gt;s ^ ,
■ ■» \'\'»lt;4quot; 4quot; \'w amp; \'■* f ; ■ ,\'\'■■•lt;lt;. „■
\' 1 \'*■ \'• 1
r PW\' lt;••*•/\' J \' fj
- \' \' \' ¥ lt;amp; ■amp; ?•\' ■: , ■gt;? , gt; quot;- v %■ ■■\'\' \' ylt; \'■
. ■„ / .-■• gt;. • . • , •, ^ i ••\' - \' quot;• £o b; \'
^ m ... \'amp;} j *:\'r* : V
%,/- ¥-, ,. ■#. \'irl1 \'-v,-
■ .\'*.1
gt;\' i a ?\'V\' I It,1 Sï AV\'F\'k7 ■
1 l\'A w Kf /, r
;; r- .„■% , j?v 4.:^
- A*. S ■ ,.™ «» .•gt;
, «quot;C w» . \' quot;S;-
t •••■■»/ , 4». \'?■ 1
^ \' .„él * w
. 1 quot;» gt; M 1 /» .Cfquot;
. Vi-A. \' iï-l: J.xM.\'
ft ^
LELIEN EN ROZEN.
# *
hi**}
x ^SK-.iOr-rU}\' DF.n »nf jr.N Ï t\'. ~»517
(J \' ~ quot; ** Ï.
■a
JM* i vi V
• .f j- * \' *% * \'j
*#lt;»■gt; %-*
gunning
. \\
♦
i
tt\\un cu ü]02t:\\i
PlCHT EN PNDICHT
B. T. ADRIAXI, N. BEETS, W. G. BRILL, J. I. DOEDES, J. H. GUNNING Jr., J. P. HASEBROEK, C. E. VAN KOETSVELD, E. LAURILLARD, J. J. VAN OOSTERZEE, H. PIERSON, C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA, SOERA RANA, W. L. WELTER Jr. E. A.
j c/sssj
j UTRECHT,
C. H. E. B R E IJ E R.
BIBLIOTHEEK DER j HiJKSUMIVERSiT.-i U I ■\'lt; fc C li ,
1
I N H O U D.
gt;
I.
Blad?..
In Memoriam. Aan J. I. 1)., door .1. .7. van oosterzee. 1 J. J. van Oosterzee, in den vreemde gestorven, door
nicoi.aas beets..........................4
De Martelares, door ***. (Bij de /daat tegenover den titel.) 5
De jaren komen, door \\v. l. welter Jt......15
Een bedevaart naar I\'ort Koyal, door H. PIERSOX . . 17
liij een duizendjarigen palmboom, door .1. i\' hasehrokk 35
Kene kerkelijke Oranje-anekdote, door r.. .r. van rhijx 31)
Morgenzang, door soeka rax a.........45
John Bost, door .i. .i. vax voli.enhovex.....46
De vreemdeling. Sonnet, door l\'. J. moetos .... 54
Aan den auteur van „De Vreemdelingquot;, door r. J. MOETO.v 55
Wat is afgoderij? door \\v. fi. brill.......56
, Kniel,quot; zegt Satan, „voor mjj neder!quot; door e. laürillaku 63
ïe Pederobba, door j. herman de ridder.....65
Aan den Heiland, door nicoi.aas beets......71
Het Lutherlied, door b. adriani.......72
In licht gehuld, door I\'IBeLadelphus.......77
Proeven van Armenische volkspoëzie, door .1. rud. steix-
metz..........
Opwekking, door w. ii. kirberge\'r Kepler, door trtfosa.....
78
1)7 ij!»
gt;
6
Blndz.
Verplaatst, dooi- \\. v. bronsveld.......112
De door God geplantte plant, door f. f. c. steismetz 113
Xanr de stad, door c. e. van koetsveld. Met planf. ll-l
Najaarslied, door y. d. muller massis......122
Ken vijftigjarig t\'cest, door c. s. adama van scheltema 125
Alleen op \'t kruis, door godfried c. n......135
Op den terugweg, door 5r. c. maclaine pont . . 137
Komt tot mij! door e. f. H. wolf.......14fi
Spreuken 11 : 2, door Q. x..........148
Verblijdt u in den Heere, door E. f. H. wolf . . . 157
Lessing\'s Faust, door \\v. van DEN liERfïll . . . . 159
Trek mij! door e. f. H. wolf.........188
Bijschrift bij een „In Memoriamquot;, door .1. i. doedes . 189 Hooger-op. {Tenighlih op de plaat tegenover hl. 114) door
W. H. KIRBEROER............194
II.
Het Onze Vader naar Mattheus, door w. lt;i. urili.. . 3
Resignatie, door w. l. welter jr................14
De Christelijke Israëliet. Kene herinnering aan het huisbezoek, door c. e. van koetsveld......15
De welkome vrucht, door c. s. adama van scheltema 19 Het plan van Is. da Costa\'s Vijf-en-Twintig jaren, een
lied in 1840, door H. PIBRSON........21
Geen schimp voor de liefde! door e. laurillard . . 43
Ken Zondagmorgen in de achterbuurt, door h. .1. heynes 45
Lectuur, door j. p. uasebroek (By de plaat). ... (58
Gedachten over de Zending, door i: adriani . . 70
Avondstond, door soera rana.........78
Zelfverloochening, door ***..........79
De Kananeesche vrouw bij Jezus, door e. f. n. wolf 87
--
7
■
Bladz.
Hoe de Heer zich juwcelen voor zijn kroon en wegen
voor zijn woord bereidt, door i\'. .1 axsz.....89
Zedelijke gevoeligheid, door j. ü. stkixmetz .... 99
Psalm 84. Voor eenzamen, door tkykosa.....100
Bij een kerktoren, door y. i). muller massis . . 111
Johannes de dooper in de gevangenis, door j. i. doedes 113
Rust in God, door NICOLAAS liEETS.......126
Hij heeft onze smarten gedragen, door J. NOBELS . . 127
De populier, door Godfried c. ii........139
Een lied op de sneeuw, door p. huet......141
Uit mijn Troostlnjbel, door j. vax oosterzee . 145
Een brief van huis, door a. w. uroasveld {Hij de iihuit) KiO
IN M E M 0 E I A M.
AAN J. I. I). 16 Juni \'41—\'81.
Zestien Juni Een en Veertig!
Heugt hij u. de blijde dag,
Die den schoonen droom der jonkheid
Op het schoonst vervullen zag ? Aan den opgewekten Christus
Was uw wakker woord gewijd. En een frissche lauwer kroonde D\' eerstling van uw levensstrijd.
Veertig jaren .snelden benen,
Hoeveel is op \'s levens baan.
Sinds dien dag der eerstelingen,
Reeds voor u voorbijgegaan!
Harten braken, hairen grijsden,
Stormen gierden boven \'t hoofd.....
Maar — de man heeft niet verloochend Wat de jongling had beloofd.
o
Van den Eerstling uit de dooden
Te getuigen bleef uw lust,
Hem bracht ge onvermoeid liet offer Van uw tijd, uw kracht, uw rust. Wie ook weken, wie ook vielen,
Waarheid, vrijheid, heilig recht, \'t Bleef de vaste leus uws levens.
Als uws Heeren trouwe knecht.
En nu — Juni Een en Tachtig!
0 wie peilt, wie spreekt het uit,
Wat die enkle cijferkoppling
Vreugd en droefheid in zich sluit? Grijzend werden wij steeds vreemder
Aan de illusies, ons zoo waard.
En de bange nood der tijden Kicht het vochtig oog ter aard.
De opgewekte Heer — gelasterd!
\'t Evangelie Gods — vertreên, Of — gesmoord in de enge banden Van een menschlijk keurs alleen; Waarheid weer ter dood veroordeeld;
Leugen weer in heerschappij.....
Zouden we niet somtijds vragen;
«Broeder, waarvoor streden wij?quot;
Waarvoor — och, wat zou het baten, Of men \'t ook niet vruchtloos vroeg? Maar voor W i e n — dat moogt gij weten. En dit Éene blijft genoeg.
O O
Wie u immer ook miskenden,
Eén tocli kent u, Hij die leeft, En aan wie Hem trouw beleden Eens de kroon des Levens geeft.
Blijv\' Hij sparen, troosten, schragen,
Waar de dag ten avond spoedt! Doe Hij \'t ons tezaam ervaren:
\'t Einde goed, wordt alles goed. Nog een weinig tijds, en \'t strijden, \'t Smalen ook, \'t heeft alles uit.
Maar (wat meer dan Al beduidt!) \'t »Bene tu de Me scripsistiquot;
Wordt voor u het schoonst Besluit!
(J. F. u. o. M. Paranymphus Doctori J, J. v. Oosterzee.
15 Juni \'81.
J. J. VAN OOSTEKZE E,
in den vreemde gestorven. (Wiesbaden, 29 Juli 1882.)
altius egit iteu.
Hij ging op reLs. Waarheen? Wij dachten dat wij\'t wisten, Maar wisten \'t waarlijk niet.
Op eenmaal bleek hoe deerlijk we ons vergisten, Toen hij zijn reisgenoot verlegen achterliet.
Wat was \'t? Zijn beste vriend, zijn Heiland was gekomen. En, ziende \'t reiskleed dat hij droeg.
Had hij hem eensklaps meegenomen Naar \'t beter vaderland waar lang zijn hart voor sloeg.
Nu zien we elkander aan met stil ontroeren;
Maar niemand keurt het af, al doet het pijn; Want op zijn beurt wenseht elk te zijn In \'t goede land, waar hij zich heen liet voeren.
Awj. 1882. Nicolaas Beets.
DE MAETELARES. (Bij de plaat tegenover den titel.)
Ontzaglijk doch heerlijk tevens zijn de tijden tot welke het schoon tafereel van deze plaat ons terugvoert. Ik ken dat tafereel \'). Sedert jaren siert het mijn studeervertrek, als lieflijke herinnering tevens aan de vroeg ter heerlijkheid opgenomene getuige 2) van Jezus, uit wier nalatenschap de treurende familie het mij aanbood. Op het Coliseum zelf, te Eome, dacht ik er met eerbiedige aandoening aan terug.
Want het is een arkade van het reusachtig Coliseum in de wereldstad, die gij op dit afbeeldsel voor u ziet. Een enkele boog kan u de onmetelijkheid niet vertegenwoordigen van het geheele gebouw, tegenpool in zoo menig opzicht, heidensche tegenstelling van de aan de andere zijde der stad gebouwde St. Pieterskerk. Op den achtergrond echter, op die zitplaatsen in het rond, schemert u nog
\') Naar de schilderij: „C h r is t li c he M ii r t y r e rquot; van Albert Baur, een den boste leerlingen van de Dusseldorpsche schilderschool.
-) ,Getuigequot; en „Martelaarquot;\' is in het Orieksch hetzelfde.
6
iets toe van de woeling der tachtigduizend toeschouwers welke dit reusachtig amphitheater bevatten kon.
Wij zijn in de eerste eeuwen onzer christelijke jaartelling. De christenen, eerst te Eome weinig opgemerkt, zijn langzamerhand een voorwerp geworden van den instinktieven haat des volks en van de vervolging door zijn overheden. Men gevoelt het, zy vertegenwoordigen een ander koninkrijk dan het groote rijk dat, met zijn Keizer aan het hoofd, aller vaderland, aller trots, aller éénig steunpunt en vervulling des levens is. Deze Christenen spreken van een koninkrijk der hemelen, van een onzichtbaren Koning die niet hier te Kome op den Palatijnschen berg, maar in den hemel woont. Wel is waar hun trouwe toewijding, hun gehoorzaamheid, hun schatting, wordt aan het aardsche vaderland gegeven. Maar hun hart is bij den hemelschen Heer, en voor het beeld van den zichtbaren Augustus Caesar wierooken zij niet. Iets onverklaarbaars onderscheidt hen van \'t overige menschdom. Dij uitsluiting van alle anderen meenen zij een volk te zijn dat den éénigen waarachtigen God toebehoort. Dat is ongehoord: dat mag niet, liome is van ouds gastvrij voor alle godheden der volken, die immers hun plaatselijke beteekenis, de beperktheid hunner macht, door hun vereerders doen erkennen, en er in toestemmen, ieder slechts ééne uitdrukking, één onvolkomen, feilbare vorm van de eeuwige waarheid te zijn. Maar deze Christenen hebben de ongerijmde, duldelooze aanmatiging van alleen de volle, geheele waarheid te bezitten. Ook zijn terecht de Goden vertoornd. De volksrampen die Eome treffen, het misgewas, de aardbevingen, het dreigen der barbaren aan de grenzen, het vele dat de menschen overal onrustig maakt, alles bewijst dat deze Christenen zijn een verstoring van
7
de orde des Eijks, een pest, een verfoeisel van het mensebdom. Met den kreet »de Christenen voor de leeuwen!quot;\' roept de oude wereld zich zelve ter beslissende worsteling op tegen een macht van welke zij beseft dat geen vergelijk met baar mogelijk is, dat een van beide noodzakelijk moet sterven. Zij trekt al hare kracht samen, en voegt der nieuwe wereldbeschouwing van het Christendom, der vermetele indringster toe:
„Kom dan, aanvaarden wij \'t gevecht.
En toon\' we wie we zijn —
De kans moot tusschon ons beslecht.
Uw leven of liet mijn!quot;
En het geschiedt. Staat gij in \'t midden der arena van het Coliseum, heeft uw verbaasde blik langs de reien dei-zitplaatsen in \'t ronde, zonder schier een einde te vinden, opwaarts gewandeld, en slaat gij hem dan weder naar de plaats waar gij staat, den bodem, eertijds met het bloed van tallooze gladiatoren doorweekt, wat ziet gij dan rechts en links in die groote hokken onder de zitplaatsen Daar werden vroeger, ter ééner zijde de leeuwen en tijgers, ter andere de Christenen bewaard, die men ter prooi voor deze dieren bestemde. Woeste kreten van bloeddorstige blijdschap der toeschouwers overschreeuwden de psalmen die zij aanhieven in \'t gezicht van den dood, begeleidden hun laatste oogenblikken. Doch zij hoorden slechts het lied der engelen, die, den palmtak der overwinning wuivende, hen opvoerden tot de gemeenschap met de schare die, uit de groote verdrukking gekomen, de lange kleederen heeft wit gewasschen in het bloed des Lams.
Op ons tafereel wordt een jong schoon meisjen uitge-
dragen. Ook zij bezweek onder den verscheurenden klauw. Het licht des hemels valt op haar wit kleed, zoodat zij het blinkend middelpunt van de geheele groep wordt. Heerlijk zinnebeeld en werkelijkheid tevens! Er i s een hoogere wereld, een wereld van dat licht hetwelk hooger is dan dat der zon, de wereld der eeuwige waarheid. Deze aardsehe wereld is in haar gegrond, en zal er daarom ook ééns geheel van doordrongen, verheerlijkt zijn, als de nieuwe nemelen en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, zullen tot zichtbare werkelijkheid zijn geworden. Thans echter, hier in dezen tijd der aardsehe worsteling, blinkt dat hooger licht slechts bij enkele uitverkoren oogenblikken door de duisternis dezer wereld heen. Het is dan, wanneer het hoogste te voorschijn treedt, dat hier beneden kan gezien worden, namelijk de vrije persoonlijkheid, die zelfverloochenend zich Gode offert en het tijdelijk leven verzaakt om Gods en der broederen wil. Zoo geschiedde het toen de Heere Jezus door zijn doop in den Jordaan »alle gerechtigheid kwam vervullen,quot; zich aanbood om schuldverzoenend Israels en der wereld vloek te dragen, en te worden wat Johannes de Dooper daarop zou getuigen dat Hij was, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Toen werd boven zijn hoofd de lichtgrond der wereld openbaar. De hemelen werden .geopend en de Heilige Geest daalde neder. En zoo geschiedt het in mindere mate telkens als de heerlijkste schepping Gods, de vrije persoonlijkheid, het éénig volkomen goede gebruik van zich zelve maakt, dat haar mogelijk is, namelijk: zich Gode terug te geven, zich Hem te offeren. Dit is de eigenlijke beteekenis van het Martelaarschap: dat de vrije persoonlijkheid zich door den dood heen handhaaft tegen de kolossale macht
9
der wereld die haar verplettert. Hier komt tot werkelijkheid de waarheid van een der verhevenste woorden der Heilige Schrift: »die Jezus\' getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is.quot; Dat is: de mensch erlangt de hooge eere, er voor te mogen instaan, zijn persoon, zijn geheele wezen, zijn leven er voor te mogen verpanden, dat God waarachtig is. M. a. w. dat het hoogste, heiligste, de waarheid, de eeuwige schoonheid zelve zooals zij zich openbaart, niet liegt noch liegen kan; dat zij waarheid is omdat zij zelve het, door haar te voorschijn treden, openbaart. De hoogheerlijke adel van het persoonlijk gezag der waarheid wordt dan aldus betuigd: God zegt: »Ik ben de waarheid omdat Ik het zelf zeg.quot; En de mensch mag dan ook in die eere deelen en, even als God en in Gods kracht, betuigen: ja het is zoo, en tot bewijs ga ik er voor in den dood, hetzij onder beulshanden, hetzij door dat ik alles overgeef, alles verzaak en in deze waarheid alleen voortaan mijn leven heb. Daar is tweeërlei martelaarschap: het eene door den dood, het andere door het leven. Op ons tafereel zien wij — zoo onze fantasie wettig speelt — de beide gestalten van het martelaarschap. Eerst, in het jonge meisje, het martelaarschap door den dood. Stervende is zij machtiger dan de geheele wereld die over haar heen valt. Zij verklaart met de daad van haar dood dat de wereld, die oogenschijnlijk triomfeert, nochtans liegt en ijdele schijn is. en dat God, God alléén die in haar getuigde en haar ter dood riep, waarachtig is. Deze gestorvene verkondigt dus den triomf over, de beschaming van den dood, d. i. den triomf der opstanding, des eeuwigen levens. Als liem-brandt de uitdrijving van de wisselaars en kooplieden uit den tempel schildert, laat hij mei: diepe genialiteit den
10
nimbus, den lichtglans, die gewoonlijk het hoofd des Heilands en Zijner heiligen omgeeft, ditmaal overgaan op de hand des Heeren die den geesel zwaait. Ditzelfde past hier onze schilder toe op het geheele lichaam der maagd die zich den Heiland heeft geofferd, en ziedaar de beteekenis van den lichtglans die de martelares over-gloort.
Twee forsche soldaten brengen baar uit. De een ondervangt haar armen, zoodat het verbleekt hoofd tegen zijn borst leunt. De ander vat de plooien van het lange kleed bij ile knieën samen, zoodat de doode als op een rustbed zweeft.
Ter rechterzijde van haar wankelt de grijze vader voort . Hij heeft haar nederhangende hand gevat, die hij met tranen en kussen overdekt. Fijn en juist gevoeld is ter rechterzijde de veel kalmer houding der moeder. De man toch is sterker dan de vrouw tot aanval en strijd, maaide vrouw overtreft hem in moed om het lijden aan te zien, te dragen en zoo mogelijk te verhelpen. Ook deze moeder, het eerwaardig gelaat voorover gebogen, beschouwt wel bedroefd maar toch met een opmerkzaamheid die den schreienden vader onmogelijk ware, de linkerborst barer dochter, door den tijgerbeet vaneen gereten. Zou er soms nog leven in de geliefde gestalte op te wekken zijn? Eén oogenblik schijnt de moederliefde bet gehoopt te hebben — maar neen, ach neen!
Doch wien geldt daar de vernietigende blik van minachting en edelen toorn, door den achtersten krijgsman die het slachtoffer draagt, ter zijde geslagen? Zie daar rechts van haar, aan den ingang van het gebouw, staat, terwijl men haar voorbijdraagt, een wellusteling haar te beschouwen. Niet alleen zijn stomp, oorspronkelijk schoon gevormd
11
docli door dierlijke driften verlaagd gelaat, maar ook zijn omgeving wijst aan wie hij is. Een tweetal bekranste vrouwen, priesteressen der ontucht, houden hem gezelschap. De onbeschaamde blik dien hij op de schoone martelares werpt, gaat wellicht gepaard met een woord uit den half geopenden mond, waaruit men hoort dat zelfs de verheven ernst des doods zijn gedachten niet uit het slijk der gemeenheid kan opheffen. Welsprekend is althans daar tegenover de blik waarmee de achterste krijgsman hem stilzwijgend schijnt toe te voegen: »ellendeling, ontwijd deze Majesteit niet!quot;
En niet minder schoon is de houding van eene der twee lichtzinnige vrouwen. Zij die op den voorgrond staat heeft in onwillekeurige beweging van eerbied zich den krans van het hoofd genomen, en neigt het voor de doode. O wat gaat er in u om, rampzalige? Gevoelt gij hoeveel heerlijker het lot der reine martelares is dan het uwe, bekranste, in weelde badende slavin der zonde ? Wenscht gij een oogenblik zelfs in hare plaats te zijn? O houd dan dezen indruk vast, en als de dag zal gedaald zijn, als het rumoer der stad zwijgt, onttrek u dan stil aan het verblijf der zonde en ga tot den eerwaardigen grijsaard naar wien uw blik ons overleidt daar hij vóór de doode heengaat, door den voorsten soldaat die de knieën der martelares ondervangt, met innemenden eerbied en deelneming nagestaard .....
Wie zou hij wezen ? Daar is iets wankelends in zijn gang, dat niet van den ouderdom alleen schijnt te komen. Want ondanks het sneeuwwit van hoofdhair en baard ligt er kracht in de eerwaardige gestalte, in de edele trekken van zijn aangezicht. De wandelstaf dien hij tastend vóór zich uitstrekt, lost ons het raadsel op. De priester is
12
is blind. Hij heeft zich door geen doodsgevaar laten weerhouden om met de martelares, zijne leei\'linge, zijn beminde dochter in den Heer, in de gevangenis ter toebereiding tot den dood het heilig Sakrament des Avondmaals te gebruiken, waarvan hij nu het gereide, in de breede plooien van zijn mantel verborgen, terugdraagt.
Maar zie daar naast hem dien jongeling, op wiens schouder hij den arm legt. O aandoenlijkst beeld van het gan-sche tafereel! Stom van smart, de handen voor het gelaat, de hijgende gestalte met moeite ophoudend, bet hoofd tegen de breede borst des grijsaards geleund, staat hij daar, de bloeiende, maar nu geheel gebroken jonge man. De orde der natuur is omgekeerd. Niet hij steunt den bevenden ouderdom, maar de grijsaard, zie, hij heeft beschermend en troostend zijn arm om den jongeling heen geslagen. »Wees sterk in God, mijn zoon! de Heiland wien gij beiden toebehoort, vroeg heden het offer des levens uwer bruid. O geef ook gij, geef het Hem in de kracht zijner genade. Wie weet hoe spoedig gij, of zoo ook mij de eere gegund wordt, dan ik met u, wij samen, haar op den weg der heerlijkheid zullen volgen!
Doch neen, dat zal niet noodzakelijk zijn. Er is, zeiden wij zooeven, tweeërlei martelaarschap. Eén door den d o o d, maar ook een door het leven. De smart toch doodt niet Gods kinderen zelve, maar alleen den dood in hen.
Als zij die hier wordt weggedragen, stil, door weinige broeders en zusters begeleid, in de katakombe buiten de stad aan de via Appia zal worden bijgezet, dan zal, als de psalm is gezongen, hei gebed en de zegen gesproken, de jonge man nog ééns haar lief gelaat aanzien Hij zal de hand op het koude voorhoofd leggen ; en zwijgend naar Boven ziende zal hij van zijn Heer en Meester de kracht
13
vragen om barer waardig te leven. Met den allerlaatsten blik ziet hij haar in de nis van den zijwand wegbergen, waar een steenen plaat haar hulsel zal bedekken, het opschrift dragende: vi vit, zij leeft. Dan zal hij met den kleinen stoet huiswaarts keeren en zijne levenstaak weder opvatten. Hij heeft nu met het ijdel geluk dezer wereld afgedaan, en juist daarom kan hij thans eerst in waarheid voor die wereld beginnen te leven. Op zijn ernstig vriendelijk gelaat ligt voortaan de vrede van hen die overwinnen door het geloof. Moedig, kalm, overtuigend belijdt hij den naam zijns Heeren. Menigmaal klopt zijn hart van heilige geestdrift bij de gedachte, wellicht nog even als zij die hij nimmer vergeten kan, de getuigenis van Christus met zijn bloed in het worstelperk te mogen bezegelen. Het geschiedt niet. De troonsopvolging brengt vrede en eenige rustige jaartientallen voor de Christenen. Het leven gaat voort. Ook hij nadert den rijperen leeftijd. Maar hij is sterk, mannelijk sterk geworden. Soms wordt in het woud een jonge eik zoo hevig door de bijl getroffen, dat de veller het vastgeklemd ijzer moet laten steken. De gezonde levenskracht van den boom doet de wond met een schors overgroeien; de eik wast voort en heft in zijn binnenste, waar \'s wandelaars oog niet in doordringt, het ijzer naar boven. Zoo draagt ook hij de wond in zijn binnenste, waar de heilige herinnering niet sterft. Maar ze wordt in hem geen peinzende weemoed, neen, kracht tot toewijding en liefde. De armen die de geliefde niet als de zijne voor dit leven mochten omsluiten, openen zich voortaan voor allen die rondom hem zijn. De verbrijzeling van het levensgeluk wordt voor hen die den Heiland kennen, niet een donkere spelonk waar zij zich in begraven, maar een Nebo-top van waar zij met verhelderd oog de wereld
14
overzien, totdat zij door Jehova\'s mond tot hooger leven worden opgeroepen en «niemand heelt ooit hun graf gezien.quot;
Zoo groeide ook hij voort omhoog, de jonge man dien wij hier op den voorgrond zien weenen. De stille gelofte, in hem opgeweld bij haar lijk, heeft hij heerlijk gestand gedaan. De beproeving heeft hem niet gebroken maar gestaald, en ook met het talent der smart heeft hij voor de broederen tot rijke bate gewoekerd. Om heiligen wandel en uitgebreiden zegen op zijn dienstwerk in de gemeente geëerd, verhaalt hij nog soms den kinderen en leerlingen uit zijne herinneringen van schier een halve eeuw her. En nog als hij dien dag beschrijft, tot aan het oogenblik toen hij, na \'s priesters gebed met haar opgerezen, den laatsten kus op haar lippen drukte en in de kracht des Hoeren haar ter dood, ter overwinning liet gaan, — nog, als hij dan zwijgt en niet verder verhalen kan, leest hij in het vochtig oog der jongeren de onuitgesproken bede: «geef ook ons, o Heer ! voor uwen naam het leven te mogen offeren, hetzij, als er zulke dagen van vervolging nog terug mochten komen, op de wijze van haar die onze leeraar lief heeft, hetzij in den weg waarop hij zelf ons voorging tot dezen oogenblik toe.quot;
Dat is het martelaarschap des levens, ons in den jongeling door den kunstenaar te vermoeden gegeven, gelijk hij in de maagd ons het martelaarschap des doods te aanschouwen gaf. In beide, het ééne zoowel als het andere martelaarschap, o heerlijke macht der genade van Jezus Christus! Heilig-schoone overwinning van de wereld, overwinning door zich in den dood te laten nederwerpen. In beide, bevestiging van het woord des Meesters: sZijt
getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.quot;
* * *
DE J A EEN KOMEN.
De jaren komen. Alles wat Weleer we in \'t leven bouwden, Wij zien liet langzaam, stuk voor sti Afbrokklen en verouden.
Kuïnen rechts, ruïnen links Zijn de eengen, die ons bleven; Een morgendroom ons plannenheir. Wel schoon, maar weggedreven.
En toch, vertwijflen doen wij niet, Wat ook men ons kwam rooven. Wij zien \'t niet weenend, klagend na Maar heffen \'t hoofd naar Boven.
Naar Boven ja. Voor wie gelooft Gaat nimmer iets verloren;
Hoeveel ook *t leven van ons neem. \'t Blijft al ons toe behoor en.
16
\'t Geloove kent een rijpen slechts, Een worden, een ontvouwen,
Ook \'t vallen hier, een middel slechts Om wat nog komt te bouwen.
Laat vrij dan \'t leven ons steeds meer Nog nemen dan voor dezen. In mindren ligt het groot geheim Om eenmaal veel te wezen.
Dedemsvaart, 15 September 1882.
W. L. Welter Jr.
EEN BEDEVAART NAAR PORT ROYAL
DOOK
H. P I E R S O N
Laat mij n verhalen van een kleine bedevaart naar i\'ort Royal.
Ln den af\'geloojien winter had ik op de Normaalschool week aan week de geschiedenis van Port Royal verhaald, en voor ons hier te Zetten heeft die nog meer beteekeniis dan voor anderen want al zijn wij alles behalve Roomsch en in het minst niet gezind het Roomsche in Port Royal goed te keuren, wij leven ook nog al afgezonderd van de groote wereld en die Zondags onzen Vluchtheuvel opgaat, voelt zich in een geheel andere wereld verplaatst dan Amsterdam of Rotterdam hem aanbiedt. Even als Port Royal in zijn afzondering naar buiten werkte, door vermoeide zielen tot zich te lokken en ook door kinderen te onderwijzen, zoo ook bij ons. Ja, gelijk Port Royal heel wat strijd had te verduren en protesteerde tegen de Jesuieten, zoo ook heeft Zetten een strijd te voeren tegen de jesuieten-moraal, die zelfs onder Christenen nog verdedigers en aanhangers vindt, waarbij in plaats van do
geboden Gods de leeringen der menschen worden gehuldigd, zoodat men ook daarvan zou kunnen zeggen: gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uwe inzettingen zoudt onderbonden. Is het wonder, dat fort Royal voor ons beteekenis heeft en dat ik bij een kort verblijf te Parijs den lust niet kon weerstand bieden, eenige oogen-blikken daar te vertoeven
Moet ik daarom de geschiedenis van Port Royal vertellen? Zij is te lang. Laat mij met eenige data volstaan. Van 1609 tot 1709, juist een eeuw, heeft Port Royal gebloeid. In de 13lt;lo eeuw opgericht, zou het als zoo vele kloosters weinig beteekenis hebben gehad zonder toetre -ding van de familie Arnauld, dat merkwaardig geslacht, waarop het woord van James Harington Evans schijnt van toepassing te zijn: »it is astonishing how the vein of Gods electing love runs in familiesquot;.
Welk een omkeer bracht de 18jarige Jacqueline Marie Arnauld. de welbekende Mère Angélique, in het klooster te weeg, toen zij, de jeugdige abdis, ernst begon te maken met haar ambt Haar vader, die aan zijn dochter slechts een fatsoenlijke betrekking had willen geven, door naaide gewoonte dier dagen haar abdis te maken, stond gansch verbaasd, als hij op den beroemden schuifjes dag (jour-née du guichet) niet meer in het klooster werd ontvangen, maar de abdis alleen door het getraliede luikje van de voorpoort mocht te spreken krijgen. Dat gaf den doorslag. Van dat oogenblik veroverde Port Royal het terrein met eiken dag. Maar nog kon de jonge abdis in de verste verte niet vermoeden, wat de gevolgen zouden zijn van die daad. Zij trok verscheidene van haar zusters, ja eindelijk baar moeder zelve naar het klooster; zij was bet middel tot bekeering van haar broeders en neven, maar wat nie-
19
mand kon denken was, dat Port Boyal een afzonderlijk bestaan zon krijgen, een scherp geteekend karakter. Toen St. Francois de Sales de geestelijke leidsman was, scheen Port Eoyal niet anders te zullen worden dan een klooster, waarin de Eoomsche leer zich van de aantrekkelijkste, beminnelijkste zijde voordeed. Hij, de man zoo vol van Gods ontfermende liefde, met het eigenaardig sentimen-teele, dat in de L\'ooinsehe kerk soms zoo walgelijke, dan weer zoo liefelijke vormen kan aannemen. was echter niet bestemd aan Port Koyal beteekenis te geven. Andere figuren van krachtiger allooi hebben hun stempel op Port Boyal gezet. St. Cyran, de groote vriend van Jansenius, aan wien het Jansenisme zijn oorsprong te danken heeft, St. Cyran, de roomsche Calvinist als men het zoo eens zou mogen uitdrukken, of de calvinistische Koomsche, heeft er zijn ziel in geblazen. Na hem komt de een voor de ander na in zijn voetstappen treden, onder wie Pascal en Antoine Arnauld als eerste sterren prijken, straks versterkt door de Solitaires, de «Messieursquot;, die op het voetspoor van Le Maitre en anderen de wereld ontvluchten om zich met geestelijke spijs te voeden, kinderen te onderwijzen en den strijd tegen het Jesuitisme te voeren. Naast hen nog een menigte van namen : de Spcy niet zijn bijbelvertaling; Singlin, de teedere en nederige; Nicole, de vreesachtige belijder; Andilly, de man van smaak, die nog \'tmeest van allen aan de wereld hing; Lancelot, de bewonderende natuur, aan wiens pen Port lioj-al zooveel te danken heeft gehad : Pontchateau, de onvermoeide reiziger in het belang van de vrienden; Hamon, dokter en geestelijke leidsman te gelijker tijd, bijna biechtvader en priester zonder ordening. — Om de vrouwen niet te vergeten : Mad. Arnauld. de moeder: Mad. le Maitre, Mère Agnès, Anne Eugénie,
\'iu
Marie Clara, Madeleine, de zusters en Mere Angéliijue de St. Jean, de nicht en later de opvolgster van de eerste Angélique, die Port Koyal had gemaakt tot hetgeen het geworden is.
Doch ik moet mij in al deze herinneringen niet verdiepen. Laat mij liever vertellen, wat mij wedervaren is. Baedeker kent Port Eoyal niet naar het schijnt. Wie zou er ook heengaan? Port Eoyal is dood, de Jesuieten hebben er eerst bres in geschoten door herhaalde vervolgingen, en daarna het laten uitteren, totdat in 1709 het klooster wckI opgeheven, tot den grond toe afgebroken, ja zelfs de beenderen der begravenen werden weggehaald, om ze elders onder de aarde te stoppen. Ik vond in een andere gids, bij Hachette uitgekomen, de mededeeling dat men Port Koyal makkelijk kan bereiken door plaats te nemen tot Trappes, twee stations voorbij Versailles, van waar het een drie kwartier gaans zou zijn, doch een der Parijsche predikanten zei mij: «dien weg vindt gij nooit, niemand te Trappes weet waar Port Eoyal ligt, dat wil zeggen: men weet het wel. maar \'tis niet fatsoenlijk om het te weten. Ga liever naar Versailles, neem daar rijtuig; de koetsiers weten het ook niet, maar zij komen er wel achter, als er wat te verdienen valt.quot;
Zoo bleek het ook hier weer, hoe Eome stigmatiseeren kan. Inderdaad, haar anatheem beteekent iets!
Dankbaar voor de aanwijzing gingen wij op reis. De weg is niet lang, in vijf kwartier ongeveer rijdt men er heen. Heel veel bijzonders biedt zij niet aan -- eerst een weinig stijgen -- om op de hoogten te komen, die Versailles omringen en weldra weer nederwaaats, doch om spoedig weer te klimmen en dan over de hoogvlakte te rijden tot aan Port Eoyal toe. Larainière, Bouvier, Voisingt;.
\'21
ziedaar de dorpjes die men door komt, maar ik moet mijn lezers de illnsie ontnemen, die hen wellicht mocht bevangen, dat dit de weg zon geweest zijn, die de Port Boyalisten gewoonlijk reisden. Die weg liep van Parijs direct in Zuidwestelijke richting, alleen van Voisins uit was die dezelfde; maar aangezien er niets te zien valt dan akkers, hier en daar met vruchtboomen bezet, zoo heeft de verbeelding toch vrij spel en men kan niet nalaten zich dien tocht te herinneren van Mère Angélique (de tweede), toen zij in \'1665, uit het klooster te Parijs, waar men haar had gevangen gehouden, verlost, onderweg aan het verlies van een hoefijzer van een der paarden de vreugde te danken had van een troostvolle ontmoeting. Men stond stil en zag een rijtuig voorbijgaan, nog een en nog een, vijf in het geheel, allen gevuld met religieuses van Port Eoyal, aan wie een voorbijgaande gunst van het Lof den terugkeer naar het klooster mogelijk maakte. \'VVelk een geestdrift, toen ze allen opstonden en met vroolijke stemmen elkaar na lange en bange scheiding weer begroetten. Al was Port Eoyal verlaten en alleen door een paar tuinlieden bewaakt, weldra zou men thuis zijn in de oude bekende woning. Mère Angélique had haar latijn-schen bijbel bij zich, sloeg dien op en haar oog viel met vreugde op Jeremia 23: 1—3: «Wee den herders, die de schapen mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de Heere. Daarom zegt de Heere, de God Israels alzoo van de herderen, die mijn volk weiden: gij hebt mijn schapen verstrooid en ze verdreven en hebt ze niet bezocht; ziet. ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de Heere. En ik zal het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen uit al de landen, waarheen ik ze verdreven heb: en ik zal ze wederbrengen
tot hunne kooien.quot; »Acl rura sua,quot; las zij in haai\' Vulgata en zij vertaalde het: jgt;Je les t\'erai retourner a leur ra a is on de campagne.quot;
Doch wat zou Mère Angélique hebben gezegd, indien zij had kunnen voorzien, wat wij zagen! De weg, tamelijk eentonig en door een feilen noordewind in weerwil van de Augustuszon koud, nam jjlotseling een wending. Kechts een laan, aan welks eene zijde (van den kant waar wij kwamen) een graanveld, aan de andere zijde een muur van -\' 2 meter hoogte zich vertoonde. Die muur is oud en daarachter staat het huis door de solitaires bewoond, de zoogenaamde Granges. Maar vlak aan den weg een kleine dorpsherberg, weinig uitlokkend, zoodat het dan ook geraden is zich van proviand te voorzien, wanneer men niet wil ondervinden, wat Dr. Pallu van Port Eoyal (bijgenaamd : le petit l\'allu, qui avait tout petit, excepté l\'esprit) zoo juist beschrijft in zijn Vale mundo;
Indomitus latrat contra jejunia venter.
(De maag verzet zich heftig tegen al het vasten).
Onmiddellijk daarop gaat de weg zachtkens nederwaarts, doch wij hadden niet opgemerkt, dat naast de herberg, rechts van den hoofdweg nog een zeer begroeide, oneffene weg steil afliep, de oude weg naar het klooster. Het bleek ons spoedig, dat wij terug moesten gaan. Daar lag een allerliefst dal beueden ons, en het kon niet anders, of dit moest Port Royal zijn. Onze voerman meende het ook, maar wist het niet zeker. Eenige huizen, een soort van boerenwoning lagen daar in de diepte, op de hoogten rondom overal bosch, dat den ruwen noordewind keerde en waarop het oog met welgevallen rustte. Een plekje gelijk men er in bergstreken meer vindt, maar althans niet van de minste. Zonderling is het, dat ons oog zo gt;
geheel anders ziet dan dat van het voorgeslacht. De vallei
O o
van Port Koyal kan er in vorige eeuwen niet veel anders hebben uitgezien dan tegenwoordig, en moet menigmaal even aantrekkelijk en liefelijk zich hebben voorgedaan als thans. Doch de natuur sprak tot onze voorouders anders dan tot ons en daaraan moeten wij het toeschrijven, dat Port Royal in oude beschrijvingen affreux et sau-vage heet. Het blijkt ook hieruit weder, hoe betrekkelijk kort het geleden is, dat de oogen opengegaan zijn voor het romantische der natuur. Wat den naam Port Eoyal betreft, die is eigenlijk bij vergissing ontstaan. Het heette oorspronkelijk Porrois en werd afgeleid van Porra of Borra, hetgeen zou beteekenen: een holte vol struiken en stilstaand water. Daarvan maakte men later Port roi en Port royal en verblijdde er zich over, dat Hippo Piegius, waar Augustinus, de hoogvereerde heilige van Port Eoyal, bisschop was geweest, eigenlijk hetzelfde beduidde ; immers Hippo zou in het punisch haven beteekend hebben en dus Hippo Eegius; K o n i n k 1 ij k e haven: Port Eoyal!
Doch wij moeten ons hier niet te lang mee bezig houden en liever afdalen in de vallei, waar aanstonds eenige kinderstemmen ons lachend en schertsend verrassen, want een onderwijzer uit de buurt heeft in de vacantie hier zijn scholieren een aangenamen dag bezorgd. — sliet jonge Frankrijk joelt, waar Saint Cyran eens bad,quot; zou men in navolging van da Costa\'s regel kunnen zeggen, al vormden de onschuldige spelen van die knapen geen zoo schrillen tegenspraak met den ernst van Port Eoyal, als het gejubel van het jonge Duitschland met Luther\'s worstelingen. Een oud onderwijzer, die in een kleine woning op het terrein zelf zijn schraal pensioen verteerde en daarom belast was met het toezicht op de weinige reliquieën van
24.
Port Royal, diende ons tot cicerone, maar het was hem - aan te zien, dat slechts weinige vreemdelingen zijn hul}) kwamen inroepen Nu en dan eens een enkele Jansenist (zoo als ik duidelijkheidshalve maar zeggen zal) en een protestantsch leeraar — maar anders lag Port Koyal meestal vergeten. Trouwens veel is er niet te zien, en die niet van mijmeren houdt, kan in Port Royal niet veel vinden. Al wat er van het oude klooster is overgebleven, bestaat uit een muurtje van een 1V2 meter hoog en eenige brokstukken van pilaren, waaruit men de ligging van de kerk kan zien en in een ijzeren kruis, nauwkeurig geplaatst op dezelfde plek, waar oudtijds het kruis stond, dat de binnenplaats van het gebouw versierde. Thans staan daar een paar flink opgeschoten booinen, die het kruis overschaduwen. Ook wijst men een paar afgebroken torentjes aan uit de dagen van vóór de 16de eeuw. Doch wij wenden onze schreden naar de kerk. Een vriendelijke hand heeft er voor gezorgd, dat op de plaats waar het altaar stond, in het koor een klein gebouwtje werd gesticht met het volgende opschrift •
Entrez dans un profond et saint recueilllement, Chretiens, qui visitez la place en ce moment D\'un autel, oü Jósus, immolé pour nos crimes,
S\'offrait a Dieu son père entouré do victimes,
Qu\'aveo lui l\'Esprit Saint embrasait de sou feu Figurez-vous présents ces prêtres vénérables, Ces humbles penitents, ces docteurs admirables,
Lumières de leur siècle et 1\'lionneur de ce lieu. Retracez-vous ce choeur, oü s\'assemblaient des anges. Du Seigneur nuit et jour célébrant les louanges,
Et de ces souvenirs recueillez quelque fruit Dans ce vallon désert, oü 1\'homme a tout détruit.
Binnenkomende ziet men een klein vertrek, in het midden op een tafel het klooster, zooals het oorspronkelijk
25
was, in karton geknipt, waarschijnlijk naar de teekening in vogelvlucht, die Sainte Beuve in deel V, bl. 273 heeft opgenomen. Rondom aan de wanden eenige portretten in olieverf, zonder artistieke waarde, twee schilderstukjes, één rechts, waarop de ontwijding van de kerk en het heiligschennend wegruimen der lijken uit het kerkhof is afgebeeld, één links, dat het bezoek van d\' Argenson voorstelt in 1709, als hij aan de ontroerde zusters het procesverbaal voorleest van het decreet, waarbij Port Eoyal voor goed ten doode werd gedoemd. Voorts aan den linker muur eenige gravures van weinig beteekenis, maar daaronder een van het wonder aan de verlamde dochter van Champagne op de voorbede van St. Agnès geschied, het eenige aesthetische monument dat van Port Eoyal is overgebleven en waarvan het origineel in de Louvre een plaats heeft gevonden. Eindelijk aan weerszijden van den ingang eenige handschriften, nl. de volgende: een brief van St. Cyran in de gevangenis met potlood geschreven (1043); een brief van d\'Andilly, zeer keurig van schrift, men zou haast zeggen ietter voor letter geteekend: voorts brieven van Arnauld, de Sacy, Nicole en le Tourneux. Wij kennen ze allen, maar wellicht Tourneux het minste. Over hem hebben wij dat geestige antwoord van Boileau aan Lodewijk XIV: ))Wie is toch die prediker waar iedereen heen loopt. Le Tourneux genoemd; is hij zoo knap ?quot;
»Sire,quot; antwoordde Boileau, »Uw Majesteit weet dat men altijd wat nieuws naloopt; hij preekt het Evangelie.
En toen de koning nader informeerde, voegde Boileau er aan toe: »als hij de preekstoel opkomt, wordt men zoo bang van zijn leelijk gezicht, dat men hem graag zou zien heengaan, maar als hij begint te spreken, is men bang dat hij heen gaat.quot;
P
Aan de andere zijde van de deur de handschriften van de beide Angéliques ; van M. Agnès de St. Thecle liaeine, de tante van den dichter liaeine; van Elisabeth de St. Anne, de laatste abdis, die de opheffing van het klooster zag aankomen en dit niet kon overleven, bij wier dood de oude zusters, ja zelfs eene die doof was, uren achtereen engelenstemmen hoorden zingen, naar luid van het verhaal: van St. Anastasie, die onder den nederigen titel van priores de zaken slepende hield, die den val van het klooster met waardigheid bijwoonde, verbannen werd naar Blois en zeven jaar later zonder de sacramenten stierf, daar zij vol hield in haar verzet tegen de pauselijke bul.
Moet ik nog van de portretten iets zeggen?
Zij spreken niet. er is te weinig leven in en wij moeten ons herinneren wie zij waren, die zij voorstellen en wat zij deden of leden, om er een indruk van te hebben. St. Cyran, Pascal, Arnauld en Nicole, de Sacy, le Maitre, Pontchateau, Quesnel en zijn vriend Petitpied, Dellemart, Bisschop Colbert, de vriend schoon niet de aanhanger van Port ]{o\\-al Jacqueline Pascal, de beide Angéliques, Mevr. le Maitre, de moeder der solitaires, Marie des Anges, — ziedaar de lijst van namen, de een meer de ander minder bekend, wier beeltenis in olieverf voor ons hangt, terwijl er van sommige nog een tweede portret in gravure bestaat, waarbij ook nog eenige andere der zusters.
In het midden prijkt echter Hamon de dokter. Is dat symbolischMisschien is het zonder opzet, omdat zijn portret wat grootte betreft een geschikt middelpunt vormt, maar ik zie er meer in. Hij volgde le petit Pallu op, den kleinen dokter, bij wien men »voor zijn genoegenquot; ziek was, zoo heerlijk was het door hem genezen te worden ; maar hoewel Hamon veel stijver en deftiger was, hij
won de harten van allen door zijn diepen ernst. Hij hield veel van de spreuken en zelf\' was hij sententieus in al wat hij zeide. Doch het meest toonde hij zijn kracht, toen Port Eoyal geen priester had en er geen hebben mocht. Hij wist de harten te troosten, zoowel met zijn stichtelijke redenen als met zijn moed, om zich boven het gemis der genademiddelen te verbetten.
Het doet ons Protestantsch hart goed om woorden te hooren als deze: ))Wij hebben zoo vaak tot de dienaars van Jezus Christus gesproken, laat ons thans lot Hem spreken. Hij zelf\' zal ons de biecht afnemen.quot; Of over het gemis der communie: «Jezus Christus toont ons zijn genade, als hij door de gesloten deuren komt.quot; Of over bet sterven zonder laatste oliesel dat voortreffelijk woord : »als de bruigom komt, klaagt de bruid er niet meer over, dat zij zoo weinig brieven van hem heeft gekregen.quot; Toch voelde hij zich vaak beklemd, wanneer hij als priester zonder ordening een soort van geestelijk ambt bekleedde. Dan vraagde hij zich af, of dit niet was, wat Uzza deed: nl. een heiligschennende hand uitsteken naar de arke Gods. Doch hij overwon deze bezwaren en stond verscheiden zusters in haar doodsuur bij met zijne gebeden. Menig kostelijk woord is dan ook van hem in herinnering gebleven. Zie hier enkele van de schoonste:
»Als de ledematen maar aan het lichaam verbonden blijven, zijn zij nooit ver van elkander. Ik kan mijn arm zoo ver mogelijk van het lichaam verwijderen, toch is de band ongeschonden.quot;
«Scheiding kan éénheid aanbrengen, meer dan samenvoeging. Zie de snaren van een harp; strengel ze ineen— de eenheid is weg; houd ze van elkaar, zij geven een akkoord.quot;
2H
»Wij zijn meester van onzen wil, wanneer wij dien aan Gods wil onderwerpen.quot;
»De beproeving brengt heel wat harten aan het bidden, ook die ver van ons af zijn. Hadden wij maar geestelijke oogen, wij zouden de heuvelen rondom de belegerde stad niet legerscharen van engelen bezet zien.quot;
sHoogmoedigen durven wel alleen zijn, maar niet in de eenzaamheid.quot;
Hij onderscheidt drie trappen van eenzaamheid: lezen, mediteer en, con tempi eer en. Hij vergeleek die bij de bewegingen van een leger. Een leger is een bergpas, achter elkaar aan voorttrekkende, dat is lezen. Een leger dat zich ontplooit, maar nog niet in slagorde staat, dat is me dit eer en. Een leger in volle slagorde; dat is con tempi eer en. Later komt nog het vierde : de overwinning, de glorie.
Schoon is ook de volgende latijnsche sententie:
» Vivam tecum, quia omnis alia conversatio periculosaest.quot; »Vivam de te, quia omne aliud alimentum venenum est.quot; »Vivam propter te, quia, qui sibi vivit et non tibi, non vivit sed mortuus est.quot;
alk leef m e t U, want elke andere omgang is gevaarlijk.quot; »Ik leef van U, want elk ander voedsel is vergif.quot; »Ik leef voor U, want wie zich zeiven leeft en niet ü. leeft niet, maar is dood.quot;
Treffend zeker ook de volgende menschkundige opmerking, waarbij men zich lierinnere, dat in het Hebreenwsch de klinkletters door punten boven en onder worden ge-schreven, die echter in de Hebreeuwsche handschriften eenvoudig worden weggelaten, zoodat de lezer ze zelf er bij moet vinden: »Menschen gelijken op een boek met Hebreeuwsche letters zonder punten. Hun beteekenis
29
hangt af van de punten, die de lezer er bij plaatst.quot;
Even als Thomas a Kempis vreesde hij al te veel met menschen in aanraking te komen. »Onder de schaduw van andere boomen, groeit een boom slecht,quot; was zijn zeggen. Toen hij stierf\' op 69jarigen leeftijd, was zijn herhaalde vermaning ook: »Stilte, stilte.quot; M. Angélique zei van hem na zijn dood: »Na een goed biechtvader, acht ik niets zoo heerlijk als een christelijk geneesheer.quot;
Doch het is tijd, dat wij de kleine kapel verlaten. Ik heb Hamon al te veel doen spreken, en toch is hij lang geen hoofdpersoon geweest in Port Royal. Hetgeen mij echter in hem aantrok is juist dit, dat hij leek was en de kracht van Port Eoyal heeft juist hierin gelegen, dat het leeken-element, anders in de Koomsche kerk zoo op den achtergrond geschoven, daar den boventoon had, en het daardoor zijn grootste beteekeuis heeft gekregen. Leeft Port Eoyal niet voornamelijk voort in Pascal, leek in de theologie, maar wiens werken langer zullen leven dan die van vele groote theologen ?
Het zou weinig moeite kosten, om bladzijden te vullen met treffende gebeurtenissen en woorden, die Port lioyal in een schitterend licht doen schijnen. Wij zouden daar echter boekdeelen toe noodig hebben en ik beschrijf slechts een bedevaart.
Het opschrift tegen den muur der kerk geplaatst, is grootendeels verweerd en onleesbaar geworden. De vier volgende regels kon ik onderscheiden:
„Du plus saint temple, hélas, quel deplorable roste! „Un vieux raur est le seul, qui rappelle a nos coeura „Cette enceinte bénie, oü Ie Pèro celeste „Se forma tant de vrais et purs adorateurs.quot;
Doch vergeet daarbij niet, wat Arnauld geschreven heeft:
30
«fxocls huis schijnt verwoest te worden, doch het wordt niet hier, maar elders opgebouwd. Hier worden de stee-nen gehouwen, zij worden in het hemelsche gebouw geplaatst.quot;
Nog een merkwaardige ervaring deden wij op. Men had ons te Parijs gezegd, dat het huis van de solitaires te zien was en dat dit nog voor een deel althans hetzelfde huis was door hen bewoond. Doch onze gids, de oude onderwijzer, die Port Eoyal goed kende en zeer anti-jesuitisch, maar ook zeer anti-republikeinsch was, zeide ons : »de dame aan wie het huis toebehoort laat het niet meer zien: zij wil met Port Eoyal niet te maken hebben.quot; Toch wilden wij het beproeven. Wij keerden den rug aan het liefelijk dal, en gingen den steilen, ouden, begroeiden weg op, die bij de bovenbeschreven herberg uitkomt. Een gedachte hield mij daarbij bezig. Is Sainte-Beuve hier ooit geweest, eer hij zijn geschiedenis van Port Eoyal schreef? Ik twijfel er hard aan. Zijn boek zou aanschouwelijker geworden zijn, als hij er eenige weken had vertoefd. Men kan moeielijk tegenspreken, dat er over geheel het werk iets mats, eentonigs ligt, en gemis aan kleur, aan relief, aan scherpe trekken, die ons de personen levendig voor den geest kunnen roepen. Men verdwaalt in zijn boek, als men niet zorgt zelf handwijzers op te richten. Wat mij bevestigt in mijn meening, dat hij te Parijs schrijvende, nooit de moeite heeft genomen, Port Eoyal te bezoeken, is hetgeen hij in Deel V. bl. 272 zegt: ))0n m\'a quelquefois demandé de décrire le vallon de Port Eoyal, tel que je l\'ai vu, ou tel que je le concois; j\'aime mieux que ce soit M. Louail qui nous le montre dans une image encore plus morale que pittoresque, mais oü la perspective pourtant et la couleur des lieux n\'est point absente.quot; Daarop laat hij de woor-
31
den van Louail, die in 1693 Port Royal bezocht volgen; doch deze zijn alleen aanschouwelijk voor iemand, die bet niet verschelen kan, boe de vallei uitziet.
Indien S. B. er geweest was, zou bij zich van zulk een uitvlucht niet bediend hebben. Hoe geheel anders deed Macaulay, toen hij de geschiedenis van Monmouth beschreef en weken achtereen zijn intrek nam in een dorpsherberg, om tot in de kleinste hoekjes toe den indruk van het tooneel, waar de slag van Sedgemoor geleverd werd, te kunnen opnemen en teruggeven. Is Sainte Beuve te Port Royal geweest, dan heeft hij misschien den grooten weg langs gereden, waar men het dal beneden zich ziet liggen, en verder niets meer gezien.
Doch ik keer terug tot mijn verhaal. Wij kwamen weer op de hoogvlakte, hielden nu links om en gingen de laan in, die naar het huis der solitaires leiden moest. Links een booge muur, daar geen eind aan scheen te komen, rechts een korenveld, waar een paar landbouwers de ploeg hanteerden en zee\'\' verbaasd ons aanstaarden. Eindelijk kwamen wij aan een poort met een kleine daarneven en bier naast een tuinmanswoning zonder vensters aan de zijde van den weg. Wij trokken de zware bel over eu. .. alsof de geest van M. Angélique plotseling uit bare asch herrezen ware, daar opende zich een schuifje in de kleine deur. waarachter zich een vrouwengelaat vertoonde en een schelle stem ons vraagde: «Wat wilt gij?quot;
j)Is het huis bier ook te zien?quot;
sHebt gij een briefje van de eigenares?quot;
»Neen.quot;
))Dan mag ik u niet binnenlaten.quot;
»Waar woont de eigenares ?quot;
»Te ......quot; Ik kon den naam niet met zekerheid onder-
32
.scheiden. Flap! ging het luikje en wij konden troosteloos huiswaarts keeren.
Zulk een ervaring paste echter hij Port Royal. Het begint met la journée du guichet, het eindigt er mede. Maar in geheel anderen zin.
O geest van Port Koyal! Welk een Nemesis! Het wapen door u gebruikt, wordt tegen u gekeerd. Wanneer wij al den arbeid van Port Koyal, al de grootheid en zielenadel, al de kracht en volharding, al het geloof, al den rijkdom eu de diepte van gemoed, waarvan het getuige is geweest, ons voorstellen en dan de weinige overblijfselen aanschouwen, die er van het klooster zijn te vinden ; — wanneer wij dat zelfde huis der solitaires, waar men zich afsloot van de wereld, thans gesloten vinden voor de vrienden van Port Royal, dan vragen wij ons af: heeft al die heerlijkheid tot niets anders gediend, dan de litteratuur van Frankrijk te verrijken met den stijl van Pascal en enkele tragedies van Racine ? Waarom is daar geen wederbarende kracht van uitgegaan voor liet volk van Frankrijk?
De reden is niet ver te zoeken. Port Royal heeft het onmogelijke gewild. Het wilde Roomsch zijn en toch niet Roomsch ; het wilde in een kerk blijven, op het gezag van Rome gebouwd, en toch dat gezag omverwerpen, wanneer dat anders sprak dan Port Royal geloofde. Het wilde de leer der goede werken, die in het opus operatum, in de uitwendige genademiddelen, in de mededeeling der sacramenten consequent wordt uitgewerkt, niet huldigen en toch al de rust genieten, die uit deze leer voortvloeit. Het wilde zich afsluiten van de wereld en toch de zuurdeesem zijn, die de wereld doortrekt, het plaatste zich buiten en boven alles wat de kerk wilde en begeerde toch, als goed Roomsch door de geheele kerk erkend te worden. Dit
è) J
halfslachtige is niemand ten goede gekomen. Pascal heeit de Jesuieten gefnuikt, maar hij heeft er geen kracht tegenover gesteld, die in het hart des volks leven kon. Met al zijn verdrukkingen, met al de gebrekkige hulpmiddelen, waarover het te beschikken had, heeft het Protestantisme in Frankrijk nog heel wat meer te beteekenen gehad dan Port lioyal, dat zooveel voortreffelijke geesten aan zich heeft weten te verbinden. Port Koyal is dood. Het Protestantisme leeft nog en is ten huidigen dage nog een kracht. Port Eoyal te herstellen, wie denkt er aan! Het Protestantisme breidt zich ook nog heden uit en herleeft telkens, wanneer het dood en begraven scheen.
Men kan Pome niet bestrijden, of men moet er buiten staan Het duldt geen transactie. Het Jesuitisme triomfeert toch in weerwil der Provinciates en bet dogma van de onfeilbaarheid van den Paus is de laatste en noodzakelijkste consequentie, die het heeft getrokken.
Met dat al, laat ons eerbied hebben voor de mannen en vrouwen, die daar hun Heiland hebben gediend. Het mag hun niet gegeven zijn een krachtigen invloed uit te oefenen, — vergeten wij niet, dat de beteekenis van Port Koyal niet tot deze aarde beperkt blijft. De steenen werden hier gehouwen, maar zij werden elders gebruikt en op bun plaats gelegd in den tempel, dien de Heere God in zijn hemel bouwt en wat Pome vervloekt, zal daar schitteren met nieuwen luister. Ten slotte staat Port Eoyal op den bodem van bet Calvinisme, hoe heftig bet zich daartegen ook heeft aangekant. De felheid, waarmede het Calvijn bestreed, en de snorkende frase van Boileau in diens grafschrift op Arnauld; »11 terrassa Félage, il foudroya Calvinquot; nemen niet weg, dat de vijanden beter zagen dan de aanhangers. Port
3
Eoyal was kettersch in den zin der Eoomsche kerk; Eome kon het van zijn standpunt niet verduren; Port Royal moest sterven en dezelfde hand, die het edict van Nantes introk, moest ook aan het klooster van Angélique den ondergang bereiden.
Doch mijn geschiedenis is uit. Wij keerden terug naar Versailles en dwaalden een oogenblik rond op de plek, waar nu de Franschman geniet van hetgeen zijn oude despoten hebben tot stand gebracht, ten koste van bloed en afpersing. Bittere ironie der geschiedenis! Zooveel vrijwillige vernedering, zooveel zelfverloochening loopt uit op — een paar afgebroken pilaren en een stukje bouwval, waar niemand naar omziet. Zooveel mishandeling en moedwillig vertreden van onschuldigen, zooveel onrechtvaardig vergoten bloed — komt ten goede van het nageslacht, dat genieten wil van eens konings paleis, eens konings lusthof. De Kerk van Port Eoyal — weg; de kapel van Versailles, waar zoo menig beroemd prediker zijn welsprekende woorden verkwistte aan een lichtzinnig hof, prijkt heden ten dage nog met al zijn weelde.
Doch geen woord. De kerk van Port Eoyal is verdwenen, het kruis staat er nog op zijn oude plaats. Dit is voor ons ook genoeg.
BIJ EEN DUIZEND J AKIGEN PALMBOOM.
Hoe ? duizend jaren, zegt men mij, Gij Palmboom, zoudt ge tellen ? Een tiental eeuwen reeds hebt gij ü over \'t hoofd zien snellen ?
Methuzalem in \'t midden van
Een jong geslacht van boomen! Wie onzer, die n naadren kan. En niet met eerbied komen?
Mijn leeftijd ook zinkt weg bij u.
Klimt haast tot tienmaal zeven Mijn jarental, wat wordt dit nu.\' Een wolk. die \'k weg zie zweven.
Toen \'k nög een zoogkind was, stondt gij
l\'eeds eeuwen lang te pralen,
En. zie ik thans mijn eind nabij,
Bij u geen spoor van dalen!
Als \'t zesde en zevende geslacht Eens op mijn graf zal dansen,
Baadt gij nog steeds met de eigen pracht Uw krnin in \'s Meizon\'s glansen:
Dan wuift ire uw palmtwijg. even groen,
Xog steeds tot \'s Makers eere.
Ja. prijkt met nimmerdor festoen. Als beeld van d\' eeuwgen Heere !
Och I of quot;k nu. naar mijn wenschen, maar
Tot spreken u kon nopen Van \'t geen ge ai zaagt in duizend jaar. Hoe zette ik de ooren openl
Wat toch, bij quot;t geen gij melden kondt,
Bién muffige kronieken \'t Verhaal van de oudheid uit uw mond Zou versch als quot;t Meigroen rieken.
Gij loste ons honderd vragen op, Waarvoor nu honderd pruiken Op hoofden, overzwaar van top,
In \'t stof der eeuwen duiken.
Gij vormde on,-; geen geschiedenis
lit beenders van \'t verleden,
Maar boodt ons quot;t Gister jong en frisch, En blozende als nu \'t Heden.
37
Wij klommen langs nw stam omhoog, Als langs tien eik de eekhoren.
En van die hoogte zag ons oog Tien eeuwen als herboren.
Ja, waar die blik ons dni/.len deê,
Hij alles wat we aanschouwden,
Licht hielden wij ons zeiven meê Voor duizendjarige ouden !.. .
Waar dool ik heen? \'k Stijg at\', \'k daal neêr, En laat die droomen varen.
\'k Hervind mijn jarencijier weêr.
En mijn besneeuwde haren.
\'k Denk hoe terwijl gij. Palmboom, steeds Nog ring bij ring blijft vormen,
Ik zelf — wie weet hoe spoedig reeds! — Zal dalen tot de wormen ;
Hoe \'t windje, dat uw waaierpluim,
Als ze uitbot, zacht komt wiegen.
Mijn handvol stof alras in Tt ruim Slechts te eer zal doen vervliegen.
En toch, meen niet, aêloude Boom.
Dat \'k aan uw voet kom pruilen.
Neen — bood me eer. engel t in den droom Ik wou met u niet ruilen.
38
Al zijt gij vijf paar eeuwen oud,
Wat zegt dat? — Gij blijft sterflijk.
Eens barst uw stam. eens molmt uw bout, Maar ik —■ ben onverderflijk.
God heeft me in de aardsche schors een kiem Van eeuwigheid gegeven,
En schend\' dien bast der jaren striem, Dat levenszaad blijft leven.
Gij kunt historiën, mijn Palm,
Van eeuwen her berichten.
Maar voor mijn negentigsten Psalm Moet uw vertelling zwichten.
Mijn korte jaren juichen van Een eeuwge Liefde, als nimmer
Eens stervlings mond volroemen kan. Al leefde hij hier immer.
En daarom, in mijn harte groent De lente van een hopen.
Dat met mijn grijsheid mij verzoent,
Al ligt mijn graf reeds open.
Verwaait mijn stof, treurt niet om mij,
Gij die \'t eens ziet verstuiven 1
\'k Verdween, maar ginds, aan de overzij\', Zal \'k andre jfalmen wuiven I
1882. j. p. Hasebroek.
EENE KERKELIJKE ORANJE-ANEKDOTE.
Dat er tusschen ons regeerend stamhuis en de Neder-landsche Hervormde kerk van ouds her een nauwe band heeft bestaan, leert onwedersprekelijk de geschiedenis. Ver de meesten hunner, mannen en vrouwen van werkdadig leven op oorlogsveld, in staatsbestuur en gemeentebelangen, waren wel niet wat men strenge Calvinisten noemt, maar over het geheel Godvreezend, grooten prijs stellende op God en Godsdienst. Zoo Willem de Zwijger, al de opvolgende Willems, zoo ook koning Willem I. Xa de Eransche tyrannie werd hij als reddende engel ten onzent aangezien en hij trachtte dit ook waarlijk te zijn. Zoo stelde hij met de beste bedoeling eene commissie aan, om geregelde organisatie in de verwarde, ontredderde gereformeerde kerken tot stand te brengen, eene organisatie, die zeker niet met den presbyteriaanschen aard onzer kerkte rijmen is, maar die toch orde en eenheid bracht waar verwarring heerschte, aan de leeraars onzer kerk hunne drie jaren lang ingehouden bezoldiging terugbezorgde, en wat ons Hervormden heilig was weder in eere bracht. Voorts was eene eerste verordening van den teruggeroepen Oranjevorst
40
sterke aanbeveling tot betere viering van Zon- en Christelijke feestdagen. Hij zelf ging zijn leven lang met goecT voorbeeld voor. Hoe dikwijls heb ik als knaap en jongeling onzen koning te \'s Hage in de kerk zien zitten, en wat eerbied wekte dat in mijne kinderziel voor zijne Majesteit! In den morgendienst miste hij zelden of nooit. Hij plag te voet naar de kerk te gaan, en bij den uitgang geregeld tal van rekesten uit de hand van he:n opwachtende personen minzaam aan te nemen, zooals ik zelf heb gezien. Onze Groen van Prinsterer, die als geheim secretaris den koning van nabij had leeren kennen, getuigt van hem, dat hij eene uitmuntende belijdenis had afgelegd en »zelfs eenigermate aan de rechtzinnige leer der Gereformeerde kerk was gehecht,quot; welke getuigenis te meer waarde verkrijgt, als men bedenkt, dat het geschreven is door onzen anti-revolutionairen hoofdman in zijn Handboek § 984, noot.
Welnu deze prijsstelling op godsdienst, zoowel als dien werkzamen, onvermoeiden geest van hoogstnauwkeurige administratie had onze 18 September 1881 ontslapen Prins Frederik van zijn vader geërfd. 22 jaren lang mocht ik hem met de zijnen, en ook later alleen, schier eiken Zondagmorgen in zijne kerkbank te Wassenaar zien nederzitten ; in de laatste jaren evenzoo aan de H. nachtmaalstafel. Volgens getuigenis van mijn opvolger, Ds. Barstra, is de beminde grijze Prins oprecht geloovig in den Heere Jezus Christus de eeuwige ruste ingegaan.
De volgende historische anekdote levert van een en ander eene kleine, toch niet geheel onbelangrijke bijdrage.
Mijn schoonzoon, Ds. Boscam Abbing schreef, mij Febr. 1879 van uit zijn gemeente te Strijen in substantie het volgende : »Och vader ! gij staat Prins Frederik nader dan
M
ik. ei doe een goed woord voor onze gemeente bij Z. K. H. Ik heb hier huis aan huis gecollecteerd, om f 4000 bijeen te krijgen tot oprichting eener christelijke bewaarschool. Nu verbiedt de burgemeester mij en mijn\' katechiseer-meester, om in de openbare school te St rij en-S as (een goed uur gaans van onze kerk) niet onze bijbellezing voort te gaan. Dus moet een afzonderlijk lokaal daarvoor gebouwd, alzoo nieuwe geldnood. Bedenk, daar wonen liOO Hervormde zielen. Eilieve, zoudt gij bij den Prins voor ons eenige ondersteuning kunnen uitwerken?quot;
Ik antwoordde; w\'t Spijt mij, mijn Zoon! maar ik kan aan uw verzoek niet voldoen. Ik weet, dat de Prins dag aan dag zoo overstelpend om geld wordt aangesproken (in de 2 laatste maanden ontving hij daartoe 3000 rekes-len) dat ik mij tot regel heb gesteld om buiten mijne eigene gemeente, niets aan Z. K. 11. te vragen.quot;
Doch wat gebeurt7 Kort daarop komt mijne ongehuwde dochter van een bezoek uit Strijen terug. Zij verhaalt mij met ingenomenheid, dat zij bij een welgestelden landman te Strijen-Sas was geweest, in wiens familie nog eene vader-landsche reliqui wordt bewaard. Uit de bovenkamer van zijne woning was haar de plaats gewezen in het aangrenzend Ilollandsch Diep, waar een Prins van Oranje voor anderhalve eeuw was verdronken.
De lezer herinnert zich, dat de 24jarige Joh an Willem Friso, generaal, en lieveling van het Staatsche leger, dat 1711 in België tegen de Pranschen ageerde, plotseling ontboden was naar den Haag. Hij was als zoon en erfgenaam aangenomen door den kinderloozen Willem III, stadhouder van Nederland, koning van Engeland. Eene boedelscheiding moest plaats hebben met den koning van Pruisen, daartoe werd de tegenwoordigheid van dezen
4\'i
ridderlijken Prins vereischt. Met twee veerschuiten laat hij zich 14 Juli 1711 van den Moerdijk naar Strijen-Sas overzetten. Midden op het groote water barst een zware bui los. Men raadt den Prins over te stappen in de andere veerschuit om daar in zijn koets tegen doornat worden schuil te zoeken. Hij en zijn adjudant, een kolonel, volgen den raad. De bui wordt een storm. De schuit met koets slaat om en zinkt in de diepte. Helaas! de hoop des vaderlands verdrinkt met zijn adjudant. Deze beide alleen. Eerst acht dagen later vindt men zijn lijk. iSTa zijn dood is zijne weduwe bevallen van een zoon. Uit deze stammen onze tegenwoordige Oranjevorsten. Die treffende gebeurtenis leeft nog bij de boeren van Strijen-Sas. De rijzweep van den Prins was de bedoelde reliqui.
Terug tot mijn verhaal. Kort na de terugkomst mijner dochter schrijft mijn zoon andermaal; «Eilieve vader! is bet mogelijk, kom terug op uw besluit. Juist is op \'t oogen-blik een terrein te koop, uitstekend voor een te bouwen lokaal gelegen. Daartoe keert in lange de kans niet terug.quot;
Ik doe het. Het verhaal mijner dochter heeft mij zóó getroffen, dat ik van mijnen regel afwijk. Ik schrijf een eerbiedigen brief aan Prins Frederik ter insluiting bij het verzoek van Ds. Abbing. Daarin herinner ik met een woord de tragische gebeurtenis van 14 Juli 1711, en de providentieele instandhouding van zijn ons Nederlanders dierbaar stamhuis, op hoop tegen hoop, uit het toen nog ongeziene rijsje van den afgehouwen tronk.
Intusschen is het Dinsdag na Paschen geworden. Daar ontvang ik een brief uit Stnjen »Vader, mijn hand beeft van vreugde en dank. Ik kom (Maandag) uit de kerk en vind een einstel met zegel van Prins Frederik. Daarin schrijft de heer van Otterloo, dd. \'s Hage 13 April 1879:
43
«Weleerwaarde Heer!
