|
Vak 159 .1 Prijs |
immiimiiiiiiiiiiimiiiiimiiiiiiiiimiiiiiiiiiiimmiiimiiiiiiiiiiiim ÏQI-2EATT0N. — 1 3^ Cent. t |
ZOU-I T WEL WETEN ?
MEER DAN
HONDERD RECEPTEN
VOOR
Dames eo Heeren die gelaatskennis willen opdoen.
Verzameld uit de Apotheek ïan Laïater amp; Co.,
BEWERKT DOOR
DWARS K IJ KER
Schrijver van: ,.Hij za! \'t wel weten.quot;
21
=ite|lt;SE
^ T TrA.N LANGENHUYSEN, Amsterdam.
__ _ U Z E L V E N. -
...........................................................................................................................
A / vf 1 J
Zou-i\'t wel weten?
MEER DAN
HONDERD RECEPTEN
Dames en Heeren die gelaalskennis willen opdoen.
Verzameld uit de Apotheek van Lavater amp; Go.,
BEWERKT DOOR
DWARSKIJKER
Schrijver van; „Hij zal \'t wel weten\'.
t f gt; 1 r \' gt;*
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2824 188 7
Amsterdam, C. L. VAN LANGENHUYSEN.
VERKLARING DER TITELOPSCH RIFTEN.
FfwSi atavróv, „Ken u zei venquot; ; opschrift van den orakel-tempel te Delphi.
Omnia mecum porto: „Al wat ik heb draag ik met mijquot;, zei de wijsgeer Bias, toen allen met hunne goederen voor de Perzen vluchtten, en hij niets medenam. Ieder mensch draagt zoo ook al het zijne, d. i. wat zijn gemoed inhoudt, op zijn gelaat te lezen.
Quaero hominem: „Ik zoek een mensch!quot; riep Diogenes, toen hij op klaarlichten dag met een lantaarntje rondliep. Hoe moeilijk is het inderdaad, iemand te vinden, die in alle opzichten den naam mensch volkomen verdient. De gelaatskennis maakt dit gemakkelijk.
INHOUD.
Bladz.
VOORWOORD.......................................... I
OVER HET VOORHOOFD................................ 7
OVER DE LINIAMENTEN IN HET VOORHOOFD.............. 12
OVER DE OOGEN...................................... l6
OVER DE WENKBRAUWEN............................... 22
OVER DEN NEUS....................................... 26
OVER DE WANGEN..................................... 30
OVER DEN MOND...................................... 32
OVER HET VOORHOOFD EN DEN MOND IN VERBAND MET
ELKANDER......................................... 36
OVER DE KIN.......................%.................. 37
OVER KENMERKEN VAN DOMHEID....................... 38
OVER ARGLISTIGHEID.................................. 43
OVER EIGENZINNIGHEID............................... 44
OVER DEUGNIETEN.................................... 45
OVER HUICHELAARS EN WANKELMOEDIGEN............... 46
OVER LACHERS........................................ 48
OVER DENKERS....................................... 5 I
IETS OVER DE VROUWEN IN HET BIJZONDER.............. 53
ALGEMEENE REGELEN.................................. 57
VOORWOORD.
„Zou i \'t wel weten?quot; vroeg mij, in Am-sterdamsch dialect, een zekere jonge heer Dinges, op den zooveelsten dag van de maand die of dat, van het jaar 1800 en nog wat, „zou i \'t wel weten? Hij kijkt de minsen in d\'r gezicht an, mit oogen of-i ze deurboren wil, en \'t is net of-i \'n plek op d\'r vessie ziet, daar \'n spiegeltje in is, waardeur-i in d\'r hart en nieren kan kijken. En, waarachtig, hoor! i raait het altijd; of, zie je, nouwel niet altijd, maar toch de meeste keeren. Zeg, wat dunkt jou nou, sott i \'t wel weten ?quot;
„Nou,quot; zei ik, ook in Amsterdamsch dialect, (want dat dialect zit den Amsterdammers in „hart en nieren,quot; al schrijven zij als brave stylisten), „nou, of-i \'t weet, weet ik niet. Maar, dat zal toch wel te bezien staan.quot;
1
2
Tot verklaring van dit korte gesprek, diene het volgende.
De man, die de plek op het vesje zag, waarin het spiegeltje was, dat de inhoud van „hart en nierenquot; terugkaatste, was een dier grijsaards, die onder de zilveren haren een welbesneden en regelmatig gevormd gelaat dragen, met geregelde en onafgebroken voorhoofdsplooien, welke den denker verraden, met de diepe behoefte aan zuivere, zekere en samenhangende begrippen. Een dier werkzame geesten, die den uiterlijken mensch in den omgang bespieden, en nooit nalaten elke zielsuiting daarmeè in verband te brengen. Een, die de gelaatsleer beoefend had, op den grondslag, den eenigen, waren grondslag; een levenslange ondervinding.
Wat zag hij, en waaraan zag hij ?
Stelt die vraag eens tot u-zelven.
Want, waarlijk! wij zijn allen, tot op zekere hoogte, in meer of mindere mate, gelaatskenners.
Den soldaat kent gij aan zijn uniform. Maar hoe komt het, dat gij een geestelijk persoon, zonder een onderscheidend gewaad, aanzijn ingetogen gelaat herkent? Hoe komt het, dat gij den geheimen politie-agent van een ander weet te onderscheiden; hoe komt het, dat gij tegen dezen zegt: hij heeft het gelaat van een gluiper.
3
en tegen genen: hij heeft een dom of een geleerd gezicht? Hij is bedroefd, verblijd, wraakzuchtig onbeduidend?
Zijn daarvoor dan vastgestelde regels, zijn er gelaatstrekken,overeenkomstig de zielstoestanden?
Sedert de grijze oudheid hebben intelligente mannen de gelaatstrekken hunner medemenschen bespied en in verband gebracht met hunne Innerlijke zielstoestanden. En zij hebben aanteeke-ning gehouden van hunne bevinding.
Er zijn physionomische studiën in het licht verschenen van Michel Scot, Jean Baptista Porta, Taisnerus, Joannes ab Indagina, Strickius, Meyëns en Lavater! De namen van de mannen, die over de gelaatsleer hebben gebazeld, als de kermisklant voor zijn tent over den spiegel des geheims, of als een kaartlegster of horoscooptrekker, blijven buiten rekening.
Men heeft aldus regels opgeteekend, nadat men waargenomen had.
Maar die regels ?
Welnu, er zijn uitzonderingen op die regels, vele zelfs.
Nog iets. Er zijn, in menigte, misvormingen in gelaatstrekken, door natuurlijke of toevallige oorzaken; iedere landaard heeft zijn eigenaardige hoofdvormen, enz., enz.
Dat neemt niet weg : er zijn regels, die door de menigvuldige uitzonderingen niet te niet worden gedaan.
Gij, wie gij ook zijt, brengt dagelijks in toepassing de wet, die spreekt uit het gevleugelde woord: het gelaat is de spiegel der ziel.
Maar, ik vraag het u, wat is de grondslag, waarop gij bij eene eerste of na eene korte kennismaking een oordeel over uw evenmensch denkt of spreekt?
Gij zegt: de eerste indruk, dien ik van iemand ontvang.
Goed en wel! Maar van waar komt die indruk?
Toch wel niet uit de kleur van een jas of een japon ?
Gij ontvangt dien uit het gelaat.
Daarin ziet gij iets, wat u mee- of tegenvalt. Maar wat ziet gij eigenlijk toch wel? Kunt gij het zoo dadelijk definitiëeren, de definitie onthouden en bij elk ander in toepassing brengen?
Welke trekken in het gelaat geven u aanleiding te zeggen, dat die man of die vrouw norsch is, of bedroefd of lijdend, of opgeruimd ?
Zijt gij niet nieuwsgierig hoe en op welke wijze eminente mannen de regels, die zij na eene lange ondervinding en nasporing machtig zijn
5
geworden, hebben geformuleerd? Ja? Welnu, hier zijn ze, in een hollandsch taaikostuum gestoken. Hier zijn ze . . de definitiën van de gevolgtrekkingen, die gij bijna dagelijks, meer of minder bewust, ten opzichte van uwe medemenschen maakt, omtrent hun uiterlijk, in betrekking tot het innerlijke. Hier zijn ze, en als gij ze in toepassing brengt (altijd voorzichtig en nooit haastig of liefdeloos), dan zult gij te meer en te beter weten, van waar die eerste indruk wel eens komt; — die eerste indruk, die zoo bedriegelijk is, die zoo dikwijls aanleiding geeft tot liefdelooze vergissingen.
De bewerker stelt eiken lezer of iedere lezeres van dit boekje een akkoord voor.
De ondergeteekende, eenerzijds, verbindt zich te geven eene bewerking van een uittreksel uit Lavaters arbeid over de gelaatsleer, bestaande uit meer dan honderd recepten; terwijl de lezer en lezeres, anderzijds, op hun eerewoord zich zullen verbinden tot de nakoming van de volgende bepalingen:
a). Beproeft alles en behoudt alleen datgene, wat de proef kan doorstaan.
b). Gebruikt deze recepten; maar misbruikt ze nooit.
c). Weest nooit te schielijk met uwe gevolgtrekkingen.
