-ocr page 1-

-lui

mm

Éi «MM

Ml»quot;

»ip li*

1

,9»«

«viwm

ilpMi

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

ANNA ROOZE.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

Oc

28 4779

-ocr page 7-

\'frjiAié-uamp;d., %Sf

ANNA ROOZE

DOOR

J. J. CREMER.

Zesde druk.

LEIDEN. - A. W. SIJTHOPP.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

ANNA ROOZE.

EERSTE HOOFDSTUK.

Met zes doffe slagen verkondigt de oude torenklok van het Zuid-Hollandsche dorp Akkersveen, dat de laatste Octobermorgen van het jaar 1859 is aangebroken.

Op hetzelfde oogenblik dat de haan van het landhuis „De Riethof\' den toren voor die aankondiging bedankt, loopt de wekker op het bovenportaal van het genoemde- landhuis met een oorverdoovend ratelen af, en, als hij met zijn onharmonisch geweld vrijpostig in alle slaapvertrekken is doorgedrongen, ontwaakt ook juffrouw Mar-nix, de eigenares van De Riethof, de hooggeëerde instifutrice van Akkersveen.

Aan de and ore zij van het groote ledikant heeft juffrouw Marnix al spoedig eenig toilet gemaakt, en, zichtbaar in droeve gedachten, treedt ze nu op het venster toe, opent de blinden en haalt de valgordijn naar boven.

Toen de institutrice van Akkersveen voor ongeveer twee maanden de fraaie schrijftafel, die ginds bij het raam staat, van haar leerlingen ontving, was zij juist haar vijf en veertigsten zomer ingetreden.

Juffrouw Marnix roemt geenszins op uiterlijk schoon.

Een breed en rond gezicht met ontelbare sproeten, een eenigszina platte neus en een niet kleine mond. geven er haar dan ook weinig recht toe. Sommigen meenen dat juffrouw Marnix daarom haar leerlingen zoo dikwijls van de „geringe waarde der lichamelijke schoonheidquot; spreekt; maar — blanke handjes en mooie tanden ziet ze gaarne. Juffrouw Marnix\' handen zijn klein en blank, en haar gebil is fraai en wit als sneeuw.

Juffrouw Marnix staart naar buiten, \'t Is een sombere morgen. De dichte motregen heeft de groote kastanjeboomen achter in den tuin als met een grauwen sluier bedekt. Ter linkerzij — in de tuintjes der élèves — daar schudden de zonnebloemen en dahlia\'s, door

v i

-ocr page 10-

ANNA ROOZE.

een nijdig heifstwindje bewogen, aan haar struiken alsof ze elkaar g\'en-dag knikken, en het schuitje van den grooten schommel zwabbert ook al heen en weer, en \'t is telkens alsof het zijn vaart wil nemen maar niet scheiden kan.

In het oog der dame blinkt een traan. — , Lief kind! dat je ons verlaten moet!quot; zegt ze bijna hoorbaar, en terwijl ze dat zegt, staat haar het beeld der schoone Anna, met de lange donkerbruine lokken en haar rijzige figuur, in het stemmig rouwkleedje, zoo helder voor den geest, alsof zij haar in de werkelijkheid voor zich zag.

Nog nooit heeft de kostschoolhouueies zooveel van een harer leerlingen gehouden als van de achttienjarige lieveling, die heden haar instituut zal verlaten. Ja, het. moet een moederlijk gevoel zijn, dat haar voor Anna Eooze, de lieve wees, vervulde.

Op vijfjarigen leeftijd moederloos geworden, is Anna door haar vader, die zich als marine-officier onmogelijk met de opvoeding van zijn kind belasten kon, aan juffrouw Marnix\' zorgen toevertrouwd. Dertien jaren lang was het lieve meisje de lust en vreugd van haar huis en haar hart geweest, en nu, nadat het bericht was gekomen dat de arme vader verre van zijn kind in de Oost-lndiën het leven verloor, nu was Anna wel is waar nog eenige maanden onder de hoede van juffrouw Marnix gebleven, doch thans ook door haar oom — een zwager van moederszijde — opontboden om haar intrek in zijn woning te nemen, een woning waarheen ze zich heden begeven zal.

Met haastigen tred verlaat juffrouw Marnix het raam; treedt uit haar slaapkamer de lange bovengang op, waar de Engelsche secondante, een beeldachtig schoone figuur, haar met een deftig: „Good morning, ma\'mquot; voorbijgaat; spoedt zich dan naar een deur aan het einde van die gang; tikt er even, en na een zacht: „Entrez!quot; te hebben vernamen, gaat zij Anna Roozes kamertje binnen.

„Ah, c\'est vous ma chère demoiselle!quot; klinkt der komende een vriendelijke stem te gemoet, en Anna die, over een geopenden reiskoffer gebogen, Marnix zag naderen, staat haastig op. legt haar hand in de hand, die haar wordt foegereikt en ontvangt terzelfder tijd een kus, een moederlijken kus.

„Wij willen Hollundsch spreken, nietwaar mijn beste kind... op den dag van Je vertrek?quot; Die laatste woorden uit Marnix\' mond treffen Anna diep.

„Och lieve moeder, ik ben zoo bitter bedroefd dat ik heenga, en u en allen en alles verlaten moet!quot;

„Heb goeden moed Anna. Al zullen wij niet meer samenwonen en dagelijks met elkander zijn, de band der liefde wordt niet verbroken. De vriendinnen en ik, wij zullen je schrijven, en zoo kunnen we dikwijls, heel dikwijls met ie praten en je vanhier alles vertellen, beste kind.quot;

„Ik zal geen morgenzoen meer van u krijgen en uw goeden raad missen,quot; zegt Anna, en slaat de armen om den hals der oudere vriendin, terwijl zij het rijkgelokte hoofd aan den boezem verbergt, waaronder voor haar een moederhart klopt.

2

-ocr page 11-

anna booze.

„Anna hoor eens, nu moet je heden zooals altijd flink zijn....quot; herneemt de dame, terwijl zij zich zelve vermant om te schijnen wat ze van het meisje begeert: ,\'t Is op de wereld niet andfers: komen en gaan; beminnen en scheiden! Zie, menschen, die elkander liefhebben, kunnen niet altijd zij aan zij den levensweg bewandelen; dikwijls wil de Heer dat de een ter linker.... en de.... ander.... ter rechter zal gaan. ..quot; Het was alsof een sombere herinnering een oogenblik het hooge voorhoofd der dame kwam plooien. — „Wees flink Anna. —■ Wanneer je oom het toestaat, zul je hier dikwijls terugkomen. De reis van Gelderland is zoo gemakkelijk met den spoortrein. Kom nu mijn beste, laat het hoofd niet hangen; ik geloof dat de meisjes je zóó niet kennen zouden. Is er nu niets vergeten....? heeft Leen de chemisetjes al boven gebracht? heeft Miechel woord gehouden en de laarsjes bezorgd? Kom liefste, nu gaan we naar beneden en kunnen straks, na \'t ontbijt, nog wat praten. — Hoe! heb je de snuisterijen vergeten, die nog op de commode staan?quot;

„Neen lieve moeder, ze moeten hier blijven. Ik heb er papiertjes aan vastgemaakt, met de namen er op voor wie ze bestemd zijn. Het schildpadden werkdoosje, dat u altijd zoo lief vondt, is voor u. Ja wel, dat weigert u niet al is het weinig. De boekenhanger is voor mijn goede Emma. Och, moeder, ook om harentwille zie ik zoo tegen dat uur van scheiden op. Zij heeft zich zoo vast aan mij gehecht; u zult haar zeker nog meer liefhebben, wanneer ik er met meer zijn zal; haar gevoelig hart heeft er zulk een behoefte aan.quot;

„Anna, ik gevoel meer voor onze Emma dan zij gelooft, maar het is mij telkens alsof ze mijn liefde mistrouwt, alsof ...quot;

, Beste moeder, mag ik voor \'t laatst nog eens onbescheiden zijn.... Maar neen, ik zal het niet! U zult het goed met mijn teergevoelig Van Walletje maken, dat weet ik vast en, zij zal u aanhangen zooals allen doen die u kennen! Ik, ik ken u lieve moeder. O vergeef in dit uur aan uw Anna, al wat ze tegen u te kort kwam aan gehoorzame liefde. Dikwijls heb ik mijn wil gedaan en niet den uwe, dikwijls .quot;

„Ga zoo niet voort beste kind: op mijn moeielijk levenspad, bij smartelijke herinneringen ben jij mijn troost en vreugde geweest. Dit zij genoeg. En wat je wil betreft, mijn kind, o, als je mij goed verstaat, dan mag ik je nu zelfs zeggen dat je me niet zelden juist dan het liefst waart, wanneer ik je, om het doordrijven van dien wil, berispen moest. De vreugd over het eekhoorntje, dat je in het eerste jaar van je hierzijn, tegen mijn herhaald en uitdrukkelijk verbod, in stilte van den armen Klaas hadt gekocht, alleen om het zijn vrijheid te hergeven, de vreugd over dat diertje, vroolijk in zijn vrijheid, en in weerwil van de straf, die ik niet kwijtschelden mocht, vergeet ik nimmer. Was Anna niet de beschermster der verdrukte onschuld....?quot;

„Ja, in mijne oogen verdrukt, beste moeder.quot;

,\'t Zij zoo: de voorspraak voor allen wanneer er gestraft moest worden....?quot;

3

-ocr page 12-

i ANNA BOOZE.

„Het was niet altijd verstandig. Met de jaren wordt men zachtjes- j

aan wijzer; mijn wil was....quot;

„Een zucht naar vrijheid, Anna; maar ook daarom mag de moederlijke vriendin je nog wel in dit afscheidsuur een ernstigen wenk op den levensweg medegeven. Er bestaat maar ééne waarachtige vrijheid Anna; het is de vrijheid in God! Volg voortaan — terwijl je maatschappelijk vrijer zult wezen dan hier, gebonden door de regelen van ons instituut — naar hartelust je goeden wil; maar Anna, vergeet ook nimmer dien wil te toetsen aan den waarachtigen wil van den Drieëenigen God, een wil, geopenbaard in Zijn heilig en onveranderlijk Woord, en voleindigd in het Lam Gods, dat de schuld eener gansche wereld heeft gedragen aan het kruis. Zijn dierbaar bloed, Anna, reinigt van alle zonden, en slechts het geloof »

aan dien zoendood der Liefde geeft toegang tot den hemel van Gods heerlijkheid door Zijne genade.quot;

Zie, nu was het Anna weer eensklaps alsof die dierbare vrouw een geheel ander mensch was geworden. Het was haar alsof ze in de kerk, onder het gehoor van den ouden braven dominee Zegen-mond zat — wanneer ze altijd moeite moest doen om de oogen open te houden, opdat ze den goeden man niet ergeren zou.

Anna gevoelde het wel; Marnix\' laatste woord was een herinnering aan \'t geen zij het „eenige noodigequot; noemde. \'tWas een af-scheidsgebed! Maar ach, zij weet het evenzeer dat haar onvergetelijke vader, de brave luchthart, niet in dat , dierbaar geloof\' was gestorven: en, evenals een Radboud, begeerde zij den hemel niet,

waar haar Engel werd uitgesloten. — Eens toch, bij zijn laatst verblijf in \'t vaderland, heeft hij nog gezegd, dat hij nooit in den bijbel las of in de kerk kwam, omdat je Onzen lieven Heer nergens mooier dan op zee, en vooral in een storm kondt zien.

Ja, ofschoon de goede Marnix vast vertrouwt dat Anna tot de zaligheid verkoren is in den Heer, ze heeft toch wel eens met diepe droefheid bespeurd, dat de omgang met haar vader — den anders „maatschappelijk lieven manquot; — haar met denkbeelden had vervuld, die in strijd waren met de ontferminge Gods in Jezus Christus.

Het kwam Anna nu verstandiger voor op Marnix\' laatste bede niet te antwoorden. Zij drukt haar de hand en zegt:

.Goede moeder!quot; en dan, terwijl ze haar porte-monnaie uit den zak haalt; „Zie, dat zou ik haast vergeten. Miel met zijn zeepen en kramerijen heeft gisteren in de keuken verteld — zooals miss Lewes zeide — dat hij erg ziek is geweest, en in veertien dagen niets heeft verdiend. Hier zijn twee gulden voor hem, lieve. Als ik maar rijk was en niet op reis moest, dan deed ik graag meer. Mag ik ze u geven? denk er aan, morgen komt hij. \'t Is weinig hé?

twee gulden. — Ja, als ik rijk was.... !quot;

Juffrouw Marnix heeft haastig het hoofd naar een andere zij gewend, en schermt met den zakdoek langs de oogen. Eensklaps ziet Anna luisterend op.

„Hoor, daar luidt de morgenschei!quot; zegt ze; „O! wat doet dat

-ocr page 13-

ANNA ROOZB. 5

geluid mij nu zonderling aan. Moederlief kom, voor het laatst wil ik nog eens zingen met allen mee... . kom moeder, kom!quot;

Binnen het ruime schoollokaal in het benedenhuis wordt het oog door een bekoorlijk tafereel getroffen.

Wat een aantal schoone kopjes bevinden zich daar onder de vijf en twintig élèves van juffrouw Marnix.

Lieve Emma, blauwoog van zeventien jaren, met uw lange blonde krullen, wat staart ge met droeven blik naar de dour, terwijl kleine Nelly met haar donkere, heldere kijkers die richting volgt en zachtjes vraagt:

,Notre Anna ne viendrait-elle pas?quot;

Maar Emma antwoordt niet.

„Si, Nelly, sans adieux elle ne partira pas!quot; zegt een vroolijk snaakje met roode koontjes en oogjes vol levenslust; en zachter voegt zij in \'t Hollandsen er bij, terwijl zij een zijdelingschen blik slaat op de Suissess\', die aan de piano eenige muziekbladen uitzoekt: „En ais ze niet komt, dan poets ik \'em stil, ja, al kreeg ik drie verbes tot straf!quot;

„Anna m\'a dit, moi, elle encore un baiser donner a moi aujourd\'hui aussi,quot; brabbelt een eltjarig bleekneusje, o zoo\'n fijn lief blank freuletje. en voegt er bij, terwijl zij van onder haar witten boezelaar een doosje te voorschijn haalt en dat aan een aardig wipneusje laat zien;

„Moi, j\'ai encore promis cela a Anna!quot;

Een rond dikkertje met zwaar kastanjebruin haar — dat in lange vlechten achter op den witten boezelaar neerhangt — slaat een blik op het doosje, dat Maria haar toonde, krijgt een kleur en zegt verlegen:

„Moi je n\'ai rien, moi. Moi je veux aller dans mon petit jardin; j\'ai la belle rose ...quot;

„Mais la pluie!quot;

„Ah je veux demander,quot; en snel loopt zij naar de bleeke Suissess, en vraagt — in een Fransch dat deze a peine verstaat — verlof om uit haar tuintje den bedoelden rozepot te halen, waarop echter een: „Impossible ma chère Julie; il pleut mon enfant,quot; het kind opnieuw een blos naar het dikke bakkesje jaagt.

Daar gaat de deur open.

„Ah e\'est elle! La voila! Anna avec mademoiselle Marnix! Ah!quot; zoo klinken zacht eenige stemmetjes hier en daar, en ook een klein persoontje met een erg scheef rugje en de teere voetjes in bengeltjes geklemd, roept met een schril stemmetje: „Ah, eest Anna!quot; en er komt een blijde trek op het bleek ineengedrongen gezichtje.

Terwijl de institutrice op hartelijken toon den morgengroet der secondanten en élèves beantwoordt, waarbij de laatsten een kleine dienaresse maken, en juffrouw Marnix tevens aan allen, die het willen, verlof geeft om straks de Hollandsche taal te spreken, worden er zóóveel Knikjes met Anna gewisseld, en wordt er zóóveel gefluisterd, dat la Suissesse, die voor de piano had plaats genomen, het noodijj oordeelt om luider dan gewoonlijk te verzoeken:

„Attention mesdemoiselles. Le salut a notre Seigneur, N0. trois!quot;

-ocr page 14-

6 ANNA ROOZE.

En weinige oogenblikken later klonk het loflied, door de piano begeleid, waarlijk rein en treffend uit al die monden:

„Dien tont puissant,

Dieu protecteur,

Nos voix, célèbrent Ta grandeur!

Dieu tout puissant,

Divine Trinité,

Sur terre comme dans vos cieux Soit faite ta volonté. —

Dieu tont puissant Plein de bonté.

Sur terre oorame dans vos cieux Soit faite ta volonté.quot;

En, met deu arm om den hals harer beste Emma geslagen, zong Anna Rooze, haar welluidende stem verheffende, met de schoone oogen naar boven gericht, krachtiger dan ooit te voren de reprise mede:

„Sur terre comme dans vos cieux

Soit faite, 6 Dieu puissant, ta sainte volonté!quot;

Nu de lofzang is geëindigd, en de meisjes een kwartier vrij hebben om haar lessen na te zien, alvorens de schel van negen uren haar naar de ontbijtzaal roept, nu staan Anna en Emma in Marnix kleine voorkamer.

Zij hadden rog zooveel te praten; elkander nog zooveel te zeggen — en eigenlijk zeggen ze nu niets, of zeer weinig althans. Emma\'s lieve blauwe oogen zijn gedurig met tranen gevuld. Anna heeft zich voorgenomen het zachte gevoelige kind door haar voorbeeld tot kalmte te stemmen; zij slaagt maar ten deele.

„Anna, wat moet ik beginnen als ik je niet meer zien zal! Wie

kan ik zóó liefhebben, wie.....? Zonder jou heb ik niemand.....!

Neen Anna, niemand!quot;

„En onze Marnix, en Evangeline, en. .. ?quot;

,0, de eerste acht ik hoog, en Evangeline heeft een gevoelig hart, maar ik kan ze niet liefhebben zooals ik mijn eenige Anna liefheb. O, waarom ga je nu heen? Ach Anna!quot;

„Omdat mijn oom het wil. Ik moet, beste blondje!quot;

„En ik zal ziek worden; ja zeker! Met wie zal ik kunnen spreken? Er is immers maar één in de wereld die mijn geheimen kent. — Anna, zeg, je zult er immers nooit over praten, nietwaar ?quot;

„Zou ik de geheimen van mijn lief blondje verklappen ?quot;

„Och neen, dat weet ik wel, \'t Is ook een geheim dat niemand aangaat, en dat ik mee in het graf neem.quot;

„Foei malle zusje, wat wordt je weer sentimenteel. Kom wees nu eens heel kloek, en hoop maar — evenals ik — dat we elkaar heel spoedig zullen terugzien. Als oom en tante Lijning lieve menschen

-ocr page 15-

ANNA BOOZE.

zijn, kom je de Kerstdagen bij ons logeeren, of misschien kom ik hier-... of.... ja, hoe het gaan zal weten we niet, maar de tijd van weerzien zal er zijn eer we er om denken, en dan zullen we dubbel genieten; kom beste, maak me het afscheid nu niet al te moeielijk, en geloof maar vast dat de goede Marnix je zoo liefheeft als. . ■ ja, haast zooals ik.quot;

„Dat blijkt zeker duidelijk uit haar weigering van mijn verzoek om je mee naar Gouda te brengen.quot;

,Ja, ik geloof dat vast! \'t Zou voor ons beiden niet goed zijn lieve Emma.quot;

„Neen zeker niet goed, omdat ik het zoo innig graag wilde, daarom! Anna. ééne is er maar die mij hartelijk liefheeft en die ééne ben jij!quot; Snikkend valt zij om Anna\'s hals, en het kost der vriendin geen geringe moeite om het blonde kind tot kalmte te stemmen. En -— zij vermag het alleen met de nimmer genoeg herhaalde verzekering, dat zij altijd zal blijven: Emma\'s eerste, trouwe en beste vriendin.

Nog drie uren moeten er na het ontbijt verloopen eer het rijtuig komt, waarmee juffrouw Marnix haar oudste pensionnaire — die zij bij voorkeur haar pleegkind noemt — zal uitgeleide doen. \'t Is niet vreemd dat Anna schier wenschte dat zij in den vroegen morgen had kunnen vertrekken. Zij gelooft haast niet dat zij zich al dien tijd zal kunnen goedliouden.

Voor eenige oogenbiikken is zij haar vriendinnen en kameraadjes ontvlucht.

Zie, de breede trappen, die naar de bovenverdieping leiden, voelen den druk van het voetje niet, zoo snel vliegt ze naar boven. De deuren der meeste slaapkamers staan open; in alle werpt zij een haastigen blik. Jans en Kee spreiden er de bedden voor den nacht die komen zal, en waarin allen hier zullen slapen, allen! behalve zij.

Hier, hier is het vertrek, waarin zij ziek was, ernstig ziek, acht weken lang; toen Marnix geheel haar moeder was en de lieve Emma haar niet verliet. O die uren! die uren van smart, maar ook die uren van dankbaarheid aan God en aan de lieven, die haar omringden toen zij beter werd. Nog één blik door het venster naar buiten! \'t Was lente toen ze herstelde, uu is het herfst.

„Dag vriendelijk kerkje met je spitsen toren; dag huisjes, laag en hoog; geestig molentje van verre, vaarwel! vaarwel!quot;

Op den overloop werpt Anna in het voorbijgaan een blik op de groote waterkannen — groen van buiten en rood van binnen — die daar weer frisch gevuld staan, en treedt dan haar eigen slaapvertrekje binnen: En jij, lief aardig kamertje, zoo denkt ze voort: van avond zie je me niet, dan blijft het hier donker en stil, en zal het wezen alsof ik dood ben. — Snel het hoofd beurende, trekt ze haastig de gordijn van haar ledikant ter zij: — En hier, hoe dikwijls droomde ik hier van mijn Engel in den hemel, van dien besten vader, alsof hij nog bij mij was; en ééns ook van die lieve vroeg gestorven moeder, zóó levendig en klaar, dat haar vriendelijk beeld

7

-ocr page 16-

8 ANNA ROOZE.

er van opleefde voor mijn geest en mijn geheugen niet meer zal ontgaan.

„Och juffrouw Anna, gaat u nu waarlijk heen?quot; zegt Jans de werkmeid op den drempel der kamerdeur.

„Ja Jans! dat zal er nu toe koraen. Kom eens hier. Zie je die platen Jans? De een is De Ruyter en de ander is Tromp. Je kent ze al lang niet waar?quot;

„Ach ja juffrouw, al heel lang.quot;

„Nu Jans, één is er voor jou en één voor Kee. Mettertijd in je huishouden, hoor!quot;

Maar juffrouw Anna! zulke mooie schilderijen! \'t is waarlijk altee — als ik u niet ontrief!quot;

„Och neen Jans, ik heb zooveel van die portretten, en Tromp en De Ruyter zelfs op allerlei manieren. Je weet wel Jans, m\'n lieve

vader was ook----!quot; Doch ze spreekt niet verder; \'t is haar telkens

alsof haar spraak wordt belemmerd; haastig wendt zij zich naar de deur, en terwijl Jans De Ruyter met Tromp vergelijkt, en besluit den eerste te nemen, omdat ie zoo\'n mooie onderkin heeft en omdat ie nog meer parade boven het theeblad met den roodbonten doek zal maken, werpt Anna, aleer zij haar kamertje verlaat, nog een laatsten blik in het rond.

Jans volgt haar op den overloop. Zij moet de juffrouw nog eens hartelijk en met een handdruk bedanken, en ook omdat de juffrouw altijd zoo lief en minzaam is geweest.

Maar nu — nu is het genoeg. Zonder meer om te zien, snelt Anna naar beneden, en — in de gang gekomen aarzelt ze wel, doch weerstaat de verzoeking niet om door gindsche deur nog even naar binnen te gaan.

Dit is de gymnastiekkamer, ook de groote speelkamer genoemd.

O dartele vroolijke jeugd! Zij is voorbij, \'t Is dwaas nietwaar, maar nóg eens, en voor \'t laatst, moet Anna de hand aan den grooten gymnastiek-ring slaan. Doch zij denkt er niet aan dat het dwaas is; reeds heeft ze den ring gegrepen en heft zich krachtig omhoog! En nu vaarwel! die tijd is voorbij!

Zie, nóg werpt ze een blik door het venster op dat kleine plaatsje met de groen geverfde deuren. Op die ééne deur vooral rust een wijle haar oog. \'t Is de deur van het donkere turfhok. Als een sombere dag met een zonneschijntje er tusschen, komt die vreeselijk lange morgen haar weer voor den geest; de morgen toen zij een zeer weerspannige daad met de grootste straf: het turfhok, moest boeten; het uur toen ze daar opgesloten, in den aanvang schier radeloos bonsde en beukte op de deur, en het haar werd alsof ze blind was en in een doodkist lag en stikken zou, zoo aanstonds stikken; toen ze zich moe had geschreeuwd en de hakken stuk had geklotst tegen de deur, en de vuistjes bont en blauw getrommeld, omdat men niet wilde wat zij verlangde: haar de vrijheid hergeven eer de zware straftijd voorbij was; toen ze eindelijk wat kalmer geworden, een kleine opening had gezien tusschen de pannen, met grouter dan een bikkel, waardoor een lichtstraaltje naar binnen

-ocr page 17-

ANNA BOOZE.

al schoot, een scherp glanzend lichtstraaltje, waar ze naar getuurd had

als haar eenigen troost, getuurd totdat een ander lichtpunt, beneden ie in den hoek, baar oog had getrokken. O gij kleine muis, die tel

kens dat lichtgaatje stoppen kwaamt en heen en weer trokt van ie buiten naar binnen, vrij en frank, wat zijt ge toen benijd geworden;

nt arme kleine bewoner van het donkere turfhok! Anna denkt ook aan

u en aan het kleine lichtstraaltje, doch — slechts vluchtig, zeer vluchtig.

je Nu keert ze met langzamen tred tot haar lieven terug.

ae \'t Was drie uren later. De groene vigilante met de impériaal stond al een kwartier voor de huisdeur te wachten. De bruintjes — wien

;n de drukke warme zomer nog in de botten zat — stonden al wach-

re tend te lodderoogen en door te zakken, nu op den rechter- dan

as op den linkerachterpoot, en droomden misschien van een wereld met

ie eeuwig groene weiden en eeuwig gevulde haverbakken, maar, zonder

it modderwegen of koetsiers met zweepen.

at Hannes, de voerniansknecht uit de dorpsherberg, had juist met ik behulp van Adam — juffrouw Marnix\' tuinman — een zwaren koffer in en nog een paar kleinere stukken bagage op den wagen geborgen, en trok er nu een kleed overheen, ofschoon, zooals de tuinman veris zekerde, de lucht zoetjes aan begon op te klaren, en dat, als de wind w zus of zoo liep, en de Heer het verkoos, en er geen spullen of ongemakken bijkwamen, de regen wel zoo\'n stroom nietmeer stroomen zou. It De beste profeten zijn profeten met een slag om den arm; maar si, dan zijn ze toch ook een arm slag van profeten. Hoe \'t zij, en m wat Adam ook wezen mocht, hij was een doodeerlijk braaf en werkzaam man; maar, Adam bezat ook verder al de merkwaardige d. eigenschappen van een tuinman die zijn vak verstaat, namelijk bet r, radbraken der Latijnsche namen van bloemen en planten; het eigen-in wijs zijn op een ervaring van het „heele levenquot;; een onmetelijke st langdradigheid, beginnende met een bemesting in het voorjaar en ig eindigende met een profetie van Maleachi of een woord uit de Openbaring, terwijl een vaste tuinmans-eigenschap eindelijk levendig uitje kwam in zijn vergelijken van bloemen en planten — tot kropsla toe — m bij den mensch, zich meestalluchtende in deze bespiegeling: „Ik zeg i- maar, als ze geen vet in der lijf hebben, en geen water over der ik hart krijgen, dan doen ze net als een mensch die z\'n behooren niet in heeft, en zeggen: ph\'tt!quot;

3t «Wie moet ik naar \'t station brengen?quot; vroeg Hannes, terwijl hij

jr zijn tabaksdoos opende en een „klontjequot; nam.

■e „Ja, wie d\'r meegaan van de dames dat zou ik je voor de vaste

Is waarheid niet durven zeggen,quot; antwoordde Adam; „maar zóóveel

id is zeker, dat je de fleurigste blom uit de geheele trekkast meeneemt,

d, Nef zoolang \'als ik op De Riethof doppers poot, heb ik altijd de

in zon en de lente voor me gezien als ik juffrouw Anna op m\'n weg

e- zag. Dat kleine wijvengoedje. Hannes, kan het \'en mensch sikke-

3t neurig genoeg maken, en als ze in de moezerij kunnen komen, dan

in blijkt het, dat er maar één onderscheid tusschen dat jonge volkje

9

-ocr page 18-

ANNA BOOZE.

«n wespen of oorwurmen is, namelijk dat de juffertjes heel vlug — en de laatsten heel langzaam in het opvreten van perziken en abrikozen zijn. Maar wat ik je zeggen wou, Hannes, zóó\'n wezentje als jij nou wegbrengen zult, dat zien je oogen nooit weerom; \'t is net precies \'en mispel, Hannes, vijf harten voor één. vijf zie je! Toen ik met Sinte-Mathijs een jaar geleden van de zenuwkoorts op den dood lei, kwam dat eigenste lieve vlugge ding — die juffrouw wil ik zeggen;quot; Adam kwam even met de vereelte hand aan den rand van zijn pet: „toen kwam ze, ja iederen dag, in het speeluur bij den ouden Adam en bracht hem wat mee dat verkwikken kon ; «n dan, ja dan kon zo je zoo opmonteren. — Zie je,quot; vervolgde de man, terwijl hij strak naar een der paardenhoeven of wel er naast tuurde: „dan kon ze je zoo — zoo moed geven weet je, en ook tegen de verdoemenis zie je, voor \'t geval dat je bij occazie geen uitverkoren vat waart.... weet je. Ja waarlijk Hannes, als ik vandaag de handen niet vol had met het opbinden van de andijvie, dan zou ik geen dag hebben; zoo\'n sjagrijn zie je. Och Heere, die lieve juffer; net \'en kamperfoelie: wild maar mild! Wat is de mensch!quot;

„Kom Anna-lief, \'t zal onze tijd worden!quot; klinkt de stem der institutrice binnenshuis, terwijl zij Anna op hoed en mantel wijst en zich zelve voor het vertrek, ter uitgeleide, gereedmaakt.

„Ja moeder, ja!quot; is Anna\'s bescheid; en, nadat zij in allerijl den mantel heeft omgedaan, en het ronde hoedje op de donkere lokken gedrukt, snelt zij met een reistaschje in de hand de kleine huiskamer uit, de gang in — en verdwijnt door de achterdeur.

Ja, ondanks den regen — die echter merkelijk minder werd—moet zij nog even in haar tuintje zijn. Ja, haar tuintje heeft ze behouden, al bad zij ook reeds haar achttiende jaar bereikt. En daar staat ze nu.

Zie, nog altijd schuddon de dahlia\'s en de zonnebloemen haar hoofdjes trillend en bevend heen en weer; en de herfstseringen hangen zoo treurig; en de foksia\'s, die schoone kelkjes, zijn voor \'t grootste deel neergevallen op den doorweekten grond; en de asters en reseda\'s liggen droevig, als treurden ze, naar de zij gedrongen waarheen de wind van den herfstnacht ze zweepte. En, aan ieder blaadje biggelt een traan, en — een naamloos wee doorstroomt eensklaps weer den boezem van die bloem der bloemen. Die zodenbank daar, ze heeft ze zelve gemaakt, geheel alleen, nu zes jaar geleden. Met Emma heeft ze daar in de schaduw van den grooten kastanje. The wide wide world gelezen, beurt om beurt hardop, en \'twas wel mooi geweest, maar The Lamplighter hadden ze toch niet zoo langdradig en niet zoo onnatuurlijk braaf, en Uncle Toms cabin nog veel mooier dan al het andere gevonden. Ja, op dat bankje heeft haar hart wel dikwijls luide geklopt voor de rechten van den verdrukten evenmensch. Met Tom en de arme Quadrone heeft ze er bitter geleden, on den vreeselijken Legre heeft ze er —-verafschuwd. Maar ook, Beilings trouw, en Kenau\'s moed hebben er haar boezem met eerbied vervuld en tot navolging ontvonkt. Heer-Inke uren heeft ze er met haar Emma doorgebracht, met de blonde blauwoog, die Anna dan altijd zoo vertrouwend kon aanzien alsof ze

10

-ocr page 19-

ANNA BOOZE.

het gevoelde, dat de sterkere vriendin ook altijd zoo trouw en zoo moedig zou wezen wanneer het mocht noodig zijn.

.Anna Anna!quot; klinkt het van de zijde der woning, en Anna, eensklaps afgetrokken van de beelden, die daar uit vervlogen dagen voorbijstormden, en tot de werkelijkheid teruggebracht, ziet nog eens haar tuintje rond; plukt snel een paar reseda\'s en asters en. .. hoort dan een voetstap naderen, en Adams stem die zegt:

„Ha juffrouw Anna, is uwé daar; de mevrouwquot; — mevrouw, zoo noemde Adam juffrouw Marnix altijd, want d\'r was net zoowel verschil van standazie bij de menschen als bij de bloemen: je hadt enkelde violieren maar je hadt er dubbelde ook — „de mevrouw heit al lang geroepen! en Hannes zeit dat ie te laat aan den spoorweg zal komen. Of uwé een beetje haasten wil, juffrouw?quot;

,Ja Adam, ja. •..!quot;

Zie, daar breekt heel vluchtig een zonnetje door; de groene zodenbank fonkelt een oogenblik in dat licht....! Die bank, neen, die kan ze niet meenemen, maar. \'t zonnetje gaat mee, en de kleur der hoop is overal. Vaarwel! „Ja Adam, kom!quot; En met een handdruk die den oude week maakt tot in het hart, zegt ze weer:

„Brave eerlijke ziel, houd je maar goed en ferm, begrijp je! Daarboven is nog al ruimte, versta je!quot;

„Ja wel.... ja wel juffrouw Anna,quot; zegt de oude tuinman, die de grootste moeite heeft om het snel voorttredende meisje ter zij te blijven: „Maar daarvan is het niet dat ik nog wat meer als anders boven de maagstreek voel. Dat je weggaat, zie je dat is het en.... en . .. \'en mensch is krek als \'en bloem: als ,i\'em verplant in een grond waar ie geen tier heit, dan verflenst ie en zeit ie g\'e-nacht saam!quot;

„Maar de mensch, goede Adam, kan. als ie wil, weer naar den grond terugkruipen waar ie vandaan kwam, terwijl de bloem... .\'quot;

„Oh miss Anna, be so kind to come hastily, we are already waiting a long time!quot; spreekt langzaam wuivend met een bruin leeren handschoen miss Lewes, de statig schoone slanke figuur, die mede zal rijden „for business in townquot;, en blijft, terwijl het meisje haar voorbijgaat, zóó rustig deftig en kalm op den drempel der tuindeur staan, alsof er van geen lang wachten en zich haasten was sprake geweest.

„Een engel mis,quot; zegt Adam tot de Albionsche, terwijl hij Anna met den vinger nawijst.

„Neen tuinmaan, zij niet English she Dutch....quot; zegt miss Lewes.

Miss Lewes was op juffrouw Marnix\' instituut voor niets anders dan voor het Engelsen! Only for the English language.

In de breede gang, maar vooral bij de voordeur verdringt zich een bonte groep. \'tWas wel te voorzien dat het afscheid tranen zou kosten. — Of net schreien aanstekelijk is! althans zie maar, allen, allen schreien, \'t Zij met biggelende tranen, \'tzij met een vochtig oog, of met een bleek onthutst gelaat en kloppend hartje; ja zelfs schreien is de toon, waarop het kleine vierjarige Jaquelientje in kinderlijken eenvoud met mbberend stemmetje, aan het bengeltje vraagt: „Of het Anna zal zeer doen uit rijen te gaan?quot;

En Anna staat daar nog te midden van haar lieve jonge school-

II

-ocr page 20-

12 ANNA KOOZE.

kameraadjes en oudere vriendinnen, die haar met liefkozingen overladen. \'t Is Emma, de zachte blauwoog, vooral, die haar bitter schreiend ter zijde staat en snikkend vermaant;

„Spoedig schrijven, mijn trouwste Anna! en mij blijven liefhebben!\' En dan tot de Nelly\'s en Louises en Marie\'s, die allen nog een zoen willen van de lieve Anna: „Och! kinderen stil!quot; om eindelijk — o, bevallig egoïstje — die anderen zachtjes afwerende, zelve de dierbare weder aan het vriendinnenhart te drukken, en uit Anna\'s mond de telkens herhaalde verzekering van haar onveranderlijke trouwe vriendschap te hooren.

Daar klinkt nóg eens de zacht vermanende stem van juffrouw Marnix, die gereed staat in de vigilante te stappen:

„Kom lieve kinderen, laat Anna nu gaan; \'t wordt tijd dat we vertrekken.quot;

„Ja hoog tijd as z\'em halen zullen,quot; bromt de koetsier zeer luide, terwijl hij bij \'t bondige z\'em, aan de bonkerigheid van zijn paarden en aan de onverstoorbare vlugheid van den spoorwagen denkt.

„Ik wou dat z\'em niet haalden! dat Anna te laat en dat ze terugkwam!quot; roepen er eenigen uit de gang. Maar, mademoiselle Evangeline Bonvalet — de Zwitsersche — zichtbaar zelve aangedaan, dwingt Emma zachtjes Anna los te laten; slaat den linkerarm om den blanken hals der nu sterker schreiende Emma; zegt: „Ma douce, sois calme!quot; en dan aan Anna haar rechterhand toestekende, spreekt ook zij nog eens: „Adieu chère Anna!quot; bij welk adieu, voor de arme Zwitsersche weer sterker de herinnering trilt van haar laatst vaarwel, het adieu, dat zij gaf bij het verlaten van haar maagschap en vrienden, van haar bergen en dalen.

En — nog een laatste stormloop der liefde heeft er plaats. Anna houdt zich goed, heel goed. Zoenen geeft ze en handen; maar ze schreit niet. Tot het arme kind in de bengeltjes buigt ze zich neer, en kust het op de fletse lipjes, waarbij ze luid de woorden voegt:

„Allen, die van Anna houden, zullen ook Elsje liefhebben.quot; Dan heft ze klein Jaqueüentje in de hoogte en zegt:

„Zoet suikertje, als Anna weerkomt---- dan....quot; Maar meer,

meer kan ze niet; een zoen drukt ze op het mollige koontje; nu zet zij haar neer; weert Emma af, die haar hand nog vatten wil; snelt naar buiten; wipt de vigilante in, en — de koetsier werpt het portier zóó haastig achter haar dicht dat haar voetje de drukking er van gevoelde, gelukkig zonder dat het haar zeer doet.

Maar de koetsier moet nog geduld hebben. Miss Lewes is in alle deftigheid nog even naar boven geweest, omdat zij haar pocket-bible en haar pocket-book, het eerste op de waschtafel en het tweede in haar chest had laten liggen. Hannes verwenscht in stilte dat „wij-vengetalm.quot;

Daar komt miss Lewes deftig en sluik — want een crinoline draagt ze niet — de gang uitstappen.

„Oh, my umbrella,quot; zegt ze, even naar de lucht ziende als tot zich zelve, maar als zij zich omwenden en nog eens in alle bedaardheid de reis naar boven aanvaarden wil, maakt juffrouw Marnix

IIIIIMIHIHI nu ...........

-ocr page 21-

ANNA ROOZE.

een einde aan Hannes ongeduld en aan de agitatie der wuivende en vaarwel roepende meisjes; verzoekt missLewes op beslissenden toon te willen instappen, waaraan door de slanke dan ook zonder tegenspraak wordt voldaan.

Het rijtuig komt in beweging: een laatst vaarwel klinkt nog daarbuiten; en Anna, uitbarstende in tranen, kan nu haar overspannen gemoed lucht geven aan de borst der trouwe verzorgster, die haar liefkoost en streelt, doch tevens op ernstige wijze nogmaals tot kalmte vermaant.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Amechtig staan de paarden voor het stationsgebouw te hijgen en te dampen. In een uur tijds hebben ze de rit gemaakt en kwamen dan ook een half uur te vroeg. De paarden hijgen. Hannes lacht, hij zal er de fooi voor hebben.

Miss Lewes, die eerst in haar pocket-bible gelezen en vervolgens, in weerwil van het rijtuigstooten en Anna\'s aandoening, met bewonderenswaardig geduld „notes in her pocket-book\'\' heeft gemaakt, is te Gouda, nog voordat men het station bereikte, met eon „Good byequot; tot miss Anna, en een „Good morningquot; tot juffrouw Marnix bij een winkel uitgestapt, om „books and some other things for the pupilsquot; te koopen. Miss Lewes was „bepaald voor het Engelschquot;.

De institutnce is met haar éleve de wachtkamer der eerste en tweede klasse binnengegaan. Een stationsbediende treed de eerste ter zij en vraagt: of de dames dit ook vergeten hebben ? terwijl hij haar een „pocket-biblequot; en een „pocket-bookquot; overhandigt, en de woorden er bijvoegt:

„Verekskuseer mevrouw, de koetsier vond ze op den bodem van den viegelant. — In orde? — Akkoord!quot;

Juffrouw Marnix heeft de voorwerpen, terwijl ze even hoofdschuddend glimlacht, in den zak geborgen: Anna ziet strak naar den vloer. Ze houdt den fraaien herfstruiker in de hand, dien de goede Adam vooraf in het rijtuig had gelegd; de brave tuinman heeft er een mooi uitgeknipt papier omheen gedaan, waarop hij zelf heeft geschreven:

„Aan jufvrou Anna Rooze. Deateronomium V. 33: „In al den weg dien de Heere uw God u gebiedt, zult gij gaan, opdat gij levet ende dat het u welga.quot; Adam, tuinbaas op De Riethof. 31 Oct. 1859.quot;\' — Die oude goede Adam, wat heeft hij een droppel vol verkwikking uit die rijke bron geput! Dank je Adam, ouwe trouwe, denkt Anna terwijl ze die woorden nog eens herleest, en dan, eensklaps

13

-ocr page 22-

14 ANNA ROOZE.

opschrikkende uit een zee van gedachten, ziet zij een vrij gezet heer met onbegrijpelijk korte beentjes en een eenigszins glimmend roodachtig ofschoon toch zeer fatsoenlijk gelaat, voor zich staan buigen. Juffrouw Marnix maakt een kleine dienaresse en zegt:

,Lieve Anna: mijnheer Romslikker, die de goedheid zal hebben, je op reis in zijn vriendelijke bescherming te nemen.quot;

„O, hihihi!quot; lacht de heer Romslikker: „U is wel goed, juffrouw Marnix. Met alle plezier. O ja, met alle plezier.quot; Vragend: .Juffrouw Kooze nietwaar!quot;

„Anna Booze mijnheer,quot; zegt het meisje en richt de lange wimpers naar den grond.

,0 ja, ja juist. Mijn neef de burgemeester, die mij met zijn rijtuig hierheen liet brengen, zei, meen ik, Kooze; maar .luist ... juist, in uw briefje, juffrouw Marnix, stond ook Rooze; juist! Zullen de dames niets gebruiken? Zeker hebben de dames al vroeg ge-déjeuneerd. Ja! Zeker in de haast! dat gaat zoo Een broodje met vleesch....? een

„O dank u recht vriendelijk,quot; zegt juffrouw Marnix, en dan tot Anna: „Maar jij lieve, een kop koffie? Voor \'t overige is je taschje goed voorzien, vergeet dat niet beste kind Iquot;

Op gevaar af zeer onbeleefd te worden, zegt Anna snel tot den heer, die haar reisgenoot zal wezen:

„Dank u,quot; en dan dicht aan het oor der vriendin, terwijl ze haar krampachtig vast in den arm vat:

„Neen, lief edel trouw mensch! niets, niets zal ik vergeten.. .. niets! Maar moeder....quot; een dolk ging haar door de borst, toen zij bedacht dat ze dien naam daar uitsprak wellicht voor het allerlaatst. Neen nog eens; „lieve moeder, ik wil niet toonen voor al die meuschen wat ik gevoel. Ziet n dien fat wel heen en weer stappen ons telkens voorbij? Hij mag onze tranen niet zien om er mee te kunnen spotten. Wij weten \'t wel samen, en mijn dank vindt u op den bodem van uw eigen hart. Ik wilde liever dat u weggingt, beste; de afleiding rondom mij maakt mij sterk. Als ik uw lief en goed gezicht zie.... dan. ..quot; Er kwam iets zeer trillends in de stem ... „dan ...quot; Ha! daar gaan de deuren open. — „Vaarwel

lieve moeder, ga nu, ga----!quot;

Maar, of zij sterk is of niet, daar ligt zij nokkend en zachtkens snikkend om den hals der diepbewogen vriendin, en. .. na een schijnbaren stilstand van gedachten, ziet zij na eenige seconden, in een duizelig verward gesoes en gedraai.... den glimmerigen heer Romslikker zeer dicht naast zich; en, de gebloemde sjaal van juffrouw Marnix zeer van verre. En — wagentjes ziet ze met koffers er op; en wolken stoom; en menschen, alles dooreen; en een stem hoort ze: „Eerste — nietwaar?quot; waarop zij zich een hand ziet reiken en een zacht drukje in de lenden voelt, om ten slotte, geheel uit die vreemde duizeling ontwakende, te beseffen, dat zij — tegenover den heer met de korte beentjes in een waggon der eerste klasse gezeten — zich toch alleen bevindt, geheel alleen.

Met den blik naar buiten heeft Anna niet aanstonds bespeurd dat

-ocr page 23-

ANNA ROOZE.

de tweede plaats der coupé, schuin tegenover haar, is ingenomen door «den ratquot;, die haar bij \'t instappen de net geganteerde hand heeft toegereikt, door den jonkman, die zich van zijne zijde in \'t geheel niet alleen gevoelt, nu hij daar een vis-a-vis heeft, zoo allerbekoorlijkst, zoo indrukwekkend schoon!!

De heer met de korte beentjes, die al een poosje een soort van zenuwachtig glimlachen heeft vertoond, steeds op het punt om met zijn schoone beschermelinge een gesprek aan te knoopen, van welk gesprek hij echter het begin niet g:oed vinden kan en den inhoud evenmin, de heer Romslikker zegt eindelijk met een zekere verrukking: „Mooi weertje,quot; waarop het echter stil blijft in de coupé, en hij na een snel: „Van morgen niet gedacht!quot; zijn toevlucht neemt tot een hagelwitten zakdoek, en achter de blanke doekplooien een neus-obligaat doet hooren, volgens de stille bespiegeling van zijn jongen buurman „zeer onharmonisch en totaal ongemotiveerd.quot;

Mijnheer Romslikker heeft zich hersteld en — de hemel zij dank, daar ziet hij. . ..

Het portierglas gaat naar beneden . -. „Heila vrouwtje, hier!... . hel! Nietwaar, een druifje juffrouw Kooze? Zoo\'n druifje dat is verkwikkend.quot;

„Ik dank u vriendelijk mijnheer,quot; zegt Anna, hem even aanziende.

„Kom kom, allemaal gekheid!quot; Met de hand buiten het portier op een tros blauwe druiven wijzende:

.Hoeveel kosten die, moedertje?quot;

„Die tros? \'en kwartje meneer.quot;

„Welzoo \'en kwartje .. . hé? En deze d\'r bij?quot;

„Acht stuivers met z\'n beie; en as je dat kleintje d\'r bij neemt, in Gos-naam voor tien.quot;

De drie trossen weiden op een stuk misdruk naar boven en binnen de coupé gebaald, om op de ronde knieën der korte beentjes te rusten. Een rijksdaalder ging uit de welgevulde porte-monnaie in de bruine hand der fruitventster over, die zich omwendde en zeer kalm aan een voorbijloopend conducteur vroeg:

„Ken je me reis \'en riksdaelder klein maeke?quot; waarop geen antwoord gegeven werd.

.Hier!quot; riep de heer Romslikker, terwijl hij weer in zijn porte-monnaie tastte; maar de fruitverkoopster was al in onderhandeling met een stationsbediende, die met het klepeltouw in handen, juist gereed stond om het kloksignaal tot het vertrek van den trein te geven, en haar naar binnen verwees, naar de „juffrouw van \'t befet of \'t kaartjesberoo, omdat hij zelf niks anders als rijksdaalders op zak had — hum!quot;

„Hier!quot; schreeuwde nog eens de heer Romslikker, terwijl hij zijn halve bovenlijf bniten het portier stak, doch, de klepel klonk tegen het metaal; twee conducteursfluitjes werden door een knjschende locomotieffluit vervangen, en de conducteur, die ter controleering der kaartjes verscheen, verzocht den glimmend roeden heer zeer beleefd om „siel voe pia geen ongeluk te krijgen en het bovenlijf naai binnen te halen omdat de trein in beweging was.quot;

la.

-ocr page 24-

ANNA BOOZE.

De scène, die had plaats gehad, was een heilzame afleiding voor Anna geweest. Ze kreeg waarlijk een soort van medelijdende achting voor den man, die haar — zij het ook door iets anders dan woorden — aangenaam wilde zijn, den man die zelfs nu, na een bedrei-

fenden uitval van den conducteur tegen dat schelmsche wijf — die ij zeide heel best te kennen, — nog dringend verzocht om de zaak maar hlauwblauw te laten, want dat het toch niet bewezen was dat die vrouw met voordacht zoo getalmd had, en zeker ook niet uit weelde fruit verkocht, en — en •— of de conducteur een sigaar wilde: echte Havana\'s, die zijn zwager zelf uit „de Oostquot; had meegebracht.enden uitval van den conducteur tegen dat schelmsche wijf — die ij zeide heel best te kennen, — nog dringend verzocht om de zaak maar hlauwblauw te laten, want dat het toch niet bewezen was dat die vrouw met voordacht zoo getalmd had, en zeker ook niet uit weelde fruit verkocht, en — en •— of de conducteur een sigaar wilde: echte Havana\'s, die zijn zwager zelf uit „de Oostquot; had meegebracht.

\'t Was op het oogenblik dat mijnheer Romslikker deze verrassende bijzonderheid bij zijn sigaar voegde, en de conducteur met een „mersie!quot; en twee vingers aan de gegalonneerde pet verdween, dat vier oogen elkaar als toevallig voor \'t eerst ontmoetten. Anna had, naar buiten ziende, den jonkman niet eerder bespeurd. Snel echter sloeg zij de oogen neer, en een onverklaarbaar treurig gevoel maakte zich van haar meester. Zij was zoo bedroefd, zoo innig in de ziel bedroefd, en toch----zij kon den glimlach niet bedwingen, die haar om de lippen speelde nu de heer Romslikker met een ,0 jéquot; — alsof Polen totaal verloren was, de korte beentjes enorm spatieerde en naar de druiven zag die als marmelade op den vloer lagen.

\'t Was jammer, heel jammer; toen hij straks met dat geldwisselen is opgestaan, toen moet het papier hem van de knieën zijn gegleden, en hebben zijn dubbel gezoolde laarzen ongetwijfeld die vree-selijke verwoesting aangericht. De heer Romslikker is zichtbaar uit het veld geslagen, en Anna, die zich spoedig bedwong, omdat ze waarlijk met den gulhartigen man te doen heeft, stelt hem gerust met de verzekering dat het wel zeer jammer is, maar dat zij zijn beleefdheid niet te minder waardeert, en het verlies der druiven haar alleen maar leed doet, omdat de heer Romslikker er nu zelf van beroofd is.

,0 neen! in \'t geheel niet juffrouw Kooze! Integendeel!quot; zegt de kleine man. „Maar ik moet duizend excusen maken, want die vuile boel voor uwe voeten! — Mij dunkt als u daar... quot; en hij wijst naar de andere helft der coupé, waarvan de vier plaatsen ledig zijn.

De verschikking had plaats. De met parelgrijs-glacé geganteerde hand was zeer behulpzaam met het aangeven van reistaschje, para-pluie en parasol, en geraakte daarmee zoo in actie, dat ook h ij van plaats veranderde en nu juist tegenover dat prachtige meisje bij het raampje aan de andere zij te zitten kwam.

Nadat mijnheer Romslikker nóg eens, als galant-cavalier, het woord tot zijn beschermelinge heeft gericht, met de natuurkundige opmerking dat de juffrouw het trof, want dat het zonnetje doorbrak; en daarna met de vraag of zij ook familie van de Koozes was, die in den Bosch woonden, waarop Anna nog eens haar naam noemde, \'tgeen den heer Romslikker met een „ah juist, ja juistquot; tot de verzekering bracht, dat niets onaangenamer was dan dat men iemands naam verkeerd noemde of schreef — waarvan hij ook zoo\'n last

16

-ocr page 25-

ANNA KOOZE. 17

had „weet u, nu eens Bomslikker en dan weer Bommikker, ja van alles!quot; — na die belangrijke mededeeling bespeurende dat zijn jonge reisgenoote wat afgetrokken was, en misschien slaap had, wilde hij haar de vrijheid geven, en dook met zijn hoofd in het grijze laken, en sloot de oogen, terwijl de duimen van zijn gevouwen handen gingen krijgertje spelen. Juiat toen de duimen hun wanhopigen wedloop hadden gestaakt, en de mond van hun eigenaar iets snoek-achtigs vertoonde, schrikte Anna eensklaps uit haar overpeinzingen op, door de vraag van haar jongsten reisgenoot: Of hij, wanneer het niet indiscreet was, mocht vragen of de dame, die haar in de wachtkamer vergezelde, mademoiselle Marnix de institutrice van Akkersveen was?

„Ja.... ja zeker! Kent u julfrouw Marnix, mijnheer?quot; zegt Anna en ziet den jonkman met haar bezielde donkere kijkers zoo belangstellend en zonder eenige terughouding aan, dat hij — ofschoon uit den aard niet verlegen — toch al zijn vrijmoedigheid moet bijeenrapen om, zonder eenige verrassing of agitatie te doen blijken, te antwoorden:

.Pardon, of ten minste zeer weinig; maar ik herinner mij mademoiselle Marnix, misschien dertien, veertien jaar geleden, bij een tante in Den Haag als gouvernante te hebben ontmoet. Tante hield veel van haar.quot;

Anna\'s oogen tintelden van verrukking:

„Dat was bij mevrouw de barones Van Riddervoorst! O zij spreekt nog zoo dikwijls van die lieve vrouw, en van de kleine Kuno, die zoo vroeg moet gestorven zijn. Zoo — en hebt u mijn lieve juffrouw Marnix daar ontmoet\'? en vondt u haar niet een engelachtig mensch; dat goedige oog! nietwaar?quot;

„Ja, wel zeker,quot; klinkt het. antwoord van den reisgenoot, die met zóó iets engelachtigs voor zich, aan de heele wereld het engelschap toestaat, wanneer dat mondje het eischt: „Maar,quot; zegt hij een oogenblik later: „ik was nog zeer jong, negen jaar ongeveer, en lette natuurlijk minder op de groote menschen dan op de beide lieve meisjes, waar ik den ganschen dag mee stoeide.quot;

„Dan — dan is u neef Oscar!quot;

„Neef Oscar----? mag ik vragen?quot;

„Ja zoo noemt u Emma, zeker in navolging van uw nichtjes,quot; herneemt Anna met een vluchtigen blos: „Jonker Oscar van Bree-land niet waar?quot; En als jonker Oscar toestemmend heeft gebogen dan vervolgt Anna:

„U kent immers Emma wel, Emma Van Wall? want zij heeft mij

honderdmaal van u____quot; Maar eensklaps houdt ze zich stil. Heeft

zij niet aan Emma beloofd haar geheim te zullen bewaren, en zou ze dan aan dien jonker zelf mogen zeggen dat zij niet zelden van hem als van een blijde herinnering uit haar eerste jeugd had gesproken; van den tijd toen ze bij haar lieve en vroeg gestorven vriendinnetje Kuno, in Den Haag logeerde, en er meermalen met het vroolijke jonkertje gespeeld had en dan steeds zijn bevoorrechte geweest was!

v. a

-ocr page 26-

18 ANNA EOOZE.

„Och, waarlijk, heeft zij? Ja, ik herinner mij dat aardige popje nog zoogoed. Och kom, is dat blauwoogje uw vriendin?quot;

,Wel zeker, de intiemste van de heele school.quot;

„Ah! dus is n élève van La Marnix — La Marnix ziet u, zoo werd zij bij tante genoemd. O!quot; vervolgt de jonker terwijl hij met aandacht den ruiker beziet, dien Anna steeds m de hand hield; ,nu kan ik mij een weinig den schoonen herfstbouquet met al die vei geet-mij-nietjes verklaren, en — neem mij niet kwalijk — ook de aandoening bij uw afscheid van La Marnix in de stationskamer. — Waarschijnlijk hebt u het instituut verlaten.... en. ...quot;

Anna drukt de lippen opeen; ziet naar buiten, en knikt met het hoofd.

„Men zegt wel dat zelfs de vogel, dien men de vrijheid hergeeft, nog eens naar het kooitje omziet, dat hem wreedaardig gekerkerd hield, en daarom juffrouw Rooze, is het geen wonder dat ook ü het verlaten van het instituut....quot;

„Maar de kostschool van juffrouw Marnix is geen gevangenis mijnheer!quot; zegt Anna, terwijl zij den jonker flink in de oogen ziet.

— Te drommel, dat is vorstelijk! denkt Oscar; en terwijl zijn gelaat als \'t ware Anna\'s uitdrukking weerkaatst, ziet Anna „den fatquot; niet meer, maar een voorhoofd, dat breeder en hooger schijnt te worden, en een paar donkerblauwe kijkers, die schitteren van een edelaardig vuur.

— Da\'s nobel! denkt Anna.

— „Vergeef mij indien mijn woord u onaangenaam trof,quot; zegt Oscar schier terzelfder tijd: „Ziet u, wij hebben dat zoo bij gerucht. Er zal ook onderscheid wezen. Een freuletje Boekst\'ein, waar ik onlangs mee dineerde, vertelde mij o. a. heel veel liefs van het instituut, dat zij pas verlaten had. Was het onderwijs er tamelijk, het eten was allernaarst, en het drinken — ja zelfs in den zomer — letterlijk geen drinken geweest; op het laatste punt vooral was men er op kleiner rantsoen dan ons vogeltje in de kooi.quot;

De heer Romslikker opende bij dit laatste chapitre — zeker instinctmatig — de eenigszins beloopen oogen; kwam even tot het bewustzijn van zijn verplichting als galant-cavalier; zag naar de druivenmannelade; genoot vervolgens het schijnbaar voorbijscheren van eenige telegraafpalen, en zeide, met een gansch anderen voerbak voor oogen dan dien van het vogeltje in de kooi:

„We zullen haast Utrecht hebben. — \'t Gaat er fameus door; —

ja---- ja.... \'t Is se \'t is se. \'t Weertje is toch opgeschoond. Ja,

wel gedacht! een zonnetje! hihihi. ..quot; En — de duimen gingen weer krijgertje spelen, en de oogleden begonnen weer te knipper-dollen, en mijnheer Romslikker kreeg ook allengs weer een snoeke-mond, en zijn hoofd de vasto beweging van een gehoorzaam raadslid ten plattenlande.

Anna was door Oscars woorden in de gelegenheid gebracht om haar hart lucht te geven, \'t geen haar in deze oogenblikken zoo weldadig was. Met een vuur, dat den jonker verrukte, schilderde zij hem haar vriendelijk Riethof met al het goede, dat er geleerd en

-ocr page 27-

ANNA KOOZE. 19

genoten werd; De Riethof met zijn dierbaar hoofd, en zijn lieve voor \'t grootste deel zoo beminnelijke leden.

Twaalf jaren lang was haar juffrouw Marnix een moeder geweest, een goede en trouwe moeder! Heden had zij haar verlaten, haar en allen aan wie zij zich zoo innig gehecht gevoelde — Emma,

vooral Emma..... die.... Maar verder spreken kon en wilde ze

niet. Eensklaps wendt zij den blik weer naar buiten, en ziet de witte stoomwolken, die verdwijnen in de bosschages der hofsteden en schijnen terug te dwarrelen naar het oord dat zij verlaat, en waar ze nu slechts, door het floers dat haar oog benevelt, Erama\'s lieve kopje aanschouwt, haar blauwe oogen en haar blonde lokken.

„Ze was zoo zacht en goedaardig, de kleine Emma,quot; zegt Oscar Van Breeland: „ik kan mij begrijpen dat u haar lief hebt gekregen juffrouw Rooze.quot;

Anna hoort het wel maar antwoordt niet.

,leder die haar zag gevoelde zich tot haar getrokken,quot; herneemt de jonker: „de kleine wees met haar lief stemmetje dwong bescherming af, en ...quot;

Anna ziet den jonker bij deze woorden plotseling aan, en in haar donkere nu betraande oogen blikt een goedkeurend : ja!

„En \'t was geen wonder,quot; vervolgt Oscar, „dat haar goede te vroeg gestorven pleegouders van haar hielden alsof ze hun eigen kind was.quot;

„Haar pleegouders? Wat zegt u?quot; valt Anna in en op ge-dempten en bijna fluisterenden toon herneemt zij: „Haar pleegouders? Is Emma dan niet de wees van hen, die zij nog altijd als haar eigen lieve ouders beweent; de dochter van een mijnheer Willem Van Wall, den oudsten broeder van haar tegenwoordigen voogd mijnheer Alexander Van Wall?quot;

„Voor zoover mij bekend is hadden mijnheer en Mevrouw Willem Van Wall te Rotterdam geen kinderen, juffrouw Rooze,quot; zegt de jonker, niet zonder eenige aarzeling, dewijl hij bespeurt hoe Anna die mededeeling treft: „maar was Emma het kind van vroeg gestorven bloedverwanten, \'t welk ze als het hunne tot zich namen, en, na hun dood, aan de zorg van hun jongeren broeder Alexander achterlieten. Dit was indertijd te Rotterdam of althans in Den Haag bij tante Van Riddervoorst geen geheim, en ik dacht dat Emma\'s vertrouwde vriendin....quot;

„Neen, ik wist dat niet!quot; zegt Anna haastig: „En zij----zij weet

het ook niet.... of----quot;

„Of door de innigheid harer liefde voor die trouwe pleegouders, vergat zij haar eigen ouders, die haar geen liefde konden bewijzen, en die zij dus zeker niet gekend heeft. Zoo moet het zijn juffrouw Rooze; Emma is er zeker niet onkundig van. En al trof u ook het vernemen van een zaak. die ik meende dat algemeen bekend was, ik vrees niet dat uw liefde voor mijn kleine Emma er door verminderen zal. Neen \'t zal geen achterhoudendheid van het lieve blondje zijn geweest, en nietwaar, uw liefde kan eer verdubbelen, nu u weet dat zij — tweemalen wees werd.quot;

-ocr page 28-

20 anna booze.

,Tweemaal wees!quot; zucht Anna, en slaat de pogen naar den jongeling op, die zoo gevoelig over zijn Emma, het lieve blondje, spreekt.

„En als u haar eens schrijft, of spreekt juffrouw Rooze, zeg haar dan dat u toevallig met haar ouden speelmakker hebt kennis gemaakt, en dat hij waarlijk recht gelukkig zou wezen, indien bij haar na zooveel jaren nog eens terugzag. — Wilt u dat doen?quot;

„Wel zeker!quot; zegt Anna, en als ze het gezegd heeft, dan schrikt ze; ze weet niet waarvan, van de locomotieffiuit of van een kleinen

schok---- of.... omdat ze den jonker onwillekeurig zoolang in de

oogen zag — ja zelfs nadat hij ophield met spreken. Ze weet het niet, maar ze schrikte! en hij, hij ziet naar buiten en maakt de opmerking, dat men het Utrechtsche station is genaderd, terwijl hij op recht hoffelijke doch tevens natuurlijke wijze er bijvoegt, dat het hem zeer leed doet niet langer van juffrouw Roozes bijzonder aangenaam gezelschap te kunnen profiteeren.

Bij de laatste woorden, beziet Oscar onbestemd de toppen van zijn handschoenen, en perst met de rechterhand het glacé der linker in gedachten en doelloos zoo krachtig over den pols, dat het knoopje losspringt en — op den grond valt.

Even ziet hij naar den vloer, maar dan — want hij denkt aan geheel iets anders — dan zegt hij nóg eens: „U zult de complimenten aan mijn kleine Emma niet vergeten, juffrouw Rooze?quot; en de trein houdt stil.

Mijnheer Romslikker, die gedurende het laatste gesprek van tijd tot tijd de oogen heeft geopend, en nu en dan al soezend een woord had opgevangen, ziet bij het stilstaan van den trein eenigszins verwezen in \'t rond, en verzekert dat hij waarlijk gelooft „in den dommel te zijn geweestquot;. — Juffrouw Kooze moest niet kwalijk nemen, \'t was gisteravond bij neef den burgemeester laat geworden; een keurig soupeetje; overheerlijk!

„M\'n kaartje?.... wacht.....o hé....! wat blief?quot; Meteen hoofd

zoo rood als een kroot, is mijnheer Romslikker in volle actie; hij staat op de korte beentjes, nu eens met het lichaam naar de rechter en dan weer naar de linkerzijde overhellende, naar gelang de rechter of linkerhand in de jas- vest en broekzakken inspectie houdt.

„Waar is de reis naar toe mijnheer?quot; vraagt de spoorwegbeambte.

„Ikke----? naar Arnhem!quot; zucht Romslikker, die ten derdenmale

de jaszak-inspectie begint, terwijl zijn oogen nu angstig in \'t ronde staren, alsof een staatsbankroet nu onvermijdelijk is.

„O, als mijnheer \'et dan te Arem maar dispeniebel houdt,quot; zegt de beambte en sluit opnieuw den wagen, die echter weer spoedig zal geopend worden.

Weinige minuten later zit Anna alleen in de coupé. Ginds onder het bord met den handwijzer waarop het IV* uitgang te lezen staat, verdwijnt de menigte; maar den jonker met zijn kleine reis-tasch in de hand, ziet zij nog toeven. — Hij blijft staan. Alsof hij iets vergeten heeft, keert hij terug, \'t Is een schoone rijzige figuur die jonker! hij ziet naar de wagens van den stilstaanden trein; vestigt zijn oog half dichtgenepen op een der portieren, waarachter

-ocr page 29-

ANNA BOOZE. 21

echter niemand gezeten is; loopt — alsof hij iemand op het plate-forni denkt te ontmoeten, langs den trein terug, en.... Anna beantwoordt met een gracieus knikje den zeer beleefden groet des jonkers, die — zekerlijk zoekende naar een ander (¥) — haar toevallig nog eens voor het portierraampje heeft gezien. De jonker schijnt zijn persoon echter met te vinden. — Nu is hij verdwenen.

Terwijl Anna bij zich zelve de opmerking maakt, dat men zich zeer kan vergissen indien men ieder elegant jongmensch met nette handschoenen, voor een fat zou willen houden, vestigt zij haar aandacht al spoedig op een persoon, dien zij meent meer gezien te hebben. \'t Is een sterk gebouwd jonkman van omstreeks vijf en twintig jaren. Op zijn donkerbruin naar draagt hij een grijzen flambard, en ofschoon zijn bakkebaard en knevel een weinig ros zijn van kleur, terwijl bovendien zijn neus wat al te Romeinsch en zijn mond wel wat groot is, te ontkennen valt het niet, dat bij — althans op eenigen afstand, — een niet ongunstigen indruk maakt. Anna bezint zich, en, nu hij zich juist geheel naar deze zijde wendt, nu gelooft zij dat de Akkersveensche kerk haar aandeel in deze herinnering heeft. Ja \'t moet een bloedverwant, een neef van den Akkersveenschen burgemeester Straal wezen; dat heeft juffrouw Marnix gezegd, die hem eens bij den burgemeester ontmoette; en, hier te Utrecht moet hij wonen, en zijn naam is Van Leeuw. Ja, nu is Anna er zeker van; de meisjes, die hem naast burgemeester in de kerk hadden gezien, doopten hem „den havikquot;. Meisjes zijn ondeugend, en zitten ook niet altijd even aandachtig te luisteren in de kerk. Ja \'t is „de havikquot;, en ofschoon Anna hem nu, wanneer ze in [t gezelschap der vriendinnen geweest ware, en in een andere stemming verkeerd had, misschien een „flambard-havikquot; zou genoemd hebben, nü is er voor haar iets weldadigs in, hem hier te zien; immers hij staat toch in eenige — ofschoon wel zeer verre betrekking tot haar dierbare Riethof. Ze zou hem wel goedendag willen knikken; wel spreken willen bovendien, en.... Maar een ander gezicht vertoont zich voor haar oog.

Mijnheer Romslikker heeft zich de tien minuten oponthoud ten nutte gemaakt. Anna had wel gezegd dat ze waarlijk niets gebruiken zou, maar haar cavalier begreep dat het „allemaal gekheidquot; ■was. Het buffet der ruime wachtkamer was wel voorzien.

„Ook kalfskarbonades juffrouw?quot; heeft hij aan \'t buffet gevraagd.

„Als je blief mijnheer! één kalfskarbonade!quot;

„Ja, maar ik wou er twee weet u; ieder op een bordje. — Zoo! — Hei! hei juffrouw....!quot;

De juffrouw schonk koffie voor andere reizigers.

„Is mijnheer geholpen?quot; zegt de buffethouder.

„Dat is te zeggen ja! maar ik wou nog twee broodjes .. ziet u ... hier hij de karbonades, en twee kop koffie.quot;

„Twee broodjes -— twee kop koffie!quot; herhaalt de buffethouder* „Hier voor mijnheer twee broodjes met....?quot; Tot een ander: „Twee bitter? als je blief!quot;

Mijnheer Romslikker had ten laatste zijn broodjes en koffie be-

-ocr page 30-

22 ANNA KOOZE.

raachtigd; de rekening vereffend, en, zoo schielijk als het hem mogelijk was, zijn eigen rantsoen genuttigd. Nu, met het bordje in de eene en den kop koffie in de andere hand, treedt hij zoo snel als zijn korte beentjes het hem vergunnen op de coupé toe, waarin hij Anna heeft achtergelaten, en, goedaardig knikkende, alsof hij zeggen wil: Dat zal je smaken! steekt hij — terwijl hij zich op de teenen verheft — het rantsoen zoover mogelijk naar binnen.

Anna is er waarlijk verlegen mee; \'t is al te beleefd! maarheusch zij heeft niets geen trek in eten. Die koffie, nu ja, die wil zij nemen, maar voor het andere moet zij hartelijk bedanken.

De kleine man blijft, terwijl hij op het kopje wacht, beweren dat het ,allemaal niets isquot; en „groote gekheid . Zonder eten bereikte een mensch zijn bestemming niet. Mijnheer Romslikker bedoelde doodeenvoudig, dat een mensch, zooals hij bijvoorbeeld, zonder op de halten iets te nuttigen, bezwaarlijk in welstand te Arnhem zou komen.

Maar \'t was niemendal, hij wist er wel raad op: „In een papier! Ja wel. Wel zeker! de juffrouw aan \'t buffet!----ja wel----!

Zie, daar trippelt hij zoo snel hij kan naar de wachtkamer terug; maar, nog niet geheel tot de glazendeur genaderd, komt een forsche hand op zijn schouder neer — waardoor de karbonade bijna van het bord valt — en dreunt hem een basstem in \'t oor:

„Wel verduiveld, neef Slik, heb ik jou daar?quot;\'

De aangesprokene, die eerst een blik op de karbonade heeft geworpen, ziet verschrikt achterom en tot de basstem op, en zegt niet zonder verbazing:

„Wel Heintje, ben jij \'et!quot;

„Wel te verstaan Slikkie, tegenwoordig Van Leeuw en geen Heintje meer. Maar waar drommel ga je naar toe, en wie heb je daar bij je?quot;

„Ik? Wie ik daar bij me heb? Wel ik ga naar Arnhem! Tante Dorsten verlangt zoo naar me, weet je; en die juffrouw, wel dat is \'en juffrouw die.... Maar Heintje, ik heb geen tijd.quot;

.Voor Arnhem instappen, heeren!quot; roept een beambte aan de deur.

„Maar wat duivel Slikkie, zeg me dan eerst hoe je aan die kapitale meid komt. Hei! Hei Slik!----Neef Slik!!?quot;

Neef Slik is echter naar binnen gewipt. In \'t voorbijgaan heeft hij goedig gejaagd tot den portier gezegd: ,\'En oogenblikje wachten hoor!quot; Nu staat hij aan het buffet. De kastelein en de juffrouw zijn er niet. Romslikker roept, en roept nog weder. Daar komt de juffrouw te voorschijn.

„Och zoudt u zoogoed willen zijn mij een papier te geven als je blieft?quot; zegt Romslikker zoo rad als hij kan, en tevens op zach-ten toon omdat het wel wat indiscreet was.

„Met plezier!quot; zegt de juffrouw op haar beurt recht vriendelijk: „Beiersch?quot;

„Och dat is me om \'t even,quot; grinnikt de heer Romslikker goedig: „als het maar sterk is tegen quot;t vet, weet u.quot;

De juffrouw bukt

-ocr page 31-

AKNA KOOZE. 23

„Nog heeren voor Aaaarem?quot; klinkt het aan de deur.

„Ja.... ik.... wacht eventjes,quot; brabbelt Roraalikker, en ziet te gelijk een hoog glas bier voor zich neerzetten.

„Maar.... maar juffrouw---- ik wilde, ik meende papier!quot;

aarzelt de kleine man verlegen, maar voelt zich nochtans ter wille van zijn fatsoen, en ook omdat de moeite nu toch genomen is, sterk door het glas Beiersch aangetrokken, \'t Is bij den dikken kleinen man niet onbegrijpelijk waar hij zoo gauw dat bruine vocht laat, en vreemd is het evenmin dat de buffetjuffrouw, die zich op nieuw heeft gebukt en met een vreeselijk beduimelde oude courant weer boven komt, er niets van weerom ziet.

Buiten klinkt de bel. Bevende vingers werpen een kwartje op het buffet; de karbonade en het broodje verdwijnen in het vieze nieuwsblad. Romslikker stormt naar buiten, maar — \'t is te laat. De conducteurs gaven reeds het laatste sein tot vertrek; de trein is in beweging.

„Ik moet mee! ik moet mee!quot; gilt een kleine dikke man, die een ineengefrommelde courant in de hoogte houdt.

Zie, ijlings schiet een forsch gebouwd jonkman toe; vat het dikke mannetje met vaste hand in den kraag van zijn jas; beurt hem met Herkules-kracht van den grond op de stap van een derde klasse waggon, en dondert hem in \'t oor: „Pak het handvat Slik, als de bl....!quot; Maar, Slik kon niet; die hand was onvrij, omdat ie daarin het pakje met de karbo .. .barbo... .nade ... — Geen nood! een gedienstige hand uit „de derdequot; heeft het hem reeds ontnomen.

„Pak nou maar an!quot; roept men daarbinnen.

„Die stakker!quot; krijscht een ander.

Maar, de trein gaat al iets sneller. Eenige stationsbeambten schreeuwen: „Er af! Laat los!quot;

Alles schemert Romslikker. Indien de Herkules hem niet had vastgehouden, hij ware gevallen.

„Hein, Heintje! om Gods wil!quot; roept hij angstig; en Heintje die bemerkt dat de trein hem in vlugheid de baas zal worden, dondert

weer: „Spring dan af!quot; en----Romslikker springt af, en komt —

dank zij neef Heintjes arm — behouden met zijn korte beentjes op den planken vloer te recht. Maar, alles draait en schemert hem voor de oogen, en, terwijl hij toch het hoofdje van juffrouw „Agnes Loozequot; nog snel ziet voorbijscheren, en ook een witachtig groot papier ziet dwarrelen langs den wegsnellenden trein, verneemt hij een schrille stem die schreeuwt uit de verte:

„Daar man, het been krijg je strakjes!quot;

Nadat er nog een kleine doch tamelijk krasse woordenwisseling tusschen een paar „spoorheerenquot; en Neef Heintje had plaats gehad, waarbij Romslikker de bedrukte zwijgende vertoonde, bevonden de neven zich weldra buiten het stationsgebied.

Op aanraden van neef Van Leeuw, zou neef Slik hier in het stations-koffiehuis een biefstuk met een halfje port voor den schrik nemen; hij had immers nog een groot uur den tijd, voordat erweei een trein naar Arnhem ging, en dan had Slikkie toch zoo\'n haast

-ocr page 32-

24 ANNA BOOZE.

niet te maken, want dat was de goederen- of, zooals „de flambardhavikquot; zich uitdrukte, de chocolade-trein. Rotnslikker lachte om die „geestigequot; uitdrukking, en terwijl neef Van Leeuw zich nonchalant op een bank onder de veranda van het koffiehuis liet neervallen, en Romslikker op een houten stoeltje plaats nam, zei de laatste met een zekere zelfvoldoening:

,Je bent precies een student Hein.... neef Van Leeuw wil ik zeggen.quot;

„Niet zuinig!quot; antwoordt de neef, en commandeert met zijn zwaarste basgeluid:

„Jan, twee afgedried... - malsche biefstukken hoor, en \'en flesch port van de bovenste plank! In tien minuten klaar! Gevat?quot;

„As je blief mijnheer!quot;

„Als \'et me niet bliefde, zou ik mijn mond houden,quot; zegt Van Leeuw.

— Wel wat scherp maar toch geestig, denkt Romslikker, terwijl er op zijn blozend gelaat een verrukt lachje te lezen is. Nochtans, het kan ook wezen dat het lachje voor een groot deel zijn aanzijn is verschuldigd aan de denkbeeldige atmosfeer van biefstukgeuren, waarin de heer Romslikker zich bevindt.

„En een gebakken aardappeltje.... hi.... hi....quot; glimt hij overluid, half den Jan en half den neef aanziende: „en \'en zuurtje, en een beetje geklopte boter, zal je.... hi.... hi....! —• Den fieelen morgen niets gebruikt,quot; voegt hij er ter verontschuldiging bij, want die kleine affaire aan het buffet was hij, door dat ongeval, totaal vergeten.

Hoe vreemd het schijne, mijnheer Romslikker was door de denkbeeldige atmosfeer, waarin hij verkeerde, geheel over de fatale omstandigheid heen, dat hij juffrouw „Loozequot; en den trein, en de karbonade, en zijn kaartje tot Arnhem, en zijn parapluie, die hij met een valiesje in den waggon had laten liggen, kwijt was, en wilde juist geheimzinnig de opmerking maken, of Jan niet eenvoudig een slaadje toe zou kunnen geven — gisteren had hij overheerlijke paling in \'t zuur bij de kropjes gehad, ofschoon de soja bij neef den burgemeester niet te best was geweest — maar werd daarin verhinderd door neef Van Leeuw die hem vroeg:

„Maar wat d....quot; — \'t zij eens en vooral gezegd dat neef Heintje doorgaans zwaar weer in \'t hoofd had, en tevens zeer dikwijls zijn overtuiging uitsprak dat hij „eeuwig verdoemdquot; was, ofschoon men die overtuiging bij iemand van zijn meestal opgeruimde stemming niet zou vermoed hebben — „maar wat d.... neef Slik, waar kwam je toch eigenlijk met dat mooie snoetje vandaan? Zeg, ben je aan de rol ouwe jongen? Als\'en ander \'t vogeltje maar niet snapt in dien tijd! Wou je den Rijn op, zeg?quot;

„Neen! neen! waarachtig niet!quot; schrikt Romslikker: „\'t Is zonde! hoe kom je op \'t idee Heintje? Ik was \'en paar dagen bij neef Straal te Akkersveen, en.. . .quot;

„O drommels, ben je daar in de boter geweest! Ja da\'s waar ook, dien neef burgervader zou ik heelemaal vergeten. Maar \'t is er zoo stil zie je, zoo beroerd sikkeneurig.quot;

-ocr page 33-

ANNA ROOZE.

Van Leeuw smijt de beenen op de tafel.

— Echt studentikoos! denkt Romslikker.

„Je ziet er geen schepsel,quot; vervolgt Van Leeuw. ,Nicht is eea wandelend biervat net als jij — en de meisjes hebben hanepooten; vervelende lui!quot;

„Och kom, vin je dat?quot; zegt Romslikker verbaasd.

„\'En saaie boel! \'en ploertentroep!quot; verzekert de havik: „Alleen \'s Zondags in de kerk, dan heb je nog eens pwijn de vu (point de-vue) dat je wat opmontert. Hé duivel! nou ben ik er,quot; vervolgt hij luider, terwijl hij uiet een hakslag op de kleine tafel, Romslikker aanziet alsof hij een belangrijke uitvinding gedaan had: „Datbruintje is van de kostschool; m\'n kop af als \'t niet waar is!quot;

Romslikker is nog al gevat dezen keer, en geeft met bewondering van neefs doorzicht een toestemmend antwoord.

„Juffrouw Marits de kostschoolhouderes,quot; voegt hij er bij, .bracht e n bezoek bij neef den burgemeester, en toen zij hoorde dat ik nüar Arnhem ging, verzocht ze mij die juffrouw onder mijn bescherming te nemen. Een lief meisje neef Heintje! en een gezichtje..

„Kom daar heb jij geen verstand van, Slikkie! anders zou je ze niet zoo gemakkelijk in den steek hebben gelaten.quot;

„Maar dat kwam; dat was....quot; hakkelt de neef.

„Neen, dat was zeker je schuld niet. — Hei Jan!quot;

„Mijnheer?quot;

,\'En boonekamp! — Wil je óók Slik!quot; — Slik bedankt.

„Ik herkende haar dadelijk,quot; herneemt Van Leeuw: „In de kerk zat ze in de voorste bank in \'t hoekje nietwaar?quot;

„Precies, precies!quot; bevestigt Romslikker.

„Naast zoo\'n weerlichts mooi blondje, hé?quot;

„Ja ja, ja juist!quot;

„Met zulke lange blonde krullen, en \'en pamela op!quot;

„Een pamela----?quot; zegt Romslikker diepzinnig.

„Nou, dat maakt niet. — Zet neer Jan! — Maar een bekje om te stelen! Wil je wel gelooven Slik, dat ik meer dan drie dagen met dat snoetje in m\'n kop heb geloopen eer ik \'et kwijt was. Is ze d\'r nog?quot;\'

„Wie meen je, neef Heintje?quot;

„Wie? wel van wie praten we dan?quot; En Van Leeuw geeft met zijn hak een vreeselijken slag op de tafel: „Van wie anders dan van dat blondje met haar blauwe oogen. — Neef Straal zei dat ze Van Wall heette. Zeg, is ze d\'r nog?quot;

„Wel zeker....! Zondag zat ze nog naast juffrouw Looze in de kerk; ze huilde. ...quot;

„Zeker omdat jij met je glimmende tronie tegenover d\'r zat. Nou, \'t is maar in badinagie hoor.quot; Nadenkend: „Zeg Slik, weet jij niet waar dat blonde poeleke vandaan is? Zeker een vriendin van de jouwe!quot;

Romslikker glimlacht, terwijl hij herhaalt: „De jouwe!!quot; „Waar ze vandaan komt?quot; herneemt hij, terwijl hij op het groengeverfde tafeltje

tuurt: „Wacht ereis____quot; — Met een bedenkelijk gezicht: „Die

andere hé? de vriendin meen je. — Ja!!!quot;

25

-ocr page 34-

26 ANNA KOOZE.

„Wat zanik je Slik, wat beteekent dat jhaa?quot;

„Och, om je de waarheid te zeggen,quot; herneemt Romslikker: „ik weet er zelf het rechte niet van, want ik dutte zoo\'n beetje. Maar ik hoorde haar naam noemen en onwillekeurig heb ik toen zoo half en half....quot;

Van Leeuw barst eensklaps — met een vuistslag op de tafel — in een geweldig onweer los, en bulderend klinkt de vermaning om niet zoo te zaniken, terwijl hij besluit:

„Wat heb je van d\'r gehoord? Waar en door wie? Spreek op dan, en leuter zoo niet.quot;

Dat liep nu wat erg:

„Heintje, ik ben zooveel ouder,quot; zegt Eomslikker, eenigszins gevoelig verlegen: „toen je vader nog leefde, toen wasje.... toen zou je....quot;

„Kom neef Slik, een beetje vuur mot je me niet kwalijk nemen. Sedert vaders dood ben ik baas van de slijterij en baas van me zelf, en \'k wik m\'n woorden niet als een kind, zie je. Ik mag je heel goed lijden; maar begrijp je dan niet dat ik razend nieuwsgierig ben om eens wat naders van dat mooie blonde ding te hooren?quot;

Bij de laatste woorden zijn de voeten weer op den grond gekomen, en geeft Van Leeuw aan zijn neef een verzoenenden oogknip.

„Ja, wat er nu precies gezegd is weet ik niet meer,quot; zegt Romslikker iets minder langzaam; „maar zooveel is zeker dat de juffrouw waar ik mee reisde, haar naam noemde, en toen over haar sprak als haar beste vriendin, enquot;

„En.... ?quot; roept de neef.

„Ja, en zie je, d\'r was een soort van familiegeheim, en....quot;

Terwijl de kleine glimmende man deze laatste woorden sprak, zag hij schuw in het rond, alsof hij zich zelf op een schurkenstreek betrapte.

„Wat zeg je, een geheim. Slik?quot;

„Neen Heintje, neen, dat zou indiscreet zijn, en wat kan \'t je ook schelen. Ik weet immers niet eens \'t fijne van de zaak.quot;

Mijnheer Romslikker, die doorgaans onbeweeglijk kalm, meestal met de handen gevouwen op zijn plaats zit, schuift onrustig heen ■en weer; hij krijgt een gevoel alsof men hem gevangen houdt.

„Kom Slik, verkoop nou geen gekheid; wat weet je van haar familie en van een geheim?quot; zegt Van Leeuw nog al\' vriendelijk; maar dan, met een grauw tot een armoedig gekleed persoon van zes en dertig jaren omtrent, die lucifers en andere kramerijen te koop aanbiedt: „Ruk uit! niks noodig van je prullenboel!quot;

„Een doosje lucifers mijnheer, asjeblieft?quot; zegt de man, wiens onaangenaam armelui\'s voorkomen een trek van betere afkomst niet geheel verbergen kan.

„Snij uit, zeg ik je!quot; roept Van Leeuw: „Neen Slik, laat zitten. Daar smeerlap da\'s net genoeg voor \'en borrel!quot; en hij werpt hem «en kwartje in de schraal gevulde negotiemand.

De man bedankt met heesche stem voor de beleediging, die met vijf en twintig centen werd betaald, en vestigt nu een blik op den heer Romslikker, die echter voor de tweede maal door neef Heintje

-ocr page 35-

ANNA BOOZE.

wordt gelast „om te laten zitten, want dat die vent \'et doodschieten niet waard isquot;.

„Dat is al heel weinig mijnheer Van Leeuw,quot; zegt de koopman, en schuifelt weg achter het linnen zeil, dat voor den tocht aan de rechterzij der veranda gespannen is.

„Vuile ploert! gemeene lap!quot; scheldt Van Leeuw: „Nou neef Romslik, wat was \'et?quot;

In \'t einde, of de oudere neef al wilde of niet, \'t geheim, „dat eigenlijk geen geheim wasquot; moest er uit, en verklaarde hij, dat een vreemde jongeheer aan die juffrouw Kooze gezegd had, dat haar vriendin van de kostschool Eva Van Wall ...quot;

„Emma!quot; verbetert Heintje: „Die schoolmamzel\' noemde haar Emma, dat vergeet ik niet! En verder....?quot;

„Juist, juist! Emma,quot; zegt Romslikker, en komt dan, ofschoon met een verhoogden blos tot de ernstige verklaring, die niet zonder plechtigen nadruk wordt gegeven: dat Emma Van Wall een aangenomen kind moest wezen: „zie je, of iets van dien aard----ten

minste niet rechtuit. Maar hoor je,quot; besluit hij angstig rondziende: „ik wil de zegsman niet zijn.quot;

Van Leeuw verzekerde „dat het niet donderdequot;, \'tgeen door den ouderen neef volstrekt niet beweerd was; maar Romslikker, die na zijne mededeeling bijzonder onrustig was geworden, en — hij wist met waarom — hoe langer hoe meer een gevoel kreeg alsof men hem gebonden en gekerkerd hield, maakte zich op om zich even te vertreden, toen een „O jé!quot; uit zijn mond, met een bulderend gelach werd beantwoord, want Heintje zag den dikken kleinen stakker kampen met een vinnigen krommen draadnagel, die uit den stoel had gestoken, en nu in het weefsel van zijn lakenschen pantalon een buitensporige verwoesting had aangericht.

Neef Heintje beweert dat hier de heele boel -— waarmee hij voorzeker zoowel den kastelein met diens onderhoorigen, als het koffiehuis met toebehooren, maar in \'t bijzonder dien kleinen stoel spijker zal bedoeld hebben — verdomd is.

Romslikker, van den eersten schrik bekomen, verzoekt Heintje vriendelijk er geen drukte van te maken, want dat het niets is, en dat hij, zie — zóó, met het pand van zijn jas er over, nog best naar Arnhem zal komen.

En, nadat de neven straks recht smakelijk het bestelde verorberd en later nog een extra-merk op de „Welstequot; gedronken hebben — Heintje sprak altijd echt studentikoos; ditmaal echter had Slik gelachen zonder te begrijpen dat Heintje op juffrouw Rooze, als Sliks liefje doelde — terwijl ze daar laclien, en een straathond met een half broodje, dat hem door Van Leeuw was toegeworpen, onder een tafeltje wegsluipt, en de heeren opstaan — verlaat Miel, de taan-kleunge snuisterijenkoopman, haastig de buitenzij van het zeildoek, waar hij zich een geruimen tijd heeft opgehouden.

Weinig heeft hij gehoord, maar wat hij er hoorde, \'t is hem goud waard, ja, goud, waarachtig!

27

-ocr page 36-

ANNA BOOZE.

(

VOI

DERDE HOOFDSTUK. \'

va \'k

Zoo buiig als de morgen was, zoo stil en kalm is de Novemberavond. \'t Mag een beetje koel zijn op de vlakke hei, in het piin-

bosch, waardoor de zandweg slingert, wordt geen windje gevoeld. Jo

quot;t Is er stil, heel stil en beschut. Recht gezellig is \'t er nü echter G\' niet in het schemerdonker. Anna Rooze, die in een soort van koetskar wordt geschommeld, begrijpt zelfs niet hoe de voerman, die met de beenen er buiten op het linker-voorstuk is gezeten, nog kan zien

zijn paard te besturen. te

,Bestig zien juffer!quot; is het bescheid: „moar aldat ik geen hand sl

veur oogen zien kos, Bles zol z\'n eigen weg wel vienden. Tju Bles! ai

hort! vort! tju!quot; bi

En de koetskar hobbelt al verder door den muilen zandweg in li

het Veluwsche bosch. Nu en dan schokt het voertuig geweldig, t(

wanneer een boomwortel dwars door het kar-spoor gaat of een kei a

er zich in bevindt; niet zelden ook schuren de wielen langs de ver- v dorde braamranken, die hier en daar tusschen de reeds ontbladerde

struiken hangen. Joost de voerman zou alleen aan die teekenen op t

een prik kunnen zeggen waar men zich bevindt. Anna wil graag r

weten hoelang de rit nog duren moet. c

„Noe nog \'en kleine drie menuten juffer,quot; zegt Joost, terwijl s hij met de zweep klapt: „en dan hewwe de vlakke hei weer. —

Vort Bles! Ze nuumen \'t den heksendans, en, wat \'t wezen mag lt; dat weet geen minse, moar ze zeggen dat \'t doar niet pluus is.

Alêvel \'t zal lange duuren eer Joost d\'r bang veur zal wêzen. Achter i

den heksendans, den olden eik veurbij, doar goan we met \'en hollen i

weg langs de harbarg De Luchte den barg af, en kommen we op den stroatweg. Dan hewwe op \'en kertier afstand van Mulderspeet, oan de linkerhand, \'tbosch van De Runt woar we wêzen motten, \'t Is \'en oud gedoei juffer,quot; vervolgt de spraakzame jonge boer: „en \'t zeggen is, dat \'t er spoekt. Alèvel — vort Bles! — \'k heb zoo\'n komeliant in den tied da\'k bij menheer oe oom dien, no§ niet tegen \'t lief \'eloopen, moar, loat ie oppassen, went, a\'k \'em in \'t vezier krieg, dan za\'k \'em \'en vuust onder z\'n spoekneus douwen dat ie genocht van z\'n eigen handwerk zal kriegen.quot;

Al aanstonds bij de eerste ontmoeting aan het station te Arnhem, heeft de flinke Joost een gunstigen indruk op Anna gemaakt; nu plooit een goedkeurende glimlach hare lippen.

,\'tls vreemd dat oom zulk een afgelegen woning heeft betrokken,quot; zegt Anna in de donkere kar.

„Da\'s te zeggen juffer,quot; klinkt het nu uit de zwarte massa die,, ter zij op de kar gezeten, met de korte schokken op en neer danst: „da\'s te zeggen, De Runt en oe oom dat zin d\'r twee! soortzuukt soort!quot;

28

-ocr page 37-

ANNA ROOZE. 29

Op hetzelfde oogenblik doet een grove mansstem, zoo niet den voerman, dan toch het meisje in de koetskar ontstellen.

„Hé voerman, hei\'j volk in de kar?quot;\' heeft men gevraagd.

„Bin ie de schoapenkoopman uit Oamersfoort?quot; is de weervraag van Joost; en dan, na een bevestigend antwoord, herneemt hij: „Joa \'k heb volk d\'r ien. Ge zult loopen motten. AtjuusT\'

„Op den anderen karboom?quot; vraagt de stem nog eens.

„Dan blief ie met de been\' in de bremstruuken hangen,quot; antwoordt Joost: „of kriegen oe de heksen op de hei bij de schoen\'. G\'n oavend, wel thuus!quot;

„Kan de man niet meerijden voerman?quot; zegt Anna.

„Kan best loopen juffer! Vort bles! huu!quot;

Ofschoon Anna niet bang is, toch geeft het haar iets onaangenaams te hooren, dat de man, die niet mee zal rijden en op de weigering slechts met eenig gebrom heeft geantwoord, reeds een geruimen tijd achter de kar loopt en gelijken gang met haar houdt. Buiten het bosch op de hei gekomen — waar het, ofschoon vrij donker, toch lichter is dan in het bosch — geeft de schapenkoopman van zijn tegenwoordigheid een duidelijk bewijs, door op luiden toon een lied aan te heffen, dat het midden houdt tusschen een psalm en een wiegezang. .

„Den duivel te leep, moar tegen den heks niet opgewassen,quot; fluistert Joost naar binnen, en Anna vraagt aan haar voerman, of die man niet zou willen ophouden met dat kloppen tegen het achterplat der kar of tegen haar koffer misschien, \'t was zoo schrikkelijk onaangenaam.

— „Niet kloppen met dat stökske!quot; schreeuwt Joost, zóó hard dat Bles er van opschrikt.

Maar het kloppen wordt toch herhaald. Bles voelt den gevlochten zweepstok op zijn zwaar betuigd lichaam, en, als hij in den draf schiet, dan wiegt het halshaam met zijn beide opstaande punten sneller heen en weer, en danst Joost de voerman vlugger op den zijboom, en — uit den grooten bouquet, die Anna nog altijd vol zorg in de hand houdt, vallen eenige bloempjes af, maar — dat ziet ze eerst later.

De klopper heeft gevloekt, maar de kar is hem nu een goed eind vooruit. Anna hoort van verre een schel fluiten en maakt de opmerking dat die man al bijzonder muzikaal is.

„Nou, hie speult den duuvelsdans juffer!quot; luidt het boerenant-woord: „moar die speult kan verspeulen ook, begriep ie..-.?quot;

Anna was nooit in Gelderland geweest, en begreep dus van het antwoord zooveel als ze begrijpen kon.

Weldra had men den hollen weg en op het midden er van de kleine herberg bereikt, waar men bij dag een lantaarn of „luchtequot; op het uithangbord kon zien prijken. Joost liet het paard stilstaan. Juffer most niet kwoalik nemen, moar veur moeder Schoffels had ie nut Oarem \'en poar boodschappen meeëbrocbt. —; Van onder het lederen beenkleed der kar wil hij nu het pakje uit het duister te voorschijn halen, doch, of hij al tastte en Anna zich al ter zijde

-ocr page 38-

30 ANNA ROOZE.

trok, hij vond het niet. Eenige oogenblikken later is Anna, opdat Joost beter zou kunnen zoeken, even uit de kar gestapt.

Een jong meisje, dat naar buiten was gekomen, en Joost als goë-bekende vriendelijk had gegroet, noodde en drong de juffer binnen te gaan. En — slechts één schrede behoefde Anna te doen, want zoodra men over den dorpel was, bevond men zich in de huis- en gelagkamer van de zeer kleine herberg, waarbinnen op dit oogen-blik slechts een man bij het plaatvuur, en een vrouw met eenig stopwerk aan een klaptafel gezeten was.

Ternauwernood heeft Anna — eenigszins lichtschuw in den aanvang — een groet met de echtelieden binnen de kamer gewisseld, en bovendien bespeurd dat het meisje, \'t welk haar zachtjes tot binnengaan had genoodzaakt, een blozend kind met donkere oogen en zwarte haren van omstreeks achttien jaar is, toen een man, achter haar om, binnenkomt, en eenigszins hijgend het: „G\'n oavend soam!quot; wenscht.

Het is dezelfde stem, die straks naast de koetskar geklonken en op de heide gezongen heeft. De man heeft geeloker-kleurige haren en een rooden baard. Zijn gelaat teekent niets bijzonders, en zou zelfs welgevormd kunnen heeten. Doch niettemin wendt Anna, met een gevoel van weerzin den blik van hem af, en daarna het meisje aanziende, bespeurt zij dat haar frissche blos voor een wijl is verdwenen en dat er een wolk over haar voorhoofd trekt.

„Goat er zoolang zitten juffer!quot; zegt het meisje snel, en als zij den stoel bij Anna heeft neergezet, gaat zij haastig naar buiten.

„Hanneke! \'en borrel jenever!quot; roept de nieuw aangekomene haar achterna. Maar Hanneke was al verdwenen. De man bij \'t vuur staat op en zegt:

„Als \'t oe blieft koopman; \'k heb oe in lange niet \'ezien;quot; en herneemt, terwijl hij den borrel schenkt: «Hanneke geet mergen de deur uut-... \'t zal stil worden. Joost Burik het mutskes en spullen uut Oarem veur d\'r meeëbrocht.quot; En dan onhoorbaar voor den vreemde: „Moe weet ie \'t in ens!quot;

„Zoo, zal ze de deur uut, en zal ze goan dienen?quot; vraagt de ander.

„Joa bij den domenie die mergen \'en kommensoal kriegt; \'t is \'en spul!quot; zegt de vrouw, die mede is opgestaan, en — nadat ze met den bonten boezelaar het klaptafeltje heeft afgeveegd, vraagt ze aan Anna, of ze de juffer ook met \'en glêske bier kan gerieven; \'tspeet heur um de jutter van \'t oponthoud, \'t wier toch al vroeg loat in deez\' tied van \'t joar.

Daar komen Hanneke en Joost met het bedoelde pak de kamer in.

„Zoo Hanneke, zul je met den hemeldragonder aon \'t exercee-ren?quot; grinnikt de vreemde. „Pas moar op; ze zeggen datie.. .quot; — Hier trekt hij Hanneke bij den rok naar zich toe; richt zich op om haar iets toe te fluisteren, maar Hanneke, terwijl zij de zwarte wenkbrauwen fronst, rukt zich los en zegt: „Kom, loat me goan!quot;

Het ontgaat Anna\'s opmerkzaamheid niet dat Joost een donkeren blik op dien gast werpt. De laatste grinnikt en trekt Hanneke nog

-ocr page 39-

ANNA ROOZE. 31

eens bij den rok naar zich toe. Doch het meisje, ofschoon ze bijna haar evenwicht verliest, rukt zich ook ditmaal met een wrevelig gebaar van hem los, en blijkbaar met eenige verwarring Anna aanziende, zegt ze schijnbaar luchtig:

,Lastig goed dat mansvolk, juffer!quot; waarop de moeder, nadat ze Joost met dankzegging voor de genomen moeite haastig een glas bier heeft ingeschonken, er bij voegt: — „Zóó is \'t jongvolk julfer, \'t wil kallen en mallen.quot;

\'t Is inderdaad niet te verwonderen dat Anna zich in dit gezelschap al zeer weinig tehuis en op haar gemak gevoelt.

\'t Werd haar een oogenblik zoo vreemd alsof ze niet wist waar ze was; \'t kwam van de vermoeienis misschien, maar nu — nu ziet zij naar den voerman, die juist zijn glas ledigt, waarop zij zegt: ,\'t Wordt tijd dat wij vertrekken voerman!quot; terwijl ze vervolgens na een groet, haastig de woning verlaat.

„Met plezier julfer!quot; klinkt het antwoord van Joost haar achterna.

„Dat plezier zal zoo groot niet wezen!quot; grinnikt de vreemde: „As\'t Hanneke in ploats van dat spichtige ding was hé?quot; Spottend: „Of ik me er ij en wil Joost Burik? Ik dank je.quot;

Joost bijt zich op de lippen; zegt luide: „G\'n oavend!quot; en fluistert zachtjes een woord tot Hanneke, die hem aanstonds naar buiten volgt.

\'t Is duister buiten. Het laatste wat er klinkt voor de deur van De Luchte, is een „atjuusquot; van Hanneke; en Hanneke, die de kar als een donkere vlak in den tamelijk steilen afweg naar beneden ziet schokken, heeft haar in luttele oogenblikken geheel uit het oog verloren, — in den zwarten avond is het voertuig verdwenen.

Maar Joost en zijn Bles hebben aan de weinige starren die het

Sad verlichten genoeg; weldra krijgt de kar een sterkeren schok bij en overgang van den zand- op den straatweg. In een schuine richting ontwaart Anna ter linkerzij een paar boomen met witgeverfdead verlichten genoeg; weldra krijgt de kar een sterkeren schok bij en overgang van den zand- op den straatweg. In een schuine richting ontwaart Anna ter linkerzij een paar boomen met witgeverfde

Elekken. Links, den straatweg verlatende, gaat het tusschen die beide oomen door. Altijd stapvoets rijdt men nu door een pikdonkere eikenlaan. De reeds afgevallen blaren ritselen onder de pooten van Bles en de wielen der kar; een eind weegs verder verneemt Anna het suizen van een mastbosch; alweder verder klotst het over een kleine brug, \'t wordt weer iets lichter op den weg. Een laag wit huisje gaat het voorbij; nog eens is het een ondoordringbaar duister, waardoor men rijdt en waarin alleen het karspoor voor Bles de wegwijzer wezen moet. Anna kon paard noch voerman onderscheiden.lekken. Links, den straatweg verlatende, gaat het tusschen die beide oomen door. Altijd stapvoets rijdt men nu door een pikdonkere eikenlaan. De reeds afgevallen blaren ritselen onder de pooten van Bles en de wielen der kar; een eind weegs verder verneemt Anna het suizen van een mastbosch; alweder verder klotst het over een kleine brug, \'t wordt weer iets lichter op den weg. Een laag wit huisje gaat het voorbij; nog eens is het een ondoordringbaar duister, waardoor men rijdt en waarin alleen het karspoor voor Bles de wegwijzer wezen moet. Anna kon paard noch voerman onderscheiden.

„Zoo\'n loariks-allee is helsch in den oavend!quot; zegt Joost, die sinds De Luchte noch gesproken noch geneuried heeft: „De juffer zal ook blied wezen dat we De Runt in \'t front hebben. Nog \'en kleinen drêj, dan de grachtbrug en we hebben \'t geleejen!quot;

Van onder de kap der koetskar kan Anna echter niets van het huis bemerken, dat voortaan haar woning wezen zal.

Haar woning en haar toekomst! \'t ligt alles in \'t duister!

Na een dankbaren weergroet van Joost te hebben ontvangen, beklimt Anna, met behulp van een zeer mageren hand, eenige steenen

-ocr page 40-

32 ANNA KOOZE.

trappen, en komt binnen het ruime voorhuis van de zoogenaamde Ridderhofstad De Runt.

Verlicht door het weifelend schijnsel van een olieblakertje, dat in het voorhuis op den grond stond te flikkeren, bespeurt Anna ala met éénen blik, dat de bouworde van het huis een zeer antieke, en de behulpzame hand, de hand van een zeer lange en skelet-achtige vrouwelijke dienstbode is.

Nochtans er is iets zeer bevredigends in de stem, die het meisje verzoekt, om zoogoed te willen zijn maar even te volgen. Joost zou wel voor den koffer zorgen. Anna volgt nu de magere vrouw ■die, zooals zij haar voorgaat op de zeer breede trap, volkomen een halven hoepel gelijkt, van boven in een bruinachtig jak, en van onderen in een sluik zwarten rok.

„Nu rechts juffrouw,quot; zegt de vrouw, en verlicht met haar blakertje een breed en donker portaal en wijst een oogenblik later op «en deur, die terzelfder tijd van binnen geopend wordt.

„Ha, is u daar nichtje!quot; zegt een dame van middelbaren leeftijd, terwijl zij een kleine maar toch eenigszins ouderwetsche menuetachtige dienaresse maakt: „ik meende al het rijtuig te hebben gehoord. Kom binnen, ik ben zoo blij u te zien.quot;

Tante Lijning, die Anna, na dezen hartelijken en op een allerin-nemendsten toon geuiten welkomstgroet, de hand heeft toegereikt, voelt zich die hand met warmte drukken, een warmte, die onmiddellijk door den waarlijk lieven toon barer stem bij Anna is opgewekt.

En nochtans, in het groote vertrek, waar binnen Anna is welkom geheeten, heerscht een zoo onaangename kilheid, dat het vermoeide en door den langen rit bijna verkleumde meisje, onwillekeurig een blik naar den hoogen schoorsteen werpt, waarboven wel het vuur van Abels offerande in verven, doch waaronder niets dan een nachtelijk zwart te ontdekken is.

Is het kil in dat groote vertrek, \'t is er niet minder somber bovendien. In gindschen hoek op ongeveer een tiental schreden af-stands van de deur brandt een kleine spaarlamp met een groenachtig kapje er over, zoodat Anna vooral in den aanvang moeite beeft ■om tantes gelaatstrekken duidelijk te onderscheiden, \'t Komt haar ■echter voor dat tante in haar jeugd een schoone blondine moet geweest zijn, want nóg, ofschoon zij de vijftig nabij ia, maakt haar ge-

felaat — voor zooverre dan zichtbaar — een aangenamen indruk, i^at haar toilet betreft, in andere oogenblikken, inzonderheid in \'t gezelschap harer vriendinnen, zou het Anna voor het allerminst een glimlach hebben afgedwongen. Een zeer oude japon van dunne ge-bakken-appelkleurige zijde met wijde dofjes aan de ellebogen en lub-berige slaphangende plooisels aan de handen, bedekte haar bescheiden, of zooals de meisjes op school dat noemden „haar weinig pre-tensieuze bovengestaltequot;, terwijl de rok tamelijk kokerachtig en kort langs de heupen neerstreek, zóodat Anna bijkans geneigd was te gelooven dat men in Gelderland met de modes zeer ten achteren ■en geheel onbekend was met het kleedingstuk, dat reeds sedertelaat — voor zooverre dan zichtbaar — een aangenamen indruk, i^at haar toilet betreft, in andere oogenblikken, inzonderheid in \'t gezelschap harer vriendinnen, zou het Anna voor het allerminst een glimlach hebben afgedwongen. Een zeer oude japon van dunne ge-bakken-appelkleurige zijde met wijde dofjes aan de ellebogen en lub-berige slaphangende plooisels aan de handen, bedekte haar bescheiden, of zooals de meisjes op school dat noemden „haar weinig pre-tensieuze bovengestaltequot;, terwijl de rok tamelijk kokerachtig en kort langs de heupen neerstreek, zóodat Anna bijkans geneigd was te gelooven dat men in Gelderland met de modes zeer ten achteren ■en geheel onbekend was met het kleedingstuk, dat reeds sedert

-ocr page 41-

ANNA BOOZE.

een vier- of vijftal jaren de daraeswereld met zijn ijzeren schepter regeerde.

De weinige brieven, die Anna vroeger van tante Lijning ontving, en welke brieven namens oom „die het druk had of niet heel fiks wasquot; geschreven waren, hadden haar een gansch ander denkbeeld van tante gegeven. Tante was niet zoo flink en kloek — men zou haast zeggen niet zoo frisch als haar schrijven had doen vermoeden; en bovendien er was iets weifelends in hare manieren. Zij had iets opschrikkerigs, iets niet zich zelve-achtigs; maar den hartelijken toon, die er altijd in hare brieven geheerscht had, dien, ja dien vond Anna geheel in haar spreken terug. Bovendien, hoe meer zij haar aanziet, hoe meer zij aan een dierbare vroeg gestorven moeder wordt herinnerd, en de toon, waarop tante nóg eens verzekert, dat nichtjes komst haar zoo bijzonder verheugt, doet Anna voor een oogenblik bet wonderlijke , ongekende ledigquot; vergeten, dat haar sedert eenige minuten heeft aangetast.

Was het die holle donkervervige kamer met haar weinige ouder-wetsche meubels, waarin zij zich nu bij een droevig licht tegenover een bijna vreemde bevond, in tegenstelling met het prettige, des avonds zoogoed verlichte schoollokaal, waar men met allen zoo gezellig te zamen was; zou het die sterke tegenstelling zijn die dat „ledigquot; veroorzaakte? een heimwee misschien; een zich niet tehuis gevoelen, niet tehuis, zooals Adams schoone herfstruiker daarginder in die grauw aarden kan op het breede buffet — en in de schemering bijna onzichtbaar — er gansch en al misplaatst en niet tehuis was? Of, deed een ledig van binnen zijn rechten gelden, dewijl de zorgen van den goeden heer Romslikker verijdeld en de mondbehoeften door de lieve Marnix meegegeven, zoo niet vergeten toch onaangeroerd gebleven waren? Anna gaf er zich zelve geen rekenschap van. Tante schonk haar een kopje thee en presenteerde er een beschuitje bij, !t welk zeker, zooals zij meende, na den tocht wel smaken zou.

Anna schrikte. Juist achter haar, in den hoek van het vertrek, had wel iets gekraakt, maar, zonder nu verder een voetstap te hebben vernomen, zag zij eensklaps een mageren man aan haar zijde staan, die met een „Welkom nichtje!quot; haar een hand toestak, en op een eenigszins slependen toon vroeg, of zij „altijd wel was geweest, en of de reis haar niet vermoeid had?

Terwijl Anna van den schrik — ja inderdaad van den schrik — bekomen, is opgestaan, en een glibberige klamme hand in de hare heeft gevoeld, waarna zij de laatste onmiddellijk in de plooien van een batisten zakdoekje deed verdwijnen, zegt zij met haar beminnelijke oprechtheid, dat het haar mede zeer aangenaam is eindelijk haar oom en tante persoonlijk te leeren kennen, ofschoon zij het niet ontveinzen mag, dat het haar een zwaren strijd heeft gekost aan ooms bevel te voldoen en voorgoed De Riethof te verlaten.

Tante pookt onrustig in het kleine kooltje onder den zwijgenden theeketel. De magere figuur, die bijna den kapstok van een erg glimmende roggebrood-kleurige jas gelijkt, welke jas van de zwarte ve-v. 3

\'6\'ó

-ocr page 42-

ANNA BOOZE.

zelige stropdas tot aan het benedenlijf is dichtgeknoopt, de magere figuur plooit zich rechtstandig in drieën op een stoel, en zegt zeer slepend:

,Lieve nichtje, wat tot je bestwil geschiedt en door de noodzakelijkheid bevolen werd, dat moet je geen bevel noemen. Anna verlangt immers niet dat oom en tante zich ontberingen zullen getroosten om harentwille; zij zal immers niet ...quot;

„Ontberingen om mijnentwil ? Hoe moet ik dat begrijpen.... hoe?quot; zegt Anna zeer zacht, en het ledig, dat zij gevoelde, wordt hoe langer hoe sterker.

„Maar foei, mijn lieve nichtje,quot; valt oom Lijning hier in: „is dat nu een gesprek bij je intrede in onze woning — bij je intrede in onze harten zou ik willen zeggen.... Wel mijn lieve, ben je niet als het eenige liefdepand van onze onvergetelijke te vroeg gestorven zuster Doortje — als onze eigene dochter zou ik meenen — tot ons gekomen? Zouden we ons niet rijk gevoelen in je bezit, en niet gelukkig zijn bovendien wanneer je hier in onzen kleinen kring recht tevreden en.... Maar beste Co-Mie,quot; valt oom Lijning nu zich zeiven in de rede: „hoe is het kind.. .. heb je niet \'t een of ander.. .. iets bewaard? Nietwaar nichtje, iets warms zou wel aangenaam wezen na zulk een langen rit?

Tante Lijning had, bij ooms laatste woorden, iets zoo verbazend opschrikkerigs, dat Anna meende dat tante niet wel werd. Maar tante was wel, heel wel.

„Iets warms,quot; zegt tante angstig: „Ja maar.. .. iets warms!quot;

Oom stond — zonder dat Anna het bespeurd had — eensklaps in het midden der groote kamer, en hernam:

„Een eenvoudig gebakken aardappeltje bijvoorbeeld. Maar beste.... je hadt er voor moeten zorgen! Of.... als nichtje soms onderweg heeft gegeten?quot;

„Neen oom, neen!quot; antwoordt Anna haastig, en het is alsof het „ledigquot; zich altijd sterker gevoelen doet.

Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs in de hartelijkheid, waarmee tante Co-Mie betuigt, dat zij met het meeste genoegen zoo spoedig mogelijk iets gereed zal doen maken, en als zij de kamer heeft verlaten, en het roggebrood zich nu op tantes plaats tegenover het meisje heeft neergezet, klinkt het weer slepend:

„Men moet het maar niet te nauw met haar nemen, nichtjelief! \'t Is anders een beste vrouw, heel best! maar ieder mensch heeft zoo zijn zwakke zijde. Wat mij betreft,quot; vervolgt de spreker, wiens oogen achter blauwachtige brilleglazen zijn verscholen: „ik voeg mij gaarne naar tantes wil, en heb dan ook niet geaarzeld om op naar verlangen het stadsleven met het stille landleven te verruilen.quot;

„Het moet zeker een groote verandering voor u geweest zijn,quot; zegt Anna dewijl oom Lijning zwijgt en zij toch iets antwoorden moest.

„Eén verzoek! niet van spreken, lieve nichtje !quot; sist de oom langs den vinger, dien hij tegen de dunne lippen heeft gedrukt: „Men is niet altijd voor zijn eigen genoegen in de wereld, dat weet je ook wel. Maar anders, ja!! voor een man op mijn jaren, die er zijn vrien-

34

-ocr page 43-

ANNA BOOZE. 35

den. zijn sociëteiten, zijn artistique en littéraire kringen had____

ja!!! Maar nichtje, spreek er tante niet van; de goede vrouw is hier gelukkig; althans zij zou nu niet anders willen zeggen, en, dat is mij genoeg. Eén ding bid ik je: heb haar lief, inderdaad zij verdient het ten volle, al is zij ook niet.... ach!!quot; Oom drukte de lippen pijnlijk opeen; dan schielijk: „Als tante je maar gekend, maar eens gezien had, hoe hartelijk gaarne zou ze je dan op mijn verlangen al eens vroeger te logeeren gevraagd hebben; of.... Enfin, enfin, de menschen zijn niet van eenerlei deeg.... Neen, neen!quot;

Een groot kwartier nadat tante vertrokken was, kwam zij terug, en zag Anna weldra een maaltijd voor zich opgedischt, die, hoe eenvoudig dan ook, haar toch het water op de lippen bracht. Wat haalden in deze oogenblikken al de double Rimmels odeuren bij den welriekenden geur, die van dien schotel met gebakken aardappels uitging; welke lijnen ter wereld konden zooveel bekoorlijks hebben als de zachte ovalen der beide blanke eieren op dat schaaltje! Ja, \'t was een zeer eenvoudig maal; tante maakte er schichtig haar excuus over; maar, nadat Anna haar dankbaarheid betuigd had, werd die schichtigheid bijna angstverwekkend toen oom Lijning — juist uit een tegenovergestelden hoek der kamer dan dien, waar hij zoo even gestaan had — de woorden naar de zijde der dames als door e3n sleutelgat schoof: „Er had toch een slaadje bij kunnen wezen lieve, of een stukje vleesch; niet om iets aan te merken, maar omdat nichtje immers twee eiers niet eten zal tegen den nacht.quot;

Anna had medelijden met tante. Ja! waarom \'t vleesch er niet bijgezet, en nog \'t een of ander; maar \'t goede mensch had immers haar best gedaan; in elk geval behoefde oom geen zorg te hebben dat die eitjes haar bezwaren zouden, \'t Was allerbest! heel best! en het smaakte uitmuntend! „Thee? Neen dank u tante, dan liefst nog later een kopje.quot;

Juist achter zich verneemt Anna eensklaps een vreeselijk sissende herhaling van het woordje „thee!quot; vergezeld van een langen nasa-lenzucht, die scheen te boren tot in de diepste kelders van De Runt, en scheen te vragen of daar dan geen wijn of ten minste geen bier meer was! Anna wilde iets zeggen en zag om, maar ze gevoelde alleen een kleine luchtdrukking, waarschijnlijk door het toedoen eener deur veroorzaakt. Oom was verdwenen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Anna\'s kleine horloge wijst ternauwernood negen uren, nu zij zich reeds in het vertrek bevindt, \'t welk haar door tante als voor haar bestemd is aangewezen.

-ocr page 44-

36 ANNA BOOZE.

Het olieblakertje, bij welks schijnsel zij haar intrede in deze woning heeft gedaan, staat op de tafel, en werpt een dommelig licht door het niet te groote vertrek, dat aan de zijde der drie diepliggende vensters, rond is, en door tante de torenkamer genoemd werd. In weerwil van den ongewonen vorm der kamer en de groezelig gele verf, die den muur bedekt, maakt dit vertrek een geheel anderen indruk dan dat, waarin Anna ontvangen werd. De groene ofschoon eenigszins verschoten serge-gordijnen die voor de diepe vensternissen hangen; het ouderwetsche vierkante ledikant met zijn behangsel van dezelfde stoflage; de groote en kleinere kast, de snuisterijen op een latafel; de drie stoelen en fauteuil met paardenharen zittingen, maar vooral ook een menigte kleine en grootere prenten in smalle zeer bedaagde lijsten — zwart met ex-vergulde biesjes — \'t een en ander geeft toch iets gezelligs aan de torenkamer, die voortaan — wie weet voor hoelang — Anna\'s heiligdom zal uitmaken.

„Och, als u de kamer nu maar een klein beetje bevallen mocht!quot; heeft tante nog bij het heengaan gezegd, en Anna\'s antwoord is geweest:

„Wel zeker tante, ze bevalt mij bijzonder; slaap wel tante, slaap wel!quot;

Hoe! sluit de avond van dezen dag zich dan zóó aan den morgen er van? Is Anna\'s bewogen gemoed, dat hart, zoo luide kloppende voor haar dierbaren op De Riethof, nu reeds rustig geworden; heeft zij nü al behagen in haar torenkamer, terwijl zij straks met zooveel smaak de spijzen heeft genuttigd, die men haar heeft opgedischt.

Stil, terwijl Anna na tantes vertrek, nog gekleed in den armstoel is neergevallen, en met de saamgedrukte handen in den schoot, strak in het roode lichtje tuurt, is het wel aanstonds te zien dat de avond van dezen dag zich voor haar wel degelijk hecht aan den droeven morgen. Nietwaar, zij heeft zich kloek gehouden! De woorden van haar dierbare pleegmoeder: „Wees flink mijn lieve, dikwijls wil God dat menschen, die elkander liefhebben, verschillende wegen gaan;quot; maar ook Adams woord aan den bijbel ontleend, en dan de slotwoorden van het „Salut au Seigneurquot; met zooveel innigheid door haar meegezongen, dat alles heeft haar immers, toen ze haar lange reis alleen vervolgde, het besluit doen hernieuwen, om moedig de onbekende toekomst in te gaan, met de dierbaarste en dankbaarste herinneringen, maar ook met een blijmoedig en onbezorgd vertrouwen. En, Anna was sterk; zij heeft zich goed gehouden, uitstekend goed; zelfs in weerwil van indrukken, die hun aanvang met een stooterige koetskar hadden genomen.

En nu, nu zit ze daar en peinst; de eene gedachte verdringt de andere, \'t Is kinderachtig misschien, maar het hindert haar schier dat ze straks met zulk een graagte heeft gegeten.

— \'t Moet een soort van geeuwhonger zijn geweest; ja, want vooraf heeft zij gedurig gegeeuwd. Maar, had ze haar vrienden dan daardoor verloochend? Had ze moeten veinzen geen eetlust te hebben? Neen \'t was kinderachtig!

— Doch, peinst Anna voort, cn zij tuurt nog strakker in de

-ocr page 45-

ANNA KOOZE. 37

kleine vlam — zal ik niet moeten veinzen indien ik mij hier on-

felukkig gevoel? Zou mijn tevredenheid dan geen huichelen zijn! ij moet den weg gaan dien God haar wijst.. .. Goed. — Maar is die magere oom met zijn blauwen bril dan God? Die oom heeft gezegd: Den laatsten October wachten we Anna in onze woning. Als papa nog leefde zou God gezegd hebben: Blijf bij de lieve Marnix! Maar — Gods wil was het toch ook geweest dat die beste vader sterven zou....elukkig gevoel? Zou mijn tevredenheid dan geen huichelen zijn! ij moet den weg gaan dien God haar wijst.. .. Goed. — Maar is die magere oom met zijn blauwen bril dan God? Die oom heeft gezegd: Den laatsten October wachten we Anna in onze woning. Als papa nog leefde zou God gezegd hebben: Blijf bij de lieve Marnix! Maar — Gods wil was het toch ook geweest dat die beste vader sterven zou....

— Die arme goede papa! voor twee jaren was hij nog zoo vroolijk en opgeruimd. Hij was toen met verlof. Anna heeft toen een uitstapje met hem naar Den Haag en Rotterdam gemaakt. Ze hebben samen in de laatste plaats nog het graf der lieve vroeg gestorven moeder bezocht — die was óók blond, evenals tante. Anna herinnert zich dat zeer goed; en in haar werkdoos was een rolletje, waar ze kleine Anna nog mee gemeten heeft. — Toen papa met naar bij die zerk heeft gestaan, sprak hij zonderling bewogen:

„Best lief wijfje! al veertien jaren lig je daar onder dat koude harde ding. Kon je nou ons krullig bruintje eens zien hé! — Kom Anna, kom!quot;

Anna was heelemaal koud en vreemd geworden, want papa had haar zoo raar, zoo hard met den arm om haar hals naar zich toegetrokken, en — terwijl hij naar de zerk wees — op zoo\'n wonderlijken, ze zou haast zeggen zoo\'n schrei-achtigen toon er bijgevoegd: ,Dat mensch kon geen onrecht zien. Slaap zacht, best wijfje! Als de steken gelijk hebben dat er van een menschenkind nog wat overblijft, dan ben jij een engel geworden, een engel van waarheid! Ja, als het waar is!quot;

„Maar dat is waar, dat is zeker waar. lieve papa,quot; heeft Anna gezegd.

„Zooveel te beter, best bruintje,quot; heeft hij toen geantwoord: „Als er dan ook van den raren zeerob wat overblijft, dan komt hij je nog eens opzoeken hoor, zoodra de golven bij hém doen wat die zerk doet — daar!quot;

Schielijk had hij het hoofd ter zij gewend en waren ze heengegaan.