»Z. K. H. Prins Prederik der Nederlanden heeft u. naar aanleiding van uw schrijven van 18 Maart jl. voor het daarstellen van een lokaal voor Uijbellezing en Katechisatie te Strijen-Sas, eene bijdrage van duizend Gulden toegestaan, die ik de eer heb UwEw. van wege Hoogstdezelve hierbij te doen geworden.
Van deze gelegenheid maak ik gaarne gebruik, om u de verzekering te geven mijner bijzondere hoogachting.
De Secretaris van Z. K. H.
W. F. van Otterloo.quot;
Geen wonder dat Abbing schreef: »dat was een der heerlijkste oogenblikken in mijn leven, eene ure, waarin men alleen in de binnenkamer op de knieën moet, en wij geen. woorden genoeg vinden, om naar behoefte te danken.\'\' NB. A. had in zijn verzoek o. a. gemeld, dat na de bijdragen der belanghebbenden, hem nog /\' quot;1000 ontbraken. Iets later, 2e Pinksterdag, heeft hij den hoofdinhoud van dit vorstelijk schrijven van den kansel voorgelezen. Is het wonder dat die 300 mensehen, ginds aan het Hol-landsch diep, bij uitnemendheid Oranjegezind zijn ? Maar ik heb nog niet alles gezegd.
Den daarop volgenden Kersttijd bracht ik in de Strijen-sche pastorie door. Zoodra ik kon, wandelde ik naar Strijen-Sas. Daar bij liet binnenkomen van het groote gehucht aan den hoek van een zijweg, zag ik het met groene heesters beplante kerkhof, en daarnaast het nieuwe Evangelisatie-lokaal. Zeer doeltreffend ingericht, en wat meer zegt, zeer trouw gebruikt, zoodat stoelen en banken allen goed waren verhuurd. En nu vernam ik nog het volgende:
Johan Willem Priso plag veel heen en weer te reizen.
44
zoodat zijn weg hem gedurig leidde door Strijen-Sas. De minzame Prins had bij die gelegenheid gezegd: «Goede menschen ! hebt gij hier in uwe afgelegenheid geen kerk? Hoort, als ik macht krijg, zal ik er u eene bezorgen, en wel daar op den hoek!quot; Op dien hoek is thans de begraafplaats. Sints dien ouden tijd heet die zijweg de k e r k-w e g. Is het niet opmerkelijk, dat na ruim anderhalve eeuw een achtbare nazaat de goede belofte van Johan Willem Friso, Prins van Oranje, helpt verwezenlijken, en schrijven wij in den geest niet op hunne graven:
De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn !
Spr. 10. 7.
L. J. van Khun.
MORGENZANG.
quot;t Gestamt heeft uitgeschenen
Ter blauwende etherbaan;
De schaduwen verdwenen.
De nieuwe dag licht aan.
Daar rust een stoorloos zwijgen
Nog over berg en daal;
Op frisch bedauwde twijgen Zingt slechts de nachtegaal;
Hij zingt den Heer der Heeren,
Die over zee en land Den zegen zal vermeêren Uit immer milde hand.
Hij deed het duister zwichten!
Hoe bang \'t uw harte zij —
De Vader aller lichten Is steeds zijn kind nabij.
Naar A. H. Hoffmann. Soera Rana.
JOHN BOST.
Onder de vele aangename berinneringen van mijn verblijf in den vreemde, behoort de kennismaking met John PiOST. Al was hij nooit in ons vaderland, dat hij meermalen wenschte te bezoeken, hij is toch ook onder ons door zijn cbristelijk-pbilanthropischen arbeid wel bekend geworden.
Vroeger werd reeds in het weekblad Het Oosten over zijne inrichtingen te La force gesproken, en nog onlangs in de 2e afl. van Helürixg\'s Bouwsteenen voor inwendige zending heeft S. S. de Koe hem waardig herdacht.
Fk wil dan ook niet herhalen wat daar omtrent zijn 0 gestichten voor weezen, gebrekkigen, ongeneeslijken, blinden, idioten, lijders aan vallende ziekte en behoeftige ouden iquot;an dagen zoo goed is gezegd, en mag dat als bekend vooronderstellen, of anders daarheen verwijzen. Maar eenige persoonlijke herinneringen mogen als toevoegsel niet overbodig zijn. en hier eene plaats vinden.
Onderscheidene malen had ik het voorrecht, John Bost in Menton te ontmoeten. In den nawinter nam hij gaarne eenige weken rust. en bezocht dan o. a. zijne
vrienden in Cannes, Nice en Menton. Maar ook voor hem gold het devies van onzen Marxix : »Eepos ailleurs!quot; Zijne rust besteedde hij ora van zijne verpleegden te spreken, en hun belangstellende vrienden te winnen Gaarne werd hem in Menton de Fransche evangelische kerk opengesteld, om mededeelingen aangaande zijn werk te doen; en zijne vriendelijke gastvrouw aldaar opende welwillend haar salon, vooral ten behoeve der Engelsche Kolonie, voor wie het Pransch minder gemeenzaam was.
Daar moest men hem hooren, als hij vaak op roerende wijs over »mes chers aveugles, mes chers idiotsquot; en de anderen sprak. Niemand wist zoo de deelneming op te wekken en de beurzen te ontsluiten, als hij. Hij hield er niet van, om als een gewoon collectant met lijst of boekje aan de huizen rond te gaan, maar hij had dat ook niet noodig. Als hij aan het slot zijner toespraken, gekruid met tafereeltjes uit Laforce, al die ongelukkigen en noodlijdenden ons aan het hart legde, dan was er wel niemand, die niet bereid was eene gift neder te leggen in de schaal, die aan de deur werd aangeboden, of hem die later te doen toekomen.
In zulk eene bijeenkomst hoorde ik hem zijn voorstel ontwikkelen, dat ettelijke personen, afzonderlijk of sommigen te zemen, één dag de noodige uitgaven der gestichten voor hunne rekening mochten willen nemen. Toen werden die op 300 franken per dag door hem geschat, later zijn zij nog aanmerkelijk gestegen. Men moest dan, meende hij, een dag kiezen, om blijde of treurige herinnering gedenkwaardig. Bij dien dag zou in de boeken te Laforce de naam worden opgeteekend van hein, op wiens kosten de verpleegden dan verzorgd werden ; aan dien weldoener zou bij de huiselijke godsdienst-
48
oefening in al de gestichten op dien dag in het gebed bij name worden gedacht, en hemzelven een schriftelijk bericht worden toegezonden met bijzonderheden omtrent dat gedeelte van den arbeid, waarin hij meer bepaald belangstelde, en die niet in het algemeen Verslag konden worden opgenomen. Zoo zou er wederkeerig een band van gemeenschap ontstaan, en gedurig worden levendig gehouden. In diezelfde bijeenkomst werden hem reeds 5 dagen toegezegd. Daar waren er b. v. die hun huwelijksdag kozen, om de ongelukkigen te Laforce jaarlijks te verzorgen; tweelingzusters namen te zamen een dag voor hare rekening, en kozen natuurlijk haren verjaardag; eene vreemde familie, die zich juist in Menton bevond bij de ter aarde bestelling van het lijk eener daar overledene zuster, liet haren naam op den sterfdag inschrijven, om alzoo haar aandenken door weldadigheid te eeren. Voor zijn overlijden had Bost op die wijze meer dan 200 dagen geplaatst. En meermalen ondervond hij buitendien, als allen, die in het geloof hun liefdewerk verrichten, dat de Heer getrouw is en zich niet onbetuigd laat. In het jaar van den bloedigen Fransch-Duitschen oorlog, toen er zooveel noodig was en zoo weinig werd verdiend, had men gevreesd, dat de giften zeer spaarzaam zouden vloeien. Dat was ook in Frankrijk het geval. Maar de Heer wekte menigeen op in Engeland, Zwitserland, Nederland en elders, om niet het oog op die behoefte meer dan anders bij te dragen, zoodat bij het einde van Juni 1871 Bost kon danken, dat er in kas een overschot was van 4000 franken.
Het is nu juist 10 jaar geleden, dat Bost mij en mijne echtgenoot uitnoodigde, om hem te komen bezoeken en zijne gestichten te zien. Wij gingen er heen, toen wij ons winterverblijf in Me\'nton hadden verlaten. Wat was het
49
ons goed in zijn huiselijken kring. Zij waren allen zoo vriendelijk en voorkomend, hij zoo hartelijk en gul. zoo opgeruimd en blijmoedig, zoo ernstig tevens en degelijk in zijne gesprekken. Hoeveel wist hij telkens mede te deelen uit den rijken schat zijner ondervinding. Wat al mensehenkennis en wenken voor opvoeding en pastoraal, alles gegrond op Gods Woord, geworteld in hartelijk en levendig geloof, werkzaam door de liefde. Bij de huiselijke godsdienstoefening zette hij zich aan het huisorgel en begeleidde het gezang, waarna een zijner kinderen bij beurte een gedeelte uit de H. S. voorlas, dat door den huisvader kortelijk werd besproken en toegepast, die ook zelf voorging in het gebed.
Toen wij de verschillende gestichten zouden gaan bezien, zeide hij mij, dat wij eerst naar de kerk zouden gaan, omdat hij had laten weten, dat allen, wier toestand bet veroorloofde, daar moesten samenkomen. Hij deed dat meer, wanneer hij bezoek van vreemden had. Het kerkje, een net gebouw en zeer doelmatig ingericht, is aan den gevel versierd met een wit marmeren Bijbel, waarop deze spreuk te lezen staat: ))U\\v woord is de waarheid.quot; De kansel draagt tot opschrift: »Wij prediken Christus den gekruisigde.quot; Beide plaatsen kenmerkend voor den geest, die er heerscht. Daar zagen wij nu ook terstond een groot aantal zijner verpleegden bijeen, en het was treffend, al die misdeelden en gebrekkigen het loflied te hooren aanheffen, en zich te zien vereenigen in het gebed. Nadat hijzelf een hoofdstuk uit den Bijbel had voorgelezen, zeide hij, dat hij thans daarover niet verder zou spreken, maar liever het woord wilde laten aan een vriend uit Holland, die hun gewis wel iets te zeggen zou hebben. Ik zag hem eerst vragend aan, maar vooi\' zijn vriendelijken blik
4
I
50
en bij zulk eene vergadering mocht ik niet weigeren. Toen wij de kerk verlieten, zeide ik hem echter, dat hij mij wel vroeger had mogen waarschuwen, dan had ik mij een weinig kunnen voorbereiden. »Eii dan zoudt gij u misschien verontschuldigd hebben,quot; antwoordde hij lachend. Het had althans dit voor, dat ik nu niet meer als een vreemde de gestichten binnentrad, maar dat mij al terstond menig vriendelijk knikje werd gegeven en menige, hand trouwhartig toegereikt.
O O
En dat was wel iets, dat ons overal daar trof. Er heerschte doorgaans een geest van vertrouwelijkheid, tevredenheid en blijmoedigheid. Waar wij gewacht hadden, bijna niets dan jammer en ellende te aanschouwen, — en er bleef nog genoeg ellende te zien! - vonden wij veelal eene uitdrukking, ik zou haasl zeggen van geluk, voor zooveel die ongelukkigen daarvoor vatbaar waren. Opmerkelijk was vooral de invloed der persoonlijkheid van Bost. Waar hij verscheen, blonken de oogen der meesten van vreugd, zelfs het gelaat der blinden helderde op, als zij zijne stem maar hoorden. Een ongelukkig wezen, verlamd aan de beenen, vergroeid en bijna sprakeloos, wuifde met de hand en maakte eenige onverstaanbare geluiden, om zijne blijdschap te kennen te geven, toen Bost hem met ons naderde. Aandoenlijk was het ook om te zien, hoe zelfs de idioten dienstbaar werden gesteld, om de kranken te helpen en lafenis aan te brengen; en als Bost hen dan zachtkens op de schouders tikte, en toonde dat zij hun werk goed hadden gedaan\' en hij tevreden was, wat glans van vergenoegen straalde er dan af ook op hun vaak zoo misvormd gelaat. Velen troffen wij aan in de open lucht, bij tuin- of veldarbeid, want allen, zooveel het kan, worden bezig gehouden, en de verschillende ge-
51
stichten zijn omringd door tuinen, boomgaarden en akkers, die aan het geheel een vrij en vriendelijk aanzien geven.
Zelfs een Hollandsch oog kon over het algemeen de zindelijkheid en netheid prijzen, die hier gevonden wordt; on Bost mocht dankbaar den zegen roemen, dat hij steeds zoo trouwe en geschikte personen gevonden had, om hem te helpen en toezicht te houden, die met groote zelfverloochening. door de liefde van Christus gedrongen, hunne moeielijke taak hadden aanvaard en daarin volhard. Bij de materieele en materialistische richting van velen in onze dagen, doet het goed zulk een sprekend getuigenis te aanschouwen van de kracht des geloofs en der christelijke liefde; en het bevreemdde ons niet, dat de Eoomsche Prefect van het Departement der Dordogne, toen hij ook La force had bezocht, uitriep: »Ik zie, dat de tijd der wonderen nog niet geweken is!quot;
Karakteristiek vond ik het, dat Bost in het Album mijner vrouw dezen tekstschreef: «Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige. De Heer zal hem ondersteunen op het ziekbed. In zijne krankheid verandert Gij zijn gansche leger.quot; I\'s. 4i : t^a, l.
•John Bost is niet oud geworden Hij was in zijn (j.jste jaar, toen hij stierf. Maar ook voor hem moet de leeftijd niet bij jaren worden berekend. Hij verhaalde zelf, hoe zijn dokter hem eens voor veel ouder had verklaard, omdat hij. naar diens zeggen, dubbele dienstjaren telde. En hij heeft niet onnut geleefd op aarde. Hij heeft gewoekerd met de talenten, hem van God geschonken, en in dienende liefde getracht de voetstappen te drukken van zijnen Heer en Heiland, in wien b ij geloofde, dien hij liefhad, en wiens kracht ook in zijne zwakheid werd vol-
bracht. Het liefdewerk, dat bij heeft gesticht, gaat met zijn dood niet verloren. Het blijft bestaan, velen ten zegen, als dat van onzen Heldring en van Wichern, omdat het uit God is en in Jezus naam werd verricht.
Zijne weduwe schreef mij eenige dagen na zijn heengaan, en het zij mij vergund, hare eigene woorden hier mede te deelen: »Mon cher mari, si faible depuis long-temps, mais si plein de courage et de vie, nous a été redemandé le Ier Novembre. 11 avait voulu se rendre a Paris le 1 quot;2 Octobre pour passer un mois dans l\'apparte-ment, que nous avons pour réducation de nos enfants. 11 comptait revenir avec moi pour recevoir icilelOXov. M. Kayroux, nommé sous-directeur des asiles, et se réjouis-sait beaucoup d\'avoir enfin eet aide pour le travail, qu\'il ne pouvait faire, — et a Paris il a pris mal. Son état parut de suite fort grave. Les seeours les plus éclairés ont lutté contre la rrJort pendant G jours, et mon cher John aussi, dont l\'énergie n\'a pas faibli. Une anémie de coeur était venue compliquer son état, et co coeur a cessé de battre sans soufl\'rances, sans luttes, dans une paix ab-solue. — Le vide est immense. — Nos asiles sont en deuil, tous le pleurent.quot;
Het was mij een groot genoegen, in dit voorjaar den heer Ravroux te mogen ontmoeten, dien Bost zelf tot helper had verkozen, en die nu in zijne plaats tot Directeur der Gestichten te Laforce is benoemd. Hij maakt een zeer gunstigen indruk. Vroeger Directeur van het Doofstommen-Instituut te St. Hippolyte, heeft hij reeds eene goede voorbereiding en opleiding gehad voor de zware taak, die nu op hem rust.
Eene beknopte levensschets van John\' Bost, met een overzicht van zijn werk, werd al spoedig ten voordeele
53
der gestichten in het licht gegeven door den pred. A. Bou-vier-Mongd, te Parijs bij Fischbacher.
üe toespraken van Decoppet, Eecoun, Bersier en anderen, aan het sterfhuis in P a r ij s en bij de begrafenis te L a fo r c e gehouden, zijn in een bundeltje verzameld, en met zijn portret door de weduwe aan zijne vrienden ter gedachtenis toegezonden.
Onder de gedrukte kennisgeving van zijn overlijden stonden deze beide wel gekozen teksten :
«Zalig zijn de doodex, die in den Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen
van hunnen arbeid, en hunne werken volgen met hen.quot;
Openb. 14: 13. »Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij dit een van
deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan.quot; Matth. 25 : 40.
.luni 1882.
•T. J. van Vollenhoven.
DE VREEMDELING.
s o n n e t.
\'k Vraag dikwerf aan mijzelv\': van welk geslacht zijt gij Niets vimlt ge, dat uw hart hier blijvend doet ontgloeien, Uw geest bezielen of uw zinnen zelfs kan boeien: Als hadde een eind\'loos goed alleen voor u waardij!
En toch —- welk paradijs zaagt ge immer voor u bloeien, Aan wat verheven doel beweest ge uw diensten; gij ? Dat alles bier beneên u enkel kan vermoeien,
Alsof niet^i waarlijk schoon, niets waarlijk deugdzaam zij.
Er moet een oorzaak zijn voor zulk voornaam verachten, Dat van deez\' aarde trots een hemel durft verwachten ; Ik zoek haar te vergeefs in deze leemen borst.
Verbaasd beluister ik mijn eigen boezemklachten
Als van een vreemdeling, die in mij moet versmachten.
Die mij nog nooit zijn naam en afkomst noemen dorst.
P. J. Moeton.
Xaar v Fransch van Sui.i.y Prlüiiomme.
AAN DEK AUTEUE VAN »DE VREEMDELINGquot;
s o n n e t.
»Een vreemdeling,quot; zijt gij het die zoo spreekt ?
Mijn naam en afkomst werd nog nooit door u vernomen ! Helaas! \'t is al te waar, dat ik, tot u gekomen, Als vreemd\'ling voor uw poorte heb gesmeekt.
Ik heb geklopt, geweend; gij liet mijn tranen stroomen; Gij hoordet mijne stem, terwijl ge mij ontweekt;
En toch mijn hand alleen brengt, wat uw har t ontbreekt En wat het heeft aanschouwd in \'s levens schoonste droomen.
O. leen mij nog het oor, en geef mij nog uw harte.
Ik ben uw God, uw Broeder, die met smarte
Mijn bloed gaf, u ten zoen: ik bied u nog mijn Geest;
\'k Laat heiuelbalsem in verslagen harten dalen.
Het Evangelie zal mijn afkomst u verhalen,
AVant Jezus is mijn naam, die \'t kranke hart geneest.
Naar \'t Fransch ra» T ,,
„ P. J. Moeton.
Iheodoke Monod.
WAT IS A F G O D E li IJ ?
De Redactie van dit jaarboekje heeft om bijdragen gevraagd met deze woorden:
»Nu de oogsttijd op het veld nadert, rust ook op de Kedactie der Magdalena wederom de taak om op het gebied der aan God gewijde kunst en letteren bijdragen in te zamelen voor den Jaargang 1883.quot;
~ O
Dus is haar gevoelen, dat er eene aan God gewijde kunst bestaat, — en toch bestaat er bij velen een vooroordeel tegen kunst in het algemeen.
Komt de ingenomenheid tegen de kunst voort uit het gevoelen, dat alle kunst menschenwerk is en dat alleen Gods werk bestaat, alsdan is zoo al niet de afkeuring, dan toch de geringschatting der kunst alleszins gerechtvaardigd. Jammer maar, dat velen, die verklaren op dien grond tegen de kunst gestemd te zijn, aan zeer veel, dat niet minder dan hetgeen gemeenlijk kunst heet, kunst en menschenwerk is, zóó gehecht zijn alsof het geen raenschen-, maar Gods werk ware. Eene ontworpen wet, de inrichting van een Genootschap, staatkundig of kerkelijk, is een werk der kunst evenzeer als een naar den eisch vervaardigd beeld.
Alle goddelijk leven :s vrij, uit eene oneindige volheid in het oogenblik geboren, en, bouwende op de eeuwige kracht, die geen behulpsel noodig heeft, zoekt het geen uitwendigen waarborg van voortbestaan Eene inrichting, daarentegen, zooals wij daar aanduidden, bindt aan gemaakte bepalingen en verordeningen. In zoo verre staat zij als dood over tegen het leven, dat in, uit en door God is, en heeft Paulus allen grond om te verklaren: de letter, dat is, al wat beschreven en omschreven is, doodt
Voorzeker is er ook een schrift, dat geen menschenwerk is; doch waar in de Schrift van schrift als Gods werk gesproken wordt, moet door dit woord de grondslag dei-schepping verstaan worden, naar welken de dingen der wereld hun verloop hebben. Dat schrift behelst de gedachten, tie levende woorden Gods, in wier vervulling de wereldgeschiedenis bestaat. Immers wat God gezegd wordt te doen, alzoo ook zijn schrijven of geschreven hebben, is scheppingsdaad, is leven van natuur en geschiedenis; alle andere gesproken of geschreven woorden zijn menschenwerk, en wie ze als Gods woorden drijft, pleegt afgoderij.
Wel zullen ten slotte alle menschenwoorden, als niet zonder Gn 1 gesproken, erkend, alle schijnbaar ijdele menschenwoorden bij de eeuwige dingen in rekening gebracht worden ; maar vóór de voleindiging voegt het ons niet het onvolkomen rnenschenwoord als onvoorwaardelijk bindende macht te doen gelden: integendeel, steeds moeten wij zeiven aan het dwanggezag van het menschenwoord willen ontkomen, om ons in het vrije, goddelijke, zich steeds her-barende leven te bewegen, en dan ook anderen door geen menschenwoord de gemeenschap met het ware leven en de levende Waarheid willen afsluiten.
Is dan alle kunst te veroordeelenHier is het noodig te onderscheiden. Vooreerst bij de ingewijden onder Israel, bij Israels echte profeten (en aan hen, als mannen van gezag, denken wij hier in de voornaamste plaats) was niet alle kunst gewraakt, met name niet de toon- en de dichtkunst, ja, zelfs niet (en wat er van Koning David bij den intocht der ark gemeld wordt, geeft ons recht dit te zeggen), zelfs niet de danskunst. En waarom vonden deze kunsten bij de ware Israelieten gunst en genade? Omdat zij, hierin ongelijk aan schilder- en beeldhouwkunst, geen voortbrengsel nalaten, en alzoo alleen in het oogen-blik der uitvoering bestaan. Even als de in de He-breeuwsche Oudheid zoozeer geprezen olie of zalf, die, nauwelijks als een liefelijke geur waargenomen, vervlogen is. Van liederen fwaarin God. als een David ze zincrt,
7 O \'
gezegd wordt te wonen), van de dichtkunst, zal men zeggen, blijft toch wel degelijk iets over: immers kan men de gezongen woorden opschrijven. — Welk een misverstand echter ligt er aan die tegenwerping ten grondslag! Alsof schriftteekens op zich zelf een bestaan van eenige waarde bezaten! Neen I uit die teekens moet telkens de klank, en dan weder uit dien klank het be-teekenend begrip opgewekt en levend gemaakt worden • in de letters heeft men slechts iets dat volstrekt waardeloos en dood is vóór zich. Een boek bestaat niet in dat zicht- en tastbaar voorwerp met geschreven of gedrukte letters, hetwelk gij in uw kast hebt staan: het boek zelf bestaat nergens dan in de bevatting van hem, die het ter hand neemt en de daarin nedergelegde gedachte levend weet te maken door te lezen, of, zooals de Grieken zeiden, te herkennen.
Zoo is de ware B ij b c 1 niet het boek, dat wij zoo noemen :
de ware Bijbel bestaat nergens dan in de geesten der geloovigen: al wat men daarvan vat bestaat als gezond geestelijk voedsel; wat men daarvan niet vat, bestaat niet; wat men daarvan verkeerd vat, is ballast in het brein.
Toon- en dichtkunst (om nn van de danskunst, die trouwens alleen aan heilige vervoering gegund mag geweest zijn, niet te spreken), toon- en dichtkunst derhalve waren onder de oude Hebreeërs niet alleen toegelaten, maar in eere bij de menschen en uitgeoefend ter eere Gods. Maar de beeldende kunst veroorloofden die Hebreeën zich niet te oefenen. Waarom niet? Ook bij de veroordeeling der beeldende kunst liep er voorzeker misverstand onder. Immers, wat kan er afkeurenswaardigs zijn in de vervaardiging van eene gestalte naar het voorbeeld der schoone natuur? wie daarin slaagt moet door de liefde voor Gods schepping bezield zijn geweest, en met eene inderdaad goddelijke wijding zijn toegerust. l)us voegt ons voor zulk een werk veeleer bewondering en jegens den kunstenaar dankbaarheid. — Het is waar, eene dooiden kunstenaar vervaardigde, hetzij naar bet voorbeeld der natuur gebootste, hetzij ter verzinnelijking eener gedachte tegennatuurlijk gevormde gestalte, kan een voorwerp van vereering worden, alsof de godheid daarin gansch bijzonderlijk bevat ware. Maar zulk eene grove misvatting kon en kan door den eersten den besten man van ver-Stand genoegzaam in hare ijdelheid ten toon gesteld worden. Waar door de profeten van Gods wege de dienst, aan houten of steenen en gegoten beelden bewezen, zoo streng veroordeeld wordt, is wat ernstigers, wat diepers en tevens eene algemeener schuld bedoeld. 1\'le on ex ie, zegt Paulus, is idololatrie, dat is, de zucht om meer ie
CO
willen hebben, dan ons in bet oogenblik, waarin wij in bet leven, dat uit God is, deelen, is gegeven, — de zucht om iets tot stijving van onze persoonlijkheid en eigenen wil over te houden en weg te leggen, — die zucht is vergoding van iets dat geen God is te achten, vergoding van een anderen God dan God, dienst van den Mammon, dat is overeenkomstig de beteekenis van dit Oos-terseh woord, vertrouwen op weggelegd goed en op voorbehouden vermogen. Daartegen is het, dat de Wet waarschuwt, waar zij zegt: »gij zult u geen tegenbeeld Gods maken, quot; gelijk zij straks dat vop waarschuwt tegen het ijdel gebruiken van Gods naam, dat is niet tegen het gebruiken van een soldatenvloek of diergelijke, maar tegen dezulken, die hunne stichting voor een werk Gods uitgeven, en zeggen in den naam en op gezag Gods te handelen, terwijl zij hunne eigen menschelijke denkbeelden ten uitvoer brengen. Niet wanneer wij eene gestalte nabootsen, maar wanneer wij iets eigens tegenover God willen doen gelden, maken wij een tegenbeeld Gods.
[k veroorloof mij een beeld te gebruiken, hetwelk echter meer dan een beeld, meer dan eene leenspreuk is.
De plant vangt aan in den vorm van een week zaadje. Uit dit zaadje spruit een stengel, welke van lieverlede, naarmate zich meer takies ontwikkelen, harder wordt en dat wat wij bet bout noemen, afzet. Wat nu is dit hout anders dan de stof, welke bij bet spel, hetwelk door de kracht, die in den kiem was, met de kracht van licht en lucht gespeeld wordt, ongebruikt blijvend overschiet en als het ware weggelegd wordt? — Zoo nu wordt bij elk schepsel Gods, deels reeds gezien (in bet lichaam), deels nog ongezien, een schat weggelegd, eene gift, die eene af te lossen schuld medebrengt, verleend. Van dien mede-
61
gegeven schat, van die opgelegde schuld, is in de sfeer der natuur het hout de vertegenwoordiger. Vandaar dat de stof, uit welke men zich de schepping opgebouwd voorstelt, in de edelste talen hout heet1).
Gelijk nu het hout in de plantenwereld, zoo is alle verharde stof op aarde te beschouwen als het weggelegde, de nederslag 2J, het bewaarde3), het overgeblevene van eenige organische werking. D;it spel der krachten, die organische levensgestalten, van welke de steenen en de metalen de nederslag zijn, hebben wij, menschen, niet aanschouwd: maar in de edele steenen en de kostelijke metalen, in de meetkunstig gevormde kiy stall en mogen wij nog een afschijnsel en afdruk zien van den heerlijken hemel, waaruit zij nedergeworpen zijn. Zoolang die verharde stoffen niet weder opgenomen worden in een organisch leven, zijn zij echter dood, even als het hout, wanneer, zoo als Homerus zegt. het getij der lente er niet bijkomt om het hout met nieuwe bladeren te sieren.
Het hout heeft het leven niet in zichzelf. Het is slechts een bodem van leven. Zoo is ook de ons ten leven gegunde schat, het voor ons bewaarde, ons lichaam, ons vleesch, niets dan de bodem, waarop ons leven in gemeenschap met het goddelijk leven moet bloeien. En wie op dien in zichzelf dooden bodem bouwt, zijn lust en leven, met
In het Grieksch hylê, in \'t Latijn materia. In het Paradijs-verhaal ware het woord quot;ets beter door hout, dan door boom, vertaald. Do LXX bezigen dan ook een woord dat hout beteekent.
■!) liet Grieksche woord, in onze bijbelvertaling door grondlegging (dor wereld) overgezet, beteekent nede r wer p i ng.
3) In het Grieksch zegt men voor lichaam: het bewaarde, sóma.
62
miskenning van het leven van Boven, daaraan wil danken en daaruit wil putten, hij vertrouwt op een dood hout, dat, zoo het niet meer bij elke lente nieuw leven bekomt en na eiken zomer vrucht draagt, vloekwaardig is en voor niets deugt dan ter verbranding, gelijk dan ook de stille werking ter slooping van elk lichaam niets anders is dan eene verbranding, waardoor de elementen, onttrokken aan de bijzondere organismen, weder in den alge-meenen schoot des Vaders van alle schepsel worden opgenomen.
Wij spraken nog niet van de bouwkunst. Zij, die hout en steen tot eene schoone gestalte, tot eene woning van hemelsche en aardsche Goden maakt, is eene profetie van tie wederopheffing der elementen tot nieuw organisch leven, en, gelijk onlangs een Nederlandsoh auteur ze noemde, eene verpersoonlijking der anorganische natuur. — Opmerkelijk is het, dat zij noch door eenige natie, noch door iemand ter wereld, als afgodisch veroordeeld is. Alleen gaf het Israelitisme aan eene tent boven een gebouw, en aan hout boven steen, tot eene woonstede Gods, de voorkeur.
Aug. i 882.
W. G. Brill.
»KNIEL,quot; ZEGT SATAN, «VOOR MIJ NEDER
»Kniel,quot; zegt Satan, svoor mij neder, En ik geef u roem en eer.quot;
Aanstonds vallen duizend zielen Hunk\'rend voor den Booze neêr.
gt;Kniel,quot; zegt Satan, »voor mij neder, 5k Zal u geven geld en goed,quot; En ontelbaar is de schare.
Die hem volgzaam hulde doet.
»Kniel,quot; zegt Satan, »voor mij neder, \'k Vlecht een feestkrans n om \'t hoofd.quot; En een dichte drom verlaagt zich, Om \'t genot, door hem beloofd.
»Kniel,\'\' zegt Satan, »voor mij neder, quot;k Bied u tooi en pronk en pracht.quot; Talloos zijn ze, wie dat uitzicht Onverwijld tot knielen bracht.
64
»Kniel!quot; zei Satan eens tot Jezus, «Klein is de eisch en groot het loon, Want ik geef u koninkrijken Voor de hulde, mij geboón.quot;
Maar bet wederwoord des Heeren Luidde, zonder weif\'Hng : iNeen, Satiinl k zal voor u niet knielen, \'k Buig de knie voor God alleen.\'quot;
Heer! geef mij ook moed en sterkte Tot dat antwoord: ȟemonl wijk! \'k Zal voor u de knie niet buigen. Ook niet om een koninkrijk.quot;
»\'k Sta, verzoeker! steeds u tegen Met mijn neen, en immer noen, En ik zeg, het oog op Jezus. «s\'kBuig de knie voor God alleen.quot;quot;
K. Lalrillard.
TE PEDEROBB A.
Tien tegen een is te verwedden, dat gij in het opschrift een gansch vreemden naam leest en niet durft beslissen, of er een land, dan wel een stad, en zoo er geen jitequot; stond misschien wel een man of een vrouw door bedoeld wordt. Dit is dan ook, met allen eerbied voor uw aardrijkskennis, die gij van school af hebt meegebracht en zoo nu en dan aanvult, niet te verwonderen.
Laat ik u maar gauw zeggen, dat Pederobba een dorp, eigenlijk een dorpje is, niet heel ver van Venetië. Ontmoet ge nu den een of ander, die op reis een groet bracht aan en kijkje nam van »de Koningin der Adriati-sche zeequot;, met welken naam Venetië praalt, dan kunt gij er op aan, dat op uw vraag: «waart ge ook te Pederobba.\'quot; een hoofdschudden, of schouderophalen volgt. De verklaarbare onbekendheid met het plaatsje is te bejammeren. Want, al is het klein om te wezen onder de Venetiaansche gemeenten, met een christelijk geloofsoog bekeken, wekt het belangstelling en loont het de moeite, om er een poosje, zij het dan ook slechts in den geest, te vertoeven.
Zoo vriendelijk en voorkomend wordt er tot een vol-
66
slagen vreemdeling toe ontvangen en bejegend, dat hem zelfs aan het grafelijk slot de deur niet wordt gewezen. Het kasteel is eigendom van vrouwe Origo, een gravin van oud-adellijke geboorte, die onder de Evangelisch wedergeborenen mag gerekend worden. Bekreun er u niet over, dat tot mondeling onderhoud het vloeiend Italiaansch u in den steek laat, want bij de ontwikkelde Venetiaansehe komt ge, het spreekt van zelf, ook met Fransch goed te recht. Daarenboven geldt bij iederen van mond tot mond sprekenden christen: «ook uw spraak maakt u openbaar.quot; Handelende over de dingen van het Godsrijk, vindt de geloofstaal uwer lippen weerklank bij de gravin Origo. Hoe is zij georiënteerd op het veld der Evangelizatie, waarvan een hoekje tuingrond door haar beploegd en beëgd, bezaaid en besproeid wordt, \'t Is een lust, om haar te hooren praten van wat er in de naburige stad Venetië en haar omtrek geschiedt ter handhaving, aanprijzing en uitbreiding van het Evangelie des Koninkrijks. Door warme belangstelling voor het hooger leven bezield, neemt zij bezielend deel aan de christelijke pogingen tot bevordering van licht en leven. De Evangelische dagscholen, al tellen zij in het volkrijke Venetië nauwelijks een veertigtal leerlingen, zijn in haar schatting de plant-, vorm- en kweekscholen eener gemeente, die, klein als bet mostaardzaad, volgens haar geloof, in groei zal toenemen tot een boom en naar hare bevinding reeds werkt als de gist onder de maten meels. Vraag het maar aan de uitverkorene vrouw, en gij hoort haar gewagen van de Zondagsche hoofd-godsdienstoefening, bijgewoond door een menigte geloofs-genooten, die ooren leenen aan het goddelijk woord, waarbij zich ook enkele Eoomschen voegen, welke somwijlen zachtjes uiten: sLaat de Priesters zeggen, wat ze
tgt;willen, maar dezen zijn ook r-hristenen. want wij zeiven »hebben ze gehoord.quot;
Op een prik weet mevrouw Origo u te verzekeren, dat er in de stad uit de Koomsche kerk meer dan honderd en vijftig zielen zijn overgegaan.
Somwijlen gewaagt zij van het veelvuldig krakeel, ge ■ twist en erger nog, dat bij gemengde huwelijken plaats grijpt, en dan voegt zij er met opgewektheid bij, hoe het met den echtgenoot eener Evangelische vrouw is gegaan overeenkomstig het woord van Paulus: »6ij man, wat »weet gij, of gij ook de vrouw zult zalig maken?quot; Zij kan ix vertellen van een soldaat, die godsdienstonderwijs ontvangt en blijft begeeren, om, als geordend krijgsknecht van Christus, eenmaal rechtstreeks het werk te doen van een Evangelist. Mogelijk herinnert ze, sprekend over het evangeliezeeren door en onder militairen, het aandoenlijk feit, dat op 5 Juni \'1881 bij een soldaat, onder het manoeu-vreeren door een kogel doodelijk getroffen, een klein Nieuw Testament gevonden werd. hetwelk zich een kastelein toeeigende, bij wien de gekwetste in huis gedragen werd, en hoe deze, bij latere navraag om dat boek, vroeg: Och, laat het mij behouden, want zoo iets moois heb ik nooit gelezen. Doch van Italiaansche militairen zou heel wat goeds zijn op te halen: immers het aantal krijgsknechten, die voor het Evangelie gewonnen werden, bedraagt bij de 850. De jaarlijksche garnizoensverwisseling levert telkens een nieuw veld ter bearbeiding, terwijl velen, na het eindigen van den diensttijd huiswaarts keerende, het zaad der wedergeboorte uitstrooien, dat wel hier en daar, zoo al geen honderd-, dan toch zestig-, dertig- of tienvoudige vrucht kan opleveren.
Dan nu wij de gravin op haar praatstoel ontmoeten,
68
wil ik u onder haar dak laten zien, hoe bij haar het Koninkrijk Gods niet bestaat in woorden, maar in kracht.
In haar slot is een vertrek, gelijk aan die opperzaal, van welke gij in de Schrift hebt gelezen, waartoe elf van \'s Heeren volgers opgingen. G-ij vindt daar Giovanni Pons, een Waldenzischen leeraar. Hij is gekomen tot de breking des broods en het uitreiken van den drinkbeker. quot;Welk een eenvoudige en stichtelijke avondmaalsviering! Er zijn met den predikant mede juist twaalf geloofsgenooten vergaderd, om te eten van het brood en te drinken van den wijn ter gedachtenis van Hem, Die tegenwoordig is, waar men in Zijnen naam vergadert.
Bij zoo\'n plechtige gelegenheid is het verleden voorjaar gebeurd, dat een nieuwe broeder zich aanmeldde, met den wensch om in die huisgemeente te worden op-aenomen. Zorgvuldig werd de vraag overwogen. Men
O O O O O
handelde na gemoedelijk overleg in het kasteel juist zoo. als in de apostolische eeuw de broeders te Lystre en Iconium deden ten aanzien van Timotheus. Toen er )gt;goede getuigenis werd gegevenquot; omtrent den Pede-robbaschen inwoner, gaf men den nieuwen geloofsgenoot de rechterhand der gemeenschap.
Laat ik. eenmaal aan het woord zijnde, u nog een geschiedenis uit het gemeenteleven van het Venetiaansch dorp verhalen, zoo als die kort vóór de meegedeelde avondmaalsviering plaats greep. Een jongmensch, trouw bij-woner der godsdienstige samenkomsten, en wiens vader ook tot het Evangelisch kerkje behoorde, lag ernstig ziek. In de rechtmatige bezorgdheid, dat deze krankte tot den dood zou zijn, werd de patient door verschillende broeders geregeld bezocht en liefderijk verzorgd. Waren de verplegende buren tot tijdelijke afwezigheid verplicht, dan
69
namen ze maatregelen, dat in tlien tusschentijcl geen ijverend priester de legerstee zou naderen. Doch wat gebeurt er ? Toen de dood de vensters der ziekekamer inklom, gelakte bet aan eenige vrouwen, om een priester binnen te halen, die den bewusteloos stervende het laatste oliesel, vóór het uitblazen van den adem, toediende. AVeldra verspreidde zich het gerucht, hoe de vader, voor hellestraffen bevreesd gemaakt, het voltrekken der ceremonie had toegelaten. Die zwakheid maakte het noodzakelijk, dat \'s mans naam van de lijst der gemeente als ontrouw werd geschrapt. De broeders konden niet dulden, dat tot hun kring een zoo zwak- en ijdelgeloovige zou behooren. die. luisterende naar dweepzieke inblazingen, had geduld, dat in de laatste oogenblikken zijn vrome zoon als een afvallige van het Evangelisch geloof werd beschouwd en ten grave daalde.
De diepgeschokte vader zag weldra zijn dwaling in. Itoor berouw over zijn gepleegd onrecht verteerd, beleed hij onder zuchten en tranen zijn bedreven zonde en smeekte zijn medechristenen, zich in hunne voorbede aanbevelende, om weder na zijn val in genade te worden aangenomen.
En de broeders waren, Gode zij dank, niet van het geslacht dergenen, die een wanhopige eenmaal afscheepten met het ijskoude, harde woord: »Wat gaat ons dat aan? gij moogt toezien.quot; De geloovigen, met ontferming bewogen en diep getroffen door het schuldgevoel en de bede om vergiffenis, namen den berouwvollen vader weder in de gemeenschap op. Dit besluit werd met eenparigheid van stemmen genomen, legt een treffend getuigenis af van echten evangeliezin en toonde van hoedanigen geest die christenen waren, navolgende Hem, op wien Jesaja\'s godspraak paste, dat Hij het gekrookte riet verbrak, noch de rookende vlaswiek uitbluschte.
70
Aan u, die geleerd hebt den dag der kleine dingen niet te verachten, vraag ik gerustelijk: wat dunkt u thans van Pederobba? Het moge al niet in uw oog vallen als een boven op een berg liggende stad, toch rust uw blik oi) een liefelijk dorpje, te midden van dor bijgeloof met geestelijke zegeningen verrijkt. En in een door geest-doovend wangeloof besmette streek ontdekt gij een plekje, dat welgevallen trekt van den Heer en zoo veel goedgt; bezit en zoo veel beters nog belooft, dat gij, na kennismaking met Pederobba, geloovig en hoopvol betuigt: Verderf het niet. want er ligt een zegen in!
den Haai).
Heumax uk lilUUKH.
A A X DEN HEILAND.
Gij hebt den weg ge wezen.
Gij hebt den weg gebaand; Gij wilt de Leidsman wezen, Voorkomend en méégaand, Besturende de schreden
Van die het steile pad, Het steile pad betreden Ter hooge hemelstad.
Gij hebt de poort ontsloten, Omsloten door uw bloed, Die al de tochtgenooten
Vervult met blijden moed; Gij zult hen welkom heeten
In \'t vaderlijk paleis,
Waar spoedig zijn vergeten De moeiten van de reis.
Nicoi.aas Beets,
I S81
HET LÜTHEELIED.
Welk Protestant kent het Lutherlied nietVele schoone liederen heeft de groote Hervormer gezongen. Maar als wij van het Lutherlied spreken, dan denken wij aan dat ééne bij uitnemendheid: Een vaste burg is onze God. Dat lied nu heeft zijne geschiedenis.
Men is het er niet over eens, bij welke gelegenheid Luther dit lied heeft gedicht. Sommigen denken aan het jaar 1521. toen de lïijksdag te Worms gehouden werd; anderen aan het jaar lo\'29, bij gelegenheid van den Kijks-dag te Spiers; de meesten aan het jaar 1530, naar aanleiding van den Eijksdag te Augsburg. Wie de gebeurtenissen van de genoemde jaren zich voor den geest roept, zal gevoelen dat dit lied op die alle van toepassing is. Toch schijnt het meest voor het laatste gevoelen te pleiten.
Men schreef dan het jaar 1530. De Eijksdag te Augsburg stond gehouden te worden. Wat zou daar plaats grijpen? Met spanning werd de 25ste Juni te gemoet gezien. Dan zou bet pleit beslist worden voor of tegen het zuivere Woord Gods. De belijdenis des geloofs der Protestanten zou aan keizer Karei worden overcrejjeven.
O O
Luther, de vogelvrij verklaarde, kon als zoodanig niet
73
op den Eijksdag vevscliijnen, om er de waarheid van het Evangelie te verdedigen. Op bevel van Johan den Standvastige moest hij te Coburg achterblijven, waar het slot Khrenburg hem tot eene verblijfplaats was aangewezen. Maar hij was er niet werkeloos. Hij dacht bestendig aan de Protestantsche Vorsten en aan zijn vrienden. Hij diende hen van goeden raad. Inzonderheid wist hij den diep neergebogen Melanchton, die aan eene goede uitkomst wanhoopte, op te beuren en te bemoedigen. En zich zelf sterkte hij in den Heer zijnen God, door stille overdenkingen en gebeden, of door zijn gevoel in een lied uit te storten. Hier zong hij dat lied, dat de uitdrukking was van zijn onwankelbaar Godsbetrouwen: Een vaste burg is onze God.
Welk een lied I A.ls waren de Engelen er de verspreiders van geweest, zoo snel werd het in Duitsehland bekend en allerwegen, waar belijders van het Evangelie woonden. Het kan ons niet verwonderen, dat het in Duitsehland klassiek en een der meest geliefde kerkliederen geworden is.
Honderd jaren later, 17 September 1G31, werd het vóór den slag bij Leipzig door Gustaaf Adolf en diens lelt;rer irezongen ; en toen God hem de overwinning gegeven
O O O KJ KJ O
had, viel deze voortreffelijke vorst in het midden der dooden en gewonden op zijne knieën en riep uit: Das Fe ld musz Er beh alten.
Nog honderd jaren later, in de lente van I was dit lied ten troost van de door den Aartsbisschop uit hun land verjaagde Salzburgers. Zij zongen het in de kerk te Darmstadt, en allen, die hen vriendelijk ontvangen hadden, stemden met hen in.
Maar niet alleen Duitschlands kerklied is dit lied geworden. Het behoort der Protestantsche Christenheid toe
Enkele proeven uit de geschiedenis kunnen dit bevestigen.
In Frankrijk was Luther\'s lied eenmaal het dagelijksch troostlied der Ilugenooten onder de vervolgingen, die van het jaar \'1500 tot 1572 over hen kwamen. Zélfs als zij met vuur of zwaard werden ter dood gebracht, stierven zij getroost met dit lied op de lippen zonder hun geloof te verloochenen.
Ook onder ons heeft dit lied burgerrecht verkregen. Naar de schoone vertaling van onzen ten Kate heeft het een plaats gevonden in den Vervolgbundel op de Evangelische gezangen, die in de Nederlandsche Hervormde kerk gebruikt worden. Zelfs tot de heidenwereld is het doorgedrongen. Op de Westkust van Afrika weerklinkt Luther\'s lied van veler lippen. Op een der zendingsposten aldaar werden voor eenige jaren de christenen door de heidenen zwaar verdrukt. En ziet, toen verzamelde zich een aantal knapen in de school en zong uit eigen beweging in hunne taal het lied: Een vaste burg is onze God, en zij hebben ondervonden, welk een beschermer God is.
Op het jaarfeest van bet Baselsche Zendelinggenootschap, en we! ten jare 1852 verhaalde de Inspector Josenhans, dat hij op zijne inspectiereis in Indië een onvergetelijk oogenblik had beleefd. Het was, loen bij het verlaten van een dorp, de leerlingen eener catechisatie tot zijn afscheid bet lied aanhieven; Een vaste burg is onze God. »Ik kan,quot; sprak hij, sden indruk niet beschrijven, als men eene gemeente van heidenen geknield ziet. Ofschoon ik hunne spraak niet verstond, zoo heb ik toch een rijken zegen in hunne kerken en scholen ontvangen; ik heb het op hunne gezichten gelezen en aan hunne tranen gezien, dat de Geest des Heeren onder hen is.quot;
Ik zou kunnen voortgaan op die wijze en nog veel
75
kunnen verbalen van den zegen door dit lied gesticht. Maar ik behoef de waardeering van, de liefde voor het Lutherlied niet te winnen bij allen die het kennen.
Is het niet, alsof een Psalmtoon ons er uit tegenruischt ? En geen wonder. Dat lied is aan Psalm 46 ontleend, het is er als \'t ware eene omschrijving van, en het vereenigt Oud- en Nieuw-Testamentische gedachten op de schoonste wijze.
Wat is de hoofdinhoud van dit lied ? Mij dunkt, die hoofdinhoud laat zich in deze woorden samenvatten : D e zekerheid van het Kijk Gods te midden deist o r m c n, die de wereld beroeren, en der a a 11-vallen, waaraan het K ij k Gr o d s zelf bloot staat.
•Ta, het Eijk Gods is veilig onder Gods bescherming, welke bewegingen en omwentelingen hier beneden ook plaats grijpen, die het schoonste in de wereld verwoesten, welke vijanden ook met opgestoken vaan aanrukken; en daarom vreest de geloovige niet en grijpt hij telkens moed bij zijnen arbeid voor het koninkrijk Gods.
Lnther te Coburg rekende niet op de Vorsten en Machtigen der aarde, die vrienden der Hervorming waren, ook niet op eenig ingediend protest. Hij rekende alleen op «God, als de vaste burg, de toevlucht voor de zijnen, op den Sterken Held, dien God ons verkoren heeft. Die de zijnen ter zijde staat.quot;
Van het oogenblik af, dat zij die voor het koninkrijk Gods arbeiden, het zij dan op het gebied der zoogenaamde uit- of op dat der zoogenaamde inwendige zending, dat vergeten, van dat oogenblik af verliezen zij hunne kracht.
Het gaat op dat gebied niet altijd naar wensch. Ei-komen dagen, er grijpen gebeurtenissen plaats, die ons niet behagen. Aan teleurstelling, strijd, tegenstand ont-
breekt het niet. Wat dan ? Wij zullen moedeloos neerzinken en Let werk hopeloos staken, wanneer wij op aard-sehe macht rekenen. .Maar geen nood, als wij uitsluitend rekenen op God. Wij weten toch, dat Hij zijn tijd kent en dat zijn woord niet Men zal. Die overtuiging doet alle teleurstelling gelaten dragen, alle hinderpalen te boven komen. Het geloof overwint de wereld
Vrienden en vriendinnen der zending, op welk deel van haar uitgebreid gebied gij u ook beweegt, gaat getroost voort met uw werk, moge het zijn met iets. Ja veel van Luther\'s geloofsmoed in de ziel, en dan ook met zijn geloofstaal op de lippen: Een vaste burg is onze 6 o d 1
B. J. Adriani.
IN LICHT G E H U L D.
Wanneer voor de uchtendzon de grauwe neev\'len wijken, Spreidt gindsche heuv\'lenrij een wondren glans ten toon. Als lachte zij van vreugd; dan fluistren wij : shoe schoon Zijn boom en struik en hei, waar ze in dien lichtglans prijken.
Maar als de zon in \'t west ons nader schijnt dan ooit. Heur gouden stralen dooft en schooner nog gaat gloeien, Dan kan geen aardsch tafreel onze aandacht langer boeien: Wij zien alleen de bron, die \'t al in purper tooit.
0 Zonne der Gerechtigheid!
Die hemelluister om U spreidt,
Wil Gij de neev\'len op doen klaren,
Waarop v.ij. zonder U, zoo troostloos blijveii staien Kom Gij ons allen zoo nabij.
Heer Jezus Christus! dat ook wij Verzinken in het niet, waar wij de kracht ervaren
Van uwe liefdeheerschappij.
Dan zal voor aller oog zich heerlijk openbaren
Niet onze glans, maar \'tlicht, dat van uw aanschijn straalt; Dan wordt voor al dat heil den Vader dank betaald.
PlllLAUELPHUS.
Xaar „Hidden in LighV van. Frances Ridley Havergai..
PROEVEN VAN ARMENISCHE VOLKSPOEZIE.
In \'t gezicbt van Venetië, tusschen de Lagunen, ver-beft zich op bet eiland »San Lazzaroquot; het klooster der Armenische Mechitaristen. De geestelijke broeders, deftige en zeer beschaafde mannen, die hun naam voeren naar Jfechitbar — d. i. Trooster een vroom priester en hymnendichter, in 1749 overleden, behartigen de belangen der Zending in Armenië, beoefenen ijverig de letterkunde van hun vaderland, en munten uit in het kweeken van boomen en tuingewassen, wier weeldei\'ige pracht te middelen der wateren een heerlijk gezicht oplevert. De reizigers, die deze Oase der treurijre lairunen
O O O
bezoeken, worden met voorkomende vriendelijkheid ontvangen, onverschillig tot welken landaard en geloofsbelijdenis zij behooren. In het schoone Venetië echter is zooveel te zien en de tijd valt er den reizigers zoo kort, dat slechts weinigen er toe komen naar San Lazzaro te gaan. Die den tocht doen, hebben er veel voldoening van, en vleiend is voor hen zeker het denkbeeld, dat Hyron en koning Lodewijk I van Beieren, ook een be-gaafd dichter, het niet versmaadden met de broeders kennis te gaan maken.
De bibliotheek van het klooster is rijk aan boeken en
7!)
handschriften in de annenische taal. Verbeterde uitgaven te bezorgen van oude klassieke geschriften houdt de ilrukkerij aan den gang, waarover de broeders in hun gesticht beschikken, en in 1867 leverde deze pers een bundel volkszangen, zeer net hoewel eenvoudig uitgevoerd. Xiet zeer vele geleerden zouden in West-Europa van den inhoud dezer zangen hebben kunnen kennis nemen, en misschien slechts een enkele in ons land, indien de uitgevers den bundel niet hadden voorzien van eene tegenover den tekst staande engelsche vertaling, over wier nauwkeurigheid de ongeleerde geen uitspraak vermag te doen, doch wier dichtvormen en kunstelooze stijl stellig eene aanwijzing bevatten dat de vertaler, zonder zich aan iets uitwendigs, als maat en rijm, te binden, den zin nauwkeurig beeft willen teruggeven. Het kenmerkend nationale van den inhoud spreekt dan ook luide genoeg: hier is iets dat naar het verre Azië heen wijst; eene Oostersche weelderigheid en oorspronkelijkheid in beeld en gedachte-wending; /.ooals aan eene nog zeer eenvoudige beschaving eigen is; en een leven in en met de natuur als voor ons sinds eeuwen niet meer mogelijk is. Doch hier is ook nog iets anders: gevoel en ideeën van christelijke herkomst, eene godsdienstige zienswijze en opvatting, die rechtstreeks uit den Uijbel of langs een omweg uit de christelijke overlevering moet zijn voortgevloeid. Het is om dezen toon van de bedoelde liederen, dat ik hiei \'t een en ander daaruit wil mededeelen. Daar evenwel al wat werkelijk uit den boezem van een volk voortkomt, in nauwe betrekking staat met de gesteldheid van zijn land en met zijne geschiedenis, acht ik het niet overbodig over Armenië en zijne lotgevallen eene kleine uitweiding te doen voorafgaan.
80
Armenië is als het ware een aziatisch Zwitserland; namelijk ee grootsch bergland, niet hooge vlakten, diepe dalen, bergtoppen — waaronder de in het quot;Unzaïsch geschiedverhaal voorkomende Ararat — die de hoogste spitsen der Alpen minstens evenaren, bronnen en bergstroo-men. die aan ontzaglijke rivieren het aanzijn geven. De Euphraat, de Tiger en de Araxes zijn telgen van het armenisehe gebergte. Hoogstwaarschijnljjk moet ergens in deze valleien het land Eden worden gezocht, en van hier werd de wereld opnieuw bevolkt na den Zondvloed. In den Bijbel komt Armenië onder verschillende bena-mingen voor. als Ararat, Thogarma, Aschkenas en Mini al naar dat eenig deel van het land door den schrijver voor het geheel wordt genomen, zooals wij soms spreken van Castilië als wij Spanje, van Brabant als wij België bedoelen. In zulk een land is het klimaat zeer verschillend. naar de ligging eener plaats op het gebergte ot\' in het dal; in \'t Noorden, waar de wind van de Zwarte en de Kaspische Zee komt aangevlogen, nog met de koude van Siberië en den Ural aangedaan, of in\'t Zuiden, waar de luchtstroom de liefelijkheid ademt van de schoonste landen der wereld, waar van ouds dan ook de zetel der machtigste rijken was, aan de boorden van Euphraat en Tiger. Een land, dat als het ware de rivieren uitgiet over de wereld, is altijd een gewichtig bezit en daarom licht een twistappel. De bevolking zal veel te lijden hebben van vreemde veroveraars, en dit is het lot der Armeniërs altijd geweest. Zij behoorden beurtelings onder de groote wereldrijken die de Oudheid kende in Mesopotamië. kwamen onder de heerschappij van Perzië, van Alexander den Groote, en toen diens rijk in duigen spatte, van Syrië. De Parthen beheerschten hen en de
Siissanidische Perzen. Voor de liomeinen lag bet land te afgelegen, maar toen Konstantinopel de zetel van het Oostersebe rijk was geworden, betwistten zijne keizers het aan de Kalif\'en van Bagdad. Toen onderging bet vreeselijke verwoestingen. Doeh in de negende een\\\\ onzer jaartelling herstelde bet zich onder de nationale dinastie der Bagratiden, die, door godsdienstijver gekenschetst, een paar eeuwen bleven heersdien. Na hen begonnen de Turken Armenië te belagen, en toen deze in de vijftiende eeuw Konstantinopel hadden veroverd, waren zij in de gelegenheid zich in bet land vast te zetten en den toestand te scheppen, die nu nog voortduurt. Zij deelden het met Perzië, doch Kusland kwam en veroverde Oji beiden een gedeelte, zóó dat er nu een Perzisch, een Turksch en een Kussiseh Armenië bestaat.
Door de vele oorlogen werden de inwoners van bet land gedwongen l)ij menigte uit te wijken, waardoor men ze thans aantreft tot diep in Europa en Azië, ja zelfs in Afrika. De geheele natie telt zeker nog geen drie millioen menschen.
Wat heeft dit volk onder de vreeselijkste lotgevallen belet van onder te gaan, weg te smelten, zich op te lossen onder vreemden? Benevens een taai, volhardend karakter, de vroegtijdige aanneming van het Christendom Uit geloof onderscheidde de Armeniërs van het meeren-deel hunner naburen; en zoo het hen met sommige scheen te verbinden, dan was het verschil van godgeleerde meeningen wederom zoo groot, dat zelfs op den grondslag van het christelijk geloof geene verbroedering of vermaagschapping mogelijk was. Aangaande het gelooi van de Armeniërs willen wij nog dit uit de geschiedenis der christelijke kerk in herinnering brengen :
82
Reeds in de 2o eeuw, dit staat vast. was het Christendom in Armenië ingevoerd. De overlevering noemt Thad-detis, een der zeventig jongeren van Jezus, als de bode die er het eerst het Evangelie bracht. Beroemd is Grego-rius, aan wien de gemeente eeu vasten vorm, eene blijvende inrichting te clanken heeft. Hij leefde in de \'t(\' eeuw, en Mesrob leverde honderd jaren later eene vertaling van den Bijbel in de landtaal, die klassiek is gebleven. In den feilen ehristologisehen strijd over de twee naturen in den persoon van Jezus, die omstreeks twee eeuwen lang de christenheid beroerde, stond de armenische kerk aan de zijde der Monophysieten, daar zij de leer van Nestorius, die de goddelijke en menschelijke natuur in den Zaligmaker zorgvuldig gescheiden hield, met beslistheid veroordeelde. Toen het land onder Perzië was gekomen, scheidde zij zich af van de Oost- Komeinsche kerk. en had diensvolgens een eigen Patriarch, die den titel van Katho-licus voert. Zekere eigenaardige gebruiken bestaan er onder de armenische christenen: de doopelingen worden driemaal besprengd en ondergedompeld. Met den doop is de vorming verbonden. Bij quot;t avondmaal mag alleen onvermengde wijn en gezuurd brood worden gebruikt. Aan het lijk van geestelijken wordt de plechtigheid van het laatste oliesel volbracht. De Heiligen worden vereerd en vasten in acht genomen. Doch het geloof aan een vagevuur bleef uitgesloten. De mis wordt in de Oud-armeni-sche. de preek in de hedendaagsche taal gehouden. De keizer van Eusland, die in zijn rijk een soort van Paus is, heeft ook het recht van den Katholicus te bevestigen, waarschijnlijk omdat deze te Etschmiadzin, nabij Eriwan. op ru-s.-isch grondgebied zijn zetel heeft. Deze plaats wordt in zulk eene hooge achting gehouden, dat ieder geloovige
lt;S3
ten minste eenmaal in zijn leven een bedevaart daarheen moet hebben gedaan.
Men ziet uit dit alles, dat het geloof der Armeniërs niet op een zeer hoog, niet oj) een zuiver evangelisch standpunt staat, maar in nauw verband met eene zucht voor weinig beteekenende uiterlijkhoilcn, tor het Ifoomsche overhelt. De priester evenwel is niet van \'t gehuwde leven uitgesloten, doch sterft zijne vrouw, dan moet hij zijn leven als weduwnaar ten einde brengen. In den loop der tijden zijn vele armenische christenen tot de Pauselijke kerk overgegaan, die het nimmer aan pogingen liet ontbreken dissenters en anderen die buiten haar staan tot zich te trekken. Ook onze Mechitaristen, om tot hen terug te keeren, staan in een zekere betrekking tot haar, hoeveel moeite zij zich ook geven om de kerk van hun vaderland te versterken en te verheffen door \'t bevorderen van geleerdheid onder hare dienaren. Maar eene congregatie van geestelijke strekking heeft zich natuurlijk in Italië, voor de poorten van Venetië, niet eene eeuw lang kunnen staande houden zonder zich tot op zekere hoogte te ver-demoedigen voor de macht der Eoomsche Curie.
Wij zouden nu tot de beschouwing onzer armenische liederen kunnen overgaan, ware het niet dat misschien deze of gene mijner lezers de vraag op de lippen heeft, tot welken stam de taal behoort, waarin zij geschreven zijn. Heeft men hier te doen met eene Semitische taal, verwant aan \'t Hebreemvsch en het Chaldeeuwsch, die. als behoorende tot de zoogenaamde Oostersche talen, aan onze universiteiten wordt onderwezen ? Of met eene Turanische. eene zuster van de Turksche? Xeeul het- Annenisch staat dichter bij onze eigen taal en de europeesche talen in \'t algemeen: het behoort tot den Indo-Germaanschen stam.
waarvan het gebied zich uitstrekt van de monden van den Ganges in Indië tot aan de verste Westerstranden. Met ons zijn de Armeniërs kinderen van Jaohet en onderscheiden zich in gelaatstrekken als in lichaamsbouw weinig van ons. Ernstig en streng, eenigszins gerekt is hun aangezicht, breed van boven en van onderen spits toeloo-pende. Het haar is doorgaans donker, evenals het oog, dat een grooten, zwaarmoedigen blik heeft, maar ook kan schitteren van hartstocht en blinken van verheven blijdschap Doch in onzen liederbundel heeft noch bet blijde, noch het hartstochtelijke den boventoon, maar eer het elegische. En inderdaad, de lotgevallen der Armeniërs zijn er naar geweest om de ziel tot treurigheid te stemmen. Hoe velen hebben, vluchtende voor het zwaard, met achterlating dei-dierbaarste betrekkingen, hun vaderland moeten verlaten, hoevelen werden naar afgelegen landen, als weleer Israël, onder het juk der harde dienstbaarheid weggevoerd!
Luisteren wij naar den klaagzang der inwoners van Chiulfa, wier stad in de XVIl\'\' eeuw door den Shach van Ferzië werd verwoest:
Wee over u, o volk van Armenië,
Verjaagd cn gevangen, schoon zuiver van schuld;
Naar Korassan dringt u do staf van den drijver,
Jüiakt, hongrend en dorstend vervolgt gij uw pad.
Veel leed en veel smart gaf u \'t leven te dragen,
üocli nooit week uw voet van der vaderen grond. Nu moet gij liun graven voor immer verlaten. Uw huizen, uw kerken laat go andren ten buit.
Does bloeiende velden, dees heerlijke steden,
Dees zuivere waat\'ren, van dorpen omzoomd,
Aan wie liet gij ze over, gij, die daar heengaat? Hoe kon het gebeuren, dat gij ze vergeet!
Ik vrees, uw gemoed zal hun beeld niet bewaren! Gedenk zo, ik bezweer u! uw leven lang:
Verhaal, moog het zijn, aan uw kind en uw kleinkind, Dat ge uw erfgrond verliet, door den vijand vertreên.
leder volk beeft in de Katunr, onder dieren en planten, zoo zijne lievelingen: in de engelsclie poëzie spelen het madeliefje (dcHsy) en de leeuwrik {Hlitjlark) een groote rol; de duitsclie bemint meer bet viooltje (veilchen) en den nachtegaal; de franscbe zingt gaarne van de zwaluw en van dé roos; de armeniscbe dichter maakt den ooievaar, den kraan en bet veldhoen tot zijn vertrouwelingen en vereert de lelie. De pelgrim roept tot den kraanvogel :
Kraan! van waar komt gij! ik ben de dienaar van uw stem, Brengt gij geen tijding, geen groet van mijn iand ?
Haast u niet naar uw schaar, gij vliegt snel genoeg! Brengt, enz.
\'k Verliet mijn bezitting, mijn wijngaard, hier dool ik, Hoe vaak verzucht ik, mijn ziel is van mij geweken: Kraan! toef een wijle, uw stem is mijn ziel!
Brengt, enz.
Die u ondervraagt, blijft niet smachten naar antwoord. Uw stom is zoet, als die van \'t wiel der bornput;
Haast strijkt gij neder te Aleppo, te Bagdad.
Brengt, onz.
Ons hart begeerde, wij rezen en gingen.
Wij kennen do ellend der valsche wereld;
Wij derven \'t gezicht onzer dischgenooten.
Brengt, enz.
Langdurig en lastig is \'t zorgenvol leven,
God opent misschien ons do kleine poort:
Gewoml is mijn boezem, mijn adem benauwd.
Des pelgrims brood is bittor, smaakloos zijn dronk.
Sb
Mijn God! ik vertrouw op uw gunst on genade,
Is do heilige dag ook oen werkdag voor mij:
.-Van \'r spit gestoken, verschroeit mij de vlam,
Maar \'k acht geen verbranding, naar u hijgt mijn hart.
Do Herfst is nabij, gij, kraan! rept de vleugels,
Gij hebt ii gevoegd bij do groote schaar.
Gij antwoordde niet, ik zie u verdwenem.
Brengt, onz.
In dit lied van den pelgrim klinkt een weemoed airdie welke ons treft in sommige reizangen van Sophocle.squot; tragediën cn in de Psalmen. Do smart van \'t aardsche leven is aan tijd, noch plaats, noch volk gebonden.
Veel poëzie is ook in het volgende lied:
A.VX \'T VELDHOEN.
Do zon zendt stralen van den bergtop,
O! heerlijk, heerlijk!
Hot veldhoen vliegt uit zijn nest.
Het wordt gegroet door de bloemen.
Hot vloog on kwam van den bergtop,
O! heerlijk, heerlijk,
O! lief, bevallig veldhoen!
Op quot;t dak mijn morgenbrood etend.
Vernam ik de stem van het veldhoen. Het veldhoen nadert piepend,
sierlijk strijkend langs den bergwand,
O! heerlijk, enz.
Zijn nest is ingelegd met bloemen.
Met waterlelie, narcis, en basilicum.
De randen vonklen van den dauw,
In frisschen geur hebt gij behagen.
O! heerlijk, enz.
87
/ucliter dan zijde zijn uw veêren,
Uw hals ig rank, uw snavel fijn,
De kleur uwer vleugion gemengd.
Zachtzinniger zijt gjj dau de duif.
O! heerlijk, enz.
Al s \'t sierlijk veldhoen nederdaalt.
Met teeder stemgeluid.
Dan verheugt zich de wereld.
En denkt aan \'t schriklijke niet meer,
O! heerlijk, enz.
De vooglen zeognen u allen,
Zij verzeilen u gaarne in uw vlucht,
En tjilpen om u heen;
Niet een, in waarheid, is u gelijk.
ü! heerlijk, onz.
Kan men zich onschuldig natuurgenot naïver uitgedrukt denken? En het volgende lied aan den ooievaar, ook bij ons een geliefde vogel, is zeker niet minder:
Welkom, ooievaar!
(jij, ooievaar, zijt welkom;
Gij zijt ons het teeken dor Lente,
Gij heht ons hart verblijd.
Daal neder, o ooievaar !
Daal, ooievaar, neder op ons dak,
Bouw uw nest op onze\' esschohoom.
Gij, onze lieveling!
Ooievaar! ik klaag tot u.
Ja, ooievaar, ik klaag tot u.
Vertellen wil ik u ouzo droefnisson.
Do duizend droefnisson van mijn hart.
88
Ooievaar, toen gij heen gingt,
Toen gij heen gingt van onzen boom.
Bliezen winden verstijvend,
Zjj deden \'t gebloemte verwelken.
De glansrijke homol werd duister.
Omwolkt werd zijn glansrijk gewelf;
Van boven wierp men met sneeuwvlokken, gt;
De winter kwam, do bloemenverdelger.
Van de rotsen van Varak af.
Van de steile rotsen van Varak,
Viel, alles begravend, de sneeuw.
De koude heerschte in de velden.
Ooievaar, onze kleine gaarde.
Onze kleine gaarde was bezet met sneeuw.
Onze groene rozeboomen
Verwelkten in de sneeuw en de koude.
Men moet zich, dunkt mij. voorstellen dat dit het lied is van een kind. Zoo beminnelijk als het kind is in ons oog om zijne onschuld, zoo bekoorlijk is het om zijne vreemdheid aan de eigenlijke moeiten des levens, fteene andere droefnis te kennen dan dat met den winter de bloemen verdorren!
Het volgende morgenliedje leert de armenische moeder aan haar kind:
Het licht verschjjnt* hot licht verschijnt!
Het licht is goed:
De musch zit in den boom.
De hen zit op den balk.
De slaap van den luiaard duurt een jaar.
Werkman, sta op en begin uw werk!
89
Do poorten des hemels staan open,
Do troon van goud werd opgericht.
Christus was er gezeten:
Do schrijver stond aan zijn zij.
Hij nam de gouden stift ter hand,
En schreef groot en klein.
De zondaren weenden,
Do rechtvaardigen juichten.
Ook bier is het: uit den mond der kinderkens zal a eere toevloeien. Christus, gezeten tot het laatste oordeel over de wereld, voor het kind te verbinden met den dag die in goud en purper over het aardrijk opgaat en alles openbaar maakt wat zich in het duister verborg, voorwaar 1 het denkbeeld is even natuurlijk als poëtisch. Laat ons deze les der armenische moeder ter harte nemen: ieder dag die voor ons rijst, tot zelfbewustheid ons wekkende, is een voorbode van \'t Ilemelsche Gericht.
De moeder verliest haar kind. In hartstochtelijke klachten stort zij hare smart uit, maar zij besluit met een nochtans, waar vertroosting in ligt:
Mjjn zon word verduisterd.
Het licht mijner oogen omfloersd;
De dag werd mij donkere nacht En \'t licht van do sterren verdween.
Do Lento ging over in den ruwsten winter. Do zomer verzonk in do sneeuw.
De getijden werden veranderd.
Een verstijvende wind greep mij aan.
Itot zoete word bitter,
Mjjn spijze werd assche in mijn mond.
Mijn vleesch slonk weg aan mijn beeud\'ren.
Mijn tong kleeft aan mijn verhemelte.
OU
Toen mijn bloeiende jongen stierf.
Stokte mijn adem, myn lippen klemden saam:
Toen mijn aanvallig kind stierf,
Boog mijn leven neer tot den grond.
Toen mijn vogel, mijn ooilam stierf.
Bezweek mijn hoofd en verging.
Toen mijn kleine liev\'ling ontvloog,
Verstomde mijn kreet, ik hoorde niet meer.
Toen die welige plant verwelkte,
Wankte mijn voet, verviel mijn arm,
Mijn lichaam werd levenloos stof,
Naar de aarde gericht met mijn kind.
Nochtans, o! ik dank u, mijn God!
Die hem opnaamt onder uwe eng\'len.
Mijn God! ontvang de ziel van mijn kleine.
Schenk hem de rust in uw heerlijken hemel!
