-ocr page 1-

PROEVE

gegrond op de adviezen der Staatscommissie en de quot;quot;.vet Beegansius

A. O. RE HM,

Luitencutt-Kulond der Ijifanterie.

ZUTl\'HKN, W. J. THIEME amp; Cie. 1894.

-ocr page 2-

I. oct.

-ocr page 3-

Organisatie der Nederlandsche Strijdkrachten.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

J7quot; f 0 3.3 fS

PROEVE

EËNËK

Nederlandsclie StrjiracMen

gegrond up de adviezen der Staatscoimnissie en de wet Eergansius

DOOR

A. O. REHM,

LiUtenunt-Kolonel der Infanterie.

- -

ZUTPHKN,

W, J. T HIE ME amp; Ciu.

1894.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

INLEIDING.

Nagenoeg eene kwarteeuw is yerloopen sinds de oorlog van 1870—71 de Nederlandsche natie uit haren slaap wakker schudde en deed begrijpen dat hare legerorganisatie niet meer voldeed aan de behoefte van den tijd.

14 Ministers van Oorlog hebben in die jaren aan de groene tafel plaats genomen.

7 Ontwerpen tot herziening van de militiewet zijn door hen aan de Kamers aangeboden of waren in staat van wording.

Niet een daarvan mocht de goedkeuring der Kamers verwerven.

Door eene uitgebreide commissie voorgelicht, bracht eindelijk de minister Bergansius een ontwerp ter tafel, dat aan de nieuwe eischen van legervorming en aan de belangen der verdediging voldeed.

De persoonlijke dienstplicht vormde den grondslag van deze militiewet.

Met spanning zag men in het leger en daar buiten de debatten te gemoet, waartoe deze wet in de Kamers aanleiding zou geven.

Liberalen en anti-revolutionairen schenen zich te zullen Organisitie Oer Ned. Strijdhrachten.. 1

-ocr page 8-

Vereenigen om het schip de behouden haven te doen bereiken.

Maar het bleek eene ijdele verwachting.

Eene reeks van amendementen zocht de teere plant van den persoonlijken dienstplicht in hare levensvatbaarheid te smoren.

Men hoopte steeds dat de minister het een of ander amendement onaannemelijk zou verklaren en de wet intrekken.

De moedige en vaderlandslievende minister stond pal. Al waren hot ook harde en droeve uren , die hij in de Kamer doorbracht, al trilde zijne stem ook soms als hij zich tegenover zijne vrienden moest verdedigen, hij bleef moedig op de bres , hij verdedigde zijn wetsontwerp met volle overtuiging en zonder te wankelen.

Reeds was de behouden haven in het gezicht. Nog maar eene luttele spanne tijds en men kon het anker laten vallen !

Juist hierop hadden de tegenstanders hunne kans berekend ; de ophanden zijnde verkiezingen was hunne achterdeur. Het ontwerp leed schipbreuk op gebrek aan tijd en bleef onafgedaan.

Eene nieuwe Kamer, nu met eene liberale meerderheid , zou het natuurlijk als haar eerste werk beschouwen om de onafgedane wet weder ter tafel te brengen. Doch ook hierin faalden de berekeningen. De nieuwe regeering had geen haast. Zij gaf aan andere hervormingen de voorkeur : herziening van de belastingen, van de kieswet; de verdediging raakte op den achtergrond. De minister van oorlog, die een hervormer scheen te zullen zijn, heeft tot nog toe die hoop niet verwezenlijkt.

Wel bereikte ook nu een wetsontwerp de Kamer, maar het ligt daar nog steeds wachtende op afdoening en het heeft alle kans om niet in behandeling te zullen komen.

-ocr page 9-

s

De Ncderlandsche natie wacht geduldig, zal de vijand ook wachten ? Zal het „te laatquot; voor Nederland nimmer weerklinken ?

Zullen de ontketende hartstochten, die in het volk door gewetenlooze raddraaiers tot vollen vlam worden aangeblazen , niet te laat doen beseffen hoe nuttig een krachtig , vertrouwbaar leger is ?

Zullen de gegoede standen, dc gezeten burgerij , de neringdoenden niet het best hunne belangen kunnen verdedigen , als zij zich onder het roemrijk vaandel van het leger scharen, wanneer de wrevel van het volk eenmaal zijn toppunt zal bereikt hebben ?

Is hot niet hoog tijd om tot invoering van den persoonlijken dienstplicht over te gaan ?

Dat we hiervan een voorstander zijn, zullen we niet behoeven te betoogen , ik geloof niet dat een officier van het Jïederlandsche leger uit overtuiging of uit studie andere denkbeelden huldigt. Zelf meen ik te mogen aannemen , dat, behalve in enkele districten, of liever enkele partijen, het Nederlandsche volk over het algemeen genoeg gezond verstand heeft om te begrijpen, dat do persoonlijke dienstplicht een noodzakelijke eisch is van den tijd, zoowel om moreele en staatkundige als redenen van eigen belang.

We willen dan ook geen pleidooi houden voor den persoonlijken dienstplicht. Daar echter in de laatste jaren de vraag der meest wenschelijke vorm van legerorganisatie voor Nederland niet meer ter sprake wordt gebracht, hetzij door afmatting, hetzij uit moedeloosheid, hetzij omdat men nog steeds het wachtwoord huldigt te zwijgen om de plannen van den minister niet te dwarsboomen — hetgeen nu niet meer wenschelijk is, want de plannen van dezen minister vinden geen weerklank, geen instemming in het leger — willen we die vraag eens weder op op het tapijt brengen.

-ocr page 10-

4

We gaan hiertoe te eerder over, daar, met liet oog op de uitbreiding, die wenschelijk wordt geacht, van de stelling van Amsterdam en scne eventueele droogmaking van een deel der Zuiderzee, er reeds stemmen opgaan om de Nieuwe Hollandsche waterlinie niet meer in te richten volgens de eischen des tijds en ous verdedigingsstelsel in de eerste plaats te baseeren op een krachtig, of althans krachtiger leger, dat in staat moet zijn onze neutraliteit te handhaven.

Zwijgt het leger , legt het zich neer bij de plannen der regeering om kiesrecht, belastingherziening, arbeiderswetgeving te laten voorgaan, laat het geene waarschuwende stem meer hooren, dan kan de burgerij zich ook verantwoord acliten als zij den gehaten algemeenen dienstplicht voor goed of althans zoo ver mogelijk van de baan schuift.

Een stoot aan te brengen tot het weer doen opluiken van de gedachte aan den heiligen plicht der landsverdediging en als gevolg daarvan de noodzakelijkheid van de reorganisatie van ons leger is het doel van dit schrijven.

-ocr page 11-

I.

Nederland heeft het voordeel bij liet laat invoeren van den persoonlijken dienstplicht: dat het bij de andere mogendheden kan te rade gaan, dat het de verschillende nuances van legervorming daar ingevoerd kan toetsen aan de gevolgen daar ondervonden, dat het de fouten daar begaan kan nalaten , het goede kan navolgen, dat het iu plaats van herhaalde wetsveranderingen, die bij do meeste staten voorkwamen, welke den persoonlijken dienstplicht invoerden, op eens een rationeel stelsel kan kiezen en tijdroovende, gevaarlijke proefnemingen kan vermijden.

De Europeesche legers kan men verdeelen in drie soorten: lquot; Aangeworven-, 2« Gemengde-, 3e Nationale- of Volkslegers.

Het eerste stelsel was algemeen in gebruik in de vorige eeuw ; het werd geheel verworpen, omdat deze wijze van legervorming geen voldoend talrijke legers leverde, zelf niet tegen groote geldelijke offers.

De koloniale mogendheden Engeland en Nederland onderhouden nog aangeworven legers in hunne koloniën, in Frankrijk en Duitschland gaan ook stemmen op om voor de koloniën zulke legers te organiseeren. In Zweden heeft men nog een geworven leger in de Vaerfvade , stamtroe-pen aangeworven voor 6 jaren.

Het tweede stelsel verving op het laatst van de vorige

-ocr page 12-

eeuw de aangeworven legers en was tot op een twintigtal jaren bij alle Europeesche legers in gebruik behalve in Pruisen: liet is nog vigeerende in Engeland, Nederland, België en Zweden.

Het bestaat uit een beperkt permanent leger, voltallig gehouden door werving of conscriptie, waarnaast eene talrijke burgermilitie, schutterij of nationale garde, waarvan de groote massa niet heeft gediend. Over het geheel genomen zijn die legers tamelijk solide en geschikt voor oorlogen, die geen al te snel verloop hebben; de geoefendheid der burgermilitie laat echter veel te wenschen over en het vordert in oorlogstijd veel tijd om haar tot een bruikbaren troep te vormen.

De tegenwoordige snelle wijze van oorlogvoeren, nuliet geldt binnen den kortst mogelijken tijd de beschikbare massa\'s tegenover den vijand te brengen, laat geen oefening gedurende den oorlog meer toe.

liet geoefende, geëncadreerde, snel gemobiliseerde gedeelte der weerkracht komt alleen in aanmerking om den strijd te voeren en is bij legers van dit stelsel te gering in getalsterkte.

Het derde stelsel. Deze formatie van den nieuwen tijd is sinds den oorlog van 1866 door eenige Europeesche mogendheden overgenomen van Pruisen en na dien vau 1870—71 door de meeste andere gevolgd.

De kracht dezer legers is onuitputtelijk, telkens en telkens treden nieuwe geoefende drommen te voorschijn, het geheele weerbare volk is in oorlogstijd soldaat; iedereen heeft in de nuttige leerschool van het leger de kracht verkregen , de overtuiging in zich voelen wakker worden, dat hij in staat is zich te verdedigen ; hij heeft zijn lichaam gehard, zijne hand geoefend, zijne persoonlijke zelfzucht leeren breidelen, zijn wil ondergeschikt leeren maken aan het algemeen belang.

-ocr page 13-

7\'

Allen hebben de ijzeren discipline leeren kennen, die de legers in staat stelt tot de grootste daden van moed, zelfopoffering en zelfbelieersching daar, waar liet geldt het bereiken van een verheven doel, waar het geldt de onafhankelijkheid, den roem van het vaderland hoog te houden.

Do beide eerste stelsels van legervorming zullen we niet verder bespreken: zij behooren tot het verleden, al komen ze nog sporadisch voor in Europa, zij hebben hun tijd gehad ; wij zullen ons alleen bepalen tot de nationale of volkslegers.

Deze kan men weer rangschikken in drie categoriëen.

le De legers met een sterk vredeseffectief, verkregen door een langdurig verbljjf onder de wapens en groote jaarlijksche contingenten.

2e Die met een beperkt vredeseffectief, dikwijls alleen bestaande uit permanente kaders.

3e Die zonder eigenlijk vredeseffectief, de militielegers.

Tot de eerste categorie behooren de legers der groote mogendheden Duitschland , Frankrijk , Oostenrijk , Italië en Rusland, zoomede die van Turkije, Spanje en Portugal.

Tot de tweede categorie, dikwijls nauw verwant aan de eerste categorie, de legers van Rumenië, Bulgarije, Servië, Griekenland , meer bepaald daarvan onderscheiden het leger van Denemarken en de Hongaarsche Honveds.

Tot de derde categorie de legers van Zwitserland, doorwegen , Zweden (Bevaering). Al deze legers en zetfs dat van Japan worden gevormd door persoonlijken en meest door algemeenen dientplicht.

Het zjjn veelal finantieële overwegingen, die de staten van den 2cn en 3en rang doen overgaan tot de legervorming der 2e categorie en hen noodzaken een minder sterk vredeseffectief te onderhouden, dat dan ten eerste bestaat

-ocr page 14-

8

uit de kaders, die permanent bezoldigd worden en de militie jaarlijks moeten vormen.

Bij de derde categorie spelen de finantieële eischen mede een hoofdrol, maar het zijn ook sterk vrijheidlievende volken, die ongaarne permanente legers in hun midden zien verrijzen en die door de ligging en de natuurlijke gesteldheid van hun vaderland zich meenen te kunnen tevreden stellen met algemecne wapening, gepaard echter met zeer geringe oefening van elk individu in het bijzonder.

De legervorming van de 1° categorie beantwoordt natuurlijk het beste aan de eischen, die men aan een leger moet stellen.

De dienstplichtige, die hier geruimen tijd achtereen onder de wapens blijft tot eerste oefening, varieërende van 3 tot 5 a 6 jaren, wordt in dien tijd een volmaakt soldaat.

Hij leert alle nuances van het oorlogshandwerk kennen, kan tot een volleerd schutter, een geoefend kampvechter, een onvermoeid voetganger worden gevormd.

Die legers zijn, behalve tot verdediging van eigen grondgebied, tevens bestemd om de algemeene, groote Europee-sche belangen te dienen, zij moeten dus dikwijls aanvallend te werk gaan.

De soldaat in zulk een leger moet, behalve in het bezit van de krijgsdeugden: voorbeeldige krijgstucht, gehechtheid aan zijn vaandel, moed, dapperheid, doodsverachting, ook nog gehard zijn tegen weer en wind; hij moet zich overal te huis gevoelen, hij moet vermoeienissen en ontberingen kunnen verdragen, geoefend zijn in alle phasen, die den strijd kan aannemen, zijne spierkracht moet gestaald, zijne geoefendheid in het marcheeren moet buitengewoon ontwikkeld worden; hij moet heden in Frankrijk, morgen in Turkije of in Rusland kunnen strijden, zonder

-ocr page 15-

9

dat het verschil van klimaat, van voeding, van legering buitengewonen invloed op zijne gezondheid uitoefent.

Is het voor dergelijke legers eene levenskwestie om den soldaat zoolang onder de wapans te houden, tot dat hij alle eigeusohappen van een goed veldsoldaat heeft verkregen, naast hunne veldlegers hebben die mogendheden nog troepen, bestemd tot verdediging vau eigen grondgebied, Land-wehr, milice territoriale, mobil miliz, Reserse. Deze troepen zijn samengesteld uit manschappen, die meest allen gediend hebben, dus geoefend zijn; doch eene langdurige terugkeer tot hunne beroepsbezigheden heeft hun langzamerhand dien echten soldatengeest weder doen verliezen; zij worden bovendien niet enkel door beroeposfficieren aangevoerd.

Toch zijn zulke troepen in 1870—71 door de Duitschers in het veld gebezigd, al is het ook in de 2° linie, en met een uitmuntend succes. De troepen , die Straatsburg en Belfort belegerden, waren voor de helft landweermannen, de landweer nam een werkzaam deel aan de belegeringen of beschietingen van Toni, Breisach, Schlettstadt, Verdun, La Fore, Montinédy, Diedenhoven en Mezières. De le en 4e reserve divisie vochten zelfs in het open veld en namen roemrijk deel aan den Sdaagschen veldslag aan de Lizaine.

Hebben de Duitschers zich te beklagen gehad over hunne landweer? Integendeel zij mogen er trotsch op zijn.

Al vochten die mannen niet voor hunne have en goed, al verdedigden zij niet huis en haard, zij hebben zich niet minder dapper betoond.

Wel hadden zjj een uitmuntende leerschool, den driejarigen dienstplicht, achter den rug, maar velen waren reads jarenlang tot het burgerlijk leven teruggekeerd.

AVat hun de kracht gaf, wat hen onoverwinnelijk maakte: zij werden goed aangevoerd en hadden een blind

-ocr page 16-

10

vertrouwen in hunne officieren, wel wetende dat deze hun het pad van eer en plicht zouden wijzen en bekwaam waren voor limine gewichtige taak.

Dit vertrouwen kweekt krijgstucht van de echte soort on militairen geest.

Zijn de aanvoerders goed, munten zij uit door kennis, studie, beschaving en karakter, door militaire deugden, dan zullen de soldaten hen overal volgen, onverschillig of zij wat langer of korter onder de wapens hebben gestaan, of zij de kazerne eerst onlangs of reeds voor ge-ruimen tijd hebben verlaten.

Omdat de resultaten dan ook goed kunnen zijn, al stelt men de eischen niet zoo hoog, hebben vele mogendheden, gedwongen door finantieële overwegingen, besloten de 2e categorie van legervorming aan te nemen.

In deze legers bestaat de kern uit een uitmuntend korps officieren en onderofficieren, dat permanent wordt onderhouden, dat in de jaarlijksche oefening der militie de gelegenheid vindt om op de hoogte te b 1 ij v e n van de eischen van den oorlog, dat, goed betaald, goed verpleegd en op oordeelkundige wijze aangevuld en opgeleid, de militie, die korten tijd dient, tot een krachtig geheel moet vormen, haar moet voorgaan, haar tot eene ijzeren plichtsbetrachting, een moedig volharden, een geduldig verdragen van vermoeienissen moet weten te bezielen.

Zonder die kaders, niet alleen bestemd tot oefening en opleiding in vredestijd, maar vooral tot aanvoering inden oorlog, zouden die manschappen geen voldoenden steun in zich zei ven hebben om de moeilijkheden en teleurstellingen van den oorlog met kracht te dragen, zouden die legers wellicht spoedig uiteenspatten na een of meer nederlagen.

Is de aanvoering goed,, heeft de soldaat een onbeperkt vertrouwen in zijn aanvoerder, dan kan men van dit

-ocr page 17-

11

soort van legervorming, dat voornamelijk bestemd is voor de verdediging, ook met recht goede resultaten verwachten; want deze legers strijden op eigen bodem, voor huis en have, de af te loggen afstanden zijn veel geringer, de soldaat is gewend aan het klimaat, waarin hij is grootgebracht, hij kent de eigenaardigheden van den bodem, den toestand van zijn land beter, vindt bij de bevriende bevolking veel meer hulpmiddelen, de verpleging der troepen gaat met minder moeielijkheden gepaard.

Veelal hebben die legers een positiekrijg te voeren, versterkingen te verdedigen, zooals: de stelling van Antwer-werpen, van Bucharest, de vesting Holland, de bergstreken van Zwitserland, Noorwegen of de Balkan-Staten.

Strijdende voor zijne have, zijne betrekkingen en de vrijheid, heeft de soldaat de volhardingen de verbittering, waarmede alle wezens bezield zijn, wanneer zij bedreigd worden in hetgeen hen het dierbaarste is op aarde.

Hij kan, een goed, een dapper, een uitstekend soldaat zijn, zonder daarom jaren achtereen gediend te hebben, zonder den oorlog in al zijne vormen te hebben leeren kennen.

Een vereischte voor zulke legers is echter dat de soldaat, die minder bedreven is, die zich meer door zijne zedelijke eigenschappen onderscheidt dan door militaire geoefendheid, een krachtigen steun vindt in zijne aanvoerders. Met goede aanvoerders, die in het terrein te huis zijn, die alle omstandigheden kennen, waarin de oorlog hen kan brengen, die zich goed hebben voorbereid — en dat kunnen zij, dat kan en moet men van een goed korps officieren vorderen en verwachten — zal men ook met zulke soldaten uitstekende resultaten kunnen verkrijgen.

De diensttijd in deze legers varieert van 6 maanden tot 2 jaren, afgebroken door verloven en wanneer zulk een leger mobiel wordt, bestaat het voor het grootste deel uit

-ocr page 18-

12

manschappen, die reeds geruimen tijd hnnne beroepsbezigheden hebben hervat, aan hot soldatenleven ontwend zijn, zoodat de aanvoering hier een vrij zware taak te vervullen heeft.

Zulke legers, zelfs met zeer beperkten diensttijd, kosten door de uitgebreidheid , die de hedendaagsche legers hebben verkregen, toch nog groote sommen.

Kan men zulke finantieële offers niet brengen, is de draagkracht der bevolking hiertoe niet in staat, dan heeft men de keuze tusschen het verkorten van den diensttijd voor eerste oefening of het verminderen der getalsterkte.

Komt daarbij nog de factor, dat het volk ongaarne een sterk permanent leger in zijn midden ziet; heeft het land moeilijk te overschrijden grenzen, bergterreinen, eilan-denvorm, is het in het algemeen gemakkelijk te verdedigen, dan ziet men de 3e categorie van legervorming toepassen.

Het leger bestaat dan geheel, zoowel het kader als de manschappen, uit militie; alle rangen en graden worden door burgers vervuld, die hunne oefening moeten verkrijgen in opzettelijk daartoe ingerichte opleidingsscholen, die vrij talrijk moeten zijn.

De soldaten dienen zeer kort, of eigenlijk in het geheel niet: zij worden in het eerste jaar eenige maanden of weken vereenigd in hunne districten of kantons tot liet aanleeren van de noodzakelijkste elementaire zaken, en komen verder nu en dan enkele dagen op tot herhaling van het geleerde.

Om aan den korten oefeningstijd tegemoet te komen, wordt de jeugd bij het lager- en middelbaar onderwijs veel met lichaamsoefeningen bezig gehouden, als turnen, zwemmen, exerceeren, zelfs wordt de hoogste gymnastiek-klasse onderwezen in het schieten.

Dit ouderwijs wordt voortgezet in door het gouvernement opgerichte of gesubsidieerde vereenigingen.

-ocr page 19-

13

Zulke legers, waarin de geheele weerbare mannelijke bevolking, van het 20^ tot het 45e levensjaar, wordt opgenomen, zijn in staat tot eene buitengewone krachtsontwikkeling, veel grooter dan met kaderlegers het geval is, maar of die legers voldoende stabiliteit zullen bezitten, of de weinig geoefende aanvoerders, die hun militairen rang of graad als eene bijzaak moeten beschouwen, in oorlogstijd voldoende op de hoogte zullen zijn om goede aanvoerders te mogen heeten , valt zeer te betwijfelen.

Bovendien munten de volken, die deze wijze van legervorming hebben toegepast, uit door vaderlandsliefde, een sterk ontwikkeld vrijheidsgevoel, eene bijzondere levenswijze; zij zijn zeer ontwikkeld— in Zwitserland, Zweden en Xoorvvegen kan iedereen lezen en schrijven — zij ziju in hunne bergstreken dikwijls geoefende jagers, goede schutters, die moedig gevaren en vermoeienissen trotsee-ren. De natuurlijke gesteldheid van den bodem komt de verdediging krachtig te hulp, zij hebben het klimaat op hunne hand en de strijd krijgt door dit alles een eigenaardig karakter, waarbij zelf de geoefende soldaat dikwijls fe kort schiet, getuige het gevecht bij Langeneck, waaide geregelde Britsche infanterie een nederlaag werd toegebracht door de gewapende boeren van de Transvaal.

De ondervinding in Europa opgedaan met militielegers is echter zeer weinig aanmoedigend tot proefnemingen op dit gebied, getuige de Servisch-Turksche oorlog in 1876, waar het Servische militieleger al vrij spoedig de vlag moest strijken voor de Turksche geregelde troepen.

De Servische regeering verving het militieleger dan ook in 1883 door een kaderlegor met tweejarigen dienstplicht. Toen nu in 1885 verwikkelingen uitbraken met Bulgarije, was het Servische leger nog grootendeels een militieleger, nog slechts weinigen hadden 2 jaren gediend. De uitkomst was andermaal zeer onbevredigend: hoewel het Servische

-ocr page 20-

14

leger het Bulgaarsche in getalsterkte verre overtrof, werd liet overal geslagen en moest men al zeer spoedig tot den terugtocht besluiten.

Algemeen waren de klachten over weinige manoeuvreerbaarheid , onvoldoende veiligheids- en kondschapsdienst, slechte marsch- en gevechtsdiscipline, gebrek aan orde en tucht, verspillen van munitie door het vuur op te groote afstanden te openen en te blijven schieten totdat alle patronen waren verschoten ; de salvovuren ontaarden al spoedig in een slecht gericht snelvuur. Bij het minste echec ontstond gemis aan vertrouwen in de aanvoerders; desertion, moedwillige verminkingen om zich voor goed aan den dienst te onttrekken, werden herhaald geconstateerd.

L)e gevolgen hiervan waren een krachtig optreden van de uitvoerende macht, vele krijgsraden, een aantal execution, die dikwijls toch het gewenschte gevolg niet hadden.

Het leger leed aan het gebrek van een voldoend sterk geoefend kader, beroepsofficieren en onderofficieren; men bracht groote massa\'s op de been, die niet behoorlijk ge-encradreerd waren, de groote fout van alle militielegers: luitenants voerden bataljons, onderofficieren compagnieën aan. De aanvoerders waren niet berekend voor hunne gewichtige taak.

Het is zeer wel mogelijk dat in vervolg van tijd vele staten tot invoeren van militielegers zullen overgaan. Misschien is deze legervorm die der toekomst, omdat zij de grootste krachtsontwikkeling toelaat in oorlogstijd met de minste kosten en opofferingen in vredestijd, omdat zij het ideaal is van oen volksleger, gereed om de aangerande vrijheid te verdedigen. De vraag is echter zeker gewettigd, of het nu al den tijd is om dezen legervorm in te voeren, nu bijna alle mogendheden in Europa over zulke krachtige en goed toegeruste legers kunnen beschikken?

Nederland heeft ook eigenaardige terreinen: de lage ge-

-ocr page 21-

deeltelijk onder water gezette polders met de smalle accessen door forten en veldwerken afgesloten, laten eene minderheid toe eene meerderheid het hoofd te bieden.

Het Xederlandsche volk heeft in zijn vrijheidszin, in zijne geschiedenis, in zijne traditie, vele zedelijke hef-boomen om het moreel van zijn leger te verhoogen, doch het Sederlandsche volk, hoe prat ook op de vrijheid, is geen soldatenvolk, geen volk als de Zwitsers of de Noren, van der jeugd af vertrouwd met gevaren en met schietwapenen.

