-ocr page 1-

W,igt;

m

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DOKTER HELMOND EN ZLJN VROUW.

-ocr page 6-

a _sa ___

-ocr page 7-

Li .iucd.^S

DOKTER

HELMOND EN ZIJN VROUW

DOOR

J. J. CREMER. * _

|

Achtste druk.

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF\'S UITG.-Mquot;.

-ocr page 8-

I

-ocr page 9-

JACOB JAN CREMER.

1 September 1827 — 5 Jtini 1880.

Toen Cremer nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van

onze groote en kleine steden een treïfend tooneel te bespieden.

Dames en heeren uit de vóprnajnere kringen, anders zeldzaam bij Nederlandsehe voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur \'te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad Cremer voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.

Welk een gloed in de. voordracht, als hij den opgeblazen dom-trotschen boer uit het „Pauweveerkequot; in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Romeoen Julia doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman Do rus Gries els met zijne boot over de rivier laat

-ocr page 10-

Jacob Jan Ckemer.

roeien bij opkomenden storm — dit alles maakte Cremer tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den ver-hevensten zin van het woord.

I.

Cremer, in de schoone Geldersohe dreven geboren (te Arnhem den lsten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersohe boerenwereld, die hij weldra — bijschreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850 — met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is Cremer de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.

Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der ,Betuwsche Novellenquot;\' mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, Meeuwsen en diens zoon Gijs, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van Meeuwsen, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: „Slechte woar veur \'t geld!quot; — de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: ,Waarheen?quot; — grinnekend antwoordt: — „Ik? Noar de Karmis, is \'t niet, voader?quot; — zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het

-ocr page 11-

Jacob Jan Creher.

,veul te vrindelijkquot; ia — de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon — als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot; „Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?quot; en Gijs antwoordt: „Mag dat voader?quot;\' — de verlegenheid van denzelfden Gijs, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord „Ezel!quot; toesnauwt — al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan Cremers arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.

De „Betuwsche novellenquot; leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. „Deine-Meuquot; „Oan \'t kleine revierkequot;, ,\'t Pauweveerkequot;, ,\'t Krie-kendeKrieksk e,quot; „Kruuzemuntjequot; — vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht — blijven de immer groenende twijgen aan Cremers lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van ,de(n) Nederland-sche(n) Spectatorquot; een geleerde strijd over het nut en de wensche-lijkheid van dialecten in novelle en roman. Bakhuizen van den Brink, die in Cremers „Oan \'t kleine revierkequot; bladerde en las, legde het boekske weg met\' de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze \').

3

Allerliefst is de vertelling van „Kruuzemuntje.quot; Dit aardig boerenkind wordt door Bol, den veldwachter — den slimmerik, die een beetje te veel „klaart en rooje-jenevertquot; zegt de Burgemeester — beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en Ar ie, Kruu ze-muntjes vader, heeft leeren kennen.

\') Het eerst medegedeeld door A. L.H. Ising, In ,de(n) Nederlandache(nj Spectatorquot; van 1880, nquot;. 24.

-ocr page 12-

Jacob Jan Chemeb.

Naast Cremers dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. Cremer heeft evenals Charles Dickens door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. Dickens tuchtigde in „Nicklebyquot; den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in ..Nellyquot; (,01 d Curiosity Shopquot;) en „Hard Timesquot; het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in „Chuz z-lewitquot; de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in .Dombeyquot; den geldtrots; in „Copperfieldquot; de juridische Knoeierijen van Doctors Commons; in ,Bleak Housequot; de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in .Little Dorritquot; den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.

Zoo strafte Cremer in zijne „Betuwsche novellenquot; de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn „Wouter Lingequot;. Cremer heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van Anna Linge en Willem is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las Cremere „Wouter Lingequot; en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.

In „Fabriekskinderenquot; onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland — de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; „van ouwersquot; — als Juffrouw Baks zegt — „die zuipen en luieren en d\'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen.quot; Met dit voortreffelijk kunstwerk had Cremer veel geluk. De wet Van Houten zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.

In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven,

i

-ocr page 13-

Jacob Jau Cebmer.

streeft hij naar een dergelijk doel. „Anna Roozequot; is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, „Hanna de Freulequot; behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, „Tooneel-spelersquot; hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelknnstenaars gekoesterd.

n.

Het verdienstelijke, het ongemeene in C rem er is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. C rem er heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. Tn de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.

Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.

Onder de beste reken ik het volgende.

In de eerste plaats geef ik den aanhef van „Wie ge-Miequot;, een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:

„Hei je \'tneis uut \'tdarp al geheurd?quot; vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. „Hei je \'t al geheurd. Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?quot;

„Wat zei je!quot; riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. „Is manke Heintje dood ? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje, — da\'s nou krek zes moanden loater! Jong, jong, \'t is veur Wiege-Mie \'en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da\'s alles, en ik geleuf niet, dat ze \'t nog al te best duut. — Nou,

5

-ocr page 14-

Jacob Jan Cbemer.

stil, bloagen!quot; vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggeraeelpap zagen dampen; „Moeder kan niet alles tegeliek! He\'k nou ooit van m\'n leven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in \'t darp. Loawwe erst bidden. Peter, de kienders drammen en sjenken, da\'k m\'n iegen woorden niet heuren kan!quot;

„Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.

,Men bad. — Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: „Ik dank u, goede en groote God, amen!quot;

Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in „Fabriekskinderen\'quot; den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettend-hoiil waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:

— „Ben jij \'en prins?quot; klinkt het zachtkens van Sanders lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer. — „Ik? wel nee!quot; lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende, .maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo\'n prins willen blijven?quot; — „Jawelquot; zegt Sander. — „Waarom?quot; — „Om ditte!quot; — zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. „Hadtje dit nooit geproefd?quot; — Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: „Dat

6

-ocr page 15-

Jacob Jan Cremer.

kun je begrijpon.quot; — ,\'k Dacht eerst, dat het mosterd was,quot; zegt hij iets later. — „Mosterd?quot; — „Ja, die haalt moeder in een potje, en \'s middags, als we van \'t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo\'n beetje mosterd in \'t water.quot; — „Niets anders?quot; — „Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da\'s gallig voor de kinders, zeit moeder.quot; — „Beesten!quot; roept Willem. — Neen, Sander, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:

— „En hoe heet je vader?quot; — „Dat weet ik niet,quot; is het antwoord.

— „Maar, jij, hoe heet jij?quot; — „Sander Zwarte.quot; — „En wat doet je vader?quot; — „Hè, hè,quot; grinnikt de jongen; „moeder zeit zuipen.quot; — „Maar wat is hij dan van zijn ambacht?quot; — „Ambacht?quot; grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord. — „Waar verdient hij zijn centen mee?quot; — „Dat doen wellui.quot; — „En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?quot; — „Ikke,quot; zegt het jongske, „ikke ben tien.quot;

In de geheele letterkundige werkzaamheid van Cremer is geen knapper, geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever, teederder, roerender.

Zoo bijvoorbeeld, in „Anna Roozequot;, als hij de geschiedenis der Veluwsche boerendeerne, Hanneke Schoffels, verhaalt. Han-neke wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze, na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar stoel neerknielt en bidt:

„O Lieve Heere Jezus! wa\'k oe verzuuken mag, loat \'t niet uut-

kommen, nee! Voader zal mi\'en vlunken en Joost----O, God! ik zal

wel tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van \'t loon uut-legge veur den arme, vier duite wêks, of ook wel \'n stuuver. O Lieve Heere Jezus, ik was een kiende en....quot;

En ze was verleid door een Veluwschen schelm.

Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht luid schreiend „noar moeders huus toe.quot; Daar valt een aandoenlijk tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige liefde voor haar kind niet

-ocr page 16-

Jacob Jan Cremek.

Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur van \'t domineeshuis naar moeder joeg. — „Zie je dan niet Berendquot; — zegt de moeder — „dat ze hoast niet spréken kan. zoo kolde ze is •— kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. \'k Zeg, loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as\' steen. .. • Hier, goat er zitten; hier op mien stoel.quot;— Berend stelt zich in den weg. Hevig; „Ik vroag wat, wat, wat er is?quot; — „Man, wês toch wiezer, altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da\'s nommer een----quot;

Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige woord: — ,Oe kiend is dood van de kolde, da\'s nommer een.quot; — Het is mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde, en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen naam van Cremer in de toekomst zullen handhaven.

Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit Cremers novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in „Anna Roozequot; — de heldin met haar vader, den zeeofficier,bij het graf der jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert — alles voortreffelijk werk, evenals de teekening van de fabriek in „Hanna de freulequot;, als Hein Pronk, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.

III.

Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van Cremer zich onderscheidt, wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan

s

-ocr page 17-

Jacob Jan Cbkheb.

behoort men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Neder-landscbe dorpsnovellist.

Cremer was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw zoo hartelijk geliefde stof — de dorpsvertelling. In 1844 had onze Van Koetsveld met zijne „Schetsen uit de Pastory te Mastlandquot; het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven gewonnen. En zelfs Van Koetsveld was niet de allereerste, zijn boek verscheen eenige jaron na de „Camera Obscnraquot;, waarin reeds ,\'s Winters buitenquot;, „ G-errit Witsequot; met het dorp van Claartje Donze, en de „Nederlandsche Karakterschetsen met „Teun, de(n) jager\'\' voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men in de „Vaderlandsche Letteroefeningenquot;: „Leven en wandelingen van Meester Maarten Vroegquot;, in 1826 te Haarlem in twee deelen uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus met Jacob Vosmaer en Van Koetsveld. Want er is ook eene oudere, die in de IV^e eeuw onder den titel van , Arcadia\'squot; zeer veel werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals Cremer die schreef, stamt eensdeels van J. H. Voss („Luizequot;, 1784) en van Goethe („Hermann und Dorotheaquot;, 1796), anderdeels van Sir Walter Scott, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling, na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte tafereelen uit h«t high-life der groote hoofdsteden van Europa.

Naast Walter Scctt komt aan Duitschland ie «er toe de moderne dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende Zwitsersche paedagoog Pestalozzi begon met eene schildering van het boerenleven in zijn „Lienhard und Gertrudquot; (1781), een boek, bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals Zschokkes „Oswald, oder das Goldmacherdorfquot; (1817), dat evenwel lager staat omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert Bitzius zijn „Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des J ere mi as Gotthelfquot; die alom grooten

9

-ocr page 18-

Jacob Jan Cremer,

opgang maakte en den schrijver zelfs als „den Shakspere van het dorpslevenquot; deed prijzen. Eenige jaren later kwam Gotthelf met zijn ,U]i der Knechtquot; — Bitzius had zich den naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen — welk boek aan een Neder-landschen dorpspredikant Van Sohaik, de gelegenheid gaf (1852), om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis „Geertquot; uit saam te stellen.

Na Gotthelf oogste Berthold Auerbach de schoonste lauweren met zijne dorpsschetsen uit het Zwabisohe leven, fmmermann met zijne Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan Fritz Reuter, den schepper der Voor-Pommerscho en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in zwang, zoodat Klaas Groth de dichter van het Ditmarsche volksleven, Moritz Jókai de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren, Sacher-Masoch de geschied-schrijver der Karpatische bergbevolking werd. Russische boeren werden door Tourguénief en Tolstoi behandeld, voor Elzas-1 lotharingen traden Erckmann-Chatrian, voor de Vlaamsche dorpen Hendrik Conscience, Sleeckx en de gezusters Leveling op.

Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen, \'t Eerst kwam Friedrich Gerstacker, om weldra overtroffen te worden door zijn geheimzinnigen landsman, Charles Sealsfield, die eigenlijk Karl Fostl heette, en sedert 1834 met zijne „Trans-Atlantische Reise-Skizzenquot; eengrooten naam maakte. Gerstacker gaf den indruk van oppervlakkigestof-ferij, Sealsfield schilderde de wording van een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot Fennimore Cooper, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche dichters betraden het Amerikaansch terrein. Gabriel Ferry schilderde met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een

10

-ocr page 19-

Jacob Jan Ckemer.

gebied ook betreden door den lerschen Kapitein Mayne Reid, die zich berucht maakte door de vermetelheid zijner „onjuistheden.quot; Grustave Aimard werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, Xavier Mannier schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl Jules Verne een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.

De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat Seals-field voor Texas gedaan had, deed Bret Harte voor CaliforniS en Mark Twain voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De Nederlandsche dominee Van Schaik ■— reeds genoemd als kopiist van Gotthelf — poogde later een West-Tndischen roman te schrijven.

Het onbetwistbaar meesterschap van Multatuli in zijn éénigen kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van Ritter, Van Hoëvell, Van Rees, Groneman, Perelaer, mevrouw Frank en Annie Poore stelden Van Schaik in de schaduw. Maar meer nog werd hij overtroffen, toen Cremer zijne Over-Betuwsche en Veluwsche schetsen begon te schrijven. Cremer maakte een school van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden: Van Duinen (Thineus), met Gro-ningsche, Lesturgeon met Drentsche, Beunke met Zeeuwsche, Heer en met Overijselsche, Hollidee met Noord-Brabantsche en Seipgens met Limburgsche zedenschilderingen.

Cremer werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat Fritz Reuter voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. Cremer neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde van het volksleven het eerst hebben beschreven. Moritz Jók ai deed voor het Magyaarsche landleven, Auerbach voor de Schwartzwiilder boeren, Gotthelf voor de

11

-ocr page 20-

Jacob Jan Crbmer.

12

Zwitsersche, wat Cremer voor onze goedhartige naïeve Betuwera deed. En daarom bekleedt Cremer een geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken, dat Cremer zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft toegelegd in afwijking van de breede epische manier door Reuter en Auer-bach gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat men tevens erkenne, hue beider wijze van opvatting en schildering hare eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe Cremer daarom aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Ne-■lerlandsche volk.

Dr. JAN TEN BRINK.

-ocr page 21-

DOKTER HELMOND EÜT ZIJN VEOUW.

EERSTE HOOFDSTUK.

Aan liet eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.

En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult, staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.

Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan, — maar immers een meidoorn heeft geen ooren.

„Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan elkaar verbonden!quot;

„Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een aardigheid, mij je wijfje zult noemen. — Mijn beste August T\'

Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een gelukkig bruidspaar.

„Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva.quot;

„Ja August, altijd!quot;

„Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde ons tot elkander bracht.quot;

„O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met het oog op fortuin of stand.quot;

„Verachtelijk? — Niet altijd, \'t Is dikwijls noodig dat het verstand de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede eenig vermogen bezit.quot;

Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:

„Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen.quot;

I. 1

-ocr page 22-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTIW.

„Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?quot;

„En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien.quot;

„Het vrouwtje zal met hem deelen \'tgeen hij bezit, en méér zal ze niet verlangen.quot;

„Nee zeker niet.quot; — Hem schalks in de oogen ziende: „Maar we zullen het toch zoo kwaad niet hebben, is \'t wel mijn beste?quot;

„Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn.quot;

„Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten, als mijnheer en mevrouw Helmond Van Eomphuizen — ja, waarom niet Van Romphuizen — daar komen we immers vandaan? — o, als ik daaraan denk dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Pariis, \'t was altijd mijn illusie; \'t is m\'n idole! — Och, je bent tocli een beste man. Ja zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen, \'t Is overheerlijk!quot;

„Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van \'t reizen zal toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu m ij n zin hebben gevolgd!quot;

„We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren. — Maar zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had ik het óók goedgevonden, heusch•••■quot;

„Wij zullen altijd hetzelfde willen,\' niewaar mijn wijfje?quot;

„Ja zeker August.quot;

„En bij verschil van meening. ...?quot;

„Och, die zal er niet zijn. — Nee zeker niet!quot;

„Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de heerlijke bruidsdagen.quot;

„Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het ieta belangrijks gold.quot; — Met een blosje: „We waren het immers wel eens dat we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen, volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het groote huis op de markt, daar heb ik toch in \'t geheel niet meer over gesproken, is \'t wel lieve? Maar a propos, ben je \'t niet met me eens dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar----quot;

„Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe.quot;

„Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen, dat is toch wat al te min. — Zeg, zul jij in \'t voorbijgaan dus even aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? \'t Kost drie gulden meer, maar \'t is toch wat erg kleingeestig om bij zulk een eenige gelegenheid op een driegulden te zien.quot;

-ocr page 23-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

„Och ja, wat dat betreft; \'t is mij om \'t even. — Je pa zal het ioch niet kwalijk nemen ?quot;

„Wel nee August, als wij het betalen; guns nee. — Och, je bent toch de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je voor me inschikken.quot;

,\'t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje —■ vrouwtje op morgen hé? — dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en, als er verschil van meening mocht komen, dat dan het gezond verstand steeds in kalmte zal uitspraak doen?quot;

„Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August. — Maar waarlijk je bent me haast te ernstig vandaag.quot;

.Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor \'t laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom.quot;

„Ja, \'t is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De generaal \'is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd. — Zoo\'n laatste middag en avond!quot;

„Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk niet meer gevoelen zooals minnende harten Jiet doen; maar zijn stelregel: \'t bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur dat ons voor altijd verbinden zalquot; — hij klemt haar vaster aan zijn borst — „die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog steiker maken. — Lieve Eva!quot;

„Mijn August!quot;

„Goed kind, dus vaarwel voor \'t laatst, voor \'tlaatst als het voorwerp mijner wenschen----voor \'t laatst als Eva Armelo.\'\' — Terwijl

hij haar met gevoel in de schoone oogen ziet: „Eva, hier onder den meidoorn heb ik je \'teerst gezien. Weet je \'tnog? je zat aan den anderen kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu.. .

„Mijn lieve dokter!quot;

„Genezen ja. Goddank,-geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij altnd heilig zal blijven, laten we hier voor \'t oog eener scheppende Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waann we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva, wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn totdat de dood....quot;

„O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste oogenblik afaan.quot; — Eva\'s schoone oogen blijven met zulk een innige teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen was het oogenblik van scheiden daar.

3

-ocr page 24-

4 DOKTER HELMOND EN ZUN VROUW.

August heeft, alvorens hg het verdere gedeelte van den laatsten bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, \'t geen niet vreerad is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een collega moet overlaten.

.Eva, mjin wij^e, tot morgen!quot;

,Tot morden August, mijn beste man! Wacht,quot; — en terwijl zij met haar fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt, steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: „Hier August, neem nog een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen gezien, ia, misschien wel beluisterd.quot;

„Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel goeds hebben gehoord. — Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren, dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feest-bouquet. Tot morgen mijn lieve vrouwtje, tot morgen!quot;

„Tot morgen elf uur August; vaarwel!quot;

Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:

„August, [t is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij \'t inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie \'t gcaag voor niemendal zou. doen — zoo\'n goeie jongen! Als ik hem in de laatste dagen ezien had, dan zou ik \'t hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg iij nu at we \'torgel erbij krijgen, \'tls zonder orgel niemendal plechtig en zoo ijselijk commun. Zulje, beste August?quot;

„Dus net karpet en \'t orgel?quot;

„Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar \'tDeventer tapijt, en dan aan Donerie vragen of ie ons — voor de staatsie — beorgelen wil. Bonjour!quot;

Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door een der stilste straatjes van Roraphuizen zijn weg kiest naar een drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken. — Nu verdwijnt hij om den hoek — en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.

„Baas Krul, is menheer Donerie thuis?quot;

De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den dokter bedenkelijk aan:

„Dat zou \'k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren dokter. Als ik \'em hoor op z\'n porteviano, dan weet ik wel dat ie thuis-is, maar anders.....quot;

Tot een jongen die aan \'t zagen was en nu den dokter staat aan te gapen:

„Gijs, is mijnheer Donerie boven?quot;

„Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was.quot;

„Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem

-ocr page 25-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN TEOTTW. 5

wel hooren. \'t Is mooi als ie d\'r op slaat, dokter, en \'t verameseert een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld.quot;

,\'k Zal maar eens oploopen baas Krul.quot;

„Als menheer zoo vrijpostig wil wezen.quot;

Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het huis. In \'t midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer, die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het: binnen! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van Donerie binnen.

„Bent u ziek menheer Donerie?quot; zegt Helmond met belangstelling: „Ik had er niets van gehoord.quot;

„Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;quot; antwoordt de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte krulharen strijkt.

„Hebt u dokter Biermans al gehad Tnenheer Donerie?quot;

„Nee dokter, pardon; \'t heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar minuten zal ik bij u zijn.quot;

„Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen, \'t Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst. — Nee nee, blijf rustig. — Zie, ik zit hier al. — U weet waarschijnlijk menheer Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal stappen.quot;\'

Mijnheer Donerie wist het.

„Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening naar verkiezing al of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn.quot;

Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:

„De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun lof behoeven te zijn.quot;

Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.

— Teleurstelling! ja!----

Helmond vervolgt:

„Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u, inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek

-ocr page 26-

6 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROTTW.

te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben, zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega Biermana hebt geraadpleegd — tenzij ge u al eerder beter gevoelt.quot;

„Mijnheer Helmond, ik zou gaarne----quot;

„Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan \'t verzoek van een oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm — kalm — Wij zullen ons \'t genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van harte beterschap menheer Donerie, adieu!quot;

„Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in mijn plaats te spelen?quot;

„Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden ons zeker wat al te veel aandoen!quot;

„Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik..

„Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!quot;

Helmond heeft den jonkman bij \'t opstaan even de hand gedrukt, en — denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.

Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar dikke tranen wellen er op in zijn schoone — nu eenigszins fiets-staande oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle, springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd eenige malen in het frissche watei\', en gaat eindelijk met haastigen tred het portaaltje over naar de voorkamer.— In weinige oogenbïikken heeft _ Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is, en dat men niet onaangemeld zal buinentreden, toch wordt de kamerdeur van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de valgordijn naar beneden. — En nu — nu is hij dan zeker dat niemand hem bespieden of overvallen zal.

Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken en diepweemoedigen blik.

— Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden dat je me ook nü nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze. die zonnige dagen, die

-ocr page 27-

DOKTER HELMOND EN ZIJN TROUW.

uren vol zaligheid! — Je zat toen naast me — jij op het rondo stoeltje middsii voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood in da hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig zoover als jij had gebracht, en onder mijne leiding! — Een dweper of droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn\'s „Lieder ohne Wortequot; door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt, dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel dron; als een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst; en — blijde was ik dan. Eva, dat je mijmetkondt aanzien, omdat ik mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of «en droomer was ik toch niet! — Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals en afdalend op den witten boezslaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog om op het muziekblad ieis aan te wijzen of duidelijk te maken, dan, lief meisje, dan doortirtelde somwijlen een ongekende verrukking mijn borst, want, onwilekeurig had dan miin wang de trilling van die zwarte lokken geweld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder noodzaak op em point d\'orgue gewezen, alleen om nogmaals----O, toen

ben ik vm mij zeiven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet ik niet. — Itaar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd niet reecfc genoeg? — Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en gevodig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheil dat dat engelachtige wezen----?

quot;Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor da oogen gedrukt Hoe meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zieleweisch een onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblk nabij komt, waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een anler zal verbinden — hoe zwarter ook zijn eigen toekomst hem vior den geest treedt, hoe zwakker de anders zoo kloeke zes en twiitigjarige jonkman zich gevoelt, en in oogenblikken als deze zich virwijt dat zgn wijsheid een dwaasheid geweest is.

Ja, Iva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar ouderlijke voning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek bij een tante it den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen en ontwifceLen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in den Haag Hijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om haar later mg eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.

Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die ze liefiad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur — zoo nomde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens — ze heei hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een haddruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkcnst moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken— waarop ze aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Heman zijn liefste élève niet vergeten hebben. Voor dringende zakenis hij gedurende haar afwezigheid eenige malen naar Neer-

-ocr page 28-

8 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

lands residentie gereisd, en heeft dan telkens bij Eva\'s tante een bezoek gebracht teneinde „het nichtje eens \'t een en ander van haar familie en vrienden te vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten.quot;

Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen, eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige, \'t welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor dit leven met hem te deelen.

Ja, \'t heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren ftrijd gekost.

In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonhdd heeft hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartj. Een paar freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst Iterden kennen, en haar — vooral om haar lieve stem zeer en amtié namen, hadden haar nu op een muziekpartij genoodigd, metbeleeid verzoek; wat muziek te willen meebrengen.

Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligcn muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waa;voor men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen en over jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en — iij moest het eerlijk zeggen — allerinnemendst en niemendal trotschwas.

Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor taite\'s woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, tral de bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij .iiffrouw , Van Armeloquot; beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebten hem te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer ga.rne de eer gegeven om juffrouw „Van Armeloquot; in persoon te konen afhalen.

En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jongvriend van haar papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze quot;roeger wel eens duo\'s heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.

Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft )onerie bij de oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermotden is er opgerezen in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... dieionker, dat rijtuig!

Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning ^n den baron Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even e spreken gevraagd. — Goddank, zij was er! Met vragenden blik isze hem in het spreekkamertje genaderd. O, \'t was wel zeer vriendeijk van mijnheer Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; mai: waarlijk, zij had niets bijzonders aan familie of bekenden te zegpn. Hoe gaarne zou zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ookvan de partij had kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée. — len was enorm lief voor haar. De gastheer heeft haar bij \'t binnakomen

-ocr page 29-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VBOTTW. 9

een mooi bouquet gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem — o magmfique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen. — Mijnheer Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu, adieu! — Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen — neen! nu minder dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn werkkring en Eva\'s geboorteplaats vertrokken.

Twee maanden later — \'t was in de eerste stormdagen van Maart, toen is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.

Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard La-sure met eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men vreesde dat het op een tering zouuitloopen. Bemiddelen van dokter Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop aan, dat men den jongen dokter zou consulteeren; dokter Helmond was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor professor in de wieg was gelegd. — Bokter Biermans vond het zeer goed dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.

\'t Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva, die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet behoefde te komen, \'t Was haar inderdaad onverschillig of zij beter werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden---- na dien slag, na dat ontwaken uit den

zoetsten droom.

Toch waren de menschen heel lief voor haar. Bie Bonerie, wat was hij goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die „dood-oude schetsenquot; van A. V. H. — Alle prachtwerken van Boré en zoo vele anderen had ze ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Bie naam wilde haar echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.

Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als in den beginne. Op zekeren avond dat Bonerie weer een bezoek aan „haar oudersquot; bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over Bonerie\'s lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine, die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.

In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond

-ocr page 30-

10 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

inweerwil van Biermans\' bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging hem boven de vriendschap van den ouden platte lands-he elmeester.

En Helmond is gekomen.

En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.

En morgen!----

— En morgen!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden kon. O, had ik haar reeds vroeg, zeer vroeg een blik gegund in mijn hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij \'t nader aanschouwen of \'t grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had ik.... Zwijg dan dwaas! uw verstand moest immers de overwinning behalen; zoo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon met u niet gelukkig zijn----of althans op den duur niet gelukkig wezen; gij wist

het vooruit----welnu!----

Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende hoofd van den jongen muziekmeester vervullen, \'t Is eindelijk alsof het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.

— Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen; — Hoe zou ze mij nog straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen had. Neen Eva, kleine lieve Eva — mijn Eva van vijftien jaren — zóó hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn. — Goddank ! ik ben ziek; dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn kunst. Begrijpen, ha!

— Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd worden; d-at schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ia haast de vrouw van een ander. -— Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor \'toog van God en je zedelijk gevoel. Weg

, met de beeltenis van dat schoone kind!--Maar, zij was immers

toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje. — Zie, haar naam staat

-ocr page 31-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VROUW.

daar — en onder den uwe. — O God! ben ik dan schuldig als ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen, ik kan het niet verscheuren, ik kan het niet wegdoen. Mijn God, wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht, en aan koster Bik inplaats van net oude roode karpet, het nieuwe Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste doctorale visite zal hij bij „den majoorquot; brengen, want de majoor, ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal voor het beraamde reisplan kon worden.

De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen, in een voltaire by het venster.

„Phu majoor, wat een hitte!quot; zegt Helmond bij \'tbinnenkomen, en blijft op den drempel staan.

„Er in of er uit dokter, als je blieft!quot; roept de man met den sjaal: „je zet me op een tocht wie de drommel!quot;

„Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er buiten als het u om \'teven is.quot;

„Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen zetten! Kom dokter, maak geen gekheid. — Herein als je blieft?quot;

Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het venster \'t welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer — ook ten gevolge van den walm der steenkolen — zeer onaangenaam en ongezond.

— Het consult is afgeloopen. — Met weinige woorden herinnert Helmond nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo hoopt te worden.

„Te henker ja, daar heb ik met m\'n zieke karkas niet aan gedacht. Ei ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! \'s-Lands wijs, \'s-lands eer! Welja, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie vrouw, waarachtig!quot;

11

-ocr page 32-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote veertien dagen vanhuis denk te gaan.quot;

,Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer de dokter? Weet je wel dat ik d......hard ziek ben geweest?quot;

,Jawel, u is zeer, zeer....quot;

„Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald.quot;

„Tenminste....quot;

,Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij\'t heengaan zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald.quot;

„Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor, dat ik gerust....quot;

„Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan den zwier gaan, daar is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht instorten door kou vatten, door open ramen — ik zou dat raam nu maar dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in \'t kikkerland en niet in Oost-Indië... als je blieft----!quot;

,Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond voor, tenzij u excesses mocht doen die.. .quot;

„Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik, dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik hier.... zieje hier zoo\'n pijn, zoo\'n bijzondere drukking, en ik kan je zeggen dat me \'t klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en...quot;

„Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de ziekte die gelukkig aan \'t wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen, die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en.....quot;

„Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas in den steek laat? Nee, ik ben in \'t geheel niet beter. Van nacht bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen had: \'t nachtlicht was uitgegaan; \'t was zoo donker als in de hel, en \'k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag...quot;

„Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen \'t licht weer aangestoken?quot;

„Natuurlijk!quot;

„En \'t ging toen beter nietwaar?quot;

„Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wat je me nu ook vertellen moogt, ik heb m\'n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik m\'n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst zou iemand...quot;

,U bent toch niet bang majoor?quot;

„Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje. in één woord....quot;

„Hoor eens majoor! mat \'t oog op morgen moet ik mijn bezoek

-ocr page 33-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VEOÜW.

wat bekorten. U weet het: \'t is in dezen tijd een bijna algetneene gewoonte dat jonggetrouwden op reis gaan.quot;

,Juist, maar een dokter...quot;

„Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk — en voorkorten tijd — aan een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik, dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van een vrij ernstige ziekte herstellende is.quot;

, Zoodat ik dokter Helmond nog oj) den koop toe zou moeten bedanken voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudthetop je geweten hebben; ja waarachtig!quot; Hij slaat met de vuist op de tafel.

„Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig maakt. TJ hebt me dikwijls gezegd — misschien zonder er veel bij te denken — dat u „aan een beroerte zoudt heengaan.quot; Maar zóóveel is zeker, dat ik u — behalve een matig leven enzoovoorta en-zoovoorts, ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders....quot;

„Wat! denkt jij ook dat ik aanleg voor een be----be.... roerte

heb? — Ik!? Je hebt er altijd om gelachen----quot;

„In de sociëteit majoor.quot;

„Ja juist in de sociëteit.quot;

„Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn: Kom majoor, ü een beroerte! je wordt honderd jaar oud.quot;

„Maar zou je dan waarachtig denken dat ik----quot;

„Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd: jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan zal ik. ... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu — nü moet ik weer met zekerheid bepalen dat u aan een beroerte.. ..quot;

„Neen, ben ie gek, dat moet ie niet met zekerheid bepalen, ik wilde....quot;

„Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn.quot;

„Zoo---- is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking

hè? Kan die niet van invloed wezen op die ber.... — Nee, in allen ernst dokter, is daar met zekerheid iets van te zeggen ? Zie, een beroerte vind ik nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang voor nommer één ben, God beware! maar....quot;

„Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor \'t meerendeel onzen laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter vertoont, zou het een schermen in \'t blinde zijn om hem te willen

13

-ocr page 34-

14 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKODW.

bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de wapenen te kunnen hanteeren, hij moet geduld leeren oefenen en zelfbeheersching; terwijl hij alle vrees voor don dood — een ding, waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal — met kracht als lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!quot;

Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.

De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een vloek als tusschenwerpsel:

„Wat! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?quot;

Helmond omziende:

„De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust om nu al naar den dood te verlangen. Ik herhaal dat onthouding en kalmte hem \'i meest geraden zijn.quot;

„Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den d.... niet denken....quot;

Maar dokter Helmond is al vertrokken.

De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan don ver-trekkenden dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.

Helmond komt niet terug.

Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.

„Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie hier komt.quot;

„Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is----quot;

„Roep \'em zeg ik je; ik moet \'em nog spreken.quot;

Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid — een heldere deern van vijf en twintig a dertig jaren:

Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was.quot;

Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.

Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hom vrij knaphandig uit een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend; straks heeft ze gezegd, dat ze „verachtig naar beneden moest, want dat anders de juffer \'t in de mot zou krijgen:quot; en toen met een bijzondere vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: „Ei, ik zie wel dat je aan de beterhand bent, maas-nou mot ik naar beneden. Atjuus!quot;

Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde

-ocr page 35-

DOKTEE HELMOND BN ZIJN YBOUW.

om er, alvorens naar den generaal te gaan, nog \'t een en ander — ook voor zijn patiënten — te bezorgen, toen kwam hem bij \'fc omslaan van den hoek der Groote Kerk, een „jongmenschquot; van omstreeks veertig jaren met zeer magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende zijn gansche, tamelijk rad-vloeiende en schelluidende toespraak, op \'t innigst er mee aan quot;t \'karnen bleef.

„Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten, \'t Doet me almachtig veel genoegen dat je \'t zoo treft. Ja niewaar, je treft het bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje — je bruidje wil ik zeggen, en de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? Be sure dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje, van een bruidje wil ik zeggen; reëel \'t is een engel! Morgen, enfin, hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik je benijen. Ook in de kerk hé? \'t Zal zeker vol zijn. Alge-meene belangstelling; je hoort van niets anders. — \'s-Middags op reis niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote klok hangen. Nou, van harte — van harte hoorje, als je, soms iets hebt, in je absentie.... van harte hoorje, van harte!quot;

„Dankje Kippelaan, \'k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid ten volle overtuigd;quot; zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de dansende klem zoekt los te werken: „Je neemt me niet kwalijk, maar ik heb nog zaken, en dus....quot; Wuivend met de bevrijde hand: „Tot weerziens, adieu!quot;

„Och-kom, is die haast zoo groot?quot; herneemt Kippelaan terwijl hij met een snelle beweging Helmond in den weg treedt: «Vijf minuutjes? toe, vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij m\'n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait d\'amour. Parfait d\'amour hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?quot;

„Nee Kippelaan; waarlijk----quot;

,Allemaal gekheid, dat kun je niet weigeren: Parfait d\'amour!? Op de liefste!? Op morgen?quot; Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem een paar schreden met hem voort te gaan.

„Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d\'amour te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit...

„C\'est vrai! c\'est juste! Maar in m\'n keldertje heb ik ook delicieuze pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos \'t gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....? — Jawel, ja wel je moet nu even mee binnen.quot;

„Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen halfzes op De Zonsberg met\'t eten. Je zult dus begrijpen....quot;

„Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes maar. Je kunt dan, en passant, m\'n nieuwe causeuse eens zien. \'k Geef je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief parole d\'h----quot;

15

-ocr page 36-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOTTW.

Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig: „Die kom ik later eens kijken;quot; en gaat dan zoo snel mogelijk naar den kant zijner woning.

Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de hand drukken, en — daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:

— ,----en Gods allerbesten zegen, hoorje. ... en dat je die prachtige engel in alle opzichten----en gelukkige reis hoor! Maar als

je morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in De Keizer van Marokko, dat is afzetterij. — St.-Luoas! — Ik zie je er al met je beien; delicieuze tafel. — \'k Neem \'t je niets kwalijk dat je me niet op de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal, hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in De Gouden Arend, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in

de kerk----,\'k Zal je een oogknipje geven. — Zeg, tóch een klein

dropje----? Eén heel klein droppeltje pomerans?quot;

Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.

Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning, gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.

Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in \'t midden en een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhout-kleurige verf der voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk, glimmen dat het een lust is. \'t Ligt daar heel aardig dat kleine huis. Een zeer smal tuintje — of liever een paar smalle bloemperken met een klinkerpaadje in \'t midden, scheidt het van den wal, die de geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door liksche ijpe en lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes in den wal naar beueden moet. \'t Huis ligt van den wal gezien wel een weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie uitzicht op D e Zonsberg en de bosschen van Hoenderveld, \'tgeen men ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.

Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer gewenschte. Zijn woning is de laatste van een — althans voor het stadje — vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten, zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede

16

-ocr page 37-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine steden nog altijd gebruik is — zijn eigen apotheek houdt. Nevens die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet, komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. \'t Is aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan, zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.

Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.

„Is er niets geweest Thomas?quot; zegt Helmond tot een jonkman met blonde haren, die achter de toonbank aan \'t vouwen van poeders is.

„Nee dokter, niemendal;quot; zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds blik zoekt te ontwijken.

„Niemand voor de apotheek Thomas?quot;

„Nee dokter, geen mensch....quot;

,\'t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri....quot;

„Hé.... o ja, jawel dokter,quot; aarzelt Thomas en bukt zich om iets op te rapen dat er niet ligt: „ja ziet u, ik heb bij vergissing. ...quot;

„Kun jij je vergissen Thomas?quot;

Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:

„Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen.quot;

„Zij is toch niet ongesteld?quot;

„Nee dokter. Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen moren was zij bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer agen een beetje van haar stuk. — Ja, eigenlijk van haar stuk,quot; herhaalt de jongen terwijl hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen en hem stilzwijgend heeft toegereikt: „Och ja dokter, \'t kan moe zoo ineens overvallen dat ze.... geen woord meer....quot; Thomas draait zich plotseling om; kijkt naar de medi-cijnfiesschen, en potten omhoog; pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te kunnen vinden wat hij hebben moet.

Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:

„Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega Biermans nier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen hem zijn.quot;

„Alles wat ü verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk.....quot;

„Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor \'t overige soms \'t een of ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd — ik bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is

17

-ocr page 38-

18 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VEOTTW.

terstond aan oen der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet dan in werkelijk hoogen nood zult doen.quot;

„Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed gaan. Ik.... ke....quot;

„Was er nog iets?quot;

„Nee dokter, nee; maar....quot;

„Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!quot;

„Nee dokter, toch niet, \'t was alleen----quot;

Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn provisor te zien.

Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en fiesschen.

„En wat was er dan Thom?quot;

Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:

„Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we..

„Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen, ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken. — Kom, ik wil haar maar aanstonds opzoeken.quot;

Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden, gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het eind van die korte gang op een deur.

Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binneuknip op de straatdeur heeft gedaan.

Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te gemoet gaat.

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden! en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

„Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn geluk. Stil moedertje, stil!quot;

„Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je brave moeder zich in mijn geluk verheugt.quot;

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt ze op bewogen toon:

„Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weetik zeker: maar.... er zijn oogenblikken....quot;

„Geef je moeder een glas water Thomas. — Ziezoo, drink maar eens ferm mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? \'t Is alles uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt, heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroe-

-ocr page 39-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VBOOW. 19

pen zoo keurig als alles door mevrouw werd in orde gebracht\'? Zij verbeeldde zich dat ze verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor de glazen en alles geheel in orde zouden vinden.quot;\'

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit de oogen, en zegt zacht op bewogen toon;

„Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar....quot;

„Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang .quot;

„Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken bedroefden te hebben getroost en welgedaan.quot;

„Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij \'t best elkaar stil-zwijgencl de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg voor de toekomst.quot;

„O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter te Romphuizen kwaumt, toen was het uw liefde die.....quot;

„Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel.....quot;

„Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar moedertjelief: je wondt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft laten blijven, niewaar?quot;

„Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter

ie zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo\'n goed examen als apotheker :ondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen____quot;e zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo\'n goed examen als apotheker :ondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen____quot;

„Zoo\'n pruik als Biermans bijvoorbeeld!quot; valt Thomas uit: „zoo\'n schrok, die....quot;

„Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch, raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of — vergun mij het woord — zijn het telkens weer k e u k e n bezwaren, laat dan mijn verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons blijft op den ouden voet — uitgezonderd die kleine menage-verandering, zooals ze u is voorgesteld.quot;

„Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter,quot; herneemt

-ocr page 40-

DOKTEE HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

mevrouw Van Hake: „juist wat u met zooveel goedheid mijn woon-en keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in het achterhuis met van zoo heel veel belang voor u — daargelaten het geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest.quot;

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

„Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke bemoeiingen, niewaar?quot;

«Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste opwogen tegen alles alles wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan, is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misscliien nog een enkele maal zoo vriende-lijk wezen om de oudere in jaren over \'t een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn.quot;

«Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn dienst geweest!quot; zegt Helmond half verdrietig: „en, als dat ooit door iemand als zoodanig is beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd. maar ik acht u te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan: Toen ik indertijd aan oom Van Barne-veld mijn wensch te kennen gaf, dat ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat denkbeeld zoo aardig dat hij \'t huis voor mij kocht. De beleefdheid komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie voor mijn eigendomsrecht. U hebt recht. Zie, dat is nommer één!quot;

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt half glimlachend het hoofd.

„Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal.quot;

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofd-quaestie wordt.

„Prompt,quot; vervolgt Helmond: „wat ik daarvoor al genoot aan zorge en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele hulp van Thomas, \'t geen hoe langer hoe meer van be-teekenis wordt, zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal volhouden.quot;

„Dokter,quot; valt Thomas in: „er is misschien in \'t heele land geen provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God noort het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken, ziedaar, ik zou....quot;

„Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek je in allen geval voor je beurt,quot; zegt Helmond en klopt

20

-ocr page 41-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROtTW. 21

Thom op den schouder: „ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere de vi Ikomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting beter dan aan mij zei ven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig gulden — indien ik daar nog van spreken moet — heb ik dan bovendien, bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mii\'n vrouwtje een lief en moederlijk gezelschap, en voor mij zeiven Je zekerheid dat zij, wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en, wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér dan genoeg! Al wat ik daar \'t laatst in rekening durfde brengen is een „naar ons toe rekenenquot; geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u nier blijft op den voet zooals ik \'t u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van uw recht, en handelt geheel naar den wenach van mijn braven oom, die mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor aan mijne — ja ik mag het zeggen, ook aan Eva\'s liefde, te gelooven, en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken.quot;

„Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt, ja ... maar----Ach, men kan niet alles zoo uitspreken.quot;

„Geen maren meer goede mevrouw; \'t zal misschien noodig zijn dat ik u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging.quot;

Moeder en zoon hebben oncier Helmonds laatste woorden teekenen van ja en neen gewisseld.

„Jawel moelief, jawel! — Niet----? Dan zal ik het zeggen.quot;

„Nee Thomas, nee!quot;

„Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er maar over dat ü wel in alles en alles — ziet u----maar....quot;

„Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken...

,Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik----wilde

zeggen----quot;

„Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat de tusschen ons bepaalde overeenkomst door haar minder wenschelijk wordt gekeurd.

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

„Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste----quot;

,\'t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen, mij gezegd dat ze u zoo heel Hef vond —ja hef

-ocr page 42-

22 DOKTBR HELMOND EH ZUN VEOUW.

moet er nu uit — en dat ze hoopte recht veel van u te leeien. Bovendien waren het haar eigen woorden: \'t Is zoo\'n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen.quot; — Is er nu meer noodigom u gerust te stellen en te doen gelooven dat de nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen, terwijl nw inwoning — ik Tierhaal het alweer — toch steeds als een recht door u moet beschouwd worden?quot;

Ofschoon aangenaam door Helmonda woorden getroffen, zoo is de doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet de oprechtheid van Eva\'s karakter, dan toch haar

foed doorzicht in verdenking werd gebracht, \'tgeen den man die aar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeer-zeker moest grieven.oed doorzicht in verdenking werd gebracht, \'tgeen den man die aar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeer-zeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in \'t reine te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

„Ja dokter,quot; valt hij uit: „\'t is waar, juffrouw Armelo was ook heel vriendelijk en niemendal grootsch; maar----quot;

„Dacht je dat ze grootsch was Thomas?quot;

„Foei Tnom, hoe kun je zoo raar spreken.quot;

„Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij het niemendal is;quot; herneemt Thomas een weinig verlegen: „Maar weet u waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken, je tobt er over. Jawel! Zie dokter----quot;

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede en vervolgt:

„Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond, dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u hier was, toen zei ze — zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen, en, met al mijn „rechtquot;, hen niet weinig in den weg staan. Dokter weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden, indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn.quot;

,Is dat nu alles, lieve mevrouw?quot;

-ocr page 43-

DOKTKE HELMOND BN ZIJK VEOTHV.

„Och ja dokter, het was kinderachtig misschien.quot;

„Is er niemendal méér Thomas?quot;

„Nee — niewaar moe? — Moe was eigenlijk bang dat we u toch te veel zouden zijn.quot;

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

„Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze — in een tijd dat men schier geheel illusie is — zich nog meer illusies schept. Toen mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om mijn aardig bouwmeestertje lachen. \'tZou een mooie pijpenla worden die prachtige suite! Maar ik liet haar \'t genot van haar bouwkundige opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht ais aan haar schertsend woord om in onzen voortuin een goudvisch-vijver te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien zelfs — zooais dat laatste — gekscherend gezegd. Zij was het volkomen met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben; dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen.quot;

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om den hals en fluistert:

„Zie moedertjelief, ik wist het wel!quot; En dan zachter, op geheim-zinnigen toon: „Nu maar doen hê?quot;

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met een aanduiding van het genoemde voorwerp:

„Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van Hake\'s weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde, beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk: „Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap,quot; zult lezen, lees er dan bij \'tgeen Thomas zelf er onder graveerde: „Van zijn weduwe en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen men-schenvnend.quot;

„Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw waardigen echtgenoot! net stuk dat ge vol weemoed wel eens uw afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik----?quot;

„Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben opgewekt. ■— Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk, waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar

23

-ocr page 44-

24 DOKTEE HELMOND EN ZIJ» VBOT7W.

hij in die vier laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood, niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch — zooals hij op zijn sterfbed zeide — die ongetwijfeld als een trooster zou komen in onze droefenis.quot;

.Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u \'tmij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja, welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor je beste moeder. ... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor jou, maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven.quot;

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen had gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

Nadat Helmond nog \'t een en ander met het oog op morgen en de aanstaande reis heeft in orde gebrioht, verlaat hü omstreeks vijf uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op De Zonsberg te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug overgegaan — welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsohe poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween — ternauwernood betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen, en bemerkt terstond dat het de tilbury van De Zonsberg is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer mili-tairement met de zweep salueert, zegt hij:

„Ik zal maar eventjes keeren menheer;quot; door welk wenden Helmond nu beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de De Zonsberg

aanvaardt, zegt Willem:

-ocr page 45-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

„Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven op den wal bij dokter vóór te zijn.quot;

,\'t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen, en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa mooi opgesierd.quot;

„Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden.quot;

,\'t Is een lief en hartelijk meisje.quot;

„Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den aard slaat.quot;

„Hoe meen je?quot;

„Ik meen vanwegens d\'r.... postuur zal ik maar zeggen. — Als je de juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze een militairekind was. D\'r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw.quot;

„Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk voorkomen; \'t staat me zoo flauw voor den geest.quot;

„Jawel precies dokter. Mevrouw\'s portret dat boven \'t schrijfbureau van den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. \'t Was een braaf en zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk \'dat ze niet lang onder z\'n kommando zou dienen, \'t Was jammer, een groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d\'r langer plezier van zal hebben.quot;

„Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem.quot;

„God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig zal zijn.quot; Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

„Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u — met verlof — kunnen benijen dokter.quot;

„Li zoo Willem?quot;

„Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m\'n hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch — toch wou ik dat ik van morgen afaan, voor een dag of wat in men heer z\'n plaats was.quot;

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen bruidegom om de lippen speelde.

„En waarom benij je me Willem?quot;

„Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw naar Parijs gaanzegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

„Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn.quot;

„Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal zien, waar ik om zoo te spreken m\'n laatste eindje leven voor zou overhebben.quot;

25

-ocr page 46-

26 DOKTER HELHOND EN ZIJN VEOtTW.

„Je bedoelt....?quot;

„Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er andera willen zien dan de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge mevrouw die plek met ie eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien; op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dat vergeet je je leven niet! — Komaan Zampa, het hek in.quot;

„Als oom er nog eens naar toe ging Willem.quot;

„\'t Zal niet gebeuren menheer. — Ho Zampa! — Voorzichtig dokter. — Hoe laat verkiest u dat ik weer vóór kom?quot;

„Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?quot;

„De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen.quot;

„Dan om negen uur Willem.quot;

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

\'t Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van den straatweg ziet men langs den oprit — die om het breede middelgazon naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solied gebouwde, zeer deftige en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel behagen heeft.

Een deftig stadshuis zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voor-

Sevel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen er vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.evel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen er vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn ligging geniet, dankt het bovenal aan \'tgeen van de straatwegzijde verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw — naar het zuiden gekeerd — staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf zijn naam scnonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men — behalve de bloemen aan zijn voet — het groen van heesters en boomtoppen die oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersen landschap: \'twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze Rijn — nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde huis met zijn fraai uitgebouwde serre aan de zuidzijde — zooals het daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt — een recht vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zon dan aan wal willen stappen om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare beek over blanke kiezels murmelt •.

-ocr page 47-

DOKTER HELMOND EN ZLTN VROITW. 27

men zou de meestal steile paden van den fiks begroeiden Zon sberg willen beklimmen, om eindelijk in dat hooggelegen landhuis — als het zoo wezen mocht — een weinig te kunnen uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht, terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid van inborst verraden en reinen zin.

Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet „dat de pendule niet in de war isquot;. De generaal is een man van de klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie, en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent, zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar zich wachten liet maar steeds op zijn post was.

De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.

De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis versierde. Sedert de generaal eigenaar van DeZonsberg is geworden, werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.

Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan \'t eind van de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.

Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.

,Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud. — Hij heeft je immers gehaald?quot;

,Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam mij even buiten Eomphuizen tegen.quot;

„Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?quot;

„Nee oom.quot;

„Dat spijt me.quot;

„Omdat u zelden....quot;

-ocr page 48-

DOKTER HELMOND KN ZIJN VKOtTW.

„Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt, maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat je van middag woudt komen August. Is juffrouw Ar-melo en de familie welvarend?quot;

„Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande schoonouders groeten.quot;

De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de beleefdsformule heeft gehoord.

„Wat dee jelui in de zaal Coba?quot;

„Pa. ik heb....quot;

„Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen oi) uw besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen, waarop de familie Arrnelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan.quot;

„Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd loopen!quot;

„Mijnheer, er is gediendzegt de huisknecht die uit de eetkamer in de gang komt en front maakt bij de deur.

„Goed Hendrik!quot; — In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef die hem een dankbaren blik had toegeworpen; „Toen Coba mij deed gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later dan om zes uur naar huis te gaan. — Convenieert dat de familie?quot;

„U bedoelt oom?quot;

„Zoo\'n déjeuner in De Gouden Arend?quot; antwoordt de generaal terwijl hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.

Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:

„Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom.quot;

„Ah.... zooquot; zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om te bidden.

Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om eventjes onder de oogwimpers door, een blik op „zijn biddende gastenquot; te werpen.

— \'t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft

fesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende ouding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is. — En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen? — Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba! — En juffrouw Coba\'s postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks veria-esloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende ouding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is. — En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen? — Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba! — En juffrouw Coba\'s postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks veria-

28

-ocr page 49-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOUW.

ten richting tuurt — schuinsrechts op het landsohapvak met een herder en herderin onder een boom, — och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo\'n wurm!

De gewone diners op De Zonsberg duren niet lang; in een half uur is gewoonlijk alles — van de soep tot den podding, afgeloopen. En, wanneer Hendrik bet eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, \'t welk gedurende het eten doorgaans in \'t Fransch werd gevoerd, in \'t Neder-landsch voortgezet.

„Dus zul je veertien dagen uitblijven?\'\'

„Ja oom, \'t kan nu zeei- goed geschikt worden; en voor Parijs is veertien dagen niet te veel.quot;

„Ah, dus moest het tóch Parijs wezen.quot;

„We zijn daar nu zeer op gesteld oom.quot;

„Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;quot; herneemt de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den oud-militair te herkennen.

„Ik geloof pa, dat August\'s bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja, en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?quot;

August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot don generaal :

„Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was. werd het ook mijn wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren.quot;

„Welzeker August----Wil je nog wijn?quot;

„Dank u oom.quot;

Eenige minuten later wordt er gedankt.

Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds voorhoofd heeft gedrukt. — Hendrik die inmiddels is teruggekomen, presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer hot heerlijke vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter zich toe.

,\'t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over je belangen te spreken,quot; vangt de generaal aan: „we zullen daartoe na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens even over Coba met je praten.quot; Naar buiten ziende en dan met merkbare zelfoverwinning;

„Ze zag in de laatste dagen naar \'t me voorkwam wat bleek.\'\'

„Coba is niet sterk oom;quot; zegt Helmond en ziet den pleegvader belangstellend doch met verwondering aan.

„Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt het je dat ik je over Coba\'s gezondheid spreek. Wat ik

29

-ocr page 50-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

voor me zelf niet zou doen, dat doe ik voor m\'n kind; en met liet oog op je aanstaande reis vond ik het beter om je \'t nu maar eens te vragen.... \'t Kon dacht me geen kwaad. — Ze heeft voor een paar dagen iets gehad dat me....quot; de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond af en naar de zij van het raam: „dat me....

wel niet bezorgd maakt, maar.... toch ook niet beviel.--Zie

je die sleepboot wel? Kijk, vier Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop.quot;

„En wat was er dat Coba.... oom?quot;

,0 ja, \'t had nu juist niet zoo heel veel te beteekenen, maar----

Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af; zitten in \'t bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen, etcetera, etcetera.quot;

„Zij heeft zoo\'n lief karakter de goede Coba.quot;

„Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder \'t beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk begint te hijgen, \'k Zeg nog: wil je hier even op den kant in \'t gras gaan zitten — terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar favoriet-stukjes te zingen. — \'k Zeg: Coba ben je mal. dat zingen onder \'t klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze \'tniet hoorde, luider ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker, \'t Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu, adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August, als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen, bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen, dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg.

„Was zij buiten kennis oom?quot;

„Nee in \'t geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen; — ze was wel wat luchtig gekleed, zieje, en \'t is doorgaans nog geen weer voor die zomertoiletjes. — Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel, een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te snuffelen, daar staat me \'t ondeugende kind naast m\'n stoel; zoent me, en zegt dat ze heelemaal weer beter is. — \'t Heeft niets te beteekenen, niewaar? \'t Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder \'t klimmen; maar ik meende toch dat ik ver-

30

-ocr page 51-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOtTW.

plicht was je \'t eens te zeggen. — Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte efforts vermijden, dat is mijn opinie....?quot;

„Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?quot;

„Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!\'quot; — Weer naar buiten turend: „Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje ten gevolge van die klim- en zingpartij?quot;

„Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar....quot;

Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dau hij zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste maar had hij nu geen ooren. Immers die dokter, een deskundige, heeft eikend dat in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een. erkend uitvloeisel, of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba, ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, „gezond van hartequot; is, werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. \'t Komt uit zooals hij vermoed — of in stilte gehoopt heeft t de overspanning van het oogenblik heeft zijn dochter die „onpasselijkheidquot; bezorgd, en, zullen die malle kuurtjes zich niet herhalen, en alzoo het delicate gestel op den duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden te worden, en moet Coba vooral niet meer zingen. In den laatsten tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.

„Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende ik mij vis-a-vis Coba niet geheel verantwoord. — Komaan, ze zal ons met de thee wachten; maar ■— doe jij me nu één plezier en secondeer me als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat deugt niet — niemendal!quot;

Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen; haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan — al moest het ook in stilte wezen — met zorg te behandelen zoodra hij van zijn reisje zal zijn teruggekeerd.

Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen, waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt terwijl hij even bij haar stilstaat:

„Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer van die kunsten hoor!quot;

Terwijl Jacoba\'s bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze: „Wat bedoelt u papa?quot;

„Wel, met dat onbesuisde zingen Helmond geeft me volmaakt gelijk dat jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen ei;, liooge noten in de wieg is gelegd.quot;

3!.

-ocr page 52-

32 DOKTER HELHOND BN ZIJN VROUW.

„Maar pa, dat zingen----quot;

.Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je kwaad. Als je zoo\'n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en vooral na de les, dan kan ik \'t je aanzien dat je moe bent. Laatst nog beefde je hand toen je me \'t kopje gaf.quot;

„Dat was na den Erlkönig pa, en dat stuk----1quot;

„Ja dat is onverstandig kras, ik zeg bepaald onverstandig! Hoor eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen moet. Niewaar August?quot;

„Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren----quot;

„Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld, \'t Kwam zoo ter sprake, \'t Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als ik den Zonsberg met m\'n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niét te rusten, maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet je het in \'t generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?quot;

„Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je niet te veel van je krachten moet vergen.quot;

„Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat door oefening....quot;

„Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig aan mijn militair herinnert, dan zou ik \'t allereerst op commando en discipline komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me doen zult, \'tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen moet, en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je ? Als we dan verder goed versterken; veel de lucht genieten — liefst op de vlakte — dan twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel.quot;

Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.

„Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik

u en August----beloven----?quot; zegt ze op bewogen toon terwijl er

tranen blinken in haar zachtblauwe oogen.

Van Barneveld heeft niet geantwoord.

Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was den generaal te machtig.

-ocr page 53-

DOKTER HELMOND ES ZI7If VROUW.

„Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest alleen dat het je nadeelig zal zijn.

„Als het beter is dat ik niet zing en speel August, en vooral als ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;quot; zegt Jacoba terwijl ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.

,Fiks gesproken Coba!quot; zegt de generaal.

Weinige oogenblikken daarna verlaat hij do kamer om in de serre een kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een „mengsel uit den medicijnwinkelquot; zal geven. Coba zag toch erg erg bleek,en die kippenkuren konden terugkomen.

Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en — straks is de deur weer gesloten.

„Heb je nooit pijn op de borst Coba?quot;

„Nee August.quot;

„Kun je goed ademhalen. Zóó — diep, diep ophalen? Probeer het eens flink!quot;

Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.

„Ja \'t is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag hier bijna aan \'t praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat lt;le drop-en-kamille-dokter van \'t huis. Maar je zult het ondervinden dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein poosje v.-eer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor \'t oogen-blik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar \'t me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel verstan-die dat je — ook om zijnentwil — een veertien dagen zijn raad wilt

volgen.... Mag ik je pols eens eventjes......Wat de muziek en

\'t zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen bezwaar tegen zijn.quot; Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt: „Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa\'s wensch te voegen en wat vacantie te nemen.quot;\' — Hij ziet Coba die zich heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen; vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:

„Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je hindert? — Heb je misschien \'t een of ander dat je droefgeestig stemt? of.. ..quot;

„Ik August? — Wel nee!quot;

,\'t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier van de huishouding je ook wat zwaar?quot;

„Nee August, volstrekt niet.quot;

„Toch komt het me voor....quot;

Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon dan ze gewoonlijk spreekt:

I 3

83

-ocr page 54-

04 DOKTER HELMOSD E?ï ZIJN VROUW.

,Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst wat hard gezongen onder \'t klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt men zoo niet. — Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit, zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is.... — Je wilt nog thee? — Is.... se — wat ik wou zeggen, ah — is mijnheer Donerie ernstig ongesteld? \'tZou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek werd. \'s-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....

„Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk gevatte kou;quot; antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Do-nerie\'s ongesteldheid informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.

„Ik begrijp niet waar pa blijft;quot; zegt Coba terwijl ze opstaat en met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.

„Coba! Jacoba!quot;

„Is er iets August?quot;

Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne vingertjes vattend zegt hij kalm:

„Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat verdriet of hartzeer moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou ik nu — zelf ten toppunt van geluk — mijn lieve pleegzusje \'met een vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft \'t welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er werkelijk iets anders is \'tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen dan muziek en zang zelfs bij \'tbergen klimmen? Coba ik heb je goed bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je \'t een of ander te onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba, dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat je hebt. Straks spreek ik met oom. — In de stemming waarin hij nu is zal hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen indien ze je hier in \'teen of ander den voet dwars durven zetten, hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind....quot;

„Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan, en De Zonsberg is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens inschenken? Ik moet even naar boven.quot;

„Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!quot;roept de generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: „Wat me óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan ze toonen

-ocr page 55-

DOFTEtt ntLMONl) EN ZIJN 7KOUW. 35

wil gevooi van je ouwelijk heeft. — \'t Ligt in den aard der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we nu te ohserveeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. \'tZou misschien beter zijn....quot;

„Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u uitrijdt, gebruiken moet.quot;

Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood onderdrukten glimlach: „Mijnheer Kippelaan!quot;

„Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik iemand bij me heb met wien ik moet spreken.. . iemand die.... uit de stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen.quot;

Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de generaal bij zich heeft: „Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder graag eens eventjes spreken.quot;

„Ben je zijn dokter August?quot;

„Ik zou bijna zeggen: helaas ja!quot;

„Laat menheer binnen Hendrik.quot;

Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om, en dan met een buiging:

„Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet; \'twas maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest sedert ik \'tplezier had je van morgen....?quot;

„Neem even plaats menheer Kippelaan;quot; zegt Van Barneveld met oen aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan hoeft zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.

„Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten u nogmaals van harte, van harte....quot;

„Ik dank je menheer;quot; zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.

„Kwalijk genomen?quot; herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach: ■ Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, \'t is slecht van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me plezier, \'t Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect idee in De Gouden Arend. Uitmuntende visch! Zeker half-tweo aan tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend voor de conversatie, en....quot;

„Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten ...quot;

„Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats moest men over \'t algemeen minder gesloten, en meer joviaal en

-ocr page 56-

36 DOKTKK HELMOND BN ZIJN VKOUW.

open zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond,

weet u----quot; Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend:

„Militairement!quot;

,\'t Schijnt dat u de militaire usanties----quot;

,0 zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier was — in politiek weet u; en ma^on; ik was op-en-top maijon, want de ma^onnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim, niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie, ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van open, rond!quot;

„quot;Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed zijn mij vóór te gaan. — Wanneer het geheim is August, ga dan in de zaal.quot;

„Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen \'tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel voor de groote beleefdheid om mij....quot;

r\'t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen tijd noodig hebben, \'t Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?quot;

«Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat ik aan mijn vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar toch — nee nee pardon generaal, pardon, voor u is \'t in \'t geheel geen geheim. Pardon! — Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik \'t plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O! — Was ijselijk amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch zeer ziek. Was fameus met je ingenomen — droppels of poeders daar wil ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte — dit was het geheim; ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een beroerte. Mijn neef de professor....quot;

„Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?quot;

„Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje, dat is wat kras, maar....quot;

„Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?quot;

„Dat juist niet; ik heb de gaaf om — ja hoe mag ik het noemen; te voelen. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de laeder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een

vers van.___ enfin vind ik niet zoo mooi als een blad muziek:

een quatre-mains lees ik liever dan een roman.quot;

„Heeft de majoor u verzocht .. -?quot;

„Pardon, ik neb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik \'t hem zeggen. Nu zei de majoor — \'t was a propos van je reis: als ik

-ocr page 57-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTW.

hem in tijd van nood maar telegrafeeren kon. Dat was juist gezien, niewaar excellentie? Mooie uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets! — Rondeman gezegd, nu had ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hè? watblief? Van dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je heengaat; maar als de majoor----quot;

„Voor \'t geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk mocht zijn, neb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met Biermans schrijven of telegrafeeren.quot;

„Och-kom, Van Hake! zal die----! —• Ah, hoe vaart u juffrouw

Van Barneveld?quot; vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt: „Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt over \'t mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die landen kust en scheurt de dijken! \'t Heelal verdeelt in ko....quot;

„Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je gaarne een kop thee schenken. Vaarwel.quot;

Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek voldaan. — O, de ontvangst op De Zonsberg was charmant geweest. Al heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodi-gingen voor familiare diners of soirées gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van delicatesse geweest is. \'t Was hem in den aanvang moeielijk om die delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem, „ten sterkste animeerdequot; om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren voet wu zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!

En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin, kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? \'t Mocht dan bij den „burgerlijken standquot; en zelfs aan den generaal bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste jaar is ingetreden, juffrouw Coba\'s terughoudendheid heeft hem wel degelijk gezegd, dat ze hem — zooals iedereen — op \'t allermeest voor een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk _pour la première fois! Maar, zoo \'t een en ander heeft hij toch uit haar allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij zich nooit verveelde als zn alleen was; en dat het haar pa zeker bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa geen zaken had. O, o, die invitatie! — Voor het overige is Kippelaan zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen de „toonnuanceering zijner stemquot; — waarover men hem dikwijls vol enthousiasme gesproken heeft — ook nu

37

-ocr page 58-

38 DOKTBK HELHOND EN ZIJN VBOÜW.

haar uitwerking heeft gehad. Toen hij van \'t geluk sprak \'twelk dokter Helmond met zijn geliefde „te gemoet ijldequot;, in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van den majoor Kartenglimj) of een doodelijk ziekbed, waaraan — zooals hij vernam — de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit „werelddeelquot; had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken en ontroeren.— O Coba mijn! — Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij \'t heengaan — geheel in gedachten — Hendrik die hem uitliet de hand schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen, zal deze dan de vervulling der planeet zijn: „De zon zal het zilver beschijnen en hetzelve aan u doen kleven.quot; Zij was „bleekblank als het zilverquot;, en de Zonsberg bescheen haar!

„Atjuus menheer Kippelaan!quot; zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op De Zonsberg heeft gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn,

zoekt en frommelt en tuurt erin, en---- is verplicht Hendrik een

gulden te geven, want „de twee kwartjesquot; hij vond ze niet.

Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind — eenmaal, jawel, generaals zijn ook sterfelijk — dan zouden immers de guldens voor Kippelaan zijn „wat nu het zand was aan den oever der

zee; tenminste----quot;

Éppelaan die in \'t schemerdonker vertrok, heeft nog eens even, terzij van het huis een „blikslagquot; erop geworpen, want hij „kent gaarne iets aan alle kantenquot;.

Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.

\'t Was „letterlijk niet te verstaan.quot; — Nu werd het luider. Stil, dat is de stem van den generaal. Hoor:

„Getrouwd____met Chassé. — Citadel.... twee kinders.quot;

Kippelaan vond het indiscreet; maar hier onder den donkeren

eik, wie zag hem! \'t Was aller-interessantst! aller----aller----

interessantst! en hij luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal tot zijn pleegzoon:

.Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan August? heb ik dien andere minder liefgehad? \'t Is wreed mij aan dien knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een \'dwaze rederijkersmanie, zich te verslingeren aan een too-neelnimf van het laagste ressort! Had ik hem daarvoor mijn liefde

betoond, om mij----mij----quot;

„Beste oom, spreek hierover niet meer;quot; zegt Helmond dewijl hij

-ocr page 59-

DOKTER HELHOND EN ZIJN VROUW.

„ aarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken.quot;

„Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in een oogenblik van opgewondenheid....quot;

,Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer ik me die woorden herinner; van hem die woorden; „Man, als je één greintje eergevoel in de borst hadt....!quot; God in den hemel, hij tot mij! Zwijg, zwijg zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer.quot;

„Ja oom, \'t was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener....quot;

„Slecht! er is geen woord voor te vinden!quot;

„De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet voorspreken oom. maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als een „rot lid;quot; hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige begrippen verschillen wij veel. maar als u vasthoudt aan wat geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven, evenals God----quot;

Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt hij — aanvankelijk kalmer:

„Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig God geloof. Daar is een verdoemenis! De bokken zullen van de schapen worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen Genade! — In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader den kogel geeft; als hij opstand — insubordinatie — straft met den dood. — Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu den ellendige vervloek dien ik liefhad en weldeed; de adder die me zeggen durfde: „man, als je één greintje eergevoel....quot; God in den Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets....quot;

Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan, en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals drinken -— nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken — zeer duidelijk verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.

„Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!quot;

„Ha zoo, als men dat maar bedenkt.quot;

„Ik vraag u niets voor. ... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet baten oom.quot;

„Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn naam wordt in dat stuk niet genoemd.quot;

39

ziet hoe de herinnering aan \'tgeen zijn broeder deed, den ouden rader beroert.

-ocr page 60-

40 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOUW.

,Maar de bedoeling ervan----?quot;

„Ia duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van \'tgeen mij heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling zoudt verstaan en gebillijkt hebben.quot;

August Helmond staart op het schrift, \'twelk de oom hem straks ter onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus zou hebben gevestigd en in \'t huwelijk ging treden; ofschoon men wel eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet had. \'t Was mooi genoeg dat Helmond — die alles wat hij was en bezat aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont en van De Zonsberg bij voortduring een stroom van weldaden in het huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van \'t huwelijk afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend — het dubbele van \'tgeen hij, sedert hij dokter werd,ontving — terwijl den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag van honderd gulden was verzekerd.

Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan den vroegeren huisgenoot nimmer iets zou schenken van \'tgeen den pleegvader had toebehoord. — Was hem die meerdere zekerheid voor de toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.

Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:

„Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele vrouw.quot;

„Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan dat voornemen varen. Je moeder heb ik — zooals je weet — zeer weinig gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je vader. Maar August, al stond daar je moeder met,dien anderquot; voor me, en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen; Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon des Almachtigen.quot;

„Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat woord.... te hard, te....quot;

-ocr page 61-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTJW. 41

,Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan indien men „den anderquot; tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan. — Ik wensch je naam onder dat schrift. — Zeer lang heb ik er tegen opgezien om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en \'tgeen ik verplicht was, maar dan ziju wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?quot;

„Oom!quot;

„Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer...

„Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren, omdat hij eens, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dat kan ik niet!quot;

De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de

frijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig —rijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig —

alf met zekere verruiming uit:

„Maar wie eischt dit!\'? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen, onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen, naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat „de anderquot; ooit iets zal genieten van \'t geen ik thans het mijne noem. Zou je dan wenschen dat hij nog dieper zonk. en willen meewerken om zijn zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik aan denken zoudt.quot;

„Maar alles wat ik zelfs nü bezit heb ik aan u te danken....quot;

„Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van dit geschrift begrepen?quot;

„Ja, oom.... en ik vergeet het niet.quot;

„Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de on-derteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn wil niet duidelijk gebleken was.quot;

Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire ; neemt er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein bankpapier voor Helmond neer.

„Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening. — Wat de partij in De Gouden Arend betreft; nu daartoe besloten werd — misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks verplicht te zijn — nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar?Zorg nu verder dat ze met dit — geheel in orde komt, en zonder dat

-ocr page 62-

42 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOTTW.

iemand anders daarvan wete.quot; Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.

„Oom, ik nam het voor mijne rekening, omdat mijn lieve Eva op dat déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen uw gastheer blijven.quot;

„Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, nie-waar, dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer ? Tegenover het publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan. — En dan,quot; vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille heeft gestoken: „En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop en Parijs nog al duur is. Ziedaar!quot;

Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: „Tweehonderd gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond.quot;

„Oom, uw goedheid....!quot;

„Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank meer. \'t Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij, in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een vroeger gesprek herinnert:

„Ik begrijp u oom----quot;

„August, ik geloof niet dat het déjeuner in De Arend zou worden gegeven als je mij geheel en al begrepen hadt...!quot;

„Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dat is ze niet.quot;

„Heb haar lief met wijsheid August! — Zij zag er gisteren prachtig uit.quot;

„Zult u mijn wijfje ook liefhebben oom? Ja, ik weet het. U zult het, evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!quot;

„Wie mijn zoon gelukkig maakt die heb ik lief als een kind. — Komaan, onze zitting heeft al te lang geduurd.quot; Hij drukt hem met warmte de hand.

VIERDE HOOFDSTUK.

Den volgenden dag was het „regen en wind.quot; De tuinman van De Zonsberg heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebar-

-ocr page 63-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

sten plekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er „donder aan de lucht was. De lucht kon nog \'weinig warmte verdragen; en de twee laatste Meidagen waren krek balsemiek geweest.quot;

\'sNachta heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.

\'t Is acht uren in den morgen.

Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.quot;

„Om kwart over tienen vóór Willem.quot;

„Zeer wel generaal. Met de koets?quot;

„Nee, met de vigilante.quot;

„... .Zeer wel generaal- — Toch \'t koperen tuig?quot;

„\'t Zwarte regentuig Willem.quot;

„----Alzoo kwart over tienen vóór, generaal. — Nog iets van je

orders generaal?quot;

„Je brengt me eerst met de juffrouw naar \'t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.quot;

„Zeer wel generaal.quot;

„Je rijdt dan bruid en bruidegom naar \'t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naar De Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.quot;

„Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?quot;

„Natuurlijk witte handschoenen.quot;

„Natuurlijk generaal. — Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan de koets en het koperen tuig?quot;

„De controleur gaat naar veel regen en wind.quot;

„Niets meer van je orders generaal?quot;

„Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan \'t station. Van daar kom je aan De Arend terug, en rijden we weer mee naar De Zonsberg.quot;

„Volgens je orders generaal. — Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!quot; Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.

— De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.

De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, \'t welk het voorbijjagend rijtuig van De Zonsberg doet opspatten.

43

-ocr page 64-

44 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

„August treft het slecht Coba.quot;

,Droevig weer pa.quot;

,\'t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar \'t

stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden......Bertha

hechtte aan goed weer op den trouwdag.quot;

,\'t Stemt vroolijker papa.quot;

„Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.quot;

De wind stond op het raampje aan Coba\'s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden, \'t Was haar alsof ze tranen zag.

„Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?quot;

„Ingenomen?quot; zegt Coba verstrooid: „Ik geloof----Nee ik heb

het vergeten pa.quot;

„Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Strak» moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; \'t was twee minuten over den tijd. \'t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten. — Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?quot;

In \'t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:

„O heel wel!quot; en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: „Zie, de lucht is daar nog erg donker, \'t Is zóó wel treurig vandaag.quot;

Zeven minuten later reed de vigilante van De Zonsberg, —na den generaal en zijne dochter aan \'t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.

„Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!quot; zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva\'s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.

,\'t Is een vigilante lieve!quot; zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: „\'t zal voor papa en mama zijn.quot;

„Nee beste kind, \'t is heusch van De Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.quot;

„Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik aller-bespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig. — Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.quot;

,\'t Is zeker omdat \'t zoo regent;quot; meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva\'s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.

„Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen „met de koets-\' trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.quot; — Roepend aan de openstaande gangdeur: „Pa! Pa-lief! Pa!quot;

Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaat

-ocr page 65-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOTTW. 45

naar binnen. — Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft „als een gek.quot; Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; !t is hem veel te wiid, veel te slobs geworden, bah!

„Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor \'t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.quot;

Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze — nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was — op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem — entre nous gezegd — te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de „groote tiendaagsche ruziequot; en dan „vijf en twintigjarigen dienstquot; toch niet hangen; en deRomphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.

Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond — waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven — was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante van De Zonsberg dan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.

In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.

„O, zijn de rijtuigen daar?quot; zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: „Zeer goed, je zult wel wachten;quot; en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: „Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!quot; Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uit De Gouden Arend, haar op zij, en zegt:

„Menheer Siebold wilde een kistje van de vier, en drie pakjes manilla\'s voor de partij hebben. De duiten present.quot;

„Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?quot;

„Wat is er Marie? — Watblief Herman?quot; vraagt Armelo in de deur.

-ocr page 66-

DOKTEH HELMOND EN ZIJN VKOUW.

, Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla\'s, kapitein?quot;

,0 wacht, met alle....quot;

„God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum! — Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.quot;

„Ik heb nier anders den sleutel;quot; zegt Armelo met het wapen vooruit.

„Wacht pa, ik zal wel even----Geef u maar hier. Wil je maar

meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?quot;

\'t Is Eva\'s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.

„Wat is daar----?quot; vraagt Eva.

„Niets, volstrekt niets lieve engel;quot; zegt mevrouw Armelo op den drempel.

„Ik zag daar Herman uit De Arend ma. Is er iets.... van \'t déjeuner.... of----?quot;

„Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten, \'t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om \'t zilver kwamen. Men durft maar alles!quot;

„Ik zal het vandaag wel \'t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;quot; zegt Helmond.

Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.

„Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!quot; zegt mevrouw met een zucht: „maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: een zoon. Helmond,een zoon die ons liefheeft, niewaar?quot;

Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: „Wij vertrouwen u ons kind August!quot; — En dan: „Ha, daar is ook onze equipage!quot; Straks roepend in de gang: „Louise! mijn engel! ik bid je, kom!quot;

De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.

Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich — en nu reeds omstreeks een half uur — de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.

De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maar

46

-ocr page 67-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

zou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral niet in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond op De Zonsberg had ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje cour-tiseerde — ja ja, aanstaande bruidjes willen dat wel — had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecko had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn „beloftequot; geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.

Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon — die mede geenszins nieuw was — juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze — evenals zijn broekspijpen van achteren — nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.

Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de „voorname heerenquot; gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend — natuurlijkin zoo\'n trouwkamer — zegt hij:

„Zeker pas gekomen? met de spoor?quot;

„Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht... ■quot;

„Ken je den oudste van die beide heeren?quot;

„Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?quot;

„Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.quot;

„Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft., en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?quot;

47

-ocr page 68-

DOKTEE HELMOND EN ZIJN VEOÜW.

, Juist!quot;

,Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.quot;

„Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.quot;

Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.

„Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?quot;

„Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?quot;

„De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten. — Fameus pleizierig; \'t zal haar goeddoen.quot; — Naar de deur ziende: „\'t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.quot;

„Ik begrijp niet wat er aan hapert;quot; zegt Van Barneveld vrij luid; ,\'t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!quot;

„Misschien iets met de paarden;quot; meent dokter Wolf: „De keien liggen hier in Eomphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z\'n eigen den poot moet verzwikken.quot;

Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.

„Als ik de geëerde tamilie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....quot;

De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter ov 1

datzelfde oogenblik de dubbele

de _ ___ ______________________________„3 paar, gevolgd door de familie

Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.

Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En — \'t was een kloek, aristocratisch schoon paar.

De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheim-zinnigs.

Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed — een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.

Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin — dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid — die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnen

48

-ocr page 69-

Tgt;OKTER HELMOND EN ZIJN VBOCW.

kleed een weinig in orde schikt — een galant woordje toe te spreken, \'twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.

„Daar heb je \'t al!quot; fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtge-noote: „de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; \'tis geen smaak meer.quot;

,Welzeker is het ton;quot; fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.

„Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;quot; zegt Armelo.

„Dat is ook méér dan schandalig!quot; herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: „wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeur generaal en ver boven ons verheven is. Welzeker 1 Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.quot;

Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.

T)e burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeentesecretaris, treedt de trouwkamer binnen.

Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde — welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidsh paar en hun verder gezelschap overgaat — die buiging is een nom-mer op het programma, \'twelk burgemeester bij de „formeele staats-koppelarijquot; — zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt — gewoon is te volgen.

Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar \'t bordes en zegt — nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd — tot den koetsier van Siebold uit De Gouden Arend:

„Hoe liep het zoo laat Jozef?quot;

„Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.quot;

„Niet eerder besteld?quot;

„Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant van De Zons-berg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.quot;

Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en \'t was zeker niet naar \'t behoorde, dat hij en Hendrik — zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten — bou-«juetten op de borst hadden, terwijl Jozef uit De Arend — die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden — zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft,

„Op zij jongens!quot; zegt Jut, en dan tot Willem: „Was de koets in orde?quot;

„Jawel.quot;

„Waarom nam je dan de.... vieselant----?quot;

I. «

-ocr page 70-

50 JSOKTZli HELMOND ES ZIJN VROUW.

.Ingevolge m\'D orders!quot; zegt de oude snorrebaard.

jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan \'teind zijn. Op \'t laatst begint bur-

femeester gewoonlijk zóó hard, dat men \'tin de gang wel hooren an en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar emeester gewoonlijk zóó hard, dat men \'tin de gang wel hooren an en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heh je \'t al:

„Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijls verbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich ver-eenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om aieda al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.quot;

\'t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte w eer.

Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo\'s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. \'tZou hem niet verwondere n als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!

— „Nee juffrouw Sillemond, d\'r zal vandaag geen orgel zijn ^en-heer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d\'r al lang geweest, want \'t is al tien minuten over den tijd. \'En boek juffrouw Sillemond\'? Asjeblieft! — Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg. — Woudt u liever in de regeeringsbank.... ? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor ... U begrijpt dus....quot;

„Ja maar, zieje — ik, ik ben gisteren nog den heelen dag op De Zonsberg geweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij \'t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan---- dan zie ik ze op den rug.quot;

„Maar m\'n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij \'t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan----quot;

vO ja, e ja, dank je wel! merci, precies! Wacht----!quot; hij haalt

zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: „Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou liet kwalijk nemen. — Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat. -.. ?

Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen hijwonen.

Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkens

-ocr page 71-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 51

richten zich de oogen naar de zij van den groeten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.

— Hoor, daar rollen de koetsen.

— Nu zullen ze komen!

— Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.

Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.

De kerkgangers die het dichtst bn den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.

— Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.

\'t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek. — Maar \'t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik! — Iedereen weet dat Ei va Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó — zóó is ze prachtig, ja prachtig inderdaad!

Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen — mede twee aan twee — de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt, \'t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva\'s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.

Die stilte in het tamelijk ruime Grodshuis, in harmoni» met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.

Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.

Het pad is lang. — Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstsan

dwingend, de woorden toefluistert: „Van harte---- van ganscher,

hoor! — Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen! — Van harte, van harte!quot;

Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omge-treden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- bf orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk — waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken — van het schip der kerk gescheiden.

Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat hij dadelijk, dadelijk naar \'t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.

-ocr page 72-

52 DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

„Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.quot;

„Zoo, Janssen.... Wil jij maar----quot; Donerie heeft den man een

wenk gegeven om naar boven te gaan.

En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.

— Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....

— Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva ... zijn Eva.-., de vijftienjarige----? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu

Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! \'t Wordt tijd,hoog tijd. Voort!

En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkende hymme. ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.

Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men \'t hun aanzien dat ze getroffen zijn.

Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist. — Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar,

\'t was nu lief van hem, heel lief----! En terwijl de grijze heeren

een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van BarneveW, juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken: Lieder ohne Worte!

En de hymne raischte voort, en — het ruischen van Eva\'s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbon-

-ocr page 73-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOCW, 53

den kostershuis begeven, om er, voor \'t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.

Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zgn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, van zijne zijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maag-denhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.

Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.

Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.

„Nee lieve August, volstrekt niet;quot; zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals \'t naar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en — ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Eomphuizen gemaakt had....

„Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;quot; fluistert Helmond.

„Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is \'t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!quot;

\'t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uit De Gouden Arend moest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig. — Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hg haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenbhkken als deze, wanneer de neef •— het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden — den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de ^liefhebbende pleegvaderquot; geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens be-

-ocr page 74-

54 DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOOW.

derven wil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.

„Oom heeft ons al op \'t stadhuis gefeliciteerd Eva;quot; fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.

,\'t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen

herneemt Eva; „Nee, \'t is wat erg---- zie, nu moet hij dien onuit-

staanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen lomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.quot;

Kippelaan die — dank zij zijn straks gegeven fooi — in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoenen :

„Tot in lengte van dagen hoorje! — Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt \'t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos amice! bekend dat ze in De Arend gemeene champagneglazen hebben. Wil je d\'r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama\'s kant, de Parladotti\'s, M!n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?quot;

„Dankje Kippelaan, dankje bepaald.quot;

.Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal \'em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen. — Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien. — Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier. — Met den trein van drieën, of----?quot;

Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken — nu van toga en bef ontdaan — de kamer ingetreden.

Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar — van dien pleegzoon in \'t bijzonder — ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblik-ken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd, \'t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van De Zonsberg met voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva\'s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in \'t nauw gebracht, doordien nij van mijnheer Wolf „den veeartsquot; h eeft gesproken, „wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlakte

-ocr page 75-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

laaizen had gemaaktquot;, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam onder-meesier op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wit die menschen waren; Eva was de dochter van een mandie het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan — en zelfs op dezen hoogstge-wichtigen dag — dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva\'s toilet nauwkeurig beschouwt, eon toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zeiven wat kalmer gestemd, maar \'tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders — anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zooals hij er een aan het „ander ikquot; van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.

Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:

,Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt. — quot;t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk — ja alle geluk — in waardeering bestaat. Zeer juist. De mensch mag — ik zou zelfs zeggen hij moet met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van \'tgeen hij goeds bezit en niet slechts van het betere \'twelk hij elders ziet ,of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.

,Jonge echtgenooten!quot; vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: ,\'t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie — onzen Heiland — gesproken: „De liefde zij ongeveinsd!quot; — Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek hier, als \'t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand. — dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggen volkomen gelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dan tevredenheid, \'t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door deu al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen.

55

-ocr page 76-

66 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

Onder \'t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen da goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo arin-gend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik leker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voer zich te behouden ... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.

„August, al zal ook Je dagelijksch brood, geëvenredigd raar den stand waarin God je plaatste — het allermeest de vruclt van je eigen werk en studie — zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een .sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waaide krijgen in haar oog. — August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en — heb haar lief.quot;

„Oom, ik bid u,quot; fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunuen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.

Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan \'t hart! — Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat in deze ure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven? — Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nü: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dat verdraag ik niet. — En Eva\'s wit — witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en — of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van \'t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva\'s hand, en, zonder dat er voor den min-aan-dachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:

„God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geer tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, iV zes. ... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je

-ocr page 77-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 57

hem gelukkig zult maken.... Fi fl, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel — ziezoo....quot; En — de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.

Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeer zeer zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansoh anderen toon dan daar straks een: „Dank u oom,quot; heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerherg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.

Zwijgend — als om den storm te doen bedaren — drukte Hoogerherg den grijzen pleegvader de hand. en zacht klinkt het antwoord;

„Nee nee dominee, \'t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, \'t zou me knagen aan \'t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.quot;

De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor \'t meerendeel hooiende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de „gelijkheid der partijenquot; overtuigd was — „allemaal militairquot; — toch heeft ze, toen de rijke heer van De Zonsberg haar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in \'t oor gefluisterd:

„O \'t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?quot;

Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook haar, als de moeder van zijn nieuwe nicht en „schoon-pleegdochterquot; ten aan-schouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja. waarom niet!

Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.

Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij \'verplicht hier ook iets te zeggen: „Ja ja Marie, ik weet wel! Maar \'t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!quot; Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.

„Mijnheer Helmond!quot; — Omziende: „Watblief? — Kinderen meen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was niet goed dat de mensch alleen stond in de armee ...quot;

„Guns Armelo! — Hij meent de wereld;quot; fluistert mevrouw.

„Dat. hot niet goed was in de wereld;quot; verbetert de kapitein:

-ocr page 78-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

„En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult re.specteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d\'r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....quot;

Annelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, „ongewoon aan die groote dingen op de borstquot;, iets in \'t oog heeft zien schemeren, en, mee-nende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde — een spin of zoo\'n ding — heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de „groote tiendaagsohe ruziequot; voor het jonge paar op den grond is gevallen.

Maar \'t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.

Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor \'t grootste deel verlaten omdat het — zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt — toch niemendal gaf dan een kletsnat pak.quot;

Behalve eenige straatjongens en meisjes — de laatsten met haar rokken over \'t hoofd — stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen dor jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. \'tWas een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op „een oogenblik vol zaligheid zooals het nu aan dat paar geschonken wasquot;. — Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

„Piet, als je eens iets uitvondt;quot; zuchtte het meisje heel zacht.

„Ja, Manetje,quot; zuchtte Piet weerom: „als ik eens iets uitvond; maar wat!?quot; en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.

De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu. zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een loover-kier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neer-

feklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar — een rouwfloers eeft hem het uitzicht benomen. \'tZal oen zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op \'t laatst, bij \'t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.eklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar — een rouwfloers eeft hem het uitzicht benomen. \'tZal oen zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op \'t laatst, bij \'t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.

58

-ocr page 79-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW.

\'t Was haar kleed... — De lijkkoets? — Nu ja de trouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn ,twaalf uurquot; als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde.. .na zulk een concert! — Nu is \'talles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen. — Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait. — Als hij opstaat dan zal dat beter worden. — Ja, zoo is het. — Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn. — Nu is de secretaire geopend.

— Neen, - ja, - bonst het hoofd; neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja. — Het binnendeurtje was al open.

— Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van

een ander----? Habaha! — Wie lachte daar, wie? — Goede God,

hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken. — Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg, weg er mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand! — Waar ze zijn....? Hier, déar, hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie\'s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine, — ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie — als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ofschoon het déjeuner in De Gouden Arend in vele opzichten der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl net ver-

59

-ocr page 80-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„En daarom sta ik hier ala de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult re.specteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d\'r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en.. ..quot;

Annelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, „ongewoon aan die groote dingen op de borstquot;, iets in \'toog heeft zien schemeren, en, mee-nende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde — een spin of zoo\'n ding — heett hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakjlt; \' \' \';e tiendaagsche ruziequot; voor

Maar \'t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.

Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphnizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizeud-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor \'t grootste deel verlaten omdat het — zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt — toch niemendal gaf dan een kletsnat pak.quot;

Behalve eenige straatjongens en meisjes — de laatsten met haar rokken over \'t hoofd — stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. \'tWas een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op „een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken wasquot;. — Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

„Piet, als je eens iets uitvondt;quot; zuchtte het meisje heel zacht.

„Ja, Manetje,quot; zuchtte Piet weerom: „als ik eens iets uitvond; maar wat!?quot; en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.

De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een loover-kier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neer-

feklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar — een rouwfloers eeft hem het uitzicht benomen. \'tZal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op \'t laatst, bij \'t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.eklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar — een rouwfloers eeft hem het uitzicht benomen. \'tZal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op \'t laatst, bij \'t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken.

58

-ocr page 81-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

\'tWas haar kleed... — De lijkkoets? — Nu ja de trouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn „twaalf uurquot; als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde... na zulk een concert! — Nu is \'talles afgeloopeu. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen. — Eten ? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait. — Als hij opstaat dan zal dat beter worden. —- Ja, zoo is het. — Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn. — Nu is de secretaire geopend.

— Neen, - ja, - bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja. — Het binnendeurtje was al open.

— Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van

een ander----? Hahaha! — Wie lachte daar, wie? — Goede God,

hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken. — Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg, weg er mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand! — Waar ze zijn....? Hier, déar, hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie\'s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine, — ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie — als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-Iooden tint van dien somberen dag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ofschoon het déjeuner in De Gouden Arend in vele opzichten der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl liet ver-

59

-ocr page 82-

60 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

schil van maatschappelijke positie der gasten overvloedige stof tot karakterstudie bood; — een kwalijk verbloemde onrust van het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van den generaal, werken — misschien wel gelukkig — aanstekelijk, en, wie er van de gasten ot misschien van de bedienden lust in heeft, hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó netjes als er in De Gouden Arend nooit te voren een gegeven was, doch wij — we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer slecht gemaakt had.

De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch, heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer zachtjes toegefluisterd:

\'t Is over nalftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt....quot;

„Dan moet jij maar \'t eerst....quot; heeft Eva teruggefluisterd.

Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op, \'twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan \'t zusje te denken dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel anders heeft gehad.

,Jawel, daar broeit iets Louise;quot; zegt Thomas Van Hake, die naast Louise Armelo zit.

„Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata.quot;

,Ja maar, \'t is halftwee, en----Wil je een stukje van de taart

Louise?quot;

„Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner.quot; En dan eensklaps met het oog naar het midden der tafel: „Guns, zie, ze zijn al gevlogen; hun stoelen staan leeg!quot;

Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van De Zonsberg geladen, en voor den feilen regen dooreen lederen kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal, hun regenjassen aan. De oude koetsier — die „vrij wat meer parade op den bok dan op de been maaktquot; — zat, recht als een kaars, regen en storm te tarten, even kordaat als „de groote keizerquot; weleer de rampen braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit De Arend heeft, roet de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik, die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt nogmaals een blik in de breede hotelgang. — Boven moeten er ramen of deuren zijn geopend, want

-ocr page 83-

DOKTER HELMOND EN ZLTN VROUW. 61

eensklaps zuijjt een geweldige tocht, zoodat een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen, en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.

Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.

In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre een kleine groep. In \'t raidden ervan bevinden zich twee personen, die niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te scheuren. Uit haar midden Komen ze snel naar voren, de beide personen die men zooeven ten afscheid de hand gaf.

Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt, dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.

„Helmond! Hel... .mond!quot; roept een vrouwenstem op den natten dorpel van De Gouden Arend. De geroepene ziet om. \'t Is mevrouw Armelo die met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen, storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.

Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen, gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:

„Hadt u nog iets mevr----mama?quot;

En mevrouw Armelo had nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna onhoorbaar:

„Och August, zul je bedenken dat ze mijn mijn kind is! O zul je, zeg!?quot;

August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk, ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar

f eluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een ochter van haar of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond — \'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig. eluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een ochter van haar of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond — \'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.

Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu was hij alleen — alleen met zijn wijfje!

— Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?

,Eva! mijn engelachtig vrouwtje!quot;

Zij antwoordt niet.

-ocr page 84-

62 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKODW.

Stil, ze schreit, \'t Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel aan haar zelve overlaat. — Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts kent uit gulden dagen.

Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt, en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds er mee te bewerken dacht.

Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij, zal haar wel goeddoen.

,Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de zij waar geen wind is?quot;

Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:

„Och----\'t is----mij....quot;

„Zeker goed niewaar?quot; vult Helmond aan: „Ja \'t zal beter zijn ... Wacht!quot;

Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder \'t schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok, en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.

Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug; legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.

En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend snikken wordt sterker.

In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men het haar straks terdeeg kunnen aanzien; \'t publiek maakt zoo spoedig zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel; haalt haar nader tot zich, en dan;

„Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?quot;

Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en \'t klinkt met een nok-kenden zucht:

„Och----August!quot;

„\'t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven, — mijn eigen aangebeden vrouwtje!quot;

Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan, en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.

Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: „\'t zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken.quot; En ofschoon Eva zichzelve dan ook geweld doet om dien „dwazen tranenstroomquot; te bedwingen — misschien dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en spoorwagen denkt — telkens overmeestert haar weer dat „onverklaarbarequot; \'t welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:

-ocr page 85-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 65

,Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe het.... komt.... en toch....quot; Eva kon niet eindigen. „En toch, ik ben zoo gelukkig;quot; heeft ze willen zeggen.

Maar dat geluk was immers de oorsprong dier tranen niet. Velerlei gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fik-sche natuur als de hare een oogenblik van streek te brengen. — De zekerheid dat zo heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl den blos van het aangezicht verjaagd en met ornst hebben vervuld, doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.

Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij zich geweld aandoen. — Den ganschen dag heeft Eva zich be-heerscht om te schijnen wat ze niet was. — In het oog van allen die haar zagen moest ze do heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen, waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de vreugd van dezen dag misgunde, en voor \'t meerendeel de hulde onthield, waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het zeker: \'t is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid, dat die man met zijn streng — misschien aristocratisch voorkomen, een schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. \'t Is slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar „de laffe vleierij van zulk een oud man\'\' — in \'t geringste aangenaam was; neen, maar \'t heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken, den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op las: Wat zon in \'shemelsnaam zulk een toilet wel gekost hebben!

Neen. niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen, zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan de houterige ofschoon goedaardige Jacoba — terwijl juist twee dagen later een zuster van den generaal zou komen logeeren — dat alles, maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze hebben1 haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijkcn man, een bekrompen despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat het haar gekost heeft om zich goed te houden;schijnbaar vroolijk, lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August — die nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten gogen en een bijna aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.

-ocr page 86-

64 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva\'s overvloedige tranen.

Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het gevoel van miskenning, waardoor haar net zoet van den sohoonsten feestdag was vergald.... ? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld, toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.

Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan „had het opgetrokkenquot;, en de natuur was tot haar vroegere kalmte teruggekeerd.

Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied door het vriendelijk-stralende aangezicht \'twelk zooveel onstuimigs had naar boven gehaald.

„Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust; over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!quot;

Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren, en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:

„Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog ialoersch maken met zijn liefde voor mijn engel!quot;

„Die arme oom!quot;

„Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus.quot;

„Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!quot; fluistert Eva na een lange omhelzing: „Heb ik niet juist mijn dokter genomen omdat hij uitblonk, omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve professor!quot;

Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen — ze wist niet hoe het kwam — toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde

hem zeggen ... dat hij haar liefhad; maar----ze weet niet wat ze

geantwoord heeft.

De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Am-stelstad, sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in H e t Keizershof had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en bijzondere beleefdheid voor mevrouw, zeiden genoeg. Maar, de beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen nij had boven gebracht \'tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets niemendal, en hoorde de schenker na \'t verlaten

-ocr page 87-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 05

der kamer nog maar alleen — dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het slot werd gedaan.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en \'s anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.

Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur aangelegd, en het raam staat er open.

Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak, en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jarei; voor \'t minst; thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja, nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men erkennen — hoewel \'t hem is aan te zien dat hij ziek is geweest — dat hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft. — Kartenglimp, ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een ,dikken dertigerquot; door; en, mogen er sommigen zijn die hem juist taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd Oostindisch hoofdofficier in \'t Moederland op zijn lauweren rust.

Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In \'t laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield, en de „Haagsche wittequot; zoo stijf als een hark was. Dat dit echter de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren, doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven verzekering gestreeld, en waren nu over\'t algemeen met hem ingenomen, te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en uitmuntend qnadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.

\'t Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat Kartenglimp — een man in de kracht van \'t leven —zich geen vrouw uit hun midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds de oogen moesten neerslaan als de majoor L 5

-ocr page 88-

66 DOKTER HELHOND EN ZIJN VBOUW.

haar met zijn donkerbruine kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje later in de „Sociequot; bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor „te bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs — en voor haar geheele leven — te willen opdringen!quot; Kartenglimp kon zoo „onder ons, nog al aardig doorslaan.quot; Als de papa\'s er niet bij waren, dan had hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost — enfin.... \'t Was soms fameus pikant. En — zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk: Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst dinjj, vooral hier in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat slechts menscheliike kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst tusschen één man en één vrouw kon hebben in \'t leven geroepen. Ja waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer verdacht, en — is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig mag heeten?—Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen, maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal; maar die ontrouw — door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen geketende als schande toegerekend — wat is die inderdaad anders dan de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie of te veel geld vertere. — \'t Was alleraardigst zooals de majoor er over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!

De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had; maar — redeneerde Kartenglimp — als men die zaak toch goed bezag, dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in \'t nauw en terwijl het in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan

-ocr page 89-

DOKTER HKLJIOND EN ZUN VKOUW. 67

men bovendien tegen dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige bestrijding dan onvoorzichtig wezen.

„Matig versterken,quot; heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in \'t vervolg menageererr dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm houden. Welzeker! — Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar aan \'t partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen die grasgroene Romphuizers getuigen!

Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde — men zou schier zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed „de pestquot; is, en hij Mietje zal zeggen die karaf — althans \'s morgens — nooit meer op tafel te zetten.

Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op de been geweest om zich te kleeden en te „adoniseerenquot;. Daarmee gereed, heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn aderen stroomt.-. - alsof do raamkozijnen en behangselstrepen slangen worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend tapijt te smoren dreigt.

Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt. — Het klamme zweet breekt den majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet werkelijk.... Nee nee, een beroerte. -.. nee....!

Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal aan \'t bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete voor zijn onverstandig doorg ebrachten morgen betaald ; slaap en koud water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.

„....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren.quot;

„Dat beken ik je in \'t geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die beddekwast. Ik weet dat ik heel wel was, heel wél, en dan zou dat ontbijt met één glaasje port....quot;

„Na uw ziekte majoor!quot;

„Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen ben gekomen om me voor m\'n tijd te laten kapot maken. Die ouwe

-ocr page 90-

DOKTBB HELMOND BN ZIJN VBOtTW.

Bierton met z\'n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou \'em m\'n kat niet toevertrouwen; en voor jou pülenkennis heb ik zooveel respect als voor m\'n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond, en zoo uitvoerig als \'t maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek.quot;

„Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. ü bent nu wat overspannen omdat....quot;

Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp heeft — zooals hij zegt -— duizendmaal den dood onder de oogen gezien, maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil, en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen, vóór zijn tijd in de kist te liggen. — Bij deze woorden brak den reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.

Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar waarheid en zeer duidelijk — natuurlijk oj) kosten van den majoor — over te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond — ofschoon de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen — overvloedige vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij — dit moest Helmond tusschen de regels lezen — slechts ter bevrediging van den geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.

\'t Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan, want de vigilante stond voor de deur. Op het oogen-blik, dat zij de kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram van Van Hake overhandigd.

Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, \'t Is over zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik wachten wil? hij is aanstonds gereed.

Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens oji, waarin haar huwelijk reeds vermeld stond, en sloeg bij \'t doelloos inzien ervan, telkens een zijdelingschen blik in den groeten spiegel om zich te overtuigen of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.

De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen hij eensklaps ontstelde, want, die „levendige pas getrouwde oogenquot; hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet.

68

-ocr page 91-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW. 69

— Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar goed stond. — Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de drukke straat.

En Helmond schreef zijn telegram:

,T. Van Hake, Romphuizen,

Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en gebruik. terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.

Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch mef een recept besloten, en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging gegeven.

Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet te zoeken.

Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen bun reisje over Amsterdam hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.

Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat stijf — misschien een weinig gegeneerd — en trachtte haar door velerlei verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig „op haar gemak te zetten.quot;

Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien ouden vriend — nota bene — over de wet op het geneeskundig staatstoezicht sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai, tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was op den eersten dag van \'t reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets zou nazien — \'tgeen August hem echter mede graag geschonken had — in dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet alleen terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.

Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en gevoelig voor de allerliefste visite :

-ocr page 92-

70 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

„We mogen er heusch wel trotach op zijn,quot; besloot mevrouw: „want om je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen — niewaar Es — toen bedankten we voor familie en vrienden.quot;

Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den koetsier gelast om naar \'t hotel terug te rijden; maar nu nabij den hoek eener zijgracht, tikt hg op het voorglas, en beveelt; „Tuinstraat No. Twaalf.quot;

„Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan Eva.quot;

„Maar August, hoe kon je dat denken?quot;

„Nee \'t is ook waar. Ofschoon----\'k zeg alleen, dat ik het een

oogenblik dacht.quot;

„\'t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van vrienden eh familie op hun hnwelijksreisje denken.quot;

„Ja zeker, \'t was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar ik dacht nu----een eigen broer!quot;

„\'t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat we vast....quot;

„Zeker mijn wijfje, we hebben dat vast afgesproken.quot;

„\'tZou hen toch ook geneeren August.quot;

„Juist kind; \'tkwam me nog een oogenblik voor dat ze \'t hartelijk zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar----quot;

„Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn armoede bezocht, en \'t minst door nieuw aangetrouwde familie.quot;

„Ja, \'t zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel chic gekleed. Nee nee, heel goed en lief gekleed beste kind, uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor daar. — Dus blijf je dan zoolang in het rijtuig?quot;

„Niet te lang beste man. — Ha! ik kan me, in dien tijd zoo\'n reistaschje koopen.quot;

\'t Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode bot. Ben terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusscben turfkarren en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende beenen erop zat, liefkoosde in \'t voorbijrijden met de versleten punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuin-straatsche, wie deze vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met een weinig vleienden grauw beantwoordde.

Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur moest hij hier terug zijn.

N0. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het kelderhuis woonde een schoenlapper; op do eerste verdieping

-ocr page 93-

DOKTER HELMOND EN ZUN VROUW. 71

een oud heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai, en een verdieping hooger.....

,Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven,quot; zegt de nicht, die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft: „meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig, de trap is een beetje gesleten. Oom zou \'em opknappen, ziet uwé, maar oom is een oud mensch, en.....quot;

Helmond is reeds naar boven gegaan.

\'t Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek \'t welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hg in die kamer kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar, door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.

De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.

„Hoe gaat het Philip?quot; zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere de hand reikt.

,\'t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en je de hand gaf. — Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar staat een stoel — als ie je niet te gemeen is.quot;

„Op dien toon had ik het niet verwacht Philip.quot;

„Dat spijt me. \'t Is me een bewijs dat je met al je menschen-kennis en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is.quot;

„Ik kom je opzoeken als broer ; mij dunkt dat ik niets beters kan doen om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?quot;

„Zeg eens, je noemt me goed August; maar weet je wel dat ik me zelf vervloekt laag zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?quot;

„Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht; — wanneer ik die had kunnen voorzien....quot;

„Dan zou je niet hier zijn gekomen, \'t Ware misschien beter geweest.quot;

„Philip, goeie kerel! wat heb ik gedaan dat je mij----quot;

„Wat je gedaan hebt August? Niets! waarachtig, je hebt niets niemendal gedaan!quot;

„Je bedoelt.....?quot;

„Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt.quot;

„Zeg niet Philip, dat ik niets gedaan heb. Ben ik niet je krachtige voorspraak oij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom....quot;

„Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van dat meubel — gemeen hê zoo\'n houten kast — daar ligt nog die prachtige brief De slotregels waren heel mooi; ik ken ze

-ocr page 94-

72 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

van buiten. Hoor: „Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip, die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het gemeene....quot; — Genoeg! Watje met dat laatste woord bedoelde, daar wil ik mij nu zelf geen oogen-blik in verdiepen. Als ik het deed dan ging mij \'t bloed aan \'t koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde noemen August, het is de vrouw die ik liever heb dan mijn leven, en jij — je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!quot;

„Bij al wat heilig is Philip, dat is onwaar!quot;

„Zweer niet; ik heb ie immers den slotregel van ie mooien brief herhaald.quot;

„Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield, en nóg houd — je ziet het, ik ben oprecht evenals jij — nü zou je broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen dat.....quot;

„De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan, dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer.quot;

„Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil verklaart veel, zoo niet alles. — Oom wierp je tegen: „Wie zijn woord houdt in een kwade zaak, is een verrader van zich zelf.quot; Maar genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood, iets van het zijne te doen genieten, maar... quot;

„Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij welde. ...quot;

„Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd afaan onze weldoener is geweest.quot;

„Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht geleerd hebben, en gelukkiger zijn.quot;

„Je bent dus niet gelukkig Philip?quot;

„Wie zegt dat!quot;

„Niet ik. Maar je omgeving; ie.... in één woord, alles doet mij vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt. — Laat mij even uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op \'t spoor van je verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je geluk te nelpen bevorderen. Nee, luister nu een oogen-blik! Al keur ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht

-ocr page 95-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 73

je van die liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom — dewijl ik meer met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde — tegen dien eenigen broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip.quot;

„Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van.quot;

„Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip, geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot ti]d metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!quot;

Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten broeder iets geflikkerd, \'twelk strijd verried bij het zien van dat bankbriefje van veertig gulden, \'t Is echter een schier ondeelbaar oogenblik geweest. — Terwijl August, die geen plaats had .genomen, voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde ervan naast het venster:

,Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om ons te toonen dat je dè vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de doch-ter van een gering acteur. Haar misdaad was, — stil, ik wil ervan spreken — haar misdaad was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde. — Toen ik haar trouw had beloofd, toen was ze voor \'t oog van God mijn vrouw, als moest de wet ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam van mijn broeder was, maar \'t meest — ik erken het — om mijn Virginie niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August, is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel — stil, laat mij nu óók uitspreken — na de bedreiging in den straks genoemden brief, dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te zullen ontvangen....quot;

„Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen van spanning niet meer in rekening brengen moet.quot;

„Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn; berg het gerust m je portefeuille. We spreken er nu slechta over, of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand

-ocr page 96-

74 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOITW.

te geven, en mijn vrouw niet corapvomitteer met haar aan dien broeder voor te stellen.quot;

„Maar Philip!quot;

De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de oogen en herneemt:

„Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haar-lemsche krant die mijn nuisbaas me leent.quot;

„Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je adres heb uitgevonden.quot;

„Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je, eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je in de stad waart. Ofschoon ik het in \'t geheel niet wenschte, zoo voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon, je verkeerd te hebben beoordeeld.quot;

Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de jonge Helmond snel:

„Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar de eer geven die haar toekomt....?quot;

„Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!quot;

Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:

„Roep jij eerst de jouwe!quot;

„Wat! wat meen je?quot; zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek worden; „Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is....quot;

„In het hotel misschien?quot;

„Ja, ik denk het. — Tenminste....quot;

„Hoe! is die, daar.... is dat dan je vrouw niet?quot; herneemt Philip met fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: „Is de mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg----?quot;

„Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als deze.... aan....?quot;

„Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn! — Nee, je roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp datje haar niet roepen kunt.quot;

„Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt.quot;

„Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch liegen niewaar? Toen ik van \'t kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel, dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie je wel! — In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer, daar zul je, door niemand

-ocr page 97-

DOKTEE HELMOND EN ZIJN VBOUW. 75

gezien, aan die vrouw — ha! die gemeene vrouw! een hand willen geven! \'t Kon soms het reisgenot vergallen als je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijnvertooning van hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist dat je van nature goed waart. — Maar pijnig me nu niet langer. Doe me \'t genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats daar, dat is de plaats van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat verkiest. Boven alles ter wereld staat zij; ze is me als een deel van m\'n lichaam. — August, ga heen!quot;

De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat Eva — al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn — toch niet veel goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend te stemmen.

Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit bezoek — terwijl August\'s jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig — zich eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:

„Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te omhelzen? Maar ook. kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn bruid was, reeds heden dwingen. ...quot;

„Nu is \'t waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken; maar ik beheersen me ter wille van de vrouw die daar is. daar in die kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: trappen! Versta je August: is je die vriendschap ernst, dan ben je mer onze gasten; dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die respecteere allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!quot;

„Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien

om aanstonds---- Nee, \'t zijn geen \'verwijten; maar, in oprechtheid,

is Virginie dan altijd, altijd zoo te respecteeren geweest als je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?quot;

August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te durven aanroeren.

-ocr page 98-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij in de hand houdt, kraakt in zijn vuist. — Moest hij dat komen verwijten; hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor! — Is dan het kind te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een kostbaar kleinood ter bewaring te geven!

,Drijf en terg mij niet tot een uiterste!quot; snerpt Philip zijn ouderen broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft aanstaren: „Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een ge me ene woning; maar zij is de onze! Die er een vinger naar mijn schat durft uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!quot;

„Philip bij God, ik wil vrede en liefde!quot;

.Zwijg!quot; dondert de broeder; „zwijg of anders!quot;

Op hetzelfde óogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede nadei bijkomt, zegt ze zacht doch met klem:

„Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... Ons kindje slaapt!quot;

i

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.

Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd „verblazen.quot;

Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo\'n pijn had, die goede dóór en dóór édele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen — ja, want daarom is het toch inderdaad geweest — alleen om in een Amsterdamsche achter-

76

-ocr page 99-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

buurt, een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonda overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zeiven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening — ja wat méér zegt, zijn hulp en finantieele ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er met toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die men-schen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht. — Zij, is niet trotsch of hoogmoedig — of het moest op haar besten dokter wezen, want haar ,beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,quot; — maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn. — Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in \'t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een dol-driftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die — voortgekomen uit een der laagste en „meest zedeloozequot; standen der maatschappij, — niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken. — Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken,

Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en — zij meende het zeker — een dreigende vuist hield opgeheven.

\'s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.

— Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest. — Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, \'t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.

-— Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem — bijna ten afreize gereed — met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:

„Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.quot;

„Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;quot; antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.

77

-ocr page 100-

78 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOTTW.

Maar hij:

„Toch is het zoo beter lief kind.quot;

En Eva — of zij hem niet begreep:

„Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.quot;

Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.

Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig\'te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest, — althans zij beweert het — omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Franpaise wel uitzien pour se pamer de rire.

Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:

„Hotel du Helder, Mai 18....

„Mes très-chers parents!

„Haast zou ik in \'t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin! — Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal — die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn — nl. in Parijs — dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hier dol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen, \'t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom — iets wits, blinkends; altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken. — Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. \'t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit eenzoo chic heb gezien als de gargons in ons hotel — en van den morgen tot den avond, — zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van \'t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijou-teriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, u

-ocr page 101-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VBOTTW. 79

hebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in: Deux mille trois cent francs! \'t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in \'t hoofd hebben gekregen, ik \'t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:

«De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist daarom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijk» Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Berst had ik er tegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar \'t is niemendal akelig; \'t viel me tenminste vree-selijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van net nare denkbeeld , begraven wordenquot;. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs a la coque, croissants — delicieuze broodjes — hors d\' oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door \'t Bois de Boulogne, en daarna \'t zien van een steeple-chase enz. in \'t Hippodróme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.

„Wat ik u nog vertellen wil, \'t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters — of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Theatre de la Gaieté — fauteuils de balcon avant-scène — vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij — weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van \'t voetlicht te hebben. — We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoo-

-ocr page 102-

DOKTBB HELMOND EN ZIJN VROtTW.

gedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en — alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate liet voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij \'t binnenkomen, in de af-deeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!

„Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind — spelevarend met een bootje, in den vijver — heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk — ik heb het goed geteld — acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, \'t was een beeldschoone vrouw; en die neerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: „Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!quot; o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerd a l\'iniini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan — Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-géne \'twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu \'t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.

„Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze m ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn kofl\'er. - De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere — in vele opzichten misschien goede, maar toch erg

80

-ocr page 103-

dokter helmond en zijn vkoüw.

schriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.

,Leeft wel! Vele groeten van mijn August!

Uw liefhebbende: Eva Helmond-Abmelo.quot;

Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van\'tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.

,.... Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking, \'t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken var Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva\'s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren. — Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone -— zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen — zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.

„Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars \'twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.

„Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. \'t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven — nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld — ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij \'tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op den Boulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het h5tel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over \'t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij \'t verdient. — De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat een geringschatting van de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt. — Eva heeft u l. 6

81

-ocr page 104-

82 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

lief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. Eu terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkeuds het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Theatre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.quot;

Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.

Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentredon werd Helmond, met den sleutel van n0. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap — doch niet zonder weerzin — door hom geopend werd.

.Alweer zaken lieve?quot; vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.

„Ja.... kh\'m.... \'t is niets.... maar....quot;

„God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma----?quot;

„Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. \'t Heeft niets te beteekenen. Tenminste. ...quot;

„Tenminste....?quot;

„Nu ja, tenminste.... \'t Is over zaken, en de zaken behoeven \'t vrouwtje niet te verontrusten.quot;

„Als ze dan \'t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen. — Zeker weer die nare majoor?quot;

„Nee Eva.quot;

„0 gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder \'t hoogwijs advies van zijn wijfje.— Ben ik je lieve wijfje August?quot;

„Beste kind!quot; zegt August en hij streelt haar de wang.

— Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:

-ocr page 105-

dokteb helhond en zijn veouw. 83

„Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Paust en Mephisto overheerlijk. En Siebel\'s lied.quot; Zij zingt:

„Faites lui mes aveux,

„Portes mez voeux.quot;

„Ja, \'t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.quot;

„\'t Is hier dunkt me altijd mooi weer. — Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier met slecht weer moet uitzien. He August, als jij hier eens dokter waart! hè! — Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! \'t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al \'t genot, zoo\'n nare gedachte vind----? Niet? — Nou, zeg dan eens behoorlijk nee, lieve

ventje.quot;

„Nee Eva, nee — wat dan?quot;

„Dat die dag alweer om is. — Van morgen schreef ik tien, en nu zijn \'fc nog maar negen dagen. — Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan

we bijtijds, of----? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner

vertrekken.quot;

„Ja.... welzeker, maar----quot;

„Je kijkt naar do koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo\'n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en \'t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wij verhuizen in Parijs! Aardig niewaar?quot;

„Heel aardig. Maar ... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, \'t is----quot;

„Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.quot;

„Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....quot;

August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in \'t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:

„Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; eeo ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijge?. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.

Van Haxb quot;

Neen, Helmond mocht niet dralen. — Oom Van Barneveld maakte zich zeer bezorgd over Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw een

-ocr page 106-

84 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

flauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar. ■ ■ • dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat liaar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nü reeds zeggen....\'?

— En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met den eersten trein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hotelpersoneel te worden bekend gemaakt.

„Eva, als we nu, op t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?quot;

Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:

„August, wat meen je?quot;

„Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo\'n scheiding!?quot;

„August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.quot;

„Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.quot;

„O Goddank!quot; zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen; „Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden! — Wij ? Nee dat nooit. Dan liever sterven August!quot;

„Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?quot;

Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar — na een eerste en verklaarbare ontsteltenis — zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch — angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.

Helmond ziet Eva wit worden.

Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:

„Zou \'t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!quot;

„Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen----quot;

„Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nu, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in \'t nauw jagen. Je speelt de Pransche acteurs al prachtig na.quot; Luide lachend: „Morgen eerst

-ocr page 107-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

naar \'t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!quot;

,\'t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. \'t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.quot;

„Maar dat zou een dol, een akelig besluit ziin! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!quot; Bijna schreiend: .Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo\'n schrikkelijk verdriet doen, zeg?\'quot;

,Wijfjelief! hou je wezenlijk van me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?quot;

„Ach ja August, ja! maar we gaan toch morgen nog niet!quot; En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groots tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeer kleine tranen.

\'t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva\'s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs „om zeer bijzondere redenenquot; op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om niet aanstonds toe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.

Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nu zelf, maar zeker in \'t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleidingte vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef „weer zoo eens terloopsquot; zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben die kleine tranen geen vat op hem.

Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genemen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, \'t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.

Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking een er ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.

Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor \'t overige moet zij niet vragen. — Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn.

85

-ocr page 108-

i

86 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

Later, als hij haar door \'teen en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat hot niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nü het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht m handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.

Hoe \'t zij. Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.

De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.

Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit nad ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.

Terwijl ze nog in den koifer bezig is, en over den tweeden hoog opgevuluen bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande iluistert hij een paar zoete woorden.

„Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.quot;

„Maar Eva, je gelooft toch----quot;

„Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in \'t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!quot;

„Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.quot;

„Nee — haal me niet aan. — Zeg, gaan we morgen of blijven we hier?quot;

„We gaan Eva, zeker! — Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is----quot;

„Je plicht! jawel, plicht, baata!quot;

„Zou het niet jou plicht zijn Eva_— nee, je bepaalde wil om aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?quot;

„Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het je zeggen. Voor mn is \'techter genoeg dat Mijnheer beveelt te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over \'t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van \'t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan...quot;

„Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik \'t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn — och je weet dat ook wel beter — zie dan hier; mij dunkt de drie

-ocr page 109-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

laatste woorden van Van Hake\'s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.quot;

Terwijl Eva het tot later uitstellen met een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!

„Dankje Helmond; dankje wel. \'t Is me du totaal onverschillig.quot;

„Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.quot;

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

„Donerie dangereusement malade!quot;

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek ioor Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan — ofschoon ze het weten kon — dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan naar sij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen — neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op do wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart duit dan fluistert hij:

„Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben____\'\'

,Sti August, stil, niets meer! Mijn lieve man kent zijn plicht en ik nu den mijne!quot;

\'sAnderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de kofers van Nquot;. 59 erop, het Hotel du Helder.

De (erste gar^on die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een retommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrel der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hotel ten onherstelbaar verlies zou wezen, de gar (jon herinnert den commisionair die, by het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt tn op den bok springt, nog haastig: „Rue Lafayette vingtsix. Bassot jijoutier-joaillierwaarna hij in net hotel terugkeerend. den half duienden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd mar buiten:

(Ja vait la peine Gérard! Belle hollandaise!quot; en, rammelend met een paai vijffrankstukken in den zak: „Coquin demari! C\'est monsieur Basot qui rira le dernier, hein!quot;

87

-ocr page 110-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW

NEGENDE HOOFDSTUK.

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verkopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te /één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Zé meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.

— \'t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat zo naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij \'t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch — geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór

staat, vat ze de pen om---- Maar neen, sneller dan ze zitten ging

is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan \'t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op \'t hek van den straatweg zien. Nü kon Hendrik toch wel terug zijn.

,Ben je daar Coba?quot; vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer «p den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wardeling op het boventerrein van De Zonsberg te doen.

„Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.quot;

„Wacht je iemand?quot;

„Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lanj weg.quot;

„He, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje----Was dit leeg

misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je helt zeker zoo heel veel niet noodig?quot;

„Een paar velletjes tante.quot;

„Velletjes?quot;

„O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen.Dank u tante.quot;

„Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?quot;

„Mij tante!?quot;

„Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tarte op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.quot;

88

-ocr page 111-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTJW. 89

,Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.quot;

„Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?

,Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.quot;

„Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.quot;

„Vindt u tante; ik ben altijd bleek, dat is mijn natuurlijke kleur.quot;

„Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.quot;

„Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.quot;

„Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....quot;

,\'t Zou bespottelijk zijn tante.quot;

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.

„Jacoba hoor eens.quot;

„Riept u?quot;

„Ja beste kind, kom nog eens even hier. — Zou je me een groot genoegen willen doen?quot;

„Als ik kan, zeker!quot;

Mevrouw Mansburg vat Jacoba\'s fijne hand, en haai- vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:

„Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa. — Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.quot;

„Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in \'t verhoor genomen.quot;

„Heb je waarlijk waarlijk zoo heerlijk geslapen Coba?quot;

„Tante, ik vind het erg verdrietig èn compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op \'t lijf heeft gepraat. — Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en — zooals u gisteren en van morgen telkens deedt — mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.quot;

-ocr page 112-

90 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROITW.

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet 1

wagen om in \'t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden: ;

„Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij (

deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt 1

dan papa?quot; _ (

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat lt; teekent geen de minste ontroering.

„Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand t

dien ik zóó liefheb als mijn besten vader. — Ha daar komt Hendrik ] het hek in! Tot straks tante; bonjour!quot; Is

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na a Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op

De Zonsberg loge eren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo t

zwak en lijdend jus Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens o

Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen 1

zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aan- z

komst, toen\' Jacoba — nadat men onder het theedrinken tamelijk j

druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken — een soort I

van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde adem- i

haling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid -v volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier

dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, a

zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts d

uitlokkende verzekering: dat het volstrekt niets te beteekenen o

had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, h

want — mevrouw sprak wel eens in beelden — dat er nooit een z deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed

het een tocht of rukwind misschien. v

\'t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door n

de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies J

van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel o

met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat s

Sunt gesproken dan hem lief is geweest, \'t Was zeer verklaarbaar unt gesproken dan hem lief is geweest, \'t Was zeer verklaarbaar h

at hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds E

huwelijk eenigen invloed op Coba\'s zenuwgestel kon hebben uitge- g

oefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo ti

waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Bar- A

nevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder v

veel van zijn „klein bleekneusje;quot; en later als hij met vacanties v

over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, t( het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld \' d

rond, of straks op den rug door het gansche huis — en \'t was een -

groot mooi huis in Den Haag — naar boven, de breede trappen op, ei

al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, n

totdat hij er doodmoe bij neerviel. d

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield.

Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Bar- V

neveld daarna op De Zonsberg kwam wonen, ging Helmond —■ Z(

vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep — er s]

-ocr page 113-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 91

heel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen \'s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eons tweemaal aan „zijn partijtjequot; moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en familie.

Ja, Coha hield veel van broeder August. — En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba\'s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen, \'t Is den eenigen keer geweest dat hij ziin kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en

fevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooalsevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals

hilip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, \'twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar — en misschien wat al te veel — met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen\'? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren — voor zooverre die weigering betéekenis had, — en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuiteprekelijk veel van Eva Armelo hield, eu toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader mot dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva\'s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den „fatsoenlijken standquot; behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd, — redenen die Van Barneveld kende — weten te vergoelijken, dooier op te wijzen hoe men nu — en zelfs in Romphuizen — er toch nooif meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, d^penses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glan-zend_ zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat apqside ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!

-ocr page 114-

92 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROtTW.

Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva\'s karakter gewezen, maar — men weet het — ten laatste heeft hij toch „zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewarenquot;\'.

Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. Ln wanneer men nu Coba\'s zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger op De Zonsberg zal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen — ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: „eenvoud en zuinigheidquot; — het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.

Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbetee-kenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een „Ja maar!quot; beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn

foede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door e juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie je niet!oede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door e juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie je niet!

Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba\'s boezem! En, \'tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;

— Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!\'?

En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er „des ondanksquot; nog zekerder van is dan den vorigen dag.

„Welke boodschap heb je?quot; roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.

Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:

„Compliment, nog hetzelfde juifrouw.quot;

„Ik meen van de naaister?quot;

,0, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw.quot;

„En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?quot;

„O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn.quot;

„Heb ie de taf?quot;

„Jawel juffrouw. — Alsjeblief.\'\'

„Best Hendrik!quot; — In het teruggaan zich even omwendend: „Niets beter met mijnheer Donerie?quot;

Hendrik, in \'t naar beneden gaan stilstaande en omziende: „Nee juffrouw; \'tzelfde; eer minder, was de boodschap.quot;

„Zoo!quot;

-ocr page 115-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW. 93

Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.

Van haar wasohtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.

Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn — in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem-... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:

,Beste August!

.Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....quot;

— Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:

— Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet.

Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een

ander blaadje schrijft ze:

, August!

„Bij papa\'s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak----quot;

— Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....

Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Men-delssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.

— Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dat heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is liet helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:

,Lieve August!

,Bij papa\'s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mij

-ocr page 116-

94 dokter helmond en zijn vrouw.

vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit net hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij — al ware net op een paar uren afstand — een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is of afgeleefd öf nooit te vertrouwan geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal jo die liefde duizendmaal trachten te vergelden ; maar ook, lieve broeder, laat in \'shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor \'t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Hot treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerio is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijti congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie\'s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.

„August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....

Uwe

Jacoba.quot;

Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na het convert te hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: „Aan August.quot;

Nu gaat ze naar haars vaders „bureauquot;.

„Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa.quot;

-ocr page 117-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 95

t, i.Ah zoo Coba,quot; zegt Van Barneveld die aan \'tschrijven was: „ik

it dacht al, \'t is kwartier voor twaalven; \'t werd tijd. Üm twaalf uur

ii moet Hendrik er mee weg.quot;

n „Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou \'m zelf even

n brengen. De uwe is immers klaar?quot;

it Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:

i- „Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen?

s. Eer Willem de paarden klaar heeft, zal. ...quot;

k „Nee ik wou te voet gaan.quot;

[t „Te voet! Nü te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?quot;

p ..\'Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden. — Ik moet

e bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten.quot;

r „Je schijnt vandaag bijzonder wel te wezen, beste meid.quot;

n „O, ik ben weer heel flink!quot; Zij zoent den vader op zijn hooge

U voorhoofd: „Toe, sluit u nu mijn epistel in; \'t wordt immers tijd

e beste pa?quot;

r, .Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af....

gt;. Wil ik maar even?quot;

f Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:

e „O nee, wacht----dat mag ik niet vergen, wacht!quot;----En met

t den brief snelt ze voort.

ij „Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!quot; lacht Van Barneveld haar

ij achterna: „dat noem ik discretie....!quot;

i Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba\'s goed uiterlijk en haar

t vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten,

t \'tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig

c als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.

3 Zoo dat sclirijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het

j couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veel

i veel meer:

) „Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?quot;

„Ja zonder lak. — Ik had het heele couvert kunnen weglaten

t omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo

blijven niewaar?quot;

,\'t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je \'tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt....quot;

„Nee nee!quot; zegt Coba haastig, en als Van Barneveld — alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan — haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach;

„Als mon bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs ... un très-cher généralquot; — zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus — „heel discreet moet wezen. Kom pa\'fje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen.quot;

Terwijl Van Barneveld Coba\'s brief in den zijne sluit, en. noir eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt: nu

-ocr page 118-

96 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

hij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, \'t welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren — wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen — iets in die bleeke kleur is gekomen wat men leven mag noemen.

Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreese-lijke denkbeeld verdwijnen \'t welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. \'tWas hem plotseling alsof er in \'t geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu de hoop zijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hii, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba\'s teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:

„Ik geloof waarlijk dat je een heelen boel beter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel. — Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug. — Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé? — Maar kindlief, hoe beef je zoo?quot;

„Uw handen drukken wat zwaar pa.quot;

,0 popje, popje! Hij zoent haar op de wang: „Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen.quot;

„Hoor eens pa-lief. \'t Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en daar wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nü ga ik liever alleen!quot;

TIENDE HOOFDSTUK.

\'t Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan \'t adres van „Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris,quot; zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat — zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer — ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan \'t eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmer-winkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebben

-ocr page 119-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

alsof zij zich iets herinnerde \'t geen ze bijna vergeten had. — Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem op De Zonsberg te komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:

„Dat kun je immers wel, baas?quot;

„Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste: maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stoeten.quot;

,0 werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval knn je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo\'u vierkant kistje.quot;

„Meent uwe zoo\'n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?quot;

„Precies, zooals je d\'r wel meer hebt gemaakt.quot;

„Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?quot;

„Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes.quot;

„Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief. — Ga binnen juffrouw. — Dat is de freule van De Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m\'n kleine poppe-lindekastje laten zien. — Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d\'r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d\'r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan----quot;

„Wien meen je?quot; vraagt Jacoba.

„Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bij mijn woont? Och hemel, welzeker! ik dacht datje dat wist omdat de knecht nog strakies----quot;

„O ja, nu je \'t zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman — jawel!quot;

„Al zeven jaren answiet m\'n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z\'n kamer te zetten. Och \'tis zoo\'n gemoedsvol man.quot;

„Ja zeker dat is ie,quot; zucht de vrouw: „en nou leit ie daar als \'en geraamte. — Zoek ie \'t een of ander juffrouw... .? Och ja. ik begrijp wel, \'t zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar \'m vragen.quot;

Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw.quot;

„Ik strij \'et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeieitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!quot;

97

I. \'■

-ocr page 120-

98 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Is het zoo.... erg met menheer Donerie?quot;

„Liuve juffrouw, als je d\'r mijn naar vraagt, dan zeg ik....quot; De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.

„Maar wat scheelt hem eigenlijk?quot;

„Ja, dat is de affaire jufi\'rouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft — zoo van achteren op — laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat....quot;

„Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zei naardrukkelijk dat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z\'n kompetensie te buiten.quot;

„Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d\'r niet van spreken niewaar?quot;

„En gebruikt menheer Donerie nu in \'t geheel geen medicijnen?quot; vraagt Jacoba.

Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:

„Wel nee juffrouw. Nee zekerlik niet!quot; zegt vrouw Krul.

„Hoor is Antje, Jaten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d\'r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte — jawel vrouw, waarheid bovenal — ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake ...quot;

Vrouw Krul, die op Jacoba\'s gelaat iets zag voorbijgaan \'twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.

„Jawel, toen heeft menheer Van Hake \'s avonds \'t een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon \'t niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog, — altijd onder de roos — dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had.quot;

,\'t Zou heel jammer zijn geweest;quot; zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: „Ik hoop er het beste van!quot;

Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel der grootheid toch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.

Krul heeft iets dergelijks gevoeld; \'tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:

„Jammer! ja, als je d\'r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo\'n mensch — onder ons gezeid en gezwegen — verknoeid is.quot;

Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:

„Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?quot;

„Net wat we samen gezeid hebben juffrouw,quot; herneemt Krul:,en \'t ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?quot;

-ocr page 121-

dokter helmond en zijn VROUW. 99

„Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit.quot;

„Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafe eren.quot;

Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:

„Nou Antje, wat heb ik gezeid?quot;

„Jij, nee wat heb ik gezeid! Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d\'r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee____!quot;

„Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn.quot;

„Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan....quot;

„Ja Krul — maar zoo\'n telegraaf.___en.___quot;

„Eigenlijk heb ik geen tijd,quot; zegt Coba, meer naderbij komend: „maar als jelui d\'r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo\'n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt.quot;

„Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar....quot;

„Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen.quot;

„In één woord, als jelui er bij mij op aandringt, geeft dan maar een stukje papier....quot;

Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:

„Je zakboek Krul!quot;

„Ah ja juist! — Wacht.quot; — Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.

„Heb je geen inkt?quot;

Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond. — Nee, in dat lazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets an een weinig verdroogd zwart te ontdekken.

„Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;quot; zegt Krul.

Jacoba met het oog op een „Onze Vaderquot; in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:

„Hé! geen inkt in het heele huis!quot;

„Wel Krul, nou zou je niet eens aan boven denken;quot; zegt de vrouw: „Op de voorkamer van meneer is een heele toestel.quot;

„Accoord, dat wou ik net zeggen!quot; herneemt de man: „loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier.quot;

„Maar dan moet je den zieke storen;quot; zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het „Onze Vaderquot; ziet.

„Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter.quot;

-ocr page 122-

100 DOKTER HELMOND BN ZIJH TROUW.

„Ah — zoo — heeft ie een vóór- en achterkamertje?quot;

.Kamertje!!quot; vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig c-J, en de laatste vervolgt: „Nou \'t benne in \'t geheel geen kameAjes, maar zuivere kamera hoor! en heelemaal op z\'n grootelui\'s gemeubiel-jeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee — asjeblief?quot;

Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee\'s

„En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,quot; zegt Krul: „dan kan ze daar nog m\'n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, nie-waar moeder?quot;

Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die — altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw van De Zonsderg eens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.

In \'t einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.

„Nou Antje,quot; zegt Krul gemoedelijk: „we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw.quot;

„Och nee, wat dat betreft,quot; zegt Coba: „als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan.\'

\'t Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam — een ©ogenblik werd Coba zoo raar, doch \'t duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.

„Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Daar, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook.quot;

„Ligt ie dan alleen, heel alleen?quot; zegt Jacoba zeer snel.

„Dat is te zeggen, nee, m\'n oudste dochtertje, zoo\'n aa/ikomeling, die zit bij \'em, en past \'em op, als ik of m\'n man d\'r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als \'et maar rust was!quot;

Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.

Jacoba is alleen.

— Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier! — Zie, dat moet zijn piano wezen. — Dat vronwen-

kopje er boven____? — Zou dat misschien het portret zijn van

eene.... die----?

-ocr page 123-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 101

Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde

ortret een gravure is. Maar, \'t is de zeer fraaie gravure van een

eeldschoon meisje. — Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen Tbleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.

— Stil, daar komt de vrouw terug:

.Goddank!quot; zegt ze: „ofschoon hii niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in \'t ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z\'n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt....? — Je bent d\'r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie \'et aan je bevende hand.quot;

Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iete anders.... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....

— Ja tóch, nu wel. Maar o God, wie zou er ook niet gebeefd hebben van dien droeven kreet.

Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.

Nogmaals blijft Jacoba alleen. — Zij luistert. ... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel. — Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang — treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.

Jacoba\'s hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie\'s slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.

O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds, aanstonds hulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:

,Laat mij!! — Laat los!!quot; zoo klinkt het: „Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!.... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!quot;

In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.

„Vader! vader! help!quot; roept het gillend aan de trap.

Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijk

-ocr page 124-

102 DOKTEB HELMOND EN ZIJ» VKÜUW.

gesteen. Wat vreeselijke smart in dien toon. — Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn Ijjden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen\'? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem

bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen......

zoenen op die bleeke lippen.....!?

Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs niet gedacht in dezen stond. — Al rijten die vreeseliike kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die \'t haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.

Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier! — En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God. al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nü de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreese-lijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van \'t geen hij zoo kort

feleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen lik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor \'t laatst te hebben aanschouwd?eleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen lik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor \'t laatst te hebben aanschouwd?

Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een

schrede in de richting dier kamer____een tweede---- een----Neen,

eensklaps deinst ze terug:

„Laat los! Hoor je niet, los!quot; roept Donene weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: „Zij is de mijne! — Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!quot;

Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.

-ocr page 125-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

ELFDE HOOFDSTUK.

\'t Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romp. huizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef „memento moriquot; te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhof hek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen — dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden door-zaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op,

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp — juist blinkend in een zonnestraal, \'t Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging „Koning Davidquot;. Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floera omgeven, maar nochtans komt die kleur — evenals die blinkende harp-knop erboven — steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, \'t zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief waa, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:

103

-ocr page 126-

104 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

Slaag zacht!

Op den krans dien we u vlochten,

Slaap zacht!

Tot den morgen die u wacht.

Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Mét bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens

^ \'t Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

„Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun bBjdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En, — dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: rLoof, loof den Heer mijne ziel!

\' „Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar net de verhe-venste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen. — Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: \'t is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan

tene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar ie stierf: Onze broeder of zuster leeft nog op aarde!ene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar ie stierf: Onze broeder of zuster leeft nog op aarde!

„En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden. — Ziet onze banier: Koning David! — Neen, de groote koning is niet gestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen?Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.

-ocr page 127-

dokter helmond en zijn vboüw.

„In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: In onze harten, in onze dankbare herinnering zal hij gehuisvest zijn.

„Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Al-machtigen welbehagen, ook hier zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!quot; . , ,

En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie s vrienden:

vrouwen.

Nog was zijn lente niet gevloden,

Toen hem des maaiers sikkel trof.

mannen en vrouwen.

Nu bergen wij zijn dierbaar stof Vol weemoed in den stillen hof.

Te midden onzer lieve dooden.

mannen.

Zijn kunstnaars-ziel vol reine klanken Ontvonkte in ons den zin voor \'t schoon.

soio sopraan.

Welluidender werd steeds de toon In onzen kring.

trio sopraan, tenor, bas.

Helaas! tot loon Ontvangt hij nu, in \'t somber graf Waaraan de dood hem overgaf,

Ons diep weemoedig danken.

solo tenor.

Luister; „Treurt niet over mij,quot; _

Zoo ruischt zijn stem in \'t suizend koeltje ons toe: „De toonkunst, \'t rijk der melodij „Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!

solo sopraan.

Ja, blij te moe ,Zal zelfs het vogeltje in \'t woud bij \'t uchtendpralen, „U dat zoet schallende verhalen.

solo tenor.

„Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken! „In \'t Heiligdom der klanken .Zijn velo Priesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet; „Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!quot;

105

-ocr page 128-

DOKTEB HELMOND BN ZIJN VROUW.

MANNEN EN VBOUWEN.

Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouv.-: Een priester rechtschapen, in \'t minste getrouw. Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht.

Dien priester, dien mensch geldt ons weenend: slaap zacht!

VROUWEN.

Slaap zacht,

Op den krans dien we u vlochten!

Slaapt zacht Tot den morgen die u wacht!

MANNEN EN VBOUWEN.

Goeden nacht! Goeden nacht!

In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot van Herman Doner ie in de groeve werd neergelaten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

\'t Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgeaooten.

In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer don een uur geleden met haar August gebruikte.

Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva\'s schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogen-blik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.

Wat — wat ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.

Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagen

106

-ocr page 129-

dokter helhond en zijn vrotjw. 107

op het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar \'t is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets — of het moest iets geweest zijn dat maar heter gezwegen was.

Eva heeft teleurstellingen gehad; \'t is waar. Inplaats van een

froote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar agen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kran-ken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.roote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar agen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kran-ken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.

Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld. — Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij \'t allereerst bezitten van een eigen huis — al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen — er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.

— Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden. waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak — heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de „huldequot; gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, \'t moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen, \'t Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan — zij had gelijk — men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die

teschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan an ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van \'t gezelschap „Koning Davidquot;, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp daneschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan an ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van \'t gezelschap „Koning Davidquot;, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.

-ocr page 130-

108 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite opquot; De Zonsberg nog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.

— \'t Is natuurlijk, denkt Helmond onder \'t wandelen voort: hefc kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wensohen zou; ik zie het nu duidelijk in. — De een zet zich gemakkelijker over \'t leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander. — Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellin-

Sen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan lonerie\'s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en — nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.en gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan lonerie\'s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en — nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.

Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie\'s hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.

En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen; dat Jacoba\'s toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor \'t oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niét of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn. ,

En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdat zuster Hermine zich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapcurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest. — Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd; had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en daarom ook zou Eva — ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving — beter doen om haar bezoek op De Zonsberg nog een acht dagen uit te stellen.

-ocr page 131-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW. 109

Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August----

wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba\'s toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring — die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is — tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs — ook in Coba\'s belang — zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet op De Zons-berg zou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in \'t einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den ,medicijnwinkelquot; en een .prak-tizeerend dokter over den vloerquot;, hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwater-middel — \'t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen — zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba\'s toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan — dan zal die dokter wat ge-slotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu. Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. \'t Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren! — Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nü aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzieu, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo\'n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien____ Och, \'t is zoo\'n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indien

-ocr page 132-

110 DOETJSR HELMOND EN ZIJN VBOUW.

zij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................

— Ho ho, dokter Helmond, dat is immers „het kenmerk van den adeldom der zielquot;. — Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen — van overmorgen afaan, geheel en al, en juist „door wijsheid te mengen in zijn vurige liefdequot;.

Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in sijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die „ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning wasquot;.

En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden — of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.

\'t Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, \'t Is Le Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op den Boulevard des Italiens gekocht. Men had wei reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou

gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond ad er aanstonds werk van gemaakt om zijn „lieve nachtegaalquot; het genot van dien avond te verzekeren.egeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond ad er aanstonds werk van gemaakt om zijn „lieve nachtegaalquot; het genot van dien avond te verzekeren.

Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij «teker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets... . onuitsprekelijks!

— August was gul — ja men kon er niet over klagen — maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe \'t zij, toen men: „Le Programme, Le Programme détaillé!quot; en „l\'Entr\'acte!quot; riep, en zij, in de Stalles d\'orchestre gezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de \'smorgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.

En Eva heeft dan op dien avond in datzelfde blad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat „Mlle. Patti ferait sa rentree mardi prochain dans La Somnambule,quot; daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevond

-ocr page 133-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW. 111

Eva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, \'t welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!quot; Ja, bij \'t gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.

En daarom, \'t was niet vreemd dat er op Eva\'s schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.

Doch die glans van genot bij \'t lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hii gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoenen mond komt ontsieren.

— Hondenkar! zegt ze bijna overluid: \'t Is allerliefst, welzeker; hier schrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek, — hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je \'t uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen. — Nee, in deze dompige la is \'t op den duur niet uit te houden. Vóór — hoe ellendig men er ook in een kuil zit — vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is \'t om te verkniezen!

— Pruttelen! zegt August; pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit, — ja zeker ge van gen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogen-

blik nog in Parijs moest zijn, zooals mij vast was beloofd.....

quot;t Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn \'t leven had kunnen redden, ia, dan.... Ik heb het getoond. — \'t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo ... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit! — Als August vermoeden kon

hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan----

Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu — nu alles toch is afgeloopen — nog eens van huis te gaan. Ja, al was \'t maar naar Brussel, \'t Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van ddar, in dat brillante Parijs. — Als ik er nu was in dat Grand Hotel — en ik moest er wezen —

-ocr page 134-

112 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

nü zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo\'n heerlijke cauzeuse, den garyon dien naren ontbijt-trommel daar laten wegnemen. — Zelfs thms stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne. — Hoe! is \'t al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.

Haastig opstaande schelt Eva. — Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.

„Gerriije, je moest dat ontbijt eens aan kant maken.quot;

„Van kant moaken juffer?

„Afwasschen bedoel ik.quot;

„De kummekes wisschen juffer?quot;

,Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten.quot;

„Da\' kan\'k niet juffer.quot;

„Kun je ddt niet? Goeje hemel! — Roep mevrouw Van Hake.quot;

„Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer.quot;

„Hier! Hoor eens Gerritie.quot;

„Juffer?quot;

„Weet je wel tegen wie je spreekt?quot;

„Joawel, tegen oe juffer.

„Dan zou ik in \'t vervolg behoorlijk mevrouw zeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond. — Versta je me?quot;

„Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet. — Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?quot;

„En, en----en----dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen,

maar mevrouw!quot;

„Bestig ma-juf-vrouw.quot;

„Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er \'t een of ander waarmee ik je helpen kan?quot; vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.

„Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwas-schen? \'t Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis.quot;

„Omwasschen?quot; herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.

„Ja,quot; zegt Eva: „dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dit is toch geen meid voor mij zou ik denken.quot;

„Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld----quot;

„Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid.quot;

„Wou je graag dat i k dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva ?quot;

„Och ja; wil je?quot;

„...Eva... ik ben... ik had gehoopt...quot;

„Och mijn beste mevrouw, ik weet niet watje bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, ben ik net. — Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen ?quot;

-ocr page 135-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. Hij

,Ja Eva, Van Hake was óók dokter.quot;

.Dat -weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?quot;

.We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we....quot;

-Veertien dagen! Zieje! — Zoudt u, als je man gezegd had „we moeten om zaken met den vierden dag naar huis,quot; niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?quot;

,Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om..

„Mevrouw Van Hake,quot; zegt Eva zich verheffend: „van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouw Eva van vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nü ben ik Mevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is, — zoo dunkt me!quot;

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de ionge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva\'s woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, \'t was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en opgebonden. — Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs. — Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen. — Jawel, ze zijn zóó heel heel ordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt. — \'tls aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na \'t ontbijt. — \'t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou «r ook in Romphuizen niet saai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder \'t stolpje ook nog. \'tWas eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, \'t bewijst tocii dat ze een goed I. 8

-ocr page 136-

114 DOKTEB HELMOND EN ZUN VROUW.

hart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap \'t genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en ... Maai\' ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over.

\'t Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan----

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Br was strijd daarbinnen: Nee ja, nee

ja----nee----ja! En — nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer

aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:

,Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar....quot;

, Spreek zoo niet... mevrouw Helmond. Ik gevoel....quot;

„Zeg dan Eva, Eva! Immers straks nog was ik onverstandig al» een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd.quot;

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in;

„Ei ei, zóó mag ik het zien,quot; zegt hij met blijde verrassing: „dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken. — Maar hoe, ik zie tranen\'? Is er iets dat u bedroefd hoeft mevrouw...?quot;

„Men kan immers ook schreien beste dokter,quot; antwoordt de weduwe met innige ontroering, „als het hart weldadig wordt aangedaan.quot;

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan \'t wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, \'tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nn — natuurlijk — zoo zwart als de nacht.

„We willen er dan maar \'t beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me

-ocr page 137-

DOKTER HELMOSD EK ZIJN VKOUW. 115

niet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar meid aanziet...

,Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik...

,Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan.... ja, dén \'moet het maar uit zijn!quot;

rLieve Thom, \'t is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet....quot;

,Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een heel goed hart had.

„Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z\'n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis — vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag — door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben.quot;

„Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar....quot;

„We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben.quot;

„Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ü afblijven! bij God! of anders....quot;

„Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch om jou gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst.quot;

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog een grauwe vlak — die mevrouw Van Hakes muts moest wezen — zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in \'t eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

„Jawel Thom, jawel!quot;

„Nee moeder; nee----!quot;

-ocr page 138-

116 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

„Er moet wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders, \'t Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen

in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst----ja,

ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat . ..?quot;

Alsof Thom nog vreesde dat men in \'t donker, wit van rood kon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij — op den arm van haar leunstoel gezeten — haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig;

„Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? \'t Is heel kort: D\'r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van \'t paard was gevallen en de boer haar naar \'t paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw.quot;

„En....?quot;

„Nou is \'t uit moeder.quot;

„Hoe meen je? Ik begrijp niet----?quot;

„Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een gek was.quot;

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

„Hoe vaarje; hoe vaarje?quot; Tdinkt een stem den komenden provisor tegen: „Altijd wél geweest? \'t Is hier drommels donker. Ik heb immers \'t plezier dokter Helmond te zien?quot;

„Je plezier van zien kan zoo groot niet wezen, menheer Kip-pelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?quot;

— O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien----

of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en \'t jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste-... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus----quot;

„Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?quot;

„Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hier achter inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en daarom.... A propos, je hebt witte drop, wit? Klaar hé?quot;

„Jawel. — Verkouden menheer Kippelaan?quot;

„Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!quot;

Van Hake ondanks zich zelven lachend:

-ocr page 139-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOUW. 117

„Een pond----1?quot;

.Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een pracht-doos; iets énorms — zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik \'t zeggen zou, maar \'t staat alles in Tb nauwste verband. De reden waarom

is eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is____isse dokter

vandaag op De Zonsberg geweest?quot;

„Dokter is er op \'t oogenblik met zijn vrouw.quot;

„Op |t oogenblik, och-Kom, dus niet thuis? Ojee!....quot; Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: „Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien ik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!quot;

„Voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas. ...quot;

„Niemenal m\'n vriend, niemendal;quot; zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.

„Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan,quot; herneemt Kippelaan: „We zijn hier veilig niewaar?quot; Hij ziet naar de openstaande gangdeur, cloch zonder eenige beweging te maken om naar dicht te doen: „Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriendDonerie \'s-avonds gestorven is, toen ben je \'s morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een vigilante naar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeer zeer kwalijkgenomen dat ze haar als\'t ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan eentooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?quot;

„U spreekt van.... jufirouw Van Barneveld?quot;

rGhnt! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben overgelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge ... enfin door je uitmuntende zorgen haar in \'t leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!quot;

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: „Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet.... ? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen — je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor. ...quot;

,Zijn ze razend!quot; roept Thomas: rdaar is niets niets van waar,quot; en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den in-tiemen Van Hake te noemen.

-ocr page 140-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTW.

„Merci, merci hoor!quot; valt Kippelaau uit: „Ik was er zeker van; \'t was de schrik, de agitatie. Debiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigie aamborstigheid. Goed geobserveerd; iawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren haar echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou \'t haar te veel schokken.... \'t Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!quot;

„Aha, dus bestaan er plannen?quot; zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en „afranselenquot;!

„Chut, chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e. ... e.... e. — Geen aanleg voor----tering?quot;

„Watblief?quot;

„Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar — zou je denken? aanleg?quot;

Van Hake \'heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om „dat heer de tanden uit den mond te slaanquot;. — Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

„Om dat heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen.quot;

„Maar---- maar m\'n beste vriend, hoe zou die----? Ja! wat zijn

capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken. — Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie \'t was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal.quot;

„Welzeker,quot; bevestigt Thomas: „zooals men bijvoorbeeld veelden-kende en alles onderzoekende menschen wel eens naar \'t krankzinnigenhuis ziet marcheeren.quot;

„Och-kom!quot; zegt Kippelaan. terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men op zijn leeftijd — om en bij de dertig — eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien \'t een en ander, dat. ... enfin — Van Hake zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

„Niet!quot; zegt Kippelaan: „weet je niets van die verstandhouding

tusschen den generaal en----jawel onzen vriend, je uitmuntenden

patroon ?quot;

„Verstandhouding?quot; zegt Thomas opziende.

118

-ocr page 141-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 119

„Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou \'t aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte ...quot; En Kippelaan vertelde nu in \'t diepst geheim — Van Hake was reeds de zesde vertrouweling — \'tgeen hij volgens ziju verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. \'tWas buiten twijfel, verzekerde Kippelaan — die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen — dat de generaal in \'t geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba\'s gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een „Kippelaans-praatjequot; en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en \'t allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe \'t zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In \'t eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij „rondementquot; aan zijn besten vriend, om — met het oog op iets zeer „kortafsquot; van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en — nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naar De Zonsberg bracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken — althans betrekkelijk — zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps — voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten — op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste \'t had niets te be-teekenen; o niets! nee — heusch----tenminste.... Bonsoir!

-ocr page 142-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond op De Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad — en bijna voor \'t eerst — een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar ge-schonen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over \'tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou. — Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om met alles zóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haar geliefden man is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?

— Nee natuurlijk.

— Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?

— Nee, dat sprak vanzelf.

Nu ja, voor \'t oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas \'twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren oen knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.

— Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, \'t welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.

En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, \'t was een onaangename verhouding tusschen hen en De Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva van De Zonsberg zocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.

\'t Een of \'t ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba — misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf — en Eva heeft hier sterk op gedrukt — of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was \'tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.

120

-ocr page 143-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 121

— Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is — hij moet het bekennen —- zeer vreemd geweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva\'s vijand — August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor — haar vijand is hij niet.

Indien dit dan waar was — en Eva wilde haar lieven man ge-louven — dan zou men nog dezen namiddag naar De Zonsberg gaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.

En, August heeft toegestemd.

\'t Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek van De Zonsberg binnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, \'t was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven, \'t Was hem schier alsof dat welbekende huis, quot;twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.

Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die — Eva heeft waarlijk gelijk — haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in het ongunstigst daglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid, zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn \'tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba\'s gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.

— Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgon niet in.

-ocr page 144-

122 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOÜW.

— Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plau om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef, — man en vrouw zijn één. — Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of — zij het op zachte wijze — hem ter verantwoording zou willen roepen?

— En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken \'t welk den oom.....?

„Nee, nóg niet,quot; zegt August snel, terwijl Eva\'s voet reeds de onderste stoeptrede drukt: „Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. \'t Is daar zoo\'n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nü vooral ...quot;

Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat „heerlijke plekjequot; is: dat hij iets anders in \'t schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.

„Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?quot;

„Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar ...quot;

„Maar----hij heeft aan mij den oorlog verklaard. Jawel, en daarom

aarzel je nu.quot;

„Nee Eva.quot;

„Enfin, we zullen zien.quot;

En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.

Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet gin^, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.

„Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als \'t ware haar entrée op De Zonsberg te maken;quot; zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: „Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. \'t Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?quot;

Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.

„Dankje August. — Aha nicht, hoe vaarie?quot; zegt Van Barneveld en drukt Eva\'s hand die in keurig licht glacé is gesloten: „Ga zitten. — Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh\'m! Wat meende je met „staat van belegquot;?quot;

„Och., .n hadt immers te kennen gegeven dat het beter waa indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn----quot;

-ocr page 145-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 123

„Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd\'? Zoo!quot;

„\'t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van üarneveld, dat ik....quot;

August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:

,\'t Was uw bedoeling dat we om Coba\'s ongesteldheid, vooreerst niet al te druk zouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Wat mij betreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen....quot;

„Om zeer natuurlijke redenen August.quot;

„Ik moest ze billijken oom, tenminste als----broer; maar, als

dokter niet.quot;

„We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor \'t oogenblik acht ik het minder gepast, \'tls niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft — terwijl ik er bijvoeg dat ze voor \'t overige zeer zeer wel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen....quot;

„Maar wie, wie dringt er____?quot; zegt Eva snel; doch August valt in:

„Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we \'t gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst — vergun me de opmerking: tegen \'t advies van haar dokter — in \'t geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we \'t vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ü altijd van harte welkom?quot;

„Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar. ...quot;

„Maar.... menheer Van Barneveld,quot; zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: „wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?quot;

„Beste Eva!quot; zegt August merkbaar ontsteld. En dan: „Ja ziet u oom....quot;

Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft doorzien en nog doorziet.

Immers, bij alles wat hem vroeger tegen \'t huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teer-

feliefde dochter. — Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. uster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hém ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem — haar eigen vader — zou geopend wor-eliefde dochter. — Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. uster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hém ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem — haar eigen vader — zou geopend wor-

-ocr page 146-

124 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

den; ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier \'twelk zij op Coba\'s schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten ge-looven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar geiaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:

„Beste August!

„Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg... .

Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert----quot;

Ja, de oude generaal — ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt — hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeer zeer vanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.

Na Eva\'s laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelf beheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van \'tgeen hij sprak op dien trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse — en Eva waa immers zeer schoon — deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:

„Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van naar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid.quot;

„Waarlijk oom. Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom----quot;

.En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons „mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmondquot; of „oom en nichtquot; zal wezen?quot;

-ocr page 147-

DOKTER HELMOND EN ZUN VROUW. 125

Voor Eva\'s muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag, heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:

„De ongewoonte.... oom; men kan zich vergissen.quot;

„Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den dnur hoe langer hoe beter begrijpen zullen.quot; Eensklaps zich tot August wendend: „Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naar De Godesberg te gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?quot;

„De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar----quot;August

beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: „maar, zult u haar daar zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?quot;

Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig — narrig! zooals hij het zelf zou noemen:

„Ik meen dat men daar zoowel als overal stil kan leven,quot; zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze ©ogenblikken bepaald hinderen: „Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te bleven.quot;

„Zou mevrouw niet terugkomen. .. oom?quot;

„Ik weet het niet; maar \'t is acht uur geslagen.quot;

Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms----bevel.

„En denkt u al spoedig te vertrekken?quot; vraagt August.

„Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven.quot; Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: „Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons.quot;

Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft Lij reeds gevoeld dat hun — of althans dat haar bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. \'t Was ongepast; \'t was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-eeneraal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee te

-ocr page 148-

126 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

scheuken, getuigt dat hij Eva als „eigenquot;, als een lid zijner familie wil beschouwen. — Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning :

,Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?quot;

„Ik heb daar niet aan gedacht;quot; antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat — gelukkig misschien — voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.

Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.

Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldscne bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor \'t eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak. die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem — Kartenglimp — van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.

Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor \'t uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn. dewijl hij hem — volgens stadsgebruik — bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, \'tgeen hij niet heeft gedaan.

Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover ta toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, \'t moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeoren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst nad behooren te comphmenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven — zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.

Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nü haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.

Van dit laatste was August in \'t geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis. heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en \'tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, \'t is niet geschikt geweest om hem van \'smans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.

-ocr page 149-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

— Doch zie, \'t bleek alweer dat men de woorden van een patiënt, die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaans-praatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over „dat telegrafeerenquot;, \'tgeen hij zegt volkomen juist door doktor te zijn opgevat en beantwoord — buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte geluk-wenscht — iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn — neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.

Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem als bewijzen van hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.

Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter versohoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen — althans voor zooveel dit mogelijk was — want ja, ,ja waarlijk generaal,quot; zoo besloot hij: ,\'t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.

Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaad goed had gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in \'t eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu — met het bezoek van.... mijnheer! — maar alleen van de goedkoope thee zou gebruiken?

Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag — welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden — tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.

„Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak — zooals wij zagen juist een paar vingerbreed

127

-ocr page 150-

128 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOUW.

vóór het neat — is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren.quot;

„Ahzoo, ja juist; \'t deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;quot; zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.

,Zeker generaal, recht gelukkig!quot; zegt Kartenglimp. en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschen-poozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:

„De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik \'t zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij — vooral omdat ik uit Indië kwam — mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar.

„Dan toch altijd naast God,quot; zegt Tan Barneveld, die in geen stemming verkeert om „menschenvergodingquot;\' te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.

„Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend. — En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn...;. nietwaar? Tenminste onze goede vriendDonerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althans naast God.quot;

De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.

Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het dokters vrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.

De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den •dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie van De Zonsberg zouden daar zeker nog al op tegen hebben.

„In \'t geheel niet!quot; zegt Van Barneveld snel en met klem: „Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken.quot;

De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.

Helmond weet met tact het gesprek een andere wending te

-ocr page 151-

DOKTEE HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

even. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor aartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten — want de „hatelijke woordenquot; van Helmonds pleegvader en „de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleisquot; hebben haar als een doorn in het hart gestoken — toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte; of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.

Eva aarzelde een oogenbli k, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:

„Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt, \'t Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter

een dijk, en aan de.....quot;

„Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;quot; zegt Kar tenglimp hoofdknikkond.

„Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?quot; valt Helmond in: „en dat is ons \'t voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk.quot;

„Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug.quot; Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken da t hij do opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.

„Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oudburgemeestershuis meer haar aisanees zou gevonden hebben. — Nog altijd te koop je excellentie.quot;

Op Eva\'s gelaat was — voor wie in haar ziel had gelezen — een oogenblik van triumf te bespeuren.

Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks deu str ijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-a-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tus schen hem en de jonge echtge-nooten nog iets te wenschen overliet.

„Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is \'t wal August?quot;

Nadat Helmond ontkend, en Kartenglimp Eva\'s vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord — waarbij hij haar voor \'t eerst rech t-streeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegew orpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:

,U gebruikt zeker geen suiker in de thee----oom?quot;

Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom «en trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een gewor-l. 9

129

-ocr page 152-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

pen steen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als \'t ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.

„Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen,quot; zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: „Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag.quot;

„Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, j e weet het, en daarom ••••quot;.

„Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan.quot;

„Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel jprettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je

— O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde ; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.

— Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen: maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte liet te hebben; om in stilte te wen-schen — te bidden aan God misschien — dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in \'t eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.

— Toen is de dreigende wolk komen opzetten.

— Herman Donerie — zoo luidde het — was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij z.ng zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nü eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemde

130

-ocr page 153-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTTW. 131

spanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.

— Maar Goddank! op dien morgen vau regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie\'s kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zyn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was baar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.

— Maar ach! kort daarna is het zeer duister geworden. — En toen; neen \'t is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen ,muziekmeesterquot; en Jacwba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.

En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders — bijvoorbeeld tot een tante Hermine — daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!

„Ben je nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om.quot;

„Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik \'t veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen, \'t Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is.quot;

„Nee, niet vreemd Coba, in \'t geheel niet. ...quot;

„En waarom dan toch tante?quot;

„Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik — nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Yan Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien.quot;

Jacoba antwoord niet meer.

Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba\'s toestand heeft ontdekt, \'t Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op den

-ocr page 154-

132 DOKTBR HELMOND EN ZIJN VROTTW.

dag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden, \'t Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in \'t werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan \'t heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.

Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba\'s zwijgen der goede dame wel genoegen doen.

— Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng

katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen---- Heel „prettig

en gezelligquot; voor Coba.

Jacoba zweeg; do herinnering aan dien ,schrikquot; heeft haar feller getroffen dan zij \'t zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste

feweest; een schrikkeliik einde. Nóg ziet ze hem daar vanverre; e zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: „Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!quot;eweest; een schrikkeliik einde. Nóg ziet ze hem daar vanverre; e zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: „Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!quot;

— De zij ne.. .. ?

Jacoba voelt een inwendig beven. — Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, met als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans — o zonderlinge tegenstrijdigheid — haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!

Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.

In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.

En, de goede papa zal er niet tegen zijn.

„De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;quot; zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.

„Jacoba-lief, dat kan niet; neusch dat zou onverstandig wezen;quot; antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.

„Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante.quot;

-ocr page 155-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 133

De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa\'s misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.

— Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?

„Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bij mij wil komen. Ik verlang zoo naar August.quot;

— Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nü vooral moet tante zich kranig tqonen, en het klinkt schier bevelend:

„Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond.quot;

„Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of vei hinderen een consult met mijn dokter te nemen?quot;

Haar dokter! dat arme kind!

„Maar Coba, Alexander.....je pa---- hij zal----quot;

,U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben-... en dat ü----quot;

,En dat ik----quot;

.Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handeltquot; — Op zoeten toon: .Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen... .?quot;

— Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die. . .. Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind. . •.?

Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad — en zonder eenig voorbehoud — heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba\'s laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij, z ij wordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking — niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!

Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving — nadat zij, toegevend

-ocr page 156-

134 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

aan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen. — Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij — althans voor eenige oogènblikken — de „zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltjequot; — zooals hij Eva reeds bij zich zeiven heeft genoemd — om aanstonds Hermines komst met Coba\'s welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:

„Toch wél boven. Hermine?quot;

Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.

De vraag werd zacht gedaan.

Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.

Van Barneveld begrijpt niet welk oen bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl quot;hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:

„Is er misschien iets---- dat....?quot;

„Volstrekt niet Alexander, \'t Geldt mij zelve.quot; Zij wijst op haar hoofd.

— Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: a la bonne heure! — Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben. — Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren. — Mevrouw Hermine groet het gezelschap — wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld — en beiden verlaten de kamer.

De herinnering aan Parijs heeft Eva\'s kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom — al moest het in presentie van dien vreemde wezen — eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.

Bij het luide roemen der genietingen in „die heerlijke stadquot;, moest het telkens uitkomen dat men daar zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het „achterlijke Nederlandquot;, \'t Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waar-deeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was. Potters en schrapers vond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet. — Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn. en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.

-ocr page 157-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 135

Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij — met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal — om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van „Hollandsche degelijkheidquot; of „rijperen leeftijdquot; in \'t midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: ,nietwaar je excellentie?quot; tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.

,0 ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwenheeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dal antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te be-dwingei. En nochtans beheerschte Van Bameveld zich op waardige wipe.

Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken op De Zonsberg niet zullen herhaald worden, — hij zou geen getuige zijn van een scène de familie!

De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid da. dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.

Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zolder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of cok dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in iet heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar we — en met heimelijk genoegen — dat zij het „inhalige van zijn :arakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten jijlen raak zijn geweestquot;.

Kartenjlimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf ir dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu wider gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hotfelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heen;aan „der heerenquot;, maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklag-n heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voordat gemis blijft schadeloos stellen.

Eva hd er nog niet aan gedacht, dat zij als \'t ware alleen is

felaten cn dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze zietelaten cn dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet

em na zine vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.

Straks beeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdaad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, alf den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Mar nu, nü heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op dien

-ocr page 158-

136 DOKTER HELMOKD EN ZIJN VEODW.

gemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom —- ook met het oog op dien vreemde — lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; \'t voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan haar overlaten, om hem — dien man — „met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellenquot;. — Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden V

Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in \'t gezelschap van mensihen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel \'t allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.

„Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft,quot; zegt ze snel, en dan, opstaande: „Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden. — ü zult mij permitteeren....?quot;

Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een ve\'wensching terwijl hij haar naoogt; doch. niet zoodra is de deur schter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer gehee. alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen branlt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zeiven een familit die zich niet ontziet om hem — den majoor Kartenglimp — als eei kwajongen te behandelen----als een niets, als een nul!

Eensklaps — alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fonst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen. — Ja ... indien men had vernomen----? Maar dat is onmogelijk. — Bij die toevallig ontmoeting in \'t bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En, hoe kon \'t hem. if iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officeren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontsla? uit den dienst wilde nemen, naar \'t moederland vertrekken en er zii nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, \'t is niei mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken. — Dit zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over (en wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, \'t is hem geblken toen hij te \'sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dan scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewii geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant. het gegeven word niet ïou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen —waar vol-

-ocr page 159-

DGKTEU HELMOND EN ZIJN VKOUW. 137

strekt geen garnizoen was — tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was. — Verboden! ha! Zal hij zien dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering, \'t Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit eiken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.

En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.. .. daar in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.

En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en — vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door \'t schuim bedolven.

Of ook:

Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder \'t gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar \'t bloed spat in \'t ronde.

— Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?

— Maar hier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!

— Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de injyoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in \'t rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.

Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man ,onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van een fatsoenlijke vrouwquot;.

— Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoenen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? \'t is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij en

-ocr page 160-

138 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

de zweetdroppels op het aangezicht, maar ,\'t gaat er immers duizenden zóóquot;! — Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.

— Maar hij •— Kartenglimp — hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, \'t heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is. — Ja hij, wil leven en genieten! — De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-gene-raal; de zekerheid dat hij nu welwillend op DeZonsberg zou worden ontvangen; de hoop in \'t eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in \'t oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, die Z ons berg zou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen , valsche geruchtenquot;.

Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.

— En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misge-rekend; de bevestiging van \'tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?

— \'t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dat waar is, dan — en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit — dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd. — De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en — langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in \'t eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den feilen gloed! Ha!

Kartenglimp schrikt. — Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.

Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva — die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond — inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heelt rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsot een looden

-ocr page 161-

DOKTEK HELMOND EN ZUN VROÜW.

druk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem. — Zij is te ver gegaan! — Ja, maar veinzen dat kon ze ook niet, en daarom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat nij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon; indien het dan waar is dat hij door haar „overtuigende redenenquot; reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid van een vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.

Een vuurrood bedekte Eva\'s gelaat. — Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wdt er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ook haar oom. —- En zal nu die vreemde — gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten — met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van \'tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook haar eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.

Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.

De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva\'s verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.

En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.

139

-ocr page 162-

140 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBODW.

Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden. — Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter — zoo luidde het verder — ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom — men behoefde er Helmond slechts naar te vragen — een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeer-zeker liefkreeg op den duur.

Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer die duur niet te lang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.

Juist omdat Eva dé bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diens afwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer van De Zonsberg in het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als \'tware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.

En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.

\'t Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.

Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor,zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dan niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij „zoo dikwijls met bewondering hoorde sprekenquot;. — En — naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blome kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.

Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring,

-ocr page 163-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 141

eeft ze ten antwoord dat ze----ja.... gelooft, maar toch niet zeker

urft zeggen; — en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en \'t wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men \'t minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij \'t zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.

Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor \'t oog van dien man in \'t volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.

Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.

Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken. — Hier begint het lied. — Dat lied te zingen----voor dien vreemde! Ze zal

wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand. — Forto:

, Ach lieber Gott, mein krankes Herz

„Wird brecheu bald vom Liebesschmerz.quot;

— Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen----De graven Van Anneloo.... Van Armeloo! In stilte heeft

zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van----Diminuendo:

Und bricht es in der tiefen Noth;

Schau\' denn mein\' Angen weinens roth,

Und tausch\' mich in dein Armen, Tod!

„Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;quot; zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.

Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft

fedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemer-en, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans ziju lijdend kind ontzien.edaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemer-en, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans ziju lijdend kind ontzien.

De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend.

-ocr page 164-

142 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men — mj en zij — daaraan had moeten denken, maar....!

,\'t Is mijn gewoonte niet mijnheer,quot; vervolgt Van Bameveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, „om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avond niet ontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden.quot;

,0 generaal, indien ik had geweten.....quot;

,U kondt dat niet weten majoor. Maar.....quot; en uit den nadruk,

dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar — \'t zal mij nü aangenaam zijn indien gij vertrekt.

Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wiandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in \'t akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......

Een „Ha!quot; op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zeiven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, \'t welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat „ha!quot; meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeld-schoone doktersvrouw.

En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.

\'t Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba — wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was — op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.

Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen, \'t Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haar onnadenkendheid — jawel, niets meer en niets minder — het zwakke kind, zoo al niet m levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Bameveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, waarom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.

-ocr page 165-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOtTW.

De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August — waarvoor hij gevreesd heeft — te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nü ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar een diepe wond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in \'t einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba\'s zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in \'t belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!

En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.

De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:

,Heeft ze niets.... niets anders gezegd?quot;

„Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed op De Zonsberg als op De Godesberg herstellen kan; tenminste....quot;

„Ten minste.... ? Nu spreek dan Helmond.quot;

„Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba\'s dokter moet ruimen.quot;

„Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag.quot;

Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: „Coba\'s zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben.quot;

„Dat heb ik sedert lang begrepen oom.quot;

Van Barneveld opziende:

„Jij, begrepen? Sedert lang? Sedert wanneer August?quot;

„Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd.quot;

— Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba\'s zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in \'t belang van haar, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!

De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is \'t voorbij. — Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hij

143

-ocr page 166-

144 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW.

voort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn

hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing----!? Wie zou

de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haai- schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hem be-bedwelmd, zoodat hij blind voor Coba\'s liefde en voortrefielijkheden

feworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog en grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar. ... vervloekt pianospel!eworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog en grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar. ... vervloekt pianospel!

