- HllfSIlM.llSIS
VOOR DE JEUGD IN RUIME BETEEKENIS,
DOOR
Dr. E. DANIËLS.
DOEDEECHT, D. J. VAN BRUMMEN.
1 8 8 7.
HERFSTBLADEREN.
Vak 160
HERFSTBLADEREN.
--casssc/r-
POËZIE
JOR de jeugd in ruime beteekenis,
DOOR
Dr. E. DANIËLS.
quot;Wetenscliap zonder Poëzie is als \'t electrisch licht; helderheid maar geen warmte.
INLEIDING.
Een dichtbundel, vroeger door mij in \'t licht gegeven, vooral bestemd voor de jeugd in ruimere beteekenis, met onderwerpen, genomen uit haar eigen bijzonder leven, en toegelicht door gezonde moraal, was spoedig opgeruimd, en wanneer dus aanvragen naar dien bundel onvoldaan moesten blijven, gevoelde ik mij opgewekt door de verschoonende welwillendheid, waarmede mijn gebrekkig werk door \'t beschaafde publiek ontvangen en verspreid werd, en door de gunstige beoordeelingen, die mij van bevoegde zijde ten deel vielen. Later schreef ik nog wel mijne denkbeelden in gebonden stijl, maar niet met het voornemen om die andermaal uit te geven, dewijl gedurende geruimen tijd een veelbewogen leven mij allerlei hindernissen en bezwaren bij letterkundigen arbeid in den weg legde. Ik dacht er veeleer aan, om op mijn latere studiën te schrijven: „Tegen drukken te bewaren,quot; doch ik gevoelde ook dat teleurstellingen de stations zijn, waar wij toeven om nieuwen moed en nieuwe hoop in te nemen. Belangstellenden wezen mij beurtelings op \'t goede onthaal, \'twelk mijnen vroegeren bundel te beurt viel, en op het voorrecht, dat ik niet ongebruikt genieten mag, namelijk dat mij op tachtigjarigen leeftijd — tegelijk in het een-en-vijftigste jaar mijner geneeskundige loopbaan — nog tamelijk heldere geestvermogens ten dienste staan; daarbij beleefde ik later meer rustige dagen, en zoo geef ik thans mijne „Herfstbladeren,quot; tegelijk niet omgewerkten vroegeren arbeid, der Neder-landsche jeugd ten beste, in de overtuiging dat ze althans voor hare vatbaarheid zullen berekend zijn: immers, Socrates reeds beweerde dat, zoodra kinderen kunnen spreken en eenig oordeel des onderscheids hebben, zij niet meer te jong zijn voor de grondbeginselen van wetenschap; en hij bewees zulks, zoowel door op den Romeinschen keizer Ogtavius te wijzen, die, op twaalf-jarigen leeftijd do door hemzelven gestelde lijkrede op zijne grootmoeder uitsprak voor eene talrijke schare, als door aan Cicero te herinneren, die, slechts dertien jaren oud. eene verhandeling schreef over de Redekunde. quot;Wel mogen de genoemde
VI
celebriteiten niet als regel gelden, maar overleveringen uit het leven van beroemde mannen, zijn en blijven steeds onsterfelijke lessen voor het nageslacht; bovendien heeft ook later tijd meermalen jonge men-schen opgeleverd van uitstekenden aanleg en verwachting. Geen hunner zal ooit een nieuwe prikkel ten goede ongevallig zijn; zij worden daarentegen bemoedigd door mededeelingen als die van Baillot, in zijne beschrijving van beroemde kinderen, dat de meesten dergenen, wier leven en daden hij schetste, den zeventig-jarigen ouderdom hebben bereikt. Wij denken hier onwillekeurig aan het vijfde der tien geboden, of bestaat niet het „iemand eer enquot; ook in het beantwoorden aan zijne goede bedoelingen?
Vaders en moeders! neemt ge dan dezen bundel in handen, en kunt ge dien in die uwer kinderen overreiken, overtuigd dat de inhoud iets beteekent voor tleven, en geschikt is om in \'t jeugdig gemoed de kiem te ontwikkelen of aan te kweeken van \'tgeen goed en schoon is, dan zullen schrijver en uitgever hunne bedoeling volkomenhebbenbereikt.
En hebt Gij, mijne Muze, grafwaarts gebukt, nog moed
Den pas ontplooiden knop de ontstemde lier te wijden.
Moge U het jeugdig hart een goede ontvangst bereiden;
Strijk neder op de bloem, gelijk de vlinder doet;
Streelt ze U door tint en geur, besproei haar telkens weer.
Opdat zij reiner nog en dankbaar moge blozen;
En, treffe U ook een doorn, soms aan de schoonste rozen.
Gehard in ramp en leed, zij \'t U een prikkel meer:
Wijs de Onschuld strik en val, waarin ze zich verwart.
Blijf haar ten gids op \'t gladde en steile pad door \'t leven;
En toon in eiken kring den Vrijbrief U gegeven:
Hij luidt: „Liefde, Ernst en Luim, uit en bestemd voor \'t hart.quot;
AAN DE KEDEBXANDSCHE JEUGD.
Zou voor u, ontloken knoppen,
Sieraad van der Vad\'ren grond! Mi) het hart niet vurig kloppen,
Daar \'k ééns op uw standpunt stond! Als \'k de bronnen, midd\'len, wegen
Vloeien en geopend zie Voor uw vorming, \'k dank den zegen. Vroeger tijd ontbeerde die.
Zie \'k geheele mannenscharen,
Aan de wetenschap gewijd.
Steeds bereid u te verklaren
\'t G-een tot uw bevord\'ring leidt, En uwe ouders dag en nachten
Tot elk offer steeds gereed;
Wie zou dan van u niet wachten, Dat gij \'t ijzer gloeiend smeedt?
Veel — \'t is nog niet lang geleden —
Lag in duisternis gehuld,
Dat, klaar als de zon, reeds heden
Met bewond\'ring u vervult:
Kennis, kunst en wetenschappen Spoeden voorwaarts, onbeperkt; Wee hem, die haar reuzenstappen Wel beleeft, maar niet bemerkt!
8
Sneller dan op arendsvleug\'len,
Reist ge heel de wereld door, Met een vaart niet te beteug\'len, Slechts één vurig ros er voor; Tot in afgelegen oorden
Doet ge u in één wenk verstaan; Pas verzondt gij uwe woorden, En reeds komt er tijding aan.
Zou uw eergevoel nu domm\'len.
Of stroomt in u Neêrlandsch bloed? Zal de weelde in slaap u schomm\'len,
Tot berouw ontwaken doet?
Neen! wat wij van u verwachten, Gij volbrengt het zonder dwang, Bij \'t besef dat plichtbetrachten Immer voert tot hooger rang.
Zoek ze, die van uwe jaren Meerderen in kennis zijn.
Omgang toch leert evenaren;
Wees behulpzaam groot en klein. Treft ge hier of daar gebreken,
(En \'t gebeurt u vroeg of spa)
Merk die op, maar zonder spreken. Volg zoo\'n voorbeeld nimmer na.
Wilt ge er één? Vermijd sigaren,
Als bedwelmend, ongezond;
Toch zult gij den knaap ontwaren,
Die onrijp, er eer in vond. •• Smook- en dampende te spuwen.
Half kind, half volwassen man, Dezen is \'t om van te gruwen.
Gene wordt er kwalijk van.
9
Laat u niet door hem misleiden,
Want is de éérste stap gedaan, Voortgaan valt zwaar te vermijden. Wat niet goed is, lacht ons aan; Ieder der vier jaargetijden
Kweekt zijn eigen plant en kruid; Blijf u aan vooruitgang wijden,
Maar loop nooit uw tijd vooruit.
HET GEWETENquot;.
Een groote geest en uitmuntende bekwaamheden verkrijgen eerst waarde, door een braaf hart en eene edele ziel.
De hoogste wetenschap, de nuttigste ervaring.
Door velen sterk begeerd, door enk\'len slechts bereikt, Is kennis van zichzelf, de weg tot zelfbewaring.
Wel hem, die dag op dag zijn geest met haar verrijkt.
Zij wijst u op uzelf als een tweeslachtig wezen;
Een hand vol ijd\'le stof — een heer van \'t gansch heelal; Een wijle tijds een worm, der wormen prooi na dezen. Een koning op zijn troon, met purper en vazal.
Zij leert; de G-odheid gaf den mensch, \'t volmaakste wezen,
Zijn evenbeeld op aard, bij diepe afhank\'lijkheid,
Door zonde neergestort, door liefde straks herrezen. Een vrijbrief in de wieg, op reis naar de eeuwigheid.
„Geen slaaf!quot; sprak zij, „wees vrij, doch ken ook Mijn geboden,
„Eens vraag Ik het terug, het u betrouwd talent, „Ga! woeker met den tijd, die weldra is gevloden,
„Het is de wijze maagd, die \'t uur des bruigoms kent.quot;
10
Licht dwaalt ge van het spoor op \'s levens kronkelwegen, Een rots hier, ginds een klip, uw tred is niet meer vast;
Nu zet ge ontrust u neêr, en vraagt bedeesd, verlegen: „Was mijn gewin, gelijk \'t den trouwen dienstknecht past?
Leg dan uw hand op \'t hart, uw rechter woont daarbinnen. Hij spreekt uit naam van God \'t onwrikbaar vonnis uit.
Geweten is zijn naam, zijn stem niet te overwinnen,
Geen leugen is in hem, hij spreekt de waarheid luid.
\'t Valt vaak den rechter zwaar een vonnis toe te passen, Waar ondeugd, leugen, list tot vrijspraak sluw besluit.
Maar hier is \'t kracht verspild, hem immer te verrassen , Daar elk getuige zwicht, waar zich de Godsspraak uit.
Zij liet in hare wet de doodstraf zelf in wezen.
Of legt een leven op, in wroeging doorgebracht,
Terwijl op het gelaat het vonnis staat te lezen Van hem, die vruchteloos het te verbergen tracht.
Maar rustig \'t moeilijkst pad met blij gemoed te wand\'len. En rijk te zijn zelfs nog, wanneer behoefte krenkt.
En zegen, vroeg of laat, te oogsten op uw hand\'len;
Dit is de vrucht, die U \'t gerust geweten schenkt.
11
HET VIJFDE GEBOD. («)
Doel en middel.
Vertrouw als kind op uwe ouders en gij zult als mensch op God vertrouwen.
Wat is op aard het doel, waar mensch en kind naar streven, Waaraan men vroeg en laat zijn zorg en krachten wijdt, Van \'t voorbereidingspad, der lieve jeugd gegeven,
Tot aan den avond van d\' onzeek\'ren levenstijd?
\'t Geluk! 0 schoone naam, die zweeft op aller tongen,
Waar — tot de zwakste toe — met reuzenkracht voor strijdt; Gezocht, begeerd, bejaagd en duizendwerf bezongen, Op duizendvoude wijs, en anderen benijd.
Voor genen, schatten, geld, een hooge rang voor dezen,
„Ach! ware ik,quot; zucht een derde — „in al mijn hand\'len vrij;quot; „Dat ik,quot; zoo luidt het ginds, „uit ziekte waar genezen, „Gezondheid is geluk,quot; en, kind\'ren! wat meent gij?
Erkent gij \'t Godsgeschenk, uw aanzijn — in dit leven?
Ziet gij de school er in, die vormt voor de eeuwigheid? En toonde u soms een lijk, hoe ras \'t u kan begeven? Kent dan het middel Gods, dat tot geluk u leidt.
Hij stelt in uwe macht \'t verlengen uwer dagen;
Houdt steeds voor uwen geest Zijn aangehaald gebod. Dan is \'t geluk uw deel, naar \'t god\'lijk welbehagen; Hij die \'t u aanbeval, wordt strafloos niet bespot.
(\') Matth. XXII : 37, 39.
12
Zaagt gij een moeder ooit haar zuigeling verplegen,
Zichzelf vergetende, door zorgen dag en nacht;
Haar innig dierbaar kind bevelen aan Gods zegen?
Diezelfde trouw heeft ook tot hiertoe u gebracht.
En sedert gij voor \'t éérst den vadernaam kondt noemen,
Was niet zijn leven steeds alleen u toegewijd? Om éénmaal, oud en grits, in u te mogen roemen. Als zegen in zijn huis — als mensch in later tijd.
Geen offer was te zwaar om daartoe te geraken;
Hoe drukkend het ook scheen, steeds wist de liefde raad; Hij, die zijn plicht betracht, voor hem blijft de Almacht waken; En, zegt ons dit Zijn Woord, Hij toont het met de daad.
Hebt dan uw ouders lief, en zijt hun tot een zegen:
Door dit als kind te doen, volbrengt gij Gods gebod Zij leiden uwe jeugd en richten uwe wegen,
Zij bidden steeds voor u om een gelukkig lot.
Of reisde \'t oud\'renpaar u vóór naar gindsche kusten.
Terwijl hun taak aan u nog geenszins was volbracht, En staart ge in twijfel op de groeve, waar zij rusten; Het vijfde der geboón behoudt dezelfde kracht.
De Wijsheid, die ontnam, is hoogste Liefde, tevens,
Die u niet hulpeloos als wezen laat op aard.
Voortaan leidt zij uw voet op \'t doornig pad des levens. En is meer dan uw eer en uw aanbidding waard.
13
BIJ HET GRAF MIJNER ECHTGENOOTE,
OVERLEDEN KOET NA DE GEBOORTE VAN ONS KIND
Lieve Anna, dierbre gade,
Plots\'ling van ons weggescheurd!
Ziet gij het, hoe vroeg en spade \'t Hart mij bloedt, mijn ziele treurt?
Ziet gij mij bij \'t wiegje klagen Onzer dierb\'re zuigeling?
Hoort gij \'t schreiend wichtje vragen, Waar toch moeder henen ging?
Ziet gij al mijn machtloos trachten, Ter verzorging van het kind.
Dat wij eens met vreugd verwachtten, En nu niets dan droefheid vindt?
Ja, mijn Engel! uit den Hoogen,
Voor den troon van uwen Heer,
Slaat gi] thans weemoedig de oogen Op ons beide in liefde neêr.
Trouwe levensgezellinne!
Op een doornig, droevig pad
Waart gij mij eene echtvriendinne, Die mijn hart en ziel bezat;
Door uw eenvoud, stille zeden. Onderwerping, Godsdienstzin,
Waart ge steeds, in God tevreden, Tot een zegen voor \'t gezin.
Nu gij leeft in hooger sfeeren,
Werwaarts u mijn geest geleidt.
Blijft ge ons in uw werk nog leeren. Wijzende op Godzaligheid. (1)
1
In een door haar nagelaten bundel.
14
Vader, die mij zulk een gade Schenkt, en liebt teruggevraagd!
\'k Weet op grond van Uw genade, Dat eenmaal een weerzien daagt.
Weldra droogt de traan in de oogen. Straks wordt \'t aardsche leed verzacht,
Als een Engel uit den Hoogen Licht schept in des werelds nacht.
En mijn ziele door de wolken,
Als de vlinder opwaarts zweeft.
Om haar lof U te vertolken.
Daar waar mijne Anna leeft.
Of weerstreeft die bede Uw wegen, Is mijn taak nog niet volbracht?
Vader! schenk mij kracht en zegen. Wijl ik op Uw toekomst wacht.
Blijf Gij mijner kind\'ren Hoeder Op hun glibb\'rig levenspad.
Dit smeek ik, gelijk hun moeder Van haar ziekbed tot U bad.
BIJ EEN MOEDERLOOS KINDJE.
Wat slaapt het zacht, op uwen schoot gelegen,
Mijn dierbaar wicht, die roos, in smart gekweekt; Wat lieve lach zweeft van zijn mondje ons tegen!