7
6
d). Weest voorzichtig in de toepassing der aangegeven regels.
Bv. Leest gij : die trek in het gelaat is het kenmerk van domheid, vergeet dan niet, dat gij weieens verstandige menschen kunt aantreffen, die dien trek ook in het gelaat hebben; maar houdt u tevens verzekerd, dat gij bij een waarlijk dom mensch dien trek nooit missen zult.
„Zou i V tv cl weten?quot; vroeg jonge heer Dinges mij van den man, die een spiegel op het vesje zag.
„Zon i 7 wel weten?quot; Vraagt het ook na de lezing van elk recept, en houdt het antwoord, na een rijp onderzoek, maar voor u zeiven.
Nog één goede raad, en dan neem ik afscheid.
Draagt steeds bij de lezing en beoefening dezer recepten eene teedere liefde toe aan moeder Voorzichtigheid, en volbrengt trouw de bepalingen van het accoord met
K
Dwarskijker.
OVER HET VOORHOOFD.
Ziet ge, in het midden van een schoon gevormd voorhoofd, een rechte en duidelijk zichtbare plooi loopen van den neuswortel af naar boven, die ongeveer een derde van het voorhoofd beslaat, en merkt gij daarbij op, dat die plooi loopt tus-schen sterk ineengedrongen wenkbrauwen, — dan kunt ge, in den regel verzekerd zijn te doen te hebben, met een bestendig wijs en manlijk karakter.
Ziet ge, in zulk een voorhoofd, twee van deze plooien, die vrij wel evenwijdig loopen, dan kunt ge, in de meeste gevallen, tot dezelfde conclusie komen. Let nu wel op, dat dit bijna altijd regel is zoowel voor mannen, als voor vrouwen. Maar,
8
uitzonderingen op dezen regel treft men bij mannen meer aan dan bij vrouwen.
En toch zult gij dikwijls ztvakzinnigJicid, on-besiendigheid, kortzichtigheid, enz. enz. aantreffen in het karakter van menschen, die een plooi in het voorhoofd hebben. Maar .... ziet maar eens goed toe, of bij dezulken die plooi niet langer is dan een derde van het voorhoofd, of die plooi niet min duidelijk merkbaar is. Let maar eens op, of de wenkbrauwen wel dicht ineengedrongen van haar zijn.
Heeft mijnheer die of die, of mejuffrouw zus of zoo, een langwerpig voorhoofd met een strak gespannen opperhuid; zoo\'n voorhoofd, waarop zoo zeldzaam een plooitje verschijnt, als mijnheer of mejuffrouw bedroefd of verblijd is; dan is mijnheer of mejuffrouw gemeenlijk erg koud van karakter. Meer nog! Treft gij lastige, onverschillige, halsstarrige, eigenzinnige menschen aan, — ziet maar eens goed toe of zij niet meestal zoo\'n langwerpig voorhoofd hebben, met een strak gespannen opperhuid. En meestal zult gij oo de voorhoofden van dezulken een plooitje missen.
9
Het bovengedeelte van den neus, dat aan het voorhoofd grenst, noemt men den neuswortel. Is nu het voorhoofd aan den neuswortel sterk vooruitgebogen, en loopt het hellend naar de kruin opwaarts, dus in schuinsche richting; is het voorhoofd zelve daarbij merkbaar vlak, zonder buigingen of bulten; en is zulk een voorhoofd het eigendom van een man of een vrouw met een bochtigen neus en langwerpige beneden-deelen van het gelaat, -- weest dan voorzichtig. Men heelt opgemerkt, dat in een dergelijk voorhoofd zelden veel goeds schuilt. Maar denkt er om, dat ook op dezen regel uitzonderingen zijn.
Maar nu een voorhoofd, in de omgekeerde richting, d. i. een voorhoofd dat aan de kruin iets uitwaarts, en aan den neuswortel iets inwaarts wijkt? Welnu, bij volwassen menschen, is dit veelal een teeken van ziels zwakte. De meeste angstige, kleingeestige menschen hebben zulk een voorhoofd.
Op de voorhoofden van sommigen ziet men eenvoudige en rechtlijnige vlakken. Maar op de voorhoofden van anderen ontwaart men soms bochten, welvingen of diepten. De eerste soort
10
voorhoofden vindt men in den regel bij lieden,
die men middelmatig, armoedig aan denkkracht en gevoelloos noemt. Terwijl de andere soort van voorhoofden te vinden is bij het gelaat van int-
stekend denkende, gevoelvolle, voortreffelijke menschen.
Ziet ge een schoon gewelfd, groot voorhoofd, besluit daaruit dan niet te spoedig, dat het een voorhoofd van een geniaal mensch is. Gaat met dezulken maar eens eenigen tijd om. En bevindt gij dan, dat die man of die vrouw grillig, kinderachtig, dzvaas of half wijs is, dan zult gij bij zulk een schoon gewelfd voorhoofd, in den regel, zwakke, wilde of verwarde wenkbrauwen aantreffen.
Een ronden knobbel boven het rechteroog, of een knobbel boven het linkeroog, op een langwerpig voorhoofd, — hebben meest alle onverzettelijke, stijfhoofdige karakters. En dit is zonderling, bij die onverzettelijkheid en stijfhoofdigheid, hebben velen van dezen iets geniaals. Maar de uitingen daarvan zijn zeldzaam bedaard, zeldzaam gepaard met ontledende, beredeneerde verstandigheid. Die uitingen van hun genialiteit komen altijd snel op, en worden dan met
11
stijfzinnigheid vastgehouden. Zelden doen deze menschen van hun begrip afstand tengevolge van het overtuigend redeneeren van een ander, en, doen zij afstand daarvan, dan is het meestal ten gevolge van een plotseling opkomende wankelmoedigheid. En — dan worden zij koel of gemaakt hoffelijk.
OVER DE LINIAMENTEN IN HET VOORHOOFD.
Duizende malen hebt ge in een voorhoofd, dat gij aanschouwdet, vouwen, rimpels of fronsels gezien. Men noemt deze lijnen of insnijdingen: liniamenten. Deze liniamenten zijn van veel be-teekenis in de gelaatsleer.
Gij kunt u bijna dagelijks overtuigen, dat de physionomische stelling bijna altijd opgaat, die aldus redeneert: scheeve of schuinloopende liniamenten in een voorhoofd, vindt gij meestal bij scheeve, niet rechtgeaarde karakters. Men-schen, met scheeve en schuinloopende liniamenten in het voorhoofd zijn, in den regel, pakhuizen met een groote lading van argivaan en nog wat, behalve met een genoegzame hoeveelheid aange-
13
naamheid in den omgang. Daarentegen^ zijn die liniamenten aanwezig, goed geordend en niet al te diep gegroefd (ook al zijn zij afgebroken, of niet over het geheele voorhoofdvlak doorloopend), dan zijn zij bijna altijd zeker een teeken van een geregeld, verstandig, wijs, eerlijk en oprecht denkend mensch.
Buiten deze scheeve en regelmatig verticale
O O
liniamenten, kunt gij in eenige voorhoofden ook vouwen of rimpels aantreffen, die iets of wat gelijken op een boogje: kromme liniamenten.
Weet ge welke lieden in den regel die boog-liniamenten op hun voorhoofd hebben ?
Domme en onbevattelijke menschen. Voornamelijk wanneer die boogrimpels zich op het bovengedeelte van een voorhoofd vertoonen, terwijl het benedengedeelte vlak blijft.
Er zijn lieden van wie men zegt: dat is een „zwak zieltje.quot; Bedoelt men daarmede, dat dergelijke lui aan geesteszwakheid laboreeren, dan zegt men dat in den regel van lieden, die bij de geringste beweging van de opperhuid des
14
voorhoofds veel rimpels daarop vertoonen, die in het midden van het voorhoofdvlak nederwaarts getrokken zijn. Die liniamenten gelijken veel op den top van een gelijkbeenigen driehoek, in omgekeerde richting.
Er zijn ook lieden, bij wie dergelijke liniamenten in gelijkbeenigen driehoekvorm, blijvend en altijd zichtbaar zijn. Weet ge bij welken? Bij hen, die eerstens aan zielszwakte laboreeren en op den koop toe dom en kleingeestig zijn. De domste kleingeestigheid is toch wel de gierigheid. Welnu, wil een schilder de beeltenis van een gierigaard op het doek brengen, dan zorgt hij, dat hij de bovenbedoelde liniamenten op het voorhoofdvlak aanbrengt. En hij heeft gelijk ook. Want de meeste aartsgierigaards hebben deze rimpels op het voorhoofd.
Men treft menschen aan, die aan zielszwakte lijden en daarbij verwilderd zijn. Zoekt bij dezulken nooit naar plooien tusschen de wenkbrauwen; want gij zult ze niet vinden. Maar weet ge, wat ge bij hen wel vindt? Een ruitvormige vlakte of een bobbelachtige breedte boven den neuswortel.
