-ocr page 1-

Vak 163

LOTGEVALLEN VAN PRINSES ENGELLEINTJE

T VLIEGER - AMSTERDAM.

289

-ocr page 2-
-ocr page 3-

LOTGEVALLEN VAN PRINSES ENGELLEINTJE.

-ocr page 4-

/

-ocr page 5-

LOTGEVALLEN

PRINSES ENGELLEINTJE

H. VAN LOO

AMSTERDAM

Ü, R. H I N S E

1-43

-ocr page 6-
-ocr page 7-

I.

De koningin van het Palmland had alles wat haar hart begeeren kon, behalve een kindje. Zij trok zich dit op den duur zóó aan, dat zij bijna nooit meer lachte en menigmaal zuchtend uitriep: »Ach. had ik toch maar éen enkel prinsje of prinsesje, al was het dan ook slechts een dwergje van de kleinste soort.quot;

Wat haar gemaal ook verzon om haar op te vroolijken of eenige afleiding te bezorgen, \'t was alles moeite te vergeefs; telkens verviel Hare Majesteit in nieuwe tobberijen.

Op zekeren namiddag dat zij zonder een enkelen hofheer of hofdame in haar gevolg het bosch was ingewandeld, dat aan het koninklijke park grensde, en zij zich in de schaduw van een

-ocr page 8-

6

eeuwen-ouden palmboom, in het zachte mos had neergevlijd, kwam er uit een dicht begroeid zijpaadje een stokoud besje aanstrompelen Het moedertje leunde op een kruk en zag er zóo schamel in de kleeren uit, dat de koningin een paar dukaten uit haar beugeltasch nam en dezen het besje toereikte met de woorden : »Hier, arme ziel, hebt ge wat voor een nieuwen wollen rok of een krachtig soepje ...quot;

In plaats van de haar toebedachte aalmoes aan te nemen, streek het vrouwtje zich met de vermagerde hand langs het gerimpelde gelaat, en zeide met heesche stem : »Hoe hoog ik het ook op prijs stel, lieve Mevrouw, dat u voor een arm mensch wat over hebt, zoo zal ik van uw liefdadigheid nochtans geen gebruik maken, wijl ik, al loop ik dan ook met versleten kleeren langs den weg, zeer gezegend ben aan aardsche goederen, ja zulke uitgebreide rijkdommen bezit, dat ik er soms geen raad mee weet...quot;

Daar de koningin haar ongeloovig aankeek,

\\

-ocr page 9-

7

met de gedachte dat het besje misschien wat kindsch was, zoo hernam het geheimzinnige schepseltje : «Neen, neen, Mevrouw, wat ik beweer is wel heusch zoo . . . Zie maar.quot; Tegelijkertijd zwaaide zij met haar krukje driemaal in het rond en dadelijk veranderde zij in een beeldschoone jonge vrouw, getooid met een diadeem fonkelende van paarlen en diamanten en gedost in een sleepkleed van ragfijne kant waarop zeven zonnestralen schitterden, die zulk een verblindende glans verspreidden, dat de koningin beide oogen moest toeknijpen.

Zoodra Hare Majesteit eenigszins van hare verbazing bekomen was, maakte zij een eerbiedige buiging en vroeg belangstellend : «Wie zijt gij, grootmachtige toovergodin

® Gewoonlijk word ik Karabultje genoemd,quot; was het antwoord, »en ben mee een der oudste feeën die er bestaan. Iedereen is mij dus de hoogste eerbied verschuldigd. Wie zulks uit het oog verliest, straf ik met de meeste Qfestrensfheid.

O O

-ocr page 10-

8

Maar,quot; voer zij voort, -gt;wie is u, als ik het weten mag . .

»De koningin van het Palmland . . klonk het zacht van Harer Majesteits lippen . . .

»Zoo, zoo, is u de souvereine van deze oorden...,quot; (

sprak Karabultje ; »recht aardig vind ik het uwe kennis te hebben mogen maken, te meer daar u de bewijzen hebt geleverd een medelijdend hart te bezitten. Gaarne wil ik u dan ook voor uw milddadigheid beloonen. Kies maar vrij uit, wat u het meest welkom zou wezen . . . Een groo-ter Rijk of een kip misschien, die gouden eieren

A

legt of een altoosdurende jeugd . . . Wees maar niet verlegen, lieve Mevrouw koningin, doch haast u wat, als het kan. want zoo verwacht ik mijn ^

koets om naar mijn kasteel terug te rijden...\'

De koningin boog dadelijk beide knieën en fluisterde met tranen in de oogen ; »Reeds sedert jaren, is en blijft het mijn eenige wensch, een eigen kindje te mogen bezitten ... Ik bid u (

dus, lieve fee, is het niet te veel van uw goed-

I

-ocr page 11-

9

heid gevergd, zoo Iaat er mij een geworden . .

»Als ge daar zoo hartelijk naar verlangt, wil ik u wel een dochtertje schenken, en een lief, mooi, aardig prinsesje ook ...quot;

De koningin sprong op van vreugde en wilde Karabultje uit erkentelijkheid de handen kussen, doch de godin zocht dit te voorkomen met een paar schreden achter uit te treden en te zeggen . »Laat dat, laat dat. Mevrouw koningin ... ik houd niet van dergelijke overdreven betuigingen ...quot;

Meteen klopte zij met haar krukje even tegen den grond en als met een tooverslag verscheen een gouden koets, bespannen met zes leeuwen en gevolgd door twaalf nimfen, die behoedzaam den sleep van Karabultjes mantel opnamen en zulk een smeltend gezang aanhieven, dat alle vogels uit den omtrek begonnen mee te kweelen.

Terwijl Karabultje zich gereed maakte om weg te rijden, sprak de koningin smeekend tot haar : »Om alles in de wereld, geëerde godin, verlaat

-ocr page 12-

IO

mij toch niet, voordat ik uit uw mond vernomen heb, of het beloofde dochtertje mij werkelijk tot mijn geluk zal geschonken worden ...quot;

»Dit moet u aan het lot overlaten Mevrouw,quot; antwoordde Karabultje ernstig, »want dit is machtiger dan alle feeën te zamen. Het eenige wat ik doen kan is, het prinsesje bij haar geboorte een paar goede wenschen te komen toevoegen. Stuur mij dus aanstonds een boodschap als het wichtje er is. De bode heeft slechts dit pad te volgen om mijn kasteel te bereiken. En mocht hij soms bang zijn, voor de vreemdsoortige visschen die in de gracht, ter bewaking van mijn woning rondzwemmen, dan behoeft hij maar driemaal mijn naam te noemen, en ze zullen dadelijk onderduiken ... En nu vaarwel, tot wederziens, Mevrouw ...quot;

Zonder verder een woord met elkander te wisselen, stapte Karabultje in haar koets en was weldra uit het gezicht verdwenen . . .

Buiten zichzelve van vreugde over de ontvan-

-ocr page 13-

11

gen belofte, nam Hare Majesteit den terugtocht aan naar huis, zonder er in haar blijdschap op te letten, welken weg zij insloeg of hoe de bloemen vriendelijk voor haar negen en de vogels zich op haar schouders neerzetten om haar zingend geluk te wenschen.

Eensklaps bemerkte zij tot haar schrik een verkeerd pad te hebben gevolgd. Hoe zij ook haar best deed den rechten weg terug te vinden, zoo bleven al hare pogingen vruchteloos . . .

Reeds prijkten de eerste sterren aan den donker-blauwen hemel, terwijl zij nog steeds in het diepst van het bosch ronddoolde, toen zij tot hare onuitsprekelijke vreugde, behalve een verwijderd horengeschal ook hoefgetrappel meende te vernemen... Zij luisterde aandachtig toe en hoorde duidelijk dat het geluid hoe langer hoe nader tot haar kwam... Juist wilde zij haar stem verheffen om te smeeken haar toch te hulp te komen, toen zij haar gemaal gewaar werd, die op een schuimend ros gezeten, met lossen teugel, rechtstreeks naar haar toerende.

-ocr page 14-

12

Dadelijk sprong hij uit den zadel, en drukte haar aan het hart met den uitroep, wat haar toch bewogen had, zoo ver van het paleis af te dwalen. Dit was spoedig opgehelderd.

Nogmaals sloot Zijne Majesteit haar in de armen, en fluisterde verheugd dat de verovering van tien koninkrijken hem niet zoo gelukkig had kunnen stemmen dan het vooruitzicht gt;gt;vader\'\' te mogen worden . . .

In triomf voerde hij zijn gemalin die hij bij zich op zijn ros plaats liet nemen, naar het paleis en liet nog denzelfden avond aan de Palmlanders verkondigen, welk een heuglijke gebeurtenis zijn trouwe onderdanen te wachten stond.

Reeds den volgenden dag begon de koningin, die van haar gemaal een keurig wiegje uit gevlochten gouddraad ten geschenke kreeg, voor het te verwachten prinsesje het een en ander in gereedheid te brengen. Nauwelijks was zij hiermede klaar of zij hoorde in het wiegje eenige beweging. Onmiddellijk trad zij er naar toe, sloeg met een

-ocr page 15-

13

kloppend hart het kleedje op en... een blond engelen-kopje lonkte haar vriendelijk toe.

Zij tilde het lieve wichtje dat de mollige armpjes naar haar uitstrekte, uit het wiegje en ijlde er mede naar den koning. Niet minder in zijn schik dan zijn gemalin over het dotje, dat zachtjes zijne wangen streelde, drukte hij het verscheiden kussen op het sneeuwwitte voorhoofdje en begiftigde het met den eerenaam van »Engelleintjequot;.

Zonder verder een seconde te verliezen werden naar alle zijden van het land boden te paard uitgezonden om de verschillende feeen, die zich binnen de grenzen des Rijks mochten bevinden de geboorte van Engelleintje aan te kondigen en haar nederig te verzoeken, het doopmaal met hare tegenwoor-dieheid te willen vereeren.

o

De bode die naar Karabultje afgevaardigd werd, behoorde tot den hoogsten adel en werd door Zijn Majesteit een eigenhandig geschreven brief ter hand o-esteld, om deze in allen eerbied aan Kara-

O

bultje af te geven.

-ocr page 16-

■4

Binnen het uur waren de meeste boden weer binnen de muren van het paleis terug met de boodschap, dat alle feeën de koninklijke uitnoo-diging met genoegen aangenomen hadden... Een weinig later verscheen ook de ridder die naar Karabultje afgevaardigd was geworden. Doodsbleek boog hij de knie voor het koninklijke echtpaar en stotterde, dat het hem onmogelijk was geweest, Karabultjes kasteel te bereiken, wijl de gracht die het omgaf opgevuld was met bloeddorstige haaien, welke iedereen verslonden, die het mocht wagen de ophaalbrug te naderen. ..

»En hebt gij dan niet driemaal Karabultjes naam geroepen zooals ik u bevolen had?quot; vroeg de koning streng.

De ridder bekende, dit door den schrik geheel vergeten te hebben. ..

Zijn Majesteit blikte den ridder hoogst verbolgen aan en verbande hem staandevoets voor altijd uit zijn Rijk, terwijl de koningin buiten zich zelve van

-ocr page 17-

ontzetting den zakdoek voor het gelaat drukte en smartelijk uitriep; »Wie weet, wat van deze laakbare vreesachtigheid noo- de orevoipfen zullen

\' O lt;3 O

wezen..