Laat hem niet zien, hoe vaders wang verbleekt. Gun hem zijn rust, straks droomt hij, bij \'t ontwaken,
Als hij verrukt u bei zijn armpjes biedt. Van moedermin, die de engel niet mag smaken; Getrouwe voedster! wek hem niet.
15
Ik dank uw zorg, bij dagen en bij nachten,
Uw liefde en trouw, mijn zuigeling gewijd, Die niet vertraagt in helpen eu verzachten,
Die, meer dan ik, voor \'t wicht onmisbaar zijt. \'k Zie ii verheugd hem — als hij dartelt — kozen,
Hem troosten in zijn zuigelingsverdriet,
Met taai geduld aan \'t schomm\'lend wiegje poozen. Rust ook een wijle, wek hem niet!
De slaap is zacht in de eerste kinderdagen,
Als ramp nocll druk de levensvreugde stuit. En als, nog vrij van \'t zorgenjuk te dragen,
„Van \'t spelen moê, ons oog zich \'s avonds sluit;quot; Maar \'tis slechts kort, het tijdperk van ons leven,
Dat argloos, vlug, in onschuld henen vliedt;
Niet altijd blijft de slaap verkwikking geven. En daarom, neen, wek hem nog niet!
Laat hem volop een wijl zijn wellust smaken,
Het matte hoofd zinkt straks droefgeestig neêr; Treft hem de mare, iets later bij \'t ontwaken:
„Rijs, halve wees! gij hebt geen moeder meer.quot; Treurig bericht; of hebt Gij, Albehoeder !
Zwaarder beslist, nog donkerder verschiet? Misschien; „Gij wees! uw vader volgde uw moeder.quot; Ik bid u, wek mijn kindje niet!
Wacht zooveel leed het kind, door U gegeven.
Mijn God! dat kind, waarom de moeder bad. Dat zij mij schonk, ten koste van haar leven, \'t Kind, dat ze in zwakheid aangebeden had ? Wie is zijn gids, zijn leidsman hier beneden.
Als ook mijn ziel haar aardsche hulk ontvliedt? Wie kweekt, wie voedt, wie gordt zijn teng\'re leden? Rust zacht, mijn engel! Wek hem niet!
16
Mijn kind ontwaakt, \'t ontsluit zijn heldere oogen,
Flonk\'rend als glas, blauw als der heem\'len boog; Een rozenwaas komt d\' englentint verhoogen, En statig schouwt het lieve wicht omhoog. Hij dartelt niet, noch speelt gelijk te voren;
Zijn blik is vast. Ziet hij iets in \'t verschiet? Ik staar hem aan, en zachtkens mag ik hooren:
„Mijn vader! vader! wanhoop niet.quot;
„Mijn moeders strijd op aard\' was afgestreden,
„Ze ontving de kroon der Godsvrucht, liefde en trouw; „En was Gods wil in strijd met uw gebeden,
„Herdenken wij in zegening de vrouw,
„Die me onder \'t hart met kommer heeft gedragen,
„Die ons haar trouw, haar liefde had gewijd.
„Maar, vader, hoe! gij zoudt het waarom vragen, „Dat zij hier stierf, en leeft in eeuwigheid!quot;
„Hoe! bij de groef verpletterd, zoudt gij treuren!
„Niet verder zien, dan deze zij\' van \'t graf; „Als Christen \'t hoofd niet biddend tot Hem beuren,
„Wiens wijsheid nam, wat ons Zijn liefde gaf; „Was \'t slechts één storm, uw zestigjarig leven,
„Nog vóór den nacht bedaart wellicht de orkaan. „Leef voor uw kroost! Ware \'tin mijn macht gegeven, „Hoe kort wellicht nog zoudt ge op rozen gaan.quot;
„Laat \'k menig les nog uit uw mond vergaren,
„En, als \'k misdoe, zal moeders beeltenis,
„Daar aan den wand, mij voor herhaling waren; „Gij beiden schenkt mij dan vergiffenis.
17
„Waart gij nabij in moeders jongste stonde,
„Toen ze u haar wensch — voor mij te zorgen — gaf, „Dat ik uw oog eens aan uw veege sponde „Sluite, en uw assche berge in moeders graf.
„Val dan mijn traan op beider grafzerk neder,
„Terwijl mijn geest ver boven wolken zweeft, „Dan wenkt mij, wees! der kind\'ren Vriend zoo teeder,
„Die, éér ik was, Zijn woord bezegeld heeft: „Kind, kom tot Mij; Ik zal uw voet geleiden.
Mijn liefde kweekt en vormt u voor die sfeer, Waar ik voor u een plaats ging toebereiden.
Daar, vader! zie ik eens u en mijn moeder weêr.quot;
ODE AAN MIJN KANARIEVOGEL.
Lustige zanger! gekuifd en gevederd,
Trouwe gezel aan den huis\'lijken haard.
Gij die mij opwekt, vertroost en verteedert. Als mij de wereld bekommernis baart;
Als ik bedrukt op uw cel zit te staren.
Stom zit te peinzen, bij \'tleed dat mij drukt. Stom aan den wand hangen citer en snaren. Maar \'tis uw lied, dat mij wekt en verrukt.
Werd ook, lief dier! u de vrijheid benomen.
Ziet ge u verplaatst in een vreemde atmosfeer, Juiche uw geslacht ook in struiken en boomen, Toch slaat ge telkens uw waterrol weêr.
Trots dat bij \'t venster der land\'lijke woning, \'tVinkje haar nest bouwt, haar eiertjes lag; Vroolijk en lustig zijt gij als een koning, En herhaalt telkens uw nachtegaalsslag.
18
Ware ik, als gij, immer rustig en tevreden, quot;Wat ik geniet of ontbeer of ontmoet, Wel overtuigd dat vaak onspoed van heden, Voorspoed voor morgen doet rijpen en voedt; Kenne ik mijn plichten, hoe stormen ook woeden, Ontglippe op \'s levens zee, \'t anker mij niet. Met zaad en met brood, \'k wil met suiker u voeden. Maar wankelt mijn moed, wees gereed met een lied.
En is uw Schepper niet tevens de mijne, Hoeveel ook doel en bestemming verschill\'? U gaf Hij \'tleven en ik ben de Zijne;
Wat ons weervare, niets zonder Zijn wil.
Kunt gij dit niet vatten, ik mag hetgelooven; Weêrgalme uw lied door mijn woning nog lang; Aan \'t einde van \'t leven en \'t lijden, daarboven Verrukke mij éénmaal der Eng\'len gezang.
ALPHABET DER PLICHTEN.
gt; anbidt den Heer, is d\' eerste aller plichten, — W ereidt u dan voor d\' arbeid die u wacht;
Ci onfijt — wat goeds gij moogt verrichten —
ö oor eigen lof, geen werk, door u volbracht;
H ert naast uw God, hen, die uw jeugd geleiden, 4 ormeert uw geest vroeg op het pad der deugd; Cl ods Woord ter hand, en Hem in \'thart; die beiden M oudt het voor vast — zij schenken ware vreugd. h s \'t levenspad langs rozen u beschoren,
ong als ge zijt, geniet met dank uw lot;
W omt leed of ramp op eens uw heil verstoren,
f ijdt met geduld: ook dit is \'twerk van God; £j aakt u door vlijt veel kundigheden eigen.
19
öj u, wijl verstand en ook het lichaam groeit,
O m eens als mensch u waarde te verkrijgen;
^ ut uit de bron, terwijl zij voor u vloeit:
«O uassiahout is bitter om te slikken,
W ampzaliger voor lichaam en voor geest,
ui omtijds de vrucht, waar de ondeugd mocht verstrikken;
H oomt en bedwingt uw lusten dan het meest;
cj it uw gevoel steeds in bescheiden woorden,
lt; olgt wijzen raad, bedekt uws naasten feil;
Sj ijdt uwe kracht aan vaderlandsche boorden,
m erxes gelijk, hebt voor hen \'tleven veil;
vert aldus, en wacht aan \'teind tot loon,
m oowaar uw Vader leeft, de toegezegde kroon.
AAN MIJN ZESJARIG EENIG DOCHTERTJE.
Lieve knop! nog niet ontsloten.
Reeds den dooden stam ontscheurd;
Nauw\'lijks aan de twijg ontsproten.
Bleekt uw tint reeds, en ge treurt!
Zie die gindsche knoppen blozen,
Opgebeurd door \'t moedersap.
Als de zonnestralen koozen.
En uw blaadjes hangen slap.
\'k Zag zoo noode u verloren,
\'k Heb met smart op u gewacht;
Slechts één knop werd mij geboren Uit deez\' stam van uw geslacht.
Zal \'t mij baten, mijn bemoeien.
Als \'k u kweek, verzorg, besproei?
Zult ge moederloos nog groeien?
Zie \'k u, eenmaal nog in bloei?
20
Lieve dochter, Eengeboren\'!
Dierbaar aan uws vaders hart,
Vroeg reeds werd u leed beschoren.
Gaat ge uw levensweg met smart.
Steeg mijn dank in de eerste stonden
Van uw aanzijn tot den Heer,
Straks had rouw de vreugd verslonden, Want uw moeder was niet meer.
Kort, mijn kind! slechts klopte u \'t harte.
Toen reeds \'t aanzijn haar begaf,
En een krankheid — droeve smarte! —
Haar bestemde voor het graf.
Eng en bang was \'t om mij henen, Duist\'re nacht was mijn verschiet.
Toch, gij kondt met mij niet weenen, Uwe jeugd begreep het niet.
Langzaam zult ge \'t leed beseffen,
Dat u op deez\' aarde beidt.
En — mocht ook de dood mij treffen —
Hoe ge dan een weesje zijt; Weezenstaat, verplett\'rend denkbeeld
Voor \'t bezorgde vaderhart.
Dat tot lijden mij veroordeelt.
Levenslange boezemsmart!
\'k Leerde toch de wereld schatten,
\'k Werd in de school des lijdens grijs. En \'k mocht trapsgewijs bevatten.
Dat vaak op onze levensreis.
Niet in \'t oord, de reisgenooten,
\'t Klatergoud, hoe schritt\'rend ook,
Niet in vriendschap, wuft gesloten,
Maar nog vluchtiger dan rook;
21
Met in titels, eer of standen,
Maar alleen in \'t rein gewiss\'.
God in \'t hart, Zijn Woord in handen.
Ons gelnk gelegen is.
Zóó de levensreis begonnen,
Met dien trouwen gids aan boord. Wordt de wereld overwonnen,
Landt ge eens in zalig oord.
Lieve dochter! wat geschiede,
\'t Zij \'k uw jeugd geleiden moog\', \'t Zij mijn ziel haar hulk ontvliede
Tot den Vader; dat uw oog,
Is in \'t Oosten \'t licht gerezen.
Uitzie naar het Vaderland,
Word\' Gods Naam door U geprezen. Tot het daalt aan \'t Westerstrand.
Dan geleidt Hij uwe wegen;
Vlied de wereld, zoek het licht. Min de deugd, dan kroont Gods zegen
D\' arbeid, die uw hand verricht. En mocht zondelust ontbranden,
\'t Hart heeft zijne zwakke zij,
Lieve! neem dit schrift in handen.
Denk aan moeder, denk aan mij!
SCHAATSENRIJDEN.
„Jongens! komt, vlug aangebonden,
Meester gaf een uurtje vrij,
\'k Heb daar ginds een baan gevonden, \'kWed, ik ben er \'t eerste bij.
Karel durft niet met ons rijden.
Neen, die lafaard is vol vrees;
Spreekt ge hem van baantje glijden,
Dan is \'t: „Us kost menschenvleeseh.quot;
Beentjen-over wil ik leeren,
\'k Zag dat gist\'ren zóó brillant.
Pas ziet men ze schuins links keeren, Of ze zijn aan d\' overkant.
\'k Wil ook als de Friezen loopen,
\'k Houd dan wis den spoortrein bij;
Ginds daar ziet men ze bij hoopen Langs een haak, een gansche rij.
\'k Zie de driekleur ook al waaien Van de tent, of \'t kermis was;
Laat ons vlug daarhenen zwaaien Langs die baan van spiegelglas.quot;
Zóó sprak Willem, die zijn krachten Oefende, en reed in \'t rond;
Toen — eer dat hij zulks verwachtte, Op het ijs ook meester stond.
„Lustig,quot; sprak hij „voortgereden, „\'t Sterkt de spier, \'t maakt \'t hart gezond,
„Mits het windijs wordt vermeden,
„Waar reeds menig \'t graf in vond.
23
„Zóó treft ge ook in \'t jong\'lingsleven
„Onvertrouwde wegen aan, „Willem\'! zij het u gegeven,
„Steeds bij tijds ter zij te gaan.
„Ruim genet past aan uw jaren, „En wij deelen in uw vreugd, „Als we een eed\'le ziel ontwaren „In d\' ontwikkelende jeugd.quot;
B IJ E D O M.
Sterke hefboom in dit leven,
Eindelooze zucht naar goud, Die, door altijd hoop te geven,
Menigeen gekluisterd houdt; Moog\' de mensch uw juk ontwijken.
Dat voor hem verneed\'rend Slechts door arbeid zich verrijken
Met een zuiver, rein gewis, Overtuigd dat, wat we erlangen,
In voldoening onzer vlijt, \'t Kostbaarst loon, dat we ooit ontvangen,
Volgt na welbesteden tijd.
AANquot; MIJN ZOONTJE.
\'k Heb, weleer, mijn beste jongen!
Eersteling van moeders schoot. Eens een vroolijk lied gezongen. Toen haar liefde mij u bood.
24
\'t Was een lied van dubb\'le vreugde,
Dubb\'le stoffe was er voor,
Toen een zoon ons bei verheugde, \'t Stond reeds vast — een Theodooh.
\'t Is de naam van moeders vader;
Houd dien, kan het zijn, in eer, Kom allengs \'s mans deugden nader,
Geef aan \'t nageslacht hem weer;
Onder deugd- en plichtbetrachten Plantte hij \'t onfeilbaar Woord (Sterk van geest, maar zwak van krachten) Bij zijn dankb\'re kudde voort.
Nu verliepen zeven jaren.
Ja, zij waren droef en bang;
Vader spant nog eens de snaren.
Maar niet voor een feestgezang;
En zijt gij nog onbedreven,
Slechts op spel en vreugd gesteld,
Reeds is \'t u te zien gegeven,
Hoe de smart mijn ziele kwelt.
\'k Zag reeds vroeg u tranen plengen.
Mij verzeilend naar het graf,
Waar \'k de dierb\'re heen moest brengen.
Die u eens het aanzijn gaf.
Wat \'k u heden heb te wijzen,
Is een donk\'re wolk te meer;
Kind! zie, vaders lokken grijzen, \'s Levens onspoed drukt hem neêr.
25
Nog een korte of langer stonde
Vliedt ras In den tijdstroom heen, En de pas geheelde wonde
Bloedt opnieuw; gij staat alleen:
Zonder vader, zonder moeder.
Bijna zonder vriend of maag;
Spaar mij, bid \'k U, Albehoeder!
Dat \'k U immer reek\'ning vraag\'
Van bestuur en alvermogen,
Dat mijn oog rondom zich ziet.
\'k Staar aanbiddend naar den Hoogen, \'kZie het, maar doorgrond het niet. Vader! sterk \'t geloofsvertrouwen,
Dat mijn onmacht — en Uw kracht Mij op Uwe hulp doen bouwen.
Als mijn taak zal zijn volbracht.
Theodooe! ga tot dien Vader,
Die niet sterft, maar eeuwig leeft. Die voor u en mij te gader
\'t Troostwoord eens gesproken heeft: „Ik zal u geen weezen laten,
„Werpt, vermoeiden! \'t juk op Mij, „Bidt, en wilt de zonde haten,
„Opdat Ik uw Leidsman zij.quot;
Kies dien Leidsman op uw wegen
Door dit aardsche tranendal;
\'t G-a u wel, of \'t loope u tegen.