IS
Ordelooze voorhoofdsplooien, ja! die komen voorbij de meeste ordelooze, ruwe, verwilderde en moeilijk te behandelen karakters. Beschouwt maar ééns, of liever veelmalen, ordelooze plooien op voorhoofden, die in tegen elkander strijdende richting liggen, en ga maar eens met de eigenaars daarvan in de samenleving om; een korte poos slechts, en gij zult ondervinden, dat deze regel proefondervindelijk, in de meeste gevallen, bewezen wordt.
En past op, voorzichtig met dezulken, die bij dergelijke voorhoofdsliniën, nog een paar zijdelings, scherploerende kijkers hebben, een vertrokken mond, als zij naar u luisteren, — past op; want gij hebt dan meestentijds te doen met ruwe, strenge, eergierige karakters vol hatelijken argwaan. Ondanks de vele goede eigenschappen, die ook zulken kunnen bezitten, moet gij hoogst voorzichtig zijn.
DE OOGEN.
„Je kunt het wel aan zijn oogen zien?quot; „Alleen zijn oogen bevallen mij niet!quot; „Foei, welke akelige oogen heeft de vent in zijn kop lquot;
Zoo redeneeren zelfs de lieden, die nooit één regel van de gelaatsleer hebben bestudeerd. En wat bewijst dit ? Dat de oogen een onloochenbaren indruk maken op den man of de vrouw, die zij aanschouwen. Het oog is dan ook van overwegend belang in de gelaatsleer. Er is eene groote verscheidenheid waar te nemen in de oogen. Men heeft groote en kleine oogen; men heeft oogen, die helder- en donkerblauw, die bruin, die gitzwart zijn; men heeft oogen, die grijs zijn; de spraakmakende gemeente noemt die soort: kat-tenöogen! Men heeft oogen die gedekt zijn door
17
dichte en minder dikke wimpers, in verschillende kleuren; door dikke en dunne oogleden. Van slechts de voornaamste kunnen wij de desbetreffende gevolgtrekkingen mededeelen.
Daar heb je zeer groote, helderblauwe oogen. Kijkt die van ter zijde aan, en ziet ge dan, dat ze u het begrip geven van doorschijnend te zijn, drukt dan den eigenaar daarvan gerust de hand: hij is, in den regel, een man van groote bekwaamheid. Maar past op en drukt die hand niet al te hard; want, ook al in den regel, is sinjeur licht geraakt, uiterst gevoelig, een beetje moeilijk te behandelen. Daar is bij dezulken, van binnen, veelal een grootere of kleinere dosis argwaan en ijverzucht.
Luistert eens ! Als ge ooit van uw leven wordt uitgenoodigd om een uitgebreide verzameling te gaan bezichtigen van portretten van navorschers en onderzoekers, dan zult ge, als de teekeningen juist zijn, geen andere soort van oogen zien, als deze.
Die heer of die dame daar, heeft kleine, zwarte en heldervonkelende oogen. Zij worden overschaduwd door dichtbegroeide, zwarte wenkbrauwen.
2
i8
Kijkt hem of haar maar eens scherp aan, spreekt of redeneert met hem of met haar een paar malen, en ziet goed toe, als de mond zich tot een spotlach plooit, of het u niet toeschijnt, dat die oogen dieper in de kassen schijnen terug te wijken. Hebt ge \'t waargenomen? Weet ge hoe en wat die heer of die dame is? Een arsenaaltje van doortraptheid, en weest maar voorzichtig voor fijne listige streken.
Maar ziet ge dien akeligen en wel wat onuit-staanbaren spotlach op de lippen niet, dan staat daar voor u een heer of dame, die koel is, diepzinnig koel, maar veelal ordelijk, nauwkeurig, sierlijk in doen en laten en smaakvol.
Bij vroolijkheid een luidruchtige lach, begrijpelijk! Bijna het geheele gelaat toont de sporen van dien lach. Ziet nu maar eens de lieden bij zulk een lach naar de uithoeken van het ocg. Ziet ge daaraan geen plooien, of eenige kleine plooien, weet ge wien ge daar hebt hooren en zien lachen? In den regel een weinigheteekcnend, kinderachtig, vreesachtig, zwak, krachteloos karakter.
19
Sommige menschen hebben lange, spitstoeloo-pende, en bijna horizontale ooghoeken. Zijn de oogen bij dezulken bedekt met dikke oogleden, die den appel half verbergen, dan zijn zij in den regel het eigendom van geniale, sanguinische menschen.
Ziet ge zeer groote oogen die altijd wijd geopend staren, in het hoofd van een man of eene vrouw, kijkt dan eens goed toe, of die oogen al dan niet helder doorschijnend zijn. Is dit wel het geval, glinsteren die oogen u toe, en bewegen zij snel onder smalle, scherpgeteekende boven-oogleden, dan zijn het in den regel oogen van een man of eene vrouw van een vbig doorzicht. Maar. ... ook deze oogen schuilen nog al veel in het hoofd van een oploopcnd, en ook van een trotsch mensch.
Phlegmatische zwakheid van geest bij onze evenmenschen, is in den regel vervelend; melancholische zwakheid van geest niet minder. Weet ge welk een eigenaardig kenmerk dergelijke lieden in den regel aan de oogen hebben? Wenkbrauwen, die smal en niet dicht begroeid.
20
wimpers of oogharen die uit elkaar gegroeid zijn. Deze kenmerken komen meestal voor bij menschen van een zwak lichaamsgestel.
Bij sommigen liggen de oogen diep in de kassen; in den regel zijn zij dan klein en scherp geteekend; in den regel komen zij dan voor onder een beenderig, bijna loodlijnig voorhoofd, van boven rond voorwaarts gebogen, aan den neuswortel iets ingedeukt. Weet ge aan wie dergelijke oogen in den regel toebehooren ? Aan scherpzinnige en schrandcre ■ menschen, wier zielen toch wel wat irotschheid en argwaan verraden, die men toch wel kan rangschikken onder de harde en koude karakters.
Dat bovenste ooglid van wie ook, — och kijkt daarnaar toch altijd het eerst, als ge zoekt naar een geestig, smaakvol, trouwhartig, weldadig en teeder mensch. Maar, zult gij vragen, wat moet ik dan als ik naar zulk een mensch zoek, vinden in dat bovenste ooglid? De oudervinding van hen, die uitgingen om te ondervinden, heeft gezegd, heeft opgeteekend het volgende: Zoekt naar een bovenooglid, dat vooruitsteekt aan het benedengedeelte, dat binnenwaarts wijkt aan het bovengedeelte.
Kijkt toch altijd met genoegzame opmerkzaamheid iemand in de oogen bij eene eerste, en bij
21
verdere kennismaking. Kijkt elkander aan, ter dege, houdt den mond maar dicht en — gelooft mij —- gij zult zwijgend tot elkander spreken. Gij zult een gevoelsgesprek met elkander voeren. Meer nog, kijkt iemand die iets doet, in de oogen. En kijkt dan maar eens goed toe, of zijn blikken in overeenstemming zijn met hetgene hij verricht. Is het u niet duidelijk genoeg; welnu, ik wil wel een voorbeeld ter opheldering geven.
Daar heb je, bijvoorbeeld, iemand, dien gij iets hoort bewonderen, — kijkt in zijn oogen ! Spreekt daaruit, bij die bewondering, geen ernst, geen eerbied, hebt dan ook gerust maar weinig eerbied voor hem, zonder bevreesdheid te koesteren, u aan eene liefdelooze tekortkoming jegens uw evenmensch schuldig te maken. Die menschen beminnen al zeer weinig en worden daarom ook onwillekeurig zeer weinig bemind.
Onderzoekt maar eens, of dit niet in den regel waar is bij wijde, uitpuilende oogen van menschen, die scheeve lippen hebben; bij diepliggende en kleine oogen van menschen, die beenderige en loodlijnige voorhoofden hebben, van de kruin naar den haarwortel schuin afloopend.
22
Gij weet toch, wat de iris, wat de appel van een oog is ? Welnu, als gij het wit van den appel boven en onder den iris van een oog ziet, dan ziet ge een oog, dat doorgaans in gespannen en onnatuurlijken toestand verkeert. Dan ziet ge . . . ook menschen, die altijd gespannen en daarom ook altijd, onmstig, veelal hartstochtelijk, meestal half dwaas zijn. Weest maar voorzichtig met het wegschenken van uw vertrouwen.
Gij zult het, waarlijk, wel nooit doen! Maar mocht gij eens zoeken, naar eigenzinnige menschen, zonder standvastigheid; naar domme lieden, die zich tvijs en verstandig wanen; naar lieden, die koel zijn, maar altijd hun best doen om een zekere warmte in hun daden en ivoorden te laten blijken; naar lieden met een zekere verhitheid, zonder dat een bestendig vuur hun bezielt; — zoekt ze dan onder de lieden, met vaste, uitpuilende oogen, en die laffe en onbeteekenende aangezichten hebben.
OVER DE WENKBRAUWEN.
De ondervinding heeft niet heel veel gevolgtrekkingen kunnen aanteekenen omtrent het meer of mindere lichte of donkere, het meer of mindere dichtbegroeide dons boven de oogen, dat wij wenkbrauw noemen. Weet ge, waarom niet? Omdat de wenkbrauwen meer tot de lijdelijke dan tot de bedrijvende deelen van het gelaat behooren. Gevolgtrekkingen omtrent het karakter zijn alleen te maken uit de meer of mindere dichtbegroeidheid, en uit den stand, de richting welke men daaraan waarneemt.
