') Integendeel nu eten wi j veeleer verwacliten, dat de vrucht sleclils in de andere baannoeclerhelft. althans niet juist in dat gedeelte, waar zich de placenta bevindt, ruimte 7al vinden. En dat moeten wij des te meer verwachten, omdat gewoonlijk de buikvlakte der vruclit. naar de placenta gericht is. en de opgetrokken armen en beenen noodzakelijk zekeren afstand tusschen haar romp en de ] lacenla bewaren.
Wij zouden dus uit een linkszijdige rugligging veeleer tot eene aanhechting van het eitje aan den rechter- dan tot een aan den linkerzijwand van de baarmoeder moeten besluiten. En op de plaats van aanhechting der placenta komt het toch juist aan. en niet op de ligging der vrucht, die door andere factoren beheerscht wordt.
In de tweede plaats is de veronderstelling, dat een
\') De placenta is een zeer vaatrijk. sponsachtig, messtal sehtif-\\orrnig lichaam, welks doorsnede bij de geboorte van een voldragen \'vrucht ongeveer 18—20 c.M. en welks dikte ongeveer 2—4 c.M. bedraagt. De eene zijde van den schijf is met den baarmoederwand los vergroeid, de andere zijde is glad en wordt door het binnenste eivlies (amnion) bekleed. De navelstreng, die voornamelijk uit de bloedvaten bestaat, waardoor de vrucht haar bloed terverscht, plant zich meestal in het midden der placenta in. Hare slagaderlijke en aderlijke vaten vertakken zich in de zeer talrijke kleine vaatjes en wijde bloedruimten der placenta, welke laatste op hunne beurt weder samenhangen niet bloedvaten in den baarmoederwand. d. i. met slagaderlijke en aderlijke vaten der moeder. Hot vaatstelsel van de navelstreng vormt een afgesloten geheel, zoodat er geen onmiddellijke ve rm e ngi n g van kinderlijk met moederlijk bloed kan plaats hebben, ofschoon gassen en vloeibare bloedba-.standdeelen wel wederzijds uitgewissjld worden.
123
bevvuchl eitje zich aan den zijwand der baarmoeder, althans in de onmiddellijke omgeving van dien eileider, waardoor het in de uterusholte kwam, zou vasthechten, geheel willekeurig en in strijd met de ervaring.
Daar zich de placenta op het einde der derde zwangerschapsmaand vormt lor plaatse, waar het bevruchte eitje zich oorspronkelijk vasthechtte, wijst hare zitplaats, die na de geboorte, b. v. door een inwendig onderzoek, kan bepaald worden, ons die oorspronkelijke aanhechtingsplaats van het eitje aan.
Wat leert ons nu de ervaring omtrent de zitplaats der placenta ? Blijkt deze zich ongeveer even zoovele malen op den linker- als op den rechterzij wand van de baarmoeder te bevinden?
Dit zouden wij tocli moeten verwachten, indien de pas genoemde veronderstelling juist was.
Geenszins blijkt dat echter het geval te zijn.
Integendeel heeft het plaatselijk onderzoek geleerd, dat de placenta zich slechts in een zeer gering aantal gevallen aan een der zijwanden van de baarmoeder hecht. Immers, volgens Gusskkow was iu 188 gevallen «Ie placenta 77 malen aan den vóórsten, 03 malen aan den achtersten, 12 malen aan den recht eren (\') malen aan den linkerwand der baarmoeder, dus slechts in ongeveer 10 n/u dier gevallen aan een barer zijwanden, vastgehecht. Verder vond Bidder onder 130 gevallen slechts 4 malen eene aanhechting aan den rechter- en éénmaal eene aan den linkerwand, dus slechts in 3,57 0/o zijner gevallen eene aanhechting aan
een der zijwanden van de baannoe.ler. Scmroeder ten slotte vond onder 73 gevallen 37 malen eene aanhechting aan den vóórsten, 18 malen eene aan den achtersten, éénmaal eene aan den rechterwand van den uterus, 8 malen rechts vóór, 7 malen rechts achter en 2 malen links vóór de plaats van aanhechting.
Uit deze eensluidende bevindingen van drie volkomen betrouwbare onderzoekers blijkt dus: dat het eitje zich in den regel aan den achtersten of vóórsten \\v an d d e r b a ar m o e d er, en slechts b ij uitzondering aan een harer zijwanden vast-iiec h t.
Men kan bijgevolg, evenmin als uit de ligging der vrucht, uit de aanhechtingsplaats der placenta eene gevolgtrekking maken omtrent de herkomst van het bevruchte eitje. Men moet integendeel aannemen, dat het eitje zich niet aan de eerste de beste plaats vasthecht, doch dat sommige, met name de vóórste en de achterste wand van de baarmoeder zich het meest lèe-nen voor de aanhechting van een bevrucht eitje in het algemeen.
Uit het hier aangevoerde volgt dus, dat het tegen de eierstokstheorie geopperde bezwaageen reden van bestaan heeft.
3°. Indien de rechtcreiérstoh uitsluitend kiemen voorliet mannelijke, de linker- uitsluitend kiemen voor het vrouwelijke geslacht vormde, hoe zouden dan die (jevallen uit de operatieve yijnaekoloyie te verklaren zijn, die juist het tegendeel bewijzen\'?
i-25
Toon wij (vgl. blz. 108) de kenmorken besprakon, die ons in staat stellen, te beslissen, van welk ovarium het laatst bevruchte eilje afkomstig was. werd er op gewezen, dal de opening der buikholte (hetzij bij eene lijkschouwing, hetzij bij eene operatie) een noodzakelijk vereischte was voor de beantwoording van die vraag, daar wij zulke kenmerken slechls in twee gevallen bezitten:
1°. wanneer het gelukt een jong, echt corpus luteum in een der ovaria te vinden:
2quot;. wanneer er zwangerschap buiten de baarmoeder bestaat. Een reeks gevallen van tubairgraviditeit werd toen opgegeven om te bewijzen, dat de vruchten, die zich in den rechtereileider ontwikkelden, lot het mannelijke, en die zich in de linkertubaFaliopiaebevonden, tot het vrouwelijke geslacht behoorden.
Intusschen heelt men ook wel eens het tegenovergestelde gevonden. Alvorens nu na te gaan, in hoeverre deze vondsten te rijmen zijn met de eierstokstbeorie, zullen wij ons eerst in het algemeen rekenschap geven van de uitzonderingen op dien regel, welker recht van bestaan moet worden erkend.
Vindt men kort na de geboorte van een kind een jong. echt corpus luteum slechts in één der ovaria, dan is daarmede met zekerheid het bewijs geleverd, dat het eit je, waaruit zich dat kind ontwikkelde, van dat ovarium afkomstig is. Hierop bestaat geen uitzondering en is er ook geene denkbaar.
Is het echter met de eierstoksthecrie overeen te bren-
126
gen, dat men kort na de geboorte van een jongen een jong, echt corpus lateinn in het linker-, of bij de geboorte van een meisje een in bet reebterovarimn vindt ? Is het rn. a, w. denkbaar, dat als uitzondering juist de linkereièrstok de numnelijke, de ]\'ecb tereiers tok de vrouwelijke kiemen Vórmt ?
Jüj de bespreking der specifiek-geslathtelijk\'e functie\' van beide eierstokken en ballen (blz. 71 vlg.) in verband met de ongelijke ontwikkeling der beide licbaarns-lielften werd gewezen op bet anatomisch verschil tusscheu-de bloedvaten van rechter- en linkerovarium. Daardoor wordt het waarschijnlijk, dat de voeding dier ongelijkzijdige organen niet dezelfde is. evenals dat voor beide-armen door Hvhtl werd vastgesteld.
Wat de armen bel reit., heeft Maluaigxe gevonden,, dat van ongeveer IS\'i menschen vijf niet rechts-, doelt linkshandig zijn, zonder evenwel te hebben bepaald, of bij die vijf menschen de linkerarinslagader juist de wijdste was,
Hyrïl heeft, vastgesteld, dat dit in het algemeen ongeveer in 2u/o der door hem onderzochte gevallen voorkomt, Was het aantal der door Mauuigne onderzochte menschen grooter, dan zou wellicht blijken, dat ook de linkshandigheid ongeveer in 2quot;,, van alle gèvalleu voorkwam. Dan zou het a priori nog waarschijnlijker zijn dan thans, dat de linkshandigheid met een abnormale bloed verdeeling samenhangt.
Evenals bij den man is nu ook bij de vrouw als uitzondering waargenomen, dat het vaat verloop van den
127
rechter- en linkereierstok juist omgekeer.I was als het. op hlz. 72 beschrevene.
Hangt nu de specifiek-geslachtelijke functie der beide eierstokken samen met hunne ongelijke doorstrooming met bloed, dan zou liet dus zeer verklaarbaar zijn, dat in die gevallen, waarin de vaatverdeeling juist tegenovergesteld is van de gewone, de linkereierstok mannelijke en de rechtereiers tok vrouwelijke kiemen vormt.
Evenals nu de linkshandigheid eene uitzondering is. die niets aan de waarde van het feit afdoet, dat bijna alle mensehen rechtshandig zijn, evenzoo zou de juist besproken verwisseling in de functie der eierstokken volstrekt niet pleiten tegen de juist beid van den regel, dien wij eieistokstheorie hebben genoemd.
Doch men moet eerst bewijzen, dat werkelijk in alle gevallen van linkshandigheid de bloedverdeeling abnormaal was, en ook dat al die menschen, wier linkerarm-slagader wijder is dan hun rechter-, linkshandig zijn.
.Mutatis mutandis moet ditzelfde voor de eierstokken en hunne verwisseling van functie aangetoond worden, vóórdat wij de grenzen eener hypothese kunnen overschrijden.
En nu de feiten.
Zooals wij vroeger mededeelden (blz. 103), heeft Scir.vrz een geval waargenomen, dat wellicht in zulk eene verwisseling van functie der eierstokken zijne verklaring; vindt.
Jammer, dat ons niets bekend is van den oorsprongen het verloop der eierstoksbloedvaten van die vrouw.
128
Warén zij abnormaal, dan zou óns venuoeden nog meer recht van bestaan hebben.
Wat nu liet tweede, bovengenoemde kenmerk betreft, ook dit laat uitzonderingen toe.
Het spreekt wel vanzelf, dat door eene verwisseling van functie tussciien de eierstokken reeds eene verklaring zou gegeven zijn van het voorkomen van een mannelijke vrucht in den linker-, of van een vrouwelijke vrucht inden rechte r eileider, resp. in de gelijknamige heltt eener tweekamerige baarmoeder. Ons zijn drie dergelijke waarnemingen bekend:
1. Spieuelberg: zwangerschap in rech ter eileider
— meisje.
2. Matlakcvwskv: zwangerschap in linkereileider
— jongen.
• 3. Benicke: geboorte van een jongen uit da linkerhelft van een tweekamerige baarmoeder en scheede.
Doch nog eene andere verklaring is hiervan denkbaar. Het eitje behoeft n.1. niet van den gelij kzijdigen eierstok afkomstig te zijn. doch kan wel door ..omwandelingquot; van het eene ovarium in den eileider der andere zijde zijn geraakt. Beslissend zoude in zulk een geval zijn: in welk ovarium het jongste corpus lutouin gevonden wordt. Doch hiervan wordt niets vermeld.
Verder zoude zeker gewicht in de schaal gelegd zijn door de vondst van anatomische afwijkingen in don eileider, tegenovergesteld aan dien waarin de vrucht zich ontwikkelde, van zulke afwijkingen n.1., welke eene
T
1
129
„oimvandelingquot; van het eitje waarschijnlijk maakten. Doch ook omtrent dit punt worden wij in het onzekere gelaten.
Wij kunnen dus wel betoogen, dat zulke gevallen zeer wel zijn te rijmen met de eierstokstheorie, kunnen echter niet bepalen, hoe de boven aangehaalde waarnemingen verklaard moeten worden.
Uit een en ander meenen wij te mogen besluiten, dat de enkele vondsten van een mannelijke vrucht in den linker- of van een vrouwelijke vrucht in den rechter-eileider nog niets bewijzen tegen de eierstokstheorie\', daar zij voor eene verklaring vatbaar zijn, welke volstrekt niet met haar in strijd is.
Eerst wanneer uit een groot aantal waarnemingen onmiskenbaar is, dat blijkens de zitplaats van het jongste corpus luteum, ongeveer even zoovele malen een mannelijke als een vrouwelijke vrucht van hetzelfde ovarium afkomstig is, eerst dan zou de juistheid der eierstoks-theorie betwijfeld moeten worden.
Yoorloopig is het onze taak, zooveel mogelijk feiten te verzamelen, die slechts voor één uitleg vatbaar zijn, en daarom met zekerheid vóór of tegen de juistheid dier theorie pleiten.