Maar \'s middags aan tafel bij de Van Wals in De Boompjes, was papa weer zoo vroolijk geweest alsof er niets gebeurd was, en had zee-anekdotes verteld, en lachend van Broer Lijning gesproken, dien hij nu eens de Nederlandsche Bank, dan wedor een gepolitoerde oude Rus, maar \'t meest nog zijn ijzeren spaarpot noemde: een juweel van een zwager, voor iemand die, zooals hij — papa — niet veel meer van geldzaken wist, dan dat men van honderd gulden er slechts viermaal vijf en twintig kan uitgeven. Zóó, vroolijk en opgeruimd, had hij ook dien laatsten morgen bij \'t afscheid op De Riethof, de Suissess\' en Emma, en zelfs de altijd ernstige juffrouw Marnix — ofschoon de laatste met eenige terughouding •— nog aan \'t lachen gemaakt, door de comische wijze, waarop hij, wat de materieele zaken betrof, als vanouds, een adreskaartje op zijn ijzeren spaarpot had afgegeven. Papa had er echter bijgevoegd, dat het ijzer harder dan ooit was, omdat, zooals hij van zwager vernam, de Oostenrijkers

-ocr page 46-

38 ANNA BOOZE.

tegenwoordig zeer laag stonden; terwijl hij ten slotte verzocht van rouwbeklag verschoond te blijven, wanneer de dames soms mochten vernemen, dat Jan Rooze een heeten bol geslikt of een al te gra-veelig zeebad genomen had.

Maar neen, dat was toch niet aardig geweest; de tranen waren Anna in de oogen gesprongen, en schreiend was ze haar lieven vader om den hals gevallen. En hij ... toen had hij bleek gezien, erg bleek, en had haar teederlijk gezoend, verscheidene malen, alsof hij een voorgevoel had dat hij net voor \'t laatst deed, voor \'t allerlaatst. Maar — eer hij uit haar oogen verdween, heeft hij nog gezegd: „In alle geval, ik kom je opzoeken, innig hartelijk bruintje; kom, schrei niet, zout water genoeg in de wereld. Dag lieve! vaarwel!quot;

Zoo is hij heengegaan, en hem weerzien zal ze nimmer, want.... Maar ja, ja wel. Hu heeft ze hem gezien; zóó aan hem peinzende, heeft ze hem duidelijk, heel duidelijk weergezien, met een gloeien-den traan in het meestal blij lachende oog. Ja hij heeft woord gehouden; hij is er geweest, en nóg eens heeft hij gezegd: „Waarheid! waarheid! Als je moeder daarboven leeft, lief bruintje, dan is zü een engel van waarheid.quot;

Een engel der Waarheid!

Op dit oogenblik tintelen Anna\'s zielvolle oogen met buitengewonen glans.

Vraag haar niet wat er omgaat in hare ziel, zij kan het niet duidelijk verklaren; maar het is haar alsof ze tot nu toe dwaalde op onbekende wegen, en nu eensklaps een wegwijzer ziet, die haar het land der bestemming wijst.

Het is haar — o wonderlijk gevoel — alsof zij, het kind in den morgen, als met een tooverslag is opgewassen en krachtig geworden tot een vrouw. Ja, al starende in het weifelend vlammetje, heeft Anna een zon zien opgaan, een prachtig schitterende zon, en half overluid klinkt het nog eens zacht van hare lippen:

„Een engel der Waarheid!quot;

Alsof ze een besluit heeft genomen, een kloek verheven besluit, rijst ze snel van haar zitplaats en uit haar peinzende houding op, en, als ze daar nog staat en het kleine lichtje van haar slanke ja vorstelijk schoone taille met dat rijkgelokte hoofd, een krachtige reuzin op den groezelig gelen muur heeft geteekend, dan slaat ze — doch te laat — naar een verkleumd Novembermugje, dat al gonzend in de mooie roode vlam vloog.

Arm schepseltje, het had zich te ver gewaagd; nu ligt het zieltogend neer en trekt de haarfijne pootjes krampachtig saam.

Toen Anna\'s hand een vruchtelooze poging deed om het diertje te behoeden, werd de hand der vlakke schaduwreuzin op den muur wonderlijk groot, en gleed de schaduwvinger over een Jezus met de doornenkroon, die ginds, bij wijze van „schilderijtjequot;, in den hoek hing.

En — vóór dat Anna Rooze het moede hoofd in het kussen drukt, en de slaap zachtkens langs haar donkere wimpers glijdt, gaat die gansche wonderlijke dag met al zijn beelden nogmaals haar geest

-ocr page 47-

ANNA BOOZE. 39

voorbij. Haar lieve trouwe Marnix klemt ze in haar verbeelding vast aan \'t hart; al haar lieven kust en groet ze: Slaapt wel! slaapt wel! — Haar dierbare Emma, die lieve blonde onschuld, zoent ze met een innigheid alsof ze \'tnoodig vond haar te bewijzen dat ze haar toch boven alle anderen liefheeft, en....

Is er iets ziekelijks in dat denkbeeldig omhelzen, is het in strijd-...? \'t Is al wél dat zij niet losbarst in tranen, het kind der kostschool, het kind dat geheel onder vrouwelijke leiding is grootgebracht. \'t Is al wél dat ze niet angstig rondziet in dat vertrek.... onder dat ledikant misschien, aleer zij ter ruste ging. Maar, zal er iets meer zijn, en moet het bewijs geleverd dat geen ziekelijk bloed die blanke slapen marmert, noch het jonkvrouwelijk hart doetklop-en? Hoor, na het denkbeeldig omhelzen der geliefden, heeft Anna et beeld van een blonden schoonen jongeling, \'t welk zich sinds den laten voormiddag reeds zoo dikwijls opdrong aan haren geest, met kracht van zich afgestooten, en daarna nóg eens haar Emma in de armen gedrukt, zusterlijk teeder! — Zóó moet ze in slaap zijn gevallen.

Toen ze tegen den morgen wakker werd, ofschoon \'t nog donker was, wist ze niet waar ze was. O ja, in de citadel van Antwerpen.... Neen, daar had ze van gedroomd; en, zulke donkere gangen waren er, en daar was een leelijke man, en •— maar verder wist ze het niet. Toen is ze weer ingedommeld. Nu, nu ze snel het hoofdje oplicht uit het kussen, de ledikantgordijnen ter zijde houdt, en de donkergroene venstergordijnen ziet geboord met het licht van een zon-nigen herfstdag, nu ze nóg eens een welluidende stem hoort vragen: „Nichtje Anna, wilt u opstaan?quot; nu weet ze — ja, mi weet ze waar ze is.

„Ja, ja, lieve tante!quot;

En dan: — Moed gevat Anna. Ha, de zon schijnt helder, en dat landschap daarbuiten — o,\'t is heerlijk, prachtig, betooverend schoon!

VIJFDE HOOFDSTUK.

Tusschen de torenkamer der Ridderhofstad De Runt en de groote zaal, waar Anna gisteren ontvangen werd, is de studeerkamer van mijnheer Lijning. Vroeger te Groningen werd de kamer van mijnheer Lijning meer eigenaardig het kantoor genoemd, want hij deed allerlei zaken, zoodat er op de brieven aan zijn adres nu eens kassier of bankier; en dan weer voornaam zaakwaarnemer of koopman in Westfaalsche hammen had gestaan, ja eens — en dit tot groote vreugd van heeren brievenbestellers, die een kleine nieuwjaar en nooit een kermis kregen: zielverkooper, en nóg eens — o wat uitbundig gelach — voornaam bloedzuiger. Wat die laatste titulaturen

-ocr page 48-

40 ANNA ROOZB.

betrof, mijnheer Lijning had zich dat niemendal aangetrokken, niets niemendal; van anonieme brieven kon men niets anders verwachten.

Rempla(;ant-bezorger — was dat in dezen tijd niet een zeer fashionable administratie, vrij wat hooger te schatten dan b. v. directeur van een levensverzekeringmaatschappij? Hier was het. menschen, die elkanders hulp behoefden, tot elkaar brengen; jongelingen voor hun families behouden, of anderen in de gelegenheid stellen hunne arme betrekkingen te steunen; maar daar speculeeren op dat monster, den dood! bah! „Voornaam bloedzuigerquot;, mijnheer Lijning had er waarlijk ook om moeten lachen. Als het geen onaangename bedoeling gehad had, dan zou hij zich zelfs vereerd hebben geacht met die titulatuur. Nietwaar, bloedzuigers waren de redders dermensch-heid, zij namen het kwaad weg uit de wereld en behielden dit slechts Voor zich zei ven.

Maar toch, kort na de ontvangst van deze brieven, en nog andere met zeer korte deftige adressen, en een kleinen oploop in de straat, waar mijnheer Lijning woonde, heeft hij eensklaps het besluit genomen om de zaken te quiteeren — althans de zaken te Groningen — en zich elders te gaan vestigen.

Omstreeks dien tijd hadden de couranten van een belangrijke verkooping gewaagd, de veiling namelijk van „het uitgestrekte zeer rentegevende landgoed, genaamd de Ridderhofstad De Runt, nabij Mulderspeet, en op een half uur afstand van Hoog Burlo op de Veluwe in Gelderland.quot;

De veiling van dat kolossale doch eenigszins afgelegen landgoed niet bouw- bosch- wei- en heidegronden, circa 800 bunders groot, had plaats gehad, en de erfgenamen van den voormaligen eigenaar, den Baron Van Koevertol van De Runt, hadden de perceelen of ook de massa\'s der perceelen doen gunnen, aangezien er zich voor het geheel geen kooper had opgedaan.

Waren de graan- en weilanden, alsook de bosschen en heigronden bijzonder goed tot hun waarde gekomen, het eerste perceel, ofschoon in den volumineuzen catalogus, door den te Mulderspeet resideeren-den notaris zoo nauwkeurig beschreven, als zijnde;

„Een eenig prachtig solied en hecht doortimmerd kasteel, met toren en deszelfs verdere getimmerten, als daar zijn : koetshuizen, stallingen, tuinmanswoning, mitsgaders: wachthuis, kapel, duiventil, wapenpoort, kippenhokken als anderszins, omringd van vischrijke grachten en vijvers; met ophaalbrug, breede laan, riante tuinen zoo bloem- als moes- en divertissement-tuinen, met derzelver vrucht-boomen, trek- en broeikassen, bergschuur en verderen opstand; mitsgaders een groote appel- en pereboomgaard, daaraan palende; bevattende eerstgenoemd kasteel, nader omschreven en genaamd de Ridderhofstad De Runt, behalve de groote Ridder- en Gobelin-zalen, elf kamers,quot; enz. enz. — dat ellen lang beschreven eerste perceel, groot 2 bunders 92 roeden 18 ellen, had slechts een spotprijs kunnen doen, en was toegewezen aan een bankier of kassier te Groningen die —_ zonderling genoeg — geen der andere perceelen bosch- wei- hei- of bouwland gekocht had.

-ocr page 49-

ANNA ROOZE. 41

De koop van het eerste perceel door den heer Lijning, had echter al spoedig tot velerlei praatjes aanleiding gegeven. Men herinnerde zich immers dat een paar dagen vóór den verkoop, het gerucht was verspreid, dat het in de kap van het kasteel niet pluis was. — Niet pluis. Onzuiver? Ja well — Zelfs had men beweerd dat de groote zaal en eenige andere kamers er mede niet vrij van waren.

\'t Is merkbaar geweest dat dit gerucht op de „liefhebberijquot; voor het eerste perceel een grooten invloed heeft uitgeoefend; maar onverklaarbaar is het gebleven dat Jozef, de knecht van den baron Geereke van de Renghorst, die vermoedelijk in last van den baron zou koopen, aangezien de baron wel wist dat het gerucht van „onzuiverquot; een leugen was — dat Jozef, terwijl hij bij den inzet wel degelijk is tegenwoordig geweest, bij den verkoop eerst na de

Sunning van het vijfde perceel ter verkoopkamer is verschenen.unning van het vijfde perceel ter verkoopkamer is verschenen.

loe dat gekomen was vernam niemand; maar stellig heeft men verzekerd, dat Jozef, nog vóór den geheelen afloop der verkooping, reeds aan den vreemden kooper aanzienlijke winst voor dat eerste perceel geboden had.

Op dit oogenblik zit mijnheer Jan Jasper Lijning, in zijn studeerkamer achter de bruingeverfde groen-liouten schrijftafel met hoo-gen opstand, waarin zich een menigte loketten bevinden. De hooge rug der tafel is naar de deurzijde gekeerd, terwijl de rechterzij tegen den muur geplaatst is.

Juist nevens het raam bevindt zich een kleinere kerkbank-kleurige schrijftafel, waarop een menigte papieren den looden inktkoker omringen, en waarachter een zeer oude lederen leuningstoel geplaatst is.

Wanneer een bezoeker binnentreedt, krijgt hij den indruk alsof de groote schrijftafel, waarop een gipsen Apollo met de voorzijde naar de deur gekeerd te prijken staat, een vreemdsoortig kastje is, dat in den donkersten hoek der kamer werd gezet, terwijl men den eigenaar der kamer —- die niet in zijn lederen stoel te zien is — vruchteloos zoekt, en op het denkbeeld komt, of hij zich mogelijk achter de vaalgroene gordijn in een aangrenzend vertrek of kabinetje bevindt.

Mijnheer Lijning echter zit met zijn schrijf- of studeerwerk steeds achter den grooten lessenaar, die zoo dicht bij den muur in den hoek staat. Op dit oogenblik stelt hij een zeer ingewikkelden brief; het betreft een zaak van groot belang. De Mulderspeetsche notaris heeft alles zeer juist in den calalogus beschreven, en de voilcondi-tiën met de meeste zorg geregeld, doch — hij heeft een zaak van aanbelang al te duidelijk, en daardoor zeer verward gemaakt. Eenige perceelen bosch- en bouwland, door den baron Geereke van TJland gekocht, hadden hun uitweg over het eerste perceel, dat in het bezit van den heer Lijning kwam.

Zoodra mijnheer Lijning eigenaar was geworden, had hij dien boschweg, op de grens van zijn terrein — ter halverwegen en op ongeveer vijftien ellen afstand der reeds genoemde larikslaan — versferd, door er een breede en diepe geul te graven, terwijl hij

-ocr page 50-

42 ANNA ROOZE.

het gedeelte van dien weg — de gezegde vijftien ellen er van die zijn eigendom waren — had laten omrioelen en met acasiastek beplanten.

De baron Geereke van Uland, die zijne van De Runt gekochte bosscben, voor een gedeelte vellen wilde, was niet weinig verwou-■derd toen aan het reeds kostbare vervoer der oude eiken en beuken «en zoo geduchte hinderpaal was in den weg gesteld, en hij zich den natuurlijken uitweg benomen zag.

Veilconditiën, notaris noch wet hadden hem eenig licht in die ■duistere zaak gegeven. Het punt der bezwaring van uitwegen was in de

fenoemde conditiën dan ook zoo haarfijn en netjes beschreven datenoemde conditiën dan ook zoo haarfijn en netjes beschreven dat

et voor allerlei uitlegging vatbaar was.

„Het uitwegen der perceelen,quot; zoo luidde de laatste alinea: „geschiedt alzoo als, vanouds gebruikelijk, ieder perceel hebbende zijn eigen uitweg en zal vrijelijk kunnen uitwegen door hetzellde doch niet door eenig ander perceel.quot;

De bedoeling was eenvoudig dat alle wegen op het landgoed, wanneer het in perceelen zou verkocht zijn, moesten blijven bestaan, doch dat men over het goed van anderen niet anders dan op die «itwegen zou mogen rijden, en alzoo geen nieuwe sporen maken.

Mijnheer de notaris had de zaak heel helder willen voorstellen, maar de drie en twintig regels over deze zaak, die de aangehaalde slotwoorden nog onduidelijker maakten, hadden den heer Lijning doen handelen zooals hij gedaan had, en verder tot een correspondentie aanleiding gegeven, in welke correspondentie hij mi juist verdiept zit.

Op hetzelfde oogenblik dat mijnheer Lijning zijn handteekening heeft gezet, waaruit men evengoed een honderd elf duizend, éen honderd elf millioen enz. enz. als J. J. Lijning kan lezen, wordt er aan de deur geklopt.

„Binnen!quot; roept Lijning, nadat hij in een leeg loketje heeft getast, en daarbinnen met een spijker, die in een houtnoest steekt, dien houtnoest uit het achterschot van de schrijftafel heeft getrokken. en het hoofd ter zijde buigt om door dat ,zeernatuurlijkekijkgatquot; op de deur te kunnen zien. — Te Groningen vooral heeft dat kijkgaatje veelvuldige diensten gedaan.

„Daar is de baron Geereke, lieve!quot; zegt mevrouw Lijning op den drempel.

„De oude baron....? hij zelf?quot;

„Neen \'t moet een jongmensch wezen, lieve!quot;

„Hm! Best, laat mijnheer boven, Co-Mie!quot;

Weer wordt er op de deur getikt. Alsof er een stem zeer van verre kwam, klinkt het: „Binnen!quot;

Lijning tuurt door het kijkgat. Daar treedt een tenger doch zeer welgemaakt jonkman de kamer in. Zijn schoon — bijna vrouwelijk schoon gelaat, heeft een zeer aristocratischen trek; glanzige zwarte krulharen en een klein kneveltje van dezelfde kleur doen de blankheid van zijn gelaatskleur te sterker uitkomen, doch ofschoon de vorm van zijn neus en mond niet voor dien van den Apollo op den

-ocr page 51-

ANNA ROOZE. 43

schrijflessenaar behoeft onder te doen, hebben zijn groote bruine oogen insgelijks ai weinig meer uitdrukking dan die van den groezelig witten Apol. Gekleed in een groen jasje met jachtknoopen, de hooge laarzen reikende tot boven de knieën en over de grijskleurige pantalon gespannen; den groenen jachthoed met de stereotype pa-trijzepen in de eene, en een rijzweepje in de andere hand — welke handen met bruin gerasleeren handschoenen zijn bedekt — staat jonker Ernst Elmir Geereke daar op den drempel, en ziet het vertrek rond met de, voor Lijning bekende, uitdrukking op het gelaat: Is er niemand! en men heeft „binnenquot; geroepen....?

Lijning trekt het hoofd van het loketje terug; zet schielijk den blauwen bril voor zijn helgrijze oogen, en de wijze, waarop hij van achter zijn hoogen lessenaar, schier schuivend langs den muur en langs de vaalgroene gordijn, die voor Anna\'s kamerdeur hangt, te voorschijn komt, heeft niet slechts iets bijzonder verrassends, maar brengt tevens door zijn snelle wending — van ter zij naar voren — den bezoeker in den waan, alsof de man van achter die gordijn en dus uit een aangrenzend vertrek is binnengekomen.

„Wien heb ik de eer?quot; zegt de magere man met den blauwen bril, terwijl hij den jonker met een paar snelle sleepsabelachtige passen nadert.

„Ik heb mij als jonker Geereke laten aandienen, mijnheer,quot; zegt de jonker met een lichte hoofdbuiging: „Heb ik het genoegen mijnheer Lijning te zien?quot;

,\'t Genoegen is waarlijk geheel aan mij!quot; verzekert de heer Lijning: „\'t Verheugt mij bijzonder., bijzonder . .. bijzonder! Neem plaats mijnheer de baron. Uw papa welvarende? Neem plaats! Zeker op de jacht? Superber weertje! Ze zeggen anders, met veel wild van \'t jaar, maar een goed jager.. .. ja ... ja!quot;

De jonker, die den spreker reeds in de rede heeft willen vallen, had zich inmiddels op den stoel gezet, die door Lijning juist tegenover het raam geplaatst was, terwijl hij zelf met den rug naar \'t licht in den ouden bruinleeren stoel is neergegleden.

„Daar ik in deze buurt ging jagen, heeft mijn vader mij verzocht u in persoon over de bewuste zaak te gaan spreken.quot;

„O waarschijnlijk.... hoogstwaarschijnlijk over die bewuste zaak,quot; zegt mijnheer Lening op zeer slependen toon: „Ja ja mijnheer de baron, dat is een fataal misverstand, een alleronaangenaamst misverstand; als men zoo iets had kunnen voorzien — ja!quot;

„Mijn vader verzocht mij u nóg eens mondeling te herhalen, wat hij in zgn laatste letteren schreef, en \'tgeen — indien ik mij goed herinner —quot; de jonker kijkt in zijn groenen flambard alsof hij de les daarin had verborgen — „hoofdzakelijk hierop neerkomt dat u, dat u... . nietwaar van die geulen....?quot;

„Waarschijnlijk.... ja wel mijnheer de baron!quot;

„Dat u enfin, dien boel weer\'in orde zoudt brengen. Wat mij betreft, ik ben niet bijzonder op de hoogte van zulke dingen, maar....quot;

„Neen neen, dat spreekt van zelf; op uwe jaren, mijnheer de baron....

-ocr page 52-

44 ANNA BOOZE.

maar de zaak is onaangenaam; niet alleen voor mijnheer uw papa, maar inzonderheid ook voor mij; zeer, zeer onaangenaam!quot;

Alsof hij op eens geheel op de hoogte der onaangename zaak is gekomen, ziet de jonker eensklaps in Lijnings blauwe brilleglazen en herneemt:

,0 ja, mijn vader verzocht u beleefdelijk in aanmerking te willen nemen, dat de bedoeling der condities geen andere kan geweest zijn: dan het recht van uitwegen aan de koopers der verschillende per-ceelen, langs de gewone en bestaande wegen, te verzekeren, en dat u dus....quot;

„Ja! ja!! jhaaü!quot; valt hier de heer met de blauwe brille-oogen langzaam en met verheffing in: „Daar zit \'em juist het onaangename van de zaak mijnheer de baron; in de laatste alinea van de conditie der uitwegen, daar lees ik zeer bepaald: dat ieder perceel zijn eigen uitweg heeft, en niet — let wel — door eenig ander perceel. Dewijl nu het door mij gekochte perceel ook juist geleidelijk op den Mul-derspeetschen straatweg zijn uitweg heeft, zoo kon er van mijne zijde geen reden bestaan om te gelooven dat niet al de overige per-ceelen — zelfs die, welke in het centrum liggen — hetzelfde voorrecht zouden hebben. Ziet u mijnheer de baron, in het vaste denkbeeld dat mijn erf vrij van alle servituten en lasten zou wezen, besteedde ik voor dit kalm en heerlijk gelegen plekje een som, die mijne krachten — ja ik wil het u niet verzwijgen — schier te boven ging; maar ziet u, \'tgeschiedde in het welbegrepen belang van een minderjarige, en, nietwaar, indien men dan rechten verkrijgt en duur heeft betaald.... nietwaar....?quot;

„Ja, wat dat betreft,quot; zegt de jonker verstrooid, en denkt, terwijl hij van den mageren tanigen spreker den blik naar een schuin tegenover hem hangenden tamelijk verweerden spiegel heeft gewend, en daarin zijn eigen gelaat — ofschoon eenigszins nevelachtig — heeft ontmoet: Hemel beware, wat een onderscheid!

„Nietwaar,quot; vervolgt Lijning eenigszins minder slepend: „dan is het iemands plicht, vooral in \'t belang van die minderjarige, zijn duur verkregen recht te handhaven, en, wat recht is, mijnheer de baron, dat zult u zoomin als mijnheer uw papa iemand, wie dat ook zij, betwisten willen.quot;

„Neen, wat dat betreft,quot; zegt de jonker nog eens, maar hij denkt aan iets anders. Mynheer Lijning had al een paar malen van een minderjarige gesproken. Straks op het binnenplein heeft hij — ofschoon vluchtig en slechts op den rug, een verduiveld mooi tailletje, met prachtige donkere krullen om den ranken hals, gezien. Weer kijkt hij in den spiegel, en strijkt nu haastig langs het voorhoofd om een vlekje te verdrijven, dat echter slechts door een verweerd sterretje in het glas op zijn beeld in den spiegel geworpen is.

„Hoe gaarne ik daarom aan den wensch van mijnheer den baron uw papa zou willen voldoen,quot; vervolgt Lijning: „ik kan en mag daarin niet treden. Zooals ik de eer had u te zeggen, ik heb mijne rechten zeer duur gekocht, en nietwaar, indien ik alleen ten behoeve van ZijnEedle op mijn terrein, een stuk van dien voor mij onnoo-

-ocr page 53-

ANKA ROOZE. 45

digen weg in wezen liet, zou ik mij minstens een vijftien ellen bruikbaren grond benadeelen, en natuurlijk ...quot;

„Neen natuurlijk!quot; zegt de jonker, maar veegt opnieuw langs de wang want, weer in den spiegel ziende, bespeurt hij — nu iets lager — een zwart plekje op zijn aangezicht.

„U begrijpt het zeker best mijnheer de baron,quot; herneemt Lijning: „en in ieder geval zal immers mijnheer de baron uw papa niet verlangen dat ik — behalve mij een servituut te getroosten, waardoor mij mijn rust wordt benomen — dat ik Zijn Ledle dien grond als \'t ware cadeau zou doen ?quot;

„Neen waarachtig niet!quot; schrikt de jonker overluid, en bij zich zeiven: Wat verbeeldt zich die perkamenten ploert! Eensklaps opstaande en nogmaals in den spiegel ziende, maar te gelijk bemerkende dat dat ding ellendig verweerd is, precies als die leelijke parvenu, zegt hij snel, terwijl hij het patrijzeveertje glad langs den hoed strijkt:

„En dus dat het niet kan ... nietwaar?quot;

„Neen, ten minste ...quot; sist Lijning, terwijl hij mede opstaat en drie schreden naar voren glijdt.

„Ten minste, mijnheer...

„Men zou belanghebbenden en minderjarigen kunnen hooren,quot; antwoordt de man met den blauwen bril: „Ja nietwaar, dat zou men kunnen doen: en dan.... indien men tegen behoorlijke restitutie. . Ziet u, wanneer men het eens kon worden . Och, maar met

geldzaken zal ik mijnheer den baron maar niet vermoeien,quot; valteldzaken zal ik mijnheer den baron maar niet vermoeien,quot; valt

ijning zich zelf in de rede: „Ik heb u waarlijk al te lang met deze zoo heel onaangename zaak opgehouden.quot; Op minder slependen toon: „Uitmuntend weertje voor de jacht vandaag mijnheer de baron, uitmuntend!quot;

„Dus dat mijn vader die gronden of bosscben van u koopen kan,quot; zegt de jonker haastig, en ziet nog eens in dien „lammen spiegel.quot;

„Dat is te zeggen ... dat is te zeggen,quot; herneemt Lijmng, en vat een der jachtknoopen van \'s jonkers jas vertrouwelijk tusschen zijn magere spitse vingers: „Indien mijnheer de baron dat uitweg-recht wilde koopen, ja!! men zou zien, men zou zien!! Voor geen duizend gulden zou ik het willen! maar!!quot;

Die vervelende vingers aan zijn knoop! — Beroerde kerel, laat los! denkt de jonker, en doet een schrede terug. De vingers houden echter vast.

„Ziet u, het geldt alleen de zaak der uitwegen, mijnheer de baron, en ja, indien men begrijpt dat in rechten de zaak geheel aan mijne zijde is, dan zullen twee zak guldens ...quot;

— Die ellendige ploertige vingers! Met een zeer snelle beweging wendt de jonker zich om, zoodat de vingers wel moeten loslaten.

„Bonjour mijnheer! bonjour! Dus: voor twaalfhonderd gulden----?quot;

zegt de jonker haastig en wil met een zijdelingschen groet de kamer verlaten.

Mijnheer Lijning, ofschoon hij weer eensklaps voor den jonker heeft post gevat, kan niet verhinderen dat deze de deur opent en.

-ocr page 54-

46 ANNA EOOZE.

terwijl hij nog eens zijdelings groet, inderdaad in de boveneane stru

treedt. schi

Dat heertje is zeer vlug ter been, zelfs mijnheer Lijning heeft d®

werk om snel genoeg de kamerdeur van buiten op slot te draaien laa\'

en hem naar beneden te volgen. me]

Midden op de breede trap moet mijnheer de baron echter nog v0lt;1

vooral begrijpen, dat men niet dan noode, zeer zeer noode tot »

dien prijs zal toegeven; niet zoozeer om de waarde van den grond, ste

maar om het servituut en het recht. Dil

— Ja wel, dat begrijpt hij. Op zij is die snaak nog leelijker dan zie

en face. f

Jonker Ernst hoort niet meer wat die lange lijs van zijn uitwegen W

zanikt. Bij \'t afgaan van de steenen trap, sist het achter hem of tei

hij niet \'t een of ander had willen gebruiken? De jonker wendt nif zich nog even om ; licht met een vlugge beweging den groenen hoed

van het hoofd, en stapt zoo haastig hij kan het binnenplein over, cr

de oude wapenpoort door, en verder over de kleine grachtbrug hi

rechts, de laan van zware lariksen in. bl

Nu hij weer buiten is, gevoelt jonker Ernst zich wel honderd

pond lichter, \'t Was een vervelende gewoonte van zijn vader om 111

hem, als hij eens buiten was, met zijn commissies lastig te vallen. d(

Men kon niet zeggen hier of daar naar toe te gaan, of \'t was t»

altijd: „Hé, dan moest je hier of daar eens aanloopen,quot; en dan g ellenlange histories, om er wee van te worden. Was dit nu weer

een affaire voor hem geweest! Als zijn vader dan overal en met de t

geheele wereld zaken nad, en die niet zelf beredderen kon, waarom v

nam hij dan niet, zooals iedereen, een rentmeester of homme d\'affai- t

res! Ajasses, die ploert van een parvenu hield hem bij dien knoop 0

vast. Die knoopen moeten er af. Bah! Hij heeft er laatst verduiveld c

mooie gezien, zilver met ivoor, haasjes, paardekopjes, jachthorens, \'

verduiveld chic! Hij zal er van avond den Utrechtschen kleerenfrik 1

om schrijven. — En, dan wou die magere snaak hem nog een hand geven. Merci! Net gedaan alsof hij \'t niet zag. Ajasses! — Anders die kerel had gelijk. Onbegrijpelijk was \'t dat zijn vader van zoo\'n min individu landerijen of wegen — wist hij \'et! — present wou hebben. Die vent had gelijk, \'t was klaar: wie zou een ander voor niemendal gronden of wat het ook was, in gebruik geven? \'t Stond immers duidelijk in die conditie. Indien hij zich wel herinnert dan heeft de vent twaalf duizend gulden gevraagd. Papa was ijselijk mesquin tegenwoordig; om nu weer bij voorbeeld vis-a-vis zoo\'n snuiter op een duizend gulden of wat dood te bleven. Zoo\'n arme troep, en dat op De Runt! — Wat \'en spiegel!

Zoo bij zich zeiven pruttelende, vervolgt jonker Ernst zijn weg, om ginds bij het voormalige Boschwachtershuisje den jachtwagen — die ter wille der doornatte paarden wat op en neer zou rijden — terug te vinden, terwijl het jachtgezelschap hem in de Mulderspeetsche herberg wacht.

\'t Is niet vreemd dat jonker Ernst, juist op dit oogenblik, terwijl hij met de korte rijzweep naar de roode blaadjes van een braam-

-ocr page 55-

ANNA KOOZE.

struik slaat, aan een „minderjarigequot; denkt, want, op geen tien schreden afstanda komt, uit een zijpad, hetzelfde ranke tailletje — met de prachtige donkere krullen — dat hij straks al gezien heeft, damp; laan in, en gaat, nadat het even omzag en daarbij den jonker bemerkte, blijkbaar met versnelden tred „vlug als een hazewindjequot; voor hem uit.

„Te drommel!quot; zegt de jonker hoorbaar, terwijl hij voelt dat een sterke blos zijn wangen kleurt, en houdt eensklaps zijn schreden in. Dit duurt echter slechts een oogenblik. Zulk wild, zoo n nobel reetje ziet men niet alle dagen. Sapperloot!

Sneller stapt hij voort, en komt het tailletje al nader en nader. Weer houdt hij in. Wat zou hij doen? Haar voorbijgaan, haar groeten, en dan ...? dan zag zij hem op den rug! Aanspreken, zoo maar aanspreken dat gaat niet.

—• O wat een heerlijk rank figuurtje. Heerlijk! en wat „sjeetquot; die crinoline goed; dat is nu sedert hij buiten is de eerste crinoline, die hij ziet dat chic zit; niet ploertig al te wijd. Als hij zich in dat oogenblik niet heeft vergist dan moet dat bakkesje verduiveld mooi zijn,

— Precies Marie van de Von Scheeles met de Utrechtsche kermis! Waarachtig daar heb je\'et, net precies! Toen is ie „tot over de oorenquot; geweest, maar Marie dóór en dóór fatsoenlijk! Nog \'en bracelet — en met eenige jongelui een toertje naar de Bildt aan d\'r gegeven; maar Marie, waarachtig, fatsoenlijk dóór en dóór!

— En nu hier zoo\'n idealisch wezen! Zou ze naar \'t dorp gaan? \'t Is en drommelsch end! Ginds in \'t midden der laan komt de jachtwagen aanstappen. Ha! hij kan de schoone aanspreken en vragen bijvoorbeeld, of hij \'t genoegen mag hebben haar een plaatsje te offreeren en naar \'t dorp te rijden. Wat een dol idee, alsof ze \'t doen zou! Haar naar den weg vragen ...? Ja da\'s beter, ofschoon het naar den bekenden weg zal zijn. Hjj moet haar toch onder dat lieve kleine hoedje zien. — Verduiveld wat loopt ze! — Pof! daar staat ze stil. Hij ook. — Zie de voering van haar effen zwart kleed is in een boomwortel blijven haken.

— Te droes dat is gracelijk zooals ze het rijkgelokte kopje omwendt en over den ronden schouder naar omlaag ziet. Maar \'t was vruchteloos dat ze snel een achterplooi van haar kleed vatte en het trachtte los te wippen uit de vaste klem. De nijdige lariksvoet wilde niet loslaten.

„O permitteer! Mag ik het plezier hebben? Wacht, pardon?quot; zegt een stem ter hoogte van Anna\'s middel; en zij, om ruimte aan het kleed te geven, buigt zich eenigszins achterover, en zegt, door het dubbel gevangen een weinig in verwarring:

„U is wel beleefd. Vriendelijk dank mijnheer.quot;

„Pardon, o pardon,quot; zegt de jonker terwijl hij zich opricht, en\' dan op hoffelijke wijze groetende, terwijl hij het meisje haastig aan haar linkerhand ter zijde treedt:

„Die wortels zijn lastig, ijselijk lastig, enorm! Men moest ze laten afhakken niet waar?quot; Zachtjes bij zich zeiven: — Allemachtig! wat. \'n beeldig gezichtje!

47

-ocr page 56-

1 ■- \' 48 ANNA BOOZE.

,Men dient met zulke lange kleeren maar wat voorzichtig te zijn \'t mijnheer!quot; zegt Anna met zachte stem. kc Terwijl jonker Ernst aan Anna\'s zijde voortstapt, en inderdaad op Ei uiterst beleefden toon het gesprek met haar zoekt te vervolgen, 01 wordt Anna hoe langer hoe meer overtuigd dat die schoone jonkman, \'t zij op een zeer lagen trap van ontwikkeling staat, of wel v! de zwakkere helft — zooals helaas maar al te dikwijls geschiedt— vlt; van een kolossale alledaagschheid verdenkt. vi Vermoedelijk naar aanleiding van dat haken der japon aan den et boomwortel, spreekt hij met een inderdaad bedroevend Aglaja-ver- ai stand over de nieuwste dames-modes, die zoo elegant en chic staan, le en lacht zelfs over de smakeloosheid van sommige dames, toen ze in \'t begin der crinoline-mode quilles droegen die hij hors d\'oeuvres 1lt; noemde, behalve.de ingeweven quilles, doch brak ook een paar malen 01 zijn rede af met de vraag, of het niet indiscreet was een eindweg met de juffrouw door te wandelen. a Natuurlijk bleef de jonker niet in gebreke zich als de eenige zoon ii van den baron Geereke van Uland van De Renghorst bekend te z maken, maar ofschoon hij — in verband met die „minderjarigequot; — h voor zich zei ven tot de onbekookte conclusie was gekomen, dat het o aristocratische kopje aan zijn zijde, het engelenkopje oener wees h van adellijke geboorte moest zijn, voor wie men De Runt gekocht o had, en die er nu — bijvoorbeeld met een oude tante en haar rent- e meester woonde, hij beging de indiscretie niet om haar te vragen l wie zij was, hoe gaarne hij ook de bevestiging van zijn vermoeden —

met naam en toenaam vernomen had. f En Anna, ofschoon het gezelschap van den jonker haar weinig | bekoort, en hij haar wel eenigszins den indruk gaf van een wankleurige quille op het prachtige kleed dier trotsche laan, tintelende { van tonen in de schuine stralen der Novemberzon, zoo kan zij toch de vraag: of zijn gezelschap haar ook hinderlijk is •— vooral met lt; het oog op den kleinen dienst, dien hij haar bewees, niet anders dan lt; ontkennend beantwoorden. Na dit antwoord dat intusschen slechts i

met een kleine hoofdwending en met een „O!quot; was gegeven, gaat de jonker snel achter haar om, en roept — terwijl hij een paar schreden vooruitloopt — den koetsier op den naderenden jachtwagen toe:

,Omdraaien Hendrik! zachtjes voorblijven, hoor!quot;

De jachtwagen beschrijft een hal ven cirkel in de larikslaan, en van de paarden, die men zoo even in \'t front had, ziet men nu weinig meer dan somtijds den naar buiten flappenden staart van den bijderhandschen vos.

Nu de jonker, nogmaals vlug achter Anna omgesprongen, weer aan haar linkerzijde voortwandelt, wekken eensklaps zijn woorden, ofschoon op zich zelve onbeduidend, haar belangstelling. Met de meeste bescheidenheid geeft hij zijn bevreemding te kennen, dat de.... juffrouw — het freule speelde hem gedurig op de lippen — heeft kunnen besluiten om zich, ofschoon toch zeker alleen voor de zomermaanden, op die oude Runt metterwoon te vestigen.

- ,

-ocr page 57-

ANNA ROOZB. 49

\'t Was hier zoo vreeselijk eenzaam en somber. Naar zijne meening kon het haast niet mogelijk zijn dat men der minderjarige—jonker Ernst vergezelde dit laatste woord met een bevallige geste — het oude kasteel had laten zien, alvorens het voor haar te koopen.

Mijnheer de- .. rentmeester? Lijning, waarmee hij namens zijn vader een kleine zaak had vereffend, scheen hem toe een zeer verstandig en getrouw mensch te wezen, want, ja, gedurig had hij verklaard die zaak alleen in het belang der minderjarige — weer een geste — te behandelen; maar een man op zijn jaren zag met andere oogen „dan de jeugd die aan de poort staat van een nieuw leven.... idealisch weet u.... enfin.quot;

Deze laatste zeer poëtische voorstelling van een idealisch nieuw leven, met een poort, waarbij de rijzweep een kleine verheffing had ondergaan, ging voor Anna verloren.

De woorden door haar oom bij hun eerste ontmoeting gesproken: alsof men zich ter wille van haar ontberingen had moeten getroosten, indien zij langer bij juffrouw Marnix gebleven ware, die woorden zijn den vorigen avond weldra bij haar door andere indrukken en herinneringen verdrongen geworden; dezen morgen echter, aan de ontbijttafel, terwijl oom een tableau vivant van een wandelende boterham vertoonde, hebben een paar zonderlinge uitdrukkingen ze haar opnieuw zeer levendig in herinnering gebracht, en heeft eensklaps een bitter nooit gekend gevoel — het gevoel eener algeheele afhankelijkheid, zich van haar meester gemaakt.

Immers haar lieve vader had dikwijls schertsend van het „rente-gevend personeelquot;\' gesproken, dat bij zijn ,Nederlandsche bank gelogeerd was,quot; en Anna, in \'t vertrouwen eenig kapitaal te bezitten — \'t zij dan meer of minder — was nooit te voren op het denkbeeld gekomen, dat zij geheel afhankelijk van oom en tante zou worden.

Toen ze dien morden nu, om eenige zekerheid te verkrijgen, spreken en vragen wilde, zie, toen was het tableau vivant eensklaps verdwenen en had tante Co-Mie op haar nadere vragen zeer schichtig geantwoord: „Och lieve, waarlijk ik weet van geen zaken,quot; en dan zeer geheimzinnig; „ik zeg maar altijd: zuinig wezen en z\'n best doen!quot;

Vreemd is het niet dat Anna, die zich den weg naar het dorp deed wijzen, om volgens belofte in persoon voor de lieve Zwitsersche een brief aan de dochter van den Mulderspeetschen predikant te bezorgen, gedurende haar wandeling — althans vóór de ontmoeting met den jonker — met de gedachte aan haar financieele positie vervuld was. Op de kostschool heeft zij te veel gehoord van meisjes, die zonder eenig vermogen de wereld in moesten, om niet ernstig gestemd te zijn, bij het eerste overwegen van zulk een toestand met het oog op zich zelve; maar, vreemd is het evenmin dat de woorden van den jonker, ofschoon ze zonderling klinken, plotseling een weldadigen indruk op haar maken. Snel het hoofdje naar den jonker keerende. zegt ze:

„U vergist u, jonker Van Uland, mijnheer Lijning is niet mijn rentmeester zooals u schijnt te meenen; hij is mijn oom en voogd, en sedert gisteravond ben ik bij oom en tante komen inwonen.

v. 4

-ocr page 58-

50 ANNA KOOZE.

Maar,quot; vervolgt zij snel: „heeft mijn oom u gezegd dat hij De Runt voor een minderjarige kocht ... en beheert....?quot;

Wanneer ge uw gouden ketting bij den goudsmid wilt verruilen, en hij u na de toetsing doodbedaard een; „koper verguld!quot; doet hooren, dan kunt ge niet anders kijken dan jonker Ernst Geereke Van Uland keek, toen Anna zich het nichtje van dien door en door ploertigen parvenu noemde. Hoe was het mogelijk, zoo\'n kopje!

„Uw oom! die rentmee.... die mijnheer Lijning, uw oom?quot; zegt de jonker: „Och kom, is dat ...quot; Hij wilde zeggen: is dat geen abuis? maar die dolle vraag hield hij toch in: „is dat inderdaad uw oom? Ik meende zeker....quot;

„Hij heeft aan u gezegd de plaats voor een minderjarige te hebben gekocht en te administreeren ?quot; herhaalt Anna met nadruk, ofschoon zacht op beleefden toon.

„Dat is te zeggen, ja! ja wel!quot; zegt jonker Ernst in verwarring, terwijl hij met andere gedachten is vervuld: „Ja wel: ik meende zeker te zijn dat u.... Maar ja, om u te dienen; mijnheer de rent.... ik meen mijnheer Lijning, behandelde die zaak zooals hij zeide in \'t belang van u, althans, ziet u, van een minderjarige. Het spijt mij dat....quot; De jonker was erg in de war en kon eigenlijk niet zeggen wat hem speet, maar.... Mooi was mooi, en dat het persoontje hier naast hem verduiveld mooi bleet, oneindig veel mooier zelfs dan Marie Von Scheele, dat was een waarheid die niemand kon tegenspreken.

De oogenblikken zijn echter geteld, die jonker Ernst in \'t gezelschap van dat bekoorlijke wezen zal doorbrengen. Daar ginds aan \'t eind der laan ziet hij vier personen den hoek omkomen. Aanstonds bemerkt hij dat het zijn jachtgezelschap is. Zie Bello en Turk stormen als razenden op hem toe, en betoenen zich in \'t minst niet verlegen voor het gezelschap, waarin hun meester zich bevindt.

„Koest Bel! Fi Turk! Marsch! Fi!quot; zegt de jonker, en verontschuldigt zich over de woestheid der „mooie beestjes,quot; die ook al de bewijzen hunner blijdschap over \'t weerzien van den jongen meester in zandkleur op \'t zwart van Anna\'s kleed hebben geteekend.

Dat naderen van de vier jagers, waarvan de beide voorsten vrienden van den jonker, en de anderen bedienden van den baron Geereke zijn, brengt jonker Ernst in de droeve noodzakelijkheid om uit égards voor dat bekoorlijke wezen, en om een andere reden bovendien.... Och Bolet was een goede jongen, maar... . enfin, het brengt hem in de droeve noodzakelijkheid om haastig maar uiterst galant te verzekeren, dat zijn lang oponthoud met die zaak op \'t kasteel het gezelschap zeker ongeduldig heeft gemaakt, en hij „uquot; dus niet langer wil opnouden, terwijl hij tevens betuigt, gecharmeerd te zijn van de ongezochte kennismaking met „uquot; aangezien hij waarlijk niet heeft kunnen verwachten hier een zoo schoone bloem aan een larikswortel te zullen zien bloeien!

Jonker Ernst was zoo voldaan over die laatste ontboezeming, dat hij haar in den loop van den dag nog verscheidene malen aan zijn ■vrienden met een: „hoe vin\'j\'em, hoe keur j\'em?quot; herhaalde, ter-

-ocr page 59-

ANNA BOOZE. 51

wijl hij — ofschoon hij haas noch patrijs schoot — volkomen tevreden was over zich zeiven, niet slechts omdat hij door zijn uniek gunstig voorkomen en zijn uitstekende manieren, maar ook doorzon geest een onuitwischbaren indruk hij die schoone moest hebben achtergelaten.

De .bloem van den larikswortelquot; heeft zeer natuurlijk — dit laatste woord in tweeërlei beteekenis — geglimlacht bij dat vernuftige gezegde van den jonker, maar tevens heeft ze zijn wellevendheid, om haar bij het naderen van zijn vrienden zoo snel te verlaten, ten zeerste gewaardeerd. Ja, Anna Rooze die, hoe oorspronkelijk en flink haar aard ook wezen mocht, nog te zeer het kind der kostschool was om zich nu reeds bij het naderen van zulk een jacht-personeel geheel op haar gemak te gevoelen, zij was niet weinig verlicht toen zij jonker Ernst haastig, ofschoon nog een paar malen achterwaarts groetende, zijn vrienden zag te gemoet snellen, en verder, terwijl zij haar schreden wat inhield, met hen op den hoogen jachtwagen zag plaats nemen.

De hoofden op den wagen wendden zich meest alle nog eens om. De hoeden en jachtpetjes zwierden naar buiten, maar de schoonste figuur, die van den hoogen bok het tweespan ging nemen, salueerde vooral nog eenige malen recht gracelijk met de zweep, zelfs op gevaar af van zijn jeugdig tweespan te vergeten, dat in gestrokten draf de laan ten einde liep en den vierkanten wagen, met het nog gedurig hoofddraaiende jachtgezelschap, weldra om den hoek ter rechterzijde, uit Anna\'s oog deed verdwijnen.

Joost Burik, de gewezen boerenarbeider, die sedert Lijnin gs komst op De Runt zijn huisknecht, koetsier, tuinman en barbier geworden is — Lijning kon veel, maar zich zelf scheren dat kon hij niet — Joost Burik, de eenvoudige, van nature altijd opgeruimde ziel, heeft Anna den koristen weg naar het dorp klaar en heldertjes aan het verstand gebracht: Zie, aan \'t eind van de lariks-allee daar had men rechts den weg, die eerst met een draai langs het bosch-wachtershuisje en over het beekbruggetje liep, en verder door het dennenbosch en de eikenlaan heen, op den Mulderspeetschen straatweg uitkwam. Dat was dezelfde weg, dien ze gisteravond uit de hei-richting van Arnhem waren afgekomen, maar, de jutter moest nu aan \'t eind van de donkere larikslaan links, in plaats van rechts, het kerkpad nemen „dat snee wel \'en kwartier in de richt,quot; en dan kwam ze vlak bij den Mulderspeetschen molen het dom in. De kerkweg liep „toezoersquot; recht met \'en schuinschen „zwonkquot; op den achterweg aan. Ze zou het wel zien; ze waren daar overal nog aan het aardappels-rooien. „Geen nood van verdwoalen en van verzuupen ook niet,quot; zei Joost.

De dominee\'s-woning, waarnaar Anna toen gevraagd heeft, was mede, volgens Joost; „deur \'en kiende te vienden. As ze de darps-stroat inliep en de kerke veurbie was, dan had ze \'t domenies-huus krek can de lienkerhand; twee verdiepings, met stoasie-gardiens achter de gloazen, met \'en blomhofke d\'r veur en \'en gruun geverfd hekke d\'r um!quot;

-ocr page 60-

52 ASNA BOOZE.

Toen Anna van dominee\'s pastorie had gesproken, toen heeft ze zoo\'n kleine flikkering in de goedige oogen van Joost bespeurd. Verbleeken of blozen dat was Joost onmogelijk, hij werd nog wel eens lichtgeel of donkerbrain, maar iets anders, dat kon zijn verbrande tronie niet; Anna heeft dan ook gemeend dat Joost na die flikkering erg lichtgeel was geworden.

„Dan mot de juffer.... verekskezeer me as ik astrant bin....quot; heeft Joost toen gehakkeld; „moar as de juffer wou, dan, dan.... most ze is kieken of.... of.... ie weete wel van giester oavond. Hanneke zou d\'r in dienst goan. As de juffer ze zoovulle as de complementen van mien wou moaken. Z\'is lief en knap; joa, ik zol niet zeggen zoo knap as de juffer, dat za\'k niet zeggen, moar

knap----!quot; en Joost was met een „nou!quot; geëindigd, dat voldoende

was om allen twijfel aan Hannekes knapheid te veijagen zoo die bestaan had.

Na die laatste verzekering had de huisknecht in \'t bombazijn een donkeren blik naar den grcnd geslagen, en half in zich zeiven gemompeld: ,\'t Is moar goed dat ze bij domenie is.quot;

Nu Anna het voetpad volgt, dat haar als de naaste weg naar \'t dorp was aangeduid, en bijna den molen is genaderd, verwijt ze zich, schier ongevoelig voor het schoone herfst-landschap om haar heen te zijn geweest, en zich zoo geheel met zich zelve te hebben beziggehouden.

In den aanvang toen zij, buiten de larikslaan gekomen, het bosch-wachtershuisje voorbijgegaan en links het zoogenaamde kerkpad is ingeslagen, toen heeft ze wel degelijk eenige oogenblikken den indruk van het schoone landschap genoten. Die akkers, ten deele onder het frisch groene knollenloof verborgen, of ook zoo vroolijk bevolkt met de aardappelrooiers ginds en her; die akkers ter rechter- en linkerzijde besloten door de bosschen van De Bunt, wat golfden ze gracelijk voort naar het dorp met zijn spitsen toren en het aardige molentje er naast, terwijl het boschrijk verschiet wegsmolt in een toon van zilverblauw, zooals de herfst dien alleen te temperen weet.

Ja, dat alles heeft zij in den aanvang wel gezien, doch later is zij voortgewandeld, bijna het oog gesloten voor haar lievelingspoëzie, de eeuwig frisschè poëzie der reine natuur. Maar immers, met de herinnering aan dien schoonen knaap van daar even, is haar het beeld van een anderen jonkman zoo helder voor den geest gekomen. — Dat karaktervolle oog in den spoorwagen staart haar weer aan. — Wat worden ze flets de kijkers van dien mooien maar flauwen knaap. Doch, voort met die beiden! Heeft ze niet een ander gelaat in de oogen te zien? Is het de leugen in de gedaante van den mageren man, aan wien ze zich als aan een vader moet toevertrouwen?

Een angstig gevoel beklemt opnieuw hare borst. — Schep moed Anna, moed! — De nacht der kindsheid vervloog; de morgendom-mel der ontluikende jeugd ging voorbij. Nu is het dag! Dus voorwaarts en moedig!

Ja, nu zulke denkbeelden Anna\'s gemoed vervullen, nu zou ze

-ocr page 61-

ANNA KOOZE. 63

met gindschen vogel wel willen meevliegen over bosch en heuvel, over stad en dorp, naar dat erf waar hare lieven zijn; maar ook, als ze haar groet er gebracht had, dan zou zij naar dit oord willen terugsnellen, waar het werkelijke leven voor haar begonnen is. Ha! nu voelt ze het reeds: een andere is de vrijheid dan die, waarvan ze wel eens droomde in dien scboonen dommel der jeugd. Ja er is een schoonere vrijheid! Voorwaarts!!

ZESDE HOOFDSTUK.

Nadat Anna den hoogen houten korenmolen aan \'t einde van het kerkpad is voorbijgegaan, en verder met een kronkelend paadje, dat aan weerszijden door geschoren hagen wordt begrensd, de groote dorpsstraat bereikt, nu vindt zij, volgens Buriks onderrichting, ook spoedig het kerkplein, waar reeds een paar koekkramen \'voor de aanstaande kermis worden opgeslagen, en ziet ze ook de pastorie voorbij de kerk ter linkerzij.

Het groen geverfde hek staat open. Anna gaat den kleinen bloemhof in, en recht op de deur aan.

„Khum!----Wel!.... Khum!.... Wel jongejuffrouw?quot; klinkt het

op eenigszins vragenden, zalvenden, onderkinachtigen toon van ter zij, en Anna ziet een man uit een mospriëeltje op haar toetreden; een man, die niemand anders kan zijn dan de vader van het meisje aan wie ze den brief te bezorgen heeft.

,Dominee Haverkist----?quot; vraagt Anna met een lichte nijging.

„Ja wel jongejuffrouw, om je te dienen,quot; zegt de predikant van Mulderspeet, en terwijl hij Anna met zijn groote ronde oogen aanziet alsof hij vragen wil; en wie ben jij? doet hij een fikschen trek aan zijn gouwenaar, en blaast een grauwe rookzuil voor zich uit.

Nu Anna zich als het nichtje van den heer Lijning bekend gemaakt, en tevens het doel van haar komst als verontschuldiging voor haar vroegtijdig bezoek heeft opgegeven, zegt dominee Haverkist goedwillig:

„Niemendal kind! volstrekt niemendal! Ga jij maar binnen. Als het Vrijdag of Zaterdag was dan zou ik zeggen: uitgerukt! marsch! maar anders ben ik om koffietijd te spreken. Volstrekt geen belet! Ah zoo, ben jij het nichtje van mijnheer Lijning. Och kom! Mevrouw redelijk wel? Ik heb het zeer druk gehad in den laatsten tijd, anders had ik haar. .. misschien wel eens nader bezocht; je kunt niet overal te gelijk zijn nietwaar? — Ik zal je maar eens voorgaan;quot; en, door Anna gevolgd, die geen gelegenheid heeft gehad op Nominee\'s vragen te antwoorden —• \'t geen ook niet begeerd scheen te wezen — treedt de predikant de gang van zijn woning in, en

-ocr page 62-

54 ANNA ROOZB.

roept aan de trap met een stem, die van haar omvang getuigt; „Jans! Jans!quot; terwijl bij na een zacht antwoord, dat van boven kwam, herneemt: „Er is een brief voor je, kind!quot;

De predikant verzoekt nu of de jongejuifrouw hem maar naar achter wil volgen; mama zal zeker wel present zijn in de huiskamer.

Anna voldoet aan de uitnoodiging, en terwijl ze weer den roodbruinen cbambercloak volgt, die, om \'t midden met een band bevestigd, tamelijk ronde vormen doet uitkomen, beschouwt ze mede vluchtig het mutsje van zwart laken en rood veterband, met den langen pluimkwast, \'twelk de vaalbruine reeds grijsachtige hareu van dominee drukt, om dan — afdalende met den blik — even de langzaam en buitenwaarts voortstappende pantoffels in oogenschouw te nemen, waarvan de kleuren bijzonder frisch, doch de nuances wel wat zonderling gekozen zijn.

„Ga binnen jongejuffrouw! — Line! hier heb ik een juffrouwtje Rooze,quot; vervolgt dominee tot een vrouw die, evenals haar echtgenoot — dominee Haverkist — de vijftig jaren zoo niet voorbij dan toch zeer nabij moet wezen: ,\'t Is het nichtje van mijnheer van De Runt, of, je weet wel, mijnheer Lijning.quot;

De dame, die haastig een bril had afgezet en haar maaswerk ter zijde gelegd, ziet Anna bij dat laatste woord met een verhoogde belangstelling aan, en maakt opstaande een soort van nijging met een:

„Och kom, van mijnheer Lijning? Hoe vaart u?quot;

„De jongejuffrouw heeft een brief voor onze Jans meegebracht,quot; herneemt dominee.... „Ah zoo, daar is ze zelve. — Jans, de jongejuffrouw Roozequot; en dan tot zijn wederhelft, eerst luide en later iets zachter: „\'t Loopt naar twaalf uren Line. Laat hem hier komen. Khum! — weer zoo\'n schorrigheid in de keel, wou wel \'en eitje.quot;

Anna heeft aan juffrouw Jans — bij haar onder den naam van mademoiselle Jeanne bekend — den brief der Suissesse overhandigd.

Juffrouw Jans, een flinke knappe meid met donkerblond haar, in een paarse morgenjas, die eigenlijk haar heelendag-jas is, betuigt gulhartig haar dankbaarheid voor het eigenhandig bezorgen van den welkomen brief, en vraagt terwijl zij Anna een stoel biedt, in éénen adem, hoe haar lieve Evangeline het maakt; hoe zij er uitziet; of zij nog zoo dikwijls het heimwee naar Zwitserland heeft; of die juffrouw Marnix bij wie ze nu „secondeertquot; liever voor haar is dan die nare madam Kromvliet te Wolterberg, waar ze samen — de Suissesse en Jans — dikwijls letterlijk zoo rood als kreeften zijn gekookt, soms om te stikken; en besluit met den uitroep: „Dat lieve arme schepsel!quot;

Nu Anna de beste berichten, maar ook den raad heeft gegeven om den brief zeiven maar vast eens in te zien, van welk verlof juffrouw Jans dolgaarne gebruik wil maken, zegt dominee Haverkist, die zich in een gemakkelijken leuningstoel bij het raam heeft neergezet, terwijl hij den gouwenaar stoppende, zijn groote oogen op Anna vestigt:

„Dus is de jongejuffrouw te Akkersveen op kostschool geweest?

-ocr page 63-

ANNA KOOZE.

Daar staat collega Zegenmond. Ja, ja! Een oud gemoedelijk manneke, die trouwens het buskruit niet heeft uitgevonden. Ik heb hem jaren lang geleden eens in een najaars-Donderdag-avondbeurt te Arnhem gehoord. — Ik weet dat nog heel goed. Hij had: Genesis 1 :3. Daar zij licht! Dat lichtquot; — dominee stak zijn pijp aan — pam — „dat licht was zeer wenschelijk dien avond, want het schemerde op alle manieren zoo sterk — pam, pam — èn door de zuinigheid van heeren kerkvoogden, die de kaarsjes zeker nog wat sparen wilden, èn door het Hellenbroeksche standpunt — pam, pam, pam — p. f. f. f. — van ons dik dompertje, dat mijn persoon — want anders was er letterlijk niemand in de kerk — bezwaarlijk zijn oogen kon openhouden, en moeite had zich te herinneren dat hij niet in zijn bed lag. Ik heb. . quot;

Dominee wilde in alle nederigheid verder verhalen dat ook hij een paar malen te Arnhem, en ééns zelfs te Amsterdam onder gansch andere omstandigheden was opgetreden, doch Anna, ofschoon ze de oogen voor de dichte rookwolken moest sluiten, die haar werden toegeblazen, valt hem in de rede, en zegt met een beminnelijke vrijmoedigheid, dat dominee Zegenmond wel is waar wat ouderwetsch in zijn begrippen is, en zijn preeken misschien evenmin voor geleerde heeren als voor jonge meisjes altijd zoo bijzonder gepast zijn, doch dat hij, hoe ouderwetsch dan ook, geheel en al was wat zij meende dat een leeraar moest wezen: letterlijk een vader voor zijn gemeente, en, voor zooverre zij het beoordeelen kon: het levend beeld der reine zedenleer, die hij naast zijn geloofsstellingen uit de volheid zijner overtuiging verkondigde.

„Khuin, fiks gesproken, heel fiks! — Dus Hervormd, nietwaar? en zijn leerling zeker? Heel fiks!quot; zegt dominee, die een oogen blik heeft gewankeld of hij laken of prijzen moest: „Dat bevalt me in je, jongejuffrouw Rooze. Alleen komt het mij voor dat je mij niet juist hebt verstaan. Collega Zegenmonds voortreffelijkheid als herder en leeraar heb ik nooit in twijfel getrokken: integendeel, ik acht hem deswege hoog, zelfs hooger misschien dan iemand, die niet weet wat al strijd en zorge er aan de taak van den dienaar des Heeren verbonden is.quot;

Dominee sprak deftiger en luider dan te voren, terwijl hij bij de laatste woorden de lippen saamdrukte alsof hij zeggen wilde: en dat weet ik!

„Maar,quot;\' vervolgde hij, terwijl het mondstuk van den gouwenaar een uitstap in Anna\'s richting maakte: „zoo iets klinkt, ofschoon ietwat voorbarig, recht prijzenswaardig en loffelijk. Ik zie zulk een ijver voor den leermeester — nietwaar? met innig genoegen. Ook hier, wanneer het mij gold, zou niet een mijner catechisanten, noch zelfs een eenig lid mijner gemeente een enkel woord ten nadeele van hun leeraar dulden; en zoo behoort het te wezen. — AI aangenomen?.. .. of____?quot; Op dominee\'s snelle wending volgt nu een

kleine pauze. Nochtans khnkt het antwoord al spoedig:

„Met de laatste Paschen, mijnheer Haverkist,quot; en een lichte blos kleurt Anna\'s wangen, want ze denkt aan al de twijfelingen, die

55

-ocr page 64-

56 ANNA BOOZE.

haar — vooral na dien gewichtigen dag, hebben bestormd, twijfelingen echter, waarover reeds een paar jaren later duizenden in den lande de schouders zouden hebben opgehaald.

„Jong genoeg naar \'t mij voorkomt!quot; zegt dominee, het voorhoofd fronsende.

Juffrouw Haverkist, die inmiddels het koffieblad gekregen en boter en brood heeft klaargezet, valt eensklaps met haar eenigszins zenuwachtig opslikkerige stem haar echtvriend in de rede;

„Jong genoeg! hemel hoe kun je dat zeggen! De juffrouw is wel niet oud, maar toch licht \'en achttiender, en me dunkt mans in overvloed voor de belijdenis. Jij neemt ze wel vroeger aan Haverkist\' Ja wel! Wel zeker! Och ik weet het stellig! Nog in\'t voorjaar Coos Van Meurs en Piet Lammering; — kom man, — en Mietje Van den Aal, ja zelfs Hanneke die hier dient.quot;

Dominee, die een paar malen het hoofd heeft geschud, zegt op zeer bepaalden toon:

„Mag ik nu spreken Line?quot; doch neemt tevens met dichtgeknepen oogen een houding aan alsof hij er bijvoegt: wanneer je ten minste gedaan hebt.

,\'t Is maar om \'t recht van spreken:quot; slikt juffrouw Haverkist nog eens, terwijl ze de koffie vaststampt in de filtreerkan, om daarna in den hoek der kamer aan het schelkoord te gaan trekken. Van dat aannemen dat wist ze zeker!

„Ik neem aan,quot; spreekt dominee met nadruk, terwijl hij nu de oogen opent, die hij straks op stilte wachtende, gesloten had; „ik neem aan, zoodra ik de overtuiging heb dat de persoon of persone, die de aanneming begeert, de volkomen levensvolheid daartoe bezit: of met andere woorden: zoodra ik de godsdienstige vatbaarheid door mijn catechisatiën zoodanig tot rijpheid heb gebracht, dat men, zich zelf en der heilige zaak geheel bewust, belijden kan vast te staan in het dierbaar Evangelie des kruises en bestand te zijn tegen de verlokkende stemmen van zonde, bij- dwaal- en ongeloof.quot;

„Ja maar ik meende van onder de achttien,quot; valt juffrouw Haverkist in.

Alsof er niet gesproken was, vervolgt dominee: „En daarom neem ik niet dan in hoogst hoogst.... hoogst zeldzame gevallen personen — vooral geen vrouwen aan, wanneer ze den vollen leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt hebben; ofschoon zulks bij mij — en hierop komt de zaak neer — vrij wat gevoeglijker zou kunnen geschieden, dan bij de dogmatici of de leeraren van de orthodoxe richting. Wanneer de zoodanigen, der jeugd hunne Dordtsche stellingen vast hebben „ingepomptquot;, dan meenen zij aan hun roeping te hebben voldaan! terwijl ik in mijne gemeente — als ik het met bescheidenheid mag zeggen — een gansch eenige wijze van opleiding heb. Alsof ik mijner leerlingen vijand ware, geef ik ze de wapenen in handen om mij, of wilt ge het Evangelie, te bestrijden, en wanneer hun leeraar dan telkens als overwinnaar uit den kamp te voorschijn treedt, dan leeren zij de wapenen liefkrijgen, waarmee hij hen heeft bestreden, en zullen zij die mede opnemen, zoo ooit de

-ocr page 65-

ANNA ROOZE. 57

vijand van buiten naderen dorst. Niet één is er — althans onder de jongeren mijner ledematen — die niet ten volle verzekerd is van de noodwendigheid van het groote verzoeningswerk, volbracht in den eenigen Middelaar Gods en der menschen, maar ten andere niet doordrongen tevens van het ongerijmde der orthodoxie, om vast te houden aan leerstukken, die niets dan leeringen en stelsels van menschen zijn. Ja zelfs, geen enkele zult gij onder de mijnen vinden,, wiens oog niet geopend is voor het groote verschil tusschen der apostelen vermeende onfeilbaarheid en hunne werkelijk bestaande-feilloosheid---- want----quot;

Dominee\'s laatste woorden waren voor Anna reeds verloren gegaan.. . . want.. . een knappe, ja een zeer knappe boerenmeid met een prettig gezicht, frisch en helder, in een paars jak en zwarte» rok gekleed, een fonkelnieuwen bonten boezelaar om de forsche heupen, een sneeuwwit mutsje op de gitzwarte eenigszins golvende maar toch zeer weggestreken haren, was de kamer binnengekomen, en had, terwijl zij een „dag soamenquot; sprak, het koffiewater dat ze bracht met een zeker — niet weten waarheen, ter linkerzij van de huisvrouw nedergezet.

„Neen kind, hier rechts! Je moet het water altijd rechts zetten,quot; zegt juffrouw Haverkist zeer zacht, omdat dominee nog aan \'t woord was.

„O, a\'k \'et moar weet juffer!quot; is het zeer luide antwoord der deerne, die half lachend — misschien over haar eigen onbedrevenheid — nu de andere juffrouwen aanziet.

\'t Kwam Anna voor, alsof eensklaps de kuiltjes op die frissche-wangen verdwenen, toen het meisje haar opgemerkt had, en zeker was het dat zij Anna dén rug toekeerde, terwijl ze verder naar een bevel of onderricht luisterde, dat haar in stilte door juffrouw Jans, op een wenk van moeder Haverkist, gegeven werd.

Anna heeft Hanneke uit De Luchte terstond herkend, en meent nu voor zich zelve dat de snelle verandering op haar frisch gelaat het gevolg is van een zekere verlegenheid, dewijl de „Jufferquot;, die-ze hier zoo onverwacht ontmoette, gisteravond getuige was van de ruwe scherts, waaraan de vreemde schapenkoopman zich in haar ouderswoning ten koste van dominee heeft schuldig gemaakt, en de onkiesche wijze waarop hij haar — de geliefde van een ander — behandeld had.

Anna begreep dat zij het meisje nog verlegener zou maken, indien zij haar weder aanzag of met bekendschap groette, en keek dus naar buiten.

Dominee Haverkist die sedert- zijn laatste „wantquot; het stilzwijgen bewaarde, en met een gelaat is blijven zitten waarop geschreven stond: men moet wel een engelengeduld hebben om bil zulk een al-gemeene attentieloosheid niet uit zijn vel te springen — dominee-herneemt, nadat Hanneke vertrokken is, met verheffing van stem;

„Want ik durf, dank zij Gods goedheid, vrijelijk verklaren dat de wijze, waarop ik de vruchten van ervaring en studie sinds vele jaren in den wijngaard des Heeren heb rondgezaaid----quot; Mijnheel-

-ocr page 66-

58 ANNA ROOZE.

Haverkist, die er van overtuigd is dat sommige collega\'s hem zijn beeldrijken kanselstijl benijden, vervalt gewoonlijk wanneer hij over „hoogere dingenquot; spreekt, eenigszins in zijn preektrant, en vervolgt ■dan ook nu, nadat hij zijn vruchten in een wijngaard heeft rond-

fezaaid: „ik zeg, die wijze bracht mijn gemeente op een standpunt, etwelk mij de streelendste zelfvoldoening verschaft en deze gemeente tot een sieraad der Veluwe maakt. En zoo kom ik tot de eenvoudige conclusie — waarheen ik reeds in den aanvang wilde — •dat de aannemelingen uit mijne school, de school die haar voet in de Groninger richting als de richting van den waarachtigen vooruitgang heeft „gegrondvest,quot; dat die aannemelingen, zeg ik, rijper zijn voor de groote zaak der belijdenis dan de kinderen uit de scholen •der stelsels, die slechts met „dezelvenquot; en niet veel meer, den strijd des levens worden te gemoet gezonden. — Zou ik bijvoorbeeld,quot; vervolgt Haverkist eenigszins zachter, terwijl het mondstuk van zijn pijp weer een uitstap naar Anna maakt: „der jongejuffrouw wel eens mogen vragen of zi] met het streven der Groninger richting bekend is geworden; of zij het uitnemende tijdschrift Waarheid in Liefde ■van mijn waarde vrienden de professoren Hofstede de Groot, Pareau, Muurling en anderen, met studie heeft gelezen.... of. ...quot;ezaaid: „ik zeg, die wijze bracht mijn gemeente op een standpunt, etwelk mij de streelendste zelfvoldoening verschaft en deze gemeente tot een sieraad der Veluwe maakt. En zoo kom ik tot de eenvoudige conclusie — waarheen ik reeds in den aanvang wilde — •dat de aannemelingen uit mijne school, de school die haar voet in de Groninger richting als de richting van den waarachtigen vooruitgang heeft „gegrondvest,quot; dat die aannemelingen, zeg ik, rijper zijn voor de groote zaak der belijdenis dan de kinderen uit de scholen •der stelsels, die slechts met „dezelvenquot; en niet veel meer, den strijd des levens worden te gemoet gezonden. — Zou ik bijvoorbeeld,quot; vervolgt Haverkist eenigszins zachter, terwijl het mondstuk van zijn pijp weer een uitstap naar Anna maakt: „der jongejuffrouw wel eens mogen vragen of zi] met het streven der Groninger richting bekend is geworden; of zij het uitnemende tijdschrift Waarheid in Liefde ■van mijn waarde vrienden de professoren Hofstede de Groot, Pareau, Muurling en anderen, met studie heeft gelezen.... of. ...quot;

„Neen mijnheer,quot; zegt Anna snel, misschien een weinig geraakt: ,ik ken die richting noch het tijdschrift, noch die professoren, maar ik zeide u immers dominee, dat ik mijn belijdenis al heb afgelegd.quot;

Dominee Haverkist zweeg; klemde de lippen opeen, en zag naar buiten.

Men kon zich in dominee Haverkist niet gemakkelijk vergissen; bij vertoonde zich niet anders dan hij werkelijk was, althans met verschoonbare — in zijn oog zelfs zeer verschoonbare — kleine menschelijke afwijkingen. Een onbegrensde eigenliefde, of juister misschien, een onovertroffen zelfbehagen beheerschte zijn gansche natuur. Of hij het wilde of niet, zijn ik was het middelpunt van hemel en aarde. Bijvoorbeeld in alle nederigheid — dominee sprak het niet uit maar gevoelde het toch — zijn ik was een noodwendigheid voor den Almachtige; n.1. om Hem te brengen waar Hij wezen moest: in de harten Zijner menschenkinderen. Nu dominee zelfs onmisbaar voor God is, behoeft men niet verder te gaan. Maar behalve zijn •overwegend gebrek, waaraan zich ongelukkigerwijze even weinig grondige studie als fijne menschenkennis paarde, is Haverkist een braaf, maatschappelijk rechtschapen man; een zorgend huisvader; een goed financier, welk laatste hem, met zijn gezin van negen personen, op een traktement van achthonderd gulden — waarbij slechts een gebrekkig stuivertje van vrouwliefs zijde kan gevoegd worden — uitnemend te stade komt. — Maar vooral ook was Haverkist een waarlijk getrouw herder in zijn gemeente. Geen huis- noch ziekenbezoek zon hij overslaan. Misschien gevoelde hij diep dat hij onmisbaar voor die alien was, en dat men hem zien wilde, omdat men hem liefhad; maar, hoe dat wezen mocht, getrouw was hij ongetwijfeld in zijn bediening. Wat dominee\'s geloof betrof, hij verklaarde meermalen dat het vaststond, vast als een rots in het midden des

-ocr page 67-

ANNA ROOZE.

bruisenden oceaans. — Dat de rots in den laatsten tijd toch een weinig verzet was, daaraan dacht dominee niet. Van het orthodoxe standpunt was hij zoo ongemerkt, vooral na de alleraangenaamste kennismaking met een pas beroepen Arnhemschen predikant, al meer en meer tot de Groninger richting gekomen. Recht cordiaal had die jonge collega hem tweemaal «den stoelquot; aangeboden, wel is waar dewijl hij op reis moest, doch niettemin als een bewijs van sympathie; een sympathie zooals hem nooit te voren — althans op die wijze — door een der Arnhemsche collega\'s geschonken was; dit laatste waarschijnlijk „omdat ze vreesden — en \'t was menschelijk — dat hij met de gaven hem door God geschonken, hun licht op den kansel wat betimmeren zou.quot;

Sedert die beide beurten in Arnhem vervuld, was Haverkist door een nadere zeer ernstige kennisneming van het tijdschrift Waarheid in Liefde, benevens een redevoering van prof. Hofstede de Groot over de Groninger godgeleerden in hun eigenaardigheid, en bovendien door de lezing van verscheidene andere geschriften in dien geest, geheel overtuigd geworden dat die jonge vriend, en ook de Groninger professoren gelijk hadden, volkomen gelijk, en dat de Groninger richting inderdaad niets anders bedoelde dan hetgeen hij — dominee Haverkist — wat het wezen der zaak betrof, inderdaad altijd bedoeld heeft.

Intusschen had juffrouw Jans met horten en stoeten haar brief gelezen, want de zorgen voor boterhammen, en de bevelen aan de nieuwe dienstbode hebben haar gedurig verhinderd haar lectuur te vervolgen. Maar nu dominee zwijgt en den blik naar buiten wendt, nu voelt Anna zich door Jans Haverkist de hand drukken, en hoort ze haar zeggen op recht hartelijken toon:

„Ik ken je, hoor! Jij heet Anna, en ik Jans, tout court. Och wat houdt ze veel van je, die lieve Evangeline. „Son depart,quot; zoo schrijft ze: „me plonge dans une profonde tristesse!quot; Dat goede schepsel! \'t Was immers niet zoo bijzonder je wensch om die school te verlaten, is \'t wel? Maar de familie Lijning scheen zeer naar je te verlangen.quot;

De dominee\'s-gade sloeg een blik op Anna. De mijnheer van De Runt kwam op het tapijt; dat was een zeer gewenscht chapitre, vry wat interessanter dan die Groninger richting, waar dominee in de laatste jaren compleet van droomde. Geen wonder dat juffrouw Haverkist de ooren spitste. Sedert de komst van mijnheer Lijning was er op het dorp zooveel over zijn persoon en handelingen gesproken, dat men waarlijk begeerig werd eens \'t een en ander „uit eene vertrouwbare bronquot; van hem te hooren.

Iets zonderlings moest de man ongetwijfeld hebben, en ofschoon juffrouw Haverkist, op dominee\'s gezag, niet geloofde dat hij zelf, vóórdat de verkooping plaats had. praatjes over „ongemak in het kasteelquot; zou hebben uitgestrooid, zooals sommigen beweerden, men zou toch wel eens willen weten of hij nu eigenlijk rijk of niet rijk, voornaam of niet voornaam, maar vooral ook of hij een braaf en godsdienstig of wel een----, ja enfin, een minder edel mensch was.

59

-ocr page 68-

60 ANNA BOOZE.

wa

Er liepen allerlei geruchten, zeer in zijn voor- en zeer in zijn nadeel. eei

Men verhaalde onder andere dat hij onnoemelijk rijk was geweest, om

en in Groningen „of daar ergensquot; zelfs een buitenplaats en alles op scl

groote schaal had gehad, maar dat hij in \'48 door het springen van na

zeker kantoor, het grootste deel van zijn fortuin — waarmee hij i

zooveel goed deed — er bij heeft ingeschoten. en

Aan den anderen kant had men uitgestrooid dat hij in Groningen uii

een soort van woekeraar was geweest, en met allerlei kunstgrepen ze

zich een vrij aanzienlijk vermogen verwierf. — „Tuterletu!quot; had mi

dominee gezegd: „de wereld is boos en lastert zoo gaarne; mijn zo

gezond menschenverstand zegt me, dat iemand, die een woekeraar hi

of iets van dien aard is, niet op het land komt wonen.quot; ne

Wel is. waar hadden anderen gemompeld dat hij, als slooper, het te

kasteel tegen sloopwaarde gekocht, en het zelf had betrokken, dewijl m

hij wist dat de baron Geereke er zin in had; doch anderen zeiden re

weder dat hij immers aanstonds een belangrijke winst van de hand in

had gewezen, aangezien hij om redenen van gezondheid naar buiten ei

gekomen was.

Wat juffrouw Haverkist inderdaad nog het meest intrigeerde is ei

het vraagstuk; of hij werkelijk getrouwd was dan of hij, zooals de ti

kwade wereld ook al mompelde, leefde met een zekere dame, die ir

men buiten het kasteel niet te zien kreeg. Joost Burik die er diende d

had wel gezegd dat de mevrouw zeker de mevrouw was, maar — E

„je kondt toch niet weten.quot; n

Onbegrijpelijk was het jn ieder geval dat burgemeester er geen a

werk van maakte om ze „in \'tboek te krijgenquot;, dan wist men alles; I

immers ze waren al drie volle maanden hier. Toen dominee in den ji

beginne er zelf is geweest om den heer Lijning een bezoek te bren- e

gen, toen heeft Joost Burik hem te woord gestaan, en met een hoog- e

roode kleur gezegd: dat mijnheer niet thuis en mevrouw ziek was. lt;3

„Zoo Joost, heb je mij die boodschap te doen?quot; heeft dominee toen heel ernstig gevraagd. i

„Joa domenie.quot;

„En is dat waarheid Joost?quot; e

Joost, ofschoon anders nooit bang, heeft een beetje angstig rondgezien en gezegd: c „Nee domenie.quot;

„Heb ik je liegen geleerd Joost, en dat tegen mij?quot;

„Ik loog niet domenie; ik zei wat ze zeejen dat ik zeggen most.

Nou ie noar de woarheid vraagt, nou zeg ik de woarheid.quot;

„Ze zagen mij toch niet aankomen Joost?quot;

„Ik zag oe oankommen, en toen liep ik noar boven en zei: doar kumt onze domenie, moar toen zeidie dat hie niet thuus en de mevrouw ziek was.quot;

Ofschoon in den aanvang gekrenkt, heeft dominee echter al spoedig gemeend dat men — zooals \'twel meer gaat, met opzien tegen den predikant — in zekere verwarring al te ras dat belet heeft gegeven ;

maar terwijl hij in weerwil daarvan, besloot om vis-a-vis die menschen verder een afwachtende houding aan te nemen — want noblesse

i

-ocr page 69-

ANNA BOOZE. 61

was het toch niet — zoo achtte hij zich tevens als herder verplicht een schrijven aan den heer Lijning te zenden, met beleefd verzoek om ter wille van \'s Heeren woord: „laat alle dingen met orde geschiedenquot;, de goedheid te hebben — dewijl de familie naar men vernam Protestantsch was — de belijdenis-attestaties in te dienen.

Op deze sommatie was tot grooten spijt van dominee Haverkist en tot bittere teleurstelling van zijn echtgenoote, een kort maar uiterst vriendelijk schrijven terug ontvangen, het antwoord behelzende, dat de familie tot de Remonstrantsche Broederschap behoorde, met betuiging van leedwezen dat men om de zeer wankelende gezondheid van mevrouw Lijning — waardoor mijnheer meestal aan huis gebonden was — althans vooreerst niet het voorrecht zou kunnen hebben, met de waarde pastoriebewoners kennis te maken.... terwijl het briefje, na de aanbieding van eenige perziken — die mevrouw Lijning ,waagde er bij te voegenquot;, besloten werd met reapectverzekering en hoogachting, waarop de handteekening volgde in cijfers: één honderd elf duizend één honderd elf millioen enz. enz. en elf.

Dit wist men dan nu, maar veel wijzer was men niet geworden en zou men niet worden ook, want — ofschoon dominee wel degelijk tusschen de regels las: „kom als je belieft eens terugquot; — neen, zelfs in weerwil van die perziken, welke men niet weigeren kon, maar die toch in evenredigheid van vroegere weldaden, uit de adellijke Runttuinen van nulier waarde moesten genoemd worden, was men na de zonderlinge kennisgeving toch zedelijk verplicht het quant a soi te bewaren, en zich vis-ii-vis die onbekenden niet te vergooien! — Indien de familie Lijning tot dominee\'s gemeente had behoord dan.... ja dan zou hij er zonder aarzelen nogmaals zijn heengegaan, dewijl er een kranke was, doch nu moest men dan van de Runtzijde maar eerst eens blijk geven dat men behoefte, inderdaad behoefte aan dominee\'s bezoek en omgang had.

Na al het vermelde is de vraag der huismoeder niet vreemd of mevrouw Lijning — uw tante nietwaar — voortdurend bedlegerig is?

„Wel neen mevrouw, bedlegerig is tante niet, althans gisteravond en dezen morgen was zij present!quot;

„Och kom! Goddank!quot; zegt juffrouw Haverkist met een sterken opslik, en een gelaat, alsof ze nu voor haar gansche leven uit de pijnlijkste onzekerheid verlost was.

„Maar toch sukkelend nietwaar?quot;

„Neen.... ja.... ik weet het niet mevrouw,quot; antwoordt Anna in zekere verwarring, want Jans heeft haar ter rechterzijde in beslag genomen, en vraagt naar zooveel wat Anna lief is.... „Tante ziet wel wat bleek,quot; vervolgt ze tot de dominee\'s gade; „maar ik geloof

toch niet----quot; en dan tot Jans: „Wel zeker er is een Anglaise,quot; —

en weer tot de moeder; „Neen, ziek, bepaald ziek is tante niet.quot;

„Hoe heet ze?quot; vraagt Jans.

„Miss Sally Lewes,quot; antwoordt Anna snel naar de rechterzij, en dan tot de moeder; „Maar ja, toen ik tante bij het daglicht zag, toen vond ik toch ook....quot;

-ocr page 70-

62 ANNA BOOZE.

Anna kon niot verder gaan, en dedominee\'s vrouw zou niets, niets meer van de Lijnings te weten komen, want een uitbundig gelach van Jans, die de saamgedrukte handen op haar knieën ploft en niets anders dan: ,0 mijn hemel, Sally Lewes!quot; kan uitbrengen, wekt zoodanig de attentie voor Sally Lewes, dat zelfs dominee — na een paar flinke halen aan zijn pijp — aan Jans vraagt of ze niet wijs is, en wat de jongejuffrouw wel denken moet?

„Maar vader,_ \'t is om je ziek te lachen!quot; proest de ronde Jans: , Sally Lewes, die rare slemier met haar gekkelijke slofheid en verliefd gemoed: o \'t is om te gillen! als ik er nog aan denk!quot;

Moeder Haverkist liet niet los; Jans moest tot een explicatie komen. En, hier onder de roos wou ze dan wel vertellen — maar in \'s hemelsnaam vader, moeder, Anna niet verder hoor, — dat die zelfde Lewes — ja wel, precies zoo blank en zoo rosachtig, — dat die zelfde malloot, toen ze bij juffrouw Kromvliet te Wolterheek is geweest — „weet je, na Evangelines vertrek en in de laatste dagen dat ik er wasquot; — dat ze toen op \'en Zondagavond, terwijl ze quasi bij een oude juffrouw een uurtje bijbellezing zou houden, dat ze toen door een van de meisjes — die den middag met de familie buiten doorbracht — gezien was aan den arm van een jongen secondant van de heeren-kostschool: „En \'t mooiste van aïles,quot; vervolgt Jans al gillend van \'t lachen: „terwijl ze zoo deftig aan den arm van dien vlasbaard liepquot; — Jans kon haast niet verder: „sleepte haar zijden boezelaar, dien ze zeker in de beslommering der voorbereiding tot de bijbellezing ten halve had afgedaan, haar als een dweil na over den morsigen grond.quot;

„Foei foei, zijn dat nu vertelsels!quot; vermaant dominee, die echter met moeite zijn lachlust bedwingt, want Jans, ofschoon ze bijna stikte, ze barstte weer los: „Letterlijk kwam ze een manshoofd-lengte boven haar propperig en blomzoet Adonisje uit!quot;

Moeder Haverkist giebelde terwijl ze beide handen in de linkerzij drukte — omdat daar de milt zat: „O foei kind, schei uit! Ik zie \'et, ik zie quot;et!quot;

En Anna? Ja Anna lachte ook — Wie zou er niet gelachen hebben nu Jans de voorgangster was; maar toch, \'t ging bij Anna niet geheel van harte. Werd die lieve Marnix met haar Anglaise zoo om den tuin geleid! Ja, slordig was ze; maar kon die zelfde vrome kalme ziel zulk een huichelachtig wezen zijn, en had ze zoo weinig kiesch gevoel bovendien, om zich te gedragen zooals dominee\'s oudste daareven verhaalde?

Anna kan niet anders dan lachen, evenals men in een schokken-den wagen de bewegingen der tochtgenooten moet medemaken; maar, inwendig trilde er al weder een droeve snaar. Lachen, uitbundig vroolijk zijn, ja dat kan ze. Voor dwaasheden, voor verhalen van naslepende schorten bijvoorbeeld, heeft zij een open oor, maar dit — dit is een dissonant, die haar pijnlijk kwetst. En om zulk een bedrog wordt hier zoo ongedwongen gejubeld!

Die trouwhartige gulle dominee\'s dochter schijnt er niet aan te denken dat miss Lewes — indien het waar is, ja indien het waar

-ocr page 71-

ANNA BOOZE. 63

is — zich op het schandelijkst heeft verlaagd. Niet door het wandelen met den jongen schoolmeester, indien ze liefde voor hem gevoelde en daarvoor was uitgekomen; maar verlaagd.... door een bijbellezing voor te wenden, en godsdienst — het allerheiligste te veinzen! Neen, Anna kan niet meer lachen, neen!

\'t Gelach heeft toch zijn nuttige zijde gehad. Daar hebben twee meisjes in de gang voor de deur der huiskamer gestaan. De oudste heet Catharina en wordt Ka of Kaatje genoemd. Zij heeft een lief smal gezichtje, is achttien jaren oud, maar heeft, dewijl ze bijzonder lang is, de slechte gewoonte een weinig voorover te gaan. Kaatje is schrikkelijk timide, het gevolg van een bijzondere zenuwachtigheid, misschien een erfstuk van haar moeder. De jongste der meisjes, Sophie geheeten, is een zestienjarige frissche blom met roode wangen en donkerbruine — zeer donkerbruine eenigszins vooruitstekende oogen. Dit laatste werd, evenals bij de oudste zuster Jans, erg „dominee-Haverkistigquot; gevonden.

De beide meisjes, meer physiek dan intellectueel ontwikkeld, en niet, zooals haar oudste zuster door een tweejarig verblijf onder vreemden, van een zekere menschenschuwheid genezen, ze hadden elkaar nadat ze geroepen waren om koffie te drinken, als kinderen van tien en twaalf jaren, half goochelend en voortdringend naar de deur gedreven.

„Kom, wat kan ons ook eigenlijk die vreemde van De Runt schelen,quot; had de bruinoog eindelijk gefluisterd: „Kom Ka — toe! erin!quot;

„Neen, die Redly is er ook al,quot; had de lange oudste geantwoord.

„Redly —- die zit in z\'n kamer! Hanneke zei immers dat z\'em voor de koffie moest roepen. Kom, toe maar, vooruit!quot;

,6ud neen, ik durf niet!quot; heeft Kaatje gezucht, en was achter \'t bruintje weer weggegleden.

„Hoor! hoor ze eens lachen! hoor!quot; beeft de laatste nu met het oor nabij de deur gefluisterd: „Jans bovenuit. Kom! — kom maar, allo!quot;

„Neen, gud! nog niet!quot;

„Kom lafferd! ik ga!quot;

En de deur wordt geopend; de langste der meisjes vermant zich en treedt achter de jongere zuster de kamer in. Wit ziet ze, erg wit de arme Ka, nu ze — nog altijd achter de kleinere bruinoog —-zijdelings een soort van compliment maakt.

Anna, die aanstonds is opgestaan, groet de juffrouwen op de haar eigen ongedwongen wijze, en nadat moeder Haverkist, terwijl nog een traan van \'t lachen haar over de wang rolt, de meisjes als haar dochters Kaatje en Sophie aan juffrouw Rooze heeft voorgesteld, zegt Anna, waarlijk niet te hebben geweten dat mevrouw behalve juffrouw Jans nog meer kinderen had.

„Wat blief!?quot; smakt de moeder met een vreeselijken opslik: „Of ik er niet meer heb!? Lieve mensch! als ik je dienen kan, nog vier buiten dezen; en dan, weet u, nog twee lieve zieltjes ginds achter de kerk!quot;

De moeder bedoelde dat het zielloos overschot van twee barer

-ocr page 72-

t)4 ANNA ROOZE.

lieve kinderen achter de kerk begraven was. Nu, Anna begreep het ,1a

wel; maar Anna wist nog niet alles. Terwijl de juffrouw zeer zenuw- tei

jichtig een eitje voor dominee ging klutsen, op het gevaar af een

stuk uit het porseleinen kopje te slaan, en zich in de rede valt se!

«iet een bevel aan Fietje om eens le gaan zien „of ie niet kwam,

want dat de koffie al lang klaar wasquot;, ging ze met haar gewone zi(

gejaagdheid en een zenuwachtig geslik verhalen, van haar Willem, he

die te Utrecht voor dominee studeerde: een jongen, zoo knap, zoo en

knap, zie, haast zoo knap als z\'en eigen vader; twee jaar jonger sc

dan Jans, en omstreeks twintig jaar oud; van Arend, die te Kampen, tei

€ii Jozef, die in een heel fatsoenlijke zaak — manufacturen weet

u — te Deventer was. Maar, juist toen ze over haar kleine Miesje, de

haar negenjarige engel in vuur kwam, en haar mond schier bij nu

ieder woord de beweging van een hond maakte, die naar een mugje m(

snapt, en dominee — wien vrouwliefs «gekwaakquot; begon te ver- ee

velen — luide verklaart; „Present of niet present, ik begin met de tij

koffie;quot; wordt nogmaals de kamerdeur geopend, en vertoont zich

de persoon op den drempel, om wien men de koffiepreliminairen een

weinig gerekt bad. wi

ge

nc

____Wi

in

ZEVENDE HOOFDSTUK al

\'t Is duidelijk te zien dat de man op den drempel aarzelt binnen be

te komen. Zulk een gezelschap heeft hij niet verwacht. — „Des st

verkiezende stil huiselijk verkeerquot;, zoo heeft er in de advertentie vi gestaan, maar nu ... zóóveel dames!

„Kom binnen, mijnheer Redly, kom binnen!quot; roept dominee op hi

zalvend beschermenden toon: „Er is niemands vreemd behalve een zij

jongejuffrouwtje Rooze. Kom maar binnen, gerust!quot; dc

„O, vergeef mii, ik wist niet----quot; zegt de man en schijnt groote

roeping te gevoelen om naar de plaats terug te keeren vanwaar hij h(

gekomen is. dc

Dominee, die het intusschen niet kwaad heeft geacht om den vi nieuwen huisgenoot-commensaal te gemoet te gaan, beweegt den

heer Redly met zekere vaderlijke welwillendheid, vergezeld van een m

handdruk, om toch binnen te komen en naast hem plaats te nemen. m

Mijnheer Redly heeft plaats genomen; hij zit vóór op zijn stoel. df

Schier onbeweeglijk staren zijn oogen voor zich, onder de vierpoo- v

tige tafel, op een in het karpet gebrand gaatje, dat hem nu eens ai

toeschijnt de krater van een vulkaan en dan weer het scherpe oog ki

van een draak te zijn. fii Juffrouw Jans, die sedert haar herinnering aan miss Lewes zeer

-ocr page 73-

ANNA ROOZE.

„lachsquot; is, en zich ook nu ternauwernood bedwingen kan, fluistert, terwijl ze Anna aan het rouwkleedje trekt;

„Een gezicht alsof hij in de kist moet. Pas op. het doodelijke schot wordt zoo aanstonds gelost.quot;

— Een gezicht om meelijden mee te krijgen, denkt Anna, en kan zich niet verklaren hoe haar nieuwe vriendin, die haar zoo hupsch heett ontvangen, nu de eerste regelen der welvoeglijkheid schendt, en lachend haar aanmerkingen fluistert over den man die naar \'t schijnt, hier in den kost is gekomen, doch zich nog zeer weinig tehuis gevoelt.

Op dominee\'s vragen of mijnheer Redly het dorp niet fraai en deze kamer, zie je, met uitzicht op den grooten achtertuin en de moezerij, niet alleraangenaamst vindt, heeft de man — nadat hij met een vreeselijk trillende hand een kop koffle had aangenomen, een paar malen ,o ja!quot; geantwoord, maar slaat nu eensklaps vluchtig de oogleden op, en vraagt — blijkbaar om iets te zeggen:

„Allemaal uw dochters, mevrouw Haverkist?quot;

Ofschoon de gevraagde reeds den eersten opsmak voor het antwoord deed hooren, was het nu dominee, die de verlangde inlichting geeft. Nadat dominee „met je permissiequot; die jongejuffrouw Eooze nogmaals van zijn dochters heeft afgezonderd, en tot zijn Cathavina was gekomen, z\'n lieve bout van \'en mooie Ka, niet waar? toen vervolgde hij:

„Ja mijnheer Redly, die behoort zoomin als jij tot de vrijmoedigen in de wereld. Zie maar, \'t lieve kind ze bloost al voor je; ja. . . als je een jaar of tien jonger waart mijn goede mijnheer....quot;

Alles draaide Kaatje voor de oogen. O dat kon vader zoo doen!

Iets dat naar een blos zweemde vloog mede over Redly\'s gelaat.

De blos van dien man greep Anna in \'t hart. \'t Was alsof zij op dat bedeesde maar goedaardige aangezicht geschreven zag, dat hij te strijden had met vijanden, \'t zij in de wereld \'t zij in eigen gemoed, vijanden die hem te machtig waren.

En was het nu hupsch, was het nu gepast van den predikant dat hij dien zwakken man, ten aanhoore van zooveel jonge meisjes, zijn beschroomdheid deed gevoelen, en hem wilde geruststellen daardoor dat een meisje van achttien jaren even bloode was als hij!

Neen! En de blos van dien man — na dominee\'s woorden — heeft Anna pijnlijk getroffen, want, zij gevoelde zich zonderling door hem aangetrokken, en slechts haar bescheidenheid en het besef van eigen jonkheid deden haar het stilzwijgen bewaren.

Nochtans, nu dominee Haverkist ■— al weder onnadenkend — zijn mooie Ka ter geruststelling op het blozen van mijnheer Redly wijst, met de bijvoeging dat die blooheid inderdaad dwaasheid is, want dat men immers niet behoeft te blozen, indien men zich niets te verwijten heeft, nu Anna na die woorden den tengeren man, schier angstig van verlegenheid, de oogen naar den grond ziet slaan, nu kan ze zich niet weerhouden, en, uiterlijk kalm, terwijl ze dominee flink in de oogen ziet, doch inwendig met een kloppend hart zegt ze;

„Mijn lieve pleegmoeder juffrouw Marnix, dominee, had bij haar

V. 5

65

-ocr page 74-

ANNA ROOZE.

schrijfvoorbeelden er ook een met deze spreuk; Der dwazen blos is toorn of dronkenschap, doch die der nederigen is des hemels morgenrood.quot;

Dominee Haverkist dronk zijn koffie uit, en lepelde nog een weinigje suiker na.

Hij gevoelde een sterke neiging om de jongejuffrouw eens te vragen, of de wijze, waarop ze hem heeft aangezien, zoo bijzonder nederig of bescheiden is geweest. Haar toon is hem in \'t geheel niet bevallen; daar was iets hinderlijks in; zeer! Zij heeft zoo extra op dat nederigen gedrukt. Dominee meent in alle bescheidenheid bij zich zeiven, dat, als er iemand is, die den lof der nederigheid voortdurend bezingt, en als iemand hoogen, zeer hoogen prijs op nederigheid en ootmoed des harten stelt, dat het dan zeker dominee wol in eigen persoon zal wezen. Waarom hoeft dat vreemde juffertje dan zoo bijzonder op dat woord godrukt\'?

De goede dominee, die niet aan het spreekwoord van den passenden schoen denkt, zou zeker niet gelooven dat hij zich het sterker drukken op het woord nederigen heeft verbeeld, zoomin als hij een oogenblik vermoedt den nieuwen huisgenoot, met zijn vergelijking, te hebben gekwetst. Immers, hij had den man een riem onder het hart willen steken, en meteen zijn lieve Ka een beetje op haar gemak gezet.

Dominee is nu tot het besluit gekomen om van de woorden dier jongejuffrouw niet méér notitie te nemen dan hij, voor een gepaste wending, dienstig oordeelt.

„De Spreuken van Salomo schat ik hoog, zeer hoog,quot; zegt hij, na luttele oogenblikken van stilte, terwijl hij de hand ter bevestiging zijner woorden even oplicht en dan weder op den arm van zijn stoel drukt; „Zoo heb ik indertijd van sommige zijner voortreffelijkste spreuken eenige exegetische preeken gemaakt. Onder andere van oen man op den hoek des daks en de kijfachtige huisvrouw. Ik beschouwde in de eerste plaats — ja wacht ereis — ja wel: het wonen of uitwonen des mans: ten eerste als waarschijnlijk, ten tweede als een noodwendig gevolg, en ten derde als een roeping Gods; in de tweede plaats den hoek des daks: ten eerste als binnen de palen der voorzichtigheid, ten tweede als onzondig toevluchtsoord, en ten derde als uiterste grens; en in de derde plaats de kijfachtige huisvrouw: ten eerste als een andere slangetong uit Eden, ten tweede als de telg en tevens de moeder van ongerechtigheid en ellende en eindelijk als de wekster van het oordeel Gods.quot;

Anna was te wellevend om dominee tegen te spreken, en te zeggen dat Marnix\' spreuk niet in de boeken van Salomo gevonden werd. Misschien zou de wijze koning zelfs beleefdelijk voor het vaderschap bedankt hebben, maar — zonder eenigen twijfel zou hij verbaasd hebben gestaan over de zeer uitgewerkte verklaring zijner spreuken door den predikant van Mulderspeet.

Mijnheer Redly heeft zich langs het voorhoofd gestreken, en tevens vluchtig ter zij naar Anna gezien, naar \'t meisje wier stem zoo liefelijk klonk; wier woorden de tolken eener gevoelige ziel zijn

€6

-ocr page 75-

ANNA ROOZE.

geweest, en die aan de spreuk door haar geuit een naam heeft verbonden. . . een naam. -..

Met den zakdoek wischt Redly zich nu de zweetdroppels van \'t gelaat. — \'t Is zeker de ongewoonte van zich in zulk een groot gezelschap vooral van zooveel dames te bevinden, die hem zoo akelig dof en warm maakt. Sedert hij voor ruim vier weken uit Melbourne in Nederland is aangekomen, heeft hij letterlijk niemand gesproken. Op de advertentie „van den dorpspredikant met een klein gezinquot; heeft hij geschreven, en nadat men het eens is geworden, kwam hij gisteravond te Mulderspeet aan. Hij heeft niet indiscreet naar alles durven informeeren, maar bepaald op een klein gezin gerekend: dominee en zijn vrouw, misschien nog een lief aardig kind, dat zich aan hem hechten en waarmee hij spelen en wandelen kon. Maar nu, al die menschen! En ze keken hem zoo vreeselijk aan. Daar heeft hij in de Nieuwe-wereld veel minder last van gehad. Sedert zijn terugkeer in \'t vaderland is dat steeds erger geworden; en nu.... hier.. .. wordt het waarlijk niet beter.

— Maar men moet er zich tegen inzetten. Wel zeker! Het zijn hier beste vrome en opgeruimde menschen! Dominee schijnt maar zoo eenvoudig en rondweg te zeggen wat hem op de tong ligt. Wel waarom niet! als men den slag daarvan heeft. Neen, met zijn woorden kan hij op niets gedoeld hebben, en immers hij heeft gelijk: \'t is een dwaasheid te blozen indien men zich niets behoeft te verwijten. .. Ja.... ja! maar ... — Zeker, dominee heeft toch juist geoordeeld: \'t was voor \'t oog der wereld een dwaasheid, juist! Minder juist is dominee echter, naar \'t Redly toeschijnt, in zijn exegese over Spreuken XXI vers 9 geweest. — Redly herinnert zich dat cijfer toevallig. — Indien men den predikant naar die schets moest beoordeel en.... dan... Maar zacht, \'t is al zoolanggeleden dat hij zelf iets aan de theologie heeft gedaan, \'t Was in het jaar 33, nu al zes en twintig jaar geleden dat hij te Leiden zijn bul als theo-logiae doctor ontving. Sedert verwaarloosde hij om zoo te zeggen de studie geheel en al, en men oordeelt dan al spoedig verkeerd. Mijnheer Haverkist kan ook wel eenigszins in de war zijn geweest; misschien inwendig verlegen met de waarschijnlijk wel merkbare verlegenheid van zijn nieuwen huisgenoot.

— Ja zeker; denkt Redly voort terwijl hij nog eens met den zakdoek langs het hoofd strijkt: mijn verlegenheid en verwarring werken dikwijls aanstekelijk. — Hoe zal ik ooit rust vinden goede God!

— Die spreuk! — Ja, moed dan! — O voorzeker, indien al die lieve jonge dames weg waren, behalve die eene vreemde hrer naast mij; ja, als wij alleen waren, dan — dan zou ik wel wat kalmer zijn en eens vragen willen of die spreuk.... en de naam dien zij noemde, die naam van Marnix.... Maar neen!.... neen!

Nogmaals wordt de doek langs het voorhoofd gestreken, en dan

— terwijl hem de wenk niet ontgaat, dien de moeder der ginnegab-bende bruinoog geeft, vermant zich Redly — want immers niemand kende hem hier, en zijn mijmerende houding zou tot allerlei vermoedens kunnen aanleiding geven — en hij denkt: Kom, moed gevat

67

-ocr page 76-

68 ANNA ROOZE.

Redly! het zijn immers lieve, allerliefste, onschuldige en lachlustige kinderen die meisjes. Kom moed gevat! en terwijl hij het krentenbroodje neemt ,dat men maar zoo vrij is geweest voor mijnheer Redly te smeren,quot; zegt hij met een eenigszins vreemde kordaatheid op vragenden toon:

„Mulderspeetsch gebak? ei ei, wel wel!quot;

Een luid lachgeproest barst eensklaps van een paar zijden los.

Redly hoort slechts een donderende stem, die vermaant om niet als zottinnen te lachen. Als men lachte dan moest iedereen weten waarom. Nu zou mijnheer Redly wel kunnen denken dat het om hém was, \'tgeen niet te pas kwam en \'tgeen ook niet waar was.

Redly hoort japongeschuifel eu tweemaal het toeslaan der deur.

\'t Was nu een smakkende gil-achtige vrouwenstem die beweerde, dat dominee op die manier de meisjes heelemaal van den wal in de sloot hielp; dominee wou de meisjes binnen hebben, en als ze binnen waren dan mochten ze niet eens lachen! Mijnheer Redly zou dat zeker niet kwalijk nemen. Hij had dat ook zoo raar gezegd: .Mulderspeetsch gebak? ei ei, wel wel!quot; bij welke herhaling juffrouw Haverkist, zeer onnatuurlijk, eenigszins Redly\'s stem heeft nagebootst.

Op een minder donderenden toon herhaalt dominee dat de meisjes daarom niet zullen gelachen hebben, dat zou al zeer onwellevend van de kinderen zijn geweest, van meisjes die, Gode zij dank, een zeer goede opvoeding genoten.

„Gud Haverkist,quot; is de smakkende stem toen ingevallen: „denk jij dat ik geen oogen heb! Ik weet zeker dat ze daarom gelachen hebben. Ik houd van geen draaiers!quot;

„Draaiers! ben ik een draaier?quot; klinkt dominee\'s weerwoord op trillende toon; „Ik verzoek je vriendelijk. Fine, — khum! khum! vriendelijk, in presentie.... khum!quot;

„En ik zeg dat ik van rond houd, en van de waarheid, en dat....quot;

„\'t Zal tijd worden dat ik naar De Runt terugkeer,quot; heeft nu Anna zacht, en bescheiden voor zich ziende, tot Jans gezegd.

Dominee\'s oudste dochter, die sedert het laatste geval een gelaat had dat bij Anna den eersten goeden indruk er van geneel hernieuwde, heeft toen zeer luide eenige recht hartelijke woorden tot Anna gesproken, waarop een eenigszins verward afscheid — met verzoek van terugkomen en respectverzekering aan de familie, is gevolgd; en juffrouw Rooze, na ook Redly zeer vriendelijk doch wat haastig te hebben gegroet, door Jans gevolgd de kamer heeft verlaten.

Mijnheer Redly met de echtgenooten alleen gebleven, tuurt met strakken blik naar den krater onder de tafel; en — de spreuk, straks door dominee genoemd, staat hem nu met duidelijke letters voor de oogen: „Het is beter te wonen op eenen hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van ge-zelsch ap!quot;

Dat Jans, ofschoon ze wat ongepolijst is, een lief en goed karakter heeft en wa\'ardig is om door de beminnelijke Suissesse „ma

-ocr page 77-

ANNA ROOZE,

chère amiequot; genoemd te worden, dat bespeurt Anna nu Jans haar, tot bekorting van den weg, door den achter- of moestuin tot aan het latten hekje uitgeleide doet. Zij schildert vader en moeder met de schoonste kleuren: Vader had zoo iets bijzonder zelfstandigs, zoo iets positiefs; waarlijk wel noodig in een gemeente als deze, en als het hoofd van een zoo talrijk gezin. Moeder was de rondheid en eenvoudige openhartigheid \' ïrsoon. Anna zal misschien ge-

geloofsrichting van anderen

neerzag, indien ze niet met de zijne overeenkwam, maar och neen! dat was meer het gevolg van zijn eigen vaste overtuiging, en alweer het uitvloeisel van dat zelfstandige in zijn waardig karakter. En, was er soms iets in zijn toon....? nietwaar, door dat altijd in \'t publiek spreken kreeg een dominee dat al eerder. Wezenlijk, vader meende het zoo best; en moeder, waarlijk, oprechter mensch en beter moeder bestond er op de wereld niet; maar, zenuwachtig, razend zenuwachtig; en dat was iets lastigs, iets heel lastigs, vooral voor haar zelve. Nu moeder bijvoorbeeld, evenals vader gezegd heeft dat het haar genoegen zal doen als Anna eens terugkomt, nu kan zij er op rekenen dat het gemeend is — hoor je, gemeend!quot;

Na deze — als men \'t zoo noemen mag — met verschoonende overtuiging geuite ontboezeming, opende Jans het kleine latten hekje, dat zich nabij een plankenschuurtje in de schutting van den moestuin bevond, en vervolgde met den vinger er buiten wijzende:

„Zie je, kindlief, als je hier langs het schuurtje, en dan maar rechtuit dat paadje achter de kerk gaat, dan kom je precies bij den molen op het Runtsche kerkpad en coupeer je het heele dorp. Adieu! de nieuwe meid zal me wachten; \'t is voor \'t eerst met het vleesch van middag. Nogmaals hartelijk dank voor je bezoek! Ik hoop veel van je te profiteeren, en zeker zal ik bij je weerom komen hoor! Ja zeker! je oom zal me toch niet opeten, is \'t wel? Bonjour, bonjour!quot;

Jans heeft zoo snel gesproken dat Anna slechts nu en dan er een woord heeft kunnen tusscnenvoegen: op de laatste zonderlinge vraag heeft zij echter geantwoord dat een tegenbezoek haar zeer zal verblijden en ook oom en tante ongetwijfeld bijzonder aangenaam zal zijn.

Nu Anna, na een hartelijk afscheid van de gulhartige dominee\'s-dochter te hebben genomen, den aangewezen weg langs het schuurtje inslaat, is het echter niet vreemd dat — na die laatste woorden van Jans — het beeld van den oom haar opnieuw en nu met een zeer onaangenamen trek voor den geest treedt. Maar, eensklaps staat ze stil.

Uit het schuurtje ter rechterzij klonk een vrouwenstem; en op gejaagden, gedempt-luiden toon hoort ze zeggen:

„Joa, met hum die bie Lijning is; dat weet ie zoogoed als ikke.quot;

— Bij Lijning....? herhaalt Anna in zich zelve, en het is haar als werd ze bij haar kleed teruggehouden.

„Moar ik roai oe, da\'j weggoat,quot; vervolgt de stem, die Anna al

69

dacht hebben dat vader

laas: od ae

-ocr page 78-

70 ANNA ROOZE.

aanstonds voor die van Hanneke uit De Luchte — dominee\'s nieuwe dienstbode — heeft herkend.

„Ho! ho! dat kan m\'n zwartje niet meenen,quot; klinkt de forsche stem van een man.

Anna gaat onwillekeurig een schrede vooruit, want de stem, die zij mede aanstonds als die van den schapenkooper van den vorigen avond meent te herkennen, klinkt zoo duidelijk en nabij, dat de man — vermoedelijk met den rug tegen het plankenbeschot binnen het schuurtje geleund — niets anders dan door dat beschot van haar kan gescheiden staan.

„Joa zekerlik meen ik dat, heel zekerlik!quot; is Hannekes jagend antwoord: ,\'k Heb niks met oe van doen, geen spier: en ge weet \'et: \'k heb \'en ander!quot;

„Da\'s erg vrijabel, zou ik zeggen,quot; herneemt de forsche stem. „Voor twee jaar met de Mulderspeetsche kermis was \'t anders: heel anders!quot;_

,Schei uut! Toen was ik \'en kiende!quot;

„En toch niet kinderachtig!quot; grinnikt de man: „Kom, mollig zwartje, laat den slungel, die bij Lijning is, loopen. Wees verstandig, kom!quot;

\'t Was of de persoon die sprak zich van het plankenbeschot verwijderde; maar ofschoon iets minder duidelijk, toch klonk het verder zeer verstaanbaar:

„En ik heb de oudste brieven nietwaar? Eens mijn, altijd mijn, en trouwen rijmt op kermis-houwe n zeggen ze bij ons te lande. Waarachtig, lieve zwartkop, al is Jan Piek een beetje lang weggebleven, vergeten kon ie je nooit, en \'t is verd... ik ben \'en eerlijke kerel, en te Amersfoort zul je....quot;

„Schei uut! ie bint \'en smeerlap dat bi\'j!quot; roept Hanneke luider, en in haar stem ligt iets angstigs.

„\'k Zou daar in jou plaats zoo hard niet van praten,quot; grinnikt Jan Piek: „Kom meid, we weten \'t wel samen!quot;

„Weten, nee, dat lieg ie, dat lieg ie zoo groot en zoo gemeen as ie bint!quot; snauwt Hanneke, blijkbaar in hevige spanning: „Nikse wi\'k van oe weten, nee; en nooit he\'k van oe geweten, nooit!! Toe vort! ik ken oe niet; ik weet niet wie da\'j bint. Toe lillekerd, vort!quot;

„En als ik dan eens... quot;

„Blief van mien af----!quot;

De smalle deur van het schuurtje, die in dominee\'s tuin uitkomt, wordt van buiten geopend. Anna staat op den dorpel. Binnen het donkere schuurtje kan zij echter niet aanstonds de personen ontdekken, die ze er buiten zoo duidelijk hoorde spreken.

„Ha!quot; bij dien stapel takkebossen ziet ze nu Hanneke staan, tastende naar een der bossen, en iets verder een man, wegduikende achter een stortkar.

„Hanneke! juffrouw Jans wacht je in de keuken,quot; zegt Anna op eenigszins overspannen kordaten toon, en dan wijzende in de richting van de stortkar: „Wat doet die man daar?quot;

Welke man iuffer?quot;

-ocr page 79-

ANNA BOOZE.

,Welke man? wel die daar, achter de kar!quot;

„\'En man, juffer? Maar d\'r is niemand!quot;\'

Anna luider tot den man, naar de zij van de kar ziende:

„Wat doe jij daar, zeg? Mij dunkt je hebt hier niets te maken. Als je niet aanstonds gaat dan zal ik dominee roepen!quot;

De man komt te voorschijn, en zegt op half brutalen half beleefden toon:

„Dan zou de juffrouw me plezieren, en \'en loopje uitwinnen, want juist wou ik gaan zeggen dat ik hier klaar met m\'n werk ben.quot;

„Als je niet oogenblikkelijk de schuur en den tuin verlaat, dan zal ik je aanstonds de moeite van den loop besparen,quot; is Anna\'s bescheid op fermen toon.

„Juffer!.... stil, stil asteblieft!quot; zegt Hanneke, terwijl ze Anna met een takkenbos in handen, is genaderd en wil voorbijgaan: „Stil juffer, loa\'n ze \'t niet heuren! Hie duut geen kwoad, nee dat duut ie niet; ik geleuf moar alleen. ..quot;

„Maar ik geloof dat je verkeerd doet dien man in bescherming te nemen,quot; valt Anna het zichtbaar ontstelde dorpskind in de rede: „\'t Staat niet aan mij dit te onderzoeken, dat mogen je ouders of meesters doen. Maar,quot; vervolgt ze snel terwijl ze naar binnen wijst: „heeft die man hier zijn werk?quot;

„Joa juffer!.... of....quot;

„Neen!quot; zegt Anna met klem, en op denzelfden stond werpt ze het deurtje toe; sliert den grendel er voor, en draait met den roes-tigen buitensleutel het slot at: „Kom meisje, kom!quot;

„Nee juffer, niet noar domenie. Nee, niks oan domenie zeggen, juffer!quot; smeekt Hanneke en vat Anna, die reeds eenige schreden in de richting der pastorie is voortgegaan, bij haar kleed.

Anna aarzelt, maar, nu ze stilstaat om Hanneke vragend in de oogen te zien, nu bespeurt ze terzelfder tijd, achter het hekje aan de buitenzij van den moestuin, een manspersoon, die op een zonderling beleefden toon Hanneke en de juffrouw een afscheidsgroet geeft, met de bijvoeging, dat een fatsoenlijk man, die verliefd is van gemoed, niet graag achter slot en grendel zit.

Na deze woorden verdwijnt Jan Piek, die door het varkensschot aan den achterkant van het schuurtje moet ontsnapt zijn, langs de buitenzij der schutting van dominee\'s moestuin.

Teleurstelling en verontwaardiging blinken in Anna\'s oogen. Maar — was het dan ook niet dwaas dat zij, gehoor gevende aan dien inwendigen drang, zich ongeroepen tusschen dien vreemde en dat meisje heeft gesteld, een meisje dat misschien nog ouder is dan zij? Was het haar roeping, haar plicht? — Ja! ja!! valt Anna,bij den snellen gang harer denkbeelden, zich zelve in de rede: mijn plicht, mijn roeping, zeker! Een ruw persoon; een bedrieger misschien, stelt zich tusschen den goeden Joost en zijn fleurig liefje. Toen ik die woorden opving toen bonsde \'t in mijn hart dat ik haar beschermen moest tegen den man, die haar ongeluk zocht, en ja, nu zal ik ze beschermen door allen te waarschuwen, die haar behoeden kunnen; dat is plicht! zekerlijk plicht!

71

-ocr page 80-

72 ANNA ROOZE.

„Kom Hanneke, kom!quot;

Maar Hanneke treedt haar beschermster in den weg, en dewijl zij vreest dat men uit de achterkamer der pastorie — ondanks de stammen der vruchtboomen en het snijboonen-rijshout — reeds meer heeft gezien dan inderdaad het geval kon zijn, noodzaakt zij Anna met zacht geweld achter een hazelaar te treden, waar het bevende boerinnetje haar nogmaals „in Godsnoamquot; verzoekt, om toch niet verder te gaan, en niemand iets te zeggen van hetgeen „de jufferquot; vernomen heelt.

Met een gejaagden woordenvloed beweert Hanneke dat ze niets van dien man te vreezen heeft. Nu twee jaar geleden, toen\'t kermis was, toen kwam hij voor \'t eerst in \'t dorp en zag er veel knapper uit. In de dorpsherberg De vergulde Ploeg heeft Hanneke toen met hem gedanst en hij heeft haar getracteerd. „\'t Was \'en rieke.quot; Sedert dien tijd is de schapenkoopman niet teruggekomen. Joost Burik „die al van kiend af oan zin in hoar gehad hadquot;, was bedroevend kwaad geweest, maar de vreemde had er ook vrij wat meer heers uitgezien. Echter, toen \'t een jaar geleden weer kermis was, toen heeft Joost haar afgekust, en is \'t weer aan geworden als vanouds; en aan Joost heeft ze trouw beloofd: „zoo woar as God ien den hemel wasquot;.

„Vluuken dat mag niet,quot; zoo besluit Hanneke haar kort verhaal achter den hazelaar; „moar Joost was altied spits op dien vremde; en proatjes! zie juffer d\'r zin altied proatjes-. . Hier sloeg Hanneke de oogen neer: „En nou, begriep ie, die mins overviel mien in \'t schuurke toen \'k er hout wou hoalen; moar \'k sloeg \'em

liever dood eer da\'k...... En, durven duut ie niks! Geen woord

dus juffer, wa\'k oe bidden en verzuuken mag, geen woord! As domenie.... en Joost, m\'n goeie Joost \'et beurden, ze zollen meinen da\'k \'et olde spul weer ophualde. Geleuf mien, ik stoai vast in de schoen\', en den keil, den smiecht, van hum he\'k \'en griezel!quot;

Toen Hanneke op een geroep uit de verte, zich haastig met haai takkenbos verwijderde, staarde Anna haar een oogenblik na, en verliet daarna nogmaals den moestuin, om haar wegnaar De Runt te vervolgen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

In den namiddag van dien zelfden dag zaten Anna en hare tante in de holle kamer, waar Abels offerande boven den breeden schoorsteen prijkte. Tante was erg zenuwachtig; de naalden van haar breiwerk zouden dat verklapt hebben, zoo niet haar stem, en somtijds een haastig weggepinkte traan, het gezegd hadden.

-ocr page 81-

ANNA ROOZE.

Ach! tante was zenuwachtig van geluk en van ongeluk allebei. Het vooruitzicht van Anna\'s komst heeft haar onuitsprekelijk ver-lieugd, en de tegenwoordigheid van het eenige kind harer lieve zuster Dora, is haar nu tot een wonderbare bemoediging en troost. Ja die groote vreugde heeft zij alweder aan haar Lijning te danken, die haar, zoodra zij op De Runt waren gekomen, met het besluit verblijdde om Anna in huis te nemen.

— Maar ach! Tante moest zich zelve beschuldigen. Om harentwille miste het lieve meisje nu zooveel dat haar dierbaar geweest was. Om tantes wille zou Anna nu in een sombere afgelegene woning, aan de zij van een vervelende oude vrouw de lange winteravonden moeten slijten, en....

„Maar beste tante, uw liefde vergoedt mij zooveel,quot; heeft Anna gezegd.

Ach! tante blijft beweren dat zij verkeerd heeft gedaan met naar Anna\'s komst te verlangen. Had zij Lijning er om gevraagd, dan, dan zou ze in \'t geheel geen rust voor haar gemoed hebben, maar — nu gevoelt ze ook weer zoo levendig het groote verschil, dat er bestaat tusschen Lijnings karakter en het hare.

„Hij, lieve Anna, leeft alleen voor anderen,quot; vervolgde tante, terwijl een traan, neervallende op de meest vooruitstekende breipen, uiteenspat: „Het duurde lang eer ik je oom in zijn volle waarde leerde kennen. Onze eigenliefde voert altijd strijd tegen het betere in den naaste. Ik druk mij nooit helder en juist uit, lieve kind, dat moet je mij maar niet kwalijk nemen; je zult me wel begrijpen. Ik dacht nog wel eens dat ik beter en verstandiger dan de goede oom was, maar een vrouwonverstand is doorgaans even beperkt als hare krachten gering zijn. Och beste Anna, ik had mij zelve moeten verloochenen, en oom moeten aanraden je daar te laten, daarginder. Je zult weinig goeds van mij leeren; de zwakke geest is wel ge» willig maar... quot;

„Lieve beste tante!quot; zegt Anna, die de spreekster reeds eenige oogenblikken met een deelnemenden blik heeft aangezien; „al zijn uw woorden zeer duidelijk te verstaan, zoo begrijp ik waarlijk niet hoe mijn komst u in gemoede kan bezwaren. Waarlijk, al moest ik ook alles waaraan ik gehecht was verlaten, de gedachte dat mijn bijzijn de eigen zuster van mijn lieve vroeg gestorven moeder aangenaam is, zal me hier recht tevreden en gelukkig doen zijn. Maar bovendien lieve tante, wij weten nu immers dat oom niet om on-zentwil maar om financieele redenen. ...quot;

„Och ja, dat is waar,quot; valt tante Co-Mie in: „Zie, zoo vergeetachtig ben ik altijd; bij de eenvoudigste zaken kan ik bet hoofd niet houden. Ja ja, toen het met die gelden na den dood van zwager Jan — je beste papa —• zoo in de war bleek te zijn.... ja juist, toen heeft Lijning alles gedaan om.... ja wel, en onze retraite naar buiten was toen noodig, en toen werd er bepaald dat jij bij ons zoudt komen. Och ja, zoo was het. Lijning is door en door kundig in zaken. In weerwil van allerlei schokken en opofferingen heeft hij nog altijd het hoofd boven water kunnen houden. Mijn aard is wat

73

-ocr page 82-

74 ANNA ROOZB.

verkwistender; ik gevoel dat iedereu dag. Nu jij zoo hier bent, nu zou ik je bijvoorbeeld zoo graag op alles willen onthalen, maar eigenlijk is de oorzaak daarvan een zekere behaagzucht, een overblijfsel bovendien van aangeboren trotschheid. Je oom, lieve Anna, begrijpt die fijne roerselen van \'t menschelijke hart en kan er mij wel eens attent op maken. Tegen die opmerkingen strijdt dan dé natuurlijke zondige mensch, maar de natuurlijke mensch \'moet in ons gedood worden. De strijd blijft echter tot den einde toe, en waar ik aan de eene zij de klip der verkwisting zoek te vermijden, daar strand ik ginds op die der afschuwelijke gierigheid. Zeg nu eens eerlijk, lieve Anna, was het niet schriel van tante dat zij je gisteren avond niet eens met warm eten gewacht had? ja zeker; vondt je niet?quot;

Anna, die in de breede vensterbank gezeten naar buiten zag, vraagt snel:

„Mama was uw jongere zuster nietwaar tante?quot;

„Ja Anna. Mama was twee jaar jonger dan ik.quot;

,U hebt haar goed gekend, nietwaar?quot;

„Wel zeker lieve kind. Na den dood van mijn ouders en mijn spoedig daarop gevolgd huwelijk met oom Lijning, kwam Dora bij ons inwonen. O ik hield zoo zielsveel van haar, en oom droeg haar op de handen en bestierde hare zaken, totdat oneenigheden van financieelen aard.... Och, maar nu spreek ik weer van dingen, die zoolang geleden zijn en waar ik geen de minste kennis van heb. Je lieve ma heeft toen onze woning verlaten — tot mijn leedwezen, maar is ook kort daarna met je goeden vader getrouwd Anna.