Een oogenblik was Van Barneveld zich zeiven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.

„Oom, wat deert u?quot;

,Niets August.quot; — Na een oogenblik van krachtige zelfbeheer-sching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: „Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba ... méér voor je gevoelde dan....quot;

Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht. — Groote God! is dat de oorzaak van Coba\'s lijden! zou het teedere zwakke

kind____? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets

meer gezegd dan \'tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder — dat, maar ook niets meer.

„Oom, ik begrijp niet----? U bedoelt....?quot;

„Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.—

De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, \'t is mij om \'t welzijn, om \'t leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden. — August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen. •— Je hebt de goede Coba

lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar

belang? — August! August!!..... Hoor je me niet?quot;

„Ik hoor u oom. — Maar nee, nee! dat kan niet waar zijn!quot;

„Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?quot;

„Nee oom! van wie?quot;

— Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, \'twelk ■door midden gescheurd op Coba\'s schrijftafel werd gevonden;

„Lees! — Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan.quot;

-ocr page 167-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 145

En Helmond leest de regels door Jacobs op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven. — Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn? — Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan \'tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed \'twelk haar lichaam te sloopen dreigde.

Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, \'twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.

Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.

Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:

„Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben.quot;

, Mevrouw..... belieft.....?quot;

„Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht.quot;

Hendrik aarzelt.

„Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheer s bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokter hier was.quot;

Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.

„Geef hier!quot; zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: „Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben.quot;

„Tóch naar boven gaan mevrouw?quot;

„\'t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!quot;

Hendrik meesmuilt in zich zeiven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op \'r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo\'n kommando heeft ie van juffrouw Coba — die zachte engel! ■— nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hg weten wie \'t hem gelastte.

Eva beziet de brieven. De ééne — voor den luitenant-generaal Van Barneveld — interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan \'t adres van „monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, me du Helder, Paris.quot; Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en daar afgeschreven: „Ronduyse prés de la Haye, Hollande!quot; Kluchtig! Bonduyse prés de la Haye! — Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphnizen aan \'t eind der aarde; \'t was al mooi dat ze er een stedeke kenden \'twelk men hier de residentie noemt. — Wat al poststempels! Tweemaal Paris — \'s Gravenhage — en Romphuizen — \'t Is niet de l 10

-ocr page 168-

146 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW.

inhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen daar niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook haar niet: la belle Hollandaise — ha! zoo men het geweten had: née comtesse d\'Armeloo!

Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva\'s gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen? — Man en vrouw zijn immers één. — Bah! nieuws-

fierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter. — e zou dien brief kunnen lezen, maar ze wil het niet. — Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.ierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter. — e zou dien brief kunnen lezen, maar ze wil het niet. — Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.

Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendaten blik beschouwt: .Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt.quot;

„En ik behoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba — naar mijn innige overtuiging — iets beleedigends in te vinden ware, want....quot;

„August, ga niet voort, \'t Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar waarom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden — bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar.... muziekmeester! Zwijg, dat is beleedilt;;end, zeer!quot;

„Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen: maar, u hebt ongelijk.quot;

Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.

Helmond herneemt:

.Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart.quot;

„Maar ik zeg je dat er in Coba\'s hart niets, mets ter wereld omging voor dien man.... een muziekmeester, die ...quot;

„Die een uitnemend mensch was, en — die nü rust in het graf oom.quot;

„Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als oen verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had ialent; maar, zulk een verhaal — wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!quot;

„Oom ik geloof----quot;

„Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. \'t Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voor

-ocr page 169-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 147

dat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder — na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dat, zie dat is. -.

„Maar, bij God....!quot;

„Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stelje gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking.quot;\'

„Boe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba ...quot;

„Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde____quot;

Er wordt vrij luide op de deur geklopt.

„Wie daar?quot; roept van Barneveld.

Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:

„Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen ? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten.quot;

„Zeg aan mijn vrouw of zij nog even----quot;

„Heeft mevrouw Mansburg ie niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?»

„Jawel generaal.quot;

„En tóch durf je hierkomen!quot;

„Mevrouw Helmond gelastte me generaal.quot;

„En heb je niet gezegd dat mijn orders----quot;

„Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dat er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest.quot;

Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.

„Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;quot; klinkt Hel-monds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.

„De onbeschaamde feeks!quot; murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.

Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in \'t hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:

,U spreekt van mijn vrouw oom!quot;

„Ja Helmond, ja!quot;

„Maar gevoelt u niet oom----quot;

„Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van \'s-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij \'t leven door een paar wijven te doen vergiftigen!quot;

Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl bi] met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:

,U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva.... ?quot;

Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.

-ocr page 170-

148 DOKTBE HKLMOND BN ZUN VROUW.

„Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een fa hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk.... hlt; Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heer- ,] schen „over den boozen geest die hem te vervoeren zoektquot;. — Helmond vervolgt: le „Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebt ver- di moed, is het dan Eva\'s schuld dat ik haar tot vrouw koos,terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind ? v; Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva bt Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat

heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde---- een — o het w

woord is te bitter — een w ij f wordt genoemd, dat.... u het

leven.... te____ vergiftigen zoekt. — Oom, mijn achting, mijn ee

eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen.. -.

Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, m en \'t klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:

„Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de il woorden die hem griefden? — Welaan, het zij zoo, op mijn ouden m dag wil ik den oorlog niet. — August, ga nu heen, we hebben niets wi meer te praten; — neen, niets meer, niets! — Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer — te of wil je — slecht» zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was ge- al

bouwd: de liefde van hen die ik----als eigen zoons heb opgevoed.— h«

Ga nu August----je vrouw wacht je.quot; dr

Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon ha

heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed m

in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. ee

August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den wi arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt

daar een traan in het starende oog, — een traan in het oog, \'t welk Hi men voorheen wel eens „des vijands vluchtquot; of „Neerlands krachtigst

wapenquot; heeft genoemd? ze

Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleeg- wlt;

zoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde dii

jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds toi

genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar ha

weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kern- an

spreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, ge

mildere — misschien een jongere — wereldbeschouwing, doch altijd sta

getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze oo

opnieuw: „Vrees God! Eer den Koning!quot; — „Heb je vijanden lief, let maar verdelg ze die komen om \'t vaderland te belagen, of hém te

bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd.quot; — „Zelfs de rijke ka

werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den lij] ouderdom.quot; — „God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt

beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods.quot; — „Wees he gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of op f ve

lt;1

-ocr page 171-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtHV. 149

krukken gaat.quot; — „Zwijg als uw meerdere spreekt.quot; — „Buig het hoofd indien de Heer gebiedt.quot; — „Kruipen doet het laag gedierte.quot; — «Knielen zult ge voor God alleen.quot;

En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusta oog geschreven staan: „Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar waterquot;?

„Oom!quot; barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: „ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?quot;

,\'t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Je vrouw wacht beneden.quot;

„Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?quot;

„Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!quot;

„Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zij zal wijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?quot;\'

Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: was ik gestreng tegen haar? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelf beheersching niet gezien ? — Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:

„Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten.quot;

„Maar Eva zal wachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba\'s hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan de mogelijkheid niet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? ü gelooft me, nie-waar?quot;

Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:

„En, moest het nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zeiven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen \'t welk haar niet in den uitge-streksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar . ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet..

Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:

„Ik geloof August, dat alleen de jonge vrouw iets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar uren geheel en al vergeet.quot;

-ocr page 172-

150 DOKTER HELMOND BN ZIJN VROUW.

„Eva....!quot;

Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:

„August.... ie hebt net gehoord.quot;

„Maar ik had met oom te spreken Eva.quot;

„Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijn jonge vrouw met een vreemde, en later in holle kamers big nachtlicht geheel alleen zal laten?quot; „Eva, ik verzoek je....quot;

„.... Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouw de deur heeft gewezen.quot;

Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hjj haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:

„August, je kent me: Ga nu heen.quot;

„Oom, ik kan....quot;

Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en \'tklinkt weer zacht:

„Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!quot;

Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:

„Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid

hebben, en----quot;

„Eva, kom, wij gaan... Bedenk tegen wien....quot;

„Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt

feen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te ebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nü tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nu wil ik spreken: Ik heb altijdeen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te ebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nü tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nu wil ik spreken: Ik heb altijd

vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel____

omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer het trots, gepaard met schrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding.... quot;

„Eva zwijg!quot; roept Helmond hevig: „bij God, dat gaat te ver....quot; De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals — tegenover een vrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid: „Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik

driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid____quot;

„Oom ik bid u, zij bedoelde....quot;

„Zij bedoelde mijn trots en schrielheid August, en daarom____

daarom----quot; Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen

trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor \'t laatst, en zegt op zacht

-ocr page 173-

DOKTBR HELMOND EN ZIJN VROÜW. 151

gebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:

„Laat me----nu alleen.... of----of ik vergeet----— Voort Helmond, voort!quot;

En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:

,0 God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!quot;

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

\'t Was den jongen dokter bij \'t naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan. — Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille besoheidene; de tevredene eenswil-lende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor \'t eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!

— Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?

— Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, ja onbeschaamd heeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.. . O God, \'t is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon. — Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom. — Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg. — Spreekt ze? Neen, \'t Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den

avondwind. — Toch meent hij te nooren----? — Neen, spreken doet

ze niet. Is het klappertanden----?

„Eva!quot;

Geen antwoord.

Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan. na een oogenblik zwijgens:

„Wil je me vasthouden Eva?quot;

-ocr page 174-

152 DOKTBR HELHOND EN ZIJN VBOUW.

Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerik-kel en het geklepper van haar tanden.

„Geef me den arm Eva!quot;

„Ik dank je August;quot; zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.

,\'t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; \'t is nog een heele wandeling.quot;

Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij den dierbaren pleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken! — Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde?

Zulk een blik! Op mij---- zijn ,liefstequot;, zijn „eenigequot;, zijn „geluk

voor altoosquot;. O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!

„Of ik koud ben August? Ja, koud, verschrikkelijk!quot;

„Ik begrijp het Eva, je hebt----quot;

„Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan.

„Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had

het zeergedaan----Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de

liefde van dien vader.... of....?quot;

Eva antwoordde niet.

Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?

— Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei! ik ben dua het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt, ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdun-kenden voogd!

Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in \'t een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek op De Zonsberg de jonge echtge-nooten niet vroolijk gestemd had.

Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffet-

-ocr page 175-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 153

kastje te voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij \'t souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij \'t naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.

En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:

— De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen die niets bezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken \'tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uit haar naam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen. — O! zeker, \'t is een lief en goed mensch die arme vrouw. — Welk een onderscheid met dien nabob van De Zonsberg! Uit haar attentie — hoe gering op zich zelve — spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.

En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!

En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.

Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig — in den aanvang nog zeer van verre — komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.

Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.

Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:

„Mijnheer Debecque laat me op De Poel halen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden. De Poel is drie kwartier rijdens; \'t zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva.quot;

,0, als je dat liever hebt.....quot;

„Laat opblijven is niet gezond.quot;

„Och. die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen.quot;

Helmond ziet haar een oogenbük stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:

„Slaap wel Eva.quot;

— Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar

ereed ziet om haar voor \'t eerst op zulk een vergevorderd uur,

oewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere

avond-weekheid — en vooral na een overspanning als die der laatste uren — zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend: en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning — want dien ijskouden

-ocr page 176-

104 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

blik kan ze uiet vergeten — zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:

„Ik zou toch eerst iets eten Helmond.quot;

„Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva. — Ik zeg.....wacht

me niet; quot;t kan wel één uur worden eer ik terug ben.\'quot;

„Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten.quot; — Zij gaat naar het

buffetkastje; opent het, en.....neen, ze doet het weer dicht. Maar

zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor \'t allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:

„Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?quot;

„Eva____hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?quot;

„Nee August, niet ik....quot;

„O, dan heeft dom ze gezonden. — Al gisteren had Coba gezegd----quot;

Eva legt haar vinger op den mond:

„Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan. — Nee, ze zijn van een arme weduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haar naam niet zou noemen.quot;

\'t Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid vcor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee — gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden — zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.

De koetspaarden van mijnbeer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deed droom en van den klaarlichten dag.

En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.

Dat is De Zonsberg.

\'t Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.

En weer, — maar \'sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?

— Neen neen, dat kan niet waar zijn. — En toch, sprak hij niet

-ocr page 177-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 155

meermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods! — En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! \'t Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstoeten zou omdat . . omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen. — O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen. — Zou dan die vrees voor Eva\'s zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam

met zijn minderen is hij nooit. — En dat andere----? Maar neen,

mijn gansche leven, alles wat ik ben, \'t is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging. — Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?

Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder \'t voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wanneer dat begonnen is.... hij weet het niet. \'t Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo\'n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is — neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal \'t verliezen in den kamp, want.... de lucht gaat betrekken.

Straks in de lanen van het landgoed De Poel was het, — ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.

— Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk neeft ze niot.

Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen dei-wielen en paardenhoeven in \'t kiezelzand, bespeurt Helmond dat men den oprit van De Poel heeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.

De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald — de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmante

-ocr page 178-

156 DOKTKB HELMOND EN ZIJN VBOÜW.

jongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan, — met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke womng teruggekomen.

„Vandaag,quot; zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: „vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk! — Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen. — Jawel op die kamer; ga binnen dokter.quot;

Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nü, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.

Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomst-teeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.

TAh zoo, ben je daar menheei- Helmond;\'\' zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: „Mama\'s troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft

me leelijk in m\'n wiek geschoten. — _\'t Spijt me dat ik ie----

derangeeren moet. — Links in de zn, jawel. — Een pols als een

gangklok---- Volstrekt geen kwaad bij----Hoor je wel mama----

\'t is niemendal!quot;

„Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, \'t Valt u moeielijk niewaar?quot;

„Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een „Gracequot; uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!----Nee nee, \'t is zoo erg niet.quot;

„Heb je weer meer pijn?quot; vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.

„Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. \'t Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z\'n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt.quot;

Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken — waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder — den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:

„Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft.quot;

Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.

Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opge-ruimden ouden baron, die zelf een goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor \'t eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.

Ofschoon van natricische, maar niet van adellijke afkomst, had

-ocr page 179-

DOKTER HELMOND EX ZIJN VROUW.

mevrouw Debecque een zeer burgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw — die hem een paar huwbare dochters had nagelaten — zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen „dat hij baron kon blijvenquot; ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.

Nochtans, hoewel Debecque „baron en vader was in de eerste plaatequot;, en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeer edelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.

Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar „vurig bemindequot; of dat hij haar „schoon vondquot;, maar somwijlen slechts dat „die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleekquot;.

En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.

Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensen zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte „dat hij juffrouw Insulinde \'t vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z\'n ledematen als liefdepand zou hebben ge-eischt; met ernstige beloften, ook van „schrijvenquot; en „niet vergetenquot; en „niet roekeloos wagenquot; en „altijd maar denkenquot; enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.

Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen. — Zij is aan \'t sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.

Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.

157

-ocr page 180-

158 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.

Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:

„Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!quot;

Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan \'t pand van zijn jas trekken.

„Dokter, zee, vorberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door

een wraakzuchtige in Indie.....? O God, dat zou verschrikkelijk

wezen! Een langzaam werkend vergif?quot;

.Vergeven?quot; zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: „Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw.quot;

„Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden, zeker?quot;

.We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dat doet kwaad, natuurlijk.quot;

„Och, ongerust ben ik niet... quot; Zeer zachtjes: .Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel! — U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken? — Nu quot;ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam — Een klein beetje loeren ze wel dokter, — jawel, jawel!quot;

Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.

Helmond herhaalt op Debecque\'s vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.

„Doe toch wat je kunt dokter,quot; dringt de baron: „je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me. — Zie, voor \'t geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kaft; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. \'t Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van

ie tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.. .. beslis en iandel. — Nee nee, \'t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, ja zelf heb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, \'t was al mijn plan om \'t mooi gelegen Hoeverszathe voor hem te koopen; \'t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond; — ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbee tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.. .. beslis en iandel. — Nee nee, \'t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, ja zelf heb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, \'t was al mijn plan om \'t mooi gelegen Hoeverszathe voor hem te koopen; \'t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond; — ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbe

-ocr page 181-

DOKTER HELMOND EN ZUN VROÜW. 159

je smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z\'n moeder en ook voor

mij een waar genot, een---- Ah, daar hoor ik het rijtuig. — Nu,

zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over, —- als \'t noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog. —• Jan, zeg aan Karei dat hij rijdt als de drommel!quot;

Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuis De Zonsberg voorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.

— Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord niet goed heeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maar schriel daarenboven. Helaas! het is niet anders.

— Hoe! als men twee kinderen aanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen — alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek? — Neen, dat is waarachtig wreed! dat is.... — Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond. ...\'?

— Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond — het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw — dezen zelfden weg te voet afgelegd — het eind van De Zonsberg tot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets, niets moet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmonds kunde! \'t Is daar geen geringschatting der geneeskunst —• ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn. — Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in \'t belang van den patiënt, \'t Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek. —- Welk een onderscheid!

-ocr page 182-

160 DOKTEK HELMOND EK ZIJN VROUW.

Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als üebecque, die toch twee eigen dochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren. — Tien duizend gulden! O Eva, Eva! \'t is hard maar \'t woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijk schriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui---- ho, van driehonderd, zegge: drie-honderd

fulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een ind; de blijdschap over \'t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden! Honderd gulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig! — Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij \'t vernemen van die ,schitterende toezeggingquot;, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.ulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een ind; de blijdschap over \'t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden! Honderd gulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig! — Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij \'t vernemen van die ,schitterende toezeggingquot;, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.

— En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden,terwijl Eva — niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laat-sten morgen heeft gekocht — bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.

\'t Zijn droeve oogenblikken in \'t leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen — die heiligen misschien — weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.

Toen Helmond thuisgekomen , aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva\'s rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen — en zonder eemge terughouding — hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Ja schrandere oogen; die oude baron heeft het goed gezegd.

En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in quot;t holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar, in dat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert •dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man quot;wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!

-ocr page 183-

dokter helmond en zijn vkouw. 161

O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:

„En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?quot;

En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.

Eu hij: „O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook, voortaan zullen we een zijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedijjen. Ik zie den schoonen kant van haar liksch karakter, en stel dien in \'t licht alsof het mij zeiven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij....quot;

Op dit oogenbhk was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekend sermoen te luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:

„Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms \'s-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!quot;

— Een tering! — Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor \'t eerst onder den meidoorn ontmoette ? Een tering! En — Eva ziet wat bleek. Van \'t late opzitten misschien?

„Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek.quot;

„Nu ja, ik wil niet zeggen Eva ...quot;

„Nee nee, volmondig!quot;

„Vroolijk is anders Eva, welzeker.quot; — Haar teer omhelzend: „\'t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: \'t sloeg daarbuiten al twee.quot;

En terwijl ze samen naar boven gaan — zoo heel vertrouwelijk, hand in hand — zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen: I. il

-ocr page 184-

16U DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

,Ik las van avond toevallig in \'t Romphuizer blaadje, dat het oud-burgerraeestershuis over drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Sieboldin de Gouden Arend.quot;

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Den volgenden morgen nadat Eva zich voor \'t koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August van De Zonsberg had meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door \'tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.

En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:

,0 van.....ne dinges, dat was niets; al gesproken.quot;

.Dinges, een patiënt?quot;

„Ja, \'t heeft niets te beduiden.quot;

„Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?quot;\'

„Welnu?quot;

„Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan \'t corres-

Eondeeren. Ja, \'t kan niet missen, \'t adres is van een vrouwenand, en...ondeeren. Ja, \'t kan niet missen, \'t adres is van een vrouwenand, en...

„la dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je.....quot;

„Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die....quot;

„Die. ...? Wat meen je Eva?quot;

Er werd aan de deur geklopt.

Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:

Madame E. Helmoud.

nee Van Armeloo,

en ville.quot;

Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naar

-ocr page 185-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 103

het venster om een kleine ontroering te verbergen, \'t Was dwaas, bespottelijk; maar \'t kon ook niet zotter treffen: juist op hetoogen-blik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en — zij moest het zich zelve bekennen — terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam

heeft getroffen, bracht men haar een brief van een---- onbekende

mannenhand.

Eva zal echter van haar brief geen geheim maken, Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.

Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:

.Mevrouw!

Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echt-genoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om — voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden — na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....quot;

„Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?quot;

Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:

„Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in \'t Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat

niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee

August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen.quot;

„Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie.....

of.....

„Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; \'t betreft.....quot;

„Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden.quot;

,0 wat dit betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied.quot;

Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:

„ — . thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. 1. mijnneer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.quot;

«Wat, duivel, is die Eartenglimp gek!quot;

«Hé, vinje?quot;

Men leest verder:

-ocr page 186-

164 DOKTER HELMOND EN ZIJN TROUW.

„Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treilend bevinden.quot;

Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.

„Mijne vroegere relatiesquot; — zoo luidde het verder in den brief — „brachten mg in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden — tijdens de Hervorming vooral — zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Bircbheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenea uitgeweken, zijn Holland-schen graventitel heeft prijsgegeven om te ziin een dienaar in den wijngaard des Heeren. — Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven----quot;

„Welzeker!quot; lacht Helmond: „alleraardigst!quot; En hardop lezend:

„Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij — naar zijn bescheiden meening — niet aan haar nakomelingen mag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe iinancieele opoffering zal te getroosten hebben.

„Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,

Mevrouw!

Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.

Kabtenglimp.quot;

Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: „Wel wel, gravin Van Armeloo!quot; op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.

„Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn. als men eerder had geweten \'tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!quot;

„Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, dat

-ocr page 187-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTW. 165

ik niet reeds lang heb vermoed en geweten \'tgeen die man daar schreef?quot;

„Waarlijk, al lang?quot;

„Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?quot;

„Nu, laten we er dan ook maar te zamen om lachen mijn wijfje. Weet je wat ik geloof? — Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer boe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief.quot;

„Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor \'t allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben, \'t Is zeker dwaas zich te verheffen bij ide gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar. er om te lachen...-nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan....quot;

„Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan....quot;

„Welnu....?quot;

„Dan zou het voor die onderschrapte „nakomelingschapquot; tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo\'s zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!quot; En weder lachend: ,\'t Is alleraardigst!quot;

„Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold.....quot;

„En ik herhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien briefquot; — hij geeft haar een zoen — „ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons \'t leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in \'t hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om — gesteld dat alles dan waar was — een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?quot;

Eva zweeg en zag naar den grond, \'t Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In haar is altijd iets geweest \'twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in ,\'t knechtelijk gareelquot; — met welk beeld een groot dichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor \'t hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; \'t zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft, \'t Moest

-ocr page 188-

160 DOKTER HELHOND EN ZIJN VROUW.

voor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!

„Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!quot;

„Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. \'t Is al één geslagen^ je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rfjtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan \'t chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!quot;

Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan .snel naar de deur.

— Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doen zien bij \'t licht dat er voor haar is opgegaan.

„Even Helmond, luister even.quot;

Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.

Zij komt hem zeer nabij:

„Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meen als alles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij — juist met het oog op \'tgeen de tijd

ons kan schenken----quot; — zij sloeg de oogen weer neer — „dan

zou jij immers best....quot;

„Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je „trouwequot;; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!quot;

Een kwartier later was Eva gekleed, om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.

Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.

Mama Armelo was druk met dochter Louise aan \'t rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich — tegen haar kind — over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.

Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts — een contrast, waarmee ze zelve bijna verlegen werd.

Papa was op \'t oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn ach-terscnuurtje aan \'t blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen „overdoenquot;.

„Je zegt mevrouw Helmond?quot; heeft hij aan \'t dienstmeisje ge-

-ocr page 189-

DOKTEB HELMOND EN ZIJH VEOUW. 167

vraagd die hem roepen kwam: ,wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor! — Gauw \'en bakje.quot;

De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje —■ wanneer hij althans aan eenige bezigheid was — terstond wasch-water brengen.

Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van \'tgeen Eva hem in \'t geheim — alleen aan hem en mama — zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dat zou ze ook met aan hém.....

Nee, wat of het wezen mag!

Zeer verlangend naar de oplossing van \'t raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op \'t oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van \'t allerbelangrijkst geheim had genoten.

„Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?quot; heeft mevrouw geaarzeld: „ww zouden.... WIJ....?quot; En dan naar de deur ziende: ,Goeie God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!quot;

Inderdaad de , graaf Van Armelooquot; stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws \'twelk hij hooren zou.

De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers \'t was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.

Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo „zich zelf altijd in den weg stondquot;. Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.

Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en het Van dat er vóór moest, daaraan haperde het immers.

„Maar dat hebben je voorouders laten vallen :quot; verzekerde mevrouw: „Begrijp je dat niet?quot;

„En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met twee oo\'s.quot;

„Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen.quot;

„Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m\'n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze---- quot;

„Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m\'n verstand voor stil.quot;

„Hoor eens pa,quot; zegt Eva: „ik wist\'wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!quot;

„Mijn hemel, dat vraag ik je!quot; valt mevrouw Armelo in: „Maar

-ocr page 190-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

ik herhaal het man, \'t is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet.....quot;

.Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?quot;

„Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank....quot;

„Nee ma,quot; valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: „nee ma, daar moet u niet van spreken.quot; En dan, terwijl ze haastig opgestaan baars vaders hand

Tiet voorhoofd zoent: „Ma meende het niet kwaad

__________ »

ndal kind, ik weet wel hoe jij het meent; \'t is

niemendal!quot;

„Zeker, \'t was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben terug-gestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die \'t vrij wat minder verdienen, zoudt u dan — wanneer we toch werkelijk van zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang. boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?quot;

.Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker....quot;

„Zeker!quot; valt mevrouw uit: „je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang.quot;

„Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om — gesteld dan.... gesteld dan---- dien titel te

krijgen; maar vooral om als graaf en gravin.....quot; schielijk opstaande: „Nee nee, \'t is onzinnig, we zijn gek! We droomen! Ik, ik een graaf.... jij een gravin!quot; Zenuwachtig lachend: „\'t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar \'t is om te lachen!quot;

Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. \'t Was bij papa een repetitie van \'tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden \'t eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie \'t hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker \'t is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als er e ere wijn wordt aangeboden.quot;

168

-ocr page 191-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

— Ja zie maar: bij \'t nogmaals doorloopen van Kartengliraps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.

Armelo las: „Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven.quot;

,Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;quot; zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.

„Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: „Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden.quot; Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo\'n Dadel! zoon Minister, die ..■*

„Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zon ik liever....quot;

„Nee ma, \'t is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat.quot;

„O ja. juist Eva, wat dat betreft. — Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoo wat niemendal.quot;

„Marie, nóg eons: \'t is met gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m\'n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!quot;

„Och, laat nu in \'s-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best — zei neef eens — van \'t oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Tk zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan \'t werk te slaan.quot;

Armelo kiijgt eensklaps een „akelig prozaïsch gevoelquot;. Hij kon het niet helpen; maar.... \'t spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan quot;t blokjes zagen; en \'t bruine pijpje smaakte zoo lekker, en... . Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.

— Wel liemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal \'t hem herinneren: Graven metgraafschappen zijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met \'er drieën, en niet anders dan \'en loopmeisje van \'s-morgens acht tot licht en donker!

„Maar dat is dan ook erbarmelijk;quot; zegt Armelo.

„Maar. .. ze zijn van adel!quot; antwoord mevrouw op tooneeltoon: ,en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geeft

169

-ocr page 192-

170 DOKTBB HELMOND BN ZIJN VROUW.

een verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand vau adel is, zelfs de freules Blanken berge..

„Och omdat je \'t weet Marie! maar anders, waarachtig....quot;

,Weten! weten!! Nee, ook zonder dat zou men \'t zien. Maar als ze het dan van óns zullen hooren, dan moeten ze \'t immers toch ook zien niewaar?quot;

Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa — een oudofficier — zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld — ja zelfs in de Romphuizer wereld — zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteen-voudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden raaien bijvoorbeeld is Eva togen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haar ouders te doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten, \'t Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is — de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan — slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad — en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn — dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijk te dwaas is. Nu echter, nü moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.

De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk

zou wezen dat Helmond — gesteld dan---- gesteld dan — met

den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat „zóó doodeenvoudig natuurlijkquot;, dat hij zichzelf al voor heel onnoo-zel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in \'t midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter — ofschoon juist niet zoo geheel van harte — dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.

Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling. — Nee, papa moest niet weggaan, \'t gold hém in de eerste plaats.

-ocr page 193-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 171

Eva geeft een kort verslag van het gebeurde op De Zonsberg, en van de .infame houding die de generaal tegenover haar heei\'t aangenomen.quot; — „Ter wille van Helmond,quot; zoo vervolgt Eva, „zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij \'t nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op \'t spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, wat i k dulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo — ik zeg Van Armeloo... .quot;

,Hoor je wel Armelo; ze zegt Van Armeloo____quot;

„En wat mag ik niet dulden?quot; valt Armelo in: „de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen in De Arend

betaald. — Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is.....quot;

„Maar goeje hemel papa, dat, dat is het juist! Me dunkt uw

militair____ uw____ uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in

u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, \'t welk de kapitein Van Armeloo ter eere van \'t huwelijk zijner dochter gaf. Ban! \'t is vernederend! \'t is....quot;

„Maar kind. Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven.quot;

„Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blgft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner.quot;\'

„Vijftig gulden!quot; roept mevrouw: „voor een diner van twintig personen a vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?quot;

„Zeker! en ik wou dat hij \'t heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!quot;

„Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva, dat wij geen geld voor zulke foeven hebben.quot;

,\'t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer van Barneveld moet worden afgedaan, \'t Komt me zoo heel natuurlijk voor.quot;

-ocr page 194-

174 DOKTER HELMOND EX ZIJN VROUW.

„Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springea.quot;

„De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huweliik nie-waar?quot;

„Juist! maar daarom nog geen jonker dokter, quot;t Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel. — Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht; als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe bur-gerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van \'t land aan z\'n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik ie zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, \'t publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré. — Au fond sta. jij, met je wetenschap, hooger — jawel, sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald — knappe jongen! een der eersten te Breda — hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch, au bout du compte, je blijft als baron altijd aan \'t langste eind.quot;

„Maar mijnheer Debecque,quot; valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ou len baron nauwkeurig schijnt op te nemen: „u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan.......quot;

„Welzeker!--. Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft. — Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque van De Poel en Hoeversa the, klinkt niet onaardig.quot;

„En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was.quot;

„Onmogelijk! Parbleu, wat is onmogelijk! Sedert het koningschap m\'n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?quot;

,\'t Is waar;quot; zegt Helmond.

„Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het „jnger les chosesquot;, en dus ook „les titres d\'aprés leurs datesquot;, is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren. — Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan t verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van \'t wereldsche klatergoud.quot;

„Nee, ik begrip me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam. ..quot;

„Niewaar. dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z\'n eigen vader was. Enfin, enfin, \'t zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, \'t doet er niet toe. \'k Bezorg je „de Leeuw!quot; \'k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoop

-ocr page 195-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW. 175

dat je toch nog eens naar m\'n woelwater zult komen zien? \'t Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever.quot;

Nog vóórdat Helmond zijn bezoek op De Poel bracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba\'s brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.

De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoedea versterkt. Jacoba\'s dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf oeheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe J zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? \'t Was onmogelijK! — Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba\'s zenuwlijden het gevolg

zijn van een, door hém teleurgestelde liefde----? August meent

juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht, — zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder \'t voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba\'s karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over „den armen sukkelquot; Donerie schrijft; \'t verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van „den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeesterquot; zal opgeven, «den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;quot; dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba\'s hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde\'spelen, welke Herman Donerie bij de -wmorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in \'t leven behouden mocht.

En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar raogeljjk; nu immers zal de tijd haar wonde — ofschoon dan langzaam misschien — t.-.\'-h heelen in \'t eind.

- En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het aoktershuis en De Zonsberg hersteller! Ja voorzeker, wanneer

-ocr page 196-

176 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOUW.

de oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in \'t eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoon niet zoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand van zijn stand en fortuin, dan....

Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu, de coupee naar De Foei terugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.

Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, \'twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar „diep treurigquot; vermoeden. — Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na \'tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassant De Zons-berg zou aandoen, maar, had ervan afgezien.

Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.

Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: \'t was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.

Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van \'tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na \'t gebeurde gisterenavond op De Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er een partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te enemen.

„Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelenzegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: „August moet het goede nieuws hooren.quot;

„Ei, goed nieuws Coba?quot;

„Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij m den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?quot;

-ocr page 197-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 177

„Ja, je hebt het tenminste dadeliik gezegd Coba.quot;

„Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan van De Godesberg niet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En — papa heeft het dadelijk toegestaan!quot;

„Ja lieve Coba,quot; valt de tante in: „dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. \'tWas onverstandig.quot;

„Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;quot; zegt Helmond.

Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.

„Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker evoelde,quot; herneemt Coba: „ging ik terstond naar de piano en zong et stuk van.... Donerie — je weet wel dat erg sentimenteele — als een lijster. Niewaar tante?quot;

„Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij \'t hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte.quot;

„Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd,quot; zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: „Een zenuwaandoening laat zich niet zoo

femakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwek-ends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.quot;emakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwek-ends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.quot;

„Ziet u wel tante!quot; roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: „ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden, ü hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam

niet van die muziek, maar daardoor dat u----quot;

„Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze — al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan.quot;

„Nü moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je\'t hotel Helmond tusschen \'t lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?quot;

„O nee, wat dat betreft, maar \'tis al laat, en je vrouw....quot;

„Eva is heel wel; dank u.quot;

„Zij wacht je misschien met \'t eten.quot;

„Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante.quot;

„Zeer onderdanig!quot;

„Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;quot; zegt Jacoba.

„Ja maar Coba, vooreerst----quot;

„Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee____quot;

„Mijn plan? mijn idee? Wat meen je Coba-lief?quot;

Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. \'t Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waar-t 12

-ocr page 198-

DOKTER HELMOND EK ZIJN VROUW.

lijk, het denkbeeld is toch van haar. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoha van morden zoo dolzinnig; aan \'t zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft ot ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze — eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen — toen heeft ze gezegd: ,0 prachtig, \'t is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken.quot;

Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan „zoo ietsquot; verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar... . nee dat was wat al te gek. Hoewel----

„O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?quot; valt tante zich zelve in de rede.

„Ja, wat zal ik zeggen, \'t is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo\'n idee zijn gekomen, \'t Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!quot;

Helmond vernam nu, dat „het denkbeeld van tante Mansburgquot; door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt — welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij „tantes denkbeeldquot; aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.

Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze — mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve — zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Een monument zal er voor hem verrijzen, en zij zal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerken wie het roer in handen heeft.

Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.

178

-ocr page 199-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW. 179

Eva ontvangt haar August met een opgernimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld ?

Of het kwam omdat August heden liefst geen namen van De Zonsberg noemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.

Eva\'s gelaat betrok. Zou het mogeliik zijn dat Helmond en Coba. •? Neen, \'t was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt.....

„Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je „lieve vrouwquot; hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield. — Hé, a propos.... we zijn nog niet quitte.quot;

„Wat meen je.... ?quot;

„Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?quot;

„Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder \'t zegel der geheimhouding, dat weet je wel.quot;

„Nieuwsgierig!quot; zegt\' Eva fier; en dan met klem: „Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was.quot;

Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den brief niet lezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.

„En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was. Eva, is zij mijn patiënt dan niet?quot;

Een vuurrood overdekt Eva\'s gelaat.

„Dus de brief was van Jacoba!?quot;

„Ja.quot;

Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:

„Dus bestaat er een inclinatie!quot;

„Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg.....quot;

„Vandaar dan een avond zooals gisteren op De Zonsberg,quot; valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: „Vandaar al die

onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O \'t is genoeg,

nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit dén korten dommel van geluk!quot;

„Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!quot;

Zij ziet hem fier in de oogen.

-ocr page 200-

180 dokter helmond en zijn vrottw.

„Waarachtig Helmond!? — Laat mij den brief dan lezen?quot;

„Ik heb.... hem verscheurd.quot;

„Dat is onwaar; geef hem, als ik mij dan waarachtig bedrieg.

Niet!!?quot; — Zij stampt met den voet: „Goed zoo!----goed! dan

houd ik je voor \'tgeen ik nooit heb kunnen denken; ja, voor een.....quot;

„Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nü om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand.quot;

„Bewijs het me Helmond! Ik zeg bewijs het me! O God, ben ik daarvoor geboren, ben ik daarvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!quot;

„Zie me eens aan Eva. — Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt. — Geloof je me niet Eva?quot;

„Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hem niet verscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren.quot;

„En al ware dat zoo, je zult hem niet lezen. De brief is van een patiënt in vertrouwen geschreven.quot;

„Je zult hem niet lezen!quot; herhaalt Eva: „je zult niet! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: je zult hem niet lezen!quot;

„Eva, geloof me. ...!quot;

„Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om \'t genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheer-schen kan; ik geloof....quot;

„En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aan mijn woord te twijfelen?quot;

Éva aarzelt:

„Je achterhoudendheid!quot;

„Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw! — Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo\'n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik alles alles voor je overheb; dat ik —

-ocr page 201-

dokter helmond en zijn vrottw. 181

wanneer het maar niet in strijd met mijn plicht is — aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen? — Eva----!quot;

Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en \'t was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba\'s zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hii daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk reent om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? \'t Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en.... dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.

En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man barer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar. ...? Als Eva haar besten man dan altijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen \'twelk hij daareven sprak.

„Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom----!quot;

En fluisterend met zoete stem: „Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door \'t koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje — zijn ander ik, niewaar August? — onridderlijk minachten en beleedigen durft?quot;

En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel — bij de blijde overtuiging Eva\'s argwaan voorgoed te hebben overwonnen — dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt:

-ocr page 202-

182 DOKTER HELHOND EN ZIJlï VBO UW.

— Voorzichtig, met bedwelming ia de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

\'t Ia een prachtige maar tevena een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van \'t bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.

Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.

De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.

Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort auizend langa \'t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hoo-ren, wanneer een loome hoef of klauw den versehgevallen buit in \'t weiland beroeren komt, en \'t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.

Het landgoed De Zonsberg ligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.

Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt |dat landgoed een oaae te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte atam-rozen aan de linkerzii van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.

Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige achreden van het groote ijzeren hek van De Zonsberg verwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den „kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel — het hoofd — is gevatquot;, en vraagt zich zeiven dan zeer ersntig af: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? \'t Loopt hem — met permissie — onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij \'t zelf zien dan zou hij bespeuren: eonigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.

Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juist

-ocr page 203-

DOKIER HELMOND EN ZIJN VROXTW. 183

deze positie — en jus, en nage — moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!

\'t Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigazins vochtige vingers aanraakt, \'t IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!

En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijn paille glacé handschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige „muisquot; te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij — door het ongeluk zoo mogelijk nog meer en nage geraakt — het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.quot;.. En....

Daar staat hij dan nu.... in hare nabijheid! — Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander „onwellevend gevogeltquot; een witzijden doek over \'t hoofd heeft gehangen, en, dooide drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ook en nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.

,\'t Hem, kehem!quot; kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!

— Zij slaapt! O zij slaapt!! — Edele spruit! droomt zij wellicht,

en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin----

aanbidt, die haar, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als

fij slaapt! Hier is hij van wien gij „droomcnd waakt en wakendij slaapt! Hier is hij van wien gij „droomcnd waakt en wakend

roomtquot;; die u „wil omstrengelen met de teerheid van zijn hartquot;. Maar — helaas! paf! daar barst ook de tweede paille handschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar. — Bah! \'t is te warm voor handschoenen.

— Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.

„Juffrouw! juffrouw Jacoba!quot;

De neustop klimt. De sluier valt:

„Goeie hemel! — phu! — wat? Wie.... ? phu! Pardon menheer----

wie heb ik \'t plezier....?quot;

„Hé, ik dacht----quot; zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins

uit het veld geslagen: „Ik meende dat u.. . Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal... ? —

-ocr page 204-

184 DOKTER HELMOND BN ZIJK VBOUW.

Charmant mooi weer. Ik dacht---- enfin----la belle dormeuse au

bois, enfin!----quot;

,0 ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Eippelaan nietwaar.... ?quot;

,Jules Janin, om u te dienen. Van mama\'s kant — de Parladot-ti\'s — Italiaansche origine! — Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om....quot;

Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.

— Wat wil die man?!

„Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden,quot; valt ze haastig in: „wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen.quot;

„Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier \'t eerst te spreken! \'t Was ontzettend warm op den weg, en daarom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien....quot;

„Mijnheer, ik verzoek u niet verder te §aan. — Op mijne jaren....quot; En dan terwijl een yuurood haar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van net huis te begeven, voegt ze er bij: „Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur.quot;

De generaal Van Barneveld verkeerde \'t allerminst in een stemming ommenschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loqpen, eenvoudig met de boodschap; mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in \'t geheel niet door.

De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn „joviale vrijmoedigheidquot; verliezen.

„En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?quot;

„De zaak uw excellentie, de---- eigenlijke zaak----Enfin, mijn

naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti. — Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van \'t leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Pransch bisschop uit de veertiende of vijftfende eeuw — daar wil ik afwezen. Al vroeg....quot;

.De hoofdzaak, menheer Kippelaan?quot;

Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van \'t gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo „dolks en sabelsquot; aan.

„De zaak uw excellentie, de zaak, enfin....quot; Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: „Mijn bijzonder compliment generaal, \'t Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk, \'t Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte____quot; Kippelaan is er bijna toe

-ocr page 205-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOUW

gekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.

„Wat meen je menheer?quot;

De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. \'t Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.

Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds „publiek domeinquot;. Op een avondpartij bij den notaris in \'t laatst van de vorige week — waar o. a. ook getrufi\'eerde kapoen uit Utrecht was geweest — daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er \'s-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z\'n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem \'s-ande-rendaags bij \'t scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kar-tenglimp gezegd: „Voor achttienduizend! Spotprijs!quot; en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hii er alles van wist.

Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils — hij lette op alles, en de notaris had een „toost geslagenquot; zei Piet, over „de scnoonere toekomst van de goede stad Éomphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken.quot; De majoor Kartenglimp had toen ook een „toost geslagenquot;, en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens — hij mocht met eenige zekerheid spreken — dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvan hij, gave het God! — de majoor had toen den blik naar boven geslagen — eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, de moeder zou worden genoemd.

Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven, \'t Was zeker voor den ouden gene-

185

-ocr page 206-

186 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

raai, die er nog niets van wist, aller---- aller... .interessantst!

„Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus \'t nieuwe huis zou betrekken.... en... .\'quot;

„Genoeg menheer----!quot;

„Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; \'t huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!quot;

De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op \'t punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:

„Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dat de zaak waarover....quot;

„Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie.

Ik...., ik ben..... que voulez-vous; ik----Charmant lief weertje

vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte.quot; Opstaande: „Phu! enfin...

„Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, noem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag.quot;

„Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een...quot;

Van Barneveld staat op:

„Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, \'t zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden....quot;

„En toch, ik----, ik bid uw excellentie; als de zon dan mijn hart

en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de

liefde----O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.. ..

Mama was een Parladotti; ik ben in den Moei van \'t leven; niet onwelgemaakt! — De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier — pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles. ...quot;

Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.

Sedert den fatalen avond, toen dat „ijdele overmoedige dingquot; zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft

fedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden.edolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden.

a zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming — ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht —

-ocr page 207-

DOKTER HELMOND EN ZIJN YBOtTW.

was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.

Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie\'s dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helraonds vermoeden, -waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba\'s welzijn — nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen — ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor \'t oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart die niet zou voorbijgaan.

— Ja, \'t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn

eenig kind, maar anders----! Wanneer hij bedenkt wat het had

kunnen zijn! — O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen 1 Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet; Op elke knie zat er een. August rechts; de ander links. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld. — Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, \'t was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat. — „Gerust maar,quot; had de ander tot den oudsten broeder gezegd: „het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zal ik er je uithalen, op m\'n woord van eer.quot; — En August was er doorgezakt, en de ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij — de pleegvader — hij voelt nog dat inwendig beven, \'twelk hij nooit te voren gevoelde; en \'t is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad; ,0 God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongens zoo lief!quot; — Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagen

187

-ocr page 208-

dokter helmond en zijn veoutt.

later terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich

voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de

maat -was nog niet volgemeten. \'t Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw — zonder twijfel door haar gedreven — den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk

ns zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedel-gestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, dieZEd. — haars ondanks en onbewust — voor het diner had geschonken, \'t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.

Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familie

Van Armeloo.\'\'

— Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andere Eva heeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.

Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar \'t laatst heeft geroffeld. ■— Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba\'s ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar

gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?

Oj) het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapotte paille handschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.

Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort. „Watblief? — Nee Alexander, \'t spijt me wel, maar ik moet me

excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag......

\'t Was maar even om je te zeggen____quot; en mevrouw Mansburg

fluistert den generaal wat in \'t oor.

„Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld,

dat mijn bloed----quot; Eensklaps opstaande tot Kippelaan:

„Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud

man, en---- Nee, \'t spijt me----maar____ Wat het hoofddoel van ie

komst betreft____quot;

Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen met

188

-ocr page 209-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

de tien paille handschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:

,0 generaal, het is____quot;

„Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen.quot;

„Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?quot;

Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van \'t leven! Maar toch, als onmogelijk heeft ze het niet beschouwd.

„Mijnheer Kippelaan,quot; zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: „mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken.quot;

— Och neen. Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan — verrast over zooveel heuschheid — na de hartelijkste respecta-verzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het „bureauquot; van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:

„Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken. — Nee: niet, \'t is immers duidelijk genoeg!quot;

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huis De Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.

Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op \'t bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.

Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.

„A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?quot;

„Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar \'t liefst als zij alleen is.quot;

Bi) \'t hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, ddarop nad hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba\'s wel-

189

-ocr page 210-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKODW.

stand is komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba hail hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker haar gold in de eerste plaats. — Hoe \'t zij, \'t heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief — een speciale zending — is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in \'t geheel niet durven voorstellen dat hij haar.... haar, dat zachte tee-dere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.

,Nee Hendrik, wacht.... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?quot;

„Wou je liever niet binnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan....quot;

„Nee Hendrik, ik meende alleen....quot;

Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: „Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!quot;

Over Jacoba\'s bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haar wil gesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken. — Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.

Nu is \'t voorbij.

„Ga zitten menheer Van Hake. — Ik hoop dat vader gauw komen zal. — Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen ... \'t was. ..quot;

„O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; \'t maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn. — Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van \'t leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo\'n edel best mensch! Och ja, we hadden in \'t laatst nog een soort van orgelkrans.quot;

„Ei zoo!quot; zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.

„Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, \'s Zondags avonds, en een paar malen \'s morgens vroeg, kwamen we op \'t orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. \'t Mocht niet eens den naam van les hebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkrans

190

-ocr page 211-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 191

of orgel club; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren.quot;

„Zoo----kort?quot;

„Ja, na de zevende les is hij aan \'t sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of \'t me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje \'s morgens heel vroeg wat aan \'t oefenen ben. \'t Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen.quot;

Er volgde een pauze.

Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donene te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn. — Die blanke engel!

,\'t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over \'t land, en wat blinkt de Rijn daar helder in \'t verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij.quot;

,Ja.... \'tis wel een heerlijk gezicht;quot; zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: „Is dat een mooi. .. instrument.... zoo\'n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit.... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit----quot;

,0, als u \'t orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?quot; zegt Thomas snol, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.

„Zien, ja wat dat betreft, maar \'t is tegenwoordig zoo warm op den dag.quot;

„Nee maar in de vroegte juffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op \'t orgel. Zie, als ik weten mocht wanneer, dan zou ik zorgen....quot;

,Wel vriendelijk, maar \'t zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa....quot;

„Nee, als mijnheer de generaal \'t liever niet had.... dan ... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon mot zulk een warmt» over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, \'t geeft u een sombero herinnering.quot;

„Hebt ü ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?quot;

„Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u — tenminste de familie er niet vóór waart.quot;

„Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in \'t algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen.quot; Even naar buiten ziende eii dan snel en bepaald: „Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijr-meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagp dachtenis van mijnheer....quot;

-ocr page 212-

192 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Donerie,quot; helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: „Zou het waarlijk ook li genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld\'?quot;

,Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig.quot;

„Nu juffrouw, als ü het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik

er mij eens flink zou voorspannen; maar----ik was wat bang, en

\'t ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nü, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder \'t hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver----quot;

Jacoba moet de hand op \'t hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.

„Nee natuurlijk niet juffrouw,quot; stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig tóe: „dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is----nee natuurlijk, natuurlijk!quot;

„Niewaar, natuurlijk!quot; herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: „Een onbekende heeft bij u ingeschreven voor een bedrag

dat----later kan worden ingevuld, u verstaat me; en ik teeken —

eon weinig onderaan slechts voor tien gulden.quot; Rondziende snel: „Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!quot;

„Welzeker, natuurlijk juffrouw!quot; — Och hemel, zoo\'n engel!

De deur werd geopend. De generaal trad binnen.

De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.

„Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij \'t! Je moeder welvarend?quot;

„Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit.quot;

„Ben je druk aan \'t praten geweest? Je hebt zoo\'n kleur.quot;

„Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?quot;

„Nee, een brief? Van wien?quot;

„Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken.quot;

„Ik heb \'em niet gezien;quot; zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: „Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. \'t Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte — ja zeker m\'n vrind, ik vergeet dat niet — dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren.quot;

„O wat dat betreft generaal; ik hoop niet....quot;

-ocr page 213-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 193

„Nee \'t zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn.quot;

Hij geeft Jaooba een gebiedenden wenk.

Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:

,Indien ik anders zoolang ergens anders ...?quot;

„O nee, volstrekt niet menheer Van Hake,quot; zegt Jacoba: „papa heeft gelijk; \'smorgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in \'t vervolg \'s morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama, en ook aan....quot;

„Waar of Willem blijft!quot; valt Van Barneveld in met krachtige stem: „Ik heb tweemaal gescheld ; de oude wordt langzaam.quot;

Gevoelde Jacoba dat haar vader \'t slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij \'t heengaan:

,. -.. En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw.quot;

De oude koetsier — die \'t nooit verleeren zal om bij \'t naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal do groote schel boven \'t huis te doen klinken: dat was \'t sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.

In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met „zulke wenschenquot; een gek, een groote gek is; en toch. .. .

En Van Barneveld? — Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male — en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer — een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader en heulen met een Delila! Wil hij twee heeren dienen!? — En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van \'t stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou .hij. zich in \'t hoofd hebben gezet dat hij met Jacoba....? Neen, \'t is bijna niet te denken; en toch....

Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.

Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.

Van Hake zit voor op zijn stoel.

Van Barneveld leest:

„Geëerde oom!quot;

De generaal gaat naar het raam. \'t Werd al wat donker, en,\'t was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij \'t raam leest hip verder:

„Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: „Kruipen doet het laag gediertequot;, drong het i. is

-ocr page 214-

194 DOETEE HELMOND EN ZIJN VBOUW.

\'besluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.

„Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!

rIk wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond, — het opperen van miin vermoeden omtrent de oorzaak van Coba\'s zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw, — reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken....quot;

„Watblieft u Generaal?quot; zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.

„Watblief?quot; herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: „Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer\'?quot;

Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:

„De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet.quot;

„Ahzoo!quot; zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: „Wel wat vrij gedrag! Ha, mij dunkt! — Nu leest hij verder:

„Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongs afaan bewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.

„En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva\'s ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn.quot;

— Ha, ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:

„Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva\'s gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter....quot;

Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen \'t hart drukt, \'t Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.

— Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar:

-ocr page 215-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 195

Neen, God weet het dat ik niet „trotsch en schrielquot; ben, maar \'t bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief — lang verwacht —- zou me zeggen hoe het stond tusSchen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan----

,Deert u iets generaal?quot;

Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.

Doch zie, met een krachtige zelfoverwinning grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor \'tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem;

„Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, daarom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door een vrouw — een heidin — slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder \'t puin van den heidentempel te begraven.quot;

Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.

Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag — nadat dokter erg verhit was thuisgekomen — heeft hij zijn hart voor hem uitgestort. — Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond — zooals dokter zeide — een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen door ervaring de wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voor-hoofdrimpelen niet. — Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen; als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar een heel hartelijk en, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.

Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen niet

-ocr page 216-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

vrij — erg op zijn gemak — over alles kunnen spreken? \'t Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men \'t maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, \'t was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo\'n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten — terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is — daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan — maar nee, waarachtig niet! Nee, opzijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naar De Zonsberg gezocht. Wat zou het hem voor zich zeiven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers \'t vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek. — Uit er mee!

— Of bij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja, zien; wie weet----! zoo heeft hij gedacht.

En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuis-

fekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien raven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.ekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien raven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.

Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te deelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan niet aanstonds gedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde ; uitstel zou licht tot. afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, is spoedig handelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden man meer grieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als \'t ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeneele scheuring nog \'t best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.

En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:

„Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m\'n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken.quot;

196

-ocr page 217-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOtJW.

— Och! wdt is het anders dan de eeuwenheugende geachiedenia van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.

„Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan....quot;

Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:

„Ik heb je, meen ik, \'t antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet.\'\'

„Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal.quot;

„Jawel, tenminste....quot;

„Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m\'n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter — generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals \'t van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo\'u best mensch, generaal, en nee, z\'n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken ...quot;

Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij \'t raam staat, ziet om, en valt niet eenigszins schorre stem nu haastig in:

„Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik ie dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder \'t oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en.... zijn vrouw te handelen heeft. Een man. ...quot;

„Maar----maar ...quot; aarzelt Thom in bijna smeekende houding:

„als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt. ...quot;

„Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen. Een man als je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven — nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf ... — ik zeg, zulk een man zal aan \'t slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern....quot;

Thom kan zich niet weerhouden en valt in:

„Ja maar generaal, juist die kern van dokter; zijn hart voor u...quot;

Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik. waarin zeer duidelijk geschreven staat: Zwijg! Meer niet, maar \'t was voldoende:

„Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch,quot; herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: „Je schijnt te denken dat een verschil, „haken en oogenquot; zooals je dat gelieft te noemen, mij \'t besluit deed nemen ora dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, die

197

-ocr page 218-

198 DOKTER HELMOlfD EN ZIJN VEOUW.

in dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging.quot;

Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij

moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je

beurt; halt!

„En Helmond kent die overtuiging!quot; hervat de generaal met verheffing: „Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm ia het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; \'t is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral van zotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van \'t voorgeslacht ontwaken in \'t eind: „Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!quot;

Maar hij zal ontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee, wee dan de vadsige gasthuis-Nederlanders, \'tont-aarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!quot;

„Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter----quot;

„Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?quot;

„Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen.quot;

„Maar wie, wie kiest hij dan! Ik zeg je dat hij steeds haar zal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila boven Jehova verkiest.quot;

„Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is____quot;

„Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten. — Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door die vrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden. — \'t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit. — Wat wil hij nu! — Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien — zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet — dat hij nu mede geheel overtuigd is van \'tgeen zijn vrouw

mjj verwijten dorst, dat ik----ha! dat ik ben: én trotsch én

scnriel!quot;

„Goeje hemel, generaal!quot;

„Nu weet je het knaap. En \'t is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar

me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles----Ga ! Nee,

niets meer. Ik ben wél, maar toch----quot; Van Bameveld, die reeds

gedurig de hand ter plaatse van \'t hart heeft gebracht, doet het ook

-ocr page 219-

DOKTER HELHOND EN ZIJN VROÜW. 199

nu, terwijl hij vervolgt: „In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef \'t den ouden man; jij deedt je plicht ... jij....! Blijf een brave zoon; vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar \'tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest ...quot; Thom werd bloedrood: „neem er dan eene uit je stand, die — zoo noodig, \'t brood mee verdienen durft. Vaarwel!quot;

\'t Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken. — Ja toch:

„Maar ik bid u, generaal!quot; — Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden. — Goeie hemel, moest dit het besluit dan

wezen! Die beste dokter! — En dan, ach!----Daar was eens een

koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!

Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan\'t adres Binzler te Godesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later — bij quot;t eerste uontendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek van De Zonsberg uit.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Was Augustus. — Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva hun nieuwe woning betrokken.

Inderdaad, liet deftige ond-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt, zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van \'t een op \'t ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis „schandekoop had: tweeduizend gulden voor reperaties — met de serre, waar mevrouw zoo\'n zin in heeft gehad erbij — \'t waa hem wel driehonderd gulden meegevallen. Zoo goed als present!quot;

De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden, is de kleinste, der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.

Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de fraai geschilderde doeken aan den wand — Arkadische landschappen voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel, met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in \'t midden en een

£aar wapenschilden in \'t lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van et eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.aar wapenschilden in \'t lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van et eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.

En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk uit-

-ocr page 220-

\'200 DOETBR HELMOND BN ZIJN VROUW.

zicht hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde-en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.

Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en afgetrokken was — „geen wonder na de infame behandeling van den ouden despootquot; — zelfs August die eerst in de onaangename bui drie stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor \'t eerst een kijkje mocht nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie stuks — die ze natuurlijk tóch maar komen liet — het geheel lang niet zóó zou voldaan hebben.

Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op De Schebbe-laar te komen.

Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Doktor Helmond heeft het dezen morgen zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had. — Het theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo, den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van Armeloo, zou komen meedeelen.

„Ja August, \'t zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je onverdeelde liefde bezit, ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August, en \'t zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt.quot;

„De Schebbelaar ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet weten; misschien is er werkelijk haast bij.quot;

„Die menschen hebben altijd haast August.quot;

„\'t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij zelf wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig afliep....quot; Hij ziet naar de pendule; „Maar nee \'t is toch beter .. .

„We kunnen hem immers zeggen datje wat haast hebt, en later neem je een vigilante.quot;

„Nee Eva, vigilantes nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf op die visite een gulden toegeven.quot;

„Och arm arm mannetje!quot; zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem: „Zal dat nu altijd zoo blijven?quot;

„Wat meen je lieve kind?quot;

„Nu ja, wat meen ik____ Niet boos worden August!quot;

„Boos.. ..? Geef ik zooveel roden om dat te vreezen?quot;

„Nee zeker niet. Maar____quot; Aarzelend: „We zijn immers één als

-ocr page 221-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROÜW.

man en vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij \'t eerst van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet

naar of je..... rijk waart; maar, nu ik het weet — ja natuurlijk,

ik weet het — nu moest je vis-a-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, ot wat er naar zweemt, toch laten varen. — Is het uit vrees August, dat ik op den duur wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in alles je vertrouwen wondt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw moeten opdringen wat ik nu onstuimig hegeeren blijf.quot; Hem liefkoozend: „We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé.. ..? en hebben fortuin, nog al veel fortuin____?quot;

„Ik, Eva, ik?quot;

„Nu ja, van mijn kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft; La bonne nuit ses écus!quot;

„Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen....quot;

Eva legt hem snel de hand op den mond: „Stil, niet jokken. Foei, die guldens- en stuiversberekeningen a la Zonsberg, zouden den besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het gepensionneerd reliek....quot;

„Eva! zóó niet!quot;\'

„Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch, marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen.quot;

„Eva, Eva!quot;

„Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten verstandigsten man van de wereld houd — met een klein deukje door een schriele opvoeding misschien? — Toen we op de catechisatie eens den tekst behandelden: „Geldgierigheid isdewortel van alle kwaad,quot; toen heb ik er tegenover-gesteld: „Royaliteit is de moeder van alle deugd,quot; en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes- en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet wanneer men....quot;

„Maar Eva, ik bezweer je...

„Tuterletuterletu!quot; roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een valschen eed voorkomen. En dan vleiend: „August, als je me nu waarlijk liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je even lief om, dat weet ie; maar, nu je het bent, toon me nu ook, door het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het niet waart dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzit. O, ik heb het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten, zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!quot;

201

-ocr page 222-

202 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

\'t Was Helmond bij Eva\'s laatste woorden alsof hij door een wesp werd gestoken. — Dat was te veel!

Alleen ter wille van haar wier oog hem liefdevol moet toelachen, aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven,, telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat alles had ingewilligd; Een onverstandig, een dom, een zeer dom man!

— Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen, spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen — de eerste van een zaligen echt? — Toen was hij dan toch geen dwaas en onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel geld uitgegeven. — En later? — Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen: Ja, later!

— Maar, neen! nog eens neen! Hij is er immers gerust op geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het later met eenige zekerheid verwachten mag? En jbovendien al moest dat uitzicht in damp vervliegen — en zoo waar als er een God is, en zoo waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen recht heeft — neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien hem \'t leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.

— Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: fortuin te bezitten. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een onverstandig man zijn in zulke heerlijke oogen! — Zou hij niet door te bekennen, de achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn zedelijk overwicht.... \'twelk hij voortaan wat meer zal weten te handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag hij immers zijn Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.

Na een korte weifeling zegt Helmond:

,Nu ja kindlief, \'t spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben indien ik \'t niet doen kon! Maar toch....quot;

„Bravo, bravo!quot; valt Eva in: „dat heet nu waarlijk liefhebben, en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dat moest ik maar zeker, heel zeker weten: mijn beste man deed niets wat hij niat doen kon. \'t Blijft me even onverschillig August, hoeveel we hebben in de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar

-ocr page 223-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOCW. 203

mannetjelief, tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen, die visite wat later per vigilante kunt maken. quot;Zeg, zul je blijven August? De zaak ia immers belangrijk genoeg?quot;

August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren. — Hij heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij... . als een verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neon! Maar toch:

„Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door de omstandigheden zgn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid waarachtig boven alles plicht is. — Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal zo bijwonen, \'t Zou niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker wandelen Eva, al wordt het wat laat.quot;

„Och mijn lieve beste August!quot; vleit Eva met een zoen; en dan vroolijk: «Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier uitmuntend voldoet. — Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat wilt. quot;Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei, dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?quot;

Eva\'s slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument; en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een weg-sleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk sopraan geluid;

Vraag aan den nachtegaal toch niet.

Als hij zijn plechtig avondlied Zoo rein welluidend klinken doet:

.Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon „Een stem zoo schoon,

„Zoo wonderzoet?quot;

Laat toch het vogeltje ongestoord

Maar jubelen met vol accoord.

Wat ook natuur ten loon u biedt.

Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Vraag aan het bloeiend roosje niet.

Als gij haar lieflijk blozen ziet.

En ze u bekoort door zachten gloed:

„Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon „Een kleed zoo schoon,

„Een geur zoo zoet?quot;

-ocr page 224-

204 DOKTER HELMOND EN ZIJN VRODW.

Laat toch het roosjen ongestoord;

Van arbeid heeft het nooit gehoord.

Wat ook natuur ten loon u biedt Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn mannelijk scnoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien als tegenhanger van \'tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna vergeten lied gezongen neeft. \'t Sloeg ook wat al te weinig op \'tgeen hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: „Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!quot; — Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn eigen vrouw, die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig; is, hier zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon, neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:

„Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!quot; dringt Helmond met denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn hand op haar schouder drukt: „Ja waarachtig: Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!quot;

„Bevalt het je lieve man? Komaan!quot; En weder zingt Eva het eerste couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan herkennen.

En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen. — Een talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al, met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte lage naargeestige vertrekken. En dan — deze eenige onder de Komphuizer vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August bij zich zeiven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze verdient!

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mama Armelo heeft zich dezen middag in \'t gala-pak gestoken om met Armelo, die ook zijn Zondagsche jas heeft moeten aantrekken, aan Eva\'s uitnoodiging te voldoen.

-ocr page 225-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW. 205

De echtgenooten begeven zich op weg naar het nieuwe doktershuis.

Met een eenigszins vreemd draaiende deftigheid stapt mevrouw, naast den ex-kapitein — die in de laatste jaren wel wat voorover loopt — door de voornaamste straten van het stadje, op het tamelijk groote marktplein toe.

„Zieje wel Armelo, dat Wessels de kleermaker weer groet?quot;

„Ja Marie.quot;

„En slager Van Delden daar..... heb je \'t gezien, zoo anders

als anders, zoo onderdanig?quot;

,Ja. — Je hadt je wel wat minder mooi kunnen maken Marie.quot;

, Waarom?quot;

„\'k Heb immers Van Delden nog om drie maanden uitstel gevraagd; nu zal je mooie plunje hem in de war brengen.quot;

„\'t Is vreemd Armelo, dat je dat uitstel en die beleefdheid niet beter begrijpt. Ik voor mij geloof dat we sinds het bekend is, zooveel krediet kunnen krijgen als we maar willen.quot;

„Bekend? Wét zeg je! is het al bekend? Ik dacht dat die gekheid tenminste geheel onder ons zou blijven totdat de majoor....quot;

„O daar spreek ik niet van Armelo, ik bedoel van onzen schoonzoon, van Helmond. Sedert dat men zeker weet dat hij, ook van zich zeiven, er warmpjes inzit.quot;

„Ahja, wat dat betreft. Maar het staat me toch eigenlijk tegen dat men daarom aan mij....quot;

„Is Eva dan misschien je eigen vleesch en bloed niet, man?quot;

„Ja waarachtig! Maar te speculeeren op andermans geld! Nee Marie, nee!quot;

„Andermans! andermans!! De wettige man van je eigen kind! van het kind dat haar bestaan in de wereld aan ons te danken heeft. Is dokter niet precies zoo goed je zoon als Eva je dochter? Noem jij het andermans, ik noem het eigen! Van één meel, van één deeg!quot;

„Ik spreek van zijn geld.quot;

„Geld is niemendal. Wat is geld voor iemand die genoeg heeft! Geld is een dood, een onnoozel ding....quot;

„Stil vrouw, je praat zoo hard dat de jongens die daar knikkeren er van opkijken quot;

„Die jongens kunnen ook wel om wat anders opkijken, Armelo. Maar hoe \'t zij,quot; vervolgt mevrouw iets zachter: „wat heeft men aan geld dat met gebruikt wordt? En, als jij bijvoorbeeld eens rijk waart en schoonouders hadt die een stand moesten ophouden in de wereld, zou jij dan niet zeggen...quot; Mevrouw vervalt in iets zeer theatraals: „neem van het mijne, ik heb fortuin!quot;_

,\'t Is me moeielijk Marie, om me met de herinnering aan mijn schoonouders, zoo iets van stand ophouden voor te stellen, en nog moeielijker om.....quot;

„Och Armelo zwijg nu maar, je schijnt weer een dwarse bui te hebben; dat treft al heel slecht van avond. Je hebt die buien zeker uit de Tiendaagsche ruzie gehouden! — Kom man, kijk toch wat opgewekter. Zie, daar heb je het huis al. Goeje hemel, dat we nu

-ocr page 226-

206 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBODW.

zoo zeggen kunnen: daar, in dat mooiste huis van de heele stad, daar wonen onze kinderen! Och lieve deugd! wat een front maakt dat huis! — Nee, zenuwachtig ben ik niet Armelo,tenminste niet dagelijks; maar nou! wil je wel gelooven dat ik ieder keer kippevel krijg, als ik den markthoek omsla en dat huis daar voor me zie. — Och, hij doet het, onthoud er je vrouw bij.quot;

„Hij doet het? Wat meen je?quot;

,Wat? Wel Armelo, denk toch eens door.... zóóveel kamers, zóóveel ruimte voor twee personen!quot;

Armelo antwoordde niet. Het hoofd ging hoe langer hoe meer voorover. — \'t Ia hem tegenwoordig precies alsof hij overdag een boek leest, en \'s nachts droomt dat hij er zelf in vermoord wordt. —

Ha! zonder dien verwenschten drank, die het gevolg was van.....

Stil, zijn vrouw leeft nog, en ze heeft zich gebeterd, evenals hij, helaas toen het te laat was. — Maar ja, zonder dat zou hij niet telkens gepasseerd en, ofschoon nog per gratie met klokke vijftig, gepensioneerd zijn geworden. Neen, aan was hij nu kolonel, wie weet misschien generaal geweest! Maar dat alles is voorbij. Stil dan ouwe kameraad; gedane zaken nemen geen keer. Als je na nummer één, daar heel Boven, ergens in een nieuw garnizoen komt, en bij een hooger wapen van voren afaan kunt beginnen, dan zul je \'t wel verstandiger aanleggen. Zeker! Nu, wees te vreden dat je zonder schandaal nog een geregelde retraite hebt kunnen maken; dankbaar dat je stilletjes kondt rondsukkelen met wat zuinigheid en wat werken erbij. — Maar, in den laatsten tijd! in de laatste weken! Ach, somwijlen heeft hij oogenblikken gehad dat hij — nee, dat is niet waar; ia, ja toch, verdord! dat hij naar een glas jenever verlangde. Als net dan toch draait.....dan.....Een glas jenever!

Dat was slecht! Heeft het geluk hem beneveld en zoo uitzinnig gemaakt? Welk geluk? Welnu is Eva niet geheel gelukkig getrouwd; Eva, zijn oudste, zijn lieve dochter? _— Stil, dat is voor hem zulk een groot geluk niet. Hij durft het niet uitspreken; men zou het verkeerd kunnen uitleggen; maar, sinds dat goede huwelijk, zoo geheel naar aller zin, en vooral in de laatste weken, was Eva zijn Eva niet meer. Vriendelijk is ze, nu ja, heel vriendelijk. Eens hebben papa en mama met Louise zelfs bij haar gegeten, en tweemaal thee gedronken, welzeker! Maar toch, \'t was hem toen juist zoo vreemd en raar geweest. Bijvoorbeeld \'t is hem soms onmogelijk om zich duidelijk voor te stellen dat hij haar — die mooie rijke mevrouw — als kind zoo dikwijls op zijn knie heeft gehad; dat ze hem in die schrikkelijke dagen van vernedering en ellende — de lieve vroolijke bloem met haar golvende lokken — zoo telkens uit eigen beweging kwam liefkoozen en zoenen op den pijnlijk ge-

Ï.looiden mond; of, met haar rein welluidende stem haar schoonste iederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar ,lieve pa\'tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar hoofd die nare rimpels te verjagenquot;. Toen, ach, ofschoon telkens en telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn inkomsten — helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog gelukkiger dan nu? Is.looiden mond; of, met haar rein welluidende stem haar schoonste iederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar ,lieve pa\'tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar hoofd die nare rimpels te verjagenquot;. Toen, ach, ofschoon telkens en telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn inkomsten — helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog gelukkiger dan nu? Is

I------1quot;quot;quot; III IIIII-MM————

-ocr page 227-

DOJCTEK HELMOND EN ZIJN VEOTTW.

bet dau niet alsof de rust en kalmte der laatste tien jaren, nu na dat huwelijk van Eva, een eind hebben genomen\'? Aan wienzalmen het wijten? Aan den braven dokter die Eva als zijn oogappel bemint? Neen onmogelijk! Maar toch..... Ach, ware ze niet ziek

geworden! zucht Armelo onder \'t voorttreden in stilte; ware ze zoo meer in ,onzen doenquot; gebleven; muziekonderwijzeres geworden;

en was dan die goede Donerie niet zoo terughoudend geweest.....

Maar, dat alles is voorbij! En nu, \'t is alsof er sinds dat huwelijk en sinds die dwaze voorspiegeling van een graventitel vooral, een oude kwade geest in huis is wakker geworden. Het geld van den generaal; het fortuin van Helmond, en de adellijke titel, ze maken het oude hoofd van die arme vrouw weer op nol. Heb ik Louise, dat goede eenvoudige kind, niet bijna alle dagen met tranen in de oogen gezien, en was het mij dan met telkens alsof ik in een zwarten nacht staarde; alsof ik op een slagveld was met kermenden en lijken overdekt, terwijl de raven akelig krasten in \'t rond? Dat beeld vervolgt me al meer en meer; en als ik wakker lig, soms uren lang — terwijl ik in die laatste jaren weer zoo gerust kon slapen -— dan zie ik altijd en altijd weer datzelfde huis, daar, en schrikkelijk groote vlammen uit die vensters naar buiten slaan, en dan hoor ik haar kermen en gillen: Vader, vader! — O God! En dan.....

„Guns Armelo, je loopt alsof je spelden zoekt;quot; klinkt het eensklaps aan zijn zij; en Armelo schrikt op, en zet zijn kin in de stropdas, want ja, zij heeft gelijk: als oud-soldaat mag die rug niet zoo krom worden. — Maar, wie weet, wie weet wat hij nog te dragen krijgt: „Watblief Marie?quot;

„Dat je waarlijk je oudste schoenen hebt aangedaan.quot;

, De oudste ? Ik dacht dat het de nieuwe.... Ahja, nu zie ik ook....quot;

,Ze zijn bovenop in de buiging heeleniaal kapot; je kous schijnt er door. Zóó kun je niet meegaan, we moeten eerst weer....quot;

,Marie ben je mal! Eva zal daar niet naar zien, en al deed ze het, we hebben haar dunkt me in allerlei toilet gekend, van haar eerste kreetjes afaan.quot;

„Daar spreek ik niet van Armelo, maar een fatsoenlijk man, een man van geboorte.... enfin zelfs een oud-militair loopt met geen kapotte schoenen. Wat zou de majoor wol van je denken!quot;

„De majoor! dat is me vrij onverschillig. Je weet dat ik aan die heele aifaire niemendal hecht; tenminste....quot;

„Tenminste Armelo, zoolang we geen zekerheid hebben. Ik ken je, mannetje, en zoo ben jelui mannen allemaal: schimpen op zoete koek, maai-, als ze \'t trommeltje bij zich krijgen \'t heelemaal leeg eten — zoo ongemerkt! — Ik zou me schamen, in jou positie met kapotte schoenen! Kom, ik heb quasi m\'n zakdoek vergeten.quot;

„Als ik nü weer mee naar huis terugga, Marie, dan kun je er z e-ker van zijn, dat ik blijf waar ik ben. — Je weet wel dat ik toch al moeielijk tot deze visite — of conferentie zooals jelui het noemt — te bewegen was.quot;

„Maar met zulke vieze kapotte hannekemaaiers op haar mooie tapijt!quot;

207

-ocr page 228-

DOKTBE HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Als je met de hannekemaaiers mijn schoenen bedoelt, dan zeg ik je dat je overdrijft; \'t is er maar één, en waarlijk zoo erg niet ; de andere is nog heel.quot;

,\'t Staat arra man, armzalig! Maar als je in zoo\'n dwarse bui bent, dan zou je wezenlijk instaat zijn om thuis te blijven.... tenminste \'t zou schrikkelijk laat worden. — Je houdt dan je rechter den hee-len tijd over je linker, op die plek, begrijp je Armelo. En nu, in \'s-hemelsnaam, niet dat lamentabele gezicht! — Kijk, daar staat schoonzoon al voor \'t raam. Hemel, wat een pracht van een huis! — Gauw Armelo, zie eens op zij, ongemerkt: Zie me om de liefde eens hoe de freules Van Winteren ons nakijken. Je kunt denken hoe het die dames pikeert dat wij de hooge breede stoep van \'t mooie oud-burge ... van \'t nieuwe doktershuis opstappen.quot;\' — Zij trekt aan de schel der huisdeur: „Nu front naar de markt kapitein!quot; — en dan bij zich zelve: „Ziezoo dames, als je wilt dan kun je ons nu uit de verte nog eens in onze volle waarde genieten. Jawel kale jonkvrouwen met een heelen boel verbeelding en wind op het lijf! hier staan wij; ik en m\'n man; en we gaan hier — om zoo te zeggen zoo goed als in ons eigen huis, en als je maar geduld hebt, dan zie je mettertijd nog eens een heel ander kroontje op de kaartjes van de familie Van Armeloo dan het magere ding, waarmee jelui zoo\'n laffen bluf maakt.quot; Luide: „Och Armelo, zie eens, zit m\'n mantille wel recht? Trek hier \'en beetje. Man, strijk je knevel toch op; en, — denk aan je schoen!quot;

Bus, de lange drankjesrondbrenger van doktor Helmond, die een soort van „huisknechtelijkquot; voorkomen heeft gekregen — door een licht linnen jasje met blauwe streepjes — opant de deur.

„Dag Bosch! — Mijn kinderen thuis?quot; zegt mevrouw: „Mijn zoon de dokter óók? Ha! Ie voola!quot; — Een enkelen keer —nochtans hoogst zeldzaam — sprak mevrouw Armelo Fransch. — „Ha! Lieve Helmond! hoe gaat het? Foei, kom je ons zelf in de gang ontvangen? foei! — Och, je moet je om óns niets, niets ter wereld geneeren. Wij hebben zoo volstrekt geen complimenten of aanmatiging, wij----quot;

Helmond die den zoen van zijn mama „recht hartelijkquot; heeft gevonden, begroet intusschen zijn schoonvader met een trouwhartigen handdruk; en dan:

„Wat! niet heel fiksch papa; moet ik u in den vijzel hebben?quot;

„O \'t heeft niets te beteekenen,quot; zegt Armelo: „van morgen een beetje hoofdpijn.quot;

„In den vijzel!quot; zegt mevrouw: „Helmond-lief, ik dacht datje den vijzel voorgoed....quot;

„Maar mama\'tje, wie heeft dat gezegd!quot;

„Gud! menheer Kippelaan zei.. .

„Och vrouw, zwijg toch van Kippelaan, \'tis \'en proppenschieter.quot;

„Ga binnen; Eva wacht u;quot; zegt Helmond en doet de deur, waaruit hij in het breede marmeren voorhuis kwam, wat verder open, en papa Armelo treedt achter mama Armelo de Oranje-zaal binnen.

208

-ocr page 229-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 209

Eva heeft gewacht.

Ala altijd schoon, ja schooner misschien dewijl het zwart harège kleed haar blankheid te meer doet uitkomen, ligt Eva bij het binnentreden van haar ouders, zeer gracelijk in een voltaire, met het hoofd achterover, de fijne hand aan den kleinen mond, en den blik schuin terzijde door \'t venster in de blauwe lucht. Helmond begreep die houding op dit oogenblik niet. Moest dat een klein ondeugend comediestukje wezen? Was het om haar ouders stilzwijgend een raadseltje op te geven, \'traadseltje van twee is drie? Of Eva inderdaad iets van dien aard bedoelde toen ze bij \'t binnentreden der ouders — hoewel slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik — half liggend zitten bleef, of dat zij misschien \'t effect van haar Oranjezaal die nu kant en klaar was door een gepaste stoffage, — een rustig figuurtje — wilde verhoogen, wenscnend dat men bij \'tbinnentreden een indruk zou krijgen \'tgeen onmogelijk was wanneer zij aanstonds ging opvliegen als een schichtig konijn!? — Helmond

felooft het eerste. Eva zou hem, indien hij \'t haar later gevraagd ad, waarschijnlijk geantwoord hebben: Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen zoo haarfijn rekenschap geven ? Ik zat zoo, mijn hemel, ik zat zoo!elooft het eerste. Eva zou hem, indien hij \'t haar later gevraagd ad, waarschijnlijk geantwoord hebben: Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen zoo haarfijn rekenschap geven ? Ik zat zoo, mijn hemel, ik zat zoo!

Nu heeft ze de ouders begroet. Er is plaats genomen. Eva zet thee. Mama Arraelo komt aan het woord:

, Wij denken geheel eenstemmig Eva, en \'t allerbeste zal dunkt me zijn, dat we nu eerst eens bedaard den majoor afwachten, \'t Verstand van je lieven man, mijn besten zoon — ja ja Helmond, God weet hoe ik dweep met je kennis en verstand; maar ik zeg Eva, er zijn wel eens zaken die de vrouwen oneindig beter inzien. De

majoor is een man die zeer juist----quot;

„Och Marie, jij altijd met je verheerlijking van dien majoor!quot; roept Armelo; en dan wat zachter: „Als Helmond zelf me niet had laten vragen om de zoogenaamde explicatie van dat heerschap te komen aanhooren, dan. neem me niet kwalijk, dan zou ik er vast voor bedankt hebben.quot;

„Heb ik u gevraagd----?quot; zegt Helmond en ziet Eva die naast

hem zit, van terzijde aan.

„Hé August-lief, weet je niet meer dat ik zei van gisteren, en toen.... van morgen;quot; zegt Eva met een snel blosje, terwijl ze met den rug van haar mooi blank handje even zijn wang streelt: „en dat je het toen beter vondt om het vandaag te hebben. Weet je niet meer August?quot;

„O ja, wat dat betreft in zoover heb je gelijk Eva. En dan tot den schoonvader, waarschijnlijk met het doel om aan zijn interpellatie voorgoed een eind te maken: „In onze waardeering van den majoor — hoewel we hem eerlijk gezegd, nog weinig kennen — geloof ik niet dat we zoo heel veel van elkander verschillen papa. Maar zonder te beslissen of er iets van komen kan, zoo moet ik mama en Eva toestemmen, dat de majoor zich de zaak waarlijk met den meesten ijver en belangeloos heeft aangetrokken. De man verdient tenminste met eenige waardeering te worden aangehoord; hij heeft zeker aanspraak op onze.... dankbaarheid.quot;

1. li

-ocr page 230-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VRODW.

Helmond had de laatste woorden met moeite en weerzin uitgebracht. De dankbaarheid weegt hem pijnlijk zwaar. — \'tWas alles, met die verandering van woning enz. enz. alles zeer eenvoudig in zijn werk gegaan. De notaris Zoutenheer heeft hem het geld bezorgd — zeer amikaal, en \'tis dus een zaak geheel tusschen hen beiden. Maar toch, was die majoor niet inderdaad de man, die hem door zijn praatjes, in Eva\'s tegenwoordigheid, het hoofd op hol heeft gebracht! — Helmond heeft geen berouw van \'tgeen hij voor zijn vrouwtje deed; neen, straks nog heeft hij het levendig gevoeld; \'twas goed, en alles zou best terecht komen. Maar, dat die persoon, die indringer, op zijn handelen inderdaad invloed heeft uitgeoefend: dat die vreemde sinjeur door den loop der omstandigheden geheel op do hjogte van Helmonds zaken gekomen is, dewijl — zooals de notaris hem in vertrouwen meedeelde — de majoor zelf een deel van het geld bezorgde waarmee hij geholpen werd; dat, zie, dat alles heeft een weerzin tegen dien man bij hem verwekt, een geheel anderen en veel sterkeren weerzin dan vroeger het uiterlijk en de manieren van dien majoor, of wel zijn vrees voor den dood het gedaan hebben. Nu echter zal Helmond dien weerzin moeten bestrijden, omdat hij bij \'t openbaren ervan het allereerst zijn eigen vonnis zou hebben geveld.

De kapitein, die zich steeds vrijer tegenover zijn vrouw gevoelt wanneer er he^en in \'t gezelschap zijn, en zich nu vooral — onder den machtigen indruk dat eens in deze zelfde kamer een Oranje heeft gezeten — zonderling sterk en in zijn kracht gevoelt, de kapitein herneemt terwijl hij zijn schoonzoon een sigaar presenteert — \'tgeen zijn vrouw de verkeerde wereld en bespottelijk vindt:

„Ik spreek het niet tegen Helmond, de man is almachtig gedienstig ; maar in dienst kenden ze geen dienst zonder commando.quot;

„Och hoor je wel kind,quot; fluistert mevrouw Armelo tot Eva: .papa spreekt van zijn dienst alsof ie nog in \'t volle vuur stond.quot;

Eva glimlachte, maar zweeg.

„Ik hou niet van menschen,quot; vervolgt de kapitein: „die zich ongevraagd in onze zaken mengen. In \'t jaar dertig....quot;

,Beste Armelo, die geschiedenis kennen we allemaal.quot;

„Pardon mama, ik ken ze niet;quot; zegt Helmond, en luistert nu met geduld naar het verhaal van den schoonvader, hoe deze namelijk indertijd met een zeer indringend kameraad van \'t „zesdequot; had gehandeld. Helmond, echter al spoedig bemerkend dat hij reeds volkomen op de hoogte der geschiedenis is, kan intusschen zoo van terzijde gedurig eens naar Eva luisteren, om haar blijde instemming te vernemen met alles wat mama vooral in deze zaal te roemen en te bewonderen vindt.

„Zoodat ik maar zeggen wil Helmond,quot; vervolgt de kapitein: „dat ik nooit op menschen gesteld ben, die je hun vriendschap zoo opdringen, en voor niemendal alles voor je doen willen. Er wordt zoo weinig voor niemendal gedaan in de wereld!quot;

„Je moet van middag maar niet te veel van papa verwachten Eva; papa heeft de bokkepruik opgezet. Heb je niet Armelo? Och

210

-ocr page 231-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 211

manlief, ze staat ie zoo leelijk. Jij kunt niemendal goeds van den majoor hooren omdat ie majoor is, daar zit \'em de knoop. — Wat zeg j ij kind ?quot;

„Kom papa, zet uw grieven nu maar aan kant. We vinden menheer Kartenghmp geen van allen een modelman, maar, zooals Helmond al zei: wat ie voor ons doet dat is wel zeer beleefd, en ik verzoek u dus tegen mijn gast heel vriendelijk te zijn papa\'tje. Mij dunkt, u zult toch ook naar zijn verslag verlangen.quot;

„Ja Armelo, dat dunkt me; tenminste____quot;

Armelo — \'t is aan zijn gelaat te zien — zet er zich overheen:

„Verlangen? Nee Marie, nee! Of je me nu aankijkt of niet, ik zeg je nee; ik verlang er niets naar; ik heb er geen oogenblik — nee tenminste geen minuut naar verlangd. Ik zei van den beginne afaan dat het gekheid, groote gekheid was.quot;

„Dat heb je niet Armelo lief; je hebt er wel degelijk ingegroeid: je hebt in je handen gewreven. Niewaar Eva? Ik zie het nóg.quot;

„Ja, u hadt er wel mee op papa. Misschien niet dadelijk, maar toen u begreept....quot;

„Ik zeg je nee! Ik heb gelachen.quot;

„Ja juist Armelo-lief, dat was het bewijs: je hebt gelachen.quot;

„Maar duizend bommen en kanonnen, is lachen dan niet een

bewijs..