Na een en ander komen wij tot de slotsom:
1° dat ile tot dusverre ons bekende feiten en Avaar nemingen het zeer waarschijnlijk maken dat elk ovarium der vrouw uitsluitend kiemen (ei kern en) voor één bepaald geslacht v o r m t.
9
130
2°. als regel vormt het rechter ovarium m a n n e 1 ij k e, liet 1 i n k e r- v r o u w el ij k e k i o m e n.
Evengoed echter als er eene linkshandigheid bestaat, is het denkbaar, dat de eierstokken als uitzondering hunne specifiek-geslach-telijke functie „verwisseldquot; hebben.
3°. Er beslaan lot dusverre geene ■waarnemingen of feilen, die ons dwingen deze opvatting prijs te geven: 4°. het is zeer gewenscht, zooveel mogelijk goed waargenomen feiten te verzamelen, die slechts voor één uitleg vatbaar zijn, en welke vóór of tegen de eierstokstheorie pleiten.
Herhalen wij thans, aan liet slot van dit Hoofdstuk gekomen, in het kort de gevolgtrekkingen, waartoe de daarin besproken proefondervindelijke gegevens en ervaringen bij den gezonden en den zieken mensch ons geleid hebben, dan kunnen wij aannemen:
1°. dat voor eenige zoogdieren is vastgesteld (Henke, Punils):
a. dat de redderbal en hot rechlerovarium ditslulfeud mannelijke, diezelfde oryanen der linkerzijde uUslailend vrouwelijke kiemen vormen;
h. dal slechts gel ij L\'jesla chtel jke zaad- en eikernen zich tot eene eerste splljtinijskern kunnen vereenigen-{meerdere proeven zeer gewenscht!);
c. dat hijgevolg bij die dieren het geslacht der jongen reeds vuur de bevruchting is bepaald; 2°. dat, zoolang liet tegendeel niet met zekerheid be-
-131
■wezen is, op grond van verschillende waarnemingen, ook voor den m e n s c h als z e e r w aars ch ij n 1 ij k mag ■nordén aangenomen:
/I. dat elke bal en elk ovarium een specifiek-fjeslnch-lelijke fund ie bezit, die ah rend volkomen avereen-kond met de boven sub lquot;.a genoemde;
b. dal echter cds uitzondering eene „verwisseling\'quot;\' van functie der beide ovaria voorkomt (analoog aan linkshandigheid). Tol dusverre is ons geen waarneming bekend, die op een dergelijke mogelijkheid bij de ballen wijst, ofschoon zij a priori zeer wel denkbaar is:
c. dal ook bij den menseh slechts gelijkgeslacldelijke zaad- en eikernen zich lol een eerste splijtingskern kunnen vereenigen. Hierbij wordt waarschijnlijk door beide kernen een gelijl,x hoeveelheid slof voor de vorming der eerste splijtingskern geleverd ;
d. dat het (geslacht van het verweid e kind reeds vóór de bevruchting beslist is. en alléén afhangt van het geslacht der zaad- en eikern, die zich tol een eerste splijlingskern vereenigen;
e. dat het -eer gewen sold is, zooveel mogelij I: volledig en onbevangen gedane waarnemingen te verzamelen, die één of meer van deze stellingen kunnen steunen of bestrijden.
De snb genoemde stelling zal eerst dan als bewezen moquot;en worden beschouwd, indien meermalen waarde-
O 7 o
nomen wordt: dat een man met slechts één functio-neerenden bal bij een vrouw, wier daarmede gelijkzijdige eierstok verwijderd is. geen kinderen kan ver-
13\'2
•wekken, terwijl elk van beiden met een andere vromv ol\' een anderen man wèl kinderen voortbrenQ-en.
Ons zijn dergelijke waarnemingen niet bekend. Zij zouden voor de eierstoks- en baltheorie van het grootste belang zijn.
JUijkt deze sub 20.e genoemde stelling juist te zijn, dan zou zij ons wellicht een licht kunnen doen opgaan over het ontstaan van hermaphrodieten. Evenals het n.1. na de onderzoekingen van R. Hertwkj e. a. waarschijnlijk is geworden, dat slechts in een abnormaal eitje meer dan één spermatozoon kan dringen, zoodat zich meer dan één vrucht daaruit ontwikkelt, schijnt het denkbaar, dat een vereeniging van ongel ij k ges 1 ach-telijke zaad- en eikernen mogelijk is, wanneer beide of één van beide ziekelijk veranderd is. Dat een zich daaruil ontwikkelende vrucht veel kans heeft, herma-phrodiet te zijn, ligt voor de hand.
De opmerking moge hier nog plaats vinden: dat, indien de in eiken bal en eierstok gevormde kiemen (zaad-en eikern) uitsluitend bestemd zijn voor de vorming van individuen van één bepaald geslacht, daarmede te gelijk bewezen is, dat de verschillende invloeden, die van buiten af zich bij den vader en de moeder doen gelden, alléén in zóóverre voor het geslacht van het door hen verwekte kind van belang kunnen zijn, als zij de vorming van spermatozoon en eitjes in dien eenen bal of eierstok bevorderen of belemmeren. Hierover ontbreken ons echter nog alle gegevens.
Bij de beschouwingen, die tot de bovengenoemde stel-
133
lingen geleid hebben, is meermalen aangenomen, dat bij den coitus zich slechts het sperma van één bal en van het daarbij behoorende afvoerende apparaat uitstort. Tevens werd nu en dan opgemerkt, dat de ligplaats in bed van den man ten opzichte van de vrouw van invloed scheen te zijn op het geslacht van het verwekte kind. Wij herinneren hier aan de mededeelingon van Hippo-KRATES, YeNETTE, COUTEAIquot;, MlLLOT, Rüïlt en SeLIGSOX.
Wij zullen thans in het volgende Hoofdstuk nagaan, of van die waarnemingen ook eene verklaring gegeven kan worden, en welke gronden hiervoor zijn aan te voeren. Daarbij nemen wij de bovengenoemde stellingen als bewezen aan.
Ten slotte zullen wij trachten, praktische gevolgtrekkingen te maken met het oog op de willekeurige bepaling van het geslacht van het te verwekken kind.
DE COITUS EN DE WILLEKEURIGE BEPALING VAN HET GESLACHT VAN HET TE VERWEKKEN KIND.
Bij de bespreking van de vorscllillende invloeden, die men in den loop der tijden het geskicht van het kind Heeft doen beheerschen, zagen wij. dat de in het 2,le llooldstuk behandelde, zoogenaamde ..statistische theorieënquot;, niet houdbaar zijn. daar de verzamelde feiten met elkander in st rijd zijn. Van eene toepassing in het leven zon dus geen bevredigende uitkomst verlangd kunnen worden.
In het daaropvolgende Hoofdstuk maakten wij kennis met verschillende experimenten en met ervaringen van vee-eigenaars, die allen hetzelfde bewezen: dat het dier na de verwijdering van den rechterbal of van het rechterovarium slechts vrouwelijke jongen ter wereld bracht, dat het omgekeerd, na de verwijdering van den linkerbal of van den iinkereierstok slechts mannelijke jongen baarde.
Deze regel scheen in een reeks gevallen te bestaan
135
Xiet ét\'iie waarneming, die daarmede in strijd is, is ons bekend. De toepassing op den mensch zou dus voor de Ijund liggen. En dat te meer. daar eenige ervaringen liij lijkopening of operatie volkomen daaraan beantwoordden. terwijl eenige andere, die niet daarmede in overeenstemming schenen te zijn, toch voor een uitleg vatbaar waren, die zich zeer wel laat rijmen met de voorstelling, dat elke eierstok uitsluitend kiemen (ei-kernen) voor één geslacht vormt. Wij hebben hier op het oog die gevallen van zwangerschap in een eileider., welke door eene ..omwandeling1\' van het eitje ot\' door eene verwisseling van de functie der eierstokken (analoog aan de linkshandigheid) zouden kunnen verklaard worden.
Doch aan een dergelijke praktische toepassing van de theorie zal zich waarschijnlijk de vrouw evenmin als de man willen wagen. En o. i. zeer te recht. In de eerste plaats zou de vrouw, die zich een eierstok laat ontnemen, even goed voor altijd afstand doen van zijne functie, als de man. die zich éénzijdig laat castreeren, dat doet van de functie van den verwijderden bal. Het zou nu zeer wel denkbaar zijn, dat door sterfte der kinderen later wederom kinderen van dat geslacht, worden gewenscht, waarvan juist de verwijderde eierstok of bal de voortbrenger was.
Bovendien doet zich onmiddellijk aan den medicus, ook al besluit deze tot zulk een operatie (met dat doel), de bezwarende vraag voor: welke eierstok moet weggenomen worden? AVant ook al weet bij volmaakt zeker,
dat in den regel de linkereierstok vrouwelijke, de rocblereierstok mannelijke kiemen voortbrengt, boe kan bij in een concreet geval zeggen, of bij met een geval te doen beeft, dat aan den regel beantwoordt, of met een uitzondering? Het verloop der slagader en ader van den eierstok geeft geen zekeren maatstaf, zoolang nog niet door tal van gevallen bewezen is, dat werkelijk de vroeger als mogelijk veronderstelde samenhang besla:it lussdien de verwisseling der functie der beide ovaria met een abnormale vaatverdeeling.
En van de testes is ons in datopzicbt nog niets bekend.
Verder zagen wij in datzelfde Hoofdstuk, dat Millot de voorstelling verdedigde, dat de vrouw in staat zou zijn, bet geslacht van bet verwekte kind te bebeerscben, door tijdens den coitus bet bekken naar die zijde te doen dalen, waar bet ovarium gelegen is, welks eitje men bevruchten wil. Hij steunt die voorstelling op eenige waarnemingen. Eveneens doet Rem dat voor de zijne, die bierop neerkomt: dat de tijdens den coitus lager gelegen helft van het bekken der vrouw meer aan druk en prikkeling van de uitwendige geslachtsdeelen zou zijn blootgesteld, waardoor zenuwen geprikkeld zouden worden, die op hare beurt die prikkels op de gelijkzijdig gelegen doelen van d\'3 geslachtsorganen, dus ook op den gelijkzijdigen eierstok zouden overbrengen. Daardoor zou dan de ovulatie in dien eierstok opgewekt worden(??). Hoewel dit er niet bij gezegd is, zou zulk eene zenuwprikkeling natuurlijk niet alleen de ovulatie in den gelijkzijdigen eierstok moeten opwekken, doch
137
bovendien die in den anderen moeten tot stilstand brengen (!). En dit zou natuurlijk telkens door een coitus herhaald moeten worden, zoodra het effect van die prikkeling geëindigd is! Anders toch zou een eitje van het andere ovarium kunnen uittreien en bevrucht worden.
Wij bespraken deze twee voorstellingen reeds (blz. 7-4 en 83), doch herhalen beide in liet kort hier, om er op te wijzen, dat het niet ontbroken heeft aan raadgevingen aan de vrouw gericht, om door een bepaalde houding een kind van het gewensclde geslacht het levenslicht te doen zien.
Wij herhalen hier ook, dat er tot dusverre geen grond bestaat, aan de vrouw zulk een vermogen toe te kennen. Want niets wijst er op. dat zij het sperma naar den (tijdens den coitus) lager gelegen eierstok zou kunnen doen vloeien. Bedenkt men. dat de eileider een zeer nauwe buis is. waarvan de wand zeer sterk geplooid is, een buis, waarin bovendien voortdurend een vloeistof voortbewogen wordt naar de baarmoeder toe (vgl. blz. 11), dan is het reeds a priori meer dan onwaarschijnlijk, dat het taaie. kleverige sperma eenvoudig door een geringe helling van die buis daarin zou stroomen. Men ver-lieze bovendien niet uil het oog, dat stellig het grootste gedeelte van liet sperma in de scheede, buiten den uterus blijft liggen, en dat de spermatozoën zich door eigen bewelt;nnlt;j:en den wes naar liet ovarium moeten banen. Wat de voorstelling van Roth betreft, uit niets blijkt, dat eene éénzijdige prikkeling der door hem bedoelde
138
zonmvou oonigen invloed op de ovulatie van beide eierstokken bezit, ook rd nemen, wij aan, dat die prikkeling plaats heeft (vgl. blz. 84).
Wij hebben dus tot nu toe geen aangrijpingspunten gevonden, om de vrouw eenig vermogen toe te kennen, liet geslacht van den aanstaanden wereldburger te bepalen. Dat zou zij eerst dan blijken te bezitten, wanneer aangetoond is, dat zij het in haar macht heeft, naar willekeur de ovulatie in het oene ovarium op te wekken. èn tegelijkertijd die in het andere, zij \'t ook slechts tijdelijk, te doen ophouden. Te gelijk zou zij dan of over het sperma van beide ballen, of althans over dat van dien bal moeten beschikken, die functioneel met den ovuleerenden eierstok overeenkomt.