Hij, uw God, bestuurt het al;
Dank Zijn liefde; wil ze u geven. Of ontneemt ze u, buig u neer;
Blijf steeds op uw lippen zweven:
„God is goed, slechts Hem zij de eer!quot;
26
KERSTMIS.
Gerard spreekt.
Ik vierde laatst mijn\' jaardag, Toen was het bij ons feest; Hoe lief zijn bloedverwanten
Toen niet voor mij geweest! Van d\'eerste, tot den laatste, Ja, zelfs de knecht en meid, Elk bracht om strijd geschenken Of had een wensch bereid.
Ik was die eer onwaardig,
Ik, die zóó vaak misdeed,
Mijne ouders dan bedroefde, En daarvoor straffe leed; Ach! werd als \'k weêr verjare, Door meer gehoorzaamheid,
Dien braven en mij zeiven Nog grooter vreugd bereid.
En zou \'k \'t feest niet deelen,
Dat nu heel de aard verblijdt, Daar, Jezus! Gij op aarde Voor ons geboren zijt?
Wel heb ik geen geschenken
Of wenschen U te biên.
Maar \'t zij bij mensch of kind\'ren, Gij wilt op \'thart slechts zien.
Hoeveel meer zijt Gij \'t waardig. Die zelfs geen wenk misdeed. Voor \'t godd\'lijk welbehagen Aan \'t aak\'lig kruishout leed!
27
Doe ied\'ren dag mij denken
Aan \'theil, door U bereid, En hoe \'keens feest zal vieren Bij U, in de Eeuwigheid.
Als ik mijn levensdagen
Het pad der deugd betreed, En tracht U na te volgen
In wat Ge als jong\'ling deed, Ach, Heer! waar\' mij die zegen
Der toekomst weggelegd, En werd op mijne bede „Amen!quot; door U gezegd.
D E ARME WEES.
„Stormwind! staak uw loeien, fluiten.
Dat met sneeuw en ijs verward. Bloemen schildert op de ruiten,
Maar mij doornen jaagt in \'thart; \'k Bid u, staak \'t vernielend woelen,
Waarin niets u weêrstand biedt; Dubbel doet ge mij gevoelen \'t Onherstelbaarst zielsverdriet.quot;
Onlangs, \'t lijf gehuld in lompen, Kermde zóó een schamel kind.
Door gebrek in een gekrompen,
Voortgestuwd door sneeuw en wind; Armoê las men op zijn kaken,
\'t Leven viel hem bang en zuur. Kommer leed hij bij \'t ontwaken, Kommer nog in \'t avonduur.
28
„Zwerven was mijn doel tot heden,
Zonder ouders, dak of brood,
Ach! hoe drukt de slaap mijn leden. Hemelheer! aanschouw mijn nood; Heden moest \'k naar spijze smachten.
En wie weet wat morgen geeft! Ach! wat is het zalig te achten,
\'tKind, dat brave ouders heeft.
„Moederlief! nog kort geleden
Klemdet gij mij aan uw hart,
Als \'k tot U met rassche schreden, Troost zocht in verdriet of smart. Nog staar \'k op uw veege sponde,
Waar \'k voor \'t laatst u laaf nis bood, Uw brekend oog mijn hart verwondde, En uw ziel haar hulk ontvlood.
„\'k Had ook eens een braven vader.
Ach! hoe minde hij mij teêr.
Maar die vriend en gids te gader,
Is ook hier beneên niet meer;
Op het ziekbed neergelegen.
Nam hij stervend mijne hand.
Kind!quot; sprak hij, „God leide uw wegen Naar het hemelsch Vaderland.quot;
„Sneeuw en storm bedwingt Uw krachten,
Waarmeê gij \'t heelal verdooft. God! waar, om te overnachten.
Vind ik stroo voor \'t matte hoofd; Hoe mij voorwaarts te bewegen,
Bij het woeden van d\' orkaan!
Zelfs mijn lompen houden tegen. En beletten mij het gaan.
29
„\'k Sta hier vóór eens rijken woning,
Zie, hoe er de schoorsteen rookt; God! vond ik daar hulpbetooning.
Licht dat men er spijze kookt;
Was ik even slechts daarbinnen
Bij dien gloed, die \'t oog verblindt. Mocht die Heer soms Jezus minnen. Dan is hij ook kindervrind.
„Nu dan, \'kwil het beed\'len wagen.
Vallen op mijn knieën neêr,
Smeekend hem om voedsel vragen.
Waar men komt: „Ach, goede Heer! Wil U over mij erbarmen,
\'k Ben van kou den dood nabij.
Geef me een bete, laat \'k mij warmen!quot; — „Kind! \'k beveel u ; ga voorbij.quot;
„\'k Ga reeds; God! kan \'t moog\'lijk wezen.
Dak te hebben, vuur en brood,
En een steenen hart als dezen.
Van het reinst gevoel ontbloot? Wel mocht moeder vaak betoogen:
Kind! geen geld, slechts deugd maakt rijk. Ach! hoe drukt de slaap mijn oogen, \'t Is mij. of ik gansch bezwijk.
„Schiet nu vrij uw dichte vlagen, Sneeuwwolk! op mij, arme! af.
Spreid mij, eer weêr \'t licht zal dagen,
\'t Koelste bed en \'t zachtste graf. Vliegt vrij, vlokken! om mij henen.
Sneeuwkleed, groei steeds meerder aan; Liet de mensch mij hulp\'loos weenen, God! gij laat den wees niet staan.
30
Sluimer, arme wees! dit smeeken
Is geen weig\'ring toegedacht; Zij vrij \'t sneeuwwit u ten deken,
Sneeuwwit is der Eng\'len dracht; Morgen doet geen stem zich hoeren;
„Ga voorbij voor deze keer!quot; Morgen juicht in de Eng\'lenkoren Een ontkerkerde engel meer.
DE TRAP.
Bij al wat ge doet: haast u langzaam.
Stap voor stap,
Tree aan treé,
En ge zult er komen;
Op een trap Nimmer twee Treden saamgenomen:
\'t Gaat gezwind Voor een keer,
Maar is \'t werk van dollen;
\'t Avond, vrind!
Doe je \'t weêr En ... ik hoor je al rollen.
Onbekend,
Niet geteld Waren bocht en treden;
Wat is \'t end,
U voorspeld?
Blauw gekneusde leden.
31
Stap voor stap, Vak na vak,
Wilt ge in kennis winnen; Niets ontsnapp\',
Licht ontbrak U aan \'t eind \'t beginnen, \'t Valle licht,
Voor een keer Wijsheid uit te kramen. Weldra zwicht Valsche leer. En \'t gevolg is: schamen. Onbekend,
Niet geteld Waren de eerste gronden, \'t Fundament,
Slecht gesteld,
\'t Werk onnut bevonden.
Bij \'t begin.
Anders niet.
Steeds uw taak begonnen; Is \'t er in,
\'k Wed, ge ziet, \'t Zwaarste is overwonnen. Is de trap Niet tot staan Maar tot gaan naar boven. Klim dan rap:
Ledig gaan Zou uw weetlust dooven.
32
Haastig gaan, Langzaam aan, Was der Vad\'ren leuze; Op uw baan, Doe voortaan öteeds dezelfde keuze.
AAN KNIKKERENDE JONGENS.
Als ge bij het knikkerspelen,
U zóó inspant en vermaakt.
Dat wij uwe vreugde deelen,
En ge elkander dapper raakt;
Als bij \'theen en weder snellen, Telkenmaal de kans verkeert.
En ge u schade of winst ziet spellen, Zie dan hoe de knikker leert:
Dat geen kennis wordt verkregen, Wetenschap noch kunst geleerd. Zonder oef\'ning allerwegen,
Die de ervaring steeds vermeert; Dat, wat men begint te leeren.
De aanvang steeds bezwaren biedt, Die uw eerzucht moet beheeren, Tot ge u overwinnaar ziet;
Dat ge als uit de taal moet bannen
\'tStuitende: „Dat kan ik niet,quot;-En uw krachten in moet spannen, Eer ge u overtroffen ziet.
33
Wetenschap maakt reuzenschreden
Wijl de toekomst van u hoopt, Dat ge in kennis voort zult treden, En met roem uw loopbaan loopt.
Maar nog rijker is aan wenken
\'t Spel, dat u zóó zeer verblijdt; En blijft God u \'t aanzijn schenken,
Vaak herdenkt ge in later tijd, Hoe, op \'t punt van \'t spel te winnen,
\'t Geen u niet mislukken kon, Gij den pot door hem zaagt innen. Die nog nooit één knikker won.
\'tPaard, dat trouw geheele dagen
Lasten torscht en vrachten trekt, Wordt niet zelden ruw geslagen.
En slecht voedsel hem verstrekt.
Onze wenschen en ons pogen Worden niet altijd beloond,
Eeren ziet men en verhoogen Hem, die \'tzich onwaardig toont.
Zóó gaat \'tnu, zóó heel uw leven:
Nu eens vóór- dan tegenspoed,
Maar wat God u moge geven,
\'tls u beide nut en goed;
Schenkt Zijn liefde, dank den zegen;
Neemt Hij \'tweêr, toch wanhoop niet; Weet, dat Hij, wat u bejegen\'.
Steeds in liefde op u ziet.
34
Dus voegt spelen aan uw jaren,
Vaak door anderen benijd;
Want, dat ze zoo vluchtig waren,
Is de klacht van later tijd,
Graag zien we u de knikkers tellen.
Het gewin van noeste vlijt.
Mits ge u door hen laat voorspellen. Wat de toekomst u bereidt.
Blijft, knikkers! dan de jeugd bekoren. En zij naar uwe lessen hooren.
BEDE.
Onder tegenheden Rustig en tevreden
\'s Levens weg te gaan, \'t Kruis niet zwaar te achten, Boven zijne krachten.
Opwaarts \'t oog te slaan. Dankbaar te ontvangen.
Niet aan \'t stof te hangen,
Willig \'t af te staan; Bij der braven sterven Moed en kracht te erven,
Om hen na te gaan. Angstig niet te zorgen Voor den dag van morgen.
Gaapte ook d\' afgrond aan; Hopende in lijden Op de kroon „verblijdenquot;. Aan het eind der baan,
35
Mij allengs te wennen,
Mijn natuur te kennen,
En welk lot mij wacht, — Geef mij, God! dien zegen Op mijn levenswegen, Dan wordt \'t sterven zacht.
AAN EEN NIEUW ALBUM.
Reine, lelieblanke bladen,
Die daar schuldloos vóór mij ligt!
Wie zal eerlang u beladen
Met een bede, wensch of dicht?
Wie zal bloem en loover garen,
Rozen en vergeet-mij-niet ?
Wie spant straks de citersnaren Voor het hart\'lijk vriendschapslied?
Blanke bladen! \'k wil u noemen Wat de wensch is van mijn hart:
Vrienden zijn mij levensbloemen, Vreugde in vreugd en troost in smart.
Maar wie me ooit een kransje vlechte. Eenvoud — waarheids coloriet —
Moog\' haar stempel er aan hechten, Dan verwelkt mijn ruiker niet.
36
B IJ £ L I S E\'S L IJ E B A A B.
Bij uwe geboorte weendet gij, terw\\jl uwe bloedverwanten rreugde bedreven; leef nu alzoo, dat éénmaal by uw sterven \'t omgekeerde plaats vinde.
Eng\'len zouden hoogtijd vieren
In den reinen hemelhof,
Jub\'lend \'t Goddelijk bestieren Met hun hemelsch „Hallelquot; vieren,
In dat ronde en zachte akkoord,
Hier beneden ongehoord.
\'t Zou een hymne zijn, den Vader,
En een psalm, den Zoon gebracht,
Ook een lied, den Geest te gader.
Hulde aan Geest en Zoon en Vader,
\'t Jubellied op Eng\'lenwijs,
\'s Hemels liefde en macht ten prijs.
En een Seraf kwam getogen
Door het ijle wolkfloers heen,
Zeeg\'nend stond hij, diep bewogen.
Naast de sponde neergebogen.
Waar Elise nacht en dag Kwijnende te bidden lag.
Haar lachten geen rozen tegen.
Noch verrukte \'t lentelied.
Smachtend als de aard, naar regen.
Zou haar einde haar tot zegen.
Zou de laatste angst of pijn Ingang tot den hemel zijn ?
37
„Dochter!quot; sprak de Hemelbode,
„God heeft uw gebed verhoord; „Laat den dooden hunnen doode; „Volg mij, daar \'k u dringend noode, „Smelt uw stem in \'t Eng\'lenkoor, „Laat daar vrij een wereld voor.quot;
En een blos omgaf het wezen,
Dat schier niet meer blozen kon: Vreugde stond er op te lezen,
Uit de reinste bron gerezen.
En de Seraf keerde weer Met één stem voor \'t Hooglied meer.
SE ROOS EN DE WIEDSTEK.
EENE FABEL.
Bescheidenheid is \'t kenmerk eener goede opvoeding.
Met heerlijke waas, frisch van geur, pracht van blaad\'ren.
Had eens een agaatroos, haar knoppen ontplooid. Ja, mocht haar de wandlaar van verre slechts .naad\'ren,
Verrukt stond hij daar, neen! zoo zag hij ze nooit. Zij toch was de schoonste in den hof ooit geboren.
Zij \'tbeeld van de onschuld, van vlekken ontbloot.
Maar, ach! toen zij steeds zooveel lofspraak moest hooren. De arme! zij bloosde, en sinds bleef zij rood.
38
Men acht haar nu schooner nog wel dan te voren, Ze is meer nog bij meisjes dan eertijds bemind, Te beter kan zij nu heur hartjes bekoren,
De roos werd nu Flora\'s begunstigde kind;
Als \'s Zondags de landjeugd in \'tdorp is aan \'t stoeien,
En dartiend bij paren zich schikt tot den dans,
Geen knaap op wiens borst ge geen roosje ziet bloeien, Die \'t meisje met rozen niet siert aan een krans.
Zelfs Elsje, de wiedster voortstrump\'lend op krukken.
Met \'t voorhoofd gefronst en een zilveren kruin, Kon — oud als zij was — nog ons roosje verrukken,
\'tOntlokt haar nog menigen blik in den tuin:
Daar zag ze eens weder de schoonste der bloemen.
Ze ontdeed haar van distels, ontkiemd aan haar stam. En lispelt: „Wie zou uwen bloeitijd niet roemen,
„Lief roosje! ach, dat er geen einde aan kwam.quot;
„Maar zie mijne lokken, mijn\' rimpels, mijn buigen, „Aanschouw mijne krukken, die \'k bevend omvat,
„Zijn zij van het naderend eind geen getuigen,
„En toch .... ik heb ook ééns mijn bloeitijd gehad: „Nog zie ik uw voorzaat mijn keursje versieren,
„Den jong\'ling, die vleiend m\'een rozenkrans bood; „Hoe jammer! men moog\' thans in feestdos u vieren, „Verflensten mijn\' blaadjes, ook u wacht de dood!quot;
En moest wel het roosje die treurmare hooren, Hoe zacht ook geuit, met weemoedige stem. Vergramd — of terstond haar reeds leed waar beschoren Schreeuwt ze uit in vervoering met nadruk en klem:
39
„Ga, preêk voor de uilen, die moogt gij bekeeren;
„Denk gij aan den dood, mij beangstigt hij niet; „Wel ziet ge uw kleuren in rouwfloers verkeeren, „Maar zie toch, hoe heerlijk ik bloei en geniet.quot;
„Daags streelt mij de zon met haar koest\'rende stralen ,
„U laat zij, o, oude! zoo koud als een steen,
„Des nachts siert de dauw mij met glinst\'rende kralen,
quot; „Dan sluipt gij, geraamte! naar \'t strooleger heen.