-ocr page 18-

II

Aangfezien de ceremonie-meester kwam berichten lt;_gt;

dat de toovergodinnen reeds allen aan het paleis afgestapt waren en in de naaste zaal de hooge kraamvrouw afwachtten, zoo herstelde Hare Majesteit zich zoo goed als zij kon en ging aan\'den arm van haar doorluchtigen gemaal, de lieve godinnen te gemoet.

Allen beijverden zich zoo diep mogelijk te nijgen en de koninklijke ouders, onder aanbieding van kleine snuisterijen voor de jonggeborene, van harte geluk te wenschen met de blijde gebeurtenis die hun zoo onverwacht te beurt gevallen was, toen te midden der plechtigheid de hofmaarschalk ijlings de zaal binnen stapte en met vertoornde stem tot zijn doorluchtigen gebieder sprak, toen deze hem

-ocr page 19-

17

hiertoe vergunning had gegeven: »Heer koning, voor de poort van het paleis staat een in den rouw gekleed vrouwtje, dat met alle geweld tot de kleine kroonprinses wil toegelaten worden. Ik heb haar op alle mogelijke manieren aan het verstand pogen te brengen, dat zulks maar niet zoo gemakkelijk gaat, doch de oude ziel is niet te overtuigen; zelfs beweert zij de meter te wezen van uw Doorluchtig dochtertje.. . Ik geloof dat het besje niet recht wijs is, want toen ik dreigde van haar weg te laten jagen, lachte zij mij hartelijk uit. .

»Niet recht wijs,quot; lispte de koningin, bevende als een espenblaadje; »ach lieve hofmaarschalk wat komt u in den zin ; zij beschikt misschien alleen over meer verstand en macht dan wij allen te zamen, want blijkbaar is het schijnbare oude vrouwtje niemand anders dan mijn lieve weldoenster Kara-bultje... Ik wil haar dus in eigen persoon gaan ontvangen en haar met de noodige ceremoniën hier binnen leiden...quot;

Voordat de koningin aan dit plan gevolg geven

-ocr page 20-

i8

kon, opende zich andermaal de breede vleugeldeur en Karabultje, geheel in het zwart gekleed en een gouden tooverstaf in de hand, vertoonde zich met verstoord gelaatquot; op den drempel der zaal. ..

De koningin maakte een diepe buiging en smeekte Karabultje er toch niet verder aan te denken, dat eerst de bode zich zoo slecht van zijn taak gekweten en daarna de hofmaarschalk, ofschoon geheel buiten zijn schuld, het uit overdreven ijver al even bont met haar gemaakt had.

Karabultje schudde echter het hoofd en zeide kortaf: »Neen, neen, zulke zaken zie ik niet zoo licht door de vingers; dan hadt u maar betere bevelen moeten geven; werkelijk \'t is al te erg zooals ik door u behandeld ben... Waarom niet liever uw gemaal of ten minste een flink mensch naar mij toegezonden, die in plaats van voor mijne lieve, trouwe haaien de vlucht te nemen, onder het aanroepen van mijn naam, moedig bij mij had aangescheld en waarom niet gezegd aan uw hofmaarschalk, dat zoo zich

-ocr page 21-

19

soms een oud vrouwtje mocht aanmelden, dit aanstonds tot u toe te laten... Foei, foei, mevrouw koningin,quot; voer zij verwijtend voort, »hoe weinig oplettend gingt u in beide omstandigheden te werk... En dat nog wel jegens mij die u zoo goedgunstig een dochtertje schonk...quot;

»Ach\'quot;ik bid u,\'\' sprak de koningin, «verdenk mij toch niet van ondankbaarheid, en bewijs mij ten teeken dat de vrede weer tusschen ons gesloten is, de eer u aan mijn doorluchtigen gemaal te mogen voorstellen.quot;

»Waartoe zou zulks dienen,quot; antwoordde Kara-bultje koel, »want zoo gauw als ik Engelleintje gezien heb cja ik weer heen...quot;

O o

Thans trad de koning in nederige houding naar haar toe, nam zijn kroon van het hoofd, als een bewijs van hoogachting en vriendschap en zeide bescheiden: »Grootmachtige fee, wist u welk een leed wij over het gebeurde gevoelen, u zoudt ons zekerlijk de hand ter verzoening toesteken en ons de eer aandoen, het doopmaal bij te wonen, dat

-ocr page 22-

20

wij zonder uw hooge tegenwoordigheid, als geheelquot; mislukt zouden beschouwen..

»0! o! wat vleierijenquot;, sprak zij spottend, »maar Karabultje is daar geheel doof voor. Heer koning; zij let slechts op daden niet op woorden. Doch thans genoeg.. . Alleen nog dit, waart u zoozeer op mijn gezelschap of op mijn vriendschap gesteld geweest, u zoudt geheel andere maatregelen hebben genomen; dit laat ik mij niet uit het hoofd praten. Misschien dat ik, na verloop van eenige jaren, de beleedigingen mij, met of zonder opzet aangedaan, in het vergeetboek zal plaatsen, maar voorshands kan hiervan onmogelijk sprake zijn. Zoek mij dus niet verder te bewegen in uw midden te blijven vertoeven en toon mij even het kindje dat uw gemalin door mijn veelvermogende tusschen-komst in de armen werd gelegd. .

De koning boog met een bedroefd gelaat en verliet met Karabultje de zaal om aan haar verlangen te voldoen. Eenige oogenblikken later traden ook de overige feeën met de koninklijke moeder

-ocr page 23-

aan het hoofd, de koninklijke kinderkamer binnen waar Engelleintje in haar wiegje gerust lag te sluimeren. Op verzoek hunner Majesteiten schaarden zich alle feeën, behalve Karabultje, die op eenigen afstand bleef staan, in een dichte drom om het slapende prinsesje, dat telkens in haar droom glimlachte. Toen zulks geschied was, raakte de oudste der zusteren, het hoofdje van Engel-leintje even met haar tooverstaf aan en zeide plechtig ; »Lief kind, ik schenk u schoonheid en bevalligheid en begiftig u bovendien met een lieftallig, vertrouwelijk karakter . . . .quot;

»En ik,\'\' fluisterde een tweede fee, »wensch u behalve een onafgebroken geluk, een helder verstand en een tal van talenten toe . . .\'?

«Gaarne,quot; sprak een derde fee, »ken ik u hierbij het voorrecht toe, door een ieder die u * ontmoeten mag, hartelijk bemind te zullen worden. .

» Ofschoon u reeds veel geschonken is,quot; sprak een vierde godin, »zoo begiftig ik u nog zoo

-ocr page 24-

het zijn mag, met de verhevenste aller talenten, namelijk die der dichtkunst. .

i; Het eenige wat mij overblijft u toe te wen-schen,quot; fluisterde de vijfde, »is een lieve, mooie prins, die u niet om uw troon of uw kroon, maar u geheel om u zelve beminnen, en u hoogst gelukkig maken zal . .

Voordat een zesde het woord kon opvatten, gaf Karabultje haar een gebiedenden wenk te zwijgen, en zeide bestraffend ; »Daar geen van u allen er over schijnt te denken, dat Engel-leintje evengoed haar beproevingen en teleurstellingen zal dienen te hebben als eenig ander sterveling, zoo neem ik de taak op mij, hieromtrent het een en ander uit te spreken. Ten eerste ligt het in Engelleintjes toekomst besloten, dat zij veel ondank op haar levensweg inoogsten zal ; ren tweede zal haar schoonheid en aantrekkelijkheid er onwillekeurig de oorzaak van wezen dat het Palmland in een oorlog gewikkeld zal worden tegen een naburig Vorst; ten derde zal haar

-ocr page 25-

vertrouwelijkheid haar groot gevaar doen loopen van in de kolken van den oceaan om te komen en ten vierde is het mijn besliste wil, dat zij in hare meisjesjaren althans, ten volle met de ernstige zijde van het leven kennis zal maken, ten einde later, wanneer zij de kinderschoenen ontwassen is, zich tot een degelijke vrouw te mogen vormen ...quot;

Tegelijkertijd groette zij het hooge gezelschap met een effen hoofdknikje en verdween met sta-tigen tred uit de kinderkamer.

De koningin wischte zich een traan uit het oog en lispte klagend : »Arm, arm Engelleintje, wie weet hoe veel distelen en doornen uw deel zullen worden.. . Ach ! had ik Karabultje toch maar nooit ontmoet of haar ten minste om geen kindje gevraagd. Mijn goede gemaal had wel gelijk te zeggen, zoo dikwijls als ik om een prinsje of een prinsesje maalde: »Wees toch maar tevreden zooals ge \'t hebt. . . Ge weet soms niet waar ge naar verlangt, want hadden de feeën het voordeelig voor u geacht, een kindje te be-

-ocr page 26-

24

zitten, dan zouden zij er u wel een geschonken hebben ...quot;

Diep medelijden als Zijn Majesteit met zijn gemalin gevoelde, zoo zocht hij haar zooveel mogelijk te troosten met de gedachte, dat de teleurstellingen die Engelleintje wachtten, slechts zouden plaats vinden, om een flinke vrouw van haar te maken.

De koningin was echter te veel terneergeslagen om naar de troostredenen van haar gemaal te luisteren. Telkens welden er nieuwe tranen in hare oogen op en fluisterde zij diep bewogen. »Hoe weinig had ik voorzien dat de dag die zoo heerlijk begon, zoo treurig zou eindigen . . . .quot;

-ocr page 27-

III.

Middelerwijl hadden de feeën zich in de naaste zaal vergaderd om te beraadslagen, in hoeverre zij de koningin over Engelleintjes latere toekomst zouden kunnen geruststellen.

Zoodra de lieve godinnen het hierover met elkander eens geworden waren, knielde de jongste harer, die tot dusverre nog in het geheel niet gesproken had, aan de zijde der koningin neder, en zeide met zachte, welluidende stem ; »Zeker zal het u hoogst weldadig aandoen, geëerde Majesteit van ons te mogen vernemen dat, al vallen de voorspellingen van Karabultje ook geenszins te loochenen, er nochtans eens een tijd zal komen dat Prinses Engelleintje heel veel geluk zal mogen smaken. De gemaal, die wij het

-ocr page 28-

26

doorluchtige kindje hebben toegedacht is de Vorst van het Herderland, nu nog maar een knaapje van vier jaar. Dadelijk, wanneer hij om Engel-leintjes hand vraagt, moet hem deze toegestaan worden Hij zal zijne bruid echter niet mogen ontmoeten, dan vóór haar achttiende geboorte-feest, de dag, waarop al hare rampen zullen eindigen. Wij raden u ten zeerste aan Engelleintjes verloving met den Prins van het Herderland voor iedereen stipt geheim te houden, want vele machtige Vorsten zullen naar Engelleintjes bezit dingen. Vernamen deze hooge heeren nu, dat zij bestemd was voor den Prins van het Herderland, zoo ligt het in de reden, dat zulks tot velerlei verwikkelingen aanleiding zou geven. Mondje dus dicht, lieve Mevrouw koningin.