En toch kan zij soms het geslacht beheerschen door hare houding bij den coitus. Wij zullen aanstonds echter zien, dat dit slechts daardoor geschiedt, dat hare houding een beslissenden invloed op die van den man kan oefenen. Hierdoor worden dan ook de waarnemingen van Mir.lot, Roth, aan welker juistheid wij geen reden ilebben te twijfelen, verklaard.
Gaan wij thans na, in hoeverre de man in staat is, zijn wil te doen gelden bij do voortbrenging van een. kind van het gewenschte geslacht.
Is de veronderstelling, gegrond op verscheidene vroeger genoemde feiten, juist, dat de rechterbal spermatozoon levert, die uitsluitend mannelijke kiemen bevatten, en de linker uitsluitend zaadkiemen vormt voor het vrouwelijke geslacht, dan zou het daarop aankomen.
130
de functie van dien bal, welks sperma een kind van het niet gewenschto geslacht zou verwekken, tijdens den coitus buiten te sluiten en tevens het door den anderen bal gevormde sperma te doen loozen.
De coitus moet zóó lang zonder uitzondering met dergelijke voorzorgen volbracht worden, totdat de vrouw onmiskenbaar zwanger is.
Hier zij opgemerkt, dat de zwangerschap eerst dan zal kunnen intreden, wanneer een eitje door dat ovarium wordt uilgestooten, dat functioneel overeenkomt met den bij zulk oen reeks coitus niet buiten werking gestelden bal (vgl. onze stellingen op blz. 131).
Hoe kan nu zulk een plan ten uitvoer gebracht worden?
Reeds Hippokrates gaf een raad in dien zin: ..wil (de man) een meisje verwekken, dan moet hij den rechlerbal zoo sterk als hij kan verdragen, afbinden, den linkerbal daarentegen, indien de geboorte Van een jongen begeerd wordt.\'\'
Het behoeft wel nauwelijks gezegd te worden, dat zulk een afbinding, of, wat gemakkelijker uit te voeren zou zijn: een afklemming (b.v. door een zeer sterk veerenden breukband), zeer pijnlijk zou ziju. En daar dat procédé bij eiken coitus herhaald zou moeten worden, totdat de vrouw duidelijk zwanger is. mogen wij aannemen, dat slechts uiteret weinig mannen zich daaraan zullen onderwerpen, nog daargelaten de nadeelen van zulk een sterke samendrukking.
Evenmin is de raad met zekerheid uit te voeren: de zaadstreng van den eenen bal op het oogenblik der
1 iO
xaadloozing of tijdens den geheelen coitus kraelitig met de vingers samen te knijpen.
Doch ook al was zoowel het een als het ander volkomen goed en zonder mogelijke nadeelen uit te voeren, zouden toch twee bezwaren aan te voeren zijn tegen deze methode:
i0. Zooals vroeger (blz. 15) werd uiteengezet, bevindt zich in de zaadblaasjes meestentijds sperma. Dit vermengt zich met liet slijm, dat door den wand van hel zaadblaasje wordt afgescheiden. Tijdens deu coilus vloeit daarbij nog sperma uit den bijbehoorenden zaadleider, dat met den oorspronkelijken inhoud van het zaadblaasje vermengd wordt. Ook al wordt nu de zaadleider gedurende den coitus afgesloten, dan is daarmede nog niet
O quot; o
gezegd, dat de oorspronkelijke inhoud van het zaadblaasje niet ontledigd wordt. De methode geeft dus theoretisch geen zekerheid, dat slechts het sperma van den niet-buitengesloten bal geloosd zou worden. Eu empirisch is dit tot nu toe evenmin gebleken.
quot;2quot;. Buitendien gaat de bovengenoemde raadgeving stilzwijgend uit van de veronderstelling, dat bij eiken ongestoorden coitus het product van beide ballen geloosd wordt, of wel bij afbinding van den eenen bal noodzakelijk het sperma van den anderen ontledigd wordt. Ook hiervoor bestaat tot dusverre geen grond. Integea-deel hopen wij aan te toonen (blz. 149), dat waar-f schijnlijk in den regel slechts het sperma van één bal geloosd wordt. Van welken bal dan?
Dal hangt niet af van de buitensluiting van den
141
anderen. Enkele feiten wijzen op liet tegendeel. AVij herinneren liier aan de vroeger (blz. 95) vermelde waarnemingen van Seligson in verband met het feit r dat ook bij lubbelzijdig gecastreerde mannen aan het einde van den coitus een rhythmische loozing van slijm (nit de zaadblaasjes, de klieren van Cowper en de prostata) plaats heeft (vgl. blz. 178). Die waarnemingen-van Seligsox, om niet te spreken van die van stellig vele andere medici, bewijzen, dat iemand, wiens eene zaadleider door gonorrhoische ontsteking of door andere ziekten ondoorgankelijk is geworden, daarom volstrekt niet „van zelfquot; het sperma van den anderen bal loost L
Het is niet door afbinding of afklemming van den eenen zaadleider, dat wij in staat zijn het geslacht van het kind te beheerschen. Hiervoor is zulk een negatieve factor niet voldoende, doch behoeven wij een positieve kracht.
En zooals wij thans hopen waarschijnlijk te maken, wordt de bal, welks sperma geloosd zal worden, aangewezen door de houding van den man tijdens den coitus.
Om dit te kunnen begrijpen, moeten wij eerst een eenvoudig verschijnsel nader beschouwen, dat in verband staat met de vroeger vermelde uitspraak van Hippokrates; „Men zie toe. welke bal bij den coitus in de hoogte wordt getrokken: is het de rechter, dan kan men (de geboorte van) een jongen, is het de linker, dan kan men (die van) een meisje voorspellen.quot;
Het door ons bedoelde verschijnsel is: dat, indien
142
een man in staande of ligg^mle homling het bovenlijf -zijwaarts buigt, lt;le bal van de tegenovergestelde zijde inin of meer duidelijk rijst. Buigt hij dus het bovenlijf naar rechts, dan zal de linkerbal, in het tegenovergestelde geval de rechterbal rijzen. Men kan zich van de juistheid hiervan gemakkelijk, desnoods bij zichzelf (voor een spiegel), overtuigen.
Waaraan is dit loe te schrijven? Aan de strekking van de eene lichaamshelft als zoodanig, waardoor de gelijkzijdige bal omhooggetrokken wordt?
Deze verklaring zou denkbaar zijn, indien de bal onmiddellijk bevestigd was aan dat gedeelte van den buikwand, dat gerekt werd, en dit gedeelte door de rekking eene verplaatsing ondervindt, die minstens even groot is als die van den bal zelf. Dit is echter niet het geval, zooals wij zullen zien.
Doch eerst eenige noodzakelijke anatomische opmerkingen. De bal hangt als het ware aan zijn zaadstreng, die (vgl. blz 15), uit den zaadleider, bloedvaten en zenuwen bestaat, welke door los bindweefsel aan elkander zijn bevestigd en gezamenlijk door eenige scheeden worden omhuld. Deze scheeden omgeven ook eiken bal afzonderlijk.
De eerste schee de (van de zaadstreng naar de huid toe gerekend) bestaat uit vrij sterk bindweefsel (tunica fibrosa communis, d. w. z. bindweefselscheede. gemeenschappelijk aan zaadstreng en bal), dat zich voortzet in het stevige, min of meer peesachtige bindweefsel, dat den binnenwand der buikholte bekleedt
143
uls fascia transversa. Deze scheede omhult ook ilon ge-lij kzijdigon bal.
Do tweede scheede. die niet alleen de zaadstreng, doch ook den gelijkzijdigen bal gedeeltelijk omluill. bestaat uit spiervezels, die zich vasthechten op de onderliggende laag. de juist genoemde ..gemeenschappelijke bindweel\'selscheedequot;. Die spiervezels, te zameu musculus cremaster genoemd, hechten zich eveneens aan dat gedeelte van die bindweel\'selscheede, dat den bal omgeeft.
Om den m. cremaster bevindt zich weder een dunne bindweefselscheede, die door los celweefsel van de eigenlijke huid gescheiden wordt.
Voor ons is alléén de rnusc. cremaster van belang. Wij zeiden, dat zijne spiervezels zich naar benedén toe aan den bid hechten. Aan de bovenzijde, d. i. ter hoogte van het lieskanaal, ontspringen die spiervezels in twee bundels: de eene van hot doornachtige uitsteeksel van het schaumbeen. de andere bundel van een stevige bindweefsel strook, die den bodem van het lieskanaal vormt, (lig. Poupartii). Deze laatste bundel hangt samen met een der buikwandspieren (musc. obliquus internus).
Trekt nu de musc. cremaster zich samen, dan is het gevolg tweeledig: ten eerste wordt de bal omhooggetrokken, daar de genoemde spier aan de buikzijde bevestigd is aan vaste, niet verplaatsbare deelen (schaambeen en het lig. Poupartii); ten tweede wordt de inhoud van de bovengenoemde geineenscl uippelij ke bindweefselscheede samengeperst, daar de spiervezels deze immers omhul-
1 ii
len. M. a. \\v. zoowel de zaadleiiler, de zenuwen en-bloed vaten, die de zaadstreng vormen, als de bal worden samengedrukt. De verplaatsbare inhoud van dezedeelen zal uitwijken waarheen hij kan, d. i. naar de buikholte. Door de samentrekking van den muse, cre-mast er wordt dus ongetwijfeld het zaad, dat zich in de zaad buisjes en den zaadleider bevindt, naar de zaad blaasjes geperst.
Wordt nu de eene romphelft gestrekt door zij waartsche buiging naar de tegenovergestelde zijde, dan rijst de bal omhoog, zooals boven gezegd werd. Neemt men in aanmerking, dat deze verplaatsing zeer belangrijk kan zijn, zoodat de bal zelfs tot onmiddellijk vóór de uitwendige opening van het lieskanaal kan worden opgeheven, dan kan men haar moeilijk anders verklaren dan als het gevolg van eene samentrekking van den musc. cremaster. De aanspanning van den gelijkzijdigen buikwand toc-h gaat stellig niet met een zóó belangrijke verplaatsing van hare onderdeelen gepaard. Deze verplaatsing zou voor het oog ongetwijfeld niet of ternauwernood \'zijn waar te nemen.
Het kan verder onze verwondering niet wekken, dat de halfzijdige aanspanning van den buikwand den musc. cremaster tot samentrekking brengt, indien wij bedenken. dat zelfs een oppervlakkige kitteling van de huid van het dijbeen ongeveer naast den balzak voldoende is, om hetzelfde langs reflectorischen weg te bewerken, (d. i. door prikkeling van gevoelszenuwen, die in het ruggemerg den prikkel overbrengen op de zoogenaamde
Uo
beweegzenuwon van den musc. eren uister, d. w. z. de zenuw, welker prikkeling een samentrekking van de door haar „beheersclitequot; spier ten gevolge heeft).
Dal nu de musc. cremaster zich bij den coitus samentrekt, wordt door meer dan één waarnemer aangenomen (o. a. den beroemden chirurg Tillaux); ook dat dit veelal, om niet te zeggen: altijd, éénzijdig plaats heelt, wordt door sommiuen als hunne ervarina; verkondisd.
O o
Tlians werpt zich de vraag op: bestaat er dan eenig verband tusscben de samentrekking van één musc. cr.e-master tijdens den coitus en de loozing daarbij van het door den gelijkzijdigen bal gevormde sperma ?
Zooals wij boven zagen, wordt door de samentrekking van den musc. cremaster de inhoud van de aan bal en zaadstreng „gemeenschappelijke bindweefselscheedequot; samengedrukt. Ten gevolge daarvan wordt bet in de zaadhuisjes en den zaadleider aanwezige sperma (wellicht ook door samentrekking van dezen laatste) in liet bij-behoorende zaadblaasje geperst.
Door de plotseling vermeerderde vulling wordt de wand van dat zaadblaasje gerekt en teu gevolge daarvan worden zenuw-uiteinden in dien wand geprikkeld.
Nu waren de zenuwvezels, die zich in de zaadstreng:
7 O
bevinden, en die o. a. de beweegzenuw van den musc. cremaster bevatten, niet alleen reeds geprikkeld (waardoor dan ook) tijdens den coitus, zooals blijkt uit de samentrekking van die door haar voorziene spier, doch bovendien is het zeer wel mogelijk, ja, waarschijnlijk, dat door de samendrukking van de zaadstreng wederom
10
P6
een vernaeèrdenle prikkélitig van diexiMimv pkats vintlt. Het verrnoeilen schijnt ons toe niet ongegrond te,,zijn, dat deze prikkeling wordt, overgedragen op de zeimw-vc/.ols die in den wand van het gel ij kzijdige zaadblaasje en den zaadleider eindigen. Een anatomische samenhang tod i tnsschen deze en de bovengenoemde zenuw vezelen htstaat, een physiologische is meer dan waarschijnlijk. Wellicht wei\'den de zenuwvezels van zaadleider en zaadblaasje reeds onmiddellijk, evengoed als de beweeg-zenuw van den muse, cremaster, geprikkeld, ofschoon de samentrekking van deze spier het eenige waarneembare van de coëlTecten dier prikkeling is. Hiervan is ons echter niets bekend.