Alzoo! Een nette, dichtbegroeide, regelmatig gebogen wenkbrauw, zonder wilde uitgroeiingen, is in den regel een vast teeken van een gezond en manlijk gerijpt karakter. Maar, .... zeldzaam zult gij
24
onder de lieden met deze wenkbrauwen dichterlijk genie aantrefifen; hoogst zeldzaam gulle, uitstralende en beminnelijke hartelijkheid en geestigheid. Gij zult, mocht gij ze zoeken, deze wenkbrauwen aantreffen bij de mannen, die voor diplomaat in de wieg zijn gelegd, bij raadgevers, plannenmakers en proefnemers. Maar nooit, nooit anders, dan bij lieden, die van bedaard overleg houden, bij lieden, die tijd en geduld over hebben voor wikken en wegen. Bij stoute en vlugge ondernemers zult gij andere wenkbrauwen aantreffen. Ook dit heeft men, na lange waarnemingen ondervonden, dat, al is de ligging van zulk een nette, dichtbegroeide en breede wenkbrauw minder gebogen en meer horizontaal, zij toch altijd het kenmerk blijft van bedaardheid, verstand enplan-nenrijk vermogen. En als nu zulk een stel wenkbrauwen van het boven ooglid eenigszins verwijderd is? Wat hier den doorslag geeft is de netheid, de dichtbegroeidheid, de regelmatigheid van de brauw. Ook dit slag van wenkbrauwen is, in den regel, het kenmerk van gedachtenrijke, slimme hoofden, en buigzame, bravt karakters.
Het is in het algemeen een goed teeken, als de haren van de wenkbrauwen opwaarts groeien.
25
Wilde wenkbrauwen daarentegen voorspellen niet veel goeds. Zelden vindt men bij de eigenaars daarvan zachte en tot gehoorzaamheid geneigde karakters.
Zijn de wenkbrauwharen stoppelig zwart, en nederwaarts gegroeid; beschaduwen zij groote en diepliggende oogen; en treft gij deze brauwen bij heeren of dames, met een knobbelig voorhoofd, bij een scherpe, lange en onafgebroken plooi in de wangen; bij aangezichten, die bij elke beweging en uitdrukking, verachting, trotschheid en koelen hoon vertoonen, dan treft gij in dezulken ook zeer zeker aan wraakgierige en plaagzieke menschen.
OVER DEN NEUS.
Ofschoon de neus door zijn vorm een der meest zichtbare deelen van het menschelijk gelaat is, heeft hij, wat aangaat de physionomische gevolgtrekkingen, niet zeer veel te beteekenen. De gevolgtrekkingen zijn alleen te maken uit de teedere of sterke buigingen, kleine oneffenheden, merkbare golvingen en de meer of mindere diepte aan den neuswortel; dit is, bij den overgang van het voorhoofd tot den neus.
Weest voorzichtig met en vertrouwt niet te veel op een mensch met een sterk nederwaarts zinkenden, een steilen neus. Let maar eens op, of het niet waar is, dat menschen met steile neuzen zelden vergenoegd, van eene edele grootheid van ziel zijn. Let maar eens op, of zij niet in den
27
regel, gehecht zijn aan lage, stoffelijke denkbeelden. Let maar eens op, of ge niet zeldzaam openhartigheid, maar meestal koudheid, teruggetrokkenheid aantreft bij de dragers van die steile neus-soorten. Kijkt maar eens goed op den neus van kwaadaardige luimige menschen, en gij zult bij verreweg de meesten zulk een neussoort aantreffen.
Het tegendeel van steile neuzen, zijn die neuzen, welke aan den wortel eene merkelijke holte hebben, en aan den top opwaarts gebogen zijn. Men noemt deze soort: wipneuzen. Treft gij deze wipneuzen aan bij iemand met een loodlijnig of terugwijkend voorhoofd, dan is hij in den regel de neus van een mensch, die bij een gezonde denkkracht, en eene ru:me mate van begaafdheid, ijverzuchtig en eigensinnig is, van een mensch die lijdt aan gemakzucht.
Men treft menschenkoppen aan, die bij de eerste aanschouwing den indruk geven, dat zij van ruwe, opvliegende personen zijn; van die koppen, met een hoog, vooruitgebogen, verstandig voorhoofd, en een eenigszins vooruitstekenden onderlip. Welnu, merkt gij aan een
28
dergelijken een wipneus op, dan ziet gij ook, in de meeste gevallen, een onvei dragelijk, hard en onwillekeurig mensch voor u.
Zoo\'n gewone wipneus zit nog al in veel gevallen aan een schrander en begaafd gelaat. Maar is zoo\'n wipneus bijzonder klein, en grenst hij aan een buitengewoon lange bovenlip, maakt dan maar geen gevolgtrekkingen omtrent het innerlijke, beoordeeld naar het uiterlijke. Waarom niet? Omdat de variatie van karakter bij menschen met deze neuzensoort zeer groot is.
Men heeft ook gewone neuzen. Wat zijn dat voor neuzen? Dat zijn neuzen zonder merkelijke buigingen of golvingen, zonder dat ze buitengewoon groot of klein zijn. Edele, goede, vernuftige menschen kunnen zulk een neus hebben. Maar zeer groote, voortreffelijke karakters hebben toch een ander soort neus.
Dit, wat aangaat den vorm der neuzen. Nu een enkel woord over de rimpels in de neuzen, en de beweging van de neusvleugels bij sommigen.
29
Ze zijn er niet veel, maar ze zijn er toch, van die neuzen met rimpels er in, als de neus in volkomen staat van rust is. Die rimpels worden, natuurlijk, zichtbaarder bij de geringste optrekking of beweging. Bij deze neuzen vindt men veelal zwaarmoedigheid, terneergedruktheid, \'t Zijn de neuzen, die zoogenaamde brompotten aan het gelaat dragen. Boosaardige en listige menschen hebben veelal zulk een neus.
Nu zijn er ook neuzen, die, als zij in rust zijn, geen rimpels vertoonen; maar die telkens en herhaaldelijk, ook zonder dat men spreekt, en als uit gewoonte rimpels vertoonen. Zeldzaam, hoogst zeldzaam, hoor! vindt ge dat zulke neuzen aan het hoofd van waarlijk goede menschen vast zitten. Evenmin als neuzen, die nooit, wat er ook ge-beure, \'tzij bij lachen of weenen, rimpels vertoonen. Kent gij een aartsboosdoener? Let maar op, of gij wel een rimpel op zijn neus ziet verschijnen. Ik geloof het niet.
Bewegelijke, trillende neusvleugels verraden doorgaans een mensch; als tenminste geen
zenuwachtigheid daarvan de oorzaak is.
• BKKgXfro—-
OVER DE WANGEN.
De blozende, bleeke of gebruinde vleezige vlakten ter wederzijde van het gelaat van een menscli» noemt men de wangen. De wang, in zijn geheel, geeft physionomisch hoegenaamd niets te besluiten. Maar de trek, de plooi, de groef, of hoe gij het noemen wilt, die loopt van even boven den neusvleugel tot den mondhoek, die trek is van hoog belang in de gelaatsleer. Echter niet zoo zeer wat het karakter aangaat; maar meer wat de meerdere of mindere mate van schranderheid en denkkracht betreft.
Ziet, wanneer gij die plooi beschouwt, maar dadelijk of zij rechtlijning of boogsgewijze loopt. In het eerste geval hebt gij, in den regel, een schrander en verstandig mensch vóór u. In het andere
31
geval, als die trek boogsgewijze loopt, dan hebt gij meestal met een dom en bot schepsel te doen. Voornamelijk en des te meer, wanneer die plooi vlak aan den lippenhoek grenst.
Zij zijn hoogst zeldzaam, maar toch zijn zij er, van die menschen, die, als zij lachen, drie boogsgewijze en evenwijdige plooien op den wang ver-toonen. Rangschikt ze gerust maar onder de dommen of dwazen.
OVER DEN MOND.
Er is zeer veel te zeggen van den mond, of wilt gij liever : van de lippen. Die bewegelijke en meest sprekende deelen van het gelaat, al zijn zij in beweging of in rust, geven een ruimen stof tot beschouwingen.
In het algemeen gaat dit zeker op. Een mond, die bij spreken of zwijgen, bij vragen of antwoorden, luisteren of vertellen, lachen of weenen, een welgeregelden en argeloozen trek weet te behouden, — een mond, waarvan de trekken, onder alle omstandigheden in evenredigheid blijven, en nooit een noodlottige plooi vertoonen, die u pijnlijk aandoet, — zulk een mond behoort aan een mensch, tegen wien men zelden een veroordeel zal opvatten.
33
Maar ziet gij, daarentegen, een mond, die, onder welke omstandigheid dan ook, een glimlach van verachting laat zien, — gelooft dan maar gerust, dat daar binnen in het hart, al zeer weinig liefde woont.