„En zaagt u elkander sinds die oneenigheden en dat huwelijk niet weer, lieve tante?quot;

„Wel zeker, toen mijn beste Dora aan \'t sukkelen raakte, toen was het oom zelf, die mij aanspoorde om toch tot haar te gaan. En ik, die meende dat hij haatdragend was! 0, wat had ik een wroeging niet reeds eerder daarvan te hebben gesproken, en ook. Lijning te hebben miskend. Je goede ma is twee maanden na ons wederzien gestorven; en na haar smartelijken dood kwam je vader dan ook al spoedig met oom Lijning op den besten voet. Och, wat was hij een vroolijk, beminnelijk mensen! De weinige keeren dat ik hem

fêzien heb, staan mij nog als zonnige oogenblikken voor den geest; ij had zoo iets, zoo iets.... verruimends.quot; Na een vluchtigen blik op de deur te hebben geworpen, gaat tante voort, terwijl Anna den zakdoek tegen de oogen drukt:êzien heb, staan mij nog als zonnige oogenblikken voor den geest; ij had zoo iets, zoo iets.... verruimends.quot; Na een vluchtigen blik op de deur te hebben geworpen, gaat tante voort, terwijl Anna den zakdoek tegen de oogen drukt:

„Maar, zooveel menschen er zijn, zooveel karakters vindt men op de wereld. Zie, oom Lijning was niet zoo vroolijk; maar daar kunnen weer hoedanigheden tegenover staan, is het zoo niet? Van je braven vader genoot oom bijvoorbeeld het volste vertrouwen. Och ja, ik hoor hem Lijning nog allerlei aardige bijnamen geven: zijn schatkist en nog zooveel meer.quot;

„En die schatkist is nu heeleniaal uitgeput lieve tante?quot; zegt Anna door tantes laatste woorden op een nare gedachte gebracht.

„Ja, in den beginne begreep ik dat ook niet,quot; antwoordt de tante zacht en erg schichtig: „maar ik geloof dat een oorlog in Rusland

-ocr page 83-

ANNA ROOZE.

of in de Krim of iets in Amerika, veel kwaad deed. Och, van zulke zaken heb ik zoo niets geen verstand. Maar eens, toen ik er even op doelde, toen zei oom, dat Rooze — je pa — hem immers zelf bij \'t laatste afscheid zijn magere spaarpot genoemd had. Ja ik hoor het nog, en ik zie ook nog hoe hij oom daarbij met zijn echte zeemanshartelijkheid op den schouder sloeg. Ik meende toen dat hij met dat magere je oom een beetje plagen wilde, omdat oom nog al tenger van bouw is; maar Lijning verstond de beteekenis beter. Ik geloof dat men de boeken had nagezien. Je pa spotte altijd met de boeken, en noemde ze de Mercunaansche geloofsartikelen, voor welke dingen hij geen tijd en geen geduld had. Maar oom vond dat natuurlijk niet goed en wilde dan ook volstrekt dat pa op de hoogte der administratie zou wezen, enquot; Eensklaps ziet tante nogmaals verschrikt naar de drie deuren der groote kamer, en besluit: „Maar och mijn lieve, al wat ik spreek is verward, je kunt niet gelooven hoe zwak van geheugen ik oen, en van zaken ... ik begrijp alles zoo verkeerd. Zie, als je soms van \'t een of ander wat te vragen hebt en je de dingen bevatten kunt, dan moet je op \'t kantoor — ik wil zeggen op de studeerkamer wezen lieve kind. Tante is oud, och oud, en... . en.... geheel anders Anna, dan zij wezen wilde en zijn moest.quot;

Er vielen weer eenige tranen op tantes breiwerk.

Anna ziet de arme vrouw aan, en als zij straks met den arm om haar hals eerst eenige woorden ter bemoediging spreekt, en dan, op de knieën bij haar neergegleden, verzekert dat zij in tantes trekken hoe langer hoe meer het beeld barer lieve moeder meent te vinden, om eindelijk van allerlei te praten en te vertellen, ook van de dominee\'s-familie, en ten slotte zelfs al keuvelend op tantes gelaat een glimlach toovert door de opmerking dat vader Adam ■— na zijn paradijsstrijd — zeker op kleermaken is gegaan, omdat Abel daarboven den schoorsteen — ofschoon nog zeer luchtig en met veel hiaten — toch zoo netjes in zijn éénarms boezeroentje zit, nu gevoelt de vrouw van Lijning een zonderling iets haar borst doorstroomen: \'t was haar „alsof haar jeugd, haar eigen jonkheid haar omhelsdequot; — toen was er liefde, warme liefde — toen was er kinderlijke eenvoud bij kennis; onschuldige vroolijkheid en jokkernij bij zin en wil voor het allervolmaakste.

En, de glimlach is weer verdwenen; een zonderlinge, eenigszina angstige verrukking straalt in haar blik, en Anna voelt zich de hand met zenuwachtige vervoering drukken, en de welluidende stem hoort ze fluisteren, terwijl opnieuw een tranenstroom die bleeke kaken besproeit:

„Mocht ik nu sterven goede God!quot; en zachter: „\'t Was anders, heel anders toen ik een kind was. Ja dat ik sterven mocht! nu, met mijn jeugd aan mijn zij! — Jehova! Jehova!quot;

Op de studeerkamer, waarheen tante Lijning haar nichtje voor de zaken en de dingen, die zij vatten kan, heeft verwezen, had terzelfder tijd een ander onderhoud plaats. Tegenover Lijning, die achter

75

-ocr page 84-

76 ANNA BOOZE.

de kleine kerkbankkleurige tafel bij het raam in zijn ledereu stoel zit, staat een man, die met den naam van Geert Holmena is verwelkomd.

Ofschoon Geert in geenen deele de overtuiging heeft dat zijn komst den heer van de verbrokkelde Runt inderdaad zoo welkom is, betuigt hij wederkeerig zijn blijdschap den heer Lijning in zulk een Wakenden welstand weer te vinden. Hij zal maar zoo vrij wezen een stoel te vatten, want hn heeft al een heelen loop gemaakt. Mijnheer Lijning keurt dit volkomen goed, en zegt dat hij niet gedacht heeft Geert zoo spoedig te zullen wederzien.

De man, wiens tongval, ofschoon bij zeer goed Nederlandach spreekt, nu den Groninger doet kennen, antwoordt dat hij wel eerder zou gekomen zijn. maar dat hij niet heeft gedacht dat mijnbeer de kassier zoo naar \'em verlangde: „De rais begrootte mjr, \'t is \'en heile toer van Grunningeii over Assen en Zwol,\'\' voegt hij er bij.

„Je verzwijgt me de waarheid Geert. Je komt niet van Groningen noch van Assen of Zwol. Je hebt te Arnhem gezeten, en ik dacht dat het voor vijf jaren was.quot;

Geert vindt het bedroevend dat zelfs de onbeduidendste mensch geen vinger in de asch kan steken, zonder dat de heele wereld er mee gemoeid wordt. Voor de palten en vodden, die hij nu bijna twee jaren geleden te Velp uit de kleerkast van een boer, waar hij nachtverblijf kreeg, heeft meegenomen, had hij precies drie schellingen kunnen maken, en voor dat bagatel hadden ze hem — juist toen hij de Sinterklaas te üitert wou gaan vieren, in z\'n vrijheid belemmerd: voor de waarde van ééne achttien stuivers; \'t was bedroevend ! \'t Zou mijnheer zeker plezier doen te hooren dat het geen vijf jaren maar vijftien maanden met een genadigen afslag van twee maanden in aanmerking van verzachtende omstandigheden waren geweest: „Armoude mijnheer de kassier. Geert het \'et neit oet weelde doan!quot;

„Je zult nog heelemaal verkeerd eindigen Geert!quot; zegt Lijning slepend: „Altijd heb ik je mogen lijden, dat weetjequot;. — Geert knikte met het hoofd — „en altijd heb ik je ten beste geraden; maar je ongeluk, je ongeluk zit \'em in je vingers. We spreken van geen waarde; waarde is betrekkelgk, maar de daad....quot;

„Da\'s te zeggen, als je veur de weerde van achttien stuuver vief-tien moanden achter de troalies \'stopt wordt met twei moand ofslag vanwegens armoude. dan zul jij volgens den regel van dreien wel kunnen oet-reken\' mijnheer de kassier, houveul joaren d\'r opzitten veur zoo\'n klaine affeere van vieftienhonderd onneuzele guldens zunder armoude.quot;

Om den bedoelden regel aanschouwelijk te maken, had Geert bij de laatste woorden met den nagel van zijn duim drie putten in de kerkbankkleurige tafel gedrukt. Nu hij weer opziet staat mijnheer Lijning achter den leeren stoel, waarin hij zoo even gezeten heeft.

„Ik begrijp niet mijn beste vrind wat je met die woorden bedoelt; neen dat begrijp ik volstrekt niet.quot;

„Neit begriepen!quot; grinnikt de man en buigt het hoofd ter zij en knijpt één oog toe.

-ocr page 85-

ANNA KOOZE.

.Neen, zekerlijk niet,quot; herneemt Lijning: „Iemand wien men in zijn jeugd heeft welgedaan; dien men vooruitgeholpen en als een vader tegen allerlei vergrijp heeft gewaarschuwdquot; — Geert blijft met het hoofd ter zij en het dichtgeknepen oog onbeweeglijk zitten. — „Iemand, die zich in weerwil van raad en vermaan,quot; vervolgt Lijning bijna onhoorbaar: „voor de tweede maal en op onzinnig bekrompene wijze aan eens anders goed vergreep, neen, van zoo iemand begrijp ik zeker niet hoe hij, na zulk een onteerende straf, niet slechts zijn ouden vriend en meester bezoeken, maar hem bovendien op een toon durft toespreken... een toon.... neen, dat begrijp ik mij zeker niet.quot;

Geert zit steeds in dezelfde houding en zegt met nadruk:

„Dan zal Geert jou dat begriepelijk moaken!quot; en stoot daarbij den duimtop zoo krachtig op de tafel alsof hij den heelen arm er door wilde drijven. Iets zachter:

„In \'t joar 57 was \'t \'en zaakien van achttien stuuver veur aigen reken. In \'t joar 41, zoo\'n kolle winter je weit wel, tou was \'t \'en affeere van \'en klaine vieftienhonderd gulden op recommandoatie en veur reken van den kassier meneer Lijning.quot;

„Geert, Geert!quot; zegt Lijning op bijzonder fluitenden toon: „nog altijd dezelfde verwarring van denkbeelden, die indertijd, door het gevoel van schuld, bij je zijn opgewekt. — Geert, Geert! hoe duizendmaal heb ik je beklaagd omdat één onschuldig woord, in jou brein ter kwader ure gedachten deed ontstaan, die de noodlottigste

fevolgen zouden gehad hebben, zoo een liefderijke Voorzienigheid e schuld niet met Zijn mantel der liefde had willen bedekken en zal blijven bedekken.... zoolang ...quot;evolgen zouden gehad hebben, zoo een liefderijke Voorzienigheid e schuld niet met Zijn mantel der liefde had willen bedekken en zal blijven bedekken.... zoolang ...quot;

„Net zoolang as ik er plezier in heb!quot; valt Geert blijkbaar ongeduldig in: „Tou meneer Lijning van \'t studentien te Grunningen in \'t jaar 41 zoo\'n klaine doezend gulden te pretendeeren had ...quot;

„Stil Geert! susssst!quot; zegt Lijning, en hij zet den bril af, en ziet den man onbeweeglijk strak naar de oogen.

„\'t Is zeker geheurig in deez olde brak?quot; vraagt de man iets zachter, terwijl hij even rondziet, waarna hij vervolgt: „En tou; ik weit neit beter of die aigenste meneer Lijning het de road \'geven----quot; Geert ziet den voormaligen meester toevallig aan, en slaat

de oogen neer: „Of joa wat road \'et was; ik weit \'et neit.quot;

„Niets weet je, is \'t wel Geert?quot;

„Nee, \'k weit wel veul maar neit alles, neit alles preceis,\'-zegt de forsche man: „\'t Was op \'en kolle Febrewoarie-nacht, zooveel weit ik wel . ■ ■ en. . .quot; Geert die ondanks zich zeiven gedwongen was gedurig naar Lijnings oogen te zien, terwijl ze hem blijven aanstaren, strijkt zich met de hand langs het voorhoofd en praat als in zich zeiven voort: „Misschien is \'t ook neit woar \'west, en dat de schelm van \'en ontvanger \'t zölf \'doan het.quot;

„Dat weet iedereen Geert.quot;

„Joa eiderein, \'t was d\' ontvanger van Mieriksma. En zien neef was oet Grunningen naar \'em tou \'gaan veur plezier, en tou ging d\' ontvanger met de kas op loop, en....quot;

77

-ocr page 86-

78 ANNA BOOZE.

„Net Geert, zoo was \'et.quot;

„Zoo was \'et. En tou nam ik oet de kast drei bankies van twei en ein van....quot;

.Geert je bent dronken!quot;

„Licht in \'t heufd, dond... licht!quot;\' zegt de forsche.

„Je hebt weer te veel jenever gebruikt.quot;

„Joa te veul jenever! zucht de man, en zwenkt met de oogen links en rechts.

„Je bent stomdronken!quot; beslist de onveranderlijk starende meester.

„Stom, stomdronken!quot; zegt de ander met een benauwde stem.

„En je zweert dat je dat glas onaangeroerd zult laten staan. — Zoo waarlijk....quot;

„Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!quot; zegt Geert en volgt het voorbeeld van den magere, die de beide vingers had opgestoken en de oogen heeft gericht op een glas, dat slechts in zijn verbeelding bestaat.

\'t Was genoeg; vroeger heeft Lijning dat wel eens meer, en ook met anderen uit een aardigheid gedaan. De tijd had niets veranderd; en Lijning zit weer in zijn stoel en heeft den blauwen bril weer voor de oogen.

„Neen Geert, als je dronken waart dan zou je hier niet zitten.quot;

Geert strijkt de zweetdroppels weg, die hem onder den neus parelen en zegt:

„Dronken?.... ikke! Nee nog geen druppel \'pruufd.-\' De forsche man haalt diep adem en spant zich blijkbaar in om zich de reden van zijn komst te herinneren. Eindelijk is de overspanning voorbij, en verzekert hij op zijn gewonen toon, vreemd te hebben opgehoord dat mijnheer Lijning niet meer in Groningen woonde. In \'tAmhem-sche pakhuis, daar werd men van die veranderingen niet zoo precies op de hoogte gehouden; maar, Geert doet die verhuizing plezier, omdat hij toch in deze streken niet vreemd, en juist van plan was om nog eens de Mulderspeetsche kermis bij te wonen, \'t Was een best soort van volk dat velawsche ras, maar rijkdom was er geen zier, en zie, nu moest hij bekennen dat ie nog wel graag een veertig daalders, of al waren \'t er vijftig zou gehad hebben, want \'t was nu al twee jaar geleden dat hij voor \'t laatst kwam.

„Dat verzoek is onbeschaamdquot;, zegt Lijning; en Geert die nu naar den spreker wil zien, bespeurt een ledigen stoel.

,\'t Kan wel wezen!quot; zegt Geert met den blik naar den lessenaar waarachter Lijning verdween: „Moar hoe kan \'en mensch den mond hollen as hij op de kermis wil dansen en gein geld het!quot;

„Je bent een ongelukkig mensch voor je zeiven!quot; klinkt het nu aan Holmena\'s zijde: „ik heb meer aan je gedaan dan je verdiende.quot; Scherp: „We hadden afgerekend Geert!quot;

Geert weet dit altemaal best, doch — hoe slecht de tijden ook zijn mogen, en ofschoon mijnheer, zooals hij zelf zegt: werk heeft om het hoofd boven water te houden, een veertig daalders zal de kassier toch nog wel voor den ouden bediende over hebben. Hij zal die moppen als een gedachtenis beschouwen, want hij mag nooit

-ocr page 87-

ANNA ROOZB. 79

vergeten dat mijnheer Lijning altijd als een vader voor hem geweest is.

Eenige minuten later zegt Geert, terwijl hij twee muntbiljetteD van tien gulden zeer nauwkeurig beziet en in de groezelig groene zakportefeuille bergt:

„ t Is wainig! maar \'tholdt de vrundschap aan. — En nou — nou he\'k nog \'en klainighaid,quot; voegt hij er bij, terwijl hij het bandje der portefeuille met een fribbelknoop sluit.

Mijnheer Lijning staat weer achter zijn stoel. In de laatste minuten, toen hij die briefjes aan Geert gaf, zag hij bleeker dan gewoonlijk, en zijn stem had iets minder slepends. Nu vraagt hij:

„Wat! nóg een kleinigheid?quot;

„Joa, \'t wil gein noam hebben. Hier op De Runt hei j\'en stuk van \'en knecht. Dij kwiebes, meneer de kassier, loopt op deboeren-maid woar Geert met dansen wil. Muldcrspeetsche kermis duurt van Zondag tot Dinsdag. Ik wol dat je hum in hoes hieldt dij dagen. Meneer de kassier is ook tegen de kermis neitwoar!?quot;

„Ik bewijs Joost een waren dienst, wanneer ik hem van de wegen der verleiding terughoud. Ook jij Geert, -jij moest ...quot;

„Da\'s dan afspreken! Vast besloten!quot; valt de forsche in; en opstaande vervolgt hij als tot zich zeiven: „Heb ik nou niks meer? Nee! Atjuus dan meneer de kassier.... Of wacht, joa-... ik zol boast vergeten: Je hebt \'en nuuver moar grootsch ding van \'en juffer in hoes.quot; Zachter: „En toch het ze al in \'tbosch \'loopen met \'en troep heeren op de jacht. — Mooi geld met te verdeinen meneer de kassier.\'\'

„Geert, Geert! schaam je je niet? Een engelachtig kind!quot;

„Hou mooier hou beter! Maar bij dat dominee\'s-volk doar deugt ze neit. Loat beur in hoes blieven meneer Lijning. \'t Is spul veur de groote luu. Atjuus, tot weirzien!quot;

Nu Geert de kamer wil verlaten en de oude meester hem mefc een behartigenswaardige vermaning de hand reikt, nu komt eensklaps een oude strijd bij den forsche weer boven. In zijn ruwen vorm heeft hij zich al honderd malen ten opzichte van Lijning het alternatief gesteld \'En Beest of \'en Beste!

Geert — moeders „slimme vogelquot; en vaders „ondeugende rekelquot; — is op twintigjarigen leeftijd bij mijnheer Lijning te Groningen op \'t kantoor of in dienst gekomen. Dat de kassier erg op de duiten was, heeft hij aanstonds begrepen, en dat hij allerlei zaken deed — dikwijls ook zulke waar anderen den neus voor optrokken — dat was éven zeker; maar, dat mijnheer Lijning „gemeene streken gedaan hadquot; wat je nu eigenlijk zoudt noemen „een schuine schaats-rijdenquot;, dat heeft Geert nooit, neen nooit bespeurd.

Ja, wanneer er somtijds — of liever niet zelden — een zaakje wat vreemdsoortig behandeld was, dan — hij moest het zich zeli bekennen — dan was hij, en niet de patroon de drijver geweest. Wel is waar kwam hij bij nader inzien meermalen in \'t onzekere.

-ocr page 88-

80 ANNA ROOZE.

of de eerste gedachte bij hem of bij den patroon was ontstaan; wel eens meende hij dat een eenvoudig gezegde van den patroon hem toch op het eerste denkbeeld had gebracht, maar, de eer van vinder der „leepe zetjesquot; te zijn, was zoo streelend, dat hij in\'t einde nooit heeft geaarzeld het zaakje — tot nader order althans — voor zijne rekening te nemen. En, in plaats van een Beste heeft hij den patroon dan zelfs een Gek genoemd, wanneer deze hem met een belooning tevens den gemoedelijken raad had gegeven, om toch liever niet meer op dergelijke wijze te handelen, aangezien de rechte weg toch altijd de beste is.

Honderd gevallen voor één, zou Geert zich kunnen herinneren. Onder meer dergelijke, dat van de doove schoenmakersweduwe, ■waarvoor hij de zaakjes beheerde, en wier kapitaaltje in Russische effecten, hij „Spanjaardiseerde, omdat Rusland met Polen in z\'n maag, en Spanje rustig achter de Pyreneën zatquot;. De goede vrouw was recht dankbaar geweest: Haar volle waarde had ze in Spaan-sche papiertjes terug, en zekerheid voor den ouden dag gekregen, terwijl door mijnheer Lijning letterlijk geen provisie gerekend was.

Drie kruideniers, een loodgieter en negen weduwen hadden voor hun zonen rempla^anten betaald, en de stukken er van in huis bekomen, terwijl- slechts nommerverwisselaars in de plaats hunner zonen waren dienstplichtig gesteld. Van deze speculatie meende Geert zich bepaaldelijk de eer van uitvinding te kunnen toeëigenen. Lijning had daar nog al vrede mee gehad. Niemand toch leed er onder, en immers, bij eventueele ontstentenis van den nommer ver wisselaar was Lijning toch gehouden voor de naleving der conditie te zorgen. Maar de ,groote zaakquot; is dat zaakje te Mieriksma in de nabijheid van Groningen geweest, nu achttien jaar geleden. Mijnheer Lijning was ijaelijk goed voor sommige studenten. Een was er in de theologie, die al een heelen duit van hem genoten had, ten minste volgens de quitanties. Van \'t weerombetalen was weinig gekomen, en de rijke familie scheen er niet van te willen weten. De student had een neef die destijds ontvanger te Mieriksma was. Marter, zoo heette die neef, was met een nicht van den student gehuwd, en neef Marter scheen al eens met een kleinigheid te hebben bijgesprongen, maar aan een verzoek om den student te helpen zijn schuld met Lijning te vereffenen, daaraan heeft de ontvanger van Mieriksma niet kunnen voldoen. Op zekeren Februari-morgen toen de kachel in \'t kantoortje van Lijning gloeiend stond — en dat was een „gloeiende zeldzaamheidquot; -- toen is de patroon op het chapitre van die schuld gekomen, en heeft hij den „rijkenquot; ontvanger een onhartelijk mensch genoemd; men moest z\'n familie toch helpen als ze in nood was. Zoo pratende is hij op Van Hall gekomen met zijn „geforceerde leening.quot; Van Hall had geredeneerd: wanneer \'s lands schatkist leeg is, dan dienen particuliere fondsen het verbroken evenwicht tusschen schatkist en natie te herstellen; en nu wilde Lijning wel eens weten of Van Hall ook in een omgekeerde reden zoo geredeneerd zou hebben.

\'s Lands schatkist! De geforceerde leening!

Een duizelachtig denkbeeld is toen in \'t brein van Geert ontstaan.

-ocr page 89-

ANNA KOOZB. 81

Uit angst dat de patroon weer captie zou maken — hij kon zoo zaniken — heeft hij gevraagd wat er te verdienen was indien hij zorgde dat de duiten van den onmachtigen student voor den Maart, met de betamelijke interesten binnen waren. — Lijning had geantwoord dat Geert immers wel wist dat de patroon niet karig was als er wezenlijk te beloonen viel. Voor ditmaal echter heeft Geert bijzonder graag zekerheid willen hebben, en mijnheer Lijning heeft hem — \'t geen hij niet licht deed — een klein bewijs geteekend, waarin aan Geert vijftig gulden beloofd werden, indien hij hem „op alle eerlijke manierenquot; de bedoelde pretensie van vijftienhonderd gulden met de verschenen interesten wist uit te keeren.

Geert herinnert zich zoogoed als den dag van gisteren dien kouden Februari-nacht toen het stuk werd ondernomen. En, alles is boven verwachting goed gegaan, \'t Is een prachtig zaakje geweest, maar.. .. \'t allerprachtigst voor Lijning.

Had Geert kunnen voorzien dat het zoo netjes zou afloopen, dan zou hij den patroon wel anders aan den tand hebben gevoeld. Maar Geert — hij moest het zich zelf belijden — was destijds nog wat jong in zaken geweest, en had zich te veel als een . aan Lijning toebehoorend, een van hem afhankelijk wezen beschouwd, een lid van diens lichaam, zijn rechterhand.

Na den morgen echter, waarop de patroon hem hevig berispte over een daad, die Lijning — zooals bij gezegd had — zou voorkomen hebben, indien nij haar had kunnen vermoeden, maar waarvan men nu moest wenschen en bidden dat de jeugdige onbezonnen daders niet bekend zouden worden, na dien morgen — waarop de bediende nieuwe middelen heeft uitgedacht om te zorgen dat een ander, bij mogelijke ontdekking, de aansprakelijke man bleef — heeft Geert toch meer dan vroeger zijn recht van uitvinder gaan betwijfelen, en is hij sterker geworden in het geloof — \'t welk echter immer wankelend zou blijven — dat hij de kiem zijner kloeke en slimme invallen, steeds, of meesttijds althans, aan den patroon heeft te danken gehad.

Al spoedig na dien dag is Geert voor eigen rekening zaken gaan doen; maar ofschoon de Mieriksmasche affaire geen nadeelige gevolgen voor hem en zijn helper, den student, heeft gehad, zoo is hij toch later tweemaal van regeeringswege „in de grijze livrei gestoken, en hebben de witte beffen hem \'t a b c laten opzeggen,quot; terwijl vier vochtige muren met een luchtgat in de hoogte, hem alle dagen vertelden „dat een mensch, die z\'n eigen op een fatsoenlijke manier door de wereld wil helpen, niet voorzichtig genoeg kan te werk gaan.quot;

Nu mijnheer Lijning den bezoeker allerbeleefdst uitgeleide doet, en hem op de trap alweder droppelswijze goeden raad toedient, nu komt bij Geert sterker dan zoo even die inwendige strijd boven, en meent hij ten slotte, dat die Lijning, wel een rare is, wat erg inhalig en schriel, maar anders geen kwaje; ja, zelfs misschien wel: «en heel best mensch!

\'t Was wonder, met dezen indruk ging hij steeds de deur uit, terwijl hij er met een geheel anderen was ingekomen, v. r.

-ocr page 90-

ANNA ROOZE.

De oude patroon dreef de goedheid dan ook zoover, dat hij Geert geheel en al over het binnenplein tot aan de poort vergezelde, en hem nog zelfs den handgroot nazond, toen de voormalige bediende in de larikslaan standhield, en nog eens omzag.

Geert Holmena kon een grijnzenden glimlach niet onderdrukken, toen hij dien „besten gierigen sladoodquot; daar als een voornaam heer in de wapenpoort van een oud adellijk kasteel zag staan; maar de vent was rijk. Ja rijk, al wou ie \'t niet weten. Rijk! en slechts twintig gulden had hij afgeschoven!

Geert krauwde zich onder de platte pet, en de strijd bleek wel verre van beslist: \'En Beest! of \'en Beste....?

In het gebouw ter rechterzij van het binnenplein bevinden zich de stallen en koetshuizen van De Kunt. Een vluchtig bezoek moet zelfs een droevigen indruk maken. De sporen van paardenhoeven en paardetanden zijn nog zichtbaar op de houten strookisten, die zich onder de hardsteenen voerkrib bevinden, of ook op de palen en slagboomen, die de paarden moesten scheiden. Doch het gehinnik en gesnuif der dieren, en het gerobbel der kastrollen aan de halsters, verneemt men er niet. De vijftien plaatsen zijn ledig. Lijnings oude Bles, die in den boomgaard graast, zal met de geit, als \'t buiten te koud wordt, het warmste hoekje betrekken, maar, nu is alles ledig. In de ruiven hangt hier en daar nog wel een verdroogde klaverbloem of een plokje hooi, maar \'t herinnert slechts aan den tijd toen ze hier brieschten en snoven, de ranke Engelsche rij-diertjes, of de kloeke Holsteiners nevens de forsche werkpaarden van echt Friesch ras.

\'t Is nu akelig doodsch en verlaten hier; in de openstaande haverkisten liggen eenige muizen die stierven van gebrek. Stof en spinnewebben ziet men overal, en de draden der laatsten verbinden zelfs den mond der stalpomp met een gebroken champagneflesch, die er naast op den steenen vloer onder stof staat begraven. Daar in een hoek hangt nog een oude roskam, die alleen is vergeten en achtergelaten.

In de koetshuizen, waar eertijds de tuigen in de zgkasten schitterden en blonken, en de deftige ouderwetsche of meer élégante nieuwmodische rijtuigen, zoogoed onderhouden, met witte kleeden overdekt, schier wiel aan wiel hadden gestaan, daar staat nu alleen de oude koetskar, rustende op haar beide boomen, nog bestoven van de toeren, die zij in den laatsten tijd gemaakt heeft. En ginds in een hoek, daar staat ook de kleine mest- of stortkar, die tevens — alsof er geen plaats in die kasten ware — aan haar uitstekende punten het kartuig draagt \'t welk Bles, voor \'t grootste deel van den dag, aan zijn lichaam heeft.

Even na haar gesprek met tante Co-Mie, is Anna het koetshuis binnengegaan. Joost was er ook, en hém moest ze spreken. Maar Anna zou het vertrouwen niet beschamen, dat mooi Hanneke in haar gesteld heeft. Neen, niets anders heeft ze Joost te zeggen, dan dat zij Hanneke bij dominee frisch en wel heeft gezien, en.

82

-ocr page 91-

ANNA BOOZE. 83

dat Hanneke heel veel van Joost schijnt te houden. — Ojé, dat weet Joost zelf wel. — \'t Komt Anna echter voor dat die man van gisteravond uit De Luchte — die vreemde -— een man is die....

Maar immers Joost weet er alles van; hij weet zelfs dat Hanneke, nu twee jaar geleden, met dien wildvreemde uit Amersfoort hier nog al vroolijk kermis heeft gehouden, maar, sedert is Jan Piek

verdwenen, en---- zie.... „a\'j van den duuvel sprêkt ...quot; had

Joost er bijgevoegd, want daar ging mijnheer Lijning met dien

zelfden Jan Piek het binnenplein over----tot aan de poort. Zie, ze

gaven elkander de hand----Jan Piek ging heen.... mijnheer Lijning

wuifde nog eens. — Heere bewoare! kende meneer Lijning den schapenkoopman ook, en was dat raoatjes-geliek!

„Kent u dien man, oom?quot; vraagt Anna, terwijl ze eenige oogen-blikken later Lijning te gemoet gaat, en naar de poortzijde wijst.

rHoe zoo, lieve krullekopje? Jij zult hem toch zeker niet kennen, is \'t wel? Maar foei, je loopt met je bloote hoofd in de avondlucht, dat is niet goed; we nebben November.quot;

„Ik ben dat gewoon oom, maar----ik zou graag van u willen

weten, of de man die daar bij u was, u zóóveel waard is dat u hem de hand geeft?quot;

„ Wel wel, ik moet zeggen dat mijn lief nichtje niets nieuwsgierig is.quot;

Anna bijt zich op de lippen. Zij mag niet spreken, dat gevoelt ze, en dat ze misschien onbescheiden was dat voelt ze ook.

„Ik zag dien man gisteravond in De Luchte toen Joost er even stilhield. Zijn taal was ruw, en nu dacht ik....quot;

,----Dat oom Lijning een boezemvriend van dien man is, omdat

hij hem een hand ten afscheid geeft? Hoor eens Anna, bedrieg ik mij niet, dan heeft mijn aanvallig nichtje een allerbeminnelijksten trek in haar karakter. Ja, ik mocht dien aanstonds met blijdschap bemerken. Onze Anna heeft een waarheidlievend gemoed----quot;

Anna\'s jeugdig hart klopte, ja! Oom mocht dan wezen wat hij wilde, maar hij had menschenkennis; en Anna zegt met een blos:

„Ja oom, de waarheid heb ik lief!quot;

„En daarom zal het je goedgaan in de wereld Anna. De edelste naturen hebben altijd de waarheid in hun banier geschreven, en de waarheid is een macht die de wereld verwint. Blijf haar liefhebben Anna, en je goede ouders zullen uit den Hooge met welgevallen op je nederzien.quot;

De stem van oom Lijning had niets fluitends, niets sissends meer. \'t Was een geheel ander mensch!

„Maar Anna,quot; vervolgt Lijning, terwijl hij, met zijn nichtje tot aan de steenen buitentrap genaderd, blijft staan: „iedere deugd, zelfs de schoonste, heeft klippen, die gevaarlijk zijn en die men met zorg vermijden moet. De zucht naar waarheid mijn lieve, voert niet zelden tot wantrouwen; en het wantrouwen kweekt liefdeloosheid. De zucht naar waarheid leidt bovendien maar al te dikwijls tot een bemoeizucht, die de pijnigende kanker wordt van eigen en anderer leven. De zucht naar waarheid slaat in \'t eind

-ocr page 92-

84 ANNA BOOZE.

met vet blinding; hn die haar met een open hart heeft nagejaagd en meent gevat te hebben, zal zich aan haar blijven vastklemmen, al ware zij de leugen in eigen persoon. De zucht naar waarheid moet daarom altijd beheerscht worden door de bron van alle deugd: door de liefde. En de liefde Anna, zwijgt, en vertrouwt, en denkt nimmer kwaad.quot;

Anna ziet strak naar de steenen van het binnenplein, waartusschen het onkruid welig opschiet, quot;t Was haar zoo wonderlijk te moede. Zij heeft zich volstrekt geen rekenschap gegeven, waarom de zucht naar waarheid zoo bijzonder levendig in haar geworden is, juist van stonde aan dat zij oom Lijning ontmoette. Oom Lijning heeft geen aangenamen indruk op haar gemaakt; dat is zeker, en die indruk is sterker geworden sedert een wonderlijk vermoeden by haar werd opgewekt. In de vaste meening dat papa eenig fortuin onder ooms beneer heeft nagelaten, hebben ooms woorden bij de ontvangst, maar vooral de uitdrukkingen aan de ontbijttafel, haar met de vrees vervuld, dat zij geheel afhankelijk in de wereld zou wezen, zij, het kind dat steeds van vrijheid heeft gedroomd! Een enkel woord van een vreemden jonker is toen in staat geweest om haar gemoed met een „liefdeloozen argwaanquot; te vervullen.

Oom heeft gezegd, dat Anna — wanneer zij wat op orde was — voorzeker door hulpvaardigheid zou toonen, de liefde van oom en tante waardig te zijn. Een jong en talentvol meisje kon heel wat uitwinnen in een huishouden. Oom had er geen verstand van, zooals hij zeide, maar nietwaar, er viel altijd een boel te naaien en te verstellen, en voor Anna zou het van \'t grootste belang zijn dat zij de handen aan \'t werk leerde slaan, dewijl er wel eens een tijd kon

komen dat oom en tante niet meer in staat waren____Oom had

toen gezwegen maar tevens zeer puntig de schouders opgehaald, en — was verdwenen.

En nogmaals — dat enkele woord van den jonker is toen in staat geweest om haar gemoed met een liefdeloozen argwaan te vervullen! Anna schaamde zich nu, ofschoon ooms woorden haar in den aanvang wel wat vreemd klonken. Hoe! zou de man, die zóó tot haar gesproken had, zich haar vermogen hebben toegeëigend? Zou hij zulk een schaamtelooze bedrieger zijn? Neen, die gedachte was een liefdelooze, een zondige. En zelfs, dat oom haar zou misleid hebben — in de meening misschien dat werkzaamheid en eenvoud te beter worden aangekweekt en bewaard, wanneer de jeugd zich geen onbezorgde toekomst verzekerd weet, het was een onderstelling die — zoo meende Anna, niet edel en geenszins gewettigd was. Neen, wat die jonker Geereke van een minderjarige gezegd heeft, zal wel ongetwijfeld van evenveel beteekenis zijn geweest als het overige, dat hij gebeuzeld had.

Oom Lijning kon immers wel van een minderjarige hebben gesproken zonder haar te bedoelen. Ja, was het zelfs niet zeer mogelijk dat hij — die niets bemiddeld scheen te wezen, het oude kasteel als zaakwaarnemer voor een ander had gekocht, en er nu als rentmeester van zulk een minderjarige op woonde?

-ocr page 93-

ANNA ROOZE. 85

Tante heeft immers óók gezegd, dat de zaken, ofschoon zij er geen verstand van had, zeer waren achteruitgegaan. Is Anna dan de eenige minderjarige in de wereld? \'t Was belachelijk! Neen, die oom heeft gelijk: Liefde denkt geen kwaad. Ach, Anna beschuldigt nu zich zelve dat een zekere weerzin, haar bevooroordeeld en argwanend heeft gemaakt. De waarheid zal zij liefhebben, maar tevens de aangewezen klippen trachten te vermijden. Zij zal vertrouwen schenken; en, bovenal vertrouwen op den Almachtige die, wat haar toekomst ook wezen zal, haar niet zal verlaten.

Nu Anna opziet, is oom Lijning verdwenen. — Komaan, denkt ze: ik wil hem liefhebben. Ik zal hem wel wat losser maken en het roggebroodje wat fatsoeneeren ook. Wel zeker! \'t Moet hier een ander huishouden worden: tante een beetje milder misschien, en wat vroolijker: oom wat minder vliegerig, en .... niet zoo slibberig in \'t spreken, dat is vervelend. We moeten kloek zijn in de wereld; en dan.... ha, dat was een mooie titel dien dominee Haverkist noemde: Waarheid in Liefde! Ja Waarheid in Liefde!quot;

Anna wipt de steenen trap op en het voorportaal in.

„Anna!\'\' klinkt een stem van ter zij.

„Wat blieft u oom?quot; zegt ze verrast.

„Ik vergat je nog te zeggen lieve kind, dat ik er volstrekt niet tegen heb, wanneer je eens een enkelen keer naar de dominee\'s-familie gaat, maar toch____quot;

„Maar toch....?quot;

„Ja ssst!quot; zegt Lijning en wenkt haar om hem naar boven te volgen.

Binnen de groote zaal, de tegenwoordige huiskamer, herneemt Lijning in tantes tegenwoordigheid:

„Men hoort van dien dominee Haverkist nu juist het beste niet.quot;

„Niet?quot; zegt Anna verwonderd.

„O een braaf man, allerbest; de Hemel beware mij dat ik op zulk een respectabel mensch in \'t geringste iets zou willen aanmerken. Althans wat zijn gedrag betreft kwam mij niets ter oore dat.... maar, zijne principes zijn zeer verdacht lieve Anna. Ik ben volstrekt geen partijman, volstrekt niet; en je goede tante is veel meer op de hoogte van den bijbel en den catechismus dan ik. — Ja ja Co-Mie, jij bent in dat opzicht te nederig: veel meer dan ik; maar men wil weten dat mijnheer Haverkist van de Groninger richting is, een richting die alles verwerpt, niet waar Co-Mie?quot;

,U weet dat beter,quot; zegt de gevraagde: ,U studeert, en ik lees zoo weinig.quot;

Oom trok een gezicht alsof hij wilde zeggen, dat een nederigheid als die van tante overdreven was.

„In één woord,quot; vervolgt Lijning: „hij betwijfelt letterlijk alles, evenals de Groningsche professoren, die den bijbel aan hun kortzichtig verstand durven toetsen. Mijn eerbied voor het boek der boeken staat zóó hoog, dat ik het maar zelden in handen neem. — Dat is verkeerd, zeer verkeerd; ik weet het, maar er is een zeker iets, een zekere schroom die mij weerhoudt.quot;

Nog eenige oogenblikken wijdde oom Lijning uit over het groote

-ocr page 94-

86 ANNA ROOZB.

gevaar, dat men liep indien men zijn geloof kon prijsgeven, hot geloof in de genade Gods en den zoendood van Jezus Christus. Men moest vooral die menschen met nauwgezetheid vermijden, die in staat waren den vasten grond der zaligheid in ons te ondermijnen, en oom mocht niet anders dan Anna in gemoede waarschuwen, maar — natuurlijk, zij was vrij.

Met zeer gemengde gewaarwordingen heeft Anna naar den voogd geluisterd. Zij geloofde vast — en misschien bedroog zij zich niet

feheel — dat oom, toen hij van zijn eerbied voor den bijbel en van en grond zijner hoop voor de toekomst sprak, zijn innige overtuiging heeft uitgesproken.eheel — dat oom, toen hij van zijn eerbied voor den bijbel en van en grond zijner hoop voor de toekomst sprak, zijn innige overtuiging heeft uitgesproken.

Dat iemand met zulke denkbeelden, in hare schatting zeer moest rijzen, was niet te verwonderen; immers \'t geen de oom daar gezegd heeft, dat is de weerklank geweest van het vaste geloofsvertrouwen van zoovelen die zij liefhad en eerde: van den lieven ouden man, dominee Zegenmond, wiens vijand — gesteld dat hij er een had — niets anders ten zijnen nadeele zou kunnen zeggen, dan dat hij een beetje langdradig preekte en geen mooi pruikje droeg. \'tWas het innige geloofsvertrouwen van de lieve Marnix, haar moederlijke vriendin en meesteres, ja, van al de secondantes, die Anna op De Riethof gekend, en van bijna al de vriendinnen, die ze er heeft liefgehad.

Emma Van Wall en zij zelve alleen, zij hebben wel eens gewaagd iets anders... maar dat deed er niet toe. In oom Lijnings overtuiging hervindt ze de overtuiging van de edelsten en liefdernksten, die zij op de wereld ontmoette, en deze geloofsverwantschap plaatste hem in die schoone rij, terwijl de raad dien ze van hem ontving, als \'tware een herhaling der bee van de goede Marnix was: „Kind, wat ge verliest, verlies nimmer uw Schepper en God!quot; Maar die raad van oom om niet meer naar de Haverkisten te gaan was toch wat erg crimineel, en zulk een angst wat al te groot.

— Als oom eens wist welke gedachten er zoo vanzelf, en niet zelden, bij haar zijn opgekomen, ja, dan was de goede wipperige man zeker met één wipje de kamer uit.

— Dominee Haverkist zal haar niet in de war brengen, geen nood, want in haar eigenzinnig hoofdje bonsden wel eens geheel andere quaesties dan die van de feilbaarheid of feilloosheid der apostelen, waarvan dominee gesproken heeft. Anna gevoelt zeer levendig dat er al heel wat zou noodig zijn om haar het geloof aan een alwijzen Schepper en God te doen verliezen, en ze weet toch wel heel zeker dat dominee Haverkist het daar niet op toeleggen zal.

En zie, als ze de pastorie niet meer bezoeken mag, waar moet ze dan eenigen omgang vinden? Al is nu juist de kennismaking met de familie Haverkist niet in alle opzichten zoo bevredigend geweest, de pastorie trekt haar aan. \'tWas — ze drukte het zoo bij zich zelve uit: een huis met menschen, terwijl De Runt een oud kasteel was met. . Om nu te zeggen dat oom en tante „geen menschenquot; zijn, dat was te dol, maar \'t geheel was toch wat vreemd, vooral voor een jong meisje... Indien oom en tante bij voorbeeld

-ocr page 95-

ANNA BOOZE.

in een huisje woonden van vier of vijf kamers, mot een keukentje en een aardig tuintje er achter, in het dorp, dat zou natuurlijker en prettiger zijn. Het oude kasteel ziet er in haar oogen precies uit alsof het wel een beetje verontwaardigd over zijn bewoners, en bedroefd over zijn vervlogen grootheid is. Overdag is het zeer goed te bemerken dat een vroeger meubilair met zijn tapijtwerk en gordijnen een gansch ander aanzien aan de vertrekken heeft gegeven. Ja, in de weinige kamers, die men gebruikt — want de meeste blijven altijd gesloten — is het mede zeer duidelijk te bespeuren dat er sedert het vertrek der laatste bewoners — omstreeks twee jaar geleden —■ heel wat geweld aan antieke of moderne behangsels moet gepleegd zijn, terwijl de Heeren van De Runt, althans in de laatste eeuw, zeker de tegenwoordigheid van Abel in zijn boezeroentje, boven den schoorsteen, niet hebben vermoed, aangezien eenige krammen, zoo beneden als boven in het schilderstuk aanwezig, de overtuiging geven dat Abels offerande, sinds een eeuw misschien, door een spiegel is bedekt geweest. De groote zaal, waarin eenige kleine meubels als \'t ware verzinken, moet, naar een paar overblijfselen in de hoeken te oordeelen, een fraai modern behangsel van rood velours met gouden sterren hebben gehad. Nu is het vaalbruine met gele palmen, \'twelk er onder zat, en zeer in harmonie met tantes japon is, weer te voorschijn gekomen. Vreese-lijke gaten spreken van kleine viervoetige onbestreden kasteelbewoners; en, bijhangende flarden of scheuren bewijzen dat men bij de laatste opruiming van meubelen, zeer ruw is te werk gegaan. Zelfs de groezelig gele wanden van Anna\'s torenkamer, bleken bij nadere beschouwing, bedekt te zijn geweest met een echt Gobelin behangsel, dat mede zeer slordig werd afgetrokken, \'t geen nog zichtbaar is aan de rafels en flarden, die aan het latwerk, zoo boven als beneden, zijn achtergebleven.

In één woord, ofschoon Anna met de beste bedoelingen en voornemens is bezield, zoo meent zij toch op den duur wel een kleine afleiding te behoeven, en — wat restte haar te Mulderspeet indien zij de pastorie moest missen? Op de vrouw van den burgemeester en de dochters van den notaris na, waren de juffrouwen Haverkist de eenige dames van haar leeftijd in het dorp, en, hoe zou ze met de eersten in kennis komen, indien ze niet meer bij de laatsten kwam? Oom en tante zagen niemand, terwijl oom zich bovendien had uitgelaten, dat die mijnheer de notaris hem zooveel onaangenaams berokkende, dat hij zich gelukkig zou achten, wanneer hij den man van zijn leven niet weerzag. Maar er is meer dan eigen genot wat Anna\'s hart naar de pastorie trekt. Immers die vreemde, die bloode man met zijn edel goedaardig gelaat, waarop zielelijden of althans lichaamszwakte geschreven stond, die man heett haar belangstelling opgewekt; door hem gevoelt ze zich aangetrokken, en dan — stelt zij geen levendig belang in dat frissche boerenkind, welks vertrouwde zij zoo eensklaps geworden is?

Na oom Lijnings woorden is er even een pauze geweest, maar op het oogenblik, dat oom de kamer wil verlaten, zegt Anna:

87

-ocr page 96-

ANNA ROOZB.

,\'t Is lief van u oom, dat u me waarschuwt, maar ook dat u mij mijn vrijheid wilt laten. Voor mijn geloof behoeft u niet bezorgd te zijn. De familie heeft mij uitgenoodigd dikwijls terug te komen, ik heb mijn woord gegeven en — zal het dus houden.quot;

Tante Co-Mie trilde met het hoofd, en breide met een vervaarlijke jacht aan haar zwart wollen kous.

„En wanneer er nog eens andere redenen bestonden, waarom ik het niet goed oordeelde dat je er heengingt, lieve kind?quot; zegt Lijning.

„Welke redenen oom?quot;

„Was het Anna tot nu toe geoorloofd, steeds naar de redenen te vragen, die haar goede juffrouw Marnix tot handelen dreven?quot;

„Neen!quot; zegt Anna snel: „Maar... quot;

„Maar.... dan moet je ook hier vrede hebben Anna, met de inzichten van oudere menschen, en den raad dankbaar aannemen, waar hij in je eigen belang is gegeven.quot;

„Oom, vergun mij eeue vraag,quot; zegt Anna bescheiden maar niet uit het veld geslagen: „U hadt er toch niet op tegen dat ik dezen morgen naar de pastorie ging; waarom moet dan nu eensklaps die pas aangeknoopte kennismaking worden afgebroken?quot;

„Omdat ik het beter vind nichtje. Je hadt een brief te bezorgen nietwaar? dat mocht ik je immers niet weigeren, en — dezen morgen wist ik nog niet....quot;

„Wat wist u niet oom?quot;

„Niets! niets!quot; zegt de oom, terwijl hij zich omwendt en de kamer wil verlaten. Lijning beschuldigt zich zeiven in stilte van al te groote toegeeflijkheid voor dien vermaledijden Geert. Zonder dat hij er eenig voordeel van trekt, heeft de vent hem twee blokken aan \'t been gelegd. Voor zich zeiven had hij volstrekt geen reden om Anna van de familie Haverkist terug te houden, \'t Is in Lijnings oog een zeer onschuldige uitgang, en de ziekelijke vijftiger, die bij de Haverkisten in den kost moet zijn gekomen, zal Anna het hoofd niet op hol brengen. Neen, waarom hij Anna eigenlijk van de Haverkisten moet terughouden weet Lijning niet, maar wél weet hij wat Geert met den laatsten raad bedoeld heeft, en \'t was aardig, er moest toch geestverwantschap bestaan, want dezen zelfden morgen is hem juist zoo iets in \'t hoofd gekomen.

Niet zonder reden had hij voor zijn studeerkamer het vertrek gekozen, dat het beste uitzicht op de grachtbrug der wapenpoort, en mede in de breede larikslaan heeft. Van daar kan hij een oog houden op al wat er in- en uitgaat. Toen jonker Geereke in den voormiddag het kasteel verliet, toen heeft Lijning — nadat hij haastig naar zijn kamer is teruggekeerd — hem met zijn scherpen blik gevolgd, en werd alzoo, ofschoon van verre, getuige van zijn hoffelijkheid voor Anna, en van de wandeling der jongelieden. En — mijnheer Lijning heeft een verwonderlijk vlug en helder inzicht in zaken.

„Oom!quot; roept Anna, en ziet den man, terwijl ze hem ter zijde treedt, met haar heerlijke oogen flink en tevens vertrouwelijk in de — blauwe brilleglazen: „Oom, u moest mij een groot genoegen doen, en uw woord houden!-\'

88

-ocr page 97-

ANK A ROOZE. 89

,Mijn woord----quot;

,U liet mij vrij, dat was uw woord! Oom mag ik een enkelen — als u \'t verlangt slechts een zeer enkelen keer naar de pastorie gaan ?quot;

„Ik liet je vrij Anna, dat heb ik gezegd, en ik ben niet gewoon mijn woorden terug te nemen.quot;

— Oom heeft zijn woord gehouden. Ook dat sterkt het vertrouwen op ooms rechtschapenheid in Anna\'s borst. Hij is misschien wat bekrompen, men is wat zuinig, zeer zeker! doch — wat er ook wezen mag, voor een oogenblik althans kan Anna haar vreezen en bekommernissen vergeten, en terwijl zij in stilte het besluit vernieuwt omr tevreden met haar lot, rustig haar toekomst tegen te gaan, en zooveel ze kan ook het geluk van anderen te helpen bevorderen, zegt ze nu met de haar aangeboren opgeruimdheid:

,Bravo! ik begreep wel dat oom zijn woord zou houden; en zie,, ik ben daar recht blij om. Misschien,quot; voegt zij er met een schalksch lachje bij, terwijl ze een kleine mine van toiletmaken vertoont: ,misschien zelfs trekt oom wel eens.... een mooier jasje aan, om zijn nichtje bij een dier bezoeken te chaperonneeren.quot;

Oom was zeker te ernstig gestemd, en zegt, waarschijnlijk zonder het laatste gehoord te hebben, ter nadere opneldering en vermaning:

„Toen ik je vrijliet Anna, deed ik het in den zin, zooals een Schepper Zijn schepselen vrijheid schenkt om al dan niet Zijn wil te volbrengen. Maar nü Anna, wanneer ik je nu toch vrijlaat, volgens je wensch, en je daardoor verlof geef om een zeer enkelen keer die familie te bezoeken, dan is het opdat Anna ditmaal haar woord zou kunnen houden. Intusschen zal zij, naar ik vertrouw, nuleeren inzien dat het niet raadzaam is zijn woord in eenige zaak te ras te geven, en zelfs, dat verbreken van een woord somtijds een dure plicht kan worden, wanneer... . ja, bij voorbeeld, wanneer ik je inderdaad om gewichtige redenen bepaald dat huis verbieden moest.quot;

Oom is verdwenen.

Nabij een der groote koetshuisdeuren op het binnenplein roept Lijning:

„Joost!quot;

Joost, die met zijn pet in de hand te voorschijn komt, ontvangt eenige bevelen, en als hij zijn heer in het koetshuis volgt, dan draait en draait hij de pet in de handen, en vraagt een weinig aarzelend, of mijnheer hem de asstrantigheid niet kwalijk zal nemen, maar dat hij wel graag een halven dag zou willen vrij hebben om kermis te houden.

„Wat blief?quot; zegt Lijning, terwijl hij bij de koetskar blijft staan en haar nauwkeurig schijnt te bezien.

„Hanneke zou Moandagmiddag uutgoan,quot; herneemt Joost, en staart op den rand van zijn hoofddeksel alsof de heele kermis met mooi Hanneke incluis er op geteekend stond: „Zie, en as menheer \'t nou schikte, dan wou ik den Moan dag wel hebben.quot;

„Wie houdt die rijtuigen schoon?quot; vraagt Lijning scherp terwijl hij op de koetskar wijst.

„Ikke, as ik tied heb, menheer.quot;

-ocr page 98-

ANNA KOOZE.

„Schaam jij je niet?quot;

„Da\'s te zeggen.... menheer?quot;

„Schaam jij je niet?quot; zegt Lijning met stemverheffing.

Joost, ofschoon anders flink bij de pinken, is nu met deze wending, na het gedane verzoek, danig uit het veld geslagen, en antwoordt:

„Moar ik most de snijboonen----en.... en....

„Wat snijboonen! een ander zou niet weten waiir hij van schaamte kruipen moest. Zie me die wielen, zie me dat lederwerk eens aan!quot;

Joost beweert dat mijnheer Lijning vroeger zelf gezegd heeft, dat al dat poetsen maar gekheid was, \'t kostte zeep, smeer en tijd; maar Lijning antwoordt dat het er allemaal niets toe doet, zoo smerig en onrein als de heele boel er hier uitziet, \'t is meer dan schande.

Maar, dat een man toch niet alles doen kan, meent Joost, en oog eens: dat hij tijd- te kort komt voor al zijn werk.

„\'t Is wel mogelijk,quot; klinkt Lijnings weerwoord: „maar dan zullen we hier den tijd wel maken; die kermisdagen zijn er extra voor geschikt; Geen woord meer! \'t Is een schandaal!quot;

NEGENDE HOOFDSTUK.

Om tante niet alleen te laten heeft Anna haar schrijfcassette van haar kamer gehaald. Tante vond dat heel lief van Anna en zoo bijzonder gezellig.

Toen het bijna donker was, sloot Anna den langen brief aan haar geliefde Mariiix, den brief die — ^orafgegaan door eenige recht hartelijke volzinnen — luidde als volgt:

„Wat al kinderachtige ontboezemingen nietwaar! En gij verlangt dat ik u veel vertellen zal. Indien ik wilde zou ik een boekdeel vol kunnen schrijven.

„\'t Is kalmer op uwe school te leeren, lieve moeder, dan in de groote school der wereld, dat weet ik nu al.

„Wat zag en gevoelde ik veel in die beide dagen! Wilt gij iets er van weten, welnu — maar mijn hoofd is een boelhuis.

„Lief mensch! dat ik aan uw\'zij zat; of het vertellen ook beter zou gaan!

„De heer Romslikker was zeer beleefd en goedhartig. Tegen wil en dank bleef hij te Utrecht achter. Een karbonade had hem uit den waggon gelokt.

90

-ocr page 99-

ANNA ROOZE.

„Die fat was geen fat. Gij hadt hem eens in de wachtkamer moeten spreken; jonker Oscar Van Breeland heeft u, toen hij kind was, bij mevrouw Van Riddervoorst gezien.

,0, wat deed het mij goed hem van u te hooren spreken, met zulk een hoogachting; en van onze Emma kon hij niet zwijgen.

„Van Arnhem ging het met een koetskar over hei en door hos-schen. Joost de voerman zei dat de straatweg wel beter en korter was — maar oom hield niet van de tollen. — Zeker zal onze weg schilderachtiger geweest zijn, maar, \'t was al wat donker. Toch zag ik veel schoons. Wat is Gelderland prachtig! Hollanders die het niet kennen, behoefden niet aanstonds zooveel geld in den vreemde te verreizen.

„\'t Was acht uur en zeer donker toen wij De Runt bereikten.

„De Runt is een oud kasteel. Goed gemeubileerd en bewoond kan het er recht antiek-gezellig hebben uitgezien. Mijne kamer heeft een heerlijk uitzicht. Op een kwartieruur afstands zie ik den toren en molen van Mulderspeet. \'t Herinnert aan het uitzicht op uw „chambre-vertequot; al misten we daar ook heuvels en bosschen.

„Tante lijkt op mama. Toen ik die vondst deed, was ik zoo innig gelukkig, \'t Is een zeer zachtzinnige — wat bijzonder gevoelige vrouw. Mama was kordater, naar ik mij herinner en vooral ook naar \'t geen men mij van haar verhaalde. In mijne verbeelding heb ik de lieve mama als levend voor mij gezien. Ook papa! dat heeft mij zonderling gesterkt. Ik gevoel dat ik tante hartelijk liefheb. Niet zooals ik u liefheb; dat is iets anders. Lach niet noch zeg dat ik pedant ben. U heb ik lief alsof gij mijne moeder zijt. Voor haar gevoel ik iets alsof ze mijn kind was. Zie, tante is zeer zwak naar lichaam en ziel. Zij moet wat. opgebeurd en versterkt worden.

„Oom isquot; — hier had Anna\'s pen in den aanvang geen inkt willen geven — „een mager heer met een blauwen bril: mij dunkt oom is iemand van wien men veel kan leeren, ofschoon ik moet bekennen hem, tot nog toe, niet goed te kennen of geheel te begrijpen. Eéne zaak heeft oom mij zeer duidelijk gemaakt; deze nl. dat ds goede papa geen fortuin heeft nagelaten. Acht dagen geleden zou ik bij deze ontdekking geschreid hebben; nu heeft ze mij één oogen-blik beangst; meer niet. Aan de veilige ree moge de storm doen beven, in de open zee dwingt hij tot moed en kracht.

„Deze fraaie volzin moet u bewijzen dat ik kalm ben in mijn verlies. Hoe dwaas! Kan men iets verliezen dat men nooit bezeten heeft ? \'t Zou een eigenaardig kniezen zijn over denkbeeldig verloren goed. Men moest nooit het uitzicht op eenig fortuin hebben ; ik geloof dat het verslapt. De mensch moet werken. Ik zal er niet tegen opzien. Maar genoeg over mij zelve.

„Wilt u aan de beste Evangeline zeggen dat jufvrouw Jans Haverkist recht blijde met haar brief was. Als ik over de familie Haverkist aan \'t praten ging dan zou ik vreezen den vinger te zien opheffen.

„Jans is een flinke meid met een goed hart. Zij kende miss Lewes. —

Na dezen naam te hebben geschreven heeft Anna een paar se-

91

-ocr page 100-

ANNA BOOZE.

conden naar buiten getuurd. Jans had zoo dringend verzocht het gebeurde met miss Lewes bij madame Kromvliet geheim te houden. Maar plichtgevoel verbiedt haar, Marnix te waarschuwen — de goede Marnix, die de oprechtheid zelve is. Eerst zal ze er intusschen nog eens ernstig met Jans over spreken, de zaak is immers al lachend verteld.

Anna schreef verder;

„Twee huisgenooten der familie Haverkist hebben inzonderheid mijne belangstelling opgewekt. De eene is een dienstmeisje, ongeveer zoo oud als ik, de ander een heer van vijftig jaren omtrent, die een ziekelijk voorkomen heelt. Hanneke, zoo heet het meisje, herinnert mij aan Leentje Ebber, die een jaar of acht geleden bij u diende en met dien bakker Helderwegen te Rotterdam getrouwd is; u weet wel. wij noemden haar Rose Lène omdat zij er zoo lief en fleurig uitzag. Men zou Hanneke Schoffels voor een veel jongere zuster van Leentje kunnen houden indien zij denzelfden familienaam had. — De naam van dien bleeken heer is Redly. Ofschoon hij van Engelsche afkomst schijnt te wezen, moet hij toch een Hollandei van geboorte zijn. Jans meent te weten dat hij te Leiden in de theologie studeerde. Vele jaren was hij in Melbourne. Is het dwaas dat ik u over menschen schrijf die u onbekend zijn? Gij hebt mij gezegd dat alles belangrijk voor u was, wat mijne belangstelling zou hebben opgewekt. Welnu, ik sprak van dien man en van dat meisje,, omdat een onbestemd gevoel mij zegt dat zij beiden bescherming behoeven, en dat ik hun misschien zal kunnen nuttig zijn. Is dit een vermetel woord van uw AnnaV Berisp haar niet. Ik denk aan de fabel der kleine Maus die es wagte über ein schlafen-den Löwe hinzulaufen, en hoe het kleine, door den leeuw gespaarde beestje later den pootigen kameraad door zijn vinnig knabbelen uit het net, waarin hij gevangen zat, bevrijdde. Men kan niet weten!

,Sedert ik uit uw moederlijk oog verdween, en op De Runt ben, is het mij alsof ik een paar jaar ouder ben geworden. Wijzer? Dat weet ik niet. Gij leerdet mij den Oneindige liefhebben. Met het oog op Hem heb ik moed gevat. Als het rijk van Waarheid en Liefde komen zal, dan moet ieder sterveling daaraan meewerken; dan moet het ook komen door mij. Dat denkbeeld werd zeer levendig in mijne ziel en stemt mij ernstig, ofschoon ik vrolijk kan blijven; immers bloemen bloeien op ieders pad.

„Welk een lange verwarde brief! i,ate.- schrijf ik u wat geregelder en wat opgeruimder, als het kan. Zoudt gij willen dat Anna nü reeds vrolijk schrijven zou ? Neen mijn beste moeder, dat zoudt gij niet. O! dat ik u thans omhelzen kon zooals ik het dikwijls deed. Groet toch allen, die ik liefheb op \'t hartelijkst van mij.....quot;

En — nadat Anna er nog voor velen — den ouden Adam niet te vergeten — een groet of een hartelijk woord had bijgevoegd, besloot zij haar brief:

„Aanstonds, als tante de lamp heeft opgestoken, ga ik aan Emma, die lieve, die onvergetelijke blauwoog schrijven! Ik zal trachten

92

-ocr page 101-

ANNA ROOZE.

mij wat vrolijk te stemmen; ik weet dat zij het noodig heeft. Laat haar om mijnentwille dikwijls in uwe kamer theedrinken; zult ge?

.Vaarwel dierbare innig geliefde moeder. Nog een zoen van uw:

ANNA.quot;

De Runt, 1 Nov. 59

Toen Anna den brief had geschreven, was het schemerdonker. Het duurde lang eer tante de lamp aanstak. Anna denkt aan Emma, de lieveling aan wie ze schrijven zal. Is er één wezen zoogoed en zachtaardig en — ofschoon dan wat zwak — zoo gevoelvol als zij? Ja, geringschatting van zichzelve maakt haar misschien wel eens naijverig op de liefde van hen aan wie zij haar teederste vriendschap geschonken had. Die lieve Emma! Nu het al donkerder wordt moet Anna van haar spreken, en terwijl zij in het groote vertrek niets meer onderscheiden kan, zelfs tante niet, die tegenover haar zit te breien; nu vertelt zij van haar vriendin, en van de oorzaak waarom zij haar liefheeft zooals geen ander.

„Toen zij pas drie weken op school was,quot; verhaalt Anna: „toen vond ik haar op een avond alleen, op een bank onder den bruinen beuk heel aan \'teind van den tuin. Ze schreide. Wat scheelt eraan Van Walletje? zei ik. — Niets, was het antwoord. — Kom zeg het maar! — Emma antwoordde niet. Toen ging ik naast haar zitten en vroeg haar van alles, zonder dat ik antwoord bekwam; maar

eindelijk barstte zij al snikkend uit----dat zij het niet zeggen kon,

en later, dat niemand van haar hield.

„Weet u tante, aanhalig was Emma niet, en omdat zij er heusch zoo beeldig mooi uitzag, meenden de meisjes dat zij een trotsch en ijdel nufje was, en hadden ze zich dan ook niet veel met haar bemoeid. — Van Walletje, daar is mijn hand, zei ik, en als je ophoudt met schreien, dan kus ik je op je mooie rozewangetjes er bij. Weet u, haar tranen waren mij toen nog wat vreemd om ze weg te kussen. Maar — daar lag het lieve schepseltje mij om den hals. O wat was ze gelukkig dat ik haar vriendin wilde zijn; zij meende dat de

£oede God haar verlaten had, want alle avonden had ze Onzenoede God haar verlaten had, want alle avonden had ze Onzen

ieven Heer om een vriendin gebeden, zonder dat haar bede verhoord werd. Maar — nu was zij er uit. En van dat oogenblik af aan zijn wij vriendinnen geweest, nu al vijf jaren lang.quot;

„Heet zij Van Wall?quot; vraagt tante Lijning.

„Ja tante!quot;

„Ik heb een Van Wall gekend die . ... ot neen, ik heb hem niet gekend; kennen is iets anders. Er zijn veel Van Walls in ons land.\'quot;

„Emma is het pleegkind van een mijnheer Van Wall die te Rotterdam woont.quot;

„In Rotterdam!quot; klinkt tantes stem als een echo in het duister, en de breinaalden tikken sterker. Zij durfde het niet zeggen, maar menschen van dien naam hebben Lijning veel verdriet berokkend. Tante meent zich ten minste zoo iets te herinneren; nóg eens zegt ze:

93

-ocr page 102-

ANNA ROOZE.

„Zoo, van Rotterdam!quot;

„Ja tante. Naar \'tgeen ik eerst gisteren bij toeval vernam, moeten Erama\'s ouders vroeg gestorven zijn, en heeft zij ze niet gekend. Maar bij haar oom, Willem Van Wall te Rotterdam, ia zij opgevoed. De innige liefde voor haar pleegouders is zeker oorzaak dat zij nu altiid van hen als van haar eigen ouders spreekt. Nu ruim vijf jaar geleden stierven ook Emma\'s goede pleegouders kort na elkander. Een veel jongere broeder van mijnheer Willem Van Wall, Alexander geheeten, kwam nu aan \'t hoofd der uitgebreide handelszaken, en ofschoon mijnheer Alexander haar voogd werd, zoo vond hij het beter Emma aan Marnix\' zorgen toe te vertrouwen, aangezien Emma reeds tusschen de 12 en 13 jaren oud was, en hij zeer onlangs een heel jong vrouwtje getrouwd had.quot;

„Uitgebreide handelszaken?quot; herneemt tante: „ja dan geloof ik toch wel dat het die familie zal wezen, maar.... och.... eigenlijk ben ik zeer nieuwsgierig; dat is ook een leelijk gebrek in tante, lieve kind! Dikwijls zal ik zoo naar dingen vragen, waar ik niets mee te maken heb. Je moet het maar met vrijmoedigheid zeggen als je het bemerkt. Je oom is daar ijselijk tegen. Och Anna, de mensch is zich zelf een raadsel, hij tracht naar het goede en doet het kwade.quot;

„Ja tante, dat zal wel dikwijls maarniet altijd het geval zijn, is \'t wel? Iedere ondeugd is de ontaarde dochter eener brave moeder zei Marnix. Het enfant terrible van belangstelling is nieuwsgierigheid. Maar wanneer tante mij naar de betrekkingen mijner liefste Emma vraagt, dan is dat waarlijk geen nieuwsgierigheid maar een belangstelling die mij genoegen doet.quot;

„O wat spreek je toch lief, toegevend lief, beste Anna. \'tls alsof ik muziek hoor, maar....quot;

„Wat dan beste tante?quot;

„Anna. - - och!.... och!! ik ben zoo slecht!quot; zucht tante Co-Mie in het duister.

„Ja, kwaadspreken dat is ten minste niet mooi, tante!quot;

„Kwaadspreken? Ik? Hoe meen je----? Neen, dat doe ik toch

niet?quot;

„Nu heb ik u gevangen lieve. Maar ziet u — zoodra u van de eigen zuster mijner beste mama nóg eens durft zeggen dat zij slecht is, dan zal ik gelooven dat u, wel is waar een van de liefste inenscben op de wereld, maar toch een beetje kwaadsprekend bent. Na «en oogenblik stilte: „Tante, houdt u zoo bijzonder veel van schemeren ?quot;

„Neen, ik... . of ja, ja in de laatste jaren veel meer dan vroeger Anna. En — de olie is duur. Oom zegt dat ze nog duurder zal worden na een oorlog, ik weet niet recht waar.quot;

„Ik zou nog zoo graag een brief aan Emma schrijven, en oom heeft gezegd dat wij om halfnegen soupeeren.quot;

„Soupeeren, ja----zie, als er trek is Anna. Ja, maar als er geen

trek mocht wezen, en ... en.... als je soms.... Ik weet niet of je meer eten gewoon bent, maar....quot; — tante sprak zeer zacht —

94

-ocr page 103-

ANNA KOOZE.

^als je soms tusschenbeide honger hebt, zeg het dan hoor je.... Oom is bijzonder matig, zooals je waarschijnlijk van middag zult gezien hebben, en kan niet dulden dat andere menschen gulzig zijn. In vroeger tijd was ik bijzonder gulzig, bijzonder! Maar nu met meer. Men moet hier op de wereld het zwakke vleesch leeren bestrijden. Doch op uwe jaren Anna, ik weet het nog wel ... dan is men graag. Als je dus tusschenbeide....quot;

„Dank u hartelijk tante! In den regel ben ik niet bijzonder hongerig. Maar ik moet een langen brief schrijven, en dus, als ik \'t licht mocht opsteken.... Achter u op de commode moet het lampje staan; zal ik.... ?quot;

„Neen kindlief! neen, wacht! Ik weet zoo juist de hoogte der pit. De glazen knappen zoo licht. Wacht!quot;

Na eenig gescharrel en gestommel brandt bet lampje zeer treurig, en terwijl tante, in plaats van breien, kousen gaat mazen, zet Anna zich tot schrijven aan haar liefste vriendin:

„Mijn allerbeste Emma!

„In de heele woordenkraam van Calisch met zijn vier talen is niet één woord, dat uitdrukt wat ik met dat langdradige allerbeste zeggen wil.

„Dertig uren zijn er ten naastenbij verloopen sedert ik je verliet, maar geen dertig minuten ben je uit mijn gedachten geweest.

„Dacht ik aan mijn vader, dan zag ik hem tevens — al was \'t maar vluchtig — tegen Emma lachen. Zag ik onze trouwe Mar-nix, dan stond Emma aan haar zij. Zag ik.... Maar genoeg, \'t Is jou, m\'n eenig Van Walletje, precies zoo gegaan, dat durf ik wel wedden. Vraag je nu echter, mijn lieveling, of ik erg melancholisch ben zooals jij bij voorbeeld zult wezen, dan zeg ik neen. En waarom niet? Om de eenvoudige reden dat melancholisch geen Hollandsch is. Word niet verdrietig omdat ik „weer laf ben. Neen beste kind, zoogoed als jij gevoel ik wat het zegt niet meer in elkanders nabijheid te wezen; maar, het thema: Scheiden thut weh! moet men niet al te veel varieeren, dan wordt het vervelend en maakt week of ziek. Ik praat er luchtig over nietwaar? Ja, dat nam ik mij voor. Ik wilde zoo graag dat Emma evenmin schreide als ik. Ontken het maar niet: toen je aanvingt dezen brief te lezen toen stonden je lieve blauwe kijkers al vol tranen.

„Kom, droog ze nu spoedig af, dan doe je mij zoo\'n innig pleizier. Immers op scheiden volgt weerzien. Houd je daaraan maar vast mijn blondje.

„Van weerzien gesproken. Raad eens wien ik ontmoette?

„Een, dien jij even graag zoudt terugzien als hij jou, mijn lief poesje. Je raadt het in eens; Neef Oscar! Ja wel; bloos maar niet mijn beste. Neef Oscar in eigen persoon; maar sedert die kindsche jaren zeker heel wat veranderd. Ik spoorde met hem van Gouda tot Utrecht. Eerst dacht ik dat het een nare fat was, maar toen we in gesprek kwamen en hij van jou en van onze Marnix als oude

95

-ocr page 104-

anna rooze.

kennissen sprak, toen — onder ons gezegd — toen zou je den -ouden speelmakker met pleizier een beetje hebben aangekeken. Er -zit een bijzonder spirit in zijn wezen. Toen hij den hoed afnam kwam er een voorhoofd kijken, dat een koninklijken indruk maakt. De oogen van je vrind zijn nóg donkerblauw hoor! Ze hebben zoo iets van een Italiaanschen hemel dunkt me. Als je nu iets Italiaansch met den hemel verbindt, dan zul je begrijpen wat ik zeggen wil.

,_We hebben heel wat over dat „aardige popje\'quot; gesproken, „zijn kleine Emma,quot; die nu groot was geworden, en die liij zoo graag •eens zou weerzien. Indien ik je zag of schreef, dan moest ik je o zooveel groeten overbrengen, en zeggen dat het hem bijzonder gelukkig zou maken wanneer je beider weg weer eens samenliep. Nu moet je deze boodschap niet al te zwaarwichtig opnemen, hoor m\'n beste! Je gevoelige hartje moet geen bravo kloppen voordat lt;Je gordijn wordt opgehaald, en dat hoofdje mag niet op hol gaan, versta je m\'n blondje!

„Ja, ik heb je dikwijls zelve geplaagd, en ofschoon je \'t niet ■weten wondt, je yondt dat plagen met neef Oscar wel aardig. Maar nu plaag ik je niet meer. Neefje Oscar was een kind. De mijnheer, lt;3ie de groeten aan je verzocht was een student in de rechten te Utrecht, \'t Is een heer met mooie vooruitzichten, zwarte knevels, veel fortuin, en, van adel. Dit laatste zegt meer dan men wel denkt. Tusschen adel en niet-adel, zei papa wel eens, is een slagboom, dien de laatste zelden, maar de eerste altijd in \'t oog houdt. Oprechte liefde of eigenbelang doet den edelman den boom wel eens overspringen; maar straks ook springt hij terug naar den anderen kant, en \'t gebeurt dan niet zelden dat de eettafel, wat later, met de twee pooien aan deze, en met de beide andere aan gene zij van den slagboom staat. Dat was wat erg van papa, zul je zeggen. Toen ik hem vroeg of mijn lieve mama dan ook niet een freule, en toch innig aan papa was verbonden geweest, toen zei hij: Ja, met de dames, dat is weer iets anders bruintje: als de dames den slagboom van a naar b passeeren, dan worden zij er onderdoor gesleept. Ze zetten zich over de vernedering heen, en blijven gedwee waar ze zijn. Van b naar a worden zij er overheen getild: dat is wel aardig maar \'t maakt dikwijls een zotte vertooning, en vooral zonder tolgeld. Die beste papa kon altijd zoo kluchtig over de dingen praten. Toch was er altijd iets waars in \'tgeen hij zeide.

„Je zult nu precies weten mijn lievertje, waar ik dit chapitre mee besluiten wil. Ik moest je nog eens aanraden om dat lokkige kopje niet te veel te vermoeien. Zie, je ontvangt de groeten van jonker Oscar Van Breeland, die zeer lieve herinneringen van het aardige speelkameraadje behield. Goed: maar nu mag je niet aan \'t droo-men gaan, hoor! We leven niet meer in wijlen Potifars tijd toen de droomen op een prik uitkwamen. Je weet nog wel hoe droevig ik gestemd was, nadat ik \'s nachts gedroomd had. met mijn lieve ouders door een heerlijk bosch te hebben gewandeld. Het was mij immers alsof ik ze bij \'t wakker worden nog eens verloren had. Wees dan voorzichtig met droomen, lief blondje. Als je slaperig of

«6

-ocr page 105-

ANNA KOOZE.

soezig begini te worden, neem dan een van de onhebbelijkste sommen uit je rekenboek, en spits er je suf op, of anders, hou je hoofd eens onder de pomp. Je weet wel dan kreeg ik altijd zoo\'n schrik-kelijken trek in een korst roggebrood, en \'t knabbelen op rogge-broodkorsten is een zekere remedie tegen droomerijen.

„Maar basta! Papa schreef me eens:

„Bruin! je wordt langdradig, geen Hollandsche romans hoor!

„Dat was een scherpe critiek in weinig woorden.

„Tusschen twee haakjes: papa las nooit romans.

„Ben lange brief behoeft niet langdradig te zijn. Dus van wat anders. Lieve Emma, dat ik nu door dien zelfden neef Oscar, iets vernemen moest dat jij zelve mij altijd verzwegen hebt! Emma, ik wist niet dat je mij nóg liever kondt worden. Immers Oscar Van Breeland verhaalde me dat jij, arm kind, je eigen ouders al missen moest nog eer je hun liefde begrijpen kondt.

„Met open armen ben je toen door je oom en tante Willem Van Wall ontvangen, en je hebt hun de teedere namen van vader en moeder gegeven.

„Ik heb geen verwijt, mijn hartelijk blondje, omdat je mij dat nooit hebt verteld. Neen beste kind; ik ben er je zelfs dankbaar voor. Ik zou misschien te veel medelijden met de arme Emma hebben gehad, en week met haar mee zijn geworden. Dat zou niet goed zijn geweest.

„Nu dit geschreven staat vraag ik mij af, of het niet beter geweest ware dit punt later mondeling met je te behandelen, omdat de herinnering je weemoedig zal stemmen, en je mogelijk toch zult denken dat ik je van achterhoudendheid beschuldig.

„Maar — nu het geschreven is, nu moet het blijven! \'t Zou me toch bij een volgenden brief uit de pen zijn gevloeid, en bovendien ik wil alvast eens beproeven, of je mij niet gelooven zult wanneer ik herhaal, dat ik —• in plaats van je te beschuldigen — je nóg liever heb, nu ik weet dat je als \'t ware tweemaal een zorgend ouderpaar moest verliezen.

„En lieve Emma, als ik je nu — tegen mijn wil en voornemen —-met deze herinnering droevig mocht gestemd hebben, denk dan maar aan \'tgeen ik reeds straks met andere woorden heb gezegd, n. 1. dat we niet te veel en te lang achterom moeten zien. En ook: een droef verleden maakt tevredener met het heden, ofschoon het ook niet volmaakt zij.

„Ja kindlief, jij hebt toch reden om in dat heden gelukkig te zijn, en je gaat een onbezorgde toekomst te gemoet. De mijne is minder lachend. Mijn innig geliefde vader schijnt mij niet zooveel te hebben nagelaten dat ik onafhankelijk zal kunnen leven. Het vrijheidlievende kind zal later misschien in de sombere rij der „jufsquot; moeten staan.

„Doch neen, dan zal er altijd nog wel een plaats bij de lieve Marnix voor mij open wezen.

„En later? Emma, wij zijn het immers eens dat Gods Vaderhuis niet alleen daar boven de wolken, maar ook hier op de aarde is.

V. 7

97

-ocr page 106-

ANNA KOOZE.

Welnu, wij zijn en blijven in het huis van Onzen Vader, en daar zal altijd alles wezen, wat ons goed en noodig is. Vaarwel liefje! Zoo gauw je dezen gelezen hebt, moet je wat gymnastiek gaan doen, hoor!

,Ik ben onwillekeurig wat ernstiger geworden dan mijn voornemen was. Kom, lach maar eens weer; ik zie die donkere kuiltjes zoo graag in je wangen. Kus Marnix en al onze liefsten voor mij. Dag, innig trouw blondje; schrijf nu per omgaande aan je:

ANNA.quot;

„De Runt bij Mulderspeet,

1 Nov. 59.

TIENDE HOOFDSTUK.

Vier dagen na Anna\'s komst op De Runt trad zij in den namiddag op het smalle ophaalbrugje toe, dat zich aan de noordzijde van het binnenplein juist tegenover de wapenpoort bevond.

Met het voornemen om in den zeer verwaarloosden tuin, waarheen het brugje leidde, nog eenige herfstseringen te plukken, benevens een paar rozen, die er groeiden en bloeiden als de treurende nazaten van een eertijds edel geslacht, ontdekte zij dat het brugje zich in zulk een vervallen toestand bevond dat het gevaarlijk scheen er over te gaan. De planken waren erg vermolmd en op sommige plaatsen zag Anna er zelfs zulke groote gaten in, dat zij het raadzaam oordeelde zich geheel aan den kant der leuning te houden en telkens, met het kleine voetje vooruit, de sterkte van den vloer te beproeven.

„Gerust juffer, stark genoeg, a\'j moar wat vlug d\'r overloope,quot; klinkt de stem van Joost haar achterna; en — als Anna het hoofdje omwendt en Joost met een knikje bedankt, dan ziet zij terzelfder tijd, door de wapenpoort heen en aan gene zij der groote ophaalbrug — de koppen van een tweespan schimmels, waarvoor een bediende in livrei heeft post gevat, terwijl een rijzig heer, na zijne bevelen te hebben gegeven, de brug over en de wapenpoort door, op het binnenplein toestapt.

Joost loopt den heer te gemoet.

En Anna, zonder meer aan den slechten toestand van het brugje te denken, is er haastig overgewipt, en in den achter- of moestuin verdwenen.

De eigenaar van den fraai geschilderden tentwagen met de kloeke schimmels in hun tuigen met blinkend koper is de baron Wouter Geereke Van üland van De Renghorst, heer van Mijnrecht Angola en Lixboa. De beide laatste zoogenaamde heer-

98

-ocr page 107-

ANNA KOOZB. 99

liikheden waren slechts kleine boerenplaatsjes in het Stichtsche aan de rivier de Vecht gelegen, en mijnheer Geereke heeft nooit de dwaasheid gehad zich Heer van die beide plaatsjes te noemen, maar sedert dominee Haverkist vernam dat zijn adellijke vriend toevallig die beide mooie namen te gelijk met de weinige bunders grond had gekocht, schreef hij bij voorkomende gelegenheden op de adressen aan den baron altijd aan \'t eind: „Heer van Mijnrecht Angola en Lixboa.quot; En mijnheer Geereke zal den leeraar van Mulderspeet toch daarom geen pluimstrijker noemen.

Ds. Haverkist was de zoon van een Dordtschen grutter. Evenals voorheen de oude baron van Koevertol de predikanten van Mulderspeet steeds met de meeste vriendschap ontving, en goeddeed zooveel hij kon, zoo blijft ook Geereke — en nu vooral sinds den dood van den Runtschen weldoener — niet in gebreke den leeraar van het dorp zijn welwillendheid te toonen. Ds. Haverkist meende van zijne zijde nu ook in alle opzichten te moeten blijk geven dat hij die hooge vriendschap en onderscheiding op prijs stelde, en was dus recht blijde aan de titels van den adellijken vriend een paar namen te kunnen toevoegen, die zeer weidsch klonken, terwijl — zoo redeneerde Ds. Haverkist — men niet veronderstellen kon dat iemand zoo iets niet waardeeren zou. En dan — wanneer hij met een: „Hoogwelgeboren Heer en Vriend,quot; zijn brief begon, en later al die_ titels op het adres vermeldde, dan —ja dan straalde er toch alijd iets van Angola en Lixboa\'s glans over dominee zeiven.

De heer van De Renghorst zei meermalen:

„Men moet de menschen met toegevendheid beoordeelen, en in aanmerking nemen wat en wie ze waren, eer ze werden wat ze nu zijn.quot; Of ook:

„Een man van geboorte en opvoeding gevoelt wat men van de verschillende standen, wat men van de verschillende individuen verwachten kan.quot;

Met dezen laatsten volzin heeft de baron Geereke zich zeiven met zijn eenigen, maar zeker edelen trots, het best geteekend.

Het bewustzijn edelman te wezen, niet slechts door geboorte maar bovenal door een levendigen zin voor al wat goed is en rein, stond hem dan ook op het hooge voorhoofd geschreven, en bovenal in het goedaardig en zielvolle oog geprent.

Mijnheer Geereke Van üland is een man van omstreeks vijf en veertig jaren. In hem herkent men terstond deu jonker, die voor weinige dagen in mijnheer Lijnings kamer tegenover den spiegel, en in de larikslaan naast Anna Rooze gezien werd. Doch, ofschoon de gelaatstrekken van vader en zoon de meeste overeenkomst hebben, zoo springt het groote verschil van uitdrukking toch aanstonds in \'t oog.

Door den huisknecht in het bombazijn bij Lijning aangediend, is de baron naar boven gegaan.

Uit eenige woorden in Lijnings laatsten brief — na het bezoek van jonker Ernst geschreven — heeft Geereke meenen op te maken,

-ocr page 108-

100 ANNA ROOZE.

dat de zonderlinge eigenaar van De Runt — \'t geen hij wel vermoed heeft — niet ongenegen was om, in weerwil van het vroeger geweigerde bod, zijn nieuwe possessie te verkoopen. Immers daar had, schijnbaar in verband met het recht der uitwegen, gestaan;

,De moeiehjkheden zijn van dien aard, mijnheer de baron, dat ik — indien zulks in het welbegrepen belang eener minderjarige kan geschieden, zou kunnen besluiten — ofschoon met weerzin — het soliede en heerlijk gelegen adellijk kasteel met deszelfs tuinen en zoo voort, voor zooverre mij behoorende, ter bewoning te zien gesteld van iemand desgezind en willens, in de omgeving zijner landbouwkundige zaken.quot;

Dezen gedwongen duisteren zin kon men immers zoo en bijna niet anders uitleggen.

Met het voornemen om in elk geval die zaak van den uitweg te schikken — want te procedeeren achtte de baron niet raadzaam — wilde hij tevens den heer Lijning nader hooien op het punt van het twijfelachtige „ter bewoning te zien gesteld,quot; en zich in persoon overtuigen of er werkelijk kans zou bestaan om het begeerde eerste perceel nog in zijn bezit te krijgen.

De baron is met de meeste plichtplegingen door den heer Lijning ontvangen.

Nadat men op de studeerkamer reeds eenige minuten over de zaak van den uitweg heeft gesproken, en Geereke ten zeerste werd verrast door de bijzondere inschikkelijkheid van den heer Lijning, die, geheel in tegenspraak met zijn schrijven, schier aanstonds verklaarde door de heldere mondelinge uitlegging van mijnheer den baron de volle overtuiging van diens goed recht op den uitweg te hebben bekomen; na deze verklaring en eenige vriendelijke woorden van den verrasten Geereke daarover, vindt deze een geschikte gelegenheid om tot het belangrijkste punt te komen.

Eenige oogenblikken later zegt de man met den blauwen bril, dat hij met bevreemding mijnheer Geerekes onderstelling verneemt, als zou hij — Lijning — willens zijn geweest De Runt te verkoopen. Het is hem waarlijk zelfs van verre niet in de gedachte gekomen. .Althans ...quot; voegt hij er bij: „ik gevoel wel dagelijks de groote moeielijkheid om, voor een man zooals ik ben, zulk een heerlijk goed naar eisch te bewonen, maar verkoopen, neen....quot; En met een zucht: „of. ...quot;

Het „ofquot; was voor den baron voldoende.

Maar — Lijning was nog niet precies waar hij wezen moest, want hij heeft na een oogenblik van stilte vervolgd: „of... . lord Lidson Bricequot; — een persoon die intusschen slechts in Lijnings verbeelding bestond —■ „de lord die zeer gefortuneerd is, mijnheer de baron, moest zoo blijven aandringen op den verkoop, dat men ia \'t belang der minderjarige niet weigeren kon en niet weigeren mocht.quot;

,U zegt een lord Brice Vquot; heeft de baron gevraagd.

„Lord Lidson Brice, mijnheer de baron; ja wel! een broeder van lord Lidson Brice, die in 45 gezant te Napels was. Die, waarvan ik

-ocr page 109-

ANNA ROOZE. 101

spreek, is met een Hollandsche gravin gehuwd... • Bee - •.. Dee.... Och, haar naam zou ik honderdmaal noemen. IJ zult zich dat wel herinneren, mijnheer de baron.quot;

„Neen, ik ken die familie niet, mijnheer Lijning!quot;

De baron, ofschoon al meer en meer in zijne meening versterkt dat die man met zijn onaangenaam voorkomen, \'t zij voor zich zeiven \'t zij voor anderen, het kasteel op speculatie heeft gekocht, vermoedt echter niet dat de genoemde lord een denkbeeldig persoon is, en mag zich dus geenszins ontveinzen dat hij in dien heer Lijning een veel inschikkelijker en vrij wat minder inhalig persoon heeft gevonden, dan men uit zijn brieven en het antwoord aan Ernst gegeven, besluiten moest.

Teleurgesteld, zegt hij, opstaande:

„Wil mij ten goede houden mijnheer Lijning, wanneer ik uw uit drukking in den brief verkeerd heb opgevat.quot;

rO mijnheer de baron. .. mijnheer Van Uland.... vraag wel excuus...quot;

,, Intusschen dank ik u recht vriendelijk voor uw inschikkelijkheid. \'t Verheugde mij zeer u te hooren toestemmen dat mijn verzoek niet op een lossen grond steunde. Maar — dewijl de zaken door u in \'t belang eener minderjarige worden behandeld, vergun mij dan ook als schadeloosstelling voor het nadeel, waarvan u toch vroeger in uwe brieven hebt gesproken, u een som van duizend gulden aan te bieden, voor welke som ik mij dan tevens gaarne duidelijk en notarieel — bij leven en sterven nietwaar — het bedoelde recht zou verzekerd zieu.quot;

„Maar----mijnheer de baron....quot;

„Neen, dat blijft dan zoo afgesproken.. -. tenzij. ..quot;

„Tenzij----?quot;

„Tenzij lord Brice u niet meer lastig mocht vallen, en, met toestemming van belanghebbenden, het door u gekochte perceel mij in koop kon worden toegestaan.quot;

Mijnheer Lijning was uitermate tevreden; hij heeft geglimlacht, en verklaard dat hij sedert de alleraangenaamste kennismaking met mijnheer den baron, er niet aan dacht om mijnheer den baron in \'t minste of geringste een hinderpaal in den weg te stellen; neen, nu hij alles begreep, nu mocht hij zulk een schadeloosstelling niet aannemen; de lange arm van \'t recht was inderdaad aan de zij van mijnheer den baron; aan verkoopen echter dacht hij niet, neen.... o neen!

Maar terwijl Lijning deze verklaring gaf, zag hij in zijn verbeelding reeds den brief van een denkbeeldigen gemachtigde van den denkbeeldigen lord Brice aan hem gericht, die ongeveer zou luiden als volgt:

„Weledele Heer!

-Lord Lidson Brice gelast mij u zijn verontschuldiging aan te bieden. Bij een vroeger kortstondig verblijf op het Loo bracht zijn

-ocr page 110-

102 anna rooze.

lordschap een bezoek op De Runt. Een gerucht dat de eigenaar het verkoopen wilde — een gerucht vermoedelijk afkomstig van den vroeger plaats gehad hebbenden verkoop — was oorzaak van de aanbieding, die ik de eer had u namens zijn lordschap te doen. Mocht u te eeniger tijd tot den verkoop van het door u gekochte kasteel besluiten, het zou zijn lordschap bijzonder aangenaam wezen de voorkeur te mogen genieten, en stelt als koopprijs voor het kasteel met de gronden u daarbij toebehoorende, volgens uwe opgave, gaarne 500 ffi boven de reeds genoemde.... \\£.

Verblijve enz.

Smit.quot;

Het laatste cijfer was in Lijnin^s verbeelding nog niet ingevuld. Dat moest afhangen van nadere inlichtingen. Hij weet wel dat de baron hem bij den grooten verkoop 36,000 heeft doen bieden; doch.... men moet altijd de voorzichtigheid in \'t oog houden.

Bij het afscheid betuigt de baron nogmaals zijn danK, met het vaste besluit om den heer Lijning op de voorgestelde, zeker niet karige wijze, voor zijn vroeger bevochten en nu zonder slag of stoot verworven recht te zullen schadeloosstellen. Hij zal hem daardoor niet beleedigen. Immers, wie of wat mijnheer Lijning ook zijn mocht, aan vormen, kleeding, in één woord aan alles kon men gemakkelijk zien dat hij de schadeloosstelling — ofschoon voor een denkbeeldig recht — niet zou blijven weigeren, terwijl het mede zeer duidelijk te bespeuren was, dat De Runt met dien eigenaar niet in een normalen toestand verkeerde.

Die vervoerde jenever! denkt de baron, terwijl hij in \'t heengaan een verdrietig weemoedigen blik langs kamerdeuren, nissen en trappen laat weiden. Hoe geheel anders was het hier vroeger. Helder geboend of blank geschuurd.... En nu? zelfs geen loopers, geen matten, geen beelden, geen vazen, niets!

Die vervoerde jenever! Dat was een zonderlinge uitstap van den baron. Maar immers zijn Jozef, de trouwe huisknecht, die hem reeds 15 jaren met de meeste verknochtheid heeft gediend, de altijd matige schrandere Jozef, die in last heeft gehad om behalve en voornamelijk het eerste perceel, ook de volgende twintig meest nabij De Renghorst gelegen perceelen van De Runt te koopen. Jozef was door het gebruik van een enkelen slok jenever, die een vreemde hem had opgedrongen, zoo bedwelmd geweest dat hij, wanneer hij aan den persoonlijken duivel geloofd had, zeker zou gezegd hebben dat die zwarte sinjeur hem de jenever zelf had toegereikt. Alleen door water drinken, vreeselijk water drinken, was hij eindelijk weer bij zijn „montanenquot; gekomen. Maar toen hij in de verkoopkamer terugkwam, toen waren reeds de vijf eerste perceelen toegewezen, ofschoon de notaris, die den knecht van De Renghorst niet had bespeurd, den aanvang der gunning nog meer dan een half uur vertraagd had.

De baron, door den heer Lijning uitgeleide gedaan — de laatste kwijt zich gewoonlijk met het meeste genoegen van die aangename

-ocr page 111-

ANNA ROOZE.

taak — de baron staat eensklaps in het met marmer geplaveide voorhuis stil, en zegt hoofdschuddend, terwijl hij in stilte de opmerking maakt dat Diana en Ceres ook hier uit haar nissen verdwenen zijn:

„Nu zie ik dat ik ouder begin te worden; zulk een négligentie is onvergeeflijk. Verbeeld u mijnheer Lijning, dat ik hier met twee jonge dames ben komen aanrijden. De familie Haverkist noodigt ons jaarlijks den tweeden dag der kermis op thee. Toen mijn gezelschap straks aan de pastorie was uitgestapt, en ik zei nog even naar De Runt te moeten doorrijden, toen was er bij de jonge dames Haverkist een zekere mee-rij-ambitie, en vooral om nog eens te beproeven of uw nichtje, juffrouw Rooze, zou willen terugkomen op haar besluit, en ons tóch het genoegen van haar gezelschap geven. De oudste der dochters, juffrouw Jans Haverkist, was vooral zeer teleurgesteld, en zou wel gaarne zelve zijn meegekomen, doch haar tegenwoordigheid werd in huis vereischt; de beide jongere dames, die mij vergezelden, wilden liefst in het rijtuig wachten, en verzochten mij daarom haar wenschen aan u over te brengen.quot;

Lijning, die niet heeft kunnen vermoeden dat de raad van lieert, om Anna van den dominee\'s-troep terug te houden, uit eigenbelang werd gegeven, vindt de uitnoodiging van déze zijde zoo bijzonder gewenscht, dat hij aanstonds Anna helpt opsporen, en, na haar aan den baron te hetben voorgesteld, haar verzoekt de lieve uitnoodiging maar aan te nemen: «tegen negen uren, halftien, zal hij Joost wel zenden om nichtje te halen.quot;

De baron zegt dat hij wel gaarne juffrouw Rooze voor den avond zijn rijtuig zou aanbieden, maar in de Runtlanen kon het zoo fameus donker zijn, en aan den tentwagen waren geen lantaarns; bovendien de schimmels zijn jong en; in den avond langs de kermis te rijden was mede wat gewaagd.

Na de verzekering van den baron dat de middag bij dominee niets van kermishouden had — waaraan Anna, die immers nog den rouw over haar geliefden vader droeg, gezegd had onmogelijk te kunnen deelnemen — nam zij de uitnoodiging aan; er bijvoegende zeer gaarne naar huis te zullen terugwandelen.

In weinige oogenblikken had Anna op haar kamer een kleine wijziging in haar toilet gebracht. Na tante te hebben vaarwelgezegd, trad zij weldra de wapenpoort uit en op het rijtuig toe, waarbij de baron met oom Lijning nog te wachten stond. Lijning maakte juist aan Geereke zijn excusen dat hij mijnheer den baron niet aan zijne vrouw heeft kunnen voorstellen:

„Lijdende, altijd zenuwachtig, zeer!quot; voegt hij er treurig bij; „Och ja mijnheer Geereke, haar goede papa, jonkheer Moreel was ook en mijnheer Lijning strijkt zich langs het voorhoofd: „\'t is treurig!... Ziet u, daarom heb ik mij voornamelijk uit de stad teruggetrokken, en blijft hier alles maar zóó zóó. De buitenlucht weet u . .. Ha! daar is onze lieve Anna.quot;

Twee ginnegabbende jonge dames hadden zich vóór Anna\'s komst achter het ten deele neergelaten wasdoek van den tentwagen verscholen.

103

-ocr page 112-

ANNA ROOZE.

„Komaan, dat is wel bijzonder vlug, juffrouw Rooze,quot; zigt de baron: „ik maak u mijn compliment; onze jonge dames zullen recht blij wezen u te zien.quot;\'

De meisjes, die achter de coulisses zoo vreeselijk om dien slijp-plank met zijn blauwen bril hadden gelachen, bedaarden eensklaps; en terwijl het roode frissche kopje van Sophie om het wasdoek heen naar buiten zag, en met een knik „dag juffrouw Roozequot; zei, dook de lange juffrouw Kaatje met een hoogroode kleur wat naar achteren, en snoot zich het mooie neusje onhebbelijk hard, en zei ook: „dag juffrouw Roozequot; toen Anna door den baron geholpen in het rijtuig stapte.

Men zou gedacht hebben dat het fleurige jongste Haverkistje reeds vooraf haar plaats op de achterste bank voor de oudere gast zou hebben ontruimd, maar in de rijtuig-étiquettes waren de Haver-kistjes nog niet ver, en — Anna reed achteruit.

De schimmels liepen in gestrekten draf. Binnen een kleine tien minuten had men het dorp bereikt.

Er heerschte een buitengewone drukte in de anders zoo stille dorpsstraat, en vooral op het kleine kerkplein zag men een bijzondere levendigheid. Een vijftal groote koek- en poppenkramen, met haar kisten en hakblokken, stonden er bijeen. Wel waren ze verlokkend de koeken, waarop met wit-zoet „voor uwe kermisquot; geschreven stond, en dan die moppen en amandelen; die vuurtrekkers en straatklappers. En verder in die Neurenberger kramen al dat moois, de kleine geweren en blanke sabels: de porseleinen vaasjes — Berlijnsch blauw met verguld; de prachtige schilderijen van Jozef, Genoveva en den Verloren Zoon in al de kleuren van den regenboog. Wat een keus van poppen, pijpen, zakmessen en tabaksdoozen, en welk een voorraad van ijzeren vorken en tinnen lepels zoo glims als zilver!

\'t Was daar op het zoogenaamde „kerkhof een fluitjesgepiep en een getjingel en gemauw van het Neurenberger speelgoed; een geroep en geklop, een gedraai en gejoel — niet het minst bij de beroemde ronzebons of bij de; „Set maar op voor \'en sjent: allemaal stooters prijs!quot; dat de schimmels, toen ze langzaam door dat alles heenstapten, met de ooren speelden rechts en links, en somwijlen tegen elkaar drongen, vooral bij den mallemolen, die op een tien schreden afstands van de kramen aan \'t draaien was. De baron die naast den koetsier zat en mende, richtte — zooals hij reeds eenige malen deed — zonder om te zien, het woord tot Anna, met de opmerking;

„Ziet u wel dat de paarden voor de gekheid der menschen een beetje bang zijn? — Allons Blanchard! voor een aap behoef je zoo\'n grooten eerbied niet te hebben, zelfs al heeft hij een pakje aan. Allons! — Kont u den man, die daar groette juffrouw Rooze?quot;

„Dien laatste mijnheer Geereke? Zijn naam ken ik niet, maar ik heb hein een paar keer gezien.quot;

„\'tls iemand dien ik meer zag, maar niet thuis kan brengen; een Mulderspeotsche is hij niet. — Ho! ho, kameraadjes! — Ah zoo!

104

-ocr page 113-

ANNA KOOZE,

daar hebben we onze gulle gastvrouw n0. twee! — Juffrouw Jans, nu krijg ik een extra kopje niet waar? Zie maar eens of we niet kostelijk woord hielden, ik raag niet zeggen dat we overwonnen hebben, maar uw vriendin, juffrouw Rooze, is zoo lief geweest zich aanstonds gevangen te geven.quot;

.Een recht prettige gevangenschap mijnheer Geereke.quot;

,Waarom bedankte je dan?quot; zegt Jans, terwijl ze Anna helpt uitstappen en haar de hand drukt.

.Zooals ik je schreef, omdat ik geen lust in kermisvreugde had, en oom ook beter vond dat ik thuis bleef.quot;

„Misschien ook met het terughalen? Nou ikben blij datje er bent. Kom maar binnen. Mijn hemel baron, wat is u lang uitgebleven. Ik dacht dat u de heele kermis en ons er bij vergeten waart.

! dat is ter uwer eere baron. Nou

xj11 ■ m i■ iiiuxjirrrv ■■hui i^ii .

it is er ook weer,quot; zegt het fleurige Haverkistje, terwijl ze van de wagentree wipt.

,Jelui moest nog even wachten!quot; roept de baron; „Hola!!! noch nicht anfangen!quot; en wenkt naar de zij der muzikanten, want Blanchard en Moustache zijn van het eerste: „Proe. proe, Prrrr!quot; al zoo zenuwachtig geworden dat ze staan te trappelen, en achteruitdringen, zoodat lange Kaatje werk heeft zonder ongelukken uit het rijtuig te komen.

„Om tien uren vóór!quot; roept de baron Hendrik den koetsier toe, en Hendrik zegt: „Best baron!quot; en slechts een kleine mondelinge aansporing is voldoende om de vurige schimmels hun weg naar de dorpsherberg te doen kiezen waar een flinke stal hen wacht.

De raandewagen verdwijnt; de nieuw aangekomenen gaan naar binnen.

Een bekende jonker, die van de kermiszijde haastig is komen aanstappen, en reeds vroeger de dames Haverkist — alvorens ze met papa naar De Runt reden — zijn compliment heeft gemaakt, buigt nu in de gang voor juffrouw Rooze, en verzoekt haar vriendelijk niet naar zijn toilet te zien, want op die kermis was \'t een stofboel van belang.\'

Terwijl men zóó, eerst in het voorhuis, en straks ook binnen de kamer, groeten en plichtplegingen wisselt, en Anna daarbij aan drie haar onbekende leden van het gezelschap wordt voorgesteld, schuift juffrouw Haverkist de ramen van het pastorie-salon wat hooger, omdat die muzikanten zoo „keurig blazenquot;, en mevrouw Geereke haar toestemt dat het niemendal koud is.

105

-ocr page 114-

ANNA BOOZE.

ELFDE HOOFDSTUK.

Mevrouw de barones Geereke Van Uland is een tengere vrouw-van hoogstens veertig jaren. Zij moet zeer schoon zijn geweest, lt;ioch toen zij op twintigjarigen leeftijd aan haar eenigen zoon het Jeven schonk, toen onderging haar gezondheid zulk een hevigen schok, dat de sporen van jeugd en schoonheid al spoedig in de •droeve plooien van lijden en smart zijn verdwenen. Sedert den voorlaatsten zomer evenwel is de gezondheidstoestand van mevrouw Geereke zóóveel verbeterd, dat men zelfs, ingevolge haar lang ge-koesterden wensch, een gedeelte van den vorigen winter te Parijs heeft doorgebracht.

De wufte zeden der groote wereldstad hebben haar echter meer dan haar lieven Ernst gehinderd, en, zij heeft vast besloten om er niet weer heen te gaan, dewijl ze in zulk een omgeving met het oog op haar lieve kind geen oogenblik rust had. Ofschoon het genomen besluit der moeder inderdaad voor haar ernstigen zin en oprechte liefde pleit, zoo mag mevrouw Geereke wel een liefdevolle maar nog geenszins een verstandige moeder genoemd worden. Wanneer men die beide brave, elkander zoo oprecht liefhebbende echt-genooten daar samen ziet, en Geereke — altijd in zorg voor zijn beste Kunira — nu weer hoort vragen of het openstaande venster haar ook hindert, en of de mooie muziek haar niet wat kras wordt; waarop zoo zacht en met zulk een innig knikje het antwoord wordt gegeven: „Neen lieve Wouter, heusch niet!quot; dan zou men bezwaarlijk kunnen gelooven dat de huwelijkshemel dier echt-genooten juist ter oorzake van dat eenige pand hunner liefde zoo dikwijls met donkere wolken is bedekt geweest. En — de-verstandige man heeft wel dikwijls moeten toegeven. Immers, \'t waren harde woorden, die de anders zoo zachte en lijdende vrouw gesproken had: „Ga je gang dan maar Wouter, ik zal er niet lang meer wezen!quot; Neen, Geereke heeft dan niet kunnen doortasten; ze was zoo zwak die lieve Kunira, hij had haar zoo lief, ja, hij heeft haar eerder liefgehad dan haar kind.

Maar \'t is een dwaze opvoeding geweest. Tot zijn zestiende jaar is jonker Ernst moeders speelpop gebleven. In moeders oogen was hij zoo zwak, zoo ongelooflijk zwak; zijn lieve hoofdje mocht niet met leeren vermoeid worden. O men moest zoo omzichtig met zulke slimme, zulke buitengewoon ontwikkelde kinderen zijn. Met de dertien maanden liep hij al langs de stoelen; twee maanden later zei hij duidelijk mama: en toen hij vier jaar oud was, kon hij zich al bijna geheel alleen aan- en uitkleeden. Ja en bij zulke kinderen was de geest het lichaam in jaren vooruit.

Altijd buiten zijn? In den tuin, in de lucht? O, dat mocht goed

106

-ocr page 115-

ANNA ROOZE. 107

voor sterke knapen wezen: de boeren mochten hun kinderen bij

febrek aan goede kamers, in Noordenwind en zonnebrand groot-rengen, maar — zag men wel is waar soms kleinen met roode koonen in \'t zand spelen, men moest niet vragen waar de zwakken gebleven zijn! Neen, haar lieve jongen, het eenige kleinood, dat zij zoo duur heeft gekocht, hij behoefde noch het slachtoffer van een onzinnig verhardingssysteem noch dat der hedendaagsche veelweterij te worden.ebrek aan goede kamers, in Noordenwind en zonnebrand groot-rengen, maar — zag men wel is waar soms kleinen met roode koonen in \'t zand spelen, men moest niet vragen waar de zwakken gebleven zijn! Neen, haar lieve jongen, het eenige kleinood, dat zij zoo duur heeft gekocht, hij behoefde noch het slachtoffer van een onzinnig verhardingssysteem noch dat der hedendaagsche veelweterij te worden.

En — mevrouw Geereke heeft op hare wijze haar kind beschermd totdat hij zijn zestiende jaar bereikt had. Maar toen, toen kon en mocht zij het niet langer. Met vaste hand heeft de vader toen zijn recht hernomen. Bittere tranen zijn in den beginne door de zwakke moeder geschreid; gedurig hebben den vader verwijten in de ooren geklonken, die hem telkens dieper moesten treffen: doch de edele man heeft — volhardend bij zijn vast, misschien ter elfder ure genomen besluit — de verwijten van het gekrenkte vrouwtje met mannelijke kloekheid gedragen; met zachtheid heeft hij de moeder in \'teind tot berusting gebracht, en zelfs — door de krachts-betooning misschien — het hart van zijn geliefde vrouw geheel voor zich herwonnen.

Al wat jonker Ernst nog geworden is — en het was wat zijn geestontwikkeling betrof inderdaad niet veel — heeft hij aan \'s vaders kloek besluit te danken. Even trotsch als mama er vroeger op was, dat Ernst met zijn zestiende jaar zoo keurig netjes de kleeren voor de poppen van zijn poppenkast kon knutselen, \'t geen zij liever zag dan dat Schmidt, zip gouverneur, hem met al die boeken en cahiers het hoofd van streek bracht — en Schmidt die gaarne studeerde of romans las, verstond mama — evenzeer was het thans haar glorie dat hij nu, in zijn een en twintigste jaar, den titel van student in de Rechten te Utrecht bezat, en heel goed een geweer durfde afschieten, ja zelfs dit najaar al drie hazen en zeven patrijzen had thuisgebracht.

Als Ernst, haar jongen, spreekt, dan ziet men doorgaans mevrouw Geerekes lippen onwilllekeurig zijn woorden namaken, en \'t gebeurt niet zelden dat zij, zoowel in \'t gezelschap van vreemden als in den huiselijken kring, eensklaps een: Dag Er! of Dag lief! bij haar knikje voegt, en opstaat om met haar fijne hand de zwarte lokken van zijn voorhoofd weg te strijken en er een zoen op te drukken.

De tweede onbekende, die straks aan Anna was voorgesteld, is — honneur aux dames — juffrouw Saartie Molenwiek.

Juffrouw Saartje Molenwiek de vijt en veertigjarige huishoudster van mevrouw Geereke — op dit oogenblik aan de linkerzij van juffrouw Jans gezeten — wijst met haar paarlemoeren haakje — juffrouw Molenwiek haakt voor haar heele familie één- of tweesla-perige spreien, als ze ten minste zelf de katoen geven, — juffrouw Molenwiek wijst naar een schotel met grauw geelachtige gebakjes en vraagt:

„Zandtaartjes, nietwaar?quot;

„Ja juffrouw.\'-

-ocr page 116-

ANNA KOOZE.

„Bak je die zelf Jans?quot;

,Zeker juffrouw.quot;

„En hoe maak je ze?quot;

„Ik neem drie ons bloem, twee ons boter, en anderhalf ons witte suiker.quot;

„Zoo, is ddt je recept! Ik zal je \'t mijne eens sturen hoor. Mijn zandtaartjes hebben compleet een renommee. De familie van mijnheer uit Den Haag komt nooit of ze moet er een trommel van meenemen, maar die zijn heel bros weet je, en dan met krenten. Niet dat deze niet goed zullen zijn, maar. ..quot;

„Probeer u ze eens.quot;

Juffrouw Molenwiek stoot met haar haakje een kruimel van een der taartjes, proeft die met aandacht en zegt:

„Ja zie, niet om iets aan te merken, maar je mist behalve de krenten, dadelijk je vanielje, en dan _— te vast, weet je, heusch ik zal je mijn recept eens zenden. Heb je thee uit Arnhem?quot;

„Neen juffrouw, we hebben ze van Gurts hier in \'t dorp; vader kan den dorpswinkel niet passeeren.quot;

„O dat zou me heel weinig kunnen schelen. Die goed levert die mij levert; dat is mijn vaste spreekwoord. Houdt ze nog al water? Zeker niet erg.... Ik zag je er ten minste thee bij doen. Maar als ik je één raad verschuldigd ben: zet liever heelemaal nieuw dan te suppleeren. Wat geef je?quot;

„Twee gulden juffrouw.quot;

Jans loog, ze kostte maar twee en twintig. Als Anna dat begre-

5en had, dan zou Jans zeker in haar oogen niet gerezen zijn. Maar ans, ofschoon ze ook volstrekt niet van liegen hield, het speet haar, zelfs geen rijksdaalder te hebben gezegd.en had, dan zou Jans zeker in haar oogen niet gerezen zijn. Maar ans, ofschoon ze ook volstrekt niet van liegen hield, het speet haar, zelfs geen rijksdaalder te hebben gezegd.

„Hum! dan kon ze toch goed zijn,quot; herneemt juffrouw Molenwiek, terwijl ze de thee nog eens proeft: „Ik laat ze uit Arnhem komen van Van Embden. Wij geven zes en dertig, maar o hé \'t is een lust om die te schenken. Je bevoordeelt je nog vier stuivers. Je moet het eens onthouden, thee van 36 zooals juffrouw Molenwiek van De Renghorst ze altijd laat halen.quot;

De derde persoon aan wien Anna straks werd voorgesteld, is een neef of oud-neef der familie Geereke; een neef die sedert drie weken gastvrijheid op De Renghorst geniet.

Neef Jasper Bel is een groot en forschgebouwd man van zestig jaren omtrent. Zijn persoon maakt in den regel een vrij zonderlingen indruk. Zijn gelaatskleur is tamelijk rood, de kleine oogen zijn donkerblauw, en als men \'t niet beter wist dan zou men vast ge-looven dat Bels wenkbrauwen zwart zijn geverfd, want wonderlijk steken ze af bij zijn nagelwit nog eenigszins krullend hoofdhaar, én den forschen knevel, die mede zoo wit als sneeuw is.

De overste Bel presenteert zich in den regel zelf, en nu sedert zijn verblijf op DeRenghorst nagenoeg als volgt:

„Jasper Bel, om je te dienen. Neef van mijnheer en mevrouw Geereke, minder door \'t bloed dan door vriendschapsbetrekking.quot;

Als neef Jasper zich zóó heeft voorgesteld, dan begint hij het ge-

108

-ocr page 117-

ANNA ROOZE. 109

sprek doorgaans op een manier dat menigeen er waarlijk verlegen mee wordt. Bij voorbeeld:

„Hebt u veel gereisd?quot;

„Bent u Eoomsch of Gereformeerd?quot;

„Houdt u van Dickens?quot;

„Wat dunkt u van het nieuwe ministerie?quot; Die vraag kon hij als Nederlander gerust op het repertoire houden. Of zeker althans: „Wat dunkt u van den nieuwen minister?quot;

Men vond het bespottelijk, \'t Was de dolste man van de wereld; om b. v. een jong meisje aanstonds te vragen:

„Hebt u lang met poppen gespeeld?quot;

\'t Was te dwaas om alleen te loopen, en gekker nog wanneer men dan, na een bedeesde toestemming den zegenwensch ontving:

„Dan wensch ik je mettertijd twaalf frissche spruiten toe. T waalt\', omdat je zeker een goede moeder zult zijn.quot;

De overste Jasper Bel had een zonderling voorkomen, en \'t was een zonderling ook, maar, niet omdat hij er een wezen wilde. Hij was het eenigszins „par droit de naissancequot; zei Geereke wel eens.

Immers, zijn vader, de oude heer Bel, huwde als gepensioneerd generaal-majoor op ruim zestigjarigen leeftijd een nauwelijks zestienjarig fraulein Julia Klieng, die als buffetjuffrouw in een restaura-tion te Wiesbaden zijn hart had veroverd.

En, ruim een jaar later, omstreeks twee maanden na het onverwacht overlijden van den generaal, werd Jasper op het buiten van zijn vader nabij Breda geboren, nadat ook zijn jeugdige schoone moeder een paar seconden vóór die geboorte, het leven van haar zoon met den dood had betaald.

Ja, \'t moest hem niet te zeer worden aangerekend indien hij wat vreemd was, meende Geereke, want bovendien, Jaspers opvoeding en wetenschappelijke vorming hebben veel te wenschen overgelaten, en ofschoon hij in later tijd veel heeft gezien en gelezen, „achter dat alles zat de vrije, de zonderlinge Jasper, die zich zelf gevormd en zich zelf een weg had gebaand.quot;

Dat de overste zich dikwijls in veler oogen zoo „bespottelijkquot; maakte, het kwam voornamelijk dewijl hij op zijne beurt de men-schenwereld al zeer banaal en aapsch en slaafsch, in één woord al extra bespottelijk vond.

Men noemde het allerdolst, dat hij bij een eerst ontmoeten al aanstonds zulk een malle vraag deed, of zoo iets wonderlijks zeide — iets, dat nergens bij te pas kwam. Maar van zijn kant vond Jasper Bel het ook al heel misselijk om de heele ons bekende of onbekende wereld met de onzinnige gewetensvraag op \'t lijf te vallen: Altijd wel geweest?

Wie kon zich dat herinneren, zei de overste, en wie zelfs zal op dat banale: Hoe vaart u? voldoende explicatie geven! Men zegt dank ie en merci, omdat men nog zoo wijs is te begrijpen dat een werkelijke verklaring van \'tgeen men in den regel al zoo gevoelt, den vrager draaierig zou maken. — Mooi weertje mijnheer. Regenachtig dagje juffrouw! Bah! dat zijn winkelbanaliteiten om van te

-ocr page 118-

110 AKNA ROOZE.

spuwen. Iets te zeggen dat iedereen weet, \'t is onzinnig, meent de overste. Men kon den aangesprokene evengoed zeggen; u heet Niks of Dinges of hoe hij heeten mocht, \'t Was „gebrek aan gesprek.quot; Manque de discours is Fransch, en men zal Jater hoeren dat de overste van geen Fransch houdt, als \'t niet noodig is.

Heb je gereisd mijnheer? Dat was een betere vraag. Ja of neen? Ja, dan kon de mijnheer uitkramen. Neen, dan zou de overste hem eens \'t een en ander laten zien van Java of van een ander hoekje der wereld, waar hij zijn zolen gedrukt heeft; dat was wat interessanter, hum!

Op dit oogenblik ziet het er in de mooie kamer der pastorie recht gezellig uit. Om de ronde tafel, die tusschen do beide vensters juist tegen het penant en onder den wel wat ouderwetschen salonspiegel is geplaatst, zit de familie Haverkist met haar voornaam gezelschap in een halven cirkel bijeen.

De baron en zijn echtgenoote zitten in de fauteuils van vader en moeder — dat sprak vanzelf — ieder aan een raam.

Tusschen den baron en den overste heeft dominee plaats genomen — dat sprak ook vanzelf. Jonker Ernst zit naast den overste, en aan Anna is de stoel tusschen den jonker en Jans gegeven. Op Jans volgen juffrouw Molenwiek, Sophie, Ka en moeder, welke laatste de eer geniet — en volgens dominee wederkeerig bewijst — om mevrouw de barones aan haar rechterzij te hebben.

Achter het gezelschap in dien halven cirkel, hangen op het grijze behangsel met groene bloempjes, twee portretten. Het eene stelt een mijnheer voor met witte stropdas en bef, beide van loodwit; het andere portret stelt voor een vrouwenmuts met gemeniede linten, en een soort van gezicht er in.

Met deze portretten hebben de ouders Haverkist op hun koperen bruiloft hun kinderen verrast. Jozef — die nu in den manufactuurwinkel te Deventer is — en toen twee jaren oud was, kleine Jozef heeft het uitgegild van verrukking en dadelijk gekraaid: „Ba ba!quot; Ziet u hij kon de P nog niet goed uitspreken. Enfin, tusschen die beide portretten hangt een tapisseriewerk uit de jonge jaren van juffrouw Haverkist, \'t Is rijk aan kleuren — geweest, ziet u, want de zon, ziet u — en dan — zooveel jaar geleden! \'t Was zelfs een van de minst mooie stukken die zij gemaakt heeft.

„De landing van Columbus hadt u moeten zien. Drie mooren op den voorgrond en Columbus op een paard in \'t midden: oogen van kralen; sabels en geweren van gouddraad, en \'t gevolg van schepelingen met vloszij.quot; Dat stuk had gediend als geschenk aan den dominee, die haar had aangenomen.

„Och! m\'n lieve mevrouw, wat zal ik je zeggen,quot; smakt juffrouw Haverkist, tegen \'t geweld der Kloppenburgers in: „\'t vet is van den ketel. Vroeger was \'t een andere tijd! Men was meer in aanzien; tegenwoordig kan men de cadeaux wel tellen, en \'t zijn er dan nog cadeaux naar!quot;

Ofschoon dominee in \'t gesprek der heeren deelt, waar ook Anna met belangstelling naar luistert, zoo heeft hij toch een oreille en

-ocr page 119-

ANNA KOOZK. Ill

campagne, en geeft zijn Line op zalvenden toon een kleine terechtwijzing:

„Foei Line! hoe kun je nu zoo iets zeggen. Men geeft mij immers alle mogelijke bewijzen van vriendschap en liefde. Foei foei! nu zou je waarlijk vergeten. .. je weet -wel, dat kistje en. .. foei!quot; Dominee doelde op een kistje, waarin de familie als naar gewoonte met de kermis, een pot gember, een vaatje ansjovis en nog eenige andere versnaperingen voor den naderenden winter had meegebracht.

,0 dat beteekent zoo weinig dominee!quot; zegt mevrouw Geereke.

„Nou ja Haverkist, dat is wat anders; van mondwaren spreken we niet, maar we praten van cadeaux: aanneem-cadeaux! Als een dominee nooit eens wat in \'t huishouden kreeg.... wat zegt u mevrouw — dan kon ie z\'n maag wel aan den torenhaan hangen.quot;

Mevrouw Geereke zag snel naar de Kloppenburgers, die deze beweging voor een compliment aannamen en hun blaaswoede verdubbelden. Dominee\'s juffrouw kon soms zoo raar en plat uit den, hoek komen.

„Vind je die muziek niet verveerlijk mevrouw?quot; smakt juffrouw Haverkist, terwijl de cornet a piston zulk een schelle kracht ontwikkelt dat de vensterglazen er van trillen.

„Ik kan mijn eigen woorden niet verstaan!quot; schreeuwt dominee; en dan naar buiten:

„Stil menschen, stil! we hebben nu genoeg van je geschetter.quot;

Maar de virtuozen mochten der Kunst geen geweld aandoen err midden in \'t stuk afbreken. Toen het echter uit was, kwam er een, met den duizendmaal gedeukten waldhoorn aan den arm, en stak een vies muziekblad naar binnen. De gastheer lei er een dubbeltje op en zei tot de overige heeren, die er een gift wilden bijvoegen;

„Volstrekt niet, volstrekt niet!quot; en tot den virtuoos: „Ik vertrouw dat dit voldoende zal zijn.quot;

„Maar met je permissie dominee, dat vertrouw ik niet,quot; zei de overste: „Hei, van der Hummes! Zeg eens waldhoorn, is dat dubbeltje voldoende?quot;

De arme stakker trok een grijnzend hagedissen-gezicht. Neef Jasper heeft zich van het muziekblad meester gemaakt, en al de heeren hebben nu een bijdrage geleverd, maar, wat neef Jasper nog bovendien langs het notenblad in de hand van den waldhoorn deed glijden, dat zag het gezelschap niet. Anna meent te bespeuren dat de Waldhoorn erg op zijn Zondags begint te glimmen; hij wuift driemaal en nog eens driemaal met het muziekblad. Bij de zijnen teruggekomen fluistert hij haastig iets rond.

Een oogenblik later blazen zich de tien mannen met een oorver-doovende fanfare als kreeften zoo rood, en schalt daarna een „Wien Neerlandsch bloedquot; waarvan de baron bij zich zeiven de opmerking maakt, dat het gansch niet van vreemde smetten vrij is.

Nu de Kloppenburgers altemaal groetend het hek uitgaan, en dominee — ten bewijze van zijn muzikaal gehoor — aanmerkt dat het afschuwelijk en inderdaad voor gekuischte ooren zooals van den. baron en famielje letterlijk verscheurend was, nu zegt de overste

-ocr page 120-

112 ANNA ROOZE.

vrij luid tot Anna, die hem een kop thee overhandigt, terwijl hij naar de vertrekkende muzikanten wijst:

„Ook al slachtoffers van de groote vaoantie, juffrouw Rooze!quot;

,Welke vacantie meent u mijnheer?quot;

„Wel van de kermis. Je weet toch hoe de kermis in de wereld is gekomen?quot;

„Ik wil heel graag uw uitlegging hoeren,quot; zegt Anna, want ze begrijpt dat die van den overste een bijzondere zal zijn.

„Prompt! dan zal ik je dat eens uitleggen. In vroeger eeuwen — dus heel lang geleden — toen waren de menschen allemaal zóó braaf en godvruchtig — dat zal dominee uit de geschiedenis wel weten,quot; — dominee zette een diepzinnig gezicht en verzonk een oogenblik in de middeleeuwen: „entin, zóó razend godvruchtig, dat de duivel geen werk aan den winkel had, en Onze Lieve Heer haast verlegen met al die devotie was.quot;

„Foei, foei!quot; smakt juffrouw Haverkist zachtjes, en dominee zendt een beschermenden blik langs de jonge dames.

