Bk Moltzer. Kast 5, PI. E
n0 6
De tyd en heeft noyt weghgenomen
uaajjSAO ufiz Kr/.
DE DUIVEL
UIT HET SLANGENBOSCH
Brussel. — Drukkerij J. Lebègue en Cic, Terarkenstraat, 6.
1782 5856
r
s
De Duivel
uit het Slangenbosch
NAGELATEN DORPSVERHAAL
DOOR
HENDRIK CONSCIENCE
VOLTOOID DOOR
MEVROUW ANTHEUNIS-CONSCIENCE
• ;••••;• - ^ fu è
si V-Ï
|
AMSTERDAM S. WARENDORF JR |
BRUSSEL J. LEBÈGUE EN C0 |
Aan mijne goede vrouw opgedragen.
Hendrik Conscience,
Elsene, i5 Juli i883.
DE DUIVEL UIT HET SLANamp;ENBOSCH
HERINNERING
Toen ik, gedurende den herfst van i855, eenige weken te Halderghem in de Kempen verbleef, om uit te rusten van den heeten strijd tegen de vijanden onzer moedertaal, — strijd die, eilaas, de vrijwillige verbanning van den echt Vlaamschen kunstenaar GustaafWappers voor gevolg had, — werden mij daar zekere onlangs voorgevallen gebeurtenissen verteld, waarvan de zonderlingheid eenen schrijver, als ik, moest treffen, en hem toelachen als eene gunstige stof tot het opstellen van een roerend verhaal.
Inderdaad, hoewel ik op dit oogenblik de zedenschets Moeder Job reeds ten halve had afgewerkt, liet ik ze liggen om mij met het nieuwe onderwerp, dat mij hevig had aangegrepen, bezig te houden.
Denk eens, mijn vertelsel, roman of drama, moest voor titel voeren De duivel, want zoo was de naam van hem die er de gewichtigste rol in te vervullen had. Was zulke vreemde titel alleen niet aantrekkend genoeg, om het boek eenen ongewonen bijval te verzekeren ?
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Met moed ging ik aan het werk en begon den loop van mijn verhaal te schetsen; maar weldra ondervond ik dat, ofschoon ik veel van de gebeurde dingen wist, mij toch de bijzonderste omstandigheden vreemd gebleven waren.
M. Trappeneels, de notaris van Halderghem, die mijn vriend geworden was, gaf mij eenen aanbevelingsbrief; en des anderendaags zeer vroeg vertrok ik naar een dorp, dat twee uren meer Oostwaarts in de Kempen was gelegen.
Daar afgestapt, in den Zwarten Leeuw, poetste ik mij wat op, en vroeg de waardinne naar de woning van den persoon, wiens naam op mijnen aanbevelingsbrief was aangeduid.
Zij toonde mij door de ruiten eene baan, met groote lorken bezoomd, en ten einde daarvan een rond torentje, dat met zijnen glinsterenden weerhaan boven de boomen uitstak. Het scheen mij eene kasteeldreef te zijn; want mij docht dat ik hielen daar, onder de lorken, eene houten rustbank bespeurde.
« Dat is de Paterslaan; daar moet mijnheer zijn, » zeide de waardin.
Ik begaf mij op weg; en na tien minuten gaans bereikte ik des duivels woning.
De hooge muren waren van baksteen, versomberd en uitgemergeld door den tijd, en toonden nog eenige spitsbogige vensters, boven de ronde poort waarop het rijzig torentje steunde. Waren dit de overblijlsels van een adellijk landgoed of van een klooster der
6
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 7
verledene eeuwen? Nu toch, daar men nevens dit oude gedeelte, onlangs nieuwe stallen en schuren had gebouwd, geleek deze woning aan eene hofstede van rijke landbouwers of van « boerenheeren », zooals men pleegt te zeggen.
De poort openstaande, trad ik op den voorhof. Een knecht, dien ik verzocht mij bij zijnen meester aan te melden, bracht mij in eenen tuin achter het woonhuis, en toonde mij daar een persoon die, voorovergebogen, bezig scheen met het onkruid van tusschen een prachtig bloemenbed te wieden. De knecht kondigde mij aan met de woorden : « Mijnheer, hier is iemand voor u! »
De man stond op.
Ik beschouwde hem van het hoofd tot de voeten. Mijne teleurstelling was groot: ik zag niets ongewoons aan hem. Volgens mijn oordeel kon hij de dertig jaar nog niet bereikt hebben. Hij was gekleed in lichte zomerstof, droeg eene korte vest van Nankin aan het lijf en had een fijnen strooien hoed op het hoofd. Voorzeker kon deze de duivel niet zijn. Het was
ongetwijfeld zijn schoonzoon.....
Vooraleer ik dit onderzoek kon eindigen, naderde hij tot mij met eene koele of onverschillige uitdrukking op het gelaat; doch nauwelijks had hij den brief gelezen, dien ik hem had aangeboden, of hij reikte mij de hand met eenen gullen glimlach.
« Wees van harte welkom, mijnheer, riep hij. Ha, gij zijt de schrijver van De Loteling en van zoovele verhalen uit de Kempen? Wij kennen u.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Gister avond nog deed de lezing van uw Baas Gansendon ck ons ter zelfdertijd lachen en tranen van medegevoel storten. Wat vreugde zou het voor mijne vrouw geweest zijn, den schrijver van den Armen Edelman de hand te mogen drukken. Ongelukkiglijk is zij dezen morgen met haren vader en hare moeder naar Antwerpen gereden; en of ze nog wel heden
zullen terugkeeren, dit is niet geheel zeker..... Gelief
mij te volgen, ik bid u; laat mij toe een glas wijn met u te drinken. »
Hij bracht mij in eene kamer, die met fraaie meubelen was gesierd, riep op eene meid, deed wijn brengen, en dronk gulhartig op mijne gezondheid, evenals ik op de zijne.
Wij spraken eerst nog wat van mijne werken, van Antwerpen en van den politieken toestand aldaar, tot dat ik begon te zinspelen op de gebeurtenissen, waarvan de lieden te Halderghem nog altoos met zooveel ophef vertelden. Eerst bleef mijne moeite, om hem daarover aan het kouten te krijgen, geheel vruchteloos ; die stof scheen hem te hinderen.
Maar met hem in zijnen bloemrijken tuin getreden, verstoutte ik mij, hem zonder achterhouding te zeggen wat wonderlijke voorvallen ik te Halderghem uit den mond van den notaris had vernomen. Zoo vertelde ik hem bijna geheel de verrassende geschiedenis, hem overtuigende dat hij geene reden had om daarover zoo bescheiden met mij te blijven.
Hij werd openhartiger; ja, toen hij, om zijnen schoonvader over zekere erge beschuldigingen te
8
DE DUIVEL UIT HET SLANGENEOSCH
rechtvaardigen, het noodig achtte mij de waarheid desaangaande te openbaren, liet hij zich tot breede uitleggingen en zeer nauwe bijzonderheden verlokken.
De man, uiterst minzaam met mij, was een geestig kouter en beviel mij zeer om zijne vroolijke inborst. Ik moest het middagmaal met hem nemen.
Alhoewel ik nu mijn doel bereikt had en op heete kolen stond, om naar huis te keeren en onderweg al droomend het ontwerp van mijn verhaal op te timmeren, liet ik mij door zijn vriendelijk aandringen overreden. Zijne schoonouders en zijne vrouw konden nog dien namiddag terugkeeren, verzekerde hij, en het zou hen diep bedroeven, wanneer zij zouden vernemen dat ik gekomen was gedurende hunne afwezigheid.
De verleidende hoop, den duivel en zijne dochter te zien, hield mij terug tot vijf uren namiddag. Dan kon ik den dorst naar vrijheid en eenzaamheid niet meer wederstaan. Ik gaf mijnen vriendelijken gastheer te kennen, dat ik dien nacht in den Zwarten Leeuw zou slapen en slechts morgen vroeg naar Halderghem zou vertrekken. Gebeurde het, dat zijn schoonvader nog vóór het vallen der duisternis terugkeerde, hij kon het mij boodschappen in mijne herberg; ik zou op het eerste bericht mij haasten naar het landgoed te komen, om hun mijne groetenis te brengen.
Zoo geraakte ik vrij, en spoedde mij met lichte stappen naar den Zwarten Leeuw, waar ik, na
9
10 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
eenige onbeduidende woorden met de waardin te hebben gewisseld, mij in eenen hoek bij het venster zette, en met zenuwachtige haast al de nieuwe inlichtingen begon op te teekenen, welke het mij gelukt was te bekomen.
Na een paar uren, daarmede gedaan hebbende, gunde ik mij nauwelijks den tijd om een matig avondmaal te gebruiken, en nam alweder potlood en zakboek; maar ditmaal om onder den vollen indruk mijner aangejaagdheid de schets of liever het geraamte van mijn verhaal te ontwerpen.
De avondduisternis verraste mij aan den arbeid ; maar ik kreeg eene dikke kaars en zette mijne schets met dezellde verslondenheid voort.
Eensklaps werd ik gestoord door de waardin, die gemeenzaam hare hand mij op den schouder legde, en aan mijn oor fluisterde :
« Mijnheer, daarbuiten staat iemand die u gaarne zou spreken. »
« Mij spreken? Wie is het? » vroeg ik.
« De oude heer van den Patersteen. »
« Wat? de duivel! » riep ik met verrassing. « O, mijnheer, wat overkomt u? » morde de vrouw, angstig terugtredend. « Lees daar, aan den muur, dit opschrift : Men vloekt hier niet! »
Ik lachte om mijne eigene dwaasheid..... maar
daar zag ik in het deurgat eenen hoogstaltigen man verschijnen, die ontevreden scheen en mij met zuren blik in de oogen zag.
Ditmaal stond de duivel wezenlijk vóór mij!
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH II
Hij wenkte mij met den vinger; en toen ik, tamelijk bedeesd en diep groetende, hem was genaderd, zeide hij, zoo stil dat niemand dan ik het kon hooren :
« Mijnheer, verschoon mijn zonderling gedrag. Ik moet u spreken, alleen, gansch alleen. Heb de goedheid met mij buiten te gaan. »
Een schrijver is een droomer, en hij verkeert niet zelden in de gemoedsgesteltenis welke hij zijne lezers wil mededeelen. Door overspanning mijner hersens in eene zenuwachtige stemming gebracht, voelde ik als eene koude siddering mij door de leden loopen. Met den duivel alleen in de duisternis gaan? Wat was hij van zin met mij, en waar wilde hij mij brengen? Naar den Patersteen? Dit zou hij mij wel vriendelijker, wel beleefder aangekondigd hebben.
Ik volgde hem evenwel zonder tegenspraak. Buiten was het niet geheel nacht geworden : de westelijke hemel toonde nog een flauw schemerlicht; boomen en huizen waren in het diepe avondgrauw nog als donkere schimmen onderscheidbaar.
Op een honderdtal stappen van de herberg, in de baan naar den Patersteen, bleef mijn norsche leidsman staan, en zeide mij met eene stem welke door gramschap of door angstig ongeduld scheen ontsteld :
« Hier is eene bank, laat ons zitten..... Het is wel
mijnheer, die geschiedenissen en vertelsels in de Heide opzoekt en ze dan, waar of onwaar, te boek stelt? »
12 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Nu en dan, inderdaad, » mompelde ik verlegen; want ik had een voorgevoel van hetgeen hij mij ging zeggen.
« Gij kent ons niet; niemand onzer heeft u ooit gezien, » hernam hij. « Waarom kwaamt gij dan heden, ongeroepen en zonder schijnbaar doel, op den Patersteen? Was het niet om de geschiedenis mijns levens te verrassen? Ja, niet waar? En nu zult gij daarvan een boek schrijven, het doen drukken, het in het geheele land te koop stellen; en zoo mij, mijne vrouw en mijne kinderen, zelfs tot in eene verre toekomst, ten speelbal geven aan de nieuwsgierigheid, den spot of de minachting der lieden? Ik wil dit niet, volstrekt niet, hoort gij, mijnheer! Onze naam, onze eer zijn ons eigendom, en niemand heeft het recht dit te schenden. Ik hoop, mijnheer, dat gij niet zult weigeren zulks te erkennen. Kom aan, spreek, wat is uw inzicht daarover? »
« Mijn inzicht is, zooals gij zegt, uwe geschiedenis tot grond van een dorpsverhaal te benuttigen, » antwoordde ik, « maar indien gij bleeft volharden in uwen wederstand tegen mijn voornemen, zou ik er wel moeten van afzien. »
« Ha, gij zijt een eerlijk man! » juichte hij. « Mijne vrees was dus ongegrond. Heb dank. »
Maar een schrijver laat niet zoo gemakkelijk een onderwerp los, dat reeds in zijn geest bepaalde vormen heeft verkregen.
« Dat ik van nu af mijn inzicht, om op de voorvallen uws levens een verhaal te bouwen, beslissend
, DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l3
verzaak, dit heb ik niet gezegd, mijnheer, » weder-sprak ik aarzelende. « Ik houd het zelfs voor zeker, dat gij, na mijne uitleggingen te hebben gehoord, W gewillig mij uwe toestemming zult verleenen. »
« Ik? Nooit! »
« Laat mij uwe verkeerde opvatting desaangaande te recht wijzen, ik bid u, mijnheer. Indien ik het bedoelde verhaal schrijf, verander ik daarin de namen der handelende personen, de plaatsen, de tijdstippen, op zulke wijze dat niemand kunne weten, wie eigenlijk de stof daartoe heeft geleverd. »
« Dit is onmogelijk, wat mij betreft ten minste. »
« Een voorbeeld : gij hebt mijn verhaal Baas Gansendonek gelezen of hooren lezen. Welnu, daarin had ik den baas eener herberg naar de natuur geschilderd. Toen hij na de verschijning van het j boek, daarvan een afdruk in handen kreeg en hij het j had gelezen, liep hij het geheele dorp er mede rond, vertelde lachende zijne eigene doch vermomde geschiedenis, en gaf zijn oordeel lucht door den roep ; « Zie, zulke verwaande boeren bestaan er! » Hij herkende zich zeiven niet in mijn werk, zoo zeer was..... »
« Maar de anderen : zijne geburen, zijne vrienden? » viel hij in.
« Ha, ja, die herkenden hem wel, » stamelde ik verlegen.
« Gij ziet het dus? » gromde hij met eene nieuwe | ontsteltenis. « Iedereen zou raden, welke personen
in uw verhaal optreden; in stad en dorp zou men
14 DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH
over hem praten. Wie weet hoevele lieden, door onbescheidene nieuwsgierigheid gedreven, mij hier zouden komen opzoeken, om den held uwer geschiedenis te zien en te ondervragen! Na zoovele jaren onrust en lijden, heeft de barmhartige God mij de middelen gegund, om verre van de menschen in eenzaamheid en stilte te leven. Zoudt gij mij die weldaad des hemels willen ontrooven? O, neen, ik bid u, doe het niet! Uw opzet verschrikt mij zoodanig, dat ik met saamgevoegde handen uwe edelmoedigheid aanroep. Zeg mij dat gij niets zult schrijven, niets dat betrekking heeft op de treurige beproevingen mijns levens ! »
« Het doet mij waarlijk pijn, zulk schoon onderwerp te moeten verliezen, » antwoordde ik; « maar ik begrijp uwe vrees en eerbiedig uwen wil. Neen, ik zal bedoeld verhaal niet schrijven. »
« Op geenerlei wijze? »
« Ik zal vergeten wat ik van uwe geschiedenis weet. »
« Waarlijk, gij belooft het mij ? »
« Van ganscher harte. »
« Op uw woord van eer? Ontneem mij allen twijfel, ik smeek u ! »
« Vermits gij het tot uwe rust noodig acht, welnu, ja, ik beloof het op mijn eerewoord. »
« Ha, God zij geloofd, dat dit pak mij van de schouders valt! » riep hij uit. « Geloof, mijnheer,
aan mijne diepe dankbaarheid..... Wildet gij nu nog
de goedheid hebben, mij naar onze woning te volgen.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l5
Mijne dochter zal zoo blijde zijn, uwe kennis te
mogen maken! ».....
Dien avond sleet ik een paar uren op den Patersteen, in gezelschap van den duivel en zijn huisgezin, met zooveel opgeruimdheid van geest als het beslissend verlies van mijn geliefkoosd onderwerp mij toeliet te toonen. Welk belang kon de nauwere kennismaking met deze personen mij nog aanbieden?
Des anderendaags, met het aanbreken van den morgen, vertrok ik naar Halderghem. Aan niemand, zelfs niet aan den notaris, sprak ik van de geheime bijzonderheden, welke ik aangaande de levensgeschiedenis van den duivel had vernomen.
Ik bleef getromv aan mijne belofte, en legde al wat ik aangaande het ontworpen verhaal had opge-teekend, met de begonnen schets, in eene kas van verlaten doch niet beslissend veroordeelde papieren-Tien jaar later ontving ik te Kortrijk eene doods-
kaart. De duivel was gestorven!.....
Deze treurige boodschap herinnerde mij zijne levensgeschiedenis en mijne aanteekeningen daarover; doch sedert dit oogenblik vergat ik ze weder, gedurende vele jaren.
Nu onlangs bracht het geval mij in dezelfde streek der Kempen, en ontstond in mij de gedachte, des duivels schoonzoon nog eens op den Patersteen te bezoeken.
Van de waardin uit den Zwarten Leeuw vernam ik dat de laatste eigenaars van den Patersteen beiden waren overleden — eerst mevrouw en
l6 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
dan mijnheer — zonder kinderen te hebben nagelaten. De Patersteen stond nu ledig, en men zou binnen drie weken de hofstede met de aanklevende landen openbaarlijk verkoopen, zooals bleek uit een groot plakkaat, dat aan den wand der herberg hing.
Wat kon mij nu nog beletten, het vroeger ontworpen verhaal te schrijven ? Er waren geene kinderen, geene naaste bloodverwanten. De verre erfgerechtigden, welke men na lang zoeken had gevonden, droegen andere namen en waren nooit met den duivel in betrekking geweest. Daarenboven ik zou, door eenige bijzonderheden te wijzigen, wel maken dat mijn werk niemand kon hinderen noch kwetsen.
En zoo, vereerde lezer, komt het dat ik het nu eerst waag, u dingen te vertellen die voor zeven en twintig jaren zijn geschied.
Mocht des grijsaards arbeid niet te klaarblijkend getuigen, dat ook zoovele jaren, en meer nog, over zijne vermoeide pen zijn heengegaan!
EERSTE DEEL
EERSTE DEEL
i
Op eenen namiddag der maand Juli stapte een jongeling, vroolijk een liedje neuriënde, langs den steenweg die, uit Antwerpen over de groote heide, naar Holland leidt.
Diep blauw was de hemel; de zon blaakte op het glansend eiken loof der kanten, op het donkergroen der mastenbosschen, op het purper tapijt der
onmeetbare heide.____ en haar gloed ontlokte het
loover en den grond allerlei zerpe, balsemende geuren, die de borst des reizigers deden zwellen en hem, met onbewust geluk, de krachtbrengende lucht deden inslorpen.
Deze jonge man mocht wel zijn vijf en twintigste jaar bereikt hebben. Zonder eigenlijk schoon te kunnen genoemd worden, was zijn gelaat echter verre van leelijk; integendeel, door de frissche kleur, den open lach en de uitdrukking van losse levenslust, die het beglansten, moest het ten minste tot samenneiging en vriendschap stemmen. Welgebouwd van leden, scheen hij tamelijk sterk, ofschoon zijne gestalte de middelmaat misschien niet bereikte. In alle geval, hij had gezondheid te koop.
20 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Van verre zou men hem aangezien hebben voor o( een deftigen jongen heer, die ergens eene plechtige hi uitnoodiging te beantwoorden had, want niettegenstaande de hevige zomerhitte, was hij geheel in le zwart laken gekleed en droeg eenen hoogen zijden ui hoed. zc Maar van dichterbij hadde dit eerste vermoeden b( geenen stand gehouden. Inderdaad, \'s jongelings e( zwarte kleederen waren zichtbaar naakt geborsteld, k1 en hier en daar aschvervig geworden door den langen invloed van het licht. Zijn hoed, hoewel zorg- v: vuldig opgestreken, droeg insgelijks de sporen van p; versletenheid. bi Hij kon dus niet tot den begoeden burgerstand m behooren. Misschien dwong een moeilijk leven hem rc tot deze groote spaarzaamheid. z( Ware het zoo, hij liet zich dit heden toch niet aan ai het hart komen ; want, ofschoon met lichte en tamelijk z1 snelle stappen voortgaande, floot hij een deuntje of zong een lustig liedje, ja, zwaaide soms de armen in 0 h de hoogte om zijne overvloeiende levensblijheid .lucht g\' te geven. n:
Eene volkomen eenzaamheid en de diepste stilte
heerschten hier. Niemand ontwaarde men op veld of v
heide; de weinige menschen, die verspreid in den k
omtrek woonden, hadden zich binnenshuis tegen den G
gloed der zon beschut; het vee sliep herkauwend in k
zijnen stal; de vogelen zaten verdoken onder het 1T
dicht gebladerte. Slechts de krekels zongen hun e
eeuwig lied; maar dit eentoonig gesis, hoe scherp 0
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 21
or ook, verdiepte nog in schijn den zwaren sluimer der ge hijgende natuur.
n- Ongestoord kon de jonge reiziger zich dus over-
in leveren aan den stroom zijner gepeinzen en aan de en uitstorting zijner welgemoedheid, te meer daar hij zooveel mogelijk zich hield in de schaduw der en boomen, welke de baan bezoomden, en diensvolgens gs een licht koeltje, ondanks de hevige hitte, zijn zweet d, kwam verfrisschen.
en Op dit oogenblik hoorde hij achter zich het rollen
g- van zware wielen en het gekletter van dravende an paarden. Het was de diligence van Antwerpen, bovenop als met eenen berg van allerlei balen, id manden en kisten beladen, en binnen ongetwijfeld vol ;m reizigers; want drie of vier verdrongen den voerder zoodanig op de voorbank, dat hij met moeite de an armen kon bewegen tot het behandelen van toom en ijk zweep.
of De jongeling was blijven staan en zou ongetwijfeld
in „ het logge gevaarte met onverschilligheid te gemoet ht gekeken hebben, hadde het gezicht der paarden hem
niet eenen zucht van medelijden ontrukt, te Zwoegend en hijgend onder het blakende zonne-
of vuur, trokken de arme dieren hunnen overmatigen en last met zichtbare overspanning van krachten voort, en Gansch hun lichaam blonk van stroomend zweet; een in half opgedroogd schuim hing in vlokken aan hunnen et mond; zij slingerden den staart krampachtig heen m en weer of stampten onregelmatig onder het loopen, rp om zich te verdedigen tegen de wolk moorddadige
2
J
é
22 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
vliegen, die hun het bloed uit de aderen tapten, — maar dan daalde de zweep des voerders hun op den rug en ontrukte hun een gehuil van pijn,
« Ongelukkige beesten! » mompelde de jongeling. «Indien zij konden spreken, hoe zouden ze den mensch zijne wreede ondankbaarheid..... »
Maar daar reed de diligence hem voorbij, en hij hoorde zijnen naam roepen door iemand, die uit het venster hem met de hand eenen groet toestuurde.
Hij had den tijd niet tot wedergroeten : de diligence was onmiddellijk verre van hem. Voortstappende zeide hij luid op, alsof hij tot iemand hadde gesproken :
« Op mijn woord, het is Victor Bruis, de jonge kameraad die meer dan twee jaar, in de bureelen van M. Groothuis, nevens mij heeft gezeten. Een goede jongen, wien niets ontbreekt dan wat sterkmoedig-heid. Ik zie nog hoe de tranen in zijne oogeh glinsterden, toen M. Groothuis ons zeide, aan hem en aan mij, dat het hem spijt deed, onzen dienst niet meer te kunnen benuttigen, en wij er van door te trekken hadden. Hij moet wel erg in nesten zitten,
zoo lang zonder plaats!.....Zijne moeder houdt een
klein winkeltje in de Boomgaardstraat; zonder de winst van haren zoon zal zij hem zeker niet veel vleesch bij zijne patatten kunnen geven. Anne vriend, wat brengt hem hier in de heide? Zou hij, evenals ik, eene plaats bij de boeren komen zoeken?
Onmogelijk..... Maar bedrieg ik mij niet? Neen,
waarlijk, daar komt hij op mij af! De diligence draaft
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 23
ginder maar voort. Hij is afgestegen om mij de hand te komen drukken. Ha, dat is braaf van hem! »
Bij deze laatste woorden zette hij het op een loopen, zwaaide de handen door de lucht, riep juichend den naam van zijnen vriend; en, zonder hem den tijd tot het spreken van een woord te gunnen, greep hij hem de beide handen, danste rond met hem en zong uitgelaten :
Dans, spring, Jan, mijn man.
Ik zie u toch zoo gaarne!
Bier in de kan, spek in de pan.
Niemand kan ons deren.
En hopsasa, falderidera,
Falderidera, laleere!
« Och, Campers, om Gods wil, laat mij los! » zeide zijn gezel meteenen glimlach.« Gij zijt altijd even zot. » « Ik dans van plezier, Victor, omdat ik u zoo onverwachts ontmoet, hier in de wildernis, op de heide!
« Gij hebt dus een nieuw kantoor gevonden, gij ? » « Nog niet, Victor. »
« En gij kunt vroolijk zijn en dansen ? » « Bah! wat zou het helpen, dat ik als een hartvreter daarom met het hoofd in den grond liep ?... Maar zeg mij toch, Victor, van waar komt mij het geluk, u hier te zien? »
« Ik zat binnen in de kas der diligence, gepletterd tusschen eenen reusachtigen veekoopman en eene dikke boerin. Van wederzijde met eenen gloeienden oven tegen het lijf, had ik het zoo onbarmhartig heet,
24 de duivel uit het slangenbosch
dat ik den mond wijd open moest houden, om niet te stikken. Toen ik van verre u in de schaduw der boomen zag staan, benijdde ik u. Mij bekroop de lust om nog een half uurtje in uw gezelschap den steenweg op te gaan. Ik hield de diligence staan en stapte af. » « Ha, dat is goed, Victor. Welaan, dan maar lustig er op voort! Kom in de lommer : het is er zoel
en frisch als in een aardsch paradijs..... Maar nu
weet ik nog niet, wat gij hier in de Kempen komt verrichten. »
« Ach, ik wilde dat ik al terug was van die schurfte commissie! zuchtte Victor. »
« Eene onaangename boodschap? »
« Wel, ja. Karei, zeer onaangenaam. Ondanks al mijne moeite, heb ik nog geene plaats kunnen vinden. Geen wonder, niet waar? De handel is weer stil gevallen en de kantoren worden als bestormd door leegloopende klerken. Sedert een paar maanden is er een groote winkel in onze straat gekomen, en mijne moeder heeft, eilaas, hare meeste klanten verloren. Zij sukkelt evenwel nog stillekens voort. Wij hebben het ten onzent niet vet, ik verzeker het u. Wat mij ten hoogste verveelt en bedroeft, is dat ik zoo ongeneeslijk met ledige zakken moet loopen en nog niet eens, des avonds, een enkel glas bier met de vrienden kan gaan drinken... Een oude oom, broeder mijns vaders-zaliger, woont op een half uur van hier. Hij zit op eene goede hofstede en heeft schijven; maar hij is onmenschelijk houvast... »
« Zwijg eens, » viel Karei Campers hem in de
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 25
rede. « Die karre, daar voor ons! Zonderling paard, niet waar? Wat zijn er toch ongelukkige menschen op de wereld! »
« Ik begrijp u niet, » morde de andere.
« Zie, eene vrouw in de karre gespannen. Hoe ze trekt. Onder die brandende zon! Het is, mijn ziel, om er bij dood te vallen! »
« Och, gij dweept, » wedervoer zijn gezel. « De man die de karre van achter voortstuwt, ziet er sterk uit als een beer; er zal voor de vrouw niet veel te trekken blijven. »
Door nieuwsgierigheid of door belangstelling gedreven, versnelde Karei zijnen stap; Victor, ongetwijfeld uit vrees zich nog erger in het zweet te loopen, volgde schoorvoetend.
Zoo bereikten zij na eenige minuten de karre, die waarlijk zwaar en groot genoeg was om achter een middelmatig paard te worden gespannen. Op het nevenpad onder de boomen gaande, hielden zij verwonderd de oogen op de vrouw gevestigd, die met eenen breeden riem voor de borst, tusschen de twee dissels liep.
Deze vrouw was een jong meisje van ongeveer twintig jaar. Daar zij diep voorovergebogen ging en, geheel in haren drukken arbeid verslonden, den blik ter aarde hield gericht, konden de reizende jongelingen haar gelaat slechts van ter zijde zien. Ongetwijfeld ter oorzake der groote hitte, had zij de linten harer muts los geknoopt; eene haarlok was op haren schouder gevallen en die lok, gitzwart.
26 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
glimde als satijn onder het zonnelicht. Het meisje was tenger van leden en scheen mager; maar de zenuwachtige krachtinspanning, welke zij onder het trekken der karre liet blijken, getuigde dat het haar noch aan lichaamssterkte noch aan moed ontbrak.
De man, die insgelijks diepgebogen achteraan stuwde, scheen van tamelijk hooge gestalte. Zijn bloot hoofd was bezet met eenen verwarden, steke-ligen haarbos, door ouderdom grijs geworden; en, — iets dat alsdan in de steden zelden en op de dorpen nooit werd gezien, — hij droog eenen vollen baard, die hem tot op de borst hing. De ruige wenkbrauwen zakten hem over de oogen, zijn mond was scherp gesloten en zijn voorhoofd diep geplooid. Dit alles gaf hem een uiterst stuursch en hard voorkomen, tot zoo verre dat Victor, terwijl hij den zonderlingen man half angstig bekeek, in zich zei ven zeide, dat het eene akelige zaak zou zijn, zulken wilden struikroover alleen in een bosch te ontmoeten.
Deze lieden zagen niet op en schenen niet te bemerken dat vreemdelingen nevens hen stapten en met nieuwsgierigheid hen beschouwden.
Zulke houding hinderde of verveelde den levens-lustigen Karei Campers, en hij hadde wel gaarne zijne deelneming aan hun hard lot door eenige vriendelijke woorden lucht gegeven.
« Wel, Mieken, Mieken (i) » riep hij, « wat moet
(i) Verkorting van Marieken, naam dien men in de Kempen, aan alle onbekende meisjes geeft.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 27
gij het warm hebben! Arm kind, gij zijt zeker reeds half gebraden? »
Het meisje deed alsof zij niet hoorde.
Bijna ter zelfdertijd zeide Victor op schuchteren toon tot den man :
« Heet weder vandaag, niet waar, baas ? Het zweet stroomt van uw voorhoofd. Hoe kunt gij het toch uitstaan, zoo onder die verwenschte zon? »
Hij kreeg slechts een somber gegrol tot antwoord, en daarbij eenen enkelen blik, maar eenen blik zoo fonkelend en zoo dreigend, dat de verbaasde jongen zijn hart voelde beklemmen en, tot zijnen vriend genaderd, hem stil in het oor fluisterde :
« Kom aan. Campers; het is hier niet goed voor ons. Spoed gemaakt, ik bid u! »
En hij, die anders niet veel van loepen hield, stapte zeer haastig voort, totdat hij zich verzekerd achtte dat de norsche man hem niet meer kon hooren. Dan gromde hij ontevreden :
« Wat leelijk wildemannenras! Ik geloof dat die struikroover lust had om twist tegen ons te zoeken. Hier in deze woestijn kon hij ons beiden gemakkelijk den hals breken..... en de kraaien zouden het
niet aan den dag brengen. Aan mij zou de moordenaar zich evenwel niet rijk geplunderd hebben : anderhalven frank terzijde, voor de terugreis met de diligence, en dan nog zes en dertig centiemen, tegen
den dorst..... Wat terugstootende, leelijke vent is
me dat! Ik was er zuiver vervaard van. Deed hij op u denzelfden indruk niet? »
DE DUIVEL UIT HET SEAXGENBOSCH
« Ja, inderdaad, » antwoordde zijn gezel; « hem bekijkende, dacht ik aan een reusachtig stekelvarken. Nochtans, schijn bedriegt dikwijls. Zij zijn misschien beschaamd, zulk slavenwerk te moeten verrichten. Wat mij in het hoofd ligt te draaien, is de vraag oiquot; die ongelikte beer wel haar vader zou zijn? »
« Waarom niet? Zij is even slecht opgevoed en
even onbeschoft als hij..... Nu, Karei, laat ons aan
die gemeene lieden niet meer denken. Ik was bezig u te vertellen, wat ik hier in de heide kom doen. »
« Zie, zie, » riep Campers, die in gedachten had omgekeken, c daar hebben ze nu de karre ter zijde getrokken. Zij zitten tegen den kant der baan, en, indien ik mij niet bedrieg, eten zij eenen boterham. » « Maar wat kan ons dat schelen, Karei? »
(( Ik weet niet, er is iets in mijn hart, dat mij medelijden met deze lieden inboezemt. Misschien zijn zij ongelukkig in hooge maat; evenwel, zooals gij zegt, daar kunnen wij naar raden en het zijn onze zaken
niet..... Dus, gij gaat naar uwen oom, eenen rijken
pachter die eenen cent in vieren zou bijten..... »
« Rijk is hij wel niet; maar ten zijnent is er nog al wat zaad in het bakje. Sedert wij van ons kantoor werden afgedankt, heb ik reeds tweemaal, zoogezegd ten titel van leening, wat geld van hem gekregen : eens twintig en eens tien franken. Hoe ik nu zal varen, dit weet de barmhartige hemel. Ik verwacht mij aan eenen hoop zure woorden over pennelikkers, luiaards en kasseislijpers. Ach, dwong de bittere nood mij niet tot den pijnlijken stap! :gt;
28
DE DUIVEL UIT HEÏ SLANGENBOSCH
lt;1 Maar gij zijt evenwel zeker, dat hij op het einde toch zal afdokken? n
« Neen; integendeel, ik heb slechts eene kleine hoop. Wist gij. Karei, hoe bedroevend het is, zich zoo te moeten vernederen, misschien om met eene buis naar de stad te keeren! Gebeurt mij dit waarlijk, dan zit ik alweder, weken lang, zonder een koperen duit op zak ! »
Campers bedacht zich eene wijl. Dan greep hij de hand van zijnen gezel en zeide hem :
« Wij zijn vrienden, goede vrienden, niet waar? Dus zult gij, in geen geval, mijn aanbod kwalijk opnemen. Indien ik u eens wat geld gaf, — wat geld leende, wil ik zeggen?»
« Gij? Hebt gij dan geld. Karei? »
« Ja, ja. »
(i Viel u eene erfenis ten deel ? »
(i Och, neen; gij weet, ik heb geene ouders. Diensvolgens had ik, gedurende de goede jaren, slechts voor mij zeiven te zorgen, en heb ik gespaard. Mijn schat is wel aanzienlijk weggesmolten sedert wij zonder plaats zijn; maar ik zal waarschijnlijk vandaag nog eenen nieuwen post vinden. »
« En gij zoudt mij geld leenen, zonder dat ik het u heb gevraagd? »
« Moeten ongelukkigen elkander niet altijd helpen? » zeide Karei lachende. « Heet ik mij zeiven ongelukkig, het is bij herinnering; want, geloof mij, Victor, ik heb gedurende mijn leven meer geleden en meer van de razende koe gegeten, zooals de
29
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Franschen zeggen, dan gij of iemand onzer bekenden. Welnu, wilt gij iets van mij aanvaarden? Geef het weder wanneer gij kunt. »
« Gij hebt een goed hart : wij wisten het allen sedert lang. Het zij zoo, leen mij eenige franken. » «Is twintig frank genoeg? »
(i Twintig? Gij zoudt mij twintig frank leenen? » « Ziedaar. »
En Karei legde hem een goudstuk in de hand. « Ik dank u uit het diepste des harten », mompelde de andere. « Goud! Gij zijt dus rijk? »
« Nu bezit ik nog vijf en negentig frank; maar ik hoop dat ik ze zal kunnen bewaren als een appeltje tegen den dorst; want binnen eenige dagen, waarschijnlijk, begin ik alweder te winnen. »
« Zou ik nu nog naar mijnen oom gaan? » vroeg Victor in gedachten. »
« Waarom niet? Een mensch met geld op zak is sterktegen de vernedering; en gelukt uwe poging, dan verdubbelt gij uw kapitaal. »
« Inderdaad, gij hebt gelijk..... Zie, daar ginder,
eene herberg. De dorst verschroeit mijne lippen. Laat mij toe, de ongelijke zes en dertig centiemen op te offeren om een glas bier op uwe gezondheid te drinken. »
« Het zij zoo, Victor, op onze gezondheid. » Zij spoedden zich vooruit naar een huis, dat nevens de baan stond en, aan een paar houten kribben onder de vensters, voor eene afspanning of herberg te herkennen was.
3o
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Binnentredende, riep Karei, die zijne vroolijke stemming teruggevonden had :
« Ha, goeden dag, moederken! Breng ons eens gauw, als een braaf mensch, twee pinten bier, versch uit den kelder. »
« Het is inderdaad schrikkelijk heet, mijnheeren », antwoordde de oude vrouw. « Ik loop naar den kelder; want voor jongens uit de stad, als gij, moet dit gloeien op de heide een waar torment zijn. Ons bier zal u verkwikken ; het is van een nieuw vat. » En dus sprekende, verwijderde zij zich, terwijl de jonge gasten hunne zakdoeken uittrokken en het zweet van hunne wangen veegden.
De waardin keerde terug en bood hun den ge-vraagden drank aan.
Er werden eenige woorden gewisseld, over de frischheid van het goede bier en over de uitzonderlijke hitte, die alles op het veld dreigde te verzengen. •
Eindelijk vroeg Campers aan de waardin : « Vrouw, wij hebben daar onderweg eene karre gezien, die door een jong meisje werd getrokken, terwijl een man ze van achter stuwde. Kent gij deze lieden? »
« Was het geen leelijke man met eenen grijzen baard en oogen als vurige kolen, mijnheer? » « Ja, moeder. »
De waardin trad nader en zeide op zonderlingen toon :
« Die man, dat is de duvel..... »
3l
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
lt;i Wat? de duvel? Gij wilt toch niet zeggen de duivel? »
« Ja. «
« De duivel uit de hel? »
« Neen, maar de man heet de duivel. »
a En is dat zijn echte naam? »
« Ik heb hem nooit anders hooren noemen. » « En het meisje ? »
« Hij laat gelooven dat zij zijn kind is. »
« Zij ziet er zonderling genoeg uit, om de dochter van den duivel te zijn, » morde Victor.
« En wat zijn dat voor lieden? » vroeg Karei weder. « Ik ben zeer nieuwsgierig om het te vernemen... »
De vrouw, als beangstigd, keek eerst naar vensters en deuren, en zeide dan aarzelende :
« Ik weet niet, of ik wel over die erge dingen mag spreken : hij zou het kunnen hooren. » « Wie zou het kunnen hooren, vrouw? »
a Wel de duivel. »
« Kom, bazin, waar zijn uwe gedachten? Hij zit, op twintig minuten van hier, tegen den kant zijnen boterham te eten. »
« Mogelijk, maar indien hij eens inderdaad zijne ziel aan den duivel had verkocht, zooals men verzekert, of dat hij eens de duivel zelf ware ? »
De beide jongelingen lachten luid.
« Ja, gij, mannen uit de stad, gij meent dat gij al het verstand alleen hebt, » mompelde zij ontevreden. « In alle geval, ik kan u maar zeggen, wat ik door de
32
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
lieden van Halderghem meer dan honderdmaal heb hooren vertellen. »
Campers, die wel merkte dat de oude vrouw niet beter vroeg dan te mogen praten, trok eenen stoel bij en zeide op minzamen toon ;
« Maar, moederken, wij vragen anders niet. Kom, tap u zelve eerst een glas bier, zet u dan nevens mij, en vertel ons wat gij over den duivel weet of hebt hooren zeggen. »
Toen de oude vrouw, na buiten de deur over den steenweg te hebben gekeken, aan de dubbele uitnoo-diging had voldaan, begon zij dus hare uitlegging :
« De duivel is in de Antwerpsche Kempen niet geboren. Hij is hier vreemd; niemand weet van waar hij is gekomen. Sedert bijna twintig jaar woont hij, ter zijde van Halderghem, in het groote Slangenbosch. »
« Het Slangenbosch! Zijn daar dan serpenten in? » onderbrak haar Victor.
« Adders, ja, mijnheer..... In het midden van dit
donker bosch, bij eene plaats die men de Spoken-poelen heet, woont de duivel met zijne, vrouw, eene
soort van tooverheks, en met zijne dochter..... indien
het zijne dochter is! »
(( Wat zou zij anders kunnen zijn? » vroeg Campers, die met groote aandacht luisterde.
Als bevreesd rondstarende en met ingehouden stem, antwoordde de waardin :
(i Hebben deze heeren dan nooit in de stad van Doctor Faustius hooren vertellen? »
33
34 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Zeker, van toen wij nog kinderen waren. » « Ehwel, dan zult gij ook genoeg weten, dat als gij uwe ziel aan den duivel verkoopt, hij u eenen helschen geest tot slaaf geeft, om al te doen wat gij wilt. »
« En gij gelooft, bazin, dat dit arme meisje eene duivelin of een helsche geest is? » riepen de jongelingen, over zulke verregaande eenvoudigheid verbaasd.
« Ik zou het niet durven verzekeren, » antwoordde de oude vrouw. « Gij weet er echter even weinig van als ik, mijnheeren; en indien het nu eens zóó ware? » « Maar wat doen deze lieden of wat hebben zij gedaan, om u of anderen zulke erge gedachten te geven? » vroeg Karei.
« Ja, dit ware te lang om te melden; wie het ondervonden heeft, durft er niet van spreken, » wedervoer de waardin, geheimzinnig de schouders ophalende. « Zij wonen diep in het Slangenbosch, op eene plaats, zoo donker, zoo wild en zoo akelig, dat men in vollen dag er van benauwdheid zou beven. Mijn vader heeft mij dikwijls gezegd, dat men de Spoken-poelen reeds schuwde vóór dat de duivel er was verschenen. Nu hij er woont, durft niemand nog door het Slangenbosch gaan, dan op verren afstand van de Spokenpoelen. Men ziet er des nachts stallichten, witte geraamten van doode menschen, ijse-lijk zwarte beesten, die niemand kent... en men hoort er nu en dan een vervaarlijk gehuil, niet van menschen of van dieren, maar van.....Ach, ik krijg er
kiekenvleesch van, terwijl ik het u vertel. »
UE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 35
« Van menschen noch van dieren? Van wat dan, moederken. »
« Er zijn lieden, mijnheer, die verzekeren dat de duivel een weerwolf is, en op zekere dagen en uren in het bosch rondloopt onder de gedaante van eenen wolf, nog veel grooter dan een paard. Ja, lacht maar vrij, mijnheeren; zij die het gezien hebben, weten het toch beter. »
« Kom bazin, er zijn geene weerwolven. »
« Legt mij dan eens uit, gij mannen van de stad die alles meent te weten, waarom de duivel nooit naar de kerk gaat en hij bij het zien van het kruis begint te beven?... Maar ik hoor gerij ! Daar komt volk. Laat ons nu van deze leelijke dingen zwijgen. » Zij naderde tot het venster en keek naar buiten. Een doffe kreet ontsnapte haar; zij keerde zich om en riep met de handen in de hoogte :
« De hemel sta ons bij ! Daar houden ze stil voor onze deur! »
« Wie meent gij, bazin? » vroeg Karei.
« Wel de duivel met zijne dochter. »
« Komen zij soms in uw huis? »
« Neen, nog geenen enkelen keer in een geheel jaar. Indien hij eens waarlijk gehoord had, wat ik zoo vermetel van hem durfde zeggen! »
De geduchte karreman en het meisje traden op dit oogenblik in de herberg en mompelden eenen onver-staanbaren groet.
« Goeden dag, duivel, » stotterde de waardin bevend, « wat is er van uwe beliefte? »
36 DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH
« Eene pint bier, » was het korte antwoord.
Zij stapte schoorvoetend naar den kelder, terwijl de duivel en zijne dochter plaats namen op eene houten bank in den versten hoek der kamer.
Nu konden de jonge reizigers naar lust den ruigen man en het meisje beschouwen, ofschoon beiden het hoofd gebogen hielden en bewegingloos ten gronde blikten.
Karei Campers, die zijnen blik onafkeerbaar op het meisje hield gevestigd, was getroffen door de regelmatigheid harer wezenstrekken. Het ravenzwarte haar, de lange wimpers aan hare groote oogen, de parel blankheid harer tanden, de bopgvorm van haren fijngesneden neus, de zachte kleur harer bijna bleeke wangen, dit alles deed den aandachtigen jongeling, evenals de oude waardin, twijfelen, of zij wel de dochter van den ruwen karreman kon zijn.
De jongeling werd hier in zijne overweging gestoord door de verschijning der waardin, die uit den kelder kwam en, zonder iets te zeggen, eene pint bier voor den duivel zette, terwijl deze vijf centen op de tafel legde.
De man moest grooten dorst hebben, want hij greep het glas bier met zenuwachtige haast en bracht het vóór zijnen mond. Dan evenwel hield eene plotselinge gedachte hem terug, en hij reikte met eenen zonderling zoeten glimlach, — welke niet aan Kareis aandacht ontsnapte, — het glas aan zijne dochter over. Deze nog zoeter glimlachend, schudde weigerende het hoofd en betuigde dat hij eerst moest
DE DUIVEL UIT HET SLANGEXBOSCH
drinken. Na eenen korten strijd gaf de man toe en ledigde het glas bijna ten halve.
Het meisje, na insgelijks eenen teug te hebben gedronken, bemerkte dat de man bier op zijnen baard had gestort. Zij haalde eenen blamvgestipten neusdoek uit haren zak, droogde daarmede des duivels baard en veegde zelfs het zweet van zijn voorhoofd, met zulke zachte hand en zoo liefderijk, alsof zij een kind verpleegde, dat aan hare zorg -was toevertrouwd.
Het gezicht dezer wonderlijke teederheid trof Karei diep : zijne oogen blonken van ontroering.
Maar nu dronk de duivel nog eens en reikte weder het glas aan zijne dochter.
Beiden stonden op en verlieten de herberg, zonder in schijn eenige acht op de tegenwoordigheid der jonge lieden te hebben gegeven.
De waardin naderde de tafel, maakte geheimzinnig een kruis, en verstoutte zich dan eerst de tien centiemen op te nemen en in haren zak te steken.
« Moederken, zijt ge waarlijk vervaard dat die centen u eene vermaledijding op den hals zullen halen? » schertste Karei Campers.
« Wie kan het weten, mijnheer? Het geld van den duivel! »
« Ja, bazin lief, mag ik nu eens vrij spreken? Zult gij het niet kwalijk nemen?... Welnu, deze arme menschen zijn noch duivel noch duivelin : het is een vader met zijn kind. Misschien maken zij niet gaarne kennis met andere lieden; maar dat er een gevoelig hart in hunnen boezem klopt en zij elkander met
37
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
ongewone verkleefdheid lief hebben, dit is voor mij eene onbetwistbare zaak. Boos, zooals gij het meent, kunnen zij niet zijn. Wilt gij mijne overtuiging kennen? Al wat de boeren dezer streken over hen babbelen, zijn vertelsels om kinderen naar bed te jagen, belachelijke vodden en leelijke kwatongerij! » De waardin voelde zich in hare eigenliefde gekwetst, en kwam voor den dag met allerlei tegenwerpingen, om te verdedigen wat zij misschien inderdaad meende de waarheid te zijn.
Niet geneigd om de oude vrouw te bedroeven, gaven de jongelingen wat toe, en zoo veranderde de woordenstrijd allengs in eene kalmere samenspraak, die voortduurde tot dat Karei Campers oordeelde, dat zij maar al te lang hadden uitgerust en het nu tijd Avas om hunne reis te hernemen.
Op de baan getreden, spraken zij nog eene wijl over den duivel en zijne dochter; maar werden van dit onderwerp afgeleid door eene vraag van Victor, waarop Karei Campers antwoordde :
« Ja, hoe verwonderlijk het u schijne, ik ben in de Kempen gekomen om eene plaats bij de boeren te zoeken.
« Van klerk? »
« Ja, Victor, van klerk. »
« In de heide ? Hoe is dat mogelijk? »
« Ik ga het u uitleggen. Te Halderghem, juist het dorp op welks grond de duivel schijnt te wonen, is een notaris wiens klerk gaat trouwen met eene rijke brouwersdochter, en daarom zijnen post verlaat. Die
38
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH Sg
J
notaris heeft eenen zoon, die te Leuven studeert en binnen eenige maanden zijn diploma van kandidaatnotaris zal bekomen. Dan keert hij naar Halderghem terug, en zal zijnen vader als klerk behulpzaam zijn. Er moest dus iemand gevonden worden, om deze tusschenruimte te vervullen. Ik ga naar Halderghem den notaris mijnen dienst aanbieden. Het is slechts voor weinig tijd; maar veel liever twee of drie maanden in het schoone Kempenland gewoond en iets gewonnen, dan zoolang in de stad ledig te loopen. »
« Daar zal niet veel vet op zijn, Karei. »
lt;( Vijf en zeventig frank ter maand en vrij kost en woning. »
« Ha, dat beteekent nog al iets ! Zijt gij zeker dat men u zal aanvaarden? »
« Ik meen het te mogen hopen. Het is onze oude patroon, M. Groothuis zelf, die mij aanbeveelt. Hij heeft mij eenen schoonen brief voor den notaris medegegeven. Dien brief heb ik zelf opgesteld en afgeschreven; gij kunt wel denken dat ik mij zeiven niet in \'t zwart heb geschilderd. Diensvolgens lacht de beste kans mij toe. In alle geval, kreeg ik eene buis, ik zou daarvan niet sterven. »
« Geloof mij, Karei, ik wensch uit den grond van mijn hart dat uwe poging gelukke. »
En zoo koutende, vervorderden zij hunnen weg nog gedurende een klein kwartier. Dan riep Victor eensklaps :
« Hoe de tijd kort schijnt, wanneer men in goed
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
gezelschap is! Ziet ge ginder dien wegwijzer? Daar is de veldbaan, die ik volgen moet om de hofstede van mijnen oom te bereiken. Gij gaat voort naar Hal-derghem. Wij moeten dus, tot onze groote spijt, hier scheiden. »
Aan den voet van den wegwijzer gekomen, drukten zij elkander tot vaarwel de hand; Karei Campers zag zijnen kameraad eene korte wijl achterna.
Reeds tot op een goed boogschot verwijderd, keerde Victor zich nog om en riep :
« Veel geluk te Halderghem! En ontmoet gij ginder den duivel en zijne dochter, doe hun mijne beste komplimenten! »
Karei Campers bracht de handen om den mond en schreeuwde uit al zijne macht :
« Veel centen bij Jan-oom! En spot maar niet met den duivel, of hij komt dezen nacht nog knarsetanden bij uw bed ! »
Lachend trad hij weder op den steenweg en hervatte zijne reis.
4°
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENEOSCH
II
Karei Campers zette met verhaasten stap zijnen ueg onder de schaduw der boomen voort. Hij overwoog glimlachend de eenvoudigheid der waardin en de gekke dingen, welke zij aangaande den duivel scheen te gelooven. Ook het meisje met hare groote zwarte oogen zweefde nog dikwijls voor zijnen geest; maar eindelijk keerden zijne gedachten op een meer ernstig onderwerp. Wat onthaal wachtte hem te Halderghem? Zou de notaris hem aanvaarden of hem afwijzen? Hoe had hij zich aan te bieden om geenen slechten indruk te doen? Maar dit was geheel afhankelijk van de wijze, waarop men hem zou ontvangen; het beste was nog, zich daar niet op voor te bereiden en de zaak maar haren natuurlijken gang te laten gaan.....
Eensklaps meende hij eenen kreet of eene klacht te hooren, en keek verrast in het ronde. Dewijl de baan zich hier zeer scherp omboog, kon hij niet verre vooruitzien.
Na eenige stappen nog te hebben gedaan, ontwaarde hij des duivels karre, te midden van den
41
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
steenweg stilstaande; en daarnevens het meisje geknield, steunende in haren arm het hoofd haars vaders, die ten gronde lag uitgestrekt, als hadde een zonnesteek of eene beroerte hem neergeveld.
Door medelijden diep geschokt, liep Karei Campers in allerijl vooruit, en bleef een oogenblik, bevend en stom, op het vervaarlijk schouwspel staren, dat zich daar vertoonde. De duivel lag op den rug en woelde krampachtig met armen en beenen. Zijne tanden kraakten; op zijnen mond kookte bloedig schuim; in zijne beklemde keel ratelde een heesch gejammer. De uitdrukking van zijn verkrampt gelaat was ijswekkend, boven alle beschrijving. Onmiskenbaar leed die man verschrikkelijke pijnen. Misschien worstelde hij tegen den naderenden dood.
Karei wierp zich knielend aan de andere zijde des duivels, en hij insgelijks poogde met de eene hand hem het hoofd te steunen en met de andere de woeste bewegingen zijner armen te bedwingen, terwijl hij op den toon der innigste deelneming zeide :
« Ach, arm Mieken, wat zijt gij te bekjagen! Zoo, moedermensch alleen bij uwen stervenden vader, zonder hulp, zonder hoop! Wat is er gebeurd? Wat heeft uw vader ? Eenen zonneslag ? »
Overvloedige tranen borsten uit \'s meisjes oogen; maar zij antwoordde niets : de tegenwoordigheid van den vreemden heer scheen haar te verschrikken .
De jongeling rukte de vest van den lijder op de borst open en knoopte zijnen halsdoek los, om hem
42
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 43
lucht te geven; onderwijl riep hij met angstige aange. jaagdheid ;
« Geene huizen, geene menschen, geene hulp hoegenaamd, ach, het is ijselijk!... Kom, Mieken, er is geen ander middel : laat ons uwen vader op de karre leggen en naar het dorp voeren. Daar vinden wij ongetwijfeld eenen dokter. Ik zal u helpen trekken ; ik ben sterk; het zal wel gaan. Waar woont gij. Mieken? Is het verre van hier? »
Het meisje zag henr aan met eenen uiterst treu-rigen blik, doch bleef zwijgend.