Hare Majesteit dankte de vriendelijke fee voor hare opbeurende woorden, waarop de koning de dames in bedenking gaf, het doopmaal te gaan gebruiken, wijl de ceremonie-meester hem reeds tot driemaal was komen berichten, dat alle ge-

-ocr page 29-

rechten al sinds een uur opgedragen waren.

De feeën begrepen echter maar al te wel dat na het gebeurde de hoofden Hunner Majesteiten er al heel weinig naar stonden om te eten ot te drinken, laat staan een vroolijk gelaat te toonen. Zij gaven dus voor, dat het al wat laat geworden was, om nog langer in het paleis te vertoeven, temeer daar Hare Majesteit er hoogst afgemat uitzag. Zij namen dan allen met een hartelijken handdruk van het koninklijke echtpaar afscheid en verlieten onder het maken van een diepe buiging de kinderkamer.

Vóórdat zij echter in hare koetsen stapten, stelde de koningin aan elk harer als een blijk van hooge onderscheiding een juweelen armband ter hand, waarop behalve de datum van Engelleintjes geboorte, ook in fijne pareltjes de wapens van het Palmland aangebracht waren.

Niet weinig gevoelig voor deze allerliefste oplettendheid, tooiden zij zich dadelijk met het ontvangen geschenk, en namen plaats in hare karossen,

-ocr page 30-

28

waarvan de koning zelf de portieren hielp sluiten, en verwijderden zich onder het aanhoudend toewerpen van kushanden, die door Hunne Majesteiten met wuivingen en groetjes beantwoord werden . . .

Hoezeer de koningin ook onder den indruk van Karabultje\'s voorspellingen bleef verkeeren, zoo was het haar toch een zoete troost dat Engel-leintje zich zoo allervoorspoedigst mocht ontwikkelen. Daarbij was zij zóo schoon, zóo lieftallig en zóo aantrekkelijk dat elkeen, wie haar ook zag, in verrukking over haar geraakte. Bovendien was zij zulk een knappertje, dat zij op haar vijfde jaar reeds meesterlijk de luit en de guitaar bespeelde, waarbij zij de aardigste liedjes zong, die zij zelf vervaardigd had. Eveneens wist zij zulke bevallige dansen uit te voeren, dat men zou hebben gezworen, dat de een of andere fee haar hierin les gegeven had.

Op haar zesde jaar werd haar een hofdametje toegevoegd, het dochtertje van een Graaf, dat om

-ocr page 31-

29

haar puntig neusje en snibberig stemmetje » Naaldjequot; werd genoemd. Daar dit freuletje een bij-de-handje was, van zessen klaar, zoo speelde zij spoedig de baas over Engelleintje, die zich door haar hofdametje de mooiste presentjes liet aftroggelen en zich door Naaldje liet bepraten met niemand anders vriendschap te sluiten dan met haar.

Daar Engelleintje zeer eenvoudig en goedhartig was, liet zij maar met zich sollen ; enkele kee-ren slechts als Naaldje het al te bont maakte toonde zij een lipje. Zoodra echter Naaldje bemerkte dat zij te ver was gegaan, wist zij spoedig met haar fluweelen tongetje, de wolkjes van Engelleintjes voorhoofd weg te vagen en zich zóo berouwvol voor te doen dat haar toekomstige gebiedster haar maar al te gaarne vergiffenis schonk.

Toen Engelleintje haar tiende jaar bereikt had, scheen haar schoonheid zijn hoogste toppunt te hebben bereikt. Niet alleen de menschen, maar ook de dieren begonnen bij haar aanblik welge-

-ocr page 32-

vallig te glimlachen. Zelfs de zon scheen verheugd het betooverend schoone Engelleintje te mogen bestralen, terwijl de maan haar gadesloeg met een blik waarin duidelijk te lezen stond ; »Gij zijt het liefste schepseltje dat ik ooit met mijn oians verlicht heb.quot;

O

Medelijdend en weldoend als Engelleintje mocht wezen, kende zij geen grooter genot dan in de hutten der armen troost en hulp aan te brengen. Geen wonder dan ook, dat alle dagbladen van haar lof gewaagden en iedereen zijn best deed, zelfs zij, die op de uiterste grenzen des Rijks woonden, Engelleintje ten minste éen keer van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten. Wie dit echter o-elukte, kon maar niet besluiten weer naar huis terug te keeren en voelde zich eiken dag opnieuw gedrongen zich op Engelleintjes weg te plaatsen, waardoor van vele Palmlanders de zaken verliepen en zij zelf straatarm werden.

Alle jonkvrouwen in den lande wilden precies gekleed gaan als het kroonprinsesje; iedereen, van

-ocr page 33-

3 1

welken stand of leeftijd ook, was in het bezit van haar portret, dat men in een medaillon om den hals droeg. Het volk putte zich letterlijk uit haar de kostbaarste geschenken aan te bieden. Steeds lag de haven vol met schepen gevuld met paarlen en juweelen en de zeldzaamste goud- en zilverstoffen, terwijl bovendien nog allerwege ter harer eere paleizen en marmeren standbeelden verrezen.

Hoe meer de koning zich tegen deze dwaze verspillingen verklaarde, hoe meer de Palmlanders er naar schenen te streven het geliefde prinsesje onder hun geschenken te begraven.

Eindelijk was het gevolg hiervan dat millioenen lieden, die vroeger ruimschoots hun brood hadden, genoodzaakt waren een aalmoes te vragen.

»Achl ach!quot; zeide dikwijls de koningin, ons lief vaderland zal nog heelemaal te niet gaan . . . Menschen en dieren zien er even uitgemergeld uit, want daar men er weinig aan denkt om te zaaien, wordt er sinds de dwaze vergooding van

-ocr page 34-

32

ons kind, ook weinig geoogst. Nog een stapje verder en wij hebben een hongersnood ...quot;

Dit was echter nog niet alles.

Geen enkele koningszoon, die met Engelleintje mocht kennis maken of hij wilde reeds na een eerste ontmoeting zich plechtig met haar verloven. Daar Engelleintje echter bestemd was voor den prins van Herderland zoo kon hiervan niets komen, en dit gaf aanleiding dat vele prinsen zich uit wanhoop in een afgrond wierpen of van verdriet uitteerden . ..

Het ergste zou echter nog aankomen.

Eensklaps liet de koning van het Reuzenland, een zeer groot toovenaar en een volle neef van Karabultje, den vader van Engelleintje aanzeggen dat hij naar de residentie hoopte te reizen om het kroonprinsesje van het Palmland als zijn gade met zich terug te voeren . . .

Bij deze tijding viel de koningin flauw van schrik; ook Zijn Majesteit was weinig op zijn gemak en riep al zijn Ministers bijeen om te beraadslagen hoe in deze te handelen ....

-ocr page 35-

--gt; O

J J

Na lang wikken en wegen, kwam het tot de beslissing, dat Engelleintje in allerijl zou ingescheept worden naar het Rozen-eiland en men den koning van het Reuzenland zou wijs maken, dat zij met een onbekenden prins, die haar onverhoeds schaakte, naar de maan gevlucht was.

De koningin huilde tranen met tuiten bij de gedachte, dat zij van haar schatje gescheiden zou worden . . .

Toch bestond er geen andere uitweg.

Voor dat het schip, dat Engelleintje zou wegvoeren, zeilvaardig was, liet de gevreesde toove-naar zich reeds aandienen . . .

De koningin rilde van angst, dat hij Engelleintje ontdekken zou, en bracht haar naar een donker vertrek, dat vlak aan de zaal grensde,

waar de toovenaar binnengetreden was.

lt;_gt;

Ongemerkt gluurde Engelleintje even door het sleutelgat! Maar o ! welk een monster werd zii gewaar .. . Hij had een hoofd, zoo groot en breed als tien andere, waarin zes oogen prijkten, die

3

-ocr page 36-

34

als windassen ronddraaiden en vurige vlammen uitwierpen. Zijn mond of liever zijn muil was bezet met slagtanden en zijn baard en hoofdhaar enkel dennenaalden. Juist was hij bezig een levend schaap te verslinden, dat hij met huid en haar naar binnen slokte.

— »0, Mama. . riep zij ten doode toe verschrikt uit, »laat mij toch zonder uitstel scheep gaan, want ging de reus soms huiszoeking doen. dan was ik verloren.1\'

De hofdame van dienst, die Hare Majesteit naar het donkere vertrek gevolgd was, schudde echter het hoofd en zeide geruststellend: »Geen nood, geen nood ; als hij genoeg verzadigd is en ter lessching van zijn dorst een paar okshoofden champagne geleegd heeft, zal hij wel tot morgen indutten. Dat \'s zoo reuzenmanier.\'\'

De koningin liet het hier echter niet op aankomen en bracht haar lieveling, als slavinnetje vermomd, dadelijk naar het schip, dat nog in hetzelfde uur de ankers zou lichten naar het een-

-ocr page 37-

zame Rozen eiland. — Bij het afscheid sloot zij En-gelleintje wel twintigmaal in de armen en schonk haar een tooverspiegel, die reeds sedert onheuglijke tijden in de familie was, en waarin men alles kon zien wat er aan het hof van het Palmland voorviel.

Niemand zou Engelleintje begeleiden als haar minne en Naaldje ; de eene om het huiswerk te doen en te koken, de andere om haar tot gezelschap te dienen.

De avond was alrêe gevallen; op de golven dansten ontelbare lichtvonkjes, die als duizende sterren Engelleintje tegenlonkten.

Naaldje blikte ontevreden naar den horizont; haar neusje scheen nog wel eens zoo spits als anders. Zij was slechts mee getogen omdat haar zulks bevolen werd, anders had zij Engelleintje wel alleen laten gaan.

Tegen den morgenstond bereikte,het schip het Rozen-eiland.

Het kasteel, waar Engelleintje voortaan verblijf zou houden stond zoo dicht bij het strand dat

-ocr page 38-

36

de golven er kabbelend tegen aan spoelden.

Het drietal zette voet aan wal.

Engelleintje wierp het schip een laatsten afscheidsgroet toe en trad naar binnen. Haar eerste werk was, het kasteel van den zolder tot den kelder in oogenschouw te nemen.

Behalve dat het kasteel zeer geriefelijk was ingericht, trof Engelleintje er ook een zaal in aan, die, behalve de prachtigste boekwerken ook een tal van vreemdsoortige muziek-instrumenten bevatte, die men slechts behoefde aan te raken om er de welluidendste tonen aan te ontlokken.

Erkentelijk als Engelleintje zich gevoelde, het in de gegeven omstandigheden zoo goed getroffen te hebben, zeide zij tot Naaldje : »Al duurde mijn verbanning ook zes volle jaren, zoo zou ik dit merkwaardige kasteel niet licht weer willen verlaten.quot;

Naaldje zuchtte en antwoordde ; »Zes jaren . .. quot;t is bijna een menschenleven. Ik hield het hier nog geen zes dagen uit. Daarom, lieve prinses.