Weet ge, waaraan gij dien glimp der verachting op de lippen kunt merken? Hij is zichtbaar, wanneer de mondhoeken zich merkelijk nederwaarts trekken, de onderlip vooruit gaat steken en de bovenlip zich, als het ware, terugtrekt.
Als zoo\'n bovenlip trilt, en dat trillen zoekt te verbergen, weest dan voorzichtig. Zoo\'n trillende bovenlip is, in de meeste gevallen, het teeken van fijne spotzucht, die u tracht te wonden.
Wilt ge iets aflezen van de lippen? Ziet goed toe of ze goed en wel geproportionneerd zijn. Is dit wèl het geval, dan is dit ook een goed teeken. Maar is dit niet het geval; is er eene verkeerde proportie tusschen de boven- en onderlip, dan is dit in de meeste gevallen een teeken van boosheid of dwaasheid.
3
34
Echter, ofschoon de meeste verstandige en byave menschen welgeproportioneerde lippen hebben, maakt één soort van die lippen daar op eene uitzondering. Het zijn de dikke lippen, die zeer groot zijn. Meestal vindt gij onder menschen, met zeer groote, dikke lippen, bitse, ongeschikte, zinnelijke, domme of boosaardige lieden.
Sommige monden, of liever lippen, als zij in rust zijn en niet bewegen, hebben eene opening, waar door heen men de tanden kan zien. Behoort zulk een mond aan een kracht- en geestrijke persoonlijkheid, dan is dat, in den regel een koele, onbarmhartige en strenge persoonlijkheid. De meeste lieden, die zeer licht geneigd zijn zich te verheugen in het leed van anderen, hebben een dergelijk stel lippen.
Er zijn monden, die, gesloten, niets of zeer weinig van het rood der lippen laten zien; monden, waarvan de mondhoeken zich opwaarts kunnen trekken; monden, die, en profil gezien, boogsgewijze loopen van den neus naar den mondhoek; deze monden zijn, in den regel, die
35
van werkzame, vlijtige, vleiende en opgeblazen gierigaards.
Een kleine, smalle mond, onder een neus met • kleine neusgaten, en bij een hoogachtig voorhoofd, is meestal een teeken van schrikachtigheid, vreesachtige blooheid, zwakheid en onbespraaktheid.
Van bloohartigheid gesproken. Weet ge welke uiterlijke kenteekenen, behalve dien kleinen, smallen mond, in den regel eigen zijn aan eene groote mate van bloohartigheid in den mensch ? Ik zal het u zeggen. Een kleine, smalle mond, die meesttijds gesloten is; een lange, hangende kin; groote, sombere, uitpuilende oogen; een hoogachtig voorhoofd.
En nu nog ten slotte eéne waarneming, die vrij algemeen opgaat; doch die nooit ofte nimmer gedaan is, en welke gij ook niet doen kunt, zonder een maatstok ter hand te nemen. Legt dien maatstok op den mond van iemand en teekent de maat aan van den mond, gemeten van mondhoek tot mondhoek. Legt vervolgens dien maatstok r-» i r-s s f^rs WWi
36
op het oog van denzelfden man of dezelfde vrouw, wiens of wier mond gij hebt gemeten, en teekent de maat aan van ooghoek tot ooghoek. Wanneer de maat van den mond juist eens zooveel bedraagt als die van het oog, dan hebt gij, inden regel, de maat genomen van den mond en het oog van een onverstandige.
OVER HET VOORHOOFD EN DEN MOND IN VERBAND MET ELKANDER.
Een geruste, ongedwongen, gesloten mond, met goed geproportionneerde lippen, onder een veel beteekenend, terugwijkend, schoongewelfd en niet van scherpe hoeken voorzien voorhoofd, door een teedere, zachte, bewegelijke huid gedekt; —
ziedaar twee gelaatsdeelen van eiken mensch, die ♦
een schatkoffer van weldadige zegeningen voor zijn evenmensch in zijn binnenste draagt, en den inhoud daarvan kwistig rondstrooit.
ögjgö
OVER DE KIN.
De gelaatkundigen zeggen vrij algemeen, dat een beslist verstandig gevormde kin, het zeker kenteeken is van een beslist verstandig mensch. Maar nu is de vraag, wat heeft men te verstaan door een beslist verstandig gevormde kin? Welke uiterlijke, zichtbare kenmerken zijn daaraan waar te nemen? Die kin is beslissend verstandig van vorm, welke in het midden vertikaal een weinig ingebogen gebroken of gegleufd is ; die kin, welke horizontaal in het midden eene diepte heeft; die kin, waarop men flauwe oneffenheden, kervingen of trekken kan waarnemen.
Lange, breede en grove kinnen (door eene grove kin heeft men hier te verstaan een been-derige kin) vindt men meestal bij ruwe, wreede, trotsche menschen. Zoo\'n lange, breede, grove kin, is gewoonlijk de kin van een geweldenaar.
OVER EENIGE KENMERKEN VAN DOMHEID.
Alweder eenige waarnemingen, die niet gedaan kunnen worden, dan met een maatstok. Meet met dien maatstok den afstand van het boven-ooglid tot den uitersten mondhoek. Meet vervolgens precies de helft van den mond. Wanneer de mondmaat juist de helft beslaat van de maat, genomen van het boven-ooglid tot den uitersten mondhoek, dan hebt gij de maat genomen van een beslist dom mensch.
Neemt de maat van het benedengedeelte van den neus af, tot aan het benedengedeelte van de kin. Wanneer de mondlijn (een denkbeeldige lijn natuurlijk! die gij u daar hebt te denken, waar de lippen op elkander sluiten), juist in het midden
39
daarvan ligt, dan hebt gij in den regel een dom mensch de maat genomen
De maat, welke gij genomen hebt van het ondergedeelte van den neus tot het einde der kin, kan u nogmaals dienen. Wanneer die maat n.1. minder bedraagt dan het derde gedeelte van het geheele gelaat, dan is dat gelaat van een, zoo niet dom dan toch vrij zeker, dzuaas mensch.
Nogmaals kunt gij diezelfde maat toepassen tot het maken van eene gevolgtrekking. Wij hebben gezegd, dat die maat kleiner zijnde, dan die van het derde gedeelte des hoofds, men tot het besluit mocht komen, met een dom mensch te doen te hebben. Maar ingeval die maat grooter is? Trekt daar, in den regel, gerust maar dezelfde conclusie uit. Men zal begrijpen, dat de laatste regels berusten op de evenredigheid van de gelaatsdeelen, en dat men, wanneer het oog daarin eenige geoefendheid heeft verkregen, men den maatstok kan weglaten ; te meer, omdat de meeste domme menschen niet dom genoeg zijn, om zich een maatstok op het gelaat te laten leggen.
40
Ziethier eene proefneming, waarbij minder het nemen van een maat te pas komt; maar waarbij gij een lijn te denken hebt, die van den uithoek van het oog loopt tot den mondhoek. Hoe meer horizontaal rechtstandig deze lijn loopt, hoe dommer de man of de vrouw is, op wien gij deze proefneming toepast.
f
11
Daarentegen moogt gij te meer tot hef: tegendeel besluiten hoe schuiner deze denkbeeldige lijn loopt. In verreweg de meeste gevallen gaat deze regel op.
Nu eene waarneming, waarbij gij twee van deze denkbeeldige lijnen zult moeten trekken. Echter is de proefneming daartoe niet zoo moeilijk, temeer, daar de definitie zich duidelijk en gemakkelijk laat uitdrukken. Ziethier: is de neuslijn, v?in den top tot den wortel, grooter als de voorhoofdslijn van den neuswortel tot de haarkruin, dan hebt ge met een domoor te doen. Meer alledaags en minder technisch uitgedrukt, zou men kunnen zeggen; als het voorhoofd korter is dan den neus, dan staat geen leepert voor u.
41
Nu weer den maatstok ter hand, ol rekent gij, dat uwe „oogmaatquot;, zooals naaisters en kleermakers dat noemen, geoefend genoeg is, laat hem dan maar weg. Eén denkbeeldig lijntje getrokken van den ooghoek naar het midden van den neusvleugel; één denkbeeldig lijntje getrokken van het midden des neusvleugels naar den mondhoek, en — dan deze twee denkbeeldige lijnen, met het oog op de lengte, vergeleken. Is nu de eerste denkbeeldige lijn korter dan de tweede, dan kunt ge, in den regel, besluiten, de maat genomen te hebben van een dom mensch.
Kijkt iemand in de oogen, en met al heel weinig ondervinding kunt gij daaruit lezen of het al dan niet domme oogen zijn. Maar vertrouwt gij u zeiven daarin niet, — \'t is waar, men kan zich zoo licht vergissen, — ziet dan maar eens goed toe, of deze regel niet bijna altijd opgaat: Ieder aangezicht is dom, waarvan de oogen werkelijk meer dan eene oogslengte van elkander afstaan.
Ten slotte nog een paar algemeenheden, die in den regel blijken geven van domheid. Lachen met scheeve lippen, zonder dat er bepaald reden
42
tot lachen bestaat; dat telkens dwalen van het een op het andere, in denken, spreken en handelen, zonder dat daaruit blijkt een bepaald doel of eene bepaalde richting; in het kort, dat geregelde en herhaalde doen, van wat niet te pas komt; dat laten, of verkeerd doen, wat gedaan moet worden met een blijkbaar geesteloos gelaat, zijn vaste kenmerken van domheid.