„Ten minste,quot; vervolgt neef Jasper: „de duivel werd zoo land-ziekig, dat ie op \'en goeden dag naar de aarde klauterde en aan de brave menschen de groetenis van Onzen Lieven Heer bracht: dat ze alle jaar een dag of wat vacantie konden krijgen, van twee tot hoogstens een en twintig dagen — te regelen door burgemeesters

en wethouders — \'tgeen dankbaar werd aangenomen..... en.....

zoo kreeg je de kermis. — Wat blief, juffrouw Rooze.....ben ik

profaan ?quot;

„Ja mijnheer,quot; antwoordt Anna ferm: „dat noem ik profaneeren.quot;

„Hé ja! hé ja!quot; stemt het zacht uit twee — drie monden.

„Neen, lieve juffrouw Rooze,quot; zegt de barones vriendelijk; „ik geloof niet dat neef Jasper wil profaneeren. Wij kennen hem daarvoor te goed. Hij heeft er ons al aan gewend een weinig door zijn woorden neen te zien, al klinken ze soms wat vreemd.quot;

„Dank je mijn brave advocaat; maar juffrouw Rooze gelooft toch dat je een advocaat van kwade zaken bent. — Wat noemt u profaneeren juffrouw?quot;

„Spotten met het heilige, mijnheer!quot;

Dominee Haverkist had groote neiging om ten teeken van goedkeuring met het hoofd te knikken, want het was bij Anna\'s laatste woorden „alsof hij zich zeiven hoordequot;. Maar, hoe juist juffrouw Rooze ook spreken mocht, als gastheer paste het minder dat hij partij koos, ofschoon hij als dominee.... enfin, \'twas moeielijk, heel moeielijk, maar hij zweeg, en knikte zelfs niet, doch zette een gezicht, waarop men lezen kon: Ik mag die leeken wel eens hooren.

„Spotten met het heilige,quot; herneemt de overste: „\'t is immers uw bedoeling niet de kermis het heilige te noemen?quot;

„Zij is dunkt mij onschuldig mijnheer, zoolang ze niet ontheiligd wordt.quot;

„Dat zijn we eens.quot;

„Maar den naam van den Almachtige te mengen in een onwaar verhaal, dat tevens door de voorstelling een comische tint kreeg,

-ocr page 121-

ANNA ROOZE. 113

dat -— u zult mij mijne vrijmoedigheid ten goede houden — dat noem ik profaneeren.quot;

,Flink, en toch mis, juffrouw Rooze. Zie, wanneer ik de vaoantie in plaats van door sinjeur den duivel, door Onzen Lieven Heer zelf had laten geven, dat was profaan geweest, maar nu... quot;

Anna antwoordde niet, maar zag door het venster in de heldere lucht.

Jonker Ernst had liever gehad dat die verrukkelijke bloem van den larikswortel eens naar hem had gezien. Hij wist niet wat hem bezielde, maar, anders was hij altijd aardig in gezelschap — de Haverkistjes zouden het kunnen getuigen — doch nu, iedereen bemerkte dat hij stil was, erg stil. Mama zag het ook, en zij knikt hem toe alsof ze vragen wilde: Hoe is het jongen, ben je niet wel? Zeg jij niet eens waf? — En Ernst zeide:

„Kom juffrouw Rooze, u moet je dat niet aantrekken; we kennen neef Jas; hij houdt van intimideeren. Ik geloof dat we allemaal op uw hand zijn, ten minste....quot; en hij zag naar juffrouw Jans die thee schonk, en naar zijn moeder die een: Dag lieveling! met haar oogen sprak, en naar zijn vader en dominee, maar dominee zei slechts: „Hum!quot; waarop de baron het woord nam, en tot groote blijdschap der moeder met de laatste woorden van Ernst het stilzwijgen brak:

„Ten minste.... Wij begrijpen allen dat, zoowel als een vorst zich in een bedelaarspak kan steken — \'tgeen wel eens nuttig en noodig kan zijn — men evenzeer een heilige gedachte in etn kleed kan hullen, dat velen zal tegenstaan, en waarin zij evenmin den goeden reinen zin zullen vermoeden als den vorst in een lompenpak.quot;

„Nou maar baron,quot; zegt juffrouw Haverkist met een verbazenden opslik: „met alle respect voor mijnheer den overste, maar, als er in dat verhaal een heilige geest zit, dan----dan....quot; juffrouw Haverkist wist er niet uit te komen. ... „dan zit er ook een in mij.quot;

„Khum! Poes!quot; zegt dominee vermanend.

Neef Jasper heeft inmiddels een ronde beschuit uit een trommeltje genomen en opgeknabbeld. Alsof het gesprek hem niet meer aanging neemt hij er nog een, en fluistert tot Jans, terwijl hij haar de beschuit toont:

„Alle goede dingen bestaan in twee.quot;

„In drie,quot; zegt Jans zachtjes.

„Met deze tweede ben ik tevreden.quot;

Neef Jasper kraakt weer beschuit.

Mevrouw Geereke legt vertrouwelijk beschermend de hand op den arm der dominee\'s-vrouw. Zij was bang dat neef Jasper, wanneer hij zijn beschuit ophad, een „jasperiadequot; zou houden, die de stemming niet verbeteren zou. Zich tot juffrouw Haverkist vooroverbuigende, tracht zij op zachten toon den zin van Jaspers woorden te verklaren, maar deze zegt, ofschoon vriendelijk, toch eenigszins gevoelig, dat het allemaal best waar kan wezen, maar dat de Heer haar te heilig is om bij zoo\'n opraapsel Zijn naam zóó te hooren misbruiken.

v. s

-ocr page 122-

ANNA EOOZE.

Mevrouw Geereke zou nu maar zwijgen; \'t was beter. Hoelang heeft het niet geduurd eer zij zelve begreep dat Jasper nooit met het heilige spotte, wanneer men althans verstond, dat slechts de Schepper van hemel en aarde en de zielenadel Zijner schepselen, voor hem heilig waren.

Terwijl de dames praten, en jonker Ernst aan Anna verzekert dat de rouw haar zoo magnifique staat — een gezegde waarbij Anna tot in het diepst der ziel geschokt, werk heeft om haar tranen te bedwingen; terwijl juffrouw Molenwiek aan de jongejuffrouwen Haverkist een ster haakwerk doet bewonderen, een ster van eigen vinding en waarvan men haar, ze weet niet hoe dikwijls reeds, het

Eatroon heeft verzocht, tot uit Zeeland toe; terwijl neef Jasper nog eschuit kraakt, zegt dominee Haverkist, die lang heeft gezwegen en.... nagedacht:atroon heeft verzocht, tot uit Zeeland toe; terwijl neef Jasper nog eschuit kraakt, zegt dominee Haverkist, die lang heeft gezwegen en.... nagedacht:

„Ik bespeur mijnheer de kolonel, dat u aan het bestaan des persoonlijken duivels gelooft. Wat mij aangaat, het is mijn innige overtuiging dat de duivel, dat is de slang uit Eden, te niet is gegaan, en...

„Precies mijnheer, maar als je zoo\'n ding — ik weet niet of je \'m kent, de python-slang bij voorbeeld — in stukken snijdt, dan leven die stukken allemaal, en da\'s een naar gezicht dominee. — Misschien is het met den duivel ook zoo gegaan.quot;

Dominee raakt de kluts kwijt. De baron is van den beginne af aan bang voor zulke gesprekken geweest. Geereke houdt in zijn ziel van neef Jasper, \'t is de beste en edelste vent van de wereld, maar men moest hem kennen en aan hem wennen ook.

Straks is Geereke met een paar woorden Jaspers verdediger geweest. maar toch, hij keurt in \'t algemeen de wijze af, waarop de neef zich altijd over godsdienstige zaken uitlaat. De vorst kan zich dan — zoo noodig — in \'t lompenpak steken, of zelfs in een narrenkleed, maar \'t is geen kleed dat hem dagelijks voegt.

Neef Jasper spreekt in een dialect dat maar weinigen verstaan, en dat zelfs wanneer het verstaan wordt, niet altijd schoon wordt gevonden, \'t Ongelukkigste is bovendien, dat zijn dialect zoo nauw is verwant aan dat der sneeuwtrappers — gelijk Jasper de verder vers van de onschuld wel eens noemt.

Als men Jasper kent, ja, dan moet men hem achten en liefhebben. Nu echter vreest de baron dat er een buitengewone jasperiade zal volgen, want dominee, besloten om op theologisch gebied toch eens zijn kracht te toonen, ontwaakt met een vraag, waarvan het woord transsubstantiatie de grondtoon is.

Geereke zoekt naar een middel om een theologische jasperiade te voorkomen of althans te verzachten, en geeft al spoedig zulk een wending aan dominee\'s vraag, dat de neef eensklaps — misschien zonder het zelf te weten — op zijn stokpaardje rijdt.

„Ja,quot; zegt de overste, terwijl hij de lange knevelpunten naar beneden doet krullen: „dat is mijn vaste overtuiging: We zijn at achtmaal op de wereld geweest.quot;

Allen luisterden. Zelfs Kaatje die bedaard de oogen had neerge-

114

-ocr page 123-

ANNA ROOZE.

slagen — omdat jonker Ernst eerst een heelen tijd naar juffrouw Rooze, en toen zoo in eens naar haar heeft gezien — zelfs Kaatje ziet naar den overste die, in weerwil van een stootend en najankend orgel buiten het hek, zijn beschouwing verder uitwerkte:

„Ja, zoowel als al die geleerde heeren, Lyell, Murchison of hoe ze ook heeton mogen, zonneklaar hebben bewezen, dat er al sedert den eersten dageraad der schepping, en dus tijdens de verschillende tijdperken van de geschiedenis der aarde, millioenen en millioenen jaren moeten verloopen zijn; zoowel als Boucher de Perthes, Rigol-lot en Falconer bewezen hebben, dat er voor meer dan drie, of tien, of dertig duizend eeuwen, reeds menschen leefden op aarde, en Lamarck en Darwin aantoonden, dat er in de natuur een ontwikkeling van lager tot hooger of in een voortgaande richting heerscht — waaruit moet volgen dat onze geslachtsboom niet slechts tot den orang-oetang maar zelfs tot de infusoriën der voorwereld opklimt — zoo ben ik evenzeer overtuigd, dat de menschelijke geest al achtmaal op de wereld is geweest aleer hij in het men-schelijk karkas werd ingekwartierd, en wel in deze volgorde: straaldier, weekdier, geleed-dier, visch, kruipend dier, vogel, zoogdier en aap.quot;

„Gud!quot; zegt Sophie, en Kaatje zegt: „Guns!quot;

„Ja dames. Wat mij betreft, ik ben waarschijnlijk uit de groene materie van Priestley in troebel water zwemmende ontstaan, en \'t eerst een koraalpohep geworden; mijn onvernietigbaar ik is toen gelogeerd geweest tusschen de twee schelpen van een lazarusklep of een reuzenmossel. Vervolgens overgegaan in het harnas van een zeekreeft, moet ik, daaruit verhuisd, in het geschubde pak van een brasem zijn gekomen. Van den waterstaat tot de halve landmacht bevorderd, kwam mijn ontwikkelings-proces in het lichaam van een kikvorsch te recht. Uitgekikkerd ben ik als een roerdomp mijn vlucht gaan nemen om tusschen \'t lies en riet mijn vreemd geluid te doen hooren. Moegevlogen en met lucht- en wolkenkennis verrijkt, ging ik over in de rare huid van een zebra, om daarna op te klimmen tot den rang van aap, en den grooten chimpansee te worden aleer Jasper Bel als kind zonder ouders ter wereld kwam.quot;

„Dan hebt u al heel wat doorleefd,quot; zegt Anna, waarna ze met een blik van schalksche bevreemding naar Jans ziet.

Jans beantwoordt dien blik met een knipoogje, alsof ze zeggen wil: je weet het, er loopt een streep door.

„Mijn meerdere jaren er afgerekend, dan heb ik niet meer doorleefd dan juffrouw Rooze,quot; antwoordt de overste, terwijl hij de zware wenkbrauwen strak naar boven beweegt, en haar scherp aanziet: „Ik kan mij bedriegen, maar uw ontwikkelings-proces komt mij in deze volgorde voor den geest: Ten eerste zeelelie, daarna venus-schelp, en verder in de opklimmende orde: dag-pauw-oogvlin-der, zilverforel, zijdeworm, nachtegaal, gazelle en slanke lori, om eindelijk te worden het liefste persoontje, dat ik in lange ontmoet neb.quot;

115

-ocr page 124-

116 ANNA ROOZE.

,\'t Was een benauwend slot van quot;t proces voor Anna. Zij keek verlegen voor zich; maar de meisjes Haverkist lachten gulnartig, en Jans, de flapuit, zei zelfs luchtig :

„Ja overste, al was ook uw heele proces geen cent waard, het laatste is waar, heelemaal waar.quot;

Dominee\'s vrouw heeft strak voor zich neergezien. Ze vond het

fodslasterli k zooals die overste sprak. Maar mevrouw van De Reng-odslasterli k zooals die overste sprak. Maar mevrouw van De Reng-

orst scheen dat alles mooi te vinden! En, juffrouw Haverkist deed zich zelve dus geweld aan, maar zocht toch verademing in de tamelijk luide opmerking tot mevrouw Geereke, dat dat laatste „net was om een jong meisje gek te maken,quot; terwijl ze niet hoopte dat de overste zoo iets tegen Ka of Fie zou zeggen. Van Jans wou zij niet spreken. Jans had te dikken neus.

Mevrouw Geereke zei vriendelijk, niet te gelooven dat neef Jasper der bezorgde moeder zooveel leed zou doen.

Haverkist, die erg stil was van middag, zóó alsof hij zich niet in zijn eigen pastorie bevond, of liever — want hij was overal thuis — alsof hij onder den preekstoel zat; dominee had het veel aangenamer gevonden als die nare man niet mee was gekomen, ja, aangenamer ook wanneer dat juffertje bij haar besluit en thuis was gebleven.

Die gesprekken waren ergerlijk en slecht; zulke stellingen behoorden in een pastorie niet verkondigd te worden. Iedereen wist dat hij liberaal was; maar: zulk een ongodisterij, zulk een negatie van wat geschreven stond, was niet te dulden, en vooral niet in \'t gezelschap van zooveel jeugdigen van jaren voor wie de „geloofsgrond nog niet vast was geworteldquot;. Indien de vreemde snaak reeds aan het scheppingsverhaal tornde, \'t welk zoo duidelijk zei dat de Heer op den vijfden dag de visschen en vogelen, en eerst daarna op den zesden dag, viervoetige en kruipende dieren, en ten laatste den mensch naar Zijn Beeld had geschapen — wat moest er dan overblijven van de gansche Schrift!

Neen, verder dan de Groningsche hoogleeraren en den vriend uit Arnhem te gaan, dat was in opstand komen tegen het dierbaarste dat de mensch bezat: zijn geloof, zijn troost in leven en sterven!

Met de „zeggenskrachtquot; die Haverkist de zijne weet, neemt hij dan ook het besluit om — ofschoon met het oog op personen en zaken — in alle waardigheid en bedaardheid den kolonel uit den zadel te werpen door hem te wijzen op wat geschreven staat.

En ontegenzeglijk was het snel gerijpte voornemen van den Mul-derspeetschen leeraar een goed besluit. Hij was immers overtuigd dat de eere der schrift, de eere Gods was aangerand, en dat hij als leeraar verplicht was zulks niet te verstaan.

Maar in weerwil van die goede bedoeling, hebben de allerlaatste woorden van den overste het voornemen eensklaps naar den achtergrond gedrongen. Plotseling is een gansch andere gedachte hem door \'t hoofd komen spelen.

Die mijnheer Bel heeft van dat juffertje gezegd, dat zij het liefste

-ocr page 125-

ANNA ROOZE.

persoontje was dat hij in lange gezien heeft... En Ka... en Tie...? Én, wat vond jonker Ernst? en....?

Neen, men kon het immers nooit weten! Was het niet mogelijk, niet zeer wel gebeurlijk!? Heeft de jonker laatst niet zelf het patroon en de wol voor de pantoffels, waar de meisjes vader mee verjaard hebben, uit Utrecht meegebracht!

Had hij verleden week, toen hij hier gejaagd heeft, niet in eigen

Ïiersoon drie — en zelf geschoten patrijzen komen cadeau brengen, erwijl hij daardoor toch eenige jachtvrienden in den steek liet! Nooit was Ernst zoo vriendelijk en aardig tegen de meisjes geweest als toen, en duidelijk had hij gezegd: zich al te verheugen op het prettig kermisavondje in de pastorie.iersoon drie — en zelf geschoten patrijzen komen cadeau brengen, erwijl hij daardoor toch eenige jachtvrienden in den steek liet! Nooit was Ernst zoo vriendelijk en aardig tegen de meisjes geweest als toen, en duidelijk had hij gezegd: zich al te verheugen op het prettig kermisavondje in de pastorie.

Tusschen twee haakjes: dominee heeft niet begrepen dat jonker Ernst eens poolshoogte is komen nemen, of die jurfrouw van De Runt die er \'smorgens geweest was —óók bij de „kermistheequot; zou tegenwoordig zijn. Dominee heeft het niet gemerkt, maar de meisjes wel, en ze hebben er een vreeselijke pret in gehad.

Ze hadden aan mooi Esjes neus gezien dat hij van dat krulkopje gepikt was. \'t Was aandoenlijk geweest hoe laf beleefd en vriendelijk hij geworden was, toen ze hem er even mee geplaagd hebben. Ka had wel in de handen willen klappen van pret; hij was óók eens vuurrood geworden; tweemaal rooder nog dan zij net wezen kon wanneer ze op een hoogte was dat haar alles schemerde.

Neen, dominee neeft er niets van gemerkt, maar nu, nadat neef Jasper zijn overtuiging heeft uitgesproken, nu hoort dominee wel hoe jonker Ernst het „liefste persoontjequot; met blomzoete aardigheden bestookt, en — tot wee-wordens toe — het door Jasper geteekende ontwikkelings-proces gaat uitwerken; hoe hij van lieveheersbeestjes en poesjes en baarsjes, en zwaluwtjes in d\'r nesties praat, en van poedel-lokjes, zoo — dat het meisje zelve er verlegen mee wordt.

Mama Geereke ziet — want hooren wat Ernst tot Anna zegt, kan ze niet — ze ziet haar jongen zoo hoffelijk tot zijn buurdame spreken; Ernst, de mooie, de knappe jongen; en mevrouw Geereke neemt het oogenblik waar dat hij even naar deze zijde kijkt, en applaudisseert met haar vriendelijke oogen. Och hij was zoo lief. Als nij maar binnen de palen bleef!

„Mij dunkt jonker,quot; zegt Anna zich herstellende: ,dat men gezegden als van den overste niet moet uitwerken.quot;

„Men behoeft bij een hondje van een kind niet naar het staartje te zoeken,quot; lacht Jans.

Juffrouw Haverkist denkt aan „een hondje van een kindquot;, en zegt aan Fie, te gaan kijken of kleine Miesje nog altijd bij dien Redly is; ze moest haar nu eens meebrengen.

„Ka-lief! heb je je portret al laten zien?quot; zegt dominee: „Neen, je hoeft niet te kleuren. De familie Geereke weet wel dat je \'t niet uit iidelheid hebt gedaan.quot;

„Voor een futur misschien?quot; zegt Ernst.

Kaatje wordt purper.

„Mijn hemel kind! je moet die confusie toch afwennen, dat is on-

117

-ocr page 126-

ANNA ROOZE.

verstandig,quot; herneemt dominee: „Jonker Ernst weet immers wel beter.quot;

„Och juffrouw Kaatje, ik zou \'t portret maar eens halen,quot; verzoekt de baron; en Ka is bij het voorlaatste woord al de deur uit, om er vooreerst niet weer in te komen.

Ze had gisteren van opgespaard geld een daguerreotype op de kermis laten maken, omdat ... omdat ze vast geloofde, aan de tering te zullen sterven, en va en moe dan toch een souvenir van haar hadden. Ze heeft het heel in \'t geheim gedaan, opdat men \'t portret na haar dood zou vinden. Maar een helper van den kunstenaar op de kermis, had het uitgebracht door het maar zoo, zonder geheimhouding thuis te bezorgen. Och, nu zou iedereen denken dat ze ijdel was. En allen hadden haar zoo aangezien. En, of het kermis was of niet. Kaatje vluchtte naar haar zolderkamertje, en huilde, en tuurde op den draaienden mallemolen, waarin de dorpsjeugd gilde van pret; en, ze schreide nog voort, en ach, ze begrijpt zelve niet hoe er nog oogenblikken zijn waarin ze vroolijk is, want immers met de volgende kermis zal Ka er niet meer wezen, dan is ze dood, dat weet ze zeker!

Men heeft haar geroepen om mee te wandelen. Eerst Jans, toen moeder, nu weer vader; de laatste met de woorden;

„Kom, m\'n beste bout! Ka, kind, we snakken naar je.quot;

Kaatje heeft haastig de oogen met koud water gedept, en gauw een oud voiletje om haar ronden hoed gedaan, \'t geen, volgens Fie, die haar nog eens roepen kwam, ijselijk gek stond. En toen, zich vermannende, is ze tot het gezelschap dat wandelen ging teruggekeerd.

118

O! als ze geweten had dat juffrouw Rooze niet ging, hoe dol graag zou ze bij haar zijn thuisgebleven. Immers juffrouw Rooze — men zou het haar ten goede houden — kon niet besluiten een wandeling mee over de kermis te maken, hoe onschuldig het op zich zelf ook wezen\' mocht. De rouw zat haar te diep in het hart. Ze wilde Jans gezelschap houden, die thuis moest blijven, omdat de meid —- weet u, zei juffrouw Haverkist tot mevrouw Geereke — den Maandag tot kermisdag heeft, daar dominee volstrekt niet verstaat dat de Zondag er, helaas, naar ouder gewoonte, mee ontwijd wordt.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De heeren, die straks door het beleid van den baron, al spoedig van het gevaarlijk theologisch terrein op dat van den landbouw waren overgebracht, terwijl hij ook Ernst in dat gesprek heeft be-

-ocr page 127-

ANNA BOOZE.

trokken, de heeren wandelen nu, door de dames gevolgd, op de kramen toe.

Ernst voegt zich bij de jonge meisjes, maar geeft niet onduidelijk te kennen, dat de afwezigheid van juffrouw Rooze hem minder aangenaam is.

Kaatje met haar sombere toekomst voor oogen, hoorde het met dezelfde onverschilligheid aan alsof hij zeide zijn wandelstok te hebben vergeten.

Fietje was er wel een beetje knak over, en — als het niet de zoon van De Renghorst geweest ware, dan zou ze zeker gezegd hebben: Wel dan zou ik in uw plaats maar thuis zijn gebleven. — Ja zeker: wat dacht hij wel! En, straks bij een koekkraam gekomen, wees ze op een tamelijk bedaagd marsepeinen hartje dat met den voet in amandelen, vuurklappers en vuurtrekkers stond, en zei ondeugend;

„Dat zou ik voor juffrouw Anna meenemen jonker, maar niet onderweg opeten hoor!quot;

Ernst voelde den speldeprik niet, maar begreep dat het een kleine aanmaning was om iets voor „de arme meisjesquot; te koopen. Evenals papa en mama, kocht hij dan ook al spoedig de mooiste artikeltjes uit deu Neurenberger kraamrommel weg — waarlijk heel aardige doelmatige werkdoosjes en lieve nécessairetjes. Een alleraardigst paarlemoeren étuitje, waarvan Sophie onnadenkend „Gud hoe lief! had gezegd, werd mede aangekocht en haar aangeboden. Maar — terwijl het eenvoudige dominee\'s-dochterken er volstrekt geen „been in zagquot; om het aan te nemen, en toch eerlijk bekennen moest dat Job — zoo noemde ze hem nog van den catechisatietijd, want volgens Ernst, had Job zoowel de wetgeving op Sinaï ontvangen, als den Heere Jezus verraden — terwijl ze het dan erkennen moest dat Job, hoe flauw en modepoppig hij wezen mocht, toch een

foed hart had, en ijselijk gul was, dacht de gever aan juffrouwoed hart had, en ijselijk gul was, dacht de gever aan juffrouw

ooze, en hoe heerlijk het zou geweest zijn indien hij haar het waarlijk mooie etuitje had kunnen aanbieden. — Haar iets mee te brengen heeft hij in den beginne wel wat vreemd gevonden, doch, nu hij er eindelijk toe besluit, zie.... nu is er niets meer wat er naar lijkt om haar te kunnen geven.

Mevrouw Geereke streelt de gedachte dat haar goedige jongen aller lieveling moet wezen. Kijk, dat fijne Kaatje slaat ook al dat rare voiletje op, en bedankt met zoo\'n dankbaar lachje. — „Dag goede!quot; roept mevrouw.

Ernst hoort het niet.

Een oogenblik later voelt hij een klopje op den rug, en hooren de meisjes mevrouw Geereke zeggen:

„Is mijn zoon weer het galantje? \'t Zal hem spijten lieve meisjes, dat er zoo weinig wezenlijk mooie artikelen te vinden zijn. We hebben toch juffrouw Jans niet vergeten, beste?quot;\'

„Neen ma, maar. ..quot;

„Heb je geen geld meer?quot; fluistert mevrouw.

„Wel zeker!quot; zegt Ernst zachtjes: „maar dat engeltje, vindt u ze niet engelachtig?quot;

119

-ocr page 128-

ANNA KOOZB.

„Wat meen je, beste?quot;

„Wel, ik meen juffrouw Rooze. — Vindt u ze niet prachtig? Heb ik u te veel gezegd? — Als ik nog iets voor haar kon vinden!quot;

„Dat zou ongepast zijn, lieve jongen.quot;

„Ongepast?quot;\'

„We kennen haar te weinig. Misschien zou het haar beleedigen; dat is met de dominee\'smeisjes zoo heel iets anders.quot;

Mevrouw Geereke vindt het niet slechts ongepast dat de jonker van De Renghorst kermiscadeautjes aan dat vreemde dametje zal geven, maar men moest den goeden Ernst toch ook zoo\'n beetje in toom houden, en vooral dat dametje niets in \'t hoofdje hangen. Ernst was wel wat heel verliefd van aard, en vindt wat heel spoedig mooi en engelachtig. Wat mevrouw betrof, ze vond die juffrouw-Anna wel een knap meisje, maar, men moest het mevrouw niet kwalijk nemen ; er was soms zoo iets kouds, zoo iets pretentieus in haar toon; dat is mevrouw duidelijk geworden toen ze eensklaps — nadat de goede Ernst allerliefst met haar heeft zitten praten, zoo brusque antwoordde: „Men moet zulke gedachten niet uitwerken mijnheer----quot; Broe...! alsof Es haar iets kwaads had gezegd. Neen,

Ernst moest maar voorzichtig met dat mooie juffertje wezen. Ja wel, ze had heel veel liefs, en zeker, al \'t andere wat ze gezegd had was nog al flink en goed geweest, maar zoo\'n antwoord.. - neen! — „Ik zou er niet aan denken Ernst,quot; besluit de moeder: „Men moet zich niet al te spoedig familiariseeren.quot;

De heeren hadden plezier op de kermis. De baron en neef Jasper maakten heel wat volkje met koek en moppen en snuisterijen gelukkig, waardoor ook de koopers in een blijde vrijgevige stemming geraakten. Er werd gehakt, en hard geloopen en gegrabbeld. Maar het grabbelen zou nog aardiger worden. — Neef Jasper liet een zak met lekkers, waaraan hij van onderen een zeer langen reep papier had vastgemaakt, door een der beste klimmers aan een hoogen boomtak ophangen. Met een lucifer stak hij de papierstrook aan, en.... hij lachte dat het een lust was toen de vlam, langzaam naar boven geklommen, den zak bereikte en de jongens en meisjes eensklaps neerstortten op den grond om hun schat te vermeesteren.

Ook dominee Haverkist heeft in alle deftigheid plezier. Hij gevoelt zich altijd een heel bijzonder man op de kermis. Een tusschenper-soon tusschen dezelve en — Godquot;. —

Men was aanstonds bedaarder, althans waardiger wanneer men hem zag. Dat zat hem niet in steek of kuitenbroek, zooals hij had leeren inzien, want die droeg hij niet meer, maar dat zat hem in de persoonlijke waardigheid, of beter de „stands-eerbiedenisquot; genoemd. Zie, als dominee kwam, dan ging men een beetje op zij. Hij zoekt dan in alle nederigheid, met zijn gelaat als \'t ware uit te drukken:

Ziet, lieve menschen, zonde is het niet hier te verschijnen, dat bewijst mijne tegenwoordigheid aan deze plaats; maar gedraagt je naar het voorbeeld van Hem, die zich verblijdde met de blijden, en

120

-ocr page 129-

ANNA ROOZE.

gedraagt je tevens naar de lessen van mij, uw herder, uw leeraar en beste vriend.

Inderdaad, dominee bevond zich óók in een plezierige stemming op de kermis. \'tWas minder door de aardigheden van den overste, en door de blijde dorpsjeugd-gezichtjes dat hij tot die opgewekte stemming is gekomen, neen, terwijl hij van juffrouw Molenwiek verneemt hoe oneindig veel interessanter de kermis in haar „village natalquot; placht te wezen, ziet hij naar de zij der meisjes, en. ..

„Weet u dominee, eens een platenkraam,quot; zegt juffrouw Molenwiek.

,Ja wel juffrouw, die zijn soms heel fraai.quot;

Jonker Ernst presenteert juist chocolaadjes.

„En dan een wafelkraam en dikwijls waren er twee poffertjeskramen.quot;

„Wel waarlijk!quot;

„Eens hadden we een spel; een beestenspel — weet u; nu wel geen Martin zooals vroeger....quot;

„Och inderdaad!quot;

„Neen, maar toch heel mooie dieren. Een walvischtand en een zeemeermin waren er ook. Zoo iets ziet men hier nooit dominee.quot;

Dominee zag iets anders: de jonker gaf met een beleefde buiging een mooi étuitje aan de mooie Ka.

„\'t Is jammer,quot; herneemt de juffrouw.

„Hé! Wat blief! waarom?quot; zegt dominee.

„\'t Is zoo goed voor de domme menschen als ze eens wat anders te zien krijgen dan kalveren en varkens. Bij ons.... O kijk, kijk, wat grabbelen die kinderen daar. Ja, met zoo\'n brandende strook dat gaat wel aardig; maar bij ons weet u, als papa eens een feest aan de boerenbevolking gaf, dan deed papa dit nog heel anders; dan liet hij een grooten zak ophangen en die moesten ze dan kapot schieten, en dan eindelijk, in plaats van lekkers viel er allerlei naar beneden; aardappelschillen, steentjes, zand, van alles, maar vooral meel, en dan zagen ze er uit. O hé!quot;

„Ei ei, ja ja; ik. ...quot;

Dominee gevoelt zich genoopt om jonker Ernst te gaan zeggen dat hij dat niet had moeten doen, waarlijk neen! En voorts om aan mevrouw Geereke mee te deelen dat hij zelden zulk een gul en goed hart heeft ontmoet als dat van dien besten Ernst. — Ka was: er ook verlegen mee. Mevrouw zou dat wel zien; „Och,quot; besloot dominee zacht; „onze lieve Katharina is verlegen, zeer verlegen, maar die innigheid van karakter, o daar is maar één roep over. Enfin, u kent haar, mevrouw.\'\'

„Och ja, een zacht lief meisje dominee! Ik houd veel van uw Kaatje.quot;

„En dan iemand die zooals ik, nietwaar, het beoordeelen kan, moet verbaasd staan over die enorme gelijkvormigheid van karakters ...quot;

„Tusschen haar en Sophie! of meent u de goede Jans?quot;

„Neen-ik, neen; ik bedoel tusschen Katharina en mijn besten jeugdigen vriend Ernst. O waarlijk hij heeft zooveel van haar.quot;

121

-ocr page 130-

ANNA KOOZE.

„Och kom!quot;

„Dat zachte, dat gevoelvolle, mevrouw.quot;

„Uw Kaatje ziet er in den laatsten tijd dunkt mij wel wat zwakjes uit dominee. Zij ia toch goed gezond niet waar?quot;

„O, wel zeker! eigenlijk zou ik zeggen, ofschoon zij het minste vertoont, dat zij wel de sterkste is van ons zevental.quot;

„Mij dunkt de snaaksche Fie is toch sterker, dominee.quot;

„Ja — neen! dat wil ik niet zeggen; althans.... maar Fie is vroolijker weet u. Ik meen niet doorgaans, maar....quot;

„U moet het lieve Kaatje eens herinneren er vooral aan te denken altijd rechtop te zitten dominee. Zij vergeet het wel eens. \'t Is niet goed voor de borst, en zij heeft anders zoo\'n lief figuurtje.quot;

„Niet waar? Ja zoo mocht ik onlangs nog getuigen, dat Ka in dat opzicht de eenigé rechtgeaarde Haverkist is. De andere kinderen, behalve Arend te Kampen, trekken meer naar mijn vrouwskant: de Stallen. Als men Ka zoo naast uw zoon ziet staan, niet waar, zoo eenigszins van ter zij, dan zou men kunnen denken: broer en zuster niet waar?quot;

„Och, vindt uiquot;

Mevrouw gaat haastig naar een kraam, om er, als naar gewoonte, kermiskoek voor haar hooien te koopen. Juffrouw Molenwiek, die aan den overste ten opzichte van haar „village natalquot; dezelfde confidences doet als ze reeds eenige jaren achtereen aan de pastoriebewoners heeft gedaan, hoort den overste — misschien was \'t wel een beetje ruw — ten slotte vragen:

„Och kom! was de boel op uw dorp nog beroerder dan hier?quot;

„Hé overste, waarom?quot;

„Dat zal ik je straks wel eens klaar maken juffrouw,quot; zegt Bel. En tot een jongen: „Wacht ezel, kom jij eens hier?quot;

„Ikke \'en ezel, da\'s niettes!quot; zegt de jongen.

„Ben je dan niet voorzichtiger en sterker dan de anderen geweest toen \'t er op aankwam den koek te verdienen!?quot;

„Hei! Jaap is \'en ezel!quot; roepen er eenigen uit den hoop.

„Nou bestig \'en ezel!quot; knikt Jaap: „En watte dan nóu meseu baron ?quot;

„Geen baron! Allo, weet jij me te zeggen van welken koek je nooit een kwaje maag zult krijgen ...? Niet? En jelui? Die \'tweet krijgt een lepel en vork daar ie z\'n heele leven mee eten kan.quot;

„Knuppelkoek!quot; roept er een.

„Blauw Dêventer,quot; een ander.

„Snipperkoek!quot;

„Neen. neen,quot; zegt de overste.

Eindelijk, nadat de jongens en meisjes onder elkander hebben gesoesd en geraasd, roept een meisje met zandkleurige haren:

„Ik weet \'et: Van \'en lijnkoeke meester! Is \'t woar of is\'t niet?quot;

„Waarom?quot;

„Wel, doar zuwwe geen kwoaje moage van kriegen umdaw w\'em niet éten kunnen.quot;

„Geest overal!quot; fluistert de overste, en dan met een luid hoerah!

122

-ocr page 131-

ANNA. KOOZE.

reikt hij aan het meisje met de zandkleurige haren het dischgereed-sohap toe.

Terwijl dominee met zijn gezelschap zoo een wijl op de kermis vertoefde, hielp Anna Jans het theegoed omwasschen, en heelt ze met veel belangstelling naar den heer Redly gevraagd. Jans heeft geantwoord dat hij eigenlijk een zwak stumperdje was: erg goedhartig maar toch een sulletje.

„De man is letterlijk met alles tevreden,quot; zegt Jans: „Gisteren bij voorbeeld had de onbedreven Hanneke het balletje gehakt dat ik voor hem klaarmaakte, bij \'t opdoen heelemaal in \'t vuur laten vallen; in plaats dat hij ontevreden was, verzocht hij mij dit als een wenk te beschouwen om nooit meer \'t een of ander afzonderlijk voor hem te bestellen. Hij eet sedert den tweeden dag alleen.quot;

„Ik zou hem graag eens zien. Komt hij niet binnen?quot;

„Neen, maar \'t zal hem plezier doen als je hem gaat opzoeken. Hoe schichtig hij ook wezen mag, het doet hem altijd zichtbaar genoegen als een van ons eens een praatje komt maken. En — als ik mij niet bedrieg dan heeft hij naar jou gevraagd.quot;

„Waarlijk?quot;

„Is \'t niet Miesje? — Foei Miesje, niet aan de taartjes plukken, zoo\'n groote meid! Heeft mijnheer Redly niet gevraagd of juffrouw Rooze er was?quot;

„Ja Jans!quot;

„En?quot;\'

„En dat ik de complimenten zou doen.quot;

„Wil je mij eens bij mijnheer Redly brengen liefje?quot;

„Krijg ik dan eerst een taartje Jans?quot;

„Straks als de familie weeromkomt, dan krijg je wat mee.quot;

„Ajasses, wat ben je een gierige prij----quot;

„Hé Mies, als mijnheer Redly dat hoorde.quot;

„Nou ja,quot; zegt Benjamine met een kleur, terwijl ze de ooaen neerslaat: „maar die is niks gierig. Mag ik dan geen taartje voor mijnheer Redly?quot;

„Straks Miesje, straks.quot;

„Zonder taartje wil ik niet naar \'em toe.quot;

Anna geeft Jans een knipoogje. Er worden een paar taartjes op een bordje gelogd en met een verhelderd gezichtje wijst Miesje juffrouw Rooze den weg naar Redly\'s kamer.

Miesje Haverkist is geen mooi kind, ze heeft zelfs een heel grooten neus, en voor een kind van zeven jaren is ze veel te grof en te forsch.

Maar toch, \'t is lief haar te zien, met den bruin verbranden arm om Redly\'s hals geslagen, terwijl ze hem gedurig uitnoo-digt om toch een taartje te nemen, want ze zijn zoo lekker. O Zoo heerlijk!

Redly is in den aanvang een weinig in de war geweest toen hij het schoone meisje — dat hij bij zich zeiven Gabriëlle heeft genoemd — zag binnentreden. Al spoedig echter heeft hij zich zoo

123

-ocr page 132-

124 ANNA KOOZE.

gelukkig gevoeld, zoo gelukkig als hij in jaren, ja in vele — in zeer vele iaren niet geweest is.

De lieve sohoone, die een zoo onuitwischbaren indruk bij hem heelt achtergelaten, zij zelve is op het denkbeeld gekomen om hem, den ongelukkige, den verworpene, den arme te bezoeken. O dat is een lichtstraal op zijn duister, zijn stikduister pad. Hij heeft zich moeten afwenden om een paar tranen te verbergen: maar, nu is zijn kalmte teruggekeerd, en ofschoon hij zooals gewoonlijk ook nu naar den grond ziet, zegt hij op zachten toon:

„U hebt een goed werk willen doen juffrouw Rooze, en ik ben u zoo dankbaar. Och, neem mij niet kwalijk dat ik zoo van mij zei ven spreek. Is u welvarend juffrouw Rooze?quot;

„Mij gaat het wel mijnheer, en ik verlangde nu eens te weten of de Mulderspeetsche 1 lucht u ook weldadig is? Wij zijn lotgenooten, indien ik het zoo mag noemen; we kwamen beiden op denzelfden dag in deze kwartieren, en beiden voor het eerst.quot;

— Zeker wel de eenige overeenkomst in ons lot, denkt Redly en zegt:

„Dank u lieve juffrouw. Wat evenwel mijne gezondheid betreft, die heb ik niet gedacht hier te zullen terugvinden. Vele jaren ge leden heeft men mij bij ongeluk een drank gegeven, die....quot;

„Wat zegt u? toch niet....?quot;

„Ken bitteren drank. Maar de Heer dronk er ook een, juffrouw Rooze, en dat heeft me gesterkt. Neen lietje, eet jij maar zelf die taartjes.quot;

„Ik? daar dank ik voor, die zijn voor u.quot;

„Wacht Miesje, ik zal er een voor je doorsnijden, wacht!quot;

„Als u ze niet opeet hoor, dan klets ik ze zoo het raam uit.quot;

Redly drukt het kind vaster in den arm die haar omvat, en zegt:

„We willen ze straks samen opeten nietwaar?quot; En dan tot Anna, met een zijdelingschen blik op Benjamine, die roept dat ze er geen kruimel van hebben wil:

„IJ merkt wel dat de lucht hier toch verkwikkend voor mij is. De menschen zijn zoo goed; and this child! Oh my love!quot;

„Wat zeg je mijnheer? Toe, wat?quot;

„Dat ik zooveel van je hou Miesje, omdat je nooit weer....quot;

Miesje legt hem met geweld de hand op den mond:

„Niet zeggen! niet!quot;

„Neen foei, dat zou ook niet mooi van me wezen.quot;

„Weet u juffrouw, wat het was?quot; zegt Miesje: „Niet?... Ik zal \'t heusch ook niet weer doen, niet jokken en ook niet snoepen. Weet u nou wat het was?quot;

„Ja, nu begrijp ik het!quot; zegt Anna: „Kom eens hier liefje.quot;

„Neen ik blijf bij dezen.quot;

„Ga je niet naar de kermispoppen kijken, Miesje?quot; vraagt Anna.

„Ajasses neen! Ik wou zelfs geen pop van hém hebben; een pop is dood.quot;

„Geen ajasses zeggen, dat is een zondig woord,quot; vermaant Redly zacht.

-ocr page 133-

ANNA BOOZE.

„Ja dat weet ik nog wel, dat is net zoo goed als o Jezus! — en Gud is God. Weet u wel juffrouw, dat mijnheer Redly heel ver met een schip over de zee heeft gevaren? Mijnheer ia te Melbourne geweest; dat ligt op de kaart links; ik kan het heel best vinden.quot; „Zoo kindlief. — Hebt u lang in Australië gewoond mijnheer Redly?\'-De man van acht en veertig jaar ziet er verlegen in \'t ronde, maar, zich tamelijk spoedig herstellende, zegt hij zacht:

„Een groot deel van mijn leven juffrouw Rooze, ofschoon niet het grootste; maar er zijn jaren die twee-, die driemaal twee en vijftig weken duren, en — op die wijze ben ik al oud, al zeer oud geworden.quot;

Na een zoen op Benjamines voorhoofd te hebben gedrukt, vervolgt Redly het gesprek met Anna, en vraagt haar met zeldzame bescheidenheid naar alles, wat haar lief was op de wereld, en waarover ze rouw draagt — het allermeest in \'t hart.

\'t Is ongeloofelijk zooals dat nietige bleeke oude-mannetjes-gezicht haar tot vertrouwelijk spreken uitlokt, en het gevoel met een onbegrensde kracht bij haar vernieuwt, dat dien zwakke een last op de schouders ligt, waarvan zij hem zal kunnen bevrijden, of wel — dat zij hem zal kunnen beschermen tegen een macht, die hem nog altijd het leven verbittert.

Échter hem meer te vragen dat wil ze niet. Ze weet reeds genoeg. \'t Is niet slechts de zwakheid van een teeder gestel.

Die man is krank; maar niet zijn lichaam alleen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

\'t Is avond. De pastoriebewoners zitten weer met hun gasten in een halven cirkel, en drinken een glaasje rooden of Rijn-wijn, en nuttigen zandtaartjes en eigenbaks-rijstetaart, maar alles in \'t schemerdonker.

\'t Was de gewoonte om op den kermisavond geen lamp aan te steken, en zich te vergenoegen met de maan, of zelfs alleen met de lichtjes in de kramen en het schijnsel der herbergramen van verre.

Neef Jasper vindt het zeer eigenaardig, dat men in de pastorie geen licht ontsteekt, wanneer de herbergvreugd aan den gang is.

„Ja, ziet u,quot; zegt Haverkist: ,\'t is wel eens gebeurd met heel donkere avonden — u weet wel mijnheer Geereke voor twee jaar bijvoorbeeld — dat wij de lamp opstaken, maar dan plaatsen wij ze daar achter op het kastje.quot;

„Toch altijd op den achtergrond,quot; herneemt Jasper.

„Ja op dat kastje,quot; zegt dominee en wijst op een meubel dat niemand ziet.

De dames hadden het druk. Juffrouw Molenwiek eischt van mijnheer Bel — als hij zoo vriendelijk wil wezen, — zij eischt dat hij

125

-ocr page 134-

ANNA ROOZE.

zal verklaren waarom — met permissie — „de boelquot; in \'t dorp van papa „nog beroerderquot; — met permissie — dan hier zou geweest zijn?

„De kermisboel,quot; zegt Jasper, en hij geeft juffrouw Molenwiek op een zonderlinge manier de explicatie.

De baron, die vreest dat de goede dominee\'a-familie een al te vreemden indruk van neef Jasper zal behouden, liet neef met juffrouw Molenwiek en Jans voortbolderen, en ontwikkelde zachtjes de niet geheel onaardige denkbeelden van zijn vriend, die door dezen terzelfder tijd in allerlei zonderlinge vormen aan \'t licht — of, zooals neef Jasper een weinig dubbelzinnig zeide: aan \'t schemerdonker werden gebracht.

„Neef Jasper beweert,quot; zegt de baron, — en ook Anna luistert stilzwijgend naar zijne woorden: „dat de kermis een feest van veredeling en ontwikkeling moet worden. Hij wenscht over het gansche land een sociëteit, die zich de kermis in \'t belang der volksbeschaving en der volksvrijheid aantrekt.quot;

„Ah ja,quot; zegt dominee; „dat is het juist wat ik wilde.quot;

„Hij wenschte dat die sociëteit, in verbinding met gemeentebesturen, premies zal uitloven; bijvoorbeeld voor de schoonste of nuttigste voortbrengselen van nijverheid en landbouw, waarvan dan gedurende de kermis een vrije tentoonstelling in de feestvierende gemeente moest gehouden worden.quot;

„Juist, juist, ja wel!quot;

„Verder moesten er prijzen gesteld worden ter uitreiking aan de beste scholieren; aan de uitvinders van de meest intelligente volksspelen; aan de vlugsten en sterksten.quot;

„Precies mijn idee. precies! Honderdmaal gedacht!quot;

„Neef Jasper heeft verder de volle overtuiging dat men \'t volk niet beter kan vermaken en ontwikkelen te gelijk, dan door het geven van goede tooneelvoorstellingen.quot;

„Juist, juist! Maar op den Zondag....!quot; zegt dominee.

„Nu dan op Maandag of Dinsdag dominee.quot;

„Dat heb ik altijd gezegd,quot; herneemt Haverkist: „geen Zondagontwijding!quot;

„Verder moest die sociëteit de Nederlandsche auteurs aansporen tot het schrijven van kleine kernachtige tooneelstukken, vroolijk en ernstig, altijd bevattelijk en... quot;

„\'t Zijn letterlijk mijn eigen gedachten!quot;

„Hoe meent u overste!quot; gilt juffrouw Molenwiek, terwijl ze — haast duizelig van Jaspers redeneeringen — nu weder niet vat, welke stukken hij dan bedoelt, als Het kamertje van een Wasch-meisje en De Bloedzuigers en zulke stukjes die ze bij pa en ma aan huis speelden, niet goed zijn!

„Ik meen een ui op sterkwater!quot; gromt Jasper: „een biefstuk maar geen borrel.quot;

„Ja die drank, die drank!quot; zegt dominee- tot den baron.

„Luister eens dominee, wat neef Bel daarop heeft uitgevonden. Hij zegt, je kunt evengoed het babbelen als het jeneverdrinken ver-

126

-ocr page 135-

ANNA ROOZE. 127

bieden. Maar hij heeft toeh een middel ter wering bedacht: Hij wil dat de sociëteit kleine bronzen medailles bij duizenden zal doen slaan.quot;

„Heel goed, uitmuntend!quot;

„Aan hem die bekwaam het kermisfeest had gevierd, zou bij \'t einde er van een worden uitgereikt.quot;

„Die controle werd dunkt mij toch nog al moeilijk,quot; meent Anna.

„We moeten mijn neef maar wat volgen in zijn hooge vlucht juffrouw Rooze. Hij antwoordde mij op dit punt: Wat door de deur niet naar binnen kan, dat moet er maar door de ramen in. Intus-schen, Jasper beweert dat de controle zeer goed mogelijk is, en zoo ja, dan zou een snoer van zulke medailles met de jaartallen er op een aanbeveling voor den persoon en een schoone nalatenschap voor zijne kinderen zijn.quot;

„\'t Is een denkbeeld, dat mij dikwijls, althans in soortgelijke vormen heeft voor den geest gestaan.quot; zegt dominee weder: „\'t Is eenvoudig een stelsel van prijsuitdeeling, doodeenvoudig.quot;

„Och ja,quot; antwoordt Geereke: „ongerijmd is het denkbeeld niet dominee. En wat die volksvoorstellingen betreft, dat is volgens Jasper de eenvoudigste zaak van de wereld. Als het aan hem wordt overgelaten dan zal h ij de acteurs wel bezorgen. Zijn het niet de sociëteitstroepen, die met de geijkte stukken komen, dan moeten de geijkte stukken worden uitgevoerd door de daartoe meest geschikte personen uit de gemeenten zelven.quot;

„Ik ben het alles volkomen eens! volkomen eens!quot; zegt dominee: „Maar hier te Mulderspeet, wie zouden hier bij gebrek van de sociëteitstroepen optreden? — natuurlijk niet op Zondag ... Wie?quot;

„Dominee Haverkist en zijn familie met den baron mijn neef aan het hoofd!quot; roept neef Jasper die niet Oostindisch doof is.

„Guns overste!!quot;

„Kolonel!!quot;

„Ja, ik zou meedoen, als het ijkstuk geen vod was!quot; zegt de baron.

„Bravo!quot; juicht Jasper met een kolossaal geluid, en Anna Rooze zit met een verrukt gelaat — helaas in \'t schemerduister — en denkt:

— Dat is een edelman!

De denkbeelden van den overste Jasper Bel worden nog in \'t breede behandeld. Men stelt zich gaarne zulk een ideaal-kermis voor, waar de beschaving voorzitten en waarachtig genoegen zal gesmaakt worden zonder bedwelming of bitteren nasmaak.

Dominee meent slechts dat, — bij de ontegenzeglijke wenschelijk-heid van zulk een toekomst, men niet uit het oog moet verliezen dat er reeds schoone uitzonderingen op den regel gevonden worden, en mag met dankbare blijdschap erkennen hoe, dank zij de vrucht zijner veeljarige evangeliebediening in deze gemeente, en inzonderheid door zijn persoonlijken invloed, de zedelijke toestand derzelve voorbeeldig is, en ontucht of dronkenschap in haar midden, tot de groote zeldzaamheden behooren.

T

i

-ocr page 136-

ANNA ROOZE.

„Guns Haverkist, hoe kun je dat zeggen!quot; smakt zijn ega; „En \'t spreekwoord is hier:

„November kermis,

In Mei de trouw.

Tegen Sinte-Laurens:

Aan \'t wiegetouw.quot;

„Maar schat, ik----quot;

„Kijk, kijk, wat een drukte,quot; roept Sophie, eensklaps opspringende, en wijst in de richting van de herberg, die op een twintig schreden afstands van de pastorie aan de overzijde der dorpsstraat gelegen is.

Eenige uren vroeger was Joost Burik in het koetshuis op De Runt aan \'t wasschen van de koetskar. Zoo even is het rijtuig van den baron Geereke met die dames en juffer Rooze naar \'t dorp teruggereden, en Joost heeft vergelijkingen gemaakt tusschen een heerenknecht als die Hendrik van den baron in \'t rood en goud, en een „duuvelstoejagerquot; als hij, met \'en heer, die hem nog op den koop toe koejeneerde dat e\'t een schand was.

Juist maakte Joost zijn berekening om te gaan drossen en, er mocht dan van komen wat het wilde, toch te gaan kermishouden, toen Lijning in het koetshuis kwam en Joost gelastte te zorgen tegen negen uren aan de pastorie te zijn om de jongejuffrouw te halen. Natuurlijk niet met de koetskar, maar te voet. Als het heel erg donker was, ja, dan kon hij de lantaarn meenemen, maar \'t zou wel niet noodig zijn. Wanneer Lijning vernam dat Joost toch in een herberg geweest was, dan zou hij hem anders spreken. Dat hij hem dezen Tast gaf, \'t was een blijk van vertrouwen.

— Ja wel, heeft Joost gedacht, we zullen jou vertrouwen in de leege haverkist sluiten, zoo\'n koejeneur! Zou ik met m\'n oarig mol-leke géén kermisdag hebben! Dat kan ie noarêkenen op z\'n dooie vingers. Wie weet wat lief Hanneke van me denkt, dat \'k wispelturig bin. Nee lief dink, Joost zal d\'r bie wezen, vort!

Joost heeft Lijning in \'t kasteel zien verdwijnen. In allerijl is hij naar zijn kamertje boven het koethuis gegaan; heeft zich in \'t Zondagspak gestoken, en de beide gele lokken met een paar natte vingers in een sierlijken draai op de beide slapen gelegd.

Die kleine gebersten scheerspiegel, zegt hem dat Hanneke toch wel minder had kunnen kriegen — moar, Hanneke was toch ook weerd dat ze niet de minste kreeg.

Och as ie aan Hanneke denkt dan krieg ie kiepevel: zoo fleurig en liefelik as ze d\'r uutziet, en — zeker weet Joost dat ze geen begrip zal hebben waar hij blijft, en in onrust zal wezen als hij niet om zes uren, zooals ze hebben afgesproken, bij vader en moeder Schoffels aan De Luchte is.

Ja, wat zou ze wel denken als hij niet kwam! Joost heeft vast

128

-ocr page 137-

ANNA KOOZE.

besloten om liever voorgoed zijn heele rduuvelstoejagerijquot; dan mooi Hanneke, op haar kermisavond, in den steek te laten.

Nu is hij gereed. Uit zijn houten kist, die met een vervaarlijk slot wordt gesloten, haalt hi] een ouden geldbuil te voorschijn en steekt een paar gulden in den zak. Zoodra hij de kist weer gesloten en de Zondagsche pet op de ooren heeft gedrukt, spoedt hij zich naar beneden, en bevindt zich al spoedig opnieuw in Fiet koetshuis.

Even, met het hoofd vooruit, werpt Joost nu een vorschenden blik over het binnenplein; ziet rechts en links, en bespeurt eindelijk ginds om den hoek de schrale figuur van zijn oude keuken- en dischgenoot. Hij ziet daar de hoepelachtige Trien, die — al praat ze ook altijd heel goedig, en al stopt ze hem ook veel meer toe dan volgens de huishoud regel en geoorloofd is — hem toch een zonderling wantrouwen heeft ingeboezemd. Er was iets zoo vreemds in Trien. Ofschoon ze slecht ziende was, scheen het toch alsof ze nog twee oogen in de achterplooien van haar tuitmuts had zitten, en, als Trien met haar grooten rooden kater op schoot zat te sollen, en den lof van mijnheer trompette, dan was het precies een wegge-loopen heks van den heksendans.

ISu ziet hij Trien daar van verre. Zij hangt een paar vaatdoeken over de beide wapenleeuwtjes van zandsteen, die zich op de bene-denpilasters der trap bevinden.

Wat zou de baron wel gedacht hebben indien hij die beestjes zoo omhuld had gezien!

Bij wijze van prikkel, ware mijnheer Lijning die illustratie, toen hij den baron een half uur geleden uitgeleide deed, misschien niet onaangenaam geweest.

Joost gluurt naar de oude. Hij vreest door haar bemerkt te zullen worden, en besluit te wachten totdat zij verdwenen is.

Nu is zij verdwenen. — Aarzelend doch snel komt hij de deur van het koetshuis uit; laat die met voordacht openstaan; heeft in drie vlugge sprongen het kleine achterpoortje bereikt, en loopt haastig, met vermijding van de gevaarlijke plekjes, het smalle brugje over.

In den grooten moestuin gekomen, kiest hij het pad, dat naar bet ijzeren hek voert, waardoormen in het sterrebosch komt,welkbosch aan de achterzij van het kasteel ligt.

Niet ver van dat hek is, in de doornenhaag een tamelijk groote holte, waardoor in vroeger jaren nog wel eens meloenen, kastdruiven en andere fijne vruchten zijn gepasseerd, om welke reden bij deze plaats — vooral wanneer er „volkquot; in den tuin was geweest — meestal de kruiwagen had gestaan met blad of ontuig er in.

Op gevaar af het Zondagsche pak te beschadigen, kruipt Joost snel maar toch voorzichtig door die opening heen.

In het sterrebosch gekomen verandert hij echter van koers. De groote brug en de larikslaan heeft hij moeten vermijden, maar hier in het dichte hout kan de magere meester hem toch niet zien.

Een Mulderspeeter van geboorte kent den weg in \'t bosch wel. Eerst moet hij naar De Luchte. \'t Is een kwartier van De Runt,

v. 9

12»

-ocr page 138-

ANNA ROOZE.

en de torenklok slaat van verre zes. Hanneke zal hem wachten! dat mag niet wezen, en — Joost neemt een zeer gezwinden pas aan.

Binnen den kortstmogelijken tijd heeft hij den Mulderspeetschen straatweg en, dien overstekende en den hollen zandweg opgaande, de kleine herberg van Hannekes ouders bereikt.

Omdat er in DeLuchte niet gedanst wordt, is er maar weinig volk. Schoffels kleine herberg wordt dan ook slechts door zulke gasten bezocht, die gewoon zijn met de kermis overal, \'t zij „wied of zied,quot; eens op te steken.

Joost vraagt aanstonds naar Hanneke.

Hanneke? Wel, die was met een heel gezelschap: de Hobbessen en Raps, naar Vledders herberg De Burlosche Palmboom gegaan.

„Met een gezelschap!?quot;

Joost begreep er niets van, en nog even weinig toen hij vernam, dat Hanneke, die al om vijf uren uit de pastorie in De Luchte was gekomen, zelve gezegd had „gaarne eens naar De Palmboom te gaan, omdat Joost daar was, en niet voor zevenen hier komen zou.quot;

En zes was de afspraak geweest! \'t Moet zeker verkeerd zijn verstaan. In vredesnaam zou hij dan tot zeven uur wachten, \'t Was nog om een kleine drie kwartier te doen, en \'t gezelschap tegen te loopen dat ging niet, want ze konden het bergpaadje, maar, ze konden ook den straatweg gaan.

Joost vindt het vreemd van Hanneke. .. Alêvel, de okkoazie en \'t geproat van \'t gezelschap, meent hij, moakte \'t begriepelik. In-tusschen kan hij een glas bier drinken, en, als moeder Schoffels zoogoed wolle wêzen, kan ze hem \'en botteram smeren ook.

„Ei zoo! Schroale pot op De Runt?quot;

„Wat za\'k oe zeggen vrouw Schoffels!quot;

Er verloopt wel een kwartier eer vrouw Schoffels het gevraagde klaar heeft, want, ze wordt al wat stief in de butjes, en — erst het ze \'t broodmes niet kunnen vinden, en toen \'en ander motten sliepen, en de korst van \'t roggebrood was hard, zie, zoo kwiem \'et.

Joost heeft gegeten en gedronken. Kermisgasten zijn op en aan komen steken, maar, \'t gezelschap van de Hobbessen en de Raps met Hanneke is niet versohenen.

Joost is naar buiten gegaan en heeft er gekeken, links den hollen weg in, en rechts naar boven den weg op. — Niets was er te zien. — Ja, daar kwamen weer menschen aan, en \'t waren er een heele boel, maar — \'t waren alweder de Hobbessen en de Raps met Hanneke niet!

Toen Schoffels\' hangklökske zeuven sloeg, toen kon Joost het niet langer uithouden. Hij geeft aan Hannekes ouders de boodschap, dat Hanneke, wanneer ze in zijn afwezigheid komen mocht, tot zijn weerkomst moet wachten. Hij wil schuins de hei over, en half den bergrug loopen, dan houdt hij zooveel mogelijk de beide paden in \'t oog, die Hanneke komen kan.

Zonder zijn liefje te ontmoeten heeft Joost De Burlosche

130

-ocr page 139-

ANNA ROOZE.

Palmboom bereikt, die een klein kwartier van De Luchte ver wijderd ligt.

Ja wel, \'t gezelschap is er geweest maar niet te lang. Voor een half nur. is men weer weggetrokken. Vledder wist niet waarheen, hij geloofde over de Brokkelhei naar Schelen Piet. \'t Zeggen was dat er ook bij Schelen Piet gedanst wier.

De kleine aanleg van Schelen Piet lag maar weinige minuten verder dan De Palmboom, \'t Was heel erg vreemd van Hanneke, maar Joost zal toch zien of ze daar is.

— As Hanneke moar niet zooas vroeger.... Nee, Nee! —

— Alêvel, die Jan Hobbes.... alschoon ie wat jong is.... Moar nee! nee!! nee!!!

Bij Schelen Piet is \'t gezelschap niet gezien. Schele Piet lei met \\yiendpokken op bed. D\'r was in z\'n kleine herberg niks te doen. Eén kerl zat er bier te drinken.

Joost loopt zoo hard als hij loopen kan langs De Palmboom naar De Luchte terug. — Nu zal hij er Hanneke toch zeker vinden en haar drukken in de boutjes.

Maar alweder wordt de arme Joost op \'t bitterst teleurgesteld. Toon hij De Luchte binnentrad vond hij er een lustig gezelschap, maar zijn Hanneke niet. \'t Was een tergend gezang, dat hem in de ooren klonk: de in Mei te \'s-Hage geboren kermisdreun, op de wijze van Henri\'s drinklied in Laurierboom en Bedelstaf, de dreun die, nu zoo ongeveer over \'t heele land verspreid, het volk de belangrijke vraag op de lippen had gelegd:

,Waar is Keesje,

Waar is Keesje?quot;

En nóg eens:

„Waar is Keesje----met zijn meid?quot;

Voor Joost heeft die vraag den weerklank: Waar *s Hanneke?

Vader en moeder Schoffels begrijpen er óók niets van. \'t Is zeker een misverstand. Joost vraagt of jan Hobbes ook met Hanneke ge-loopen had.

— Nee, went Jan had eiges Diene van den smid gehad.

— Of die andere — die van vroeger, ze wisten \'t we), den schoa-penkoopman uut Oamersfoort — d\'r ook bie was \'ewêst?

„Jan Piek?quot;

„Joa!quot;

„Nee, die is er heel niet bie e\'wêst.quot;

„Goddank!quot;

\'t Is reeds kwart over achten nu Joost de flauw verlichte kramen en de pastorie voorbijgaat en op de dorpsherberg De Vergulde Ploeg toetreedt. Hij wischt zich, ofschoon de Novemberavond niet warm is, de zweetdroppels van het voorhoofd, alvorens naar de gelagkamer te gaan, die nu voor danszaal is ingericht.

\'t Was niet zeer licht en erg warm in die kamer. De atmosfeer,

131

-ocr page 140-

132 ANNA KOOZE.

vooral in tegenstelling met de frische buitenlucht, is benauwend en spreekt van inenschen, kermiswijn en jenever.

Vier muzikanten in een ledige bedstee geplaatst, spelen het slot eener quadrille in trippelmaat.

De eigenaardige stijfhouterige en altijd onbevallige dansmethode der zes dansende paren, komt bij de laatstvermelde beweging nog sterker uit.

Joost staat in de deur, maar kan, zoolang er gedanst wordt, niet binnenkomen.

De muziek zwijgt. De dansers wrijven hun jasmouwen langs de roode glimmende aangezichten, en de danseressen gebruiken haar boezelaars of zakdoeken tot hetzelfde doel. Terwijl de dansers nu weer voor eenige oogenblikken op de planken — die langs den muur over tonnetjes en stoelen gelegd zijn — plaats nemen, komt Joost de kamer in, en ziet al aanstonds Jan, Kees en Grietje Hobbes, en Roel Raps met twee zusters, en Diene van den smid. Maar:

Woar of Hanneke was!

.Hanneke? Wel die is hier! Zie — Wat deksel woar is ze gebleven?quot;

Ja zeker, even voor den dans was ze nog in de kamer. Diene heeft toen zelve nog met haar gesproken. Ze had niks geen schik. Maar — waar of Joost toch gezeten heeft, en hoe of hij nu nog zoo laat komt?

Joost is niet tot antwoorden in staat. Roel Raps verhaalt hem duidelijker dat Hanneke in De Luchte een boodschap heeft gekregen: dat Joost niet zoo vroeg kon komen maar te halfzeven in De Palmboom zou zijn, en — zoo hij nog langer verhinderd werd, dat zij dan toch stellig kon rekenen hem een half uur latei-in De Vergulde Ploeg te zullen vinden, \'t Gezelschap was om Hanneke te plezieren naar De Palmboom gegaan, maar, toen Joost niet verscheen is het ook al spoedig naar De Vergulde Ploeg getrokken. Hanneke had in \'t geheel niet willen dansen, en was gedurig in onrust geweest over Joost, of ook eenig onheil hem kon weervaren zijn.

Even voor den laatsten dans is Nol de kleine klompenmaker bij Hanneke gekomen, en heeft haar gevraagd of zij eens even mee in de gang wilde §aan, er was een boodschap van De Runt: „Moar de mins wou met binnenkomen,quot; zei Nolleke. — Nu is Hanneke nog niet terug. Maar Roel zal wel eens gaan zien.

Dat behoeft niet. Joost is de kamer al uit.

Op de kelderkamer der herberg die schuins tegenover de gelagkamer ligt, nemen doorgaans de oudere kermisgangers plaats, of ook zij die om andere redenen wat rustiger wenschen to zitten, \'t Is er in den vooravond gestadig vol geweest. Voor weinige minuten zijn de laatste oudjes vertrokken, en slechts één persoon, die langen tijd bij het hoekraam dat op de kramen uitziet, heeft zitten bier-drinken en met sommigen onderhoudend heeft gepraat, is er achtergebleven.

Ook nü is de deur van het kamertje, voorzeker om den tocht en

-ocr page 141-

anna rooze. 133

\'t leven van \'t gedans, zooals gewoonlijk dicht. Kleine Nol zegt dat Hanneke daarbinnen is, want dat een man met een rossen baard hem gevraagd heeft of hij Hanneke eens roepen wilde, omdat hij voor haar een boodschap van De Runt had.

Joost wordt zoo rood als vuur. Jan Piek komt hem voor den

feest. Een oogenblik staat hij als aan den grond genageld. Hij oort niet hoe binnen die opkamer de schelmsche landlooper — de zeer bevattelijke voormalige kweekeling en dienaar van mijnheer Lijning — aan Hanneke een rad voor de oogen zoekt te draaien, en haar de liefde van Joost als zeer verdacht, ja als leugenachtig voorstelt. Hij weet niet dat Jan Piek de bewerker was van Lijnings verbod, en — uit vrees voor een mogelijk verzet van Joost tegen zijn meester — de bewerker van al dat misloopen bovendien. Maar zóóveel, ja zóóveel weet hij nu wel, dat die vreemde alweer als een duivel staat tusschen hem en zijn Hanneke. Praatjes zijn praatjes geweest, en, dat \'en kiend van zestien joar met zoo\'n mooiproater kermis had gehouen, en Joost veur den vremde had loaten loopen, da\'s gepassierd al twee joar gelêjen, en afgekust, en begriepeiik! moar, dat de schelm nou weerkumt, en dat ie Hanneke weer dóar, dóar in die koamer het gelokt, dat, dat. ■ .eest. Een oogenblik staat hij als aan den grond genageld. Hij oort niet hoe binnen die opkamer de schelmsche landlooper — de zeer bevattelijke voormalige kweekeling en dienaar van mijnheer Lijning — aan Hanneke een rad voor de oogen zoekt te draaien, en haar de liefde van Joost als zeer verdacht, ja als leugenachtig voorstelt. Hij weet niet dat Jan Piek de bewerker was van Lijnings verbod, en — uit vrees voor een mogelijk verzet van Joost tegen zijn meester — de bewerker van al dat misloopen bovendien. Maar zóóveel, ja zóóveel weet hij nu wel, dat die vreemde alweer als een duivel staat tusschen hem en zijn Hanneke. Praatjes zijn praatjes geweest, en, dat \'en kiend van zestien joar met zoo\'n mooiproater kermis had gehouen, en Joost veur den vremde had loaten loopen, da\'s gepassierd al twee joar gelêjen, en afgekust, en begriepeiik! moar, dat de schelm nou weerkumt, en dat ie Hanneke weer dóar, dóar in die koamer het gelokt, dat, dat. ■ .

Een vreeselijke slag binnen de kelderkamer doet eensklaps het gansche huis dreunen en al de glazen rinkelen. Joost Burik springt de trappen van het kelderluik op; werpt de deur open, maar, de volslagen duisternis, die binnen de kamer heerscht, belet hem er iets of iemand te ontdekken. En toch, al was Hanneke er niet, Jan Piek was er wél.

De schoone berekening van den ellendeling heeft gefaald.

— Goedschiks of kwaadschiks, heeft hij gedacht. Maar Hanneke, ofschoon ze inwendig beefde als een riet, ze is hem de baas geweest.

Als een andere Judith heeft zij haar Holofernes met een schijnbaar toegeven verschalkt. Zij heeft gezegd, in elk geval bevreesd te zijn dat men hen van buiten zal kunnen bespieden, wentdelampe brien zoo hel.

Jan Piek, verheugd over een zekere toenadering, heeft wel raad geweten. Hij zou de lamp heel laag, of maar uitdraaien.

„Nee uutdrêjen niet!quot;

„Ook goed, heel laag.quot;

Piek is op een stoel geklommen, want de olielamp hing zeer in de hoogte, juist boven de langwerpige tafel, die op schragen stond.

, Wacht !,v

Ja — wacht. Hanneke beeft over haar gansche lichaam, maar toch, al haar krachten spant ze in. Den stoel, waarop Jan Piek is geklommen, vat ze behendig bij een der pooten, rukt dien naar zich toe, en, terwijl de forsche man in \'t waggelen nog naar de lamp grijpt om hem ten steunpunt te zijn, breekt het touwtje waaraan ze werd opgehangen, zoodat hij op de schragen-tafel, die nog met een vracht van glaswerk bedekt was, met de walmende en uitgaande lamp neersmakt.

Jn den aanvang door den val bedwelmd, ligt daar Jan Piek mei

-ocr page 142-

134 ANNA BOOZE.

de tafel, die van de schragen gleed, te midden van olie, bier en laswerk op den grond. Niet zoodra echter hoort hij stemmen bij de enr, of hij wendt het hoofd naar die zij, richt zich tamelijk snel met een vreeselijke zelfvervloeking op, en barst dan in scheldwoorden los, den kastelein verwenschende, die zulk een ontuig van stoelen, zulk „rotwerkquot; in huis heeft.

Jan Piek verkeert inderdaad in den waan dat een der stoelpooten

febroken, en hij verder door de zwakheid van het touwtje, waaraan e lamp hing, gevallen is.ebroken, en hij verder door de zwakheid van het touwtje, waaraan e lamp hing, gevallen is.

Een dreigende uittarting van Joost, met de vraag waar Hanneke is gebleven, doet Jan Piek bij het schijnsel der kaars, waarmee een dienstmeid is komen aanloopen, den blik om zich heen slaan. Hij ziet haar niet. Waarschijnlijk, zoo denkt hij, heeft Hanneke zich uit angst in een kast verborgen, of is zij door het half opgeschoven zijvenster ontsnapt.

Piek vervloekt zich weder indien hij Hanneke gezien heeft! \'t Is gelogen dat ze hier bij hem is geweest!

Verscheidene stemmen aan de deur roepen, evenals Joost en een paar anderen, die reeds naar binnen zijn gegaan, dat Jan Piek liegt, en dat hij Hanneke hier binnen had gelokt: Nol de klompenmaker kos \'et getuugen.

„Ikke, nee ... ik weete van niks!quot; zegt Nolleke angstig.

„Wat, laffe eend!quot; roept Hent van den molen, die een hekel aan Nol en drie glazen jenever te veel had, en stoot hem onder de kin, en grijpt hem in de das, en dringt hem stijf tegen den gangmuur.

Terwijl Tronk de kastelein, Hent tot bedaren brengt —• ofschoon Hent in \'t eerst nog voortraast: dat zoo\'n klein gedrocht dan geen lekke klompen veur goeje mot verkoopen — stuift eensklaps de menigte in de gang achteruit, want, Joost Burik wordt door den vermeenden schapenkoopman letterlijk van de keldertrappen gesmeten, en zou met het hoofd op de steenen zijn neergekomen, indien Hent en Nolleke er niet gestaan hadden.

De muziek in de bedstee speelde een Schotsche-drie. Vijf paren tolden in de gelagkamer als dolzinnigen rond! Gijs de knecht schonk jenever, bier en kermiswijn. lin — een luid gevloek klonk in de gang en weldra buiten de herberg. Verscheidene zakmessen waren reeds ter helfte nit de scheeën getrokken — zelfs een paar nieuwe, waarvan de draad nog moest worden afgeslepen. — Het geraas was er afgrijselijk. Jan Piek, wiens handen reeds bloedden van \'t glas waarin hij straks gevallen is. roept nóg eens met scheldwoorden, dat hij haar niet gezien heeft. Maar nu, op een smaadrede van Joost, die hem weder verwijt dat hij liegt, en zegt dat Hanneke hem nog dieper veracht dan hij — Joost Burik — het doet, nu buldert de vreemde: wat of ze dan wel denken! en terwijl hij eensklaps op het vermoeden komt dat die „schelmsche meidquot; hem een poets heeft gespeeld, geeft hij haar zulke wanluidende namen, dat Joost als een getergde leeuw vooruitspringt en hem het mes onder den rossen baard doet flikkeren.

Een geweldige vuistslag op den arm van Joost — door den be-

-ocr page 143-

ANNA ROOZE. 135

lager toegebracht — doet het mes uit Buriks hand op de dorpsstraat vliegen.

Piek lacht grijnzend; maar, als er nu opnieuw een scherpe vermaning klinkt om van \'t reine lieve schepsel geen woord meer te zeggen en geen vinger meer naar haar uit te steken, dan — dan vlijmt er een pijl, duizendmaal scherper dan een messteek, den armen gesarden Joost door het hart, want. .. Maar neen, dat is gelogen! gelogen!! Neen, rein is ze, rein as zilver!

„Hou je dan stil koopman!quot; roept Mossel de veldwachter, terwijl hij zijn stok vooruitsteekt, en de omstandigheid betreurt dat juist nu zijn confrater naar vrouw Knibbelaars Allemansgading was gegaan, om te zien of daar alles pluis is.

Maar men hoort Mossel niet, en Mossel heeft van burgemeester in last gekregen om kleinigheden te laten passeeren.

Joost kent zich zeiven niet meer:

„Durf ie dat te zeggen, loage schelm!quot; gilt hij woedend: „Loat los mannen! Loat los! Ik mot \'em den hals brêken! Loat los! Bin \'k dan niet vrij\'. Los zeg ik oe!quot; En hij wringt zich los uit de handen, die hem tegenhielden.

„Neen kameraad, vrij ben je niet!quot; klinkt een flinke stem hem kras in het oor, terwijl een forsche hand hem verhindert om den sarrenden Piek, dien niemand schijnt aan te durven, opnieuw te bespringen: „Jelui hebt een raar begrip van vrijheid!quot; voegt de onbekende er bij, die niemand anders dan de overste Bel is.

„Als je niet aanstonds uiteengaat dan zal ik zorgen dat burgemeester de zaak onderzoekt,quot; zegt de baron Geereke, voor wien sommigen reeds met eenig beneveld respect zijn ter zijde gegaan.

Ofschoon Joost te overspannen is om te weten waarom hij terugtreedt — \'t zij uit eerbied voor den baron, \'t zij uit vrees dat Hanneke haar aandeel aan die bebloede handen van den vreemde heeft, Joost laat zich gezeggen, en gaat morrend met eenigen terug. Maar ook de vreemde, die een paar echt militaire oogen onder zware zwarte wenkbrauwen op zich gericht zag, de vreemde, gedachtig aan de rol, die hij den ganschen namiddag speelde; gedachtig aan den eigenaardigen val, dien Joost van de keldertrappen deed, en niei het minst aan het ongezellige verblijf, dat hij onlangs te Arnhem heeft verlaten, ook hij draait zich om, en gaat dominee Haverkist voorbij, die op eenigen afstand is blijven staan. — Dominee, door de duisternis misleid, houdt den vreemde voor een gemeentelid, en zegt vermanend:

„Foei Lakenvolder, heb ik je dat geleerd! foei, je maakt jeleeraar te schande!quot;

De jonge dames uit de pastorie zijn in het voortuintje blijven staan; de oudere bleven in de kamer, en denken, terwijl ze in de richting van De Vergulde Ploeg staren, aan de dankbare stemming van dominee over de gezegende vruchten zijner evangeliebediening te Mulderspeet.

Anna, die door Jans zachtkens mee naar buiten was getroond, gevoelde te sterker den weerzin, dien het in duister gehulde tafereel

-ocr page 144-

136 ANNA KOOZE.

verwekken moest, dewijl ze bij haar natuurlijke neiging om, ter voorkoming van een mogelijke misdaad, naar ginder te snellen zich een grens zag gesteld en haar onvermogen gevoelde. Maar vooral werd zij sterker dan de anderen bewogen, toen zij in de bcvenuit-klinkende stemmen der twistenden — die slechts nu en dan vluchtig van ter zij door het schijnsel der vensterramen verlicht, niet te herkennen waren — de stemmen onderscheidde van Joost, en den forschen man, dien ze tweemaal met Hanneke, en ééas op D e Kunt, maar ook nog dezen middag in \'t voorbijrijden gezien heeft. — Ofschoon men den naam van Hanneke daarginder niet hoorde noemen, Anna begrijpt volkomen dat die twist niemand anders geldt dan het frissche boerenkind, waarvoor ze zulk een bijzondere belangstelling heeft opgevat. Een vreeselijke beschuldiging had die ruwe man daar tegen het arme Hanneke uitgegalmd. Reeds de vorm alleen zou een sterken blos naar Anna\'s kaken hebben gejaagd. Neen, zij kan het niet gelooven, en toch- - - Maar Joost roept: gelogen! gelogen! — En ja, het moet onwaar zijn! Dat frissche boerenkind!

Anna heeft eenigszins achter de andere meisjes ter halverwegen buiten het hek gestaan. Eensklaps wordt haar oog uit de richting der herberg naar de rechterzij der dorpsstraat getrokken, \'t Is haar alsof ze daar ginds, een weinig aan deze zij der kramen langs den lagen kerkhofmuur, haastig een vrouw ziet voortgaan die, den mallemolen voorbij, met een omweg het paadje naast den achtertuin der pastorie zoekt te bereiken.

De meisjes Haverkist hebben niet bemerkt dat Anna zich snel in die richting verwijderde.

Juffrouw Molenwiek zegt, dat de baron het ginder weer schijnt bij te leggen, en dat ze het nu zeker wel zullen afdrinken. Haar papa had eens heel anders gedaan, weet je, niet los kruit er tusschen geschoten.

Juffrouw Molenwiek sprak onwaarheid. Dat deed ze gewoonlijk als ze geen ware superlativus bij de hand had.

Terwijl dominee Haverkist bij de dames terugkomt, en zegt dat alles weer geschikt is, maar dat hij altijd wel gedacht heeft dat die Arie Lakenvolder een gemeen persoon was, de eenige jongen, die reeds op de catechisatie niet deugen wilde; terwijl straks ook de andere heeren terugkomen, en men, vervuld met het voorval, Anna niet aanstonds mist, staat Anna Rooze in den achtertuin der pastorie tegenover Hanneke Schoffels, die, met den rug tegen het schuurtje geleund, de beide handen voor het aangezicht houdt, en dubbende met het hoofd, niets anders uitbrengt dan zachtkens nokkend en trillend;

„O God, o God!quot;

„Moed houden, arme Hanneke! de Vader, dien je daar aanroept, ■weet alles, dat is de beste troost.quot;

,0 God, o God!quot; klinkt het alweder.

„Joost zal niet weten waar je gebleven bent, Hanneke lquot;

„O God, hij zal \'t gleuven, en vader ook. O God!!quot;

-ocr page 145-

ANNA ROOZE. 137

„Neen Hanneke, uiemand zalgelooven wat niet waar is. Kom, wees moedig; geef me den arm, we zullen naar binnen gaan; je moet eens drinken.quot;

Maar Hanneke trekt zich terug nu Anna haar zachtjes tot meegaan wil noodzaken en slaakt onoplioudelijk denzelfden kreet; en dan:

„Joa ze zullen \'t gleuven. Veur twee joar liepen de proatjes.... O God! Moar \'t is \'elogen, joa zeker! en ik was \'en kiende; ik wist van niks. Ze zullen \'t gleuven, o Jezus! o God!quot;

„Noem die namen niet zoo gedurig Hanneke. — Hanneke, wéarom.... waarom zeg je, dat je van niets wist toen je een kind waart?quot;

„Niks, um nikse.... Ik weet van niks. Maar ze zullen \'t gleuven. Hie riep \'et over \'t heele dorp uut. Voader sloeg mien dood as ie \'t wiest; moar moeder zal \'t niet gleuven en Joost ook niet, want Joost za\'k trouw blieven, zoo woar as God ien den hemel is ... da\'s den afsproak. Ik heb zoo\'n leed! O zoo\'n leed! Moar hie loog \'et, went veur twee joar was ik \'en kiende van zestien joar. O.... juffer... . juffer!quot;

In vreeselijk snikken barst Hanneke los, zóó vreeselijk dat Anna schier wanhoopt haar kalmer te zullen stemmen. Toch mag zij slagen in \'t eind, ofschoon het haar de grootste moeite kost. Telkens weder, maar minder hartstochtelijk, roept Hanneke God en Jezus tot getuigen aan dat alles, wat Jan Piek den goeden Joost heeft toegebulderd, gelogen is. Gedurig vervloekt zij zich zelve indien er iets kan waar zijn van \'t geen hij zeide.

— Hoor, doniinee Haverkist, zoo zweert uw aannemeling der laatste Paschen!

Maar nogmaals zegt ze mede in haar verwarring: Of ook een kind van zestien jaren dan weet wat ze doet.... !?

En — een gevoel van \'t innigst medelijden doortintelt Anna\'s borst.

„O, de ellendige, die je zoo ongelukkig maakte!quot; fluistert Anna met een in de duisternis verscholen blos.

„Joa de ellendeling!quot; krijt Hanneke zachter. En — als ze dat woord heeft herhaald, dan heft Anna den blik naar omhoog, en aan den donkeren hemel ziet ze een helder sterretje blinken. De waarheid blonk door de logen heen: zich geheel verbergen dat kon ze niet. Anna drukt de hand der arme Hanneke met waarachtige liefde.

Schoone vertreden bloem! In den kelk met frisch water gevuld, is zij wel opgefleurd voor een wijl, doch de bloemblaadjes zijn verkreukt, en spoedig....

„O juffer, juffer! as---- as z\'et ens wiesten! as voader, as Joost

\'t ens wiest!?quot;

„Zwijgen Hanneke! Maar, waarheid als \'t om de waarheid te doen is.quot;

-ocr page 146-

ANNA BOOZE.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Met het rijtuig van den baron Geereke is A.nna naar De Runt teruggekeerd, want Joost, de knecht van mijnheer Lijning, is niet verschenen; en het weer is guur geworden, en Hendrik heeft gezegd dat de paarden van die doode kramen niet schrikken zouden, en dat het toch zoo donker niet was dat hij op dien bekenden weg «en ongeluk zou krijgen.

Jonker Ernst, ofschoon vast besloten mee te rijden, heeft op dringend verzoek van zijn moeder zich met de vreemd klinkende woorden bij Anna verontschuldigd: dat hij niet meereed omdat dominee en de juffrouwen dan zouden denken dat hij zich hier verveelde, „\'t geen integendeel waar was.quot; Maar hij hoopte na de bijzonder aangename kennismaking, of liever — zoo corrigeerde hij zich — „na de genoeglijke herkenningquot; dat de juffrouw ook spoedig De Renghorst eens met een bezoek zou vereeren. „Bijvoorbeeld,quot; zoo besloot hij: „den 23\'te,, moest u met de familie van dominee meekomen, dat is een heerlijke dag, de verjaardag van papa. — Nietwaar ma?quot;

Juist bij de laatste woorden van Ernst is mama Geereke iets zeer belangrijks ingevallen, iets dat zij nog verzuimde aan juffrouw Haverkist te vragen.

Anna heeft alzoo mama\'s antwoord niet vernomen, maar de hoffelijkheid van den heer Geereke heeft zij ten zeerste gewaardeerd. In weerwil toch van haar verzoek om de goedheid niet zoover uit te strekken van nog in persoon met haar mee te gaan, is de baron — die meende iets te moeten goedmaken — vlug het rijtuig inge-wipt, en, de teugels nemende, heeft hij gezegd dat het hem waarlijk een groot genoegen zou zijn juffrouw Rooze nog eens zelf te mogen rijden. Indien Hendrik haar alleen bracht zou hij niet gerust wezen. Men kon toch niet weten.

Toen Anna op haar torenkamer is teruggekomen, heeft zij zich spoedig ter rust begeven, maar slapen kon ze niet. Met lange tus-achenpoozen heeft ze ten laatste telkens een weinig gesluimerd, doch, toen de Mulderspeetsche toren zijn vijf doffe slagen in den stormachtigen Novembernacht strooide, toen is ze opgestaan, heeft haar olieblakertje ontstoken, en zat zij al spoedig voor haar schrijflessenaar. \'t Was zeer donker buiten; de regen door den feilen wind gezweept, sloeg met kracht tegen de ruiten. De haan op den Runt-toren kraste geweldig, en zeker moesten er veel lekkages zijn, want boven haar tikte het op verscheidene plaatsen.

Anna schreef:

„Hanneke! Ik kon niet slapen om uwentwil. Zeg alles aan Joost. Naast God moet hij uw steun wezen. Gij waart een kind Hanneke:

138

-ocr page 147-

anna rooze. 139

zeg hein alles! Hij zal u blijven liefhebben. Hij zal u beschermen. Hij zal u vergiffenis schenken, evenals uw ouders en evenals God!

Anna Rooze.quot;

Het briefje doet ze in een couvert en schrijft er op: „Aan Hanneke Schoffels.quot;

Is het de wind, die reeds een paar malen dat buitengewone geluid in huis heeft veroorzaakt....?

Anna ziet op, en blijft met het hoofd naar de deurzijde gekeerd een oogenblik luisteren. Neen, \'t is zeker het tikken der regen droppels \'t geen ze hoorde, \'t Gaat soms zoo snel, zoo raar achtereen: tik, tik, — tik tik tik tik....!

En ze schrijft weer op het adres: „Te bezorgen door Joost Burik.quot;

— Ziezoo, (Jat geeft rust. Misschien zal ze nog een weinig kunnen slapen, en dan, zoodra het dag is, moet ze den armen Joost opzoeken. Ja, zij moet hem spreken, zij zal hem voorbereiden, en, Joost zal zijn Hanneke blijven liefhebben, zeker!

Nu Anna weer neerligt op haar leger, nu ziet ze in de oneffenheden der saaien gordijnweefsels waarachter het lichtje glimt, allerlei poppetjes en figuren: een manneke, dat den hoed afneemt; een juf-Irouw met een kornet, die een dienaresse maakt, en een dominee met een bef in een preekstoel, precies! Ook ziet ze duidelijk allemaal bloemen die uit de lucht vallen, hoe langer hoe meer; en een kariekellje ziet ze.... niet Joost en Hanneke er in. Anna dronk een kopje koffie bij hen, in een helder net kamertje, \'t Was zoo\'n heel lief huisje, en het zonnetje scheen zoo lekker in den mooien tuin door de groene blaren, en er stonden veel vruchtboomen in den tuin; er was ook een hazelaar, en achter dien hazelaar speelden drie lieve blozende kinderen, een er van met een spierwit konijn met helroode oogen, maar al de kinderen hadden horrelvoetjes, erg leelijk. Ter zij van den hazelaar was een schuurtje, een planken schuurtje; \'t was er erg donker, en een man met een mager gezicht stak er het hoofd uit naar buiten; die man was oom Lijning, en hij grinnikte om er akelig van te worden, en hij lachte zoo vreemd, zoo wonderlijk raar en grof, en....

Anna schrikte uit haar sluimering op. In de aangrenzende kamer, de studeerkamer van oom, hoort ze nog eens het schor gelach, dat ze reeds in haar halfslapenden- halfwakenden toestand heeft vernomen.

— Er is geen twijfel aan, dat is het nare geluid van dien vreemde, van Hannekes vijand. Hoe komt hij hier? bij oom? zoo vroeg in den morgen! Wat heeft hij in den zin? wat met het arme kind, wat . ..?

Anna weerstaat de verzoeking niet om te luisteren, scherp, zeer scherp te luisteren.... Opgestaan nadert ze zelfs met een bonzend hart de deur van oom Lijnings kamer. Maar, al heeft ze duidelijk het lachen kunnen hooren, en al verneemt ze ook klanken — althans wanneer die vreemde spreekt — ze verstaat er geen woord

-ocr page 148-

140 ANNA BOOZE.

van. Nu, ja, nu meent ze toch iets te verstaan, \'t Is alsof de schorre met verheffing van stem een eisch herhaalt.

Het antwoord schijnt niet bevredigend te wezen, want een hevige vuistslag — waarschijnlijk op de tafel — doet Anna ontstellen, en vrij duidelijk hoort ze nu de woorden:

„Dan had j\'em moar thoes motten hollen!quot; en uit de woorden, die nu afwisselend harder of zachter gesproken door haar worden opgevangen, meent ze als zeker te kunnen opmaken dat de vreemde ontijdige bezoeker van Lijning begeert, dat hij Joost uit zijn dienst verjagen en een poging zal aanwenden om Hanneke Schoffels naar De Runt te lokken. — Anna, die met afgrijzen is vervuld, kan het antwoord van oom Lijning niet verstaan, maar alweder moet het afwijzend zijn — natuurlijk! natuurlijk! want een heviger vuistslag klinkt, en ofschoon daardoor de woorden eener bedreiging voor Anna verloren gaan, zoo heeft ze toch de overtuiging dat het er een wezen moet.

Hoezeer Anna ook ontroerd is, het denkbeeld dat oom dien vree-selijken man weerstaat en, op welke wijze dan ook met hem in relatie, hem toch geenszins ten opzichte van Hanneke of Joost in zijn boosaardige plannen wil steunen, dat denkbeeld schenkt haar voor het oogenblik de kalmte weder, waaraan zij zoo groote behoefte heeft. Ja, dat geelt rust, en niet de teruggekeerde hoop dat zij oom, ondanks zijn gebrek, \'t welk haar hoe langer hoe meer in het oog springt, om \'t geen hij goeds heeft zal leeren achten en liefhebben, met de hoop dat oom dien ruwen man op den beteren weg zal brengen en hem verder zal beletten het arme Hanneke te vervolgen, treedt ze terug; schuift de groene gordijn voor een der vensters ter zijde, maar — ziet een donkeren nacht, en zelfs geen enkele ster.

En de oom in die aangrenzende kamer, hij wil, hij zal ook nu triomfeeren. Ja hij moet dien sterke beheerschen, want het is de eenige, die tegen hem getuigen kan.

En hij beheerscht hem.

Zelfs bij het flauwe lamplicht is Geert Holmena niet tegen den indruk zijner oogen bestand.

Ofschoon geen trek op Lijnings gelaat de vreugde over zijn triomf verraadt, hij is gerust, althans gerust in het bewustzijn van zijn macht tegenover dien sterke. Maar zie, ook terzelfder tijd komt het denkbeeld hem nogmaals verontrusten, dat die macht slechts bes taat wanneer hij met Geert Holmena kan samen zijn.

— De rust zou zekerder, zou blijvend wezen, wanneer die man voor altijd onschadelijk gemaakt, bijvoorbeeld in de gevangenis voortaan zijn dagen moest slijten, of.... of ja, of beter nog, wanneer die plompe vuist met den demonstreerenden duim, hem niet meer dreigen, wanneer die mond niet meer spreken en hem beschuldigen kon.

Een ongekend kilachtig gevoel overvalt den heer van De Runt.

— Er zijn veel middelen, zeker!

— In een loket van den hoogen lessenaar daar ligt de kris, die broeder Rooze hem eens ten geschenke gaf. Wanneer iemand zoo

-ocr page 149-

ANNA ROOZE. 141

iets in handen had, men zou hem door die geheime macht.... zich zeiven.... — Of ook, er is een bijzonder wrakke balustrade om het hooge torenplat.

— Dat moet gebleken zijn bij de groote verkooping, toen Giel de loodgieter er tegen leunde en, zoo Jan Dubber hem niet gegrepen had, met de heele „bisboeljequot; naar beneden in de gracht zou gestort zijn.

Giel had de balustrade, die oogenschijnlijk nog zoo mans was, recht gezet en was \'em toen gepoetst.

— Die balustrade!

— Of anders; Het bij toeval opengebleven luik van den kelder in de donkere §ang langs de Zuid!

Lijning huivert.

Dit alles is hem bliksemsnel door het brein gegaan. Maar neen, veel paden heeft hij bewandeld doch voor zulk een deinst de Gro-ningsche zaakwaarnemer terug. Het is hem te duister.

Lijning huivert Goddank!

En de forsche — nog onder zijn invloed — doet het den meester na. Hij zegt dat het erg koud is, en vraagt dan tamelijk bescheiden:

Waarom mijnheer hem dan ook zoo vroeg heelt doen roepen?

Maar Lijning antwoord t niet. Achter den hoogen lessenaar is hij met het flauw brandende lampje verdwenen.

Geert Holmena huivert nog eens, en gevoelt iets alsof het zijn plicht is een kalmeren toon aan te slaan. Immers, gisteravond heeft de oude patroon hem toch aanstonds herbergzaamheid verleend.

Geert had het beter gevonden maar niet langer in den omtrek der kermis te blijven. Sedert hij dien vreemde met zijn zwarte en witte haren gezien had, heeft nij zoo iets schichtigs gekregen, en die snaak had hem met zijn kort praatje over de vrijheid, een rasphuis-rilling aangejaagd, bijna zoo kil als de kou van daareven. Hoe \'t zij, hier heeft hij weer een leger gevonden, en hij had op den vroegen morgen wel wat kalmer kunnen beginnen. Het doet hem zelfs leed dat hij in den aanvang zoo kregel is geweest, en op dat verzoek van den ouden patroon, een zoo ruwen eisch heeft doen volgen.

Hij zit met het hoofd in de hand, de hand die nog op een paar plaatsen de teekenen der glasverwonding draagt. De kilheid, die hij straks mee gevoelde, heeft hem geheel en al afgekoeld, en hij besluit terzelfder tijd aan Lijnings verzoek te voldoen, en zoo vroeg mogelijk, liefst nog vóór het aanbreken van den morgen, de Mulder-speetsche kwartieren te verlaten en naar Rotterdam te vertrekken.

Zonder nog een kleine opoffering van mijnheer Lijnings zijde kan deze echter zoo iets niet verlangen. Er was hier veel wat hem trok en terughield.

Mijnheer Lijning van achter de lessenaar teruggekomen, vindt het onbeschaamd dat Geert nóg weder eischen durft. Geert moet oogenblikkelijk vertrekken en doen wat Lijning hem aanried of anders----

„Of anders

-ocr page 150-

142 ANNA ROOZE.

Geert kan zijn oogen niet gelooven. Op een geelachtig stuk papier, dat Lijning hem van ter zijde toont, staat geschreven:

„Maak mij niet ongelukkig. Zeg aan niemand wat ik bij Marter deed.

GEERT HOLMENA.-\'

„Moar dat heb ik neit \'schreven,quot; bromt Geert ontsteld en grijpt naar het papier.

„Niet Geert? niet!?quot;

„Nee! ik weet.... nee!quot;

„Je weet. -.. je weet dat je het geschreven hebt Geert!quot;

„Ja. . .. nee! Ja. Geef hier! hier!quot;

„Terug man, je moest je schamen!quot;

En Geert treedt terug.

Een kwartier later heeft hij de Runt verlaten. In den kouden vroegen herfstmorgen kiest hij zijn weg in de richting vanwaar Anna op De Runt is aangekomen, en treedt door de natte gele en bruine blaren, waarmee de nachtstorm zijn pad overvloedig heeft bezaaid.

Den straatweg overgegaan, stapt hij den hollen weg in, en, als hij klimmend De Luchte is genaderd, dan staat hij even stil. Met een zeer gemengde gewaarwording beschouwt hij het huis, waarin hij Hanneke het eerst ontmoette. De herberg is nog gesloten. Voort! Nu is hij er overheen, \'t Zou wel dolheid zijn indien hij over die meid nog langer maalde.

— \'t Is slecht sollen met krabbende katten.

— Ja, \'t was een mooi bekje! Maar — die hem den voet dwars zetten, die zullen \'t ondervinden dat ze met geen kind te doen hebben; wacht maar!

En terwijl Geert met de vuist naar Hannekes ouderlijke woning dreigt, gaat hij verder den hollen weg op, de grove dennen voorbij, die aan het akkermaalshout palen en waarachter de heide ligt, die reeds als de heksendans bekend is.

Geert ziet nog eens om naar de boomen, die de storm doet zwiepen en kraken. En straks, als hij zijn weg in de Arnhemsche richting met snelle schreden vervolgt, en de grauwe morgen van lieverlede al duidelijker de omtrekken van het landschap teekent, dan komt het oude liedje omtrent Lijnings zedelijke w aarde den forsche opnieuw in het gistende brein. Wou die schrale dan inderdaad dat hij — Geert Holmena — een beter mensch werd? Was het waar dat hij in Amerika een goed en eerlijk stuk brood verdienen en er zelfs voortreffelijke zaken zou kunnen doen, indien hij zijn helder verstand gebruiken en goed oppassen wilde? Was hetalleen in Geerts belang, of.. . ?quot; Nu dat deed er niet toe. In elk geval het is een aardig aanbod....

— Ja, Amerika is een vrij en heerlijk land. Lijning zou de over-tochtskosten betalen. Dit was zijn laatste woord. Welk een besluit

-ocr page 151-

ANNA BOOZE.

van den schrale! Hij zou de kosten betalen en zonder er iets voor te genieten! Geert ontving het bewijs dat het Lijning ernst is. Immers, hij heeft het couvert in den zak, waarop Lijning een adres heeft geschreven; het adres: „Den Heere Lijning op De Runt te .Mulderspeet.quot; Zoo licht gingen er brieven verloren indien het adres niet heel juist was, heeft de oude patroon gezegd. Dikwijls waren, er naar het dorpje De Runt in Limburg — een anders onbekend plaatsje — verzeild geraakt. Ja, dat couvert heeft Geert in den zak, en hij moet er uit Rotterdam zoo spoedig mogelijk den brief aan den patroon in verzenden, om hem te doen weten, wanneer en met welk schip hij vertrekken zal. Geert is echter verplicht er een schriftelijk bewijs van den scheepskapitein bij te voegen dat hij de reis zal meemaken, met de opgave ook op welke wijze Lijning dien kapitein de passagegelden remitteeren zal.

— \'t Kon toch wel wezen dat die Lijning het goed met mij meende, denkt Geert. In zaken mocht de man dan vroeger wel eens een zijwegje hebben bewandeld, maar het vreemde angstige gevoel, dat mij steeds overvalt, wanneer hij mij zoo strak in de oogen ziet en aan dat geval te Mieriksma bij dien\' ontvanger herinnert, dat is toch wel een bewijs wie van beiden de schuldige is, en tevens, dat de gierige zaakwaarnemer de fijne zetten inderdaad van Geert heeft geleerd. Maar — dat papier? Geert mag „verlammenquot; als hij zich herinnert die woorden geschreven te hebben; doch \'t was zoo klaar als de dag zijn eigen hanepoot-schrift, en zeker heeft hij dat in den eersten angst gedaan.

— \'t Zou ook kunnen wezen dat Lijning — omdat hij er vroeger nooit mee voor den dag is gekomen — het zelf geschreven bad. ...

Terwijl de forsche zijn weg vervolgt, zet hij niet slechts zijn dikwijls onsamenhangende en onvruchtbare karakterstudie voort, maar komt ook tot het besluit om nog eens nader te overwegen, of hij die toegezegde passagegelden, vervaren, of op de gezondheid van dien beste „in \'t mooie Rotterdam verplezieren zalquot;. In elk geval zal hij Lijning den brief wel doen toekomen met de verklaring van een scheepskapitein: dat zou \'em zorg wezen!

Met een ruwen halfluiden vloek nadert Geert nu den ouden hollen eik, die half in \'t zand en half in de hei staat geworteld, en — waaronder hij zich gaarne een oogenblik op de afgebrokkelde hei zou neerzetten indien \'t niet zoo guur was.

Toch toeft hij er eenige oogenblikken terwijl hij mompelt:

— \'t Was toen wat zachter in de lucht. Een mooie avond !

Eenige minuten later, juist op het oogenblik dat de zon zich mat

en flets aan de kimmen vertoonde en angstig door de wolken en nevelen tuurde, verdween Geert Holmena in het dorre akkermaalshout, om weldra door het dichte sparrenbosch, waarin verscheidene boomen door den nachtstorm geveld in dezelfde richting neerlagen, den straatweg op Arnhem te bereiken.

Geert Holmena — Jan Piek — of hoe hij zich elders ook noeme» mag, is verdwenen.

145

-ocr page 152-

144 ANNA BOOZE.

Lijning heeft zich de handen gewreven toen hij hem bij het verlaten van De Runt uit het oog verloor.

\'t Was een mooi aanbod, dat hij den forache deed, maar — de beste baron van De Renghorst zal \'t gelag betalen. Immers Geert heeft een couvert in den zak, dat met het postmerk Rotterdam op De Runt moet terugkomen. De brief van den gewaanden heer Smit met het verhoogde bod namens den gewaanden lord Brice, de brief, die in dat couvert zal passen, ligt reeds geschreven in Lijnings lessenaar. De baron van De Renghorst zal zich dan kunnen overtuigen dat die zaak volkomen waar is, en, zeer belust op het oude kasteel der Van Koevertols, wel spoedig toebijten tegen den vollen eisch.

Lijning wrijft zich nog eens de handen, en wenscht Geert in gedachten een voorspoedige reis, maar — geen tot weerziens toe. Voor \'t laatst zal hij hem dienen, voor \'t allerlaatst!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De drie en twintigste November was aangebroken.

Sedert den laatsten storm hebben er nog heel wat stormen gewoed. \'t Was dikwijls boos, zeer boos weer.

Nu is het een heerlijke, een onwaardeerbaar schoone herfstdag; zulk een dien men den laatsten zomer^roet kon noemen.

De Renghorst is een tamelijk uitgestrekt landgoed dat, aan gene zijde van Mulderspeet gelegen, door den straatweg op Apeldoorn in tweeën wordt gedeeld.

Ter rechterzij van dien straatweg ligt het heerenhuis.

\'t Is een breed en rijzig gebouw, getuige van den goeden smaak des eigenaars en het talent van den bouwmeester. Mijnheer Geereke houdt niet van den rococostijl, zoomin als van een potpourri in de muziek.

In den fijn gesneden gevel ziet men aan weerszijden der bordescolonnade, waarvan het hooger gedeelte een sierlijk balkon vormt, twee boven- en twee benedenramen, terwijl boven de zoogenaamde balkonkamer, nog een kamer met drie ramen is gebouwd, welke met haar omrasterd platdak het hoogste punt van het gebouw uitmaakt en er te gelijk den schoonen hoofdvorm aan geeft.

Deftig maar tevens zoo vriendelijk komt het fraaie landhuis tegen den boomrijken achtergrond uit, en heden schijnt het wel te lachen in de stralen der late Novemberzon, te lachen met de helroode blaadjes van den wilden wijngaard langs het wit der kolommen of der balkonbalustrade, terwijl de vlag boven het plat aan den stok

-ocr page 153-

ANNA KOOZE.

geheschen, door een koeltje bewogen, vroolijk omhoog krult en roept: Victorie, \'tis feest op de Renghorst!

Gisteravond zijn er reeds gasten aangekomen.

\'t Was al zeer laat toen ze er aankwamen, maar in weerwil daarvan, is een hunner dezen morgen al vroeg ter deure uit en het bosch ingegaan.

Als naar gewoonte zal het een drukke en, met dit prachtige weer, een heerlijke feestdag worden, ofschoon het aantal gasten, dat van verre komt, bij lange na niet zoo groot zal wezen als het vorige jaar. Eenige familieleden en vrienden moesten bedanken, en de vroo-lijke neef Alexander Van Wall uit Rotterdam, heeft ook al gemeld, dat mevrouw Geereke op zijn vrouwtje het „goede zwartjequot; niet behoefde te rekenen, en maar vast moest inschenken als hij zelf om zes uur niet present was.

Te drie uren komen de gasten uit het dorp:

De jonge burgemeester Le Village met zijn vrouw; dominee Haverkist met de familie, en — neen, de notaris heeft moeten bedanken.

Er was — zooals de oude man gemeld had — een sterfgeval in de familie, en zaten zij derhalve tot na wijlen neefs begrafenis gesloten, ofschoon dit trouwens niet verhinderde dat men den hoogwelgeboren heer jubelaris \'s Hemels allerbeste zegeningen toewenschte met multiplicatie van jaren.

Behalve de genoemden zou nog de secretaris Muller met zijn zuster van de partij zijn: Heel graag, o dolgraag! Wel zeker!

En dan juffrouw Anna Rooze!

Ja, Anna zou niet de Haverkisten meekomen.

Als Anna geweten had wat al stormen er, te gelijk met de Novemberstormen daarbuiten, ook binnen De Renghorst om harentwil hebben gewoed, o ze had geen oogenblik geaarzeld om onherroepelijk vast te bedanken, en even vast te besluiten nimmer, neen nimmer een voet op De Renghorst te zetten.

Misschien voor het eerst van haar leven heeft mevrouw Geereke, tegenover haar geliefden en verafgoden zoon gestaan, en bovendien nogmaals tegenover den man, dien zij toch zoo waarlijk liefhad, maar die „soms geen begrip had van het teedere gevoel eener moeder, en geen begrip ook van het hoogere, dat zij eischte voor een eenig kind.quot;

Maar Geereke had zijn lieve Kunira ten laatste nogmaals overwonnen, en de storm was bedaard. Immers hij zou niets onverstandigs aanmoedigen, niets!

Neen waarlijk, neef Jasper heeft hem geen dolzinnige ultra-democratische denkbeelden in t hoofd gebracht. Geereke weet evengoed als zijn lieve Kunira, dat Jasper een best mensch maar toch wel wat zonderling is; dat hij bij al zijn aardige denkbeelden soms wel wat onpractisch kan zijn, en met zijn strijd tegen dwaze vormen wel eens gevaar loopt er even dwaze in \'t leven te roepen. Geereke houdt van Jasper zóó als Kunira van hem houdt, maar Kuni behoeft niet bang te wezen dat Wouter „zich heelemaal zal laten meeslee-pen en zich vergooien in \'t eind.quot; Wouter Geereke Van Uland zal v. 10

145

-ocr page 154-

ANNA BOOZE.

in \'t geheel niet vergeten wat hij aan zijn stand en vooral niet wat ii

hij aan het wezenlijk geluk van hun beider zoon verplicht is. Ook d hij acht het beter, veel beter dat Ernst nog niet aan trouwen denkt,

en zal een verbintenis met die juffrouw Kooze volstrekt niet aan- v

moedigen. Er is t e g e n, dat weet hij zeer wel. Maar toch, als zijn d

innige overtuiging heeft hij het moeten uitspreken: dat hij zijn §

Ernst inderdaad gelukkig zou achten, wanneer hij eenmaal een meisje \\

als die juffrouw Rooze tot vrouw bekwam. Immers, indien hij zich v

niet bedriegt dan vereenigen zich met haar buitengewone schoon- a

heid, niet slechts beschaving en kennis, maar tevens fijnheid van 1

opmerking en kloekheid van verstand, terwijl Ernst.... t

Toen is de storm in hevigheid toegenomen. — Maar mi — nu t immers is hij reeds lang voorbij. j t

Men heeft dan besloten dat Juffrouw Anna Rooze zou worden 1

meegevraagd, mits — en mama heeft daar bijzonder op gedrukt — \\ mits Ernst zou bedenken wie hij was, en men zich nimmer deze

toegevendheid zou te verwijten hebben. Het meisje zou komen, de- o

wijl Ernst de voorbarigheid heeft gehad haar, bij t afscheid op dien J

avond, zelf uit te noodigen, en \'t hem dus compromitteeren zou in- r

dien men er geen gevolg aan gaf. p

Mevrouw meende echter dat de invitatie wel eenvoudig per Jansje I

Haverkist geschieden kon; dat was minder officieel. Juffrouw Rooze 1

kon het dan meer beschouwen als een gevolg van den kermisavond d

bij dominee. e

Geereke, die nog eens „voor zakenquot; naar De Runt moest, heeft echter op zich genomen haar in persoon te vragen: dat was toch

beleefder, en het kon dan zijn bij wijze van herinnering aan een c vroegere uitnoodiging of oude afspraak.

En Anna heeft het vriendelijke aanzoek — haar in tegenwoordig- g

heid van oom gedaan, en door dezen ondersteund — niet van de lt;

hand gewezen. Oom Lijning scheen dat bijzonder veel genoegen te I

doen, en vroeg zelfs later aan Anna, of zij ook iets voor de partij r

zou noodig hebben: handschoenen bij voorbeeld? men kon die uit 1 Arnhem laten meekomen.

Nadat Oom deze vraag gedaan had, heeft tante Co-Mie het hoofd c ter zij gewend, want de tranen liepen haar over de wangen.

— Dat vraagt Lijning! en zij! de eigen tante,waaraan heeft zij ge- c

dacht? Ja zij gevoelde het: „haar hart zit in een perkamenten zak. c Zij is gierig!!quot; Ach, nu zou ze Lijning en Anna morgen wel eens op

beschuiten in bessennat willen trakteeren, of nóg liever op panne- l

koeken met een hartig stukje spek er in. Maar neen, dat was die I

oude geest, die geest der verkwisting, de doodende snoeplust die \\ weer bovenkwam!

De arme vrouw! \\

Indien Anna bij het onderhoud, \'twelk de baron daarna met oom 1

heeft gehad, ware tegenwoordig geweest, ze zou misschien eenig be- I

grip van ooms vrijgevigheid hebben gekregen. Oom heeft den baron l een brief ter lezing aangeboden. Op het couvert stond het postmerk

Rotterdam, en de brief luidde nagenoeg als die, welke Lijning reeds 1

146

-ocr page 155-

ANNA ROOZE. 147

t in zijn verbeelding schreef, toen de baron hem op dien kermismid-

s. dag bezocht.

Oom is zoo beleefd geweest om den baron te zeggen, dat hij in weerwil van dezen brief — die hem namens lord Lidson Brice door a den heer Smit werd geschreven — de voorkeur aan mijnheer Geereke

a gunt. Lijning moest net bekennen, voor hem zeiven was dat buiten

e wonen, op zulk een kasteel met die diepe nissen en al dat onge

il wone, toch e i g e n 1 ij k een verkeerde zaak. Ja, hn moest er van

i- afwezen, en gevoelde wel dwaas te hebben gehandeld. Zijn lieve

a lijdende vrouw werd hier ook melancholisch.... „maar,\' zoo heeft

hij ten laatste gesproken: „het belang eener minderjarige zoekt men

u te behartigen mijnheer de baron, en nu heb ik besloten---- al-

i thans----in één\'woord: U hebt de voorkeur tot den prijs door lord

a Brice gesteld; en, uw positie in deze streken geeft u recht op die

voorkeur.quot;

3 De baron heeft in \'t midden gebracht dat het bod van lord Brice

i- ongehoord hoog was. — De zaak was Geereke niet heel helder,

a Maar den brief heeft hij gelezen, en — de bieder was een Engelsch-

man! — Moest dat zoozeer begeerde kasteel hem dan nogmaals ontgaan? Neen, dat kon niet, en, waar zulk een bod was ontvangen, daar e kon men toch ook niet verwachten het tot een minderen prijs te zul-

e len bekomen. — Geereke heeft acht dagen beraad verzocht, en — met

d de toezegging er van en de andere toezegging van Anna\'s komst

er bij, is de baron vertrokken.

\'t

i \'t Is nu omstreeks drie uur in den middag. Twee rijtuigen hebben

a de gasten uit Mulderspeet aangebracht.

De Haverkisten zijn met den grooten glazen wagen van Tronk ;- gekomen. Burgemeester Le Village heeft den kleinen tentwagen a

e quatre gehad, en daar hij gaarne aan het zusje van zijn secretaris

a Muller het vacante plaatsje heeft afgestaan, zoo heeft l\'ami Muller

ij moeten loopeu, maar wat l\'ami Muller betrof, hij deed het liever:

t heusch, loopen was gezond, op zulk een mooien weg, heusch!

De groote receptiezaal, waarin de gasten op \'t hartelijkst worden J ontvangen, maakt al aanstonds den aangenaamsten indruk.

\'t Is er heerlijk licht, want de heldere dag schijnt vroolijk door ■— de breede spiegelruiten naar binnen, slechts een weinig getemperd

;. door de val- en overgordijnen, de laatsten van een zachtrood damast,

p \'t Behangsel der zaal is rood velours, met vakken in vergulde

biezen gevat, terwijl het tapijt, daarmee in harmonie, het minst e bonte en meest soliede is, dat ooit door de beroemde Deventerfabriek

e werd afgeleverd.

Wendt men den blik naar de prachtige lichtkroon, zoo sierlijk van vorm in \'t midden der zaal, dan beschouwt men allicht iets a hooger het voorbeeldeloos schoone stukadoorwerk van den bekwamen

i- Mariens uit Amsterdam, waarvan èn teekening èn uitvoering moeten

a bewonderd worden.

i De trotsche marmeren pendule met het echt bronzen beeld van

s Minerva, benevens de beide antieke beeldgroepen op den forschen

-ocr page 156-

148 anna kooze.

schoorsteenmantel, trekken mede al spoedig de aandacht; maar, al heeft men bij het binnentreden reeds terstond en onwillekeurig een blik moeten werpen op het blauw porselein met zilver, benevens het fijn geslepen kristal, dat zich met zijn versnaperingen en de morgenwijnen in de ebbenhouten tafel spiegelt, toch voelt men zich al spoedig krachtiger aangetrokken door de prachtige schilderstukken, die den wand versieren en een ernstiger beschouwing meer dan waardig zijn.

Een groot gedeelte van het gezelschap bevindt zich in de zaal. Dominee Haverkist heeft als naar gewoonte bij het binnentreden een inderdaad zeer welgemeenden en waarlijk niet onaardigen heil-wensch met eenige zalving ontboezemd, maar dien tevens besloten met de stereotiepe zegenbede over zich en zijn huis: „dat hij en hetzelve, zich nog lang zouden mogen verheugen en zalig achten, in het bezit van zulke warme vrienden, als de dierbare bewoners van De Eenghorst!quot;

De onbekende gasten zijn aan elkander voorgesteld. Behalve met dominee\'s oudsten zoon, die altijd tegenwoordig moest zijn, en waarmee Anna vooruit in het rijtuig kennis maakte, heeft zij zoowel met het freuletje Stronk Van Zetten — eene logee uit den Bosch — als met de burgemeestersfamilie en juffrouw Muller, reeds eenige woorden gewisseld.

Mevrouw en mijnheer Geereke hebben Anna recht vriendelijk ontvangen en naar den gezondheidstoestand der familie Lijning gevraagd. Jonker Ernst, die juffrouw Rooze juist zijn compliment over haar beeldige krullen maakt, wordt door mama met een lachje gewenkt en gevraagd waar de heeren zijn?

„Neef Jas maakt geloof ik een vers ma, en Oc heb ik laten glippen ; die zou me dood loopen. Alle paadjes moest hij nog eens in, en op de boerderij en overal wou nij wezen, maar om drie uur zou hij thuiskomen. — \'t Is een neef van me, weet u, juffrouw Rooze; hij heeft me allemachtig mooi opgepast toen ik de mazelen in Utrecht had. Ik was doodsbang dat ik er iets uit zou houden. Ja, nietwaar, je kunt daar heel licht iets uit houden? Jeanne Korteyn — u kent ze misschien, in Utrecht? — niet? — nu, die heeft er nog roode oogleden van, affreus! Maar ik heb er geen de minste restes van. Hebt ü de mazelen gehad? \'t Is ijselijk onplezierig, vindt u niet?quot;

Anna had geen mazelen gehad.

„O dat is gelukkig!quot; zegt Ernst: „maar vindt u de pokken niet erger? Daar ben ik compleet baug voor. \'t Idee om zoo\'n monster te worden!quot;

,\'t Is een ziekte, die heel wat te vertellen heeft, en ze leert wel dat men aan uiterlijk schoon maar niet te veel moet hechten!quot;

„Neen, dat geloof ik ook; juist! maar vindt u een mooi mensch toch niet erg mooier dan een die leelijk is?quot;

„Wel zeker!quot;

„Ten minste daar hebt u onze logée Maria Stronk Van Zetten, als ik die lang aankijk dan word ik bepaald onplezierig gestemd. Weet

-ocr page 157-

ANNA ROOZB. 149

u, dat rosse haar vind ik hideux, en als ze nu nog blank was, maar haar teint is cendrilleus, vindt u niet? vindt u óók niet? En dan zoo\'n toilet! Waarom mama dat schepseltje vraagt is me onbegrijpelijk. Zoo\'n geelachtige basque; is dat nu een kleur! Houdt u van basques? Och u bent in den rouw, da\'s waar! Mij dunkt zoo\'n satin bleu damassé als van mama, dat zou u anders prachtig staan.

— Wat zien die Haverkistjes er ijselijk demi fortune uit, nietwaar? Ze kunnen het niet helpen. Ik zeg wel eens, van al die dochters samen zou er ééne mooie te maken zijn! uéne!quot; Jonker Ernst lachte zelf om zijn aardigheid vreeselijk hard. Moeder Haverkist — in haar zwart zijden japonnetje, een beetje gegeneerd — zoo laag!

— op een causeuse gezeten die, evenals de ebbenhouten stoelen, met rood damast waren bekleed — maakte de opmerking tot mevrouw Geereke, dat juffrouw Rooze zeker heel komiek moest wezen omdat de jonker zoo ijselijk lachte. En dan tot haar meisjes, die intusschen met de Le Villages en Willem in gesprek waren:

„Nou, jelui mag ook wel vroolijk zijn. Wat zegt u mevrouw? Och, wat is die Ernst — neem me niet kwalijk, ik kan dat „jonkerquot; nog maar niet onthouden — was is ie toch heerlijk opgegroeid! Ik houd van hem als van mquot;n eigen Willem. — Willem, heb je mevrouw je diploma van je candidaats in de letteren al laten zien? Dat is veel meer als een „proppedeuties,\'quot; weet u?quot;

„Neen moeder, dat draag ik niet in m\'n zak.quot;

„Nou dat zou ook wat wezen!quot; smakt de moeder: „Kale bluf is gek, maar als je knap bent mag een mensch er wel voor uitkomen ook! —• Ka! heb je den jonker al gevraagd.... je weet wel.quot; Ka werd als purper. O wat ware ze graag thuis gebleven. — „Nou kind je weet wel, van dat boek van mevrouw Toussijn, dat ze zeiden dat zoo mooi was. Och een bijbelsche naam, ik zou \'em honderdmaal noemen. Jefta neen, Simson. Och..

„Gideon Florens van mevrouw Bosboom-Toussaint? Wou u dat ter lecture juffrouw?quot; zegt mevrouw Geereke.

„Dat is te zeggen de meisjes mevrouw. — Haverkist zeit dat ze soms eens wat lezen moeten. Het boek van Gideon kende hij niet, maar Willem kwam met die reputatie en al die geleerdheid uit Utrecht. Ziet u, en dan van Gist heeft hij ook gerecommandeerd.

— Gist dat kunje zoo beter onthouden, ziet u. Maar ik. o lieve deugd, ik lezen! En dan — als ik denk zulke boeken te moeten schrijven. O m\'n lieve mevrouw, \'t zou er prachtig met m\'n huishouden gaan uitzien. Neen, het huishouden van zoo\'n dame die boeken schrijft dat zal je wat wezen! Ik wed de kinders geen kleeren aan het lijf. O foei, ik weet niet wat ik liever deed!quot;

„Hoor eens moeder, mevrouw Bosboom-Toussaint heeft geen andere dan haar papieren kinderen. Maar die kinderen, waaraan ze een zoo uitmuntende opvoeding geeft, tellen meer dan een heele boel doodeters in de wereld.quot;

„Zooals jij bij voorbeeld!quot; zegt Fietje, die een wrijfpaal voor haar gegeneerdheid zoekt en nu iets zegt dat niet aardig is.

„Hebt u mevrouw Bosboom ooit ontmoet mijnheer Haverkist?quot;

-ocr page 158-

ANNA ROOZE.

vraagt Anna, terwijl ze Willem een weinig naderbij komt en hem met haar heerlijke oogen vriendelijk aanziet.

Willem, ofschoon hij reeds kennis met Anna maakte en in het rijtuig met haar sprak, krijgt een zonderling gevoel, en zegt terwijl een vluchtige blos zijn wangen kleurt:

„Ja.... ik heb, of neen.... pardon, een vriend van mij heeft haar eens bezocht, een duchtig literator, en....quot;

„Och kom, en ho \' \' quot; quot;quot;quot; raagt mevrouw Le Village,

gesprekken te houden, en

juist aan Jans Haverkist heel zacht iets verteld heeft: „Heel in \'t geheim hoor; dol blij mee; tegen Februari; maar geheim, compris, dood geheim.quot;

„\'t Is nu twee jaar geleden — in 57 — dat mijn vriend haar op sen Zondag, den gewonen receptie-avond bezocht,quot; zegt Willem: „Maar, wat had hij zich een gansch verkeerde voorstelling van onze eerste romancière gemaakt. In plaats van een groote forsche vrouw, zag hij een lief klein persoontje met een innemend zacht, doch schrander gelaat.quot;

„Dat dacht ik wel!quot; roept mevrouw Le Village, en dan fluisterend tot Jans: „Geen woord hoor! \'k vergaf \'t je nooit! Diep geheim!quot;

„En handjes zoo fijn en zoo blank dat men het denkbeeld inkt er niet mee verbinden kon,quot; herneemt Willem: „Maar \'t geen hem het meest trof, vrij wat meer dan haar innemend voorkomen, was de eenvoudige wijze waarop zij — ja zelfs \'t liefst, over koetjes en kalfjes scheen te keuvelen. Toen mijn vriend een paar malen haar eigen werken citeerde, glimlachte zij vriendelijk, maar sprak aanstonds over iets anders. Een oogenblik slechts raakte zii in vuur, en \'t was toen men de eer van Garibaldi te na kwam. Ze zou de Triumf van Pizani schrijven zei ze, en terwijl ze dat zei, blonken haar oogen van een bijzonder vuur.quot;

„Werd er ook iets gepresenteerd Willem?quot; vraagt het zusje van mijnheer Muller, terwijl ze een blauw porseleinen bordje van de tafel neemt en een gebakje gaat nuttigen.

„Mevrouw Bosboom schonk zelve thee, meestal staande en erg beweeglijk; maar mijnheer Bosboom was haar zeer behulpzaam, \'tls een zenuwachtig menschje.quot;

„Nou Willem, net of je moeder dat niet is!quot; smakt juffrouw Haverkist: „Ik geloof dat zoo\'n schrijfster een raar gezicht zou zetten als ze eens voor m\'n veertiendaagsche wasch stond.quot;

„Mevrouw Bosboom aan de veertiendaagsche wasch en mevrouw Haverkist aan de Triumf van Pizani!quot; zegt Willem een beetje ondeugend.