-ocr page 39-

laat mij toch naar het Palniland terugkeeren, zoo ii ten minste niet wilt, dat ik de tering krijg.quot;

Engelleintje blikte haar verbaasd en teleurgesteld aan; zij hield zich echter goed en zei ; »Ga gerust; al was het nog in dit uur. Ik houd niemand tegen zijn zin bij mij. quot;t Verwondert mij echter wel dat gij zulk een haast maakt om weg te komen, vooral daar ik daardoor geheel alleen zal wezen.\'\' Naaldje haalde echter de schouders op, maakte een diepe nijging en liep op een drafje heen. Tegen het vallen van den avond deed En gel-

O

leintje haar eerste wandeling. Een onafzienbaar woud begrensde het kasteel, beplant met kokos-boomen en dadel-palmen, bloeiende heesters en bloemenstruiken. Verder ontmoette zij veelvuldige fonteinen, koele grotten, welig begroeide heuvelen, marmeren standbeelden en de schilderachtig-ste vergezichten. Het beviel Engelleintje zoo goed in het bosch, dat zij eerst tegen den nacht de breede slotpoort harer woning weer binnentrad. Gesterkt naar lichaam en geest ontwaakte zij

-ocr page 40-

den anderen morgen onder het gezang der vogels en het zachte ruischen van den oceaan.

Engelleintjes min had voor een smakelijk ontbijt gezorgd, en wenschte haar met een hartelijk woordje spoeden morgfen.

O

Hoe goedhartig en vriendelijk deze vrouw ook was, zoo had zij toch bitter weinig aan haar gezelschap, wijl zij over niets wist mee te spreken dan over koken en braden.

Nuttig als het lieve schepseltje haar tijd echter wist in te deelen, zoo ging.deze zeer rasch voorbij. Zij studeerde zóo vlijtig, dat de minne dikwijls zei; »Lieve prinses, verg maar niet te veel van uw hoofdje.quot;

Eiken morgen voor zij haar werkzaamheden begon, keek zij even in den tooverspiegel hoe het met haar croede ouders gfesteld was.

lt;_gt; O

Gelukkig, dat zij het voortreffelijk bleven maken, en dat de koning van het Reuzenland dadelijk na het vernemen van Engelleintjes tochtje naar de maan, weer naar zijn eigen land afgedropen was.

-ocr page 41-

39

Niet minder stond het haar aan, dat zij zich door middel van een gehoorbuis naar hartelust kon onderhouden met haar Mama en Papa, die dusdoende eiken dag een uurtje gezellig met haar keuvelden.

jammer slechts, dat zij elkander ook niet eens tusschenbeiden de hand konden drukken, maar daar was geen denken aan, want de koning van het Reuzenland had overal zijn spionnen uitgezonden om Engelleintje op het spoor te komen. Als toovenaar van beroep wist hij zeer wel dat hare ouders haar ergens verborgen hielden. Dus een enkele onvoorzichtigheid, en zij ware in zijn handen gevallen.

Haar verlangen werd echter op het laatst zóo groot naar haar ouders, dat zij met den dag vermagerde, er telkens tranen in haar oogen opwelden, de droefgeestigste liederen van hare lippen rolden, en zij dikwerf uitriep : »Hoe gaarne zou ik in plaats van mooi, foeileelijk zijn, als ik maar weer met mijn lieve ouders vereenigd mocht worden.quot;

-ocr page 42-

IV.

Op een morgen dat zij op den top van een duin zat te mijmeren, stak er eensklaps een felle storm op. Wild joegen de wolken door het luchtruim, terwijl de zee met vlokken schuim overto-gen, een droevig gehuil aanhief en telkens nieuwe stukken wrakhout uitwierp, die door nieuw aanrollende golven meegesleept, voor altijd in de kolken van het ziedende element verdwenen.

Engelleintje sloeg dit spel der verwoesting meewarig gade, toen zij onverhoeds een drenkeling zag aanspoelen. Aanstonds begaf zij zich naar het strand, boog zich over den ongelukkige heen, streek hem de haren, die op zijn doodsbleek gelaat gekleefd waren, een weinig op zij, en deed alles wat zij vermocht, hem weer in het leven terug te roepen.

-ocr page 43-

4i

Tot haar niet geringe verbazing begon de drenkeling, reeds een man van jaren, en de borst met ridderorden bedekt, weer adem te halen. Hij blikte Engel-leintje dankbaar aan, en vroeg haar, als de redster van zijn leven, zich nader bekend te willen maken.

»Ik ben,quot; sprak Engelleintje, »een arme bannelinge, die van haar geboorte vervolgd wordt door een vijandige fee.quot;

»Toch niet door Karabultje ?\'quot; vroeg hij met een zonderlinge flikkering in de oogen.

!gt;Ge hebt het juist geraden. Gelukkig dat ik mijn lot met gelatenheid weet te dragen. Het eenige wat mij soms mismoedig maakt, is, dat ik gescheiden ben van mijn ouders, den koning en de koningin van het Palmland.quot;

»Zijt ge dan prinses Engelleintje ? Ik dacht dat zij uit eigen beweging voor goed naar de maan vertrokken was.\'\'

(Dat heeft mijn doorluchtige vader maar verteld om mij te redden voor een huwelijk met den koning van het Reuzenland.\'

-ocr page 44-

42

«Pas maar op dat Zijn Majesteit den monarch van het Reuzenland zulks nooit ter oore komt!quot;

»Hoe zou dit kunnen ; want niemand weet het rechte van de zaak.quot;

»Behalve ik dan toch. Maar zeg mij eens, hoe lang denkt gij hier nog te vertoeven ?quot;

»1 ot mijn achttiende jaar, mijnheer. Zoodra als ik mijn negentiende ingetreden zal zijn, eindigen al mijn beproevingen en hoop ik openlijk verloofd te worden aan den kroonprins van het Herderland ...quot;

De vreemdeling schaterde het uit.

»Kn voor dat nietige prinsje,quot; spotte hij, »sloegt gij de hand af van den machtigste aller monarchen. \'t Is al te dwaas -— al te dom. Kom toch tot bezinning, eer het te laat is en zie van dat onnoozele Herdervorstje afquot;

»Onmogelijk,quot; antwoordde Engelleintje vastberaden, »noch behalve, dat ik liever sterven zou. dan zulk een monster, als de koning van het Reuzenland tot echtgenoot te nemen, zoo ben ik

-ocr page 45-

43

reeds, toen ik pas eenige uren oud was, er door verscheidene feeën toe bestemd, de gemalin te worden van den kroonprins van het Herderland.quot;

gt;Een boon, als dit ooit geschiedt, want Kara-bultje, die een volle nicht is van den koning van het Reuzenland staat er ten zeerste op, dat gij met haar neef, en niet met den prins van het Herderland trouwt. En wat zij wil, geschiedt in den regel, wijl zij veel meer tooverkracht bezit dan de andere feeën.\'\'

Engelleintje blikte den vreemdeling aan en zeide : »Waarlijk, als ik niet half geloof, dat gij mij een weinig bang wilt maken.quot;

«Volstrekt niet, maar ik ben, als ik \'t u dan oprecht zeggen zal, een adjudant van den koning van het Reuzenland. Reeds sedert drie jaren doorkruis ik de wereld om u overal te zoeken. Eindelijk is het mij gelukt u te mogen vinden. De schoonste belooning staat mij hiervoor te wachten, namelijk de hand van mijn meesters jongste dochter.quot;

-ocr page 46-

44

»Maar gij zult mij toch niet verraden .... mij, die u het leven redde,quot; smeekte Engelleintje.

»Van verraad is hier geen sprake, wel van plicht; en deze is, den koning van het Reuzen-land met de waarheid bekend te maken.quot;

Engelleintje viel in zwijm. Toen zij de oogen weer opende, was de storm geheel bedaard, en de vreemdeling spoorloos verdwenen.

Met wankelenden tred keerde zij naar het kasteel terug.

Haar minne, die oogenblikkelijk aan de bleekheid van haar gelaat bemerkte, dat zij aan een zeer hevige ontroering ten prooi was, vroeg dringend wat er vooro-evallen was. IDe woorden

lt;-gt; O I

bleven Engelleintje echter in de keel steken.

Tegen den nacht werd zij eenigszins kalmer, waarvan de trouwe voedster dadelijk gebruik maakte, haar nogmaals naar de oorzaak van haar leed te vragen.

Toen Engelleintje hieromtrent alles breedvoerig medegedeeld had, trok de arme vrouw zich van

-ocr page 47-

45

wanhoop de haren uit het hoofd, en zeide steunend : »Ach, ach, had toch maar gezwegen. Wie weet hoe duur uw vertrouwelijkheid u te staan zal komen.\'\'

Zonder op haar woordenvloed te antwoorden, wierp Engelleintje een blik in den tooverspiegel.

Deze was echter zoo dof, dat zij er hoegenaamd niets in zien kon.

Den volgenden morgen was het glas zoo mogelijk nog doffer.

Na een dag of veertien helderde het glas weer op en kon zij het een en ander daarin onderscheiden.

Maar hoe verschrikte zij.

»\'t]s al te vreeselijk !quot; riep zij uit, »mijn ouders zijn beiden verjaagd van hun troon door den koning van het Reuzenland. Mijn vader bevindt zich bij het leger, terwijl mijn arme moeder in kluisters geslagen is, en gevangen zit in een kerker, opgevuld met padden en slangen.quot;

Handenwringend liep het arme Engelleintje heen en weer, bedekte het gelaat met beide handen en

-ocr page 48-

46

fluisterde. »\\Vat er ook gebeure, ik wil dadelijk naar mijn goede ouders toe.quot;

Tegelijkertijd ijlde zij naar het strand en zocht naar een schip om daarin op staande voet plaats te nemen.

Maar helaas 1 alle vaartuigen waren door den laatsten storm van hun ankers geslagen, en hon-derde mijlen ver de zee ingedreven.

Terwijl zij haar hart aan allerlei jammerklachten lucht gaf, bespeurde zij aan de kim een sterke vloot. Met behulp van haar verrekijkertje dat zij steeds aan een koord om den hals droeg, werd zij spoedig gewaar, dat van bedoelde schepen de Reuzenlandsche vlag woei.

»Ach! ach!quot; steunde zij, »wie weet is de koning van het Reuzenland er niet in eigen persoon bij om mij zonder uitstel te huwen. Maar dat nooit, liever sterf ik nog in dit oogenblik.

En de daad bij het woord voegende liep zij op een drafje de zee in om door een aanrollende golf verslonden te worden.

-ocr page 49-

47

Vpordat zij echter aan haar voornemen gevolg kon geven, streek een groote vogel, prijkende met gouden veeren en een koningskroon

O O

naast haar neer en sprak kweelend : »Lief kind. wees toch niet zoo moedeloos, en denk er vooral nooit meer aan de vlucht te willen nemen naar het Schimmenrijk. Zulks is een prinses van het Palmland niet waardig.quot;

»De eenige reden tot deze daad was om het gevaar te ontvlieden in de handen te vallen van den afschuwelijken koning van het Reuzenland. Zijn vloot zal zeker binnen het uur hier zijn. Zie slechts hoe snel zijn schepen de kust naderen.

quot;Doch mijn vleugels zijn nog sneller. Ik bid u, lieve prinses, ga op mijn rug zitten en ik zal u naar een oord brengen, waar gij met alle gerustheid het uur zult kunnen afwachten dat gij »triomf\'\' moogt roepen.