„Zeker pa, dat je ergens plezier in hebt.quot;

„Of Eva, dat je iets belachelijk vindt. Zieje, en ik lach inderdaad om dat malle idee van dien adel. Heb ik het dan niet aanstonds gezegd: al ware het zoo, wat zou ik met zoo\'n titel doen; ik die met Gods hulp nog werk heb om rond te komen.quot;

„Chut, chut beste, je schreeuwt dat men \'t buiten wel hooren kan.quot;

„Dat komt omdat jij me zoo dikwijls overschreeuwt! Maar zieje, als men er mij naar vraagt dan wil ik het zeggen: In den verstan-digen tijd dan eten we gewoonlijk moespot met een stukje vleesch of spek — of zonder als \'t wezen moet; afgemarcheerd! We houden onze kleeren tot ze \'t verstellen niet meer waard zijn, en----quot;

„Maar Armelo, ik ken je niet meer! Man, je vergooit je....quot;

„Dan gaan we in \'s-hemelsnaam allebei tegelijk! — De schoenenquot; — en Armelo laat, doch niet zonder zekere zelfoverwinning zijn linkervoet zien — „we dragen ze totdat ze versleten zijn.quot;

„Maar dat is \'en schande!quot; roept mevrouw. En Eva het hoofd met zekeren weerzin afwendend, zegt zacht in zich zelve: „C\'est un peu trop fort!quot;

„Ü wilt maar zeggen papa, dat zulk een titel minder bij uw tegenwoordige positie past:quot; meent Helmond.

,Ddt wil ik maar zeggen: dat, heel eenvoudig: en hoe belachelijk ik het denkbeeld vind: dat tk een graaf zou wezen, en mama, de dochter van een bakker, gravin! \'t Is onzinnig!quot;

„Maar Heer in den hemel!quot; roept mevrouw met trillend hoofdgebaar: „Een bakkersdochter! Alsof bijvoorbeeld a 11 e adellijke families Bakkek geen bakkers, of weet ik het wat anders geweest zijn! Ga jij je gang maar Hanoversche boerenzeun____ ga jij....quot;

-ocr page 232-

212 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Mama ik bid Je,quot; valt Eva in met hooggekleurden blos, nadat ze een snellen blik op haar man heeft geworpen: „u moet je niet zenuwachtig maken. We weten heel goed dat, onder andere, de eigen broer van üw mama luitenant ter zee is geweest.quot;

„Ja, ja juist!quot; stemt mevrouw: „daar denkt men niet aan.quot;

„Wat geeft dat!quot; zegt Armelo: „Ik, Harmen Pieter Armelo, ik ben van boerenzoon wel kapitein geworden; maar wou je daarom nog een graaf van me maken? Ik zeg je \'t is onzinnig!quot;

„Papa, dót is het niet,quot; zegt Eva eenigszins driftig, ofschoon op een gansch anderen, oneindig gekuischter toon dan hare moeder: „\'t wordt dunkt mij onverstandig om over de onmogelijkheid en de onzinnigheid van iets te spreken, dat men niet onderzocht heeft en waarvan de mogelijkheid door anderen in \'t geheel niet zoo sterk wordt betwijfeld.quot;

— Aha, net kind leest hem de les! Moeders partij wordt krachtig versterkt! Och \'t zal nu maar beter zijn verder te zwijgen. Er zijn vrouwen die altijd altijd gelijk hebben; volkomen! al ziet men ook klaar dat ze een kanon voor een trekpot houden. Zwijgen is dikwijls verstandiger. Maar een enkele maal moet het pak eens van !t hart. — Helmond heeft nu tenminste gehoord hoe de oude man erover denkt. En, al zal hij dan nooit in der eeuwigheid zulk een gekheid goedkeuren, nü wil hij zwijgen. — Als het kind gaat

meedoen..... en vergeet..... — Énfin, hij zal weer zwijgen, en

luisteren. Welzeker!

„Drievierden van \'t gezelschap papa, beschouwen als zeer wel mogelijk, \'t geen ü zoo heelemaal verwerpt. Mama, Helmond en ik.quot; — Mama geeft teekenen van goedkeuring; Helmond tuurt op het gloeiende kooltje van zijn sigaar onder de grauwe asch, en Armelo luistert:

„Wij met ons drieën verlangen te weten wat mijnheer Karten-glimp ons zal meedeelen;quot; vervolgt Eva: „Na gehoord te hebben papa, kunnen we oordeelen of de zaak mogelijk is. Als er werkelijk stukken zijn die duidelijk aantoonen dat wij afstammen van de oude graven Van Armeloo, en ons goed recht op dien titel alzoo te bewijzen is, dan zal ieder verstandig mensch toestemmen....quot;

„Welzeker!quot; komt mevrouw tusschenbeiden.

„Toestemmen dat men zoo iets niet mag prijsgeven; dan zal men....quot;

„Ja maar Eva,quot; valt Helmond in: „papa oppert alleen het groote bezwaar dat men als graaf, heel anders dan als eenvoudig gepensioneerd kapitein voor den dag dient te komen. Papa begrijpt.....quot;

„Papa begrijpt de zaak geheel en al verkeerd, evenals jij lieve man.....quot;

Mevrouw Armelo bijt, hoofdknikkend, op den nagel van haar duim,

„Ronduit gezegd, hij voelt niet dat een graaf, die bijvoorbeeld niets meer dan roggebrood heeft, toch inderdaad een heel ander mensch is dan een burgerman in dezelfde omstandigheid. Met honderd voorbeelden zou ik dat kunnen bewijzen.quot;

„O, desnoods met duizend;quot; stemt mevrouw.

-ocr page 233-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 213

,Om iemand te noemen,quot; hervat Eva: „was Karei V geen keizer meer toen hij in zijn klooster horloges maakte?quot;

,Me dunkt \'t,quot; zegt mevrouw, ofschoon ze inderdaad dien vijfden Karei niet roo spoedig te plaatsen weet.

„Daar heb je Napoleon,quot; vervolgt Eva met vuur: „was die op St.-Helena de groote keizer niet meer? Was Marie Antoinette zelfe

onder heulshanden niet koningin? Waren.....quot;

„Eva, ie moet je niet zoo opwinden,quot; zegt Helmond met een vriendelijk dreigen: „we begrijpen wat je bedoelt, maar waarlijk je slaat met die voorbeelden mis. In \'t klooster was Karei zoomin werkelijk keizer als Napoleon het was op St.-Helena, of de ongelukkige Marie Antoinette Koningin op het moedig schavot.quot;

„Maar Helmond, begriro jij, jij dan ook niet dat waarachtige, dat hoogere van den adelstand? dat het iets aangeborens is,iets....quot; . Onafneembaars,quot; vervolgt mevrouw Armelo: „iets wat er nooit

uitgaat, wat er altijd in blijft, totdat.....quot;

.Totdat het verzuurt misschien!quot; mompelt de kapitein onhoorbaar. „Ik begrijp wat u zeggen wilt mama,\'\' valt Helmond haastig in: „maar dan zouden we bijna evengoed kunnen stellen dat Sixtus V, als paus, eigenlijk nog veehoeder, of Benedictus XII in die hooge waardigheid nog molenaar was.quot;

„Je bent onaardig Helmond, heel onaardig, en dat in presentie van mijn ouders!quot;

„In ben \'t niet Eva. Misschien begrijp je \'t verkeerd; ik sta tusschen de partijen in. Met mama en met jou ben ik het eens, dat ■Kartenglimp eerst moet gehoord worden. Zoodra het waar blijkt te zijn wat hij als zeker stelt — \'t geen ik betwijfel — dan kunnen we nog nader beoordeelen of niet inderdaad de inzichten van papa

de beste zijn, en.....quot;

„Ddar moet het heen, welzeker!quot; roept Eva, terwijl tranen van spijt haar in de oogen springen: „\'t Mankeert er maar aan August, dat jij papa gaat stijven in zijn____ja al heel weinig militaire opvatting; in een bekrompenheid waaraan ik geen naam weet te geven.

Diezelfde bekrompenheid.....quot;

_•— Zwijg Armelo, zwijg, vermaant de ex-kapitein zich zeiven in stilte: je hebt straks genoeg gezegd. Als jij spreekt dan zal \'t vuur van een anderen kant nog feller gaan opvlammen. — Goed zoo kind! denkt hij terwijl Eva verder spreekt: ga jij zoo maar voort. Ik ben niets meer dan je vader; och nee, een door eigen schuld vernederd en bekrompen vader. Goed zoo, diezelfde bekrompenheid zal papa doen voorbijzien wat hij aan zijn kinderen is verschuldigd, en dat hij als man, als hoofd van zijn geslacht, verplicht is om zijn recht in de wereld — ha, zijn recht! — \'t koste wat het wil, te hernemen.

:t Is als de dag!quot; zegt mevrouw.

„En,quot; gaat Eva voort: „dat het aan een dochter, die tenminste een aristocratisch hart bezit, dat het aan haar als \'t ware een roof

zou wezen.....quot; — Goed zoo kind____ een vader die je besteelt!

„Ik zeg August een roof, als hij niet deed wat zijn plicht is

-ocr page 234-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VROUW.

Kaïtenglimp maakt een gebaar met de hand, waarmee hij uitdrukt dat zulk een oppositie hem onaangenaam is, en voegt er bij: „Wil de kapitein liever dat zijn hooge titel niet te bewijzen zal zijn.... ik het) er vrede mee. \'t Is dan alleen jammer dat men \'t mij niet eerder heeft gezegdquot;

De beide dames verzekeren den majoor dat men vol belangstelling luistert. De majoor zal — volgens Armelo\'s echtgenoot — begrijpen dat de tegenspraak van Armelo alleen vooitspruit uit.... uit. ... dat ongewone; als men nu ,dagelijks graaf was geweestquot;, niewaar....? En uit verkoudheid; Armelo had van morgen schrik-

gelijk geniesd; en---- en.... \'t een bij \'t ander: „JawelArmelolief,

en een geest van tegenspraak, dat is.... dat is.... Laat den majoor, ik bid je, nu voortgaan.-\'

Kartenglimp ziet een papier in, en voelt terzelfder tijd dat de beeldschoone doktersvrouw haar oogen met al den „glood der belangstellingquot; op hem gevestigd houdt. Hij moet dien zoeten triumf toch even genieten:

„Als er belangstelling is dames.... met veel genoegen. — \'t Spreekt dan vanzelf dat ik verder \'t allereerst mijn werk ervan maakte om te vernemen of er in ons vaderland nog andere afstammelingen van dien Arend of zijn zoon Herbert te vinden waren; doch nergens is daar eenig spoor van te ontdekken. In \'t archief van de oude leenkamers, vond een mijner vrienden wel het geslacht Van Armeioo vermeld, doch van veel vroeger en zonder dat het van eenig belang voor onze zaak was. Ik meende nu aanstonds mijn verdere stappen in uw geboorteland te moeten beginnen kapitein. U werdt in November 1807 te Birchheim in Hanover geboren niewaar?quot; „Watblief.... ?quot;

„Ja majoor, juist,quot; zegt Eva snel, en wisselt dan een blik met haar moecler, die Kartenglimp niet ontgaat en waardoor hij opnieuw in de overtuiging wordt versterkt dat mijnheer de graaf Van Armeioo ook bij die mooie dochter een nul in \'t cijfer is. Best! als hij \'t maar weet!

„Zoon van Peter Harmen niewaar?quot; vervolgt Kartenglimp; .welgesteld landbouwer aldaar.quot;

„Welgesteld!quot; herneemt Armelo: „ik moet ie zeggen....quot; „Ja maar papa,quot; valt Helmond in: „Eva heeft nu gelijk: wanneer

de majoor zoo telkens door u in de rede wordt gevallen dan----quot;

„Dan is het letterlijk om gek, om tureluursch te worden:quot; stemt de gravin.

„Hier dokter,quot; herneemt Kartenglimp die — zooals Eva opmerkt — zeer bescheiden doet alsof hij van dat intermezzo niets gehoord heeft: „hier dokter, heb ik een heele correspondentie met de burgemeesters van Birchheim, Puttenburg, enz. enz.; met heeren Archi-varen und Geheim-ober-land-und-volk-statistik-inspectors, of hoe ze heeten; met heeren Pastors oder Predigers en het lest wel \'t best, met een persoon, waaraan ik zeer toevallig ben gekomen, een aller-schranderst actief mensch, van wien ik u later spreek, \'t Grootste deel, ja bijna die geheele correspondentie kan ik u sparen. Ze zou

218

-ocr page 235-

DOKTRR HELMOND EN ZIJN VROtTW. 219

u niet veel meer doen zien dan wat er alzoo is gedaan dokter, om den overgrootvader, ik zeg den overgrootvader van mijnheer uw schoonvader op \'t spoor te komen.quot;

„En is hij gevonden maionr?quot; zegt Helmond, nu Kartenglimp een oogenblik zwijgt.

— Hoor, hoor! August vraagt dat met wezenlijke belangstelling, meent Eva, en ze voegt er bij: «Ja niewaar, hij was er majoor?quot;\'

„Maar kind, welzeker!quot; bevestigt mevrouw; „de eene vader heeft natuurlijk altijd weer een anderen vader gehad, dat spreekt!quot;

„Hier heb ik, om kort te gaan, een brief,quot; hervat Kartenglimp, terwijl hij met een uitdrukking van groot gewicht het papier toont: „een stuk dat voor het geslacht der Van Armeloo\'s evenveel waard is als het gevoel van eer voor den soldaat. Deze brief dokter,quot; — de majoor scheen het woord niet meer tot den kapitein te richten; „deze brief van den heer Dr. Heinrich Stangbetter, evangelisch Pastor of Prediger te Mariënthalen in Oldenburg, ofschoon hij in bijna onleesbaar Duitsch is geschreven — zie maar dames — hij gaf mn de zekerheid van het hoogstbelangrijke feit dat van 1707 tot 1752 twee heeren Armelo, Walter en Peter, vermoedelijk vader en zoon, na elkander evangelisch predikant in die plaats zijn geweest, terwijl te Mariënthalen in gemeente- en kerk-archieven de overvloe-digste bewijzen daarvan voorhanden zijn.quot;

De linksche wijze, waarop de lange drankjesrondbrenger Bus inmiddels het theeblad heeft weggenomen en den wijn op de tafel gezet, kon Eva nu voor \'t oogenblik niet uit den zaligen hemel stoo-ten waarin ze zich bevond, \'t Hinderde haar alleen dat papa zoo akelig onverschillig en strak zat te kijken; en ook — ja, dat Kartenglimp hem nu zoo in \'t geheel niet meer aansprak.

„Papa!quot;

„Watblief?quot;

„Meen je om in te schenken, vrouwtje?quot; zegt Helmond: „Ja, de majoor mag wel eens drinken.quot;

„Ah! merci!quot; zegt Kartenglimp, en proeft den heerlijken Cante-merle, en herneemt terwijl hij ter halverwege opstaande met het glas salueert: „Ik drink even het welzijn van dezen huize: Mevrouw Helmond! dokter! mevrouw Van Armeloo....quot;

„Papa, de majoor wou. ... Papa dan!quot; roept Eva.

„Hemel Armèlo-lief! zie je dat glas niet!quot;

„O jawel; jawel.... Wat was de ...?quot;

„Derangeer je niet kapitein. Ik dronk het welzijn van mevrouw ie dochter, en van mijn vriend Helmond in hun nieuwe woning.quot; — Den ontevreden blik van Eva bemerkend: „\'t Is niets mevrouw; papa heeft zeker zinkings die hem wat hinderen in \'t hooren.quot;

Armelo zet er zich weer overheen, en ja, hij verstout zich:

„Ik drink graag het welzijn van mijn kinderen majoor, maar... ik weet niet of deze conferentie en uw bemoeiingen wel inderdaad zoo bijzonder in \'t belang van hun en ons geluk zijn.quot;

De majoor is doodsbleek geworden, maar schijnt toch zijn kalmte te bewaren.

-ocr page 236-

220 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

,1160161 papa!quot; zegt Eva.

„Man ben je.... om Godswil, ben je stapel geworden!quot; roept mevrouw.

Ja, ook Helmond moest in stilte bekennen dat het wat erg liep. Ofschoon zulk een bemoeiing in zake van afkomst, het stokpaardje van dien majoor bleek te zijn; hoewel hij volstrekt niets te verzuimen had en hij zich voor deze bereddering letterlijk heeft opgedrongen, men moest toch erkennen dat niemand hem bepaald weerhouden heeft, en zelfs dat mama en Eva door haar openlijk betoon van ingenomenheid, hem zeker tot handelen hebben aangevuurd. En nu, terwijl men hem dan een tijd lang rustig liet begaan; nu men bijeen is gekomen om zijn verslag te hooren — ofschoon Helmond zelf het wel graag had ontweken — nu de majoor werkelijk reden meent te hebben om papa te kunnen feliciteeren ; zie, nu zet die oude heer zich eensklaps zoo schrikkelijk stijf in den zadel. Indien het onmogelijk was, a la bonne heure, maar onmogelijk was het niet; en ofschoon papa er dan zelf—althans vanmiddag — schrikkelijk tegen was, vergeten mocht hij niet dat Eva er geheel anders over denkt. Hij, Helmond, o nee, hij hecht er niets aan, zoo goed als niets; maar als het dan waar is, wat Debecque heeft gezegd, dat namelijk zulke titels zeer gemakkelijk kunnen overgaan, en hier dus zeker vooral, van schoonvader op schoonzoon — natuurlijk in \'t belang van kinderen en kleinkinderen, — ja! dan was het inderdaad zeer onbeleefd om een man, die zich zooveel moeite getroostte, en nog wel op het oogenblik dat hij aan Eva een soort van toost bracht, zoo onneusch te behandelen.

„Papa, we mogen dunkt me niet vergeten dat de majoor zich te veel moeite voor ons gaf, om er tot dank een onvriendelijk woord voor te ontvangen. — Wij die u kennen, weten wel dat het uw bedoeling niet was om den majoor iets onaangenaams te zeggen.quot; Met nadruk, ofschoon steeds op gepasten toon: „De majoor wil met u klinken papa!quot;

Na een korte aarzeling heeft Armelo met eenige trilling zijn glas genomen, en stoot het weifelend tegen dat van Kartenglimp, doch, met een wrevelig gebaar en zonder te drinken zet hij het daarna op de tafel.

Kartenglimp bespeurt een „algemeene verontwaardiging,quot; waarvan mevrouw Armelo inderdaad al aanstonds de tolk wordt. Er komt iets in zijn blik, \'twelk hij met moeite zou kunnen verbergen, doch \'tgeen hij nü, bij die „algemeene verontwaardigingquot; te verbergen onnoodig acht.

„Ik geloof mevrouw,quot; zegt hij snel tot Eva: „dat papa zijn diensttijd wat te zeer vergeten is. Wanneer hij uw wellevendheid en uw

beschaving bezat----quot; — Kartenglimp ziet Eva — ongetwijfeld door

zijn woorden gestreeld — de oogen neerslaan en blozen, en vervolgt: „dan zou hij zich wat beter herinneren dat de man, die ertoe meewerkt om hem van eenvoudig gepensioneerd kapitein tot den gravenstand te brengen — \'tgeen zonder mijne relaties zeker nooit gelukken zou —• dat die man tot nu toe in rang nog altijd zijn

-ocr page 237-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKODW. 221

meerdere is. Je moest een voorbeeld aan je vrouw en dochter nemen kapitein, en wat meer eergevoel toonen.quot;

Mevrouw Armelo geeft, sterk knikkende, bewijzen van toestemming. — Eva is vuurrood geworden. — Helmond ziet links en recbts.... naar Eva, naar papa, naar Kartenglimp, en zijn gansclie houding teekent onrust. Opgestaan gaat hij naar de deur, vreezend dat iemand onverhoeds in deze oogenblikken zal binnenkomen, terwijl Kartenglimp nog voortgaat met inzonderheid Eva te verheffen tot een model, waaraan de vader zich wel spiegelen mocht.

En, een zwaren strijd heeft Helmond te strijden. Op dien toon kan het niet verder! Hij ziet den armen schoonvader daar zwijgend en met pijnlijk saamgeperste lippen neerzitten. — Ja, zijn vijandige houding tegenover den majoor was zonderling en ongewettigd; maar op deze wijze! Zal die vreemde, den oud-kapitein hier, onder Hel-monds dak, dan zóó de les mogen lezen; zal hij Eva zóó op een dwaalspoor mogen brengen, en haai- doen vergeten dat zij ten koste van haar vader verheven wordt? Helmond wil spreken, hij zal, hij moet! — Maar, als hij dien man — nu zichtbaar verstoord — door een terechtwijzing tegen zich in \'t harnas jaagt....? Vernam hij dan niet in vertrouwen dat juist die majoor een der personen is door wien de notaris hem \'t geld kon bezorgen? En heeft hij niet zooeven gehoord dat het zonder de hulp van dien man zeker nooit zal gelukken om een titel te hekomen, waaraan Eva hangt met al de kinderlijkheid van haar hart? Waagt hij dan niet, door zj\'n terechtwijzend woord, dien man nog meer te ontstemmen, en Eva een teleurstelling te berokkenen, die dan ook wel mogelijk een bron van kwelling voor hem worden kon? — Maar hoor!

„Ik bedrieg mij niet kapitein, uw vrouw en dochter, en ook uw zoon ze schamen zich over je kleingeestigheid. Ze gevoelen----quot;

Armelo hoort niet meer wat zijn vrouw en kinderen gevoelen. Hij, hij zelf voelt het oude militaire hart weer krachtig wakker worden in de borst. — Wat vermeet zich die gepommadeerde opsnijer, de brutale klant met zijn vreemde tronie, de indringer van wien „God noch goed menschquot;\' de origine en geschiedenis kent; de man, die zich opwerpt om een titel aan \'t licht te brengen — wie weet met welke bedoeling — een titel die tóch niet bestaat. Wat waagt hij het — duizend bommen en kanonnen! om op zijn kwajongensjaren met een in Indië verworven rang, een oud-kapitein van het Neerlandsche leger te insulteeren! Wat duizend donders! waagt hij het om vis-a-vis vrouw en kinderen zulk een toon te voeren; zijn dikwijls weerspannige hooghartige vrouw nog meer tegen hem op te zetten, en zijn kind, zijn Eva, van hem te vervreemden geheel en al!? — Op, ouwe kameraad! knip dat brutale onridderlijke poespas onder z\'n neus!

Duizend donders! toon nu.... Nee, chut Armelo, stil! bedaar!----

\'t Is hier de plaats niet. Zal de arme kapitein dan aanstonds in de rijke woning van zijn schoonzoon schandaal gaan maken en haar tót een kroeg verlagen? Nee, stil; stil nu Armelo; weerhoud je. Als je spreekt en loskomt dan raak je slaags in \'t volle vuur.Zwijg dus!

-ocr page 238-

222 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

Morgen in de sociëteit, dan kun je hem vinden. Ean knip onder den neus zul je hem geven; ha! daar, een knip onder den neusi Ga nu maar voort sinjeur; wel ja, doe mijn eigen vrouw maar altijd toestemmend knikken en triumf op mijn „kleingeestigheidquot;

vieren. Laat dat kind zich maar schamen voor een vader, die____

o God!----Neen zwijg Armelo, zwijg tot morgen! Laat hem zijn

gang gaan. Stil!

„Ik denk dames,quot; vervolgt Kartenglimp met een naren lach, „dat de kapitein dat glas niet wil drinken, omdat hij misschien tegenwoordig tot het korps der afschaffers behoort, — hahihaha! hahihaha!quot;

— Maar God, wat is dat? — Hoor, wat snerpt daar als een gil door de ruime Oranje-zaal? Wat vliegt daar op en scheurt dienval-schen lach vaneen?

Ze hebben het niet gehoord hoe het in de laatste minuten, mede bonsde in Eva\'s borst. Haar blozen en verbleeken; het neerslaan dier oogen; haar zwijgen, neen, ze hebben het niet beschouwd als den strijd van haar dwazen wensch met haar waarachtig liefhebbend kinderhart. — God! had zij dan straks zoo iets uitgelokt? Maar zóó heeft ze het niet bedoeld!

„Zwijg! dat is laag en gemeen!quot; heeft Eva eensklaps met de grootste overspanning geroepen, terwijl ze zich ten deele van haar

zitplaats verhief: „Zwijg man, en lach zoo akelig niet.....Dat is

mijn vader weetje, mijn goede lieve brave vader! Wie riep je hier, om dien ouden man te beleedigen, zeg? in mijn huis....?quot;

„Eva, Eva!quot; zegt Helmond: „In \'s-hemelsnaam!quot;

„Wat Helmond! wil jij me terughouden? Al heb ik straks ook den schijn gegeven van meer aan een titel dan aan mijn lieven vader te hechten, die schijn mag niet blijven! Zou jij dat willen!?quot; — Geheel opstaande en fier tot Kartenglimp: — „Je lacht al niet meer,

foed! Vraag nu mijn vader excuus voor de verregaande beleediging ie je hem, vooral met dat laatste woord, hebt aangedaan. — Ik zeg: vraag excuus!quot;oed! Vraag nu mijn vader excuus voor de verregaande beleediging ie je hem, vooral met dat laatste woord, hebt aangedaan. — Ik zeg: vraag excuus!quot;

Kartenglimp zoo wit als een lijk geworden, schijnt nochtans zijn kalmte met te verliezen.

„Een beleediging mevrouw? Heb ik met dat laatste woord een beleediging gezegd? Ik wist niet----quot;

— O God, heeft ze dan haar zinnen verloren....? Hoor! het was hem onbekend, wat er gebeurd is in vroeger tijd! Heeft ze dan in haar overijling nu zelve dien goeden stillen vader den pijnlijksten stoot gegeven, door vuur te vatten toen men hem een afschaffer noemde? Ze heeft goed willen maken wat ze straks misdeed, neen — haar hart, haar liefdevol kinderhart heeft gesproken; maar helaas, ondoordacht, om hem nu nog dieper te wonden in \'t bijzijn van dien man. O, zij weet niet wat ze nu spreken, waar ze zich bergen zal.

Maar zie----het hoofd van den vroeg vergrijsden vader, het schudt

wel vreemdsoortig, maar toch, ja, in die altijd zoo goedige oogen zjet ze tranen glimmen. Tranen! — En met dis oogen vol tranen ziet hij haar aan. — Lachen ze haar toe door die tranen heen?

-ocr page 239-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 22S

Wenken ze haar om te komen aan zijn zij; in zijn armen, aan zijn vaderhart?

Ja Eva, dat trillen van het hoofd en dat beven van die lippen, \'t is nu een gevolg van den warmen gloed, die daar eensklaps zijn borst doorstroomde.

O, toen ge daar op dien schrillen gejaagden toon uw; „Zwijg! dat is laag en gemeenquot;, hebt uitgekreten; toen gij hem uw lieven braven goeden vader hebt genoemd, toen was het hem als zongt gij het schoonste lied uwer kinderjaren; als drukten weer uw roze-

lippen op \'tteederst zijn pijnlijk gesloten mond----o God, toen had

hij zijn Eva, zijn kind weergevonden, de oudste, de lieveling die hij straks reeds verloren dacht.

Zie, en nu staat ze aan zijn zij, en ze drukt dat grijze goede hoofd vast, heel vast aan haar borst; — zóó, zóó! nog meer op zij, nog vaster, ja, want — die vreemde, zal ze niet zien: de tranen van haar goeden, haar lieven vader!

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Een groot kwartier later was de majoor Kartenglimp vertrokken. Door zelf zijn kalmte te bewaren, of wel met geweld te hernemen, was Helmond er al spoedig in geslaagd om, althans voor \'t oog, de gemoederen tot bedaren te brengen.

quot;t Was immers een misverstand, een mal-a-propos. Men heeft het den majoor die zooveel moeite deed, niet durven zeggen, dat papa, bij rijper en rijper indenken, hoe langer hoe meer tegen de zaak is geworden, en niet dan op sterk aandringen van----de familie, erin heeft toegestemd om dezen namiddag de conferentie bij te wonen. Een lichte ongesteldheid, zooals mama zeer juist gezegd heeft, had hem misschien dezen middag nog bovendien wat zenuwachtig gemaakt, en zoo heeft het den schijn gehad alsof hij zich tegen den majoor en niet, zooals werkelijk het geval is geweest, tegen de zaak bleef kanten. — „Niewaar papa?quot;

„Jawel, welzeker!quot; heeft Armelo gezegd. Och hij zou nu wel alle? hebben toegestemd; immers, hij had zulk een zalig oogenblik gehad, o zoo onbeschrijfelijk zalig!

En wat Eva\'s uitval betrof, de majoor zelf zou dien waardeeren. niewaar? Een dochter die gevoelig wordt, zeer gevoelig, wanneer men haar vader.. .. ,U zult bekennen majoor,quot; heeft Helmond vervolgd: „dat, ofschoon er reden was u eenigszins gekrenkt te gevoelen, dit gevoel zich wat sterk tegenover onzen braven vader heeft lucht gegeven. Ook op mijn schoonmoeder en mij moest uw woord een pijnlijken indruk maken. Maar als een misverstand nu

-ocr page 240-

224 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

aanleiding gaf---- wanneer ik zelf erken dal wij schuld hadden door

u onbekend te laten met de zeer verminderde ingenomenheid van onzen vader met de zaak, dan bedrieg ik mij niet of u zult —niet als bekentenis van ongelijk, maar als de m i n d e r e in leeftijd, ofschoon de meerdere in rang, den ouden kameraad — ook ter wille van vrouw en van dochter, wel gaarne de hand reiken.quot;

En..... Zoo was het geschied.

Maar wat er omging in de harten dat is in die ure onvermeld gebleven.

Nadat Kartenglimp vertrokken was, hebben papa en mama Ar-melo nog eenige minuten getoefd; maar papa verlangde nu toch zeer naar huis, want de hoofdpijn, die men reeds eenige malen had voorgewend, wap werkelijk gekomen. Mama die na Eva\'s uitbarsting en wat erop volgde, zeer stil is geworden, heeft toch niet kunnen nalaten om Eva te zeggen, dat ze heel „grootschquot; had gehandeld met zóó haars vaders eer op te houden en zijn partij te trekken; en, slechts fluisterend — want in Helmonds oogen vreest ze toch straks wel wat al te onbewimpeld voor haar meening te zijn uitgekomen — slechts fluisterend voegt ze in \'t heengaan er tot Eva bij, dat ze van dien adel nog altijd het beste blijft hopen, ofschoon ze het lijdelijk moesten aanzien hoe de majoor — en zonder dat er over de zaak een woord is gerept — al die papieren en stukken weer stilletjes mee naar huis had gepakt.

En Eva, \'t was haar wel aan te zien dat ze zware hoofdpijn had. Ze sprak na \'t heengaan der ouders bijna geen woord. August vond dat niet vreemd, \'t Was maar beter; en, Eva zou hem groot plezier doen met naar bed te gaan: haar pols ging wat gejaagd, en haar voorhoofd gloeide.

— O, wie durfde nu nog beweren dat zulk een vrouw geen schat was, grooter dan de grootete op aarde?

„Ziezoo lief wijfje, lig nu maar rustig; \'t is mede in \'t belang van ons „geheimquot; dat je bijna verklapt hadt. Met den gezwinden pas ga ik nu naar mijn zieke; ja: toch te voet. \'t Zal wel donker zijn als ik terugkom, maar als je slaapt dan zijn de uren seconden. Nee, wees gerust, die hoofdpijn van papa zal morgen wel beter zijn. Maar, vrouwtjes, die zulke goede plannen hebben als jij, ze moeten wat oppasse» «a ook bij haar edelste emoties niet te hartstochtelijk worden. Tot straks mijn lieve beste vrouw! — Wat-blief? Of dat onderzoek van dien adel, nu papa er zoo schrikkelijk tegen is, toch niet kan plaats hebben? — Welzeker Eva, alles kan; maar \'t beste is nu dat ie er niet over denkt. Mij dunkt, dokter Helmonds vrouw heeft dezen avond bewezen dat ze, ook zonder adelbrieven, wel waarachtig van adel is. Dag lieve, slaap zacht!quot; — Nog een kus op haar lieven mond, en Helmond spoedt zich voort.

\'t Begon al te schemeren toen Helmond, reeds een tien minuten buiten de stad gekomen, verfrischt door de heerlijke avondlucht, van verre een boerenknaap op ongezadeld paard in vollen draf zag naderen.

-ocr page 241-

DOKTEE HELMOND EN ZOT VBOUW. 225

„In weinige seconden was ae ruiter den dokter voorbijgejaagd; maar terwijl Helmond met gefronste wenkbrauwen even omziet, bespeurt hij dat het paard door den knaap met kracht wordt ingehouden terwijl ook de ruiter naar den voorbijgereden dokter omkijkt!

Helmond heeft een oogenblik te voren gevreesd \'t geen hij nu moet vernemen. Die haast, dat ongewone harddraven naar stad, \'t is het evolg van een sedert bijna twee uren vergeefsch wachten op den okter, die gezegd had dadelijk te zullen komen. Reeds drie kwartier geleden is een andere knecht van boer Dirksen, te voet naar stad getrokken, om dokter, als hij hem mocht tegenkomen, tot spoed aan te zetten; maar, misschien zal Japik, niet wetend dat dokter verhuisd is, naar de oude woning aan den wal zijn gegaan en hem zóó hebben misgeloopen.

— Ja, \'t was vreeselijk erg; boer Dirksen lag „als dolquot;, en telkens was het alsof hij „genacht ging zeggen.quot; Als dokter rijden kon, dan moest hij toch dadelijk „den blesquot; nemen, en hem maar ferm „ribbenhaverquot; geven, want o Heer, d\'r zou wat te koop zijn als boer Dirksen bezweek!

In een oogenblik heeft Helmond den bles beklommen. Vroeger, vooral in zijn studententijd, had hij menig paard bereden, en ofschoon hij nooit een harddraver had zooals deze, ja zelfs nu zonder beugels of sporen en van \'t losse dek, \'t zou tóch wel gaan. — \'t Was van belang geen minuut te verliezen.

— Goeje God! als hij had kunnen voorzien dat er zooveel haast was! Nu ja, men heeft de boodschap gebracht of dokter eens dadelijk op De Schebbelaar bij boer Dirksen wou komen. — Dadelijk! — Maar, kwam er dan ooit een boodschap, en vooral van een boer, zonder dat dadelijk er bij! — En dan, die gezonde ronde, blozende boer Dirksen! Hij had een talrijk gezin, en een macht van loontrekkend personeel. — Aan hem zelf heeft Helmond het allerminst gedacht. Gevolgen van onrijpe vruchten eten en dergelijke, hebben hem een oogenblik voor den geest gestaan. Bovendien, men moest wel niets verzuimen, maar een dokter behoeft toch ook geen schel te zijn, die maar aanstonds geluid geeft als men — noodig of niet — aan het koord trekt. Hoe dikwijls kwam hij niet reeds in een woning, waar men hem dringend liet roepen, om er met een: O, \'t is alles weer bcstig dokter; we dochten, dokter kan licht eens komen;quot; te worden begroet.

En toch, terwijl Helmonds lichaam door den stevigen bles — ook zonder dat hij hem hak- of ribbenhaver behoeft te geven, — op ongewone wijze wordt geschud en geschokt, roert er mede iets in zijn binnenste, \'twelk hem geen rust gunt: Het was je plicht geweest dokter, om zonder wettige verhindering aanstonds naar De Schebbelaar te gaan. Een dwaasheid heeft je er van teruggehouden, een vrouwengril!

— Een dwaasheid! een vrouwengril? Zou het dan geen lafheid zijn geweest dien majoor te ontwijken? Zou het vervullen van den plicht, inderdaad geen dekkleed voor zwakheid geworden zijn!?

— En, vanwaar dan zulk een bijzondere weerzin tegen dien

-ocr page 242-

226 DOKTER HELMOND EN ZIJN VRODW.

majoor? Waarom, waarom is zijn gezelschap een kwelling voor Helmond geworden?

— O Eva.... Eva!

— Eva? Neen! zou hij hadr, die liefdevolle dochter, die engelachtige vrouw met haar hemelsche gaven, durven noemen, wanneer hij zelf zijn plicht kon verzaken als man! — Is zij het niet geweest die nem nog bovendien heeft aangeraden om althans niet te voet te gaan maar een rijtuig te nemen?

— Een rijtuig! — Maar stil, zij mag en zal immers niet weten dat haar man een onverstand, een dwaas was, toen hij zich liet vervoeren om meer te doen dan hij kon en mocht.

— Hoe! tóch onverstandig ? Is het dan ooit te veel of onverstandig gedaan wat hij voor haar doet? Neen! neen!! Hij wil zich dat telkens en terdege herinneren, en bewijzen zal hij het later zonder fout. Maar, om dat te kunnen, moet hij voortaan ook als dokter op \'t verstandigst zijn rekening maken. — Waartoe zal het rijden dienen indien hij den tijd tot loopen heeft! Tegen vermoeienis ziet hij niet op; immers al wat hij werkt en doet, hij doet het ter wille van haar, zijn schat en zijn liefde.

— En dan, wanneer mén een huishouding heeft, dan behoeft men ook immers niet meer zoo buitengewoon discreet met het maken van visites te zijn. — Debecque heeft het getoond, men ziet een dokter graag als hij zijn zaak kent. — Wanneer de burgers en boeren tóch niet tevreden zijn aleer zij een paar „bruine drankenquot; geslikt hebben, waartoe ze hun dan — tot zijn eigen scha te onthouden !

Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot

aan zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en----—

Neen, Gode zij dank! dat ia goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De moedige harddraver — ofschoon anders een dood mak paard — heeft aan de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend, en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand \') waarin hij gevallen of geworpen was, naar het been tastte \'twelk hem wat zeer deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den harddraver met net schuin-gezakte geelbonte paardedek voortrennen, en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn meester binnenhollen.

— Gelukkig! de val had veel erger kunnen zijn. Helmond kan zeer goed voort: net loopen hindert hem weinig of niet. Maar, hij gevoelt zich toch eenigszins ontsteld, en zeker was het nu voor hem geen geschikt oogenblik om in een woning te verschijnen waar hem misschien, door zijn late komst, een ongewenschte ontvangst inplaats van eenig betoon van deelneming te wachten staat.

Helmond houdt zich kloek. Men bemerkt niet eens dat hij wat bleek ziet en wat ontdaan is. Men had ook wel aan iets anders te denken en naar iets anders te zien! Aan het bed van boer Dirksen

\') Berm-rand, het gras langs den straatweg.

-ocr page 243-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROÜW. 227

ekomen, voer Helmond — ofschoon men \'t niet zag — een schok oor de leden.

Helaas! Wat men vreesde is waar. De man had den tol der natuur reeds betaald. Neen, die kleur op dat gelaat, men behoeft er zich niet mee te vleien; Dirksen zou zelfs nog kleur hebben wanneer hij begraven werd. Er was geen twijfel: de pols stond stil, boer Dirksen was dood!

Het gejammer en geweeklaag van het boerengezin, van die weduwe met haar zuigeling op den arm, en de negen andere kinderen die allen schreiden — de meesten in navolging der ouderen, zonder den omvang van hun verlies te beseffen; de smartelijke kreten van meiden, knechts en geburen, die in een oogenblik het huis deden weergalmen, ze roerden Helmond heviger dan ooit een zoodanig tooneel het gedaan had. Geen wonder, met eigen zaken vervuld; getroffen door het onverwacht bericht dat hij misschien te laat zou komen; ontsteld en méér geschokt dan hij in den aanvang geloofde door dien val van het paard, maar bovenal gefolterd door de gedachte dat hij waarschijnlijk met een spoedige hulp hier het ergste had kunnen voorkomen; door dit alles innerlijk oewogen, is het niet te verwonderen dat de dokter al zijn wilskracht behoeft om voor \'t uiterlijke bedaard te schijnen.

En, hoe moest het hem dan te moede zijn, toen daar eensklaps een groote zwaargebouwde kerel — de broeder van vrouw Dirksen — met woedend gebaar hem onder de oogen trad, en hem in weinig gekuischte, ja in deze oogenblikken akelig schril klinkende woorden, oen dood van zijn .braven zwagerquot; verwijten kwam?

Er was aan Helmonds lichaam geen zenuw die niet trilde, maar nochtans hij scheen bedaard. Hij betuigde dat het hem waarachtig leed deed hier te laat te zijn gekomen; maar ddarom zou boer Geurtsen toch niet beweren dat dit sterven des dokters schuld was. De familie heeft zelve de zaak — toen Dirksen dezen middag ongesteld werd — niet ernstig ingezien; anders zou zij wel een boerenwagen of sjees gestuurd en op den meeatmogelijken spoed hebben aangedrongen. Dit alles was niet geschied. Zoodra het dokter geschikt beeft is hij van huis gegaan. Maar bovendien..... wie zou,

en vooral met het geloof van boer Geurtsen, durven zeggen, dat een menschenhand krachtiger was dan de hand van God?

Dit laatste mocht inderdaad een overloopen tot de tegenpartij heeten uit zucht naar zelfbehoud. Helmond gelooft wel degelijk aan een God en een Godsbestuur, al begrijpt hij het niet, en al zoekt hij de .onoplosbare raadselsquot; niet te verklaren; doch zeker zou hij zulk een uitstekend dokter niet geweest zijn, indien hij meende dat het met ziekten anders ging dan met een snel wassenden vloed. Dijk en dam zullen hem keeren totdat hij weer effen vloeit binnen zijn boord, indien zijn kracht althans niet te sterk, en het water niet...... te overvloedig is.

Helmond had, na het vernemen der ziekteverschijnsels, immers aanstonds het oog gehad op heilzame kruiden die een Voorzienigheid mede in \'t aanzijn riep.

-ocr page 244-

228 DOKTER UELMOND EN ZIJN VBOCW.

Maar dat overspringen naar den vijand baatte den dokter niet, want, hoe vast Boer Geurtsen ook anders in de leer was, nu zwager Dirksen daar „dood lagquot;, en die dokter hem „verzuimd had — jawel, vrouw en kinders en allen konden dat getuigen; nu zou God er wraak over roepen, en de Heer zal een onnutten dienstknecht uitwerpen in de buitenste duisternis waar zal zijn weening en knarsing der tanden!quot;

Een oogenblik is het te vreezen geweest dat de groote zware Geurtsen, reeds eenigermate in de rechten van den Heer des onnutten dienstknechts zou treden; doch Helmonds bedaardheid, en de zorgen die hij — alsof er geen bedreigingen tegen hem klonken — in stilte aan de weduwe ging wijden, dewijl haar zenuwen door \'t geen er nu voorviel nog meer geprikkeld werden, — Helmonds schijnbare kalmte, en zijn bedaard handelen: vriendelijk wenkengevend in \'t belang van al die schreiende jongens en meisjes; lafenis biedend aan Geurtsens eigen vrouw, een zuster van den overledene — zooals ze daar doodsbleek zat te klappertanden, dit alles deed den storm althans voor het oogenblik bedaren. Slechts in een dof gebrom

Êaf de zwager, op een stoel neergevallen en met het hoofd in de and geleund, nog gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn „hartengedichtselquot;\'....? „God beter \'t, nou kreeg ie dien heelen troep onder voogdij en beheeren! Zulke dokters!af de zwager, op een stoel neergevallen en met het hoofd in de and geleund, nog gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn „hartengedichtselquot;\'....? „God beter \'t, nou kreeg ie dien heelen troep onder voogdij en beheeren! Zulke dokters!

zulke verd..... dokters!quot;

Voordat Helmond een half uur later vertrok, mocht hij de groote voldoening smaken, dat de altijd schreiende weduwe hem de hand drukte, met de betuiging dat ze \'t hém niet kon wijten; immers, als dokter \'t zóó begrepen had dan zou hij eerder gekomen zijn; niemand heeft dit kunnen denken. En dan weer uitbarstend in geween: ,Och God! och God! dat ie nou dood is, waarachtig dood!quot; \'t Was goed dat er zich te midden van al die weenenden en verslagenen, toch één enkele bevond die sedert dokters komst, nog om een andere reden tranen heeft geschreid. Dat was Hanna, de frissche blonde boerenmeid met haar goeden aard en helderblauwe oogen. Neen, ze heeft het bijna niet kunnen aanhooren dat die lompe Geurtsen, dien besten man zoo onheusch en onrechtvaardig bejegende. Was die dokter geen engel van goedheid! Heeft hij haar niet met Gods hulp uit een zware ziekte weer vierkant op de been geholpen; was hij niet alle dagen aan moeders huis geweest — weer of geen weer; en, toen het op betalen aankwam.....

toen, toen had ie de arme moeder op den schouder geklopt en gezegd: „Als Hanna eens een fikschen boerenzoon trouwt moedertje, dan kom ik op de bruiloft meesmuilen voor drie!quot; Och zoo\'n edele goeje man, zoo\'n knappe — om dien zoo te hoenderen als Geurtsen gedaan had!

Ja, \'t was maar heel goed dat die frissche blauwoog inwendig gekookt heeft, en dat ze haar weldoener, bij \'t heengaan, de bewijzen van haar trouw en vereering zoo overvloedig liet blijken.

Dat geschiedde toen ze hem uitliet, en ze samen alleen waren in \'t achterhuis bij de melkkamer der groote boerderij.

-ocr page 245-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

— Lieve hemel, wat schortte hem ? Hij moest zich aan een karnton vasthouden.

,\'t Is niets Hanna, niemendal.quot;

„Moar ie wordt zoo wit as \'en doek dokter.quot;

„Nee dat komt wel terecht. -.. laatme maar eens even----stil----quot;

„God dokter, drink dan; drink! Hier \'en schoep karnemelk.... hier----quot;

„Zoo ja; \'t wordt al beter. Dankje goeje Hanna, dankje kind. \'k Ben straks vóórdat ik hier kwam gevallen; en....quot;

„En toen zoo\'n schandoal hier in huusü Eom mee, kom mee dokter. Loop en dét zu\'j niet. Wat schêlt \'t mien! \'k Zal oe voaren tot bij stad. Ze zullen mien nou niet missen of zuuken. \'k Zet Kwiebes den ezel veur \'t kerreken op veeren. Kom moar mee noar \'t stal. Ze zouwen oe kapot moaken hier! Kom gauw moar; kom mee!\'\'

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De majoor Kartenglimp, zoo pas van de conferentie in de nieuwe dokterswoning thuisgekomen, heeft zijn hoed met ruw geweld op een canapé gesmeten en zich zelf in een voltaire geworpen, \'t Ware bedroevend geweest voor wie als getuige van zijn teleurstelling die lang verkropte woede had moeten aanschouwen. — Driemalen dreunde de tafel door een krachtigen slag van zijn vuist. De onzinnigste vloeken en verwenschingen ratelden hem tusschen de tanden.

— Wees voorzichtig Kartenglimp; drift is nadeelig voor je gestel; denk aan die laatste ziekte in \'t voorjaar. Je bent nu sterk en flink; en zoo iets zal niet terugkomen, maar hou je aan zijn raad. Maak je niet zoo ontzettend driftig. Wees matig in alles. — Jawel.... hij zal het in \'t oog houden; \'t is zaak! Maar, moest die oude dronkaard, die dwarskop, die. ... ploert-kapitein hem zóó beleedigen, zóó zijn plannen, zijn zalige uitzichten dwarsboomen, ja, voorgoed verijdelen misschien! — Zijn plannen verijdelen!? — Neen, dat nooit, dét in der eeuwigheid niet! — Wat wil hij dan? Wat? — Ha! hij wil het menschdom toonen dat de maatschappij de rechten van het individu verkort en verkracht. Hij zal toonen dat de mensch zich niet beneden het dier heeft te stellen, beneden den leeuw die vrij iB in zijn wond en spelonk, en zijn prooi en zijn lust neemt waar hg die vindt. Hij wil zich wreken op die maatschappij waar men hem zijn vrijheid heeft benomen, waar men hem gekerkerd houdt en als \'t ware een dolk op de borst zet. Zie toe brave Oostindische officieren, vervloekt moedig eedgespan; wat Ronner-Kartenglimp niet instaat is op u te verhalen dat zal hij zich hier verschaffen; wraak op wie hem durft kwetsen, vernederen en weerstaan. — Ja brave dokter Helmond, die wel voor een muziekmeester maar niet

229

-ocr page 246-

230 DOKTKB HELMOND EN ZIJN VROUW.

voor mij kondt terugkeeren, boeten zul-je; ik zal je inwikkelen, inwikkelen, en met je schoone vrouw, totdat ze, voor den duivel, in mijn armen zal toestemmen dat ik haar redder werd! — En wat wil men nu? peinst Kartenglimp iets kalmer voort. Dien adel, waarvoor ik mij sinds eenige weken zooveel dwaze moeite gaf, zal zelfs zij.... dat neerlijke kind er nu van afzien, ter wille van dien vader\'? — Onvoorzichtige Ronner! je hebt je te zeker gewaand van haar zucht naar die glorie, gesteund door dat malle creatuur van een moeder. Dien vader heb ik beschouwd als een onding, die zelfs in \'t oog der dochter geen stem had. Maar \'t was buiten haar kinderliefde gerekend. Dat overweldigde mij toch een oogenblik. Ja, dat was schoon ... toen, toen dacht ik eensklaps aan de vrouw die mij leerde als kind, en mij haar lessen gaf.... lieve onnoozele lessen! Toen, — nu ja, ik voelde mij getroffen maar was een gek. Ik was.... Nee nee Ronner, dat was je niet! Nee, \'t zou groote dwaasheid geweest zijn wanneer je didr die hand niet hadt gegeven. Haar o ig werd aanstonds helderder; het vertrouwen keerde terug.... Waarachtig, ja, die blik, toen ik mijn papieren zonder een woord te spreken

opborg.....die blik----Zeker, de zucht naar die glorie is nog niet

uitgedoofd. Ik moet geduld hebben, mij stilhouden ; de wensch zal weldra, door de onzekerheid waarin men bleef te meer geprikkeld, weer levendig, en bij weigering van mijn zijde al grooter en grooter worden. — Zou ik dan ook tevergeefs zoo lang gezocht en gesnuffeld, en de oneffen schakels voor die geslachtsketen zoo kunstig hebben aaneengesmeed?

Ja, Kartenglimp had zich veel moeite gegeven. Inderdaad was het hem in den beginne niet onmogelijk voorgekomen dat de kapiteinsfamilie nog kon afstammen van de oude graven Van Armeloo. De overeenkomst der wapens had hem in den aanvang werkelijk getroffen, en, de tegenwerping van den kapitein: dat hij bij zijn bevordering tot officier geen wapen bezat maar zich er een graveeren liet, ze heeft hem het meest waarschijnlijke antwoord doen geven, namelijk: dat de wapensnijder, met het grafelijk wapen bekend, op het hooren van denzelfden naam iets dergelijks doch wat eenvoudiger gemaakt heeft. Voor het overige was alles misgeloopen. De vader en grootvader van den kapitein waren boeren in het Hanover-sche dorp Birchheim geweest, maar van zijn overgrootvader heeft de majoor zelfs geen spoor kunnen vinden. Evenmin was het hem gelukt om eenige zekerheid te verkrijgen, aangaande een vermoeden als zon de genoemde jonge graaf Herbert, zoon van den te Waech-tel overleden graaf Van Armeloo, naar Hanover zijn uitgeweken en zich daar als predikant hebben neergezet. Nergens heeft hij elders den naam van den kapitein teruggevonden. Onder zijn veelvuldige correspondentiën daarover, is hem echter mede een brief van een predikant in Oldenburg geworden, die waarschijnlijk een a voor een u heeft gelezen en gemeld, dat er — zooals Kartenglimp op de conferentie heeft meegedeeld — in de plaats zijner inwoning, van 1707—1752, twee predikanten elkaar hebben opgevolgd die den naam van Urmelo droegen. Deze vondst heeft Kartenglimp als een heerlijk

-ocr page 247-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROTTW. 231

redmiddel aangegrepen. In des predikers slecht geschreven brieven met Duitsche letters, waren de U\'s gemakkelijk wat te veranderen geweest, en — mocht de familie al zelve aan dien prediker schrijven, men zou zijn ürmelo\'s misschien in gemoede voor Armelo\'s houden. — Nu kwam het er maar op aan om een authentiek bewijsstuk te verkrijgen, dat zekere Hollandsche graaf Herbert Van Ar-meloo, — met verandering van zijn naam in eenvoudig Arm el o — van den heer eener heerlijkheid zijn aanstelling als prediker ontving, en bovendien het bewijs, dat de beide predikers Ürmelo — die nu reeds zeker als de voorvaders van den kapitein door Kartenglimp waren aangenomen — in een rechte lijn afstamden van den Holland-schen uitgewekene, zooeven vermeld. — En die bewijsstukken? — Haha! — Kartenglimp heeft immers zijn alvermogenden zaakwaarnemer in dienst, zijn trouwen Ronner, haha! Maar diens papieren houdt hij terug! hij houdt ze geheim — geheim, dat is zijn kracht.

— Maar als men dan bedrogen is? Welnu — haha! — dan is men bedrogen! Dan is hij het mét hen; dan zijn ze maar altemaal bedrogen, voor den duivel!

„Wat is er, wat?quot;

„Boeh! je kijkt weer zoo leelijk!quot; zegt de gemeenzame deerne die vooral den majoor dient; en dan: „Daar is de krant.quot;

„De krant? waar?quot;

„Hij staat op de trap.quot;

„De krant op de trap!? Alle duivels, wat moet dat beteekenen? Ik versta geen gekheid.quot;

„Ojee! is het weer zóó laat. De krant: wel, Kippelaan met z\'n spillebeenen.quot;

„Niet thuis!quot;

„Nee dat zie ik ook.quot; Naar buiten roepend: „De majoor zeit dat ie niet thuis is.quot;

Kippelaan, overtuigd dat hij zoowel hier als overal steeds welkom moet zijn, heeft het woordje niet óf voor een aardigheid gehouden óf niet verstaan, althans, langs de deerne heen struikelt hij de kamer binnen, ziet naar den dorpel om, en dan met de tien tolken zijner vriendschap vooruit op den majoor toeschietend, verheugt hij zich in zijn welstand; vraagt hem naar zijn welvaren; verzekert hem van eigen welzijn; deelt hem mede dat het uitmuntend weer is, dat de dagen al korten, dat hij ware vriendschap gevoelt voor een man als de majoor, en....

„Heb je anders mets?quot; zegt Kartenglimp: „Ik had belet gegeven.quot;

,Dat begrijp ik majoor; men kan niet altijd voor iedereen, mewaar, natuurlijk! Daarom waardeer ik te meer uw vriendschap. — Nog niets gehoord? O, van belang! van belang!quot;

„Wat meen je?quot;

„Fameus geval! De heele stad mee vervuld! tenminste.... enfin! Pas gebeurd. Zeker nog niets van gehoord? Van De Schebbelaar? Van boer Dirksen? Watblief?quot;

„Och jij met je praatjes; is er brand, laat ze \'t blusschen.quot;

-ocr page 248-

232 DOKTER HELMOND BN ZIIN VKOUW.

,Brand? pardon! pardon!! Dood. Subiet. Onze vriend dokter

Helmond----quot;

„Wat, wdt!?quot; schrikt Kartenglimp op: ,Is Helmond dood?quot;

Kippelaan stuift een paar schreden achteruit. Dat heeft hij niet gezegfd of bedoeld; en, Kartenglimp krijgt nu een ontzettend verhaal — Kippelaansstijl — van het gebeurde in den avond; een vermeerderde maar niet verbeterde uitgave van hetgeen reeds naar stad was overgewaaid, namelijk: dat boer Dirksen, de geëerde en welvarende boer van De Sohebbelaar, aan zijn groot gezin en aan de maatschappij was ontvallen, ten gevolge van een krampkoliek, die door zijn dokter zóó weinig is geteld dat hij den man zonder hulp heeft gelaten.

„En die dokter was.... dokter Helmond?quot; vraagt Kartenglimp ten slotte, terwijl hij met moeite den vreemden glimlach weerhoudt die hem soms de baas wordt.

„Ja, jawel! \'t Is mijn vriend, mijn intieme vriend Helmond; knap, uitstekend knap man; beroemd; mijn neef de professor zei....quot;

,En had hij den kerel zonder naar hem om te zien maar zoo laten----quot;

„Om u te dienen----jawel, om u te dienen----!quot;

— Om hém te dienen! — Haha, lacht Kartenglimp, hahiha!

De goedhartige Hanna van De Schebbelaar heeft Helmond — uit vrees dat men hem, inweerwil van den gevallen avond en de huif die het karretje overdekte, in een ezelwagen zou zien — met een kleinen omweg tot bij het oude huis aan den wal gereden. Daar wilde hij wezen om Hanna aanstonds \'t een en ander uit de apotheek voor het gezin te kunnen meegeven. — Met het oog op deze noodzakelijkheid heeft Helmond te eerder vrede gehad met Hanna\'s goedaardig inspannen, waartoe haar door boer Dirksens plaatsvervanger hoogstwaarschijnlijk het verlof zou zijn geweigerd. Nu immers heeft Hanna\'s rit voornamelijk, zoo niet uitsluitend plaats gehad in \'t belang der familie van den overleden boer.

Van Hake haastte zich om in weinige minuten de fleschjes gereed te hebben die Hanna mee terug zou nemen, en waarvan hij de gebruiksaanwijzing vooral duidelijk moest opschrijven.

Terwijl het meisje nu met den arm op de toonbank geleund de werkzaamheden van den provisor gadeslaat, verzuimt ze de gelegenheid niet om de zaak van haar goeden dokter in het verschoonendst© daglicht te plaatsen, en brengt Van Hake daardoor tevens geheel op de hoogte van \'tgeen er gebeurde, ofschoon hij reeds eenigszins door dien tweeden afgezant van De Schebbelaar was ingelicht.

Hanna heeft thans met haar ezelkarretje, door de straten der stad den terugtocht naar De Schebbelaar aangenomen, en een traan komt haar in de oogen nu zij de vreeselijk groote doos vol pepermuntjes beziet, die de goeje dokter haar nog heeft opgedrongen en die ze nu — onder \'t rijden — tegen \'t verliezen waarborgt, door er haar neusdoek om te winden en ze dan in den zak te steken.

-ocr page 249-

DOKTEK HELHOND EN ZIJN VBOUW. 2i\'6

De Romphuizers, voor zooveel ze nog op straat zijn of op de stoepbanken hunner woningon den reeds korten zomeravond genieten, zien het karretje van De Schebbelaar na, en begrijpen niet waar het vandaan komt, dewijl niemand het straks zag voorbijkomen.

Op sommige plaatsen vormen zich groepjes, vooral onder de boomen op de markt nabij het oud-burgemeestershuis; en, men wauwelt er over het plotseling sterfgeval; hoe een mensch er gauw uit kan wezen, en hoe — zooals menheer Kippelaan straks nog in \'t voorbijgaan aan den molenaar heeft gezegd — hoe het onvergeeflijk is dat een dokter, die te veel geld heeft om te dokteren, tóch \'maar dokteren blijft.

En terwijl men dit alles beredeneert, en het daarbuiten oproer is in veler gemoed, was het zeer kalm en rustig in het fraaie en groote doktershuis. Men vernam er nog niets van \'t geen er op De Schebbelaar gebeurde.

Eva slaapt. Kalm en zacht slaapt ze op den lauwer dien haar

kinderlijke liefde haar vlocht; en ze droomt..... o zoo heerlijk

van een feest, een prachtig feest; en van vuurwerk en Bengaalsoh licht. — En zie, uit het schitterende licht trad een bevallige knaap met een kniebuiging haar tegemoet; — \'t was Siebel uit de Faust, de opera die men te Parijs zag opvoeren — en op een rijk geborduurd kussen bood hg haar een kroon aan, een grafelijke Kroon met diamanten en parelen omzet.

\'t Was niet zoo geheel zonder aanleiding dat Eva van een feest droomde. Even nadat Helmond naar De Schebbelaar was gegaan, heeft men aan mevrouw, ofschoon ze wat te bed lag, een briefje overhandigd, terwijl een knecht op antwoord bleef wachten. Het adres: „Monsieur et Madame Helmond-Armeloquot;, heeft haar recht gegeven om het briefje te openen, \'t Was een uitnoodiging van mijnheer en mevrouw Debecque om een feest te komen bijwonen \'twelk zij zich voorstelden te geven op Woensdag den 5dcn September e. k. En, Eva heeft de uitnoodiging maar aangenomen.

Minder feestelijk dan Eva in hare droomen, was Helmond gestemd.

Misschien heeft dat karretje, aan de hoofdpijn, die hij op D e Schebbelaar het eerst gevoelde, geen goed gedaan, althans zij is er niet beter op geworden, en, nu hij een oogenblik in mevrouw Van Hakes huiskamer op de ouderwetache doen gemakkelijke sofa zit, nu gevoelt hij dat die rust hem goeddoet. Ja, \'t een en ander had hem van streek gebracht. O wat zou hij niet willen geven indien hij slechts een uur vroeger bij Dirksen ware geweest, al had de afloop dan ook dezelfde moeten zijn.

„Ja zeker Thom, dikwijls moet men wel uren laten voorbijgaan eer men een zieke bezoeken kan; maar nu, om een niets!quot;

„TJ hadt visite. De familie. Mij dunkt dus. . .quot;

,Jij bent een goeje kerel Thom; maar weet je waar mijn „onverbiddelijkequot; zit? Niet? Hier, hier zit ie; hier vanbinnen. Die is crimineel.quot;

„Ja maar dokterlief,quot; zegt mevrouw Van Hake; „men moet zoo iets toch niet te stork trekken. Mijn trouwe man was de braafhoid

-ocr page 250-

234 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

en ijver in eigen persoon, maar bij een geval als dit zou hij het hoofd hebben gebogen en gezegd: «Hier misgunde de dood den dokter zijn brood.quot; Een geval als met boer Dirksen behoort tot de zeldzaamheden.quot;

Helmond knikte haar vriendelijk toe, maar antwoordde niet. Het glas frambozenazijn, \'t welk de goede vrouw hem intusschen gereedmaakte, nam hij dankbaar aan, en dronk het met lange teugen, doch, starend naar den grond en zonder inderdaad goed te proeven wat men hem ter verfrissching geschonken had.

Thom met zijn volle liefde voor den braven meester, heeft Helmond een wijle in stilte gadegeslagen, en oppert nu aarzelend het vermoeden dat dokter door dien val toch meer van streek is dan hij bekennen wil.

Maar neen, waarlijk, de goede jongen moest daarvoor geen zorg hebben; de pijn aan het been was al beter, en \'t hoofd zou na een goeden nacht, morgen wel heelemaal in orde zijn. Thom kon toch wel begrijpen, dat de omstandigheid op zich zelve reeds genoeg was......

„Om u wat onplezierig te stemmen. Ja zeker,quot; valt Thomas in: „maar als u dan reeds aan die goede Hanna hebt kunnen zien hoe een onbevooroordeeld mensch de zaak zal opnemen, dan moet u er waarlijk niet zelf zoo\'n gewicht aan hechten. Als mevrouw u zóó zag thuiskomen....quot;

„Wat zeg je Thom, zie ik er uit dat mijn vrouw zal schrikken wanneer ze mij ziet?quot;

,Welheere nee!quot; vallen moeder en zoon schier gelijktijdig uit: ,\'t is maar alleen als u zoo ernstig kijkt!quot; En mevrouw Van Hake, die nu begrijpt dat men dokter maar liefst over geheel wat anders moet spreken, laat er schier onmiddellijk op volgen: „Ik geloof dat Eva toch bijzonder met het huis blijft ingenomen,quot; en dan half lachend: „beter dan met Bus als huisknecht.quot;

Thomas die zijn moeder verstaat, valt nu mede half lachend in:

„Ja, Bus zei van avond, dat ie z\'n eigen blind keek op z\'n eigen als ie zoo\'n lichte jas aanhad, en dat ie, vooral met die jonge meiden, er genoeg van kreeg.quot;

Of moeder en zoon de rechte snaar niet hebben getroffen, althans Helmond antwoordde ook nü niet; maar, eensklaps zich vermannend en opziende alsof hem iets inviel, zegt hij:

„Thom, jij bent niet om je kwartaal gekomen; \'tis waar, ik had het je kunnen meebrengen, maar----quot;

Onwillekeurig hebben moeder en zoon elkander vluchtig aangezien. Thomas kreeg een kleur. Ze hebben er niet om willen vragen: en toch----

„O, wat dat betreft dokter,quot; zegt hij met eenige aarzeling: „dat zou wel terechtkomen. We begrepen heel goed dat u met al die drukten van verhuizen en allerlei, zoo iets gemakkelijk vergeten kondt.quot;

„Natuurlijk,quot; valt de weduwe in: „vooral ook omdat u hier niet meer in huis woont. Ja zeker, men kan dat begrijpen.quot;

-ocr page 251-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 235

Helmond die was opgestaan met het besluit om zich krachtig te toonen, is onwillekeurig nogmaals in de oude sofa neergevallen, en, met het hoofd in de hand geleund, zegt hij nu op een toon waardoor moeder en zoon opnieuw tot het wisselen van een snellen blik worden gedwongen:

„Ja, ik heb wat veel aan het hoofd. — \'t Liep wat druk in den laatsten tijd.quot; — Eensklaps opziende, met iets luchtigs in den toon alsof hij bevreesd is dat men hem zekere zorgen zal toeschrijven; „Wat je kwartaal betreft Thom, \'t ligt klaar in mijn schrijftafel.quot; En dan weder opstaande: „Komaan, nu zal ik \'twijfje eens gaan opzoeken. Ze had wat hoofdpijn van avond.quot;

Met leedwezen vernemen Thom en zijn moeder dat mevrouw Helmond ongesteld is. Maar gelukkig volgens dokter heeft het niet veel te beteekenen. Ze had zelfs van middag nog prachtig gezongen: „Ja dat moet u toch eens komen hooren mevrouw; \'tklinkt heerlijk in onze groote kamer. U zult zelve toestemmen dat Eva gelijk had toen ze hier niet spelen of zingen wilde, \'t Was hier te laag, veel te laag.quot;

„Zeker, dat scheelt no§ al,quot; zegt mevrouw Van Hake: „maar anders, och dokter, dit huis....quot;

Thom, die bij zijn moeders laatste woorden door allerlei gebaren tevergeefs heeft getracht haar opmerkzaamheid tot zich te trekken, valt nu haastig in:

„Moe wil zeggen dat de herinneringen haar dit huis zoo lief maken. Maar moe begrijpt natuurlijk dat mevrouw.... niewaar moe ...?quot;

„O ja Thom, jawel; wie zou dat niet begrijpen; voor een jonge vrouw met zulk een talent en zooveel smaak! zeker, als men het hebben en doen kan — dat weet dokter ook wel, dan----quot;

Thom, onzichtbaar voor Helmond, staat te schudden met het hoofd en bijt zich fel in de lippen. Nee, nee! Moeder moest nu vooral niets doen blijken. Och, hij weet wel dat ze zeggen moeten \'tgeen hun op het hart ligt, maar niet dezen avond. Immers, Thom zweeg al zoo lang, ofschoon het hem dikwijls strijd heeft gekost. Maar had hij dan ook aan dien goeden meester de harde woorden van den pleegvader kunnen overbrengen? \'tWas al erg genoeg dat hij hem, na zijn bezoek op De Zonsberg, heeft moeten zeggen dat de oude generaal wel wat verstoord was over den koop van het oud-burgemeestershuis, en dat hij dokter nu in geen geval meer ontvangen kon, aangezien hij morgen naar een badplaats ging. — Thomas heeft

gezwegen, want, moeder had immers mede gezegd dat die oude manezwegen, want, moeder had immers mede gezegd dat die oude man

et wel wat al te ver trok. Dokter mocht dan wat erg toegeeflijk — ja soms wat zwak zijn ten opzichte van zijn jonge vrouw, hij was toch zeker zoo onverstandig niet, meer te doen dan hij verantwoorden kon. — Maar ach, in den laatsten tijd heeft men toch wel eens gevreesd dat de trouwe vriend inderdaad meer deed dan.... Doch stil, stil! nu geen woord. Ha! moeder heeft hem begrepen; — zij wenkt het hem zijdelings toe. Nu zal men zwijgen, maar Tater spreken ; ja, want er moet een eind aan komen, in aller belang.

Helmond heeft den hoed opgezet.

-ocr page 252-

236 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

— Nee, waarvoor zou Thom met hem meegaan? Dan zat bovendien zijn moeder alleen. — Of hij duizelig isV — „Nee goeje vent,quot; zegt Helmond zoo vroolijk als hij kan: „duizelig ben ik in \'tgeheel niet. Ik dacht dat mijn handschoen gevallen was. Enfin, wil je me volstrekt een klein eindje brengen? Komaan dan maar. Goeden avond lieve mevrouw. Thom is hier aanstonds terug. — Nee, we zullen over hoer Dirksen niet te veel tobben, al blijft het me leed doen. — Slaap wel! — Komaan m\'n vrind, ie arm! Jawel, iawel, nü moet ik er alles van hebben.quot;

Toen Van Hake zijn goeden beschermer had thuisgebracht, en naar huis terugkeerde, toen kwam hem een vrouw tegemoet die bijzonder veel haast had, en hem vroeg: of dokter Helmond tegenwoordig niet daar in dat groote huis woonde?quot;

„Ja. Moet dokter ergens komen?quot;

,\'t Is voor de vrouw van den kuiper Sturk;quot; klonk het antwoord: „Zooals men meende zou \'t er op aanloopen. \'t Was volgens berekening een veertien dagen te vroeg, maar \'t schijnt zoo te willen.quot;

„Dokter is ongesteld.quot;

„Ja dat kun jij wel zeggen, maar hij moet mee. Hij heeft haar aangenomen; en ik zeg: \'t is wel om \'en kind te doen, maar daarom niet kinderachtig.quot;

Thom verkeert in den grootsten tweestrijd. Helmond was volstrekt niet fiksch bij \'t naar huis gaan; hij gelooft zeker dat dokter wat koorts had; inderdaad vertrouwde hïj wel dat dokter na een rusti-gen nacht morgen veel beter zal wezen, maar, indien hij nu zulk een vermoeiende nachtwake hebben moest, dan — God wist, of de lieve, de al te goede vriend, niet zelf erg ziek zal worden; en, waar moest het dan heen! Neen, wanneer de toestand waarin vrouw Sturk verkeert aan dokter bekend wordt, dan is het zeker dat hij zich een oogenblik zal bedenken, maar er aanstonds zal heengaan, zon-er voor zich zeiven de gevolgen te berekenen.

— Maar. dat mag en zal niet gebeuren!

„Ik zeg je dat dokter ziek is; dokter ging met koorts naar bed. Doe geen vergeefsche moeite, hij kan toch onmogelijk meekomen.quot;

„Maar kristene-zielen, moet \'en mensch in zulke omstandigheden....!quot;

„Stil vrouwtje, we zijn hier niet zonder hulp. Ik ben de provisor van dokter Helmond; we zullen aanstonds naar vrouw Spanning gaan. Jawel, dat mensch is knap genoeg, daar sta ik je borg voor.

Wat mij betreft, ik zal bij Sturk blijven, en mocht er iets wezen____

welnu, nood breekt wet, dan kunnen we altijd dokter Helmond nos halen.quot;

De vrouw, overtuigd dat mijnheer Van Hake zóó niet spreken zoa als zijn patroon niet werkelijk ziek was, moest toestemmen dat het dan zoo maar \'t beste zou zijn, want menheer had gelijk: nood breekt wet, en baas Sturk had \'en hekel aan dokter Biermans, omdat Biermans z\'n regenton door quot;n knoeier als Govers had laten maken; en: „Gauw dan maar, want Sturk heeft gejaagd van belang.quot;

-ocr page 253-

DOKTER HELMOND KN ZIJN VKOUW. 237

Thomas Van Hake handelde met de beste bedoeling, en toch. of hij goed deed? De tijd moet het leeren. Zooveel is echter zeker, dat dokter Helmond een gansch anderen nacht zal doorbrengen dan de goede Thom hem denkt te bezorgen.

Thuisgekomen ging Helmond het allereerst naar de kamer, waar hy zijn geliefde zou vinden. En, ja, toen zijn Eva daar kalm en rustig slapende vond, toen gevoelde hij voor het eerst sedert dien langen namiddag, iets weldadigs zijn borst doorstroomen, iets dankbaars, dat hem persoonlijk met zulk een val geen ernstig ongeluk was geschied; dat hij gespaard bleef voor haar.

— Wat ligt ze daar lief, denkt Helmond bijna overluid, terwijl hij de zwaar damasten gordijn een weinig terzijde houdt, en Eva bij het zachte schijnsel der groote moderateurlamp die op het beddeta-feltje brandt, eenige oogenblikken beschouwt: Wat lag ze daar lief; wat slaapt ze gerust! — Het mondje half geopend alsof het zoo de welluidendste tonen zal doen hooren. Zie, die heerlijke golf van haar losgevallen haar, wat teekent hij nu vooral de blanke fijnheid van haar huid. Wat ligt ze daar rustig en schoon; met dat edele voorhoofd, met dat regelmatig bewegen der kleine neusvleugels, met dat telkens dubben der lange oogwimpers als zullen die oogen zich zoo aanstonds openen en hem liefdevol aanzien; met dat geregeld golven van den boezem onder het dekkleed, waardoor mede schier onmerkbaar de blanke en kunstvaardige handen worden bewogen die er nu zoo rustig op nederliggen.

— Wat is ze schoon en wat slaapt ze kalm! Op gevaar af dat hij haar wakker zal maken, drukt Helmond een teederen zoen, eerst

op haar voorhoofd en dan op haar zachte wang---- en.... Neen,

ze wordt niet wakker; zie, ze slaapt nog voort: een vriendelijk lachje plooit haren mond. — Droomt ze van hem, van August, van haar geliefde? Ziet ze hem in haar zoeten sluimer zooals hij daar werkelijk voor haar staat met den blik vol innige liefde op haar gevestigd; een blik waarin ze zou kunnen lezen: Engel, om uwentwil heb ik het leven lief, om uwentwil blijft de wereld mijn lust; een graf zou ze zijn wanneer de ademtocht, dien ik nu verneem, moest verstommen, wanneer die dubbende oogwimpers eens niet meer opengingen... ? Mijn engel!

Of ze van hem droomde? hij moet het weten, want bij die laatste gedachte werd het hem eensklaps zoo angstig, zoo vreeselijk angstig om het hart.

„Eva! lieve! hier ben ik!quot;

Zij glimlachte weder. En die schoone oogwimpers gaan nu vluchtig naar boven; en hoor:

„Mon ami!quot; lispt ze met nog sterkeren glimlach; en dan, zooals het gaat in den slaap, dan volgt er een diepe ademhaling met een langen zucht, en, de schoone slaapster wendt zich om, met het gelaat naar de binnenzijde van het ledikant, en haar ademhaling gaat weer geregeld als van eene die rustig blijft slapen.

— Mon ami!----

-ocr page 254-

238 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VBOUW.

— Ze droomt dan toch werkelijk van hem!

Ja waarlijk, en \'t is juist het schitterendst oogenblik van haar blinkende droom geweest toen August haar bijna ontwaken deed, omdat hij haar stem wilde hooren, omdat hij haar oogen moest zien. Maar hij was verstandig, hij liet haar slapen en vooitdroomen dien ganschen droom ten einde.

Mon ami! — Uit het midden van een zonderling bonten optocht, die zich binnen het vierkant van een zeer groot tooneel heeft bewogen, trad August Helmond in een prachtig gewaad van parel-rijs satijn haar tegemoet. Hij boog de knie voor zijn Eva die zich e vroeger ontvangen prachtige kroon op de sierlijk golvende lokken heeft gezet, en ze reikt hem haar hand, waarop h\\j een teederen zoen drukt. En dan, van het rood fluweelen kussen \'twelk nogmaals die knaap — alsof het Siebel uit de Faust ware — haar met een kniebuiging kwam aanbieden, neemt ze een tweede kroon met fonkelend edelgesteente omzet, en ze drukt het kostbaar sieraad op het, voor haar neergebogen hoofd van den vriend. — En een zeer hel licht blinkt weer eensklaps, en ze zegt: „Mon ami —demain — toujours!quot; Maar dat licht werd verblindend sterk; zij moest zich

omwenden..... — \'t Was juist het oogenblik toen Helmond haar

stem gehoord, en vluchtig haar oogen had gezien, en zij zich omwendde naar de donkere zij van het ledikant. En in den droom was het nu eensklaps een vuurrood licht \'twelk het helle en witte licht had vervangen. Ze kon nu de oogen beter geopend houden, en, hoe lang ze staarde dat weet ze niet, maar altijd en altijd weer zag ze daar eên grijnzend satergezicht om den hoek van een geschilderden boomstam gluren; en dat wezen was geheel en al in \'t rood en zwart gekleed; soms als een vleermuis, met een degen op zij; en uit zijn oogen bliksemden roode slangen; en het grijnsde akelig, en als zij de oogen neersloeg en naar den grond zag, dan vloog er een luik open in dien grond, eri dan sloeg een roode vlam naar boven, en eensklaps was ook hij weder daar, hij met die roodzwarte klee-ren en dien vleermuismantel, en hij zag haar scherp en altijd scherper aan, zoodat zij moest terugtreden. En eensklaps klinkt er een gillend krijschende muziek; en de zonderling bonte schaar van vrouwen en mannen — zooals ze daar stonden, de mannen ter rechter- en de vrouwen ter linkerzijde van die geschilderde boomen — ze vliegen nu eensklaps als dolzinnigen walsend en gillend dooreen; en — hoe zij zich wendt en hoe zij zich keert, altijd staat dat wezen in het bloedroode licht, juist voor haar oog, nu eens lager en dan weer hooger; straks ten halve achter iets verscholen, en dan weer geheel en al zichtbaar, steeds met grijnzend sarrend gelaat, en terwijl het dan gillend zingt:

Le veau d\'or est encore debout.

On encense Sa puissance,

D\'un bout du monde a l\'autre bout!

-ocr page 255-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 239

snerpt het dansende koor ten slotte met hem mee in snijdende

cadence:

Et satan conduit le bal!

Et satan conduit le bal!

,August! o August!quot; kreet Eva half ontwakend. Maar August was er niet meer. Hij heeft nog iets voor den volgenden dag te regelen gehad, en liet Eva gerust slapende alleen, om haar den ,liefelijken droomquot; waarin ze hem — onbewust zoo hemelsch heeft toegelachen, stil en kalm te laten uitdroomen.

,August!quot; klonk haar stem nog eens, doch minder angstig dan zooeven, en toen, toen wendde zij zich weder naar de lichtzijde, en vielen de oogleden weer toe, en werd de ademhaling weer kalm en geregeld — zeer kalm en geregeld.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, \'t welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hg, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen \'twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.

De oudste der beide nieuwe dienstboden — op \'t stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan — de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en \'t is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter — die natuurlijk een huissleutel heeft — straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.

Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.

Dat kleine briefje kon Helmond even inzien, \'t Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik \'t voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een „al te groote belangstellingquot; te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der De-becque\'s waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.

En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.

Op dit oogenblik is er zeker niets, \'t welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe van De Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardig

-ocr page 256-

240 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

verwijt! — Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!? — Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. \'t Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....

— Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer \'t een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante — ook terug in den nacht — zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien! — En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik \'t maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef — bijvoorbeeld vrouw Sturk, \'t geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....

— Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!

— Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!

Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel — die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld — en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks

foeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel at Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefje volstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op \'t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal \'t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in \'t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte. — Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht. — Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt. Lezen zal hij hem in geen geval.oeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel at Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefje volstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op \'t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal \'t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in \'t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte. — Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht. — Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt. Lezen zal hij hem in geen geval.

Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden „uw diep ongelukkige broederquot;, ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen. — O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:

„..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd

geleden,quot; leest Helmond voort, terwijl hij den brief als \'t ware verslindt: „Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wét er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijn

-ocr page 257-

DOKIER HELMOND EN ZIJN VROUW.

•woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van „iets uit Bomphuizenquot; kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.

„Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet hoe ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten. — Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen; maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, \'t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.

,\'t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat hij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij — doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen\'? — Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn nartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hij laag moest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak znner „voor \'t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.quot; Dewijl hij zich op zijn bureel, bij \'t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk — \'t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden — in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een „ploertquot; vervangen, die .;a gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.

„Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijke l. 16

241

-ocr page 258-

242 DOKTBR HELMOND EN ZIJN VliOtJW.

betrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had — zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds „iemand op \'t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar warenquot;, zoodat hij onver-richterzake kon aftrekken, — „Maar geen nood,quot; riep Philip bijna woest; „je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, \'t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.quot;

„Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij \'t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent — ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord — moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie. — Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.quot;

„Groote God!quot; zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:

„Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van Helmond waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten — zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het do vraag of dit kan en mag geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds neen geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben. — Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.quot;

„Geld! ha, geld!quot; zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.

„Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.

Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aai;

-ocr page 259-

DOKTER HELMOND en ZLTS VKOUW. 243

pakken indien ik hem door mijn vrienden — gij verstaat me — die aandeelen bezorgde.

,\'t Is dus een aö\'aiie van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep onge-lukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantiemaatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.

,\'t Is dan verder — zooals gij reeds vermoed hebt — mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.

„Bij mijn laatst bezoek, \'t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem — natuurlijk zonder den steun van u of uw oom — zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.. - „de oogenblikkelijkemoeie-lijkheden....?quot; Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was — \'t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen — van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, \'t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.

„En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.

„Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend

Eveeard Woudberg.quot;

Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.

— Ook dit nog! — Dit! Welk dit? — Het moest zeker een

fevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op e borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!evolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op e borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!

Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, gold, geld, geld!

Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel — Het koude water \'twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaad

-ocr page 260-

244 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

een oogenblik als herleven. Den klefcinatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:

— Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En het moet er komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefache moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! \'t Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren. — Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in \'t belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te balen. — Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.

En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan \'t werk. Spoed is noodzakelijk. — Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naaiden Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk — immers hij dient mede reeds vroeg naar De Schebbelaar te gaan —- de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:

„Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.

„De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.

„Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.

„Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... \'t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde Ivoor mijn engel te blijven verbinden, \'t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en — in vertrouwen gezegd Coba — ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.

„Na \'tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest — ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had — was dit niet anders.

-ocr page 261-

dokter helmond en zijn vbottw. 245

„Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:

August.

Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18----quot;

De pendule met een forach metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.

Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder \'t hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, om zelf in \'t belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte

fekomen, ofschoon hij toch om dit huis---- voor haar te kunnenekomen, ofschoon hij toch om dit huis---- voor haar te kunnen

oopen, met alles wat daarin is — de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd — zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden! — Hola August, wriartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn. — Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven, \'t Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert :in \'t belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!? — En Helmond schrijft:

----„Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma

zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in \'t belang van onzen Philip. Op deze wijze — ik ben er haast zeker van — neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terug-keeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken. — Wat echter de gelden betreft, diequot; gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen in dit opzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom. — Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de.. quot;

Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los. — Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming; der laden. Deze is voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: „Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden^\' Welnu, \'t is immers voor eens, en zoowel voor Eva\'s serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers!

-ocr page 262-

246 DOKTER HELHOND BN ZIJTf VROUW.

\'tls een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met, het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.

— Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.

— Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven vaa eenig medisch werk besteden; een populair boek \'twelk men flink honoreeren moet.

— Maar voor het oogenblik? — Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar\'t was niet te dulden dat hij het huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden! — Kn het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in- ... een woning met twee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, \'twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie. hij had geen onwaarheid gesproken: \'t Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel. — Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan: Donerie\'s monument! Een andere kleine lade is ras geopend. — Naast eenige papieren, intee-kenlijsten en correspondentiën over het op te richten gecfenkteeken — ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en.... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven ! — Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde? — Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo\'n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet

of daarachter----? Wie weet? — Neen! de flauwe hoop is reeds in

damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood! — Hu! welk een dwaze gedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte.... Krankzinnig! — Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, \'t Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. \'t Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.

— Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden niet le en en van de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie\'s graf bijeen heeft gebracht? — Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. \'tls het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene. — Geld ? — Mag dit doode bankpapier de tolk dier vereering heeten? Neen, \'tzal slechts het loon worden voor den arbeid. Het monument zal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander ver-

-ocr page 263-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 247

vangen worden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet....? Nee! Nee!quot; zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zei ven. „Nee!quot;

En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zeiven had hij niets te geven, maar wat daar in geld lag — het geld voor dat monument — immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee — neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. Eu — geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?

Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief. — Alles was stil, doodelijk stil. — Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, \'t Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij \'t hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.

Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan \'twelk op \'t marktplein uitziet.

Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:

„Wie daar?quot;

„Ik!quot; klonk het antwoord, \'twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij \'t eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, \'t Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.

— Van Hake! Vrouw Spanning! — Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:

.Zeg dat ik aanstonds zal komen.quot; — En het raam ging weer dicht.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht — die toch zijn oude tuncties bleef waarnemen — reeds

-ocr page 264-

248 DOKTER HELMOND BN ZIJN VRODW.

zeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde — niet om de meisjes „die kattenquot; te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnenquot; wanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.

\'t Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.