Ging men over tot het aannemen van een militieleger, dan zou men eerst verplicht school- en vooral gymnastiekonderwijs moeten invoeren in navolging van Zwitserland; want alleen de oefening van de jeugd kan aan de mindere militaire oefening op lateren leeftijd tegemoet komen.

De opleiding der jeugd zou eene geheele ommekeer moeten ondergaan, het gymnastiek onderwijs zou in alle gemeenten verplichtend moeten worden voor alle scholen tot een zekeren leeftijd. De regeering zou een wakend oog moeten houden op dit onderwijs, dat het in goede richting werd gegeven, dat daaraan de noodige uren werden besteed, de juiste oefeningen plaats hadden. Militaire onderwijzers zouden die eerste gymnastische oefeningen later moeten verbinden met exercitiën, marschen enz.

Zou men dat gedaan krijgen in Nederland, waar de schoolkwestie al zooveel strijds heeft gekost, de gemoederen al zoo heeft verbitterd, waar men vreesde dat de heiligste belangen zouden gevaar loopen, zelf dan wanneer het bezoeken van de school geheel werd vrijgelaten?

Hoe geheel anders als het schoolonderwijs verplichtend werd, als bepaalde uren aan militaire oefeningen moesten worden besteed, als de militaire onderwijzer in de school verscheen.

Last not least, al kreeg men het er door, al gaven

-ocr page 22-

16

katholieken, anti-revolutionairen en doleerenden hun dierbaar kleinood prijs, al tolereerden zij op hunne bijzondere scholen en scholen met den bijbel den militairen onderwijzer, den regeeringsdocent, wat al niet jaren zouden er moeten verloopen, voordat dit stelsel vruchten zou kunnen dragen voor de vorming van het leger?

Zijn dit de verschillende stelsels en categoriën van legervorming, thans dienen we na te gaan, uit welke onder-deelen de legers bestaan.

Vooreerst heeft men de verschillende wapensoorten: infanterie, cavalerie, artillerie, genie, technische en hulpdiensten, die in zekere verhoudingen dienen vertegenwoordigd te zjjn; hiermede willen we ons echter nu niet inlaten om ons meer te bepalen tot de verdeeling der troepen naarmate van hunne bestemming in veldleger, bezettingstroepen, depots, reserven enz. In alle legers onderscheidt men drie hoofdafdeelingeu, troepen uit de le, 2° en 3e linie genoemd, elke linie met hare aanvullings-troepcn, depots.

Die uit de eerste linie vormen het staande leger (veldleger en de kern der bezettingstroepen), zij bestaan uit de jongste jaargangen der dienstplichtigen.

Bjj de eene mogendheid ziet men hiertoe 7, bij de andere 14 jaargangen bezigen.

Over het algemeen wordt het staand leger gevormd uit 2—6 jaargangen, die tot eerste oefening onder de wapens zijn, aangevuld door eenige jaargangen die reeds met groot verlof waren vertrokken.

INaast het staande leger zien we troepen in de 2° linie, de eigenlijke reserven optreden, gevormd, hetzij uit de volgende jaargangen, hetzij uit de vnjgebleven hooge nummers van het jaarlijks contingent, hetzij uit beiden (Oostenrijk). Zij zijn bij een oorlog, gevoerd op vreemd grondgebied, bestemd tot het doen van belegeringen in den

-ocr page 23-

17

rug van het operatieleger, tot het bewaken van etappe-lijnen, het geleiden van krijgsgevangenen en transporten of tot versterking; bij een verdedigenden oorlog vullen zij de bezetting der versterkte plaatsen aan, vormen de reser-ven en dienen voor de eigenlijke landsverdediging.

Tot aanvulling van geleden verliezen hebben staand leger en reserven hunne depots, gevormd uit de vnjge-bleven hoogste nummers, uit eenigzins zwakken en minder geschikten, die niet dadelijk bruikbaar zijn voor den dienst te velde, uit kostwinners, eenige zoons en zij die wegens broederdiensten van langdurigen vredesdienst worden vrijgesteld.

Zij worden slechts voor korten tijd of in het geheel niet onder de wapens geroepen in vredestijd en leeren alleen de elementaire zaken. Voor hen bestaat nog gelegenheid tot oefening gedurende den oorlog.

De troepen uit de 3e linie dienen tot plaatselijke verdediging, grensbewaking en speciale diensten; zij bestaan uit alle weerbare mannen van 20—45 jaren, die niet reeds tot de bovengenoemde categorieën behooren; zij worden in vredestijd niet geoefend, zijn niet overal uitgerust en bewapend, over hen wordt naar gelang der behoefte eerst beschikt.

Deze geheele macht, die bij de mogendheden van den eersten rang tot in het millioen aantal strijders loopt en bij de andere mogendheden eenige tienduizendtallen telt, moet van een behoorlijk kader, van aanvoerders worden voorzien.

Wilde men hiervoor alleen beroepskader bestemmen, dan zouden de kosten veel te hoog loopen, zoodat men er zich toe beperkt om de troepen in de eerste linie, het staande leger en de depots geheel van permanent kader, beroeps-officieren en onderofficieren te voorzien, die in de tweede linie gedeeltelijk, in ruil voor reservekader.

Organisatie der Ned. Strijdkrachten. 2

-ocr page 24-

18

Om de massa echter behoorlijk te encadreeren heeft men naar andere middelen moeten omzien; daarom men heeft zoogenaamd militie- of reservekader gevormd.

In den beginne meende meu in het militiekader een bron te vinden, die het mindere kader geheel zou kunnen leveren; vooral in Frankrijk maakte men zich hieromtrent illusiën.

Bij de invoering van den algemeenen dienstplicht werd daar bij de wet van 1872 bepaald, dat er geene geldpre-miën, noch reëngagementsgelden meer werden verleend, ieder Franschman was dienstplichtig.

Men verwachtte van een dienstplicht van 5 jaren en de eenjarige vrijwilligers, die men op 20000 per jaar schatte, voldoende stof tot kadervorming.

Spoedig zag men zich in zijne verwachtingen teleurgesteld : het militiekader bleek nagenoeg in alle staten weinig bruikbaar, het had te weinig practische ervarenheid; al was het ook met den besten geest bezield, men kon het de opleiding der rekruten niet toevertrouwen, het kou wel tot aanvulling, niet tot kern dienen.

Overal was men genoodzaakt, behalve een permanent korps officieren, ook een korps onderofficieren in dienst te houden.

De kwestie der onderofficieren was jaren lang eene question bruiante in Europa.

Allerlei voorstellen werden gedaan om het in dienst blijven voor de onderofficieren aannemelijker te maken: hooge reëngagementsgelden, toestemming om te huwen, voorrechten werden aan oudgediende onderofficieren verleend, men ging tot uitbreiding of oprichting van onder-officiersscholen over, en het gelukte de meeste mogendheden tamelijk wel om zich een voldoend talrijk kader onderofficieren te verzekeren , dat in oorlogstijd het geheele staande leger kan encadreeren , of wel in ruil tegen re-

-ocr page 25-

19

servekader de troepen uit de 2« linie van geoefende mindere aanvoerders voorziet.

Het reservekader wordt gevormd uit de militie, het bestaat uit officieren en onderofficieren.

De reserve-officieren worden getrokken uit de meest ontwikkelde elementen der militie , uit hen die door het vertoonen van een diploma van studie voldoende bewijzen leveren, dat zij wetenschappelijk ontwikkelde menschen zijn.

Men staat hun meestal eene verlichting toe in het vervullen van hun dienstplicht, om zoodoende de beste krachten niet te lang aan de maatschappij te onttrekken en hen ten andere te nopen zich te bekwamen voor de vereischten, voor reserve-officier gevorderd.

Reserve-onderofficieren worden gevormd uit bovengenoemde aspiranten , die of niet geplaatst kunnen worden als reserve-officier door gemis aan vacatures, of niet geheel voldoen aan het examen en verder uit de beste elementen der dienstplichtingen, bij voorkeur uit hen, die de scholen voor lager onderwijs met vrucht hebben doorloopen.

ilaat een jaargang na bepaalden tijd over in de reserve, in den landstorm , dan neemt hij van zelf zijn reserve-kader, officieren en onderofficieren, mede en zoo wordt geleidelijk in de encadreering der opvolgende categorieën voorzien.

Deze wijze van kadervorming is, evenals het geheele stelsel van legervorming, van Pruisen overgenomen en de vorming van reserve-officieren wordt, naar de daar gebruikelijke benaming, het stelsel der eenjarige vrijwilligers genoemd.

Wat is n.1. het geval. Terwijl de andere dienstplichtigen voor 3 jaren permanenten dienst worden ingelijfd, heeft de eenjarige vrijwilliger het recht na een jaar dienst met groot verlof te vertrekken.

Oogenschijnlijk is dit een zeer onrechtvaardig praero-

2*

-ocr page 26-

20

gatief voor de gegoede standen, in werkelijkheid heeft dit denkbeeld bij de Pruisische legervorming nimmer ten grondslag gelegen en is de wet daar ook nooit in dien geest toegepast.

De staten, die den algemeenen dienstplicht in navolging van Pruisen later invoerden, lieten zich echter verleiden tot afwijken, tot schipperen. Men wilde de invoering wat aannemelijker maken , vooral voor de meer gegoeden , die over de aanneming der wet te beslissen hadden als afgevaardigden. Het stelsel der eenjarige vrijwilligers was de reddingsplank die men hen toestak.

Hierdoor werd bet denkbeeld, dat in Pruisen tot grondslag diende, niet alleen verwrongen, maar men verkreeg ook zeer onbevredigende resultaten.

Wat was daar de grondslag tot het verleenen van het privilegie van den verkorten diensttijd?

Waren het private belangen, die bij de samenstelling der wet hun invloed hadden doen gelden ?

Hadden deze de wet in hun belang weten te exploi-teeren ?

Hadden overwegingen voorgezeten om de meer bevoorrechten en ontwikkelden den dienst wat gemakkelijker te maken, om deze klasse der maatschappij met den algemeenen dienstplicht te verzoenen ?

Geenszins! de algemeene dienstplicht had zich baan gebroken in dagen van -beproeving, in dagen van rouw , toen vorst en volk door een gemeenschappelijk gevoel van ondergane vernedering zich meer genaderd waren.

Bij de opvolgende wetten , die de legervorming golden, werden steeds de eischen van den staat en van het leger voorop gesteld, de particuliere belangen bleven op den achtergrond: voor een vuig egoisme der gegoede standen was bij deze regeling geen plaats.

De leidende gedachte bij het verleenen van dit privi-

-ocr page 27-

21

legie was geweest om hen, die voor de maatschappij nuttig kunnen worden, hetzij bij het onderwijs, hetzij bij de rechtspleging, hetzij bij andere takken van wetenschap, van openbaren of burgerlijken dienst, hen die uitmunten in schoone kunsten, niet langer aan hunne studiën en aan de maatschappij te onttrekken dan hoogst noodzakelijk was.

Hot langdurig onttrekken aan hunne bestemming van hen, die zich toeleggen op wetenschap, kunst, industrie, koophandel, landbouw enz., die te zamen den staat doen bloeien, kan niet dan nadeelig werken op hun toekom-stigen werkkring, daar de eischen der wetenschap vorderen dat het eminente menschen zijn, die als voorgangers aan het hoofd staan.

Hot waren dus geene particuliere belangen, maar het was een goed begrepen staatsbelang, dat het privilegie in de wereld riep.

Om echter de deur niet open te zetten voor misbruiken, moest men hooge eischen stellen, en dat deed men ook.

ilen bereikte hiermede een drieledig voordeel.

1° Werden de staatsbelangen niet geschaad, was men verzekerd dat het evenwicht, dat door de nieuwe legervorming dreigde verbroken te worden, weder werd hersteld ; werden zij die later de staatsbetrekkingen moeten bekleeden , die door kennis of talenten uitmunten, welke den staat voordeel aanbrengen, niet te lang aan hunne studiën en dus aan hunne roeping onttrokken.

2C Verkreeg men, door den ontwikkelden een\'privilegie te verzekeren, een middel om deze aan het leger te verbinden, door te trachten hen tot aanvoerders te vormen , die door stand, beschaving en ontwikkeling reeds van zelf voor het gezag schenen bestemd te zijn , hetgeen met hunne intellectueele ontwikkeling spoedig kon worden bereikt.

-ocr page 28-

22

3e Werd het peil van het onderwijs, de graad van ontwikkeling verhoogd, want ouders, die anders hunne zonen geen wetenschappelijke opvoeding zouden hebben gegeven, gingen er nu toe over om hnn het voorrecht van het eenjarig vrjj willigerschap te verzekeren.

Alleen aan hen, die zich door intellectueele ontwikkeling onderscheiden en van wie het te verwachten is, dat zij het privilegie, dat de staat hun waarborgt, op andere wijze aan den staat en do maatschappij zullen vergoeden, kan men het voorrecht van korten diensttijd toekennen.

Welke eischen worden in Pruisen voor den eenjarigen vrijwilliger gesteld?

Om hot recht te verkrijgen om als eenjarig vrijwilliger in dienst te treden, moet de aspirant 9 jaren onderwijs genoten hebben, waarvan 6 jaren doorgebracht aan een gymnasium, pro- of reaal-gymnasium, reaal-of opper-reaalschool, gelijkstaande met onze hoogere burgerscholen en daar een diploma van studie hebben verkregen.

Hebben de aspiranten aan eene andere inrichting onderwijs genoten, dan moeten zij een testimonium van professoren kunnen vertoonen of wel aan een vastgesteld examen voldoen.

Dit examen wordt afgelegd voor eene commissie, bestaande uit 2 hoofdofficieren, de burgerpresident van den militieraad, een lid van de burgeradministratie en leeraren van inrichtingen van onderwijs. Het loopt over de Duitsche en Latijnsche taal en eene andere taal naar keuze , wiskunde , rekenkunde , geschiedenis en aardrijkskunde en dit niet oppervlakkig, maar men eischt eene vrij volledige kennis van de verschillende Vakken.

De aspirant moet, zonder de minste fout, een opstel in de Duitsche taal kunnen schrijven , een Latijnsch boek kunnen vertalen, de vreemde taal, die hij opgeeft, machtig zijn, de algemeene geschiedenis en aardrijkskunde en bo-

-ocr page 29-

23

vendien grondig en meer en détail de aardrijkskunde van Duitschland en de naburige staten en do Duitsche geschiedenis kennen; ook de kennis der wiskunde en rekenkunde moet vrij uitgebreid zijn.

Alleen zij die zich bijzonder onderscheiden, die specialiteiten zijn in schoone kunsten of wetenschappen, welke ten algemeenen nutte kunnen dienen , en die hiervan een authentiek getuigschrift kunnen overleggen, worden zonder examen als eenjarig vrijwilliger toegelaten.

Men heeft de eischen dus zoo gesteld , dat men verzekerd is, dat men aan geen onwaardigen dit voorrecht toekent.

Wat geschiedde nu bij de navolgers ?

In Oostenrijk, waar men na don oorlog van 1866 tot het invoeren van den algemeenen dienstplicht overging, beging men twee groote fouten , die nog als twee kankers aan do degelijkheid van het leger knagen en aanhoudend nieuwe wetten hebben noodzakelijk gemaakt.

le Yoerde men een staand leger en eene landweer in evenals in Pruisen, maar in plaats van alle dienstplichtigen eerst bij het leger in te deelen en daarna in de landweer te doen overgaan als opvolgende jaargang, liet men een gedeelte der dienstplichtingen dadelijk bij de landweer overgaan.

2e Stelde men veel te geringe eischen tot het verkrijgen van het recht om als eenjarig vrijwilliger te dienen en deelde men hen niet in bij de korpsen, maar schiep voor hen eene afzonderlijke inrichting, het instituut dei-eenjarige vrijwilligers.

Het eerste gaf aanleiding tot de grofste misbruiken ; wel zouden alleen de hoogste nummers voor de landweer worden bestemd, maar de gegoeden, die veel liever een paar maanden bij de landweer dan drie jaren in het leger dienden, wisten op allerlei wijzen hun doel te bereiken

-ocr page 30-

24

en het leger kreeg niet veel beter stof tot aanvulling dan vroeger.

Zelf het eenjarig vrijwilligerschap lokte hen niet: de landweer met zijn korten oefeningstijd was het groote lokaas, dat iedereen zocht te bereiken.

„Man sah, schrijft men in Oostenrijk in 1873, im „Traume leider, die Armee von jener Intelligenz über-„flutet.quot;

„Doch die Jahre zerrinnen nnd die Armee spürt nichts „von einer Intelligenz, die frnchtbringend fürsie würde.quot;

Een ander schrijft in 1874; „ilindestens ist die That-„saclie dass ein grosser, sogar der Haupttheil der intel-„ligenten, gebildeten nnd wohlhabenden Wehrpflichtigen, „also gerade Jene, an deren Heranziehung im Interesse „des stehenden Heeres am meisten gelegen ware, aus „naheliegenden Grimden die unmittelbare Einreihung in „die Landwehr anstrebt, dieselbe grössentheils erreicht, „somit für das stellende Heer ganzlich verloren geht.quot;

In de landweer dient de man in zijn geheelen militie-tijd 6 maanden, namelijk 3 maanden tot eerste oefening en verder de eerste 6 jaren, het eene jaar eene bataljonsoefening van 3 weken, het andere eene compagniesoefening van 14 dagen; in het staande leger dient hij 3jaren achtereen: is het dus wonder dat alle middelen worden aangegrepen om zich van den lastigen vredesdienst te ver-schoonen ?

Daar de landweer met het staande leger dadelijk uittrekt, tracht men zijn geweten en dat der medehelpers in slaap te sussen met het denkbeeld: in tijden van gevaar presteert men toch dezelfde diensten aan het vaderland.

Op deze wijze wordt eene vermomde plaatsvervanging in het leven geroepen, die te onrechtvaardiger is, omdat althans vroeger hij die voor een andei optrad, dit vrijwillig deed en geldelijk werd schadeloos gesteld, terwijl nu

-ocr page 31-

25

dezelfde oabilhjklieid bestaat, oogluikend wordt toegelaten zonder schadeloosstelling.

Doch dit is niet het eenige nadeel: de ontwikkelden, die nu zeer gemakkelijk in de landweer overgaan, doen dit liever dan zich een jaar dienst te getroosten als eenjarig vrijwilliger. De bron voor reserve-officieren ziet men hierdoor zeer verminderen.

„Die Aristocratie der Greburt, des Besitzes und der In-„telligenz ist heute in die jüngere Generation der Armee „so gut wie nicht vertreten.quot;

„Es kann nicht geleugnet werden, dass sich in Oeste-„reich-Ungarn grade jene Kategorie Wehriahigen der „Erfüllung der Wehrpfiicht am meisten und am leichtcsten „entzieht, deren Heranführung zum Waffendienst am nütz-„lichsten und am nöthigsten ware.quot;

Het instituut der eenjarige vrijwilligers, de tweede groote fout, leverde hierdoor zeer onvoldoende resultaten, hoeveel vrijheden men den jongelieden in den beginne ook toestond, hoezeer men de militaire diensten, dikwijls zeer ongeraden, achteraf zette om, zoo het heette, den jongelieden de gelegenheid te verschaffen hunne studiën voort te zetten.

Later werden vele dier vergunningen ingekort, nu zelf is bepaald, dat de eenjarige vrijwilligers zich gedurende hun diensttijd niet meer aan de studie mogen wijden, een tweede strafjaar is ingevoerd voor hen, die het eerste jaar geen voldoend examen afleggen. De opleiding blijft altijd eene theoretische op een instituut: alleen bij het regiment kan men de jongelui practisch vormen.

Ook lieten de elementen waaruit de eenjarige vrijwilligers in Oostenrijk werden getrokken, dikwijls veel te wen-schen over. Behalve met getuigschriften van gymnasiën, reaal- en hoogere burgerscholen kon men ook met getuigschriften van bijzondere scholen volstaan. Deze scholen

-ocr page 32-

26

scliijnen niet altijd van het beste allooi te zijn geweest, althans een Oostenrijksch schrijver kwalificeert ze met „obscure, achtungslose Schule.quot;

De getuigschriften werden uit verkeerde humaniteit — om de jongelieden van den driejarigen diensttijd te vrijwaren, of om de school meer reliëf te bezorgen —vrij gemakkelijk verstrekt, ja soms gekocht!

Zoo werden jongelieden opgenomen mot onvoldoende bekwaamheden en daar de staat jongelieden , die een bewijs van onvermogen overleggen, kosteloos opneemt, zag men het instituut der eenjarige vrijwilligers met een aantal ongeschikte vrijwilligers bevolkt.

De slechte resultaten bleven dan ook niet uit: terwijl in Duitschland gemiddeld de helft voldoende examen doet, waarvan er jaarlijks 1000 tot reserve-officier worden aangesteld en de rest onderofficier blijft, om bij mobilisatie een bron te vormen, waaruit het officierskader kan worden aangevuld, voldeden in Oostenrijk gemiddeld 280/o voor officier, 45% werden onderofficier, 17 % verkreeg geen graad.

Een en ander heeft de invoering van den algemeenen dienstplicht, wat zijne goede gevolgen voor het leger betreft, in Oostenrijk meer illusoir dan werkelijk gemaakt.

Het leger heeft er de voordeden niet van getrokken, die men met reden er van kon verwachten, het jaarlij ksch contingent is beneden de verwachting gebleven, zoowel wat geestelijke ontwikkeling als aantal aangaat; er waren herhaalde nieuwe wetten noodig om aan deze nadeelen te gemoet te komen, z. o. a. in 1883 de wet op de landweer, in 1886 die op den landstorm. (1)

De laatste heeft voornamelijk ten doel om aan de nadeelige uitkomsten, die de recruteering in Oostenrijk opleverde, paal en perk te stellen en door nu niemand vrij te stel-

1

In 1893 een tweedfi wet op de landweer. De^e eischt een diensl ■ tyd van twee, voor het kader van drie jaren, bi] de landweer.

-ocr page 33-

27

len, de goede krachten die aan het leger en de landweer ontsnappen, althans in den landstorm voor den staat te verzekeren.

De landstorm le ban vormt dan ook eene reserve voor het leger en de landweer en kan geheel of gedeeltelijk tot aanvulling in oorlogstijd worden bestemd.

Zou men ook bij ons geen groot gevaar loopen, dat de gegoeden hun heil zoeken in de schutterij, indien men bij een beperkt contingent van 11000 man, de overblijvende 15000 rechtstreeks bij de schutterij indeelt, zal het leger dan veel partjj trekken van den persoonlijken dienstplicht?

Hoe zal men reserve-officieren vormen, zoo noodig om die schutterij te encadreeren, als al wat ontwikkeld is, het leger ontvlucht en tracht ingedeeld te worden bij de schutterij ?

In Italië beging men bjj de eerste invoering van den algemeenen dienstplicht in 1872 dezelfde fouten als in Oostenrijk.

Het jaarlijksch contingent werd verdeeld in twee categorieën: staand leger en landsverdediging.

Tot de eerste categorie behoorden zij, die geschikt waren voor den velddienst en de eerste nummers hadden getrokken, tot de tweede categorie de hooge nummers, de minder geschikten voor den velddienst, zij die wegens fami-milieaangelegenheden, broederdienst enz. van den vredes-dienst werden vrijgesteld.

Tusschen de eerste en tweede categorie werd nummerverwisseling toegelaten, zelfs kon men zich voor een bepaalde som, 2500 francs, van de eerste in de tweede categorie koopen.

Dej eenjarige vrijwilligers werden op een instituut ver-eenigd.

De resultaten waren evenals in Oostenrijk hoogst onbevredigend : zij die 2500 francs konden betalen gingen liever

-ocr page 34-

28

dadelijk bij de 2e oatego.rie over, dan dat zij zich een diensttijd van drie jaren zouden getroosten, daar zij nu slechts korten tijd behoefden te dienen en in hun distrikt werden geoefend.

Al wat intelligent, gegoed of van goede geboorte was, zocht een toevlucht bij de 2e categorie, zelf het eenjarige vrijwilligerschap lokte hen niet aan.

Al maakte men den dienst ook nog zoo gemakkelijk, al stelde men een minimum van eischen, het instituut der eenjarige vrijwilligers, waar de jongelieden een vol jaar moesten dienen, 1000—1200 francs voor uitrusting betalen, bleek, zelf al kon men hier de epauletten behalen, minder aantrekkingsklacht te hebben dan de korte diensttijd bij de 2° categorie.

Daar men op deze wijze geen voldoend ontwikkelde reserve-officieren kon vormen, noch voldoend reserve-kader verkreeg, moest reeds in 1877 de wet op de militie herzien worden.

De dienstplichtingen werden nu in drie categorieën verdeeld : le Categorie: staand-en reserve-leger, 2o categorie: aanvulling, 3e categorie : landstorm.

Noch nummervervvisseling, noch afkoop voor geld om van de eene in de andere categorie over te gaan, zijn meer toegestaan en de eenjarige vrijwilligers worden bij de korpsen ingedeeld.

Men volgde dus wijseljjk geheel de Duitsche legervorming.

De meest bruikbare dienstplichtigen belmoren 12 jaren tot de le categorie en wel 8 jaren bij het staande leger, zij gaan daarna voor 4 jaren bij de landweer (mobil miliz). Beide bestaan geheel uit geoefenden, de eerste oefening duurt 3 jaren.

De 2e categorie bestaat uit de nog bruikbare, hooge nummers, uitgestelden enz.; men dient daarbij 3—5 maanden voor eerste oefening.

-ocr page 35-

\'29

Zij die minder geschikt zijn voor den velddienst of wegens broederdiensten, familieaangelegenheden enz., niet worden ingedeeld bij het leger of de aanvulling, komen in de 3e categorie. Zij omvat alle weerbare mannen van 20—40 jaren, die niet reeds zijn ingedeeld.