5 En zou ik niets mogen bijbrengen om mijne ouders in hun beproevingen te schragen ?quot;

»Daar spreken wij nog wel nader over. Voor

-ocr page 50-

48

het oogenblik moet het uw eenige streven zijn, uw teleurstellingen met een moedig hart te dragen en u te troosten met het denkbeeld dat men zich zelf in tegenspoed eerst recht leert kennen. Maar nu gauw, gauw, op mijn rug geklommen, t Is meer dan tijd.\'quot;

Eenige seconden later doorkliefden zij reeds het luchtruim. De lieve vogel zong haar de liefelijkste melodiën voor en pikte zich het dons uit de borst om haar te beveiligen tegen de nachtkoude. De zon, de maan en de sterren vlogen zij zoo rakelings voorbij, dat Engelleintje de bewoners dier streken met het bloote oog ontdekken kon...

Eindelijk sluimerde zij in. Nog nooit had zij zoo heerlijk gedroomd . . . Bij haar ontwaken werd zij de toppen der Palmboomen gewaar van haar zoo innig bemind vaderland. Zachtkens daalde de vogel met haar neder in de richting van een vriendelijk boschje en hield halt bij een frissche fontein. Beiden drenkten zich aan het kristalheldere water, aten eenige aardbeziën en strekten zich

-ocr page 51-

49

uit in het teedere groen, toen de vogel den witten, donzigen hals eensklaps luisterend opstak.

»Gauw, gauw, hier van daan/\' sprak hij verschrikt. »Van alle zijden komen vijandelijke troepen opzetten. Blijkbaar heeft Karabultje ons in onze vlucht bespied en ons verraden.quot;

Engelleintje ging dadelijk weer op zijn rug zitten. Omhoog stijgende zag zij haar vader, die met uitgetrokken sabel op de vijandelijke gelederen losrende.

»Laat mij hem even omhelzen,quot; fluisterde zij.

De vogel voldeed aan haar verzoek en vloog rechtstreeks naar den ongelukkigen monarch, die zoodra hij Engelleintje gewaar werd een blijden uitroep liet hooren.

Op het oogenblik echter, dat vader en dochter elkaar omhelzen wilden, naderden eenige honderdtallen van Reuslanders, die hun pijlen op den vogel afschoten.

Door schrik bevangen klemde zich Engelleintje aan hem vast en lispte : sAch! ach! hoe weinig

4

-ocr page 52-

had het gescheeld of wij waren beiden gedood.quot;

Tegelijkertijd snorde er een nieuwe regen van pijlen door de lucht, waarvan er een den vogel in het hart drong.

»Ik ben doodelijk gekwetst,quot; sprak het trouwe dier. »Ik zal u naar het boschje terugbrengen en verder in vrede zien te sterven

5Ach! was ik slechts verdronken,quot; klaagde Engelleintje.

Inmiddels bereikten zij het bedoelde plekje.

«Vaarwel!quot; sprak de vogel, «vaarwel! In het schimmenrijk zien wij elkaar eenmaal weder.quot; Dit waren zijn laatste woorden.

Engelleintje omhelsde het stoffelijk overschot verscheiden keeren en riep badende in haar tranen uit : jgt; Karabultje, heb toch eens medelijden met mij.quot;

Een weinig tot kalmte gekomen, begroef zij den vogel in de schaduw van een palmboom en bestrooide zijn laatste rustplaats met een handvol rozen en vergeet-mij-nietjes.

-ocr page 53-

5i

Daarna wreef zij zich, uit vrees van herkend te worden, het lelieblanke gelaat in, met klis-blaren, waardoor haar huid zoo bruin geverfd werd als roet, trok haar roze-tullen kleedje uit, ontdeed zich van haar satijnen schoentjes en trad blootvoets in een wollen onderrokje het bosch uit.

Op goed geluk volgde zij een breeden straatweg, toen zij zich tot haar niet geringe verbazing als met een tooverslag bevond voor de poort der residentie.

Ongemerkt sloop zij de stad binnen en naderde het vroegere paleis haars vaders, waarvoor twee grenadiers van Reuzenland op schildwacht stonden.

Zij toog angstig verder en vroeg aan een boerinnetje, dat met een korf op den rug naar de markt scheen te gaan, wat er toch eigenlijk aan de hand was, dat het paleis bewaakt werd, door twee soldaten van het Reuzenland.

Het boerinnetje wischte zich een traan uit het oog en antwoordde : »Ach kind, wat zal ik daarvan zeggen. Onze koning en koningin zijn

-ocr page 54-

allebei afgezet door den koning van het Reu-zenland, die ze met zijn grenadiers uit het paleis heeft orehaald. De koninsf van het Reuzenland

O O

is woedend en wil het geheele land te vuur en te zwaard verdelgen. En dat alles, omdat ons prinsesje er voor bedankte zijn vrouw te worden. Naar ik zooeven vernam, hield Engelleintje zich schuil op een onbewoond eiland, dat zij verliet op den rug van een vogel. Doch het schijnt, dat zij zich thans weer in het land bevindt. Van morgen is zij ten minste gezien op het slagveld. De pijlen van de Reuslanders verdreven haar weder. Thans wordt er druk naar haar gezocht om haar over te leveren aan den koning van het Reuzenland, als het eenige middel om ons lief vaderland weer tot vreugde en voorspoed te zien komen.quot;

»En zoudt gij, als gij wist waar zij vertoefde, ook zulks over u kunnen verkrijgen,quot; vroeg Engelleintje bevende.

»Wel wis en drie, temeer daar zij het wat goed bij Zijn Majesteit zou hebben.quot;

-ocr page 55-

53

Engelleintje wist niet hoe gauw dat zij zich uit . de voeten zou maken.

Gaandeweegs ontmoette zij nog een tal van oude bekenden ; maar niemand sloeg eenig acht op haar. Enkelen slechts stootten elkaar aan met den uitroep : ». Kijk dat negerinnetje eens. Zeker hoort zij thuis in het Kafferland. Een spullebaas kan haar best in zijn tent opnemen, envooreenige stuivers te kijk stellen.quot;

In doodsangst, dat zulks geschieden mocht, verborg zij zich achter een marmeren pilaar van den tempel, die haar koninklijke vader bij haar geboorte liet oprichten, en verliet dezen schuilhoek niet, voor het pikdonker geworden was.

Ten einde raad, waar verder te blijven, klopte zij in haar wanhoop aan bij Naaldje, die op een kasteel buiten de stad woonde, en riep met een smeekend stemmetje: «Ach toe, laat mij als \'tje blieft, binnen.\'\'

Naaldje keek met een kaars in de hand door de reet van de deur, en antwoordde vinnig ; »Met

-ocr page 56-

54

landloopsters houd ik mij niet op. Maak dus dat je weg komt.quot;

«Ik ben geen landloopster,quot; steunde Engelleintje,, smaar je vriendin, En ... gel... lein ... tje..

Naaldje hield haar het licht vlak onder den neus en stamelde; »Ben jij Engelleintje ? Ge jokt, want die was beeldschoon, en jij bent maar een leelijk gedrochtje. Pak dus je biezen !quot;

Meteen hitste zij den bulhond op haar aan, maar in plaats van Engelleintje te bijten, lekte hij, haar eerbiedig de handen.

Tot de overtuiging gekomen dat het werkelijk Engelleintje was, zei Naaldje grimmig : »Ik zal! dan maar medelijden hebben en je een plaatsje in mijn huis inruimen. Ik zeg »mijn huisquot; omdat beide mijn ouders in dien tijd gestorven zijn. Ik ben dus heelemaal baas en heb tegenwoordig een boel geld. Alle presenten die ik van je kreeg, heb ik verkocht en de opbrengst er van op renten gezet. Als je echter denkt dat ik je de kost voor niets zal geven, heb je \'t glad mis. Je

-ocr page 57-

55

zult hard moeten werken; je hebt lang genoeg de prinses gespeeld. Was je maar niet zoo nuf-ferig geweest om den neus op te trekken voor den koning van het Reuzenland. Maar niemand was goed genoeg voor je. \'t Is dus niet meer dan recht dat je den deksel op den neus gekregen hebt.quot;

Engelleintje zag haar verwijtend aan. gt;Heb ik u daarom zoo liefgehad, u steeds met zoovele weldaden overladen, ja! u als een eigen zuster aan de borst gekoesterd, dat ge mij thans met schimpredenen zoudt overladen.quot;

Naaldje zweeg, gaf haar een wenk haar te volgen, en leidde haar naar de keuken.

Hongerig als Engelleintje zich gevoelde — het arme kind had sinds de ananas op de rots niets meer genuttigd — vroeg zij om een bete broods.

»Hier is een beschimmelde korst en een kruik water uit de sloot; dat \'s goed genoeg voor je. En hebt je slaap, open dan maar gindsche deur, en kruip in het hooi. Morgen zal ik wel verder

-ocr page 58-

56

met je spreken, en je je werk opgeven.... De meid is van morgen net getrouwd met een grenadier van het Reuzenland; je zult de handen dus vol hebben om \'s avonds met je taak klaar te zijn. quot;

Tegelijkertijd verwijderde zij zich, en sloeg de deur met zulk een geweld toe, dat de koeien in den stal begonnen te loeien, de varkens te knorren en de kippen kakelend opvlogen.

Toen Engelleintje alleen was, begon zij bitter te schreien.

»Van al mijn beproevingen en teleurstellingen, quot; nokte zij, »valt mij deze nog het zwaarste.quot;

Afgemat als zij was, ging zij naar den stal en sliep, hoe leelijk het er ook rook en hoe hard ook haar leger was, spoedig in.

-ocr page 59-

V.

Voor dag en dauw kwam Naaldje haar al wekken en zei: »Alloo, gauw het vuur aangemaakt, en in het bosch tien zakken klaver gesneden. Als ge thuis komt kun je ontbijten. En pas op dat je vlijtig bent, of ik sluit je van nacht buiten, tot voedsel van de wolven, of lever je over aan den koning van het Reuzenland. Je hebt dus maar te kiezen of te deelen.quot;

»Lieve Naaldje,quot; fluisterde Engelleintje; »uw hart kan onmogelijk meenen wat uw mond zegt. Of zijt ge heelemaal vergeten, hoeveel ik steeds in mijn goede dagen voor u over had.quot;

»Kom, kom, geen verwijten. Vroeger diende ik jou ; nu dien je mij. Voorwaarts dus of ik haal -de zweep.quot;

-ocr page 60-

58

Engelleintje begaf zich op weg. Haar voeten-zaten vol blaren, en haar handen waarmee zij zich door de dichtbegroeide paden een doortocht moest banen, waren geheel en al opengereten.

Doch wat beduidde dit alles bij wat zij inwendig, leed.

Terwijl zij zich aan de meest treurige gedachten overgaf, ontwaarde zij een witten damp met zilveren randen, waarin zich een vrouwelijke gedaante bevond, die haar met een minzaam lachje groette en fluisterend toevoegde : »Laat u maar door niets ternederslaan, want het einde uwer beproevingen is nabij.quot;

»Wie zijt gij ?quot; vroeg Engelleintje vriendelijk, terwijl zij een diepe nijging maakte.

