-ocr page 1-
-ocr page 2-

Kast 160 PI. D N0.18

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

/■0€ fy.tS,

J. R.

I

DOOR

BKRGUM. — T. G. VAN DER HEULEN.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

Bladzyde.

Mijn lied............................3

Proza en Poëzie......................5

Lof der Schepping fVoorzamj.J......

Lol\' der Schepping....................8

God in de Natuur...........23

Zomernacht.............27

Natuurschoon............28

Het Woud.............29

V eldzang..............30

Zondagmorgen............31

W Rust en Vrede............32

De Poëzie der Heide..........33

Terugblik..............35

Natuurbespiegeling..........37

Twee honderd gulden jaarlijks......42

De Echo der Heide..........52

Begraaf mij in mijn eigen Graf......•quot;i7!

In \'t zand geschreven.........57

Herinnering.............\'»1

De Hoop..............G;}

w Troost...............65

De Ploeger.............07

Een Zonnetje............09

Aan Zee..............70

-ocr page 10-

INHOUD.

Schipbreuk.....

Zeeramp der Peasenster Visschers, O Maart 1883

Nood en Hoop .... Neem op uw Kruis . . Wij zijn op reis . . . Bij \'t Einde des Jaars

Na dezen......

Excelsior......

II

73

en Moddergatstei

[oeder

r

gt;ai

id er,

Vertrouwen.....

Abraham\'s Offerande . . Aandenken aan mijne diei

leden quot;28 Januari 1849 Aandenken aan mijnen dierba leden 2 October 1870

25 November 1892 . .

Januari......

De Een i ge Zoon . . . .

Geluk.......

Eenzaamheid.....

Ik laat de wereld buiten Mijn Geboorteplaats De verdwaalde Tourist . Noord-Amerika . . . . Stad en Land . . . . Buweklooster . . . . Het Laagland . . . .

-ocr page 11-

MIJN LIED.

ijn lied is \'tlied van \'t donkre wovul. Van \'t statig lt;leniieiiniisc.lien. Waaronder beekjes bniisen;

Waar wondkooi\'s zangei-s huizen, Oiniaag in het tluweelen mos, hoog in (liet golvend hout.

Mijn lied is quot;t lied van \'t vrije veld:

iiuperkt door grens noch mijlen: Waarboven wolken ijlen.

Wier schaduwen soms wijlen.

Waar eene wolkpartij, liet zeilend huikje vergezelt.

Mijn lied is \'t lied, dat mij eenmaal,

Van mijn geliefde heide — Die kunstelooze weide —

De Poëzie mij zeide:

Van haar bekoorlijkheid mij sprak, in wonderzoete

(taal.

-ocr page 12-

MUX LIED.

Mijn lied is Meimaands avondstond,

Wanneer de gouden stralen,

Het westen purper malen.

Elk ruitje op hoogte, in dalen.

Van \'t blauw azuur, een gouden ster als avondbode

— (zond. Mijn lied is Herfstmaands kleurensehat.

Zijn tintenrijkdoms weelde.

Die met goudbrons penseelde Den hof; de beuken geelde;

En \'t al met spinrags kantenweefsel teeder hield

— (omvat. Mijn lied is \'t lied van mijn gemoed —

Hoe nietig \'t ook moog wezen —

Diep uit het hart gerezen;

o Blijv\' nog lang na dezen:

Mijn lust aan u Natuur, in \'s levens voor- en tegen-

(spoed.

4

-ocr page 13-

Proza en Poëzie^

\'C^goet alle Poëzie verdwijnen?

En alles afgepast naar maat. Van kortst en weg, en rechte lijnen, \'t Al om gewinzucht en om baat? Mag niets aan \'t toeval meer gelaten?

Daar \'t anders als men dacht, licht ging; Moet alles, alles enkel baten.

Ten doel slechts van berekening?

Ach \'s Levens Proza is zoo koud. —

Is nimmer opgewekt of blij.

Mag niet een vlndit, een stapje stout, Omhoog, ter zijde, en uit de rij ?

Mag \'s klaproos rood of \'t held\'re blauw

Der korenbloemen in de schaauw,

Laag en bescheiden niet eens staan, Te midden van het hooge graan? —

-ocr page 14-

I\'llilZA KN l\'OK/.IK.

Kn als gij dan vei\'zadigd zijt

Van vrucht en onrust, leed en gond, —■ Van al wat u zoo heeft verhlijd, —

Van al waar ge anders zoo van houdt,— Dan denkt ge ook eens aan \'t heerlijk rood

Dan denkt ge wellicht nog eens gauw. Wat schoons de held\'re klaproos hood. De ranke korenbloem in \'t blauw!

Voorzang.

ijjwpt zijt gij nietig kind der aarde!

Wat roemt ge op uwer handen werk? Wat uw genie, uw geest ook haarde,

Waai- hooge kunstzin zich aan paarde. Al droeg \'t onwikk\'lings hoogste merk; — Wat zijn uw trotsche bouwgewrochten. Des kunstzins eenig ideaal?

Roem hen, die ze ooit aanschouwen mochten, Gij, die ze hier en elders zochten:

\'t Zij \'t Vaticaan, \'t Escuriaal,

-ocr page 15-

Lok dkr schepping,

Sint Pieter, Straatsburgs, Koulens kerken,

Sint Paul of Boroboeduvs pracht,

Of Pyrainiflens reuzenwerken,

Waarin de geest op kunst\'naars vlerken

Zijn ideaal in vormen bracht!

üe schim der Angelo\'s ruischt zwevend.

Bij die der Wrens, der Steinbachs voort;

Blijft in hun grootsche werken levend.

En werd daarin tot levend woord. —

Ziet hoe die hooge zuilen rijzen.

Van de aard, steeds hooger, naar omhoog!

Ziet! hoe zij als ten hemel wijzen.

Langs halflicht heen, ten hoogsten boog; —

Hoort! hoe de stomme steenen spreken,

Alom, in \'t heerlijk bouwgevaart\',

Waar ieders oog verbaasd op staart; —

Maar wat is alles vergeleken.

Bij \'s Hoogsten werken van Hem zelf, —

Die \'t schitt\'rend, vonk\'lend stergewelf.

Heel de aardbol eenmaal overspande.

Tot tempelboog der lustwarande.

Die groene, bloeiende aarde heet!

Gij riept o Heer eens de elementen!

Zij sierden de aard\' met heerlijk kleed.

Van bloemen en van loovertenten.

Zoo weidsch, zoo hoog, zoo trotsch, zoo breed.

Hier rijst het oerwoud voor onze oogen,

Gevormd tot trotsche tempelbogen.

Waar \'s zonlichts stralen, nauw vermogen.

-ocr page 16-

LOF t)ER SCHÈPPINÖ.

De onineet\'bre koepels in \'t gezicht Te brengen, door liet weiflend licht. — Ginds rnischen Mamre\'s reuzeneiken,

Wiens jaren over eeuwen reiken.

Daar Ced\'ren op den Libanon;

En bloeit op heuv\'len en in dalen.

Waar slechts de blikken henen dwalen, \'t Gebloemt bij \'t vuur der zornei\'zon. —

LOF DER SCHEPPING.

Ja gij zijt eenig schoon Natuur! Wanneer op Avasaxa\'s transen, Te middernacht de stralen glanzen. Der middernachtzon in dat nur.

Als Noordkaap zich in purper baadt; Als IJszee\'s kille golven dansen,

In avondrood en dageraad,

Op \'t zelfde uur; als gouden kransen. Zich hechten op het ijsgebergt\'.

Wiens hoofd de zomerwarmte tergt. Ten trots dei\' wekenlange dagen; — Hier zou inen zich af mogen vragen, Is zulk een nacht wel minder schoon? Dan wanneer Mei zijn bloemenkroon, In veld en boscli en hof doet geuren? Of als een herfstdag zijne kleuren, In mengeling, van bruin en goud.

Doet blinken over \'t eikenwoud? —

-ocr page 17-

LOP DËR SCHEPPING.

Is \'t niet, daai\' in het zwijgend Noorden —

Bij middernachtzonlicht beschouwd — Een lied, een hymne, zonder woorden?

Ja dat verkondigt U o Heer!

Gij riept de zon en liet werd Lente; \'t Werd Zomer; zij ging niet meer neer,

Heneden in haar watertente;

En langer, langer, toeft zij steeds,

Tot ze eindelijk, bij korter dralen.

Niet meer zicli toont, en de IJszee reeds Zich sluit, \'t Blijft nacht. Daar stralen, Laag uit het donk\'re Noorden op, De bundels licht naar \'s hemels top. Van uit een vuurgloed aan de kimmen; De booge sneeuwgebergten gliininen, Waarvan de zachte stralengloed.

Heel \'t zwijgend landschap schitt\'ren doet; \'t Ontplooit zich als tot bundels pijlen; Van \'t Westen en van \'t Oosten ijlen.