OVER ARGLISTIGHEID.
Gij haat ongetwijfeld twistzoekers, loose, arglistige samenzweerders; van die menschen, vol argwaan en afkeer, die meestal voor zich zeiven schijnen te leven. Gij haat ze niet alleen, maar gij wilt ze ook zeer zeker zooveel mogelijk vermijden. Weet ge welke gelaatseigenaardigheden gij in dit geval te bestudeeren hebt? Raadpleegt dan het volgende lijstje;
1°. kleine, doffe en slecht geteekende oogen, met loerende blikken;
2°. loodkleurige aangezichten;
3°. rechtopstaande, korte en zwarte haren ;
4°. een opgebogen neus, alias een — wipneus;
5°. een sterk vooruitstekende en opstaande onderlip;
6°. en — zonderling, niet waar? — een verstandig voorhoofd.
44
Neemt maar eens een teekenpotlood en een stukje papier. Teekent daarop, volgens bovenstaand lijstje, een dergelijke menschenkop, en ziet maar eens of al die onaangename zielstoestanden daaruit niet duidelijk spreken.
OVER EIGENZINNIGHEID.
Eigenzinnige menschen zijn lastige menschen. En daar gij altijd of meest altijd moeilijk met hun zult kunnen redeneeren of handelen, raad ik u aan ze stilletjes le laten gaan. Maar daarvoor dient gij te kennen de gelaatseigenaardigheden van die onbuigzame, weerbarstige en eigenzinnige menschen. Hier zijn ze. Een hoog voorhoofd, dat langer is dan de twee overige gedeelten van het aangezicht (van de kin tot den neus, van den top van den neus tot het bovengedeelte van den wortel) een knobbelig hoog voorhoofd, met diepliggende oogen; eene geringe holte aan den neuswortel; een gesloten mond en een breede kin; een loodlijnig en lang aangezichtsprofiel.
OVER DEUGNIETEN.
Weest verstandig en ontvlucht ze. Leert daarom de gelaatseigenaardigheden van het volgende lijstje uit uw hoofd; maar bedenk dat sommige daarvan ook wel voorkomen op het gelaat van brave lieden. Echter, gij kunt u overtuigd houden dat alle deugnieten de meeste daarvan in hun gelaat dragen.
i0. Opgeblazen en slappe kaken;
2°. een groot en voos gezicht;
3°. rechte en ongelokte of ongekrulde haren;
4°, strijdige rimpels en gebroken plooitn in de voorhoofdshuid;
5°. schedels, die zeer snel tegen het voorhoofd afdalen;
6°. oogen, welke nooit natuurlijk op een voorwerp durven staren, maar altijd zijwaarts gluren.
46
7°. En dit alles meesttijds bij een kleine of middelmatige gestalte: Letwel! meesttijds. Want niet altijd hebben wanschepsels van korte of middelmatige gestalte uitsluitend de tuchthuizen bevolkt en veel, veelmalen heeft er een boef van lange gestalte aan de galg gebengeld.
OVER HUICHELAARS EN WANKELMOEDIGEN.
Zwakheid en ijdelhcid, — zietdaar voorname bronnen van huichelarij. Wilt gij den huichelaar spoedig kennen, let dan maar op of het innerlijk in tegenspraak blijkt met het uiterlijk. Kent gij, of hebt gij leeren kennen dat innerlijke als zwak en ijdel, en ziet ge gedurig dat uiterlijke pogingen aanwenden om sterk en nederig te schijnen, ziet ge dit bij het blijkbare valsche aangezichten trekken, met bestudeerde bevalligheid in de beweging; weet en ziet ge, dat van zoo ^mand het binnenste kookt van gramschap, terwijl zijn uiterlijk koelheid en hoffelijkheid vertoont, — dan hebt ge te doen met iemand
47
vol htiiehelarij of vol vol wankelmoedigheid, eene zwakheid, die zoo licht tot huichelarij overslaat.
Nu hebben wij, op de laatste bladzijden wel wat veel gehandeld over de gelaatstrekken van minder aangename karakters. Laat ons nu eens van wat vroolijker en ook wel wat verkwikkender standpunt gevolgtrekkingen te berde brengen. Om wat te verkwikken zullen wij gaan spreken.
OVER LACHERS.
Een mensch die door zijn glimlach den goeden indruk bevestigt, dien wij van hem hebben opgevat, en door zijn luiden of schaterlach daarvan niets verliezen doet; die door zijn zachten en gullen lach, welgevallen om zich heen spreidt; die door een stillen en nauw hoorbaren lach nooit koel verachtenden hoon verraadt; die de inwendige lachjes met liefelijkheid op zijn gelaat laat spreken; let maar eens goed op, of zulk een mensch, geen edel en welgevormd gelaat
48
heeft. Let maar eens op, of in het tegenovergesteld geval het tegendeel niet plaats heeft.
Daarentegen ! ziet gij een glimlach, een glimplach of een grimlach op een gelaat verschijnen of ziet gij een dergelijken lach kwalijk verbergen, wanneer aan armen of ongelukkigen leed geschiedt of wanneer kwaad wordt gesproken van brave of deugdzame lieden, — neemt dan gerust aan, dat in zulk een lichaam een boos hart schuilt. Onder deze lieden vindt gij meestal zul-ken met zeer smalle boven- en onderlippen, een scherp geteekende middellijn van den mond, die zich aan beide uithoeken opwaarts trekt en vooruitstaande tanden laat zien.
OVER DENKERS.
De waarlijk diepzinnige denker is meestal bij den eersten aanblik in zijn gelaat te kennen.
Ziet hem maar tusschen de wenkbrauwen en op den overgang van het voorhoofd tot den neus. Ziet gij daar bochten of holten, fijnheid en door-
49
dringendheid, benevens eene rustelooze werkzaamheid van den geest, dan hebt gij uw man gevonden, als gij een denker zoekt.
Het gelaat van een denker geeft onmiddellijk den indruk van een man met grenzeloooze behoeften naar zuivere, ware, zekere, sluitende begrippen.
De meeste groote geleerden en de schranderste denkers bezitten groote, breede, sprekende neuzen. Beziet slechts de portretten dier groote geesten uit ouden en nieuweren tijd.
4
KARAKTERS.
MANNELIJKE KARAKTERS
kunt gij kennen, aan weinig gerimpelde, niet loodlijnige noch al te veel terugwijkende, niet zeer vlakke of kogelvormige, maar ovale voorhoofden; kunt gij kennen aan dichtbegroeide, regelmatige wenkbrauwen, aan meer dan half, maar nooit geheel geopende oogen; aan een kin, die niet te zeer vooruitsteekt of inwaarts wijkt.
VEELZIJDIGE KARAKTERS.
Ziet naar korte, loodlijnige voorhoofden, van boven knobbelig, die sterk toegerust, maar altijd een zweem van verwarring toonen en tus-schen de wenkbrauwen vlak zijn; groote, he1-dere, vooruitpuilende, blauw-grijze oogen; kleine neuzen; veelal een bleeke kleur; — dit alles.
SI
in meerdere of mindere mate te samen gevat, is een bijna zeker teeken van een verstandig\', ge-dachtenrijk, werkzaam, veelzijdig — nu eens goedhartig, dan weer eens onverzettelijk gestreng, nu eens opgeruimd, dan weer eens ergdenkend en terneergeslagen, karakter.
Men moet de veelzijdige karakters wel onderscheiden van
DUBBELZINNIGE KARAKTERS.
De eerste soort is aannemelijker dan de laatste.
Dubbelzinnige karakters hebben dit eigenaardige, dat de trekken en de kleur van hun gelaat, dikwijls en schielijk veranderen, en in staat zijn die snelle afwisselingen even schielijk te verbergen en hun gelaat in een gerusten en rustigen stand weten terug te brengen.
Dezulken doen dit, wanneer zij door het oog van een opmerker worden bespied. Zulke dubbelzinnige karakters hebben meer verstand dan op-, ~htheid; zij zijn meer man van de wereld dan wijsgeer en hebben veel aanleg voor diplomatischen liet. Zijn het lieden, die zich in een zee van boosheid hebben geworpen, — dan worden hunne geestesgaven vaak vergiftige pijlen.
52
HARDE EN RUWE KARAKTERS.
Ziehier, waaraan harde karakters meestal te onderkennen zijn:
1°. Aan loodlijnige, knobbelige voorhoofden, zeer hoog of zeer laag;
2°. aan spitse, korte, kleine neuzen, met wijde neusgaten;
3°. aan scherpe, fijn ingesneden, lange en gedeelde wangen met afgebroken neusgaten ;
4°. aan merkelijk vooruitstaande ondergebitten.
IETS OVER DE VROUWEN IN HET BIJZONDER.
Is het niet wel wat gevaarlijk voor ons nederig boekje om een paar regels over het vrouwenkarakter, met oprechtheid en zonder terughouding, aan zijn blaadjes toe te vertrouwen? Och, kom. .. en waarom?