De 3e categorie heeft geen eigenlijke vredesoefeningen dan alleen van 15 dagen voor geheel ongeoefenden, de overige oefeningen zijn vrijwillig als loden vanschietgezelschappen en van voorbereidingsscholen.

Zoo heeft Italië zijne aanvankelijk gebrekkige wet reeds zeer spoedig doeltreffend veranderd; men kan dit echter voorkomen door zich aan eens anders voorbeeld te spiegelen en de fouten dadelijk te vermijden.

In Frankrijk, dat in 1872 den algemeenen dienstplicht invoerde, stelde aien, om Duitschland te overvleugelen en spoediger een krachtig leger te hebben, de eischeu zeer hoog. De dienstplichtigen werden dadelijk voor 5 jaren bij het leger ingelijfd, men schafte alle engagementspre-miën af en meende geene vrijwilligers meer noodig te hebben, de dienstplicht van 5 jaren zou in alles voorzien. Ieder Franschman kon van af zijn 18e jaar vrijwillig in dienst gaan en dan bij goed gedrag en voldoende oefening na één jaar dienst met verlof gezonden worden.

Om als eenjarig vrijwilliger in dienst te kunnen treden moest men 1500 francs betalen voor uitrusting, terwijl het recht werd verkregen door het bezoeken van bepaalde scholen of door het afleggen van een examen.

De uitkomsten waren in Frankrijk onbevredigend. Vooreerst was de tijd voor eerste oefening, 5 jaren, veel te lang, men ontrukte de menschen niet alleen te lang aan hunne beroejisbezigheden, onttrok te veel arbeidskrachten en kapitaal aan de maatschappij, maar ook het oorlogsbudget werd veel te hoog opgevoerd.

Om hierin te gemoet te komen verdeelde men het jaar-

-ocr page 36-

30

lijksch contingent in de le en 2e portion. De lo portion 5/7 diende vijf jaren, de 2e portion 2/7 diende slechts één jaar. Eene zeer ongelijke verdeeling van lasten, waarover het lot alleen te beslissen had.

ïen andere bereikte men er toch zijn doel niet mede, kaderaanvulling, en moest toch overgaan tot permanente kaders van onderofficieren, die door reëngagementspre-miën in het leger werden gehouden.

Het miliekader bleek onvoldoende, weinig bruikbaar, ook de eenjarige vrijwilligers leverden zeer slechte resultaten.

Men had de instelling van de eenjarige vrijwilligers te populair willen maken, te veel willen democratiseeren; in plaats van als in Duitschland het recht alleen te ver-leenen aan bepaalde kennis en ontwikkeling, stelde men hoogst geringe eischen. Ook liet men het examen afnemen deor commissiën geheel uit burgers bestaande, die zich meer lieten leiden door de zucht om den dienst voor de aspiranten aangenaam te maken, dan dat zij de belangen van het leger en van den staat voorop stelden.

De regeering werkte dit zelf in de hand. Want behalve dat men in art. 53 van de militiewet bepaalde dat zij, die bepaalde scholen van hooger of middelbaar onderwijs bezocht hadden en een certificaat konden vertoonen, het recht hadden een engagement voor een jaar aan te gaan, laschte men nog art. 56 in de wet.

Dit luidde: Behalve de jongelieden in de vorige artikelen genoemd, kunnen zij zich onder dezelfde conditiën verbinden, die aan een te bepalen examen zullen voldoen, dat door den minister van oorlog wordt vastgesteld en bij besluit bekend gemaakt.

Dit artikel zette de deur wijd open voor misbruiken.

Een bepaald programma gaf de wet niet en het bleek weldra, toen de ministsrieele circulaire van 1 November 1872

-ocr page 37-

31

het programma der examens afkondigde, dat deze zeer weinig te beduiden hadden.

De aspiranten moesten twee proeven afleggen. De eerste schriftelij k, bestond in een Eransch dictee, de tweede mondeling, werd in twee deelen verdeeld; het eene deel omvatte de verplichte schoolkennis, echter niet hooger gaande dan het ouderwijs bij de lagere scholen, het andere de elementaire en practische kennis noodig voor het beroep.

De schriftelijke proef eischte alleen de kennis der regels van taal eu spelling, de mondelinge liep over het lezen, schrijven, de eenvoudigste taalregels, rekenen, het stelsel der maten en gewichten , de beginselen der geschiedenis eu aardrijkskunde.

Dit programma was zoo eenvoudig, dat iedereen, die onderwijs had genoteu, er aan kon voldoen eu toch schijnt het nog niet eenvoudig genoeg te zijn geweest, want men las verder tot toelichting; De examinator zal de vragen omtrent de schoolkennis regelen naar den graad van onderricht, dat de aspirant bij de plaatselijke school zal hebben kunnen verkrijgen; zoodat de onwetendheid of mindere geschiktheid van den plaatselijken onderwijzer in het voordèel kwam en een brevet van toelating voor den examinandus daarstelde.

Deze welwillende bepalingen werden door de commissiën maar al te goed begrepen en hebben de treurigste resultaten opgeleverd, zoodat bij de aankomst bij het korps van 50 % der eenjarige vrijwilligers bleek, dat zij een gebrekkig , slecht, of zoo goed als geen onderwijs hadden genoten.

Sommige, zegt de Pransche schrijver, maakten 80 fouten in een opstel van eene bladzijde, waren geheel onbekend met de geschiedenis, aardrijkskunde en het metrieke stelsel.

Zij kouden alleen lezen en tamelijk slecht schrijven.

Jaarlijks werden ministerieele circulaires uitgevaardigd

-ocr page 38-

32

om de commissiën tot gestrengheid aan te sporen bij de beoordeeling der aspiranten, maar de wet liet deze vrijheden toe en het bleef bij de vrome wenschen.

Het tweede deel van het mondelinge examen had nog veel minder te beduiden ; men kon vakvragen doen, dns bijv. den landman vragen: op welken tijd moet men zaaien, oogsten, den koopman wat is handel, den industrieel wat is een brevet van uitvinding ?

Wel kon de minister het aantal eenjarige vrijwilligers vaststellen, maar men had art. 53—56 eenmaal tot wet verheven met het denkbeeld om in den verplichten persoonlijken dienst eene flinke bres te slaan, waardoor jaarlijks 15 a 20000 jongelingen daaraan zouden worden onttrokken.

Gelukkig, zegt de schrijver, bleef aan het leger deze wreede beproeving bespaard.

Het eigenlijke volk heeft echter nimmer iets aan deze vrijgevigheid gehad, want het kon de 1500 frc. niet betalen en het doel, dat het stelsel der eenjarige vrijwilli-ligers beoogt — zekere algemeene belangen der maatschappij aiet te compromitteeren , door het klein aantal personen , die hiervoor bestemd zijn niet te lang aan hunne studiën te onttrekken — ging geheel verloren in het voorrecht, dat men der menigte toestond , die hieraan in het geheel geene behoefte had.

Men ontroofde zoo aan liet leger de krachtigste voordeelen, die de algemeene dienstplicht aanbrengt, door het alle intelligente elementen te onttrekken. Men gaf het wel een groot aantal soldaten; maar ontnam het de aanvoerders, het kader onderofficieren en korporaals, door het groot aantal jongelieden, wien men de deuren van het eenjarig vnjwilligerschap opende.

De hoop, die men koesterde, dat de eenjarige vrij williger om de epauletten te kunnen verwerven, nog wel vrij willig

-ocr page 39-

33

een tweede jaar zou dienen, bleek ijdel: allen keerden na een jaar dienst het leger den rug toe, de burgermaatschappij bleek meer aantrekkingskracht te hebben op de jongelieden dan de eer om de epauletten te mogen dragen.

Wel trachtte men in het leger door goeden wil, ijver en buitengewone opofferingen van tijd en arbeidskrachten van het onderwijzerspersoneel van de eenjarige vrijwilligers zooveel te maken als mogelijk was; maar de stof was te slecht, de eischen te gering; men kreeg vrijwilligers waarmede niets uit te richten was, de uitkomsten waren slecht.

Ook werd later het aantal beperkt, maar het gehalte bleef onvoldoende.

In 1877 werden er 8200, in 1886 slechts 4700 ingedeeld; hiervan werden er van de 2894 eenjarige vrijwilligers bij de infanterie 196 sous-lieutenant, 329 onderofficier, 887 korporaal, van de 527 vrijwilligers bij de cavalerie 14 sous-lieutenant, 68 onderofficier, 137 brigadier, van de 1276 vrijwilligers bij de artillerie 130 sous-lieutenant, 156 onderofficier en 465 korporaal.

In het geheel deden er 340 examen voor officier, 554 voor onderofficier, 2196 werden onwaardig geacht een graad te bekleeden.

Verschillende voorstellen werden gedaan om van de eenjarige vrijwilligers meer partij te trekken tot het verkrijgen van reserve-officieren, o. a. door hen 3 jaren te laten dienen en de eischen tot toelating te verhoogen, maar deze vonden geen ingang. Eindelijk bepaalde in 1889 eene nieuwe wet op de militie , die tot veel verschil van inzicht tusschen de Kamer van afgevaardigden eu den Senaat aanleiding gaf:

Elk dienstplichtige dient 3 jaren, de le en 2e portion blijft gehandhaafd, doch de regeling is aan den minister van oorlog opgedragen, die een deel der dienstplichtigen Organisatie der Ned. Strijdkrachten. 3

-ocr page 40-

34

na een jaar dienst met verlof kan zenden. De Senaat, die voor de eenjarige vrijwilligers partij trok, doch op betere grondslagen gevestigd, behaalde de overwinning.

De eischen om toegelaten te worden zijn nu nagenoeg gelijk gesteld aan die in Duitschland, doch men trekt in Frankrijk de reserve-officieren voornamelijk uit gediende onderofficieren.

In Rusland werden in den beginne de eischen voor de eenjarige vrijwilligers mede veel te laag gesteld en hun diensttijd was te kort.

Zoo werd bij de wet van 1874, die de invoering van den algemeenen dienstplicht behelsde , bepaald , dat:

Zij die de kansen wilden loopen van de loting en :

«. Do colleges eener universiteit bijwoonden , 6 maanden actief moesten dienen en 14 jaren en 6 maanden tot de reserve behoorden.

b. Het gymnasium of de reaalschool hadden gevolgd, IVi jaar actief dienden en 13V2 jaar bij de reserve.

c. Het lager onderwijs hadden doorloopen, 4 jaar actief dienden en 11 jaren bij de reserve.

Voor hen, die zonder de kansen der loting te loopen, vrijwillig in dienst traden, werd de actieve diensttijd nog verminderd, als zij zich 2 maanden voor de loting vrijwillig aanmeldden, en wel voor die onder a genoemd tot 3 maanden , voor die onder b genoemd tot G maanden, voor die onder c tot 2 jaren, terwijl zij dan ook slechts 9 jaren tot de reserve behoefden te behooren.

Verder werden hun nog voordeden verleend wat aangaat de bevordering.

De militie vrij williger dor categorie a kon na 2 maanden, der categorie amp; na 4 maanden, der categorie c na 12 maanden onderofficier worden.

Was die vrijgevigheid misschien eensdeels een gevolg van de geringe ontwikkeling der Russische jongelingen

-ocr page 41-

85

ten opzichte van die van andere staten, ten andere hadden de persoonlijke belangen te veel voorgezeten.

Het is zeker dat de graad van ontwikkeling van een volk een grooten invloed uitoefent op de lengte van den vredesdienst, die men moet vaststellen. Hoe lager deze staat, des te hooger waarde heeft elk ontwikkeld individu voor den staat en des te minder kan deze hem missen.

Is het schoolonderwijs goed, de graad van ontwikkeling hoog, dan kan men gemakkelijker een deel der ontwikkelden missen en zal men alleen aan hooger onderwijs en kunsten voordeden behoeven toe te kennen.

De statistiek van het schoolonderwijs leert:

Middelbare Lagere

Bevolking. Scliolen. Scholieren. Scholen. Soholieren.

Oostenrijk

Duitschland

Rusland

Italië, verplicht

onderwijs Frankrijk Nederland Spanje Engeland Denemarken Zweden en Noorw.

Zwitserland Griekenland

37900000 500 120000 4600000

46855000 750 250000 57000 7600000 86100000 503 118000 28380 2500000

29700000 1576 38218900 1156 4336000 140 17256000 37000000 1900

97960 50230 2086700 173750 18450 5668680 12000 4000 594000 35000 27830 1769500 150000 30000 6000000 2050000 iedereen kan lezen en schrijven 6650000 170 22700 iedereen kan

lezen en schrijven 2900000 iedereen kan lezen en schrijven 2000000 196 12000 1740 102000


Iedere staat moet in de beschaving en de wetenschappelijke ontwikkeling van het volk een maatstaf vinden tot het toestaan van verlichting bij het actief dienen.

Hierbij moet echter wel overwogen worden, hoever men

3*

-ocr page 42-

36

kan gaan , opdat evenmin het belang van het leger als het staathuishoudkundig belang er onder hjde.

In Rusland ging men in dit opzicht te ver; zulk een korten diensttijd had voor het leger geen de minste waarde en wierp geen vrnchten af; men verlichtte alleen den jongelieden in hun particulier belang den dienst, doch het leger kon uit de ontwikkelde elementen der natie geen aanvoerders trekken.

Of het staatsbelang nu den korten diensttijd gebood, omdat men over te weinig intellectueele krachten beschikken kon, is mogelijk , doch valt te betwijfelen, want eenige jaren later kwam men tot andere inzichten , toen er klachten uit het leger waren gerezen, dat men geen der jongelieden in zoo korten tijd tot officier kon vormen.

Jaarlijks werden er 248 ingedeeld, die hooger onderwijs , 826 die middelbaar onderwijs hadden genoten. Hiervan werden er resp. 12 en 319 officier, waarbij valt op te merken, dat die van de le catagorie vrijwillig een jaar, die van de 2e catagorie twee jaren en zelfs langer ouder de wapens waren gebleven : slechts de helft ging na 6 maanden met verlof. Van hen, die lager onderwijs hadden genoten, werden 5.75 °/0 officier na 3 of 4jarigen diensttijd.

Het aantal reserve-officieren bleef veel te gering.

In Maart 1886 werd de wet daarom herzien en bepaalde : Voortaan moet een dienstplichtige, die zich vrijwillig aanmeldt en hooger onderwijs genoten heeft, een jaar dienen; hij die in 2e klasse van het gymnasium of der reaalschool is, of aan een vastgesteld examen-programma voldoet, dient 2 jaren. Beiden behooren 7 jaren tot de reserve.

Loopt de dienstplichtige eerst de kansen van de loting, dan moet hij, tot de le categorie behoorende, 2 jaren en tot de 2e categorie behoorende 3 jaren dienen. Zij blijven dan 13 en 12 jaren in dereserve. Scholieren van het lager onderwijs dienen 4 jaren.

-ocr page 43-

37

De eerste categorie kan na een jaar, de 2e categorie na 3 jaren dienst examen doen voor officier.

In Rusland ging men dus ook tot de Pruisische wijze van vorming van reserve-officieren over, zelfs is een diensttijd van 3 jaren misschien wel wat te lang.

De graad van ontwikkeling is hier niet hoog. In het verslag omtrent de militie van het jaar 1891 vindt men : 20 jaar oud 879.455 in Europa en Siberië 25.111 in de Kaukasua

Zonder onderwijs voorrechten 446.896 „ „ n» 14.436 „ „ „ Ingedeeld b\\j het leger 258.865 „ „ „ „ 2.399 „ „ „ Ryksweer lecategorie 211.191 „ „ „ „ 10.275 „ „ „

2e „ 315.531 „ „ 8.591 B

Voldoend schoolonderwijs genoten 18.638 „ » „ 3 „„ „ Lezen en schrijven 67.408 „ „ » n 447 r v

Niet onderwezen 172.671 „ „ * * 1.919 „ „ „ 66.7 %„ „ „ „ 81.25% „ „

Ik heb opzettelijk wat langer stilgestaan bij de nadeelen, die de verschillende mogendheden ondervonden door het onoordeelkundig invoeren van het stelsel der eenjarige vrijwilligers , waarbij de particuliere belangen, ten nadeele van de staatsbelangen en vooral van die van het leger hadden voorgezeten. Regelingen, die later alle nieuwe wetten eischten om de schadelijke werking op te heffen. Bij ons schijnt men groot gevaar te loopen, dat iets dergelijks zal worden ingevoerd, getuige de geringe wetenschappelijke eischen , die men in 1883 gesteld zag aan hen, die als aspirant militie-luitenant in dienst wilden treden en die welke nu gelden voor het verkrijgen van het voorrecht van een verkorten diensttijd.

Met alleen zijn die eischen bespottelijk gering, maaide diensttijd is voor de laatsten ook veel te kort.

Wat zal het leger voor nut trekken uit die half ontwikkelde jongelui, welke na 3 maanden dienst korporaal worden, om, na 2 maanden in dezen graad gediend te

-ocr page 44-

38

hebben , met groot verlof te gaan, zonder eenige ondervinding , zonder eenige militaire waai\'de, zonder eenige waarborg voor de toekomst op te leveren , dat zij in oorlogstijd zelf goede korporaals zullen zijn.

Hunne opleiding zal eveuals in Frankrijk die der eenjarige vrijwilligers groote opofferingen van tijd en arbeidskrachten vorderen van liet onderwijzend personeel, dat alleen in het belang der individuen zal werkzaam zijn, want het leger trekt hiervan niet het minste nut.

De behartiging der particuliere belangen schijnt in ^Nederland ook een hoofdrol te zullen vervullen ten nadeele van het belang van het leger en van den staat, die beide er niet het minste bij winnen door aan zulke halfslachtige elementen een verkorten diensttijd toe te staan.

Integendeel, zij die de lagere schoei met vrucht hebben doorloopen, moeten de stof leveren voor het onderofficiers-kader en om dit te kunnen doen , moeten zij voldoende lang onder de wapens blijven om behoorlijk geoefend te worden. In drie maanden mogen zij het korporaalsexamen al doen, zij zijn geene goede korporaals met 2 maanden dienst en kunnen bij mobilisatie zeker niet in aanmerking komen voor onderofficier.

Het is alsof men het intellectueel gedeelte, dat zoo sporadisch in het leger voorkomt onder de militie, per se daaruit wil verdrijven, door hen zulke voorrechten te verzekeren. Waarom hen niet onder de wapens gehouden totdat zij onderofficier, de meer ontwikkelden reserve-officier zijn ? Hiervoor zou men echter hooger eischen, zoowel wat intellectueele ontwikkeling, als wat geoefendheid aangaan, moeten stellen.

De maatregelen, die nu bestaan, zijn allen genomen in belang der individuen of misschien om den persoonlijken dienstplicht aan te moedigen ? Gaat men echter van dezelfde premissen uit bij de invoering van den

-ocr page 45-

39

persoonlijken dienstplicht, dan is deze, wij hebben het geloof ik voldoende aangetoond , meer een last dan een voordeel voor het leger; stelt men dan hoogere eischen, zoo is het eene wreede ontgoocheling!

Waarom de zaak niet aanstonds flink aangepakt; het stelsel der eenjarige vrijwilligers is uitmuntend, mits goed opgevat, namelijk:

le. Aan niemand de bijzondere gunst van verkorten diensttijd toe te staan dan aan hen, die hierop aanspraak kunnen maken door hunne bepaalde wetenschappelijke ontwikkeling, welke een waarborg oplevert, dat zij den staat voor dat verleende voorrecht op andere wijze zullen schadeloos stellen.

2°. Alleen uit deze elementen de reserve-officieren te kweeken ; hiervoor is een diensttijd van een jaar bepaald noodig.

8e. De leerlingen van de lagere scholen en der eerste klassen der middelbare scholen dienen tot het vormen van reserve-onderofficierskader. Hun wordt geen verkorten diensttijd toegestaan, daar dit hunne vorming zeer benadeeld.

Graat men op andere wijze te werk evenals in Frankrijk, is het doel: eene bres te slaan in de toepassing van den persoonlijken dienstplicht, laat men de private belangen domineeren, dan kan het niet dan nadeelig werken.

In Frankrijk stelde de schrijver de vraag: welke diensten zal men bij mobilisatie trekken van deze jongelieden, die gedurende een jaar het voorwerp zijn geweest van de aanhoudende zorg van alle rangen en graden der militaire hiërarchie, die afzonderlijk onderwijs krijgen, dat door speciale onderwijzers wordt gegeven en wier aantal jaarlijks wel een lOOOtal bedraagt?

Zullen die jongelieden, die in hun belang znlk een groot deel der arbeidskrachten van het leger absorbeeren, in oorlogstijd eenvoudig soldaat zijn? Dan is het een

-ocr page 46-

40

roof aan het leger, een roof van kostbaren tijd aan de onderwijzers, die dag aan dag en uur aan uur hen hebbon onderwezen.

Zullen ze korporaal zijn ? Dan zou de practijk van het uitoefenen van gezag en vooral de aanvoering der escouade, die ze zullen moeten commandeeren, hen vrij wat beter ten nutte komen.

Zullen ze als onderofficier intreden ? Maar zij hebben nimmer dienst gedaan in dezen graad, zij zijn als korporaals met verlof vertrokken, zij hebben nooit de krijgstucht gehandhaafd en zullen zjj nu na 2 , 3 of 4 jaren van afwezigheid, zonder ondervinding, geheel nieuw, onbekend bij hunne superieuren en inferieuren wederkee-rende, orders geven aan een sectie van 50 man, deze door de crisis eener mobilisatie en van de eerste marschen helpen en haar in het vuur leiden, zij die nooit als onderofficier en slechts zeer kortstondig als korporaal dienden !

Is het niet alsof het voor Nederland is geschreven; zullen die vragen in Nederland een beter antwoord kunnen vinden ?

Maar, oppert men misschien, dit geldt wel voor de groote mogendheden, doch de kleine staten met hunne kader-legers stellen toch zeker geheel andere eischen !

Men bedriegt zich ten zeerste. In Denemarken, waar de dienstplichtige soldaat slechts 6 maanden dient, moeten zij, die tot kadervorming worden bestemd, 18 maanden van April tot het volgende jaar October onder de wapens blijven.

De eischen om tot reserve-officier opgeleid te worden zijn : het doorloopen van de 4 klassen der hoogere burgerschool met een gunstig eindexamen , of wel het afleggen van een examen loopende over de Deensche taal, alge-meene en vaderlandsche geschiedenis, aardrijkskunde , de cijferkunst, algebra, vergelijkingen van den eersten graad

-ocr page 47-

41

met een onbekende, meetkunde, vlakke figuren en inhouden, Fransche taal, Duitsche of Engelsche taal naar keuze, lezen en vertalen van een schrijver van naam, elementaire kennis der natuurkunde en natuurlijke historie.

Zij dienen eerst als rekruten 6 maanden , daarna worden zij vereenigd in de school voor reserve-officieren te Kronenburg , doorloopen hier een cursus van 6 maanden, gaan dan in April naar de bataljons, die de rekruten krijgen en dienen 6 maanden als korporaal.

Met October worden zij, die nog een jaar willen blijven, benoemd tot sous-luitenant; zij die met verlof gaan, blijven korporaal en worden eerst bevorderd, wanneer hunne klasse tot herhalingsoefeningen onder de wapens wordt geroepen.

Over het geheel hebben dus de sous-luitenants 18 maanden gediend, alvorens benoemd te worden en daar het ontwikkelde jongelui zijn , zoons van ambtenaren , kooplieden en groote landbouwers, die een goed voorbereidend onderwijs hebben genoten en zij bovendien nog een jaar in hun nieuwen rang dienen, kunnen zij goede diensten bewijzen in oorlogstijd.

Het mindere reservekader dient 6 maanden als soldaat, doet eau examen tot toelating, loopende over de Deensche taal, schrijven, aardrijkskunde van Europa en speciaal die van Denemarken, de Deensche geschiedenis, cijferkunst tot en met den regel van drieën, kortom hetgeen aan de scholen voor lager onderwijs geleerd wordt en gaat dan naar de korporaals- en onderkorporaalsschool voor 6 maanden.

Na afgelegd voldoend examen gaat men als onder-korporaal voor 6 maanden naar een der bataljons, die de rekruten krijgen in de maand April. Zij die nu in October een jaar willen blijven, worden korporaal, de andere gaan als onder-korporaal met groot verlof.

De korporaalsschool wordt door vele dienstplichtingen

-ocr page 48-

42

vrijwillig gevolgd, omdat zij hier kosteloos nog een onderwijs ontvangen dat hen in staat stelt om kleine ambten te verkrijgen en dat hen verheft boven hunne medeburgers.

Hongarije, dat een eigen leger onderhoudt, heeft voor de landweer ook een verkorten diensttijd, evenals in Oostenrijk, maar de Hongaarsche Honved kan als een model dienen van een leger met korten dienstplicht.

Daar de Hongaar gaarne soldaat is en het zijne eigenliefde streelt, dat Hongarije een eigen leger bezit, werd de Hongaarsche Houved zeer spoedig een waarlijk nationale instelling; geeue opoffering was te groot als het gold de Honved te verbeteren : het vermeerderen van het aantal rekruten, het verlengen van den duur der oefeningen, de kosten worden steeds zonder eenige moeite toegestaan.

Toch is het butget nog gering, 8.359.861 florijnen per jaar, zoodat, behalve de oefening van hen, die dadelijk bij de landweer worden ingedeeld en die jaarlijks 12000 man bedragen, vorming van het kader hoofdzaak moet worden.