« Nog al ongelukkiger, » mompelde hij in zich zeiven, « zij is doofstom! »
En in deze meening wees hij op zijnen mond en schudde het hoofd, om haar te vragen of zij waarlijk niet kon spreken.
« O, mijnheer, « zeide zij met teruggehouden stem, « ga uwen weg voort. Het is niets, het zal overgaan. Wij behoeven geene hulp. Laat ons alleen, ik smeek u! »
« U alleen laten, hier te midden eener woestijn, in uwen akeligen nood? » riep Karei, bij zulke gedachte diep verontwaardigd. « Was ik tot zulke lafheid bekwaam, ik weet niet, of ik mij zeiven niet ging verdrinken met eenen steen aan mijnen nek. Uw arme vader is erg ziek, hij lijdt ijselijk en verkeert in doodsgevaar. Ach, wat gedaan? o, hemel, wat gedaan? »
« Eilaas, geen water! » zuchtte het meisje. « Water, water, zegt gij? » herhaalde de jongeling.
44 de duivel uit het slaxgenbosch
als verblijd hij het hooren dezer woorden. « Ha, ginder verre heb ik eene beek gezien. Ik loop, ik loop! »
En als een pijl die eenen boog ontschiet, vloog hij terug in de baan, en bereikte weldra den boord dei-beek.
Hier stond hij echter onthutst en verlegen : hij had geen vat, niets waarin hij water kon dragen!
Lang bleef hij niet dubben; hij boog zich, trok een zijner schoenen uit, sprong naar beneden, schepte hem vol water en liep met even driftigen spoed naar de karre, terwijl hij juichend uitriep :
« Water, water, redding misschien! Heb maar goede hoop, Mieken ; hier is water, koel water! »
Het meisje, ofschoon zij hare blijdschap zelfs niet door eenen glimlach verried, hield reeds haren zakdoek gereed. Zij doopte hem in den schoen en begon haren vader hoofd, hals en wangen te verfrisschen.
Het scheen den zieke echter weinig te helpen; want eene nieuwe krampenvlaag greep hem aan en hij sloeg zoo geweldig met de armen en wrong zijne beenen zoo akelig, dat men zijne gewrichten hoorde kraken.
« Die brandende zon jaagt uwen vader het bloed in de hersens, » zeide Karei. « Zoo kan hij niet bekomen. Wacht, wij zullen hem in de schaduw der boomen trekken. »
Hij deed met haast zijnen schoen aan, greep den man onder de schouders en deed het meisje teeken hem te helpen. Zij gehoorzaamde lijdzaam; en het
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 46
gelukte hun, met veel moeite, den zieken man in de lommer en tegen den kant der baan te trekken, waar het meisje zich nevens hem zette en weder, als te voren, haren arm onder zijnen hals bracht om hem te steunen. Zij zoende hem op het voorhoofd, terwijl hare tranen op zijne paarsche wangen vielen.
lt;( Vader-lief, arme martelaar, » zuchtte zij wanhopig. « Ach, de Heer erbarme zich onzer! »
Er kwam een oogenblik, dat de stuiptrekkingen van den zieke zichtbaar verminderden en hij, als genegen tot slapen, het hoofd op de borst liet zakken.
« Ha, hij is beter : het zal overgaan! » juichte Karei.
Met eenen zonderling diepen blik, stralend van dankbaarheid, zeide nu het meisje :
« Dat God u loone voor uwe goede hulp, mijnheer. Gij hebt een edelmoedig hart, ik zie het wel. O, bewijs ons nog eene gunst; ik zal zoo innig voor u bidden ! » « Spreek, kind-lief, » antwoordde Karei, « moest ik voor u door een vuur vliegen, ik deed het met geluk... Nu, zeg, wat verlangt gij? »
« Ik zou u erkentelijk zijn, mijnheer, indien gij nu uwen weg wildet voortzetten en mij alleen met mijnen vader laten. Hij zal haast geheel tot zich zeiven komen. »
« Misschien; — maar zie eens, hoe zijn gelaat weder verkrampt! Neen, het is nog niet gedaan... Ik u verlaten, zoo zonder hulp in deze eenzame plaats? Ik ben gereed tot alles. Mieken; maar, om de liefde Gods, vraag mij dit niet : het is geheel nutteloos. »
46 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
De man hield zich weder stil; zijne dochter, voor alsdan gerustgesteld, hernam hare vorige houding aan zijne zijde... maar eensklaps trof haar eene nieuwe verschriktheid, terwijl zij met ontstelden blik in de verte staarde.
« Ach, daar ginder komt volk ! » zuchtte zij. « Arme vader, hoe zal het hem bedroeven, te vernemen dat vreemdelingen hem in zulken toestand hebben verrast! »
Karei Campers richtte de oogen vooruit in de baan. Daar zag hij eenen boer met blauwen kiel, die zijnen eerst haastigen stap meer en meer vertraagde, totdat hij de plaats waar de duivel lag een weinig voorbij was, en bleef staan.
Na eene wijl aarzeling, wenkte hij den jongeling herhaalde malen met den vinger.
Meenende dat deze boer hem wellicht, aangaande de ziekte van den duivel, iets belangrijks of goeden raad ^mede te deelen had, stond Karei op en naderde hem.
De boer vroeg met bedwongen stem :
« Weet mijnheer wel, wie de man is, die daar zoo leelijk ligt te spartelen ? »
« Men heeft mij gezegd dat hij de duivel heet; anders ken ik hem niet, » antwoordde Karei. »
« Diensvolgens weet gij ook niet, welke vervaarlijke plaag hem dus doet woelen en knarsetanden? »
« Neen, pachter, maar ik begin te denken dat het wel de vallende ziekte zou kunnen zijn. »
« Kom, kom, de vallende ziekte! Dit heeft zeker
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 47
de arglistige Stina u wijsgemaakt? Zij schijnt onnoozel en half kindsch, maar zij is slim als eene heks. » « Stina? Wie meent gij? »
« Wel zijne dochter, die daar nevens hem zit. » « Zoo, zij heet Christina? »
« Wist gij, mijnheer, wat er in dien leelijken man omgaat, wel verre van hem uit medelijden te willen bijstaan, zoudt gij van hem wegvluchten uit al uwe kracht. »
« Wat heeft hij dan? »
« De duivel is hem in het lijf gekomen : hij is bezeten... »
(i Foei, pachter. Wat domheid! »
« Vraag het maar in het dorp te Halderghem. Het is de eerste maal niet dat hem zulks geschiedt. Mocht ik u eenen goeden raad geven... »
« Gij zijt onmenschelijk. Uwen raad heb ik niet noodig; ik ben groot genoeg om te weten wat mij te doen staat! » gromde Karei, terwijl hij den boer liet staan en naar het meisje terugkeerde.
« Ha, mijnheer, » zeide zij juichend, mijn vader is veel beter; nog eenige minuten en hij zal genezen zijn. Het is zeker, ik weet het. »
« God zij er om geloofd, Stina. »
Zij keek hem verbaasd en ondervragend in de oogen.
« Hoe het komt dat ik uwen naam weet? » antwoordde de jongeling.» De boer die hier\'voorbijkwam, heeft hem mij gezegd. Ik durf u niet herhalen wat kwaadwillige en belachelijke dingen de lieden over
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
uwen ongelukkigen vader vertellen. Wat hem zoo schrikkelijk lijden doet, is het niet de vallende ziekte? »
« Daar, mijn vader opent de oogen. O, ga heen, ga heen, mijnheer! » kreet zij angstig.
Wel zou Karei Campers ditmaal aan de bede van het meisje hebben toegegeven; maar haar vader, die nu waarlijk tot zich zeiven scheen te komen, eene poging doende om op te staan, en nog zwaar van hersens zijnde, viel op de zijde. De jongeling sprong toe, vatte hem onder de schouders en hielp hem recht.
Nu spalkte de duivel zijne oogen wijd open en staarde verdwaasd in het ronde als iemand, die uit eenen akeligen droom opschrikt en vraagt, waar hij zich bevindt en wat hem is geschied. Vooraleer het bewustzijn geheel in hem was teruggekeerd, stiet hij de hand des jongelings van zich af en trok integendeel zijne dochter op zijn hart.
Zoo bleef hij nog eene korte wijl, tot dat het prangende bloed geheel uit zijn hoofd was neergezonken. Dan lichtte er eensklaps eene gewetensvonk in zijne oogen. Hij schouwde met verbaasdheid en met klimmende gramschap den jongeling in het gelaat, gromde eene onduidelijke bedreiging, stond op met zichtbare overspanning zijner krachten, en liep, nog wankelend, naar de karre.
Het meisje volgde hem. Ongetwijfeld op zijn uitdrukkelijk bevel, spande zij zich zelve met alle haast in de karre; de duivel stuwde van achter, en zoo liepen zij vooruit totdat de verblufte jongeling hen
48
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
in eene zandige heidebaan, ter linkerzijde van den steenweg, zag verdwijnen.
Nog lang bleef hij als aan den grond genageld staan; doch hervatte eindelijk, diep in gedachten verslonden en het hoofd schuddende, zijnen weg naar Halderghem.
Een klein half uur later bereikte hij het dorp, dat hem voorkwam als eene dubbele rij huizen, zich verlengende van wederzijde der baan.
Nauwelijks had hij een honderdtal stappen tusschen de eerste huizen afgelegd, of hij bespeurde dat, waar hij voorbijging, de lieden in de deuren kwamen staan en hem met zichtbare nieuwsgierigheid bekeken. Hij, altijd in goede luim, groette hen op gemeenzamen toon en riep hun zelfs nu en dan eene geestige spreuk toe, welke hen, ondanks hunnen ernst, tot lachen dwong.
Eene zeer jonge boerin, met bloemig aangezicht, zeide op dit oogenblik tot hare moeder :
« Zou dit de nieuwe klerk van den notaris zijn? Wat goede jongen ziet hij eruit! »
« Goede jongen? » kreeg zij tot antwoord. « Betrouw daar niet op. Wanna; die heerkens uit de stad, ziet gij, ze spelen de viezen in de klucht; maar zij hebben den aap in de mouw... gij begrijpt mij wel. » « Die stoute oogen en dat lachend aangezicht bevallen mij in het geheel niet, » mompelde eene andere vrouw.
« Ja, hij zou zeker leelijk moeten zijn? » wedersprak Wanna. « Is het zijne schuld dat hij een knappe jongen is en zoo vriendelijk kan glimlachen? Had Ons
49
5o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Heer hem schele oogen of eenen hoogen bult gegeven, hij zou ze even verduldig moeten dragen. »
« Naar binnen, naar binnen! » gebood hare moeder, haar bij den arm vattende. « Gij zijt veel te frank en te nieuwsgierig voor uwen ouderdom. »
Bij eene herberg, waar boven de deur het beeld eener stralende zon uithing, stond een boer, die den vreemden heer ziende aankomen, iets naar binnen riep. Onmiddellijk verschenen eene oude vrouw, twee mannen en eene dochter voor de deur.
Karei Campers ging hen juist voorbij en vroeg hun, waar M. Trappeneels, de notaris, woonde.
« Ha, mijnheer moet bij onzen notaris zijn! » riep de waardin als verblijd.
« Ginder, in dit groote huis met de witte vensterblinden, woont hij, » zeide haar man. « Maar, mijnheer, gij hebt het zoo uitermate warm; zoudt ge niet eerst eenen teug van ons goed bier willen drinken ? Doe ons het plezier en kom een oogenblik binnen. »
« Ach, baas-lief, » antwoordde Karei met geveinsden ernst, « in uw huis moet het nog heeter zijn dan in eenen gloeienden oven. Ik zou er niet durven binnengaan, uit schrik van er geheel weg te smelten, als een bol was in het vuur. »
De lieden keken hem gapend aan, want zij begrepen niet wat hij wilde zeggen.
« Waarom denkt gij dat het in ons huis zoo heet is? » mompelde de waard. « Het is er integendeel zeer koel. »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 5l
« Hoe zou ik dit kunnen gelooven ? » antwoordde Karei, op het uithangbord wijzende. « Gij woont immers in de Zon, en ik heb vandaag ondervonden wat dit eigenlijk beteekent. »
Zijne aanhoorders, nu eerst zijne scherts vattende, borsten los in eenen schaterlach.
De oude waardin bij den arm nemende, riep Karei vroolijk uit :
« Kom, moederken, tap mij een frisch glas bier. In de zon of in de lommer, waar zulke vriendelijke menschen wonen, moet het altoos goed en vermakelijk zijn! »
Zij traden al te zamen binnen, en men haastte zich den vreemdeling een glas bier te brengen van het patersvatje, zooals de waardin hem verzekerde.
Hier, in de wijdbekende Zon, woonde de oude baas Peperlinck met zijne vrouw en zijne kinderen : twee zonen en eene dochter, die alle drie de dertig jaar reeds voorbij waren, zoo dat het meisje, welk daarenboven in het geheel niet mooi was, kon aanzien worden als voor goed in de Sinte-Anna-Schapraai zittende. Zij was er echter niet min vroolijkgezind om; en die toestand zelf schonk haar meer vrijheid, om zonder vrees noch verlegenheid met de klanten, oud en jong, te kouten.
Zij, de eerste, verstoutte zich den jongen heer te vragen, of hij het was die als klerk van den notaris te Halderghem zou komen wonen.
« Op mijn woord, ik zou het wel willen, » antwoordde hij, « al was het maar om nu en dan mij in
DE DUIVEL UIT HET SLAKGENBOSCH
de Zon te komen verwarmen, wel te verstaan als het wat kouder wordt. Maar nu kom ik slechts om mijnen dienst aan te bieden, en, wijst de heer notaris mij af, dan keer ik naar huis met hangende ooren. »
« Dat zou wel groote spijt zijn! » zuchtte het meisje. « Voor mij bovenal, Mieken. »
« Ik heet Judoca, mijnheer. »
« Judoca? Het is een lieve naam. »
« Onze notaris zal u wel aanvaarden. »
« Ongelegde eieren zijn onzekere kiekens, Judoca. » « Ja, hij zal u aanvaarden, wees zeker, » bevestigde de oude waardin.
« Waarom gelooft gij dit zoo vast, moeder? » « Ik weet het niet, mijnheer; maar gij schijnt mij toch zulk een vriendelijke, openhartige jongen... en indien gij daarbij goed kunt lezen, schrijven en cijferen... »
« Ja, moeder, daar zal het niet aan haperen. » « Ehwel, M. Trappeneels, onze notaris, is ook een goede, blijmoedige man... en daarom zeg ik dat gij zijn klerk zult worden, zie! Ja, ja, bij ons zult gi wonen. »
« Hier in de Zon? »
« Ja, in de Zon, bij moeder Peperlinck. Onze notaris heeft uw logement reeds besproken. »
« Het logement van zijnen aanstaanden klerk, meent gij, niet waar ? »
« Inderdaad, maar dat is hetzelfde. »
cc Wees zoo goed en kom eens mede, mijnheer, » zeide Judoca opstaande. « Zie, boven die vijf trapjes
52
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 53
hebben wij eene kleine kamer met een goed bed. Daar zal mijnheer slapen... »
« Mijnheer, mijnheer, » gromde de jongeling, « ik ben geen heer en ik heet Karei Campers. Indien ik het geluk had hier te mogen wonen, zou ik u bidden, mijnen waren naam niet te vergeten, mejuffrouw Judoca! »
« Zooals gij wilt, mijnheer Karei, » zeide het meisje lachende. « Wij zullen alles doen wat wij kunnen, om uw verblijf ten onzent aangenaam te maken; maar iets toch zult gij met geduld moeten verdragen. Des Zondags zijn de boeren wat uitgelaten. Zij maken veel gerucht, en zingen somwijlen dat men het te midden van het dorp kan hooren. Ongelukkiglijk is het ons niet mogelijk, dit te beletten. Het zou u kunnen storen... »
(( Mij storen? De vreugde van brave menschen die, na de geheele week te hebben gewerkt, hun hart in de Zon wat komen ophalen? Ik zou niet durven beloven, dat ik niet somwijlen hun zal vragen om mede te mogen doen; want ik kan ook zingen. Hoort maar, het is een liedje dat tot antwoord op uwe vrees kan dienen :
Lieve vrienden, waarom treuren Over \'t grillig lot ?
Wat er ons ook moog gebeuren,
\'t Is de wil van God,
„ Die ons allen heeft gegeven
Zuur en zoet op aard.
Daarom roep ik onbezwaard :
« Wel doen en vroolijk leven!
Vroolijk leven! »
54 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Hij had deze strophe slechts neuriend gezongen. Was zijne stem niet bijzonder fraai, de ware opgeruimdheid, die uit zijne oogen straalde, en zijne losse hartelijkheid bevielen de lieden zoo zeer, dat ze al te zamen zich tot hem voelden aangetrokken, en luidop den wensch uitdrukten hem tot kostgast te mogen bekomen.
Toen hij korts daarna opstond, betuigde de oude baas dat hij hem wilde vergezellen, niet alleen om hem de woning van den notaris te wijzen, maar bovenal om den eerste het goede nieuws zijner aanvaarding te kunnen vernemen.
Een paar minuten later belde Karei Campers aan het huis van den notaris, en werd door de meid in een kabinet gebracht, waar haar meester voor eene schrijftafel zat.
Deze was een man van middelbaren leeftijd, met welgevoede leden en hooggekleurde wangen, waaruit duidelijk bleek dat hij een gemakkelijk leven had en niet gewoon was zich kwaad bloed te maken.
« Goeden dag, heer notaris, » zeide de jongeling, diep buigende. « Indien het u geliefde kennis te nemen van den brief, welken ik de eer heb u te overhandigen... »
M. Trappeneels beschouwde hem van hoofd tot voeten. Die\' eerste indruk kwam Karei Campers niet voor als zeer gunstig. Hij begon te vreezen dat zijne poging zou mislukken.
« Neem eenen stoel, mijnheer, en zet u neder, » kreeg hij tot antwoord, terwijl de notaris den brief
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH
openbrak. « Ha, gij zijt de jonge klerk, waarvan mijn vriend, de heer Groothuis, nog eergisteren heeft gesproken. Gij heet Karei Campers? »
« Om u te dienen, mijnheer. »
« Hier is niet veel ander werk dan akten te copieeren. Hebt gij eene goede hand van schrijven? » « De brief, dien de heer notaris onder de oogen heeft, kan hem daarover laten oordeelen : het is mijn schrift. »
« Fraaie hand, inderdaad... Gij weet dat, indien ik eenen klerk noodig heb, het slechts voor eenige maanden is? »
a Ik weet het, mijnheer; maar, het zij kort of lang, ik zou u even dankbaar zijn voor uwe gunst. »
« Mijn vriend heeft u gezegd, welke schadeloosstelling ik mijnen tijdelijken klerk wil toestaan? » « Ja, heer notaris. »
« Zoudt gij daarmede tevreden zijn? »
« Ik weet niet, mijnheer, gij zult het misschien zonderling vinden; maar de natuur is hier zoo schoon, de heidelucht zoo zuiver en opwekkend, de lieden schijnen mij hier zoo vriendelijk en zoo goed, dat ik in deze streek mijn leven zou willen slijten, al hadde ik weinig anders te eten dan droog brood! »
« Kom, konij gij overdrijft schrikkelijk, » zeide de notaris, lachend om des jongelings geestdrift bij het uitspreken dezer woorden. « Het is in alle geval een voordeel, dat men zijnen toestand, hoe hij ook weze, met goesting aanvaardt... Mijn klerk woont nietten mijnent; er zijn weinige goede herbergen te Halder-
55
56 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
ghem. Gij zoudt in de Zon moeten wonen, bij baas Peperlinck. »
« Met alles ben ik tevreden, » antwoordde de jongeling. « Wees zeker, mijnheer, indien gij mij toeliet u te dienen, zou ik niets nalaten om u te believen en uwe goedheid te erkennen. »
« Ik geloof u : gij ziet er een rondborstige jongen uit. M. Groothuis stelt zich borg voor uwe eerlijkheid en goed gedrag. Welaan, wees mijn klerk. Kom Maandag aanstaande terug; dan zult gij uwen dienst beginnen. »
« Ik ben u wel dankbaar, heer notaris, » zeide Karei. « Maandag zal ik de eer hebben mij aan te bieden; maar ik bid u op voorhand om verschooning, indien het wat laat in den morgen werd. Ditmaal, omdat ik mijn koffer en wat gepak mede te brengen heb, zal ik met de diligence moeten komen..... Nogmaals dank. Goeden dag, mijnheer, tot... »
lt;( Blijf nog een oogenblik, » viel de notaris in. « Gij schijnt vermoeid; en vermits wij nu, tot ons beider genoegen, denk ik, eene overeenkomst gesloten hebben, zou een glas wijn daarop geen kwaad doen. Zijt gij liefhebber van wijn? »
« Liefhebber? » murmelde Karei. « Wie is er geen liefhebber van een glas wijn? Maar ik drink hem evenwel alle maanden niet : het is te duur. »
M. Trappeneels opende eene kas, haalde er eene begonnen flesch uit, schonk een paar roomers in, en sprak ;
« Oporto : een sterke morgenwijn. Wel bekome
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 57
hij u, mijn jongen. Volgens ik uit uwe woorden meen te begrijpen, hebt gij den ganschen weg te voet afgelegd. Door de brandende zon? Wist gij dan niet dat hier de diligence uit Antwerpen voorbijkomt? »
«Ja wel,mijnheer, maar het was zulk schoon weder... en daarenboven, ofschoon ik wezenlijk een zeer arme jongen ben, weet ik een mkldel^pm altijd rijk te zijn. »
lt;i Zoo, en welk is dit wonderbaar middel? » « De spaarzaamheid, heer notaris. Aan de diligence moest ik twee frank betalen. Ik heb mij onderweg niets laten ontbreken en hier en daar een glas bier gedronken. Nu ben ik toch ook te Halderghem, en heb evenwel meer dan anderhalven frank gespaard. » « Zonderlinge rekening, en nochtans hebt gij gelijk, » zeide de notaris. « Wat moet ge gezweet hebben! »
« Ja, ik durf het niet ontkennen, mijnheer; maar voor een jong mensch is dit gezond. »
« Waarom zijt ge niet geheel vroeg in den morgen en dus vóór de grootste hitte vertrokken? »
« De zon was nog niet opgegaan, toen ik reeds buiten de stadspoort was; maar ik ontmoette eenen vriend. En daarbij heb ik onderweg, niet verre van hier, een ongeluk zien gebeuren dat mij lang heeft opgehouden. »
« Een ongeluk? »
« Wel, ja, mijnheer. Er lag daar, nevens eene karre, een man, getroffen door eene beroerte of eenen zonnesteek, en zijne dochter zat nevens hem te wee-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
nen dat het een ijzeren hart zou ontroerd hebben. » « Och, dat was de duivel! » riep de notaris. « De arme man had ongetwijfeld weder de vallende ziekte. De droeve plaag overkomt hem anders maar zelden meer : de groote hitte zal er de oorzaak van geweest zijn. »
« Laat mijnheer mij toe hem iets te vragen? » « Zeker, mijn jongen, al wat gij wilt. »
« De lieden onderwege, bovenal de waardin eener herberg, zeiden mij zooveel kwaad van dien man en vertelden zulke vreemde dingen van hem, dat mijn verstand... »
« Bah, bah, ik ken die sprookjes. Gij zijt toch niet eenvoudig genoeg, hoop ik, om iets daarvan te geloo-ven? » viel de notaris lachend in. « De duivel schijnt een beetje in de hersens geraakt; hij houdt niet veel van spreken; men moet de woorden als met eene tang hem uit den mond halen. Wanneer ik, in het seizoen op jacht zijnde, hem ontmoet, spreekt hij wel met mij; maar alle andere menschen vlucht hij. Anders doet hij niemand kwaad of schade; integendeel hij bewijst ons veel dienst. Omdat de lieden evenzeer van hem schrikken, zijn onze bosschen tegen houtdieven en pensjagers beschut. »
« En hij woont te midden van een donker woud, dat vol slangen zit? »
« Men vindt er, inderdaad, wel boschpaling, — van het soort van adders dat de Franschen couleuvres noemen; giftadders evenwel niet. Het zijn bosschen, toebehoorende aan den baron van Louwenhove, die
58
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH Sg
te Brussel woont en wiens rentmeester ik ben. » « Men zeide mij dat niemand weet, van waar die man is gekomen. »
« Hij moet afkomstig zijn uit de Limburgsche Kempen. Wat ik echter weet, is dat mijn vader-zaliger, met goedkeuring van den baron, hem toegelaten heeft in het Slangenbosch te wonen. Daar stond in dien tijd, — het kan wel bijna twintig jaar geleden zijn, — een huisje, waar vroeger een boschwachter in woonde en dat gedeeltelijk in puinen was gevallen. De duivel heeft het zooveel mogelijk hersteld, en nu woont hij erin, met zijne vrouw, die doofstom is, en met zijne dochter, een goed en eenvoudig meisje. Beschermde ik die arme menschen niet, men zou ze sedert lang van den grond der gemeente verjaagd hebben; want velen haten hen, zonder juist te weten waarom. Gelukkiglijk dat onze oude pastoor ook medelijden met hun ellendig lot heeft. »
« De pastoor medelijden met den duivel! » schertste Karei lachende. « Wie heeft ooit van zulk iets gehoord?... Vergeef mij mijne stoute woorden, heer notaris. »
« Het is nochtans zoo. »
« Wonderlijk. Men heeft mij verzekerd dat deze lieden nooit ter kerke gaan*! »
« Voor den vader ten minste is dit waar. Het heeft echter eene zeer gegronde reden. Vroeger, — het is reeds lang geleden, — heeft de duivel twee of drie maal de vallende ziekte in de kerk gekregen, en is spartelend ten gronde gestort, iets wat sommige
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
verschrikte boeren heeft doen gelooven dat hij bezeten was van den boozen geest; maar de pastoor wist het wel beter, en heeft den ongelukkige toegelaten, te huis zijne christelijke plichten te vervullen. Ik weet dat de duivel eens of twee maal \'s jaars, in den laten avond, den pastoor gaat bezoeken, ongetwijfeld om te biechten. Daaruit blijkt genoeg dat al de beschuldigingen, welke men tegen deze hinderlooze lieden inbrengt, slechts belachelijke vertelsels zijn. Wat mij betreft, zoolang ik de rentmeester der heeren van Louwenhove ben, zal ik doen zooals mijn vader-zaliger, en niet toelaten dat men den armen duivel of zijn huisgezin plage of mishandele. »
« Ha, heb dank voor hen, mijnheer. God zal u zeker daarvoor loonen! » riep Karei Campers ontroerd uit.
« Gij schijnt wel veel belang in den duivel of in zijne dochter te stellen, » morde M. Trappeneels verwonderd.
« Ha, mijnheer, ondanks mijnen nederigen stand en mijne jonkheid, ben ik een mensch toch; en waar menschen lijden, waar menschen onder de onrechtvaardigheid van hunnen evennaaste verdrukt worden, daar deelt mijn hart in hun ongeluk. »
« Goed gesproken, dat koor ik gaarne, » zeide de notaris. « Gij komt mij voor als een brave, verstandige jongen. Toont gij dit insgelijks aan uw werk, dan zal ik mij gelukwenschen u te hebben aanvaard, en zal ik u, bij uw vertrek uit Halderghem, nog iets geven om u mijne voldoening te betuigen... Ga nu
6o
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 6l
naar de Zon en eet daar wat. Dan kunt gij binnen een paar uren met de diligence naar de stad terug-keeren. Van nu af zijn de kosten uwer reizen te mijnen laste. Diensvolgens niet meer te voet gaan, hoort gij, mijnheer Campers? »
De jongeling, over het minzaam onthaal ten hoogste verheugd, betuigde herhaalde malen zijnen dank en ging met kloppend hart ten huize uit.
Aan de deur zag hij den ouden waard uit de Zon, die daar was blijven wachten om de tijding, goed of slecht, te vernemen.
Karei liep hem te gemoet, terwijl hij uitriep ; « Ha, Phebus, gij zijt nog daar? »
« Phebus? Wat helsche naam geeft gij mij nu? Zoo heet ik niet, » morde de waard half grimmig.
« Ach, waar zijn mijne droeve zinnen! » stotterde Karei. « Phebus, dat is de baas uit de Zon, daarboven aan den hemel. Maar geef geene acht op mijne dwaasheid; het voornaamste is, dat ik de klerk word van M. Trappeneels en bij u in de Zon zal wonen... Kom maar, baas, ik zou gaarne kennis mgt uwe keuken maken; want nu gevoel ik dat mijn beer schrikkelijk begint te dansen. »
Hij vatte den ouden waard bij den arm, trok hem juichend voort en zong op eene koddige wijze :
« Wat vroolijk leven in de Zon,
Nevens de ton,
Met brave menschen, bier en zang.
Wij waren er goed en bleven er lang!
Ut re mi fa solia! »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
III
Karei Campers was op den vastgestelden dag in dienst bij den notaris getreden. Zijne onverstoorbare vroolijkheid, zijne bekwaamheid en iever aan het werk en bovenal de nederigheid zijner inborst, bij de losse vrijmoedigheid zijner taal, hadden hem al vroeg de genegenheid zijns meesters en dezes huisgenooten verworven. Mevrouw Trappeneels zelve, die anders altoos ernstig bleef en zelden met mindere lieden hare grootsche houding verliet, gewaardigde zich wel eens, met den nieuwen klerk een woord te wisselen en om zijne geestige kwinkslagen te glimlachen.
In zijne herberg de Zon was hij zoo gaarne gezien, dat de bewijzen van overdrevene vriendschap, hem door de lieden gegeven, hem waarlijk begonnen te hinderen en te beschamen. In de oogen der oude moeder Peperlinck scheen de grond te hard voor zijne voeten : den zachtsten stoel hield zij voor hem bewaard; zij vroeg hem \'s morgens wat hij dien dag liefst zou eten; zoohaast hij binnentrad duwde zij met bezorgdheid deuren en vensters toe, om hem tegen verkoudheid te behoeden.
Judoca wendde al hare kunst aan, om eiken dag
62
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 63
opnieuw den steenen vloer zijner kamer met bloemen en krullen van wit zand te bestrooien; zij had een klein tapijt voor zijn bed gelegd, en nevens zijne waschkom een stuk Spaansche zeep, zoo sterk welriekend, dat de boeren, wanneer zij de herberg binnentraden, hunne neusgaten opentrokken, met den roep : « Hemeltje-lief, wat ruikt het hier goed ! »
Niet min waren de baas en zijne zonen met hem ingenomen : een half uitgedrukt verlangen was genoeg om hen tot zijnen dienst te doen opvliegen.
Voor zooveel welwillendheid dankbaar, toonde de jongeling zich niet alleen uiterst inschikkelijk en tevreden, maar hij beijverde zich om deze goede lieden, zooveel het hem mogelijk was, voor hunne genegenheid te beloonen. Met den vader en de jongens koutte hij ernstig over landbouw, paarden en vee, en luisterde aandachtig op hunne woorden, als iemand die gaarne leert wat hij nog niet weet. De waardin en de dochter vermaakte hij door zijn eeuwig jokken, en deed hen lachen door kluchtige spreuken, zonderlinge vertelsels en koddige liedjes.
Al vroeg had zijne faam van goede, vroolijke jongen zich door het dorp verspreid. Vele lieden waren, zelfs in de week, naar de Zon gekomen om den nieuwen klerk te zien, en hadden de herberg verlaten met den besten dunk over zijne minzame inborst en aantrekkelijke geestigheid.
Ook was, den eersten Zondag na zijne aankomst, de Zon zoo vol volk, dat de bazin en Judoca moeite hadden om de klanten te bedienen.
64 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
1 i
Karei Campers, met het gevoel dat hij daardoor zijne goede huisgenooten kon bevoordeeligen, onthaalde de vriendschapsbetuigingen der dorpelingen op de hartelijkste wijs en toonde zich uiterst gemeenzaam en vroolijk. Hij wist iedereen iets aangenaams te zeggen, roemde de schoone natuur dezer streek en de voortreffelijke inborst der bewoners van Halder-ghem, en doorspekte zijne redenen met zulke aardige spreekwoorden en kwinkslagen, dat zijne aanhoorders niet zelden zich den buik moesten vasthouden van lachen. Maar met dit alles bleef er in zijne taal en gebaren iets fijn en ingetogen; nooit overschreed hij zekere palen, geen enkel grof woord ontsnapte hem. Zoodat ook de ernstigste grijsaards hem met welbehagen aanhoorden, en onder elkander goedkeurend zeiden :
« Wat vieze Breugel is me dat! Hij is waarachtig op zijne tong niet gevallen. »
« Waar haalt hij het altemaal ? Daar zitten ze hem nu met vieren aan het lijf, onze geestige koster insgelijks ; maar zij kunnen hem toch niet verlegen krijgen : de kluchtige antwoorden stroomen hem uit den mond als het lood uit een geweer. »
« Zoudt ge gelooven dat er meer in dien kop steekt dan wij meenen. Wat advocaat! »
« Hij ziet er een vriendelijke, brave jongen uit, zonder hoogmoed ; dat is al genoeg, i)
« Ja, waren al de mannen uit de stad maar zoo! » Des avonds, wanneer de meeste gasten rondom de groote tafel waren gezeten en eenigen hunner hadden
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
begonnen te zingen, werd Karei Campers door moeder Peperlinck aanzocht om insgeliks iets voor te dragen.
Hij liet zich niet lang bidden, en gaf tot elks genoegen eenige koddige, geestige of ernstige liedjes ten beste.
Toen eindelijk het avondklokje begon te luiden, kwamen de boeren opvolgend hem tot goedennacht de hand drukken, en velen verzekerden hem dat zij, om zijn aangenaam gezelschap te genieten, zoo dikwijls het hun mogelijk was hem in de Zon zouden komen bezoeken.
Het was een waar fortuin voor de lieden uit de Zon : zij hadden die week, met den Zondag er in begrepen, meer geld ontvangen dan anders op twee maanden. Ofschoon baas Peperlinck en zijne huisge-nooten ook zonder dit stoffelijk voordeel den jongeling met hunne ingeborene welwillendheid zouden onthaald hebben, is het echter te begrijpen hoe zij hem nu lielhadden en naar zijne oogen keken, om zijne minste wenschen te raden.
Op rustigere uren, wanneer hij gedurende de week, na het avondmaal, nevens zijne huisgenooten voor de deur zat te kouten, had hij eenige malen gelegenheid gevonden om met hen over zijne eerste reis naar Halderghem en over den duivel te spreken. De oude moeder Avas zeer bijgeloovig, en herhaalde, ofschoon met zekeren twijfel, de onmogelijke vertelsels van zielverkooping, bezetenheid, weerwolt en spokerijen. In deze meening deelden hare zonen
65
66 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
niet; maar zij spraken evenwel met afkeer en verbittering van de norsche woestaards, die in het diepste van het Slangenbosch zich verborgen hielden en alle menschen als vijanden schuwden. De baas haalde de schouders op en bracht den vinger aan het voorhoofd, om te doen verstaan dat de duivel niet gezond van geest Avas, en hield zich -overigens als iemand die er meer van wist dan hij wilde zeggen.
Karei Campers riep al zijne welsprekendheid ter hulp, om den duivel en zijn huisgezin tegen hunne, volgens hem, ongegronde beschuldigingen te verdedigen; en het gelukte hem tot zooverre, dat zij eindelijk erkenden, niet te kunnen bewijzen dat de duivel, zijne vrouw of zijne dochter ooit iemand kwaad had gedaan; maar zij verschoonden zich evenwel met te zeggen, dat de man, door zijn onuitlegbaar gedrag, zijn leelijken baard en zijne terugstootende barschheid, de schuld was van den afschrik of den haat, dien hij de meeste bewoners van Halderghem inboezemde.
Judoca alleen hielp den jongeling en durfde met hem de onrechtvaardigheid harer broeders bestrijden. Zij getuigde luidop, dat zij nooit voor de menschen uit het Slangenbosch iets anders dan medelijden had gevoeld. Ja, dat, wanneer zij des Zondags, in de kerk, de arme Stine nevens hare moeder, met gebogen hoofde en zonder te durven opzien, zag zitten, zij dikwijls heur hart van deernis met het lot dier arme verstootelingen had voelen kloppen. M. Campers had wel gelijk te zeggen dat hij ,
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 67
indien het mogelijk was, den duivel en zijn huisgezin in hunne ellende met blijdschap zou ter hulp komen... en dit zou zij, Judoca, insgelijks doen, met veel genoegen.
« Ja, ja, geen wonder » wedervoer op het einde de moeder lachende « gij klapt M. Campers na, als een schoolmeisje die hare les opzegt... Ik begin nu evenwel ook te gelooven, dat juist niet alles waar is, wat men op de kap van den duivel vertelt; maar dat er in het Slangenbosch dingen gebeuren die niet pluis zijn, daarvan ben ik zeker. »
Ondanks den wederstand van moeder Peperlinck en hare pogingen om niet geheel van hare bijge-loovige meening te moeten afzien, gelukte het Karei, de lieden uit de Zon rechtvaardiger of min ongunstig jegens den duivel en zijn huisgezin te stemmen.
In deze samenspraken vernam hij tevens, uit den mond van den ouden waard, eenige bijzonderheden welke hem tot dan onbekend gebleven waren. De duivel raapte in het Slangenbosch mastentoppen en voerde, in gezelschap zijner dochter, den bijeenge-zamelden voorraad eenster week naar de stad, waar de lieden deze mastentoppen gebruiken om de kachels aan te steken. Dit was de eenige broodwinning van den duivel. In het dorp kwam hij nooit : al wat hij noodig kon hebben, kocht hij in de stad en bracht het op zijne karre naar huis. Hij had eene vrouw die doofstom was. Deze verliet nooit het Slangenbosch; men zag ze slechts des zondags, in de
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
kerk, en zij verdween onmiddellijk na het einde der mis.
Baas Peperlinck had sedert ongeveer twintig jaren den duivel in het Slangenbosch weten wonen, en hij herinnerde zich nog den dag, waarop de zonderlinge man voor de eerste maal in Halderghem was verschenen, als rondleurder van ellegoederen. Dan had de man een klein wagentje, waarin hij benevens zijne koopwaar ook het kind voerde, dat nu zijne clochter was.
Ongetwijfeld zou Karei Campers, door zijne bezigheden als klerk en door de nieuwheid van zijnen toestand gansch ingenomen, den duivel en zijn huisgezin al spoedig vergeten hebben, ware het niet geweest dat de tastbare onrechtvaardigheid der lieden en het treurig ongeval dat hij op zijne eerste reis had bijgewoond, hem de overtuiging gaven dat de eenzame bewoners van het Slangenbosch diep ongelukkig moesten zijn. Dit was, voor zijn gevoelig en medelijdend hart, genoeg om dikwijls aan den duivel en zijne dochter te denken. Daarenboven bracht de geheimzinnigheid waarmede zij zich vrijwillig schenen te omhullen, veel bij om zijnen geest bezig te houden.
Wel had hij zich reeds meer dan eens bekoord gevoeld om in het Slangenbosch te gaan wandelen. Daar hij evenwel meende te weten, dat de duivel en zijn huisgezin van alle bezoeken schrikten of afkeerig waren, wilde hij hen door zulke onbescheidenheid niet bedroeven.
68
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Morgen, zondag, zou hij in de kerk gelegenheid hebben, niet alleen om Christina te zien, maar tevens hare moeder, de arme vrouw die niet kon spreken... Inderdaad, toen hij des anderendaags, voor den aanvang der mis, in de kerk trad,- ging hij eenige stappen tusschen de mannen vooruit, nam eenen stoel en begon zoo verborgen mogelijk naar den kant der vrouwen uit te zien.
Eerst blikte hij te vergeefs rond; doch eindelijk ontdekte hij in eenen slecht verlichten hoek dei-zijbeuk, niet verre van de uitgangsdeur, des duivels dochter, geknield nevens hare moeder, op eene hali versleten bank.
Het meisje hield hare oogen op de bladen van een gebedenboek. Zij kon dus lezen! Wie had haar dit geleerd? Hare moeder? Maar die was doofstom. De duivel ongetwijfeld? Hij moest dus insgelijks zekere geleerdheid bezitten.
Beide vrouwen hadden klaarblijkend, om ter kerk te komen, hunne zondagsche kleederen aangetrokken. Zag hun opschik er armelijk uit, zonder linten noch heldere kleuren, rein gewasschen en wit gebleekt waren evenwel hunne mutsen en halsdoeken.
Ofschoon zij diep in het gebed schenen verzonken, kon Karei Campers, omdat zij naar zijnen kant gekeerd zaten, bijna geheel hun gelaat zien. Wat bijzonder zijne aandacht trof, was de groote gelijkenis welke hij, ondanks het verschil der jaren, tusschen Christina en hare moeder opmerkte. Deze laatste had dezelfde fijngeteekende wezenstrekken
6g
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en dezelfde diepzwarte oogen. Zij moest vroeger eene schoone vrouw geweest zijn; maar nu gaven hare vermagerde wangen en de diepe rimpels op haar voorhoofd, haar een voorkomen van ziekelijkheid of van verval. Ongetwijfeld had een lang en onophoudend lijden deze teekens van eenen vroegtij-digen ouderdom in haar gelaat gegroefd.
Slechts een oogenblik bleef Karei de arme lieden onderzoekend beschouwen. Onmiddellijk verving het medelijden de nieuwsgierigheid in zijn hart. Christina en hare moeder zaten daar bewegingloos als schimmen, in eenen donkeren hoek, met neergeslagen oogen en afgezonderd van de andere vrouwen des dorps, die klaarblijkelijk hunne stoelen verre weggeschoven hadden, om niet in de nabijheid van des duivels huisgezin te zitten.
Het misprijzen, de afkeer, de haat der lieden vervolgden deze ongelukkigen tot in \'s Heeren tempel zeiven! Zij waren dus verstootelingen, slachtoffers van het vooroordeel, martelaars !
Zoo was ten minste de meening van Karei Campers ; en, hoewel hij nu de oogen van hen had afgekeerd en den gang der mis volgde, klopte zijn hart van deernis met het lot dezer onschuldige vrouwen.
Lang daarna, toen hij nog eens uitzag naar den kant waar zij gezeten waren, ontmoette hij den blik van Christina. Hem scheen het dat zij hem had herkend, ja, dat in haar zwart oog eene vonk van dankbaarheid had geglinsterd; maar hij was er niet
7°
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zeker van, want het meisje had onmiddellijk weder het hoofd over haar gebedenboek gebogen en hare eerste houding hernomen.
Eindelijk was de mis uit, en Karei haastte zich de kerk te verlaten, waarschijnlijk met de hoop, het huisgezin des duivels van dichterbij te kunnen zien.
Hij ging, evenals eenige jonge boeren, bij de kerkdeur staan, om op den doorgang der vrouwen te wachten.
De meeste dorpelingen, ook de vrouwen, waren reeds uit de kerk gekomen. Karei begon te denken dat Christina en hare moeder misschien, met de toelating des pastoors, langs de sacristij zich hadden verwijderd, toen hij achter zich iemand hoorde zeggen :
« Opgepast, daar zijn de duivelinnen ! » En inderdaad, hij zag Christina met hare moeder in de kerkdeur verschijnen en langzaam vooruitkomen, nog immer met gebogen hoofd en niet durvende of niet willende opzien.
Een vijandig gemompel begroette hen, terwijl Karei integendeel, bij hun voorbijgaan, als met eerbied den hoed afnam et luidop zeide :
« Goeden dag, Stina. Hoe gaat het uwen vader nu? » Het meisje hief de oogen tot hem op en antwoordde, nauwelijks hoorbaar :
« Dank, mijnheer, hij is genezen. »
Hare stomme moeder bekeek hem insgelijks met een scherpen blik, die scheen te vragen, of zijne
71
72 de duivel uit het slangenbosch
beleefdheid te hunnen opzichte ernst was of spotternij .
Maar de vrouwen bogen weder het hoofd en verhaastten hunnen stap, om den uitgang van het kerkhof te bereiken.
Sommige jonge boeren hadden met verbaasdheid op deze ontmoeting gestaard. Een hunner, zijne verontwaardiging over Kareis onbegrijpelijk gedrag niet kunnende bedwingen, riep uit :
« Het is schande ! Eerbied of vriendschap betuigen voor die tooverheksen! »
« Tooverheksen, die ter kerke gaan en godvruch-tiger bidden dan gij of ik » wedervoer Karei Campers. « Kom, mijn goede jongen, gij zegt het zeker om mij voor den aap te houden? En daarenboven, wat wonders is daaraan dat ik deze arme lieden groet? Ik ben van hunne familie. »
« Van hunne familie? » herhaalden eenigen der omstanders met afgrijzen.
(( Ja, zeker, en gij allen, zoowel als ik. » « Wij, bloedverwanten van den duivel? Gij zijt zinneloos! »
« Hoe, zinneloos? Zijn wij niet al te zamen afkomstig van vader Adam en moeder Eva? En diensvolgens van dezelfde familie als de vrouw en de dochter van den duivel, die zoo wel menschen zijn als wij? »
Eenige zijner aanhoorders, niet wetende hoe ze zijne woorden moesten opnemen, gaapten hen wantrouwend aan; maar anderen, die zich verstandiger waanden of het inderdaad waren, riepen luid :
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Ha, ha, de spotter ! Het was alweder eene klucht. Hij wilde ons slechts wat doen lachen. »
« Ja, lacht, vrienden; gij weet dat ik dit gaarne zie, » zeide Karei. « Maar gij begrijpt mij evenwel niet geheel. Welaan, gaat met mij naar de Zon. Hoewel ik geen pastoor ben, zal ik, onder het drinken van een lekker glas, u eens een schoon sermoentje over de christelijke liefdadigheid doen. Komt, ik geel voor elk eene pint ten beste. »
De jonge boeren, door zijne verklaring gerustgesteld, lachten waarlijk bij zijne hartelijke scherts. In alle geval, aan de vrijgevige uitnoodiging weerstonden zij niet, en volgden hem juichend naar de Zon.
73
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
IV
Te midden der volgende week, toen Karei in den vroegen namiddag bezig was met eene verkoopings-akte af te schrijven, trad zijn meester op het kantoor en vroeg hem :
(i Mijnheer Campers, gij zijt een goed voetganger, niet waar ? »
« Ik geloof het ten minste, heer notaris. gt;)
« Zoudt gij, om mij vermaak te doen, u niet ontzien, vandaag nog vier uren af te leggen? »
« Tien als het moet zijn, mijnheer. »
« Welnu, ik heb daareven gewichtige papieren ontvangen, welke ongeduldig verwacht worden door mijnen ambtgenoot, M. Strydams van Veenhout. Het is twee uren gaans van hier; men kan den weg niet missen : het is eene breede zandbaan, die, op eenigen afstand, langs de boorden van het Slangenbosch over de heide loopt. »
(( Ik ben gereed om te vertrekken, mijnheer. » « Zie hier dus de papieren, en daarbij nog eene som van veertienhonderd frank, in bankbriefjes, welke gij M. Strydams tegen kwijtschelding zult overhandigen. »
74
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 75
Karei zette zijnen hoed op, ontving de papieren en richtte zich naar de deur.
« Zorg wel voor het geld; verlies het niet, » zeide nog de notaris.
a Geen nood, mijnheer..... maar als U mij wildet
toelaten, den dikken mispelaren stok, die daar in den hoek staat, mede te nemen. «
« Zoudt gij vervaard zijn? Er is op de vlakke heide niets te vreezen. »
« Men kan het niet weten, mijnheer : de voorzichtigheid is de moeder van den porseleinwinkel. » « Welaan, neem den stok en spoed u. »
Een half uur later bevond Karei Campers zich te midden der heide, in eenc zandige baan, welke niettegenstaande hare vele bochten en kronkels, zich rechtstreeks scheen te richten naar een blauwend punt op den gezichteinder, dat niet anders kon zijn dan de kerktoren van Veenhout.
De jongeling, zich de aanbeveling zijns meesters herinnerende, stapte met groote haast voort en bleef, bij zulke inspanning, schier ongevoelig voor het indrukwekkend schouwspel dat zich rond hem ontplooide.
Aan zijne rechterzijde en voor hem uit, lag de onmeetbare heide, zonder boomen noch heesters, vlak en evenwel heuvelig bewogen als een oceaan met donkerpurpere baren. Strepen van Avit kiezelzand doortogen hier en daar de woestijn en versterkten nog deze begoocheling, daar zij de weerkaatsing schenen van den zonneslag op den rug der
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
golven. In de verre verte smolt de vlakte zoo onvoelbaar in de grijsachtige nevellucht weg, dat het oog daar te vergeefs een rustpunt zocht, en de geest er terugschrikte voor het beeld der oneindigheid.
Deze oorspronkelijke natuur wachtte sedert hare eerste vorming op de hand des menschen, om haar tot vruchtbaarheid op te wekken. Nu sliep zij nog immer den eeuwenheugenden sluimer voort : eene doodsche stilte woog op haar als een baarkleed; geen mensch, geen dier, geen leven op deze gren-zenlooze woestenij. Slechts het gesis der onzichtbare
krekels..... en daarboven, hoog in de lucht, een
hongerige roofvogel, met zijn machtig oog het heidekruid doorpeilend, om iets te ontdekken dat ademt en beweegt.....
In eene andere omstandigheid zou Karei Campers zich ongetwijfeld verlustigd hebben in het beschouwen van dit verrassend en voor hem nog vreemd landschap; maar zijne aandacht werd nu bijzonder aangetrokken door de donkere hoopen van het Slangenbosch, die aan zijne linkerzijde zich uitstrekten en, naar de verte immer zwarter wordend , den gezichteinder als een somber gebergte schenen te begrenzen.
Het was daar, in den diepsten schoot van dit woud, dat de duivel woonde; daar sleet de arme Christina hare schoonste jaren, de lente haars levens, in eenzaamheid en waarschijnlijk in verveling en verdriet.
76
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 77
De jongeling, hoewel hij daarom zijnen gang niet vertraagde, dacht met medelijden aan het ellendig lot dezer arme lieden, en hij overwoog met inspanning des geestes, wat wel de reden van hun zonderling gedrag kon zijn. Naar al de inlichtingen welke hij sedert zijn verblijf te Halderghem had bekomen, was het voor hem uitgemaakt, dat de duivel en zijn huisgezin, wel verre de genegenheid of het medelijden te willen opwekken, integendeel alles deden wat het wantrouwen en den afkeer der dorpelingen kon onderhouden of versterken. Indien hij zich in deze meening niet bedroog, waarom toch handelden zij zoo? Om de lieden uit het Slangenbosch verwijderd te houden en dus aan bespieding of onbeschei-dene vragen te ontsnappen? Verborgen zij daar iets, dat niemand mocht zien of weten?
Bij deze laatste overweging bleef hij plotselijk staan en sloeg zich de hand aan het voorhoofd. Eene uitdrukking van spijtige verrassing betrok zijn gelaat; maar welhaast schudde hij het hoofd met eenen glimlach, terwijl hij zijnen weg hernam en in zich zeiven mompelde :
c Valsche munters? Kom, kom, welke gekke veronderstelling! Zij wonen sedert twintig jaar in het Slangenbosch. Waren zij valsche munters, dan zouden zij nu rijk moeten zijn, ten minste rijk genoeg om in een min akelig oord de vruchten eener oneerlijke nijverheid te gaan genieten. Zij zijn integendeel doodarm; de man lijdt aan de vallende ziekte, de vrouw is doofstom, het meisje schijnt de
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
onnoozelheid zelve. Zonderlinge valsclie munters! Hoe verloopt toch mijn geest tot zulke dwaze gedachten? Eenvoudig is de zaak : de duivel vlucht alle gezelschap, uit beschaamdheid over zijne erge kwaal, uit vrees van in tegenwoordigheid der dorpelingen te vallen en zich dus der openbare nieuwsgierigheid ten schouwspel te geven. En wat kan de arme, sprakelooze vrouw tusschen de lieden aantreffen? Was het voor haar tevens niet beter, afgezonderd en verborgen te blijven, dan zich bloot te stellen aan spot of beleediging?
Maar Christina, die jong was, die een gevoelig hart en een klaar verstand scheen te hebben, hoe kon zij veinzen, dit bitter en vervelend leven te beminnen? Genegenheid voor hare ouders ongetwijfeld, edelmoedigheid, opoffering? Ja, anders was het niet te verklaren, hoe zij er zoo gewillig of verduldig in toestemde, hare jeugd en al de natuurlijke verzuchtingen harer maagdelijke ziel in het somber Slangenbosch te laten begraven.
Zoo bleef Karei Campers, gedurende zijne gansche reis, verslonden in de beschouwing van het lot dei-arme Christina. Het medelijden had zijnen geest beneveld; tot zijne verrassing gevoelde hij zich treurig gestemd.
Dan, ondanks den vloed zijner droomige gedachten, bereikte hij niettemin, na anderhalf uur tijds, het dorp Veenhout, en bracht den notaris aldaar de boodschap van zijnen meester.
Nadat M. Strydams den kwijtbrief had geschreven
78
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en onderwijl eenige woorden met den jongeling had gewisseld, riep hij de meid en gebood haar, brood, boter en koud vleesch, benevens eene flesch wijn te brengen, opdat de klerk van M. Trappeneels, alvorens zijne terugreis te beginnen, eenige versterking mocht nemen.
De wijn was goede Bourgonje; en dewijl de notaris, door zelf nu en dan eenen teug te drinken, den jongeling dwong daarin zijn voorbeeld te volgen, herwon deze welhaast zijne gewone opgeruimdheid.
M. Strydams lachte niet zelden bij de vroolijke antwoorden van den klerk, en vond zooveel zin in den geestigen jongen, dat hij, na het ledigen dei-eerste flesch, er nog eene tweede wilde doen brengen ; maar Karei, die den invloed van den sterken wijn begon te voelen, weigerde iets meer nog te drinken, en drong er op aan, huiswaarts te mogen keeren.