»De godin Hope, beste prinses. Gaarne wil ik u ter zijde blijven staan en in uw leed schragen tot het einde toe, want ik heb u lief, zeer lief. En wat de behandeling van Naaldje aangaat. Ach! de wereld is niet anders. . . Gi] zült op uw levensweg dus nog wel meer ondank

-ocr page 61-

59

inoogsten. En nu tot ziens mijn kind; zoo dikwerf als gij mijn hulp noodig hebt, behoeft gij mij slechts aan te roepen en ik sta aan uw zijde.quot; Daarop hulde zij zich weer in de wolk, waaruit zij te voorschijn getreden was en verdween.

In een ommezien waren de zakken gevuld.

Opgeruimd toog Engelleintje huiswaarts. Ofschoon Naaldje haar weer opnieuw een beschimmelde korst brood toediende, en andermaal allerlei beleedigingen toewierp, zoo bleef Engelleintje kalm hieronder met de gedachte in de ziel; »Ze is niet wijzer.quot;

Deze lankmoedigheid maakte Naaldje zoo ongeduldig, dat zij zich niet ontzag het arme Engelleintje meermalen in het gezicht te slaan.

Maar ook dit wist het lieve prinsesje zonder morren te verdragen. En mocht zij zich soms een enkelen keer mismoedig gevoelen, dan riep zij dadelijk de lieve fee Hope aan, die nooit faalde op haar bêe te verschijnen.

Bijna alle dagen toog Naaldje uit om allerlei

-ocr page 62-

6o

pretjes en feestjes bij te wonen. Ook hadden er ten haren huize dikwerf groote maaltijden en danspartijen plaats. De nalatenschap eener oude tante die haar duizend kisten dukaten had doen erven, stelde haar hiertoe volop in de gelegenheid. Engelleintje moest alleen, zonder eenige hulp, alles voor de ontvangst der gasten in gereedheid brengen, zoodat het arme schepseltje soms half dood van vermoeienis neerzonk. Doch dit was voor Naaldje geen reden haar eenige rust te gunnen. Integendeel, zoodra de gasten er waren moest zij ze nog bedienen. En vroeg er soms een aan Naaldje ; »Hoe kom je aan zoon handig wezentje,\'1 dan antwoordde zij : sAch, \'tis eigenlijk maar een landloopstertje, dat ik uit medelijden onder mijn dak opnam.\'\'

Hoe vlijtiger Engelleintje was, hoe meer Naaldje van haar eischte.

Op een morgen zei ze onder anderen : » t Paard is ziek ; ik gelast je dus, je maar zelf voor de kar te spannen om de groenten naar de markt te

-ocr page 63-

6i

brengen. Is de vracht soms wat zwaar voor je muggekrachten, dan zal je wel onderweg iemand vinden die je helpt duwen.quot;

Zonder pruttelen ging Engelleintje in een stikkende hitte op weg. Soms dreigde zij neer te zijgen.

Toevallig kwam zij langs een kasteel waar een jonkvrouw woonde, die doorgaans »Wijsjequot; genoemd werd, omdat zij zich heelemaal gewijd had aan de opvoedkundige belangen der Palmlandsche jonge dames. Van den morgen tot den avond spoorde zij de jeugd er toe aan, tevreden, behulpzaam, vriendelijk en nederig te wezen, en vooral nooit haar tongetje te gebruiken om eens anders feilen te bespreken, klikspaantje te spelen of zich te storen aan opstokerijen als anderszins.

Toen Engelleintje haar huis voorbijtrad, stond Wijsje toevallig voor het raam met een brief in de hand van een harer «kuikentjesquot;, zooals zij de Palmlandstertjes noemde.

Vol deernis en verontwaardiging hoe men zoo wreed kon zijn, zulk een teêr schepseltje voor

-ocr page 64-

62

»paardquot; te gebruiken, trad zij naar buiten om zulks te weten te komen.

Nauwelijks had zij echter een paar woorden met Engelleintje gewisseld of zij herkende haar.

Zij neeg diep, kuste eerbiedig den zoom van Engelleintjes versleten rok en zeide : «Begroet ik niet in u ons aller aangebeden prinsesje ?quot;

Engelleintje barstte in tranen uit en zeide : «Ja .. . ja . . . die rampzalige ben ik.\'quot;

Wijsje noodigde haar uit, binnen te treden, wiesch haar het bestoven gelaat, handen en voeten met een zijden handdoek af, legde haar in een donzen bed, voorzien van fluweelen gordijnen en plaatste daarbij op een marmeren tafeltje een tal van vruchten en verfrisschende dranken.

Engelleintje was echter te afgemat om iets te kunnen nuttigen en sliep dadelijk in.

Geruimen tijd tuurde Wijsje naar die bleeke, vervallen gelaatstrekken, die vroeger zoo blozend, zoo gevuld waren en voelde een traan van innig medelijden in haar oog opwellen.

-ocr page 65-

63

Bij Engelleintjes ontwaken, reikte Wijsje haar \'de hand en smeekte haar vriendelijk, haar toch «ens te vertellen hoe zij in zulk een allerellendig-sten toestand was geraakt. Dit was spoedig medegedeeld.

»Was slechts bij mij gekomen,quot; zeide Wijsje; »met het meeste genoegen had ik u gastvrijheid verleend.quot;

»Oppervlakkig als ik u slechts kende ; ik geloof dat ik u vroeger maar een of tweemaal sprak, is mij zulks in de verste verte niet in het hoofd gekomen. Met Naaldje was dit heel iets anders. Van mijn zesde jaar af was zij mijn beste vriendin--netje, en bewees ik haar zooveel goeds, dat ik niet twijfelde of zij zou mij, al was het dan ook slechts uit dankbaarheid op haar beurt eenige welwillendheid bewijzen.quot;

Wijsje glimlachte en sprak : »Dankbaarheid is een plant die helaas! slechts dun gezaaid is. Maar daarom niet getreurd, lieve prinses, temeer daar gij u thans bij mij in behouden haven bevindt.

-ocr page 66-

64

Ik zou u echter niet aanraden lang bij mij te blij ven-vertoeven, want \'t is best mogelijk dat Naaldje naar u zal laten zoeken, om u bij opsporing den koning van het Reuzenland in handen te spelen. Ik maan u dus dringend aan het Palmland te ontvluchten, en u in een vreemd oord schuil te houden. Ik heb een paar ras-paardjes op stal, die u door het bosch in veiligheid kunnen brengen.quot;

Engelleintje liet het hoofd treurig op de borst zinken en zeide : »Ik bid u, laat mij toch hier blijven. Waarlijk, ik heb geen moed andermaal alleen de wereld in te gaan. Wie weet of Kara-bultje niet op de loer zit om mij een tweede Naaldje tot meesteres te geven. Daarom nog eens verberg mij desnoods in het turfhok, maar houd mij bij u in uw huis.quot;

Wijsje dacht eenige oogenblikken na en hernam : »Neen, neen, geen onvoorzichtigheden. Naaldje zal zeker niet stil zitten om u weer in haar macht te krijgen. Dus hoe eerder weg, hoe beter, vooral daar ge uw tooverspiegel niet meer bezit, nietwaar ?\'v

-ocr page 67-

65

3 Die heb ik in de haast op het Rozen eiland laten liggen,quot; sprak Engelleintje zuchtende . . .

?Het eenige wat er op zit is dat ik met u mede ga/\' hernam Wijsje. «Maar hier blijven nooit.\'

Engelleintje omhelsde haar hartelijk en zeide ; s O ! o ! hoe heerlijk, want thans ben ik vol moed om op reis te gaan, al was het ook naar het uiterste puntje der wereld. Hoe zal ik u nog eens alles mogen vergoeden ? Ach, waart gij slechts mijn hofdametje geworden. Wellicht had ik alsdan geen onvoorzichtige mededeelingen aan den vreemdeling gedaan dien ik het leven redde, en zouden mijn ouders nog steeds op den troon van het Palmland zitten. \'

-ocr page 68-

VI.

Nog vóór het vallen van den nacht reden Wijsje en Engelleintje op een paar vlugge poneys het bosch in. De fee »Hopequot; zweefde als een lichtende ster aan hare zijde en wees met haar staf den weg, dien zij slechts blindelings te volgen hadden, om te komen, waar zij zijn moesten.

Hoe dieper zij het bosch inreden, hoe harder zij de wolven hoorden huilen, doch zij stoorden zich hier volstrekt niet aan, en jaagden voort wat zij konden.

Eindelijk bereikten zij een woestijn, zonder eenig struik of boom. Slangen kronkelden zich in het gele zand, leeuwen speelden krijgertje, tijgers keken elkaar dreigend aan en uitgehongerde arenden blikten van uit de wolken begeerig op Engelleintje en Wijsje neer.

-ocr page 69-

67

Ongemerkt naderden zij een breed bosch. Toen zij dit een eindje ingereden waren, zeide Wijsje: »Thans kunnen wij gerust afstijgen, en onze paard-jes in de gelegenheid stellen wat te eten en te drinken.quot;

Engelleintje klom uit den zadel en zette zich op het frissche mos neder; Wijsje volgde haar voorbeeld en opende haar knapzak waarin zich de noodige mondvoorraad bevond.

Een klein geritsel tusschen de struiken deed Engelleintje het hoofd luisterend oprichten.

Een dwergje als prins gekleed, met het zwaard op zij en een hoed met witte pluimen op het hoofd, trad van achter een stam te voorschijn, boog hoffelijk en vroeg : »Aan welk gezegend toeval heb ik het te danken twee zulke liefelijke jonkvrouwen op mijn domein te zien ?quot;

»Wij zijn vluchtelingen,quot;\' antwoordde Wijsje ernstig, »en zoeken naar een goed heenkomen, prins...\'

gt;Zoo zoo,quot; sprak hij minzaam, gt;is het zoo gesteld. Maar zonder onbescheiden te zijn, hoe

-ocr page 70-

68

zoudt u er over denken uw intrek op mijn kasteel te nemen ?quot;

Beiden negen erkentelijk voor dit aanbod . . .

Na eenige oogenblikken zwijgens, voer het dwergje tot Engelleintje voort: »Mij dunkt, ik heb u meer gezien, althans uw portret. O! ik bid u, zeg mij toch wie gij zijt ...quot;

Engelleintje werd verlegen. Ach, zij was zoo bang zich soms opnieuw te verspreken.

Wijsje kwam haar onmiddellijk te hulp door tot het dwergje te zeggen : »\'t Is beter over deze zaak te zwijgen. Laat het u genoeg zijn, dat zij een Vorstin is, die, gebukt gaat onder de vijandschap van een heksje. Over eenige maanden zullen al de ellenden mijner vriendin een einde nemen en hoop ik u mede te deelen wie zij is, jegens wie gij u zoo buitengewoon gastvrij be-toondet.quot;

Het dwergje luisterde aandachtig toe en antwoordde : »Ook ik bevind mij onder den invloed eener zekere heks, met name Karabultje, die na

-ocr page 71-

69

mij alle leed te hebben aangedaan, dat slechts in haar boosaardig brein kon opkomen, mij van een slanken prins in een gedrongen dwergje veranderde. Doch gelukkig dat ook mijn boete spoedig ten einde is.quot;

En daarop zijn blikken andermaal naar Engel-leintje latende dwalen, sprak hij, zich voor haar op een knie neder latende ;

«O! overschoone Vorstin, zijt gij niet Engellein-tje, de kroonprinses van het Palmland ?quot;

Engelleintje boog toestemmend het hoofd en weende.