Hongarije bezit sinds 1884 dan ook een eigen militaire academie te Ludocica, waar het oflicierskader wordt gevormd; de aspiranten bieden zich vrijwillig aan voor het jaar van indeeling bij de militie , en verbinden zich naarmate zij de volle of de halve opleidingskosten betalen, den staat 4 of 7 jaren als officier te dienen; zij die zonder betaling worden opgenomen, verbinden zich voor den tijd van 10 jaar.

Aan deze academie zijn nog verschillende cursussen verbonden zoo als; voor officieren, duur 6 maanden, tot vorming van hoofd-officieren, duur 10 maanden, een hulpcursus voor de eenjarige vrijwilligers tot vorming van reserve-officieren, een voor aspirant-officieren te vormen uit gegradueerden van den landweer , duur 9 maanden.

Als een bewijs hoe nationaal deze instelling is, dient dat

-ocr page 49-

43

de academie uit eene nationale inschrijving zelf beschikt over een kapitaal van 1.450.000 florijnen

Behalve deze academie zijn er een aantal scholen opgericht hetzij bij de bataljons, hetzij als centrale scholen om officieren en onderofficieren en speciale betrekkingen te vormen als: tamboers, pioniers, hoefsmeden, hospitaalsoldaten , enz.

Zoo zijn er 92 infanterie-scholen bij de bataljons tot vorming van kader, waarbij 1200 soldaten worden gedetacheerd, die een cursus van 3 maanden volgen en daarna overgaan bij de brigade-scholen 14 in getal voor aspirant-onderofficier , duur 36 dagen.

Om de instructie van het kader te voltooien is in ieder district (7) eene school opgericht, waar het kader in de gelegenheid wordt gesteld met sterker troepeneenheden te manoeuvreeren.

Hiertoe wordt van April tot 15 Juni (74 dagen) in ieder district het personeel vereenigd van een bataljon op oorlogsvoet.

Per brigade is er: een tamboers-school, duur 41/3 maand, een voor ziekendragers, duur XVs maand, een voor pioniers, duur 2 maanden, een voor administratief kader, duur 6V2 maand, een tot opleiding van veldgendarmes, duur 41/2 maand.

Voor het theoretisch onderwijs der officieren zijn 5 cursussen aanwezig nl. een njcursus, duur 2 maanden , een instructiecursus voor reserve-officieren, duur 2 maanden, een instructie-stage voor hen die bevordering willen maken, duur 3 maanden, een instructie-stage voor officieren der administratie , duur 6 maanden , eene schietschool, duur 2 maanden.

In het algemeen mag de dienst voor hen , die dadelijk bij de Honved worden ingedeeld niet meer dan 2OV2 maand bedragen. De instructie heeft voornamelijk plaats in de

-ocr page 50-

44

twee eerste jaren en duurt van 15 October tot 15 Juni van het tweede jaar.

Memand gaat tot een speciale betrekking over voor dien tijd, de eigenlijke rekruten instructie duurt 8 weken, van 6 October tot ultimo November, dan volgen de oefeningen bij de instructiekaders van 1 April—15 Juni ; de speciale diensten en liet kader hebben dan nog de verschillende scholen te doorloopen en allen hebben nog 3 herhalingsoefeningen van 35 dagen in de 12 jaren dienst, behalve zij die bij het leger 3 jaren gediend hebben, deze hebben slechts ééne herhalingsoefening.

Men ziet dus dat er moeiten noch kosten gespaard worden om van dit kaderleger eene bruikbare wapenmacht te maken en bij den aanleg, die de Hongaar heeft voor het métier, gelukt het dan ook vrij wel om de landweer zoover te brengen, dat zij met vertrouwen in het veld kan worden gebracht.

De persoonlijke opofferingen zijn echter niet gering te noemen.

In Rumenië, Servië en Bulgarije, waar de legers allen van jonge dagteekening zijn, is het gebrek aan officieren en kader over het algemeen zeer groot. Die legers hebben bijna allen eene groote uitbreiding gekregen, zonder daarom over zulk een stof aan kaders te kunnen beschikken. Rumenië heeft bovendien een diensttijd van 3 jaren, Servië en Bulgarije van 2 jaren. Het kader van het permanente leger is beroepskader of wordt uit de militie getrokken. Voor reserve afdeelingen ontbreekt het noggroo-tendeels; de regeeringen doen echter al het mogelijke om hierin te voorzien en daar het nieuwe staten zijn, heeft de bevolking alles over voor de vorming en uitbreiding van een krachtig leger. Alle sommen hiervoor aangevraagd worden grif toegestaan . alle opofferingen met toewijding verleend,

-ocr page 51-

De militaire opleidingsscholen worden jaarlijks uitgebreid , het aantal officieren neemt steeds toe. In Servië wordt bij het uitgebreid lager-, middelbaar- en hooger-onderwijs een theoretisch en practische voorbereidend militair onderwijs gegeven ; bij het eerste wordt alles onderwezen wat voor den soldaat noodig is, aan de middelbare scholen en gymnasiën de vereischten voor reserveonderofficier, aan de hoogeschool de kennis voor reserve-officieren.

Zij die zulk een voorbereidend onderwijs hebben genoten verkrijgen recht op korter diensttijd, onder voorwaarde, dat zij examen doen voor reserve-onderofficier of reserve-officier en gaan dan over bij de reserve. Overigens zijn de vereischten 6 maanden dienst als soldaat en 6 maanden als korporaal om onderofficier te worden. Voor beide graden moet examen gedaan worden.

Plet Bulgaarsclie leger werd in den beginne grootendeels door Russische officieren geëncadreerd en is eerst na den oorlog van 1884 een nieuwe phase ingetreden.

De overige legers behooren tet de militielegers.

In Zweden is het kader echter grootendeels permanent. De officieren worden gevormd aan het kadetten-instituut te Karlsborg; niemand wordt toegelaten dan zij , die aan het admissie-examen voor de hoogeschool hebben voldaan. De cursus duurt 2 jaren ; zij doen daarna nog eenigen tijd dienst bij de korpsen in de mindere graden alvorens benoemd te worden. De onderofficieren worden gevormd aan de onderofficiersscholon en regiments voorbereidingsscholen.

De officieren van de Indelta, die slechts enkele weken \'s jaars dienst doen, genieten eene geringe betaling; zij voorzien zelf in hun levensonderhoud en staan gelijk met reserve- of landweer-officieren, alleen de compagnies-com-mandanten hebben het genot van eene hoeve, die meer of minder rendeert. Deze kroondomeinen zullen echter worden ingetrokken en door een vast jaargeld worden vervangen.

-ocr page 52-

46

In het kader bij de Bevaering wordt voorzien door vast bezoldigd en militiekadeiv

Om militie-officier te kunnen worden moot men het admissie-exainen hebben gedaan voor de hoogeschool, 6 maanden gediend hebben , aan een examen hebben voldaan en na benoeming nog 6 maanden dienst doen.

Om bevorderd te worden moet de militie-luitenant twee herhalingsoefeningen hebben bijgewoond, van 30 dagen bij de stamtroepen.

Om voor militie-korporaal in aanmerking te komen, moet men examen voor een gymnasium of voor onderwijzer hebben gedaan, 4 maanden gediend hebben en examen voor ouderofficier hebben gedaan. Voor bevordering zijn, het bijwonen van 2 herhalingsoefeningen bij de stamtroepen noodzakelijk.

In Noorwegen bestaat het kader uit permanent en militie-kader.

De officieren kwamen vroeger alleen van de krijgsschool te Christiania, thans zijn alle 2e luitenants van de linie, alle luitenants van de landweer en alle officieren van den landstorm militie-officieren.

Om voor militie-officier in aanmerking te komen moet men het admissie-exameu hebben gedaan voor de hoogeschool en verder een cursus van een jaar volgen aan de krijgsschool te Christiania.

Doch hoe goed ontwikkeld ook, zijn die officieren welke alleen bij de herhalingsoefeningen gedurende 24 dagen dienst doen, niet te vergelijken met beroepsofficieren

Het mindere kader uit de militie wordt gevormd bij herhalingsoefeningen in bijzondere instructie-cursussen, die voor korporaals der infanterie en cavalerie 24 dagen, voor die der artillerie en genie 8 weken duren; om onderofficier te worden moet men nog een cursus van 100 dagen doorloopen.

Het gehalte van het kader is natuurlijk weinig bevre-

-ocr page 53-

4?

digend , vroeger was dit veel beter en bestond toen behalve uit het permanente kader, uit uiet vast bezoldigd kader.

Korporaals werden toen na 6 maanden dienst aangesteld ; om onderofficier te worden moest men nog een cursus vau 2 jaren doorloopen aan de onderofficiersschool te Christiania of bij de scholen der depots, hier diende men gewoonlijk 3 jaren.

Deze scholen waren zeer gezocht; welgestelde boeren zonden er hunne zonen heen , omdat op die scholen, behalve de militaire kundigheden , orde en discipline, ook andere vakken werden onderwezen, die in het dage-lijksch leven van groot belang waren. Al bereikten ook niet allen den graad van onderofficier, de leerlingen werden toch met meer gemak in burgerlijke en openbare ambten geplaatst. Er ontstond zoodoende eene reserve van geoefend kader, want de leerlingen moesten gedurende vijfjaren als niet bezoldigd kader beschikbaar blijven, al dienden zij ook alleen bij de herhalingsoefeningen.

Bij de wet van 1885 is het Noorweegscbe leger meer achter- dan vooruit gegaan, het kan dus niet ten voorbeeld strekken.

Om in Zwitserland militie-officier te worden, moet de dienstplichtige dienen :

Het le jaar als rekruut 43 dagen

„ 2e n onderofficier 51 „

n 3e „ „ herhalingsoefening 16 „ „ 4e „ op de officiers-vorming

school 42 „

schietschool 28 „

rekrutenschool 16 -

196 dagen

Daarna moeten zij nog een cursus medemaken in de centraalschool no. 1 van 42

Totaal 238 dagen.

-ocr page 54-

48

Zij wonen nu jaarlijks de herhalingsoefeningen bij van 16 dagen.

De onderofficieren worden thans gevormd op onder-officiersscholen, waar de aspiranten gedurende 21—42 dagen worden gedetacheerd.

Het behoeft geen betoog dat de dus gevormde militie kaders weinig practische ervaring en geschiktheid zullen bezitten, doch ook hier geldt de regel, dat het kader langer dient en nooit korter dan de manschappen, zooals bij ons het geval is bij korporaals van art. 3.

Voor militie- of reserve-officieren geldt bij alle legers:

le. Voldoend voorbereidend onderwijs, hetzij aan een gymnasium of hoogere burgerschool en een diploma van volbrachte studie.

2e. Een diensttijd van een jaar om tot bevordering in aanmerking te komen.

3e. Hiervan, hetzij 6 maanden , hetzij den geheelen tijd, den practischen dienst bij het korps doorloopen.

Alleen Zweden maakt hierop een uitzondering met een diensttijd van 6 maanden in de mindere rangen, maar vordert ook een diensttijd van 6 maanden als officier.

Ia Zwitserland dient de militie-luitenant 8 maanden.

Het mindere kader wordt uit de jaargangen getrokken die hun eersten oefeningstjjd volbrengen en bij voorkeur uit hen , die het lager onderwijs hebben doorloopen.

Deze genieten geene verkorting van diensttijd, wel dienen zij langer in de legers , waar een korten eersten oefeningstijd is aangenomen: Denemarken , Zweden, Noorwegen , Hongarije.

Wil men bij ons dus de landweer of schutterij, hoe men haar ook noemen moge, van bruikbaar kader voorzien , dan moeten de ontwikkelde elementen niet korter maar langer dienen dan de soldaten. Dit is zoo duidelijk , want hunne vorming eischt meerderen tijd, dat men

-ocr page 55-

49

niet kan begrijpen , hoe het legerbestuur ooit tot andere inzichten is gekomen.

II.

Dat men in bijna alle Europeesche legers de drie categorieën van troepen vertegenwoordigd ziet, bhjkt hieronder:

Duitschland staand leger 7, landweer 5 jaargangen, landstorm tot het 47ste levensjaar.

Oostenrijk staand leger 10, landweer 2 en 12 jaargangen, landstorm tot het 42ste levensjaar.

Frankrijk armee active 9Va , armee territoriale 6 jaargangen , reserve de l\'armée territoriale OVa jaargang.

Italië staand leger 8, mobil miliz 4 jaargangen, miliz stanziale tot het 40ste levensjaar.

Rusland staand leger en reserve 18 jaargangen, rijks-weer tot het 459te levensjaar.

Spanje staand leger 6 , hoofdreserve 6 jaargangen.

Portugal linie en le reserve 8, 2e reserve 6 en 12 jaargangen.

Turkije muassaf 6, redif 6 jaargangen, muastafiz 6 jaargangen.

Denemarken linie en reserve 8, versterking 8 jaargangen.

Rumenië staand leger 8, militie 9 jaargangen, landstorm tot het 46ste levensjaar.

Bulgarije staand leger 8, landweer 12 jaargangen , landstorm tot het 55ste levensjaar.

Servië actief leger 11, le ban 9 jaargangen, 2e ban tot het 50ste levensjaar.

Griekenland staand leger en landweer 12 jaargangen , landstorm tot het 50ste levensjaar.

Organisatie der Ned. Strijdkracheen. 4

-ocr page 56-

50

Zweden bevaeriug le ban 8 , bevaering 2e ban 4. „ landstorm 8 jaargangen. Stamtroepen ; „ vaerfvade voor 6 jaren aangeworven. „ indelta levenslang.

Noorwegen linie 5 , landweer 4 jaargangen, landstorm 4 jaargangen.

Zwitserland Auszug 12, landweer 12 jaargangen, landstorm tot het 50sto levensjaar.

Het staand leger, de veld- en bezettingstroepen worden gevormd uit de jongste jaargangen; het is zelfs zaak hiervoor niet te veel jaargangen te bestemmen en de hoofdtaak der verdediging aan de jonge en ongehuwde mannen op te dragen, die nog geene bandon hebben aangeknoopt, welke hen bijzonder aan het leven hechten of wier verlies groote nadeelen voor hunne familie kan na zich slepen. Vooral de jonge mannen , zegt von der Goltz in zijn „Volk in Waffenquot;, moeten de kern leveren voor de legers.

Behalve deze troepen hebben nagenoeg alle legers depóttroepen gevormd uit de hoogste, vrijgebleven nummers, minder geschikten of hen die in vredestijd van den actieven dienst worden vrijgesteld om bijzondere redenen. Zij behooren tot eene sterkte van 25—40% aanwezig te zijn; eene lange vredesoefening is niet zoo bepaald noodig, deze varieert van 10—20 weken. Wij gelooven dus dat men bij ons ook met een korter oefening der depóttroepen zou kunnen volstaan en men deze niet geheel behoeft saam te stellen uit lichtingen, die voorat bij het staande leger hebben gediend.

De reserve of schutterij , zooals de minister ze wil blijven noemen , moet daarentegen wel uit de geoefende volgende jaargangen bestaan. Zij telt vele gehuwden in hare gelederen, waarom zij in vredestijd minder veelvuldig, doch noodzakelij k nu en dan, wordt opgeroepen, en in

-ocr page 57-

51

oorlogstijd niet bestemd moet worden om dadelijk op te treden aan de grenzen maar wel in de 2e linie. Zij kan echter wel bestemd worden tot aanvulling van bezettingstroepen , overigens is het minder wenschelijk ze in de le linie te bezigen. De landstor.n is de laatste reserve, waarover men beschikt als de voorafgaande categorieën zijn uitgeput. Hij heeft ia vredestijd geen oefeningen en is niet georganiseerd of uitgerust, behalve in Italië en Duitsch-land.

Wil men in Nederland, om de gedachte te ontgaan dat de troepen uit de le linie ooit bestemd zouden mogen worden tot offensieve doeleinden, deze den naam van veldleger niet geven en om deze klip te ontzeilen evenals de minister ze veldtroepen noemen — de naam doet mijns inziens niets ter zake — dan blijft toch de vraag bestaan, of er troepen in de le linie noodig zijn?

Wij gelooven dat zelfs de ergste anti-militarist niet zal durven tegenspreken, dat er troepen dienen te zijn die den eersten schok moeten opvangen, die in de eerste dagen dadelijk moeten optreden, dus spoedig geformeerd zijn, dat wil zeggen geheel geencadreerd en uitgerust zoo spoe-[_dig mogelijk marschvaardig behooren te zijn.

Hoe men die troepen betitelt is hetzelfde, het criterium is, dat zij er zijn in voldoende getalsterkte. Gewoonlijk wordt hiervoor aangenomen eene sterkte van 3 divisiën met hulp wapens en hulpdiensten.

Eene divisie vertegenwoordigt, volgens de algemeen geldige legerorganisatiën bij de Europeesche legers; 12—16 bataljons infanterie, 6 a 8 batterijen veldartillerie , een paar escadrons cavalerie, een compagnie genietroepen, 2 compagnieën trein, eene afdeeling hospitaalsoldaten , eene afdeeling verplegingscolonne en eene afdeeling pontontrein.

In de meeste legers zijn de 12—16 bataljons infanterie

4 *

-ocr page 58-

52

ingedeeld in 4 regimenten, elk van 3—4 bataljons, en zijn twee regimeuten infanterie tot eene brigade vereenigd.

In ons leger zijn de regimenten in oorlogstijd 4 bataljons sterk ; doet men dit om de brigade-commandanten uit te sparen , dan zou men er vrede mede kunnen hebben : de divisie-commandant kan gemakkelijker aan 3 dan aan 4 regiments-commandanten rechtstreeks bevelen geven — hij zou bijv. 2 regimenten iu eerste en tweede, een regiment in 3e linie kunnen ontwikkelen — daarentegen zouden we bezwaar hebben tegen regimenten van 6 bataljons, zooals de minister die uittrekt in zijne organisatie (voordracht krijgswetenschap).

Die zes bataljons zijn een te groot lichaam om door een persoon zonder intermédiair te worden bewogen , ook zijn divisiën van 18 bataljons niet manouvreervaardig genoeg: een divisie van 12 bataljons heeft nu reeds een diepte in de marschcolonne van 11000 meters of 2 uur gaans. Andere mogendheden schijnen er ook zoo over te denken, men vindt bjjna overal regimenten van 3 a 4 bataljons. Wij zouden, als het niet moest om der zuinigheids wille, de 12 bataljons in 4 regimenten willen zien afgedeeld.

Dan zijn er echter brigade-commandanten noodig om de bevelvoering voor den divisie-commandant niet al te uiteenloopend te maken, zoodat men om kosten te vermijden do bestaande organisatie van 3 regimenten a 4 bataljons bij eene divisie moet behouden.

Zulk een regiment krijgt nog een depot-bataljon, waardoor de regimentscommandant dan reeds 5 bataljons onder zijne bevelen heeft.

Het is geen zaak om er nog een bezettingsbataljon aan toe te voegen. Wie een regimentscommandant der infanterie aan het werk gezien heeft, hoe hij dagelijks uren op het bureau moet doorbrengen, zioh weinig met de oefening van den troep kan bemoeien, zal het denkbeeld toejui-

-ocr page 59-

53

chen om liever 3 dau 4 bataljons onder zijn commando te vereenigen.

Gaf men hem ook nog een bezettingsbataljon bij het regiment, dan zou de taak te zwaar worden.

Ook is het wenschelijk het aantal bezettingsbataljons uit te breiden, de minister Seyffardt wenscht 64 compagnieën , de staatscommissie en de wet Bergansius willen 58 compagnieën, nu zijn er slechts 36 compagnieën. Door de bezettingsbataljons met 3 te vermeerderen komt men op een sterkte van 48 compagnieën , die wij om nader te ontvouwen redenen voldoende achten.

De 12 bezettingsbataljons tot 3 regimenten vereenigende, krijgt men 12 regimenten infanterie.

In oorlogstijd zullen de bezettingsbataljons wel nagenoeg nimmer in regimentsverband optreden, ook in vredestijd zullen die bataljons wel meestal zelfstandig zijn en over de verschillende garnizoenen verdeeld blijven, om bij mobilisatie groote troepentransporten te voorkomen en de bezetting der verschillende werken zoo spoedig mogelijk te verzekeren.

De bataljonscommandanten zullen dus hunne bataljons bijzonder oefenen en geheel kunnen voorbereiden voor hunne speciale bestemming; om echter eene meer alge-meene leiding in de oefeningen te verkrijgen, zekere administratieve bepalingen in hoogste ressort te beslissen, meer eenheid en verband in het officierskorps te behouden, is het regimentsverband in vredestijd wenschelijk.

Bij mobilisatie, wanneer de bezettingsbataljons over forten en stellingen verdeeld worden, geraken de regimentsstaven overcompleet. Deze verkrijgen dan eene andere bestemming.

Van de reserve-afdeelingen zal o. a. eene reserve-divisie worden geformeerd, geheel uitgerust en van alle hulpwapens voorzien als eene divisie van het staande leger.

-ocr page 60-

54

Bij de reserve-bataljons zulleu compagnies- en bataljonscommandanten , batterij- en afdeelings-commandanten voorhanden zijn , doch geene regiments-commandanten.

De drie regiments commandanten (hunne staven volgen) der bezettingsinfanterie worden bij mobilisatie belast met het bevel over een reserve-regiment van 4 bataljons of eene reserve-brigade van 6 bataljons.

Iets dergelijks meenen wij lag ook in het plan van de staatscommissie en de wet Bergansius.

Bij elke divisie behooren een paar escadrons divisie-cavalerie tot tactische beveiliging en het inwinnen van berichten.

De strategische ophelderingsdienst moet aan eene afzonderlijke brigade worden opgedragen , deze kan bestaan uit 3 regimenten a 4 escadrons met eene sterkte van 150 sabels per escadron en 2 batterijen rijdende artillerie.

Daar deze troepen altijd geheel gereed moeten zijn om uit te rukken, moeten zij nagenoeg geheel uit vrijwilligers bestaan en kan alleen de geoefende lichting, die onder de wapens is, dadelijk mede uitrukken bij mobilisatie.

Om in de divisie-cavalerie te voorzien, zou elk regiment cavalerie in vredestijd uit 5 escadrons kunnen bestaan; het 5e escadron blijft bij mobilisatie achter en formeert uit de militie twee escadrons divisie-cavalerie en een peloton ordonnansen. De ritmeester van het 5e escadron wordt majoor afdeelings-commandant, de beide oudste luitenants van het 5e escadron worden ritmeesters escadrons-coniman-danten , de beide andere luitenants behouden hunne functie , een bij elk escadron , terwijl de ontbrekende luitenants uit de reserve-officieren worden aangevuld.

De veldartillerie vormt regimenten van drie afdeelin-gen, de eerste afdeelingen elk van 3 batterijen, de laatste van 2 trein-compagnieën en een depot.

Sommigen achten het wenschelijk bij onze weiuig ge-

-ocr page 61-

55

oefende veldtroepen, wat meer artillerie in te deelen , en afdeelingen elk van vier batterijen te vormen; daar echter bij de reservetroepen ook de veldartillerie zal worden vertegenwoordigd tot eene sterkte van 9 batterijen en de divisiën toch hoogst zelden in korpsverband zullen optreden , zal eene sterkte van 3 batterijen per afdeeling wel voldoende zijn.

De genietroepen worden ingedeeld als nn gebruikelijk is , per divisie eene compagnie veldgenietroepen en voor het hoofdkwartier eene spoorweg- en telegraat-compagnie, die de afdeelingen veldtelegraaf levert voor de divisiën.

De hospitaalsoldaten , per divisie 150, in te deelen in eene compagnie ; eindelijk per divisie eene afdeeling ver-plegingscolonne, bestaande uit bakkers , slachters , werkers en verder personeel, vormende per divisie eene compagnie, waarvan echter het overschietende deel, evenals van de hospitaalsoldaten, voor de bezettingstroepen is bestemd.

De pontonniers kunnen de formatie behouden van een rijdenden en een varenden trein, te verstrekken naar behoefte ; feitelijk zouden de pontonniers bij de veld-genie-troepen te huis behooren, evenals de torpedisten bij de vesting-genietroepen, doch om geene formatiën te verbreken, kan men bij den bestaanden toestand blijven.

De veldtroepen bestaan dan uit:

Eene zelfstandige cavalerie-brigade van 3 regimenten a 4 escadrons en eene afdeeling rijdende artillerie van 2 batterijen.

Drie divisiën infanterie, elk van 3 regimenten h 4 bataljons , een regiment veldartillerie van 2 afdeelingen elk van 3 batterijen, eene afdeeling divisie-cavalerie van 2 escadrons, eene compagnie veld-genietroepen, eene afdeeling pontonniers naar behoeften, twee compagnieën trein , eene compagnie hospitaalsoldaten, eene afdeeling verple-gingscolonne en een peloton ordonnansen.

-ocr page 62-

56

Voor hot hoofdkwartier eene spoorweg- en telegraaf-compagnie.

De indeeling blijft nagenoeg als de nu bestaande: slechts kleine wijzigingen, die geene groote kosten kunnen veroorzaken.

De staatscommissie en de wet Bergansius willen drie division infanterie, elk van 3 regimenten a 4 bataljons, een regiment veldartillerie met 2 afdeelingen a 3 batterijen en 2 compagnieën trein, eene compagnie veld-genie-troepen en eene compagnie hospitaalsoldaten; de laatste acht hot mogelijk de afdeeling verplegings-colonne, die de eerste voorstelt, uit de depots te tormeeren.

Bovendien hebben zij nog 6 of 9 reserve-batterijen en 3 reserve-escadrons , een varenden en een rijdenden trein en een reserve-rijdenden trein pontonniers en eene reservecompagnie veldgenietroepen

Naast de veldtroepen behooren tot de troepen in de eerste linie de bezettingstroepen, terwijl tot aanvulling van alle troepen, depots noodzakelijk zijn.