Daar garven vuur, daar wolken licht. Waarvoor der starren schitt\'ren zwicht, \'t Is, of van duizend regenbogen, —

Door een magneet als voortbewogen, — Het fonkelende kleurenscboon.

Zich vormt, zich opbouwt tot een kroon. En rust\'loos vloeit van alle kanten, — Van hyacint, van diamanten.

9

-ocr page 18-

I.OF T)KR SCHKPI\'INTT.

En van saffier en van smaragd, De mengelende kleurenpracht —

Zich tot een koepeldak opbouwend, In \'t Zenith hare glans ontvouwend, — Ken heerlijk, eenig schoon geheel! Wat goddelijk natuurtafreel!

De mensch staat stom, staat opgetogen,

Gods heerlijkheid gaat voor zijne oogen. Aan zijn verbaasden blik voorbij.

En thans aanbidt, bewondert hij!

Hij huivert niet, gelijk voor dezen.

Met schrikkelijken angst en vreezen;

Hij ziet, wanneer daar straal bij straal.

Naar boven schiet, geen vlammend staal;

Hij ziet daar in de gouden kleuren, —

Met rozeroode tint doorgloeid, —

Die statig zich ten hemel beuren, —

Wier gloed verschijnt, wier gloed vervloeit —

Geen vuur, geen bloed, geen scherpe dolken.

Daar in die kleur\'ge wolkenschicht.

Die helderder dan and\'ren licht:

Geen rookkolommen in die wolken.

Als krijgden boven daar de volken.

Voor heel des werelds aangezicht.

Het zijn geen legers, geene benden.

Die heden keeren, straks weer wenden.

Of die hun vuur\'ge paarden menden.

10

-ocr page 19-

I.or DKI! SCHEPPING,

Als een verwoede legerschaar, —

Die zuilen, bmuiels, koepels, daar. —

lieen visioenen, geen gezicliteii.

Die dreigend zich naar de aarde richten,

Kn bloedig over de aarde lichten.

Langs de gekleurde hemelzee,

Als boden van een naam\'loos wee.

Die heel liet inenschdoin met hun plagen.

Schrik en ontzetting straks aanjagen,

01\' pest in hunne vaandels dragen,

\'t Bericht van oorlog deelen mee! —

Ligt nog ))\'t van waar,» steeds in liet duister.

Brak niet de wetenschap de kluister,

Van «\'t hoe»: des Scheppers pracht en luister.

Blinkt eenig, ongeëvenaard.

Als \'t poollicht langs den Hemel vaart.

Hoe groot zijn uwe werken Heer!

Zij galmen \'t uit; geeft, geeft Hem de eer.

Van af het kale en ijzig Noorden,

Tot aan de zegenrijke boorden,

Van \'s werelds bloemrijk paradijs;

Hem juicht het toe. Hem steeds ten prijs!

Naar \'t zuiderstrand, van \'t eeuwig ijs,

In duizenden van lofaccoorden.

Wier lied ten hoogen hemel ruischt!

\'t Zij, waar aan welige oosterstranden, —

Dier paradijsachtige landen.

M

-ocr page 20-

LOF DER SCHEPPING.

Bij \'t heete middagzonnebranden,

In palmenkronen \'t koeltje huist!

Dat enkel daar nog droomend suist!

01quot; waar van onbewolkte transen.

Loodrecht de zonnestralen glanzen,

Op Baöbabs gewelfde kruin, —

Een wolk van groen, een mollig duin, —

De schoonste trots dier Zuidertuin. —

U prijst de stemme van die wouden, —

Die zich, U Heer, daar temp\'len bouwden.

Zooals geen oogen meer aanschouwden! —

U! noemt ze als op de aam van de orkaan.

Eensklaps beginnen aan te slaan,

De Eölusharpen, forsch bewogen.

Langs Teifoens vreeselijke baan, —

Als \'t dreunt en davert door den hoogen.

Wijl \'t bliksemlicht verblindt straks de oogen, —

En bij die grootsche melodie,

De diepe bas dei\' harmonie, —

Uit duizenden bazuinenmomlen.

Onmiddellijk als van nabij.

Van achter, onder, van ter zij.

Als tot een vrees\'lijk koor verbonden —

Rolt, wentelt, in die bange stonden, —

Terwijl met vreeselijken knal.

Der wouden reuzen, in hun val, —

Al stonden zij ook eeuwen pal, —

Uebeele rijen, honderdtallen,

Als stengels riet, ter neder vallen.

-ocr page 21-

LOK DER SCHEPPING

liij \'t splijtuii, kneuzen, daav\'ren, schallen, Terwijl limi kruin zich boog ter aard\' — En door die breede top bezwaard —

Luid dreunende ten bodem vaart.

En eind\'lijk lieel\'t der winden stoet. Ten lange lest weer uitgewoed;

De laatste wolken vlièn als schimmen, In rag en weefsel, naai\' de kimmen;

En rein, als smetteloos kristal, —

Waarin der sterren vlammen glimmen, — Ligt nu het zeevlak, \'t (irootsch heelal, Daarboven is een zee van luister, —

Waardoor des Melkwegs pad van licht. Hel schitt rend over \'s aard\'rijks duister.

Den blik verbaasd naar boven richt, — Wijl \'t Zuiderkruis als sterren kroon.

Zijn heerlijkheid ginds spreidt ten toon.

Uok in den stormwind waart gij Heere! Hij was Uw dienaar, U ter eere.

Verkondigde hij Uwe macht;

Hij droeg Uw orders op zijn vlerken. Hij predikte U in Uwe werken.

Hij predikte Uwer werken kracht. — En in der Palmen hooge twijgen, — Nu er alle and\'re tonen zwijgen, —

13

-ocr page 22-

LOK DKK SCIiKI\'PIXG.

Gaat Gij voorbij, Heer der natniir! in quot;t zachte rnisclien van die palmen, [s of het lieflijk rnischt van Psalmen, In Tropens middernacht\'lijk uur. —

De pracht der Leliën is de Uwe,

Heer, Gij, Die ze in hun reinheid schiept, Nadat het Nooi\'den zwijgt van \'t ruwe. Het Zuiden ze oproept in liet luwe, —

Heer! Gij zijt het, die hen weer riept, —

Opdat het strekk\' U Heer! ten prijze.

Opdat het Uwen lol\' vermeld\'! —

Hun heerlijkheid, den Koning-Wijze, Van Isrel, in de schaduw stelt. —

Neen! al de glans der vorstenkronen. De luister, macht en majesteit.

Die uitgaat van der macht\'gen tronen, Is naast uw werk. Heer! ijdelheid!

Wat kan de schoonheid evenaren.

Van wat Gij schiept. God der Natuur? Dat heugt van langer levensduur.

Als toen nog de eerste scheps\'len waren, —

Waar \'t grootsche aan schoonheid zich kumt paren Wien grijpt het niet, met heilig vuur,

Wien grijpt het niet bij Stail\'a\'s zuilen, In \'t wonder «Fingalsgrot», gebaard, — Bewond\'rend aan, waar zij geschaard. Als eerstgeboor\'nen dezer aard\',

14

-ocr page 23-

LOF DER SCHEPPING.

Eens opgerezen uit de kuilen,

Des oceaans, bij stormwinds huilen, — Als met hunne evenknie gepaard, —

Die Reuzendam, wiens reeks van wond\'ren. Des Scheppers grootheid luid verkondt, Nog onvergank\'lijk sinds die stond, —

Hoe ook de orkanen hein steeds plond\'ren, — Toen hij omhoog rees under \'t dond\'ren. Der wording van liet wereldrond. —

Wie bouwde in \'s aardrijks ingewanden. Die schitterende zalen up ?

Waar drupsteen als met toov\'naarshanden, Gewelf en boog en zilv\'ren wanden. Optrokken tut des tempels tup?

En wie groepeerde en stalacmiten,

Bevallig hier, en stalactiten.

Weer ginder? tut een vingerschaar,

Heenwijzend, naar beueên, naar buven. Om \'s Scheppers luister ook te luven, In \'t ingewand des aardrijks, daar;

Of tut een orgel, dat reusachtig.

Op de achtergrond verrijst, eti krachtig. Van achter steunsel en pilaar

Zich opbouwde, edel, gruotsch en machtig; Terwijl \'t al gloeit van diamant.

Van al de luister der juweelen.

Omhoog, omlaag, naar allen kant.

15

-ocr page 24-

LOF DER SCHEPPING.

Waar zij in duizend prisma\'s spelen,

Zich samenbinden, zich verdeelen; Als sterren flonk\'ren, ol\' als zon.

Als aller stralen klenrenbron, — In duizenden van regenbogen.

De blikken honden opgetogen.

Door nooit geziene wonderpracht, — In \'saardrijks diepe zwarte nacht.

Wie denkt aan Biels- en Baumans holen. Niet! waar hun schoon, zoo lang verholen. Door toeval werd aan \'t licht gebracht! 01\' waaiquot; het schoonste der gordijnen, Waarin des dropsteens paarleu schijnen, Van de Adelsberger toovergrot,

Met kunst van menschenhanden spot?