De dwerg bracht haar hand aan zijn lippen en zeide ; »Vaarwel. Het ora u croed. Eerst

O O

wanneer de laatste dag van uw beproevingen verstreken zal wezen, keer ik tot u terug. Vóórdat ik echter deze streek verlaat, zou ik u gfraae

\' O O

eerst even den weg naar mijn kasteel wijzen, dat ik u smeek geheel als het uwe te beschouwen.quot;

Engelleintje en Wijsje drukten hem dankbaar de hand en wandelden aan zijn zijde verscheiden lanen

-ocr page 72-

door, die langs de heerlijkste bosch- en watergezichten leidden.

Een kwartiertje later kregen zij het kasteel in het gezicht, dat op een heuveltop lag en omgeven was van een gracht waarin duizende goud- en zilvervisschen vroolijk rondzwommen, zoodat het een allerbekoorlijksten aanblik bood.

Het dwergje blies op den hoorn. Aanstonds werd de ophaalbrug neergelaten. Tegelijkertijd wapperde als met een tooverslag uit alle vensters de Palmlandsche vlag, en hief een onzichtbaar orkest het volkslied van bedoeld Rijk aan . . .

Vóórdat Engelleintje hare blijdschap hierover te kennen kon geven, had het dwergje reeds met een hoffelijke buiging afscheid van haar genomen en zich met snellen tred verwijderd.

Inmiddels kwamen wel vijftig bedienden, allen gedost in de gala-liverei van Engelleintjes koninklijken vader, in eerbiedige houding uit het Slot toeschieten, om haar met den hoed in de hand. welkom te heeten.

-ocr page 73-

7i

Beide vriendinnen traden naar binnen.

De inrichting van het kasteel getuigde van den meesten smaak en rijkdom. De vloerkleeden waren van fluweel en met gouden franjes afgezet; de gordijnen van brokaat en doorweven met zilveren figuren; de lambriseeringen van gebloemd damast, de meubels van rozen en palmhout, rijkelijk ingelegd met sterren van de fijnste geslepen kristallen; de tafels van gepolijst marmer en koraal, terwijl de plafonds uit zeer kunstig schilderwerk bestonden. In de groote ridderzaal hingen alle portretten der regeerende Vorsten, waaronder ook die barer lieve ouders. Beiden schenen haar toe te lachen, als verheugden zij er zich over dat hun kind het thans weer zooveel beter zou krijgen dan bij het ondeugende Naaldje.

In de eetzaal stonden verscheiden tafels met alles er op wat een menschenmaag slechts streelen mag. In de vier hoeken waren fonteinen aangebracht, die de lekkerste dranken klaterend omhoog spoten.

-ocr page 74-

72

»Hoe verleidelijk,quot;\' riep Engelleintje lachende, ».zien er die gebraden kippen en reebouten, taarten en pasteien uit. Wat zal mij dat alles smaken, temeer daar ik in de laatste weken zulk een bitteren honger moest lijden.\'

Wijsje maande haar aan er toch op te passen haar doorluchtig maagje niet te bederven.

Toen beide vriendinnen zich behoorlijk verzadigd hadden, legden zij zich ter ruste in een statie-bed van zacht dons, zijden lakens en een satijnen overdek.

De aangenaamste droomen vielen Engelleintje ten deel, die pas ontwaakte, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond.

Na het ontbijt ging zij met Wijsje eens naar boven om te zien wat de verdere verdiepingen mochten opleveren.

In een der zalen trof Engelleintje een nog uitgebreider bibliotheek aan dan op het kasteel van het Rozen-eiland.

»0! hoe heerlijk,quot; sprak Engelleintje. »want

-ocr page 75-

73

zeker staat in die boeken nog veel te lezen waar ik nooit van gehoord heb, wat des te grooter waarde voor mij heeft, daar ik als toekomstige koningin mijn geest niet genoeg verrijken kan. Aan het werk dus.

Wijsje juichte dit voornemen luide toe, vooral, wijl hoe nuttiger men zijn tijd besteedt, hoe aangenamer deze voorbijgaat.

Beide vriendinnen zetten zich aan den arbeid. Wijsje begon met een leerrijk verhaaltje te schrijven en Engelleintje met vervaardiging van een gedicht ter verheerlijking van haar Vaderland, waarin zij zóóveel mooie gedachten bracht en dat zóó aandoenlijk van taal en stijl was dat Wijsje er de tranen van in de oogen kwamen.

-ocr page 76-

VII.

Eér Engelleintje er aan dacht, stond reeds haar achttiende verjaardag voor de deur . .

Telkens zeide zij tot Wijsje : »Wat zal deze mij brengen. Als de goede feeën het maar bij het rechte eind gehad hebben dat alsdan weer alles naar mijn genoegen zal terecht komen.\'\'

Wijsje stelde haar hierover gerust en raadde \'haar aan de godin »Hopequot; eens aan te roepen . . . Deze verscheen dadelijk en schoof voor Engel-

leintjes blikken een gordijn weg, waarachter zij

f

haar ouders gewaar werd, zittende op den Palm-landschen troon, gedost in een hermelijnen mantel en den konings-scepter in de hand. Zij zelve stond daarneven arm in arm met haar bruidegom den prins van het Herderland.

-ocr page 77-

75

gt;0! hoe schoon/\' fluisterde Engelleintje. »Zou dat alles werkelijkheid kunnen worden ?quot;

De fee glimlachte en antwoordde ; »Zeker, zeker lieve. Nog slechts een kleine wijle geduld en gij zult vereenigd wezen met allen, die door Karabultjes vervolgingen zooveel te lijden hadden.quot;

Zij verdween.

Een week daarna had Engelleintje haar achttiende jaar volbracht. Reeds vroeg in den morgenstond, sloop Wijsje naar Engelleintjes slaapkamer en legde haar hare beste wenschen voor de voeten.

Tot Wijsjes niet geringe verbazing hing over een stoel bij het bed een prachtig kanten gewaad omzoomd met oranje-bloemen en vergeet-mij-nietjes. Daarneven lag een kroon in den vorm van een gouden lauwerkrans, benevens een sluier van gesponnen glas.

Vóórdat Wijsje een woord kon zeggen, zweefden acht nimfen, allen in het wit, met palmtakken in de eene en korfjes met rozen-bladen in de

-ocr page 78-

76

andere hand de kamer binnen en zongen Engel-leintje een warme heilbede toe.

Engelleintje dankte de vriendelijke feeën met een handdruk en liet zich door haar tooien met het gewaad dat op zulk een geheimzinnige wijze in haar bezit orekomen was.

Toen zulks geschied was, bedong Wijsje zich de eer, haar de kroon te mogen opzetten, wat Engelleintje haar maar al te gaarne toestond.

Na deze laatste ceremonie, leidden de nimfen de jonge prinses naar de ontbijtzaal, die tevens tot studeerkamer diende.

Deze was uiterst smaakvol versierd met rozen en palmbloesems. Op Engelleintjes werktafel lag een schoone lauwerkrans... met het opschrift!

»HULDE AAN HET MOEDIGE PRINSESJE.quot;

Engelleintje nam de krans in de hand en zeide tot Wijsje : »Vergun mij, dat ik u op mijn beurt ook een hulde bewijs en u deze krans om de slapen leg als een blijk mijner hooge achting, en erkentelijkheid.quot;

-ocr page 79-

77

Wijsje knielde neder ; tegelijkertijd ruischte er een zachte, welluidende muziek door het gansche kasteel, vergezeld van de kreet! »Leve onze lieve prinses ; leve hare trouwe vriendin.quot;

Engelleintje meende te droomen ; zij de ver-stootene, de miskende, de verschopte ; gekroond en getooid in een gewaad, zoo kostbaar als wellicht nog nooit door eenig sterveling gedragen was geworden.

Op het alleronverwachtst trad een beeldschoon jongeling, met een sneeuwwitte schapenvacht om de schouders en een gouden herdersstaf in de hand, in fiere houding binnen.

Met een blik vol liefde trad hij naar Engelleintje toe, en sprak met heldere stem : »Van harte geluk met den nooit volprezen dag van heden, waarop al uwe beproevingen, die gij met engelengeduld wist te dragen, voor goed tot het verleden zullen behooren . . . Misschien,quot; voer hij langzaam en aangedaan voort, »raadt gij wel wie ik ben. Voor alle zekerheid echter zal ik u

-ocr page 80-

78

plechtig daarmee bekend maken en mij aan u voorstellen als den Prins van het Herderland, het dwergje dat u naar dit Slot leidde en voor weinige uren weer zijn voormalige gestalte mocht aannemen . .

»En zie in mij,quot; sprak Engelleintje, »de kroonprinses van het Palmland. \'

»Die reeds,\'\' antwoordde de Prins jubelend, »in de wieg er toe bestemd werd, mijne gemalin te zullen worden. Weiger mij dus niet dat ik u als mijn aangebeden bruid aan het hart druk.quot;

Snikkende van aandoening zonk Engelleintje aan zijne borst. Geruimen tijd hielden zij elkander omklemd. Overstelpt als zij zich beiden gevoelden, bestierf hun elk woord op de lippen.

Een weinig tot zich zeiven gekomen riep de prins zijn gansche hofstoet binnen aan wien hij Engelleintje voorstelde als zijn bruid, terwijl hij hen hartelijk uitnoodigde haar met een driewerf »hoerah !quot; te begroeten.

-ocr page 81-

79

Terwijl de hovelingen dit met geestdrift volbrachten, vroeg Engelleintje aan den prins of hij geen kans zou zien, hare arme ouders uit de macht van den koning van het Reuzenland te verlossen en weer in hunne rechten op den troon te herstellen.

«Zeker, zie ik daar kans toe,\'\' antwoordde de prins opgewekt, »want ik vergat geheel nog u te zeggen dat ik in het bezit ben van een tooverzwaard, dat ik den vervolger uwer ouders slechts behoef voor te houden om den strijd tus-schen ons gelijk te maken. Nog in dit uur vertrek ik naar de residentie van den konino-

O

van het Reuzenland om hem tot een tweegevecht uit te dagen. Zoodra ik hem neergeveld en uwe ouders bevrijd heb, ben ik weer hier.quot;

Engelleintje reikte hem dankbaar de hand en deed haar bruidegom uitgeleide tot de ophaalbrug. Slechts eenigen zijner dapperste ridders togen met hem mede.

Zoodra de koning van het Reuzenland vernam

-ocr page 82-

So

wat er gaande was, zeide hij smalend; »Is het dan dat onnoozele ventje in het hoofd geslagen, dat hij met mij vechten wil. Met een pinkslag ver-morsel ik het kereltje. Laat hij zich dus nog maar eens eerst bedenken vóórdat hij zijn muggen-krachten met mij wil meten. En wat de invrijheids-stelling van de Palmlandsche majesteiten aangaat, dit zal niet eér gebeuren dan nadat zij mij Engelleintjes schuilhoek aangewezen en mij met dat aardige nufje verloofd hebben.quot;

Bij het ontvangen van deze boodschap zeide de prins van het Herderland : »Muggen- of reuzenkrachten ; ik blijf bij mijn voornemen. Ik ben geen kind, dat dan dit, dan dat wil. Verzoek Zijn Majesteit dus het uur tot het bewust tweegevecht vast te stellen.