In elk geval komt het ons niet gewaagd voor, aan te nemen, dat de zenuwvezels van het zaadblaasje en den zaadleider, die zich in die lichaainshell\'t bevinden, welker mnsc. cremaster tijdens den coitus den gelijkzijdigen bal omhoogtrek-t.- dat die zen uw vezels op verschillende wijzen geprikkeld worden, o. a. ook door de samentrekking van den musc. cremaster.
Behalve-op de boven uiteengezette wijze, ondervinden die zenuwvezels, echter naar^alle waarschijnlijkheid niet meer dan die van het andere zaadblaasje, de alge-meene geslachtelij ke prikkeling, die het gevolg is van de voorstelling en van de prikkeling van zenuw-vezels, welke in den eikel van het mannelijk lid eindigen (vgl. blz. 24).
Waardoor en wanne:t li. it nu de zaadloozing plaats ?
Door de opeenstapeling van die prikkels, en op het
147
tijdstip, dat zij zich tot een zekere vnlnimaal-sterkte Lob--ben gesuvmneerd.
Nu ligt de gevolgtrekking niet verre, dat dit tijdstip vroeger intreedt in dat zaadblaasje en in dien zaadleider. welker wandzenmven behalve de „algemeenequot; geslachtelijke prikkeling bovendien de boven besproken afzonderlijke prikkeling ondervonden. Bijgevolg zal het sperma van den daarbij behoorenden bal in de pisbuis geperst en van daar op de vroeger (blz. 10) beschreven wijze en door de aldaar genoemde krachten naar buiten gespoten worden.
Maar, indien ook de zenuwen vair dëu anderen zaadleider en het andere zaadblaasje toch aan de algemeene geslachtelijke prikkeling blootstaan, zal dan hun sperma niet, zij het ook iets later of in mindere mate, ontledigd worden ?
O. i. kan men deze vraag nu nog niet met zekerheid bevestigend of ontkennend beantwoorden. Wèl weten wij, dat er van een latere, als \'t ware dubbele, zaadloozing nooil iets waargenomen is. en dat, zij hoogst waarschijnlijk ook niet bestaat, daar met de zaadloozing de geslachtelijke prikkelingstoestand van den man vrij plotseling eindigt. Konden wij met zekerheid zeggen, dat de afzonderlijke prikkeling van het zaadblaasje en den zaadleider (welker bal tijdens den coitus opgetrokken wordt) tot deze onderdeelen beperkt bleef, dan zouden wij met goeden grond mogen veronderstellen, dat bij eiken coitus uitsluitend het sperma van die zijde geloosd werd.
148
Nu echter de mogelijkheid, ja, waarschijnlijkheid bestaat, dat die afzonderlijke prikkeling ook langs r e f 1 e c-torischen weg tot stand komt. nu valt de kans niet te loochenen, dat nu en dan, zij \'1 ook als uitzondering, het sperma van beide ballen Ie gelijk, door denzelfden coitus, ontledigd wordt. Wij denken hier n.1. aan de „retlex-wettenquot; van PruiGEn. Zooals boven met een enkel woord werd gezegd, verstaat men onder eene retlex-beweging een beweging, welke het gevolg is van de prikkeling van een gevoels- of andere zintuigszenuw. Deze prikkel plant zich n.1. naar het ruggemerg voort en wordt daar weer overgebracht op de beweegzenuw van een spier, welke laatste zich dientengevolge samentrekt en de beweging veroorzaakt. Als voorbeeld moge dienen, dal iemand, die b. v. zijn hand brandt, eene plotselinge beweging maakt, waardoor dat lichaamsdeel aan een verdere inwerking van de brandende slof wordt onttrokken. Opgemerkt moet hierbij worden, dat, zulk ecu beweging geheel onwillekeurig is, geheel buiten den wil om geschiedt.
Nu heeft de juist gcnoernle physioloog aangetoond, dat het aantal spieren, dat zich door één en dezelfde prikkeling van een gevoelszenuw samentrekt, niet constant is, doch toe- of afneemt met de sterkte van den prikkel. Wordt b. v. door een matigen prikkel één spier of spiergroep van een been tot samentrekking gebracht, dan zullen door een sterkeren prikkel zich meer spieren van dat been samentrekken, en door een nog sterkeren prikkel zich zelfs overeenkomstige spieren
149
van liet andere boon, zij liet ook .steeds met geriu-gero kracht, contraheeren.
Mogen of moeten, deze reflex wet ten nu ook op de samentrekking van don zaadleider en liet zaadblaasje toegepast worden, dan is het duidelijk, dat ook een é é n z ij d i g e p r i k k e 1 i n g een refleetorische s a in e n-trekking van beide zaadleiders en van beide zaad-blaasjes zal kunnen teweegbrengen, wanneer de prikkel krachtig genoeg is.
Wij kunnen dus m. a. w. zeggen: dal. ofschoon .bij een matig sterke plaatselijke éénzijdige prikkeling van de govoelszenuwen van bal, zaadleider en zaadblaasje (wat als regel te beschouwen is), slechts het sperma van dien bal geloosd zal worden, het toch niet onmogelijk kan worden geacht, dat bij een zeer sterke prikkeling ook het zaad van de andere zijde zal worden ontledigd. In dit geval bestaat dan ook veel kans, dat beide ballen omhoog getrokken worden. Is dit ooit waargenomen of waar te nomen bij gezonde menschen ? Wij weten het niet. Indien niet, zou omgekeerd de waarschijnlijkheid veel geringer worden, dat ook beide zaadblaasjes en zaadleiders ooit tegelijkertijd worden ontledigd.
Dat werkelijk in een aantal gevallen, waarin deze zaak kon worden nagegaan, bij den coitus slechts het sperma van één bal (resp. van geen bij die mannen, wier eene bal buiten functie was gesteld) ontledigd word, daarop wijzen de door ons besproken waarne-mingon van Millot . Covteau, Rotii, Seligson e. a.
150
Raadplegen wij de ervaring der physlologeil, dait blijkt alléén, dat sommigen (o. a. Laxdois) aannemen: dat „niet steedsquot; beide zaadblaasjes en zaadleiders tegelijk hvin inhoud in de pisbuis ontledigen. Zidk een uitdrukking heeft een zeer rekbare beteekenis. Het is do vraag, of nadere onderzoekingen niet zullen leeren, dat rr.en „bijna nooitquot; in plaats van „niet steedsquot; moet lezen.
llehalve toch het juist besproken vérschijnsel, dat bij den coitus zich één musc. cretnaster samentrekt, zijn er nogquot; andore feiten, die op de waarschijnlijkheid wijzen, dat beide ballen een ongelijke rol bij den coitus spelen, u.l. dat het door den opgetrokken bal gevormde sperma wél, het van den anderen bal afkomstige daarentegen niet bij dienzelfden coitus geloosd wordt.
Wij hebben hier het oog op liet feit. dat elke bal niet alleen zijn eigen zaadleider, doch ook zijn eigen zaadblaasje en zelfs een afzonderlijke uitmonding van zijn zaadleider in de pisbuis bezit, wat meer voor eeno afzonderlijke dan voor eene gelijktijdige 1 oozing van het door beide ballen gevormde sperma pleit.
Verder zijn er eenige waarnemingen, die eveneens ten gunste van deze opvatting spreken,
■ Keeren wij een oOgenblik tot de dierenwereld terug.
Daar wij mogen aannemen, dat door de proeven van Henke, zoolang zij n.1. niet door andere worden gelogenstraft, bewezen is, dat in eiken bal zoowel als in elk ovai\'iuin, althans van de door hem gébruikte proefdieren, uitsluitend kiemen voor individuen van een bepaald
geslacht gevormd worden, willen wij bier in de eerste plaats een algenieene ervaring uit de dierenwereld mede-dcclen. die daarmede in volkomen overeenstemming is niet alleen, .doch welke bovendien op de loozing van liet sperma van slechts één bal tijdens één coitus wijst. Zij leert ons, dat dieren, welke in één worp meerdere jongen ter wereld brengen, steeds jongen van hetzelfde geslacht worpen, wanneer zij (slechts éénmaal gepaard hebben. D. w. z. dat bij ééne paring slechts het sperma van één bul geloosd werd, en dat dit sperma slechts moederlijke kiemen van één geslacht bevruchtte, onverschillig of bij het bronstige moederdier van beide ovariën dan wel alléén van den gelijkzijdigen eierstok eitjes waren uitgestooten.
W a n n e e r d a a r e n t eg e n d e j o n g e n v a n é é n worp in geslacht verschilden, was het in zeer vele gevallen bekend, dat het moederdier met meer dan één mannetje of met hetzelfde mannetje meermalen gepaard had. Dat dit niet in alle gevallen met zekerheid kon opgegeven worden, spreekt vanzelf, daar niet in alle gevallen het moeder-dier nauwkeurig op al hare gangen was bespied. Om te weten, hoeveel malen het wijfje gepaard heeft, zou dit toevallig of met opzet gedurende den geheelen bronsttijd afgezonderd moeten zijn geweest en de paring niet aan het toeval overgelaten moeten worden, doch slechts door den wil van den eigenaar tot stand moeten komen. En dat dit bij onze huisdieren, die wij bier voornamelijk op het oog hebben, lang niet altijd geschiedt, is bekend.
152
Van soimnio-e andere dieren is als uitsluitende reyel
O
vastgesteld, dat zij in één worp, steeds jongen van één geslacht ter wereld brengen. ])it geldt met name van liet gordeldier (Praopus bybridus), dat in Paraguay en Argentinië leeft, zooals Azara (in de vorige eeuw) mededeelt.
JiiEHiMi was twee malen in de gelegenheid, deze waarneming te bevestigen. Hij vond n.1. twee malen in de baarmoeder acht. foetus van gelijken ontwikkelingstrap. en alle acht van hetzelfde geslacht. Elke foetus had een afzonderlijk binnenste civlies (amnion), alle te zamen hadden echter één gemeenschappelijk buitenste eivlies (chorion). Dit laatste bewijst hunne ontwikkeling uit één eitje (vgl. blz. 32).
Ook bij den mensch komen dergelijke ervaringen voor, die, zoo niet met zekerheid, dan toch met eenigewaar-scliijnlijkheid vóór dezelfde stelling pleiten. Het is bekend, dat de kinderen van een meervoudige geboorte zoowel van verschillend als van hetzelfde geslacht kunnen zijn. Zooals vroeger (blz. 112—113) door getallen werd bewezen, zijn tweelingen iu verreweg de meeste gevallen van hetzelfde geslacht. Dit is geheel in overeenstemming met het grooter aantal kansen, dat de meervoudige bevruchting door één coitus of door meerdere kort op elkander volgende coitus in dezelfde houding plaats had, dan dat zij te danken was aan meer dan één coitus, die in een verschillende houding werden uitgeoefend. Hierop komen wi j terug bij de bespreking van het op Itlz. 155 te noemen bezwaar.
Dat zelfs vierlingen hetzelfde geslacht kunnen bezitten, werd o. a. nog onlangs in de „Nieuwe Rotter-damsche Courantquot; van 11 Sept. 1895 vermeld.
Doch de geboorte van v ij fling en van één geslacht is een zóó zeldzaam ieit. dat wij het wel de moeite waard vinden, twee gevallen daarvan mede te deelen. welke aan het ,.Handboek der Verloskundequot; van prof. SaxGER ontleend zijn.
In de ..Ilaagsche Courantquot; van Saturdag den lst9ri Augustus IT\'.Xj komt de volgende bekemlmakiiig voor:.
„Onder medewerking van quot;s Hemels Zegen, kunde „des vi\'oedmeesters en voorspoedige omstandigheden, „gepaard bij de grootste presentie van Geest, waarin „mijne geliefde wederhelft Jeaxnette Waf,denier „zig bevond, verloste zij heden morgen om 8 uuren „zeer gelukkig en na korte tusschenpoozingen, voor-„spoedig van vijf welgeschapen zoon en. In ver-„trouwen dat mijn billijke blijdschap in deeze zeldzame gebeurtenis door mijne vrienden en bekenden „met deelneming zal worden gestaafd, achtte ik mij „verpligt. Henlieden op deeze thans gebruikelijke „wijze daarvan kennisse te geven.
„Dordrecht den I Augustus.
„Het tweede jaar der Bataaf-„sche Vrijheid.
A. Smak.
Eerste plaatsvervanger wegens \'t District.
Strijen ter Nationale vergadering.quot;
Het tweede geval heeft prof. SaxoER te danken aan
4
154
cciie opgave uit de ootspronkelijke registers van geboorte, slei\'l\'le, enz. te \'s-Gravenhage; het wonll uit authentieke sl ukken bewezen.