Mississipi, «der stroornen vader»,

Wie, wie ontsloot eenmaal uwe ader? Die als «Geweldige» ten lest\',

Waar gij allengs de zee treedt nader, — Als Opperstroom van «\'t verre West« — Een reuzenslang wel der Prairieën, — Daar gij tot ééne bond van drieën, — Missouri en Ohio prest,

Met Legio\'s, waar één, wiens wellen, — In \'t schoonst natuurpark zijn geplant, U, Vader komt in de armen snellen, Om u al \'t heerlijks te vertellen, Van Jellowstones wonderland, —

10

-ocr page 25-

Lof dëh schepping.

Öf in wier bruisen wij nog wanen, Een strijdrnarsch wel van Indianen, Een Sage of eene oorlogskreet.

Of misschien Long-fellows akkoorden, Langs met Prairie omzoomde boorden —

Te kunnen onderscheiden. Breed, Met koninklijken zwier en luister,

Stroomt gij, getoomd door boei, nocbkluistei Door zonnige Prairie, door \'t duister.

Van \'t ongerepte rnaagd\'lijk woud, — Wiens vorstelijke broeder, ginder.

De zon voorbij, U even stout,

En even grootsch eu schoon niet minder, —

Op \'t Westhalfrond gezelschap houdt. — Wijl aan den uitgang van de »Meren,» Wat »Meren?» Zeëen! waar de naam, Sint Laurent, allen oproept, saam. Om allen zich naar hem te keeren;

Om op te bouwen, allen, al.

Een Niagara\'s waterval:

Opdat het »\\Vaterwonder» rijze!

Opdat de waterdroppel prijze Hem! de Almacht! Die op deze wijze.

Zijn wond\'ren werkt. Die, drop bij drop. Miljoenen maal, miljoenen malen.

Maal millioenen, stapelt op.

Van i\'ots tot rots, tot bergen,. dalen; —

Zijn schuim eu neev\'len, saam vergaard Tut wolken; middlerwijl de waat\'ren.

-ocr page 26-

LOF DER SCHEPPING.

Onafgebroken, dondren, schaat\'ren En nederstoi\'ten, zoudat de aard\',

Als ware \'t door dien val vervaard, — In hare voegen staat te beven!

Terwijl zich regenbogen weven, Op \'t ruokend sclmiin, omiioog gedreven,

Als eerepoorten daar omhoog. Hem opgericht, Wiens werk zijn schoonheid. Voor \'s rnenschen ougen zich ten toon spreidt.

Gij zijt het Heer! die langs zijn boorden Den Nijl doet »wand\'len,» uit het Zuid, — Waar niemand nog «\'t van waar» ontsluit. Steeds uit die geheimzinnige oorden, Met staat\'gen loep, naar \'t verre Noorden. Gij zijt het, Die Zambesie\'s val.

Wiens «Rook raast hier,» duet brullend dond\'ren

Geperst in zijnen rotsenwal.

Die ons Natuur in hare wond\'ren.

Als de openbaring van Gods macht.

Dus doet aanschouwen in haar pracht. —

Gij wandelt over de Andesketen; Op Chirnborasso drukt Gij Heer!

Uw voet, als scheps\'len God, ter neer,

Waar winter is ten troon gezeten;

Waar Cotopaxi\'s vuurhaard brandt. — Uw oog reikt tot ziju ingewand; En Himalaya\'s reuzenbergin,

18

-ocr page 27-

LOF DER SCHEPPING.

«Sneemvwoning» zoomen de overkant, Der stille Zuidzee. Wijl zij tergen, De wolkenlegers, en hen vergen, De schutting van hun kost\'lijk nat: Den rijkdom hunner regenschat. —

Mount-Everest, gij! die van de aarde, — Die \'t eerst uit haren schoot u baarde. Doorluchtige! als bergen Hoogst\'! —

Den lof van de bewond\'ring oogst, —

Ook u mijn groet, als bergenkoning! In uwe vlekk\'loos reine woning.

Met uwe gletscherpracht tot kroning, Uw schoud\'ren onder hermelijn!

Gij deed hem rijzen, deed hem worden. Uw machtwoord Heer, Gij riept hem op! Uit de afgrond, tot zijn hoogsten top;

Gij deedt met sneeuw zijn lend\'nen gorden. En vormdet sneeuw- en regendrop, Tot gletschers, die als lichtgewaden, In \'t avondzonnelicht zich baden. Als »Alpengloeiën» \'t menschelijk oog. Bewonderend trekt naar omhoog!

Hebt gij misschien ooit in uw leven. Gevoeld dat vreemd, dat trillend beven. Beangstigend, aan uwen voet\'?

Alsof de grond schijnt weg te zweven; Een onderaardsche kracht hem doet.

Op licht bewogen baren schomm\'len.

-ocr page 28-

LOF DER SCHKT\'I\'TNTT.

Waartusschen verre donders rornm\'len, — Terwijl Natuur in diepe rust,

Als ware het, schijnt weg te doimn\'len; Zij, schijnbaar zich, het onbewust,

Hoe \'t kookt, hoe quot;t borrelt, ziedt, hoe \'t brandt. Diep in des aard\'rijks ingewand.

Hebt gij ooit de aard\' zien golven, zwoegen Als onder naam\'loos barenswee

Zich rekken, krimpen, splijten, ploegen. Als scheurde de aard uit hare voegen.

Bij \'t dond\'rend kraken, als in twee? — \'t Beeld van een fel bewogen zee! —

Zaagt gij de bergen ooit verwrikken ?

Als \'t ware elkander tegenknikken, Hun hoofden neigen tot elkaar?

Hun kraters oop\'nen, met een knal. Die davert over berg en dal.

Met de echo als bazuingeschal, —

Wijl tot de verst gelegen plaatsen, —

En lucht en aard \'t elkaar toekaatsen!

Bemerktet gij dat sterker woelen ?

Wat was \'t, den eersten schok te voelen Die sidderend door de aarde schoot? En rookkolom, bij rookkolommen. Uit \'saardrijks schoot omhoog geklommen, Diepzwart den hemel overgoot!

Terwijl \'t steeds meer en zwarter rookte,

20

-ocr page 29-

LOF DER SCHEPPING.

En lava\'s gloed, die binnen kookte, Op \'t wolken/wart dier rookwolk spookte, In zwavelgeel en bloedig rood! Die Mieroglvplien op hen teekent. Met vuurtong, vlam; wijl bliksems, brekend\'. Uit zwang\'ren zwarten wolkenschoot, — Er tusschen schrijven: Wee en dood!

Eu uit de diepste bergravijnen,

Des afgronds van de lavamijnen,

Naar rechts, naar links, het kokend vuur Zich wentelt over \'s kraters muur.

Hebt gij \'t aanschouwd, hoe spleet bij spleten, In de aard gescheurd, hoe reet bij reten. Eensklaps tot zwarten afgrond wordt?

Waarin paleis en hnt zich stort;

Waar \'t heerlijkst landschap nog voor kort,

Zich tooide met des Zomers luister;

Waarover thans, om middag, \'t duister. Bij asch- en puimsteenregen trekt, —

Dat dra als lijkkleed \'t leven dekt? — Dit slechts als voorspel. Als de klokken Van stad en dorp, bij \'t vreess\'lijk schokken. Door \'t »heen en weer» van zelf geluid, — (Dat \'«levens doodsnik galmend uit, —)

De grond eensklaps vaneen getrokken, — Zich opent, onder bosch en veld, —

Vaneen scheurt, onder dorp en steden, — Met al wat ademde op dat heden, —

21

-ocr page 30-

LOF UtTR SCHEPPING.

Doet zinken als welkome buit,

In zijn wijd opgesperde muilen,

Terwijl steeds de elenieuten huilen,

(Niet meer als ware het gestuit,) —

Bij quot;t dalen in des afgronds kuilen; — Die zich nu weder eensklaps sluit.

Wat is van straks nog, waar \'t gebleven? Het heerlijk landschap, zoo vol leven. Dat gisteren, neen, nog zooeven, In \'t midden zijne trotsche stad, Als zijnen roem en trots bezat .\' Masoleum, Triomfboog, woudreu

Der wereld, temp\'len, hoe vermaard! -— Een trilling slechts trok hen naar ond\'ren; Een graf in \'saardrijks ingewanden. Waaruit nog vlammen lekken, branden. Omsluit het al, wat leven had,

In veld en hut, paleis en stad. —

Pompeji\'s noodlot rijst voor de oogen;

Voor de oogen, als in vreess\'lijk woord: Vergaan, vernietigd, \'t prachtig oord! Diep wordt het hart er door bewogen: Begraven, levend, alles, al,

In naamloos onbekend getal. —

Maar boven daalt reeds van den Hoogen, Door asch- en rookwolk, zachtkens weêr, Bemoedigend een straal ter neer:

-ocr page 31-

LOF DER SCHEPPING.