„Zoo, ben je daar ouwe paltrenier. Pak aan! Klets. — Da\'s jammer, \'t was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!quot;

Bus zag wat er op de lei stond:

„Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok.quot;

— k\'Hem! — Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan t adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar \'t eerst naar zijn , naamgenootquot; brengen — k\'hem — maar wat er op die lei staat dit zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.

Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging ,kloppenquot;, toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en §af Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet wég te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aange-teekend zooals dokter gezegd had.

Voorts zouden de meiden immers wel heel, heel stil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen \'t geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naar De Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.

— Wel neerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z\'n lijf jagen! — Bon, best, \'t zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit dePransch-man; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da\'s één; \'en wandelingetje naar Zoethout is twee; \'en viselantje is drie, en — Careltje van den bakker da\'s vier.

„Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?quot;

„Al bezorgd Kaatje.quot;

„Domme eend; dat moest niet.quot;

„En \'t stond op de lei?quot;

-ocr page 265-

DOKTER HELMOND EN ZIJN YKOtnV. 249

„Nu taaie, wat is \'en lei! Als \'t schrift was; maar leischrift kun je immers uitvlakken.quot;

Bus had Kaatje wel eens eventies met dien schoenborstel......

maar.....

\'t Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo\'n mooie rooie kleur heeft, want anders; ,\'t is een dierazie!quot;

Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou ze eerst doen? — Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen — zoo natuurlijk — in de bakkerij voor \'t open raam aan den wal; niet\'ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had----Ze zal de brieven \'t laatst bezorgen, welzeker, da\'s sekuurder.

„Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis? — Zoo vroeg al op \'t pad!quot;

„Wat meen ie menheer?quot; vraagt Kaatje strak. — \'t Was de klok.

,\'k Zal \'t je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief?quot; Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten.quot;

Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z\'n spillebeenen begeert ze niets te vernemen. — Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.

„Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?quot; herneemt Kip-pelaan: „Watblief? \'t Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?quot;

Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z\'n gewauwel wil ze niets weten. \'Ze zal \'em in \'t riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!

„Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan....quot;

„Kippelaan m\'n lieve meid! Kippelaan, Jules Janin!quot;

„Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als \'en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in\'t geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo\'n jonge vrouw hadt, dan.... Atjuusjes!quot;

„Kaatje, m\'n lieve.... a propos?quot;

Kaatje omziende: „Hê, riep je me?quot;

„Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt----quot;

„O wou jij die voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je \'en bolletje zijn.quot;

Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:

-ocr page 266-

250 DOKTBE HELMOND KN ZIJN VROtTW.

,Bezorgen! — tuterletu! bezorgen! Wat zeg je, deze fran-keeren! — ei! — Ja maar m\'n lieve Kaatje, je begrijpt----quot;

Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen — waarom \'t hem inderdaad voor \'t oogenblik slechts is te doen geweest — neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.

Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór — behalve een kleintje — drie spionnetjes uithangen.

Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naaide deur gezien. — Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.

In \'t sleutelgat der deur zit een watje.

— Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd. — Wil hij kwaad.\'? Waarachtig niet! \'tls zoo goed als een bestiering. Jawel, een bestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewau-weld. — Kippelaan kan dat gewauwel niet velen — en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En, twee brieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld — het ideaal enfin, — en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.

Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem „zoo ongezocht in de handen werden bestierdquot;, aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit. \'tWas anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken. — Er stond hem zoo iets van voor.

Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds — ofschoon met eenigszins bevende vingers — den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En----hij zal smullen;

„Lieve Jacoba, beste zusje!quot;

— O God wat is dat!? Men klopt op de deur:

-ocr page 267-

DOKTBB HELMOND EN ZIJN VBOtJW,

,Hé! Watblief? Wie ia daar?quot;

— Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven! .... O goeie God!..... „Watblief!?quot;

.Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?quot; roept men van buiten.

„Nee niemendal----Een beetje ingeslapen!quot; — Lieve hemel! Het

klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba\'s brief is reeds

tot een bal ineengefrommeld. — Waar blijft hij er mee.....? Ha\'.

In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!

„Maak \'em open menheer!quot;

—- Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.

„Maak de deur dan eens open menheer!quot;

TDo deur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje.quot;

— Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet. — In \'t bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.

Kippelaans hospita hield er een looper op na „voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was.quot; Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En. terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den lillenden Kippelaan neer.

Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze „met ijzingquot; \'tgeen er van De Schebbelaar bekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld. \'t Was God geklaagd om iemand zoo aan z\'n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken we! op de vingers natellen hoeveel we zoo\'n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan.quot;

„Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie \'t vak voor z\'n pleizier dee;quot; verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.

„Maar dat is juist het gemeene;quot; herneemt Careltje, en wrijft met zijn „natuurlijken armquot; een kruimel deeg van de wang: «Als dat dan waar is — zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had — dat ie namelijk een vondeling en \'t kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zeg ik dat zoo\'n man d\'r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen.quot;

„Een graaf!quot; zegt Kaatje, vuurrood geworden: „Is hij een graaf\' Ben ik bij een.....?quot;

251

-ocr page 268-

252 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

„Jawel, dat zeggen ze allemaal. \'En mooi ding! \'En graaf met \'en apetheek. \'t Is schande!quot;

„Voor vier duiten drop!quot; grinnikt de molenaar.

„Nee maar gekheid is gekheid;quot; herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: „Ze hebben — niewaar Kaatje —gisterenavond visite gehad?quot; — Kaatje knikt — „Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z\'n eigen liever op zijn gemak zet.quot;

„Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da\'s niewaar. Ik zie \'em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d\'r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie m in z\'n huis nam; zoo\'n kazerne van \'en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!quot;

„Maar ik zeg,quot; valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: „ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer \'en dokter te roepen die. God beter\'t, binnen éene twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?quot;

„Tweemaal?quot;

„Ja waarachtig meid;quot; valt de molenaar in: „Weet je dat nog niet? quot;Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid. — Verknoeid! \'t Was niet alles in orde. Van Hake de bediende — je weet wel — had verteld dat z\'n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, \'t is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om \'en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.

„Heere beware!quot; zegt Kaatje.

„Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! \'t Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!quot;

„Nee, da\'s gelogen!quot; valt Careltje in: „Menheer Kippelaan, die voor een half uurlje hier even aan \'t raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster; Sturk zou dokter zeker aan \'t buis zijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dotter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar \'t was ook meer dan erg! Zoo\'n wurm van een vrouw......!quot;

„Nee maar \'t is gruwelijk! \'t is helsch zeg ik,quot; herneemt de molenaar: „\'en leelijken naam hêt ie ook: Hei-mond!quot;

„Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al \'en heel gemeene!quot; bevestigt Careltje.

„Maar als de dokter dan toch ziek was!quot; zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.

„Ziek! wdt ziek!quot; zegt Careltje: „als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!quot;

-ocr page 269-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 253

„Maar hij was niet ziek,quot; roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: „Hij is gisterenavond zoowat om nalfelf in huis gekomen; heeft — omdat mevrouw al naar bed was — op z\'n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgen drie waren om naar de post te brengen ...quot; Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.

„Wat heb ik gezeid!? wat!quot; valt Careltje uit: „Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d\'r was licht op \'t kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; en ik zeg: d\'r brandt geen licht om twee uur op \'en kantoor of d\'r moet iemand óp zijn!quot;

„Nee nee,quot; stemt het uit aller mond: „dat spreekt vanzelf; dat is bewezen! \'t Is schandelijk! Wie zou zoo\'n dokter vertrouwen!quot;

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van \'tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen. — Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen. ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen, De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.

— En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde. — O

foede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hemoede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem

eeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja daarom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.

En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank ;

„Eva!quot;

„Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?quot;

Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets.

-ocr page 270-

254 DOKTKK HELMOND EN ZIJN VKODW.

\'twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.

„Eva!quot;

„Wat is er dan beste?quot;

„Ik ben zoo gelukkig Eva.quot;

„Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek indeooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan. — Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdtje eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: „Et Satan conduit le bal,quot; o zoo akelig. Zie, \'t is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo\'n gezicht blijft je \'s-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je \'t al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt! — Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijuen hoe heerlijk ik het vind om je, bij \'t wakkerworden \'t allereerst te hoo-ren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig! — Komaan mon cher monsieur le comte — nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen, — komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zal ik je eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, \'t is een lust!quot; — Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:

„O Sonnenschein, o Sonnenschein,

„Wie scheinst du mir in\'s Herz hinein.

„Weekst drinnen lauter Liebeslust,

„Dass mir so enge wird die Brust!

„Dass mir so enge wird die Brust!quot;

Een kwartier later is Helmond gekleed.

Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.

„Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!quot; zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van hair een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoo recht gelukkig is.

En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu waren

-ocr page 271-

DOKTER HELMOND EN ZIJN YROÜW. 255

voor \'t oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine kata-strophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch het bewijs dat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zij èn Helmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor — tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is, — ze wel aan hen afstaan.

Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque\'s toch al verzonden was — omdat Bus beter hard draven dan dienen kan — ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen. — O die goede August! hij heeft immers voor \'t grootste deel uit zorg voor hdar bedankt.

— Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf — waarlijk ze is er zoo blij om — hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied: Natuur is mild te zingen! — Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven..... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag — ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar \'t is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque\'s is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; \'t is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maar gierig, nee-gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daar moet hij van afstappen, daardoor alleen is hij met zoo\'n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa\'s titel op hem — en waarom niet — dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Meu behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo\'n aptheek!

O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles alles lacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.

_ Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde op De Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij — Goddank, een weinig mocht slapen. — Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter ia

-ocr page 272-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

\'t Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.

Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.

Of hij zich weer minder wel gevoelde....?

„Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is.quot;

„\'t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!quot;

Er was veel waars in \'t geen Eva zeide.

„Ja \'t is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt....!quot;

„Heeft men dat nu gedaan August?quot;

„Och — nü, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.....

wij.....quot;

„Welzeker,quot; valt Eva in: „in jou plaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, daarvoor sta je te hoog èn als dokter èn door je..... andere maatschappelijke positie. — Als ik in je plaats was August, weetje wat ik dan deed?quot;

.Hé?quot; vraagt Helmond in gedachten.

En Eva zegt fier:

„Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ik bedanken en verzoeken een anderen dokter te nemen.quot;

— Bedanken! — August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord \'twelk zijn vrouw — evenals dat glimlachje zelf — op rekening van zijn „eenig gebrekquot; stelt. Immers: „Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?quot; heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu — na het koffiedrinken, — weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.

— Bedanken! heeft August in zich zeiven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht — aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.

— Bedanken! — Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. Op De Schebbelaar gekomen, heeft boer Geurtsen — de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen — hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij op De Schebbelaar had uitgediend, en niet zoo „leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens — over meer dan achttien hofsteden verdeeld — voortaan d\'r eigen wel zou wachten om \'en dokter te nemen die z\'n patiënten aan d\'r eigen zeivers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?quot;

— Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach.

256

-ocr page 273-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROÜW.

Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te

verliezen, door---- Neen, de oorzaak had evengoed een andere

kunnen zijn. — Maar toch, \'t klinkt op dit oogenblik zeker uit haar mond al zonderling: bedanken! — Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een ge-voeligen knak te zullen krijgen.

— Bedanken! in mijne omstandigheden.....? Een pleegvader

die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meer geld zal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten. — Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat — bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten. — En dat huis aan den wal \'twelk reeds tweemaal, doch slechts in zijn geheel is kunnen verhuurd worden, \'t blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....

Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.

„Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee. — Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde. — Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en — een groot gezin. Wat zoek je Thom?quot;

Thomas, die Helmond bij \'t binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is „op stikken af\'. Den lessenaar — terzij van de toonbank — heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.

„Wat zoek je toch Thom?quot; vraagt Helmond nog eens. En dan — dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en.... Nee, \'t is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen. — Och God, hij had het zoo goed gemeend!

Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.

„Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer \'t een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroen;? — Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, \'t Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan----quot;

L n

257

-ocr page 274-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTW.

„Och dokter!quot; valt Thomas nu bijna schreiende in: „och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede door mijn toedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!quot;

„Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw nart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was.quot;

„Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten, ü, aan wien ik alles ben verschuldigd, ü heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boerGeurt-sen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier.quot;

„Ho no, dat kan toch zooveel niet wezen, \'t Was zeker veel beter

feweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw panning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.quot;eweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw panning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.quot;

„Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, \'t is om te vertwijfelen dokter!quot;

„Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft.quot;

„Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwam afzeggen — zoo\'n feeks, alsof een dokter een barbier was! — diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald.quot;

„Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen.... ei!quot; zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: „Ik wou wel eens weten Thom, wat twijfelachtjge gezichten zijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten. — Zwijg nu hierover Thomas. Gredane zaken nemen geen keer.quot;

„Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m\'n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo\'n kerel moet ü niet benadeelen door z\'n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken.quot;

258

„Bedaar The \' \' quot;\' \' 1 met me geweest.quot;

waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit \'em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och beste

-ocr page 275-

DOKTER HELHOND EN ZLTN VEOUW.

beate dokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moost geven! — Och dokter,quot; barst Thora nu werkelijk in tranen los: „Och vergeef me, —al ben ik misschien geen wegschoppen waard.quot;

Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas\' bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in. — Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het „bochtquot; \'twelk ie in z\'n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:

„Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou \'et dan winnen hé?quot; Maar ook een anderen keer:

„Weet jij wat je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan „verknoeienquot; en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je \'en gek was!quot;

Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.

Helmond schrok onwillekeurig, \'t Was hem — doch slechts een oogenblik — alsof het weer tikte en klopte in \'t hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers \'t is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem daarom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.

„Mij spreken, met genoegen!quot; zegt Helmond.

De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer i \' quot; 1 \' \' \'

schier plechtigs in de wijze

waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat, \'t Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover net loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht — mede door Thomas\' schuld zooals hij blijft volhouden — in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.

Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. — O, had zij vooruit geweten hoe het tusachen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hem

259

-ocr page 276-

260 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

gewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, \'twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.

— Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het op De Zons-berg anders vernomen, \'t Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, dat moet geschieden. Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem — maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haar stellige voornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren, waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil. — Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, \'twelk hij waarschijnlijk nergens in\'t heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelf handelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.

Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.

Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek: — „Thom! Thom! kom eens hier?quot;

Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.

„Thomas, zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: „ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zeg jij eens jongen, dat we vast, vast besloten hadden....quot;

„Ja dokter, \'t kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe? — U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!quot;

Helmond is voor \'t uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen — zooaïs hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken — dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:

„Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;quot; zegt Helmond; en dan met gezag: „En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen — je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde _— we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld.quot;

-ocr page 277-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 261

,Dokter!quot; valt Thomas in: „op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen •\' Moe en ik we kunnen, nee we willen het brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen. ■■■ ja sinds u een vrouw hebt die----quot;

Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas\' woorden, en heft — alsof ze een storm wil bezweren — haar beide handen omhoog.

Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.

,Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen. Sinds ik een vrouw heb Thom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij, dezelfde gebleven.quot;

„Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!quot; smeekt mevrouw Van Hake.

Thomas ziet strak naar den grond, \'t Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!

„Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom! — Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het.quot; Met klem: „Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden — ofschoon het natuurlijk ook mij nooit inde gedachte zou gekomen zijn — ik zeg: diezelfde vrouw heeft mij verboden om uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas----quot;

„Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva\'s nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zoo heel veel uitgaven hebt, en dus.... Spreek dan Thomas, \'tWas goed bedoeld niewaar Thom?quot;

Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zeiven:

„Gek! Eigenwijs! — Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!quot;

„Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen.quot;

Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe — nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan \'tkloppen moest raken:

„Weet u wat ik op dit oogenblik zou wenschen----? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op \'t uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena\'s aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden.

-ocr page 278-

262 DOKTER HELMOND EK ZIJN VBOtTW.

Zie, en dan wou ik dat ik er eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik \'t willen opnemen voor haar; ik zou... quot;

Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen. — Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!

.Genoeg!quot; valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: „\'t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk \'t mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo — je san-glante voorstelling Thora, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ü leeft — en God spare u lang voor ons allen — nooit zullen ze door iemand anders dan door ü en Thomas bewoond worden. Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest.

Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder —■ \'t mocht gaan zooals het wilde — levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszin s in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:

„Moe zeg, als je hier, hier dan eens een mutsenwinkel gingt doen!quot;

En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.

„Een mutsenwinkel!quot; herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon: ?\'t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m\'n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou dat jou

moeder, de vrouw van dokter Van Hake, hier een mutsen.....

Foei foei, we zouden nog waarlijk aan \'t lachen raken. — Basta! Ik moet naar huis. — A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen.....quot; Helmond heeft een portefeuille

te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder \'t langzaam oprapen: „Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ik boven mijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles

kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor \'t overige----quot;

„Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks

opperde ik alleen het vermoeden.....quot;

„We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier. — Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom ?quot;

„Ja maar waarachtig dokter, \'t is te veel, \'t is.. ..quot;

„Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt....? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van de tweehonderd gulden ineens te geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwar-

-ocr page 279-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 263

taal. Ik hooi) dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkander juist te taxeeren.quot;

Thomas hoorde beweging in de gang. — Was de straatdeur open gebleven? — Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang m. — Neen, er was niemand.

Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkeï staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden. — Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij \'t er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou \'t toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.

Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in t hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.

De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Rompnuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofd-gesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt. — \'t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron! — Nu

ia, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect lebben.a, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect lebben.

„Salut! plezierige wandeling majoor;quot; zegt Helmond bij \'tafscheid.

„Bonjour____ Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!quot;

en Eartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: ,al tijd tot

je dienst, \'t Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal.....

begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!quot;

Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, met dit — en nog een heelen boel meer.

— Ha! hoe heerlijk trof het dat August nü uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten. — Een liuweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan — wat trof dat heerlijk — kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque\'s zou gaan. — Ja, voor eenige zaakjes in \'t belang van \'t geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfa thuis geweest, als

-ocr page 280-

264 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtJW.

ze maar \'t eerst van de benoodigdheden voor dat laats te gesproken had, dan zou hij de rest ook wel hebben goedgevonden, t Was inderdaad zoo\'n beste man!

„U zult er dus voor zorgen? — Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk.quot;

„Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gonverneursyrouw, die is bepaald rijk en deftig.quot;

„Goed, in dat eenre tenminste. — Overmorgen heb ik m\'n jacquette niewaar? We hebben morgen al September.quot;

„We zullen ons best doen mevrouw. — Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties! — We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen.quot;

Eva beziet de stof. — Haar sortie is nog goed; ja, maar met rood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.

„Zou ie vast stellig Dinsdag kunnen thuis zijn?quot;

„Als \'t noodig was morgenavond mevrouw. — Jawel, uw taille heb ik. Dus met blauw?quot;

„Maar als ie er Dinsdag niet is, dan krijg j\'em terug.quot;

„Voor onze rekening mevrouw.quot;

„Zijn dat foulards?quot;

„Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burger-menschen.quot;

„Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens.quot;

„Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over \'t algemeen begrepen dan zouden ze liever

wat méér voor hun goed besteden. Maar.....!quot; De man trekt de

schouders op.

„Maak jelui ook manskieeren?quot;\'

„In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden.quot;

„Dus maak je livrei?quot;

„Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht. ■■ •?quot;

„Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en \'t is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?quot;

„Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw.quot;

„Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;quot; zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.

,\'t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden.quot;

„Ja maar daarover dan een volgenden keer. — Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!quot;

Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was — namelijk „dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleedenquot; — Kaatje Desluiten om „dan maar

-ocr page 281-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN TROUW. 265

zoo\'n fijne lakensche met al die gitten te nemen — wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie \'en graaf was, — en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo\'n „tierlantijn in de lendens op te hangen.

— Waarom niet; wat maalde Jaantje om \'en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor \'t opscheppen waren.quot;

\'t Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie — daar staat het nu werkelijk voor de deur. \'t Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!

— Hé! zulk een elegant wagentje met zoo\'n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.

Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan. — \'t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed. — Eva kent hem niet.

Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:

„Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen.quot;

„Bij u binnenlaten mevrouw?quot;

„Nee, in de groote zaal; en me dan zeggen wie er is.quot;

Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron van De Poel, gevraagd had of mevrouw niet ontving.

„O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes.quot;

Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij \'t raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.

— Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z\'n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.

„Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;quot; vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: „Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek — nadat ik u niet thuis mocht vinden — eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker \'t graf van Abélard en Héloïse niet gezien hébben — hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte —

-ocr page 282-

266 DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was.quot;

„Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd.....Lieve stad niewaar?quot;

„Interessant, fameus! De Notre-Dame, \'t Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald! — Lief!? Jawel bij avond heel veel liefs, maar meest doré au feu. \'t Valt minder in mijn smaak.quot;

Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.

„Maar op gevaar af wat indiscreet te worden,quot; zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: .wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij \'t wilde een week of drie kon uitbreken, dan — neem mij niet kwalijk — dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat.quot;

Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:

„Maar menheer Hardenborg, wie heeft u dat verteld?quot;

Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden. — Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uit zijn naam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.

Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Neder-landschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij

Seadviseerd had om de heele Roraphuizer noblesse — waarmee hg an later wel eens perceelswijze kon kennismaken — maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer „de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.quot;eadviseerd had om de heele Roraphuizer noblesse — waarmee hg an later wel eens perceelswijze kon kennismaken — maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer „de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.quot;

„Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;quot; zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn. — De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partij niet laten doorgaan indien dokter Helmond en zi)n vrouw daarvoor moesten bedanken!!!

„Ah juist!quot; zegt Hardenborg: ,\'t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; \'t is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is -waar dokter nu afscheid van neemt?\'\'

-ocr page 283-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VROÜW. 267

„Dat is de majoor Kartenglimp;quot; zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.

„Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht,quot; hij haalt een zakboekje te voorschijn: „Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten: de majoor Kartenglimp! — Prompt we zullen zijn kennis maken.quot;

„Ha, ha, daar is onze dokter! — Wel hoe gaat het miin brave clairvoyant, \'k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste....quot;

„O ik ben heel wel luitenant, dankje. — Goed geamuseerd?quot; zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.

„Voortreifelijk!quot; zegt Archibald, en dan: „Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar \'t is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal.quot;

„Ei ei!quot; zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: „Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?quot;

„Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans-plannen;quot; zegt Eva lachend: „Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, \'t Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu. niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet.quot;

„En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd,quot; zegt de luitenant: „dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?quot;

Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva\'s schoonheid, hem deed voortgaan met Eva\'s zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon — zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vunr wierp — ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels.

-ocr page 284-

268 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKODW.

August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater — met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen — in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.

Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest op De Poel zal bijwonen. Èn dan, ja ... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens. — Nee, anders niets!... Als Bus — of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo\'n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze na den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.

„Idee van Hardenborg?quot;

„Nu, je weet wel....?quot; En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:

.Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;

„Laat schallen den hoorn;

„Doe spannen den reep Door de klappende zweep;

„En voer me in het dons van den zachten karos,

„Langs heuvel en bosch,

„Naar \'t heil van mijn leven:

„Den lieven man!quot;

En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, de gulle vriend.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mevrouw Armelo was woedend — letterlijk woedend. Zoo\'n on-verzettelijk hoofd als tegenwoordig die man had, daar was geen denkbeeld van te maken. Bedanken voor zoo\'n partij! voor een partij bij den baron Debecque van De Poel. Letterlijk de heele Deau-monde van Romphnizen en omstreken was genoodigd, en daaronder natuurlijk ook de familie quot;Van Armeloo: zelfs Louise, „mademoiselle Louisequot; jawel. En dan te bedanken! Waarom? — Goeje hemel ! „Omdat men eens en vooral van conversatie, van zulke conversatie heeft afgezienquot;! Een mooie grap! als het een partij is die

-ocr page 285-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOT7W 269

louter voor je eigen vleeschelijken zoon en dochter wordt gegeven — zooals Eva zelve heeft gezegd! — „Omdat men zulke menschen niet weerom kan vragenquot;! — Maar hemelsche goedheid, waarom niet! — Zal het dan noodig zijn om juist op dezelfde manier uit te halen? Kan men niet eens eenvoudig een avondje geven: tong,sau-cis, komijne, zoetemelksche en een taart....? „Te veel kostenquot;! — Nu ja, dat diner in De Arend daar is ook wat tegen geprutteld; maar was er dan iemand die daarvan nog een cent te pretendeeren had? — „Geen kleeren? De uniformrok?quot; — Mevrouw kan niet alles zeggen zonder spreken; maar als Eva binnenkort, ondanks papa\'s tegenwerken, zorgt de stukken van adeldom in haar bezit te krijgen, en alles bewezen is, dan zal manlief tóch wel aan een zwart pak moeten gelooven. Nota bene, een graaf zonder een zwart pak f — Maar nu, \'t was hemeltergend. En daar stond je dan als vrouw letterlijk als een kind, als een niets! \'t Was om razend te worden.—■ Toen de graaf — enfin Armelo — het antwoord aan den knecht heeft gegeven: dat men zeer vriendelijk voor de beleefde uitnoodi-ging het bedanken, toen heeft zij wel gezegd, dat mijnheer zich vergiste, want dat hij aannemen meende; maar de graaf — enfin Armelo — heeft als een gek volgehouden dat hij zeer goed wist wat hij zeide, en was de knecht — terwijl haar letterlijk de vingers hebben gejeukt — half lachend heengegaan, natuurlijk lachend om de zotheid dat men voor zóó iets bedankte. — Wat geld! had haar eigen zoon geen geld als water! Dat zei niet slechts Eva maar iedereen! — Mevrouw Armelo is woedend. Geen wonder: heel Romphuizen is in beweging; alles kleedt zich voor van avond; en ... Ouwe tuin-boonen zal ie straks hebben; bij vergissing met het boonenkruid er onder; dat lust ie volstrekt niet.

„Wat wil jii Van Hake? Moet jij bijgeval ook naar de partij?quot;

„Nee mevrouw; daar behoor ik niet; tenminste....quot;

„Natuurlijk; ik wist ook welbeter. Wat wou je?quot;

„Och mevrouw, onder ons gezegd, ik heb een kleine bestelling voor juffrouw Louise, maar \'t moet dood dood geheim blijven, en daarom wou ik haar graag heel alleen spreken.quot;

„Is \'t weer in di en tijd! Je weet wel Van flake, dat wij geen menschen zijn die tegenwoordig voor Jan en alleman zoo maar klaar staan.quot;

,Ja mevrouw, dat weet ik heel best, maar \'t is iets, enfin. Mevrouw Helmond is gauw jarig, niewaar? We hadden zoo\'n idee. Eventjes mevrouw. Is Louise achter?quot;

„Ja, achter is ze zeker; want of ze het doet om me te plagen, maar dat zit letterlijk den heelen dag met den neus op haar naald. — Zeg, heb jelui plan op een comedie misschien?quot;

„We wilden het liever dan een treurspel!quot; zegt Thomas snel. Daarop vliegt hij naar het kamertje waar hij Louise vindt; en, als hij haar heeft gegroet, dan legt hij zijn vinger op den mond, en draait de deur op het slot.

Thomas Van Hake gevoelt zelf iets vreemds nu hij in dit kleine kamertje, zoo maar zonder verlof is binnengetreden, en, na de deur te hebben gesloten, tegenover de blonde voormalige schoolkameraad

-ocr page 286-

270 DOKTER HELMOND EN ZIJN VIIOUW.

staat die hem met haar groote blauwe oogen vragend aanziet, terwijl een blos haar vriendlijk gezichtje heeft gekleurd.

Thom heeft nooit gezien dat Louise zulke mooie oogen had____

Nu schijnt het echter alsof ze wat veel heeft gewerkt of — geschreid.

„Ja Louise, dat is vrij brutaal om zoo maar binnen te komen en de deur op \'t slot te doen.quot;

„Zeker, wat moet dat beduiden Thomas?quot;

„Ik wou je alleen spreken.quot;

„Maar dan kan die deur toch wel open blijven?quot;

„Nee Louise, nee! Ik wil zeker zijn dat niemand ons overvalt. Er is haast bij \'tgeen ik te zeggen heb.quot;

„Is er iets kwaads Thomas? Je doet me schrikken!quot;

„Kwaad — nee, tenminste niets om van te schrikken. — Maar toch.... luister nu even, en laat die naald eens rusten.quot;

„Ja Thomas, maar ik kan wel hooren en werken tegelijk, want deze sortie heeft ook haast; ze moet over een half uur klaar wezen. Ik maak die voor mevrouw Lens — natuurlijk in \'t geheim, je weet wel — zij moet er mee naar De Poel.quot;

„Maar dat is öod geklaagd!quot; roept Thomas op gedempten toon: „Jij zit hier je oogen rood te turen, en je zuster....quot;

„Stil Thomas, stil, niet over haar. Misschien geniet ik zelfs meer dan Eva, terwijl ik hier rustig zit te werken en zij haar zorgen heeft voor haar toilet.quot;

„Louise, ik kwam hier om je te verzoeken aanstonds naar je zuster te gaan.quot;

„Ik Thomas? Zal ik haar moeten helpen; voor asschepoesterspelen misschien? Nee Thom, dat meen je niet.quot;

„Zeker meen ik dat niet. — Je moet haar bewegen niet naar De Poel te gaan. Het raag, het kan niet. Daarom Louise kwam ik hier.quot;

„Mag Eva niet naar dat feest gaan? En waarom niet?quot;

„Luister,quot; zegt Thomas; en in weinige oogenblikken heeft hij aan het meisje den hoofdinhoud zijner vermoedens en bezwaren meegedeeld. Neen, alles kon hij haar niet zeggen, maar zijn moeder en hij, ze hadden nu de vaste overtuiging dat dokter werd gekweld door zorgen, die hij uit overgroote liefde voor zijn vrouw te verbergen zocht. Ja, vooral dezen middag was het gebleken dat dokter in een zeer gedrukte stemming verkeerde.

Sedert eenige dagen gebeurde het dikwijls dat dokter na het verrichten van eenige bezigheden in de apotheek nog eens in een dei-kamers van het oude, nu ontmeubelde huis ging, om er eenige oogenblikken te vertoeven, zonder dat Thomas begreep wat hij er eigenlijk deed. Dezen morgen nu, had Thom eensklaps in de voormalige huiskamer naast de apotheek, een slag gehoord alsof er iets van boven neerviel.

„Nee, \'t was zoo erg niet;quot; valt Thomas zich zeiven in de rede toen hij het meisje verbleeken zag: „Ik loop naar de deur,quot; vervolgt hij: „en onwillekeurig luisterend, hoor ik nu nogmaals dien slag doch met de woorden er bij: „Dwaas! waarom gezwegen!quot; Ik begreep nu dat dokter met den voet op den grond had gestampt

-ocr page 287-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

zonder aan mijn nabijheid te denken. Of ik goed deed of niet.... zonder beraad opende ik de deur, en vroeg of dokter mij riep. — Vreemd, ik zou zegden met een bijna angstigen blik zag hij mij aan; maar spoedig zich herstellend, zeide hij, dat hij in \'t geheel niet geroepen en ook niets noodig had. Maar, vermoedelijk toch vreezend dat ik het woord had verstaan, \'twelk hem in de eenzaamheid was ontvallen, achtte hij het raadzaam om eenigszins in dienzelfden toon te blijven, en, in de apotheek terugkomende, hernam hij: „\'t Is me hinderlijk Thom, dat ik van middag naar die partij moet. \'t Gebabbel over Dirksen mag wat verminderen, maar de gevolgen zijn toch grooter dan we ons in \'t eerst hadden voorgesteld. Er kon wéér zoo iets gebeuren. En dan....quot; — .Wat is er nog meer dat u bezwaart?quot; vroeg ik met belangstelling. Toen Louise, vernam ik dat dokter een paar uur geleden Hendrik van De Zonsberg ontmoet had. De oude generaal die met de juffrouw eergisteren van De Godesberg was teruggekeerd moest niet heel wel zijn. Hendrik was naar den notaris geweest om hem te verzoeken nog dezen avond bij den ouden heer te komen. Ik kon dus wel begrijpen, zei dokter, dat hij geen trek had om nu naar een partij te gaan.quot;

„De generaal ziek!quot; valt Louise in: „Nee dan is het wel te begrijpen. Is hij er niet aanstonds naar toe gegaan?quot;

„Och Louise, dat is nu het groote punt in quaestie. De generaal zegt kort en goed, dat je zuster — mevrouw Helmond — de tering niet naar de nering zet, en wanneer dokter haar daarin blijft stijven, dat hij dan niets meer van hem weten wil. — Je moet er niet van praten Louise, maar zieje, dat is de zaak. En nu zul Je \'t begrijpen, hoe ik om dien besten dokter in angst zit. Zelf niet heel fiksch tegenwoordig, — nee, recht gezond is hij niet — onder den druk ziiner belasterde praktijk; in zorg over de gezondheid van dien geliefden pleegvader, die hem echter niet wil ontvangen; zeer zachtjes: „in zorg misschien ook over die boodschap aan den notaris; ja wie weet als de oude heer zijn testament eens ten nadeele van dokter veranderen liet....!quot;

„Zou dat mogelijk zijn? Maar dan nog.... Eva zegt altijd....quot;

„Dat dokter ri)k is niewaar?quot; valt Thomas fluisterend in: „Nee Louise, uit te ver gedreven liefde, uit valsche schaamte heeft hij haar, en uit onbaatzuchtige vriendschap heeft hij moeder en mij in den waan gebracht dat hij van zich zeiven middelen bezat. Maar ik weet \'t beter! Onder de tegenstrijdige praatjes, die er in den laatsten tijd zoo veelvuldig over mijn weldoener liepen, behoorde ook de verdenking dat hij bij notaris Zoutenbeer diep in de schuld zit, ja zelfs dat andere personen hem gewillig met eenige duizenden hebben bijgesprongen.quot;

„Heb ik het niet gedacht!quot; zegt Louise, en dan: „En jij Thom, geloof jij dat ook?quot;

„Ja, en \'t is daarom voornamelijk dat ik hier kom. Ik geloof, ik weet bijna zeker Louise, dat mijn brave vriend in de schromelijkste moeielijkheden zit. Spaar me de bewijzen. Maar geloof me, naar

271

-ocr page 288-

272 DOKTER HELMOND EN ZIJN VUOTJW.

mijn innige overtuiging zou je aan dokter en zijn vrouw de grootste weldaad bewijzen, indien je ze bewegen kondt om van avond niet naar De Poel te gaan maar wel naar De Zonsberg. En jij Louisequot; — hij vat in zijn gejaagden ijver de rappe hand van het meisje: „jij zult wel weten hoe je het aanleggen moet; je zult ie zuster alles aan \'t verstand kunnen brengen. Paai haar desnoods met een rijke erfenis van den generaal, als je om Godswil mijn besten dokter maar helpt redden. Och lieve Louise, ik zou je eeuwig erkentelijk zijn.quot;

\'t Was getooverd, maar zelfs onder dit gesprek door heeft Louise de laatste hand aan haar sortie kunnen leggen.

„Ei zoo, heb jelui de rollen al verdeeld?quot; vraagt mevrouw Annelo, die Louise straks met haar simpel stroohoedje op, en een pakje onder de eenvoudige mantille verborgen, aan de zij van Thomas de woning ziet verlaten: „Moeten er nog meer in den arm worden

fenomen? Als jelui verlegen bent, je zoudt voor mij op een rol unnen rekenen.quot;enomen? Als jelui verlegen bent, je zoudt voor mij op een rol unnen rekenen.quot;

„Misschien de mère noble Duègne!quot; roept Thomas. — Mevrouw begreep het niet recht:

„Best, bestig, ik hou me daaraan!quot;

August en Eva hebben vroeg en zeer vluchtig gegeten, want Helmond had nog \'t een en ander te doen, — waardoor hij zeker weer zoo afgetrokken is geweest, denkt Eva — en Eva zelve moest alles nazien wat haar zooeven uit Utrecht is bezorgd, om zich daarna te kleeden, \'t geen ze niet graag zoo overhaast doet.

„Zei ie iets August?quot;

,\'t KVam me voor dat je wat bleek zag Eva. Mg dunkt beter ten halve gekeerd dan.....quot;

Eva met groote verbazing: „Ten halve gekeerd____? Je bedoelt

toch niet om par exempel nog thuis te blijven? Nee maar lieve beste papa\'tje in spe, nu moet ik toch heusch om je lachen. Wou je me thuis laten?quot;

„Ik ben waarlijk bang dat je je te veel zult vermoeien, \'t Is eigenlijk een dolle geschiedenis.

„Een dolle geschiedenis!? Maar die jij hebt goedgevonden.quot;

„Ik....? Nee! nee Eva, goedgevonden heb ik het niet.quot;

„August, als je nu in ernst wilt dat de partij me geen kwaad zal doen, agiteer me dan niet vooraf. — Je bent een boste man, maar je hebt iets dat niet goed is. — Kijk nu niet boos, \'t is zoo heel erg niet: je bent wat zwaartillend. Stil, ik weet wel dat het nu allemaal hartelijkheid is, en zorg voor ons popje meteen; maar men moet niet overdrijven. In den beginne toen we zoo zuinigjes, zoo doodeenvoudig moesten leven — in een hondenhokje — omdat men volstrekt geen middelen had, toen kon mijn goede man niet van het burgemeestershuis hooren of er rezen bergen van bezwaren; en, -— nu men bewezen heeft dat men zeer goed over dat alles kan heenkomen, nu____quot;

-ocr page 289-

DOKTEB HJiLMOND EN ZiJN VROUW.

,Eva, je spreekt altijd weer alsof ik over schatten te beschikken had, terwijl.... ja waarachtig, terwijl...quot;

,In \'s-hemelsnaam August, begin nu niet weer van voren afaan. Ik vergeet niet zoo licht wat je mij eens hebt gezegd. Waarlijk op dat punt ben ik heel gerust, en, als er toch weer gezwaarrautst wordt, dan denk ik: dat zal wel slijten mettertijd. Maar manlief, je moet dat nu niet op een ander terrein overbrengen. Dat je zorg voor me hebt, dat doet me recht veel plezier, maar get ob.... nee! eerst niet goedvinden, dan wel goedvinden, dan weer: we moesten nu tóch maar thuisblijven.... Hoor eens Evertje Zwaarhoofd, we gaan nu van avond dol prettigjes naar de Debecque\'s en dan zal ik stellig niet te veel dansen, en dan pruttel jij niet meer en je kijkt me niet zoo zwart, baasje, maar je geeft me nu een fermen zoen. — Ziezoo!quot;

Nu Eva zich snel heeft verwijderd, valt Helmond als geknakt, in een der zachte voltaires neer. Hij gevoelt wel dat hij in kracht — in zedelijke kracht vooral — sinds zijn huwelijk Is achteruitgegaan. — Hij durft niet meer. In den aanvang was hij op den goeden weg. Te Parijs heeft hij getoond dat hij als man kon handelen, zelfs tegenover die aangebeden, zoo schoone als taleut-volle vrouw. — Maar toen gold het zijn plicht als dokter; zijn plicht jegens een weldoener en geliefde pleegzuster. In zulk een geval zou hij immers ook nu nog krachtig zijn, indien Eva anders wilde dan hij. — Evert Zwaarhoofd! Ha, misschien heeft zij toch een beetje gelijk. Is die toekomst dan werkelijk zoo duister? Is een schuld van eenige duizenden guldens dan een onoverkomelijke....? De praktijk zal zich wel spoedig herstellen: en dan ... in de toekomst: Oom Van Barneveld!.... Helaas! ja, oom Van Barneveld!

— Maar \'tis waar, een groote reden van bezorgdheid om nufeest te gaan vieren, is juist het bericht dat de generaal niet heel wel is.

Ofschoon oom al twee dagen terug was, August heeft geen poging gedaan om nog eens te beproeven of een afwezigheid van zoo vele weken ook gunstig heeft gewerkt. Hij heeft er zeer tegen opgezien, en kon er niet toe besluiten alvorens hij eenig antwoord op zijn brief aan Jacoba zou hebben ontvangen; immers hij vermoedt dat een verbod om hem te schrijven oorzaak van haar stilzwijgen is. — Maar ja, indien hij had geweten dat zijn pleegvader ziek was.. -!

\'t Is zonderling! Nu hij dan toch naar De Zonsberg zou willen gaan, om — na dat treurig bericht — dien ouden man te ontmoeten, en, of hij wilde of niet, de hand te drukken totdat hem de tranen in de oogen zouden springen, nu staat hij alweder voor een genot, \'twelk hij Eva er voor zou moeten ontnemen.

— Maar ook, de generaal heeft immers niets van zich doen hooren; men vernam toevallig dat hij terug en een weinig ongesteld was.-\'tZal zoo erg niet wezen. Door niet naar De Poel te gaan,stuurde men bovendien het heele feest in de war; ja zelfs als Eva alleen

f:ing. En, alleen te gaan; nee, dat zou haar zeker niet bevallen.:ing. En, alleen te gaan; nee, dat zou haar zeker niet bevallen.

Innn! morgen dan naar De Zonsberg, morgen!

I is

273

-ocr page 290-

274 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTW.

„Mevrouw,quot; zegt Kaatje terwijl ze Eva\'s vriendelijk en keurig gemeubileerd boudoir ia binnengetreden: „mevrouw, daar is de juf frouw van den kapitein: uw zuster zal ik maar zeggen.quot;

„Hé, wat wil die\'? — Laat maar wachten in de zaal Kaattje.quot;

Neen, wachten kon Louise niet. Zij klopt aan de deur van Eva\'s boudoir.

„Binnen! — Hé, kom je tóch boven Louise? Wat heb je kindlief? Is er onraad datje zoo\'n haast maakt? Je ziet me hier in een ergen boel; maar dat kleoden voor een partij waarop men zoowat de eerste zal zijn, is nog al lastig, tenminste zonder kamenier. Hé, zie jij eens eventjes, valt die berthe van achteren goed? Ja, in zoover kom je me heel van pas zusjelief. Hangt ze goed? Mooie blauwe japon nie-waar? Nog uit Parijs meegebracht. Vin jij \'em te laag? Maar wat heb ie anders aan een tamelijk mooien hals niewaar? Men kan letterlijk niets zien met zoo\'n kleinen spiegel.quot;

„Eva, ik zou je heel graag helpen, maar liever om je weer uit te kleeden dan je verder toilet te helpen maken.quot;\'

„Watblief? zegt Eva verrast.

„Je weet Eva-lief, dat ik je niet te veel met mijn visites lastig val, sedert ik zeer tegen je zin blijf werken zooals ik meen dat mijn plicht is....quot;

„Lieve schepsel, kom me nu niet met de opsomming van al je verdiensten in de war brengen. Je bent een zeer handig meisje, dat weten we wel. — Nu kindlief, al dadelijk die waterlanders, foei! Ik zeg het niet uit boosheid. We waardeeren je immers en....quot;

„Och dat is niet noodig, volstrekt niet;quot; zegt Louise half schreiend; en dan zich spoedig herstellend: „Wij hebben ieder onzen eigen weg Eva, en ik bedoelde alleen dat ik niet zonder toestemming hier op je mooie kamer zou gekomen zijn als ik er geen reden voor had.quot;

„Komaan kindlief, wat heb je dan, zeg?quot;

„Eva, je moet niet naar die partij gaan.quot;

Eva houdt nü eens een witte camelia en dan een takje zeer fijna vergeet-mij-nietjes tegen haar prachtig zwart glanzend naar.

„Ei, niet! En waarom nie ... te.quot;.. Louise?quot;

„Omdat____ omdat je man, de goede dokter er ziek van zal

worden.quot;

„Och kom! Hé, hoe weet jij dat zoo, beste kind? — Och kijk nu eens heel eventjes, wat vin je mooier? Deze witte niewaar?quot;

„Eva, ie denkt dat het geen ernst is----quot;

„O volstrekt niet: nee dat denk ik in \'tgeheel niet. Als jij me nu even zegt wat je mooier vindt, wit of blauw, dan zal ik je zeggen hoe het komt dat ik aanstonds alles begrijp, en me toch kalm kan blijven kleeden. Wit hé? — Nu dan: Dokter heeft een visite bij pa gemaakt, en gezegd dat hij geen plezier^ in het feest had, omdat ie bang was dat ik me wat te veel vermoeien zou. Zie, dat zijn nu zulke kleine zaakjes daar zusje nog niet van weten mag. — Zeg, heb ik \'t mis? — Och geef eens even dat diamant-doosje aan. Nog uit Parijs meegebracht.quot;

„Eva, je laat me niet uitspreken en hebt misgeraden bovendien.

-ocr page 291-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VROTTW. 275

Lieve zuster, luister nu even : Er is waarlijk geen gekscheren mee.— Och laat die bloemen en diamanten een oogenblik rusten en hoor wat ik je ernstig zeggen wil.quot;

Met een wel wat gemaakte belangstelling luistert Eva nu naar de zuster die de tolk is van de zorgen, waardoor de goede Thomas ten behoeve van den dierbaren meester werd gekweld.

Een betere keus, meende Thom, had hij niet kunnen doen. Louise zou met kalmte en verstand haar zuster op de hoogte van den wezenlijken toestand van zaken brengen. Een andere weg was er niet. Dokter scheen verblind te zijn, en — maar Thomas zou dit aan niemand, neen zelfs niet aan zijn moeder durven toevertrouwen — de arme man moest reeds in groote ongelegenheid verkee-ren, ja waarschijnlijk had hij reeds de eerste schrede op een zeer

fevaarlijken weg gezet! Immers, toen Thomas eenige dagen, nadat ij de beide bankbriefjes van Helmond had ontvangen, er een van wilde uitgeven, toen heeft het zijn aandacht getroffen, dat het dezelfde nummers waren, die hij kort te voren aan Helmond had gebracht, als zijnde de opbrengst der laatste lijst ten behoeve van Doneries monument. — Ja, ook de stempels van eenige firma\'s aan de achterzij, hebben hem overtuigd dat net dezelfde briefjes waren, die Helmond in een la van zijn schrijftafel had geborgen, met de woorden: ,Ziezoo, dat ligt daar rustig totdat het monument zal zijn afgeleverd.quot; — Van Hake zou vroeger misschien al spoedig tot het besluit zijn gekomen, dat dokter die briefjes voor specie of wel tegen ander bankpapier had ingewisseld, doch nü, sedert de ervaringen der laatste dagen, moest hij het ergste vreezen. Reeds tot drie malen toe heeft dokter het geldbakje uit de toonbanklade in zijn porte-monnaie geledigd met de opmerking, dat hij tegenwoordig telkens gebrek aan klein geld had, terwijl hij dezen morgen met een zonderlinge ongedwongenheid Thomas om vijf enkele guldens heeft gevraagd, „aangezien hij thuis niet anders dan groot bankpapier had, en men de meiden moeielijk om te wisselen kon uitzenden, dewijl mevrouw ze niet goed missen kon.quot;evaarlijken weg gezet! Immers, toen Thomas eenige dagen, nadat ij de beide bankbriefjes van Helmond had ontvangen, er een van wilde uitgeven, toen heeft het zijn aandacht getroffen, dat het dezelfde nummers waren, die hij kort te voren aan Helmond had gebracht, als zijnde de opbrengst der laatste lijst ten behoeve van Doneries monument. — Ja, ook de stempels van eenige firma\'s aan de achterzij, hebben hem overtuigd dat net dezelfde briefjes waren, die Helmond in een la van zijn schrijftafel had geborgen, met de woorden: ,Ziezoo, dat ligt daar rustig totdat het monument zal zijn afgeleverd.quot; — Van Hake zou vroeger misschien al spoedig tot het besluit zijn gekomen, dat dokter die briefjes voor specie of wel tegen ander bankpapier had ingewisseld, doch nü, sedert de ervaringen der laatste dagen, moest hij het ergste vreezen. Reeds tot drie malen toe heeft dokter het geldbakje uit de toonbanklade in zijn porte-monnaie geledigd met de opmerking, dat hij tegenwoordig telkens gebrek aan klein geld had, terwijl hij dezen morgen met een zonderlinge ongedwongenheid Thomas om vijf enkele guldens heeft gevraagd, „aangezien hij thuis niet anders dan groot bankpapier had, en men de meiden moeielijk om te wisselen kon uitzenden, dewijl mevrouw ze niet goed missen kon.quot;

Thomas Van Hake gelooft dat hij wel een groote domoor zou moeten zijn, als hij mis heeft gezien; en vurig hoopt hij dat Louises gang naar het doktershuis gezegend zal wezen.

„Zoo, is dat nu de zaak Louisje-lief?quot; zegt Eva met kwalijk bedekten spijt: „Meenen sommige menschen dat ik den goeden dokter aanzet om hooger te vliegen dan wij kunnen — ik gebruik je eigen woorden, je hoort het. — Weet je wat? doe jij dan lieve kind, het compliment aan die menschen terug, en zeg hun dat Eva Helmond verstandig genoeg is om te weten wat haar convenieert; maar vooral ook: dat de allerknapste en allerverstandigste man uit dit heele babbelnesterige Romphuizen, zeker wel weten zal wat hij doen en wat hij laten moet.quot;

„Maar Eva, \'t is immers toch mogelijk dat Helmond om je genoegen te doen, niet alles zegt; en dewijl hij — zooals je zelve bekend hebt — telkens bezwaren heeft, inderdaad veel meer uitgeeft dan hij in redelijkheid zou mogen en kunnen.quot;

-ocr page 292-

276 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

„Nee kind, dat is niet mogelijk. Een jong meisje zooals iij, die zoowat niets van de wereld heeft gezien, — nee \'t is je schuld niet, maar zoo iemand meet alles naar zich zelve af. Een man zooals de dokter, is geen Louise Armelo. Wat zulk een man zegt, dat is zoo, en wat hij doet dat moet men in Romphuizen niet blieven te bevitten of---- te misgunnen, voila le mot! Ik zeg dat niet op

1\'ou, kind. — Maar brisons! — Wie heeft je met al die wijsheid lierheen gezonden?quot;\'ou, kind. — Maar brisons! — Wie heeft je met al die wijsheid lierheen gezonden?quot;

„Eva dat doet er niet toe. Maar als — ik zeg als het nu eens waar was, en Helmond reeds diep in de schulden zat, hoe zou hij er uit kunnen raken? Ik zeg: gesteld eens!quot;

„Och kind, je verveelt me. Is dit een moment voor al dat gebeuzel!quot;

„Eva, ik vraag je: wie zou in zulk een geval de eenige zijn van wien hij hulp zou kunnen verwachten? — Van wien anders dan van zijn pleegvader? En — die pleegvader is ziek teruggekomen.— Bij de verwijdering die er tusscnen ulieden moet bestaan — terwijl je die ongesteldheid had moeten aangrijpen om je te verzoenen door een spoedig en hartelijk bezoek, — zal de generaal nu straks vernemen dat gijlieden, op \'t prachtigst uitgedost. De Zonsberg voorbijrijdt zonder je om hem te bekreunen, terwijl je op De Poel een vroolijke partij gaat bijwonen.quot;

„Waarlijk, ik maak je mijn compliment! Dat is in ons belang allerliefst door je berekend Louise. Je hebt een speculatieven geest. Uit vrees voor een mogelijke onterving, moeten we bij dat oude potstuk gaan opzitten en pootjes geven niewaar? Weet je wat die

feneraal is? Die man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig espoot. Wil je weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal — die mij schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen — dat hij zich straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten — je ziet ik wensch den man van harte beterschap — enfin, zóó wel, dat hij voor \'t open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons „zoo prachtig uitgedostquot; eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie open fourgon uit De Gouden Arend, triomfantelijk voorbijrijden!quot;eneraal is? Die man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig espoot. Wil je weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal — die mij schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen — dat hij zich straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten — je ziet ik wensch den man van harte beterschap — enfin, zóó wel, dat hij voor \'t open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons „zoo prachtig uitgedostquot; eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie open fourgon uit De Gouden Arend, triomfantelijk voorbijrijden!quot;

Louise moet het uiterste wagen:

„Eva, als ik nu eens zeker, eens heel zeker wist datje Helmond op dit oogenblik met niets gelukkiger zoudt kunnen maken dan met het besluit, om, inplaats van naar De Poel, met hem naar De Zonsberg te gaan....quot;

„Zeg eens, zeer belangstellend zusje, ben je ook soms een heel klein beetje jaloersch dat Louise Armelo niet, en Eva Helmond wél naar dat feest gaat? Maar stel je gerust, tegen mijn jaardag kindlief, zullen we het hier eens heldertjes overdoen, en, al bedanken papa en mama dan óók weer uit een bespottelijke mesquinerie, we zullen zorgen dat jij er bij komt. Met mijn zijden ruit — nog van Den Haag — zul je een heele parade maken. Men denk er dan aan zusje: naaistertjes ja zelfs naaistertjes in het geheim, ze wonen op den duur geen feesten bij in den hoogeren stand.quot;

-ocr page 293-

DOKTER HELMOND EN ZIJN TBOtTW. 277

Louise was te vol, zij kon niet meer spreken. Zij moest het wel opgeven Eva tot betere gedachten te brengen. — En dan, telkens gegriefd te worden! O het deed haar zoo zeer. Maar toch, het antwoord op Eva\'s laatste woorden, \'twelk zoo voor de hand lag, zij mocht het alleen onhoorbaar uitspreken; .Maar, naaistertjes in het geheim, ze mogen wel vijftig zuur verdiende guldens betalen aan een huwelijksdiner, voor een zuster uitdenhoogerenstand!quot;

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Was inderdaad een prachtig feest, \'twelk de Debecque\'s ter eere van hun in het moederland teruggekeerden zoon Archibald gaven, en waarvan die zoon de eer — zooals reeds vernomen werd — recht hoffelijk op dokter Helmond en zijn vrouw heeft overgedragen.

Van hal i zes tot zes uren ongeveer, hebben de koetsen aanhoudend gerold. Voor \'t meerendeel in gala-costuum, zijn de gasten in een der ruime benedensalons ontvangen. Nadat de genoodigden, op een paar heeren na, voltallig waren, werd men beleefdelijk verzocht zich mee naar buiten, naar „de groene kamerquot; te begeven.

De groene kamer was een groote rotonde, onder zwaar eiken- en beukenhout, tusschen de stammen dichtgegroeid mét acacia- kamperfoelie en jasmijnstruiken, zoodat men binnen die rotonde — waarheen een klein slingerpad leidde — geheel in \'t groen, en onbespied zat. Een aantal gemakkelijke tuinbanken — voor deze gelegenheid alle met kussens bedekt — stonden meerendeels in \'t ronde der groene kamer, terwijl aan de eene zijde een groote tafel was geplaatst, waarop zich een menigte benoodigdheden van porselein en zilver bevond, zoowel voor de thee, die hier zal gebruikt worden, als voor de vele versnaperingen die er mede gereed staan. Echte havanna\'s en manilla\'s ontbreken er mede niet, en — ,\'t Is zeker een groot voorrecht om in zulk een groene kamer thee te drinken,quot; zegt Archibald terwijl hij den heeren een sigaar presenteert:,want juffrouw Natuur heeft hier behoorlijk voor ventilatie gezorgd.quot;

Niemand, die de schaar der gasten opmerkzaam beschouwt zal, durven ontkennen dat mevrouw Helmond, zoo niet de jongste dan toch zeker de schoonste is van de vele oudere en jonge dames, die de groene kamer binnen haar suizende en geurende wanden ver-eenigd ziet. Eva is niet ijdel op haar schoonheid — althans ze gelooft niet dat ze daaraan ooit voedsel heeft gegeven; maar nu, in haar prachtig blauw damastzijden kleed, met de witte camelia inde haren; de witte kanten berthe langs de blanke schouders waarover de zwarte lokken wiegen; zonder eenig ander versiersel dan het stel kleine diamanten, \'twelk August haar te Parijs had gekocht; zooals

-ocr page 294-

278 DOKTER HELMOITD EN ZUN VEOtJW.

zij daar zit, naast mevrouw de gravin Van Leeuwen die zeer be-sproeteld en tamelijk corpulent is, en naast de burgemeestersvrouw die vijf en veertig jaren telt; nu zij, schuin tegen haar over, de schichtige gastvrouw ziet, met een heel mooie muts op de peperen-zoutkleurige boucles, en twee geagiteerde kleurtjes op de wangen; nu zij daar, overal verspreid, de leden van haar sekse opmerkt, in \'t rood en \'t wit, in \'t havanna en korenblauw, in \'t neteldoek en barège — nu ze eindelijk opstaat omdat ze een paar heereu die haar in beslag hadden genomen, wel kwijt wil wezen, en zegt dat ze mevrouw Debecque eens even wil toespreken ja — nu zij, gracelijk knikkend, de gedesoeuvreerde aansprekers voorbijgaande, in haar ruischend kleed de rotonde, ten aanschouwe van zoo velen, doorschrijdt, nu gevoelt Eva iets vorstelijks, iets \'twelk haar het hoofd wat fierder doet opheffen, en glimlachen.... enfin zooals een geboren gravin Van Armeloo zou hebben geglimlacht.

Archibald Hardenborg heeft aan papa Debecque beloofd, te zullen zorgen dat de partij niet stijf werd. Er is dan ook geen quaestie van. In de groene Kamer heerscht al spoedig een drukte en beweeglijkheid van plaatsverwisseling — om elkander eens toe te spreken — dat er maar al te weinig wordt gelet op de waarlijk schoone muziek der *** kapel, die, aan de buitenzijde der groene kamer geplaatst, haar welluidende tonen deed hooren. — De echte muziekliefhebbers, of ook de paartjes, die eens naar een rustiger kout verlangden, zelfs heeren die nog wel voor \'t vallen van den avond een kijkje in da plaats willen nemen, ze verlieten al van lieverlee de kamer, waarin — zooals dominee Hoogerberg aan zijn vriend den burgemeester verzekerde: „het zeker overheerlijk moest wezen, om op een schoo-aen zomerzondagmorgen nog eens in alle stilte een preek te kunnen nazien;quot; en waarin — zooals Piet Lovers, de bleeke candidaat-notaris, die al acht jaar geëngageerd is, zijn Marietje toefluistert: , waarin hij \'s avonds vooral bij maneschijn, wel zoo eens heelemaal met haar alleen zou willen zitten.quot; \'t Was een verschrikkelijk vak dat notariaat! —_ En Marietje nadenkend met een zucht:

„Zou je niet kunnen uitvinden om bijvoorbeeld papier van boombast te maken Piet?quot;

„Marietje-lief dat is al uitgevonden; \'k las het immers laatst in de krant.

„Och heer!quot; zegt Marietje en later: „Maar Piet dan iets anders, zoo iets in dien geest?quot;

.Toch niet ernstig die ongesteldheid, dokter?quot; vraagt de gastheer: ,\'t Was een groote teleurstelling dat de generaal liet bedanken. Ja, onder ons gezegd, indien de partij een nadere kennismaking met Archibald---- Begrepen!? Allerliefst kind, Jacoba,

allerliefst! Wat scheelt den generaal?quot;

Helmond is schijnbaar afgetrokken.

„Pardon..... ik zag daar; ik meende..... Die ongesteldheid?

Och, dat beteekent niel; veel, tenminste.....quot;

,\'k Dacht het wel! Al te bang voor uitgaan!quot; Roepend: „Archi.

-ocr page 295-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOUW. 279

bald! — Zieje, \'t heeft niets te beteekenen die ongesteldheid.quot;

,Watblief, ongesteldheid? Ben je niet fiks mijn brave Aesculaap? Wat bedoelt u papa?quot;

„Ik meen van I»e Zonsberg.quot;

„Ja____ ja, dat is treurig; maar wat er aan te doen! \'k Heb het

plezier gehad haar eens te zien; bleek lief! Ah ja, we spraken van den generaal; dus niet gevaarlijk? Komaan! — Zeg dokter, in vertrouwen — Papa niet luisteren — ben je niet in den derden hemel? Mijn goeje deugd, wat een prachtige vrouw! Als ze van avond geschaakt is, telegrafeer dan maar op mijn signalement! A propos, is dat die majoor Kartenglimp? Die man is later gekomen hé? Hij is een intieme van je, niewaar?quot;

„H\'m, intiem!quot; zegt Helmond.

,0, ik dacht \'t, omdat je straks zoo\'n heelen tijd met hem wandelde....?quot;

„Ja wel, hij is een patiënt van me;quot; zegt Helmond schijnbaar kalm doch met inwendige ontroering, want hij had er bij kunnen voegen: Eigenlijk ben ik er nü een van hem.

.Allemachtig bekend gezicht! Wil je me eens eventjes aan hem voorstellen ? — .... Ha zoo, \'t plezier den majoor Kartenglimp te zien? — Nee majoor, pardon, dat is van middag al meer gebeurd, een Debecque ben ik niet. Mama heeft me lager bij den weg gehouden. Mijn vader heette Hardenborg, om je te dienen. U bent ook in Indië geweest niewaar?quot;

\'t Was goed dat op ditzelfde oogenblik een snel voorbijvliegend dametje — wij gelooven niet uit ondeugd — den majoor zóó tegen den arm stiet, dat het kopje \'twelk hij in de hand hield op den grond viel, en de thee over het neteldoeksch kleed van het dametje werd uitgestort.

Ja, dat was een zeer gelukkig intermezzo, want bij Archibalds meedeeling en vraag, is het Kartenglimp geweest alsof hem „de dood op den rug sprongquot;. Op gezag van mijnheer Kippelaan, — mijnheer Kippelaan had het van den horlogemaker, die wekelijks klokken en pendules bij den baron Debecque ging opwinden, wie wie kon het dus beter weten — op gezag van Kippelaan heeft hij in de stellige meening verkeerd, dat de jonge luitenant: Debecque heette, en zee-officier op non-actief was.

Tusschen het vliegende dametje en den majoor worden nu eenige verontschuldigingen gewisseld. Aller oogen zijn natuurlijk op het met thee gelueurde japonnetje gevestigd, en niet op het vuurrood, \'twelk het gelaat van den majoor had bedekt, maar dat — zoo het al gezien werd, in alle geval op rekening van het ongeluk moest gesteld worden.

Kartenglimp sprak met een paar dames over uitwasschen en \'t vreeselijke jammer van een dameskleed zoo geheel onwillekeurig te hebben bezoedeld; terwijl hij intusschen den zoon des huizes geheel vergeten scheen.

,\'t Is ongelooflijkquot; fluisterde Archibald tot Helmond: „zooals die majoor op een vent lijkt dien ik eens, drie jaren geleden, in Indiö

-ocr page 296-

280 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

heb gezien; maar dat was er een die minder verlegen was op \'t punt van damesjaponnen, \'t Is vreemd! En vijf jaar is hij in \'t laud niewaar?quot;

„De majoor woont ruim twee jaar hier, maar een allervleiendst vaarwel van zijn mede-officieren, toen hij Indië verliet, \'t welk ik lezen mocht, was gedagteekend: Juni 18.. nu ruim zes jaar geleden.quot;

„Ei \'t is zonderling! Men zegt wel eens dat Onze Lieve Heer geen twee blaadjes eender gemaakt heeft, maar die majoor en de kapitein Ronner, dat gemeen individu, ze mogen dan voor de blaadjes niets bewijzen, voor de menschen gooien ze de stelling totaal op straat. — Ah ha! mijn lieve freules!quot; vervolgt hij, zich eensklaps terzijde wendend, tot de dochters van den baron Narwal — een zeer vermogend edelman, wiens buitengoed omstreeks een uur van De Poel lag: ,\'t wordt al wat donker voor de groene kamer niewaar\'? Nu moeten de dames mij eens het groote voorrecht gunnen om zóó, ziezoo, bras-dessous bras-dessous, de vijvers met haar rond te wandelen. Papa had ze voor deze gelegenheid willen laten droogmalen om ze dan met Rijn-wijn te vullen, maar de snoeken hebben dat afgestemd, hé! — Ah zie, onze brave lampenisten zijn al met de verlichting bezig. — Freule Marie, — al geëngageerd

voor de eerste wals.....Freule Rosa, — voor de eerste quadrille....?

Welzeker, \'t bal zal binnen zijn! — \'t Was eerst plan om buiten te dansen, maar, van een concurrentie met de muggen hebben we afgezien. — Geen eerste wals meer? O, dat is verschrikkelijk! De galopade----? Ai, dat is jammer, de eerste galopade heeft mij mevrouw Helmond al toegezegd.quot;

„Ah zoo, dan heeft mijnheer Debecque de mooie doktersvrouw zekér vooruit gevraagd, want al vroeg hoorde ik haar tot dien majoor zeggen dat ze geen dans meer open had.quot;

„Abuis schoone freule: menheer Debecque heeft niemand vooruit gevraagd,quot; zegt Hardenborg, en meent het aardige freuletje, in \'t lila satijn, zóó wel een beetje te mogen foppen: „ten lief gezichtje die doktersvrouwvoegt hij er bij, op (hen halfvragenden toon, om — casu quo — niet nóg eens zeer te doen.

„Lief! ik vind haar bepaald prachtig!quot; zegt freule Marie; ,\'t Is een ware beauté.quot;

„Ja ik kan haar niet genoeg aankijken;quot; zegt Rosa.

„Ze heeft compleet iets vorstelijks,quot; herneemt Marie: „mij dunkt ik heb nooit zooveel charmes bijeen gezien.quot;

„En naar ik hoor moet ze zoo prachtig zingen. Je kunt je haast niet begrijpen mijnheer Debecque, dat zoo\'n mensch van geen geboorte is. \'t Schijnt wel alsof er altijd iets aan ontbreken moet.quot;

„Fameus jammer!quot; zegt Hardenborg, die nu vis-a-vis freule Rosa vooreerst maar een Debecque zal blijven.

„O, dat idee heeft me geen oogenblik gehinderd;quot; valt Marie in: „Nee, weet u wdt me hinderde.... Hé dat is mooi die verlichting a giorno, moo; in het water; — het choqueerde me geweldig zooals die oude majoor Katten- of Kartenglimp haar het hof stond te maken. Die man heeft een leeMjk gezicht.quot;quot;

-ocr page 297-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Hé, vindt u freule?quot;

„Pardon, \'tis misschien een vriend?quot;

„Foei Marie, je zegt ook maar alles!quot;

„Ja \'tis onverstandig. Ik denk wat al te dikwijls overluid. U neemt het niet kwalijk luitenant?quot;

„O volstrekt niet! Om je de waarheid te zeggen freule, ik ben het volmaakt met je eens; de manier waarop die majoor straks het mooie vrouwtje courtiseerde \'twas....quot;

„A-bas!quot; zegt freule Marie.

„Au fond commun;quot; stemt Rosa.

Hardenborg weid zeer warm van binnen, — Harmonie! — Mooie muziek! — Hij sloot die beide, hem anders heelemaal onbekende armpjes wat vaster, — vooral dat armpje links aan de zij van het hart; — niewaar, \'t pad werd zoo smal, en.... \'tWas nu jammer dat die kleine van De Zonsberg er niet bij was. Dan — dan kon men misschien ineens besluiten: Voor \'toogenblik: Links,nominatie nummer één! — En avant!

Juist tegenover de plek, waar het vuurwerk zou worden ontstoken, was een groote cantine geplaatst, waar wijn, limonade en sorbets benevens allerlei fijne gebakkon werden aangeboden.

Reeds een groot aantal gasten bevond zich daar koutend en genietend bijeen.

„Een allerliefste avond;quot; zegt een der heeren.

.Wel iets bijzonders voor ons kalme Romphuizen;quot; antwoordt juffrouw Lansveld.

„En de feesten zullen elkander zoo spoedig opvolgen,quot; zegt mevrouw Lens, terwijl zij de keurige met wit dons omzette sortie, door Louise Armelo gemaakt, een weinig lager laat zakken: „Tenminste ik heb mijn woord al moeten passeeren aan mevrouw Helmond voor — ik meen den acht en twintigsten September.quot;

„Ja juist. Ik ben ook gevraagd!quot; klinkt het hier en daar.

„Allerliefst!quot;

„Prachtige gelegenheid in \'tnieuwe doktershuis!quot;

„Recht lieve menschen!quot;

.Puissant rijk!quot;

„Hé puissant?quot; Zeer zachtjes: „Ik dacht dat het veel uiterlijk was. De praktijk verloopt bepaald!quot;

„O geen wonder menheer; neelemaal liefhebberij.quot;

„Och-kom, dus zoudt u denken dat men bijvoorbeeld zoo\'n rekening niet behoeft te....?quot;

„Nee quant a cela, heelemaal niet, maar een gracieus cadeau of cadeautje. U begrijpt — de generaal! — Puissant!quot;

„Ah zoo juffrouw Van Berge, zult u den acht en twintigsten September ook van de partij zijn?quot;

„Om u te dienen notaris. We stonden zoo bij elkaar, en toen heeft mevrouw Helmond ons, allerliefst, in massa geïnviteerd.quot;

„Vin-jij dat Helmond er vroolijk uitziet?quot; vraagt de burgemeester aan den notaris.

281

-ocr page 298-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOtTW.

„Vroolijk? Jawel; tenminste het tegendeel is me niet opgevallen.quot;

„Hij ziet bleek.quot;

,wie, ik?quot; roept Hardenborg, die nu met zijn beide aardige freu-letjes aan het buffet is gekomen, en zorgen zal dat ze op \'t vlugst en op \'tallerbeste bediend worden — door het zelf te doen: „Bleek, ja dat komt van zulk een zachte illuminatie aan weerskanten;quot; en, de freules Narwal loslatend, buigt hij galant rechts en links, en ziet meteen dat ze beiden bepaald allerliefst zijn, maar freule

Marie..... ja waarachtig, freule Marie is lampion nummer één,

en krijgt dan ook het eerst een glas punch a la Bomaine en het eerst een roomhoorntje a la vanille.

„Eindelijk zal Eva haar lieven man dan eens te spreken krijgen,quot; zegt de jonge vrouw, en neemt den arm van haar vriend, en slaat een zijpad met hem in, terwijl ze bijna iets zwevends in haar tred heeft, nu de kapel. Von Weber\'s geanimeerde Invitation a la Valse doet ruischen en zwellen.

„Kalm, kalm vrouwtjelief; je hebt al wat te veel kleur. Ik bid je, dans nu straks niet te druk. Ik moest het je eigenlijk heelemaal verbieden, maar.....quot;

„Dan zou je zelf geen beurt krijgen niewaar? O beste man, als ik nog denk dat je me dit avondje bijna ontkaapt hadt. \'t Is hier déli, ik amuseer me dol! En de menschen zijn allemaal even charmant en lief. De baronesse Doelemeere heeft wel een half uur met me gepraat, en de familie Narwal van Brouwerscate die fêteert me haast al te veel. Heb je \'t niet gezien? — Guns August, die Eippelaan is toch een malle vent; ofschoon ik eigenlijk geloof dat hij de gravin Van Leeuwen even weinig kent als mij, zoo presenteerde hij mij aan haar, en wel als; Mevrouw Helmond geboren gravin Van Armeloo. — O je kunt niet gelooven wat dat dadelijk een gemakkelijkheid gaf; ik heb toen ook maar de stoute schoenen aangetrokken en haar op een invitatie voor den acht en twintigsten geprepareerd. Dadelijk nam zij het zeer gracieus aan.quot;

„Maar Eva, \'tis onverstandig om die menschen al zoo lang vooruit te vragen; bedenk toch.....quot;

„Bedenk toch, niewaar Evertje z. m., dat we dan allang dood en begraven kunnen zijn. Boe boe! kan het nog somberder?quot; En dan, half luide neuriënd, zingt ze de Invitation a la Valse na. Eensklaps houdt Eva stil: „Weet je August, wat me alleen hindert van avond — als jij tenminste heel lief en aardig bent — \'t is, dat ik eigenlijk vis-a-vis mevrouw Narwal en vooral tegenover mevrouw Van Leeuwen een bespottelijk figuur maak. Ja, met m\'n doodonschuldige diamantjes. — Zeker, ze zijn heel lief, en ik vond het alleraardigst van je, toen je ze mij, je weet wel, voor een vergoeding hebt gekocht; maar heusch, de schapen maken hier een allerzotste vertooning. Mevrouw Van Leeuwen had letterlijk geen oog van m\'n broche af toen ze met me sprak, en ik kon zoo zien dat ze me den heelen tijd haar prachtige, o! over-over-prachtige broche wou laten

282

-ocr page 299-

DOKTBE HELMOND EN ZIJN VROUW. 283

opmerken, want, dan trok ze zoo met dien hals en zette de borst vooruit, van belang!quot;

„Mijn hemel Eva, hoe kun jij nu over een broche denken als je bij zoo\'n vijftigjarige, eer leelijke dan mooie vrouw staat. Jij bent, brj haar vergeleken, heelemaal een diamant.quot;

„Ja mannetjelief, zoo\'n discours hebben we geloof ik nog eens gehad, op een achtermiddag; toen vondt je — als ik me wel herinner — geslepen glas even mooi. — Maar neem me niet kwalijk, een man kan onmogelijk begrijpen wat het is, als men, enfin, nog al gekleed en dan niet zoo heelemaal een nul in \'t cijfer, tegenover een dame staat die je letterlijk uitlacht omdat je bespottelijk kleine diamanten aanhebt.

„Heeft mevrouw Van Leeuwen jou uitgelachen Eva?quot;

„Ja! \'t Was nu juist geen gillen, maar ja, ja zeker, ik kon heel goed zien dat ze — als ze \'t gedurfd had —• me zou hebben uitgelachen; en ik herhaal dat ik dat alles behalve plezierig vind. Zeg

lieve kereltje, krijg ik tegen den acht en twintigsten----? Nee.

chut! geen overijlde antwoorden, \'t Is ook indiscreet misschien om zoo zelve te vragen; maar toch.... ik hoop....!quot;

„Nee nee Eva! nee!!!quot; En in zich zeiven; Mijn God, waar moet dat heen!

„August!quot; zegt Eva verschrikt: „vraag ik te veel? Och, neem \'t me dan niet kwalijk. Je weet wel dat ik niet \'t beste, het allermeeste wil: wat j ij doet en wilt dat is me altijd goed geweest. Was het niet, lieve beste August? Zeg dan, ben ik niet óvertevreden tegenwoordig? Heb ik dat niet bijna eiken dag, ja nog zooeven gezegd? — August, ben ik niet je trouwe lieve vrouwtje? Zeg? Spreek dan; ben je boos omdat ik een beetje op mijn jaardag vooruitliep?quot;

Eva ziet rond of daar ook iemand wezen mocht; en dan, dan

legt ze haastig haar poezelen arm om zijn hals en--een zoen

als uit den zaligen bruidstijd, steekt Helmond opnieuw het hart in gloed!

Het vuurwerk was voor een particuliere partij inderdaad schitterend. Nu eens stond het schilderachtig gelegen landgoed met al zijn genoode en ongenoode gasten, in een tooverachtig rood of blauw of paars licht, waardoor men zich in een droom verplaatst gevoelde, en dan weer....

„Hé, dat is oorverdoovend!quot; zegt een der juffrouwtjes Lens, en trekt „voorzichtigheidshalvequot; het hooft! wat terug.

„\'t Zou niet kwaad zijn menheer Debecque — o, \'t is waar, menheer Hardenborg — als er nooit op een andere manier met kruit werd gewerkt;quot; zegt freule Marie Narwal, die toevallig weer naast Archibald stond.

„Dus zoudt u m ij met de heele militaire macht zoo maar zonder complimenten op straat willen zetten? Foei foei freule Marie.quot;

„Ik hoop niet dat mijnheer Hardenborg zich, bij gelegenheid, over de gastvrijheid op Brouwerscate zal te beklagen hebben;quot; is

-ocr page 300-

284 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW

het antyroord, \'t welk schalks wordt gegeven; en dan ernstig: „Maar ja, als ik wist dat u bijvoorbeeld iemand in den oorlog.... ja, hadt do o ii gemaakt, dan... . dan zou ik er misschien toe kunnen komen. Ik vind het afschuwelijk dat menschen elkander zoo koelbloedig vermoorden.quot;

„Wel freule, wat ik vroeger wel eens mijn ongeluk heb genoemd, dat zou ik nu haast m\'n geluk willen heeten: de ondergeteekende, ofschoon hij flink — ik moet het bekennen — op dat fanatieke Indische goedje heeft laten inblazen, hij is nooit zelf in de gelegenheid geweest om er een ■— althans zooveel hem bekend is —- voorgoed de bajonet te doen afslaan.quot; En dan zich terzij tot Kartenglimp wendend: ,Hebt u ook nog met die vroolijke Bandjareezen kennis gemaakt majoor, als ik u vragen mag?quot;

„Nee, toen was ik al in Holland.quot;

,0 ja, dat meen ik gehoord te hebben. Ik denk wanneer ik u zie gedurig aan iemand die wat jonger was, hé, maar anders fameus op u geleek.quot;

„Ei! — Mooi dat rad hé. Vin-je niet mevrouw Helmond\'? Fameus mooi! — Magnifique partij niewaar? — Ik geloof dat dat de „bouquet finalquot; geweest is. Ha zie, nog een vuurpijl, pour la bonne bouche. Mag ik \'t genoegen hebben u den arm....?quot;

„0 dank u majoor; ik heb. ... ik zoek....quot;

„Nog altijd een beetje rancune?quot; vraagt de majoor wat zachter, terwijl Eva hem toch onwillekeurig terzijde blijft, en men zich langs een smaller pad, tusschen een bosschage van hulsten en andere fijne doornheesters, uit den kring van het gezelschap verwijdert.

„Rancune, o nee majoor, maar....quot;

„\'t Is niet onnatuurlijk mevrouw, en de vriendelijke woorden die ik u straks mocht toespreken zijn niet voldoende geweest. Ik heb schuld; ik had het al vroeger moeten goedmaken. Waarom ben ik niet bij u geweest sedert den avond van dat, voor u zoo onaangename misverstand.... \'t Is onvergeeflijk, ik beken het! Maar, een

feboren Van Armeloo is allerminst haatdragend of kleingeestig.quot; — tilstaande: „Vergeef me mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is, dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen.quot;eboren Van Armeloo is allerminst haatdragend of kleingeestig.quot; — tilstaande: „Vergeef me mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is, dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen.quot;

„O dat zal het stuk zijn \'twelk bewijst. -. ?quot;

„Juist; uw papa hecht er niet aan! Enfin, ieder mensch heeft zijn eigenaardige begrippen. Uw papa is een zeer verstandig man, en zal waarschijnlijk zijn goede redenen hebben----quot;

„Ja dat is zeker; maar u vergist je majoor, als u denkt dat papa omtrent die papieren heelemaal onverschillig zou zijn. Papa zal er----Nee, nij zal er u wel niet om vragen, maar----quot;

„Ik zou ze hem in geen geval aanbid er, mevrouw Helmond, dat kunt u gemakkelijk begrijpen.quot;

-ocr page 301-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 285

„Nee....quot; aarzelt Eva, „dat is niet onnatuurlijk.quot; Zich snel in de rede vallend; „Ik geloof anders majoor, dat — indien de zaak waar is — dat dan het bewijs door iedereen gemakkelijk te leveren is.quot;

„Dit laatste komt niet overeen met hetgeen ik u vroeger verzekerde mevrouw. Als man van eer, als oud-officier, geef ik u de stellige verklaring, dat het van de duizend menschen er nauwelijks één zal gelukken om het stuk te bemachtigen \'twelk ik door mijn bemoeiingen meester werd, en waarvan in deze zaak alles afhangt.quot;

„Dat stuk is----?quot;\'

----„Eenvoudig het document waaruit onwederlegbaar blijkt, dat

de bet-overgrootvader van uw vader, en de zoon van den Holland-schen graaf quot;Van Armeloo één en dezelfde persoon is geweest.quot;

Een oogenblik bleef het stil. Dan zegt Eva snel:

„U zoudt mij verplichten met mij dat bewijs te.... zenden majoor.quot;

,0, \'t is zeker veel eer: veel----quot; Eensklaps omziende: „Mij

dunkt ik hoor daar roepen: Zoudt ü mij \'t genoegen willen doen mij den arm te geven, schoone mevrouw Helmond?quot;

Weer vliegt Eva het bloed naar de wangen. — Neen, haar arm krijgt hij niet!

„O, u neemt niet kwalijk majoor?quot; zegt ze snel: ,\'t Is Helmond die daar roept.quot; IJlings spoedt zij zich nu terug langs het pad, doch.... halt, nu kon ze niet verder.

Helmond met Archibald, freule Marie Narwal en nog een paar jongelieden, bevonden zich aan \'t eind van het pad.

„Een Absalome!quot; roept de luitenant, en vliegt naar de plek, waar Eva eensklaps tot stilstaan werd gedwongen, dewijl ze met haar sortie aan een nijdig takje bleef haken.

\'t Was maar een kleine scheur. Eva zei dat het niets te beduiden had. Maar Archibald hield een korte potsierlijke toespraak tot den ondeugenden meidoorn, die zich in \'t voorjaar met zijn welriekende bloempjes zoo aardig voordoet, maar nu in \'t begin van September zoo vaisch is als een jaloersche kat.

Kartenglimp bleef op den achtergrond.

En ginds aan den arm van dien jongen luitenant zag hij haar voortzweven. — Welzeker, men wachtte haar in de zaal; de muziek speelde er reeds een Ouverture de Bal; zij zou er dansen, dansen met iedereen, maar voor hem — inweerwil van dat prachtige lokaas, \'twelk hij haar sinds dien avond toch in \'t geheel niet meer toonde — voor hém heeft ze zelfs den arm niet over.... dien blanken welge-vormden arm! — Maar ha! al wordt het tijd, \'t is nog vroeg genoeg, welzeker, nog vroeg genoeg!

Een zeer groot aantal waskaarsen op luchters en kronen, verlicht overvloedig de groote zaal en de twee daaraan grenzende zeer ruime kamers, die door breede nu geheel weggeschoven battans gemeenschap hebben.

De groote zaal is delicieus gecireerd, als een spiegel zoo glad! Enkele paren wandelden daar reeds koutend in \'t ronde, doch het meerendeel bevindt zich nog in het groote vóórsalon, waar men in

-ocr page 302-

286 DOKTBR HELMOND EN ZIJN VROUW.

den middag ontvangen werd. Dominee Hoogerberg, bekend met de huiselijke omstandigheden der familie Debecctue, brengt er, alvorens de dans zal beginnen, en nü reeds, dewijl hij om gewichtige redenen vroegtijdig naar huis moet, een hartelijken maar korten heildronk aan de gastvrouw die heden verjaart, en aan haar eenigen zoon, die in \'t moederland mocht terugkeeren om een moeder gelukkig te maken.

„Dominee, allerliefst! allercharmantst! Dank je, merci, aller-aller-hartelijkst!quot; zegt mijnheer Kippelaan, die aanstonds is vooruitge-stoven, en met zijn beide handen de hand van den spreker vermeesterend, ten aanschouwe van al zijn hoorders, steeds karnend, de tolk blijft van aller gevoelens!

Archibald ziet het treffende schouwspel een oogenblik met een kwalijk verborgen glimlach aan, en dan net glas opheffend, zegt hij:

„Terwijl mijn schuld aan onzen hooggeëerden dominee op zoo

passende wijze door de welwillende tusschenkomst van miinheer----

re.....??quot;

„Kippelaan!quot; helpt de eigenaar van dien naam, terwijl hij meteen verheerlijkt gelaat naar den spreker omziet.

„Ah juist, Kippelaan; uw naam was mij ontschoten----quot;

„Jules Janin!

„Straks hoop ik u mede een handdruk te geven dominee,quot; zegt Archibald, eensklaps van Kippelaan op Hoogerberg ziende: „om u dank te zeggen voor de goede woorden aan \'t adres van mijnheer

Kip..... ik meen aan \'t adres van mama en van mij; doch met den

dronk die nu geen uitstel duldt, maar welke twaalf-twaalfde gedeelten der jonge dames toch hopen dat kort en vooreerst de laatste zal wezen, — omdat de muzikanten anders ongeduldig zouden worden; niewaar dames? — met dit glas dan moet ik den vriend gedenken, zonder wiens trouwe hulp ik misschien — zelfs met den besten wil van de wereld — hier niet als zoon van den huize had kunnen fungeeren. — Maar, ik zie eenige zakdoeken te voorschijn komen. Alzoo denkende aan het heden, en herdenkende „om het half uur een zeer leelijken lepelquot;, maar ook; alle dagen twee- of driemaal een gezicht waarop een hart stond geteekend van goud, neen, een hart vol waarachtige belangstelling! denkende aan een trouwen vriend, die deed wat hij kon om mij voor mijn goede moeder in \'t leven te bewaren, drink ik dit glas — de handdrukken mijnheer Kippelaan, zullen mogelijke flaters in mijn oratie goedmaken.. Kippelaan wilde reeds toesnellen om den zoon van den huize te.... maar hij werd door een der heeren tegengehouden: „drink ik dit

flas,quot; herhaalt Archibald met verheffing van stem, „op wat mijn raven dokter liever is dan zijn leven, op haar die hem meerwaard moet zijn dan al de schatten dezer, nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, mevrouw Helmond, geboren Van Armeloo!quot;las,quot; herhaalt Archibald met verheffing van stem, „op wat mijn raven dokter liever is dan zijn leven, op haar die hem meerwaard moet zijn dan al de schatten dezer, nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, mevrouw Helmond, geboren Van Armeloo!quot;

Het was bij de levendigheid die er nu onder al de aanwezigen ging heerschen — en waarbij mijnheer Kippelaan letterlijk handen te kort kwam — een zeer vermeldenswaardige bijzonderheid, dat

-ocr page 303-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBODW. 287

er onder die vele dames, en inzonderheid onder die dames van hooge geboorte, geen enkele te vinden was, bij wie er een gevoel van jaloezie werd opgewekt, door den toost op mevrouw Helmond door den zoon des huizes uitgebracht.