„Bereid u, gij zult wis geen etmaal meer leven,
„Een ander reeds morgen bewiedt hier den grond;
„Maar hemel! zie eensklaps den aardbodem beven, „Het dondert, de bliksem schiet stralen in \'t rond.quot;
De stortregen valt met vervaarlijke plassen.
De mensch zoekt een schuilplaats, in \'t veld loeit het vee. Tot de eiken zelfs schudden als teed\'re gewassen. Van \'tanker rukt \'tvaartuig zich los op de ree; Hoe groeien de buien en jagen de wolken.
Door stormwind en vlagen te zamen gepakt.
Daar blinken aan \'tluchtruim de gloeiende dolken, En \'troosje is, helaas! van haar stengel geknakt.
En de stormwind bedaardt en de horizon klaarde.
De zon schoot haar stralen weêr neêr op het strand,
Toen Elsje bedeesd op den bloemenhof staarde.
En \'t roosje vatte in de taankleurige hand.
„Mijn kind,quot; stamelt de oude, „hoe roek\'loos vermetel,
„Uw lot is beslist, onherstelbare smart!
„Of ge eindeloos waart, zaat ge straks op uw zetel.quot; — „Ach Elsje,quot; — zei \'t roosje — „het woei ook zoo hard.quot;
40
\'k Wensch, dat zij betrachting bij u moge wekken,
Deez\' fabel die \'t lot u der roos heeft geleerd;
Laat reinheid van ziel en van lichaam u trekken,
Wordt nimmer door vleitaal gestreeld of vereerd;
Geniet vrij uw jeugd als de bloeitijd van \'t leven,
Een eeuw in \'t verschiet, slechts een droom in de daad. Maar eer dat u schoonheid en jeugd gaan begeven. Vervoeg u bij Elsje — niet \'t roosje — om raad.
ZEGEN.
Licht het anker, hijsch de zeilen En de driekleur vlug ten top! Janmaat! waartoe langer wijlen.
Spil geen wind, hijsch op de zeilen, Wend den steven, loods aan boord! Breng ons veilig om de Noord.
En het vaartuig klieft de baren.
Stampend\' op den Oceaan,
Kalm is \'t zeevolk in gevaren Op de zilte, woeste baren.
Luide klonk toch van de reê: „God! geef hun Uw zegen meê.quot;
Wie durft Neêrlands grond onteeren.
Voorzaat! met uw bloed gekocht; Zou mijn arm hem niet trotseeren. Niet den blik naar \'t stof doen keeren, Wie vijandig, driest zijn hand Uitstak naar mijn vaderland.
41
Fluks is de een\'ge kreet: „Te wapen!quot;
„Voorwaarts! op naar\'t oorlogsveld!\' „Om er lauwren saam te rapen,quot; „Hoe de vuurmond aan moog\' gapen,quot; „Strijder! hoor der oud\'ren beê: „Breng, mijn kind! Gods zegen meê.
Rustig, dankbaar klopt het harte
Van \'t bedaagde oud\'renpaar, Nu drukt kommer, leed, noch smarte. Want de liev\'ling van hun harte Wordt vereend vóór \'t echtaltaar, Disch- en speelnoot zijn reeds daar.
Moeder heeft sinds lang de woning.
Vader stal en vee beschikt, In \'t verschiet ligt hun belooning, In der kind\'ren eigen woning.
Mits verhoore God hun beê;
„Geef ons kroost Uw zegen meê!quot;
Moest ge vele jaren trachten
Naar den stand door u begeerd. Werd ge moed\'loos onder \'t wachten. Bij het vele jaren trachten;
Ziet ge op eens de kans verkeerd, U geschat, gezocht, geëerd?
Welk geluk u zij beschoren.
Welke voorspoed u bereid.
Weldra zult ge wenschen hooren, Juichen voor u jubelkoren.
Aller wensch is slechts één beê; „Geve u God Zijn zegen meê.quot;
\'t Lentegroen rijpte in de dreven, Feller zonlicht valt op de aard, \'kVoel nieuw leven mij gegeven Uit de bron van licht en leven, Schroeie ze ook die achoone roos Door haar gloed een korte poos.
Doet u \'tdroge aardrijk spellen:
„Ditmaal slechts een half gewas, „Koop\'ren hemel, droge wellen,quot; Plots\'ling ziet gij \'t wolkfloers zwellen, En de regen op uw beê,
Voert u plassend zegen meê.
Zouden we eigen kracht betrouwen.
Die ons immer hulp\'loos liet; Zouden we eigen kracht betrouwen. Hoort des Echo\'s klaaglied: „Rouwen!quot; Wiss\'len wij veeleer de beê:
„Geve u God Zijn zegen meê.quot;
43
DE FLESCH.
historisch.
De mensch is heer der Schepping; als zoodanig staan alle dieren onder zijn beheer; maar \'t eerste dat hg heeft te bestieren, te regelen en te bedwingen, is zijne eigene dierlijke natuur, met derzelver behoeften en begeerten.
Snorrend wentelde het spinrad In Mathilda\'s nijv\'re hand,
Als zij \'t werk in huis verricht had,
En haar werk in stal en land.
Maar zij liet geen toontje hooren,
Zij die eertijds in \'t gehucht \'t Landvolk steeds wist te bekooren Door haar lied, slaakt nu een zucht.
Aan den disch tracht zij te ontkennen
Dat leed in haar boezem woelt.
En tot blijheid zich te wennen,
Schoon ze bitt\'re droefheid voelt.
Maar is ze eenzaam neergezeten.
Slechts omringd door werk en kind.
Peinzend wordt haar tijd gesleten.
Niemand die haar lustig vindt.
„Morgen is \'t weêr markt ter stede,quot;
Zucht ze, „en licht een zak vijf, zes „Voert weêr Willem stadwaarts mede, „En \'t gewin ... \'t is voor de flesch!
44
„Dacht ik ooit dat \'t puik der mannen, „Deugdzaam als hij eertijds was,
„Voorspoed uit ons huis zou bannen,
„Zich verslaven zou aan \'t glas!
„Vroeger spaarzaam, ijvrig tevens, „En geëerd bij groot en klein,
„Was hij al de vreugd mijns levens, „\'k Mocht niet lang gelukkig zijn.
„Menig traan zag hij mij laten,
„Soms ook las ik hem de les;
„\'tEen en \'t ander mocht niet baten, „Willem, dronkaard! o! die flesch!
En zij spon en bad, Mathilde,
Tot het rustuur fluks zou slaan.
Maar het kind, dat naast haar knielde. Had meer dan zij dacht verstaan.
\'s And\'rendaags, met grage magen, Zat weêr \'t drietal samen aan;
Willem keert tot paard en wagen, Om naar \'t werk terug te gaan.
Maar in \'t land mocht dorst hun kwellen, Uit de sloot drinkt licht de bles,
\'t Jongske pleegt dus aan te snellen Met frisch water in de flesch.
Ditmaal echter heeft hij water In een aarden kruik getapt;
Hoort eens hoe de kleine prater Kinderlijk tot vader snapt.
45
„Vader,quot; zegt hij, „als ge aan \'t werken „Grinds in bosch of hegge zijt,
„\'t Is dan droevig te bemerken, „Hoe mijn lieve moeder schreit.quot;
„Immer schijnt ze aan u te denken, „Altijd zucht zij: „O, die flesch! . .
„Wil uit deez\' kruik water schenken, „\'k Geef u dan een kus vijf, zes.
„\'k Heb daar fluks een steen genomen, „En ik sloeg die flesch aan gruis;
„Als ge nu van \'t werk zult komen, „Vindt ge moeder vroolijk thuis.
„In die flesch moet ze iets bespeuren, „Zeker dat u kwaad zal doen;
„Zal nu moeder niet meer treuren, „\'k Geef dan t\' avond bei een zoen.quot;
Op een afstand stond Mathilde,
Willem spraak\'loos en ontsteld; Maar \'t gevoel, dat bei bezielde, Wordt u door geen pen gemeld.
Willem drukt zijn ga aan \'t harte.
Kust zijn kind en dankt zijn God; En \'t einde der jeneversmarte Was \'t begin van beter lot.
46
EMMA EN BE VERGEET-MIJ-MTET.
Leer de geschapen natuur kennen in al haren omvang, ten einde als langs eene ladder op te klimmen tot de erkenning van dezelver Schepper en Onderhouder.
Emma.
Need\'rig bloempje, lief en aardig,
Dat aan langen stengel groeit.
Ieder zoekt en plukt u vaardig!
Zeg mij, hoe gij \'t oog zoo boeit ?
Mogen al uw zusters prijken.
Bont van kleur, rijk in \'t verschiet.
Toch, ze moeten voor U wijken:
Ieder zoekt „Vergeet-mij-niet.quot;
\'t Mag niet eens een tuiltje heeten.
Als \'k Jasmijn, Roos en Sering
Bijeenvoeg; had \'k*u vergeten,
Wis dat \'ku nog plukken ging.
Wordt een albumblad beschreven.
Of als men ons \'t afscheid biedt,
Werkt men bloemen, \'tis om \'teven,
Nooit zonder Vergeet-mij-niet.
Pronkjuweeltje dan der bloemen,
Need\'rig sieraad van den hof!
Zeg mij, waarom we u zoo roemen,
Wat geeft tot dien voorrang stof?
47
Het bloempje.
Emma treft \'t azuur uwe aandacht,
Dat mij kleurt ? Sla \'t oog omhoog, Waar de Kindervriend u toelacht Van den blauwen Hemelboog.
Hij, in schaam\'len stand geboren.
Minde bovenal het kind,
Dat als door Hem uitverkoren, \'t Hoogst geluk slechts bij Hem vindt.
Nu ten Hemeltroon verheven.
Spreekt Hij tot u in Gods Woord; „\'k Leed voor u en liet mijn leven , „Voor uw ziel, die Mij behoort.quot;
\'t Nietig plekje, mij beschoren.
Zij u \'t beeld der need\'righeid. Die waar Jezus zich liet hooren.
Steeds Zijn leering heeft geleid.
Zoo zal \'t ook slechts leering wezen,
Die \'k in kleur en stand u bied, Lieve! bij het bloemenlezen;
Voortaan, ach! vergeet haar niet;
48
HIJ SPREEKT F R A N S C H.
De taal is de sleutel der Wetenschap.
Ik moest een huisknecht laatst ontvangen,
Want mijn Louis trad in den echt,
De nieuwe, die hem zou vervangen,
Is — trouwens \'twerd alom gezegd Zeer ijv\'rig werkzaam en bedreven:
Hij trancheert rundvleesch, hoen en gans Of ander wildbraad, \'t is om \'t even,
Ja, meer nog, hij spreekt zuiver Fransch.
Dit laatste kon mij \'tmeest behagen,
Car j\'aime d ravir le bon gout,
En met wat Fransch in onze dagen,
Bientót, oui! on parvient d bout.
Hij leerde spoedig zijne zaken.
Mijn onlangs aangekomen Hans,
En ik mocht daag\'lijks kennis maken Met zijn grammaticale Fransch.
Ik zat in een journaal te blaad\'ren.
Of ik wellicht er nieuws in vond.
Toen ik een heer mijn stoep zag naad\'ren.
En Hans reeds aan de huisdeur stond;
Ik hoor: „Je suis agent d\' affaires,
„Aan uw patroon mij presenteer.quot;
„Wel, neem gij plaats in die volière,quot;
Zegt Hans, „wijl ik u annexeer.\'quot;
Het dejeuné was afgeloopen.
Ik las hardop het Handelsblad-,
Hans, fluks ter keuken heengeslopen,
Vroeg aan de meid: „Ken je in de stad
49
Meneer Tabel? Ik hoor daar lezen,
He! Tahel dood, vijf uur precies.
Het is om aak\'lig van te wezen,
Want naarheid, anders hoor je nies.quot;
Onlangs kwam nog een ander schellen:
„Suis marchand en vin de Bordeaux;quot;
Hans, driftig door zijn harde bellen. Schreeuwt: „Vent, je bent zelf een lourdeau
„Cher ami, ne saurais comprendre,
„Que vous plait ü? dis moi comment. . . !
„Dat doet,quot; zegt Hans, „de zaak verand\'ren, Pletit vindt je achter in den gang.quot;
Ik moest in Amstels hoofdstad wezen.
Hans kende mijn hotel weldra.
Hij spreekt fransch, en er staat te lezen.
Sinds jaren reeds: „Les Pays has.quot;
Hij vatte spoedig mijn bagage,
En zegt bi] het naar buiten treên:
„Ik draag, Mijnheer! uw Equipage., „Als vroeger, naar de „Spijsbaasquot; heen.quot;
Toen hij naar Brussel mij geleidde,
\'tWas meen ik, „hors la porte LouvainLquot; Stond op een uithangbord ter zijde:
„Diverses espèces de bon pain.quot;
„Trek spoedig,quot; riep Hans, „mij twee kiezen,
Zij deden mij sinds dagen pijn;
Trek! moest ik ze allen ook verliezen.
Daar zal men hier wel vlug mee zijn.quot;
50
\'k Had met hem door de stad gereden,
Hans kwam eerbiedig vóór mij staan, En sprak: „Mijnheer! ik wenschte heden Uit angst en vrees naar huis te gaan; Ei, wil uzelven vergewissen,
\'t Klinkt hier „pour poiresquot; vroeg en spa, De menschen sterven — \'t kan niet. missen -Hier allen aan de Cholera.quot;
„\'k Aard hier zoo min als mijn broêr Pieter,
Die vroeger ook uit Beige kwam.
Bier tappen ze hier in een gieter,
Tabak gaat bij het telegram.
Gerold papier heet Ziegeretten:
Die smoken ze in de cheminé;
Ik wensch geen voet hier meer te zetten, \'k Vraag toereloer kaart naar Goeree.quot;
Zoo zag ik mij op \'t onverwachte.
Helaas! van kamerknecht beroofd.
Hij, vroeg bewijs van plichtbetrachten.
Ontving het, en Hans boog het hoofd. Wil, lezer! mij in \'t zoeken bijstaan
Naar een nieuwen, getrouwen Hans;
Maar laat bij alles mogen voorgaan: Hij spreke vlug en zuiver fransch.
51
BELLENBLAZEN.
Wees uiet te verdrietig over misrekening; ook door misrekening leert men rekenen.
Daar was oreis een knaapje,
Goedwillig van aard,
Zijn dierbare moeder
Was alles hem waard; Hij ging trouw ter schole.
En keerde hij weêr. Met hoepel of priktol Liep hij op en neêr.
Eens zag hij een kom staan
Met water en zeep,
Of hij nu ook aanstonds Zijn blaaspijpje greep; Hij klopte dat \'t schuimde.
De pijp in den mond. En ijlings, daar vlogen De bellen in \'t rond!
En hij huppelt langs de zoden Van den kleinen bloemenhof.
Wijl ze glinst\'rend opwaarts vloden.
Tot een zonnestraal ze trof;
Schooner zag hij niets zijn leven. Vreugde blonk in \'t kinderoog; „Moeder! kon ik ook zóó zweven,quot;
Riep hij, — „zie! wat gaan ze hoog!quot;
52
Maar een Zefir onbedreven ,
Daar hij \'t bonte schouwspel ziet, Waagt een kusje hun te geven,
En de bellen zijn te niet;
Dat kan \'t jongske niet verdragen;
Zulk een onspoed wacht hij niet; „Weg isquot; — sprak hij — „mijn behagen, Bellen blazen geeft verdriet.quot;
Moeder sprak; „\'t Was u ten goede
\'t Spel, dat vreugde u schonk en kwelt. Wees in beiden wel te moede.