.,MicinEL Wii.lkmse Kuiper en Geertrui.) Roo-..zendaal, kinderen van Kniertje Gerbrandts, zeg-..gen. dat hare moeder op 5 January 1719 was ver-,,lost van vijf voldragen kinderen, zijnde meisjes, .,en een onvolilrage, quot;1 welke men niet koude onder-..scheiden van wat sexe \'tzelve was, en van welke ..vijf gemelde kinderen één dood en vier levendig „waren geboren, welke laatsten des anderen daags. ..den Cde11, ongedoopt zijn overleden.quot;\'
Deze mededeeling werd bevestigd in liet Register der begrafenissen te Sehevethngen, waarin evenwel het (3ae kind niet wordt meegerekend.
Bij de bespreking van de overbezwangering zullen eenige waarnemingen van Millot en Skligsox ter sprake komen, die een vingerwijzing geven van de wijze, waarop tweelingen, enz. van verschillend geslacht kunnen ontstaan. Dan zal blijken, dat men voor de verklaring daarvan zijne toevlucht niet behoeft te nemen tot de loozing van het sperma van beide ballen te gelijk door één en denzelfden coitus, al kan de mogelijkheid niet ontkend worden, dat dit wel eens plaats heeft (vgl. ook blz. 149).
Ten slotte willen wij herinneren aan de boven (Idz. 9.quot;)) medegedeelde ervaringen van Seligsox van patiënten, die feitelijk slechts het sperma van één der •beide ballen tot hunne beschikking luidden. Uit den
I .quot;»5
omniskenbaren invloed van de verandering der hou ling bij den coilus, zoodat in bet eene geval geen, in het andere juist wél sperma (van den overgebleven, normaal fnnctioneerenden bal) geloosd werd, volgt vanzelf dat bij al die houdingen slechts bet sperma van één bal geloosd wordt.
Ditzelfde vloeit ook uit de vroeger genoemde ervaringen van Vexette, Miixot, enz. (vgl. blz. 89, 90) voort, daar, zooals wij in dit Hoofdstuk reeds betoogden, voorloopig geen reden bestaat, aan te nemen, dat het aandeel van de vrouw door de bonding bebeerscht wordt, zooals Roth zich voorstelt (vgl. ook blz. 84).
W ij zullen in de volgende beschouwingen derhalve als regel beschouwen: dat bij den coitus slechts hel sperma van één bal en één zaadblaasje wordt geloosd, ofschoon wij eene gelijktijdige dubbelzijdige zaadloozing als hooge uitzondering mogelijk achten.
Nu kan het volgende bezwaar geopperd worden-:
Indien elke ha! slechts kiemen voor één yeslarhf beval en indien gedurende den coitus slechts het product van één hal geloosd wordt, hoe is dan het voorkomen van tiveelingen van verschillend geslacht te verklaren-?
In liet vorige Hoofdstuk hebben wij nagegaan, hoe de geboorte van tweelingen van verschillend geslacht te rijmen is met de eierstokstheorie.
Wij hebben toen gezien, dat het even goed mogelijk moet worden geacht, dat tegelijkertijd op beide ovaria
■156
eene ovulatie plaats vindt, als dat beide ovulaties korten tijd op elkander volgen, b.v. doordat een van beide in de intennenstnieele tusschenpooze, zonder gelijktijdige bloeding, plaats beefl.
Titans hebben wij datzelfde vraagstuk met liet oog op bet aandeel van den man te bebandelen.
De geboorte van tweelingen\') van hetzelfde geslacht is gemakkelijk genoeg te verklaren en kan ook geen bezwaar opleveren tegen de opvatling, dat er bij den coitus als regel slechts het sperma van één bal wordt geloosd.
Bij de verklaring van de geboorte van tweelingen van verschillend geslacht moeten wij langer stilstaan.
Wij beginnen met in liet algemeen er aan te herinneren. dat de bevruchting meerdere dagen na den coitus kan plaats hebben, daar de spermatozoën geruirnen tijd hunne bevruchtende kracht in de vrouwelijke geslachtsorganen, met name den eileider, en waarschijnlijk ook den uterus, behouden. Het is dus wel mogelijk, dat een eitje, dat eerst eenige dagen na één coitus uitge-stooten wordt, toch door liet daarbij geloosde sperma bevrucht wordt.
Doch ook omgekeerd is het denkbaar, dat een eitje, door een intermenstrueele ovulatie uitgestooten, eenige dagen in den eileider of den uterus blijft liggen, en dan eerst ten gevolge van een coitus bevrucht wordt.
\') Ofschoon wij steeds kortheidshalve van ..tweelingenquot; spreken, hebben wij tevens het oog op elke andere meervoudige bevruchting, zwangerschap en geboorte.
157
Ofschoon wij met de wijzen, waarop tweelingen van hetzelfde geslacht verwekt kunnen worden, hier niet in het bijzonder te maken hebben, vermeiden wij ze volledigheidshalve terloops.
Nu laten zich a priori in liet algemeen de volgende mogelijkheden denken:
lquot;. Voor tweelingen van hetzelfde geslacht:
a. één of meer eitjes derzelfde ovulatie van hetzelfde ovarium worden door één of meer coitus binnen korten tijd bevrucht;
b. met eenige dagen tusschenruimte hebben twee ovulaties in den zelfden eierstok plaats. Van elk wordt één eitje bevrucht: óf door één coitus, die b.v. onmiddellijk vóór de tweede ovulatie plaats heeft, óf door meer dan één coitus, waarbij steeds het sperma van den met dat ovarium gelijkzijdigen bal wordt geloosd, lu dit geval heeft er overbezwangering plaats (vgl. blz. 117).
2°. Voor tweelingen van verschillend geslacht:
a. tegelijkertijd worden van elk van beide eierstokken één of meer eitjes losgestooten. De bevruchting kan wellicht als uitzondering door één coitus plaats vinden, wanneer n.l. door een buitengewoon sterke geslachtelijke prikkeling het sperma van beiile ballen geloosd wordt. Waarschijnlijker is echter, dat zij door twee of meer verschillende coitus tot stand komt, waarbij telkens het sperma van een anderen bal geloosd wordt;
b. met een kortere of langere tusschenruimte hebben
ovulaties in de beide eierstokken mi elkander plaats, liet is niet waarschijnlijk, dat deze dubbele bevrachting door één coitus zou plaats hebben, ofschoon de mogelijkheid niet met zekerheid is uit te sluiten. Waarschijnlijker geschie.lt zij door meer dan één coitus, elk met loozing van het sperma van een anderen bal, en wel zóó, dat bij den eersten coitus het sperma van dien bal ontledigd wordt, welke met den eerst ovuleerenden eierstok gelijkzijdig is, bij den tweeden van den anderen.
Heeft de tweede bevruchting plaats vóórdat het eerst bevruchte eitje zich aan den baarmoederwand heeft vastgehecht (vóórdat de vrouw dus zwanger is), dan spreekt men van eene over bezwangering (super-foecundatio), in het tegenovergestelde geval van eene o v e r b e v r u c h t i n g (superfoetatio).
De grenzen tusschen overbezwangering en overbevruch-ting zijn niet steeds scherp te trekken. Konden wij het «ogenblik bepalen, waarop de zwangerschap aanvangt, dan was de zaak eenvoudig genoeg. Nu is dat echter, zooals reeds eenige malen werd opgemerkt, ten eenen-male voor ons verborgen. Wij kunnen nog niet eens met zekerheid zeggen, of het bevruchte eitje behoort bij de laatst geziene, dan wel bij de eerst uitblijvende menstruatie. De rnenstrueele ovulatie toch heeft waarschijnlijk onmiddellijk vóór de bloeding plaats. Deze blijft nu evengoed uit wanneer dit eitje, als wanneer dat van een vóórgaande, eventueel internienstrueele, ovulatie bevrucht werd.
liet éénige kenmerk, dat ons dus overblijft, is het
159
tijdsverloop tusscheu beide coitus. Doch dit kan o-ns-goheel in den steek laten.
Mogen wij ook al met zekerheid aannemen, dal. wanneer de twee bevnifhtende coitus binnen zeer korten tijd. b.v. binnen ^4 uren. plaats hebben , van overbevruchting geen sprake zal zijn, zoo kunnen wij dit toch omgekeerd niet met zekerheid aannemen, indien het tijdsverloop zelfs meerdere dagen bedraagt (waarover aanstonds).
Wanneer er echtereen groote tijdruimte tusscheu beide coitus gelegen is, waarin zelfs een menstruatie mogelijk is (zie blz. ir.G), en met zekerheid elk der beide coitus bevruchtend is geweest, dan zouden wij wel gedwongen kunnen worden, eenc overbevruchting aan te nemen. Wij kunnen toch haar bestaan niet maar kortweg loochenen. Hierop komen we aanstonds terug, nadat eerst de waarschijnlijkheid van heb bestaan van over-bezwangering door ons is besproken.
Deze zaak is voor ons van zeer groot belang. Immers, indien bij eiken coitus zonder uitzondering slechts het sperma van één bal en van het gelijkzijdige zaadblaasje geloosd wordt (wat wij summa summarum toch \'t waarschijnlijkst achten), hoe zou dan het voorkomen van tweelingen van verschillend geslacht te rijmen zijn met de hypothese, dat elke IkiI uitsluitend kiemen voor één bepaald geslacht vormt !
Ware overbezwangering, en a fortiori overbevruchting, onbestaanbaar, dan zou de genoemde hypothese onhoudbaar zijn.
De mogelijkheid van het voovkomen eener overbe-
1G0
z wan gering wordt algemeen toegegeven. Er zou dan ook voorloopig bezwaarlijk een steekhoudende grond kunnen worden aangevoerd, waarom twee zeer kort op elkander volgende coitus niet beide bevruclitend zouden kunnen zijn.
Zelfs is dit met een langere tusschenpooze zeer wel denkbaar, zooals wij reeds vroeger (blz. 117) betoogden. Veronderstellen wij, dat op het tijdstip, waarop de eerste coitus uitgeoefend werd, geen eil je in don uterus of in den eileider vrij aanwezig was. en dat de eerstvolgende ovulatie eenige dagen later plaats heeft, ongeveer te gelijk met den tweeden coitus, dan behoeven de bij den eersten bijslaap geloosde spermatozoën nog niets van .hunne levens- en bevriichtino;skracht verloren te hebben (vgl. blz. 29). In zulk een geval kan de bevruchting van twee of meer tegelijkertijd uitgesloot en oiljes evengoed door deze spermatozoën als door de bij den laatsten coitus geloosde tot stand komen.
Dan is bovendien zeer wel mogelijk, dat bij den eersten bijslaap het sperma van den eenen, bij den tweeden dat van den anderen bal geloosd werd, en dat eveneens van de gelijktijdige ovulaties minstens één in elk der beide eierstokken plaats had.
Aldus zou het ontstaan van tweelingen, drielingen, enz. van verschillend geslacht te verklaren zijn.
Zelfs is de mogelijkheid daarbij niet uitgesloten, dat de twee bevruchtende coitus door verschil lende mannen werden vullu acht. Hiervan zal aanstonds een voorbeeld ter sprake komen.
Uil
Doch ook op andere wijzen kan men eene verklaring geven, zonder genoodzaakt te zijn tot de voorstelling, dut bij één coitus het sperma van beide ballen geloosd wordt.
Zooals reeds op lilz. 117 gezegd werd, komt ook eene intermenstrueele ovulatie voor, die ons idet, door een baarmoederbloeding wordt aangekondigd. Xu is liet zeer wel mogelijk, dat de eerste coitus b.v. eenige dagen na de menstruatie plaats heeft, en het daarbij uitgestooten eitje bevrucht. Vindt er nu kort daarop eene intermenstrueele ovulatie plaats, dan kan het hierbij uitgetreden eitje zoowel door het sperma van den eersten als door dat van een hernieuwden bijslaap bevrucht worden.
Of daarbij tweelingen van hetzelfde of van verschillend geslacht zullen worden verwekt, hangt volgens onze voorstelling alleen daarvan af, of de twee ovulaties in één en hetzelfde ovarium dan wel successievelijk in beide eierstokken plaats hadden, èn of dienovereenkomstig het sperma van beide ballen achtereenvolgens geloosd werd.
Wij meenen met deze enkele voorstellingen te kunnen volstaan en laten andere mogelijkheden, variaties, aan het voorstellingsvermogen van den lezer over.
Tot zoover de theoretische bespiegeling.
Thans de feiten, die vóór het bestaan van overbe-zwangering spreken. Ofschoon wij niet eenvoudig op grond van waarnemingen in do dierenwereld, al betreffen zij ook de zoogdieren, tot het beslaan van dezelfde toestanden bij den mensch willen besluiten, zullen wij hier
11
102
toch eeuige daarvan me.iecleelcn. Niet alleen kunnen zij de eene of andere bypothose steunen, mits met groote voorziclitigheid gebruikt, maar ook kunnen zij ons wellicht in een of ander opzicht een vingerwijzing geven.