Ik kan het lied van den Bisschop niet stilzwijgend voorbijgaan, die een wijngaard liad aangelegd, zijn hart daarop had gesteld, en hare vruchten verlangde te genieten. doch onvoldaan moest sterven. Het is eene inklee-ding, meen ik, van Lukas 12, vs. \'16—21. Wij hebben hier toch den man, die alles bezat wat hij wenschte, maar er opeens aan ontrukt werd. De Bisschop verheft zich niet boven een naïf behagen in zijn goed, schoon eene stem in zijn hart hem ieder dag waarschuwde, zich niet te zeer er aan te hechten. Hij stelt daar hoofdschuddend zijn non possum us tegenover. Het stuk is gerekt; vele strophen gelijken op elkander; er is overdadig gebruik gemaakt van herhaling; dat is echt Oostersch, doch minder naar onzen smaak. Zeer bekort — ook door weg-
94
lating van hot steeds wederkeerend refrein »Men /.egt, kom uit van uw wijngaardquot; — lieeft men het volgende:
Ieder morgen bij liet dagen,
Zegt Gabriel tot mijn ziel:
Sta op. ga uit van uw wijngaard,
Uw nieuw gebouwden bot.
Ik haalde steeuen uit de valleien.
Dorenstruiken van bet gebergt.
Ik bouwde een wal er om benen.
Ik plantte jonge scheuten.
Ik bevochtte de wortels zoo teer.
Ik genoot nog niets van de vruchten.
Ik bouwde een stevigon persbak.
Het wijnvat begroef ik in de aard.
Ik smaakte nog niets van bot zoete.
Ik vergaderde koele wateren,
Verfrisschende spranken dor vallei,
Ik dronk nog niets uit mijn vlieten.
Ik bouwde in mijn wijngaard een bekken, Een bekken voor \'s hemels dauw.
Gebloemte en groen er om benen.
Ik kweekte vruchtdragende boomen
Amandel, noot en granaat,
Mijn mond bleef vreemd aan hun vruchten.
Breng mij vruchten en wijn van mijn wijngaard. Rozen, veelkleurig gebloerat.
Dat mijn adem geuren moog drinken.
Mijn wijngaard verlaat ik niet.
92
Veil! Gabriel kwam rot mijn ziele.
Mijn tong was gebonden van vrees,
Het licht mijner oogen word donker,
Aeh ! kort was de loop van mijn zon!
Mijn ziel werd geperst uit het lichaam,
Het ging uit mijn wijngaard naar \'t graf.
Zijn schoon en zijn kracht was geweken.
Men zeide: ga uit van uw hof.
Ik werd uit mijn wijngaard gedragen,
De nachtegaal zingt nog haar lied.
De dauw zijgt nog neêr uit de wolken,
Des morgens bij \'t rijzen der zon.
En nu volge de laatste proeve uit dezen bundel! Het is eene poging om de gewaarwordingen te schilderen van onze eerste voorouders na hun val. Zulk een poging is stout en daarom zelden beproefd dan doorgroote geesten, van welke ik volstaan kan niet Vondel en Milton te noemen.
Het zoude een onderwerp van belangwekkende psychologische overwegingen kunnen zijn deze twee geniën op dit punt met elkander te vergelijken. Bij den eerste vindt men deze stofte in het vierde bedrijf van »Adam in Ballingschapquot; . bij den ander in het negende boek van zijn 3Paradise lost.quot;\' Vooral in het materiëele der zaak moeten overeenkomsten tusschen beide bestaan. Men beweert dat Milton Vondels »Adamquot; evenals diens »Luciferquot; heeft gekend, wat geengt;zins onwaarschijnlijk is. Doch hij heeft zijn voorbeeld niet nagebootst, maar verre overtroffen. Dit buiten allen twijfel te stellen zoude de uitkomst wezen van zulk eene vergelijking, die hier niet kan worden ondernomen, daar wij slechts even in \'t voorbijgaan deze twee groote namen noemden.
De poëzie i- met betrekking tot Adam veel minder
93
gebonden door \'t geschiedverhaal in Genesis dan met betrekking tot Eva. Deze toch werd verleid door de list der slang, wier woorden volkomen liet doel bereikten waarmede zij werden gesproken. Doch van Adam wordt alleen gezegd (Gen. 3 vs. (i) dat hij van de verboden vrucht at, die Eva hem reikte. Men mag evenwel, hoe men het verhaal ook opvatte, niet aannemen dat Adam bloot lijdelijk bleef, dat hij handelde zonder vrijheid van wil. Men behoeft zich ook niet voor te stellen dat de daad van den man onmiddellijk op die der vrouw volgde. Onze twee dichters stellen tusschen do eene en de andere een tijdsverloop, voldoende om Adams zelfstandigheid mogelijk te maken. Hij liet zich niet medeslepen, maar nam eenc beslissing na voorafgaande overweging in zijn gemoed. Door liefde gedrongen, heeft hij zijn lot niet willen scheiden van dat zijner vrouw. Vondel laat hem zeggen:
Ku geef den appel hier, zoo deolon wij oen lot.
En Milton :
I with thee have fix\'d my lot,
Certain to undergo like doom; if death Consort with thee, death is to me as life.
verder, als het tot de daad komt, zegt de dichter van Adam:
he scrupled not to eat.
Against his better knowledge: not deceived.
But fondly overcome with female charm.
Dit is even duidelijk als schoon. Bij Milton verdient Eva de teedere verkleefdheid van Adam aan haar veel meer dan bij Vondel, die haar diens tegenstand laat
overwinnen door middelen van een bedenkelijk soort. Zij is te veel voor haren man, wat de slang voor haar was, eene listige verleidster. Adams teederheid neemt zijn schuld niet weg. Eva had hij niet boven God mogen stellen, wien hij door zijne ongehoorzaamheid verliet.
Doch keeren wij terug tot ons armenisch lied, welks dichter omtrent Adams motieven eenstemmig is met Vondel en Milton. Hij geeft ons :
A DAMS K L A C H T.
Oezeten aan de poort van \'t Paradijs,
Sprak Adam, droevig weenend:
O. englen, heilige englen, gij 1 Die \'t Paradijs betreedt!
Ik was een koning, rijk eu groot van macht,
Ik was in Eden koning;
Om één verbod, \'t verbod der vrucht Van dien onschendbren boom,
Om Eva, ach\' mijn dierbare echtvriendin.
Door slangenlist bedrogen.
Ontnam men mij mijn schoon sieraad,
Verviel ik van mijn rijk.
Deze enkle maal dat \'k ongehoorzaam was,
Volgde ik mijn eigen vrouwe.
Want toen ik haar rampzalig zag,
Als Satan zonder glans.
Greep weedom mij om baar verval in \'t hart;
Ik at, om saam te boeten:
Ik dacht; misschien, als God nu komt,
Kn naakt ons beiden ziet,
95
Ontfermt hij zich met vaderlijk gevoel,
Door onzen ramp verteoderd.
k Vernam don voetstap van den Heer. Hij kwam, ik stond ontzet.
Ik gordde met het vijgeblad mijn leen,
In dicht gewas verscholen.
Hij riep: waar zijt gij, Adam, spreek! Ik antwoordde: ik ben naakt,
O, Heere! ik heb uw groote stem gehoord. Ik vrees, ik ben verslagen.
quot;Wie heeft uw naaktheid u doen zien,
AVie heeft uw zin verstrikt?
Toen antwoordde Eva: Heer! de taal der slang
Verleidde mij tot eten.
Toen vloekte God de slang en haar.
Met beiden werd ik slaaf.
De Heer beval: gaat heen; gij zijt uit stof,
Gij zult tot stof weer koeren!
Ik bid u, heilige eng\'len, ach !
Neigt de ooren naar mijn klacht:
Wanneer gij Edens poorte binnen gaat,
Neemt van \'t onwelkbaar lover.
Legt heelend op nijjn oog bot blad,
Herstelt mijn duistren blik.
Wanneer gij Edens poorte binnen gaat.
Laat haar een oogwenk open.
Laat even in de poort mij staan,
Eén blik, dan voert mij weg.
Ach! ik gedenk aan u, o bloemen schoon.
En bronnen friscb van adem;
Ach! ik gedenk u, vooglen, ook,
TJw kweelend stemgeluid.
9ö
Gij allen, die het Paradijs geniet,
Koomt liier, beweent uw koning, Gij uitverkoornen van geslacht In Kdens hof vergaard.
Gelijk de Spaansche l\\omance den laatsten koning van Granada, Boabdil, eer hij in ballingschap toog, van \'t gebergte een laatsten blik laat slaan op het koninkrijk dat hij verloor, zoo het armenische lied onzen stamvader op de heerlijkheden van Eden, die hij zich onwaardig had gemaakt. Het is eene schoone, echt menschelijke voorstelling. Dat het blad van den boom der kennis eene herstellende kracht zoude hebben, is zeker eene zonderlinge vinding, maar wat heeft de verbeelding der volken, niet het minst der christelijke, al niet uitgebroed op het gebied der godsdienstige verdichting! Men denke maar alleen aan de Graalromans, die thans met Wagner\'s muziek op het tooneel verschijnen
Adam bevond zijn oog verduisterd; wij weten wat het lied hiermede heeft willen te kennen geven, en weten wie het oog des menschen wederom de kracht kan verleenen dat het geheel zijn wezen verlicht.
Moge het armenische volk, dat in z^jn poëzie nog zoovele weerklanken van christendom te hooren geeft, zich nog eenmaal verheffen uit den druk waaronder het nu zucht, en met zijne onafhankelijkheid het zuiver Evangelie herwinnen, waardoor alleen een volk zijne ware bestemming kan bereiken.
J. Kul. Steinmetz.
Den Haag September 188\'2.
OPWEKKING.
Heeft Christus\' beeld u niet geleerd, Op aard, voor Hem te leven:
Geen wereld van genot kan u Den waren vrede geven.
Geeft Christus\' kruis u niet de kracht, Der zonde hier te sterven,
Gij zult dan nimmermeer de kroon Van \'t eeuwig leven erven.
»Waar\' Christus dan ook duizendmaal Te Bethlehem geboren,
En niet, tot eer van God, in u, Zoo zijt gij toch verloren.quot;
Maar heil u! zoo ge u dienaar weet Van Gods gezalfden Koning.
Die, als uw Heiland en uw Heer, Uw hart heelt tot zijn woning.
98
Dan vleit de vorst der duisternis
Vergeefs u tot zijn bronnen; Met Christus zyt gij opgestaan,
liet Hem hebt ge overwonnen.
Dan wordt, wat goeds uw deel ook zij,
Of wat gij hier moet derven. Het kruis getorst, de kroon gewacht. En gij zult zalig sterven.
W. H. Kirberger.
K E P L E li.
Het wordt wel eens gezegd dat de wetenschap hare zonen niet voedt. Dat ondervond ook de groote sterre-kundige Johann Kepler, die ^00 jaren geleden leefde. Men schaamt zicli bijna over het genot van de geriefelijkheden des levens, als men verneemt dat zulk een man soms honger heeft geleden en hem vaak het noodige ontbrak, om in de eenvoudigste dagelijksche behoeften van zijn gezin te voorzien. — Maar ter anderer zijde, wat mag hij, die, om eene of andere heilige overtuiging scheef beoordeeld wordt, die om des gelooft of des gewetens wil, allerlei beschuldiging van ontrouw en ongeloof moet verdragen, zich in goed gezelschap gevoelen, als hij met innige sympathie de levensbeschrijving van zoodanige edelen van ons geslacht leest en overpeinst!
Johann Kepler werd in 1571 te Weil in Wur-temberg, waar zijn grootvader burgemeester is geweest, uit een adellijk doch onbemiddeld geslacht geboren. Daar zijne ouders tot behoeftige omstandigheden waren vervallen, waaraan zijn lichtzinnige vader wel eenige schuld had, moest hij in zijne jeugd meermalen de school verzuimen om vrij zwaren veldarbeid te verrichten, of op
100
andere wijze ten dienste van het gezin ■werkzaam te zijn. Eindelijk om zijne lichamelijke zwakte tot de studie der theologie bestemd, bezocht hij de kloosterschool te Adel-berg en Maulbron en kwam hij in 1589 aan de hooge school te Tubingen, waar hij, als kweekeling aan die beroemde theologische inrichting, zich met grooten ijver en met een schitterende uitkomst, aan de philosophische en klassieke studiën wijdde.
Hij hechtte zich aldaar bijzonder aan den vromen Miist-lin. leeraar in de wiskunde en sterrekunde, die hem levenslang een vaderlijk vriend is gebleven. In zijne privaatlessen maakte deze hem, evenals andere leergierige jongelingen, met de leer van Kopemikus bekend. Maar om de aan die leer vijandige orthodoxie, die aan de hooge-school heerschte, en die de waarheid van de beweging der aarde om de zon, als ketterij tegen de Heilige Schrift verwierp, moest hij in zijne openlijke voorlezingen, het tegenovergestelde oude Ptolomaïsche systeem, dat van de tweede eeuw onzer jaartelling dagteekent, voordragen. — Onder zijne leiding zette Kepler ook in de volgende, hoofdzakelijk aan theologische studie gewijdde jaren, zijne wiskunstige en sterrekundige studiën voort. Terwijl hij zich als theoloog den hoogsten lof verwierf, maakte hij zich door schriftelijke opstellen en door discussiën met zijne medestudenten, als ijverig voorstander der Kopemi-kaansc-he leer bekend.
Daar ontving hij plotseling en onverwacht, nog vóór den afloop van zijn studietijd, de benoeming tot leeraar in de wiskunde en zedekunde aan het evangelisch gymnasium te Graetz in Stiermarken. — Hij aanvaarde deze roeping op raad zijner leermeesters, die hem wegens zijne Kopernikaansche inzichten, liever in dezen loopbaan dan
101
in den dienst der kerk zagen optreden. Hij deed dit echter, naar zijn eigen getuigenis, zonder bovenmatig tot dat leer-aarsambt geneigd te zijn, en zonder bepaalde geestdrift voor de sterrekunde. Wel was bij zicb eenigen aanleg en geschiktheid daartoe bewust, maar nog met weinig kennis daarvan toegerust, en als het ware slechts door den raad zijner leeraren er toe gebracht. Doch weldra erkende hij daarin Gods beschikking. Een verborgen leiding, zeide hij, drijft den een tot dit, den ander tot dat beroep, opdat zij overtuigd worden, dat zij onder het bestuur der Goddelijke Voorzienigheid staan. — In hetzelfde jaar 1595, waarin bij zóó onbemiddeld was, dat hij met geleend geld naar Graetz was gegaan, schreef hij aan zijn vriend Miistlin : »Ik wilde theoloog zijn; langen tijd droeg ik de gedachte daaraan bij mij om, doch ziedaar! God wordt door mijn arbeid in de sterrekunde ook verheerlijkt.quot;
Met zoodanigen vromen zin verdiepte hij zich in zijne navorschingen. — Eeeds vroeg trokken zijne geschriften de aandacht der geleerden tot zich. In 1600 vestigde hij zich bij zijn vriend Tychobrahé in Boheme, ten einde gezamenlijk sterrekundige onderzoekingen te doen, en weldra schonk Rodolphe hem den titel van mathematicus des keizers, met een daaraan verbonden traktement.
In 1618, na 22 jaren van aanhoudende onderzoekingen en studie, mocht hij onwedersprekelijk, de door Kopernikus aan het licht gebrachte waarheid van de beweging der aarde en der overige planeten om de zon, bewijzen. Hem komt de eer toe van de ontdekking der wetten, waarop de nieuwere sterrekunde berust en die nog naar hem worden genoemd. Zeer ten onrechte zegt echter Bouillet van hem \'),
\') In zijn Dictionnairc d\'histoire et de géographie.
\'102
«dat het te betreuren is, dat hij met zijne gewichtige \'ontdekkingen mystieke denkbeelden vermengde en eene menigte onhoudbare hypothesen.quot; Zijne vroomheid toch stond niet nevens zijne wetenschap, maar was de ziel zijner onderzoekingen. Trottend is het dankgebed, waarin hij God looft, die hem vergund beeft iets van de heerlijke werken Zijner handen na te speuren. Zijne gedachten in de wetten der natuur na te denken. 3Iet verrukking beschouwt hij het als zijne levenstaak deze heerlijkheid der werken Gods den menschen to verkondigen. »Wij sterrekundigen. zogt bij, zijn priesters des Allerhoogsten Gods voor bet boek der natuur. Daarom voegt het ons niet onzen eigen geest te prijzen, doch zuiver en alleen de eer des Scheppers to beoogen.quot;
Terecht schrijft Pipe r in zijne »Zeugen der Wahr-heit1\', dat de naam van Johann Kepler onder de goestos-helden van alle tijden licht als een ster van do eerste grootte, nevens die van zijn grooton voorganger Kopernikus, die ongeveer eene eeuw vóór hem is geboren. Dat het hom is mogen gelukken de waarheid van diens stelsel te be-w ij z e n, beschouwde hij steeds als een bepaalde gebeds-verbooring. daar bij zeide God vurig te hebben gesmeekt, zijne bemoeiingen te doen wèlgelukken, indien Kopernikus de waarheid had verkondigd.
Het was in den zomer van 1595, dat hij, na langdurige vergeefsche inspanning, plotseling, door een onbeduidend toeval, de grondlijnen vond voor zijn eerste groote werk: »De geheimenissen van don wereldbouw of Prodro-rausquot;, waarin bij de wonderbare verhouding der bemel-sche banen en de ware oorzaak van hun aantal en van hunne periodieke bewegingen zocht te verklaren. In die schijnbare toevalligheid zag bij met innige blijdschap eene
103
beschikking Gods. Daarom stort hij aan het slot (les werks zijn hart uit in het dankgebed: »Groote Kunstenaar dei-wereld ! ik aanschouw bewonderend de werken uwer handen! In het midden de zon, de verspreidster des lichts en des levens, die naar heilige wetten de aarde beteugelt, en in haar loop bestuurt. Ik zie de gedaanteverwisselingen der maan, en de sterren als uitgestrooid op de onmetelijke hemelvlakte. Vader der wereld! wat bewoog U om een arm, zwak, klein aardsch schepsel alzoo te verheffen, zóó hoog, dat het in glans gelijk staat aan een koning, die over een uitgebreid rijk heerscht, ja bijna als een God, want hij denkt uwe gedachten U na?quot;
Men weet dat Kopernikus, volgens den één uit bescheidenheid, volgens den ander uit vrees voor tegenspraak en veroordeeling, zijn stelsel pas tegen het einde van zijn leven, door mondeling onderricht heeft bekend gemaakt, ja het boek, waarin het was uiteengezet en dat hij aan Paus Paul III opdroeg, verscheen pas op zijn sterfdag.
Het is opmerkelijk, dat even als, gelijk bekend is, Newton en Leibnitz, onafhankelijk van elkander, de differentiaal en integraal rekening bijna gelijktijdig uitvonden (hetgeen met meer uitvindingen ook door anderen het geval geweest is) — zoo ook Kepler en G a 1 i 1 e ï, de een in Üuitschland en de ander in Italië, omstreeks denzelfden tijd de wetten ontdekten, waarop de door Kopernikus aan het licht gebrachte waarheid, van de beweging der aarde en der andere planeten om de zon, berusten. — Treffend is de opmerking van Naville1): »Er zijn godloochenaars onder de geleerden, dat is waar, doch ontdekkers vindt men onder deze niet. Tot heden heeft
\') In zjjne Voordrachten over Christus, waarvan onlangs eene Hollandsche vertaling verscheen (bliulz. 62).
I
104
het Gode niet behaagd, dat een der groote geheimen van de schepping aan iemand zonder geloof geopenbaard werd. De grondleggers van onze wetenschappen waren niet geleerd niettegenstaande hun geloof, of eenvoudig geleerd en geloovig, maar hun geloof heeft rechtstreeks invloed uitgeoefend op de richting van hun onderzoek; het heeft hun genie bezield; het is een
van de oorzaken van hunne ontdekkingen geweest____
Er zijn wel is waar dikwijls botsingen ontstaan tusschen theologie, en wetenschap, of liever, tusschen theologen en natuurkundigen, maar tusschen het geloof in God en de wetenschap bestaat de innigste harmonie. — Zoo begreep het ook Galilei, Kepler\'s tijdgenoot en geestverwant, die zich met recht verzette tegen de besluiten van een dwalende theologie, die de gevolgtrekkingen van zijn geloof in een wijzen en almachtigen God veroordeelde. (Ook Galileï zei: de Heilige Geest leert ons in het Woord van God den weg ten hemel, maar het vraagstuk omtrent de beweging der hemellichamen in het Heelal laat Hij over tot een studieveld voor de menschelijke kennis en wetenschap). Nu de stroom van het onderzoek zijn vaste bedding heeft gevonden. volgen tal van geleerden zijn loop, zonder iets van zijn oorsprong te weten. Zij drinken het water van dien stroom, zonder zijn bronnen te kennen.\'\'
Doch keeren wij tot Kepler terug. In den glans van zijn on vergankelij ken roem, toont ons het levensbeeld van dezen genialen man ook steeds de gestalte van een ootmoedig nederig Christen. Van de wieg tot het graf op donkere paden geleid, betoont hij zich ook onder de smartelijkste beproevingen een getrouw getuige der waarheid en een standvastig belijder van het evangelisch geloof.
Schoon naar zijn innigste overtuiging geloovig Luthersch
405
Christen, werd hij als Calvinist verketterd. Ja, de opper-prediker Hizler, pas uit VVurtemberg te Linz gekomen, sloot hem van de deelneming aan het Heilig Avondmaal en de gemeenschap der kerk uit. Dit geschiedde aan een getrouw belijder van den naam des Heeren Jezus Christus, als den Eeniggeboren Zoon van God, een geloovig Lu-thersch Christen, die in zijn in 1 ül 7 voor zijne kinderen, huisgenooten en onderhoorigen opgesteld catechetisch onderricht over het sacrament op de vraag: aWat geschiedt ons in het Avondmaal?quot; tot antwoord geeft: «Christus geeft ons daarin zijn waarachtig voor ons geofierd lichaam tot spijze en zijn eigen voor ons vergoten bloed tot een drank, om ons geloof daardoor te sterken en het door de zonde gewonde geweten te genezen.quot; — Hij bleef vast in zijne overtuiging. »Ik eere, zegt hij, in alle drie de Christelijke geloofsbelijdenissen datgene, wat ik met het W oord van God overeenstemmend vind; — doch ik protesteer even zoo goed tegen nieuwe leeringen als tegen oude ketterijen.quot; — Hij zeide, dat hij, ja, aan alle strijd een einde kon maken, wanneer hij alles onderschreef, en niets uitzonderde, — doch het was hem niet gegeven in geloofszaken te huichelen. Zijn geweten veroorloofde hem niet zich door zijne onderteekening tot verdoemend rechter over zijne Gereformeerde geloofsgenooten op te werpen.quot;
Van onbijbelsche ketterij beschuldigd om zijne overtuiging omtrent de beweging der aarde om de zon, sprak hij klaar en duidelijk, op echt evangelische wijze, zijne stelling met betrekking tot den Bijbel, als het boek der Openbaring van Gods genade, nevens het boek der Openbaring Gods in de natuur, aldus uit; — »De Bijbel, zegt hij, spreekt van de dingen des menschelijken levens met de menschen, zoo als de menscben gewoon zijn daar-
lOG
over te spreken. Hij is geen leerboek der optika of der astronomie; hij wil een hooger doel bereiken. Het is een veroordeelenswaardig misbruik, wanneer men bij de behandeling van vragen over wereldlijke dingen het antwoord in den Bijbel zoekt. Josua wenschte de verlenging van den dag. God verhoorde zijn wensch. Hoe ? dat hebben wij hier niet te onderzoeken.
Hij beklaagt zich, dat men de schoone Godsgave en de edele kunst van \'s Hemels loop en werking na te speuren, door onredelijke bijgeloovige overdrijving in minachting gebracht had. »Doch, roept hij uit, de dag zal weldra komen, waarop de vrome eenvoud zich voor het blinde bijgeloof schamen zal en waarin men de waarheid, zoowel in het boek der natuur als in de Heilige Schrift erkennen, en zich over beide openbaringen verblijden zal.quot;
De sterrekunde is hem de uitoefening van een verheven Priesterschap in den onmetelijken tempel des Heelals. Hij weet zich daarbij in onmiddellijk verkeer met den wijzen Schepper en Meester der wereld, Wiens Goddelijk handelen in de natuur, de sterrekunde als het ware met de handen
tast____ Hij hoort de harmonie der sferen, die wel is
waar, slechts de Oneindige in haar ganschen omvang kan vernemen, maar waarvan echter ook de aarde een voorgevoel hebben kan. — Onder den druk der velerlei beproevingen, die hem zoo menigmaal de woorden deden uitroepen, die hij meermalen in een album schreef: »Ach, wat zorgen de mensehen, en toch hoe, nietig en klein is alles,quot; betuigt hij herhaaldelijk, de verheffing, vertroosting en vekwikking, die zijne ziel in den omgang met den eeuwigen God, door de aanschouwing zijner heerlijkheid in de hemelsche wereld ontving.
In een zwaren tijd roept hij eenmaal uit: ^De sterre-
107
kunde is de edelste bezigheid, daar zij den wijzen Schepper verheerlijkt. Is er iets, dat den mensch in deze neerdrukkende ballingschap kan opheffen, dan is het deze wetenschap!quot;
En de waardige manheeft ballingschap en vervolging en allerlei strijd des levens in zeldzame mate gekend. Herhaaldelijk werd hem zijn hem wettig toekomend traktement, soms jaren lang onthouden, zoodat hem met de zijnen soms het dagelijkseh brood ontbrak. Zijne eerste gade moest hij na een hevig lijden verliezen, en ook verscheidene zijner kinderen stierven jong. Gedurende onderscheidene jaren was het lot zijner hoogbejaarde moeder, die door boosaardige lieden van hekserij werd beschuldigd, hem een bron van naamloozen kommer en zorg. Bijna werd zij veroordeeld om als heks den vuurdood te sterven, toen het den zoon na ongelooflijke moeite gelukken mocht haar onschuld te bewijzen en haar vrijspraak te verkrijgen, waardoor in 1620 een einde gemaakt werd aan dit zesjarig proces. Kepler zag door deze zaak zijn naam als zoon eener heks geschandvlekt, zijn klein vermogen genoegzaam verteerd, en de eer zijner familie, door het nu eenmaal heerschend bijgeloof bevlekt.
En toch ontving hij de kracht om gedurende dien zwaren tijd zijn gewichtigsten arbeid en onderzoekingen voort te zetten of ten einde te brengen. Zoo voltooide hij in 1619 zijn lievelingswerk: »De Harmonie der wereld,quot; waarin hij zijne ontdekkingen in hun samenhang voorstelt, om, gelijk hij het uitdrukte, zijnen God daaruit een tabernakel te bouwen.
Niettegenstaande hij in velerlei verdrukking verkeerde, sloeg hij ook nog in dezen tijd onderscheidene vriendelijke aanzoeken af, toen men hem eene eervolle plaatsing in
108
Engeland en Italië aanbood. Hij kon niet besluiten zijn dierbaar vaderland en Duitsche zeden en gewoonten te verlaten. — Nieuwe beproevingen werden zijn deel, toen in 1625 de vervolging der Protestanten in Oostenrijk ontstond en ook hem de keus tusschen bekeering tot Rome of ballingschap werd voorgesteld. — Andermaal verliet hij Linz als vluchteling zonder vaderland; hij bracht zijne familie naar Eegensburg en vertrok naar UIm om een nieuwe uitgave zijner sterrekundige tabellen tot stand te brengen.
ïen einde raad om het noodige voor vrouw en kinderen te verkrijgen, wendde hij zich nogmaals met zijne dikwijls herhaalde bede om uitbetaling van het hem verschuldigde tot den keizer, die hem naar den hertog van Friedland verwees. Kepler nam daarop de benoeming van AVallenstein aan naar Sagen in Silesië, waar hij van Juli 1G28 tot October 1G30 rustig onderscheidene zijner geschriften voleindigde en uitgaf; — onder anderen de oproeping tot sterrekundigen gericht, waarin hij dezen vermaant, hunne aandacht te schenken aan een door hem tegen \'1631 aangekondigde overgang van Mercurius en Venus voorbij de zon.
Ook Wallenstein stelde hem te leur met betrekking tot het verkrijgen zijner achterstallige bezoldiging, en toen deze op den rijksdag te Eegensburg het onderspit moest delven, zag Kepler zich met zijn gezin aan den bittersten nood prijs gegeven. — Daar wierp hij zich te paard, om, gansch alleen, den verren tocht naar Eegensburg af te leggen en aldaar voor keizer en rijksraad recht te vragen. Onderweg, van uit Leipzig, dankt hij schriftelijk zijn vriend Bernecker in Straatsburg, voor het hem aldaar aangeboden toevluchtsoord, en bidt hem, als het noodig zijn
109
mocht, voor zijn te Tubingen studeerende zoon Ludwig en een zijner dochters als vader te willen optreden. »God behoede u en erbarme zich over de ellende van mijn vaderland. Grijp met sterke hand het eenige anker der kerk, namelijk het gebed tot God; bidt voor de kerk en voor mij.quot; Dit zijn de laatste woorden, die hij geschreven heeft.
Verzwakt door de overspanning der afmattende reis; gekrenkt door de snoode onthouding van het hem wettig verschuldigde, werd hij te Eegensberg door een heete koorts aangetast. Onderscheiden geestelijken kwamen aan zijn ziekbed om hem met de levende wateren der evangelische vertroostingen te verkwikken. In het bijzonder werd hij door den evangeliedienaar Donaver gedurende zijn laatsten strijd, door geestelijke toespraak gesterkt-Op de vraag, op welken grond hij zalig hoopte te sterven, antwoordde hij: »Eéniglijk door de verdiensten van onzen Heer Jezus Christusquot; — en hij betuigde met een vast geloof, dat daarop alléén al zijn toeverzicht, troost en heil gegrond was. — Zoo stierf hij in 59-jarigen ouderdom, als getrouw belijder van zijn Heer, op den 15den November 1630.
In de lijkrede die Donaver over hem hield sprak hij. naar aanleiding der woorden: »Zalig zij, die Gods Woord hooren en datzelve bewaren (Luk. X vs. 18). Hij werd begraven op het kerkhof van St. Pieter aan de buitenzijde der vesting, met welker slechting zijn graf is verdwenen. Doch niet ver van die plek is in 1808 een gedenkteeken ter zijner eere geplaatst, waarop wordt voorgesteld, hoe Kepler\'s Genius den sluier van het aangezicht der Urania afligt.
Wij voegen echter hierbij als het schoonste gedenktee-
110
ken dat hij zich zeiven gesticht heeft, het innige dankgebed, waarmede hij in zijn »harmonie der wereld,quot; de bezielde schildering der heerlijkheid Gods in zijne schepping besluit. »Daar Gij in ons door het licht der natuur, bet verlangen naar het licht uwer genade wekt, om daardoor ons op te voeren tot het licht uwer heerlijkheid, zoo dank ik U, Heer en Schepper! dat Gij mij deze vreugde in uwe schepping, en deze verrukking over de werken uwer handen geschonken hebt. Zie nu heb ik het werk mijner roeping voleindigd, naar de mate dei-krachten, die Gij mij hebt verleend. Ik heb de heerlijkheid uwer werken den menschen verkondigd, voorzoover mijn eindige geest uwe oneindigheid kon bevatten. Is er iets door mij geuit dat uwer onwaardig is of heb ik eigen eere gezocht, zoo vergeef mij dat genadiglijk.quot;
Gunning schrijft hierbij eigenaardig (in zijn »0verleve-ring en quot;Wetenschap, bl. 18quot;) »Waar Kepler\'s redeneering tot aanbidding overgaat, in het heerlijke gebed aan het einde van zijn hoofdwerk, daar neemt de Christen den sterrekundige de pen uit de hand, en niet meer de wetenschap spreekt, maar de godsdienst.quot; — Terecht zei deze Evangeliedienaar daarom in een toespraak tot de jeugd: »L)e groote Johan Kepler is nevens anderen wel een bewijs geweest dat men zeer geleerd en wetenschappelijk ontwikkeld en toch eenvoudig geloovig zijn kan, en dat het onwaar is, wat men zoo dikwijls hoort zeggen, dat het geloof alleen voor onkundigen of eenvoudigen is. In een latijnsch vers, dat ook op het gedenkteeken, voor hem opgericht, is gebeiteld, zegt de nederige, ootmoedige Kepler, dat hij voor zijn sterfbed niet wenscht naar het geloof van Paulus of Johannes, maar dat hij slechts dat
lil
van iJen boetvaardigen merle-kruiseling begeert.quot; —■ Een vriendelijke hand vertolkte het voor ons aldus ;
keplek\'s bede.
„Ik vraag niet naar do reuzenkrachten Die in een Paulus zijn geweest;
Noch om een wereld van gedachten Als van Johannes\' Koningsgeest.
Ik vraag geen macht, gelijk aan enklen Der uitverkoornen wordt beschikt,
Al wat ik vraag is uw genade.
Verlosser, Jezus! die genade,
Die aan het kruis don moord\'naar heeft verkwikt.quot;
En Baco\'s woord, dat ook in bem vervulling beeft gevonden, is Goeie zij dank nog van kracht: »Een weinig wetenschap leidt van God af, de diepere wetenschap leidt tot God terug.quot;
Thyfosa.
VERPLAATST.
Lang hebt g\', o ernstig Englenpaar, De poort van \'t Paradijs bewaakt; En menig, menig bange zucht Is, bij een blik op u, geslaakt.
Gij weerdet van den Levensboom Een menschheid, die het leven dierf, En op deez\' aard\', hoe rijk getooid, Van honger toch verging en stierf.
Maar eindlijk zijt gij afgelost; De groote Sabbatdag brak aan,
Waarop de dood zijn macht verloor En onze Heer is opgestaan.
Bij \'t open graf is thans uw plaats, In lichtgewaad — maar zonder zwaard; Daar wijst gij, wie er treurt en zoekt, Op d\' open groeve en — hemelwaart!
A. W. Bronsveld.
DE DOOR GOD GEPLANTTE PLANT.
Behoud in mi] de levensdrift, \'t verlangen,
Heer! naar uw rijk- en naar gerechtigheid;
Oprecht berouw sproei\' tranen op mijn wangen Tot wasdom, die mijn geest voor U bereidt.
Door alle soort van o nkruid ben \'k omgeven;
0, reinig mij, dat \'k in den hof van \'t leven Tot prijze van uw zorg en liefde sta En, in de kiem verstikt, niet ras verga.
Ik weet, Gij geeft het kiemen, groenen, bloeien.
Gij, Hemeltuinman, die op aarde zaait,
Gij, die met liefde en eindeloos bemoeien
Uw planten hoedt, die Ge U ter eer eens maait, \'k Weet, dat uw trouw de zwakheid wil gedenken Des kleensten halms, dien Gij uw steun zult schenken; \'k Ben dus verheugd en van uw zorg bewust. Dat bij ü kiem, groei, bloem en vrucht berust.
Gij hebt mij uit den schoot der aard\' getogen,
Met dauw gedrenkt, verkwikt met warmte en licht: En heeft een storm in \'t stof mij neêrgebogen.
Gij hebt uit \'t stof mij ook weêr opgericht. Bewondrend, — o, dat ik het steeds vvaardeere! — Voel ik hoe goed Gij \'t met mij voorhebt, Heere! \'k Geef dus geheel mij over aan uw tucht.
Totdat ik rijp ben voor een hem el vrucht.
(Naar Spitta.)
Breukelen- Njenrode. F. F. C. Steinmetz.
8
NAAK DE STA D.
»Het land voedt de stad.quot; En \'t zijn niet alleen koorn en aardappelen, vruchten en groenten, die er beengaan, met noesten arbeid gekweekt en door de opeengehoopte raenschenmassa\'s gretig verslonden. Neen ! \'t is ook van zijne krachtige bevolking, dat rt land telken jare aan de steden afstaat, en dienstbaren niet \'t minst.
Menig huismoeder klaagt, dat zij \'t met de stadsdienstboden niet vinden kan, en vraagt naar Geldersche of Overijsselsche deernen, voor wie het werk nog eene levenstaak is. Onschuldig zijn ze ook wel niet, en volmaakt nog minder, zoo min als eene van Eva\'s dochters; maar toch eenvoudig opgevoed, aan ondergeschiktheid gewoon en door de weelderige stadszeden nog niet bedorven. En de leveranciers doen er hun voordeel mede, en wie achterbleven, zien reeds met verlangen uit naar den tijd, waarop zij volgen kunnen; — de eigenlijke boerenmeiden minder, maar de dochters der kleine burgers van \'t dorp. Want hier is \'t zoo saai, en de huren zoo min !
Mi lar nu de meisjes zelve?
Zie er hier eene, tot haar vertrek gereed. Eenvoudig is hare kleeding, en niet groot de bundel, die al haren schat inhoudt. Even eenvoudig en zedig is haar gelaat.
■ i
fV \' ..■■V : \' - ■■ .■.
• lt;?. \' .•}\'^ r.-1-:
,Mlt;quot; ■ .
■ • y •-
■ \\ ■: VV
f
■■.. ■*gt;: lt;\'•;!gt; ■-(.\' „lt;•?:- , ■ - -
1
rgt; •■ • -
^-v\'.vr^-. ; \' ■\'■ - Ce; . • ,. ,.. _:; w
i .
V\' gt;. ■gt; gt;?■quot; ■ ; lt; • ■ -•.\'., ■ w^jyse K.-. t:!. ■ . - . . - -f Jf •-
S \' $;
\' I .Vv.
||
I 11
tS
I
I
i-
gt;r ... ■ i: lt;T \'!gt;
1
*amp;gt;■ Uiu\' voedt de stad. \' Srt \'i ■ r ■ k|fcf n ko.jm \' f-l\' ^ rir\'V^.! ■ n f:X!.at\' i. ■U\'f-.S!.
I,* ■ • \' • • , -: WrOiU, \' :■ tgt;T
v-i ;. ■ ■ !gt;■ -■:■■■ \' si, Kc quot;! quot;i --h j\' .*an
quot;:i,: 1 -jar® ...m Ut,
. • • \'■m afeaat. au Ik . \' ro,- % -t f t.ii.-t,
Menii; hiiismöédftr klaagt, dat zij met (ié sfoJfe-=■ ak; ■v^v^jn . ■ ea •■raagt- .v;. ; G. !ersebo
, . , .i\' Owtr. ■;■(.;• he -- V-hwn. voor wi , hei wecrfc nog èenc ;v.V. :r ()■\'■ ■ \'k v, \' rdt gt; ca voi:
■-ïïï!\' ■ Ï
; , . . i.i [■; m ti-iig quot;•lt;■ ■ ■■ i. ■••Ti *■ \' -J- 1 %-:* t.i\'-.n
■
ers - ,/.■ : ■
bkv\'V ;■ ■i.: ■■■. ■ \'■ -i: • . :jd.
wasivoi- wi \'«\'-iï\'\'» konsèa. • \'le «igea^ke \'.-..(jn iii\'; sdun
üür. r. : ■{* -ïoeltt.: - \'k-;\' kfeine bi»ger;-- \'i ii.gt;rp.-^ \' - Wnu \'t • ■ : haren ■.!
M TIU jt.5 ZelTB-
. fit hl;. lat ;sw .■■!•! =-;■.!( j^ereed. Ees^^idj.g
!;. ■ • ia., iw\\ gi-Ki\' i.t, : l, \'ü- \' kKT^n wii;,\' i. ., !! nv- ■\'lijf ■ !. ? lig i-lt.
onder den indruk van moeders wijsvinger, \'t Is deze aan te zien, dat harde arbeid hare trekken heeft uitgegroefd, en zon en wind op \'t land de huid gelooid. Toch verbergen die strenge en harde trekken een innig vroom en liefderijk gemoed, door arbeid gehard, maar ook door zorg en gebed verteederd. Al vroeg verloor zij haar man, en heeft voor hare vijf kinderen de hitte des daags en den zwaren arbeid tot in den nacht gedragen, op \'t hooiveld en achter de maaiers, bij \'t diepgebogen vlasplukken en het delven der winteraardappelen. Doch dat was haar geene smart en \'t kostte haar geene tranen, maar wel dat zij hare twee oudste meisjes verliezen moest, en alleen hare Suze overhield.
En nu, nu een paar kloeke zonen moeders arbeid hadden overgenomen, en Suze haar zoo goed in de huishouding tegemoet kwam, nu was dezelfde hartstocht in \'t kind gevaren, die den trekvogel in voor- of najaar zoo onrustig maakt. «iSTaar de stad!quot; was haar eerste en laatste gedachte, haar droom zelfs in den nacht. Ue stad, dat was \'t ware leven; het land een langzame dood. En toen die wensch zich eenmaal bij haar had vastgezet, kon niets haar belang meer inboezemen; zelfs buurmans Arie niet, die op boersche manier de achttienjarige het hof maakte. Eens maar had zij de stad gezien, toen zij nog aan de hand barer moeder er was doorgewandeld; eens maar, doch die éene maal besliste over haar leven.
Toen moeder zag, dat zij niet te houden was, had zij eindelijk toegegeven, maar met een kloppend hart: want zij wist meer van de stad. Ze was dus verdacht op de gevaren, die reeds aan de poort — toen er nog poorten waren, nu aan de barrière — de landmeisjes opwachtten. Gewetenlooze commissionairs en harpijen van oude wijven.
11 ü
die onder den schijn van haar een dienst te bezorgen, de meisjes verkoopen tot de schandelijkste doeleinden. Daartegen had moeder gewaakt. Toon de vrachtrijder zou Suze bij eene verre nicht in de stad brengen, waar niets van dien aard te vreezen was. De opgeheven wijsvinger waarschuwt het onervaren kind, om Toon geen oogenblik te verlaten, eer hij haar in veilige haven heeft gebracht; en als zij daar een dienst vindt, trouw en eerlijk te blijven, en nooit haar braven vader in zijn graf schande aan te doen: want er zijn zooveel booze menschen in de stad, die een meisje op verkeerde wegen zoeken te brengen ; en dat zou haar moeder in \'t graf brengen... .
Goede vrouw! gij waarschuwt uw kind tegen alles en allerlei, maar gij vergeet — haar eigen hart, omdat gij daarvan die verleiding nooit hebt ondervonden.
Suze was immers vroom? Ja zeker, zij zat twee raaien op den zondag in de kerk, en las \'s avonds moeder uit den bijbel voor. En zij liet den bijbel en den dominé alles zeggen, wat zij verplicht was aan te hooren.
Suze was immers braaf? Ja zeker! want het was nimmer, onder den aanhoudenden en eentonigen arbeid, in haar opgekomen, slecht te wezen. Een paar appels uit den boomgaard, en een enkel leugentje bij \'t wegblijven uit de school waren de grootste zonden harer jeugd geweest.
Maar daarom juist gaat de moederlijke waarschuwing tot haar hart niet in. Zij hoort ze aan, als de preek in de kerk. Moeder overdrijft zeker al die gevaren, en zij heeft volstrekt geen plan, om door booze menschen zich te laten verleiden. Meer geld en meer vermaak is haar eenig doel i en is daar kwaad in ? — Zoo iets haar aandoet, het is \'t afscheid. Zelfs de oester, dunkt mij, gevoelt
117
het, wanneer hij van de rots wordt losgerukt, die tot nn toe zijne wereld was. Maar op den vrachtwagen reeds worden die tranen afgedroogd, en in de stad vloeien zij niet meer.
En waar blijven nu de booze menschen, waartegen zij zoo geharnasd werd? Niemand, die haar eenig kwaad doet, of er toe zoekt te verleiden. De menschen zijn hier veel vriendelijker dan buiten. Nicht gaat er zelve op uit, en vindt al spoedig een dienst voor een Geldersch meisje. De huur valt wel niet mede, maar \'t is ook maar een begin !
De mevrouw is trotsch, maar voor hare dienstboden rechtvaardig. Zij wil goed bediend worden, en ze goed behandelen. Ze geeft op haar tijd de meisjes een kerk-beurt en uitgaandag. Wat gebruik zij daarvan maken, moeten zij zelve weten.
Hoe klein de uitrusting van Suze was, een kerkboekje ontbrak er niet aan. Den eersten zondag ging zij in de avondkerk, en daarna bij hare nicht. Haar kameraad glimlachte over hare vroomheid; den knecht hoorde zij spreken over »ons boerinnetjequot;. Booze menschen en verleiders ontmoette zij niet; het zouden ook wel overdreven schrikbeelden zijn van eene al te bezorgde moeder. Kan men niet overal braaf zijn ?
Maar toen zij nu haar eerste huur en tegelijk opslag had gekregen, — ja! zij was eerst wel van plan geweest het geld aan hare moeder te zenden, die er dan wat ondergoed van koopen, en \'t voor haar naaien zou. En dat bleef zij ook van plan tegen een volgende maal, maar nu waren er noodiger uitgaven. Het begon Suze te verdrieten, dat de geheele buurt haar het «boerinnetjequot; noemde, \'s Lands wijs, \'s lands eer. In de stad moet men zich toch anders kleeden als buiten. En toen zij nu hierover haar kameraad raadpleegde, had deze haar spoe-
118
dig aan een kleedje geholpen naav de mode, een fantazie-rautsje op drie haren en nog kleiner hoedje met bloemen: de schortjes op rekening der volgende huur. En \'t is het dorpskind niet kwalijk te nemen, dat op den eersten uitgaandag haar spiegeltje haar zeide, dat zij er allerliefst uitzag; en dat \'t hartje haar klopte, toen slager en bakker, en zelfs de courantenjongen, haar niet anders meer durfden noemen als «juffrouwquot;. Alleen schaamde zij nu, voor quot;t eerst van haar leven, de wat al te grove werkhanden, die de te nauwe handschoenen scheurden, ook al op crediet gekocht.
De adem der stadslucht was over haar heengegaan, en door de longen in \'t ijdele hartje gedaald. Dat hart had \'t hem gedaan; de booze menschen niet!
Maar nu dat hart eens ijdel geworden is, en zelfs het avondgebed zwijgt voor de droomen eener schitterende toekomst, waarmee zij inslaapt, nu wijkt ook moeders wijsvinger hoe langs zoo verder, tot ze ten laatste nog slechts schemert van ver. Die goede moeder! Wanneer Suze nog nu en dan aan haar denkt, dan is \'t alleen om haar te beklagen, dat ze nooit \'t leven genoten heeft als zij zelve, — de goede ziel, die achter alle vreugde de bokspooten van den satan ziet. En zij doet immers niemand kwaad, al komt ze nu en dan eens in \'t danshuis? Jeugd zoekt vreugd! Maar zet ze zich om aan moeder te schrijven, dan komt er niets van dat alles in; en de brieven worden hoe langs zoo onbeduidender, en blijven ten laatste geheel in de pen; te meer omdat moeder zoo weinig terugschrijft. Hare vereelde handen waren er te grof voor. Maar \'t moederhart was niet vereeld. Wat verlangde zij naar den volgenden zomer, als Suze eene geheele weck zou overkomen!
119
Maar Suze kwam niet. Mevrouw vond, dat\' zij te vrij werd en te veel uitliep. Haar werk leed onder al dien opscliik en ten laatste, toen zij, een uur te laat, hoogrood uit liet danshuis kwam, en daarover beknord werd, was ze nog brutaal toe. Natuurlijk werd de dienst haar opgezegd, en Mevrouw nam weer eene andere Geldersche, om die eveneens te verslijten. . . .
Suze is weg. In een anderen dienst ? Ik weet \'t niet. Misschien zal die knappe soldaat \'t weten, die het laatst met haar gedanst heeft.
Of hij het weet! Hij heeft reeds een kamertje gehuurd, om met haar samen te wonen: want een soldaat mag niet trouwen; dus steekt er geen kwaad in. Andere meisjes doen het immers ook? En dan -— en dan, er was nog eene andere reden voor.
En zoo leven zij te zamen. Suze maakt zich allerlei plannen tegen dat Willem van dienst komt; maar intus-schen lijden zij nu armoede, zoodra zij voor éen en weldra voor twee kinderen te zorgen hebben. Van de groote huur heeft Suze niets kunnen overhouden. Daar komt men in de stad op zijn best mee toe! En Willem had ook niets. Maar de liefde en de hoop geven moed. . . . Ik moet onzen krijgsmansstand de eer geven, dat niet dikwijls een soldaat meisje en kind zal verlaten; — dikwijls niet, maar toch nu en dan, waar hoegenaamd geen zedelijk verband bestaat, en \'t juk den man te zwaar wordt. . . .
Er is garnizoensverandering op til. Niet onaangenaam voor vroolijke jongens, vooral als \'t niet al te saai is waar men heengaat; maar een zware zorg voor huisgezinnen, en voor onwettige niet het minst.
120
Ook Suz\'e zit in angst. Haar jongste kind moet zij bijna stervend aan eene buurvrouw overlaten, om voor \'t oudste een stuk brood te gaan verdienen, als werkster. En Willem laat zoo weinig van zich hooren tegenwoordig. Waar zij nooit aan dacht, dat ondervindt zij nu. Hij is roorasch, en zijne familie verwijt hem. dat hij zich arm maakt voor eene geus en haar kind. Als ze nog roomsch werd! Maar hoe weinig eigenlijke godsdienst er in Suze\'s hart woont, daartoe is zij niet te bewegen. Liever doodarm, ja! liever slecht, dan voor altoos vervreemd van den godsdienst harer moeder! Die stemming is gansch zoo zeldzaam niet in ons volk.
Suze werkt met gejaagdheid en onrust. Zij vraagt tegen den middag verlof, om even naar haar kind te gaan zien. De mevrouw kan haar niet missen. Het werk gaat voor, natuurlijk! \'s Avonds vindt zij een lijkje t\'huis, en slaapt doodmoe in, tusschen \'t levende en doode kind. Maar zij weent niet. Ze is niet bedroefd, maar verplet, radeloos! En toch slaapt ze, omdat hare leden moe zijn.
Des morgens staat zij op, neemt \'t levende kind in de armen, en vanzelf brengen hare schreden haar naar de kazerne. Daar vóór staan de manschappen aangetreden, maar nog niet marschvaardig. Ook Willem staat er in \'t gelid. Suze vliegt naar hem toe, en zegt; «Kus uw kind nog eens, Willem!quot; En terwijl hij quot;t werktuigelijk van haar aanneemt, snelt ze weg. Tot spot van zijne makkers, staat daar de soldaat in \'t gelid met een kind in den arm.
Natuurlijk werd de voortvluchtige opgespoord, en kreeg haar kind terug. Dat behoort zoo naar de wet. Maar wat niet zoo behoort naar de wet der christelijke liefde, is, dat niemand de ongelukkige gevallene de hand bood. Die \'t zouden hebben willen doen, kenden haar en kende zij niet.
4\'21
Maar toch trok zich iemand baar aan; eene bejaarde vrouw, die haar in buis nam en troostte. »Een zoo knappe meid moest niet treuren om een jongen! Zij kon gemakkelijk den kost verdienen, ook voor baar kind...Suze bad, na \'t verlies barer onschuld, reeds genoeg de wereld leeren kennen, om de oude slang te verstaan, die vroeger zelve den wellust had gediend, en nu. om \'t voordeel niet alleen, maar met een helsch genot, anderen er toe verleidde En \'t waren geen gemeene buizen, die zy
diende, maar groote beeren, die genoemd mochten worden____
Suze doorzag baar plan, en toch ging zij met de oude ineê, en at en dronk en sliep er. Haar Willem was zij getrouw geweest, en had met hem een schoonen droom gedroomd. Ieder meisje, ook uit den laagsten stand, idealiseert hare liefde, ook onreine liefde; maar nu bij ontrouw werd, wat kwam quot;t er nu op aan?
Het leger was zachter dan baar eigen stroozak, en toch sliep Suze niet. Nadat zij haar kind had in slaap gesust, leefde zij in wakende droomen. En ziet! daar treedt uit den achtergrond van bare herinnering moeders wijsvinger aan quot;t licht, boe langs zoo nader, hoe langs zoo grooter, tot die dreigt haar te verpletteren, tot ze den nagel voelt in baar hart, en sGenade, o God! genade!quot; roept.
En eer de oude, tevreden over \'t plan, dat zij smeedde in den nacht, is opgestaan, is reeds Suze met baar kind gevloden, om van den soberen inboedel van haar armoedig kamertje reisgeld te maken naar \'t Gelderscbe dorp en hare arme moeder.. ..
Mocht \'t ook zijn naar den Ilemelscben Vader terug, om haar kruis in ootmoed te dragen!
\'s Gravenhage. C. E. van Koetsveld.
NAJAAESLIE D.
Ernstig najaar met uw tinten,
Met uw mengeling van kleur.
Met uw boomen, half ontbladerd,
Met uw rijpe — vruchten — geur. Lokt gij m\' om u weêr t\' aanschouwen? U, ras rustende landouwen,
Met een glimlach op \'t gezicht? Die den winterslaap voelt naadren.
En uw laatste kracht gaat gaadren. \'t Vriendlijk oog omhoog gericht. —
O! ik min u sinds die dagen,
Toen ik, nog een jongeling,
\'t Hart vol velerlei gepeinzen,
Door d\' October-wouden ging.
\'k Was nog jong: mijn idealen Gingen als de sterren stralen;
\'t Harte klopte vrij en blij.
\'k Mocht genieten, minnen, hopen.
\'k Zag op aard een Eden open.
Bloeiend als de jonge mei.
Maar als ik de blaadren vallen.
En de bloem verwelken zag.
D\' avond spoedig neer ging zinken Op den neveligen dag.
123
Als geen zang der vogelkoren Mij zijn harmonie deed hooren;
\'t Krijschend raafgekras weêrklonk Door de stille wouden henen,
Moest ik weenen, weenen, weenen, Als een wien de vreugd ontzonk.
\'k Zie u weêr, verdorde blaadren!
Beuken! met uw lichtrood kleed; Eiken! met uw gouden kronen !
Geelgewbrden grastapeet!
\'k Zie de zon vroegtijdig zinken, En de ster van d\' avond blinken
Als een bode van den Dood.
Neen! als Lichtheraut des Heeren, Die den blik van d\' aard gaat keeren, En naar \'t Vaderhuis mij noodt.
Ja, van d\' aard den blik geheven,
Waar het heir des hemels straalt; Waar verheven zangen ruischen,
\'t Serafskoor Gods lof herhaalt. O mijn vrienden en beminden!
Daar zal ik u wedervinden
In een jeugd, vol godlijk schoon. Blinkend van het licht des Heeren, Blakend van het zielsbegeeren God te kennen door Zijn Zoon.
Ouder word ik en mijn krachten
Slinken met mijn levensduur.
Maar mijn hymne blijft U loven. God en Schepper der Natuur!
124
Die de Lente doet verrijzen ,
Wien de Zomer-pracht gaat prijzen,
Wien de Herfst zijn loflied zingt;
Wien de Winter, onder \'t dalen Van uw sneeuw, zijn lofkoralen Uitstort, van uw trouw omringd.
Ja, het is uw trouw, Algoede!
Die de gansche Schepping draagt,
Als een moeder haren lievling,
Die haar al zijn nooden klaagt.
Sterren houdt Gy en planeten;
Zonnen, niet door U vergeten.
Zweven door U langs haar baan D\' aard houdt Gij in stand, Almachte!
Werd zij door éen Godsgedachte....
Door uw gunst blijft zij bestaan.
Dat het stof tot stof vrij keere!
Dat de lentebloem verga Dat het lied der vreugde sterve!....
Eeuwig duurt Gods heilgena.
Van zijn liefdezon omschenen,
Zweven Englen om mij henen,
Als die eens in Efrata \'t Hemelsch loflied deden hooren.
Zingend in onzichtbre koren:
s\'t Leven, uit den dood geboren,
«Sterft niet meer!.. Halleluja!quot;
Y. D. Muller Massis.
roningen, \'10 October 1882.
EEN VIJFTIG-JARIG FEEST.
Eene slechte wet kan soms bij terugwerking een heil-zamen invloed oefenen op het volksleven. Dit is het geval geweest met de bierwet, in 1830 in Engeland afgekondigd. De machtige zedelijke invloed van Lord Brougham had deze wet in het aanzijn geroepen. De edele volksvriend, die door die wet, door hem als steun in den strijd tegen den sterkendrank aanbevolen, den werkenden stand eene weldaad meende te bewijzen, erkende reeds binnen de twee jaar, dat hij gefaald had en dat de nieuwe wet veeleer een vloek dan een zegen te noemen was. Herroepen was door allerlei oorzaak niet meer mogelijk. Het brouwersgild had eene macht ontvangen, waardoor het spoedig den staatkundigen toestand beheerschte. Onder de leus: Bier en de Bijbel, bracht het het Ministerie Gladstone ten val, enkel omdat dit durfde voorstellen de uren van drankverkoop een weinig te besnoeien. Daar men den tapper, wTiens vergunning bij vonnis was ingetrokken, niet kon beletten een bierhuis te openen, werden spoedig de bierhuizen Tran slechter gehalte dan ooit eene kroeg was geweest. Dief en heeler waren daar veilig, moordaanslag en oproer werden daar gesmeed.
126
Eerder nog dan Lord Brougham zagen enkele mannen van den werkenden stand in aan welk eene macht de wet hen had prijs gegeven. Zonder de bierwet van 1830 ware misschien de geheel-onthoudersstrijd niet ontstaan, zeker niet zoo spoedig en met zoo ontzettende geestkracht aangevangen. Wellicht ware ook in Engeland, gelijk in Duitschland, de drankbestrijding na een kort opvlammen, voor goed uitgedoofd, terwijl nu de nieuwe beweging alle oudere in zeer korten tijd overvleugelde en te niet deed gaan.
Aan Preston, eene aanzienlijke fabrieksstad in Noord-Lancashire komt de eere toe van den strijd tegen de nieuwe wet te hebben aangebonden. IJsbreker was Joseph Livesey, toen een onaanzienlijk werkman, nu op bijna 90-jarigen leeftijd een der vermogenden in zijne geboortestad. Lang voor Lord Brougham zag hij in wat stroom van nieuwe ellenden Engelands werklieden en hunne gezinnen dreigde, en het gelukte hem om op den \'1 September 1832 een zestal kloeke mannen te vinden, die met hem de geheel-onthoudersbelofte teekenden.
Dat hij den zwaren strijd niet lichtvaardig had aangevat, bewijst zijn pleit tegen het bier, een stuk met grondige kennis geschreven, dat helder aantoonde, hoe luttel voedingswaarde het bier heeft, en welk een schadelijken invloed dus de brouwerijen reeds op de volksvoeding moesten hebben, terwijl het bedwelmende bier bij overdadig gebruik nog heilloozer invloed dan de sterke dranken oefende.
Dit stuk, als lezing wijd en zijd voorgedragen en om den voortreffelijken inhoud sedert en nog nu bij tienduizendtallen verspreid, had eene machtige uitwerking. Meer echter het optreden der strijders als vereeniging.
Livesey kreeg van Lord Derby eene plaats in huur, welke vroeger voor hanengevechten gediend had en waar drie a vierhonderd personen konden samen komen. Hier werd de beweging met den eigenaardigen naam teetotalisme gedoopt. Toen zekere Richard Turner, een vischkooper, in het vuur zijner geestdrift had uitgeroepen, dat hunne onthouding tee-to-tal zijn moest, sloeg hem Livesey op den schouder en zeide: »Dicky, dat zal de nnam zijn.quot;
Bij het toen nog gebrekkige der vervoermiddelen, namen de leiders wekelijks een dag hun toevlucht tot eene kar, en van een trommel of hoorn voorzien, reden zij naar omliggende plaatsen en riepen er de goedgezinden ten strijd. Vijf malen toog Livesey naar Londen, eer het hem gelukte er een bond te vestigen. Evenzoo rustte hij niet voor hij in Schotland bondgenooten gevonden had.
Was de aanval krachtig, een strijd op leven en dood, de tegenstand ging in heftigheid alles te boven. In de gegoede en godsdienstige kringen werden de nieuwe hervormers met het uitvaagsel der maatschappelijke oproerlingen op één lijn gesteld, wat den bierverkoopers en hun aanhang den moed gaf hen feitelijk als zulk een uitvaagsel te bejegenen. Herhaaldelijk werd Livesey\'s leven bedreigd. Een ander der eerste strijders, John Whittaker, nu sedert jaren burgemeester van Scarborough werd in die stad onder leiding van het hoofd van het bestuur in beeld verbrand; te Whitehaven werd hij ge-steenigd, zoodat hij er nauwelijks levend afkwam; te Burton, waar hij logeerde, omsingelde het grauw den ganschen nacht de woning waar hij toefde, dreigde met moord en plundering, terwijl de politie niet verhinderen kon, dat het rijtuig, waarin hij de stad verliet, met slijk en steenen werd geworpen. Te Kettering kwam de po-
128
litie slechts tusschenbeide, toen hij reeds ten deele in het water was gedompeld^ Te Wellingborough wierp men hem in de kerk op den predikstoel een regen kerkboeken naar bet hoofd en te Stegumber wierp het gemeen de glazen der Baptistenkerk, waarin hij sprak, te pletter. Teare, Gmbb, Anderton en anderen ging het niet beter. Zulke mishandelingen, en op enkele plaatsen het doodslaan van rustige burgers deden den nadenkenden de oogen opengaan. Het volk zag in wie zijn ware vrienden waren, en vrome mannen als John Angel Smith, Thomas Guthrey en anderen keurden niet enkel het volksstreven goed, maar stelden zich aan het hoofd der beweging.
Wat die beweging in Groot-Brittannië en Amerika geworden is, behoef ik niet aan te toonen. Het feest op den 5 September 1. 1, in Londens Chrystal Palace gevierd, getuigt voor zich zelf, en ieder, die het volk liefheeft, zal zich verheugen, dat al kon de grijze Livesey dat feest niet bijwonen, hij toch zulk eene kroning van zijn moedig ondernemen beleven mocht.
Wat mij in het hart gaf in dit jaarboekje op dat feest te wijzen en op te wekken tot kennisneming van dezen vijftigjarigen strijd, is de nauwe betrekking, waarin onmiskenbaar het zegevierend veldwinnen der geheelonthouders staat tot de hervorming in het maatschappelijk leven, welke de Magdalena vertegenwoordigt.
Te Portsmouth stierf voor eenige jaren de zeventienjarige dochter van een godvreezenden loods, en rouwende over zijn geliefd, eenig kind, moest hem de klacht van de lippen, »dat hij misschien God moest danken, die haar nog onschuldig had weggenomen, daar de verdorvenheid der zeeplaats zoo groot was, dat nauwelijks eenig meisje er veilig was.quot; Zoo vreeselijk moge het niet overal zijn.
129
maar waar is de havenstad, waar niet de ontucht bijna onbeperkt den scepter voert.
En nu vragen wij vrijmoedig, welke beperking van dat kwaad evenaarde nog in gunstigen uitslag die van den geheel-onthoudingsstrijd, zooals Miss Weston, Miss Wintz en Miss Eobinson dien voerden.
In Engelands drie voornaamste, machtigste havens hebben deze vrouwen als Zeemansbuizen gebeel-onthouders-logementen van een christelijk karakter opgericht. Deze staan in verband met de 230 christelijke onthouders-vereenigingen, welke Miss Weston op even zoovele van Engelands oorlogschepen stichtte. Deze, die nu meer dan 5000 leden tellen, houden voor een goed deel zeiven hunne logementen in bloeienden staat. In alle havensteden, waar Engelands oorlogschepen ankeren, zijn in verband met de hoofdvereeuiging atdeelingen of personen werkzaam, die waken dat de zeeman den plunderaars niet in banden valt, die Janmaat tot dronkenschap en ontucht verleiden. Reeds meer dan een onthoudings-logement verrees zoo in de vreemde havensteden, en waar dit ontbreekt, vinden toch de leden der vereeni-ging vrienden, die met hen een schild voor de bemanning zijn.
Op alle oefeningsschepen der Engelsche oorlogsvloot zijn onder medewerking der Admiralen de gezaghebbenden god-vreezende geheelonthouders, die nauwlettend het gedrag der jeugdigen gadeslaan en met Miss Weston en anderen medewerken om hen te bewegen, dat zij als geheelonthouders in werkelijken dienst treden.
Zonder breedvoerig betoog moet het in het oog vallen, dat zulk een in christelijken geest bestrijden der drinkgewoonten een machtige bondgenoot is voor hen, wien
9
130
het ernst is de ontucht in haar voortwoekeren het hoofd te bieden.
Gelijke pogingen als op de vloot hebben op voorgang van Miss Robinson bij het leger plaats. In ieder vast kamp, gelijk dat te Aldershot, zijn een of meer koffie-paleizen en bij de veldoefeningen steeds ruime tenten, waar alles behalve bedwelmend vocht te krijgen is, waar de soldaat kosteloos lektuur en alles wat tot schrijven noodig is vindt, terwijl er op bepaalde tijden godsdienstoefening plaats heeft Vrucht van deze pogingen is, dat het Engel-sche leger in het moederland GOOG en in zijne koloniën meer dan 11000 geheelonthouders telt, die steeds onder christelijken invloed staan. Dat verscheiden admiraals en generaals bij prijsstelling op godsdienst geheelonthouders zijn en niet weinigen der veldpredikers in trouwen ijver voor een Livesey niet onderdoen, geeft der hervormingsbeweging eene eigenaardige macht.
Wie nu iets van het garnizoens- en kampleven weet, moet beseffen, dat een tot bloei komen der onthoudersbeweging, zooals dit in Engeland en Amerika plaats vindt, een machtigen breidel moet zijn van de ontucht, juist bij twee standen der maatschappij, wier bandeloos leven bijna overal onbeperkt tot bederf der goede zeden leidt.
Wat bij leger en vloot zoo onwederlegbaar in het oog valt, geldt in den grond de gansche maatschappij.
In vijf staten van Noord-Amerika heerscht nu reeds door den volkswil de Maine-wet, die allen drankhandel op boete en gevangenisstraf verbiedt. In Schotland zijn als vrucht der onthoudersbeweging de drankhuizen slechts van \'s morgens 8 tot \'s avonds 11 ure open en van Zaterdagavond 11 tot Maandag lt;S uren gesloten. Ierland en Wales verkregen reeds als uiting van den volkswil
131
sluiting der drankhuizen op Zondag. Den kardinaal Manning is het gelukt honderdduizenden Koomsch-Katholie-ken als geheelonthouders voor den bond van het Heilige Kruis te winnen. De Engelsche staatskerk en alle overige kerkgenootschappen hebben eigene, jaarlijks in tal winnende onthoudersvereenigingen, die door verbonden van allerlei aard, als daar zijn de vele Abstainers leagues, de Good Templars bonds, de liechabieten, de Blue Eibbon armies, enz. enz. gesteund worden. Wat in Engeland geschiedt, heeft met gelijke geestkracht in al zijne koloniën en in Amerika plaats.
Zoo vluchtige opsomming bewijst, dunkt mij, reeds overtuigend, dat er alle reden was om van Londens Chrystal Palace een jubelfeest te vieren.
Ondanks liet allerongunstigst weder namen ruim vijftigduizend vertegenwoordigers der onderscheiden onthoudersvereenigingen daaraan deel, en het oordeel van bijna alle dagbladen staafde welk eene verandering in de openbare meening sinds Livesey\'s eerste optreden gekomen is.
Van Lord Broughams bemoeiing in 1830 kunnen wij niet zeggen, wat Jozef tot zijne broederen zeide: »gij hebt het ten kwade gedacht, maar God heeft het ten goede gekeerd.quot; Neen, de edele Lord bedoelde het goed, maar een eenvoudig werkman zag door zijn vromen zin en ervaring verder dan de wijze staatsman.
Aan den vromen zin des volks zal wel immer voor het heil van vaderland en gemeente nog meer gelegen zijn dan aan de onder allerlei begoochelende invloeden staande leiding der staatsmachten. Even onwaar als Lord Broughams biertheoriën zijn allicht de bespiegelingen van regee-ringspersonen en geneesheeren over de staathuishoudkundige noodzakelijkheid der huizen van ontucht en haar
132
nasleep. Moeielijk is het den sluier op te lichten, die mannen van invloed en politiebeambten zoo gereedelijk eerder tot bondgenooten dan tot bestrijders van eenig maatschappelijk bederf maakt. Het volksgeweten wordt niet belemmerd door de drogredenen van staatkundig of ander belang, en dat geweten te overtuigen en winnen is ten slotte de kortste weg voor het doen zegepralen van godsdienst en zedelijkheid.
De geschiedenis van de 50 jaren onthoudingsstrijd zijn mede uit dit oogpunt een leerrijk en aanmoedigend onderricht.
Mij komt het steeds te wenschen voor, dat de bestrijders der ontucht nog meer dan tot nu toe kennis nemen van den zoo met den hunnen verwanten strijd der onthouders.
Waar is de in een Magdalenum opgenomene, die niet moest erkennen, dat zij haren val grootendeels aan drankgebruik te wijten had, dat de zonde onder een champagne-roes aangevangen, eindelijk alleen onder jeneverbedwelming was vol te houden? Hoe vele kindermoorden uit angst en vaLsche schaamte waren het gevolg van den belwelmings-drank bij kennisdolheid of bruiloftsvreugd. Geen onthouding van bedwelmend vocht maakt kuisch, maar een enkel glas kan, waar de omstandigheden medewerken, de vonk zijn, die de vlam doet uitslaan, waar anders de brandstof in rust zou gebleven zijn.
In ieder geval is de martelaarsmoed, die jaren lang eenvoudige geheelonthouders den tegenstand der gansche maatschappij en den tot moord bereiden haat der belanghebbenden heeft doen trotseeren. een spoorslag tot trouw en volharding voor de ontuchtbestrijders, tegen wie de machten der duisternis niet minder haat en wrok koesteren.
133
Eendracht maakt macht, en als ziende op Jezus, onzen oversten leidsman, die ons de schande leert verachten en het kruis dragen, de in zijn naam zich sterk gevoelende bestrijders der ontucht en der drinkgewoonten zich nauwer aaneensluiten, en hart aan hart en schouder aan schouder den gemeenschappelijken vijand liestrijden, zal der gemeente in voorgevoelen van haar volkomen zegepralen althans de stof tot dankfeesten niet ontbreken.
C. S. Adama van Scheltema.
n a s c h r i f t.
Ook de pas in Egypte gevoerde strijd toont belangrijke vruchten van de onthoudersbeweging. De kardinaal Manning deelde dezer dagen op een samenkomst mede, dat het bij een maaltijd zijne aandacht getrokken had, dat Sir Garnet Wolseley geen wijn dronk en dat bij onderzoek de aartsbisschop Camp hem schreef: »Yan Sir Garnet Wolseley zelf weet ik, dat hij een strikt geheelonthouder is Zijn leger in Egypte is het eerste, naar ik geloof, dat thee in hunne veldflesschen had bij het bestormen en veroveren van een versterkt kamp.quot;
Waar ook reeds vroeger Sir Wolseley aanvoerder was, weerde hij, evenals Lord Napier, ten strengste het gebruik van bedwelmend vocht door de troepen.
Alle dagbladen zijn eenstemmig in hun lof over En-gelands matrozen en zeesoldaten wegens hunne houding in den laatsten oorlog. De »Na val Brigade News,quot; het zeemans-onthoudersblad door Miss Weston en Miss Wintz uitgegeven, bewijst klaarblijkelijk den invloed van den geest van den christelijken onthoudersstrijd op deze voor-
134
treffelijke manschappen. Waar te strijden en te verduren viel. waren zij vooraan. Fransehen. Kussen en Amerikanen prezen eenstemmig hunne houding op de schepen en aan wal.quot;
Sinds er geen Engelsch oorlogschip meer is, dat geene christelijke onthoudersvereeniging heeft, is Miss Westons Zeemansrust te Devonport een punt, van waar door hare maandelijksche brieven («Blauwtjesquot;), haar maandblad, enz. een geest en bezieling uitgaan, welke in het nauwst verband tot ware tucht en heldenmoed staan.