Als ge ééns meerder jaren telt.
Leert ge inzien en beseffen;
Levens vreugde moge een poos \'t Jeugdig hart en zinnen treffen.
Ze is als uwe zeepbel broos.quot;
„Moogt gij ze volop genieten.
Altijd met een rein gewis,
\'k Wensch dat bronnen voor u vlieten.
Wijl \'t uw tijd van dart\'len is;
Maar denk steeds aan \'t spel van heden.
Wat u later \'t leven bied\';
Zuiv\'re vreugde onversneden Schenkt ons \'s levens wijngaard niet.quot;
53
VOGELNESTEN STOREN.
Die eerbied voor den Schepper heeft, pleegt geen schennis aan het schepsel.
\'k Zag laatst een\' woesten jongen,
Vlug klaut\'ren in een boom; Hij hield zich vastgewrongen,
Met geen den minsten schroom. Hij ging de nestjes storen.
Door vogeltjes gemaakt,
Naar was \'tden kreet te hooren, Fladd\'rend door hen geslaakt.
Of ik al riep: „Kom neder.
Licht breektquot; ge arm of been!quot; Al hooger klom hij weder,
En schreeuwde: „Ik heb er een!quot; Nog eens een tak gebogen,
Drie eitjes greep hij weêr.
En de arme ouden vlogen Al tjilpend op en neêr.
Ik kon \'t niet zien of hooren.
Mismoedig liep ik heen,
Maar zei: — hoe zou ik \'tsmoren —
„Gij hebt een hart van steen.
Geen dier, wil \'t vast gelooven, Dat van zijn kind niet houdt, En gij jaagt daarenboven De zangers uit het woud.quot;
54
Mijn schooluur had geslagen,
Ik zat reeds in de les,
Maar wie werd daar gedragen
Door, \'kgis een man vijf zes? Helaas! de arme klimmer:
Een tak, die stevig scheen, Begaf hem, en nog slimmer. Hij viel, en brak een been.
Daar lag hij nu te weenon,
En leed de felste pijn.
Besmeerd van top tot teenen.
Al de eitjes kort en klein; Ach! ware hij genezen.
Het heugt hem — dunkt mij — best. Ik meen hij laat na dezen,
De vogels wel op \'tnest.
AAN MIJN KAMERJAS.
Naar Beranger; „Mon habit.quot;
Mijn trouwe huisjapon, sinds ruim een vijftal jaren!
Zeg, heb ik het niet wel? drukt ons niet \'tzelfde leed? Gij laat uw knoopen los en ik verlies mijn haren;
Wacht u, mijn kameraad! dat ge ons verbond vergeet; Tot hiertoe deed ge dienst, en ik bleef voor u zorgen;
\'kHeb — waart ge soms gescheurd — der naaister u vertrouwd. Met eigen hand u trouw geborsteld ied\'ren morgen,
Wij deelden vreugde en leed en werden samen oud.
55
Nog\'staat mij voor den geest ons éérste kennismaken,
\'k Zie den baas snijder nog die u in \'t leven riep,
Vaak braakt gij mij het hoofd om pasklaar te geraken.
Tot — door u ingepakt — ik door mijn kamer liep: Het kostte moeite eerst ons naar elkaar te voegen.
Gij waart zoo wijd, zoo nauw, zoo stijf, zoo \'k weet niet wat, Met watten opgevuld, liep \'k torschende u zwoegen.
Met spijt dat ik mijn oude weggegeven had.
Onkundig als ik was met plooien, zakken, mouwen.
Met bontgekleurde stof en nieuwerwetsche sneê.
Ging ik wel duizendmaal me in \'t spiegelglas beschouwen.
En vond reeds menig vlek van koffie, inkt of thee; Ja! \'k heb nog zwaarder schuld — \'k was u toen niet genegen
„\'t Begin is moeilijk,quot; zei eens Cicero, \'t is waar!
Ik droeg u nog geen week — waartoe het feit verzwegen! — En reeds brandde ik uw pand, door \'t vuur van mijn sigaar
Ik werd wanhopig schier er ooit toe te geraken,
Met u mij te verstaan, en \'t ééns met u te zijn.
Vaak meende ik opnieuw een and\'re te doen maken.
Maar waart gyj iets te wijd, een and\'re soms te klein; En toen ik u ontving in reeds geklommen dagen,
\'k Begroette u in mijn geest als laatste van uw slag, Om tot ons beider eind getrouw ons lot te dragen.
Trots dat het nauwziend oog soms lappen op u zag.
Dien wensch hebt gij verhoord, en sinds werd het uw streven
In \'t stil studeervertrek — aan huiselijken haard.
Mijn huis-, mijn reisgenoot te zijn door \'t eenzaam leven.
En zijt nu sedert lang mij alles, alles waard;
Nu drukt gij niet meer zwaar, gij sluit juist om mijn leden.
Ge glijdt gemakk\'lijk aan en valt gewillig uit.
Ge omvat me trouw, als \'k pas ten bed ben uitgetreden, En keert ter kapstok weêr, als ik mijne oogen sluit.
56
Toen de éerste kleur en glans en frischheid u omzweefden,
Hebt ge enk\'le malen zelfs op straat mi] vergezeld;
Ook daar was \'t vreugd\' of leed dat wij tezaam beleefden,
En zonnesteek of bul werd niet door ons geteld;
Ik zag dan menig jas met ridderkruis behangen.
Zóó rijk, vriend! waart gü niet, ach! dat u dit ontbrak; \'k quot;Weet niet of jassen ook al wenschen\' en verlangen:
\'k Nam dus een rozeknop, die \'k in uw knoopsgat stak.
Van schier al wat ik doe, zijt gij alleen getuige,
\'t Zij \'k mijmer, spreek of schrijf op mijne pelgrimsbaan, \'t Zij \'k machteloos het hoofd voor \'t harde noodlot bulge. Of in \'t ontwikk\'lend kroost mijn zon weêr op zie gaan; Staar ik met bloedend hart terug in \'t bang verleden,
Of spel \'k een toekomst mij, die licht in rook verkeert, Leg \'k peinzend in den rug van d\' armstoel neêrgegleden, Te volgen zonder wenk, hebt gij sinds lang geleerd.
Maar waartoe schokt gij thans mijn onbepaald vertrouwen?
Drie knoopen van de zes zijt gij, helaas! reeds kwijt.
Geen knoopsgat dat meer sluit, gescheurd zijn beide mouwen,
Beneden gaapt de zak, juist als van boven, wijd;
Moet ik door dit te zien, uw nad\'rend eind\' voorspellen.
En voegt zich bij dien wenk nog dikwerf eigen leed,
Wacht even, vriend! ik laat nog éénmaal u verstellen,
Maar wacht u zesmaal meer, dat ge ons verbond vergeet!
En keert ge weêr, o jas! uit snijder\'s schaar en handen.
Gelapt, gestopt, geverfd en gedecatiseerd.
Dan zijt ge nog eens nieuw, als kwaamt ge uit verre landen,
Hoe menig van uw slag wordt niet als nieuw geëerd!
Maar ben ik bij dat spel onopgelapt gebleven —
Nu wel wat oud voor u mijn twéémaal nieuwe kleed, — Toch blijven wij getrouw aan \'t woord, elkaar gegeven;
Wacht u, mijn Kamerjas! dat ge ons verbond vergeet.
GUSTAAF EN ALFRED IN DE VACANTIE.
Steeds zullen die voorbeelden den meesten invloed hebben, die wij ontvangen van hen, die met ons gelijk in jaren zijn.
GKjstaaf.
Gelukkige uren,
Van schoolwetten vrij, Weg nu met dat turen
In boeken en lei;
Daar liggen ze veilig.
Slaapt wel in dien hoek, Vooreerst sla ik heilig Geen oog in een boek.
\'kGa hoep\'len en visschen, \'k Neem pluim en raket, Zoo kan het niet missen,
Den heelen dag pret; Bij maanlicht nog spelen, En laat eerst naar bed.
Geen meester kan \'t schelen; \'t Steekt \'s morgens niet net.
Alfred.
Gustaaf hou toch op met mallen,
\'k Wed u ras de lust vergaat;
Maat! wat zou \'tje tegenvallen.
Als eensklaps weêr \'t schooluur slaat. Ongedaan uw fransch vertalen,
Vraagstuk, sommen onverklaard; Hoordet gij dan niet bepalen;
„Voor goed werk, een groote kaart?quot;
58
Neen, \'kheb \'tanders reeds bezonnen: Vroeg op, dan aan \'t werk terstond, Cleeft elk uur er twéé gewonnen:
De ochtend heeft goud in den mond; Later, kan ik vroolijk spelen.
Kom dan tot mij als \'tu lust;
\'k Las eens: „Wilt ge u niet vervelen, „Kies dan beurt\'lings werk en rust.quot;
Lezer, volg met uw gedachten
\'tGeen door beiden werd beweerd; Wij blijven uwe uitspraak wachten,
Als de tijd u heeft geleerd.
Dat ge heel uw volgend leven
Aan uw schooltijd denken moet. En een taak onafgeweven.
Steeds te laat berouwen doet.
DANS L\'ALBXTia DE MAD\'™.....
J\'aimerois bien lier quelque fleur ou verdure, A ton charmant bouquet, souvenir d\'amitié. Qui pour ton avenir serait de bon augure, En guide de mes voeux pour ta félicité;
Mais j\'avais beau chercher au parterre de Flore, Parmi jonquille, lis, jasmin et réséda.
La fleur de mon désir, que, ne la, vis je éclfire La rose sans épines ne végète ici bas.
59
JAN MET ZIJN VLIEGER.
Jan.
Vader! zie mijn vlieger zweven, Pas hield Piet hem even op,
Zooveel koord kon ik niet geven,
Of hij steeg al hooger op;
Boven boomen, kerk en daken.
Zie, wat lijkt hij wonder klein. Wie kan beter vlieger maken.
Neon! de mijn zal koning zijn.
Ik zie, hoe dat ik moge turen.
Van die sterren goud en bont,
Zelfs niet één van die figuren.
Die \'k beneên zóó prachtig vond;
Is hij nu niet in de wolken?
En komt hij weer gaaf beneên; Ach! kon hij ons dan vertolken \'t Geen hij zag rondom zich heen!
Vader.
jANlief! \'k zie met welbehagen,
Hoe uw vlieger opwaarts trekt, En \'k bemerk uit uwe vragen,
Hoe die vlucht uw leerzucht wekt; \'k Zou hem nu geen bot meer vieren. Slechts een zwakke stee in \'t koord, \'t Breekt, gij ziet hem doelloos zwieren. En uw vreugde is verstoord.
Takel zacht, dan kunt ge wachten.
Dat hij statig nederdaalt;
En bezat hij dan de krachten,
Dan sprak hij tot u bepaald.
60
Wel niet van hetgeen hij boven, Halfweg naar de wolken zag, Maar van \'t geen ge moet gelooven: \'t Zal u blijken dag aan dag.
„Jan! gij noemdet mij een koning,
Wijl ik u ten dienste stond,
En ik boven dak en woning,
Tot uw vreugde zweefde in \'t rond; Maar \'k behoef \'t niet te verbreiden.
Ik was slechts hout en bont papier; Piet uw vriend en gij, gij beiden,
Deedt mij zweven ver van hier.
„Nu stond \'k boven trotsch te pralen.
Als had \'k zelf mijn baan bereid,
Maar die roem moest weldra falen: Waarheid wordt te ras verbreid;
Piet hield me op, toen gij gingt loopen,
quot;t Koord gespannen, blies de wind. Alles kwam te zamen loopen, En \'k verhief mij, beste vrind!
„Wacht nu nog een zestal jaren.
Onverschillig waar ik zij.
Daarna zult gi] wis ervaren,
\'tGeen ik nu ben, zijt dan gij;
Vindt ge een koord en goede menschen.
Die u trekken naar de lucht.
Vriend! staak vrij dan uwe wenschen. Voor geen toekomst meer beducht!
61
Hebt ge kennis, \'tkan geen schade,
Of zoo niet, soms even goed,
Veel te weten, ziet men spade.
Helpt te paard, doch ook te voet; Nergens dus meer van verwachten. Dan van \'t voertuig met één wiel, En waar gij ook naar moogt trachten, Dat u dit ten deele viel.
„Dan zijn uwe levensdagen
Van verdriet en zorg bevrijd.
En door \'smenschen welbehagen
Wordt ge ook door den mehsch benijd; Maar volbreng getrouw de plichten.
Waartoe gij geroepen zijt.
Eens zal \'smenschen oordeel zwichten. Als de tijd wordt Eeuwigheid.quot;
WIJ ZULLEN ZIEN.
Naar Chateaubriand.
Heeft \'tgeen voorbij is, luttel waarde,
Wat nu bestaat, telt weinig meer; \'t Verschiet-alleen spelt ons op aarde
Genoegen, voorspoed, schatten, eer: Het is den sterv\'ling aangeboren.
De toekomst steeds vooruit te vliên. Elk meent \'t geluk is hem beschoren. En zegt met klem: „Wij zullen zien.quot;
62
En wat gedijt van dat voorspellen, Is eindelijk die toekomst daar?
Slechts tranen, die uit de oogen wellen, Beweenen \'t wachten met misbaar:
Daar slaat het uur, dat wij begeeren, De klok die ons \'t geluk zou biên;
Mistroostig tracht men \'taf te weeren. Nog eenmaal met: „Wij zullen zien.quot;
De grijsaard, \'t hoofd terneer gebogen.
Staat aan den rand van \'t gapend graf;
Meent niet, dat met den dood voor oogen, Hem ook zijn laatste wensch begaf;
Nog spelt hij zich een aantal jaren. En schoon geen arts hem hoop durft biên.
Arts en voorspelling laat hij varen.
Hij sterft, maar met; „Wij zullen zien.quot;
Door warme vriendschap saam verbonden. Leven ginds twéé slechts voor elkaar;
Eensklaps wordt de één door smart verslonden. En staat zijn vriend ter hulpe daar:
„Zeg, waarde! zeg mij zonder schromen, Wat kan ik u ter laaf nis biên?quot;
„Wil vaakquot; — zegt deze — „tot mij komen,quot; En \'tantwoord is: „Wij zullen zien.quot;
Bergt u! daar komt hij vliegend jagen, Met knechten in livrei gekleed.
De rijkaard, die in vroeger dagen
Voor geld u naar den spoortrein reed;
Ziet oud en jong verwilderd vluchten, Bespat met modder tot de kniên,
„Wil, lompert! onze vuisten duchten!quot; Zóó tieren ze — „We zullen zien.quot;
63
„Anna! gij kent mijn boezemsmarte,quot;
Spreekt Willem — „Lieve! word mijn ga,quot; Maar klopte ook der amp;choone \'t harte,
En zei ze gaarne aanstonds: „Ja!quot; Zou ooit de Sexe dit gedoogen.
Haar hoofd schudt „Neenquot; bij \'t henenvliên; „Ja!quot; zeggen Eng\'lenblos en oogen. En moeder zegt: „Wij zullen zien.quot;
„Wij zullen zienquot; zijn too verwoorden.
Als zeker zijn tekorte schiet;
Een volzin, die, waar wij hem hoorden,
Ons hopen — maar in twijfel liet; De dagbladschrijver, arts of maaklaar.
Gemiddeld negen van de tien.
De zeeman wordt zijn bodem onklaar. Ze zeggen trouw: „We zullen zien.quot;
Wil ze niet uit de taal verbannen,
Hoe nietig hun beteek\'nis zij,
\'t Is goed dat wij steeds wachtend blijven.