De notaris gelastte hem met de beste groetenissen voor zijnen ambtgenoot van Halderghem, drukte hem de hand en wenschte hem goede reis.
Zoolang Karei tusschen de huizen was, behield hij eenigszins zijnen ernst; maar eens weder alleen op de naaste heide, begon hij kromme sprongen te maken, te dansen en de armen door de lucht te zwaaien, als ware de wereld hem eensklaps te klein geworden, terwijl hij uitriep :
« Hemeltje-lief, wat schelmachtige wijn was dat! Die vriendelijke notaris meende mij een stukje aan te wrijven; maar, hola, Kareltje is ook van zessen klaar
79
8o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en hij laat zich zoo niet vangen..... Het was tijd
evenwel dat ik van daar wegkwam, want mij dacht dat de neus van M. Strydams niet meer te
midden van zijn aangezicht stond..... Wat is het
land hier schoon en de lucht frisch! Hoe grootsch en hoe lief tevens de heide, met hare duizend veranderlijke tinten van purper, geel, bruin, wit en zwart: wonderbaar prachtig tapijtwerk, door God zei ven over
de woestijn gespreid.....en hoe balsemend die sterke
harstachtige geuren, opwalmend uit het Slangenbosch ! Waarom heb ik dit, nauwelijks een uur geleden, niet gezien noch ondervonden? Ik was te haastig en had het te heet. Nu, dunkt mij, zou ik wel twintig voet hoog kunnen springen en boomen met wortel en al uitrukken, evenals sterke Jan in het
tooververtelsel..... Vooruit nu maar, er op los, mijn
jongen! »
En hij zette het wezenlijk op een loopen.
Maar na drie of vier boogschoten verre zoo te hebben gedraafd, bleef hij hijgend staan, bij eenen uitsprong van het Slangenbosch.
(i Sapperloot, het is nog te warm om mij zoo af te beulen, » morde hij. « En geen het minste windje! Waarom zou ik mij nutteloos vermoeien? De geheele dag hoort mij toe. Nu is het vijf uren; het blijft licht
tot negen; diensvolgens heb ik nog vier uren tijd.....
Welke gedachte! Hier op de heide mag het schoon zijn, het is altijd hetzelfde. Die eentoonige zandbaai! verveelt mij. Indien ik eens, dwars door het woud, naar huis ging? Dan zou ik ten minste wat
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 8l
nieuws zien en mij een denkbeeld kunnen vormen aangaande dit Slangenbosch, waarvan men zooveel
schrikkelijke dingen vertelt..... Ja, maar de duivel! »
Hij overwoog eene wijl.
« Kom, kom, de duivel woont in het diepste van het bosch. Hem wil ik tegen zijnen dank niet gaan verrassen. Ik kan, met eenige honderd stappen tus-schen de boomen vooruit te gaan, en dan links af te keeren, mij altoos op eenen korten afstand van dezen boord houden. Op zulke wijs zal ik den duivel zeker niet ontmoeten. Zoo gezegd zoo gedaan : vooruit! » Hij sprong het bosch in, dat te dezer plaats bestond uit oude mastboomen, die, van elkander verwijderd, als rechtopgaande zuilen in de hoogte klommen; en dewijl hunne vereenigde kruinen den doortocht van het levenbrengende licht onderschepten, groeide er, — buiten den schaduwminnenden paddestoel en eenige schaarsche varen, — volstrekt niets aan hunnen voet. De grond, overdekt met eene dikke laag verdorde naalden en half verrotte zaadkegels, toonde er zich zoo effen als hadde een zorgvuldige hovenier hem glad gerakeld.
Des jongelings weg was dus door niets belemmerd en hij kon vrij vooruitgaan, totdat hij diep genoeg in het bosch meende te zijn gedrongen, en, zooals hij het had beslist, links afkeerde om de richting naar Halderghem in te slaan.
Van dan af verhaastte hij zijnen stap niet meer. De eenzaamheid lachte hem toe; hij wandelde op zijn gemak van den eenen kant naar den anderen.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
sloeg nu eens met zijnen stok eene monsterachtige kampernoelie aan stukken en wachtte totdat het vergiftig vleesch, van geel in groen en blauw veranderde, brak dan weder den stam van een arendsvaren of raapte een zonderling gekleurden kei van den grond.
Onderwijl ging hij maar altijd voort met spreken en loste allerlei kluchtige kwinkslagen, alsof er iemand was die hem kon hooren; maar allengs toch begon de ontzaglijke stilte, welke hier heerschte, op zijn gemoed te wegen, bovenal sedert hij in een nog hooger en zeer somber bosch was getreden.
Hij bevond zich hier, dacht hij, te midden van het ware beeld der volstrekte rust of des doods zeiven. Geluid, lucht, licht, leven, alles scheen er te slapen. Het dak van het bosch, door de dichte kruinen der masten gevormd, liet slechts eene schemering door, die geen licht was en ook geene duisternis. Er ademde geen windje; niets bewoog; de lucht stond stil; geen enkele klank, hoe zwak ook, liet zich hooren : men mocht zich opgesloten wanen in een onmeetbaar graf.
Het was wellicht onder den indruk dezer afwezigheid van alle teekens der bezieling, dat Karei Campers, om zich zeiven ten minste te hooren leven, nog niet opgehouden had van spreken en luidop te lachen. Nu scheen hem dit niet meer voldoende : hij begon te zingen, en nam er zijn behagen in, de bos-schen onder de heldere klanken zijner stem te doen weergalmen.
82
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Tot dan was hij immer voortgestapt tusschen boomen, die zichtbaar door den mensch waren gezaaid of geplant cn tevens door hem werden verzorgd en uitgebuit; maar nu begon het rondom hem er allengs wilder en wilder uit te zien. Geheele vlakten waren overdekt met heidekruid, zoo hoog somtijds dat het hem tot boven de knieën reikte. Daar tusschen groeiden hier en daar eenzame masten, welke door den wind of door de vogelen schenen gezaaid; want hunne stammen waren laag, krom en bochtig en hunne kruinen spreidden zich onregelmatig als breede schermen uit. Waar de grond zich heuvelachtig verhief en de lucht open was, groeiden stekelige bramen, die elk oogenblik den jongeling dwongen, om hunne doornen te ontwijken, de richting van zijnen weg te veranderen. Het was klaarblijkend dat de eigenaar van dezen grond hem overgeleverd had aan de zorgen der natuur, — waarschijnlijk om tusschen de hooge mastbosschen een toevluchtsoord voor het jachtwild te behouden.
Hoe het zij. Karei Campers, die, volgens zijne berekening, zeer dicht bij Halderghem moest genaderd zijn, en zich nu geheel in deze hoop zag teleurgesteld, begon zich af te vragen, of hij niet zonder het te weten immer dieper in het Slangenbosch was gedrongen en gevaar liep, onverwachts den duivel of iemand der zijnen te ontmoeten. Dit wilde hij ontwijken.
Hij zag op naar den hemel om, zoo mogelijk, aan den gang van het daglicht over de ligging van het
83
84 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
dorp te oordeelen; maar dit gelukte hem niet, dewijl de zon hem verborgen was door de hooge boomen, welke geheel het Westen als een muur afsloten.
(i Bah! bah! » riep hij, « in de onwetendheid is rechtdoor nog het beste. Dit betooverd Slangenbosch mag zoo groot zijn als het wil, er is toch wel zeker een eind aan? Halderghem moet ginder zijn. Hop! mijn jongen, geenen moed verloren. Vooruit, vooruit! »
En zoo liep hij nog wel gedurende een half uur door heide en bramen en kreupelen mast, tot dat hij, tegen eene plotselijke verlaging van den grond stoo-tende, zijne voeten tot over de enkels in drabbig turfmoer voelde zinken. Hij keerde ter zijde af, beklom eene zandige verhevenheid en liet zich daar, waarlijk vermoeid en afgemat, op de heide neder-vallen om wat adem te scheppen.
Van aan den voet der hoogte, waarop hij gezeten was, daalde de grond allengs dieper en dieper, tot het vormen van talrijke poelen of veenen, slechts van elkander gescheiden door dijken van bruine turfaarde en doorzaaid met kleine uitgebrokkelde eilanden, welke het hooge heidekruid, groeiend op hunne hoofden, deed gelijken aan ruige gedierten. Alles was hier bruin, zwart en somber; de grond, door de winterregens uitgevreten en verbrokkeld, had een voorkomen van verlatenheid en zelfs van verrotting.
Deze wanorde, bij het gemis van alle leven, zou het gemoed van een gewonen aanschouwer met een gevoel van treurigheid getroffen hebben; maar Karei, nog
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
aangehitst door den invloed van den genoten wijn, liet zijnen blik met eene soort van vergenoegen over de
moerassige veenen dwalen..... toen een licht gerucht,
dat nevens hein ritselde, zijne aandacht opwekte.
Met een scherpen angstkreet sprong hij recht.....
O, hemel, nevens hem, over het witte zand, sloop eene slang van meer dan eene el lengte !
Hij hief zijnen stok in de hoogte en meende toe te slaan om zich te verdedigen; maar het snelle kruipdier, door zijne plotselijke beweging verschrikt, slibberde weg tusschen het hooge heidekruid.
Na eene wijl op de plaats, waar de adder was verdwenen, te hebben gestaard, begon Karei eensklaps te lachen en zeide tot zich zeiven :
« Domkop die ik ben! Daar sta ik nu te beven bij het verschijnen van eenen boschpaling! Welke kinderachtige benauwdheid greep mij aan. Het is toch zonderling, hoe de mensch een ingeboren afschrik heeft van al wat kruipt! Ja, ik zie wel dat ik in .het Slangenbosch ben... en die leelijke moerassen, daar beneden, zijn ongetwijfeld de Spokenpoelen. Ik ben verdoold; God weet, bevind ik mij niet in de nabijheid van des duivels woning? Het is evenwel mijne schuld niet. Ik zou waarlijk wel iets geven, om te Halderghem bij moeder Peperlinck in de Zon te zitten. Hoe geraak ik uit dit behekste bosch? Toch niet met hier te blijven staan. Indien het eens donker werd! Om stallichten, weerwolven of spoken te zien, heb ik nu echter geen den minsten lust. Welaan, alweder moed gevat, op goed valle het uit! «
85
86 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Nog langen tijd stapte hij voort, zonder ergens eenen uitweg of het minste voetpad te ontwaren. Hij begon waarlijk te vreezen dat de nacht hem in het bosch zou kunnen verrassen, en ofschoon hij met zijne eigene verlegenheid den spot dreef, dacht het hem evenwel veel aangenamer, in de Zon op zijn mollig bed te slapen dan hier op de heide, waar vuile adders of ander walgelijk kruipgedierte hem onder het lijf konden sluipen.
In dien toestand wenschte hij iemand te ontmoeten, om hem den weg te wijzen, het mocht dan ook de duivel uit het Slangenbosch zelf zijn.
Terwijl hij dus denkend voortstapte, hief hij eensklaps het hoofd op en zette zijne neusgaten wijd open. Een glimlach rees over zijn gelaat.
« Wat is dit? » mompelde hij. « Bedrieg ik mij niet? Die geur? Ha, het bosch is ten einde! Er moet hier dichtbij een pachthof of eene boerenwoning staan, waarschijnlijk het eerste huis van Halderghem! »
Wat hem zoo onverwachts had getroffen, was de reuk van een schaddenvuur, dit is te zeggen van brandende heidezoden, welke in de Brabantsche Kempen algemeen worden gestookt, en waarvan de eigenaardig sterke geur, hoe weinig tijds men er in hebbe geleefd, nooit meer uit het geheugen gaat.
Kort daarop hoorde hij, achter eenen hoop rnast-boomen, het geblaat eener geit. Hij versnelde met nieuwen moed zijnen stap, en zag welhaast de woning waarvan de rookende schoorsteen hem reeds uit de verte het bestaan had aangekondigd.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Het was een huisje of eene hut, tamelijk breed doch weinig verheven, met een paar kleine vensters in den gevel en nog een schuinsch venster in het dak. De muren waren gevormd uit een geraamte van zware stukken hout, welker vierkante tusschenruimten men had aangevuld met een plaksel van zandige leem-aarde, op dooreengevlochten sporkenstammen.
Zeer ellendig zag deze woning eruit. Als hadde het dikke stroodak te zwaar op zijne steunen gewogen, het gansche huis was uit zijn lood gedrukt en helde naar de linkerzijde over. Tijd en regen hadden zijne muren met afzichtelijk grauwe of zwarte vegen over-togen ; zijn dak, waaraan geen stroo meer te erkennen was, geleek naar eenen heuvel van hobbelige mosplaten en Avoekerend donderblad, Geen moestuin, zooals men er bij alle boerenwoningen aantreft, was hier te bespeuren; geen teeken van landbouw of bloemenkweek, niets dan rondom het huisje eene kale, zandige plek, omtuind met eene verwilderde haag van doornig slaapruimenhout.
Wie kon zulke bouwvallige hut bewonen?
Maar terwijl Karei Campers zich zeiven deze vraag toestuurde, ontwaarde hij wat verder, in eene zandige baan die totdan zijner aandacht was ontsnapt, eene ledige karre, welker dissels ten gronde rustten.
« De karre van den duivel! » mompelde hij met zekeren angst. « Hier, onder den groenen mosberg,
woont hij !..... Daar had ik mij leelijk bedrogen : ik
meende te Halderghem aan te landen, en, eilaas, ik bevind mij nog in het hartje van het Slangenbosch en
87
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
bij de hut van den duivel! Wat nu gedaan? Kom, kom, ik moet mij gelukkig achten; nu zal ik haast den rechten weg naar het dorp vernemen. De duivel mag onwillig en barsch zijn, mij opvreten zal hij toch
niet..... en daarenboven, Kareltje Campers zou zich
niet laten doen : met dezen knoestigen stok is hij zijnen man waard. »
Hij keek vruchteloos in het ronde, of hij niemand zou bespeuren, en naderde het huisje, welks deur half openstond.
« Hola, is er iemand te huis? » riep hij zeer luid.
Het geblaat eener geit antwoordde hem alleen van achter de hut.
« Men bezit hier niets dat men vreest te verliezen. » mompelde hij. « En wat akelige krocht! Zoo arm had ik deze lieden niet gedacht. Mij scheen het meisje wel zeer nederig, toch tevens netjes en zindelijk gekleed. Ik zal scheel gezien hebben. »
Hij stiet de deur open, trad binnen en herhaalde zijnen roep.
Het woord verstierf hem echter op de lippen, terwijl hij met verwondering naar alle kanten rondblikte.
Zoo bouwvallig en onverzorgd als het huisje vanbuiten zich voordeed, zoo rein en zoo aanlachend zag het vanbinnen eruit. Niet dat het huisraad er van welstand getuigde; integendeel, het droeg de zichtbare kenmerken van armoede of bekrompenheid, maar alles was er met zooveel orde geschikt, de tafel en de stoelen zoo wit gewasschen, de vloer zoo
88
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zwierig met bloemige kronkels van glinsterend heidezand bestrooid, dat er een dampkring van tevredenheid en levenslust scheen te heerschen.
Te midden van een nevenkamertje stond een opgemaakt bed, waarvan de lakens en dekens uiterst wit waren en met een merkbare zorg uitgespreid.
Karei dacht aan Stine, want hij meende op ieder voorwerp den druk harer hand te zien. Inderdaad, om zoo de armelijkste dingen een voorkomen van zwier en zelfs van pracht te geven, moest men vrouw en jong zijn.
« Wonderlijke menschen! » mompelde hij. « Ik meen echter te raden wat het beteekent. Zij laten hunne woning vanbuiten vervallen en vervuilen, om de bezoekers, indien er bijgeval hier kwamen, den lust te benemen tot... Maar wat is dit? Hoor ik niet een menschen stem ? Ja, God dank, daar komt iemand! »
Hij ging buiten en blikte naar alle kanten uit, doch ontwaarde niets.
Met eenen zucht van teleurstelling liet hij zich nedervallen op eene houten bank, die nevens de deur onder het venster stond.
« Ik ben waarlijk uitgeput en geheel krachteloos, » zeide hij. « Eenige oogenblikken gerust; en komt er dan niemand, welaan maar weder recht vooruit, langs dien zandweg door, tot dat ik uit het betooverd Slangenbosch geraak. »
Maar eensklaps sprong hij met blijde verrassing op. Daar was Christina van achter een groep mast-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
boomen verschenen! Zij droeg een dikken bussel heidekruid, — strooisel voor den geitenstal ongetwijfeld, — die zij met hare bloote armen boven haar hoofd bevestigd hield. De purperen heidebloempjes, van wederzijde nevens haar aangezicht neerhangende, gaven haar een zonderling bevallig voorkomen.
Zoohaast zij den jongeling zag, scheen zij te verschrikken en bekleurde haar gelaat met een hevig schaamrood. Zij liet haren last ten gronde vallen, trok in allerhaast de mouwen harer jak naar beneden, en naderde aarzelende den vreemden heer, die juichend haar toeriep :
« Ha dag, Stina! Wat geluk u weder te zien; gij zijt de goede engel die mij moet redden! »
Zij, nog immer bevende, bleef hem strak aankijken, als belette de verrassing haar te spreken.
« Weihoe, » morde de jongeling, « gij herkent mij niet? Ik ben Karei Campers, de nieuwe klerk van M. Trappeneels, den notaris; ik heb u geholpen, toen uw vader op den Antwerpschen steenweg ziek was geworden. »
« Ja, ik herken u, mijnheer, » antwoordde het meisje gansch onthutst.
Karei week eenen stap terug, liet zich op de houten bank zakken en stamelde hijgend :
— « Oef!... Neem het mij niet kwalijk, dat ik mij nederzet. Zie, Stientje-lief, gij moogt mij gelooven of niet : ik ben mijnen adem kwijt. Zoo, drie uren aan een stuk, over heg en over haag, door bramen en doorns!
9°
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Het zweet lekt mij van het voorhoofd; mijne keel is verschroeid en mijne beenen zijn gebroken. »
Het meisje, nu van hare verrassing wat bekomen, zeide op eenen toon van beangstheid :
« Gij hier, mijnheer? O, gij moet weggaan, seffens, zonder een oogenblik te vertoeven! »
« Dat meent ge zeker niet, Stina? Laat mij wat uitrusten, ik smeek u. Zoudt ge wreed genoeg zijn, om mij zoo seffens A^an hier weg te jagen? Gij weet dat ik, nog niet lang geleden, een diep medelijden toonde met uwen zieken vader; nu moogt gij ook wel wat medelijden met mij hebben. »
« Maar, ó hemel, mijnheer, wat komt gij hier doen? i) zuchtte zij.
« Wat ik hier kom doen, Stine? Niemendalle. Zeker, ik dank God dat hij mij toeliet, u te ontmoeten; maar dat is mij een geheel onverwacht geluk. Mijn meester, de notaris, zond mij met eene boodschap naar Veenhout. Bij het terugkeeren had ik dwaze gedachten : mij bekroop de lust om een eind verre tusschen de boomen te wandelen. Ik ben verloren geloopen en heb drie uren lang gedoold, met de vrees hier in het Slangenbosch te moeten vernachten. Zoohaast ik uitgerust ben, zult gij mij den weg wijzen om uit deze wildernis te geraken. Anders vraag ik van uwe goedheid niets. »
Deze uitlegging scheen de verschriktheid van het meisje eenigszins te bedaren.
« Maar, mijnheer, er is geen weg van hier naar Halderghem, » zeide zij.
91
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Hoe, \'geen weg? En de karre daar, hoe geraakt die uit het bosch? Gij acht mij zeker niet eenvoudig genoeg, om te gelooven dat gij met uwe karre door de lucht vliegt? »
« Ja, die zandbaan loopt wel naar den Antwerp-schen steenweg, mijnheer; maar om langs daar het dorp te bereiken, zoudt gij eenen omweg van meer dan een uur te doen hebben. Kunt gij daar in toestemmen, dan is er voor u niets gemakkelijker dan die baan te volgen. »
(i Een uur wegs verliezen, nu ik reeds doodvermoeid ben? Neen, dit niet, Stine. In welke richting ligt Halderghem? »
(( Achter ons huisje, recht vooruit. »
(i Welnu, ik zal straks in die richting vertrekken. » «Onmogelijk, mijnheer; tot op eenen grooten afstand van hier is er geen enkel gebaand pad. Gij zoudt weder verdolen, en het is reeds zoo laat! »
« Hoe, geen het minste voetpad? En langs waar dan gaat gij sedert zoovele jaren met uwe moeder naar de kerk ? Van tooverij moet ge mij niet spreken; dit pakt niet. Zoudt ge pogen, mij te doen gelooven dat gij over den grond slibbert, zonder dat uwe voeten eenig spoor nalaten? Of neemt gij telkens eene andere richting?... Ha, ik meen te begrijpen! Gij vreest dat de dorpelingen, indien zij een gebaand pad zagen, lichtelijk lust zouden krijgen om het te volgen, en zulke bezoeken wilt gij voorkomen. Is het niet zoo? »
Het meisje antwoordde niet op deze vraag.
92
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH g3
« En nochtans, langer hier blijven moogt gij niet, » stamelde zij in verlegenheid.
« Er is een eenvoudig middel, Stine : breng gij mij uit deze wildernis. »
« Ik met u alleen door het bosch! »
« Meent gij misschien dat ik bekwaam zou zijn om u kwaad te doen? »
« Neen, mijnheer, dat geloof ik niet; maar zoo weggaan zonder de wete mijns vaders? »
« Sapperloot, Stine, ik kan evenwel in het Slangenbosch niet slapen! Zoek eens in uw verstand een middel om mij te redden. »
« Mijn vader zou u den weg kunnen wijzen, » mompelde zij in gedachten. « Maar hoe zal dit onverwacht bezoek hem bedroeven! »
« Waar is uw vader? »
« Hij is in het bosch aan den arbeid met mijne moeder; zij verzamelen mastentoppen. De avond begint te vallen; zij moeten reeds te huis zijn. Ach, ik weet niet, mijnheer, hoe hij u zal onthalen; en mij zal hij ongetwijfeld hevig bekijven, omdat ik bij uwe verschijning hem niet seffens heb geroepen... maar ik zal hem zeggen dat gij verdoold waart en hier gekomen zijt zonder uwe schuld. Hij zal het u misschien vergeven. »
« Vergeven? Maar hij heeft mij hoegenaamd niets te vergeven! » riep Karei gekwetst. « Tot nu toe heb ik, voor zooveel het in mijne macht was, hem niets dan goed gedaan : hem bijna dagelijks verdedigd • tegen den haat en den laster der boeren van Halder-
94 de duivel uit het slangenbosch
ghem en voor hem de bescherming van mijnen meester ingeroepen... Nu zou ik zijne gramschap te duchten hebben? Sa, Stine, moet ik dan waarlijk, met de lieden van Halderghem, gelooven dat uw vader een brutaal en kwaadaardig mensch is? »
« Kwaadaardig, mijn arme vader? » zuchtte het meisje. « Ach, een engelenhart bevat niet meer goedheid dan het zijne ; maar hij vlucht de menschen en daarom haat men hem. »
« Zijne pijnlijke kwaal is daar de oorzaak van,\' niet waar? »
« Hij is zoo ongelukkig, zoo ongelukkig\'... » « En gij dan, arm meisje? » viel Karei op den toon van diep medelijden in hare rede. « Van u zelve spreekt gij niet; maar gij zijt misschien nog de ongelukkigste van al. »
« Ik? Gij bedriegt u, mijnheer; ik ben tevreden met mijn lot. »
« Onmogelijk mij dit te doen gelooven, Stina. Wat? gij zijt jong, in de volle lente uws levens; uw hart moet snakken naar gezelschap, naar vertrouwe-lijken kout, naar ruimte, lucht en licht; gij ziet uwe jeugd voorbijgaan in eeuwige eenzaamheid, in treurige stilte, hier te midden eener wildernis, waar nooit een ander menschengelaat u toelacht, waar nooit eene vriendenstem uw oor treft of uw hart verblijdt. En gij zoudt tevreden zijn met zulk eentonig, zulk akelig leven? Zie, Stina, vóór de droeve ontmoeting op den Antwerpschen steenweg kende ik u niet... en nochtans heb ik, sedert dan, honderdmaal aan u gedacht, en
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
niet zelden tranen van deernis in mijn hart teruggedreven bij de overweging van uw ongelukkig lot. » « Gij hebt aan mij gedacht ? » herhaalde het meisje met verwondering. « Uit medelijden ? Gij gelooft mij ongelukkig in de eenzaamheid ? Maar heb ik dan mijnen vader niet en mijne moeder, die mij liefhebben en welke ik teederlijk bemin? »
« Ja, ja, kind, » riep Karei met eenen glimlach, « dat is wel goed; maar voor jonge harten als wij is het niet genoeg. Zijt ge nu nog te onnoozel, om te verstaan wat ik wil zeggen, des te beter voor u... indien gij het maar niet begrijpt als het te laat is. Wij hebben slechts een jong leven, Stina, — en zijn de zoete jaren eens voorbij, ze keeren, eilaas, nooit meer weder... Maar wat zeg ik nu altemaal? Ik Aveet niet wat ik heb vandaag; ik geloof dat ik van mijne zinnen geraak. Waar de heiligste plicht gebiedt, is zulk sermoen inderdaad eene schuldige dwaasheid van mijnentwege. Ja, kind-lief, eer uwen vader en uwe moeder en bemin hen, die u het leven schonken. Ach, ik ben eene arme wees en heb mijne ouders verloren, toen ik nog een klein kind was. Had God mij aan hunne zijde laten opgroeien, ik zou gedaan hebben zooals gij, goede Stina : alles opgeofferd om hun mijne liefde te bewijzen, — maar, eilaas, zij zijn daarboven!... Ach, wat overkomt mij nu? In uwe tegenwoordigheid, Stina, word ik zoo ernstig, zoo zwaarmoedig. Kom, spreken wij van min treurige dingen. Ik heb dorst; geef mij wat water, ik zal er u dankbaar om zijn. »
95
g6 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Wij hebben eene geit. Verlangt gij versche melk, mijnheer ?
« Neen, melk niet : water, enkel water. » Het meisje trad in huis en keerde terug met eene porseleinen kom, waaraan eenig verguldsel schitterde.
« Ons water is geel en smaakt bitter, » zeide zij. « Anders kan ik u niet aanbieden dan kouden koffie; maar wij weten door ondervinding, dat het beter den dorst verslaat dan het ijzerachtig heidewater. » Met waren lust dronk de jongeling eenen langen teug.
« Ha, dat doet mij deugd, » zuchtte hij. « Wat lieve bloemen aan deze kom! Het is keurig porselein... En ik, die dacht dat gij geheel arm waart. »
« Het is een geschenk dat vader uit de stad heeft medegebracht, op den laatsten verjaardag van moeder. Wij drinken er niet uit; maar voor u, M. Campers... »
« Voor mij? Ik dank u, goede Stina... Nu ik uitgerust ben, wil ik al mijnen moed te zamen vatten, om langs de zandbaan en den Antwerpschen steenweg naar huis te gaan. Groet uwen vader en uwe moeder van mijnentwege. »
« Hemel, ginder komt mijne moeder : zij heeft u gezien! » kreet het meisje met de hand vooruitwijzende.
Inderdaad, daar naderde tusschen de boomen van het naaste bosch de vrouw des duivels. De tegenwoordigheid van eenen vreemdeling bij het huisje.
DE DUIVEL UIT HET SLANGEKBOSCH 97
ia gezelschap harer \'dochter, trof haar met schrik. Zij kwam in allerhaast toegeloopen, bleef voor den jongeling staan, scheen door hare dreigende oogen hem te vragen wat hij hier kwam doen, en bevool hem, door krachtige gebaren, op staanden voet te vertrekken.
« Maar, moeder, » zeide Stina met vele gebaren, (i het is de edelmoedige heer, gij weet wel, die water in zijnen schoen haalde om vader te laven. Hij is verdoold geraakt. »
De vrouw moest ten minste gedeeltelijk verstaan wat hare dochter wilde zeggen; want zij schudde ontkennend het hoofd, als om te beduiden dat zij niets van deze verklaring geloofde.
Karei poogde van zijnen kant haar te doen begrijpen dat het toeval alleen hem te dezer plaats had gebracht; maar de vrouw sprong naar het huis, greep daar een voorwerp, — dat er uitzag als eene dikke knots, doch wezenlijk eene holle pijp van boomschors was, — bracht deze tromp aan den mond en blies erop uit al hare kracht.
Zonderlinge, angstwekkende klanken weergalmden door het bosch en zweefden golvend tusschen de boomen en over de heide, als het gejank van een onbekend gedierte.
Een niet min vreemd gehuil beantwoordde dien roep van uit den schoot des wouds, en bijna onmiddellijk daarop verscheen de duivel in de verte.
Zoohaast Christina haren vader ontwaarde, liep zij, snel als eene ree, hem te gemoet, ongetwijfeld
98 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
om zijne gramschap tegen den vreemden heer te voorkomen of zijn verdriet over dit onverwacht bezoek te matigen. Inderdaad, voor zooveel Karei het kon onderscheiden, toonde de duivel zich in den eerste diep verstoord en betuigde door woeste gebaren van zijne innige spijt; maar allengs, naarmate hij de uitlegging zijner dochter ontving, scheen droefheid in hem de gramschap te vervangen. Het was met hangend hoofd dat hij zijn huisje naderde, en hoewel zijne stomme vrouw door allerlei teekens zijne verontwaardiging poogde op te wekken, bleef hij bedaard en zeide op korten toon tot den jongeling :
« Mijnheer is verdoold geraakt\'; hij wenscht eenen leidsman? Welaan, volg mij! »
« Heb nogmaals dank, goede Stina » riep Karei Campers, het meisje met de hand groetende. « Tot wederziens en uwe moeder insgelijks. »
.« Geen wederziens, » gromde de duivel, « het
moet de laatste maal zijn..... Kom nu. »
Karei Campers gehoorzaamde en volgde in stilte den stuurschen man.
« Ik zou waarlijk gaan gelooven dat hij zijne leelijke reputatie niet heeft gestolen, » dacht de jongeling in zich zeiven. « Wat bullebak! In schijn ten minste; want, zeker, hij veinst zich barsch en gramstorig om mij vervaard te maken. Zij is niet vroolijk, die comedie. Zoo uren lang misschien, stom als twee spoken, over de heide en door de bosschen te moeten loopen, dat verveelt mij schrikkelijk. »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
En de stem verheffende, zeide hij :
« Kameraad, ik zou wat willen spreken. » « Onnoodig, » was het grimmig antwoord.
« Ik zeg kameraad, omdat ik uwen naam niet ken. » « Spreek niet, of noem mij duivel, zooals de anderen. »
« Dit is evenwel slechts een bijnaam, om u te laken, door de boeren gegeven, niet waar? Uw groote baard zal daar de schuld van zijn? Gij antwoordt niet. Ik begrijp het wel : gij houdt niet veel van nieuwsgierige lieden. En toch durf ik u bekennen, dat ik in het dorp iedereen heb ondervraagd over u en uwe levenswijs; maar het was alleenlijk om u tegen vooroordeel en bijgeloof te kunnen verdedigen, zooals ik waarlijk nog niet opgehouden heb te doen. »
« Gij handeldet daarin zeer slecht en lichtzinnig. » « Mogelijk, maar het is mij echter te vergeven; want ik deed het uit oprechte deelneming in uw bitter lot, en bovenal uit deernis met het lot uwer dochter, die, eilaas, in het somber Slangenbosch zal verouderen, zonder iets van de vreugde der jonkheid te hebben gekend. Gij zijt vader, gij moet gevoelen dat het wreed en onrechtvaardig is, van het arme kind zulke volledige zelfopoffering te eischen. » Een pijnlijke zucht welde op uit des duivels borst. « Gij erkent dat ik gelijk heb, ik hoor het. Waarom laat gij uwe Christina niet naar het dorp komen en er kennis met de lieden maken? Zij is minzaam en verstandig, en de inwoners van Halderghem zijn in
99
IOO DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
den grond goede menschen. Uwe dochter zou er vriendinnen vinden, en zoo ten minste een beetje het leven des harten genieten. En ik «ben wel zeker, dat de jonge boeren al vroeg zouden opmerken dat uwe dochter er tegenwoordig was toen Ons-Heer zijne beste gaven uitdeelde. Zoo zou zij wellicht een goed huwelijk doen en gelukkig zijn voor geheel haar leven. Wat mij betreft, ik geloof dat zij zulk gunstig lot verdient en ik wensch het haar met al
de oprechtheid mijner ziel..... Gij mompelt en schudt
het hoofd? Ongetwijfeld ziet gij mij aan voor een neuswijzen babbelaar, die uit enkele lichtvaardigheid zich bemoeit met zaken welke hem niet aangaan? Het is evenwel niet zoo : ik ben een zonderlinge droomer, een soort van gek, die zich tot ongelukkige menschen onweerstaanbaar voelt aangetrokken als het ijzer tot den zeilsteen. Zie, gij zult mij niet
gelooven, mijnheer..... mijnheer de duivel : ik laat
mij kappen, heb ik niet reeds twintigmaal mij de hersens voos gedacht, in de opzoeking naar een middel, om u en uwe doehter in uw ongeluk behulpzaam te kunnen zijn. »
« Gij zijt onvoorzichtig, zeer onvoorzichtig, » morde zijn leidsman. « Uwe woorden verschrikken mij. Ik bid u, zwijg nu. »
Na eene wijl stilte zeide de jongeling : « Ja, zwijgen is gemakkelijk voor u, gij zijt het gewoon; maar mij jeukt de tong geweldig en ik moet mij zeiven ten minste hooren spreken. Gij meent misschien dat mijne deelneming in uw lot enkel
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
bestaat in ijdele woorden? Ik ben, wel is waar, een arme jongen, maar ik heb geene ouders en win bij den notaris meer dan ik noodig heb. »
« Het is dus waar wat mijne dochter mij zeide : gij zijt in dienst bij M. Trappeneels? »
« Zijn klerk ben ik. Hij heeft mij meer dan eens van u met veel genegenheid gesproken. Het is een brave, goedhartige man, niet waar? »
« De edelmoedigste der njenschen. Voor hem en voor zijnen vader-zaliger bidden wij eiken avond. » « Gij bidt? De duivel die bidt! En de onnoozele boeren gelooven dat gij een verbond met Lucifer hebt aangegaan. Ha, ha, de slimmerikken! »
« Spreek zooveel niet, mijnheer; gij stapt te traag. »
Weder zweeg Karei eene wijl, maar dan hernam hij zijne afgebrokene rede :
« Gij laat mij niet uitspreken. Ik ben arm, maar heb evenwel wat geld. Indien ik u daarmede van dienst kon zijn... »
« Geld? Ons ontbreekt geen geld, » kreeg hij ten antwoord.
« Sapperloot! » riep de jongeling, « gij zijt een levend raadsel. \'Is mijnheer de duivel misschien rijk? »
« Wij winnen ons dagelij ksch brood en behoeven niemands hulp. Genoeg daarover, laat ons zwijgen. « Karei Campers gehoorzaamde den wensch van zijnen leidsman en volgde hem op de hielen, in zich-zelven morrende, dat het al eene vreemde zaak was.
IOI
I02 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zoo in stilte achter den duivel te loopen, evenals eene gedoemde ziel die naar de hel wordt geleid.
Het daglicht begon te verminderen. Was het in de vrije lucht nog klaar, onder de hooge hoornen werd het allengs duister,
« Laat mijnheer de duivel mij toe, hem eene opmerking te maken? » vroeg de jongeling, die of wel niet kon zwijgen of er vermaak in vond zijnen leidsman een beetje te.plagen. « Gij antwoordt niet en stemt dus toe?... De lieden van Halderghem beweren, dat er in het Slangenbosch, vooral des nachts, vervaarlijke dingen gebeuren. Al wat zij daarover vertellen is ij del gesnater, niet waar? » « Niet al wat zij vertellen. »
« Ja, het ziet er hier eenzaam en akelig genoeg uit. Aan de vertelsels der boeren hecht ik geen het minste geloof, zooals gij wel kunt denken; maar dat er somwijlen dieven, struikroovers of moordenaars in het Slangenbosch zich verschuilen, dit schijnt mij zoo onmogelijk niet. »
« Zijt gij vervaard? »
« Van wat zou ik vervaard zijn ? Ik kan mijnen man staan ; daarenboven, gij zoudt mij desnoods zeker wel verdedigen? »
« Ik? Betrouw daar niet op. »
« Kom, kom, mijnheer de duivel, gebaar u niet zwarter dan gij zijt, » wedervoer Karei schertsende. « Gaarne zoudt ge mij doen gelooven, dat gij een boos en verstokt hart hebt. Ik meen te begrijpen waarom gij zoo handelt. Gij vreest dat ik in het
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH Io3
Slangenbosch zal terugkeeren, en wilt mij den lust daartoe benemen. Overbodig : ik heb er genoeg van. Poeh, het Slangenbosch! Het zal laat worden, eer ik er nog den voet in zet. Veins dus niet langer met mij, en beken liever dat ik mij niet bedrieg met te denken, dat gij in den grond een goede duivel, een teedere vader en een brave vent zijt. »
« Schijn bedriegt. »
« Dat is juist mijne meening te uwen opzichte. Hoe het weze, mijnheer de duivel, gij moogt zoo zuur zien en u zoo stuursch houden als gij wilt, dit belet niet dat ik eene innige genegenheid voor u, voor uwe arme, sprakelooze vrouw en voor uwe goedhartige dochter gevoel. Hoe dit komt, zult ge mij vragen? Bij mijne eerste reis naar Halderghem, toen gij in de herberg tradt om uwen dorst te lesschen, heb ik in u onmiskenbare teekens eener milde liefde voor uw kind verrast, en zoo insgelijks opgemerkt welke innige teederheid uwe dochter haren vader toedraagt. Later zag ik u worstelen tegen eene wreede ziekte. Christina bevochtigde uw bleek voorhoofd met tranen van medelijden en liefde; uwe eerste beweging, nog vooraleer uw geest ontwaakte, was uwe dochter op uw hart te drukken. Dit schouwspel ontroerde mij zoodanig dat ik er des nachts van droomde. O! booze of ondeugende menschen beminnen zoo niet en worden zoo niet bemind. Van dan af ontstond er in mijn gemoed eene onweerstaanbare toeneiging voor u, en de laster, waarmede de dorpelingen u en de uwen pogen te
I04 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
bevlekken, kon niet anders dan dit gevoel in mij versterken. Daarom ben ik niet vervaard van u; daarom laat ik mij leiden door den man dien men duivel noemt, onbevreesd en vertrouwend, als ging mijn engelbewaarder nevens mij. »
Karei had deze woorden op zulken toon van oprechtheid en met zulken aangrijpenden ernst gesproken, dat zijn leidsman diep getroffen bleef staan en met ontroerde stem zeide :
« Eilaas, ja, ik ben ongelukkig, diep rampzalig : alle hoop op aarde is mij ontnomen. Zoo iedereen tot vijand te moeten hebben en alle vriendschap te derven, is niet de minste mijner smarten. Dit mag evenwel niemand weten : de afkeer, de haat der lieden is ons eenig schild tegen een ijselijk en immer dreigend gevaar. »
« Hemel, welk schrikkelijk geheim verbergt uwe duistere taal! » mompelde Karei.
Op doffen, somberen toon antwoordde de man. « Het noodlot heeft beslist, dat, zoodra men ophoudt mij te haten, ik eenen gruwelijken dood moet sterven! »
Karei Campers begon nu insgelijks te denken, dat de duivel, onder den invloed van zekere aandoeningen, aan zinsverbijstering leed. Om deze aange-jaagdheid geen nieuw voedsel te geven zweeg hij; maar de duivel hernam :
« Zulke dingen zou ik u niet zeggen, wilde ik u niet doen begrijpen dat, indien gij onbescheiden genoeg waart om te openbaren wat u heden is
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH Io5
geschied, gij zonder het te willen ons een onherstelbaar kwaad zoudt doen. Ach, ik roep al uwe edelmoedigheid in en smeek u mijne bede te verhoor en ! »
« Spreek, mijnheer, » antwoordde Karei, « om u te believen ben ik bereid tot al wat mij mogelijk is. » « Laat ons voortgaan; nog tien minuten en wij bereiken den weg op de vlakke heide. Hoor mij aan; ziehier wat ik u bid, mij te beloven. Gij zult nooit meer in het Slangenbosch komen. »
« Wees daar zeker van. Is dit alles wat gij van mij verlangt? »
« Neen, niet alles, mijnheer. Gij verdedigt ons tegen den laster der lieden, zegt gij. O, zie voortaan daar geheel van af. De eenzaamheid, de afzondering, den afkeer der lieden hebben wij noodig als de lucht die wij inademen. Begrijpt gij mij ? »
« Niet al te wel, ik beken het, maar het is mij om het even; ik zal dus voortaan zoo weinig mogelijk over u spreken. »
« Met niemand? »
« En indien mijn meester eerst over u spreekt, moet ik hem dan niet antwoorden ? »
« Ja, M. Trappeneels is mijn weldoener; van hem heb ik niets te vreezen, maar al de anderen? »
« Het zij zoo, ik ken uw verlangen en zal mijn gedrag er naar richten. »
« En van uw bezoek in het Slangenbosch zult gij insgelijks niet gewagen ? »
« Dat ware misschien zeer moeilijk. »
I06 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Gij zult in alle geval niet zeggen, dat gij bij ons huisje met mijne dochter hebt gesproken, en minder nog dat de duivel u tot leidsman diende en u geen kwaad deed. »
« Ik begrijp : gij vreest dat men u voor een goed en gedienstig man zou kunnen aanzien. »
« Inderdaad, men nadert de goeden, men vlucht de kwaden. Wij moeten gevlucht worden, zoo wil het ons onverbiddelijk lot. »
« Het zij zoo, ik zal niet zeggen dat ik u heb gezien. »
Onverwachts traden zij op de heide en onder de vrije lucht, waar nog eene heldere avondschemering heerschte.
« Wij zijn uit het bosch; verder hoef ik u niet te vergezellen, » zeide de duivel. « Daar, voor ons, loopt de groote baan, en ginds kunt gij den toren van Halderghem zien. Blijft gij trouw aan uwe beloften, de arme duivel zal zich uwer met dankbaarheid herinneren; vergeet gij ze, uwe minste straf zal de overtuiging zijn, dat gij ons, diep ongelukkige lieden, nog ongelukkiger hebt gemaakt. »
« O, vrees daar niet voor; tot zulke slechte daad ben ik onbekwaam. »
« Ik geloof u. God behoede u; vaarwel! »
De duivel keerde terug in het bosch.
Karei bleef eene wijl dubbende staan en overspande zijne hersens, om voor zich zeiven de vraag op te lossen, of des duivels geest al of niet aangaande zekere dingen ziekelijk verdwaalde. Zeer
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH lOj
dikwijls had hij van zulke gedeeltelijke krankzinnigheid hooren spreken. Maar weldra schudde hij ontkennende het hoofd.
« Neen, dit is de taal van eenen waanzinnige niet, » mompelde hij. « .Ik moet dus wel gelooven dat geheime redenen, welke hij niet wil of niet mag openbaren, hem zoo zonderling doen handelen en
spreken..... En vermits het den ongelukkigen man
zou bedroeven, indien ik poogde den aard dezer geheimen te doorgronden, wil ik er mij voortaan niet meer mede bezighouden. »
Bij het uitspreken dezer woorden stapte hij tamelijk snel in den zandweg voort, en bereikte weinig tijds daarna het dorp.
Hij ging zijnen meester melden, dat hij zijne boodschap naar behooren had volbracht, en deelde hem zoo kort mogelijk zijn wedervaren in het Slangenbosch mede.
Maar in de Zon verklaarde hij zijn lang uitblijven, door te zeggen dat hij voor mijnheer den notaris naar Veenhout was geweest, en onderweg zich wat lang had laten ophouden door het schoone uitzicht over de heide en op het Slangenbosch.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
V
Van toen af sprak Karei Campers zoo weinig-mogelijk over den duivel en zijn huisgezin. Hoorde hij nog somwijlen eene beschuldiging tegen hen uitbrengen, wel verre van hen te willen verdedigen, veinsde hij zich insgelijks ongunstig jegens hen gestemd, trok de schouders op of mompelde twijfelachtige woorden.
Zoo meende hij de plechtige belofte te vervullen, welke hij den duivel had gedaan. Kon zijn hart er niet in toestemmen, deze arme lieden volgens hunnen wensch te helpen lasteren, hij wilde evenmin bijdragen om den openbaren afkeer, dien zij als hun bescherm-schild aanzagen, te verminderen.
De duivel had hem gezegd : « Zoodra men ophoudt mij te haten, moet ik sterven. » Deze woorden vervolgden Karei geruimen tijd. Wat konden ze wel beteekenen? Hij folterde zich de hersens, om daarop een mogelijk antwoord te vinden; doch al zijne moeite bleef vruchteloos, en telkens stiet zijne gedachte tegen het verdenken dat de duivel van krankzinnigheid kon aangedaan zijn.
Des te inniger werd zijn medelijden met de onge-
io8
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH lOQ
lukkige Christina, die, zoo jong nog, veroordeeld was om haar leven in een akelig bosch, tusschen eene doofstomme moeder en eenen naar geest en lichaam kranken vader, te slijten. Haar beeld ontstond wel dikwijls vóór zijne oogen : hij zag ze zitten, bij haar huisje in het Slangenbosch, alleen met hangend hoofd en weifelenden blik, zuchtende en tranen stortende, onder het gewicht der eeuwige, der vervelende eenzaamheid.
Evenwel konden deze treurige overwegingen zijne aangeborene vroolijkheid niet merkelijk verdooven. Met zijne huisgenoten, in de Zon, toonde hij zich immer even opgeruimd en vriendelijk. De notaris was over zijnen nieuwen klerk zeer tevreden, achtte hem om zijnen iever en bekwaamheid, en had hem lief gekregen om zijne openhartige en vroolijke inborst.
Evenals elke andere herinnering, verzwakte allengs de indruk dien de ontmoeting van den duivel en zijn huisgezin op des jongelings gemoed had nagelaten; en het is waarschijnlijk dat Karei Campers, na eenige weken, slechts nog zelden aan de eenzame bewoners van het Slangenbosch zou gedacht hebben, hadde hij niet eiken Zondag gelegenheid gehad om Christina en hare moeder in de kerk te zien.
Wel hield hij zich zooveel mogelijk van hen verwijderd, en haastte hij zich, na het einde der mis, het kerkhof te verlaten; maar niettemin kwam het schouwspel dezer twee verfoeide en verstoote vrouwen, zoo eenzaam, zoo vernederd, zoo godvruchtig in den donkeren hoek des tempels biddend, immer in zijn hart
IIO DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
de half gesloten bron des medelijdens weder openen.
Nu was er reeds bijna eene maand verloopen, sedert den dag zijner aanvaarding als klerk bij M. Trappeneels.
Van het begin dezer week, was hij eiken dag een paar uren vroeger naar het kantoor gekomen en er tevens later dan gewoonlijk gebleven. Hij had met veel inspanning en haast gewerkt.
Op het einde van den derden dag, zeide hij met eenen zegevierenden glimlach tot zijnen meester, die juist op het kantoor was gekomen :
« Mijnheer, al het loopende werk is af; buiten eenige aanteekeningen in de boeken, weet ik waarlijk niet meer wat doen. Ik heb gearbeid als een paard, dat de zweep op den rug voelt. »
« Inderdaad, ik meende het op te merken. Dat is gek; men moet eiken dag zijn werk laten en zich niet nutteloos vermoeien. Waarom deedt gij dit? » « Ik had een doel, mijnheer. »
« Zoo? — welk doel? »
« Op het kantoor van M. Groothuis is een klerk, een M. Verdonck, sedert lang mijn goede vriend. Hij trouwt overmorgen, en heeft door eenen brief mij op zijne bruiloft uitgenoodigd. Ik zou er wel gaarne tegenwoordig zijn; maar vooraleer u een verlof van een paar dagen te durven vragen, wilde ik u kunnen verzekeren dat mijne afwezigheid u niet gevoelig zou hinderen. »
« En gij verlangt naar Antwerpen te gaan, om het bruiloftsfeest bij te wonen ? »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH III
« Ja, mijnheer, indien er geen beletsel is, geen het minste; want anders, een woord van u is genoeg om mij van dit vermaak te doen afzien. »
« Kom, kom, mijn jongen, zoo vele woorden niet! » riep de notaris. « Ga morgen naar Antwerpen en blijf er twee of zelfs drie dagen. Ik zou u met evenveel genoegen mijne toestemming gegeven hebben, al hadt gij ook eenig schrijfwerk ten achteren gelaten. »
« Wees uit den grond des harten gedankt, mijnheer! » juichte Karei. « Den eersten teug dien ik ter bruiloft zal drinken, moet natuurlijk op de gezondheid van bruid en bruidegom zijn; maar het tweede glas ledig ik tot den bodem ter eere van den edelmoedigen mensch, dien het gunstige lot mij tot patroon heeft gegeven! »
« Nu, het zij zoo, vermaak u maar wel. Mij dunkt ik zie u daar zitten, te midden uwer vrienden, als de rustelooze vreugdewekker, met den roemer in de hand, zingend en de geestige kwinkslagen als een vuurwerk uitspattend. Ik ben insgelijks jong geweest en weet wat het is. Een notaris moet een ernstig man
zijn, anders..... Schei er nu maar uit; gij hebt heden
meer dan genoeg gewerkt. »
« Nog eenige aanteekeningen, mijnheer, ik weet toch niet wat met mijnen tijd te doen. »
De notaris verliet het kantoor en begaf zich naaizij n kabinet.
Een groot half uur later, keerde hij weder en riep verwonderd :
112 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« De avond begint reeds te vallen, en nog niet weg? »
« Ik heb gedaan, mijnheer, » zeide de jongeling, zijne papieren bijeenrapende.
« Het doet mij evenwel genoegen, u nog hier te vinden; want ik heb u te spreken over eenen brief, dien ik daareven uit Brussel ontving... Stelt gij nog veel belang in het lot van den duivel ? »
« Ik heb veel liever aan den ongelukkigen man niet meer te denken, » antwoordde Karei, de schouders ophalende.
« Zoo! Wat is er dan tusschen u en hem geschied? Gij toondet vroeger zoo een buitengewoon medelijden met hem, — en is dit gevoel nu geheel in u vergaan? »
« Herinner u, mijnheer, welke belofte ik hem deed. »
« Ja, maar op de grillige vrees van den half krankzinnigen man moogt gij zooveel acht niet slaan... Ha, was ik niet daar om hem te beschermen, hij zou het op den grond van Halderghem niet lang meer volhouden ! »
« Bedreigt hem eenig gevaar, mijnheer? »
« Gij moet weten, dat de oude baron van Louwen-hove, die den duivel toegelaten heeft in het Slangenbosch te wonen, nu eenige maanden geleden, is gestorven. Een neef van hem, insgelijks baron van Louwenhove, heeft al zijne goederen geërfd. Deze nieuwe eigenaar is nog niet te Halderghem geweest en kent den duivel niet... Daar schrijft nu een kwaadwillig mensch of een laffe benijder aan den baron
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH Il3
eenen naamloozen brief, waarin allerlei beschuldigingen tegen de arme lieden uit het Slangenbosch staan. De baron, onbekend met de waarheid, dreigt den duivel uit het Slangenbosch te doen verjagen. » « Hem uit het Slangenbosch verdrijven! O, hemel, het ware zijn dood! » kreet de jongeling als verschrikt.
« Zijn dood? dat is wat veel gezegd. »
« Ik ben er van overtuigd, mijnheer. Laat de duivel al of niet zwak van zinnen zijn, moest men hem dwingen in de wijde wereld een nieuw onderkomen te zoeken, het zou hem doen bezwijken van verdriet. » « In alle geval, het zou voor hem een groot ongeluk zijn, dit begrijp ik wel. Ook is zoo iets niet te vreezen, zoolang ik de rentmeester en dus de raadsman der heeren van Louwenhove blijf. De beschuldigingen, in den naamloozen brief, voor zooveel zij slechts op bijgeloovigheid steunen, bekommeren mij weinig; want, wordt het ooit noodig, onze oude pastoor, — die over den duivel meer dan iemand weet — zou mij helpen om hunne ongegrondheid te bewijzen; maar een erger feit wordt daarin den duivel ten laste gelegd. Men beweert dat hij sedert lang levende sparreboomen neervelt en het hout daarvan naar Antwerpen gaat verkoopen. »
« O, dat is onmogelijk en valsch, mijnheer! » riep Karei Campers met eene uitdrukking van diepe verontwaardiging.
« Ik weet wel dat het valsch is. De brief komt waarschijnlijk van houtdieven of van pensjagers, die
114 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
den duivel gaarne uit het Slangenbosch zouden verwijderd zien, om in vrijheid hunne strooperijen te kunnen plegen. Over dit laatste punt moet ik echter op goede gronden aan den heer baron kunnen antwoorden. Misschien weet de duivel wat aanleiding heeft gegeven om hem van een zwaarwichtig feit te beschuldigen; het is mogelijk dat hij den vijand of de -vijanden kent, die men van het zenden des briefs mag verdenken. Het zou mij vermaak doen, alvorens ik mijn antwoord schrijf, daarover ingelicht te zijn; en het is daarom dat ik u kom verzoeken, morgen in mijnen naam naar het Slangenbosch bij den duivel te gaan. »
« Ik naar het Slangenbosch? Ik zou niet durven, mijnheer. »
« Waarom niet? »
« Ik heb zoo plechtig en op mijne eer beloofd, nooit meer eenen voet in het Slangenbosch te zetten. »
« Gingt gij er naartoe uit enkele onbescheidenheid, dan zoudt gij misschien niet eerlijk handelen; maar wanneer het de hoogste belangen van den duivel zelf geldt en ik het u verzoek... »
« Ja, mijnheer, het uitspreken van uwen naam is alleen genoeg, om alles bij hem te rechtvaardigen. Ik zal dus aan uw verlangen voldoen... Maar wat is dit! Wat hoor ik daar aan de deur? De stem van Christina! »
Vooraleer hij deze woorden geheel kon uitspreken, vloog de deur van het kantoor open en viel des
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH II5
duivels dochter, geknield en met opgeheven handen, voor de voeten van Karei Campers neder.