Weet ge mij ook te zeggen, of de meeste vrouwen ijdel zijn? Ja?. . . Welnu, dan vraag ik u in gemoede. . . Wat is er sneller gekwetst, dan de ijdelheid eener vrouw ?
Kwetst toch nooit de ijdelheid eener vrouw! Hebt ge het wel eens gedaan? Welnu, dan hebt gij ook gelegenheid gehad op te merken, dat die trekken, die uit de diepte van het vrouwelijk karakter naar het gelaat oprezen, zeldzaam zich vertoonden op het voorhoofd, maar meestal aan de neusvleugels en op den neustop, in de vouwen
54
van de wangen, aan den mondtrek, maar inzonderheid aan den lach.
Een snibbige vrouw is een moordenaresse van de vriendschap.
De snibbigheid kan een vrouw, — natuurlijk! — wel tegengaan, onderdrukken en nalaten; maar verbergen kan zij die niet, hoe listig zij ook wezen moge. Ziet eene vrouw, die snibbig is en het verbergen wil, maar eens van ter zijde, cn profil, aan, -— en duidelijk zult gij de snibbigheid, die zij verbergen wil, zien spreken uit het trillen van den neusvleugel en de bovenlip.
Vrouwen, met behaarde kinnen of bovenlippen zijn, in den regel, wakkere, werkzame en huishoudelijke vrouwen. Maar. . . . jammer genoeg! babbelziek en geneigd om veel te praten over hetzelfde onderwerp of voorwerp; maar. . . . gehecht aan een eenmaal aangenomen begrip en moeilijk daarvan af te brengen.
Behandelt deze klasse van vrouwen a\'.tijd omzichtig, rustig en vriendelijk; treedt haar altijd
SS
tegemoet met een zachte en koele waardigheid, blijft altijd op een voorzichtigen afstand van haar.
Let op den gang eener vrouw!
Is hare gang leelijk, ongeschikt, onaangenaam, onstuimig, scheef, zijwaarts voortdringend en zonder waardigheid; — zeldzaam wordt dit vergoed, door hare bekoorlijkheden. Al heeft zulk eene vrouw een begaafd verstand, — let maar eens op, of haar mond en haar gang geene overeenkomst hebben met haar gedrag.
Zeldzaam spreekt de dankbaarheid uit het hart van zulk eene vrouw, als gij haar goed doet; en zij weet zich dadelijk te wreken, als gij het geringste ten opzichte van haar verzuimt.
Zonderling! Meestal hebben hare voorhoofds-lijnen en de vouwen om haren mond dezelfde richting, als hare gang ; — scheef, — alles scheef!
Eene vrouw met zwellende oogen, een teeder beweeglijke, plooirijke, slappe en losse huid; met een gebogen neus, blozende wangen, stillen en rustigen mond, merkelijke onderkin, een afgerond en zachtzinnig voorhoofd, is, in den regel, welbespraakt, rijk aan verbeeldingskracht en eergierig.
56
Echter, zij vergeten zich licht bij al \\vz.xe. schranderheid.
Eene vrouw, met een diep uitgeholden neuswortel, een gewelfd gemoed, en wat vooruitstekende . . . hondstanden, is, bij hare hatelijkheid en onbeminnelijkheid, veeltijds een gevaarlijk wezen, op het stuk der verleiding.
De ergerlijkste en oneerlijkste vrouwen, die men in de tuchthuizen aantreft, hebben veelal deze physionomische typen.
Doch eindigen wij dit hoofdstukje niet met een onaangename physionomie. Daar spreekt uit de lieftallige vrouwenoogen en heur zacht gelaat zoo eindeloos veel aantrekkelijks en zoets, dat het onmogelijk onder vaste wetten gebracht en beschreven kan worden. Wat zou het ook baten! Is iedere man niet gewoon om uit de vrouwelijke physionomiën waarin hij belang stelt, juist datgene te lezen wat hem het aangenaamst is. Ieder make dus zijn eigene opmerkingen.
ALGEMEENE REGELEN.
Wij willen nog eenige Algemeene Regelen ten beste geven. Zijn de vorige regelen onder veel voorbehoud medegedeeld, ^t zal van de algemeene regelen niet noodig zijn, van zooveel voorbehoud te spseken. Vele daarvan zijn axioma\'s, vele zoo tastbaar en zichtbaar waar, dat zij den geringsten twijfel buiten sluiten.
Hecht niet al te veel, maar toch wel veel aan den eersten indruk.
Gij ontmoet iemand voor het eerst van uw leven; hij is in een toestand van tevredenheid en kalmte. Let op, welken indruk gij van hem verkrijgt, ook al spreekt hij niet tot u. Gevoelt gij u niet gedrukt of hinderlijk, wordt gij in zijn bijzijn vergenoegder, openhartiger, levendiger en
58
tevredener, weest dan verzekerd, dat gij in den omgang met dien mensch zelden zult verliezen, maar meer en meer winnen.
De natuur heeft u voor elkander gevormd; met weinige woorden kunt gij elkander veel zeggen.
Maar weest voorzichtig in de toepassing. Groot is het getal onzer medemenschen, die wij te meer leeren hoogachten^ hoe beter wij ze leeren kennen.
Er moet een oorzaak zijn, die bij eene eerste ontmoeting de overeenstemming bevordert of tegenwerkt.
Is die oorzaak u onbekend, en wilt gij haar weten? Zoekt dan nauwkeurig den trek op in het gelaat, die niet met uw hart overeenstemt. Vindt gij dien op het voorhoofd, in de oogen, aan den neus, op de kaken, aan de kin, — vreest dan niet te spoedig . voor dien persoon. Maar vindt gij den hinderlijken trek om den mond, let dan maar eens goed op, onder welke omstandigheden die trek het sterkst spreekt en gij kunt bijna altijd zeker zijn, op deze wijze, den hoofdtrek van zijn karakter gevonden te hebben!
Zoekt in den omgang met uwe medemen-
59
schen naar een trek op het gelaat, die u gedurig in het oog valt; een trek, die, nadat hij verdwenen is, gestadig onveranderlijk terugkeert; en teruggekeerd, altijd in overeenstemming is met den toestand, waarin de eigenaar van dat gelaat zich bevindt; een trek, die in overeenstemming blijft met het karakter, voor zoo verre het u bekend is; een trek, die altijd en ondert alle omstandigheden zich gelijk bijft. En heb gij zulk een trek gevonden, dan is de persoon\' dien gij zoodanig bespied hebt, geen huichelaar! Bij al zijne menschelijke zwakheid is hij oprecht. Die trek teekent dan uiterlijk, wat er innerlijk schuilt.
Maar neemt gij het tegendeel waar; merkt gij eene in het oog loopende strijdigheid tus-schen het karakter of de daden of de zielstoestanden in dien trek, b. v. weet gij, dat de droefheid of de smart of welke treurige passie ook in de ziel van zulk eenen huist, en gij ziet den trek der gulle vroolijkheid op zijn gelaat, — weest dan voorzichtig!
Het uiterlijke loochent hier het innerlijke.
Wilt gij uw medemensch leeren kennen, let dan vooral goed op de bliksemsnelle oogenblik-
6o
ken der verrassing. Hij, die in oogenblikken van verrassing zijne gelaatstrekken gunstig bewaren kan, die geen noodlottige trekken daarop te voorschijn roept, heeft doorgaans eene edele ziel. Maar hij, die den nijd, de wangunst, de gramschap, verachtenden hoogmoed, of wat ook, in zijne ziel koestert, weest verzekerd, dat deze ondeugden, in de oogenblikken van bliksemsnelle verrassing, van zijn gelaat af te lezen zullen zijn.
Volleerde schurken (en .... diplomaten !) niet medegerekend, geldt deze regel vrij zeker voor bijna alle menschen.
Men treft menschen aan, wier gelaatstrekken zich bijna nooit merkbaar veranderen. Men treft ze aan onder het getal van de zeer dommen, maar ook onder het getal der verstandelijk zeer ontwikkelden. Maar nooit, — nooit zult gij zulk eenen aantreffen, die onder het getal te rangschikken valt, der waarachtig wijze menschen.
Hij, wiens gelaatstrekken zich nooit merkbaar veranderen, is nimmer opgeruimd, levendig: hij is ongezellig in de samenleving; zacht gevoelen beminnelijke teederheid huizen in zulk een ziel nooit.
6i
Gelaatstrekken, die evenredig, duidelijk en zuiver uitgedrukt zijn bij elke merkbare verandering, geven getuigenis van eene verstandige ziel. Zij zijn het eigendom van de meest bruikbare menschen.
Weest voorzichtig met scheeve gestalten, scheeve monden, scheeve neuzen, en met hen, die een scheef, ordeloos en onnoodig verward handschrift bezigen. Meestal is bij dezulken denkwijze, aanleg en manier van handelen scheef; meestal blijven dezulken zich zeiven weinig gelijk.