ALLEEN OP \'T KRUIS.
{Bij de plaat van E. Palmer, »Het Geloofquot;.)
Alleen op \'t Kruis Geloovig \'t oog geslagen!
Bij leven, sterven, bidden, danken, juichen, klagen, Alleen op \'t Kruis!
Alleen op \'t Kruis.
Als \'s levens stormen brullen,
In \'t dal des doods ons schaduwen omhullen, Alleen op \'t Kruis,
Alleen op \'t Kruis,
Waar ons de Heer wil weiden En szachtkens ons aan stille waatren leiden,quot; Alleen op \'t Kruis!
Alleen op \'t Kruis,
Waar wereldzin en zonden Ons, al te vaak, de zwakke ziel doorwonden.
Alleen op \'t Kruis!
136
Alleen op \'t Kruis,
Wanneer de Booze fiuiste\'-t,
Zijn lokstem klinkt, waar \'t hai-t zoo graag naar luistert. Alleen op \'t Kruis!
Alleen op \'t Kruis,
Ook in die oogenblikken.
Als ons des Heeren bijzijn komt verkwikken.
Alleen op \'t Kruis!
Alleen op \'t Kruis,
Wanneer des twijfels dampen ïn \'t hart den glans van Gods genii bekampen. Alleen op \'t Kruis!
Alleen op \'t Kruis,
Ook als ons oog gaat breken.
Als anker onzer hoop, van ons geloof het teeken, Alléén op \'t Kruis!
Godfried C. H.
September. 82.
OP DEN TEKUGrWEG.
Eene oude Indische legende vertelt ons, hoe de menschen, nadat zij eenigen tijd op aarde gewoond hadden, den weg naar het Vaderhuis verloren. Als een heimwee naar iets beters woonde de herinnering aan het Paradijs van onschuld en vrede met God nog in hunne ziel, maar dat heimwee pijnigde en kwelde hen, want het bracht hen slechts bange vragen, zonder ooit een antwoord te gever. Eindelijk besloot een hunner, vrijwillig in den dood te gaan en vond, langs moeielijke wegen, over donkere, gevaarlijke stroomen en door sombere valleien, den weg naar de woningen der goden terug. Hij werd de weldoener der menschheid tot in de verste geslachten die op aarde zullen wonen, de doodsgod, de geleider der zielen, hij, die hen den weg baande naar het groote Vaderhuis.
Bij alle volken der aarde vinden wij de herinnering aan zulk een verloren Paradijs en door de geheele geschiedenis van het menschelijk denken loopt, als een gouden draad, het zoeken naar den terugweg. Eenigen, wanhopend dien ooit te vinden, versmoorden de stem, die in hen sprak en ontkenden die eindelijk geheel; anderen verstonden die stem verkeerd en lieten zich lokken op wegen, die ben ver van hun doel afvoerden. Weer anderen
138
lieten zich door haar geleiden en op den goeden weg brengen, maar om aan het begin daarvan als in den blinde tastend, te blijven staan. Het zijn bovenal diegenen, die oplettend luisterend naar de stem van God, zooals Hij zich in de natuur openbaart, daarin alleen Hem meenen te vinden. Maar wat zij gevonden hebben, voldoet hen niet; de G-od, dien zij zoeken, blijft voor hen de onbekende God.
Een merkwaardig voorbeeld van dat zoeken naar den Geest vinden wij in een oud-Indisch offerlied. De dichter geloofde in Brahma, den gouden kiem van licht en leven, die, nadat bij eeuwen lang zich zeiven alleen bekend, onge-openbaard en in volkomen rust, door de wateren was gedragen, zich openbaarde en door zijn wil het heelal voortbracht. Hij geloofde aan Hem, die de wolken oprolt als zijn kleed, die zijne sneeuw doet nederdalen als wolle en die, eiken morgen op nieuw, zijne zon uitzendt als een strijdbaar held. En toch getuigt de vraag waarmede hij iedere strofe van zijn lied besluit, dat hij zelf beseft, hoe ver hij nog is van den God, dien hij zoekt.
AAX DEX ONBEKENDEN GOD.
In den beginn\' ontstond do gouden lichtkiem;
Hij was alloen dor werelden beheerscher,
lij] hield do aard, hield het gewelf des hemels —
Voor welken god bereiden wij het offer?
Van hem komt licht en kracht en ora zijn zogen Zien we allen, zelfs de goden, needrig smeeken.
Doud en onsterflijkheid zijn zijne schaduw —
Voor wolken god bereiden wij het offer?
Die voor \'t heelal, toen \'t ademde en ontwaakte. De vorst, d\' almachtige heerscher is geworden.
Naar wiens bevel en monsch en dieren luistren —
Voor welken god bereiden wij het offer?
139
Wiens oppermacht de sneeuwg-ctopto bergen,
De breode vloed, de wilde zee verkond\'gen Wiens armen reiken over allo heemlen —
Voor welken god bereiden wij liet offer?
Hij is dos homels licht, der aarde sterkte.
Geeft zelfs de hoogste hemelen bun steunpunt.
Hij meet de lichtstraal, in de wolk besloten —
Voor welken god bereiden wij het offer ?
Op wien de heemlen, door zijn wil geschapen.
Met diep ontzag, mot siddrend boven staren.
Wiens hoofd gekroond wordt door de morgenzonne — Voor welken god bereiden wij het offer ?
In wien do macht\'ge waterstroom zich uitstort,
Draagster der levenskiem, die \'t licht eens voortbracht, Fit haar ontstond der goden levensadem —
Voor welken god bereiden wij het offer ?
Die, vol van macht, de stroomen overzien heeft. Draagsters der levenskracht, die \'t heil voortbrachten, Die eenig god is boven alle goden —
Voor welken god bereiden wij het offer ?
Hij straffe ons niet, die de aarde hoeft geschapen. Den hemel schiep en ook de snelle waatron.
Hij, die do waarheid in zijn rechterhand houdt —
Voor welken god bereiden wij liet offer?
De God. dien de dichter vindt, voldoet hem niet en hij blijft vragen In de laatste regelen echter schijnt het, als begint hij te vermoeden, wat hem ontbreekt. »IIij strafte ons nietquot;, hij gevoelt dus, dat hij straf verdient, zijn schuldgevoel begint te ontwaken. De God der natuur wordt voor hem reeds «hij, die de waarheid in zijn rechterhand houdtquot;, maar hij staat stil aan den ingang van den nieuw ontdekten weg en aarzelt verder te gaan. Een
140
ander Aziatisch dichter, een volger van den grooten Confucius schijnt aan te vangen, waar zijn Indische broeder eindigt. Hij leefde in een tijd toen ziju volk zich kromde onder de ijzeren hand van een dwingeland wiens macht door geene wetten getemperd werd, het gevoel van zijn eigen schuld boog hem neer, hij zag in den god, dien hij zocht, geen liefhebbend vader die hen, die struikelen zoekt, om ze op te heffen, maar een vertoornd koring, tegen wien zijn volk in opstand is geweest en voor wien het zich niet diep genoeg kan buigen.
DE ALGEMEENE SCHULD.
Het blauw van \'t langgerekt geduld Verkleurde aan \'s hemels trans tot sombre verven;
Nu giet hij af op onze schuld Den dood en meer dan dood: de vrees voor \'t sterven.
Wie mag dan om gena verwerven!
In neevlen is de troon gehuld!
Hoe kunnen wij van daar nog gunsten erven ?
De hemel houdt het zwaard gewet,
ilaar scheidt de vromen niet van de ongerechten;
ünnoozlen ziet hij gansch besmet.
Om hen te straffen als godlooze knechten.
Zijn we al iets beter dan de slechten,
Geen doet er, wat hem werd gezet;
En met zijn noodlot mag geen stervling rechten.
Zeker is nergens in het heidendom het gevoel van schuld en het bewustzijn, dat de godheid op on.s toornen moet, treffender onder woorden gebracht; sommige uitdrukkingen komen die van het evangelie nabij, maar toch, hoe ver is de dichter verwijderd van den Vader, die ook geen verschil maakt tusschen rechtvaardigen en on-rechtvaardigen, maar om hen, in zijn lankmoedig geduld.
141
gelijkelijk met zijne weldaden te overladen; van Hem, die zijne afgedwaalde kinderen straft en hen zijnen toorn doet gevoelen, maar alleen uit liefde en om hen weder tot Zich te trekken.
Ook op onze heidonsche voorouders drukte het bewustzijn hunner onvolmaaktheid, maar het uitte zich meer in het hopen op eene betere toekomst, dan in oen zelfveroordee-lend schuldgevoel. De oude Germaan schiep zich zijne goden naar zich zelf; even als hij. hebben zij den gouden tijd van onschuld en vrede achter zich en zijn zij op den terugweg om het verlorene Paradijs te zoeken. Het oudste lied der Edda, het lied der Wala of der profetes genoemd, schetst ons in groote trekken de geschiedenis van de goden en van de natuur, waarmede zij vereenzelvigd waren. Eens, zoo vertelt de wijze vrouw, was er een tijd, dat zij in kinderlijke onschuld op het Ida-veld met gouden ballen speelden en zich gelukkig voelden ; zij verheugden zich in den glans van het goud. maar zij kenden er de waarde niet van. Toen echter kwamen er tot hen drie vrouwen uit het land van de Tieuzen, van de machten die de goden vijandig waren. Zij droegen onheilspellende namen: zij heetten Nacht. Angstbrengster en Dood, zij leerden de goden het goud smelten en met hamers bewerken. Sedert dien tijd vertoeft het goud als eene machtige tooveres op aarde.
Men lokto de Goudkracht, waar zij ook kwam. De welsprekende vrouw met haar schittvende gaven; Zij kende geheime tooverkruiden En werd der boozen lieveling.
Met de begeerte ontstond er geweld, trouwbreuk, list en meer dan dat; eigenaardig spreekt het oude lied het
•J 42
uit: «toen werd de Moord op aard geboren.quot; De goden reden ter raadsvergadering, zij zagen het kwaad toenemen op aarde en overlegden met elkaar, of zrj de ontrouw der mensehen langer dulden, of de zoenoflers aannemen zouden, die op aarde voor hen werden geslacht? En zij lieten zich verzoenen, zij oordeelden zacht over hun volk en over de zonde die uit den hemel was neder gedaald. Zij verloren hunne kracht met hun onschuld, de beste onder hen, de reine lichtgod Balder, in wiens rijk geen onrecht geduld werd, was dood; hij was door zijn somberen blinden broeder Höder verslagen en met hem verdwenen de vroolijkheid en de jeugd der goden, zij werden oud en afgeleefd. Zelfs de heiden gevoelde het: deze toestand kon geene blijvende zijn, de goden- zoowel als de menschenwereld was bestemd om te vergaan en een voorteeken van dien ondergang zou zijn het toenemen van het kwaad. De profetes voorziet de dagen die komen zullen. 3Zie,quot; zoo spreekt zij:
Zio, hoe broeders elkaar bestrijden,
Isiet meer achtend de banden des bloods:
De aarde schokt, en booze geesten Vliegen onheilbrengend rond.
De natuur zelve schijnt zich te ontzetten over de zonde der menschen; de warmte der zon verdwijnt, haar gedaante wordt rood als bloed, de hemel verdonkert zich. Alles stolt tot ijs; strenge winters volgen op elkaar, zonder een enkelen zomer daar tusschen. Het is de tijd van trouwbreuk en oorlog, de tijd waarin de wolven huilen en de stormwind loeit; waarin de schilden en de speren tegen elkaar slaan. Dan wordt ook het schip vlot, dat door alle eeuwen been, van de nagels der dooden is
143
gebouwd, en de vijanden der goden komen daarin aangevaren. Nog eenmaal en voor \'t laatst openbaren de Germaansche goden hunne oude moed en dapperheid. Zij overwinnen hunne aanvallers, maar zij zullen na hunne zegepraal geen vroolijk feest vieren. Nauwelijks hebben zij hunne tegenpartij gedood, of door hunne wonden en door de vermoeienis van den krijg overmand, stortten zij levenloos neer. Daarop vergaat het heelal.
Zwart wordt do zon; de aarde zinkt in zee;
Van den hemel vallen do vriendlijke sterren;
De vlam verteert der aarde steunsel,
De heete gloed lekt aan den hemel.
Maar dit is niet het laatste woord, dat de wijze vrouw-te zeggen heeft. Voor het geloof aan een wrekend God is in haar gedachtengang geen plaats, en een rechtvaardig god zoekt zij niet eens. Maar in hare ziel leeft het geloof aan een toekomst, die beter zal zijn dan de tijden, die zij beleeft en die zij voor zich ziet. En zonder het heden en de tijd die komen zal met elkaar in verband te brengen, geeft zij zich over aan die hoop. Zij spreekt van het rijk van vrede en eensgezindheid dat aanstaande is, van de roofvogels die zich met visch zullen voeden omdat zij op de slagvelden geen bloedige lijken meer vinden tot aas, zij ziet Höder en Balder, de vijandelijke broeders, verzoend naast elkander heerschen, maar boven alles, zij ziet het rijk gekomen van den onbekenden god. De dichters van haar volk hebben van zijn bestaan geweten, zij hebben vermoed, dat hij reeds lang in \'t geheim regeerde, maar zijn naam hebben zij niet gekend. AVoorden als Alvader, Wereldomspanner, de Sterke van boven en dergelijke, zijn slechts omschrijvingen, waarmede zij hem hebben aangeduid. Nu echter, in het rijk van liefde en vrede.
-1-44
zal hij zich openbaren in al zijne heerlijkheid. Maar laten wij de profetes zelve aan het woord ;
Ik zie, hoe de nieuwe aarde opduikt Uit de golvende zee en met groen zioh tooit;
De waatren vallen, en over de rotsen Zweeft de adelaar die op visschen loert.
De goden rijden naar \'t Ida-veld,
Om van den quot;Wereldomspanner te spreken.
Dan gedenken zij aloude spreuken,
Getuigend van den hoogen God.
Daar vinden zij weder in t .jonge gras Do wonderschoone gouden ballen,
Waarmede zij speelden in oude tijden.
Vervlogen tijdon van onschuld en vrede
Dan dragen de akkers onbezaaid:
Wat boos is betert zich Balder koert weder,
In Alvaders zaal wonen llöder en Balder
En heersclien te zaam. Weet gij wat dat beduidt ?
Een zaal zie ik, schitterender dan de zon Met goud bedekt in do hoogte der hemelen.
Daar zullen dappere mannen wonen En zonder einde eer genieten.
De Machtige rijdt naar den raad der goden.
De Sterke van boven, die alles bestuurt,
Hij beslecht den strijd, hij voorkomt de twisten En heerscht over de aarde naar eeuwige wetten.
Dan komt de donkere draak gevlogen,
De slang, die woont in de rots van den Xijd.
Iljj vliegt over \'t veld en draagt op zijn vleuglen, Xidhöggra lijken en — stort zich in d\' afgrond.
Uit deze laatste, eenigszins duistere regels zou men
145
kunnen opmaken, hoe onze voorouders geloofden, dat niet iedere zonde in liet rijk der toekomst verzoening vindt. Het monster Nidhöggr toch bewaakt in de onderwereld de lijken van meineedigen en sluipmoordenaars en van hen, die anderen hebben overgehaald, de eenmaal bezworen trouw te breken, men kan dus zeggen, van de ergste, de opzettelijke zondaars. Voor hen is op de verjongde aarde geen woning te vinden; op de vleugelen van den donkeren draak verdwijnen zij in den afgrond.
Het is hier de plaats niet om na te gaan, in hoever het Christendom tegenover deze stelsels staat, of, er zich bij aansluitend, ze voltooit. Ons betaamt dankbaarheid, dat wij licht ontvingen op den weg, waar het Heidendom nog in het duister rondtast, dankbaarheid vooral, dat wij met meer recht dan hij, de aandoenlijke woorden van Oost-Azië\'s groeten hervormer op de lippen mogen nemen: »Wie des morgens de leer hoort, en des avonds sterft, die heeft genoeg.quot;
M. \\V. Maclaine Pont.
10
KOMT TOT MIJ!
Matth. XI
Komt tot mij gij, die beladen,
Die gebogen en vermoeid,
Eenzaam wandelt en uw paden Met een stillen traan besproeit! Ik ben nedrig, zacht en goed Voor \'t ontrust en bang gemoed. Komt tot mij! Ik zal n geven Zielerust en eeuwig leven.
Ja, dit zijn uw eigen woorden.
Goede Herder, die mij redt, -—• Woorden, die mijn ziel bekoorden, Die baar lokken tot gebed.
Geef mij door uw Geest, o Heer, Deze uw woorden telkens weer! Heb ik uwe stem vernomen,
\'k Zal ook telkens tot U komen.
447
\'k Zal mijn nooden U belijden, U, die al mijn lasten kent. Gij, Gij kunt en zult bevrijden \'t Harte, dat tot U zich wendt. Met uw heilig offerbloed Hebt Gij ook mijn schuld geboet. Aan uw kruis hebt Ge onvolprezen Liefde ook aan mijn ziel bewezen.
\'k Wil U loven al mijn dagen,
U, wiens liefde nooit vergaat. Wat mij smart wil ik U klagen, U, die zucht en traan verstaat, \'k Wil op uwe trouw en macht Steunen, bij wat me immer wacht, \'k Wil vertrouwend op U hopen En met U mijn loopbaan loopen.
Wat mij hier ooit moet ontvallen,
Blijf me o Herder, altoos bij! Blijf o trouwste Vriend van allen, Alles, alles ook voor mij !
Geef mij hier steeds zielerust! Geef mij eens aan gindsche kust Eeuwig rusten aan uw harte,
Eens belaan met ook mijn smarte!
V., 24 Juli 4 8G9.
E. F. H. Wolf.
SPKEUKEN 11 ; 2.
Als de hoovaardigheid komt zal de schande ook komen, maar mot do ootmoedigen is wijsheid.
Deze spreuk van den wijzen koning der oudheid, die door \') Jakobus en Petrus als door de echo\'s van de Rots der eeuwen is herhaald, mag ook in onze dagen wel eens door de wereld klinken om te waarschuwen tegen een kwaad, dat als de kanker voortwoekert in onze maatschappij en hier merkbaar, ginds weder onmerkbaar de toestanden des levens ziekelijk maakt.
»quot;t Is niet alles goud wat er blinkt,quot; zijn we genoodzaakt bijna op alles te schryven wat ons den indruk geeft van iets groots of schoons te zijn; omdat de leugenaar en menschenmoorder van den beginne zich nu meer dan ooit, achter al wat groot en schoon is, verbergt. Groote gebouwen met holle, wrakke balken en waggelende, op hardsteen gelijkende muren, die den onkundigen voorbijganger bewondering afdwingen, storten vaak reeds ineen alvorens ze onder dak zijn, en gelijk het gaat bij de gebouwen. zoo gaat het ook bij de menschen op het gebied van wetenschap, rijkdom, eer en macht. Overal jaagt men
\') Jak. 4:6. 1 Petr. 5 : 5.
149
naar den schijn zonder het wezen, en met de hand van trot-sche verbeelding en trotschen eigenwaan trekt ieder het gebouw zijner persoonlijkheid zoo hoog op, dat het onvoltooid ineenvalt en de maatschappij vol wordt met puinhoopen van mislukte menschenlevens en ineengestorte luchtkasteelen. sVroeg rijp, vroeg rot. Vroeg wijs, vroeg zot.\'quot; Zoo profeteerden onlangs de nieuwsbladen over een paar jeugdige redacteurs, die, nog zittende op de schoolbanken, al was het op die der Hoogeschool, reeds ondernemen wilden hunne wijsheid den volke te verkondigen en alzoo bet gebouw hunner wetenschap voor ieders oog hoog optrokken, zonder naar diepe fondamenten, sterke muren of stevige gebinten te vragen. Aan de Pinkoffs en Kerdijks en de millioenen Juffrouw in ons midden en aan de onhoudbare toestanden in Oost en West zien wij met onze vaderlandsche oogen hoe broos ook de zeer groote gebouwen zijn van rijkdom, eer en macht die pronken met een schijnglans.
Ach, die schijnglans! wat laat hij ons koud, wat doet hij ons huiveren in stede van ons te verwarmen en ons te doortintelen met een gloed van geloof, hoop en liefde. Helaas! ieder licht dat wij zien op welk gebied ook, doet ons denken aan den lichttoren van Eddystone en aan zijn bouwmeester Winstanley die in 1703 op zekeren zomerdag bij het woeden der elementen met een Nebukadnezars-trots uitriep: «Heden zal zijne hechtheid en nuttigheid voor het eerst blijken.quot;
Met levensgevaar beklom hij zijn toren, stak met eigen hand de lichten aan, en toen het weder dag werd en de zee bedaarde, waren Winstanley en zijn lichttoren in de diepte der zee begraven, omdat de vormen van het gebouw te hoekig en de bouwstoffen te broos waren.
150
Ja,, zoo gaat het nog met alle lichttorens op elk gebied als door de ervaring van rijperen leeftijd de hoeken niet zijn afgerond, en de bouwstoffen niet hecht zijn gemaakt door het cement van Gods Woord, dan zinken ze bij den eersten storm reeds weg in de diepte.
Doch laat ons van de lichttorens het oog nu eens wenden naar de lichten dicht bij den grond, ook daar is het niet alles goud wat er blinkt.
Als we er eens getuige van zijn geweest hoe de helder verlichte straten en de bewoners eener stad. door een gebrek in de gasleiding plotseling in dikke duisternis en daarbij in diepe ellende kunnen worden gebracht, dan vergenoegen we ongt; weder gaarne met de ouderwetsche straatlantaarns en we roepen inmiddels uit: slaat ons liever in de schemering, dan dat we bij zulk een schitterend en weinig betrouwbaar licht zouden omkomen.quot;
Uit de hoogere sferen der aristocratie en der wetenschap afdalende tot de lagere standen der maatschappij, meenen we ook daar te leven in de eeuw der brillanten, doch als men die brillanten in aanraking brengt met glas, kunnen ze dat niet snijden en beheerschen, maar zij blijken zelf glas en niets meer te zijn.
Wie denkt niet met afkeer aan de rijk getoiletteerde dames op de straten en publieke plaatsen onzer groote en kleine steden\'; ze schijnen den argeloozen wandelaar brillanten. maar volgt ze eens, en gij zult ze zien verdwijnen op plaatsen waar ze als blinkende glasscherven worden vertreden. En om nu niet langer in bedekte termen te spreken, vragen wij : waar komt in den burgerstand en de lagere klassen het uithangbord of liever de vertooning op straat met den inhoud van brandkast of geldlade overeen!\' Ook daar speelt hoovaardigheid de hoofdrol en
151
het ssohijn bedriegtquot; moest haast op ieders vooi\'hoofd geschreven staan. Waar vindt men den welgestelden burgerman van voorheen, die er eene eer in stelt, zijne voorvaderen tot in het vierde, vijfde en zesde geslacht te zijn opgevolgd in hetzelfde ambacht of bedrijf.
Neen »hooger op, zoo klinkt het in alle standen der maatschappij, en helaas, niet in den zin van Excelsior, maar in den zin van den kleinen knaap, die wederrechtelijk op een stoel of op eene ladder klom en zegevierend uitriep : «Nu ben ik groot!quot; zoolang totdat hij viel en met groot geween zijne kleinheid moest erkennen. Ach, de tallooze bankroeten en faillissementen doen aan zulke ondeugende knapen denken, en het wandelende, bordurende, piano spelende, ja ook het op zondagsschool en naaikrans toongevende burgermeisje, dat moeder in huis laat zorgen, terwijl zij zich daar buiten aanstelt als eene welgestelde erfdochter, vinden we in de kracht des levens terug, troosteloos nederzittende bij de puinhoopen van haar aardsch geluk, omdat zij afhankelijk moet, maar niet afhankelijk kan of wil zijn. De dagen waarin de welgestelde burgerman zijne zonen en dochters met het; »vreemde oogen maken menschen,\'\' de voeten liet zetten onder vreemden disch, die goede dagen zijn voorbij, en niet dienen, maar heerschen is de leus, terwijl zij die dienen, het niet willen weten, want dienen vinden ze zelfs een leehjk woord en zij laten zich liever bedienen, als zij in het kleed van den leugen zich ver-toonen op plaatsen des vermaaks, of daar waar de menigte samenkomt. Wat dunkt u van dienstmaagd Pietje die zich niet meer bij dien naam, maar bij het laatste deel van haren doopnaam, Xella. laat noemen, dat klinkt mooier. Op zekeren Zondag, want dan vooral ziet ze er uit als de Juffrouw bij wie zij dient, wordt er gescheld;
152
zij doet open, en een vreemdeling vraagt naar den heer des huizes, bij wien zij hem wil binnen laten. De vreemdeling is echter een beleefd man, doet eenige stappen achteruit en zegt: «excuseer Juffrouw, ga mij voor, ik zal volgen.quot; Daar staat Juffrouw Nella, ik meen dienstmaagd Pietje met beschaamde kaken; want de vreemdeling heeft haar voor de meesteres aangezien, en zij moet nu zeggen dat zij de dienstmaagd is; doch in plaats van daar uit te leeren. vindt zij het ten slotte wel aardig, al spot ze dan ook met anderen, die zich aanstellen als zij. Langen tijd daarna schelt er weder een vreemdeling, dien zij ditmaal niet voor een bekende van den huisheer aanziet, en dus eerst bij dezen gaat aandienen met de woorden : »Daar is een Mijnheer om u te spreken.quot;
Zij wordt teruggezonden met de vraag wie mijnheer is, en nu krijgt zij te verstaan dat hij de knecht is van mevrouw die en die. Wat had zij, in hare keuken teruggekeerd, daarover een pret; wat vond ze het bespottelijk, en evenwel, noch deze geschiedenis, noch de herinnering aan haar eigen gek figuur, brengt haar tot nadenken; het hooge loon wordt verkleed en verpronkt, totdat er dagen van ziekte en tegenspoed komen, en juffrouw Xella als arme Pietje terstond moet genieten van de algemeene of bijzondere weldadigheid. Nu zij het stempel der armoede moet dragen, en de armoede haar niet met berouw tot Jezus heeft gebracht, is de eerzucht veranderd in neer-zucht ; ze blijft in de diepte, al komt er nu en dan eene stem die zegt: «wat deed ik toen toch verkeerdquot;, en te midden van die overdenking ontmoet zij mijnheer den knecht in lompen gehuld en oud en afgeleefd vóór den tijd. Nu kunnen zij nog eens kennis maken en elkander bevestigen dat de wijze koning wel wist wat hij zeide in Spr. 11 : 2.
153
Onze wijze koningin doet een goed werk, dat zij hare onderhoorigen zulke hoe vaardigheid belet; maar wij betreuren het, dat onze tijd dien dwang noodig maakt omdat men geen rekening meer houdt met den Koning der koningen, die rijken en armen, geleerden en ongeleer-deu, heeren en knechten, vrouwen en maagden heeft gemaakt, en die eischt dat ze allen tevreden met hun stand en werk, hunnen levensweg zullen vervolgen. Als de ouders wat tevredener waren, de kinderen zouden het ook zijn, en zoo dikwerf wij zonen en dochteren ontmoeten, die niet zijn of worden willen wat vader en moeder waren, krijgen we den pijnlijken indruk, dat de ouders zich schamen over hun stand, of liever de stand zich over hen moest schamen, en de Heer ze zal beschouwen als onnutte dienstknechten en dienstmaagden in zijnen wijngaard. Doch het zaad van de gifplant hoovaardij wordt ook overal elders als in het ouderlijke huis uitgestrooid; onzichtbaar voortgedreven door den wind des ongeloofs, zoekt het overal naar een vruchtbaren bodem. Hoort, hoe de schrijfster van de volgende regelen, letterlijk overgenomen uit een brief, zich het bestaan van die gifplant in haar hart bewust is, al werd die niet door hare ouders gekweekt. «Ik ben wel blij,quot; zoo schrijft zij uit haar dienst, ^om voor mijn eigen te zorgen en voor mijn kleeren, och lieve ouders gelooft u mijn toch mijn hoogst verlangen is om goed op te passen al hou ik ook nog zoo graag van een net stukje kleeren daarom zou ik geen stukje kleeren willen hebben op den slechten weg daar ik niet goed aan kwam, ik hoop dat ik bij die gedachten blijven mag. Ik heb tuis altijd verdriet gehad van de ijdelheid en van mijn eigen wil omdat ik niet prettig vind alles aan te pakken. Ach ik zal er moeite voor doen
ISi
en er tegen strijden.quot; Van welk eene onbewuste, maar toch sterke neiging getuigen deze woorden, om met de eene hand het kwaad te bestrijden en met de andere het te bevorderen, en hoe zal zij ooit komen tot een wel-gemeenden strijd en tot overwinning, als zij het kwaad niet leert beschouwen als zonde tegen God en den naaste. Ja maar, zoo zegt zij, en zoo zegt menigeen, na eene redeneering als de hare, het is toch van mijn eigen eerlijk verdiend geld, dat ik aldus gekleed ga, enz. Hierop antwoorden wij: dat kan wel wezen en nochtans steelt gij het geld van den naaste en zondigt gij tegen God: wij zullen het u bewijzen. Ieder jong mensch, die in den tijd van gezondheid en krachten, door kleeding en genietingen boven zijn stand, zijn geld verkwist en zich niet beijvert zooveel mogelijk te sparen voor den kwaden dag, heeft ten eerste nooit iets om zich te erbarmen over de armen en ellendigen, die de Heer ons achter liet, en is ten anderen bij den eersten tegenspoed genoodzaakt zich zeiven voor arm te verklaren, en alzoo te vragen wat den wezenlijk arme toekomt; is dat niet, met andere woorden, aan dezen het voor hem bestemde ontstelen ?
En bovendien, ieder die gekleed gaat boven of buiten zijn stand, beschuldigt openlijk God van onrecht, omdat die hem niet plaatste in den stand waarvan bij voortdurend de schijngestalte vertoont. Bij de kinderlijke spelen lacht men er om, als het arme of het burgermeisje speelt voor mevrouw en als ds straatjongen de houding aanneemt van een burgemeester of een officier, ja zelfs van een generaal of koning; maar bij de volwassenen behoort geen comediespel meer te huis, dan alleen onder de wereldlingen op de planken. Wij zijn niet geroepen om
155
elkander te bedriegen; maar onze wandel moet overal en in alles eerlijk zijn onder de menschen.
Helaas, ook de krijgsman in politiek en de geestelijke in het gewaab van een amdteloos burger, ze maken beiden den indruk van menschen die gebukt gaan onder den last van hun ambt, tenzij dan dat ze somwijlen, als de politieagent in burgerkleeding, het incognito bewaren om een of andere reden in het belang van hun werk. Maar die doorgaande pronkers en verloochenaars van hun stand zijn niets anders dan publieke aanklagers van God, die eenmaal zeker de rollen zullen zien omkeeren, als de tijd daar is, dat zij voor Gods rechterstoel zullen moeten erkennen:
Gij hebt, o albostiereml Koning,
De plaats besterad van iedova woning.
Den kring waarin hij werken moet.
Ontzettend zal het zijn, dan terug te zien op een leven, waarin men zich voor dien kring en dat werk heeft geschaamd en zich daaraan heeft onttrokken. Ieder onder-zoeke zich zeiven en wie iets ontdekt van de kwaal dei-briefschrijfster, zij op zijne of hare hoede, en gelijk de koortslijder, zich bewust van zijne kwaal, de leelijke kinine niet weigert, zoo gebruike de hoovaardige Salome\'s spreuk tot zijne genezing en denkè daarenboven aan de eerste zaligspreking van Jezus;
5)Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.quot;
En omdat een versje zoo gemakkelijk in het geheugen komt en blijft, eindigen wij met den raad: Gij die hooger op wilt, leer deze dichtregelen van buiten :
156
Wie zich stand en arbeid schaamt,
Die de Heer haar geeft,
Toont daardoor, dat zij met God
Ifiet in vrede leeft.
Hoogmoed brengt ons tot den val.
Schande ook op ons hoofd! Ban dien duivel uit het hart, Die uw vrede rooft.
VERBLIJDT U IN DEN HEERE. J E S A J A XII.
Ik prijze U, o Heere!
Waart Ge op mij verstoord; Uw toorn is geweken, Nu troost mij uw woord. Zie, God is mijn redding, — Op Hem, dat ik bouw. Ik wil niet meer vreezen, Daar \'k Gode betrouw. Ja, Hij is mijn sterkte,
Mijn lied en mijn lust, De Heere mijn redder.
Mijn roem en mijn rust. Schept blijde de teugen Zoo frisch en zoo rein. De teugen des levens Uit \'s Heeren fontein.
-158
Zegt dank aan den Heere,
Aanbidt zijnen Naam!
Verkondigt zijn werken Den volken te zaam!
Zijn Naam is verheerlijkt,
Dies zingt nu zijne eer!
Hoe groot zijn zijn daden,
Dies looft nu den Heer!
Zijn grootheid en goedheid H eel de aarde getoond!
Kom, juich en zing vroolijk Die Sion bewoont ;
Want groot in uw midden, —
Hoe zalig uw lot! —
Is Isrel, uw Heiige,
Uw Heer en uw God.
U., 17 Mei 1880. E. F. H. Wolf.
■•if
L E S S I N G \' S F A U S ï.
Daar staat geschreven: den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
Matth. 4 : 10.
De honderdjarige gedenkdag van Lessing\'s sterven (15 Februari 1781) heeft in Dnitschland verschillende studiën over dezen merkwaaxdigen man en zijne werken in het leven geroepen. Danzel en Gahrauer hadden daartoe reeds, 20 jaar geleden, den grond gelegd. Stahr was hen gevolgd, maar nu in latere jaren gaf eerst de Engelschman Sime in zijn werk, »Lessingquot; getiteld, bij Brockhaus te Leipzig eene belangrijke studie in 2 deelen uit; in 1881 zelf verscheen gt;G. E. Lessing, als Eeformator der deutschen Literaturquot; van den bekenden Literator Kuno Fischer, en in dit jaar 1882 werd eene eigenaardige proeve, hoever de vereering en bestudeering van een genie wel komen kan, geleverd door Düntzer in zijn «Lessings Lebenquot;, dat in G68 bladzijden tekst en illustratiën van het geboortehuis en de portretten der voorouders tot het »Todtenmaskequot; toe bijna alles geeft wat met zijn held in verband kan gebracht worden.
Voor de lezers der «Magdalenaquot; zal echter zeker bet aantrekkelijkst zijn eene studie van Johannes Claassen; »G. E. Lessings Leben und ausgewahlte Werke im Lichte der christlichen Wahrheitquot; (Gütersloh, üertelsmann), waar-
lüO
van in 1881 Deel 1 »het Levenquot;, en Deel 11 «Theologie en Philosophiequot; verschenen; jammer slechts dat Deel 111, waarin waarschijnlijk ook de xFaustquot; in het licht der ^christelijke waarheidquot; zou gesteld worden, naar de uitgever mij berichtte, voorloopig nog niet verschijnen zal, daar inderdaad de beide eerste deelen veel van het vervolg doen verwachten.
Hoor slechts, wat Claassen tot rechtvaardiging van zijnen arbeid schrijft in het »Vorwortquot; van Deel II; »Dit Licht der Christelijke Waarheid, zoover het over onze armoede is opgegaan, ook over de werkelijke of ingebeelde philo-sophische en vooral theologische werken Lessings te doen schijnen, was ons ernstig streven, ja de ons drijvende gewetensplicht. Want, daar dat Licht tot nu toe zoo weinig ja bijna in het geheel niet, zooals wij met smart zeggen moeten, tot diepere en ware kennis onzer groote letterkundigen vruchtbaar gemaakt werd, daar in \'t bijzonder Lessing als denker zoowel als dichter en aesthetiker bijna alleen in zijn eigen, d, i. het licht van het natuurlijk verstand en een weinig diepgaand gevoel beschouwd, en, bepaaldelijk op hoogere burgerscholen en hoogescholen behandeld werd, daarom scheen het eindelijk zelfs aan den weinigvermogende eene plicht, ja een telkens zich opdringende roeping te zijn. hiermede en wel juist bij Lessing het begin te maken; — alzoo ernst te maken met de toepassing der hoogste Waarheid ook op dezen rusteloozen en onbevredigden. ofschoon zoo hoogbegaafden en van huis uit zoo talentvollen waarheidsvorscher, aan wien echter, daar hij de waarheid op de verkeerde plaats en op verkeerde wijze zocht, als tot een afschrikkend voorbeeld het aloude Schriftuurwoord vervuld werd : »altyd leerenzij, maar kunnen nimmermeer tot kennis der waarheid komenquot; (2 Tim.
101
; 7). Hoe kunnen zy ook, wanneer zij het weten van het geweten, dit van het geloof, het geloof van Hem. in Wien men gelooven moet, scheiden; wanneer zij op den weg van het denken bereiken willen, wat altijd slechts aan den nederigen van harte en den hoorgragen d. i. gehoorzamen, die «zich zelf niet wil zijnquot; (1 Cor. 6 : 19), uit genade geschonken wordt ? Want al werd ook al het andere slechts door moeite, vlijt en inspanning van onzen u\'twendigen mensch, den denkende daarin begrepen, ons ten deel. het hoogste is en blijft geschenk en gave. hem alleen gegeven, die naar deze waarheid, liefde en gerechtigheid, met geheele o vergave aan den Oorsprong des Levens en Lichts van harte tracht: »den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dit is het eerste gebod.\'\' — Dit heeft Lessing, gelijk zijn leven het ten allen tijde sedert zijne ontwakende zelfstandigheid bewijst, niet gedaan.quot;
Op dergelijke wijze drukte zich in Lessings dagen de man uit. die in een langdurigen en ernstigen strijd met hem gewikkeld werd en ook daaraan zijn meerdere bekendheid te danken heeft, Hamburgs Hauptpastor J. M. Goeze. Nadat hij juist Lessing\'s iSe ^Antigoezequot; ontvangen had, schreef hij : »Ik las deze bladzijden met den innigsten weemoed mijns harten, die uit een oprecht medelijden met des heeren Lessings daardoor nu volkomen geopenbaarden gemoedsgesteldheid ontsprong. Ach, dacht ik, hoe diep is hij gevallen, die anders op het gebied der schoone wetenschappen als een morgenster zou geschitterd hebben, en op wien wij Duitschers op dit gebied trotsch mochten zijn I Hoe zichtbaar is hier het gericht Gods: »zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas gewordenquot; (Rom. 1 : 22). — En dan, na de overweging of Lessing\'s wijze van strijden ook recht gaf van verdere beantwoording af te zien, ontkent Goeze
11
162
dit met de treffende woorden: »Daar zijne aanvallen mijne eer- niet treffen kunnen, zoo heb ik ook niet noodig deze tegen hem te verdedigen. De eere mijns Heeren en Hei-lands, van het Woord Gods en der daarin vervatte zaligmakende waarheid, die hij zoo ruw gesmaad heeft, ligt mij nader ter harte, en hot zal eere genoeg voor mij zijn, wanneer in den dag des oordeels slechts ééne ziel optreedt, die mij het getuigenis geeft, dat zij door mijn toedoen voor de strikken en netten bewaard geworden is, die de heer Lessing dengenen spreidt, die in den naam van Jezus gelooven. — De genade, die uit een Saulus eenen Paulus maken konde, verheerlijke zich aan zijne ziel, en doe hem toch niet met die gezindheid in de eeuwigheid gaan, welke hij in die bladzijden, helaas, zoo ruw en stout heeft aan den dag gelegd.quot;
Noode weerhouden wij ons aan deze laatste zinsnede vast te knoopen eene schets van Lessings inwendig leven tot op zijn sterfbed, gelijk dit ons uit de bovengenoemde werken, vooral in zijne publiek gemaakte brieven, duidelijk voor oogen gesteld wordt. De perken, aan dit opstel door den titel geplaatst, zouden daardoor overschreden worden. Trouwens Claassen\'s en Goeze\'s karakterschets van Leasing voeren ons onwillekeurig terug naar dat tooneel in Les-sing\'s Faust, waarin m. i. door hem zeiven het beeld geteekend is van den rijkbegaafden talentvollen jongeling, die ook door dorst naar kennis (Wissbegierde) alleen gedreven, in plaats van den »lieveling Godsquot;, de prooi des Satans werd. . . .
Maar laat ik mij zeiven niet vooruitloopen en diene het bovenstaande slechts als inleiding tot hetgeen over het ontstaan en de geschiedenis, den inhoud en de beteekenis van den gt;i\'aust van Lessing\'\' valt mede te deelen.
168
Gelijk men weet, was de 2e helft der vorige eeuw gedurende geruimen tijd ijverig bezig met de reproductie van de Faustsage in Drama\'s en Heldendichten op den voet van hetgeen de Middeleeuwen voornamelijk door den mond des volks had overgeleverd. Kuno Fischer heeft in zijn »Goethe\'s Faustquot; onder de titels »die Magussagequot; en »die Faustsagequot; eene belangrijke schets over dit punt geleverd. Nu worde slechts herinnerd, hoe in Engeland sedert de Tragoedie van Marlowe (17e eeuw) reeds menige bearbeiding van die Faustsage was verschenen en in Duitscbland men zich aanvankelijk ook slechts bepaalde tot de vertaling van Engelsche bewerkingen. Wij vinden dan ook opgeteekend, dat Lessing zelf\' in 1753 een zoogenaamd »P uppens p i elquot; bijwoonde, waarin dat verhaal werd voorgesteld, en dat, behalve Goethe, verschillende andere Dramatici in dien tijd bijdragen tot eene opvatting van den Faust moeten hebben geleverd. Ad. Stahr, die, ofschoon slechts 1 Va pag\'s bestedend aan Lessing\'s Faust, de overgebleven fragmenten «die wich-tigste Froductiv-Anknüpfung Lessing\'s an Shakespearequot; noemt, meldt dan ook, dat Lessing twee Fausten vervaardigde, de een meer op burlesque, grappige manier voorgesteld, de andere 10 jaar vóór dien van Goethe begonnen, waarover hij het genoemde oordeel uitspreekt. Kuno Fischer heeft in zijn vroeger genoemd werk »G. E. Lessing als Eeformator der deutschen Literaturquot; in Deel I van blz. 143—174 uitvoeriger vermeld al wat bepaaldelijk betreffende de geschiedenis van Lessings Faust bekend of verondersteld is. Hieruit blijkt, dat de Faust-fragmenten ook door toedoen van den schrijver zeiven al even zonderlinge en raadselachtige lotgevallen hebben gehad als de bekende »Wolfenbuttelschequot;, met dit verschil echter dat, terwijl
164
omtrent de laatsten men allengs in alle punten zekerheid verkreeg, over den Faust van Lessing het volgende slechts kan worden medegedeeld.
Als bronnen voor de geschiedenis van Lessing\'s Faust is dan vooreerst te noemen, wat Lessing zelf daaromtrent verhaalt. Wij slaan dan eerst op den 17en der Brieven over de nieuwste Letterkunde, gedurende een driejarig verblijf te Berlijn van 1756—1759 geschreven door Lessing met Mendelssohn en Nicolai, dat bekende klaverblad, wegens de aanvangletters L. M. N., door Claassen schertsend het «elementquot; der toenmalige kunst-ontwikke-ling genoemd (\'1. c. I p. 79). Er wordt door Lessing in dezen brief (16 Febr. 1759 gedagteekend). en hierin lag ongetwijfeld zijne groote verdienste, de oorlog verklaard tegen de toenmalige mode, om al wat uit Frankrijk kwam te eeren en in Duitschland over te planten, al werd ook daarmede alle nationale kunst en echt Duitsehe letterkunde bedorven of in de opkomst verstikt. Lessing plaatst nu daarenboven tegenover een Corneille en Racine den Engelsch-man Shakespeare, wiens stukken hij veel genialer acht. Vervolgens gaat hij over tot de oude Duitsehe tooneel-stukken, en verklaart gemakkelijk te kunnen bewijzen, dat deze inderdaad zeer veel aan de Engelschen herinneren, en zegt dan: ))Om het bekendste daarvan te noemen: Doctor Faust, dit heeft eene menigte tooneelen, die slechts oen Shakespearsch genie zou kunnen uitdenken. Een van mijne vrienden bewaard een oude schets van dit treurspel, en hij heeft mij daaruit een bedrijf medegedeeld, waarin zeker zeer veel groots ligt. Zijt gij begeerig het te lezen. Hier is het. — Faust verlangt den snelsten geest der helle tot zijnen dienaar. Op zijne bezweringen verschijnen er zeven en nu vangt het 3e tooneel van het \'ie bedrijf aan. Wat
165
zegt gij van dit tooneel ? Gij wenscht een Duitseb stuk, dat alleen zulke tooneelen bad. Ik ook.quot;
Hieronder volgt meer uitvoerig het in dezen brief bedoeld Fragment van Lessing\'s Faust. Want in meer dan één opzicbt kan bet tooneel aldus genoemd worden. Immers, al is bet denkbeeld den snelsten geest der belle op te roepen reeds oud, ja in bet bedoelde sPuppenspielquot; terug te vinden, de uitwerking bij Lessing ademt, gelijk Kuno Fiseber terecbt opmerkt, »in gedachte en taal gebeel den onnavolgbaren Lessingscben geest, dat bij wel zou willen weten, wie onder Lessing\'s vrienden, bebalve bij zelf, de man was die zóó kon denken en schrijven.quot; Daarenboven bet denkbeeld om »aan een vriend bet bezit van die oude scbets\'\' toe te sobrijven, verraadt aan de eene zijde gebeel Lessing\'s streven om bet nationale Duitscbe drama uit vroegere eeuwen te doen herleven en aan de andere zijde beeft men bier dezelfde )gt;pia frausquot;. waarmede bij omgekeerd de Fragmenten van Eeimarus\' Handscbrift beweerde in de Wolfenbuttelscbe Bibliotheek gevonden te hebben.
[n Lessing\'s Nagelaten Geschriften werd de schets van bet bieronder te vermelden »Voorspel1\' gevonden, en de omtrek der vier eerste tooneelen, die ons echter weinig van de uitwerking doet verwachten. Dit is bet voornaamste, wat wij van Lessing\'s Faust door den dichter zeiven weten.
Bebalve dezen «Faustquot;, waarvan alleen deze brokstukken overig zijn, schijnt echter nog een andere bestaan te hebben, te oordeelen naar het in Lessing\'s nagelatene; «Collectaneën zur Literaturquot;, voorkomend opstel: wDi\'. Faust: mijn treurspel over deze stof,quot; waarin bet karakter van den verleider (de naam Mepbistofeles vinden wij nergens door Lessing genoemd) anders optreedt dan in den
166
anderen Faust en wel meer als een door God gezonden instrument tot kastijding of beproeving. Vermoedelijk heeft er weinig meer dan eene flauwe schets van den tweeden Faust van Lessing bestaan, maar het blijft merkwaardig dat ook in Goethe\'s Faust schijnt te moeten worden onderscheiden tusschen twee opvattingen, die door K. Fischer in zijn werk over dit dichtstuk (III p. 112—114) nader aangegeven worden.
In twee brieven van Lessing (dien van 8 Juli 1758 aan Gleim en van 21 September 17(57 aan zijnen broeder), en uit brieven van verschillende personen aan L. zeiven, vindt men nog eenige nadere aanwijzingen omtrent het bestaan van den Faust, waaruit schijnt te moeten worden opgemaakt, dat tusschen de jaren 1755—1770 door Lessing twee Fausten ontworpen, maar geen voleindigd was, dal hij echter in beide een nationaal-duitsch treurspel op het oog had, dat de eerste nader stond tot het oude volksdrama dan de tweede, waarin de rol des Verleiders minder duivelsch dan menschelijk, minder als wederpartijder dan als werktuig Gods gedacht was.
Wij komen nu tot de »sage van het verlorene handschrift van Lessing\'s Faustquot;, gelijk ik het volgende verhaal zou willen noemen, dat ons de »sage over het ontstaan der zoogen. sgt;Wolfenbuttelsche fragmentenquot; in herinnering brengt. In het jaar 1775 reisde Lessing van Wolfen-buttel over Leipzig naar Berlijn en ging in den volgenden maand van daar over Dresden en Praag naar Weenen. Om minder bagage te hebben, zond hij uit Dresden een kist, met de meest verschillende voorwerpen naar Leipzig, van waar de Boekhandelaar Gebler uit Brunswijk, die aldaar ter gelegenheid van de Paasehmis vertoefde, ze naar Brunswijk medenemen en vervolgens naar Wolfenbuttel
1Ü7
verzenden zou. Deze kist nu moet heden nog aankomen; zij ging spoorloos verloren en met haar, naar de sage luidt, het volledige handschrift van Lessing\'s Faust. Alle pogingen van Lessing\'s broeder om dezen koffer terug te bekomen. zelfs nog in 1784, na den dood alzoo van den dichter, waren te vergeefs. In de uitgaven der fragmenten van den Faust, vindt men ook een brief van den kapitein van Blankenburg (uit Archenholz\' sLiteratur und Volkenkundequot; overgenomen) van 17 Mei 1784. over Lessing\'s verloren geganen Faust, waarin hetzelfde verhaal, eenigszins opgesmukt, voorkomt, en wel op de stelligste toon medegedeeld. »Men heeft mij met zekerheid verhaald,quot; schrijft hij, «dat Lessing met de uitgave van het handschrift slechts wachten wilde tot na de verschijning der overige Fausten.quot; De meeste schrijvers over Lessing\'s Faust zijn echter allengs op verschillende gronden tot het besluit gekomen, dat dit gansche verhaal, in zoover het betrekking heeft op dit dichtstuk, van geen waarde is. Lessing zelf ten minste vermeldt onder de voorwerpen, die zich in den koffer bevonden, niet het handschrift van den Faust. Toch moet er meer dan de nu nog overgebleven fragmenten bestaan hebben en aan dat vermoeden heeft wellicht ook het ontstaan te danken een in »Nord en Slidquot; (door K. Fischer) besproken »letterkundige vondelingquot;, die Lessing\'s Faust zou moeten heeten. In dit artikel is echter duidelijk aangetoond, dat deze in 1876 uitgegeven jgt;Vondelingquot; ten onrechte aan Lessing wordt toegeschreven en in stijl en gedachte ver beneden dezen moest gesteld worden.
Sime en Fischer komen dan ook beide tot de slotsom, dat Lessing zelf zijn onvoltooiden arbeid over den »Faustquot;.... vernietigd heeft, toen hij zag, dat hem de uitvoering niet
1C8
voldeed en hij op onoverkomelijke moeielijkbeden stuitte. Daaruit laat zich dan ook verklaren hoe hij eerst het in verschillende brieven laat voorkomen, alsof het stuk de voltooiing, ja de opvoering nabij was, en later op navragen daaromtrent öf geen, óf ontwijkend, of zelfs een geheel teleurstellend antwoord geeft. Wij zullen daarenboven kunnen zien. dat hetgeen dour J. J. Engel nog wordt medegedeeld als uit Lessing\'s eigen mond, over de intrigue van zijn Faust, te weinig geschikt was om den lezer en aanschouwer te boeien, dan dat de schrijver zelf er duurzaam vrede mede zou gehad hebben.
In elk geval blijven echter de overgeblevene fragmenten gewichtig genoeg, om met Stahr te beweren, dat zij het meest aan Shakespeare herinneren. Ter rechtvaardiging van dit oordeel volgen zij nu.
In de uitgaven van Lessing\'s Faust wordt het «Voorspelquot; eerst slechts in enkele regels saamgetrokken, om later uitvoerig te worden medegedeeld, na de vermelding van hetgeen behalve dit voorspel nog overig is. Ik wil ook dit voetspoor volgen, zoowel omdat elk fragment afzonderlijk kan beschouwd worden, als omdat het «Voorspelquot; eigenlijk het treffendste gedeelte uitmaakt, en daarom beter aan het slot wordt wedergegeven, ten einde daaraan nog enkele gedachten over de beteekenis er van vast te knoopen.
Xa het voorspel dan schijnt in het eerste bedrijf Faust eerst Aristoteles door bezwering opgeroepen te hebben en vervolgens andere daemonen. De halve bladzijde echter die dit fragment uitmaakt is van weinig waarde. Aangrijpend daarentegen is het 3e tooneel van het 2e bedrijf, dat nu volgt, en waarin Faust den snelsten der geesten oproept, om zijnen dienaar te zijn. Vertaald luidt dit tooneel aldus :
169
I-quot; A LIST EN ZEVEN GEESTEN.
Paus t. Gij . . . zijt gij de snelste geesten der helle ?
Alle geesten. Ja, wij.
F a u s t. Zijt gij allen zeven even snel ?
Alle geesten. Neen.
1\' a ast. En wie van u is de snelste
Alle geesten. Die ben ik!
Faust. Een wonder! dat onder zeven duivelen slechts zes leugenaars zijn. — Ik moet u nader leeren kennen.
De eerste geest. Dat zult gij ! Eens !
Faust. Eens! Hoe meent gij dat? Prediken de duivelen ouk bekeering?
De eerste geest. .Ta zeker, aan de verharden. Maar, boud ons niet op.
Faust. Hoe heet gij? En boe snel zijt gij?
De eerste geest. Gij kunt eerder een bewijs dan een antwoord hebben.
Faust. Xu, goed Zie hier; wat doe ik.\'
De eerste geest. Gij beweegt uw vinger snel dooide vlam des lichts.
Faust. En verbrand mij niet. Zoo ga ook gij en vlieg zevenmaal zoo snel door de vlammen der helle, en verbrand u niet. — Gij zwijgt? Gij blijft? — Alzoo pralen ook de duivels? Ja, ja, geen zonde is zoo klein, dat gij ze niet doet. — Tweede, boe heet gij ?
De tweede geest. Chil: dat is in uwe langdradige taal: pijl der pest.
Faust. En hoe snel zijt gij.\'
De tweede geest. Denkt gij. dat ik mijnen naam te vergeefs draag ? Als de pijl der pest.
Faust. Nu, zoo ga en wees de dienstknecht van
170
een arts I Voor mij zijt gij veel te langzaam. — Gij derde, hbe hoet gij ?
De derde geest. Ik heet Dilla. want mij dragen de vleugelen der winden.
F a u s t. En gij vierde ?
üe vierde geest. Mijn naam is Jutta, want ik rijd op de stralen des lichts.
Faust. 0 gij, wier snelheid in beperkte getallen uit te drukken is, gij rampzaligen —
De vijfde geest. Doe hen niet uw tegenzin gevoelen. Zij zijn slechts Satans boden in de lichamelijke wereld. Wij zijn het in de wereld der geesten; ons zult gij sneller vinden.
Faust. En hoe snel zijt gij?
De vijfde geest Zoo snel als de gedachten des menschen.
F a u s t. Dat is iets 1 — Maar niet altijd zijn de gedachten der menschen snel. Niet dan, wanneer waarheid en deugd ze opeischen. Hoe traag zijn zij alsdan I —- Gij kunt snel zijn. wanneer gij snel zijn wilt; maar wie waarborgt mij, dat gij het altijd wilt. Neen, u zoude ik zoo weinig vertrouwen. als ik mij zeiven zou hebben moeten vertrouwen.— Ach! (Tot den zesden geest.) En gij, hoe snel zijt gij?
De zesde geest Zoo snel als de wrake des Wrekers.
Faust. Des Wrekers? Van welken Wreker?
De zesde geest. Van den Geweldige, van den Verschrikkelijke. die zich alleen de wrake voorbehield, omdat Hij rechtvaardig is.
Faust. Duivel! gij lastert, want ik zie, gij siddert. Snel, zegt gij, als de wrake des - bijna had ik hem genoemd. Xeen, bjj worde niet door ons genoemd! — Snel zoude zijn wraak zijn? SnelV — En ik leef nog? En ik zondig nog?
171
De zesde geest. Dat Hij u nog /.onrligen laat, is reeds wraak 1
Faust. En dat een duivel mij dit leeren moetl - — Maar toch eerst heden! Neen, zijne wraak is niet snel. en als gij niet sneller zijt, dan zijne wraak, ga dan maar, — (Tot den zevenden geest). En hoe snel zijt gij \'
De zevende geest. Ontevreden sterveling, als ook ik u niet snel genoeg ben....
Eanst. Nu zeg dan, hoe snel?
De zevende geest. Niet meer en niet minder, dan de overgang van het goed tot het kwaad!
Faust. 11a! gij zijt mijn duivel! Zoo snel als de overgang van het goed tot het kwaad! Ja, die is snel; sneller is niets dan die! — Weg van hier, gij slakkon van de onderwereld! — Weg! — De overgang van goed tot kwaad! Ik heb het ondervonden, hoe snel hij is! Ik heb het ervaren!
Het denkbeeld eener keuze tusschen de snelste geesten is reeds oud en wordt in het Duitsche tooneelspel Faust en in het zoogenaamde »Puppenspielquot; teruggevonden. De uitwerking er van in bovenstaande regelen is echter zoo krachtig en scherp belijnd, Faust\'s woorden zoo meesterlijk spottend, pessimistisch en satyriek, dat het geheel Lessing\'s voorgeven logenstraft, dat hij het in de Bibliotheek van een vriend had gevonden. Reeds de opmerking: sdat onder zeven duivelen slechts zes leugenaars zijn.quot; herinnert ons aan den schamperen toon, waarop Byron later zijn Manfred de geesten doet beschouwen. Maar daarenboven is het onderscheid tusschen de lichamelijke en geestelijke wereld geheel het thema, dat wij straks ook in hot voorspel zullen terugvinden. Bovenal merkwaardig
is echter de verdere uitwerking van het denkbeeld. In het oud-Duitsche drama is de snelste daemon zoo snel als de gedachte des menschen. Den Lessing\'schen Faust is dit te langzaam. Een geheel nieuwe en veel diepere beteekenis wordt aan dat thema geschonken. Wanneer niet de onderzoeker maar de zondaar in Faust wakker wordt geschud door de snelheid van den Wrekenden God, den Almachtige, die zich alleen de wrake voorbehield, is Faust\'s uitroep: Teufel, du lüsterst, denn ich sehe, du zitterst,quot; als de nagalm van het woord der Schrift; »de duivelen gelooven ook, dat er een eenig God is, en zij sidderen.quot; En daarop geeft het schuldbesef zich lucht: »Snel zou zijne wrake zijn? En ik leef nog.\' En ik zondig nog?quot; En wat antwoordt de geestV »Dat Hij u nog zondigen laat, is reeds wrake.quot; — »Ik zou denkenquot;, laat K. Fischer op dit nitaat volgen, »dat in dit woord zelfs een doove Lessing, en h e m alleen, moest hooren spreken.quot; Voor ons, die behalve de Schrift, het Woord Gods, nog belijden het bestaan van eene natuurlijke Godskennis, hoe verduisterd en ongenoegzaam ook in zich zelve, is deze angstkreet, als de echo van hetgeen uit eiken onbekeerde bij de bliksemstralen van Gods Woord oprijst! — Maar ook in de samenspraak met den zevenden geest is eene treffende gedachte: »Niets sneller dan de overgang van goed tot kwaad! Ja. dat heb ik ervaren, hoe snel die is.quot; Is het niet alsof hier eene herinnering aan den val in het Paradijs ons tegemoet klinkt; is het niet de stille belijdenis van elk kind Gods, ziende op zijne eigene struikeling, die, door de genade des Heeren alleen, niet tot nog dieper val voerde. .Maar vooral is hierin niet de Kaïns, Ezau\'s en Judas\'gestalte te herkennen. wier schuldbelijdenis daarom zonde is, omdat zij samen-
173
valt met ongeloof aan de mogelijkheid van verlossing, met een wanhopen niet slechts aan zich zelf (want dat is juist goed!) maar aan de barmhartigheid Gods. — En zoo vallen zij niet voor den Heere in het stof, maar den Satan in de armen, en het «Ha! gij zijt mijn duivelquot; van Lessing\'s Faust is de akelige tegenstelling van het heerlijk antwoord op de le vraag van onzen Catechismus.
Toch is het voorspel van Lessing\'s Faust nog meester-lijker en bovendien een nog rijker stof voor menigvoudige toepassing.
Laat ons ook nu weder beginnen met eene vertaling er van te geven.
»Het tooneel stelt in dit voorspel voor eene verwoeste gothische Kerk, met een hoofdaltaar en zes neven altaren. Verwoesting der werken Gods is Satans wellust; bouwvallen van een tempel, waar vroeger de Almachtige vereerd werd, zijn zijn lievelingsverblijf I Juist hier alzoo is de verzamelplaats der helsche geesten voor hunne beraadslagingen. Satan zelf heeft zijn zetel op het hooldaltaar, op de andere altaren zyn de overige duivelen verspreid. Allen echter blijven voor het oog onzichtbaar; slechts hunne rauwe wanklinkende stemmen worden gehoord. Op den achtergrond alleen ziet men den koster en zijn zoon, welke juist te middernacht de klok geluid hebben.
Satan heeft zijnen Eaad bijeengeroepen om aan zijne dienaren rekenschap te vragen van hetgeen zij in zijnen dienst gedaan hebben.
Satan. Spreek op, gij eerste! Geef ons bericht, wat hebt gij gedaan?
Eerste Duivel. Satan! Ik zag eene wolk aan den hemel, die verwoesting in haren schoot droeg: ik ijlde
-174
op haar toe, verborg mij in haar donkersten hoek, dreef haar voort en hield eindelijk op hoven de hut van een vromen arme, die bij zijne vrouw in de eerste sluimering rustte. Hier verscheurde ik de wolk en schudde al haren gloed op de hut Tiit, zóó dat de lichte laaie vlam omhoog steeg en alle have van den ongelukkige haar prooi werd. Dat was alles, wat ik vermocht, Satan. Want hem zelf, zijne schreiende kinderen, zyne vrouw, die greep G-ods engel nog uit het vuur, en als ik deze zag, ontvlood ik.
Satan. Ongelukkige! Lafaard! — en gij zegt, het was de hut van een arme, van een vrome?
Eerste Duivel. Van een vrome en van een arme, Satan. Nu is hij naakt, van alles ontbloot en verloren.
Satan. Voor ons! -Ta, dat is hij voor altijd. Ontneem den rijke zijn goud, dat hij vertwijfele en schud het uit op den haard des armen, dat het zijn hart verleide; dan hebben wij een tweevoudig gewin. Den vromen arme nog armer maken, dat verbindt hem slechts des te vaster aan God. — Spreek gij, tweede! Geef ons beter bericht!
Tweede Duivel. Dat kan ik Satan. — Ik ging op de zee en zocht mij een storrn uit, waarmede ik kon verwoesten, en vond hem. Daar klonken, terwijl ik naar den oever vloog, wilde vloeken naar mij op omhoog, en als ik naar beneden zag, ontdekte ik een vloot van woekeraars (Wucherer). Snel stortte ik mij met den stormwind inde diepte, klauterde op de schuimende golven weder hemelwaarts — —
Satan. En verdronkt hen in den vloed?
Tweede Duivel. Zoodat geen enkel ontkwam! De geheele vloot verbrijzelde ik en alle zielen, die op haar waren, zijn nu uw eigendom.
Satan. Verrader! deze waren reeds de mijnen. Maar
175
zij zouden nog meer vloek en verderf over de aarde gebracht hebben, zouden aan de vreemde kusten geroofd, geschonden, gemoord hebben, nieuwe aanlokselen tot zonden van het eene werelddeel naar het andere gevoerd hebben: en dat alles — dat is nu weg en verloren! — O, gij zult terug naar de helle, duivel; gij verwoest slechts mijn rijk. — Spreek gij, derde! Bewoogt gij u ook in wolken en stormen ?
Derde Duivel. Zoo hoog vliegt mijn geest niet, Satan; ik houd niet van het verschrikkelijke. Al mijn zinnen is wellust.
Satan. Dan zijt gij slechts te verschrikkelijker voor de zielen.
Derde Duivel. Ik zag eene boeleerster sluimeren; half droomend, half wakend woelde zij rond in hare begeerlijkheden, en ik sloop naar haar leger toe. Opmerkzaam luisterde ik naar eiken ademtocht, lette op elke wellustige verbeelding in hare ziel; en eindelijk — daar greep ik gelukkig het lievelingsbeeld, dat haar boezem het meest bewoog. Uit dit beeld schiep ik mij eene gestalte, eene slanke, krachtige, bloeiende jongelingsgestalte: en in deze —-
Satan (snel.) Eoofdet gij aan een meisje de onschuld Derde Duivel. Hoofde ik aan eene nog ongerepte schoonheid — de eerste kus. Verder dreef ik haar niet. — Alaar wees verzekerd! Ik heb haar nu een vlam in het bloed geblazen, die geeft zij den eersten verleider prijs en dezen bespaarde ik de zonde. Is dan eerst z ij verleid — Satan. Dan hebben wij offer op offer; want zij zal op haar beurt verleiden. — Ha, goed! In uwe daad ligt toch doorzicht. — - Daar leert, gij eersten, gij ellendigen, die slechts verderf in de lichamelijke wereld sticht! Deze
17(i
hier brengt verderf in de wereld der zielen; dat is de
betere duivel--En nu gij. vierde 1 Wat hebt gij voor
daden gedaan?
Vierde Duivel. Geene, Satan. - Maar eene gedachte gedacht, die, wanneer zij daad werd, de daden van hen allen in de schaduw zou stellen
Satan. En die is?
Vierde Duivel. God Zijnen lieveling te rooven. Eenen denkenden, eenzamen jongeling geheel voor de wijsheid levend, geheel slechts voor haar ademend, voor haar gevoelend : eiken hartstocht zich ontzeggend, behalve alleen dien voor de waarheid; u en ons allen gevaarlijk, wanneer hij eens leeraar des volks werd — dien Hem te rooven. Satan
Satan. Voortreffelijk! Heerlijk! En uw plan.\'
Vierde D u i v e 1. Zie, ik beu radeloos ; ik heb er geen Van alle zijden sloop ik om zijne ziel. maar ik vond geene zwakke plaats, waarbij ik hem vatten kon.
Satan. Dwaas! Heeft hij geen dorst naar kennis.\' (Wissbegierde).
Vierde Duivel. Meer dan eenig sterveling.
Satan. Laat hem dan slechte aan mij over. Dat is genoeg om hem te verderven. — —
Wederom staan wij eenige oogenblikken stil bij elk dei-vier samenspraken tusschen den Satan en zijne dienaren.
Welk eene stoute opvatting niet reeds van het tooneel waarop het voorspel zal plaats hebben! Die tegenstelling tusschen het Huis Gods en de raadzaal des Satans; de laatste vergadert het liefst op de bouwvallen van het eerste. Dat onzichtbare der geesten en toch zoo diep-klinkende hunner stemmen; en op den achtergrond de dienaar der kerk. die straks de gemeente in het wel ver-
vullen maar nog niet geheel verlaten tempelgebouw zal te zamen roepen. Een .schoone tegenhanger van Longfellow\'s Golden Legend ; ja zelfs, wanneer men den proloog van Lessing\'s drama naast dien van Longfellow plaatst, zou men licht op het denkbeeld komen, dat do Amerikaan de gedachte aan zijn Duitschen voorganger had ontleend.
En nu het bericht van den eersten bode en Satans oordeel daarover. Welk een treffend onderscheid niet reeds tusschen de oppervlakkige, onmenschkundige handelingen van den leerling en de diepzinnige, practische politiek van den meester. Igt;e eerste meent den godzaligen arme tot vertwijfeling te brengen door hem plotseling van alles te ontblooten en slechts vrouw en kinderen over te laten, wier zorg hem het meest zal kwellen... Doch Satan zelf ziet dieper. Hij weet, dat de eenige troost voor den arme de Heei\'e. zijn God. was; zijn eenige schat de onverwelke-lijke, onverderfelijke, onbevlekkelijke erfenis in de hemelen, bewaard voor Gods kinderen. En nu, nu hij van alles, wat aardsche goederen heet, beroofd is. ontwaakt Juist te meer de veerkracht der lijdzaamheid door het geloof in Hem. lgt;ie ten minste zijn liefste aardsche panden, vrouw en kinderen, hem deed behouden, en daarenboven nu nog veel meer de eenige hulpe is. waarop hij in de toekomst kan bouwen. En ook die hulpe zal hij nu verlaten! Neen Satan weet beter, ziet dieper; de slag, welke den arme man treft, is dezen eene vingerwijzing naar Hem. Dien hij nog niet genoeg de eere gegeven had van al zijne krachten, den dank van al zijn bezit; hier immers zon op nieuw worden bevestigd: «dat dengenen, die God liefhebben. alle dingen medewerken ten goede \', dat «de Heere kastijdt dengenen, dien Hij liefheeftquot;, »vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u ver-
178
hooge te Zijner tijd; werpt al uwe bekommernis op [fem. want Hij zorgt voor u. Zijt nuchteren en waakt; want uwe tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesehende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden.quot;
En daarom wijst de Satan de »hoogerequot; politiek aan: den rijke, die alleen aan de aarde en het aardsche hing, door alles weg te nemen, plotseling te doen vertwijfelen: want dezen, wien God iets onbekends, hoogstens een klank was, zal nu het zoeken van Hem slechts als spot, als dweeperij in de ooren klinken. Veeleer neemt hij straks het lot of de list te baat om op snellere, meer afdoende wijze het verlorene te herwinnen. En de arme plotseling schatrijk gemaakt, zal juist de Voorzienigheid Gods als een hors d oeuvre, als iets overbodigs gaan beschouwen : zijne bezittingen zijn hem niet meer een toevertrouwd goed, maar een schat, die het toeval hem schonk, en waarom zou hij dan ook niet zooveel hij kon er van genieten .\'....
Doch reeds is de 2« bode opgestaan. Want na vernomen te hebben, welke politiek Satan aanbeveelt, acht hij zijnen daad ten minste vrij wat zekerder in het voordeel van diens rijk. Had hij toch niet slaven van zijn moester voor goed in zijn bezit gebracht. Hun was immers voor goed de weg tot verbetering afgesneden, en dat /ij in dien doodstrijd niet Satan zouden vervloeken, daarvoor stond immers de menschenkennis borg, die Satan daareven in al zijne sluwheid had blootgelegd.. . Onervaren dienstknecht! ziet gij dan niet. dat Satans staatkunde in dat geval weder veel dieper gaat dan gij kunt peilen. Xiet alleen dat die menschen aan hem zich hadden verkocht; zij moesten nu zelf weder middelen zijn om anderen ten val te brengen. »Die de zonde
17!»
(loet, des Satans slaaf!quot; — En dat zij niet van hem zicli zouden afkeeren, daarvoor stond immers hunne onlescb-bare gelddorst borg. En daarenboven, welk heerlijk spel was het! Zij zouden immers door zucht naar winst nieuwe aanlokselen tot zonde van het eene werelddeel naar het andere brengen; moorden, stelen, kinderen aan de borst hunner ouders, bruiden aan hunne geliefden ontrukken. Bevordering der onzedelijkheid zou vrucht zijn van Let eerste; verwoesting van alle geluk die van het tweede, en twijfel en vertwijfeling zouden de twee groote hef-boomen zijn, waardoor daarna Satan die allen in zijn rijk zou doen dalen. En daartegenover de zeer onzekere, bijna ondenkbare terugkeer van hen, die hij als middel daartoe gebruikte. Voorwaar! het spel van Satan is altijd veel vaster, zijn rijk op grootscher (! ?) grondslagen gebouwd, zijne politiek veel gruwzamer, dan dat hem na het mislukken van zulk een schoone kans niet bijna de tranen in de oogen zouden komen van spijt. .. . »Gij zult terug, terug naar de helle, duivel! gij verwoest mijn rijk.quot; en wij zien den onbekwamen, onbruikbaren dienaar reeds van schrik terugdeinzen naar den kring zijns gelijken, waaruit bij met zooveel recht zich meende te kunnen verheffen.
En met een spottenden, ironischen glimlach om den mond vervolgt Satan: Eede du D rit ter! Fiihrst auch du in Wolken und Stürmen ?