De bezettingstroepen zouden bestaan uit;

12 bataljons infanterie, in 3 regimenten in te deelen , 4 regimenten vesting-artillerie , elk regiment niet 10 compagnieën , 4 compagnieën vesting-genietroepen, 2 compagnieën torpedisten en de resteerende administratieve troepen, te schatten op IJ a 2 compagnieën.

Misschien zal men ons tegenwerpen , dat de sterkte der bezettingstroepen te gering is ; de minister Seyffardt acht in zijne voordracht, iu de vereeniging tot beoefening der krijgswetenschap gehouden, noodig 64 compagnieën infanterie , 50 compagnieën vesting-artillerie, 5 compagnieën vesting-genietroepen.

De staatsco.ninissie en de wet Borgansius willen 12 bataljons infanterie met 46 compagnieën en bovendien 3 depot-bataljons en 2 depot-compagnieën, te zamen 12 compag-

-ocr page 63-

57

nieën, totaal 58 compagnieën infanterie, 12 bataljons met 45 compagnieën vesting-artillerie, 4 compagnieën vestinggenietroepen.

Het voorbeeld volgende van nagenoeg alle andere mogendheden in Europa, meenen wij, dat de bezettingstroepen voor een deel geformeerd kunnen worden uit de reservetroepen, d. i. uit die der 2e linie.

Wij stellen daarom voor van de reserve, mits alleen bestaande uit gediend hebbende manschappen en kaders, te formeeren: 12 bataljons infantene-bezettingstroepen, 40 compagnieën vesting-artillerie, 2 compagnieën vesting-genietroepen , 1 compagnie torpedisten en eenige compagnieën trein. De laatste zijn bestemd voor de stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en te formeeren uit de miliciens, die bij de cavalerie zijn ingedeeld geweest; deze is bij de reservetroej^en niet noo-dig, omdat van de 6 escadrons divisie-cavalerie zoo noodig enkele escadrons bij de reserve kunnen worden ingedeeld; in elk geval zijn reserve-huzaren ook nog als cavalerist te bezigen, als men de noodige paarden heeft.

Wij gelooven dit met reden te kunnen doen, omdat o. a. in Duitschland de bezettingstroepen gevormd worden uit de 4e bataljons der regimenten, in oorlogstijd geheel of gedeeltelijk te formeeren ; in Frankrijk bestaan 18 regimenten infanterie-bezettingstroepen voor de vele te bezetten werken; Italië bestemt de mobil miliz voor bezettingstroepen; in Rusland worden de reservetroepen meest in oorlogstijd geformeerd, namelijk uit elke compagnie een bataljon on de rijksweer voorziet ook in de bezettingstroepen; in Denemarken zjjn de verstfirkings-bataljons er voor bestemd.

In 1870 bestond de bezetting van :

Wilhelmshaven uit 2 landweerbataljons van het regiment

-ocr page 64-

58

no. 57, 100 reserve-huzaren, 2 mobiele en 1 reserve-compagnie der artillerie.

Cuxhaven uit een landweerbataljon regt. no. 15 , 100 reserve-huzaren, 400 vestingartilleristen en 80 pioniers.

Bremen uit een landweerbataljon no. 15, 50 reservehuzaren, 150 vestingartilleristen en 100 pioniers.

Te Sonderburg in Duppel was eene strijdmacht van 10000 man vereenigd, bestaande uit: regiment no. 25 met zijn Ersatz-bataljon, Ersatz-bataljon no. 86, een landweer-bataljon no. 75, twee landweer-bataljons no. 76, totaal 8 bataljons, een reserve-escadron huzaren, eene reserve-batterij , 8 compagnieën vesting-artillerie en 100 pioniers. Deze moest elke poging tot landing beletten.

Kiel was bezet door marine troepen, een bataljon en een reserve-bataljon, Ersatz-bataljon no. 36, landweerbataljon no. 36 en reserve-escadron huzaren.

Dit waren de plaatsen, die het meeste gevaar liepen om aangevallen te worden door de Fransche marine.

Voor de troepen der eerste linie neemt men 5 —10 jaargangen. quot;Wij meenen er 6 te moeten aannemen, want men kan een jaargang, de jongste, gedurende een groot deel van het jaar niet mederekenen , als zijnde ongeoefend, zoodat er eigenlijk 5 geoefende jaargangen beschiktbaar blijven.

Tegenwoordig heeft eene compagnie infanterie gemiddeld eene sterkte van 220—250 man met inbegrip van het kader. Stelt men dat zulk eene compagnie 200 dienstplichtige soldaten telt en bovendien over een permanent kader beschikt, dat genoegzaam talrijk is om de overeenkomstige reserve-compagnie van een voldoend sterk kader te voorzien en in ruil voor het permanent kader, dat naar de reserve overgaat, zooveel militiekader behoudt, dan zou zulk eene compagnie tellen :

4 officieren, 12 onderofficieren, 12 korporaals, 3 a 4 tamboers en hoornblazers van het vaste kader, waarvan

-ocr page 65-

59

een deel den titulairen graad kan hebben , 2 a 3 luitenants, 1 vaandrig, 3 a 5 onderofficieren, 5 a 10 korporaals, 5 a 6 ziekendragers van de militie, terwijl nog eenige miliciens als tamboer en hoornblazer moeten worden geoefend.

Worden er per jaar 50 dienstplichtigen per compagnie infanterie ingedeeld, dan geeft dit in 5 jaren 250 en na aftrek van het verloop 4 , 44 X 50 = 222 man.

De compagnie rukt uit met een vast kader van : 1 kapitein,

2 luitenants , 1 sergeant-majoor, 5 sergeanten , 1 fourier ,

7 korporaals en 3 tamboers en hoornblazers; dit wordt gecompleteerd uit de militie met 1 luitenant, 1 vaandrig,

3 sergeanten , 5 korporaals, 5 ziekendragers en 200 soldaten, totaal 215 dienstplichtigen.

Aan de reserve wordt afgegeven: 1 luitenant (1) commandant der reserve compagnie, 1 sergeant-majoor, 4 sergeanten, 4 korporaals vrijwilligers. De reserve vult het ontbrekende kader aan uit het militiekader en wel met 3 luitenants, 1 vaandrig, 4 sergeanten, 1 fourier,

8 korporaals, 3 tamboers en hoornblazers, 5 ziekendragers, terwijl de reserve-compagnie ook 200 soldaten telt.

Dit kader is aanwezig, indien per jaargang evenals nu 1 milicien-sergeant en 3 milicien-korporaals per compagnie infanterie worden gevormd en verder uit de eenjarige vrijwilligers per compagnie 1 reserve-luitenant of vaandrig per 1—2 jaargangen. 1

Het overschietende militiekader is bestemd voor het depot met de overcompleete manschappen. Bij 50 man per jaargang kan men met 6 jaargangen volstaan, waarvan er een te rekenen als recruut tot nagenoeg 1 Augustus. Deelde men in plaats van 50 man er 40 in per compagnie, dan zou men 7—8 jaargangen moeten nemen om de compagnie met eene organiettesterkte van 215 dienstplichtigen te laten uitrukken. Ook voor de oefening der

1

Wordt onmiddellijk bevorderd tot kapitein bi) mobilisatie.

-ocr page 66-

60

infanterie is het wenschelijk het jaarlijksche contingent niet te klein te nemen en zijn 50 man te verkiezen boven 36—40, zooals nu gebruikelijk is. Hoewel het te verkiezen is de troepen uit de eerste linie uit een niet te gering aantal jaargangen te vormen, omdat men te eerder de reserve onder de wapens zal moeten roepen, als die troepen weinig talrijk zijn, heeft het groot aantal jaargangen toch het nadeel, dat de man dan in vredestijd herhaald onder de wapens wordt geroepen tot herhalingsoefeningen van tamelijk langen duur.

Met het oog op de persoonlijke lasten en tot betere oefening van den troep, is het goed het aantal jaargangen te beperken tot 6 en wat sterker jaarlijksche contingenten te nemen.

De minder geschikten voor den velddienst, de over-compleete hoogste nummers, zij die om bijzondere of finantieele aangelegenheden van den vredesdienst lieist worden vrijgesteld, worden tot eene sterkte van 10 ,0 als aanvullingsreserve ingedeeld bij de depots der infanterie, der vestingartillerie en der genietroepen. Bij de bereden wapens worden geene aanvullingsmanschappen ingedeeld, daar de oefening te kort duurt om hier eenig nut te kunnen opleveren.

Wij zouden het wenschelijk achten de depots reeds in vredestijd op te richten bij de infanterie, de vestingartillerie en de genie om daar de aanvullingsmanschappen te oefenen, die wel korter onder de wapens komen, maar toch eenigzins dienen geoefend te worden ; bij de cavalerie hebben de depots steeds bestaan e-i in het algemeen wordt dan bij eene mobilisatie, wanneer er toch zooveel te regelen valt, veel wrijving, onnoodige transporten en verplaatsing van personeel voorkomen.

Het in vredestijd oprichten der depots heeft ook geen bezwaar, de kaders zijn toch grootendeels present. doch

-ocr page 67-

61

nu over verschillende garnizoenen verspreid, hetgeen de mobilisatie zeer belemmert; bij de ingetrokken wet Bergansius werd \'ook het oprichten der depots in vredestijd voorgesteld.

Het is daarom niet noodzakelijk, dat al het personeel der depots steeds in vredestijd in de garnizoenplaats van het depot vereenigd zij. liet kader kan gedeeltelijk in speciale betrekkingen worden werkzaam gesteld b. v. : bij de inrichtingen van ouderwijs, het instructie bataillon, de instructie-compagnie, de arsenalen en werkplaatsen, de rij- en hoefsmidschool; een gedeelte blijft echter in de garnizoensplaats tot het oefeneu van de aanvullingsmanschappen en het daarstellen van het depot; alle ge-detacheerden moeten bij mobilisatie onmiddellijk hun onderdeel rejoigneeren.

De minister Seyffardt wenscht voor de depots eene lichting geoefende manschappen en trekt 5 lichtingen uit; voor de veldtroepen worden 4 lichtingen gerekend en dus ook de jongste. Deze is zelf nu de miliciens in Maart voor eerste oefening onder de wapenen komen niet voor 15 Juli in het veld bruikbaar, de schietoefeningen beginnen niet voor 15 Mei en de compagnie-school duurt tot 10 Juli.

Met Juli of Augustus is de kans op een oorlog in het loopende jaar grootendeels verstreken, zoodat men meestal met de geoefende lichtingen zal moeten uitrukken.

De jongste lichting, of na 1 Augustus de oudste lichting, is dan bestemd voor het depot met de aanvullingsmanschappen der 6 jaargangen bij de infanterie, vestingartillerie en genietroepen. Het depot beschikt hierdoor tot aanvulling over 25 a 30 % der \'organieke sterkte van het leger der le linie.

De infanterie tot voorbeeld nemende heeft elke compagnie te beschikken bij het depot over; 7 overcompleete, 50 van den eersten jaargang en 27 aanvullingsmanschappen, totaal

-ocr page 68-

62

84 man, op eene sterkte van 215 dienstplichtigen of 39 0/c. Voor andere wapens is het iets minder, bijv. voor de veldartillerie 25 %., hospitaalsoldaten 22 0/0, zooals uit bijlagen blijkt.

De ondervinding in de laatste oorlogen leert, dat in 1866 bij eene sterkte van 427000 strijders de verliezen der Pruisen 27000 man of 6,8 %, die der Oostenrijkers, legersterkte 283000, gevechtssterkte 238000, 53000 man hebben bedragen of resp. 18,7 en 22 %.

In 1870/71 waren de verliezen 140000 man bij eene gemiddelde sterkte der Duitschers van 830000, of 16,8 %.

In 1877/78 bij eene gemiddelde legersterkte van 953700 llussen bedroegen de verliezen 117000 man of]2,60/o-

Vroeger waren de verliezen veel grooter. In 1812 gingen er van de 553000 man, die naar Rusland trokken, 300000 verloren, in 1828/29 keerden van de 115000 Russen er slechts 15000 weder; ook in den Krim-oorlog bedroegen de verliezen der Engelschen in den beginne 60 %, later toen de verpleging beter werd, nam dit zeer af en waren ze niet veel grooter dan in vredestijd.

Men doet echter goed op 40 % tot aanvulling te rekenen om aan alle eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden ; in 1870/71 zijn voor het Duitsche leger 2000 officierenen 220000 man noodig geweest tot aanvulling, de garde verloor van 31 Juli tot 17 September van 30000 strijders er 20000.

III.

Wilde men het actieve leger of de troepen uit de eerste linie zoo sterk maken, dat zij geheel alleen de ver-

-ocr page 69-

63

dediging koudeu voeren, dau zouden 10—12 jaargangen ter nauwernood voldoende ziju en zou men liet kader zeer moeten uitbreiden.

Om de hooge kosten te ontgaan heett men een deel der verdediging aan de troepen uit de 2e linie, de reser-von toevertrouwd, samengesteld uit de volgende jaargangen en dus geheel uit geoefenden, die vroeger in het leger hebben gediend.

Alleen in Spanje en Portugal bestaan de reservetroepen uit ongeoefenden ; dit is echter niet raadzaam, want dan valt er gedurende don loop van den oorlog bijna niet meer op te rekenen. Omdat de hedendaagsche oorlogen zulk een kort en snel, maar tevens beslissend en vernielend verloop hebben, moeten de reservetroepen dadelijk behoorlijk geencadreerd en bruikbaar zijn.

Dit zou ook bij ons moeten geschieden en dus de reserve uit de volgende jaargangen geoefenden, moeten worden geformeerd.

De reservetroepen zouden dan evenals in Italië uit de gelijknamige eenheden van de veldtroepen en bezettingstroepen kunnen worden gevormd, zoodat alle wapens er in vertegenwoordigd zouden zijn met uitzondering van de cavalerie en rijdende artillerie.

Kan men de veldartillerie niet dadelijk mobiliseeren bij gebrek aan paarden, dan dient haar personeel zoolang tot aanvulling bij het depot.

Het kader der reservetroepen kan evenals in alle andere legers geschiedt, uit militiekader bestaan, dat bij mobilisatie voor een deel door permanent kader wordt aangevuld of vervangen.

Stelt men de reserve-eenheden aldus zamen, dat elke compagnie of batterij van het staande leger eene overeenkomstige eenheid van de reserve achter zich heeft, dan kan men bij die administratieve eenheden controles

-ocr page 70-

64

doen aanhouden van 12 jaargangen, waarvan de 6 eerste jaargangen de veld- en bezettingstroepen leveren of hunne depots en de volgende jaargangen tot den 12eii dezelfde eenheden van de reserve.

Bij enkele wapens, bijv. bij de veldartillerie, veldgenie-troepen , pontonnier» , torpedisten , vestinggenietroepen , hospitaalsoldaten en den trein, is hiervan gedeeltelijk afgeweken. Zie de bijlagen. Het aantal reserve-batterijen, reservecompagnieën , genietroepen, pontonniers, torpedisten, hospitaalsoldaten en trein is niet gelijk, maar meestal de helft van die der troepen uit de le linie om het jaarlijksche contingent niet te hoog op te voeren. Zoodoende is er nog een voldoend aantal eenheden dezer wapens bij de reserve vertegenwoordigd. Wilde men hierbij ook toepassen, dat men de troepen uit de le linie uit 6 jaargangen moet formeeren, dan zou men jaarlijks 18000 man moeten indeelen, dat( zoowel om de kosten, als omdat dit getal moeielijk bereikbaar is , dient vermeden te worden.

In de bijlagen vindt men de berekeningen , waaruit blij.st dat in het algemeen elke compagnie , escadron of batterij bij mobilisatie zal uitrukken met een kapitein of ritmeester tot commandant, 2 luitenants van het vaste kader en een van de reserve ; terwijl de reserve-eenheid tot commandant zal hebben de oudste luitenant van de eenheid van het staande leger, te benoemen tot kapitein of ritmeester en verder 3 luitenants van de reserve.

Met het mindere kader zou op gelijke wijze moeten worden gehandeld, per reserve-eenheid een sergeant-majoor of opperwachtmeester, 4—6 onderofficieren, 4 8 koi-poraals van het vaste kader, aangevuld door militiekader.

l)e organische sterkte der eenheid van het staande leger en van de reserve is gelijk, voor de details zie de bijlagen.

Eene andere wijze, bestaat daarin, dat men het reserve-le-

-ocr page 71-

65

ger alleen uit infanterie en vesting-artillerie laat bestaan en de bereden en speciale wapens weglaat.

Wij achten dit minder weuschelijk.

Hoewel het bereden maken van do reserve-veldartillerie zeker op bezwaren zal stuiten, zou het tocli niet raadzaam zijn deze geheel achterwege te laten; de wet Ber-gansius en de staatscommissie trokken ook 6—9 reservebatterijen en 3 reserve-escadrons uit.

Bereden wapens worden zoo spoedig niet gecreëerd; heeft men de stof, het personeel voorhanden, dan zou het roekeloos zijn dit bij de onbereden wapens in te deelen om later misschien bij noodzaak deze wapens opnieuw te moeten scheppen.

Al wordt de reserve-infanterie voor een deel ook als bewakingstroepen in de liniën of op de étappelijnen gebezigd , het andere deel zal als reserve der veldtroepen of tot kustbewaking moeten optreden.

Zelfs bij de bewakingstroepen en bij de troepen in eene groote vesting als Amsterdam, wordt tegenwoordig een snel verplaatsbare artillerie, die veel overeenkomst heeft met veldartillerie, zeer gewenscht.

Wij zouden het dus zeer noodzakelijk achten om bereden artillerie bij do reservetroepen in te deelen en al maakt men geen 9 batterijen mobiel, dan is het toch zeer wenschelijk eene divisie reservetroepen bijv. tot kustbewaking , geheel uit te rusten als eene divisie van het staande leger, d. i. met 6 batterijen, 2 trein-eoiupagnieën, eene compagnie veldgenietroepen, eene compagnie hospitaalsoldaten, eene afdeeling verplegingscolonne, een pontontrein, een veldtelegraaf en een of meer escadrons cavalerie, de laatste te verstrekken uit de 6 escadrons divisie-cavalerie.

Voor de overige reservetroepen, die als bewakingstroepen kunnen optreden in de stelling van Amsterdam of de Nieuwe Hollandsche Waterlinie zijn eenige batterijen,

Organisatie der Ned. Strijdkrachten. 5

-ocr page 72-

66

middelen tot bruggenslaan over de breede rivieren en wat hospitaalpersoneel mede zeer gewenscht.

De organisatie voldoet aan deze eisclien 5 daarby wordt geheel voorzien in de aanvoering der compagnieën, batterijen en escadrons.

Om in de aanvoering der reserve-bataljons te voorzien, kan men bij de bataljons infanterie, waar nu reeds een deel der bataljons-adjudanten kapitein is, dezen toestand algemeen invoeren en de 48 oudste kapiteins der infanterie als tweede commandant of als kapitein-adjudant

bereden maken.

Deze kapiteins worden bij mobilisatie majoor en zijn in in vredestijd en in oorlogstijd commandanten van het overeenkomstige reserve-bataljon. De betrekking van bataljons-adjudant is zoo geheel [verschillend in oorlogstijd van die in vredestijd, dat de bataljons-commandant hiervoor bij mobilisatie gerust eene keuze kan doen uit de luitenants van zijn bataljon; deze officier kan zelfs in vredestijd worden aangewezen om zich reeds vooraf toe te leggen op paardrijden , enz.

In de vervulling van adjudant, luitenant-kwartiermeester en officier van gezondheid bij de reserve-bataljons moet door reserve-officieren worden voorzien.

Bij den kleinen staf der bataljons zijn reeds aanwezig twee adjudanten-onderofficier , twee sergeanten-wagenmeester , sergeant-scherpschutter en sergeant-onderwijzer; een hunner blijft bij de veldtroepen, de andere gaat over bij de reserve, zoodat alleen een korporaal-tamboer uit de tamboers en een kleer-, een schoen- en een geweermaker moeten worden aangesteld bij mobilisatie, waartegen wel geen bezwaren zullen bestaan.

Voor ééne reserve-divisie zijn drie regimentsstaven voorhanden , n.1. de overcompleete regimentsstaven der bezet-tingsinfanterie; van de overige reserve-infanterie worden

-ocr page 73-

67

geen hoogere tactische eenheden dan bataljons geformeerd , omdat deze toch als bewakings- of bezettingstroepen onder het rechtstreeks bevel treden van linie-, groeps-of fortcommandanten.

Bij de veldartillerie zijn bij elk regiment in vredestijd drie afdeelingscommandanten met staven aanwezig; in oorlogstijd zijn er twee noodig, de derde treedt bij mobilisatie op als commandant der reserveafdeeling van 3 batterijen, die bij elk regiment veldartillerie wordt geformeerd.

De staf dezer afdeeling gaat mede over bij de reserveafdeeling.

Bij de vestingartillerie zullen de compagnieën der reserve zeer zelden in grooter verband optreden, de reserve-compagnieën worden bij de afdeelingen vesting-artillerie van het staande leger ingedeeld. Is het noodig hierbij aan een of meer hoofdofficieren het commando op te dragen, dan kan men in de hoofdofficieren der artillerie-schietschool, der commissie van proefneming, der inspectie van draagbare wapenen en die der militaire academie reeds vijf commandanten vinden.

De pontonniers en torpedisten der reserve treden onder het bevel van de resp. commandanten van het staande leger.

De reserve-veldgenietroepen worden ingedeeld : eene compagnie en eene telegraafafdeeling bij de te formeeren reservedivisie , de rest bij het depot. De 2 reserve-vesting-genie-compagnieën worden ingedeeld bij de vestingen en stellingen.

De hospitaalsoldaten, verplegingscolonne en trein worden ingedeeld resp. eeue compagnie hospitaalsoldaten, eene afdeeling verplegingscolonne, 2 compagnieën trein bij de reserve-divisie. De rest wordt ingedeeld bij de bewakingstroepen in verschillende groepen of stellingen.

Groote mutatiën behoeven dus zelfs bij eene mobilisatie niet voor te komen dan alleen het oprichten van den staf

5 *

-ocr page 74-

68

der reserve-divisie, waarvoor 43 officieren benoodigd zijn van verschillende takken van dienst.

Om echter in vredestijd de staf dezer divis|e geheel geformeerd te houden, achten we niet noodig : le om de kosten, 2e omdat deze officieren geen werkkring zouden hebben en 3e omdat het wenschelijk kan zijn om van de reservetroepen zelfstandige brigades van 6 bataljons met de noodige hulpdiensten te formeeren.

Daar het personeel grootendeels voorhanden is, rijst nog de vraag : heeft men materieel genoeg om de reserve-afdeelin-gen te formeeren? Voor de veldartillerie zou men wellicht de oude bronzen achterlaadkanonnen van 8 cm. kunnen bezigen, die nog in voldoende aantal voorhanden zijn. Volgens de begrooting van 1892 zijn voorhanden bronzen getr. kanons van 8 cm. 199 , veldaffuiten van 8 cm. Br. 208, munitie voorwagens van 8 cm. Br. 129, caissons 8 cm. Br. 33. Eenige uitbreiding van voertuigen der artillerie , patrooncaissons, ziekenwagens, materieel voor den trein der genietroepen en voor den geneeskundigen dienst, zou bij het oprichten eener reserve-divisie noodzakelijk zijn. Daar deze zich echter nimmer ver van het centrum des lands zal verwijderen , zou men het materieel van den trein tot het hoogst noodzakelijke moeten bepalen.

De paarden voor de reserve-escadrons en reserve-batte-rijen zou men moeten verkrijgen door requisitie en aankoop in oorlogstijd, waartoe de wet in vredestijd alles moet voorbereiden; voor de cavalerie zou het overweging verdienen om de paarden iu vredestijd aan te koopen en evenals in Oostenrijk, in Denemarken en in Zwitserland plaats heeft, ze in depot te geven bij welgestelde landbouwers , die ze onderhouden en waar ze steeds ter beschikking blijven van het rijk voor manoeuvres en voor mobilisatie.

De paarden worden jaarlijks bij gedeelten aangekocht.

-ocr page 75-

69

Er zijn 450 paarden noodig bij mobilisatie voor 3 te formceren nieuwe escadrons; indien men jaarlijks 80 paarden aankoopt en africlit, heeft men na 6 jaren 480 paarden bescliikbaar. Deze worden gratis aan de depothouders afgestaan, die ze mogen gebruiken in eigen dienst, doch niet verhuren, de paarden worden jaarlijks gekeurd en opgeroepen tot oefening gedurende 4—6 weken. Bij mobilisatie worden manschappen en paarden opgeroepen. Na 6 jaren onderhoud is het paard het eigendom van den depothouder.

Om deze wijze van handelen uit te strekken tot het verkrijgen van alle noodige paarden in oorlogstijd is te kostbaar, voor trekpaarden is het ook minder noodig, voor rijpaarden der cavalerie en artillerie is het echter aanbevelenswaardig, omdat deze paarden altijd geheel zijn afgericht.

Men zou deze paarden zelfs aan officieren kunnen verstrekken , die in vredestijd een paard willen onderhouden voor eigen rekening bijv. bataljons-adjudanten, kapiteins enz.

Is de cavalerist of artillerist zelf landbouwer en kan hij een paard onderhouden, dan geve men hem het paard zelf in depot; men komt hem zoo te gemoet aan zijn verzwaarden vredesdienst, want de bereden wapens zullen van zelfs een langer oefeningstij d vorderen.

Het reserve-leger zou bestaan uit;

36 bataljons infanterie a 4 compagnieën.