« Genade, heb medelijden, ontferm u onzer! » kreet zij, in hare tranen schier stikkende. « Mijn vader is gevallen, van eenen hoogen boom, met het hoofd op eenen stronk; hij verliest al zijn bloed, hij .sterft... En geen bijstand, niemand dan gij, gij alleen, mijnheer, onze eenige hoop! Kom, kom, volg mij, help hem, help ons in onzen ijselijken nood! God zal het u loonen! »
« Arme Stina, ongelukkig kind! » zuchtte Karei terwijl hij het meisje van den grond deed opstaan. « Wat gedaan? Wat gedaan, mijnheer? »
« Medegaan met Stina, » kreeg hij tot antwoord; « maar eerst naar den dokter... »
« O, neen, de dokter niet! » smeekte Christina met saamgevoegde handen. « Niemand, niemand dan M. Campers alleen! »
« Ja, ik begrijp, gij poogt den wil uws vaders te eerbiedigen zelfs ten prijze zijns levens », zeide de notaris, « maar hier valt niet te aarzelen : ik gebied u, den dokter te gaan halen en hem mede naar het Slangenbosch te nemen. Wat kosten daar ook kunnen uit rijzen, ik sta er voor in. M. Campers, toon nu dat gij waarlijk medelijden hebt met den ongelukkigen duivel. Gij zijt jong en sterk; ontzie geene moeite, en wees verzekerd dat gij mij persoonlijk zult verplichten, door al wat gij voor hem doet... Loop nu en laat u door niets terughouden. »
Karei greep het meisje bij de hand, trok haar naar
Il6 DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH
buiten en dwong haar, met of tegen dank, hem te volgen. Onderwijl mompelde hij :
« Gij moet redelijk zijn, arm kind. Wat kunnen wij al te zamen om uwen vader te redden? De dokter alleen kan het, indien het nog mogelijk is. »
(i Vreemde menschen in ons huis? Mijn vader zou nog liever sterven! » zuchtte zij tusschen hare tranen.
« Wat is: er gebeurd? Waarom weent zij zoo bitter? » riepen de lieden, die op den steenweg waren bijeengeloopen.
De jongeling antwoordde in den eerste niet; maar toen hij voorbij de Zon ging en insgelijks door Judoca en haren vader werd ondervraagd, antwoordde hij :
« Ach, een ongeluk : de duivel is van eenen boom gevallen en heeft zich erg bezeerd. Ik loop met Stina om den dokter... »
Gelukkiglijk vonden zij den geneesheer te huis. Deze, ofschoon men hem elders verwachtte, toonde zich bereid om onmiddellijk mede te gaan; en nadat hij in allerhaast, benevens zijne tesch met gereedschappen, een groot papieren pak in zijnen zak had gestoken, volgde hij hen.
Onderweg poogde hij uit het meisje wat klaardere inlichtingen aangaande het ongeval en den toestand haars vaders te bekomen; maar zij, immer in tranen smeltende, antwoordde slechts door snikken en onduidelijke klachten.
« Kom, Stina, gij moogt niet zoo wanhopig zijn, » zeide Karei. « Uw vader kan zich inderdaad erg
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 117
bezeerd hebben; maar niets zegt u, dat gij redenen \'hebt om een onherstelbaar ongeluk te vreezen. M. de dokter zal wel dikwijls menschen gezien hebben, die na eenen schrikkelijken val schenen overdood te liggen, en evenwel in korten tijd waren genezen. »
« Inderdaad, meer dan eens, en zelfs dan nog wanneer alle hoop scheen verloren, » bevestigde de dokter.
« Gij ziet het dus wel, Stina? Wanneer een mensch zoo van eene hoogte valt, kan het geweld van den slag hem wel gedurende eenigen tijd van alle gevoel berooven, zonder dat hij daarom doo-delijk gekwetst zij. Wie weet, vinden wij uwen vader niet reeds tot zich zeiven gekomen!.... In alle geval M. de dokter is nu daar om over zijnen toestand te oordeelen en hem te genezen. Heb dus
betrouwen in Gods goedheid, arme Stina..... Gij
weigert mij aan te hooren en blijft doof voor alle vertroosting? O, matig uwe wanhoop! Doe het uit medelijden met mij ; want waarlijk uw bitter snikken verbrijzelt mij het hart. »
Maar het meisje, door haar angstig ongeduld voortgezweept, gaf geene acht op zijne woorden en liep onophoudend eenige stappen vooruit, totdat zij, buiten de bosschen en op de woeste vlakte geraakt, zich omkeerde en uitriep :
« Ziet, ziet, ginder dit licht; daar is ons huis! » Bij dezen kreet sprong zij over de heide en verdween welhaast in de duisternis.
8
118 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Met de oogen op het aangewezen licht als op eene baak gevestigd, bespoedigden de dokter en Karei Campers hunnen stap.
« Meent gij waarlijk, mijnheer, » vroeg de laatste, « dat de vrees van het meisje zou kunnen gegrond zijn? »
« Daarover zal ik straks oordeelen, » antwoordde de geneesheer. « Hij heeft eene wonde aan het hoofd en verliest veel bloed. Dit is eene kwaadvoor-spellende zaak. Indien zijn schedel is geborsten of zijne hersens zijn geraakt, dan blijft er weinig hoop op redding. »
« Eilaas, » zuchtte Karei, « moesten die arme lieden beroofd worden van hunnen eenigen steun, wat droevig lot stonde hun te wachten : eene doofstomme vrouw en een onervaren meisje, een onnoozel kind nog! »
« Zeker, het ware een groot ongeluk; maar laat
ons het beste hopen..... De weg, door deze hooge
heide en doornige bramen, is uiterst lastig. Gelukkiglij k dat ze een licht voor het venster hebben gezet, anders vonden Avij het nooit. »
« Nog eenige minuten en wij zijn er, mijnheer. Mag ik iets van uwe goedwilligheid en van uw medelijden met deze rampzalige lieden verzoeken? »
« Zeker. »
« Ziet gij, mijnheer, het meisje is niet gewoon met menschen te verkeeren. Zij is zoo schuchter en verlegen, dat ze beeft en schrikt telkenmaal dat men haar tot spreken dwingt. Het zou, dunkt mij.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH lig
edelmoedig van onzentwege zijn, haar zoo weinig mogelijk te ondervragen. »
« Nochtans, zij alleen kan mij antwoorden; hare moeder is stom en haar vader ligt waarschijnlijk nog buiten kennis. Van wien zou ik dan de noodige inlichtingen bekomen? »
« Aangaande het ongeval, ja, dit begrijp ik, mijnheer. »
« Van andere dingen hoeven wij niet te spreken.....
Gij schijnt deze lieden goed te kennen. Zijt gij nog meer in betrekking met hen geweest? »
« Het geval heeft mij inderdaad den duivel een paar malen doen ontmoeten. Nu ben ik uw leidsman, omdat mijn meester, de notaris, mij zulks heeft bevolen. »
Karei zweeg; zijn doel was geweest, den duivel en zijn huisgezin tegen de mogelijke onbescheidenheid des dokters te vrijwaren, en dit doel meende hij te hebben bereikt.
Nog waren zij een goed boogschot van het huisje verwijderd, toen Christina met pijnlijk gejammer hen te gemoet kwam geloopen en uitriep :
« Gauw, ik smeek u, komt haastig; mijn arme vader ligt op sterven. Eilaas, eilaas. God beware ons voor de ijseljkste ramp ! »
Zij bracht hen door de keuken in de nevenkamer. Daar lag de duivel te bed, bleek als een lijk en het hoofd rustend op eenige bebloede doeken. Op een tafeltje stond een lamp, en daarnevens een klein kruisbeeld met eenen tak wijpalm.
I20 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
De moeder zat bij het bed en hield de ijskoude hand van haren echtgenoot tegen hare lippen; een tranenstroom vloeide van hare wangen, en zoo zeer was zij in hare smart verslonden, dat de dokter zich verplicht zag, haar bij den arm te vatten om haar te doen begrijpen dat zij moest opstaan, ten einde hem toe te laten den zieke te naderen.
De dokter vroeg water en doeken. Dit bekomen hebbende, begon hij zijn onderzoek.
Onderwijl poogde Karei de weenende moeder door allerlei teekens te troosten en moed te geven; hij sprak met hetzelfde inzicht aan het oor van Christina; maar de beide vrouwen hielden sidderende den blik op den dokter gevestigd, die, na het hoofd des zieken te hebben gewasschen, nu bezig was met de wonde te peilen.
« Ach, mijnheer, wat is er te hopen? » zuchtte Karei. « Heb deernis met deze arme vrouwen; geeft hun een goed woord! »
« Ik kan nog niets zeggen, » antwoordde de dokter. « De slag aan het hoofd moet zijne eenige wonde niet zijn. Waarschijnlijk heeft hij zich van binnen bezeerd. Hij heeft veel, veel bloed verloren;
ik zal hem dus niet aderlaten..... Dat de vrouwen in
de andere kamer gaan. Gij, mijnheer, zult mij helpen, den zieke te ontkleeden..... Nu gehoorzaamt mij! »
Bezwijkend van angst, weken de beide vrouwen met luid gesnik uit de kamer.
De dokter stiet de deur toe en zeide tot den jongeling :
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 121
« Kom, mijnheer, geene tranen; gij zijt man. Steek den zieke uwe handen onder den schouder en hef hem met voorzichtigheid een weinig op, dat ik
zijn vest uittrekke..... Zoo, het is gedaan. Hou u
stil nu. »
En hij onderzocht de borst en de zijden van den zieke, legde het oor op zijn hart en poogde aan zijnen arm den polsslag te ontdekken of te meten.
Karei hield intusschen den blik gevestigd op de bleeke wangen en de paarsche lippen des duivels, die geen het minste teeken van gevoel of leven meer gaf. De jongeling sidderde en zijne ademing beklemde; want het is altijd een akelig schouwspel, den doodsstrijd van eenen mensch bij te wonen.
Wat ging de dokter zeggen? Bleef er nog de minste hoop ? Arme Stina!
« Hij is wel erg ziek, nietwaar? » zuchtte Karei, geheel mismoedig, toen hij zag dat de dokter zich naar hem keerde. Maar deze naderde en vroeg met teruggehouden stem :
« Kent gij den weg om naar het dorp te gaan? » « Ja, mijnheer. »
« En om terug te keeren ? »
« Het licht in het zoldervenster is eene zekere baak. »
« Welnu, ga in allerhaast den pastoor verwittigen, dat hier een christen mensch op sterven ligt en de laatste hulp behoeft. »
« O, hemel, mijnheer, op sterven! »
« Spreek stil, onvoorzichtige. Het is nutteloos,
122 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
die arme vrouwen zoo doodelijk te verschrikken. Zeg hun niets, geen woord, hoort gij ? Ik zal zelf hen tot het vernemen dezer droeve noodzakelijkheid bereiden. »
« Eilaas, is alle kans op redding dan waarlijk verloren? »
« Neen, maar het gevaar is groot. Zeg aan de vrouwen dat ik u uitzend om ten mijnent een geneesmiddel te halen. »
Karei opende de deur en meende het huis uit te loopen; maar Christina en hare moeder sprongen met opgeheven handen hem te gemoet; hunne blikken smeekten om een aanmoedigend woord.
« Er is nog hoop... nog veel hoop, » stamelde hij. « Ik moet haastig naar Halderghem om een geneesmiddel. Tot straks, tot straks! »
En om de tranen te verbergen welke die logen-achtige vertroosting hem uit de oogen rukte, sprong hij, zonder te willen luisteren, op de heide en door de duisternis, met zooveel ongeduld en haast dat hij zijne kleederen aan de bramen scheurde, ja soms wel ten gronde viel, zonder zich door deze wederwaardigheden een oogenblik te laten weder-houden.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
VI
Na een afmattenden loop door heide en bosschen, bereikte Karei Campers eindelijk de pastorij, welke nevens het kerkhof was gelegen.
Toen de meid, die op zijn aankloppen had geopend, den aard zijner boodschap vernam, bracht zij hem in eene kamer, waar de pastoor met een boek in de hand zat te lezen. Het was een zeer bejaard priester met sneeuwige haarkroon en diep berimpeld gelaat.
« Eerwaarde heer, » zeide Karei, « de man dien men de duivel heet, is van eenen boom gevallen. » « Ik weet het, mijnheer; maar het is waarschijnlijk niet erg? »
(( Zeer erg, eerwaarde; de dokter is van gevoelen, dat de arme man in gevaar des levens verkeert; en hij zendt mij tot u, met het verzoek hem de laatste hulp der stervenden te brengen. »
« Zeker; onmiddellijk... maar ik weet niet waar zijn huisje staat. Ik zal mijne meid zenden om den veldwachter te halen. Die zal ongetwijfeld mij de plaats kunnen wijzen, waar de duivel in het Slangenbosch woont. »
123
124 de duivel uit het slangenbosch
« Onnoodig, eerwaarde; indien gij het toelaat, zal ik uw leidsman zijn. »
« Gij? Kent gij dan den weg? »
« Ja, eerwaarde, ik heb den dokter vergezeld en kom zooeven uit het Slangenbosch. »
« Welaan, mijnheer, heb dan de goedheid, den koster te gaan roepen. Zijn huis staat hier rechtover; onderwijl zal ik mij gereed maken. »
« Den koster? herhaalde de jongeling. « Ach, mijnheer, die arme menschen, ginder, schrikken van elk vreemd aangezicht! »
« Het is waar, ik weet het, » mompelde de priester in gedachten. « Wij zullen dus alleen vertrekken. Kom met mij; ik moet eerst nog in de kerk. »
Karei bleef bij de deur der sacristij staan. Slechts een oogenblik daarna keerde de pastoor terug en zeide :
« Haast gemaakt nu; ik ben oud, maar mijne beenen zijn. God dank, nog tamelijk goed. Ga vooruit, mijnheer, ik zal u volgen. »
Zwijgend stapten zij, zoo snel als het den grijzen priester mogelijk was, door eenen veldweg achter de huizen. Het was zeer duister; nauwelijks kon men de boomen en heesters van nabij als zwarte schaduwbeelden onderscheiden; maar de zandige weg was evenwel aan zijne grauwe tint erkennelijk.
Bij den boord van het Slangenbosch bleef de priester aarzelende staan.
« Is het verre in het bosch? » vroeg hij.
DE DUIVEL UIT HET SLANGEXBOSCH 125
« Nog drie kwartier, eerwaarde. »
« Drie kwartier? En moeten wij dwars door de boomen, zoo in dit diepe donker? » « « Neen, heer pastoor, ik ken eene breede baan,
die gedurende bijna een half uur rechtstreeks naar des duivels woning leidt. Zie, wij zijn hier bij den goeden weg; ik zal u vooruitgaan. »
« Het is wel, ik volg u... Gij zijt de klerk van den notaris, niet waar? »
« Inderdaad, sedert bijna eene maand. »
« Kent gij den duivel? »
« Ik heb, bij mijne eerste reis naar Halderghem, hem ontmoet. Hij lag gevallen nevens zijne karre; zijne dochter weende zoo bitter. Uit medelijden heb ik haar geholpen om den armen duivel tot zich zeiven te doen komen. Ongeveer vijftien dagen \'l1* later, toen mijn meester, de notaris, mij naar Veenhout had gezonden, ben ik in het Slangenbosch verdoold geraakt, en heb den duivel voor de tweede maal ontmoet. Indien ik nu de eer heb, uw leidsman te zijn, is het omdat des duivels dochter ten huize van den notaris om hulp is komen smeeken, en mijn meester mij heeft bevolen, met den dokter naar het Slangenbosch te gaan. Ik vervul echter dezen plicht der christelijke barmhartigheid met genoegen; want volgens mijne overtuiging, eerwaarde, is eene weldaad des te verdienstelijker, naarmate zij, die wij ten voorwerp onzer liefdadigheid kiezen, hulpeloos en ongelukkig zijn. » « In dien zin is uw medelijden wel zeker een
126 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
hoogst lofwaardig- gevoel, » bevestigde de priester. « Ongelukkiger lieden dan de duivel en zijn huisgezin bestaan er waarschijnlijk op aarde niet. »
« Zij zijn immers niet boosaardig noch goddeloos , zooals sommige inwoners van Halderghem beweren? »
« Ho, neen, de man is de speelbal van een onrechtvaardig lot ; zijne vrouw en zijne dochter zijn engelen van opoffering en deugd. »
« En velen haten hen! Hoe is dit begrijpelijk, eerwaarde? »
« Genoeg, mijnheer, scheiden wij uit van spreken, » zeide de priester op zonderlingen toon. « Vergeten wij niet dat ik eene heilige zending vervul. Laat ons bidden. »
Het was Karei geheel onmogelijk aan deze laatste uitnoodiging te voldoen, zoo zeer verbaasden hem de woorden welke hij had gehoord. Christina en hare moeder waren engelen van deugd en opoffering; de duivel een speelbal van het onrechtvaardig lot. De goede priester kende dus de geheimen van hun leven en lijden... maar hij insgelijks deinsde met schrik terug voor de openbaring. Wat beduidde dit altemaal? Ach, er was niets aan te begrijpen! En toch. Karei had vast besloten, niet naar het raadselwoord van het zonderling gedrag dezer arme lieden te zoeken. Zij waren eerlijk en ongelukkig; meer hoefde hij niet te weten.
Na langen tijd in stilte te hebben voortgestapt, kwamen zij op de vlakke heide, en zagen in de verte
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 12/
het lichtje blikkeren dat hun den weg moest wijzen.
Bij de nadering tot des duivels woning, werd Karei met grooten angst bevangen; zijn geest voerde hem in de kamer, waar hij den ongelukkigen man stervend had gelaten. Daar zag hij Christina en hare moeder met de handen voor de oogen zitten, bezwijkend onder het gewicht hunner ijselijke smart en wachtend, eilaas, op het vreeselijk woord « dood » dat hunne liefderijke harten moest vermorzelen. De dokter stond in de deur van het huisje.
(i God zij geloofd, eerwaarde heer, » zeide hij, « gij komt nog in tijds! Wel kan de zieke niet spreken en ligt hij geheel buiten kennis; maar het leven heeft hem nog niet verlaten. »
Toen de beide vrouwen den pastoor zagen binnenkomen, slaakten zij eenen doffen kreet en beefden in al hunne leden. Het was dus waar, hun echtgenoot en vader ging sterven!
De pastoor trad in de kamer bij den zieke en stiet de deur achter zich toe.
Door den doodelijken angst der vrouwen tot in de ziel geroerd, naderde Karei tot hen en meende eenige woorden van troost hun toe te sturen; maaide stem verkropte in zijne keel, en terwijl tranen uit zijne oogen sprongen, stamelde hij : « Ongelukkige vrouw, arme Stina! »
Meer kon hij niet zeggen; hij greep van elk eene hand en poogde door zijnen zenuwachtigen druk hun te doen gevoelen, wat eindeloos medelijden met hun bitter wee hem ontstelde.
128 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
De dokter klopte hem op den schouder en wenkte hem naar buiten. Lijdzaam volgde de jongeling, tot op eenige stappen van de deur.
« Ik kan uit het arme, dwalende meisje schier geene spraak bekomen, » zeide de geneesheer, « zij schijnt mij niet te begrijpen, en zou in alle geval mijnen raad niet onthouden. Op uw woord zal zij misschien meer acht slaan. Ik verzoek u, na mijn
vertrek..... »
(i Hoe, gij vertrekt, dokter? »
« Ik kan, eilaas, niet langer blijven. De vrouw van den molenaar verkeert in eenen gevaarlijken toestand. Toen gij mij onverwachts kwaamt halen, hield ik mij gereed om op de eerste boodschap van den molenaar zijne vrouw ter hulp te vliegen. Wie weet hoe angstig men ginder naar mijnen terugkeer snakt! Daarbij is thans alles gedaan, wat de men-schelijke wetenschap op dit oogenblik toelaat te beproeven, om den duivel het leven te redden. Nu behoeft er slechts eenige aandacht om mijne voorschriften na te komen. »
« Spreek, dokter, ik zal er voor zorgen. »
« Indien gij de edelmoedigheid hadt, hier nog
een paar uren te blijven..... »
« Hoe, dokter, gij acht mij bekwaam om deze ongelukkige vrouwen te verlaten, zoo alleen en zonder hulp bij eenen stervenden vader, bij een lijk misschien? Neen, o, neen, al wilde ik het, ik zou het niet kunnen. »
« Des te beter; ziehier dus wat gij te doen hebt.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH I2g
Er liggen natte doeken op het hoofd des zieken. Zoohaast de heer pastoor de kamer heeft verlaten, zult gij deze doeken in koud water doopen en ze den lijder weder op het hoofd leggen; en gij zult, — gij of de vrouwen, — elk kwartier hetzelfde doen, zonder ophouden tot dat ik morgen vroeg hier wederkeer. Verroert de zieke zijne lippen of schijnt zijn mond u droog, laat uit eenen lepel eenige druppels water hem tusschen de tanden vallen. Indien hij den drank zichtbaar doorzwolg, het ware een gunstig teeken. Ik heb hem eene mostaardplaaster aan de voeten gelegd; bij het bed staat nog het pak met moostaardmeel. Bemerkt gij dat de zieke door stuiptrekkingen wordt aangedaan, bereid nieuwe mostaardplaasters en leg hem die wat hooger aan de voeten. Maar het voornaamste is evenwel, dat men de doeken aan zijn hoofd altijd zoo koud mogelijk houde. Voor het overige mag men in de nabijheid van den zieke geen gerucht maken en zelfs
niet luide spreken..... Hebt gij mij goed verstaan,
mijnheer? »
« Zeker, dokter, en uw raad zal stiptelijk gevolgd worden, wees daarover gerust. »
« Nu heeft de pastoor zijne zending volbracht; ik hoor hem met het meisje spreken : hij poogt haar te troosten. Ik ga bij den zieke, om metterhaast nog eens hem nieuwe koeldoeken op het hoofd te leggen. Blijf gij hier; want gij zult ons den weg moeten wijzen; anders verdolen wij onfeilbaar. »
Eenige oogenblikken daarna kwamen de pastoor
l3o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en de dokter uit het huisje en verzochten den jongeling, hen over de heide tot aan het bosch en bij de erkennelijke baan naar Halderghem te brengen.
Zij begaven zich op weg. De maan was aan den hemel geklommen, en hoewel door dikke wolken bedekt, spreidde zij genoeg schemerlicht over de natuur om den gang der reizigers te vergemakkelijken.
Alleen, geheel alleen, zonder hulp noch troost, waren de vrouwen nu in het huisje gebleven, ongetwijfeld bezwijkend van schrik, in afwachting van het vervaarlijkst ongeluk. Deze gedachte deed Karei huiveren ; zijn medelijdend hart snakte om naar het tooneel dier grievende smart te mogen terugkeeren. Hij hield den dokter staan en zeide hem, terwijl hij met de hand vooruitwees :
« Zie, mijnheer, ginder, recht voor ons, de zwarte kloof die het bosch in twee deelen scheidt. Dat is de opening tusschen de boomen en daarin loopt de baan naar Halderghem. Gij kunt ze niet missen. »
« Ik herken de plaats, » bevestigde de pastoor; lt;( wij behoeven uwe hulp niet langer. Vermits de notaris u bevolen heeft, die arme vrouwen behulpzaam te zijn, keer tot hen weder en poog hen uit de doodelijke troosteloosheid op te beuren. God zal u rekening houden over dit werk van barmhartigheid. Morgen vroeg breng ik den zieke een nieuw bezoek, met de hoop dat hij dan tot bewustheid zal gekomen zijn; want ik ten minste twijfel nog niet aan de mogelijkheid zijner genezing. »
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH l3l
« O, dank, eerwaarde! » riep Karei met blijdschap. « Ik zal Christina uw goed vooruitzicht mede-deelen. Hoe zal het haar en hare moeder sterk maken tegen de vertwijfeling! »
« Ik zelf heb het hun reeds gezegd; maar, eilaas, in hunne eindelooze bedruktheid blijft hun hart voor
allen troost gesloten.....Wat is uw gevoelen over den
zieke, dokter? »
« Mijn gevoelen, heer pastoor? Ach, zijn toestand is hoogst gevaarlijk. Zoolang er leven is, blijft er kans op genezing, inderdaad; maar in zulk erg geval durf ik niets goeds verwachten. Slechts morgen, indien hij nog leefde, zou ik, — zonder de minste zekerheid evenwel, — durven voorzeggen wat er te
hopen blijft..... Nu, vaarwel, M. Campers en zorg
dat men mijne voorschriften stiptelijk nakome. »
De jongeling keerde terug op de heide. Hij was zeer treurig gestemd; het scheen hem dat elke stap hem nader bracht bij een lijk; hij hoorde in zijn hart de grievende smartkreten der arme vrouwen en wanhoopte, bij de overtuiging zijner onmacht, om den noodlottigen slag van hen af te wenden. De duisternis, de stilte, het gekras der nachtuilen, het verre geblaf der waakhonden, dit alles versomberde nog zijnen geest. Hij overwoog evenwel wat hem te doen stond en hoe hij zich jegens Christina en hare moeder had te gedragen, om den goeden raad des pastoors te volgen. Maar de ijswekkende verklaring des dokters had hem allen moed benomen. Hoe de arme vrouwen getroost? Was dit wel moge-
132 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
lijk bij het bed van eenen zieltogenden vader? Wat vermochten woorden tegen zulke akelige wezenlijkheid? En evenwel, hoe het zijn hart ook kon doen bloeden, het was zijn plicht, een logenachtig vertrouwen te veinzen en zoo de ongelukkige vrouwen
te bedriegen.....totdat het vervaarlijk oogenblik hen
kwame nederploffen in eenen afgrond van smart en rouw! Nu kon hij niets anders dan al zijne gemoedskracht verzamelen, om zonder aarzelen het voorgenomen liefdewerk te volbrengen.
Toen hij in des duivels huisje trad, vond hij Christina en hare moeder bij het bed van den zieke, in stommen angst en met de handen voor de oogenzitten.
« Kom met mij in de andere kamer, » fluisterde hij aan des meisjes oor, « en doe uwe moeder mijnen wil
verstaan. Hier mogen wij niet spreken..... Gij moet
mij gehoorzamen : de dokter heeft het bevolen; ik gebied hier in zijnen naam. Wees redelijk, ik smeek u, doe wat ik u zeg. »
Christina vatte de hand harer moeder; beiden volgden hem langzaam en als onwillig naar de keuken. Hier de stem een weinig verheffende, zeide hij tot het meisje :
« Die onophoudende tranen kunnen uwen armen vader niet helpen. Zeker, het ongeluk dat hem overkwam, is schrikkelijk genoeg om uwe smart te wettigen, en ik gevoel het even diep als gij zelve. Maar gij schijnt allen troost te verwerpen; daarin hebt gij ongelijk : mijnheer de pastoor is integendeel van gevoelen dat uw vader zal genezen; deze goedhartige
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l33
priester keert morgen vroeg hier weder, en zoo insgelijks de dokter; beiden achten zich zeker dat uw vader alsdan tot bewustheid zal gekomen zijn. Waarom dus zoudt gij wanhopen, vermits uw vader nog kan en waarschijnlijk zal genezen? Kom, Stina-lief, toon dat het plichtgevoel, dat de moed u niet ontbreken; wees gij de steun uwer arme moeder en doe haar begrijpen, dat er reden bestaat om met vast
vertrouwen op de redding uws vaders te hopen.....
De dokter heeft mij voorgeschreven wat er gedurende dezen nacht te doen is. Indien gij met uwe moeder in de kamer uws vaders wilt terugkeeren, moet gij u daar zoo stil houden als mogelijk is; niet nutteloos en vooral niet luid spreken, niet snikken, niet weenen, geen het minste gerucht maken. Volgdet gij dezen raad niet, ik zou u beiden zonder mededoogen de kamer doen verlaten. Ik vertegenwoordig hier den dokter en gij zijt verplicht, alles te doen wat ik u gebied. »
« O, mijnheer, gaat gij dan hier blijven? » stamelde Christina verschrikt.
« Nu, ja, ik weet het, » antwoordde Karei. « Ditmaal zal ik evenwel aan uwen wensch geen gehoor geven. Hoe? Ik zou u in dezen akeligen nacht alleen laten met uwen lijdenden vader? En zoo er eens iets gebeurde? Indien hij ontwaakte en hulp behoefde, wie zou u bijstaan? Neen, neen, ik blijf hier tot morgen : de pastoor en de dokter hebben beiden het
bevolen. Gelief er dus niet meer over te spreken.....
Waar is de bron of de put, waaruit gij water schept? »
134 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
■ « Achter ons huisje, » was het antwoord.
« Welnu, vul eenen emmer, breng nieuwe doeken, oenen lepel en eene kom. Ik ga tot den zieke ; ik zal hem bewaken en verplegen. Gij en uwe moeder hebt hier niets te doen dan mij te gehoorzamen. Gaat nu en doet wat ik u zeg! »
Hij trad in de nevenkamer bij den zieke, betastte de doeken aan zijn hoofd, legde zijne armen wat gemakkelijker, waschte zijnen baard, waaraan nog bloed kleefde, trok eene plooi van den peuluw effen, en zette zich dan op eenen stoel, met het oog op het bleeke gelaat des duivels gevestigd.
Hoewel de zieke geheel het voorkomen van een ontzield lijk had, kon men echter met veel aandacht eene lichte beweging aan zijne borst opmerken. Hij ademde nog, maar hoe zwak was dit laatste levens-teeken!
De vrouwen traden op de punten hunner voeten in de kamer. Christina zette eenen emmer met versch water in eenen hoek, en de moeder legde eenige geplooide doeken op het tafeltje. Dan haalden zij met de grootste voorzichtigheid, om geen gerucht te maken, hunne stoelen uit de keuken, namen plaats bij het voeteinde van het bed, voegden de handen te zamen en bogen hunne hoofden diep in een vurig gebed. Zij snikten niet, geen hoorbare zucht ontsnapte hunner beklemde borst; alleen de tranen, die glinsterend hun op de handen vielen, getuigden dat hun de kracht ontbrak om aan des jongelings bevelen geheel te gehoorzamen.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l35
Lang heerschte in deze kamer eene doodsche stilte, welke door het lispelend geprevel der biddende vrouwen nog angstwekkender werd gemaakt.
Karei Campers kon eindelijk zulke afwezigheid van alle levensbetuiging niet langer verdragen : het was hem, alsof hij zich in een graf tusschen de dooden bevond, en deze gedachte joeg hem als een ijskoude vloed door het ruggemerg. Hij hadde willen spreken, hoe zachtjes het ook ware ; maar wat kon hij het bedrukte meisje zeggen, hij die zelf alle hoop had verloren?
Om evenwel eenige beweging te scheppen en zoo die akelige beeltenis des doods te breken, stond hij op en deed Stina teeken, den emmer bij te brengen.
Hij doopte er een nieuwen doek in en legde dien den zieke op het hoofd. Dan beproefde hij het, uit eenen lepel hem eenige druppels water in den open mond te storten; en toen hij meende te bemerken dat aan des duivels keel eenige vezels bewogen, neigde hij zich tot het meisje en fluisterde, ontroerd van blijdschap, aan haar oor :
« Stina, Stina, heb maar hoop : hij heeft gesproken! »
De vrouw sprong bevend toe, en zag den jongeling vragend in de oogen.
« Ziet, ziet, let wel op, daar aan zijne keel : hij zal drinken ! » juichte Karei met teruggehoudene stem.
En hij liet weder eenige druppels hem in den mond glijden; maar wat hij ook beproefde, het
136 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
gelukte hem niet, een nieuw teeken van gevoel in den lijdenden man op te wekken. Ontmoedigd zakte hij neder ; en ook de vrouwen, in hunne angstige hoop teleurgesteld, keerden nog dieper bedrukt naar hunne stoelen terug...
En zoo duurde het den ganschen akeligen nacht, zonder dat er eenige verandering in den dreigenden toestand des duivels zich openbaarde. De vrouwen, moede van weenen, afgemat door de folterende afwisseling van hoop en twijfel, neergedrukt dooide angstwekkende stilte, schenen gevoelloos geworden en roerden zich niet meer dan of zij in een diepen slaap waren weggezonken.
Karei zelf, ten einde van moed en krachten, helde ter zijde en rustte met zijn hoofd tegen denzelfden peuluw waarop het hoofd des duivels lag. Onder-tusschen - hield hij zijne hand op de ijskoude hand des zieken, als kon die betuiging van medelijden en liefde eenig levensvuur uit hem in den zieltogenden man doen overgaan.
Ondanks hunne eindelooze bedruktheid trof en verbaasde dit schouwspel de arme vrouwen zeer diep. Terwijl zij hunnen blik op den goedhartigen jongeling hielden gevestigd, vroegen zij zich zeiven, hoe het mogelijk was dat een vreemde heer zooveel barmhartigheid, zooveel broederlijke genegenheid kon gevoelen voor menschen, — verfoeide, gehaatte menschen, — die hem tot dan geheel onbekend waren gebleven. Hun geest kon dit raadsel niet oplossen; maar toch vloeiden hunne zielen over van
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l37
dankbaarheid, en somwijlen waanden zij in hunne eenvoudigheid eenen engel te zien, die God zelf tot hunne hulp uit den hemel had neergezonden.....
Reeds ontstond aan de oosterkim eene lichte schemering en klonk, hier en daar, uit het verre geboomte de aarzelende morgengroet eens vogels. Het daglicht naderde, ofschoon het binnen de bosschen nog geheel donker was.
Op dit oogenblik slaakte Karei eenen verdoofden kreet, en, met een gelaat dat van blijdschap glanste, wenkte hij de vrouwen.
Hij toonde hun, hoe de zieke de lippen verroerde als iemand die te drinken vraagt; en, terwijl zij, sidderende van hoop, de oogen op hem gevestigd hielden, stortte hij den inhoud van eenen kleinen lepel hem in den mond.
« Looft God, hij drinkt, het gevoel, het leven keert in hem weder! » juichte de jongeling. « Hij zal genezen... Stil, stil nu, hij moet rusten. »
De ontstelde moeder, hem niet door de spraak kunnende danken, sloeg hare armen om zijnen hals en weende op zijne borst. Stina, tot in de ziel getroffen, legde hare lippen op het voorhoofd haars vaders en zoende hem, onder het murmelen van vurige liefdewoorden.
Maar Karei Campers, vreezende dat die beweging en dit gerucht den zieke mochten schaden, riep hen tot bedaren en verzocht hen, weder in stilte op hunne stoelen te gaan zitten.
Eenigen tijd daarna was het buiten tamelijk klaar
138 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
geworden; de zon zou niet lang meer onder den gezichteinder verborgen blijven.
Stina en hare moeder verlieten zonder spreken de kamer.
\\Veder beproefde Karei den duivel te doen drinken ; maar, of bij den zieke die sprankel van gevoel reeds Avas uitgedoofd en of hij geen drank behoefde, hij roerde niet en het vocht bleef hem in den mond.
Nu opende het meisje de deur en wenkte Karei naar buiten. In de keuken zeide zij hem :
« O, mijnheer Campers, hoe zouden twee diep ongelukkige vrouwen u hunne dankbaarheid kunnen uitdrukken! Gij kent ons niet en hebt waarschijnlijk van ons nooit iets anders hooren zeggen dan kwaad... en gij toont u jegens ons edelmoediger dan een goede liefderijke broeder. Wees gezegend in naam mijner moeder; en indien mijn arme vader ons behouden blijft, zal hij insgelijks u zegenen, u, die bij zijn hoofdeinde als een engelbewaarder hebt gewaakt... Maar nu, mijnheer, moet gij ons verlaten. »
« U verlaten? »
« De dag breekt aan; mijne moeder heeft berekend, dat gij dezen nacht meer dan vier uren wegs dooide duisternis hebt afgelegd. Gij hebt rust noodig. De dokter en de pastoor zullen haast komen; tot dan kunnen wij zonder hulp blijven. Wees goed en redelijk : volg den raad mijner moeder. »
De vrouw door hare gebaren voegde hare bede bij het aandringen harer dochter.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH iSg
(i Welaan, het zij zoo » antwoordde Karei Campers, zichtbaar tegen dank. « Ik zal naar Halderghem gaan; ik heb daar inderdaad zekere gewichtige dingen te bezorgen; maar zoohaast het mij mogelijk is, keer ik hier terug. Wat ik gedaan heb en nog wil doen, acht gij een werk van christelijke liefde. Het is zoo, en ik zal het niet onvolvoerd laten... Verwacht mij dus nog dezen morgen. Laat ons hopen, vast hopen. Ondanks onze bedruktheid, is er iets in mij dat mij geluk voorspelt. O, moge het eene inspraak des hemels zijn ! »
« Waar hebben wij toch zulke genegenheid van u verdiend, mijnheer? » zuchtte het meisje.
« Ja, dat weet ik zelf niet, kind-lief. Ik heb mij ingebeeld dat gij ongelukkig zijt bovenmate, en mijn hart doet geweld om mijn medelijden tot op de hoogte uwer smart te heften; Dit zal het raadselwoord mijner innige deelneming zijn. Nu, vaarwel, tot wederziens. » En met eenen gullen handdruk voor beiden, verliet hij des duivels huisje en sprong vooruit door heide en bramen.
I40 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
VII
Het was ongeveer negen uren des morgens, toen Karei Campers, met eenen tamelijk zwaren korf aan den arm, uit het bosch op de vlakke heide trad.
Een heldere glimlach straalde op zijn gelaat : hij had den dokter ontmoet, en deze had hem gezegd dat er waarlijk eene zichtbare beternis in den toestand des zieken was gekomen. Wel toonde deze geen het minste teeken van bewustheid en verkeerde hij nog voortdurend in den gevaarlijksten toestand, maar zijn polsslag was min neergedrukt en zijn adem vrijer. Veel hoop toch mocht men nog niet koesteren : de minste verwikkeling kon den zwakken levensdraad des duivels breken.
Op anderen dan Karei zouden deze twijfelachtige woorden ontmoedigend gewerkt hebben; maar het was voor zijn vertrouwend hart genoeg, dat eene enkele vonk in den somberen nacht der vertwijfeling kwatne glinsteren, om hem het beste te doen hopen.
Hij mompelde blijde woorden en maakte gebaren alsof hij tot iemand sprak. Onder den invloed zijner overwegingen stak hij de hand in zijnen korf, trok er
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 141
eene flesch uit, die met een rood vocht was gevuld, en zeide tot zich zeiven :
« Dat zal den zieke deugd doen! Altijd dit harde heidewater te drinken, het is niet goed : de dokter bekent het zelf..... En Christina en hare moeder, God weet! hebben zij nog wel iets te eten, iets dat waarlijk, tusschen al dit uitputtend lijden, hunne krachten kan
steunen......Nu zal de duivel in langen tijd niet naar
de stad kunnen rijden. Deze arme lieden zullen dus niets winnen. Ik zou hun gaarne eenig\'geld geven; maar zij zullen het van mij niet willen aanvaarden, daar ben ik zeker van. Hoe mijn doel evenwel bereikt? Hen bedriegen? Maar ik kan niet anders handelen. Eene logen om beterswil is toch geen groot kwaad. Indien de notaris hun geld aanbood, zouden zij het niet durven weigeren. Welaan, in zijnen naam zal ik spreken.... Zij zijn hooghartig in hunne ellende. Niet altijd kunnen zij zoo arm geweest zijn. Hunne taal, hunne manieren, hunne fierheid, alles zegt mij dat zij tot eene andere klas dan den boerenstand moeten behoord hebben. Toen Christina gisteren, in naam harer moeder, mij voor mijne behulpzaamheid-wilde danken, bezigde zij woorden die niet uit den mond van ongeleerde lieden gehoord worden. Zij kan lezen, zij is beleefd; er is iets keurigs, iets fijns in al wat zij zegt of doet. Die geheimen, die geheimen, ik
wil er niet aan denken..... Het zal mijnen vriend
Verdonck bedroeven, wanneer hij, door mijnen brie! van dezen morgen, verneemt dat ik zijn Ibruiloftsfeest niet zal bijwonen; maar ik kan toch den armen duivel
142 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en zijn bedrukt huisgezin niet verlaten, om te Antwerpen te gaan lachen en zingen.....Ha, daar ginder
komt Christina mij te gemoet. Zij glimlacht! Zou zij mij eene blijde tijding te melden hebben? »
« Welnu, Stina, hoe gaat het uwen vader? » vroeg hij, toen het meisje hem genaderd was.
« Beter, veel beter! » juichte zij. « Mijnheer de pastoor is eerst gekomen en heeft gezegd, dat wij alle redenen hebben om op mijns vaders genezing te hopen. Minder aanmoedigend waren des dokters woorden; maar evenwel was er insgelijks, volgens zijn gevoelen, eenige beternis. »
« Ik heb den dokter ontmoet, » bevestigde Karei, « mij zeide hij dat het grootste gevaar voorbij is; maar gij begrijpt, Stina, dat een dokter, die verantwoordelijk blijft voor al wat er kan gebeuren, altoos vreest dat de lieden te veel hoop uit zijne woorden zouden putten. Wat ons echter moet verblijden, is de zekerheid dat uw vader beter is dan gisteren. Gaat het zoo voort, dan zal hij onfeilbaar genezen. »
« Ja, laat het ons hopen, mijnheer. »
quot; « Heeft hij, na mijn vertrek van dezen morgen, nog zichtbaar gedronken? »
« Nog tweemaal. Hij verroert nu en dan de vingeren en trekt zijne voeten op ; maar zijne oogen blijven nog altoos gesloten en hij hoort niet. »
« Uwe moeder is zeker uit hare doodsche wanhoop opgestaan ? »
« Ach, neen, mijnheer, » antwoordde het meisje met eenen diepen zucht. « Zij weigert aan de troos-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 143
tende verzekeringen des pastoors en des dokters te gelooven, en meent dat men ons uit medelijden poogt te bedriegen. Zij houdt niet op van weenen, in de afwachting van het schrikkelijkst ongeluk. Daarom ben ik nu tot u gekomen, om u te smeeken mijne arme moeder wat moed te geven. Zeg haar dat mijn vader zal genezen : u zal zij gelooven. »
« Maar, Stina, » mompelde de jongeling verwonderd, « gij wilt dat ik tot uwe moeder spreke? Zij is doof. »
« Aan uwe gebaren, aan de beweging uwer lippen zal zij begrijpen wat gij wilt zeggen. »
« Welaan ik zal het beproeven. Haasten wij ons nu. »
In het huisje tredende, zag hij de immer diep bedrukte vrouw in de keuken zitten, op zulke wijze dat zij, door de openstaande deur der kamer, den zieke kon gadeslaan. Hare oogen waren ontstoken en rood van tranen; zij was even bleek als haar lijdende echtgenoot.
Karei Campers zette zijnen korf op de tafel, ging in de kamer, beschouwde eene wijl des duivels aangezicht en keerde daarop in de keuken weder.
Met vele gebaren zeide hij tot Christina\'s moeder :
« Vrouw, gij hebt groot ongelijk, zoo in de wanhoop te willen bedolven blijven. Gisteren waren wij in afwachting van eenen noodlottigen slag : uw arme man kon alle oogenblikken sterven. Nu is ten minste dit schrikwekkend gevaar voorbij..... Ik heb met den
144 de duivel uit het slangenbosch
dokter gesproken; hij verzekerde mij, dat er eene groote beternis in den toestand van den zieke op te merken is. Daarenboven, waarom verwerpt gij de getuigenis uwer eigene oogen? Gisteren was er noch gevoel noch leven aan hem te bespeuren. Nu drinkt hij zichtbaar en verroert zijne leden; hij ademt met rustige kracht. Zijn dit altemaal geene onmiskenbare teekens van beterschap? Kom, laat de hoop in uw hart dalen; heb volle vertrouwen en wees vast overtuigd dat uw man zal genezen. »
De vrouw staarde hem aan met eene uitdrukking van dankbaarheid; doch liet tevens door een treurig hoofdschudden vermoeden, dat zij of wel hem niet had begrepen of wel weigerde eenig geloof aan zijne troostrijke woorden te verleenen.
Karei Campers erkende dat zijne pogingen voor alsdan vruchteloos zouden blijven. Hij naderde tot de tafel en begon zijnen korf uit te pakken.
« Kent gij Judoca Peperlinck, de dochter uit de Zon? » vroeg hij aan Christina, die nevens hem stond.
« Ik heb nooit met haar gesproken; doch ken ze wel, » antwoordde het meisje.
« Zie, dit is een groot tarwebrood, dat ze mij voor u heeft medegegeven. Zij is niet boos op u, zooals vele anderen. Toen ik haar zeide in welken schrikke-lijken toestand gij hier verkeert, sprongen er tranen van medelijden uit hare oogen. »
Bij het gezicht van het brood scheen de vrouw
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 145
pijnlijk aangedaan; zij betuigde door hare gebaren dat zij dit geschenk, hetwelk zij als eene aalmoes aanzag, niet wilde aanvaarden.
« Ik weet wel dat de vriendschap der lieden u hindert en bedroeft, » morde Karei half spijtig, « maar ditmaal toch zult gij de liefderijke gift der goede Judoca niet verstoeten, »
« Wij hebben nog brood genoeg, mijnheer. Zie, daar op de kas ligt het, » zeide het meisje.
« Tot het einde der week misschien. En daarenboven, Stina, wie weet, of uw vader binnen een paar dagen niet zal beginnen te eten. Dit bruin, zwaar brood zou hem schadelijk zijn. In alle geval, het zachte tarwebrood blijft hier, gij moogt er dan
al of niet gebruik van maken..... Nu, wat anders,
dat mij aangaat : eene flesch bessensap, een paar citroenen en een pak broodsuiker. Dit is voor onzen armen zieke; het zal hem beter verkwikken dan altoos klaar water..... Ik heb ook nog eene boodschap van mijnen meester, den notaris. Deze goedhartige man, die grootelijks begaan is met uwen droeven toestand, heeft overwogen dat gij nu, in vele weken misschien, niet naar de stad zult kunnen rijden en dus niets zult winnen. Gij zult u evenwel gedwongen zien, in het dorp dingen te koopen, welke u tot voedsel of tot verpleging van uwen vader noodzakelijk zijn. Mijn meester heeft mij daarom gelast, u deze som van dertig frank ter hand te stellen, als gift of als leening, zooals het u zal believen ze te aanvaarden. »
I46 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
En bij het uitspreken dezer woorden, legde hij zes vijffrankstukken op de tafel.
De vrouwen staarden verschrikt en ontmoedigd op het geld.
« Ja, gij moogt het mij niet ten kwade duiden, » zeide Karei, » ik vervul slechts eene boodschap van M. Trappeneels. »
« Maar wij behoeven geen geld, » mompelde Christina. « Zoo arm zijn wij niet, dat wij tegen eenen onverwachten nood niet eenige hulpmiddelen zouden gespaard hebben. »
« Weigert gij dan dit bewijs van belangstelling, u door mijnen meester gegeven? »
« O, neen, neen! » zuchtte het meisje. « Van M. Trappeneels, onzen edelmoedigen beschermer, moet alles ons welkom zijn. Hij weze gezegend in naam mijns vaders. »
« Genoeg daarover! » riep de jongeling, om het welgelukken zijner poging verblijd. » Komt nu, wij zullen het bessensap eens gaan beproeven; weinig om te beginnen : eenen enkelen lepel slechts. »
De vrouwen volgden hem in de kamer; hij vulde een glas half met water en stortte daarin, met eene greep suiker, een gedeelte van den inhoud der flesch. Van dit mengsel eenen lepel vol voor den mond des duivels brengende, hief hij hem zeer voorzichtig het hoofd een weinig op. Christina en hare moeder hielden met angstige nieuwsgierigheid den blik op de hand des jongelings gevestigd.
Eerst scheen de zieke geheel zonder gevoel; maar
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH 147
niet zoohaast had het zerpzoete vocht zijne smaak-tuigen aangedaan, of hij slorpte zichtbaar den ver-frisschenden drank in, en roerde de lippen met zekere zenuwachtige kracht, welke scheen te betuigen dat zijn dorst nog niet geheel was gelescht.
« Ja, ja, gulzigaard, » mompelde Karei op vroo-lijken toon, « ik zie wel dat het u goed doet en gij meer verlangt. Nog eenen halven lepel zal ik u
geven..... Zoo, rust nu weder; straks krijgt gij
nog wat. »
« Welnu, wat zegt gij daarvan? » vroeg hij door teekens aan Christina\'s moeder, die, verbaasd en bevend, de zichtbare ontwaking des levens in haren man had gadegeslagen.
De vrouw hief tot alle antwoord de handen dankend in de hoogte; het meisje vaagde tranen van blijdschap uit hare oogen.
« Nu maar hoopvol gewacht, totdat de zieke weder dorst krijgt, » zeide Karei. « Gij zult het zien : dit bessensap is zoo goed voor zieke menschen! Het is eten en drinken terzelfdertijd en het verkwikt wonderlijk. Laat ons nu weder zwijgen; de dokter heeft alle gerucht verboden. »
Na tamelijk langen tijd stil te zijn gebleven, meende Karei te bespeuren, dat de duivel zijne leden poogde te verroeren als iemand die pijn voelt. Met ingehouden stem zeide hij tot het meisje ;
« Het is bijna vier en twintig uren, dat de arme zieke in dezelfde houding ligt en zijn kussen is, . geloof ik, nog niet eens opgeschud. Dit moet uiterst
148 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
ongemakkelijk zijn. Kom, Stina, help mij; ik zal hem het hoofd voorzichtig oplichten; schik gij het
kussen wat beter. Haastig!..... Zoo is het wel;
dit zal hem deugd doen. Geef mij nu den lepel.....
Zie hoe gretig hij het zoete sap inzwelgt : men zou zeggen dat hij goed weet wat hij doet. Lang mij nu ook eenen zuiveren handdoek en doop dien in het koele water. Ik wil zijn aangezicht wasschen en verfrisschen. »
Inderdaad, hij waschte het voorhoofd en de wangen des duivels, even voorzichtig en zachtjes als hadde hij een slapend kind verpleegd; intusschen murmelde hij aan het oor des zieken troostende woorden, welke deze zeker niet kon hooren; maar die het medelijdend hart des jongelings lucht gaven.
Eensklaps slaakte Karei een gil van blijde verbaasdheid. Daar had de zieke de oogen wijd geopend! Nog was zijn blik glasachtig en weifelend; maar evenras ontvonkte er als eene genster van bewustheid in zijnen oogappel.
Zijne echtgenoote, schier bezwijkend van ontsteltenis, beefde in al hare leden en ademde niet meer... O, hemel, nu keerde hij zijnen blik ter kamer in en scheen iets of iemand te zoeken... Zij, de trouwe gezellin zijns levens, was het voorwerp zijner eerste gedachte; ja, want toen hij haar had gevonden en herkend, deed hij zichtbaar geweld om zijne lippen tot eenen zoeten glimlach te plooien.
De diepgeschokte vrouw verloor bij dit bewijs .
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zijner liefde alle meesterschap over zich zelve. Zij hief de armen ten hemel en riep uit ;
« O, mon Dieu, mon Dieu, sois béni! »
« Pauvre mère qu\'as-tu fait? malheur, malheur! » zuchtte het meisje, terwijl beiden, als verpletterd en van schrik bezwijkend, op hunne stoelen nederzakten.
Karei Campers staarde de ontstelde vrouwen met verbaasdheid aan. De echtgenoote des duivels, tot dan doofstom, had gesproken! Was het de overmatige ontroering, die haar dus het spraakvermogen had teruggeschonken? of had zij zich tot alsdan doof en stom geveinsd? Zij sprak Fransch en Christina insgelijks! Wat had dit te beduiden? Daarin lag ongetwijfeld een der geheimen, waardoor het leven dezer menschen was beheerscht. Nu was het evenwel de tijd niet om daaraan te denken; in alle geval, Karei had wel vast voor zich zeiven besloten, deze geheimen te eerbiedigen.
Hij keerde zich dus opnieuw tot den zieke, met de hoop nog bewijzen van ontwaking en beternis in hem te verrassen; maar de arme duivel, uitgeput door de overspanning zijner zwakke krachten, had weder de oogen gesloten en lag als gevoelloos ineengezakt, terwijl zenuwachtige sidderingen over zijne wangen liepen.
De jongeling was overtuigd dat zulke ontroeringen hem kwaad konden doen. Hij hoorde daarenboven de vrouw pijnlijk snikken en zag hoe Christina vruchteloos alle moeite inspande, om hare
149-
l5o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
diep verschrikte moeder te bedaren en te troosten.