„Wat weet ik van Pizanna!quot;\' antwoordt de moeder: „Al die geleerdheid daar breek ik mijn hoofd niet mee. Maar ik zeg dat een moeder voor d\'r kinderen en d\'r huishouding moet zorgen en geen verliefde romans schrijven. Als ik daaraan denk dan wil ik zelfs die heele Gideon niet in m\'n huis hebben.quot;

„Is die mijnheer Bosboom niet bij financiën?quot; zegt mevrouw Le Village, en dan tot mevrouw Geereke terwijl ze haar van verre een borduurwerkje toont, fluisterend snel:

150

-ocr page 159-

ANNA BOOZE.

«Mutsje voor een vriendin: bruidskorf! heusch!quot;

.Bosboom? wat?quot; zegt de gastheer, die schuins achter mevrouw Le Village met dominee een schilderij bezichtigt: „Lievemevrouwtje mag ik eens eventjes \'t plezier hebben je mijnheer Bosboom voor te stellen, qualitate qua namelijk. — Hier....quot;

„Die schilderij? Gud een kerk.... Is dat een doopvont? Gud!quot; — Zacht tot Anna, die naast haar staat: „Dat is weer een plagerijtje van den jarigen mijnheer. Och ik kan er tegen. U moet niet denken omdat ik een kleur krijg dat---- Och kom, is hij een schilder?quot;

„Hé ja, beeldig! Beeldig mijnheer Geereke. Hoe diep zie je d\'r in,quot; zegt Sophie.

„Vooral als je door de vuist kijkt,quot; voegt bloode Kaatje er bij, verheugd dat ze zich het halve gezicht kan bedekken.

,\'t Is een stuk dat ernstig stemt als men het lang beziet. Maar niet droevig. Vroolijk verheffend!quot;\' zegt Anna.

„Ik geloof dat Bosboom u dankbaar zou zijn indien hij dat hoorde,quot; antwoordt Geereke: „Ten minste het deed hem zichtbaar goed toen ik eens tot hem zei: Als je niet een zoo uitnemend kunstenaar waart mijn beste mijnheer, dan zou ik zeggen dat je stukken mij stichten. Ik kan een half uur achtereen hun kunstwaarde bewonderen, maar ten laatste gevoel ik nog iets alsof ze zeggen: Geereke je moet beter worden!quot;

„Ik ben geen schilder, en dat ik een groot kunstkenner zou zijn, daarvoor wil ik mij ook geenszins uitgeven, maar anders wat mij betreft, dat stuk daar is ook fijn,quot; zegt Haverkist, „dat daar met die schapen. Heel netjes, ik heb er altijd mijn oog op als ik hier ben; trouwens ik weet wel dat het hier anders niet in de zaal zou

hangen. — Ik mag het graag.... heel mooi----fijn----heel netjes!quot;

besluit dominee en slaat de handen op de puntige panden van zijn gekleeden rok.

„Ja, dat is een prachtige hei van onzen Simon Van den Berg,quot; zegt Geereke met ingenomenheid.

„Simon Van den Berg, is dat dezelfde, die verleden winter in \'t Nut te Amsterdam dat beeldige versje Spoorloos heeft gereciteerd?quot; vraagt het freuletje Stronk Van Zetten, en voegt er tot Geereke bij: „Ik logeerde toen bij oom, weet u.quot;

„Neen beste kind, dat is de dichter,quot; corrigeert de baron, „quot;t is geen familie zelfs.quot;

„Wel mijnheer Geereke, hoe heerlijk zooveel prachtige schilderijen te hebben!quot; roept Anna levendig.

„O, er zijn er nog een heeleboel meer!quot; zegt de jonker haastig: „Pa heeft de oude kunst in het kleine salon, en in de eetzaal zoowat van alles: van jonge schilders of de halve, weet u. \'t Kan pa niemendal schelen hoeveel hij er voor uitgeeft. Mooie lijsten vindt u niet? \'t Zijn cannaluur-lijsten. Dat stuk hier is een winter van Schelfhout, precies echt ijs nietwaar? En dat water met die schepen is van Waldorp. Dit is een landschap van Hendriks; dat stadsgezicht is van Springer. Ik ken ze natuurlijk allemaal.quot;

„Dit is zeker van Pieneman ?quot; zegt Le Village, terwijl hij het lorgnet

151

-ocr page 160-

152 ANNA BOOZE.

in de oogholte drukt, en niet den vinger naar een prachtig doek wijst, dat aan de eene zij naast een stadsgezicht hangt, van den man die een blaas zon in zijn verfkist heeft, van den meester Jan Weis-senhruch, en aan den anderen kant naast een landschap genaamd In \'t Gein van den genialen Roelofs.quot;

„Pardon. .. die visschersvrouw is... .quot;

,0 van Kruseinan. ... juist, j\'étais dan Terreur.quot;

„U meent van Jozef Israëls, burgemeester,quot; zegt Geereke snel.

„Juist ah juist, Israëls! ik kan nooit namen onthouden. Juist, het staat er op: J. Israëls. Prachtig, nietwaar juffrouw Rooze?quot;

„Zeker! — O mijnheer Geereke u weet niet hoeveel genot mij \'t zien van die stukken geeft.quot;

„Kom dat doet me, plezier. Ik zelf ben een beetje grootsch op dit twaalftal, en voornamelijk omdat ik zeggen kan: dat zijn nu allen echt Hollandsche namen op echt Hollandsche kunstwerken.quot;

„Als men die vrouw van Israëls\' doek lang beziet, dan gaat men waarlijk met haar verlangen en wachten; \'t is treffend!quot; zegt Anna.

„Een bewijs dat het stuk goed is,quot; antwoordt Le Village met beslissing.

„Ik geloof dat u gelijk hebt met het stuk een zekere waarde toe te kennen, omdat het dien indruk maakt; maar ik geloof nog niet dat het een bewijs zijner kunstwaarde is,quot; merkt Geereke aan: „Israëls heeft een kunstwerk willen leveren en niet slechts een vrouw, die uw medelijden afdwingt.quot;

„Ik houd mij overtuigd,quot; zegt dominee, nadat hij een glaasje port van het zilveren blad heeft genomen, waarmee Jozef rondgaat: „dat mijnheer Israëls heeft willen uitdrukken wat geschreven staat: De

onmatigheid is---- Och is.... enfin. Nietwaar, de Kunst moet een

middel zijn tot opvoeding en leering, tot vertroosting in lijden zelfs. — A propos baron, men zou dat met de kermissen kunnen in \'t oog houden. Schilderijen tegen de onmatig- en onkuischheid, in één woord tegen alles, waartegen ik als leeraar de gemeente te waarschuwen heb.quot;

De gastheer was beleefd genoeg om dominee niet rechtstreeks tegen te spreken. Het aanschouwelijk voorstellen van de droevige gevolgen der zonde kon zeker — zooals men vroeger met neef Jasper behandelde — zijn goede zij hebben, maar, of de Kunst zich als predikster op den voorgrond mocht stellen: dit meende de baron te moeten betwijfelen. Dominee zou het hem zeker toestemmen dat de roeping der Kunst niets anders was dan: het streven naar het ideaal aan de hand der natuur.

„Volmaakt! dat wilde ik met andere woorden juist uitdrukken!... . Dólicieuse port mijnheer Geereke, délicieus!quot;

Een oogenblik later gaf de baron een wenk aan Jozef.

Jozef kwam met den port, maar dominee zei, en niet zonder eenige bedoeling:

„Dank je Jozef, ik gebruik niet meer dan hoogstens één glaasje voor den eten. Dank je vrind!quot;

Willem Haverkist maakte bij zich zeiven de opmerking of vader

-ocr page 161-

ANNA BOOZE.

i niet op dat oogenblik juist een tableau vivant van didaktisohe kunst

vertoonde.

Jozef zweeg zooals \'t behoorde, maar hij dachl:

— Da\'s een valsche zet van dominee. Hij doelt op dien verkoopdag van De Bunt; maar die borrel was vuur.... Nou ik maal er wat om: \'k zal \'em wel krijgen aan tafel!

De dames waren druk in gesprek over handwerken en de nieuwste patronen, en spraken over het onderscheid, dat er tusschen het Journal des demoiselles en de Aglaja bestond. Mevrouw Geereke had het eerste: de burgemeestersvrouw was op de Aglaja ingeteekend.

Anna Kooze die a propos van een nieuw model van bakerkussen, juist het burgemeestersvrouwtje heeft toegestemd dat men onmogelijk alles zeggen kan wat men weet of denkt, en ja zeker dat de menschen wel eens indiscreet kunnen zijn met vragen.... alsof een jonge vrouw enfin.... niet eens \'t een of ander kon hebben niet waar....? Nu Anna dit alles gaarne heeft toegegeven, nu hoort ze Willem Haverkist zeggen:

„Ha mijnheer Geereke, wanneer u de roeping der kunst noemt het streven naar het ideaal aan de hand der natuur, dan is dunkt mij die fameuze tendens quaestie — waarover we ons op ons dispuut-college reeds zoo dikwijls warm maakten — geheel en al opgelost: Waar een streven naar het ideale aan de hand der natuur bestaat, daar is tendens!quot;

„Ten minste wanneer het ideale in het kunstwerk bereikt is, Willem !quot; zegt Geereke met een vergenoegden blik.

„Ja dat is klaar,quot; roept Le Village: „Zoo heb ik een magnifique plaat, voorstellende een engel, heel in een gaasachtig floers, die een kindje aan een ledige wieg ontvoert, brillant! compleet ideaal!quot;

„Nu, dat nare ding kun je wel weghouden!quot; fluistert mevrouw Le Village vrij luid: „Als je mij op zulke histories trakteeren wilt, dan.... enfin....quot; Zacht tot Jans: „Ze hebben soms niets geen nagedachte die mannen.quot;

„Dat is niet heelemaal het ideale zooals wij \'t bedoelen burgemeester,\'- herneemt Geereke: „Uw plaat of haar voorstelling komt meer op het gebied der symboliek.quot;

„Ja juist! precies, dat meende ik ook; juist!quot; zegt Le Village ,( eenigszins in verwarring: „de symboliek! Men heeft van die emblê-

mes....quot;

„Bij voorbeeld: den uil voor Minerva!quot; valt Willem in, en Anna kan den blonden schalk niet aanzien zonder vluchtig te glimlachen.

De burgemeester, die wel is waar meestal uit overhaasting den bal misslaat, en dikwijls beter zou doen niet mee te kolven, is echter volstrekt geen soes of domoor; hij zegt tot den student zacht maar scherp: „Zoo Haverkist, dan ben jij nou zeker desperaat dat je het groote nest verlaten hebt. Ik hoor ze van verre al om ie krassen.quot; En dan nog zachter: „We houden niet van die aardigheden, versta je.quot;

Geereke heeft er iets van gehoord, en, aanstonds zijn geliefden

153

-ocr page 162-

154 ANNA ROOZE.

jongen vriend vertrouwelijk op den schouder Kloppende, zegt hij met den blik op Le Village:

,\'t Is zeer dom van mij Willem, maar ik beken niet te weten hoe Minerva aan haar uil is gekomen---- Burgemeester weet u het?quot;

„Neen pardon; ten minste op \'t oogenblik ...

„Dan moet jij ons maar uit den droom helpen Willem. Je bent nog al zoo\'n mytholoog,quot; herneemt Geereke met vertrouwen op de kennis of de gevatheid van zijn lieveling.

„Ik.... neen----quot; zegt Willem eenigszins verlegen: „Ik weet

wel dat Minerva in haar volle wapenrusting uit papa Jupiters hoofd is gekomen, nadat Jupiter eerst mama Metis had opgepeuzeld,

maar.... van dien.... uil----? Neen, dat weet____ daar heb ik

nooit over gedacht.quot; •

Le Village voelde zich gewroken.

„Wie weet,quot; zegt Anna snel terwijl een vluchtig blosje haar wan gen kleurt: „wie weet of het emblema niet zeggen wil: zelfs wakker en klaar-ziende bij nacht, zooals.-..quot;

„De uil!quot; roept Le Village; „ja juist; dat wou ik juist zeggen!\'quot; En — bij zich zeiven vindt hij die juffrouw Rooze een engel, en —

enfin, als hij Elize niet had, dan---- enfin hij had haar wel willen

omhelzen.

Onder degenen, die juffrouw Rooze over haar „zeer natuurlijke en daarom — volgens Geereke — echt geestige uitleggingquot; hun compliment maakten, stond jonker Ernst vooraan, en zeer naïef besloot hij:

„Dat zou een mooie pique sous 1\'eau voor juf Molenwiek zijn geweest, want die houdt van slapen! o hé!quot; En dan een oogenblik later terwijl hij zijn oogen onbeweeglijk strak op Anna\'s golvende lokken houdt gevestigd, zegt hij aarzelend zacht;

„Brillant! — Als het niet indiscreet is.. .. papillotten.... of.... natuur....?quot;

Anna had het niet gehoord. Het gesprek der heeren heeft haar belangstelling opgewekt.

Men bezag een uitmuntend fraaie schilderij van den genialen David Bles. \'t Was een sujet genomen uit de Zinne- en Minnebeelden van Vader Cats. Nadat Geereke eenige oogenblikken over de kunstwaarde der schilderij had gesproken, maakte dominee Haverkist de juiste opmerking dat dit werk een voortreffelijk kunststuk, maar tevens een leerende of.... of.. ..

„Didaktische....quot; zegt Willem zacht.

„Ja mannetje, ik weet wel!quot; herneemt Haverkist; „ik zeg dat dit atuk alzoo niet slechts naar het ideaal streeft, maar tevens een leerende, onderwijzende, of zooals wij dat zouden noemen, een didaktische tendens heeft.quot;

„Daarin hebt u volmaakt gelijk dominee!quot; zegt de baron: „Wanneer we ten minste deze schilderij wat de voorstelling betreft, niet de reproductie van het leerdicht van Cats mogen noemen.quot;

„Maar dan toch al heel origineel gereproduceerd,quot; meent Willem: .Wanneer men zoowel het geheel als al do détails beziet, dan dunkt

-ocr page 163-

ANNA BOOZE. 155

mij staat Bles — uiet als schilder maar als dichter en didakticus — tot Vader Cats als.... wie en wat zal ik noemen, ja, zooals ten opzichte van den stoomwagen: Steffenson staat tot Salomon de Caus.quot;

Geereke weet niet of de vergelijking van zijn jongen vriend zoo heel juist gekozen is, maar men begrijpt wat hij zeggen wil.

„Ik geloof Willem,quot; zegt hij, „dat je als een rechtgeaard zoon, nu weer geheel eenstemmig met je vader denkt en----quot;

„Neen, neen!quot; zegt Willem.

„Ja, onwillekeurig misschien. Dominee wil de Kunst wat meer te doen geven, en is met onze formule niet tevreden. Dat Kunst het streven naar het ideale moet zijn aan de hand der natuur, is hem niet genoeg; en jou bewondering Willem, voor de wijze, waarop Bles de groote les van Cats uitwerkt, is mij een bewijs dat jij óók niet tegen de didaktiek bent. — Nu wordt het dan de vraag of de Kunst rechtstreeks mag leeren ook....?quot;

„Ja ja,quot; knikt dominee: „dat is de vraag.quot;

Anna voelt wel eenigen schroom maar zegt toch vrij bepaald:

„Ik zou meenen dat de Kunst alles mag leeren wat goed is, zooveel zij maar wil, mits — dat haar werk in waarheid een kunstwerk blijve.quot;

De baron en Willem wisselen snel een blik van goedkeuring, terwijl Anna, waarlijk een beetje over haar eigen stoutmoedigheid verlegen, zich haastig ter zij tot Ka Haverkist wendt. — Kaatje vond het gesprek precies een gesprek om dood van te gaan; lachen gaf eens een afleiding, maar dit, zoo wijs, zoo saai.... Och was ze maar thuis! — En, terwijl Anna haar vriendelijk toespreekt, herhaalt Ernst, al voor den derden keer sedert Willem Haverkist den naam Salomon de Caus heeft genoemd, zijn vraag:

„De Kous! een triviale naam, vindt u niet juffrouw Rooze?quot;

„Arme ongelukkige man!quot; antwoord Anna.

„Arm! och kom!quot; herneemt Ernst; en zachter: „Als er soms iets aan gedaan moet worden, met alle plezier! Wanneer ma van ongelukken hoort dan doet zij alles; en om u de waarheid te zeggen: ik kan er ook niet tegen. Leelijk en ongelukkig vind ik allebei heel naar. Bloed kan ik ook niet zien, U! —? Woont die Kous in Am.... of....?quot;

Anna, die het geluk heeft haar lachlust meester te blijven, antwoordt den zoon van haar gastheer:

„Pardon. De Cans was geloof ik een der eerste uitvinders van den stoom als beweegkracht, maar moet daarom krankzinnig verklaard en in het krankzinnigengesticht van Bicêtre gestorven zijn. Ik heb dit eens toevallig gelezen.quot;

„Maar \'t is toch ellendig,quot; roept Willem Haverkist, die schuins achter Anna staande een weinig heeft geluisterd: ,\'t Is verschrikkelijk dat een geschiedkundige leugen zoo\'n opgang kan maken. In een Musée des Families, ik meen van 1847, doet Henri Berthoud amende honorable, want om een plaat van Gavarni, een krankzinnige voorstellende, in zijn Musée te kunnen gebruiken, dichtte hij de bekende legende van den Franschen ingenieur De Caus. Wel verre

-ocr page 164-

ANNA BOOZE.

dat deze zijn laatste dagen in een krankzinnigengesticht moest slijten, was hij de beschermeling van Richelieu, en nog in 1624, twee jaren voor zijn dood, droeg hij dezen zijn verhandeling over de zon-uurwerken op.quot;

„Nu, als men de geschiedenis niet eens meer vertrouwen kan !quot; zegt Ernst.

„De wetenschap heeft scherpe oogen Ernst; wees jij maar gerust.— Zie, al had Berthoud niet zelf verklaard dat hij den brief van Marion Delorme aan Cinq Mars verzon, en het verhaaltje over den gewaan-den krankzinnige, dien ze te Bicêtre zou hebben gezien, uit zijn duim zoog, dan heeft de onvermoeide kenniszucht van dezen tijd alweer de waarheid aan het licht gebracht, en uit authentieke bronnen op \'t duidelijkst doen zien, dat De Caus heel rustig in dienst van den koning in 1626 te Parijs gestorven is, en op het kerkhof La Trinité begraven werd.quot;

„Jij weet toch alles Willempje,quot; zegt Ernst een weinig uit de hoogte, en strijkt de zwarte kneveltjes op.

„Dat meent m\'n moeder ook,quot; antwoordt Willem.

Anna heeft voor zich heengezien; ze is ontevreden op zich zelve: ze vindt de leugen mooier dan de waarheid; den ongelukkige van Bicêtre met zijn grootsche uitvinding had immers veel meer haar sympathie dan de ingenieur, die rustig zijn laatste dagen sleet en op het kerkhof La Trinité werd begraven. Maar Ernst Geereke gunt haar geen tijd om zich rekenschap van die gewaarwording te geven. Het gesprek heeft hem een beetje verveeld. Wat ging hem „die oude kousquot; aan.

„Zie eens juffrouw Rooze, vindt u dat geen mooie zee? Dat is van Louis Meijer. Een schipbreuk ziet u wel ? Ik vind altijd dat die witte meeuwen daar zoo mooi tegen die donkere lucht vliegen. Precies Scheveningeti, vindt u niet?quot; Kent u Scheveningen?quot;

„Ja wol, ik ben er een paar maal geweest.quot;

„Och kom! En gebaad?quot;

„Neen.quot;

„Niet? O dat is sympathie, ten minste ik maar ééns; maar ik vond het heel akelig. Zoo koud, en je haar gaat zoo in de war en wordt er zoo plekkerig van. En dan — met je goed in zoo\'n klein vies koetsje. Vindt u ook niet?quot;

Een oogenblik later werd de zaaldeur geopend en trad neef Jasper gevolgd door drie heeren de zaal in. \'t Was Anna een oogenblik alsof alles haar draaide voor de oogen. Zij gevoelt dat ze doodsbleek is geworden.

„Ha daar heb je Breed ook. Wel Osje, heb je nou genoeg van de koeien?quot; roept Ernst zijn neef den jonker Oscar Van Breeland toe, en, als hij hem ter zij is gekomen, dan voegt hij er fluisterend bij: „Nou zul je d\'r zien! O kerel je weet niet wat een goddelijk en-

Seitje ze is. En een verstand! zelfs jou en Willem is ze te knap.eitje ze is. En een verstand! zelfs jou en Willem is ze te knap.

\'aar staat ze. Zie je ze niet? Daar bij Fietje Haverkist____ met

die eeuwig mooie krullen en dat beeldig gezichtje!! Neen, links — och — nu kijkt ze juist naar den anderen kant. Zie je.... nu gaat

1amp;6

-ocr page 165-

ANNA EOOZE.

ze in eens naar Jans Haverkist, \'tis een beeldje! — Pas op! — Daar draait zij zich om.... Zie!quot;

Oscar Van Breeland ziet. .. en ziet niets. Duizend exclamaties heeft hij gisteravond en van morgen op de wandeling gehoord; Wj. zou een meisje ontmoeten: een engeltje, een beeld! Marie Von Scheele in \'t goddelijkequot;, een engeltje, iets zoo „over de frappantsquot; dat Oscar een oogenblik hartelijk gelachen en gevraagd heeft, of „dat jufferbeeld misschien een verbeterde uitgave van de Venus van Milo was?quot;

Den waren naam van die ,Marie Von Scheele in \'t goddelijkequot; heeft Oscar — zoo hij er al naar gevraagd heeft — niet vernomen. Ze zou met de Haverkisten meekomen en van De Runt worden afgehaald. Ze zou....

Maar nu, nu weet hij wie ze is, die zijn neef Ernst zoozeer in verrukking hield. Oscar heeft Anna Rooze herkend, en het is hem groen en geel voor de oogen geworden; want — ofschoon zij hein in den spoorwagen heeft gezegd, naar Gelderland op een buiten bij een oom te gaan wonen, hij heeft geen oogenblik kunnen denken dat het zóó nabij De Renghorst zou wezen, en althans niet dat hij haar den 23st\'quot; bij oom en tante Geereke zou wederzien.

Eenige oogenblikken later staat Oscar tegenover Anna, en betuigt haar met een hoffelijke buiging zijn blijde verrassing dat hij haar na de aangename kennismaking hier mag terugvinden. — In stilte moet Oscar echter bekennen dat de Geldersche lucht het meisje — ofschoon zij even schoon is als toen hij haar in den spoorwagen zag — geen goed heeft gedaan. Zij is bepaald magerder geworden, en, indien hij zich niet bedriegt, wat bleeker ook.

Zou het beeldschoone meisje....? Oscar staat voor een raadsel, waarin de namen Ernst en Oscar een hoofdrol spelen. Aan de keuken van mevrouw Lijning denkt hij niet. Dat is natuurlijk.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Oscar is al spoedig met juffrouw Rooze in gesprek geraakt. — Neef Jasper begroet dominee Haverkist op zijn eigenaardige wijze:

,U weet dominee waarom men zich op zijn jaardag verheugt?quot;

En dominee antwoordt:

„Wel ja-ik overste! wij verheugen ons met dankzegging dat ons weder een jaar is toegevoegd bij de jaren onzes levens.quot;

„We moeten alle dagen danken dominee, maar ik spreek van verheugen en, op den verjaardag doe ik het niet omdat ik alweer een jaar ouder ben geworden, maar omdat ik nog een jaar jonger ben dan op den dag als het weer een denkbeeldig halt zal wezen.quot;

157

-ocr page 166-

158 ANNA BOOZE.

,Verheugt u met beving... heeft dominee gevischt, maar \'t heeft hem berouwd, en tevens heel wat moeite gekost om den zeer bijzonderen visch, dien hij aan \'t aas kreeg, weer kwijt te raken.

Ofschoon de gastheer zijn neven Oscar en Jasper op verschillende punten aanstonds op hun dreef en in gesprek ziet, bespeurt hij toch aan Oscars vader, zijn zwager Van Breeland, en evenzeer aan den jongen secretaris Muller „die is komen wandelenquot;, dat er iets moet wezen dat de heeren onaangenaam stemt.

,Och neen Wouter, er is niemendal, volstrekt niet,quot; zegt de baron Van Breeland zacht, nadat hij de dames begroet en later een glas madera gedronken heeft.

„Waarom fluistert Muller dan zoo geheimzinnig met Le Village? Ja wel Dirk, er is wat....!quot;

„Och Wouter, je inoest niet zoo bezorgd zijn. Er is niets ... niets van belang.quot;

„Nu maak je \'t erger. Is er een ongeluk met de dienstboden.... met ...?quot;

„Neen; als je zoo iets denkt.... Maar waarlijk \'t is niets, ten minste voor ons.quot;

„Misschien kunnen we helpen?quot;

Le Village komt snel op den baron toegeloopen, en zegt geheimzinnig en geaffaireerd halfluide:

,\'t Spijt me ontzettend mijnheer Geereke, maar een bijzondere omstandigheid roept mij — qualitate qua.... u zult dat begrijpen. Een naar geval. Ik moet oogenblikkelijk naar \'t raadhuis. Een der veldwachters is meegekomen. Ik hoop dat u mij zult willen verontschuldigen.quot; Zachter: „Er is een lijkje gevonden!quot;

„Guns lief! wat is er?quot; roept mevrouw Le Village.

„Niets Lize. Volstrekt niemendal. Men heeft mij noodig. Je moet volstrekt niet ongerust zijn. — Mevrouw Geereke, u zult mij per-mitteeren. Als ik mag, dan kom ik straks terug, ik moet.quot;

„Neen Charles! Neen!quot; zegt mevrouw Le Village gejaagd: „Wou je mij alleen laten!.... Ten minste, ja, het moet al heel, al bijzonder interessant zijn indien het interessanter is dan.... enfin! Niemand zal mij kwalijk nemen, maar als de man om iets akeligs wordt weggeroepen terwijl de vrouw.... mij dunkt dan is er geen reden dat hij gaat. Neen Char, ie kunt me niet alleen laten.quot;

„Maar beste, in dit aangename gezelschap ben je toch niet alleen.quot;

„Ja dat is wel mogelijk, maar denk je dat ik dan rust heb! Ik wou dat je nooit dat baantje van burgemeester genomen hadt; altijd in narigheden!quot;

„Maar lief Mevrouwtje,quot; zegt de gastvrouw, terwijl zij de geagiteerde burger-moeder bij de kleine hand vat: „mijnheer Le Village zal immers spoedig terugkomen; wij zullen even de coupé laten inspannen en als burgemeester daarvan gebruik wil maken — nietwaar Geereke — dan kan hij nog voor den eten weerom zijn.quot;

\'t Lieve mevrouwtje wordt van alle zijden gerustgesteld, en ofschoon ze verzekert dat deze agitatie haar bepaald kwaad zal doen —

-ocr page 167-

ANNA KOOZB.

,och, ze kan niet alles zeggen, maar ze weet het zeker: „kwaad!quot; — ze berust toch in \'t einde.

Terwijl nu „liefquot; met den secretaris Muller „die was komen loopenquot;, in het mooie coupétje van mevrouw Geereke wegrijdt, doet de baron den voorslag om den heerlijken dag nog wat te genieten en vóór het diner een gezamenlijke wandeling te doen. Mevrouw Le Village, die, mede door den gastheer daartoe uitgenoodigd, bij haar woorden: „Dank u zeer!quot; een blik voegt alsof ze wil zeggen: hoe kan men mij zoo iets vragen! wordt nu door de vriendelijke mevrouw Geereke zachtjes op den schouder getikt en verzocht om maar eens stilletjes met haar te willen meegaan. Met moederlijke welwillendheid neemt de barones het burgemeestersvrouwtje onder den arm, en brengt haar in de kleine blauwe kamer, waar ze zich nevens haar op een met blauw trijp bekleede causeuse nederzet.

„Ziezoo lief mevrouwtje, hier blijven wij nu samen een beetje keuvelen,quot; zegt mevrouw Geereke: „Neen, waarlijk ik wil niet wandelen. — Best Jozef, heb je daar den bouillon; zet maar neer.... Je hadt wel een grooteren bouillonkop kunnen nemen; breng er over een kwartiertje nog een, en neem er dan een van de blauwe met deksels, naast net lila-servies.quot;

„As je blief mevrouw!quot;

„Jozef!quot;

„Mevrouw?quot;

„Je moest nog even het trommeltje met de beschuitjes halen. Ei, zeg eens.. .. weet jij ook wat er in \'t dorp gebeurd is? Toch geen ongeluk is \'t wel?quot;

„Neen dat niet mevrouw. Mossel de veldwachter zei, dat ze in \'t hout bij de hei — op den Heksendans za\'k maar zeggen — zooveel als het „verraamtequot; van een pasgeboren kind hebben gevonden, in vergevorderden staat van ontbinding zei Mossel: \'t is afgrijzens-waardig mevrouw. — Nog iets anders dan de beschuitjes, mevrouw?quot;

Dat was te veel voor het arme burgemeestersvrouwtje in haar zalige verwachting. Zij zag haar Charles bij het lijkje van een pasgeboren kind.... en ... ze werd wit om het fijne neusje, en ze werd zoo koud en, eer dat mevrouw Geereke het arme wijfje ondersteunen kon, lag ze achterover in de blauwe causeuse.

Door den jarigen gastheer voorgegaan, doorwandelden de feestge-nooten intusschen het schoone landgoed.

\'tWas volgens dominee een hemelsche dag en het zonnetje scheen zoo vriendelijk en koesterend, alsof het zelve blijde was dezen heerlijken feestdag te mogen bestralen. Inderdaad, wanneer er maar wat meer blad aan de boomen en het overgeblevene niet zoo bruin en geel ware, dan zou men zich geen heerlijker Septemberdag kunnen voorstellen.quot;

Dominee heeft dit alles tot een zeer deftige en nog schoone dame gezegd, die omstreeks vijftig jaren oud was en langzaam aan zijn zijde voortwandelde.

Mevrouw Van Breeland antwoordt dat zij het anders niet zou ge

159

-ocr page 168-

ANNA BOOZE.

•waagd hebben mee te gaan. Letterlijk heeft zij het heele jaar nog niets van het seizoen kunnen profiteeren, en, als zij dezen morgen niet zoo kalm haar kamer had gehouden — ook vooral na de reis van gisteren — dan zou zij niet in staat zijn geweest van de partij te wezen. Zij is zeer lijdende, zeer!

,Och kom,quot; zegt dominee: „ik mag het tegendeel getuigen.quot;

Mevrouw Van Breeland verzekert dat zij niet graag van zich zelve spreekt, noch van dat, wat haar het leven tot een kruis maakt, maar tot een predikant.... „c\'est différent.quot;

„Natuurlijk mevrouw, natuurlijk!quot;

,0, mon cher pasteur,quot; vervolgt Oscars moeder: „Dieu seul con-nalt mes souffrances. Mais j\'y songe toujours; Ie Seigneur 1\'a dit: Heureux ceux qui sont dans 1\'affiction, car ils seront consolés. Ah! la parole consolante\' et pleine de chaleur, n\'est-elle pas la preuve «l\'un amour divin; ne reconnait-on pas Dieu lui-même dans cette parole, le Dieu qui nous a sauvé par rincarnation de son fils aimé, notre Seigneur Jésus Christ.quot;

„Oui — oui maadaame Van Breeland,quot; zegt dominee: „Je--., je... . oui.... je dis cela toujours a ... oui toujours, mais....quot;

„Wat drommel, praatje daarFransch. mijnheer Haverkist!quot; roept de overste, omziende: „Neem me niet kwalijk, maar Fransch pratende Nederlanders in Nederland, ben ik altijd zoo vrij met kinderen te vergelijken, die d\'r eigen moeder willens in \'t gezicht slaan.quot;

-Ja maar ik, ik sprak.... ik begon niet,quot; verontschuldigt zich dominee — niet zeer hoffelijk.

„Foei overste,quot; zegt Jans, die naast den overste heeft geloopen, en nu evenals hij, met mevrouw Van Breeland en haar vader voorgaat: „ik vind dat u mevrouw wel excuus moogt vragen, want mevrouw spreekt zoo heelmooi Fransch, en \'t was alleen om mevrouw te antwoorden dat vader het deed.quot; \'t Was lief van Jans en goed gemeend, maar fijn was het niet, vooral niet voor de zuster van den gastheer.

„Dan zal ik maar eens heel natuurlijk wezen — zooals Geereke dat noemt,quot; zegt Bel; „en op het commando van juffer Jans vergiffenis vragen. Ja, mevrouw Van Breeland, \'t is ook wel wat erg dat de oude wijsneus zoo maar ongevraagd zijn meening zegt, maaibij m\'n ziel, ik hoor nog liever tien duizend Hollandsche nachtegalen een concert geven, dan zelfs de liefste Hollandsche meid tot landgenooten op den geboortegrond een andere dan de schoone moedertaal spreken.quot;

Mevrouw Van Breeland duidt het den overste in \'t geheel niet ten kwade dat hij zijn meening zegt. Hij zal haar echter van een ;dispuut over die meening willen verschoonen. In haar kringen —-in Den Haag — spreekt men Fransch. Op allerlei gebied heeft men velerlei meening en wel daardoor, dat deze de zaak van de hoogte en gene haar uit de laagte beschouwt. — Maar dan — „pour montrer qu\'elle n\'apoint de rancune,quot; zegt zij zeer vriendelijk tot den overste:

„U logeert al eenigen tijd op De Rengho rst,\'mijnheer Bel?quot;

„Ruim vier weken mevrouw,quot; antwoordt de overste, maar ver-

160

-ocr page 169-

ANNA ROOZE. 161

volgt dan — niet van zijn stuk gebracht: „Twee dagen voor mijn aankomst was ik in Den Haag in een winkel. Dat begon al dadelijk met dat gemummel M\'sieur m\'sienr, désire....? Ik zeg, wat Donderdag juffrouw, als jij m\'n Hollandsohe dubbeltjes zien wilt, dan moet je ze maar op z\'n Hollandsch verdienen. En — wat denken de vrinden dat ik in katvisch-Hollandsch ten bescheid kreeg? Ja dat was mooi! Het spitsneusje zei, dat anders de heele beau-monde in Holland haar belle langue sprak — dat wil zeggen de taal van de winkeljuffrouw. — Zie je mevrouw, in Den Haag, op je hofpartijen met al die buitenlanders, dan heb ik er vrede mee. daar wil ik zelf toonen dat ik m\'n mondvol Fransch leerde; maar onder ons — je zult me ten goede houden — \'t Is of je zegt: liever Fransch dan Hollandsch en dat nooit van z\'n leven!quot;

.Volkomen met u eens overste, volkomen!quot; zegt dominee: „Maar ziet u, mevrouw Van Breeland spreekt het met ontzettend veel gemak; maar ik — de ongewoonte. Ik houd het ook met onze rijke moedertaal.quot;

„Wat blief Geereke?quot; roept de overste: „Ja ja, ik kom.quot;

Juffrouw Haverkist, die de eer genoot tusschen den gastheer en zijn zwager Van Breeland vooruit te wandelen, had niet opgehouden paar de ware oorzaak van dat spoedige vertrek van burgemeester en den secretaris Muller te visschen, zoodat Geereke haar in \'teind de zaak had meegedeeld. Juffrouw Haverkist, wel verre echter van bevredigd, had oog noch oor dan voor het schandaal, en zich verdiepende in allerlei gissingen, meende zij eindelijk wel de schuldige op \'t oog, of — zooals de dominee\'s-vrouw zich nog anders uitdrukte ■— „in den neusquot; te hebben. Als ze maar wist aan welken kant van \'t dorp het lijkje gevonden was!

Neef Jasper, die mee de eerste tijding had opgevangen, wist er meer van, en, Geereke heeft hem geroepen en herhaalt nu zachtjes de vraag van juffrouw Haverkist.

„Daar....?!quot; roept de juffrouw met een vreeselijken opsmak: „dan is het Grietje Hobbes!quot; en terzelfder tijd vermorzelt zij met de zool van haar Bossche rijglaars een dikke slak, die zeker per abuis mooi weer op haar staart droeg.

„Ajasses!quot; smakt juffrouw Haverkist, en dan: — „Eerst dacht ik dat het Diene van den smid zou wezen; maar nou — achter den Heksendans, nietwaar overste? nou zou ik m\'n pink durven verwedden dat het Griet is. \'t Is een gemeen licht schepsel.... altijd geweest!quot; Stilstaande en roepende naar achter:

„Ei Haverkist, daar heb j\'et al! Jij met je philosophische idees, en je geloof aan de heiligheid van je \'Mulderspeeters! \'t Is wat heiligs m\'n lieve man! En dat nog wel jou mooie knappe Griet Hobbes! \'k Heb \'et altijd gedacht.quot;

„Wat Dine? Wat blief?quot;

Ofschoon de gastheer juffrouw Haverkist in bedenking geeft, of het niet goed zou zijn de zaak wat zachter te behandelen.... om de jonge meisjes, nietwaar? —- zoo is juffrouw Haverkist met den besten wil van de wereld niet in staat om haar schreeuwerig geluid,

v. 11

-ocr page 170-

ANNA BOOZE.

vooral nu zij werkelijk ontroerd is, eenige tonen lager te stemmen. Niet slechts mevrouw Van Breeland, Jans en dominee, maar ook de jongelieden, die achteraan kwamen, vernemen — stilstaande in het smalle pad — min of meer volledig wat er in het dorp gebeurde, en welke gevolgtrekking de dominee\'s-vrouw al aanstonds gemaakt heeft.

Dominee, uitermate verbaasd, verklaarde in gemoede dat zoo iets in zijne gemeente schier onmogelijk kon gebeurd zijn — ofschoon hij zich aanstonds, behalve Grietje Hobbes, een zestal andere mogelijke schuldigen voor den geest haalde, zoodat hij later in gemoede zal kunnen getuigen dat hij van den beginne af de vreeselijke zondares gekend heeft.

Mevrouw Van Breeland vond, bij zich zelve, die geschiedenis zoo indélicaat dat zij niet begreep hoe een dame — enfin dan toch een fatsoenlijke vrouw — daarmee voor den dag durfde komen. Ware het geen dominee\'s-vrouw geweest, zij zou zich misschien op beleefde wijze een woord van afkeuring veroorloofd hebben, maar nu, nu zegt ze met een blik dien Oscar verstaat:

„Als je dat paadje gaat dan heb je rechts den koepel.quot;

„Juist, links ma....quot; zegt Oscar, die den wenk heeft verstaan.

,\'t Is waar Oscar, rechts is het doolhof. De jonge dames moeten toch eens even door de mooie glazen zien.quot;

De jongelieden verdwijnen, en als ze verdwenen zijn, dan zegt mevrouw Van Breeland dat het inderdaad diep, dien bedroevend is, zoo weinig als in deze tijden de Heiland der wereld wordt gekend: „Neen men steunt niet op Zijn kruis der zaligheid, maar valt en

bezwijkt door de---- de----quot; Mevrouw kon het Hollandsche woord

niet vinden.

Geereke vond het maar beter dominee met zusje te laten theolo-giseeren. Zij was een lieve, een waarlijk godvruchtige vrouw, maar als men met haar aan \'t praten raakte, dan eindigde zij altijd met medelijden, zielsmedelijden te krijgen. Er stond dan altyd zoo duidelijk dit of ddt geschreven, en —• wanneer men dikwijls het gesprek reeds lang vergeten was, dan vond men bij \'t zakdoekuithalen, of \'s middags tusschen het servet, of \'s avonds op het bed-dekussen een min of meer toepasselijk traktaatje. — Ja, zelfs een enkele maal was het gebeurd, dat men eenige dagen later er een ontvangen had zóó gansch en al in den geest van het gevoerde gesprek — met de vóórnamen der personen er bij en een vermaan tot bekeering aan \'t eind -— dat men wel besluiten moest: Expres-selijk voor deze gelegenheid vervaardigd!

\'I erwijl juffrouw Haverkist intusschen niet rust om manlief aan \'t verstand te brengen, dat ze hier te Mulderspeet precies zoo slecht zijn als overal — waarvoor dominee echter doof is — krijgt mevrouw Van Breeland al voortwandelende meer respect voor de godsdienstige beschouwing der dominee\'s-gade, en, als ze haar ten laatste hoort zeggen:

„Ja maar Haverkist, jij met je Groninger principels, jij zoudt de heele vaderlandsche geschiedenis op koussn en schoenen naar den

162

-ocr page 171-

ANNA BOOZE. 163

hemel preeken,quot; dan gevoelt mevrouw zich wel pjinlijk aangedaan door die nare uitdrukking en den toon, waarop ze gesproken werd, waarbij zij zich niet thuis gevoelt, maar ze eert toch den geest dier overtuiging, want een pijnlijker schok ontving ze, toen ze tevens door denzelfden uitval vernam, dat ze zich in dien dominee heeft bedrogen. Immers, zij bevindt zich met een Groninger, een onge-lukkigen godloochenaar op den weg; een volgeling van de Pareau\'s, de Muurlings, de De Groots — ach de verdoolde! En, zich physiek onmachtig gevoelende om nu den strijd met hem te voeren, besluit ze in stilte hem ter lezing te zenden dat allerliefste blaadje, getiteld: „Warm is het bloed des Lams ter behoudenis, maar IJskou komt uit het Noorden.quot;

De meisjes Haverkist zien — evenals altijd wanneer ze op De Renghorst zijn — met ijselijk veel plezier door de gekleurde glazen in den koepel, en vinden het nu eens: net precies de winter, en dan een gloeiende zomer, of ook een rooden brand: gud! net bloed! — Nadat men het heerlijke uitzicht in vele kleuren heeft bewonderd, blijft jonker Ernst nog eventjes in den koepel achter, om te zien of het dasje nog goed om de Engelsche boorden zit, die hij gisteren nieuw heeft ontvangen. Ze staan toch verduiveld chic, driedubbel gestikt; wacht, hij kan zich nog eventjes een petit coup de peigne geven, en, links-rechts een fribbel aan de zwarte knevel-puntjes. Mama heeft gezegd dat die krullende puntjes zoo vroolijk

staan. — Mama----? Ja hij heeft vast aan ma beloofd dat hij niet

met la belle zou wandelen, althans niet alleen. Dan: dan zou hij naast haar aan tafel zitten. Maar immers, met Oscar er bij was het niets geweest. Hemel, wat kan Oscar vervelend maar netjes redeneeren. — Ernst wipt de koepeltrappen af en kijkt rond, waar ze

zijn----? Daar in dat laantje loopen de Haverkisten---- maar

juffrouw Rooze en Oscar ziet hij niet.

Oscar Van Breeland was op De Renghorst en zelfs in den doolhof evengoed thuis als op de kronkelpaden van het Romein-sche en hedendaagsche recht. Zijn diplomata getuigden voor het laatste.

Anna Rooze heeft reeds weinige oogenblikken na het eerste weder-ontmoeten, onverholen haar blijdschap over dat weerzien betuigd, en inzonderheid — zooals zij er ongekunsteld bijvoegde — omdat zij mijnheer Van Breeland iets zeer belangrijks te vragen heeft.

In het gezelschap van Ernst hebben de jongelieden over allerlei meer of minder belangrijke alledaagschheden gesproken, doch nu, nu Oscar het schoone meisje het doolhof ingeleid, en verder een bijna dichtgegroeid paadje met haar heeft gekozen — „omdat aan het einde er van een nog veel schooner uitzicht dan van den koepel te genieten isquot; — nu ziet Anna eenigszins verlegen rond, en zegt: „Wij verliezen hier ons gezelschap geheel uit het oog.\'\' „We zullen het spoedig met een zijpad weer inhalen, juffrouw Rooze. U hadt mij iets belangrijks te vragen?quot;

„Ja dat is waar; zeer belangrijk____honderd malen dacht ik aan

□, en zelfs.... ja, ik heb u zelfs een brief willen schrijven.quot;

-ocr page 172-

164 ANNA KOOZE.

Een vluchtig rood bedekt Oscars mannelijk schoon gelaat, doch hij gevoelt aanstonds te goed dat zij zóó niet zou spreken indien... . \'neen, dat is natuurlijk!

„ü herinnert u ons gesprek over mijn lieve Emma Van Wall, in den spoorwagen?quot; herneemt Anna.

,0 zeker!quot; knikt Oscar. Hij was er!

„Naar aanleiding daarvan schreef ik haar mij eens te melden, waarom ze mij verzweeg dat de overleden mijnheer en mevrouw Willem Van Wall niet haar eigen- maar slechts goede pleegouders zijn geweest, \'t Was onverstandig en misschien onvoorzichtig, maar u hadt mij immers gezegd jonker, dat dit van algemeene bekendheid was?quot;

„Van algemeene bekendheid ja! maar als ik mij niet bedrieg dan heb ik er bijgevoegd: althans in onze omgeving.quot;

«Juist! Maar ik meende dat een geheim,\'twelk drie bewaren, geen geheim meer is, en dat het althans voor haar geen geheim kon wezen. Hoe \'t zij, eenige dagen geleden ontving ik van mijn lieveling — uw speelpopje — een vreeaelijk zenuwachtigen brief. Zij vraagt mij om raad, en zegt in de somberste bewoordingen, dat een leven, waarover zulk een sluier ligt, haar onverdraaglijk is. Zij wist niet anders of mijnheer Willem Van Wall en zijn lieve echtge-noote, die beiden in 1853 zijn gestorven, waren haar eigen ouders: „Liever wil ik sterven Anna,quot; zoo schrijft ze: „dan iemand wie het ook zij een vraag te doen die mij vernederen kon. Mijn speelmakker,quot; zoo schrijft ze verder: ,heeft gezegd dat ze niet mijn ouders waren....quot; Maar — lees zelf, hier heb ik den brief; ik nam hem mee omdat mijnheer Geereke mij zulk een vertrouwen had ingeboezemd: hij spreekt zoo verstandig en, als men niet weet tot wien zich te wenden!quot;

„ü meent oom? of — hadt u aan Ernst willen vragen.... ?quot;

„Neen uw oom! Wel zeker! Maar nu, wie kon denken dat ik zoo gelukkig zou zijn u zelf te ontmoeten. Lees.... Neen hier; hier

beginnen. Daar boven staat iets anders, bier: „Indien.....quot;quot; —•

Van Breeland leest:

„Indien hij dat gezegd heeft dan moet hij er grond voor hebben, en — ach mijn Anna, wat ben ik dan in de wereld! Een onkruid, een.... O, ik kan het woord niet uitspreken. Zoo iets komt mij te schrikkelijk voor. En is dat werkelijkheid!.... Ach lieve goede God, ben ik dan zulk een ongelukkige; uit genade door een paar kinderlooze rijken opgenomen! Anna, ik schrei bijna den ganschen tijd als ik alleen ben. Juffrouw Marnix vraagt mij gedurig wat mij deert, want zij ziet dat mijn oogen rood zijn. Kan ik haar dan zeggen beste Anna, dat ik een opraapsel ben. Maar neen! neen! dat kan niet zijn; ik word krankzinnig als ik mij in dat denkbeeld verdiep. Waarom heb je \'t mij ook geschreven. Wist je dan niet dat je mijn leven vergiftigen zoudt! Maar ik veroordeel je niet, neen hartelijke eenige Anna; jij kunt het niet helpen. Neef Oscar had het je gezegd. Waar is hij? Anna hij moet mij mijn rust hergeven; hij zal doen wat hij kan om mij te zeggen wie mijne ouders, mijne

-ocr page 173-

ANNA ROOZE.

brave ouders zijn geweest. Waren ze schuldig, dan zal ik ze niet vloeken, maar sterven wil ik dan, ja dat wil ik, en dat zal niemand mij beletten. Maar nog heb ik niet alle hoop verloren. Oscar weet het. Ik zal hem schrijven, of, Anna, wil jij het doen? O! als het waar is, dan kan ik niet meer gelooven dat God zoo liefderijk is. Nu zelfs heb ik al duizenden tranen geschreid, en — is het mijn schuld dan? O Anna. ik ben zoo ongelukkig; als jij maar hier waart. Ach goede lieve God, ik wou dat ik dood was. Dat was wél een bittere kelk, een kelk met gal die eerste brief van mijn lieveling. Zij dacht niet dat een zestal regels mij vermorzelen zou. Maar Anna, dat jij die vreeselijke wijsheid nu juist moest opdoen van hem die mij zooquot; — Anna schrikt; en zachtkens den brief terug trekkende zegt ze snel:

„Tot hier.... Zóó! niet verder. — Nietwaar, dat is ook verpletterend voor mij, die haar zoo innig liefheb. En, wat moet ik haar nu schrijven, behalve dat ik ten haren koste voorzichtigheid moest leeren! — Zeg, mijnheer Van Breeland, zou het geen liefderijke bestiering zijn dat ik u hier moest vinden?quot;

„De omstandigheid, die meewerkt tot dat wat we geluk noemen, juffrouw Eooze, wordt gewoonlijk een liefderijke bestiering genoemd. Nu meen ik te mogen gelooven dat alles of niets bestiering van God is: en, is het ééne liefderijk dan is ook alles liefderijk. Dat het arme kindje — waarvan we straks hoorden — door de moeder vermoord werd, was dat een liefderijke bestiering Gods? Het kan waar zijn — men kan er iets op vinden, maar juffrouw Eooze, dat stuk wordt mij nooit helder als ik het indenk: en toch ...quot;

Anna die sinds dagen vervuld was met Emma\'s brief — en nu bij het herlezen opnieuw en hevig was geroerd, ze staart Oscar vragend aan. Ze dacht aan het dierbare meisje, aan \'t welk zij wel per omgaande een bedaard en ernstig woord heeft toegezonden, maar dat toch ongetwijfeld roet haar gevoelig en prikkelbaar gestel, bij voortduring in een droeve stemmfng zal verkeeren. Maar ook, terwijl zij aan Emma denkt, staat haar terzelfder tijd een andere voor den geest. Oscar heeft haar aan de moeder herinnerd, die haar kindie het leven benam. En \'t is wel natuurlijk dat Hanneke uit De Luchte, dominee\'s Hanneke, haar mede de ziel beroert. O dat moet haar het hart wel beklemmen: ginds de geliefde te weten die angstig vraagt: heeft men mij verstooten? hier de moeder die door schaamte gedreven, haar onschuldig wichtje het pas geschonken leven benam. En bovendien, of Anna al sterk wil wezen, nü is zij zwak, zeer zwak. Immers wat Oscar niet lezen mocht in Emma\'s brief, dat — ja dót gevoelt, zij zelve voor hem; en, als hij ophoudt met spreken en haar met een blik beschouwt, waarin voor Anna een hemel van klaarheid ligt; nu zij de hand zou willen aangrijpen, die haar ten steun kan blijven in oogenblikken, waarin ze zooals nu, een zonderlinge onmacht gevoelt — nu heeft zij al haar geestkracht noodig om kalm te schijnen terwijl Oscar vervolgt: „En toch juffrouw Rooze, al weten wij het geen naam te geven wanneer de loop der omstandigheden ons gelukkig maakt zooals heden....quot;

165

-ocr page 174-

166 ANNA ROOZE.

Een wonderbaar gevoel doorstroomt Anna\'s borst.... O arm hart, door zoo velerlei bestormd, het bedroog zich. Oscar gaat voort: „dan mogen we dien loop der dingen met dankbaarheid erkennen; en, dewijl u het niet schijnt te weten, zal het u zeker aangenaam verrassen wanneer ik u zeg: dat mijnheer Alexander Van Wall uit Rotterdam in eigen persoon dezen middag op De Renghorst wordt verwacht.quot;

„Emma\'s voogd....? hij zelf----?quot;

„Ja, zijn vrouw is een germain-nicht van tante Geereke, eene Zwartse de Goeije. Ik kan u niet zeggen juffrouw Rooze, hoe zijn komst mij om uwentwil verheugt, ü zoo bewogen te zien ter wille van het lieve blondkopje, waarlijk dat doet mij zeer. Ik beloof u met hem te zullen spreken. De zaak zal zich zeer eenvoudig oplossen, daaraan twijfel ik niet. Emma is bepaald een Van Walletje, dit weet ik zoogoed als zeker. Haar vader was een neef of zelfs een broeder van mijnheer Willem. Ik was een kind en dan vraagt men niet naar die relaties. Indien ik mij wél herinner, dan heeft de papa zich niet best gedragen, en speelde hij reeds als student een leelijke rol aan de academie.quot;

„En leeft hij nog----?quot;

„Ja dat is nu de quaestie! Haar moeder is dood, dit weet ik zeker, want tante Van Riddervoorst, die de familie heel goed kende, heeft eens gezegd; \'t is maar gelukkig dat zijn arme goede vrouw al die schande niet overleefde.quot;

„Al die schande!?quot;

„Ja wat daarvan aan is weet ik niet juist, maar toch geloof ik, dat meer lichtzinnigheid dan slechtheid er de oorzaak van was. Wél herinner ik mij dat, jaren geleden, een man bij tante Van Riddervoorst in huis is geweest, die geld wilde hebben, en zich op een oude relatie beriep. Toen is de naam Van Wall genoemd, dat weet ik wel. Dit alles bewaren wij natuurlijk als een geheim lieve juffrouw; maar wees welgemoed: we zullen het goede blondje uit een angstige onzekerheid kunnen redden. Tante Van Riddervoorst noemde immers Emma\'s moeder de arme goede vrouw van den loszinnigen nian. Dezen middag hoop ik u zóóveel te kunnen zeggen, dat u aan het lieve blauwoogje — ofschoon een dierbaar denkbeeld haar ontviel — de kalmte kunt teruggeven, die haar door mijn vroeger gesproken woorden ontnomen werd. — Ik zou het popje toch zoo graag eens weerzien.quot;

Anna zweeg.

Oscar ziet^ haar aan. Zij tuurt, over de rosse hei die met haar zilveren webjes in \'t reeds dalende zonlicht glanst, naar den verren fluweelen horizon en langs het dichte mastbosch, dat wegschuilt in het tintelend Novemberblauw.

„Heerlijk, schoon!quot; zegt Van Breeland even hoorbaar.

„Ja!. •. . prachtig!quot; schrikt Anna op.

„Prachtig!quot; herhaalt Oscar. — iets later: „Dit was altijd mijn

lievelingsplekje----Het doet mij waarlijk goed dat u het ook zoo

mooi vindt.... u----quot;

-ocr page 175-

ANNA BOOZE.

„Maar wij moeten terug, mijnheer Van Breeland. Het gezelschap zal niet begrijpen waar we bleven. Dezen weg, nietwaar....?quot;

„O, als wij dat paadje links nemen dan coupeeren we zóóveel dat we hen nog vóórkomen!quot; zegt Oscar, en als hij Anna weer aanziet dan denkt hij aan Schillers hymne, en vallen hem de regels in die hij mompelt;

„Durch die ewige Natur Düftet ihre Blumenspur,

Weht ihr goldner Flügel.quot;

En luider zegt hij :

„Als men geboeid wordt door wat schoon, waarachtig schoon is, dan ontstaat er een heimwee, een verlangen in onze ziel. .. Anna -.. een----quot;

— Anna! herhaalt ze zacht bij zich zelve: Zwijg onstuimig gebons daarbinnen. Wijk onzinnige flauwhartigheid! — Zich omwendende rukt ze snel een handvol half dorre blaren van een eiketak: een roode galnoot werpt ze er mee voor zich uit, en, schijnbaar luchtig zegt ze:

„Foei, mijnheer Van Breeland, u moogt met iemand, die niet zonder reden wat week gestemd is, niet gaan poëtizeeren, dat maakt zenuwachtig en daar houd ik niet van. Kom wij moeten terug. — U zult dus met dien voogd van Emma spreken... .? Misschien kan ik daarbij tegenwoordig zijn. Of neen, dat kan niet; er zijn zaken die.... Maar, vergeef mij, ik moet u nóg iets vragen.quot;

„Misschien,quot; zegt Oscar, terwijl hij uit zekeren hemel getuimeld haar volgt: „misschien wilt u vragen, of het niet vreemd is, dat de intiemste vriendin van mijn speelkameraadje, mij altijd mijnheer blijft noemen; ik waagde al een: Anna. Dat hebt u kwalijk genomen juffrouw Rooze.quot;

Anna gevoelt zich hinderlijk kinderachtig dezen morgen, \'t Is alsof alle geestkracht haar heeft verlaten. Een vuurroode kleur vliegt haar over het schoone gelaat.

„Ik zal u neef Oscar noemen,quot; zegt ze snel zich herstellende: „en u kunt mij... . enfin....quot;

„En ik mag nicht Anna zeggen? Ja, nietwaar? \'t is een gevolg onzer betrekking op het blondje. — Nicht Anna wou vragen....?quot;

Anna heeft zich vast in den zadel gezet:

„U is Jurist nietwaar?quot;

„Toen ik zoo gelukkig was met u te reizen nichtje, toen ging ik mijn doctorale bul in Utrecht halen. Sedert dien tijd ben ik Meester in beide Rechten.quot;

„Ha! rechter!quot;

„Pardon: advocaat.quot;

„O dan hebt u er toch verstand van.quot;

„Van?quot;

„Van de rechterlijke zaken?quot;

„Dat is te zeggen?quot;

167

-ocr page 176-

ANNA EOOZB.

,1k meen — hoe zal ik \'t noemen — ja, hoeveel straf men geeft voor----quot; Anna zweeg.

„Voor het inslaan van een verkeerden weg....? Wij moeten links....quot;

„Ja wél een verkeerden — een zeer verkeerden weg. Weet u met welke straf de moeder bedreigd wordt die haar kindje ...quot;

Oscar zag Anna van ter zijde aan. Het was te zien dat dit vragen haar moeite kostte. Hij verstond haar. De ontdekking in het dorp, die straks door de dominee\'s-juifrouw voor de feestgenooten aan de groote klok was gehangen, had haar medelijden ingeboezemd voor de ongelukkige, die haar kindje het leven benam:

„De straf voor de misdaad door u bedoeld kan zeer verschillend zijn. Verzachtende omstandigheden kunnen haar volgens de wet van 54— nu vijfjaar geleden •— tot een minimum van vijf jaar tuchthuisstraf terugbrengen, terwijl vroeger zelfs de doodstraf geCischt werd.quot;

„De doodstraf! de doodstraf voor een ongelukkige moeder die....quot;

„Ik zeg vroeger nichtje, de hoogste eisch is tegenwoordig twintig jaren.quot;

„Tóch twintig jaren! Mogelijk twintig jaren!quot; zegt Anna zacht: „En hij, de....quot;

Neen, ofschoon een beminnelijke vrijmoedigheid haar zelden verlaat, nü gaat ze niet verder. De vraag: En hij, de ellendige, die de arme moeder ten val, ten dubbelen val kon brengen? brandde haar op de lippen maar kwam er niet over. \'t Was alsof Oscar in haar ziel had gelezen:

„De wereldrijke rechter,quot; zegt hij: „kan slechts straffen waar de eene mensch de rechten van den andere verkort, maar niet de zonde, waarvan slechts eigen smart de bittere vrucht is.quot;

Anna gevoelde het, ze kon niet verder gaan; ze kon niet vragen of dan de belager der onschuld, of hij, die de zwakke ten val bracht, niet op gruwzame wijze de rechten „eener anderequot; verkort, en een dubbelen moord op zijn geweten had. Neen, dit gesprek kon zij niet vervolgen al gloeiden ook haar wangen van verontwaardiging.

„Maar,quot; zegt zij een oogenblik later in haar onnoozelheid: „wanneer de arme alles bekent, eerlijk naar waarheid, wordt haar dan niet veel, zoo niet alles vergeven?quot;

Oscar glimlacht.

„Er is maar ééne waarheid die vrijmaakt,quot; zegt hii: „en zij is de onschuld!quot;

„Doch zij moet bewezen worden?quot; vraagt Anna.

„Niet de onschuld, maar de schuld!quot; zegt Oscar snel: „en, waar het schuldbewijs ontbreekt, daar volgt de vrijspraak. De verdediger, die den beschuldigde ofschoon wat laat mag ter zijde staan, heeft de heerlijke roeping om te waken dat het recht van zijn cliënt worde gehandhaafd, en dat men hem — zelfs al ware hij schuldig — onschuldig verklare indien de wet hem niet veroordeelt.quot;

„Dus zal hij mogen onwaarheid spreken om den schuldige te redden,quot; zegt Anna en legt de hand op het voorhoofd: „Dat is toch ook niet rechtvaardig.quot;

168

-ocr page 177-

ANNA EOOZE. 169

.Men oordeelt dikwijls oppervlakkig. Mag ik u eens herinneren dat de advocaat, die zijn roeping — ook zijn roeping als mensch — begrijpt, niet zegt: Rechters, ik zal u bewijzen dat hij of zij onschuldig is, maar wel: dat het bewijs der schuld nog niet is geleverd, of ook, dat de vorm van het proces nog niet naar \'t recht was.quot;

Een geroep op eenigen afstand ter zijde doet de jongelieden haastig omzien. Het hooge akkermaalshout scheidde hen van Ernst, die maar niet begreep waar die twee gebleven waren: zijn engel en Oo. — De Haverkistjes vond hij vandaag onuitstaanbaar, en wat een burgerlijk plebsig toilet! \'t Was beroerd van Oc dat hij een ander laantje was ingeslagen. Moest hij daarom op pa\'s jaardag overkomen. Allemachtig saai!

Hij roept nóg eens: „Oc! Oscar! Breed! waar ben je?quot;

Anna heeft nog één vraag te doen, de — belangrijkste, en haastig zegt ze zacht:

.Het is plicht dat een schuldige zich bekend maakt, niet waar, of....?quot;

„Volstrekt niet! Slechts dan wanneer de arm van het recht een onschuldige aantast.... dan...quot;

„Ja juist dan, eerst dan!quot; fluistert Anna met tintelende oogen: .Omdat----■\'

„Omdat de rechter,quot; herneemt Oscar: „niet als de wreker van het misdrijf optreedt, maar als de beschermer van het recht. Ware-niet het straffen noodzakelijk èn ter beteugeling van velerlei kwaad èn ter herstelling van het door de misdaad verbroken maatschappelijk evenwicht, ieder misdrijf zou slechts een zaak zijn van het geweten, voor de rechtbank van het beleedigde ideaal der volkomenheid, waarnaar wij streven en dat wij aanroepen en eeren als onzen Schepper en God! — Kerkers en openbare straffen zullen den verharden zondaar niet verbeteren, doch moeten hem doen vreezen en in bedwang houden. Voor den schuldige, die waarachtig berouw heeft, ware de vrijheid, naar mijn innige overtuiging, oneindig beter dan het verblijf in een kerker, na het niet zelden ondergaan van een openbare en voor altijd onteerende straf; doch — de wet moet voor allen zijn; want den mensch te doorgronden, wie kan het behalve God!quot;

„Wat drommel Oc, ben jij met de theologie bezig? Heb je daar óók al in gestudeerd?quot; zegt Ernst, die juist achter de jongelieden uit het halfdorre akkermaalshout te voorschijn komt en hen ter zijde treedt: „Nou als je niets anders hebt dan kon juffrouw Rooze evengoed met dominee en tante wandelen. Ja ma is ook verduiveld ver in de boeken van Mozes. Vindt u zulke verheven discoursen plezierig juffrouw Rooze? Weet u wat ik altijd zeg: ik vind het dol dat de menschen bij voorbeeld platen van Onzen Lieven Heer maken, net alsof iemand Hem gezien heeft, en dan van Jonas in zoo\'n walvisch! — U moet me niet kwalijk nemen, maar dat geloof ik niet, — u? Ik zeg dat ieder mensch in zulk een maag van benauwdheid moest gestikt zijn; ik zou het moeten ondervinden, maar anders....! Bent u verdwaald?quot;

„We hebben op allerlei wegen gedwaald; nietwaar nichtje?quot;

-ocr page 178-

170 ANNA EOOZE.

„Ik hoop niet dat het dwalen was neef Oscar.quot;

«Nicht? Neef? Bent u....? Breed, ben je familie?quot; roept Ernst:

,Gud, dan bent u tóch van adel----Ha, als mama dat wist! Pardon

dat ik niet freule gezegd heb; maar omdat u de nicht van dien____

mijnheer Lijning waart, dacht ik niet dat u het zoudt wezen. Ei, •en was u mama ook van a ...quot;

Anna heeft den verrukten woordenvloed niet kunnen stuiten.

„Mijn goede mama, de eenige zuster van tante Lijning, was een freule Moreel. Papa was niet van adel; maar zijn hart-...quot;

„Och kom! Uw ma van adel, heusch? Nu, het isniemandsschuld nietwaar, en niemand kan het helpen hoe hij geboren is — vindt u ook niet? Maar dan was uw mama toch van adel, hé dat zal ma pleizier doen!quot;

„Ik begrijp volstrekt niet Ernst waarom?quot; zegt Oscar snel, want hij gevoelt dat Ernst een vreeselijk enfant terrible is, en zijn moeder in een bespottelijk daglicht stelt.

„Nou ja, dat kan wel wezen,quot; zegt Ernst: „maar hoe ben je dan familie? — Is u ook van mij familie freu.... juffrouw Rooze? Hé ik wou het, ten minste.... enfin. -.. vér, weet u.quot;

Bij de laatste woorden keek Ernst zoo bitter wezenloos naar de steentjes in \'t pad, dat zelfs zijn schoone gelaat er geheel van uit het fatsoen geraakte. Anna zag hem van ter zijde aan, en terwijl ze den zoon van haar gastheer snel en vriendelijk ging uitleggen hoe het met haar familiebetrekking tot Jonker Oscar gesteld was, dacht zij geen oogenblik aan de ware oorzaak zijner ras opgekomen en bijzonder merkbare verlegenheid, maar meende dat zij voortsproot uit een gevoel van zich minstens onhoffelijk te hebben uitgedrukt foen hij zijn eerste wensch — om óók tot Anna\'s familie te behoo-ren — waarschijnlijk uit adeltrots, door zijn tweede: „vér, weet uquot; gecorrigeerd had.

Anna nam het den „mooien jonkerquot; niets kwalijk, maar toen zij had uitgesproken en van hém den blik op neef Oscar wierp, toen — toen overweldigde haar eensklaps een angstig gevoel, en snelde zij vooruit mot de woorden:

„Ha, daar zie ik de meisjes, ginds bij het brugje!quot;

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Het feestdiner, waarvan het menu in vele brieven, door juffrouw Molenwiek aan vriendinnen geschreven, nog te vinden zal zijn, en dat — volgens zwager Van Breeland — weer zoo echt a la Reng-horst geweest was, niets overladen maar degelijk goed en fijn, het

-ocr page 179-

ANNA. BOOZE. 171

feestdiner loopt ten einde. Men is in de laatste periode van het dessert.

Jozef en Hendrik hebben het druk gehad, maar zich met tafeldienen best gekweten. Jozef die nog een „piekquot; aan dominee heeft „over dien zetquot;, beweert — nu hij in het dessertkamertje den Jo-hannesberger-kabinet komt halen, om dien na de ananas te schenken — dat dominee waarachtig zijn best heeft gedaan: Eerst heeft hij een „toost aan Onzen Lieven Heer geslagenquot; — zooals Jozef den student Haverkist zelf heeft hooren zeggen, een toost waarin hij gedankt heeft voor „der spijzen zegening, aangeboden op de gouden schalen der gastvrijheid ter verzadiging, en de dranken des wijnstoks, die versterken tot verheuging des harten in overvloedquot;.

En, toen heeft ie gegeten..... nou, tot verzadiging hoor! Wat de

verheuging des harten in overvloed betreft, Jozef zal zoo vrij wezen dominee dan nu „per abuis eens over te slaan, want de man had voldoende genoeg, en anders kon hij straks, met den na-toost, de kluts wel eens kwijtraken.

Nu Jozef met de raatten flesch bij juffrouw Haverkist wil beginnen, nu moet hij even wachten, want mijnheer Alexander Van Wall die, even voor clen eten, met een tilbury van Arnhem is komen aanrijden — om elf uren was hij uit Rotterdam vertrokken — mijnheer Alexander, de onzinnig vroolijke, de altijd vergenoegde en onbe-

frijpelijk goedaardige neef Alexander, heeft een oogenblik met neef asper zitten lachen over de dolheid om altijd weer ellenlange wen-schen, dikwijls nog wel in Alexandrijnen, op te disschen, waarvoor men dan geforceerd was te bedanken ofschoon men er niets bij profiteeren zou — hij vraagt het woord, en zegt met een oog, dat zoo oolijk tintelt:rijpelijk goedaardige neef Alexander, heeft een oogenblik met neef asper zitten lachen over de dolheid om altijd weer ellenlange wen-schen, dikwijls nog wel in Alexandrijnen, op te disschen, waarvoor men dan geforceerd was te bedanken ofschoon men er niets bij profiteeren zou — hij vraagt het woord, en zegt met een oog, dat zoo oolijk tintelt:

„De kolonel Bel — die nooit een toost slaat — en Alexander V an Wall, Ze vinden het dwaas vooral Wanneer iemand bij huwelijksfeesten of jaarfestijnen

Bij \'t noga-knappen of \'t schuimen der wijnen.

Bij \'t mes-rommlen in amandel- of appelsinaschillen, Bij rum- of allerlei andere drillen.

Bij Champagne of Johannesberger-kabinet,

Ja zelfs — pardon dominee — in voor- en nagebed.

Enfin, wanneer gezegde iemand zijn naaste, die hem onthaalt. Met wenschen betaalt.

Wenschen van: lange jaren Sparen.

Gevaren Bewaren.

Geluk Druk.

Met een poëtische vlucht.

Hoog in de lucht.

Of naar omlaag met een ruk Als een vogel op de kruk.

-ocr page 180-

172 ANNA ROOZE.

Overwegend Dat de mensch nat wordt als het regent Nat

Als een kat —

Zonder parapluie op \'t pad.

Overwegend — en we verstaan het allen —

Dat het wenschen zoomin vrijwaart tegen nat worden als vallen, Want, was tot heden Iemand uitgegleden.

Al kreeg hij zakken vol wenschen van vrinden en familie Maar raakte z\'n balans kwijt, dan viel ie.

Overwegend dat wenschen alzoo een goedkoope manier is van liefde

[betoonen.

Van verdiensten kronen,

Of goedheid loonen;

Zoo stelt de luitenant-kolonel Jasper Bel,

Onder verbetering voor: dat de vrinden Zich saamverbinden.

Voortaan hun wenschen te sparen.

Maar vlijtig en trouw \'s levens bloemen te garen. Om vroolijk — bij \'t zelf er mee tooien —

Op paden van andren ze mild ook te strooien.

En, zijn er soms maren Desnoods... . een paar blaren.quot;

De woorden van Alexander werden zeer toegejuicht. Dominee zegt dat mijnheer Van Wall inderdaad in vloeiende poëzie — dominee hield er veel Tan — de gedachten van mijnheer den overste heeft weergegeven; het had hem getroffen zoozeer als deze beschouwing zijn eigene is. Niet het woord maar de daad maakt ons algemeen bemind: „Jozef! pst! Jozef je vergeet me.... hier!quot;

Jozef zei — even zacht als dominee geroepen had: .Ohé dominee!quot; en schonk het fijne glaasje uit de matten flesch rnim half vol. — Méér kreeg hij toch met, dat was zeker!

„\'t Was voor de vuist,quot; zegt Jans Haverkist tot Oscar, die aan haar linkerzij is gezeten, terwijl de overste rechts naast haar zit.

,Mij dunkt ik zag hem wat opschrijven juffrouw Haverkist. Maar mijnheer was er, ook zonder dat, zeer goelt;i toe in staat; vooral zoo iets als dit, a la schoolmeester.\'\'

„Ja maar, dat is juist heel moeielijk,quot; zegt freuletje Stronk Van Zetten fluisterend-hard, opdat Alexander, die links naast haar zit „het niet hooren zal, ofschoon hij het eigenlijk wel hooren mag.quot;

De secretaris Muller, die al driemaal heeft verklaard: tusschen freuletje Van Zetten en Sophie Haverkist als een pareltje in het goud te zitten, vraagt aan de laatste, die Oscar aan haar rechterzij heeft, of zij De ledige stoel van De Buil ook niet veel interessanter dan die verzen van den schoolmeester vindt. Hij meent dat iedereen zoo wel lijmen en rijmen kan.

-ocr page 181-

ANNA BOOZE. 173

Freuletje Van Zetten antwoordt dat mijnheer Van Lennep zelf heeft gezegd dat „dit het allermoeielijkste genre was, of ten minste dat die schoolmeester er nog veel langer op gezeten heeft dan hij op zijn eigen werken. En ik hoor dat hij nu toch alweer een paar jaar aan een boek over de astronomie bezig is, iets over het zevengesternte weet n.quot;

„Hé, Van Lennep, dat is interessant freule,quot; antwoordt de secretaris: „Kent u de gedichten van Van Beers.... ? Reciteert u ook.... ? Niet.... ? Ja wat mij betreft — zoo\'n enkel versje op \'t Nut, ja dat doe ik wel eens: De Overwintering bij voorbeeld, of B ij het kerkportaal of van Van Zeggelen Grietjes verzuchting. Ik leer op m\'n doode gemak driehonderd regels in één uur. Ik ken de heele Hollandsche natie. Kent u de verzen van Bellamy? de Kaïn bij voorbeeld? Als ik die doe dan zoudt u beven. Ik houd veel van voordrachten, heel veel. Hoe vindt u Die Glocke van Schiller? da\'s mooi! maar van Tollens De Bedelbrief; o daar heb ik fameus mee op. Ik heb al de werken van Feith voor één gulden gekocht te Amsterdam. Spot goedkoop nietwaar? O ik houd dol van Feith. Kent u Vrouwenleven van Bennink Janssonius? Beeldige stukjes. Da Costa heeft ook mooie idees in zijn Vijf en twintig jai\'en en zijn Wachter wat is er van den nacht. Maar van één stuk heb ik plezier gehad; van Koen Verklat met zijn Schat op het pad. Daar was iedereen over uit. \'t Mooiste wat ik ken is De overspelige Vrouw en Ter Haars Bij het portret van Strauss: Wie is die twijfelaar....!?quot;

„Hé mijnheer Muller, weet u wel wat een twijfelaar is?quot; vraagt Alexander, die van zijn buurvrouwtje Le Village juist in „vreeselijk vertrouwenquot; heeft gehoord dat zij van morgen door dat geval zoo

geschrikt is omdat---- mijnheer was óók getrouwd----omdat zij,

enfin twijfelde.

„Een twijfelaar.... ja dat is----quot; zegt Muller.

„Een heerenrok met breede eenigszins rondloopende panden....quot; valt Alexander in.

Muller lacht, maar vindt het toch vreeselijk laf.

Mevrouw Le Village zegt links tot den baron Van Breeland, heel zacht, dat het eigenlijk een mal-a-propos is.

De baron. Lid van den Raad van State, gelooft dit niet, maar meent — voor zich zeiven — dat men uit die triviale aardigheid van Van Wall, alweer dadelijk de bourgeoisie kon proeven, evenals uit dat opzeggen van een vers aan tafel. — Van Wall was met een nicht van Kunira getrouwd. Wat kwam men toch gauw door een enkele mésalliance in relaties die,.... enfin,.... En ginder zat neefje Ernst zoo naast die juffrouw Rooze. \'t Was onvergeeflijk van Geereke. — Kunira liet zich letterlijk door haar moederlijke zwakheid tot alles meesloepen. Waarom dat meisje gevraagd! Hij heeft Kunira en ook Geereke gewaarschuwd. Maar Geereke scheen er hoe langer hoe meer plezier in te krijgen om den democraat te spelen. Gelukkig, Kunira is er nog tegen, zeer tegen zelfs. Die malle Ernst was dwaas genoeg voor zulk een bêtise, de pauvre sire! Dat zou zijn

-ocr page 182-

174 ANNA KOOZE.

Oscar nooit in \'t hoofd krijgen, ofschoon — de baron moet het erkennen — ofschoon zij er waarlijk wel uitziet om een jongmensch het hoofd op hol te brengen. Die beide dominee\'s-juffertjes die naast Oscar zitten, zullen het niet zoover brengen, dat is zeker.

De baron Van Breeland, die in de Haassche kringen, als aangenaam mensch bijzonder gezien is, spreekt dezen middag zeer weinig. Hij heeft al verder zijn bespiegelingen gemaakt. Het komt hem voor dat Geereke hem en de zijnen toch niet op zulk een gezelschap onthalen moest. Op een jaardag! Hij zit daar nu naast een piepjong burgemeestersvrouwtje van wie weet welke origine, en een koekbakkersdochter die een dominee tot man heeft. Met zulke menschen kan een man als hij, die bovendien zoo \'t een en ander gezien heeft van de wereld, toch niet praten, \'t Zijn goede menschen — beste menschen, maar! — Men komt met zulke gemeleerde partijen in zeer valsche posities. De beleefdheid zou eischen dat men menschen waar men zoo „mee feestviertquot; indien men hen later ergens op een publieke plaats ontmoette, herkent en vriendelijk toespreekt; maar dat gaat immers niet. Je zoudt alle dagen een zot figuur maken. De meesten hebben geen begrip van distantie. Op het terras van het Scheveningsche badhuis bij voorbeeld, zal zulk een kruidenier, handje vooruit naar je toe komen: frère en compagnon. Neen, Geereke gaat veel te ver. Vraag een dominee en desnoods zijn vrouw, maar voor de rest, basta! En dan de liefhebberij om eenige weken de bizarrerie van zoo\'n sinjeur als die overste te willen genieten, dien men hem nu tot vis-a-vis heeft gegeven. Geereke trok zich al die familie-abnormaliteiten aan, waar hij — Van Breeland — bijzonder hartelijk voor bedanken zou.

Die overste had soms aardige denkbeelden, ia men kon het niet ontkennen, maar meestal toch zoo onpractiscn, zoo, zoo.... enfin zoo allerakeligst democratisch-commumstisch ondoordacht, dat het voor Geereke zelfs niet goed is veel met hem samen te zijn, ofschoon, dit moet men zeggen, Geereke altijd gentleman blijft, indeed!

Terwijl mijnheer Van Breeland de glazen van zijn fijn gouden brilletje nog eens afveegt, zegt hij aan mevrouw Le Village, dat zijn oogen hoe langer hoe slechter worden, en dat hij — vooral bij veel licht, zooals nu — minder goed zien kan.

Aan de andere zij der tafel is Ernst in den derden hemel, en ofschoon mama, die tegenover hem zit, al eens wenkt — \'t is hem onmogelijk de glazen, die hem werden ingeschonken, heel lang onaangeroerd te laten staan. Anna B.ooze aan zijn rechterzij gezeten, vindt in de meestal aardige discoursen van Willem Haverkist, aan wiens linkerzij ze zit, vergoeding voor de — nooit onwellevende maar altijd onbeduidende, zoutelooze complimenten of beweringen

van Ernst, en vergoeding ook voor de----heimelijke teleurstelling

dat een ander ergens anders zat, ofschoon het goed was, ja zelfs oneindig veel beter; immers — zij had nu toch niets meer te vragen, neen.

Mevrouw Van Breeland uit den Haag vindt in dominee Haverkist hoe langer hoe minder den man naar haar hart, zoomin als den

-ocr page 183-

ANNA BOOZE. 175

waarachtigen serviteur du Seigneur. Zij hoopt echter weldadig op hem te -werken, want reeds dikwijls mocht zij hem tot zwijgen brengen. Dit gebeurde nochtans vooral wanneer zij zich vergiste en haar sierlijk Fransch deed hooren, waarin ze zich juister kan uitdrukken.

Dominee Haverkist en zijne vrouw hebben, in weerwil van al het „lekkere,quot; weinig of geen plezier. Ernst had — in plaats van tus-schen Anna Rooze en Kee Muller — tusschen Tie en Ka moeten zitten. Verheel.... Ka zat naast Le Village en juffrouw Molenwiek, en ofschoon die neef uit den Haag — die jonker Oscar — in \'t midden van Jans en Fie zat, dat, och dat gaf toch niets.

Terwijl al de dischgenooten met gemengde genoegens en gewaarwordingen de ananas proeven en den Johannesberger drinken, vraagt Geereke het woord en zegt:

„In het extempore van mijn geestigen neef Van Wall, herken ik geheel den edelen lieven geest van den man, dien ik leerde hoogachten: van mijn braven neef Jasper. Hij wil daden, geen woorden, zooals mijn vriend dominee Haverkist zeer juist heeft aangemerkt.quot;

,Niets anders! dat was de heele tendens----quot; zegt dominee fluisterend, maar toch hoorbaar tot mevrouw Geereke.

„Toen ik het aardige extemporé mee toejuichte,quot; vervolgt de gastheer: „toen vreesde ik echter ook aanstonds dat een aantal oogen mij verwijtend zouden aanzien. Mijne vrienden! hoeveel welgemeende wenschen ontving ik niet van u op dezen dag. \'t Was allereerst mijn dierbare lieve vrouw, die mij in den morgen zoo hartelijk teeder omhelsde, en — toen ze mij zeide: Geereke, ik hoop zoo vurig dat de goede God je nog lang zal behouden met onzen eenigen jongen.... toen....quot; Geereke zag even om en had iets trillends in de stem, maar vervolgde weer kloek: „toen gaf mij dat woord een zaligheid, waar geen daad tegen op kon wegen.quot;

Mevrouw Geereke wischt een traan weg. De baron gaat voort:

„En later, toen mijn Ernst mij als vanouds nog eens kuste op het voorhoofd, en wenschte dat vader nog wat blijven mocht — nietwaar Ernst — omdat hij hem zoo innig liefheeft, toen meende ik op dezen dag al goeds in overvloed te hebben genoten. Maar neen, daar kwamen ze, mijn dierbare bloedverwanten, mijn vrienden en trouwe dienstboden, en geen enkele was er in wiens oogen ik niet lezen kon, dat hij mij graag nog wat goeds gunde op de wereld. Ja vrienden, toen klom mijn dank nog hooger, en gevoelde ik de volle weelde van zooveel goede woorden, gevloeid uit het hart.

„Vriend Jasper! \'t Is niet voor het eerst dat ik het waagje groote of kleinere hervormingsvoorstellen een weinig te amendeeren, en we zijn niet zelden tot een vergelijk gekomen. Luister: Toen je mij zelf dezen morgen zoo hartelijk de hand heb,t geschud en er bijgevoegd: „Ik wensch je niets Geereke, want Eén is er maar,dieweet wat goed voor je istoen heb je een wensch uitgesproken zóó mooi als ik er ooit een gehoord heb. Daarom, bind de tong niet wanneer het hart tot spreken dringt:

-ocr page 184-

176 ANNA KOOZE.

Laat de menschen Maar zegen wenschen Jasper, dat is een goed teeken.

Beter dan toorn ontsteken,

Laster spreken.

Afgunst kweeken.

Verdoemenis preeken.

„Maar toch mijn vriend, terwijl ik het woord zijn plaats wil doen lehouden, en het uiten van wenschen als blijk van liefde, zelfs in ■den kinderlijksten vorm; terwijl ik zelfs in dezen oogenblik slechts met het woord alleen mijn innigen dank kan toonen voor de heilbeden door allen mij toegebracht, nu gevoel ik tevens diep den zin der gedachte door neef Van Wall in vorm gebracht. Ja, sterker dan ooit besef ik den duren plicht om, bij den overvloed van Gods goedheid mij geschonken, meer op de paden mijner geliefden en ook in wijderen kring, bloemen te strooien, bloemen der liefde en bloemen der vertroosting.quot;

,Charmant Woutér! ce sont des mots qui touchent le coeur. •Semer des fleurs partout! et par la grace de notre Seigneur Jésus Christ.quot;

„Dat heb je van een toost: \'tls onzin of een preek!quot; yalt Jasper uit: ,\'t Was allerliefst van je, Geereke; alleen achter die bloemen der vertroosting hadt je amen moeten zeggen. Voor \'t overige, \'t zou wel waar kunnen wezen dat het niet altijd en niet alles kool is, wat er bij feestelijke gelegenheden wordt verkocht en geleverd. Zie Geereke, toen ik bij de tweede Balische expeditie een ouden sergeant hielp die, niet door een kogel maar zooals de grootste rommel door vermoeienis op z\'n laatste long lag, toen zei ie: Kaptein d\'r is maar één wensch in de wereld. — En die is sergeant? zei ik. — Dat je den zoon van je zoon te zien krijgt kaptein, zeidie, en da\'s voor mij verkeken! Toen kneep ie de oogen dicht, de arme d,uivel! Geereke da\'s voor jou nog niet verkeken. Dat doet me goed. Eén is er die weet of j\'em zien zult. Kom kerel, geef me de hand!quot; En — alle regels der etiquette verbrekende, staat Jasper op; loopt snel op Geereke toe, en schudt hem de hand zóó krachtig, dat Jasper zelf de tranen er van in de donkerblauwe oogen springen.

\'t Was een „dolle coupquot;\' van Jasper. Althans:

,Neef Bel gaat wat ver!quot; fluistert mevrouw Geereke tot dominee: „Ernst is nog zoo jong, en zóó iets in presentie van jonge meisjes. • • ■!quot;

„Bravo: de stamhouders der Geerekes Van Uland!quot; is de conditie van neef Van Wall.

„Met uw permissie, ik geloof,quot; roept de jonge secretaris Muller wiens zusje, tot streelende zelfvoldoening van den broeder, ter linkerzij van Ernst zit: „ik geloof,quot; herhaalt hij, ofschoon luider dewijl het gesprek, na Jaspers woorden en den toost van Alexander, levendig blijft: „Ik geloof.... hm.... met uw permissie. ...quot;

Maar dominee, zonder nota van den secretaris — rechts — te nemen, heeft Ka — links— vuurrood zien worden, en neemt, overheerschend

-ocr page 185-

ANNA BOOZE. 177

zalvend, den dichterlijk gestemden Muller letterlijk „de woorden uit den mondquot;, en „maait hem meedoogenloos het gras voor de voeten wegquot; met de verklaring: dat men zijns erachtens moest „opklimmenquot; tot het „fondamentale der koloniale geluksuitingquot;, door te drinken een toost op het welzijn van den zoon des huizes — dominee\'s beminden vriend en leerling jonker Ernst — en op haar, die hem zou ter zijde staan als een hulpe tegenover hem: „Mocht het zijn,quot; zoo besluit dominee: „een meisje, schuldeloos en lieftallig, vroom en vroed! Ik weet het, mijn jeugdige vriend jaagt niet naar wat schittert en uitblinkt in de wereld. Adeldom der ziel stelden de Geerekes Van Uland immer boven naamsverheffing of goud en zilver. Wij die hem zagen in zijn jeugd, spelende met. de kinderen ons door God geschonken, wij kunnen het beseffen----quot;

Dominee werd niet licht verlegen, maar inderdaad, op dit oogen blik had hij al zijne waardigheid noodig om niet te blijven steken. Eensklaps kreeg hü het volle besef van de dwaasheid, die hem op de lippen speelde. Zou men hem doorgronden. ...? Zou men begrijpen dat hij het altijd niet slechts zeer wenschelijk maar zelfs zeer mogelijk heeft geacht, zijn jeugdigen vriend met een „der kinderen ons door God geschonken verbonden te zien? Dominee heeft een zoo pijnlijken middag doorgebracht dat het wel zóóver moest komen. Hij zat naast de baronessen Geereke en Van Breeland en tegenover Ernst die — met de dametjes Rooze en Muller aan zijn zijde — totaal werd ingepakt! Doch, nu gevoelt dominee dat hij te ver gaat; alle waarheid laat zich niet uitspreken, en hij vervolgt dan ook, zich herstellende, met eenige daling van stem: „Wij kunnen het beseffen dat hij slechts gelukkig zal kunnen zijn aan de zijde van haar, die zijn eenvoudigen goeden zin zal weten te waar-deeren, en hem kan aanhangen om zijns zelfs wil, zooals w ij hem waardeeren uit de veelheid onzer herinneringen en de volheid onzer harten. Jonge vriend: uw neiging!quot; — Dominee had voor eenigen tijd eens „ergens gevondenquot; dat neiging het juiste woord voor inclinatie was.

Toen het dessert was afgeloopen, werd de koffie en likeur gepresenteerd in het kleine salon, waar een tiental meesterstukken voornamelijk van de Oud-Hollandsche schilderschool bijeenhingen. — Rooken kon men in de biljartkamer of buiten in den maneschijn.

Ofschoon de bougies-kroon een overheerlijk licht gaf, en de donkere Woudstroom van Ruysdael evengoed verlicht was als de prachtige Watermolen van Hobbema; ofschoon Van Ostades Boeren op de kermis zich even klaar vertoonden als Wouwermans\' Schimmels bij de herberg; ofschoon geen Rembrandt, Maes, Jan Steen noch Dou des avonds ooit beter verlicht was geworden, Geereke had van zijn lievelingen weinig plezier. Nu hij juist van mevrouw Le Village heeft vernomen dat zij ia, evenals de baron dien watermolen overheerlijk, maar anders die stukken in de eetzaal nog veel beelderiger vindt, vooral dat stukje waar die moeder met zoo\'n kindje, van ... van... och, de naam staat er op., een jonge moeder met een wieg weet u, en de zaligheid zoo op het

v. 12

-ocr page 186-

ANNA BOOZE.

gelaat, bij een kaars; — nu Geereke dit heett vernomen, en bijna nóg wat vernemen zou, nu ziet hij rond, en bemerkt dat het salon zoogoed als verlaten is.

\'t Was geen wonder, al was het ook jammer. Neen zeker was het geen wonder: van de meesterstukken der Oude School hadden slechts een paar van Geerekes gasten eenig begrip, en — in niet één der gemoederen was het de kalmte van den schoonenofschoon natuurlijk wat koelen avond, die hen naar buiten geroepen had.

Geereke beeft voor den eten in stilte aan de heeren, vooral aan den teruggekeerden burgemeester en mijnheer Muller verzocht, om niet meer van de treurige ontdekking nabij den Heksendans te spreken, ook ter wille van burgemeesters vrouwtje zelve, die nog al zenuwachtig scheen te wezen, en, nietwaar, het was bovendien zoo geen geschiedenis voor de jongelui.

Aan Geerekes wensch was gaarne voldaan, en gelukkig had niemand aan tafel dat chapitre aangeroerd, behalve juffrouw Haverkist, die echter, na haar opsmak tot Geereke: „Nou zal \'t me eens benieuwen baron, wat burgemeester zal afgeven!quot; mede door Geereke was verzocht er niet van te spreken omdat het een zoo droevige zaak was, zoodat zij hoofdbuigende er dan ook verder van gezwegen had.

Belangstelling in- of nieuwsgierigheid naar \'t geval zullen aan de halve maan misschien een zoo buitengewone aantrekkingskracht bezorgd hebben.

Maar er is meer, dat naar buiten heeft geroepen.

Nabij het brugje aan \'t eind van den vijver, achter het huis, roept Oscar terwijl hij in een sparrenboschje ziet:

„Mijnheer Van Wall! Mijnheer Van Wall, is ü daar?quot;

„Ja, dat geloof ik ten minste wel,quot; klinkt het antwoord: „want hier onder de sparren is het zoo donker dat ik me zelf haast niet zien kan. Ben jij de advocaat?quot;

„Ja, ik heb u iets te vragen.quot;

„Da\'s sympathie! Heb je een mes bij je?quot;

„Een mes? Wat doet u daar?quot;

„Wel ik heb hier een pak donderpotten en molens. ... en het touw zit zoo drommels vast. De tuinman is een hamer gaan halen. We zullen met een molen beginnen, da\'s de wereld en \'t leven. Pas op, daar liggen zes vuurpijlen. Dat zijn hemelsche verzuchtingen, of zuchten ten hemel waar een hemelsche bloemenregen op volgt. Hoe keur je\'m Oscar, is dat niet poëtisch voor een aangekleed kasboek?quot;

„Maar mijnbeer Alexander, ik moet u spreken.... iets vragen.quot;

„Ga jij je gang maar jongenlief. Op \'t kantoor honoreer, delegeer, accepteer, remitteer en gebruik ik mijn twaalfuurtje soms op \'t zelfde oogenblik. -— Wacht, houd jij dat ding eens vast. Da\'s een donder-pot. \'t Is niet anders in de wereld. Ook Geereke heeft donderpotjes in zijn leven, maar hij krijgt een prachtige fontein tot besluit, een fontein, die bloemen strooit met al de kleuren van den regenboog. — \'t Is hier deksels vochtig....quot;

178

-ocr page 187-

ANNA ROOZE.

„Mijnheer Van Wall.... ik wou----quot;

„Ben je gek met je mijnheer. Noem me Alexander of Van Wall, of zie je me voor zoo blikslagers oud aan? Waarom kom je nooit eens aanloopen als je Rotterdam passeert? Burgerlui hé....? Wij Rotterdammers zijn jelui Hagenaars en geleerde lui te min! Ja, \'t is vrij gemeen dubbeltjes te verdienen tegenwoordig, dat vinden de Amsterdammers ook, en daarom kijken ze \'t aan.quot;

Van Wall lacht luide, en Oscar, die geen lust heeft om een pleidooi in \'t belang van Neerlands eerste koopstad te beginnen, overtuigd dat ieder Amsterdamsch koopman, met zijn oude adelbrieven gewapend, de schouders over de „transito Rotte-zakenquot; zal ophalen. Oscar wil de dwaze veete niet aanvuren, en vooral niet terwijl de vroolijke Alexander met vuurwerk bezig is. Oscar moet tot zijn doel komen en vraagt:

n uw nichtje niet een mooi lief

r! Eeuwig aardige kerel! — O tuinbaas ben jij daar! Heb je den hamer? Allo brave, ga jij dan dezen haak eens gauw en netjes aan de brugleuning slaan, net op de plek van verleden jaar.quot;

„Verleden jaar hadden we regen, mijnheer Alizander.quot;

„Dat kon jij niet helpen baas.quot;

„\'t Was voor twee jaar, dat zal mijnheer Alizander nog wel weten.quot;

„Precies baas. — Heb ie den haak? Je mot \'em net op den kop raken hoor! Zoo aanstonds kom ik met het rad. Eerst zal ik een verzuchting naar vrouw Luna zenden. Ze is me al te klaar van avond. —Oscar, geef jij me eens zoo\'n stelteman aan; ik steek \'em af uit de hand. — Heb je d\'r vader niet gekend? Den zeeluitenant Rooze? Voor een jaar of drie heb ik hem nog eens met dat weergaasch mooi dochtertje bij me in De Boompjes gehad. Ze wist het zich dadelijk te herinneren. — Wacht, heb jij ook droge lucifers of vuur aan je sigaar? Die duivelsche tuinjongen! anders komt ie me altijd helpen. Baas!.... baas! is er geen vuur? Ben kooltje?quot;

De baas uit de verte: „Ja wel mijnheer Alizander, \'t ijzeren potje staat op \'t pampier!quot;

„Is de kerel dol! vlak bij de donderbus! Ziezoo, nou gaat het signaal de lucht in; neen, de boel is vochtig geworden, sis sis pita sis ... sjoe.... Ha! Kijk, daar gaat ie! Eeuwig mooi hé! Dieroode en blauwe klokjes ... Kijk, zoo\'n pijl daar zit poëzie in: de liefelijkheid na de kracht! — Nou als de weerga het rad.quot;

„Mijnheer Alexander, hoor eens even voordat u verder gaat. Juffrouw Rooze heeft mij opgedragen....quot;

„Ja beste jongen, maar we kunnen ze daarginder toch niet allemaal laten wachten, nietwaar? Wat is er dan? gauw!quot;

„Uw nichtje Emma is juffrouw Roozes intiemste vriendin?quot;

„Ja dat heeft ze mij gezegd, maar dat ding kunnen we later behandelen, of.... eigenlijk....quot;

Oscar legt hem de hand op den arm:

179

-ocr page 188-

ANNA KOOZE.

,Pardon! Emma Van Wall komt zelden bij u, nietwaar?quot;

„Beste vrind! begin me asje blief niet duizelig te maken ? Als ik er aan denk dat ik haar voogd ben, dan word ik zoo wichtig in m\'n idee dat ik geen been meer verzetten kan.quot;

,Uw broer, mijnheer Willem die gestorven is, was immers óók haar voogd?quot;

„Wat blief!!? Ja wel, dat is te zeggen----Maar m\'n beste jongen,

dit is geen moment....quot;

„Maar waarom niet! We zijn alleen. Hoor eens: Ik weet zoo goed als zeker, dat Emma geen eigen dochter van uw broer was. — Door juffrouw Éooze, die ik toevallig op reis ontmoette, is Emma dit ter oore gekomen, en nu is het arme kind in de hevigste onrust. Zij schijnt zich niet tot u te durven wenden. Ik bid je mijnheer Alexander, zeg me met een enkel woord: zij is immers....quot;

„Kerel ik mag er niet van spreken; waarachtig niet, zoolang----quot;

„Maar ze is toch uit een wettig huwelijk geboren, nietwaar?quot;

„Wis en drie!----wat denk je?quot;

„Goddank!quot;

„Wat blief? ben je gek! Wie meende dat ze het niet was?quot;

„Wel Emma zelf!quot;

„Oscar, als je me één pleizier wilt doen, leuter me nooit weer over die historie; \'t is een smerige geschiedenis, beroerd! Maar als ie dood is de ellendeling, die letterlijk een klad op de familie heeft gegooid, dan is de zaak gezond. Tot zoolang moet ik voor \'t blonde mooi snuutje comedie spelen; en omdat me dat ding zoo slecht van de hand gaat, komt ze maar zelden bij ons.quot;

„Wilt u haar schrijven----?quot;

„Ben je gek! doe jij het. Maar als ze voor zoo iets bang is, het lieve schepsel, dan kan de mooie vriendin haar heelemaal geruststellen, en — dat de dubbeltjes van broer Willem voor de helft aan haar komen, dat kun je ze voor mijn part ook wel zeggen. Als kleine Lou me nóg eens fopt dan kon \'t er wel op uitdraaien dat ze mettertijd den he el en rommel kreeg. Ja \'t is hatelijk Oscar, als je wijfje je telkens fopt en te vroeg van stapel loopt, \'t Zal tegen Sinterklaas wel weer mis wezen. Vervoerd jammer! Maar waarachtig kerel, \'t is me drie duizend pop waard dat Emma een beetje lont heeft geroken. Toen broer Willem me die poets bakte, lei ie op \'t uiterste, en dan weiger je niks; maar verdord, ik was altijd zoo bang dat ze me vragen zou, en dan — je kunt toch niet liegen, hé?quot;

Eenige oogenblikken later draait er een prachtig vuurrad en \'t weerkaatst in den vijver, en als het een glimp werpt op het vroolijke gelaat van een Rotterdamschen koopman, die niet liegen kan, dan blinkt het mee in een paar oogen, waarin tranen glimmen.

„Niet, niet!?quot; fluistert Anna zeer zacht tot jonker Oscar: „Dus mag ik haar schrijven wat hij u zeide. O....quot; en in de verrukking van haar liefdevol hart, vat zij Oscars hand en drukt die, want het

180

-ocr page 189-

ANNA BOOZE, 181

is haar alsof zijn tijding haar zelve een wettig ouderpaar had hergeven.

Die handdruk! — Maar het vuurrad heeft uitgebrand. Het gezelschap applaudisseert. Een oogenblik later ziet men weer een vuurpijl de lucht ingaan, maar — als de mooie bloempjes naar beneden vlokken, dan geniet mevrouw Geereke noch haar Ernst dat schoon der kleuren.

Voor weinige oogenblikken zijn beiden aan de linkerzij van het huis, achter de bladerlooze katalpa\'s verdwenen:

„Denk je niet Ernst, dat je me innig verdriet doet!quot;

„Ik zou niet weten waarom mama; u zelf hebt goedgevonden dat juffrouw Rooze hier kwam dineeren.quot;

,\'t Is niet braaf van je om dat te zeggen Ernst. Ik gaf toe in de hoop dat je door dit bewijs van goedheid, ook mij zoudt toegeven, \'tls een akelig denkbeeld Ernst ... je doet me bitter bitter verdriet als je---- \'tls geen partij Ernst.... neen waarlijk niet, goede

Er. Heb je je ma dan niet lief?quot;

„Hoor eens, als u zoo laf bent om te huilen, dat vind ik onplezierig, en vooral dddrom: en op pa zijn verjaardag! Maar ik kon u toch vooruit niet beloven dat ik niet meer van haar gecharmeerd zou wezen. Neen, niet waar?quot;

„Maar je moet er je tegen inzetten, beste, \'t Is beneden je stand lieve Ernst. Ik zeg niet dat juffrouw Rooze geen goede manieren heeft, en niet iets bevalligs. ..quot;

„Neen dat zal wel waar wezen ma; zij is goddelijk mooi. Goddelijk! Ja wel, dat vindt iedereen!quot;

„Ik zeg er niets tegen lieve jongen; maar als men juffrouw Rooze naast Ernst ziet zitten, dan bemerkt men toch een onderscheid, dat den enthusiasten jonker zelf in \'t oog zou vallen als hij het bemerken kon. Waarlijk men ziet terstond dat zij van mindere afkomst is. Er is een zekere trek.... een.... och neen mijn beste, als ik jou lieve goede gezicht naast het hare zie.... neen!quot; En terwijl mevrouw üeereke dit zegt, mengt zij de trekken van een haar onbekenden, maar volgens Geerekes beschrijving vreeselijk leelijken man, met die van het prachtig schoone meisje dooreen. Immers de Groning-sche zaakwaarnemer Lijning stond tusschen den reinen Ernst en dat meisje. Eergisteren heeft Geereke, op ingewonnen informatie van Dirk Dndolf uit Groningen vernomen, dat die man, ofschoon men hem nooit op iets kwaads had kunnen betrappen, altijd in een zeer kwaden reuk heeft gestaan. Dudolf had zelfs de woorden: „zielver-kooper en woekeraarquot; gebruikt. En — de nicht, de pupil van zulk een individu, zou de vrouw van Ernst worden; zou haar mama noemen; en dien man zou men als een gelijke moeten ontvangen! \'t Was verschrikkelijk!

„Ernst, denk er niet aan. Er zijn meer mooie en lieve meisjes in de wereld. — Beste Er, ik zal zeker ziek worden als je mij niet spaart en begrijpt. Nóg eens: dat meisje is lief en mooi en voortreffelijk, misschien zelfs voortreffelijker en braver en knapper dan ik, maar----ze is van geen de minste familie en... quot;

„Van geen familie!! Dat is te zeggen, dan bent u alweer vergeten

-ocr page 190-

182 ANNA BOOZE.

wat ik u straks heb gezegd: haar mama was zoowel een freule als u; ik weet het zeker, en daarom ...quot;

„De Moreels zijn nooit erkend; ten minste \'t is nieuwe adel; niets geen fortuin. ... \'tis.. - . Maar dat doet er niet toe. Die papa

Rooze was van lage afkomst, en die Lijning----praat er niet van

Ernst; als je mama waarlijk liefhebt, praat er niet van! M\'n hoofd bonst van de hoofdpijn. O! dat papa niet wijzer was en dat dametje komen liet! Ernst geef me je lieve hand er op datje verstandig zult zijn----!quot;

„Maar mama, wat kunt u doordrijven; ik ben toch geen kind meer!quot;

,0 goede God, als hij zóó begint! zoo!quot;

„Nou, maar ik doe immers niets. Ma! zeg, ma! Toen u pa woudt hebben toen was u toch ook wel verliefd. Ma — zeg, schrei nu niet. — Zou de koning haar niet van adel kunnen maken . ..?Door oom Van Breeland, of mijnheer Schimmelpenninck of de Bronkhor-sten? Gud, ik vind dat nou toch zoo erg niet. Ik blijf immers Geereke, en zij wordt barones, en de familie laten we thuis — daar kunnen we een contract van opmaken. Och ma, u weet niet half hoe mooi zij is en hoe lief ik haar heb.quot;\'

„Goed zoo Ernst, ga maar zoo voort! Als je ma in \'t graf zal liggen dan zul je misschien berouw hebben, maar dan is het te laat jongen, dan is net te laat! — Neen zoen mij nu niet.... neen!quot;

„Ja wel lieve! Ja wel beste ma!quot;

„Neen Ernst, ga nu liever naar dat meisje, dat hoogerbij je staat dan je moeder, alleen omdat zij mooi is.quot;

„Niet alleen mooi goede ma! maar lief! o zoo lief!quot;

„Maar je moeder, Ernst, heeft nog geen enkel lief woord van haar gehad. Dat doet er niet toe. — Ga nu maar... . ga!quot;

Maar Ernst ging niet. Niet, voordat hij zijn moeder gezoend en haar beloofd had, plechtig beloofd, om juffrouw Rooze zoo mogelijk te vergeten, en nu verder dezen avond te mijden. Och waarlijk, juffrouw Rooze was, volgens mevrouw Geereke, dan ook geen persoontje om Ernst gelukkig te maken, en bovendien haar geheele fisionomie duidde het aan, dat ze zeer vroeg oud zou wezen; immers nu reeds zag men, wanneer zij over iets scheen te denken, een somberen trek op haar gelaat.

Toen mevrouw Geereke, gearmd met haar Ernst — die toch vree-selijk het land had — bij de gasten terugkeerde, en het freuletje Stronk Van Zetten vroeg of mevrouw enfin.... met permissie.... die lt;io° • • ■ • der. . . . bus niet mooi had gevonden, toen zei de gastvrouw: „Beeldig Marie!quot; maar verweet zich te gelijk de domheid om Marie op dezen dag te hebben gevraagd, \'t Was lang in de pen geweest, maar, als zij Henriëtte Ducouvée de Sauterne eens verzocht had, hoeveel verstandiger zou dat geweest zijn. — Henriütte was een erkende beauté.

•— Ernst vond Henriëtte, toen zij bijna twee jaar geledenhier logeerde, zeer mooi en lief, maar ofschoon ze toen beiden achttien jaar oud waren, was Henriëtte al zoo geheel ontwikkeld, terwijl Ernst „altijd

-ocr page 191-

ANNA BOOZE.

nederig,quot; zich bij haar wel wat jong heeft gevoeld. Ongetwijfeld zou het nu echter bij Ernst niet zoover met zijn dwaze inclinatie zijn gekomen, indien men Henriëtte maar wat vroeger had te logeeren gevraagd.

— Gelukkig is Er voor \'t oogenblik wat kalmer; doch, zal het zoo blijven? Wat hij zich eens in zijn „lief hoofdquot; heeft gezet, dat wordt niet zoo aanstonds door hem opgegeven. Misschien zal hij, naar Utrecht teruggekeerd, dat meisje wel spoedig vergeten, maar ook — en Kunira vreest er zeer voor — \'t zou niet vreemd zijn indien „dat vaste karaktertjequot; er telkens en sterker op terugkwam. Wat zal men dan beginnen! — Indien het mocht noodig zijn zal Geereke wel besluiten den winter in \'t Zuiden — misschien wel in Rome te gaan doorbrengen. Dat zou een bijna zekere afleiding wezen. — Neen, naar Parijs te gaan dat wil zij zelve niet. Ternauwernood heeft Geereke haar jongen daar van het pad der zonde kunnen weerhouden, waarop hij door een dier loszinnige wezens ter kwader ure gelokt was. ween, \'t was Er zijn aard niet, neen! In Utrecht mocht hij zelfs het sieraad der academie heeten, doch — wie stond er vast in dien stroom van verleiding als daar in die vree-selijke wereldstad.

Voor \'t oogenblik is de moeder wat geruster; maar vooral: „zij vertrouwt op God die haar, zoo dit mocht noodig worden, de kracht zal geven om te handelen in het belang van haar kind, van haar eenigen zoon!quot;

Ernst houdt woord. Hij ziet Anna met papa op en neer wandelen maar blijft bij het foei-leelijke freuletje Stronk van Zetten over het vuurwerk praten. Hij ziet Willem Haverkist met Anna in gesprek en druk gesticuleeren, en.... het bloed vliegt hem wel naar het hoofd, maar hij zegt toch aan Kaatje en Sophie Haverkist — die nu buiten, zoo in den maneschijn en bij vuurwerk, zich oneindig veel vrijer gevoelen: „Ja, dat die zon heel mooi is. En Fietje herneemt:

„\'t Is jammer dat er geen muziek te krijgen was, zooals voor vier jaren, toen we nog samen gedanst hebben. — Gud!quot;

Een oogenblik later spreekt Ernst met Le Village. De burgemeester deelt den jonker zacht en in vertrouwen mede, dat hij onmiddellijk na \'t bezichtigen van \'t lijkje, als hulpofficier proces-verbaal heeft opgemaakt; het corpus delicti onder den toren doet bewaken, en den rijksveldwachter naar Arnhem heeft gezonden: „Volgens zeggen van dokter Bronquot; besluit Le Village: „moet het cadaver al zeer lang in den grond zijn geweest. Een fatale geschiedenis, maar een mooie als je jong burgemeester bent. \'t Is bij mij een uitgemaakte zaak wie de daderes is, maar ik zeg het aan niemand.quot;

Ernst heeft het alles gehoord; maar hij zag te gelijk dat papa Anna\'s zijde verliet, en met tante en dominee en neef Jasper ging praten, én.... dat Oscar nu aan de andere zijde van Anna kwam. — Ja, daar stonden ze met hun drieën: Oscar, Willem en Anna. Nu liepen zij het gazon vóór den vijver om: Anna in \'t midden. — Ernst

183

-ocr page 192-

184 ANNA BOOZE.

kan onmogelijk langer stilstaan; die vaurfontein waar ze allemaal naar gapen, kan hem niemendal schelen. — Was het dan niet mogelijk dat Oc — of zelfs Willem, het in de hersens kon krijgen om dat engeltje te vragen! — Kijk, wat gesticuleerde die Willem weer: zoo\'n ploertige dominee\'s-jongen! Ja, \'t is zijn vrind en een goede vent; maar als hij zóó begint... zóó! ■— Ernst staat met de lippen opeen en den duim in zijn vuist geklemd. — Woord houden! woord houden! Ja, maar hij moet papa spreken, \'t Is om dol te worden. Dol!....

„Pa! Papa!quot;

Tien minuten later zijn de gasten voor een groot deel teruggekeerd in het salon, dat Geereke naar den nestor der Hollandsche landschapschilders: het salon Hobbema had genoemd, en gebruiken er de keurige oranje-pecco, die juffrouw Molenwiek zoo onverbeterlijk schenkt — maar niet in \'t nadeel van den Arnhemschen leverancier.

Mijnheer Geereke is zoo even in het salon teruggekomen. Zijn gelaat teekent de gewone kalmte, doch aan zijn Kunira ontgaat bet niet dat er iets bijzonders moet hebben plaats gehad. Geereke was nu eens zeer afgetrokken, en dan weer zoo uitermate beleefd — niets natuurlijk.

Onder een klein pretext weet zij het salon te verlaten. Haar moederlijk instinct drijft haar naar boven, naar de kamer van Ernst.

En ... mevrouw Geereke schrikt er van. Sedert zijn kindsheid hoorde ze Ernst niet schreien. Maar nu, nü schreit hij — de mooie knaap: hoe geheel anders klinkt het dan vroeger, en \'t is schier akelig zooals hij die woorden uitstoot:

„Dat is zeker liefhebben!.... Uw eenigen zoon liefhebben!.... Papa opstoken!.... Wat kan mij dien adel schelen! — Doe ik u dan verdriet als ik gelukkig ben? Dan wil ik liever doodgaan, dat wil ik! Waarom is dat geen partij! Ik.... neen! ik....quot;

„Er, lieve Er, — We meenen het zoogoed!quot;

„Ja, dat kunt u wel zeggen.... ja! Als pa niet zelf bekend had, dat.... dat ...quot;

„Spreek nu kalm, beste goede Ernst----!quot;

„Ja, zelf gezegd, dat ze juist ... juist een meisje wasvoor mij.... om.... omdat ze zoo knap en.... verstandig en.... van al.... alles is. Ja, en waarom word ik dan tegengewerkt? Zulk een engel is er niet meer en.... nou is Oc____Oc! O!quot;

„Maar kind, kindlief, bedaar toch. Foei! een man van twintig jaar, lieve!quot;_

„Ja, als ik maar meerderjarig was! U bent m\'n vijand. U houdt niet van me, en pa ook niet, hoewel hij haar lief vindt.—Maar ja, ik wil het, ja! anders verdrink ik me; dat kan me niemendal schelen. Ik wou dat ik dood was, dood!quot;

Mevrouw Geereke hield zich goed, maar ze beefde en trilde letterlijk in al de leden. Ernst, die zoo akelig schreide, Ernst die haar verweet dat ze hem — haar eenige — niet liefhad. Ernst.... dood. O dat vreeselijke denkbeeld!

-ocr page 193-

ANNA KOOZE. 18S

,Mijn lieveling, bedaar! Al moest het alles kosten, gelukkig zui je worden. Lieve, beste jongen! Ernst, geloof je heusch dat ma je-niet lief heeft....?quot;

„Maar zal pa dan acces vragen? Morgen? morgen? Zal hij dat doen? Zeker!?quot;

En — er zich tegen verzetten dat zou de moeder niet langer.... Neen, maar — wie weet wat nog uitkomst geeft. — Wie weet! zucht zij bij zich zelve en droogt de tranen van den schoenen jonker met haar fijnen zakdoek, en overlaadt hem met de teederste kussen, maar gevoelt ook — en nu voor het allereerst -— dat er nóg iets-anders is dat haar beroert: Een andere heeft hij liever dan haar. O God! Is zij zijn moeder, zijn eigen moeder dan niet!

Één enkele gedachte vervult de ziel van Oscar Van Breeland.

Alexander quot;Van Wall komt juist de tuinmanswoning uit, waar hij was binnengegaan om de handen te wasschen; \'t was een gehaspel met dat vuur en quot;t aansteken geweest.

Jonker Oscar treedt hem ter zij.

„Mooi hé?quot; vraagt Van Wall.

„O mijnheer Van Wall ... prachtig!quot;

„En alles samen voor een bagatel, \'k Geef je te raaien.quot;

Oscar begrijpt dat het een mal-a-propos is.

„De heele boel voor vijftien pop. Spot hé? Als ik m\'n zin mocht volgen dan moest er een kleine of groote honderd de lucht in; maar neef — je oom — is daar tegen; enfin, ieder zijn idee. We vermopperen soms wel wat meer voor vuurwerk in Rotterdam, en zoo\'n arme drommel van een vuurwerkmaker moet ook leven.quot;

„Hé Van Wall, a propos van fortuin — die juffrouw Rooze heeft zij — of weet u dat niet.... ?quot;

„Kom, maal nou niet langer met je U, en draai me ook maar geen krakeling op m\'n neus. Je bent geloof ik, in den sukkel over die weergasche mooie bruinoog. Wil jij wel gelooven Oscar, dat ik met m\'n vier en dertig jaar en m\'n engel van \'en Louise nog kippenvel kreeg toen ze me van middag herkende. Verduiveld hé! Pak, ze kerel! Pleur ze! of je vischt achter \'t net.quot;

„Hoor eens Van Wall, ik moet je zeggen.... ik wil je bekennen----dat....quot;

„Ja, we begrijpen je best. Je wilt nu maar eerst eens weten of er moppen zitten.quot;

„Neen Van Wall, neen, waarachtig....\'-

„Geen gevloek! Jelui adellijke rechtsgeleerden of nietsdoeners^ jelui bent dikwijls de schrokkigste haaien van de wereld. Ik ben een smous in m\'n vak, dat wil ik weten. — Niet oneerlijk. Tien oude Russen als je dat bewijzen kunt. Willen ze een partij zwart voor wit van me koopen a la bonne heure, daar hebben ze d\'r oogen voor; maar bij jullie komt de partij er nog minder op aan, als je maar zaken kunt doen.quot;

„Van Wall, dat meen je niet. — Papa leeft op een vrij hoogen voet; heeft een mooien post, maar geen fortuin, en----quot;

-ocr page 194-

186 ANNA ROOZE.

„Nou dat is geen schande. Toen mijn overgrootvader hier in \'t land kwam, toen had hij drie Berliner Thaler; maar, Hans Von Wall had ook een kop om mee van wal te steken hoor je! — En, — dus wou je van mij weten of Roosje dubbeltjes heeft?quot;

„Men dient toch zekerheid te hebben dat men zijn liefste een leven kan bezorgen, geëvenredigd aan den naam dien ze moet dragen. Is het geen plicht dat het verstand de liefde beheerscht, mijnheer Alexander?quot;

„Zeker, mijnheer Oscar! Maar als je de liefde berekent, dan beheerscht de rekenkunst de liefde en je krijgt een uitkomst met «en breuk.quot;

Van Wall — al mocht hij gelijk hebben, begreep Oscar niet. Oscar Van Breeland zou zich met Anna gelukkig gevoelen zelfs in den «envoudigsten kring, doch, de zoon van den baron-staatsraad Van Breeland, hij begreep zijn maatschappelijke positie; hij kende den kring die de zijne moest blijven, ofschoon die kring niet altijd de

aangenaamste was----In één woord, hij zag zijn vrouwtje ongelukkig,

indien men geen vermogen zou bezitten, althans eenigszins geëvenredigd aan den naam dien zij dragen moest.

Alexander herneemt:

„Intussclien, toen ik mijn lacherige pop, m\'n „goede zwartjequot; aan den haak sloeg, toen was ik heel blij dat ze ook nog vier duiten meebracht. Jongens zulk geld is zoo afgesukkeld gauw verdiend. Wat jou betreft, ik kan me best begrijpen dat ie ten minste eens polsen wilt.quot;

„En....?quot;

„Best hoor! Neen dat ding is secuur.quot;

„Och kom! Mijnheer Rooze was je vriend....?quot;

„Neen dat niet. We hadden elkaar in Londen ontmoet en kennis gemaakt. Een verduiveld snaaksche vent. Toen is ie weer drie jaren in Indië geweest. Bij zijn terugkomst at hij een middag met dat popje bij ons, zooals ik je zei; en toen bleek het me duidelijk dat hij èn van zich zelf, èn van zijn overledene vrouw — die een freule Moreel was — een niet onaanzienlijk fortuintje bijeen had. Zie. zoo blijf je met haar nog op den koop toe een beetje in \'t adellijke bloed. — Wat de dubbeltjes betreft, die worden door een zwager geadministreerd, die te Groningen bankier is. Dat is zeker een broer van dien snaak, waarbij ze nu op De Runt logeert. Geereke heeft me straks ook al naar de familie gevraagd, maar die oom Lijning hier moet een povere sliersperge wezen.quot;

„Een oom uit Groningen! — Zij heeft er maar één; dan is die «igenaar van De Runt zeker de bankier. Ja ik herinner mij van haar te hebben gehoord dat haar oom uit Groningen naar Gelderland was gekomen. — Zeg mijnheer Van Wall: hebt u ooit zooveel liefs, zooveel schoons, zooveel edels en verstandigs in één persoontje ver-eenigd gezien?quot;

„Ja mijnheer Van Breeland, ééns.quot;

„Eens?quot;

„Ja ééns, mijnheer Van Breeland!quot; zegt Van Wall deftig, en dan bijna declameerend: „\'t Was namelijk toen mejonkvrouw Louise

-ocr page 195-

ANNA ROOZE.

Helena Constantia Zwartse De Goeije sprak tot Sander Van Wall, terwijl zij haar welgevulden arm om des zelfs hals serpenteerde: Nou daar heb j\'m! en, de daad bij \'t woord voegende, den teerbeminde voor \'t allereerst een zoen gaf, uit pure----enfin met de

heele gedachte er bij, versta je!\'quot;

Oscar was na die verklaring zoo wonderlijk en absent, dat hij de sterke slagschaduw van het groote huis — in den maneschijn — onbewust voor een trottoir aanzag, en een hoogeren opstap maakte dan noodig was, zoodat hij met den voet lager neerkwam dan het „onbewust gevoelquot; had berekend.

Zulk een dag vol zaligheid beleefde Oscar tot heden niet. Het meisje, dat hem sinds dien morgen in den spoorwagen gedurig ofschoon — hij moet het bekennen — telkens in flauwer trekken voor den geest heeft gestaan, vond hij op \'t onverwachtst terug. Hij is er van doordrongen: tusschen haar en hem bestaat er een sympathie, die alleen de toetsteen kan wezen voor een blijvend ■waarachtig geluk. Neen, ijdel is hij niet, maar toch hij gevoelt dat het bekoorlijke meisje ook hem zal beminnen, zoo hij haar niet reeds nü, iets meer dan vriendschap heeft ingeboezemd. Maar zulks te onderstellen zou immers wel groote ij delheid wezen. Doch er zullen bezwaren zijn. — Neet Ernst!? — Geen nood! De toon waarop zij in den morgen heeft gezegd: Aan uw oom en zeker niet aan Ernst had ik raad willen vragen; die toon heeft hem genoeg overtuigd dat de jongensachtige liefde van Ernst geen de minste kans had van beantwoord te zullen worden. Maar niet van adel! — Oscar kent zijn ouders. Doch — juffrouw Rooze heelt fortuin. — O dat geld! Maar ook: O die standen! o die malle convenances in de wereld! Immers, nu moest men onverholen zijn gevoel kunnen lucht geven, zijn hart kunnen uitstorten; nu reeds moest hij vrijuit kunnen zeggen: Anna Rooze ik bemin je! Anna, verbind je dierbaar leven aan het mijne. Anna, maak mij gelukkig. Ik zal je eeuwig liefhebben! Maar neen, dat kan toch niet. Een enkel woord mag hij haar toefluisteren misschien, maar — zelfs geen dat haar de rust van \'t leven benemen kon, indien.... Maar, zou het mogelijk wezen dat zijn ouders zich tegen zijn vurigsten wensch zullen verzetten? Of ook dat hare familie----? Geen nood! hij zal verstandig zijn eerste en schoonste zaak bepleiten. De liefde zal zegevieren. Geen nood! althans wanneer Anna\'s hart maar half zoo luide zal kloppen voor Oscar, als het zijne voor dat ideaal zijner schoonste droomen.

Zie, ginds in de verte gaan nog een paar gasten over het brugje, waarop Alexander het vuurwerk heeft afgestoken.

„Is dat niet Willem Haverkist met. ■.. ?quot;

„Met mevrouw Le Village,quot; valt Alexander in: „Misschien kent Willem haar geheim nog niet. Een knap lief vrouwtje.quot;

„Neen ik geloof.... dat het jutfr... . An....quot;

„Kom kerel, \'tis juffrouw Molenwiek! daar heb .je \'tbegin al van de misère. — Eifersucht, o Eifersucht, zegt m\'n vrind Brummelstörf altijd; maar, zijn Augusta heeft ook aan elk raam een spionnetje.

187

-ocr page 196-

188 AKNA BOOZE.

Kom kerel, \'k heb een afgesukkelden dorst. — Ja ik zwijg als een mof, natuurlijk! maar ik kom op je bruiloft hoor! en, als alles nü eens goed mag afioopen, dan breng ik m\'n wijf en — m\'n jongen mee. Viermaal heeft ze me gefopt, maar we geven den moed niet verloren. — Kom Oscar! Je bent \'en goede vent, kom!quot;

„Maar zou het dan toch geen zonde zijn te twijfelen aan de waarheid der bijbelsche verhalen?quot; zegt Anna, en ziet de halve maan weer helder van achter een donker wolkje te voorschijn komen.

„Als dat zonde kon genoemd worden juffrouw Rooze, dan zou het alleen strekken tot bevestiging der hypothese: dat alle menschen zondaars zijn.quot;

„U bedoelt. .