De ervaring in de dierenwereld nu heeft vaak geleerd, dat een teef, die gedurende don bronsttijd met mannetjes van verschillend ras gepaard heeft, soms jongen van verschillenden bastaardvorm werpt. overeenkoinende met de rassen der verschillende vaders.
Verder werpen katten, die met katers van verschillende kleur gepaard hebben, veelal jongen van verschillende kleur.
Ten slotte een paar voorbeelden.
Op den 2S\'tequot; Maart 1851 werd een merrie door een Engelschen hengst, op den daarop volgenden .quot;V1™ April door een Arabischen hengst besprongen. Op den US\'1™ Februari 1852 wierp zij twee veulens, waarvan hel eene kenmerken van den Engelschen hengst vertoon le, het andere op den Arabischen hengst geleek.
Verder nam Brissox het volgende waai\': een merrie was reeds vier malen door denzelfden hengst gedekt; een uur na den laatsten keer werd zij bovendien besprongen door een ezelhengst. Zij wierp ten gevolge daarvan één paarde- en één muilezel veulen.
Deze voorbeelden zouden gemakkelijk met talrijke andere vermeerderd kunnen worden.
ïDoch keeren wij thans lot ervaringen bij den mensch V,elf terug, welke met meer of minder waarschijnlijkheid
1C3
Yóór liel bestaan van overbazwangoring ook bij boni pleiten.
Als bewijs vóór het beslaan van overbezwangering bij ilea measeli heeft men aangevoerd het meermalen waargenomen feit, dat een blanke vrouw, die binnen een kort tijdsverloop achtereenvolgens met een blanken man en een neger geslachtelijken omgang had gehad, tweelingen van verschillend ras, een blanke en een mulat, ter wereld bracht.
Zulk een feit mag vóór overbezwangering pleiten, met zekerheid haar bestaan bewijzen doet het ni\'et. Immers bij kruising van rassen komt het meermalen tooi\', dat de kinderen öf alléén op den vader, óf alléén op de moeder gelijken, liet blanke kind zou dus evengoed een afstammeling van den neger kunnen zijn, a!s de mulat dit met zekerheid is (KussMAn,).
Ons persoonlijk is liet o. a. beken t van een blanken vader en een Maleische moeder, wier twaalf kimleren. mirabile diclu, juist om hel andere blank en bruin waren!
Er zijn echter nog andere waarnemingen, die wij hier laten volgen. Somtijds is men in de gelegenheid geweest. vast te stellen, dat tweelingen van verschillen i geslacht zeer waarschijnlijk aan twee verschillende coitus hel leven te danken hadden. En, waarop hot bier vooral aankomt, dat die twee coitus waarschijnlijk niet in dezelfde houding plaats hadden, d. w. z. dat bij eiken bijslaap het sperma van den anderen bal geloosd werd. Zooals n.l. later zal worden besproken, hebben man en vrouw gewoonlijk een vaste ligplaats in bed, ten ge-
104
vuige waarvan als regel de coitus in dezelfde houding wordt volbracht. Wij zullen hier thans eenige waarnemingen mededeelen, waarin door bijzondere omstandigheden twee kort op elkander volgende coi tus waarschijnlijk in een verschillende houding plaats vonden.
liet eerste geval danken wij aan Mii.lot: ..Een man ..kwam met zijne vrouw thuis van een zeer vroolijk „avondeten, dat zij in gezelschap van vrienden hadden ..genoten. Onmiddellijk na hunne aankomst „thuisquot; „ontving de vrouw een bondig bewijs van de kracht „van haren man. Zij begaven zich daarna te bed. en „na een korten tijd werd de coitus herhaald. Weinige „dagen daarna traden de eerste verschijnselen van „zwangerschap op, en de uitkomst bevestigde dan ook „de juistheid van dit vermoeden, want de vrouw bracht .,op den verwachten tijd twee kinderen van verschillend „geslacht ter wereld.quot;
In een tweede geval, door Millot medegedeeld, waarin de dubbele bevruchting op een dergelijke (verschillende) wijze schijnt te hebben plaats gevonden (met hoe lange tusschenpooze ?), baarde een 20-jarige vrouw het tweede kind zeven dagen na het eerste. Ot\' hier aan eene over-bevruchting moet gedacht worden, is niet met zekerheid te zeggen. De verklaring van deze tusschenpooze door een dikken, moeilijk barstenden wand der vruchtblaas (.Mi[.lot) schijnt ons van zeer twijfelachtige waarde.
Sei.igson\' beschrijft het volgende geval: Een vrouw had reeds verscheiden kinderen het leven geschonken.
Daaronder kwamen twee malen tweelingen voor: ééns twee meisjes, den tweeden keer twee jongens. Tenslotte kreeg zij voor de derde maal tweelingen van verschillend geslacht. ..De man herinnerde zich zeer nauwkeurig ..den nacht, waarin de twee bevruchtende coitus (waar-„schijniijk althans) plaats hadden. Hij kwam toen mot ..zijn vrouw van eene bruiloft thuis en legde zich eerder „dan zijne vrouw te bed. Nog niet geheel ontkleed „kwam zij bij hem, om hem goeden nacht te zeggen. ..en bij deze gelegenheid werd de coitus volvoerd. Eerst ..daarna ontkleedde de vrouw zich eeheel en leaide zich
■ \' O O
..toen in haar eigen bed. Kort daarna vond de tweede ..coitus plaats, en het gevolg was een tweelinggeboorte ,.vau kinderen van verschillend geslacht.quot;
Door een anderen dokter werd aan Seugsox medegedeeld, dat een sinds jaren gehuwd echtpaar, dat reeds vele kinderen had, ten slotte tweelingen van verschillend geslacht kreeg. Ook door hen zou in den nacht, waarin de bevruchting (waarschijnlijk) plaats had, twee malen de coitus in verschillende houding zijn uitgeoefend.
Door deze en dergelijke feiten wordt niet alleen de waarschijnlijkheid van het voorkomen van overbezwan-gering op den voorgrond gesteld, doch bovendien een bijdrage geleverd voor de stelling, dat de houding tijdens den coitus van invloed kan zijn op het geslacht van het daarbij verwekte kind. Wellicht is deze of gene onzer lezers in staat, het aantal bijdragen iu dat opzicht te vermeerderen. —
Zooals reeds boven is gezegd, zou men dan van een
i en
o v c r b c v i\' u c h I i n g moeten spreken, ialt;lien 1 iet tweede eit je eerst bevruclit wor.ll. nadat het eerst bevruchte zich reeds aan den baarmoederwand heeft vastgehecht. Er werd reeds op gewezen, dat het onderscheid tusschen overbczwangering en overbevruchting feitelijk alléén mogelijk is, wanneer het tijdsverloop tusschen de twee bevruchtende coitus belangrijk is.
Is b.v. na den eersten coitus de menstruatie reeds éénmaal weggebleven, heeft de tweede coitus daarna
OO 7
plaats, en worden dan tweelingen van verschillend geslacht en verschillenden ouderdom geboren, dan zouden wij wel haast gedwongen zijn, eene overbevruchting aan te nemen. Ook is het mogelijk, dat de menstruatie ook na ingetreden zwangerschap blijft bestaan, totdat een nieuwe bevruchting plaats grijpt. Hiervan komen aanstonds voorbeelden ter sprake.
Men heeft tegen de mogelijkheid van het bestaan van overbevruchting wel aangevoerd, dat onmiddellijk na ingetreden zwangerschap het baarmoederslij mvlies zóó gaat woekeren, het eitje zich zóó snel ontwikkelt, dat de baarmoederholte geheel opgevuld wordt. Bovendien zou een „slijmpropquot; den baarmoedermond afsluiten. Onder zulke omstandigheden zou liet dus onmogelijk zijn, dat een spermatozoon (afkomstig van een hernieuwden coitus) van uit de scheede den eileider zou bereiken. 11 ij ge volg zou elke bevruchting door een hernieuwden bijslaap onmogelijk zijn. zoodra er zwangerschap beslaat.
Ook al nemen wij de juistheid der feiten, waarop zich dit bétoog grondt, een oogenblik aan, blijft de volgende
mogelijklieid bestaan: kort na elkander is liet sperma van beide ballen (door twee coitus) geloosd. Een spermatozoon van den eenen bal vindt oniniddellijk een eitje van hetzelfde geslacht en bevrucht dit. DU eitje hecht zich aan den baarmoederwand: de vrouw is zwanger.
Doch daarna heeft er eene ovulatie in het andere ovarium plaats: het eitje hiervan wordt nu bevrucht door een spermatozoon van den anderen bal. dat zich nog in de vrouwelijke geslachtsdeelen bevond.
Zooals men ziet, wordt in het juist medegedeelde betoog deze wijze van overbevruchting niet bedoeld, waarschijnlijk daar men niet aan de mogelijkheid van haar bestaan heeft gedacht.
Keeren wij thans tol do bedoeling van dat betoog terug.
De feiten, waarop hel zich grondt, zijn onjuist. Het bestaan van de „slijinpropquot; in alle, of bok maar inde meeste, gevallen van zwangerschap is nog zeer twijfelachtig. Xog meer twijfelachtig is het, dat zij den uterus-mond, als een kurk een llesch. zóó zou afsluiten, dat er geen spermatozoün in de baarmoederholte zou kunnen dringen.
Vorder blijkt uit de ontwikkelingsgeschiedenis, dat het gewoekerde baarmoederslijrnvlies, waarin liet zich ontwikkelende eitje, eerst in de derde zwangerschapsmaand de uterusholte geheel vult. Maar ook dan eerst kan het feitelijk onmogelijk worden, dat een spermatozoün zich door den uterus heen beweegt en een uitgestooten eitje bereikt en bevrucht.
Heelt de vrouw een tweekamerige baarmoeder (uterus
duplex, zie biz. 106), dan is liet zeer wel denkbaar, dat eerst in de eene kamer, en gernimen tijd later, zelfs na de derde zwangerscbapsmaand, in de andere zich een bevrucbl eitje vasthecht. Wel woekert ook in de niet-zwangere kamer het slijmvlies, doch niel zóó sterk, dat deze holte er door gevuld zou worden.
Zooals vanzelf uit deze beschouwing volgt, zou voor eene overbevruchting, die eerst eenige weken na de eerste zwangerschap volgt, noodzakelijk zijn: eene ovulatie bij reeds bestaande zwangerschap.
Komt deze voor ?
Met zekerheid waargenomen is dit niet. Wel is waar, dat ook na ingetreden graviditeit periodieke baarmoederbloedingen niet zoo zelden zijn waargenomen. Of deze echter geheel met de menstrueele mogen worden gelijkgesteld, is niet zeker te zeggen, ofschoon tot dusverre niets hiertegen pleit, integendeel in eenige der onderstaande gevallen zeer waarschijnlijk de menstruatie in liet begin der zwangerschap bleef voortduren. Wij kunnen dan ook geen stellig antwoord op die vraag geven. Er bestaat echter tot dusverre geen grond, te ontkennen, dat bij reeds bestaande zwangerschap een follikel zou kunnen barsten.
Hoe heeft men dan aan het bestaan van superfoetatio bij den mensch kunnen denken !
In de eerste .plaats schijnen in de dierenwereld eenige waarnemingen van gelijksoortigen aard als de bij over-bezwangering genoemde, gedaan te zijn, welke op het bestaan van superfoetatio wijzen. Zij geven ons nu wel
109
niet onmiddellijk het recht, tot het voorkomen van dergelijke toestanden bij den mensch te besluiten, doch zij manen ons toch aan. niet te voorbarig hunne afwezige beid aan te nemen.
En dat te meer, daar in de tweede plaats bij den mensch zelf meermalen de ervaring is opgedaan, dat tweelingen zóó ongelijk ontwikkeld zijn, d-.it het voor de hand lag een verschil in ouderdom aan te nemen;
Maar deze ervaring moet zeer voorzichtig beoordeel! worden. Latere waarnemingen toch van Schultze. Meissnku en C. Maktin hebben boven allen twijfel verheven, dat zulk eene zeer ongelijke ontwikkeling ook wel voorkomt bij ééneiige tweelingen. Men moest dan wel besluiten, dat de eene vrucht zich ontwikkeld heeft ten koste van de andere, die waarschijnlijk door gene gedrukt werd. Men heeft n.1. meermalen bij één endezelfde vrucht een gebrekkige ontwikkeling van ledematen aangetroffen, die kennelijk (aan drukverschijnselen) aan eene plaatselijke ruimtebeperking van de zich uitzettende baarmoeder geweten moesten worden. (Von Voi.kmann beschreef een dergelijk onmiskenbaar geval.)