« Laat ons uit de kamer gaan, » zeide hij. « De zieke moet rusten. Nu, komt, ik wil het! »
Zij stonden op en volgden hem. In de keuken morde hij, half spijtig :
« Maar wat zonderlinge menschen zijt gij toch? Ik begrijp u niet. Daar opent onze arme zieke de oogen en herkent u. Het is de grootste genade, die God u op dezen stond kan bewijzen... en gij weent, en gij zijt wanhopig! »
De vrouw liet zich voor zijne voeten op de knieën zakken, greep zijne hand, bevochtigde ze met hare tranen, en sprak tot hem in de Fransche taal :
« O, mijnheer, wees barmhartig voor mij! Maak ons niet honderdmaal ongelukkiger dan wij nu zijn! »
« Ik u ongelukkiger maken? » herhaalde Karei eveneens in het Fransch. « Maar, vrouw, uwe ontstelde zinnen doen u dwalen. Kom, sta op. Om uwe smart te lenigen, zou ik mij zelfs de hoogste opofferingen getroosten. Gij weet het immers wel... en gij gelooft mij niettemin bekwaam om u, wetens en willens, een groot verdriet aan te doen? »
« Eilaas, mijnheer, » antwoordde de vrouw snikkende, « wij zijn rampzalige menschen. Het kan uwer aandacht niet ontsnapt zijn, dat wij gebogen gaan onder het gewicht van noodlottige geheimen. »
« Inderdaad, uw man heeft het mij reeds gezegd; maar ik wil die geheimen niet kennen. »
« Een dezer geheimen hebt gij verrast. O, ik smeek
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l5l
u met gevouwen handen, wees edelmoedig, verraad mij niet! »
« Bedaar, arme vrouw. Men gelooft u doofstom, en ik heb u hooren spreken. Is dit het ongeluk, dat u zoo diep verschrikt? Verban alle vrees : denk dat ik niets heb gehoord. »
« Slechts twee personen op aarde kennen dit geheim, mijnheer. Onze goede pastoor heeft het in de biecht vernomen, en aan u heeft de kreet van mijn scheurend hart het verraden. Ons leven hangt af van het behoud onzer geheimen. Gij, goede heer Campers, die zoo edelmoedig zijt, zult ons niet in doodsgevaar willen brengen! »
« Neen, neen, spreek daar niet meer van. Ik beloof u, dat geen mensch er ooit iets zal van weten. »
« O, heb dank, duizendmaal dank! Maar mijnen man moet dit ongeluk insgelijks verborgen blijven, ten minste zoolang hij niet is genezen. Vernam ot verdacht hij het vroeger, hij zou van wanhoop kunnen sterven. »
« Vergeten zal ik wat er is gebeurd, vrouw; geheel vergeten. »
ei Ik heb trouw in uwe belofte, mijnheer. Alleen met u zijnde, zal ik nu en dan ter vlucht een woord kunnen spreken; maar in tegenwoordigheid van alle anderen, ook bij het bed van mijnen man, ben ik weder stom geworden. Ik smeek u, vergeet dit niet!... Laat mij nu weder bij onzen armen zieke gaan; hij heeft mij herkend, hij zal met zijne oogcn naar mij zoeken. »
152 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Ik geloof dat hij slaapt. Ga evenwel tot hem, maar hou u stil, ik bid u. »
Toen de vrouw in de kamer was gegaan, zeide Christina met ingehouden stem tot den jongeling :
« O, mijnheer, heb deernis met ons; laat niemand, niemand ter wereld verdenken dat gij mijne moeder hebt hooren spreken! Het leven mijns vaders hangt er van af. »
« Wat kan ik meer beloven, dan dat ik het zelfs voor mijnen goeden meester, den notaris, zal verborgen houden? Wees over deze zaak niet langer bekommerd en stel uwe moeder geheel gerust. Mijn woord zal ik houden, twijfel daar niet aan ; ik ben een ernstiger man dan gij meent... Mag ik met u niet eenige woorden daarover wisselen? »
« Met mij? Zeker, mijnheer, indien gij mij geene vragen doet, waarop ik niet mag antwoorden. »
« Gebeurde dit bij geval, gij zoudt mij verwittigen; het ware voldoende... Wat mij in deze zaak verwondert, Stina, is niet uwe moeder eene vreemde taal te hooren spreken. Met te denken dat zij in het Walenland is geboren, wordt dit verklaard.., »
« Mijne moeder spreekt ook Vlaamsch; het is haar evenwel wat moeilijk. »
« Maar dat gij, Stina, die, aan uwe spraak te hooren, in deze streek zijt geboren en opgevoed, daarbij zoo zuiver Fransch spreekt, dit is voor mij een onuitlegbaar raadsel. Gij leest in uw gebedenboek. Kunt gij schrijven? »
« Zeker kan ik schrijven, mijnheer, a
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Ook in het Fransch? »
« Ja, en in het Vlaamsch. »
« Maar gij gingt ongetwijfeld nooit ter school. Waar hebt gij dit geleerd? In het Slangenbosch toch niet? » « Het is zeer eenvoudig, mijnheer. Mijn vader en mijne moeder zijn beiden geleerd; ze beminnen mij, hun eenig kind, met eene grenzenlooze teederheid. Konden ze mij onwetend laten? Schonk ons eenzaam leven in het Slangenbosch hun niet ten overvloede ledige uren om mij te onderwijzen? Zij hebben mij al geleerd wat zij zeiven weten... Stel mij daarover, ik bid u, geene andere vragen; ik mag u niets verders zeggen. »
« Gij bezit dus boeken, Stina? »
« Daar in die kas liggen ze. »
« Zou ik ze mogen zien? »
Het meisje stond op, en bracht eenige boekdeelen op de tafel.
Ze een voor een bezichtigende, murmelde Karei : « Niet slecht gekozen, inderdaad. Het Masker van de wereld, Grammaire frangaise, Rosa van Tanneburg, Robinson Crusoë, Godgewijde gezangen. Fables de La Fontaine, Jon-
gelings droomen..... Nevens den kindervriend
Kanunnik Schmid, eenige namen onzer gevoeligste dichters : mevr. Van Ackere, Ledeganck, Van Rijs-
wijck. Van Beers..... En gij leest deze boeken met
vermaak? »
« Ik kan ze, om zoo te zeggen, allen van buiten, mijnheer. »
l53
i54 de duivel uit het slangenbosch
« Het is te begrijpen. Ik insgelijks ben zoo wat liefhebber van gedichten, en heb juist ten mijnent vier of vijf boekdeelen met schoone verzen, onder anderen van Tollens, Helmers en Dautzenberg. Deze zal ik u leenen. Zoo zult gij, terwijl uw vader allengs geneest, iets hebben om uwen geest te verstrooien; en wij zullen nu en dan er te zamen over spreken. »
« O! M. Campers, zooveel goedheid! » juichte Christina, den jongeling dankbaar in de oogen starende. « Wat gij mij aanbiedt, is een geluk waarnaar mijn hart sedert zoolang verzucht! »
« Natuurlijk, Stina; de mensch, in zijne jonge jaren vooral, leeft niet van brood en vleesch alleen ; zijne ziel behoeft insgelijks voedsel en
hongert naar verhevener aandoeningen..... »
« Daar, mijne moeder roept ons! »
Zij gingen beiden in de kamer, waar de vrouw, van blijdschap bevende, hun toonde dat de zieke weder de oogen had geopend. Of hij wel tot bewustheid was gekomen, dit scheen nog twijfelachtig, ofschoon zijn flauwe, benevelde blik hen scheen te zoeken en te herkennen.
Karei bood hem weder eenen lepel van den ver-frisschenden koeldrank aan; en toen hij, tot aller vreugde, met zichtbaar genot had gedronken, zeide de jongeling aan zijn oor :
« Sluit nu maar weder de oogen en hou u stil; gij moet rustig blijven en moogt uwe hersens niet vermoeien. Heb evenwel goeden moed ; gij zult
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
genezen, spoedig genezen, wees daar zeker van.....
Ik ben verplicht u straks te verlaten; maar hier blijven uwe vrouw en uw kind, die met de vurigste liefde over u waken. Ik zal tot den dokter gaan en hem zeggen, dat gij zoo klaarblijkend bekomt; onge-twijfeld zal hij mij iets medegeven om uwe herstelling nog te bespoedigen. »
Hij greep de hand des duivels; deze door zijnen warmen druk als door eene electrische kracht getroffen, opende nog eens de oogen en blikte hem strak aan.
« Nu, nu, houd u stil, het zal nog beter gaan dan wij meenen, » murmelde Karei ontroerd. « Gij zijt verwonderd mij hier bij uw hoofdeinde te zien, niet waar? mij, een vreemdeling, die u zoo plechtig beloofde, nooit meer in het Slangenbosch te komen? Maar heb betrouwen in mij, als ware ik uw eigen zoon. Wat ik hier verneem of kan vernemen, blijft in mijn hart verborgen als in een verzegeld graf. »
En zich tot de vrouwen wendende, zeide hij ;
« Geef onzen zieke van tijd tot tijd wat drinken en verfrischt zijn voorhoofd met eenen natten doek; hij heeft het gaarne, geloof ik ; maar vermoei hem
niet : rust is voor hem de beste medicijn..... En
wat u betreft, laat mij u doen opmerken, dat gij zonder slapen evenmin gezond kunt blijven. Gaat na den middag beurtelings te bed, voor eenige uren, zoo zult gij sterk zijn tegen het nachtelijk waken. Nu zeg ik u vaarwel tot den avond. Ik moet naar Halderghem om op het kantoor van den notaris
i55
156 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
werkzaam te zijn; want ik wil geen misbruik van mijns meesters goedheid maken. Dus tot dezen
avond..... met de blijde verwachting dat onze zieke
alsdan nog veel beter zal zijn. »
De vrouw volgde hem tot op de heide : « O, mijnheer, » zeide zij, » uwe edelmoedigheid maakt mij beschaamd. Wat ware er van ons geworden, arme, verlatene vrouwen, zonder uwe hulp, zonder uwe aanmoedigende woorden, zoo almachtig om ongelukkigen te troosten. Gij spoort ons aan om in de rust krachten tegen de vermoeidheid te zoeken; maar gij, die dezen nacht u zoo overmatig hebt afgemat, gij vergeet u zeiven. » « Bah, bah, ik ben sterk, ik hoef nog niet te slapen. Laat u dit niet bekommeren, vrouw. Nu ik de overtuiging heb dat uw man zal genezen, gevoel ik mij zoo licht van geest en leden, dat ik waarlijk lust heb om te dansen en te zingen. Vaarwel, vaarwel! » En hij liep, met vroolijke gebaren en krachtige sprongen tusschen het hooge heidekruid naar den kant, waar de opening in het verre bosch hem den Aveg naar Halderghem aanwees.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l57
VIII
Gedurende de volgende dagen, ging Karei eiken morgen en eiken avond naar het Slangenbosch en sleet daar een paar uren bij het bed van den duivel, in gezelschap van Christina en hare moeder. De toestand van den zieke beterde voortdurend, doch zeer langzaam. Op het einde der eerste week, kon hij reeds nu en dan de oogen eenigen tijd geopend houden, en toonde door zijne blikken dat de bewustheid in hem wederkeerde; maar zulke spanning der aandacht vermoeide hem zichtbaar, en hij kon nog geene verstaanbare klanken uitbrengen. Zijne hersens moesten door den ergen val fel geschokt zijn; waarschijnlijker nog was het echter, dat hij inwendige wonden had ontvangen, waarvan de genezing niet zoo spoedig mocht worden verwacht.
Karei folterde zich den geest om dingen uit te denken, welke den zieke aangenaam of voordeelig konden zijn; en, hetzij hij ze van den dokter of den notaris bekwam of ze in het dorp kocht, hij droeg allerlei medicijnen, vruchten, ververschingen of lekkernijen naar het bosch, om den duivel daarmede te helpen of te verblijden. Hij verpleegde den
158 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
lijdenden man met kinderlijke zorg, voedde hem met eigene handen, troostte hem en poogde hem moed in te spreken.
De edelmoedige jongeling schiep vermaak in zijn liefdewerk, en dewijl hij nu voor vast geloofde dat de duivel zou genezen, had hij geheel zijne welgemoedheid terugbekomen en gelukte het hem grooten-deels, de arme vrouwen zijne troostende overtuiging mede te deelen en hen nu en dan door zijne vroolijke gezegden te doen glimlachen.
Ook bedroefde het hen telkens, het oogenblik te zien naderen, waarop hij afscheid van hen moest nemen om naar het dorp terug te keeren. Zelfs de zieke scheen daarover zijne treurnis te betuigen.
Inderdaad, nauwelijks had Karei het huisje verlaten, of het werd er duister en overvielen kommer en bezorgdheid de vrouwen weder, niet slechts aangaande de ziekte des vaders, maar veel meer nog aangaande den dreigenden toestand, waarin die ramp hen had gebracht. Zij schrikten bij de gedachte, dat het hun voortaan wellicht onmogelijk zou worden de geheimen te bewaren, waarvan het geluk en hun leven afhingen. Had niet Christina zich reeds tweemaal gedwongen gezien naar het dorp te gaan, om daar onmisbare winkelwaar te halen?
Maar met de komst van Karei Campers-werd het weder licht in de eenzame woning; zijn opwekkend woord, zijn grenzenloos geloof, zijne vroolijke gestemdheid overwonnen hunnen kommer en openden opnieuw in hen de bronnen van moed en vertrouwen.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l5g
Op het einde der tweede week vorderde de beternis van den zieke met merkelijken spoed; hij kon alsdan reeds duidelijk spreken, en had, met Kareis hulp, zich in zijn bed opgericht en een paar uren tegen kussens gezeten, iets dat hem wonderlijk had verkwikt.
Evenwel naarmate bewustheid en kracht in hem terugkeerden, zonk er eene pijnlijke beangstheid hem in het hart. — Hij poogde in Kareis afwezigheid aan zijne vrouw te doen begrijpen, hoe diep het hem verontrustte dus dagelijks eenen vreemdeling in hunne woning te zien. Maar waarschijnlijk slaagde zijne echtgenoote er voor alsdan nog in, hem te overtuigen, dat zij des jongelings hulp niet konden ontberen, en daarenboven van hem geene onbescheidenheid hadden te vreezen; misschien bracht de diepe dankbaarheid des zieken voor zijnen milden verpleger nog het meest bij, om hem zijne ver-schriktheid te doen onderdrukken. Althans hij liet, in tegenwoordigheid van Karei Campers, niets van zijn wantrouwen blijken.
De jongeling had de beloofde boeken medegebracht, en dewijl Christina in weinige dagen ze bijna geheel had gelezen, konden ze nu, bij het bed des zieken vaders, te zamen over den inhoud kouten. Het verwonderde Karei ten hoogste in het anders zeer eenvoudige meisje, zooveel geestes-klaarheid en zooveel waren kunstzin te ontmoeten, en hij liet niet na, waar hij er gelegenheid toe vond, haar oordeel te bevestigen en zijne goedkeuring uit
l6o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
te drukken. Christina moest diep gevoelig zijn aan den lof, haar dus in tegenwoordigheid haars vaders door den jongeling toegezwaaid; want gedurende deze samenspraken glinsterden hare oogen van fierheid en geluk.
De duivel bespeurde de opgewondenheid zijner dochter niet zonder wantrouwen; evenwel de losse openhartigheid, de onbedwongenheid waarmede zij hare zielsvreugde uitstortte, lieten hem niet toe te denken, dat hare geestdrift eene andere bron kon hebben dan de trotschheid, aan M. Campers te mogen bewijzen dat zij, ofschoon in het Slangenbosch opgevoed, niet zonder onderwijs was gebleven.
Eene week later nog, was des duivels herstelling tot zooverre gevorderd, dat, na eenen zeer verkwikkenden nacht, Karei hem durfde voorstellen, het bed te verlaten en te beproeven, of het hem geen goed zou doen, eenige oogenblikken onder de zoete stralen der morgenzon te zitten.
De jongeling trok hem zijne kleederen aan, hielp hem met groote voorzichtigheid van het bed en leidde hem naar buiten op de bank.
Eerst hadden de vrouwen zich tegen deze, volgens hen, gevaarlijke proef verzet; maar Karei, immer vol moed, had geene acht op hunne tegenwerpingen gegeven. Nu zij den zieke, met oogen die van blijdschap glinsterden, het koesterende licht zagen toelachen, stonden zij als verrukt op hem te staren en dankten innerlijk den hemel om zijne genade.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l6l
Intusschen sprak Karei begeesterde woorden over de frischheid der zoele morgenlucht, over de schoonheid der natuur en over het geluk dat \'s menschen-hart, bij het opstaan uit eene zware ziekte, overstroomt evenals wierde men tot een nieuw leven herboren.
Maar de duivel was nog te zwak om lang den indruk der scherpe heidelucht te verdragen. Hij scheen welhaast onbekwaam tot aandacht; het hoofd zonk hem op de borst, zijne oogen vielen toe en hij werd zichtbaar slaperig.
« Genoeg voor vandaag! » morde Karei, eenigs-zins bekommerd. « Wij mogen niet te vermetel zijn. Morgen zal het reeds beter gaan. Kom, mijnheer, geef mij den arm, ik zal u weder naar bed leiden. Eiken dag wat langer; zoo zult gij, op het einde dezer week, gedurende uren, in de zon kunnen zitten. Nu valt de open lucht u nog wat zwaar; laat u dit echter niet verontrusten; zoo gaat het altoos wanneer men zeer ziek is geweest. »
Toen hij den duivel te bed had geholpen, scheen deze onmiddellijk onder de afgematheid te bezwijken, en viel in eenen zwaren slaap.....
Allen hielden met angstig hart den blik op hem gevestigd. Karei Campers, ofschoon voor hem het uur om naar Halderghem terug te keeren reeds was verstreken, kon het niet op zich zeiven verkrijgen, den zieke en zijne kommervolle huisgenooten in dien twijfelachtigen toestand te verlaten.
Maar na gedurende drie kwartier bewegingloos te
102 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zijn gebleven, opende de duivel weder de oogen en betuigde, tot groote vreugd der zijnen, dat het zitten onder de opene lucht hem wel had vermoeid, doch hem geen kwaad had gedaan. Integendeel, hem dacht dat hij nog nooit zoo zacht en zoo verkwikkend had geslapen. Hij wilde, van morgen af, den raad van M. Campers volgen en eiken dag, al ware het slechts gedurende eenige minuten, de zonnestralen genieten.
Karei wenschte hun daarop vaarwel tot na den middag, en drukte daarbij de hoop uit, dat het hem mogelijk zou zijn, het kantoor wat vroeger te verlaten. Hij zou zich haasten naar het Slangenbosch te komen, nieuwsgierig als hij was om den invloed af te meten, welken dit eerste buitengaan wezenlijk op den toestand van den zieke zou hebben uitgeoefend.
Toen hij dien morgen, veel later dan naar gewoonte, op zijn kantoor trad, vernam hij dat de notaris, na meer dan een uur op hem te hebben gewacht, met een zwaar pak papieren onder den arm, was uitgegaan en waarschijnlijk niet voor den middag zou wederkeeren.
Dit verontrustte Karei ten hoogste. Niet dat hij van wege zijnen toegevenden meester scherpe verwijtingen vreesde; maar het deed hem innerlijk leed, afwezig te zijn geweest op het oogenblik dat M. Trappeneels zijnen dienst behoefde, en hem misschien daardoor te hebben bedroefd of in verlegenheid te hebben gebracht.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l63
Na den noen op het kantoor terugkeerende, vernam hij van den knecht, dat M. Trappeneels reeds de tafel had verlaten en nu in het kabinet zich onledig hield met zijne dagbladen te lezen.
Karei wachtte nog eenigen tijd en begaf zich dan bij zijnen meester.
« Heer notaris, » zeide hij, « gij hebt dezen morgen vruchteloos naar mij gewacht. Het spijt mij diep en ik kom u nederig om verschooning bidden. » « Bah, het is niets, » kreeg hij tot antwoord, « ik heb gedacht dat gij u wat lang in het Slangenbosch had laten ophouden, n « Inderdaad, mijnheer. »
« Is de toestand des duivels verergerd misschien ? » « Neen, mijnheer, het gaat integendeel veel beter met hem. Dezen morgen is hij zelfs opgestaan en heeft wel gedurende een kwartier in de zon gezeten. De indruk der opene lucht was hem evenwel te sterk en hij viel van vermoeidheid in slaap. Ik Avas bekommerd over de gevolgen dezer eerste proefneming, en ben aan zijne zijde gebleven tot wij de verzekering hadden bekomen, dat het hem geen kwaad had
gedaan..... maar hadde ik kunnen vermoeden,
mijnheer, dat gij hier mijnen dienst behoefdet, ik zou mij zeker niet blootgesteld hebben aan het gevaar van u te mishagen. »
« Nu denk daar niet meer aan. »
lt;( Gij vergeeft het mij dus? »
« Wel zeker; indien uwe afwezigheid mij stof tot nadenken had gegeven, het ware in alle geval niet
164 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
geweest om de reden welke u schijnt te verontrusten; want ben ik het niet, die u heb aangespoord om den duivel en zijn huisgezin zooveel mogelijk te helpen?... Kom, neem eenen stoel en zit neder. Vermits gij nu zelf mij de gelegenheid ertoe aanbiedt, wil ik met u een vertrouwelijk onderhoud hebben, om — indien het verdenken waarover de lieden in het dorp praten, gegrond kon zijn, — u in tijds te waarschuwen en u
tegen groote onaangenaamheden te behoeden.....Zeg
mij eens, mijnheer Campers, hoe vindt gij des duivels dochter? Een aardig meisje, niet waar? — Gij lacht? Voorziet gij misschien waar ik heen wil ? »
« Zeker, mijnheer, voorzie ik het. Sedert eenige dagen word ik in de Zon, door mijne bekenden van Halderghem, evenzoo ondervraagd en met allerlei zinspelingen aangevallen; maar wat geeft mij dit? Zou ik daarom den zieken duivel aan zijn lot overlaten, vooraleer uw liefdewerk is voltrokken? »
« Mijn liefdewerk? »
«Ja, mijnheer, want zonder uw stellig bevel, hadde ik nooit durven doen wat ik tot nu toe heb gedaan. »
« Het zij zoo : ons beider liefdewerk dus..... Maar
waarom ontwijkt gij een rechtstreeksch antwoord op mijne vraag? Begrijpt gij niet dat deze achterhouding mij wantrouwen zou kunnen inboezemen ? »
« Mijnheer bedriegt zich, » wedervoer Karei met eenen glimlach, « ik ontwijk het antwoord op zijne goedwillige vraag niet; en om het te bewijzen, ga ik openhartig bekennen wat ik over des duivels dochter
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l65
denk. Ja, heer notaris, de jonge Christina is niet alleen een aardig meisje, zooals gij zegt, met een zoet gelaat en schoone levendige oogen; maar zij heeft, bij eenen wonderhelderen geest, een zuiver en diep-gevoelig hart. Hare teedere verkleefdheid, hare opoffering voor hare ouders, hebben mij dikwijls diep ontroerd en mij niet alleen bewondering, maar tevens eerbied voor haar ingeboezemd. »
De notaris zag hem eene wijl met twijfelenden blik in de oogen.
« Eerbied, bewondering? » mompelde hij, de schouders ophalende. « De lieden des dorps zouden dus gelijk kunnen hebben? Die gedachte verschrikt mij voor u, mijnheer Campers. »
« Wel ten onrechte, mijnheer. Ik begrijp wat gij wilt zeggen; maar, geloof mij, daar is niets van. »
« Misschien loopen de lieden inderdaad het gevaar vooruit; want gevaar is er in alle geval. Wat de zaken des harten betreft, is men nooit van iets zeker : wat heden niet is kan morgen komen. » « Ik vrees zulks niet, mijnheer. »
« Hoe het weze, ik mag u den raad niet onthouden, dien ik voorgenomen had, u voor uw eigen goed te geven. Kom, mijnheer Campers, gij zijt een verstandig jongeling en\' zult niet weigeren, uwen toestand met koele rede te overwegen. Veronderstel voor een oogenblik, dat gij uwe zinnen op des duivels dochter gingt zetten, wat zou voor u het gevolg daarvan zijn? Onvoldoenbare hoop, nutteloos verdriet, niet waar ? »
l65 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Karei knikte bevestigend.
« Gegronde opspraak der lieden en groot gevaar van in het dorp uwen goeden naam te verliezen, iets dat mij waarlijk zou spijten, zoowel voor mij als voor u. »
« Ik begrijp het, mijnheer. »
« Inderdaad, des duivels dochter moge al de goede gaven bezitten, welke gij haar toekent : zij is verre beneden u. De bijzondere toestand waarin hare ouders verkeeren, moet u volstrekt beletten te denken, dat, indien er ooit waarlijk liefde voor het arme meisje in uw hart ontstond, een huwelijk dit gevoel zou kunnen wettigen. Is dit niet insgelijks uwe overtuiging? »
« Wat zal ik u zeggen, mijnheer? » antwoordde Karei na eene korte aarzeling. « Was uwe veronderstelling gegrond, dan zoudt gij zeker gelijk hebben, ik erken het; maar ik heb aan zulke dingen nog niet gedacht. »
« Welaan, gelooven wij dus, dat gij tot nu toe vrij van harte zijt gebleven : gij hebt in de wijde wereld geleefd en de ondervinding kan u sterk gemaakt hebben; maar Christina? Zij heeft haar gansch leven in het Slangenbosch en verre van alle men-schen gesleten. Hare eenvoudige ziel moet weinig wederstand kunnen bieden, bovenal wanneer dankbaarheid den weg opent voor een inniger gevoel.....
Ik ondervraag u als een biechtvader, niet waar? Maar gij zult begrijpen, hoop ik, dat ik geene andere beweegredenen heb, dan u en den duivel voor
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
droeve verwikkelingen te behoeden. Nu zeg mij, hoe is Christina jegens u gestemd? »
0 Hoe Christina jegens mij is gestemd? » herhaalde de jongeling. « Zeer goed, meen ik. Het tegenovergestelde zou verwonderlijk zijn. »
« Gij begrijpt mij niet; ik zal klaarder spreken. Zijt gij zeker, dat er niet in Christina\'s hart een gevoel van liefde is geslopen, voor haar zelve nog onbewust misschien, doch daarom des te gevaarlijker? »
(i Ach, mijnheer, ware het zelfs zoo, hoe zou ik dit kunnen weten ? » riep Karei, half verlegen over het aandringen zijns meesters. » Ik zie haar nooit dan in bijzijn harer ouders, en het is natuurlijk niet van zulke dingen dat wij alsdan spreken. »
lt;( Ja, maar, mijn jongen, men behoeft geene Avoorden om die eerste ontroeringen te verraden. Bij voorbeeld, wanneer gij u in des duivels woning aanbiedt, merkt gij dan niet op dat uwe komst het meisje verblijdt; en schijnt zij niet treurig bij uw vertrek? Verrast gij soms niet, wanneer haar blik den uwen ontmoet, een bijzonderen glans in hare oogen, en luistert zij niet, wanneer gij spreekt, op uwe taal alsof eenc zoete muziek hare ooren bekoorde? »
De jongeling antwoordde niet onmiddellijk. « Gij schijnt verlegen? » morde de notaris. « Heb ik ditmaal den nagel op den kop geslagen ? »
« Toch niet, mijnheer, » wedervoer Karei op ernstigen toon. « Uwe woorden verrassen mij en
167
l68 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
dwingen mij tot overweging. Ik kan niet gelooven, dat het arme meisje iets meer dan dankbaarheid voor mij gevoelt; maar wat daar ook van weze, gij, mijnheer, beoogt slechts mijn welzijn en hebt meer ondervinding van het leven dan ik. Aan het gevaar dat gij mij aanwijst, wil ik de goedhartige Christina niet langer blootgesteld laten.
« Hoe verstaat gij het, M. Campers? »
« Nog eens zal ik naar het Slangenbosch gaan, om den duivel en zijn huisgezin een laatst vaarwel te brengen. »
« Gij zoudt dus, van morgen af, deze ongelukkigen geheel aan hun lot over laten? »
« Het kost mij geene andere moeite, mijnheer, dan mijn medelijden te doen zwijgen. »
« Maar, zoo onvoorbereid, zou de aankondiging van uw voornemen hen te diep bedroeven. Misschien zou ze de herstelling des duivels vertragen. » « Het ware wel mogelijk. »
« Zulk iets te wagen zou onmenschelijk zijn. Neen, dit is niet wat ik wilde zeggen; mijn eenig doel was, u tegen een mogelijk gevaar te waarschuwen en u tot voorzichtigheid aan te sporen. Vermits gij meent dat mijne vrees voor alsnu nog ongegrond is, zie ik voor u geene reden, om zoo van het eene uiterste in het andere te vervallen. »
« Wees zoo goed en geef mij raad, mijnheer. Wat moet ik doen? »
« Bah! het schijnt mij zeer eenvoudig. Ga naar het Slangenbosch als te voren, ten minste gedurende
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l6g
eenige dagen. Laat allengs gevoelen dat uwe bezigheden u welhaast niet meer zullen toelaten, hen zoo dikwijls te bezoeken. Verkort en vermindert intus-schen uwe bezoeken meer en meer; en, is eens de duivel tot zooverre hersteld dat men ginder uwe hulp kan ontberen, blijf dan beslissend uit het Slangenbosch weg. Op zulke wijze zult gij de arme lieden doelmatig genoeg voorbereid hebben, om hun een nutteloos verdriet te sparen; en den babbelaars in het dorp zal den mond gestopt zijn, zoohaast zij zullen weten dat gij alle betrekking met den duivel en zijn huisgezin hebt afgebroken. Ziedaar mijn gevoelen, en ik denk dat gij niet slecht zult doen, in dien zin u te gedragen. »
Karei stond op en zeide :
« Heer notaris, het is een vaderlijke raad dien gij mij geeft; hij bevat evenveel goedheid jegens mij als edelmoedige belangstelling in het lot der ongelukkige lieden uit het Slangenbosch. Ik dank u uit den grond des harten, en zal pogen, in zoo kort mogelijken tijd, mijne bezoeken bij den duivel geheel te staken. »
« Maar niet te haastig, hoort gij ? Men mag in het dorp praten zooveel men wil, dit is geene reden om eensklaps onmeedoogend jegens den armen, zieken duivel te worden. »
« Ik zal voorzichtig zijn, mijnheer. »
Karei verliet het kabinet en trad op het kantoor, waar hij plaats nam voor zijnen lessenaar.
Dubbend en weggerukt door zijne gepeinzen, greep
1JO DE DUIVEL UIT HET SLANGENEOSCH
hij eene pen en schikte zijn papier om den onderbroken arbeid voort te zetten; maar hij bleef bewegingloos in deze houding zitten, liet de pen vallen, mompelde in zich zeiven en hield als verschrikt de oogen in de ruimte gericht.
Misschien twijfelde hij, of hij wel de waarheid aan zijnen meester had gezegd? Misschien poogde hij nu klaarder en dieper in zijn eigen en ook in Christina\'s hart te lezen ?
Dit onderzoek moest evenwel zijne eerste vrees niet bevestigd hebben; want na eenigen tijd schudde hij het hoofd met eenen glimlach, nam weder zijne pen op, en zette zonder verdere verstrooidheid zijn schrijfwerk voort.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
IX
Toen Karei Campers, in den laten namiddag, uit de bosschen op de heide trad, om zich naar het huisje des duivels te begeven, was zijn gang niet zoo haastig noch zoo licht als naar gewoonte.
Hij had tot op dit uur kracht genoeg gevonden om overtuigd te blijven, dat het verdenken der lieden van Halderghem en de welwillende twijfel zijns meesters allen grond misten. Hoe diep hij zijn eigen hart had gepeild, geen ander gevoel meende hij daarin ontdekt te hebben dan medelijden, achting en vriendschap..... en, wat Christina betrof, haar eenvoud,
de onbedwongenheid harer houding en woorden jegens hem waren klaarblijkende bewijzen genoeg, dat hare ziel even vrij was gebleven als de zijne.
Naarmate het oogenblik naderde dat hij het meisje zou wederzien, kwamen evenwel min rustige overwegingen zijnen geest benevelen. Van zich zeiven was hij zeker..... maar indien Christina eens waarlijk, zonder het te weten, voor hem een gevoel had opgevat, dieper, inniger dan dankbaarheid?
« Arm kind, » zuchtte hij, « het ware een nieuw ongeluk voor u! Moest dus, na de genezing uws
171
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
vaders, de doorn eener liefde zonder hoop u in het hart blijven steken, hoe pijnlijk wierde u alsdan de reeds zoo bittere eenzaamheid! Ach, ik zou er geene schuld aan hebben; mijn geweten spreekt mij vrij ; ik heb niets gedaan om zulk gevoel in u op te
wekken..... Sa, wat gebeurt mij? Die twijfel! Maar
ik ben zinneloos. Het arme meisje zou mij kunnen beminnen? Onmogelijk, onmogelijk. »
Hij bleef staan, glimlachte en huiverde te zelfder-tijd; en scheen den grond te willen ondervragen.
Maar welhaast hief hij weder het hoofd op, hernam zijnen gang en mompelde half schertsende :
« Die goede, onnoozele Christina! Wist zij wat men ginder van ons denkt, zij zou blozen van schaamte. Hoe komen de lieden van Halderghem
toch op zulk vermoeden?.....Mijn meester vroeg mij,
of hare oogen niet glinsteren, wanneer ze mijnen blik ontmoeten. Ja, ze glinsteren; ze glinsteren altoos, die spiegels harer milde ziel; maar wat mij daaruit tegenstraalt, is niets anders dan de vonken harer uiterste dankbaarheid. »
Alsof deze overweging hem had gerust gesteld, stapte hij wat vaster aan. Zijne gebaren en de bewegingen van zijn aangezicht getuigden evenwel dat zijn geest voortdurend werkzaam bleef.
Na eenigen tijd zeide hij tot zich zeiven : « Kom, kom, dit zijn altemaal ij dele bekommernissen. Zulk ongeluk is in het geheel niet te vreezen; en, daarenboven, wat kan ik anders dan mijns meesters raad te volgen? Ik zal mij houden alsof men
172
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 173
geen wantrouwen in mijn hart had geworpen; maar, vind ik er gelegenheid toe, reeds heden laat ik den duivel verstaan, dat ik eerlang zal gedwongen zijn mijne bezoeken in het Slangenbosch te verminderen. Zonder tijdverlies, doch met voorzichtigheid, zal ik deze arme lieden aan het denkbeeld mijner verwijdering gewennen, en zoo zal zelfs Christina niet eens weten welk belachelijk verdenken men in het dorp tegen haar en tegen mij had opgevat. »
Met zulk moedig besluit en zoo licht van geest, naderde Karei Campers des duivels woning. Hij vond Christina voor het huisje op de bank zitten; zij hield een kleedingstuk harer moeder op de knieën en was bezig met naaien. Op zijnen groet antwoordde zij met groote blijdschap :
« Ha, M. Campers, gij zijt daar, en nog zoo vroeg! Heb dank, uw edelmoedig hart zeide u ongetwijfeld dat ik snakte naar uwe komst? »
De glinsterende blik der maagd deed ditmaal op Karei eenen geheel anderen indruk dan naar gewoonte. Niet zonder verschriktheid herinnerde hij zich de vraag zijns meesters ; maar hij bedwong zijne ontsteltenis.
« Gij zaagt mijne komst met ongeduld te gemoet? » murmelde hij. « Hebt gij mij misschien goed nieuws aan te kondigen? »
« Ja, ja, een nieuws dat u zal verblijden : mijn vader is veel, veel beter! Wij vreesden, niet waar, dat de buitenlucht hem zou kunnen schaden? Verre van daar, ze had hem volgens zijne overtuiging
174 DE DUIVEL uit het slaxgenbosch
zooveel goed gedaan, dat hij ons dezen namiddag heeft gedwongen, hem weder buiten te leiden. Wel anderhalf uur heeft hij hier op eenen stoel gezeten en welgemoed met ons gekout. De zon stond achter de hoornen; er was lommer; dit kon hij beter verdragen. Hij is evenwel vermoeid geraakt en slaapt nu diep. Mijne moeder waakt bij zijn bed. Dit is goed nieuws, niet waar? »
« Zeker, Stina, het verblijdt mij zeer. » « Gij begrijpt, mijnheer, hoe ik naar uwe komst moest verlangen. Is niet het welgelukken van uw liefdewerk de eenige belooning, die gij moogt verwachten ? Ha, was het ons mogelijk, uwen edel-moed anders te erkennen, wij zouden niet aarzelen u al te geven wat ons het dierbaarst is op aarde; maar wij zijn arm en machteloos : wij bezitten niets dan een dankbaar hart, dat nooit uwe weldaad zal vergeten. »
Deze begeesterde taal bracht den wantrouwend geworden jongeling in verlegenheid.
« Ik zou eens willen zien, of onze zieke inderdaad rustig slaapt, » zeide hij. « Laat mij een oogenblik binnen gaan; ik kom seffens bij u weder. »
Karei trad in het huisje. Niet de duivel alleen sliep; ook zijne vrouw, door de stilte en de vermoeidheid overwonnen, was op haren stoel in eenen diepen sluimer weggezonken.
Eene wijl hield de jongeling de oogen op beide echtgenooten gevestigd; hij werd zoozeer getroffen door dit schouwspel van zoete rust en onbene-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
velden gemoedsvrede, dat hij zijnen neteligen toestand tegenover Christina geheel vergat. Zonder gerucht te maken ging hij weder naar buiten, waar hij zich op de bank nevens het meisje nederzette en met blijde ontroering haar zeide :
« O, Stina, ik weet niet, de zekerheid dat onze zieke nu onfeilbaar en spoedig zal genezen, maakt mij gelukkig als ware hij mijn eigen vader. Wanneer ik er nog aan denk, hoe wij gedurende dien schrik-kelijken nacht, elk oogenblik den wreedsten slag te gemoet zagen, en niets, niets meer durfden hopen..... »
* Ho, ik huiver nog in al mijne leden bij die vervaarlijke herinnering! »
« En wanneer ik nu uwen vader zoo zacht zie slapen en uwe moeder nevens zijn bed even rustig zie ingesluimerd, terwijl op beider gelaat als een hoopvolle glimlach zweeft, dan, — ik zeg het rechtuit, — moet ik mij geweld aandoen om tranen van blijde ontroering in mijne oogen terug te dringen. »
« Mij verwondert uwe vreugde niet, mijnheer, » murmelde het meisje. « Gij hebt eenen strijd aangegaan tegen het lot en nu zegeviert gij over den
dood zeiven..... »
« Neen, Stina, gij overdrijft. Wat mij echter nog gelukkiger maakt, is de hoop op eene niet min onverwachte overwinning. Ik heb dezen namiddag lang met den dokter gesproken. Hij zeide mij dat zulk bloedverlies en zulke verregaande uitputting,
175
176 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
als uw arme vader heeft doorgestaan, gewoonlijk eene gansche omkeering in het menschelijk gestel teweegbrengen; en hij wist door vele voorbeelden mij te overtuigen dat lieden, die aan de vallende ziekte leden, niet zelden geheel en voor altijd genezen uit dergelijke beproeving zijn opgestaan. Uw vader, Stina, heeft sedert zijn schrikkelijken val, nog niet door het minste teeken ons laten vreezen dat zijne kwaal zal terugkeeren. Indien de voorzegging des dokters zich eens verwezenlijkte ; indien uw vader eens van de vallende ziekte verlost bleef! »
« O, mijnheer, dan waren wij u veel meer nog dan zijn leven verschuldigd! » riep het meisje, bevend van ontroering en met de tranen in de oogen. « Ik heb daar weinig toe gedaan, Stina. » « Neen, ontken het niet, mijnheer. Aan u zijn wij het behoud mijns vaders verschuldigd; gij zijt het die hem hebt gered, gij alleen. »
« Kom, Stina, gij bedriegt u : de dokter is wel voor iets in zijne genezing, niet waar? »
« Het is mogelijk; maar Avat ik met zekerheid weet, is dat zonder uwe hulp, zonder de toover-macht welke uwe eindelooze liefdadigheid u leent, dood en vertwijfeling hier zouden heerschen, hier waar nu hoop en blijdschap de harten vervullen. Het is God zelf die, uit medelijden met ons, — de rampzaligste aller menschen, — u in onze baan heeft geleid, om ons bij te staan en tegen het vreeselijkste
lot te beschermen..... Bestrijd dit gevoelen niet,
mijnheer; het is eveneens de overtuiging mijner
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
moeder, en zij insgelijks vraagt zich af, hoe wij zulke opoffering van uwentwege kunnen verdiend hebben, van u die ons niet anders kendet dan door de ongunstigste berichten. »
« Ik meen het u reeds gezegd te hebben, Stina : mijn leven was vroeger zeer pijnlijk; ik ben ongelukkiger geweest, ongelukkiger dan gij..... »
« Ho, dat is onmogelijk, volstrekt onmogelijk ! » riep het meisje.
« Misschien bedriegt gij u daarin. Het ware niet
te verwonderen : gij kent mij nog niet.....»
Hij zweeg eene wijl, doch hernam bijna onmiddellijk :
« Er is veel werk op het kantoor van M. Trappeneels gekomen; het is waarschijnlijk dat ik eerlang zal gedwongen worden mijne bezoeken te verminderen. » Het meisje zag hem als verschrikt aan.
« Ik wil zeggen, » verbeterde hij, « dat ik misschien zal belet worden, eiken dag meer dan eenmaal naar het Slangenboscb te komen, en tevens niet zoolang zal kunnen blijven. Ik mag mijnen goeden meester niet in verlegenheid brengen. Voor de eerste maal vinden Avij hu wat tijd om vertrouwelijk te kouten. Wie weet, keert zulke gelegenheid voor ons nog weder? Ik heb wel lust om u in korte woorden de geschiedenis mijns levens te vertellen. Zoo zoudt gij de ware reden begrijpen van mijn medelijden en van mijne zucht om ongelukkigen te
helpen; maar ik vrees u te vervelen..... »
(i Mij vervelen? Wat zonderlinge twijfel! O, ik smeek
177
178 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
u, laat mij den redder mijns vaders nauwer kennen! » « Welaan, gij zult oordeelen, Stina, of ik niet ongelukkig genoeg ben geweest, om te weten wat het is hulpeloos, vernederd en verstooten in de wereld te staan. ;gt;
Het meisje, door nieuwsgierigheid aangegrepen, liet het naaiwerk op haren schoot vallen en toonde zich bereid om met de grootste aandacht toe te luisteren.
«Te Antwerpen in de Vliersteeg ben ik geboren, » begon Karei. « Mijn vader arbeidde aan de dokken; hij viel in het ruim van een schip en stierf, na weken van onbeschrijflijk lijden, toen ik pas den ouderdom van vier jaar had bereikt. Mijne moeder was eene asscheraapster en reed \'s morgens, vóór het aanbreken van den dag, met haren kruiwagen door de stad, om de uitgestorte koolasch op te zamelen. Gedurende den dag werd deze asch door haar gezift, en tk was haar daaraan volgens mijne zwakke krachten behulpzaam. Maar mijne moeder had door den vervaarlijken dood mijns vaders zulken wreeden slag bekomen, dat eene geheime kwijnziekte haren moed en haar leven begon te ondermijnen. Na een jaar lang tegen de uitputting harer krachten te hebben geworsteld, moest zij allen arbeid opgeven en zag zich gedwongen, met haar vijfjarig kind van deur tot deur te gaan
bedelen..... Ja, Stina, ik schaam mij niet het te
zeggen : maanden lang heb ik de hand tot de voorbijgangers uitgestoken of aan de deur der rijken om wat overschot van de tafel gebeden. »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH I7g
« Ach, neen, » zuchtte het meisje, « gij ook waart niet gelukkig! »
« Begrijpt gij nu, Stina, dat alle trotschheid mij vreemd moet blijven en ik, bij zulke herinnering, ook den nederigsten mensch, indien hij slechts eerlijk is, als eenen broeder moet aanschouwen? Maar ik ben niet ten einde, het ergste moet nog komen.
« Van den honger, de koude, de ellende welke er dikwijls in onze enge woning heerschten, wil ik niet spreken. Wat mij, onwetend kind, dieper door de ziel sneed, was mijne moeder, die evenwel nog in huis ging en kwam, gedurig te zien weenen en pijnlijk te hooren hoesten. Soms sloot zij mij met ecnen wanhoopskreet in de armen, hield uren lang mij op haar hijgend hart gedrukt en sprak snikkende mij van dood en van een beter leven. Ik begreep hare treurige voorzegging slechts ten halve ; maar hare geraamtemagerheid en hare lijkenbleekheid vervulden mij met angst en schrik. Eenige gebuurvrouwen ondersteunden ons uit medelijden en raadden mijne moeder aan, een gasthuisbriefje te vragen; maar van zulk iets wilde zij niet hooren. Het kon haar toch niet redden, meende zij, en vóór het verwachte doodsuur van haar kind te scheiden, daartoe gevoelde zij zich niet bekwaam... » « Ho, wat moet gij geleden hebben! » stamelde Christina.
« Zeker, maar een zoo jong kind beseft slechts later wat het gruwelijk woord dood beteekent.....
l8o DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Ik zet mijn verhaal voort. Bij geval vernam toen een vriend mijns vaders, een schoenmaker uit de Paradijsstraat, onzen beklagelijken toestand. Hij kwam ons bezoeken, gaf mijne moeder eenig geld en bracht ons nu en dan beter voedsel of dingen welke haar konden verkwikken.
Het noodlottig uur was eindelijk aanstaande. Mijne moeder lag te bed, hijgend en krachteloos, doch niet buiten kennis. De schoenmaker, onze goede beschermer, en drie of vier buurvrouwen zaten geknield te bidden en weenden in stilte. Ik stond bij het bed met mijne hand in de hand mijner zieltogende moeder; zij had het zoo gewild : haar laatste wensch was, haar kind te voelen totdat hare ziel opreze naar het beter vaderland. Ik stortte overvloedige tranen; het beklemde hart sidderde in
mijne borst..... de ijzige koude harer ontspannen
hand, de glasachtige blik harer brekende oogen deden mij gevoelen en begrijpen, dat een akelig spook, dat de dood mij voor eeuwig mijne goede moeder ging ontnemen. Inderdaad, kort daarop liep er eene doffe klacht door de kamer; allen stonden op, terwijl de woorden : « Het is gedaan, zij is in den hemel! » mijne ooren troffen..... De schoenmaker wilde mij van mijne moeder verwijderen; ik weerstond eene wijl zijne vriendelijke pogingen, huilde en schreeuwde, en hechtte mij wanhopig vast aan de sponde van het bed; maar eindelijk overwonnen..... Kom, Stina, gij moogt niet weenen;
anders dwingt gij mij tot zwijgen. »
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH l8l
« Eilaas, » zuchtte het meisje, « ik zie uwe arme moeder voor mijne oogen. Gij, mijnheer Karei, zoo goed, zoo edelmoedig, dit vervaarlijk lot was het uwe! Ach, ondoorgrondelijk is de wil des Heeren! » « Maar, Stina, gij overdrijft. Hoe wreed zulk ongeluk weze, het is de wet der natuur en het gebeurt duizenden menschen. Laat mij voortgaan : uw vader zou kunnen ontwaken, en zoo ontbrak mij de tijd om mijn verhaal te eindigen. »
Het meisje droogde hare tranen af.
« Nu begrijp ik, » murmelde zij, « waarom gij medelijdend zijt voor ongelukkigen. »
« Maar, neen, gij bedriegt u : het is dat nog niet, » verbeterde de jongeling, « gij zult het gaan
hooren..... De schoenmaker, hij hiet Jan Pamvels,
had mijner stervende moeder beloofd voor mij te zorgen en mij als zijnen eigen zoon lief te hebben. De goede man, die nog ongetrouwd was en met zijne zuster woonde, hield zijn woord. Hij nam mij mede naar huis, waar zijne zuster, die reeds op voorhand in zijn liefdewerk had toegestemd, mij met uiterste goedheid onthaalde.
Er werd, na eenigen tijd, tusschen hen beraadslaagd over de vraag, tot welk ambacht men mij zou bestemmen en natuurlijk besliste men dat ik tot schoenmaker zou opgeleid worden. Daar ik evenwel nog te jong was, zou men mij eerst naar eene school in de buurt zenden, om er ten minste een weinig te
leeren lezen en schrijven..... »
Hij werd in zijn verhaal onderbroken door de nade-
i82 de duivel uit het slangenbosch
ring van Christina\'s moeder, die op de teenen uit het huisje was getreden, en met teruggehouden stem hun zeide :
« Spreekt tach zoo luide niet, kinderen; vader zou het kunnen hoeren. »
« Is hij ontwaakt, moeder? »
« Neen, hij slaapt mog altijd even vast; maar indien gij niet stil spreekt, zoudt gij hem kunnen wekken..... Het is dus wel belangrijk wat M. Campers u zegt, Stina, dat gij er de tranen van in de oogen hebt? »
Het meisje deelde haar in weinige woorden mede wat Karei haar, aangaande de treurige dood zijner moeder, had verteld. De nieuwsgierigheid der vrouw-werd daardoor ten hoogste opgewekt. Na nog eenen blik door het venster op haren slapenden echtgenoot-te hebben geworpen, nam zij plaats aan de andere zijde des jongelings en verzocht hem zijn verhaal voort te zetten.
« Ik moet de geschiedenis mijner jongste jaren kort maken, » hervatte Karei, « anders zou het te lang
duren..... Ik ging dus, zooals ik zeide, ter school.
Of mijn geest door de geledene beproevingen was gescherpt en of dankbaarheid voor mijne goede pleegouders mij aandreef, ik deed in korten tijd zulke vorderingen dat Jan Pauwels zich daarover bij geburen en vrienden verhoovaardigde, en zoo allengs tot het besluit geraakte, mij niet tot schoenmaker op te leiden en mij integendeel op de school te laten, totdat ik goed geleerd ware. Ik zou dan, evenals zoo
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l83
vele anderen, eene plaats als klerk op een handelskantoor bekomen en een beter leven hebben dan hij. Dit edelmoedig inzicht lachte hem toe, en ofschoon hij van den vroegen morgen tot den laten avond te arbeiden had om in een spaarzaam bestaan te voorzien, deed hij met genoegen de opofferingen, welke er tot mijn lang onderwijs werden vereischt.
Zoo bleef ik ter school tot mijne veertien jaar. Ik was goed geleerd in het Vlaamsch en in het Fransch en had eene merkelijk schoone hand van schrijven... Maar toen gingen er dingen gebeuren, die mij in eenen afgrond van lijden en vernedering zouden storten. De zuster van mijnen pleegvader maakte kennis met eenen kuipersbaas en trouwde. Welhaast werd Jan Pauwels den last en de verveling van zijn eenzaam leven moede, en hij insgelijks trad in het huwelijk met eene vrouw uit de buurt.
Ofschoon ik onmiddellijk gevoelde dat deze nieuwe moeder mij niet genegen was, ging alles tamelijk wel gedurende de eerste maanden. Bazin Pauwels begon eerst met tegen de kosten van mijn schoolgaan op te komen. Het betaamde eenen armen schoenmaker niet, meende zij, aan een vreemd kind eene opvoeding te geven, welke hij aan zijnen eigen zoon zeker zou hebben geweigerd. Na vele bittere haspelingen daarover, werd ik van de school getrokken; en dewijl ik nog te jong was om op een kantoor te gaan, zou ik intusschen mijnen pleegvader aan zijn werk helpen. Zulke beslissing viel den goedhartigen Pauwels zeer pijnlijk; evenwel, nu de opoffering toch was volbracht.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
verkropte hij zijne spijt om den vrede in zijn huis te behouden.
Deze eerste zegepraal der stiefmoeder, — ik mag ze zoo wel noemen, — verre van haar beter te stemmen, vuurde hare verbittering tegen mij nog aan, en zij ontzag het zich niet, nu met tranen, dan met gramschap, mij bij haren man te beschuldigen van luiheid, van ondankbaarheid en bovenal van onbeschoftheid te haren opzichte. Mijn slecht gedrag, mijne valschheid, mijne listige fleemerij jegens baas Pauwels, beweerde zij, maakten van het huis, waar zonder mij liefde en eendracht zou heerschen, eene onverdraaglijke hel van twist en vijandschap. Ik begreep niet wat ze van mij wilde hebben, en toonde mij zoo onderdanig, zoo werkzaam en zoo vriendelijk
als het mij mogelijk was; maar niets kon helpen.....
Ziet gij, Stina, de vrouw is, uit goedheid en uit liefde, bekwaam tot opoffering en tot zelfverzaking in eene maat, die den menschelijken geest kan verbazen... »
« Zeker, daarvan is mijne moeder het edelste voorbeeld, » viel het meisje in zijne rede.
« Zwijg toch, Stina, laat M. Campers voortgaan. »
« Ja, maar, » hervatte de jongeling, « wordt de vrouw door een tegenovergesteld gevoel aangedreven, dan hebben de haat en de onbewuste boosheid in haar evenmin palen. Gebeurt het, in zulke omstandigheid, dat haar echtgenoot een zachtaardig of vredelievend man is, zij zal door hare niets ontziende drift en hare rustelooze aanhoudendheid hem dwingen tot daden, welke het meest tegenstrijdig zijn met zijn geweten of
184
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l85
zijne overtuiging. Zoo geschiedde het hier insgelijks : bazin Pauwels had besloten dat het vreemde kind uit hare oogen zou verdwijnen. Welke middelen daartoe konden vereischt worden, dit was haar gansch onverschillig, indien zij slechts haar doel bereikte.
« Lang bood mijn edelmoedige pleegvader wederstand in den ongelijken strijd; maar allengs toch ontzonken de moed en de wilskracht hem geheel. De onophoudende aanvechtingen zijner vrouw deden op den duur zijne goede inborst ontaarden en ontstelden hem geest en zenuwen. Nu gebeurde het wel dat hij, na zulken huiselijken twist, mij met hevige verwijten overlaadde; ja, de bitterheid van zijn rusteloos leven maakte hem welhaast zoo korzelig, dat hij somwijlen mij den spanriem op den rug legde en mij wreedelijk bleef slaan, totdat ik stuiptrekkend voor hem op de knieën kroop en om genade huilde. Mijne dwaal-zinnige stiefmoeder stond niet zelden daarbij te lachen..... »
« Booze vrouw. God zal haar zeker straffen! » morde Christina\'s moeder. « Wat hadt gij haar toch gedaan om zoo te worden mishandeld? »
« Niets had ik haar gedaan, voor zooveel ik weet ten minste : ik spaarde integendeel geene moeite om hare genegenheid te winnen; maar de haat, ofschoon blind, ziet in het verfoeide wezen al wat hij wenscht te zien. Zij hoopte ongetwijfeld dat ik,, zulk leven moede, het huis voor altijd zou ontloopen of dat baas Pauwels, ten einde van geduld, zelf mij zou wegjagen. Evenwel, zij bedroog zich daarin. Ik had geene mij
l86 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
bekende bloedverwanten, en was, bij gebrek aan een ambacht, onbekwaam om mijnen kost te winnen. Daarenboven, die lange verdrukking had mij allen moed benomen. Wat mijn pleegvader betreft, die was nog zoo verre niet gebracht dat hij kon toestemmen, de arme, hulpelooze wees als eenen hond op straat te smijten.