Eva gevoelde zich.... half bedwelmd, als een veder zoo licht, en onuitsprekelijk zalig. De tranen stonden haar in de oogen. O! en toen men haar nu van alle kanten met de liefste woorden overlaadde, en de baron Narwal haar zeide: „Wij hopen de lieve doktersvrouw recht veel met haar echtvriend op Ërouwerscate te zien en de baronesse Doelemeere haar met zoo\'n recht vriendelijk en gemeenzaam knikje de verzekering van haar belangstelling schonk, ja, toen zelfs de gravin Van Leeuwen naar haar toekwam en zeide: „Ik vereenig me van harte met de beste wenschen voor uw geluk, lief mevrouwtje,quot;\' — toen.... \'t was niet om uit te spreken.... ze moest toen den fijn geborduurden zakdoek voor de oogen drukken; de weelde van dat oogenblik was schier al te groot!

Nochtans, toen ze zich nóg eens door diezelfde hooggeboren vrouw zoo innemend hoorde toespreken; en zij tevens uit mevrouw Van Leeuwens prachtige met parelen bewerkte flacon een weinig eau-de-cologne moest nemen, toen kwam er een klein, een bijna onmerkbaar wolkje haar gelaat overtrekken, want, weder waren de oogen der gravin op haar diamanten broche gericht, en zei de oudere dame met wezenlijke zorg: „Je aardig speldje is losgegaan lief mevrouwtje. Voorzichtig, \'t zou toch wezenlijk jammer zijn, niewaar?\'quot;

En de groote diamanten der gravin blonken en fonkelden met duizend kleuren, en Eva tastend naar ,\'t speldjequot;, inplaats van het vast te steken, deed het — \'t was niet onnatuurlijk, door het eenigs-zins trillen der vingers, als een gevolg van de aandoening waarin de toost haar gebracht heeft — geheel en al losgaan, zoodat het op den grond viel. En zie, nadat een galant jongheer het aanstonds had opgeraapt en haar weergegeven, verdween „dat kinderachtige sieraadquot; voorgoed in den zak van haar kleed.

Helmond heeft met een zeer kort maar hartelijk woord, Archibald zijn dank betuigd, en het welzijn van den gastheer gedronken. Helmond gevoelde zich nu wat beter dan straks. Misschien hebben een paar glazen pittigen wijn hem goedgedaan. Een bediende komt reeds voor de vijfde maal met het blad waarop de geurige Cote d\'or en Rudesheimer worden aangeboden.

„Dankje! — Eh----ja toch. — Ziezoo kameraad.quot;

Het bal heeft een aanvang genomen.

\'t Is een kleine misrekening voor Eva geweest: De baron Debecque heeft niet met haar, maar met mevrouw Van Leeuwen, die nog gaarne een enkel dansje — zoo\'n Polonaise bijvoorbeeld — meedoet, het bal geopend. Aan den arm van den baron Narwal gevoelde Eva zich echter spoedig ruimschoots schadeloos gesteld, want mijnheer Narwal was een man nog in de kracht van \'t leven, had wel vijf ridderorden, en was kamerheer of iets van dien aard; tenminste „ijselijk hoog!quot;

-ocr page 304-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VRO0W.

Nu de tweede dans zal beginnen en reeds

De dartele snaren Doen tripp\'len de paren;

nu hangt Eva in den arm van haar alles, van den eenige, op wien ze waarlijk zoo trotsch is:

,0, engel!quot; zegt ze, eij drukt hem dien arm zoo innig: „zulk een feest, zóó iets heerlijks heb ik nog nooit beleefd. Die menschen hier.... Och wat zijn ze allen onbeschrijfelijk lief en hartelijk, en zonder eenige distantie. — Eén ding beste August, als het te pas mocht komen, ik zeg als, och spreek dan vooral niet tegen dat jij ook van adel bent;- \'t is me letterlijk al pratend uit den mond gevallen toen ik door dien mallen Kippelaan.... ik weet niet hoe, een beetje in \'t nauw raakte. Maar ... onwaarheid sprak ik toch niet; je kunt immers later papa\'s titel krijgen; niewaar August?-\'

„Mijn hemel Eva, dat gaat te ver!quot;

„Ben je boos, mijn lieve man? Nee, dat kun je nu niet wezen, niewaar? Maar luister eens.... ik mag er immers vast op rekenen ... ? Wel, op onze partij, met mijn jaardag? Och die jonge Hardenborg was zoo galant; ik zei maar even dat ik deze muziek zoo allerliefst vond, en — dadelijk dadelijk is hij toen gaan informeeren of de kapel den acht en twintigsten vrij zou wezen. — En ja zeker, alles is in orde! Natuurlijk moest hij er toen aanstonds beslag opleggen omdat ze zoo moeilijk te krijgen is....\'quot;

„Eva, ben je razend!quot;

„God August! je zoudt me doen schrikken. Freule Marie ziet iuist naar ons, zij zal denken dat we woorden hebben. Lach: toe lach.quot; — Eva lachte. — En August? Moest hij dan hier die algemeen gevierde vrouw, en ten aanschouwe van zoo velen, een barsch gelaat toonen, haar, zijn dierbare Eva? Ha, als men dan overal fluistert dat een man, die zulk een vrouw bezit, haar niets weigereu mag, dat ze hem meer moet waard zijn dan al de schatten der wereld; ha, waarom zou hij dan ook niet lachen! Waarom zou hij dan ook niet....

— Daar vangt de wals aan. — \'t Is alsof de wijn hem eenigszins heeft beneveld. Misschien ook is hij het dansen ontwend:

„Bedaard, bedaard lieve kind; niet te vlug; je weet wel waarom? Ja zeker, heel goeie muziek, fameus in de maat!quot;

En Eva wielt, al zwevend, als in een hemel aan den arm van haar teerbeminde. En de muziek is krachtig; maar hoor, telkens en hoe langer hoe meer, klinkt er in die sterke bazuintonen bij het geanimeerd en wegsleepend refrein, een enkele noot.... die haar aan woorden, aan vreeselijke woorden herinnert, en ook aan dien droom met den saterlach:

Et — Satan conduit le bal.

Et — Satan conduit Ie bal!

,Ik wil wel eens rusten August! — Dit stuk moeten ze bij ons

288

-ocr page 305-

DOKTKR HELMOND EN ZIJN VROUW. 289

niet spelen, \'t Refrein is toch leelijk; al te snerpend. Vin-je óók niet, m\'n lieve man?quot;

Mijnheer Kippelaan voelt zich dezen avond misschien nog gelukkiger dan Eva Helmond. De bijzonderheid dat hij op zulk een partij was gevraagd, heeft hem boven de huizen gebracht.

— \'t Scheen wel — dewijl zelfs de candidaat-notaris Piet Lovers met zijn ouderwetsch Marietje was genoodigd — dat de baron De-becque zijn invitaties zoo ver mogelijk had uitgestrekt; maar de eer was toch bijzonder, en hij mocht nu gerust zeggen dat de adel uit den omtrek met alles wat daartoe behoorde zijn intieme vriend was. In den beginne is Kippelaan iets minder op zijn gemak geweest, maar sedert hij het stoute stuk volbracht, en dokter Helmond, zonder dat iemand het zag, de beide banknoten van honderd gulden uit den brief aan Woudberg, met een couvert er om, in den achterrokzak heeft gewerkt, had hij zich zoo onschuldig gevoeld als een pasgeboren zuigeling.

Allerliefst lieve gelegenheid! — In den vooravond bij \'t geleide van juffrouw Van Berge naar de groene kamer, heeft hij al iets voelen kloppen, en...- enfin, juffrouw Van Berge heeft hem eensklaps losgelaten, en Mina Lens die vóór haar liep, in den arm genomen. — O dat guitje! — Later had hij gehoord dat juffrouw Van Berge ook waarlijk al met den kantonrechter uit B. geëngageerd

was, enfin. — Na \'t verblijf in de groene kamer is hij weer zoo----

ja, hij moet het bekennen „zoo ondeugend geworden.quot; Bij \'t vuurwerk heeft hij de kleine blanke allerliefste jonge dame, Mietje Lansbroek. het hof gemaakt, en gezegd dat hij „duizendmaal op den rand geweest was, maar nu in haar den afgrond voor zijn hart metterdaad gevonden had.quot; Mietje Lansbroek heeft toen gezegd, dat ze het al te akelig vond, wanneer menheer Kippelaan zijn hart aan zoo\'n halsbrekenden toer zou wagen, en heeft nem toen haar „aller-liefsten rugquot; toegedraaid — natuurlijk, volgens Kippelaan, een weinig verlegen over zijn aanzoek en de geestigheid van haar eigen antwoord. — \'t Was waar ook, hij had zoo iets hooren spreken van een remonstrantsch proponent. Enfin, allerliefst, geestig! Dansen? Zie \'t was jammer, al de dames waren disparaat dat ze hem een dans moesten weigeren.... maar nee, \'t is zijn schuld; zijn eigen schuld; hij is niet vroeg genoeg gekomen! ofschoon.... Enfin, \'t was allerliefst dat ze hem allen zonder uitzondering beloofden: jawel, als er weer een feest was; ja welzeker.

Op dit oogenblik schept Kippeïaan nog even een luchtje, want hij had aan een der buitendeuren staande — iets in \'t donker zien verdwijnen, ginder in de richting van de groene kamer, waar nog een enkele gekleurde ballon tusschen het donkere groen hing. En Kippelaan vond het buiten allerheerlijkst. ..

\'t Was heelemaal donker, pikdonker in de groene kamer. Daarbinnen klonk een zucht. Bijna gelijktijdig klonk er nog een zucht, meer piano. — Er volgde een plechtige stilte. — Na eenige seconden had de herhaling van het even genoemde diep roerende zuchten I. 19

-ocr page 306-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

plaats. — Toen had men iets kunnen vernemen van een langgerekt geluid zóó bijna als van het theewater alvorens het aan — of van de kook raakt. — Nogmaals nu hartve rscheurende zuchten. En dan: „Och Marietje!quot;

„Och Piet!quot;

„O, als ze ons één — één tienduizendste meegaven, danlquot; „Och Piet, dan...

„Och Marietje!quot;

„Gud, ik hoor wat!quot;

Twee personen zijn juist den ingang der groene kamer genaderd. \'tZijn Helmond en de majoor Kartenglimp.

Helmond is er overheen. — Wat drommel waarom niet! Zijn er dan niet honderdduizend menschen voor één die doen zouden wat hij doet? Geld ter leen vragen als men \'t noouig heeft en zeker weet dat men het zal kunnen teruggeven: — Kunnen? zeker? Ja, ongetwijfeld zeker! Als hij den generaal morgen maar eeris als vanouds de hand heeft gedrukt, wat, voor den drommel, wat zouden er dan voor haken en oogen kunnen zijn? Zal een man van eer, een man als de generaal zijn woord breken, zonder een bepaald voorval waardoor een brouillerie gewettigd kan heeten? Zou hij zonder eenige kennisgeving de gedane verklaring intrekken, dat August nevens Jacoba zijn erfgenaam zal zijn? Neen, die pleegvader zal dat niet! — Nu, waarom tobt en treuzelt hij dan, en zit zoo telkens met de handen in \'thaar? Is het niet armzalig dat iemand met zulk een erfenis in \'t verschiet, hier rondloopt met niet meer in zijn bezit dan de vijf guldens die zijn provisor hem leende! — Zegt het spreekwoord geen waarheid: Met den tijd komt alles terecht! — Wat weerga, al moest zijn leven, zijn heele aanzien, alles er aan opgeolferd worden, men heeft gelijk: Een vrouw zooals de zijne wordt er op de duizend geen gevonden! Zóó een moet boven alle ontbering verheven zijn en schitteren in haar vollen glans. Men moet haar ten volle waardeeren. Dat doet men hier, dat doet iedereen. Boven al die adellijke vrouwen, zelfs van leeftijd, werd zij verheven, door dien toost van den zoon des huizes. Wat drommel, Eva heeft gelijk, hij is een beroerde zwaarmuts; alles komt terecht----en.... Neen, het dolle plan

om confidentieel met den ouden Debecque te spreken en hém te vragen.... neen, hij heeft het laten varen; \'tzou Eva die nog al wal hoog van alles heeft opgegeven, comprornitteeren; en ook.... met al die adellijke kennissen, en later die partij ten zijnen huize.... Neen! Kartenglimp had hem zeer heusch bejegend; den ganschen avond; allerhartelijkst! De man is poltron; tenminste een beetje wars van Vriend Hein was hij zeker; maar anders, noch over het niet terugkomen ora zijnentwil uit Parijs, noch over dien onaardigen conferentie-avond heeft hij zich beklaagd. — Helmond weet toch zeker dat notaris Zoutenheer, een gedeelte van het hem verstrekte geld van den majoor heeft gekregen; en, inplaats van iets onaangenaams na die scène te laten blijken, heeft hij laatst zonder eenige pretensie

gezegd: dat hij a vijf percent.... onder vrienden____

„ü begrijpt majoor, dat ik \'t alleen vraag omdat je \'tmij zelf pre-

290

-ocr page 307-

DOKTER HELMOND EN ZIJN TBOUW. 291

senteerde. Ik vond je voorstel zoo cordiaal: anders zou ik aan Zou-tenheer... maar----quot;

„Nee nee, waarom! Zoutenheer moet zes percent hebben, en ik ben er met vier tevreden.quot;

„Vier? Ik meende....quot;

„Wat bi ... onder vrienden; jij bent een uitmuntende dokter! Apropos, kan zoo\'n avondlucht kwaad? Nee hê....?quot;

„Niemendal majoor. Voor ü is de lucht allerheilzaamst. En dus...?quot;

„Zou jij me niet zoo eens een levensregel kunnen voorschrijven? Zieje, voor gevallen.... Enfin, als ik zoo iets had, dan was ik gerust. — Wat die drie duizend gulden betreft; accoord! Waarachtig, met alle

Êlezier! Jelui moet het er van nemen. Als de ouwe opstapt dan ben je eelemaal binnen. Een schietgebedje voor zijn tijdige afreis. Hahiehaha!quot;lezier! Jelui moet het er van nemen. Als de ouwe opstapt dan ben je eelemaal binnen. Een schietgebedje voor zijn tijdige afreis. Hahiehaha!quot;

„Majoor, op die manier wil ik mijn vrienden niet hooren. Mijn pleegvader heb ik waarachtig lief, en....

„Bravo mijn waarde! Eere hebbe je hart. Maar permitteer me! Ik voor mij vind hem tegenover dokter Helmond en zijn vrouw een vervoerd schrielen compeer. — Praat er niet van! Geeft ie wel eens een zak guldens mee? Pardon, ik heb daar niet mee te maken! — Enfin, in orde! Kom morgen in den loop van den voormiddag maar

bij me. Altijd tot je dienst. Maar wat ik zeggen wil----ah ja, is

je vrouwtje nog een beetje boos op me dokter?quot;

„Nee majoor; waarom zou ze....?quot;

„Dat vraag ik jou m\'n vrind. — Weet je wat me, ronduit gezegd, een weinig hinderde? — Zonder er me op te beroemen, ik heb voor dien adel mijn best gedaan, en terwijl dokter Helmond nu vriendschappelijk en wel is, weigert mevrouw Helmond mij bijna een antwoord.quot;

„Maar dat is een opvatting.quot;

„Ik wil het gelooven. Maar zie, dan moest jij haar toch zoo ongemerkt eens zeggen, dat het je plezier zou doen als ze weer een klein beetje vriendelijker tegen me was. Ik ben toch geen monster niewaar?quot;

„De Hemel beware....!quot;

„Weet je wat me bijvoorbeeld hinderde? \'t Was dat ik in presentie van een paar heeren, zoo maar kortaf moest hooren, dat ze geen dans voor me had.quot;

„Maar dan zal ze er werkelijk....quot;

„Nee nee m\'n vrind, je vrouwtje had er nog wel zes open, omdat ze je beloofde niet veel te zullen dansen. Dit laatste zei ze aan dien luitenant; en — hier zit \'em de voorname grief — toen gaf ze hém een oogenblik later toch een galop, ofschoon hij al tweemaal haar cavalier was. — Dat heer bevalt me niet Helmond.quot;

„Wien bedoelt u majoor?quot;

„We spraken van dien menheer Archibald niewaar? In jou plaats amice, zou ik hem niet al te veel.... enfin! We kennen die heertjes! Ik ben zelf in Indië geweest, en....quot;

„Maar majoor, zulk een veronderstelling____ U vergeet dat mijn

vrouw....quot;

-ocr page 308-

ÜÖÜ DOKTER HELMOND EN ZIJN VRODW.

Ik vergeet niets niemendal beste vrind! Je vrouw heb ik leeren kennen: \'t is het prachtigste karakter dat ik ooit ontmoette. Haar houding, bij die vermeende miskenning van haar vader: o, \'t was edel, magnifiek! Maar de listen van zulke heertjes.... waarachtig, daar zijn geen vrouwen tegen gewapend. Zet jij de kloekste vrouw aan den rand van een afgrond; wanneer men haar onverhoeds een stoot geeft, dan zal ze te pletter vallen zonder eenige kans op behoud.quot;

, Archibald is naar mijn innige overtuiging een edele brave jongen.quot;

„Edel en braaf, dat doet al weinig tot de zaak m\'n vrind, dat weet jij ook wel. Je kunt kerken en gasthuizen stichten, ja zelfs aan \'t hoofd van een asiel voor gevallen meisjes staan en toch op dat punt een zwak oogenblik hebben. Ik heb je gewaarschuwd, hij biologeert ze.quot;

„Majoor.....je liegt het!quot;

„Ei zoo, is dat onze verhouding dokter! Ik meende dat het een bewijs van oprechte vriendschap was wanneer men waarschuwt voor een mogelijk gevaar. Ik zeg niet voor een zeker maar voor een mogelijk gevaar.quot;

„Majoor, vergeef me dien uitval. Ik heb een paar glazen wijn méér gedronken dan me tegenwoordig inderdaad dienstig is, en....quot;

„Glad verkeerd dokter; als je helder wilt kijken dan moet je nooit te veel.....quot;

„Ik weet het, en vergat het nooit. Maar nu, men is gelukkig, men.....quot;

.Welzeker! Maar als je zoo gelukkig wilt blijven, geef dan — ik herhaal het, aan een pronkjuweel als je vrouw alles, alles wat haar hart begeert, maar zorg dat je haar alleen behoudt, \'t Is een verkeerd teeken wanneer een jonge vrouw een man van mi]n leeftijd een dans weigert, om hem een oogenblik later aan zoo\'n blonden knevel te gunnen. — Nee, agiteer je niet. — \'t Is mij volkomen goed dat je dien snaak vertrouwt; maar als vriend was ik verplicht je te raden om een oog in \'t zeil te houden, en je onergdenkend vrouwtje een kleinen wenk te geven. Wat mij betreft, ik wensch als vriend alleen het bewijs der waarheid van je bemoedigend woord, dat je nobele vrouw geen rancune tegen me heeft. Zorg jij amice, dat zij het toont door de laatste wals met me te dansen. — Zie dan blijft alles zooals we dat hebben afgesproken. — Heb ik vier of drie percent gezegd? Nu \'t maakt niet uit; onder vrienden! Morgen, twee uur. Drie duizend a drie percent: opperbest!quot;

De partij bij de Debecque\'s eindigde eerst laat in den nacht. In de pauze van het hal heeft men aan kleine tafels van vier en zes personen gesoupeerd. — Aan Helmonds tafeltje — hij had niet van zijn Hebe kunnen scheiden — zaten behalve Eva, de douairière gravin Van Leeuwen, de baron Debecque, de burgemeestersvrouw en — de majoor Kartenglimp.

Na het keurig fijne souper is een deel der gasten vertrokken. —

-ocr page 309-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 293

Eva heeft nog tweemaal gedanst, eens met den baron Narwal, en eens met den majoor Kartenglimp; met den laatste de wals, waarin aan \'t slot dat nare geschetter kwam.

Het gemakkelijke rijtuig uit De Gouden Arend voert Helmond en Eva huiswaarts.

\'t Is zoo heerlijk rijden na zoo\'n feest, en aardig is \'t ook, za zitten half liggend nog zoo vertrouwelijk in dat rijtuig alsof ze pas geëngageerd waren.

Ja, Eva is wel een beetje moe, maar keusch, te veel vermoeid heeft zij zich niet. Alleen die laatste dans met dien vijftigponder was akelig. Die nare man!

„Ruw, ja, wat erg ruw, maar anders.... Mag ik het hoofd zoo\'n beetje op je schouder leggen\'? Een oogenblikje lief kind?quot;

„Welzeker August, jij moogt alles doen wat je maar wilt, en zelfs als ik je wenschen voorkomen kan, dan zal ik het zeker niet laten. Hield ik niet trouw mijn woord August, hoewel ik er weinig plezier in had?quot;

„Je bedoelt?quot;

„Wel, dat ik met blauwbaard soupeerde en danste! \'k Denk altijd aan blauwbaard als ik hem zie. Gemeene stem toch.quot;

„Gemeen.....? Vin-je! \'k Zeg, iets ruws, iets... quot;

„Nee, bepaald gemeen! Jij spreekt zooveel menschen van allerlei slag. en daarom hoor je \'t zoo niet. Die kluchtige luitenant had op de laatste bladzij van zijn balboekje, zooals nij zei, een index gemaakt. Onder de personages wier conversatie hij schrappen zou, behoorden, nummer één: de majoor Kattenglimp zooals hij hem telkens noemde, en ten tweede menheer Kippelaan. Mijnheer Kip-pelaan had nota bene verteld dat jij geld van dien Kartenglimp zoudt geleend hebben. Verbeeld je!quot;

Helmond komt schielijk overeind:

„Ik! Is ie gek?----Ën wie heeft je dat gezegd?quot;

„Och dat kwam zoo toevallig, al lachend. Hardenborg proestte het uit. Die Kippelaan had in één adem meer dan twintig vragen en confidenties aan juffrouw Lens gedaan, en zóó hard dat Hardenborg alles hooren kon. Jij waart de zoon van Van Speyk of van een op de citadel; en de majoor was bang dat Archibald mij wat

te veel het hof maakte; en..... O lieve, we hebben bijna gestikt;

dat alles diende als stormram om het hart van juffrouw Lens te veroveren. Juffrouw Lens had blozend gezegd, dat Kippelaan zich zeker vergiste, want dat ze hem al eens vroeger voor de eer moest bedanken. — Zeg August, als het niet om die stukken was, dan zou ik er heusch toe kunnen besluiten om dat heer Kattenglimp den acht en twinstigsten ook thuis te laten. Als men je zoo vriendschappelijk met hem ziet omgaan, dan mocht men soms denken dat die Kippelaanspraatjes van geld leenen waar waren, \'t Idee alleen zou me een hekel aan dien man doen krijgen. Bah! —Ojee!quot;

„Wat is er Eva?quot; _

„Och niemendal; ik wou m\'n flacon krijgen, want ik geloof dat je weer wat hoofdpijn hebt----ja, met die hand aan het noofd.- ..

-ocr page 310-

294 DOKTER HELMOND BN ZIJN VROtTW.

en daar prik ik me aan het nijdige speldje, dat ik in den zak stak omdat het was losgegaan. Kijk eens, \'t bloed komt er uit.quot;

„Och die arme vinger!quot; zegt Helmond, en terwijl hij zich zelf tot schertsen dwingt, zoent hij den kleinen patiënt, en voegt er hij: „Een liefdepleister er op, dan is het aanstonds weer beter niewaar „Nee nee....quot; vleit Eva zachtjes: „een garnituur a la douairière Van Leeuwen! Ja, als dat er op kwam! Hé mannetje, we gaan toch overmorgen voor zaken naar Utrecht, niewaar? Niet!? Jawei! jawel! dat heb je vast beloofd als ik met dat Kattensinjeur wilde

dansen..... \'t Is zonde August, je deedt me schrikken; ik dacht

dat je terug gingt krabbelen. Hardenborg zei immers dat het niet mooier kon treffen: iemand, die juist twee zulke rijtuigjes met een mooi span paarden moest wegdoen, omdat ie naar de Oost gaat. Wel foei, een dokter zonder rijtuig!quot; En dan, wuivend met de hand naar de zij van het in den nachttoon verscholen landgoed D e Zonsberg: „La bonne nuit illustre général! \'t Is jammer datje ons niet nóg eens genieten kunt. — Stil mannetjelief. Wacht, hier heb je al de eau-de-cologne die er nog in de flacon is, — als de oom het zag dan zou hij bang zijn dat ik bankroet ging — Ziezoo, laat mij maar weer eens keldertjes blazen ... Frisch hé? Nee stil. niets te lastig; mijn laatste ademtochtje wil ik verblazen voor zoo\'n besten man. — Leg het hoofd maar weer neer. Nog een klein eindje rijden, en dan.... droomen van een feest, zooals er geen prettiger werd gegeven, maar waarvoor de partij op den jaardag van\'t vrouwtje toch zeker niet onder zal doen!quot;

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre — zijn lievelingsverblijf. — Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia\'s, azalea\'s, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond: „Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd.quot;

„En wat zeit menheer wel hiervan?quot; vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: „Ziet de generaal dat nitbotsel wel? \'t Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d\'r leven ia dan is d\'r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo\'n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan \'t zuchten was, niet gedacht hebben. De_ generaal heeft er eer van.quot;

„Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas.quot;

„Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad,

en als het hier blijft, dan.....quot;

,Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!quot;

-ocr page 311-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VKOTJW. 295

„Allebeneur, als de generaal het verkiest. — Nog iets van je bevelen menheer?quot;

„Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast, \'t Was je plicht, maar \'t zal je toch aan-

ëenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben. — Je kunt gaan. — ie baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?quot;enaam zijn te hooren dat ik tevreden ben. — Je kunt gaan. — ie baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?quot;

,0 generaal als m\'n eigen zelf.quot;

„Goed! Je kunt gaan. — Zeg aan Hendrik dat ie na\'t ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris.quot;

„Best menheer;quot; zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:

„Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?quot;

„Welnu?quot;

„Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig, \'t Is ons allemaal op \'t lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter — menheer Helmond liet komen, ik geloof....quot;

„Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl. — Ga nu! — Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen.quot;

Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.

— Wie heeft hem geroepen?

„Ah Coba, ben jij het! Wat is er?quot;

„Komt u ontbijten lieve papa? \'t is al een kwartier over den tijd.quot;

„Hé een kwartier.... Ei! —- Geef me den arm kind.quot;

„Waart u weer in gedachten verdiept?quot;

„Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is, heel stil op den duur.quot;

„Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk.quot;

„Ei!quot;

Na senige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:

„Ik heb besloten De Zonsberg te verkoopen Coba.quot;

Jacoba ontstelde! Toch kwam het bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.

„Spijt je dat Coba?quot;

„Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat me meer spijt; u weet het.quot;

„Meer spijt----? Wat meen je?quot;

Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: „De reden waarom u het doen wilt.quot;

„Zwijg daarvan Coba.quot;

„Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ü te herwinnen?quot;

-ocr page 312-

Ü96 dokter helmond en zijn vrouw.

„Nee nee! dat ia onmogelijk!quot; zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: „Noem mij den naam van dat wijf niet meer, nooit, nimmer meer. De helleveeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die..

„Stil stil; bedaar beste vader----quot;

„Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.quot; Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: „Jij

bent heel wél niewaar\'? Tenminste----je ziet er bepaald.... zeer

zeer goed uit.quot;

Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik. — Neen, hij ziet er niet goed uit, in \'t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.

— Ja, haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.

— Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in

hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven. Maar anders----!

Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, \'t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen. — Waarvoor? — Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.

Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten. — Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening ertoe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.

Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan ibezoeken. Een groot uur laW mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij hare

-ocr page 313-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 29 7

mededeeling onder \'t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering — waarvan nij reeds hoorde spreken — ten goede te doen verkeeren.

Dominee Hoogerberg zou doen wat hem mogelijk was. — Meer heeft hij niet gezegd. — Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hij hoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo\'s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hij zon de noemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijk haten een zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien — zóó heeft hij in stilte besloten — mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!

Op haar terugtocht naar De Zonsberg neemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.

Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil. — Neen, \'t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.. . Jawel; daar klonken do volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba\'s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten.,..

\'t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond, \'tls immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk. ...hier beneden. En de orgeltonen, die daar van boven klinken, ze stijgen al hooger en hooger....

Met den arm op de leuning een er kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. \'tWas haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether — eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp, hem den schoenen jongeling, den dierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad. — Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.

Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba\'s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; \'twas al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in \'t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba\'s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.

In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; .alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt:

-ocr page 314-

Ü96 dokteb helmond en zijn vrouw.

„Nee nee! dat is onmogelijk!quot; zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: „Noem mij den naam van dat wijf niet meer, nooit, nimmer meer. De helleveeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die...

„Stil stil; bedaar beste vader....quot;

„Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.quot; Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: „Jij

bent heel wél niewaar? Tenminste----je ziet er bepaald____ zeer

zeer goed uit.quot;

Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik. — Neen, hij ziet er niet goed uit, in quot;t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.

— Ja, haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.

— Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in

hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven. Maar anders----!

Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, \'t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen. — Waarvoor? — Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder baars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was Voor weinige maanden.

Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten. — Dominee Eoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.

Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan jbezoeken. Een groot uur laW mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij hare

-ocr page 315-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 29 7

mededeeling onder \'t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering — waarvan hij reeds hoorde spreken — ten goede te doen verkeeren.

Dominee Hoogerberg zou doen wat hem mogelijk was. — Meer heeft hij niet gezegd. — Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hij hoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der mensohenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo\'s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hij zonde noemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijk haten een zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien — zóó heeft hij in stilte besloten — mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!

Op haar terugtocht naar De Zonsberg neemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.

Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een\' oogenblik luisterend stil. — Neen, \'t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.. . Jawel; daar klonken do volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba\'s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....

\'t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond, \'tls immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk ... hier beneden. En de orgeltonen, die daar van boven klinken, ze stijgen al hooger en hooger... -

Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. \'tWas haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether — eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp, hem den schoenen jongeling, den dierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad. — Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.

Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba\'s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; \'twas al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in \'t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba\'s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.

In do eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt:

-ocr page 316-

298 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROITW.

waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.

„Ik stoor u menheer Van Hake; maar \'twas onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo\'n orgel uitziet. Speel u gerust door. \'tKlonk heel mooi. Gerust!quot;

„Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. \'tls al een heelen

tijd geleden sedert ik hier \'tlaatst speelde. En----en ...quot; Thom

wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar \'teen en ander uitleggen: „Ziet u juffrouw, hier zitje nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan daar op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang! — Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij.quot;

Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die „bleeke heerlijke engelquot; bezwijken, en speelde hij den 103JtI1 psalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.

Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond. — De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.

— En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen. — En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten? — Waarom? Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, \'t welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft. — En is zij dan nü tevreden ? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, \'t welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een

spaander van die bank willen snijden. Ze zal----Maar die knaap

zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?

„Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; \'k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; \'t voldoet nog meer zoo\'n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!quot;

„Och lieve juffrouw, \'t is al te veel lof voor mijn broddelwerk;quot; zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelend

-ocr page 317-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 299

denkt hij; Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Eartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zoa hier komen om jou! Schaam je wat! en immers — er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer. — Forto, Forto!

Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltie gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier \'t welk Coba\'s opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. \'t Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, \'t is een oud, geschreven muziekboekje \'t welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.

\'t Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen moest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.

Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba\'s gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze; r Liedjes van Herman Donerie voor pianoquot; en dan, met potlood er naast geschreven; .Frullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft.quot;\'

Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is van zijn hand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....

— God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel;

„Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar----quot;

„Hé, in dat boekje? ik ken het niet juffrouw, \'t Was een psalm dien ik speelde.quot;

„Ah juist,quot; zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de „Liedjes van Herman Donerie.quot;

,\'t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend, \'t Boekje is dus niet van ü mijnheer Van Hake ?quot;

„Nee, pardon juffrouw!quot;

Jacoba heeft zich geheel hersteld.

Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze;

„Kunt u ook zien of het hier op \'t orgel thuis behoort?quot;

Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:

„Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn.quot;

„Van....?quot;_

„Van Donerie juffrouw. — Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen.quot;

„Och-kom. — Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend vo or.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!quot; Ze legt het boekje op de tafel;

-ocr page 318-

300 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing.. ..?quot;

,TJ bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker,quot; vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:

„Och, als u \'t mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkaraertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is.quot;

„Hoe zoo....?quot;

„Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en----die

eene....quot;

„Die ééne?quot; zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte

kreeg----! Maar hoe... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen

opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en... .

— En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!

— Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht. — Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch een gek werd.

„O, zeer tot uw dienst juffrouw! \'t Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen. — Wel de complimenten als ik verzoeken mag. — Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig! — Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!quot;

Of Jacoba het werkelijk vergeten had? — Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen. — Ha\' Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!

O! zij heeft niet willen vragen, en nooit zal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!

-ocr page 319-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De avond die den dag voorafging waarop Eva\'s geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als \'t ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroornen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.

Dokter Helmond liep — zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend — in gedachten de groote huiskamer op en neer.

,Maar lieve August, \'t zou verschrikkelijk zijn!quot; zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.

,Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?quot;

„Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illumi-natie viel in duigen; \'t zou allerakeligst zijn!quot; Na een oogenblik stilte: ,August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over \'t geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: onsquot;feest! het feest op den verjaardag van je wijfje August!quot;

„Welzeker!quot; zegt Helmond: „als het zulk een weer was dan zou-... quot;

Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevi-gen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: „Als ik morgen waarlijk den schoon-sten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal

genieten dan----quot; zij strijkt met haar zachte hand over Helmonda

voorhoofd: „dan mag daar geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet. — Wil ik het toch zeggen? — Ja?quot;

„Ik weet niet wat je bedoelt Eva.quot;

„Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die

diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?

Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar? — August, zeg ... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat vis-schen nu wat heel indiscreet? Maar och m\'n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegenover die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en — changement de décorations — dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m\'n neus weg kon zeggen — of als het al te ondeugend was tenminste kon denken; Wat een aardig lief speldje hebt u daar aan, een lief garnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-ie me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart: is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?quot;

301

-ocr page 320-

302 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien

in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven____neen! En bij God!

ook haar partij zal met doorgaan! \'t Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw — zijn afgod — zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in \'t eind ongelukkig te maken.

„Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij. — Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....

„Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes —met een geheim, waar men nog niets van merken kan — eens heel heel ernstig praten.quot; Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: „Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had. Jat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z\'n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo — nu ja, niet al te ernstig kijken beste, want wie weet! — enfin, dan zullen ze al dien_ ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit

Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan____

nu komt het---- dan gaan we verder eens heel zuinigjes en een-

voudigjes leven. — Goed hê? — Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig....quot; Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: „ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons

lieve kleine popje zullen koopen, en----Kom goeje Evertje Zwaar-

muts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo\'n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stmnhoudertje, August.quot;

De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van haar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw. — Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nü. Het moet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief van De Zonsberg; het resultaat der tusschenkorast van dfln waardigen Hoogerberg. het ultimatum van

-ocr page 321-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VHOUW. 303

den oom.... „Men moest terug: terug van den breeden weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders----quot;

„Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we \'s-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nü eens...quot;

„Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik denlaatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waar ik plezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor ons allebei hebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaar-muts, en \'t zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaaa zult gaan beweren — ofschoon het wat te laat is — dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal.quot;\' Opstaande: „We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet.quot;

„Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan.quot;

„August, is :t je in \'t hoofd geslagen?quot;

„Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voor twee was er zeker niet. Ddar Eva lees!quot;

Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in \'t welk August haar toereikt:

„Ha! van hem!quot; zegt ze met weerzin: „Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ik wil het niet lezen.quot;

„Als ik het je verzoek Eva?quot;

Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:

„Nee nee zeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.

Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:

„Eva ik wil het: lees!quot;

Voor \'t uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoon i k wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:

„Aan dokter Helmond!

„Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zal

-ocr page 322-

304 dokter helmond en zijn vrouw.

de generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.

„Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemees-tershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28sten September wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereifenen.

„Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan er niet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.

,Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waar-digen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.

„Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: „Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon !\'r

Alexander Van Barneveld

De Zonsberg, 26 September 18....quot;

„Afschuwelijk! Afschuwelijk!quot; barst Eva los met bevende stem: „Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!quot;

„Vrouw! zwijg!quot; roept Helmond met krachtige stem: „Als je me waarachtig hefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je! Hoor je me niet! Ja, \'t is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!quot; Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: „Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden! — Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelf geheel alleen. Eva, ik was krankzinnig, ja waarachtig!quot;

— O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen, krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn beste

-ocr page 323-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 305

kind, zijn lieve vrouw, Maar toch. dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld. — Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....

„Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die....quot;

„Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw. — Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb, zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partij zal morgen niet doorgaan!quot;

Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... haar man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan! — Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?

Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:

„Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik het goed met je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dat ben je zeker.quot;

Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:

„August, ik word werkelijk bang. — Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar? — O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken.quot;

„Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende.quot;

„Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken! — Publiek verkoopen en publiek schandaal maken is hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift.quot;

„Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan...quot;

„We weten dat, hij was je voorzienigheid, maar nu — nü ia hij een wangunstige vrek die....quot;

„Zwijg, zwijg zeg ik je!quot;

Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in ■een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:

„Is dat je liefde man! — O God, wie had dat kunnen denken; op

I. 20

-ocr page 324-

306 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW.

den vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet____ O God!quot;

„Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven.quot;

„Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul je zeker____dien

brief vol waanzin verbranden en me gelukkig maken....?quot;

— Gelukkig maken!

Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zal zij nimmermeer zich gelukkig gevoelen! Dat heeft hii bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.

,0 ik wist het wel,quot; vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Hel-monds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: „Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dat weet ik, daarop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve, lieve Helmond!quot;

— O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zeiven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen, — helaas! nu reeds door hem op rekening gesteld van ooms nalatenschap! — En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren! — En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg! — O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.

— Terug! aarzel niet langer! roept de stem van \'t verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar net hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te

schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten----ja ook

aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor een trotsch en een gierig man!

„August.... waar ga je heen?quot;

„Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!quot;

-ocr page 325-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Je bedoelt....?quot;

„Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten tele-grafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan.quot;

Het wordt Eva alsof er vonken vnurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.

— Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden — o vreeselijk denkbeeld — dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dat is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. — Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming; van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.

„Weet jij niet meer August,quot; herneemt Eva:,wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? \'t Was het volle vertrouwen op mijn man. Sinds dien brief van Jacoba, geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan \'t tobben raakte, waarschijnlijk m navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was.quot;

Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen. — Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:

„Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in \'t einde elkander liever hebben dan ooit... Nu.... \'tis hoogtijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn....quot;

Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.

„Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed — zoo hij niet krankzinnig is — zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden langquot;. Tier en gevoelig: „En dat is niet zoo; zoo waar als er een God leeft, dat is met zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nü uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen. — Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots... !!quot; Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: „Mijn schat in dit leven! Nee nee dat wil je niet!quot;

— O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:

„Ja ja Eva, ik herhaal het, ik heb je bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in scnulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig....quot; Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker. _

„Eva! kind! — bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva! — Eva!!quot;

Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren te brengeu, het

307

-ocr page 326-

308 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW,

baatte hem niet. Vreemder en vreerader werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woorden zuinig en klein en nederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.

Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en — een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.

Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijn-gevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.

— Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:

„August!quot; klinkt het zacht.

„Wat is er lieve? Hier ben ik.quot;

„Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o, heerlijk, morgen!quot;

Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en — hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt. — Zachtjes trekt Helmond zijn ai-m onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.

\'t Was — halfacht.

— Te laat! — De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden. — En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouqnetten uit Utrecht op weg en....

Helmond staat in gepeins als verloren.

— Maar zou Eva\'s lichte ongesteldheid — die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden — zou ze niet als \'t ware een bestiering zijn geweest? Daardoor werd het te laat...!! — Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenscnte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizen moest en kon leven. — Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig. — Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerd publiek schandaal te maken? — Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum is waarachtig onzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!

Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom\'s ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen

-ocr page 327-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 309

— Goddank daar komt licht! Morgen op Eva\'s verjaardag zal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naar De Zonsberg begeven. Do óom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor \'t laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.

— Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen, \'t Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; „wat geschreven staat dat staat geschreven,quot; maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.

— Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu dat kind, ja wat is zij anders dan een verrukkelijk kind! om haar ,haar eigen feesf\' te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haar terug indien ze niet verwelken en verkwijnen zal. — Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijk tirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.

Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van ziju hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.

— Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt. — Parelen en diamant! \'t Zou de grootste dwaasheid zijn! — Maar, indien ik ze aanstonds genomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied____ In alle geval \'t zou op het groote geheel slechts een

kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep — die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Bameveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden. — Ach, als hij haar dan nog een enkele

maal zoo innig gelukkig zal zien----Nee, nee, nee! ^Weg Satan,

weg!quot; zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.

„Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!quot; zegt ze half wakend, half droomend.

-ocr page 328-

310 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROTTW.

Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva\'s vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen____!

Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd. — Ja, zij zal er blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde „schriele oomquot; het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde. — O, en de warmte waarmee zjj den oom — en geheel vanzelf — zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....

Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.

— Wat ze verlangde? — Nee, zieken waren er gelukkig niet. maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.

„Ah zoo!quot; Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: ,En----?quot;

„Ja dokter,quot; vervolgt het meisje: „vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en daérom; en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, \'t is een heeleboel

feld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat ure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.quot;eld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat ure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.quot;

Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.

Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. \'t Was een slagveld met tienduizend of — daar wil ik afwezen — van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil van negentigduizend lijken stapt hij gemakkelijk heen.

De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, \'twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, men tienmaal honderd gulden moet bezitten.

-ocr page 329-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VROUW. 311

— Doch waarom nü het arme hoofd daarmee gebroken!quot; Kon hij

dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen---- Goddank! van

allen last zal onthoven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen----?

„Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?quot;

„Vader zei dat ik maar zeggen moet morgen dokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da\'s overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter.quot;

„Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!quot; zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: „Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen.quot;

„Bestig, alsjeblief dokter. — O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter. — Och, \'t was in goeje handen.quot;

Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.

\'t Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op \'t gelaat, kwam informeeren of het waar was \'tgeen hij dezen middag van den generaal van De Zonsberg meende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartii morgen waarschijnlijk niet doorging?

Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:

„Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch. — Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?quot;

Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:

„Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z\'n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo\'n fragile positie, \'k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan.quot; Geheimzinnig: „De Zonsberg — uit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voor bleek te krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo\'n polsenden draai, — je begrijpt dat — en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan... Enfin, \'t kwam er zoo\'n beetje gevoileerd uit, maar \'t wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan.quot;

„Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal....quot;

„Stil stil : papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, \'t Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken. — Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik vaw het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen ? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind. — Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?quot;

-ocr page 330-

312 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKODW.

„Wie zeg je, Ronnei?quot;

,0 sapperloot, ik meen Kattenglimp.quot;

„De majoor Kartenglimp? Jawel.quot;

„Zeg, vin-je dat au fond geen fameus geraeene type?quot;

„Gemeen!? — Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen____quot;

„Enfin, \'t komt zeker door die frappante gelijkenis; \'k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen tij scheep ging; ik spreek van dien Renner — maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet, men hem loepen. — Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog \'t een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo\'n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten, \'k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! \'k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo\'n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken.quot;

„Helmond, Helmond! waar ben je?!quot; klinkt het luide in \'tvoorhuis. — Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in \'t hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij \'t ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nü, o Goddank! hoor maar, \'twas alles alles een droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feest-koningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! \'t was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den „uitgedienden generaalquot; heeft August straks voor een oogenblik op \'t sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer too: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds „engelachtig vrouwtjequot;.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Reeds in den vroegen morgen van den 28,t,\',\' September heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op de toonen loopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuit

-ocr page 331-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW.

met kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.

Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regenen wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloem-groepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.

De ütrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte met mevrouw Helmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning — waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda\'s en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van lijne denne-takjes samenwerkten ■— werd er in zijn schatting nog door verhoogd.

Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden\'komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook — hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een harteljiken zoen te gaan geven. Meer is er niet noo-dig; August gelooftquot; het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat anders niet te herstellen zou zijn. — Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet watvooral noodzakelijk is.

Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblik-ken later met twee bijoutenedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt, \'t Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.

— Niet langer gedraald, denkt Helmond in \'t eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren, \'t Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in \'shemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan. — Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van \'t verstand.

Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigs-zins gejaagd — alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou —

31»

-ocr page 332-

314 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOtJW.

een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt. — Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.

— Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:

Als een gazelle rank;

Als teedre lelies blank;

Met kluistrend alvermogen In haar blij lachende oogen;

En in naar rozenmond

Die hem haar min verkondt:

Een hemelsch reinen klank!

O Eva mijn engel! Ja, eindloos meer Dan een schitterend leven, vol roem en eer,

Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aard Zijt gij, zoete duive, mij lief en waard.

Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel Ivan steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans \'t was geen verjaarsgedicht, \'t was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.

Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:

„Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo.

Op haar verjaardag.quot;

Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin — die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden — en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.

Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.

Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:

„Van wie kumt dat, manneke?quot;

„Ja dat mocht ik niet zeggen, \'k Gleuf van De Zonsberg.quot;

„Zoo! bestig!quot;

In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met een

-ocr page 333-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW. 315

Êroote maai fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten, [ij heeft haar doen weten dat alles gereed was.roote maai fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten, [ij heeft haar doen weten dat alles gereed was.

En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:

,0 lieve beste August!quot; roept ze, nog voordat hij sprekenkan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: „Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! \'t Is meer dan ik had durven denken!quot;

„Bi lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfie, om je eerst behoorlijk van harte. .. ja van ganscher harte-... Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan \'t hart alsof.... Neen \'t was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in \'t pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk? — Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.

Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.

,\'t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!quot; zegt Eva weder.

„We zijn ook al vroeg aan \'t werk geweest mijn jarig wijlje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien.quot;

„Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m\'n woord!quot; Met klimmende en innige verrukking: „Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dat mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van \'en man, \'t garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen: Oneindig! \'k zag het dadelijk. Die groote brillanten...quot;

„Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: \'t is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret.quot;

Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.

„Och August, als ie me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van \'en man. Maar dit... en zij haalt het étui uit

haar zak te voorschijn: „dit overheerlijke stel, dat is nu juist----

ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus....quot;

„Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij.quot;

„Watbliefje----niet van....?quot;

„Nee nee kind, da\'s een abuis.quot;

„Abuis! August wat zeg je? Zou \'t bij abuis----op bezien.. ..?quot;

Helmond zag Eva bleek worden.

-ocr page 334-

316 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROITW.

„Nee, zóó meen ik het niet. \'t Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft\'? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag.quot; — Eva haalde weer adem.

„Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker.quot;

„Geen wonder August; \'k vergis me niet: ik hou die hand op \'t oogenblik in de mijne.quot;

„Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt.quot;

„Ja lieverdie, dan bedrieg je me zeker, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het beste arme doktertje kan zóó iets niet geven----quot;

Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:

„Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijn alles! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!quot;

„Eva, maar waarlijk, dat present zou ik je niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is....quot;

„Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!quot;

„Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie ... Ja, mij dunkt, \'t is zoo goed als zeker, dan ...quot;

„Dan----?quot;

„Zeer mogelijk, zeer mogelijk!quot; herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: „Dat moet van hèm zijn; van De Zonsberg. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom.quot;

„O goeje hemel August! Schei uit!quot; roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen

omhoog en ineenslaat: „O hemel August.... dat idee!----\'t is om

te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!quot; en nogmaals en telkens weder uitproestend in een weiluidenden schaterlach: „Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je \'t verzinnen!quot;

Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuur-lijk. — Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets

iuist in het karakter van oom ligt? — Ja, dit alles — helaas ook iet laatste — hij beproeft het, maar tevergeefs.uist in het karakter van oom ligt? — Ja, dit alles — helaas ook iet laatste — hij beproeft het, maar tevergeefs.

\'t Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik „vast te knoopen aan het telwoord Van Barneveldquot;. — Nee, August moest nu heusch nietlanger zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechts tobberijen waren, want

-ocr page 335-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

tot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.

— Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberen Zonsberg zwijgen; hij moet.. -•

„Maar Eva,quot; zegt Helmond terwijl zijn hoop — op dien valachen

frond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: .gesteld dan eens at het van oom was, zeg, zou je dan niet ...rond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: .gesteld dan eens at het van oom was, zeg, zou je dan niet ...

„Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!quot;

Helmond verkeert in de grootste spanning:

„Eva, ik moet openhartig met je spreken. — Oom heeft ... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtig ik kon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naar De Zonsberg; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch ... mijn Eva?\'quot;

De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogeublik stilzwijgend aan:

„Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zeg weekhartig August, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da s heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaag gelukkig evenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ia zelfs den man die je als een kwajongen behandelt. — Stil, ik hen jarig, en mag dus wel spreken: quot;Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo\'n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan \'t ombertje gaan zitten; maar ik — dankje; onmogelijk! Ik zou z\'n excellentie — brave beste man, ik weet het, garde d\'honneur geweest — \'k zou \'em zeggen; Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: „Wijven en onbeschaamde feeksenquot; wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar raaien met den rang van professor doodverfde; die — zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen ...quot;

„Eva waartoe dit alles?quot;

Eva vervolgt : „Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,quot; — zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals — „als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men \'t nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft. — Zulk een brief bewijst in mijn oog dat de schrijver..quot;

317

-ocr page 336-

318 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VBOÜW.

,Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar

toch----quot; Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar

schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:

,0 ondeugd, ondeugd! \'k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwam óók van DeZonsberg; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd van jou!quot;

Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.

— Hij zelf, hij Helmond, zou dien brief geschreven hebben! —O (iod, waar moet net heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal . .

.Is mevrouw niet hier Antje?quot; vraagt hij eenige oogenblikken later, bij \'t binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam. — Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan. — Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juist hier ooren hebben voor zijn — straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wil bezweren dat hij zwak was. ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?

— Ha! wanneer hij haar met dien eed v ermoorden wil op dezen dag! — Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op \'t buffet geree dstaan. Nee \'t is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in \'t hart en op \'t gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij toch heden zeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen. Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze \'t wisten.... Ja, ja, die zijn er zeker.

Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.

— \'t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht. — Zijn kind! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doen, — halt\'.

-ocr page 337-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROTIW. 319

dat ging zonder nadenken. — Maar ja, waarom niet, dit halve

glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en — vroolijk moet ij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan met een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!las kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en — vroolijk moet ij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan met een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!

— Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet? — Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en

alles te zamen een ton____ nee, dat is te gek, een halve---- een

kwart ton____ \'t Lijkt er niet naar. .. ik zeg, enfin al was \'t een

kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als \'t daarom te doen is: opnemen.... rouge et noir. — Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken

schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er.....voor den

professor!

Daar kwam Eva.

„Ha — haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of ie \'t hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?quot;

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Waar gaat u heen pa?quot;

„Ik.....? ik ga uit Coba.quot;

„En \'t is al zoo laat.quot;

„\'t Weer is van avond zacht.quot;

,quot;t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?quot;

„Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien.....quot; het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.

„Pa, ik ga mee.quot;

„Jij gaat niet mee; je blijft thuis.quot;

„Ik wilde....quot;

„Je wilde. .. Ik zeg: je blijft thuis.quot;

„Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd.quot;

„Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben.quot;

Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; „Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen.....quot;

-ocr page 338-

320 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Wat blieft u pa?quot; zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.

van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba\'s schouder:

„Jij weet zeker dat hun partij niet doorgaat?\'-

„Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker.quot;

„Dat heb je van....?quot;

„Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dat betreft dat weet ik heel zeker.quot;

„De dokter is ziek niewaar?quot;

„Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hij anders vandaag al stellig; zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?quot;

„Natuurlijk! — Daarom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen. — Tot straks.quot;

Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?

— Ha!

-Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; bij zou van avond bij u komen, tenminste----quot;

„Tenminste....?quot;

„Tenminste.... hij dacht....quot;

„Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen? — Ik zeg je, hij zal niet komen omdat ik hem niet liet roepen. — Tot straks.quot;

„Maar pa, om Godswil!quot;

„Gods wil is niet de leugen, Coba. Spaar me. Je weet watik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal. — Laat me gaan. — Nee, weerhoud me nu niet.quot;

Och papa, myn lieve papa!quot;

„God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebben gehaat. En wie zijn vader of moeder haat....quot;

— Goede God, heeft zij dan niet altijd, altijd gestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van haar aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet! — Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden. — Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien „ziekequot; bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:

„Maar beste vader----!quot;

„Laat mij Coba, nog eens: laat mij gaan!quot;

Geheel Bomphuizen was op de been. \'tWas een ongewone vertooning: Al de ramen van het oud-burgemeestershuis waren open-

-ocr page 339-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

gebleven, en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was. — Wat \'en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! „Nou!quot; zei er een uit de groep: „as ze dat in Den Haag wisten dan wier d\'r beslag op geleid.quot;

„Rijk Oostinje!quot; zei een ander.

„Baldadigheid zoo\'n rikdom!quot; riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.

\'tWas een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek! — Ja hoor maar, \'t schetterde de heele markt over.

„Heerejee,quot; zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: „we konden hier op \'et plein wel \'en anevandeu slaan.quot; Maar Jan zei, dat ie op klompen was. — Hé, \'tleek dan toch prachtig daarbinnen.

— Ja prachtig; en \'en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.

„Wat \'en staatsie!quot;

„En kiek, dóar is dokter ook.quot; — „Jawel, zie!quot; — „Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!quot;

„Geld dat ze hebben! — Tenminste te wachten! Of....!?quot;

„Stil, dring dan zoo niet!quot;

Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan \'t einde van \'t marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en \'t stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.

Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van \'t nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten. — Gelukkig was de man niet heelemaal van z\'n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier op deze eigenste stoep.

— En wie hei geweest was?

— Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer van De Zonsberg wel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn „naaste bloed wezen als er een vette mond te halen wasquot;.

Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal — die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was — schrikkelijk op dokter Helmond moest geheten zi)n, aangezien de generaal het eerst door hém — Kippelaan — I. 21

321

-ocr page 340-

822 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had-En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broor, die zich slecht gedroeg en gemeen auteur was geworden. — Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen. — En de majoor Kartenglimp had — mede volgens Kippelaan — gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou. — Ja, ja, dat alles kwam goed overeen. — \'tWas een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo\'n generaal had bestolen; (jod wist \'et! —• Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.

De generaal Van Barneveld gevoelt zich — zooals hij zegt — weer

feheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante,.eheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante,.

ie hem tot aan het hek van De Zonsberg zal terugbrengen; Niet verder, want hij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.

De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat mj haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wondend, moet hij mijnheer Van llake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: „Ik zou je dezen last niet opdragen menheer,quot; besloot de generaal: , wanneer ik voor eenige weken met bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop van De Zonsberg.quot;

Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrek-kenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:

„Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw.quot; En dan, op gestrengen toon: „Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard.quot; En wat zachter: „Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.— Goeden nacht!quot;

Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstenen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zei ven de woorden herhaalde: , Goeden nacht! Ja, goe-tien nacht!quot;

Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor het

-ocr page 341-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 323

feest der Debecque\'s zou onderdoen. Indien zij \'t alles op den lieven August had laten aankomen... . ja dan; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond — uit de school van „een gulden heeft tweehonderd halve centenquot; — niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel

foed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevre-en. — Nu ja, \'t geen hij besteld had, \'t zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste — want voor haar berekent hij zoo niet — zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.oed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevre-en. — Nu ja, \'t geen hij besteld had, \'t zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste — want voor haar berekent hij zoo niet — zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.

— De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar....!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische flesjes-doozen! \'t Was immers noodig, want nier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes — jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer in De Gouden Arend.

„Allerliefst! dat is a l\'instar de Frascati te Amsterdam. Frisoh, delicieus!quot; zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.

„Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;quot; fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.

— Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.

„Mevrouw Van Leeuwen is stil; meent een der nabijstaande heeren.

„Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;quot; zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.

Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dat moet ze aan August vertellen. — Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!

„Volstrekt niet comme il faut;quot;\' zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: ,\'t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij.quot;

-ocr page 342-

324 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTJW.

„Ja!quot; zegt Eartenglimp met een bijzonderen ophaal: „Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees. ...quot;

„U vreest ... majoor ?quot;

,0, niets anders dan \'t geen u zooeven bedoelde mevrouw.quot;

„Ik?quot;

,\'t Geen iedereen vreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme! — Ze speelde aJ een rare rol in Den Haag. Naar men zegt. enfin, naar men zegt....!quot;

,U bedoelt? Ik herinner me niet juist----quot;

„Ja men haalt die zaken liever niet op, maar....quot;

„Nee natuurlijk; maar....?quot;

„Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, mft\'rouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug.quot;

„Ziek....?quot;

„\'t Heette toen tering. — Enfin, als het kind maar een naam heeft.quot;

„U zegt een k.... — O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo ieta kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn.quot;

Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was; ofschoen de gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt het niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haar gastvrouw is.

— Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.

— Nu hij echter a heeft gezegd moet hij ook b zeggen, \'t Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.

En, texwijl de majoor eenige minuten later — nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen — haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat; „Uw Eva Helmond Van Armeloo,quot; en waarvan het adres luidt: „Aan den Majoor Kartenglimp.quot;

„Prachtig! prachtig!quot; riepen al de gasten als uit één mond: „Bis, bis!quot; drong men van alle zijden.

Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en —

— Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld; Peters-wijfje, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht.

-ocr page 343-

DOKTER HELMOND EN ZUN VEOXTW.

dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:

„En bij den zorcer-avondglana,

„Als \'t rood nog fonkelt aan den trans.

„Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verre „Daar flikkert spade of zeis als waar\' \'t een gouden sterre, „En roept haar vroolijk toe:

,Hier komt hij kind, van d\'arbeid moe;

„Zet jij nu fluks de brij maar klaar;

„En straks, mijn beste brave vrouw,

„Brengt Peter met een kus aan jou „Zijn dank aan God d\'Alzegenaar!quot;

Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, \'t Nederlandsch klonk zoo plat; dat jou bijvoorbeeld en die brij klaarzetten, Nee!

„Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;quot; zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: „Ik hou óók niet van Holland-sche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan.....quot;

Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan \'t gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.

De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen,\'t geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoifering is geweest om aan den

frooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij ij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: „Och,quot; besloot mevrouw Armela na een lang vertoog —waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleed heelemaal uit Parijs was gekomen en maar eventjes vier en een half de el kostte: „Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,quot; — Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: „Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!quot;rooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij ij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: „Och,quot; besloot mevrouw Armela na een lang vertoog —waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleed heelemaal uit Parijs was gekomen en maar eventjes vier en een half de el kostte: „Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,quot; — Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: „Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!quot;

„Verrukkelijk! Prachtig!quot; roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: „Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in \'t publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats.quot;

Eva heeft van terzijde ook deze lofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen — die migraine heeft, e» — natuurlijk onwillekeurig — den uitgespreiden

325

-ocr page 344-

326 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

waaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.

Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad door haar werd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten — waaronder zoo velen van adel — werkelijk hare gasten zijn. — En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij. — Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar \'t een en ander van vroeger informeert, en straks — met iets zonderlings om de lippen — haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar....quot;

„Mama is een geboren freule Lieder,quot; heeft Eva snel met een blosje geantwoord. — Wel ja, waarom niet? \'t Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in \'t Duitsch was alles Prau-lein. — Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want

dat lachje van mevrouw Van Leeuwen----enfin, \'t heeft Eva slechts

een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van \'t balpro-

framma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten oorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het on-wederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is; een geboren gravinne Van Armeloo.ramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten oorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het on-wederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is; een geboren gravinne Van Armeloo.

„Ei majoor,quot; zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een — misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: „ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen.quot;

„Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan \'t Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!quot;

„Zeer beleefd majoor;quot; herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: „Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen ?quot;

De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart — zooals men dat doen kan —- onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva\'s blanken boezem, die — ofschoon het haar zelf geneerde — veel in \'t oog moest vallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de ütrechtsche modiste, „het Hof nog tot drie en vier centimeters lajjer ging.quot;

Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:

„Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor.quot;

„Ah zoo!quot; Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat men

-ocr page 345-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW. 327

zulke papieren van hooge waarde toch niet ter viaie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was. — Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den „sierlijk verlichten tuinquot;, haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet!het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zeiven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, \'twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.

,Waarlijk een prachtige vole;quot; zegt de gastheer tot een der hee-ren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.

„\'t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;quot; is het antwoord.

,Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;quot; zegt mevrouw Lens: ,U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter.quot;

„Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?quot; vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk .geprest was.quot;

,Welzeker juffrouw,quot; bevestigt de burgemeester: „je bent hier heelemaal vrij. Ze noemen dat partie libre. — Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit.quot;

„Je sans-prendre burgemeester?quot;

„Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef. — Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!quot;

„Zonder eenige quaestie Helmond, \'t verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia\'s; eventjes, want ik wou je zeggen----quot;

„Mag ik je feliciteeren Hardenborg?quot;

„Man, druk jij nou deze hand eens. Me dunkt, jij polsenvoeler van je ambacht, je zult er nog iets bijzonders aan merken; deze zelfde hand had op \'t oogenblik dat jou wijfje zoo betooverend zong, ongezien een kleiner dito aan boord, en die handen hebben elkaar iets herhaald:

„En straks mijn beste brave vrouw,

„Brengt Peter met een kus aan jou „Zijn dank aan God d\'Alzegenaar!quot;

„Ei ei,quot; zegt Helmond terwijl hij den luitenant hartelijk de hand drukt. Eu vragend: „Freule Marie?quot;

„Nummer één van de drie!quot; rijmt Hardenborg lachend; „Jij bent de eerste die \'t weet. — Er ons niet op aankijken hoorje. — Gelukkig dat ze van avond in \'t rose is. Op één na de mooiste! Je ziet aat de liefde me nog niet blind maakt. Je wijfje is een Hebe

-ocr page 346-

S28 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW,

van avond. Maar die vent----! Kijk, zie je hem wel, daar, langs die

varenplant heen, in de kleine zaal? Hij presenteert haar den arm. — Bah! t spijt me dat ze hem aanneemt.quot;

„Eva is een klein heette verguld met het mooie pak dat de majoor heeft aangetrokken. Ze kan hem moeielijk weigeren. De man i» altijd beleefd.quot;

„Weet jij heel zeker Helmond, dat ie geen Ronner heet?quot;

„Wel ja! Tenminste. -.

„Ik moet je zeggen dat ik me anders ook met begrijpen zou hoe hij \'t in z\'n hersens kon nemen om z\'n mooie plunje aan te trekken. De gelijkenis met dien Ronner wordt er bepaald frappant door. \'k Heb naar IndiS om informatie geschreven. Als ie \'t was,dan.... verdord!quot;

„Maar wat was er dan met dien Ronner?quot; zegt Helmond, terwijl hij Eva eensklaps den arm van Kartenglimp ziet loslaten, en zich voegen bij de gasten, die een der heeren hebben bewogen om zich bij de piano te doen hooren.

„Dat kan niet in \'t volle licht verteld worden,quot; zegt Archibald: „Kom even mee in de vestibule; we hebben er koelte bij noodig.quot;

„Maar als die man zulk een schoelje was dan kon hij zich hier

niet zoo lang een fatsoenlijk---- enfin als een tamelijk fatsoenlijk

man hebben gedragen. Bovendien was hij destijds kapitein, en is met den rang van majoor gepensioneerd: mij dunkt____

„Sedert hij die afschuwelijke rol speelde en zich niet slechts voor een goed deel het vermogen van dien vriend — men beweert vrij zeker door valsch hazardspel, had toegeëigend, maar hem tevens op zoo schaamtelooze wijze de eer van zijn jonge vrouw had ontroofd; toen hij den armen stakker er nog bovendien toe gebracht had om zijn leven in een der Indische pestspelonken — een amfioenkit — te gaan vernietigen, toen zag die ellendeling naar nieuwe slachtoffers uit. Al spoedig wist hij de vrouw van een zijner kameraden — een schoone inlandsche — net arme hoofd op hol te brengen, en, zooals ik je zeide, toen heeft dat fameuae duel plaats gehad waaruit hij als de laagste hond werd voortgeschopt.quot;

„Maar ik zeg, de majoor Kartenglimp draagt immers....!quot;

„Ik spreek van Ronner. Jawel, Kartenglimp draagt de majoorsuniform; maar \'t is bekend dat Ronner vrijwillig zijn ontslag uit den dienst heeft genomen, en dat hem — natuurlijk zonder bezwaar van \'s-Rijks schatkist of eenig pensioen —ontslag is verleend met den titel van majoor en het recht om de activiteitsuniform te blijven dragen. De zaak is, naar men zegt, om familieredenen geheim gehouden en gesust, maar je begrijpt dat de hoofdfeiten toch moesten uitlekken.quot;

„Hardenborg, neem me niet kwalijk, \'t is niet rechtvaardig om iemand zonder bewijs te veroordeelen. De gelijkenis tusschen twee personen is niet voldoende om de laagheden van den een op rekening van den ander te stellen. Kartenglimp is----quot;

„Hij is je gast; zeker! dat mag ik niet vergeten. En jij bent een

-ocr page 347-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

nobele vent, Helmond! Weet ie wat ik doen zal, ik zal eerst eens het antwoord uit Indië afwachten, of Ronner al of niet te Romp-huizen woont. Dat weten zijn vrienden, \'k ben er zeker van. Tot zoolang schorten we ons oordeel op, maar zal ik mijn schatje toch al vast verzoeken om dat heer te mijden, want indien hij werkelijk is voor wien ik hem houd, dan is zijn aanblik zelfs een beleediging; het is de vet vlak op een rein blad papier, of de vingerdruk op een prachtigen vlinder.quot;

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Nadat het soupeeren in de Oranje-zaal was afgeloopen, verspreidt men zich, alvorens het bal opnieuw zal beginnen, voor een goed deel in den tuin, waar Bus, met Bengaalsch vuur, wonderen verricht, die hem zelf de handen vol verbazing doen ineenslaan.

Terwijl door sommige heeren die binnen bleven, de champagne nu min of meer als onschuldig water wordt gedronken, en daarentegen de thee die men ook buiten presenteert, door de meesten met een enthousiasme wordt begroet alsof men al wat er voorafging slechts genoten heeft om anderen plezier te doen; houdt Eva zacht lachend met eenige dames en heeren nabetrachting over de aardigheid, dat bij \'t ontsteken van het eerste blauwwitte licht, ginds op de bank onder den bruinen beuk, een jeugdig paar in teedere omhelzing zeer duidelijk is te voorschijn gekomen. Dat paar, in zoete droome-rijen verloren, had niets van de extraordinaire verlichting bemerkt alvorens een zacht — misschien wel een waarschuwend handgeklap verkondigde, dat men hen had uitgevonden. En, terwijl men lacht en praat, in \'t eerst vooral over den armen Piet met zijn bleek Marietje, en men den avond prijst, en de gulheid van die lieve gastvrouw in \'t bijzonder, staat de gastheer, ongemerkt uit het gezelschap verdwenen, op zijn studeerkamer voor de geopende schrijftafel.

,Verwenschte champagne!quot; zegt hij half luid: „Heb ik dan geen greintje macht meer over mijzelf? Wat doet bet er toe of hij betaald is of niet; hij heeft een lichaam nog meer van streek en \'t brein als een wijnvat aan \'t gisten gemaakt. Morgenavond — \'t is waar, dan moeten de zeshonderd en tien gulden voor Wulters gereed zijn.. .quot; — Hé, hoe komt hij ineens op dien Wulters? Wat gaat hem die Wulters aan! Die man heeft geen vrouw die vier- of vijf-millioen kan verdienen op één winter; in Engeland, in Amerika en overal. Wulters de schilder dat is geen man die hier op de partij past; dat is ... Stil Helmond, stil, je moet water drinken, je suizelt; je denkt verward. Fi done! Die verwenschte champagne! Maar waar is het zeker: met zoo\'n vrouw ben je millionair of je \'t weten wilt

329

-ocr page 348-

330 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

of niet, en Wulters behoeft niet bang te zijn, zoomin als iemand ter wereld....

Helmond staat een oogenblik met de hand aan het hoofd, \'t Is hier koeler dan binnen, en koeler zell\'s dan buiten. — Ei, denkt hij eensklaps opziende: Waarom ben ik ook eigenlijk hier gekomen?.... Ah ja! Die gek, die aartswauwelaar, die handendrukker....! Juist, verrukt over alles, wist hij dat er nog een surprise zou komen.... Een charade; een----Ja juist. Hij had de afspraak gehoord dat mevrouw Helmond den majoor onder den tweeden dans na \'t soupee zou vinden achter in den tuin.

.... \'t Zou zeker een charade zijn — heeft Kippelaan erbij gereuteld, want mevrouw Van Leeuwen had ook al aan mevrouw Narwal gezegd, dat men nog heel wat zien en hooren zou. — De majoor had haar zeer geheimzinnig een briefje van mevrouw Helmond laten lezen; enfin, dat waren haar eigen woorden: „een charade en action!quot;

— Ah ja, nu weet Helmond weer alles: Toen die wauwelaar, verrukt over het nieuws, \'t welk hij hier en daar had opgevangen, met charade-illusies straks de zotste exclamaties over deze „heerlijke Italiaansche fête de nuitquot; uitkraaide, toen heeft Helmond met alle krachtsinspanning een zeer buitengewonen aanval moeten bedwingen; immers hij had dien gek tegen het marmer der vestibule kunnen

slingeren, hij had hem---- (ioddank, zelfs na dien verwenschten

champagne kon dokter Helmond toonen dat hij zichzelf altijd meester is. \'t Zou de grootste dwaasheid zijn geweest óm aan de praatjes van dien zotskap de geringste waarde te hechten.

— Ha, Helmond gevoelt dat het hem goed heeft gedaan hier even in de stilte te hebben vertoefd, \'tls belachelijk dat hij straks op zulk een gedachte kwam. — Ja nu weet hij \'tweer: Om dieOoster-sche kris te halen was hij zoo ijlings naar boven gevlogen. — O waanzin, o champagne-gif! Eva, zij, mijn eenige, zij zou met dien

majoor----! — Groote God, ik ben ziek tegenwoordig. In denzelfden

stond maak ik me bevreesd over \'tgeen mij een oogenblik tevoren het hart vol vrengde deed kloppen.

— Ben je geen ijdele dwaas? Zulk een vrouw! En rijk, ja rijk zijn we tezamen. Mijn wetenschap, haar goddelijk talent! En onze liefde! O God, draagt ze dan niet ons kindje onder \'thart!

Helmond meent na eenige oogenblikken dat. hij weer geheel tot zijn natuurlijke kalmte is teruggelceerd.

Wat zijn gestel betreft — nu ja, wanneer Eva\'s feest voorbij is, dan zal hij eens een kuur beginnen; hij is inderdaad te gejaagd en te zenuwachtig voor een man van zijn leeftijd en kracht. — Komaan, nu moet hij terug naar beneden; die vreemde roes is voorbij.

„Ik heb overal naar je rondgekeken mijn beste man;quot; zegt Eva op den drempel der tuindeur, en terwijl zij hem even achter de breede gordijnen terzij trekt, drukt ze hem een zoen op de wang.

„Beste kind, je zult kou vatten!quot; vermaant Helmond die in weerwil van zijn menschlievenden aard, de centimeter-juffrouw in zijn ziel verwenscht.

-ocr page 349-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

Eva is niet bevreesd. Maar, nu Helmond ha.ir iets heeft ingefluisterd — want anderen konden het immers nog bezwaarlijk weten — nu doet ze haastig een zijden foulard om:

„Jij ziet wat bleek beste. Er scheelt toch niets aan?quot;

,Aan mij, Eva? Wel nee. — Je hebt immers voldoening van je feest?quot;

,0 ja, onbeschrijfelijk veel. Ik hoor overal zeggen dat het hier veel geanimeerder is dan bij de Debecque\'s. En....quot;

„En-.-.?quot;

„Er wacht me nog iets.quot;

„Je meent?quot;

„Een geschenk. Een verrassing. Meer zeg ik niet. Nee nee, man-■netjelief, meer zeg ik niet.quot; Eva snelt nu voort, want ze had iets vergeten.

In een kleine achterkamer waar dezen avond een kok in \'twit zijn schepter zwaait, geeft Eva haar bevelen. Zij heeft aan papa en Louise gedacht. — Neen, ze wil dat toch liever eigenhandig beredderen. Hier, in deze groote mand legt ze snel en zonder dat men het bemerkt, een flesch champagne. Nu, in een overdekte schaal er bovenop, getruifeerde kalkoen en wat pasteitjes. Ziezoo, een groot stuk ponstaart kan op een papier daarnevens. Ja, nog iets van deze snoeperijen, en een proefje van die fijnigheden. Dat zal smaken. Ach ja, die goede papa kon niet komen. \'tWas niet kiesch van mama dat zij nu óók maar niet stilletjes is thuis gebleven. Mama was....

— Wacht, wie zal die mand nu bezorgen? Ja wie? Die vreemden weten hier geen weg, — Ha, daar komt Bus. Bus is in een livrei met rood en goud, hij heeft witte handschoenen aan; \'t zweet loopt hem langs de slapen.

„Ei Bus,quot; zegt Eva op den drempel der kamer: „jij moest deze

mand eens eventjes----quot; Mevrouw Helmond ziet dat de kok haar

juist de boodschap van de lippen kijkt.... „Ik zeg, je moest deze mand eens eventjes naar mevrouw Van Hake brengen, je weet wel de weduwe Van Hake.quot;

„Nou!quot; zegt Bus, „die zou ik niet kennen. En, alsdat \'et van u kwam....?quot;

„Jawel,quot; roept Eva hem toe, want ze snelde reeds voort. Onder \'t geven van dat adres was ze vuurrood geworden.

— Nu \'twas ook eigenlijk te dwaas om aan papa zoo\'n mand te zenden. Morgen zal ze \'twel goedmaken. Ze rijdt er dan desnoods eens even naar toe. \'t Een en ander in een hoededoos, welzeker!

Eva weet niet hoe het komt, maar het hart klopt haar sterk in den boezem, nu zij zich door den straks verlaten tuin ijlings naar de achterzijde spoedt.

Ginds bij den koepel wacht de majoor; hij zal dan eindelijk geven waarnaar ze zoo lang met fel bestreden ongeduld verlangde. Heeft ze goed gedaan met liem dat briefje te schrijven? — Waarom zou ze net niet gedaan hebben! Zonder haar beleefd verzoek ware de majoor er zeker niet toe gekomen om die papieren te geven, terwijl

331

-ocr page 350-

332 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

een laager dralen zelfs gevaarlijk had kunnen worden, dewijl hij vroeger heeft gezegd dat het voornaamste stuk als curiositeit een groote waarde bezat. Wie weet of hij het niet had kunnen verkoopen; aan een museum misschien!

Eva begrijpt dat zij het zeer goed heeft aangelegd. — Aan de jarige echtgenoot van dokter Helmond mocht de majoor niets weigeren, en — door de wijze, waarop ze het behandelde, werden alle zwartgallige visioenen van papa en manlief, volkomen te niet gedaan. Immers, inplaats van de nonderden of duizenden guldens die men er hem voor schuldig zou zijn, kostte het haar nu geen enkelen stuiver.

Ofschoon Eva den weg kan vinden, het doet haar toch leed dat de meeste lichtballons reeds zijn uitgegaan. Achter in den tuin ziet ze er zelfs geen enkele meer. — O ja, zie, nog een blauwe ginds, en een roode wat verder.

\'t Is toch zonderling dat haar \'t hart zoo klopt. Is er dan iets kwaads in wanneer men het bewijs gaat ontvangen dat men \'t recht heeft om zich op een der hoogste sporten van de maatschappelijke ladder te plaatsen? Is het niet God zelf die de menschen in net aanzijn roept, ieder in den stand waarvoor Hij hem verordineerde? Kan het geen strijd tegen God worden genoemd, indien men moedwillig verzuimt de plaats te hernemen die ons toebehoort? —Eensklaps staat Eva stil. — Wie zegt haar dat zij den naam van God daar ijdellijk gebruikt? Wie zegt haar dat ze voortholt op het pad der lichtzinnigheid en der zonde....? — Als het alles eens waar was!!! Wat? — Ja zij weet het wel. — Ook van terzijde; ook van dienstboden en meer andere kleine, half in \'t donker zich wrekende vijanden, heeft ze wel eens vernomen wat ze niet hooren wilde, en als de uitvloeisels van jaloezie heeft beschouwd. — Heeft dan die oude man gelijk; holt zij voort op een weg die ten verderve leidt.... op een weg die----? — O foei Eva, schaam je! zegt ze bijna hoorbaar terwijl ze zeer haastig voorttreedt: In \'t donker ben je bang. Kinderachtig kind! Is de verstoeten vorstenzoon die een troon herovert, en zich met de weelde die tot een hof behoort omringt, dan ook een „verdoolde die jaagt naar verheffing boven zijn stand, en naar een weelderig genieten zonder arbeid in het zweet zijns aan-schijnsquot;!? — Poei Eva, je bent nog even bang in \'t donker als toen je een kind waart. — Maar wie had ook kunnen denken dat de lichten om halféén zouden uitgaan! Voort Eva, voort----!

— Ha, daarginder ziet ze iets bewegen. Ja, het treedt terug naar de zij van den koepel achter de fijne dennen.

— Komaan Eva, waarom gedraald! Voorwaarts, gerust! \'t Is heden uw schoonste dag: Gravinne van Armeloo!quot;

Dokter Helmond is merkbaar afgetrokken terwijl mevrouw Doele-nieere hem attent maakt op den jongen Hardenborg en freule Marie Narwal, van wel paartje men — zij houdt het voor zeker — spoedig meer zal hooren.

— Waar was Eva? Hjj ziet haar niet.

-ocr page 351-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VKOUW. 333

„O ■wil me even excuseeren mevrouw, ik heb----quot;

Helmond vliegt met zijn blik de zalen rond. De wals is aangevangen. — Mijn hemel wat spelen die muzikanten hard en wild. — Waar is Eva? Weet die kapelmeester niet meer dat hij deze schetterende wals hier niet spelen moet! \'t Is hem immers door Eva zelve gezegd. — Waar is ze dan. .. Waar? — En hij, die majoor....?

.Heb je mijn vrouw hier niet gezien Hardenborg?quot;

Freule Marie Narwal antwoordt, terwijl haar geliefde ontkennend rondtuurt:

„Ik zag mevrouw voor weinige oogenblikken de groote zaaldeur uitgaan. Ik moet u eens eventjes zeggen dokter, dat uw vrouwtje er snoeperig uitziet. Zij vertelde me straks dat ze u met die lila-japon heeft veirast. Ik zei zooeven nog tegen Ar... - tegen den luitenant toen ze daar zoo heenzweefde: precies een reine! Zij heeft ...quot;

,U houdt me ten goede freule, ik wilde....quot;

„Dokter ziet er fameus geaifaireerd uit, vin-je niet lieve; envree-seliik bleek?\'quot; zegt de fleurige beminde van Archibald Hardenborg, nadat Helmond zich in allerijl heeft verwijderd.

De Turksche wals klonk ruw en hard, waarschijnlijk te harder door de weerkaatsing van het glas der serre. Aan de tuinzijde stonden de ramen open.

In de danszaal vlogen de paren rond; \'t ging zoo geanimeerd en luidruchtig dat de oude lui — die na \'t soupee niet meer speelden

— nog eens kwamen kijken. Zie, er had een kleine stagnatie plaats. Een der wielende paren — waarschijnlijk het dansen wat veel ontwend — sloeg in \'t midden der zaal neer. Gelukkig bij \'t opstaan lachten ze allebei zooals dat behoort, en de kapelmeester werd nog te meer aangevuurd om — op straks gedane verzoek van den majoor

— de wals met kloekheid door te zetten, terwijl de dansmeester vooral wat lang zou aanhouden aangezien „er een weddenschap wasquot;.

„Ha mon ami! Goddelijke soiree. Goddelijk, c\'est le mot!quot; roemt Kippelaan, terwijl hij Helmonds hand even vastklemt en dan, door een sterken ruk naar beneden, diens arm bijna uit het lid trekt: ,Parole d\'honneur; in gespannen verwachting! Niemand iets van gezegd. Alleen mevrouw Toulaar en menheer Sommer — lieve men-schen, vrienden van me. — \'t Zal nu komen niewaar? Mevrouw al gezien. Jawel. Ze ging naar buiten. Charmant lieve vrouw, o charmant! Altiid gezeid! Een charade niewaar? Charade en action? Jawel, de majoor wacht met de costumes, achter in den tuin. Geobserveerd; jawel. Een beetje ondeugend misschien; maar enfin! Ik ben die ik ben. Charade niewaar? Allercharmantst! \'k Wilwelsouf-fleeren.. - ■ Charade niewaar ?quot;

„Ja zeker, ik moet er bij zijn;quot; heeft Helmond reeds in \'t midden van den snellen Kippelaans-roffel geantwoord, en voort is hij den tuin ingesneld.

.Maar we kunnen hier wel buiten blijven majoor. Ik mag mijn gezelschap ...quot;

-ocr page 352-

334 DOKTER HELMOND BN ZIJN VROUW.

,Natuurlijk niet te lang alleen laten, natuurlijk! Maar wat ik u ter inlichting te zeggen heb mevrouw, wil ik niet dat door iemand zal beluisterd worden. — Sedert het échec dat ik leed....quot;

„Dat is immers vergeten majoor?quot;

,0 volkomen, maar die omstandigheden rechtvaardigen toch eenigszins mijn houding. Ik behaal een groote overwinning op mijzelf mevrouw, vergeet dit niet. Uw gasten zullen u k o r t e r missen, indien u aanstonds besluiten kunt....? Zoo niet, dan keeren wij zonder over deze zaak verder te spreken naar uw heerlijke partij terug. We kunnen de zaak dan als afgedaan beschouwen.quot;

Weinige oogenblikken later staan Eva en Kartenglimp in den koepel, waarvan de deur door den majoor behendig gesloten is. Om haar dat eene papier te kunnen toonen moest er licht wezen. De majoor had er voor gezorgd. Een kleine lantaarn brandt op de tafel.

Eva heeft de papieren gezien, en niet gezien, \'t Was haar inderdaad voldoende te weten dat dit laatste stuk — door een zekeren mijnheer Ronner onderteekend, en met eenige stempels en wapens voorzien — het document was waar men alles mee bewijzen kon.— Die majoor is toch waarlijk goedaardig, \'t Is kinderachtig dat zo een oogenblik angst heeft gevoeld toen ze hier zou binnengaan. — En zie, terwijl hij haar nu het pakje met al die stukken tezamen overhandigt, en daarbij de bedoelde, hoogstbelangrijke inlichting geeft, dat hij door zijn invloed in Den Haag zeer zeker bewerken kan dat dokter Helmond reeds spoedig den naam en titel der Van Armeioo\'s zal kunnen aannemen indien hij zulks verkiest; zie, terwijl hij haar nu zoo gracieus dat kostbare geschenk overhandigt, nu zou het toch de verregaandste preutschheid zijn om den man niet met een vriendelijken handdruk haar innigen dank te betuigen, en hem te zeggen. ...

— Maar o God, wat is dat! Wat bedoelt hij nu! Hoe houdt hij haar hand zoo wonderlijk lang en vast in de zijne geklemd.... wat wat eischt hij tot loon.... ?

De woede van den tijger is te grooter naarmate hij langer een begeerden buit moest missen. — Lang, zeer lang had hij zicï ingetoomd; langer dan ooit te voren heeft hij zijn tijd zoeken af te wachten; maar nu, nu hij dan hier met haar alleen is, nu.....

,0 God, mensch wat wil je!quot; roept Eva in hevigen angst.

„Niets anders dan een dankbaren zoen voor het document van Ronner, mijn engelachtig kind!quot;

„Vent! raak mij niet aan. Wat denk je! Met mijn nagels zal ik je de oogen uitkrabben hoor je. — Help, help!quot;

„Ha!quot; zegt Kartenglimp met vlammende oogen: „Is een enkele zoen te veel voor den titel van gravin!quot;

Eva, in den hevigsten angst, neemt eensklaps het paket \'t welk hij haar zooeven overhandigde, en met een gillend: ,Dai,r! o God, moest dat je loon zijn!quot; werpt ze het hem in \'t aangezicht; en nogmaals gillend: „August, August! Helpt menschen, helpt!quot;

Een vreeselijke slag doet den koepel schudden. De glazen van een der deuren storten rinkelend op den grond. Door een hevige krachts-

-ocr page 353-

DOKTER HELMOND ES ZIJK VKOOW.

inspanning is het Helmond gelukt de gesloten deur te doen openspringen.

.Goddank! Goddank!quot; roept Eva, en in koortsachtige overspanning vliegt ze haar geliefde tegemoet.

Kartenglimp door het pakket papieren ofschoon slechts licht aan het hoofd getroffen, maar vooral door Heltnonds onverwachte komst geschokt, staat een oogenblik als verlamd. Eensklaps echter is zijn besluit genomen:

,Je vrouw speelt een vreemde rol dokter. Zoodra zij haar man in haar nabijheid vermoedt zal ze zich houden alsof....\'\'

„Mijn God! August, hoe is hot mogelijk!quot; roept Eva bijna schreiend.

„Lage ellendeling!quot; zegt Helmond, terwijl hij Eva vast aan zijn borst klemt, en Kartenglimp met een blik vol verachting doch schijnbaar kalm blijft aanstaren.

,\'t Zal de vraag zijn wie hier van ons beiden met recht een ellendeling heet;quot; brult Kartenglimp met een ruwen vloek.