Dritter Teufel. So hoch tiiegt mijn Geist nicht. Satan; ich liebe das Schrecklicho nicht. Mein ganzes Dichten ist Wollust.
Satan. Da bist du nur zu schrecklicher für die Seelen.
Op twee bijzonderheden in het nu volgend bericht wil ik allereerst wijzen. \'1°. Satans opmerking, waarmede hij
180
den dienaar in de rede valt, \'2°. de verhouding van dezen laatste tot zijn voorgangers.
Wanneer de 3\'\' bode zijn verhaal heeft gebracht tot het oogenblik, waarin hij het eigenlijke satanische zaad in de ziel van zijn prooi zal uitwerpen, valt Satan hem snel in de rede; »En bracht gij een meisje ten val?quot; Dat toch was het, wat Satan vreesde. Hij was beducht, dat zijn leerling nog niet zoover in da politiek was gevorderd om te weten, dat langzaam werkend vergif veel beter het doel des Satans bereikt dan de plotselinge vernietiging. Xiel de verleiding nog volvoerd, de zonde uiterlijk zichtbaar in hare gevolgen, het lichaam verwoest, maar de ziel ten prooi I Eer zacht, langzaam, ja kunstig gaat Satan te werk. De kronkelingen zijner politiek zijn die van een slang, maar het git\' van deze moet schijnbaar levenselixir zijn. Geblanket. gemaskerd, geglaceerd wil hij de zonde liefst. Verderven door het symbool der liefde, een kus. De Satan verandert zich immers ook het liefst in een engel des lichts...quot; Te ruimer haalt de meester dan ook weer adem. wanneer de leerling toont reeds genoeg van zijn lessen en voorbeeld genoten te hebben, dan dat hij zoo onverstandig en onpractisch te werk gaan /.ou als zijne voorgangers. — Vergelijken wij de daad van dezen bode met de beide vorigen. Ziet, bet uiterlijk gewicht en de kracht er van zijn verminderd I De eerste had bliksem en donderslagen noodig. de tweede een storm, en beide werden als onnutte dienstknechten uitgebannen. De derde gebruikte slecht.- — «een kusquot;, en hij was de »betere duivel.quot; Hij werd ten voorbeeld voor de anderen gesteld. Want ziet. Satan let minder op het middel dan op het doel, en hel doel der eersten was: »Verderben in der Körper-weltquot;, van den laatste: «in der S eel en weltquot;. Deze ge-
181
(lachte ontmoetten wij ook reeds in het andere hierboven medegedeelde fragment, in de samenspraak van Faust met de zeven duivelen. Het is de tegenstelling wederom van het woord der Schrift, maar tot anderen gericht en aldaar tot waarschuwing en redding uitgesproken: gt; Vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.quot; De /.iel meer dan het lichaam; immers het laatste geformeerd uit het stof der aarde; de eerste oorspronkelijk geschapen naar Gods beeld. Daarom ook reeds de zonde met de eerste bedreven den Heere gruwelijker, den Satan liever dan het misbruik des lichaams. Het lichaam het instrument, het orgaan van de ziel en daardoor reeds van zelf verdorven, wanneer de ziel zondigt. En daarom één dropje venijn in de wereld des geestes van meer uitwerking voor Satans rijk, dan de geheele verwoesting van wat zichtbaar, tastbaar, lichamelijk is. Het ))doorzichtquot; van den 3 \'n bode bestond ook daarin, dat hij op het doel let, al zal het eerst na geruimen tijd bereikt worden; maar zoodra dat doel in de »Seelen-weltquot; gelegen is, staat hij, al schijnt het in i d del zoo zeker niet, reeds boven hen. die plomper, onstaatkundiger, oppervlakkiger in het verderf van het lichaam en van het aardsche leven bevordering van Satans rijk zagen. — Hoe geheel anders en toch veel juister is deze beschouwing, dan onder ons menscben van nature, door des Satans toe-doen immers, gangbaar is. Een langzame hongerdood roept afgrijzen teweeg, eene stelselmatige onthouding van geestelijk voedsel wordt bjjna niet geacht; vervalscbing, vergiftiging van levensmiddelen roept elke huismoeder en huisvader wakker: ketterij, hetzelfde op het gebied des gee.-tes, wordt als iets onverschilligs beschouwd; wat de
182
strafwet, de publieke opinie veroordeelen, maakt u een misdadiger; wat in het gemoed overlegd, in de binnenkamer besproken, in het verborgene overlegd is, als het maar geen gevolgen heeft, gering geacht; het utilisme op den troon, langs welke wegen ook verkregen; in één woord, wat zonde voor God den Heere is. al schijnt h^t ons onbeteekenend toe, niet de maatstaf, maar alleen wat door \'t beslagen brilglas van ons verstand en geweten kwaad schijnt . . .
Eene proeve hiervan leert ons nog eene kleine opmerking in het slot van het verhaal: »leh hab\' ihr nun eine Plamme ins Blut gehaueht, die giebt sie dem ersten Verfübrer preis und diesem spart\' ieh die Simde.quot; Het is of wij niet deze laatste woorden op eene bijzondere list des Satans gewezen worden, waarmede hij in onze dagen bepaaldelijk op het gebied der onzedelijkheid de publieke opinie vergiftigt en het oordeel over de zonde vervalscht door nu ook alle smaad en schande op de ontuchtige vrouw te doen nederkomen, den man. den jongeling »de zonde te besparenquot;, en aldus met dubbele maat te wegen.
Maar wij komen tot het verhaal van den laatsten bode. Drie punten schijnen ons daarin van belang: 1quot;. Wat voor een jongeling «Gottes Liebling\'\' genoemd wordt, \'2°. waarom zulk een juist gevaarlijk is voor het rijk des Satans, 3°. door welk middel alleen maar juist zeker zulk een jongeling ten val wordt gebracht. De schildering van dengene, die den Heere behaagt, schijnt als een nagalm van spreuken TI: »Mijn zoon! zoo gij mijne redenen aanneemt, en mijne geboden bij u weglegt, om uwe ooren naar wijsheid te doen opmerken: zoo gij uw hart tot verstandigheid neigt: ja zoo gij tot het verstand roept, uwe stem verheft tot de verstandigheid; zoo jfjj haar zoekt als
183
zilver, en naspeurt als verborgene schatten : dan zult gij lt;le vreeze des Heeren verstaan, en zult de kennis van God vinden. Want de Heere geeft wijsheid; uit zijnen mond komt kennis en verstand. Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een schild dergenen, die op-rechtelijk wandelen; opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg zijner gunstgenooten bewaren.quot;
Toch bespeurt men een verschil tusschen deze woorden en die van Lessing. Bij den laatste wordt alles verwacht van de inspanning, het streven, het karakter van den mensch. Kaarde Schrift daarentegen »geeft de Heere wijsheid; uit Zijnen mond komt kennis en verstand.quot; Aldus echter verbeterd blijft zeker een dergelijk jongeling bovenal gevaarlijk voor Satan en zijn rijk; ja zelfs de gedachte een dergelijk persoon, die als leeraar des volks van zoo grooten invloed zou zijn, «onschadelijkquot; te maken, mag gelden als grooter dienst aan de machten der duisternis bewezen, dan rookende bouwvallen en schipbreuk ja, dan de gansche wereld der ontucht door de lont van een onreine begeerte in gloed gezet . Daarom vindt bij Lessing de Satan reeds die gedachte svoortreffelijk, heerlijk.quot; En leert wederom de Schrift het ook niet, hoe geen beter macht tegen de zonde en hare gevolgen van den Heere verordend is dan juist de leeraars des volks in huizenen scholen en kerken? Van God zelf immers wordt getuigd: »wie is een Leeraar gelijk Hij ?quot; En Hij gaf dien «Leeraar der gerechtigheidquot;. Christus Jezus, uit r- Wien geschonken worden ook »de leeraars tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.quot; En die daartos door den Heiligen Geest bekwaam gemaakt werden, «zullen blinken als de glans des uitspansels\'\', ja als de grootste troost voor het volk in Zion
184
wordt naar Jesaja 30 genoemd. »dat de Heere wel n lieden brood der benauwdheid en wateren der verdrukking quot;even
O O
zal; maar uwe leeraars zullen niet meer als met vleugelen wegvlieden; uwe oogen /uilen uwe leeraars zien.quot;
Het komt er maar op aan, dat van die leeraars getuigd kan worden, dat zij den Heere behagen, en in geenen deele don Satan, Dat hun woord het zuivere, voedzame, eeuwige woord des Heeren zij! En nu geen ander middel kent bij Lessing de Satan zelf om de leeraars »onschadelijkquot; te maken dan de sWissbegierdequot;; maar dit middel is dan ook »genug zum Verderben.quot; Een rijk thema tot menigvuldige toepassing. Wij bepalen ons slechts tot herinnering wederom aan het woord der Schrift, alhier bevestigd, dat er ook »valsche leeraars onder u zullen zijn, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenend, en een haastig verderf over zich zeiven brengende en velen zullen hunne verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.quot; En ligt niet reeds in de zonde van het Paradijs de kiem juist verscholen van die begeerlijkheid waardoor men andere dingen, op andere wijze, en met een ander doel »wetenquot; wil of als «wetenschapquot; meent te moeten zoeken, dan de Heere vergunt Het sik moetquot; en »ik wilquot; trad allerwege in de plaats van: »mag ik?quot; Wie onzer is hierin zonder zonde? En bet gevolg is: dat »brood der benauwdheid en wateren der verdrukkingquot; juist aan de gemeente des Heeren onthouden worden; daarentegen de herderloosheid en de ban die op zoo menig leeraarsambt ligt, de vervulling soms schijnen van de bedreiging, dat »uwe leeraars als met vleugelen zullen wegvlieden, en uwe oogen uwe leeraars niet meer zullen zien.\'\'
185
Om tot Lessing terug te keeren, merkwaardig blijft het verschil tusscheu het karakter van zijn Faust en die van Marlowe en (roethe. Terwijl toch de laatste zijn drijfveer zoekt in de begeerte naar genot; de eerste naar macht, is het bij Lessing de zucht naar kennis, die den held ten val brengt. Hiermede dunkt mij, is ook Lessing\'s eigen beeld ais het ware in den door hem geschetsten «jongelingquot; wedergegeven. Jammer slechts, dat hij dezen niet als zijn spiegel gebruikte en daardoor de wensch van Goeze niet vervuld werd, dat ook uit dezen Saulus (den begeerlijke) een Paulus (de geringe) zoude worden, opdat op de bouwvallen zijner eigen wetenschap het eenige fundament ook der wijsheid: »de vreeze des Heerenquot; in Christus Jezus gesticht werd.
Volgens de mededeeling van den hierboven reeds genoemden J. J. Engel is nu »Satan veel te vol van zijn plan, den bedoelden jongeling ten val te brengen, dan dat hij nog het bericht van de overige duivelen zoude willen hooren. Hij heft de geheele vergadering op; allen moeten hem tot uitvoering zijner groote voornemens bijstaan. Hij houdt zich geheel overtuigd van den goeden uitslag bij de hulpmiddelen, die hem macht en list geven. Maar de engel der Voorzienigheid, die onzichtbaar over de bouwvallen gezweefd heeft, verkondigt nu de vruchteloosheid van Satans pogingen met de plechtig maar zacht uitgesproken woorden, die uit de hoogte naar beneden klinken : »Oij zult niet overwinnen.quot;
»Zoo vreemd.quot; vervolgt Engel zijne mededeeling, gt;al.s het ontwerp van dit eerste tooneel is, is het plan van het geheele stuk. De jongeling, dien Satan zoekt te verleiden is, gelijk gij dadelijk zult vermoed hebben, Faust: dezen
18()
Faust doet de engel in een diepe slaap verzinken en schept in zijne plaats een schijnwezen (Phantom), waarmede de duivelen zoo lang hun spel drijven, tot het op het oogen-blik, waarin zij zich volkomen er van zullen meester maken, verdwijnt. Alles, wat met dit schijnbeeld geschiedt, is droomgezicht van len slapenden, werkelijken Faust: deze ontwaakt, als reeds de duivelen zich beschaamd en woedend verwijderd hebben, en dankt de Voorzienigheid voor de waarschuwing, die Zij door een zoo leerzamen droom hem heeft willen geven. Hij is nu vaster verknocht aan waarheid en deugd dan vroeger.quot; — «Over de wijze hoe de duivelen het plan der verleiding uitspinnen en volbrengenquot;, eindigt Engel zijn brief aan den uitgever van Lessing\'s nalatenschap, zijn broeder, »moet gij geen bericht van mij verwachten: ik weet niet, of mij hier eer het verhaal uws broeders of liever mijn geheugen in de steek laat; maar inderdaad ligt alles wat mij daarvan voorden geest zweeft, te zeer in het duister, dan dat ik zou kunnen hopen het weder aan het licht te brengenquot;.
In de hoofdzaak komt hetgeen T. Blankenburg mededeelt als den verderen loop van het stuk hiermede overeen, en wat ook verder door Lessing\'s eigen hand aangestipt is. doet ons vermoeden dat in zijn Faust 1quot; de Satan niet overwint en \'21 deze door een schijnbeeld misleid wordt. Het denkbeeld van de »redding van Faustquot;, die ons ook »de nieuwjaarsnacht van een ongelukkigequot; van Jean Paul in herinnering brengt, wordt ook, gelijk men weet. in het 2 ■ deel van Goethe\'s Faust, die i 1 jaar na de uitgaven van Engel\'s bericht en Lessing\'s ontwerp verscheen, teruggevonden. Men ziet, dat alzoo Lessing het eerst dit plan heeft in den zin gehad. - üe wijze waarop hij echter dit wilde uitwerken, kon op den duur
187
noch den lezer noch den schrijver voldoen en van daar dal hij, waarschijnlijk dit inziende, tot staking zoo niet tot vernietiging van wat hij vervaardigde, besloot.
Wat echter uit het oogpunt van kunst moge schijnen niet uitvoerbaar te zijn. met een schijnbaren, in plaats van met den werkelijken Faust de handeling te doen plaats hebben, pleit aan de andere zijde juist vóór de opvatting van Lessing, in zooverre deze van meet af aan de Almacht Gods en zijne Voorzienigheid over wie Hem toebehooren tegenover den Satan en zijn rijk predikt, en Faust ook niet door een soort van vagevuur, maar door een gezicht gered wordt uit het gevaar, waarin hij zich zelf. aan zich zelf overgelaten, zou gestort hebben.
Moge voor menigen lezer van Lessing\'s Faust deze fragmenten dezelfde vrucht hebben, als voor dien »jonge-lingquot; dat droomgezicht; dat zij hem op zijn weg stil doen staan, niet echter om, gelijk Lessing zelf bleef doen, bij het schemerlicht van eigen wijsheid zich zelf te willen kennen, door het dwaallicht eener valsche wetenschap verleid, aldus in het moeras van een eigen »evangeliequot; bij eiken tred dieper weg te zinken! Veeleer terug of vooruit naar de Schrift zelve, om, daarin door den Heiligen Geest geleid, tot den Christus gebracht te worden als zondaar ook door de »begeerlijkheid naar den boom der kennissequot;, om, door Hem verlost en geleerd, een ^leerjongen Christiquot; te worden, een leeraar, zijn volk ten zegen, in welk ambt of omgeving hij ook geplaatst is. Dan is ook hem het Schriftwoord, hierboven geplaatst, kompas, wapen en toetssteen te gelijk.
W. VAN DEN BERGH.
T K E K AI IJ !
HOOGL. 1: 4
Trek. o Heiland, trek ons harte,
Dat we U volgen overal;
Wat ons dreige, wat ons tarte.
W at ons smade, wat ons smarte, Wat ons wonde of grieven zal.
Niets, niets moet van C ons scheiden!
Gij alleen 7,1 jt alles waard.
Wil ten Hemel ons bereiden !
Blijf maar uwe hand ons leiden, Hemelvree geeft ze ook op aard.
Aug. 1874. E. F. H. Wi
B IJ SCHRIFT
BI.I TEN
,.!gt; MEMORIAM.quot; \')
Weer is een van de getrouwste medearbeider# aan de Magdalena ons ontvallen. Cohen Stuart is heengegaan. Schuurman is niet meer in ons midden, om van onzen Heldring niet te spreken. Nu is ook de plaats van onzen vriend J. J. van Oosterzee open.... Ieder weet. hoe gaarne ook hij iets afstond voor ons Evangelisch Jaarhoekjequot;. aan Steenbeek\'s belangen gewijd, \'t Was nooit moeielijk iets van zijne hand te verkrijgen, wanneer hel op de eene of andere wijze kon dienen, om eene zaak te steunen of te bevorderen, die de uitbreiding van het Godsrijk ten doel had. Hij schreef gaarne, gelijk hij gaarne sprak, en nimmer ontbrak het hem aan belangrijke stof, evenmin als aan belangstellende lezers. Een »Magdalena,quot; waarin hij ontbrak, was in zeker opzicht ook niet volledig, immers zoolang hij nog iets geven kon : en een «Magdalenaquot;. met eene bijdrage in proza of poëzij ook van hem, had juist daardoor voor niet weinigen verhoogde waarde. Thans rust die pen. die vele jaren lang zoo weing rust heeft gehad en steeds in den dienst van
\'j Zie lilz. I
190
bet Ware, Schoone en Goede zich bewoog, gelijk thans die mond zwijgt, die zoo talrijke malen aangrijpend, treffend en juist wist te spreken.
Toch bevat deze »Magdalenaquot; voor 1883 nog eene bijdrage van onzen ontslapen vriend, al is zij dan ook niet door hem zeiven ingezonden, tk kan daarbij niet stilzwijgend toeschouwer blijven. Z:j had eigenlijk door mij ingezonden moeten zijn, met eeu bijschrift van mijne hand, waardoor ik haar dan zou hebben ingeleid bij den belangstellenden lezer. Het is door een onwillekeurig misverstand, echter buiten de Eedactie van de »Magda-lenaquot; om, dat thans de bijdrage en het bijschrift afzonderlijk verschijnen. Het bijschrift terughouden, dit kon ik niet van mij verkrijgen.
In 1880 vierde onze ontslapen vriend met betrekkelijk groote opgewektheid de gedachtenis van zijn veertigjarig Doctoraat in de theologie. Den dag, waarop het juist veertig jaren geleden was, dat ik als een van zijne beide Paranymphen bij zijne publieke promotie aan zijne zijde stond, bracht ik hem een bezoek, juist op het uur, dat ons veertig jaren geleden in bet toenmalige groot Auditorium vereenigd zag. Het was mij. als stonden wij daar weder, en ik vergeleek het toen en het thans.... en toen ik hem nu op zijne studeerkamer achter zijne schrijftafel zag zitten, en hem daar de hand drukte en dacht aan hetgeen ons voor veertig jaren vervulde, kostte het mij een oogenblik moeite, geheel en al blijdschap te zijn. Maar spoedig waren wij beiden over de «tristiaquot; heen en druk in gesprek over „ hetgeen dan toch niet was veranderd.
191
Ongeveer een jaar later, ook in de Junimaand, was het voor mij veertig jaren, sedert ik den doctoralen graad mocht verkrijgen Eeeds vroeg in den morgen van den in stilte voor mijzelven gevierden gedenkdag ontving ik van mijn vriend van Oosterzee, den overgeblevene van mijne twee Paranymphen, de opwekkende en deelnemende regelen ter gedachtenis van den Juni 1841, welke
men nu op de eerste bladzijden van deze »Magdalenaquot; kan vinden. Dat het onderwerp mijner Dissertatie hem voor den geest stond, zullen wel de meesten begrijpen. De Opstanding van onzen Heer Jezus Christus, dit had ik ter behandeling gekozen, nadat hij zijne Dissertatie over de geboorte onzes Heeren Jezus Christus uit de Maagd Maria had geschreven. De Opstanding onzes Heeren uit het graf, zijne lichamelijke opstanding ten derden dage... zie, wat wij ook in die veertig jaren hadden gehoord en gelezen, wat ook door ons hoofd en ons hart was gegaan, wat men ook van verschillende zijden tegen die opstanding als historisch feit had in het midden gebracht, altijd was bij ons blijven vaststaan, dat onze Heer werkelijk op den derden dag lichamelijk uit het graf was verrezen, opgestaan als de overwinnaar van de zonde en den dood. Waarin wij beiden ook, wat methode of resultaat van studie betreft, van elkander mochten verschillen, wij verschilden niet (wat de hoofdzaak betreft) in de wijze, waarop wij meenden het feit der Opstanding onzes Heeren te moeten handhaven, evenmin als in de bepaling van de waarde, die wij aan dat feit hadden te hechten. Van alle zijden hadden wij beiden de zaak jaren lang bezien, in allerlei verband haar beschouwd en overdacht, en nog altijd konden wij, veertig jaren na onzen Academietijd, elkander op het Paaschfeest begroeten
192
met het woord, waarmede eens de tien discipelen de Emmaüsgangers hadden ontvangen Op zichzelf was dit nu zeker niets merkwaardigs. Wij hadden het gemeen met vele duizenden. Maar dat van degenen, die vroeger óók aan onze zijde gestaan hadden, die in vroeger jaren óók de Paaschliederen hadden gezongen met een geloovig hart, nu sommigen tot eene geheel andere overtuiging waren gekomen, dit hield ons menigmaal bezig en gaf ons weer aanleiding, om op nieuw te vragen, of wij ons dan werkelijk zoo in onze wereldbeschouwing vergisten en zóó geheel hadden misgetast in ck* waardeering van het fundament onzes geloof\'s en onzer hoop... Wij eindigden toch steeds met ons te verblijden in hetgeen wij hadden mogen behouden en bewaren, namelijk ons geloof. en twijfelden geen oogenblik. of bet door ongt; gepredikte Evangelie van den gekruisigden en opgewekten Zaligmaker der wereld zou eenmaal op de meest volkomen wijze openlijk gerechtvaardigd worden door niemand minder, dan door den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus zeiven.
Het was onder den indruk van dergelijke overdenkin ■ gen, dat onze vriend mij het »In Memoriam toezond, waarvoor ik hem ook nu nog dankbaar blijf. Het verheugt mij, dat tegen de plaatsing daarvan in de »Mag-dalenaquot; geenerlei bezwaar is gerezen. Met betrekking tot de laatste regels herinner ik alleen nog, dat van Oosterzee reeds vele jaren geleden verklaarde, boven alles begeerlijk te achten, dat de Heer zelf zijn schrijven mocht goedkeuren. De inleiding tot zijn Leven van Jezus eindigde met de woorden: aDe fabel zegt, dat aan Thomas Aquinas het voorrecht te beurt viel. na het schrijven van zijn dogmatisch hoofdwerk eene verschijning van den
\'i
Heer /.elven te ontvangen, die zijnen arbeid goedkeurde met het woord; «Bene de Me scripsisti, Thoma!quot; (Gij hebt goed over mij geschreven, Thomas!) — Men ziet, nog altijd was onze vriend van hetzelfde gevoelen, als vroeger. Keurt de Heer uw schrijven goed, laat men dan
maar afkeuren, verdacht maken, blaffen zelfs____ Wij
zeiden het meermalen tot elkander: het komt ten laatste op de »kritiekquot;\' onzes lieeren Jezus Christus aan, daar van haar afhangt, of men de Kroon des Levens ontvangen zal.
Die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden !
J. 1. Dokdes.
October ISfö,
HOOGER-OP. ITerugblik op de Plaat tegenover blz. 114.1
Gij gaat, mijn kind, dus stadwaarts henen;
Ons dorp is u te klein (Zoo heeft het mij althans geschenen)
Om dienend hier te zijn.
Gij wenscht naar hooger-op te streven.
En zoo gij \'t eerlijk kunt,
Dan zij ook in dit aardsche leven
U dit van God gegund.
Maar om in hooger kring te komen,
Ik zag het menig keer.
Wordt vaak een muntstuk aangenomen.
Niet gangbaar bij den Heer.
Men koestert een hoovaardig wezen.
Men breidelt niet den lust.
En \'t kleed der schande geeft te lezen,
Dat men de wereld kust.
Behoede u God op al uw wegen
Voor dit rampzalig lot,
En gij, — vliedt met uw ziel Hem tegen,
Houdt vast aan zijn gebod.
Ga hooger-op aan Jezusquot; zijde;
Hij is de beste Vriend,
Die, dienend, eeuwig loon bereidde.
Wie \'t best hier heeft gediend.
W. H. Kirberger.
HET ONZE VADER NAAR MATÏHEUS.
In het eerste vers van Mattheus\' zesde hoofdstuk lezen wij: i\'Zorgt dat gij uwe barmhartigheid niet doet in het oog der menschen, om door hen gezien te worden!quot;
Wat beduidt dit barmhartigheid doen\' Deze uitdrukking onderstelt, dat er barmhartigheid te doen is, dat wij in eene wereld leven, waarin ellende heerscht. — Welnu, om deze ellende te verhelpen, zoo leert deze prediker, moeten wij niets in het oog vallends, niets bijzonders uitvoeren. Anders, dit volgt onmiddellijk op die woorden, hebt gij misschien wel loon, wel voldoening in het oog der menschen en bij de menschen, maar niet bij uwen Vader, die in de hemelen is. Met andere woorden: alle bijzondere bemoeiing, alle werk bestemd om de ellende door verbeterde toestanden te vervangen, is menschen-werk. Gods werk is de toestand zoo als hij is, en wie dit erkent, ontvangt loon van God; hij geniet rechtmatig wat God hem in dit leven geeft. Maak dus, zoo !AZCIi verder, maak dus geen gerucht van uw liefdewerk, kondig geen programma af van hetgeen er te verrichten is, laat niet vooruit de trompet steken, als voor eene legermacht, die m aantocht is^ uit. dat doen de hypokriten in de vergaderingen en op de straten om bij de menschen een\'
4
goeden dunk omtrent hun\' persoon te doen ontstaan, liereiken zij dit doel, dan is die dunk hun loon; maar het loon, dat God geeft in het rechtmatig genot van goed en eer, zijn zij kwijt.
Hoedanige lieden zijn die hj-pok riten? Naar de oorspronkelijke beteekenis van het grieksche woord zijn het zoodanige lieden, die aan dit leven eene uitlegging geven : die dit leven als een\' text beschouwen, dien zij te verklaren en goed te maken hebben; die den gegeven toestand niet stil aannemen, maar daarover veel woorden in het midden brengen en dan ook naar den inhoud dier woorden gebundeld willen zien. Zij beleggen vergaderingen, sluiten vereenigingen, en van hetgeen daar beraamd en beoogd wordt, ziet men weldra de uitwerking in het openbare leven, op de straten van het maatschappelijk verkeer en tot in het staatsbeleid toe.
Maar uw werk der barmhartigheid, zoo lezen wij verder, besta niet in iets uitwendigs, in iets ruchtbaars en zichtbaars : uwe linkerhand verneme niet wat uwe rechter doet: gij zelf moet niet weten, dat gij iets bijzonders verricht. Dat werk is dus een stil werk, hetwelk in het ver-horgen omgaat, waarbij niets anders wordt gemaakt, dan bet is. — Maar dat verborgene, waar de menschen niet genoeg aan meenen te hebben, dat de menschen aan het licht gebracht wenschen te zien, opdat daaruit, als uit een verborgen schat, de verbetering der maatschappij voor den dag worde gehaald, — dat verborgene is niet verborgen voor Gods oog, en wat gij uit die duistere diepte zoudt meenen aan het licht te moeten brengen, zal Hij zelf wel maken; dat te doen geeft hij niet uit de handen, en zoo bekomt gij uit Zijne hand alles wat gij in stil vertrouwen Heiu te doen liet.
Maar evenwel te ontkennen is het niet; de mensch, hoe
«•eloovig vertrouwend ook. draagt leed van de ellende, die hij in de wereld ziet heerschen, en die hij aan en in zich zelf ervaart. Er is in hem een eiseh, een kreet, welke verbetering dier ellende vordert: hij wil het goede zien hij wacht dat goede van een\' God in den hemel; hij bidt het van Hem af. Er is een bidden, dat in wijziging van den toestand verhooring wil zien, en meent dat het gebed niet verhoord is, wanneer de omstandigheden niet naar den eisch van den bidder geschikt worden. Dit echter is weder het zwak van die hypokriten, die de wereld naar bun zin uitleggen : wat zij voor de menschheid begeerlijk achten, brengen zij onder de lieden ter sprake: de wereld moet weten, welke verbeteringen zij wachten, — en zoo behalen zij, alleen reeds door in het openbaar herstel te eischen. dank bij de menscben.
Maar gij, zoo gaat de prediker voort, maar gij, wanneer gij bidt. breng uw bezwaar en uw leed en de «plaag uws hartenquot; niet op de openbare straat : daar is het gebied niét, waar iets tot stand moet komen: wat er tot stand komen moet, de ommekeer, die plaats moet hebben, opdat alles goed zij, zoo als het is, en alles, blijvende bij het oude, nieuw worde, dat moet omgaan in uw binnenste : daar moet gij uwen eisch bevredigd, uwe begeerte vervuld erkennen, en den vrede met uwe eigene ellende en met de ellende, die in de wereld is, hervinden. Ga in uw binnenvertrek, waar gij uwe bijzondere zaken gewoon zijt af te doen. — Want de prediker onderstelt, dat de geloovige, die zich van rechtstreeksche pogingen om de maatschappij te herstellen onthoudt, eigen huiselijke zaken heeft en behartigt: weet hij van enkele ellen-digen uit de maatschappij zijne huisgenooten te maken, het is er verre van daan, dat dit hem ontzegd zou zijn. —
O
iGii dan in uw binnenvertrek, sluit de deur,quot; dat nio-mand zie, dat er iets bijzonders in u omgaat en gij bijzondere behoeften gevoelt ; een ieder meene, dat gij uwe gewone huiselijke zaken hebt te verrichten. Bid daar, stort den eisch van uw menschelijk gevoelen uit voor uwen Vader, die niet alleen in den blinkenden hemel woont, maar ook in de wereld der gedachten en der menschelijke bedenkingen te huis is, en wat daar door Hem zeiven is weggelegd, in scheppingsdaden openbaart. Zulk bidden uit zich niet in vele schoone woorden; het somt Grode niet op wat men begeert; het wil God niet binden aan een mensehenwoord, alsof God te verbidden en te bezweren ware, alsof een mensehenwoord immer een scheppingswoord kon zijn; dat dringt zich de heidensche wereldbeschouwing op; maar het is eene ijdele zelfverheffing van den mensch, die zich zijne geringheid en de wereldsche ellende niet moet ontveinzen. — Verre van daar dat uw gebed iets zou kunnen of zou behoeven te veranderen: al wat gij noodig hebt, weet God vóórdat gij het hem vraagt, en dat God het weet,, is immers een bewijs dat uw toestand en de toestand dor geheels wereld niet buiten hem omgaat, dat Hij daarvoor aansprakelijk is, en dat wat gij met redelijkheid zoudt kunnen verlangen, er reeds is vóórdat gij bidt.
i)6ij dan bidt aldus.* — Xa al het voorgaande kunnen wij niet anders verwachten, dan dat hier geen voorschrift zal volgen van een bidden, waarbij iets bijzonders gevraagd wordt, iet-, in één woord, dat er niet reeds is vóórdat men bidt: voor hetgeen bier gevraagd zal worden. behoeven de oogen slechts open te gaan en het hart ontsloten te worden, om den bidder in het genot te stellen v:.n hetgeen hjj noodig heeft.
,)Gij dan bidt aldus: Onze Vader iu de hemelen, uw naam worde gobeiligd!quot; Die aanspraak: onze Vader inde hemelen, erkent onzen hemelschen oorsprong. Van onze aardsehe vaderen, en in het algemeen van hetgeen hier quot;heneden bestaat, verwacht de bidder niets; hij rieht zich onmiddellijk tot de hoogste macht, aan welke hij en al het aardsehe het aanwezen dank weet. En nu: »uw naam
worde geheiligd 1quot;____ Zou men meenen, dat deze bede
en evenzoo de twee volgende: »uw koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk iu den hemel, ook op aarde,quot; om vervuld te worden op het bidden van een\' meiLsch wachten? Zou men denken, dat zonder die bede Gods naam niet geheiligd wordt, zijn koninkrijk niet komt, zijn wil op aarde, als in den hemel, niet geschiedt— Dus betreft de bede eeniglijk de gesteldheid van den bidder, en zij strekt om hem Gods naam als geheiUgd, zijn koninkrijk als komend, zijnen wil als op aarde geschiedend te doen erkennen Erkent hij dat, zoo heeft hij alles wat hij behoeft en begeeren kan om volkomen bevredigd te zijn.
Maar wat beteekenen die drie beden»Uw naam worde geheiligd!quot; — De wereld is in zich zelve onheilig: alleen wat in zijn beginsel, dat is in God, staande blijft, is heilig ; maar de wereld blijft in haar beginsel niet staand e, in zoo verre zij haar waar beginsel vergeet en het al in zich zelve zoekt, daar zij toch alles van God ontvangen heeft en blijft ontvangen. — Doch wordt met dit zelf bedrog der wereld iets feitelijk veranderd! Uat gevoelen der wereld is niets dan waan, het is niets wezenlijks. — Wie dit inziet, heiligt Gods naam; hij erkent Gods wezen door geenen afval, door geenen val der wereld eenigsziiigt; gekrenkt of gewijzigd. Dit te erkennen is de wereld weder in God opgenomen, met God verzoend te zien. ^ an die
were UI moakt de biddei- een deel uit; met haar is hij weder op- en aangenomen: hapert er dan nog iets aan ■zijne zaligheid?
Ook is de volgende bede: »uw koninkrijk kome Iquot; niets andere dan hetzelfde denkbeeld, van de tegenovergestelde zijde beschouwd. De komst van Gods koninkrijk is het hemelsche antwoord op de daad van den aardeling, die zijnen waan ver/aakt en zijne eigen natuur in de goddelijke natuur verzwolgen ziet; dan is er geen heerschar dezer eeuw, geen aardsch koning meer: maar God alleen heerscht, de eenige koning is God, en van geenen vorst gevoelt zich de bidder onderdaan, dan van God. Zou hij dan nog meenen van menschen eenig recht of eenige liescherming noodig te hebben .\'
En als dan de aarde in den hemel opgenomen en de hemel op aarde nedergedaald is : als beiden één Kijk onder érnen Koning uitmaken, kan het dan nog de vraag zijn, of Gods wil op aarde geschiedt, als in den hemel ? — Hier op aarde doet der menschen wil zich gelden. Maar die wil gaat niet om buiten God: dat wij een eigen wil hebben, werkt niets anders uit, dan dat wij ons machte-loos en gebonden gevoelen: geen\' eigen wil te hebben tegenover den wil Gods, is zich alles vermogend en vrij te kennen. In te zien, dat onze verkeerde wil Gods wil was, en. in de bewustheid dat wij niets zijn en niets te eischen hebben en dat God alles is, voortaan heilig te leven, — ziedaar de strekking dezer derde hede.
Poch de volgende: ngeef ons heden on.s dagelijksch broodquot;, vraagt toch wel degelijk iets, dat niet bloot in de erkentenis bestaat van het wezen der dingen, waarvan de misduiding ons rampzalig maakt. Deze bede betreft een stellig .stotfelijk goed, dat on.s toekomen kan.
maar ook ontzegd kan blijven, dat er derhalve niet is vóórdat wij bet vragen, en er schijnt wel degelijk eene bijzondere beschikking noodig om ons dat dagelijksch brood te verschaffen .... Wie zóó redeneert, hoe zeer wijkt hij af van de beschouwing, die in deze bergrede heerscht, wat zeg ik? . . . zeggen moet ik: die heerscht in den Bijbel van het begin tot het, einde en bij een ieder, die waren godsdienst kent. Hier heet het: «weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult.quot; Ook dit is menschenwaan, dut wij meenen ons voedsel zelf te bestellen. De geheele wereld hangt aan Gods vinger: wat wij verrichten, verrichten wij door de macht Gods, en het is God, die het werkt door ons. Ons voedsel is voorwaarde en deel van ons bestaan; ons organisme eigent het zich van nature toe: dat het van te voren niet tastbaar blijkt aan het lichaam toe te komen, ligt eeniglijk aan ons beperkt gezicht: alles is in één, en even als voor de planten en voor het gevogelte de spijs in de elementen en op het veld bereid is, evenzeer is dit voor den mensch het geval. Dat de menscb iets eigenaardigs heeft, dat hij zich zeiven meent te verzorgen, doet ons het onmiskenbare voorbij zien: namelijk, dat hij eene plant is, die groeit en bloeit buiten haar eigen toedoen.
Maar dan moet men zich ook dat voedsel niet als in onze voorraadschuren en, om het in alledaagsche taal uit te drukken, in onzen kelder en keuken gereed denken, noch meenen dat wij het alleen dan bekomen zullen, als wij het daar in voorraad voorhanden zien; neen I het brood waar wij om bidden, en dat er is vóórdat wij er om bidden, dat brood is in de elementen in voorraad, en het komt ons langs ongeziene wegen toe, telkens zooveel
10
;ügt; wij noüdig hebbeu, eveu als wij niet meer luelit inademen, dan wij op het oogenblik gebruiken kunnen. Daarom heet het d a g e 1 ij k s c li brood, dat is toereikend tot de vervulling van de telkens tegenwoordige behoefte en niet verder strekkend.
»En vergeef ons onze schulden!quot; beter; doe ze ons af, zoodat zij niet meer voor onze rekening komen. Moet men hier denken aan bijzendere overtredingen en begane zonden? O neen! Dan zouden er onder de discipelen zijn. die, in eenvoudigheid voor hunnen plicht en voor niets anders levend, soms konden meenen, deze bede niet te behoeven te slaken. Neen! ieder onzer heeft door de geboorte eene schuld af te doen: het eigen bestaan, dat wij bekwamen, moeten wij fiode teruggeven, als het, ware, tot den laatsten penning toe. Doen wij het van stonde aan, naar den geegt;t; sterven wij dit leven af; grijpen wij den dood voor, om een nieuw leven in God te leiden, dan is onze schuld in zooverre dadelijk afgedaan. Van Gods zijde i s dit geschied, en ook deze bede igt; vervuld vóórdat wij bidden, mits wij slechts ons bestaan Gode opgeven.
Een gewichtig woord verzelt deze bede; «gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.quot; In plaats van te meenen iets van anderen te vorderen te hebben, moeten wij hunne schuld aan ons als volkomen afgedaan beschouwen. Inderdaad, wanneer wij weten Gode alles verschuldigd te zijn, hoe zouden wij dan kunnen meenen, dat een ander ons iets schuldig bleef.\' ware dit het geval, zoo zou er dan toch iets zijn, dat ik meende mij en niet Gode toe te komen, en meen ik, dat ik nog op iets aan-spraak heb. zoo is mijne schuld aan God nog niet afgedaan: diarom heet het; »want indien gij den menschen
11
hunne overtredingen vergeeft, zal uw heinelsclie Vader ook u vergeven; doch indien gij den mensehen luiiiiiü overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uwe overtredingen ook niet vergeven.quot; Intusschen, in deze woorden is een nog omvattender denkbeeld opgenomen. Er staat niet: indien gij den mensehen hunne schuld aan u niet kwijt scheldt; neen! er staat: hunne overtredingen, dat is, hunne zonden niet vergeeft, hunne afwijkingen van de goddelijke wet; hunnen val, staat er, hunnen val naast den waren weg, waarin zij staande hadden moeten blijven. Nu vergeef ik den mensehen hunne zonden niet, wanneer ik die zonden nog in hen zie: om ze hun waarlijk te vergeven, moet ik hen als niet gevallen zien! En zoo is het! de gansche wereld moet ik verzoend zien; zie ik ze niet verzoend, zie ik allen mensehen hunne overtredingen niet kwijtgescholden, het is dat ik nog eenige rechtvaardigheid bij mensehen hebben wil. Wanneer ik daarentegen mij-zelven niet in mij zeiven rechtvaardig wil hebben, hoe zou ik dan rechtvaardigheid bij mijne medemenschen vorderen? Vorder ik rechtvaardigheid by de mensehen. het is dat ik nog met waan van eigengerechtigheid behept ben, en is dit het geval, zoo heb ik mijn bestaan niet opgegeven, zoo is mijne schuld ook niet afgedaan, en God heeft mij niet vergeven.
Doch dat de bidder naar Jezus\' voorschrift vergeven heeft en hem vergeven is ; dat hij boven alle zorg en schuld verheven, in de hoogste wetenschap ingewijd, met Oud en de wereld verzoend is, zulks onderstelt het geheele gebed. Maar wie alzoo tot den hemel toe verhoogd is, hij loopt gevaar tot de hel toe nedergestooten te worden. Immers in den hemel overgeplaatst, meent hij de aarde aanvankelijk tot een hemel te moeten m a k e n door maatregelen,
I\'J
strekkende om hier beneden rec-ht en gerechtigheid uitsluitend te doen heerschen, door onderwerping aan de leer der waarheid te vorderen en de erkentenis van zijnen persoon als tolk en wreker der waarheid te verlangen.
Deze waan is de hoogste misleiding. Hij wien de aarde niet bloot door het geloof reeds hemel, wie zelf niet bloot door het geloof hemelling is, wie maatregelen nemen wil om den hemel op de aarde te veroveren en zich als een engel Gods aanstelt, hij viel voor de verzoeking van den Booze, hij stortte van den hemel in de hel. Daarom volgt als laatste bede: «en breng ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze!quot; De verzoeker is de Geest der menschheid, in zoo verre zij van God is afgekeerd en de medegekregen scheppingstaak naar eigen zin tot eigen eer en lust meent te vervullen, — en dat de verzoeking zoodanig is, wordt bevestigd door het onmiddellijk aan de Bergrede voorafgaand verhaal van Jezus\' verzoeking. Jezus had den doop ontvangen ; uit het water opgestegen, waren hem de hemelen geopend; bij was met aardschen voet door ile hemelpoort getreden : hij had den geest, niet den geest van beneden, waarvan de slang het symbool is, maar den geest van boven, door de duif verbeeld, ontvangen en eene stem uit de hemelen vernomen: deze is mijn zoon. mijn beminde, in wien ik verheerlijkt word. — Was dit alles geene uitnoodiging, geene verplichting om zich alsnu ook als zoodanig te toonen, als zoodanig onderdanigheid te vorderen, die openbaringen Gods uit den hemel op aarde tot waarheid te maken ? Voorzeker daartoe moest hij zich verlokt gevoelen. Maar hij erkende die lokstem als eene verzoeking van den Satan; hij besefte, dat hij stil de hemelgave moest afwachten, zonder ze zich door een machtwoord te willen verschaffen; dat hij van den anderen
kant de micldelen, hem door God in dit aardseli bestaan geschonken, niet versmaden noch op ongewone uitkomsten rekenen mocht; dat hij zijn geloof uitsluitend het ware en tot algemeen gezag geroepen achtend, in beginsel naaide algemeene wereldheerschappij streefde en zich zeiven tot den heerscher dezer eeuw aanstelde. Hij begreep, in één woord, dat hij niets gemaakts aan zich hebben, niets bijzonders stichten moest, dat hij eenvoudig moest zijn: want dat wat niet eenvoudig is, boos is, en dat het eenvoudige tegen hetgeen niet eenvoudig is, overstaat als het licht tegenover de duisternis
ïWant (deze woorden worden aan de zes beden toegevoegd), want Uw is het koningrijk en de kracht en de heerlijkheid eeuw uit eeuw in.quot; Dat is, onder de menschen zijn koningen: de wereldverbeteraars en de handhavers van het hun dunkend ware geloof willen koningen zijn; maar er is geen koningschap, geene heerschappij dan van ü! Kracht openbaart zich in de wereld : de volslagenste naturalist miskent haar bestaan het minst: welnu, die kracht is werking van een goddelijk wezen, de Kracht is van u! En wat beteekent het woord, door heerlijkheid overgezet? Het beduidt dunk bij iemand behaald, voldoening van een bewust wezen bij bewuste wezens: die voldoening nu is niet bij ons, die goede dunk in de wereld is bij TT alleen I — Ziedaar het hoogste : de rechtvaardiging Gods bij de menschen, en de schepping even daardoor stralend in goddelijken glans, de menschheid even daardoor zalig voor eeuwig!
Renkum, Aug. 1880. W. 6. Brill.
\') Matth. 6 : 22, 23.
strekkende om hier beneden recht en gerechtigheid uitsluitend te doen heerschen, door onderwerping aan de leer der waarheid te vorderen en de erkentenis van zijnen persoon als tolk en wreker der waarheid te verlangen.
Deze waan is de hoogste misleiding. Hij wien de aarde niet bloot door het geloof reeds hemel, wie zelf niet bloot door het geloof hemelling is, wie maatregelen nemen wil om den hemel op de aarde te veroveren en zich als een engel Gods aanstelt, hij viel voor de verzoeking van den Booze, hij stortte van den hemel in de hel. Daarom volgt als laatste bede; «en breng ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze!quot; De verzoeker is de Geest der menschbeid, in zoo verre zij van God is afgekeerd en de medegekregen scheppingstaak naar eigen zin tot eigen eer en lust meent te vervullen, — en dat de verzoeking zoodanig is, wordt bevestigd door het onmiddellijk aan de Bergrede voorafgaand verhaal van Jezus\' verzoeking. Jezus had den doop ontvangen ; uit het water opgestegen, waren hem de hemelen geopend; hij was met aardsehen voet dooide hemelpoort getreden: bij had den geest, niet den geest van beneden, waarvan de slang het symbool is, maar den geest van boven, door de duif verbeeld, ontvangen en eene stem uit de hemelen vernomen: deze is mijn zoon, mijn beminde, in wien ik verheerlijkt word. — Was dit alles geene uitnoodiging, geene verplichting om zich alsnu ook als zoodanig te toonen, als zoodanig onderdanigheid te vorderen, die openbaringen Gods uit den hemel op aarde tot waarheid te maken ? Voorzeker daartoe moest hij zich verlokt gevoelen. -Maar hij erkende die lokstem als eene verzoeking van den Satan; hij besefte, dat hij stil de hemelgave moest afwachten, zonder ze zich door een machtwoord te willen verschaffen ; dat hij van den anderen
kant de middelen, hem door God in dit aardscli bestaan geschonken, niet versmaden noch op ongewone uitkomsten rekenen mocht; dat hij zijn geloof uitsluitend het ware en tot algemeen gezag geroepen achtend, in beginsel naar de algemeene wereldheerschappij streefde en zich zeiven tot den heerscher dezer eeuw aanstelde. Hij begreep, in één woord, dat hij niets gemaakts aan zich hebben, niets bijzonders stichten moest, dat hij eenvoudig moest zijn; want dat wat niet eenvoudig is, boos is, en dat het eenvoudige tegen hetgeen niet eenvoudig is, overstaat als het. licht tegenover de duisternis VJ.
»Want (deze woorden worden aan de zes beden toegevoegd), want Uw is het koningrijk en de kracht en de heerlijkheid eeuw uit eeuw in.quot; Dat is, onder de menschen zijn koningen: de wereldverbeteraars en de handhavers van het hun dunkend ware geloof willen koningen zijn; maar er is geen koningschap, geene heerschappij dan van U! Kracht openbaart zich in de wereld: de volslagenste naturalist miskent haar bestaan het minst; welnu, die kracht is werking van een goddelijk wezen, de Kracht is van u! En wat beteekent het woord, door heerlijkheid overgezet? Het beduidt dunk bij iemand behaald, voldoening van een bewust wezen bij bewuste wezens: die voldoening nu is niet bij ons, die goede dunk in de wereld is bij V alleen! — Ziedaar het hoogste : de rechtvaardiging Gods bij de menschen, en de schepping even daardoor stralend in goddelijken glans, de menschheid even daardoor zalig voor eeuwig !
Henk urn, Aug. 1880. W. G. Brill.
\') Matth. C : 22, 23.
RESIGNATIE,
Ik schep niet als in vroeger dagen
Mij zelf een toekomst meer,
Maar leg mijn hopen en mijn trachten In Uwe handen, Heer!
Naar groote dingen heeft mijn ziele
Gehunkerd en gehaakt;
En ach, in \'t groote was geen vrede; Gij hebt mij klein gemaakt.
0 laat mij kleiner nog steeds worden.
En mindren meer en meer. Mij zelf vergetend U slechts volgen, — Ik niets, — Gij alles, Heer.
Wie van ontvangen weet te leven,
Slechts hem is \'t leven schoon; In iedre gave ligt een zegen.
En \'t kruis wordt tot een kroon.
W. L. Welter Jn.
lledmisvaarl. J S80.
DE CHRISTELIJKE ISRAËLIET.
KF.NE HERINNERING AAN HET HUISBEZOEK.
Huisbezoek — zonderlinge zendingstocht door eene groote stad! In onze uitgebreide wijken buis aan buis te zoeken, waar men zijne gemeente vinden zal en een goed woord spreken, elk op zijne wijze, zaaiende aan alle wateren. Hoe verdeelen en verliezen zicb onze krachten op een zoo ruim veld. en dut, daar zoo vele andere plichten op ons rusten! En tocb acbt ik \'t een gewichtig deel van onze taak, en eindig bet doorgaans met genoegen, nadat ik bet met zekeren weerzin begon.
Vooral zie ik wel wat op tegen het huisbezoek in eene drukke winkelstraat, waar wij ons tamelijk misplaatst gevoelen tusschen de kalanten voor de toonbank, en zoo zelden gelegenheid vinden tot een eenigszins vertrouwelijk gesprek. Een ander doet \'t misschien beter; maar ik voor mij wil gaarne bekennen, dat mijn huisbezoek in die straten wel iets heeft van \'t machinale opus operan-dum der oude kerk.
\'t Is zeker zeer egoïstisch, wanneer ik mij soms heimelijk verheugen kan, dat de kleinhandel, — tabak en boeken uitgezonderd. — zoo overwegend in de banden van
k;
Koomschen eu Joden is. Ik heb dau tea minste diiar alleen naar dienstboden en winkelbedienden te vragen, en word bijna zonder uitzondering vriendelijk, al is \'t soms met eenkfe bevreemding, ontvangen.
O O O
Zoo was \'t weer bij protestanten, in eene winkelstraat, toen ik naar de kaart van het land vroeg; «Hier naast behoeft gij niet te gaan, en de twee volgende huizen ook niet. Al te maal Joden.quot;
«Maar de dienstboden?quot; vroeg ik, Ja! dat wisten zij niet. Ik ging \'t dus zelf vragen.
In éen dier winkels, den aanzienlijksten der drie, ontving mij de heer des huizes zelf, en zeide, dat hij door het onverwacht vertrek der andere, op \'t oogenblik maar éene Christen dienstmaagd had, die Luthersch was.
Ik teekende dit op in mijn wijkboekje, en stond op het punt, om met een vriendelijken groet heen te gaan. De Luthersche behoorde immers niet tot mijne schapen ? En als men er zoo vele duizenden heeft, is t niet te verwonderen, dat men er geen vreemde bij neemt, al prijs ik \'t in mij zeiven niet.
Maar de vriendelijke Israëliet hield mij terug, en verzocht mij, even met hem binnen te gaan. Toen wij daar vrij waren, zeide hij: »Ik wilde u iets van dat meisje verhalen; dan zult ge haar misschien op mijn verzoek wel eens willen spreken.quot;
»Gaarne, mijnheer!quot; sprak ik min of meer beschaamd; »Maar wat is er dan met haar ?quot;
»Dat zal ik u zeggen. Ik had al meermalen geld gemist uit de winkellade, en begreep eindelijk, dat \'t in huis schuilen moest. Toen ik nu daarop waakte, ontdekte ik spoedig, dat het een complot was tusschen de twee meiden. De oudste heb ik terstond weggezonden. In een open
17
huis moet men zijne huisgenooteu kunnen vertrouwen. Ik heb \'t echter niet aangegeven. Die eens gezeten heeft, is voor de maatschappij verloren. Maar ik kou er niet toe besluiten, om ook de jongste op straat te zetten. Zij is eene wees van zeventien jaren, en uit allrss was mij gebleken, dat de oudste haar had verleid. Getuigen vooreen anderen dienst kon ik als eerlijk man haar niet geven ; en zag ik haar later als dievegge opgebracht, of als een veile deern op straat zwerven, ik zou in mijn geweten niet vrij zijn. Daarom heb ik t gevaar er aan gewaagd, en houd haar ten minste \'t half jaar uit, als er niets gebeurt, — dat zij tijdig een anderen dienst zoeken kan. En wat ik u nu verzoeken wilde, is, dat gij haar eens apart neemt en haar plicht onder \'t oog brengt naar haar geloof. \'t Zou mij zoo spijten, als zij op den dwaalweg kwam.quot;
Dat en wat ik met quot;t meisje sprak, kan ieder zich ongeveer verbeelden. Zij weende, en ik hoop, dat het eene droefheid naar God geweest zij, die eene o n berouw e lijk e bekeering werkt tot zaligheid, t Behoort tot de schaduwzijden van een zoo ruimen werkkring, dat van zoo menige vooral intieme geschiedenis de draad plotseling afbreekt, en men dien later niet terug kan vinden. Ik weet dus niet, wat er van haar geworden is. Maar wel weet ik, dat ik bij \'t afscheid den braven Israëliet hartelijk de hand drukte. Geloofde hij al niet in den Christus, er was in hem iets van den geest zijns grooten landgenoots, die kwam om op te zoeken en te behouden, wat verloren was.
Zou ieder, die den naam van Christus draagt, zoo handelen ? —• Velen zouden zeker hunne edelmoedigheid toonen, door den «diefstal in dienstbaarheidquot; niet aan te geven. Men
2
18
kan wel haast rekenen, dat dit misdrijf slechts door éen van de tien in de gevangenis wordt geboet. Maar schuilt onder die edelmoedigheid ook niet eenige gemakzucht, omdat die aangifte een zoo langen en lastigen nasleep heeft ?
Do brave Israëliet deed meer. Hij legde zich zeiven den last van quot;t aanhoudend bewaken eener verdachte op, niet zonder gevaar, om er toch nog iets bij te verliezen. En dat alleen omdat hij wist, hoe nu eenmaal de wereld, — onze zoogenaamde Christelijke wereld! — is; en hoe de verloren zoon en dochter wel in de kerk wordt zalig geprezen, maar daar buiten al dieper en dieper neergedrukt in \'t sljjk. Üt zou, als zij door den Jood was verstooten, een Christen, die \'t in een besloten huis gemakkelijker doen kon, zich haar hebben aangetrokken, het ten minste hebben beproefd? En zoo niemand dit gedaan had, zou zij dan niet licht geheel en al geworden zijn, waar men haar nn eenmaal voor hield, en erger nog ?
Moge dan Israël ons tot jaloerschheid verwekken, gelijk in Jezus\' tijd de Samaritaan het den Jood doen moest!
\'n Gmvenliacje.
C. E. van Koetsvelli.
Lgt; E W E L K O JI E V li U C H T.
Een reiziger, die eenzaam ging.
Strooide eikels langs den grond;
Eén werd een boom, die ongedacht Een vetten bodem vond.
Zijn loover boorde in \'t avonduur Het zoet gekoos der min.
En \'s middags prees der grijzen mond Zijn schaduw blij van zin.
De nachtegaal en seis en vink Zong \'t lieflijkst op zijn tak ;
Hij was de vreugde en roem van \'t dorp Door statig looverdak.
Een kleine bergstroom liep te niet In gras en varenkruid;
Dat zag een vreemde en groef een kom Voor \'t heldre water uit.
Met ruwen steen ommuurde hij Zijn kunsteloos gewrocht,
Opdat de smachtend drooge tong Haar dorst er lesschen mocht.
20
Weer kwam hij daar, en \'t frissche vocht
Met nieuwe vreugd aanschouwd,
Werd duizenden ten lafenis,
Eén zelfs tot lijfsbehoud.
Een droomer zag in stil visioen,
En lang had hij gedacht.
Een beeld, een weldaad naar \'t hem scheen
Voor zwervers in den nacht.
Hij peinsde, en wat hij had gezien,
Werd daad, werd werklijkheid.
Een baken, dat door heldre lamp
Tot verre licht verspreidt.
Was \'t denkbeeld klein, groot werd de vrucht.
En tot den heuveltop Zien reiziger en schepeling,
Naar \'t seinlicht dankbaar op.
Een onbekend, maar vriendlijk man
Sprak midden onder \'t volk Een troostwoord vol van liefde en hoop.
En van zijn goedheid tolk.
De klank, die vluchtig, ras verzwond.
Was balsem in den nood,
En redde uit vvanhoops ijzren klauw
Een ziele van den dood.
O kiem, o bron, o daad en woord
Van liefde\'s broederzin,
Hoe klein in \'t eerst, uw levensgeest Droeg vrucht tot rijk gewin.
C. S. Adama van Scheltema.
HEL PLAN VAN IS. DA COSTA\'S Y IJ F - E X -T W 1 N T I G J A REN,
KIN LIF.1) IX 1840.
Der hat es wahrlich als l\'oet
Noch gar nicht weit getneben. In dessen Versen nichts mehr steht Als er hineinffeschriebeti.
GEIBEL.
Petras schrijft in zijn zendbrief (1 Petr. 1 : 11), dat de profeten vaak zei ven onderzoeken moesten, wat de H. G. in hen getuigde; dat zij zich niet volkomen bewust waren van hetgeen zij schreven of spraken en tegenover hun eigen werk dus stonden als vreemden, als belangstellenden. Die waarheid, hoewel min of meer verloochend, is toch altijd door de Christelijke kerk vastgehouden. De wereld vond die vaak bespottelijk en de tijd heugt ons nog. dat zulke uitspraken bij velen een meesmuilenden glimlach verwekten. Doch tegenwoordig zal men dat zoo licht niet meer doen. Sedert de ongeloovigen zeiven tot de ontdekking zijn gekomen, dat bet onbewuste veel grooter rol in de wereld speelt, dan de oppervlakkige zich wel kan verbeelden, en er zelfs een filosofie van het
\'22
mill
onbewuste is ontstaan, lilijkl het ook hierin weder, hoezeer de Schrift ons den rechten weg wijst. Inderdaad, niets schijnt in on/e dagen eenvoudiger, dan dat deze schijnbare dwaasheid de hoogste wijsheid is, en wat aangaande de werking des H. G. op het hoogste gebied waarheid is, op menig terrein evenzeer van kracht blijft. De grootste geesten zijn passief en niet actief in hetgeen zij waarlijk schoons voortbrengen. Zij werken niet, zij worden bewerkt door den geest, die in hen is.
Mendelssohn, in een van zijne Keisebriefe, verhaalt aan zijn zuster, hoe hij in een dorpje van Zwitserland een prachtig orgel ontdekte en zich daar \'s avonds met fantaseren verlustigde, terwijl er niemand in de kerk was dan hij nn de orgeltrapper. .Merkwaardig is het, zooals hij zijn fantaaën beschrijft. Het is alsof iemand anders organist is geweest en hij slechts heeft geluisterd. Met al de ingenomenheid van een bewonderend hoorder beschrijft hij, hoe het ging. Nu eens in majeur, dan in mineur, straks ging het in een wilde fuga over — maar altijd is het alsof hij zeggen wil; ik speelde niet, een ander speelde met
ill
If f :
myn vingers.
Genialiteit bestaat daarom ook niet in het produceren, maar in het ontvangen en reproduceren van hetgeen men heeft opgevangen. De natuurkundigen zeggen, dat de lucht overvol is van allerlei kiemen en zaden; dat er millioenen en billioenen van die kiemen verloren gaan bij gebrek aan een geschikten bodem en gepaste omstandigheden, om die kiemen op te nemen en vruchtbaar te doen worden; dat echter, zoodra zij tijd en plaats en gelegenheid gunstig vinden, die zaden wortel schieten en opwassen, waar men ze allerminst verwacht zou hebben. Zell\'s tot in Noorwegen vindt men kiemen uit Brazilië, zoo men beweert.
P|
■ i ü
■ I\'
JU
23
Jloe dit zij, op geestelijk gebied is dit zonder twijfel waar. De dampkring is overladen met millioenen gedachten. die van God uitstroomen, men heeft ze maar voor het grijpen, de vraag is slechts: waar vinden zij een bodem des harten om ze op te nemen, wie vangt ze in een wel toebereiden akker op.\' .la zelfs kan het gebeuren. dat zij lang blijven liggen, onbedorven, bevrozen wellicht of schijnbaar dor, en plotseling waait er een zoele adem of valt er een milde regen, om ze te doen uitbotten.
Van niemand is dit meer waar dan van da Costa. Passief, receptief was hij in de hoogste mate. Zoo sterk zelfs, dat men zou kunnen zeggen: hij was de passiviteit in persoon, de passie sprak in alles wat hij deed. Van zelfreflectie en zelfkritiek zocht men te vergeefs de bewijzen bij hem. Soms heeft hij de voortreffelijkste gedachten bedorven, door er dingen bij te voegen van zich zich zeiven en geen treffender bewijs daarvoor dan de regels, waarmede hij de Poëzie beschrijft:
Gevoel, verbeelding, heldenmoed, enz.,
een couplet, waard om in gouden letteren te worden geschreven. maar gevolgd door een serie van coupletten, die tot niets dienen, dan om den eersten indruk te verzwakken.
Ua Costa liet zich meesleepen ook in zijn voordrachten en ieder onzer, dien het heugt, weet nog, hoe zonderling de zijsprongen en overgangen waren die hij maakte. »De geesten der profeten zijn den profeten onderworpenquot; scheen voor hem niet geschreven te zijn Hij nam allerlei kiemen op. ook die waarvoor bet wenschelijk zou geweest zijn. d;it zijn hart minder vruchtbaarheid aanbood. Doch
ill lliii
i I
wanneer soms de bodem, goed bereid, vrij gehouden van vreemde bijmengsels, met de rechte teelaarde voorzien, alleen vatbaar was voor bet voortreffelijkste zaad — dan was zijn passiviteit ook van het zuiverst allooi.
De schoonste proeve daarvan vinden wij in zijn Vijf-en-twintig jaren. Da Costa heeft zelf nauwelijks geweten, hoe voortreffelijk dat geheel was. Het plan drong zich onweerstaanbaar aan hem op als één geheel, als één afgerond sluk. als één doorgewerkte gedachte, en hij gaf het weder zoo als hij het ontvangen had. Doch even als er uitleggers moeten zijn, die de profeten aanhooren en nagaan, wat de Geest des Heeren door hen getuigde, zoo past bet ons, mindere .zielen, te bestuderen, wat da Costa gegeven en medegedeeld werd. Even ver als de uitlegger staat beneden den profeet, zoo ver staat de beschrijver van het plan in da Costa\'s dichtstuk beneden den dichter. God geeft — en Hij geeft door zijn uitverkoren zielen wat Hij te geven heeft — maar daarna komt de verklaarder om nederig na te gaan, te analyseren, te classificeren en zoodoende Gods werken te bewonderen.
Het gronddenkbeeld van da Costa\'s Vijf-en-twintig jaren is ook het gronddenkbeeld van zijn eigen ziel. Da Costa was door en door monarchaal. Zijn bekeering was voor alle dingen een bekeering tot den Koning der Joden, den Zoon Davids, den beloofde der vaderen. Die bekeering was niets anders dan de bevrediging van alle edele aspiraties, waarvan de wereld vol is. Wat hij had gevonden, wordt door allen gezocht,
want i)[i den bodem der ontwijde maatsciiappij
11
li Ü
till
ü
i
I
\' 11! ji j „
Ligt tevens de eenheidszucht.
mi
De vraag is maar, wie die eenheid-zucht kan voldoen. De
eenige, ilie deze eenheidszucht bevredigen kan, is Jezus Christus, de wereldmonarch, onder wiens heerschappij alleen vrede wonen zal. Doch de wereld wil wèl de éénheid, maar niet Hem die de ware éénheid kan brengen. Zij zoekt het daarom in een valsche wereldheerschappij en. in plaats van bij den Menschgeworden God, tracht zij rust te vinden bij den tot God verheven mensch. In haar reactie, in haar haat tegen het Evangelie van den Zoon Gods, beproeft zij gedurig om zich een ideaal, een afgod te maken. Heeft God zijn koninkrijk gesticht met den koning der waarheid aan het hoofd, de Satan stelt er zijn koninkrijk tegenover en maakt een caricatuur van Gods plan. Da Costa ziet in Napoleon de belichaming van dit denkbeeld, de incarnatie van den tijdgeest, het beeld van den valschen tegenover den echten wereldmonarch, en als trouwe satelliet van den Satan is hij daarom het gansche dichtstuk door in voortdurende worsteling met de ware monarchie. Napoleon en Christus — ziedaar de tegenstelling die het geheele plan beheerscht. Doch Da Costa handelt daarmede evenals Shakespeare met Julius Cesar. Men heeft Bh. verweten, dat hij den naam van Julius Cesar tot titel heeft gekozen van een drama, waarin de hoofdpersoon spoedig bezwijkt, maar terecht is daartegen opgemerkt, dat Cesar\'s geest alles beheerscht en dat de keus dus niet beter kon zijn. Eveneens in ons geval. Napoleon\'s geest - - al begint het dichtstuk met Waterloo — Napoleon\'s geest is de hoofdpersoon en dat niet zoozeer om het geniale wat Napoleon bezat en waarvoor Da Costa een open oog had, maar veeleer om de betee-kenis. die bij heeft als drager van de groote gedachten, welke de wereld bezielen. Dat Da Costa hierin recht heeft gehad en inderdaad profeet is geweest, blijkt ons met
26
eiken dag meer, en vooral .sedert de mededeelingen van Mevr. de Kemusat i.s het duidelijk geworden, koe Satanisch het hart was van den man, die met de wereld zijn gruwelijk spel gedreven heeft, meer dan Da Costa toen nog weten kon.
De jaren van 1815 tot 1840 /.ijn voor den Dichter slechts de afspiegeling van den reuzenstrijd aller eeuwen. Ook daarin is hij echt profetisch. De oude profeten zien in hetgeen hen omringt slechts den afdruk in het klein van het wereldtooneel. Edom, Moab, Amnion, de Filistijnen — wat kunnen die onbeduidende volkskeus ons verschelen? Op zich zeiven niets hoegenaamd, zij hebben hun beteekenis te danken aan den profeet, die hen tot symbool maakte van den altoosdurenden strijd tegen het koninkrijk Gorls. Zij ontleenen hun beteekenis aan hun karakter, dat door alle eeuwen heen onveranderlijk gekant blijft togen de ware wereldmonarchie. Het algeraeene krimpt tot het bijzondere samen en het bijzondere rekt zich uit tot het algemeene. Evenals de Darwinist in een amoebe en een protoplasma de hoogste levende vormen ontdekt, zoo ook de dichter.
Daarom ging aan het dichtstuk noodzakelijk de voorzang vooral\'. In dien voorzang is Israel tevens Da Costa en Da Costa omgekeerd tevens Israel zelf.
De lotgevallen van Israel en de zijne vormen een onafscheidelijk geheel Heeft Da Costa 25-jaar gezwegen t is omdat de Geest Oods zweeg. Stouter gedachte is nooit in Nederland uitgesproken en alleen de volkomenste passiviteit durfde ze uitspreken. Heeft hij het niet uitgedrukt in de woorden :
jOf omdat weer oen adem de snaar overzweefde, ■ Die heur zilveren tonen ten wederklank lokt.\'\'
27
God beademt de snaren, God spreekt en gebruikt des dichters ziel om er een echo in op te wekken. Vandaar dat hij in zijn eigen persoon Israel zelf voelt herleven. Het oude Israel, dat bij Jeruzalems val zweeg maar in Babel weer sprak; dat na den tweeden val weer verstomde maar in Spanje en Portugal den mond weer opende; dat door de Inquisitie tot nieuw zwijgen gedoemd in Nederland weer zich uitte in welsprekende tonen — dat oude Israel zet zijn tradities voort in Da Costa zelf. In Da Costa heeft Israel jaren lang gezwegen, maar ook in Da Costa wordt de Geest vaardig over Israel, omdat hij Israel is en Israël de drager van het Godsrijk, zoodat zijn getuigenis in het dichtstuk zelf een van de openbaringen is van den grooten wereldmonarch, die de val-sche wereldheerschapppij van nieuws komt bestrijden.
Want wat met zijn dichtkunst gebeurde is ook Gods gang met het bestuur dezer wereld. Afwisseling van zwijgen en spreken, nacht en dag, strijd en zegepraal — ziedaar Gods voortdurende arbeid, totdat de groote dag der eindelijke overwinning komt. Het laatste woord van het eigenlijke dichtstuk is daarom een weergalm van het begin;
«Voorzegd de donkre nacht, voorzegd het morgenlicht.quot;
Nog in een ander opzicht is de voorzang een noodzakelijke inleiding op het geheel. Aan het slot van den voorzang geeft Da Costa in een enkelen trek de betee-kenis aan van de profetische wereldbeschouwing, nl in deze woorden;
• Om aan d\'eindpaal ilior tijden oen toekomst te on\'moeten, »Din alleen vau die tijden den loop leert verstaan.quot;
Het verschil tusschen deze profetische en de weten-
\'28
scbappelyke wereldbeschouwing kan niet beter worden aangegeven, dan door de beide genoemde regels te plaatsen tegenover de bekende woorden van Bilderdijk:
lu het heden Ligt \'t verleden,
In \'t geen is wat worden zal.
De wetenschappelijke man zoekt naar het waarom, naar de oorzaken; de profeet naar het waartoe, naar het doel. De verklaring van het heden ligt voor de wetenschap in het verleden, voor den profeet in de toekomst. Er is in de wereldgeschiedenis een gang, een richting, een plan, een doel en daarom een gedachte, welke meer en meer wordt uitgewerkt door Hem, die ze vormde. De wereld is geen aggregaat van chemische bestanddeelen, die voortdurend in beweging zijn om tot een zekere rust te komen door afstooting en aantrekking — maar een organisme, dat door God gemaakt den adem, de bezieling van zijn freest ontvangt om te worden tot een levend geheel. Daarom is al wat volgt in het dichtstuk er op aangelegd te toonen. hoe God ook den strijd, den tegenstand dienstbaar maakt aan zijn plannen en dus zoowel den nacht als het morgenlicht voorzegt en bestuurt. Daarom is echter ook de strijd tusschen licht en duister, tusschen de ware en de val-sche wereldmonarchie een strijd der geesten, waarbij tijdelijke triomfen of nederlagen slechts de uitwendige openbaringen zijn van veel ernstiger kamp. De Geest van Christus komt in botsing met den geest van den antichrist.
De strijd wordt thans in al zijn fasen beschreven en duidelijk zijn daarin drie deelen te onderscheiden, die zich aan drie jaartallen hechten: 1815, 1821 en 1840.
20
I. 1815. Door de overwinning bij Waterloo schijnt dc kracht van Napoleon gebroken. Üoch het is niet meer dan schijn. In waarheid begint het gevaar eerst nu.
I)e kiüin wenl met gasinoord, maar kruipl en woeit iu \'t road Eu dreigt u\'s tijdgeest mei\'r, dau zü Doit al.s krijg bestood
U. 1821. Napoleon sterft, maar zijn geest leeft voort. Getuige de drukpers, die de teugels niet minder tiranniek in handen houdt dan Napoleon ooit heeft gedaan. Immers van haar heet het: Zie die
Verwaten Kouingiu, Gezclou op haar koets de meening als siaviu In teugels klommen en aan \'s afgronds macht verraden,
De Majesteit weerstaan, Gods ordeningen honeu, De tempels plunderen en kouingeu onttroonen.
III. 1840. Napoleon\'s asch wordt naar Parijs teruggevoerd. Jjiets meer dan asch .\' Integendeel, die asch bewijst slechts dat de Napoleontische geest voort blijft leven. Ten slotte is men even ver als in 1813. Al meende de diplomatie alles te kunnen regelen, het blijft nog even waar:
De Man,
Dio in het middelpunt zich eenmaal dwingen kan, Is meester van Euroop, is meester van heel de aarde.