Zoowel bij ebbe als vloedgetij: Wat werden — stond voor \'t hoofd geschreven,
\'tGeen ons de toekomst ééns zal biên. De hoop — de fantasie — ja \'tleven?... \'tZij ons genoeg: „ Wirj zullen zien.quot;
64
JANTJE IN DEN TUIN.
(Van Alphbn gevolgd.)
Jantje zag eens appels hangen,
Geel als goud met roode koon; „Die zijn juist naar mijn verlangen,quot; Sprak hij, „o! wat zijn ze schoon; Maar, hoe of het toch zou komen, —
\'k Hoop de tuinman \'tinlj verklaart, Dat bij \'t groot getal van boomen.
Groeiend toch in ééne aard.
De één steeds appels, de and\'re peren,
En een derde pruimen biedt.
Wijl men nooit, wat moog verkeeren. Aan een pruimboom appels ziet.quot;
Voort ging Jantje, met zijn hoepel.
Maar vooraan op \'t middenpad, Zat zijn vader in den koepel.
Waar hij hem beluisterd had; „Jan,quot; sprak hij, „ik hoorde u vragen,
En uw weetlust geeft mij vreugd. Want die baant in kinderdagen,
U den naasten weg tot deugd; — Wat Gods almacht riep in \'tleven,
\'t Kreeg bestemming, taak en plicht, Niets aan toeval prijsgegeven,
\'t Al met orde ingericht.
„Hoeveel boomen uit de zaden
Van deez\' appel ooit ontstaan. Elk zal zijn geslacht verraden:
Appels groeien ééns er aan;
Wanneer \'t winterjaargetijde.
Als bij iedren dag verdwijnt.
65
\'tLentegroen kiemt in de weide,
En reeds \'t zonlicht langer schijnt; Als daarna én boom én bloemen
Ons den lieven zomer biên,
We in den herfst de vruchten roemen, Die den winter nog voorzien;
„Als het vischje in de plassen,
\'t Vogeltje leeft in de lucht,
*
Heeft elk jaartij zijn gewassen,
En elk zaad zijn eigen vrucht; Zag men nooit den zomer schikken Naast den winter, koud en guur. Noch de lentezon verkwikken.
Na den oogst, in de natuur;
Rijst in \'t Oosten steeds het zonlicht. Daalt het trouw in \'t Westen neêr; Ken dan de orde, die u voorlicht Bij het werk van God den Heer.
„Ook gij hebt een doel op aarde, En besef zulks wel, mijn Jan!
Houd wat men u leert, in waarde.
En word een verstandig man:
Kies in het maatschapp\'lijk leven Eens den stand, die u bekoort. God zal u de wijsheid geven.
Om te werken, zoo \'t behoort;
Zoo ge t\' avond en te morgen
Hem om kracht en hulpe vraagt. En bij wat gij doet zult zorgen,
Dat ge u naar Zijn wil gedraagt.quot;
66
A MADEMOISELLE .... QUI S\'ACQUITTAIT PROMPTEMENT DES SOINS D\'UN NOURRISSON.
On célèbrait chez toi fête bien solemnelle,
Lors qu\'il plüt au Seigneur de te donner le jour; d\' Heureux parents alors, a l\'époque si belle,
Imploraient du bon Dieu, ton salut, tour a tour: lis chantaient gaiement leur bonheur d\' hyménée,
Le jour, que leur espoir, en toi fut accompli,
Et toi, la bien venue j chérie et fêtée,
Tu ne poussais alors que des pleurs et des cris.
Makie! plüt a Dieu, de te rendre prospère,
Heureuse au sentier, qu\'il voudra te tracer,
Tes soins du nourrisson, qui a perdu sa mère,
Et qui ne vit qu\'en toi, te le font mériter. Ö\'écoulent ainsi tes jours, signalés d\' allégresse,
\'t Offriront — ils enfin la coupe du destin;
Que ton trepas alors cause bien de tristesse,
Tandis que triomphante tu poursuives ton chemin.
DE STUDENT.
Het leven is kort; de wetenschap veelomvat-tendev Is nu de mensch daar, om naar volmaking te streven, hij moet dan woekeren met den tijd, en \'t ijzer smeden, terwijl quot;t heet is. Een onnut leven toch is een vroegtijdige dood.
Jan telde zoowat zestien jaar.
Geen tijd was te verliezen,
Eeeds zeide vaak het oud\'renpaar:
„quot;VVil u een werkkring kiezen.
Word boer als ik, of timmerman.
Er dient begonnen, beste Jan!quot;
67
Hij had er weinig ooren toe,
Nu reeds zich te verklaren;
De tijd toch zou wel leeren, hoe
\'tHem later zou weervaren;
Trouw ving hij vogels in den slag,
Maar vader zei \'t hem ied\'ren dag.
Dat eind\'loos plagen viel hem bang;
„Wat lot is mij beschoren,quot;
Dacht Jan, — „zoo altijd, weken lang,
Hetzelfde weer te hooren.quot;
Hij peinsde een poos, en zei in \'t end: „Nu hoor eens, vader! \'k word student.quot;
„Student! mijn zoon, of \'t moog\'lijk waar,
\'k Mocht dit reeds lang begeeren.
Reeds zie \'k u in de toga daar,
Bij de geleerde Heeren;
Bravo!quot; zei vader, „Dominé!
En, vrouw, wij gaan ter kerke meê!quot;
„Neen, Jan! word liever avekaat,quot; Zei moeder, — „om de centen. Of dokter, als je daarop staat,
Gij krijgt gewis patiënten!quot;
Maar hoe de wind den boeg ook keert, Toch zegt de boer: „Mijn zoon studeert!quot;
„Houd op!quot; zegt Jan - „bedaar, bedaar,
Wat praat je vreemde zaken,
Is, wat ik zei, u soms niet klaar?
Laat mij \'t u duid\'lijk maken:
Ik word student, ziedaar mijn hand.
Maar aan studeeren heb ik \'t land!quot;
68
ADIEU AU DEPART D\'UN AMI.
II en est fait, mon cher! le temps bref et rapide,
Fit voler les instants a l\'amitié precieux, Se moquant de nos voeux et projets, le perfide, Sevèrement commande un affligeant adieu!
Ainsi du Nord au Sud, du couchant a l\'auróre
Nous sommes dispersés par le souffle de Dieu, Se quitter, se revoir, pour se quitter encore, *) Telle ést la vie, elle n\'est qu\'un long adieu.
Adieu! penible mot, pour I\'affection sincere,
M\'arrache tu l\'idöle, laisse moi mon espoir, Mon oeil perd le navire, sur les ondes austères, Mais un Zephir chuchotte: „Un dernier revoir.quot;
HOE HEET DIE BOOM?
Hij, wien de schoen past, trekk\' hem Maar \'k hoop dat hjj blijv\' ledig staan.
De boomen zijn aan \'t kind gelijk;
Wilt gij ze vrucht zien dragen,
Maak hen aan voedingskrachten rijk.
En gij zult heerlijk slagen:
Onthoud den éérste mest noch mes, Uw voorraadschuur zal \'t toonen;
Geef aan den laatste raad en les,
Hij zal \'t, als mensch, u loonen;
(» Second couplet transcrit.
69
En treft men enk\'le kind\'ren aan, Die zonder dwang niet werken, \'k Zag in den hof een hoogstam staan,
En mocht hetzelfde merken; Men ziet zijn takken wijd en zijd Veel schoone vruchten dragen.
Mits dat de tuinman hem kastijdt
Door harde stokkeslagen;
Eén zag ik slechts van deze soort.
En dit kon mij behagen.
Want, wat mij \'t allerminst bekoort,
Is werk, gekocht door slagen.
Zijn beeld sta u steeds voor den geest.
Bij wat ge moogt verrichten.
En gij, volbreng, voor dwang bevreesd. Uit vrijen wil uw plichten.
WILLEM AAN DEN AVOND VAN ZIJN TIENDE VERJAARFEEST.
Wat heugelijke dag, rijk aan genot en vreugde.
Werd heden mij bereid, te midden van \'t gezin.
Dat door geschenk en wensch, mij als om strijd verheugde,
En deelende in mijn lot, mij wees op \'t ruim gewin Aan kracht, ontwikkeling en nutte kundigheden.
Mij door Gods gunst verleend in d\' afgeloopen kring, Terwijl, vóór mijn bestaan, mijn ouders hun gebeden Opdroegen aan den God, van wien ik het ontving.
Mijn dankstof rijst, terwijl ik om mij henen schouwe,
En menig speelnoot zie, die, ja! als ik verjaart,
Maar niet verblijd als ik, dewijl hij eene trouwe En dierb\'re moeder mist, of vader, hem zoo waard;
70
En vestig ik den blik daar achter gindsche abeelen,
Op \'t uitgestrekt gebouw door liefde en zorg gesticht, Waar weezen \'t droeve lot al treurend samen deelen, Dan klopt mij \'t harte snel, — dekt schaamte mijn gezicht.
Ik vraag dan vol berouw voor \'t kwaad, door mij bedreven.
Voor tijd door mij verkwist, voor lessen, niet betracht. Vergeving aan den Heer, die niet slechts door het leven. Maar, wakend voor mijn jeugd, ten goede mij gedacht; \'k Voel mij een kind van God en tot geluk geschapen,
De grootheid Zijner liefde in speelgoed, kleed\'ren, brood. En dankbaarheidsgevoel ontwaakt, nu ik ga slapen,
Door \'t groote gunstbewijs: — het feest dat Hij mij bood.
Ach! werd ik ééns een man, mocht ik, wat mij bejegen\'. Herzeggen \'tgeen \'k als kind ééns leerde aan moeders schoot, \'k Bleef steeds een kind van G-od, wat was ik rijk aan zegen, Hij bleef mijn Toeverlaat, bij voorspoed, ramp en nood. Dan looft mijn\'ziel dien God voor Zijne gunstbewijzen.
En, rijst de zon in \'t Oost, of daalt ze in \'t Westerstrand, \'k Zal stamelende steeds Zijn liefde en grootheid prijzen, Tot ik \'t ééns beter kan, in \'t Hemelsch Vaderland.
71
MIJMERIITG NA EEN SCHOONEN ZOMERAVOND.
De zomer is als een psalm zonder pauze; bij dag en bij naclit, om beurte zingen bloemen en sterren.
Daar daalt de gulden zon ter wester kimme weder,
Zij heeft op aard\' haar loop een etmaal weer volbracht;
Het dartel vee legt zich in \'t weigras rustig neder, En \'t scheps\'lenheir gevoelt haar koesterende kracht;
Zij koos de bloem en knop, zij rijpte ooft en vruchten, En heeft ze al \'t jeugdig lot door haren gloed verzengd:
Straks zweeft een milde dauw langs beemden en gehuchten, En \'t rimp\'lig groen herleeft als d\' aarde wordt gedrenkt.
Nu zwijgt het voog\'lenkoor in \'t groen van gindsche abeelen. Haar kopje in \'t dons gekeerd, voor \'t flauwe licht der maan;
Geen vischje in de beek aan \'t dart\'len meer of spelen, En \'t golfgeklots van straks is nu een spiegelbaan;
Niets treft het fijnst gehoor dan Zephyrs zacht gefluister, Haar nachtgroet aan den halm in \'t korenveld gebracht;
Het dagwerk is verricht, het licht maakt plaats voor \'t duister. Natuur een wijle dood,.... haar rouwfloers is de nacht.
Ook ik schik mij ter rust, maar richt den blik naar \'t oosten. Waar éénmaal \'t licht verrees, dat nimmermeer verdween,
En \'t „Hallel,quot; toen gehoord, moog\' ook mijn ziel vertroosten. Als heden soms de zon mij voor het laatst bescheen;
Daal dan ook donk\'re nacht over mijne assche neder,
Gods zegen, als een dauw, strijke op mijn rustplaats neêr.
Met Zephyr zacht geluid wekt eens dat Licht mij weder. En volg ik \'t Eng\'lenkoor met „Hallel, loof den Heer!quot;
72
AAN MIJN ZOONquot; HENDRIK.
Ziet gij in \'t gindsche woud, bij berk, spar en abeelen,
Dien achtb\'ren, fleren eik, dien stam, met mos bekleefd;
Dien hemelhoogen kruin, waarmee de Zephyrs spelen.
Maar die, reeds sinds een eeuw, den storm doorworsteld heeft?
Hij, koning van \'t plantsoen, hij weerde de onweersvlagen Van \'t teeder, jeugdig lot, dat bloot en. weerloos stond;
Straks is zijn pleit beslist, zie zaagblok reeds en schragen. De bijl ligt aan den stam en hij straks op den grond.
Ziet gij, mijn zoon! allengs ook \'s vaders lokken grijzen, Ziet gij zijn wank\'len gang, die groeven op \'t gelaat ?
Zou \'k u op \'t zestigtal der zonnen dan nog wijzen, Die draaiden om dat hoofd, of wel op de overmaat
Van bitt\'ren rouw en smart, die schier niet van mij weken Op mijnen levensweg, — een zwaren pelgrimstocht,
Waardoor ik werd gesloopt, mijn krachten schier bezweken. Of op mijn zorg voor \'t kroost, waar \'t hart aan is verknocht ?
Neen, wat uw oog ontging, toch moest gij dit ontwaren, Al stond \'k in stormen pal, gesterkt door Gods genfi,
Al wilde God tot hier den eik voor \'t lot bewaren, Nog slechts een enk\'le stoot, en ook hij valt weldra;
De bijl ligt aan den stam, straks draagt men ook de schragen. En mijn ontzield gebeent\' zinkt neder langs het koord;
Ontvang dan. God! mijn ziel, ik blijf dit biddend vragen, En dekke de aard mijn stof, bij \'t stof dat mij behoort.
En als ge dan, mijn zoon! den laatsten uwer plichten Hebt aan mijn asch volbracht en huiswaarts zijt gekeerd,
Omarm, omhels dan straks het jeugdig drietal wichten, Dat u, als \'k niet meer ben, als hunnen vader, eert;
73
Wees in mijn plaats voortaan uws broeders, zusters hoeder, Volbreng mijn weezen trouw de taak door u aanvaard; \'k Bezweer \'t u in dit uur, bij de assche uwer moeder, Wacht er den zegen op van Hemel en van aard.
NA HET PLOTSELING OVERLIJDEN VAN SENZELFDE.
Gods wegen, niet onze wegen.
Wat zwoegt ge, o mensch! bij dagen en bij nachten,
En spelt ge uw lot, zelfs jaren in \'t verschiet; Hoe, durft ge de vervulling zelfs verwachten Der profetie, die ge achterliet?
Vermeet\'le! waren zestig lange jaren
U nog te kort tot staving van het feit.
Dat \'s menschen duur, ja! tot elk zijner haren Geteld is .... en gij! stof slechts zijt ?
• Wanneer toch zal de wereld zich beroemen.
Die, tot hiertoe, naar weelde en lust slechts vraagt. Dat elk van hen, die stout zich menschen noemen. Met recht den eernaam Christen draagt!
Daar ligt het puik van \'t zestal mijner zonen,
Nog korts mijn hoop, wien ik mijn weezen liet, En nu, geleid door doffe kerkklokstonen,
Een rustplaats naast zijn moeder bied.
Nog eens; laat af, één uur slechts te beschikken.
Want de adem zelfs is in uws Vaders hand;
Laat u door jeugd en welvaart niet verstrikken.
Bereid u steeds voor \'t Vaderland.
74
Rust zacht, mijn kind! uw taak was afgeweven,
En \'s Vaders weg een and\'re dan de mijn\';
Gingt gij mij voor in \'t eeuwig, zalig leven —
Moog ik daar eenmaal bij u zijn.
Waar voor mijn kroost nu hulp en steun te vinden,
Wien ik hun lot, gelijk aan u vertrouw!
Maar zou ik. God! daarom rnij onderwinden.