1 regiment veldartillerie met 3 afdeelingen, elk van 3 batterijen, en 2 compagnieën trein.

2 compagnieën veldgenietroepen met een telegraaf-afdeeling.

1 compagnie pontonniers.

2 compagnieën hospitaalsoldaten.

1 compagnie verplegingscolonne.

Deze troepen zijn bestemd tot versterking der veldtroepen,

-ocr page 76-

70

terwijl tot aanvulling der bezettingstroepen beschikbaar zijn : 12 bataljons infanterie a 4 compagnieën.

40 compagnieën vesting-artillerie.

2 compagnieën vesting-genietroepen.

1 compagnie torpedisten.

1 compagnie verplegingscolonne.

4 compagnieën trein.

Elk onderdeel met zijne aanvullingstroepen of depots. Het geheele leger zou dan bij mobilisatie eene macht vertegenwoordigen in ronde getallen van;

Veldt roepen.

36 bataljons infanterie

a

950 man 34200 man

18 batterijen ....

rt

170

3060 „

18 escadrons ....

D

170

n

3060 „

2 rijdende batterijen

T)

180

n

360 „

2 compagnieën pontonniers

n

370

T)

740

1 baton, veldgenietroepen 3 comp.

n

165

v

1 „

f)

205

n

700 „

3 comp. hospitaalsoldaten

v

250

V

750 „

1 „ verplegingscolonne

»

220

V

220 „

6 „ trein ....

D

360

»

2160 „

45250 man

Met staven te schatten op .

45500

man.

Heser ve-veldtroepen.

36 bataljons infanterie

a

950

man

34200 man

9 batterijen ....

T)

170

»

1530 „

1 compagnie pontonniers

340 „

2 comp. veldgenietroepen

77

165

V

330 „

2 „ hospitaalsoldaten

n

225

V

450 „

1 „ verplegingscolonne

220 „

2 „ trein ....

n

355

n

710 „

37780 man

Met staven te schatten op .

.

38000

man.

-ocr page 77-

71

Bezettiagstroepen.

24 bataljons infanterie

80 compagnieën vesting-artillerie

6 comp. vesting-genietroepen 3 „ torpodisten .

3 „ verplegingscolonne

4 „ trein . . . .

a 950 man 22800 man

15200 1080 705 660 1420

190 180

235 220 355

Met staven te schatten op

Recapitulatie Veldtroepen..... Reserve-veldtroepen Bezettingstroepen

Voor de depots beschikbaar 25 %

Totaal generaal 156875 man

Deze macht wordt verkregen door het officierskader met 100 officieren uit te breiden en het onderofficierskader met 1700 hoofden te vermeerderen.

In de 3e linie heeft men den landstorm, bestaande uit alle weerbare mannen van 20—40 jaren, die niet reeds bij het leger of de reserve zijn ingedeeld.

De landstorm bestaat uit 20 jaargangen ongeoefenden , die om de eene of andere reden vrijgesteld zijn van vre-desoefening, hetzij eenige zoons, kostwinners, of die wegens broederdiensten zijn vrijgesteld, — indien men het niet noodig acht of de sterkte van het contingent het toelaat, om hen niet in te deelen bij de aanvullingsreserve — ; verder uit 8 jaargangen geoefenden, die reeds bij het leger of de depots hebben gediend.

De landstorm heeft in vredestijd geene oefeningen en

(*) In werkelijkheid 33375 man.

41815 man 42000 man

45500 „ 38000 „ 42000 „

125500 man 31375 „ (*)

-ocr page 78-

72

wordt ook niet gewapend noch gekleed, alleen worden bij de gemeenten leggers aangehouden van hen, die tot den landstorm behoorea, teneinde hen in oorlogstijd onder de wapens te kunnen roepen , als de verliezen of eene alge-nieene volkswapening hiertoe nopen.

Alle manschappen worden dan ingedeeld bij de infanterie , vestingartillerie , genietroepen en hospitaalsoldaten , bereden wapens worden bij den landstorm niet vertegenwoordigd.

Daarom zou het overweging verdienen om hen , die bij de bereden wapens zijn ingedeeld geweest, na 12 jaren militieplicht voor goed te ontslaan in compensatie van hun zwaarder vredesdienst.

Bij de overigen wordt op hun paspoort ingeschreven: behoort tot de .. .dlt;gt;- compagnie landstorm — infanterie — vesting-artillerie — genietroepen — hospitaalsoldaten.

De plaatsen, waar deze bij oproeping van den landstorm worden gemobiliseerd, worden, op het paspoort bekend gesteld, opdat de man zich bij oproeping daar kan aanmelden.

Neemt men 8 jaargangen dan zouden deze in die jaren 5,9 maal het eerste contingent, bijv. per compagnie infanterie a 50 man, 295 man opleveren, zoodat dan nog voldoende stof voorhanden blijft om uit de overeenkomstige reserve-compagnie eene landstorm-compagnie te for-meeren.

Men kan dus veilig rekenen op ;

48 landstorm-bataljons . . a 950 man 45600 man 40 comp. vesting-artillerie . . „ 190 „ 7600 „

8 „ genietroepen . . „170 „ 1360 „

3 „ hospitaalsoldaten . . „ 250 „ 750 „

3 „ verplegingscolonne . „ 220 „ 660 „

Totaal 55970 man

geoefende landstormtroepen, terwijl dan nog 28000 gedeeltelijk geoefeaden beschikbaar zijn.

-ocr page 79-

73

Hoewel de landstorm wel nimmer in zijn geheel onder de wapens zal worden geroepen, zal men er toch uitmuntende elementen in vinden voor een partijgangersoorlog en het organiseeren eener volkswapening in den rug van vijands operatieleger.

Hoe lastig dat worden kan, hebben de Fransche franc-tireurs geleerd.

De Duitschers hadden tegen het begin van den wapenstilstand 111 bataljons noodig tot bescherming hunner étappehjnen. In het geheel vorderde dezen dienst: 114090 man infanterie, 5686 man cavalerie en 68 stukken geschut d. i. op elke 4 a 5 man van hpt veldleger 1 man.

9600 450 540 330 50 1600 120 80 200 135 120

13225quot;

IV.

De vraag doet zich nu op : Hoeveel dienstplichtigen moet men jaarlijks indeelen om de troepen te leveren, die we noodzakelijk achten en voor hoelang moeten zij onder de wapens gehouden worden tot eerste oefening ?

Noodig zijn :

192 compagnieën . a 50 man

Infanterie Cavalerie: Artillerie :

Genie:

Hospitaalsoldaten; Verplegingscolonne:

15 escadrons . • „ 30

18 batterijen . • „ 30

6 trein-compagnieën „ 55

2 rijdende batterijen „ 25 40 vesting-compagnieën „ 40

2 comp. pontonniers „ 60

2 „ torpedisten. n 40 8 compagnieën „ 25

3 n »45 3 „ .40

-ocr page 80-

74

Aanvullingsreserve 10 %. Infanterie 960

Vestingartillerie 160 Genietroepen 20

Zeemilitie

14965

Globaal berekend 15000 dienstplichtigen \'s jaars, d. i. op de mannelijke bevolking van 2232183 op 149 mannen één dienstplichtige.

Volgens wet Bergansius waren noodig:

Voor eerste oefening jaarlijks 13200 Aanvullingsreserve 2500

Zeemilitie 600

16300

ot een dienstplichtige op 137 mannen

De staatscommissie wenschte: Volledige oefening 12124

Aanvullingsreserve 3000 Zeemilitie 500

15624

of op 143 mannen een dienstplichtige

Volgens de memorie van toelichting der wet Bergansius bldz. 21 z|jn er jaarlijks beschikbaar, na aftrek van 1500 die in militairen dienst zijn 38500

Vrijgesteld zouden worden:

a. Eenige wettige zoons 5200

wegens broederdiensten (volgens de tegenwoordige bepalingen) . . . . 10000 üitgeslotenen . . . 100 Studenten in de godgeleerdheid en Roomsch Katholieke

ordebroeders . . , 100 15400

blijven 23100

13225

1140 600

-ocr page 81-

75

23100

b. wegens te kleine maat (kleiner dan 1,57 M.) 11 % van 23100

2541

20559

Wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken 12,9 % van 20559

2652 ± 17907 ± 1300

Vrij te stellen kostwinners

Zoodat beschikbaar blijven 16607

noodig

overcompleet 1642 Volgens de staatscommissie, die eene lengte van 1,6 M. als minimum wil aannemen, zou de vrijstelling wegens te kleine maat bedragen 16,6 % van 23100 = 3834

is gerekend op =: 2541

verschil 1293

Wilde men dus eene grootere lengtemaat aannemen, dan zouden er jaarlijks slechts 349 overcompleet blijven. Dit aantal is niet voldoende, want volgens de memorie op de wet Bergansius worden er gemiddeld jaarlijks 710 dienstplichtigen afgekeurd na de inlijving, zoodat er dan jaarlijks 360 te kort zouden komen.

Het is dus raadzaam de maat op 1,57 M. te houden, eene maat, die ook bij de meeste mogendheden in gebruik is, in Oostenrijk is zij zelfs 1,55 M. Jaarlijks op 710 la ar in te lijven dienstplichtigen rekenende, zijn er slechts 932 overcompleet.

Deze zouden in vredestijd niet worden opgeroepen, doch op de registers der depots worden ingeschreven en in oorlogstijd worden opgeroepen als de le reserve. Deze levert in 6 jaargangen op 930 X 4,44 930 = 5000 rekruten.

De vraag doet zich op : zou men de eenige zoons en zij

14965

-ocr page 82-

76

die wegens broederdiensten, volgens de tegenwoordige bepalingen, worden vrijgesteld, zoomede de studenten in de godgeleerdheid jaarlijks blijven vrijstellen?

Vele stemmen gingen op om de eenige wettige zoons uiet vrij te stellen; gaat men hiertoe over, dan is het ook billijk om geen vrijstellingen wegens broederdiensten te geven , want vergt men dat uit het eene gezin zelfs de eenige zoon dient, dan is het billijk, dat alle jonge mannen dienen, onverschillig of zij reeds broeders in dienst hebben of niet.

Wij zouden het wenschehjk achten de bestaande toestanden te handhaven , zoolang het jaarlijksche contingent een voldoend aantal dienstplichtigen kan leveren. Iets anders is het, als men de eenige wettige zoons, de vrijgestelden wegens broederdiensten en de studenten in de godgeleerdheid, die niet slagen, jaarlijks indeelt als 2 reserve bij de depots. Deze wordt in oorlogstijd eerst opgeroepen als de aanvullings- en le reserve uiet voldoende blijken.

De 2e reserve levert dan een aanvulling van 15000 X •4,4\'4 15000 = 81000 rekruten Of het noodig zou zijn hiervoor afzonderlijke registers aan te houden bij de depots? We gelooven van neen; in die 6 jaren zouden die registers zoovele wijzigingen moeten ondergaan, dat het een Sisyphus arbeid zou mogen heeten.

Deze dienstplichtigen behooren van rechtswege toch tot den landstorm , waarvan in elke gemeente registers worden aangehouden en alvorens men overgaat om de oudere jaargangen op te roepen, kan men beginnen met de jongste jaargangen. Daar deze echter geheel ongeoefend zijn en van jeugdigen leeftijd, is het wenschelijk hen bij de depots van het leger in te deelen , terwijl men van de geoefende jaargangen van den landstorm dadelijk georganiseerde afdeelingen vormt onder eigen officieren en eigen kader.

-ocr page 83-

77

Een ander denkbeeld is om de vrijgestelden in vredestijd, bij oorlogsgevaar op te roepen tot het verrichten van arbeid aan vestingen, forten en te stellen innudatiën, het opruimen van verboden kringen , het vrijmaken van het schootsveld , enz. Het is zeker, dat deze werkzaamheden vele handen zullen vorderen en het is billijk dat zij , die men vrijstelt van den vredesdienst en van de gevaren van den oorlog, minstens kunnen worden opgeroepen tot het verrichten van deze militaire werkzaamheden. Hiervoor zouden ook zij, die wegens te kleine maat zijn afgekeurd, met recht kunnen worden opgeroepen. Deze werkzaamheden moeten in betrekkelijk korten tijd zijn afgeloopen, vorderen dus vele arbeidskrachten, en leveren geen of zeer weinig gevaar op; de 2e reserve ware met billijkheid hiervoor te bestemmen en jaargangsgewijze hiervoor op te roepen, naar gelang der behoefte.

Voor dergelijke werkzaamheden, waarvoor niet een ieder geschikt is, zou desnoods plaatsvervanging kunnen worden toegelaten.

De verrichte arbeid zou betaald moeten worden door het rijk.

Zoo men dus met 15000 dienstplichtigen per jaarklasse kan volstaan, doet zich de vraag op :

Voor hoelang moeten de dienstplichtigen worden ingedeeld ?

Zooals wij reeds aangaven zou de indeeling voor 12 jaren moeten plaats hebben, waarvan 6 jaargangen bestemd voor het leger uit de le linie en 6 jaargangen voor het leger der 2e linie, de reserve.

Voor eersten oefeningstijd zouden we noodig achtenquot;:

Voor de infanterie, vesting-artillerie, pontonniers, tor-pedisten , genietroepen, den trein, de hospitaalsoldaten en de verplegingscolonnes één jaar, voor de cavalerie , de veld- en rijdende artillerie anderhalf jaar.

-ocr page 84-

78

De dienstplichtigen der verplegingscolonnes worden, om militaire geemploieerden van den troep uit te winnen gedurende dat jaar, werkzaam gesteld in de militaire bakkerijen en slachterijen, in de magazijnen van kleeding en fournitures en zoo mogelijk in de wapenmagazijnen en-arsenalen , voor zoover hun aantal voldoende is.

Behalve den diensttijd voor eerste oefening komen allen, die één jaar hebben gediend bij de infanterie, vesting-artillerie , genietroepen , pontonniers en torpedisten nog op tot herhalingsoefeningen in hun derde en hun zesde dienstjaar ; zij die anderhalf jaar hebben gediend bij de cavalerie , veld- en rijdende artillerie hebben éene herhalingsoefening in hun vierde dienstjaar, allen voor den duur van eene maand. De trein en de hospitaalsoldaten hebben slechts ééne herhalingsoefening in het 4e dienstjaar, de werkers geen. Eindelijk zou, nadat zij in de reserve waren overgegaan, nog eene herhalingsoefening noodig zijn voor de dienstplichtigen van b.g. wapens , die een jaar hadden gediend tot eerste oefening. Deze zou in het 9e dienstjaar moeten plaats hebben en 3 weken duren tot eene maand. Voor de cavalerie, de rijdende artillerie en den trein zijn voor de reserve geene herhalingsoefeningen noodig, de eerste vormt den trein der bezettingstroepen en zal hierbij wel den noodigen tijd vinden tot eene korte vooroefening van 14 dagen, de laatste is geoefend in het rijden met de voertuigen van den trein.

Yoor de veldartillerie, die in oorlogstijd bij de reserve ook als zoodanig zal blijven bestaan , is eene herhalings oefening nog zeer gewenscht. Deze zou kunnen plaats hebben in het 7e of 8e jaar voor den duur van 20 dagen.

Jaarlijks komen er dus drie lichtingen tot herhalingsoefeningen onder de wapens bij de infanterie, vestingartillerie, genietroepen, pontonniers en torpedisten; bij den

-ocr page 85-

70

trein en de hospitaalsoldaten is het voldoende dit tot eene lichting te beperken n.1. de 4e jaargang. Bij de cavalerie en rijdende artillerie komen eene, bij de veldartillerie twee lichtingen op tot herhalingsoefening.

Daardoor wordt het voordeel verkregen, dat men gedurende de zomermaanden, als de jongste lichting voldoende geoefend is, gedurende 3 maanden bij de eerstgenoemde wapens eene voldoende sterkte per compagnie onder de wapens kan brengen, om zoowel compagnies-, als bataljons- en regiments-oefeningen met vrucht te houden. Tot heden kon men alleen enkele bataljonsoefeningen en manoeuvres houden niet een eenigszins voldoende sterkte; de compagnies-commandanten waren nimmer in de gelegenheid om eene compagnie van 100 soldaten, zelfstandig, d. i. als compagnie, te oefenen en dit is toch het meest gewenscht. Juist de compagniesoefeningen zijn voor den man en voor het kader van het grootste belang. De oefeningen in grooter verband zijn meer van nut voor de hoogere aanvoerders, de soldaat en de onderofficier profi-teeren er weinig bij.

Door den compagnies-commandant gedurende, nagenoeg drie maanden in het jaar de beschikking te geven over eene compagnie van 80 — 100 soldaten, gelooven wij, dat men de compagnies-instructie en de zelfstandigheid der compagnies-commandanten meer zal bevorderen dan door maanden lange oefening van zulke kleine deelen, als men nu gewoon is eene compagnie te noemen,

In verband hiermede kan de eerste oefeningstij d van een jaar voor de infanterie, vesting-artillerie, den trein, de pontonniers, de torpedisten, de genietroepen en de hospitaalsoldaten aldus verdeeld worden in: eene eerste oefeningsperiode van 8 maanden, van 1 Maart tot 1 November waaraan de geheele lichting deelneemt en waarbij, door later aan te geven middelen, de sterkte van den

-ocr page 86-

80

uitrukkenden troep zoo groot mogelijk wordt gemaakt, en een tweede periode, waaraan telkens door de helft wordt deelgenomen, zoodat werkelijk elk dienstplichtige niet meer dan een jaar dient bij zija eerste opkomst.

Met 1 November gaat de helft met klein verlof tot 1 Maart, de andere helft blijft tot 1 Maart en wordt dan met groot verlof gezonden, terwijl de eerste helft met l Maart van verlof terugkomt en dient tot 1 Juli.

Zoo doende worden de lasten gelijk verdeeld, in de wintermaandea is er voldoende stof, na bijeenvoegen der compagnieën, tot oefening van het kader, terwijl van 1 Maart tot 1 Juli de helft der lichting aanwezig is om in den garnizoensdienst en de corveeën te voorzien, waardoor de rekruten tot 1 Juli ongestoord hunne oefening kunnen voortzetten. De ingedeelde werkers dienen 13 maanden en gaan dan met groot verlof.

Om in de dekking der grenzen bjj mobilisatie te voorzien, waarvoor de sterkte van 25 man per compagnie infanterie niet altijd voldoende zal zijn, handele men als in Duitschland en Frankrijk geschiedt en versterks de bataljons in de grensprovinciën per compagnie infanterie.

lc. met alle vrijwillige soldaten, die bij de infanterie aanwezig zijn. Dit zijn er volgens de begrooting van 1889 — 1783, van 1890 = 1684, van 1891 = 1509 gemiddeld dus 1500—1600, waarvan misschien ^ titulaire graden bekleed. Stel dat er 12 bataljons aan de grenzen liggen, dan zou men om die compagnieën ieder met 25 man te versterken 1200 soldaten noodig hebben, terwijl men zelfs met eene versterking van 20 man per compagnie, d. i. met 960 man, zou kunnen volstaan.

2e. Een andere maatregel zou zijn, dat men de vrijwillige soldaten der infanterie tot oen korps vereenigde, geen vrijwillige soldaten bij andere infanteriekorpsen aan-

-ocr page 87-

81

nam dan tot kadervorming, dus alleen personen die de school van het lager onderwijs met vrucht hebben door-loopen. Alle vrijwillige soldaten, die niet genoegzaam ontwikkeld zijn om tot kadervorming te dienen , zouden dan bij de koloniale reserve kunnen in dienst treden en worden bestemd tot aanvulling van het Indische leger, tot het bedwingen van ongeregeldheden in vredestijd en tot bewaking der grenzen bij mobilisatie.

Men geve dezen vrijwilligers eene sierlijke uniform, eene goede voeding voor rekening van het rijk , en een zakgeld van f 1 per week en legge hen in garnizoen in eene stad met flinke oefeningsterreinen, dan kan er een élitetroep uit gevormd worden , waarschijnlijk van voldoende sterkte om in de eerste dekking te voorzien langs de Ooster- of Zuidergrens, bij verwikkelingen met Duitsch-land of België.

3e. Kan men zulk een korps vrijwilligers , dat ook bij ongeregeldheden te verkiezen is boven de militie, omdat deze soldaten geheel onafhankelijk staan tegenover de burgerij, niet verkrijgen of de bataljons aan de grenzen niet door vrij willigers versterken, dan moet de militie, op de tegenwoordig gebruikelijke wijze , in de dekking der grenzen voorzien. Om dan alle dienstplichtigen toch met een jaar dienst met groot verlof te kunnen zenden, worden bij de bataljons in de grensprovinciën meer miliciens ingedeeld, bijv. 20 man meer per compagnie, dan bij de 12 bezettingsbataljons.

Dit kan zonder bezwaar geschieden, omdat de organisatie er op berekend is, dat de compagnieën geheel op oorlogsvoet kunnen worden geformeerd uit de 2e, 3e, 4e, 5e en 6e jaarklasse, zoodat de eerste jaargang des noods bij de eene compagnie iets sterker kan zijn dan bij de andere. Met 1 Juli als de lichting met groot verlof gaat, gaan deze overcompleete manschappen terug Organisatie der Ned. Strijdkrachten. 6

-ocr page 88-

82

naar de compagnie, waarvoor zij oorspronkelijk waren bestemd.

Ontstaan er ongereldheden, zoodat versterking van troepen noodig is, dan wordt het verlof met 1 November niet verleend, terwijl bij het verleenen van verlof op de verlofpas wordt vermeld, dat de houder bij kennisgave onmiddellijk terug keeren moet naar zijn garnizoen.

De staatscommissie wil ook op dezelfde wijze handelen als hier is voorgesteld en de helft met verlof zenden gedurende den winter, de wet Bergansius wil het blijvend gedeelte handhaven, en voert als grond aan: Dat de belangen van den dienst niet ten alle tijde „zullen veroorloven, het denkbeeld der staatscommissie „in toepassing te brengen Die belangen kunnen zijn:

1°. Onvoldoende oefening. Men wil echter aan een gedeelte gedurende den winter klein verlof verleenen ; dit werkt ongelijk, de vragers zijn in het voordeel, nu worden de lasten gelijkelijk verdeeld.

2°. Oefening van het kader. Hiervoor is de getalsterkte van 25 man per compagnie, bataljons gewijze vereenigd en met bepeiking der corveeën z. h. o. voldoende.

30. Dekking der grenzen bij mobilisatie. Hierin voorziet de maatregel met de vrijwilligers genomen en bij gebrek hieraan, die van de versterking der militie bij de grensbataljons.

4°. Ongeregeldheden, rustverstoringen, veepest enz Hiervoor moest de Koningin de bevoegdheid worden voor behouden om, in geval van bijzondere omstandigheden, niet vallende onder die, waarvan art 185 der grondwet spreekt, de dienstplichtigen, die in de termen vallen om met groot verlof te worden gezonden, nog voor een bepaalden tijd onder de wapens te houden en hen die niet in wer-kelijken dienst zjjn, voor een bepaalden tijd op te roepen, behoudens de nadere sanctie, te verkrijgen door eene wet,

-ocr page 89-

83

indien de termijn van langen duur zou moeten worden. Het intrekken van klein verlof, zooals hier het geval zou zijn van 1 November tot 1 Maart, zou echter, onder nadere goedkeuring van de Koningin, door de ministers van oorlog en binnenlandsche zaken kunnen bevolen worden.

Wij gelooven dat hierdoor de voornaamste motieven tot het niet volgen van het advies der staatscommissie zijn ontzenuwd.

Tegenover het laten vervallen van het blijvend gedeelte staat het jaarlijks onder de wapens roepen tot herhalingsoefeningen van drie lichtingen, waarmede de oefeningen van het Nederlandsche leger verreweg meerder gebaat zijn, in een zoo gunstig jaargetijde als dat vanl Juli — 1 October, dan met de zeer problematieke oefeningen in de winter-periode. Men roepe 1 of 10 Juli bijv. de negende jaargang op, behoorende tot de reserve , die het meeste nut zal trekken van eene herhaling der compag-nies-oefeningen gepaard met schijfschieten.

1 Augustus kome de 6e jaargang op tot het houden van bataljons-oefeningen.

1 September de 8e jaargang voor oefeningen in grooter verband, regiments-oefeningen, manoeuvres, het betrekken van legerkampen.

Dit alles voor zoover de infanterie geldt, de speciale wapens : vesting-artillerie, torpedisten, pontonniers en genietroepen worden daarentegen het beste compagnies-ge wijze geoefend, toch bestaat hier ook de golegenheid waar het noodig is, in grooter verband op te treden.

Ook de bezettingsbataljons der infanterie houden hoofdzakelijk oefeningen in het bataljonsverband, hier en daar gepaard met oefeningen in den groep en enkele grootere manoeuvres in de liniën en stellingen.

De cavalerie, veld- en rijdende artillerie, waarbij de

6*

-ocr page 90-

84

dienstplichtigen anderhalf jaar dienen, zullen, indien de eerste opkomst, op 1 October wordt vastgesteld, in den volgenden zomer escadrons- en batterij-oefeningen kunnen houden, waarbij door het grooter aantal vrijwilligers bij de cavalerie en rijdende artillerie en door de twee lichtingen, die bij de veldartillerie onder de wapens komen, deze oefeningen meer practisch nut zullen afwerpen.

Tot het verminderen der corv eën en employementen worden op alle magazijnen, arsenalen en militaire inrichtingen vaste werkers aangesteld, waardoor geen soldaten hiervoor aan hunne oefening kunnen worden onttrokken ; de administratieve troepen treden op als helpers en vaste werkers. Ook voor de corveeën in de kazernes, het zoogenaamde plaatscorvée, waterhalen en inkoopen, worden werkers tegeu een daggeld aangenomen.