„De uitzonderingen zullen, ten minste bij het denkende deel der menschen, zeer luttel wezen. Zelfs bij de rechtzinnigsten, of laat ik zeggen zelfs bij de meest-orthodox geloovigen treft men tegenwoordig een angeltje van ongeloof aan. Deze heeft het op Jozua\'s zon, die op Bileams ezel, gene op het driedaagsch verblijf van een mensch in de maag van een walvisch gemunt en....quot;

„Ja aan die verhalen te twijfelen dat heb ik nooit zonde geacht: maar aan andere, aan ... O, ik strijd er zoo dikwijls tegen....quot;

„Mij dunkt,quot; herneemt Willem: „dat men het volste recht heeft al de bijbelsche verhalen in twijfel te trekken, die ons voork omen in strijd met de waarheid te zijn, zoodra men zekerheid mee nt te hebben dat er één enkel onwaar is.quot;

Dat deed Anna zeer. Willem hakte er zoo ruw op in: maar toch.... ja... zij was het eens met zijn volgende woorden:

„Eéne onwaarheid, één leugen maakt den persoon verdacht. Zie,quot;\' besluit de student: „is de bijbel waarachtig het woord van God, niet geschreven maar ingegeven door den Eénige; dan beve de sterveling, die er één letter aan tekort doet; maar — is het een werk van menschen, dan schifte men, en oordeele met studie en verstand, en behoude al dat schoone en reine, waarvan de weerklank in onze ziel wordt vernomen.quot;

„Maar wat is dan waarheid?quot; zegt Anna zacht.

„Dat vroeg — volgens de geschiedenis — Pilatus ook,quot; herneemt Willem, terwijl hij te gelijker tijd het schoone meisje in die heerlijke oogen ziet.

„En.... waaraan is ze te onderkennen, ook in den bijbel?quot; zegt Anna weer haastig.

„Ik geloof dat de waarheid nooit verborgen is.quot;

„Niet!?quot;

„Neen, wanneer u haar zóó wilt aanduiden: waarheid is alles wat volkomen rein is en goed, en voert tot het liefhebben van den eeuwigen oorsprong van alles, en van alle — alle menschen!quot;

„Wie heeft u dat zoo gezegd?quot;

„Niemand — maar ik geloof dat men met Opzoomers lessen tot zulk een formule moet komen.quot;

-ocr page 197-

ANNA ROOZB. 189

Anna schrikt. Haar goede Marnix had eens aan de theetafel dien man een gevaarlijk mensch, een wolf onder de schapen genoemd: „Opzoomer?quot; herhaalt ze: „is dat die professor die aan niets, volstrekt aan niets meer gelooft----?quot;

Willem kweet zich dapper en besloot:

,Hii gelooit juifrouw Èooze, aan de zegepraal der waarheid, de waarheid, die zijn oorsprong moet hebhen m den Schepper van \'t heelal. — Wil ik u eens zeggen wat de meeste menschen de waarheid noemen?quot;

Anna duizelde een weinig en stemde: „Ja!quot; terwijl ze hem aanzag.

„Hetgeen zij zelf voor waar houden, dat is in hun oog: DE waarheid ... Heden anders dan morgen, maar, hoe ook veranderd, altijd DE waarheid. Deze, in billioenen vormen gekleed, is de subjectieve, en dunkt u niet dat we in godsdienst aan de objectieve die ik u noemde volkomen genoeg hebben\'?\'quot;

Willem Haverkist sprak zoo vlug, zoo — men zou bijna zeggen — zoo brutaal overtuigd, dat hij andersdenkenden licht kwetsen moest. Zijn oudere vriend, de baron, had hem dit dikwijls onder ft oog gebracht; maar, een zoon van dominee Haverkist moest men niet te hard vallen. Nu echter had Willem — naar hij zich herinneren kon — niets gezegd wat afkeuring verdiende. Hoe zij beiden op dat diacours gekomen waren wist hij niet meer, maar, dat beeldschoone meisje had hem tot spreken uitgelokt, en hij, de empirist, heeft zijn overtuiging moeten uitspreken. Ja velen had hij reeds afgestooten met het uitspreken van de meening dat de bijbel een menschenwerk was en zijn verhalen veelal fabelen of legenden der oudheid waren. Dikwijls had hij eenige dier legenden, zoo niet in een bespottelijk, dan toch in een comisch daglicht gesteld, zonder te bedenken dat hij vaak anderen, en ouderen vooral, er mee kwetste in hun dierbaar geloof, het geloof, waarin zij immer hun steun en troost hadden

fevonden. — Maar hij dankte nu den goeden baron in stilte; nu hadevonden. — Maar hij dankte nu den goeden baron in stilte; nu had

ij toch niets gezegd, niets dat haar geschokt of haar in haar dierbaarste overtuiging kon beleedigd hebben. Ten minste hij geloofde het vast. Te liegen, dat verfoeide hij! Waarheid was godsdienst, en godsdienst was waarheid. Daarom sprak hij, wanneer men hem vroeg, steeds naar zijn innige overtuiging, al was ze die eens anderen niet, en al was het zeer mogelijk dat hij dwaalde, ofschoon hij van het tegendeel, in den absoluten zin, volkomen overtuigd bleef.

, Ik hoop niet juffrouw Rooze, dat ik wat te ver ben gegaan en mijn vluchtige woorden uw godsdienstig gevoel-... uw....quot;

„Neen mijnheer Haverkist----neen,quot; zegt Anna, terwijl ze geheel

in gedachten verdiept, al voortgaande hem weder van ter zij in de oogen ziet: „ik twijfel niet zoo spoedig aan alles, omdat er hier en daar in den bijbel gevonden wordt wat ik niet gelooven kan -. -. Maar toch, u hebt gelijk: indien het eene onwaar is, dan kan het andere-.-. — Doch de hoofdzaak is bevredigend. Ja! die de waarheid lief heeft, zooals u haar noemde, die heeft godsdienst. —Mijnheer Haverkist----quot; zij legt hem snel de hand op den arm, en beiden

-ocr page 198-

ANNA ROOZE.

staan stil; ,u onderscheidt een objectieve en een subjectieve waarheid ... Bij voorbeeld — nietwaar: \'t is zeker dat de maan daar tusschen de wolken schijnt, maar of het nu licht of donker is in den tuin, dat zijn subjeclieve meeningen: Zie, dat geeft mij een zonderlinge klaarheid; onomstootelijke waarheid hebben we te z o e k en en op subjectieve meening ons niet te verlaten.quot;

Willem ziet Anna aan, en.... hij krijgt inderdaad — wat Alexander straks heeft genoemd — hij krijgt kippenvel; want, dat meisje zóó

in vuur te zien, dat denkende, edele, onbegrijpelijk schoone kopje____

het was... •

Opeens bespringt Willem dat rare, brutale, onopgevoede, door-hakkerige — hij weet zelf niet wélk onhebbelijk iets, dat hem soms eigen is, want zijn hart bonst als een blok op den heipaal, en met eenigszins trillende stem valt hij in:

„En evenzoo is het zeker dat er liefde bestaat, maar aan wien men die schenken zal... . Anna! — Anna!! o vergeef mij, maar....quot;

— Lomp, boersch onhandig, kwa-jongensachtig, bespottelijk, ondoordacht, tegen alle regels, misschien tegen alle welvoeglijkheid in....! Best mogelijk! Willem Haverkist was niet anders. Hij was er zelf ,kapotquot; van, maar, dat „enorme meisjequot; had hem betooverd: in \'t rijtuig, bij de schilderijen, aan tafel, nü.... Enfin! men moest voor zijn opinies uitkomen! Willem bespeurt echter niet dat Anna, hevig ontsteld, doodsbleek geworden, hem zachtjes afweert.

Hij herneemt:

„Ik weet het wel juffrouw Rooze: u kunt niets zeggen.... O als ik te stout ben, vergeef mij. Ik begrijp zeer goed dat ik geen indruk op u kon maken zooals u op mij; neen, maar God weet het, ik meen het eerlijk en trouw. Toen ik u zag. ... voor \'t eerst dezen morgen, toen... quot;

„Mijnheer. .. .!\'\'

„O toen dacht ik: was zij arm zooals ik, die engel! ze moest de mijne worden. Uw lief, uw hemelsch gelaat, uw....quot;

„Mijnheer. ...! ik verzoek.. .quot;

„Neen lieve dierbare juffrouw Anna, al ben ik vermetel, dwing mij niet tot een namelooze smart. O zeg mij dan, dat geen ander, geen. ..quot; Willem wilde haar hand vatten, maar Anna heeft zich hersteld en weert hem af:

„Niet verder mijnheer Haverkist; ons gesprek van daareven zou mij minder aangenaam zijn geweest, wanneer ik die zonderlinge wending had kunnen voorzien, vooral met het oog op ons uitblijven. De familie zal ons missen, er is niemand meer buiten.quot;

„Anna! Juffrouw Anna! zeg mij dan één, één enkel woord. Is er....quot;

„Ik verlang naar binnen te gaan: \'t is koud geworden.quot;

„Anna! slechts uw antwoord op de vraag: Is er geen ander die u bemint.... Anna ...?quot;

En zij, terwijl ze sneller voortgaat en de breede stoep nadert, zegt, even omziende:

„Neen mijnheer Haverkist.quot;

Sneller treedt Willem aan haar zijde voort en dan:

190

-ocr page 199-

ANNA ROOZB.

„Anna, uw hart is dus vrij----?quot;

„Dat heb ik u niet gezegd. — Laat me mijnheer!quot;

„Juffrouw Anna, wat....? een ander wordt door u bemind?quot;

En, als zij snel de breede trappen opwipt onder de colonnade, en straks in de rijkverlichte vestibule verdwijnt, dan klinkt hem nog haar „Ja!quot; als een vermorzelend en verpletterend kanonschot in de ooren. Zij bemint een ander, zij-.. ? — Ja! antwoorden nog eens de hooge bordeskolomraen. Ja! en hij valt op een ijzeren tuinstoeltje neer, en----vliegt dan weer op, en de stoep af, het nabij-

zijnde boschje in, en, hij beeft over zijn geheele lichaam. Is het van spijt? Is het van schaamte? Kinderachtig is het zeker, beroerd E O! maar zulk een engel, zulk een eeuwig lief, beminnelijk wezen!.... O God!____ En — Willem weet dat hij als een dolleman heeft gehandeld en nóg doet misschien, maar hij is niet anders. — Had ze hem dat handje dan niet op den arm gedrukt? Ja, maar dat was onwillekeurig, dat was ... Ha wat heeft zich de arme dominee\'s-zoon vermeten! Zij zal hem uitlachen, ze zal.... Neen, dat zal ze niet, die engel! — Ja wel, dat zal ze zeker, en daar heeft ze recht toe! — Neen, nogmaals neen, dat zal, dat mag ze niet!

En Willem — met den arm tegen een boomstam geleund, stampt met den voet op den fulpen grond, en bijt zich de lip in bloed. Hij was een dolhoofd, maar zij — zij blijft een engel!

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Twee dagen na den beschreven feestdag rijdt de koetskar van De Runt het groote hek van De Renghorst binnen. Joost houdt voor de stoep met de colonnade stil; springt van het rijtuig, maar ziet geen schel naast die drie glazendeuren, en vraagt — of mijnheer d\'r moar uut wil kommen, dan kos ie zelf is kieken.

Een toesnellende tuinjongen beduidt den voerman dat hij het hui» moet omrijden; de oprit was achter, dit waren plezier-deuren.

De kamer van den baron Geereke bevindt zich naast de balkonkamer op de eerste verdieping. Door de vergissing van Joost weet de baron reeds welk bezoek hem te wachten staat, en, terwijl hij de smeerlooze groenachtige kap der koetskar weer om den hoek van het huis ziet verdwijnen, wrijft hij zich even het voorhoofd; legt haastig een verslag over proefnemingen met guano-bemesting op eigen landerijen ter zij — een verslag dat hem dezen morgen bezighield en dat hij op het eerstkomende landhuishoudkundig congres hoopt uit te brengen —- en verlaat dan snel zijn kamer om het kleine boudoir van zijn Kunira binnen te gaan.

191

-ocr page 200-

192 ANNA BOOZE.

,Lieve, wat is er?quot; vraagt mevrouw die juist een brief aan de familie Ducouvée de Sauterne, met het fijne goudlak verzegelt.

„Ik geloof Kuni. dat mijnheer Lijning van De Runt er is.quot;

,Lijning!\'? — Die oom? — Wouter, je doet me schrikken.quot;

«Hij komt den brief beantwoorden, dien hij gisteravond ontving. Nu geloof ik dat Jasper en Van Wall gelijk hebben, en Dudolfs schrijven waar is. Ik zal voor De Runt niet meer geven ■dan mijn bod! Vindt je wel Kuni?quot;

„Wouter doe dat geheel naar je zin. Je wilt De Runt hebben. 1t Is een illusie van je, om dat alles naar dat plan te verfraaien en te verbeteren en dus ...quot;

„Nu wij zullen zien. Maar. ..quot;

.Maar?quot;

„Zal ik dien oom hu meteen over die andere zaak....?quot;

„Geereke, waarachtig het zal mijn dood zijn.quot;

„Neen lieve, dat geloof ik niet. Nadat ik zeer ernstig met onzen jongen gesproken heb — en hij was waarlijk kalm en verstandig — gevoelde ik diep dat het verkeerd zou zijn hem in deze liefde tegen te gaan, vooral na alles, wat ik hem \'t vorige jaar te Parijs onder \'t oog moest brengen. Als hij gelukkig wordt, zullen wij het dan niet wezen Kuni?quot;

„Mijn eenige jongen,quot; zucht mevrouw.

„Ons eenig kind!quot; herhaalt Geereke: „Kunira, stel nu een dwazen trots ter zij. Had onze goede Ernst een meisje gekozen even schoon, even liet, even voortreffelijk als juffrouw Rooze, en was zij bovendien van goeden adel, je weet het ik zou er mij zeer in verheugd hebben, maar nu — ik herhaal het met de volste overtuiging, nu het zoo is, nu dank ik God niet minder voor de keus van onzen iongen. Alles, alles vereenigt dat meisje in zich,wat Ernst geluk-Tcig kan maken. Haar schoonheid zal hem boeien, haar verstand zal hem leiden, haar talenten zullen hem....quot;

„Ho! kun je je eigen kind nog meer vernederen?quot;

Er wordt geklopt.

„Binnen!quot;

„Mijnheer,quot; zegt Jozef: „die heer van De Runt is beneden en wou u spreken.quot;

„Ik kom terstond Jozef.quot;

„Kunira,quot; herneemt Geereke: „ik had besloten dien oom in \'t belang van Ernst te gaan bezoeken, maar, nadat wij nader van hem hoorden, zag ik er tegen op. Nu hij hier is, kan ik hem met de wenschen van Ernst bekend maken, en, moge het niet in den vorm zijn, ik vrees niet dat deze oom beleedigd zal wezen. Was hij fatsoenlijk man, ofschoon van burgerlijke afkomst, zonder eenige bedenking zou ik hem bezocht hebben, maar nu____quot;

„Wouter----lieve Wouter, doe het vandaag nog niet? Misschien

komt Ernst nog tot andere gedachten, en dan____quot;

„Ernst wordt stil en bleek, Kunira.quot;

„Ja ja, hij is afgetrokken, en eet bijna niets. Ach, dat hij dat meisje ontmoeten moest! O die kermisavond!quot;

-ocr page 201-

ANNA. ROOZE.

.Hij zag haar al vroeger, Kunira.quot;

rJa, met die zaken ook! die boodschappen altijd! Goede God, dat ik nu gedwongen word voor mijn jongen een bete broods te bedelen, terwijl. .

T Lieve vrouw, dat zijn ondoordachte woorden. Als dat meisje Ernst gelukkig maakt, is zij dan niet onze volle liefde waard?quot;

„Ja als! Maar zie, als ik dan toegeven moet — ja moet, dan wil ik ook Geereke, dat die raenschen ons vreemd zullen blijven! Versta je: dat wil ik! Ik, de eigen moeder van mijn eenigen jongen! — Ze te zien, verkies ik niet. Dat meisje moet afstand van haar familie doen, — of anders, als je zonder dat, a tort et a travers die fatale mésalliance wilt doorzetten, dan — O! ik leefde te lang. God had mij eer moeten wegnemen van deze droeve wereld! O!quot;

„Kuni, beste wijfje, spreek niet meer zoo heftig. Wij moesten dezen weg op. Misschien zeg je later dat het een goede weg was. Ik zal dien voogd voorloopig spreken, en misschien zal hij wel te bewegen zijn om persoonlijk in geen nadere relatie met ons te treden.... op uitdrukkelijk verzoek van mevrouw Van UI and...

„Ja! op mijn uitdrukkelijk beding!quot;

„Kunira, zijn we niet allen kinderen van denzelfden Vader!quot;

„Och Guereke, spaar nu mijn hoofd, en volg maar weer je door en door verstandigen wil.quot;

En \'t was verstandig van den braven echtvriend dat hij ging. Mevrouw Geereke was erg zenuwachtig.

Eenige oogenblikken nadat de baron het boudoir van zijn vrouw had verlaten, stond hij in het salon, dat naar Hobbema was genoemd, en verzocht mijnheer Lijning plaats te nemen.

Mijnheer Lijning, die juist, even voor Geerekes binnentreden een verguld knopspijkertje, dat uit een der stoelen moest gevallen zijn, heeft opgeraapt en in den zak gestoken, mijnheer Lijning was op zijn Zondags. In plaats van het roggebrood-kleurige jasje, \'t welk van de vezelige stropdas af tot aan uet middellijf werd dichtgeknoopt, droeg hij nu een zwart lakenschen rok; — uit de voorwereld! had Jozef bij het binnenlaten gedacht: zoo nauw om de magere armen, zoo dol-puntig en zoo vet en kaal bovendien, dat j\'em \'en cent zoudt geven. — Toch was Lijning ook met het verdere zwart aan zijn mager lichaam, op z\'n Zondags voor wie hem gewoonlijk als roggebrood zag.

Lijning zal zich zetten als de baron eerst----„Neen ik vraag wel

excuus mijnheer de baron.quot;

„We zullen geen complimenten maken, mijnheer Lijning.\'\'

Lnning rondziende, terwijl hij zich zet:

„O dat is overheerlijk! Wat een prachtige collectie schilderijen mijnheer de baron, dat is een museum. Ja ja, daar steekt een kapitaal in, — kolossaal! O als u daar liefhebber van zijt, ik heb nog een paar echte De Witjes en een Rembrandt van Rijn; als ik u soms....!? U bent een kenner. Prachtig!quot;

v. 13

193

-ocr page 202-

ANNA ROOZE.

„Wel goed mijnheer Lijning. — U hebt zeker miin brief ontvangen? \'t Is jammer..

,0, dat maakt niets mijnheer de baron, neen dat is niemendal. Maar allereerst moet ik n duizendmaal bedanken; duizendmaal voor den overheerlijken dag, dien mijn nichtje bij u doorgedracbt heeft. Zij heeft een overgroot plezier gehad. Hoe gaarne zouden wij u die beleefdheid eens reciproceeren mijnheer de baron, maar mijn arme ongelukkige vrouw ..quot;

— Wanneer Eunira of de Van Breelands dit eens gehoord hadden! denkt Geereke, en zegt:

,\'t Gezelschap van uw lief nichtje was ons bijzonder aangenaam.quot;

„Och kom, dat verheugt mij, en dat zal haar tante, mijn arme vrouw, ook genoegen doen mijnheer de baron. Anna is een goed kind! Zij aardt als \'t ware geheel naar mijn dierbare ongelukkige vrouw en naar haar eigen moeder die zusters waren, de freules Moreel. Door en door oude adel.... maar....quot;

De baron wendde zich naar de deur: \'t was hem alsof hij er iets hoorde.

Lijning meende dat de uitweiding over Anna\'s familie den baron verveelde en vervolgde:

„Maar. ... Ja, wat ik zeggen wilde, de zaak waarover ik u spreken kwam is een andere. — \'t Maakt niets uit, niemendal; maar ik zeg altijd: twee woorden doen meer dan dertien brieven; dat zal de baron nog beter dan ik bij ondervinding hebben. — Ik zeg tegen mijn goede vrouw: ja.... wat er ook tegen is, ik ga zelf naar den baron, want het is een misverstand, precies als van die uitwegen mijnheer de baron. Toen ik \'t begreep toen was die zaak gezond, nietwaar? dat was door de eer van uw eigen bezoek.quot;

„Ik heb uw inschikkelijkheid zeer op prijs gesteld, mijnheer!quot;

„Spreek daar niet van baron. Foei! Maar nu is het een gekker geval....quot;

Geereke kijkt weer naar de deur, en Lijning vervolgt wat sneller:

„Zie, eerst doet lord Brice mij vragen of De Runt te koop is. Op een waarschijnlijk verkeerd begrepen antwoord van mijne zijde, laat hij mij, voor het weinige, dat ik van de oude heerlijkheid bezit, een bod doen. Te gelijker tijd vereert de baron Geereke mij met een bezoek, en geeft zijn wensch te kennen eigenaar van het door mij gekochte kasteel te worden.quot;

„Althans....quot; zegt Geereke.

„Ja wel, ja juist mijnheer de baron: althans, nadat u hadt meenen op te maken dat ik.... ja wel.... enfin! Maar,inmiddels ontvang ik een nader schrijven uit Botterdam, welken brief van den heer Smit, namens lord Brice, u gelezen hebt. Het was billijk dat ik mijn ge-eerden buurman — \'t zij met verschooning gezegd mijnheer de baron — de voorkeur verzekerde tot dien prijs. — Vast besloten De Runt te verlaten, kocht ik elders een kleine woning, en, vast overtuigd dat u eigenaar van De Runt wilde wezen — ik speel open kaart — schreef ik lord Lidson Brice dat ik het kasteel met de mij behoorende gronden reeds verkocht had. Zie, dat was een

194

-ocr page 203-

AUNA KOOZE. 195

korte maatregel om niet opnieuw in geschrijf te komen, — verstaat u — ik gunde u zoo gaarne het grootsche kasteel, enquot;

„Maar ik had niets gekocht mijnheer Lijning, en heb u zelfs nader geschreven dat ik van den koop geheel en al afzie. Ik zou mij op de voorkeur bedenken, dit was de afspraak, maar de koopprijs was zoo verbazend hoog dat ik voor die voorkeur moest bedanken.quot;

Lijning ziet naar den grond, maar Geereke meent toch dat een

Eaar fonkelende grijze oogen hem aangluren over den rand der blauwe rilleglazen heen.aar fonkelende grijze oogen hem aangluren over den rand der blauwe rilleglazen heen.

„Ja, ja juist!quot; sist Lijning: „daar zit quot;ra de fout, mijnheer de baron; als men met groote lui, met edellieden te doen heeft, dan meent men dat een half woord zoogoed is als twee. Vier dagen na miin schrijven aan den heer Smit, ontving ik van ZEdele het u bekende plattegrondje terug, met een brief waarin hij meldt, onmiddellijk na mijn afwijzing, op last van zijn lordschap, naar Silezië te hebben getelegrafeerd: tot den aankoop van een Riddergoed in de nabijheid van -... Rada.... gu.... Ja, hoe die naam was dat ben ik vergeten.quot;

„Dus na het geven van de voorkeur aan mij, hebt u lord Brice afgeschreven, en moet die fameuze koopprijs u nu ontgaan.quot;

„Juist, dat is het mijnheer de baron.quot;

,U, die meer zaken hebt gedaan, zult moeten bekennen dat het zeer verkeerd was.quot;

„Neen, neen mijnheer de baron, neen! Niet als men met een baron Geereke Van Uland te doen heeft. Een edelman die ...quot;

„Ik mag dit niet als een compliment aannemen. Zoo langzamerhand kreeg ik een weinig begrip van gemiddelde waarde. Uw risch liep twintig duizend gulden boven de gewone of, zooals ik u zeide, boven mijn taxatie, en één en dertig duizend gulden boven de koopsom door u betaald.quot;

„Zes en vijftig duizend was mij door lord Lidson Brice geboden; u hebt het gelezen mijnheer de baron.quot;

Geereke had het gelezen.

Dat Lijning een geschrift van zich zelf in het couvert had gedaan, \'t welk door Geert Holmena mee naar Rotterdam genomen en daar door dezen op de post was bezorgd, dit wist Geereke natuurlijk niet, maar, dat het een raar handje was geweest, en dat hij — na neef Dudolfs schrijven uit Groningen — vrijheid meende te hebben om van die gansche lord-geschiedenis niets te gelooven, dit stond bij hem vast.

„Het spijt me mijnheer Lijning dat — vergeef mij — een onverklaarbare onvoorzichtigheid u van zulk een groote winst moest be-rooven, maar het is inderdaad geheel buiten mijn schuld. Gaarne beken ik dat het mij aangenaam zou wezen De Runt in eigendom te bezitten, doch ik \'hecht niet zóó aan de wereldsche goederen dat het tegendeel mij ongelukkig zal maken. — Ik wenschte het onderhoud over deze zaak te besluiten, met u voor \'t laatst mijn bod te herhalen: Ik geef u zes en dertig duizend gulden, op deze voorwaarde evenwel, dat ge u op dit zelfde oogenblik decideert, en nog hedeii de akte notarieel gepasseerd wordt. Over acht dagen ontvangt

-ocr page 204-

196 ANNA ROOZE.

u de kooppenningen, en terwijl ik u gaarne toesta eenige kamers tot het voorjaar te blijven bewonen, zoo zal het mij als eigenaar vergund zijn, zoo spoedig met verbouwing of veranderingen te doen aanvangen als mij goeddunkt.quot;

Lijning had nog nooit in zulk een klem gezeten. Een winst van een en dertig duizend gulden, waarop hij had gehoopt — ja gerekend, ging hem den neus voorbij, en \'t was nu de vraag of nij er met een van elf duizend zou tevreden zijn.

„Maar mijnheer de baron, u beseft. ...quot;

,Dan zal de zaak als afgesprongen moeten beschouwd worden mijnheer Lijning?quot;

— Die verdoemde kerel! denkt Lijning, en sist:

„Sust sust! mijnheer Geereke Van Uland; een burgerman is niet zoo sterk als UEdele. Ik heb plichten; ik ben rekenschap aan minderjarigen verschuldigd.quot;

Geereke doet zich geweld aan:

„Mag ik u een vraag doen mijnheer Lijning?quot;

Lijning prikt met zijn oogen in den grond:

„Als \'t u belieft mijnheer de baron.quot;

„U spreekt van een minderjarige.quot;

„Juist, juist.quot;

„Bedoelde u — en ook vroeger reeds met die minderjarige, juf-frouw Rooze, waarover u voogd is?quot;

Lijning bijt zich een schilfer van een slechte kies. Maar hij is er:

„Ü pardon, neen pardon mijnheer Van Uland. Neen.\'t Geen ik bedoel dat is zoo half en half een liplapsche geschiedenis. Een voorkind van een neef van me in Bezoeki----op----in.... Och die

namen; ja. als het van Anna was! ja! God gaf het!quot;

„Uw nichtje heeft geen fortuin----?quot;

„Zooveel als er hier op m\'n hand ligt, mijnheer Van Uland.quot;

Die man loog, of — Alexander Van Wall was niet goed ingelicht. De hoofdzaak was Geereke echter onverschillig. Niet de bijzaak of die voogd hem bedroog. Ernst behoefde geen fortuin; maar, dien man wil Geereke kennen.

De baron hoort opnieuw gerucht buiten de deur.

Lijning verneemt dit ook; ruikt eensklaps lont, en zegt verwonderlijk snel:

„God, zoo\'n engel baron!quot;

„Dewijl juffrouw Rooze dus niet bij de zaak geïnteresseerd ie,quot; herneemt Geereke, schijnbaar zonder acht op dien laatsten uitval te slaan: nu blijft mijn bod onveranderlijk vast, en ik wenschte uw antwoord: ja of neen!quot;

Lijning berekent haastig. In publieke veiling zou het nooit zóó hoog meer loopen. Het bod was minstens twaalf duizend boven sloo-pers-waarde. — Die Geereke scheen zijn besluit onveranderlijk vast te hebben genomen. En — er was nu een andere kans, een vrij wat betere misschien:

„\'t Is een grove teleurstelling, mijnheer de baron, voor een bur-

-ocr page 205-

ANNA BOOZE. 197

germ an die vertrouwde — ik wil zeggen die ter goeder trouw en met een goede bedoeling, zich vergiste. Maar zaken zijn zaken! Mijnheer de baron heeft volkomen gelijk: een man van zaken mag zich niet vergissen. Ik had niet moeten refuseeren vóórdat u geaccRpteerd hadt. Zie, au fond moet ik zeggen dat ik plezier in u heb. Mijnheer de baron doet alles even flink; zoo iets gedecideerds; ja dat mag ik zoo graag, ja. . . maar....quot;

„En dus ... mijnheer Lijning?quot;

„Maar — het was toch niet in ernst uw laatste woord, mijnheer Van Uland?quot;

„Het allerlaatste. Stemt u toe?quot;

Daar gaat de deur open.

Mevrouw Geereke komt binnen, werpt de deur achter zich dicht, nadert haar echtgenoot haastig, en, zonder Lijning te groeten, zegt ze:

„Lieve, ik wacht je. Kun je dit onderhoud met mijnheer—quot; zij ziet vluchtig naar Lijning, die is opgestaan en de vrouwe van D e Renghorst van onder zijn brilleglazen meet — „kunje ditonder-houd niet afbreken? Er is.... ik heb....quot;

Mevrouw Geereke heeft zich vergist. Zij meende dat het laatste door Wouter gesproken woord een gansch andere overeenkomst betrof. De goede Kunira had, erg zenuwachtig, staan luisteren, en de klanken ernst en toestemmen, misschien wat luider gesproken, hebben de moeder naar binnen gedreven. Het kon — neen het kon niet!

De baron geeft geen blijk dat hij zijn vrouw heeft begrepen.

„Mijnheer Lijning: Mevrouw Geereke,quot; zegt hij, en dan: „Juist toen je binnenkwaamt lieve, dacht ik het antwoord van mijnheer te hooren op mijn bod voor De Runt.quot;

„Ei,----zoo!quot;

„Het verheugt mij bijzonderquot;, zegt Lijning: „de eer te hebben ook persoonlijk kennis met mevrouw Van Uland te maken. Mijn lieve nichtje heeft mij zooveel van haar verteld; ja, ik mag zeggen: zij dweept met u; dwepen, dat is het juiste woord.quot;

— Welk een horreur is die man, denkt de barones, terwijl ze Lijning vluchtig beschouwt. Zijn vleiende woorden verraden zoo juist den schaamteloozen toeleg. Ja \'t moet een conspiratie, een schandelijke intrige zijn. Wie weet of dat zelfde meisje niet een ge-slepene huichelaarster, een zedeloos schepsel is, dat.... Maar neen, een koorts moet haar deze denkbeelden door \'t hoofd jagen. Alexander had immers de ouders van dat meisje gekend. Maar toch.... die Lijning, die man.... daar. O wat afschuwelijk mensch!

Haastig haar echtgenoot naderende, zegt ze zacht en snel:

„Geen woord meer over dat andere. It might turn out badly.quot; En dan, zonder dien man te groeten, verlaat zij in allerijl de kamer.

Zij trilt en beeft over al haar leden. — Neen, neen! in dien poel mag haar eenige jongen niet verzinken. Zou hij oom zeggen tegen zulk een mensch....! Nog is het tijd! Aan moeders smeekbeden

-ocr page 206-

198 ANNA BOOZE.

zal Ernst het oor leenen. Anna\'s echtgenoot worden, dat zal hij niet. Neen, dat zal hij in der eeuwigheid niet!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Het treurige nieuws, dat den burgemeester Le Village op den verjaardag van den baron Geereke naar \'t dorp had geroepen, bleef bij voortduring het voornaamste onderwerp der gesprekken te Mulderspeet.

\'twas akelig! \'t was vreeselijk van zoo\'n moeder; om van te rillen en te beven. Eerst zich zelve zóó te vergeten en dan het arme onnoozele schaap nog van \'t leven te berooven er bij. Foei! \'t Was God geklaagd en gejammerd. Onbegrijpelijk en onmenschelijk! Allerlei namen werden er genoemd, en iedereen wist er het zijne van.

De naam echter, door Juffrouw Haverkist in de eerste verontwaardiging zoo luide uitgegalmd, en later — dood in vertrouwen — niet zelden herhaald, die naam was op de lippen der meesten.

Grietje Hobbes! zoo luidde het schier overal, en Roel Raps werd er bij genoemd: Roel, een ruwe klant, die nog wel met Grietjes zuster getrouwd was.

Maar of het gerecht uit Arnhem er ook geweest was, en alles terdege had opgenomen; ja, ofschoon men zelfs Grietje voor de „roode deurquot; heeft gehad en haar \'t lijkje getoond, er was geen zekerheid gekomen.

Grietje Hobbes liep vrij, en Jan Hobbes, Grietjes broer, moest zich hebben uitgelaten: dat de erste die z\'n zuster d\'r nog op zol oanzien, of heur noam nuumen, dat ie die \'et mes in de ribben zol stêken, went —- wat dochten ze wel!?

Op het zestal door dominee bij zich zeiven gevormd, en aan welks hoofd \'t allereerst door zijn vrouw, Grietje Hobbes was gesteld, stond echter niet de naam van haar, die, na Grietje Hobbes, het meest werd genoemd en gefluisterd.

De Haverkisten vermoedden dan ook niet, wat hun te wachten stond.

\'t Is een zeer koude morgen in \'t begin van December. De ijzel hangt aan de naakte boomen, en de noordenwind blaast kil tegen de ruiten der pastorie.

\'t Is nu zes uren, en nog donker.

Hanneke Schoffels is opgestaan. Ook \'s winters is zij vroeg ten bedde uit.

Dit de bovenste la van haar latafel heeft zij al spoedig een doosje lucifers genomen, en steekt het keukenlampje aan dat ze \'s avonds — ofschoon het de lantaarn moest wezen — mee naar boven neemt.

-ocr page 207-

ANNA BOOZE.

Nu ia haar kamertje verlicht.

Daar staat ze, mooi Hanneke. — Zie, ook nu heeft Hanneke Schoffels een frissche kleur; ook nü ziet ze er proper uit, ofschoon ze zoo haastig maar weinig toilet kon maken. Als Joost haar had kunnen gadeslaan, zooals ze daar staat bij de latafel, een klein briefje lezende, dat ze met de beide handen vasthoudt; als Joost haar zóó had kunnen zien, het mooie frissche kind met haar slanke ronde vormen, haar zwarte haren en donkere oogen, en die oogen strak

fericht op het papier, terwijl de geelroode vlam der walmende lamp at kopje verlicht, hij zou....ericht op het papier, terwijl de geelroode vlam der walmende lamp at kopje verlicht, hij zou....

Ach! Hanneke gelooft dat niet. — Neen, als Joost die zekerheid had, neen, hij zou haar niet vergeven, hij zou haar niet meer liefhebben.

Al zoo dikwijls heeft Hanneke het briefje — dat Joost haar zelf van juffrouw Rooze heeft gebracht — gelezen en herlezen, maar, aan Joost heeft zij niets gezegd. — Neen, zij heeft hem alles uit het hoofd gepraat, alles wat die Piek op den vreeselijken kermisavoud heeft uitgebulderd: \'t was waarachtig gelogen! Zie, — zoo heeft ze aan Joost verteld — opnieuw had die Piek, zooals voor twee jaren, met haar willen kermishouden; daarom had hij èn Joost èn Hanneke zelve, dien avond door verkeerde inlichtingen op een dwaalspoor gebracht. Toen Piek haar in die kamer had gelokt en wat te vrij was geworden, toen had zij hem van de been geholpen; en woedend over den onverwachten val en wat er op gevolgd is, heeft hij dien laster uitgebulderd, laster en anders niet.

„Niewoar, Joost zol \'t niet gleuven!quot; heeft ze toen geschreid, „en — niemand zol \'t gleuven, nee.... niemande niet!quot;\'

En Joost heeft aan mooi Hannekes reinheid geen oogenblik getwijfeld. \'t Was goed dat ie den Piek niet meer \'ezien had, went anders____hie had\'m blind\'oog \'esloagen, zoo woar as ie lêfde.

Hanneke tuurt lang op het briefje van Anna Rooze, dat ze al zoo dikwijls las. en ze herleest nóg eens de woorden: „Gij waart een kind Hanneke; zeg hem alles, Hij zal u blijven liefhebben. Hij zal u beschermen!quot;

\'t Is vreemd dat ze dit briefje zoo trouw bewaart en zoo telkens weer leest, offchoon ze den goeden raad toch van stonde aan in den wind heeft geslagen. Maar er stond ook geschreven: „Gij waarteen kind Hanneke!quot; en dat, dat was haar vrijspraak. Ja, op die laatste woorden tuurt ze zoo gaarne, want, een dreigend spooksel stelde zich gedurig tusschen haar en den goeden Joost, dien ze zoo liefheeft.

Niemand kon het aan haar merken, maar niemand weet toch wat ze opnieuw heeft te lijden sinds dien kermisavond, en sinds dien dag vooral dat men in \'t dorp over een wreede moeder sprak, die haar kindje het jonge leven benam.

„Dat arme schoapien. O Heer!quot;

Anna\'s briefje ligt weer onder het kerkboek achter in de lade; en zie ... het schoone boerenkind is voor een stoel op haar knieën neergevallen, en met saamgeperste handen en gesloten oogen bidt ze:

„O Lieve Heere Jezus! wa\'k oe verzuuken mag, loat \'et niet uut-

199

-ocr page 208-

ANNA BOOZE.

kommen neen! Voader zol mien vluuken, en Joost.... O God den Heere, ik zal wel tweemoalen Zundoages noav de karke goan; en van \'t loon uutlegge veur den arme, vier duite \'s-wêks, of ook wel \'en stuuver. O Lievo Heere Jezus, ik was \'en kiende en.. .quot;

Hanneke bidt niet meer; biddende is zij afgedwaald, en heeft ze gedoold in dat bang verleden toen ze nog een kind was en niet wist wat ze deed; toen ze zooveel bange maanden rondliep met een vreeselijk geheim, en veinzen leerde en liegen, en lachen met de schande onder \'t hart.

Met den elleboog op den stoel en het hoofd op de hand geleund, blijft Hanneke geknield nog voortpeinzen, en — het is haar als komt die angst van voorheen haar opnieuw en sterker het hart beroeren. Toen ze ruim twee jaar geleden met dien vreemde had kermis gehouden, toen was er gepraat geweest; ja! Maar ook, toen zij het meest en het ergste vreesde, toen was er niemand meer die er schertsend oj) zinspeelde, laat staan in ernst aan iets kwaads geloofde.

O zoo vurig heeft ze gebeden dat die vreemde nooit terug zou komen. Maar ach, dat mocht niet zijn. Sedert den laatsten Octo-beravond — den avond dat Joost met die mooie juffer van Arnhem kwam — is haar lijden opnieuw begonnen. Maar nu, o God! sedert zij gisteravond door Mossel den veldwachter de boodschap ontving dat ze heden te tien uren eens bij burgemeester moest komen, nu drukt een vreeselijke beklemdheid hare borst. Het spooksel grijnst haar aan, al sterker en sterker. Ze ziet weer een woedenden vader die haar vloekt; een goede moeder, die zich weenend van haar afkeert. Joost, de brave misleide Joost, hij stoot haar terug. Het gansche dorp ziet haar met verachting aan. Nu lacht men niet meer: dat ze voor twee jaar wat vroolijk kermis hield met een vreemde; neen, men roept met dien ellendeling mee, dat ze een....

,0! twintig joar van m\'n léven, as\'t niet woar was. ..!quot; zucht ze, en haar tanden klapperen, en ze rilt: ,0! noe zal \'t uutkommen — joa! Vortloopen! vort---- 0 tante Leene! O mien jungske.

mien oakelig kleine kienje!quot;

Eenige oogenblikken later zit Hanneke over haar latafel gebogen, met een potlood in de hand. Uit een portefeuille heeft ze een blad gescheurd, en ze schrijft een briefje „aan die juffer, um toch niks. niks te zeggen.quot; Maar eensklaps ontstelt ze. Tot nu toe had ze niets gehoord dan het geblaas van den wind tegen de bevroren ruiten, en het gekraai der dorpshanen van nabij en van verre. Maar nu, nu hoort ze beweging beneden voor het keukenraam. Haar kamertje is boven de keuken in het achterhuis. Hoor — met een langen stok wordt er van buiten tegen het venster gestooten. Hanneke trilt.

Ze ademt op een der ruitjes een plekje ijsbloem weg; tuurt erdoor, naar beneden, maar ... \'t is te donker, ze kan niets zien. Nog eens wordt er met den langen stok tegen het hout van het vensterken gebonsd.

Hanneke werpt snel haar geschrift in de la der tafel; wipt het ijskille vensterhaakje los, en, ofschoon met eenige moeite — want

200

-ocr page 209-

ANNA ROOZE.

de vorst houdt het geklemd — stoot ze het venster naar buiten.

Het licht der lamp waait uit.

„Wie is doar ..

Ikke!quot;

„Ikke. ■■ . Wie? Joost hen ie \'et?quot;

„Joa Hanneke. Kom ie noar onder toe? \'k Mot oe spréken!quot;

— Hij moet haar spreken. Zoo vroeg! Waarom? Ha! zij weet het. wel: dat grijnzende spooksel heeft haar niet omniet verontrust.

„Joost ik kom!quot; roept ze naar beneden. — Nu trekt ze het venster dicht, slaat haastig een boezelaar om den hals — want ze bibbert van kou — en verlaat zoo snel als ze kan in het donker haar kleine slaapvertrek.

Op de smalle en steile trap houdt ze echter eensklaps stil, en \'t jaagt haar door \'t brein: — Neen, niemand zal \'t weten! Immers, aan die juffer heeft ze niets gezegd en niets bekend. De juffer weet maar alleen dat de ellendige haar vervolgde. — Op dien avond in den tuin mag Hanneke onvoorzichtig een woord zijn ontsnapt, maar gezegd heeft ze niets; en al had ze \'t gedaan, ze heeft dan ietsanders bedoeld, want ze was toen geheel van streek door \'t geval in de herberg. — Neen, niemand weet er nog van, dan die ellendige alleen. Maar niemand gelooft hem, en — van \'tgeen er gevolgd was, daar, neen daar heeft hij zelfs niets van vernomen.

— Ééne is er maar, ééne die daarvan weet: zij die haar bijstond. Maar tante Leene zal haar niet verraden.... Tante Leene heeft woord gehouden. Niemand, neen, niemand zal \'t weten!

Nu gaat ze verder. Ze komt beneden. De grendels schuift ze van de achterdeur los. De deur kraakt open.

Joost met een lantaarn in de hand — „helse duuster was \'etquot; — komt nader.

„Is er onroad Joost? Wat kom ie zoo vroog inne mergen doen?quot;

Joost licht haar in \'t firissche „noe van de kolde wat peerschequot; gelaat.

„Ikke mot oe spréken Hanneke!quot; — O wat was ze lieflik. — „Za\'k er inkommen Hanneke? Inne keuken? êfkes moar?quot;

,\'t Mot wat bezonders wézen; noe êfkes!quot; — Den goeje!

Nu zijn ze in de keuken.

\'t Hart van Joost bonst alsof een houten hamer op een wigge sloeg. — \'t Is niks, as ze hum oanziet dan zal ze denken dat ie versuusd van de kolde of van \'t harde loopen is;

„Nee Hanneke, nee, onroad is er niet!quot;

„Ie zolle \'en minae doen schrikken Joost. Goai noar stad toe.... en kom ie vroagen of ik \'en boodschap heb?quot;

„Nee.... nee! moarre.... d\'r.... is tóch onroad Hanneke!quot;

„Brand? Of... onroad bie voader op De Luchte. Zeg?quot;

Joost kan niet spreken. Nu hij zijn liefke daar ziet en onschuldig, hoort vragen, nu gevoelt hij zich als een schuldige tegenover haar.

— Mag hij dan nog eens twijfelen aan haar reinheid, aan de reinheid van die fleurige blom\'.

— Heeft Hanneke hem na dien kermisavond niet gezegd, dat al

201

-ocr page 210-

202 ANNA ROOZE.

de praat van dien Piek laster is geweest, uit nijd dat ze hem den bons had gegeven. Neen, het mooie zwarte oog dat hem zoo glanzend aanziet, het kan niet liegen. Neen---- en toch____\'t Was

zeker, er liep een ijselijk praatje. Gistermiddag heeft hij \'t van burgemeester zelf gehoord, en rust noch duur heeft hij meer gevonden.

,0 Hanneke. .. heur is....quot; zegt Joost, zich eensklaps vermannende, terwijl hij haar nadert en den arm om haar lieren hals slaat: „Hanneke ik weet \'et wel; — ikke en ie we weten \'t wel soamen. Geen minse kan ons kwoad doun as we niks kwoads \'edoan hebben. Moar.... ze zeggen....quot;

„Waffer Joost: is \'t weer wat proats \'ewêst over mien?quot; — Hanneke trekt het hoofd bij deze woorden terug zoodat Joost haar moet loslaten.

„Hanneke.... ik.... nee zie, ikke.. -. \'k heb d\'r nooit oan \'eleufd, dat weet ie wel.... moar....quot;

„Dan was \'t beter da\'j oe mette prötjes niet inliet Joost ...quot; \'t Meisje zoekt een steunpunt met de rechterhand op de tafel, want haar knieën knikken, maar \'t gelaat blijft in dezelfde plooi. Joost zal \'t niet merken! Nee! Geen minse niet!

„Moar Hanneke! Hanneke!!quot; valt Joost eensklaps uit: „as ze.... oe ... dan toch nuumen, krek as Grietien Hobbes nog letst. As ze zeggen.... zeggen....quot; vervolgt hij al luider en luider met angstige

stem: „dat m\'n doesig liefke.... veur____veur____\'t gerecht zal

kommen, umdat....quot;

„Watte.... umdat... .¥quot;

„Nee, zie, gleuven doe \'k \'et niet; en geen minse zal \'t gleuven; nee, mien liefke....quot; Hij wil haar hand vatten; maar, Hanneke doet een schrede ter zij: Aan die hand zou ie \'t merken.

„Proat zachter!quot; zegt ze schijnbaar kalm: ,\'tVolk sloapt in huus en hier allernoast die vremde. — En wat gleuven ze dan.... zeg?quot;

„Nikse, nee, moar ze meinen alsof \'t meuglik zol wêzen, dat ie.... ie.... \'en kiend....quot;

„Leugens....! Doar hei\'jt al, \'elogen!quot; roept Hanneke luid.

„Joa \'elogen! dat weet \'k, lief zwartje, m\'n schat! Loat ze kommen; loat ze de hand naor oe uutstêken! — Kapot za\'k ze sloan! \'Elogen! niet woar? Nee, nee, \'en moord oan zo\'n kienje----!quot;

„Wat!! ikke....? Wie.... O God! wie het \'et \'ezeid?quot;

Bij \'t flauwe schijnsel van zijn meegebrachte lantaarn, bemerkt de arme Joost niet dat zijn aangebeden liefke doodsbleek is geworden, maar hij ziet wel dat ze beeft; de kleine tafel waar ze op leunt, kleppert er van. Geen wonder! — Wie zou er kalm blijven bij zulk een schandelijke verdenking, meent Joost: Neen, aan zulk «en beschuldiging heeft ze zelfs niet kunnen denken, dat kinderlijk hart!

„O, ze zullen \'t heuren dat alles onwoar is!quot; roept de jongen, terwijl hij de bevende liefste in de armen vat. En zij, ze staart voor zich uit; \'t is alsof haar spraakvermogen verlamd, alsof haar geestkracht verdoofd is.

-ocr page 211-

ANNA ROOZE. 203

Een vreeselijk tafereel houdt haar geest geboeid.... Daaraan heeft ze nog nooit gedacht; in zulk een toekomst heeft ze tot heden geen blik geslagen. Nu is \'t voorbij. — Nogmaals stoot ze den geliefde van zich af;

,\'Elogen! God zal mien straffen, eeuwig straffen as \'t woar is!quot; roept ze met verheffing: „eeuwig!quot;

Met de beide handen voor de oogen gedrukt, barst ze nu in schreien los; en, als Joost, met deernis, liefde en wrevel vervuld, haar nogmaals omvat en haar vast aan de trouwe borst drukt; nu hij , aan Hannekes reinheid gelooft, zóó zeker als aan de rechtvaardigheid Gods, nu versterkt hem dat gedurig „Gelogen!quot; uit Hannekes schoonen mond, steeds vaster in het vertrouwen op haar reinheid, en geeft hij haar de zoetste namen, en kust haar de tranen van de wangen, en roept in vervoering:

„Loat ze uutkomen dan! Joa, \'t is leugen! leugen! Joost zal ze spréken! \'t Is leugen! Goddank.quot;

Bij \'t schijnsel van een nachtpitje, dat in zijn laatste vet staat te knetsen, zit binnen de kamer, die met de achterzijde aan de keuken grenst, een bleeke tengere man in de lage kleine bedstede overeind.

Met de rechterhand op den rand der bedstede geleund, en met de linker, die hij nabij het oor houdt, tegen het binnenschot gedrukt, luistert hij terwijl hij zijn ademhaling tracht te weerhouden.

Redly heeft er nooit over geklaagd dat zijn bedstee — slechts door een zeer dunnen muur van de keuken gescheiden — wat erg gehoorig was. Och, hij sliep immers toch niet veel, en men kon ten zijnen genoegen de bedstee toch niet afbreken en verplaatsen, of nog andere veranderingen aanbrengen. Neen, het was al heel voldoende, en behalve het ingooien van de turven — zoowat schuins onder \'t hoofdeneinde — was Hanneke \'s morgens en \'s avonds heel stil in de keuken. Ja, ze was stil en zeer geregeld; \'t kwam bijna altijd met \'t horloge uit, als ze het eerste gerammel met tang en vuurlepel maakte, en den ijzeren waterketel volpompte, \'t Was dan tusschen zessen en halfzeven; altijd precies. Om halfacht was hij

fekleed, en dan — dan tikte ze ook prompt aan zijn kamerdeur en wam hem een kommetje koffie brengen.ekleed, en dan — dan tikte ze ook prompt aan zijn kamerdeur en wam hem een kommetje koffie brengen.

Nu luistert Redly. Zonder te weten wat en waar het geweest is, heeft hij het bonzen op Hannekes venster vernomen, want van drie uren af aan heeft hij al de klokken gehoord: eerst de torenklok, toen de hangklok in de gang, dertig tellen later den schrillen penduleslag uit de voorkamer, en nog een paar seconden er na den za-gerigen koekoek schuins boven hem op dominee\'s studeervertrek.

\'t Was iets ongewoons dat Hanneke, die altijd heel zacht naar beneden kwam — want die achtertrap was juist boven de bedstee — eerst onderweg was blijven staan, en toen al aanstonds de achterdeur had losgegrendeld.

Er was iemand naar binnengekomen. — \'t Was niet goed van Hanneke dat zij iemand binnenliet, terwijl men nog sliep in huis.

— Onraad? — Neen, dat was er niet. Dit heeft hij verstaan.

-ocr page 212-

204 ANNA ROOZE.

\'t Mocht wel onbescheiden zijn dat hij verder luisterde, \'t Scheen Han-nekes beminde te wezen. Redly wil het oor weer in \'t kussen drukken ; hij kucht een paar malen opdat men hooren zal dat hij wakker is; doch.... men heeft dat niet bemerkt. Wat klinken die stemmen zonderling bewogen. — Dat arme schoone kind!

— Een beschuldiging moet er tegen haar zijn ingebracht. Maar

hoor----hoor... . „God zal mien straffen, eeuwig straffen as \'twoar

is!quot; klinkt haar bevende stem.

Het klamme zweet parelt den zwakken Redly op het aangezicht. Hij hoort nog spreken, maar hij weet niet wat. — Hij tuurt in de donkere bedstee, en er buiten, en — naar \'t knetsende lichtje.

De achterdeur hoort hij dichtslaan. — Het lichtje vlamt sterker — nog één knets, en — nu is \'t uit.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De dag is aangebroken, \'t Is een zeer grijze Decemberdag. Sedert de beide laatste stormdagen van November, was er niets meer wat buiten aan de liefelijkheden van een schooner jaargetij herinnerde.

Nu het ontbijt in de huiskamer der pastorie gereed staat, en moeder Haverkist — als naar gewoonte het eerst present — zelve de boterhammen voor vader klaarmaakt, nu vraagt ze aan Hanneke, die met het vroolijk razende theewater naar binnen komt:

,Heeft het zoo gewaaid, Hanneke?quot;

„Nee juffer, bij m\'n weten niet.quot;

„Ik hoorde een luik slaan.quot;

„Niks van \'eheurd, juffer.quot;

„Heb je dan al vroeg de koffie aan m\'nheer Redly gebracht?quot;

„Joa, al heele vroeg juffer.quot;

„Zóó, ga jij hem dan nou maar reis waarschuwen voor het bijbellezen; ik hoor dominee aankomen. Roep de juffrouwen; en als jij komt, breng me dan een goed brokkie vuur mee.quot;

„Best juffer.quot;

Een kwartier later is het gezin van dominee Haverkist om de ontbijttafel vereenigd. Mijnheer Redly zit als gewoonlijk bij het lezen aan dominee\'s rechterzij; Hanneke tusschen Ka en Sophie in, doch meer op den achtergrond.

Dominee, met den chatnbercloak goed over de knieën getrokken — want het was koud — slaat het bijbelboek open, en leest i Corin-then XI. \'t Was zijn gewoonte te lezen waar het „bijbelboek openviel, zonder aanzien des inhouds.quot; Het bijbelboek viel bijzonder dikwijls bij Corinthen XI open; toevallig,of eigenlijk niet toevallig, want wat was er toevallig onder het bestier des Alwijzen! Dominee

-ocr page 213-

ANNA BOOZE.

leest, en luider wordt zijn stem en voller zijn toon by de verzen :

„Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is, maar de vrouwe is de heerlijkheid des mans.....................................

.Want ook en ia de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouwe om den man.quot;

Juffrouw Haverkist kon 1 Corinthen XI wel droomen en, na het „verwacht malkanderenquot;, in vers 33, was ze altijd zoo vrij, vast een kopje te nemen, want dan liep het toch op z\'n laatst, en besloot dominee:

„Doch zoo iemant hongert dat hij tehuis ete.............

„De overige dingen nu zal ikquot; — dominee vond in dat ik den gepasten eind-climax— „zal ik ordineeren als ik zal gekomen zijn.quot;

Er volgde voor heden nog een gezang — het was een extra. — Moeder moest vader echter vooraf eens inschenken, \'t was noodig voor het reciteeren. — En, het 70ste gezang, het lied dat de zwakke Eedly „altijd zoo heerlijkquot; vindt, wordt gereciteerd. — Nu dominee het laatste vers aanheft, en wel wat luid maar toch waarlijk met gevoel de laatste woorden doet uitkomen:

„Zoo had Hij Zijn vijand lief.quot;

nu ziet hij, het boek dichtslaande, rond alsof hij zeggen wil: zóó zou ik mijn vijand óók liefhebben, als \'t er op aankwam.

En waarlijk, dominee Haverkist meende het, maar Gode zij dank: hij had geene vijanden in de wereld.

Jans heeft bespeurd dat vrind Redly onder \'t lezen zeer tegen zijn gewoonte, eenige malen heeft opgezien en, wanneer zij zich niet bedriegt, zoo steelswijze naar Hanneke. — Zoo\'n Chinees! — Ka en Fie en moeder hebben ook bemerkt dat Redty niet altijd voor zich, maar drie- viermalen naar dezen kant heeft gekeken.

_— Ik wou nog liever! dacht Fietje, toen ze slemmig voor zich ziende, heeft gemeend dat die snuiter haar aanzag.

— Ach, langer dan één of hoogstens twee jaar leef ik toch niet! heeft Kaatje bij zich zelve gezegd.

En moeder: — Zoo iets moest ie me in \'t hoofd krijgen! ik zou \'em luchten! Wat verbeeldt ie zich wel? Een man zoo hard als \'en spijker!

Pas was het laatste woord van \'t gezang er uit, of Hannekes stoel stond alweer tegen den muur. Ze heeft anders flink, en zoo als altijd, met helder open oogen naar dominee ziende, geluisterd. Den laatsten keer dat de commensaal haar aanzag, toen heeft haar oog zijn blik ontmoet, en ze heeft een speld opgeraapt, die naast haar op den vloer moest liggen, maar daarna heeft ze ook aanstonds weer met het donkere oog naar den lezer getuurd.

— Hanneke is een goed en oprecht meisje, meent dominee: altijd is ze even attent en aandachtig. Bij \'t lezen hangt ze als \'t ware aan mijn lippen.

Jans Haverkist vond het, met dat griezelige weer een kostelijke

205

-ocr page 214-

206 ANNA ROOZE.

dag om met de zusters nog eens flink geschiedenis en geo^raphie te repeteeren; ze bleven toch erg ten achter, en kleine Mies moest aan \'t Fransch.

Nu ze boven op de leerkamer juist met Dirk den I5te zal beginnen, en de Premier Vocabulaire van mevrouw Schilperoort aan Miesje geeft, nu roept moeder haar toe, dat ze eens beneden in de voorkamer moet komen. Moeder zelve kan niet want ze is met de zuurkool bezig.

Jans gaat, en kleine Mies loopt haar na.

In de zijkamer staat Anna Rooz3.

„Wel kindlief, zoo vroeg op den morgen!quot; zegt Jans, en steekt Anna de beide handen toe; „Foei wat ben je koud. Kom achter, daar is het warm.quot;

„Neen Jans, neen, weet je \'tniet? — Stil! — Weet jelui niets____?quot;

„Neen. Wat----? Ga heen Miesje.quot;

Miesje gaat naar de deur.

Bevend, met bijna onhoorbaar gefluister, deelt Anna aan Jans Haverkist mede wat er sedert gisteren rondom de pastorie is gemompeld, zonder dat het daar binnen werd vernomen.

De flinke Jans is doodsbleek geworden:

„Hanneke! onze Hanneke!?quot; zegt ze.

„O stil wat ik je bidden mag! — Jans, de eerste, die ik nu vijf weken geleden bij mijn komst in dit dorp ontmoette was Hanneke, en ze heeft me aanstonds een zonderling sterke belangstelling ingeboezemd. Het was mij alsof ik haar zou kunnen helpen, beschermen, en nu----quot;

„Schrei niet Anna!quot;

„Neen, maar nu! — O, hoe geheel anders moet het zijn. Toevallig, of schijnbaar toevallig, ik weet het niet, was ik tweemaal getuige van een tafereel....quot;

Jans ziet naar de deur:

„Miesje, sta daar niet zoo te hangen; ga naar boven, gauw! Bladzij 10 bij 1\'école. Zoet als een kind!quot;

De deur valt dicht met een slag.

„Ik wil je alles vertellen Jans,quot; herneemt Anna: „en geef mij dan raad, want met oom — neen met oom kan ik niet spreken; en gelukkig heeft hij niet bemerkt dat ik gisteravond een briefje van burgemeester ontving; om-... Zie, hier is het.quot;

Jans leest:

„Geachte Mejuffrouw!

„In een zaak, die vooralsnog de meeste geheimhouding vordert, „zult U, naar ingekomen bericht, mij met eenige inlichting kunnen „dienen. De zaak is van teederen aard. Bijzonder aangenaam zou „het mij zijn LT morgen — Donderdag — voormiddag ten 11 uur, „aan mijne woning te ontvangen. Vrees niet dat er voor U zelve „iets onaangenaams aan verbonden is. Ter opheldering voor de „uwen zal een beleefde uitnoodiging mijner ecntgenoote om \'t ge-

-ocr page 215-

anna rooze.

„noegen te mogen hebben U eens bij haar op de koffie te zien, „wellicht voldoende zijn.

„Intusschen rekent stellig op uw vriendelijk bezoek,

Geachte Mejuffrouw!

Secretarie, 7 Dec. 1859.

Uw. Dw. Dienaar: Ch. Le Village, Burgemeester van Mulderspeet.quot;

En Jans, met de innigste belangstelling op het gulronde gelaat, hoort na de lezing van dat brietje, de beeldschoone Anna Rooze verder verhalen van \'t geen haar zoo vreeselijk aandoet om Han-nekes wil, en de bede in \'t eind of Jans haar wil raden....

„Wat je moet zeggen?quot; valt Jans in: „Hemel, kind, wou je dan alles vertellen!? Schepsellief, dan was de arme drommel bakker-an. Je weet er niets van, niets! die arme stakker!quot;

„Jans, maar ik moet!... De waarheid!quot;

„Moet je dan iemand met je waarheid aan de galg helpen?quot; roept Jans luider.

„Stil, niet zoo hard. — Neen, zóó iets is onmogelijk! Maar liegen dat wil, dat mag ik niet. — Je medelijdend hart doet je een verkeerden raad geven.quot; Anna drukt de hand op de schoone oogen. — Na een oogenblik zwijgens: „Ha nu weet ik wat ik te doen heb. Hij heeft het gezegd: Ik moet antwoorden op \'t geen men mij vraagt, naar waarheid, en — van mijn feilbare opvatting spreek ik niet. Anna Rooze verstaat het, er is een subjectieve en een objectieve waarheid.quot;

Juffrouw Haverkist is druk bezig in den kelder; ze heeft de zuurkool ververscht. Nu is ze met de snijboonen bezig. Tot Hanneke, die haar behulpzaam is, zegt ze:

„Wat! — Wou je uit?quot;

„Joa juffer, \'en half uurke.quot;

„En waar naar toe?quot;

„Noar moeder.quot;

„Waarom....?quot;

„Um----umdat moeder ziek is juffer.quot;

„Hoe weet je dat? Wie heeft je dat gezeid?quot;

„Van je bakkersjong\' \'eheurd juffer.quot;

„Ik kan je niet missen. Altijd die fratsen en kunsten! Ze is toch niet erg?quot;

„\'En harde koortse \'eleuf ik.quot;

„En... hoe laat wou je d\'r heen?quot;\'

„Tegen elf uur juffer.quot;

„Dan ben je vóór halféén weerom, begrijp je? Anders kan ik zelf kokerellen; \'t komt tóch al als een gek, met het rekken van de wasch. Alles opeens! En die meisjes, die meisjes tegenwoordig! dat zit in plaats van te werken maar altijd als opgeprikte kapellen; nou zelf weer visitetjes af te wachten. Ik weet niet wat dat schepseltje van De Runt ook hier doet; voor mijn part kon ze weg-

207

-ocr page 216-

■208 ANNA ROOZE.

blijven. Eigenlijk moest ze belet hebben, \'t la me wat degelijks! Laat ze — èné — zoo\'n kei eens beuren: maar \'t zou d\'r niet lukken —

éhé----quot; De zware steen ligt weer op den inmaakpot, en juffrouw

Haverkist voegt er in zich zelve nog bij: — Met Ernst dat zal d\'r óók niet lukken. Mevrouw Geereke zal d\'r zien kommen. Bij \'t afscheid gaf ze de meisjes alle drie een zoen, maar die fijne Mogol kon d\'r mond afvegen. — Luid:

„Gaat daar een rijtuig, Han!quot;

,Joa juffer.quot;

Juffrouw Haverkist staat voor het keldervenstertje, en — met de «ogen op één lijn met de dorpsstraat — ziet s,b het rijtuig na en prevelt:

„Stadsgerij. Volk voor den notaris. — Neen, \'t gt;;aat verder. O, visite voor onzen burgemeester. \'En aardig vrouwtie, roaar, eer dat ze mijn ondervinding heeft---- Wat blief Hanne^e?quot;

„Of ik dan moar goan zal?quot;

„Halféén weerom! Zeg Hanneke, neem den halven bal gehakt, die d\'r nog staat, voor je moeder me»»; en beterschap hoor.quot;

„Asteblief! dank oe juffrouw!quot;

Redly zit in zijn kamertje met he\\gt; hoofd in de hand. Hij heeft na het bijbellezen vier briefjes geschreden: één aan Hanneke Schoffels, één aan dominee Haverkist en twéé aan juffrouw Anna Rooze. Maar, telkens als hij ze gereed of bijna gereed had, dan heeft hij ze weer verscheurd. Neen het was te dwaas-..- te.... Hij wist immers van niets. Hij....

„Zoo ben je daar m\'n liefste Miesje! Niet aan \'tleeren m\'n kind?quot;

„Ik mag gerust hier zijn, want die brommer van \'n Jans heeft me zelf weggejaagd, maar ik weet tóch alles.quot;

„Is Miesje ondeugend geweest? Och liefje dat moet je niet zijn. Als je lief bent dan houden alle menscheii veel van je.quot;

Redly slaat zijn armen om haar hals.

„Maar ik ben niet stout geweest. —Neen, wezenlijk niet. — Neen, heusch heusch nietl Maar ze joeg me toch weg. Niemand houdt zooveel van me als ü, en daarom zal ik \'t u zeggen.quot;

„Hoor eens beste kindje, je moogt niets zeggen wat je verboden is.quot;

„Maar ze hebben me niks verboden, en ik weet bet toch heel goed: Hanneke is \'en dief!quot;

Redly ontroert.

„Miesje foei! stil! zoo iets mag je....quot;

„Ja, dat mag ik tegen u wel zeggen m\'nheer Suiker — weet n, want u bent zoet — en ik wil het óók zeggen omdat ze mij wegjagen: Hanneke is een roover, en zij heeft allerlei kinderen vermoord, net als de reus in Klein Duimpje, dat zei de juffrouw, die u Gabriëlle noemt.quot;

„Stil Miesje. — Juffrouw Rooze?quot;

„Ja die zei het zelve. En het heele gerecht met de veldwachters uit de stad zou haar in de gevangenis komen zetten; en dat is net

-ocr page 217-

ANNA EOOZE. 209

goed, want laatst zei ze dat ik een kat was, maar ze had me ook geslagen, en...

Redly hoort niet meer wat Miesje zegt. Strak staart hij naar de loodkleurige lucht boven de berijpte en in vulen toon gehulde boomen van het kerkhof. — Benjamine heeft Redly\'s hand in haar mollige handjes gevat, en terwijl ze het hoofdje voorover ter zijde buigt, om als het ware zijn blik te onderscheppen, zegt ze zachtjes:

„Bent u daar bedroefd om? Misschien jokt die juffrouw het dan wel, want ze heeft me ook niet eens goedendag gezeid.quot;

,Miesje, als je mij lief hebt....quot;

„Ja, ja heusch!quot; en zij kust hem de hand.

„Zeg dan aan niemand iets van \'tgeen je daareven hebt gehoord; aan niemand! want je hebt niet goed verstaan.... Neen, neen beste vrouwtje, ik weet het zeker! Zul je er niet van spreken.

,0 ik wil er wel nooit van spreken, maar gehoord heb ik het wel; en ook nog dat de juffrouw het alles wist, en alles ging zeggen aan den burgemeester. Dat is leelijk, nietwaar lieve zoete? dat is klikken; ik vind die Gabriëlle akelig. U ook niet?quot;

„Stil Miesje, zeg dat niet. — O als ik haar even kon zien.... als ik----Maar neen-----Waar is juffrouw Rooze----?quot;

Het kind vloog zonder te spreken de deur uit. Nu bonst \'t met de beide vuistjes op de deur der voorkamer, en roept:

„Ik mot er in! Hij heeft het zelf gezegd. Mijnheer Redly zelf. Toe Jans maak dan open!quot;

Op hetzelfde oogenblik dat Anna een paar minuten later met Jans, Redly\'s kamer binnentreedt, en Miesje met de belofte dat Redly, als ze nu heengaat, haar nog eens van de zee zal vertellen; nu ze half goed- half kwaadschiks in de gang terugkeert, ziet het kind Hanneke van de achtertrap naar beneden komen, en roept haar toe:

„Waar ga je heen dat je zoo mooi bent?quot;

Zie, Hanneke heeft haar nieuwste paarse jak en den glimmenden zwarten rok aan, terwijl ze een hagelwitten boezelaar voorheeft, en een mutsje op het hoofd zoo helder als sneeuw.

„Woar ik noar toe goai? Noar \'t land woar de kinders niet newsgierig zin.quot;

„Nou — ik weet \'t tóch wel.... ei! maar ik zeg \'et je niet,Mijnheer Redly wil \'et niet hebben, en dan doe ik het ook niet. Zeg eens Hanneke, een roover is immers een man en nooit een meid.. ..? Heb je gehuild?quot;

„Gehuild, ikke? Kun je dat zien?quot;

„Ja. — Ben je bedroefd Hanneke?quot;

„Nee, ja....quot; Hanneke gaat naar de pomp en drukt zich gedurig den natten handdoek op de oogen.

„Heb je je ook gestooten Hanne, zooals ik? Mijn been doet me nog altijd zeer. Zeg, mijnheer Redly zei dat ik alles verkeerd verstaan had, en dat geloof ik ook, want hoe wou jij nu, net als de reus, zevenmijls laarzen aantrekken, jij met je rokken! Wat golft je haar netjes, heb je d\'r pommade op?quot;

Zoo praat het kind, en Hanneke ziet in den keukenspiegel of haar

V. 14

-ocr page 218-

210 ANNA ROOZE.

oogen nog rood zien, en geeft Miesje een wortel. En dan, als Han-neke door den achtertuin de pastorie verlaat, en zich met eer» aohteromweg naar het huis van den burgemeester spoedt, dan loopt Miesje, op den wortel knabbelende, haar vader in de gang te gemoet, en zegt terwijl ze den wortel toont:

„Ik mag \'em wél hebben, want Hanneke heeft \'em zelf gegeven; of — is Hanneke een roover als ze een wortel geeft? Maar mijnheer Redly zegt dat Hanneke geen roover is en geen moordenaar ook, en dat kan ik wel zien, want ze moest dan een sabel omhebben, en Hanneke had nog zelfs gehuild voordat ze naar burgemeester ging, en.... de reuzen huilen niet; doen ze wel vader....?quot;

„Kind, wat bazel je!quot; zegt dominee met gefronste wenkbrauwen. „Ikke.. .. Isse Hapneke.... Waar is moeder? Waar is moeder? — Line!! Lien!!!quot;

Er kwam een stem uit den kelder.

Line moest aanstonds eens boven komen.

Neen, dat deed Line niet; vooral niet als ze alleen voor d\'r werk zat.

En \'t was wél iets bijzonders: Dominee daalt de keldertrap af.

„Waar is Hanneke?quot; barst dominee los.

— Neen! niet naar moeders huis, dat is onwaar! Nu weet hij alles: Gisteravond heeft men immers de stem van den veldwachter Mossel in de gang gehoord. De karonje van een meid heeft gezegd dat het Job om de krant is geweest, maar.... Ja, nu bevroedt, nu weet hg alles! Hij heeft het altijd gedacht maar den moed niet gehad het uit te spreken. Bik de barbier heeft hem straks verteld dat er heeren uit de stad zouden komen: nog altijd om „dat gevalquot;, en Bik heeft toen zoo raar gekeken, en — nu was er een rijtuig gepasseerd. O zonde! O goddeloosheid! „Ja kind, ja, ik heb het altoos gezegd!quot;

„Je maakt me gek, Haverkist! Wat....? Je hebt niets, volstrekt niets gezegd.quot;

„Ik.... niets!? — Dat noem ik Gud geklaagd. Heb ik niet dadelijk gezegd: van die vlechtingen des haars, en: de dochter uit een tapperij, en..-

„Mijn hemel! Hanneke, zij!quot; jammert juffrouw Haverkist, en slaat de handen ineen: „Neen, dat kan niet waar zijn. Meent men dat Hanneke....!quot;

„Ja ja, dat is mijn innige convictie! \'tls mij niet over de lippen

fekomen, maar de lichtheid blonk haar de oogen uit. Jij bent altijdekomen, maar de lichtheid blonk haar de oogen uit. Jij bent altijd

lind Line, stekeblind! Was dat een meid voor ons; voor de meisjes; zoo\'h schepsel! Maar mijn huis komt ze niet meer in. — Neen.... neen zeg ik je. Bedrog en gruwel en allerlei ongerechtigheid, zou een herder en leeraar die dulden en huldigen mogen onder zijn dak! Neen! zwijg Line, zwijg!quot;

„Neen, ik zwijg niet! ik zeg....quot;

Maar dominee was de keldertrap al op.

Juffrouw Haverkist slaat haar pekelhand aan den chamber-cloak :

„Je laat ze wél weerom komen, hoor! Wou jij verstoeten voordat je zekerheid hebt! Is dat je geloof man? Zeggen dat je Groninger-

-ocr page 219-

ANNA KOOZE. 211

lui? ie Groot en Muur-ding en Parool, dnn zijn ze me geen knip voor den neus waard. Zeggen ze dat!?quot;

Neen, dominee wist wel dat de Groningsche hoogleeraren dal niet zeiden, maar: dominee Haverkist had zich in dat meisje bedrogen ! Immers, in den aanvang heeft hij getuigd: dat er in gansch Mulderspeet schier geen woning — althans naar zijne meemng —

feen protestantsche woning zou wezen, waar zulk een ongelukkige on gevonden worden, en nu, nü zal zijn woning, nu zal de pastorie haar hebben gehuisvest! Wie weet wat de booze, de vreeselijk booze wereld wel denken zal. Doch neen, dat zou te dwaas zijn. En toch, men zal op dominee wijzen; op de pastorie wijzen; op hém, den herder en 1 eeraar!een protestantsche woning zou wezen, waar zulk een ongelukkige on gevonden worden, en nu, nü zal zijn woning, nu zal de pastorie haar hebben gehuisvest! Wie weet wat de booze, de vreeselijk booze wereld wel denken zal. Doch neen, dat zou te dwaas zijn. En toch, men zal op dominee wijzen; op de pastorie wijzen; op hém, den herder en 1 eeraar!

Zie, terwijl Haverkist zich zeiven het meeste gevoelt, is hij mensch, niet in de verhevene, maar in de zwakste beteekenis van het woord. Hij is gekwetst; zijn doorzicht heeft gefaald; zijn laatste woord, dat hij deze wending voorzien heeft, zal gewantrouwd worden, en zoo niet, indien men gelooft dat hij het wist, dan zal men kunnen denken dat hij de zonde en de misdaad in bescherming neemt. En immers, hij verafschuwt ze. — Zulk een laster, zulk een blaam moet alzoo aanstonds den kop worden ingedrukt; dat vermag hij alleen door een krachtige houding, en — o eigenziel-omkooperij — met Godswoord kan hij spreken: „Gaat henen van mij, die de ongerechtigheid werkt, ik heb u nooit gekend!quot; Arme Haverkist! Zoo wordt uw eigenliefde in stee van belachelijk — verachtelijk! Dat is niet de leus van hen, die ge uw geestverwanten durft noemen: zie maar. het opgeslagen blad van hun tijdschrift het roept u die schoons leuze toe: Waarheid in liefde!

En gij schaamt u niet, neen — maar ge staat toch in gedachten, en zegt bij u zeiven:

— Ja, als de onschuld nu blijken mocht. Ja....! Hanneke was altijd rond en waarheidlievend. Als men zich zelf dan gelijk kon blijven; zeker, zij zal de waarheid spreken, en. is zij onschuldig, ja dan----

O arme Haverkist! tob nu maar voort aan die preek. Misschien vindt gij al tobbende de toepassing later.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Bleef een griezelig koude dag; de ijzel hield vast aan de hoornen, voor zooveel de vlijmende wind dat gedoogde, en, zonder dat de zon was gezien ging ze weer onder.

Burgemeester Le Village heeft echter — zooals hij bij het aan

-ocr page 220-

212 ANNA ROOZE.

tafel gaan verzekert — geen den minsten hinder van de kou of van \'t weer gehad. Neen, hij is zeer tevreden, zeer! Hij heeft een fameus mooi compliment gekregen. Enfin, men doet zijn best, maar \'t is dan toch aangenaam.

„Ja Lize, we zullen bidden, komaan,quot; zegt hij tot zijn wederhelft, nadat hij het vuur in den haard helder deed opvlammen en zich aan tafel heeft gezet.

Mijnheer en mevrouw Le Village, tegenover elkander aan den ronden middagdisch gezeten, met de helder brandende moderateur-lamp in \'t midden, en ieder een dampend bord kalfspollet-soep voor zich, ze vouwen de handen, sluiten de oogen, buigen zich voorover, en denken — mijnheer aan den triumf, dien hij behaalde; mevrouw aan hetgeen zij aanstonds hoopt te hooren; ze geeuwen, zeggen: „bon appétit,quot; en terwijl Charles met leeuwenmoed zijn aanval op

de kalfspollet hernieuwt, want vóór het bidden had hij al\'eventjes----

bij vergissing geproefd; terwijl hij toestemt: „Ja zeker, een zalfje!quot; herhaalt het burgemeestersvrouwtje de vraag, die ze al straks bij het lamp-opsteken gedaan heeft:

„En.... ne----hoe is het gegaan Charles, en wat denk je er van ?quot;

„Laat me nou toch eventjes rustig eten Lies; \'t maakt je maar zenuwachtig en, dan slaap je weer niet.quot;

„Kom lieve, als je alle dagen van die akeligheid hoort, dan wen je er aan, en juist dat geheimzinnige, dat zwijgen zou me zenuwachtig maken. Zeg, denk je dat ze het gedaan heeft? Ja?quot;

„Wel wis en waarachtig!quot;

„God Charles, je doet me schrikken,quot; zegt mevrouw en laat den lepel zakken, en valt achterover in den hoogen rug van haar ge-makkelijken voltaire.

,Ja guns beste, dan moet je ook niet altijd vragen,quot; zegt de echtvriend, even opziende: „Kom drink eens!quot; en hij schenkt Elize en zich zelven een glas St.-Julien in. — St.-Julien; hij had van middag wel wat extra\'s verdiend.

„Zou zij----zou dat Hanneke dan toch....?quot; vraagt het vrouwtje

weer.

„Pas de doute!quot; herneemt Lo Village, en — zal nog tant soit peu kalfspollet nemen.

„Denk er aan beste, dat ik een schoteltje heb,quot; zucht het vrouwtje achter in haar stoel.

„Och kom lief molletje, heusch? — Zeg, ben je erg geschrikt?quot;

„Ja.... neen Char, zoo heel erg niet.quot; Zij richt zich langzaam op: „Maar je begrijpt, in mijn omstandigheden.... Och beste,\'t rug-gekussentje is zoo afgezakt. -. Och....quot;

Charles neemt zijn twee laatste lepels, maar staat dan op, en bindt het kussentje wat vaster en hooger, en drukt de hand op naar voorhoofd met een vragend: „Zoo goed mamaatje!?quot;

„Dank je Char. Maar zeg — neen ik hoef er niet alles van te weten, maar, — heeft zij bekend?quot;

„Nieuwsgierig! nieuwsgierig!quot; dreigt Le Village.

„\'t Is beter Charles, heusch; ik ben er nu toch doorheen.quot;

-ocr page 221-

ANNA BOOZE. 213

„Bekend? reen! En daar zit \'em juist de chose; \'t is een canaille, die zelfde mooie flinke meid; zóó\'n frontd\'airain heb je nooit gezien.quot;

„Och, jokte ze zoo akelig. ..

„Neen, niet jokken, maar liegen, en niet akelig, maar brutaal! Ze wist van niets, niemendal. Ik had medelijden met die arme juffrouw Rooze; \'t is voor zoo\'n meisje een nare geschiedenis. Maar wat mij betreft, ik heb een wit voetje bij de heeren gekregen, van belang! Burgemeester vóór en na. \'t Ging alles zoo coulant weet je. \'t Was fameus koud, en ze wilden graag voor den eten weer thuis zijn. Om twee uren zijn ze weggereden; nu, dat kan op een prik, halfvijf thuis. „Een goede hulpofficier is goud waard.quot; Zie Lies, als je dat hoort zeggen, da\'s plezierig.quot;

„Zeiden ze dat? van jou? Gud, Char, dat kan je goed doen.quot;

„Zeker kan het; met sollicitaties. O, l\'ami Muller zette zoo\'n gezicht.quot;

„Waarom Char?quot;

„Wel, omdat hij vroeger gewed heeft dat die moord hier niet in \'t dorp schuilt.quot;

„Zeg toch dat nare woord niet lieve. — Wil je eens bellen.quot;

Charles schelt.

Nadat de soep is weggenomen, de komforen zijn gezet, en de schotel biefstuk met de gebakken aardappeltjes er om is binnengebracht; nadat verder de overdekte schalen met andijvie, gestoofde peren en gekookte aardappels, alsmede een keurig broodpoddinkje in het bruine Jacoba-schoteltje, op de tafel zijn geflankt, herneemt de jonge echtvriend, die inmiddels broodballetjes gefribbeld en zich nog eens heeft ingeschonken:

„Neen, zoo heel heel gemakkelijk zullen ze Le Village niet bij den neus hebben. — Naar ik heel duidelijk bemerkte, deelt men dan ook ten volle mijn overtuiging.quot;

„Maar Vil\', hoe kwam jij dan het eerst op het denkbeeld?quot;

„Wel, ze hadden mij immers uit Arnhem dat briefje gestuurd.quot;

„Een briefje? Lief, je zegt me ook niets.quot;

„Ja dat mag ook niet mamaatje. Nü is \'t wat anders. —■ Malsche biefstuk, maar dat mes is weer zoo bot als de drommel. — Enfin, er was een briefje bij de justitie ingekomen, een anoniem schrijven, dat mij werd toegezonden, met verzoek van geheimhouding en informatie. In verband met het lijkje dat hier de vorige maand was gevonden, meende de officier dat er op dien brief — ofschoon hij anoniem was — wel degelijk regard moest worden geslagen.quot;

„En wat stond er in dat briefje Char?quot;

„Ja maar, hoor je, gezwegen. Lies! — In platte bewoordingen: dat Hanneke Schoffels zoo vroom niet was als ze d\'r uitzag, en dat ze een kind....quot;

„Nu ja, dat begrijp ik wel... . Anders niets?quot;

„Wel zeker, dat we \'t bewijs zouden krijgen als we haar eens onder den hollen eik op de hei niet ver van den Heksendans brachten, en dat men er ook het mes in den grond zou vinden waarmee ze \'t gedaan had.quot;

-ocr page 222-

214 ANNA BOOZE.

,0 Charles, schei uit; ik kan de biefstuk niet zien!quot;

„Kom vrouwtje, watte gekheid! Als je niet eet dan vertel ik niet meer. Pijn snijden hoor, heel dun, en dan een peertje er bij; kom drink maar eens. — Ferm!quot;

„Ja gud, maar zóóveel wijn! Zou dat wel goed wezen? En.....

heb jelui dat.... je weet wel, gevonden?quot;

„Ik had m\'n plan de bataille goed gemaakt. Eergisteren wist ik alles, ofschoon ik er bijna niemand in mengde en zelfs de Haverkisten er geheel heb buiten gehouden, \'s Morgens ging ik jagen, dat weet je. \'t Was maar in schijn. Mossel had ik al vroeg, achterom over den Liesterbes-heuvel, met een schop naar de hei gestuurd. Nog geen tien minuten had ie vóór en ter zij van den boom in het zand gespit en gegraven.... of daar had ie..

,0 foei ...!quot; griezelt mevrouw, en drukt haar servet voor de oogen.

„Ja akelig en o foei — zeer tot je dienst!quot; herneemt Charles: „Maar zoo iets moet je bijwonen, quot;t Was me alsof ik \'en schat vond. Ja Lize, dat oogenblik, ja! dat gaf me een sensatie, die ik m\'n heele leven niet vergeet en voor geen geld had willen missen. Prachtig! Dan voel je dat er iets moois, iets ontzettends moois in je vak steekt. Je vindt het spoor; je grijpt het misdrijf bij zijn kleed; je----quot;

„En zag het er akelig uit ... ?quot;

„Een gewoon, een heel ordinair, doodgewoon boeren-broodmes.quot;

„O God, niet verder! — En zou ze daarmee ...?quot;

„We zijn overtuigd m\'n lieve kind, al zullen we de justitie in haar oordeel niet vooruitloopen,quot; zegt de burgemeester zeer deftig smekkend, terwijl hij Elize nog een paar gebakken aardappels bij de peertjes wil geven, maar omdat ze volstandig weigert, ze voor zichzelven behoudt: „Ofschoon ik aanstonds alles heb doorzien, zoo moest ik toch zooveel mogelijk zekerheid hebben. Op mijn retour liep ik daarom even in De Luchte bij vrouw Schoffels aan; liet me een glas bier, enquot; — Charles maakt een knipoogje — „aan Diaan een snee brood geven, en zag toen, met één oogopslag, dat het mes, waarmee ze het brood sneed, precies het formaat van \'t mes had, dat we zoo even bij den eik hadden gevonden.quot;

„IJselijk Char, maar van jou heel slim. Daarom zullen de heeren ook wel dadelijk overtuigd zijn geweest.quot;

„Alleen haar brutale liegen heeft hen nog een oogenblik doen wankelen, evenals haar prachtig uiterlijk hen mee van de wijs zou hebben gebracht. Verduiveld knappe meid!quot;

„Zoo, wordt daar ook naar gekeken. Zoo ... Ik vind----quot;

„O \'t was een overheerlijke morgen Liesje,quot; plaagt de echtvriend: „En dan, ook onder vier oogen met die fleur de beauté van De Runt; hoe vaar je....! ?quot;

De peer, die mevrouw Le Village in den mond stak was warm: men kon het zien want mevrouw kreeg er een kleurtje van.

„Dat vind ik een laffe aardigheid Charles. — En dat voor een man, en. ..quot; Mevrouw sloeg de oogen neer, en er kwam bijna een traan in haar oog.

-ocr page 223-

ANNA ROOZB. 215

Charles vond het laf van Lies om daar iets in te vinden, \'t Was immers gekheid. — De persoontjes in quaestie waren exemplaren van \'t mooiste soort, dat was waar.... maar ... Pol, poes, luuk, was de mooiste, nu vooral, zoo interessant: ,En dan sans badinage,quot; besloot de burgemeester: „qualitate qua, met het gewicht der zaak voor oogen, dan zie je naar geen mooi. Waarachtig niet Lize.quot;

„En wat zei juffrouw Rooze?quot;

„Weinig; verduiveld weinig. Ze was bereid op alles te antwoorden wat ik vragen zou, maar vertellen kon ze niets. Allereerst begreep ze niet waarom ik haar in deze zaak had betrokken.quot;

„He ja, waarom haar?quot;

„Wel, omdat Joost Burik — Hannekes vrijer — dien ik gisteren namiddag zoo ongezocht aan boord ben geweest, een paar maal haar naam noemde, en zei dat juffer Rooze d\'r alles van wist, en ook, hoe best dat zijn Hanneke was. Maar dat kwam faliekant uit. \'t Was een verkeerd adres, dat de arme Joost had opgegeven.quot;

„Och kom Charles, hoe dat?quot;

„Wel, ofschoon ze niets bepaalds wist te zeggen, zoo vernam ik toch, door uit te hooren — o daar krijg je zoo\'n slag van, je moest er eens bij zijn — enfin, ik vernam dat zij tweemaal een ontmoeting met Hanneke had gehad, waarbij woorden zijn gesproken, die haar op het vermoeden brachten, als zou de herinnering aan een vroegere liaison het meisje hinderen; maar, voegde ze er allerliefet onnoozel bij, dit bewees nog niets ten nadeele van Hanneke, en vooral niet dat ze zich aan zulk een vreeselijke misdaad zou hebben schuldig gemaakt. Och allerliefst, alleraardigst!quot;

„Ik vind zulke discoursen met jonge meisjes eigenlijk hoogst in-delicaat; men moet toch van dingen spreken die----quot;

„Maar in je betrekking poesje; in zulk een zaak, en, als men het delicaat behandelt.quot;

„Dingen, daar een jong meisje nooit van hoorde of althans nooit van moest gehoord hebben.quot;

„Wat blief Polleke! — Kom, geef jij me eerst eens een heel aardig portietje van dat heerlijke schoteltje. Wacht, kun je wel bij de borden? Niet zoo reiken....quot;

Le Village staat op; geeft zijn vrouwtje een paar borden van het stomme-knechtje. waarop de fruitmandjes met peren en hazelnoten, benevens beschuit en boter en kaas gereed staan, en herneemt, nadat hij haar over het blonde hoofdje heeft gestreken, en op verzoek de broche die alweer los zit, heeft terdeeg gestoken:

„Kom kom, toen jij vier jaar oud waart, toen was je van die dingen al op de hoogte.quot;

„Char! ben je mal!quot;

„Hé knolletje, je wist toch dat de moeders of mama\'s kindertjes krijgen, is \'t niet? En dat er soms kindertjes worden doodgemaakt, dat wist je toch ook nietwaar? dat hadt je immers al uit Klein Duimpje geleerd. Nu wees maar gerust wijfjelief, ik versta mquot;n wereld genoeg, \'t Was alles zeer gepast, en ik dank God dat ik op \'t idee kwam om haar te laten komen, want door haar heb ik

-ocr page 224-

ANNA BOOZE.

de volle overtuiging gekregen. — Heerlijk schoteltje vrouwtje; deelie.... niet te droog. — O kind, ik heb in dit zaakje zoo prachtig geboft.quot;

.Geboft?quot;

„Da\'s te zeggen, door op het denkbeeld te komen Hanneke even in tegenwoordigheid van juffrouw Rooze te ondervragen. Ja, \'t is een canaille!quot;

„Wie?quot;

, Wel die meid. — Ze loog eerst zelfs stoutweg dat ze de juffer kende; later zei ze: ja! dat ze haar eens had gezien, maar dat zo toen van de kermis kwam en dol in \'t heufd was \'ewest. — Liegen Lies!quot;

,\'t Is zonde! — maar zeg, jelui bent met haar naar de hei geweest, nietwaar, was dat....?quot;

„Ja, entre nous, dat was de groote zaak. Immers volgens opgave in dat briefje moest ze maar eens onder den hollen eik worden gebracht, en — dat deed dan ook de deur toe.quot;

„Och kom. •.. heeft ze ... Och hemel!quot;

„Neen, niets geen och hemels. Ze wist van niets niemendal; fier comme une reine keek ze rond, en vroeg wat of ze hier doen moest? Maar ...quot;

„Maar... lieve -.?quot; zegt mevrouw en haar neusvleugeltjes en lippen bewegen zich zenuwachtig.

„Het agiteert je beste. — Kom, van wat anders...

„Neen ... gud neen; nu je zoover bent.... neen! Ik heb er mee te doen; zoo\'n arm schepseltje van \'en kindje! — Als ik een kleur heb dat is geen wonder: zoo alles bijeen, en ik heb geen oogenblik geslapen na twaalven, en \'t warme schoteltje, en de St.-Julien. En... -ne wat was er toen....?quot;

„Wel kind, dat ik in weerwil van al die fierheid dadelijk zag dat ik volkomen juist had geoordeeld, en zij de schuldige was.... Maar Lize, je oeeft.quot;

„Heer neen, ik kwam zóó,quot; zegt Lize en sluit vluchtig haar oogen: „Heusch, ik ben er doorheen. — En... .ne wat zag je dan.... ?quot;

„Wel, dat ze, pas bij den boom gekomen, zoo wit werd als dit servet. We waren achterom, over den Liesterbesheuvel, naar de hei gegaan, zoodat ze, het hakhout uitkomende, op eens bij den eik stond; zooals ik zeide, fier, met het hoofd in den nek; maar, toen haar gevraagd werd of ze zich niet herinnerde wat ze hier deed, toen werd ze zoo wit als dat laken, en zei: „Wat denk jelui wel?quot; Toen haar het mes werd getoond, toen vervloekte zij zich zelve als ze er iets van wist. Dat was de proef op de som: zich zelf vervloeken, maar ik had toch medelijden, want de roode lippen waren zoo blauw als een lei, en ofschoon het fiks koud was, parelde het zweet haar onder den neus.

„Nou niet meer Charles, ik bid je?quot; zucht Elize: „Goede God, hoe kan een moeder zoo zijn!quot;

Maar, niet alle moeders, lief mollig mevrouwtje, met je roode kleurtje en nu zelfs eenigszins roode neusje — niet alle moeders in

216

-ocr page 225-

ANNA. ROOZIS.

spe, zitten zoo gemakkelijk in haar zaohten voitaire „den zaligen\' stondquot; te verbeiden. — Nu het eten is afgeloopen, sn Charles a een beschuitje met kaas heeft gemaakt, en ook al het kwart van zijn peer — veel is u niet bediend — netjes geschild op de puntr van zijn mes heeft toegereikt; nu hij zelf hazelnoten kraakt, maar u het restantje druiven geeft, omdat hazelnoten heelemaal contre-bande zijn; nu gij uw fijne mollige pootjes zoo subtiel in het water doopt, omdat lang met de handen in koud water te zitten zeer nadeelig is, en terwijl gij straks met die handjes beschermend boven de hoop van uw leven gevouwen, in stilte zegt: „Heere ik dank U voor den overvloed Uwer zegeningen. Den grootsten zegen verbeid ik met een nooit gekende vreugd. Ik, ik zal het wel liefhebben en het wel aanmerken als een liefdepand door U mij toevertrouwd. Dank o Vader, amen!quot; nu gij zóó denkt, waarlijk innig en lief, nu staat u Hanneke, de ontaarde moeder, steeds in bloediger trekken voor den geest. — Hoe is het mogelijk! zucht ge nog eens. en terwijl Charles den stoel, waar ge op zitten blijft, een weinig ter zijde in dien gezelligen hoek rolt, en u met de voetjes-— die wel een beetje koud zijn — naar den vroolijk vlammenden haard keert, nu herhaalt ge alweder: „Hoe is het mogelijk, eenemoeder!quot;

Maar, lief mevrouwtje, in omstandigheden: de omstandigheden kunnen zeer verschillend zijn. Zie, de ellendige Geert Holmena was niet Hanuekes verleider, maar de roover van haar eer. Het vroo-lijke, wel wat dartele kind heeft hij bedwelmd met drank uit haar ouderlijk huis, en van dien stond af aan was haar Jeugd vertreden, zoo niet haar gansche leven geschandvlekt en vernield.

Maar \'t is waar, goed en hef mevrouwtje; zulke omstandigheden kunt gij u moeielijk voorstellen: die dingen zoo uit de mindere standen nietwaar, daar hebt ge vroeger in de stad — zelfs op uw kransje — nooit van gehoord? Och neen, en uw pa, die heel ernstig, en ouderling en zelfs iets van \'t weeshuis was, zou in presentie der kinderen over zulke zaken nooit spreken; en, ma\'s pa was professor in de theologie, en dus.-.. Neen \'t is natuurlijk dat ge van die dingen geen groot verstand hebt, maar heusch de omstandigheden kunnen zeer verschillen.

Er was gescheld. Burgemeester is buiten de kamer geroepen.

„Wat blief? Wie ben je?quot;

„Mijn naam is Van Wall mijnheer de burgemeester.quot;

„En je voornaam ?quot;\'

„Mijn eigenlijke voornaam is Otto, maar sedert een paar maanden dat ik negotie doe, laat ik mij maar Miel noemen, mijnheer de burgemeester.quot;

„En wat wou je?quot;

„Ik wou mijnheer den burgemeester verzoeken mij te willen permit teeren in deze gemeente waren te verkoopen.quot;

„Dat staat iedereen vrij; als men ten minste patent heeft.quot;

De man haalt een portefeuille te voorschijn:

„Als de burgemeester het zien wil....quot;

217

-ocr page 226-

ANNA ROOZE.

„Neen, laat die boel maar zitten. Je moest anders met zulke dingen behoorlijk \'s morgens op \'t raadhuis komen; ik zit net aan tafel.quot;

„Dat spijt ipe zeer mijnheer de burgemeester. U zult toch niet kwalijk nemen; een oogenblikje maar. Oprecht gesproken mijnheer de burgemeester, dan kom ik eigenlijk nog om een andere reden bij u, en wel omdat u de eerste van het dorp is, en ...quot; hij doet «en paar schreden in de gang vooruit, omdat ik, ofschoon fatsoenlijk man, toch een zeer ongelukkig mensch ben, mijnheer de burgemeester.\'\'

„Ja maar die praatjes daar kan ik me nou niet mee ophouden.quot;

„Neen, dat wil ik ook niet mijnheer Le Village, maar als een fatsoenlijk man in \'t ongeluk is, en door een heele familie onrechtvaardig wordt behandeld, dan zal de zoon van den edelen kolonel Le Village, en de schoonzoon van den braven referendaris Burk-selhuis, toch wel zooveel gevoel hebben om dien armen man een •enkel woordje te gunnen.quot;

„Wat! ken je mijn familie?quot;

\'t Gelaat van den man beviel den burgemeester al heel weinig, toen hij, wat meer onder de ganglantaarn gekomen, hem beter kon opnemen.

„Zou ik den braven kolonel Le Village niet gekend hebben! Heb ik niet zelfs als kind op z\'n knieën gereden!quot;

„Ben je dol kerel, je liegt.quot;

„Liegen, neen mijnheer; wel arm en getrapt in de wereld, maar daarvoor beware me God! — Vóór \'t jaar 30 mijnheer Le Village, toen ik een aankomend jongetje was, lag uw papa toen niet in Den Haag als ritmeester bij de kurassiers?quot;

Ja.quot;

„En woonde in de Lange Pooten schuins tegenover het Plein?quot; „Ja. In 29 ben ik daar geboren.quot;

„U waart de afgod van de familie, \'t Zou naar vleierij zweemen,

maar u waart dan ook een pracht van----quot;

quot; 1 \' quot; \' 1\'\' quot; 1 quot; ms aan huis?quot;

tweemaal met mama. Mama weet

o, was een schoolvriendin van de uwe. Ze maakten elkander zoo over en weer een visite, en zoo kwam ik mee. In 32 is uw familie toen naar Haarlem gegaan. Ik zie de portretten nog boven de canapé hangen, met de wapens er op in de hoeken, üw ma met pofmouwen; ja wel ik zie ze: lief mooi gelaat! en uw pa met de Willemsorde op de borst; kniestukken — ja wel.quot;

„Zet die mand met negotie maar even neer als ie je zwaar is. Was je mama de weduwe van den conrector Van Wall uit Breda?quot;

„Om u te dienen!quot; — De koopman haalt weer de portefeuille te voorschijn. Uit een doopakte die met papier en roode ouweltjes bij •elkaar is gehouden, blijkt zeer duidelijk dat alles waar is wat hij zegt. Ook de binnenlandsche pas, afgegeven door den commissaris van politie te Utrecht, bevestigt de waarheid zijner woorden, want „Otto Van Wall, koopman in kramerijenquot; is wonderwel uit dat signalement te herkennen, en vooral wordt zijn identiteit voldingend

218

-ocr page 227-

ANNA ROOZB. 219

bewezen, door de heesche stem, die inderdaad een zeer merkbaar teeken tot herkenning is.

„Laatstelijk ontslagen uit de Ommerschans. ..

„Ja mijnheer Le Village: ontslagen uit de Ommerschans wegens uitmuntend gedrag; maar toch -..quot; \'t was naar om te hooren: „toch getrapt door de familie.quot;

„Waar woont je familie?quot;

„Sedert den dood van mama in 42, en van oom Willem Van Wall te Rotterdam, nu vijf jaar geleden, bleef mij geen andere familie over dan een oom, ongeveer van mijn leeftijd, die te Rotterdam woont, een man die....\'quot;

„Ik ken dien heer. Wou je een voorspraak bij hem?quot;

,\'t Zou wat baten beste mijnheer Le Village; als alle menschen harten hadden zooals . • ■ ja, zooals bij voorbeeld de familie van

mevrouw____quot; Weer haalt hij een vuilachtig briefje uit de portefeuille

te voorschijn: „Lees maar mijnheer; de arme koopman houdt zich niet op met leugens, al werd hij getrapt.quot;

Terwijl Miel het brietje blijft vasthouden, doorloopt Le Village een schrijven van zijn schoonvader, waarbij deze aan den heer Ü. Van Wall, uit oude relatie een coupon van ƒ3.96 toezond, met den gemoedelijken raad aan \'t slot, om de zwakheden, die hem ongelukkig maakten, te leeren bestrijden en God daartoe te bidden om kracht

Er bestond geen twijfel, dat schrijven was echt. Papa Burkselhuis was er uit te proeven, goedhartig in den hoogsten graad, en door en door vroom. j ■ i

Le Village stond een oogenblik in gedachten. Ja, hij meende zich nu iets te herinneren:

„Je oom zal je aan je lot overlaten, omdat je de geheele tamilie oneer en schande hebt aangedaan.quot; j

„Juist, juist mijnheer de burgemeester; maar u weet beter dan ik, hoe dikwijls God eischt dat men vergeven zal; en als iemand zich

dan beteren wil. En____als alles een zwakheid was en een loslating

Gods! Neen, \'t is hard mijnheer de burgemeester, en dat vindt me-vrouws papa, de goede mijnheer Burkselhuis ook; maar....

„Wat is daar lieve?quot; roept mevrouw Le Village op deurdrempel der huiskamer; „Tijding van huis-.. ? slechte tijding....?quot;

„Neen kind! — Wacht even koopman.quot;

Le Village gaat met zijn vrouw in de kamer. Elize is spoedig op de hoogte.

„Die arme man!quot; zegt ze: „Ja \'t is goed. Mietje zal dadelijk een flink bord soep warmen en nóg iets er bij. Laat hem maar in het spreekkamertje gaan. Ik kom zóó bij je, hoor! Hoe interessant hé! Van zulk een familie! en dan met een mand negotie loopen! Dat is haast als die Duitsche graaf of baron met dat orgel, of de man en vrouw die zoo zingen langs de huizon _ die^ geschaakte freule, je weet wel. Onvergeeflijk van zulk een familie!quot;

Eenige minuten later geniet Miel de koopman een tweede editie — maar niet vermeerderd en verbeterd — van het diner der Le Villages.

-ocr page 228-

220 ANNA EOOZE.

Le Village wil intusschen nog eens \'t een en ander van „dat heerquot; vernemen.

Zijn vrouwtje komt met eenigszins holle lenden achter hem aan, want ze wou dat wel eens hooren; er was iets romanesks in, en gevaar was er in geen geval, vooral niet als Charles er bij bleef.

„Met jjlezier mijnheer Le Village, met plezier wil ik u alles dete-geeren ; ik maak er geen geheim van,quot; zegt de slecht gekleede man met zijn heesche stem, terwijl hij even met het servet langs den slordig geschoren baard raspt, maar dan ook — zeer comme il faut — net servet in de drie vouwen plat onder het bord legt.

„Ook tot mevrouw, die zoo liefderijk voor een ongelukkige is — juist als haar edele vader,quot; vervolgt Miel: „durf ik gerust van mijn ongeluk spreken, \'t Is een korte geschiedenis: Ik was de oogappel van mijn zalige moeder. Zij beminde mij zooals geen andere moeder haar kind kan beminnen....quot;

Mevrouw Le Village kwam zachtjes: khm hm, maar luisterde toch met innige belangstelling.

„Zij stierf; toen was ik zestien jaar oud. O! met haar verlies was het alsot de spiritus sanctus van mij was weggenomen! — Van wat mij overbleef kon ik, met behulp der Rotterdamsche familie, stu-deeren. Ik vertrok naar Groningen, maar — o ongeluk! dat studeeren was mijn verderf; ik was een ieders vriend, l\'enfant chéri. \'t Zijn sterke beenen die.de weelde dragen — en, ik was zwak! Zwakte is altijd mijn fout en mijn ongeluk geweest. Ik werd meegesleept. In de ponerologie der iongelui, die ik in den aanvang verafschuwde, kreeg ik allengs behagen; de zonden der jeugd lokten mij aan; ik struikelde en viel, viel gedurig, en....quot;

,\'t Is niet noodig om dat alles te vertellen,quot; zegt Le Village, zonderling bewogen bij het hooren van een verhaal, dat de onmiskenbare blijken van waarheid draagt, terwijl het gelaat van den armen man in weerwil van zekeren trek, die aan een goede afkomst deed denken, hem toch onwillekeurig bleef terugstooten.

„Heb je eon academischen graad gekregen?quot;

„Neen, o neen mijnheer: Van het eene tot het andere verleid, door zedelooze vrouwen bedrogen, liet ik in mijn vierde studiejaar een schuld te Groningen achter, die maar ten deele door mijne familie is betaald geworden. Twee jaren later, dat was in 47, moest ik — bij een boer besteed — met den n\\wsten handenarbeid mijn brood verdienen.^ Wat ik daar leed was onbeschrijfelijk, en lètterlijk zou ik onder dien druk zün bezweken.... Och mevrouw, zoudt u als je blief niet een klein slokje drinken voor me hebben, al is het maar water, als het u niet derangeert ?quot;

„Blijf maar Lize; ik zal wel even.. ..quot;

„Neen Char, laat mij....quot; Zacht: „Die arme stakker!quot; In de gang gekomen, zachter; „Maar, alleen bij \'em blijven.... merci. —Wat een scènes vandaag! Guns, we hadden ook kunnen bellen.quot;

„Da\'s waar,quot; zegt Charles; „maar nu zal ik maar even zelf de wijnflesch halen; zoo\'n vent, die \'t beter gewoon was, nietwaar ?quot;

„Goejerd! \'tZal \'em verkwikken.quot;

\'

L!

-ocr page 229-

ANNA ROOZE. 221

Intusschen ziet Miel, de snuisterijen-koopman, de kleine kamer rond. \'tis maar een spreekkamertje voor de veldwachters. — Mooi is anders, denkt Miel, maar \'t zijn beste menschen! Goed getroffen! — Daar glinstert iets op den grond. Miel ziet vluchtig naar de deur sn — raapt het op.

Een oogenblik later keert Le Village, door Elize — met nog holler lenden — gevolgd, in het kamertje terug, en, als Miel niet weet wat hij zeggen zal van de goedheid dat mijnheer hem zelf een glas wijn komt schenken, dan zegt mevrouw:

„Drink maar eens vrind; wij gunnen het je graag. En ben je toen bij dien boer gebleven?quot;

„Ik verzoek wel excuus mevrouw: toen was het dat ik door de protectie van mevrouw de douairière Van Riddervoorst, een veel oudere vriendin van mama, of eigenlijk door haar broeder den baron Van Breeland. lid van den Raad van State...

„Och kom, kent u dien ? uit Den Haag? daar hebben we nog onlangs mee gedineerd,quot; zegt mevrouw Le Village: „Hé, kent u dien ook?quot;

„O zeer goed mevrouw. Enfin, door die protectie kreeg ik een inferieure betrekking bij Binnenlandsche Zaken, maar ach, het sedentaire leven zou mij den genadeslag hebben toegebracht. Nietwaar, vrij gewend; laatstelijk altijd de buitenlucht ingeademd. — Pardon, u is te goed, twee glaasjes, méér niet. — Ah ja, met uw verlof

mevrouw, toen u weg waart zag ik dit op den grond liggen----

Misschien van uw kleed gevallen. Ik zou \'t naast vergeten.quot;

Le Village neemt Elizes kleine juweelen broche aan: Hij krijgt waarachtig respect!

Het nette vrouwtje, op slordigheid betrapt, kleurt even, en zegt dat ze het wel gedacht heeft, want dat dat oogje te veel is uitgebogen, en moffelt het mooie speldje — een dierbare herinnering — spoedig in den zak van haar japon, en vindt dien man „toch ijselijk eerlijk.quot;

„Én verder, hoe ben je toen naar de Ommerschans gekomen?quot; vraagt de burgemeester vriendelijk.

„De familie meende dat ik uit luiheid of uit onwil het Ministerie bad verlaten. Maar, er was een meisje mijnheer Le Village; men dwarsboomde mij. Om kort te gaan, men zegt soms iets meer dan men verantwoorden kan, en, door allen losgelaten, teekende ik voor koloniaal, \'t Is niet om zich op z\'n stand te verheffen mijnheer de burgemeester, maar wat ik gevoelde onder dat gemeene volk te Harderwijk, ik, die met jongelui uit de hoogste coteries had verkeerd ...quot;

„Guns ja, — hé! dat is te begrijpen!quot; zegt mevrouw.

„Enfin, men beleedigde mij; ik\' verdedigde de eer mijner familie, en kreeg bij die gelegenheid een slag hier op de borst, zoodat ik zes maanden in \'t hospitaal heb gelegen, en tot nu toe — bij een zwakke gezondheid, die vermoeiende heeschheid behouden heb. — Neen dank u, stellig; ik drink zeer weinig wijn; ik ben er zelfs vroeger nooit een vriend van geweest.quot;

„Wil je wat water met suiker?quot;

-ocr page 230-

ANNA ROOZE.

„Dank u recht vriendelijk mevrouw. Dan liever nog een enkel half glaasje. Maar ja, ik houd u op. Enfin, om redenen van gezondheid uit den dienst ontslagen, heb ik eenigen tijd bij vrienden gelogeerd; vervolgens, terwijl de familie mij aan alles gebrek liet lijden, of althans zoogoed alsquot; geheel haarband van mij aftrok, zocht ik, door den nood gedreven, zoogoed ik kon in mijn behoeften te voorzien. — Helaas! waartoe kan een mensch niet komen! Nolens volens sprak ik somwijlen den gegoeden naaste om een aalmoes aan, totdat een samenloop van droevige omstandigheden — waarin alweder een allerliefste en voor \'t overige engelreine zadolmakersdochter betrokken was — mij van den goeden weg, dien ik zoo gaarne zou bewandeld hebben, deed afdwalen en ik, de zoon van den edelen, helaas te vroeg gestorven doctor Van Wall, door mijne familie vertrapt en verstoeten, in de stichting van de Ommerschans een toevluchtsoord moest zoeken.quot;

„De stakker!quot; zucht mevrouw Le Village zeer zacht, en voelt dat haar oogen vochtig worden.

— \'t Is niet goed voor Elize, denkt de burgemeester en zegt:

,Lieve, qualitate qua, heb ik met.... te ... hem. .. nog een woord te spreken.quot; — De twee q\'s worden door de burgemeestersvrouw nog al ontzien.

„Neem een klein beetje nitri en doe de vilten pantoffels aan,quot; fluistert Charles terwijl ze heengaat, en zij, ze fluistert weerom:

„Donnes-lui pour moi un deux-cinquante; veux-tu? — Goeden avond vriendscnap. Ik zal nog wel eens bij papa naar je informee-ren, hoor!quot;

„O duizendmaal dank, en mijn grootste respect aan mijn eenigen weldoener. God zal \'t u loonen, mevrouw,quot; zegt de koopman; en met de kin op de borst voegt hij er bij: „Maar nog zulk een gift bovendien! O, u zult mij niet kwalijk nemen mijnheer, maar ik zou mevrouw ten bewijze mijner erkentelijkheid zoo gaarne een paar stukken savon offreeren, van het beste soort!quot;

Mevrouw verdween in de gang. Zij schaamde zich een beetje. Immers die man kende wel Fransch en heeft het verstaan. Onwillens had zij hem beleedigd. Zij zou het echter wel zoeken goed te maken. Foei! het hoofd loopt haar ook om.

„Alles is nu goed en welquot;, zegt de burgemeester een oogenblik later nu hij met Van Wall alleen is, en zijn stem herneemt iets meer den toon van gezag: „maar ofschoon wij ter wille van je naam medelijden met je gevoelen, zoo blgkt toch uit alles wat je vertelde, dat je een gemeene rol in de wereld hebt gespeeld; dat je je vaders naam schande en oneer hebt aangedaan en altijd een loszinnig ergerlijk leven hebt geleid.quot;

„Waarheid! volkomen waarheid, mijnheer de burgemeester! Noem mij een liederlijk sujet; noem mij een ivrogne; reken mij bij dezulken van wie men zeggen moet: net ware beter dat hij het daglicht nooit aanschouwde....quot;

„Nu nu----quot; zegt Le Village met een beschermende geste.

„Neen mijnheer,neen! noem mij zelf een verkwister, een misbruiker

222

-ocr page 231-

ANNA ROOZB. 225

van de gaven mij door God geschonken; een luiaard in\'t eind, maar zeg niet dat ik slecht was, mijnheer de burgemeester, zeg dat niet^ neen, u die zoo liefderijk waart zou ik geen hard woord willen toevoegen, maar toch: die sta, zie toe dat hij niet valle. En als God u loslaat wie zal u staande houden! Zie mijnheer Le Village, ik veracht mij zelf, maar ü doet het mij niet.quot;

„Verachten komt niet te pas; en bovendien ik weet heel best hoe het soms gaat in de wereld; maar daarom kan ik je levenswandel niet goed noemen.quot;

,Zekerlijk niet, wie zou dat kunnen! Maar mij te trappen....?quot;

„Neen dat is onredelijk, zeker, en onchristelijk bovendien. Toch schijnt men je aan een kleine negotie te hebben geholpen. Deed dat je familie dan niet?quot;\'

„Och spreek niet meer van die menschen, van.. .quot;

„In ieder geval je doet nu negotie, en je mand scheen mij tamelijk wel voorzien. Waarom kwam je eigenlijk hier, en ons dat alle» vertellen ?quot;

Otto Van Wall komt den jeugdigen burgemeester een schrede nader: „Omdat ik zeker wist hier medegevoel te vinden. Uw naam was er mij borg voor. — Mijnheer Le Village, ik ben een rampzalige!quot;

Le Village maakte onwillekeurig een kleine achterwaartsche beweging. \'t Was toch een heel leelijk ingevallen taankleurig „bakkesquot; dat die snaak er op nahield, en, zijn adem had iets naars alcoholisch. Doch — \'t was waar, hij heeft zichzelf een dronkaard genoemd. De kerel zoo gemeen als hij was, verdiende respect; ja respectabel was hij door zijn eenvoudige oprechtheid. Wat er ook wezen mocht, de man van fatsoen was terstond in hem te herkennen, ofschoon hij misschien wel wat veel jacht op vreemde woorden maakte. Maar — inwendig goed, ja wel! Alleen verleid door de omstandigheden. Damp; arme drommel!

„Ik ben een rampzalige,quot; herhaalt de man op zeer heeschen toon r „verstoeten, verlaten door iedereen, en zelfs de vrouw die mij nog liefhad.... ze is mij ontvallen.quot;

„Zoo, is die gestorven?quot;

„Ik mag er niet aan denken! Maar...quot; en de man ziet er bij damp; volgende woorden nog rampzaliger uit: „maar, rond te loepen met de hoop dat een pand onzer liefde leeft, dat een kind, voor jaren in jeugdige onbedachtzaamheid verlaten, verstoeten, nog ademt! Van stad tot dorp te trekken met de gedachte aan de mogelijkheid nog eens van reine lippen den lieven vadernaam te zullen hoeren; door de vingeren van een eigen, een eigen kind de zondige oogen te worden dichtgedrukt, terwijl het stamelt: Vader! ik heb u lief....!quot;

— Hoe goed dat Lize weg is, zij kreeg het op de zenuwen.

„O mijnneer Le Village, die hoop, die emotie met zich te dragen en niet te weten — het recht niet te hebben....quot;

„Rn waar en bij wie zou dat kind dan wonen?quot;

„Ja waar? Bij wie? Wie is het die mij trapt, wie?quot;

-ocr page 232-

224 ANNA KOOZE.

„Zou het bij je eigen familie zijn?quot;

„U zegt het, mijnheer de burgemeester; U zegt het!quot;

„Ben je gek, ik weet er niemendal van.quot;

„Verschooning, zoo meen ik het niet. Maar, zonder dat ik het zeg, zegt u het, evenals iedereen. — Mijnheer Le Village, ik zoek mijn kind! — U voelt wat dat beteekent.quot;

„En hoe oud is dat kindje?quot;

„Zeg dat ik krankzinnig ben, dat ik in delirium verkeer maar ik weet het niet. Wij waren jong, dat weet ik. Zij was Koenra-•dientje uit de Corbeau te Groningen; ik student, ik student, zoo\'n kleine achttien jaar geleden. Ze heeft me toen met de familie be-•drei^d, en

„En eerst nu ga je die zaak onderzoeken! Wist je dan niet....?quot;

„Weten! weten mijnheer de burgemeester! Als ik dat had geweten, zou ik dan — al was het maar uit eigenbelang — een oogen-blik gewacht hebben om mijn kind te reclanieeren? \'t Was door •Gods bestiering dat ik, nu ruim vijf weken geleden, op het onverwachts bij het stations-koffiehuis ite Utrecht woorden opving, die mij zeiden: Van Wall je hebt een kind; Otto er leeft een wezen, ■dat je zal liefhebben. Ignoti nulla cupido! maar toen, toen die hoop was opgewekt, ja ...!quot;

„Wat heb je toen gedaan?quot; vraagt Le Village, en \'t schijnt ■hem toe alsof de man steeds fletser van blik en heescher van stem ■wordt.

„Toen heb ik alles aangewend om den heer van wien ik die woorden had opgevangen — een zekeren heer Slik of Slikkie — te spreken, maar ik vond hem noch in Arnhem noch te Zutfen waar-Jieen hij gereisd was. Den slijter, aan wien hij alles verteld had, durfde ik niet opzoeken, wanit dit jongtnensch had gedreigd mij lt;le deur te zullen uitwerpen. Twee brieven door mij aan mijn oom te Rotterdam geschreven, werden als naar gewoonte niet beantwoord. Toen heb ik hem nogmaals bezocht ...quot;

„Wien?quot;

„Mijn oom, den rijken Rotterdamschen koopman, den eenige die, buiten mij, nog onzen patricischen naam draagt. — Ik spreek alles -oprecht en naar waarheid, mijnheer de burgemeester: ik zoek mijn schande niet te bedekken, maar, omdat ik een kleine bedreiging met mijn persoon had laten aandienen, en hij mij dus wel moest te woord staan, zoo werd ik toch door dien overmoedigen rijkaard zoo onheusch en zonder eenig antwoord met een aalmoes ter deure ;gewezen, dat ik voor \'t eerst een gevoel van wraak in mijn borst voelde gloeien. Doch, ik weerlooze man hoe had ik mij kunnen wieken!quot;

„Die gevoelens zou ik ook maar niet aankweeken. Een man, die nog eergevoel bezit en zich beteren wil, mag aan geen wraak -denken.quot;

„Zie mijnheer, u spreekt als een vader; ja, had ik altijd zulke a-aadgevers gehad, maar....quot;

„En toen, wat deedt je toen?quot;

-ocr page 233-

ANNA ROOZE.

,Ja toen! Had ik dan geen recht, als hij een kind van me onder rijn voogdij heeft?quot;

„Heelt hij dat erkend?quot;

„Erkend, neen mijnheer Le Village, maar ontkent evenmin. Zie, het recht is de wereld niet uit, en als men dan meent zijn eigen kind te hebben gevonden, te hebben gezien, en alles zich vereenigt om een vaderhart te divelleeren, mijnheer de burgemeester, neemt men dan niet zijn toevlucht tot hem bij wien men hulp kan verwachten ?quot;

„Ik help waar ik kan — althans wanneer mijn plicht het mij toelaat,quot; zegt de burgemeester, en ziet bescheiden naar den grond, maar verkiest tevens de hand niet te zien, die hem wordt toegereikt:

„Waar heb je je kind gevonden?quot;

„Zij is, indien alle renseignementen juist zijn, op de kostschool van madame Marnix, in het dorpje Akkersveen, O mijnheer, wat ik gevoelde toen ik meende haar van verre te zien, dat kan niemand gelooven. Later heb ik nog eens een halven dag gegluurd door het tuinhek, totdat ik uit vrees voor achterdocht van de zij der politie mij verwijderen moest. — O \'t was navrant.quot;

„En heb je haar niet te spreken gevraagd?quot;

,\'t Is al een groote vergunning dat ik op dat fijne instituut, in de keuken word toegelaten en door intermediair van een dienstmeid of een inferieure secondante, aan de dames iets verkoopen mag. Soms gaat de heele mand naar binnen mijnheer. En, wat kon, wat mocht ik doen! Och -— men wil zijn eigen kind niet in opspraak brengen; de mogelijkheid van mis te tasten; ik zeg de mogelijkheid! de schaamte daarbij.. de schaamte.... ja... en toch!quot;

\'t Was te zien dat het verhaal den ongelukkige hoe langer hoe sterker aangreep; hij leunde trillend met de rechterhand op den stoel, en zocht nu bovendien een steun met zijn linkerhand op de tafel.

„Ga maar zitten,quot; zegt Le Village, en, op de vraag: och, of mijnheer niet een klein beetje spiritus of een lepeltje eau des carmes in huis had, want... het hartwater, o...! op die vraag schelde de burgemeester, en gaf den armen man spoedig daarop wat nitri uit het fleschje van mevrouw.... maar neen! neen! water moest er niet bij — dat hartwater, o!

Het scheen den arme goed te doen.

Le Village heeft nu allen wrevel, iederen weerzin tegen het uiterlijk van dien ellendige, als dwaas, als onchristelijk misschien, ter zij gezet. \'t Is waar, die man was rampzalig door eigen schuld, maar wie duivel wist, wat er van hém — van Charles Le Village zou geworden zijn indien hij verleid was geworden, als God hem niet bewaard — of beter, als God hem niet met wat meer verstand en enfin met wat meer soliditeit dan anderen geschapen had!

„Arme drommel!quot; zegt hij halfluid, want nu weet hij alles. Langs den zachtsten weg wil die stakker zijn recht zoeken: Hier op het dorp moet een vriendin wonen van het kind, dat zijn ganache gedachte inneemt. Eerst heeft men hem op een dwaalweg gebracht, maar nu heeft hij haar spoor gevonden, \'t Moet een juffrouw Rooze zijn,

v. 15

225

-ocr page 234-

ANNA ROOZE.

en de burgemeester van de plaats zal weten waar zij woont; zal haar waarschijnlijk kennen: zaf den zoekenden vader — de vraag is misschien zeer vermotel — een paar regels willen meegeven, om die vriendin te zeggen dat de arme koopman vertrouwen en geloof verdient, al is hij een zondaar voor God en de menschen.

„Ik zal zien, ik zal zien! Zit nog maar even. Zoo aanstonds kom ik terug.quot;

Het hartwater schijnt den arme ontzettend te kwellen. Dat de spiritus hem goed zal doen, hij gelooft het zeker, want, met trillende hand vat hij nogmaals het fleschje, neemt een teugje, en nog, en nóg een, en, — nu wordt het beter; ja „die brand brandt het weg.quot;

In een papiertje zitten drie „deux-cinquantesquot; gevouwen, een van Lize en twee van den goejerd. Dat papiertje glijdt in den zak van den armen Van Wall, terwijl de weldoener den beweldadigde verhindert zijn dank, zijn eeuwigen dank te stamelen voor zooveel barmhartigheid. Maar, nog meer dan de ontvangen schat is den arme het briefje waard, dat die gevoelende burgemeester hem ter hand heeft gesteld.

Charles heeft geschreven:

„Aan Mejuffrouw Rooze. Huize De Runt.

„Zeer Geachte Mejuffrouw!

„Op verzoek van brenger en houder dezes, attesteer ik volgaarne: dat. hij — Otto Van Wall —bij mij en mijne familie bekend, zeer geloofwaardig is; dat hij met de edelste voornemens bezield, vast heeft besloten den goeden weg te bewandelen, dien hij vroeger wel eens verliet, en dat zijn belangrijk verzoek uw ernstige overweging alleszins verdient.quot;

Noeme mij met de meeste hoogachting,

Uw zeer Dw. Dienaar: CH. LB VILLAGE.

8 Dec. 1859. Burgemeester van Mulderspeet.

Overkropt van aandoening,—de tranen glinsteren den armen Van Wall in de holle oogen — zenuwachtig trillende, uit hij nog verscheidene malen zijn dank. In de gang teruggekomen, heeft hij werk de mand met kramerijen op te nemen. Le Village is hem daarin, ofschoon met eenigen weerzin, behulpzaam.

„Ja, ja wel, dat fleschje eau de Cologne, en dat puike stuk zeep, en dat scheerspiegeltje moet mijnheer Le Village aannemen. Ja wel! Eeuwig dankbaar! Ja wel! En zegen over het huis en de lieve mevrouw!

„Dag man!quot; roept een vrouwenstemmetje in de deur der huiskamer: „Je moet morgen nog maar eens aankomen hoor!quot;

„Ja, ja wel____ God zal u zegenen!quot; hakkelt Miel, en overvol,

drukt hij nu toch zijn klamme hand in de hand — „enfinquot; — van

226

-ocr page 235-

ANNA ROOZE. 227

den jeugdigen weldoener, en treedt de voordeur uit, die burgemeester zelf heeft geopend.