Onder het getal stervelingen met scheeve gestalten, scheeve monden, scheeve neuzen,scheeve handschriften vindt men de meeste eenzijdige, sophistische, valsche, listige, luimige, twistzieke, koude, schalkachtige, wreede en ongevoelige schepselen. Maar weest voor u zeiven hoogst voorzichtig met de toepassing van dezen regel. Eerst dan moogt gij hieruit eene conclusie trekken, als iets, met inachtneming der voorzichtigheid u gebleken is; terwijl gij vooral niet uit het oog moogt verliezen, dat een neus of een ander lichaamsdeel door een val of een geweldigen slag uit het verband gerukt, enz. enz., buiten de toepassing van dezen regel vallen.
62
Weest voorzichtig in het bijzijn van die vette en cholerieke menschen, die gedurig luidruchtig zijn en gestadig met rustelooze oogen. om zich heenblikken ; die nooit bedaard spreken; die blijkbaar alles met onachtzaamheid en wanorde behandelen, en zich de regelen van hoffelijkheid, beschaving en tact tot eene gewoonte hebben gemaakt.
Maar weest dubbel voorzichtig, wanneer dezulken een ronden, korten en opgebogen neus, een open mond, een ongeregeld bewegende onderlip, een vooroverhangend en onbeschaamd voorhoofd, een luidruchtigen voetstap hebben.
Bij zulken heerscht, in den regel, verachting en hardheid, gebrek aan neiging tot deugd met aanspraak op deugd, en boosheid onder het masker van braafheid.
Vermijdt hem, die met opgeblazenheid en op hoogen toon, beslissingen neemt; wiens oogen met het beslissen grooter en uitpuilender worden ; wiens wenkbrauwen zich opzetten bij het zwellen der aderen; wiens onderlip alsdan onheilspellend trilt of trekt, terwijl de hals opzwelt en de handen vuisten worden. Vermijdt zulk een te meer, als hij oogenblikkelijk stil zwijgt, koele hoffelijkheid
63
aanneemt, zijn oogen in den natuurlijken toestand terugbrengt, de trillingen en trekkingen van de onderlip weet te bedwingen, wanneer plotseling een derde binnentreedt, door wien hij wordt verrast.
Weest voorzichtig met hen, die uit kwade gewoonte (en dus niet door een gebrek aan den bouw van het oog,) scheel kijken of met kleine en heldere oogjes in ongelijke richtingen gluren en daarbij een kleine of kloeke gestalte met een gebogen rug hebben, en altijd een kwalijk ver. borgen glimlach op de lippen dragen.
Ondanks de geestigheid en verstandigheid, die velen dezer soort eigen zijn, vindt men daaronder vele valsche, eerlooze, onbeschaamde, arglistige, baatzuchtige en lage menschen.
Zijt voorzichtig met lieden, die groote oogen dragen in kleine aangezichten, en die trekjes of plooitjes krijgen om den kleinen neus, wanneer zij lachen, zonder dat zij reden tot genoegen hebben.
Die lach is in den regel, een valsche glimlach.
64
Zeer kleine oogen, bolle wangen, volle en afhangende kaken, een onderkin als een zak, bij dikke, ronde en zeer groote lichamen, buitensporig gehecht aan tabak of sterken drank, — zijn, in den regel, losse, slappe, karakterlooze, eerzuchtige, veranderlijke, onzekere, lichtzinnige, wellustige, schraapzuchtige, weinig genietende karakters, moeilijk te behandelen. Weest op uwe hoede met hen; — want, die weinig geniet, kan ook weinig weergeven.
Weest voorzichtig met lieden van een sluipenden en bukkenden of scheeven gang, die bij het ontmoeten terugwijkende bewegingen maken ; die daarbij u scherp aanzien van ter zijde, als gij u omkeert, maar u nooit bedaard :n het aangezicht durven zien: die daarbij altijd kwaad spreken, op alles uitzonderingen, of voor alle zaken, die men bespreekt, tegenwerpingen weten.
Ziet zulken maar naar het voorhoofd, als een oprecht en braaf man beschimpt wordt; van zijn verwilderd voorhoofd af, kunt gij zijn waar ka rakter lezen.
Sluit nooit vriendschap met lieden, die elke
65
poging aanwenden, om gemaakt deftig te zijn en wier innerlijk een arsenaal of een pakhuis van schijnbare zelfverloochening en meer andere gewaande deugden is, en die, zoodra zij buiten gezelschap zijn, terstond blijken geven, dat zij alle gevoel van eigenwaarde, deftige welvoegelijkheid en zelfverloochening afschudden. Zij hebben een ar-glistigen aard.
Ontwijkt bijzonder in het oog loopende, scheef-gluipende, lompe aangezichten, met een breede, vooruitstaanden kin en zichtbare vouwen in de kaken, die u met spottende, maar verborgen hoon, hoffelijk behandelen. Zij vertrouwen u weinig en vragen, ja, eischen veeltijds veel vertrouwen van u af.
Hij, die het merkelijk groote of merkelijk kleine hoofd plotseling achterwaarts trekkend opwaarts heft; altijd de oogen met opmerkzaamheid gevestigd houdt op zijn gang en voetstappen; die zijn groote oogen verwijdend, gedurig zijdelings draait, alsof hij alles moest overzien; die met stilzwijgen den trots u geduldig hoort, en dan kort, droog en machtspreukig antwoordt, en zijn ant-
5
66
woord met een korten lach besluit; die, als gij uw mond tot een wederantwoord opent, met stilzwijgende, maar gebiedende blikken en gefronste wenkbrauwen u tegenmompelt, — deze heeft, bij welke goede hoedanigheden ook, in den regel ook deze drie kwade : eigenzinnigheid, trotschheid en hardheid, terwijl deze veelmalen van leugenachtigheid, arglist en gierigheid vergezeld gaan.
Weest voorzichtig met iemand, die voor u een noodlottigen trek, al is die ook nog zoo gering, in het aangezicht heeft, — een trek, die bij elke beweging op nieuw zichtbaar is, maar nooit geheel en al verdwijnt; maar inzonderheid als die trek zich in den mond of in de mondvouwen vertoont. Er is tusschen u en hem weinig overeenkomst te wachten in vriendschap. Die noodlottige trek zal u altijd voor oogen staan, al is er nog zoo veel goeds in zijn karakter.
Weest hoogst, hoogst voorzichtig met ieder doordringend, veelteekenend en grootöogig gelaat, dat vol, zeer doorvoed, blauw geaderd en geelbruin van kleur is; dat scherpe lippen heeft en knokkig is in het voorkomen. Weest voorzichtig
67
als de drager van een dergelijk gelaat met lage en onderdanige vleierij u te gemoet komt.
Wijlen Judas had een dergelijk gelaat; een vleeschelijke satan zou ongetwijfeld zulk een gelaat hebben.
\'t Zijn in den regel de gelaatseigenaardigheden van de dragers van den onverzoenlijksten en diepsten haat.
Weest voorzichtig met weekheid in harde, en hardheid in weeke aangezichten; beide zijneven-zeer te vreezen.
Ontmoet ge een vlug mensch, of een ruw mensch, die driftig of gejaagd in zijne bezigheden is, en die bij u zich inhoudt, bij u altijd zacht bedaard, wellevend is, die bij u altijd zachtjes lacht, of u tot zacht lachen zoekt te bewegen, — past op, hoor!
De plooi van zijn voorhoofd, de vouwen in zijn wangen, die zijne kunstmatige gelaatstrekken, om u te believen, voorafgaan, en die zich altijd sterk vertoonen, zijn de ware trekken, om u te waarschuwen.
Men noemt deze de waarschuwende trekken in de Gelaatkunde.
68
En nu wij eindigen, ten slotte!
De ouden rekenden de grootste schat van den mensch te zijn: een gezonde ziel in een gezond lichaam.
Voor een gezonde ziel kunt gij althans veel en onophoudelijk zorgen. Verjaagt er met een ongeschokten moed al de adders uit terug, die de ziel ziek maken, en de sporen van die ziekte op uw gelaat achterlaten. Gelooft het vrij, als gij die adders binnen laat nestelen, de adders van haat, nijd, afgunst, dronkenschap, ontucht, — uw gelaat zal het zeer zeker verraden.
Wilt gij eiken trek, dien gij verachtelijk of verwerpelijk hebt bevonden in de vorenstaande • en bovenstaande regelen, in uw gelaat voorkomen, zorgt dan, dat ge zorgvuldig vermijdt datgene, wat tot dien trek aanleiding geeft.
Spreekt gij een levenslang banvonnis uit tegen de adder van eiken lagen hartstocht, die uwe ziel wil binnensluipen, — welnu, het Kaïnsteeken^ dat zij op uw gelaat zal kunnen merken, zal er niet verschijnen.
Nog iets: Weest toch vooral voorzichtig
met de toepassing van de hier gegeven regels.
quot; \' _
o
ps ►n
r*
ngt; ■n
«T
|
o.quot; in (U, O |
|
M3
^ O)
\'S !*r pr «-t co os;
O . oq
cr p
rr
ngt;
P •-t
W
O
lt;
agt;
•n
?r o
O
■o in H
» O 2?
gt; 3
K lt;
O ?ö
r o
ö
o
oi
co
w O
w
Bi
ngt;
C/1
ce o 3* fD ö
Ui H M
ö gt;
CO M
2
»■*
O
3
w
e-t-CD
8»
O
P lt;
gt;
53 O m
•t.
■ÉééU