Te twijflen aan Uw liefde en trouw ?
Neen, breekt mijn oog, verstijft mij \'t bloed in de ader,
En zal ook ééns mijn jongste stond daar zijn. Dan zal, Godlof! de Zoon van;mijnen Vader Hun Heiland en hun Vader zijn.
DE VISSCHER.
(Jacob Cats gevolgd.)
Toen \'k onlangs aan een plas, vol voorn en baars en snoeken, Besloeg in \'t visscherswerk een goede vangst te zoeken, Toen is — ik weet niet hoe en ik en weet niet wat — Geschied, wat ik het \'t minst mij voorgespiegeld had. Ik had een keurig aas aan mijnen hoek gehangen;
Ik zou — dit stond gewis — toch wel een korf vol vangen; \'kZei \'s\'morgens tot de maagd, die ons de spijs bereidt: „Zorg dat — op visch na — \'t maal gereed zij op zijn tijd: „Gij moogt het water vast al op de kolen hangen,
\'k Breng u in tijds den visch, dien \'k schielijk nu ga vangen; \'k Versta me op dat bedrijf, en vang licht zooveel visch , Als voor \'t gezin bij \'t maal, op heden noodig is.quot;
75
\'k Werp fluks den dobber uit; \'k zie visch op vischken spart\'len; „Zooquot; (dacht ik) „vang ik u, bij dat wellustig dart\'len.quot; En pas had ik \'t gezegd, — daar zinkt mijn dobber neer; \'kHaal op; — mijn aas is weg, maar geen visch deze keer. Een and\'re worm gevat, dik door veel melk te drinken; Hij is in \'t water pas, straks gaat de kurk weer zinken, „Nu zal\'het beter gaan, dien minstens vang ik ras.quot;
Ik haal mijn vischtuig op; de visch bleef waar hij was; Zoo zat ik menig uur te hengelen, te tukken.
Ik haalde telkens op, maar \'t mocht mij niet gelukken; Te laat was \'t, of te vroeg; ik deed geen enk\'len trek. Ja, \'t gansche vischgeslacht, het hield mij voor den gek. In \'t eind, het visschen moe, van middagmaal verstoken, Zette ik mi] moed\'loos neer, \'t hoofd op de borst gedoken. En \'t kwam mij voor den geest, al turende in den plas. Dat toch mijn vischbedrijf vol nutte leering was;
\'tWas even dwaas aan \'t vuur toch water op te hangen. Terwijl de visch nog zwom, maar geenszins was gevangen, Als \'t wiss\'len van de huid des zwarten beers voor goud, Terwijl het hier nog woest te brommen liep door \'t woud. Welk flink gezond verstand zal \'t denkbeeld niet verbannen, Om achter \'t voertuig \'t paard, in plaats van vóór te spannen ? En vloog er al een zwerm van vogels over \'t land,
Veel wisser is het toch, één enk\'len in de hand.
Nog meer, gelijk den visch het aas wordt voorgehangen, Tracht, lieve knaap of maagd! ook de ondeugd u te vangen: Zij maakt van uwe jeugd en onschuld trouw gebruik, En, eer gij \'t zelf vermoedt, helaas! zijt ge in de fuik; Vlied, evenals de visch, het lokaas u geboden.
Verleidt men u tot kwaad, met spoed de plaats ontvloden; Houd uw geweten vrij; het spreekt met luider stem:
„Leef tot uws Scheppers eer, en wacht dan hulp van Hem.quot;
76
THEODOOB VOOR DE BEELTENIS VAW WIJLEN ZIJNE UOEDEB.
„Ik ben een kind „Van God bemind „En tot geluk geschapen,quot;
Zóó luidde moeder \'t eerste lied,
Dat gij mij zongt en achterliet,
Helaas ! te vroeg ontslapen.
En sedert ik wat ouder ben.
En meer en meer de waarde erken
Van \'tiled, door u gezongen,
Word ik, om naar deez\' plaats te gaan En dankend voor uw beeld te staan,
Ja, moeder! vaak gedrongen.
Wie gaf mij \'t leven, d\' adem toch. Wie zorgde steeds, en wie leidt nog
Mijn kinderlijke schreden?
Wie kleedt, wie voedt, wie spreidt mij \'t bed, Wie is \'t, die op mijn bidden let, Wie sterkt mijn zwakke leden?
Wie geeft in rouw mijn vader moed, Dat hij mij onderwijzen doet
In tal van nutte zaken;
Wie schonk der jeugd het bijbelboek, Waar\'k nooit vergeefs mijn plicht in zoek. Op \'s levens zee ten baken ?
77
Wie anders dan de hooge God,
Bestierder van der kind\'ren lot, De Wijsheid, Macht en Liefde.
Ach! dat ik nooit door euveldaan Voor moeders beeld beschaamd mocht staan, Als ik dien Vader griefde.
Heeft hij mij moederliefde ontzegd.
Mijn vader zegt: „Bij God is \'t recht;quot;
Gij moogt \'t „waaromquot; niet vragen.quot; Nam ze onze vreugde meê van de aard, De kroon is meer dan \'t leven waard, Die zij voortaan mag dragen.
\'k Herzeg nog eenmaal dan het woord, Mijn moeder! reeds van u gehoord.
Eer ik den zin kon vatten:
Van d\' ochtend- tot den avondstond Wil ik met heel mijn hart en mond Dien God naar waarde schatten!
DEZELFSE, VIJFTIEN JAREN LATER, TERZELFDER FLAATS.
Ons heden moet zeggen, of men zich met recht heeft bijgemaakt, toen wij geboren werden.
Moeder! waar zijn ze heen, die vijftien rappe jaren?
Sinds ik als kind in rouw voor uwe beelt\'nis stond; Die toen reeds in mijn\' ziel gevoelens deed ontwaren,
Die \'k ied\'ren dag, elk uur daarna bevestigd vond!
Gereed als jongeling de wereld in te treden.
Werp ik een blik terug op de afgelegde baan,
\'k Herhaal dan, ja! maar ernstiger op heden,
De woorden van weleer: „God heeft mij welgedaan!quot;
78
\'k Zag goed en kwaad; \'k vond distels meer dan bloemen,
Ik struikelde ook, maar lag niet hulp\'loos, neen!
Mijn Schepper toch, dien gij mij \'t eerst deed roemen,
Greep mijne hand en leidde mijne schreên:
\'k Aanvaard met moed de reis dan door dit leven;
\'k Weet dat ik roos en doorn, en klip en afgrond vind. Maar blijve uw goede geest, o moeder! mij omgeven.
Dan reis \'k vertrouwend door; de vader mint zijn kind. \'k Vraag niet naar \'t zonnental, dat om mijn hoofd zal zweven.
Naar vreugd of droefenis, of \'t wiss\'len van mijn lot. Ik bid slechts, dat \'k aan d\' avond van mijn leven. Ja, stervend zeggen moge: „Ik bleef een kind van God.quot;
TWEE BOEKEN.
Op gezette tydeu sluiten wy de boeken af van ons stoffelijk welzijn; wanneer zullen wij de balans opmaken van onzen zedelijken vóór- of achteruitgang?
Hoe ik blader, snuffel, zoek In mijn oude nota-boek.
Geen blad is meer wit gebleven,
\'t Al beklad en volgeschreven Met wat \'k hoorde, nu en toen,
Wat \'k had moeten — kunnen doen. Met adressen in de stad.
En ... ja!.. met ik weet niet wat.
Ik moet op reis, ben reeds gereed,
En \'t is iets, dat ieder weet:
Wat we dan zien of bedrijven.
Moet trouw opgeteekend blijven.
Zend \'k nu naar den binder heen Met mijn oude boekje?... neen,
Immers gaat het niemand aan.
Wat \'k er niet al in heb staan.
\'k Neem slechts \'t omslag uit mijn tasch.
Daar maakt hij papier èn pas,
Juist zooveel als \'twas voor dezen.
En de wond is ras genezen;
Een blank boekje in den zak,
Is onmisbaar en.... gemak;
\'t Oude heeft nu afgedaan,
En \'k begin van voor af aan.
Er is een ander boek 1), met blaadren blank en rein, Dat nooit een mensch\'lijk oog gegeven is te aanschouwen;
Op goddelijk bevel ontstaan, om daar te zijn.
En sinds bestemd, om trouw de waarheid te ontvouwen;
In gulden letters en met onuitwischbre stift Wordt de inhoud blad voor blad door de Almacht-zelf geschreven,
Maar tegelijkertijd in \'s menschen ziel gegrift,
Terwijl \'t geweten zijn getuigenis komt geven.
Het volgt u op uw reis door dit benedenrand,
\'t Stipt aan wat gij bedreeft, dacht, misdeedt of begeerdet:
Of gij op \'t pad der deugd of \'t dwaalspoor u bevondt. Den kring door u gezocht en waarin gij verkeerdet;
1
Maleachi 3 : 10.
80
Of gij Grods Woord — uw plichten hebt betracht,
Die u, \'t zij jong of oud, tot dagwerk zijn gegeven.
En dus voldoet aan \'t geen uw Schepper van u wacht: Dit is de inhoud van het dagboek van uw leven.
Zorg, dat geen wangedrag die bladeren ooit bekladd\'. Wat opgeteekend staat, blijft uwe schuld verzwaren,
\'t Geweten — schoon ge \'t u niet voorgespiegeld hadt — Het klaagt u aan en ééns zult gij \'t te laat ontwaren:
Het leven in \'t verschiet is slechts een droom, niet meer. En wordt de bloem geknakt, pas uit den knop geboren,
Is \'t dagboek ééns bemorst, voor u geen tweede weêr, En meestal met de bloem gaat ook de vrucht verloren.
Of staat wellicht reeds menig misstap op uw paan, Als zooveel vlekken in het dagboek van uw leven;
Geen oogenblik getoefd, aanstonds tot Hem gegaan, Die struikelenden redt en zondaars wil vergeven;
Die \'t schepsel Zijner hand erkent als nietig stof,
En op het vroom gebed tot uitzicht heeft gegeven
Gezegende aankomst in den reinen Hemelhof, Na wei-volbrachte reis door dit kortstondig leven.
DE OUDEJAARSAVOND.
Het statig klokgelui, dof trillend door \'t geboomt\', In \'t plechtige avonduur voerde elk ter tempel henen, Om voor \'t laatst dit jaar zich dankend te vereenen; \'t Was of de Godheid-zelf der schare toeriep „Koomt!quot;
81
Met ernst en dank bezield, boog oud en jong zich neer, Van schuldbesef vervuld, tot boete doen gedrongen,
öteeg \'t smeekgebed omhoog, werd psalm en lied gezongen,
Maar één was de inhoud slechts: „Vergiff\'nis, o Heer!quot;
In d\' afgeloopen kring hebt Ge alles weêr vervuld, Wat Bijbel en natuur in nadruk ons doen lezen;
,,Behagen in den mensch,quot; geschapen naar ¥w wezen;
En ach! wie waren wij — gena, o God! geduld.
Geduld met nietig stof, \'t staart U aanbiddend aan; In wijsheid, liefde en trouw kon niets U evenaren,
In voor- en tegenspoed, die beiden zegen waren,
Hebt Ge U geopenbaard en trouw ter hulp gestaan.
En wij genoten, ja! wat Ge ons ten nutte schiept. Met volle teugen vaak, maar onder \'t steeds genieten Miskenden wij de Bron, waaruit die weldaan vlieten.
En bleven werkeloos, hoe dikwerf Gij ons riept.
Bewaar ons ook dit jaar, ach! „houw den boom niet neêr,quot; 1) Mocht hij tot heden al geen rijpe vruchten dragen,
En echter dag en nacht Uw\' liefde en zorgen vragen.
Spaar nog den tragen stam, schenk zelf hem wasdom. Heer!
Zijn we al weêrspannig niet, toch in der zonde, macht, Sn immer onbekwaam, ons aan haar drang te ontrukken, Hewillig zij de geest, steeds moet toch de Adam bukken, pEn overwint hij ééns, \'t zal zijn door Uwe kracht.
Heer! vel den boom nog niet, ach! dat Uw Heü\'ge Geest, Het zondig hart omgraav\', de onnutte twijgen snoeie,
Opdat er heilig vuur ter Uwer eere in gloeie,
De lampe brandend zij op \'t plechtig bruigomsfeest.
1
Lui. 13 : 8, 9.
\' 82
Dan klaart de duisternis, die \'s menschen ziel misleidt, Dan tiert de onvruchtbre stam in de gezegende aarde, De sterveling ontdekt bij \'t volle licht zijn waarde, En wordt der toekomst reeds een ruimer oogst bereid.
En slaat van \'t volgend jaar de laatste ure weêr,
Terwijl nog aan den boom geen rijpe vruchten groeien. Moge althans door gena één knopje er slechts aan bloeien. Dat beter ooft voorspelt voor hooger, reiner sfeer.
DUBBELE OPVATTING.
In \'t rijk van mijn geslacht bekleed ik de eerste rangen,
Beproeve wie het lust, niet één wordt mij gelijk;
\'k Werd vaak reeds nagebootst, maar \'t spel, pas aangevang, .,
Bleek ras onnut te zijn, — \'t viel telkens in het slijk. Beveel ik rechts of links, men volgt dan mijn geboden,
En wie ze wederstreeft, gehoorzaamt na zijn dood;
Slechts zelden ziet ge er één mijne oppermacht ontvloden, Terwijl natuur voor mij haar gaven mild ontsloot.
Hoe menig kunstgewrocht dankt \'t aanzijn aan mijn handen, \'k Beheersch der volk\'ren taal, hun zee- en grondgebied; \'k Meld in een wenk des tijds \'t geen \'k denk aan vreemde landen.
En afstand, tijd, klimaat, verhinderen mij niet;
\'k Geef alles zijn bestel; deez\' moet mij voeden — kleeden,
Tot woning strekt mij gene, een derde tot vermaak.
Of in zijn mollig dons vlei \'k mijn vermoeide leden,
Of wel, van \'t gindsche boord vloeit Nectar naar mijn smaak.
83
En wijsheid, deugd, verstand, zijn zooveel ijd\'le klanken.
Voor al wie — buiten mij — met voeten de aard\' betreedt. Ja, \'t licht der wetenschap moogt gij haar zelve danken,
Mij echter d\' artsenij, tot heeling van uw leed. —
Gelukkig als ik ben, wie zou mij niet benijden.
Niet haken naar mijn staat, die aan volmaaktheid grenst. Om zóó te zijn als ik, niet al zijn krachten wijden.
Voor \'t vol genot van wat op aard ooit werd gewenscht!
Maar welke macht doordringt zóó plotseling mijn ad\'ren?
\'t Licht wordt mijn oog te sterk, hoe rillen al mijn leên; Zou \'t einde mijner macht en grootheid wellicht nad\'ren, Ben \'k dan almachtig niet ?... \'t wordt duister om mij heen. Zink ziek en zuchtend neer, wie zal mij \'t leger spreien ? \'k Leg dan het brandend hoofd, van dorste smachtend, neêr, 3 hersenschim verdwijnt, die mij tot nu kon vleien. Een waarheidsrein gevoel keert in mijn boezem weer.
t. Bevelen van zoo straks wordt een ootmoedig smeeken, Om ied\'re frissche teug, die \'k zelf niet putten kan; — Help! help! mij, zachte hand! gewillig, zonder spreken,
Daar \'t hersenstel mij klopt en \'t voorhoofd ziedend brandt; Verberg de kaarsvlam mij, dat nieuw licht mij bestrale.
Opdat mijn ziel ontwake, eer nog het lichaam rust. En mij beseffen doe, dat ik onzinnig dwale.
Want onbeperkte macht heerscht slechts aan gindsche kust.