Waai\' nu in eene baarmoeder, welke slechts ééne vrucht bevat, sprake kan zijn van eene gebrekkige ont-wikkeling van enkele lichaamsdeelen van die ééne vrucht als onmiskenbaar gevolg van eene beperkte ruimte, daar kan eene ongelijke ontwikkeling van tweelingen door dezelfde oorzaak onze verwondering niet wekken.
Men heeft dan ook meermalen opgemerkt, dat de minst ontwikkelde der tweelingvruchten duidelijke tee-
170
kenen van druk vertoonde. Soms zelfs was zij geheel platgedrukt lot een papierdun dood lichaampje, dat dan ook „foetus papyraceusquot; genoemd is.
Door eon ongelijke ontwikkeling, van tweelingen is men dus nog niet gerechtigd tot de gevolgtrekking, dat zij door overbevruchting ontstonden.
Men heeft nog op een ander feit de aandacht gevestigd. dat vóór het bestaan van superfoetatio schijnt te pleiten. Meermalen n.1. heeft men opgemerkt, dat van tweelingen de tweede vrucht gernimon tijd na de eerste, maar dan ongeveer even goed ontwikkeld, ge-horen wordt. Wij herinneren aan de boven (blz. 104) vermelde waarneming van Millot.
De veronderstelling schijnt hier gewettigd, dat de tweede vrucht nog niet „voldragenquot;, nog niet volkomen ontwikkeld was op het tijdstip, dat de eerste ter wereld kwam.
En toch is zulk een waarneming nog geen bewijs vóór liet bestaan van overbevruchting. Want ook al had de bevruchting van twee eitjes door denzelfilen coitus plaats, zou zich datzelfde feit kunnen voordoen. De mogelijkheid is n.1. niet uit te sluiten, dat één der ontstaande vruchten eenigen tijd in ontwikkeling blijft stilstaan.
Uier heeft men zich beroepen op een verschijnsel in de dierenwereld. Volgens Zikgleu en Biscnotv toch zou het volgende bij de ree zijn waar te nemen. Hare bronst, paring en bevruchting hebben plaats in de laatste dagen van Juli en in Augustus. Het bevruchte eit je komt
171
in zijn oorspronkelijkc grootte in de baarmoeder. Uier blijft het zonder eei igr; yei\'dere verandering hoegenaamd liggen tot in de tweede helft van December. Het is dan zeer moeilijk te vinden en ook de uterus vertoont nog geen veranderingen, die op zwangerschap wijzen. lu de tweede helft van December echter begint hel eilje zich snel te ontwikkelen, zoo lal de geboorte ongeveer 40 weken na de paring plaats vindt.
Xu zou liet denkbaar zijn. dat door de aanwezigheid van een tweede vrucht in de baarmoeder der vrouw de ontwikkeling der andere niet alleen belemmerd, doch zelfs op een gegeven oogenblik tijdelijk tot stilstand wordt gebracht, totdat de eerstgenoemde geboren is. Eerst dan zou de andere zich verder kunnen ontwikkelen. om hel levenslicht te aanschouwen, wanneer zij ilaarvoor rijp is geworden.
Inderdaad zijn eenige merkwaardige gevallen bekend, die wel voor dezen uitleg vatbaar zijn, doch die minstens even goed. ja, zelfs beter door overbevruchting zouden kunnen worden verklaard.
Zoo deelt Eisenmann mede, dat bij eene vrouw, die den 30,cn April 1748 een voldragen jongen gebaard had, duidelijk na do geboorte de aanwezigheid van een tweede kind in de baarmoeder werd vastgesteld. De lochiaalsecretie (kraamzuivering) zoowel als de melk-afzondering bleven uil. totdat 4i maand later, den 17llen September, het tweede kind geboren werd. Na haren dood werd bij lijkopening een normale uterus gevonden.
Verder vermeldt Moebus, dat een vrouw, die reeds vier kinderen gebaard had. den lG\'k\'n October 1833 een voldragen meisje het leven schonk. Lochiaalsecretie en melkafzondering bleven uit tot de geboorte van het tweede kind op den IS1\'-quot; November, dus 33 dagen later.
Vooral belangrijk zijn de volgende mededeelingen:
Tiiielmanx nam bij een vrouw, die voor de derde maal zwanger was geworden, nog twee malen de menstruatie waar. Den 26quot;™ Maart 1853 werd een klein, levensvatbaar meisje, en 52 dagen later, den 18k\':i Mei, een tweede eveneens niet geheel voMragen, doch levensvatbare vrucht geboren. Opvallend is hier, dat de tijdsruimte tusschen beide geboorten vrij wel overeenkom! met die, waarin twee menstruaties plaats hebben!
Een dergelijk geval danken wij aan Ecck: eene vrouw menstrueerde geregeld tot de zevende zwangerschapsmaand. Zij baarde drielingen, waarvan de eene vrucht 18 „Zollquot; lang was, terwijl de twee andere, elk in een afzonderlijk chorion, de ontwikkeling bezaten van vruchten van vier, resp. vijf maanden.
Gknerau maakt mei ling van eerie vrouw, die den -joelen Februari 1817 een voldragen levenden jongen en den i4\'lci1 Maart daaropvolgende een eveneens voldragen jongen het leven schonk. Xa haren dood. in 1847.vond men bij de lijkopening een t wee kamerige baarmoeder.
Ten slotte moge hier de aandacht gevestigd worden op een door meerdere onderzoekers (o. a. Snirnmir.s. B. Sfun.tze, Breisry ) vermei ie gevallen, waar i n de placenta
ecner oudere (in Schul tze\'s geval bijna voldragen) vrucht een vier tot zes weken oud embryo met een eigen aanhechtingsweefsel (deeidua) gevonden werd!
Dit laatste geval kan o. i. moeilijk anders dan door overbevruchting verklaard worden.
En ook die gevallen, waarin na ingetreden zwangerschap de menstruatie nog eenigen tijd voortduurde, pleiten sterk vóór superfoetatio. En dat te meer, daalde geboorte (Thief.mann) resp. de ontwikkeling (Bock) der jongste vruchten ongeveer denzelfden tijd ten achter was bij die der andere, als de vrouw nog gemenstrueerd had.
Wellicht nog meer gewicht wordt ten gunste der superfoetatio in de schaal gelegd door de vondst van een zwangerschap in de baarmoeder naast een jongere vrucht in den eileider. Zoo vonden Schroedeb en Brain bij eene lijkopening in de baaimoeder een foetus van driemaanden, in een der eileiders bovendien een embryo van zes weken oud. In een dergelijk geval kan moeilijk gedacht worden aan stilstand in ontwikkeling van de eene vrucht door de aanwezigheid van een tweede in een andere ruimte.
Op grond van deze laatst besproken waarnemingen vooral mogen wij stellig aannemen; dat ook bij den mensch de mogelij kheid van o verbevruchting moet worden erkend.
Na deze lange uitweiding, die men ons zeker wel ten goede zal willen houden om het belangwekkende van het onderwerp, keeren wij tot ons punt van uitgang terug:.
174
hoe kan het ontstaan van tweelingen van vevsclnllend .geslacht verklaard worden, indien bij één coitus slechts vaderlijke kiemen vojr één geslacht goloosl worden
Het antwoord is thans duidelijk en eenvoudig: door een hernieuwden coitus, waarbij kiemen van den anderen bal, dus voor liet andere geslacht, geloosd worden, die een overbezwan-gering. resp. over bevruchting van gelijk-geslachtelijke eitjes tot stand brengen.
Mogen wij nu als regel aannemen, dat bij een niet overmatige geslachtelijke prikkeling slechts liet sperma van dien bal wordt geloosd, welke tijdens den coitus omhoog ■wordt getrokken: en is het omgekeerd ook waar, dat het opzettelijk doen samentrekken van één muse, cremaster de loozing van het sperma van den gelijk-zijdigen bal ten gevolge heeft met uitsluiting van die van den andoren, dan zou daarin een middel gegeven zijn. oin naar willekeur het geslacht van het te verwekken kind te beheerschen.
Hiermede komen wij op de waarneming terug, dat de strekking van de eene romphelft (door buiging van het bovenlijf naar de tegenovergestelde zijde) ten gevolge heeft de samentrekking van den gelijkzijdigen muse, erenuister, met optrekking van den gelijkzijdigen balen de andere vroeger (bl. 145) besproken gevolgen.
Hoe wordt nu tijdens den coitus zulk eene strekking van de eene romphelft verkregen ?
Eenvoudig door liet bovenlijf naar de tegenovergestelde
175
zijde le buigen. Wil de man het sperma van den rechlerbal loozen. dan legge hij zich bij don coitus zóó. dat zijn hoöl\'d boven den rechterschouder van zijne vrouw, naast haar hoofd, komt te liggen.
Lag hij vóór den coil us ter rechterzijde van zijne vrouw, dan bestaat er meer kans, dat hij „van zeltquot;\' die houding, dan juist de tegenovergestelde zal innemen. Eveneens zal in zulk een geval tdlicht de rechterlichaams-helft der vrouw lager liggen dan haar linker.
Daarin bestaat het meermalen genoemde verband tusschen de ligplaats in bed van man en vrouw ten •opzichte van elkander en het geslacht van het verwekte kind.
Daardoor worden tevens de waarnemingen van Ve-xette. Mir.lot, Rotii, Seligson verklaard.
Nu rijst echter de vraag; indien de ligplaats der ouders in bed zulk een invloed op de houding tijdens den coitus doet gelden, hoe komt het dan, dat eclitgenooten, die steeds dezelfde ligplaats ten opzichte van elkander innamen, toch wel kinderen van verschillend geslacht kregen .\'
In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat. al werkt ook de ligplaats in bed een zekere houding inde hand, deze houding niet een noodzakelijk gevolg van haar mag worden genoemd. Allerlei, vaak onbeduidende, toevallige omstandigheden, kunnen eene beslissende wijziging teweegbrengen. Zoo zouden wellicht de gevallen (vgl. blz. 80) waarin Seligsoxs voorspelling niet uitkwam, te verklaren zijn. Ons persoonlijk
is ook een geval bekend, waarin de man ter rechterzijde van zijn vrouw sliep, terwijl toch tijdens den coitus zijn hoofd ter linkerzijde van het hare placht te liggen.
Verder moet men niet uit het. oog verliezen, dat de ligplaats slechts dan invloed op de houding van den coitus doet gelden, wanneer deze van uit die ligplaats aangevangen wordt. Of dit nu steeds zonder uitzondering, geschiedt, mag betwijfeld worden, indien men zich slechts de mededeelingen van .Mili.ot eu SkuitSOx (e piuribus unum!) herinnert.
En waar de ouders door verhuizing of door andere omstiindigheden van ligplaats veranderden, en daarmede overeenkomstig het geslacht der kinderen varieerde, zien wij eene bevestiging van de boven gehouden beschouwingen.
Is het clan noodzakelijk, dat bij den coitus de eene lichaamshelft gespannen, de andere ontspannen wordt?
Wij rneeneu, deze vraag ontkennend te mogen beantwoorden.
Van welken bal wordt dan. indien de houding indifferent is, het sperma ontledigd?
Dat is niet te zeggen. Wellicht zal dan toevallige meerdere prikkeling van de eene helft der mannelijke voortplantingsorganen den doorslag geven. Wellicht wordt in zulk een geval het sperma van beide ballen geloosd. Nader onderzoek dient hier het antwoord te geven.
Na een en ander is het duidelijk, dat de ligplaats in bed volstrekt niet behoeft veranderd te worden, indien
177
men cen kind van dat geslacht wenseht te verwekken, dat daarmede in strijd is. Immers tnsschen de ligplaats in bed en het geslacht van het kind bestaat slechts een verwijderd verband. Alléén op de houding tijdens den coitus komt het aan. Houdt men dit in het oog, dan wordt de ligplaats een onverschillige zaak.
Men kan nu nog tegen de bewering, dat door de houding bij den coitus de bal wordt aangewezen, welks sperma ontledigd wordt, bet volgende bezwaar inbrengen: Indien een man. die één bal mist, hij den coitus zulk eene houding aanneemt, dat Juist Jiet sperma van dien bal zou moeten worden geloosd, zou de zaad-loozing onmogelijk zijn. En toch blijft deze niet uit.
Deze voorstelling is onjuist. Er heeft wél op het •oogenblik van de hoogste geslachtelijke prikkeling de loozing van eene vloeistof plaats, doch deze is geen sperma. Wij willen hier alleen aan de waarnemingen op blzz. 95 en 90 herinneren, die duidelijk bewijzen, dat er in de eene houding geen, in de andere wél sperma vloeide. En zulke waarnemingen zijn stellig niet zeldzaam.
Vanwaar komt dan die vloeistof\'?