De dienstplichtigen verrichten alleen den garnizoensdienst , wacht, patrouille, escorten, werkbeurten tot vervoer van munitie en geschut, de corveeën van kamerwacht in de chambrée en bij de onderofficieren, het afhalen van reparatiën , brood, munitie en nieuwe mon-teeringstukken.

Voor het vervoer van stroo, bedkribben , kazernemeu-belen enz, worden wagens gerequireerd, de militaire werkers dienen tot arbeiders, kader tot geleide en voor de ontvangst.

Oppassers van officieren volgen evenals nu gedurende hun eerste dienstjaar alle oefeningen.

Alle rekruten, die later worden iugedeeld, komen op bij de depots en worden hier geoefend ; eerst als zij afgeexer-ceerd zijn volgen zij de oefeningen bij de compagnie, waartoe zij behooren.

De hospitaalsoldaten en administratieve troepen hebben eone eerste oefening van eene maand bij de depots der infanterie en worden verder geoefend in de hospitalen en

-ocr page 91-

85

militaire inrichtingen. Zij komen niet op bij de infanterie-bataljons, waar zij nu niets dan last veroorzaken en de beste elementen soms nog wegnemen. De aanvullingsreserve dient 3 maanden bij de depots der infanterie, vesting-artillerie en genietroepen.

Per regiment infanterie worden op 800 dienstplichtigen 80 man ingedeeld voor de aanvullingsreserve. Deze komen bijv. op in twee gedeelten van 40 man bij een der depotcompagnieën van het regiment.

Bij de vesting-artillerie worden per regiment de 40 man der aanvullingsreserve in eens of in twee gedeelten opgeroepen bij het depot van het regiment.

Bij de genietroepen worden de 20 man der aanvullingsreserve in eens bij de depotcompagnie opgeroepen.

Zoo worden de compagnieën, escadrons en batterijen van vele beslommeringen verlost en kunnen zij zich geheel wijden aan de oefeningen van de jongste lichting.

Voor hen die voor vorming van het kader worden bestemd, zouden de volgende eischen moeten gelden :

le. Zouden zij die voor vorming van kader worden aangewezen, zich hieraan niet mogen onttrekken, evenals zulks de regel is in Denemarken.

2R. Voor het mindere kader worden gekozen zij , dio de lagere school met vrucht hebben doorloopen en door een examen hiervan blijken geven. Dit examen zou moeten loopen over het lezen en schrijven, do Nederlandsche taal, geschiedenis en aardrijkskunde van Nederland, rekenkunde tot en met de gewone en tiendeelige breuken en het metrieke stelsel.

De aangewezen of vrijwillige aspirant dient, als hij zich vooraf geoefend, heeft drie maanden , anders vijf maanden als soldaat, wordt na afgelegd examen korporaal en dient als hij korporaal blijft, 10 maanden of een jaar, naarmate, hij zich al dan niet vooraf heeft geoefend.

-ocr page 92-

86

Zij, die voor onderofficier worden opgeleid, beginnen hun cursus 4 maanden na hunne bevordering tot korporaal en worden na 10 maanden of na een jaar dienst aangesteld tot onderofficier ; zij moeten in dien graad nog 4 maanden dienen en vertrekken na 14 of 16 maanden dienst met groot verlof, volgens denzelfden maatstaf als bij de korporaals.

Zjj, die een einddiploma bezitten van vijfjarig onderwijs bij de hoogere burgerschool, het eindexamen voor het gymnasium, het admissieëxamen voor de hooge-school, voor de polytechnische school of voor de school tot opleiding van Oost-Indische ambtenaren, of het examen voor hoofdonderwijzer hebben gedaan, kunnen van hun 18e tot hun 2le levensjaar en bij uitzondering tot hun 23e jaar, als eenjarig vrijwilliger in dienst treden.

De ouders of voogden verbinden zich voor deze vrijwilligers gedurende hun eerste dienstjaar de meerdere kosten van onderhoud en kleeding te betalen.

Zij worden ingedeeld, zooveel mogelijk, bij de korpsen hunner keuze, nemen hier aan alle oefeningen deel, zijn vrij van corveeën , doch verrichten alle diensten van den garnizoens- en inwendigen dienst.

Zij mogen op kamers, hetzij bij hunne familie, hetzij afzonderlijk wonen, kunnen echter ook in de kazerne gehuisvest worden op verzoek, houden hier afzonderlijk menage en betalen zelf het meerdere van hun onderhoud. Zij dragen eene fijnere kleeding met een distinctief, bestaande uit lussen op de kraag, evenals de cadetten, gewijzigd naar het wapen, waartoe zij behooren.

Zij moeten bij hun indiensttreden het bewijs overleggen, dat zij een practischen en theoretischen voorbereidingscursus hebben bijgewoond en worden dan na 3 maanden dienst korporaal na afgelegd examen.

Xa 4 maanden als korporaal dienst te hebben gedaan, kunnen zij het examen doen voor onderofficier.

-ocr page 93-

87

Na 12 maanden dienst worden zij vaandrig en na 15 maanden dienst kunnen zij examen doen voor reserveluitenant.

Tot reserve-officier benoemd zijnde, moeten zij 3 maanden in dien rang dienen, hetzij onmiddellijk, hetzij gedurende een voïgend jaar. Zij verrichten dan den dienst als officier en genieten alle voorrechten en betalingen aan hun rang verbonden.

Verder komen zij bij herhalingsoefeningen met hun jaargang op. Om bevordering te maken tot eerste luitenant, moeten zij een schietcursus van 2 maanden, eene extra herhalingsoefening bijwonen en in anciënniteit gelijk zijn aan de luitenants van het leger van het wapen, waartoe zij behooren.

Na tien jaren dienst als luitenant, kunnen zij tot kapitein bevorderd worden, na vooraf nog een instructie-stage van 4 maanden te hebben doorloopen aan de krijgsschool. Bij overgang in den landstorm, worden zij tot kapitein bevorderd naar anciënniteit en later tot hoofdofficier bij den landstorm.

De reserve-officieren kunnen des winters de bijeenkomsten en het knjgsspel der officieren, zoomede des zomers de oefeningskampen en manoeuvres vrijwillig bijwonen.

Gedurende alle diensten, die zij verrichten, worden zij door het rijk bezoldigd als voor hun rang is vastgesteld.

Tot de bereden wapens behoorende, verstrekt het rijk hun gedurende hun diensttijd een rijkspaard, als zij dit verlangen; zij voorzien zelf echter in harnachement en bij mobilisatie ook in een dienstpaard, hebben dan echter rccht op indemniteit.

Studenten in de medicijnen, in de geneeskunde en van den pharmaceutischen dienst kunnen hunne studiën voortzetten, mits zij zich verbinden na volbrachte studie den staat gedurende 10 jaren als reserve-officier van gezond-

-ocr page 94-

88

heid, reserve-militair-apotheker of reserve-militair-paarden-arts te dienen.

Alle bepalingen omtrent de toelating van de eenjarige vrijwilligers, de vereischten tot toelating, de wijze van vorming en hunne verplichtingen, worden bij de wet omschreven.

Bij de verschillende korpsen wordt het militie-kader gevormd, zooals in de bijlagen is aangegeven; dat aantal is zoo groot niet, dat men op zwarigheden behoeft te stuiten ; wel wordt tegenwoordig bjj de bereden wapens weinig militie-kader gevormd, maar bij de meer ontwikkelde elementen, die men bij invoering van den persoonlijken dienstplicht in het leger zal krijgen, zal het vormen van militie-kader ook bij die wapens wel beter mogelijk zijn.

V.

De staatscommissie, de wet Borgansius en de minister Seijffardt willen in navolging van Duitschland, het land in militie-districten verdoelen.

De staatscommissie wil per 2 actieve bataljons een recru-teerings-district vormen, dat dan mede een reserve-bataljon levert; de districten voor de bezettingstroepen zijn gelegen in de nabijheid van de versterkte liniën en stellingen.

De wet Bergansius wil in navolging van de staatscommissie 30 recruteerings-districten, eenigzins gewijzigd wat de indeeling der troepen betreft.

De minister Seijffardt wenscht 26 militie-districten.

Overgaande tot indeeling in recruteerings-districten, zjjn er 48 , elk van een bataljon infanterie, wenschelijk. Met het oog op de vele beslommerinngen en moeiten, die de tegenwoordige indeeling reeds oplevert, op de onophoudelijke mutatiën, die nu reeds voorkomen door het herhaald ver-

-ocr page 95-

89

huizen der miliciens tot het zoeken van werk, waardoor bij sommige compagnieën in een jaar tijds vele verplaatsingen voorkomen en er letterlijk geen week voorbij gaat, waarin niet eenige miliciens van een bataljon worden verplaatst naar andere korpsen of onderdeelen ; op de korte afstanden, die bij mobilisatie door de militie zullen moeten worden afgelegd, indien zij blijft ingedeeld bij de korpsen, welke in de provincie garnizoen houden, achten wij eene indeeling in reeruteerings-districten voor ^Nederland niet noodig, want dan zullen de mutatiën, de overplaatsingen, de beslommeringen nog vermeerderen.

De indeeling der militie moet provinciesgewijze plaats hebben bij de korpsen, die in de provincie garnizoen houden; daartoe kan bij de eerste indeeling de groepsgewijze indeeling worden gevolgd d. i. de miliciens worden uit zekere groepen ingedeeld bij de bataljons of korpsen het naast nabij dien groep in garnizoen. Eenmaal bij zeker korps ingedeeld, blijft de milicien tot dat korps behooren, zoolang hij de provincie niet verlaat; gaat hij zich voorgoed d. i. voor langer dan 3 maanden , in eene andere provincie vestigen, dan wordt hij overgeschreven bij een korps van hetzelfde wapen, dat in de provincie zijner nieuwe woonplaats garnizoen houdt.

Heeft men bij het district-stelsel 48 districts-commissarissen noodig met hun nasleep van adjudanten, sergeantmajoors-schrijvers en ordonnansen, bij de provinciesgewijze indeeling kan men de tegenwoordige provinciale adjudanten, en militie-commissarissen behouden; de laatste behooren echter allen gewezen militairen (officieren) te zijn.

Wil men militie-districten van een bataljon, dan zouden de 48 kapiteins-adjudanten der infanterie, commandanten van reserve-bataljons, als zoodanig kunnen optreden; men zou dan echter 48 luitenants bataljons-adjudanten moeten aanstellen.

-ocr page 96-

90

Wij zouden den bestaanden toestand willen bestendigen : de verplaatsing bij opkomst onder de wapenen, wanneer de korpsen garnizoen houden in de provincie, waaruit zij hunne miliciens trekken , geschiedt over zoo\'n korten afstand dat dit de mobilisatie niet noemenswaard kan ophouden terwijl, het groote kosten bespaart van :

le Personeel van districts-commissarissen met den aankleve van dien,

2e Van aanhoudend verzenden van uitrusting en wapens. Ook voorkomt het veel schrijverij, aanleiding tot abuizen , waarmede zoowel de militaire als de burgerlijke administratie ten zeerste gebaat zouden zijn.

Daarenboven zou er bij na geen eenheid meer in het leger , bestaan, die in oorlogstijd met bekend personeel zou uitrukken, ten gevolge van de onophoudelijke mutatiën; al mag dit bij manoeuvres en opkomst van miliciens tot herhalingsoefeningen nog geen nadeelen hebben opgeleverd, omdat men alsdan met eenheden van zeer geringe sterkte heeft te doen gehad, bij mobilisatie kan onbekendheid met het personeel, dat men te commandeeren krijgt, zeker niet dan onvoordeelig werken.

Gaat men van het gronddenkbeeld uit om de miliciens te laten opkomen bij de troepen, die in de provincie garnizoen houden , dan zou :

Zuid-Holland met eene bevolking van 454.753 mannen, op 142 mannen een dienstplichtige leverende, jaarlijks 3202 miliciens leveren.

Noord-Holland, mannelijke bevolking 397.517, levert dan 2799 miliciens \'s jaars.

Zeeland, met eene bevolking van 99.877 mannen, levert 703 miliciens \'s jaars.

Friesland, mannelijke bevolking 1(58.464 , levert jaarlijks 1186 miliciens.

-ocr page 97-

91

Groningen, mannelijke bevolking 136.621 , levert jaarlijks 962 miliciens.

Drente , mannelijke bevolking 67.866 , levert jaarlijks 477 miliciens.

Overijssel, mannelijke bevolking 151.324, levert 1065 miliciens \'s jaars.

Gelderland, mannelijke bevolking 258.763, levert jaarlijks 1822 miliciens.

Utrecht, mannelijke bevolking 108.332, levert per jaar 762 miliciens.

Noord-Brabant, mannelijke bevolking 256.732, levert 1807 miliciens.

Limburg, mannelijke bevolking 131.934, levert jaarlijks 929 miliciens.

Hoewel vroeger werd gerekend op 149 mannen een dienstplichtige, is nu het cijfer 142 genomen, omdat er behalve de 14.965 miliciens, die noodig zijn, ook nog jaarlijks 710 moeten beschikbaar zijn voor hen, die na de inlijving worden afgekeurd.

Met het oog op aanleg en vereischten, die voor sommige wapens noodig zijn en de voorhanden militaire gebouwen, is het niet mogelijk het principe consequent door te voeren om alle korpsen van dienstplichtigen te voorzien uit de provinciën, waar die korpsen garnizoen houden, toch is dit zooveel mogelijk in acht te nemen.

Zoo kunnen de bezettings-bataljons bijna altjjd gerecru-teerd worden uit de dienstplichtigen van de provincie, waarin zij zullen optreden, of althans, waar zij in de nabijheid zullen optreden.

De cavalerie van twee regimenten kan uit de grensprovinciën , een regiment uit Zuid- en Noord-Holland ge-recruteerd worden, omdat het daar garnizoen zal houden. De veldartillerie, de genietroepen, hospitaalsoldaten en administratieve troepen moeten daarentegen uit nagenoeg

-ocr page 98-

92

alle provinciën gerecruteerd worden, om de bijzondere eigenschappen, welke deze dienstplichtigen zullen dienen te bezitten: intelligentie, kennis van een ambacht, beter schoolonderwijs of aanleg tot rijden enz., die voor deze korpsen zeer wenschelijk kunnen zijn.

De verdeeling der militie zou bijv. in dezen zin kunnen plaats hebben.

15734

t-L h-l h-i Ki to W -1 to GO -1 GO O O kU ~.1 to t-^to OwitOC5C5-lGOOO

ioo-atotoc^to-jicïoto

Jaarlijks contingent.

Zuid-Holland

Noord-Holland

Friesland

Drente

Groningen

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Brabant

Limburg

Zeeland

Provincie.

-1

to

O O

H-i I-».

^ Ci O tOCSCi^-CSOïtO

O O O ooooooo ooo ooooooo

Veldtroepen infanterie.

to £» O O

l—l

to 03 tO O Ci O ü* Ü* O O O O O O O O O

Bezettingtroepen infanterie.

gt;£gt;■ O* O

Ci co O Ci —1 —1 O O O O C*

Cavalerie.

GD -3 O

k-L ^ !-»•

Ü*lOCi tOtOM- t—1 O O

OOO ooo ooo

Veldartillerie.

ot O

03 to O O

Rijdende artillerie

t-l

to O

to to to 03 03 O O O O O

Pontonniers.

GO O

O O

Torpedisten.

O O O

to to gt;-»• rfi\' Ci O O to ^ O Ci O ooooo oo

Vestingartillerie.

to

O O

IO rf^toi-^to tototo

Ü* O Ü* O Ü* O* Ü*

Genietroepen.

h-k

09 O*

|_i h-l t—i t—l l—l gt;_l l_L »-1

Üi0C^Ü*y*00

Hospitaalsoldaten.

120

ooooooooooo

Administratieve troepen.

900

^ t-k t-i. • ^■Citor^tOCiCirfi.GOCiGO

oooo* ooooooo

Infanterie.

Aanvulli reserve

100

to to t-1 ü* O O ^ to ^ O Ci

Vestingartillerie.

to O

03 03 03 to 03 03 03

Genietroepen.

CTQ

00

Ci O O

O Ci O O Ci O O O O O

Zeemilitie.

—1

Ci amp;

C«tfk-^03COCigt;fklOÜ*^W ^^tOGOOO^-lOSH^GO

Keserve.

-ocr page 99-

93

Hierdoor zou de volgende garnizoensiudeeling ontstaan:

1« divisie (kustbewaking) in garnizoen in Zuid-Holland, Noord-Holland en Friesland en wel in:

Zuid-Holland 2 regimenten infanterie, 6 batterijen veldartillerie, 2—3 escadrons cavalerie.

Noord-Holland 1 regiment infanterie, 3—2 escadrons cavalerie, 2 treincompagnieën.

Friesland 1 regiment infanterie; Friesland levert de treincompagnieën van het le regiment veldartillerie, deze houden echter daar geen garnizoen.

De 2e divisie (bewaking Oostergrens) in garnizoen in Groningen, Drente, Overijssel en Gelderland, en wel in:

Groningen 3k regiment infanterie.

Drente twee bataljons infanterie.

Overijssel sk regiment infanterie, 2 escadrons cavalerie.

Gelderland zes bataljons infanterie, hiervan behooren twee bataljons te Nijmegen tot de 3e divisie, 3 escadrons cavalerie, een regiment veldartillerie.

Met het oog op de aanwezige militaire gebouwen en misschien ook in verband met de eventueele opstelling der troepen aan den Boven-IJssel, zou men de garnizoens-indeeling dezer divisie kunnen wijzigen als volgt:

Groningen een bataljon infanterie.

Drente (Assen) 2 bataljons infio-miliciens uit Groningen.

Overijssel (Zwolle en Deventer) 2 bataljons inf\'e-mili-ciens uit Drente — en 3 escadrons cavalerie.

Amersfoort 3 bataljons inf\'e-miliciens uit Overijssel —, 6 batterijen-miliciens uit Groningen en Overijssel.

Gelderland (Arnhem 2, Doesburg 1, Zutphen 1) 4 bataljons infanterie, 2 escadrons cavalerie en 2 rijdende batterijen.

Utrecht 2 compagnieën trein-miliciens uit Gelderland en Overijssel.

Nijmegen 2 bataljons infanterie-miliciens uit Gelderland j deze bataljons behooren tot de 3o divisie.

-ocr page 100-

94

3e divisie (Zuider- en Oostergrens) Noord-Brabant, Zeeland en Limburg.

Noord-Brabant 6 bataljons infanterie, een bataljon miliciens uit Limburg, 2 escadrons cavalerie, een regiment veldartillerie , getrokken uit Gelderland , Noord-Brabant, Limburg en Zeeland.

Zeeland twee bataljons infanterie.

Limburg twee bataljons infanterie, 3 escadrons cavalerie, garnizoenen Maastricht, Venlo , Roermond , Gennep.

De bezettingstroepen komen in garnizoen:

Zuid-Holland 3 bataljons infanterie.

Noord-Holland vijf bataljons infanterie en wel een bataljon te Naarden, een te Haarlem, een te Hoorn, twee te Amsterdam.

Friesland levert een bamp;ialjon infanterie, komt in garnizoen te Helder.

Utrecht twee bataljons infanterie, waarvan een compagnie te Arnhem voor de sperforfcen met miliciens uit Gelderland.

Noord-Brabant een bataljon infanterie te Willemstad of Bergen op Zoom.

Alzoo zijn bestemd voor de stelling van Amsterdam vier bataljons en vier bataljons der reserve.

Voor de Nieuwe Hollandsche Waterlinie 2 bataljons uit Zuid-Holland, 2 bataljons uit Utrecht, een bataljon uit Noord-Holland , d. z. er vijf en vijf reserve-bataljons.

Voor de monden van de Maas een bataljon en een reservebataljon uit Zuid-Holland.

Voor de stelling van Willemstad een bataljon en een reserve-bataljon.

Voor den Helder een bataljon en een reserve-bataljon.

■ Mochten voor de stellingen van de monden van de Maas en van Willemstad geen vier bataljons noodig zijn , dan kunnen de overschietende troepen hetzij voor de stelling

-ocr page 101-

95

van Amsterdam, hetzij voor de Utrechtsche Waterlinie of als algemeene reserve dienen.

De vestingartillerie is mede zoodanig ingedeeld , dat zij nagenoeg optreedt daar, waar zij gerecruteerd wordt. Dio van Zuid-Holland in de Nieuwe Hollandsche Waterlinie, en het fort aan den Maasmond, garnizoenen te\' s Graven-hage of Rotterdam en te Grorkum; die van Noord-Holland in Amsterdam ; van Groningen en Overijssel in den Helder ; van Gelderland in de sperforten ; van Utrecht aldaar; van Noord-Brabant in het Land van Altena en te Willemstad ; van Zeeland te Hellevoetsluis.

De pontonniers en de torpedisten kunnen ook in de omstreken van hun garnizoen gerecruteerd worden, alleen de genietroepen, hospitaalsoldaten en administratieve troepen worden uit alle provinciën getrokken, waartegen wel geen bezwaar zal bestaan; de zeemilitie uit de provinciën aan zee gelegen.

Merkbare veranderingen in de garnizoenen zouden dus ook niet noodig zijn, alleen zou Voor de 3 voorgestelde bezettings-bataljons en voor de depots localiteiten moeten worden gebouwd.

VI.

De vermeerdering zou bedragen ;

Voor de infanterie: 3 nieuwe bataljons en 3 regimentsstaven , verder eene vermeerdering van 24 luitenants voor depotcompagnieën; de 180 sergeant-majoors kunnen als sergeanten in rekening worden gebracht, want nu worden reeds 180 sergeanten als sergeant-majoor bezoldigd;

-ocr page 102-

96

nog ontbreken 200 sergeanten (1) 550 korporaals (2) en 24 tamboers en hoornblazers.

Voor de cavalerie: 15 opperwachtmeesters, 30 wachtmeesters , 60 brigadiers, 15 iioefsmeden en 300 hnzaren , waartegenover staat, door het opheffen van het escadron ordonnansen , eeiie vermindering van : 1 ritmeester, 4 luitenants , I opperwachtmeester, 9 wachtmeesters, 16 brigadiers , 2 hoefsmeden en 100 huzaren.

Voor de veldartillerie: 3 afdeelingsstaven en verder 24 opperwachtmeesters, 24 wachtmeesters en 102 korporaals voor den trein.

Voor de vestingartillerie: 40 sergeant-majoors — die echter nu reeds als zoodanig betaald worden, zijnde dienstdoende luitenants bij mobilisatie en dus als onderofficieren in rekening gebracht kunnen worden — en 60 sergeanten dus totaal 100, 104 korporaals en 8 hoornblazers, waarvoor eene vermindering intreedt van 4 compagnieën vesting-artillerie met 4 kapiteins, 12 luitenants, 4 sergeantmajoors, 36 sergeanten, 32 korporaals, 8 hoornblazers en 48 vrijwillige soldaten.

1

Er zijn noortig 48 X 5 = 240 onderofficieren voor de depots.

180 x 2 = 360 wegens vermeerdering van kader.

Totaal 600

Aanwezig zijn : By de pupillenschool, militaire academie , militaire school, instructie bataillon , depot van discipline, schietschool, hoofdcursus, koloniaal werfdepot en cadetttensehool 8 adjudanten-onderofficier, 20 sergeant-majoors, 264 sergeantenen 151 sergeanten-titulairs by de korpsen, totaal 415 sergeanten en 9 fouriers , zoodat er pl, m. 200 serge anten ontbreken.

2

Er zijn noodig 48 x 7 = 336 korporaals voor de depots.

180 X 2 = 360 wegens vermeerdering van kader.

Totaal 696

Aanwezig bjj verschillende inrichtingen 84 korporaals, bij het instructie batallon pl. m. 60 korporaals titulair, ontbreken pl. m. 550 korperaals.

-ocr page 103-

97

Voor de poutonniers : 2 luitenants, 2 sergeant-majoors, 2 sergeanten , 10 korporaals en 6 werklieden.

Voor de torpedisten : 4 luitenants, 2 sergeant-majoors, 2 sergeanten, 6 korporaals, 1 opper-schipper, 2 sergeanten-schippers en 4 korporaals-schippers.

Voor de genie eene vermeerdering van 39 sergeanten , 16 korporaals en 10 vrijwilligers, tegen eene vermindering van 30 vrijwilligers bij de veld-geniecompagnieën.

Voor de hospitaalsoldaten eene vermeerdering van 3 sergeant-majoors tegen eene vermindering van 3 sergeanten.

Voor de administratieve troepen zijnnoodig: 3 luitenantkwartiermeesters , 6 sergeant-majoors, 7 sergeanten, 3 fouriers en 30 korporaals.

De onderofficieren kunnen zijn de administrateurs of magazijnmeesters van bakkerijen of slachterijen of van verschillende kleine magazijnen, de korporaals de meester-kneclits in die inrichtingen werkzaam en bij voorkeur uit zulke bakkerijen, slachterijen en garnizoensmagazijnen, die bij mobilisatie ontruimd worden.

Nieuw personeel zal hiervoor dus niet behoeven te worden aangenomen, alleen zijn drie luitenant-kwartiermeesters aan te stellen.

De meerdere kosten voor traktementen en soldijen dei-kaders zijn te schatten :

Vermeerdering

der infanterie .

±

f

408000

n

der cavalerie

V

53500

71

der veldartillerie

V

ff

68700

»

der vesting-artillerie .

V

ff

5000

n

der pontonniers

n

ff

8000

n

der torpedisten

n

ff

8000

v

der genie

V

ff

17500

Totaal

±

f

568700

Organisatie der S

cd. Strijdkrachten.