Een blik van Hem, Die dood en leven In zijne hand houdt; Hij Wiens macht. Der elementen woede en kracht,

Thans weder heeft teruggedreven,

En \'t al tot rust heraad\'rnen doet. — Ja wat verand\'re wat verkeere.

Toch de Alpha en Omega, Heere!

Blijft Gij, al werd de Hemel bloed. —

GOD IN DE NATUUR.

lav^atuur! waar ik, ^S)Een oogenblik,

Uw schoonheid merk, Is \'t of op \'t werk, — Van \'s Bouwheers stift. Met vlammend schrift, — Staat in gegrift; — (En telkens weer, —) Groot is de Heer! —

-ocr page 32-

GOD IN DK NATUUR.

Ja! daar is \'t grootsch, Dat beeld des doods, Als heel Natuur, Hij winteruur, In \'t sneeuwkleed troont; Als \'t woud, gekroond. Met dons, zich toont; Waar \'t morgenrood, Goud overgoot.

Hooi\' \'t eikenwoud! — De stormwind houdt.

Zijn intocht daar! — Hoe diep en zwaar, \'t Daar steunt, en zucht; Hoe \'t door de lucht, Van wolken vlucht! Wat grootsch geheel, Wat tafereel!

Daar grijpt het aan.

Waar langs hun\' baan, — Van het heelal — \'t Onnoemlijk tal. Der sterren, hel. Op \'t Hoogst Bevel,

Zich went\'len, snel — Langs \'s Hemels trans, Vol gloed en glans. —

24

-ocr page 33-

GOD IN DE NATUUR.

De hemelzee,

Ligt thans, in stee.

Van lieflijk blauw, In duist\'re schauw. — Een wolkenstoet. Met zwavelgloed.

Zich zoomend, spoedt, Verschrikk\'lijk schoon, Ten hemeltroon.

Nog roert zich niets;

Maar toch een iets. Zoo onbestemd.

Dat zoo beklemt,

Ligt in dit uur; —

Daar valt het vuur....

En na geen duur.

Dreunt grootsch, met klem, Gods donderstem.

Ja, dat ontzet!

Ja, dat verplet!

\'t Is of God zelf, —

Van \'t luchtgewelf.

Als eens, weleer.

Naar Horeb neer. Als scheps\'len Heer —

Wijl \'t dreunt en straalt, — Ter nederdaalt.

-ocr page 34-

GOD IN DL\' NATUUR.

Daar is het zoet.

Voor \'t vol gemoed,

Waar \'t graanveld suist Waar \'t beekje ruischt; Waar \'t donzig mos, Van \'t koele bosch, In zomerdos,

liij \'t avondrood. Den wand\'laar noodt.

O Daar is \'t schoon. Nu de orgeltoon.

Van \'t eenzaam woud, Vol groen en goud. Vol zacht verguld,

In licht gehuld, — Het hart vervult:

Gij ook een galm!

Mijn ziel, een Psalm!

O Zing nog lang,

Voor mij uw zang, Gij zangrendrom,

Door \'t schoon rondom! Waar\' \'t dat geen lof. Mijn zang meer trof.

Zing dan mijn stof, In stilte en rust, Uw liefde en lust.

26

-ocr page 35-

GOD IN DE NATUUR.

Zoek dan waar \'t mos, In groenen dos,

Mijn graf bedekt, — Tot lijkkleed strekt. — O ik, ik weet.

Dat gij in leed.

Noch smart vergeet:

Zing dan mijn stof, Mijn Vaders lof!

ZommiMclit.ommiMclit.

\'t nacht, maar welk een nacht!

,0^; De droom eens dags, en de echo van het leven.

Dat weggestorven is, en zacht schijnt voort te zweven.

En zich heeft opgelost in maneschijn en sterrenpracht.

O heerlijk beeld van kalmte, stilte en rnst!

De voorhang van \'t onzichthre, van den hemel,

Is voor een wijl thans opgelicht; het aardsch

(gewemel.

Verstomt, verzinkt in \'t niet, wordt thans in diepen

(slaap gesust.

27

-ocr page 36-

ZüilEHNACHT.

\'t Is of de Heer, (ie Schepper heden zelf.

Langs myriaden werelden, langs zonnen,

üen gi\'ooten wandeltocht naar de aarde heeft

(begonnen.

Langs zeëen licht, van af het hooge tlikk\'rend ster-

(gewelf.

Een voorgevoel er van, had wel Natnnr:

Nn zelf de Oneindige ter nederdaalde;

Thans in dit plechtig nnr, waarbij geen uur ooit

(haalde,

Als ware het een bid- of dankstond in dit uur.

O^I

- ^ O

N A T U ü 1ISC HOON.

f k heb uw heerlijkheid aanschouwd, Uw luister, uwe pracht Natuur! Bij morgenstond, in \'t avonduur. Uw wolken, stralende van goud. k heb uw heerlijkheid aanschouwd, Uw luister, uwe pracht Natuur! Bij morgenstond, in \'t avonduur. Uw wolken, stralende van goud.

En purper, \'t luchtruim door gestrooid, Waarmeê een gansche woikenschaar. Eensklaps zich tooide, hier en daar. Met liefelijker kleuren nooit!

28

-ocr page 37-

XATITRSCHOON.

Ik zag dat al bij lentepracht;

Ik hoorde \'L munelooze schoon. Der een\'ge nachtegalen toon, Bij maneschijn in Meischen nacht.

Ik zag Orions stralenscllicht

Rondom de Poolster, \'t al in vuur, Bij zwijgend middernachtlijk nnr: Het heerlijk prachtig Noorderlicht.

O, \'t wekt verlangen naar Hem heen, Die, van het hemelsch Paradijs, —

Zijn Naam ter eer, tot lof en prijs, — Een toon, een straal zond naar beneen!

w

ie mint het heerlijk statig wond, — ol^ Het rijzig wond, het groene bosch Zijn grootsche koepel, hoog en stout Omlaag het weeke zwellend mos, Van rondom, \'t juichend vogellied, In al die duizend wijzen, niet!

-ocr page 38-

HET WOUD.

O bloeiend takje, lisp\'lend blad!

O zwellend knopje, rozerood! In windselen van groen gevat,

Door de eerste morgenstraal genood! — Wat spreidt ge uw stille pracht ten toon. Wat zijt gij eenig, heerlijk schoon!

\'Sï^k zing met u o Leeuwerik! JJ-) O leeuwrikje in de lucht!

Ik volg op \'t zelfde oogenblik, —

Als ge opstijgt, met een zucht — Uw lied, uw snelle vleugelslag.

Den eersten heldren lentedag!

üij predikt mij met zoeten zang.

Hoog uit der wolken baan;

Wenkt naar omhoog, met luiden drang.

Trekt mij van de aard naar boven aan; Voorspelt boe \'t namaals eens zal zijn: \'t Opstandingsleest vol zonneschijn!

30

-ocr page 39-

TW ti is het rondom Sabbathsrust: 05) Natuur, al waar\' zij zich \'t bewust, Staat daar in gouden feestkleedij,

Thans van zesdaagschen arbeid vrij.

Ja! men gevoelt meer dan men \'t ziet: \'t Is of een lisp\'lend Zondagslied, — Dat hoog uit gouden wolken ruischt, — De stem van \'t woud en velden kruist.

Het is een reine melodie,

Die vol der schoonste harmonie,

Zicli oplost, lieflijk samensmelt,

In \'t lied van \'t luchtruim en van \'t veld.

Het is of de omtrek zich vergroot,

Voor klolvke\'s toon, die kerkwaarts noodt Opdat, zoo verre moog\'lijk, \'t klinkt.

En tot de verste verte, dringt.

-ocr page 40-

4

32 ZONDAGMORGEN\'.

En van rondom ine roepen luid: Van Oost en West, van Noord en Zuid Als werden zij het maar niet moe, — Elkaar: »\'t is Sabbatlimorgen» toe!

---

, c\'ï K:v

\\if at wilt gij meer dan rust en vrede,

■ 7

IhtyL * *P \'s levens zwaren wandeltocht ?

Waarnaar gejaagd, hoe ver gezocht! Wat hebt gij toch voor grooter bede. Dan rust en vrede?

-ocr page 41-

DE POËZIE DER HEIDE.

\'k W^oud van de grootsche mime heide.

Waar de aarde en waar de hemel, beide. Tot één versmelten in \'t verschiet;

Waar in het spel der wolkentroepen. De Phantasie er bergengroepen.

Een Alpenwereld zeilen ziet.

Waar sneeuw- en gletsehervelden gloeien; Hun kleuren in elkaar vervloeien. —

Nog hooger waar het hermelijn Des winters, weidsch die bergen zuomen; Waartusschen stille dalen droomen.

Wijl blinken zij in zonneschijn.