\'k Ontwaak, — \'k zag in een\' droom den sluier opgeheven.
Die, voor het kortziende oog mijn aanzijn hield bedekt. En, in mijn trotschen waan, leerde ik het doel van \'t leven Erkennen, en de grens, waartoe mijn macht zich strekt; Geen Hear gevoel \'k mij nu, slechts \'t werktuig in Zijn handen, \'t Welk arbeidt, staat of valt, op d\'eersten meesterswenk; En die erkentenis doet plichtvuur in mij branden.
Opdat de goede boom geen kwade vruchten schenk.
84
Afhankelijk dus te zijn, en vrij, in daad en wegen.
Met schatten tot mijn wil, en - de armste op heel de aard. Gehoorzaamd en geëerd, toch biddende om een zegen;
Ziedaar mijn wezen en mijn toestand u verklaard. Driewerf gelukkig hij, die vroeg reeds mag beseffen
Zijn levensdoel, zijn plicht en standpunt hier op aard\', Voorspoedig in zijn jeugd, wat later hem moog\' treffen; Hij leeft een leven, steeds zijn grooten Schepper waard.
I.otsbedi:X:I.ING.
Kreeg ieder mensch het zijne, de meeste ontevreden
Houden het oog op dat van anderen gericht.
Omdat het hunne strijdt met wenschen en gebeden. Terwijl daarin vóóral G-ods liefde en wijsheid iigt;
Want kenden zij het deel, dat zij zoozeer begeeren. Men zag hen onverwijld met \'t hunne huiswaarts keeren.
Wel hem, die lief en leed met mannenmoed mag dragen. Het valle soms wat zwaar, \'t wordt lichter door den tijd; Wie niet ontmoedigd wordt, schoon and\'ren hem beklagen. Getrouw blijft aan zijn plicht: weldra wordt hij benijd; Gaat hij blijmoedig voort, steeds met zijn lot tevreden. Dan klaren meer en meer des levens duisterheden.
85
HOUD MOES!
Werp vrij het kiemend graan in de omgeploegde aarde, Wacht ook een ruimen oogst na \'t werk door u volbracht,
En als \'t gezwollen zaad de rijke halmen baarde.
Dan stijge uw danklied tot des Allerhoogst en macht;
Maar moest ge ook «tevergeefs vrucht na den arbeid wachten. Houd moed! zelfs bij dien proef, zet u vertrouwend neêr:
Na duisternis volgt licht, en dit schenkt nieuwe krachten. Om ook bij \'s werelds leed te roemen in den Heer.
Bestraalt de zon uw pad, en voorspoed uwe wegen. Dan volgt het keerpunt ras en de avond daalt, houd moed!
Loeien op \'s levenszee de storm en hoos u tegen,
Straks spreekt het Godsbevel, zij zwijgen stil; — houd moed!
Ziet ge u door \'s vijands list berooven en verdrukken,
Gods heilige gehoon vertreden met den voet;
Moog\' hem zyjn snood bedrijf een wijle zelfs gelukken,-Blijf Christen in \'t geloof, gij overwint-. — houd moed!
GOEDEN NACHT!
Weder is een dag voorbij.
Ach! dat hij ons aanwinst zij; Schikken we ons om \'t kolenvuur, In \'t gezellig avonduur,
Dankend ied\'re zegening.
Die elk onzer ruim ontving;
Lees een\' bladzij, uit Gods Woord. Zeker dat Hij zelf ons hoort; Zeeg\'ne Hij dan \'t avondbrood, Dat Zijn Vaderliefde ons bood. En ons stellende in Zijn macht, Wenschen we elkaar „goeden nacht!quot;
86
En licht — wien \'t beleven mag, Na het rustuur weêr een dag;
Weer is bidden de éérste plicht, Dat God uwe ziel verlicht,
En wat ge ontmoet of bedrijft.
Dit u voor den geest steeds blijft: Wellicht is \'t de laatste dag.
Dat \'k nog bidden, danken mag. En gij dus steeds voorbereid Leven moogt voor de Eeuwigheid; En ééns stervend kalm en zacht, \'t Troostwoord nalaat „Goeden nacht!quot;
AAN EEN KIND.
Vrije vertaling.
Kunt gij \'t getal der sterren gissen, Dat — als de zon in \'t Westen streek —
Daarboven flikkert, of der visschen, Die dart\'len in de gindsche beek?
En hoeveel korenhalmen buigen
Zich golvend, door den wind verrast.
Of nijv\'re honingbijen zuigen De bloem uit, die aan \'t koolzaad wast?
Weet gij, hoeveel van uw karnuiten \'s Morgens ontwaken blij te moê ?
En hoeveel moederkusjes sluiten
Dan \'t mondje van den plaaggeest toe?
87
Alleen voor God is niets verborgen: Hij mint u, weet wat u ontbreekt,
En nimmer moe voor u te zorgen, Is Hij \'t, die telkens tot u spreekt.
Nu door der sterren pracht en wegen, Dan in der zonne warmte en gloed.
Of door den visch, die u ten zegen. Den plas bevolkt aan uwen voet.
Voor u werken die trouwe\'bijen,
Haar honing wordt voor u bereid.
En mag de rijpe halm gedijen. Hij schenkt u brood te zijner tijd.
Knikt \'s morgens u uw\' moeder tegen, \'t Is dan uw Heiland, die u groet;
En zóó strekt alles u ten zegen. Wat ge op uw jeugdig pad ontmoet.
En hoe zult gij den Heer gedenken, Klein als ge zijt, dien God zóó groot
Door Hem uw kinderhart te schenken. Wijl Hij u dat eens Vaders bood.
88
D E ZIEKE JONGELING.
Op een herfstdag.
„Sla ik den blik omhoog? \'k Zie, door d\' orkaan gedreven, De wolken als een zee onstuimig, doelloos zweven.
Tot \'t laatst gerimpeld blad op de aard zal zijn gestrooid; Welke ongekende macht sloopte uw verborgenheden,
O! fler en statig bosch, nog korts mijn hof van Eden, Nu met geen loover meer of voog\'lenkoor getooid.quot;
Dus klaagde een jongeling, wiens kwijnend jeugdig leven Voor \'t laatst met wank\'len tred hem voerde naar die dreven.
Waar hij weleer genoot, geleerd had en gespeeld; „Gegroet, eerwaardig woud! bij \'t sterven uwer blad\'ren,. Voel ik — jong als ik ben — ook reeds mijn einde nad\'ren; De Godsspraak1) wordt vervuld; waartoe het u verheeld!quot;
„„Eenmaal — dus luidde zij — maar nimmermeer na dezen, Zult van der blad\'ren val gij nog getuige wezen;
Reeds schemert de Cypres geheimvol om u heen,
Straks wordt uw jeugd gesloopt, trots tranen en gebeden, Eer nog het welig gras verflenst is en vertreden. De wiinstok is verdord en bladerloos meteen.
„Ontvang mijn laatsten groet; het schudden uwer twijgen Doet mijn geprangde borst naar lucht en adem hijgen.
Was \'k heden nog een schim, ook die verdwijnt in \'t niet. Ach! sprei een doodskleed mij, gij, dorrend blad! op de aarde, En blijve u onbekend, o moeder! mij zóó waarde.
De plek met loof gedekt, waar \'k lente en leven liet.quot;
1
Te Epedauric in Griekenland, waar Esculaap een tempel en orakel had.
89
„Maar mocht, bij \'t licht der maan, Gij soms dit woud betreden, Die \'k vurig heb bemind; angstvallig in gebeden
Herdenken menig stond, hier koozend doorgebracht —; Dat dan een zacht geruisch me een oogenblik moog\' wekken, Uw reine blik voor \'t laatst mijn ziel tot troost verstrekken, En \'k van u scheiden met eenhemelsch: „„Goedennacht!quot;quot;
En wagg\'lend sloop hij heen, om nimmer weer te keeren; Hij ging, als vallend blad, \'t getal met één vermeêren;
Het rimp\'lig eikenloof dekte weldra zijn graf;
Geen treurend maagdelijn, geen plechtige uitvaartkoren. Niets kwam de diepe rust der somb\'re groeve storen. Dan nu en dan de tred eens herders met zijn staf.
MIJN ZWANENZANG.
Reeds voel ik als een zucht van beter leven Mij om het afgesloofde voorhoofd zweven,
\'t Is of me een hemelsch lied in sluimeringe sust, Om mij te brengen naar een land van vrede. Dat heerlijk land der eeuw\'ge rust.
J. van Beebs.
Almachtig, groote God, mijn Schepper en mijn Vader!
Mijn rots, mijn hulp en gids door \'t leven hier beneên. Vergun mij, dat ik U eerbiedig, dankbaar nader,
\'k Staar op Uw gulden Zon, zij trekt in \'t westen heen. \'t Is mij alsof zij riep: „Mijn dagwerk is bedreven,
\'k Doorliep opnieuw mijn baan, ik heb mijn taak volbracht!quot; De nacht, die weldra volgt, is ons ter rust gegeven, \'k Wensch, dat nieuw morgenlicht u met nieuw leven wacht.
90
En zou die wenk bij mij geen blos van schaamte wekken,
Mij arme! daalt voor mij ook \'s levens avond niet ? Is \'t werk volbracht, mijn God! zou ik \'t voor U bedekken,
Die alles weet, die tot \'t geringste ziet? —
\'k Liep ook mijn weg, ja! straks wellicht ten einde.
Dit, Vader! weet slechts Gij, want Uwe is de ademtocht. Maar ik ontweek zóó vaak, mijn God! U verre en heinde, Waar Gij mij riept, en steeds mijn welzijn zocht.
Zie \'k in dit avonduur eerbiedig op naar boven,
Treft mij uw Starrenheir in ongekende pracht. Of \'t schepsel hier beneên, \'k weet niet wat meer te loven.
Uw wijsheid, orde en trouw, of grenzelooze macht. En toch, wat rijkdom mij natuur ook geev\' te aanschouwen, Meer nog schonkt Ge in Uw Woord, het licht voor mijnen voet. De loods die \'s levens zee vertrouwend mij doet bouwen, Die ondanks storm en hoos, mij veilig landen doet.
Mijn leven was Uw lust; reeds volle tachtig jaren
Zaagt Gij, ontfermend God! genadig op mij neêr:
Hier mocht ik Uwe liefde in blij genot ontwaren.
Daar nam Uw wijs bestel vaak \'t dierbaarst van mij weêr; Maar \'t zij Ge gaaft of naamt, in beiden bleeft Ge Vader, Wat goed is, weet geen kind, bij U alleen is \'t recht. En onspoed hier beneên voert ons ten Hemel nader. Wel hem, die door gena, ook lijdende „amenquot; zegt!
Zag ik, o zielesmart! de boosheid onverdroten
Tot zelfs mijn beste doel verijd\'len, mij vertreên, Terwijl \'kUw zegen zocht in vriend en bondgenooten, In eigen bloed, mijn God! in voorspoed hier beneên;
91
Gij Meldt naar Golgotha op \'t Kruis mijn blik geslagen;
„Leg uw vertwijfling af!quot; zóó klonk \'t, „waar gij ontwaart, Door den volmaakten mensch, een naamloos leed gedragen, En zie, hoe aardsche smart hem hemelvreugde baart.quot;
En nu ze zijn geteld, de vlugge onzeek\'re stonden, Hoe lang mijn wank\'le voet nog \'t aardsche stof betreedt;
Daar menig tijdgenoot op aard\' reeds werd ontbonden, Wiens kille, ontzielde hand vaak stervend mij ontgleed.
Ras is de beurt aan mij, toch hecht ik nog aan \'t leven, En wel voor u, mijn zoon, mijn jongst en dierbaar kind,
De eenige, die mij van \'t achttal zijt gebleven!
Ach! dat gij nog in mij een vriend en leidsman vindt.
Kostte uw geboorte toch uw moeder reeds het leven, Als halve wees was ik u steeds alleen gewijd;
En twintig jaren reeds heeft God mij kracht gegeven. Waardoor \'k uw eerste jeugd zorgvuldig heb geleid;
Ik schoot wel veel te kort, bij \'t klimmen mijner dagen. Met slechts gehuurde hulp van vreemden dag en nacht.
Maar was \'k ten einde raad, \'k had biddend slechts te vragen: De Godheid schonk steeds meer, dan \'k immer had verwacht.
\'t Valt bang voor \'t vaderhart, aan u als wees te denken;
Nog zwaarder wordt het u, ééns ouderloos te zijn; Ik leerde u daarom vroeg, aan God uw hart te schenken.
Hij wil een toevlucht zijn voor u, gelijk de mijn; Ga tot Hem in \'t gebed, smeek Hem, dat Hij u leide,
\'k Spreek uit ervaring en \'t geopenbaarde Woord:
Meer zal Hij voor u zijn dan uwe ouders beide.
Mits dat ge op uwe beurt naar Zijne roepstem hoort.
92
O God! wees hem nabij, zijn vader en zijn moeder,
Richt Gij zijn levensweg, houd zijn geweten rein,
Roept Gij mij voor Uw troon, blijf dan zijn trouwe Hoeder,
Totdat ik met mijn kroost bij U vereend moog\' zijn; \'k Heb menigmaal, o Heer! en zwaar bij U misdreven,
\'k Heb niets dat voor mij pleit, dan Jezus aan het Kruis; Om Zijnentwil alleen, wil mij mijn schuld vergeven,
Zij \'t sterven mij gewin, uw Hemel mijn tehuis!
INHOUD.
Pao.
Inleiding.........................5
Aan de Nederlandsche Jeugd................7
Het Geweten.......................9
Het Vijfde gebod (Doel en middel)..............li
Bij het graf mijner Echtgenoote.....,........13
Bij een moederloos kindje..................14
Ode aan mijn Kanarievogel.................17
Alphabet der Plichten................\' 18
Aan mijn zesjarig eenig Dochtertje..............19
Schaatsenrijden......................22
Bijkdom.........................23
Aan mijn Zoontje.....................23
Kerstmis (Gerard spreekt)..................26
De arme Wees......................27
De Trap.........................30
Aan knikkerende jongens..................32
Bede..........................34
Aan een nieuw Album........,..........35
Bij Elise\'s lijkbaar.....................36
De Hoos en de Wiedster (Eene fabel).............37
Zegen..........................40
De Flesch (Historisch)...................43
Emma en de Vergeet-mij-niet................46
Hij spreekt Fransch....................48
Bellen blazen.......................51
Vogelnesten storen.....................53
Aan mijn Kamerjas (Naar Behanger; «Mon habitquot;).......54
Gustaaf en Alfred in de vacantie...............57
Dans 1\'Album de Madlle................., ... 58
Jan met zijn Vlieger....................59
Wij zullen zien (Naar Chateaubriand)............61
Jantje in den tuin (Naar Van Alphen)............64
A Mademoiselle. .. , qui s\'acquittait promptement des soins d\'un
nourrisson...................... . 66
Pag.
De Student........................(36
Adieu au depart d\'un ami.................(18
Hoe heet die boom?..........•.........(38
Willem aan den avond van zijn tiende Verjaarfeest.......(59
Mijmering na een schoonen Zomeravond............71
Aan mijn zoon Hendrik...................72
Na het plotseling overlijden van denzelfde...........78
De Visscher (Cats gevolgd).................Tt
Theodoor voor de beeltenis van wijlen zijne moeder......7()
Dezelfde, vijftien jaren later, terzelfder plaats..........77
Twee Boeken.......................78
De Oudejaarsavond.....................8Ü
Dubbele opvatting . . . . ,................82
Lotsbedeeling.......................84
Houd moed!.......................85
Goeden nacht!......................85
Aan een Kind (Vrije vertaling)...............80
De zieke Jongeling (Op een herfstdag)............88
Mijn Zwanenzang.....................89