Doch, tusschen die jaartallen in, bespeelt telkens Gods majesteit met vaste hand de toetsen van het menschelijk leven en vandaar, dat wij tegenhangers zien optreden van den antichrist, die tevens typen zijn van den waren wereldmonarch.
Tusscben 1815 en 1821 ligt 1817 met zijn herinne-
30
ringen aan Luther, den eenvoudigen monnik, die vermocht te doen. wat Hendrik IV en de Hohenstaufen te vergeefs beproefden. Tussehen 1821 en 1840 ligt 1830 met zijn Willem van Oranje, wiens typische beteekenis doorschemert in de woorden;
Zijn oog\' was op I , \'t zij ge a!s pa.sgegeveu kind
Teu teeken waar: van hoi\'.
Waarom toch dit pas gegeven inplaats van pas geboren. indien den dichter de uitdrukking van Jesaja niet voor den geest zweefde: een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven? Straks zullen wij zien, waarin dat typische bestond.
Xa 1840. dat met de terugvoering van Napoleon\'s asch de groote katastrofe voorafgaat, volgt dan de eindehjke overwinning, de Hnale, die een prachtige tegenstelling vormt met de schijnbare overwinning van Waterloo.
Bij \\\\ aterloo heette het:
f Oe lioudirrduuizenden outmootten zich en botseD.*\'
Tn den slotzang daarentegen:
»De laatste hoogten zijn govalleu quot;•En met zijn duizend, duizendtallen,
■■Xeemt Hij de wereld in bezit.quot;
Ziedaar in korte trekken de verdeeling van het dichtstuk. Doch daarbij valt op te merken, dat in dit door-eenstrengelen van Gods werkzaamheid en des boozen listen en lagen steeds meer uitkomt, hoezeer de wereld recht heeft in hetgeen zij zoekt, maar hoezeer zij zich bedriegt in de middelen, die zij aanwendt om baar behoeften te bevredigen : hoe rechtmatig haar honger en dorst is, maar hoe zij het brood en het levende water versmaadt, dat.
31
baar spijzen en laven kan. De reden daarvan ligt niet in een bloote vergissing, maar in den onwil van des menschen hart om Gods woord aan te nemen Daardoor misbruikt de wereld gedurig wat God geeft en maakt er een caricatuur van, ja een vergif.
De wereld wil eenheid, God wil ze ook; maar Hij verstoort de kunstmatige eenheid door Napoleon s rijk te vernielen. Doch de wereld erkent dit niet en dobbert machteloos rond na Napoleon\'s val, jubelende en juichende, terwijl de tijdgeest blijft bestaan en in bet verborgen rondwaart. God geeft zijn Luther, maar het jonge Duitsch-land begrijpt van dit Godsgeschenk niets en «joelt waar eenmaal Luther bad.quot; Napoleon sterft, maar dit Godsgericht in de onderwereld voltrokken gaat onopgemerkt voorbij, het wordt vergeten in het gejubel van 18*2.\'} over de uitvinding der boekdrukkunst. Ook deze gave Gods wordt in de handen van den antichrist een vloek, een middel tot verderf. Zoo ook straks met de ontdekkingen der wetenschap: heerlijk en grootsch, maar voor de wereld alweer een middel, om zich in haar hoovaardigheid te verheffen en geen anderen eerdienst te verkiezen dan dien van het Genie. God verijdelt echter telkens al die pogingen en vandaar dat dit rustelooze streven dei-wereld tot niets anders leidt dan een kolossaal deficit — dat in de aanbidding van Napoleon\'s asch vergeefs troost zoekt.
Doch genoeg, om den gang van het geheel te overzien. letten wij thans nog op sommige details en volgen wij den dichter op den voet.
Statig is de ouverture, waarin de slag van Waterloo wordt beschreven en die als een wereldstrijd, een waardig begin vormt voor de worsteling van alle tijden en eeuwen.
waarvan de slotsoiu wezen moet; de vertraging van het rijk des vredes. Waterloo isj .slechts een anticipatie en daarom volgt op de ouverture het eigenlijk thema van het dichtstuk :
Het zij zoo! ja de storm liebbe uitgewoed; het sswa.ird, Verpoziuglous gezwaaid, ruste eindlijk in de schede. En \'t heilig Vorstenboud verzeegle \'t. — Is het vrede.
Omdat de donder zweeg van \'t moordvcrppreidend kruid? euz.
Integendeel. Diuir is een andere wijze van overwinning mogelijk en noodzakelijk en God laat daarom op 1815 de herinnering aan 1517 volgen. Gods wereldveroveraars zijn zwakker werktuigen en toch sterker om-dut zij Zijn werktuigen zijn. Treffend komt Napoleon in zijn machteloosheid uit tegenover den man Gods. Hoe viel Napoleon\'s rijk na eenige weinige jaren in elkaar en zie, drie eeuwen zijn er verloopen; nog staat de gemeente des Heeren vast. Doch geen wonder;
Daar is een Christuskerk,
Niet in don gunst des tijds maar in haar Heiland sterk.
Doch de ware wereld veroveraars worden ook in de bidcel en niet op het slagveld gevormd. Zij weten ook. dat de strijd veel ernstiger is dan een strijd tegen vleesch en bloed. De strijd draagt een demonisch en bovennatuurlijk karakter. Demonisch, want:
Onder de aard zijn schuddingen vernomen. I)lt;\' vuurberg rookt en ronkt on dreigt weer uit te stroomen.
De revolutie leeft nog en doorwandelt als een pest-koorts geheel Europa. De reu.s bij Waterloo geveld werkt nog. Doch de lleere God zelf toont, dat de strijd geen oogenblik langer duren kan dan Hij het goedvindt.
De sluier der eeuwigheid wordt een oogenblik opge-
heven en wij zien Napoleon in de onderwereld nederdalen, waar hij ontvangen en met afgrijselijke woorden begroet wordt door de oude dwingelanden, die de wereld hebben geteisterd. Toch kan de Dichter geen afscheid van hem nemen, zonder hem een woord van hulde te brengen. Napoleon trekt hem aan door zijn grootheid. Hij zou zoo gevaarlijk niet zijn. indien hij minder beteekende. Hij is een Morgenster geweest en te droeviger is zijn val, omdat hij een heraut van den vollen dag had kunnen worden. De antitype, het tegenbeeld is hij van den waren, eeuwigen Koning, maar Juist dit bewijst zijne Satanische grootheid.
.Meer en meer krijgt echter de strijd een zuiver geestelijk karakter en wordt hij daardoor op het ware terrein overgebracht. Niet op liet slagveld van Waterloo, maar op geheel andere wijze moet de strijd beslist worden. Daarvan hebben wij reeds in Luther het bewijs gehad, nog duidelijker komt dit aan het licht in de feesten ter eere van Laurens Coster. Ook deze is in zekeren zin een type van den waren monarch. Gelijk Luther klein van kracht, is hij door het toeval (indien men Gods bestuur zoo noemen mag) tot een uitvinding gekomen, die de gedaante der wereld veranderen zal. Doch die uitvinding doet juist den strijd der geesten te vreeselijker ontbranden. De Satanische geest gebruikt de pers aanstonds, om met verdubbelde woede tegen het rijk Gods op te treden en het gelukt hem maar al te goed. getuige de revolutie van 30 in Frankrijk en Belgie.
Met dat al. God regeert en Hem staan, behalve de wapenen van Waterloo, nog andere middelen ten dienste — met zijn geesel van de cholera teistert Hij de volken ot verwart hen in hun eigen dwaasheden.
34
AVij zijn bier tot op de helft van het gedicht gekojnen en gelijk in een muziekstuk, zoo ook komt hier op eens een prachtig adagio, dat dubbel dienst doet: vooreerst geeft het een oogenblik van rust, daar schijnbaar de oplossing nu bereikt is — maar in de tweede plaats is het een profetie van de ware oplossing, die voorbereid moet worden, maar die eerst na hernieuwde uitbarstingen volgen kan. In elk kunststuk is een gebogen lyn aan te wijzen, waarvan de top in het midden moet liggen. Zoo is het in de schilder- en beeldhouwkunst, zoo is het iu muzikale en dramatische compositiën. Evenzoo hier. Het rijk des vredes, dat eenmaal komen zal, wordt hier in het midden van het poëem aangeduid, afgebeeld door de eigenaardige betrekking, waarin Willem II en het huis van Oranje tot Nederland staan. Het is bekend, hoe da Costa Nederland in menig opzicht paralel maakte met Israël. Daardoor is Nederland tevens type van de ware wereldmonarchie, indien het zijn roeping weet te verstaan.
Bij uitstek is Willlem 11 in des dichters oog geschikt, om de tegenhanger te worden van Napoleon en de prototype van den waren koning. De opvoeding van dit gegeven kind valt in de jaren 1795—1815 en is geheel buiten Franschen invloed; in Spanje strijdt hij tegen Napoleon, te Waterloo stroomt zijn bloed, te Brussel treedt hij tegen de revolutie (die geestverwant is met Napoleon) krachtdadig op. Hij is een telg van het Oranjehuis, dat met geheel andere banden aan Nederland is gehecht, dan Napoleon aan Frankrijk; banden door God zeiven gelegd en die gelijksoortig zijn aan die, welke Davids stam met Israël samensnoerden. Hij is door God zeiven beschermd en geleid, ridderlijk in zijn manieren, een man van den ouden, ongeschonden stempel. Da Costa voelt alles voor
35
een ridder. Mij zelf is ridderlijk, de huichelachtige vertooningen der diplomatie hinderen, ergeren hem. Men bezweert het zwaard in de schede, men durft geen recht doen. men w i 1 Nederland de eer niet geven, die het. toekomt, men biedt bemiddeling aan. om des te beter geweld te plegen en zijn hooghartige minachting voor goede trouw en waarheid te doen gevoelen. Doch des te liefelijker komt de betrekking uit, die Nederland aan Oranje verbindt. Het is feest in \'1840. voor Nederland een tijd van rust en vrede; een bewijs dat, wat God geeft, wat van Hem komt, stevig, duurzaam, blijvend is en dus een schoon voorbeeld van hetgeen eens over de geheele wereld waarheid zijn zal, wanneer de slotzang zal vervuld worden :
In zijne flagon dauwt liet vrede,
Fn zijne scliaduw lofzingt do aardl
Doch geljjk in een goede symfonie de periode van rust in het midden van het stuk slechts een schijnbare oplossing is, zoo ook in da Costa\'s dichtstuk. Het. is duidelijk, dat de betrekking, waarin Oranje tot Nederland staat, slechts een zeer, zeer flauwe wederschijn heeten mag van de betrekking, waarin de ware wereldmonarch tot zijn koninkrijk staat, en dit te meer, omdat aan Willem II nog moet worden gevraagd:
Hebt ye aan dieii lieer aireede uw kroon en tmon verlxindi\'ti. Die, in zijn eigen blood Verzoener onzer zonuen,
Het hart der vorsten en der volken proeft V
De feestelijke inhuldiging van Willem 11. de eigenlijke aanleiding tot het dichten van de Vijf-en-twintig jaren, is daarom echter niettemin profetie, symbool van het feest, dat de geloovigen eenmaal te wachten hebben. Van daar dat d^ Nederlandsche koning, dien Oud met Neerland
:i()
samcusniooddu iu snoereu sterker daii Partijschap t)rokcu k.jn of dolle omwentlings-bau,
een gloriekrans om het hoofd krijgt, zooals alleen de profetische verbeelding die weet te geven, wanneer van hem gezegd wordt:
Eu mi: do koning level Oranje voor altoos 1 dat ulke vijand lieve Voor d\' opslag van zijn oog, de liefde van zijn volk Kn \'t heil des Hoeren, dat hem toestraalt uit de wolk:
woorden eerder op den Koning der koningen dan op Neer-lands koning toepasselijk. Dat heil des Heeren. dat de profeet verwacht, brengt hein van het kleine tooneel des Neder]andschen volks over naar het groote wereldtooneel. Ook daar vindt men een periode van schijnbare rust even als in het kleine Nederland, en ook deze rust is door God gegeven als type van hetgeen eenmaal de hemelsche wereldmonarchie zijn zal. De prachtige beschrijving van den vooruitgang der XIXdc eeuw sluit zich voortreffelijk aan bij het voorafgaande. Jammer maar. dat ons volk meerendeels die beschrijving slechts uit bloemlezingen kent. Er bestaat een bloemlezing van .1. I\'. de Keyser, op onze hoogere burgerscholen en instituten vaak gebruikt. die de brutaliteit heeft om uit de prachtige pas-sage over den spoortrein en de stoomboot juist de laatste regels weg te laten en midden in den zin te eindigen. Daar heet het :
Ken zelfde stoom krachtvaart Sleept heel ons menschdom voort en effent heel onze aard, Hij \'t niischen van een zee muziek en langakkoordeu.
Punctum, terwijl er een komma moest staan, want on-middellijk volgt er op:
m
Si
Waar \'t lied van Strausz mee stemt en invalt mot doez\' woorden : i/ie bier n\\v Goden: kunst en kracht en industrie!
Kn voorts geeu eerdienst meer dan de eerdienst van \'t Genie!quot;
Zoo wordt da Costa aan onze jeugd onderwezen en de indruk, dien zij er van moeten ontvangen, kan nauwelijks een andere zijn. dan dat hij een vurig aanbidder was van de hedendaagsche wijsheid en tot die soort van zielen behoorde, die het Nut zoo ijverig heeft aangekweekt: op-gepronkte onbeduidendheden. Is het een schande voor Nederland, dat men da Costa ignoreert; nog liever geïgnoreerd dan dat men uit zijn verzen het hart wegsnijdt en dan beweert da Costa te hebben doen kennen. Doch het blijkt alweer, ook in dezen vorm. hoe zeer da Costa recht had aan onze eeuw toe te voegen:
In uw hoogheid moogt eij staan.
Maar spreek, wat hebt gij mot die heerlijkheid gedaanV
Zooveel is zeker, dat de verkrachters van da Costa, die bang zijn om hem te lezen in zijn geheel en te nemen zooals hij is, verre beneden den man staan, dien zij aldus trachten te verzwakken. Indien het waarheid is. dat alle verdraagzaamheid kracht is, en dat men alleen waar-deeren kan, waar men zich boven verheven voelt —• zoo t«ont da Costa hooger te staan dan de eeuw, die zijn woorden niet durft lezen. Hij staat voorwaar tegenover de ontwikkeling der XIXde eeuw niet vijandig. Wie heeft ooit in Nederland verzen geschreven, die in kracht, in gespierdheid. in woordenkeus, in fierheid, in adel, halen bij zijn beschrijving van de reuzenschreden door de wetenschap in de laatste jaren gedaan? Geen hartstochtelijk aanbidder der moderne beschaving kan bet hem verbeteren. Ja, ik ga verder dan dit: hij waardeerde ze hooger clan
de liberaalste der liberalen. Toen Paulus als gevangen man naar Konie ging en hij te vergeefs den .stuurman gewaarschuwd bad van Creta niet te varen, herinnerde hij later aan zijn raad en zeide: men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta niet afgevaren te zijn. en ilezen hinder en deze schade verhoed te hebben.quot; Doch dit is de eenigste keer niet geweest, dat een profeet wijzer was dan een deskundige. Inderdaad, als men thans in 1880 leest, wat da t\'osta in 1Ö40 schreef van den spoortrein, dan schijnt ons dat van zelf te spreken, maar toen bij in 1840 zong:
volken, stuteu
Doorkruisen meiig\'-n zicli. Ken zelfde stoomkrachtvaart
Sleept beel on-^ tnensebdom voort en effent heel onze aard.
toen zal menigeen dat als dichterlijke overdrijving hebben beschouwd, want wie in Nederland had toenmaals iets meer van spoorwegen gezien dan het onnoozele lijntje tusschen Amsterdam en HaarlemEn wie kon vermoeden, dat in 1S70 letterlijk waarheid zou worden, wat de ziener getuigde van den lokomotief:
Hij voert bevolkingen eu legers in zijn staart.
Voorwaar de dichter is hier de meest nuchtere geweest. .Men behoorde naar hem gehoord te hebben en wij zouden geen 25 jaren hebben gesukkeld, eer wij een dragelijk spoorw egnet hadden.
Mocht men den profeet althans gehoor geven, waar bij de keerzijde van dit tafreel aan onze oogen vertoont, eu daarmede den overgang vormt tot de slotscène, indien ik het zoo noemen mag. De tijd van rust, de schijnbare vrede van 1X 40 verblindt den ziener niet en wat bij verder beschrijft is niet minder waarheid gebleken. Al de zegeningen door ( Jod gegeven, al de heerlijkheden van de XIXde
eeuw zijn tjdel, wanneer dat alles tot inensch- en stof-vergoding dienen moet. Het beeld, dat zich aan ons oog vertoont, mag schitterend schijnen, in den grond der zaak zien wij overal de bewijzen van inwendig bederf. Trouwens nooit is een eeuw met grooter ophef begonnen en met treuriger deficit geëindigd, dan de onze. Het pessimisme klopt bij ons aan en dwingt ons den dichter gelijk te geven. Wij worden voortgesleept door die stoomkracht vaart en moeten vooruit of wij willen of niet, maar ten koste van hoeveel bloed en tranen. De Fransche revolutie, de Krim, Italië, Amerika, Denemarken, Pruissen—Oostenrijk, Duitschland—Frankrijk, het Oosten: de gevaren van communisme en nihilisme, alles in een woord roept ons toe. dat de dichter beneden de werkelijkheid is gebleven.
Geen wonder. Eeeds in 1840 zag hij er het voorspel van in den terugkeer van Napoleon\'s asch naar Europa, dat hem uitgeworpen had. Het spooksel van Napoleon\'s geest doemt weer op uit het rotsachtig St. Helena. Nog altijd ligt die asch daar, in weerwil van 1848, in weerwil van 1870, in weerwil van de commune en de republiek, en predikt met luider stem, dat de wereld met al haar bittere ervaringen geen haar wijzer is geworden en dat nog altijd waarheid blijft :
de Man,
Die i» liet middenpunt zich eenmaal wringen kan Van \'t weefsel zonder ga, dat onze leeftijd baarde, Is meester van Euroop, is moester van heel de aardel
Wie zal de mogelijkheid ontkennen, dat eenmaal een valsche wereldmonarch zijn schepter nog heel wat verder uitstrekke dan Napoleon durfde denken? Da Costa verbaast het niet; hij hoort reeds het gerommel van den onderaardschen donder; reeds broeit het onweer, allerlei brandstoffen hoopen
40
zich op en uitbarsting op uitbarsting mag tijdelijk veratle-ming gegeven hebben, de lucht blijft zwoel en bezwangerd met eleetriciteit:
voorzegd is de ingeschonken wijn Der gramschap, de onrust van de volken, de gernchten Van oorlog, de ijzren arm eens heerschers, cn dezuchteu Van \'t schepsel dat, vermast, het oog ten hemel richt: Voorzegd de donkre nacht, voorzegd het Morgenlicht.
Dit laatste woord bereidt de oplossing voor. De loop der tijden is alleen te verstaan uit de profetie, het heden vindt zijn verklaring in de toekomst, het plan Gods is duidelijk, veel duidelijker dan de wet van oorzaak en gevolg, waaruit bet ongeloof niet hopelooze sprongen haar wijsheid tracht te putten. De ware wereldmonarch komt; zijn nadering doet den valschen wereldmonarch telkens rade-loozer pogingen in het werk stellen, om diens komst te beletten. De eindkatastrofe moet komen. Een tweede vol-keren.slag, een grootscher Waterloo is in aantocht. De doode Napoleon is reeds alsasch, als spooksel teruggekeerd, als de echte Anti-Christ, als de tegenvoeter en caricatuur van den gestorven en levend teruggekeerden Messias. Doch dit kan den triomf van den waren koning niet verhinderen en reeds bij voorbaat zingt de dichter den lofzang op diens overwinning in die onvergelijkelijk schoone verzen van den slotzang, waaraan een Nederlandsch componist eer zou kunnen behalen, indien er nog componisten zijn te vinden, die een oog en hart hebben voor het meest groot-sche en verhevene, dat de lyrische poëzie in ons land beeft aan te wijzen. Doch ook daarin blijkt de saaiheid en onbeduidendheid van onzen tijd, dat men overal naar Oost en West uitgaat, om wat schoons te vinden en niet eens let op de diamanten, die wij hier op onze velden voor het
il
rapen hebben. Welk een muziek, welk een stoute overgang is er van de laatste woorden in liet gedicht:
Voorzegd de donkre nacht: voorzegd hot Morgenlicht, op het begin van den slotzang:
Op \'s hemels wolken zal hij komen,
Oie aan dien nacht een einde maakt.
Men hoort er, na het recitatief der voorafgaande woorden, dlt;- tonen in van het slotkoor der hemelen. Mij dunkt, de dichter maakt het ons zoo gemakkelijk mogelijk: daar is, behoudens de doorgaande lyrische verheffing, genoeg afwisseling in den lofzang, om de rijkste verscheidenheid van kleuren daarin te brengen en den noodigen climax te bewaren.
Het geaccentueerde van da Costa\'s woorden geeft als van zelf aanleiding tot zang en instrumenten, om zich tot de bontste verscheidenheid van tonen te leenen. Geen dichter is vermoeiender om voor te dragen, hij eischt een omvang van stem, die alleen door zang is weer te geven. Welk een verschil b. v. tusschen ;
Het Lam, wiens bloed hier heeft gevloten en het onmiddellijk daarop volgende:
De Leeuw uit Isaï gesproten?
Ja nog sterker, in één regel, het sombere:
1 )e Man der smart afgewisseld en verslonden door het:
de God der aard.
Welk een teeder adagio in het couplet:
In zijne dagen dauwt het vrede,
vergeleken met de trompetstooten in den slotregel: Kom — Koning Jezus! — kom — ja — kom!
Doch het zal lang duren, eer in Nederland een dergelijke compositie wordt uitgevoerd. Even als Bach bijna honderd jaren in portefeuille bleef\', eer Mendelssohn hem durfde in te leiden bij het publiek, /00 zal de man nog geboren moeten worden, die da Costa populariseert. Nederland doodt zjjn profeten en steenigt die het toegezonden worden, om mediocriteiten te verheffen — totdat er na eeuwen eindelijk recht wordt gedaan. Zullen wij dien tijd belevenZelfs diepzinnige gemoederen durven van om dichtstuk beweren, dat het eentonig is I
Alsof Dante niet eentonig ware voor het oppervlakkig gemoed, terwijl men hem toch in alle talen vertolkt! Alsof Hamlet niet iu Frankrijk voor het werk van een dronken waanzinnige verklaard ware!
Doch het is een waar woord, dat een profeet niet aangenaam is in zijn vaderland. Of deze schets althans iets er toe bijdragen zal, om da Costa\'s lied in 1840 meer te doen waardeeren, ik waag het niet te beslissen.
H. PrKRSON\'.
Zetten, -Tuli \'80.
GEEN SCHIMP VnoR DE LIEFDE I
OI spreek toch niet met schimp van \'t zoeken van ver-
loornen.
En tref dat liefdewerk nooit met een woord van spot. Gij treedt, aldus, met smaad den grooten Christus tegen En lastert zijnen God.
Zeg nooit: «Wat baat dat werk? —Gij waant een vrucht
te aanschouwen,
En voelt reeds in uw hart de vreugd der hoop gesterkt, Maar straks ligt wéér die vrucht, onrijp, in \'t slijk ter
neder, —
Gij hebt voor niet gewerkt l\'-
\'t Is waar, veel duizendmaal mislukt het edel pogen En sterft de schoonste hoop, die \'t minnend harte heeft, Maar, — wien \'t maar ééns gelukt, een menschenziel te
redden.
Heeft niet vergeefs geleefd.
En, God zij dank I niet één, neen I maar een drom van
zielen
Is door Geloof en Liefde aan \'t rijk des Kwaads ontscheurd. En vele levens, diep, ach! aak\'lig diep, gevallen.
Zijn heerlijk opgebeurd.
u
O! werke meer en meer elk aan ilien arbeid meile! Die \'t doet, met ernst en trouw, die gaat in Jezus\'spoor. Pie heeft liet zalig recht, (Jods volgeling te heeten: Ood doet dat werk ons voor.
Daarom, spreek niet met s^iimp van \'t zoeken van ver-
loornen,
Kn tret dat liefdewerk nooit met een woord van spot. ijij treedt, aldus, met smaad den grooten Christus tegen Kn lastert zijnen God.
K. Laihillahd.
EEN ZONDAGMORGEN IN DE ACHTEKBUURT.
Hoe spoedig werd het gemist, hoe ijverig wer\'l het gezocht, dat verloren schaap in de gelijkenis. Die herder, hij telde zijne schapen wel: het eerst en het eenig.st schaap der kudde, dat terug bleet\', werd terstond door hem gemist; hij wilde het weten waar en waarmede het zich nu ophield en hij rustte niet. voordat hij het had teruggebracht tot de veilige schaapskooi I
Herders der gemeente, hetzij door ambtelijke of door geestelijke roeping, hetzij door den stand dien gij inneemt ot\' door de gaven u geschonken, zietdaar een voorbeeld. — is het ook uw beeldHoe staat het in dezen met u tegenover het afgedwaalde in de gemeente, vooral tegenover dat deel er van. dat gewoonlijk )gt;het volkquot; wordt genoemd.\' Telt gij dat afgedwaalde diepgezonken volk nog wel mee.\' Mist gij wel, ik zeg niet den eerste en de enkelen, maar den duizendste en de duizenden, welke van dat volk niet meer met de gemeente vergaderen Vraagt ge er wel veel naar, terwijl gij daar op den dag des Heeren in Gods voorhoven vergadert, uwe psalmen zingt en uwe gebeden uitstort, waar nu dezen zouden
U)
/.ijn, en wiuirmeiie de/en zicb nu zomlcn bezig houden, met één woord, kwiuu ile vraag wol eens liij u op, hoe iU\' Zondag dien f^ij in den tempel viert, in de acbterbuurt wordt doorgebracht
Verkwikkend en .stiebtenil is het welliebt niet, maar het kon toch /.ijn nut hebben, dat gij daaraan eens dacht, dat gij het wist. en daarom, vergeef het mij dat ik u op een Zondag uit den tempel naar een zolderkamertje in tie arhterbuurt breng.
Armoede, onreinheid, wanorde grijnzen u daar tegen, \'t zij gij blikt op het schamel huisraad, de havèlooz.e kleeding ol\' de morsige aangezichten van kinderen en volwassenen, Ol\'si-boon het nog geen elf\' uur in den ochtend is, zijn beiden hier, in deze enge ruimte en een betrekkelijk groot getal onder een kopje kottie zeer gezellig bijeen. De volwassenen zijn vertegenwoordigd door een viertal vrouwen, eene jonge deern van misschien achttien ut negentien jaar, en slechts één man, die, terwijl de vrouwen zich onledig houden met praten, kotlie schenken en drinken, met verwarde haren en in zijn blauw boezeroen en roodbaaien onderbroek te midden van hen is gezeten met een bak vol aardappelen op zijne knieën, een roode aarden pot met water naast zich en een mes in de hand, alzoo, kennelijk bezig met jjde aardappelen te jassen,quot; Van de kinderen, ziet gij hier een, dat stellig ouder dan t waalt\' maanden is, maar nog als zuigeling aan een van de beide geheel ontbloote Ijorsten der moeder hangt en telkens een ontevreden geknor laat hooren; daar in die driejarige pingen, die blootsvoets en slechts in zijn hemdje gekleed eene andere moeder ;tan de rokken hangt en stampvoet •-n drenst, zonder dat zij, verdiept in het gesprek, daar iets van bemerkt: en yinds in dat tienjarig meisje, dat lint
verst van allen in de kleeren is en toch maar niet geheel gekleed kan komen, omdat ze te vergeefs, nu eens hij bare moeder en dan weder hij eene der andere vrouwen hulp zoekt om het Jurkje aan het lijf te krijgen, waarvan slechts een mouwtje aangetrokken is en dat op den rug moet vastgehaakt worden. Wel werden al en toe verschillende handen op het geklaag en gevraag, het gehuil en gepruil van het kind tot dat werk uitgestoken, maar ook weder onder den invloed der woordenwisseling teruggetrokken, in den schoot gelegd, of tot geharen gebruikt, en /00 de eerste aanleiding tot hare beweging vergeten. Of de woordenwisseling dan /00 belangrijk was dat/.ij geheel het hart en de gedaehten in beslag nam Voor de menschen die hier te zamen waren, was dit zeker het geval, en wilt gij er iets van beluisteren, welnu hoor dan hoe de vrouw met de zuigeling, na een paar geduchte vloeken, verzekert, dat ze den geheelen nacht geen oog had kunnen dicht doen en tot Klaas (haar man) had gezegd; i.»ie twee daar boven vermoorden mekaar nog, maar hij sloeg maar even zijne oogen op, zei: »zoo/\' en snorkte weer voort, want hij was even dronken als jij, buurman, maar jij hebt ook altijd zoo\'n «leelijken dronkquot;\', jij moet altijd vechten en slaan, de boel kapot gooien en ruzie maken. Doe liever zooals wijen nu volgde er eene uitweiding van wat en hoe de spreekster en haar dronken echtgenoot deed, die van zulk een aard was. dat wij er de ooren van onze lezers niet mede mogen kwetsen, maar hier toch een luid gelach verwekten, waarbij de stem van de jonge deerne zich het meest, het luidst, en het langst deed hooren.
«Och,quot; antwoordde de vrouw, die tegenover den man wius gezeten en zijne huisvrouw bleek te zijn. quot;de kerel
48
igt; aU hij nuchter is een kalt\' van een vent ; daar /.it ie nou weer de aardappelen te schillen; \'t is alleen als hij V avonds thuis komt; en Zaterdags avonds, ja dan is het bal, maar is het waar of niet. Piet. spreek nou kerel, anders hebben we geen woord: laat Trui het getuigen, heb jij van vader last als hij nuchter is?quot; en hiermede wendde /.ij zich tot het jonge meisje, dat ons aldus blijkt een dochter van het echtpaar te zijn.
Igt;e aldus door hare moeder als getuige voor haren vader opgeroepen dochter gatquot; nu met een grove en heesche stem en al lachende en vloekende een antwoord, dat vooral door de opvatting en verschillende toepassing van het woordje \'«Listquot; haar vernuft moest doen uitkomen, maar nog veel meer haar diep gezonken zedelijken toestand aan het licht bracht.
Foch werd het gelach algemeen.
» t is me er eentje, 1 sprak de moeder als met ingenomenheid en bewondering.
»Neen maar. buurvrouw.quot; liet zich eene andere vrouw hooren. terwijl ze hare beide armen in de hoogte stak, het geheele lichaam uitrekte, en met een ontzaglijk wijden mond geeuwde, »je houdt ons allen uit de rust en het lastigste is, dat jelui meestal allebei tegelijk dronken zijt..
quot;Och die stumpert!quot; viel haar de dochter met een boos gezicht in de rede en nam het nu op eene wijze voor hare ouders op, die het vriendschappelijk koffie-praatje in groot gevaar bracht,
quot; Kom, kom I \' suste de moeder, » wij zijn buren en moeten elkanders lief en leed dragen, nu eens is het den een, en dan weder den ander, is het niet waar, zeg het zelf.\' Nog een kopje buurvrouw?quot;
49
«Och al die koflie. je wordt er zoo vol en gt;laj) van.quot;
oNou, botje bij botje vraagde de dochter, allen in het rond aanziende.
»Nou ja, goed. hoeveel.\'\'quot;
«Een kan.\' We zijn. laat rei.s kijken, met ons zessen, de kinderen moeten ook eens proeven, die gt;tum|iers, en misschien komt er nog wel een buurman. Vader heb je nog wat geld overgehouden van gisteren, voor drie stuivers ben je er af.quot;
«Verschiet ze maar.quot;
«Neen oudje, boter bij de visch.quot; Kn weer volgde eeu stroom van vloeken en onkiesche woorden, die door den vader met een tal van dergelijke uitdrukkingen beantwoord en door de vrouwen, de moeder niet uitgezonderd, oji het walgelijkst uitgebreid werden.
»Moeder, maak dan me jurk toch vast, ik wou met Karei mee, ik wou naar de Zondagsschool, moeder maak nu vast, u hebt het toch beloofd, dat ik nou een- meê mocht, moe. Karei wacht ai. laat me nou eens gaan,quot; klonk het door dit alles heen uit den mond van het tienjarig meisje.
Met een ruw woord werd het kind door haar oudere zuster het zwijgen opgelegd. — maar toch ging het voort met haar; «Moeder, mag ik gaan. mag ik nu naar de Zondagsschool ?quot;
»Kom hier. ik zal je jurk vastmaken, dan kan je even »op den hoekquot; een kan brandewijn halen, je krijgt er ook van.quot;
»Dan is Karei weg, dan kan ik weer niet naar de Zondagsschool.quot; schreeuwde het kind en stampte ongeduldig met den voet.
nT.oop naar .... met jou Zondagsschool.quot; sprak de
4
nu
moeder. )gt;Dalt;iiquot; en onderwijl had zij spoedig het jurkje toegehaakt, sdaar heb je de fleseh en hier je geld, en nou wat gauwer als je geleerd bent, hoor, of.quot;
Het kind verliet pruilende de kamer.
iiDie meid maakt me mal met haar Zondagsschool. De jongen beneden brengt haar geheel op hol. Dat zijn tegenwoordig zulke fijnen, mensch! dat weet je niet. Het is nou wel al een jaar. dat je de vent niet meer dronken ziet. Zondags gaat hij naar de kerk en Zondagsavonds en in de week nóg eens naar een huis. daar ze den bijbel lezen. .Ie hebt \'t zeker ook wel gemerkt, ze komt nooit meer een kopje bij jou of bij mij halen, daar is ze nou te heilig voor. mensch ! Als je niet naar haar gefemel wil luisteren, dan krijg je geen woord uit haar keel. Tot de jongen toe speelt voor dominee. Hij is op zijn hoogst veertien jaar oud, maar hij zou ouwe menschen, zooals wij zijn, welde les willen lezen. We moeten er natuurlijk niets van hebben. maar onze Ka. dat is zoo\'n rare en vreemde meid, niks der zuster, zoo\'n vroolijke en ronde ferme meid als dat is, zoo\'n kniesoor is die Ka, en ze is mal op den jongen, als ze hem maar hoort, dan moet ze naar hem toe en wil ze wat van zijn Zondagsschool weten; en bij is net zoo mal op haar.quot;
»Pa.« dan maai\' op, buurvrouw, daar kon wel eens wat van komen, dat werk is niet vertrouwd, wat zeg jij er van Trui?quot;
De «ronde en ferme meidquot; stelde de buurvrouw niet te leur in de verwachting van wat er uit dien mond op haar vraag zou te voorschijn komen, en sloeg een taal uit, die overal elders zou hebben doen sidderen van afkeer en verontwaardiging, maar hier het gejoel en gejuich ten top voerde.
Toen liet weer even stil werd, merkte de geeuwster op: •■Ja. \'t is toch maar waar. daar beneden heeft «de mevrouwquot; haar slag geslagen, ze zitten allemaal van klein tot groot onder haar plak. \'t Is zoo, ze heeft er genoeg om ge-loopen en er niet zoo\'n beetje voor gepraat, maar dat heeft ze bij ons niet minder gedaan, wat.\'quot;
»Ja, dat wijf kan praten,quot; gaf de zoogende vrouw ten antwoord, terwijl zij haar jongen !ian de andere borst legde. »We waren dikwijls kapot, als ze de kamer afging, maar wat helpt dat, wij menschen kunnen zoo op ons elf-en-dertigst niet leven. Wat blijft Ka lang inet den brandewijn weg, vindt ge niet/quot;
»We zijn eens,quot; ging de vrouw met, den stampvoetenden jongen voort, terwijl zij hem, om hem tot zwijgen te brengen en dus beter gehoord te worden, maar belaas, juist niet het tegenovergestelde gevolg, een klinkenden slag om de ooren gaf, «we zijn eens naar haar lokaal geweest en. mensch, daar bidden en preken ze je. om je \'t hart uit het lijf te scheuren. De mevrouw ilt; er ook, en i- dan zoo «gemeenquot;, net alsof ze je zuster was. As je daar zoo zit, dan zou je zeggen, ik geef de bons aan den heelen rommel en stap van de wereld af, maar.. . , bl......jongen, zwijg toch, je moeder kan geen goed woord spreken, maar..., ja, wat wou ik ook weer zeggen!quot;....
«Zou je niet eens naar Ka zien. vrouw, ik krijg bepaald trekquot;, viel de man in de rede.
«Ze komt in de gevangenis ook,quot; liet zich weer de dochter des huizes hooren. «Toen ik daar, jelui weet wel, om dat geval op den Zeedijk, zat, ging me deur open en wie denk je dat daar voor me stond — de mevrouw. Jezus! Christus! dacht ik. daar zal je van hooren. Nou ze had heel wat te zeggen, maar ze huilde meer als ik,
en wat ik haar al niet heb moeten beloven, mensch, dat weet je niet.quot;
»En dat heb je natuurlijk maar gedaan.\' Hal ha!quot;
»Nou! Wat anders!\'*
ȟat was toch een mal geval op den Zeedijk.quot;
«Och. ik was met den jongen uit, we hadden ons moe gedanst en hij had ferm getrakteerd, maar daar zijn porte-monai goed gespekt was. werd ik bang dat hij haar verliezen zou.\'\'
«En naamt gij haar maar in bewaring, hè.\'quot;
«En daar straffen ze je dan nog voor.quot;
»Ja, maar je wou het ding aan den agent van politie niet teruggeven.quot;
»Och. dat was maar een grap.quot;
De kamerdeur ging open en Ka kwam met den brandewijn. Een luid gejuich begroette het kind, of Hevelde flesch. Met allerlei kwinkslagen en gebaren werd de ingenomenheid met en de begeerte naar zijn inhoud te kennen gegeven en. waar de glaasjes reeds onder het laatste gesprek waren gereed gezet, duurde het niet lang of men klonk en dronk en schreeuwde daarbij allerlei door elkander. Weer werden de glazen gevuld en het begon reeds te blijken, dat de alcohol een nog meer verlagenden en verliederlijken den invloed op de vrouw uitoefent dan op den man. Van woorden kwam het tot «stoeien,quot; terwijl de bak met de aardappelen over den grond rolden, toen te midden van dit tooneel de deur opensprong en een buurman, met een paar geduchte vloeken en de vraag of zijn vrouw hier was, binnentrad. En ja, zijn vrouw, de moeder van den stampvoetenden jongen, was er, en wel zoo, dat een blik op haar de jaloerschheid van den ook al niet niK-hter zijnden echtgenoot opwekte en tot een woorden-
wisseling aanleiding gaf, die al meer in heftigheid toenam en eindelijk de beide mannen elkander deed aangrijpen, met het gevolg, dat door hunne driftige beweging de tafel met flesch en glazen omver geworpen werd, en de vrouwen een luid gegil en geroep van amoord I moord!quot; deden hooren.
Weder ging de deur open en een andere buurman kwam binnen strompelen. »Vechten! Bij God vechten! Dan d^ straat op. Maar laten we \'t liever afdrinken kerels, kom ik trakteer jelui, ga je meê ?quot;
»Ja drink het samen af!quot; riepen de vrouwen metgroote tranen op de van brandewijn gloeiende wangen.
»Daar! Daar!quot; en ieder duwde haar echtvriend bij dit woord eenk\' geld in de hand. Dit scheen een door de
O O
ondervinding gewaarborgd middel te zijn. immers de man des huizes zocht broek en vest en trok die aan, de anderen waren hem reeds voor in het portaal, en weldra waren de vrouwen alleen.
Luid klagend, soms elkander verwijtend, ja wel eens op het punt om nu weer op hun bsurt elkander in de haren of muts te grijpen, werden de gebroken en nog heel gebleven glaasjes en de alom verspreide aardappelen van den grond gezocht. «Dat zal me weer een dagje geven,quot; sprak de een. »Nou kan je weer met je lieve eten darren,quot; liet zich de ander hooren. «Ze zijn vooreerst nog niet thuis en als ze thuis komen, sta dan maar vastquot; merkte een derde op: terwijl de geeuwster klaagde; »Ik zal vannacht ook wel weer geen oog dicht doen!quot;\' Zoo gingen de vrouwen uit elkander, de moeder met haar »ronde Truiquot; en «rare Kaquot; alleen latende.
Het drietal was echter nog geen uur alleen geweest en de aardappelen waren al geeuwende en gapende en na
een tal van pauzen pas geschild en in den pot, toen een twintigjarige jongen, met de pet op een oor en in een blauwe boezeroen gekleed, binnen trad, rechtstreeks op Trui aanstapte en zich weldra al zeer gemeenzaam met haar aanstelde. Ofschoon de moeder die gemeenzaamheid, helaas I eer aanmoedigde dan wel hinderlijk was, sprak toch de jongen : »Zeg moeder Wim i daar heb je een dubbeltje koop een vijf en twintig noten, en ga een beetje beneden op de stoep zitten, dan heb je meteen wat te doen. 1 gt;e moeder glimlachte, schudde haar hoofd, nam het dubbeltje aan en ging de kamer af, de straat op. kocht daar waarlijk de noten en kraakte en pluisde, en at ze op. met het meeste gemak en vermaak op de stoep van het huis, waar zij terstond gezelschap vond, totdat de jongen de trap weer afkwam en haar het sein gaf. dat ze weer op haar kamer terecht kon. \')
»Waar is Ka.\'quot;
»0. je had nauwelijks de voeten gelicht* of die sluipt weer naar Karei; ze praten stellig wel weer over «onze lieve Heertje, die de kinderen zoo lief heeft en de mevrouw zeker ook wel bemint.quot;
Ja, zoo was het. Terwijl ter weerszijde van een tafel, die voor het venster stond een eenvoudig maar toch zindelijk gekleede man en vrouw tegenover elkander waren gezeten en de eerste de andere een traktaatje voorlas, vinden wij de kinderen in een hoek van het vertrek naast elkander gehurkt en in een levendig gesprek, dat blijkens de elkander opvolgende uitdrukkingen van oog en gelaat voor hen ook een ernstig gesprek scheen te zijn. Ka hield een plaatje in de hand en. wijzende op de levendig
\') Historiseb.
gekleurde afbeelding sprak zij : »Ia dat nu de moeder van onzen lieven Heer, Karei? Hoe heet ze ook weer?quot;
»Maria, Kaatje.\'quot;
»Ze ziet er toch anders uit als buurvrouw, die ook wel altijd den kleinen -lan op haar schoot heeft, maar niet zoo als die Maria.quot;
».Ja, maar Maria was ook vroom.quot;
«Neen. de buurvrouw is niet vroom, zij vloekt zoo en zegt zooveel gemeene woorden; hoe komt het toch Karei, dat de moeders nu niet meer vroom zijn?quot;
»0, er zijn nog wel vrome moeders!quot; En Karei blikte schuin naar zijne moeder heen.
«Mijne moeder is niet vroom,quot; sprak Kaatje met zachte stem, terwijl zij kleurde, «en Trui ook niet, en al de buurvrouwen niet. Gaan ze allemaal naar de hel?quot;
«Als ze den Heer Jezus niet lief krijgen, zeker,quot;
»Dat ze dan toch naar de mevrouw luisterden, die heeft hen zoo dikwijls gezegd, dat ze den Heer Jezus moesten liefhebben. Kijk toch eens, hoe lief hij er uitziet, dat i.s toch de Heere Jezus niet waar ? dat kindje daar op Maria\'s schoot ?quot;
»Ja, maar de Heere Jezus is niet altijd een kindje geweest of gebleven. Hij was eens in den hemel en bezat de geheele wereld, maar toen is Hij zoo klein en arm geworden opdat wij in den hemel zoude kunnen komen en eens alles zoude hebben. En toen Hij groot was liet Hij zich aan een kruis vast spijkeren met handen en voeten. O, \'t was ijselijk. Zes uren lang heeft Hij aan dat kruis heel veel pijn geleden, tot dat het eindelijk zoo erg werd dat Hij stierf.quot;
»En waarom liet Hij zich dat doen.quot;\'
!)()
«Ook al opdat wij in den hemel zouden komen, waar alles o zoo heerlijk is!quot;
«Zou er in den hemel ook brandewijn zjjn?quot;
oHoe komt gij daaraan?quot;
«Wel dan zou ik niet naar tien hemel willen, want genist Karei, de brandewijn maakt het bij ons zoo akelig; ja ik geloof dat die brandewijn de menschen zoo leert vloeken en vechten, want als ze er van gedronken hebben. dan doen /.e dit eerst recht erg. Neen ik wil er nooit van proeven.\'\'
gt;)Dat is goed ook Kaatje, drink ze maar nooit, want de brandewijn brengt de menschen naar de hel.quot;
»En wij gaan toch naar den hemel, niet waar?quot;
»Ja, als wij den Heere Jezus maar liefhebben.quot;
«Wat zullen wij het daar toch pleizierig hebben; hé, ik wou dat wij er al waren, dan konden we altijd samen over den Heer spreken en behoefde ik ook niet naar huis te gaan en ook nooit zooveel snaars\'quot; te hooren. Wou je \'t ook niet?quot;
quot;Och, ik wil wel naar den hemel, maar ik ben ook wel graag thuis: vader en moeder spreken hier ook van den Heere Jezus en — als ik naar den hemel ging, dan kon ik ook niet meer naar de Zondagsschool, zie je.quot;
jiO ja, had ik het zooals gij. en kon ik naar de Zondagsschool gaan ! Maar dat zal wel nooit gebeuren. Het was mij nu zoo vast beloofd, maar met dat brandewijn halen is weer alles misgeloopen.quot;
igt;De mevrouw vraagde nog naar je.quot;
nZooIquot; riep Kaatje uit, terwijl hare oogen begonnen te schitteren en een blos haar aangezicht overtoog.
D.Ja, ik had de mevrouw den vorigen Zondag gezegd
57
dat gij nu stellig komen zoudt, daarom vraagde ze naar je: ik heb gezegd dat het jou schuld niet was.quot;
,)Zoo, en wat zei de mevrouw toen?quot;
»Dat ze van avond nog bij je vader en moeder zou komen en \'t dan wel zou klaar krijgen.quot;
Hier gingen de beide kinderen van elkaar, want bun lief\' en zacht gefluister werd gestoord door een grove stem, die met een ruw woord vooraf »waar zit je weer meid, kom boven!quot; deed hooren.
Het was reeds zes uur in den middag en nog waren de mannen bezig, met hun twist van den morgen af te drinken ten minste, tot op heden was te vergeefs door de met het eten wachtende vrouwen en hongerige kinderen naar de terugkomst van den man en vader uitgezien. Op eenmaal kwam, na een uitkijk, de kleine Ka haastig en hijgend de trap opsnellen en kon er nauwelijks op de vraag barer moeder: »Is hij er ? \' haar: »Neen, zij,quot; uitbrengen. »Zij? Wie?quot; — «De mevrouw.quot; — «Loop naar .... wat doet die bier nou weer! Laat ze... . Dag mevrouw, komt u ons, arme schepsels, nog weer eens opzoeken en dat op Zondag, \'t Is tocb wel «goddelijkquot; van u.quot;
))Als ik maar niet al te ongelegen komquot; antwoordde de binnentredende, wier houding en kleeding haar boogen stand, en wier vriendelijk oog en gelaat haar edel hart deden vermoeden.
»U ons ongelegen! u. mevrouw! Och, waar denkt u aan? Wij. menschen. hebben wel eens een goed woord noodig, we hooren u allen zoo graag. Trui. zeg eens aan de buurvrouwen, dat de mevrouw er is.quot;
Eer de mevrouw dit verhinderen kon, was Trui reeds
58
weg, want zij gevoelde, evenals liEire moeder, dat er versterking en afleiding zou noodig kunnen worden.
Ook de buurvrouwen begrepen den wenk en steeds bereid elkander »in allesquot; te helpen, waren zij al spoedig op hun post. dat is, op moeder Wim\'s kamer, en stonden daar met neergeslagen oogen, nu eens een zucht en dan weer eens een; »och Jezus!quot; of «och God!quot; slakende, als boetvaardige Magdalena\'s.
»De grootste reden van mijn komst is eigenlijk uwe kleine meid,quot; ving de mevrouw aan. »Ik hoor, zij wenschte zoo gaarne naar de Zondagsschool te gaan, en ik kan toch niet denken, dat zulk eene begeerte, waarover iedere weldenkende moeder zich op het hoogst zou verblijden, door u zal tegengestaan en geweigerd worden.quot;
))Och mevrouw, niets liever dan dat! Maar, wij men-schen, zitten met alles. De geheele week moeten wij zwoegen voor een klein en droog stukje brood, en dan heb je Zondags morgens zooveel in je huishouden te doen, wil je te minste niet alles laten verrotten, dat de ochtend om is, eer je er aan denkt. Dan heb ik ook graag dat het kind knap onder de oogen van de mevrouw komt. Ik zeg altijd: \'t Hoeft niet mooi, als het maar heel en zindelijk is, doch daar zit \'t hem juist. Ka heeft maar één jurkje, dat wasch ik Zaterdagsnachts, als het kind naar bed is, nog uit, maar soms is het dan des morgens nog niet droog; en dat zeg ik maar, je kan toch een kind met geen druipende jurk naar de Zondagsschool zenden. Daar had je nog van morgen, quot;k kan zeggen, mevrouw, dat ik \'t er zoo op gezet had, dat ze nu eens zou gaan, maar jawel, er was weer zooveel te doen, dat er geen denken aan was.quot;
De kleine Ka sloeg een paar sprekende oogen, nu eens
naar hare moeder en dan weder naar de mevrouw, maar iets zeggen durfde /.ij toch niet.
De mevrouw scheen de geuitte verontschuldigingen op hare waarde te kunnen schatten. Zonder die te beantwoorden, merkte zij op: «Gij moest vooral als moeder begrijpen, welke dure verplichting gij eenmaal tegenover uw kind op u genomen hebt, toen ge voor God en zijne gemeente zoo plechtig beloofdet uw kind in het eene noodige te onderwijzen en te doen onderwijzen en gij haar in den doop aan den drieêenigen God hebt opgedragen en toegewijd.quot;
»Maar die belofte heb ik gelukkig nooit gedaan, mevrouw. Noch Trui, noch Ka zijn gedoopt.quot;
»Foei!quot; riepen al de buurvrouwen in koor, «ongedoopte kinderen, neen. dat hebben wij nooit van je geweten!quot;
»Nou. kan ik het helpen! Trui kreeg ik vóór dat ik getrouwd was. Ik was in het gasthuis bevallen en nu zou de mijne wel met de «heele hoopquot; naar de kerk gebracht en «meteenquot; gedoopt zijn, maar de dominee van mijn wijk was zoo\'n sscholtiaan\'\', weet je, en die liet weten, dat ik vooraf eens bij hem aan huis moest komen. Je begrijpt, dat was alleen maar om mij eens te kapittelen en seen lange neus te gevenquot;; nou dat was me ile heele doop niet waard en zoo bleef Trui ongedoopt. Toen Ka kwam hadden we geen kleeren om naar »den Damquot; \') te gaan en daar Trui nou, wat lawaai jelui er ook van maakt, er niks minder om is geworden, lieten wij Ka ook maar liggen.quot;
»Nou, ik zeg dat het goddeloos is. Ik kreeg ook in
\') Do Nieuwe Kerk op den Dam.
fid
het gasthuis mijn eerste, voordat ik getrouwd was, maar ach, ik had alleen even den naam van mijn vader en moeder op te geven en kreeg, ja! wel een geducht standje, maar daarmeê was alles uit. Het was ook maar de krank-bezoeker die zooveel praats had. Och ik nam het die man niet kwalijk, hij moest dat wel doen, er lagen er nog drie. en die kregen evenzoo er van langs, dooh mijn kind werd gedoopt, ik had niks met den dominee te maken.\'\'
»Ik ook niet,quot; vervolgde weer eene andere buurvrouw. »\'t Was zoo\'n goed mannetje, die krankbezoeker, hij zei zelf. dat hij medelijden met me had; maar ik zei: och de dominee zal dat varken wel wasschen, ga maar dooi\'. Nou mot je weten, ik had al mijn tweede, voordat we naar het stadhuis gingen. Maar ongedoopt ! Neen. God bewaar me! dat zou ik mijn kinderen nooit laten. Ik zeg altijd maar, buurvrouw; ))De doop bij je geboorte, een gebedje bij je sterven, en daartusschen je belijdenis doen, dat is op zen minst noodig, en wie dat laat is geen mensch. neen!quot; En met kennelijke verontwaardiging keerde de vrouw moeder Wim den rug toe.
De mevrouw kon tusschen dat gesprek geen woord inkrijgen, zij stond als verslagen bij al wat ze vernam en kon niet nalaten om met verwondering te vragen:
aMaar zijt ge dan allen moeder geworden, voordat ge gehuwd waart?\'\'
•)Nou, ik zal niet zeggen, dat dat zoo mooi is, maar daarom moet je toch je kinderen laten doopen en zelf je belijdenis doen, vindt u ook niet, mevrouw ?quot; merkte weelde voorlaatste spreekster aan.
«Dat zou ik denken,quot; antwoordde weer een ander vóór de mevrouw. «O hemel, ik ben al zoo lansr .ig-eleerd\'1 en
61
mijn man is ook sgeleerclquot;; voor zulke dingen moet men zorgen.quot;
»Ja, wij zijn ook geleerd.\'\'
»Nou, en wij clan niet!quot; schreeuwde moeder Wim, niet langer in staat om haar toorn tegen de buurvrouwen, die haar zoo «gemeen afvielenquot; te bedwingen, »en ik zie niet, dat jijlui met al je geleerdheid er nou zooveel beter om bent.quot;
);Zoo, maar wij \'zijn er dan toch maar door, hè?quot;
«Maar. vrouwtje,quot; deed zich nu de mevrouw hooren, lt;) waarom hebt gij clan toch eigenlijk belijdenis gedaan, wat bewoog u daartoe?quot;
),\\Vel... wel... mevrouw... wel... \'n mensch kon, ziet u. sterven en, ziet u, ben je nou lidmaat, dan komen, ziet u, je kinderen ten minste in een goed weeshuis.quot;
.)En deed gij het daarom alleen.\'quot;
»Noii dat zeg ik ook,quot; bestrafte eene andere buurvrouw. »Neen wij dachten een eindje verder... een mensch weet nooit waar hij toe komt en je hoopt toch samen, als onze lieve Heertje belieft, oud te worden, en ben je nou geen lidmaat, dan kan je ook van geen kerk of armen trekken en nooit in het »besjeshuisquot; komen.\'
De mevrouw zuchtte en sprak: «Ik vind uw reden al niet veel beter.quot;
oHm. ze weten niet wat ze zeggen, mevrouw,quot; deed zich nu eene derde hooren. »Toen de dominee mij vroeg: »Waarom wil je belijdenis doen?quot; zei ik; Om een lid van Christus te worden. Dat was goed, de menschen waren er wat over getroffen en den dominee sprongen de tranen in zijne oogen. dat verzeker ik «, mevrouw.quot;
lt;gt;\'2
»En wat is het nu, moeder, een lid van Christus te zijn?quot;
»Ja, ziet u. mevrouw, dat weten wij menschen nou niet zoo heel krek en op een haar af, maar \'t is... t is... ergquot;\' en de vrouw deed alle moeite om een traan in hare oogen te drukken.
■\'\'Och ik geloof, dat gij daar een groot en heilig woord uitspraakt, waar ge eigenlijk niets van begrijpt.quot;
»Ja, die Mie is altijd zoo in de wolken,quot; merkte weer eene der vorige spreeksters op... »Tk zei ook tegen mijn man: Klaas waarom worden wij nou eigenlijk aangenomen.\' En hij zei: »wel ezel, vraag je dat nog; dat is omdat we niet als beesten voort willen leven en een mensch in de maatschappij zullen worden.quot; En hij had wel gelijk, want de beesten worden toch nooit «aangenomen.quot; quot;
»Een mooi mensch in de maatschappij, jou man! en jij er bij!quot; barstte weer moeder Wim los, «jelui kletst om de mevrouw pleizier te doen. Neon. dan is het maar beter om, zooals wij, het te laten.quot;
«Hebt gij het dan gelaten, omdat ge begreept dat er tot een eenigszins waardig doen van belijdenis heel wat anders noodig is?quot;
»Oeh neen, daarom nu juist niet. We hebben ook al eens een paar weken geleerd, maar het duurde ons te lang, en dan is het nog niet genoeg dat je op de catechisatie komt, och neen mensch, je moet nog wat onthouden en leeren ook: je hebt wel andere dingen aan Je hoofd.quot;
»Te lang! \\\\ ij hebben nog geen drie maanden geleerd. Je moet den weg er maar op weten. Onze catechiseermeester bad wel vijftig catechisanten, maar hij deed het
03
wat gauw en goedkoop ook. Weet u. bij maakte zoo\'n heele hoop tegelijk klaar, en dan was \'t, »leg ze maar op de wagen,quot; voort naar den dominee. Die dominee was ook weer heel makkelijk en zoo kwamen wij er door, och je moet overal op de koopjes loopen, dat is nu eenmaal zoo in de wereld.quot;
«En hebt ge in dien korten tijd nog al wat geleerd. Weet je wel, wie de wereld geschapen heeft?quot;
«Geen mensch.quot;
»Neen, maar wie dan?quot;
»0, die was er al lang.quot;
»Weet je wat Adam gedaan heeft ?quot;
»Ja, zijn broeder Kaïn doodgeslagen.quot;
5gt;Wie waren Abraham, Izaak en Jakob?quot;
»Nah! dat kan je wel hooren, Joden.quot;
»Wie was de Heere Jezus?quot;
»Grod.quot;
»Wat heeft de Heere Jezus voor ons gedaan?quot;
»Ja, mensch, dat heb ik allemaal geweten, maar als je \'t niet meer noodig hebt dan vergeet je al die dingen weer.quot;
Juist wilde de mevrouw op het ernstigst de vrouwen bij hunne onkunde en het nuttelooze. ja zondige van zulk een belijdenisdoen bepalen, toen de deur opensprong en twee mannen in kennelijk beschonken toestand naar binnen zwaaiden en op een stoel neervielen.
Een dezer twee was de man des huizes, de andere zijn buurman. Of het paar den tweeden buurman onder weg verloren had, kan wel zijn, zij schenen zich in elk geval weinig meer bewust te zijn een driemanschap te hebben uitgemaakt, en de man des huizes was de eerste die zijn hoofd met moeite oprichtte, zich in postuur zette, en met
een zeer gemaakte, zoogenaamd deftige en vleiende stem de mevrouw «goeden morgenquot; (bij wist niet, dat het avond was) toewenschte.
»\'t Is weer niet goed met u,quot; was het antwoord, met kennelijk leedgevoel geuit. »Wat doet het mij toch een verdriet u altijd zoo te zien.quot;
«Ja, mevrouw,quot; sprak de dronkaard, terwijl hij zijn hoofd schudde en een paar dikke tranen langs zijn wangen leggelden, »\'t is wat te zeggen, een mensch moest meer leiding hebben. Ik moest altijd zoo iemand bij mij hebben, die mij het goede voorhield. Ik weet wel wat ik doen moet, ja ik weet het heel goed.\'\' ging hij op huilenden toon voort, «maar ik kan \'t maar niet doen. Niet waar, hoe dikwijls heli ik \'t u beloofd ! En u ziet \'t alweer.quot;
»Gij zoudt veel kunnen doen, als ge maar één ding wildet laten.quot;
«Juist, mevrouw, juist, u begrijpt liet heel goed, dat is \'t. niks anders; ik begrijp ook wel wat u bedoelt, ja ik begrijp het wel. al zegt u het niet.quot;
«Och, dat is ook wel te begrijpen, die sterke drank.quot;
«Ja. die drank, daar heb je \'t. Maar hoe kom ik er af. Daar heb je de buurman beneden, die is geholpen. Ja, daar op uwe vergadering moet je maar wezen.quot;
«Welnu, waarom komt gij er dan ook niet, ik heli u zoo dikwijls uitgenoodigd ?quot;
«Mag ik, mevrouw I raag ik!quot; riep de dronkaard als in vervoering uit, terwijl hij eene poging deed 0111 op te staan en op het onverwachts met beide handen de hand van de mevrouw greep en die tusschen de zijne vastgeklemd hield en drukte, en nog eens drukte, «mag ik. och asjeblieft, wanneer is het ?quot;
65
Voor de honderdste maal werd de dag en het uur genoemd.
»l)an kan Je meteen je belijdenis leeren, beest dat je bent,quot; duwde nu zijn wederhelft hem toe, »je moest hier maar een beetje eer geweest zijn, dan had je eens kunnen hooren, hoe zij de mond er vol van hebben, dat wij dat nog niet hebben gedaan, die knappe lui!quot;
«Belijdenis leeren!quot; riep nu de andere dronkaard opspringend, maar terstond zich weer aan de stoel vastgrijpende uit, »dat heb ik, ik gedaan,quot; en bij het woord ik bonste hij zich telkens zoo gevoelig op de borst, dat het door de kamer dreunde. »Ik ben lid van alle kerkgenootschappen, maar ze hebben me, bij God ! van den winter honger laten lijden. Maar dat neemt niet weg, ik heb respect voor me kerk, en al ben ik die ik ben, tochquot; — en nu klonk de nationale vloek en een geduchte vuistslag op de tafel — «toch hang ik aan Jezus!quot;
Het was afschuwelijk. Het werd de mevrouw te benauwd. Met deernis blikte zij op de kleine Ka, die, in een hoek neergehurkt, getuige van dat alles was geweest en met een: «arm kind!quot; op de lippen keerde zij zich om en verliet de kamer.
Er komen in het werk der opzoekende liefde stonden, en er zijn voor den zondaarsvriend oogenblikken, die, als satans-engelen aangrijpen en niet verstikkende en ontzenuwende vuist al wat daarbij dringt en drijft, hoop. moed en liefde onder den voet werpen, vertrappen en als met één slag voor altijd het weer opstaan en uitgaan in de heggen en wegen schijnen onmogelijk te maken. Zulk een stond, zulk een oogeublik was voor de mevrouw dit
GO
bezoek geweest. Neen. geen demon met de duivelen-grijns om de lippen, maar een engel des lichts met heilige verontwaardiging en deernis op het gelaat scheen haar bij het verlaten van de kamer op te wachten en fluisterde haar. o zoo welmeenend, toe: Vt zijn paarlen voor de zwijnen, \'t is het heilige voor de honden geworpen; wat zoudt gij tegen zooveel verblindheid en verharding vermogen; laat af, laat ze varen!quot; En toch was het de satan die zoo sprak en juist dit, dat hij verscheen als een engel des lichts, maakte de verzoeking zoo zwaar en de proef zoo moeielijk. Hoeveel takken van den waren wijnstok, geroepen om veel vrucht te dragen, zijn voor den adem van dat zachte gefluister geknakt en ter aarde gevallen, en wie zegt ons, of er wel één tegen bestand zou bevonden zijn geweest, indien niet de trouwe Heiland zoo altijd ter juister ure tegenover die booze geesten zijn goede geesten had uitgezonden, om tegenover dat: )iLaat af!quot; uit de diepte, het: «Houdt moed!quot; uit de hoogte te doen klinken. Die goede engelen vondt de mevrouw in de «fijnen hieronderquot; voor wie zij, gelijk wij vernamen ten zegen was geweest. De voetstappen die vrede hadden gebracht waren in het zweven voorbij de kamerdeur en bij bet bestijgen van de trap herkend, en al was zij nu boven, zij moest toch weer naar beneden en dus ook de kamer voorbij komen. In afwachting daarvan werd de deur wijd opengezet en plaatsten de echtgenooten zich zoo, dat de mevrouw hun straks niet kon ontglippen. Met een hartelijk: »Goeden avond mevrouw!quot; en een oog dat dringender noodigde om binnen te komen dan de lippen dit waagde te doen, werd ze dan ook begroet. Waarlijk, die blik, die hartelijkheid verkwikte de neergebogen ziel, want ze wist wat haar dien blik. die hartelijkheid had
07
doen verwerven, en toen naderhand bij het gesprek over de dingen Gods de oogen van geestdrift schitterden en de tranen der dankbaarheid neerdrupten, toen hief zich onder die zon en bij die bedauwing de geknakte bloem der hope weder op en — wat een Zondag in de achterbuurt dreigde te ontrooven, gaf een Zondag in de achterbuurt weer.
H. J. Heynes.
LECTUUR.
Bij do plaat tegenover don titel.
Zij is alleen. Der menigt\' drok gewoel
In de eenzaamheid van \'t stil vertrek ontvloden,
Vindt daar de jonkvrouw rust van \'t wild gejoel. En voelt tot inkeer in haar zelv\' zich nooden.
Toch niet geheel alleen blijft zij. Een boek
Verzelschapt haar. [n d\' inhoud van zijn bladeren
Brengt in \'t geheim ze een vreemde gast bezoek, Die met een zacht gefluister haar komt naderen.
Wie mag hij zijn.\' — Een geest met blanke schacht, Een Eafaël, die neerdaalde uit den boogen
Of een Mephisto, uit des afgronds nacht Op vale vlerk ten zielsroof uitgevlogen ?
\'t Kan beide zijn. De hand der Pers ontperst Bij beurten \'t sap aan goede of kwade vrachten;
De oranjeschil drupt nektar als zij berst,
De slaapbol stort een gif, door elk te duchten.
L KV T ü r E -
Bi) de ;4 mi to-jfönorép .deu utsi.
Ja iitv\' j Hv^irl ; vat.- -ui v\'értrek• óitf.TltKNi,
V (kar «•: jVjnkvrowv,- yust van \'t v-\'M gejoel, Hn vpéM quot;\'.it Inkeêj;-\' -la -hiUM: -iselv ziel. aeoifon.
j ■ \' -quot;i ■ gebu- ; alfv\'-ü . htgft rij. ;kv-
V u7«!sch!Mr»t;awar... tn ..V islwud- vta zijr bl 8f jj»
t: •; \' \' ieiiiir «f •gt;r.n -v. bezoek, -
5.,.v i : it nadw; n\'.
V : Jiiair h.i in. — f.ca geest\' rawi ^isnke ^ohachl. Eotj iMa\':l \'lii nt-z-vfliU\'-lifo. ! • •■ uv
*quot;f\'TV Mjpi sto, :tilt;,-■gt;¥!= afgrond- öadit ■| • . \' .
* \' i \'t it»ïgt; \'beid® ïjjft. Be \'hacd der Peru. ontgatst
••■I; ■ :\'w \'ïii I Hp ati -t k\'v;./]vrachtquot;
■•■\'•r-, \'■ 4,.i\'- •/.\'[] i.f-ï
■ ; I \' ■ \' ■ \' ■ -n\' . Id ^ i ••1- . ■ i.
69
o God, of touh de geest, met scheppingskrachl
Door u begaafd om zielen te betooveren,
Zich reek\'ning gaf van \'t recht gebruik der macht Om bait voor hel of hemel te veroveren!
Eén bladzij\' soms, één regel, ja, één woord
Doet hier \'t jong hart voor \'t Hooger goed ontwaken, Maar werpt ook ginds een vonk die, als ze ontgloort, üe onrijpe ziel van \'t heilloost vuur doet blaken.
\' Wat zal \'t nu zijn \'t — O vraag dat slechts aan \'t licht, Waarvan gij \'t oog der Lezeres ziet blinken; \'t Meldt, waar \'t den blik vol onschuld op u richt: »Kein was de kelk, waaruit haar geest mocht drinken.quot;\'
Draag gij dat beeld, jong Neerland, als gij leest!
Blijf, vrij van band, den letterhof doorzweven.
Maar zie. wat rekenschap gij d\'. eeuwgen Geest,
Die eens u richt, ook van \'t gelezen woord zult geven!
J. K HASEBaüEK.
GEDACHTEN 0\\rEK ÜE ZENDING.
De volgende gedachten zijn ontleend aan de Missions^ stunden van Dr. Warneck.
Hare mededeeling heeft een tweeledig doel: én dat voor-treffelijk geschrift meer bekend te doen worden, èn voor de heilige zaak. die er in besproken wordt, nieuwe aandacht te vragen en nieuwe belangstelling te wekken. Deze zaak kan nooit genoeg worden aanbevolen. Zij is de zaak van Hem, dien wij als onzen Heer belijden.
Het bevel tot de zending is van Hein uitgegaan: Matth. XXVIII : 19. Zijn recht tot dat bevel is ontwijfelbaar. Immers, Hem is alle macht gegeven in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst alle volken, maakt alle volken mijne discipelen, dat is de kabinetsorder van onzen Koning. Onze verplichting tot gehoorzaamheid er aan is niet te ontkennen. Het bevel geldt ook ons. want de belofte: en ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld, bepaalt zich niet alleen tot de Apostelen. En als de Heer zegt: leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb, dan behoort tot dal alles
ook dat gaal henen. Niet allen moeten en kunnen uitgaan, maar aJen moeten en kunnen medewerken.
Een slechte knechl, dio stil durft staan,
Ziet hij vooraan zijn Veldheer «■aan.
Het Christendom is opgetreden met de verklaring, dat het voor alle volken is. Aan ieder volk moet het Evangelie gepredikt worden, als de tijd vervuld is. Kene zending kan verzuimd worden, als men den tijd niet waarneemt, waarop God de deur opent. Maar men kan ook te vroeg onder een volk met de zending beginnen, als de wegen door God nog niet gebaand zijn. Hierop zorgvuldig te letten is plicht.
De zending is eene hoofdgedachte, niet maar een aanhangsel tot, neen. inderdaad eene hoofdgedachte van het Evangelie. Onze christelijke feesten, herinneringen aan feiten des heils. bewijzen dat de zending samenhangt met den raad Gods. Kerstfeest spreekt van eene blijdschap al den volke. Goede Vrijdag verkondigt: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wer e 1 d w eg-neemt! Paschen geeft ons te aanschouwen Jezus, den Overwinnaar, den Heer der heerlijkheid, voor wien allen buigen moeten. Hemelvaartsdag is het stichtingsfeest der zending. En Pinksteren gewaagt van het Evangelie, gepredikt in allerlei talen.
Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen e eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven heb be. Uat is het Evangelie in het klein. God is liefde. Is dat zoo. dan moet die liefde ook zoo verre gaan, algt; God in
72
betrekking treedt tot den naar Zijn beeld geschapen inensch. God heeft de wereld liefgehad. Dus is niemand daarvan uitgesloten. Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Zoon gaf. Heeft God het grootste gegeven, dan wil Hij ook dat die gave het grootst mogelijke gewin aanbrenge. Buiten dien Zoon geen heil. Derhalve moet Hij aan allen gepredikt worden. Geloof is Gods eiseh. Hoe zullen zij gelooven zonder die hun prediken? Het eeuwige leven Gods doel met Zijne onuitsprekelijke gave. Moeten niet allen met dit aanbiddelijk doel Gods bekend worden gemaakt ?
Niet het bevel van Jezus dringt en drijft tot het zendingswerk, want eene wet kan niet levend maken, maar alleen de liefde van Christus, recht gekend en van harte geloofd. Die liefde omvat de geheele wereld; zij is van eeuwigheid tot eeuwigheid dezelfde; zij heeft zich het diepst neergebogen; zij heft zondaren op tot den hoogsten rang, dien van kinderen Gods. Onze liefde tot Christus is alleen de vrucht van het geloof aan Zijne liefde. Waar zij in ons leeft, daar is het ons tot vreugde Zijn bevel te gehoorzamen. Maar dan moet met geloof en liefde ook hoop gepaard gaan, de zekere verwachting, dat het Godsrijk komen zal in heerlijkheid. De zending toch baant den weg voor het komen van het Kijk der heerlijkheid. Voor een goed deel komt lauwheid en traagheid in het zendingswerk voort uit gemis van de hoop, de zekere verwachting, dat de koninkrijken der aarde het eigendom van Christus zullen worden.