Lief 1)1 ijlt mij de onbeperkte heide! Die ongerept, als purpren weide,

Zicli breed ontrolt, voor \'s wandlaars oog: Wier bloempjes zachtrood de omtrek kleurend. Die hangende aan hun boompjes, beurend

Zich opwaarts, nedrig naar omhoog: Ontelbaar wel naar tal of cijfer;

Maar waarom met niet minder ijver,

De bijtjes voor hun koningrijk, —

Steeds zwoegen alle zomerdagen:

Hun schat naar verre korven dragen.

Waarvan liet zoet gewicht geeft blijk.

-ocr page 42-

r»Ë poëzie dp:r heidë,

Ik min zuo de onafzienbre lioiile.

Waar mij Fata-Morgana beidde,

In hare stille wonderpracht;

Waar \'t landschap uit de verre Tropen, Met Palmen, Zebra\'s, Antilopen,

Me op eens verrukte, nooit gedacht! \'k Zie hoe de lietlijkheid dier landen. Het schoonst van \'s werelds lustwaranden.

Als voor het starende oog verrijst; Tot waar in werk\'lijkheid in \'t einde Een kluisje wenkt uit groen van heinde Kn ver, door sparrengroen omlijst.

Het schoonst was mij de purp\'ren heide, Toen eene slagschaduw zich breidde, Op dennenboschjes deinend groen. Uit zware wolkpartijen brekend. Een grillig licht de Dolmen teek\'nend,

Wijl zachter kleuren gleden toen, In halttichts weillend bruin, steeds verder. Naar \'t rustend kuddeke en den herder,

In haar\'ge pij, geheel verweerd: Gelegerd, orn zich te vereenen.

Met grijs van hei en reuzensteenen.

Door kudde en hem schoon gestolïeerd.

En naar de groote stille heide.

Was \'k u wel gaarne ten geleide; Kn toonde u daar, dat toch niet veel.

34

-ocr page 43-

DE POËZIE Ï)ËR HEIDE.

Tot waar geluk de mensch heeft noodig; Dat menig wensch is overbodig:

Dat vrede woont bij schamel deel. —

Waar lieve, brave, kleine menschen Zich vestigden; wier grootste wenschen,

Slecht bun oase in \'t diepst der Hei — Hun stulpje in \'t sparrengroen verloren, Hun koetje of \'t schrale veldje koren,

Slechts gold, en \'t naast aan \'t hart bun lei

•öè?

c*

f 1 % É é ■$ ê k-

VjJ^n t boek «Xatunr» heb \'k zoo watomgebladerd;

Uit veld en bosch heb \'k bloempjes saamvergaderd: \'k Vond steenen, grijs, met goud en rood, dooraderd.

Hoe klein en nietig: \'k heb hen nooit een plaats ontzegd. Maar ze voor hands in mijn geheugen weggelegd, En schikte soort bij soort, voor later tijd, terecht.

Gelijk een kind bondt van zijn boepels, ballen. Bewaarde ik \'t waardelooze, hen, die allen.

Af, op \'t gevaar tot kindschheid, te vervallen.

ar»

\'?•

-ocr page 44-

TKRl\'GBLIKi

En nu na jaren, wekt bij \'t zien van ieder ding, Nogmaals (Je vreugd der vondst, een zoete erinnering, Die anders langen tijd, al reeds verloren ging.

O! waar ligt niet een stille vreugd verholen!

Bloeit het wild roosje niet het iiel\'st verholen;

Geurt nauw bemerkt liet niet van veldviolen!

O neen de vreugd, \'t geluk ligt nergens aan den weg. quot;t Scheidt vaak den wandelaar door sloot of doornenhe»quot;

O

Om ze te grijpen: \'t vordert zoeken, overleg.

Bij menig van die half vergeten dingen.

Komt zich een zonnestraal, uit neev\'len dringen. Vol zoets, waaraan eens hart en ziele hinden.

Dat al werd met den tijd zoo iliei\'baar en zoo waard, Nu t eind lijk, eind\'lijk bleek, dat onverhoopt toch de.

(aard.

Zoo weinig vrnclit en bloemen, \'t rnenschenkind

(steeds baart.

Nu \'t blijkt, dat in de toekomst, noch in \'t heden, \'t Hart op geluk nog hoop\', met goede reden:

Maar het terugwijst, naar een blij verleden.

è

-ocr page 45-

foj^en uitzicht naar de heide —

sir-

\'lt;jen blik op \'t blauwe meer,

flings liet smaragd der weide — N\'iiast \'s boschrands groen dan weer,

O]) \'t lintje in korenvelden,

Ver weg van pad of laan.

Daar, waar de wand\'laars zelden — De daglooners slechts gaan.

\'t Welk daar schijnt op te doemen, In \'t veld zoo uitgebreid, —

Met recht wel het te noemen. Een Kluis der Eenzaamheid. ■—

Een kijkje op gindsche Dennen — Een groep van levend groen —

Waai\' Zephyrs luid doorrennen, Eu krachtig ruischen doen. —

Een zitje op grauwe steenen. Aan hunne voet verspreid;

In quot;t zwijgen om zich henen. En hart en ziel vermeid;

Omhuld door een lialfdonker. Dat liet gezicht bepaalt;

Geen licht dan \'t hel getlonker, — \'t Welk van de vleng\'len straalt.

Eens Vlinders, die toevallig.

-ocr page 46-

XATU It? BESPIEGELING.

\\*an boven nederzijgt,

Zijn kleuren duizendtallig,

Aan eenen lichtstraal rijgt,

Die van een wolkrand stralend,

Ver weg, door \'t looverdak, — rgt;

Naar de aarde schittrend dalend, —

Op \'s Vlinders wieken brak. —

Wijl straks de Philomelen,

Hun beurtzang telkens weer,

Uit orgelende keelen, lt;

Doen klinken keer oj) keer;

Eu op hun zangsmotiven, —

Allengskens opgebouwd, —

Van toen, zij ze eerst aanhieven.

Tot een Sonate ontvouwd —

In toonen antwoord quot;evend.

Zoo lietlijk, teer en zoet,

Op westewieken zwevend.

Ontvlammend t stugst gemoed. —

Natuur dus te bespieden,

In vorm, in kleur, in toon:

Kan quot;t leven schooners bieden.

Dan van Natuur zoo \'t schoon ?

Zoo \'t leven door te vlieten.

Alsof geen toekomst is, cjr

In \'s levens lot, vol nieten.

Vol smart, vol ergernis,

38

-ocr page 47-

XATUrRBESPIEGELIXG.

Vol schijngeluk, vol hopen, Teleurstelling genoeg —

Tot eind\'lijk bij \'t ontknoopen, In \'t eind, wat gaf \'t? men vroeg!

Waarom zijne Idealen — Met geestdrift nagejaagd? —

En nimmer in te halen; —-Voor hen getracht! gewaagd!

Om eindelijk ten leste. Waarvoor men was ontvlamd, —

De moed heen, die nog restte. De veerkracht straks verlamd!

Met moê geslagen vlerken, Ten laagsten sport gedaald, —

Voor goed te moeten merken: Wat schoon scheen, heeft gefaald!

Neen niet door hooge luchten, In razend stormgewoel.

Met wilde M olken vluchten, Naar \'t onbereikbaar doel! —

Neen niet langs woeste baren. Dij nachtlijken orkaan.

Naar \'t doelwit heen te staren. Of blind\'lings af te gaan! —

Er ligt zooveel voor \'t grijpen: Veel bloesems bloeien er:

39

i

-ocr page 48-

Veel vruchten die er rijpen. Bereikbaar, heinde en ver.

Er blinkt een grooten zegen, — Te weinig opgemerkt;

En lonkt hem heerlijk tegen: Hem, die slechts bidt en werkt!

Dat staat door heel het leven. Als woord van waarheid pal;

Zoo waai-, rein, als verheven I\'.lijft het in elk geval. —

En zoo vrij van de zorgen. Die op dit oogenblik.

Bekommering voor morgen. Vervullen \'t hart met schrik. —

Geniet het blijde Heden! En hond de Vreugde vast. —

\\V aarom toch, zonder reden. De Vreugde als lieve gast —

Die glimlach van het leven. Die balsem van \'t gemoed —

Die \'t hart in schoon\'re dreven Op rozen wand\'len doet —

Waarom met muizenissen. Die beste vriend verjaagd? —

Wie kan zich vergewissen, — iloe spoedig niet belaagd, —

Xu nog niet eens te gissen —

-ocr page 49-

XAÏUURBÉSPIEGKLIXG.

Van welken kant liet komt.

Door veel bekommernissen, — Dat\'straks gt;le lach verstomt;

De zonneblik der oogen. Eensklaps beneveld wordt. — \'t Genot is heengevlogen; De bloem der vreugd verdort!

Geniet Itij stil genieten, De vreugde van het liart,

\\Va ar \'s Levens golfjes vlieten, l\'ezwaard door leed nocli smart. —

Niet waar de wereld \'t leven. Als kermisijdelbeid.