De koning van het Reuzenland haastte zich hieraan te voldoen.

Tegen den avond verschenen beide Vorsten op de binnenplaats van het paleis. De koning van het Reuzenland zat op een olifant en had

-ocr page 83-

8i

zich gewapend met een ijzeren lans, waarvan de punt gloeiend gemaakt was.

De prins van het Herderland was te voet en hield als eenig wapen een soort van kindersabel in de hand. Hij groette beleefd de Vorsten en Vorstinnen van den bloede, alsmede den adel en de ministers, die op de verschillende tribunes plaats genomen hadden, om van dit zonderlinge duel ooggetuige te zijn.

De muziek speelde een oorverdoovenden jubel-marsch.

De beide strijders stelden zich in het gelid.

Ternauwernood had de prins zijn sabel getrokken of zijn tegenpartij kromp ineen tot een nietig dwergje.

Met zijn lengte verdween ook zijn moed. Schielijk wierp hij zich van zijn olifant, die nog maar zoo groot was als een muis en smeekte om genade.

De prins zette èn ruiter èn olifant op zijne hand en toonde beidenquot; aan de omstanders.

6

-ocr page 84-

82

In de meening, dat de prins een nog veel machtiger toovenaar was dan de koning van het Reuzen-land, zoo wierpen allen zich in het stof neder en riepen als uit een mond, hen toch niet te vermorselen.

De prins gebood hen op te staan en hem de sleutels te geven der gevangenis, waarin zijn aanstaande schoonouders zuchtten, teneinde het rampzalige koningspaar in eigen persoon hun vrijheid aan te kondigen

Zulks geschiedde.

De vreugde en dankbaarheid der verlosten was boven alle beschrijving. In een gouden statie-koets, getrokken door twintig melkwitte schimmels, en omstuwd van ruim duizend ridders ging het onder het daveren van pauken, trommen en trompetten, in vluggen draf naar de residentie van het Palm-land, die bij voorbaat reeds gevlagd en feestelijk uitgedost was met groen en bloemen.

Zoodra Hunne Majesteiten de poorten der hoofdstad bereikt hadden wendde de prins van het Her-

-ocr page 85-

83

derland de teugels van zijn ros en begaf zich op weg naar Engelleintje, die hem met het grootste ongeduld verbeidde.

Eér zij er over dacht lag zij reeds in de armen harer ouders. Zij omhelsden elkander keer op keer en konden van aandoening^ g-een enkel

O O

woord uitbrengen.

Eindelijk een weinig tot zich zelve gekomen fluisterde Engelleintje met lange tusschenpoozen : »Hoe heerlijk heeft zich toch alles mogen schikken.quot;

De koning en koningin stemden ten volle hiermede in, met bijvoeging, dat, indien er thans weer eénige jaren van ongestoord geluk zouden mogen aanbreken, zij dezen na de ondervonden rampen, zeker dubbel op prijs zouden leeren stellen.

Op verzoek van de residentie-bewoners, die zich met duizendtallen voor het paleis verzameld hadden, vertoonde de koninklijke familie zich even op het balkon.

Een donderend gejuich volgde ; afgebroken door

-ocr page 86-

84

de kreten van : »Leve Hunne Majesteiten, leve ons prinsesje en de Vorst van het Herderland, de moedige, ridderlijke overwinnaar van den koning van het Reuzenland.\'\'

Beide Vorsten groetten met de hand terwijl de koningin en Engelleintje een hartelijk : »Leve onze trouwe, lieve Palmlanders,quot; lieten hooren.

Toen het hof weer naar binnen getreden was, sprak de koning plechtig tot den prins van het Herderland ; »Tot loon uwer dapperheid, schenk ik u bij deze de hand van mijn eenig kind.\'quot;

»En ii hooggeachte jonkvrouw/\' voer hij tot Wijsje voort, »die zoo vele treffende blijken gaf van trouw, benoem ik tot ridderes van de Palm-landsch-orde, als de hoogste onderscheiding die een vrouw te beurt kan vallen.

Tegelijkertijd hing hij haar een gouden ketting om en bracht hare hand eerbiedicr aan de lippen.

Denzelfden avond deed de koninklijke familie een tocht met fakkellicht door de stad om zich

-ocr page 87-

§5

nogmaals te vertoonen aan de jubelende menigte... Allenvege hoorde men het volkslied weergalmen dat Engelleintje tijdens haar verbanning vervaardigd had. Geheele zakken met dukaten werden onder het volk uitgestrooid en ieder volop getrakteerd op wijn en krentenbrood. Den anderen dag werden alle hofbeambten uitgenoodigd ten pa-leize te verschijnen om Hunne Majesteiten feestelijk te begroeten.

Iedereen verscheen behalve Naaldje.

Dit trof den koning zóózeer dat hij aan zijn adjudant van dienst vroeg of zij ook soms gestorven was van hartzeer over de rampen die over het Palmland uitgebroken waren.

Deze trok verlegen de schouders op, waarop Z. M. zich tot den ceremonie-meester wendde, die hem verzekerde dat Naaldje in Wakenden welstand verkeerde en er reeds last was gegeven haar te halen.

Zoodra Engelleintje vernam dat zij zich in de voorzaal bevond, Het zij haar binnen treden, vatte

-ocr page 88-

S4

de kreten van : »Leve Hunne Majesteiten, leve ons prinsesje en de Vorst van het Herderland, de moedige, ridderlijke overwinnaar van den koning van het Reuzenland.quot;

Beide Vorsten groetten met de hand terwijl de koningin en Engelleintje een hartelijk : »Leve onze trouwe, lieve Palmlanders,quot; lieten hooren.

Toen het hof weer naar binnen getreden was, sprak de koning plechtig tot den prins van het Herderland : »Tot loon uwer dapperheid, schenk ik u bij deze de hand van mijn eenig kind.1\'

»En li hooggeachte jonkvrouw/\' voer hij tot Wijsje voort, »die zoo vele treffende blijken gaf van trouw, benoem ik tot ridderes van de Paim-landsch-orde, als de hoogste onderscheiding die een vrouw te beurt kan vallen.

Tegelijkertijd hing hij haar een gouden ketting om en bracht hare hand eerbiedig aan de lippen.

Denzelfden avond deed de koninklijke familie een tocht met fakkellicht door de stad om zich

-ocr page 89-

85

nogmaals te vertoonen aan de jubelende menigte... Allerwege hoorde men het volkslied weergalmen dat Engelleintje tijdens haar verbanning vervaardigd had. Geheele zakken met dukaten werden onder het volk uitgestrooid en ieder volop getrakteerd op wijn en krentenbrood. Den anderen dag werden alle hofbeambten uitgenoodigd ten pa-leize te verschijnen om Hunne Majesteiten feestelijk te begroeten.

Iedereen verscheen behalve Naaldje.

Dit trof den koning zóózeer dat hij aan zijn adjudant van dienst vroeg of zij ook soms gestorven was van hartzeer over de rampen die over het Palmland uitgebroken waren.

Deze trok verlegen de schouders op, waarop Z. M. zich tot den ceremonie-meester wendde, die hem verzekerde dat Naaldje in blakenden welstand verkeerde en er reeds last was gegeven haar te halen.

Zoodra Engelleintje vernam dat zij zich in de voorzaal bevond, liet zij haar binnen treden, vatte

-ocr page 90-

86

hare hand en zeide tot haar vader : »Ook bij Gravin Naaldje bracht ik eenigen tijd door . . . Onvoorziene omstandigheden deden mij van haar afdwalen. Dubbel aangenaam is het mij dus haar. thans te mogen terugzien, met de verzekering dat zij steeds op mijn welwillendheid zal kunnen blijven rekenen.

Naaldje viel vernietigd op de knieën en stamelde : »Zoo ooit iemand den naam van »Engelleintjequot; waardig was, zoo zijt gij dat voorzeker, want ik had niet beter verdiend dan levend verbrand te worden.quot;

Engelleintje gaf haar een wenk te zwijgen, uit vrees dat zij zich door haar ontboezemingen verraden mocht en richtte haar met een vriendelijk glimlachje op.

De bruiloft had weinig dagen daarna plaats, en werd met den meesten luister gevierd. Een maand lang had het volk vrijaf en werd dagelijks op kosten des konings onthaald op de heerlijkste wijnen en kostbaarste gebakken . .

-ocr page 91-

8;

Naaldje, door berouw en schaamte gedreven, trok zich veracht en verlaten door ieder, naar een eenzaam kasteeltje terug, dat gelegen was in een dorre zandwoestijn, waar slechts wolven huisden. Geen sterveling keek naar haar om behalve het zachtmoedige Engelleintje, dat haar telkens zocht over te halen, het gebeurde uit haar herinnering te bannen en weer haar plaats als hofdame in te nemen.

Maar Naaldje voelde zich al te schuldig hiertoe.

En op een morgen dat Engelleintje haar wederom kwam bezoeken vond zij tot haar schrik de deur van het kasteeltje wijd openstaan.

Zij trad met een kloppend hart naar binnen toen zij tot haar ontzetting bespeurde, dat Naaldje die reeds sedert maanden, door wroegingen verteerd, aan het kwijnen was geraakt, den laatsten adem uitgeblazen had. Op een papier dat voor haar bed lag, stond met groote letters geschreven :

» DE ONDANKBAARHEID HEEFT MIJ TEN GRONDE GERICHT.

-ocr page 92-

Uitgaven van D. R. HINSE, te Amsterdam.

WERKJES VOOR DE JEUGD.

xT. HENDRIK VAN BALEN,

De Koning\' der tijgers, Reis- en jachtavonturen in Britsch-Indië, met 4 platen in lith. omslag ƒ1.50, geb. ƒ1.90.

Berentand, het opperhoofd der Sioux, met 4 platen, in lith. omslag ƒ1.30 geb. ƒ1.70.

INA VAN DORT,

Prettige uren in grootvaders liuiskamer, met 4 platen, ingen. ƒ1.50 geb. ƒ1.90,

Mrs. C AREY-HOBSON,

De hoeve in de Karoo, of wat Kavel Vyvyan en zijne vrienden in Zuid-Afrika zagen, met 4 platen, ingen. ƒ1.50, geb. ƒ1.90.

ANT. L. DE ROP,

Kwarto Prentenboeken, ieder met 5 platen f 0.60.

Vlug Antje van hierover.

Van een jong muziekantje.

Be kleine beeldhouwer. Een schildersbaasje.

Groot 4°. Prentenboeken, ieder met 12 platen f 0.90.

Adelbert, Robinson Crusoe.

Carolina, Hector onze beste vriend.

„ Preciosa of de Heiden-Prinses.

Johanna, De dieren van de pachthoeve.

„ Het feest der poppen.

„ De geschiedenis van een trouwen hond,

„ De lotgevallen van een ezel.

-ocr page 93-

\\ \\

(•

K,

\'

Jeü

BIBLIOTHE

/

HET ZOONTJE YiN DEN ffi

\\

DOOK

SUZE ANDR1ESSEN

VLIEGER ■ AMSTERDAM