« Zoo verergerde mijn toestand meer en meer, naarmate het ongeduld en de haat van bazin Pauwels door de vruchteloosheid harer pogingen aangroeiden. Welhaast kreeg ik slagen den ganschen dag en hoorde ik niets meer dan scheldwoorden en bedreigingen. Op mijn eten werd met het wreedste inzicht door haar gespaard; mijn linnen en mijne kleederen liet zij vervuilen; zij dwarsboomde mij in alles en folterde mij door onophoudende plagerijen. Ja, omdat zij opmerkte dat ik troost zocht in de studie, nam zij mijne boeken weg of scheurde ze in \'t geheim. Dewijl ik onder hare oogen niet kon weenen zonder te worden geslagen, liet ik mijne tranen vloeien gedurende den nacht. Waarlijk ik was een martelaar en wenschte om den dood als om de verlossing.
« Dit akelig lot indermijnde mijne gezondheid : ik was allengs zeer mager en bleek geworden; zelfs begon ik nu te hoesten, alsof het gedurig lijden de kiemen eener gruwelijke ziekte in mijne longen had neergelegd. Maar dit alles was echter niet van aard om mijne stiefmoeder eenig medelijden in te boezemen. Weg zou ik van onder haar gezicht, al moest ook de dood haar helper zijn.
DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH 187
« Ach, nu nadert voor mij het akeligste oogenblik. Zekeren morgen dat ik, mij ziek gevoelende, langer dan naar gewoonte te bed was gebleven, wierp baas Pauwels de deur van mijn kamertje geweldig open; hij hield den geduchten spanriem in de hand en gromde onverstaanbare bedreigingen; zijne oogen waren ontstoken, hij knarstandde van woede; de woorden « dief, booswicht » ratelden in zijne keel. Terwijl ik, niet wetende wat hem dus ontstelde, eenen angstkreet slaakte en bevend hem aanstaarde, wroetelde hij eerst onder mijn hoofdkussen, greep dan mijne kleederen, die op eenen stoel hingen, en tastte en zocht in al mijne zakken, tot dat eindelijk een vervaarlijke schreeuw uit zijne hijgende borst losbrak. Met eenen sprong was hij bij mijn bed, rukte mij ten gronde en begon mij op de naakte leden te slaan, met zulk wreed geweld dat elke aanraking van den spanriem mij brandde als een gloeiend ijzer en mij doodskreten deed slaken. Ik verstond uit zijne woorden, dat hij mij beschuldigde, geld te hebben gestolen; en dit geld, — acht franken, — had hij nu in mijnen broekzak gevonden! Na mij half dood te hebben geslagen, verliet hij de kamer, mij toeroepende dat hij rechtstreeks naar den politie-kommis-saris ging, om mij als een vuigen dief door de gendarmen naar de gevangenis te doen brengen. Ik bleef eene wijl verkrampend van pijn en schier bewusteloos; maar de vervaarlijke woorden : « gendarmen en gevangenis » die nog in mijne ooren bromden, deden mij ontwaken. Bevend en op mijne beenen
188 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
wankelend, trok ik mijne kleederen aan en liep naar beneden om, indien het nog mogelijk was, het onrechtvaardig vonnis te verbidden; want Avaarlijk, Stina, ik wist van niets.
« Nauwelijks verscheen ik beneden, of de scheldwoorden en verwenschingen vielen mij als een hagel op het hoofd, en werd ik door de beide echtgenooten over en weder gestampt en geslagen, tot dat ik tegen zulke wreedheid opstond en bazin Pauwels beschuldigde, het geld vérraderlijk in mijnen zak te hebben gestoken. Maar deze stoiitheid van mijnentwege vuurde hare woede ten top en zij verweet haren man zijne lafheid, omdat hij mij niet bij de politie was gaan aanklagen. Het einde was, dat ik door den schoenmaker op straat werd gejaagd, met de bedreiging in de gevangenis te worden geworpen, indien ik nog ooit onder zijne oogen durfde komen.
Ik liep recht vooruit, zinneloos van schrik, tot dat ik, buiten de stadspoort, op eene afgelegene plaats mij bevond en met het hoofd tegen eenen boom door eenen tranenvloed mijn hart van het kroppend wee kon ontlasten. Daar stond ik nu in de wijde wereld, zonder geld, zonder woning, zonder moed, beroofd van alle hulpmiddel en van alle hoop. — Begrijpt gij het akelige van zulken toestand, Stina? »
« O het is ijselijk! « antwoordde het meisje met verkropte stem. « Uw bitter lot beklemt mij het hart. God zij dank evenwel, dat Hij u min ongelukkige dagen heeft gegund. »
« Inderdaad, Stina, het einde van mijn lijden
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH l8g
nadert. Gedurende meer dan eene week doolde ik als een arme verlateling; ik zocht des nachts eene korte rust op de eenzaamste plaatsen; des daags liep ik vruchteloos rond om een onderkomen of werk te vinden, en zag mij gedwongen aan mij onbekende lieden mijnen nood te klagen en hunne hulp af te smeeken. Eenigen toonden zich goedhartig; hun edelmoedige onderstand beschermde mij tegen de dreigende hongerdood. O! God zegene hen voor hunne liefdadigheid! Mijn later medelijden met ongeluk-kigen, de zucht mijns harten om hen te helpen, die onrechtvaardig worden verdrukt, is niets anders, Stina, dan een innig gevoel van dankbaarheid voor de weldoeners, die alsdan mij, arm, verlaten weeskind, de behulpzame hand hebben toegereikt. Hier nadert het einde mijner beproevingen.
« Op zekeren dag ontmoette ik bij geval eenen kameraad, die lang nevens mij op de schoolbanken had gezeten, en zich nog goed herinnerde dat hij mijn vriend was geweest. Ik vertelde hem mijne droeve lotgevallen en openbaarde hem mijnen nood; hij bracht mij ten zijnent, en toen hij zijnen vader met mijnen toestand had bekend gemaakt, stemde deze, — die een koopman was, — erin toe, mij als boodschaplooper en hulpmagazijnier bezigheid te geven. Ik won eerst zeer weinig, maar mijn beschermer Avas zoo tevreden over mijnen dienst, dat mijn loon al vroeg werd vermeerderd en ik, na een paar jaren, als klerk op zijn kantoor werd aanvaard.
IQO DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Sedert dan, Stina, was ik, ondanks zekere weder-waardigheden, tevreden en gelukkig; en dacht ik soms nog aan mijne vorige ellende, het was slechts om den Hemel voor zijne zichtbare bescherming te danken. Ziedaar de schets van geheel mijn leven. Ik twijfel niet, of gij zult daarbij begrijpen, dat er niets verwonderlijks is in mijn medelijden met uw droevig lot en mijne zucht om u behulpzaam te zijn. Ik poog aan u gedeeltelijk de weldaden te betalen, welke ik vroeger in even pijnlijke omstandigheden mocht genieten. »
Het meisje was door zijn verhaal zoo diep ontroerd geworden, dat er nog tranen op hare wangen rolden.
« Akelig en pijnlijk was uwe eerste jonkheid, mijnheer, n zeide de vrouw. « Hoe hebt gij toch, onder het gewicht van zulke wreede onrechtvaardigheid , uwe aangeborene zielegoedheid kunnen behouden? »
« Ja, ik weet het, » antwoordde Karei, « er zijn lieden die, wanneer zij zich verdrukt zien, zich-zelven boos en onmeedoogend maken, om tegen de boosheid bestand te worden; maar er zijn er insgelijks anderen, wier natuur aan deze inspraak der wanhoop weerstaat. Gaat gij zelve en uw man en uw kind niet gebukt onder het hardste lot? Gij zegt dat gij de slachtoffers van \'s menschen onrechtvaardigheid zijt; heeft dit in u de goedheid en de mildheid des harten verdoofd ? »
En zoo, ontroerd en aan niets anders denkend,
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH IC)I
zetteden zij hunne gevoelvolle samenspraak voort.
Intusschen was, zonder dat zij het wisten, de duivel ontwaakt. Hij hield nu sedert eene wijl met klimmende ontsteltenis den blik gericht naar het venster, waarachter de jonge lieden en zijne vrouw, vertrouwelijk koutende, nevens elkander zaten..... Bedrogen
hem zijne oogen? Vatte Christina niet de handen van M. Campers aan? Glinsterden er geene tranen op hare wangen?
Dit gezicht moest hem verschrikken, want in zijne strakke oogen gloeide als eene vonk van angstige verbaasdheid. Vreesde hij de openbaring van noodlottige geheimen, of welk andere twijfel bestormde zijnen geest?
Maar nog dieper werd hij geschokt bij een veel pijnlijker verdenken. Hij meende op te merken dat zijne vrouw, naar den jongeling gekeerd, de lippen verroerde zonder gebaren te maken, en M. Campers scheen door zijn hoofdknikken te betuigen dat hij verstond wat zij zeide! O, hemel, sprak zij? Sprak zij met woorden ? Had zij het geheim harer stomheid
verraden?..... Maar dit ongeluk ware te groot. Hij
kon, van de plaats waar hij lag, den klank harer stem niet hooren. Misschien bedroog hij zich : hij twijfelde zoo gaarne! Evenwel, toegevend aan zijne angstigheid, en om de dreigende samenspraak te onderbreken, hoestte hij met kracht.
Zijne vrouw en de jonge lieden stonden op en haastten zich naar binnen. De uitdrukking van des duivels gelaat bekommerde en verschrikte hen.
192 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Het meisje bespeurde dat haar vader, met eenen strengen, ondervragenden blik, haar in de oogen staarde.
« Gij ziet misschien dat ik geweend heb, vaderlief? » zeide zij. « Ho, dat het u niet venvondere. Terwijl gij sliept, heeft M. Campers ons de geschiedenis zijns levens verteld. Hij is zoo ongelukkig geweest en heeft zoo veel geleden, dat ik, bij het aanhooren van het roerend verhaal, mijne tranen niet kon wederhouden. »
En om te bewijzen dat hare ontsteltenis niet overdreven was geweest, herhaalde zij in korte woorden wat Karei, over de dood zijner moeder en zijn pijnlijk leven in het huis van den schoenmaker, hun had verteld.
Wat de vrouw betreft, deze gebaarde zich nog als eene doofstomme en hield zich, alsof zij niets verstond van wat er werd gezegd.
In schijn ten minste liet de duivel zich overtuigen, dat zijne vrees aangaande de mogelijke openbaring van dingen, welke hij wenschte verborgen te houden, ongegrond was. Hij bevestigde hun dat zijn toestand even gunstig was gebleven, sloot daarop weder de oogen en sluimerde zachtjes in, — of veinsde misschien te slapen.
Daar het uur van zijnen terugkeer naar Halder-ghem was verschenen, wenschte Karei de vrouwen vaarwel tot morgen.
TWEEDE DEEL
TER NAGEDACHTENIS MIJNS DUURBAREN VADERS
VOORWOORD
Tot aan deze bladzijde heeft mijn goede vader zijn verhaal kunnen voortzetten.
Toen de ziekte hem zulke wreede pijnen begon te veroorzaken dat het schrijven hem onmogelijk wierd, hoorde ik hem dagelijks klagen over de verlammende zwakte die hem dwong zijn armen Duivel onafgemaakt te laten liggen.
Die vrees kwelde hem dag en nacht, en maakte hem waarlijk ongelukkig.
Wij hadden al gedaan wat mogelijk was, om de lichaamlijke pijnen van den zieke te verzachten, en nu wou ik het ook beproeven, zijnen ontstelden geest te bevredigen.
Daarom beloofde ik aan den duurbaren lijder, al te doen wat ik kon om zelf het onderbroken werk te voleinden, opdat toch eens De Duivel het licht zou zien.
De taak was moeielijk, want ik bezat niets dan de herrinneringen van het plan dat de schrijver gewoon. was mij mondelings toe te vertrouwen, en dat ik tot in de minste bijzonderheden wilde eerbiedigen.
Men gelieve dus het tweede deel slechts te beschouwen als eene ootmoedige poging tot het vervullen van een heiligen en kinderlijken plicht.
Ter herinnering aan hem die hen zoovele belangrijke verhalen aanbood, zullen de lezers misschien met toegevenheid de volgende bladzijden beoordeelen.
Maria Conscience.
TWEEDE DEEL
i
Reeds violen de laatste stralen der avondzon zijpelend door de spelden der masthoornen, toen Karei het hoschpad bereikte, dat hem tot de woning des duivels leiden zou. Lang had hij geaarzeld, en zich zeiven afgevraagd, of het niet beter ware een\' ganschen dag te laten voorbijgaan zonder in het Slangenbosch te verschijnen.
Dus zou hij die goede lieden en zich zeiven, langzaam aan de onvermijdelijke scheiding gewennen. Maar Stina en hare moeder, wat zouden zij daarvan denken? Den ganschen nacht hadden de glinsterende zwarte oogen van het meisje hem vervolgd, en nu nog, zag hij ze op hem gericht, vol tranen van medelijden, bij het verhalen der pijnlijke lotgevallen zijner kindsheid.
Zou zijne afwezigheid Stina niet bedroefd en verwonderd hebben, nu dat haren vader nog niet gansch genezen was ?
Hij had dus uren lang tegen zich zeiven gewor-
IQÓ DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
steld, alle redenen uitzoekend om zijne zwakheid te verontschuldigen. En nu, nu was hij toch op weg naar het Slangenbosch, gansch beheerscht door de geheimzinnige kracht die het meisje op hem uitoefende.
Toen hij het huisje bereikte, was de avond bijna gevallen. Alles scheen eenzaam rondom hem, en niet het minste gerucht liet zich daarbinnen vernemen.
Hij stiet zachtjes de deur der keuken open, en daar hij niemand ontwaarde, ging hij recht? naar de kamer des zieken. De duivel lag rustend, doch met open oogen, te bed.
« Een goeden avond aan onzen braven zieke, » riep Karei het bed naderende en de hand des duivels vriendelijk drukkend.
« Hoe gaat het u heden, mijn vriend? Was de nacht rustig ? »
« Ik dank u, mijnheer Campers, » antwoordde de man met zwakke stem; « de lucht heeft mij verkwikt en ik gevoel mij veel beter sedert gisteren. Nu zullen mijne krachten waarschijnlijk ook gauw terugkomen. »
« Maar ik zie uwe vrouw noch uwe dochter niet, » vroeg de jongeling verwonderd rondblikkende, « zij zijn toch beiden niet naar het dorp, en hebben u hier niet gansch alleen gelaten, denk ik? »
« Neen, mijnheer; mijne vrouw en mijne dochter zijn op eenige stappen van hier met den kruiwagen voeder voor onze geit gaan halen. Zij zullen niet lang afwezig zijn. »
BE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Belieft het u hier een oogenblik bij mijn bed neder te zitten? Ik wenschte, terwijl wij alleen zijn, cenige woorden met u te wisselen, en u eene ernstige vraag toe te sturen. »
« Zeker, mijn vriend, » wedervoer Karei, verwonderd over den toon die in de stem des Duivels lag.
Hij nam eenen stoel, zette zich bij het bed, en aanzag vragend den zieke.
« Luister, mijnheer, » sprak deze, een diepen blik in de oogen des jongelings werpende. « Hetgeen ik u te zeggen heb, valt mij zeer pijnlijk; doch een onverbiddelijke plicht gebiedt mij dus te handelen. Gelief mij te verontschuldigen, zoo mijne vraag u kwetsen mocht. Ik weet dat ik u het leven verschuldigd ben, mijnheer Karei. Gij hebt mij verzorgd en verpleegd als een liefderijke zoon, en sedert gij ons de eerste maal ontmoettet, — ons, gehaten en verworpen schepselen —hebt gij niet opgehouden u tegenover ons te gedragen als een oprechte engelbewaarder. Mijne ziel stroomt over van erkentenis tot u en op de knieën zou ik u willen danken voor al het goede, dat wij u verschuldigd zijn. Eilaas, ik moet u bidden den armen Duivel en zijn huisgezin te vergeten, en nimmer in het Slangenbosch terug te komen. »
Karei had met pijnlijke verrassing op de woorden des Duivels geluisterd.
Wel is waar had hij zelf besloten zijne bezoeken in het Slangenbosch te staken, maar op die onmiddellijke scheiding was hij niet voorbereid. Zij
IQ/
ig8 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
kwetste en verscheurde hem het hart, en hij vroeg zich zeiven af, hoe Stina dit besluit zou aanvaarden.
Hij bedwong nochtans zijne spijt en antwoordde op halven toon :
« Het zij zoo, mijn vriend. Hoewel uwe vraag mij verwondert en bedroeft, ben ik bereid te handelen volgens uwen wil, zonder uitleggingen te vorderen. De dokter gaf mij de verzekering, dat gij nu gauw zult genezen, en binnen eenige dagen misschien reeds te been zijn. Uw toestand moet mij dus niet meer verontrusten, en uwe vrouw en dochter zijn daar, om in alles te voorzien. Doch mag ik u vragen, of zij uw besluit reeds kennen? » « Wat mijne vrouw betreft, ik doe nooit iets zonder haar te raadplegen; zij ook is diep bedroefd, maar onderwerpt zich aan het dwingende lot. Aan mijne dochter heb ik nog niets gezeid, en ik bid u, mijnheer, laat haar gelooven dat gij door uwe bezigheden genoodzaakt zijt van uwe bezoeken in het Slangenbosch af te zien.
« Stina is u innig erkentelijk voor uwe weldaden; haar diep gevoelig hart zou wellicht smartelijk lijden bij de gedachte dat mijne vraag u gekwetst heeft, en gij ons van ondankbaarheid zoudt kunnen beschuldigen.
» God schonk mij, in mijn somber leven, twee engelen van goedheid : mijne vrouw en mijn kind — mijne arme Stina, die haar leven moet slijten in een eenzaam bosch, tusschen twee droeve wezens. Gij, mijnheer Campers, zijt de eerste jonge mensch die
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
1
\'I
igg
haar naderde, en met wien zij sprak. Ik heb gezien met welke ongeduldige blijdschap zij naar uwe komst snakte. Eilaas, zij mocht zich voor iets anders gewennen dan hetgeen ons rampzalig lot haar geven kan.
« Gij zijt goed en rechtvaardig, mijnheer, en gij zult begrijpen welke vrees mijn vaderhart martelt. Boven al de andere redenen die ik u niet openbaren mag, geldt het nog de rust en het geluk van mijn eenig kind. »
Die laatste woorden had de Duivel met verkropte stem uitgesproken. Die hevige ontroering, bij den anders zoo koelen en ruwen man, trof den jongeling-diep.
« Wees gerust, mijn vriend, » verzekerde hij, c uw wil zal geschieden; ik zal in het Slangenbosch niet meer komen, en slechts door den dokter nieuws van u allen trachten te vernemen. Ik verberg u niet dat dit vooruitzicht mij bedroeft. Ik ben alleen op aarde en den korten tijd dien ik hier doorbracht, had reeds in mijn hart een innig gevoel van vriendschap voor u allen doen ontstaan; maar ik begrijp aan welke noodwendigheid gij gehoorzaamt, en onderwerp mij aan uw besluit. Nu heb iku ook een verzoek te doen. Zoo u nog iets pijnlijk mocht overkomen, of gij ooit de hulp van een vriendenhand noodig hebt, belooi mij plechtig u nimmer tot iemand anders te wenden dan tot Karei Campers. Dit is de eenige belooning die ik eisch voor de kleine diensten, die ik u mocht bewijzen. »
in
•\'1 r.
I:
0 p\'
is-!
1
il
I
il ;:r
pi
wl [ï]
filïi
II
!■ ■
te
200 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Met een blik van ware dankbaarheid aanschouwde de Duivel den goeden Karei, en meende op zijne vraag te antwoorden; maar daar verscheen Stina nu eensklaps in de deur, gevolgd door hare moeder.
« Ach ! mijnheer Campers, » juichte zij, « gij zijt nog gekomen, en dit zoo laat! Wat ben ik blijde u te zien ! Ginds bij den arbeid had ik geene rust meer. Mijn voorgevoel zei mij dat gij hier waart, en ik was ongeduldig om u goed nieuws te melden. Weet gij dat de dokter heden morgen mijnen vader geluk wenschte bij zijne zekere en spoedige genezing? Zie, ik wist wel, dat die tijding u uiterst verheugen zou; mijn vader is immers uw zieke ? »
De opgewonden toon des meisjes stem, en bovenal de vrije blik harer zwarte oogen hadden den jongeling gansch onthutst. Hij wist niet wat antwoorden en aanzag aarzelend den Duivel; maar deze deed hem een streng en bevelend teeken.
« Welnu, » vroeg Stina, « waarom ziet gij er beiden zoo neergedrukt uit? Het gaat toch niet slechter met vader, niet waar? Gij antwoordt niet, is er iets gebeurd ? »
« Ach! neen, Stina, » murmelde de jongeling, « maar ik kwam u allen melden, dat er nu zooveel werk op het bureel gekomen is, dat het mij zeer zelden nog mogelijk zal zijn, eenige stonden naar het Slangenbosch te komen. De zekerheid, dat wij elkander nu in langen tijd niet meer zullen wederzien, was niet van aard om uwen vader en mij te verheugen. » Met pijnlijke verwondering aanschouwde het meisje
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 201
den armen Karei, die zichtbare moeite deed om die woorden met onverschilligheid uit te spreken.
« Ja, ik versta het, » sprak zij op neerslachtigen toon, « wij hebben u reeds zooveel van uwen kostbaren tijd ontnomen. M. de notaris is misschien reeds verstoord op ons om die reden. Zeg hem, ik bid u, mijnheer Karei, dat wij hem insgelijks ten hoogste dankbaar zijn, omdat hij u toeliet als een goede engel uren en uren bij den zieke te komen waken, en dus mijn goede vader van een zekeren dood, en ons van de eeuwige vertwijfeling te redden. Maar, mijnheer Campers, indien uw goede meester u nog wilde veroorloven, ons van tijd tot tijd eens te komen bezoeken! Uw bijzijn deed den zieke zooveel goed en mocht gij nu zoo ineens wegblijven, het zou ons allen diep bedroeven. »
De vurige en rechtzinnige woorden, maar bovenal de biddende toon des meisjes stem, hadden den jongeling zichtbaar getroffen. Hij antwoordde niet; maar aanzag onwetend Christina met eenen blik zoo zonderling en doordringend, dat zij half verlegen de oogen nedersloeg.
« Stina, » morde de Duivel ontevreden, « gij moet redelijk zijn; wij mogen geen misbruik maken van de goedheid van M. Campers, en het bovenal niet wagen den heer notaris te verstoren, dit ware zeer slecht gehandeld van onzentwege.
« Ja, vader, gij hebt gelijk; maar toch blijf ik hopen dat M. Karei niet geheel den zieke zal vergeten die hij eens met zooveel liefde en opoffering verzorgde. »
202 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« O vrees dit niet, Stina, » verzekerde de jongeling, « vooraleer dit droevige voorval mij bij het ziekebed uws vaders riep, was er reeds in mijn hart een diep gevoel van vriendschap en medelijden voor u allen ontstaan. De dagen, die wij hier te zamen doorbrachten in bange zorgen, in hopen en vreezen, en de overtuiging dat ik ook iets mocht bijdragen aan de genezing uws vaders, lieten mij toe voor eenigen tijd te vergeten dat ik gansch alleen op aarde ben; die herinnering blijft mij immer duurbaar. Heb ik u eenige diensten kunnen bewijzen, geloof mij, vrienden, de genegenheid die gij mij allen betoondet heelt ze mij duizendmaal vergeld, en gij zijt mij hoegenaamd geenen dank verschuldigd. »
« Nu, mijnheer Karei, » hervatte de Duivel, « welk ook uwe gedacht daarover zij, wij weten wel wat wij u verschuldigd zijn, en is het ons niet toegelaten u dit in de toekomst te bewijzen, in onze harten ten minste zullen wij uw aandenken met vurige erkentenis bewaren. »
Die korte Avoorden, door den Duivel met innige overtuiging uitgesproken, hadden hen allen ontroerd.
De oude vrouw naderde tot den jongeling en drukte hem stilzwijgend de hand.
« Wel, wel, » riep Karei eensklaps, voelende dat het tijd werd zich uit die aandoening los te rukken, « ik vergat nog de bijzonderste reden mijner komst in het Slangenbosch.
« Zie, Stina, hier zijn de boeken, waar ik u over eenige dagen van gesproken heb.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 203
« Zij behelzen aandoenlijke verhalen, die gij des avonds aan uwe ouders zoudt kunnen voorlezen en die den zieke misschien eenige verstrooiing zullen verschaffen.
a Gij behoeft ze mij niet terug te geven, want ik heb ze reeds dikwijls doorlezen en kan ze bijna van buiten.
« Mijn geschenk heeft dus hoegenaamd geene waarde, als voor zooveel het u nuttig kan zijn. En nu, vrienden, moet ik u haastig vaarwel wen-schcn... Ik heb aan M. Trappeneels beloofd slechts over en weder naar het Slangenbosch te komen, om te weten hoe het met onzen zieke ging; het goede nieuws zal hem insgelijks verblijden. »
Dit zeggende naderde hij het bed, en drukte hartelijk de handen des Duivels en die zijner vrouw. Dan keerde hij zich tot Stina en meende met een vriendelijken groet insgelijks afscheid van haar te nemen, maar het woord verstierf op zijne lippen. Bleek en neergedrukt stond de maagd daar voor hem; zij kon niet spreken, maar reikte hem hare bevende hand.
« Vaarwel, Stina, » murmelde Karei eindelijk, geweld doende om zijne pijnlijke verwondering te verbergen. Hij aarzelde een oogenblik en meende nog iets tot het meisje te zeggen. Maar daar zag hij den blik des Duivels op hem gevestigd met eene uitdrukking van spijtige ontevredenheid. Dit sprakeloos verwijt gehoorzamende, drukte hij de hand des meisjes, wendde zich tot de deur en onder den
204 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
uitroep : « Vaarwel, vrienden, vaarwel! God be-scherme u! » verliet hij het huisje, en stapte met rassche schreden vooruit, door het donkere Slan-genbosch!
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 205
II
Het kon ongeveer vijf uren des namiddags zijn. Karei Campers zat op zijn bureel met het hoofd in de beide handen te mijmeren. Zijn werk was lang afgemaakt, en daar M. Trappeneels, voor ambtszaken in het naburige dorp geroepen, reeds den ganschen namiddag afwezig was, gevoelde hij zich nu geheel vrij, om zich aan zijne pijnlijke gedachten over te leveren. Veertien dagen waren er verloopen sedert hij voor de laatste maal in het Slangenbosch geweest was, veertien dagen! Hoe lang schenen zij hem toe, en hoe drukte sedert dien tijd het droevige vaarwel van Stina hem op het hart!
Zijne gefolterde ziel stelde hem immer het beeld der zoete treurende maagd voor de oogen.
Wat mocht zij wel van hem denken, en hoe moest zijne schijnbare onverschilligheid haar verwonderen !
Haar zuiver en mild gemoed had de dankbaarheid overdreven, en zij had zich aan hem gehecht, als aan een\' broeder.
Ongelukkig meisje, begaafd met al de liefderijkste hoedanigheden der vrouw, welk droevig leven stond
2o6 de duivel uit het slangenbosch
haar te wachten in het sombere Slangenbosch! Zij zou de lente haars levens zien voorbijgaan zonder vreugde of genot, en wie weet, langzaam kwijnen en sterven misschien, als eene bloem die men van alle zonnelicht berooft.
Zoo was Karei reeds uren lang bezig met zijne verbeeldirig af te matten, zich de pijnlijkste gebeurtenissen voorstellend en onwetens dweepend met zijne verborgene smart.
Hij hoorde niet dat men een sleutel op de voordeur stak.
Daar verscheen onverwachts de notaris op het bureel, en verraste hem in zijne diepe mijmering verzonken.
« He! he! mijn jonge vriend, » kreet de notaris, lt;( gij ziet er zoo droef en nadenkend uit; is er hier iets in mijne afwezigheid gebeurd ? »
« Ach neen, heer notaris, verschoon mij, » antwoordde Karei verlegen rechtstaande; « ik had u niet hooren binnenkomen. Mijn werk is reeds lang afgemaakt en ik ben hier op uwe terugkomst blijven wachten. De eenzaamheid deed mij in gepeinzen verzinken. »
« Ja, heer Campers, ik ben langer uitgebleven dan ik dacht, en de reden daarvan zal u waarschijnlijk zeer verwonderen, wanneer ik ze u melden zal.
« Verbeeld u, dat ik veel vroeger mijne zaken afgedaan had dan ik het voorzag; het was slechts drie uren, toen ik reeds op weg was om naar Hal-derghem terug te keeren. De baan leidde mij, zooals
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 207
gij weet, voorbij het Slangenbosch. Daar er nu al veertien dagen verloopen zijn, sedert gij voor de laatste maal het huisgezin des Duivels bezocht, en ik weet hoeveel belang gij in den armen zieke stelt, heb ik met eigen oogen Avillen bestatigen hoe het nu met uwe beschermelingen ging. »
« Oh! heer notaris, hoe welwillend van uwentwege dus mijn vurigsten wensch te voorkomen, » antwoordde Karei met ware blijdschap. » En hoe gaat het nu, ik bid u, met den armen Duivel, met
zijne vrouw, en met.....met de goede Stina? »
« Wat den zieke betreft, dien heb ik veel beter, ja bijna genezen gevonden; door genezen wil ik zeggen dat alle gevaar voorbij is en dat hij nu met de hulp zijner vrouw reeds eenige schreden ver buiten het huisje kan wandelen.
« Somber is de man nog immer; maar de hoop die de dokter hem gaf dat hij nu voor lang, voor altijd misschien, van zijne schrikkelijke kwaal verlost is, heeft oneindig veel bijgebracht om zijnen moed op te beuren.
«Slechts de arme Stina vond ik tamelijk bleek, ja zelfs een weinig vermagerd; maar dit is niet te verwonderen, de onrust en de zorgen die sedert zoovele dagen op haar wegen, zijn daar waarschijnlijk de oorzaak van. »
« Stina is bleek en vermagerd! » kreet de jongeling ontsteld. « Ziek misschien. Ongelukkig meisje! Eilaas, eilaas, ik verwachtte er mij aan! »
« Zoo dat, en waarom? » vroeg de notaris verwonderd over den toon van Kareis stem.
208 de duivel uit het slangenbosch
« Ach, heer notaris, bedenk toch wat zij door de ziekte van haren vader, die zij onuitsprekelijk bemint, geleden heeft, en herinner u ook tot welk droevig lot zij veroordeeld is : schoon, verstandig, goed als een engel! en dus in het akelige Slangenbosch moeten treuren, kwijnen en sterven! »
« Sterven? » herhaalde de netaris met klimmende verwondering den opgewonden jongeling aanschouwend. « Nu, heer Campers, wat overkomt u? Gij droomt, denk ik? Wie spreekt er van kwijnen en sterven? Stina is kloek en gezond, en ziet zij er al wat bleek en veranderd uit, het verdriet dat de ziekte haars vaders haar veroorzaakte, is daar de eenige en natuurlijke reden van. Ik beken dat haar leven droef en eenzaam is; maar zoo was het sedert jaren, en het goede kind, dat nooit iets anders gekend heeft, zal daar min door lijden dan gij u wel inbeeldt. Maar wie spreekt er om Godswil van kwijnen en sterven? Waarlijk, heer Campers, ik versta u niet; ik dacht u te verheugen, door u goed en zeker nieuws van den zieke te brengen, en het is juist het tegenovergestelde. »
« Ach, verschoon mij, heer notaris, » mompelde Karei beschaamd, « gij hebt gelijk; hetgeen ik daar even zeide, is dwaas en overdreven. Doch ik gevoel mij geheel ontsteld sedert eenige dagen, zonder eigenlijk te weten waarom. Bekreun u om mij niet, ik bid u, en gelief mij mijne schijnbare onbeleefdheid te vergeven. »
De notaris nam eenen stoel, en zette zich tegenover
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
den jongeling, die verlegen het hoofd gebogen had. Hij aanschouwde hem eene wijl in stilte en sprak :
« Uwe neerslachtigheid verwondert mij waarlijk, heer Campers ; het is de eerste maal sedert gij op mijn kantoor zijt, dat ik u in die droeve stemming ontmoet.
« Iedereen in Halderghem kent en bewondert de vroolijkheid van uwe inborst. Welke treurige overwegingen hebben u dus ontmoedigd? Gij verstaat wel, mijn jonge vriend, dat het alleenlijk uit belangstelling is dat ik u aldus ondervraag. »
« Ik weet het zelf niet, heer notaris; ik doe pogingen genoeg om die neerslachtigheid te overwinnen en kan er niet in gelukken. De eenigste uitlegging die ik er toe vind, is deze : Sedert lang ben ik alleen op aarde, gedwongen te kampen met al de wederwaardigheden des levens.
« Ik ben in Halderghem gekomen, twijfelend of het u zou believen mij te aanvaarden, gansch vreemd aan iedereen, en zonder te weten wat mij hier te wachten stond. Het schoone Kempenland, de ingeborene gulhartigheid der heden, maar bovenal uwe uiterste goedheid te mijnen opzichte, mijnheer, maakten op mijn gemoed een zeer diepen indruk. Dan de gebeurtenis in het Slangenbosch, de rechtzinnige dankbaarheid die men mij daar betuigde, dit alles te zamen hechtte mij zoo vast aan deze streek, dat ik met droefheid het oogenblik te gemoet zie, waarop ik Halderghem zal moeten verlaten. Denk daarom niet, mijnheer, dat ik u wil yragen, mij hier
209
2IO DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
langer te laten blijven dan het besloten is, het ware onmogelijk, ik weet het. Maar dit zal niet beletten, dat ik later, waar ik ook moge varen of verblijven, het eenvoudige Halderghem en u aller hartelijke vriendschap zal blijven betreuren. »
De notaris had glimlachend op de rechtzinnige woorden des jongelings geluisterd.
Nu stond hij op, drukte hem de hand en zeide : « Ik weet, heer Campers, dat gij niet alleen eene vroolijke inborst, maar tevens een zeer gevoelig en dankbaar hart bezit, en het verheugt mij te vernemen dat uw verblijf in Halderghem u eene goede herinnering zal nalaten.
« Wat uw vertrek van hier betreft, dit blijft voor het oogenblik nog zeer onbepaald.
« Mijn zoon vroeg mij om, na het afleggen van zijn exaam, een reisje naar Duitschland te ondernemen en er zelfs eenige weken te verblijven.
« Ik ben van zin hem mijne toestemming te geven. « Gij ziet dus, mijn vriend, dat, indien het waarlijk dit vooruitzicht is dat u verontrust, gij daar voor het oogenblik nog niet hoeft aan te denken. Maar is dit wel de eenigste reden uwer treurnis? Herinner u onze samenspraak van over drie weken, herinner u ook mijne vrees, die u voor alsdan ongegrond scheen, en beken mij eens met kinderlijke oprechtheid of het uwe afwezigheid uit het Slangenbosch niet is, die li dus bedroeft. »
De jongeling schudde ontkennend het hoofd en antwoordde aarzelend :
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 211
« Neen, heer notaris, denk niet, dat ik u iets zou kunnen of willen verbergen. Maar ik gevoel mij zoo duizelig in het hoofd, dat het mij onmogelijk is, u op dit oogenblik met klaarheid te antwoorden.
« Laat mij toe, bid ik u, een weinig onder de vrije lucht te gaan, dit zal mijne gedachten verhelderen ; en later, indien gij het toelaat, mijnheer, zullen wij deze samenspraak hernemen. Wel te verstaan, indien ik u heden niet meer van dienst kan zijn? »
« Doe volgens uwe beliefte, heer Campers, gij zijt gansch vrij. Eene lange wandeling op de heide zal u herstellen. Wie weet, is dit alles morgen niet vergeten, en dan zie ik u weder vroolijk en opgeruimd als naar gewoonte. Goeden avond en tot morgen! »
« Goeden avond, heer notaris, heb nogmaals dank, » murmelde Karei, wijl hij het bureel verliet.
In plaats van rechtstreeks naar de Zon te gaan, om zich daar een weinig te verfrisschen en op te schikken, gelijk hij het gewoonlijk deed, vooraleer zijne avondwandeling te ondernemen, stapte Karei met gebogen hoofde langzaam achter het huis van mijnheer Trappeneels een eenzamen heideweg in.
Hij, die er gewoonlijk zoo zorgeloos en opgeruimd uitzag, en na de afgedane taak iedereen door zijne geestige kwinkslagen wist te vermaken, was sedert eenige dagen niet meer te erkennen. « Ah sa » morde hij in zich zeiven, « ben ik nu betooverd? Wat ik doe
212 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
of niet, het is mij onmogelijk, aan iets anders te denken.
« Ik word norsch, dom, en onverdraaglijk; daar even was ik bijna onbeleefd tegenover mijnheer Trappeneels en Judoca vroeg mij gisteren reeds of ik ziek was. Ziek? ja, ik geloof waarlijk dat ik het ben, in het hoofd bovenal!
« Arme Stina, zij is bleek en lijdend, wat mag zij van mij wel denken ? Ik zie ze nog den klagenden blik op mij richten, toen ik het huisje verliet; zij ook zou kunnen ziek worden, erg ziek, en ik zou haar niet meer mogen zien, haar troosten noch verzorgen, zooals ik het voor haren vader deed; maar dit is onmenschelijk en onbarmhartig. Ah! ik lach met den praat der lieden; maar de Duivel, het geheim, oh mijn God! Wat gevoel ik mij onmachtig en ongelukkig! Eilaas, zou de vrees van mijnheer Trappeneels gegrond zijn, zou ik de dochter des Duivels waarlijk beminnen? Ach! ik kan niet zeggen wat er in mijn hart omgaat, en welk gevoel mij tot Stina trekt; maar ik zou immer aan hare zijde willen blijven, haar troosten en beschermen tegen alle verdriet, en haar liefhebben als eene zoete duurbare zuster. »
Onder het slaken dier laatste woorden liet Karei zich op den boord eener gracht neerglijden en bleef langen tijd, met het aangezicht in de beide handen verborgen in diepe droomerijen verslonden.
De naderende duisternis herrinnerde hem eindelijk dat men ginds in de Zon op hem wachtte om het
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
213
avondmaal te nemen. Dan stond hij op, schudde nog droefgeestig het hoofd, en keerde terug naaide herberg, waar Judoca en- hare moeder in de open deur reeds met ongeduld op hem stonden te wachten.
■4
3
214 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
III
\'s Anderdaags-, toen de zon hare eerste zwakke stralen op de groene luiken der herberg wierp, zat Karei reeds op de houten bank tegen den muur geleund zijne pijp te rooken. De ongewone bleekheid zijns gelaats getuigde dat hij dien nacht niet veel had kunnen rusten; en ernstige overwegingen gaven aan zijn anders zoo open gelaat eene pijnlijke uitdrukking. Judoca kwam nevens hem staan, met een emmer water en een doek in de handen om de vensterruiten te wasschen. Medelijdend aanschouwde zij den droomenden jongeling. « Een heerlijk oogstweder, niet waar mijnheer Campers? » sprak zij. « Hebt gij wel geslapen dezen nacht? »
« Neen, Judoca, » was het neerslachtig antwoord, « ik heb geen oog kunnen sluiten. Ik lijd aan pijn in het hoofd cn gevoel mij nog droeviger gestemd dan gister\' avond. Het nieuws uit het Slangenbosch dat M. Trappeneels mij meedeelde, is daar waarschijnlijk de schuld van. »
« Bah, bah, » schertste Judoca, « ik vind er veeleer reden in om zich te verblijden, de Duivel is veel
ill
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
beter, en wat Stina betreft, die is een weinig vermoeid door het waken. Wat geeft dit, wanneer men jong is; eenige goede nachten zullen alles herstellen.
« Ja, ja, « zuchtte Karei, « het is mogelijk. En toch kan ik mijne droeve gedachten niet verdrijven. »
De-plaagzieke Judoca staakte haar werk, kwam recht voor den jongeling staan, en hem lachend in de oogen ziende, vroeg zij :
« Zeg eens, mijnheer Campers, hebt gij dezen nacht niet van de groote zwarte oogen van Stina gedroomd? Dit zou mij in het geheel niet verwonderen; ik begin te vreezen dat het schoone duivelinneke u betooverd heeft en dat gij er daarom sedert eenige dagen zoo droef en verwilderd uit ziet. » Zij meende dat Karei volgens zijne gewoonte met een kwinkslag op hare vroolijke scherts zou antwoorden, maar hij bleef stilzwijgend en schudde slechts twijfelend het hoofd. « Nu, mijnheer Campers, » hernam het meisje, « gij moogt het niet kwalijk nemen, het was maar om te lachen. »
« Ja, Judoca, » begon Karei eensklaps op ernstigen toon, « ik weet dat gij een verstandig meisje zijt en een goed hart bezit. Daarenboven, gij zijt eenige jaren ouder dan ik, en gij zoudt mij misschien goeden raad kunnen geven.
« Welnu, ik moet u bekennen dat ik hoegenaamd niet weet wat er sedert eenige dagen in mij omgaat. Ik ben misnoegd en ontevreden op mij zeiven; ik kan niet slapen, en daarbij gevoel ik mij zoo ongelukkig dat ik het niet zeggen kan.
2l5
2l6 de duivel uit het slangenbosch
« Het leven was mij nochtans immer zeer moeilijk, en de dagen die ik hier doorbracht, zijn de schoonste en gelukkigste die ik mij kan herinneren. Ik vraag mij zeiven af wie of wat dit alles mag vergald hebben en welk ongeluk mij boven het hoofd hangt. Ik heb noch moeder noch zuster aan wien ik dien toestand kan toevertrouwen, die voor velen belachelijk zou schijnen; en daarom, mijne goede Judoca, heb ik aan u gedacht. Wie,weet zult gij het droeve raadsel niet kunnen oplossen. »
Judoca had de klachten des jongelings half glimlachend aanhoord; nu antwoordde zij met een slimme uitdrukking in de oogen :
« Ja, mijnheer Karei, wat kan ik u daarover zeggen; ik zou eerst en vooral moeten weten welke gedachten u kwellen en u beletten te slapen. »
Karei hief het hoofd op en aanzag haar met verlegenheid.
« Welke gedachten, » herhaalde hij dubbend. Ik geloof dat het mijn innig medelijden is met het huisgezin des Duivels, met Stina bovenal en het vooruitzicht, dat ik binnen korten tijd het schoone Kempen-land zal moeten verlaten, en u allen die mij hier zoo veel vriendschap hebt bewezen. »
Het meisje schudde ongeloovig het hoofd. « En indien gij gansch gerust gesteld waart over den toestand des Duivels huisgezin? » vroeg zij.
« Indien ik u eens verzekerde dat die arme lieden welhaast het Slangenbosch zullen verlaten om in eene vreemde stad te siaan wonen, waar hen een veel
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 21/
beter leven wacht, ware uw verdriet dan gedaan? » « Wat zegt gij ? » riep Karei getroffen. « Zij gaan het Slangenbosch verlaten, om in een afgelegene stad te gaan wonen? Maar dit is niet mogelijk. Hoe weet gij dit? »
« Onnoozele, » lachte Judoca, « het was maar eene veronderstelling, een list dien ik uitzocht om u de waarheid te doen bekennen. De gedachte alleen dat Stina van hier zou kunnen vertrekken, en gij haar bijgevolg niet meer zoudt zien, doet u opspringen van schrik. Wij vrouwen, hoe eenvoudig wij ook zijn, bedriegen ons zelden, wanneer het de zaken des harten geldt. Mijne plagerijen dezer laatste dagen behelsden in den grond een\' zweem van ernst, dien gij niet bemerkt hebt. De reden uwer droefheid, mijnheer Campers, wil ik, de onnoozele Judoca, ze u eens bekend maken? Welnu, die reden is, dat gij Stina bemint, en sedert lang misschien zonder dat gij het zelf weet. »
« Ach! Judoca, » stamelde Karei verrast over die ernstige verklaring, « sedert gister avond ga ik onder die vrees gebogen. Ik zou haar dus beminnen! die
arme goede Stina, en zij ?..... Eilaas, eilaas! welk
vreeselijk ongeluk! »
« Een ongeluk, » herhaalde het meisje, hem verwonderd aanschouwend? « Nu, heer Campers, gij overdrijft zeker. Stina is ver beneden uwen staat, dit is waar, en de bewoners van het Slangenbosch hebben hier in het geheel geen goeden naam, hoewel dit sedert uw verblijf in Halderghem veel is veran-
2lS DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
derd; maar een ongeluk kan ik daarom uwe liefde tot Stina toch niet noemen.
« Wees zoo moedeloos niet, mijnheer Karei, gij zijt immers alleen op aarde, en vrij en meester van te doen wat gij wilt. Ware ik in uwe plaats, ik raadpleegde slechts mijn eigen hart, en de babbel der lieden zou mij in het geheel niet afschrikken. » « Ik dank u voor uwe troostende woorden, » wedervoer de jongeling, het meisje met erkentenis de handen drukkend. « Maar geloof mij, Judoca, de nederige staat van Stina is het niet die mij terughoudt. Wist gij hoe arm en hoe rampzalig ik zelf geweest ben in mijne kindsheid en zelfs later, dan zoudt gij begrijpen dat het veeleer eene reden van toeneiging zou zijn tusschen ons beiden.
« Maar er bestaat een ander hinderpaal; een schrikkelijk geheim schijnt op den Duivel en zijn huisgezin te wegen. Een geheim dat hij misschien niet kan of mag openbaren. En wie weet, zal hij er wel ooit in toestemmen zijne dochter het Slangenbosch te zien verlaten, zelfs om een\' echtgenoot te volgen, uit vrees een gedeelte van dit geheim te moeten verraden.
« Wie weet zou Stina hare ouders willen verlaten, die zij met eindelooze teederheid bemint. »
(i En denkt gij dat zij u niet bemint, mijnheer? » « Ach, ik weet het niet, Judoca, het goede meisje is nog zoo eenvoudig; maar,... maar ik geloof toch niet dat ik haar geheel onverschillig ben. »
« Zie, dat zou ik nu wel eens willen zien, »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 2lg
kreet Judoca, « een jongeling als gij, geleerd, verstandig, en wien waarschijnlijk eene schoone toekomst wacht, zou mijnheer den Duivel de eer aandoen de hand zijner dochter te vragen, om haar dus van de diepste armoede, en het pijnlijke lot dat haar wacht te verlossen, — en mijnheer de Duivel zou dit onverhoopt geluk voor zijne dochter weigeren. Welnu, dan bemint hij zijn kind niet, of wel, hij is waanzinnig! Neen, neen, mijnheer Karei; gij dwaalt; bij uw eerste woord daarover, zullen de Duivel en zijne vrouw u op de knieën danken voor uwe goedheid. »
(i Gij denkt het, Judoca? »
(( Ja, ik denk het zeker. Weet gij wat ik zou doen in uwe plaats? Ik zou eerst M. Trappe-neels gaan raadplegen, die meer van de zaken uit het Slangenbosch kent dan wij allen. Keurt hij uw besluit niet af, welnu, ga dan recht naar den Duivel en neem hem bij de horens, zooals men zegt. Wij zullen zien, wanneer het geluk van zijn eenig kind op het spel staat, of hij u dan dit geheim niet zal openbaren, dat misschien toch zoo schrikkelijk niet is. »
« Dank! Judoca, dank! voor die aanmoediging; gij hebt mij gansch opgebeurd. Welnu, het zij dus besloten, ik zal uwen raad onmiddellijk volgen. Kan ik mijn doel bereiken en de goede Stina uit het Slangenbosch verlossen, dan zal ik u, Judoca, immer dankbaar blijven; want gij alleen hebt mij de oogen geopend, en den verloren moed terug
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
geschonken. Vaarwel, Judoca, ik ga onmiddellijk naar M. Trappeneels. Vaarwel en wees nogmaals gedankt! »
Onder het uiten dezer woorden verliet Karei de herberg, en sloeg met vasten tred en opgeheven hoofde de baan in, die naar de woning van M. Trap-peneels leidde.
Eenige minuten waren hem voldoende om het huis van den notaris te bereiken. Hij schelde zoo driftig, dat de oude meid in de keuken van haren stoel opsprong en haastig naar de deur liep, denkende dat men haren meester voor een testament of iets dergelijks kwam roepen. Toen zij tegen hare verwachting den jongeling ontwaarde, meende zij als naar gewoonte eenige woorden met hem te wisselen; maar deze liep haar sprakeloos voorbij, klopte op de deur van het kantoor, en trad binnen onder het murmelen van een eerbiedigen groet.
M. Trappeneels zat in zijn leunstoel een dagblad te lezen.
Het was slechts acht uren des morgens, en het kopje koffie dat op de schouw nevens hem stond getuigde dat hij nauwelijks gedaan had met te ontbijten.
« Goeden dag, heer Campers, » sprak hij op den groet des jongelings antwoordende, « gij zijt zoo vroeg te been; ik verwachtte u slechts rond negen uren. Welnu, is uwe hoofdpijn van gisteren verdwenen? »
« Ja, heer notaris, ik dank u. Gelief mij, ik bid u.
220
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 221
te verontschuldigen, zoo mijne vroege komst u mocht storen; maar eene ernstige reden brengt mij tot hier.
« Den ganschen nacht heb ik op onze samenspraak van gisteren nagedacht, en nu, mijnheer, kom ik van uwe goedheid een vaderlijken raad verzoeken, vooraleer ik een besluit neem, waarvan mijne gansche toekomst kan afhangen.
« Toen gij de welwillendheid hadt, heer notaris, mij over eenige dagen hier op uw kantoor te ondervragen over eene zaak die mij voor alsdan onmogelijk scheen, heb ik, geloof mij, met de uiterste rechtzinnigheid geantwoord. Wat er sedert dien tijd in mijn hart is omgegaan, kan ik u niet uitleggen.
« Ik heb gestreden, geworsteld tegen een gevoel machtiger dan mijn wil zelve; een gevoel dat onwetens in mijn hart geslopen is en mij gansch overmeestert. Gisteren twijfelde ik nog, maar nu kom ik u eene rechtzinnige bekentenis doen ; Heer notaris, ik bemin Stina, de dochter des Duivels, uit al de krachten mijner ziel, en ik heb besloten haar ten huwelijk te vragen.
« Dien gewichtigen stap heb ik niet willen wagen, zonder u, mijn goede meester, eerst te verwittigen, en u te bidden mij te zeggen wat gij over mijn besluit denkt. »
Alhoewel de notaris zich reeds lang aan eene dergelijke bekentenis verwachtte, aangezien hij zelf den jongeling gewaarschuwd had, deed zij hem nochtans een pijnlijken indruk.
222 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Hem verschrikte het vooruitzicht der menigvuldige onaangenaamheden, die den armen Karei te wachten stonden.
« Zit neder, heer Campers, » beval hij, « en laat ons de zaak eens rijpelijk overwegen. Uwe verklaring bedroeft mij, maar zij verwondert mij niet. Sedert eenige dagen verwachtte ik er mij aan. Zeg mij nu eens, hebt gij den afstand wel gemeten die u van de dochter des Duivels scheidt? Vreest gij de vernederingen niet, die u te beurt kunnen vallen, als gij later uwe vrouw aan vrienden en bekenden zult voorstellen? Neen, onderbreek mij niet; ik beken dat Christina een schoon, ja zelfs een verstandig en niet ongeleerd meisje is. Maar hare ouders? Van welken aard is het geheim, dat als een vervaarlijk floers hun vorig leven bedekt? Zal de Duivel dit donkere raadsel wel kunnen of willen oplossen ?
« En wie zegt u dat de gedwongen openbaring van dit geheim hem niet met afschrik uwe vraag zal doen verstooten. Ik veronderstel dat Stina u bemint; zal die liefde wel sterk genoeg zijn om haar te doen besluiten hare ongelukkige ouders te verlaten? Ik heb veel achting en vriendschap voor u, heer Campers; gij zijt een werkzame jongen wien de toekomst onfeilbaar toelacht. Daarom verschrikt mij het denkbeeld dat gij een\' stap gaat wagen, die, zoo hij gelukt, niet alleen die toekomst verbrijzelen kan; maar tevens twee menschenlevens misschien voor altijd ongelukkig zou maken.
« In alle geval, zoo niets u van dit voornemen kan
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
I l
223
doen afzien, dan hoop ik ten minste dat gij met Stina nooit zult trouwen, zonder het verleden harer ouders gansch te kennen en zonder te weten welk geheim hun op de schouders drukt. »
Karei had met eerbiedige aandacht op de Avoorden van M. Trappeneels geluisterd. « Heb dank, mijn goede meester, » murmelde hij, « voor uwe uiterste welwillendheid te mijnen opzichte. Een vader kan niet beter tot zijnen zoon spreken. Ik gevoel wel dat mijne liefde tot Stina krachtig genoeg is, om mij over veel moeilijkheden te doen heenstappen, maar ik zal uwen raad onderdanig volgen. Heden namiddag, indien gij het toelaat, ga ik naar het Slangenbosch en zal daar trachten de oplossing te verkrijgen van het noodlottige geheim, dat mij van Stina scheidt. Wat er ook van kome, mijnheer, ik blijf u rechtzinnig dankbaar voor den vaderlijken raad, en de onverdiende belangstelling die gij aan uwen ootmoedigen dienaar betoont. »
« Het zij zoo, mijn vriend, » besloot M. Trappeneels , « gij kunt over den ganschen namiddag beschikken en dus zoolang in het Slangenbosch blijven, als gij het goedvindt. Nu laat ik u alleen, ik moet in het dorp een kort bezoek gaan afleggen. Ginds op den lessenaar zult gij drie brieven vinden, waarop moet geantwoord worden, de aanteekeningen liggen er nevens. Nu, vaarwel, tot straks! »
M. Trappeneels verliet het kantoor, terwijl Karei, na zijnen meester beleefd gegroet te hebben, plaats nam aan den lessenaar en zijn schrijfwerk begon.
jf
li i il ■-I amp;
i I
li
I
II
f
. I
I# t ^
li
,S-
•M i
l.\'
224 de duivel uit het slangenbosch
IV
Het was slechts een uur na den middag. Karei had met haast het noenmaal genomen in de Zon, en nu stapte hij met rassche schreden over den steenweg van Halderghem. Welhaast bereikte hij den uitkant van het bosch, en sloeg het hobbelige voetpad in, dat hem tusschen boomen en heesters in den schoot van het Slangenbosch brengen zou.