Zijn stempelir.erk wil geven, — Tot zijnen dienst bereid, —

En ziel en lichaam beide. Eindelijk na niet lang.

Met wroeging als geleide, Wegzinkt ten ondergang.

\'t hot zij te vergelijken.

Van U, bij \'t licht, welks gloed.

Wanneer de neev\'len wijken, Het westen kleuren doet,

In Herlstnamiddagstonden, Als de aard van zegen blinkt;

De wolken zich afronden, Waarlangs het zonlicht zinkt;

-ocr page 50-

N\'ATUl\'TfBESPIKGEI.IXG.

En ongekende vrede,

Afdaalt van \'s hemels trans, —

Die al wat leeft, deelt mede. Van warmte, gloed en glans.

wee honderd gulden jaarlijks!

TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKS.

^ Dat is geheel \'t bedrag:

Dns een vol jaar gerekend,

(ieen zestig cents per dag. —

AVat \'k daar mee zeggen wilde? — . . .

Ziet gij in \'t ver verschiet.

Langs de onafzienbre heide,

Ken dakje in boomen niet I Nauw hooger dan manshoogte.

Door schntting, noch door heg. Van \'t eind\'loos veld gescheiden.

Duikt onder berkjes \'t weg.

-ocr page 51-

TW\'ËË itOXDÉRD GULDEN\' JAARLIJKS.

Van Huibert en zijn Klaartje,

Is het wellicht de stulp, Die wegschuilt onder \'t lommer,

Als \'t slakje in zijne schulp.

Maar die kan het niet wezen.

Dat gindsche klein gebouw,

Daar naar Ter Haar\'s vertelling,

De rook kronkelde uit de schouw.

Hier niet hot blauwe wulkje.

Dat uit den schoorsteen rijst, Kn spiraalvormig kronklend.

Ons uit de verte wijst.

Dat zeker men een wijle.

Al is \'t maar voor een uur. Ons noodt, om uit te rusten.

Dij quot;t knappend prikkenvuur.

Want op de kale ruimte,

Is het erg bitter koud,

Daar struik, noch boom, \'t noordwesten, In zijne vaart weêrhoudt.

Al zijn wij ook geen ruiters.

Die quot;t lot alle overvloed, — Behalve k i 11 (ler/egeii,

Op ons neèrreeg\'nen doet, —

Toch zijn wij innig dankbaar.

Nu \'t buiten, koml en guur,

-ocr page 52-

TWER HONDERD GULDEN JAARLIJKS,

Langs de open ruimte heengiert, — Voor \'u hoekje bij het vuur.

De hond van onzen linibert.

Doet als een trouwe hond Die zich zijn plicht bewust is.

Van ooze komst geen kond. Wies onzen lluihert misschien.

Allengs de kinderschat. Hem over \'t hoofd, zoodat liij. Te min voor allen had? Ja voor die leege magen,

Werd misschien wat hij won, Te weinig, dat hun speelnoot, Nog langer blijven kon?

Geen kindrenschaar staat turend — \'t Gordijntje eens opgetild — Wat toch die vreemde mannen.

Wel voeren in hun schild? Wat zij toch zouden willen ! . . .

Oi zij, of Piet oi\' Klaas, — Die gistren nog zoo vloekten,

Of Jaap den vechtersbaas, — Ook halen gaan, (wie weet liet!)

Met sabel en met stok, Om heengevoerd te worden.

Naar \'t duistre torenhok. —

-ocr page 53-

TWEE HONDERD GULDEN* JAARLIJKS.

Geen enkel levend wezen!

Nu wij ilen wandelstaf,

Gaan zetten bij den deurpost:

Het zwijgen van liet graf. —

Geen «Binnen» klinkt het vriend\'lijk;

Geen kooltjen op den haard, Daarop niet HuiberL\'s brijpot.

Waar \'t kinderoog naar staart. — lgt;ie leege haard preekt kommer;

Arrnoê die rieten wand, In zigzaglijn nog hangend,

Geheel uit het verband;

Geen meubeltje aan den zijwand. Al waar \'t uok vurenhout:

(ieen wekker op den schoorsteen,

Die \'t zoekend oog aanschouwt. Drie paar gelijmde schotels;

Een stoel met rieten mat,

Kn ruw gelaschte leuning;

Een poot als zwakke lat; Een voetbankje tot zetel:

Vier, vijf, zes, om den baard. Waarop een tal van kleuters.

Zich \'s avonds rondom schaart.

Slechts avonds; \'s morgens gaan zij,

Houtsprokk\'lend boscbwaarts iieen; Wie pas een voet kan reppen;

De kleinsten slechts alleen.

-ocr page 54-

TWEE IIONDERT) GULDEN\' JAARLIJKS.

Zijn ter verzorging elders;

En Va is ver van huis. — Waartoe ook thuis te blijven?

Dat toch hun is geen thuis; Want kommer met ontbering,

Springt liier van zelf in \'t oog; Wend maar eens door de vliering, En dan naar \'t dak het oog. Waardoor de vallende avond.

Kil, Imivringwekkend ziet. — Treed langs den vloer, hoe hobblig!

En zegt ge met mij niet,

Is het geen kunst, hier \'t leven. Te rekken, dag aan dag?

Of de eindelooze nachten? . . . . —

Ik maakte geen gewag. Van twee vierkante hokjes:

En het heeft allen schijn. Dat weinig meer dan holen.

Tot nachtverblijfplaats, \'t zijn. Wat vunzig stroo, dat kwalijk.

Ons tegenriekt, bedekt Door \'n hoopje wollen lompen,

Heeft hem tot bed gestrekt, Die hier in diepe ellende.

Zijn levensdagen slijt.

En inet zijn achttal kind\'ren.

De bitterste arrnoê lijdt.

Ja! hier zou de armste beed\'laar.

-ocr page 55-

TWËÊ HONDERD GULDEN JAARLIJKS.

Vergeefs een bete brood, Aan deze woning vragen,

Want hier woont zelf de nood. Wat bij het strengste zoeken.

Het oog toch eindlijk vindt? Van alles niets: geen broodkorst,

Of anders iets in \'t spind. — De zorg der kloeke huisvrouw,

Werkt, ordent hier niet meer; Kn zou \'t bij allen ijver.

Niet kunnen, als weleer;

Want niet de jaren immer, —

Een tiental nu al lang, —

Ging \'t met het loon des Armen,

Het steeds den kreeftengang.

Alsof de lijdensbeker.

Moest tot den bodem leeg. Het leed allengskens booger.

Ten hoogsten toppunt steeg. Kwam met de vreess\'lijke armoe,

Met wreede ontbering, nood, In \'t kluisje van den schaam\'le In hun gevolg, de dood.

Acht kind\'ren: kleine weezen.

En de oudste negen pas; — Waarvan het kleinste wichtje.

Slechts weinig weken was, —

-ocr page 56-

TWEE IIOXDERD fU\'I.DEN .[AAIU.I.IKS.

Omringden \'t lijk der dierbre,

Daar voor hen in de kist, Waarin de droeve Vader,

Der kindren Moeder wist. Hij zijner kindren Vader,

En Moeder thans voortaan, Hoe zal \'t met dubble zorgen,

Hoe zal \'t mi verder gaan ?

Twee honderd gulden jaarlijks!

Voor negen monden toch.

Voor negen kleeding, schoeisel.

Voor negen dekking nog.

Voor negen in den winter.

Nog turf, hout en zooveel. Hoeveel dat al niet samen.

Bij zulk een sober deel!

«Meelt de aarde dan geen voedsel,

(ieen nooddruft voor elkeen,» Zijn dan Gods goede gaven.

Voor rijken slechts alleen —

Ver weg aan \'t eind der heide.

Zwoegt in zijns aanschijns zweet. Van \'s morgens vier, tot \'s avonds, — Al brandt de zon ook heet — In \'t goudgeel koren maaiend,

Voor zestig cents per dag — De Vader van die weezen. —

-ocr page 57-

TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKS.

O wie hem daar zoo zag! Den rug gekromd, door \'t zwoegen,

Ofschoon geen veertig nog, — Vermagerd tot zijn beend\'ren, —

Lijkt zestiger hij toch;

Miskend, veracht, vergeten.

Door heel de maatschappij, Hoe men het muug\' beschouwen:

Toch aller honingbij.

Drijft hem de zweep des meesters.

Niet altoosdurend voort. Als spooksel, in gedaante.

Des iiongers, met zijn koord? Tot spier bij spier verlamd wordt:

Eu hij tot niets meer nut. Verwezen wordt naar \'t armhuis.

Ternauwernood gestut,

Door \'t stokje, stiltjes hunkert —

(Wijl weinig meer dan draf,

Hein slechts uit nood gegund wordt) — Naar \'t plekje in \'t armengraf.

Gewetenlooze wereld.

Die steenen slechts voor brood. Uit uwen volheidshoren.