Eva trilt over al haar loden. Dokter Helmond kan zich beheer-schen. Nu, nü vooral mag hij zich niet verlagen door het plegen van ruw geweld. Met nadruk zegt hij zacht:

„Wanneer je wist mensen, wat er omgaat in mijn ziel, het zou je zelf verwonderen dat ik je niet met dezen stoel, m één slag den boozen kop verpletter. Om mijn vrouw te sparen, die ik geen oogenblik langer aan je vuilen blik wil blootstellen, vergun ik je van hier te gaan. Wij spreken elkander nader. Ga heen!quot;

Kartenglimp inwendig bevend en overtuigd dat hij nooit zal herwinnen wat hij nu verloor, hij kan — inweerwil van den angst over Helmonds „wij spreken elkander naderquot; den lust niet bedwingen om zich aanstonds over zijn nederlaag te wreken. Met ruwe vloeken en verwenschingen barst hij los, en noemt zeer zeker hém den grootsten ellendeling, die ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken als dokter verwaarloost, wiens praktijk in weinige weken door schandelijk verzuim zoo goed als verloopen is. en die ten overvloede schuld maakt i \' 11 met het uitzicht op den spoedigen dood van een

Eva\'s verontwaardiging kent geene grenzen meer. Toen dat monster — dien ze inderdaad slechts van den beginne afaan heeft geduld, omdat ze door hem tot de hoogste eer dacht te komen, toen hij straks haar eer zoo schandelijk durfde belagen, toen ontstelde zij hevig maar gevoelde zich toch krachtig, ja krachtig zelfs als vrouw, om te heerschen over ... het dier. Nu ze echter haar innig geliefden man op die wijze hoort aanvallen en zijn eer belagen, nu roept ze met fonkelenden blik in schier teugellooze woede;

„Dat is gelogen! Dat is hemeltergende laster! — August, roep onze gasten hier. Dat mensch zou ons krankzinnig maken!quot; En dan schreiend aan Helmonds borst: „O God, zóó te durven spreken van mijn edelen braven man!quot;

„Stil kind, stil! Ja zeker,quot; aarzelt hij in hevigen tweestrijd: „dat is onwaar. Zeker Eva, hij liegt!-\' En dan eensklaps met half ang-

335

-ocr page 354-

336 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

stigen, half vernietigenden nadruk tot Kartenglimp, die reeds de deur was genaderd: „Schuldenaars zijn we allen; maar de een kan zijn schuld vereffenen, en de ander misschien in der eeuwigheid niet!quot;

„Halt Ronner!quot; roept Archibald Hardenborg, terwijl hijdenmaioor den uittocht belet: „Halt!quot;

„Ronner! Wat meen je! Verdoemd als ik weet wat je zegt. Denk je dat ik....?quot;

„Ik denk en weet dat jij de lage schelm, de geld- en eerroover bent, onwaardig om de epauletten van een Neenandsch officier te dragen. Hoe is \'t mogelijk dat men dit nog kon toestaan!quot; Eensklaps met forschen greep, rukt Hardenborg hem een epaulet van den schouderwerpt hem die voor den voet, er. zegt: „Ha; val nu weer op de knieën lafaard, zooals bij dat prachtig duel. Bid weer om vergeving en behoud van je ellendig leven, ter wille van een arme moeder die niet meer bestaat. — Komaan poltron, komaan op de knieën voor deze engelachtige vrouw en voor mijn edelen vriend. Vergiffenis gevraagd, of anders, zoo waarachtig als ik een Neder-landsch officier ben, eer drie dagen voorbij zijn, gaat je cadaver in \'tgraf. Op de knieën poltron, op de knieën!quot;

„Nee Archibald, nee! wij willen dat niet.quot;

„O!quot; roept Hardenborg: „dat mispunt doet het zelfs voor de tromp van een geladen pistool als hij eerst heeft misgeschoten. Lafaard!quot; Op Helmond en Eva wijzend: „Die man is te goed, en die vrouw is te geschokt om je hier langer te dulden. Bovendien, zij hebben haast. Hun gasten zouden hun afwezigheid bemerken. Goddank dat ik tusschenbeiden kwam! Ik, ik ken je. Al hebben je al te genadige rechters zeker hun woord gehouden, de zaak moest in Indië ruchtbaar worden; de bosachen hebben er ooren. Voorwaarts marsch! Ha, \'t is nog kluchtig er bij: de majoor-poltron wordt gecommandeerd door een luitenant op non-actief.quot;

Dit laatste was toch te veel voor den oud-militair. Met een brullende verwensching en vuurrood geworden, grijpt Kartenglimp het wapen \'twelk Helmond straks versmaadde, en zou den jongen officier met den stoel hebben getroffen, indien Helmond niet, door een slag op Kartenglimps arm, zijn voornemen had verijdeld.

„\'tZou zóó best mogelijk worden dat de ziekte waarvoor je vreest er dezen nacht een eind aan maakte;quot; zegt Helmond met klem.

Kartenglimp siddert. — Dezen nacht een beroerte!

De overspanning na velerlei hartstocht moest het na die laatste krachtsinspanning waarschijnlijk bewerkt hebben, of de schrik bij des dokters laatste woorden het allermeest: Een blauwachtig paars verving Kartenglimps gloeiende kleur. Hij wankelde, klemde zich vast aan de tafel, en.... door de duizeling getroffen zou hij zijn neergevallen, indien dokter Helmond niet ijlings ware toegeschoten en hem voor den val had behoed.

Bij eene vrouw wordt zelfs de hevigste afschuw alras door medelijden vervangen, wanneer ze haar belager door een onheil getroffen ziet. De onverwachte ongesteldheid van den majoor en zijn akelig voorkomen, verdrongen eenigszins den indruk van hetgeen er vooraf

-ocr page 355-

DOKTER HELMOND EN ZUN VBOÜW.

was gegaan. Ja zelfs haar heimelijko vrees voor de waarheid moest nü wel eensklaps verdwijnen, want zie maar, de man die „ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken door schandelijk plichtverzuim geheel verwaarloostquot;, zie dan, diezelfde dokter laat zijn geschokte jonge vrouw aan haar zelve over, om een lagen beschuldiger, een onmensch — als patiënt aanstonds ter hulp te komen. — O goede God, is er een edeler man op de wereld!

En Eva zal toonen dat ze zulk een echtvriend waardig is. Zij zal toonen bovendien dat ook zij zich beheerschen kan, èn terwille van haar gasten, èn ter voorkoming van onnoodige opspraak.

Ja, Eva zal aanstonds in den koepel doen bezorgen \'tgeen Helmond verlangt. Hardenborg zal bij hem blijven. Alleen zal ze naar \'tgezelschap terugkeeren, en haar man en zich zelve verontschuldigen, dat men voor een ongesteld geworden gast eenige oogenblikken het gezelschap verlaten moest. — \'t Zal voldoende zijn te zeggen, ja, dat men een kleine charade heeft willen uitvoeren, en de majoor 1 \'t spreken ervan, door een plotselinge ongesteld-

Alvorens Eva zich — even snel als dit besluit werd genomen — zal voortspoeden, wendt ze zich haastig naar een hoek vau den koepel; raapt er iets wits van den vloer, en laat het onder \'t heengaan ongemerkt wegglijden in den zak van haar lila-zijden kleed.

ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Was twee dagen na Eva\'s verjaardag. Er hing een zware mist. — Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was teruggebracht — ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in achtergebleven — kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig schreden afstands.

\'t Was een sombere herfstdag. — Eva tuurde naar buiten. — Nu dat feest voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets „gedesoeuvreerds.quot; Zij heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien; maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat extra\'s te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of staan. — Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs geen kar voorbijkomen. — En dan, zoo\'n groot huis, zulke enorme kamers, zonder menschen! Op den duur is \'t ontzettend vervelend. Luchtig, nu ja, en duizendmaal beter dan zoo\'n krot aan den wal, maar zonder menschen, nee! — En met zoo\'n mist en tegen den winter. ...! Als August weer wat flinker zal zijn — want zoo heel heel fiksch is hij niet — dan zal ze er nog eens een balletje over op-I. 22

337

-ocr page 356-

338 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

gooien om in Parijs----neen dat zal toch niet lukken — maar om

tenminste in een groote stad te gaan wonen.

— Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij fortuin heeft, waarom dan hier te blijven ! In een andere plaats had men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje, die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.

— O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.

— We moesten den lieven „papaquot; maar eens tegemoet rijden. — Maar met den mist....quot; En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva niet. Ze zal hem maar liever afwachten. — Gelukkig dat hij zijn menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt om zelf dien vreeselijken majoor mee naar huis te brengen. — Foei, aan die scène mag zij niet meer denken. — Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar beste August als bij intuitie haar op dat oogen-blik te hulp kwam. En, dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August! — Maar ha! August heeft het leugen genoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit den mond van een, die — o gruwel en laagheid — zich reeds in Indië op zulk een wijze had doen kennen. Nu \'t is hem voorgoed verleerd om zijn logens omtrent dien besten man in \'t rond te spuwen. Gisteren toen hij van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou spreken dan over een — door zijn plotselinge ongesteldheid — mislukte charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ron-ner dan blad voor blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou schrijven met bloedroode letters.

— Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den feilen gloed heeft ze toch haar schat gered. Ja, en \'t was haar eigendom wel. Al had hij ze haar niet geschonken, de familiepapieren der Van Armeloo\'s behooren het allerminst aan een verachte-lijken gelukzoeker. Voor zijn moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom, neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.

De mist hangt droevig zwaar, \'t Scheen tegen den middag een oogenblik alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds voort, en nu.... de boomen op \'t marktplein zijn geheel onzichtbaar.

Over Eva\'s gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur, dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam bezighouden.

-ocr page 357-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 339

— Ja ia, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu \'t allereerst en \'t allerbest moet gedaan worden. Er is een heeleboel te lezen.

Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een briefje gebracht, \'twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.

\'t Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke was geroepen, \'t Kon wel avond worden, zeven acht uren.

„Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;quot; beval Eva iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen, terwijl ze verder die papieren doorliep.

En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in haar voltaire; en.... Toen werd net eensklaps licht, helder licht voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning, stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps — alsof het een stormwind ware — blies hij met zijn geweldigen adem het licht uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg van hare zijde, en....

,0 God! August, August!quot; gilde Eva ontwakend.

Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster, \'t Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir, ijlings vloog ze op, en schelde om licht.

August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van het landhuis De Zonsberg. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.

Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit, zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig seconden misschien.

„Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel....quot;

Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen, groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking en zulk een vervloeking!

«Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan. — Geloof je je zusje dan niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek.

-ocr page 358-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VRODW.

Die telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat hij zegt; hij meende alleen.. ■quot;

Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet spaion, zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:

„Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa....quot;

„Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was August, zeer bedroefd____quot;

„De generaal is nu ziek Jacoba.quot;

„Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats.....quot;

„Inplaats van mij te..... vervloeken;quot; zegt Helmond zacht.

„Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer men met een hartkwaal te worstelen heeft!?quot;

„Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk. — Maar nu,quot; herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: „nu kan ik hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan: hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek.quot;

„En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen overlaten? — Nee nee, dat kun je niet, ik weet het zeker!quot;

„Er is geen dadelijk gevaar Coba.quot;

„Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk een naderend gevaar is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend hart. Al -ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: „Doe wél dengenen die u haten.quot; Maar nee August, mijn lieve zieke vader haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik bid je lieve August!quot;

Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.

„En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneer ik ze heb voorgeschreven.quot;

„Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden tante en ik beginnen zonder eenige hulp!quot;

„Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; \'t zal niet geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot dokter heeft.quot;

„Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August, zeg jij ons wat we doen móeten; zend de medicijnen die noodig kunnen zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van mijn trouwen vader.quot;

„Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent zijn onwrikbaren aard.

340

-ocr page 359-

DOKTEE HELMOND EN ZIJN VBOUW.

„Ik heb het gevonden!quot; roept Coba met vuur: „Jawel hij zal, hij moet ze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja — zoo waar als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer ie hem — ondanks zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor \'t leven en voor zijn kind hebt behouden.quot;

Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloer-steenen als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem 1 n liet hem door vleiend smeeken

t

herhalen, die hii reeds

de woorden

toestemmend gesproken had. —

Ach, August zou haar toch wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook dat zij van nu afaan — indien hij den geliefden vader met Gods hulp maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen vloek in een zegenbede te doen verkeeren?

Alvorens de woning voor altijd te verlaten — ja August weet het zeker, voor altijd — blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm in de oogen; vat dau haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen, zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna----

De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.

Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom heeft haar het uitzicht geheel benomen.

\'t Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig bemerkt \'twelk juist kwam voorrijden.

„Is de generaal thuis?quot; klonk een stem uit het rijtuig.

„Ja, maar niet te spreken.quot;

„Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was. — Niet te spreken zeg je? \'tWas de afspraak dat ik vandaag zou komen.quot; Zachter: „De verkoop van De Zonsberg gaat door; hij kwam het mij zeggen op den avond toen ik van je feest werd geroepen; en \'k ben hard bang voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is ie ziek.... erg ziek?quot;

Helmond staat nu als wezenloos bij \'t geopend portier, tegenover den nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, \'twas hem niet vreemd wat hij daar hooren moest; \'twas hem de bevestiging van \'tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd; De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering te maken in zijn uitersten wil.

„Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?quot;

341

-ocr page 360-

342 DOKTBR HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Nee. — Ja ja, o ja, \'tis op dit oogenblik zeer zeer erg met.... Je zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even.quot;

Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan de schel.

En, ofschoon hij \'t zooeven niet gedacht had — nogmaals trad hij de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke Coba. Maar nu — \'t was goed dat het zoo\'n sombere mistige dag was — er parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij nu „verkoopzakenquot; met Zoutenheer bespreken moest, \'tzou hem zeker veel kwaad doen.

\'t Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte, ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar vader voor \'t moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.

Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of hij hem nü of later wenschte te spreken.

,Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;quot; zegt Helmond met eenigszins trillende stem.

„Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris dan naar zijn dokter doen verlangen. — Ik zeg er kunnen redenen zijn.quot;

Helmond wischt zich ongemerkt het koudo zweet van [de slapen:

„De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn.quot;

„Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak niet boven hun ledikant verkoopen!quot;

„Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld.quot;

Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal \'thaar vader gaan vragen.

Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn ademhaling is benauwd.

„Ben jij daar Coba?quot;

„Ja lieve pa.quot;

„Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?quot;

„De notaris----? Nee, dat geloof ik niet.quot;

„Als hij komt laat hem dadelijk boven.quot;

Jacoba voelt haar knieën knikken., Antwoorden kan zij niet. — Zijn ademhaling is nog benauwder dan zooeven.

Weer heeft ze de kamer verlaten.

„Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u vriendelijk later eens terug te komen. Als u \'t goedvindt zal ik u nader een boodschap zenden.quot;

-ocr page 361-

DOKTER HELHOND EN ZIJN VKOUW. 34b

„Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?quot;

„Hó een rijtuig?quot; Jacoba gaat naar het venster, en dewijl demist haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien, waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid zeggen: „Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik hoor niets.... hoor maar, niemendal.quot;

Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd geworden om op De Zonsberg te komen. En terwijl ze het zeide, trilde de bee haar in \'t hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk de duive!

— Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. \'t Is alsof er meer vrede kwam in zijn gemoed.

„Waar ben-je mijn klein lief meisje?quot; zegt eensklaps de grijsaard en strekt de hand naar haar uit.

„Hier beste papa.quot; Met teedere kussen bedekt zij zijn edel voorhoofd. — Maar stil, nu moet hij slapen. — Zie, hij sluit weer de oogen.

— Is dat droomen? Wat wd dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens met hijgende stem:

„Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden. — Ha, daar

is hij____ met een kanon op den schouder; en zijn voet op die

vrouw. — Ha! Goddank!quot;

„Vader, palief! zulke droomen!quot;_

„Ah zoo, was jij daar lief meisje; ik dacht.... ik droomde ... Als Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer brengen.... dat ik.... wachten zal. -.. totdat....quot;

„Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;quot; zegt Coba, en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en van vreugd.

De grijze generaal drukt Coba\'s hand, en trekt haar nader tot zich.

„Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook

nooit ... — Stil, daar komt Blücher---- Ha ha ha! nu zal hij

neerploffen van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In galop marsch! Attaqueert---- snelvuur!----Vuur!quot;

Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend zegt hij: „Ik geloof dat ik weer droomde. — Nee niet weggaan, mijn goed lief kind. Niet bang zijn, nee!quot;

„Tante! tante!!quot; roept Jacoba: „O tante help, help!quot;

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De notaris Zoutenheer heeft dokter Helmond niet kunnen bewegen om mee naar de stad terug te rijden, \'t Was misschien ook maar

-ocr page 362-

344 DOKTER HELMOND EN ZUN TROUW.

beter. — Hij heeft medelijden met den jonden man; waarachtig

medelijden. Fiksche kerel; knap in alle opzichten, maar---- Te

goed, jawel al te meegaande. Geen verstand van japonnen. Zouten-heer is zich bewust dat hij niets, volstrekt niets gedaan heeft om.... Neen, \'t sprak vanzelf dat een notaris die er „een nest op nahoudtquot;, huizen ziet te verkoopen als er „een stuiver of twaalf mee te verdienen valtquot;, maar anders — wat hij deed, hij kon het voor zijn geweten en z\'n beurs verantwoorden. — Kartenglimp, nu ja, dat is een andere affaire. Enlin, enfin, \'t spijt hem: maar als notaris moet men zijn plicht doen, en, al verkoos mijnheer van De Zonsberg, den armen duivel zelfs heelemaal uit zijn testament te schrappen, de notaris was tot schrappen verplieht; plicht boven alles!

Helmond heeft niet mee willen rijden, \'t Was hem niet mogelijk geweest om in do nauwe vigilante te stappen, en zich te zetten naast dien man met zijn grooten diamanten ring aan den vinger. Lucht moet hij hebben — al zij het een mistige lucht; en ruimte, ruimte! al wordt de blik door dien mist ook beperkt.

Wat bezielt hem dan, dat hij plotseling voor dien algemeen ge-achten notaris zulk een tegenzin gevoelt, iets, alsof hij eensklaps van vriend een hevige vijand geworden is? Wat drukt en benauwt hem zoo geweldig dat het hem gedurig is alsof hij.... de wereld zal moeten stukslaan om er uit, en in vrijheid te komen?

— Kalm Helmond, kalm! Weet een oud man wat hij zegt als hij ziek is naar lichaam en geest! En wat beteekent zulk een vervloeking? Welk edel mensch vervloekt een ander? Zulk een mensch moet al zeer hoog staan in eigen schatting. Die er beteekenis aan

hecht is krankzinnig..... — Krankzinnig..... — Als die notaris

geloofde, neen, indien hij wist dat die oude man het was, dan

mocht hij daar niet terugkomen.... dan----Maar dat is gelogen,

die grijsaard is bekrompen, doch niet krankzinnig. Neen, wat hij teekent als zijn uitersten wil, dat is een geschreven wet. — Wat roert daar en doet hem ontstellen? \'t Is een boschduif die uit den eschdoorn wegvliegt. — Hier was het, ja hier, op dien voorjaarsmorgen. — Hier nield hij hem staande, de grijze pleegvader, en heeft hem de hand op den schouder gedrukt en gezegd: „Wil je weten August of Eva een goede vrouw zal wezen, beproef haar, en zie of zij de vrouw is die de moeder van koning Lemuël voor haar zoon begeert.quot; — Ha, dat was toch krankzinnig, twee en twintig verzen: Oostersche kruiden.

Hoor:

„Een deugdelijke huisvrouw---- zoekt wol en vlas en werkt met

„lust harer handen. Zij staat op als het nog nacht is en geeft haar „huis spijze. Van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. „Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert den koopman „gordelen. Zij beschouwt de gangen van haar huis en het brood „der luiheid eet zij niet. De bevalligheid is bedrog, en de schoon-„heid ijdelheid; maar de vrouw die den Heer vreest die zal gepre-tZen worden; en laat hare werken haar prijzen in de poorten.quot;

-ocr page 363-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

— Hoe komen die woorden hem eensklaps zoo heider voor den geest? Hij weet het niet meer. Waar denkt hij dan aan ? Aan wie? — Ha, Eva! — O zie, nu zit ze voor haar Erard; ze zingt; ze weet van niets, ze weet niet. .. -

„Goeden middag dokter, \'k Wist eerst niet zeker of het dokter wel was. Alles frisch en gezond?quot;

„Ah Darman, ben jij het? — Hoe gaat het?quot;

„Goddank best dokter. We hebben op Den Drumpt van dit jaar een gewas van geweld. — Zegen in alles. De kinders groeien als look, en als m\'n wijf me \'s avonds met d\'r rooje lippen een zoen geeft, dan zeg ik, dat is een doorslag op den zegen, vijftig schapen hebben gelammerd. De scharige ossen heb ik aan Pranck verkocht en aan \'t veer geleverd; ze moeten naar Engeland. De Engelschen hebben geld als water en eten biefstuk als roggebrood. — Als de buil vol is dan loop je vroolijk naar \'t erf dokter, aldat het mist dat men z\'n eigen niet zien kan.quot;

Helmond weet niet wat hij zeggen moet:

-— Ei, heb je \'t geld voor je ossen meegebracht....? Neen, dat zeide hij niet; het zweefde hem op de lippen;

„Ja dat is plezierig Darman.quot;

„Dokter meent toch dien mist niet? \'t Geld in den zak niewaar? — Bange wezels zeggen dat je \'t Duivelsche Laantje aan gene zij van De Zonsberg niet met geld moet doorgaan. Ik maal d\'r wat om! Met vijfdehalf duizend gulden in m\'n zak, loop ik net zoo gerust als dokter \'t doet met z\'n receptenboek.quot;

Dokter Helmond voelt het hart kloppen tegen dat receptenboek. In dienzelfden zak zat nog iets anders. — \'t Is de brief van Kartonglimp die hem binnen tweemaal vier en twintig uren terug vraagt wat hij hem leende. — \'t Was goed dat die eisch is gekomen; ja hij heeft het voorzien en gewild, want die schuld brandt hem sinds dien avond, als een helsche vuurgloed op de borst. Die schuld moet vereffend worden; morgen, nog heden!

,\'t Is toch gevaarlijk Darman; de weg van \'t veer naar Den Drumpt is eenzaam.quot;

„Wat eenzaam! Geld met moeite en zorg verdiend maakt vroolijk en sterk.quot;

Dokter Helmond weet niet meer wat de tevreden boer, al voortgaande verder praat.

Nu zijn ze niet ver van de stad aan een zijweg gekomen. Boer Darman moet — naar Den Drumpt, dien weg op. Met de vereelte hand drukt hij de hand van den dokter — die zeker een zwaren patiënt heeft, zoo vreemd zoo kort als ie was!

„Atjuusjes tot weerzien.quot;

Helmond heeft den boer een „wel thuisquot; gewenscht. Tien schreden van elkaar verwijderd, blijft Helmond aarzelend staan; wendt zich om, en roept terwijl hij den boer ter nauwernood zien kan;

„Hei Darman!quot;

„Riep je dokter?quot; _

„Darman, ik wou je vragen.... Ik wilde----quot;

345

-ocr page 364-

346 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VBOTTW.

„En dat zal wezen dokter?quot;

„Ik.... Je hebt geen vuur bij je? Ik wou----quot;

„Wou je opsteken dokter? Nou m\'n ketsgerij is goed; met alle plezier.quot;

De damp van Helmonds sigaar verdween in den mist. De dokter

fing het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft e verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.ing het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft e verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.

In de voormalige huiskamer naast de apotheek zat er iemand op dokter te wachten. Goed; maar eerst moet Helmond het briefje lezen \'twelk Thomas hem overhandigde, \'t Is het briefje, waarop de houding van den notaris hem reeds voorbereidde. Hij heeft het verwacht. Bijzondere omstandigheden dringen den notaris om dokter Helmond te berichten dat hij hem de gevraagde som onmogelijk...

— Natuurlijk! zegt Helmond onhoorbaar; Ik wist het; de diamanten ring had het me reeds gezegd.

De persoon die Helmond in zijn voormalige huiskamer wachtte, was een tamelijk deftig heer. Hij maakte eenige plichtplegingen namens de firma Leesenaar amp; Comp., wier zaakgelastigde hij was, en verzocht den dokter beleefdelijk om de loopende rekening over de maanden Augustus en September met hem te willen vereffenen, \'t Zou den dokter wel bekend zijn — zooals ook hierboven aan de oota met groote letters gedrukt stond — dat alles a comptant werd verkocht.

De Psyche, die mevrouw Helmond voor een paar dagen bestelde en die ook binnen een paar dagen geleverd zou worden, kwam voor de rekening van de loopende maand. Natuurlijk, natuurlijk!

Het totaal der meubelmakers-nota bedroeg een som die Helmonds schatting verre zou zijn te boven gegaan, indien hij in deze oogen-blikken een juiste voorstelling van cijfers had gehad.

— Gisterenavond, Goddank, toen heeft hij van alle kanten nog zóóveel bijeengebracht dat hij aan den braven huisschilder Wulters zijn woord kon houden. Vraag hem niet wat hij er voor doen moest, \'t Zou immers alles nog terechtkomen: de notaris zal hem wel helpen; en.... oom Van Barneveld!

— Maar nu, wat raakt het hem nü of die cijfers groot of klein zijn. Uit een leege flesch kan men evengoed een okshoofd wijn als een enkel glas schenken.

„Ik ben niet gewoon,quot; zegt Helmond, voor \'t uiterlijke kalm: „om op deze wijze gemaand te worden menheer. Men verwacht zoo iets in geen geval van een huis waar men zooveel gekocht heeft.quot; Na een oogenblik zwijgens: „Uw patroons kunnen over veertien dagen disponeeren.quot; En dan als tot zich zeiven: „Ik begrijp niet waarom men zooveel haast maakt.quot;

Neen, Helmond begreep het niet. Maar straks zal een andere en

vrij wat ruwere aanmaning hem van verre doen vermoeden____

Wat? Doch, neen, zóó iets gelooft hij toch niet. Dat er oen aantal naamlooze brieven aan Helmonds crediteuren door den schandelijken

-ocr page 365-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOXJW. 347

Ronner zijn verspreid, met een waarschuwing om zoo spoedig mogelijk te trachten het door Helmond aan hen verschuldigde meester te worden, aangezien het te vreezen was dat hij zeer binnenkort met de Noorderzon vertrekken zou; neen, dat heeft Helmond niet gegist of begrepen. Maar geen nood. Wie zou dat gulhartig gelaat niet vertrouwen, wanneer men uit dien edel geplooiden mond de verzekering mag hooren dat men op een bepaalden datum over het verschuldigde beschikken kan.

Toen de laatste bezoeker met beleefden groet vertrokken was, kwam er een klein ventje met een briefje, \'t welk hij aan dokter moest geven, en waarop hij het antwoord wachten zou. — Ze hadden „aan \'t groote huis gezeid dat dokter misschien wel aan de apotheek kon wezenquot;.

\'t Is zeer vroeg donker. —- Toen Helmond in den namiddag, na het ontvangen van een haastig briefje van Jacoba, met dringend verzoek of hij toch aanstonds op De Zonsberg wilde komen, aan Eva meldde dat het wel laat zou worden eer hij thuis kwam. toen heeft hij een breede tijdruimte wel noodig geacht, en niet vermoed dat zijn bezoek zoo kort zou duren. Maar toch, \'t wordt nu al donker. Geen wonder met dien mist. — Hij kon het briefje niet meer lezen:

,Wil je de lamp aansteken Thomas?quot;

Thom stak de lamp aan, en zette het groene kapje er op, en sloot de luiken.

Helmond leest:

„Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van ƒ2.35 centen.

Voldaan W. Wulters.

dato .. Oct. 18..quot;

— Wat vreemde lach klinkt er uit dokter\'s mond!?

„Is \'t om een medicament dokter? — Moet jij wat uit de apotheek hebben manneke?quot; zegt Van Hake.

„Nee, twee gulden en vijf en dertig centjes. Vader was bang dat ie ze anders niet kriigen zou.quot;

Thom werd bloedrood en had dat kleine monster wel in den vijzel willen platstampen.

„Twee gulden vijf en dertig centen. — Is \'t goed dokter; zal ik \'t maar betalen?quot;

\'t Was goed. Thom betaalde. — Nochtans een trek van verachtend medelijden plooide Helmonds bleek gelaat. — Dit briefje kwam van dienzelfden braven huisschilder Wulters. — Welzeker! Maar waarom kan die man niet braaf zijn en goed, en toch bevreesd dat hij zijn tweehonderd en zooveel centen niet krijgen zou. Ja waarom niet?

„Hei ventje----?quot;

Was het werktuiglijk? Uit dal kleine laadje heeft Helmond een pijp zwarte drop genomen en steekt die, starend voor zich heen

-ocr page 366-

348 DOKTBK HELMOND BN ZIJN VBOUW.

den kleinen Wulters toe. De jongen lekte tot dank met de roode tone langs zijn schat en rende de straat op.

Tnomas krijgt geen antwoord op zijn vragen.

„Watblief? — De generaal? O ja veel beter. Je vraagt of het beter was....? Maar zie jij dat niet?quot;

„Ik dokter?quot;

„Ja, zie je dat niet? Hier aan mij-.- - hier?quot;

„U ziet er wat ontdaan uit; zeker, maar. . -

„En ik vergeet hem!quot; herneemt Helmond als tot zich zeiven: „hém en haar. — Thomas, komt het jou voor dat ik zenuwachtig ben?quot;

Thom aarzelt, en dan snel: „Ja waarachtig dokter, \'t schijnt met den ouden heer erger te zijn dan u bekennen wilt, en....quot;

„En...?quot;

„Niets mijn beste dokter. — Och God, als ik zeggen mocht wat ik denk. — Och dokter----quot;

„En wat wou je zeggen? Wat? — Maak die deur toe.quot;

„De deur is dicht dokter. — Wat ik zeggen wilde? Ik wil____

nee, ik ma§ het niet zeggen.--Maar ja, toch: Die ü niet genegen is, die is het daglicht niet waard. Ik heb het bidden voor dien hardvochtigen generaal verleerd dokter. Hij is oud; God gaf voor u dat het zijn tijd was.quot;

Helmond wordt eensklaps purperrood; zijn oogen fonkelen.

„Thom!quot; zegt hij met klem: „Thom ben jij het! Ga heen; ik wil je niet zien.quot; En dan met de hand aan het hoofd: „Nee blijf, dat was uit overdreven liefde voor mij.... Je meende het goed Thomas. Je meent het altijd goed m\'n vrind. Maar wie zegt jou, Thom, dat i k om eenige reden zou wenschen....quot;

„God beware dokter! ü wenschen! Nee nee, dat zeg ik zeker niet. Maar, als men dan miskend wordt en niets aan de levenden heeft, dan troost men zich gemakkelijk over hun dood. U trekt je alles zoo ijzerzwaar aan, beste dokter.quot;

„Zwijg nu; ik weet wel hoe je het meent; maai- toch, zóó iets duld ik niet. •— Doe die deur toe Thomas. Jawel, de deur is open. Niet? Nu zorg dan dat ze dicht blijft.quot;

Helmond schijnt zich iets te herinneren; en terwijl hij in zijn portefeuille zoekt:

„Waar is mijn recept? Waar is mijn recept Thomas?quot;

„Uw recept? Ik weet het niet. Welk recept dokter?quot;

— Welk recept? — Ja, welken patiënt heeft hij dan het laatst bezocht? \'t Is alsof hij zich nog in dien mist bevindt. Hij weet het niet meer. — Ha! nu weet hij het. Aan Jacoba beloofde hij, voor dien ouden man iets te zenden \'tgeen hem weldadig kon zijn. —Ja. nu is \'t hem alles weer klaar. Die oude man heeft een hartkwaal en Coba zal hem ongemerkt in \'tgeen hij gebruikt een geneesmiddel toedienen. En zie, hij ligt daar; daar o|) dat bed, en hij ziet hem

aan, en vuur spat er uit zijn oogon, en hij zegt____— Neen stil, die

vloek was razernij; het hart waaruit hij voortkwam is ziek.

— Stil, wees nu kalm Helmond; haal al die zwarte beelden niet door je hoofd; Iaat Thom niet bemerken dat je zoo overspannen

-ocr page 367-

dokter helmond en zun vkouw. 349

bent; wees sterk! Spoed nu; maak de poeders klaar. Thomas zelf zal ze erheen brengen, en Jacoba uitleggen hoe zij ze geven moet.

Thom heeft den wensch van zijn meester vernomen. Met de meeste liefde zal hij aan juffrouw Van Barneveld alles uitleggen. Wanneer hij dokter hier niet meer helpen kan, dan zal hij zich nu maar aanstonds gereedmaken.

Dokter Helmond weifelt geen oogenblik in de keuze van zijn geneesmiddel — indien het een geneesmiddel heeten mag.

Cyanuretum zinci staat er op een der fleschjes, die in het afzonderlijk hangende en goed gesloten vergiftkastje geborgen zijn. De sleutel van het kastje ligt op de gewone plaats bovenop. Nu heeft hij het kastje geopend.

„Wie is daar!?quot;

Ja, er was toch iemand. — Mijnheer Kippelaan struikelt naar binnen, en verzekert dat hij verrukt is, en nog meer, \'tgeen Helmond echter niet verstaat. Kippelaan sprak van mist, en van mevrouw

Helmond, en van----— dat was de zaak van zijn intiemen vriend

Kartenglimp. Namens den majoor, die sinds het kleine toeval op de partij — amusante partij — niet heel wél was en thuis bleef, en, o wonder — maar natuurlijk bij vergissing — inplaats van amice Helmond, amice — nee pardon, dokter Biermans liet halen, de majoor had hem vriendelijk verzocht dit briefje aan dokter Helmond ter hand te stellen, zeker een explicatie bevattende omtrent de vergissing of verwarring met het roepen van één dor amices doctoren. Kippelaan kon parole d\'honneur in gemoede getuigen — ofschoon het misschien vreemd klonk — dat hij niet weet wat er in dat briefje staat.

Geen de minste ontroering is er op Helmonds gelaat te bespeuren, nu die wauwelaar hem strak aanziet terwijl hij het briefje leest. — Helmond las:

„De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaaintelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgeu den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de onder-geteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.

Kartenglimp.quot;

„Ik dank je Kippelaan.quot;

„Geen dank! Pas du tout! — Onder vrienden! — Wat ik zeggen wou: De majoor vraagt in dat briefje....quot;

„Of je hem \'t antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!quot;

„Welzeker, welzeker! Met alle plezier.quot;

„Zeg hem dat h? in orde zal zijn.quot;

-ocr page 368-

350 DOKTBB HELMOND EN ZIJN VKOUW.

,In orde....? Maar wat?quot;

„De zaak die ik met hem te regelen heb.quot;

„Dus een zaak----? Maar a propos, zonder de minste indiscretie:

is het waar amice, dat jij----quot;

„Ja j a, dat is waar;quot; zegt Helmond met een blik die den wauwelaar een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:

„Wat? Wa.... blief?quot; — Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en, onwillekeurig terugtredend naar de deur: „Allerliefst in zoo\'n

lab----lab---- bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten

aan de geëerde familie. Graven niewaar? Allemaal graven. Pardon! — Adieu!quot;

Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die brieven? — Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.

— Terug — Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in zijn oogen! En — wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie weet. -.. wie weet!

Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen. — Nu gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan \'tgeen hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust. — Ha, schokken als die der laatste uren zouden we\\ sterker gestellen een oogenblik in de war kunnen brengen. — Doch zie maar, als Helmond wil dan is hij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men niets bemerken---- „Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit....quot; — Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....

Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:

„Thom!\'\' en met verheffing: „Thom ben jij daar! ?quot; Helmond houdt de hand voor het licht en ziet naar de deur.

— Neen daar was niemand.

— \'t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar \'t kon nil Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.

Helmond heeft het kleine flcschje met den witten harstachtigen inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen. — Met dien inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig. — De lamp met het groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt het fieschje in de hoogte tegen \'t licht, en keert en wendt het als wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.

Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje. schudt hij nu een zeer zeer kleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegen-

-ocr page 369-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOÜW. 351

over het miniatuur-gewicht. — Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds doodelijk zijn!!.... Ho — ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een oogenhlik zoo woest door het hoofd! Wie.... wat is daar? Wie zingt of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?

— Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt voor het raam.

,0 God!quot; Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de hand en valt aan duizend stukken op den vloer.

Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter. — Zeker, hij herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd —bruiloft! Met Huibert en Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij het apotheekraam heeft een der gasten — zeker Careltje van den bakker, die \'t pistool nooit met rust kan laten — een schot gelost terwijl ze zingend voorttrokken.

\'t Was zeer begrijpelijk dat dokter, — in groote onrust over den treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben, nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.

„Wat ons in gewone omstandigheden in \'t geheel niet zal treffen,quot; zegt de weduw: „dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op \'t allerhevigst.quot;

Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.

„Bovendien,quot; aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar inde oogen springen: „men maakt het u moeilijk, men....quot;

„Wie?quot; zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven, om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naar De Zonsberg te spoeden.

„Waarom niet eerlijk met u gesproken!quot; zegt mevrouw Van Hake, zoodra Thomas in allerijl is vertrokken: „Als zelfs de kwade tongen zich roeren, dan mag de vriendentong toch zeker niet zwijgen; nee dan zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in schulden gestoken....quot;

,Wie wie zegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos schuld omdat zij de schoonste bloem is en \'t heerlijkst geurt? Heeft de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner zang op de wereld is?quot; Helmond dacht aan Eva\'s lied.

„Beste dokter, ik zou u ook nü willen sparen, maar het mag en kan niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen of veranderen zal, en daarom....quot;

„Wie zegt dat? Wie? Ik zeg u dat het niet waar is. En al was het zoo, wat gaat dit den menschen aan!quot;

-ocr page 370-

352 DOKTER HELMOKD EN ZIJN VROUW.

„Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij aanV Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier. ... Het zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja \'t is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl ik alles otn niet genoot. — \'t Was voor mijn braven Thom bestemd als hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire liggen terwijl ze ü nelpen konden. Och dokter,

misschien kunnen ze u steunen voor \'t oogenblik, en dan dan____

Ja ik moet toch spreken, al zoudt u \'t me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u, ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van, met ü zal ze terug willen, liever dan in \'t einde alleen te moeten. Helmond, zeg haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je haar, om haar zwakheid, uit liefde

bedroogt. En dan---- Och zie mij nu eens aan, mijn beste brave

vriend, troost u en wees sterk. Al moesten de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies van \'t geen waarop u hebt gerekend, — ik weet het Helmond, slechts in den laatsten tijd, — keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal u steunen; ik ben er zeker van.quot;

Helmond waant zich eensklaps zeer sterk. — Wat wil men toch? Is hij met haar geen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel te babbelen over hem en de zijnen. — Ja, zijn oogen werden vochtig toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in stilte haar bijeerigegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand stoppen! — Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O hij zou u omhelzen willen; nij zou schreien kunnen aan uw moederlijke borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o God, op Eva, zijn dierbare vrouw! — Weg, weg dan met alle zwakheid. Men liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schulden hier, zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nü vooral.— Ellendeling!

— Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in \'t oor geblazen? Helmond beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.

Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn Tippen drukt:

„De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe

wijze. Ik ben u dankbaar trouwe vriendin; maar----uw vermoeden

is ongegrond. Ik ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?quot;

Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.

„Men spreekt onwaarheid!quot; herneemt Helmond op zonderling ge-heimzinnigen toon: „Ik heb \'t u vroeger al gezegd: wij hebben

-ocr page 371-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

een bron van inkomsten.... Zij, ja zij ... Niet ik....quot; Hij ziet haar zeer strak in de oogen: „En als hij sterft, dan ... ja!quot; — Ellendeling! klinkt het weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. \'t Was reeds zeven geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zal zeer verlangen.

Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.

Ja, de uren duurden Eva vreeseliik lang. Ze wist niet dat de zieke, waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag werd de naam van „dat heerquot; op haar uitdrukkelijk verlangen — neen, op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem; \'t is haar de moeite niet waard.

Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij —na dien curieusen droom — den heelen tij d aan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep. — \'t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven een bal masqué! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa.... — Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo\'n feest naar haar ouders-huis brengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken. — Bah! wat gaat het haar aan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit----

— Als het waar was! Maar het is niet waar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is.... — Zwart! — Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? \'t Is een doodsche kleur. Ik wil niet in \'t zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....

Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.

Onder het lezsn ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, „die zij zich had toegeëigendquot;, nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met een K onderteekend.

Dat waren de laatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.

Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hem I. 23

353

-ocr page 372-

354 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOTTW.

ontgaan, helaas door eigen schuld! — Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een «zekeren strikquot;, en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest ,zijn, maar nu, door zijn vurige ,liefdequot; instaat was gesteld.

— En nu wót wil de „blancbecquot; die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren. — Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen. — Nu, dat zou hij doen; \'t mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd, \'t Was een charade; welzeker, een charade; haha! — Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om een majoor daartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.. .. als hij nü hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door \'t karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed! — Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in \'t eind. .. . hahihaha!

Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem — onbewust — reeds dikwijls een dienst heeft bewezen. — En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kipelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met ien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft

gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw---- Ha! wat

gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nü thuis is.... alleen. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringelo»

-ocr page 373-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROÜW.

ren door zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dit weet niemand; dat raakt niemand. — O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden. — Zou nij lafhartig zijn en op \'t bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch \'s-avonds niet in de stad en niemand weet van dat, — uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.

— Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!

Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen, \'t Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur — volgens den almanak — de maan.

En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.

— \'t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in \'t midden een groote lichtstreep naar buiten glanst. — Is ze daar? Alleen? — Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten. — \'t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in \'t duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan daar alleen is! Immers die brave man zal wel weer naar De Zonsberg zijn, — haha, nu het er op aankomt!

— Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....

Ronner staat nu voor het raam, en houdt de band boven de oogen. — Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betoove-rend schoon! Voort dan!

Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: \'t zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!

Zoo snel \'t hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om. — Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog. — Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar .. ? Ja, ja, natuurlijk!

\'— Ha! is alle vrouwendeugd bedrog, dan is het zelcer de deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze hoeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha. nü zal ze het boeten, nü zal hij zich wreken op die allen tegelijk. — Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!

Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Twee

355

-ocr page 374-

356 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

regels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels; „Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!quot;

Dat, en niets meer; maar \'tzal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier — \'t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, \'tzij op De Zonsberg — het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.

Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes\' woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.

Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de hoornen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt. — Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.

— Wat is dat? — Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien — op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom.... ?

— Nee, stil; vrees is kinderachtig.\'t Zijn vroolijke menschen.Hoor, zij zingen. — Ze maken muziek. — Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hu iets kwaads in \'t zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....

Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat. — Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen;

„Nooit geen nood,

„Nooit geen nood.

„Zoetelief trouw, tot in den dood.quot;

En de dansende stoet kwam al nader;

„Daar niet van,

„Daar niet van,

„Allevrouw pakt \'er eigen man.

„Nooit geen rouw,

„Nooit geen rouw,

„Alleman zoent z\'n eigen vrouw.quot;

-ocr page 375-

DOKTER HELMOND BK ZIJN TROUW. 357

Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in \'t zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.

En al dichterbij klinkt het:

„Nooit geen nood,

„Nooit geen nood,

.Werken trouw voor \'t daaglijksch brood.

„Hop hop hop,

„Hop hop hop,

„Schelmen trappen ze op den kop;

„Schelmen smijten ze uit de deur;

„Albeneur,

„Albeneur!quot;

De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in \'toor; en....

— O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht\'? Wat zou het wezen?

„Kom, niemendal; een dood stuk hout,quot; riep er een.

„Wat raakt het ons!quot; zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier \'t ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:

„Hop hop hop,

„Hop hop hop.

„Schelmen trappen ze op den kop.quot;

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest op De Poel heeft ondergedaan. — Maar, hoe kon ze \'t een oogenblik vergeten: \'t zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaad

-ocr page 376-

358 DOKTEB HELMOND BN ZUN VROUW.

niet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin V Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?

— Weg, weg met die dwaze gedachten! Zn weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.

— Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.

— \'t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak. — Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het. — \'t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:

„Ik wil bet u niet verbergen luitenant----daareven kreeg ik....quot;

— Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: „Ik kreeg____quot;

„Slechte tijding misschien van De Zonsberg mevrouw?quot;

— \'t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, niet een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.

„Ja, ia juist, heel slechte tijding;quot; zegt Eva snel.

„Toch niet reeds. - -. ?quot;

Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze \'t niet laten om reeds als zeker te stellen \'tgeen toch zeer wel mogelijk was. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen „hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken...

„De generaal overleden?quot; zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.

— Eva kon \'t niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En — Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.

„Die fiksche oude man!quot; zegt Hardenborg: „Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal.quot;

,0 ja---- tenminste----quot; zegt Eva. En dan; ze wil nu toch

zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen, \'t Is te dwaas dat zij „den ridder van De Zonsberg reeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitterenquot;. Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.

— Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meening

-ocr page 377-

DOKTEE HELMOND EN ZUN VBOUW. 359

was gebracht, dat men op een erfenis van Helraonds „edelen pleegvaderquot; hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....

Doch zie, daar wordt de deur geopend. — Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naar De Zonsberg geweest, en.. .

Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.

Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:

„Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen, \'t Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, \'t Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en — nu al dood!quot;

\'t Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samen-wrong.

Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.

„Dood! Wie meen ie? Wat? Wie is dood?quot;

Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling an Helmond aan \'t schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij — al te goedaardig — er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.

— En ja, Helmond wist het beter.... Althans.... ? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij \'t binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren. — Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.

„Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!quot; En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: „Hoe gaat het op De Poel, en — op Brouwerscate?quot;

Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.

Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondenge-jank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn dia

-ocr page 378-

360 DOKTER HELMOND BS ZIJN VBODW.

lachen, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.

Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewiil hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.

Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten — hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen — moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zeiven en ook haar kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze — als alles wèl blijft — gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen iuist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde door aanwinst van een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.

„Niewaar luitenant,quot; besluit Eva: „een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan — nee, wie zich alles zoo aantrekt kan er niet tegen — die dokter moet een con-trepoids in afleiding zoeken?quot;

„Wel mogelijk mevrouw;quot; zegt Archibald: „Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!quot;\' En, met een buiging verlaat hij de kamer.

Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gele-

fenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu \'zal hij zekerheid rijgen en zich verruimen meteen:enheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu \'zal hij zekerheid rijgen en zich verruimen meteen:

„Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!quot;

Helmond volgt, \'t Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hg zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld een niets was, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Ja, de heele wereld een ledig niets!

Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan. ..

„Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb,quot; besluit Archibald: „Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes emaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet be-oeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de ge-heele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft. — O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op non-actief!quot;

-ocr page 379-

DOKTER HELMOND EN ZIJIt VROUW. 361

Nu \'t pak hem van \'t hart is ademt Hardenborg weer ruimer. — Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zon in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat do arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen 1 Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, nam toch zijn wraak.

— Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, \'twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den „tot over de ooren in de schuld stekenden Helmondquot;, had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing! — \'t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo \'t noodig mocht zijn, carte Manche te geven; en vervolgens naar dien „talentvollen acteurquot; om hem nóg eens te zeggen — maar onbeschrijfelijk kort — waar \'top stond tusschen hem en den tweeden luitenant.

En nu, \'t is jammer, jammer dat de fielt geen onwaarheid heeft

geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hijeschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij

em helpen kan. — Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt

zich de hand vatten, die drukken met vuur, en----Neen, woorden

verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen „schouder geweer!quot; kunnen roepen als \'t noodig was.

„Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal. — Kom, ben ie gek vent; je trekt me de hand uit het lid.quot;

„Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat....quot;

„Nee dat hoeft ook volstrekt niet.quot;

„Hardenborg. ik mag en kan. ..quot;

„Mogen daar denken we niet aan, kunnen da\'s iets anders; maar om \'t je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco\'s de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo\'n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!quot;

Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hg dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.

— Heeft hij \'t gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vól goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar, Hahaha, hahahaü — Stil, dat lachen klinkt akelig; \'t doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.

„O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!quot;

— Eva, — stil, zij mag niets weten. Als zij \'t wist.... en als zij \'t

-ocr page 380-

362 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTJW.

niet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.

— Waar dacht ik aan? — Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheersehen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:

„Er is gediend August, kom!quot;

— Krachtig dan, krachtig!

Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets

februikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat wam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.ebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat wam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.

— De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat er vreeselijk onder gebukt dat die oude heer \'t commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd door mijn toedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij \'t reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja \'t was mijn schuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor \'t oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; \'t zal hem hinderen dat ik in \'t geheel niet naar dien ,dierbaren pleegvaderquot; vraag. Welnu dan:

,Was het zoo heel erg met.... den generaal. August?quot;

„Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij daar zat, daar naast je. Ik weet het wel

beter, maar----quot; Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet

wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs met recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit. — O ja, nu weet hij \'t weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over \'t hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad. — Ellendeling!

— Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is hij toch bleek; denkt Eva.

Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:

„Moet men zich dat zóó vreeselijk aantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?quot;

„Nee mijn liefste, zekerlijk niet!quot; zegt Helmond op kalmen toon.

— O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.

„Dan willen we on» maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentje

-ocr page 381-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

blijven één, en voor elkander genoeg. — Maar nu, op mijn beurt ga ik nu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa. ... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan. — Zóó ja, — dat gaat nog al. Zwaar-mutserij daar doen we niet meer aan; is \'t wel mijn lieve August?

— Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?

Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, \'t welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:

„Ondeugd! Evertje Zwaarmutsü Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man! — Kom, van avond geen vertoogjes meerl Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend neeft. Want — onkruid vergaat niet;quot; voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: „En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in \'t belang van ons schatje, al moet het wezen a force d\'ar-

gent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een elder zonneschijntje, den dag waarop we onze oc|uipage gaan halenent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een elder zonneschijntje, den dag waarop we onze oc|uipage gaan halen

— met den trein er naar toe, welzeker — en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie; — natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!quot;

\'t Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft.... — O ja; ons schatje, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn

fansche wereld van liefde eu heil rust aan zijn hart. Eva streelt em de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.ansche wereld van liefde eu heil rust aan zijn hart. Eva streelt em de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK Buiten sloeg de torenklok acht.

Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.

Nu komt hü eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings de

363

-ocr page 382-

DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW.

ledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva\'s prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.

„Wie is daar) Wie!?quot;

Er komt geen antwoord. Toch — daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....

„Wie, wie is daar, wie!?quot; roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat. — Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen. — Hij roept;

,Eva!quot;

Zij komt niet. — Eva zal nog beneden zijn. — Indien zij \'twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen; — men fluistert....

— O God, als men Eva dan ook----

Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva\'s linnenkast.

— Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naar De Zonsberg; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer. — Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben? — Spoed Helmond, eer het te laat is!

Ijlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?

„Bus, ben jii het?quot;

Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: „Jawel dokter.quot;

Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:

„Wat dee je in mijn kamer?quot;

De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van \'tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque — toen hij dokters rok had schoongemaakt — heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar----? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: „Kinderen, vergeet uw eerste gelofte nietquot;, toen — de arme Bus kon haast niet verder spreken — toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat bad hij nu naar waarheid gedaan.

364

-ocr page 383-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROtTW. 365

— Twee banknoten van honderd gulden ! — Helmond weet wel dat hg droomt, \'tls een droom dat Bus daar voor hem staat; \'t is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven.

.... Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.

„Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?1\'

„\'t Ligt op m\'nheers schrijftafel.quot;

Helmond gaat haastig zijn kamer in: ,Wacht daar.quot; —

— Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.

Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst

denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen, quot;t Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdam gefrankeerd heeft, maar zeer zeker had zn er geen laten aanteekenen.

Op dit oogenblik herinnert Helmo nd zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in \'t ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul. een niets, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.

Wat zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet. ■— Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?

— Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!

— Ha, wie durft haar beschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:

„Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief.quot; — Wie heeft dat gezegd?

Helmond schrikt achteruit. — Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch, als het te laat was! Spoed dan, spoed!

„Kiept u dokter?quot; zegt Bus om den hoek der deur.

Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:

„Ja, je vliegt naar De Arend, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar,quot; hij ziet geheimzinnig rond: „aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naar De Zonsberg.quot;

Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd. — O, \'t was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.

Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij: vat zijn hand, en

-ocr page 384-

366 DOKTBR HELMOND EN ZIJN VEODW.

met een traan in de oogen zegt hij; ,God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfa-briek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z\'n eigen pannen de hersenpan in. — Ja ja dokter, ik vlieg!quot;

\'t Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van \'t schip, en \'t was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde. — Hij weet niet meer hoe hp op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: „dat hij een bedelaar is, \'t geraamte van een edel mensch!quot;

— Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!

In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: „Aan Archibald Hardenborg,quot; de woorden gevoegd: „In dank terug van Helmond.quot;

Dan — ja, hij weet het nu weer.... dat schip!. .. Nu schrijft hij:

„Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven. — Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tiendui-zendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in \'t publiek; alleen wil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: „Brengt Peter

met een kus aan jou----quot; Je kent het verder. En — dan vervloekt

hij mij niet meer. En in \'t eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen — je weet wel — naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden, Nee hij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.

„Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:

Atjoüst.quot;

— Wat is dat? Wie komen daar?

Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek. — Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém — Nu zinkt het lijk achterover. — En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, \'t is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt — den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en ... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog met

-ocr page 385-

DOKTER HELMOND BN ZIJN VBOtTW. 367

de hand en... • verdwijnt in de diepe duisternis. — Ja zie, daar roert alweder iets van verre. — Men schreeuwt — O God! aan dien man heeft hij in een paar jaren niet gedacht ... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar, en al de koppen van Remhrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... „Ben

jij de moordenaar----??quot; — ,0 mijn God!quot; roept Helmond als in

doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.. . toen is er een schot gevallen.— Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neen neen, dat kan niet! Voort dan, voort, naar De Zonsberg!

Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden. — Maar, hoe komt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld ... — O Goddank, dat hij het zich mede herinnert: Donerie\'s monument! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!

Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.

En \'t was stil, doodelijk stil in huis.

Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.

Haar besluit was genomen: Zij schrijft:

„Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe, Kantonrechter alhier.

„Weledelgestr. Heer en Vriend!

„De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aan-

fezien deze hem na het ongeval op onze partij, niet zelf mee naar uis bracht, \'twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen. — Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen — hij wordt mij een individu!ezien deze hem na het ongeval op onze partij, niet zelf mee naar uis bracht, \'twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen. — Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen — hij wordt mij een individu!

„Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werden aangeboden — zij het tegen een belooning — als mijn eigendom te beschouwen.

„Het recht eener familie op haar familiepapieren kan mijns inziens niet twijfelachtig zijn.

„Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren — liefst zonder openbaarmaking — wildot waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. In

-ocr page 386-

368 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

de hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz. ...quot;

— Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.

En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze — eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:

„Tra lalala!

„Tra lalala!

„Daar komt hij de graaf van Tourloyette,

„Vite done, chapeaux bas;

„Vite done, placez vous la;

Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!quot;

— Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:

„Tra lalala!

„Tra lalala!

,Daar komt hij de graaf van Tourloyette,

„Vite done, chapeaux bas;

„Criez un vif hourah!

„Daar komt hij de graaf met zijn jeune Eva.quot;

f

— Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!

En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.

— Ha! zij zingt. — Goed, zij zingt!

Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.

Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen. — Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind baar zoo doen ontstellen, foei! — En nu naar den lieven man!

„Tra lalala!

„Tra lalala!

„Daar komt hij de graaf van Tourloyette.quot;

Eva verdween in de donkere gang.

Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten. — Wie komen daar\'?

-ocr page 387-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOT7W. 369

Wat wil men van hem----? Neen, in de duisternis bemerkt men

hem niet. Hoor:

,.... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z\'n eind te komen.quot;

„Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter.quot; Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmonds lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.

— O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood! dood! dood! Een lijk! — Et satan conduit lebal. — Voort! vlucht! Ellendige moordenaar, vlucht! — En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romp-huizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnen Het Roode Zoo dj e toch wel eens „opstekenquot; kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in \'t midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karre-spoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapegootjes er in \'t ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Bries-borger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.

Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in \'t Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.

Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!

Dat was een schrikkelijke bui! l.

24

-ocr page 388-

370 DOETKB HELMOND BN ZIJN VEOUW.

Grauwe Toon uit Het Roode Zoodje zette het geweer, \'twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in \'t vuur onder den pot met kokende aardappels.

Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.

De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de .geestigheidquot; van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:

„Ik hoor wat! Ze kloppen aan \'traam. Smijt die hazen en hoenders in \'thok.quot;

Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in \'t aangewezen hok.

„\'t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag,quot; zegt hii: .misschien is \'t buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden.quot;

Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.

„Is daar iemand?quot; schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.

Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.

Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z\'n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.

_— Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van \'tlachen:

„Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!quot; Toon hield zich den buik vast van \'t lachen. Het wi)f meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.

Bus wreef aan z\'n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; \'t water droop hem van \'tlijf, en hij rilde van kou. Toen Lij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.

„Ah zooquot; zegt Toon nog lachend: „ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!quot;

Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.

Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.

„Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om Jen ilokter te zoeken? Je kent de wegen in \'t bosch.quot;

-ocr page 389-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Het z\'n mooie zoetelief \'em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo\'n domme kinkel! Als ie geen oenten had en toch den gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier van De Zonsberg goejen nacht gezeid! Nou, alsof

ielui er niet alle dagen eenigen voor grof geld naar de eeuwig-leid helpt! Als ik het een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo\'n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z\'n gang maar gaan!quot;elui er niet alle dagen eenigen voor grof geld naar de eeuwig-leid helpt! Als ik het een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo\'n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z\'n gang maar gaan!quot;

Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:

.Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!quot;

Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel. — Toons vrouw gilde weer van \'t lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en — slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.

„Waarachtig, jij bevalt me!quot; grinnikt Toon: „Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z\'n bedorven goud op \'t lijf is er goed voor. — Ei zeg. en wat wou je dan nou?quot;

Toon van Het Roode Zoo dj e zal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus, — ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen, — hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij \'t zelf niet gelooven kan. — Bus weet dat dokter

zonderling had gepraat, precies als iemand die____ in de war is.

De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf — tien — twintig — dertig minuten; en, toen is men naar \'t doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.

Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar hot doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naar De Zonsberg gezonden om te zien of dokter daar soms wezen mocht. — Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uit De Arend op den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men nem nu een vigilante

371

-ocr page 390-

372 DOKTER HELMOND BK ZIJN VROUW.

zond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein — omstreeks een kwartier geleden — vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in \'t geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna van De Schebbelaar aan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had héér en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen \'t voorjaar op hun bruiloft zou komen: „Zoo\'n best en zoo\'n nederig man!

Weinige oogenblikken nadat Toon uit Het Roode Zoo dj e zijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men — nog even vóór dien geweldigen hagelslag — ondanks de duisternis in \'t bosch, een persoon

Ï;ezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter inkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is — „precies zoo\'n figuurquot;. — Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.;ezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter inkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is — „precies zoo\'n figuurquot;. — Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.

De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, \'twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.

Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men „om een moordenaar te vatten van alle znden is binnengedrongen,quot; daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant,

-ocr page 391-

DOKTEE HELHOND EN ZIJN VROUW. 373

een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg. — Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in \'t duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in \'t hart, ia, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat hosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich. — Voort dan, voort!

Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z\'n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.

Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.

„Ik zeg je van nee!quot; beweerde Toon; „hij zit in het bosch.quot;

„En ik wil zekerheid hebben!quot; riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.

„Jammer dat die kerel \'en pil is!quot; grinnikte Toon: „Vooruit dan lange livrei-dragonder!quot; en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.

„Wat \'en lucht komt er weer opzetten;quot; zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in \'t bosch met de vigilante zal wachten. — Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nul — Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn — spoorloos. — Lieve hemel! En menheer Van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.

„Ben jij bang?quot; roept Toon die Bus ziet achterblijven.

„Bang! nee nee, volstrekt niet.quot; Maar, Bus was dubbel bang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.

Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan \'t rijk van den zomer. — Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.

Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregen

-ocr page 392-

374 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

het hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en — Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nü is het uit.

.Is daar iemand ?quot; schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en \'t is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisen te doen hooren.

Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd. — Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hü weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. Ijlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.

Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier \'en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van \'t Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die \'s-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij „den rakkerquot; hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, „want,quot; zoo besloot hij: „Onze Lieve Heer zal van nacht den duu-vel \'en strop um den hals hoalen!quot;

Blê, riep het schaap, Mêêêl En de man voor Thomas onverstaanbaar: „Stil stil kleine rakker; \'k zal oe kriegen a\'j wéér wegloopen durft!quot;

En naarmate de slang met het bliksemend oog — het schijnsel van Thoms lantaarn — den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: \'t Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem. — Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.

De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.

Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.

En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de lek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die em ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet.

.... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu ppeeit het met een blatend schaap. — Eva in een paars katoenen

-ocr page 393-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

kleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet uaar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém ; en kust hem, en trekt zijn Ma\'tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.

En — ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!

Jochem van \'t Kraaiennest was geschrokken. — En „mansminsquot; voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de „trankielste zquot;n eigen over verdoen.quot;\' — Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daai straks heeft gehad: \'t Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.

Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevaüen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabij De Schebbelaar van een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan, — toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!

Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt. — Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?

— En, O God, zie____het lieve kind speelt daar nog altijd voort

op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! „Eva, om Godswil,quot; roept Helmond angstig: ,neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!quot;

Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo „zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z\'n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. \'En mins was net as \'en schoap. \'t Gebeurt soms dat ie afdwoalt en \'t spoor biester roakt, moar — \'en scheper weet \'et te vinden.quot;

375

-ocr page 394-

DOKTBK HELMOND EN ZIJN VEOUW.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.

Alleen voor de deur van De Romein — het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde — zag men nog leven en be-weging.

Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.

Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hü beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: „Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt.quot;

In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.

„Nog al plaatsen genomen kastelein?quot; vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.

„Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog daar. — Hei Piet, ga jij die lijst eens halen.quot;

„Zóó, vier en twintig!quot; zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden. — „Dat heb je van die kleine plaatsen,quot; herneemt hij: „ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!quot;

,\'t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en,quot; vervolgt de kastelein nu zachtjes: „voorhet bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang, \'t Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan----quot;

„Tenminste \'t moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit.quot;

376

-ocr page 395-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VRODW. 377

„Nee zeker niet;quot; zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: „Als die bijten wou, hê?quot;

„Trotsche kerel!\'\' bromt de tooneeldirecteur: „Ja, als die bijten wou!quot; — Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangedui-den man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:

„Menheer Philippe, \'en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!quot;

Philippe staat op: neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weaer plaats nemend, zegt hij: „Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen.quot;

„Ja maar, ik wou je even alleen spreken; \'t is een delicate vraag.quot;

„Daar wil ik juist dat mijn vrouw van proflteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor.quot;

„Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien.quot;

„Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden dat gemeen is. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma in De Glorie der Boulevards zal ze niet spelen!quot;

„Tututu mijn beste jongen----quot;

„Ik ben je jongen niet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal er niet voor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine.quot;

„Ik meen menheer Philippe, dat ons contract. ■ ■ ■\'\'_

„Ons contract zal nageleefd worden,quot; valt Philippe in: „maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van \'t publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig.quot;

„Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een....quot;

„Mijn vrouw speelt die rol niet! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg.quot;

„We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben.quot;

„Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in \'t gezicht willen slaan, \'t Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt.quot;

„Ja beste jong... . menheer Philippe, — wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo\'n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn. — Maar a propos — wat ik zeggen wou, \'t was mijn plan om je appointement te verhoogen.quot;

„Ei!quot;

„Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkt

-ocr page 396-

318 DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOTJW.

hoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een ac-teur_ die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie.quot;

,En die is?quot;

,Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon....quot;

„Philippe, laat mij dan even----quot; zegt de jonge vrouw terwijl

ze opstaat.

„Wil je liever van mij hooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie. — Nu, wat is de zaak directeur ? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen.quot;

„Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard.quot;

„De zaak menheer Baars?quot;

„Welnu, de zaak; een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doe jij beste jongen, ja waarachtig, jij schuilt

achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wil ik je wat

zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes — ziedaar dan geef ik je samen achthonderd gulden meer.quot;

„Mijn naam is Philippe.quot;

„Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar het Baars erbij doet de deur toe. Je naam is Helmond; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!quot;

„Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen.quot;

„Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenals ik, heel wat grootheid inde familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg; Baars! \'t Gezelschap van Baars en Kogel, waarom niet!quot;

„Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom:quot; antwoordt Philippe.

„Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil.quot;

„Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile.quot;

„Schandvlekken!quot; zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: „Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, ie naam! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen — van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant — ik zeg, dan zullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wat zeg je : achthonderd gulden er nog bij; \'t Is geen kleintje?quot;

,Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;quot; zegt de jongere Hel-

-ocr page 397-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 379

mond, strak voor zich heen ziende — want inderdaad, achthonderd gulden méér, \'t zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind----quot;

— Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: „Ik dank je. Ik ben en blijf Philippe.quot;

,Achthonderd gulden!quot; hengelt de directeur: „Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?quot;

Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan. — Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastisohe glimlach moest een oogenblik die lippen plooien ?

— Ben vrijkaart voor den generaal Van Barneveld! — Nu is \'t genoeg:

„Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonder slijk; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ia dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door net noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!quot; — Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd. — Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.

„Ei, zoozeer in de politiek verdiept?quot; zegt de jongere Helmond.

„Philip, zie eens hier, zie....quot;

En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....

„Hij! hij!!quot; zegt Philip. En dan: „Ha, dat ontbrak er nog aan!quot;

Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:

„Ha! was het daarom!quot;

En de directeur zeer kalm:

„Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, de broer van den professor! Zeg, wat dunkt ie, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?quot;

„Zwijg, geen woord meer hierover!quot; zegt Philip met smadenden lach! „Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om het mij te doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met: De Glorie der Boulevards te worden genoemd.quot;

,Des te beter,quot; zegt Baars: ,als je familie zoo verachtelijk is.

-ocr page 398-

380 DOKTER HELMOND BN ZUN VROUW.

welnu dan traiter je ze \'tmeest met rondeman voor jo naam uitte komen.quot;

Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in \'t minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.

Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:

„Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dien trai-tert men niet; men draait hem den rug toe. Bah!quot; — Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.

, Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August? — Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is----

„Philip! ben jij \'et?quot; klinkt het fluisterend op bijnaangstigen toon.

De jongere tielraond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft m de zijne. Ook zij \' heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die — zooals men verhaalde — in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.

— Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doode-lijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.

De oudere Helmond — uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in „veiligheidquot; gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.

— Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: „Ons kindje slaapt!quot;

— Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeurig gefluisterd, waarna hij — om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.

— Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht. — Als het Philip was, dan.....

„Wilt u logeeren menheer?quot; zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.

„Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt.quot;

-ocr page 399-

^ ; \' iaagaaq

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTJW. 381

,\'t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel coramis-vo-yageurs met \'t najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer.quot; Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden. — Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan. \'t Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in \'t geheim; een bleek blond heer — nog jong.

.Philippe... .?quot;

„Ja ja, Philip; ja juist,quot; zegt Helmond met schitterende oogen: „maar zeg hem dat ik hem zeer in \'t geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....

De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:

„Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik \'t plezier dokter Helmond uit Eomphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet.quot;

Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!

— Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van. — Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand — behalve die één, jawel, begrepen — er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij \'t koetshuis, daar was nog een net kamertje:

„Kom maar mee dokter,quot; vervolgt de schenker: „ik vat de reden van uw komst wel. — \'t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Com-pris! — De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat \'et schandaal-maken is. — Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uit De Romein over.quot;

„Zoo, zul jij zorgen dat niemand, niemand me ziet?quot; zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.

\'t Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, „altijd zoo juist in hun verband beschouwde.quot; Piet had het aanstonds begrepen. —hee-lemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer — die eigenlijk een gemeen sujet is en z\'n zeivers bij Baars en Kogel verengageerd heeft — morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z\'n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagen, als ie bij z\'n broer maar over de brug komt; en. Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in de R o-mein neemt, \'t Was al van \'t minste soort; en toch, al die spullen \'t gaf een behei en geherrie, waardoor \'en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.

— Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romp-

mm

-ocr page 400-

DOETEB HELMOND EN ZIJN VBOtTW.

huizen, met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt — omdat Philippe en z\'n vrouw niet meespelen — dan, dan lacht Piet in z\'n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn. — Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er

niet uit, — Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een

glas warmen grog!?

„Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?quot;

„Volstrekt niet dokter; geen de minste nood. Als dokter \'t verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door \'t achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is iet zoogenaamde cachet-kamertje dokter, \'t ligt heel appart.quot;

Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in \'t oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in \'t geheim; heel dood in \'t geheim.

„Ik ben niet te spreken;quot; heeft Philippe geantwoord.

Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:

,\'t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen.quot;

,Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op quot;t affiche staat?quot;

„Nou!quot; zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk yan het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: „Als u z\'n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo\'n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, enquot;.... met een knipoogje: geld als water.quot;

De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:

„Geef papier en inkt!quot; zegt hij gebiedend.

Piet zet groote oogen.

„En inkt----? Asjeblief menheer.quot;

Helmond schrijft:

„Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.

„Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in \'t geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind — wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.

„Men moest zich bloedrood schamen, slechts dan van zich ie doen

382

-ocr page 401-

dokteb helmond en zijn vrouw. 383

hoeren, wanneer men — zelfs badend in de weelde — week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor \'t oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.

„Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet. Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk, nobele zielen — nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder, — wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwén aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert. — Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfs zonder dat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hij gemeen acteur is.

„Ik eindig. — Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor \'t breken van zijn woord.

Philippe.quot;

„Lees Virginie,quot; zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.

De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren. — Nu zij gelezen heeft zegt ze:

„Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip. Ik kon evengoed de Alma spelen, als j ij hem dien brief sturen.quot;

„Wat meen je?quot;

„Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek.quot;

„Weet ik dan niet ...?quot;

„Je weet lieve man, dat de dokter hier is, en dat hij je spreken wil: maar, wat hij te vragen heeft dat weet je niet.quot;

„Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal. — Geef me den brief Virginie.quot;

„Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!quot;

De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:

„Laat mij den brief nog eens zien Virginie.quot;

,Als je hem verscheuren wilt, anders nee!quot;

Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:

„Hij zal hem niet lezen. Geef hier.quot;

Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip. .. nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en — verscheurt den brief.

Nu roept hij den schenker:

-ocr page 402-

384 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Breng me bij den dokter van Romphuizen. \'k Zal toch den man even spreken.quot; lm tot zijn vrouw: „Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer.quot;

Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en — omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een „uitgeslapen tweespanquot; te geven.

Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen in De Gouden Arend geen „goed spulquot; meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men in De Arend geen rijtuig nad kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar \'t heeft hem ook niet kunnen schelen ; morgen stond het toch in alle couranten. Voor \'t oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.

Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, \'t welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.

— O God men komt! — „Wie is daar....!?quot;

„Hier is mijnheer Philippe;quot; zegt de schenker, en wil nog eens

even wat hout en turf op de kachel doen---- Maar, de jongere

Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.

„Je woudt me spreken. Wat is er?quot; zegt Philip.

August Helmond blijft in dezelfde houding bij Je kachel neerzitten, en \'t klinkt op geheimzinnigen toon:

„Ben jij het Philip V Spreek zacht. Als men ons hoorde----quot;

„Niemand hoort ons;quot; antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; „En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren.quot; — Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: „Maar wat je mij te zeggen hebt, \'t zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders — zou ik je nog dieper verachten dan ik het au doe.quot;

August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nu

-ocr page 403-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

eerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.

De jongere Helmond doet een schrede terug.

„Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?quot; fluistert de oudste: „Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip! — O God, en hij heeft ons vervloekt!quot;

„August, wat.... wat zeg je?\'- stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: „Is hij dood----? Heb jij, jij.--.quot;

„Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben! ? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! \'t Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!quot;

Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.

\'t Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt. — Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit. —- \'t Is donker! Waar is de knop van die deur? — Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld? — O God, daar komen ze. Hoor maar,paardengetrappel. — Hoor!

Nu bonst hij op de deur. „Doe open, doe open!quot;

Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.

Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust. — Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte, — Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.

„Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dat beet haasten.quot;

„Moet jij naar Utrecht menheer?quot;

„Ik ja, voort! Om Godswil voort!quot;

Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.

„Rij maar op Jan!quot; roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: „D\'r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is \'en haast van geweld!quot;

„Vort poppetjes, vort!quot; zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis van De Romein komt de vigilante

385

-ocr page 404-

386 DOKTEK HELMOND EN ZIJN VROUW.

in de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsclie straat in den stormachtigen nacht.

Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.

\'t Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, \'t welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten beeft gemaakt.

Na al wat men vernam en \'t geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan \'t licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met den kolonel die, volgens don reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, de generaal Van Barneveld was bedoeld. — Wat wisten de Romphuizers van \'t militair! — En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooien zoggen: ,Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!quot; en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: ,0 God!quot; en „moordenaar.quot;

De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen, \'t Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan — hoe kon men onschuldig ergens inloopen — het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logement De Romein was voorgevallen.

De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.

,\'t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;quot; zoo luidde het onder de acteurs overal.

De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.

Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde Lij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden. — Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in \'t eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.

— Was dan August Helmond — zijn broeder, een moordenaar; de moordenaar van dien geliefden pleegvader!?

— Wondere menschenwereld!

— De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.

— Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!

— Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo! ■— Ach God, zou het wel waar zijn!

„De commissaris van politie kan met mij meerijden,quot; zegt de

-ocr page 405-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VliODW. 387

vreemde zeer overluid tot den kastelein: „tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.

Tot Philip sprak men niet. — Nu is hij verdwenen. — Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat haar te doen staat.

Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.

In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.

In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.

Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van een mens oh zijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.

Omstreeks kwart voor twaalven — ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante — rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.

Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en \'t wolk de koetsier met de zweep heeft aangewezen. — De man in de regenjas is daiir •— en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen — van den bok gesprongen.

Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.

Toen — weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapen-den schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.

De jufirouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar \'t gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.

— Hê! — Of de knecht dan niet begreep dat hij — de man in de regenjas — de dokter zelf was? Men behoefde niet meer naar

-ocr page 406-

388 DOKTEB HELMOND EN ZIJN VROUW.

\'t gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.

— O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier be neden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.

— In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblik-ken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt. — Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. Ijlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om. — Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plun maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen — dat gelukt hem niet. — Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!

„August, August! in \'s-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. \'t Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!quot;

Maar \'t is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke

flimlach speelt er om zijn mond. — Doch nu, eensklaps opent hij e oogen, en fluistert met een akelige stem: „Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!\'quot;limlach speelt er om zijn mond. — Doch nu, eensklaps opent hij e oogen, en fluistert met een akelige stem: „Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!\'quot;

„Ja waarachtig voort!quot; zegt Philip. — O mijn God, maar hoe dan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uit dragen. Wat zou men denken als men \'t zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt. Open zal ze, open moet ze. — Neen neen, hij kan niet — neen! — Ha. den pook bij de kleine kachel! —

Hij luistert. — Nadert daar een rijtuig----? Ja, o God, men komt,

het is te laat! — Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de hand naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop. — Hoor het rijtuig is... - neen.... het rolt voorbij. — Goddank, hij heeft nog tijd.

Philip mag een oogenblik herademen. — Wacht, met dien pook kan hij toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig! — Ha, met een weerspannig geschrijn barst het slot vaneen. — De deur is open. Hij ziet naar huiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud vaat- en mandenwerk, \'t welk naast steenkolen- en wijnflesschenhokken bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een kastanjeboom overdekt wordt.

— Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu beginnen! \'t Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds m een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als met een ijsbad overgoten.

-ocr page 407-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOTTW.

„Wie daar! Wat mot je?quot; roept een schrille stem uit een keu-kendeur in het tuintje uitkomende.

De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.

„De zieke moet lucht hebben mevrouw;quot; klinkt zijn antwoord: ,\'t Is noodig, volstrekt.quot;

„Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M\'n eerste denkbeeld was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter ?\'_\'

„Ik vrees----dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uit-

loopen.quot;

„Alaar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m\'n huis. Rotkoorts! God beware!quot;

„Zoodra ik hem zag,quot; herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar kalm: „begreep ik dat je hem niet houden kondt.quot;

„Nee, nee!quot; schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in de tuinkamer.

„\'t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen, maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis staan; en....quot;

Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der woning waar hij wezen moest.

„O, nierachter op \'t Singel; jawel, wat buiten den wind,quot; helpt de hospita: „Ik wou dat j\'em d\'r in hadt dokter; de ziekte is \'em wel duidelijk aan te zien.quot;

.Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?quot; vraagt quot;■ 1 quot; 1 -t nog feller bonst voor een mogelijk Neen!

iet antwoord. En dan: „Ja dokter, als je hem meenam dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve

hemel!\'

„Als ik er je plezier mee doe----?quot; zegt Philip.

— Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten krijgen?

-— De juffrouw zou haar knecht roepen.

— Nee, nee, — er was geen oogenblik tijd te verliezen, — dat moet zij niet doen. De knecht moest lieverniet weten dat de juffrouw zoo\'n haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken, \'t Was niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven — jawel dat kon hij haar vast verzekeren — indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op \'t Singel buiten de tuindeur brengen. Die deur was immers open.....?

— Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.

389

-ocr page 408-

390 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBODTV.

De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele uren.

Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren. Ja, jawel, \'t komt nader____

„Mevrouw, mevrouw!quot; roept Philip naar buiten.

„Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open.quot;

„Als ü hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw. — Komaan Augu.... — Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed en wel in \'t gasthuis brengen. — Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou \'t mij onmogelijk zijn.quot;

Het rijtuig kwam al nader en nader.

„Ja, maar rotkoorts dokter.... U moet me niet kwalijk nemen; om nu een mensch met rotkoorts aan te vatten. ... nee....quot;

Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd zijn.

„Maar hij heeft ze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik heb haast.quot;

De dikke juffrouw aarzelt, en dan----

Maar neen, \'t was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind .... O God, wat ziet hij haar aan.

„Neem dat gif weg Thom! Weg er mee! — Zes grein! — Eva, Eva, voort, voort!quot;

„Dat is de koorts die komt opzetten;quot; zegt de jongere Helmond, en vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend, dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.

— Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men komt. — Philip wil haastig voortgaan.

August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terug-keerend en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril: „Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet -..? Zie, dat, dat, dat moorddadige mes!quot;

Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.

Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo kalm als \'t hem mogelijk is, zegt hij: „Goeden avond mevrouw!quot; en, straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort op den verlaten singel.

Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig bemerken dat het doel, \'t welk hij zich voorstelde, zal bewerkt worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.

De groote Domklok bromt twaalf.

De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling zich werkelijk zóó ziek heeft weten te houden dat zelfs de

-ocr page 409-

.................. n i I in Iji . I ... \' quot;i ■ ■■

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOÜW. 391

dokter er dupe van werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den naam heeft ze niet gevraagd; maar \'t was de dokter vau \'t gasthuis.

JÜn terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere vermoedens te koesteren — glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn kort eindje pijp op te stoken, dan slaat hij zijdelings een oog op de beide passagiers die — „ter wille van een vrouw die erg ziek is, zoo haastig naar Amsterdam moeten.quot;

Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel van streek. — Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover, en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het zweet van de slapen wischt.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....

(, „Wat doet ü hier?quot; _ _ m

„Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!

Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende :

„Waar is August?quot;

„Dokter is uit. Eva; hij zal---- waarschijnlijk wel gauw terugkomen....quot;

„Waarschijnlijk....? Je zegt waarschijnlijk!? En waarom hg ik dan hier; en waarom....?quot; Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur, roepend ja bijna gillend: „August, August! Helmond! waar ben je!?quot;

Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:

„Als dokter hier was Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je kalm houden; er zijn omstandigheden...quot;

Eva hooit haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:

„Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was er geen

briefje? — Jawel, ik weet het zeker. Ik heb het gelezen.....

ik heb....quot;

„Eva, hou je van Helmond?quot; _ _ . „

„Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig. — Ik wil datbnefie

-ocr page 410-

39a DOKTER HELMOND EN ZIJN VRODW.

zien. Ik wil weten---- Geef hier. Jij hebt het. Jawel, jawel, jij

hebt het!quot; \' J \'JJ

„Eva, in je eigen — nee, in dokters belang bid ik je kalm te zijn.quot;

„Maar die brief, die brief!quot; roept Eva in dreigend smeekende houding: „Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was er niet meer. En op zijn kamer vond ik toen dat schrilt.... van een krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Ja zijn naam. Ik wil dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ik wil naar boven! Hoor je dan niet!quot;

Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn, \'t Zou zeker — nu de eerste schok was doorstaan — het verstandigste wezen om Eva zooveel mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand en haar waarachtige liefde voor haar man: „Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht

dan ook dat ie je krachtig zult toonen----quot;

Eva hoort naar niet; zjj siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen heeft; dat een som — hij weet niet hoe groot — zijn schuld is; dat hij aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; dat z ij, Eva, er het brood zal kneden en doen....

Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die man — zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts — is heengegaan; waar hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Eva wil, Eva moet naar buiten!

Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden, zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in \'t blinde! Bovendien: alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in zijn huis en in \'t warme bed terug te brengen. Wanneer dokter — quot;tgeen men niet voor onmogelijk hield — nog met den laatsten trein naar Amsterdam was vertrokken, dan zelfs kon men tamelijk gerust wezen; men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was, en bij aankomst zeker voor hem zorgen.

Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde, doch, haar taak was geen lichte. — Eva vloog immers gedurig; weer op van haar stoel, en wilde hem zoeken; zij moest hem vinden; ja, wie eerder dan zij! Neen, zij heeft het wel toege-

-ocr page 411-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 393

geven dat zij haar ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat de dokter er dezen avond niet geweest is; maar op De Zonsberg! Ja, \'t waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog eens naar De Zonsberg is gegaan. — Men heeft hem er niet gevonden, maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard, nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken, terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.

,Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!quot; barst Eva na een korte stilte weer los: „En als hij er niet wezen mocht, dan vlieg ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door belee-diging op beleediging; dat hij hem heeft vermoord; hem en mij, ja, hém en mij, en het kind onzer liefde.quot;

,Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij \'t heengaan zeide, immers reeds op \'t spoor. Dokter zal of in de buurt wezen en gevonden worden, of — \'t zij dan wat verder af — welwillend zijn opgenomen, en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn.quot;

„Waarschijnlijk! altijd waarschijnlijk!quot; roept Eva: „Maar als... o God! als men hem niet vond, wanneer hem in zijn ijlende koorts daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma, vol verstand en wijsheid, zeg, is dan die gierigaard ginds, zijn moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!quot;

Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en bl ijft het stilzwijgen bewaren.

„Maar spreek dan, spreek!quot; zegt Eva, doch op minder heftigen toon, want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling getroffen.

„Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig zullen terugzien; en — dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden.quot;

„Ja! ja!quot; zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: „Och, waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!quot; Schreiend, doch straks weer heftig: „Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen dat ik hem niet liefhad; wie!? \'tls alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!quot;

„Eva,quot; zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: „weet je wel lieve, wie ik in deze oogenblikken het meest beschuldig?quot;

Eva ziet haar niet aan.

„Ik beschuldig waarlijk mij zelve het meest.quot; Nu ziet Eva haar aan;

-ocr page 412-

394 DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW,

,U, ü beschuldig....quot;

„Mij zelve. Ja Èva, ja!quot;

„Maar ik begrijp niet.. -.?quot;

,Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen niet meer bezat.quot;

Een vuurrood vliegt over Eva\'s gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.

„Ik bewoonde zijn huis,quot; herneemt de weduwe: „en at zijn brood, en had hem lief als een moeder, en toch.... ik deed slechts een zwakke poging om hem terug te brengen van een weg. die ik vreezen moest dat op uw beider verderf zou uitloopen. — Lieve Eva, als gij iemand beschuldigt, doe het dan mij. —• De man dien ge uw vijand noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd, maar gewaarschuwd!quot;

„Ik weet niet wat je zegt;quot; roept Eva, en slaat de handen voor de oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna kermend klinkt het iets later:

„Zou alies dan waar zijn! Alles, alles!? En heeft hem datspooksel benauwd en verdreven! — Maar nee, nee! dat is onmogelijk!quot; vervolgt ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: „Heeft hij dan zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd. ...quot;

„Eva,quot; valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk liefdevol aan: „ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het liefst van hem hoorde. — Eva, ik zie het, nü voor het eerst geloof je de waarheid!quot;

— De waarheid!? — Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nü de volle waarheid reeds geheel doorzag!

— Was dan alles een Jeugen; alles wat haar ornaat\' in den laatsten tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren, alles leugen, leugen!

— Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles, alles, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen! — Zie, het pakket familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling te voldoen en alles in \'t vuur te werpen. — Zij luistert.... Daar buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!

Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.

Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in haar midden.

— Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden en tegen den sngdenden hagelwind in.

-ocr page 413-

DOKTEB HELMOND EN ZIJN VEOUW.

Men weet niet wat zij vraagt.

— Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in quot;t hooïd zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws japon! — Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar \'t huis van dokter Biermans... . dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:

,Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van \'en schotje los kruit: Wie zou \'t geloovenlquot;

Eva weet niet wat men nog verder in \'t voorbijtrekken zegt.

Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende vuur staat. — Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat ze eensklaps opziende half luide mompelt:

„Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd; en nu....quot;

Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak „familiepapierenquot;, en, Eva grijpt het weg van de tafel, en — werpt het in den breeden haard.