G ij zult m ij n e getuigen z ij n te Jeruzalem.
73
Zoo sprak de Heer tot Zijne jongeren. Jeruzalem het aanvangs- en uitgangspunt. Eer aan de heidenen de deur des geloof\'s geopend wordt, moet in de plaats des heils eene gemeente van Chiistus gevestigd zijn. De boom dei-zending moet diepe wortelen slaan, eer hij zijne takken uitbreiden, en bloesem en vrucht dragen kan. Waar te huis geene levende gemeente is, kan de zending daarbuiten niet wel slagen.
Jeruzalem is uitgangspunt, niet doel. Jezus sprak verder van geheel .ludéa en Samaria, en van het uiterste dei-aarde; niet overal te gelijk, maar overal op zijn tijd.
De stations in het zendingswerk beschrijft Paulus, Kom. X ; 12—17. Zij zijn deze: zenden, prediken, hooren, gelooven, aanroepen, zalig worden.
Zenden. Dat is noodzakelijk. Allen zijn zondaars. Voor allen één Heiland. Van Hein moeten allen hooren. Daartoe moeten predikers gezonden worden. Wie zendt? De geloovige gemeente. Wie moeten gezonden worden Geloovigen, die op deze twee vragen van Jezus in alle oprechtheid kunnen antwoorden, even als Petrus : Wie zegt gij dat ik ben? Hebt gij mij lief? en die daarbij geschiktheid hebben om te leeren en fe prediken.
Prediken. In welke taal? In die des volks, waarhenen men gezonden wordt. Waar? Niet op de straten en markten, maar in de huizen en daarvoor bestemde lokalen. Wat? Het Woord Gods; inzonderheid de hoofdfeiten uit Jezus leven; daarna de hoofdfeiten uit het Oude Verbond. Het samenhangend onderwijs in de Christelijke leer blijft bewaard voor katechetiseh onderwijs. A a n wie ? Aan allen, ouden en jongen, maar vooral aan kinderen. Wie de .jeugd heeft, heeft de toekomst.
74
Van h o o r e n, gelooven, aanroepen, zalig-\\v or cl en levert de geschiedenis der zending de treffendste proeven.
Gaven in geld zijn onmisbaar voor de zending, maar alle zendingsvereenigingen zouden bedelarm zijn, indien zij wel gevers, maar geen bidders hadden. De eerste zendelingen, uit Antiochië uitgezonden, hadden in zich de drijfkracht der liefde van Christus, boven hen de zegen Gods. achter hen eene biddende gemeente. De beteekenis van het gebed in het koninkrijk Gods kan niet te hoog gesteld worden. Er is veel stof tot bidden hetzij wij op de zendelingen, op de heidenwereld, op het gebrek aan arbeiders, op de bekeerden onder de heidenen, of op den loop van het woord zien. Om recht te bidden moet men een hart vol ontferming hebben.
Hoe komt bet, dat. na ruim acbttienhonderdjarige Evangelieverkondiging het Godsrijk nog niet verder zich heeft uitgebreid V Dat ligt niet aan het zaad. Maar er kan goed zaad traag en ongeschikt worden uitgestrooid. Het aantal zaaiers is kléin, hunne methode vaak verkeerd. Daarbij komt het bezwaar, dat de zendelingen in eene vreemde taal het Evangelie moeten verkondigen. Ook uitwendige omstandigheden kunnen belemmerend werken, als; opium-handel, oorlog, slecht gedrag van zoogenaamde christenen in het algemeen en tegenover heidenen. Maar bovenal ligt het aan de gesteldheid van den akker. Geheele volken gelijken op den vierderlei bodem, beschreven in de gelij-kenis van den zaaier. Hij de Kohls, de Karenen in Achter-Indië, op de Sandwicheilanden en onder de Santals in Indië viel het zaad in goede aarde. I!ij de Chineezen valt
.75
het bij den weg. Op Borneo is steenachtig land. Dit bleek in de vervolging van 4859. Den akker met doornen en distelen vindt men b. v. bij de Hottentotten.
Lijden en zending zijn nauw verbonden. De zending rust 0)1 het doodslijden van Jezus Christus. Door zijnen dood heeft Tlij de wereld verlost en zich ten eigendom gemaakt. Efez. II : 43 enz.
Alleen de prediking van Christus den gekruisten werkt gezegend. Elke prediking, waarin dit wordt gemist, is krachteloos. Ook de zendingsarbeid is krachteloos zonder het Woord des kruises. Als wij alleen moraal prediken, behoeven wij niet naar de heidenen te gaan. Jn het Confucianisme en Buddhisme zijn keurige lessen en vermaningen te vinden. Maar alle menschen hebben vóór alles behoefte aan de prediking van een Zaligmaker. Sommigen zeggen : eerst beschaven en dan Evangeliseeren. Dat i.s, de paarden achter den wagen spannen. Waar het Evangelie komt, komt de beschaving.
Dat lijden en zending nauw verbonden zijn, blijkt ook daaruit, dat de zending ecu lijdensweg betreedt. Zij wordt aangevallen van de zijde der wereld. De zendelingen moeten bereid zijn tot het offer van hun leven. Vaak is het klimaat doodend, l). v. Afrika\'s westkust. Vaak zijn zendelingen door inboorlingen gedood; Munson en Lyman door de Batta\'s, Williams, George Gordon en zijne vrouw en Jacob Gordon op Erromanga; Bölkner op het station Opotiki op Nieuw-Zeeland. I ie vuureilanders lieten Gardiner verhongeren; de Milanesiërs doodden l\'atteson; de Fidschi-eilanders eveneens Baker; op Borneo werden in 4859 vier zendelingen en .drie vrouwen vermoord.
Veel zelfverloochening moeten de zendelingen oefenen:
eenzaamheid, gemis van beschaafden omgang, ruwe omgeving, allerlei ontbering en spot hebben zij te verduren.
Ook de christenen uit de heidenen hebben te lijden. Een inwoner van Indië, die christen wordt, verliest zijn kaste. Op Madagascar zijn de christeninboorlingen lang en hevig vervolgd.
Maar het lijdon heeft zijn zegen. Onder het kruis gedijt de godsdienst van den gekruisten het best. Het martelaarschap van Paulus heeft niet weinig bijgedragen tot den zegen van zijn arbeid. Zoo is het nog bij de zendelingen. En van de martelaars onder de huidige christenen uit de heidenen geldt ook: «het bloed der martelaren is het zaad der kerk.quot;
Eene wet in het koninkrijk Gods. Klein begin, langzame voortgang, ongedachte grootte. Matth. XIII : 31, 32.
Klein begin. Zoo is het nog overal, waar het Evangelie gebracht wordt. De geschiedenis der zending bewijst het. Maar daaruit blijkt, dat de zending een werk Gods is. God begint alles klein.
Langzame voortgang. Nooit is het christendom als in stormpas uitgebreid. Het is dus onbillijk, van de tegenwoordige zending zulks te verwachten. Geduld is een der voornaamste deugden van den zendeling en den zendingsvriend. L)e zending is een werk des gedulds. Een christen is een mensch, die wachten kan. Geduld is een vrucht des geloofs.
Ongedachte grootte. Uit het kleinste het grootste. Dat is de belofte Gods. In het begin dezer eeuw waren er drie zendinggenootschappen, nu zestig; toen nog geen 200 zendelingen, nu 2400; toen /\'250,000 jaarlijksche inkom-ten. nu \'12 millioen.
77
Hoe in de heidenwereld die wet bevestigd wordt, uit het kleinste het grootste, leert de geschiedenis der zending op treffende wijze.
Ziedaar enkele gedachten over de zending uit een boek, dat gelezen en herlezen vei dient te worden. Indien zij u naar dat boek begeerig maken, en tot arbeid en gebed voor de zending bij vernieuwing opwekken, dan is mijn doel bereikt. In het koninkrijk Gods is een algemeene dienstplicht. Gij, mijn lezer, die u christen noemt, moogt er u niet aan onttrekken.
B. J. Adriani.
2 Augustus 1880.
A V O N D S T O N P.
Nu rusten, die strijden en lijden;
Xu rust des drijvers staf;
De siuimrige windekens glijden In \'t gouden stroomnat af.
De naadrende schaduwen dalen;
Flauw glimlacht de scheidende dag:
o \'
Daar klinkt bij zijn smeltende stralen Een laatste vogelslag;
En zijn ook geen tonen haar eigen
Als de liedren der zang\'rige veêr, In stillen gebede neigen
De bloemen heur hoofdjes neêr.
Van overal rijst er een bede;
Zacht fluistert een stem mij voorbij. Een smachtend verzuchten om vrede — ö Menschenbart, bid ook gij!
Soera Rama.
naar Spitta.]
Z E I, F V E i; I, O O C H E X 1 X G.
Mijn vriend, een zeker niet geheel onliekend leeraar, predikt met nadruk de zelfverloochening. In zijn verkondiging bemint hij de diepte, en zoekt met ernst door te dringen tot de volle beteekenis van Gods Woord, hetwelk hij onbepaald gelooft. Groot is de verscheidenheid der onderwerpen die hij behandelt en toelicht. Men voelt bij hem, te doen te hebben met een Schriftgeleerde die uit zijn schat oude en nieuwe dingen te voorschijn brengt. Maar altoos, altoos is het de zelfverloochening waar bij hem alles in is samengevat. Zelfverloochening, afstand doen van het oude leven om het nieuwe te winnen ; verzaken van het tegenwoordige, tijdelijke, om uit de vlam des offers het eeuwige te zien ontbonden worden en het, als het éénige dat waarde heeft, aan te grijpen. Het kruis, het kruis, het goddelijk majestueuze, oneindig heerlijke Kruis, zooals het de grond der opstanding is — iets anders kent en verkondigt hij niet.
En toch geloof ik dat mijn vriend de zelfverloochening niet \'ten volle kent. Van heeler harte en oprechtelijk gelooft hij wat hij verkondigt; van het spreken buiten
80
eigen ervaring om heeft hij een diepen afkeer. En toch — neen, ton volle kent hij die zelfverloochening, welke hij altoos predikt — zoo vrees ik — voor zichzelve nog niet.
Op zijn aangezicht is doorgaands, dikwijls althans, een pijnlijke trek. Te weenen met de weenenden gaat hem beter af, dan zich met de blijden te verblijden. Hij voelt dat zelf, en wenschte het wel anders, wenschte de gulle vroolijkheid die hij in anderen zoo gaarne ziet, ook zelf te hebben, maar het gelukt hem niet. Als christen weet hij dat het Stoïcisme in zijn kern hoogmoed en verfijnde eigenbaat is onder verheven gestalte — en toch, er is iets stoïsch in zijn minachting voor allerlei genot des levens. Wil men hem tot zulk genot trekken, hem daarin doen deelen, hij weigert het dan niet, want hij is een vijand van gemaaktheid en opzichtigheid. Maar het geoefend geestelijk oog ziet dan toch in hem een zekere Johannes-de-Dooper-gestalte, iets anders dan »den Zoon des menschen die gekomen is etende en drinkende.quot;
Waarom zeg ik dan nu van dezen vriend gelijk ik het hem zeiven ook gezegd heb, dat hij de ware volle zelfverloochening. die hij steeds predikt, nog niet kent ? Omdat hij er te veel over spreekt en haar (al tracht hij het te verbergen) onwillekeurig te veel toont, om haar ten volle te bezitten. Ten volle zeg ik. Want zelfverloochening heeft twee trappen. De eerste is de hoogte die mijn vriend heeft. De tweede is stil, kalm, sterk maar verborgen als de wortels van den eik, die onder den grond liggen. Een mensch die zichzelf nog min of meer wettisch verloochent, weet dat hij het doet. Maar wie zich evangelisch, d. i. niet door de kracht van een kloek besluit maar door de kracht der liefde van Christus leert verloochenen, die weet niet meer dat hij het doet.
81
Hij «vergeetquot; ook in dezen »wat achter is, en strekt zich uit tot hetgeen vóór is.quot;
Men kun de zelfverloochening niet de kunst vergelijken. De kunst heeft ook twee trappen. Bij den eersten dei-beide trappen zegt de toeschouwer, het kunstwerk ziende : o hoe groot is de kunst van dezen man, hoe toont elke bijzonderheid in het kunstwerk, dat wij hier het gewrocht der geheele toewijding van een kunstenaarsziel en kunstenaarshand vóór ons hebben! Maar op don tweeden h oogeren trap zeggen wij dit niet. Daar toch he?ft de kunstenaar nog hooger voortreffelijkheid, maar hy heeft zich w a a r 1 ij k en ten volle toegewijd, zichzelf algeheel verloochend. Hier merken wij dan niets meer van hem, den kunstenaar. Slechts bewonderen wij het werk. maar de maker heeft alle sporen van zijn inspanning zoo geheel verborgen, te niet gedaan, dat wij van hem en van zijn arbeid niets meer merken.
Als wij een i-ede gehoord hebben, en dan uitroepen: »hoe schoon, hoe prachtig, hoe aangrijpend!quot; dan was de kunst des sprekers groot. Maar als die kunst nog grooter, als zij voltooid is, dan spreken wij daarna niet over do rede noch over den redenaar, maar gaan stil heen en doen wat bij gezegd heeft.
Het is schoon, zichzelf uit te wisschen. Maar het baat niet, zoolang men niet daarbij ook de sporen dier zelf-uitwissching heeft uitgewischt. Want anders blijft het gevaar bestaan, dat de mensch en zichzelf van die zelfuit-wissching bewust is en haar goed noemt, en dat hij dus. als Sisyphus, juist wanneer hij don steen tot den top des bergs heeft opgestuwd, hem weder naar beneden laai rollen en van voren af aan beginnen moet.
De ware volle zelfverloochening heeft geen streng maar
82
een liefelijk, helder uitzicht. In haar wordt er gevast met een vroolijk gelaat. Niet omdat men de pijn verbijt en ontveinst, maar omdat de innerlijke glans des nieuwen levens zoo krachtig is dat hij van binnen naar buiten uitstraalt en in den vorm van een gezalfd hoofd, een gewasschen en vroolijk aangezicht optreedt. Hier heeft de opstanding den dood verslonden. De kinderlijkheid, ongedwongenheid, vanzelfsheid Ls teruggekomen. Do rimpels zijn gladgestreken. God wordt gezien als onuitsprekelijk goed. Te gelooven, dat is voor zulk een, wat vele jaren geleden een arme wever mij zeide: »gelooven is heel, heel, heel goed van God te denken, dat er het eind van weg is.quot; Die zich waarlijk ten volle verloochent, men ziet het hem niet aan, zoo eenvoudig en natuurlijk is zijn leven geworden. Want de zelfverloochening is nog niet een werkelijkheid, zoolang wij ons/.elve niet verloochenen, dat is ook, vergeten. Dus zoolang ik nog weet dat ik het doe, zoolang doe ik het nog niet. Een kind van God is een Orpheus, die zijne Kurydice, zijn beter ik, uit de hel des verderfs naar boven, naar de wereld des lichts, opwaarts geleidt. Hij moet voortgaan, rustig en geloovig voort. Maar zoodra hij dat beter Ik vóór den tijd wil aanschouwen, zoodra hij onderweg omziet, wee, wee, daar wijkt Emydice terug en zijn arbeid is te vergeefs!
Wonderbaar heerlijk zijn dikwerf de wegen langs welke onze God Zijn kinderen tot die zelfverloochening geleidt. Een van die wegen is ook mijn vriend niet onbekend. Het is deze, dat God den mensch er toe leidt om door •■igen onbedachtheid zijn levensideaal te verstoren, te vernietigen.
In den twaalfden zang van lasso\'s »Verlost Jeruzalemquot;
is een aandoenlijke maar tegelijk, dunkt mij. diepzinnige episode. De ridderlijke christenheld Tankred bemint met al den gloed zijner ziel eene jonkvrouw, de heidensche Klorinde, wier dapperheid in het belegerd Jeruzalem de steun van den Mohammedaanschen vorst is. De beeld-schoone Amazone doet een nachtelijken uitval, keert terug, maar terwijl haar medestrijders binnen de poorten der stad geborgen worden, blijft zij er buiten. Zij geraakt in tweegevecht met Tankred die, niet wetende wie hij voor beeft, haar doodelijk wondt. In het gezicht des doods spreekt zij voor haar overwinnaar een wensch uit dien zij in het hart droeg, namelijk om als Christinne te sterven. Zooals ten Kate vertolkt:
iVriend, gij verwint! \'k Vergeef. Ook gij vergeef!
Gena — niet voor mijn lichaam : \'k laat het slopen! — Maar voor mijn ziel, mijn arme ziel! Ik sneef:
Ooh, Christen, bid voor mij en laat mij doopen !quot;
Tankred. verteederd en ontroerd, schept uit een beekjen water tot den doop in zijn helm, keert terug, ontbloot het vizier der zieltogende, — en ach I het is Klorinde zelve, die hij gedood heeft — —
En Tankred heeft zijn vlijmend wee, hoe groot,
Naar d\' achtergrond van :t brekend hart gedreven.
En zoo hij haar door t ijzer heeft gedood,
Nu geeft hij haar door \'t water eeuwig leven.
Het »Amenquot; ruischt. Naar \'t hemelsch morgenrood Houdt zij den blik glimlachende opgeheven.
En \'t is als spreekt in zalig zielfgenot Hcur brekend oog: gt;Vaarwel, ik ga naar God!quot;
Maar als nu Tankred, krank van zielesmart, te bed ligt.
verschijnt hein in den nacht de verheerlijkte Klorinde, en troost hem met deze woorden:
\'k Dank u miju heil. Gij hebt van \'t stof der aard Uit misverstand vioog-tijdig- mij doen scheiden.
\'t Werd mij vergund, ter blijde hemelvaart Door u gewijd, de vleug\'len uit te spreiden.
Ku leef ik in den groenen levensgaard.
\'k Kust in Gods schoot: daar blijf ik u verbeiden,
Daar zult gij eens in d\'eeuw\'gen zonnegloor Mijn schoonheid /.ien en aller Eng\'len choor.
Wilt gij \'t geluk der hooge hemokalen Niet ruilen voor een eindloos weegeklag,
Zoo leef, en weet — en laat mij \'t u herhalen — ïlk heb u lief zooveel ik kan en mag.quot;
Zij spreekt; heur oog schiet heil\'ge liefdestralen, Zoo als nooit de aarde in sterflijke oogen zag.
Ze omsluiert zich met licht en is verdwenen;
Maar nieuwe troost stroomt door zijn aad\'ron henen.
Aldus leidt onze God ook ons niet zelden zóó, dat wij als Tankred, ons eigen jaren lang in de ziel gedragen ideaal, juist als wij het eindelijk binnen ons bereik hebben, door misverstand en onbedachtheid dooden. Maar nu van ons scheidende vraagt dat ideaal ons: «doop mij!quot; En als wij dat doen, als wij onze stervende levensvreugd niet in de harde noodzakelijkheid maar in Christus\' dood begraven, dan schreien we misschien eerst nog wel bittere tranen om het gemis, maar hemelschoon verschijnt ons dan, terwijl het daglicht des gewonen levens verbleekt is, dat ideaal in verheerlijkte gestalte, en spreekt tot ons: treur niet langer om mij, ik heb u lief, wij zien voor den Troon elkander weder. En met nieuwen moed staan we dan op om verder het leven in te gaan en Gods raad uit te dienen.
85
Dit is een moeilijke maar ook heerlijke weg. Die hem gaat, heeft naderhand den Heer voor niets zoo innig gedankt dan daarvoor, dat Hij in Zijn strenge doorzettende barmhartigheid hem dezen weg niet spaarde. Want ja, enkel barmhartigheid is hier Gods doel. Niet om den dood, die slechts voorbijgaand middel is, maar om het leven dat uit dien dood opbloeit, is het Hem te doen.
O mijn broeder wil het gelooven: het is honderdmaal meer waar, dan mijn zwakke taal het u verzekeren kan. Vat moed en wees blijde, want alles is vergeven en goedgemaakt wat gij bedorven hebt. Treur nu ook niet. nadat gij uwe schuld beleden en in Christus\' bloed uit-gedelgd gezien hebt, treur nu niet verder over wat geschied en niet meer te veranderen is. Het werd in Gods Raad omtrent uw en anderer leven opgenomen: neem gij het dan ook kloek en eenvoudig aan. niet verder omziende naar hetgeen achter ligt, maar u uitstrekkende tot wat vóór is. God wil u vroolijk hebben, verheugd in den glans Zijner liefde. Xiet de verloochening is het doel : zij is slechts middel, en het doel is het blijde stille in God vernieuwde bestaan. Xiet de smart van den strijd, maar de heerlijke vrede der overwinning, het feestelijk aanschouwen van Zijn aangezicht wil Hij van u.
Xiet een pijnlijk afstand doen van dit leven wordt gevraagd, maar de eeuwige liefde van Christus wil zich u kenbaar maken: en als gij haar ziet. valt van zelf alles weg wat zich met haar inwoning niet verdraagt. Zoek het Koninkrijk God.-, dan worden van zelf alle dingen u toegeworpen. Dat is met andere woorden: wie het geluk wil vinden moet liet niet zoeken, maar bet oprechtelijlc om Jezus\' wil opgeven. Oprecht el ijk
80
moet hij het opgeven: niet den ring van Polykmtes in de zee werpen met heimelijk denken, »tot loon voor dit otter brengt een visscher hem mij zeker wel uit den buik van een viseh terug!quot; Daartoe is het noodig Jezus Christus, dat is de eeuwige ontferming, te kennen: want om den wille van iets minder dan Hij is, kan geeu mensch zichzelf verloochenen. Uit vriendschap en liefde of om krijgsmanseer of uit iets dergelijks kan men zijn leven verloochenen; maar alleen om Jezus\' wil kan men zichzelf verloochenen, anders is het onmogelijk.
O zalig en heerlijk is dit. ))Men is niet heer, men is niet knecht, men is een vr ooi ijk kind,quot; zegt de dichter.\') Knecht en heer beteekent hier hetzelfde, komt op hetzelfde neder. Beide hebben dit met elkaar gemeen, dat zij zich/elve niet verloochenen kunnen. De «knecht,quot; de slaaf der wereld en zijner eigen lusten, heeft zichzelf weggeworpen en houdt geen »zelfquot; meer over dat hij zou kunnen verloochenen. De sheerquot;, de trotsche eigengerechtige die meent, zich boven de wereld te kunnen verheffen, geeft zichzelf niet op, en heeft dus even weinig als de knecht zijn Ik gereed om het te otteren, te verloochenen. Alleen het »vroolgk kindquot; verloochent zichzelve, omdat het in zijn blijdschap zelf niet weet dat het zulktf doet.
Mijn vriend kent dit alles nog niet ten volle. Maaibij weet dat het zoo is. en daarom zal hij er ook komen, want God is almachtig en getrouw, ook voor hem.
\') Spitta.
DE XANANEESCHE VROUW BIJ JEZUS,
Hoe ? Hoort Hij baar niet ? Ls ook Jezus ooit wreed
Ach, biddende, schreiende vrouwe,
Een bart als van staal is begaan met uw leed;
En J e z u s vermeerdert uw rouwe ?!
Hij weet, boort en ziet wat uw moederbart lijdt,
Hij peilt al uw bidden en weenen,
En tocb — aeb, omdat gij uit Isrel niet zijt.
Wil H ij u geen bulpe verleenen ?!
Maar neen! Altijd boort Hij de ziele, die bidt!
Hij kent baar. En — wil Hij beproeven ;
Het is om te lokken steeds nader aan \'t wit
En nooit om die scbreit te bedroeven.
Geen brokskens werpt Hij als aan b o nd e kens toe!
Dit zou Hem zijn liefde verbindren.
Maar mild is zijn goedheid en, gevens nooit moe, Verzaadt Hij Gods biddende kindren.
Daar hebt ge zijn woord reeds! De smart is gestild
Met meer dan gij durfdet verlangen!
\'t Geloof is gekroond ! En ziedaar, wat ge wilt Dat hebt go in uw dochter ontvangen.
88
(jij dankt Hem met tranen. Hoe vol is u \'t hart!
Ga, ga nu uw dochter aanschouwen ! —
AVat ooit u nog treffe; gij blijft in die smart Dankzeggend op Jezus betrouwen.
E. P. H. Wolf.
Utrecht, 3 Oct. 1879.
HOE DE HEER ZICH JUWEELEN VOOE ZIJN KROON EX WEGEN TOOK ZIJN WOOED BEREIDT.
»En beeft uw arbeid onder de Inlanders te Japara in zooveel jaren al eenige vraebt gedragen ?quot; Die vraag beb ik mij al meermalen boeren doen, en niet altijd in den geest die een bevestigend antwoord boopt te ontvangen: soms zelfs met een zegepralenden glimlach op het gelaat, die een Acbab zon bebben doen uitroepen: »die zich aangordt, beroeme zicb niet als die zicb losmaakt!quot;
»A1 eenige vruebt gedragen Ja, zie ! daar komt iemand van elders deze plaats bezoeken, en. in de verte vernomen hebbende boe lang bier reeds bet zendingswerk in gang is en hoeveel er reeds aan ten koste is gelegd, laat hij zijn blik in \'t rond waren, of hij ook iets sehristelijksquot; kan ontdekken; maar waar bij heen schouwt, nergens vertoont zicb aan zijn oog iets anders dan wat hij overal elders op Java ziet, waar nog geen Evangeliebode den voet heeft gezet. Moge \'t waar zijn, dat bet Woord des Kruises abet gelaat des aardrijks vernieuwtquot;, bier ten minste, zoo is zijne bevinding, is alles nog het oude. Zijn dan niet al die jaren arbeids en al die kosten onnut verspild.\'
no
O, \'t is geen wonder dat wie nooit heeft gadegeslagen, hoe van het uitgestrooide tarwezaad, voordat halm en aar en koren den landman noodigen om zijn sikkel te scherpen, zich geruimen tyd niets laat zien dan een kruid gelijk een grasplant, — \'t is geen wonder, dat zulk een alle moeite verloren acht, waar inderdaad een rijke oogst zich voorbereidt. Nog minder bevreemdend is het dat bij eene vluchtige rondschouw in een lusthof een paar nederige hoekjes moesplantsoen zich aan het oog onttrekken, hoe groot ook aan innerlijke waarde boven de schoonste bloemen te schatten. En waar oog noch hart is voor iets anders dan wat met aardschen luister blinkt of stotl\'elijk voordeel aanbrengt, hoe kan het anders of daar blijft verborgen wat in een nederig kleed alleen in de onzichtban-kracht Gods voor de heerlijkheid der eeuwigheid rijpt!
En zoo is het met het Koninkrijk Gods, overal waar het zich vestigt. Het »komt niet met uiterlijk gelaatquot;; en de wereld heeft er niet het minste begrip van hoe het zich ontwikkelt en uitbreidt, zich versterkt en zich gereed maakt om eens in Goddelijken glans de geheele aarde te vervullen. Wie hier te Japara in de gemeente des Heeren zoekt wat de wereld groot en schitterend wil noemen, stake zijne moeite! Maar wie het leven Gods kent, en daar dus een oog voor heeft ook bij zijne omgeving, hij ziil niet vergeefs naar blijken vragen, dat Gods Geest ook hier gewerkt heeft en nog werkt, om door Zijn almachtigen adem het licht uit de duisternis, het leven uit den dood te doen voortkomen.
Wilt gij er iets van vernemen ? Kom, ga dan eens met mij terug tot de vervlogene jaren, en wat toen in \'t ver-liorgene is gewrocht en beleefd, waar de wereld niet het minste vermoeden van had. — Verschijn voor onze ver-
91
beelding, gij kleine onder de kleinen, getrouwe en har-telijke vriend en helper Andreas! Uw stof is reeds lang tot liet stof weergekeerd ; maar uwe gedachtenis, als eens rechtvaardigen, leeft voort, naar de belofte van uwen en onzen Heer en God. Neen, gij zult niet schaamrood en schuchter zwijgen, als wij tot een getuigenis u vragen, wat ge voor uwen Verlosser hebt gedaan in de dagen uws vleesches, want nu althans weet en erkent gij volkomen, dat het de Heer was die het in en door u gewrocht heeft. Verhaal dan aan deze broeders en zusters die naar het werk Gods vragen, hoe gij op een leeftijd van omtrent veertig jaar, toen de Goede Herder u gevonden en tot Zijne kooi vergaderd had, uit eigen beweging u zette naast de kindertjes, om onder hen te leeren niet alleen hooren, maar ook zelf lezen wat het woord Gods in Christus tot zondaren spreekt, ten einde alzoo uw geloof te versterken en te nauwer met uwen Heiland te verkeeren. Zeg hun, hoe ijverig gij volhard hebt en hoe spoedig gij uw verlangen bevredigd zaagt, en hoe gij toen aanstonds met dat oude groote Javaansche Nieuwe Testament onder den arm de wijken en de dorpen rondtrekt om, waar men er naar luisteren wilde, uw volksgenooten voor te lezen uit het kostelijk Evangelie, waarin gij zelf den eenigen weg des leven hadt leeren kennen en bewandelen. Gewis, uw arbeid, zoo moedig en ijverig voortgezet tot nabij den dag uws verscheidens toe, was even als de penningskens der weduwe te midden van het zilver en goud der rijken, nederig en bij de wereld niet in tel, maar gewaardeerd en gezegend bij den Formeerder en Kenner der harten. Nog geen jaar hebt gij op aarde den Heer mogen belijden en zielen tot Hem nooden; en uw stoffelijk oog heeft er zich niet in mogen vermeiden, dat van die zielen, die de uitkomst uwer
wandeling hadden aanschouwd, enkelen zich naar uw voorbeeld door zijnen doop in zijne gemeente lieten inlijven. Toch weet gij het en dankt er eeuwig Gods genade voor, dat ook »uw arbeid niet ijdel is geweest in den Heer.quot;
Daarvan waart ook gij een bewijs, Martha, arme, zwakke, kranke weduwe, die van hem mede het woord der zaligheid vernomen hebt. Voeg dan insgelijks, ter versterking van \'t geloof en de blijdschap van hen die ook om het heil van Java bidden, uw getuignis bij het zijne, en deel ons mede, hoe de Heer ook u tot Zijne zalige en vertroostende gemeenschap gebracht heeft. Was het niet steeds uw lust en trachten, in liefde te dienen gelijk uw naamgenoot van Bethanië, en hebt gij niet, als eens Maria, gedaan wat gij kondet bij de geringheid uwer krachten? En gewisselijk herinnert gij u ook nog, als wij, hoe de Geest des Heeren u op uw sterfbed ingaf, uwe kinderen, die den Heiland niet kenden noch zochten, ernstig te bevelen, dat de bezorging van uw stoffelijk overschot door de broeders in den Heer moest geschieden, en geen Mohamme-daansche bijgeloovigheden daarbij mochten plaats hebben, want dat gij u met lichaam en ziel aan Jezus hadt gegeven. om Zijn eigendom te wezen en te blijven.
En nu gij, tot langen tijd bedrukte en bekommerde grijsaard, wien liet maar niet gelukken wilde te beantwoorden aan den door u gekozen naam Moedji-Hjang 1j, zoo lang gij aarzeldet, tegenover den vijandigen drang uwer bloedverwanten het beslissende woord te spreken : Btnijne zonen worden niet besneden: zij behooren den Heer Jezus toe!quot; O, maak het, aan wie het ter eere \'iods vernemen willen, bekend, wat er in uwe ziel omging.
\') Jnda. God lovende.
op en na i.le stonde, toen het u eindelijk van de liiipen kwam in bijzij11 van mij en andere broeders en zusters! Wat was het, waardoor toen oogenblikkelijk het zoo lang neergebogen hoofd opwaarts werd geheven, en de eerst stomme mond overvloeide van lof en liefde? Was het met u daar niet, als met een Zacharia en een Thomas, »sprekende omdat zij geloofdenquot; V Wat was het, waardoor van toen af, tot uw ontslapen toe, de nieuwe vrede en blijdschap niet meer van u zijn weggenomen geworden, terwijl gij getrouwelijk en standvastig het gesproken woord bleeft bevestigen? Maar deel ons dan ook mede. wat uw hart bedoelde en gevoelde, toen gij, op uw sterfbed neergelegen, op alle vragen en toespraken met een blijden glimlach niets anders antwoorddet dan: «zoo aanstonds I zoo aanstonds !quot; Was dat niet, op uwe wijze uitgedrukt, de hoopvolle bede van den scheidenden Jakob: »Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere!quot;? Welnu, bij de vervulling van die bede, terwijl ge thans den God des heiU in volle heerlijkheid looft voor alles wat Mij deed, kan het uwe blijdschap niet meer schaden, dat die zoons, door u zoo trouw voor den Heer bewaard, na uw heengaan, op vergunning van hunne moeder, aanstonds in Mohammeds naam zijn getee-kend en tot heden onder de rijen van diens volgelingen gebleven.
Xog liefelijker beeld kan ik den lezer voorstellen uit de stillen in den lande in \'t vergeten Japara. Xeen. zij was niet gewoon, van zich zelf te spreken, noch van haar vroomheid, noch van haar lijden, die andere Martha, naar \'t lichaam blind, maar wier vriendelijk, tevreden gelaat, in opgeruimde spraak to allen tijde getuigden van het licht en de genade die in hare ziel huisden. Al konden wij niet verwachten dat z ij, de blinde van bijna tachtig
94
jaar, ook nog tot dienen kracht zou hebben gehad, toch zagen wij haar nog altijd werkzaam met wat anderen van nut kon zijn, en daarbij steeds innig dankbaar voor den minsten dienst die haar, de hulpbehoevende, bewezen werd. Zeer weinig met geestvermogens bedeeld, en pas sedert kort tot de kennis der Waarheid gekomen, was ze niet in staat om anderen te onderrichten ; maar haar voorbeeld was een prediking en haar leven een leer. Zie, daar ligt ze neder in haar laatste krankheid, blijkbaar naderende tot de ure der ontbinding. Och, vraag haar niet naiir eenig ding van deze aarde, — niet aangaande haar smarten of gemis : zij verstaat, noch hoort u. Maar noem den naam haars Heilands, en zie den glans op het stervende gelaat. Vraag haar, hoe haar ziel het bij Hem heeft, en zij lispelt: »goed! het is licht.quot; Zie, daar begeeft haar de adem, maar niet haar vredige glimlach. Zelden zal de schoot der aarde een vriendelijker gezicht in zich hebben opgenomen, terwijl de bevrijde ziel reeds bij haar Verlosser in \'t onbeneveld en onvergankelijk licht zich verheugde.
Neen, wij vergeten u niet, eenvoudige, nederige Xgangkah \'), noch uw ijverig en volhardend streven naar het doel uwer roeping in Christus en naar het heil uwer natuurgenooten! Noch menschelijke welsprekendheid, noch veelomvattende kennis, noch bevallig niterl ijk was uw deel; maar wat gij hadt, uw trouw, zachtmoedig en liefhebbend hart, dat gaaft gij geheel a^n den Heer en uwen naaste, om de genade en waarheid Gods bekend te maken en medezondaren tot hun Heiland te nooden. Ons allen ten voorbeeld, was het uw lust, onvermoeid van het Evangelie des Kruises heinde en verre getuigenis af te leggen;
\') streven, beoogen.
!»rgt;
i if
ü
it\'-
I
en wel was uw wandel er naar ingericht om allen te toonen dat het u opreehtelijk ernst was, en dat het Evangelie een kracht Gods is tot zaligheid en heiligheid voor wie het golooveu. Hoe stug de grond was rondom u; gij wist wat liet zeggen wil: »Zaaier! zaai in Gods naam voort!quot; en nog de laatste dag van uw verblijf onderons was er getuige van, hoe uw geloof en hope niet beweken zijn, ook niet in dien oogenschijnlijk hopeloozen aabeid. Toen nog vennaandet gij met stamelende tong uwe kinderen en allen die tot u kwamen, om zich toch door den Heer •1 ezus te laten behouden, of om zich nauwer aan Hem te verbinden. En o! het was zoo innig in al uw denken en gevoelen en trachten ingeweven: niets van of voor uzelf maar alles uit en voor den Heer te wezen. Kom! gjj ook verhaal ons, boe goed bet u te moede was toen op den laatsten Zondag van uw lijden en strijden, de gemeente eens in uwe woning aan uwe stervenssponde vergaderde, en ik daar diep geroerd mocht spieken van Maria\'s liefde \\\'oor den Heer, en hare zalving )gt;ter voorbereiding van de begrafenisquot; van Hem dien ook gij kendet als den Overwinnaar van den dood, die al uwe verwachting heerlijk heeft bekroond, en door wien ook gij »nog spreekt nadat gij gestorven zijtquot;. Op den dag waarop we uw lijk ten grave begeleidden, getuigde de menigte dergenen die rouwbeklag kwamen brengen, dat een goed man uit hun midden was weggenomen. Heeft ook geen hunner het ernstig bedacht, of zich op uw vermaan tot den Heere in waarheid bekeerd, zoo ge nog troost noodig hadt, zou het u gewissebjk, gelijk ons, daartoe dienen, dat vier uwer kinderen getrouwelijk in uw voetspoor treden, immers allen die nog onder uwe leiding waren toen gij uwen Goddelijken Leidsman vondt, — en dat uw jongste, met meerdere gaven dan gij toegerust,
9()
uwe taak heeft overgenomen en met clenzelfclen lust en ijver blijft vervullen.
Nog is de rij niet gesloten; want onder die ons reeds zijn voorgegaan in de heerlijklieid, komt ook gij ons nog voor den geest, nederige en trouwhartige Tabithal — en gij, Salome, arm aan taal en denkbeelden, maar welsprekend als ge van uw geloof in Jezus mocht rekenschap geven, — beiden dooi lijden tot de volmaaktheid opgevoed.
En gij allen, aan wie wij hier een woord der herinnering mochten wijden, daar ginds, waar men ;)kent gelijk ook wij gekend zijnquot;, zal het u niet verborgen zijn, of er niet nog meer in den Heer ontslapen en de zaligheid beërfd hebben, van wie wij het hier nog niet durven zeker stellen. Gij althans zijt reeds toegevoegd aan de wolken van getuigen, die ons nog in den loopbaan, uit den hooge gadeslaat, en ons als toeroept; );zijt getrouw tot den einde!quot; God dank ! ook onder hen, die nog mede in het strijdperk staan, heeft de Heer eenige, aan wie Hij getuigenis geeft dat zij de Zijnen zijn! Laat zelfs voortreden, die weigeren zich tot onze gemeenschap te voegen ; laat hen verklaren, of niet de diepst gevoelde reden van die afkeerigheid, naar luid van hunne eigene woorden, is : dat ze in den wandel der Christen-Inlanders zien, hoe de godsdienst van Jezus een zaak van heiligen ernst is, waar noch huichelaars noch dubbelhartigen zich in kunnen vinden.
Onder dit volk is hier en daar in omloop een woord uit hunne oude geschriften, dat bij hen als een Godsspraak geacht, maar behalve door de Christenen, door niemand ter harte genomen wordt. Naar den inhoud te oordeelen, moet het afkomstig zijn van Daniels profetiën, in Babel gesproken, en die van andere Godsgezanten, door de Joden.
\'■gt;7
aldaar medegedeeld, door Magiërs en anderen verbreid en naar Hindoestan overgebracht werden, van waar de Javanen hun meeste overleveringen hebben. Dat woord spreekt van een toekomstigen aKoning der gerechtigheid, Bevestiger en Regelaar van den godsdienst.quot; Het voegt er bij dat, ook vóór de verschijning van dien Koning, de ware godsdienst wel geopenbaard zal zijn, maar toch voor \'t algemeen onzichtbaar, hoewel zijn leer zonder geld zal te koop zijn; terwijl de Koning zeil\' in dien tijd wezen zal ))als de witte welriekende Pandan-bloem, nog in den kelk besloten.quot; En eindelijk, dat zijn komst en gelukkige regeering zullen plaats hebben, wanneer «het lichte gaboes-hout zinkt, en de zware glanzige zwarte kiezelsteen drijft.quot; Ik meen, dat uit deze overleveringen van eene grijze oudheid ook voor ons nog vrij wat leering te trekken is. Wijst toch niet het laatst-gemelde op een rechtvaardig eindgericht, waarin al wat te licht bevonden wordt, voor eeuwig zal verdwijnen, en alleen wat zuiver aan Gods wet voldoet, zal bestaan en over alles heerschen? Ja, zouden wij hier niet dieper nog mogen tasten, en onder dien zwarten kiezel- of toetssteen de wet Gods zelf verstaan, die weer alom in eere zal worden gesteld, en waaraan allen naar waarheid ge-toest en beproefd zullen worden, of den verworpen Steen, die tot Hoeksteen gezet is, den Gekruisigde, die tot Heer en h\'echter en Christus boven allen verheven is ? Kn begreep de dichter dezer spreuken niet beter dan menig wijze die christen heet, dat juist het schoonste van al wat bestaat, de Waarheid die uit God is, in deze bedoeling verborgen moet zijn voor de wijzen en verstandigen, ook dewijl zij te edel is om haar onbesmetten glans met het schijnschoon der wereld te lal en wedijveren? Hoe het zij, dit althans blijkt er ten krachtigste uit, dat de Heei\'e God ook over
98
dit volk, van oude dagen af, gedachten des vredes gehad heeft, en, langs welken weg dan ook, hun een belofte heeft doen toekomen, welker nadere, heilaanbrengende toelichting, naar Jezus\' bevel, door Gods wereldbestuur aan ons is opgedragen. En voor al wie in \'t geloof het zijne daaraan toebrengt, is die belofte een heilige waarborg, dat hij, als »Gods medearbeiderquot;, op welslagen gerustelijk en volkomen rekenen mag. Haast komt de dag waarop »de witte welriekende Pandan-bloemquot; haren kelk ontplooien en in al haar hemelschen glans zich zal openbaren. Dan verzinkt voor eeuwig al wat buiten God op grootheid en schoonheid roemde; en bij de luitervolle verschijning van den «Koning der gerechtigheidquot; worden tot de hoogste heerlijkheid verhoogd allen, ook uit de Javanen, die Hem in Zijne vernedering hebben gekend en liefgehad en Hem getrouwelijk gediend, in den arbeid voor Zijn zalig Kijk.
■Japara. P. Jansz.
ZEDELIJKE GEVOELIGHEID.
Schoon op de zee de stortvlaag woedt
Langs opgestoven baren,
Geen indruk van den regenvloed Is over \'t ruim te ontwaren;
Maar \'t minste drupje onttrekt zich niot
Aan \'s wandlaars vluchtige oogen, Op \'t spiegelglad der heldre vliet.
Door \'t rimplen straks betogen.
Zoo prent zich in een zacht gemoed
\'t Vergeet! ijkst overtreden,
Met diepe droefheid streng geboet,
Met scherjje smart beleden.
Die in der boosheid diepten viel,
Verblindt zich door zijn daden:
Door niets wordt in de ontrefbre ziel Hem \'t gruwbaar kwaad verraden.
•T. E. Steinmeï;
P S A L M 84.
VOOR EKNZAMKN.
Al drukt deze psalm, bij uitnemendheid liet sterk verlangen des harten uit van dengenen die voor het oogen-blik van \'t opgaan naar Gods heiligdom verstoken is, of noode terugblijfb waar de feestvierende schare zich opmaakt tot de jaarlijksehe tempelreis naar Jerusalem — het is er mede als met alle woorden Gods, die de Heilige Geest, omdat zij geest en leven zijn. naar veler onderscheidene behoeften weet te bijzonderen.
Wie door ziekte van zichzelf of anderen, of door verwijdering van woonplaats, verhinderd wordt op te gaan naar \'t bedehuis, vindt er de uitdrukking in van het smachtend verlangen zijns harten: en onder het uitspreken of lezen dier welbekende en welbeminde woorden, breidt zijne ziel zich voor den Heer uit, heft zij zich tot Hem op en wordt er door verkwikt, — zoodat, ofschoon hij voor \'t oogenblik verstoken blijft van dat begeerde opgaan naar het heiligdom, waarnaar zijne matte ziele verlangt, hij als \'t ware door het niet in de lucht klagen maar voor God uitspreken dier begeerte, door het in
lol
zijn hand stellen van deze moeite, weer aanvankelijk den geloofsmoed versterkt voelt, en het heerlijke slotwoord ook uit zijn hart is gesproken: »welgelukzalig is de mensch die op ü vertrouwtquot;\'.
Ook wie, althans bi) eenige behoefte aan gemeentelijk leven, b. v. na uitredding uit ziekte of gevaar, voor het eerst weder met de gemeente en met de zijnen mag opgaan in het bedehuis, zal doorgaans het liefst met de woorden van dit lied zijne ziele opheffen tot God en van ganscher harte mede aanstemmen :
tIToe lieflijk, lioo vol heilgenot O Heer, der legerscharen God,
Zijn mij Uw Huis en tempelzaugen!
Maar ook voor de eenzaam gewordenen heeft deze psalm eene bijzondere beteekenis, als de eigen woning ledig is geworden van de dierbaarste betrekkingen en ge op den sabbathsmorgen niet meer tot geliefde huisgenooten zeggen kunt:
Komt laat ons famen Isrüls Fleer Den Kotsteen van ons heil met eer Met Godgewijden zang ontmoetenquot;
of, komt laat ons zamen opgaan naar Gods Huis: — Als de ledige plaatsen om ons heen zich zoo smartelijk doen gevoelen, hQe dubbel noodig dan de sterking in Gods woord te zoeken — en als dan aan de eenzame ontbijtdisch deze onze psalm wordt opgeslagen, hoe innige weerklank vindt dan het woord: (vs. 2) hoe liefelijk zijn uwe woningen o Heer der Heirseharen! — ja, daar trekt het harte heen. Daar kan de eenzame zich niet meer alleen gevoelen, want opgaande met de gemeente gevoelen wij ons nauw verbonden met die allen daar-
10-2
boven en hier beueden die met ons Zijn iiangezieht zoeken en Hem dienen. Ja, daar gedenken ,vij aan hot »al de heilige gi\'oeten uquot; van Paulus (Phil. 4 : \'27) waarbij het ons is alsof ook de vooruitgereisden, die reeds overwonnen hebben, mede dien belangstellenden liefdegroet ons toezenden en ons toeroepen: «houdt moed!quot; —
Vs. 3, mijne ziele is begeerig eu bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des He eren, m ij n hart en mijn v 1 eesch roepen uit tot den levenden G- o d: — al wat in mij is smeekt om die gunst. W\'aut al leeft het hart in zekeren zin ook met zijne bij den Heer levende dooden voort, daar de zielsgemeenschap blijft bestnan — en zij zijn wellicht niet zoo ver van ons als men zic-h dit gewoonlijk voorstelt — (eene scheidende klove althans is er niet tusschen wie één zijn in Hem die ons Hoofd is) — ons hart is onrustig in ons tot het rust heeft gevonden in God en daarom roept het uit tot den levenden God, in Wiens gemeenschap het leven is, — met Wien er een heerlijk wissel verkeer is naar de eigenaardige duitsche uitdrukking die ons aan Ps. \'27 herinnert, en doet zeggen; »G ij zegt tot mij: zoek Mijn aangezichtquot; ik zoek Uw aangezicht o Heer. En als dan de Heer door het woord der verkondiging tot ons spreekt; Ik ben met u alle de dage n. voorwaar dan gevoelen wij ons niet meer zoo verweesd en alleen, ook bij het terugkeeren naar de eenzame woning.
Vs. 4, zelfs v i nd t de musch een huis en de zwaluw een nest voor zich. waar zij hare jongen legt. bij uwe altaren, —- benijdenswaardige, veilige rustplaats! in l\'we nabijheid, lieer der heir-s c li a r e n. id macht \' .quot;welhcliber der hemelsche heirlegers
103
maar ook mijn koning o n mijn God, tot \\\\ ien ook ik mag vluchten, bij Wien ook ik mug schuilen.
Vs. 5, welgelukzalig z ij n z ij die in uw huis wonen, die uw huis niet slechts nu en dan bezoeken maar, gelijk de priesters en leviten er wonen, er hun te huis hebben. Bijna benijdt hij het den vogelen die er hun nest mogen bouwen —- al bedoelt hij natuurlijk niet alleen een uitwendig daar wonen of een lichamelijk telkens opgaan naar het heiligdom, maar het gedurig ver-keeren in en genieten van z ij n e gemeenschap, want gelijk ons gezang het zoo schoon uitdrukt:
iln zijn ge mee n soli a p kiemt er leven En levensvolheid meer en meer.quot;
Zij prijzen u ge s t adigl ij k. Hoe vroolijk en sterk moet het hart zijn waaruit een gedurige lofzang opstijgt 1 en voorwaar wie eenig besef heeft van eigen onwaardigheid en schuld, en begint met ootmoedig danken voor duizendmaal verbeurde zegeningen, hem schiet geen tijd voor klagen over — integendeel, dan vindt \'t lied weerklank :
Do lofzang klinkt uit Sinns zalen Tot I\' met stil ontzag;
Daar zal men U o God betalen.
Geloften dag bij dag.
Vs. 6, welgelukzalig is de mensoh wiens sterkte in U is — die geen vleesch tot zijn arm stelt maar steunt op Een, wiens arm nooit doorbuigt, Een die zelf niet moede noch mat wordt, maar den moeden kracht geeft en de sterkte vermenigvuldigt aan dien die geene kracht heeft.
In wiens h a r t d e g e b a a n d e wegen z y n of, die
iOi
wandelende op de gebaande heirweg naar Jerusalem, zich in IT verlustigt. Die hoort naar de vermaning des Heeren (Jes. 30 : 21) »dit is de weg, wandel in denzelvenquot; — die naar Zijne inzettingen handelen, die hunne treden in Zijn spoor zetten opdat hunne voeten niet uitglijden, — die tot Hem naken opdat Hij hunnen weg hane, efi\'ene, bestiere.
vs. 7. Als zij door het dal der moerbeziën-boomen doorgaan, of door het Bakadal, door dorre en onvruchtbare woestijnen, waar de zon brandt en de weg zwaar is, ook omdat er geen water is om den dorst te lesschen, en zich mede te verfrisschen, stellen zij Hem tot eene fontein. Is dat geen vermetele of aanmatigende uitdrukking, «Hem te stellen\'\'; neen, want Hij wil voor alle nooddruftigen, behoeftigen, dorstigen eene fontein zijn; maar de mensch moet het zelf ook willen, de toevlucht tot Hem nemen, zijne versterking en verkwikking niet alleen van Hem vragen maar ook verwachten en aannemen — of Hij is \'t voor hem te vergeefs.
Een fontein in het midden der gloeiende zandwoestijn, wat liefelijk verkwikkend beeld! Hoe wordt de heete dampkring daar rondom er door verkoeld. Hoe kan men er zich door laten besproeien, verfrisschen, reinigen, en wel allereerst tot lafenis van brandenden dorst uit drinken, en er ook van dragen tot anderen die wellicht moedeloos en aamechtig zijn neergezonken omdat hun beneveld oog die fontein niet zag — terwijl men er ook voor de verdere reize van kan inedenemen of ook door de herinnering aan deze verkwikking gesterkt, hopend voorwaarts treden, vertrouwende op Hem die gister en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid, die \'t ook op de verdere reize niet aan \'t noodige zal laten ontbreken. Ook al schijnt het leven
105
soms een woestijnvei/.e geworden, «Ie Elims met verkwikkende palmboomen en fonteinen ontbreken er te Z ij n e r tijd niet, voor wie waarlijk op Hem bunne hope stellen -en dan is \'t weder als toen Paulus te Drie tabernen vrienden ontmoette die zijne banden sterkten in den Heer: — men dankt God en grijpt nieuwen moed.
Ook zal de regen ben gan scb r ij ke 1 ijk overdekken. liegen is bet beeld van zegen en vruebtbaar-beid. Als bet dorstend aardrijk verdroogd en verschroeid is en bet gewas verflensd nederbangt. boe kan een milde regen alles dan weder doen opleven, als de Heer naar de zinrijke uitdrukking in psalm 1 Ui »bet aardrijk drenkt uit zijne opperzalen.quot; — Het is opmerkelijk dat onze Heiland (Mattb. 5 • iö) ook niet zegt: »bet regentquot; naar het gewone spraakgebruik, maar »Hij regentquot;, deregen zoo rechtstreeks als eene goede gave van Hem voorstellende. — H ij regent: dat legt ook de vinger op den mond als regens troomen ons soms voor onze aardsche plannen of bij bet binnenhalen van. den oogst te onpas komen. H ij regent, dat stemt ons hart tot ware dankbaarheid als Hij alzoo bet dorstend aardrijk drenkt en boe welsprekend is daarom ook de uitdrukking: «Die Zijn Geest gelijk een milde regen na droogte geeft.quot; En even als de regen door de aarde ingedronken, de grasscheutjes daaruit doet voortkomen, zoo is bet met wie den Doop des Geestes ontvangen hebbende, die beste gave die de Heer aan allen geven wil, dien Geest laat doorwerken in zijn hart, zoodat hij gansch natuurlijk, vruchten des Geestes voortbrengt en door den Geest leeft en wandelt.
Vs. 8, zij gaan van kracht tot kracht; in de mogendheid des Heeren die bun de kracht vernieuwt; telkens weder de trage handen en de slappe knieën op-
-106
richtende, vorderen zij op de baan die him voorgesteld is, en hnn toenemen wordt openbaai-, ten blijke dat er ware levensgemeenschap is tusschen hen en den levenden God.
»Zij zullen opvaren met vleugelen als de arenden. De weg des levens is den rechtvaardigen naar bovenquot; en ééns zal een iegelijk hunner voor God in Sion verschijnen om Zijn aangezicht in gerechtigheid te aanschouwen.
Blij vooruitzicht dat mij streelt,
Ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerochtighokl ainschouwen.
Verzadigd met Uw Godlijk beeld.
Vs. iS, Heer God der heirscharen! almachtige, dien het heir des hemels aanbidt, Wien alles ten dienste staat, Wien niets te wonderlijk is; Die omgord zijt met macht; Die roept de dingen die niet zijn alsof zij waren ; Die Uwe engelen maakt geesten, hoor mijn gebed, verhoor mij om Uws Naams wil: neem het ter oore o God van Jakob, de Getrouwe, die wilt dat wij aanhouden in den gebede, die U laat verbidden, de God van Bethel die wilt dat wij met U worstelen in den gebede, die vergeeft en toeh de ongerechtigheid bestraft, omdat Uwe liefde een heilige liefde is, gelijk die zoo treilend schoon ook in psalm lt;S!) is beschreven, vs. 32—34. «Indien zij mijne inzettingen ontheiligen en mijne geboden niet houden zoo zal Ik hunne overtreding met de roede bezoeken. maar mijn goedertierenheid zal Ik van hen niet wegnemen en in mijne getrouwheid niet feilen. Ik zal mijn verbond niet ontheiligen en hetgeen uit mijne lippen gegaan is zal ik niet veranderen.quot;
107
Vs. 10. Hoe terecht vervolgt dus onze dichter: o G-od onze schild, onze beveiliging tegen alle kwaad, Zie en aanschouw het aangezicht van uwen gezalfden. Zie ons aan in Hem, Uwen geliefden, dien Gij U tot Koning gezalfd hebt over Sion. Zie ons aan in Hem ons Hoofd.
In Zijnon mantel ingehuld Is er bedekking onzer schuld.
Zie ons gedoopt voorhoofd aan en gedenk aan U \\v verbond. Hij heeft ook ons gemaakt tot Koningen en Priesters.
Vs. 11. Want één dag in Uwe voorhoven, in Uwe nabijheid en gemeenschap, in Uwe verheerlijking doorgebracht, is beter dan duizend elders.
Rust en vrede keert er weder In de ziel tot God gekeerd.
Zijne voorhoven zijn voor \'t heilbegeerig hart zoo vaak als \'t voorportaal des Hemels.
Ja lieflijk en vol heilgenot O Heer der Legerscharen God Zijn mij Uw Huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên,
Om \'s Heeren voorhof in te treèn:
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen;
Mijn hart roept uit tot God die leeft.
En aan mijn ziel liet leven geeft.
Ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, daar als dorpelwachter dienst te doen, dan lang te wonen in de tenten dei-goddeloosheid, met al hun schittering en pracht en ijdele vreugd ; liever de geringste plaats onder de dienaren
108
des Heeren dan een eerepost onder de kinderen dezer wereld.
Vs. 12. Want God, de Heer is een zon en schild, een zon die verwarmt, verlicht, die groeikracht en leven geeft. Hij doet zijne zon opgaan over de aarde en verkwikt mensch en dier. Hij heeft vroolijkheid en licht voor alle oprechte harten ten troost verspreid in smarten.
En Hij is niet alleen een zon maar ook een schild, eene bewaring, bedekking, beschutting tegen alle aanvallen des boozen, wiens pijlen er op afstuiten of verstompen. Hij zelf ons schild, liefelijke, heerlijke gedachte! Hij zelf; in Hem mogen wij schuilen, en wij zijn beveiligd voor alle kwaad, en ook de eenzaamste is niet meer alleen.
De Heer zal genade en eere geven; genade is liefde in de hoogste trap, ontferming, vrijspraak, herstelling in gunst. En eere. Zijt ge bij de men,schen veracht en vergeten, leeft ge in verschovenheid door menschen, laat het u niet neerdrukken. Die M ij eeren zal Ik eeren zegt de Heer U w ontfermer. Hij zal u te z ij n e r t ij d den mantel der eere aandoen — al gaat het nog eerst vaak als met David; süoor uw verootmoedigen hebt gij mij groot gemaakt (2 Sam. 22).
Hij zal het goede niet onthouden dengenen die in oprechtheid voor Hem wandelen. Wel menig aardsch en tijdelijk goed zullen zij wellicht ontberen. Wèl zal Hij hun veel onthouden dat hun goed, ja soms onmisbaar s e li ij n t voor hun geluk : maar niet het goede, het ééne nooüige. Dat zal Hij u niet ont-houden: dat zegt in Bijbeltaal, dat zal Hij u zekerlijk geven, ja mild en overvloedig (Ps. 81 : 12) «dengenen die in oprechtheid voor Hem wandelen wier godsvrucht geen vouwen heeft, die oprecht en een-
109
voudig voor Zijn aangezicht, onder Zijn oog, aan Zijne hand wandelen, hunne treden in Zijn spoor zettende, opdat hunne voeten niet mogen uitglijden, zich recht voor Hem stellende hun werk onder Zijn oog brengende.
Die zal naar de belofte in psalm 15 gedaan sverkeeren in Zijne tent, die zal wonen op den berg Zijner heiligheid.quot;
Vs. 13. Heer der heir scha ren, almachtig God, wien engelen en aartsengelen gehoorzamen en aanbidden, welgelukzalig is de mensch die op ü vertrouwt. Ja, hij zal niet alleen eenmaal gelukzalig zijn maar hij is reeds hier gelukzalig door dat vertrouwen op den onwankelbaar Getrouwen. Is het reeds een groot voorrecht op een mensch te mogen vertrouwen op wien ge weet te mogen rekenen, voor wien ge vrij het hart uitstort even als hij u in het zijne laat lezen. Wordt er reeds reine aardsche zaligheid gesmaakt als het kind onbezorgd rust aan het vader- of moederhart, of als met vol en wederkeerig vertrouwen het oog rust in het vriendenoog, de handdruk der trouw wordt gegeven of men elkaar groet met een waarlijk heiligen kus, die het verbond der trouw bezegelt of er de vernieuwde uitdrukking van is, — wat zegt toch dat vertrouwen op een zwakken, broozen, wankelbaren mensch. bij \'t vertrouwen op onzen almachtige Vader in Christus. Ja, terecht zegt Gods Woord (Jerem. 17 : 7, 8) »Gezegend is de man die op den Heer vertrouwt, want hij zal zijn gelijk een boom die aan het water geplant is en zijne wortelen uitschiet aan eene rivier, en gevoelt het niet wanneer er eene hitte komt, maar zijn loof blijft groen en in een jaar van droogte zorgt hij niet en houdt niet op van vrucht te dragen.quot;
Daarom gij eenzame, door onweder voortgedrevene, ongetroostte 1 gedenk telkens en telkens weder als u iets ont-
110
breekt, aan het heerlijke psalmvers mij onlangs nog door eene stervende geloovige herinnerd (Ps. 81 : 12)
Open uwen mond Eisch van Mij vrijmoedig Op mijn trouwverbond.
Al wat u ontbreekt Schenk Ik, zoo gij \'t smeekt,
Ui lil en o ver vloed ig.
Sept. \'SO. Trvfosa.
EU EEN KEEKTOiiEïT.
Hijs toren van ile kerk, omhoog!
Wijs naar den hoogen hemel!
Hef zielen op uit stof en slijk,
Uit \'s aardrijks wild gewemel 1
Wat staat gij tier, wat rijst gij slank, En heft uw spits naar boven;
Wat wekt gij in wien u aanschouwt De kracht tot sterk gelooven.
De stormen gieren om u heèn. Plasregens storten neder;
Maar gij blijft onverwrikbaar staan, Als in het woud de ceder!
De bliksem schiet uit \'t zwaavlig zwerk, Maar zal uw schoon niet deren ;
Beschermend rijst uw ijzren stang.
Die \'t hemelvuur zal keeren. —
112
o Kracht en niiicht van \'t aardsch genie, Wat zijt gij hoog verheven !
Neen I voor geen aardsche kunst geknield, Aan God den lof\' gegeven!
Ja Gij zijt groot, almachtig Heer 1 Naar wien de torens wijzen —:
Het schepsel, voor U neergeknield,
Moet 11 aanbiddend prijzen.
0 sterveling! zie op tot Hem!
Stijg op tot \'s Hemels kringen!
Hij woont in aardsche teniplen niet,
Wien Serafijnen zingen. —
Toch buigt Hij zich tot kleinen neêr, Die needrig Hem aanbidden :
Toch ziet Hij reine zielen aan.
En wandelt in haar midden.
De berg heft naar omhoog zijn kruin,
De boom breidt smeekende armen
Naar \'t blauw gewelf des hemels heen: De Schepping bidt »erbarmen!quot; —
Verhef o inensch ! uw geest, uw oog Naar d\' eeuwge hemelsferen !
Smeek God om licht, om kracht, om vreugd, En ga Hem dankend eeren I
Y. D. Mum,Kr Massis.
JOHANNES DE ÜOOPEE IN DE GEVANGENIS.
• Zb i i g is hij, die zich niet nau mij ergert.\'\' Matth. 11 . 6.
In de gevangenis. . ,
Men moet, geloof ik, in de gevangenis gezeten hebben, om te weten, of zicb te kunnen voorstellen, boe akelig, hoe vreeslijk, hoe verschrikkelijk het is. in de gevangenis te zitten.
Het verschilt zeker veel. of men er onschuldig, dan of men er schuldig in zit. Liever onschuldig in de gevangenis, dan als een schuldige, zal zeker ieder terstond zeggen. Maar of men. als men onschuldig in de gevangenis zit. zich zoo gemakkelijk troost met de gedachte; ik ben onschuldig: of men dan van tijd tot tijd uitroept: gelukkig bij dit alles, dat ik onschuldig ben! dat is ook nog de vraag. Het kon wel eens zijn, dat deze en gene onder de lezers van deze regelen, als hij ooit onschuldig in de gevangenis kwam te zitten, eenigszins ongeduldig uitriep: dEii als ik dan nog maar iets gedaan had, waardoor ik het verdiende —; maar ik ben onschuldig! En dan tóch in de gevangenis! Is er dan geen recht meer o)) deze iiarde te verkrijgen?quot;
8
114
■O Is er dan geen recbt meer op deze aarde te verkrijgen.quot; Dat had Johannes de Dooper ook wel mogen vragen gedurende de \'laatste weken zijns leven?.
Johannes do Dooper. . . in de gevangenis.
Wij moesten eens niets van zijne levensgeschiedenis vernomen hebben, dan hetgeen de Evangelisten er van verhalen tot op het openlijk optreden van onzen Heer. Dan moest ons eens voor het eerst verzekerd worden, dat, Johannes de Dooper ten laatsten nog in de gevangenis geworpen is en eindelijk onthoofd is geworden.
Johannes de Dooper in de gevangenis geworpen en onthoofd !
Maar wij hebben \'t nu reeds zoo dikwijls gehoord, dat wij er even weinig door getroffen worden, als door het bericht, dat Jeruzalem eindelijk verwoest is, of dat Ste-fanus gesteenigd is. \\V.j vernamen het reeds op de kate-chisatic, en zijn er sedert vele jaren geheel mede verzoend. Johannes de Dooper in de gevangenis. . . Ja, dat is zoo \'s werelds loop met Godsgezanten, met belijders van het Evangelie naar de Schriften, met herauten van Christus, en met discipelen van Hem, die zelf\' aan het kruis is gestorven. . .
Dit laatste neemt echter niet weg, dat wij van tijd tot tyd eens moeten doen. alsof wij \'t voor het eerst hoorden. Het is toch verschrikkelijk dat een man als Johannes de Dooper in do gevangenis geworpen is. Hij ze^t moet het vooral verschrikkelijk gevonden hebben. Of\' zouden wij misschien moeten denken, dat hij er zich gemakkelijk in beeft weten te schikken?
Hij heeft kunnen denken: Mij overkomt wat vóór mij aan vele profeten overkomen is. Ik ben volstrekt geen
115
uitzondering op den regel. Het was eigenlijk ook wel te voorzien, dat het zoo eindigen zou. Eerst stroomde het naar de Jordaan, en wilden allen van mij gedoopt worden. Maar toen men meer en meer inzag, dat het oin bekeering te doen was, en een nieuw leven moest begonnen worden, toen werd het anders, en eindelijk brak de vijandschap tegen de waarheid en de gerechtigheid los. . Men kon het licht niet verdragen en heeft mij nu in dit duistere kerkerhol geworpen. . .
Zoo heeft Johannes de Dooper niet kunnen spreken; want zoo is de loop der zaken niet geweest. Dat is juist wat het hem v.oo uiterst moeilijk moet gemaakt hebben, zich in zijne gevangenis te schikken, dat die gevangenis volstrekt niet in verband stond met den indruk, dien zijne prediking op het volk had gemaakt, en ook in het minst niet hot gevolg was van eene omkeering in de denkwijze des volks. De schare hield Johannes den Dooper voor een profeet, en is hem daarvoor blijven houden. Bij het volk stond hij hoog aangeschreven, en bleef hij hoog aangeschreven staan, zoodat Herodes hem in de gevangenis niet van het leven durfde berooven, en de Overpriesters later niet durfden zeggen, dat de doop van Johannes suit de menschenquot; was. . . Zóó vreesden zij hel volk. . . 2 want allen hielden Johannes voor een profeet,quot; Neen, had het van het volk afgehangen, dan zou de Dooper noo;t in do gevangenis zijn gekomen. l?ij het volk was en bleef hij hooggeëerd.
Maar indien dit waar is, hoe komt het dan, dat er geen oproer onder het volk ontstond, toen men Johannes gevangen nam en gevankelijk wegvoerde en in den kerker wierp? Waarom braken zij dan te Jeruzalem de kerkerdeuren niet open en bevrijdden zij niet sden profeetquot;?
11«
•Johannes zat. niet te Jeruzalem gevangen Had hij daar nog maar gevangen gezeten. . , Het is in sommige gevallen niet onverschillig, waar men gevangen zit. Neen, verre van Jeruzalem, in het Overjordaansche, in het slot Macherus, daar is hij gevangen, daar is hij in banden, vele weken lang, en er daagt geen bevrijder op, en niemand doet iets. ten minste, voorzoover hij kan nagaan, om hem uit zijn kerker te bevrijden.
\'t Is toch verschrikkelijk, zóó het slachtoffer van greu-zenlooze willekeur te zijn. Want wat is er gebeurd? Hij is niet wegens eenig ondersteld misdrijf door de wettige overheid gevangen genomen; niet door een rechtbank tot gevangenisstraf veroordeeld, zij het dan ook ten onrechte... Het is bekend, hoe hij in de gevangenis gekomen is. Hij heeft den viervorst Herodes Antipas bestraft met dat woord : »Het is u niet geoorloofd haar te hebbenquot;, haar, namelijk Herodias, de vrouw van zijn broeder Philippus. . . Daarop heeft Herodes hem. geheel eigenmachtig, »zonder vorm van procesquot;, zouden wij zeggen, agevat en gebondenquot;, en nu zit Johannes daar in het Overjordaansche. in het slot Macherus, gevangen, kan niet meer prediken, niet meer doopen, niet meer voor den Messias en zijn Koninkrijk arbeiden. . . Zoo zien wij, dat die gevangenis eigenlijk niets met zijne openbare werkzaamheid als voorlooper van den Christus heeft uit te staan. Als van den bliksem getroffen moet Johannes daarom in dien kerker gekomen zijn. hjj, die zich «onschendbaarquot; mocht achten, die immers overal veilig was, al was het reeds alleen, omdat hij d e Wegbereider was va n d e n Me s s ias. Zonder in het minst te vermoeden, dat Herodes hem gevangen zou nemen, heeft hij den viervorst op het ongeoorloofde van zijn gedrag gewezen. . . Daar zit hij nu in de gevangenis op
H7
bevel van den viervorst, dien hij bestraft heeft. Nog eens. als van den bliksem getroffen moet Johannes den kerker binnengetreden zijn.
Nu — dat is hoogstwaarschijnlijk niet van langen duur... ■/oo kon de Dooper tot zichzelven spreken. De viervorst zal toch wel inzien, dat er in geen geval termen voor kerkerstraf zijn. Weldra is Johannes ook in de gelegenheid, om met Herodes te spreken. Deze hoort hem gaarne, zoodat de Dooper werkelijk invloed op hem uitoefende... Evenwel, de kerkerdeuren ontsluiten zich niet, en de gevangene wordt niet op vrije voeten gesteld. Gelukkig hangt het ten laatsten niet van Herodes af! Zoodra Hij, dien ook deze gevangene voor Jen Christus houdt, gehoord zal hebben van hetgeen de viervorst gedaan heeft, zal Hij wel de noodige stappen doen, om zijnen wegbereider uit de handen van dezen geweldenaar en uit de banden zijns kerkers te bevrijden!
Dagen en weken gaan voorbij, en Johannes de Dooper blijft gevangen. Jezus doet niets, om hem uit de gevangenis te verlossen, Jezus gaat voort, alsof Johannes de Dooper er niet was, met te werken, gelijk Hij het vóór de gevangenneming van den Dooper gedaan had. Geen enkele beslissende stap, ook nu niet, tot oprichting van het Koninkrijk, welks nabijheid hij, Johannes de Dooper, naar zijne goddelijke roeping had aangekondigd. Geen enkele poging, evenmin van Jezus, als van het volk, om hem te hulp Ie komen. Nu, dat het volk niets doet, het kon ook bezwaarlijk den Macherus komen bestormen. Maar dat Jezus hem aan zijn lot overlaat, dat Jezus zijnen wegbereider niet te hulp snelt, dat Jezua zich nu niet eindelijk
I IS
op eene doortastende wijze als den Christus, den Koning Israels, laat gelden. . . dat kan Jobanno:- ten laatsten niet uitstaan. Het is waarlijk niet voornamelijk om zichzelven, dat de Dooper ongeduldig wordt, niet, omdat hij in de eerste plaats op zelfbehoud bedacht is. Neen, hot is om de groote zaak, waarvoor hij heeft gearbeid als Godsgezant, het is om bet Koninkrijk der hemelen, dat hij nu meer doortastende en dieper ingrijpende werken en daden van don Christus wenschelijk acht, en meer en meer noodig meent te moeten achten. Daar, in de gevangenis, kan hij zelf niets doen. . . Mocht dan althans de Christus iets doen ! .. .