Den nijv\'ren arme bood! Gewetenlooze wereld!

Gij hebt in marmerschrift.

Van die \'t u waardig schenen.

-ocr page 58-

TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKS.

De namen ingegrift;

Gij hebt hun naam vereeuwigd.

Met lauw\'ren, hen bekroond, Hun dwalingen, hun fouten,

Toegeefelijk verschoond; En juicht bij \'t loftrompetten.

Om \'t zeerste met de Faam; Snel voelt ge uw hart dan kloppen, Bij \'t noemen van hun naam!

Maar voor uw armen broeder.

Uw naaste, uw eigen ik, — Die met zijn zweet n voedde, —

Hadt gij geen woord, geen blik; En loosde in \'t hooploos zwoegen.

Hij soms een zwaren zucht, — Gaf door weemoedig klagen,

Zijn boezem soms zich lucht: — Gij wildet niet begrijpen,

Die stille zielepijn.

Gij wildet niet vernemen.

Dat het zoo wee kon zijn. — Neen, voor uw broeders lijden,

Hadt gij wel nooit gevoel; Het noodlot des geringen.

Liet u steeds doof en koel. — Toch zijt gij beiden broeders. —

In eene Vadernaam,

Treedt voor den Allerhoogste,

50

-ocr page 59-

TWEE HONDERD GULDEN JAARLIJKS.

Voor Zijn gezicht gij saam. — Ontmoet dan Rijke, uw Anne,

Naar \'s Hoogsten hoog gebod. Als naaste, als uwen broeder,

Ook als het Kind van God. —

Rust zacht gij arme Broeder!

De wereld wilde u niet; De snoode ondaukbre wereld,

Die u zoo snood verstiet.

Was niet zelf Hij uw\' Broeder,

De Christus, u gelijk; Een Anne naar de wereld.

En toch zoo eindloos rijk?

-ocr page 60-

PE DER,

\'k Wsi-g bij Lnntd- en Zomerpraclit n Heide!

|^/t Zachte waas der Poëzie verspreidde,

Over u zich, toen hij Leemvriks zangen,

Ge iets van eene feestzaal scheent te erlangen: En verheerlijkend, n schoone Heide, trots Uwe stilte en eenzaamheid, gij bloemtuin Gods!

Wel een bloemtuin! maar den Heibewoner,

Is \'t prozaïsch grasveld toch veel schooner;

Want de phantasiën van den Dichter,

Maakten om \'t bestaan den strijd niet lichter

Hem, die daarom \'tnooit werd eenen zoeten klank:

\'t Schoon der Poëzie, zelfs tegen wil en dank. —

Bij al die heerlijkheid en pracht,

Blijl\'t \'s Leeuw\'riks juichend, jublend lied.

Den arme op \'t dorre heiveld niet, —

Dan eene kreet van smart: ecu klacht.

Als hij zijn niet menschwaardig lot,

Eens overdenkt, eens wel beschouwt:

Hoe zelfs zijn woning \'t midden houdt, —

Deels op — en deels in de aard gebouwd, — \'V

Dus, van half hut en van half grot.

i

-ocr page 61-

T)E ECHO DEU HEIDE.

Tot muren zelfs de moeder aard, Gevraagd, om hare steun en hulp.

Omdat geen steenen tot de stulp.

Men had, dan tot een kleinen haard. Daarop kwam nog liet zwaarste eerst aan Nu gaf een enkle menschenvrind Wat riet: een buur, hem welgezind. Wat boompjes, tut het dakgebindt; — Eensklaps voltooid, zag men het staan. —

Keu vos graaft misschien niet zijn hol, In een paar dagen korten tijd:

(Juist zoolang aan dit werk gewijd) — En houdt liet hoofd ook nimmer vol. Met wat de bange toekomst geeft.

Hij de Arme spant zijn krachten in: Hij spit en graaft van af \'t begin. Op hoop van eindelijk gewin,

Recht uit naar \'t doel, waarvoor hij leeft.

Ach de Arme, die de onvruchtbre Hei, Bewerkt, allengskens iets ontgint —

Het al te goed toch ondervindt.

Dat Heide blijft de dorste wei. \'t Onsamenhangend korr\'lig zand.

Spot met des armen zwakke kracht. — Hij di e zoo rijk alreê zich dacht. Met wat zoo blij hem tegenlacht: Een eigen haard op eigen land!

-ocr page 62-

DE ECIin DEK HEIDE.

Veel wat zuo\'n Nijvre hier ontbrak, Blijft gelden bij hem toch nog ligt,

Als in zijn schaal het zwaar gewicht,

Van eigen haard, van eigen dak. Van eigen grondbezit, hij legt. —

Help Rijkdom, die te helpen weet; Hij wint den strijd niet, hoe hij zweet; Help tot het eind, van af de meet.

Zijn slaven, zwoegen, loont zoo slecht!

XX

gt;lt;gt;lt; ----

XX

BEGRAAF MIJ IN MIJN EIGEN GRAF.

Mlfk ben vergrijsd van baard en haren; o*)Daarvoor tel ik ook tachtig jaren; En diende er zeven van het land, Ingekwartierd aan Brabants rand. Op eersten Willems hoog bevel. —

Mijn beste jaren waren \'t wel.

Aldus van mijne jeugd verloren.

Niets goeds werd mij er uit geboren: \'t Minst bij \'t Miljoenen staatsbudget, Werd op den ex-soldaat gelet. —

54

-ocr page 63-

BEGRAAF Mil IN MIJN EIGEN GRAF.

Die zeven zijn zoo lieèn gedreven, Als nutt\'loos voor mijn later leven.

Voor mij lt;len armen landbomvknecht: Dus de gelegenheid ontzegd, —

In jaren, daartoe dubbel waard, —

Mij, om den Imisselijken haard, —

Voor vrouw en kinderen te gronden: \'k Werd ledig weer naar huis gezonden. Door dierbaar Vaderland en Vorst,

Met platte beurs en leêge borst.

En in \'t bewustzijn, geene Heigen,

Geholpen hebben te verdelgen, —

Met de gedachte «\'t land gered,» — Werd uutt\'loos ik aan kant gezet;

Kwam \'k bij de mijnen weer terug: De ransel haastig van den rug,

Om zonder morren, zonder dralen. De schade weder in te halen,

Der zeven jaren, kost\'bre tijd,

Door zuinigheid en noeste vlijt.

Den zwaren gang van \'t daag\'lijks ploegen, -Het «voorwaarts» hij bet eindloo? \'.woegen, In \'t maaien van het gras en graan, — Liet mij geen blik naar achtren slaan. Desniettemin, die zeven jaar,

Zij bleven weg, maar al te waar!

-ocr page 64-

BEGRAAF MIJ IX MUX KIGEX GRAF.

Zij waren niet terug te winnen. Al trachtte ik het met blijde zinnen; En \'k steeds door onverdroten vlijt,

Bleef woekeren, niet mijnen tijd.

Nu stierven ia dien tijd mijne Ouders, Hunne ouderdom had op mijn schouders, Nog nooit een enklen last gelegd. Kh Vader had mij eens gezegd: «Wij laten u volstrekt niets na.

Dan eene zeis, een hark, een spa:

Geloof! wij laten niets van waarde, Bij ons versterven meer op aarde: Daarmede loopt heel \'t erfschap af.

Behalve een overtollig graf.» —

«Mijn\' ouders bleven van lum slaven.

Niets dan een drietal leege graven;

Twee zult gij daarvan gauw misschien, Zich oop\'nen voor uwe Ouders zien. En \'t derde blijv\' voor u bewaard. Als ouderserf, als eigene aard:

Opdat, slaat eenmaal ook uwe ure. Men u geen armengraf dan hure. Wanneer men u ter aard\' bestelt: —

Dit is uw erfdeel: (joecl en ucld.))

De Bouwknecht sprak: «wil zorg gij dragen, Tot aan het einde mijner dagen.

-ocr page 65-

BEGRAAF MIJ IN MIJN\' EIGEN GRAF.

Mijn Zoon! Wat mij, Anno overbleef, Men nimmer aan een ander geef;

Daar ik zelf half gestorven, en Voor heel de wereld dood reeds ben.» En ongeschonden bleef in waarde. Dat graf, des Grijsaards eigene aarde: Kn weldra rustte hij er in,

Naar zijn verlangen, naar zijn zin.

-

IJV \'T ZaatK^—___

------VEN.

ij werkten in \'t gezaaide.

fhjt was een groote troep, — Waarvan \'t gelach, geroep, — Zeer dnid\'lijk overwaaide, —

Naar \'s Bouwmans luistrend oor, Eer \'t in de verte zich verloor.

-ocr page 66-

IN \'T ZAND GESCIIRKVKN.

Hij zag van ver liet stoeien.

Terwijl een ailer zwol. Op \'t voorhoofd, eensklaps vol: Toorn deed zijn wangen gloeien, Van verontwaardiging Rij \'t treden in hnn kring.