Links in de richting ziende, die Le Village hem aanwijst, zegt hij: „Ja juist, daar zal ik logeeren. Ja wel, en morgen zal ik naar De Runt gaan. Merci!quot;

,\'t Ligt een groot kwartier achter den molen hier in deze richting,quot; zegt Le Village weder, en wijst naar de zij der kerk: „Voorzichtig met die goot in het donker, voorzichtig! Goeden avond! — Ha dominee! Ei, hoe gaat het? Kom binnen, kom binnen!quot;

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Buiten is het koud; deksels koud.

In de huiskamer der Le Villages is het smakelijk warm. Het theewater zingt er zoo recht gezellig, en de haardkachel, die straks gloeiend stond, doch nu een weinig is opengezet, snort of bromt de tweede partij.

Het voorkomen van dominee is tamelijk gepreoccupeerd. Uit de omstandigheid dat de kraag van zijn overjas ter linkerzij met de punt naar binnen zit en rechts het witte boordje naar beneden heeft gehaald, terwijl het ophanglusje van achteren steil in de hoogte staat, uit de haast, die dominee schijnt gemaakt te hebben, mag Le Village mede besluiten dat er iets bijzonders is, en, hij gist wel wat.

„Ik wil niet hopen mijn vriend, dat je zieken hebt,quot; zegt dominee, terwijl hij nog in de gang de sterke spirituslucht besnuffelt.

„Neen volstrekt niet; alles is patent.quot;

Le Village ziet even in het spreekkamertje. Het apothekersfleschje staat zonder kurkje; bijna niets is er meer in. De man heeft misschien wat veel genomen, doch \'t grootste gedeelte zal zeker vervlogen zijn.

Ja, dominee is zeer gepreoccupeerd. Hij neemt zelfs bijna geen notitie van Elize, die bij dominee\'s binnentreden haastig het werk van Dr. Allebé, getiteld: Het kind in zijn eerste levensjaren, onder haar sleutelmandje legt, en, ter halverwegen opgestaan, hem vriendelijk groet.

Zeker! dominee zal even zitten, even, en. .. zijn jas uitdoen, ja, \'t is hier warm; hij moet vriendelijk verzoeken de deur open te laten, want eigenlijk is het hier om te stikken! Buiten was \'t niemendal koud; ten minste niet koud genoeg om zoo te stoken. En dan als men allerlei „bisboeliesquot; en grove onaangenaamheden heeft!

Elize schuift met haar stoel een weinig meer achter het laag afhangende tafelkleed en legt de plooien van haar japon dubbel over het been, dat naar de deurzijde is gekeerd, want, daar kwam een kou in van geweld! — Hoogst nadeelig!

-ocr page 236-

228 ANNA BOOZE.

„Tocht het je niet lieve----met die deur?quot; zegt Charles.

„Maar tochten is onmogelijk m\'n waarde heer; indien er twee deuren openstonden dan! A propos wat ik je zeggen wilde, \'t is een vreeselijke geschiedenis, ontzettend! Je weet het natuurlijk; maar, ik ben schandelijk, allerschandelijkst gecompromitteerd! Ik.... m\'n huis, m\'n pastorie, m\'n familie, in den hoogsten graad! — Dank je.... Of — ja toch, ik zal een sigaar rooken. Ik..ke, ja, altijd ben ik er tegen geweest om dat schepsel uit die kroeg in huis te nemen; maar het geval ligt er toe. Liefde denkt geen kwaad, of wil althans geen kwaad denken. Zoo ben ik de dupe, of eigenlijk het offer mijner goedheid geworden. En nu Le Village, nu ik mijn recht doe gelden, mijn geweten heb geraadpleegd; nu ik mijn huis zuiveren wu van zulk een smet; nu ik als vader niet duld dat zulk een zinnelijk boosaardig schepsel een seconde langer onder het dak zal blijven met mijn eigen dochters — we zouden die deur nu wel dicht kunnen maken — in één woord met meisjes,quot; vervolgt Haverkist, terwijl Le Village de deur gaat sluiten: „met meisjes die zelfs geen begrip van zulk een zonde hebben; nu ik die bezoedelde wil verwijderen uit mijn huis, en met Paulus zeg: „Hebt ook eenen afkeer van deze!quot; nu wil men zich tegen mij verzetten; nu steekt men het hoofd boven uit; nu janken die vrouwen als bezetenen en maken bijna gemeene zaak met de deerne die.... die... .\'\'Dominee blies vervaarlijk groote rookwolken voor zich uit, welke wolken echter, nu niet meer naar de deur, maar langs Elize naar de lamp en den haard trokken.

Mevrouw Le Village heeft nooit bijzonder veel sympathie voor dominee gehad, maar nu vindt ze hem bepaald onverdraaglijk. Opstaande gaat zij naar de zoo even gesloten deur, en zet die open, ofschoon op een kier. Zulk rooken, hier bij haar, het was meer dan onbeleefd, het was indiscreet! En dan — men moest de daad van Hanneke Schoffels verafschuwen, ja zeker; maar om nu los te trekken zooals dominee Haverkist deed, dat was letterlijk akelig. — Goed zoo, Charles zegt dat dominee wat haastig is te werk gegaan. Hij had gehoopt dat dominee den bekomen wenk zou hebben begrepen, om vooralsnog geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven en Hanneke bij zich in huis te houden, totdat — wel mogelijk binnen zeer korten tijd — een bevel tot inhechtenisneming tegen haar zou verleend zijn. Hij — Le Village — heeft met zooveel omzichtigheid geageerd, en ook heden zijn de rechter-commissaris en de officier — door hem voorgelicht, — zoozeer met vermijding van alle opspraak te werk gegaan, dat het hem zeer leed doet te vernemen, dat dominee, nu reeds, Hanneke uit zijn woning heeft verwijderd, waardoor een voorloopige aanhouding misschien zal noodig worden.

Haverkist, ofschoon hij zich zoekt te bedwingen, wordt rood van kwaadheid. Om de vier of vijf woorden dampt hij dat men den rook wel snijden kon. Van de zij der plaatselijke politie had hij, als particulier en vooral als predikant, medewerking verwacht en geenszins zulke terechtwijzingen.

„Je moet me niet kwalijk nemen m\'n goede man,quot; zoo gaat hij

-ocr page 237-

ANNA KOOZB. 229

voort: „maar ik zie er een groote on.... ja ondelicaatheid in, vis-a-vis den herder en leeraar eener gemeente, om zijn huis, zijn pastorie tot een logement voor zulk een vrouwspersoon of tot een preventieve gevangenis te willen maken. Ik dacht dat daar je kamer op het raadhuis voor was. Denk je dat ik m\'n lieve zedige meisjes aan den verpestenden adem yan zoo\'n uitbraaksel mag prijsgeven, enquot;

De onderlip van het lieve mevrouwtje trilde.

„Dominee, neem mij niet kwalijk.... maar die toon ...quot; valt ze in, en nogmaals zegt ze: „neem me niet kwalijk, ik dacht.... dat u....quot; mevrouw schonk water in den trekpot, maar, \'t plaste over het theeblad heen: „dat u zachter zoudt oordeelen. Zeker\'tis slecht; maar.... op die wijze, daar kan ik niet tegen. Dat meisje is toch.... nietwaar Charles? zij is toch een mensch. ... zij....quot;

„Toegegeven! Toegestemd! Ik ontken dat niet mevrouw!quot; roept dominee: „maar zij is ook een vertreedster van Gods woord, een....quot;

„Dominee,quot; zegt Le Village krachtig, nadat hij zijn vrouwtje, ter wille van Hanneke, zoo wit zag worden als mooi Hanneke het zelve in den morgen werd: „Dominee, mijn vrouw is wat gevoelig, en, in omstandigheden die.... In één woord, men dient het gevoel eener vrouw wat te sparen.quot;

„Men dient, men di ent! mijnheer de burgemeester!!quot; zegt dominee opstaande in drift: „Wat mij betreft, ik zal weten wat ik dien, en dat wist ik al toen mijnheer de burgemeester nog ver te zoeken was, of misschien nog in den kinderstoel zat.quot;

— Dat ging te ver. Maar gelukkig Le Village houdt zich in, misschien ter wille van zijn vrouwtje, misschien uit achting voor zich zeiven, dewijl hij den „dominee-parvenuquot; te zeer beneden zich rekent.

„Het zal mij genoegen doen dominee, indien u ons nog eenige oogenblikken uw gezelschap wilt schenken, doch op deze — zoowel voor mijne vrouw als voor mij zeer onaangename wijze, mag ik niet wenschen dat ons gesprek wordt voortgezet.quot;

Onaangenaam voor haar! voor hem!? — Goede God! hoe konden de menschen toch zoo dwars en onhandelbaar zyn! Nu verbeeldt zich die altijd voorbarige burgemeester, met z\'n zotte edelachtbaarheid, nu verbeeldt zich dat wijsneusje van een vrouw, die meent dat er van Adam af nooit iets interessanters is geweest dan zij met haar hoop op een duplicaat wijsneus, nu verbeelden zich die kinderen dat zij nog de beleedigde verongelijkte partij zijn; dat hun eer, dat hun naam er onder leed, of door het schandaal gecompromitteerd werd. O die menschelijke domheid en onvatbaarheid om zich op het ware standpunt te plaatsen!

„Weet je wat m\'n goede man,quot; zegt dominee, terwijl hij de overjas weer aantrekt, en zich afwendt nu Le Village hem nog helpen wil om den weerspannigen kraag op de rechte plaats te brengen: „Weet je wat? Als ze net hart heeft bij me terug te komen, dan zal ik Mossel zeggen ze bij u op het raadhuis te brengen.quot;

„Met je welnemen dominee, daar hebt ü noch Mossel het recht toe. De voorloopige aanhouding is mijne zaak. Er is nog niets bewezen. Wie zegt u dat het meisje schuldig is?quot;

-ocr page 238-

230 ANNA BOOZE-

„Jij, mijnheer de burgemeester, dat heb jij gezegd.quot;

„Als u nog meer hebt dominee, kom dan als je blieft mee in de voorkamer; mijn vrouw is tegen die dingen niet bestand.quot;

Charles hoort zijn Lize huilen, en snikkende zeggen:

„Moet dat een leeraar heeten, een preeker der liefde! Mag hij den eersten steen op haar werpen, misschien haar onschuldig vertrappen?quot;

Ook dominee heeft het gehoord. Sterker kookt het in zijn borst----

— Zulke verwijten! zulke vragen: of h ij een leeraar, of li ij een preeker der liefde is?! Hij een vertrapper van de onschuld! — Zich inhoudende en den linkerhandschoen drijvende aan de rechterhand, zegt hij doodsbleek met trillend geluid:

„Ik ben een dienaar Gods mevrouw, en haat de zonde, en die de zonde niet haat is een doodslager en...

.Dominee, zoo beleefd als me mogelijk is, verzoek ik je nu om er als je blieft een eind aan te maken.... of anders....quot;

„Of anders.... man!quot;

„Of anders!----Dominee, daar is de deur!quot;

Elize moest naar bed. Zulke scènes, daar kon ze niet tegen. Nooit heeft ze op één dag zóóveel doorleefd. Alles „klopt en beeft en trilt haar,quot; en ofschoon niet meer schreiend, zegt ze, nog altijd met torte snikjes:

,0 Charles, als het me maar geen kwaad doet!quot;

„Neen dat zal het niet; ga jij maar rustig slapen kind; aan dien steek, dien verwaanden hemeldragonder moet je niet meer denken. Weet je wanneer je vandaag een snoetje hadt om te stelen, om dood te kussen Lies....?quot;

„Neen goejerd,quot; zegt Elize met een snikje tusschen het laatste woord, en zij keert het hoofdje in \'t kussen naar Charles, die nog voor \'tbed stond, en slaat de zachte oogen vragend naar hem op.

„Toen je zoo bleek zaagt lieve, terwijl hij die arme meid aan \'t steenigen was.quot;

„Och beate-ling, en jou vond ik zoo\'n innig goede, toen je zei dat er nog niets bewezen is.quot;

Charles kuste zijn vrouwtje drie- viermaal op het lieve mondje, dat zoo verontwaardigd gebeefd had, maar — over zijn meening sprak hij niet meer.

— Ja, op dat oogenblik met dominee, en vis-a-vis diens beweren van schuld, waar hij — dominee — niets geen verstand van had en ook niets van weten kon, ja, toen heeft hij dat gezegd, maar anders, in deze zaak mocht het wel heeten: Mijn eerste blik doorzag! Schuldig was Hanneke, schuldig was ze zeker!

Toen dominee Haverkist de deur van burgemeesters woning tamelijk zachtjes achter zich hoorde dichtdoen, toen stormde het nog vreeselijk in zijne borst.

Neen, dat het koud was dat voelde hij niet. Hij weet niet wat hij gevoelt, maar \'tis alsof de frissche buitenlucht hem goeddoet.

In weinige oogenblikken heeft hij het hek zijner pastorie bereikt; maar — hi) kan nog niet binnengaan.— Hebben ze hem niet allen

-ocr page 239-

ANNA ROOZE. 231

trachten dol te maken „die gekke wijven!quot; \'t Is alsof de heele wereld krankzinnig is, en flauwheid en zoetsappigheid met liefde verwart! Ja, die kou doet hem goed. Hij zal de achterzij van het dorp nog eens omloopen.

— Misschien, zoo peinst dominee, ben ik wat hevig geweest; niet in mijn eigen huis waar ik toch dunkt me het hoofd zal wezen, maar bij Le Village. Doch, heeft men hem daar te woord willen staan, zooals men dat aan zijn persoon en stand en leeftijd verschuldigd is? Heeft men er hem wel eens de gelegenheid verschaft om zijn verzoek te doen en burgemeester op \'t hart te drukken: toch te zorgen dat hij — dominee — noch de zijnen als getuigen in die vreeselijke zaak zouden worden opgeroepen \'? Neen, men heeft hem niet te woord gestaan, letterlijk niet, en met onheuschheden heeft men hem overladen. Wie wierp er met steenen? hij\'? hij Haverkist, of die burgemeester zelf? Zonder dat iemand er iets van vermoedde, zonder zelfs den leeraar er in te kennen, heeft het „onbesuisd jong-menschquot; niet gerust voordat hij de arme daderes aan de kaak zou kunnen stellen. Nu had hij zijn zin, en wanneer de herder en leeraar nu niet verkiest de grootste zondares uit zijne gemeente, binnen zijn woning in voorloopige gevangenis te houden; niet verkiest haar als een geheim agent van politie te bewaken, en onwetendheid te huichelen in plaats van openlijk blijk van afkeuring en afgrijzen te geven, dan wordt zulks «den eersten steen werpenquot;, dan wordt zulks „onschuldig vertrappenquot; genoemd. O die wereld, die wereld!

Nu Haverkist op den donkeren dorps-achterweg haastiger voortgaat — want hier, met dien wind zoo vlak uit het noorden, in \'t gezicht, is het kouder, veel killer, — nu hoort hij, ginds op den hoek der bladerlooze beukenlaan, die naar de groote dorpsstraat terugvoert, van tijd tot tijd een ruw geschreeuw en gelach, \'t Is daar de zoogenaamde Amsterdamsche Allemansgading van vrouw Knibbelaar.

Terwijl Haverkist, wat langzamer voortgaande, de halverwegen openstaande deur op eenigen afstand is genaderd, hoort hij duidelijk de woorden:

„Nog ieder \'en borrel veur rekening van den koopman Van Wall. Léve Van Wall! — Toe gauw, de koopman smoort van den dorst!quot;

„Bi\'j gek, hie het genoeg!quot; roept een ander.

„Neen! brêkt \'em den mond open; nog één slokske d\'r in!quot; gilt een vrouwenstem, en, er volgt weer een luid gelach, — en een: „Leve de baron Van Wall die traktiert, en léve de kloare jenever!quot;

En Haverkist kan er niet langer toeven. Sneller voortgaande loopt hij er haastig voorbij.

Zou het nietwaar zijn dat de predikant van Mulderspeet een afkeer, een hevigen afkeer van de lage zonden der wereld heeft? Veinst hij, wanneer hij zegt de daden van een Hanneke Schoffels te verachten, of wanneer hij \'sZondags bidt in \'t midden der gemeente; „Heer, verlos ons van den booze?quot;

Door de sterren, die aan den strakken hemel fonkelen, is het licht

-ocr page 240-

232 ANNA BOOZE.

genoeg om de waarachtige, diepe verontwaardiging te zien, die zich bij \'t hooren van dat naar rumoer op dominee\'s gelaat heeft getee-kend. — Nogmaals hoort hij een vreeselijk getier; hij staat stil. Hij wil terugkeeren: hij zal zich daar vertoonen, daar hij\' die onmatigen, die hij er niet vermoedde. Maar neen, sneller vervolgt hij zijn weg, om ginder door de beukenlaan weer op de groote dorpsstraat te komen. — Lafaard! Lafaard! — Wie is het die dat woord den herder van Mulderspeet toeroept in den stillen maar ijzig kouden avond? Niemand is er die het roept; maar toch, het klinkt hem gedurig in \'t oor, en, \'t bonst hem in \'t hart. — Is het de koude wind die het voortbrengt? Zijn het de fonkelende sterren, die het in vurige letters schrijven aan den hemel? Hij weet het niet.

Hij is koud geworden, zeer koud. Tehuis gekomen, zegt hij tot vrouw en dochters, dat hij van niets meer spreken wil: dat hij niet wel is, dat hij koorts heeft en vast naar bed gaat. En boven, nog vóórdat hij zijn lampje ontsteekt, vouwt hij de handen, drukt de lippen op elkaar en zegt:

,0 groote oneindige Schepper! als ik mij zei ven meer zoek en zie dan ü, o God der ontferming! schenk mij genade? — Maar ik haat toch de zonde. Gij die alles weet. Gij weet het. Amen!quot;

Moeder Haverkist zegt dat Jans het niot kwalijk moet nemen, maar dat moeder geen lust heeft om nü voor vader naar vlier of kamillen te gaan zien, en dat heelemaal zonder meid in huis, en met een vreemden commensaal, en zoo\'n toestand als met Hanneke, foei! \'t Zal ook zoo erg niet wezen met die koorts!

Maar Jans, de goedige Jans, gaat nu zelve de kamillen en vlier zoeken om vader — die waarschijnlijk kou heeft gevat, en van \'t geval toch zeker het zijne wel voelt — met een goed getrokken kopje wat aan \'t uitwasemen te brengen.

„Ga naar bed Jans. Bij me te waken dat mag ik niet vergen,quot; zegt dominee, nu zijn dochter hem het tweede kopje brengt en hij uit een korte eerste sluimering ontwaakt.

Maar Jans moest er, in weerwil van al de naarheid, half om lachen. De zagerige koekoek op de aangrenzende studeerkamer, riep zeven.

„Nog zoo vroeg!quot; zegt Haverkist; en iets later: „Jans ben je daar nog?quot;

„Ja vader. Wil u nog een kopje?quot;

„Neen, zeg, is ze niet weergekomen?quot;

„Wie? Hanneke — vader?quot;

„Ja, wie anders!quot;

„Neen, zekerlijk niet.quot;

„Jans, zeg, als die oude Schoffels haar werkelijk eens de deur uitjoeg, als ze eens niet onder dak kon komen.... \'t Is maar een onderstelling zie je. \'t Is koud buiten. Mocht ze weeromkomen, ik zeg: mocht ze weeromkomen dan.... Maar geen woord aan moeder of je zusters; je weet, \'t is m\'n vaste stelregel: eens ja of neen, blijft ja of neen....quot;

Jans drukte de hand, waarmee vader de gordijn ter zijde hield.

-ocr page 241-

ANNA ROOZE. 233:

Zie, zóó was hij! Och vader meent het zoogoed; dat zal ze altijd volhouden: ja, tegen iedereen die het betwijfelen durft.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

En buiten is en blijft het koud. Op den straatweg, die van Mulderspeet langs De Runt naar Arnhem voert, nabij den hollen opweg, aan welks boveneinde zich de kleine herberg De Luchte bevindt,, beweegt zich een zwarte gedaante, \'t Is te donker om te onderscheiden wie of wat ze is. — Zij verwijdert zich. Neen, snel keert ze terug naar dezen kant, naar de zii van den straatweg.

Nu kan men haar onderscheiden: Ze is een vrouw; een vrouw met een zwarten doek over het hoofd en om de schouders geslagen. Men. vergist zich niet: \'t is Hanneke Schoffels; de verdreven zondares.

Weer staat Hanneke stil.

— O, sedert dat vreeselijke namiddaguur, toen men haar verstiet en verjoeg, van dat oogenblik af doolt zij reeds om in de koude lucht: want neen, bij vader en moeder thuiskomen dat durfde zij niet; neen, en tot wie of waarheen kon ze zich anders wenden? Wie zou er zijn, die haar nü gelooven, haar nüvoor onschuldig houden zou?

Achter De Runt in het sparrenbosch, neergezegen op het berijpte naaldenbed, heeft ze in den aanvang gejammerd en geschreid. Ze heeft er gebeden dat God haar „zou halen,quot; dat ze „dood mocht vriezenquot; in dezen stond. Maar, toen het ging schemeren en donkerder werd, en zij zoo raar van de kou was geworden, toen is ze-toch opgestaan en heeft zich de vingertoppen in den mond met ademen verwarmd, en de armen tegen \'t lichaam geklopt — zooals de mannen dat doen — en den grooten doek, over \'t hoofd en vaster om zich heen getrokken, en, — weer heeft ze geloopen, ja. zelfs tot dicht bij den achtertuin van het groote kasteel.

Gedurig heeft Hanneke nare geluiden gehoord. Ze weet niet wat.. \'t Mocht het vallen van een dooden tak in het bosch, het krassen van een uil, het janken van een hond of wat ook geweest zijn, zij is er telkens van ontroerd, en bovendien — vreeselijke visioenen stonden haar voor den geest.

Toen men haar in den morgen, achter op \'t plaatsje van \'t raad huis dat akelige lijkje heeft getoond, toen is zij zeer kalm geweest, ja dat weet ze zeker, doodkalm. Wat ging het haar aan! \'t Was afzichtelijk, ja, en akelig; maar wat ging het haar aan! — Nuechterr nu spookt dat bijna vergane lijkje haar telkens in de afzichtelijkste vormen voor den geest. En dan — onder dien boom! Ze hebben toch niets aan haar gemerkt; neen, niets ter wereld. Maar, toen ze-daar vroegen, en toen ze dat mes lieten zien, toen ja, toen heeft

-ocr page 242-

ANNA. ROOZE.

ze zelve gevoeld dat ze ontroerde. En nü — nu ziet ze naast dat dijkje ook gedurig dat mes uit moeders huis, dat zelfde broodmes met die roeste vlek.

Hatineke is toen bang geworden, bang in \'t donker; en. .. Joost -was daar binnen in dat kasteel. Joost, en die juffer ook.

— O God! a\'j, — zóó as zij dezen mergen in den angst zat, zou \'Jiegen dan zundig wêzen\'? — Zou ze noar Joost goan.... en....?

Den breeden rijweg kiezende, was ze tot aan de grachtbrug gekomen en waagde het die te betreden. In de poort was het zeer donker. Boven het binnenplein heeft ze de starren weer gezien, maar ook.... terzelfder tijd had ze ginder bij de kapeldeur een lange magere mansfiguur ontwaard, die, bijgelicht door een even magere en zeer gebogeue vrouw, de genoemde deur scheen dichtte -spijkeren.

Dat tafereel, ofschoon op zich zelf niet verontrustend, had Hanneke, met haar sombere beelden voor oogen, zeer doen ontstellen en op haar pad doen terugkeeren. In de larikslaan, waar het vreeselijk donker was, heeft ze zich het klamme zweet van de slapen gewischt, ofschoon ze toch rilde van kou. Somwijlen hevig ontsteld door een tak, waartegen ze inliep; eenige malen gestruikeld, ja bijkans gevallen over uitstekende boomwortels, was ze eindelijk die laan ten einde. En ■toen, waarheen toen?

— Toch, tóch noar moeders huus toe! heeft ze schier luide geschreid. En het boschwachtershuisje voorbij en het brugje overgaande, is ze de bladerlooze eiken- en beukenlanen doorgesneld, den straatweg over, den hollen weg op, naar De Luchte,naar — moeders huis.

— Moeders huus! — Moar voader!?

En nu, daar staat ze stil aan het benedeneind van den hollen quot;weg. \'t Is al meer dan een uur geleden dat ze voor \'t eerst de ■ouderlijke woning is genaderd: maar, reeds verscheidene malen trad ze angstig terug, omdat ze \'t niet waagde er binnen te gaan.

— Doch waar, waar zal ze dan heen? Nóg eens keert ze weder.

— Moed Hanneke, moed! \'t Zou tóch mogelijk kunnen zijn dat -vader en moeder er nog niets van hoorden. De Luchte ligt ver van het dorp, en bij winterdag gebeurt het niet zelden dat er dagen -voorbijgaan, waarop men er niemand ziet. Om dezen tijd mag er zoo somwijlen eens een jager komen „aansteken,quot; of, lieden die om zand of plaggen te halen den ,ouwen Aremschen wegquot; rijden, mogen er eens eventjes „\'en slukskequot; nemen, maar, met dit ijzel-weer zal er niemand zijn; en zoo ja, dan was het nog niet bewezen dat die menschen er iets van geweten, of — indien ze het wisten — er met hare ouders over gesproken hebben.

— Ja, dezen morgen is zij met die „vreeselijke heeren uut stadquot; zeer in de nabijheid der ouderlijke woning geweest, doch burgemeester heeft een gansch anderen weg, den weg over den Liester-besheuvel genomen, en De Luchte heeft men zelfs niet gezien. Neen.... nu meent zij wel zeker te zijn dat vader en moeder er nog niets van zullen weten.

— Waarom heeft ze zich noodeloos zoo angstig gemaakt? Waarom

234

-ocr page 243-

ANNA BOOZE. 235

zoovele bange uren reeds in den kouden avond rondgezworven ? Nood leert bidden, maar nood leert liegen ook! Waarom kan ze niet zeggen dat ze woorden met dominee\'s juffrouw hoeft gehad, en zoo gemeen is behandeld dat ze naar huis heeft gewild..-?

— O God! gewild! — Vader zal toch razen. Ja, maar met een beetje vloeken en grommen zal \'t wel afloopen ook. Op dominee is hij toch zoo erg niet gesteld, want diens ,gezanik over den drank en de drankverkoopersquot;, vooral van den preekstoel, heeft hem altijd gehinderd, omdat vader zelf matig, maar een herberg zonder drank toch geen nering was.

Zoo denkende, terwijl ze een oogenblik zich zelve en haarvreese-lijk leed vergeet, nadert zij opnieuw de kleine ouderlijke woning.

De gladde valgordijn voor het venster der gelag- en huiskamer, is neergelaten tot op het groengeverfde houten horretje, waarover een paar oude couranten gehangen zijn.

Bukkende met het hoofd ziet Hanneke, tusschen de groene spijltjes door, ter kamer in.

Nog juist zooals voor weinige minuten, toen ze ook naar binnen zag, zitten vader en moeder aan weerszijden van de vuurplaat. Moeder schilt aardappelen in den houten nap, en telkens ploft er een in den nevens haar staanden emmer. Vader, die straks in den almanak heeft zitten lezen, stookt nu het vuur op. Een oogenblik later zit hij met een houten voetenbankje tusschen de knieën geklemd en spijkert het zijplankje, dat los was, weer vast, maar, \'t schijnt hem zeer te doen; nu rust het bankje op de vuurplaat, en ligt vader met één knie op den grond. De hamerslagen doen het vensterraam dreunen.

— Zouden ze zoo zitten en werken als ze \'twisten?

— Neen!

— Hanneke zal... Ja, ze wil... Ze richt zich op; gaat naar de deur... steekt de ijskoude hand naar de deurklink uit. Doch, haar hart bonst zoo geweldig dat ze nog een oogenblik moest wachten. Diep haalt ze adem, zeer diep. Ze dient binnen te komen alsof er niets, heelemaal niets is gebeurd. Ten minste.... Ruzie met z\'n volk kon iedereen krijgen. Dat heeft vader zelf wel gehad toen hij in zijn jonge jaren als voermansknecht diende. Komaan, moed dan! Nog een ophaal. Zoo; nu slaat ze de hand aan de klink. — Maar hoor, de sluiter, die zeker aan de binnenzijde een weinig in de hoogte stond, valt luide neer.

Zie, eensklaps hevig verschrikt, vliegt Hanneke voort. Niet den ■weg af, neen, men zou haar bemerken zoodra men naar buiten kwam. Ijlings den hoek van het huisje omgesneld, is ze verdwenen.

Vader en moeder Schoffels hebben beiden te gelijk naar de deur gezien.

„Was er wat Berend?quot;

,\'kWeet niet!quot;

Schoffels gaat naar de deur; doet die open; ziet naar buiten; prevelt eenige woorden; wrijft de handen, en dan naar buiten ziende, zegt hij:

-ocr page 244-

236 ANNA ROOZB.

„Geen miuse! — Zei je wat vrouw?quot;

„Da\'j meteen de luuk\' moar mos dichtdoen?quot; roept de moeder vrij hard.

Hanneke is in een der mossententjes gevloden, die achter het huis bezijden den kleinen bloemhof, „op \'t mooiste gezicht liggenquot;, en welke tentjes er door vader zelf zijn getimmerd, omdat moeder \'s zomers aan wie het willen „heet woater en theegoed veur\' en dubbeltje de manquot; geeft.

Achter in dat tentje gedoken, heeft ze toch moeders luid gesproken woorden gehoord.

— Als vader de luiken sluit dan komt hij \'t eerst aan de z en kant om de luiken van \'t slaapkamer-venster toe te stooten! Deze gedachte vliegt haar pijlsnel door \'t hoofd.

Nu is moeder alleen! O, moeder alleen! Ijlings is haar besluit genomen: Straks naar dezen kant gevlucht, keert ze thans langs de achterzijde — dus letterlijk de kleine woning rondom geloopen — naar de voordeur terug.

„Wie geet doar de deur in?quot; roept Schoffels, die de luiken al spoedig had dichtgesloten en juist aan de voorzij der woning teruggekomen een vrouw naar binnen ziet gaan.

Hij volgt haar op den voet.

„Is dat Hanneke niet ...quot;

Nu hij binnentreedt keert Schoffels de vlakke hand naar de zij van het licht der kleine lamp, want uit de duisternis komende ziet hij niet best.

„Hanneke, gij! Kiend, wear kom ie vandoan?quot; zegt de moeder.— En de vader stilstaande:

„Gij Hanneke, zoo loat in \'tduuster! Wat doede hier kind? Wat is er \'ebeurd, zeg?quot;

„ Niks!quot;_ bibbert Hanneke, en ze klappert met de tanden.

„Niks?quot; herneemt de man, en nadertredende legt hij zijn vereelte hand op Hannekes schouder en ziet haar strak in de oogen.

Haar donkere kijkers weerstaan zijn vorschenden blik, en, klapperende met de tanden herhaalt ze:

„Niks, \'k zeg oe nikse!quot;

Moeder Grietje is bij Hannekes binnenkomen zoo bleek als een doode geworden. Sedert den laten namiddag heeft ze „veul spuls arg vuile spulsquot; met Berend gehad.

Tegen licht en donker is Mossel de veldwachter even op komen steken, en heeft gevraagd: of ze niets gehoord hadden.

Neen, wat zouden ze gehoord hebben! Of hij \'t praatje meende dat de heer van De Runt zijn boeltje alweer aan den baron van De Renghorst verkocht had en er een ton op verdiende. ...? Als Mossel dat bedoelde? — „Die Lijning sol \'et wel op spikkeloazie \'kocht hebben,quot; heeft Berend er bijgevoegd.

Ja, Mossel had er ook van hooren spreken, maar hij meende wat anders. D\'r was alweer „gerechtquot; uit Arnhem in Mulderspeet geweest; nog altijd over dat geval. ... Schoffels en de vrouw ze wisten wel wat.

-ocr page 245-

ANNA ROOZE. 237

Zeker, Schoffels en de vrouw ze wisten \'t wel; maar — Mossel had zoo „sikkepetittigquot; gekeken, en erg lang met den yuurlepel in \'t plaggevuur zitten rommelen, zoodat Schoffels eindelijk gevraagd had: Of er dan wat nieuws aan den dag was gekomen?

Mossel was altijd nog in \'t vuur blijven rommelen en muilen, en had gezegd: Ja, zoo \'t een en ander; maar ook, dat het hem verwonderde dat Schoffels noch de vrouw er iets van gehoord hadden.

Dat was net zoomin te verwonderen alsdat ze — vooral vandaag bij noordenwind — hier aan De Luchte de dorpsklok niet hooren konden; en bovendien. Schoffels was tot drie uren met Knilles Tontel in \'t bosch achter De Palmboom aan \'thoutzagen geweest, en behalve Tontel had hij geen zalige ziel gesproken, en de vrouw evenmin.

„Zoo,quot; heeft Mossel gezegd: „zoo; dus weet je van niks?quot;

Schoffels heeft toen gevraagd of de veldwachter „roadseltjes opgafquot; en er bijgevoegd, dat ie wou dat Mossel „vierkant op de beenquot; sprong, went dat ie \'en bietje kort van stof was — dat had ie nut de moazels gehouen.quot;

Maar och, van zooveel aanbelang was het niet. Praatjes zie! — Mossel heeft den kop van zijn bruin stompje pijp in een lepel vuurgloed gedrukt, en zich eerst in den damp gezet: Alleen had Bur-

Semeester hem gezegd om eens — bijwijze van vrindschap — op ie Luchte bij de ouwe lui Schoffels aan te loopen, en „erreissiesquot; te zeggen, dat.. .emeester hem gezegd om eens — bijwijze van vrindschap — op ie Luchte bij de ouwe lui Schoffels aan te loopen, en „erreissiesquot; te zeggen, dat.. .

Berend Schoffels had gekeken met een paar oogen zoo groot en zoo zwart alsof hij de inktpot op \'t raadhuis was.

„Neen, nimmendal geen kwaad,quot; heeft Mossel gedampt: „Maar, burgemeester meende dat de zaak wel wat hoogerop zou gezocht worden, en, omdat \'et dan toch zoo dicht bij De Luchte gebeurd was, nietwaar, dat----quot;

„Wat! De Luchte! Ze meinen toch niet....!quot;

Mossel heeft toen gezegd, dat Berend altijd zoo driftig werd als men maar even een mond opendeed. Er was hier van „meenen geen spraak en van weenen geen kraakquot;: Burgemeester had alleen de „vrindschappelijkheid om Schoffels zoo wat te doen aankondegi-seeren — als vrind, versta je — dat het bij eventjuweelen en om-standighedens wel mogelijk was, dat....quot;

„Kom d\'r dan uutü ddt, ddt! Wat dét veur den weerlich!?quot;

„Ik ben veldwachter van z\'n Majesteit, Schoffels. Je moet me niet beginnen te weerlichen en te bliksemen begrijp je. Kwaadaardig of kwispeldurig ben ik niet, tegen niemand, daar niet van; maar als ze zeggen van bang of zorgveljeus, dan sta ik m\'n man, begrijp je wel. Maar jij bent altijd \'en vrind van me geweest, al de vijf jaar dat ik in \'t dorp ben. Nietwaar Grietje?quot;

„Joa, nietwoar Berend, joa!quot;

„As de complementen uut zin!quot; heeft Berend gezegd: „In alle bedoardheid, nóg ens: burgemeister loat weten dat — wat dat?quot;

„Dat de mogelijkheid bestaat Schoffels, dat.... jij —jelui weet je — kunt worden opgekonvokeerd als getuigen.quot;

-ocr page 246-

238 ANNA KOOZE.

Grietje Schoffels heeft toen zelve meegeroepen: „As getuigen!quot; maar, toen Berend — op gevaar af dat Mossel „kwaadaardig of kwispeldurigquot; zou worden — onverstandig over burgemeester en \'t gerecht en „al dat groote volk uut Oarem en Den Hoagquot; is losgetrokken, en gevraagd heeft of ze dan heelemaal gek waren, om menschen, die stil en eenvoudig leefden en met moeite een eerlijk stuk brood verdienden, om die voor \'t gerecht te halen, en te laten getuigen van dingen, daar ze „krek zooveul van wisten as.... as die pot met den deksel d\'r op,quot; — toen heeft Grietje gezwegen, en Mossel heeft z\'n slukske leeggedronken, en is toen opgemarcheerd. — «Bang of zorgveljeus is hij niet, maar er zijn menschen waarbij \'en mensch z\'n eigen niet op z\'n gemak gevoelt: zulk onge-politiseerd slag; en \'en boer blijft \'en boer!

Nadat Mossel vertrokken was heeft moeder „arg, ang veul spulsquot; met Berend gehad.

In den aanvang had de naam hem niet over de lippen gewild, maar eindelijk had hij met een vuistslag op de tafel gezegd:

„As er één \'t hart kriegt um weer Hanneke te nuumen, die sloai ik den nek in!quot;

\'t Heeft wat gekost om vader van dat idee af te brengen. Waarom zou er over Hanneke gesproken worden? Hoe kwam Berend toch op zulke gedachten! Eens, ja eens had die leelijke Hobbes met een schuin woord Hanneke in een verkeerd blaadje gezet, maar toen was hij dronken, de vent; en vader wist immers heel goed dat die Piek op den laatsten kermisavond leugens heeft geraasd omdat Hanneke hem zoo „geknuppeld en gedorschtquot; had.

Hoe en waarom zou er dan nu iets zijn, waarover Berend zich ongerust behoefde te maken! Schoffels wist immers wel hoe ingetogen en flink en frisch Hanneke altijd geweest was!

„\'En leugenbeest die \'t anders zou zeggen!quot; was Berend uitgevallen terwijl hij de oogen strak naar den vloer hield gericht.

„Voor \'t volk in de gelagkoamer — da\'s woar — had Hanneke altied \'en vrindelik woordje,quot; heeft de moeder weer gesproken: „en, als \'et jongevolk ens dolde of heur en oardigheid zei, dat kon ze velen, moar, een onvertogen woord... .!quot;

„Doar hadden ze mee oan motte kommen! Ze had ze----!quot; heeft

Berend, steeds met den blik naar den vloer, nog luider geroepen.

„Welnu, Berend moest dan ook niet dadelijk „vlam vatten as \'en zwêvelstöksequot;. Was er ooit eenige reden geweest om te denken dat \'et....?

„Nee — ten minste — nee nooit!quot;

— Toen Hanneke, een groot jaar geleden, wel wat witter om den neus zag, hebbeo toen de „Holloway-pillen uut de krantquot;, die zuster Leene van Rotterdam had meegebracht, hebben die haar niet aanstonds geholpen, omdat \'et „den overloop van groeiquot; was geweest?

„Zeker! Zeker!\'

Wat of Berend dan toch altijd „achterdoksigquot; was, en nu weer zat te turen alsof er het grootste ongeluk van de wereld was gebeurd?

-ocr page 247-

ANNA BOOZE. 239

In \'t einde heeft Berend het begrepen. \'tWas bespottelijk, \'t (je-recht en Hanneke; Manneke en \'t gerecht dat waren er twee die evenveel bij elkaar pasten als — „um iemes te nuumen, as de keuningia van Engeland en Mossel de veldwachter met z\'n af\'gevreten nagels.quot; — Hoe kon hij — Schoffels begreep het zelf niet — hoe kon hij toch altijd weer malen op dat punt. Zoo\'n blom! zoo\'n liefde als dat kind ï Van de wieg af aan was ze zijn trots en eer! Alles heaft hij aan haar gedaan. Alles wat hij kon. — \'t Heeft hem veel gekost toen ze uit het huis is gegaan; maar \'t was beter vuor haar zelve geweest: de verdienste kon ze dan opleggen: veertig gulden, dat was in twee jaar tachtig gulden, en \'en mooie duit voor \'t begin met Joost. Als Joost dan zooveel bijeen had om een paard te koopenen „vrachtkar te varenquot;, dan.... dan.... en Schoffels zag al een kleine, zoo\'n heel kleine op Hannekes arm----en----

Moeder Grietje had het eindelijk gewonnen, \'t Was immers niet vreemd dat zij, die het dichtst bij den Heksendans woonden — waar den 23st™ November dat lijkje was gevonden — dat zij als getuigen zouden worden opgeroepen, \'t Was vriendelijk van burgemeester dat hij hen daarop attent liet maken. Goed! Schoffels zou het zóó schikken dat hij met zagen desnoods een dag kon gemist worden; en moeder moest morgen maar eens naar dominee\'s juffer gaan, om „vrindelik te verzuuken of Hanneke noar De Luchte zou meuge kommen en op \'t huus passen, den dag dat Schoffels en zij noar Garem zouwen motten, veur de zoak woarvan domenie\'s juffer wel zeker \'eheurd had----quot;

Maar nu, daar staat Hanneke te klappertanden, en vader ziet haar nog altijd aan, en herhaalt met krachtige stem zijn vraag: wat er dan was dat haar op dit late uur van \'t dominees-huis naar den berg joeg?

„Zie je dan niet Berend dat ze hoast niet spréken kan zoo kolde ze is! — Kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. \'k Zeg: loat ze erst bekommen eer ze proaten zal. God, kiend! oe handen zin as steen\'.... Hier, goat er zitten; hier op mien stoel.quot;

Berend stelt zich in den weg. Hevig:

„Heur ie mien niet: ik vroag wat er is!?quot;

„Man, wês toch wiezer. Altied don driftkop! Oe kind is dood van

de kolde, da\'s nommer één. Kom!----quot; en terwijl zij Berend ter

zijde stoot, dwingt ze Hanneke neer te zitten in haar stoel bij de plaat.

Schoffels beheerscht zich met geweld; hij loopt naar de deur; van de deur naar de bedstee; van de bedstee naar het raam, en dan — dan snel terugkeerende naar den haard roept hij nog luider, voor Hanneke stilstaande:

„En nou, nou zal ik weten wat er gebeurd is!quot;

Moeder Schoffels heeft haar warmen kapmantel om Hannekes schouders geworpen. Een rilling doet het meisje schudden, maar de groote donkere oogen slaat ze ook nu voor vader niet neer, en ze zegt:

„Ruzie \'ehad voader, ruzie!quot;

-ocr page 248-

ANNA ROOZE.

„Ruzie met wie?quot;

„Neem \'en slukske konjak, dat zal oe goeddoen,quot; zegt de moeder, •en ze brengt een glaasje, dat ze haastig halfvol schonk aan Han-nekes lippen.

„Geen drank! dat lust ze niet!quot; roept Schoffels, en stoot moeders hand ter zij zoodat het vocht uit het glas stort:

„Zet kotóe! — Nóg ens: ruzie met wie\'?quot;

„Met domenie\'s juifer!quot;

„Waarover?quot;

„Over.. . over....quot;

„Hanneke, ge liegt.quot;

„Man. wês toch stil!quot; roept vrouw Grietje: „Ge roast as \'en dol-heufd. Weet ie \'et héter als Hanneke eiges....?quot;

„En ik vroag: woarover, wóarover!?quot; dondert Schoffels.

\'t Arme Hanneke zwenkt met den blik; vluchtig is slechts het ■wit van haar oogen te zien. Het is haar — onbestemd — als sloeg het plaatvuur naar den zolder, en draaide vader met het hoofd naar den vloer, en wrong de kamer zich saam. Een zacht geluid ontsnapt aan haar doodsbleeke lippen en zie, daar ligt ze met slappe armen, faet hoofd ter zij op den schouder.

„Dood....! Ó God, dood! dood!quot; barst de vader nu los; en hij strekt de beide handen naar zijn Hanneke uit, en omvat haar met zijn armen, en roept haar bij haar naam, verscheidene malen achter-

•een, en strijkt zich het klamme zweet van \'t voorhoofd, want----

want hij weet niet of ze dood is of---- leeft, Hanneke zijn lieve

Hanneke!

Vreemd was het niet dat de vader een oogenblik meent dat hij zijn kind — door een toeval getroffen — levenloos in de armen drukt.

Nooit te voren heeft hij zulk een bezwijming gezien; aan de mogelijkheid dat Hanneke zoo iets kon overkomen heeft hij niet k u n n e n denken, en nü zelfs, nu Grietje zegt dat het de kou is die haar beving, «n dat de ruwe toespraak van Berend het zijne er toe heeft bijgebracht; dat ze Hanneke maar samen in de bedstee moeten beuren en warm toedekken, en dat het dan zeker wel beter zal worden, nü zelfs is Berend, ofschoon gerustgesteld, nog niet van den vreese-lijken schrik bekomen, terwijl een andere angst hem opnieuw bespringt: — Hanneke, de forsche knappe meid, zou die van een beetje kou als een doode daar neerliggen? Hanneke, die vroeger wel eens \'s winters met haar stop- of breiwerk in een prieeltje was gaan zitten alsof het een zomerdag was?

— Ruwe toespraak? Wanneer dat een ruwe toespraak moet genoemd worden, dan weet hij niet meer wat zachtzinnig is! Als hij een j a of neen wilde hebben, dan sprak hij nooit anders. Hanneke heeft altijd geweten dat vader nog meer van haar dan van z\'n eigen vrouw hield — en dat nam do vrouw niet kwalijk, want moeder Grietje zei hetzelfde, namelijk: zoo ze tusschen Hanneke en Berend te kiezen had dat ze dan Hanneke koos. — Hanneke weet dus hoe vader het meent, maar, als ie haar nü wreed heeft toegesproken of zwart heeft aangezien, wat moest het dan op dien keer wel geweest zijn.

240

-ocr page 249-

ANNA BOOZE. 241

nu kermis al twee jaar geleden, toen hij haar bij voorbeeld kapittelde omdat ze Joost voor dien vreemde liet loopen, en gecommandeerd had dien Piek — als ie kwam — \'en glas bier of \'en borrel te schenken maar praatjes niet meer! — Dat was ruw gegaan, niets kinderachtig: en toen, toen had ze, in stee van narigheid heel wat anders vertoond. Hanneke was toen van de ernstige plooi in den lach geschoten, en had geschaterd dat Bobberdebop — zoo kon ze hem noemen — weer roasde as \'en bromtol, zonder dat er reden was, umdat ze den Piek al lang den bons gegeven en Joost had afgekust.

— Ieder ander als Hanneke zou geschreid en over \'t „onrech-veerdig vermaan in den aschquot; zijn geweest; maar Hanneke, nee, ze kon d\'r tegen; ze was er aan gewoon van klein af aan „toen \'t rökske dukkels noar boven most, en \'t, over de knie, van klits klets goeng.quot;

— Neen, van de harde woorden kon het nu niet zijn.

Maar, terwijl den vader dit alles in weinige oogenblikken door de

fedachte ging; nu hij werktuiglijk en schier alleen het dierbareedachte ging; nu hij werktuiglijk en schier alleen het dierbare

ind in de bedstee heeft gebeurd, en de spoedig teruggekeerde hoop nu zekerheid is geworden dat Hanneke God zij dank! leeft en niet dood is; nu hij later daar zit voor het leger, waarin zij slaapt — ia hoor maar, rustig slaapt — de schat, dien hij vroeger nooit gedacht heeft te kunnen verliezen; nu de lieveling daar ligt, die hij in dat vreeselijk oogenblik zoo akelig heeft gezien, maar nu weer aanschouwen mag als opgewekt uit den dood; nu staart hij op dat schoone gelaat, doch weder met strakken angstigen blik, en het is alsof hij uit den ademtocht dier frisch gevormde lippen, het woord wil opvangen, waarnaar zijne ziel zoo smacht, het woord: Onschuldig!

Schoffels heeft zich stil gehouden, heel stil, toen Hanneke uit hare verdooving is ontwaakt. Moeder had gezegd dat hij van de bedstee zou weggaan, — nóg verder, heelemaal tot bij de plaat, want als het kind hem zag, dan kon ze \'t weerom krijgen en best er in blijven.

Een enkel woord heeft Schoffels van verre toch opgevangen: Dat ze beter en warm was. en dat ze honger had. Dadelijk is hij toen naar de kast gegaan, en aan de klaptafel heeft hij brood gesneden: acht dikke sneden stoete. Maar moeder — eigenwijs — heeft dunnere gewild. Toch, de worstplaatjes die hij gesneden en er bij heeft

fevoegd daar had Grietje geen nee van gezegd: „God wist ook inevoegd daar had Grietje geen nee van gezegd: „God wist ook in

óevulle tied \'t kiend niks over \'t hart had \'ehad!-\'

— Nu slaapt ze: Goddank! Maar. Schoffels bergt zijn gelaat in de vereelte handen: „dat speeksel, dat sarrend en grijnzende spoekselquot; het laat hem geen rust.

Aan haar oogen, aan haar gansche wezen heeft hij gezien dat zijn Hanneke loog toen ze hem zeide dat „ruziequot; de reden van haar late komst in de ouderlijke woning was. Op de vraag: „waarover?quot; beeft ze geen antwoord kunnen vinden, zij, die altijd het antwoord klaar had, en altijd het ware antwoord omdat ze nooit loog.

— Die proatjes! dat gerucht! — Zou dat kiend, dat onneuzele mooie kiend.... ? — O God ien den hemel!

V 16

-ocr page 250-

1

242 ANNA ROOZB.

Haastig opstaande loopt hij weer de kleine kamer door, en dan de buitendeur uit.

Grietje hoort het luik van het opkamertje, dat hij straks zal vergeten hebben, dichtstooten. — Nu komt hij weer binnen, \'t Raam schuift hij op; den luikgrendel doet hij toe... -

„Man ge loat \'et roam los.quot;

\'t Is waar; het raam liet hij open, in gedachte. Nu is het dicht.

Straks bij vrouw Grietje teruggekomen, zegt hij zacht met de oogen in \'t vuur:

„Moar, as \'t — as quot;et wat anders was?quot;

„Wat anders!? Ze sloapt Berend. Wat wi\'j dan anders?quot;

— Ze begreep \'et niet! Weer gaat hij naar de bedstee.

Ja wel Berend, vrouw Grietje begrijpt het wel. Toen Hanneke binnenkwam en bezwijmde, toen heeft ze \'t al begrepen; heelemaal! Maar nu — nee, ze begriept er niks van, niks anders as dat Hanneke sloapt, en dat Berend stil mot wezen

En daar zit hij nu weer. — Nee eten, wil hij niet: Grietje mot maar éten as ze trek het.

— Zekerlik, woarumme niet; ze was al doende.

Maar, de eerste brok wilde haar toch niet door de keel, en de rest moffelt ze gauw in den broodbak. — Kiek, ze had \'et al op: „Nou kom dan Berend?quot;

Maar hij komt niet. — Nee, koffie lust ie net zoomin.

— O groote God! Hebben die oogen, zoo mooi en zoo klaar, al zoo lang gelogen! Was dat reine lieve kiend. ...?

— Nee, nee! nee!! lillik spoeksel, nee!! schrikt de vader op: Dat hêt mien kiend niet bestoan!....

En -— hij ziet haar weer in zijn verbeelding spelen op den weg in \'t zand, toen ze zoo\'n klein dreumeske was; hij ziet haar voor de deur met een klomp een hoogen zandberg maken, wel zoo hoog als een roomkan is, met keisteentjes er om en een goudsblom in den top, en hij hoort haar weer lachen van pleizier.

Hij ziet haar spelen met de kleine kermispop, en die, als een moedertje, wasschen het rood van de koontjes weg, en, uitkleeden en wiegen op haar schoot, en hij hoort haar zingen er bij:

„Sloap puppeke, slaap,

„Ge bint er zoo zacht as \'en schoap,

„Ge bint er zoo blank as \'en duufke,

„Ge bint er zoo zuut as \'en druufke,

„Sloap ... Moederke houd de wacht,

„Sloap puppeke, zacht!quot;

— O dat was een schoone tijd! Toen waren de dagen veel langer; de bloemen veel weelderiger in den kleinen hof; toen scheen de zon veel vroolijker. Ja____en als hij driftig was geweest — soms onverstandig —• en haar geslagen had, dan kwam zij straks de nijdige hand kussen, en, dan had hij haar wel kunnen dooddrukken van liefde, dat „glanzige snuutje.quot;

-ocr page 251-

ANNA ROOZB.

En, terwijl ze nog een kind was, ja, bijna terzelfder tijd, was ze volwassen ook. Op zijn knieën zat ze toen niet meer, en haar slaan als hij kwaad was, dat deed hij ook niet meer, — dan sloeg hij op de tafel of liep de deur uit; en haar \'s avonds, als ze in bed lag, nog een stukske stoete brengen, en als ze het op had, terdeeg toedekken, dat kon hij toen ook niet meer doen; neen, maar lang naar die mooie oogen of naar de zwarte haren, die in kleine golfjes op \'t gladde voorhoofd lagen, te zien, dat kon en mocht hij wel. En dan, als ze uit den almanak voorlas of, uit den bijbel: .Aanziet de leliën des velds dat zij niet zaaien noch maaien,quot; of: „En gij lieden, vraagt niet wat gij eten of drinken zult,quot; en ook: „Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien;quot; wanneer ze zoo las, en die blanke tanden dan blonken tussohen de kersroode lippen, als appelbloesems in de lente; wanneer de woorden van de lippen, als rijpe vruchten zoo vol en zoo rond, het hart verfrischten en verkwikten, en het was alsof hij God bij de hand vatte en stil een verbond met Hem sloot om de drift te beteugelen en nooit een borrel méér te tappen dan er door kon met fatsoen; als hij dan straks, in stee van God te danken voor het avondbrood — het bescheiden deel, — zijn God dankte voor die blom, voor dat kind, dan ... ja, dan was hij rijker, o zóóveel rijker met zijn Grietje dan de brave oude baron op De Runt, die bij al zijn rijkdom zelfs geen kind heeft gehad om hem de oogen toe te drukken.

— Maar ze was wel wat forsch en wat stroef geworden sedert kermis twee jaar geleden: minder aanhalig, wat eenzelvig, „jufferachtigquot; misschien.

Die Piek in \'t lakensche pak mocht het haar in \'t hoofd hebben gezet. Maar —- toen hij is weggebleven, en het met Joost weer aan is geraakt, en ze door den groei heen was, toen is \'t ook weer anders, heel anders geworden. Wat kon ze weer lachen, wat kon ze weer zingen!

•— Niet zoo dien laatsten avond en dien laatsten morgen in huis! \'t Was in haar belang dat ze naar de pastorie ging, maar hij voelt het nog, toen heelt ze hem met bei\' haar ronde armen om den hals gevat, en — alschoon hij wat ruig van baard was — toen heeft ze hem gekust en gezeid: „Dank voader, dank veur al oe liefde!quot; Dat heeft ze gezegd, zóó, dat hem de tranen in de oogen zijn gesprongen, en dat was hem nooit gebeurd: Zoo\'n kind, zoo\'n eenig kind!

— Zoo\'n eenig kind! En... . O, Onze Voader in den hemel, zou \'et meugelijk wezen! Zij....?

— Neen dat kan niet meugelijk zin! Moar, o God as \'et woar was, dan, dan mocht ik den kop kapot sloan tegen den muur. O! dan, dan mocht ze dood vallen, dood veur m\'n voet....

— Dood? Neen! neen!! rilt de vader met den vreeselijk angstigen blik strakker op de bleeke slaapster gericht: Zóó niet o God! zóó niet m\'n eenigst!

„Weg juffer weg.. ■ weg.. .. weg -. ! Voader, ge mot heurniet gleuven!quot; zegt Hanneke met een onrustige beweging in den droom.

— Niet gleuven neen! Neen, groote God!

243

-ocr page 252-

ANNA ROOZE.

Arme Hanneke, haar niet gleuven, haar niet, die juffer. Droom zóó niet meer. Slaap rustig, rustiger voort. Ge hebt kracht noodig. Arme, arme Hanneke!

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In de groote ongezellige tijdelijke voorkamer van De Runt, vertoonde mijnheer Lijning weder de wandelende boterham, of beter: het wandelende sneedje droog brood met een slap kopje thee. Boter was ongezond, zeer slecht voor de gal. — Daar had Lijning zooals altijd gelük in.

Tante Co-Mie gaat zelfs verder en begrijpt dat de gal tot drift en boosheid prikkelt, en gebruikt daarom zelve ook geen boter. — Voor Anna? Ja, dat kon niet anders; met mate, met mate! — Nu echter vraagt ze, of het Lijnings goedkeuring kan wegdragen dat ze een weimgje van den honig — dien Joost Burik haar al eenigen tijd geleden uit naam van zijn moeder heeft meegebracht — in plaats van boter bij het brood zet. Zij zelve zal er niet van eten, neen, want te veel zoet verwekt het zuur; maar de maag van een jong meisje was overal tegen bestand, ten minste zij in haar tijd....! Ach! Had zij toen maar geweten dat alle overdaad zonde is! Nu, o, nu zou zij wel nooit willen eten of drinken, indien ze haar ziel er mee redden kon van de eeuwige ellende. Ach! „Neen Ann a-lief, neen ik zal er niets van gebruiken; stellig niet kind.quot;

„En waarom niet Co-Mie; waarom niet?\'quot; zegt Lijning, en zijn stem klinkt zoo opgeruimd dat de zwakke vrouw en Anna hem te gelijker tijd aanzien.

Terwijl tante nu inderdaad, zonder rechtstreeks te nemen, met de punt van haar mes kleine uitstapjes naar het schaaltje met honig maakt, gebruikt Anna — verkwikt door een rustigen slaap na een dag van velerlei aandoening — ook met meer smaak het sober ontbijt, dewijl ze gisteren den ganschen dag bijna niets heeft genuttigd.

Eensklaps staat oom Lijning bij Anna stil en zegt:

„We krijgen bezoek voor je, nichtje!quot;

„Voor niij oom, van wie?quot;

„Raad eens.quot;

„Bezoek?quot; zegt tante: „Maar---- ik heb niets in huis----quot;

„Raden, hoe zal ik dat raden oom? Van — van — Akkersveen? Mijn beste Marnix toch niet----?quot;

„Dat kleurtje doet me denken dat nichtje Anna wel wat anders verwacht of iemand anders zou wenschen.quot;

„Wie dan oom, wie? Emma misschien.... ?quot;

244

-ocr page 253-

anna booze. 245

Oom Lijning haalt een brief uit den binnenzak van zijn rogge-broodkleurig jasje te voorschijn; zet den blauwen bril vaster of hoo-ger, en leest:

„Weledele Heer!

/Tot de eindregeling onzer zaak stel ik u voor mij morgen — Vrijdag — ten circa één uur op De Runt te ontvangen. Het zij mij in de eerste plaats vergund, u over eene andere zaak te spreken, eene zaak die in het nauwste verband staat met het geluk, zoo ik hoop van uw lieve pupil, maar zeer zeker van mijn eenigen zoon, en daarom onze meeste belangstelling verdient.quot;

„Oom ik bid u..-. Oom!quot;

„Stil nichtje, \'t is nog niet uit.quot;

Tante Co-Mie schijnt er niet naar geluisterd te hebben. De uitstapjes in de honigrichting hebben zich gedurig herhaald — ook met het theelepeltje. Een oud korstje in den broodbak, lag zóó voor de hand en was toch zóó oud dat ... enfin, zij heeft van dat laatste niets gehoord. Toen ze het woord zaak heeft vernomen, toen wist ze al dat het haar niet aanging, daar was ze te dom voor.

Lijning leest verder:

„Het is de vurigste wensch van mijn zoon om zoo spoedig mogelijk uit mijnen mond te vernemen, dat juffrouw Anna Rooze hem, met goedkeuring der familie, niet slechts een bezoek, maar ook eene nadere kennismaking zal toestaan, tevens beseffende, dat de ouders, die hem zoo innig liefhebben, zich mede gelukkig moeten gevoelen, wanneer zij het levenslot van hun eenig kind zien verbonden aan dat van een meisje, zóó beminnelijk, verstandig en schoon als uwe nicht juiïrouw Anna Rooze.

„Uw antwoord door brenger van deze regelen te gemoet ziende, noem ik mij met verschuldigde hoogachting,

De Renghorst, Uw Dw. Dienaar.

8 Deo. 59. w. bar11, gbereke van ttlakd.quot;

„Wel wat zeg je?quot; besluit Lijning, en ziet scherp naar Anna onder zijn brilleglazen door.

Maar Anna zeg niets. Ze zit sprakeloos. — Ze weet eigenlijk niet goed hoe ze het heeft; waar ze is. Ze tuurt naar het visschertje van blauwe streepjes op haar ontbijtbordje: er kleefde honig op; met haar haakpennetje maakt ze kruisjes en nulletjes over en door het visschertje heen, maar ze weet niet wat ze doet. Eindelijk als uit een maalstroom van gedachten tot zich zelve teruggekeerd, zegt ze op een herhaling van Lijnings vraag:

„Wat blief, meent u mij?quot;

„Dat hadt je niet gedroomd Anna!quot;

„Neen oom, neen.quot;

„Denk je dat je mij liever zult zijn omdat je nu rijk wordt Anna: Geloof dat niet. Neen, in je armoede nam ik je tot mij alsof je mijn

-ocr page 254-

ANNA BOOZE.

eigen kind waart; en dat zul je blijven Anna, altijd. Maar hij is rijk; zeer, zeer rijk.quot;

„Als het niet dom of nieuwsgierig gevraagd is----betrof dan het

slot van dien brief iets van....?quot; vorscht mevrouw Lijning.

«Beste Co-Mie, _ luister: je bent niet zóó dom of nieuwsgierig als je voorgeeft. Het is wel eens gebrek aan belangstelling; een zekere onverschilligheid, die in zelfzucht dreigt te ontaarden. Het geldt hier het geluk onzer lieve Anna.quot;

„Och ja, haar geluk! En daar ben ik ongevoelig voor; zelfs ongevoelig voor haar geluk!quot;

„Neen daar is tante niet ongevoelig voor oom. Maar tante weet niet wat mij al of niet gelukkig kan maken.quot;

„Neen lieve beste engel, dat weet ik ook niet. Och dat kind!quot;

„Maar die rijper doordenken Co-Mie, die weten dat wèl. Als mijnheer de baron Geereke Van Uland, een der hoogstaangeslagenen in de belasting, als die voor zijn zoon de hand komt vragen van een meisje zonder eenig fortuin, — ik zeg, hoe lief en braaf en godvree-zend ook: zonder eenig fortuin, dan zal er toch wel geen quaestie van zijn dat zulks een ongeluk zou kunnen genoemd worden, nietwaar?quot;

„Heere neen. Lijning, zeker niet!quot;

„Dan moet Anna, zoo lief en verstandig als zij is, geen gezichtje zetten alsof zij een gravinnetje met een inkomen van eenige tonnen gouds was.quot;

„Ik wist niet oom dat ik zulk een mimische gave had. Dat moet in uw oogen, voor een meisje zonder fortuin, een zeer groote waarde hebben,quot; zegt Anna terwijl haar eenigszins scherpe woorden zonderling in tegenspraak zijn met den gevoeligen toon van haar stem.

„Heb ik iets miszegd lieve Anna? Ik weet niet wat je bedoelt.quot;

„Ik bedoel oom, dat er menschen zijn die meenen dat geld, en geld alleen, gelukkig maakt in de wereld.quot;

De mijn was gesprongen. Anna wist dat het er vroeg of laat toe komen moest. Die oom was haar in zeer veel opzichten nog een raadsel, maar dit weet ze nu zeker, dat hij door den geldduivel wordt beheerscht, en dat ze het recht heeft hem voor een gierigaard te houden. — Nu is het ijs gebroken. Zie . - bij haar laatste woorden stond Lijning eensklaps voor Abels offerande met den rug naar haar toe.

„Och, zou je dat denken nichtje,quot; sist het naar den zolder.

„Ja oom, ik geloof dat er zoo zijn.quot;

„Toch niet veel; zeker niet. En ik betwijfel zelfs dat er eenig mensch is, die aan het geld zal hechten om het geld zelf. \'t Is moeielijk zich in zulk een toestand te verplaatsen, maar, waar ik eens rondkeek in de wereld — en ik zou haast de grootvader van mijn lief nichtje kunnen zijn — daar zag ik dat de liefde tot het geld, of voortsproot uit de zucht om het te besteden, \'t zij ten goede of ten kwade, óf.... Maar, ik weet niet nichtjelief hoe wij zoo afdwalen; ik houd nog den brief in handen die, afgescheiden van eer

246

-ocr page 255-

ANNA ROOZE.

en fortuin, je geluk bedoelt. Je bent er wat zenuwachtig van geworden.quot;

„Ja oom, ik ben er van ontsteld.quot;

„Ik begrijp het: Anna\'s fijngevoelig hartje vreest dat wij, indien ze zoo aanstonds haar jawoord gaf, zulks een gevolg zouden noemen van de eer en het vermogen dat men haar aanbiedt.quot;

„Wanneer hebt u dien brief gekregen oom?quot;

„Gisternamiddag.quot;

„En hebt u geantwoord dat u den baron zoudt ontvangen?quot;

„Natuurlijk, natuurlijk!quot;

.Maar dat kan niet zijn! De baron Geereke is een te edel, een te voortreffelijk man om hem te ontvangen terwijl.... om hem niet vooraf te doen weten dat----quot;

„Nichtje, ik begrijp je niet. Ik zie er niets ongepasts in dat hij hier komt. Al is hii een baron, en schatrijk bovendien, wij kunnen toch niet naar De Renghorst gaan. Matig die agitatie een weinig. Ik kan mij wel begrijpen dat de verrassing, de.... ik wil niet zeggen de overmaat van geluk je zoo wonderlijk maakt, maar mij dunkt, de dochter van een zeeofficier en een freule Moreel; toegerust met zooveel kennis en wetenschap; jong en bevallig, waarom zou zij opzien tegen de komst van....quot;

„Omdat.. . omdat ik het aanzoek van de hand wijs oom. Daarom kunt u mijnheer Geereke hier niet ontvangen.quot;

„God, meisje, ben je gek! Van de hand wijzen? Dat is krankzinnig! onzinnig! Zulk een partij!quot;

„Oom ik heb het u gezegd. Ik wil geen engagement met jonker Geereke.\'quot; Opstaande werpt Anna, met een kleinen zwenk, de prachtige krullen over den schouder naar achteren, en op de deur toetredende gaat zij den oom voorbij, wiens blik ze zijdelings voelt ofschoon ze hem niet aanziet.

„Anna, óch blijf hier!quot; klinkt nu de vreeselijk bewogen stem van tante Co-Mie: „Anna, Anna-lief! ik zou het maar doen; Anna!?quot;

Anna keert terug; komt aan tantes zijde, en zegt kalm:

„U moet daarom niet huilen lieve tante. Oom dacht dat dit aanzoek mij gelukkig zou maken, maar dat is zoo niet. Ik ben dus overtuigd tante, dat oom er geen woord meer van spreken, en den baron nog intijds met mijn weigering bekend maken zal.quot;

\'t Gebeurde maar zelden dat Lijning, zooals nu, uit het veld was geslagen. Hij heeft Anna als een stil en volgzaam kind leeren kennen. Na die eerste kleine uitvallen is er niets meer geweest dat hem eenige reden tot zorg heeft gegeven. Eene uitdrukking die hij opving, heeft hem zelfs overtuigd dat zij geheel genezen was van den waan, alsof haar vader eenig vermogen zou hebben nagelaten. Immers, zij zag er niet meer tegenop om onder vreemden te gaan; dat waren haar eigen woorden geweest. En dan, sedert hij jonker Ernst met Anna, lt;ien eersten dag van haar verblijf op De Runt, in de larikslaan zag, sedert de zichtbare moeite, die de Geerekes zich gegeven hebben, om met haar in gezelschap te komen, sedert zijn laatste bezoek op De Renghorst vooral, heeft Lijning het

247

-ocr page 256-

248 ANNA BOOZE.

denkbeeld in gouden letters voor de oogen gestaan, dat Anna de rijke erfgename der Geerekes Van üland zou worden, de eigenares van zoovele goederen en — van zooveel gold bovendien. Dat huwelijk — zoo heeft hij al verder gepeinsd — kan niet anders dan de rijkste vruchten afwerpen voor den oom, die toch niets meer dan een arme zaakwaarnemer was, die veel had moeten tobben in de wereld, en een ,boezemvriendquot; van den goeden Rooze was geweest. De zwakke Co-Mie, die Anna\'s hart zoo klaarblijkelijk had gewonnen, zou ze mede nimmer vergeten, dat was zeker. —Lijning heeft dit alles begrepen doch van niets gesproken, en er zelfs nooit op gezinspeeld; de vrouwen hebben vreemde nukken, dat weet hij. Len zelfstandig karakter, zooals ook nichtje scheen te hebben, wil vooral in de liefde zelfstandig zijn, en duldt niet dat men haar in het hart zal lezen. Maar nu, hoe heeft hij zich bedrogen! Is het mogelijk zulk een fortuin, zulk een kapitaal fortuin, zonder eenig voorbehoud, van de hand te wijzen? Doch, zij zal van besluit veranderen, ja dat moet zij!

Anna staat aan tantes zijde. Tante houdt Anna\'s hand zóó vast omklemd alsof ze haar nimmermeer zal loslaten, en ze schreit tevens zoo zonderling aanhoudend en luide, dat Lijning zelf er zich over verwondert.

„In mijn jeugd,quot; spreekt de oom: „is mij geleerd geen besluit te nemen zonder eerst rijpelijk te hebben nagedacht. Het bezoek van den baron is niet te voorkomen. Hij zal De Renghorst al hebben verlaten eer Joost of een ander er wezen kan. Maar er zal voor den baron niets kwetsends in wezen wanneer ik hem ontvang, en namens mijn nichtje zeg dat zij zich nog eenige dagen op het vereerend aanzoek hoopt te bedenken, terwijl wij hem spoedig ons antwoord zullen mededeelen.quot;

Bij het woord „vereerendquot; was er een kleine trilling in Anna\'s oogen te bespeuren.

„Zoo het niet anders kan, indien u dan ten minste de goedheid wilt hebben, mijnheer Geereke zoo duidelijk mogelijk te doen verstaan dat het antwoord een weigering zal zijn.quot;

„Nichtje! ik versta, ik begrijp die voorbarigheid niet; ik wil....quot;

„O Lijning, Lijning!quot; roept eensklaps de vreeselijk weenende vrouw, terwijl ze snel overeind komt, en, Anna steeds vasthoudende, met de saamgesloten handen een geste maakt: „Neen Lijning! zeg het niet tegen hdar, want ik ben het. O! — Er zijn vijf en veertig deuren aan het huis. Er is altijd nog plaats genoeg. Ik eet geen twee boterhammen, nooit; maar ik ben naakt. — Zie je dat niet? ik ben...

„Co-Mie, wat praat je toch, kind?quot;

„Lieve goede tante bedaar; u bent geschrikt,quot; zegt Anna, door tantes vreemden uitval zeer ontsteld: „Hier, drink een glas water. Sprak ik te bepaald? Tegen uw zin?quot;

„Ja dat zeker!quot; sist Lijning zacht: „Drink eens Co-Mie.quot;

„Neen, dat mag ik niet,quot; schreit de tante: „Lazarus wil dat niet Lebben, maar Anna moet hier blijven! Er is plaats genoeg, ik zal

-ocr page 257-

ANNA BOOZE.

niet eten of drinken. Ik ben verdoemd dat weet Abel en de Heere-Jezus ook, want ik heb alles verkwist, en....quot;\' Zij trekt Anna nader tot zich: „als hij weg gaat dan staat mijn huis en mijn hoofd ia brand. Zie engel, die honig is vergift, ja ja,, vergift! eet er niet; van. Pas op! O!quot;

Anna trilt van ontsteltenis. Die arme tante! Maar het is niets,, althans oom Lijning zegt dat tante wel eens meer zoo iets zenuwachtigs heeft gehad; tante kon nooit velen dat oom — zelfs niet in-het geringste •— werd tegengesproken. Zij is een kind van goedheid, maar als men zich tegen hém verzet, dan....

„Stil maar, Co-Mie, \'tzal wel beter worden. Dat erge schreien is-juist weldadig; dat is een afleider.quot; Honderd dokters heeft hij „in stiltequot; al eens gepolst, maar voor haar kwaal zijn er geen middelen; alleen dat schreien, en rust, herstellen haar weer; „Schrei maar kind, schrei maar. — Nichtje, ga jij liever heen;\'t is beter voor haar en voor je zelve. Ja wel; ik weet immers wat haar dienstig is.quot;

Anna aarzelt of ze gehoorzamen zal.

„Ja, ga heen, ga heen!quot; schreit de arme vrouw terwijl ze Anna. loslaat en nu zelfs afweert: „Jehova wil het, de Heer op Sinaï!quot;

Teruggevallen in den stoel ligt de ongelukkige tante voorover^ met den arm op de tafel en het hoofd er in verborgen. Nu eerst bespeurt Anna dat een vierde persoon in de kamer is gekomen, eri aan de andere zijde van tante zich over haar henen buigt.

\'t Is de oude magere dienstbode.

Trien had het schreien gehoord. Zoo erg, nooit!

„Kom mevrouw, ga maar met Trien mee. Toe maar, mijnheer wou het zoo graag. Niet? — Zullen zij gaan? — Ook niet?quot;

„Ja, wij zullen gaan, wij!quot; zegt Lijning: „Kom Anna, tante heeft rust noodig.quot;

Anna weet niet wat te doen:

„Tante is ziek; ik wil haar niet alleen laten!quot; zegt ze, met het vaste besluit om de arme znstér harer moeder te helpen zooveel zij kan, en haar zoo mogelijk die vreemde denkbeelden uit het hoofd te verjagen.

Welk een blik van dien oom over den rand van zijn brilleglazen-heen! — Dat is een bevel. Toch aarzelt Anna.

„Altijd, altijd wil ik u helpen lieve!quot; zegt ze halfluid tot de-schreiende vrouw. Te gelijk echter bemerkende dat tante gewillig het hoofd op den arm der oude dienstbode doet rusten, die haar met een welluidende stem, zacht en vriendelijk toespreekt; maar vooral getroffen door tantes matten uitval: „Ga heen. De Heer gebiedt. Ga heen!quot; waarna oom dicht aan haar oor komt sissen: „Is \'t nog niet genoeg? Je tegenstreven zou haar doodmaken. Ga, de-arme vrouw verlangt het!quot; door dit alles echter tot heengaan genoopt, werpt Anna nog een deelnemenden blik op de ongelukkige tante; zegt zachtjes aan Trien dat ze haar roepen moet wanneer tante naar haar mocht vragen, en verlaat dan, ofschoon met weerzin, de holle kamer, waar het haar in de laatste oogenblikken zoozonderling bang is geworden.

249

-ocr page 258-

ANNA BOOZE.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op haar torenkamer wordt het Anna al spoedig te eng. Zij moet maar buiten. Trien heeft haar gezegd dat tante slaapt. Naar\'buiten ■dan! Al is het koud het deert haar niet. Binnen is het ook niet -warm. Oom en tante kunnen niet best tegen kachelhette, ofschoon alleen hout in een kleine kachel onder dien breeden schoorsteen te ■stoken, toch juist zooveel hette niet geeft. — Anna kan al beter tegen de kou dan in den beginne, en buiten loopt men zich warm. Alle dagen vliegt ze de tuinen en de bosschen eens rond. Nu is het haar onmogelijk langer binnen te blijven. — Daar brak de zon dooide grauwe wolken. Ja kom, naar Gods prachtigsten tempel! — Eerst ■een paar glazen ijskoud water gedronken! — Zoo, dat zal goed doen, want ze beeft nog in de knieën, \'t Was geen wonder. Aanstonds in den morgen, na een dag als gisteren, zulk een bericht, en zulk een tooneel!

Die arme ongelukkige tante! Anna heeft wel eens gedacht dat tantes overdreven schuldbesef zweemde naar.... Zij heeft het woord niet durven uitspreken, maar, nu komt die vreeselijkste toestand haar helder voor den geest.

De edele Schroeder van der Kolk heeft juffrouw Marnix eens het resultaat zijner onverpoosde zorgen in \'t belang der arme krankzinnigen doen zien. Met haar en eene der secondantes, heeft Anna toen het slechts ten deele voltooide nieuwe gesticht voor die ongelukkige menschen te Utrecht bezichtigd. Zii heeft er den triumf der wetenschap aan de hand der liefde aanschouwd; de zalen van vertroosting naast de hokken, de afzichtelijke kerkers van weleer.

In deze oogenblikken herleeft de herinnering aan dien morgen ■sterk in hare ziel, en vermengt zich gedurig met gedachten, die somwijlen haar hart doen bonzen, terwijl de bittere vragen haar op ■de lippen spelen: Moet ik onwillens mee \'oorzaak worden van lijden hier, en jammer daar, en droefheid elders?

Met den tuinhoed op de weelderige lokken gedrukt, en een warmen zwart geruiten doek om de ranke leden, doolt Anna nu buiten xond. Achter in het sterrebosch is zij verdwenen; zij kent er de paden reeds. Straks zal zij de slingers doorloopen, en dan het smalle voetpaadje door de grauwgroene velden met winterkoren volgen om zoo op het Runtsche kerkpad te komen, het pad dat men haar, reeds den eersten dag na haar komst op het kasteel, in de richting van het dorp zag volgen. Het is wél mogelijk Anna bij te houden •op haar weg door bosschen en velden, doch bezwaarlijk is het haar geheel te volgen op den weg harer gedachten. De zon, die vluchtig \'heeft geschenen, dook achter donkere wolken terug.

— De lucht is zwart alsof er ruw weer zal komen. Ruw weer of an eeuw.

250

-ocr page 259-

ANNA BOOZE.

— De sneeuw is blank en rein----

— Maar----Hanneke is het niet. Hanneke is niet rein. Er is bedrog in haar ziel; een vreeselijk bedrog. — Heeft Anna haar geheel mogen rechtvaardigen? Neen! En toch ik heb niet meer gezegd, denkt Anna voort, dan \'t geen men mij vroeg, en, met verschoonende liefde. Ik heb gezegd hoe het mij uit haar woorden is voorgekomen, dat zij iets misdreven had, waarover zij berouw gevoelde. Ik heb

febedeld om genade; gesmeekt om haar niet verder te vervolgen, len der heeren glimlachte; maar God weet hoe ik den raad van den bewogen Redly heb opgevolgd; hoe ik nog poogde hen tot de gedachte te brengen dat een misverstand, een samenloop van omstandigheden .... O! Anna weet zelve niet meer wat ze gezegd heeft, maar dit weet ze, dat zij door zoo te spreken den verwijtenden blik niet verdiend heeft, dien Hanneke in \'t heengaan op haar geworpen heeft.ebedeld om genade; gesmeekt om haar niet verder te vervolgen, len der heeren glimlachte; maar God weet hoe ik den raad van den bewogen Redly heb opgevolgd; hoe ik nog poogde hen tot de gedachte te brengen dat een misverstand, een samenloop van omstandigheden .... O! Anna weet zelve niet meer wat ze gezegd heeft, maar dit weet ze, dat zij door zoo te spreken den verwijtenden blik niet verdiend heeft, dien Hanneke in \'t heengaan op haar geworpen heeft.

— O, goede hemelsche Vader, is het dan hare schuld? Had zij moeten liegen? Zal zij moeten liegen? Neen! Haar beschermen zooveel het mogelijk is, dat wil zij. Ja, want Hanneke „was een kind,quot; en bovendien, heeft de zwakke Redly niet, zonderling geroerd, van Hannekes mogelijke onschuld gesproken, en tot omzichtigheid aangespoord?

— Maar hoe nu! Aan den brief dien zij in den morgen — nog voor het ontbijt — aan Oscar Van Breeland heeft geschreven, ontbreekt het adres. De weinige woorden, die zij met den jonker over deze treurige zaak bij gelegenheid van het feest op De Renghorst heeft gewisseld, hebben haar — onkundige — den hoogsten dunk van zijn rechtskennis doen opvatten. Voor haar was er als \'t ware maar één rechtsgeleerde in het gansche land, en die rechtsgeleerde was Oscar. Zij heeft hem geschreven, zooveel ze kon, wat zij wist en geloofde. Hij moest raad en inlichting geven. Dringend heeft zij hem verzocht dat hij alles zou aanwenden om dat ongelukkige slachtoifer van menschelijke boosheid, te redden, of, als dat niet zijn kon, de gronden in het licht te stellen om een vreeselijke straf te verzachten. Anna heeft hem geschreven wat zij meende dat hij voor het arme Hanneke zou kunnen doen. Aan \'tgeen hij zelf. — met het oog op zulk een zaak —- tot haar sprak, heeft zij hem herinnerd, en vooral aan de woorden: dat de advocaat die zijn roeping begrijpt, tracht aan te toonen dat het bewijs van schuld nog niet is geleverd.

Anna meent dat Oscar zich gaarne met die schoone taak zal belasten. De heeren, die Hanneke verder verhoeren of over haar oor-deelen zullen, moest hij — zoo hoopt ze — spreken, of, zoo dat onmogelijk kon, hun schrijven althans. Alles moet Oscar opsommen wat er volgens de wet ten voordeele der ongelukkige te zeggen valt. O zij gelooft, als h ij er zich mede bemoeit, en die heeren ter-deeg doet gevoelen dat Hanneke toen pas zestien jaren oud was, terwijl ze zich nu — twee jaren ouder geworden — tegen den slechten man, die haar opnieuw vervolgde, zoo krachtig heeft verweerd, zij gelooft wanneer Oscar dit alles goed doet uitkomen, dat

251

-ocr page 260-

252 ANNA BOOZE.

die heeren dan voor „dezen keerquot; —zelfs zoo er groote schuld mocht wezen — haar die schuld niet aanrekenen maar haar de vrijheid hergeven zullen. Het droevige liegen en bezweren van haar onschuld, mocht dan, zooals men vroeger besproken had, een rekening blijven tusschen haar en God.

In dezen geest heeft Anna geschreven.

\'t Is wel te merken dat juffrouw Marnix op haar instituut geen cursus in economie-politique of in de jurisprudentie houdt. Neen, Anna kent de tien geboden en de geboden der reinste liefde wel, maar in de duizend en één bladen der Nederlandsche wetboeken is zij een vreemdelinge, \'t Is een der vele grieven van den overste Bel tegen het onderwijs.

Hoe het zij, in den brief aan Oscar heeft Anna, zonder over iets anders te spreken, de belangen van het arme Hanneke den jongen advocaat met klem op het hart gedrukt; doch, wat zal zij nu doen! Zijn naam kent ze goed maar zijn adres heeft ze niet? Ze is geheel in het onzekere of hij te \'s-Gravenhage dan wel te Utrecht woont. Toen ze het adres wilde schrijven toen is de twijfel gerezen.

— Ha! de Geerekes weten het! heeft ze bij het sluiten gedachtt Een wandeling naar De Renghorst is niet meer dan driekwartier. ;t Is gezond zoo\'n frissche loop. Jans zou ik kunnen afhalen. Aan de familie zullen we rondweg de reden zeggen waarom ik Oscar heb geschreven; desnoods den brief laten lezen, en op den terugweg kan ik hem bij \'t schoolhuis in de brievenbus doen. Maar nu? Immers na \'t geen ze straks door haar oom heeft vernomen, kan ze niet meer naar De Renghorst gaan. Neen dat is onmogelijk, volstrekt onmogelijk! — Een huwelijk met dien jonker zou vreese-lijker zijn dan altijd te moeten wonen in een kasteel zonder meubels. Liever wil zij haar leven lang afhankelijk zijn van vreemden, waarbij ze vrij blijft, dan vrij te zijn, gebonden aan hem, dien, wél goedaardigen maar zouteloozen knaap.

Maar ach, terwijl Anna in de slingers omdoolt, komen haar allerlei sombere beelden voor den geest.

Tante Lijning hoort ze zeggen: „Kind je weigert aan het verlangen van je oom te voldoen, dat maakt me krankzinnig.quot;

De magere man fluistert haar toe: „Ik ben een gierigaard, ja, maar jij kind, jij weigert, en dat maakt haar krankzinnig.quot;

En Hanneke wenkt met de donkere oogen: „Jij hebt me beschuldigd; ik haat en veracht je!quot;

En de edele Geereke ziet haar aan, en zegt met gevoel: „Men kan te veel eischen in de wereld; mijn zoon meent het eerlijk en trouw.quot;

Een gekwetste moeder drukt een schoonen knaap aan haar hart en roept haar toe met vlammenden blik: ,Dwaas kind uit het volk, meen niet dat we je noodig hadden voor ons geluk. Nu wij je kennen nu verachten we je: Ten koste van een ander moest mijn kind beleedigd en vernederd worden. Ga heen, zoek onzen fraaién neef, uw Oscar Van Breeland!quot;

— Hém zoeken! O, de Alziende weet wót ze zoekt!

-ocr page 261-

ANNA BOOZE. 253

— Maar waarom grimt en grijnst dan alles haar tegen? Zie, ze zou er zoo toe kunnen komen om toch naar de R eng horst te gaan, en te zeggen: „Waardige menschen, uw zoon kan ik niet als echtgenoot liefhebben, en daarom wil mij vergeven indien ik zijn wensch niet vervul. Maar gelooft mij, niets zoek ik voor mij zelve. Leest dezen brief aan Oscar Van Breeland, en wilt mij dan zeggen waar ik hem zenden moet!quot; Dolzinnige gedachte! De wereld duldt zulke stappen niet. Ja zelfs aan dezen brief zou zij een verkeerde uitlegging kunnen geven. — Anna staat een oogenbiik stil. Doch in dien brief wordt toch geen woord gevonden dat.... Maar. — Waarde Heer! staat er boven. Waarde.. . ?

— Is dat dan kwaad? Is daar iets in te vinden, iets meer dan zij zeggen wil? — En toch, zou het ook beter kunnen zijn dien brief niet te verzenden, en Hannekes zaak aan God te vertrouwen, aan den Alwijze zonder Wiens wil toch geen muschje op de aarde valt, en zonder Wiens wil men ook Hanneke geen haar zal krenken?

— Maar is het dan de wil des Heiligen geweest, peinst Anna weder, dat het kind van zestien jaren zóó zou beleedigd, zóó zou gekrenkt worden? Wil dan God ook de zonde? Neen zeker niet. De mensch is vrij. — Vrij! O wonderbare strijd. En toch zóó is het. — Zou er wel goed en kwaad zijn, voor God!? — Voor de menschen bestaat het zeker. Elkander helpen, liefhebben, oprichten, dat dat is goed, dat wil de Heer, de Oorsprong van alles. Al kan de uitkomst ook falen, volbreng de daden waartoe het hart u aanspoort, wanneer het verstand er niet mede in strijd is. — Maar het verstand?

— Neen, het verstand is er niet mee in strijd. Dat schrijven is een pogen om Hannekes jammer te voorkomen of te verzachten. — Maar tegen de eischen van het Recht... .?

— Zwijg dan dwaalziek hart! — Ach, Anna gevoelt eensklaps dat zij nog jong, nog zeer jong is. Maar, de brief moet worden verzonden! Ja zeker!

Anna\'s besluit staat vast. Zij zal naar de pastorie gaan. Misschien weet men daar wel waar de jonker Van Breeland woont. Zoo niet, dan zal zij schrnven: te Utrecht ofte \'s-Gravenhage, met spoed er onder. Ja spoed. — Anna weet niet dat tweederde van de brieven per post verzonden, met spoed zijn geteekend. Doch spoed zal er noodig zijn, want Le Village heeft zijn meening als zeker geuit, dat Hanneke zich binnen een paar dagen op het minst in hechtenis bevinden zal.

— Waar zou Hanneke wezen ? Nog in de pastorie ? Zou ook dominee reeds weten wat er gebeurd is? Zal ook hij de arme beschermen zooveel hij kan? Zal de zwakke Redly, die met zulk een zonderling vuur voor Hannekes onschuld pleitte, zal hij nu spreken willen; zou hij nü meer willen zeggen dan gisteren? Toen drong ook de tijd, en hij beefde als een blad alsof hij de schuldige was.

Zoo tot een besluit gekomen, en toch met honderd vragen in het hart; straks weer met de arme tante voor oogen, en dien oom, doch met haar eigen toekomst op den achtergrond, treedt Anna nu snel-

-ocr page 262-

254 ANNA KOOZE.

Ier op het smalle wandelpad voort, en zal zoo aanstonds het Runtsche kerkpad bereikt hebben — het eenigszins breedere pad dat ze nu in een bijna horizontale richting voor zich heeft.

\'t Is eenzaam en stil in het rond. Niemand ziet ze. — Ja toch, van de molenzijde komt iemand naar dezen kant. \'t Is een man. Hij nadert langzaam. — Een arbeider misschien. Neen, ofschoon hij zich nog op een zeer grooten afstand bevindt, zij ziet wel dat het geen daglooner kan wezen. Daarom trok hij een oogenblik hare belangstelling, doch nu, er is zooveel anders wat haar bezig houdt.

Het wandelpad, dat Anna loopt, maakt met het Runtsche kerkpad — eenige kronkelingen niet meegerekend — schier de eerste, zeer bekende mathesis-figuur. Anna betreedt „de rechte lijn, die op een andere rechte lijn staatquot;.

Rechts en links waart haar blik over de verlaten akkers. Hier ziet ze de achtergelaten, maar niet vergeten hoopjes verdord aardappelloof; ginds nog wat knollen voer bij gebrek aan beter, en verder de groene sprei, die in duizenden teedere scheutjes de kern bewaart van een heerlijken oogst voor den volgenden zomer. Ze ziet alles, alles en niets. Nu ziet ze den man weer. — Als ze straks linksom het kerkpad inslaat, dan komt ze hem tegen en moet hem voorbij. Welnu, iemand tegenkomen en voorbijgaan, wat is dat! Is dat iets kwaads of gevaarlijk? \'t Is om te lachen. — Toch, zij weet niet hoe het komt, ze vermindert de snelheid van haar tred. Ze zal wat inhouden en wachten totdat hij in de richting van D e Runt is voorbijgegaan en zij, zonder hem tegen te komen, links haar weg naar het dorp kan vervolgen.

De man komt maar langzaam vooruit. —- Gedurende de oogen-blikken dat hij achter een klein boschje dor akkermaalshout onzichtbaar is, staat Auna geheel stil; zoo wint hij eenige schreden. — Nu hij weer te voorschijn komt kan zij zich ten volle overtuigen dat ze hem niet kent, althans... - Neen! — Zie, hij heeft haar bemerkt. Gedurig, bijna zonder ophouden ziet hij naar dezen kant. \'t Is nog te ver om zijn gelaatstrekken goed te kunnen onderscheiden. \'t Moet iemand van veertig a vijftig jaren zijn, doch van verre gezien heeft hij een zeer ongunstig voorkomen. Anna bespeurt — een paar passen voor haar uit — een dennetak op den gerooiden akker naast haar pad liggen. Zij raapt dien op; de kleine rosse takjes worden er haastig afgerukt. De tak is lang. Zij buigt en buigt en knakt hem. Nu buigt zij hem aan de andere zij. Met rafels breekt hij af. \'t Is al een heel mooie stok dien ze heeft! Een meisje met zulk een stok! \'t Is kinderachtig, dwaas, bespottelijk! — Zij slaat met den stok naar de dorre grassprietjes. Nu gooit ze hem weg, dwars over het veld. —■ Daar vliegen drie kraaien op.

De man is de plek genaderd, waar hij het wegje en alzoo ook Anna op een twintig schreden afstands voorbij moet.

Hij staat stil.

Anna, die in de laatste oogenblikken voetje voor voetje is voortgegaan, staat nu onwillekeurig stil. Zij heeft zich niet bedrogen: het uiterlijk van dien man is zeer onaangenaam. Hij ziet naar dezen

-ocr page 263-

ANNA KOOZE. 255\'

kant, met plooien in zijn gelaat alsof hem de zon te sterk is, terwijl de lucht toch grauw is, grauw of zwart, overal. Anna is niet bang, maar, of het de stemming mag zijn, waarin zij verkeert, of dat een niet te verklaren — althans in den aanvang niet te verklaren — antipathie haar heheerscht, zij heeft op dit oogenblik een groote neiging om op haar pad of tot den stok terug te keeren, en. met sneller tred dan ze tot hier gekomen is. — Maar neen:

„Goeden dag!quot; zegt ze weerom.

De man wijst in de richting van het kasteel, dat men nu door de-naakte boomen zeer duidelijk kan zien; maar Anna heeft zijn vraag: niet verstaan en zegt;

„Wat blief?quot;

De man komt het paadje op. Anna — eenigszins met het hoofd achterover — treedt mede vooruit.

„Zoudt u zoogoed willen zijn mij te zeggen of dat het kasteel De Runt is, jonge dame?quot; herneemt de man, en wijzende met de-rechterhand licht hij met de linker het vreemdsoortige hoofddeksel op dat het midden houdt tusschen een hoed en een pet.

„Dat is De Runt; ja wel.quot; — Wat heeft die man een heesch geluid.,

„Dank u recht vriendelijk jonge dame. Dus heb ik dat pad maar te volgen, en dan....?quot;

„Dan rechts. — Dat kleine witte huisje laat je links liggen; een groote larikslaan in, dan kom je er van zelf.quot;

„Nogmaals hartelijk dank jonge dame. — Niet iedereen is zoo-vriendelijk om een arm en ongelukkig man te helpen en maar aanstonds te woord te staan. Men kan zich bedriegen. Ik dacht ook aan de jongejuffrouw te bespeuren dat zij een weerzin had om een. rampzalige te naderen, maar God zegene u dat u mij een vriendelijk woord hebt gegund. — U.... u woont zeker in het dorp, al» ik mag vragen?quot;

De man boezemt Anna een bepaalden afkeer in; zijn laatste vraag klinkt zonderling en onbescheiden. Vrees echter gevoelt ze niet meer; hij schijnt zwak van borst en slecht ter been te wezen, en bovendien nu zij steeds van naderbij dat ingevallen en taankleurig gelaat beschouwt, nu meent zij hem meer te hebben ontmoet, en denkt aan den snuisterijen-koopman, dien ze te Akkersveen wel eens op een afstand heeft gezien en voor wien ze Marnix bij \'t afscheid twee gulden heeft gegeven. Maar, deze man heeft geen koopwaren bij zich.

„Ik ga naar het dorp, maar ik woon er niet,quot; zegt Anna, en,, met een: „Goeden dag!quot; wil ze hem voorbijgaan.

„Noem mij indiscreet lieve juffrouw, maar vergun mij u nog te vragen of u met de bewoners van het kasteel bekend is.quot;

„Ja, ik woon er zelve.quot;

„Dan heeft mijn voorgevoel mij niet bedrogen; dan---- dan heet

u juffrouw Rooze!quot;

„Ja, hoe weet jij dat?quot;

De man haalt een briefje uit een groezelige portefeuille te voorschijn, en reikt het haar zonder spreken toe.

-ocr page 264-

256 ANNA BOOZE.

„Aan mij! — Van Lo Village?quot;

Snel doorloopt Anna het geschrift, en haastig opziende herneemt 2e met een vluchtigen blos;

„Is u. - •. een mijnheer Otto Van Wall? Ik wist niet dat . .. Neem mij niet kwalijk....?quot;

„0 spreek niet op dien toon, goede jonge dame; ik ben een rampzalige en geenszins uws gelijke. Maar ik dank de Voorzienigheid dat Hij mij voor dit oogenblik spaarde. Indien ik zeg, in waarheid en ootmoedig, dat ik een zwak en zondig mensch ben, dat ik verslaafd aan den heilloozen drank, dikwijls God en mij zeiven ontlorde...quot; Anna slaat de oogen naar den grond en doet onwillekeurig een schrede ter zij: ,Wanneer ik erken,quot; vervolgt de man: ,niet waardig te zijn in uw reine tegenwoordigheid te staan, dan zult u, met dit schrift van onzen jongen vriend Le Village in handen, mij tevens gelooven, wanneer ik u zeg, dat ik de eigen neef van mijnheer Alexander Van Wall te Rotterdam ben, en ..

„En....?quot; zegt Anna, terwijl ze met moeite haar schroom, zoo niet haar vrees te overwinnen zoekt.

„En, juffrouw Rooze, bedriegen zich mijne oogen niet, dan entrai-neert u dezelfde gedachte, die mijne ziel geheel en al vervult.quot;

„Welke gedachte? Wat? Laat ons voortgaan, \'t is te koud om te staan,quot; zegt Anna, want zij is werkelijk zeer koud geworden, terwijl het haar hindert bovendien zooals die man haar aanziet.

En, op het eenzame Runtsche kerkpad, loopen Miel de kramer en Anna een wijle naast en toch zoover mogelijk van elkander gescheiden — nu eens naar De Runt — en dan naar de dorpszijde heen ■en weer. Al kost het spreken hem moeite — groote moeite zelfs wanneer zij tegen den nijdiger opstekenden wind naar den dorpskant gaan — Miel verhaalt aan het luisterende meisje zijn gansche geschiedenis, nagenoeg met dezelfde woorden ais hij liet aan Le Village gedaan heeft.

— Emma! Emma! zucht Anna bij zich zelve. Is deze ongelukkige je vader! — Die rampzalige door eigen schuld of, zooals hij gedu-ïig zegt, door eigen zwakheid. Is hij de man, dien je moet eeren en liefhebben! Is hij de persoon, dien men niet noemen durfde, en die toch — als hij waarheid spreekt — een recht op je heeft, ja, een onbetwistbaar recht!?

Zoo denkt Anna, terwijl ze eensklaps door deze wonderlijke ontmoeting in een maalstroom van andere, geheel andere gedachten ■dan daareven gebracht, van ter zijde gedurig den man beschouwt, die nu een hevigen strijd in haar binnenste deed ontstaan:

— Zal Emma gelukkig wezen wanneer ze dezen man als haar vader hervindt? Zal ze hem kunnen liefhebben zooals dat behoort? Zal ze den schok kunnen verduren — de teedere bloem — den wree-■den schok, die haar te wachten staat?

— Ware het beter misschien de dierbare te ontzien, en hém te ameeken, ter liefde van zijn kind, zich niet aan haar bekend te maken, al moet het de wreede straf zijn voor de zwakheid, die hem zoo diflp ellendig deed worden?

-ocr page 265-

ANNA EOOZa.

— Maai mag, maar kan zij dat vragen? Arme Emma! aime man! Wie van u beiden moet opgeofferd worden als het noodig is?

-— De vader heeft recht op zijn kind. Maar de vader, die zijn kind verstiet, heeft niet het recht om het leven, het geluk van dat kind nogmaals op het spel te zetten!

Na een oogenhlik van stilte vraagt Anna snel:

„En n zegt dat haar moeder dood is?quot;

„Ja, dat moet wel zoo wezen.quot;

„Hoe! je.... U weet dat niet?quot;

„Ik heb u immers gezegd dat wij jong waren goede dame. Sedert heb ik niets meer van haar gehoord.quot;

Dat was de genadeslag. Nu begrijpt Anna alles. — Dan is Emma toch wat zij zoo angstig vreesde; dan, dan heeft ze geen wettige ouders gehad!

Anna\'s anders zoo helder hoofdje duizelt. Zulk een reeks van aandoeningen! De eene gedachle verdringt nu de andere.

— Wat hij doen moet....?

Ach, zij weet het niet. Indien een kalm overleg haar mogelijk ware, dan zou ze misschien raad kunnen geven, want ja het is waar, nu voelt ze het ook — de vader heeft toch recht op zijn kind, op zijn eigen kind! Arme man!

„Zij is zoo goed, nietwaar?quot; zegt Van Wall met bevende stem.

„Goed! ik zou zeggen een engel indien hier engelen waren.quot;

„Een engel zegt u, lieve juffrouw. O dan vrees ik niet dat zij een ongelukkigen vader verstoeten zal, ofschoon hij het haar heeft gedaan.quot;

Neen, zegt Anna\'s hart en: „Neenquot;, zegt ze ook luide: „Het allereerst zal zij een vader vergiffenis schenken.quot;

Anna strijkt zich met de hand over het vojrboofd. Waarlijk, zij gevoelt zich nu niet in staat om geregeld te denken, het allerminst om een onderhoud met dien ongelukkigen man te vervolgen. Hij dringt er op aan dat zij schrijven, voorzichtig aan Emma schrijven zal; zij moet baar melden dat hij — de verschoppeling der familie door eigen schuld — toch vader is en blijft; dat ze hem een samenkomst zal toestaan, en dat. ..

Genoeg, genoeg. — Zij weet nu alles. Zij moet den tijd hebben om de zaak te overwegen. De man zal begrijpen dat zijn verhaal haar ten zeerste heeft verrast en bewogen.

De dorpsklok slaat reeds twaalf uren; te één uur moeten de brieven voor de post zijn bezorgd.

„Ik moet in het dorp wezen!\'quot; laat ze snel op haar laatste woorden volgen: „Een zaak evenzeer van het hoogste belang dringt mij haast te maken. Om twee uur zal ik zeker op het kasteel terug zijn; den ganschen middag en avond ben ik thuis. Hoor eens,quot; gaat ze stilstaande voort en wijst naar De Runt: „wandel naar het kasteel; vraag naar Joost Burik----quot;

„Joost Burik ...?quot;

„Ja, \'tis de knecht van mijn oom Lijning, en..

.Lijning.. .?quot;

V. \' IT

257

-ocr page 266-

ANNA EOOZE.

Anna meent een bijzondere uitdrukking op het gezicht van den kramer te bemerken:

„Ja zoo heet mijn oom.quot;

„Ik meende dat de baron Van Koevertol daar woonde, en dat u bij dien baron gelogeerd waart?quot;

„Mijn oom Lijning kocht het kasteel van de erven Van Koever-tol. Kent u oom?quot;

„Uw oom, pardon. Maar die naam! Ik heb een man gekend, dat is lang geleden, hier ver vandaan, die zoo heette of althans nagenoeg denzelfden naam had. Maar dat was geen adellijk man voor een kasteel, dat was een soort van woekeraar, een zielverkooper, ziet u, een heel ander mensch.quot;

„Een zielverkooper, wat is dat?quot;

Miels verklaring dat het de scheldnaam is voor den rempla^ant-bezorger, wiens probiteit niet in te besten reuk staat, hoort Anna wel, doch zij luistert maar half naar hetgeen hij, steeds met hee-scber en trillender stem, er nog bijvoegt; het dringend verzoek nsmelijk dat de lieve jonge dame toch geen oogenblik zal denken, dat hii mijnheer of den baron haar oom, met dien man uit Groningen — neen volstrekt niet — zou willen vergelijken. De jonge dame weet zeker oak wel dat men de namen onzer meest patricische families dikwijlu in de laagste klassen der maatschappij terugvindt. Zoo zat er bij voorbeeld te Utrecht dicht bij de Lauwerecht, een vrouw Van Wall met een zuurwagen.

„Hoor eens,quot; zegt Anna: „\'tis toch beter dat u eerst naar het dorp gaat, en tegen den avond terugkomt. Ik zal dan over alles kalmer hebben nagedacht en beter met u kunnen spreken. God geve dat uw geluk met dat van Emma zal kunnen vereenigd worden. Ik raad u, spreek er verder met niemand over. Tot van avond zes uur!quot;

Weinige oogenblikken later ziet Miel de kramer Anna met zeer snellen tred naar den kant van het dorp voor zich uitgaan. De bruine lokken wiegen haar om de schouders, en de zwartgrijze linten van haar hoedje, door den snijdenden wind bewogen, klapperen achteruit.

— Een mooie dame! zegt Van Wall bij zich zeiven. Ha, toen hij jong was, toen zou hij met zulk een lief wezen op zoo\'n eenzaam paadje wel wat vertrouwelijker zijn geweest. H\'m! \'tls al lang geleden dat zulk goedje hem vriendelijk aanzag. Zou hij er dan waarachtig zooveel minder uitzien dan toen? Deze zei toch aanstonds: mijnheer, \'t Is wel geen bewijs, maar als hij goed geschoren en nuchteren is, zooals nu. glad nuchteren, dan moet men het toch wel aanstonds zien dat hij een fatsoenlijk man is. Ook de kleeding doet veel. Hij zal in ieder geval die juffrouw vragen om de garderobe van mijnheer of den baron haar oom, eens na te zien. — Als hij zijn kind zal ontmoeten, dient hij zich ten minste op zijn voordeeligst te vertoonen! — Hoe toch een toeval — zoo\'n bloot bloot toeval, een mensch op eens gelukkig kan maken! Had Lijs in De Vliegende Bot hem opdien laatsten Octobermiddag „klare willen boffenquot;, dan was hij daar misschien den heelen avond in

258

-ocr page 267-

ANNA BOOZE.

\'t gelag gebleven en niet meer uitgegaan. Lijs had het geweigerd, en daarom is hij met de negotiemand naar den kant van het station getrokken. En zie, juist moest hij naast het zeil van dat koffiehuis, aan een wauwelig en uitzoekerig heer een paar doosjes windlucifers verkoopen, om te gelijk achter dat zeil zijn naam te hooren noemen, en verder het geheim te vernemen waar die mijnheer Slik of Slikkie den ,lagen slijter-parvenu\'\' op onthaald had. — Ja, dat was een toeval; zóó kwamen ze zelden voor in iemands leven! Toen beeft hij door dat toeval, waar ■ hij Lijs naast God eeuwig in zijn ziel voor zal danken, de voorstelling gekregen van een geluk, waarop hij nooit meer heeft durven hopen. Hij zou een eigen kind hervinden! Dat kind zou hem weer met de familie verzoenen, in eere brengen, en, een beter mensch van hem maken. Ten minste men zal hem in staat stellen naar hun stand te zamen te leven; hij zal dan dagelijks één, of een half borreltje minder nemen. Aanstonds met een heele te verminderen dat is te sterk, maar een halve dat is beter. Of.... hii zou het met de roode baai kunnen probeeren. O, zeker zal hij slagen, en gelukkig worden met zijn kind. Geen arme kramer zal hij meer wezen. Men zal hem mijnheer Van Wall noemen zooals voorheen, en met een mooie volwassen dochter zal hij rondwandelen. O, en dan zal alles van vroeger tijd vergeven en vergeten zijn!

Toen Miel voor de eerste maal deze zalige denkbeelden heeft gekoesterd, toen is Lijs in De Vliegende Bot al ras de getuige van zijn diepe gevoeligheid geweest. Na zich er wat verkwikt te hebben, heeft hij geschreid als een kind, en gezegd; dat hij waarachtig een fatsoenlijk man was, waarachtig, maar, dat hij niets meer zeggen kon, en ook niets meer zeggen mocht, of wilde, maar op zijn woord van eer, dat hij fatsoenlijk man was, net als zijn heele familie van vaders- en moederskant, en net als Lijs en al zijn vrinden fatsoenlijke menschen waren, de een zoowel als de ander.

Miel weet zich nog wel te herinneren dat hij toen erg zenuwachtig is geweest, en ze hem hebben uitgelachen, totdat hij van narigheid en \'t een en ander, wat vroeger dan ordinair in slaap is gevallen.

Ja, hij herinnert het zich, maar hij weet evengoed dat het beter zou geweest zijn, wanneer hij ook toen niet zoo dikwijls het glas had laten vullen. Hij moet zich verpraat hebben dat de familie hem weer in rijkdom en eere zou brengen. Sinds dien tijd staat hij al voor twintig gulden bij Lijs in \'t krijt. Maar nu, nu zal hij zich goedhouden. Gisteren den heelen dag neeft hij geen droppel geproefd, want, bij dien burgemeester moest hij fatsoenlijk man zijn. s Avonds? Nu ja — maar het is hem toen ook geweest alsof er duizend krabbers in zijn keel zaten, en dan, met zooveel blanke specie op zak, en zoo\'n vroolijk gezelschap! Dezen morgen heeft hij toch ook geen droppel over \'t hart gehad. Aan zijn eigen spreken heeft hij kunnen hooren dat ie heel nuchter en zeer fatsoenlijk was. Straks in het dorp kan het nu wel een wippertje velen; één op den goeden afloop, één op de blijde hoop, die hem ver-

259

-ocr page 268-

260 ANNA BOOZE.

vult, één wippertje maar — dat zal die jonge dame toch \'s avonds niet merken!

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Aan deze zij van de Mulderspeetsche kerk — en alzoo onzichtbaar voor de pastoriebewoners — heeft Anna, diep in gedachten, een paar malen heen en weer geloopen.

Eensklaps ten deele terugkeerende op haar pad, gaat zij even haastig als straks, den achterweg van het dorp, en al aanstonds langs de heg van dominee\'s moestuin het schuurtje voorbij waar zij zich eens zoo kordaat tegenover den ellendigen Jan Piek heeft betoond, \'t Is alsof haar nieuw genomen besluit door den aanblik van dat schuurtje meer vaslheid bekomt. Den weg volgende dien dominee Haverkist den vorigen avond ging, komt Anna nu door de bladerlooze beukenlaan met een omweg in de groote dorpsstraat.

Zij deed het, om noch door de Haverkisten noch door de Le Villages bemerkt te worden, want van het bezoek bij de eersten heeft ze weer afgezien. Nog eenige schreden verder stapt ze rechtstreeks op de herberg De Vergulde Ploeg toe, en treedt er het voorhuis m.

„Hei! is daar iemand?quot;

Wel zeker! Hein Tronk de kastelein komt uit de gelagkamer, en vraagt met de pet in de hand, wat of er van de freule d\'r dienst is, en of de freule in de gelagkamer blieft te komen? D\'r is totaal niemand.

„Jij zult me weten te zeggen Tronk, of de diligence van Vau Gend en Loos nog rijdt.quot;

.Neen freule, en die is er bij m\'n weten ook nooit geweest, en van \'t jaar 33 af ben ik kastelein in De Vergulde Ploeg.quot;

«Niet!? Maar er is toch een diligence?quot;

„\'En dillezjans? Zeker, alle dagen freule, uit De Pauw te Aarem.quot;

,Nu dat is me \'t zelfde; er rijdt dus----quot;

„Verekskuzeer, da\'s niet \'t zelfde freule, de wagens van Van Gend zijn van veel meer staatsie, en----quot;

„Ik bedoel dat het mij \'t zelfde is aan wien de wagen behoort. Ik wilde....quot;

„Neen juist, daar wou ik je hebben freule; ik zeg dat \'t lang niet \'etzelfde is. Van Van Gend en Loos zal ik ereis veronderstellen, is alles heers en voornaam: \'k heb er eens een te Aarem in \'t Zwijnshoofd gezien, da\'s lang geleden, in \'t jaar 50. Toen

-ocr page 269-

ANNA BOOZE. 261

moest ik naar Botterdam, waar ik eigenlijk van afkomstig ben weet je, en...

„Tronk, hoe laat rijdt die wagen van hier?quot;

„Die wagen? de wagen uit De Pauw freule ...? Ja, da\'s dikwijls heel onverschillig freule; dat is zeuven, halfacht, soms kertier voor achten, heel onverschillig.quot;

„En is er altijd plaats?quot;

„Ook al na venant freule, \'tis de naohtwagen die van Zwol, over Hattera, Heerden, Epe, Vaassen, Apeldoorn, Beekbergen, en Mul-de; speet op Aarem vaart. Nou kan \'t ook differeeren of er veul volk is of niet. Vrijdags en Dinsdags met de Aaremsche mart, dan kan \'t soms al spannen. Zoo hadden me verleden Vrijdag----quot;

„Tronk, ik heb niet veel tijd; en wil maar weten....quot;

„Ja wel freule, daarom wou ik je dat ook juist maar eens even uitleggen. Zie, praatjes zijn praatjes, maar ik hou van klare munt. — Op die Aaremsche niartdag dan, toen waren d\'r hier twee pesseziers. O jé, ze waren d\'r al van stikdonker af, van zes, ja van halfzes misschien. De kachel was voor d\'r aangeleid, want \'en mensch dient z\'n eigen toch te kunnen warmen. Zoo gezeid zoo gedaan, ik ver-amuseer ze nog zoo\'n beetje, en ze zeggen nog. Tronk me willen twee plaatsen naar Aarem hebben. Goed zeg ik, maar daar heb ik geen geven over, al was je m\'n eigen famine zeg ik, daar kan ik je niet aan helpen.quot;

„Kastelein, iK heb waarlijk geen tijd. Kun je tegen een fooitje extra, niet een plaatsje bespreken of openhouden?quot;

„Ja! d dr heb je nou juist de zaak freule. Ik zei tegen d\'rlui, hoor reis zei ik, als je nou mijn raad wilt aannemen, \'tis nou zes uren niet waar? Ja wel zeien ze. Nou zei ik, als je ereis heel verstandig wondt doen dan liet je de heele wagen loopen! Zoo, zeien ze. Ja, zei ik: misschien is ie brakkendevol, en allerlei tabak dat dient jelui ook niet, — want de een was een bleek meisje zoo van uw uiterlijk, óók niet te vet, en hoesterig nog er bij. Zoo Tronk — of neen, kastelein zeien ze, want ze kenden m\'n naam niet: zoo, en moeten me dan loopen? Wel neen-ik m\'n lieve meid, zei ik toen, hoor ereis: voor één rijksdaalder laat ik jelui met m\'n glazen kiereboetje naar Aarem brengen, dan heb je met geen tollen of dinksigheden of niks niemendal te maken; in een groote anderhalf uur ben je dan aan de spoorstaaisjon, en je kunt dan de stad van Aarem nog eens rondkuiëren, of ievers is opsteke en....quot;

„Dus als er geen plaats in de diligence mocht zijn, dan span jij voor een rijksdaalder je wagentje in?quot;

„Dat is te zeggen, ik doe het liever vooruit freule, dat begrijpt uwe wel, met de konkerensje! Daarvan niet, ze leggen hier altijd an, maar een mensch is zóó niet, of hij trekt z\'n vrouws vader toch altijd graag het vel over de ooren; of ze mijn slachten! — Is uwe, als ik vragen mag, de freule die bij den notaris lozeert? Komt uwe van De Eikelhoff?quot;

„Neen Tronk, ik kom van De Runt! — Dus kan ik in alle geval?quot;

-ocr page 270-

262 ANNA ROOZE.

„Van De Runt. Ei! is het voor je zelve dat.... Ei, die menheer Lijning is toch niet bij occasie zooveel als je papa....?quot;

„Neen, volstrekt niet.quot;

„Neen dat dacht ik al. Ofschoon het vet je ook niet in den weg zit, dat kon ik toch wel beter zien. Nou, dan zal ik je flllesisteeren hoor, en dan mag je Onzen Lieven Heer wel danken ook dat ie je vader niet is. Dadelijk had ik die lange gluper in de gaten. Ja ze zullen Hein Tronk niet pieren. Ik zei dadelijk dat ie met streken dat eerste perceel heeft gekregen; hóe, dat mag de duivel weten. Maar----quot;

Anna op een stoel geleund, wendt zich meer en mesr van hem af.

„Maar,quot; vervolgt de kastelein: „juist een dag of drie geleden — \'t kan d\'r ook vier zijn, daar wil ik afwezen — afijn! daar dronken hier in deze zelfde gelagkamer een paar leidekkers uit Eindhoven d\'r glaasje bier, want ze kwamen om \'t dak van de kerk te inspec-teeren. Toen ze zoo over d\'r gevallen van dekken aan \'t praten kwaramen — want ze zijn genommereerd door \'t heele land — toen zei ik: als je de kerk nou in orde hebt, dan moet je reis naar D e Runt gaan, daar is in den toren \'en heel gat gewaaid, zei ik, en de heer van De Runt is \'en rojale. Dat zei ik om ze te pieren juffer. — Maar daar had j\'et gaande. Liever wou ie droog brood eten, zei de oudste, als dat ie van dien Groningschen knooier, zoo zeidie, \'en cent zou verdienen; niet waar Jan! zeidie gedurig, en dan zei z\'n zoon, ja of neen, na venant.quot;

„En wdt.... was.... dan eigenlijk de____?quot;

„De affaire juffer? Ja, de Lieve Heer mag weten wat ze al niet van \'em afgaven. Ze hadden te Groningen, quot;en jaar of wat geleden, ik meen zes maar \'t kan d\'r ook wel tien wezen — afijn — een kerk gedekt, en, toen ze \'s avonds zoo\'n beetje kuierden, toen hadden ze een heelen oploop gezien, en gehoord dat het om zekeren Lijning te doen was, die aan een armen horlogemakersknecht vijf en twintig gulden had geleend, zeidie, om z\'n kind te kunnen begraven, onder conditie van geheimhouding en binnen drie maanden terugbetaling met honderd percent.quot;

„Dat kan niet waar wezen Tronk; zulke praatjes!quot;

„Dat zei ik ook juffer; \'en mensch zou d\'r van gruwen; maar Jan — dat was de zoon — gaf z\'n vader in alles gelijk; en, zeidie, als ze hier in Mulderspeet nog onnoozel genoeg waren om den hoed, zeidie, voor dat schandaal af te nemen, dan most ik, zeidie — en hij sloeg me net hier op den arm — de lui maar eens op den rojalen weg helpen. \'En fassoendelikke dief juffer, en anders niks; maar, nooit geen vat d\'r op, altijd achter de keliezies zei Jan. Nou alsof ik \'em niet in de mot heb gehad.quot;

„Ik verzoek je vriendelijk kastelein, dat ie die praatjes niet verder vertelt.quot;

„\'t Is----\'t is toch geen fa.... familie van de.... freule?quot;

„Mijnheer Lijning is mijn oom, maar al was hij dat niet....quot;

„Goeje God! — Neem me niet kwalijk freule; ik dacht niet dat ie \'en nicht had. Ik meende eigenlijk toen je zei dat ie je papa

-ocr page 271-

ANNA BOOZE. 263

niet was, en dat je van De Runt kwam, dat je de modejuffrouw van Bahlmann uit Aarem was, en...

,Het is me om \'t even Tronk, wat je dacht; maar nog eens verzoek ik je vriendelijk, neen ik gelast je: die leidekkerspraatjes — waar of onwaar, voor je te houden!quot;

„Maar freule ik dacht....quot;

„Denken of niet denken kastelein, zooveel weet ik nog van \'t recht, dat men hein, die zulke zaken durft vertellen zonder dat hij bewijzen heeft, wegens laster kan vervolgen. Ik zeg je Tronk, geen woord meer over mijn oom. Versta je, of anders. ...

„Neen waarachtig freule, als u je dat zoo aantrekt, o jé, dan heb ik niks niemendal gezeid, en Onze Lieve Heer is m\'n getuige, dat er dan ook nooit of nimmer meer een woord van over m\'n lippen zal komen. Eigenlijk zijn het ook dingen die ons niet aangaan, en ik zeg: d\'r is al schandaal genoeg in het dorp nietwaar, bij voorbeeld met dat beest van \'en Hanneke.quot;

Anna, blijkbaar geschokt, gaat snel naar de deur, maar even spoedig terugkomende zegt ze zacht:

„Kastelein Tronk, ik raad je nog eens niet meer te zeggen dan je verantwoorden kunt. Als je oen ander zulk een naam durft geven, dan ben jij zelf niet zeer menschel ijk, kastelein.quot;

„Maar.... en.... ze zeggen dat uwe zelve, — ja wel de freule van De Runt nietwaar — dat uwe zelve haar aan de kaak hebt gesteld. M\'n vrind Mossel wist er alles van. In vertrouwen zeidie dat ze een brief van de freule in de laai van d\'r laaitafel hadden gevonden en, zeidie: dat dee de deur dicht.quot;

Anna staat een oogenblik onbeweeglijk; zich tegenover dien man te rechtvaardigen dat wil ze niet.

„Je krijgt hier nog al menschen nietwaar?quot;

„\'t Schikt genoeg door Gods goedheid freule.quot;

„Zeg dan aan ieder die \'t hoeren wil: dat jij in geen geval oordeelt voordat de rechter het gedaan heeft, en nooit veroordeelt omdat je van Gods goedheid ook een genadig oordeel wacht.quot;

„Ja, wat dat betreft----ja ...!quot;

Anna valt hem snel in de rede:

„Als er geen plaats in den wagen mocht wezen kastelein, dan is hier altijd een rijtuig te krijgen nietwaar?quot;

„Ja wel freule.... ja wel, als je blief.quot;

„Wie was dat Hein?quot;

„Watte?quot;

„Wie of die juffrouw was?quot; herhaalt een dienstmeid, die twee kruiken bier en drie lange pijpen komt halen.

— En kitteloorig ding! gewikst, gewikst! zegt Tronk met het hoofd knikkende als tot zich zeiven.

„Verstond ik \'et wel? was dat die juffer nut De Runt? en wat ïei ze van \'t schandoal?quot;

„Van \'t schandoal? — Twee kruiken en drie pijpen Truitje? Met plezier. — Van \'t schandoal----? Ik zeg Truitje, we motten \'t recht

-ocr page 272-

ANNA BOOZE.

z\'n loop eerst ereis laten. Gauwer gehangen, zeg ik, as weer levend gemoakt. Twee kruiken, drie pijpen, met alle plezier.quot;

Op haar terugtocht naar het kasteel, kiest Anna weer den achterweg van het dorp. Op den hoek der beukenlaan gaat zij de zoogenaamde Allemansgading van vrouw Knibhelaar voorbij. Vrouw Knibbelaar is van Amsterdam; woont al veertig jaar — waarvan elf jaar als weduwe — te Mulderspeet, en hutselt het plat-Veluwsch en plat-Amsterdamsch soms al heel plat dooreen. Zelve ziet ze er dik en proper uit, en haar winkel heeft, voor zoo achteraf, nog al oog. — Anna is het raam reeds voorbij. Vrouw Knibbelaar stond achter de toonbank, maar anders was er niemand in den winkel; dat heeft Anna goed gezien.

— Neen, \'t is niet noodig, denkt ze. Doch, twee stappen verder gekomen staat ze stil; ziet even naar het winkelraam om; slaat een blik den weg op, rechts en links, en — niemand ziende, snelt ze terug en wipt het winkeltje in.

\'t Ruikt er naar stokvisch, vetkaarsen, jenever, groene kaas en dweilengoed.

Anna zegt dat ze een groote wandeling heeft gedaan; datzezoo\'n honger kreeg, en vraagt of de vrouw ook broodjes, bij voorbeeld krentebroodjes verkoopt?

— Neen, breudjes, neen; die moes de freule — nietwaar de freule van \'t kastêl nietwaar? bij den bakker zoeke die verkocht breudjes en krentenbreudjes en spikkelasie en alles. Als de freule seuiker of kandij of preuimedant\' of vijgen wou hebben?

„Vijgen? Ja een paar ons vijgen zou niet kwaad zijn,quot; zegt Anna. Maar, dat was toch het rechte niet. Daar hing spek en worst, hé! en ham.

„Ik zal je zeggen vrouwtje, eigenlijk ben ik een beetje flauw; dat ben ik allicht, en nü na zoo\'n wandeling, ik dacht toen ik dezen winkel zag ...quot;

Vrouw Knibbelaar begreep er alles van. Tegen een denkbeeldigen derden persoon maakte zij — terwijl ze naar eeu anderen hoek van haar winkeltje ging — een knipoog alsof ze zeggen wilde: schraal spul, d\'r zit geen voer in! — Wacht, ze zou de freule wel ereis helpen; wacht, ze zal een paar sneeën wit en rog make, ziezoo; dat doet ze wel meer voor voerlui of negotie volk. — Wacht ereisies, en dan van deze zeivers gemaakte leverworst zal ze d\'r plekskes tusschen leggen, dat kost alles bijeen maar een dubbeltje, en — al waren \'t ook negen centen dat was nóg voldoende, want, dat ze de freule van De Runt nou zeivers is te zien het gekrege, dat is haar lief.

„Eet ze met smaak freule. Daar staat \'en benkske, gaat erbij zitten, sjeneer uwes maar nie; d\'r is okkazie bij moeder Knibbelaar.quot;

De natuur behoudt haar rechten. Al is Anna ook met zoo velerlei vervuld, zij heeft gevoeld dat ze innerlijk zwak was en eenig© verkwikking behoefde. In verband met haar plan is ze echter inderdaad slechts naar binnen gegaan om het een en ander voor mor-

264

-ocr page 273-

ANNA BOOZE. 265

gen te koopen: maar, toen ze aan de toonbank stond, toen heeft de tegenwoordige behoefte de overhand gekregen.