De Christus doet iets, en Johannes hoort er van in de gevangenis door zijne discipelen, die hem mogen bezoeken. Maar hetgeen de Christus doet is niet wat de wegbereider van den Christus meent, dat gedaan moet worden. Johannes kan zich in die werken, in die werkzaamheid van onzen Heer, waaromtrent eenige discipelen hem berichten mededeelen. niet vinden. Niet zóó moet Jezus werken! Werkt Hij zóó, dan mag men waarlijk vragen, of Hij wel waarlijk de Christus is, of niet de ware Christus nog moet komen. Niet, dat Johannes een oogeu-blik twijfelt, of Jezus wel de Christus zou zijn. Maar hij zon zoo gaarne, ten einde den lieer tot meer doortastend en dieper ingrijpend handelen aan te sporen, tot Hem zeggen : Zijt gij degene, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten/
Dat kon Johannes onzen Heer niet zelf vragen. Daarom zendt hij een paar discipelen, en laat door hen den Heer die vraag doen.
»En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende van de werken van den Christus, zond door zijne leerlingen,
119
en zeide tot Heia; Zijt gij degene, die komen zou, of Lebben wij een ander te verwachten? \') Bekend is het verschil van gevoelen onder de uitleggers met betrekking tot hetgeen den Dooper bewoog, om alzoo te handelen. Verschillend antwoord op de vraag, of hij den Heer die vraag liet doen ter wille van zijne discipelen. Wij zouden meenen te moeten volhouden, dat Johannes het niet ter wille zijner discipelen liet vragen. Het bericht der Evangelisten geeft daartoe geen grond. «Johannes, gehoord hebbende van de werken van den Christuser wordt geen wenk gegeven, dat hetgeen verder verhaald wordt ter wille van de discipelen plaats vindt. De lieer zelf antwoordt ook, als moet het antwoord bepaald voor Johannes dienen. »Graat heen en bericht aan Johannes. . .quot; Daarna, als de discipelen des Dooper.s vertrokken zijn, wendt Jezus zich tot de schare en spreekt tot hen over den Dooper. De Heer is, zooals duidelijk blijkt, van gevoelen, dat Johannes gevraagd heeft met een doel. waarin niet die discipelen, maar de Dooper zelf, betrokken is. Maar wat is dan het doel geweest/ Verschillend antwoord op de vraag, of Johannes bedoeld heeft, van den Heer zeiven inlichting te bekomen aangaande zijne Messiaswaar-di^heid, dan of hij bedoeld heeft, den Heer een wenk te geven, dat Hij meer beslist als de Messias moet optreden. Met andere woorden: verschil van gevoelen met betrekking tot het antwoord op de vraag: of Johannes in zijnen kerker is gaan twijfelen aan Jezus als den Messias, dan of de Dooper, zich ergerende aan de gedragslijn dea Heeren, Hem tot meer doortastend handelen heeft willen
\') Maith. 11 ; 2—li; L ik. 7 ; IS-23. Volgens Lukas -/endt de Dooper gt;zekere t«e gt; van zijue leerlingen \', volgens Mat-theus »door zijne leerlingenquot;.
120
aansporen. Wat. ons betreft, wij meenen het laatstgenoemde als juist te moeten verdedigen, liet eerstgenoemde ala onjuist te moeten verwerpen.
Stelt men, dat het geloot\' van Johannes aan de Messias-waardigheid van Jezus zijn vroegere vastheid in de gevangenis heeft verloren, men zal dit toch moeten kunnen staven door hetgeen aangaande den Dooper verhaald wordt. Dat hij is gaan twijfelen aan de Messias waardigheid onzes Heeren, wordt niet bericht. Stond er nog te lezen: En Johannes, niet meer van den Christus vernemende, of: en Johannes, bemerkende, dat Jezus niets van zich liet hooren. . . dan zou men daaruit met eenigen grond kunnen opmaken of afleiden, dat de Dooper, in zijn geloof geschokt, ten laatsten werkelijk is gaan twijfelen, of Jezus wel de Christus was. Maar het verhaal luidt aldus; sEn Johannes, gehoord hebbende van de werken van den Christusquot; (Matth.), of: «En de leerlingen van Johannes gaven dezen van dit alles berichtquot; (Luk.). De door den Dooper ontvangen berichten getuigden van des Heeren voortdurende werkzaamheid, geheel op de wijze, als die den Dooper reeds van vroeger bekend was. — Bovendien, had Johannes werkelijk getwijfeld, of Jezus wel de Christus was, dan zou hij toch niet discipelen tot Jezus zeiven gezonden hebben, met de vraag: »Zijt gij de Christus, ofzijtgijhet niet, en hebben wij derhalve een ander als den Christus te gemoet te zien?quot; — Eindelijk, voor ons is hier van groot belang, hoe onze Heer zelf over den Dooper gesproken heeft; of onze Heer zelf een wenk geeft, dat Johannes, in zijn geloof geschokt, aan twijfel plaats heeft gegeven. Maar in de woorden onzes Heeren over den Dooper is niets, dat ons recht geeft tot de bewering; volgens Jezus geloofde Johannes niet meer zoo vast, ala
121
vroeger, dat Hij de Messias was. Wij zouden dit niet volhouden, indien de Heer gezegd had: «Zalig is hij, die niet twijfelt;quot; of: «Zalig is hij, die in het geloof volhardt,quot; of iets dergelijks. Maar zoo iets hooren wij Jezus, met het oog op Johannes, niet zeggen. Wat de Heer wel zegt? «Zalig is hij, die zich niet aan mij ergert.quot; Het is juist dit woord van Jezus, dat ons doet stellen: volgens onzen Heer ergerde Johannes zich in de gevangenis aan J e z u s. Om den Dooper in de gevangenis te begrijpen, moeten wij hem in het licht van dit woord onzes Heeren beschouwen.
»Zaiig is hij, die zich niet aan mij ergert.quot; Zich aan iemand ergeren, of ergernis aan iemand nemen, is : iemand ergerlijk vinden, iemand aanstootelijk achten. Men ergert zich te recht aan iemand, die iets ergerlijks doet, en iets ergerlijks is wat onbepaald afkeuring verdient als aanstootelijk . . . Doet iemand iets, waarin men zich volstrekt niet vinden kan, en dat men vooral in hem afkeurt, men ergert zich dan aan hem . . . Zoo ergerde Johannes zich nu in de gevangenis aan Jezus, als den Christus. Neen, dat Jezus de Christus was, daaraan twijfelde de Dooper geen oogenblik, «gehoord hebbende van de werken van den Christus.quot; Maar dat Jezus als de Christus zóó en niet anders werkte, dat was het, wat den Dooper ergernis gaf. Hij kon zich daarin volstrekt niet voegen, keurde het ongeduldig af, en gaf nu aan zijne ergernis lucht, door den Heer in den vorm een er vraag te wijzen op het weinig voegzame van zijne gedragslijn.
»Zijt gij degene, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?... Dit is niet eene vraag om in-
122
lichting, niet eene vraag van iemand, die werkelijk niet weet, waarvoor hij don aldus aangesprokene houden moet, en het nu van hemzelven wenscht te vernemen. Het is do vraag van iemand, die zeggen wil; Ik weet waarlijk niet meer, hoe ik het met u heb. Gij zijt de Christus, en gij handelt, alsof gij het niet waart. Indien gij de Christus zijt, laat u dan als zoodanig gelden! Treed op als de Koning Israels, en vestig uw Koninkrijk onder ons, zonder langer te talmen ... Op zijne vraag verwachtte do Dooper niets anders ten antwoord dan: »Zegt aan Johannes, dat ik de Christus ben.quot; Maar Johannes zou dan als antwoord gereed hebben • Wil het dan ook toonen door beslissend handelen. In de wijze, waarop Jezus tot nu toe gewerkt had, zelfs nadat hij, Johannes, in de gevangenis was geworpen, neen, daarin kon Johannes zich in het minst niet vinden, daaraan ergerde bij zich groote-lijks, daarvan moest hij zeggen: dat kan ik volstrekt niet overeenbrengen met hetgeen men van den Christus verwachten mocht.
Maar zoo twijfelde Johannes dan toch! zegt wellicht deze en gene. Zoo twijfelde Johannes dan toch, of Jezus wel werkte en handelde, gelijk de Messias behoorde te werken en te handelen! Daarin lag dan toch do twijfel opgesloten, of Jezus wel de Messias was.
Wij zouden meenen te moeten antwoorden, dat Johannes in het minst niet twijfelde. Hij was op geen enkel punt in onzekerheid. Het was bij hem niet: Moet ik goedkeuren of afkeuren wat Jezus doet? Zal ik berusten of zal ik niet berusten in de gedragslijn, die de Heer volgt?. . Johannes berustte niet, Johannes keurde af, Johannes wist zeer goed, welk oordeel hij over de geheele, door onzen Heer aangenomen, houding velde. Zóó
123
moet de Christus niet werken, zóó moet de Christus niet bij voortduring blijven voortgaan . . dat was het zeer bepaald gevoelen des Doopers in de gevangenis. Als men nog twijfelt, derhalve nog geen bepaald gevoelen heeft, ergert men zich nog niet. Want als men zich ergert, dan twijfelt men niet meer; want dan vindt men bepaald aanstootelijk, en heeft alzoo eene gevestigde opinie. Johannes nu bad eene gevestigde opinie met betrekking tot onzen Heer. Ilij keurde af wat de Heer nu deed. Het verdroot hem, dat langer zwijgende aan te zien. »Zijt gij degene, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?quot; laat hij daarom\'tonzen Heer vragen, alsof bij wilde zeggen; Nu is het lang genoeg. .. toon nu toch eindelijk, dat gij de Christus zijt!
Het antwoord onzes Heeren is: Gaat heen en bericht aan Johannes, dat ik voortga, als de Christus te doen wat op grond van het woord der profeten van den Christus verwacht worden mag, en dat hij zich derhalve niet aan mij ergeren moet.
Of wij den Dooper in deze zijne ergernis kunnen begrijpen, dat is. of wij die ergernis in hem kunnen verklaren, zonder haar daarom, ook in \'t minst niet, te vergoelijken? Dat is met andere woorden: of wij kunnen begrijpen, dat Johannes de gedragslijn des Heeren raadselachtig vond, en eindelijk ongeduldig werd? Dat begrijpen wij zeer goed. Vinden wij dan niet nu en dan de gedragslijn onzes Heeren met betrekking tot zijne regeering van de Kerk in onze dagen en in onzen omtrek raadselachtig? Wij spreken van »iiet aanbiddelijk Godsbestuur.quot; Maar zijn wij dan altijd zoo in aanbidding van God, als den
124
volruaakt wijzen Wereldregeerder ? \'t Gebeurt toch nog al eens, dat wij ons ergeren aan de leidingen Gods, en ons niet kunnen vinden in al den weg, dien de Heer met zijne gemeente, of met ons en de onzen, houdt. Indien wij konden, wij zouden God nu en dan in de teugels grijpen, ja, wij doen bet, als wij onzen eigen weg gaan, omdat Gods weg ons niet behaagt. Hoe natuurlijk, men-schelijkerwijze gesproken, dat Johannes, van zijne vrijheid beroofd, aan zijne machteloosheid overgelaten, geprikkeld door de gedachte, dat ook met hem alles anders zou zijn, indien Jezus zich slechts meer als den Christus liet zien, (altijd naar de.s Üoopers voorstelling!) eindelijk aanstoot nam aan hetgeen hem gebrek aan energie, of wat dan ook, in den Heer toescheen! De Heer moest eens aange-ötooten worden, meende hij, moest eens een wenk krijgen . . . Zijl g ü degene, die komen zou, of... ?
Eu de Heer antwoordt met eene zachtmoedigheid, die onbeschrijfelijk lieflijk is. Hij spreekt niet op strengen berispenden toon: Gaat heen, zegt tot Johannes: Aldus spreekt de Christus: Wat heb ik met u te doen. gij zoon van Zacharia ? Moet ik dan van u den weg leeren, dien ik te houden heb? — Toch was er reden voor bestraffing. Maar de Heer geeft slechts een weak, voor Johannes het best te begrijpen. »Gaat heen, boodschapt aan Johannes . . .quot; en dan aan het einde: «Zalig hij, die zich niet aan mij ergert.quot;
Ja. welgelukzalig die den Heer volgen, die Hém derhalve laten vóórgaan, en Kem vrijlaten. Hem maar laten »begaan.quot; zonder zich te ergeren aan zijne wegen, wanneer deze gansch wonderbaar zijn en boven onze bevatting. Gelooven wij, dat Jezus de Christus is, en dat Jezus Christus de Heer is, en dat de Heer Jezus Christus Gods
I
I
\\\\m
ill
1
i
125
eengeboren Zoon is, wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde, ergeren wij ons dan allermeest aan onszelven, als wij niet met volkomen geloofsvertrouwen zijne leiding goed vinden, in zijn bestuur berusten, en alles overgeven aan zijne wijsheid. Ten laatsten zal Hij al het, raadselachtige, dat Hem in onze schatting nu nog omgeeft, volkomen begrijpelijk maken, en ons dan de meest onvoorwaardelijke en onbeperkte goedkeuring en toejuiching afdwingen! Die zich aan Jezus ergert verontrust zich noodeloos. en bemoeilijkt zich vruchteloos. Zalig hij. die zich niet aan Hem ergert, maar vol vertrouwen het hoofd in den schoot des goeden Herders nederlegt. en geduldig wacht op het licht van den eeuwigen helderen dag. ..
Sept. 1880. -I I. Do ed es.
KUST IN GOD.
Een alziend oog, dat mij bewaakt,
Mijn God!
Aanschouwt niet slechts en wil, maar maakt Mijn lot.
üw weten, willen, doen is één,
Is macht;
Is macht der liefde, streng meteen En zacht.
Ik buig mij met aanbidding neèr.
En zwijg.
Mijn wil voert met den Uwen, Heer!
Geen krijg.
Al knelt somtijds uw roede fel En raakt
Het teerste — steeds hebt ge allea welgemaakt.
1880. Nicolaas Beets,
HIJ HEEFT ONZE SMARTEN GEDRAGEN.
Jes. 53: 4.
Men zegt van Göthe dat hij in een dier geheimnisvolle stonden, waarin zijn diep doortastende geest de verborgenheden der natuur afluisterde, beeft uitgeroepeu: «Ik heb de natuur hooren zuchten.quot; En voorzeker is hij de eerste niet geweest, en zal hij de laatste niet zijn, die het zuchten van den nood der aarde heeft waargenomen. Er is nog een fijner oor en een fijner gevoel dan het zijne, een oor dat de stem van Jezus Christus heeft gehoord, en een hart dat zich door hem heeft laten troosten, als hij der zuchtende mensch-heid toeroept: nKomt tot mij alle die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rustgeveu.quot; Want dat zuchten der natuur is de voorbode of de nagalm van deti kreet der smart, der eene, algemeene, groote smart, waaronder de zuchtende aarde zich verpijnt en wegsterft. Die smart is zoo groot, dat alle overige stemmen als in een koor zich vereenigen om de schrikkelijke uiting dier smart te overschreeuwen, en de kinderen Gods zijn voorzeker niet de Inatsten om die smart te jieilen en die zucht mede te slaken. Van den noodkreet des levens bij de intrede in de wereld tot
128
den doodsnik bij het afscheid uit dit jammerdal is het éen lange geschiedenis van gevaar, van worsteling, van kommer en druk, van wee en geklag. Bij bet genezen van éene wonde worden er niet zelden twee geslagen, en die de meeste zorg heeft om zijne wonden te verbergen, is juist degene die ze bet diepst gevoelt. Bij elke vreugde zeggen wij het den prediker na: «Wat maakt deze?quot; Naast elke aanwinst staat de angst voor het verlies, en bij het wegnemen van een enkele drukkende zorg, grijnzen ons nieuwe, nog drukkender zorgen aan. Bij eiken schat beangstigt ons de zorg voor bet bewaken, en bij eiken lach voelen wij de opwelling van een traan van verborgen kommer, Aan de armoede paart zich het gemis van vrienden, en de rijkdom wordt door oververzadiging vergald. En hoewel niets korter is dan zinnelijk genot, jagen wij er naar tot ons eigen verderf. Het leven wordt bedreigd bij elke schrede, en wij haasten ons naar den dood. waarvoor wij sidderen. Elk spel heeft zijn wanklank en elk zoet zijn bitter, en die tegenstelling is zelfs noodig om e\'r van te kunnen genieten. Het lichaam is vaak te zwak voor den sterken geest, en de zwakke geest huist niet zelden in een enkel vleeschelijke woning. Schoonheid is de eerste oorzaak kit verleiding en schoone gaven des geestes doen de bron van onzen hoogmoed tot onze en anderer schade maar al te licht overloopen Elke plant wordt door ongedierte opgezocht en bedreigd, dat op zijn beurt door ander gedierte wordt vervolgd en verslonden. De nuttige dieren moeten eerst met geweld worden gedwongen om nuttig te zijn, en dan nog kost dat nut ons duizende beslommeringen. Het zweet onzes aanschijns van een zwaren arbeid aan de vergankelijkheid is ons eenig waarachtig eereteeken, en bij het welslagen staat de nijd op ons te loeren. IJdele
129
inenschenkinderen zijn wij, en onzen eenigen troost zoeken wij in de ijdelheid. Ons beste woord wordt weggevoerd door den snellen wind van het verbroken evenwicht der harmonie met onzen naaste, en onze reinste gedachte gestikt in den dichten walm van hel zelfbehagen en de eigenbaat. Onze liefde wordt vergeten of als een plicht toegerekend. on de vervulling van den plicht niet zelden duur oi) ons verhaald. De som onzer zedelijke waarde is alleszins ontoereikend om onze hongerende eu dorstende ziel re verzadigen, en de Rechter die /ijn boden afzendt om onze ziel op te eischen. jaagt ons schrik aan bij de zekerheid van het onberekenbaar tekort. De zonde, die ons oordeel gedurig verzwaart, is onze eenige bestendige vriend, die ons met onweerstaanbare kracht aantrekt en medevoert naar het eenzame en troostelooze graf, waarom de dood blijft waren met de bedreiging van een vergeldende eeuwigheid. Met een geest, die ver boven het stof is verheven, wentelen wij ons in het slijk dezer aarde, en als kinderen der onsterfelijkheid zoeken wij een blijvenden schat in de verderfelijkheid, die ons verbrijzelt en verteert. Van het Paradijs af tot op de tegenwoordige ontwikkeling van het menschelijk geslacht is het een groote worsteling tus-schen menschen en volken onderling, om het mijn en dijn: oorlogen en geruchten van oorlogen is de ijzeren draad, die door de geschiedenis der wereld heenloopt, de ijzeren boei die de afgunstige menschenmassa als slaven te zamen houdt. Tot éen geheel gebonden, voert men een eeuwigen strijd om zich van elkander los te worstelen. Eenheid onder de volken is een nooit versleten woord en een nooit verwezenlijkte daad. De koningen der aarde onderdrukken de volken en de volken staan op tegen de koningen. De vaders verlaten hun zonen, en de zonen ver-
130
zetten zich tegen de vaders; de eene broeder wordt den anderen broeder vreemd, en das raenschen buisgenooten worden zijn vijanden. Alle eeuwen door knaagt een worm aan onze rust, aan ons genot, aan onzen vrede, het is de worm van den nijd, die onze beenderen verteert en de geheele aarde tot een groot krankenhuis maakt.
En waar bet medelijden gaat spreken stuit men op den niet te dempen afgrond der armoede, op duizenderlei vormen van nimmer af te helpen krankheden, op gevangenissen met recht of met onrecht gevuld, op krankzinnigengestichten, waar men zich eerst moet gewennen auu den jammer, om de hopeloosheid van het hulpbetoon aan te durven : men stuit op den onwil en den tegenstand van den ellendige zelf, op de waanwijsheid van het onverstand, op hartstochten die niet te beteugelen zijn, op booze lusten welker bevrediging men te vergeefs zoekt, op dwaling en misverstand van den arts en den kranke beide. En wie telt al de smarten van teleurgestelde liefde, van onvergolden trouw, van vertrapte onschuld, van den adderbeet van den laster, van de verwonding van den hoon en den spot. de smarten van het verlies van ouders of van kinderen, van een gebroken hart door verlatenheid en verzaking, van mislukte carrière, van jarenlange scheiding, van verkwijning in den kerker van de dweepzucht of de schijnheiligheid, in éen woord van de via dolorosa van de kinderen des stofs. afzonderlijk of gezamenlijk?
Geen wonder dan ook dat ieder voor zich van die smart zich zoekt los te maken, en dat allen te zamen die smarten zoeken te ontvluchten, te verdooven, te balsemen of te genezen. De pelgrim zoekt een valsche wereld te ontwijken in de woestijn of in den vreemde, waar hij bij de oude slechts nieuwe smarten ontmoet, en tot zijn bittere
131
teleurstelling moet aanvaarden. De kloosters zijn alle eeuwen door, en van alle godsdiensten, opgevuld geweest met lijders en lijderessen van iedere soort, waar noch lange gebeden, noch licbaams-kastijding. noch boete den angel uit het diepgewonde hart konden rukken. De vorsten en grooten der aarde omringen zich te vergeefs van pracht en weelde, van zang en spel, de smarten des doods worden voor ben niet ontbonden, ja de verovering van een gebeele wereld blijkt ongenoegzaam om de smart van een enkelan dag te ontvluchten. En hun grootsprekende tong moge zelfs den hemel aantasten, of hun oog den wellust verzwelgen, bun straf blijft evengoed en iederen dag bestaan. De uitoefening van macht, noch de omkooping met geld. noch de vleitaal der lippen weten het oord uit te vorschen, waar men rust kan vinden voor zijn onrustig hart.
De gierigaard zoekt zijn troost bij zijn blinkenden schat om slechts met een zevenvoudig gebrek getroffen te worden.
De menschenhater spuwt zijn gal op schuldigen en on-schuldigen en maakt zijn wonden wijder en het graf zijns harten eenzamer en duisterder. De arme slaat zijn begeerig oog op het goed zijns naasten, en zijn hand grijpt een adder, die hem bijt. De geleerde begraaft zich in de boeken van al de wijsheid dei\' menschen, en bij toene-menden honger vindt hij zijn lichaam mat en zijn ziel lusteloos. De domme gedrukt door den last van de on-vemuftigheid van zijn bestaan, grijpt naar list en bedrog, en vindt een doorn, die hem prikt of een geesel die hem kastijdt. De vleeschelijke mensch baadt zich in de onreinheid. onder het gezang der sirenen, die hem levend verslinden. Het schouwtooneel, de dans, het spel om winst of ter verstrooiing, de schoonheid van natuur en kunst, alles, alles wordt te hulp geroepen om het vlijmen der
132
smart te overschreeuwen, om de bloedende wond te balsemen, en de afzichtelijkheid, die ons aangrijnst, voor ons oog te verbergen. De huisvader zoekt verstrooiing buiten zijn huis, en vindt het gezelschap en de vervloeking der godde-loozen: de huismoeder zoekt haar in overmatige drukte en vermenigvuldigde huiselijke zorgen, en eindigt met, den onlust der afgematheid naar binnen en naar buiten. En waar men in (ie wereld ook troost moge zoeken of troost moge vinden, voor de vromen zijn de slagen het meest en het zwaarst, de wonden het diepst en het pijnlijkst, de smarten het grievendst en het gevoeligst, en als toevoegsel van don onwil der zonde wordt zijn hoofd met doornen gewond, en zijn reeds zoo zwaar beladen schouder nog met een kruis bedekt. En te midden van dat alles blijft het graf onverzadelijk, de zee even verbolgen in het verslinden van haar prooi; het vuur gaat voort met verdelgen, en de oorlog met dooden en verminken. De hemel wordt eiken •lag bestormd met gemor en geklag. en de aarde is vruchtbaar in het voortbrengen van distelen en doornen.
En de smarten van het gansche schepsel zijn te smartelijker. omdat God er zijn eeuwige vreugde en zijn eeuwigen vrede in had gelegd. Kr is zuchting en wee. met opgestoken hoofde verwachtende de openbaring der heerlijkheid van de kinderen Uods. Daarom heeft «le mensch van alle tijden hulp gezocht bij goden van allerlei maaksel. Van de sterren des hemels, die zijn droevig pad beschenen tot het meest afzichtelijk gedierte dat op of onder de aarde zich beweegt, van het. glanzend goud tot de ruwste ateenen der ongevormde natuur, van den hoog geprezen weldoener der menschheid tot den geweld plegenden heer-scher, heeft men zich verkozen tot zijn god die moest helpen en troosten. Aarde, lucht en water heeft men
I H.\'S
gevuld met wonder barende geesten, oin in het. wonder-bare redding te vinden, die men in het tastbare te vergeefs bad gezocht. Maar zulke medicijnmeesters hebben geen mond om te spreken, geen hand om te helpen, geen wil en geen kracht om te genezen, want het zijn zelf ziekelijke kinderen, geboren uit den weedom onzer smart.
Maar de groote Schepper aller dingen, de God die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, heeft zijn schepsel, dat Hem heeft verzaakt, niet vergeten. (Jod was in Christus de wereld met zich zelf verzoenende, reeds voordat Hij de grondvesten der aarde heeft gesteld. God is nedergedaald uit de hoogte van den zaligen hemel en heeft zich een woning gemaakt in het middelpunt van onze smart. God heeft in Christus ons lijden medegeleden, en dit wonder zijner barmhartigheid heeft Hem als onzen Vader geopenbaard. In zijn Zoon is Hij geworden tot een Zoon des mensehen. die onder ons heeft getabernakeld, opdat wij het zouden aanschouwen met onze oogen. het zouden tasten met onze handen, het zouden voelen aan ons hart. God beeft onze krankheden op zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen. Daar stond Hij, die Hemel en aarde bezit, te midden van onzen jammer, om alle slagen op te vangen, om alle kluisters te verbreken, om alle treurenden te troosten, om alle wonden te beelen, om uit te roepen het aangename jaar van het welbehagen des Heeren.
Kon het lager dan in een kribbe en in een stal ? Kon het minder dan in het kleine Bethlehem\'( Kon het verachtelijker dan in het verachte Nazareth ? Kon het armer dan als de zoon eens timmermans, kon het gevaarlijker dan op de vlucht naar Egypte, kon het stiller en eenzamer dan door niemand herkend als door de openbaring
viin een engel in een gezicht by nacht, of de eenzaamheid van een kluis? Kon het jannnerlijker dan dat de God, die den Heinel en de aarde heeft gemaakt, niets had waar Hij het hoofd konde nederleggen?
Moord op de onnoozelheid bij zijn intrede, moord op Hem als de verpersoonlijkte onschuld bij zijn uitgang uit deze wereld van smarten, was zijn gansche leven Óen weg van angst, van zorg. van bedreiging, van smaad, verachting en verwerping. Waar is er een leed dat door Hem niet is gedragen, een bitterheid door Hem niet gesmaakt ? Zijn scherpziend oog ziet al onze ellende, en het weent, zijn fijngevoelige menschenziel voelt onze slagen het eerst eu het meest. Aardsche rijkdom, aardsche eer en grootheid kunnen Hem niet troosten en ondersteunen, want Hij moet alles ontberen. Hij groeit op zonder dat de wereld weet dat Hij er is, en mist al de voordeelen, die zij aanbiedt tot vorming van den man. Vergeten en verzaakt gaat Hij onbekend en onbemind zijn weg, bij zijn broederen zelf veracht, en een oorzaak van gednrigen twijfel voor zijn aardschen vader en zijn eigen moeder. En dat alles was slechts de inleiding om Hem te maken tot den «Man der smartenquot;, van wien het voorspeld was, »Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.quot; Van uit de verborgen diepte, waaruit dit jonkske moest leeren roepen: »Mijn vader!quot; moest Hij den /.waren gang maken van spot en verguizing tot den schandheuvel van den moord en den slavendood aan het kruis.
Op den eenzamen weg van de woestijn dezes levens is Hij gelaafd uit de beek onzer tranen, die wij om eigen schuld moeten weenen, en wier schuld Hij moest betalen met een leven vol jammer, en uitwisschen met zijn bloed, vergoten door de schendige hand van hot uitvaagsel des
135
menschdoms. Uit deze diepte moest onze verlossing komen tot dc hoogte der heerlijkheid Gods; deze duistere weg moest leiden tot het eeuwige licht; op deze wijze moesten de klaagtonen in juichtonen overgaan. Door zulke oefening te midden van allerlei smarten moet men de draagkracht verkrijgen om bij de eigen lasten ook die van anderen te torschen. En welke diepte van goddelijke liefde moest er niet wonen in het hart van den Heiland dei-wereld om alles voor allen te dragen en te verdragen, bij zooveel lasten der zonde, waarbij alles werd verpletterd en gedood, uitgenomen de liefde des harten voor de zuchtende menschheid, die Hem den dood had aangedaan! Die wonden in zijn handen en voeten zijn de wonden, die de zonde ons heeft geslagen, het zijn de wonden die onze zonde Hem sloeg; wonden die onze wonden moesten genezen. De smarten der liefde zijn de diepste, maar deze alleen kunnen hulpe schenken en verlossing aanbrengen, want door de liefde Gods is de aarde geschapen, door de liefde Gods alleen kan zij worden verlost.
Wat staat ge dan daar, o mensch, verslonden door uw eigen smart, alsof er geen balsem in Gilead is, om uwe smarten te verzachten en uw kranke ziel te genezen. Waarom weet gij het niet, dat uw lijden in den hemel wordt medegeleden, en dat al de wateren en stroomen der zonde die hemelsche liefde niet kunnen uitblusschen. Als gij niet gelooft zult gij niet bevestigd worden. Daar is hulpe besteld bij eenen held, en die held is Jezus Christus, uw Heiland én Koning, van God gezonden tot een onderpand zijner liefde. Deze Jezus maakt uw God tot uw Vader, een Vader die helpen kan in alles, die helpen wil waar alle menschelijke hulp u ontvlucht, en die zijn trouw aan u bevestigen zal tot in eeuwigheid. Ontwaak en schud u uit, en ga den bruide-
136
gom te gemoet. Hij zal u leiden in zijn binnenkameren, in de binnenkameren zijns harten, waar gij de slagén der liefde zult kunnen tellen, van een liefde sterker dan de dood. Als de zonde over u blijft heerschen, blijft zij een harde meesteres, die geen medelijden kent niet uw smart en die u zal voortdrijven tot de plaats, waar weening zal zijn en knersing der tanden. En hoe groot zal dan niet uw schade zijn, als God in Christus in zijn genade u ziju liefde aanbiedt om niet, om u vrede te geven in de ure des doods en de zaligheid der gemeenschap met uw God eu uw Vader tot in alle eeuwigheid.
Als ge Jezus Christus omhelst door het geloof wordt de zonde uw onderdaan, gij hebt de kracht om haar te bestrijden, want uw Heiland, die bij u woning heeft gemaakt, heeft ook de wereld in u overwonnen, üe zucht, die in u is ontwaakt om Gods wil te doen en zijn werk te werken, zal u aan zijn heil\'g en heerlijk beeld gelijkvormig maken, en de vrede Gods, die alle verstond te boven gaat zal uw ziel en uwe zinnen bewaren in Jezus Christus uwen Heer.
Het licht dat in u tot duisternis was geworden, zal weder uw geest en uw verstand bestralen, om de verborgenheden van Gods liefde voor u op te klaren en te schijnen op uw pad tot verheerlijking van uw Vader, die in de hemelen is. Wat zal die heldere dag u verkwikken, als gij zoo zeker zult voorttreden op den weg naaiden hemel. Die klaarheid van Gods licht zal u vaardig maken tot alle goed werk, en de bewustheid van een kind Gods te zijn, zal u de kracht geven alle smarten te dragen, alle kruis te torschen, alle leed te vergeten, alle u aangedaan kwaad te vergeven, alle lijdende broeders en zusters te helpen en te vertroosten en het werk van uw Heiland
op aarde te verrichten. Deze oefening in de godzaligheid is uw eigenlijk werk, zij verzekert u het burgerschap der hemelen en maakt u los van de aarde, waar de smart u overmeestert en die u niets kan geven dan een treurig en eenzaam graf, met de verwachting van het eeuwige oordeel.
Daarom mijn medegenooten op den weg naar de hemel-stad, steken wij moedig het hoofd omhoog, de Heer is onze banier, Hij heeft overwonnen en onderwijst ons om te overwinnen in zijn kracht. Die overwinning zal heerlijk zijn, want het graf is verzegeld, de dood is verslonden, de hemel staat open, de zonde is te niet gedaan, onze Rechter is onze Vader, de Heiland is onze vriend, en gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.
Maar vergeten wij het niet, zoolang wij nog in dit Meseg zijn, moeten wij ons opmaken tot den strijd, de lendenen omgord en het zwaard des Geestes uit de schede. Het vertroosten der bedrukten, het helpen der armen, het ondersteunen van allen die vallen, het verlichten van de beladenen. het mededoogen met de zondaren, het verzaken van ons zelf, het leven voor en in het leed en de smart van de ongetroosten en door onweder voortgedrevenen is ons werk.
De Heere Christus is van den Hemel gekomen, om de aarde tot den hemel op te heffen. Keeren wij deze orde niet om. Dragen wij de liefde van Christus in de hutten der armen om hun te leeren hun oogen hemelwaarts te slaan van waar hun hulpe komen zal, in de huizen dei-rijken om ze een rijkdom te toonen, die de ziel des menschen verzadigen kan. Drukken wij die liefde af als een heilig zegel in al ons werk, hetzij dienstknecht hetzij vrije. Laat
ins
ons den blinde zijn tot oogen en den kreupele tot voeten. Wien veel vergeven is, die heeft veel lief. Deze éene zorg mag nimmer van ons wijken dat ons veel vergeven worde, want onze zonden zijn machtig veel. Die den moed heeft zijn eigen hart te zuiveren en zijn eigen handen te reinigen kan alleen de kracht hebben om ten hemel op te klimmen, vergezeld van een gansche schare van hulpbehoevenden en verslagenen, van gebondenen en verzaakten, van tollenaren en zondaren. Eu aldus gedekt met den helm der zaligheid wordt ons alles goed op aarde. Ons eten en ons drinken wordt spijs en drank uit den hemel, omdat het met dankzegging wordt genoten. De gerechtigheid is onze mantel om de naaktheid onzer zonde te bedekken. Het lijden wordt ons tot vreugde omdat het is geworden een lijden om Christus wil. Wij verloopen ons niet meer in de dingen dezer aarde, want zij is veranderd in een land van vreemdelingschap. Ons tehuis is de woning, die de Heiland ons bereidt. De troon van God staat open voor onze gebeden, en de Engelen staan gereed om ons ter hulpe te komen in den strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht, gereed om ons binnen te leiden in het Vaderhuis. Houdt moed, volhardt, mijne medepelgrims op reis naar die eeuwige woningen, nog een weinig tijds en alle tranen zullen van onze oogen afgewischt worden. Wat zal die thuiskomst heerlijk zijn!
Zetten, Juni ISSO. J. Nobkls.
DE P O P U L I F, B.
Ik heb u lief, mijn populier.
En \'k wil u dankbaar loven !
üw slanke takken wijzen fier
Naar boven, steeds naar boven. De menscben hebben mij beklaagd.
Benijd, gelaakt, geprezen —
Gij, trouwe vriend, gij hebt mij steeds Naar boven heen gewezen.
Ja, toen ik juichte, blij en hoog.
Bij quot;t heil door God geschonken.
Toen mij in \'t zalig, vochtig oog
De vreugdetranen blonken.
Toen weest ge mij naar boven heen,
En, hadt ge taal noch klanken, \'k Begreep u wel, mijn oude vriend, En quot;k knielde om Hem te danken.
En toen. in \'t uur van \'t grievendst leed.
Het angstig kloppend harte Vergeefs om troost, om laafnis kregt;et In diepe en felle smarte.
140
Hoe ernstig wees uw fiere kruin
Toen opwaarts, naar den Hooge, Als wondt ge zeggen: Uaar woont Eén. Die tranen af wil drogen.
Ja, \'k heb u lief, mijn populier.
En, wil de Heer het geven,
O, blijf dan even frisch en fier.
Tot \'t einde van mijn leven,
En treedt dan eens, mijn trouwe vrind.
De bleeke Bode nader,
Wijs mij, ook in mijn laatste stond.
Naar \'t hnia van mijnen Vader.
Rotterdam. Godfried C.
EEN LIED OP DE SNEEUW.
Het hier volgend gedicht werd gevonden onder de nagelaten papieren van eene jonge dame, die een leven van schande geleid had en in een hospitaal van Cincinnati was gestorven, na aldaar tot boete en geloof te zijn gekomen.
Het werd mij toegezonden in de Engelsche taal, met verzoek het in het Hollandsch over te brengen. Na dit, zoo goed als ik kon, gedaan te hebben, ontdekte ik dat er reeds een vertaling van was verschenen van de hand van Ds H. Pierson \'), die daarin vermeldt, dat het vers oorspronkelijk in het Hoogduitsch was opgesteld en door hem uit die taal zoo getrouw mogelijk, tot in maat en rijm toe, was overgezet. In het oorspronkelijke draagt het den titel van; «de prachtige sneeuwquot;; in de vertaling van Ds. Pierson: od e laatste woorden eener gevallene.quot;
De beide vertalingen verschillen door de bovengenoemde
\') Maandblad (ietuigen en Redden. 1 Dec. 1870. Afzonderliik verkrijgbaar bij W. Beschoor te \'s Gravenhage. Prijs 2\'/3 et, ; bij getallen van 25, 100. 1000 ex. tegen 2, l\'/s- \' ct.
142
reden zoo geheel van elkander, dat het mij, naar ik vertrouw, ook door Ds. Pierson niet ten kwade zal worden geduid, zoo ik voor de mijne, hoezeer mij het gebrekkige er van bewust, een plaatsje kon vragen waar ze het best te huis behoort, namelijk in den M agd a 1 en a-A 1 ma n a k.
P. Huet.
EEN LIEU OP DE SNEEUW,
door eene gevallene.
O hoe heerlijk de sneeuw, die daar valt onbevlekt. Die bet luchtruim vervult en het aardrijk bedekt, Op het dak van het huis, op de steenen der straat, Op het hoofd van den mensch, die bedrijvig daar gaat I Zie ze dansen en dartlen en warlen in \'t rond.
Zachte teedere sneeuw, die geen sterveling wondt! Zie daar komt ze daar kust ze de jonkvrouw haar wang Zie daar rust ze op den jongling vol vroolijken zang. O hoe heerlijk de sneeuw van den hemel zoo goed, Als een engel zoo rein, als de liefde zoo zoet!
O hoe wonderbaar schoon is de sneeuw in de lucht! Zie die vlokjes daar spelen in grillige vlucht!
Zie ze lachen en stoeien van dartelheid mal.
Zie ze draaien en keeren in eindloos getal.
Zie ze klimmend en dalend en stijgend omhoog!
Zie hoe gloeit elks gelaat en hoe schittert elk-i oog!
Zie den hond op de straat, hoe hij hapt, hoe hij springt Naar het zonderling dons, dat alom hem omringt!
Heel de stad is in vreugd, ieders hart vol genot Bij \'t gezicht van de sneeuw, die daar neêrdaalt van God.
Zie hoe luchtig en vroolijk zijn allen te moè!
Itoe lachen ze en roepen ze eikanderen toe!
Daar glijden de prachtige sleden voorbij
En jagen de rustige wandlaars op zij !
Als lichtende sterren, die komen en gaan,
Zoo vliegen zij voort op de glihbrige baan
Van de sneeuw, eerst zoo rein toen zij viel naar beneèn,
Maar nu door wel duizenden voeten vertreên!
O zoo helder en blinkend en schoon als zij was.
Even vuile en afzichtlijke slijk werd zij ras.
Ach, rein als de sneeuwvlok was eenmaal mijn ziel,
Maar ook als de sneeuw kwam ik neder en viel.
Ik viel om vertreden te worden op straat.
Verworpen, bespogen. bespot en versmaad.
Verkoopend mij zelf voor een smaadlijk stuk brood. Vol haat voor het leven, vol vrees voor den dood. Barmhartige God, ach, hoe diep zonk ik neêr!
n toch was ik rein als de sneeuwvlok weleer.
Ja eens was ook ik als de sneeuw wit en schoon En spreidde ik als zij niets dan reinheid ten toon.
Eens was ik bemind om mijn onschuld en deugd.
Eens was ik gezocht om mijn schoonheid en jeugd.
Mijn vader, mijn moeder, mijn zusters — ach \'t al, \'t Is alles verloren voor goed door mijn val.
14.4
Elk schuwt mij en gaat mij verachtend voorbij. De ellendigste beedlaar wijkt walgend ter zij.
Van al wat ik ben en van al wat \'k bezit Is niets dan de sneeuw, die mij dekt. rein en wit.
Hoe vreemd dat de sneeuw daar zoo stil en zoo zacht Op een schepsel komt vallen zoo slecht, zoo veracht! En hoe vreemd zou het zijn, dezen nacht, als mijn hoofd Door de sneeuw en de smart van \'t verstand werd beroofd. En wanneer deze nacht eens de laatste zou zijn Van mijn nachten van schande en mijn dagen van pijn. En wanneer in den morgen de nachtwacht mij vond Even koud als de sneeuw op den ijskouden grond.
En de jongens op straat, met gespot en geschreeuw, Kiepen : »TJs was haar bed en haar deken was sneeuw!quot;
Bevlekte, vertreedne als de sneeuw op de straat.
Verzink niet in wanhoop, quot;t is nimmer te laat.
Zoo diep zonk geen stervling in zonde ter neêr.
Of dieper nog buigt zich de Heiland en Heer.
Ook voor u werd Hij eens aan het kruishout geslacht. Ook voor u heeft Hij eens zich ten oifer gebracht. Ook om u te behouden verdroeg Hij die pijn.
Ook voor mij ? Heilig God. zou dat mogelijk zijn ? 0 hoor dan naar mij, die om redding U bid,
En wa-sch mij en maak me als de sneeuwvlok zoo wit.
riï MIJN TKOOSTBIJBEL.
(EBS FRAGMENT.)
Dat de iiijbel een lang verouderd boek is, en hrt Christelijk Schriftgeloof oen overwonuen standpunt moet heeten, is voor allen uitgemaakt, die beweren »op do hoogtequot; der eeuw te staan. Toch zijn er altijd nog eenige onverbeterlijke achterblijvers, onder de stillen in den lande vooral, die ten aanzien van dat Boek in zijn geheel het oude dichterwoord blijven herhalen, uiodien uwe wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware reeds lang in mijnen druk vergaan.quot; Ken hunner was reeds lang gewoon bij enkele Schriftwoorden een woord voor eigen hartsbehoeften neer te schrijven, louter tot persoonlijk gebruik, en damp;elt nu daarvan iets aan anderen mede, voor uren, als de last te zwaar, de kracht te klein mocht worden.
Nog altijd toch gaat het op dit gebied, gelijk wij lezen van Jonathan: «hij reikte het einde van den staf uit, dio in zijne hand was, en hij doopte dien in een honiggraat; als hij nu zij no hand tot zijnen mond wendde, zoo werden z ij n e o o ie o n v e r 1 i c h t.quot; (I Sani. 14 : 27 )
i.
ei£n zinrijke vraag.
iW an neer zult (lij mij vertroosten?quot; Ps. 11!): 62/,.
Een verrassende, diep treilende vraag, vooral in dien honderd-negentienden Psalm, waarin anders de behoette aan
10
146
licht en leven uit God. nog veel sterker dan die aau dadelijke vertroosting, zit-li uitspreekt. Op ieder woord kan men nadruk leggen. Heer, reeds hebt Gij mij aanvankelijk geleerd en geleid, maar dat is voor dit arme, moede hart nog te weinig; wanneer zult Gij mij vriendelijk troosten.\' Zoovele anderen hebt Gij reeds verkwikt en bemoedigd: komt nu ook de beurt niet aan in ij ? Aard-suhe vrienden deden het hunne, maar niets en niemand buiten U, waarbij de ziel waarlijk kan leven : wanneer dan zult Gij mij troosten, die niet menschelijk, maar Goddelijk troost? Wanneer, mijn God, nadat deze dorre ziel reeds zoolang heeft gesmacht naar een druppelke van hemelschen dauw ? De wonde is zoo diep: moet de balsem nog langer terugblijven? Het verlangen is zoo groot: wordt het weldra ten volle bevredigd? Of blijft uw antwoord ook thans, gelijk zoo dikwijls »uog niet\'\', wanneer dan, Erbarmer, wanneer zal uit den nacht de morgen verrijzen?
Het antwoord blijft Gods geheim, maar de vraag staat vrij, zoo het slechts een heilbegeerig en vertrouwend, een lijdzaam en geduldig vragen mag heeten. O zalig, die aizoo dit vragen geleerd heeft, dat een heilig God hem innerlijk antwoorden kan! Dubbel zalig, die het Goddelijk antwoord verstaan en zoo diep in zijn hart heeft begraven, dat daar bij alle leed toch geen plaats voor het grootste van allen, volslagen troosteloosheid, meer overblijft! Stille wanhoop aan alles, zij is iets zoo vreeselijks, en toch zoo verre van zeldzaam, waar men ophield met Eénen te rekenen. 0 mijn God, bewaar er mij voor, en genees langs uw eigen wonderweg al de smarten, die menschenoogen niet zien kunnen, en menschenhanden niet peilen. »Wanneerquot; — dan gewis zult Gij mij troosten, naarmate ik minder leer vragen naar het Wanneer, om
147
meer op het Waartoe ook van uwe donkerste wagen. te letten.
»Wenn die Stundeu Sich gefuudeu,
Bricht die Hülf\' mit Macht herein;
Und dein Gramen Zu beschamen,
Wird es unversehens sein.\'quot;
II.
VOUU UONKERK DAGEN.
Psalm 73: «Immers is God Israël goed,quot; enz. Asaf.
Er zijn Psalmen, zooals de drie en twintigste, waaruit niets dan vriendelijk liclit ons schijnt tegen te stroomen; anderen, zooals de acht en tachtigste, waarin wij van den aanvang tot het einde in zwarte nevelen rondtasten; maar ook niet weinigen, die ons een wisselenden kamp tusschen de nevelen en de zon doen aanschouwen in de kleine wereld daarbinnen. Tot deze behoort de drie en zeventigste mede, eene confessie van Asaf, waarin hij ons eene bladzijde zijner verborgen geschiedenis openlegt, ter leering en vertroosting van tallooze lot- en leedgenooten in vroegeren en lateren tijd. «Immers is God Israël goed, of, gelijk het zoo schoon door Luther vertaald is: »I)cn-noeh hat Israël Gott zum Trost,quot; die uitkomst van den kamp wordt reeds aanstonds op den voorgrond geplaatst, maar de dichter verbergt het niet, het is hem niet ge-
148
makkelijk gevallen tot die slotsom te komen. Asaf houdt zich niet grooter dan hij is; de voorspoed der goddeloo-zen is hem het groote raadsel der Godsregeering, en het moest dit wel zijn onder den ouden dag, toen het licht der eeuwige toekomst nog niet helder op het tegenwoordige viel, en het onderscheid tusschen voorspoed en geluk niet altijd in het oog werd gehouden. Maar van de wijze, waarop hier dat probleem wordt besproken, is niet weinig te leeren voor wie het zoo vaak op pijnlijke wijze ondervindt: »in raadselen wandelt de mensch op aarde.quot;
Geloofsstrijd is het eerste, waarvan in de eerste helft (vs. 1 —14) gesproken wordt. Van dien strijd ontdekt gij de ondubbelzinnige sporen in bet moedeloos klagen van den dichter zeiven (vs. 2—9), en in bet troosteloos vragen van anderen (vs. 10 1 i), die met hem aan denzelfden steen des aanstoots zich stooten. \'t Is als begint hun en hem de grond onder dé voeten weg te zinken: zou God bet weten, en wat zal het, als het zoo gaan moet, nog baten. Hem oprecht en volstandig te dienen? De Voorzienigheid heeft bare raadselen, met name ook in den tijdelijken triomf van het kwade, en het geloof zijne zeer donkere uren. Niet bij is hier de grootste held, die nimmer twijfelmoedig gevraagd, maar hij, die wat hem dnikt eerlijk aan zijnen God heeft geklaagd.
Eerst alzoo wordt uit hangen tweestrijd, waarvan bet onpeloof zich geen voorstelling vormen kan, de Geloofs-overwinning geboren (vs. 15—22). Hoe wordt die overwinning voorbereid, hoe wordt die behaald ? Het een en het ander langs een dubbelen, altijd geleidelijken en zielkondigen weg. Voorbereid, daardoor vooreerst, dat de klagende vrager tot inkeer komt, en wel verre van
149
zich zeiven te behagen in zijne belangwekkende twijfelingen, tijdig terugschrikt voor het einde, waartoe deze weg hem zou voeren\' (vs. 15). Maar voorbereid ook hierdoor (vs. 1G), dat hij zijn nadenkend onderzoek niet opgeeft, maar voortzet, niet rustend tot het licht door den nevel te voorschijn breekt. »Een weinigje philosophie leidt van God af, een ruimer teug voert tot God terug.quot; (Baco).
Asaf blijft met zijn uitgegleden voet in het warnet niet steken, maar worstelt en werkt er zich dóór, en nu wordt langs dezen wettigen weg de overwinning behaald hierdoor, dat hij aan de eene zijde hooger leert stijgen, aan de andere dieper leert dalen dan vroeger. Hij stijgt hooger (vs. 14—20), want hij gaat de dingen niet van louter raenschelijk, maar van goddelijk standpunt beschouwen. Uit den woeligen voorhof dringt hij door in het altijd rustig Heiligdom van Gods wegen en werken, en ziet op het einde der boozen, dat niets minder dan een Godsgericht is. »Als een droom na het ontwaken, wanneer de Eechter der gansche aarde opwaakt ten oordeel.quot; Zoo wórdt het, maar nu is ook het kleinmoedig geloof uit zijn eigen zware droomen ontwaakt, en ziet hoe het als een blinde over de kleuren gesproken heeft, en de dichter oordeelt zichzelven, opdat hij door God niet geoordeeld worde (vs. 21, 22). Dieper buigen dan ooit, gelijk Jol) weleer na de ontvangen Godsopenbaring (H. 42 : 5, 6), het wordt hem behoefte dor ziel, en die zich alzoo vernedert, hij wordt verhoogd, van de donkere diepte naar de blinkende berghoogte opgevoerd.
Maar nu wordt dan ook (vs. 23—28) een diepe G e 1 o o f s-v rede het einde, beide van strijd en triomf. De raadselen blijven voortbestaan, maar zij hinderen Asaf niet meer. Wat ook komt of niet komt, dit óéne weet hij,
150
hij heeft in zijnen God een trouwen Gids (vs. 23, 24), die hem naar zijnen raad door lijden tot heerlijkheid voert, en dit tweede daaraan gelijk, hij heeft in dien God een algenoegzaam Deel, (vs. 25, 26) dat nimmer wegvallen zal, en dat hij boven al het andere kiest. Hij is van God verzekerd, en in Hem van zijn eeuwig zalig lot, want wat geworteld is in den levenden God kan niet sterven. Wat is, daarbij vergeleken, de toekomst (vs. 27), die den God-delooze verbeidt? Nog eenmaal (vs. 28) «mij aangaandequot;, maar voorts, welk een verschil tusschen het begin en het slot van het lied! Genoeg, het resultaat van alles voor heden is: xgoed nabij God te wezen,quot; en het programma beide der aardsche en der eeuwige toekomst: »God betrouwen, en zijne werken — nooit meer bedillen, maar altijd steeds luider overtellen.quot;
Alzoo heeft Asaf in den Heer geloofd, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en ons ten goede beschreven (Kom. 45 : 4). O mijn Troostbijbel, hoe is het mogelijk immer vruchteloos te smachten naar lafenis, waar zulke licht- en laafbronnen vloeien? Och of het eerste woord van den Psalm in Luther\'s vertaling maar het eerste en laatste in ons geloofsleven worden en blijven mocht, het alomvattend Nochtans!
m.
VOOR SLAPEUDOZE NACHTEN.
Ps. 77. «Mijne stom is tot God, en ik roep____
Asaf.
Slapelooze nachten — de kunst weet er in sommige gevallen al zeer weinig aan te doen: heeft »de Artsenij-
kamer der zielquot; ook daarvoor raad nog en baat? Ja, en wel bij monde van dienzelfden Asaf, die ook voor donkere dagen een zoo passend woord wist te spreken. Psalm 77 is »een gouden kleinood Asafsquot; voor wie met dezen doorn in liet vleesch meer dan oppervlakkig bekend zijn, of wellicht dit in later tijd worden. Even als de vorige verdient hij in zijn geheel gelezen en overwogen te worden, natuurlijk het Psalmboek in handen, zonder hetwelk on/.e aanwijzing van geenerlei nuttigheid is. Als in een helderen spiegel wordt het ons hier te aanschouwen gegeven, aan de eene zijde, hoe donker het soms in het hart van oprechte vromen kan worden (vs. 2—■\\ 0), maar ook aan den anderen kant (vs. H —20), hoe het in dat donker hart weer van lieverlede aanvangt te lichten. Eerst zien wij den dichter in geestelijk opzicht dalen, maar dan weder stijgen, telkens langs vier verschillende trappen.
Hoe gaat het hier benedenwaarts bij den man, die toch »ten dage zijner benauwdheidquot; niet aflaat den Heer te zoeken? Hij wordt ongelukkig slapeloos (vs. 3quot;); zijne hand is des nachts onrustig uitgestrekt, niet slapend gevouwen, en zijn oog wordt wakend gehouden. God gunt zijnen beminden den slaap, maar »zonde, zwakheid, angst en zorgenquot; kunnen het genot dier gave soms weken en maanden betwisten, en men behoeft geen koning Ahasveroa te zijn (Esther 6 : l), om de rust voor goed vftn zijne sponde geweken te zien. Maar nu in dien toestand van overspanning wordt Asaf bovendien troosteloos (vs. -ii-Hij kent de troostgronden wel, maar geniet er niet van ; wat hem opbeuren moest, het drukt hem neer. Kon hij zich nog aan anderen mededeelen, maar de gemoedskranke zondert zich af en trekt zich terug; hij wordt sprakeloos (vs. 5—7), steeds meer in zichzelven gekeerd, en
zich suf peinzend over allerlei duistere vragen. Kon bij slechts gelooven, dat geloof zou hem het antwoord doen vinden, maar ergst van al, nu wordt ook de arme Asaf gelooveloos (vs. 8—10); althans, hij spreekt ja eindelijk, maar niet anders dan ook de ongeloovige doet. Ook het ondenkbare, het Gode onwaardige, het wanhopige wordt hem, naar het schijnt, niet zoo volstrekt onaannemelijk; het zon toch wel kunnen zijn, dat zij recht hadden, die lasterden.... Waartoe meer ? Arme, ongelukkige, weldra zondige en strafwaardige zanger, die toch zoo goed en schoon zijt begonnen: »mijne stem is tot God, en ik roep.quot; Hoe zijt gij zoo diep gezonken, waar gij eerst zoo hoog hebt «restaan. en boe menicreen verging het vroeger en
o O O O O
later niet beter dan u? »Goddank,quot; riep Luther uit het diepst zijner ziel, toen hij van gemoedsbezwaren vernam, »ik dacht waarlijk, dat ik de éenige was.quot;
Maar ook daarvoor Goddank, dat het ons in dezen zelfden Psalm als in een spiegel getoond is, hoe het in zulk een donker hart weer van lieverlede aanvangt te lichten. Dat geschiedt, mei-ken wij het dadelijk op, langs den weg niet van normale ontwikkeling, maar van radikale omkeering, en vier trappen voeren geleidelijk weder uit de diepte naar Boven. Moegetuurd op zichzelven en het leven, begint de lijder in zijnen slapeloozen nacht met eerbiedig opzien (vs. 11 )T Om het even of wij onze vertaling behouden, dan wel een andere kiezen, altijd richt zich op ))de rechterhand des Allerhoogstenquot; zijn oog, en dat onvoorwaardelijk afzien van zichzelven was — en is nog — de eerste schrede op den beteren weg. Xu komt bet (vs. 12—1 i) tot een dankbaar terugzien op wat die God tot dusver gedaan heeft; de stem van het Verleden moet op de raadselen van het Heden dit antwoord geven, dat de oude
153
Getrouwe nog leeft. Zoo wordt het goed, waar in den donkeren nacht de eene ster na de andere doorbreekt, en het bij voortgezet nadenken tot een helder inzien komt (vs. 15—20) van den gang en het doel van Gods wegen. Hoe laaft zich de dorre, maar dorstige ziel aan de beschouwing beide der oordeelen en der verlossingen Gods! Gods vinger wordt gezien, zijn hand herkend, maar niet het spoor zijner voetstappen, waar zijn pad loopt door een doorschijnende, maar eeuwig onpeilbare diepte. De ziel keert weder tot bare rust, en tot rustig vooruitzien (vs. 21), als uit een woestijn naar het land der belofte, komt het eindelijk weer met den man, die zich nog altijd met volle bewustheid een lid voelt van het volk, dat door God als Herder naar de schoonste bestemming wordt voort-geleid. Niet luider verheft de hoop hare stem, omdat het Psalmwoord hier afbreekt, maar reeds dat ééne: ))Gij leiddet uw volk als een kuddequot; zegt voor gescherpte ooren genoeg. Als een cirkel buigt de Psalm aan het einde tot zijn punt van aanvang terug. Met aanbidding begon, met Godverheerlijking sluit hij, bijna zeide ik, tegen alle verwachting.
En Christenen, die hem herlezen, zullen in menig opzicht blijven staan beneden dezen zielvollen zanger? En wie, gelijk hij, in den kuil ligt nedergezonken, zal niet weder als hij tot de vaste rots zich verheffen ? En wie nu daarop werkelijk staat, en onwrikbaar bleef staan, in zeker opzicht ook boven den mistroostigen Asaf ? Maar ook dat, wij zagen het in hem, kan verkeeren, en de slapelooze nacht getuige van een worsteling worden, u tot dusver slechts bij name bekend. Voor dat geval, mijn kranke broeder en zuster, neem eens met de medicijn van dit Psalmwoord de proef. «Probatum est.quot;
154
IV.
VOOR HERFSTTIJDEN.
JMaar ikquot;....
Micha VII.
Er komen ook inwendige Herfsttijden in de groote wereld daarbuiten en in de kleine wereld daarbinnen, in liet leven der Godsgemeente en dat van eiken geloovige; voor zulke tijden is Micha VII een hoofdstuk, met geen goud te betalen. Het zijn de tijden van verachtering, van ontbinding, van loslating, waarin niets meer wil kleven: «als de zomervruchten zijn ingezameld, en de nalezingen van den wijnoogst geschied zijnquot;. Er is niets meer op veld en akker te garen; de beste tijd van gemeten en werken ging voorbij, en men begint zich van lieverlede vreemd en verlaten te voelen, \'t Gaat, gelijk de profeet met zoo sprekende trekken beschrijft (vs. 2—6); de vijanden worden steeds talrijker, en de vrienden blijken niet al te best te vertrouwen. Zelfzucht en verdeeldheid verlamt iedere poging tot samenwerking ; \'t is als ligt er een ban van onvruchtbaarheid over al, wat door ons goeds wordt gewild, en als ware over het slangenzaad van leugen en ongerechtigheid een »wast en vermenigvuldigt uquot; uitgesproken. Wat zal men zich nog langer vermoeien, wat nog verder hopen op betere tijden, daar kennelijk reeds het begin van het einde aanschouwd wordt? Men vindt zich eenzaam, gebroken, verlamd: »ai mij, want ik hen als wanneer de zomer-vruchten zijn ingezameldquot;; nu rest mij niets meer dan ook maar «ingezameldquot; en weggenomen te worden.... O zalig, wie dan tegenover dat alles op hope tegen hope zich aan den Onzienlijke vastklemt, en met den ziener.
155
in naam van het lijdend en diep vernederd Sion mag voortgaan: »Maar ik zal uitzien naar den Heer, ik zal wachten op den God mijns heils, mijn God zal mij hooren.quot; Uitzien, wachten — \'t is ons ten allen tijde het beste, maar wanneer beter, dan in die sombere herfstdagen der ziel, wanneer het terugzien ons martelt, en een blik in het ronde ons in ieder opzicht teleurstelt? Het op- en uitzien blijft over, en het verandert wel niets aan het Najaar zelf, maar alles aan het licht, waarin zijne verwoesting beschouwd wordt. Twee kostelijke vruchten doet dat wachtend uitzien reeds terstond op den ledigen akker ontsluiten, beide door den ziener als naar het leven geteekend; ootmoed de een en moed de ander genoemd (vs. 8—10). Bij het licht van God leert de dochter Sions niet slechts al de ellende rondom haar, maar, wat zoo vaak vergeten wordt, hare eigene ellende en onwaardigheid kennen. Zij aanvaardt haar aandeel aan de algemeene schuld, en valt voor haren God in het stof, en — niets doet ook de recht matigste klacht zoo spoedig in het hart en op de lippen besterven, als eene boetvaardige schuldbelijdenis. Maar nu ook put zij moed, niettegenstaande, ja in zeker opzicht zelfs uit bare diepe ellende. Hare geestelijke vijanden mogen tijdelijk het hoogste woord laten hooren, zij zullen toch het laatste niet behouden ; de nevelen van den herfst mogen zich gedurig verder verspreiden, en een dorre, kille winter onvermijdelijk zijn, ook alzoo wordt een nieuwe lentedag voorbereid, want ondergang, verwoesting, ontbinding kan eveu onmogelijk het laatste woord in de leiding van God met de zijnen, als in het geestelijk leven zijner kinderen zijn. Het moet weer lente worden, hetzij dan hier of hierna: «wanneer ik gevallen ben, zal ik weder op-
156
staan; wanneer ik in duisternis zal neerzitten, zal mij de Heer tot een licht zijn.quot;
Heerlijke gedachte, wel geschikt om ook den sombersten najaarshemel met een gouden lichtstraal te kleuren; waar ligt ten slotte de waarborg, dat zij meer dan een ijdel droombeeld zal blijven? Maar waar anders dan in de genade en trouw van Hem, dien de ziener aan het slot (vs. \'18—20) aanbiddend verheerlijkt met woorden, die hem den naam van den Zesden Evangelist doen verdienen? »Wie is een God gelijk Gij,quot; maar alle vrienden van het profetisch woord kennen dat verrukkelijk besluit dezer Godspraak ; mochten zij het nimmer vergeten, allerminst wanneer de herfstdagen dalen in of rondom hen I Onmogelijk van dit Hoofdstuk te scheiden, zonder door het groot verschil tusschen den grondtoon van het laatste, vergeleken met dien van het eerste vers, getroffen te worden. Zou het niet daaruit vooral te verklaren zijn, dat in vs. 1 het »Ikquot;. in vs. 20 het »Gijquot; op den voorgrond staat? O mijn God, ontleer mijne kranke ziel dat onverbeterlijk Ik. vervul haar met dat onuitputtelijk Gij, en — met U zal ik ook de kwade herfsttijden dóórkomen !
V.
EEN\' ONSCII.VTnAAR ANTWOORD.
»Ik ben God, en pfeen menschquot;.
De Allerhoogste.
Goddelijke antwoorden op menschelijke levensvragen, zoo heeft men wel eens, en niet zonder reden voorwaar, de levende woorden der Heilsopenbaring genoemd, waarvan de gewijde Schrift des O. en N. V. de onschatbare oorkonde
157
is. Zulke antwoorden, wij kennen en waardeeren er velen, maar waar is ten slotte het laatst, het hoogst, het alles beslissend en afdoend antwoord op de laatste bedenking en weerspraak des ongeloofs, die vaak donker maar diep op den bodem van dit wantrouwend menschenhart sluimert, en het ons in stilte zoo lastig kan maken? Ik meen het in een onuitputtelijk Godswoord bij Hosea te vinden (H. 41 : 9), dat, als in het voorbijgaan gelezen, zoo ligt over liet hootd gezien wordt en ons toch zoo oneindig veel heeft te zeggen. »Ik zal de hittigheid mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeeren om Ephraïm te verdervenquot;. Het is als voorziet de liemelsche Spreker, dat het ontwaakt geweten zulk een Lankmoedigheid al te groot zal achten om nog op haar te durven rekenen, maar eer zich de weerspraak kan doen hooren, wordt zij afgesneden door het alles afdoend: »want Ik ben God, en geen mensch, de Heilige in het midden van nquot;.
»Ik ben God, en geen menschquot;; dat spreekt wel van zelf, zou men zeggen, en leest er ligt over heen, en toch hoeveel ligt er in, wat stille Majesteit, wat troostrijke Waarheid, maar ook wat heilige Eisch! Wij hebben een persoonlijken, zelfbewusten God, die zich oneindig verheven weet ook boven het voortreffelijkst werk zijner handen, en juist in die verhevenheid een vasten waarborg aanbiedt voor de vervulling zijner stoutste beloften. — Nog altijd gaat het ons als te dien dage aan Ephraïm ; de vertroostingen Gods zijn ons nu en dan niet te klein, maar juist te groot, dan dat wij die zouden durven aanvaarden Ons menschelijk Ik staat ons telkens op het hinderlijkst in den weg; hier laat het Ik zich hooren van Hem, die meer is dan ons hart, en het allerlaatste woord moet behouden. »Ik ben God, en géén menschquot;; luistert eens goed, of gij niet in
158
dat eenvoudig woord het afdoend Antwoord verneemt op al de tegenspraak, die óf een ongeloovig verstand, óf een bekommerd gemoed, óf een ontwaakt geweten tegen het woord van zijnen Maker doet hooren ? »Ja maarquot;, zegt ons verstand, dat begrijp ik niet; en ons hart, dat vertrouw ik niet; en ons geweten, dat verdien ik niet.... » Twijfiing, zwijg, zwijg bange smartequot;, dus antwoordt het he-melsch Orakel; »Ik ben God, en geen menschquot;. Ja, Ephraïm, gij hebt recht; gij verdiendet, gij behoordet in zeker opzicht gevoimisd te worden; gij zoudt het zeker reeds zijn, indien gij met een eindigen Rechter te doen hadt, maar die God, die vermag wat menschen niet kunnen, laat ook wat ieder mensch ongetwijfeld zou doen, indien hij een oogen-blik God ware. Hij denkt anders, Hij spaart en draagt langer. Hij zegent oneindig rijker dan de beste mensch zou vermogen. Hij is God in den volstrekten zin van het woord, en mag daarom in geen geval naar menschelijken maatstaf gemeten worden. O welk een antwoord op vragen als deze: zou er zelfs voor mij nog genade zijn? Zou ook ik nog kunnen gered worden van den afgrond der stille vertwijfeling, aan welks rand ik duizelend waggel ? Is het mogelijk, dat ook mijn donker levenspad toch ten slotte niet naar beneden, maar waarlijk naar boven zou voeren ? Neemt welke God.sbelofte gij wilt, herleest haar bij bet licht van dit woord, en het zal u zijn, alsof gij een zilveren maan-lichtstraal op het grauw eener onafzienbare zee hadt zien vallen. Laat het u zijn, alsof dit Godswoord ook voor u eu tot u het beslissend »einde van alle tegenspraakquot; ware. Geeft Hem de volle, de hoogste eer, die Hij vraagt, die eer van een onwankelbaar vertrouwend geloof! Hij, die reeds zoo veel voor u deed, heeft nog meer voor u in zijn eindeloos Vaderhart; ook dat allerhoogste en beste,
159
dat gij nu nog nauwlijks durft bidden en denken. Alleenlijk, vergeet niet, dat Hij, die God is en geen mensch, zich dan ook niet laat bespotten, alsof Hij een machteloos mensch ware! Schrijft Hem niets ongerijmds toe, en verwacht niet van Hem, wat gij alleen van een veranderlijk en onheilig mensch zoudt durven verwachten ! Bovenal, oiu den vollen troost van dit woord te genieten, ziet toe dat Hij waarlijk uw God zij, »de Heilige in het midden van uquot;, en laat dagelijks de bede van den vromen ïersteegen de uwe zijn:
uGlans, die \'t Al doorschittert, blink van uit den Hoogeii
Onbeneveld voor mijn oogen!
Als de zachte bloemen, die zich stil ontplooieD,
Om zich bij uw zon te tooien.
Laat ook mij, stil en blij.
Drinken van de stralea.
Die ge in \'t hart doet dalenquot;!
•J, J.\'vax Oosterzee.
EEN B K 1 E F V A N HUI S. (lïIJSCHRI PT.)
Neen, kind, vergeten wordt gij niet!
Sinds gij het oudren-hnis verliet,
Heeft men u daar steeds in gedachten.
Uw vader denkt: kwam zij maar wéér!
En moeder noemt u keer op keer, En droomt van u geheele nachten!
\'t Van-huis-zijn viel » ook niet meê;
Wie ging ooit van een veilge reê, En kon een traan, een zucht bedwingen?
Men heeft u lief, men doet u goed,
Naar \'t schijnt, zelfs meer dan moeder doet Toch, minder vroolijk klinkt uw zingen.
Gij mist des avonds moeder\'s kus,
En \'s morgens mist gij kleine zus, Die spelen wil of ook wel plagen ;
Gij droomt meer dan in \'t eigen bed.
En hebt g\' ook telkens andre pret — Veel langer lijken u de dagen.
I
■ \' ■,* ■ kiiio, v.-i-get^i-v ■ ra\'; gjj ?
Iret r\'atfSS, .;
\' ■ \' ■ n- gt;1. ■-fii-ii.-\'rn ff hükién. \' ; .leiurt : : v. : iaaal\'■ .vf«lt;\';r!
■ ■\' Kil IT. -.V .;;-- f.i -..gt;1 / :■; kc.:V, \' i\'.V- ■-iM , Vl i\'l-htSr l
flsiSi
ving\' ■■ ■ ...tn ■ i ■_ Kp .!•; ■■.! - \'hl ••:■■■ ag£a^ \'
1 ■ ft\'quot;\'-\' }lt;!■ ■:gt; r iTifjP u gfceïl,
■ ■■• -\'Vil ::\' V T;:.!! lii..!lt;?4er\'lt;1^6\'
j\'.6ril ■: -^i- . i; • j.
gt;
i, :öij laist\'dlt;;» ayowds üiofecier\'s kus; • • ■
•\'quot; \' . i\'4 N üiWjjènv mist gg.■ felêiöê.jjjttó,
■ ÏMft ■•■jpf;.]; u T\'ii of\'hok wöl pisgest;
Gij cïroenit uxgt;.quot;i\' dfen in e i sa a be*!. \' Bn. hcl\'i g\' ook iPiBaBits snure pi\'et —
Vt-ei langtsr lijken m -\'0 dageti.
161
Een brief!... dat zon iets heerlijks zijn! Die maakte een eind aan alle pijn,
Die zou van allen iets doen hooren!
o Moeder, waarom schreeft gij niet!
Uw kind zong dan baar vroolijkst lied, En zou haar laatste zuchtje smoren.
Doch zie, daar is bij — onverwacht Werd hij der reizigster gebracht,
Die dadelijk begint te lezen;
Heel net geopend werd hij niet,
Maar wie afkeurend daarop ziet, —
Mocht bij ooit jong bij »vreemdenquot; wezen?
Thuis zijn zij allen wèl: de broers.
De kleine zus (zij is jaloersch).
De bond, de poes en al de dieren;
Mama ziet al verlangend uit Naar \'t uur der thuiskomst\'van haar spruit. Die men heel feestbjk denkt te vieren.
Wel hem, die ook in later tijd.
Waar bij moog\' zwerven wrd en zijd. Met vreugd\' een brief van huis ziet komen; En bij zijn arbeid, keer op keer,
Zacht fluistert: weldra zie \'k u weêr, TJ, plekje van mijn zoetste droomen.
E en brie f van hui s, van \'t vaderhuis ! Ons, zuchtend dikwerf onder \'t kruis,
11