En de hoog opilikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op het rose kleed \'t welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte heeft verwisseld. — O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij, klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: „Ik wist het; ja mijn God, maar ik geloofde het niet!quot; dan, o dan gevoelt zij eensklaps een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen: Een moeder was er niet om haar kind te

troosten: maar toch, zie, nu rust en nu schreit en nu snikt ze.....

aan de moederlijke borst van een trouwe vriendin.

De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is doorwaakt, moest toch in \'t einde wijken voor een kalmeren morgen. De October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl ze al spoedig haar kracht zou begroeven aan den hier en ginds langs velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten straal in het vertrek waar de grijze Van Baineveld op zijn hard leger, met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur open. Zachtjes, zeer zachtjes.

En zie. Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen naar het licht. — En het zonnetje \'t welk door de deur naar binnen kwam, werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, \'t welk door het venster er in blijft gluren.

.Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek worden. Ik had niets noodig kind!quot;

„Maar ik had behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdheden

395

-ocr page 414-

396 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

niets zoo goed is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter zult zijn.quot;

„Ei Coba, zou je denken dat molk voor zoo\'n kwaal....?quot;

1.0 ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. \'t Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier. Melk hé ja, dat vind ik nu erg natuurlijk!quot;

„Och, als je \'t graag hebt lieve kind..,.quot; Van Barneveld drinkt, en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.

„\'t Is alweer hetzelfde!quot; zegt Van Barneveld.

„TJ bedoelt. ..quot;

„De vreemde smaak.quot;

„Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet.quot;

„Niet Coba....?. \'tis me telkens alsof ik iets van amandelen drink.quot;

Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven droppels;

„Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik proef er niemendal van.quot;

„Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de... quot;

„Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is____quot;

„Wat zou er aan de melk zijn Coba?quot;

„O, weet u wat ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten de koeien wel, nietwaar pa?quot;

„Doe je er suiker in Coba?quot;

„In de melk? O ja, een heel heel klein beetje.quot;

„Zoo — dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel.quot;

„Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere te krijgen is. Maar — die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u veel veel beter gemaakt, niewaar?quot;

„Dat heeft God gedaan Jacoba.quot;

„Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa.quot;

„En Hij geeft mij mijn lieve kind, en....quot;

De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien dat zijn oogen met tranen zijn gevuld. — Een oogenblik later richt de oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met liefde beschouwt:

„Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegen zonde of deugd is.quot;

Jacoba\'s bleek gezichtje is bloedrood geworden.

„Ik weet het niet!quot; herhaalt de oude man. En een oogenblik later zegt hij: „Jacoba, geef mij de poeders in \'t vervolg zonder rijstofmelk. Ze hebben mij m i s s c h i e n goed gedaan. Als kind heb ik eens geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien smaak vergat ik niet.quot;

Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.

„Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen, en u ziet toch dat soms een vooroordeel____quot;

-ocr page 415-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOtTVV. 397

Maar zij vervolgde niet. — Misschien was zij reeds te ver gegaan; althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.

Vooroordeel! Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet willen spreken; dat was voorbij. — Maar kon ze het dan nu niet wagen om nog één enkel woord te doen hooren in \'t belang van haar dierbaren pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten, die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste middel uit te denken \'t welk ter genezing kan worden aangewend, zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken, door een te hevig bitter verraadt?

„Zwijg Jacoba, niets meer over hem;quot; zegt Van Barneveld een oogenV)lik later: „Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is.quot;

„Beste papa, dat was mijn bedoeling niet.quot;

„Het had er allen schijn van Coba. — Nu, mijn kleine meisje, wees niet bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmond ten eenenmale een verworpeling is voor God!? — Ikniet! — Zoodra hij den moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden, dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.— Ga nu nog wat slapen Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooit nooit wil ik hem weerzien; maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en slaap nog wat.quot;

Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naardev muur gekeerd; doch met de hand naar Coba\'s zijde tastend, herneemt hij:

„Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan aan tante dat ik....quot;

Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieön neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.

— O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig als dit, ze had het nog niet beleefd.

„Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij. niewaar mijn goed kind, hij heeft toch oolc de melk gedronken.quot;

Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor \'tmeerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.

En zeker, het groote Komphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die — den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor \'tmeerendeel met betrekking tot den man

-ocr page 416-

398 DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW.

die gisteren in den guren avond tusschen ziin staramen en struiken heeft rondgedwaald.

De beide spreeuwen die zooeven uit hot boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij \'t gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:

„Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?quot;

Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonne-schiin vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak van Het Roode Zoodje, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze \'t nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:

„Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood. — Dokter Helmond vermoedelijk ziek.quot;

\'t Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siesta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden... Zou het mogelijk zijn dat het bericht \'t welk — rapper dan hun vleugels — onder hen heonvlood hen heeft geschokt:

„Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang. — Spoed, Spoed!quot;

En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.

„Goddank menheer,quot; zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: „Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en — dat het hier beperkte dagdienst is. — O ja, complement van menheer Kippelaan,quot; vervolgde de man: „en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?quot;

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het bovenportaal eener kleine woning aan den Buitenkant te Amsterdam staan twee mannen; de een staat bij de deur der kamer, waaruit hij zooeven gekomen is; de ander op de bovenste trede der steile trap met de hand aan de leuning.

-ocr page 417-

DOKTER HELMONU EN ZIJU VROUW. 399

,1k herhaal je menheer Baars, dat ik in geen geval aan je on-billijken eisch zal voldoen;quot; zegt de eerste op gedempten toon.

„Onbillijk!quot; herhaalt de tooneeldirecteur met smadenden lach: „Denk je dan dat we ons daarmee \'t hoofd kunnen breken ? \'t Zou wat moois wezen als de een niet wou spelen omdat z\'n neef \'en zinking op \'t oog had, of \'en ander omdat z\'n zuster aan eksteroogen leed!

„Die zoutelooze aardigheden zijn ongepast, \'t Geldt hier een doodzieken broeder, die al gedurende twee dagen en nachten in gestadige ijlkoortsen ligt, en door niemand dan mij wil geholpen zijn.quot;

„Ja, dat is allemaal tot je dienst, maar daar kan een directeur zich niet om bekreunen. God beware! Toen m\'n eigen vader op sterven lag, toen speelde ik \'s-avonds wel voor Thomas-Vaer in de Bruiloft van Kloris en Roosje; en toen ik m\'n moeder \'s-morgens begraven had....quot;

„Toen hadt je je \'s-avonds in je rol moeten ophangen!quot; snerpt Philip op dof schnllen toon. En dan: „Maak dat je wegkomt!quot;

„Maar sakkerloot, een acteur moet.. -

„Een acteur moet niet vergeten dat hij mensch is. Ik heb nooit begrepen dat dit een eisch was dien men hem stelt. Nog eens: Zoolang ik in zorg ben over mijn broeder speel ik niet!quot;

„Haha, dat is dan die hooggeroemde trouw!quot;

„Wanneer ik onwetend mijn woord gaf voor iets, dat beneden mij is, dan breek ik dat woord. Ga heen! Ik zeg u voor \'t laatst dat ik niet spelen zal. Ik kan en wil het niet.quot;

„Dat zullen we zien!quot;\' zegt Baars met een dreigend gebaar, en als hij nog wil voortgaan om het „onwillig sujetquot; op weinig kiesche wijze aan zijn verplichting te herinneren, dan wordt de deur der ziekenkamer haastig maar behoedzaam geopend, en spreekt een zachte stem op bewogen toon:

„Als je een afgetobden lijder een oogenblik van verademing, ja misschien een rustig sterven gunt, doe dan wat mijn man u vraagt menheer Baars, en ga heen.quot;

De directeur van het reizend tooneelgezelschap is een man zonder beschaving en zelfs zonder eenig kunstgevoel. Slechts het „slaan van dubbeltjesquot; is de kunst die hij liefheeft en beoefent met hart en ziel. Nochtans, toen hij na de woorden van mevrouw Philippe, zacht pruttelend naar beneden ging, toen plooide een rimpel zijn voorhoofd, \'t Speet hem eensklaps dat hij die leugen heeft verzonnen om hem over te halen.

Wat moest hij wel denken van iemand, die op zijns vaders sterfdag een klucht ging vertoonen ? Nu ja, als het nier zóó erg gesteld was dan.. .. In \'s-hemelsnaam! de Casper Lariefarie moetLoweeda.n maar spelen. Men kan geen ijzer met handen breken. Iemand die sterven ging! Enfin, dat doet men maar eens!

Zachtjes op de teenen loopend, is Philip nu met zijn vrouw in de voorkamer teruggetreden, die wel aan de vroeger door hem bewoonde bovenkamer in de Tuinstraat herinnert, doch — ofschoon grooter en niet zoo somber — nu kleiner schijnt door het breede ledikant \'twelk er in \'t midden geplaatst is.

-ocr page 418-

400 DOKTER HELMOND BN ZIJN VBOITW.

.Goddank! hij slaapt,quot; zegt Philip, torwijl hij den doodsbieeken August, met pijnlijk gesloten lippen, schier voor het eerst na zoo vele uren van angstig waken en tobben, naar \'t uiterlijke kalm ziet nederliggen: „Ja Virginie, hij slaapt Goddank!quot; herhaalt de jongere Helmond, en geeft zijn geliefde een zoen. En dan: „Wacht, blijf jij nu even hier; ik moet het oogenblik waarnemen om óók een zoen aan ons ventje te geven.quot;

Philip verlaat nu de kamer en treedt in het kleinere vertrek ernaast. t Is de slaapkamer der ouders van den kleinen Frits. En ginds zit hij in zijn tafelstoel, de blonde halfjarige guit met zijn groote blauwe oogen. De althea-wortel glijdt weg uit zijn mondje, en de rammelaar aan een blauwzijden lint valt eensklaps uit de kleine hand; Met de poezele armpjes naar den vader uitgestrekt, kraait het jongske van pret.

— Ja \'t was ook hard! Met de reis naar Zutfen en Briesborgmeegerekend, had het lieve blonde ventje zijn vader in zes dagen zoo goed als in \'t geheel niet gezien; die vluchtige keeren in de laatste dagen telden niet mee. — Ja ja, nu zal hij den stoel uit. Ja, nu moet hij weer eens zoo heel hoog naar boven worden getild en dan, ploef, ineens heel laag naar beneden! — Hoor hoor hem eens kraaien vol ongeduldige blijdschap; en, wat de vader het jongske — misschien niet verstandig — alreeds zocht te leeren: het noemen van zijns vaders voornaam, het klinkt nu mede met ongeduldig opspringen in den stoel: „Fiffie, Fiffie!quot; en, hij kraait en hij springt weer.

— Neen, nu de deur maar dicht is, nu kan de zieke het niet hooren.

„Moest jij er voor lijden mijn arm klein Pribbeltje!quot; zegt Philip, en neemt het kind uit den stoel, en tilt hem hoog hoog en ploft hem dan tot op den grond : en weer in de hoogte en weer naar beneden, totdat.... Philip werd eensklaps zoo duizelig. — Hij hield den kleinen Frits goed vast, maar staakte het spel, en trok zich terug tot aan het groote ledikant. — Zóó op den rand zittend ging het beter. Fritsje wiegde in zijns vaders armen vóór- en achterover. — De vader wist echter niet wat hij deed. — Fritsje weet niet wat een schommel is, maar hij vond het prettig. Een beetje later is \'t hem alsof hij in zijn wiegje ligt. En de vader — hij wist wel wat een schommel was, en meende dat hij met klein Pribbeltje erin zat. Hij hield hem stevig vast ... maar \'t ging zóó hoog, zóó hoog, dat hij de oogen moest sluiten; en.... toen liet hij zich glijden, en ... hij weet niet meer wat.

Uitgeput van vermoeienis naar lichaam en geest, is de jongere Helmond in slaap geduizeld; maar het kleine ventje houdt hij toch altijd stevig vast. En Pribbeltje pinkt en dubt met de lange donkere oogwimpers, en.... slaapt dan mede — in de armen van zijn lieven Fiffie!

Virginie Helmond had den wensch van Philip begrepen. Ach ja. nu dokter August wat rustiger is geworden, nu mocht de goede jongen wel een oogenblik tot verademing komen. — Dien tijd kan zij waarnemen om hier in haar woonkamer de schromelijke wanorde

-ocr page 419-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 401

een weinig te herstellen, die er, door den toestand, waarin men zoo onverwachts geraakte, wel moest ontstaan. — \'t Is onbegrijpelijk hoe die trouwe Philip dat alles, en bijna geheel alleen, heeft beredderd. — Dat gebroken kopje op den vloer, en die groote scheur in het ledikantgordijn, ze bewijzen genoeg dat er vreeselijke momenten zijn geweest. En dan, wat zielsangsten moet de arme Philip hebben doorstaan! In de vaste meening dat dokter August, ten einde raad, zich aan dien ouden generaal had vergrepen, heeft Philip schier het onmogelijke gedaan om den lijder — na hun aankomst in Amsterdam — niets slechts te verzorgen, maar hem ook voor den blik der politie te vrijwaren. Toen eindelijk, door de tusschen-komst van den heer Woudberg, die schrikkelijke verdenking was opgeheven, en Virginie bij haar aankomst nog mede de onwaarheid ervan heeft mogen bevestigen, toen was de blijdschap van Philip zoo groot geweest, dat hij net bijna te kwaad had gekregen.

Het ledikant, \'twelk in alleriil van een voornamen uitdrager was ontboden, moest hier in de nette woonkamer worden opgeslagen — maar zonder levenmaken. — Den eerste die leven maakte smeet hij de trap af!

En uit de diepe kast in de achterkamer, waarin hij den broeder met de uiterste zorg een leger gespreid en tot nu toe verborgen had, heeft hij hem toen naar deze kamer overgebracht. Hier, hier zou hij herstellen; hier zou Philip hem bewaken en verzorgen al moest hij er zelf bij neervallen. Hier zou hij den ,armen duivelquot; liefhebben totdat---- totdat hij weer heelemaal gezond vertrekken kon.

Terwijl Virginie Helmond zonder eenig geraas de orde in de kamer herstelt, blijft het rustig in het groote ouderwetsche ledikant.

— \'t Was toch zonderling dat die voorname zwager daar nu neerlag in hare woning, en geheel alleen overgelaten aan de zorg van den verguisden Philip en zijn verachte vrouw.

— Slaap gerust arme zieke, denkt de jeugdige echtgenoot van den vurigen Helmond, terwijl ze met de hand aan het lijnbesneden gelaat naar de zij van het ledikant tuurt: Slaap gerust! Ik heb verplichting aan u. O! \'t geeft een zalig gevoel wanneer men iemand die ons---- wanneer men „iemand als üquot;, met zorg en liefde omringen kan. En dat gevoel heb ik leeren kennen door mijn eenige, mijn trouwe! O God, als hij het niet zoo dikwijls herhaalde, dat er zonder mij geen geluk voor hem kon bestaan, ja, dan zou ik misschien al gestorven zijn van smart over het iot dat hij door mij te dragen kreeg. Maar stil, was het misschien ook voor hém een bron van stille vreugd, dat hij een arm en onervaren kind aan zich verbond, om haar een trouw te leeren die in haar omgeving helaas, maar al te weinig gevonden wordt.

— O dokter Helmond, je wist niet wat kostelijken schat je in je broeder hebt bezeten, en dat zijn waarachtige trouw vaststaat als een rots in zee. Maar nü dokter, nü zul je het weten, nu zul je dan ondervinden wie mijn Philip is.

Eensklaps ontstelt Virginie geweldig. In gedachten verzonken naar

l. 26

-ocr page 420-

402 DOKTEB HELMOND BN ZIJN VBOUW.

het ledikant turend, ziet ze de oogeit rda den lijder strak en glinsterend om den hoek der gordijn haar aanstaren.

„Wil je wat drinken dokter?quot; zegt Virginie, zich herstellend, maar houdt de lange zwarte wimpers toch naar ien grond geslagen.

„Neem weg! Grijp weg!quot; roept de zieke op aagstigen toon; en nog eens met verhetfing van stem: „Eva grijp weg! — Zie je niet? Daar! Ze willen hem levend met mij begraven! — Laat vallen die diamanten, laat los; los! Grijpt hem! O God, daar hebben ze ons kind--.. O God, en hij heeft het niet gedaan. Ik heb iem vergift gegeven, ik! Zie maar, bloed, bloed!quot; En vreeselijk gillend: „Bloed!quot;

Philip is reeds toegesneld. Hij waakte al slapend. Een halr uur slapens heeft toch zijn krachten verfrischt. — Weinige oogenblikken later is hij er in geslaagd den zieke tot kalmte te brengen. Zijn Virginie geeft hij te drinken, en verzoekt haar dan zich te verwijderen. — Hoor, \'t is nu nog treffender dan zooeven. Aanhoudend, zonder een enkel oogenblik rust, klinkt het nu uit zijn mond: „Eva kom. Eva kom!quot; en altijd weder hetzelfde op dien angstig jagendeu toon; „Eva kom. Eva kom!quot;

Maar Eva kwam niet.

Neen, reeds vier- vijfmalen was Philip naar het venster gegaan, maar telkens reed het rijtuig, \'twelk hij had hooren aankomen voorbij. En toch, wanneer men na \'t ontvangen van het laatste telegram — dat Woudberg ter volkomene opheldering naar Eomphuizen heeft

fezonden — aanstonds vertrokken was, dan had men reeds met en sneltrein kunnen hier zijn. Maar, of een vrouw als Eva Armeloezonden — aanstonds vertrokken was, dan had men reeds met en sneltrein kunnen hier zijn. Maar, of een vrouw als Eva Armelo

zich zoo bijzonder zou haasten----? Althans Philip ziet alweder

naar buiten, doch — Eva komt niet.

En Eva? Ach, van het oogenblik, waarin zij zekerheid bekwam dat Helmond zich te Amsterdam ten huize van haar zwager bevond, was haar opgewonden koortsachtig drijven om te vertrekken zóó sterk geweest, dat haar oude vriendin er ternauwernood in geslaagd was om haar een weinig tot kalmte te brengen, en te doe n gevoelen dat men niets won met een paar uren vroeger per rijtuig te vertrekken, indien men toch met geen vroegeren trein te Amsterdam kon aankomen. Toen men in \'t einde tot vertrekken gereed was, toen heeft de kapitein Armelo God in stilte gedankt dat mama had besloten maar thuis te blijven.

De „bespottelijkequot; ingenomenheid van Eva met die weduwe quot;Van Hake, ekskuseerde haar, zooals zij beweerde, om „van de partij te zijnquot;. — „Neenquot;, heeft mama gezegd: „een moeder, die zóó met ondank wordt beloond, kan haar nart geen geweld aandoen, en meegaan om een schoonzoon op te passen, die de heele familie bedrogen en haar kind het hoofd heeft op hol gebracht.quot;

Ja waarlijk, Armelo is blij geweest dat mama tot dat besluit is

fekomen. — Eva verstond letterlijk geen rede tenzij die weduwe haar emoedigde en troostte. Ja, ja zeker, ze luisterde ook wel naar hem als hij haar courage zocht in te spreken, en haar herinnerde hoe hij zelf na \'t jaar 40 een pil te slikken kreeg, en de ritmeester Vanekomen. — Eva verstond letterlijk geen rede tenzij die weduwe haar emoedigde en troostte. Ja, ja zeker, ze luisterde ook wel naar hem als hij haar courage zocht in te spreken, en haar herinnerde hoe hij zelf na \'t jaar 40 een pil te slikken kreeg, en de ritmeester Van

-ocr page 421-

SOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 403

Disse hém toen getroost heeft met te wijzen op het houten been, waarmee die oude kameraad sedert 30 moest rondspringen; maar hij wist toch al spoedig niet meer wat hij zeggen zou, en Eva werd er ook maar weinig door getroost. Nee die goede mevrouw Van Hake was hem inderdaad een reddende engel; zij had zoo den

slag---- ze was zoo bedaard; ze praatte met mee, en toch ook

niet tegen. Ja, ze was zoo lief voor zijn kind; en dat kind — ach, ze heeft toch zooveel goeds, en is nu wel diep te beklagen. — Wat zal men er van zeggen!? Eigen schuld! Eigen schuld!? Maar wie heeft er geen schuld in de wereld? Eva was zoo jong; zooveel jonger dan hij, Arraelo zelf, in den tijd toen mama.... op een kleiner schaal, iawel. •. .

.Stil maar Befje-lief,quot; heeft hij gezegd toen men dan eindelijk in de vigilante zat, die hen naar \'t station zou brengen: „stil lieve Eva; vergeet niet dat je een militaire-kind bent. Je moet je in den spoorwagen goedhouden. De sergeant Wagenaar placht tequot; zeggen----quot;

Maar Eva hoorde hem niet; ze stak het hoofd uit het portier en riep vol onrust:

, Vooruit dan koetsier, vooruit! of we komen te laat aan den trein!quot;

En Philip Helmond snelt opnieuw naar het raam. Hij heeft weer een rijtuig gehoord. Het kwam nader. Ja zie, de voerman tuurt naar de nummers der huizen. — Philips hart klopt vol onrust. Nu is de vigilante de woning genaderd. Zij houdt stil voor de deur. Zal zij er uitkomen? Zij! de vrouw die hij haat. Zal zij zich hier bevinden, hier, binnen weinige seconden....!

„Eva kom, Eva kom!quot; klinkt het nog altijd van August\'s lippen, doch nu telkens flauwer en straks nauwelijks hoorbaar.

„Ja kom dan, in Godsnaam, kom!\'quot; zegt Philip bij zich zeiven,

en perst de lippen opeen, en hoort gestommel op de trap, en----

staart naar de deur, maar mist toch de kracht om die te gaan openen.

„Voorzichtig kindlief, niet zoo haastig;quot; zegt Armelo: „Laat mij nu voorgaan Eva; de trap is steil; en, — ik dien toch te vragen of we hier waarlijk terecht zijn.quot;

Maar Eva heeft niet naar den vader geluisterd. Op een paar treden na is ze reeds boven. — Doch nu. bijna had zij naar evenwicht verloren. De sleep van haar kleed is aan een spijker blijven haken. Met een kraohtigen ruk, die een groote scheur in dien sleep maakt, heeft ze zich aan de klem ontworsteld. — Wat, wat geeft ze nu om japonnen met slepen!

Vreeselijk bonst haar het hart terwijl ze nu schier in hetzelfde oogenblik de hand naar gindschen deurknop uitstrekt. Zij voelt, ze weet het, daar, daar moet hij zijn.

Philip Helmond staat onbeweeglijk, \'t Is hem alsof hij versteend is. — Nu zal ze komen. — En, de deur ziet hij opengaan.

Met gejaagden doch onhoorbaren tred, kwam daar een vorstelijk schoone gestalte naar binnen. Nadat zij de kleine voile had opgeslagen, heeft ze hem vluchtig aangezien; en, in hetzelfde oogen-

-ocr page 422-

404 DOKTER HELMOND BN ZUS VROUW.

blik naar het ledikant wijzend, is ze ijlings zonder te spreken er heengesneld.

— En, dit is ze dan.... dat is dan de ijdele vrouw die de zijne veracht.... — Maar hoor — O God, dat moet wel een steen vermurwen; dat perst hem met geweld de tranen in \'t oog. Hoor, eensklaps zwijgt het jagend geroep van den armen lijder; een lange zucht glijdt er van zijn lippen; de matte van koortsgloed schitterende oogen slaat hij naar haar op; \'t is alsof een glimlach zijn doodsbleek gelaat overtrekt. En zij, uitbarstend in bitter geween, roept weder met nokkende stem:

.Ach ia, mijn August, mijn liefde, mijn alles! Hier ben ik; je Eva!quot;

Neen, Philip Helmond heeft aan die eerste opwefling toch geen gevolg kunnen geven. Een oogenblik was hij er bijna toe gekomen, om haar terzij te snellen en naar de hand te drukken, vol innigen dank omdat ze gekomen is en den armen broeder dien weemoedigen

flimlach op \'tlijdend gelaat heeft getooverd. Maar, \'twas zóó beter; ij heeft het niet gedaan. De vrouw kan haar man liefhebben, en toch verachtelijk zijn.limlach op \'tlijdend gelaat heeft getooverd. Maar, \'twas zóó beter; ij heeft het niet gedaan. De vrouw kan haar man liefhebben, en toch verachtelijk zijn.

De jongere Helmond wordt nu afgeleid. Er waren nog twee personen naar binnen gekomen. Dat moeten haar ouders wezen. Hij spreekt fluisterend met hen, maar, hij zal hun niet toonen dat hij medelijden heeft met hun kind. Dat kind, die dochter, veracht zijn vrouw, zijn schat, en daarom.... Philip staat nu weder alleen. De oude man en die dame in \'t zwart zijn naar het ledikant gegaan, en.... Neen, het was te verwachten, de arme August herkende hen niet. Maar ook, helaas, de oogenblikkelijke kalmte, die Eva\'s komst had bewerkt, is reeds voorbijgegaan.

Op het zien van den ouden kapitein is August eensklaps overeind

ferezen, en terwijl hij het hoofd terugtrekt naar de binnenzij van et ledikant, ijlt hij weder:erezen, en terwijl hij het hoofd terugtrekt naar de binnenzij van et ledikant, ijlt hij weder:

,Vermoord! dood! vergift! Voor duizend, voor tienduizend gulden vergift!quot; en in woeste opgewondenheid gaat hij met ijlen voort, en doet de omstanders sidderen, en Eva, marmerwit geworden, terugdeinzen en het gelaat met beide handen bedekkend jammeren: ,0 God! o groote God!quot; Doch, meer te spreken vermag zij niet.

Weinige minuten later ontwaakt Eva uit een korte bezwijming. Zij rust met het hoofd tegen den schouder der jonge vrouw, die ijlings uit de andere kamer was toegeschoten. De man, dien zij bij haar binnentreden het eerst heeft gezien, stond aan haar zij en ver-frischte haar met eau-de-cologne, En ofschoon ze eensklaps haar

volle bewustzijn herkreeg, ze moet nu de oogen toch sluiten.....

Een oogenblik later zegt ze zacht:

„Ik dank u____ \'t Is nu voorbij. — Ik zal sterk zijn. Ach, laat

mij nu met hem alleen?quot;

\'t Sprak vanzelf dat een vermeerdering van drie personen het kleine vertrek wat al te vol deed worden.

De dokter, die den patiënt kwam bezoeken, liet zich met een paar

-ocr page 423-

DOKTER HELMOND EU ZIJN VBOTTW. 405

woorden hierover uit. In \'t belang van den zieke waren lucht en stilte noodzakelijk, \'t Was hier wel wat klein.

Weinige oogenblikken later bevindt Virginie Helmond zich in bet benedenhuis, en spreekt er met haar hospita. De hospita schudde eerst geweldig het hoofd om aan te toonen dat de zaak niet te vinden zou zijn; maar toch, haar hart was „plooizaamquot; wanneer het noodig was, en — ze zou doen wat ze kon.

Nadat Virginie, weder boven gekomen, zeer vluchtig op het portaal met Philip heeft gesproken, treden die beiden de ziekenkamer weer in, terwijl ze nog op den drempel een snellen blik van verstandhouding wisselen.

Mevrouw Van Hake, die zooeven een goedkeurend woord van den Amsterdamschen dokter over het aanwenden van een afleidend middel heeft ontvangen, zegt nu fluisterend tot Eva:

„Niet zoo onophoudelijk schreien lieve Eva. \'t Is niet goed. Zie, hij ligt nu weer kalm.quot;

„Maar hoop! Zou er hoop wezen?quot;

„Waarom zou die er niet zijn? Maar dan moet ook alles gedaan ■worden wat in zijn belang noodzakelijk is.quot;

Op dit oogenblik komen Philip en Virginie in de kamer terug. Terwijl de eerste naar Eva ziet, doch op een afstand blijft staan, gaat \'Virginie naar het venster waar de kapitein Armelo reeds een geruimen tijd stond, en er gedurig eens naar buiten keek.

Het was hem eigenlijk alsof hij droomde terwijl hij daarbeneden die gansch ontwende drukte zag, en, voor zich uit, dat breede spiegelgladde IJ, tintelend in de zon, mee al die zeil- en stoomschepen, en de af- en aanvarende roeibootjes er tusschen door. Ja, \'t was hem alsof hij droomde. Maar telkens, en altijd weder wanneer hij uit die droomerijen ontwaakte, kwam hem de vraag voor den geest: Is het dan hadr schuld; de schuld van dat arme kind? Zie, haar moeder is thuis gebleven, en die vreemde is meegegaan. Haar moeder heeft bij \'t afscheid gezegd, dat zij — alles nu daargelaten — ook wel thuis blijven moest. Mama zou in Eva\'s afwezigheid toch het bestier van \'t groote huis wel dienen op zich te nemen.

— Maar — zou het dan moeders schuld zijn alleen, en volstrekt niet de zijne.....?

Armelo heeft het eensklaps zeer warm gekregen. Ja, hij had daar immers juist het kind weer aangezien, het lieve kind met haar roodgeschreide oogen; en.... phu! de oude polonaise met de nauwe mouwen heeft hij toen wat losgeknoopt. Maar zie, nu de onderjas daardoor aan \'t licht kwam, nu werd Armelo\'s oog onwillekeurig naar beneden getrokken. Wat was dat! — Toen hij zich voor die overhaaste reis naar Amsterdam heeft gekleed, toen moet mama hem —- natuurlijk met den meesten spoed, de groote tiendaagsche ruziequot; en de „vijf en twintigjarigequot; op de reeds wat kaal geworden Zondagsche jas nebben genaaid.

— Goeje hemel, dat hij daar eerder niets van gezien heeft! Is dit nu een gelegenheid----it!?

-ocr page 424-

406 DOKTER HELHOND EK ZIJN VHOtTW.

Zoo spoedig mogelijk heeft Armelo zijn pennemes uit den zak gehaald.

Geheel en al afgewend, bijna met hoofd en handen tegen het vensterglas gedrukt, tarnt hij nu die monsterdingen los.

Op het oogenblik dat de kapitein hiermee bezig was, trad Virginia op hem toe. Zoo snel hij kon deed hij nu de polonaise weer dicht, maar kon het niet verhinderen dat de „tiendaagsche ruziequot; er onderuit en voor zijn voet op den grond viel. — Dat was hem nog eens gebeurd. — Gelukkig, zij ziet het niet. Armelo zet er haastig den voet op.

„Watblieft u mevrouw?quot;

Terwijl Virginie Helmond den kapitein verzoekt om — voor zoolang als hij hier mI blijven — van een der beide benedenvertrekjes die haar hospita wil inruimen, gebruik te maken, is Eva — na een aarzeling — opgestaan, en, tot Philip genaderd, zegt ze fluisterend met neergeslagen blik:

„Ik wilde u iets vragen. Het betreft. -

Ofschoon Philip bij deze onverwachte toespraak eensklaps zeer bleek is geworden, zoo bespeurt Eva echter zijn ontroering niet, en, zich aanstonds herstellend, opent hij de deur van het kleinere achtervertrek en zegt:

„Ga in deze kamer mevrouw. Hij mocht ons hooren misschien.quot;

En daar staan ze nu tegenover elkander. Eva is zeer gejaagd. Bij haar diepe smart pijnigt haar niets zoo geweldig als de gedachte, dat ze zich nu in de woning van dien Philip en zijn vrouw bevindt, en van hunne weldaden en hun genade afhankelijk is. Bovendien, in den laatsten tijd zeer aan ruime vertrekken gewoon, is het haar hier onmogelijk klein en benauwd. Met den sleep van haar kleed vult ze bijna de geheele ruimte van dit hokje.

\'tls toch alsof dat gevoel haar nog uit een andere oorzaak hindert. Eensklaps vat zij de overvloedige ruimte van haar japon en trekt die naar boven.

„Wat wenscht u mevrouw?quot; zegt Philip en zijn stem klinkt ongevoelig.

— Is dat dezelfde man die haar straks met zijn hulp heeft terzij gestaan! Maar toch, dien toon kan zij nu beter verdragen: Koud-water dient haar; hoe killer hoe liever.

T Wij zijn u tot last,quot; vangt ze aan terwijl ze — nog bezig met dien sleep van haar kleed — de oogen steeds naar omlaag houdt: „Uw woning bestaat uit deze twee kamers niewaar?quot;

Philip geeft geen antwoord. Eva vervolgt:

„De dokter heeft gezegd dat de voorkamer, met het oog op mijn lieven zieke, wel wat klein is. \'t Zal hem kwaad doen als wij daar

gedurig tezamen zijn----Ik wenschte ... Ik zal in het dichtstbij-

gelegen logement een paar ruime kamers bestellen, en dan....quot;

Eva zwijgt. — Philip zwijgt mede; doch, na eenige oogenblikken van stilte ziet hij haar met gefronste wenkbrauwen aan, en herhaalt op vragenden toon hare laatste woorden: „En dan....?quot;

„Dan wilde ik Helmond erheen laten brengen,quot; herneemt Eva:

-ocr page 425-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW. 407

, tenminste wanneer de dokter het goedvindt. Natuurlijk met alle voorzorg; in een welgesloten rijtuig. En....quot;

Eva zwijgt weder.

„En____Vquot; herhaalt Philip.

,Ja, en ik zou u dan hartelijk.... willen----dankzeggen, voor.

„Voor....?quot; vraagt Philip even koud.

„Voor alles wat u deedt in \'t belang van mijn lieven man; en u verzoeken----quot;

Droefheid en verlegenheid werken samen tot het te voorschijn roepen der tranen die Eva weer snikkende schreit. Philip komt haar een schrede nader:

„Mevrouw,quot; zegt hij zeer bedaard; „op dit oogenblik treffen uw tranen mij minder dan ik wenschen zou. Vergeef mij, ik kan niet altijd zwijgen, \'t is mijn gebrek. Maar \'t was toch mijn plan niet u hard te vallen. Tegen uw wil en tegen den mijne kwaamt u in deze woning. Geloof me, ik zal de wetten der gastvrijheid — en nü vooral — geen oogenblik schenden. Er is voor gezorgd dat uw vader en de doktersweduwe met u in deze woning kunnen blijven zoolang als zij \'t verkiezen. Voor wie bij August moet waken zal mede op de voorkamer een bed worden gespreid. Niet meer dan één of twee personen tegelijk behoeven bij den zieke te zijn. Ik vrees geen oogenblik dat een verblijf hem hier, op die wijze, nadeelig zou kunnen worden. De lucht is hier frisch aan het IJ. — Ik bid u laat mij uitspieken: Mijn vrouw en ik, we beschouwen u van dit oogenblik afaan als meosteresse in die voorkamer, daar. Wat u noodig hebt \'t zal er wezen. Ik ben een zeer rijk man op dit oogenblik mevrouw. Maar,quot; vervolgt hij zacht doch met klem; „tenzij de dokter gebood dat August in \'t belang zijner herstelling naar elders moest vervoerd worden — \'tgeen ik voor onmogelijk houd — zal ik niet toestaan dat hij ergens anders dan in deze woning herstelt

of\'----sterft. Ik herhaal u, dat zal ik niet toestaan. Misschien

kont u beter dan ik de oorzaken mevrouw, die hem een rijke woning deden ontvluchten.quot;

Eva sidderde. — Moest zij zoo iets hooren, zoo iets van hem! Waar is haar vader; waar blijven ze dan om haar te beschermen! O, nu hij haar hier alleen heeft, nu durft de man, die haar straks voor\'t oog van anderen zoo liefdevol bijstond, haar wel waarheden zeggen

die----Hoe! Eva beeft nog sterker. — Heeft hij haar waarheden

gezegd!? O God! Haar ontroering zal ze nu toch verbergen. Moet ze het dan hooren, van die lippen, dat ze zelve. .. Neen, hoor:

„Maar naar die oorzaken vraag ik niet. ik wilde u slechts zeggen, dat ik August op mijn weg heb ontmoet. Van zijn onschuld was ik niet overtuigd, \'t Sprak vanzelf dat ik hem jn bescherming nam, en een eed zwoer dat men den armen zieke niet vatten zou. Ha, daar was een middel!quot; vervolgt Philip, en zijn oogen glinsteren ofschoon hij dat middel niet noemt. Goddank, \'t was onnoodig geweest zich inplaats van zijn broeder, den vluchteling te noemen: „Maar noodig was \'t wèl dat ik hem hier bracht: Zijn eenige „trouwe vriendquot; kon hem niet opnemen, \'t Was om de „lieve kleinenquot; zei

-ocr page 426-

408 DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOÜW.

Woud bergs vrouw; men vreesde voor een epidemiscfae ziekte. — Nü is hij hier: \'t zal u vrijstaan mevrouw, te blijven of te vertrekken naar goedvinden; maar, ik zeg \'t u nóg eens: hier zal hij beter worden of — sterven! — En, als er niemand mocht zijn om hem te verzorgen, al moest het ook weken en maanden lang durenquot; — Phili] s stem bekwam eensklaps iets trillends, iets onbeschrijfelijk roerei.ds: „dan, zie, — dan zouden wij hem toch terzij blijven, mijn vrouw en ik; en aan niets, nee, zoo waarachtig als hier een hart klopt, aan niets zou het hem ontbreken, al moest het laatste stuk uit ons huis, ja, al moest de wieg waar ons kind in slaapt, er voor verkocht worden.quot;

— O God, die tranen in dat oog---- Eva weerstaat ze niet.

„Philip!quot; zegt ze en grijpt de hand van dien vurigen man; en

weder: „Philip!quot;

En hij? — O, dat klinkt als muziek. — Maar neen, dat heeft hij

niet bedoeld; niet gewild; en---- Ha, gelukkig, een zachte kreet

van den ontwakenden kleine geeft hem het recht om snel zijn hand uit die van Eva terug te trekken. Nu spoedt hij zich voort naar de wieg. Zie, het wakker geworden jongske, met zijn frissche koontjes door den slaap gekleurd, het lacht en kraait zijn lieven vader weer toe.

„Sust sust Fritsje, stil! geen leven maken mijn kleine man!quot; zegt Philip, en neemt het blondkopje uit de wieg, dien lieven kleinen mol! En als hij nu zijn lippen op die lachende koontjes drukt, dan strekt het kind de kleine poezele handjes naar Eva uit, en wiegt onrustig met het lijfje naar die zjj; en ziet haar aan met zijn lokkende blauwe kijkers.

— O welk een engelachtig, kind! Zie, zie, hoe het haar toelacht. Met een snelle beweging wischt Eva zich de tranen af; en — als ze het kind, dat zich al meer en meer naar haar vooroverbuigt en bijna het evenwicht zou verliezen, nu met de beide handen heeft opgevangen, dan zegt ze zacht:

„Dat is je zoontje, niewaar Philip?quot;

„Ja,quot; klinkt het op zonderlingen toon: „en het kindje van Virginie.quot;

Terwijl Eva het jongske zoent, heft ze haar schoone oogen tot den broeder op, en dan.... dan wil ze iets vragen....

Maar \'t was niet noodig. Terwijl het in de voorkamer rustig bleef, scheen de moeder te hebben gevoeld dat haar kind was ontwaakt.

Virginie kwam zachtjes den hoek der deur om, in het achtervertrek. Ze zag haar Fritsje in Eva\'s armen. En:

„Virginie.... zuster!quot; zegt Eva met bevende stem. Meer zeide ze niet. Maar \'t was genoeg.

En, als het spartelende jongske een oogenblik later op den arm der moeder zijn Fiffie, Fiffie! roept, dan heeft Eva den strijd gestreden. Ze had op de bleeke wang dier moeder een zoen gedrukt, een zoen van dankbare liefde.

\'t Was nu omstreeks een half jaar geleden. Aan Philips eisch

-ocr page 427-

DOKTER HELMOND EN ZIJU VROUW 409

4

was voldaan: August had zijn vrouw geroepen en — hun jongske heeft nü niet geslapen.

VIER EN VEERTIGTSE HOOFDSTUK,

Slechts voor weinige oogenblikken mocht een weldadig gevoel Eva\'s borst doorstroomen. Droeve hulpkreten klonken er weer uit de aangrenzende kamer. Eva\'s hoop, straks door Helmonds kalmer neerliggen gewekt, en de zoete gewaarwording der overwinning die zij op zich zelve behaalde, ze waren eensklaps vergeten.

Het innigst medelijden met dien lijder moest nu wel liet ongevoeligste hart vervuilen. — Eva was radeloos. — \'t Werd onmogelijk dat zij langer in de ziekenkamer bleef. Slechts mannenkrachten waren instaat om den armen zieke te beteugelen. Zijn ijlende waanzin uitte zich het allermeest door het denkbeeldig beschermen van een kind tegen duizenden moordenaars, die het van een schaap wilden wegtronen, hem lokkend met gansche snoeren van diamant; en dan weder, zoo mogelijk nog sterker, door in doodsangst te willen ontvluchten aan de handen van bloeddorstige beulen die hem aangrijnsden omdat — zie maar, omdat daar het lijk lag van den generaal, den pleegvader, door hem vergiftigd, door hem vermoord.

De dokter, die tegen den avond nog eens terugkwam, heeft het niet tegengesproken dat het misschien weldadig op den patiënt zou kunnen werken, indien mijnheer Van Barneveld zich spoedig aan hem kon vertoonen:

„Ja zeker mevrouw, toen hij ü zag, toen werd hij óók kalmer. Welzeker!quot;

„Indien ik dan aanstonds schreef?quot;

„Ja, dat zou niet kwaad zijn. — Van harte \'tbeste! Tot morgen. Als ik van nacht soms noodig mocht zijn dan....quot;

,0 God, dokter, u vreest toch niet----? Nee! mijn beste Helmond

zal immers beter worden?quot;

„We zullen doen wat we kunnen mevrouw. Zoolang er geen zekerheid voor een droevig einde is, geven we de hoop niet verloren. In uw beider belang moet ik u echter bepaald ontraden om vooreerst weer bij hem te gaan. Wanneer hij morgen rustiger is.... Ja, dan, welzeker!quot;

— O, is er een vreeselijker toestand te bedenken!? Hier in het benedenhuis, in een benauwd en somber vertrekje, hier moet ze werkeloos toeven en verteren van angst, terwijl daarboven een aangebeden man door anderen wordt geholpen.... Eva vliegt overeind.

„Lieve kind, blijf toch wat kalm,quot; zegt mevrouw Van Hake: „Papa is immers óók boven. En hoor maar.... \'tis nu weer rustig.quot;

„Maar hier, hier is de onrust onbeschrijfelijk!quot; roept Eva, en drukt

m li uil

-ocr page 428-

410 DOKTEB HELMOND EN ZUN VBOtlW.

de hand met geweld op de borst. ,0 God, als hij stierf----ik zou

krankzinnig worden, want---- Maar nee, ik heb het niet gedaan.

Nee, nee!quot; klaagt en schreit ze voort: „nee, ik heb hem zoo lief, zoo waarachtig lief. — Die vrek is de hoofdschuldige. En hij moet hier komen; hij zal! O schrijf hem, lieve engelachtige vrouw; schrijf hem dat August zal sterven als hij niet aanstonds hier komt.Nee ik, ik kan het niet.quot;

Mevrouw Van Hake is tot schrijven bereid. — Maar dan — zou een brief er niet te laat komen, en zal die gestrenge man gevolg geven aan het dringend verzoek indien Eva het niet zelve vraagt ?

— Ja zeker, de brief zal te laat komen, meent Eva, en, waar is het ook, indien zij \'tniet zelve vraagt dan zal hij spotten met haar droefheid en angst. — In Godsnaam! Als zij dan kruipen moet, dan zal zij \'t nii doen ter wille van dien eenigen vriend! — \'tZal een telegram zijn, — Goed, zij schrijft met trillende hand:

„Generaal!quot;

— Neen, dat kan niet blijven. Weder schrijft ze:

„De pleegvader van dokter Helmond wordt dringend verzocht..

— Neen, alweder neen! Zóó weigert hij. — Opnieuw:

„Geachte oom!quot; — O welk een leugen! „Indien gij nog eenig gevoel voor uw pleegkind hebt----quot;

— Maar is zij dan krankzinnig! Al ware die stijl geschikt voor een telegram, op dien toon zal zij hem zeker niet bewegen om in allerijl naar hier te komen.

Eva staart voor zich heen. En, \'t is haar eensklaps alsof ze den grijsaard daar zag. Zij spreekt hem aan; zij verzoekt hem dringend dat hij August zal gaan zien en tot kalmte brengen. — Hij weigert. — „Lieve oom!quot; — Hij schudt met dat grijze.... toch wel eerwaardige hoofd. — „Oom, beste oom, ik bid, ik smeek u!quot; — Hij ziet haar aan, maar zwijgt. — „Lieve oom.... ik heb schuld; ja wij zullen terugkeeren van dien weg.... beste oom, maar om Godswil.... ga dan ook mee?quot;

— Zie, nu wenkt hij haar toe.

Eva drukt vluchtig de hand voor de oogen. Een oogenblik later schrijft ze opnieuw. Eerst het adres, en dan:

„Beste oom. In bitteren zielsangst smeek ik u, kom Helmond aanstonds zien. Hij roept u. Hij zal sterven indien u wegblijft. Eeuwig dankbaar zal u zijn uw

Amsterdam, Buitenkant 103. Eva Helmond,

Akmelo.quot;

Het telegram werd verzonden.

En — er volgde een lange en droevige nacht.

Des anderendaags tegen den namiddag, bevonden zich onder de aangekomen reizigers met den sneltrein uit Utrecht, een deftig oud heer benevens een tengere jonge dame. Een oude knecht in eenvoudige livrei, met een valies in de hand, is hen reeds vooruitgegaan.

-ocr page 429-

DOKTER HELMOND BN ZIJT.\' VEOCTW. 411

en helpt straks met de meeste zorgvuldigheid den grijsaard en diena bleeke dochter in de vigilante, welke hij spoedig als de beste heeft uitgezocht.

„Naar de Keizerskroon Willem;quot; beveelt de oude heer.

„Best generaal;quot; zegt Willem, en slaat even aan, alvorens hij zich naast den huurkoetsier op den bok zet.

„Niet zoo hard rijden;quot; zegt Willem tot den voerman: „De generaal is niet al te wel, en hard rijden op de steenen zou hem kwaad kunnen doen.quot;

„Zoo, is dat een generaal?quot; zegt de aangesprokene: „Ik dacht wel dat het een hooge van \'tvolk was. Nou nier in Amsterdam malen we daar weinig om.quot;

Willem zweeg, maar op gevaar af van een „standjequot; met dien huurkoetsier te krijgen, greep hij als man van \'tvak, naar de leidsels, want, dat vreoseliik gehots op die keien \'t moest den generaal zeer zeker hinderen.

Ja, Van Barneveld was inderdaad zeer vermoeid toen hij aankwam, \'t Was volstrekt noodzakelijk dat hij eerst in \'t logement een half uurtje uitrustte.

De eerste vraag van Jacoba aan den opperschenker in het logement, vvas, om haar aanstonds een kopje en wat melk te bezorgen. Nog met haar handschoenen aan, maakte ze voor den lieven vader weeleen van de poeders klaar die den zieke zoo heilzaam zijn geweest; en — in geen geval zou ze het anders doen dan dokter August Helmond had voorgeschreven.

„Over een half uur de vigilante;quot; beval Van Barneveld: „Buitenkant, nummer honderddrie.quot;

Aan dien Buitenkant N0. 103 stond het dokterskoetsje voor de deur. De dokter sprak in een der benedenkamertjes nog even met mevrouw van Hake, \'t Was heel goed dat mevrouw Helmond nu maar boven bij hem was. Neen, kwaad kon het volstrekt niet; och nee. — Over een paar uren hoopte hij nog even aan te rijden, want...........

Mevrouw Van Hake vernam verder de laatste woorden in de gang, en zag daarna het koetsje wegrijden.

O welk een onbeschrijfelijk zalig oogenblik is het geweest, toen die schrikkelijke nacht was voorbijgegaan en de afgetobde lijder, na eenige uren van rust, de oogen heeft geopend, en kalm en zacht heeft gevraagd;

„Is Eva niet hier?quot;

— Ach, waar zou ze nu anders wezen! Ja ja, hier was ze:

„August! eeuwig dierbare, lieve August! Och je kent me dan weer?quot; .

„Ja. ia juist, ik wist wel dat je komen zoudt.quot; — Hij ziet haar aan: „Goddank dat je er bent mijn lieve. — Ik ben erg ziek Eva; heel ziek.quot;

„Ja mijn beste, maar nu bon je beter.quot;

-ocr page 430-

412 DOKTE» HELMOND EN ZIJN VROUW.

„Beter? — Toch niet heelemaal beter Eva. Ik voel.... Luister

eens---- Hier---- Geef me die hand____ Zoo____ Wacht even____

\'k Ben moe.. • heel moe....quot;

„Lieve beste August, als het ie vermoeit, spreek dan niet; word dan eerst weer sterk en gezond.

,Ja, maar dan zou het te laat kunnen zijnzegt Helmond weder na een korte pauze en nu op zeer duidelijken toon: „Zoo, ja met die lieve hand op mijn hoofd dat is goed. — Eva, zeg, aiin wii alleen? Is daar nog iemand?quot;

„Ja beste, hier is papa; en Philip is daar ook. Je tro we brave Philip die je in zijn woning verzorgt.quot;

„Ik weet het; ik heb dat alles gehoord. — Goeie jongen! Onverdiend!quot; — Hij roept luider: „Philip!quot;

De jongere Hèlmond staat nu bij het ledikant, \'t Is hem onmogelijk om een woord te spreken, nu hij de trillende broederhand vat die hem werd toegestoken, terwijl die afgetobde blauwe oogen hem zoo onverklaarbaar gevoelvol aanstaren.

„Papa ook;quot; herneemt August: ,Brave man! Hier blijven allebei. Mevrouw Van Hake.... — Virginie!quot; zegt hij weer luider.

„Och Philip, roep je vrouw; hij wil haar zien;quot; zegt Eva snel: — O hoe helder spreekt hij nu. „Lieve eenige August! — Goddank, Goddank dat alles voorbij is!quot;

Een oogenblik bleef het stil.

„Ja, alles is voorbij----quot; herneemt Helmond, en vervolgt, somtijds

zwakker doch ook telkens weer met heldere stem: „Voorbij!.....\'t Was

een korte dag. De morgen was wel schoon, maar de avond is vroeg gevallen; een leelijke mist had den dag verdonkerd____quot;

„Het ijlen begint weer;quot; fluistert Armelo bijna onhoorbaar tot mevrouw Van Hake; „Dan moet Eva weg. Volstrekt!quot;

„Ja Eva, ja, mijn zwakheid heeft dien korten dag in een mist gehuld...quot;

„August, mijn lieve August, spreek daar niet van.quot;

Helmond slaat vluchtig de oogen tot haar op:

„Ik heb vreeselijke droomen gehad Eva.quot;

„Och, die zijn nu voorbij,quot; zegt Eva weder, en zoent hem op de ingevallen wang.

„Zóó, dat wilde ik juist vragen,quot; herneemt de zieke zeer luid: „een zoen! Ik wist wel dat je hem geven zoudt, mijn mooi lief kind, mijn nachtegaal!quot;

Eva blijft hem zoenen met vuur, totdat de stem eener zorgvolle vriendin haar in \'t oor fluistert:

„Spaar hem. \'t Is niet goed lieve Eva!quot;

„Laat haar, brave vrouw;quot; zegt Helmond weder, en heeft nu de oogen der doktersweduwe ontmoet: „Zij wil het doen voor u allen: mij mijn schuld vergeven.quot; En dan nog luider: „Ja, mijn schuld mij vergeven, mijn zondige zwakheid, mijn ellendige zwakheid!quot;

Het moede hoofd viel terzij. Zóó kon hij niet voortgaan, maar toch vernam men nog met bijna onhoorbare klanken: „Als een

-ocr page 431-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VBOUW. 413

kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan... - weerhoudt men dat kind...quot;

\'t Gaf Eva na de oogenblikken van stille blijdschap over die merkbare beterschap — waardoor ze als \'t ware in den zoeten dommel van \'t verleden was teruggevoerd — een vreeselijken schok toen flelmonds laatste, misschien alleen voor haar verstaanbare woorden, haar zoo ontzettend diep in de ziel zijn gedrongen.

— Nu weet zij het weer; ja, alles ineens:

— Door haar, door haar alleen, is die brave goede man al dieper en dieper gezonken.

— Door hare schuld, o God, was er in zijn reine ziel waarschijnlijk voor een oogenblik — een ondeelbaar oogenblik — de gedachte opgerezen dat het geneesmiddel voor den grijzen pleegvader in een grooter hoeveelheid toegediend, het middel ter uitredding in den nijpenden geldnood zou kunnen worden. — Ja, Eva weet het nu alles: Wat zij niet zelve heeft begrepen, dat heeft die trouwe vriendin haar op \'t zachtst en \'t liefderijkst doen gevoelen.

„Och August!quot; barst Eva nu bitter schreiende los: „Moet ik, ik vergeven, ik, ongevoelig ijdel schepsel, ik!quot; Zij verbergt haar schoon gelaat in de beide handen, en dan, voorovervallend op zijn kussen, schreit ze nokkend voort: „Ik ben schuldig, ik heel alleen. O wat geef ik om alle schatten ter wereld als hij maar leeft. Och goede God!quot;

De oudere Helmond heeft het hoofd weer naar Eva\'s zij gewend: hij doet een poging om zijn hand op haar hoofd te leggen.

Mevrouw Van Hake ziet het, en is hem behulpzaam. Hij dankt haar met dat moede goedaardige oog. De weduwe verwijdert zich van het ledikant, \'t Kon iemand te machtig worden. Helaas! zij weet dat er maar zeer weinig hoop op beterschap is.

„Eva niet schreien;quot; herneemt nu Helmond. En na een oogenblik stilte: „Wij hebben elkander te zwak.... maar toch zeer liefgehad. Eva.... zeer! En, nu zullen wij scheiden lieve kind.quot;

\'t Was dokter Helmond aan te zien dat hij zich nog in deze laatste ure beheerschen kon. Hij heeft Eva de naderende scheiding zelf willen aankondigen. Hij had zich voorbereid op de uitwerking van dien vreeselijken schok. Het moest zoo wezen, in aller belang.

En, na een akeligen wanhoopskreet van Eva, en een uitbarsting van haar hevig beangst gemoed, terwijl ze schier in vertwijfeling God en menschen om redding smeekt voor hem die haar zoo lief is, slaat Helmond met alle krachtsinspanning den arm om haar hals, en zegt met heldere stem:

„Toon dan nog eens Eva, dat je mij waarlijk liefhebt, en schrei niet zoo hevig lieve; dat schreien maakt mij het sterven bang!quot;

Zie, die woorden wekken haar op. Ja zij vermant zich. — Moet zij hem dan ook het sterven nog bang maken. Zij!

,0, maar God zal het niet gedoogen! Nee August! Nee, nee, niet sterven, mijn lieve lieve man! In een hut wil ik wonen als je maar bij mij blijft; met brood en water zal ik tevreden zijn. O, voor wie, voor wie zou ik leven, als jij, mijn eenige, me ontvallen moest!quot;

-ocr page 432-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VKOUW.

En Helmond fluistert met trillende stem:

, Voor ons kindje Eva. Als God wil dan zie je mij in ons kindje

vreer.... Wees sterk, en leef voor hem lieve vrouw____quot; En dan

bijna onhoorbaar: Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars----quot;

„Mijn engel, mijn eenige!quot; nokt Eva aan zijn oor: „Zoo waar als God leeft, ik zal sterk zijn en goed. Maar jij zult bij mij blijven; jij zult hem leeren, en mij steunen; ja August, ja!-\'

„Ik heb het wel vurig gewenscht---- lieve vrouw. Ik zou hem

zoo graag---- op den arm hebben gedragen.... en gekust op dat

lieve kopje, maar, dat zal niet zoo zijn. En zich afwendend, onhoorbaar; „Nee, niet zoo zijn. Ik heb het niet verdiend!quot;

In het uur dat volgde kwam de dokter weder. Hij schudde het hoofd. Maar gelukkig, de zieke was nu zeer kalm; en de liefde van allen die hem omringden spreidde zijn peluw zacht.

Daareven was het een treffend oogenblik geweest. Met de vervlogen hoop om ooit het kindje te zullen zien waarnaar hij zoo vurig verlangde, heeft hij, waarschijnlijk teneinde zich nog even in de aanschouwing van een kleinen Helmond te verheugen, de namen van Virginie en Fritsje genoemd. En, ijlings is toen de moeder heenge-sneld en met haar jongske teruggekomen. Ja, ofschoon August onmiddellijk na het roepen van die namen heeft gestameld, dat men hem het kindje toch liever niet brengen moest — immers de vrienden Woudberg waren misschien met eenig recht bezorgd voor hun kroost geweest, — die moeder, die ouders hier, ze hebben geen oogenblik berekend.

Ach zie, met Fritsjes kleine warme handje, streelt nu die moeder nog zijn kille wang. — O God, dat deed hem zoo onbeschrijfelijk goed, en hij heeft gestameld:

„Philip, Virginie----Eva, lieve vrouw, onze kinderen zullen, als

God wil----vrienden zijn, trouwe brave vrienden!quot;

Slechts twee wenschen, die de lijder een paar malen heeft geuit., schenen niet vervuld te zullen worden. De generaal Van Bameveld was nog niet gekomen, ofschoon hij desnoods reeds in den voormiddag te Amsterdam had kunnen zijn. — Mevrouw Van Hake bedroefde dit, misschien het allermeest in Eva\'s belang. Maar, innig deed het haar tevens goed, dat Helmonds tweede wensch — ofschoon die bezwaarlijk zou kunnen vervuld worden — haar besten Thomas gold. Helaas, het zou zeker te laat zijn al wilde men hem nü nog ontbieden, maar — Thom zou het weten, en levenslang zal hij den geliefden dokter er voor zegenen, dat hij nog in zijn laatste uren tot driemaal toe naar zijn „braven Thomquot; heeft gevraagd.

Een weldadig gevoel mocht mede de goede vrouw vervullen, toen zij weinige oogenblikken later het papior kon toevouwen, \'twelk een zeer kort afscheidswoord van dokter Helmond aan zijn pleegvader bevatte, een vaarwel, \'twelk hij haar met zwakke stem gedicteerd had, en daarna, ofschoon met onvaste band toch zeer goed leesbaar.

414

-ocr page 433-

dokter helmond en zltn vbouw. 415

met zijn voornaam heeft onderteekend. — Dat afscheid luidde: «Oprecht geliefde pleegvader!

„Heb dank voor alles. Laat mijn sterven de zoen zijn voor het leed, dat -wij u hebben aangedaan._— Ik beveel u de vrouw aan, die ik te zwak heb bemind, en het kindje waarvoor zij leven wil. Mijn vertrouwen staat vast dat mijn weldoener grootmoedig mijn schuld-eisohers voldoen, en mij bovenal de schuld mijner zwakheid zal vergeven. Groet mijn zusje met een kus. Vaarwel!

Uw stervende

August.quot;

Onder \'t schrijven heeft mevrouw Van Hake op een schier gebiedenden wenk van Philip deu volzin weggelaten, dien August er bij gedicteerd had: ,Vergeef ook den trouwen Philip; zijn vrouw is zijn leven en kroon!quot;

Neen neen! Philips oogen hebben gefonkeld: Dat nooit; dat in der eeuwigheid niet!

Papa Armelo, die in het benedenvoorkamertje een brief aan mama en Louise schrijft, ziet eensklaps op. Onder den bril door, naar buiten turend, meent hij dat zijn oude oogen hem bedriegen. Daar ginds, dicht hg den waterkant zag hij een blond jongmensch die, terwijl hij zich het zweet van het aangezicht wischte, aan een sjouwerman eenige inlichtingen scheen te vragen.

En die jonkman was----Maar een rijtuig is er eensklaps tusschen

in gereden. — Het hield stil; hier, juist hier voor de deur.

— Is het Willem van De Zonsberg, de oude koetsier, die daar van den bok springt? Is het de generaal die.. .\'?

Armelo weet niet of hij waakt of droomt. Hij schreef daar juist aan mama en Louise dat die generaal toch zeer koud en hardvochtig was, want, dat Eva gisteren een telegram had gezonden en.... Maar nu, in een oogenblik heeft de oud-kapitein zijn onvoltooiden brief van de tafel weggegrepen en, ineengefrommeld, in den jaszak gestoken. Nu heeft hij de deur van het kamertje geopend. De generaal Van Barneveld is binnengetreden.

Hij ziet er zeer slecht uit, en is nog bleeker dan zijn dochter die achter hem aankomt.

De grijsaard kan ternauwernood spreken.

Armelo is een weinig verlegen, en neemt daardoor onwillekeurig een eenigszins militaire houding aan, terwijl hij in zijn woorden een paar rrs meer dan gewoonlijk gebruikt.

„Ja \'tis zeer zeer erg generaal! Ik vrees.... Tenminste....quot;

Van Barneveld ziet op.

„Tenminste----kapitein? — Dus er is nop hoop?quot;

„Volgens den dokter niet, generaal. Hij heeft ontzettend geleden.quot;

„Wij weten dat alles kapitein;quot;\' valt Jacoba zeer haastig in, er even snel vervolgt ze: „Is de familie van Helmond óók bij hem?

-ocr page 434-

416 DOKTER HELMOND EN ZIJN VEOUW.

Ik meen zijn broer en zuster?quot; en terwijl zij dat vraagt, wenkt zij den man dat hij ontkennend zal antwoorden. Maar de goede Armelo is de jaren van mimiek en taal der oogen voorbij. Hij neeft het niet begrepen.

,Jawel juffrouw, tenminste nog voor weinig minuten waren ze er allebei. — O generaal, uw komst is een waarachtige zegen van God. Wat heeft die arme Helmond om u geroepen en naar u verlangd.quot; Armelo werd stouter: „\'tIa braaf, \'tis edel generaal, dat ugekomen bent. Ik zal ze boven met uw komst gaan bekend maken.quot;

,Kapitein!quot; roept Van Barneveld nem na. Maar, of de oudedag Armelo soms al wat hardhoorig maakte, althans hij keert niet terug.

\'tWas een vreemde verschijning voor den generaal en zijn dochter, toen ze inplaats van Armelo, daar eensklaps Thomas Van Hake, zoo rood als scharlaken zagen binnenkomen.

Thom heeft in één adem gezegd wat hij op \'thart had: Dezen morgen, juist tien minuten voor \'tvertrek van den sneltrein, heeft hij dezen grooten verzegelden brief aan \'t adres van zijn goeden meester ontvangen. In verband met courantenberichten, en een paar woorden die de dokter zich in den laatsten tijd, zeer in vertrouwen, heeft laten ontvallen — als zou men hem namelijk over iets zeer gewichtigs gepolst hebben, — in verband met dit alles heeft het aanstonds bij hem vastgestaan dat deze brief dokters benoeming tot professor bevatte. Terstond heeft hij Bus verzocht om voor dezen enkelen dag het huis te bewaren, en is hij zelf, zonder oponthoud naar het station gevlogen, waar de sneltrein juist het sein tot vertrekken gaf, toen hij bijna ademloos in een derde-klasse-waggon is neergevallen. Bij aankomst te Amsterdam heeft men hem eerst naar een geheel verkeerden Buitenkant gezonden; maar nu, hier zijnde, nu dankte hij den goeden God, dat hij — zooals de kapitein hem reeds in de gang heeft gezegd — zijn lieven meester nog in leven vindt om hem zelf dit schrift te kunnen geven, en, nog eens de hand te mogen drukken van den vriend, die zich zoo liefderijk over een arme weduwe en haar kind had ontfermd.

Van Barneveld scheen zeer getroffen. — Hij aarzelde een oogen-blik, en sprak toen schijnbaar kalm;

„Je ijver prijs ik jongmensch; maar wat je doen wilt, keur ik af. Zulk een stuk moet den man niet meer onder de oogen komen, die binnenkort voor den rechterstoel van God zal verschijnen. Geef mij dien brief menheer Van Hake, en spreek er niet van.quot;

„Maar generaal, maar----quot; stottert Thomas onthutst.

„Ik verzoek dat je mij dat stuk geeft menheer Van Hake!quot;

„Nee generaal, nee! Neem mij niet kwalijk, maar dat, dat is

te erg. Om mijn besten dokter die laatste eer.... die----quot; Thomas

ziet eensklaps Jacoba\'s angstig smeekenden blik. Hij weet niet wat het haar heeft gekost om den vader tot deze reis, en vooral tot het bezoeken van den stervende in de woning van Philip Helmond te bewegen; neen, Thomas weet het niet; maar die blik van Jacoba doet hem plotseling de waarheid vermoeden; en.... ïou hij haar smeekend vragen weerstaan? Mag hij dien al te ge-

-ocr page 435-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 417

strengen man, hier — nog eer hij den dorpel van dat ziekenvertrek overschrijdt — door een vermetele tegenspraak ontstemmen, en daardoor misschien veel meer bederven dan honderd zulke stukken kunnen goedmaken?

,0 vergeef mij generaal,quot;\' valt hij nu zich zeiven in de rede: „ik wil mij aan uw wijzer oordeel onderwerpen. Ik dacht maar dat het iemands sterven verlichten kon. wanneer hij de zorg aan zijn jeugd besteed, nog in \'t laatst zoo krachtig gewaardeerd zag.quot;

Een half uur later zat de oude generaal aan het sterfbed van zijn pleegzoon.

Mevrouw Van Hake heeft het reeds gezegd: \'t kon iemand soms te machtig worden. Ook dien grijsaard werd het te machtig toen het reeds mat geworden oog hem voor \'t laatst zoo smeekend aanzag, en zijn woorden nog bijna onhoorbaar klonken:

„Dank vader! üw vloek.... gold de zonde! üw gestrengheid was

liefde.... Onnut en zwak.... mijn leven----Verzoening mijn

sterven.... O, voor allen vergiffenis vader?quot;

En de oude generaal? Er gleden dikke tranen langs zijn grijzen knevel neer; en hij drukte de magere hand van dien.. ..ja, van dien geliefden, dien meest geliefden pleegzoon; en, hij wilde nog spreken, maar neen, neen, die hand kan hij nog drukken, maar spreken, o God der genade, spreken, dat kon tij niet.

Maar hoor, daar klonk al schreiend en bevend toch een welluidende stem. \'t Was die van Jacoba:

„Nee mijn goede August: onnut was je leven met, nee! Dat mijn beste vader nog hier kon wezen, hij dankt het, naast God, aan de hulp van mijn lieven broeder!quot;

lliom kan niet zwijgen in dezen stond. Neen. goede God, hij kon het niet! — Als een doode zoo wit, grijpt hij de hand van zijn vriend, en zie zie, — er zweeft voor \'t laatst een glimlach over Helmonds gelaat.

Heeft hij \'t verstaan, heeft hij \'t begrepen dat men hém, „den ellendig zwakken, den verder voor dit leven onmogelijken menschquot; — zooals hij straks zich zelf had genoemd — nog den schoon-sten en hoogsten titel als man der wetenschap heeft waardig gekeurd?

Sinds de generaal en Jacoba waren binnengekomen, heeft Eva zich met alle kracht beheerscht.

Bijna onveranderlijk is zij in dezelfde houding gebleven; met den arm om het hoofd van haar dierbaren man geslagen, want o, dit was hem zoo goed, heeft hij gefluisterd — en, ofschoon zij nog altijd op herstelling en leven hoopte, ach! als het dan anders wezen moest, neen, dan zou ze hem die ure toch niet bang maken, maar voor \'t laatst nog toonen dat ze hem wel innig en waarachtig liefheeft.

— Maar — o God, wat is dat! Met een kreet van ontzetting vliegt ze eensklaps overeind:

„Eva!quot; heeft hij nog eens al stervend gefluisterd. En toen, toenis zijn laatste adem gevloden. — Helmond, haar dierbare, haar eenige Helmond; hij was niet meer.

I. 27

-ocr page 436-

DOKTER HELMOND ES ZIJN VEOÜW.

Aan den avond van den volgenden dag kwam er van den kant der Nieuwe-Stadsherberg een trekschuit langzaam aangevaren.

Juist tegenover het huis nquot;. 103 aan den Buitenkant, zag men het vaartuig aan wal komen, en de schipper met zijn knecht wachtte er totdat de avond geheel waa gevallen en de torenklok van de Oude Kerk zes had geslagen.

Weinige minuten later heerschte er een buitengewoon gestommel in het kleine voorkamertje der genoemde woning. Een agent van politie stond buiten, en hield een nieuwsgierige menigte terzij, die al spoedig een langwerpig voorwerp met een zwart laken overdekt door een achttal mannen ter deure uit en dwars over de straat zag dragen, terwijl het daarna met alle behoedzaamheid in het ruim der schuit geborgen werd.

Toen het vaartuig eenige minuten later van den wal was losgemaakt, gleed het weer langzaam heen.

In den stuurstoel stond, met het hoofd voorover, een reeds bejaarde man in eenvoudige livrei. Men kon het hem duidelijk aanzien dat hij een oud-gediende was.

Bij het wegvaren sloeg de oude nog eens de oogen op dat smalle hooge Amsterdamsche huis.

— In die woning was dan de brave pleegzoon van zijn meester, zoo jong, nog zoo bitter jong, gestorven!

De gaslantaarn, die juist was opgestoken, verlichtte inzonderheid het nummer der kleine woning. De oude Willem gaf er zich geen rekenschap van hoe hem nu eensklaps de woorden vol droeve waarheid zoo levendig voor den geest kwamen:

„Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

„Gelijk een bloem die, op het veld verheven,

„Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer. „Wanneer de wind zich over \'t land laat hooren, „Dan....quot;

„Ach, zoo jong, zoo in de kracht van \'t leven!quot; herhaalt de oude nog eens; en, het oogenblik kwam hem weer levendig voor den geest, toen hij — nog zoo kort geleden, dien goeden dokter als bruigom, met bloemen en linten aan \'t tuig, mocht rijden, en hein benijdde omdat hij al spoedig het graf zou zien van den grooten Keizer die de heele wereld verwon....

Willem de grijze koetsier weet niet hoe het komt, maar \'tgeen hij nü gevoelde, dat heeft hij nog nooit gevoeld. — Hij zou niet weten wat te antwoorden indien men hem vroeg of hij nóg gaarne zou meegaan om het graf van dien grooten Keizer te zien. \'t Zou hem nu zijn alsof.... — De oude schudde het hoofd, en staarde vóór zich in het zwarte water, en streek den traan weg, die hem in den grijzen knevel gebiggeld was.

418

-ocr page 437-

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW. 419

Thomas Van Hake is reeds in den morgen met Armelo naar Roraphuizen vertrokken, om er den kapitein, met hetgeen er voor de begrafenis te regelen viel, behulpzaam te zijn.

De generaal die gisteren, na zooveel aandoening, weer minder wel was geworden, zal eerst morgen naar Romphuizen terugkeeren.

Op dit oogenblik, terwijl de pendule in de ruime hotelkamer halfzeven wijst, zegt hij tot Jacoba die juist weer een der poeders, waarop ze zooveel vertrouwen heeft, voor hem gereedmaakte;

„De schuit kan al twintig minuten weg zijn. \'t Verwondert me dat ze nog niet komen.quot;

„Misschien gaan de klokken hier niet zoo goed als op De Zons-berg lieve papa;quot; antwoordt Jacoba en geeft hem de mediciin.

De vader gebruikt die stilzwijgend, en zijn oog rust weder op het schrift, waaronder August met reeds stervende hand zijn naam bad geschreven, en waarvan de inhoud hem telkens herinnert aan die smeekende woorden van den gestorven pleegzoon: „Verzoening, vergiffenis.quot;

Van Barneveld weet niet dat er, op Philips uitdrukkelijk verlangen, een paar regels uit dien laatsten brief zijn weggebleven.

Maar, evenmin weet hij dat Jacoba\'s hart, bij al de droefheid en zorg — waarin ze schier wonderdadig tot de vervulling van haar moeieliike kindertaak werd gesterkt — nog onrustiger klopt dewijl liet aanstonds zal uitkomen, dat zij zich alweder, uit waarachtige liefde, aan een klein bedrog heeft schuldig gemaakt. Van Barneveld weet het niet dat Jacoba een paar woorden heeft gevoegd bij de weinige regels, die de vader haar verzocht heeft aan Eva te schrijven, en die toen aanstonds naar het huis aan den Buitenkant zijn gezonden.

Alvorens Amsterdam te verlaten, heeft de onde generaal zijn jongsten pleegzoon doen weten: dat hij hem ter wille van dien afgestorven broeder, vergiffenis wilde schenken, wanneer hij waarachtig berouw gevoelde over de vreeselijke woorden, die hij vroeger gesproken had.

Jacoba heeft moeten schrijven;

„Indien Philip alzoo gezind is Eva, laat hij dan met u meekomen.quot; En, Jacoba heeft er uit zich zelve bijgevoegd: „Natuurlijk, Philip èn Virginie, zijne vrouw.quot;

Jacoba wordt eensklaps nog bleeker dan zij gewoonlijk is. Op dit oogenblik heeft er een rijtuig voor de Keizerskroon stilgehouden.

Was het een wreedaardig spel van het lot. dat die jonge moe-geschreide weduwe in dezen stond den drempel van hetzelfde hotel moest betreden, waar ze aan de zij van haar geliefden vriend, den avond van haar eersten huwelijksdag was binnengegaan!

Zij wankelde op dien drempel.

— Maar Goddank, nog altijd was de trouwe vriendin haar terzij, die haar telkens dat woord van den eenige herhaalde: „Wees sterk, en leef voor ons kind lieve vrouw.quot;

Van Barneveld zag bij het zwakke licht der beide bougies niet aanstonds dat er vier personen waren binnengekomen.

-ocr page 438-

420 DOKTER HKLMOITD EN ZIJN VBOtTW.

Jacoba beefde.

De grijsaard is opgestaan. Zijn oogen waren vochtig.

— Goddank! juicht het tengere meisje in stilte; Hg is zeer bewogen.

„God plaagt niet uit lust tot plagen!quot; zegt Van Barneveld terwijl hij Eva\'s hand vat: „Wij hebben veel verloren, maar het betere zeker gewonnen Eva.quot;

Ach, hoe kon zij dit toestemmen in dezen stond!

Eva schreide bitter.

,Wij hebben hem beiden liefgehad,quot; herneemt Van Barneveld: „maar ieder op een andere wijze. Voortaan — zoolang als God mij het leven schenkt, zullen wij elkander liefhebben Eva, als vader en dochter. — Je hebt nu geleerd dat het geluk niet uit weelde en overdaad wordt geboren, terwijl de handen er werkeloos bij neerhangen.quot;

— O God, wat klinken die woorden hard, vreeselijk hard in zulke uren van bitteren rouw!

„Maar ik spreek geen verwijt;quot; herneemt de generaal: „Ik heb mijn ongelukkig pleegkind beloofd dat ik voor je zou waken en zorgen. Berust m den wil van God. Leer met weinig tevreden zijn, en geloof dat ook ik aan \'t eind van mijn leven zwaar ben geslagen, want ik had hem lief Eva, zeer zeer lief!quot;

Terwijl zijn handen beven, en de tranen hem over de wangen rollen, geeft hij Eva een zoen. — En zij . .?

Ze wil spreken; doch, zij kan het niet. Ben oogenblik nog, en dan, — dan ziet ze hem aan en zegt op vasten toon:

„Ik wil u liefhebben oom, want mijn August had u lief. Uw raad wil ik hooren, en uw lessen opvolgen, maar,quot; en nu trilt hare stem „Ik zal voor mij zelve zorgen, want....quot; In een hevig snikken barst zij uit, en de woorden er bijvoegen kon ze niet: Want van uw weldaden te leven, dat zou mij onmogelijk zijn.

O Goddank, dat zij die laatste woorden terug heeft gehouden. Die eersten, ze hebben den grijsaard zoo innig goedgedaan, ja gegrepen in \'t^ hart. — Weet die oude man, dat men hem soms van bekrompenheid of zelfs van gierigheid beschuldigt? Weet hij dat zijn gestrengheid en zijn strijden voor wat hij recht en goed acht, inderdaad wel eens hardheid wordt? — Maar nu, o, nü wordt zijn hart zoo warm als een zomer-zonnestraal, en die gloed blonk heni uit de oogen; en zijn beide armen naar Eva uitstrekkend, zegt hij op onbeschrijfelijk en roerenden toon:

„Goed zoo kind! lieve kind! goed zóó! — Ach God, waarom ie na mijn arme jongen er niet!quot;

„Oom, is er dan nog geen jongen die u wil liefhebben?quot; zegt Philip, eensklaps naderbij komend, en vat de hand van den trillenden grijsaard die Eva nu vast aan het hart hield gedrukt: „Oom, de arme August heeft verzoening gewild; en, ü hebt ons de hand toegereikt. Nü, weldoener van mijn jeugd, is het aan mij om u vergiffenis te vragen voor dat onzinnige woord in blinde drift gesproken. Ik moest het toen geweten hebben dat uw toorn alleen mijn

-ocr page 439-

DOKTER HELMOHD EN ZIJN VBOUW. 421

stap van onbedachtzaamheid gold: uw rein gevoel, uw diep gevoel van eer kon immers nooit op den duur het lieve meegesleepte kind verstoeten, aan wie uw wilde jongen zijn woord van trouw had gegeven.quot;

Door Jaooha onmerkbaar vooruitgestuwd, is Virginie Helmond nu mede, ofschoon schoorvoetend en met neergeslagen blik, den grijzen generaal genaderd. Philip grijpt haar hand en vervolgt:

„Oom, hier staan we nu beiden. U hebt ons geroepen. U wilt vergeven; en wij, wij zullen u eeren en liefhebben. Ja, door duizend vuren zou ik voor u vliegen omdat u haar, mijn all es, hebterkend; en zij, mijn schat, ze vloog met me mee, want, oom, we zijn één, in alles één!quot;

Verrassing en verbazing hebben eensklaps Van Barnevelds gelaat geteekend, toen hij Philips vrouw, zoo geheel onverwacht, heeft voor zich gezien. — Wat moest dat beduiden! — Heeft hij, hij zelf haar geroepen, hij! Is het dan noodig dat men ook die vrouw. ... ? Maar hoor:

„O, wij zijn al vriendinnen, niewaar lieve zuster!quot; roept Jacoba; en inwendig bevend slaat ze den arm om Virginie\'s hals, en geeft haar voor \'t oog van den vader, een teederen zoen.

En de oude generaal?

O, indien men de sterkste vesting wel veroveren kan, hoeveel te eer zal men dan het hart overrompelen van een bewogen grijsaard, aan den eindpaal van het leven.

„Virginie!quot; zegt de oude man; en ofschoon hij de hand op dat overrompelde hart moet drukken, hij voldoet toch geheel aan dokter Helmonds uitersten wil, en geeft ook een zoen aan de schoone maar tevens goedaardige vrouw van zijn jongsten pleegzoon.

-ocr page 440-

DOKTER HELMOXD EN ZIJN VRODW.

En de najaarsstormen hebben gewoed; en de winter heeft ijsbloemen op de vensterglazen geteekend, sohoone maar koude bloemen. —En de eerste groene scheutjes en blaadjes en veldbloempjes zijn toen te voorschijn gekomen, en, evenals zij, ook do vogels met hun luid getjilp en gefluit vooral \'s-morgens vroeg op de daken.

\'t Was in die zeer koude dagen, toen de ijsbloemen niet van de

f lazen wilden wijken, dat Eva Helmond aan een vaderloos jongske et leven schonk. lazen wilden wijken, dat Eva Helmond aan een vaderloos jongske et leven schonk.

Maar met de eerste bloemen en zangen der lente, toen ook de eerste kraaiende lachjes van het onschuldige wicht die arme moeder hebben verkwikt, toen was het haar mede alsof ze tot een nieuw leven ontwaakt was. \'t Moest een leven worden ten nutte van dat lieve kind, en een leven ten nutte van anderen bovendien. De generaal Van Barneveld heeft er voor gezorgd.

Het groote huis op de markt, \'twelk hij van mevrouw de weduwe Helmond ondershands heeft gekocht, en betaald met een som waardoor alle schuld kon vereffend worden, het groote voormalige bur-

femeesters- en doktershuis is — het doktershuis gebleven. Zie, ie steen in den gevel moet het aanduiden; daarop staat gegriffeld: HELMONDS-STICHTING.emeesters- en doktershuis is — het doktershuis gebleven. Zie, ie steen in den gevel moet het aanduiden; daarop staat gegriffeld: HELMONDS-STICHTING.

Ofschoon van alle meubelsieraad ontdaan, is het gebouw in- noch uitwendig belangrijk veranderd.

\'t Was een kostbaar geschenk, \'twelk de stad Romphuizen, met deze langgewenschte stichting, van den generaal had ontvangen. En, w i e zou men nu eerder tot beschermvrouw van dat prachtige Weeshuis hebben gekozen, dan de weduwe van den man wiens naam de stichting droeg, en die voorzeker zooveel ze kon, haar kracht eraan zou willen wijden!

Maar nog een ander monument mocht de stad Bomphuizen in datzelfde voorjaar ontvangen.

\'tWas het monument op Donerie\'s graf.

Aan den avond van den dag toen de plechtige onthulling ervan heeft plaats gehad, en de cantate nogmaals was gezongen en besloten met dat roerend:

„Slaap zacht, tot den morgen die u wacht!quot;

aan den avond van dien dag hield er een rijtuig voor het kerkhof stil. Twee jonge vrouwen in rouwgewaad stapten eruit. Ze werden geholpen door den tuinman van De Zon sb erg,- die naast den ouden Willem op den bok heeft gezeten.

„Hierheen Eva!quot; fluistert Jacoba, en gaat haar voor op een welbekend pad.

En ja, aan \'teind van den doodenhof, waar het kleine doch smaakvolle gedenkteeken verrees, daar moesten ze zijn.

422

i

1:1

i a |i

f

-li •

li

i Jt!

:

r1

t\' M

i

-ocr page 441-

DOKTER HELMOND EK ZIJN VROUW. 423

Jaooba\'s oogen glinsterden terwijl ze er beiden nu sprakeloos stonden.

„En die steen.... dat is----?quot; zuchtte Eva.

„Ja dat ia ons nieuwe graf;quot; bevestigde Coba: „Daar rust nu die goede August, in de schaduw van Donerie\'s monument.quot;

Eva sprak niet. — O, dat woord moest haar ziel wel traffen: „In de schaduw van Donerie\'s monument!quot;

Jacoba zweeg mede. — Zij had haar doel bereikt. Op die stille plek naast het gedenkteeken, heeft haar vader den nieuwen grafkelder moeten koopen. Jacoba had het zoo besloten: zij zelv e wilde er eenmaal rusten, naast de groeve van den eenige, dien ze zoo diep in haar ziel heeft liefgehad.

En Eva en Jacoba ze bleven daar sprakeloos nog een geruimen tijd staan. Beider oog was nu voor \'t meerendeel op den tuinman gevestigd, die aan \'t boveneind van de nieuwe blauwe zerk zijn arbeid verrichtte.

Wat hij er doet? — Hij plant er het takje van don meidoorn, \'twelk Eva, op den laatsten middag van haar zaligen bruidstijd, aan den geliefden bruigom heeft gegeven.

Pas kort geleden heeft Eva vernomen wat er met dat takje gebeurd is:

Met een schoonere bloem voor oogen, die hij den volgenden dag de zijne zou noemen, had August het reeds verflensende meidoom-bloempje dien avond op De Zonsberg achtergelaten. En de oom die het takje vond, had er bloem en blaadjes en de kleine zijtakjes afgedaan, en — om eens te zien wat er nog van komen kon, heeft hij het binnen de serre in een pot met aarde gestoken. Zóó was het takje, wèl verzorgd, aan \'tbotten gegaan, totdat.... totdat op een lateren droeven morgen de tuinbaas het „wegwerpen zouquot;.

Maar de tuinman heeft dat niet gedaan. Hij heeft den pot met het takje erin, bewaard. Immers Willem de oude koetsier wist heel zeker dat dokter Helmond op dien middag een takje rooden meidoorn in het knoopsgat heeft gedragen, en — \'twas toch aardig, ja, en nu aandoenlijk erbij — dat de oude generaal het zelf gepoot en zelf gekweekt had.

E» zie, nu staat het daar; en \'t zal mettertijd een struik worden, een boom misschien, en de roode meidoornbloempjes zullen vallen op Helmonds graf, dat ook eenmaal Eva\'s graf zal zijn.

-ocr page 442-

NASCHRIFT.

Wie voorts van vriend of vijand in Romphuizen nog iets meer zou willen vernemen; van den man die door een schot los kruit aan zijn eind kwam; of van de huwelijksplannen van den jongen Hardenborg; of van de gronden misschien waarop het engagement van den apotheker Van Hake met Louise Armelo rust; die zal zeker het best doen om zich in persoon te vervoegen bij den heer Jules Janin Kippelaan. Althans, er bestaat geen twijfel: wie zich bij | hem aanmeldt, dien zal hij — met de beide handen vooruit — welkom heeten als ziin besten vriend, en hem alles meedeelen wat hij maar weten ^wil. Wel is waar zal Kippelaan moeten bekennen dat het hem nooit heel duidelijk werd hoe mijnheer Philip Helmond van | „ gemeen acteur, assuradeur\'\' is geworden; maar zoer zeker zal hij steeds besluiten met de verklaring: dat hij altijd de intieme vriend was van dokter Helmond en zijn vrouw.

quot;Den Haaq 1869,

-ocr page 443-
-ocr page 444-
-ocr page 445-

^4

\'Pm

-ocr page 446-