En Anna eet nu, evenals op dien avond van haar aankomst met een buitengewone graagte. Toen, omdat ze een geheelen dag, in weerwil van den overvloed, die haar ten dienste stond, niet aan eten had kunnen denken, nu omdat ze in de laatste dagen al heel weinig heeft gebruikt. Vleesch heeft ze zelfs niet geproefd, want oom had gezegd dat die dorpsslager met zijn slechte en dure waar, wel thuis kon blijven; hij zou zelf wel eens een zoodje visch in de gracht vangen, en, als men behoefte had, dan kon men af en toe een eitje gebruiken; volgens professor — hij meende Muller — was er niets zoo voedzaam als een ei, en gaf het evenveel kracht als een Neder-landsch pond vleesch.

Anna eet met graagte. Wel geneert haar eenigszins de tegenwoordigheid der vrouw, die zij voor \'t eerst heeft gezien, en die zich zelve een paar malen vrouw Knibbelaar heeft genoemd. Maar, die worst op dat brood is al bijzonder smakelijk, en, gedachtig aan haar plan voor den volgenden dag, verzoekt zij der winkelierster haar daarvan een paar ons te willen afsnijden, vrouw Knibbelaar hoort met genoegen dat de freule haar leverworst zoo lekker vindt, en zal de 2 ons voor 26 centen laten, ofschoon ze d\'r op verliest, omdat ze haar zelvers wel op 18 centen \'t ons komt, maar ze moest het ook zeggen en nóg eens zeggen: \'t doet haar \'en schromierlik plezier om die freule van „De Runtquot; rwaar zooveul geproat over isquot; in d\'r winkel te zien. — „Is die Joost nog al \'en goeje?quot; laat vrouw Knibbelaar er aanstonds op volgen en ze ziet Anna zoo half en half oolijk en onverschillig aan.

Zoo\'n gepraat! — Anna moet en zal er zich boven verheffen:

,Joost? de knecht van oom? Ja, dat is een eenvoudige jongen.quot;

— Kemprie! kemprie! applaudiseert vrouw Knibbelaar zich zelve in stilte; en luid: „\'t Is maar gelukkig dat de freule gezurgd het, dat ze dat biest van \'en Hanneke kwiet raakte, zoo\'n beste jong!quot;

„Wat? heb ik.......? En dat woord? Vrouw Knibbelaar, je

moest....quot;

„Nou m\'n mooie freuleke, bloos d\'r maar niet over. Ik denk\'r \'et ergste niet van. Maar, we benne ook jong geweest; niet dat ik me ievers in verdrage beh, God beware, nooit, al ben ik ook \'en stadskind van eerste afkomst, maar den een is van ander deeg as den ander... .quot;

Anna begrijpt het niet. De vrouw vervolgt:

„En ik zeg: dóen wa\'j niet late ken. Hanneke was \'en kreng en bleef \'en kreng; aan haar had Joost toch de groetenis gegeven. Nee, uwé heef \'em \'en groote dienst beweze, en. \'t is \'en knap slag van \'en jungske.quot;

Anna die snel van haar bankje is opgestaan, drukt de tanden opeen, tast in den zak en zegt:

„Hoeveel geld is het samen?quot;

„Hoeveul samen? Dat benne twee onsies vijgen niewaar, da\'s acht, en dan negen voor \'t brood; en twee onsies worst, da\'s net drie en

-ocr page 274-

266 ANNA ROOZE.

veertig bij mekaar, \'t Most tien steuivers wezen op z\'n minst, maar ik zeg al kom je ook in de Allemansgading, uwes bent alle man niet freule, en Joost heb ik gekonnen al van zóó af aan. Ik zeg hé hé, d\'r is okkazie genoeg in de wereld, maar as uwé soms is lust het \'en kommetje koffie hier te komme drinken en is anpijpen, \'en mens is zoo niet of....quot;

Anna tast in haar portemonnaie.

Aan fooien op DeRenghorsten den voerman van het rijtuig; aan briefporten en kleine benoodigdheden —■ waaronder vooral de kaarsen op haar kamer — heeft zij haar laatsten rijksdaalder, op ■eenig klein geld na, uitgegeven. Ze had nog tien of negen stuivers zoo meent ze. — Doch nu, tegenover die vrouw te staan en maar ■drie dubbeltjes en zes centen te vinden, terwijl ze haar bijna negen stuivers schuldig is.\'... het is Anna als wordt ze op een pijnbank gemarteld.

„Zoo, dat benne d\'r dertig, en dat benne d\'r zes da\'s zes en dertig. Nou nog zeuven centjies!quot;

„Ik zie. . .. ik heb ze niet. — Neem jij die vijgen terug, en...

„Ja, maar wat dat betreft, daar kan \'en mensch niet van bestaan; koopen en laten houen m\'n kind, dat gaat niet!quot;

„Maar vrouw, ik heb niet meer bij me. Eigenlijk had ik die vijgen niet besteld. Ik dacht... .quot;

Dacht heit de kop verspeuld, zeg ik. Niet besteld, je hoef me met zoo\'n astrantigheid niet aan te zien; wat verheel uwes zich wel. Toen ik je neus zag, toen docht ik al: \'k wou da\'k d\'r centen gezien had. Of meen je dat we niet weten van wat kale Groningsche foef jelui benne? Daar motje Frank de vleeschhouwer naar vrage: \'t is \'en schand, zeidie, dat zoo\'n verslete troep op \'t kasteel van den ouwen b\'ron Van Koevertol woont, zoo\'n kale rommel! Als jij brutaal begint dan ken ik je staan hoor!quot;

„Vrouw, wil je de vijgen houden totdat ik even in de buurt ga halen wat te kort komtVquot;

„Wou je \'t bij Joost, je lief, gaan leenen? Als je\'m met zulke nijdige oogen aanziet, dan zal ie den nacht aan je gezien hebben. Jij mot nou kasseweel niet denken dat jij met je grooteleuis gezicht, vrouw Knibbelaar kunt veralteriseeren. — In de buurt halen! ? Pand, zeg ik! Vertrouwen doe ik de heele Runder-familie, hé hé hé, voor een halve cent. — Wij menschen leven van geen woeker of iefstal.quot;

„Wil je de portemonnaie voor de ontbrekende centen er bij____?quot;

„Die portemonnije! Is quot;t \'en zilver beugeltje?quot;

„Neen.quot;

„Nou zeuven centjes is ie me wel waard. Als uwé dan maar begrijpt dat \'et m\'n goejigheid is, en dat je altijd kunt kommen met wie je wilt; as je maar niet denkt dat vrouw Knibbelaar zich zeivers laat taksineeren, nee door geen ziel noch zaligheid, al kwam de heele grootheid van \'t land. En dat ik niet haatdragerig van karakter ben dat----quot;

Maar Anna is reeds het winkeltje uit. Ze hoort het „Mulderspeet-

-ocr page 275-

ANNA ROOZE. 267

sche varken\'quot; zooala vrouw Knibbelaar wel eens genoemd wordt, gelukkig niet meer.

Ze hoort en ziet niets, althans, weinige schreden verder gaat ze een man voorbij, die haar zeer onderdanig groet en een: „Tot strakjes!quot; er bijvoegt, maar ze zag noch hoorde hem, ten minste er is haar iets voorbij gegaan, maar ze weet niet wat.

Miel is dankbaar dat hij eindelijk de Allemansgading heeft weergevonden. Hij heeft erg loopen dwalen. Nu gaat hij binnen. — Een slokje! één. Hij zal fatsoenlijk man blijven. Hij hoort veel in de Allemansgading; meer dan hij bevatten kan. Maar, die portemonnaie.. -ja, daar durft ie wel een kwartje voor geven. ... of . .. als hij juffrouw Enibbelaar, die zoo vriendelijk en onderhoudend is, plezieren kan, dan wil hij haar die voor een mooiere en zelfs voor een fonkelnieuwe ruilen. Ze kan uitzoeken — of bij voorbeeld zoo\'n naaidoosje, ziedaar omdat ze zoo vriendelijk is.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

\'t Is niet te verwonderen dat Anna Rooze kort na haar terugkomst op De Runt, zonder zich te ontkleeden op haar legerstede is neergegleden. Alvorens echter naar haar kamer te gaan, heeft ze beneden een blik in de holle keuken geworpen, en aan Trien die er aardappels schilde gevraagd, hoe tante het maakte, en of zij ook wist of het goed zou zijn dat zij even bij haar ging.

Trien heeft gezegd dat mevrouw heel rustig was en alweer wat zat te breien; dat ze zeker morgen heelemaal beter zou zijn, maar vandaag heel stil op de slaapkamer moet blijven. Naar de juffrouw gevraagd had ze niet, en \'t was ook niet goed dat de juffrouw bij haar ging.

Voor \'t oogenblik op dat punt gerustgesteld, heeft een tweede vraag, of namelijk de baron van De Renghorst er geweest was, haar wel op de lippen gespeeld maar is er niet overgekomen. Immers, dat zou wel zoo wezen, het was al óver halfdrie, en ofschoon zij den waardigen man gaarne zulk een tocht had bespaard, nu het niet anders had kunnen zijn, nu geeft het denkbeeld haar mede eenige kalmte, dat haar antwoord hera bekend, en deze voor haar gevoel zoo pijnlijke tusschenscène voorbij is.

Maar er was genoeg, meer dan genoeg! Die laatste ergerlijke, meer dan ergerlijke taal van dat verschrikkelijke mensch uit dien winkel zou iemand het hoofd doen verliezen. Van zulke lasterlijke combinatiën heeft Anna nooit een denkbeeld gehad.

Lief schuldeloos kind! Toen ge zijt neergevallen op uw leger toen dacht ge niet dat ge zoudt kunnen slapen, \'t Was slechts om uw

-ocr page 276-

268 ANSA ROOZE.

vermoeide leden en uw kloppend hoofdje wat rust te bezorgen. Gij hadt nog veel te doen en nog zooveel te overleggen.

Wat ia Anna schoon zooals ze daar ligt. Stil! de lange zwarte oogwimpers dubben op en neer. Zie, nu liggen ze rustig op het donzig spreitje onder het oog. Hoor — terwijl de kleine mond blijft gesloten, wordt een zachte en geregelde ademhaling door het fijn-besneden neusje vernomen. Waarlijk, zij is ingeslapen. Stil, stil dan. Wat is het goed dat de natuur alweer haar recnten doet gelden. Maar toch, zooals ze daar ligt, met de volle pracht harer Tokken rondom het wel wat bleeke kopje, en golvende langs het kussen; terwijl ze daar ligt en niet meer weet wat er om haar henen geschiedt, zoo is het toch, als staan er op dat schoone gelaat, in een smartelijken trek de vragen te lezen:

Is dat de wereld? Is dat nu het leven, waarnaar de jeugd zoo vurig verlangt? Is het woord dan toch waar, het vaak door de lachende jonkheid met spotternij verworpen woord der lieve Marnix :

„Als ik op \'s werelds vloed Straks bitter strijden moet,

En niets dan Gods gena,

Bij \'t lijden vroeg en spa.

Mij hulp en troost kan schenken;

O zorgelooze jeugd.

Met uw vervlogen vreugd!

\'k Zal weenend u gedenken.quot;

— Is ddt dan de wereld?

Neen goede Anna, dat is DE wereld niet, maar dat is de wereld, waarin gij u beweegt.

Misschien zullen velen uwer vroegere kameraadjes in haar gansche leven niet zóóveel ervaren, als gij ervaren moest in weinige weken, ja zelfs op dezen enkelen dag.

— Is dat de wereld? schijnt nogmaals die droeve plooi om haar mond te vragen.

Neen, nogmaals neen, Anna Rooze! het is de wereld slechts, die gij op uw levenspad vindt, \'t Is zeker smartelijk voor u. Hebt gij den moed verloren? Is uw sterkte gebroken? Aarzelt gij voorwaarts te gaan op uw pad, waar ge miskenning, ja zelfs bedrog en laster ontwaart?

Maar zie, kalmte, een geheele kalmte keert op Anna\'s wezen terug: de droeve plooi is verdwenen.

Heeft misschien een zachte stem haar in \'t oor gefluisterd: \'t Zal schoon zijn wanneer ge later de bloemen ziet bloeien, gesproten uit de zaden thans in droefheid door u gestrooid?

Of ook, heeft Adams bloemruiker haar nóg eens, in liefelijke geuren en frissche kleuren, aan het sterkende woord herinnerd: „In al den weg, dien de Heere uw God u gebiedt, zult gij gaan, opdat gij levet ende dat het u welga!?quot;

-ocr page 277-

anna booze. 269

— Den weg dien God gebiedt, — ja, dat is de weg van recht en van waarheid, van Waarheid in Liefde!

Bij Anna\'s ontwaken staat haar besluit nog vaster dan te voren, het besluit dat zij op reis moet. Te Utrecht zal ze naar Oscar vernemen, en zorgen dat hem de brief ten spoedigste in handen komt. Professor Van der Kolk zal zij over tante gaan spreken. Het gedoogt geen uitstel. En dan, naar Akkersveen zal ze zich spoeden om er raad te vragen en.... O zij weet het zelve nog niet, maar het geluk van haar Emma weegt haar zoo zwaar op het hart. — In elk geval zij moet van hier. Hier kan ze niet langer blijven.

In den namiddag van denzelfden dag keert Trien, de oude dienstbode, met een briefje van juffrouw Rooze naar het benedenhuis terug, en overhandigt het aan een pover gekleed persoon, die naar de juffrouw gevraagd had.

Hij leest:

„Mijnheer!

„Verschoon mij dat ik u niet te woord sta. Ik hoop alles met den meesten spoed te onderzoeken. Is u dat onderzoek iets waard, onthoud u dan van eenigen stap in het belang van u of uw kind, totdat ik u zal geschreven hebben.

„Heb de goedheid mij uw adres te geven.

„Met groete: a. kooze.quot;

Miel, die door Trien met het olievlammetje was bijgelicht, zegt na de lezing van het briefje, dat zij als je blieft nog eens moet gaan vragen, of juffrouw Rooze hem toch niet eventjes zou kunnen te woord staan. Hij moet haar waarlijk spreken.

Neen, twintig trappen klimmen voor „nóg eens neenquot;, dat ging niet.

„Wilt u dan zoo goed zijn het voor een fooitje te doen? en ala u dan de juffrouw dit woudt overhandigen, en zeggen, dat het mijnheer Van Wall recht aangenaam is de juffrouw het verlorene te kunnen terugbezorgen?quot;

Nadat Trien net blakertje in de nis van wijlen Ceres heeft neergezet, sukkelt zij de trappen weer op; het kleine pakje zal ze dan met die boodschap overbrengen. De aorre hand, waarin een dubbeltje is gegleden, verdwijnt even in den zak: \'t kon zoo licht haar ontglippen.

Terwijl Trien naar boven is, en Anna, straks verrast dat ze haar portemonnaie door dien man terug ontving, nog een oogenblik aarzelt of ze hem tóch zal gaan spreken, blijft Miel, die eerst „dat hoepelachtig geraamtequot; tot aan den hoek der trap heeft nagezien, met de hoop op een gunstigen uitslag, beneden het antwoord verwachten.

Inmiddels heeft hij zich ter halverwegen naast het blakertje in de nis, door Ceres verlaten, neergezet, en speurt nu de verwonderlijk

-ocr page 278-

270 ANNA BOOZE.

groote slagschaduw na, die hij zijdelings afwerpt en die ginder samensmelt met de duisternis in dien hoek.

\'t Is wel een bewijs dat Miel nuchter en fatsoenlijk man is dat hij zoo zijn , volle presentiequot; heeft. Hij is weer een beetje flauw en raar in de keel, maar anders, wanneer hij \'t zoo eens vol kon houden, te droes\' — En dan, gelukkig worden! en samenwonen met zoo\'n pracht van een kind! Ach, als die kerel waar hij nog van morgen aan gedacht heeft, hem indertijd niet zoo grif geld had willen leenen, misschien was het dan wel bij één enkel aardigheidje

ebleven, althans dan was \'et zeker niet zóó ver gekomen, en was

ij altijd fatsoenlijk man geweest, heelemaal!

Eensklaps vaart Miel een rilling door de leden. Ginds in dien donkeren hoek daar stond.... een gedaante. Door een onwillekeurige beweging, waarbij zijn hand een steun in de nis zocht, heeft hij tegen het blakertje gestooten. Het dompertje is op het licht gevallen, en, \'t was eensklaps donker, stikdonker in het holle voorportaal.

De verslapte man trilt over zijn gansche lichaam. Ondanks de duisternis meent hij toch daarginder iets te zien bewegen. Ja, twee glanzigs punten staren hem aan uit dien pikzwarten hoek. Of het verbeelding is of werkelijkheid, hij weet het niet: maar het is hem toch als werden ze hoe langer hoe grooter; en zie, allengs in duidelijker trekken staat hem het beeld uit een lang verleden voor het starende oog.

— Maar net was bedrog, \'t Is donker. Daar is niemand: niets! Tweemaal, toen de oude vrouw met zijn boodschappen naar boven is gegaan, heeft Miel een paar trappenquot;hooren kraken.... Hoor,nu kraakt er ook een, en weer een.

Het is den man alsof hij nu iets ruimer kan ademhalen. Maar de duisternis maakt hem angstig.

Hij tast in den zak; trillend haalt hij een gewoon lucifersdoosje te voorschijn; nog één lucifer is er in: hij strijkt dien af op den muur; maar de muur is vochtig; een blauwe zilverachtige streep glimt in de ronding der nis.

Hij houdt het stokje in de hand, en het roode phosphor-kopje kleeft aan den muur.

„Waar ga je heen, nichtje?quot; zegt oom Lijning op den drempel der groote huishoudkamer.

Anna, die door Trien gevolgd, naar buiten kwam, schrikt. Ze had niemand hooren aankomen.

„Er is een man beneden, die mij wil spreken, oom!quot;

„Een man? — Hoe heet die man?quot;

Anna aarzelt. Ze weet nu wel dat men een waarheid verzwijgen mag, doch ze weet niet of dit thans noodig is of niet.

„Ik vraag hoe zijn naam is?quot;

„Hij heet Van Wall oom. \'t Is familie van----quot;

„Ei! Ik zag hem vluchtig in de gang. Een armoedig gekleed persoon. Zeg eens, zou oom nu óók moeten vragen of die man Anna\'s boezemvriend is, zooals Anna vroeg toen.... Maar foei, ik

-ocr page 279-

ANNA KOOZE.

zou oude koeien uit de sloot halen. Zoo je wilt, laat dien man boven komen Anna. Maar één ding,quot; vervolgt Lijning zachtjes: „wees voorzichtig. Ik heb wel eens van een Van Wall gehoord, die bij zijn gansche familie in een zeer kwaden naam stond. Hij zal misschien weten dat jij met de familie bekend bent. Eigenlijk moet ik je ernstig afraden hem te spreken, want hij zal je geld komen vragen, en je zoudt er nooit een cent van weerom zien.quot;

Anna denkt aan haar geheel ledige portemonnaie die hij — en het was wel een bewijs van zijn eerlijken goeden zin — haar zelf terugbezorgde:

„Geen nood oom. Die man kan zwak en ellendig wezen en toch zijn goede zij hebben. Inderdaad spreek ik hem echter liever niet. Als Trien mij zijn adres brengt dan ben ik tevreden; hij heeft mijn voorspraak verzocht.quot;

„En daartoe is Anna aanstonds bereid; dat is zeer loffelijk. — Trien, wil je dien man om zijn adres vragen en, zoo hij de juffrouw bepaaldelijk spreken moet, laat hem dan hier komen, \'t Is een ellendige, dat is waar, maar toch altijd, nietwaar nichtje, familie van je vriendin, en dus iemand dien men te woord kan staan.quot;

Terwijl de oude weer naar beneden strompelt, staat het bij Anna vast, om in geen geval in ooms tegenwoordigheid over die hoogst-delicate zaak van haar Emma te spreken. Uit vrees zelfs van beluisterd te zullen worden, heeft ze straks, in plaats van zelve naar beneden te gaan, aan Trien dat briefje voor haar bezoeker gegeven. Immers na al wat ze van den oom dezen morgen heeft gehoord, begreep ze voorzichtig te moeten zijn. Nu behoeft ze niets dan zijn adres, maar dat adres is belangrijk genoeg, en zijn gang was dan toch niet vergeefs geweest, daar troost zij zich mee.

Trien is niet bang, maar nu ze, op weinige treden na, beneden is gekomen, nu staat ze stil en kan een zacnten kreet niet onderdrukken. Beneden is het donker, en terwijl ze een slag der zware voordeur verneemt, ziet ze ginds tegen den muur een „hel-ach-tigquot; licht. De oude zal zich echter spoedig vermannen, ofschoon ze niet kan begrijpen dat die vreemde glans door een lucifer op den vochtigen muur is veroorzaakt.

Op haar geroep komt Joost met de keukenlamp in het portaal.

De man is verdwenen. Beiden zien de deur uit en het binnenplein op, maar het is te donker om iets te onderscheiden.

„Als het een dief was!quot; zegt de oude.

Daar wil Joost het zijne van hebben. Hij heeft een mes op zak, en zonder zich te bedenken snelt hij de steenen trap af, het binnenplein over en de wapenpoort in.

Daar, aan gene zijde der poort tegen de brugleuning, staat iemand die hijgt naar zijn adem.

Joost wil weten wat die snaak heeft uitgevoerd of wat hij andera in zijn schild voert: „Wat blief?quot;

Miel kan in den aanvang niet antwoorden. De schrik was hem om \'t hart geslagen, en bovenmatig hard heeft hij geloopen.

\'t Is intusschen gelukkig voor hem dat hij met den goedaardigen ofschoon kloeken Joost te doen heeft.

271

-ocr page 280-

272 ANNA BOOZE.

Joost wil hem gelooven dat hij niets gestolen heeft, en dat hij geen verkeerde plannen had bovendien; maar weten wil hij toch wat de reden van die vreemde vlucht mag geweest zijn.

Miel is goedkoop met zijne betuiging dat hij, ofschoon zwak en

ellendig, fatsoenlijk man is en fatsoenlijk man wil blijven. Och____

als de goede vriend hem wat op den rechten weg zou willen brengen, naar het dorp, door die donkere laan heen, dan zal hij hem zeggen vvat hij aan niemand anders zeggen zou.

Joost vergezelt den steeds hijgenden stumper, en houdt hem in de larikslaan zelfs bij den arm vast en midden op den weg.

Miel had, zooals hij verklaarde, eerst gedacht dat die jonge dame bij een baron Van Koe vertol op De Runt woonde; maar, toen hij dezen morgen een hem bekenden naam hoorde noemen, welks eigenaar de tegenwoordige bezitter van het kasteel zou zijn, toen heeft hij gemeend dat die zelfde naani hier aan een adellijk heer behoorde, en heeft hij het allerminst kunnen denken dat hij op die Runt den n.an zou wederzien, den duivel, die de oorzaak van zijn ellende gewerden is.

Wat Joost in de donkere laan nog meer te weten komt zal hij aan niemand vertellen, maar zeker is het, dat het hem groen en geel voor de oogen is geworden. Straks naar het kasteel terug-keerende, prent hij het adres van ,0. Van Wall in De Vliegende Bot te Utrechtquot;, voor juttrouw Kooze vast in zijn geheugen, maar besluit nog vaster, om trouw aan zijn belofte, van het gehoorde geen woord te zullen spreken.

Had Joost zoo iets kunnen denken! Hij is er bij grootgebracht om te werken zooveel hij kon, te eten wat hem werd voorgezet, en verder van alles het boste te hopen en te gelooven. Dat die mijnheer Lijning een vreemd sinjeur was, gierig en kaal voor „zoo\'n mins van den riekdom,quot; dat heeft hij wel gezien; maar, Joost was het in vaders en moeders hut ook zooveel beter niet gewoon geweest. Als h ij maar roggebrood, en \'s middags maar genoeg aardappels met wat vet en een scheutje azijn had, dan kon hem de rest zoo heel veel niet schelen.

Ja, vreemde dingen heeft hij als arbeider of knecht op De Runt moeten doen, zoo, dat hij zelfs het noodige wat er te verrichten viel. wel verwaarloozen moest, maar, zes en dertig stuivers in de week met den kost en inwoning dat kreeg ie grif, en \'t was \'en ding van belang. Dertig stuivers alle weken op zij in de buil, dat waren veertig gulden in \'en groot haltjaar, en dan met Hannekes verdienste er bij, dan kon hij tegen den volgenden zomer \'t kar en paard van ouwen Dorus den vrachtrijer wel overnemen: „dat was den uutzicht.quot;

Maar wat die man daar verteld heeft, daar heeft Joost geen denkbeeld van gehad.

De dorpspraatjes der laatste dagen heeft hij niet gehoord. Op De Runt kwam niemand, en sedert lang is hij, behalve op dien vroegen morgen, niet naar het dorp geweest. Mijnheer Lijning had binnenshuis allerlei te doen gehad, soms heel vreemde dingen, maar,

-ocr page 281-

ANNA KOOZE.

wat ging hem dat aan! \'t Was zelfs mooi dat mijnheer\'tniet verder heeft getrokken dat hij op dien kermisavond, in weerwil van het verbod, toch is weggeloopen. Joost is er in stilte dankbaar voor geweest. En vandaag, ofschoon mevrouw, volgens Trien, niet fiksch was, vandaag had mijnheer Lijning hem in één half uur meer goede woorden gegund, dan in de volle vier maanden, die hij bij hem gediend heeft. Ze hadden samen op de zolders al de ijzeren luikgrendels, schuiven, haken, scharnieren en nog ander spul uitgebroken, krek als laatst \'t lood uit de achtergoten. Joost heeft telkens pluimpjes gehad dat ie zoo sterk in de vingers was. Nou, wat kon \'t hem schelen, \'t Was mijnheer z\'n eigendom, en, als Joost maar weet dat zijn Hanneke hem liefheeft, en dat hij haar met fatsoen Zondagavond weer in de boutjes zal drukken, dan zal hij, als mijnheer \'et wil, hem de heele Runt wel helpen afbreken van de torenspits tot aan de kelders toe. — Maar nu, nu hij weet dat het zoo\'n schoelje is; dat hij weduwen en weezen heeft opgegeten....! Zie, redeneert de knaap bij zich zeiven: als iemand gierig wil wezen dat is zijn eigen zaak, maar slecht....

Neen, als Joost niet beloofd had er niet van te spreken, dan zou hij de lieve juffer — die ook zooveel met Hanneke ophad — wel eens waarschuwen en in \'t oor willen fluisteren: Pas op juffer, pas op dat ie oe nooit oan de centen kumt. Dat kiend was ook \'en weeze, en, vetter wier ze hier in geheel niet.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Trien de deur achter Joost had dichtgedaan toen heeft Lijning tot Anna gezegd, dat die man, zoo hij al niets kwaads in den zin heeft gehad, zich waarschijnlijk iets kwaads is bewust geweest. Of, mogelijk ook, heeft hij buiten de deur gestaan, en was de deur door een tocht dichtgeslagen, waardoor hij bevreesd is geworden. Anna moest nu tante maar eens opzoeken en iets voorlezen, doch, over niets met haar spreken.

Anna is toen naar tante gegaan. De goede vrouw was nog zeer zenuwachtig en verward, maar in vergelijking van \'s morgens toch bijzonder kalm.

Een half uur later verliet Anna tantes kamer.

Zij klopte aan de deur van ooms studeervertrek.

Eenige oogenblikken daarna stond zij tegenover den voogd.

„Ik wilde u graag eens spreken oom.quot;

„Het verwonderde mij al Anna, dat je van middag naar niets hebt gevraagd. De baron was hupsch als naar gewoonte, zeer! en ofschoon V. 18

278

-ocr page 282-

274 ANNA ROOZE.

hij een ander antwoord had verwacht, hij billijkte het geheel en verzocht mij zeer dringend je te verzoeken den tijd van beraad niet al te zeer te rekken, en er bij te voegen, dat het geluk van zijn eenig kind, zoowel als dat van diens ouders, van je besluit zou afhangen.

Anna antwoordde niet.

„Hadt je nog iets, lieve?quot;

„Ja oom. Ik kom u vragen om morgen naar Akkersveen te mogen gaan, en mij daarvoor reisgeld te willen geven.quot;

„Akkersveen! reisgeld? ik weet niet watje zegt, kind.quot;

,Het is mij niet mogelijk oom, hier langer te blijven. In veler belang moet ik juffrouw Marnix spreken.quot;

„Nog eens kind, ik weet niet wat je zegt: Juffrouw Marnix spreken! in veler belang! Heb je je oom dan niet, als je iemand spreken of raadplegen moet?quot;

Een vreeselijk antwoord speelde Anna op de lippen. Maar toch de woorden: Al kondt u mij raden en helpen, ik zou u toch niet vertrouwen! houdt ze terug. Ze zegt:

„Het is onmogelijk dat u mij raden kunt oom. Het betreft zaken die. ...quot;

„Welke zaken zouden er zijn Anna, waarover een oom en voogd, die je liefheeft en die je geluk bedoelt, niet geraadpleegd zou kunnen worden?quot;

„Ik zeide u immers dat ik, in het belang van anderen, op reis wilde.quot;

„Ja wel nichtie, ik versta dat zeer goed. Dat is je liefhebbend hart. In het belang misschien van dien heer, die daar straks op zulk een. haastige wijze verdween, en wiens adres je hebben

moest?quot;

„Neen.... ja, hij is in do zaak betrokken, maar....quot;

„Maar dan gevoelt Anna toch levendig dat er geen oom in de wereld zoo onverstandig zal wezen, om zijn nichtje in het belang van zulk een individu, op reis te laten gaan.quot;

„Oom hij is ...quot;

„Ik zeg: van zulk een individu! Laat mij even uitspreken, Anna. Die man staat er immers voor bekend dat hij van een aller-loszinnigst gedrag is. Sedert jaren — indien ik wel ben ingelicht — werd hij door de familie van den boer op den burger besteed, en maakte het haar telkens lastig genoeg. — Nieuwe bekenden: nieuwe uitzichten. Hij zal op de een of andere wijze vernomen hebben dat jij nog eenigszins met zijn familie bekend bent, en, nu heeft hij nichtje weten aan te klampen, en haar zijn nood geklaagd. En zij, — eere nebbe haar hart — zij heeft aanstonds — met je permissie mag ik even uitspreken — zij heeft aanstonds het allerliefste plannetje gevormd, om dien ongelukkigen braven man een weinig tegenover zijn ongevoelige familie in bescherming te nemen.quot;

„ Oom ik verzeker u... .quot;

„Sussst! Het is wat al te romanesk Anna. Misschien draagt deze, \'voor ons burgers wat vreemde woning er iets toe bij, om den geest

-ocr page 283-

ANNA ROOZE.

te overprikkelen. Ja, het was een verkeerde zaak om zulk een plaats te koopen; ik had...quot;

„Maar oom, u vergist u; ik heb andere redenen, die mij dringen op reis te gaan, en ofschoon ik ze n niet zeggen kan, zoo verzeker ik u dat ze goed zijn en vraag ik u nogmaals vriendelijk maar dringend, mijn verzoek te willen toestaan?quot;

„Indien ik dus wel begrijp, dan is de vraag eenvoudig deze: of oom zijn toestemming wil geven dat nichtje om één of meer hem onbekende redenen op reis gaat?quot;

„Ja oom, morgen vroeg.quot;

„Met den nachtwagen van Zwol?quot;

„Juist, tot Arnhem en verder per spoor.quot;

„Alleen....?quot;

„Gezelschap heb ik niet noodig.quot;

„In \'t hartje van den winter?quot;

„U weet wel dat ik niet kouwelijk ben, en rivieren zijn er niet te passeeren.quot;

„Wat zou Anna zeggen als oom zijn toestemming gaf?quot;

„Ik zou me verheugen oom, en u danken.quot;

„Maar ik zeg neen. kindlief, en daarvoor zul je me later danken; later, als je verstandiger zult zijn, en begrijpen kunt wat een jong onervaren meisje past of niet past in de wereld.quot;

Anna kreeg eensklaps hetzelfde gevoel als toen men haar op dien morgen — in lang vervlogen tijd — binnen dat donkere turfhok had gesloten; toen men haar de vrijheid heeft benomen en zij meende dat ze stikken zou in die duisternis. Toen heeft het beuken met de vuisten op een planken deur of op een steenen muur niet gebaat, en nu... •

Nu staart ze voor zich uit, of ze geen klein, geen heel klein gaatje ziet, waardoor zij, evenals die muis, zich vrij zal kunnen bewegen :

„Oom, uw besluit is immers niet onherroepelijk vast genomen?quot;

„In je belang, lieve, zeer zeker!quot;

„In mijn belang----? Maar, ik wil niet hier blijven, neen, ik wil

het niet!quot;

De zucht om anderen te beschermen of gelukkig te maken, maar ook het lasterlijke woord, dat in den morgen haar rein maagdelijk gemoed met een zoo venijnigen doorn heeft gewond, ze geven haar het recht om te zeggen: ik wil niet hier blijven, ik wil het niet! Ja, tegen dien man vooral.

En bovendien, het ontvluchten van den kramer heeft ze snel in verband gebracht met zijn woorden in den morgen; Een woekeraar, een zielverkooper van dien naam had hij elders gekend!

Bij Anna bestaat er nu geen twijfel meer: die oom is een onrechtvaardige. en de omstandigheid dat een man zooals hij, met die ongelukkige tante, dit afgelegen kasteel tot woonplaats heeft gekozen, omringt hem in haar oog nog bovendien hoe langer hoe meer met een nare geheimzinnigheid.

Intusschen, hoe zou Anna —geheel onbekend met zulke zaken —

275

-ocr page 284-

276 ANNA ROOZE.

ook kunnen bugrijpen dat het koopen en vooral het betrekken van De Runt niets anders dan een speculatie is geweest, die nimmer

feheel mislukken kon, dewijl het kasteel bijna tegen slooperswaardeeheel mislukken kon, dewijl het kasteel bijna tegen slooperswaarde

oor Lijning was gekocht, en hij reeds vooruit wist dat de baron van De Renghorst het in eigendom begeerde.

„Je wilt met hier blijven, nichtje? Dat is dunkt mij zachtst genomen niet zeer onderdanig gesproken.quot; zegt Lijning: „Ik dacht dat er op de kostschool van juffrouw Marnix iets anders werd geleerd. Zeg eens Anna, ben je misschien in tweestrijd met je zelve, omdat je je oom en tante dezen morgen tegenover zulk een edele en achtenswaardige familie in de moeielijkste positie hebt gebracht? omdat je de arme tante door je antwoord een schok hebt gegeven, die de noodlottigste gevolgen zou gehad hebben wanneer ik haar niet met de hoop had gevleid dat Anna, in haar eigen belang, in het belang dier edele familie en ook in ons belang, op dat besluit terugkomen en het aanzoek van den schoonen en vermogen den edelman niet van de hand zou wijzen? Was je in tweestrijd met je zelve, en dacht je nu de waardige leidsvrouw der kinderjaren te moeten raadplegen, en te vragen of in dezen het woord kon gelden: of het ook God verzoeken is, indien wij overmoedig en eigenzinnig het goede versmaden, dat Zijne liefde ons op onzen weg doet te beurt vallen ?quot;

„Neen oom, in mijn — in ons belang heb ik niemand te raadplegen; ik moet....quot;

-Maar ik moet je zeggen nichtje, dat dit dan de eenige eenigs-zins verklaarbare reden voor zulk een reis zou zijn. Ik heb dezen morgen gezwegen, — sussst! — gezwegen, omdat ik met tante te doen had; omdat ik geloofde dat je tot nadenken zoudt komen, en ik je later wat kalmer over die zaak zou kunnen spreken. Weet je waarom de goede tante zoo van die weigering ontstelde? Niet? Luister dan Anna, ofschoon het mij moeite kost je alles te zeggen: Ik heb veel voor anderen gedaan in de wereld, en de fortuin is mij zelden gunstig geweest. Jij hebt geen kennis van zaken, maar je weet toch dat men somwijlen een stouten stap moet wagen om zijn geschokt of versmolten fortuin te herstellen. In de hoop dat ik spoedig dit kasteel met winst zou kunnen verkoopen, werd ik eigenaar, doch moest, geheel onvermogend, de kooppenningen opnemen. Het uitzicht tot wederverkoop werd mij benomen. Binnen kort moet een schuld van dertig duizend gulden door mij worden afgelost. En, Anna, nu is het de waardige baron Geereke, die De Runt tot een niet onaanzienlijk bedrag in besprek houdt totdat....quot;

„Totdat... ?quot;

„Je zult het vermoeden: totdat hij zekerheid zal hebben of hij De Renghorst zal kunnen verlaten om er zijn eenigen zoon gelukkig te zien.quot;

„Maar dat kan onmogelijk de afspraak wezen oom, dan moet...

„Wanneer dat onmogelijk de afspraak kan zijn nichtje, dan moet oom bijgevolg onwaarheid spreken. Wil je het zóó, kind?quot;

— Ja! zegt Anna bij zich zelve, maar haar mond blijft gesloten.

-ocr page 285-

ANNA BOOZE.

Immers het was onmogelijk dat een man als de baron Geereke zulk een voorstel gedaan had.

„Maar,quot; herneemt de oom : ,zoo iets moest niet eens in Anna\'s waarheidlievend en onergdenkend hart kunnen opkomen. Wil je zijn eigen woorden nichtje, — waarom zou ik ze verzwijgen: Mijnheer Lijning, zoo besloot hij, wij zullen die zaak als vrienden hespreken. Mocht het voor de gezondheid van mijn eenig kind — wat God verhoede — noodig worden mij elders te vestigen, dan begrijpt u dat ik moeielijk in dezen koop zou kunnen treden; ik zou mij dan zelfs van De Renghorst willen ontdoen, of er althans niet meer dan de zomermaanden komen doorbrengen. — Dat waren zijn eigen woorden.quot;

„Is de jonker Van üland dan ziek oom?quot;

„Van nichtje met haar doorgaans zoo fijnen blik had ik iets minder naïefs verwacht. Wat mij betreft, ik heb die vraag niet aan den baron gedaan. Je zult nu toch, zoo ik hoop, beseffen wie de gezondheid van den jonker, naast God, in handen heeft?quot;

— Zou het waar zijnl Ook dat nog! — Heeft zij naast God de gezondheid van dien knaap in handen?

— Maar dan toch altijd: NAAST GOD!

„Oom, ik kan — ik kan dien jonker niet liefhebben. Het zou ons beider ongeluk in plaats van geluk zijn.quot; — Weder werpt Anna met een snellen zwenk haar lokken over de schouders. Zij doet dit vooral wanneer ze een besluit heeft genomen; zich vermant, en zich sterker toont of gevoelt dan ze is. Nu herneemt ze:

„Alzoo oom, begeert u mijn engagement met den jonker Van üland, omdat u een schuld van dertig duizend gulden hebt, en een niet onaanzienlijke winst voor dit kasteel u geworden zal?quot;

Lijning is achter den hoogen lessenaar, die nu zeer in \'t donker staat, verdwenen, en het klinkt daar flauw, alsof hij in zich zeiven spreekt, met een zucht:

„O goede Rooze, na al wat ik voor je deed, had ik wat anders van je kind verdiend!quot;

Hij komt met een paar kantoorboeken en eenige losse papieren weer te voorschijn.

„Anna, zie eens hier! Och kijk hier eens even in. Neem dien stoel er bij kind.quot;

„Ik wil liever staan oom.quot;

„Ook goed; maar volg deze cijfers eens met oplettendheid;

zie ...quot;

„Mijn hoofd staat er niet naar; ik wilde. ...quot;

„Nou wil ik dat nichtje dit zal volgen. Zie je, hier staat Johannes Rooze. Zie je. dit is de rekening van het jaar 1846 af aan.quot;

Terwijl Lijning nu snel met den vinger langs de bladen glijdt en ze telkens omslaat, ziet Anna — door haars vaders naam er toe getrokken — het boek in, en leest Lijning hier een woord en daar een cijfer, als volgt:

„Stand van zaken na het overlijden der beminde Dorothea Rooze, geboren jonkvrouwe Moreel. — Tien Nationale Werkelijke Schuld... •

277

-ocr page 286-

27 8 ANNA BOOZE.

Vier oude Russen---- Twee Polen4pCt---- Vijftien stuks Weener

Metallieken.. -. plus dit — dat — summa summarum; acht en veertig duizend één honderd zes en dertig gulden zeven en vijftig en een halve cent.

„Hier Credit — ddar Debet — Rooze Credit: saldo zooveel, plus vast traktement; derde zeetraktement; interesten; vervallen coupons .... plus dit — dat — summa snmmarum zooveel.

„Debet: aan UEd. voor equipement, nota\'s enz.: drie honderd dertig gulden vijf en zestig centen.

,2 Maart: Aan ÜEd. voor de afreize; één duizend vijfhonderd gulden. 3 November; Een traite Boelens en Lees te Batavia: zeshonderd gulden. — Papa had veel noodig, lieve.quot;

,Wat moet dit alles beduiden oom? Ik kan die cijfers toch niet onthouden.quot;\'

„Dat was, bij al zijn voortreffelijkheden, ook het eenige ongeluk van je onvergetelijken vader, Anna; hij kon de cijfers niet onthouden, en vermorste....quot;

„Oom ik bid u, spreek niet één, niet één enkel woord ten nadeele van mijn Engel; dat dat verdraag ik niet!quot;

Anna is prachtig zooals ze daar staat.

Lijning heeft zich erg in dat meisje vergist. Hij zal haar wat moeten ontzien.

„Zou ik iets ten nadeele van papa zeggen? Ik Anna, die zijn trouwste vriend was, en die ... Zie kind, zie, daarom sloeg ik dit oude kasboek op. Hier kun je overtuigd worden van mijn vriendschap voor dien vroolijken goeden zwager. Hier.... in 1848. \'tWas een vreeselijk jaar! Zie je dien post ... dertig duizend gulden? Het was om te schreien Anna. Je vader had een vriend. Hij moest en zou hem redden. — Drie dagen nadat ik hem met een bloedend hart — ook om uwentwil —■ de dertig duizend gulden in effecten had toegezonden, was de vriend frauduleus bankroet en naar Amerika vertrokken. Dat was een zekere mijnheer Kater — ik noem je man en paard kind — en zie, hier heb je den brief nog waarin je al te goed vertrouwende vader met zijn gewone luchthartigheid schrijft.... Lees maar zelve Anna; „Vergeet mij niet de f 30.000 te noteeren, waarmee mijn arme Kater in zee is!quot; Zie je Anna; dertig duizend gulden. Och, had ik ze kunnen vergeten!quot;

Anna zwijgt.

„Dat was in Januari 48,quot; vervolgt Lijning; „Toen ging het achteruit van jaar tot jaar. — Zie je, zie je. In 50 kwam de genadeslag. Je brave vader had een eereschuld Anna. Zie eens aan deze debetzijde. Zie je dót cijfer? Ja sinds dien tijd stond het treurig; kijk; in 54 sloot zijn rekening reeds met een nadeelig saldo van honderd en drie gulden en tien centen. — \'tls alles nauwkeurig Anna. In 66, Creditzijde: Vast traktement; derde zeetraktement zooveel; geen interesten meer. Debet: voor Anna aan juffrouw Marnix: achthonderd; aan kleedgeld en diversen: negen en tachtig; daar af uit oude relatie volgens accoord: tweehonderd, blijft: zeshonderd negen en tachtig. 8 Januari: aan UEd. traite Boelens en Lees te Batavia;

-ocr page 287-

ANNA BOOZE. 27 9

duizend gulden. 1 Juni: dito: zeshonderd gulden. 5 October: Aan UEd. in persoon duizend gulden. —• Zie, nadeelig saldo 31 December 1858: zeven duizend driehonderd twee en negentig gulden tien centen. Anno 1859. Ja, de bladzijden van dit droevige jaar, het jaar dat we hem missen moesten, zullen we maar niet opslaan; achter het eindcijfer alleen zou de vraag kunnen gesteld worden: of de dochter van den besten vriend, dien ik ooit bezat, ook eenige reden heeft «ni haar oom een weinigje liefde en vertrouwen te schenken: liefde en vertrouwen zooals haar onvergetelijke vader ze hem altijd zoo ruimschoots geschonken heeft?quot;

Anna zwijgt een oogenblik. Nu zegt ze:

„En dat eindcijfer oom?quot;

„De bladzij is\'droevig Anna. Papa was vroolijk; hij steunde misschien wat al te veel op de eerlijkheid en de goede trouw zijner kameraden. Het zijn weder twee belangrijke eereschulden, die ik op zijn debet te schrijven had. Hij noemde mij immers altijd zijn brave ijzeren spaarpot, en — zou ik die traites dan niet gehonoreerd hebben! Ja, dat kon niet anders, al heeft het mij schier het onmogelijke gekost. En toch, dat het de laatste maal moest wezen dat hij mijn hulp behoefde! Ach, de brave Rooze! Wat hadt je arme tante hem lief!quot;

Hoe zielsveel Anna van haar onvergetelijken vader hield en nooit dan met weemoed aan hem kon denken, het was haar nu alsof hij niet is genoemd.

„Zie ik wél oom, dan staat daar onder aan de bladzij het cijfer: tien duizend achthonderd twee en dertig gulden.\'

,Juist nichtje, en dertien centen.quot;

„En dat is de schuld, de volle schuld van mijn vader aan u?quot;

„Schuld, schuld! Indien ik interesten had berekend, indien..-Nu ja kind, ja, dat is de schuld, meer is het niet, maar.. .. wie zou het mij teruggeven, wie?quot;

„Wie anders dan zijn wettige erfgename oom! Ik!quot;

„Nichtje was dat de bedoeling? Is dat de dank?quot;

„Mijn dank zal de teruggave van vaders schuld zijn, althansquot; — Anna werpt de lokken weer naar achter — „althans, zoo er eenig bewijs voor die schuld ia.quot;

„Ongevoelig meisje. Hier staat,quot; en Lijning slaat twee bladen in het kasboek terug, „de handteekening van je goeden vader. Hier zijn de traites.quot;

„Papa moest gebeefd hebben oom, toen hij dat gezien er onder teekende.quot;

„Het was bij zijn laatst vaarwel kind, toen.... Maar waarvoor al deze woorden en herinneringen!quot; Liining pakt het boek met de papieren bijeen! verdwijnt weer achter den lessenaar, en daar, als tot zich zèlven vervolgt hij: „Waarvoor anders dan om haar te bidden: heb ons lief, al was het slechts om \'t geen we oor je goeden vader zijn geweest.quot; Terwijl hij weer te \'oorschijn treedt : „Meen je dan lieve kind, dat die schuld jou zou worden toegerekend?quot;

-ocr page 288-

ANNA ROOZB.

Anna strijkt met de hand langs het voorhoofd:

„Oom, ik heb een toezienden voogd, wie is dat?quot;

Zij is lastig. Lijning heeft niet gedacht dat dat fijne mooie schepsel — gewoonlijk zoo stil en zacht — zoo\'n „rotquot; zou wezen.

„Dat diende je te weten nichtje. Op verzoek van je goeden papa — bij uitersten wil kenbaar geworden — heeft de kantonrechter, een zekeren heer Langeveen te Hellevoetslais tot je toezienden voogd benoemd, terwijl papa zelf — volgens artikels 409 en 410 van het Burgerlijk Wetboek — mij met mijn voorkennis en algeheeJe goedkeuring tot je voogd had aangesteld.quot;

„Langeveen te Hellevoetsluis?quot; herhaalt Anna.

„Ik geloof Anna, dat de wensch van papa, om je dien heer Langeveen tot toezienden voogd te geven, niets anders bedoelde dan om mij een vernieuwd bewijs van zijn achting te schenken. Ik hoor dsn vroolijken man nog zeggen: een toeziende voogd is een onding; in den regel zien ze toe, en ik heb genoeg aan een beheer dat de oogen open heeft. Die heele wensch der benoeming was bovendien weer een van zijn vele zoo aardige Gasconjer tiekken. Papa voegde er bij, dat hij dan na zijn dood al vast ééns reden tot lachen zou hebben, \'t Zou een heerlijk oogenblik zijn als die brave hem bijna onbekende scheepsbeschuitbakker — in wiens huis hij eens een kamer gehad had — van den Groningschea kantonrechter zijn aanstelling als toeziende voogd zou ontvangen. De kerel zou op zijn best welen dat er een Groningen in de wereld was.quot;

Dit laatste geleek naar waarheid. Anna meende wel hierin haar vader te herkennen. Zijn vertrouwen, zijn onergdenkend vertrouwen aan de eene zij, en aan den anderen kant de zucht om — waar hij toch een toezicht overbodig achtte — nog zelfs na zijn dood een eenvoudigen misschien wel dommen scheepsbeschuitbakker, er met de bijzondere eer te doen inloopen, \'t .was iets dat in papa\'s brein is kunnen opkomen. Anna geloofde het, en, al gevoelde ze ook dat het eer een dwaasheid dan een aardigheid van den goeden man was geweest, dat eerste woord zou ze nooit hebben uitgesproken. Bovendien, ze is nog zoo zeker niet of die aardigheid heel oorspronkelijk is geweest. Terwijl ze nu nogmaals de lange wimpers opslaat, en haar blik op den man vestigt aan wien ze dank is verschuldigd zoo hij in alles waarheid had gesproken, maar die — ze weet niet waarom — nog meer dan straks haar weerzin verwekt, zegt ze:

„Als u mij waarlijk liefhebt oom, dan zult u de vrijheid van mijn hart eerbiedigen, zooals mijn vader dat zou gedaan hebben: en terwijl ik, na de inzage die u mij gaaft, nóg eens verklaar dat mijns vaders schuld mij heilig blijft en dat ik niet rusten zal voordat u de laatste gulden er van betaald is, zoo zeg ik u ook nogmaals in mijns vaders naam: dat u niet het recht hebt om mijn hart te eischen voor een man, dien ik niet liefheb, ten einde u uit een tijdelijke verlegenheid te redden of u een mogelijke winst te verzekeren.quot;

Anna beefde inwendig maar toonde zich uiterlijk kloek.

280

-ocr page 289-

ANNA BOOZE. 281

,Dat i3 een bitter, een zeer bitter woord nichtje,quot; zegt Lijning zeer langzaam doch met nadruk: ,Het zijn pijnlijke sophismen die je verkondigt. — Weet je wel kind, dat je je bezondigt tegen God en je naaste familie door zoo te spreken. Ik verhef mij zeiven niet gaarne, doch waar men zóó wordt miskend, waar men zóó wordt geoordeeld, door een minderjarige, door het meisje waarover men voogd is, door het kind van een vader, die ons dat kind met het volste vertrouwen achterliet, dan mag ik zeggen: ik, die werkte en zwoegde mijn gansche leven voor een zuur stuk brood, die de zorgen op mij nam voor de zaken van brave maar soms wel wat zorgelooze vrienden; ik, die mijn eigen zuur verworven gelden, voor hunne eer, voor hunnen naam, gewillig en met goedheid offerde,, ik had wat meer liefde verdiend en geen oordeel zooals daareven werd uitgesproken.quot;

Anna staat onbeweeglijk. Zijn woorden hebben geen indruk gemaakt. Lijning ziet het. Hij moet een anderen greep doen:

„Maar je bent jong Anna! Oom vergeeft je dat ondoordachte woord. God weet het dat wij je geluk bedoelen en je hart geen geweld willen doen. Doch ja, de verlegenheid, waarin ik mij sedert dezen morgen, sedert dat besluit van den baron bevind, is groot Anna! — Nichtjelief, is het dan zoo vreemd dat men zijn eigen behoud met het geluk van een ander tracht te verbinden? Is het zoo vreemd dat men een weinig bouwt op de liefde, op de erkentelijkheid van hen voor wie men zelfs met strijd en moeite zooveel van het zuur verworven geld heeft opgeofferd?quot;

— O, als alles waarheid was! peinst Anna, want ja, in die laatste woorden heeft ze oprechtheid gevonden. Lijning vervolgt:

„En daarom Anna, al is het dan geenszins je hart dat wij eischen voor een man, dien je niet kunt liefhebben, wij verzoeken je dringend — wij, je tante en ik Anna, — om in ons belang, ziedaar dan, in ons belang, maar ook zooals wij vast gelooven tot je eigen geluk, het aanzoek van den jonker in ernstig beraad te nemen en hem kan het zijn al spoedig een nadere kennismaking toe te staan ?quot;

„Neen oom, neen! dat kan niet wezen. Onmogelijk, neen! Is het u om dat geld te doen, om een voorschot van dertig duizend gulden,, ik blijf er u borg voor; laat mij begaan. Ik heb vriendinnen en kennissen wier ouders vermogend zijn. Om mijnentwil zullen zij u dat geld wel leenen.quot;

Men ziet het: Anna heeft nog een buitengewoon goede opinie van vriendinnen-invloed op de duizenden der ouders.

„En overal,quot; vervolgt ze: „kan ik dan tevens zeggen dat u deze plaats wel graag wilt verkoopen. Nietwaar, al bestonden er ook geen andere redenen, dan is er nu een, die mijn vertrek mede in uw oogen zal wenschelijk maken. Zie, ook om ü te kunnen helpen vraag ik u dan nogmaals om morgen van hier te mogen gaan, en mij daartoe eenig reisgeld te willen geven?quot;

Terwijl Anna in groote spanning het antwoord wacht, speelt er een zweem van grimlach om de dunne lippen van den mageren

-ocr page 290-

\'282 ANNA ROOZE.

man. A1 ware haar vertrek geen onmogelijkheid, dewijl zij vóór alles ■dien Van Wall — niet meer ontmoeten mag, De Runt is boven-■dien verkocht. Geereke Van üland is reeds eigenaar; en, heeft het verzwijgen van die waarheid wel tot prikkel mogen dienen om een zeer gewenschte toenadering tusschen den erfgenaam der schatrijke Geerekes en zijn nichtje te bevorderen, zulk een dwaze wending heeft hij niet verwacht. :t Zou wat fraais zijn indien zij den nood -van oom Lijning voor die vriendinnen met de rijke ouders aan de groote klok ging hangen; of wanneer Geereke vernemen moest, dat men zijn pas gekocht landgoed ondershands te koop presenteerde. 1t Zou zelfs een gevaarlijk spel kunnen worden! Neen, zulke schoone voornemens zouden op zich zelf reeds voldoende zijn om haar dat ■reisje te beletten. Er valt niet aan te denken, en voorzeker: de stilte, de afzondering, de tegenkanting zullen dat kitteloorige ding wel wat tammer maken, en misschien in \'t eind doen haken naar een omgang, dien ze nu versmaadt, en naar een overvloed, dien ze hier niet vinden zal.

„Ik moest volstrekt ongevoelig zijn,quot; zegt Lijning na eenoogenblik stilte: ,indien ik niet door zulk een hartelijke liefde getroffen was! Anna, je hebt een edel, een voortreffelijk hart; maar je woorden bewijzen mg dat je de wereld niet kent; niet een dier vermogende •ouders der vele vriendinnen, zal ter wille van Anna, den onbekenden voogd te hulp komen, al ware het ook voor een dertigmaal kleiner hedrag. Ben aalmoes zouden ze geven — vijf of tien gulden misschien, dat zou mogelijk zijn, indien die voogd een arme ongeluk-\'kige was. En dan op Anna\'s aanbeveling een afgelegen landgoed ie koopen! Wie zou dat doen? Nichtjelief, mij dunkt je zult dat zelf •beseffen, en ten slotte begrijpen ook, dat ik al zeer slecht mijn duren plicht zou vervullen, wanneer ik toestond dat mijn pupil in \'het hartje van den winter een reis ging ondernemen om redenen -die zij mij verzwijgt, of wel, zooals zij zegt, in het belang van ongelukkigen, terwijl ik overtuigd ben dat zij met haar goedhartige illusies niet anders dan bitter bedrogen zou uitkomen.quot;

,U weigert?!quot; valt Anna luider in: „En ik zeg u dan nóg eens ■oom, dat ik niet langer hier blijven kan, en niet hier blijven wil!quot;

„Ga zóó voort Anna; dat is voegzame taal! Blijf weerspannig en weerstreef den opvoeder dien je vader — dien God zelf over je gesteld heeft.quot;

„Maar wat ik doen wil is goed! Mijn hart en geweten gebieden ■mij te gaan. Oom, verhoor dan mijn dringende bee? Ik zal.... u---- liefhebben als u mij toestemt. — Oom ik moet- ...quot;

„Je moet gehoorzamen nichtje! Ga naar je kamer; overdenk mijn ■woorden, en vraag je mij later om je behulpzaam te zijn in iets wat waarlijk goed is, dan zal ik trachten je te helpen kind. Nu ■weiger ik tot je bestwil, omdat mijn plicht het gebiedt.quot;

— Zij moet gehoorzamen!? Anna drukt de vastgesloten hand op den jagenden boezem. — Zij moet!? En.... Emma dan? en het lot dier arme beschuldigde? en de toestand der lijdende tante? en ■die doorn van den vreeselijksten laster in het hart! Heeft ze niet

-ocr page 291-

ANNA KOOZE. 283

overal raad en hulp te zoeken, raad en hulp en troost voor zich zelve er bij? Neen, blijven kan ze niet. Zij moet van hier!

„Oom, ik wil naar Utrecht om er onzen grooten psycholoog Yan der Kolk over den toestand mijner lieve tante te spreken; mij dunkt dat het tijd wordt en dat het uwe goedkeuring moet wegdragen.quot;

Men ziet het: Anna is kloek en ferm, maar nog dikwijls is haar haar jonkheid de baas.

Het allerminst door dit gedeelte van haar reisdoel in \'t licht te stellen, zal ze een toestemming van den man verwerven, wiens hoofdondeugd ze toch had doorzien, en die — de arme tante heeft het haar zelve gezegd — in al de jaren van hun huwelijk geen dokters in huis heeft geduld: omdat het „allemaal kwakzalversquot; waren. ,

Een professor zou uit Utrecht naar De Runt komen, twee- drie-vierrnalen misschien! Hij zou middelen voorschrijven! Reeds dit denkbeeld was voldoende om den mageren voogd een rilling door het gebeente te jagen.

— En, dat zou zij hem gebakken hebben, dat, het onnoozele malle kind!

„Meen je dan, goedhartig maar onnadenkend nichtje, dat het noo-dig zou wezen dat jij daarvoor op reis gingt! Zou dat iets anders of iets meer uitwerken dan wanneer ik zelf dien professor schreef? En, alsof dat niet reeds lang gebeurd ware! — Eere hebbe je hart. maar als ik je nu zeg kind, dat die zelfde professor en zooveel andere professoren bovendien, mij reeds verklaarden dat het uit tantes zenuwgestel voortkomt, waar niets aan te doen is, althans niets anders Anna, dan haar genoegen te geven, in alles, uit liefde zoowel als uit dankbaarheid, en haar de zorgen te ontnemen die haar mochten drukken, dan dunkt mij dat er meer reden tot nadenken en zelfbeheersching voor je bestaat, dan reden tot het maken van een kostbare pleizierreis. — Kom, ga nu naar je kamer.quot;

„Oom ik bid u nóg eens, ik moet! Immers er zijn nog andere redenen.quot;

„Die allen, ofschoon voorzeker onbaatzuchtig, toch even ondoor dacht zullen zijn als de redenen die ik vernemen mocht.quot;

„Neen, ze zijn van het grootste belang; ze....quot;

„Ga naar je kamer lieve nichtje.quot;

„Maar ik \'heb geen rust aleer u mij toestaat....quot;

Anna, die opnieuw den blik op haar oom heeft gevestigd, weet niet wat zonderling gevoel haar vermeestert. — Het is haar eensklaps alsof ze niet meer weet wat ze wil; alsof ze dwaze grillen in 1t hoofd had; grillen die ze dóór wilde drijven zonder noodzaak, zonder reden.

Lijning staat stil; wischt zijn brilleglazen af, en ziet zijn nichtje onbeweeglijk strak in de oogen.

„Ga naar je kamer, lieve beste Anna; oom wil alles doen wat goed is, dat weet je immers we) ?quot;

— Wat ziet hij naar aan. Hoe zonderling vreemd is die blik.

-ocr page 292-

284 ANNA KOOZE.

Steeds bet meisje aanziende, doet Lijning een schrede zijwaarts terug; slaat de hand aan de vale gordijn, die voor de deur hangt waardoor de torenkamer met dit vertrek gemeenschap heeft; schuift die gordijn ter zij; opent de deur met den sleutel, die aan deze zijde in het slot steekt, en herhaalt terwijl hij Anna wat naderbij komt:

„Goedhartig, lief nichtje, oom zal alles wel ten beste voor je schikken. Ga nu naar je kamer. Ga nu A nna. Als je geslapen hebt zal het weer beter zijn.quot;

Anna slaat de oogen neer.

„Kom lieve; oom zal je aanstonds licht doen brengen. Ga nu lieve, ga!quot;

Alsof ze een steun zocht grijpt ze krampachtig een plooi van haar rouwkleedje vast. Het blanke saamgeperste handje drukt weer den boezem. — Zij, ziet hem aan. — l)at zijn katarakt-parels die daar glimmen!

„Denkt u mij bang te maken met dien blik? Dat is laf voogd! — Ziedaar, ik vertrouw u niet ... Ik vertrouw u niet. Neen!quot;

Met snellen tred is Anna in de haar aangewezen richting verdwenen.

Aanstonds heeft Lijning de deur zachtjes achter haar dichtgesloten. Eenige oogenblikken later verwijdert hij zich even zachtjes van de andere deur barer kamer, die op het gangportaal uitkomt.

In het voorbijgaan werpt hij een blik in het slaapvertrek waar zijn vrouw den dag heeft doorgebracht.

Juist ging zij uit de richting der deur naar die van haar stoel.

Zooals de arme vrouw daar stilstaat en naar den komende omziet, maakt ze in haar verschoten paars katoenen nachtjak, met een korten zwart grijnen rok, vreeselijk sluik om de heupen, de magere beenen zoover ze te zien zijn, in grauw wollen kousen, en een muts zonder strook op de grijze haren, een droevige vertooning.

„Ei, aan de wandeling lieve?quot; zegt de man, zonder binnen te komen: „Moest de breikous eens rusten?quot;

„O was ü het Lijning! Ik dacht---- ja, ik dacht dat u____ O,

misschien ben ik het alweer vergeten. Maar ik meende dat u gezegd hadt dat ik eens loopen moest; het was wel egoisme dat ik zoo om mij zelve dacht en voor de gezondheid eens opstond, maar ik zal het niet meer vergeten. Ja ik ben nu weer veel beter Lijning. Anders is mijn hoofd altijd zoo dom, en er zijn ook steken gevallen, maar Trien zal ze wel oprapen, of, Anna. Maar neen zij moet gaan; er is een eeuwig oordeel, een jongst bazuingeschal. Ja ik zal het wel onthouden; zeker!quot;

„Best Co-Mie, onthoud het maar, hoor, straks kom ik terug. Dag Co-Mie.quot;

Na deze woorden gaat de deur weer toe, en blijft de arme ijlhoofdige alleen.

-ocr page 293-

ANNA BOOZE.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Lijning gaat met zijn klein kantoor-spaarlampje in de hand naar beneden.

Trien wordt door hem verzocht naar mevrouw te gaan om haar wat afleiding te geven; ze moest maar eens wat van Groningen ophalen, en van mijnheer Rooze, want mevrouw was veel kalmer, maar toch nog erg in de war.

„Altijd gezeid! \'t Moest er wel toe komen,quot; zegt de magere dienstbode zachtjes, en in \'t voorbijgaan even stilstaande: ,\'t Was ook niet goed naar zoo\'n boerendorp te gaan mijnheer. Wat doen wij mensohen in zoo\'n holle brak van \'en kasteel. Goed geld naar kwaad geld smijten Jan. \'t Was verkeerd, heel verkeerd!quot;

„En De Runt heb ik verkocht Trien, met goede winst!quot;

„Zoo? Goede winst! dat doet me plezier Jan. Maar zeg, moest ie dan nou niet eens komen.... hé? Je weet wel, een dokter; zeg? De stakker; zeg?quot;

„Een dokter Trien? Meen je een.... dokter?quot;

„Ja goeje Jan! Zoo kan het niet blijven; de ziel!quot;

„Zoo! zon je dat meenen? We zullen zien; als we wisten dat hij eens kwam; dat het daarbij bleef. — Ga jij nu naar boven. We zullen zien.quot;

„Doen Jan, doen!quot; besluit de oude, en gaat de breede trap op.

—- Doen? — Ja! zoo kan het niet blijven. De dag is hem, met dien angstig verbeiden toeslag van den baron, gunstig geweest, maar anders, \'t was toch erg met Co-Mie. Zoo akelig als dezen morgen zag hij haar nooit.

In lang vervlogen jaren heeft zij wel eens gezegd: Lijning je zult me krankzinnig maken. —■ Is het dan zijn schuld?

Daar ligt in het voorhuis iets op den grond, \'t Was een ledig gewoon houten lucifersdoosje. Lijning raapt het schielijk op en steekt het in den zak.

En weder klinkt die vraag: Is het dan mijn schuld?

Hij slaat een kleine zijgang in; daalt acht trappen af, en komt in een eenigzins kromloopende en overwelfde zijgang. Dit is een

fang naast eenige berghokken in het getimmerte ten oosten vanang naast eenige berghokken in het getimmerte ten oosten van

et binnenplein, tegenover het koetshuis en de stallen, en voert gelijkvloers met den beganen grond, naar de zoogenaamde kapel van De Runt.

Mijn schuld!? — Terwijl die vraag den man niet loslaat, steekt hij een grooten sleutel in het zware slot der kapeldeur.

En de sleutel krast: ja! En de deurhengsels knarsen: ja! En het zand op de blauwe steenen der kapel, het kraakt onder zijn voeten: j a!

— Waarom is hij zoo angstig? Waarom ziet hij zoo rond of daar

285

-ocr page 294-

286 ANNA KOOZE.

ook iemand wezen mocht? — Wie zou hier kunnen zijn? Van deze zij is het onmogelijk dat iemand hier binnen kan komen. Van den pleinkant evenzeer. Aan die zijde bevinden zich twee deuren met een portaaltje er tusschen; maar de binnenste dier twee is goed gesloten en gegrendeld, terwijl hij gisteren de buitendeur nog bovendien met behulp van Trien, uit voorzorg met den winter, heeft dichtgespijkerd. De beide hooggeplaatste kruisramen zijn aan de grachtzijde, en dus.... Neen het is te dwaas. Niemand kan hier komen, niemand dan hij zelf.

En toch, Lijning ziet angstig rond. Hij werpt een blik in de beide hooge donkerbruine banken, waarmee de achtermuur van het zeer kleine kerkje is betimmerd; ziet naar den kleinen preekstoel met het zeshoekvormige klankbord op, en waagt een blik naar den donkeren hoek van het voorzangersbankje.

— Nooit te voren beving hem zulk een angstig gevoel, en — vooral niet hier nabij zijn heiligdom.

.— Hij moet niet wel zijn. Dat heeft hij straks, toen dat jonge ding zoo krachtig tegen hem insloeg, ook al gevoeld. Indien hij wél was dan kon hij immers niet zoo wonderlijk week en angstig zijn.

— Bestaat er dan dezen dag geen reden, geen groote reden zelfs tot tevredenheid. De Runt is verkocht, en, al zijn de illusies niet vervuld geworden, de speculatie zal hem, behalve de kleine posten van vroeger en later, toch een zuivere winst van elf duizend blanke guldens bezorgen.

— En dan, dat aanzoek door dien Nabob om Anna\'s hand! Ja, toegeven zal ze in \'t eind, hij is er zeker van. Maar in weerwil van dat alles, en in weerwil ook van de aangename afleiding, die de kleine praeparatieven voor de later te houden , verkooping van meubelen, enz. enz.quot; hem verschaft hebben, is hij niet zoo flksch als anders geweest, en heeft „die vrouwquot; hem niede gedurig door het hoofd gespeeld.

— Is het dan Lijnings schuld. ... ?

— Ja! kraakt alweder de deur die tot zijn heiligdom voert.

Nu staat hij in de sacristie der kleine kapel.

In lang vervlogen jaren borg hier een brave huiskapelaan in de hooge en zware eikenhouten kast zijn miskleederen, terwijl later in die zelfde kast — voor wie ze behoeven zou — slechts een zeer eenvoudige driekanten hoed, en een smalle zoogenaamde preekman-tel voorhanden waren.

Ginds in den dikken muur bevindt zich nog een ander kastje, \'t Is zeer diep en veel breeder dan het zwaar massief eikenhouten deurtje met koperen beslag doet vermoeden, het deurtje dat niet grooter dan een paar voet in \'t vierkant, met twee koperen grendelsloten werd voorzien. In deze muurkast, die wel eenige overeenkomst met een bakkersoven heeft, en zonder twijfel het allereerst tot het bewaren van sieraden of reliqnieën van den Roomsch Katholieken eeredienst is bestemd geworden, in deze met cement bemetselde en van binnen geheel met zwaar wagenschot beschoten kast, werd nog maar korten tijd geleden het doop- en nachtmaal-zilver gebor-

-ocr page 295-

ANNA BOOZE. 287\'

gen, dat aan de Mulderspeetsche kerk werd vermaakt, prijkende met de oud-adellijke geslachtswapens der Van Koevertols.

Stil!____Van dit kamertje uit traden ze weleer het kerkje in om.

voor het altaar het Te Deum Laudamus in den naam des Gekruis-ten en der Heilige Moedermaagd, te brengen voor den troon des-Ongezienen. Of ook, van hier gingen ze later dikwijls uit, de pro-testantsche leeraars, om in die eenvoudige kapel er naast, het gestoelte te beklimmen en er, het meest bij feestgelegenheden. God te danken, en te protesteeren tegen zonde en ongerechtigheid.

Meer dan vijf en twintig jaren is het geleden dat een braaf predikant van Mulderspeet — een der voorgangers van Haverkist — hier het verbond van liefde en trouw mocht bezegelen, \'twelk den. jeugdigen stamhouder der Van Koevertols met het teedere voorwerp zijner wenschen vereenigde.

Meer dan vijf en twintig jaren zijn er sedert vervlogen, maar, nóg klinkt hier zijn woord: ,Wandelt te zamen aan de hand van uw God!quot; en, nóg ruischt het lied:

,Waar liefde woont gebiedt de Heer Zijn zegen!quot;

Sedert lang, zeer lang rust reeds de waardige man in het graf,, de godvruchtige leeraar bij wien het licht van zijn tijd was, de vriend van den dikwijls zoo zwaar beproefden baron. Sedert lang is de man gestorven, die dat echtverbond bezegelde, maar ook de echtgenooten zijn hem spoedig gevolgd, wier eerstgeborene hij in dat zelfde stille kerkje den Heer mocht opdragen, terwijl de ouders-getuigden dat zij hun jongske zouden opvoeden, niet voor de wereld maar voor de eeuwigheid.

Maar, al zijn ze vroeg gescheiden van hun kind, het woord van den leeraar is voor dat kind bewaard gebleven: „Dit leven is een deel der eeuwigheid; eener zalige eeuwigheid voor de reinen van-harte.quot;

Hoor! nu zes jaar geleden — het was op een zonnigen voorjaarsmorgen — toen stond hier een jonkman met een bleek maar edel gelaat. De wijde toga hing hem om de tengere slanke leden. Tranen stonden in zijne oogen. Hij was het, de telg van dat echtpaar, de-eenige kleinzoon en laatste bloedverwant van den beproefden grijzen baron Van Koe vertol.

Het dierbare kleinkind heeft geen anderen wensch, geen grootere-weelde gekend, dan die van te „werken in den wijngaard des Hee-ren, en zielen te winnen voor Zijn heerlijk rijkquot;.

Een laatste zegen zou de grijsaard zich van God zien geschonken. Het geliefde kleinkind zou optreden om Gods woord te verkondigen, in die zelfde kapel, waar de echt zijner ouders werd bezegeld, en waar hij zelf het teeken van den Heiligen doop ontving.

Met de baret in de doorschijnende hand en die gedrukt op de-kranke borst-, heeft de jeugdige leeraar, alvorens het kerkje binnen te gaan en den kansel te betreden, hier in deze sacristie gestaan, en bij zich zeiven gezegd:

-ocr page 296-

288 ANNA BOOZE.

„Ik dank U, o Vader, voor dit zaligste uur van mijn leven. Gij liebt de bede verhoord van een vrome vroeg gestorven moeder, en mij tot hiertoe gebracht. Ik zal haar spoedig volgen, en ook den dierbaren vader, naar een der vele woningen van Uw eeuwig huis. Voortaan vraag ik voor mij zeiven niets meer van Uwe liefde o God, dan eenswillendheid met U. Immers, heden vervult Gij mijn zielewensch, en juich ik, en prijs Uwe liefde met de zingende vogels ■en den ganschen jubeltoon der lente mee. Daar in dat kerkje wacht mij de dierbare grijze met een kleine vriendenschaar van armen en rijken. Tot hém en tot hen zal ik van U mogen spreken: van Uwe liefde; van Uwe goedheid; van Uwe grootheid! Van Uwe grootheid het meest, geopenbaard in ons, Uwe menschenkinderen. Uwe beelddragers op aarde. En ik zal ze er mogen toeroepen, dat de tijd voor allen kort is: Gelijk het gras is ons kortstondig leven! Kortstondig gelijk het jpas, dierbare grijsaard! kortstondig gelijk een sierlijke bloem, mijn jonge vriend of vriendin, kortstondig! Ziet naar mij! Doch het schelden valle u niet zwaar: waar uw hart is daar zal uw schat zijn. Zij het bij God! — En dan, als de laatste klank is weggestorven van het lied: Loof. loof den Heer mijn ziel! en als ik dan allen den zegen zal hebben toegebeden, in den geest der nederige, dienende en vertroostende liefde van den reinen Jezus, dan zal ik gewillig scheiden o Vader, en tot U komen, al ben ik ook jong en al is uw wereld ook schoon!quot;

Zoo heeft de laatste spruit der Van Koevertols hier in stilte gedankt en gebeden, aleer hij ginds voor de eerste — en ook voor de Jaatste maal zou prediken, aleer hij sterven ging en een weenen-•den grijsaard achterliet, „een armen rijke naar de wereld, maar weder een rijke met zijn uitzicht op Godquot;.

En daar staat Lijning.

Bijna op dezelfde plek waar eens de jonkman stond, met het blinkend zielvol oog naar boven in het peilloos diep van den blauwen hemel, daar staat nu die reeds grijzende man met zijn spaarlampje in de hand. Dat lampje met het groene kapje geeft maar weinig licht, en ternauwernood bespeurt men de vreemde zaken die, evenals in de kapel zelve, hier in het ronde zijn geborgen of opeengestapeld.

Ginds in den hoek staan een twintigtal droogstokken, de grootste helft van het aantal tot de zolders van het kasteel behoorende.

Hier aan deze zijde ziet men een groote wijnmand, die bijna ten hoorde toe met oud ijzerwerk is gevuld. Lappen lood en zink bedekken aan alle kanten den vloer. Een zware rol tapijtwerk herinnert met zijn grauwgroene rafels, aan de rafels der Gobelins, die nog ^ian het latwerk op Anna\'s kamer zijn achtergebleven.

Men ziet het: aan de lieden, die hier vroeger met de verkooping van kasteel en meubelen zoo hebben huisgehouden, kan niet alles worden ten laste gelegd. Daar tegen den muur staan mede nog ■eenige schilderstukken, waaronder twee zoogenaamde grauwtjes of basreliefs van den Amsterdamschen schilder Jacob de Wit, die prachtig van teekening en relief, engeltjes voorstellen, spelende met vlinders ■en bloemen. Al die schilderijen zijn schoorsteenstukken geweest.

-ocr page 297-

ANNA ROOZE. 289

tnaar de grauwtjes in \'t bijzonder waren medaillons boven de deuren van het vertrek, waarin de grijze Van Koevertol bij het sterfbed van zijn kleinkind heeft gezeten.

Welnu, \'t is immers geen kwaad, meent Lijning. Hij zelf is immers eigenaar van het kasteel; kleine veranderingen heeft hij noodig gekeurd; de overtolligheden had hij apart gezet, en, die het kasteel van hem kocht zou het moeten aanvaarden — niet zooals het voorheen, maar zooals het nü was. Wie zou er iets op kunnen aanmerken dat hij van plan is geweest om \'t een en ander naar zijn zin te veranderen? En dan, zoo alles bijeen, dan werd het precies een „uithalerquot; voor al die kosten van reizen en verhuizen, en ook voor het geld aan dien Geert, die hem nu tweemaal heeft afgezet.

In de eikenhouten kast, waarvan reeds gesproken werd, en die, «ertijds vast tegen den muur getimmerd, door Lijning mobiel is gemaakt, in die kast heeft de Groningsche eigenaar, achter de tweede deur in den hoek, een zeer beschimmeld steekje en bovendien een sterk door de mot geteisterden preekmantel gevonden.

Nu dient die kast tot berging van gansch andere zaken. Op den bodem er van staan een aantal manden, houten bakken en steenen potjes.

De kastdeur is door Lijning geopend. In een oude pijpenmand, die bijna geheel met ledige lucifersdoozen van allerlei grootte is gevuld, werpt hij het straks gevonden doosje van Miel.

In een andere mand bevinden zich een menigte oude kurken. Roeste spijkers liggen in dezen, velerlei knoopen in dien kleineren bak. Een bruin pommadepotje is met een aantal spelden gevuld. Ginds in die grootste mand zijn de vruchten bijeen, die zijne wandelingen hem opleverden: stukken afgetrokken boomschors en groote en kleine pijnappels in menigte.

Vreemde manie! Dat alles te zamen is geen schelling waard, en toch sluit hij even zorgvuldig deze kast, als hij het straks dat eikenhouten deurtje met koper beslag zal doen.

En ja, in die voormalige bewaarplaats van heilige zaken — van zaken althans, die bestemd waren om heiligheid te verwekken — daar bewaart Lijning zijn schat; daarin bevinden zich de negen geldzakken met oude dukaten, en tientjes en gouden Napoleons.

— Het is zoo zalig eens te zien en te voelen hoe zo daar in 1t verborgen staan. Maar, dezen avond is het slechts vluchtig dat

het doet.

— Alles is in orde, alles! Doch hij zelf is het niet. Immers het lampje beeft in zijn hand. Doet hij dan kwaad? Ja, jankt een stuk zink waartegen zijn hak bij ongeluk stoot; en ja! robbelen in de hoogte een paar droogstokken, wier voeten door het zink werden aangeroerd.

— Is het mijn schuld?!

Ja! kraakt het in de groote kast die van den muur werd losgemaakt. Ja! kriekt een krekeltje op een verborgen plek. Ja! krast ■een uil: Ja, ja!

— Maar het is gelogen! Gelogen!

v. 19

-ocr page 298-

290 ANNA KOOZE.

— Luister, Lijning zal bewijzen dat men hem valsch beschuldigt!

— Waarom zou ik angstig zijn — zoo woelt het in zijn hoofd — waarom? Heb ik ooit kwaad gedaan? Zonde: Was ik mijn moeder niet onderdanig en gehoorzaam in alles? Ik ging met haar ter kerke en deed alles wat zij wilde; ja zelfs ik maakte de snuif voor haar van eindjes sigaren, die wij opraapten wanneer men ons niet zag. Lekkerder snuif kende zij niet. Was ik niet altijd tevreden? Heb ik ooit gesnoept zooals kinderen doen, of als jongeling mijn moeders geld genomen en gebrast en gezwelgd zooals anderen! Ben ik niet zedig geweest, kuisch als een Jozef? Op moeders raad heb ik het beeld van den goeden rentmeester voor oogen gehouden, en gewoekerd met de gaven, die ik bezat en met het geld, dat ik na moeders dood in dat kistje en in beide zakken onder de bedstee vond. — Moeder meende dat ik slim was. Die slim is zoekt zijn voordeel. Heb ik menschen bédrogen? — Ik heb ze geholpen, en, zij hebben mi) betaald. Ze zouden zelfs meer betaald hebben indien ik had willen eischen. Ze zochten mij. Ze hadden mij noodig. Arme drommels waren het, of losse hoofden zonder hersens; maar met zulken waagt men ook veel. Heb ik menschen bedrogen —? Anderen hebben wel eens geraden wat ik dacht, en gedaan wat ik afkeuren moest. — Is het mijne schuld dat mijn oogen op die van mijn moeder gelijken, en dat ik ze wel eens gebruikte om te worden gehoorzaamd? Anderen plegen geweld. — Mijne vrouw? — Nooit heb ik haar kwaad gedaan, nooit!

Lijning ziet naar de deur; het was alsof de vrouw aan wie hij dacht, daar op den drempel stond. — Doch neen, de sacristie-deur is terdeeg gesloten. Neen, zelfs de kruk wordt niet bewogen; zie maar, zij is stil, onbeweeglijk stil!

— Nooit heb ik haar kwaad gedaan. Zij en hare zuster waren weezen; ze hadden vertrouwen in mij. Zij, ze had mij zelfs lief. Ik maakte om harentwil wat meer werk van mijn kleeding. Ik was bescheiden, zuinig, geen losbol zooals anderen van mijn jaren. Toen ging ik nog ter kerke, en wij spraken over preeken en godsdienst — dat doet men altijd méér in de jeugd — en zij werd de mijne. Ik heb haar geleerd dat de man het hoofd is, en dat de vrouw zich niet mengen moet in de zaken die voor het hoofd zijn. —■ Heb ik haar geld verkwist? Neen! Haar kapitaal is verdubbeld. Ik kan het bewijzen, hier! — Maar waarom ziet ze mij zoo aan.. .. ? Neen, er is niemand. — Dat dwaze eigenzinnige kind heeft ons beiden ziek gemaakt. Ik moest streng zijn, maar in haar blik was iets, dat mij aan Co-Mie deed denken toen zij nog jong was; en, ik beefde voor haar terwijl ik mij goedhield.

— Zou het dan verstandig wezen indien ik dat meisje gaan liet ? Zij weerstreeft mij; zij vertrouwt mij niet. Dat heeft ze gezegd. Ze zou het overal zeggen — overal! — Mij niet vertrouwen. Ha! Waarom niet? Ik wil haar rijk maken, gelukkig en rijk. — Wie zegt dat het onwaar is? Wie zegt dat ik de bleeke vrouw krankzinnig en dat meisje arm heb gemaakt? Wie? Gelogen 1 Gelogen!! Ik wil ze gelukkig maken en rijk. Rijk! — Ze moeten geduld heb-

-ocr page 299-

ANNA BOOZE. 291

ben. Zij kunnen het geld niet beheeren. Dat kan ik! — Eens zullen ze dat erkennen. Als ik dood ben en ze dat alles vinden, dan zullen zij mij zegenen en zullen zij lachen; ha.. als ze dat alles zien... ha!!

— Maar ik sterf nog niet! — Neen! Neen!! — Hu! die doode kraai in het bosch! De veeren lagen verspreid. Ze was blauw om haar oogen; de maden kropen het lichaam uit.

— Neen! ik wil niet sterven, en niemand zien sterven. De dokter kan komen voor haar. Ja, ééns kan hij komen. Vleesch zal noodig zijn. Ook i k voel mij slap; niet krachtig zooals voorheen. Kracht is noodig. Ik moet rentmeester blijven; de beschermer van dat goud! O God, hebt Gij dan ooit iets schooners geschapen, iets edelers dan Uw zilver en goud? Erkent de gansche wereld het niet, ofschoon zij huichelt en liegt dat het slijk is. — Slijk! Almachtige, Uw goud en zilver slijk!?

— Maar, om dat slijk huichelt een prediker geloof; een priester reinheid; een dokter kennis; een rechter eerbied voor de wet; een kunstenaar liefde voor al wat schoon is en wél luidt. Slijk! en voor dat slijk verkoopt de dagbladschrijver zijn pen aan een staatspartij; en veinzen ministers en vorst liefde voor natie en vaderland. Slijk!? Arm moedertje in lompen, gij weet het beter, en de gouverneur van Oost-Indië weet het beter, en de ministers, en de dominees, en de paus te Rome, en schoolmeesters, en comedianten weten het beter. — Slijk!!!? Ha! Is er een schooner gezicht dan een heirleger van stapels of schoten zilver en goudstukken, goudstukken vooral? — Wie heeft een ton gouds bijeen gezien, een tonne gouds — aan goud! Wie? — Dat heb ik; en schier alleen verzameld, aan dukaten, tienguldenstukken en Napoleons — daar, daar in dat kastje, daar. ..

Sedert de laatste gedachten gevoelt de man, door wiens hoofd dit alles pijlsnel gevaren is, zich beter, geheel en al beter. Straks was hij onlustig, zelfs te onlustig om zich door de beschouwing van zijn goud te verstrooien. Maar nu, weer gaat hij naar het kastje, dat hem reeds bij zijn eersten voetstap in dit vertrekje als de vertrouwde bewaarder zijner schatten heeft toegelonkt, het kastje waardoor vooral het godsgebouwtje van De Runt ook zijn heiligdom geworden is.

— Ja, nu is hij weer frisch als voorheen. Het lampje staat op een aanrechtje onder dat muurkastje. De sloten zijn geopend; het deurtje staat los. Op de plaats waar eertijds de voorwerpen stonden, gewrocht ter eere Gods, daar liggen nu de glimmende schijven.

— Wie zegt daar: de onrechtvaardige mammon?

—■■ Stil, er is hem altijd iets bijgebleven uit den tijd toen zijn moeder leefde: En ik zeg ulieden: maakt u zei ven vrienden uit den on-rechtvaardigen mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

— Zie, als er dan een traan mocht kleven aan dat geld, immers de Heer prees zelfs den onrechtvaardigen rentmeester; ja, zelfs den onrechtvaardigen rentmeester!

-ocr page 300-

292 ANNA ROOZB.

— Maar wie bazelt dat woord onrechtvaardig? Hier is alles, alles en van allen bijeen. — Ik zal het bewaken — ik....

— Waar is die zak Napoleons.... ? waar.... ?

Ofschoon het koud is m dit hooge vertrek, en zelfs Lijning, die anders aan kou gewend was, den ondersten knoop van zijn jasje had dichtgemaakt, nu breekt hem het klamme zweet de leden uit. Waar is die zak? — Hij voelt om den hoek ter linkerzij... dieper en dieper; maar, hij is er niet. Een sterkere onmacht dan weinige minuten te voren overvalt hem. De magere vingers beven. Maar toch voelt hij om den hoek ter rechterzijde. — Ha! hahaha, lacht hij bijna hoorbaar. Nu heeft hij hem gevat. Den laatsten keer werd hij al te diep naar achter geschoven. Ha! hahaha, — nu trekt hij hem naar voren.

— Wat klinkt daar----? Binnen het muurkastje valt iets, dat

schijnbaar in den grauw linnen geldzak heeft gehaakt. Hoor, het geeft een doffen klank. — De scherpe grijze oogen fonkelen. — Een vondst. ..? Zijn hand tast dieper terug. Het voorwerp, dat daar achter in den hoek aan een haakje heeft gehangen, wordt door Lij-nings hand te voorschijn gebracht, \'t Is een groote zeer verroeste sleutel.

Een, twee eeuwen, wie weet hoeveel langer heeft hij daar gehangen. Wie weet hoeveel sleutels van het groote turfhok op het binnenplein zijn zoekgeraakt, sedert deze eerstgemaakte er van, daar in dat muurtje werd opgehangen.

— Een sleutel, van een verborgen deur----? een geheime kast....?

De inkt is verbleekt, de roede inkt waarmee het strookje perkament is beschreven; maar, over den blauwen bril heen ziet Lijning scherp, en, een nooit gekend gevoel grijpt hem aan, een gevoel alsof de wereld hem ontzinkt, alsof de pezen die zijn lichaam, door ontbering verzwakt, nog te zamen hielden, worden afgesneden, want:

„Clavis Cadaveriiquot;

had hij gelezen, en hij verstond het:-Dat was de sleutel van een lijkenhok.

Meer was er niet noodig.

Daar ligt hij bewusteloos neder.

En — of daarboven in het Gothiek gewelf nog de naklank ruischt van dat laatste lied:

„Gelijk het gras is ons kortstondig leven.quot;

de man, die daar roerloos ligt, houdt het strookje perkament in handen waarop in bleekroode letters te lezen staat:

„Clavis Cadaverii.quot;

-ocr page 301-

ANNA BOOZE.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Na het gesprek met den oom op haar kamer teruggekomen en alleen, ia een der eerste gedachten die Anna vervullen; of zij niet mogelijk den voogd onjuist beoordeeld en miskend, ja door haar laatste woord zelfs grovelijk heeft heleedigd.

Anna beschuldigt nu het allereerst zich zelve. Dat laatste woord is te heftig geweest; het miste dien geest der liefde, waarvan ze de wereld zoo graag zou vervuld zien: de liefde, die Moeder der Waarheid.

Nog hijgt haar boezem nu ze op de vensterbank gezeten en niet den rug tegen het kozijn der diepe vensternis geleund, naar buiten tuurt in het dommelig zwart en grauw van den winteravond.

Nog trilt ze inwendig, maar toch, ze beschuldigt zich zelve. Tot het einde toe is hij kalm en vriendelijk gebleven; en zij....?

Met de edele naturen van haar soort heeft Anna dit gemeen, dat zij de zonde verfoeit en bestrijden wil met al haar krachten, ofschoon zij den zondaar verschoont en het spoor tracht te vinden dat zijn wandel verklaart; maar ook, waar zij reden heeft zich zelve te beschuldigen, daar is zij niet zelden geneigd alle onrecht aan de andere zijde voorbij te zien, en slechts net pad te zoeken, dat haar op den rechten weg kan terugbrengen.

Anna beschuldigt zich zelve, en alweder vraagt ze zich af: of ze geen zonde doet wanneer ze dien oom van ontrouw en bedrog verdenkt, op geruchten, op onderstellingen alleen. Was het geen antipathie die haar vervulde misschien.. ..?quot;

Doch zie, \'t is aardig zooals de kleine muis der werkelijkheid een sterkte van redeneering ondermijnen kan:

\'t Is zeer donker in het vertrek, zóó donker dat Anna nu zij is opgestaan om aan haar waschtafeltje een glas water te drinken, zich de knie tegen een stoel stoot. — En, hij zou mij licht zenden! denkt zij voort. — Ga lieve, oom zal je aanstonds licht doen brengen, heeft hij gezegd. Maar — licht wordt er niet gebracht. In de laatste drie weken keerde de leugen zelfs gedurig terug: Ze zullen je licht brengen nichtje; of, Trien zal je zóó het blakertje geven. — Sinds vele avonden reeds wacht Anna niet meer op dat licht. Zonder het te weten heeft zij het voorbeeld van Joost gevolgd en brandt ze haar eigen kaars. — Oom moet dit gemerkt hebben. —• Maar waarom dan telkens nog die zelfde bedriegerij? Ook nü komt et niets. — Waarom moet zij dan iemand vertrouwen in het groote, indign hij in het kleine geen vertrouwen verdient!

-Éene onwaarheid, ééne leugen maakt alles verdacht!quot; Dat woord van den, wel wat overmoedigen dominee\'s-zoon, komt haar nu klaar

293

-ocr page 302-

294 ANNA BOOZE.

voor den geest. Is het dan inderdaad niets anders dan een zondige antipathie, die haar tegen den voogd, met zijn ongunstig uiterlifk, vervult? Is zij hem waarlijk liefde en vertrouwen schuldig omdat haar vader, die altijd het goede in de menschen zag, en Jan Lijning wel voor een hark maar toch voor den besten financier van heel Nederland heeft gehouden, hem nooit heeft verdacht? In één woord, moet Anna dien man vertrouwen terwijl zij zeker weet dat hij onwaar is in het kleine en hij.... misschien zelfs haar vader bedrogen heeft?

Be duisternis wordt Anna onaangenaam. Straks heeft zij gemeend dat het rijper verstand van den oom wel eens recht kon gehad hebben met te zeggen, dat zij goedhartige illusies heeft, waarmee ze niet anders dan bedrogen kan uitkomen, en romaneske denkbeelden haar hoofdje vervulden; dat zij nog weinig ervaring had, en zelve bij ernstig inzien de redenen, die naar tot dit reisje dreven, als ondoordacht zou verwerpen. — Straks, starende in het duister, hebben die woorden, bij gevoel van schuld door zich wat sterk te hebben geuit, haar weder doen twijfelen of het plan dat ze evormd had wel goed was. Maar nu, terwijl ze de kaars, die ze op en tast uit een la heeft te voorschijn gehaald, ontsteekt, staan haar eensklaps al de redenen, die haar tot vertrekken noopten, weer met klaarheid voor den geest.

— Aan God, die alles weet, zal zij het oordeel over oom Lijning laten; immers reeds lang is zij met het denkbeeld vertrouwd, dat ze arm is en haar brood zal moeten zoeken in de wereld. Zij zal dien voogd niet beschuldigen, neen nergens, bij niemand! Zij wil zelfs trachten medelijden te hebben met een man, wiens zuinigheid misschien misdadig is. Waarlijk medelijden hebben is immers liefhebben. Maar liefhebben zal zij dien oom het allereerst, door datgene voor de arme tante te doen waartoe hij niet besluiten kan. Zij gevoelt het nu levendiger nog dan in den morgen, levendiger dan straks in zijn tegenwoordigheid: hier te blijven is onmogelijk! Haar Emma roept. Hanneke wacht. Tante wijst haar te gaan. Raad behoeft ze, raad voor anderen en voor zich zelve. Hier kan ze niet blijven. Neen onmogelijk — ook met dien gruwelijken laster. Zeker, morgen moet ze van hier!

Alsof ze het plan, dat na zooveel strijds nu onherroepelijk vast is genomen, nog versterken wil, herleest ze het slot van een brief dien ze voor weinige dagen van haar lieve Marnix ontving:

„Oui, ma chère, depuis ton départ ta chambre est restée déserte. De m\'y rendre c\'est un vrai pèlerinage; mais en contemplant l\'in-térieur, je t\'y vois encore ma chère, comme le jour de ton triste départ, en m\'accusant — et nous serons toujours comme cela — de ne pas avoir appréció assez le temps heureux que tu vivais sous mon toit, et souriais dans mes bras. Songe-s-y ma chère Anna, et ne l\'oublie pas, ce sera toujours un toit qui te désire, ce seront toujours les bras ouverts de ta

MAENIX.quot;

-ocr page 303-

ANNA ROOZE.

De verlatenheid, die Anna ondanks haar vast genomen besluit nog weinige oogenblikken te voren gevoelde, is nu verdwenen. Men heeft wel eens behoefte het bewijs te zien dat er harten zijn, die warm voor ons kloppen, al is men ook geheel van de waarheid dier liefde overtuigd.

— Ziezoo, een kort briefje, dat zij aan den baron Geereke ter harer rechtvaardiging heeft geschreven, en dat zij morgen alvorens te vertrekken in de Muldersgeetsche brievenbus zal doen, steekt ze nu met den brief, dien zij al vroeger aan Oscar Van Breeland schreef, doch waaraan nog steeds het adres ontbreekt, in haar kleine portefeuille.

— Meer dan een reiszak kan ze niet meenemen. — Wanneer ze den lakenschen mantel omdoet, dan heeft ze toch al bovendien haar wollen sjaal benevens de parapluie te dragen. Neen, méér meenemen kan ze niet, want ze gaat morgen in de vroegte alleen. Indien die schrikkelijke vrouw dat woord niet gesproken had, dan zou zij Joost wel in stilte hebben gevraagd om haar behulpzaam te zijn; maar nu, ze moet zelfs den schijn des kwaads vermijden; ze zal alleen gaan.

Eenig nachtgoed, de beknopte reis-nécessaire voor het toilet, en verder wat Anna noodzakelijk acht, wordt in den juchtleeren reiszak gepakt. Telkens en telkens heeft ze nog iets mee te nemen en in de hoeken te stoppen, zóóveel zelfs dat zij in \'t einde niet zonder groote moeite de zakbeugels tot elkaar kan buigen om het slot te sluiten. Alweder heeft zij een voorwerp in handen, waarvoor nu echter geen plaats meer te vinden is. Zij zou het boek ook in de hand kunnen houden, of in den zak van haar japon kunnen bergen; ze moet toch wat lectuur op reis hebben, want.... zoo geheel alleen. ...! Maar, zal ze kunnen lezen; morgen... ? Nü zelfs dansen haar de letters voor de oogen. Toevallig is de bladzij van Schillers Gedichte opengevallen, waar — of neen, in het boek lag een kleine bladwijzer en wees de plaats aan waar te lezen stond.... de herinnering aan een onvergetelijk uur. — Anna leest:

„Durch die ewige Natur Düftet ihre Blumenspur Weht ihr goldner Flügel.quot;

En het slot der hymne kent zij wel van buiten:

Liebe macht den Hiinmel Himmlischer — die Erde Zu dem Himmelreich.quot;

Een opwellenden traan perst ze weg.

— Neen, dat boek zal niet mede. Het zal hier blijven. Moet dat lied, dat weeke lied zich dan altijd weer aan haar opdringen. Nu weg er mee, en voor goed!

295

-ocr page 304-

ANNA ROOZE.

De dwaze gedachte komt vluchtig bij Anna op om dat lied uit het boek te scheuren. — Neen, dat zal ze toch niet doen. Maar, op den bodem van haar koffer wordt het boek geborgen.

— Ziezoo! daar heb je nu rust, en kom mij nu niet meer plagen met je hemelsch rijk op aarde. Soms ben ik zoo ferm, zoo durvig, en soms zoo\'n laf laf kind!

Eet moet wel met voordacht wezen dat Anna haar kasten leeg en al haar goed in den grooten koffer pakt — zeker niet zoo netjes als ze het anders zou gedaan hebben, maar toch met overleg en tevens uiterst vast ineen.

Heeft ze een voorgevoel dat ze hier niet zal terugkeeren, en wil ze nu liever zelve haar goed in den koffer bergen dan dat latei-een onbescheiden hand. .. Althans behalve de beide rouwkleedjes die nog aan den kapstok hangen, en die ze zoolang mogelijk er buiten wil laten om ze niet onnoodig te kreuken, is alles wat haar toebehoort geborgen, en, vóór haar vertrek zal ze haar kleine bezitting die ze moet achterlaten, door twee fiksche sloten tegen alle onbescheidenheid hebben gevrijwaard.

Maar hoe! denkt zij er niet meer aan dat de portemonnaie die Van Wall haar terugbezorgde, daar gansch en al ledig op de tafel ligt? — Ledig? — Neen, toch niet geheel. Een vluchtige blos verft haar koon. Haar fijne vingers tasten er in, — diep in de hoekjes, \'tls een zeer zeer klein metaalstukje dat ze daar vindt, ternauwernood zoo groot als het derde van een stuivertje. Haar oog verheldert. Dat heeft die Miel toch uit de handen van dat vreeselijke mensch gered. Och, het is kinderachtig misschien, maar dat, dat mag ze toch wel bewaren, en — als ze nog even het kleine blinkende stakje heeft bezien, dan glijdt het weer in de overigens ledige portemonnaie.

— Ja ledig! — Die gedachte heeft haar schier geen oogenhlik verlaten. In doosjes, portefeuilles en zakken, in alles wat ze van dien aard bezat heeft ze nog gekeken en gevoeld om iets te vinden, wat ze eigenlijk wel wist dat er niet te vinden was. Ze bezit niets dan de beide scheepjesschellingen, die ze trouw in een kinderbeursje van roode kraaltjes bewaarde. Sedert den Sinterklaasmorgen, waarvan ze een vluchtige herinnering behield, dien zonnigen morgen, waarin ze zich ook haar eigen zoo vroeg gestorven moeder het helderst voor den geest kan brengen, sedert dien morgen heeft ze die mooie blanke zilverstukjes trouw bewaard. Eens, toen ze tien jaar oud was, toen heeft zij die schellingen bij een der vriendinnetjes beleend tegen een gulden, omdat ze op een lijst ten behoeve van een boer, die zijn eenige koe had verloren, voor dat bedrag had ingeteekend en ze eigenlijk niets meer in haar weekbeursje had. De angsten toen uitgestaan, wanneer het ondeugende meisje haar dreigde de blanke schellingen te zullen uitgeven of „weggooienquot; indien zij niet binnen kort dien gulden weerkreeg, vergeet Anna nimmer; maar ook, ze vergeet de blijdschap niet, toen vier weken voorbij waren en zij van haar weekgeld den gulden kon teruggeven, toen ze de schellingen, bij wier aanjehomving ze steeds haar moeder in dat

296

-ocr page 305-

ANNA BOOZE. 297

zonlicht als een goedheiligvrouw zag, weer in het kralen beursje kon sluiten, en nu voor altijd!

In dit oogenblik terwijl Lijning binnen de sacristie zijn schatten, beschouwt, staat ook Anna met haar schat, haar blanke schellingen

in handen, en besluit---evenals hij---er niet van te

zullen scheiden.

— Maar zij heeft ook wel andere middelen! Hoe kan iemand zoo dom wezen daar niet aanstonds aan te denken!

— In de eerste plaats: Hier zijn haar ringen; daar is het gouden horloge. In het werkdoosje, dat in den reiszak zit, bevinden zich immers een gouden schaartje en vingerhoed, twee gouden garenklosjes en een zilver vergulden naaldenkoker; maar bovendien ze heeft immers den gouden ketting en broche en oorknoppen, en de beide diamanten oorbelletjes die ze nu, sedert den rouw bijna alle dagen in de ooren heeft. — O! denkt Anna, daar is geen kwaad bij. Die kastelein uit De Vergulde Ploeg is een langdradige babbelaar, maar als het er op aan komt, zal hij goed genoeg wezen om mü — \'t zij dan tegen den inhoud van het werkdoosje — een gulden tien-twintig ter leen te geven.

— Ja, zoo zal het zijn! Maar, nu de frischheid van dien inval verdwijnt, nu schijnt haar toch het denkbeeld hoe langer hoe minder uitvoerbaar toe. — Zal niet denzelfden dag het heele dorp, zoo niet de gansche omtrek weten, dat de juffrouw van De Runt bij

Hein Tronk gouden voorwerpen in pand had gegeven, om---- ja

wie wist wat de babbelzucht, de laster misschien, er van vertellen zou!

— Neen, zal haar reis in de gegeven omstandigheden — hoe ongaarne dan ook — inderdaad een soort van vlucht worden, het moet althans voor de buitenwereld zooveel mogelijk geheim blijven. Zij kan ...

Anna begrijpt niet hoe een gedachte als die, welke zij nu aanstonds in de geboorte heeft gesmoord, haar in de ziel is gekomen.... — Voor te wenden dat ze haar beurs vergat.. Nood leert wel bidden, maar toch geen onwaarheid spreken! Hoe ... hoe kwam dan dat denkbeeld haar in de gedachte! Genoeg, nu is het verworpen zóóver als men zien kan. \'t Was een leelijke trek dien hare verbeelding haar speelde. Is dat dan de mensch? Heeft hij twee naturen? Of komt er waarlijk een stem van buiten, zooals de goede dominee Zegenraond leerde. Komt de duivel hem iets in \'t oor blazen, iets waaraan hij zelf niet gedacht heeft- ...?

Met de lichtsnelheid der gedachte meent Anna zich het raadsel te zien opgeklaard en gevoelt ze zich gerust. Immers, een toestand als die van zijn beurs te vergeten en door den nood gedreven geld te moeten leenen is niemand onbekend; zulk een toestand is haar als menschelijk en gebeurlijk voor den geest getreden, maar — zich leugenachtig daarin te zullen plaatsen, neen Goddank! dat heeft, ze geen oogenblik in haar ziel gehad.

-ocr page 306-

298 ANNA ROOZE.

— Maar wat dan te doen? Bidden? — Om geld bidden?

— Dat is te dwaas, en ook, Anna bidt altijd zoo heel anders dan bet haar geleerd is.

\'tls zoogoed als zeker dat Anna gebeden heeft, ofschoon ze de banden niet gevouwen en de oogen strak op de porteraonnaie had gevestigd, die daar nog altijd ledig op de tafel ligt. Het schijnt haar te hebben versterkt:

„Ook zonder geld zal ik op reis gaan!quot; zegt zo bijna overluid.

Maar toch, ze wil nog één middel beproeven.

— Misschien is de ongelukkige tante wel in staat om haar eenige guldens te leenen. Laatst heeft de goede ziel haar heel geheimzinnig van een spaarbeursje gesproken waar oom eigenlijk niet van wist, en dat ze Anna graag geven wilde omdat Anna er meer aan had, ■en het bewaren haar eigenlijk zoo angstig maakte.

— Anna zal eens onderzoeken of de arme vrouw in een stemming verkeert om haar over zoo iets te spreken; misschien zal het gemakkelijk zijn eenig geld van haar te bekomen. In ieder geval moet zij de goede vrouw toch een afscheidskus geven, ofschoon het raadzaam zal zijn het reisplan ook voor haar geheim te houden, terwijl ze toch door het achterlaten van eenig schrift de noodige opheldering geven en tante een mogelijke onrust over haar vertrek benemen zal.

Met dit voornemen gaat Anna naar de deur die op het portaal ■uitkomt.

De deur schijnt te klemmen; zij trekt harder aan de kruk, zoo zelfs dat de oude pen afbreekt, en zij met de losgeschoten kruk in handen bijna haar evenwicht verliest.

Ofschoon de sleutel aan deze zij zit, en de deur dus niet op slot is, zoo raaakt zich toch een angstig gevoel van Anna meester. Nu het pennetje in de kruk is gebroken, wordt het moeielijk de binnen-kruk aan het staafje te doen; zoo licht kan het naar achter glijden en met de buitenkruk op het portaal vallen. Nochtans het gelukt haar. Een groote doekspeld, die op den ronden knop zal hangen, steekt ze door de openingen der kruk en het staafje heen; maar, nu ze nogmaals de kruk omdraait en te gelijker tijd sterk aan den sleutel trekt, nu breekt niet slechts de zwakke speld, maar krijgt Anna tevens zekerheid dat de deur — waarvan de beide sloten, ofschoon vluchtig, te gelijk zijn open geweest — toch gesloten is, waarschijnlijk met den kleinen grendel, dien zij wel eens aan de buitenzij heeft bespeurd.

„Gesloten! Gesloten!!quot; zegt ze overluid, en het is haar alsof de borst haar wordt toegeknepen: „Gesloten!quot; Met een snelle wending ■staat ze nu — een paar schreden verder — voor de deur van oom Lijnings kamer, waardoor ze straks is binnengegaan, \'t Is niet vreemd: ook deze is gesloten; een vreeselijk voorgevoel had het ■haar gezegd.

— Hoe! die man houdt haar gevangen? Hij houdt haar in haar kamer gekerkerd? Heeft hij voorzien dat zij in stilte vertrekken wil? —

-ocr page 307-

ANNA ROOZE.

— Neen, dat kan hij niet vermoed hebben. Welke reden bestaat er dan? Welke?

Een vreeselijke angst vermeestert het overspannen kind. Zij wil om hulp roepen, doch de angst doet haar stem verstokken in de keel.

„Oom, oom! doe open!!quot; roept zij eindelijk aan de deur zijner kamer, en roepende vergeet zij dat juist hij dien ze roept haar met een siddering vervult.

Nu roept ze niet meer. — Hoe kon ze ook hulp verwachten van hem, die haar opsloot in deze kamer. Straks toen Anna met hem sprak, toen heeft zij weder een vluchtige herinnering gehad aan dat uur bij Marnix in het turfhok doorgebracht; maar, in een wreedere werkelijkheid dan weleer bevindt zij zich nu.

Thans echter bonst en beukt ze niet op deuren. Met de hand op het hart, waarvan de slagen haar zelfs in de vingertoppen dreunen, werpt ze een blik op de kaars, die nog slechts een vinger lang en de laatste is die zij bezit.

— Heeft zij geen breekijzer.. ..? heeft zij dan niets om die deur te openen? Ha! de krulstok! Hij ligt in de kapdoos. Reeds dikwijls heeft zij de korte ijzeren pen — die er, waarschijnlijk als friseer-of plooi-ijzer, aan bevestigd werd — willen doen uittrekken, dewijl zii haar niet van nut en bij \'t opmaken van haar lokken zelfs wel eens hinderlijk was, doch nu — nu zegent zij den onveranderden toestand waarin die stok zich bevindt.

— Hier is hij. Zij zal het ijzer tusschen deur en deurpost drijven en zoo, door aanhoudend wringen, de deur trachten open te breken.

Maar Anna, \'t is tevergeefs dat ge al uw krachten inspant! Het flzer is te dik; noch in de hoogte noch in de laagte is de deur meer dan een mesrugbreedte van den deurpost geweken.

— Beneden bij den dorpel----? Ja, daar zal zij slagen! Zie, de

feweldige krachtsinspanning perst haar het bloed naar het voor-oofd; de fijne handjes zijn paars, zoo vast als ze den stok omklemt terwijl ze het ijzer tusschen deur en dorpel boort.eweldige krachtsinspanning perst haar het bloed naar het voor-oofd; de fijne handjes zijn paars, zoo vast als ze den stok omklemt terwijl ze het ijzer tusschen deur en dorpel boort.

Hebt ge uw helder hoofdje verloren, arm kind? Wat zult ge zoo uitwerken? De deur misschien wat vaster tegen de bovensponning drukken, meer zeker niet! — Toch wringt en wringt ze. Het is de angst, die haar nogmaals de krachten verdubbelen doet.

Het was te voorzien: Nu houdt ze haar krulstok van nagebootst ebbenhout in de handjes die zeer doen; het ijzeren bontje, dat tusschen deur en dorpel werd gewrongen, bleef in die klem en wordt een beletsel te meer voor hetgeen ze beoogde.

Anna ziet nogmaals naar de kaars die al kleiner wordt. Ijlings op een der drie vensters toegesneld, schuift ze de grauwgroene saaien gordijn ter zij, doch, door het licht dat binnen is kan ze buiten niets zien, niets dan een flauwe weerspiegeling van haar eigen beeld in het glas.

De kaars wordt uitgedoofd — dat spaart haar meteen, Ofschoon de duisternis weinig geschikt is om Anna te bemoedigen, is het de kracht van haar geest, die zij op \'t levendigst zal inspannen. — Zij moet kalm blijven. Zij mag niet zoo beven; dat is kinderachtig!

299

-ocr page 308-

300 ANNA ROOZB.

— Maar toch, nu staren die akelige oogen van den voogd haar

aan; die oogen zonder bril----O goede God----! al kou het waar

zijn dat al de redenen waarom ze dan gaan wil, uit dwazen eigenwaan en onnoozelheid zijn geboren — ofschoon ze weet en gevoelt dat een hart vol liefde haar drijft, gevoed nochtans door een gevoel van angst — nü, al kon het waar zijn dat het dwaas is, het zou haar nu onmogelijk wezen hier langer te toeven. Onmogelijk, gansch en al! Men houdt haar gevangen: men heeft haar de vrijheid benomen, het recht om zich vrij te bewegen! Het is oin krankzinnig te worden. — Stil Anna, stil, krankzinnig? Die arme tante, stil!

— Ja, dat is voorbij. Nu ziet ze uit het venster naar beneden. Dertig voet lager is de gracht. Ze weet het. — Behalve aan de kasteelzijde staat immers de toren met den voet in \'t water. Maar dat water is niet diep. Zelfs in \'t midden, waar ze de blanke voorntjes wel eens dartel zag wenden en keeren en pijlsnel wegschieten als ze hun nog een heel klein broodkorstje toewierp, zelfs in \'t midden — waar dat korstje dan liggen bleef op het kiezelzand of tusschen de glas-en potscherven die er zich mee bevinden — zelfs daar staat zeker geen voetdiep water.

— Maar boe beneden te komen? En met haar reiszak en sjaal en parapluie? en dan te waden door die scherven heen — natuurlijk ongeschoeid? Hoe zal ze....! Kalm dan Anna! — Ze zal er wel iets op vinden. — Gymnastiek kan altijd te pas komen, heeft Marnix gezegd, \'t Was goed, ook voor meisjes. Ja, dat zal ze nu en aren.

— Welnu, het touw, dat Joost met haar te Arnhem heeft gekocht om er den grooten koffer mee achter op de koetskar te binden, dat sterke, schier nieuwe touw kan haar dienen, \'tls toch niet zoo heel diep, dertig voet. Neen — voor die hoogte is ze niet bevreesd; ze zal die oude kastoren handschoenen aandoen: met de sjaal kan ze den reiszak en misschien ook de parapluie om haar middel binden. Een paar halfversleten leeren laarsjes zal ze los aandoen om niet door de scherven in \'t water gekwetst te worden; en ginds aan de overzij achter het rieten schut zal ze die voor een paar droge kousen en een paar goede bottines verwisselen. — Ja, ze moet voort, al zal ze ook half verminkt in vrijheid komen, al moest ze ook te pletter vallen en sterven. Hier, hier is het haar te eng, hier is geen lucht; zelfs met dat geopende venster geen lucht ... geen licht. -.. phu!

Met bevende hand wordt nu de kaars weer ontstoken, maar terwijl ze dat doet en licht ziet, komt een andere vraag haar beangstigen:

— Wanneer zal het zijn? Wanneer? Nu, in den donkeren nacht? Dat is onmogelijk! Morgen vroeg voor dag en voor dauw? Maar te zeven uren is het nog donker, even donker als nu. En die kastelein heeft gezegd dat de wagen op Arnhem te zeven uren, halfacht afrijdt. .. misschien kwartier voor achten, maar later niet. — En eerst om halfacht breekt de eerst schemering aan, want te-

-ocr page 309-

ANNA ROOZE, 301

acht uren gaat de zon op. Neen, wanneer zij naar den dag wil wachten dan komt ze zonder twijfel te laat. — Maar Tronk heeft immers een rijtuig voor quot;t geval dat de wagen te vol of weg was. Het daglicht moet zij afwachten. Doch — daar komt alweder een ander schrikbeeld haar geest vervullen: als het dag is, halfacht, achturen misschien, dan is die oom, die man reeds in zijn kamer; dan zou hij juist zien....

,0 goede lieve God!quot; zucht Anna met saamgedrukte handen: „zou het dan mogelijk toch verkeerd, toch onverstandig kunnen zijn! Maar wie is het dan die mij telkens toeroept en toefluistert; Sta uw Emma ter zij. Red de arme beschuldigde. Tracht naar hulp voor een ongelukkige tante. Zoek raad en troost voor u zelve? — En wat is het dan dat mij hier zoo angstig maakt, zoo bitter, bitter angstig? O goede God! Gij weet het! Gij weet dat ik sterven zou indien ik langer hier blijven moest.quot; En, in weerwil dat ze wel eens diep gevoeld heeft, dat bidden niet anders zijn kan dan zich overgeven aan- en eenswillendheid oefenen met den Heer van hemel en aarde, zoo vraagt ze nu toch met den zielvollen blik naar boven:

„Help mij o God, help Gij mij. Gij! o almachtige Vader!quot;

— Zie, dat sterkt, dat geeft kracht. De gedachte aan des Eeuwigen bijstand wekt haar op. — Is het geen hersenschim ? Neen, die in de ure van angst of smart muurvast op God vertrouwt is sterker, krachtiger. Wat is die meerdere kracht? Zou dat dan God niet wezen....? „Ja Vader, overal en in alles zijt Gij. U zal mij niemand ontrooven. Help mij, almachtige Vader!quot;

Alsof het mogelijk ware dat een toevallige omstandigheid haar straks het openen van de deuren heeft belet, of dat het alles slechts het spel eener opgewekte verbeelding is geweest, nog eens beproeft Anna hetgeen haar in \'t eind onmogelijk is. Zij luistert.... luistert.. . maar verneemt niets. — Alles is stil in het holle ontredderde kasteel.

Buiten slaat de dorpsklok tien. — Tien, nu reeds tien! En men heeft haar zelfs de karige avondbete onthouden. Zon ze moeten hier blijven om te verhongeren misschien!

Anna zet haar horloge een half uur vóór. Alles wat zij zal behoeven om vóór zeven uren — en dus toch in \'t donker — te ontvluchten, legt ze bijeen. In het touw dat sterk en lang genoeg, maar wel wat dun voor haar doel is, legt ze eenige liksche knoopen om haar in het dalen tot rustpunten te dienen. — Doch \'tzal noodig zijn vooruit wat nieuwe kracht te vergaren. Ja, zij is schrikkelijk vermoeid en gloeierig koud. Ze moet zich te bed begeven maar ontkleeden zal ze zich niet.

Nu heeft ze zich ter ruste gelegd, \'t Is weer donker op de torenkamer. De vetkaars — nog omstreeks drie vingerdikten lang, staat met de lucifers er naast op het beddetafeltje, en het horloge, dat daarnevens vlak aan den rand van het tafeltje ligt, tikt onstuimig hard en nu altijd hoorbaar juist naast haar oor.

— Tikt het horloge niet meer. ...? Ja wel, ja wel het tikt nog.

-ocr page 310-

302 ANNA BOOZE.

Maar.... nu tikt het niet m----Ja wel, zelfs hard, veel harder dan

straks. En de muizen loopen weer over den zolder, hoor.... en het horloge tikt.... Jawel, en dat zelfde rotten- of muizengeknabbel achter of bij de kast.... Dat is.... Het horloge het tikt ... niet....

Neen, een ganschen langen tijd heeft ze het niet gehoord; maar nu, nu hoort ze het wel. Wat is dat? Lieve God, breekt de dageraad aan; wordt het al dag, en ligt ze nog hier!

Met een hart, heviger bonzende dan ooit te voren, vliegt ze haar leger uit; ijlt — en op haar bloote voeten — naar het venster waarvan ze \'s avonds de gordijn heeft losgelaten. Zal het nog tijd zijn? Zal ze niet te laat komen? Zou hij nog slapen? — Het touw, dat ze stevig aan het vensterscharnier wil bevestigen, zit, door de knoopen die ze er denvorigen avond in maakte, geward. Ku steekt ze door, en weder én nogmaals, maar het touw verwart hoe langer hoe meer; zij moet het doorsnijden. — Waar is de schaar? in haar werkdoos; en de werkdoos in den reiszak; de sleutel van den reiszak in den zak van haar japon. —^ En.... zij zal te laat komen, en, h ij zal haar zien!

Het angstzweet droppelt de arme langs de slapen. Goddank, daar is het touw en zonder doorsnijden schier als vanzelf met eene kleine wending ontward.

Nu wordt het aan \'t scharnier bevestigd, sterk, met twee — zes — acht knoopen; doch, terwijl thans het losse eind naar buiten wordt geworpen, ziet zij dat het te kort, een vreeselijk eind te kort is. En haar tintelende vingertoppen spitsen zich om dien vreese-lijken knoop aan het scharnier weer los te nijpen. En — ze meent gerucht te hooren, gekraak in het aangrenzend vertrek. Maar neen, het was de rat achter de kast. — Daar komt de zon bloedrood te voorschijn. Doch hoor, de torenklok slaat zes. \'t Zal nog niet te laat zijn. Het touw is los. — Zich vooroverbuigende werpt ze het nu weder uit, om te zien hoeveel er aan de lengte ontbreekt.... Hi! Daar ontglipt het haar vingers en valt in het water.. .

Een ijskou doorvlijmt hare borst. — Weer hoort ze gekraak. — Spoed! — En zie, de saaien venstergordijn grijpt ze, en rukt haar met geweld van boven neer; en de breedte met het oog bepalende, scheurt ze haar in acht deelen. De einden knoopt ze saam, doch, in haar vreeselijke onrust driemaal in vergissing zóó, dat zij de uiteinden van twee vereenigde banen aan elkander bindt. — Ach, ze wil bedaard zijn, maar ze kan het niet meer. — Daar hangt nu het zonderlinge koord naar buiten, goed bevestigd doch, door den wind bewogen en wuivende naar de zij van oom Lijnings venster. Moed! moed!! Vreeselijk bonst dat hart. Met de wollen sjaal bindt zij zich den reiszak oin de middel. De parapluie glijdt telkens onder dat bindsel uit. — Zie, daar werpt zij de parapluie naar buiten naar de overzij, doch — zij komt midden in de gracht te recht. — En nu, vaarwel! vaarwel!.... Daar springt ze op de breede vensterbank. Vast, vreeselijk vast grijpt ze het geïmproviseerde groene koord. Met een vluggen sprong is zij buiten het raam. Goed, goed!

-ocr page 311-

ANNA BOOZE, 30$

zij glijdt zachtkens naar beneden. Maar, nu niet meer. .. ach! zij heeft haar horloge, haar hoed, haar leeren laarsjes om de gracht te-doorwaden, haar kousen en schoenen, dat alles en nog meer heeft ze vergeten. Zij ziet naar het venster op.... twee grepen doet zij naar boven.... en.... O God!. ... daarboven voor het geopende venster staat hij; die vreeselijke oogen zien als slangenoogen op haar neer. — Haar gansche lichaam is een vuurgloed gelijk. De krachten om zich vast te houden schieten bijna te kort. — „Help, help!quot; gilt ze. Maar hij grijnst haar tegen. — „Help! Help !r krijscht ze luider, want de macht om te dalen ontzinkt haar bij dien vreeselijken blik.... Hij grijpt den slinger waaraan ze zich, radeloos gillende, vastklemt. Met één ruk heef? hij hem los van het scharnier. — Hij heft haar omhoog; zijn oogen puilen hem uit de kassen.... ze branden als vurige dolken. Hahaha lacht hij, en strekt de dorre hand naar haar haren uit. Maar — „Help, help!quot; gilt ze sterker. De handen waarmee ze zich vastklemt laat ze los. O God! daar smakt ze naar beneden, en.... Uit een vreeselijken droom is Anna ontwaakt.

Nu — in de werkelijkheid — ijlings overeind gerezen, strijkt Anna zich met de bevende hand langs het gloeiende voorhoofd. Het was een droom, de nachtmerrie misschien. Ontzettend! Maar toch ja, \'t was een droom, want zie, \'tis nog donker; de glimp van het venster, waarvan ze inderdaad de gordijn heeft opengelaten, die glimp is wel zichtbaar maar \'tis nog donker buiten, nog heelemaal

nacht. En, er is niemand----neen! Hij — hij met dien blik, neen

hij is er niet.. .. Hu! dat was een droom.

— Of het al laat zou wezen? — Het horloge tikt nog; nog altijd vreeselijk hard. Zij wil een lucifer aansteken om even te zien. .. Doch, hoor... daar slaat juist haar .trouwe altijd wakende gezellin, de Mulderspeetsche torenklok; — Een — Anna luistert. Twee —

drie--vier--vijf--zes----Al zes uren, zóó laat! —

Zeven — Zeven! zij buigt zich verder naar buiten alsof ze haar ooren niet vertrouwt. — Acht — vervolgt de klok. Acht! zou het mogelijk zijn, en nog zóó donker! Negen — klinkt het schijnbaar

luider. — Tien--dreunt het als zeer nabij. — Elf — galmt het

nog eens.... en, met elf sterft de naklank uit....

— Nog pas één uur was zij te bed. Pas één uur, en reeds had ze zulk een benauwden droom. Wat zal die nacht lang wezen, vreeselijk lang!

Het overeind-zitten en de koude hebben haar een weinig ver-frischt. — \'tls toch goed dat ze nog wat slapen kan. Haar oogen doen zeer van den slaap. Zij geeuwt. Ze glijdt weer neer op het kussen; geeuwt nog eens, en hoort opnieuw het horloge-getik, en gekraak, en muizengeknabbel, maar — slaapt weer in.

-ocr page 312-

L

I

i f

i I

.

i i

i

I j

_______________

Xsm

—. ..........

-ocr page 313-
-ocr page 314-
-ocr page 315-
-ocr page 316-