7

-ocr page 104-

.1

98

Van de manschappen dienen er jaarlijks 13225 gedurende een jaar en 1140 gedurende drie maanden; bovendien zijn er 1040, die 6 maanden langer dienen bij de bereden wapens. In het geheel zijn er dus meer dan tegenwoordig:

222» voor een jaar = 26700 voor eene maand

1040 „ zes maanden „ 6240 „ „ r

1140 „ drie maanden „ 3420 „ „ n

36360

3 lichtingen voor eene maand,

met verloop te schatten op 34000 „ „ „

= 70360 „

Nu blijven 5000 man van het blij vend gedeelte 4V2 maand meer dan een

jaar, dus 22000 „ „ „

Komen voor herhalingsoefening op met verloop 9700

---- 31700 „ „

meer 38660 „ „ „ ad gemiddeld /\'20 per hoofd f 773200 2225 man eerste uitrusting „ 44500

/ 817700

Vrijwillig kader „ 568000

Totaal /\' 1385700

Te schatten op eene jaarlijksche uitgave van IV2 millioen gulden, mei inbegrip van uitrusting-rekening en het brood voor de vermeerdering van kader.

Daartegen komen ten bate van het rijk en de gemeenten volgens de wet Bergansius f 228.000, die thans de schutterijen kosten.

De wet Bergansius raamt de meerdere kosten op

tm

-ocr page 105-

99

t\' 1.550500; daarbij was echter in het kader van de landweer , wat beroepskader aangaat, niet voorzien, hier daarentegen bij de reserve wei.

Men vindt hier een geoefende macht van 125500 man troepen in le en 2e linie en 31375 man depottroepen, geheel geëncadreerd tot en met de bataljons-eenheden. Bij de wet Bergansius ontbraken 235 kapiteins en CO hoofdofficieren van de landweer.

Hier ontbreken alleen de 48 luitenants, die in tijd van oorlog als bataljons-adjudanten zullen optreden, verder voor 36 depotcompagnieën, ieder 2 luitenants, dus 72 48 = 160 luitenants. Per regiment is eene depotcompagnie compleet aan officieren , de officieren der andere compagnieën zijn gedetacheerd.

Om in vredestijd alle 96 luitenants voor het depot en de 48 luitenants bataljons-adjudanten aan te stellen, achten we niet - gewenscht om de promotie onder de luitenants niet te zeer te belemmeren. Bij mobilisatie kan in de ontbrekende luitenantsplaatsen als volgt worden voorzien.

Er zijn aanwezig bij inrichtingen, die bjj mobilisatie worden opgeheven :

Schietschool 2 Kapiteins 2 luitenants der infanterie

Instructie-bataillon 4 „21

quot; VVV

Hoofdcursus 1 „ 6 „ „ „

Pupillenschool 1 „ 1 „ „ .,

Militaire school 1 „ 4 „ „ „

Depot van discipline 1 „ 5 v „ „

Koloniaal werfddepot 2 „8 „ „ „

Hospitaalsoldaten 3 „ „ „

Militaire Academie 3 „ 12 „

~ VVV

Cadettenschool 2 „ 7 _

V VVV

17 . 69

V

7*

-ocr page 106-

100

Benoembaar zijn bij mobilisatie tot 2e luitenant:

Cadetten in bot hoogste studiejaar 24 infilt;!. hier te lande Leerlingen hoofdcursus 2e „ „ 20 „

Leerlingen militaire school 2e „ „ 20 „

«4

Verder zijn er in Oost-Indië 29, in West-Indië 11 officieren gedetacheerd , en zijn er nog;

Cadetten in het hoogste studiejaar voor Oost-Indië 20 Leerlingen v. d. hoofdcursus 2e studiejaar „ „10

Totaal \'60

Deze kunnen tijdelijk tot 2e luitenant hier te lande worden benoemd bij mobilisatie; bovendien zijn er 17 kapiteins overcompleet, die in oorlogstijd eene depot- of reserve-compagnie kunnen commandeeren, waardoor 17 luitenants, die er voor bestemd waren, minder tot kapitein worden bevorderd en dus een luitenantsplaats blijven innemen. Er zijn dus in het geheel 17 69 = 86 aanwezig en te benoemen bij mobilisatie 84 luitenants der infanterie.

Eindelijk zullen er na verloop van tijd wel een 50-tal kapiteins van de reserve of van de tegenwoordige schutterij kunnen optreden als compagnies-commandanten van de depots der reserve , terwijl men tot depotcommandan-ten, hetzij reserve-, hetzij gepensioneerde officieren of officieren op non-activiteit kan benoemen.

Zoolang men over zoovele reserve-officieren niet kan beschikken, voorziet het depot van het staande leger ook in de aanvulling der reserve en neemt de overcompleete reserve-manschappen op.

-ocr page 107-

BIJLAGEN

voorgestelde organisatie.

N.IJ. De staven bljjveu de tegeuwowdige tbriuatiën belioudeu.

-ocr page 108-
-ocr page 109-

I.

Compiignie infanterie Veld- en bezettingstroepeu. Reserve.

Oorlogsvoet.

Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

Vrij

I Dienst-

| Vrij

i Dienst-

Vrij-

Uienst-

willi

• plich-

wil

plioh

wil

plich

gers.

tigen.

ligers

tigen.

ligere.

tigen.

Kapitein

1

1

1

Luitenants

2

1

3

3

3

Vaandrig

1

1

1

Sergeant-majoor

1

1

2

Sergeanten

5

i.»

4

4

9

(i

Fourier

1

1

1

1

Korporaals

7

5

4

8 ;

11

11

Tamboers

•gt;

2

2

2

Hoornblazers

1

1

1

1

Soldaten

200

200

269

Ziekendragers

5

5

6

20 ~

215

10

225

30

301)

üeoo\'enclen in 5 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 4.44 X 50 = 222

noodig 215

(lienstpliclitigen.

overcompleet \' *

le jaargang 50 „

aanvullingsreserve 10 % iquot; 6 jaren\'27 „

Voor liet tlepot bestenul 84 op 215 of 39 %.

Voor de reserve in 6 jaargangen met verloop:

Hescliikbaar 4,8 X 50 = 240 geoefenden.

aanvullingsreserve 10 /0 = 24 gedeeltelijk geoefenden.

264

Noodig

Voor het depot bestemd In het geheel:

staand leger reserve

39 op 225 of IS %

84 dienstplichtigen 39 ..


Depoteompaguie Kajiitein Luitenants Sergeant-majoor Sergeanten Fourier Korporaals

123 op 440 = 28 % Vredesvoet.

i 2 1 4 1

Tamboers of hoornblazers Soldaten

onbepaald 18

-ocr page 110-

II.

Kscadron Cavalerie.

Veldtroepen Reserve

le, 2c, 3e, 4e esc. 5e, 6e escadron.

Oorlogsvoet

Vredesvoet.

Dienstplichtigen.

Dienstpl.

1995

I Oorloarsvoet. I Vrij- I Dienst-! willi- plicht gers. \' tisren.

Vri). willl-gers

Esca- lOrdon-dron. Inanser.

Vrijwilligers.

Kitmeester

1

1

1

Luitenants

4

1

3

2

4

2

Opperwachtmeester

1

1

1

2

Wachtmeesters

10

5

5

2

10

3

Fourier

1

1

1

1

Brigadiers

20

10

10

4

20

5

Trompetters

4

O

2

1

4

1

Werklieden

3

i

1

3

1

Huzaren

100 30

50

80

17

100

168

144 30

72

102

27

145

180

Geoefenden in 5 jaargiingen met verloop :

Beschikbaar 4,44 X 30 = 133 x 15 =

noodig per escadron 30 dienstplicht, voor 12 esc. = 3G0

129 „ „ 6 ,,

oppassers voor officieren bij mobilisatie bereden wordende

Overcompleet le jaargang 15 x 30 =

bestenul voor het depot

774

240

—1374

021 450

1071

op eene sterkte van 18 escadrons a 170 3060 = 35%

Oppassers

36 bataljons iï 4 officieren = 144 l 3 verbandplaatsen geneeskundige dienst 75 , 3 veldhospitalen

Intendance 16 1 res. verbandplaats

235

Voor de reserve 6 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 4,8 X 30 m 144 X 15 = 2160. Het depotescadron behoudt de thans bestaande formatie.

ii

-ocr page 111-

III.

Battery veldartillerie.

Vetdtroepen. Reserve.

Oorlogsvnet- Vrcdesvni\'t. Vrij- i Dienst-!; Vrjj- j Dienst-willi- i plich- . willi- j plich-gers. \' tigen. gers. tigen.

^ Oorlotrsvoet.

Vri)- I Dienst-willi- ; plich-I gers : tigen.

1 2 1 l

5 1

6 2

20 6 45

1

3 1 2 8 1 9 2

20 6 53

3 1

5 1

5 2

134

6 157

165 3 180

114

123

10

Kapitein Luitenants

Adjudant-Ond.off dd. Off.

Opperwachtmeester

Wachtmeesters

Fourier

Korporaals

Trompetters

Kanonniers

Stukrijders

Werklieden

Geoel\'enden in 5 jaargangen met verloop:

Besehikhaar 4,44 x 30 = 133 dienstplichtigen noodig 123 „

overcompleet le jaargang

10 30

voor het depot bestemd 40 op 143 = 27 pCt.

Voor de reserve G jaargangen met verloop:

Beschikbaar 4,8 X 30 — 143 x lt;gt; — 864 per regiment.

noodig voor eene afdeeling van 3 batterijen 471 „ ,

Overcompleet voor liet depot bestemd 393 op 471 of 82 %

Zoodat er zelf 4 batterijen per regiment kunnen worden gevormd uit de reserve, en er nog 25 pCt tot aanvulling bü het depot overblijft. Het depot eerst bij mobilisatie op te richten volgens de tegenwoordige formatie.

-ocr page 112-

IV.

Kjjdeiule battery.

Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

Vrij- ] Dienst-

Vrij

Dienst

willi- plich-

willi

plich

gers. tigen.

gers.

tigen.

Kapitein

1

1

Luitenants

3

3

1

Adjndant-Ond.off. dd. OÖ\'.

1

1

Opperwachtmeester

1

1

\\v achtmeesters

7

7

2

Fourier

1

1

Korporaals

8

8

4

Trompetters

o

2

Stukrijders

70

82

\' 70

143

Kanonniers

Werklieden

«

G

100

____

82

100

_ 150

Elke batterij heeft 25 miliciens onder de wapens, zoodat het vastgestelde getal van 95 minderen kan worden bereikt. De overige 57 miliciens worden nagezonden op den Sen mobilisatiedag.

Geoefenden in 3 jaargangen niet verloop:

Beschikbaar 4,44 X 25 ~ 111 noodig 82

Overcompleet le jaargang

29 25

voor het depot bestemd 54 Voor de reserve 6 jaargangen met verloop: Beschikbaar 2 X (4 8 x 25) — 240 man.

Instructie-batterij wordt depot.

V redes voet.

Oorlogsvoet.

Vrij

Diénst-

Vrij

i Dienst

willi

plich- I

willi

plich-

gers.

tigen. ;

gers.

i tigen.

Kapitein

1

1

Luitenants

1

1

•gt;

Opperwachtmeester

1

1

Wachtmeesters

2

2

4

Vuurwerkers

1

1

Fourier

1

1

Korporaals

2

2

8

Trompetters

o

2

Hoefsmid

1

1

Kanonniers en Stukrijders

90

90

94

102

102

108

210

_ 57 pC\'t.

3(54

-ocr page 113-

V.

Trein-Compagnie.

Veldtroepen. Reserve.

1 Oorlogsvoet.

Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

| Vrij

Dienst-

Vrij

Dienst

Vrij

Dienst

willi

plich

willi

plich

willi

plich

gers.

tigen.

gers.

tigen.

gers.

tigen.

Kapitein

1

1

1

Luiienants

1 2

1

1

2

3

1

Vaandrig

i

1

1

1

Opperwachtmeester

1

1

2

Wachtmeester

i 7

4

4

7

10

6

Fourier

1

1

1

Korporaals

16

10

10

16

25

15

Trompetters

2

o

2

1

Werklieden

10

10

10

4

Stukrijders

300

300

412

40

316

! 17~

339

quot;54

440

Geoelenden in 7 jaargangen met verloop:

Beschikbaar G X 55 = 330 dienstplichtigen.

noodig 316 „

Overcompleet 14

le jaargang 55

voor het depot bestemd 69 op 316 of pl. m. 22 pCt Voor de reserve 4 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 3.18 x 5.5 X 6 = 175 x 0 — 1050 „ van de rijdende artillerie 240

----1290

noodig voor 2 treincompagnieën 678

612

In liet geheel voor de depots van den trein der veldtroepen staand leger 414 reserve 612

1028 of 2808 = 36 pCt.

Voor de treincompagnieën der bezettingstroepen Beschikbaar van de cavalerie 2160 reservisten

Noodig: oppassers bereden officieren der reserve 200 4 compagnieën trein a 360 man 1440

---1640

bestemd voor het depot 520op 1440 = 36 pCt.

Up passers

36 bataljons infanterie u 4 officieren 144 geneeskundige dienst 25

intendance 7

divisie staf 16

192

-ocr page 114-

VI.

3 1

10 1 10 3 9

300 337

5 1 5 1 3

462 430

11 1

15 3 9

25 71

11

Compagnie Pontonniers.

Veldt roepen. Reserve.

Oorlogsvoet. 1

Oorlogsvoet.

| Vredesvoet.

Vrjj- i Dienst

Vrij

Dienst

Vrij- | Diënst-

Willi- plich-

willi

plich

j willi- j plich-

gers. 1 tigen.

gers.

tigen.

1 gers. \' tigen.

Kapitein 1

Luitenants 3 Vaandrig

Sergeant-majoor 1

Sergeanten 10 of (5 gemiild. 8

Fourier x.

Korporaals 12 of8 gemidd.! 10

Hoornblazers 3

Werklieden 12 of 6 gemidd. 9 Pontonniers 250 of 350

gemidd. 300 25 Ü1

300 312

Geoefenden in 7 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 6.09 x 60 =: 365 dienstplichtigen noodig 312 „

Overcompleet le jaargang

53 60

voor het depot bestenul 113 op 370 ~ 30 pCt.

Voor de reserve 4 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 3,18 X 60 X 2 — 190 X 2 ~ 380 noodig voor 1 compagnie 337

voor het depot bestemd 43 — 12 pCt.

In het geheel by de depots der pontonniers staand leger 226 reserve 43

269 op 985 ~ 27 pCt.

Het depot bij mobilisatie op tc richten:

kapitein 1

luitenant 1

sergeant-majoor l

sergeanten 2

korporaals 6

hoornblazer 1

pontonniers onbepaald

13

-ocr page 115-

VII.

Compagnie Vestinjr-avtilleric.

Bezettingstroepen. Betei-ve.

Vredesvoi\'t.

Oorlogsvoet. Oovlogsvoei.

Vrij- | Dienst- Vrj)- i Dienst- Vrij- | Dienst-will i plicli- willi- plich- willi- püch-gers. \' tigen. gers. i tigen. gers. 1 tigen.

Kapitein

1

1

1

Luitenants

2

1

3 ,

3

3

Vaandrig

1

1

1

Sergeant-majoor

1

1

2

Sergeanten

5

5

4

fgt; l!

9

0

Fourier

1

1 :i

1

Vmirwei kei-

1

1

O :

Korporaals

ti

(gt;

4

8

10

10

Hoornblazers

2

egt;

2

Kanonniers

12

150

162

12

220

31

163

11

183

42

240

Gcoelcndcn in 5 jaargangen met verloop:

Beschikbaar 4.44 x 40 ~ 167 flienstplichtigen

noodig 103 B

Overcompleet 4

Ie jaargang 40

annvullingsreservc 10 % t! jaargangen 21

(gt;5 op 175 ~ 37 ^,

Voor de reserve (i jaargangen met verloop Beschikbaar 4,8 X 40 ~ 192

aanvullingsreserve 0 jaargangen 10 % lit

211

183

noodig

28 op 183 =z 15 %. In het geheel bij de depots der vesting-artillerie staand leger G5 reserve 28

93 O]) 358 _ 2(i

Depot-compagnie.

0/ /O

Vredesvoet. kapitein 1

luitenant 1

sergeant-majoor 1 sergeanten 5 tourier 1

korporaals (i hoornblazers 2 kanonniers onbepaald.


-ocr page 116-

VUT.

Compagnie Torportisten.

Bezettingstroepen. Reserve.

! Oorlogsvoet.

; Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

Vrij- ,

Dienst

Vrij

Dienst

Vrij

j Dienst-

willi-

plich-

willi

plich-

willi

pllch-

gers. \'

tigen.

gers.

tigen.

gers.

\' tigen.

Kapitein

1

1

Luitenants

4

1

1 1

4

5

2

Vaandrig

1

1

1

Sergeant-maj ooi-

1

1

2

Sergeanten

7

5

6

6

11

7

Fourier

1

1

1

Korporaals

8

6

4

10

13

10

Opperschippers

o

2

3

Sergeanten schippers

4

1

1

4

5

2

Korporaals-schippers

5

7

4

8

7

10

Werklieden

4

4

4

1

Stokers

(5

6

6

2

Hoornblazers

2

2

2

1

Manschappen

24

150

174

24

204

69

171

.....20

220

84

240

Geoefenden in 6 jaargangen met verloop

Beschikbaar 5.27 X

40 — 210 dienstplichtigen

noodig

171

Overcompleet 39

le jaargang 40

voor het depot 79 op 195 H 40 %

Voor de reserve 5 jaargangen met verloop Heachikhaar 4 x 40 — 160 2

320 dienstplichtigen, noodig voor 1 compagnie 220 „

voor liet depot bestemd 100 op 220 ~ 48 % Het depot bij mobilisatie op te richten formatie ;

luitenant 1

sergeanten 2

korporaals (1

sergeant-schipper 1

manschappen onbepaald

10

-ocr page 117-

IX.

Genictroopon Voldonmpajrnie.

Veldtroepen. Reserve.

Oorlogsvoet.

i Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

Vrij

Dienst

Vry-

Dienst

Vnj-

Dienst

willi-

plich-

willi-

plich

willi-

plich

gers.

tigen.

; gers.

tigen.

gers.

tigen.

Kapitein

]

1

1

Luitenants

1

2

| 1

2

O

2

Vaandrig

1

1

1

Sergeant-majoor

1

1

2

Sergeanten

(•gt;

2

3

5

8

3

Fourier

1

1

1

Korporaals

6

4

4

6

8

8

Tamboers

3

3

3

1

Soldaten

40

100

140

40

160

69

109

10

158

65

175

Genofemlen in 6 .jaargatigen mot verloop

Bpsehik1)aav 5.27 X 25 — 129 dionstplichtisen noodifr 10Ï)

overcompleet 20

le jaarganjr 25

voor het depot bestemd 45 Voor de reserve 5 Jaargangen met verloop Beschikbaar 4 x 25 x 3 = 300 spoorweg en telegrraafcompagnie 100

400

noodig U/a compagnie 250

tclegraat\'afdeeling 77

--- 327

voor het depot

-ocr page 118-

X.

Genietroepen.

Keserve

Spoorweg en teleyraafcompaynie. telegraafafd.

Oorlogsvoet Vredesvoet.

Oorlogsvoet

Vrijwilligers.

Dienst plich-tigen.

Vrij- | Dienst willi- i plich-gers. tigen.

Vry- | Dienst-willi- i plich-gers. tigen.

Kapitein 1 Luitenants 5 Vaandrig 1 Sergeant-majoor I Sergeanten H 5 Fourier 1 Korporaals 12 4 Tamboers 2 Soldaten 60 108 93 119

1 1 (i 1 1

1

15 7 4 4 1

IC 6 4 4 2

60 161 G8 102 175 9 77

Geoofimilcii in 0 jajirgangen inot verloop JJeschikbaar 5.27 X 25 = 129 noo(lilt;r 119

overcompleet le jaarfrang

35

10

25

Voor ile reserve in 5 jaargangen met verloop Beschikbaar 4 x 25 = 100 dienstplichtigen nooilig 77 „

23

voor het depot

-ocr page 119-

XI.

Genietroepen Vesting-compagnie. Bezettingstroepen. Reserve.

Oorlqgsyoet. Oorlogsvoet. Vredesvoet.

Vrij- | Dienst Vrij- TDienst-jj Vrjj ■ üienst-

willi- , plicli willi- ; plieh- willi- | plich-

gers. 1 tigen. gers. 1 tigen. gers. \' tigen.

Kapitein

1

1

m

1

Luitenants

•gt;

1

1

-)

3

2

Vaandrig

1

i !

1

Sergeant-majoor

1

1

2

Sergeanten

\',t

4

5

8

12

6

Fourier

1

1

1

Korporaals

8

4

4

8

10

6

Tamboers

2

2

2

Soldaten

50

100

150

50

100

74

110

12

172

81

175

Geoefenden in 0 jaargangen met verloop

Bescliikbaar 5.27 x 25 _ 120 dienstplielitigen

nooilig 110

overcompleet 19

le jaargang 25

44

Voor de reserve 5 jaargangen met verloop

Bescliikbaar 4 x 2quot;» X 4 ~ 400 dienstplichtigen noodig voor 2 compagnieën 344

56

In liet geheel voor het depot der genietroepen

veldcompagnieën overcompleet 45 X 3 135

spoorweg en telegraal\'coinpagnie 35

reserve-veldgenietrocpen 73

vesting-compagnieën 44 X 4 r; 17(1

reserve-vesting-compagnieën 50

475

Aanvullingsresene over 12 jaargangen 205

De depot en sehoolcompagnie behoudt de tegenwoordige organisatie behalve de miliciens, die nu over de overige compagnieën verdeeld zijn.

080 op 2100 ol\' 3

!2 pCt.

Sterkte

3 X

105 _

495

T)

1 X

205 =

205

n

I X

327 —

327

n

4 X

180 =

720

V

2 X

180 —

300

2107


-ocr page 120-

XII.

(\'oinpagnu\' Hospitaalsoldaten.

I \'eJdtruepen Reserve.

Oorlogsvoet.

Vredesvoet.

Oovlolt;\'3vo(\'t.

Vrijwilligers.

Dienstplichtigen.

Dienst plich-tigeii.

v rij-willi •

gevs.

Uionst-i Vrjj-plich- willi-tigen. gers.

1

1 P

1

1

1

]

1

1

1

\'i 2

1

8

4 1]

4

8

ü 11

6

1

1

1

1

8

4 1

4

8

12

G

10

220 i

200

10

300

29\'

229

9

219

è\'T

315

Luitenant

Sergeant-majoors

Sergeanten

Fourier

Korporaals

Soldaten

Geoefenden in (5 jaargangen met verloop

Beschikbaar 5.27 X 45 237 dienstplichtigen noodiff 221)

45

le jaargang

53 op 239 = 22 pCt. Voor de reserve 5 jaargangen met verloop Besschikbaar 4 x 45 x 3 ~ 540 noodig voor 2 compagnieën 438

102 op 438 — 23 pCt.

Het depot bjj mobilisatie op te richten formatie : luitenant 1

sergeanten 1

korporaals 4

soldaten onbepaald

-ocr page 121-

XIII.

Compagnie Vurplegiugscoloiiiies. Veldtroepen. Reserve.

wilii- j plich-gers. 1 tigen.

Vrij-willi aars.

Dienst-I! Vrjj - i Dienst-plioli willi- plich-tigen. il gers. tigen.

Liiitenant-Kwartiermeestr.

1

1

1

i

1

1

Vaandrig

1

i

1

Sergeant-majoor

1

11

1

I

2

Sergean(en-Magazijnmgt;s.

G

G

3

9

9

10

Fourier

1

1

1

1

Korporaals-Meesterkn1®.

«

0 !

4

8 ;

10

10

Slachters

45

45

«(•

Bakkers

45

45

60

Werklieden

100

100

137

15

204

\' lt;r

210

~ 23

280

Geoefenden in rgt; jaargangen

met verloop

Beschikbaar 5.27 X 40 — 210 dienstplichtigen noodig 204

le jjuirgaug

overcompleet 40

Voor de reserve 5 jaargangen met verloop Beschikbaar 4 X 40 X 3 = 480 noodig voor 2 compagnieën 420

Oorlogsyoet. _j| Oorlogsvoet. ; Vredeavoet. Vrij- ! Dienst

li 40

overcompleet Voor het depot bestemd

60

138 00

198 op 1032 = 1\'J pCt.

Het depot bij mobilisatie op te richten (ormatie :

luitenant 1

sergeanten ot\' tburier 3

korporaals 4

manschappen onbepaald

-ocr page 122-
-ocr page 123-

IPfigB

m

.

■ÉÉ

-ocr page 124-

Hij de l ityccer* dezes ziet mede het licht:

Handboek voor Onderofficieren en Korporaals der Infanterie-van het Nederlandsoh-Indisohe Leger door D. BRAKEL, Alajooi\' dor Lufautorio Nod.-fud. Leger. Derde verbeterde druk , met 70 tussclien don tekst gedrukte figuren en eon uitslaande plaat. Prijs f 1,90.

Uittreksel van het Seglement voor den Q-arnizoensdienst en Algemeen Voorschrift betrekkelijk den dienst der wachten bij gevangenissen ten behoeve van Onderofficieren en Korporaals door B. G. KOOPMAN , Kapitein der Infanterie, 4e druk. Prijs f 0.40

Naar het Eeghnent. Brieven aan de Korporaals van het Instructic-Bataillon vóór hun vertrek naar do regimenten. Eeu gids voor allen die om bevordering te maken als vrijwilliger dienst nemen door M. SCHREK, le Luitenant-Adj. 5e Regiment Infanterie. Prijs f 0.50.