De oogstmaand tintelde reeds met verschillende kleuren het dichte gebladerte nevens hem, en van uit het groene gewelf der boomen viel hier en daar een zwakke lichtstraal, die het donkere mostapijt aan zijne voeten met grillige kronkels versierde. Met kloppend hart en hijgenden boezem stapte de jongeling voort, omringd door de indrukwekkende stilte des wouds. Elke tred bracht hem nader tot de maagd, wier beeltenis hem sedert zoovele dagen niet meer verlaten had.
Een onbekend gevoel overstroomde zijn hart, iets zoo zoet en zoo pijnlijk tevens, dat hij het zelf niet uitleggen kon.
Arme, lieve Stina, hij ging haar zien, haar spreken, in den blik harer zwarte oogen de bevestiging lezen
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 225
van al wat hij sedert veertien dagen gehoopt en gevreesd had. Ja! het werd klaar in zijnen geest, hij gevoelde nu hoe vurig hij het meisje lief had, niet alleen omdat zij schoon en goed was; maar omdat zij arm was, zooals hij, en dat een treurig lot haar bedreigde. Arm! neen, dit was hij nu niet meer; rijk werd zijn hart aan liefde, en kon hij de goede Stina tot levensgezellin verkrijgen, dan gevoelde hij zich reuzensterk, om tegen al de wederwaardigheden des levens te kampen.
Een wezen op aarde zou dus doorhem gelukkig zijn, en op dat wezen zou hij al de liefde, al de teederheid nederstorten, die hij zoolang in zijn hart had moeten opsluiten.
Bij die betooverende droomen hijgde de jongeling diep, blikte rond en bleef aarzelend staan. Wat was alles schoon en bloeiend in het bosch : hoe groen het fluweelen mostapijt, hoe schitterend de kleine woudbloemen, en hoe versterkend bovenal, de zoete balsemgeur die met kracht in zijne longen drong. Ja, hij gevoelde zich jong en sterk, vol moed en levenslust, en hij zou het nijdige lot wel overwinnen!
Maar de Duivel? het geheim?
« Welnu, wij zullen zien, » mompelde hij in zich zeiven en vervorderde zijnen weg met beradenheid.
Hij was nu aan eene plaats gekomen, niet ver van het huisje des Duivels, waar het pad plotseling omdraaide, en over eene kleine open plaats liep. Eensklaps bleef hij staan en blikte verwonderd vooruit.
Daar, op eenige stappen voor hem, zat Christina
DE DUIVEL UIT HET SLANGEXBOSCH
op een afgehakten boom, met gebogen hoofde en onbeweegbaar als een steenen beeld.
Voor hare voeten lag het breiwerk, dat zij onwetens uit hare handen had laten vallen, en een weinig ter zijde was de geit aan het grazen.
Sidderend aanschouwde Karei de droomende maagd, die daar als een betooverend en zielroerend beeld voor zijne oogen oprees.
Zij scheen bleek en de uitdrukking haars gelaats getuigde van lijdzame treurnis.
Wel diep moest zij in hare gedachten verslonden zijn, want zij hoorde den jongeling niet naderen.
« Stina, » murmelde hij met zachte stem, « Stina? »
Het meisje hief verschrikt het hoofd op en een hevig rood kleurde hare wangen, toen zij den jongeling ontwaarde.
« Mijnheer Campers, » stamelde zij met eene uitdrukking van verlegenheid, die den jongeling verraste.
« Goeden dag, Stina, » hernam hij; « welnu, hoe gaat u allen, sedert mijne lange afwezigheid? Uw vader is veel beter, niet waar? »
« Ja, mijnheer, ik dank u; mijn vader is bijna genezen, en de dokter is zeer tevreden over zijnen toestand. »
« God zij geloofd, dit is een zeer verblijdend nieuws; maar gij, Stina? Gij ziet er zoo bleek uit; waart gij onpasselijk? »
« Neen, mijnheer, gij bedriegt u, mij let niets. Indien gij u de moeite wilt geven tot aan ons
220
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 22/
huisje te gaan, zult gij mijnen vader voor de deur op de bank zien zitten. »
Dit zeggende stond zij op, nam de geit bij de koord en meende den jongeling tot bij hare woning te geleiden; maar deze hield haar met de hand terug en sprak aarzelend :
« Stina, ik bid u, gelief mij een oogenblik te aanhooren.
« Ik ben gekomen om aan uwen vader eene ernstige vraag toe te sturen — eene vraag, waarvan het geluk mijns levens afhangt. Maar aan u, Stina, aan u alleen moet ik eerst eene bekentenis doen. De veertien dagen, die er nu verloopen zijn, sedert wij elkander voor de laatste maal zagen, heb ik in treurnis en in bitteren twijfel doorgebracht. Uw beeld, uwe herinnering vervolgden mij immer en overal. Uw vader had mij doen beloven, hij heeft het u waarschijnlijk reeds bekend, mijne bezoeken in het Slangenbosch voor altijd te staken.
« Ach, Stina, de gedachte dat ik u nooit meer zou zien, dat gij voor eeuwig in het Slangenbosch opgesloten waart, dat gij droef en ziek kondet worden, zonder dat ik bij u zou kunnen komen om u te troosten; die gedachte martelde mij oneindig. Zoo verre van u heb ik dag en nacht van u gedroomd, naar u gesnakt, en dan, dan heb ik gevoeld hoe diep, hoe innig ik u lief had! Stina, lieve Stina! gij ziet er ook droef en lijdend uit. Oh! zeg mij, hebt gij niet een weinig aan mij gedacht; woog de scheiding u niet zwaar? »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Een nog heviger rood kleurde het voorhoofd dei-maagd ; zij sloeg den blik neder, maar antwoordde niet.
« Stina » murmelde Karei met bevende stem, « Stina lief, ik bemin u. Wilt gij mijne vrouw worden? »
Bij die laatste woorden die Karei op ongemeen zoeten toon uitgesproken had, kon het arme meisje hare ontsteltenis niet meer bedwingen. Zij bedekte zich het aangezicht met de beide handen, en een tranenvloed borst uit hare oogen.
« Eilaas, eilaas », snikte zij, « wat ben ik ongelukkig! »
Karei ging tot haar, nam met zacht geweld eene harer handen, en murmelde ;
« Welnu, Stina, een woord, een enkel woord : heeft mijne vraag u gekwetst, of bemint gij mij niet? »
Bevende van ontroering, boog zij het hoofd en smeekte bijna onhoorbaar tusschen hare tranen ;
« Ach, mijnheer Karei, heb medelijden met mij, gij de goedheid, de edelmoedigheid zelve; vraag mij niets, en ga tot mijnen vader. Mijn hart breekt; maar ik eilaas, ik mag u niet antwoorden. »
Karei, door den biddenden toon harer stem tot in het diepste der ziel getroffen, drukte haar zachtjes de hand en sprak :
« Het zij zoo, Stina ; ik zal tot uwen vader gaan, en hem zeggen dat ons beider geluk van zijn antwoord afhangt. Met uwe toestemming, niet waar, lieve ? »
Het meisje knikte bevestigend, maar bleef snikkend voortweenen. Karei aanschouwde haar een
228
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 229
wijl met teeder medelijden en begaf zich dan naar het huisje, waar hij den Duivel voor de deur op eene houten bank nevens zijne vrouw zag zitten.
Bij het verschijnen des jongelings stónd de zieke recht en wierp hem een scherpen en verwijtenden blik toe
« Mijnheer Campers, » mompelde hij vergramd, « wat beteekent dit? Hadt gij mij niet beloofd den weg naar het Slangenbosch te vergeten? »
« Goeden dag, vrienden, » begon Karei; « mijne komst schijnt u te verstoren. J ik verwachtte er mij aan; doch geloof dat eene zeer ernstige reden alleen in staat was mij mijne belofte te doen verbreken. »
« De heer Trappeneels, mijn goede meester, kent die reden, want vooraleer den gewichtigen stap te wagen dien ik thans doe, heb ik hem geraadpleegd. »
« Gelief binnen te komen, mijnheer, » beval de Duivel op korten toon; « het is nutteloos dat Stina, die zich in de nabijheid bevindt, onze samenspraak hoore. »
Dit zeggende nam hij den arm zijner vrouw en, gevolgd door Karei, traden zij het huisje binnen.
De zieke zette zich neder in eenen leunstoel bij het bed, en Stina\'s moeder, na den jongeling een\' stoel aangeboden te hebben, nam plaats aan de zijde haars mans.
« Luistert, vrienden, » begon Karei met eene stem die getuigde dat hij geweld deed om zijne ontroering te bedwingen, « ik bemin Stina uit al de krachten mijner ziel, en ik kom u vragen ze mij ten
23o de duivel uit het slangenbosch
huwelijk te schenken. Of uwe dochter mij bemint, daar ben ik niet zeker van]; maar toen ik haar over eenige oogenblikken voor de eerste maal deze bekentenis deed, was hare ontroering zoo diep dat ik meen te durven hopen dat het goede kind mij ook eenige genegenheid toedraagt. In alle geval, het is met hare toestemming dat ik tot u gekomen ben. »
Met klimmende verwondering hadden de Duivel en zijne vrouw op de verklaring des jongelings geluisterd,
« Gij droomt, mijnheer, » morde deze, « en ik kan uwe vraag niet ernstig opnemen. Weihoe, gij bekleedt een goeden stand in de maatschappij, en Stina is de dochter van arme en verworpen lieden. Zij bezit niets op aarde, geen geld, geene toekomst, ja zelfs geenen naam. Moest gij haar huwen, iedereen zou u met vingeren wijzen, u hoonen. Vergeet niet, » voegde hij er met bitteren spot bij, « dat zij de dochter des Duivels is! Neen, mijnheer, verzaak die dwaze, die onmogelijke gedachte. Onmeetbare hinderpalen scheiden u van elkander, hinderpalen die gij niet kent en die ik u niet mag openbaren. Gij denkt dat Stina u zou kunnen beminnen; gave God, eilaas! dat gij u bedriegen mocht, want het ware een nieuw ongeluk voor ons allen. Wat er ook van zij, nooit zal Stina trouwen, nooit zal zij het Slangenbosch verlaten. Dit is onverbiddelijk beslist, het moet zijn! »
« Ach, » viel Karei uit, zijne verontwaardiging niet meer kunnende bedwingen, « gij zijt onmeedoogend,
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 23l
gij veroordeelt dus uw eenig kind om haar leven in het Slangenbosch door te brengen; bemint gij haar dan niet? Gij spreekt van verschil van stand; wat geeft mij dit? Daar geloof ik zelfs niet aan. Uwe taal, uw aller handelwijze hebben mij reeds lang bewezen, dat gij uwen oorsprong verbergen wilt. Stina is eenvoudig en goed als een engel, verstandig als niet een meisje uit de stad, en ik gevoel dat ik haar rechtzinnig bemin en haar gelukkig zou maken. Waarom verstoot gij mijne vraag? Er weegt een schrikkelijk geheim op uw leven, zegt men; welnu, verklaar het mij, dit geheim; wij zullen er te zamen den last van dragen. Want van welken aard het ook zij, ik vrees het niet. Ik heb de innige overtuiging dat gij brave en eerlijke lieden zijt, onbekwaam om iets kwaads te verrichten, en ik acht en bemin u uit den grond mijns harten. Welaan, veroordeel uwe goede lieve Stina niet tot een leven van eeuwige treurnis, en laat mij u een goeden trouwen zoon worden. »
Die rechtzinnige verklaring des jongelings, die van de innigste genegenheid voor hen allen getuigde, had den Duivel zichtbaar getroffen.
Het was zoo lang geleden dat men op\' dien toon tot den ongelukkigen man gesproken had.
Ook in de oogen der vrouw glinsterden stille tranen, maar zij wisselde een hopeloozen blik met den zieke en bleef zwijgende.
« Ik dank u, mijnheer, » murmelde de Duivel, « het is de eerste maal sedert lange jaren dat eene
232 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
vriendenstem mij zulke woorden toespreekt, aan mij, den gevreesden, den gehaten Duivel; en toch ben ik gedwongen u te bidden van hier te vertrekken, de arme Christina en hare ouders te vergeten, en nimmer in het Slangenbosch terug te keeren. Nooit, » voegde hij er met vaste stem bij, « mag of zal Stina uwe vrouw worden. »
Nauwelijks had hij die laatste worden uitgesproken, of de kreet : « Moeder, moeder, » weergalmde in het vertrek, en Stina viel snikkend aan den hals der oude vrouw die bevend hare dochter in de armen drukte.
De jongeling sprong recht en meende tot het meisje te snellen, maar de Duivel weerhield hem met geweld. Dan wierp hij een\' blik van smartelijk medelijden op zijne weenende dochter; hij begreep maar al te wel, de ongelukkige, dat zijne vrees gegrond was en dat Christina den jongeling insgelijks beminde.
Een schrikkelijke strijd scheen in zijn hart om te gaan; eene wijl bleef hij aarzelend en sprak dan op droeven toon tot Karei :
« Het zij zoo, heer Campers. In uw hart beschuldigt gij mij van wreedheid, niet waar, en Stina ook misschien, zij, mijn aangebeden kind, voor wier geluk ik alles zou willen opofferen.
« Welnu, luister^- ik ga u de geschiedenis mijns levens, die Stina zelf niet kent, in alle hare bijzonderheden verhalen. Dan kunt gij zelf oordeelen over ons schrikkelijk en onverbiddelijk lot.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 233
V
« Ik ben geboren te Desschei, op de grenzen van Limburg, te midden der heide. Mijne ouders waren tamelijk welhebbende landbouwers, en daar zij maar twee kinderen hadden, mijn oudere broeder en ik, werd er besloten dat Jacob op de hofstede zou blijven, en dat men mij in het college te Turnhout zou plaatsen. Daar zou ik de studiën beginnen, die mij later tot het priesterschap moesten leiden. Mijn vader werd daartoe aangespoord door onzen ouden pastoor die mij veel vriendschap toedroeg, en beweerde dat ik een bijzonderen aanleg bezat om te studeeren.
« Ik was toen slechts twaalf jaar oud, en de gedachte dat ik mijnen vader, mijnen broeder, maar bovenal mijne goede moeder moest verlaten, verschrikte en bedroefde mij diep.
« Doch mij steunde het streelende vooruitzicht, dat ik eens in ons dorp zou mogen wederkeeren om onzen goeden pastoor bij te staan als de ouderdom hem zou verzwakt hebben, en, wie weet, hem later misschien zou mogen vervangen. Hoewel dit denkbeeld mij troostte, kon ik toch mijne tranen
234 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
niet weerhouden, toen mijne moeder mij voor de laatste maal in de armen drukte en mijn voorhoofd met kussen overlaadde. Zij ook weende bitter, want ik was de jongste, haar lieveling en ik had haar nog nooit verlaten.
« Zoolang ik mijne moeder in de verte bespeurde, wuifde ik met [den zakdoek, en bleef meer dan eens staan, om haar nog een teeder vaarwel toe te roepen. Eilaas! ik moest de duurbare nooit meer wederzien. Mijn vader geleidde mij naar het college te Turnhout, waar ik zes maanden zou blijven, zonder terug naar huis te komen.
« Twee maanden waren er slechts verloopen, toen ik een\' brief ontving van mijnen broeder, waarin hij mij liet weten dat mijne goede moeder schielijk overleden was, en dat ik onmiddellijk naar Desschei moest komen, om bij hare begraving tegenwoordig te zijn.
« Dit was de eerste wreede slag die mijn kinderhart trof, en mij lang onder eene onoverwinbare treurnis gebogen hield.
« Mijne studiën begon ik nochtans met het vaste voornemen mijn uiterste best te doen, om zoo gauw mogelijk in mijn geboortedorp te mogen terugkeeren, en mijn goeden vader aldus te beloonen voor de menigvuldige opofferingen, die mijn onderwijs hem kosten zou.
« Zeven jaren lang studeerde ik dus zonder andere verpoozing dan de vacantietijd, dien ik immer in Desschei kwan doorbrengen bij het graf der duur-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 235
bare moeder, die mijn kinderhart niet vergeten kon.
« Zoo hadden wij het jaar 1808 bereikt, en er werd besloten dat ik welhaast het college van Turnhout zou verlaten, om in Mechelen mijne studiën voort te zetten. Maar dan gebeurde er iets dat al de plannen mijns vaders verbrijzelde, en eenen onmeetbaren invloed op mijne toekomst moest uitoefenen. Het was in het begin van Augusti 1808; ik studeerde nog te Turnhout, en het nieuws van Napoleon\'s veldslagen en overwinningen geraakte slechts tot mijn afgelegen verblijf als de verdoofde knal van verre kanonschoten in het veld. Gansch Europa nochtans was wakker en ongerust over de toenemende faam van den kleinen veldheer, die soldaten als met drommen uit de aarde riep, koninkrijken schiep, tronen omverwierp, en zich van Europa\'s bodem bediende, als van een reusachtig schaakbord. Iedereen begon te vreezen dat de stem van den nieuwen Cesar wel eens tot in onze stad zou kunnen dringen, om de jongelieden op te roepen tot de groote slachterij. Maar ik was zeker, dat men ten minste de seminaristen zou in vrede laten, gezien hunne gansch tegenovergestelde studiën met het krijgsambt. De mensch wikt, en God beschikt.
« Op den zondag 8 Augusti, kwam ik uit de kerk met eenige studiemakkers; daar klonk ons op eens het roffelen der trom, als eene dreigende verwittiging tegen en een angstig voorgevoel greep mij aan.
« Op de markt bij het stadhuis stond onze grijze
236 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
burgemeester met een groot blad papier in de handen. Toen hij zag dat al het volk bijeengeroepen was en hem omringde, begon hij een korten en bondigen wapenroep van Napoleon voor te lezen. Al de lote-lingen van 1788 en 1789 kregen bevel zich gereed te maken om binnen de maand naar Nancy te vertrekken. Daar zouden zij ingelijfd worden om het groote leger te volgen. Geen was van den dienst ontslagen, en wie moeders of zusters eenige onderstand was, moest zoowel optrekken als de anderen.
« Eerst kon ik niet gelooven dat wij seminaristen ook in dien oproep begrepen waren, maar toen ik in het college trad, waren reeds vele makkers aan het redetwisten over die zaak, en ik vernam dat mijn vertrek geen\' twijfel meer leed.
« Mijn broeder die slechts een jaar en half ouder was dan ik moest ook soldaat worden, en zoo zou mijn vader gansch alleen op de hofstede blijven.
« De arme man kwam eenige dagen later naar Turnhout, om ons vertrek bij te wonen. Hij weende bitter, toen hij ons den afscheidskus op de wangen drukte, en wij hadden moeite om ons uit zijne armen los te maken.
« Maar de trompet schalde, de namen werden afgeroepen, en toen ieder in zijn gelid geschaard was, vertrokken de arme lotelingen het hart vol wee, een droeven blik werpende op den duurbaren geboortegrond, dien velen van hen waarschijnlijk voor de laatste maal zagen.
« De eerste dagen van het soldatenleven, die wij te
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 237
Nancy doorbrachten, schenen ons zeer hard. Wij kenden hoegenaamd niets van den krijgsdienst en men handelde ons met onbarmhartige ruwheid. Na eenige maanden wapenoefening, werd er eindelijk vastgesteld dat wij met het groote leger van Napoleon naar Duitschland zouden vertrekken.
« Eenige maanden te voren was generaal Dupont in de gebergten van de Sierra Morena bijna van honger gestorven, en de tegenslagen van Baylen en Cintra hadden ook oneindige slachtoffers gemaakt.
« Dit droeve nieuws was niet van aard om de arme lotelingen aan te moedigen; en met het hart vol angstige vooruitzichten vertrokken wij naar Weenen, waar wij in het begin der maand Mei aankwamen. Het eerste gevecht dat ik bijwoonde, was de bloedige slag van Essling, die twee dagen en twee nachten aanhoudend voortduurde en op mijn\' geest een ono vergankelij ken indruk naliet.
v Zes weken later, behaalden wij onder bevel van Massena, de beroemde „zegepraal van Wagram, waarbij mijn broeder Jacob eene lichte wonde ontving. Te lang ware het om u te verhalen, hoe wij gedurende bijna twee jaren het groote leger van Napoleon in Duitschland bleven volgen, en aan hoeveel bloedige gevechten wij nog deelnamen. In de maand Februari 1811, kwam er eindelijk een bevel, dat ons naar Frankrijk terugriep. Ons regiment werd in Douai gelegerd, en gedurende een jaar mochten wij den volledigsten vrede genieten. In de maand Maart 1812 kregen wij een verlof van
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
vijftien dagen, om in Eindenhout onzen ouden vader te gaan omhelzen. Weenend van vreugde ontving ons de goede grijsaard. .God had hem zijne twee zonen behouden teruggeschonken, waar er zoovele andere ongelukkige jongelieden hunne gebeenten in het gehate Duitschland gelaten hadden.
« Vijftien dagen brachten wij in ons geboortedorp door, bezochten het graf onzer aangebeden moeder, en toen het uur des vertreks geslagen was, troostten wij den ouden vader door de verzekering dat wij niet meer dan zes maanden zouden laten doorgaan, zonder hem opnieuw te komen bezoeken. Bij onze aankomst in Douai vernamen wij, dat verontrustende geruchten zich in het leger begonnen te verspreiden. Men verzekerde dat Napoleon, verstout door zijne menigvuldige overwinningen, en zich weder vast wanende op zijnen zoo wankelbaren troon. Rusland met eenen nieuwen oorlog begon te bedreigen.
« Inderdaad, ongeveer eene maand later, werden wij allen opgeroepen en verwittigd dat wij ons moesten bereiden, om den langen tocht naar Polen en Rusland te ondernemen.
« Iedereen weet hoe het Fransche leger, in 1812, in Moskou ontvangen werd, welke beproevingen het onderstond, en op welke wijze het naar Frankrijk terugkwam, duizenden en duizenden lijken achterlatende, vervrozen en verminkt.
« De natuur had met de Russen samengespannen, en ik weet waarlijk niet hoe ik nog leef, als ik aan dien schrikkelijken terugtocht denk.
238
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 23g
« Voeg nog bij dien vreesbaren staat van zaken, het nieuws van den dood mijns broeders, die in de nederlaag van Moskou bezweken was, en gij zult eene gedachte hebben van den droeven toestand, waarin ik verkeerde, toen wij in Posen aankwamen.
« Daar vergunde men ons eenige maanden rust, maar zonder het leger te mogen verlaten.
« Ik schreef op dit tijdstip eenen langen brief aan mijnen vader, om hem den dood mijns broeders te melden, en hem te troosten door het vooruitzicht dat ik nu waarschijnlijk in het kort voor goed naar Ein-denhout zou mogen terugkeeren.
« Volgens ik later vernomen heb, heeft de arme man dien brief nooit ontvangen. De dood mijns broeders werd hem slechts van Staatswege bericht.
« Nauwelijks hadden wij den tijd gehad een weinig te bekomen van de schrikkelijke ^beproevingen, die wij in Rusland doorstaan hadden, of er kwam een nieuw bevel dat ons naar Leipzig riep.
« Daar ondergingen wij de vreeselijkste naderlaag, die ooit gezien werd.
« Schwartzenberg, Benningen en Blücher, ja, de keizer van Rusland zelf, vielen ons op het lijf, en wij werden letterlijk verpletterd. Dat was de laatste veldslag dien ik bijwoonde : daar werd ik krijgsgevangene gemaakt. Met meer dan eene wonde bedekt kwam ik in het hospitaal van Leipzig aan en verbleef er tot in het midden van 1814.
« Door de voorspraak van den bestuurder van het hospitaal, die een zeer menschlievend man was, werd
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
ik eindelijk bevrijd, en mocht naar huis terugkeeren.
« Ik snakte zoodanig om mijnen ouden goeden vader te omhelzen en mijn geboortedorp terug te zien, dat ik met moed de lange terugreis ondernam. Het weinige geld dat ik bezat, was niet toereikend om den ganschen weg in postwagen te bekostigen, een gedeelte, het is te zeggen van Keulen af, moest ik dus te voet afleggen.
« Na vele dagen gaans onder de brandende zon, want wij waren in het heetste van de maand Juli, ontwaarde ik eindelijk in de verte den kerktoren van mijn duurbaar geboortedorp. Mij klopte het hart van vroolijk ongeduld! Ach ! na die jarenlange afwezigheid ging ik mijn beminden vader in de armen drukken, en de plaats wederzien, waar de betreurde moeder voor immer onder het groene gras rustte!
« De avond was reeds lang gevallen, toen ik onze woning bereikte en met bevende hand aanklopte. Eene vreemde vrouw opende de deur en vroeg mij wat ik begeerde. Toen ik den naam mijns vaders noemde, aanzag zij mij met verwondering en schudde ontkennend het hoofd. De man naar wien ik vroeg, zeide zij mij, was reeds meer dan een jaar overleden.
« Een angstschreeuw ontsnapte mij en ik viel als ontzenuwd op de steenen bank, die voor de deur der hofstede stond.
« Op dit geluid kwam de baas van het huis toege-loopen en vroeg mij wie ik was en wat ik daar zoo laat kwam doen.
« Toen zij vernamen dat ik de zoon was van den
240
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 24I
overleden Janssens, betoonden zij mij een diep medelijden, deden mij binnenkomen, en dwongen mij eenige ververschingen te aanvaarden.
« Die menschen woonden reeds lang in Desschei, en waren dus in staat mij eenige inlichtingen over de laatste maanden van het leven mijns vaders te geven. Zij zeiden mij dat de tijding des overlijdens van zijnen zoon Jacob, den ouden man diep getroffen had. Van mij had hij sedert lang geen nieuws meer ontvangen, en de gedachte dat hij nu geen zijner beide zonen nog levend zou wederzien, ontnam hem allen moed en deed hem in eene sombere treurnis vervallen. De zaken der hofstede werden verwaarloosd en geraakten in de war, en toen na eenige maanden kwijnens de arme man het hoofd nederlei, werd alles openbaar verkocht om de schulden te dekken. De kleine som die er overschoot, plaatste men op des Staats bewaarkas, in afwachting dat men eenige tijding van mij zou vernemen.
« Ik dankte die lieden met verkropte stem, en waggelend op mijne beenen verliet ik het huis.
« Eilaas, mijn armen goeden vader, mijn eenigsten vriend op aarde had ik nu ook verloren !
« Hij was gestorven, verre van mij, omringd van onverschilligen, en eene vreemde hand had den duurbare de oogen moeten sluiten.
« Ik liet mij in de duisternis op den boord eener gracht nedervallen en bleef lang in sombere wanhoop mijn treurig lot overwegen.
« Alleen! ik was dus alleen op. aarde, zonder
243 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
ouders, zonder vrienden, vergeten en verlaten van iedereen! Zes jaren lang had ik geleden en gestreden, immer droomend van den schoonen geboortegrond, snakkend naar het oogenblik, waarop ik mijn duurbaren vader zou mogen omhelzen, en nu, nu had ik alles verloren!
« Bezwijkend onder mijne smartelijke wanhoop, begaf ik mij naar het kerkhof en bleef daar tot \'s anderdaags \'s morgens bidden en weenen op het graf mijner aangebeden ouders.
« Daar vond mij onze oude veldwachter, die mij medelijdend bij den arm nam, en naar zijn huis bracht. Na eenige uren rust begaf ik mij naar het gemeentehuis, en ontving daar op het toonen mijner papieren, de som van vijf honderd vijftig frank. Dit was al wat er overbleef van het erfdeel mijns vaders.
« Ik herinnerde mij dat een ongehuwde broeder mijns vaders, een schoenmaker, in Herenthals moest wonen, en besloot, daar ik toch in Desschei niet blijven kon, hem onmiddellijk te gaan opzoeken.
« Daar wachtte mij eene nieuwe teleurstelling. Mijn oom, wier zaken sedert lang slecht gingen, had, zooals de geburen mij verzekerden, sedert meer dan vier jaren het land verlaten, om zich in Holland te gaan vestigen.
«Nu wist ik niet meer wat aanvangen; mijn geld kon niet lang duren, en ik moest, kost wat kost, eene plaats zoeken, hoe nederig ook, om in mijn ellendig bestaan te voorzien. Ik vertrok naar Luik, waar men gewoonlijk, zooals ik hooren zeggen had,
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 243
vele arbeiders vroeg, die de Fransche taal machtig waren.
« Dagen lang doorkruiste ik de stad in alle richtingen om eenig werk te vinden.
« Op eenen avond dat ik vermoeid van het nutteloos zoeken, in de kleine herberg waar ik mijnen intrek genomen had, bij de tafel zat te rusten, viel mijn oog op eene aankondiging in een advertentieblad.
« Men vroeg een oud-soldaat voor de plaats van boschwachter te Eindenhout, op de grenzen van Limburg.
« Mijn besluit was onmiddellijk genomen; ik vertrok naar Eindenhout, en bood mij aan bij het gemeentebestuur. Daar mijne papieren in regel waren, en ik de twee talen, Vlaamsch en Fransch, zeer goed kon spreken en schrijven, werd ik zonder veel dralen als boschwachter aangenomen.
« Ik was eerlijk en vlijtig, en daarbij aan de krijgstucht gewend. Ik deed dus mijnen dienst gewetensvol ja, zoo goed dat de bevolking van Eindenhout, die gewoon was met eenen boschwachter te doen hebben, die door\' den drank bijna in onnoo-zelheid vervallen was, mij op eenigen tijd niet meer kon lijden.
« De wildstroopers bovenal hadden mij een bitteren haat toegezworen.
« Een huisgezin nochtans dat eene kleine pachthoeve op het uiteinde van het dorp bewoonde, vormde eene uizondering. Dit huisgezin bestond uit vader en moeder Boche en hunne eenige dochter.
244 :de duivel uit het slangenbosch
« Magdalena was een meisje van achttien jaar, lief en bevallig; maar bovenal uitnemend zacht van karakter.
« Die lieden bewezen mij veel vriendschap. De baas was een Waal uit Verviers; maar moeder Boche, alhoewel zij insgelijks Fransch sprak, was in Aren-donck geboren.
« Zij was mij dus te meer genegen, aangezien ik haar landgenoot was; In dit huis alleen, kon ik des avonds na den dienst eenige uren gaan doorbrengen. Daar alleen ook, werd ik immer met dezelfde gulhartigheid ontvangen.
« Ik was jong en verlaten en snakte naar vriendschap. Het duurde niet lang of er ontstond in mijn hart eene innige genegenheid voor de eenvoudige Magdalena, wier engelachtig karakter iedereen rond haar gelukkig maakte.
« De ouders bemerkten wel dat wij elkander niet onverschillig waren; maar daar zij wisten dat ik een eerlijke en werkzame jongen was, deden zij niets om dit ontkiemend liefdegevoel te onderdrukken.
« Een andere jongen uit het dorp scheen insgelijks aan Magdalena te willen behagen. Deze was de eenige zoon van een rijken pachter, een haantjevooruit die naar alle kermissen ging, dronk en slempte in de herbergen den ganschen nacht door, en het zoodanig bont maakte, dat ik reeds eenmaal den baas uit den Zwarten Leeuw had moeten ter hulp komen, om hem te middernacht op straat te zetten, daar hij dreigde alles in de herberg aan stukken te
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 245
slaan. Gij kunt licht begrijpen dat Kasper Bartels mij van dit oogenblik af een onbarmhartige vijand werd.
« Hij gevoelde wel dat Magdalena voor hem verloren was, en dat men mij, den armen boschwachter, boven hem verkoos.
« Was het zijne liefde voor Magdalena, die hem blind maakte? of wel zijne razernij tegen mij, ik weet het niet.
« Op eenen avond toen mijne bezigheden geëindigd waren en ik, droomend van Magdalena en van de schoone toekomst, die ons wachtte, op weg was naar mijne woning, sprong er op eenmaal iemand in de duisternis uit eene gracht, nam mij onvoorziens bij de keel en smeet mij achterover op den grond. Onmiddellijk had ik Kasper erkend; hij sloeg mij met de vuisten op het hoofd en drukte mij met zijne knieën de borst te pletteren, mij intusschen allerlei scheldwoorden naar het hoofd werpende.
« Hoewel ik in dien tijd een zeer sterke kerel was, kon ik mij onmogelijk tegen den woedenden jongeling verdedigen, die met al het gewicht zijner struische leden op mij drukte. Ik gevoelde dat ik ging versmachten en deed eene uiterste poging om zijne handen van mijne keel los te rukken.
« Eindelijk gelukte ik erin en een snijdende schreeuw ontsnapte mijne borst. Op dit oogenblik kwamen er uit een zijweg twee boeren toegeloopen, die Kasper met geweld van mij wegrukten. Hij raasde en vloekte als een bezetene, en ging zoodanig
16
246 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
te werk dat hij uit de handen der twee boeren los geraakte en weg kon vluchten in de duisternis. Men hielp mij te been en bracht mij naar de herberg den Zwarten Leeuw, waar ik eene kamer bewoonde.
« Het bloed stroomde mij uit neus en mond, en ik was gansch met kneuzingen overdekt. De baas en de bazin uit den Leeuw, die in den grond goede lieden waren, konden hunne verontwaardiging niet bedwingen. Zij riepen dat het eene schande was, en dat men den booswicht moest gevangen zetten.
« Des anderdaags was heel het dorp in rep en roer; de twee boeren, die mij ter hulp gekomen waren hadden Kasper herkend, en natuurlijk het gebeurde aan iedereen rondgebriefd.
« Ik lag te bed, onbekwaam om eene beweging te doen, toen men mij kwam zeggen, dat Kasper door de gendarmen van de hoeve gehaald en met de handen op den rug gebonden naar het gevang geleid was. Zijne ouders waren bijna zinneloos van schaamte en van verdriet. Hoewel ik door Kasper zoo wreed behandeld werd, had ik nog medelijden met de arme menschen die geene schuld aan zijne misdaad hadden. Ik zei het aan vader Boche die mij was komen bezoeken, en mij meldde dat Mag-dalena niets meer deed dan weenen, sedert zij het droeve geval vernemen had. De verzekering dat Magdalena mij innig lief had, en dat ik weldra haren gelukkigen echtgenoot zou worden, vermil-derde onzeggelijk mijn gemoed en stemde mij nog
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 247
meer tot barmhartigheid. Toen ik eenige dagen later voor den rechter geroepen werd, verklaarde ik hem dat ik hoegenaamd geene schadevergoeding eischte en Kasper niet wou aanklagen; dat ik zelfs voor hem de toegevenheid van het tribunaal inriep. Kasper werd dus slechts tot eene geringe boete veroordeeld, en zijne moeder kwam mij op de knieën danken, om dus haar eenig kind van de eeuwige schande behoed te hebben.
« Toen Magdalena dit vernam, stortte zij tranen van blijdschap, en verzekerde dat zij uiterst fier was over mijn edelmoedig gedrag.
« In het dorp kreeg ik, sedert dien dag, ook veel meer aanzien; en wanneer ik eenige weken later Magdalena ten huwelijk ging vragen, antwoordden vader en moeder Boche mij, dat zij recht gelukkig zouden zijn mij hunnen zoon te mogen noemen.
« Korts daarop leidde ik de goede Magdalena ten altaar.
« Jaren lang had het noodlot mij vervolgd; maar nu, nu voelde ik mij uitermate gelukkig.
« Mijne vrouw was een engel van liefde en zachtmoedigheid, en dit is zij ook immer gebleven; zonder haar ware het mij onmogelijk geweest de schrikkelijke beproevingen te onderstaan, die mij sedert dien nog ten deel vielen.
« Dank moge zij hebben, de goede, die immer trouw aan mijne zijde bleef, en mij in den ellendigsten toestand nog troost en geluk wist te verschaften door hare eindelooze opofferingen. »
24S DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Bij deze woorden had de Duivel de hand zijner vrouw genomen en ze met teederheid gedrukt.
Magdalena schoof haren stoel dichter bij dien van haren man, als wou zij door haar bijzijn die angstige herinneringen verzachten. De zieke had het hoofd gebogen, en bleef eenige oogenblikken stilzwijgend, als wilde hij al zijnen moed bijeenrapen om zijn verhaal te eindigen.
Na eenen blik in de oogen zijner vrouw geworpen te hebben, hernam hij met vaste stem ;
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 249
VI
« Een jaar later werd ons een kind geboren, een dochtertje dat wij Christina noemden, ter nagedachtenis mijner moeder zaliger.
« Nu was mijn geluk volmaakt. Wij bewoonden met vader en moeder Boche de kleine hofstede. Ik deed mijnen dienst met licht gemoed en hielp mijn schoonvader dan nog bij het veldwerk.
. « Wij waren dus al te zamen gelukkig en tevreden, en wanneer ik des avonds, met ons klein Stientje op den schoot nevens mijne vrouw en schoonouders rond de tafel zat te kouten, scheen mijn lot mij benijdensAvaardiger dan dat eens konings.
« Eilaas! de mensch mag op aarde het volmaakte geluk niet genieten. Wij waren in de maand Januari van het jaar 1816. Op zekeren dag deed ik, tusschen elf en twaalf uren, mijne laatste ronde. Reeds had ik het gansche bosch doorkruist zonder het minste gerucht te vernemen, en meende naar huis te gaan, toen ik op eens een zwak gekerm vernam aan mijne rechterzijde. Haastig liep ik er naar toe, en vond tusschen de heesters, aan
25o de duivel uit het slangenbosch
mijne voeten, eene zwarte gedaante op den grond liggen.
« Ik bukte mij en ontstak met de gauwte eene kleine lantaarn, die ik immer op mij droeg. Oh! Hemel! bedrogen mijne oogen mij niet! Daar, voor mij uitgestrekt, lag de arme Kasper wentelend in zijn bloed; een schrikkelijke messteek had hem de keel bijna gansch doorgesneden, en het bloed kwam borrelend uit de gapende wonde gevloeid!
« Ik liep onmiddellijk naar huis, en zond vader Boche naar het dorp om den geneesheer en den burgemeester te gaan verwittigen, en kwam dan door mijne vrouw gevolgd bij Kasper terug. Mag-dalena waschte zijn aangezicht met koel water, en deed hem natte doeken rond den hals. De ongelukkige ademde nog, doch bijna onzichtbaar. Korts daarop kwamen burgemeester en geneesheer, door onzen ouden pastoor gevolgd, bij den zieltogende. Kasper werd met voorzichtigheid opgelicht, in het nabijstaande huis gebracht en op een bed gelegd. Daar kon de geneesheer eindelijk de schrikkelijke wonde onderzoeken. Na een oogenblik lei hij het oor op de borst, ondervroeg den pols, en het hoofd schuddend, morde hij ;
« Er is niets meer aan te doen. De ongelukkige is reeds bezweken, het bloedverlies heeft hem gedood; mijn bijzijn is hier nutteloos. »
« De burgemeester gelastte zich de ouders te verwittigen, en de grijze priester bleef bij het lijk waken en bidden.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 251
« Wat ons betreft, mijne vrouw en ik, wij gingen haastig terug naar huis, waar moeder Boche met de kleine op den schoot, angstig naar ons zat te wachten.
« Dien nacht stortten wij allen een innig gebed voor het ongelukkige slachtoffer, en ook voor de zoo wreed beproefde ouders.
« Twee dagen later ontving ik, tot mijne groote verwondering, een briefje dat mij naar Hasselt riep, om daar door den onderzoeksrechter ondervraagd te worden.
« Voor de eerste maal sedert de schrikkelijke gebeurtenis ontstond de vrees in mij, dat men mij misschien van de moord van Kasper zou kunnen verdenken. Inderdaad, hij was mijn medevrijer geweest en men wist hoe dikwijls ik reeds over hem te klagen had. Doch ik verworp onmiddellijk die gedachte, en wilde er met Magdalena niet over spreken om haar niet te verontrusten. Toen ik gereed was om naar Hasselt te vertrekken en afscheid van mijne vrouw kwam nemen, verwonderde mij hare ongewoone bleekheid. Zij bood mij de kleine Stina, en wijl ik een kus op het voorhoofd van ons kindje drukte, murmelde zij met stille stem, opdat hare ouders het niet zouden hooren :
« Heb moed, mijn vriend. Wat u ginder ook over-kome, en welk gevaar u mocht bedreigen, niets kan ons scheiden. Vertrek gerust, ik zal God bidden dat hij over u wake. »
« Ik drukte ze met teederheid in de armen, want
252 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH ,
ik begreep welke vrees Magdalena ontstelde, en ik bewonderde hare sterkmoedigheid.
« Na de handen mijner schoonouders, die hoegenaamd niet wisten waarom ik te Hasselt ontboden werd, gedrukt te hebben, verliet ik ons huisje het hart vol pijnlijke vooruitzichten.
«Te Hasselt bij den onderzoeksrechter gekomen, werd ik in zijn kabinet toegelaten, en onmiddellijk ondervraagd.
« Het ware mij moeilijk u dit onderzoek in alle zijne bijzonderheden te verhalen. Het zij u genoeg te weten, dat het niet lang duurde, of ik kreeg de vaste overtuiging, dat de rechter mij niet alleen verdacht, maar dat hij tevens kost wat kost een schuldige wou vinden.
« Ik was verpletterd; welke pogingen ik ook deed om te bewijzen dat ik geene redenen had om den ongelukkigen Kasper te haten, dat ik zelf in andere omstandigheden klaar had bewezen dat ik hem hoegenaamd geen kwaad wilde, niets hielp. Dc rechter bleef onverbiddelijk en ik werd als een misdadiger naar het gevang geleid, zonder zelfs mijne vrouw of schoonouders te kunnen verwittigen; het gerecht gelastte zich daarmede, zei men mij. De eerste acht dagen mocht niemand mij naderen, en toen mijne vrouw eindelijk de toelating verkreeg om mij te bezoeken, was ik bijna razend van smart en verontwaardiging. Mijne arme Magdalena borst in tranen los als zij mij zag, want die acht dagen hadden mij schrikkelijk veranderd. Ja, het gevang is
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 253
smartelijk voor iedereen; maar voor dengene die zich onschuldig gevoelt, en dus door de onrechtvaardigheid der menschen moet lijden, is het eene onuitsprekelijke pijnbank. Lang bleven wij in elkanders armen en snikkend zonder een woord te kunnen uitspreken. Dan deed mijne vrouw zich zelve geweld aan, en begon mij door allerlei aanmoedigende woorden te troosten en hoop in te boezemen. Was mijn gansch leven niet daar, om te bewijzen dat ik een eerlijk en edelmoedig man was, onbekwaam om iemand het minste kwaad te veroorzaken? Dit zouden de lieden van Eindenhout immers getuigen? Zij, Magdalena, zou zelve bij de rechters gaan; zij zou vragen aan de moeder van Kasper om haar te willen vergezellen, en de getuigenis der ouders van het slachtoffer zelf, zou zeker zwaar wegen in het oordeel der rechters. Mijne arme vrouw had hoegenaamd geene kennis van al wat het gerecht aanging; zij dacht, de onnoo-zele, dat het genoeg is onschuldig te zijn om onfeilbaar vrijgesproken te worden. Eilaas! de toekomst moest het haar anders leeren. Maanden lang werd ik bijna dagelijks bij den onderzoeksrechter ontboden, geplaagd en gemarteld op allerhande wijzen, totdat ik eindelijk, ontmoedigd en zwak als een kind, mij aan de grootste wanhoop overleverde; en bijna de kracht niet meer had eene verdere poging te doen om mijne eer en mijn leven te redden.
« Men had mij van ambtswege een advocaat aange-
254 de duivel uit het slangenbosch
wezen voor mijne verdediging; en hetgeen mij boven alles pijnigde was de overtuiging dat die heer, niettegenstaande zijne goedwilligheid, zelf aan mijne onschuld twijfelde. Wij hadden dus de maand Juli bereikt, toen mijn advocaat mij op een morgen kwam bezoeken en mij meldde dat des anderdaags mijne zaak eindelijk voor het tribunaal geroepen werd. Hij ondervroeg mij nog breedvoerig over al de bijzonderheden mijns levens, waarschijnlijk om zijne pleidooi te kunnen bereiden.
« Een genster hoop ontstond in mijn gemoed : Mag-dalena moest mij in den achtermiddag met ons kindje komen bezoeken, en mij ook het antwoord van Kaspers ouders brengen, wier getuigenis wij afsmeekten.
(i En dan, morgen zou ik mijn lot kennen, en van dien helschen twijfel verlost zijn. Magdalena kwam volgens hare belofte, maar eilaas! met zeer slecht nieuws.
« De moeder van Kaspers lag doodelijk ziek te bed, en de vader, een brutale kerel, die, sedert de dood van zijnen zoon schier woedend was, zou door zijne getuigenis misschien meer kwaad dan goed aan mijne zaak gedaan hebben.
« Lang bleef ik met mijne vrouw en mijn aangebeden kind in de armen mijn ongelukkig lot overwegen.
« Magdalena was bleek en ontsteld.Welke moeite zij ook deed, zij kon hare angstige vrees niet verbergen. Toen zij mij onder het murmelen van een teeder
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 255
vaarwel verliet, was ik overtuigd dat zij het ergste voorzag.
« Eindelijk brak de wreede doch lang gewenschte dag aan; om elf uren des morgens werd ik in de gehoorzaal gebracht. Er was veel volk, bovenal van Eindenhout; doch ik ontwaarde onmiddellijk mijne vrouw die op de voorste bank tusschen hare ouders gezeten was. Zij was uiterst bleek, maar toen ik in de zaal trad, onder de oogen der nieuwsgierige menigte, aanzag zij mij met een\' blik zoo liefdevol en zoo teeder, dat hij mij tot in de ziel drong, en balsemend op mijn bedrukt gemoed werkte.
« De greffier las de beschuldigingsakte, en vervolgens werd ik ondervraagd. Ik antwoordde natuurlijk in denzelfden zin gelijk aan den onderzoeksrechter. Wat kon ik meer zeggen dan de waarheid?
« Dan ging men over tot het verhoor der getuigen. Deze waren de burgemeester, de geneesheer, en eenige boeren die men gedwongen had te komen, en niet veel licht op de zaak wierpen. Zij wisten alleenlijk dat Kasper en ik sedert lang vijanden waren, en dat hij mij reeds eens aangevallen had in het midden van den nacht. Tot dan had ik met bittere spijt, doch met eene zekere kalmte, op alles geluisterd. Maar nu was het de beurt van den procureur-generaal, die de beschuldiging moest staande houden.
« Bij zijne eerste woorden liep eene koude ijzing mij over het lijf en ik gevoelde mij als verpletterd. Hij beschuldigde mij op eene klare, ontegensprekelijke wijze; de minste feilen, de kleinste bijzonderheden
256 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
werden bewijzen, die hij tegen mij inriep om den jurj-te overtuigen.
« Ach! hij sprak lang, zeer lang, en ik luisterde met verbijsterde zinnen, twijfelend soms of ik de wreede misdadiger niet was, wier lage doenwijze men hier in \'t openbaar schandvlekte !
« De procureur-generaal eindigde zijne rede. Hij vergde met eenige krachtige woorden de doodstraf tegen mij.
« Wat mij dan overkwam, weet ik niet. Een vreemd geluid klonk mij eensklaps in de ooren, iets gelijk verwarde kreten, of het gerinkel van metalen voorwerpen tegen elkander; ik keerde het hoofd om en deed eene uiterste poging om den blik van Magdalena te ontmoeten; doch ik zag haar niet meer, alles draaide voor mijne oogen, en ik viel achterover op den grond! Voorts herinner ik mij niets meer van dit noodlottig oogenblik.
« Zeer laat in den namiddag ontwaakte ik op een bed in het gevang; mijne leden waren als gebroken, mijn hoofd woog zwaar als lood, en het duurde lang, vooraleer ik mijn bewustzijn gansch terugkreeg.
(i Nevens mij stonden twee bejaarde mannen, de dokter en de almoezenier van het gevang, die mij reeds vroeger bezocht had.
« Op mijne dringende vragen om te weten wat mij overkomen was, verhaalden zij mij in korte woorden, dat ik eene soort van zenuwaanval gekregen had, en spartelend met het schuim op den mond achterover gevallen was. Dat men dus het gehoor had moeten
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 257
opschorsen, en dat ik met veel moeite op mijn bed gedragen werd.
« Toen zij mij verlaten hadden, kwam de bestuurder van het gevang mij verwittigen dat men mij des anderdaags opnieuw voor het tribunaal zou brengen.
«Ik gevoelde mij uiterst afgemat en terneergedrukt. quot;Wat hadde ik niet gegeven, om mijne vrouw een enkel oogenblik te mogen zien; hare tegenwoordigheid zou mij versterkt en aangemoedigd hebben om de nieuwe beproeving te doorstaan.
« Doch dit was voor alsnu onmogelijk en ik moest mij verduldig aan het lot onderwerpen.
« \'s Anderdaags werd ik terug in de gehoorzaal gebracht. Na het treffende pleidooi van mijnen advocaat, en vele andere besprekingen te lang om te melden, ging de jury eindelijk in beraadslaging.
« Ik scheen onverschillig aan de zaak, en zat met gebogen hoofde op mijne bank te wachten. Ik had zelfs den moed niet den blik in de oogen mijner vrouw te werpen.
« Daar opende men eene zijdeur, en de voorzitter las met luider stem den uitslag der beraadslaging.
« De jury had tot aller verwondering een ontkennend antwoord gegeven, en ik werd vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen.
« Toen de voorzitter de uitspraak eindigde met de woorden ; « Jan Janssens, gij zijt vrij, » bleef ik bedwelmd zitten, zonder mij te verroeren of door een teeken te kennen te geven dat ik hem verstaan had.
« Iemand drukte mij de handen en dwong mij
258 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
met zacht geweld het hoofd op te heffen. Magdalena stond nevens mij, tranen liepen haar over de wangen. « Kom, Jan, mijn arme vriend, » murmelde zij aan mijn oor, « gij zijt vrij. Kom, wij gaan onze kleine Christina omhelzen. »
« En om zoo gauw mogelijk de nieuwsgierige blikken der menigte te ontvlieden, trok zij mij voort bij de hand, na in het voorbijgaan mijn\' advocaat in korte doch vurige woorden bedankt te hebben.
« Toen ik te Eindenhout kwam, vernam ik door mijne schoonouders, dat de lieden kwaad van mij spraken, en dat er velen waren die mij, niettegenstaande mijne vrijspreking, voor schuldig aanzagen.
« De moeder van Kaspers was gestorven, en sedert dien tijd was de vader bijna waanzinnig van verdriet. Dikwijls deed hij in het openbaar geweldige uitvallen tegen mij, beschuldigde mij van valschheid en laffe streken, enz., op zulke wijze dat hij zeer veel bijbracht om de lieden van Eindenhout tegen mij op te stoken.
« Gedurende mijne lange gevangenis, was er een andere boschwachter gekozen, die reeds weken in dienst was.
« Ik bood mij aan bij landbouwers en bij allen die mij eenig werk hadden kunnen verschaffen, doch te vergeefs : overal werd ik met misprijzen afgewezen, en uit aller blikken straalde het woord moordenaar mij tegen.
« Dan ontstond er allengs in mijne ziel eene hevige
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 25g
verbittering tegen de onrechtvaardigheid der men-schen.
« Ach! heer Kampers, wist gij hoe smartelijk het is dus onschuldig te boeten, onteerd te zijn en met vingeren gewezen, wanneer men zichzelven niets te verwijten heeft. Mijn karakter veranderde; ik werd somber en ingetogen, en ware het niet geweest dat Magdalena als een goede engel immer op mij waakte, ik weet niet tot welke uiterste daden dien onverdienden haat der lieden mij zou gedreven hebben.
« Vader en moeder Boche, die zwakke en onnoo-zele menschen waren, begonnen insgelijks aan mijne onschuld te twijfelen, opgestookt door de kwaadsprekerij die zij dagelijks in het dorp moesten hooren.
« Ik begon te gevoelen dat het noodig werd Eindenhout te verlaten, om in een ander oord de middelen te gaan zoeken voor het bestaan van vrouw en kind. Ik dierf er nochtans aan Magdalena nog niet over spreken. Arme vrouw! hare liefde voor mij was de eenigste bron geweest van haar lijden. Mocht ik nu van haar vergen dat zij hare ouders, hare geboorteplaats en alles wat haar eens lief was zou verlaten, om mijn zwervend leven te deelen?
« Dus stonden de zaken, toen een nieuw ongeval ons deed besluiten het dorp onmiddellijk te verlaten.
« Op eenen zondag morgen was ik met Magdalena en vader Boche ter kerk gegaan. Nauwelijks waren
26o de duivel uit het slangenbosch
wij gezeten, of ik bemerkte dat de boeren met kwaden opzet de stoelen nevens ons ledig lieten en dat zij gedurende de gansche mis ons aanzagen met tergende en misprijzende blikken. Van verontwaardiging voelde ik het bloed mij naar het hoofd stijgen, en sloot de oogen om aan eene gevaarlijke bekoring te ontsnappen. Maar, oh Hemel! daar begonnen dezelfde vreemde klanken mijne ooren te treffen; mijne zinnen verwarden, en vooraleer ik den tijd had de hand mijner vrouw te grijpen, viel ik ontzenuwd van mijnen stoel op den grond neder. Toen ik, gansch verlamd door den hevi-gen schok, de oogen opende, vond ik Magda-lena geknield nevens mij zitten snikken. De heer pastoor hield eene mijner handen vast en trachtte mijne ongelukkige vrouw door eenige aanmoedigende woorden te troosten. Hij aanzag mij met medelijden, en op mijne angstige vragen, liet hij mij verstaan dat ik waarschijnlijk aan de vallende ziekte leed.