Zooals wij vroeger zagen, is het geloosde sperma een mengsel van het afscheidingsprodnct van den bal met dat van het zaadblaasje, de Cowpersche klieren en de prostata. Het aandeel, dat deze idijmige vloeistolTen in het (geloosde) sperma hebben, is belangrijk.
Nu hebben talrijke waarnemingen geleerd, dat de coitus volkomen kan worden uitgeoefend, ook al ont-
12
ITS
breken volgons niikroskopisch onderzoek de spermatozoon Ion eonenmale in de geloosde vloeistof. Deze bestond dan uit niets anders dan uit de met elkander vermengde afschoidingsprodncton van het zaadblaasje, de Cowpersche klieren en de prostata.
Die \\vaarnemingen werden voornamelijk gedaan bij personen, wier zaadleiders ten gevolge van ontsteking van den bijbal ol\' door andere ziekelijke afwijkingen ondoorgankelijk waren geworden. \')
Maar een nou\' merk waardiger feil is ons bekend.
O O
Door sommige onderzoekers nd. (P. Frank, Otto, Hknke. A. Coopf.r. Krahmer, Pk lik an ) is bet boven allen twijfel vorboven, dat ook dubbelzijdig gecastreerde manneii den coitus kunnen uitoefenen met luozing van een slijmige vloeistof. Zoo werd dat. o. a. ook bij eunuchen (zooals bekend de mannelijke bewakers van den hsuem) waargenomen. Reeds Runs Ki\'iiKsirs (100 j. n. Chr.) maakt daarvan melding.
Zooals dus blijkt, is er niets wat tegen onze stelling pleit.
Al is het aantal lot dusverre ons bekende waarnemingen. en feiten, die voor hare juistheid pleiten, nog niet groot, meenen wij tocli, de volgende raadgevingen te mogeii geven.
\') Behalve bij zulke toestanden of na castratie kan liet ook quot;\'-vel voorkomen; dat door zenuwinvloeden tijdelijk of blijvend fcpenuatozoën in het geloosde vocht ontbreken-(eveneens volgens mikroskopisch onderzoek). De mogelijkheid is dan niet uitgesloten, dat door een geschikte leefwijze, enz. die zenuwinvloeden gewijzigd worden, en het sperma we .Ier eene normale samenstelling verkrijgt.
179
K Om oen meisje-te verwekken legge de man zich bij den coitus zóó, dat zijn hoofd hoven den linkerschouder zijner vrouw,naast haar hoofd, komt te liggen.
Daardoor wordt de hnkerhchaaimzijrle gestrekt-, de linker m. cremaster geprikkeld en . het sperma van. linkerbal, -zaadleider en -zaadblaasje geloosd.
2°. Om een, jongen voort te brengen, legge de man zich bij den coitus zóó, dat zijn hoofd boven den rechterschouder zijner vrouw, naast haar hoofd, komt te liggen.
Hier komt het aan op de strekking der rechterlicliaams-zijde.
Wil de man vóór den coitus links, resp. rechts van zijne vrouw in heil gaan liggen, dan kan hij dat doen. Zooals wij echter zagen, komt het alléén en uitsluitend aan op de aanspanning van die lichaamszijde, van welker bal het sperma moet geloosd worden.
Het spreekt vanzelf, dat de coitus zoo lang in dezelfde houding moet worden uitgeoefend, totdat er d ui del ij ke t ee k ene n van z w a n gersc h ap z ij n.
Deze kan eerst dan optreden, wanneer er eene ovulatie heeft plaats gehad in dien eierstok, welke gelijkzijdig is met den bal. welles sperma steeds üeloosd wordt. Het kan lang, het kan kort duren, eer de gewenschte ovulatie plaats heeft, —- ook al zijn beide ovariën volkomen gezond —. daarvan is niets van te voren te zeggen.
Ten\'slotte willen wij hier opmerken, dat wij veronderstellen, dat er geen verwisseling in de functie der
180
ballen plaats heeft. Is de man behept met aderspatten-in den rechterbalzak, terwijl zij in den linker-ontbreken, of is liij linkshandig, dan is voorzichtigheid in de toe-passing van bovengenoemde raadgevingen aan te bevelen.
Wordt ile juistheid van de hier toegelichte hypothese-nader bevestigd, dat slechts het sperma van dien bal. welks musc. cremaster zich tijdens den coitus samentrekt, geloosd wordl, en dat men dit naar willekeur kan beheerschen door een der boven aangewezen houdingen aan te nemen, dan is liet duidelijk, dat daarmede de oplossing is gegeven van een maatschappelijk en wetenschappelijk hoogst belangrijk vraagstuk.
Uit een maatschappelijk oogpunt is die oplossing hoogst belangrijk, daar zij den inensch een middel in handen geeft:
1°. om het gedacht van zijn kroost te beheerschen. en daardoor niet alleen zich een meerderen waarborg voor zijn huwelijksgeluk te verzekeren, doch ook den strijd om het bestaan voor zijne nakomelingen te verlichten.
2quot;. om, indien door verlies of ziekte van één bal of ovarium onvruchtbaarheid ontstaan was, deze te doen ophouden.
3quot;. om in een dergelijk geval naar eigen verkiezing lt;le bevruchting te doen uitblijven.
Uit een wetenschappelijk oogpunt is dc oplossing van liet door ons behandelde vraagstuk zeker van niet minder belang, daar zij licht doet schijnen op een duister punt in
181
lt;le biologie, de wetenschap van ,.liet levenquot;, en wellicht den weg zal kunnen aanwijzen, om het verband tusschen de functie der ceslachtsortranen met het overige oma-
^ «_ O O
nisme op te sporen.
Wij hebben dan minder te maken niet de praktische toepassing van de hypothese, doch met deze hypothese zelf, zooals zj vroeger door ons werd uitgesproken:
..Met geslacht van den mensch is reeds bepaald zoowel in de vrouwelijke kiem (de eikern) als in de mannelijke (de zaadkern), al stellen de tegenwoordige hidpmiddelen iiij ons onderzoek ons nog niet in staat, verschillen waar te nemen •tusschen de spermatozoën der beide ballen van denzelfden man of tusschen de eitjes der beide eierstokken van dezelfde vrouw.
Elk ovarium en elke b:il vormt gelijkwaardige kiemen voor individuen van één bepaald geslacht. Bij den mensch en bij eenige zoogdieren kan de voor de bevruchting noodzakelijke vereeniging van een mannelijke met een vrouwelijke kiem alléén plaats 1 lebben, wanneer die kiemen voor hetzelfde geslacht bestemd zijn.
Kiemen van ongelijk geslacht kunnen niet versmelten.quot; Wellicht blijkt nog eens. dat, indien dit bij uitzondering al eens plaats heeft, dat dan hermaphrodieten, dubbelgeslachtelijke individuen, ontstaan. Zulk een vereeniging is niet ten eenenmale ondenkbaar, indien men zijn aandacht schenkt aan een proef van Roveri, wien het gelukt is. twee mannelijke kiemen, twee zaadkernen van een soort spoelworm, tol vereeniging te brengen. (Zie ook nog bl. l\'J\'J.)
■182
Het schijnt ons, toe. dat een nauwkeurige studie van. «Ie afkomst van hermaphiodieten. van de omstandigheden, waaronder zij \'verwekt werden, van den toestand der testes en ovaria dér ouders in den tijd van den bevrucii-tendan coitus, enz. enz., wellicht van een andere zijde licht oVer de zaak zal kunnen ontsteken.
Doch niet ieder medicus, die de geboorte van een hennaphrodiet bijwoont, zal daartoe steeds in de gelegen-lieid zijn. Daarom des te ijveriger gczccht naar zulk een gelegenheid!
Ten slotte komen wij op de vraag terug: lioe is het te verklaren, dat er een vrij constante verhouding bestaat tusschen het aantal jongens en het aantal meisjes, die geboren worden ? Kan zij alléén verklaard worden door de houding bij den coitus? Of schuilt de verklaring ook gedeeltelijk in de meerdere ontwikkeling van rechter-bal en vechterovarium, tegenover de slechtere bloeds-doorstrooming dier organen van de linkerzijde?
Wij achten thans hot oogenblik nog niet gekomen, ons ook maar aan een poging te wagen, deze vraag te beantwoorden. Eerst wanneer de boven herhaalde hypothese zal gebleken zijn waar te zijn, kunnen wij verder gaan. Dan komen een tal van andere vragen aan de beurt, die dan wellicht bare oplossing zullen vinden in bestaande correlaties tusschen de functie der geslachts-klieren en het geheele organisme, zooals het zich voedt, zich beweegt, kortom, zooals het ..reilt en zeillquot;.
Bij den uitgever A. H. ADR!AN! te Leiden zijn mede verschenen ;
IRIIBIBIIISrO
SEXUEELE HYGIËNE
en eenige harer ethische consequenties. Prijs: /1,50.
»Zeker zullen er medici en moralisten gevonden worden, dip rnet den schrijver ia meening verschillen. Maar uit de over dit boek geleverde recensiën blijkt, dat allen, — ook zij, die openlijk tegenovergestelde meeningen verkondigen en daarvoor uit al hunne macht ijveren — het een hoogst gewichtig, ernstig boek achten en de opvolging der daarin voorkomende raadgevingen aanbevelen.
Voor jonge mannen, voor jonggehuwde vrouwen, voor ouders en opvoeders is het bezit en de raadpleging in alle opzichten wenschelijk.
Een warme aanbeveling, ook aan hen die in het heete klimaat onder omstandigheden leven, waarvoor bij dezen schrijver (al had hij die niet rechtstreeks op het oog) uitstekende raadgevingen te vinden zijn, om zich het boekje aan te schallen en de voorschriften op te volgen, is het doe! van deze aankondiging.quot; Dr. Van\' der Birg. {Ind. Mercuur.)
ZRIIBIBIIISrG-
MET WIE MAG MEN TROUWEN
naar de wetten der gezondheidsleer? Prijs: 50 Cent.
«Niettegenstaande de gebreken die er aan kleven, heeft Dr. Seved Ribbing met het schrijven zijner brochure een goed werk gedaan. Hij vestigt de aandacht op dingen, waarop trouwlustigen en vooral ook hunne ouders, niet alleen in het belang der aanstaande echtgenooten zeiven maar ook in het belang vnn hunne kinderen behoorden te letten, en die maar al te vaak en bayatelle behandeld, of zelfs met of zonder voorbedachten rade niet eens ter sprake gebracht worden.quot;
(Mr. M. W. F. Treub.) Soc. Weekbl.
IIINriF^IISrT.A.IRIXJS
WMEoi seiEini mm mmmim
Oorzaken van en middelen tegen liet vaak onverklaarbaar en hinderlijk schreien der kinderen. Prijs: 50 Cent.
„In geen kamer, waar een wieg staat, mag deze goede raadgever ontbreken.quot; Friso.
IPZHUZLA-IISnDIBIR,
MEDISCHE SPROOKJES
Prijs: / 125.
1 N ii OUD:
Phrom. Een orthopaedisch sprookje uit het land der Pliaraö\'s. Jerum en de tien plagen. Ken sprookje uit het Phoenicisch doctorenleveu. Dione. Een ophtluilmologisch sprookje uit Oud-Griekenland. Antonio Spumante. Een hypnotisch sprookje uit den drakentijd. Ba-Cil. Een hygiënisch sprookje uit het rijk van het midden. Magus Bombastus Vomitivus. Een sprookje uit den gouden tijd der wonderdokters. De man zonder huid. Een sprookje uit den voortijd der plastische chirurgie. Tripstrill en de pelsmolen. Een balneologisch sprookje uit het oude Zwabenland. De wrattenkoning. Een tiennatologisch sprookje uit de dagen der sympathie. Electra. Een natuurkundig-diagnostisch sprookje uit de twintigste eeuw.
»Een alleraardigst boekje, dat een vrij lange reeks van sprookjes, op medisch gebied betrekking hebbende, bev;it.
Een ieder zal dit boekje met welgevallen ter hand nemen en er zonder twijfel stukjes van zijne gading in vinden.
Druk en uitvoering is keurig netjes en het formaat zeer handig.quot; Dr. C. \\V. Bollaax. (Geneesk. Courant.)
GETROUWD
door
F. YON KAPFF-ESSEXTHER.
Prijs: ƒ1,90, in prachtband / 2,50.
inhoud:
Aan den rand van den afgrond. -— Het knoopje. — Hare schim. — Oók eene reden tot echtscheiding. — Zonde.\' naaste erfgenamen. — De morgen van den trouwdag. — Een gelukkighuwelijk. — Een ongelukkig huwelijk. — Fritsje\'s levenstaak. — 11234. — Geen geheimen. — Wat in de pen bleef. — Schijndoode liefde.
»Dit boek heeft alle aanspraak op een woord van aanbeveling. Om inhond en vorm is het uitnemend geschikt voor dames-lectuur. Het is een stuk leven, dat de schrijfster met veel talent op het papier heeft gebracht.quot;
Do Huisvrouw.