« De vallende ziekte ! Schrikkelijke plaag ! Eilaas ! Eilaas! wat had ik gedaan om zoo onmenschelijk beproefd te worden? De hemel was dus ook onbarmhartig voor mij! Ik stond met veel moeite recht, en op den arm mijner vrouw leunende, sukkelde ik uit de kerk. Aan den uitgang stonden de boeren te wachten; zij bezagen ons met grimmigen blik, en fluisterden, luide genoeg om door ons verstaan te worden, dat ik van den duivel bezeten was. Toen wij voorbij waren, riepen de straatjongens nog van verre het hoonende
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 201
woord : « Duivel » achter mij. De beker was vol. Als ik te huis kwam, verklaarde ik aan Magdalena, dat ik haar leven niet langer wilde vergiftigen door mijn bijzijn; dat ik voornemens was te vertrekken, verre, zoo verre van Eindenhout, dat niemand ooit van mij meer zou hooren spreken. Ik vertrouwde haar onze lieve Christina, en zei dat ik voor haar zou bidden, en haar zou zegenen, tot op mijn doodsbed, voor al het geluk, dat zij mij reeds geschonken had.
« Mijne schoonouders knikten goedkeurend met het hoofd op die woorden, die ik met verkropte stem uitgesproken had. Magdalena had tot dan zwijgend geluisterd; nu stond zij eensklaps recht, vloog mij aan den hals, en riep tusschen overvloedige tranen :
« Jan, mijn vriend, mijn echtgenoot, ik bemin u en zal u getrouw blijven wat er ook moge gebeuren! Waar gij gaat, wil ik u volgen, immer volgen en aan uwe zijde blijven tot mijn laatsten snik. Weihoe, de menschen veroordeelen u, gij, de goedheid en de rechtvaardigheid zelve, en ik, uwe vrouw, de moeder van uw kind, ik zou u laten vertrekken, alleen, als een verlaten booswicht? Neen, neen, ik heb aan God beloofd u eene getrouwe levensgezellin te zijn; die belofte is mij heilig en ik zal ze tot het einde vervullen. Het ongeluk kan ons vervolgen, de menschen ons haten en misprijzen, onze liefde is machtiger dan het lot zelve! Wij zullen vluchten, verre van hier, indien het noodig is; maar te zamen, immer te zamen en met ons kind in de armen! »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Met kloppend harte had ik op de woorden van Magdalena geluisterd!
« Ach! welke schat van liefde en opoffering lag in het hart mijner aangebeden vrouw verborgen! Ja, ik gevoelde het, met haar en onze kleine Stina aan de zijde, zou elk oord mij een duurbaar vaderland worden!
« De ouders van Magdalena weenden in stilte, en in den grond des harten beschuldigden zij mij waarschijnlijk van het ongeluk in hun huis gebracht te hebben, en hun nu hunne geliefde dochter te ontnemen.
« Magdalena sloeg streelende de armen om den hals harer moeder, en deed haar in roerende woorden begrijpen, dat de plicht haar gebood haren ongelukkigen echtgenoot te volgen.
« Zij sprak lang, zeer lang, totdat hare ouders zich beiden goedwillig aan het dwingende lot onderwierpen.
« \'s Anderdaags verlieten wij Eindenhout met eene kleine som gelds en eenige kleedingstukken.
« Nimmer heeft de arme Magdalena hare ouders teruggezien. Zij zijn beiden ongeveer een jaar na ons vertrek aan de tj\'phus bezweken, die op dit tijdstip vele slachtoffers in Eindenhout maakte. Eenmaal nog ben ik in het dorp geweest om de kleine erfenis mijner schoonouders te ontvangen.
« Gedurende eenigen tijd hebben wij rondgezworven, van het eene tot het andere dorp. Mijne ongelukkige kwaal nam immer toe, en dwong mij het bijzijn der
202
DK DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 203
menschen te vluchten. Toen ons geld bijna op was, zijn wij hier in de Kempen gekomen. De stilte dezer streek, en bovenal de eenzaamheid van het Slangenbosch, dreven mij aan het te beproeven ons hier voorgoed te vestigen. Van de lieden uit het dorp vernam ik dat liet Slangenbosch aan den baron van Louwenhove toebehoorde, en dat M. Trappe-neels, zijn rentmeester, in Halderghem woonde; ik ging tot dezen laatste en verhaalde hem een gedeelte mijner geschiedenis.
« De goede man had medelijden met ons droevig lot. Hij schreef naar den heer baron, en verkreeg voor ons de toelating het vervallen huisje van den overleden boschwachter te bewonen ; daarbij kregen wij oorlof het droge hout en de mastetoppen in het bosch te rapen, om ze in de naburige stad te onzen profijte te verkoopen.
« Dank moge hij hebben, onze edelmoedige weldoener; aan hem alleen zijn wij onze jarenlange rust verschuldigd.
« Ik heb meenen te bemerken, heer Campers, dat gij reeds weet dat mijne vrouw niet stomdoof is, zooals de lieden in het dorp het gelooven. Dit is eene nieuwe opoffering A\'an harentwege, om het gevaar te voorkomen, door hare vreemde uitspraak haren oorsprong te verraden, en wie het ook zij op het spoor onzer ware geschiedenis te brengen.
Nu gij mijn leven kent, heer Campers, weet gij ook welke schrikkelijke vlek er op den naam mijner onschuldige dochter kleeft; gij verstaat waarom een
264 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
huwelijk voor Stina onmogelijk is, daar de minste poging om de noodige papieren te bekomen aan iedereen ons vreeselijk geheim zou verraden. En ik gevoel het, die nieuwe schande zou ik niet overleven.
« Gij begrijpt het ook, niet waar, en gij zult mij in uw hart niet meer van wreedheid tegenover mijn arm kind beschuldigen? »
« Arme, arme vader, wat moet gij geleden hebben! » murmelde het meisje, die den zieke genaderd was en nu zijne handen met tranen van liefde en medelijden besprengde.
« Ach, ik onderwerp mij aan mijn lot, » vervolgde zij. « Mijn eenigste doel op aarde blijft voortaan, u en mijne goede moeder gelukkig te maken, en u beiden het droevige verleden te doen vergeten. Ik zal God bidden mij de noodige kracht te verleenen om dien heiligen plicht naar behooren te vervullen. » Karei was insgelijks tot den zieke genaderd en, hem de handen grijpend, sprak hij met eene stem die van uiterste ontroering getuigde :
« Arme martelaar ! God vergoede u eens het schrikkelijke lijden dat gij doorstaan hebt. Ja, ik begrijp dat onze liefde veroordeeld is; maar ik blijf u eeren en beminnen als eenen vader, zelfs nog meer dan vroeger, sedert ik uw droevig leven ken. Ik had eene wonderschoone toekomst voor ons allen gedroomd. God heeft het niet gewild! Nu is mijn leven gesloten, en ik ook ben tot de eeuwige treurnis veroordeeld. Ach! vrienden, mijn hart breekt bij de gedachte dat ik u nooit meer zal wederzien, u allen die ik reeds
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 255
zoo innig lief had; maar ik gevoel het wel, wat er ook gebeure, nimmer zal ik u kunnen vergeten. Vaanvel! U ten minste blijft de troost uwer wederzijdsche liefde, maar ik zal alleen op aarde mijn droevig lot moeten dragen. Vaarwel, weze de Hemel u allen barmhartig! »
En met verbrijzeld hart verliet de arme Karei het huisje, dat hij eenige uren te voren zoo hoopvol was binnengetreden.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
VII
Karei Campers stond voor de deur zijner herberg de diligencie van Antwerpen, die \'s morgens om tien uren voorbij de Zon kwam, af te wachten. Hij zag er diep ontmoedigd uit. Toen hij een paar dagen geleden van zijn bezoek in het Slangenbosch terug bij M. Trappeneels kwam, meldde hij hem dat een onvermijdelijke hinderpaal hem dwong van zijn voornemen af te zien, en dat Stina nooit zijne vrouw zou worden.
Van welken aard die hinderpaal was, kon oi mocht hij niet veropenbaren, dit was het geheim des Duivels; maar hij verzekerde zijnen meester, dat zijne genegenheid voor het ongelukkige huisgezin, indien mogelijk, nu nog grooter was dan te voren. Het moest zijn dat de uitdrukking van oneindige moedeloosheid, die op het gelaat van den armen Karei te lezen stond, den notaris een diep medelijden inboezemde, of wel dat hij het noodzakelijk dacht, den jongeling voor een\' of twee dagen van Halderghem te verwijderen, om den indruk der pijnlijke teleurstelling te matigen. In alle geval, hij drong niet aan om nadere bijzonderheden over zijn bezoek in het Slan-
266
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 267
genbosch te vernemen; maar stelde hem voor, zoo gauw mogelijk, dit is te zeggen zoohaast het liggend werk op het bureel het toeliet, naar Antwerpen te reizen, om daar eene boodschap bij een\' zijner collega\'s, den notaris Moerman, te bestellen. Hij voegde erbij, dat hij een dag of twee in Antwerpen kon blijven, indien hij het wenschte.
Karei aanvaardde dit aanbod met dankbaarheid, daar hij waarschijnlijk het welwillende inzicht zijns meesters geraden had.
Dienzelfden avond had hij Judoca verwittigd, dat hij nog voor het einde der week naar Antwerpen zou reizen, en misschien eenige dagen afwezig blijven. Ook aan haar, had hij bekend, dat zijne vraag door den Duivel afgewezen werd, en dat Stina voor hem verloren was. Hij zag er zoo wanhopig uit, dat het meisje hem door geene nieuwsgierige vragen wilde plagen.
De twee dagen die er sedert dien verloopen waren, had Karei in lijdzame treurnis doorgebracht. Op zijn bureel, gelijk in de Zon, was hij even stilzwijgend, en die houding bij den anders zoo vroolijken en levenslustigen jongeling trof iedereen, zonder dat iemand hem daarover eenige uitlegging durfde vragen.
Nu stond hij sedert eenige oogenblikken in de ruimte te staren, toen de verwijderde klank van paar denbelletjes en het geklets der zweep de naderende diligencie aankondigde.
De baas en de bazin uit de Zon kwamen toege-loopen om te zien of er niemand in hun huis afstapte,
268 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
en Judoca reikte den immer dorstigen voerman een glas schuimend gerstenbier.
Karei, na hun allen de hand gedrukt te hebben, stapte in het zware rijtuig, vergezeld door het hartelijke vaarwel dat Judoca hem nog van verre toeriep.
Behalve een dikken koopman in graan, uit het naburige dorp, bevond hij zich alleen in de dili-gencie. Hij kon dus op zijn gemak de pijnlijke teleurstelling, die hem te beurt viel, overwegen. Hoe hij ook den toestand in zijnen geest keerde en draaide, hij kon er geene goede uitkomst aan vinden. Ja, de Duivel had gelijk, niets kon aan den armen man de verloren eer teruggeven, en nooit zou men wellicht den booswicht kennen voor wiens misdaad hij sedert zoolang had moeten boeten. Misschien was de schuldige reeds gestorven, en zoo niet, hoe hem ontdekt? waar hem zoeken? aangezien men niet de minste aanduiding bezat, en er sedert de misdaad reeds vele jaren verloopen waren.
De arme jongen folterde zich dus langen tijd en nutteloos den geest, totdat hij van vermoeidheid insluimerde, met het beeld der beminde Stina voor de oogen. Het gekletter der wielen op den Borger-houtschen steenweg deed hem ontwaken, en tot zijne groote verwondering erkende hij dat men Antwerpen ging bereiken.
Hij wreef zich verwonderd de oogen, sloeg met den zakdoek het stof van de ontschikte kleeren en na wel bestatigd te hebben dat de papieren van M. Trappeneels nog immer in den binnenzak van
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 269
zijnen frak staken, maakte hij zich gereed om uit het rijtuig te stappen. De voerman hield zijne paarden stil voor de afspanning de Kroon op de Melkmarkt.
Daar het rond den middag was, liet Karei zich eenen boterham met hesp en een glas bier opdienen. Dit sobere maal zou hem niet veel tijd kosten en hem toelaten zoohaast mogelijk zijne boodschap te verrichten.
Een half uur later stapte Karei over de Meir, en meende juist de Huidevettersstraat in te slaan, toen hij zijnen naam door eene gekende stem luide hoorde uitroepen.
« Eh, Campers, Campers, bliji om Gods wil een oogenblik wachten, » kreet iemand hem achterna.
De jongeling bleef staan en zich omkeerend, ontwaarde hij op eenige stappen zijnen vriend Victor, die alle moeite deed om hem in te halen.
« Wel, wel, » riep deze buiten adem, « wat ben ik gelukkig u te ontmoeten. Ik heb u goed nieuws te melden. Karei, voor mij ten minste.
« Gij weet niet, jongen, ik ben op een nieuwen bak, bij een grooten koopman tegen de Brouwers-vliet; ik trek een goede pré, en ik geloof waarlijk, dat het geld dat gij mij zoo edelmoedig geleend hebt, mij geluk bijbracht. Sedert dien was de kans mij immer gunstig, en ik meende juist eenen dag verlof aan mijnen baas te vragen om u in Halder-ghem te komen verrassen, en u een klein pakje ter hand te stellen. Maar wat beteekent dit. Campers?
270 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Gij ziet er zoo neerslachtig, ja, zoo bedroefd uit; staan de zaken ginder niet goed. Hebt gij het bureel van M. Trappeneels moeten verlaten? »
« Neen, neen, Victor, wees gerust, ik ben nog immer te Halderghem, » antwoordde Karei glimlachend op de rede van den opgewonden jongeling. « Maar sedert dat wij elkaar voor de laatste maal zagen, is er iets in mijn leven veranderd. Er zijn dingen voorgevallen, die mij pijnlijk hebben doen lijden. Vraag mij daar voor het oogenblik geene verdere uitleggingen over, ik bid u; ik moet onmiddellijk naar den notaris Moerman gaan, om eene boodschap van wege mijnen meester te bestellen. Maar wilt gij om vier uren in de Kroon komen, daar moet ik een pakje afgeven aan den koetsier der diligencie van Halderghem en daarna ben ik gansch vrij. Dan kunnen wij te zamen kouten en wandelen, zooveel gij wilt. »
« Zeker Karei, » bevestigde Victor, « ik zal er zijn, want ik ben ongeduldig om te weten welk ongeval u is overkomen, ernstig genoeg om den lustigen Campers zoo ineens neer te slagen. Wat het ook wezen moge, gij weet, vriend, dat ge in alles op mij moogt rekenen, gelukkig en dankbaar u te kunnen verplichten. »
« Ja, Victor, ik weet het, » antwoordde Karei, zijnen vriend de hand drukkend, « doch verontschuldig mij zoo ik hier niet langer mag vertoeven ; mijne boodschap is zeer haastig. Nu, vaarwel, tot straks, in de Kroon, niet waar? »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Hij verliet den jongen klerk en stapte met rassche schreden door de Huidevettersstraat. Welhaast bereikte hij het huis van M. Moerman, dat in het begin der Gasthuisstraat gelegen was.
Hij schelde, en zei aan den jongen klerk die de deur opende, dat hij van Avege M. Trappeneels, van Halderghem, eene boodschap aan den heer notaris te bestellen had. Deze bracht hem in eene kleine voorkamer, bood hem een\' stoel aan, en ging zijn meester verwittigen. Bijna onmiddellijk verscheen M. Moerman in de deur. Het was een statig man van ongeveer vijftig jaar, met ernstig voorkomen en doordringenden blik.
« Mijnheer Campers, geloof ik, de klerk van mijn vriend Trappeneels, » zei de notaris, des jonge-lings beleefden groet beantwoordende. « Wees welkom, heer, en gelief u neder te zetten; gij hebt mij eene boodschap vanwege mijnen collega te overhandigen, niet waar? »
« Inderdaad, heer notaris, » sprak de jongeling buigend, « ziehier de papieren die mijn meester u zendt. Hij gelastte mij daarbij u zijne beste groete-nissen aan te bieden. »
De notaris nam het gesloten pak, opende het, en doorliep met vluchtigen blik dc geschrevene bladzijden.
« Ja, ik weet wat het is, » mompelde hij binnensmonds, « alles is in regel; het is wel. »
En zich tot den jongeling wendende, voegde hij er op luiden toon bij :
271
272 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Heer Campers, gelief meester Trappeneels van mijnentwege te danken, en nu gaan wij te zamen een glas wijn op zijne gezondheid drinken, niet waar? De reis heeft u waarschijnlijk dorstig gemaakt. »
Dit zeggende, trok hij aan eene belkoord die in eenen hoek van het vertrek hing. De meid was aanstonds daar, en op het bevel haars meesters bracht zij op een schenkbord eene flesch madera en twee glazen. De notaris bood den jongeling een vollen roomer van den krachtigen morgenwijn.
« Op de gezondheid van meester Trappeneels, » zeide hij het glas des jongelings rakende.
« Ik dank u in zijnen naam, heer, » was het beleefde antwoord.
« En nu, heer Campers, » hervatte de notaris, « geliet hier een oogenblik op mij te wachten. Ik moet het antwoord voor M. Trappeneels gereed maken, en zal zoo vrij zijn er u mede te gelasten. Hier zijn twee dagbladen; wilt gij er intusschen-tijd een oogslag op werpen, het zal u het wachten min onaangenaam maken. »
« Doe op uw gemak, heer, » murmelde Karei, « ik ben gansch te uwen dienste. »
De notaris verliet de kamer en de jongeling zette zich bij de tafel neder. Hij nam een der dagbladen en begon het in stilte te overloopen. In den eerste leende hij weinig aandacht aan zijne lezing. Zijn geest Avas nog immer in het Slangenbosch bij de droeve Stina en hare ongelukkige ouders. Nu noch-
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
tans werd zijne nieuwsgierigheid aangetrokken door eene kleine tijding, die met blauwe strepen (waarschijnlijk door den notaris) omlijst was. Nauwelijks had hij de eerste woorden ervan gelezen, of eene rilling doorliep zijne leden; hij trad bij het venster, en terwijl het papier in zijne handen beefde, las hij met luider stemme het volgende bericht :
i) Men schrijft ons uit Rijsel dat er den tweeden « September aldaar eene onthalzing plaats had.
«De schuldige werd veroordeeld om eene oude « vrouw vermoord te hebben op den openbaren weg « te D... Toen de beul zijn werk ging verrichten, « vroeg de veroordeelde oorlof om eene belangrijke « openbaring te doen.
« Hij bekende, toen hij als kramer de Kempen door-« kruiste, in het jaar 1816, te Eindenhout eenen jon-« geling Kasper Bartels genaamd, in het midden van « den nacht, doorstoken te hebben, om hem zijn « geld te ontstelen.
n Onmiddellijk na dien aanslag was hij naar een « ander dorp gevlucht, en had daar hooren zeggen « dat men den boschwachter van Eindenhout, Jan « Janssens, in zijne plaats beschuldigde.
« Die arme man werd waarschijnlijk veroordeeld; « doch dit wist hij niet zeker, want hij had korts « daarop het land verlaten.
« Op het oogenblik dat hij voor den oppersten « Rechter verschijnen ging, wilde hij vergiffenis « vragen aan zijne medemenschen en bovenal aan den « ongelukkige, die in zijne plaats had moeten boeten.
273
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
k of ten minste aan dezes nabestaanden of erfge-« namen. »
Bleek als een linnen viel Karei op eenen stoel neder, en liet het dagblad uit zijne bevende handen glijden.
Was het mogelijk? Stina, den Duivel gered! Gelukkig! Ach! God was goed en rechtvaardig, en niemand kon zijne besluiten dooi\'gronden.
Biddend sloeg de jongeling de oogen ten Hemel, en stuurde eene innige dankzegging tot Hem, die hen allen zoo onverhoopt uit den kolk der diepste wanhoop kwam redden.
Daar verscheen de notaris in het vertrek met een gesloten brief in de handen. Verwonderd over de houding des jongelings en bovenal over zijne uiterste bleekheid, vroeg hij hem met deelneming :
« Welnu, mijn vriend, wat overkomt u? gevoelt gij u niet wel? »
De jongeling kon niet spreken : hij greep met bevende hand het dagblad, reikte het aan M. Moerman en wees op het omlijste bericht.
« Dit bericht, » vroeg de notaris, verwonderd. «Ja, ik heb het omlijst, omdat ik de erfgenamen van dien Jan Janssens moet opzoeken. Maar dit is het toch niet dat u zoo ontsteld heeft, niet waar? »
« Ach! ja. Heer notaris, » stamelde de jongeling, geweld doende om zijne ontroering te bedwingen, « ik ken den ongelukkigen Jan Janssens en zijn huisgezin, het zijn mijne vrienden. Dit onverwachte nieuws, die verlossing na zoovele jaren onmeedoogend lijden.
274
i
DE DUIVEL UIT HET SLANGEXBOSCH
arme goede lieden, hoe diep zal die verwonderlijke tijding hen treffen! »
« Zoo, heer Campers, die rampzalige Jan Janssens leeft dus nog? Gij kent hem en weet waar hij zich bevindt? Het zou mij genoegen doen, wildet gij mij onmiddellijk zijne woonplaats aanduiden; want ik ben gedwongen hem op mijn bureel te doen komen. Sedert meer dan een jaar ben ik in het bezit van een tamelijk groot erfdeel dat hem toekomt. Een tachtigjarige, ongehuwde Karei Janssens is in Holland overleden. Een mijner collega\'s uit den Haag werd door hem als testament-uitvoerder aangesteld, en erfde eene aanzienlijke som, op voorwaarde dat hij hier in België den eenigen wettigen erfgenaam. Jan Janssens, of zijne nabestaanden zou opzoeken. Mijn collega die ziekelijk is en den Haag niet kan verlaten, heeft mij gelast dien plicht in zijne plaats te vervullen. »
Karei had met verstomdheid op de woorden des notaris geluisterd.
« Gered! rijk en gelukkig! Ach! Stina, lieve Stina! » murmelde hij in zichzelven, als had hij de tegenwoordigheid van M. Moerman vergeten.
« Welnu, heer Campers, » vroeg deze verwonderd over zijne houding, « ik wacht naar de gevraagde inlichting. »
« Het is nutteloos, heer notaris. Laat mij toe, ik bid u, zelf aan Jan Janssens dit blijde nieuws te brengen; ik verzoek het u als eene ware gunst. Hij woont dicht bij Halderghem, op het midden der heide. M. Trap-peneels kent hem zeer goed en ik twijfel niet, heer
275
276 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
notaris, of mijn meester zal zelf Jan Janssens naar Antwerpen vergezellen, en u dan ook nadere inlichtingen geven over die brave lieden, indien [gij het wenscht! »
« Het zij zoo, heer Campers, breng hem dan zelf de blijde tijding; ik bestatig met genoegen dat gij een goed en medelijdend hart bezit, aangezien het geluk dat aan anderen overkomt, in staat is u zoo diep te treffen. Ziehier den brief voor M. Trappeneels; wij zullen er het dagblad dat het gewichtige bericht behelst, bijvoegen, en voor het overige betrouw ik mij op u. Nu, vaarwel, mijn jonge vriend, gelief uwen meester van mijnentwege hartelijk te groeten. »
Dit zeggende geleidde de notaris hem tot in den gang. De kleine klerk opende de deur, en Karei bevond zich alleen in de Gasthuisstraat.
Zijn hoofd was duizelig; hij wist waarlijk niet waar hij was of waar hij naartoe ging. Eenige oogenblikken bleef hij verbluft in het midden dei-straat staan droomen.
Het was dus waar? De Duivel was gered, Stina zou rijk en gelukkig zijn, en uit het betooverde Slangenbosch verlost, verlost voor altijd !
Hij, de blijde geluksbode, ging onmiddellijk naar Halderghem vertrekken, om hen het verwonderlijke nieuws te melden. En onder het maken van allerlei blijde gebaren, vloog de jongeling, snel als een pijl, over de Meir.
Hij trad eene zijstraat in, Avaar hij in eenen kruidenierswinkel eenige waren voor Judoca\'s moeder
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 277
moest koopen. Men geriefde hem spoedig, en met het groote pak onder den arm stapte hij voort naaide afspanning de Kroon, waar zijn vriend Victor op hem moest wachten.
Toen hij de herberg binnentrad, waren er eenige lieden rond eene tafel gezeten, bezig met de kaart te spelen. Victor bevond zich achter hen en volgde het spel met de oogen.
Zonder op de aanwezigheid dier vreemde lieden te letten, liep Karei naar zijnen vriend, vatte hem de beide handen, en trok hem met geweld in eenen hoek der zaal, onderwijl aan zijn oor fluisterende : « Jongen! jongen! wist gij hoe gelukkig ik ben! » Victor aanzag hem met de grootste verbazing. « Welnu, » vroeg hij, « wat is er gebeurd? Gij ziet er uit als iemand, die goesting heeft om te weenen van blijdschap? Hebt gij het groote lot gewonnen, of iets dergelijks ? »
« Zwijg, vriend, zwijg, » murmelde Karei, « en kom mede met mij naar buiten, of ik begin hier te springen en te dansen dat heel de herberg overhoop staat. Kom, wij zullen te zamen op het Groen Kerkhof wat gaan wandelen. Ik vertrek straks terug naar Halderghem; maar ik heb nog bijna een uur tijd voor de komst der diligencie, en ik wil u iets verhalen dat u verwonderen zal. »
Arm in arm stapten de jonge lieden naar het Groen Kerkhof, waar zij langen tijd onder de boomen koutend bleven wandelen.
Wat Karei in begeesterde woorden aan zijnen
278 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
vriend verhaalde, moest wel treffend zijn, want meer dan eens wischte Victor tranen van ontroering uit zijne oogen. En toen zij naar de afspanning terugkeerden mompelde deze half schertsend in zich zelve : « Wel, wel, dit zwarte Duivelinneke, met hare glinsterende oogen. Wie had dit gedacht toen wij ze, eenige maanden geleden, op den steenweg van Hal-derghem ontmoetten! »
« Maar zeg eens, Karei, vandanaf had zij u reeds min of meer betooverd; ik herinner mij zeer goed hoe gij mij den ganschen weg over die ontmoeting hebt doorgezaagd. »
Karei antwoordde niet op de vroolijke scherts van zijnen vriend; zijne gedachten dwaalden weg naar de arme geliefde, die nog niets van het gelukkige nieuws wist, en op dit oogenblik misschien wee-nend in het sombere Slangenbosch, haar bitter lot beklaagde.
Al koutend waren zij terug naar de Kroon gekomen, en zagen de diligencie voor de deur staan, gereed om te vertrekken.
Nog eens drukte Karei de handen van zijnen vriend en beloofde hem stellig diezelfde week nog naar Antwerpen te komen of hem te schrijven.
De voerman legde de zweep op de paarden, en het zware rijtuig rolde met dof gebons door de straten der stad Antwerpen.
Karei zat weder in hetzelfde hoekje en het rijtuig volgde denzelfden weg, die het des morgens reeds doorliep.
■ii iiLiwuiiari; y*
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 279
Maar welk eene verandering! Nu klopte hem het hart van ongeduldige blijdschap, en hij had vleugelen willen hebben om naar het Slangenbosch te vliegen en die ongelukkigen onmiddellijk uit hunnen pijnlijken toestand te kunnen verlossen.
Hem dacht dat de paarden nu veel langzamer gingen dan des morgens. Het zou reeds avond zijn wanneer men in Halderghem aankwam, en hij zou misschien tot des anderdaags moeten wachten om naar het Slangenbosch te gaan. Maar het ware onmenschelijk die arme lieden nog een ganschen nacht van het gelukkige nieuws te berooven.
En droomend, en dweepend, en in zichzelven mompelend van ongeduld, bracht de jongeling de drie lange uren door.
Eindelijk bleef het rijtuig voor de deur der Zon staan.
Karei sprong er af en viel juichend aan den hals der oude bazin, die met Judoca op den dorpel harer woning naar de komst der diligencie stond te wachten.
Na de verblufte vrouw omhelsd te hebben, greep hij Judoca bij de handen, en dwong haar met hem twee of driemaal rond te draaien.
De beide vrouwen waren zoo verwonderd dat zij niet spreken konden. Judoca aanzag den jongeling met medelijden, en riep klagend :
« Och, die arme mijnheer Campers! het verdriet heeft hem de hersens geraakt! »
« Neen, neen, «juichte Karei,« judocatje-lief, wees
28o de duivel uit het slangenbosch
gerust, ik heb mijn verstand niet verloren. Maar ik ben zoo gelukkig, zoo blijde, dat ik zal stikken, indien ik mijne vreugde niet uitdrukken mag! Kom binnen al gauw, en voor dat wij aan tafel gaan, zal ik u in eenige woorden het blijde nieuws verhalen; aan u alleen, want niemand anders mag er iets van weten. »
Hij trok Judoca en hare moeder in de keuken, duwde de deur toe, en riep op zegevierenden toon : « De Duivel is rijk, hij gaat een groot erfdeel ontvangen. Verlost zijn zij allen uit het betooverde Slangenbosch, en de hinderpaal tot ons huwelijk is weggeruimd! Ach J udoca-lief, wat zal de arme Stina gelukkig zijn, niet waar? »
« Wat » vroeg het meisje met de uiterste verwondering, « de Duivel is rijk, hij heeft geërfd? Hij, die hier noch man noch muis in de omstreken kende? » « Hoe weet gij dit alles, mijnheer Campers? Neem het mij niet kwalijk, ik bid u, maar zijt gij daar wel heel zeker van? »
« Ja, ja, Judoca, zeer zeker; ik heb het in de stad bij eenen notaris vernomen.Vraag mij nu geene verdere uitleggingen, want ik weet nog niet of ik ze u geven mag. Maar de zaak is klaar en vast, gij moogt mij gelooven.
« Nu moet ik onmiddellijk naar het Slangenbosch gaan, want die goede lieden weten nog niets, en het ware eene misdaad hen langer te laten lijden. »
« Heden avond nog, » viel de oude bazin hem in de rede, « gij droomt zeker, heer Campers; de
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 28l
lieden uit het Slangenbosch moeten reeds slapen zijn, en gij zoudt hen kunnen een doodelijk verschot op het lijf jagen. Het is reeds een uur donker, en dus gansch alleen in de duisternis door het vervaarlijke Slangenbosch gaan, zie, dit heb ik nu in het geheel niet gaarne. Kom, mijnheer, wees redelijker, wacht tot morgen; dan kunt ge ook meester Trappeneels van uwe terugkomst verwittigen. »
« Nu, ja, het is waar, » morde Karei spijtig, « dan zal ik moeten vrachten tot morgen, en Stina zal nog een ganschen nacht van het vreugdevolle nieuws beroofd blijven. Maar indien het moet zijn! Het is nu ook te laat om den heer notaris te gaan storen, die mij heden in het geheel niet verwacht.
« Welaan, moeder Peperlinck, laat ons dan maar aan tafel gaan op Gods genade ! »
Onder het avondmaal verwonderde Karei iedereen door zijne zonderlinge houding, In den eerste deed hij niets dan schertsen en juichen, en vertelde zoovele grappen, dat baas Peperlinck en zijne zonen tranen lachten, met de zonderlinge kwinkslagen.
■ Maar langzamerhand scheen de jongeling in ernstiger overwegingen te verzinken.
Toen het avondmaal afgeloopen was en iedereen, behalve Judoca, de keuken verlaten had, naderde het meisje tot hem en vroeg ;
« Welnu, mijnheer Karei, gij ziet er een weinig ontstemd uit, vermoeid van de reis waarschijnlijk? » « Neen, Judoca, dit is het niet; maar een pijnlijke twijfel is in mijn geest ontstaan. Stina zal nu rijk
282 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
zijn, wie weet zal de Duivel mij nog tot schoonzoon aanvaarden ? Ik bezit niets dan mijne onzekere plaats, en veel moed, en goeden wil om mijne toekomst te verzekeren, dit is niet veel, niet waar? » • Judoca werd rood tot achter de ooren van verontwaardiging.
c Luister, » sprak zij op bitsigen toon, « ik zie nog niet heel klaar in de zaak; maar moest de Duivel in staat zijn om zoo tegenover u te handelen, dan zou ik zeggen dat het een hartelooze Duivel is en dat hij zijn geluk niet verdient. »
« Nu, om het even, » hervatte Karei, met gelatenheid, « Stina zal van haar pijnlijk lot verlost zijn, aan het overige wil ik op dit oogenblik niet denken, het ware zelfzuchtig.
« Wees zoo goed, Judoca, en gelief mij nu een licht te geven om naar boven te gaan; ik gevoel mij schrikkelijk vermoeid en zou gaarne gaan slapen. »
Het meisje bood hem eene brandende kaars aan, en onder het murmelen van een hartelijken goeden nacht, verliet de jongeling het vertrek en verdween op den trap.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
VIII
Langs een kleinen voetweg van het Slangenbosch , door eeuwenoude beuk-en overlommerd, stapten de Duivel en zijne dochter, hijgend en gebukt onder eene zware vracht mastentoppen die zij op den kruiwagen geladen hadden.
De man is bijna genezen, maar zijn verwilderde baard, en de zwarte doek die hem voorhoofd en slapen bedekt, geven hem een nog vreeslijker aanzien dan vroeger.
Hij stoot met krachtsinspanning den zwaar geladen kruiwagen voort, wijl Stina met eene koord over den schouder, door het trekken den last haars vaders vermindert.
Wat ziet zij bleek, het arme meisje, en hoe moedeloos hangt haar het hoofd op de borst. Meer dan eens heeft de Duivel het beproefd onder den arbeid eenige woorden met haar te wisselen; zij antwoordt wel, maar men bemerkt dat hare gedachten verre van daar wegdwalen.
De man schudt mistroostig het hoofd. Hij gevoelt, de droeve vader, dat zijn kind gebukt gaat onder eene onverwinbare treurnis, eene treurnis die zij zou
283
284 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
willen verbergen, maar die haar alle dagen meer en meer overmeestert. Kon hij iets doen, iets uitzoeken om haar te troosten en haar moed in te spreken.
Eilaas! hij kent de wonde die in het hart van zijn kind blijft bloeden, en hij vermag niets om ze te genezen. Pijnlijke onmacht, die hem radeloos maakt!
« Stina, » vraagt de Duivel, wijl hij in het voetpad blijft staan, « ik ben vermoeid; willen wii hier wat uitrusten ? »
Het meisje heft het hoofd op en aanziet hem als iemand, die uit een langen droom ontwaakt.
« Ja, vader, » luidt het stille antwoord; « ik had het u reeds vroeger moeten voorstellen; vergeef mij mijne onachtzaamheid, ik bid u. »
Zij helpt den man den riem van de schouders lichten en gaat met hem op den boord van den weg nederzitten.
« Stina, » hervat de Duivel, « uwe stilzwijgenheid bedroeft mij diep; gij zijt toch niet ziek, hoop ik, mijn kind? »
« Lieve vader, wat zijt gij goed voor mij. Ach! ik handel niet wel u dus door mijne neerslachtigheid te verontrusten. Neen, ik ben niet ziek, vader; maaide gebeurtenissen dezer laatste dagen, en bovenal de geschiedenis van uw pijnlijk leven, hebben mij een diepen indruk nagelaten. Doch, ik zal dit alles trachten te vergeten, en weder vroolijk en moedig worden als te voren; heb nog een weinig geduld, vader lief! »
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Ja, mijn kind, beproef het ten minste; het zou uwe moeder en mij zoo gelukkig maken. »
Zij bleven nog een oogenblik zwijgend zitten, dan stond de Duivel op en sprak ;
« Kom nu voort, Stina; wij hebben genoeg gerust. Het moet reeds bijna tien uren zijn, en uwe moeder zou naar ons kunnen wachten. »
Het meisje hielp hem den riem weder over de schouders leggen, en beiden hernamen hunnen weg met den zwaren kruiwagen.
Het pad was steil, en zij bleven wel eene halve uur hijgend voortgaan, zonder een woord te wisselen.
Eindelijk bereikten zij den open weg die voor het huisje des Duivels liep. Op eenige stappen reeds, klonk de vriendelijke groet der moeder hen in de ooren.
« Wel, mijn goede Jan, » kreet de vrouw, haren man naderend, « wat moet gij beiden vermoeid zijn. De vracht is te groot voor u, geloof mij; het is onvoorzichtig. »
« Ziet gij het wel, vader, » viel het meisje haar in de rede, « ik heb u voorzeid dat moeder ons zou bekeven hebben. »
« Nu, het is niets, » antwoordde de Duivel glimlachend; « wij zijn t\'huis geraakt, dit is het bijzonderste. Wees gerust, Magdalena, ik gevoel mij weer sterk en krachtig als te voren; en gij hoeft voor mij niets meer te vreezen.
Magdalena wischte met een\' zakdoek het zweet van het voorhoofd des Duivels en hielp hem dan met
285
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Stina de zakken uitschudden in een klein overdak, nevens den geitenstal.
Na den verrichten arbeid traden ze te zamen in het huisje.
Op de reine houten tafel stonden drie kopjes, nevens een groot roggebrood, en een weinig boter op een schoteltje.
De moeder nam de koffiekan uit de asch, schonk de kopjes vol en sneed eenige dikke boterhammen.
Allen vouwden de handen te zamen, en na een kort gebed begonnen zij in stilte het sobere maal te nuttigen. Terwijl de beide echtgenooten eenige woorden wisselden, was het meisje weer in hare stille droomerijen hervallen, en leunde beweegloos met het hoofd op de handen.
« Stina, » sprak de moeder berispend, « gij eet niet, mijn kind? »
« Ik dank u, moeder, ik heb geenen honger meer; ik zal de geit te drinken geven, het beest moet dorst hebben. »
Zij stond op, nam een houten emmer en verliet het vertrek.
« Mijne arme Stina, » zuchtte Magdalena, « wat is zij veranderd sedert eenige dagen; hebt gij bemerkt, mijn vriend, hoe bleek zij er uitziet en hoe zij eiken dag vermagert? Ik begin te vreezen dat eene ernstige ziekte haar bedreigt. Konden wij haar slechts wat sterker voedsel en eenige verstrooiing bezorgen. »
286
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 287
« Voedsel, verstrooiing, » morde de Duivel, « gij bedriegt u, Magdalena; de ziekte die onze Christina bedreigt, is met geen voedsel te genezen. Zij gaat gebukt onder de smart eener hopelooze liefde. Ach! Magdalena, mijnheer Campers heeft mij het leven gered, ik weet het, en ik zal hem immer dankbaar blijven; maar voor onze arme dochter was zijne verschijning in het Slangenbosch een onwederroe-pelijk ongeluk! »
« God gave, mijn vriend, dat gij u bedriegt en dat dit de reden harer treurnis niet zij. In alle geval ware het zoo, Stina zal moedig zijn en trachten M. Campers te vergeten. »
0 Vergeten? » herhaalde de Duivel twijfelend, « Stina is uwe dochter, Magdalena; herinner u onze jeugd, ondervraag uw eigen hart, hadt gij mij kunnen vergeten? »
« Eilaas! » snikte de vrouw, « mijn arm kind, hoe pijnlijk moet zij lijden! »
« Onschuldig zal zij boeten zooals wij, » morde de Duivel op bitteren toon, « en er is geen ander middel, om die toenemende treurnis te genezen, dan het Slangenbosch te verlaten. Dit vertrek zal mij zeer smartelijk vallen, Magdalena; maar indien het moet zijn om eene gevaarlijke ziekte te voorkomen, welnu dan op Gods genade! Wapen u met moed en geduld, mijne goede vrouw. U ook zal het zwervend leven, dat ons buiten het Slangenbosch wacht, pijnlijk en lastig vallen; maar gedenken wij beiden, dat het leven en de
288 DE DUIVEL UIT HET SLAXGENBOSCH
rust van ons duurbaar kind die opoffering vergt. » « Gij hebt gelijk, mijn vriend, » antwoordde de vrouw met gelatenheid; ik keur uw besluit ten volle goed en uw wil is de mijne; maar voor u alleen, die niet gansch hersteld zijt, vrees ik de vermoeienis der lange voetreis. »
« Nu, Magdalena, » hernam de Duivel, « gelief Stina te gaan roepen; ik wensch nog eens ernstig met haar daarover te spreken. »
De vrouw stond op en ging naar buiten om het bevel van haren man te volbrengen.
Achter het huisje, tegen den leemen muur geleund, stond Stina met gebogen hoofde; zij hield een boek in de hand en scheen te lezen. Toen Magdalena haar naderde, bemerkte zij hoe de tranen haar in stilte uit de oogen rolden, en de bladen van het boek bevochtigden.
Arme maagd, dit boek was een geschenk van Karei! De schoone gedichten die het behelsde, had hij haar meer dan eens voorgelezen, en uit elke bladzijde, uit elk woord straalde de beeltenis van den betreurden vriend haar tegen!
Magdalena aanschouwde hare dochter met medelijden, en geweld doende om hare ontroering te verbergen, sprak zij op zachten toon ;
« Stina, mijn kind, vader wenscht u een oogenblik te spreken. »
« Ik kom, moeder, \'ik kom onmiddellijk, » antwoordde het meisje verrast het boek toeslaande. Zij volgde hare moeder binnen in het huisje, en
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
nadat de Duivel haar eenen stoel aangewezen had, begon hij op ernstigen toon :
« Stina, gij weet hoe innig wij u liefhebben, niet waar? Gij zijt ons eenigst en duurbaar kind, voor wier geluk Avij alles zouden willen opofferen. Uwe toenemende treurnis, de smartelijke verandering die wij sedert eenige dagen in u bemerken, verontrusten ons zoodanig, dat wij besloten hebben, alles te beproeven, alles wat in onze macht is, om u van die kwijnende droefheid te genezen. Wij zijn arm, en bezitten niets op aarde dan de vrucht van onzen dagelijkschen arbeid. Maar moet het zijn, om zekere pijnlijke herinneringen te ontvluchten, en u de rust des harten terug te schenken, welnu, dan zullen wij het Slangenbosch verlaten.
« Gedurende eene maand zullen wij aanhoudend arbeiden, om eene kleine som te vergaren, en desnoods zal ik M. Trappeneels bidden ons eenig geld te leenen, om de lange voetreis te ondernemen.
« Dus zwervend van dorp tot dorp, zullen wij trachten de stad Bergen te bereiken, waar ik hoop eenig werk in de koolmijnen te vinden. Ik beken, mijn kind, dat het mij pijnlijk valt ons huisje en dit vreedzame oord te verlaten, waar ik jaren lang tusschen u beiden in vrede geleefd heb; maar wij hopen, uwe moeder en ik, dat dit vertrek u de rust en de \'gezondheid zullen terug schenken. Ween niet, mijn arme Stina; wij kennen de reden uwer smart, en doen u die opoffering van ganscher harte. »
289
ago DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Het meisje liet zich geknield voor de voeten des Duivels nedervallen.
« Vader, » smeekte zij tusschen hare tranen, « vader, heb medelijden, en vergeef mij het verdriet dat ik u onwillens aandoe.
« Ach, reeds zoolang heb ik tegen mij zeiven geworsteld, God biddend mij de noodige kracht te verleenen om hem te vergeten, en ik bezwijk onder eene onweerstaanbare zwakheid. Gij wilt het Slangenbosch verlaten, om verre van hier als ellendelingen te gaan dwalen. Eilaas! het ware nutteloos; immer, overal zal zijn beeld mij volgen, dwingend volgen, tot op mijn doodsbed. Vader, lieve vader, heb medelijden; laat mij in het Slangenbosch blijven; die plaats waar ik hem leerde kennen, waar ik hem voor de laatste maal zag, is mij duurbaarder dan de geboortegrond. »
« Stina, mijn ongelukkig kind, » kreet de moeder hare dochter van den grond heffend, en met geweld in de armen drukkend.
Diep ontroerd door die wanhopige bede, stond de Duivel insgelijks recht, en meende te antwoorden.
Maar daar vloog nu ineens de deur open, en Karei Campers verscheen in het vertrek.
« Vrienden! » stamelde hij met hijgende stem, wijl hij zich op een stoel liet nedervallen. « Vrienden, beziet mij zoo verwonderd niet; ik heb ge-loopen van het dorp tot hier, en ben schier buiten adem!
« Ach, wist gij welk nieuws ik u breng, het
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 291
schoonste, het verwonderlijkste nieuws dat gij u kunt inbeelden!
« Uw aller lijden is gedaan, dank den almogenden God voor zijne grenslooze barmhartigheid. »
En daar hij bemerkte dat allen hem verbluft bleven aanstaren, keerde hij zich tot den Duivel en begon met voorzichtigheid :
« Vader Janssens, mag ik hopen dat gij mij kalm en bedaard zult aanhooren? Hetgeen ik u te melden heb, is zoo onverhoopt, zoo verwonderlijk dat ik vrees dat die tijding u erg zou kunnen schokken en ontstellen. »
« Spreek, mijnheer, » gromde de Duivel op spij-tigen toon, « maar wees kort. Ik twijfel sterk of de reden die u naar hier terugbrengt wel ernstig genoeg is, om door uwe tegenwoordigheid onzen droeven toestand nog te verergeren.
« Van welken aard het nieuws dat gij ons brengt ook zij, het kan mij niet raken. Wij zijn vermaledijd, en hebben hier op aarde geen geluk meer te verwachten.»
« Gij denkt het, vriend; ach! laster de goddelijke Barmhartigheid niet door dien bitteren twijfel. »
En daar de Duivel ontkennend het hoofd bleet schudden, kon de goede Karei zijne ontsteltenis niet meer bedwingen. Hij liep tot den zieke, greep hem de beide handen en riep op zegevierenden toon : « Vader Janssens, edele martelaar, hef het hoofd op, door het gansche land is uwe eerherstelling reeds bekend; verlost zijt gij, verlost voor altijd, van de onverdiende schande!
2g2 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
« Degene, voor wier misdaad gij zoolang onrechtvaardig hebt moeten boeten, is op het schavot gestorven. God heeft gevild dat hij eenige ©ogenblikken voor zijn dood in het openbaar uwe onschuld mocht belijden. Gij verbleekt, vader Janssens ; ik bid u, wees sterk tegen de vreugde, want dit is nog niet alles wat ik u te melden heb.
« Ik ben gelast door den notaris Moerman u te verwittigen da.t hij in bezit is van een groot erfdeel, dat u toekomt. Uw oom Karei Janssens is te Amsterdam overleden, en heeft u al zijne goederen toegekend. Ach! vrienden wat ben ik fier en gelukkig, gelukkig en dankbaar aan God, die mij toeliet de blijde bode te zijn, welke u dit verwonderlijk nieuws mocht aankondigen. Maar, vader Janssens, gij beziet mij zoo vreemd. Gelooft gij mij dan niet? »
De Duivel deed eene poging om te antwoorden, maar geen klank kon zijne verkropte keel ontsnappen.
« Zie, » hervatte Karei, « hier is een dagblad van wege M. Moerman; daar, lees die regelen door eene blauwe streep omlijst. »
De Duivel trad nader, rukte hem bevend het papier uit de handen, en doorliep met klimmende ontroering de aangeduide regelen.
Hij waggelde op zijne beenen en het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Eensklaps ontsnapte een machtige kreet zijne borst, wijl hij met opgeheven armen tot zijne vrouw liep, en haar schier bezwijmend van vreugde in de armen drukte.
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 2g3
« Jan, Jan, het is dus waar, » riep Magdalena tusschen hare tranen? « Ach! mijn vriend. God is goed en rechtvaardig; zijn naam weze eeuwig gebenedijd! »
« Gered, verlost van de eeuwige schande, » murmelde de ontroerde man, zijn stralenden blik ten hemel richtende. « Magdalena, Stina, duurbare wezens, wat zult ge gelukkig zijn! »
Met verstomming had Christina eerst-op de woorden van den opgewonden jongeling geluisterd; zij scheen nauwelijks te beseften, welk oneindig geluk hen te beurt viel.
Als betooverd door den klank zijner stem, beschouwde zij in vergetelheid den wedergevonden geliefde.
« Stina, » sprak Karei, het meisje naderende en zijnen glinsterenden blik in den haren vestigend, « lieve vriendin, ik gevoel wel dat er nu een andere hinderpaal tusschen ons opgerezen is, een hinderpaal die ons voor lang, misschien voor altijd, van elkander zal scheiden. Gij zijt nu rijk, Stina, en zult het Slangenbosch verlaten, om uwen vader naar Holland te volgen en daar de plaats te bekleeden, die u rechtmatig toekomt. Wie weet, zullen wij elkander nog ooit wederzien! Gedenk lieve, den armen klerk van M. Trappeneels die u van hier zal zien vertrekken met gebroken hart; maar toch innig gelukkig en God dankend voor de schoone toekomst, die u verre van hem zal wachten. »
Die laatste woorden had Karei met verkropte stem
\'9
294 1)13 duivel uit het slangenbosch
uitgesproken. Vooraleer de ontroerde Stina iets op m de rede des jongelings had kunnen antwoorden, zs kwam de Duivel vooruit en sprak op plechtigen toon : h:
« Heer Campers, gij die de geschiedenis mijns levens kent, gij weet hoe onmeedoogend de onrecht- m vaardigheid der menschen mij jaren lang gemarteld heeft. Toen gij in Halderghem gekomen zijt, werden O] wij gevlucht en miskend door iedereen als gevaarlijke h: booswichten. Wat gij dan voor ons gedaan hebt, gij die ons niet kendet en alleen gehoorzaamdet aan de h inspraak van uw medelijdend hart, dit staat hierboven u opgeschreven, geloof mij. En gij durft denken, dat wij zouden kunnen vergeten dat gij alleen ons] de g hand hebt gereikt in onzen bitteren toestand ; dat gij h Stina innig genoeg bemindet, om haar ten huwelijk te g vragen, toen zij nog de dochter des Duivels was? b Neen, neen, mijnheer, de Duivel heeft ook een hart z dat op de rechte plaats ligt! God overlaadt ons met v zijne weldaden, en laat ons toe eene zieleschuld te r betalen. Wij zullen naar Holland vertrekken, niet s waar, Magdalena? Maar nu nog niet; later en vergezeld door onze beide kinderen, door Stina en door onzen welbeminden zoon Karei! » 1:
« Vader, lieve vader, » galmde het door het vertrek, c en weenend viel Stina aan den hals des Duivels.
Deze greep de hand des jongelings, lei ze in die zijner dochter, en zich tot zijne vrouw wendende : « Kom, Magdalena, » sprak hij, « zegen gij ook de verloving onzer kinderen. Moge Christina hem eene zoo trouwe en teedere levensgezellin zijn, zooals gij,
■
DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH 295
mijne goede vrouw, het immer voor mij waart. Dus zal zij in het leven ten minste, ons aller schuld aan haren echtgenoot betalen. »
« Dank, vader Janssens, dank, » stamelde Karei met de uiterste ontroering.
« God zegene u, mijne kinderen, » sprak de vrouw op plechtigen toon tot de jonge lieden, die hand in hand eenen blik van oneindige zaligheid wisselden.
« Moeder, » lispelde het meisje, den arm om den hals der vrouw slaande, « goede moeder, wat zal ik u allen liefhebben en gelukkig maken! »
« Vader, moeder, Stina, » riep Karei zich met geweld uit die aandoening lostrukkende, « komt, laat ons van hier vertrekken. Heden namiddag nog gaan wij te zamen naar de Zon; ik heb haast om de brave Judoca mijn geluk aan te kondigen! Zij stelde zooveel belang in u allen, en beminde u reeds lang van verre. En M. Trappeneels, mijn goede meester, moet ook verwittigd worden. Komt, vrienden, laat ons spoed maken; de grond brandt mij onder de voeten! »
Een uur later stapten de Duivel en zijne vrouw langs het kronkelende voetpad dat hen zoovele droeve dagen herinnerde.
De Duivel scheen in diepe overwegingen ver-onken. Eindelijk ging hij onder de menschen ver-hijnen met opgeheven hoofde, eh ontheven van bitteren laster, die hem sedert zoovele jaren ^tterd had. Zijn hart klopte hevig en hij drukte de hand zijner trouwe Magdalena.
296 DE DUIVEL UIT HET SLANGENBOSCH
Op eenige stappen achter hen gingen Karei en Stina, droomende en weggerukt door de zaligste vreugde.
Zij spraken niet; maar wisselden van tijd tot tijd een\' blik, een\' handdruk en wandelden dan voort langs het lommerrijke pad, wijl van uit den top der boomen het geschal der vogelen, het juichend liefdelied huns harten scheen te begeleiden !
*
* *
Eenige weken later, zegende de oude pastoor van Halderghem het huwelijk van Stina en Karei.
M. Trappeneels en de baas uit de Zon waren Kareis getuigen, Victor en Judoca\'s broeder die van Stina.
Het meisje scheen nu niet meer bleek of kwijnend ; met glinsterende oogen, en blozend van vreugde, stapte zij tusschen haren vader en Victor, die niet kon nalaten de betooverende bruid van zijnen vriend te bewonderen.
Wat de goedhartige Judoca betreft, die was even blijde en opgewonden alsof men haar eigen huwelijk vierde.
En toen men uit de kerk kwam, juichte zij en lachte met de verwonderde dorpelingen, die met gapenden mond en opengespalkte oogen den bruiloftsstoet bewonderden van de dochter des Duivels uit het Slangenbosch!
EINDE
v
V^\\Av^ v^ ^ A \'t v*quot; ^ r * S H v
1 lt; ^ • ., .v \\£\' quot;\' lt;.1^ V^U * ^
t^/f :-gt;-x
:M-- ♦*»\' : ;\'x \'\'••■quot;\'1i.\\ • {--.
• -a \\.; -;; ^
* ^ v ■ ^ v -#gt; /• ■\' V
i. \'- V r/ \' # J ^ quot; tgt;
f / w X \' ^ \'\'S lt; ./r ■ ^
\'J
\'• \' ■\'■■quot; i^f^quot; \' tfr \' \' quot;\\/\'. ï Aquot; \' *\'•. v,!^quot;quot;\' , : -1-, quot; \' Vquot;
I, * .-V \' \' gt;
i:«\'^w , jés«B«- /a*-*, r •* V\'.* - /,\'.. .
.^. Cv / ., • ^.c \' vr« \'■
!)lt; F \'\' 1- 4jfc?W quot;**\' ? ^ gt; -gt;quot; ■ ^quot;1 h Ïj* *fgt;; i
V Y. ^
_ \' .\' -
, ■ \' V
r ^ ^ ; v
..• ^ . -•t -gt; .\'\\ ! \' lt; ^ ^ •gt; * quot; \'l