Dat zoo maar door zijn akker — Zorgvuldig toebereid. Vol onverschilligheid, —

Zijn werklui gaan, als stak er.

Niets in, alsof het moest. Zoo wild, onzinnig woest!

Hij durfde nauw\'lijks treden.

Door \'t jonge welig graan. Waar zijnen voet moest staan. Opdat door zijne schreden,

Zich hier, of elders niet. Een halm vertrappen liet.

quot;Wijl zijne ondergeschikten,

Niet letten of een plant.

Gerukt werd uit haar stand, Haar bladren ook verwrikten: Slechts dadelijk gewin.

Wou er met hen slechts in.

58

-ocr page 67-

IN \'T ZAND GESCHREVEN.

Alsof om duizend halmen,

Hier noodeloos vertrapt — Om er juist opgestapt —-Bij straatdeuns krijschend galmen — Het wat niet al te kras, Om \'t jeugdig koren was. —-

En toen hij eindlijk wendde,

Zieli met een ernstig woord: Als zoo iets dan behoort.

Tot de brooddronken bende:

Ging de een na de ander heen. En lieten hem alleen.

En waar men mede werkte,

\'t Gereedschap, werd geplant, In averechtschen stand,

Vlug zonder dat men \'t merkte — Dat het ver zichtbaar stond, — \'tHandvatsel in den grond!

Hij de eigenaar had tranen.

Om die brooddronkenheid, Zoo door zich zeil\' misleid, In hun denkbeeldig wanen,

Dat toch niet ze elkaar weer. Ontmoeten: Knecht en Heer.

59

-ocr page 68-

IX \'T ZAND OESCimKVKN\'.

Zij lieten groeien \'t koren;

De (list\'len groeiden meê Van nu op \'t zelfde stee.

Waar echter op de voren

Den voet stond ingedrukt,

Was de oogst geheel mislukt.

En niet dan kleine garve.

Een half beschot op \'t hoogst — Gaf \'t hij den tijd der oogst.

Van havervrucht en tarwe.

Waar men was doorgehold. Of stoeiend had gerold.

En nu ten wintertij de.

Komt schoorvoetend gegaan. Een troep en klopt zacht aan.

Bij een schuurs achterzijde:

Of een maat koren niet Voor de armen overschiet?

\'t Antwoord: «vooraan zal \'k treden. En toonen u van \'t graan.

Waar \'t ruw is toegegaan;

(Hij dacht aan het verleden): En plantte als «onbegeerd». De schop in \'tgraan, «.verkeerd!)\'}

()0

-ocr page 69-

IN \'T ZAND GESCHREVEN.

En alle mannen zagen \'t,

En blikten elkaar aan: Zij hadden het verstaan. — «Treed Bouwheer, ach wij vragen \'t Met tranen in \'t gezicht —

Niet met ons in \'t gericht.»

«Welaan wilt er uit leuren: Bij grooten overvloed.

Weet zonder overmoed, \'t Geringste ook te waardeuren! Uw zakjes ach! zoo leeg. Vul schop nu eens ter deeg.\'»

■mv\\ K U 1 N N KRING.

ief heb \'k u, tijden van weleer! —

Waarom \'k u min? vraag verder niet; quot;k Voel iets in \'t hart, mij dier, mij waard, Dat snel door eiken zenuw vaart, Als vreugd, herinnering, als lied!

01

-ocr page 70-

IIK1ÜNN KRING.

Een wereld, /ou vol Poezie,

Rijst dan nit nevelig verschiet. Op wolken, rijk omboord met goud,

Waaruit een wond\'re lichtglans vliet. Een gloor, zoo heerlijk, duizendvoud!

Een licht, als uit het Paradijs, — Op nieuw verrezen voor het oog, In volle heerlijkheid, dat weèr.

Langs mijne blikken henentoog. Eenmaal misschien, een enk\'le keer.

Met al het namelooze zoet,

De kindsheid eigen: klank en woord. Zijn te arm, voor al wat zij behoeft:

02

Het leeft slechts in herinn\'ring voort, Waarbij zoo graag de geest vertoeft. —

t

-ocr page 71-

DE HOOP.

aartoe voor deze spanne tijd, —

Al waar \'t ook tachtig volle jaren, — Geschraapt, gewoekerd, ol\' benijd

Hen, die misschien iets beters varen: Al werd men rijk, ook naamloos groot.

Toch de eind van alles is de dood.

O als men vijftiger maar wordt.

Dan is \'t of wordt men weer geboren; Dan, aan den boom der hoop verdort.

Zoo menig knop; valt af, verloren! Kr blijft een groenend takje slechts. Te aanschouwen meer, naar links en rechts.

Dat takje groen, blijft wel is waar,

Als \'t Kiloof, dat om de Eik zich hechtte; Maar kennelijk toch streeft het naar

Het sap des booms, hue schoon \'t ook vlechtte Aan stam en tak; \'t geeft niets voor niets: Zelfs voor de hoop verlangt het iets.

-ocr page 72-

ntf tïoop.

De zelfzucht ook en lt;le eigenbaat.

Ligt in dit beeld der Hoop verborgen. Het is niet anders, vroeg of laat.

Blijft er niets meer dan leed en zorgen; Hoe men \'t ook wende of keeren mocht. Op \'s levens zwaren wandeltocht. —

Zal als \'t hier afgestreden is.

Een Ster, van achter wolken lichten? — Door ondoordringb\'re duisternis,

De blik vol hoop er heen zich richten. Dat vurig, sterk en lang verbeid. Het hopen wordt tot werk\'lijkheid ?

Ja zeker, \'t kan niet anders zijn.

Diep staat er in het hart geschreven: Een Eden, louter zonneschijn,

Is hem, die hoopt, vertrouwt, gebleven. En door de poorten van de nacht.

Rijst de eeuw\'ge morgen onverwacht.

64

-ocr page 73-

(t r o o 81.

Vijm \'t woelen up «les levens baren,

oè) Blijft hut onrustig harte .steeds,

Doorkliefd van smart, geprangd door leeds, In \'t ronde naar een rustplaats staren: Een ankergrond «de Hoop» genoemd, Uit \'slevens hrandiug opgedoemd.

Het schip kan aan de verste kusten. Tot hulp\'loos wrak verslagen zijn.

Verloren wis naai\' allen schijn —

Twee woorden, die een angstkreet susten.

Daar \'t luide klinkt; de reddingsboot! De hoop herleefde uit hangen nood.

\'t Is waar: het leven met zijn hopen.

Houdt niet wat het verwachten deed;

Stelt reeds te leur van af de meet. Wil spoedig \'t hart tot twijt\'len nopen: Wat bloemknop «Ier herinnering, Die nimmer, nimmer openging.

Neen! Schillers vriendschapsidealen.

Gaan even goed als \'t andre heen;

Zij laten \'t hupend harte alleen:

Er blijft slechts eenzaam dolen, dwalen:

Alleen gestage bezigheid.

Iets wat het nog iets zoets bereidt.

5

-ocr page 74-

TROOST.

En de terugblik naar do jaren,

Die henengingen, ongemerkt, —

Alsof zij nimmer, nimmer waren — Wat hebben zij aan vreugd gewerkt?

Ach \'t zoete dier herinnering.

Wordt eindlijk luttel, zoo gering!

\'t Wordt in liet hart, als in die dagen. Die ons November ruimschoots geeft; Als nauwelijks Natuur meer leeft; Kn naai\' \'t bestaan der Zon we eens vragen. Daar achter de ondoordringhre mist. Men nauw er zich van vergewist.

Wat blijft er dan nog van al \'t woelen, Wat geeft dan nog bevrediging, Den afgematten sterveling ?

Waarin zich nog verheugd te voelen. Waarin, waarom te zijn verblijd. Als alles wegzinkt, met den tijd!

Blijft er voor \'t leven dan niets over.

Dat er ten laatste aan hangen doet? Blijft er dan maar geen levensmoed? Den laatsten wensch maar onder \'t loover. Des kerkhofs donkren olmenkring? Waarmee de laatste hoop verging?

()()

-ocr page 75-

TROOST.

Blijft er niets over dan, na \'t sloven.

Van af de wieg tot aan het graf ?

Van wat gezaaid werd, niets dan kaf .\'

Geen hoop op oogst? geen gouden schoven ? — Er ligt bewaard, er ligt bereid:

Ken wissel toch op de eeuwigheid.

■-gt;

De ploeger drijft zijn tweespan ginds, Op \'t akkerveld, bijna in draf.

Door \'t bouwland heen; met vaste hand De ploegschaar richtend, voor zich uit; Terwijl in rechte lijn zich steeds,

Allengskens voor aan vore sluit. —

Van \'t westen glijdt het zonnelicht.

Langs iiooge gouden wolkenkruin;

Penseelt liet bosch daar glndsch in geel. Den Ploeger in liet teederst bruin. — En voorwaarts, voorwaarts, voorwaarts, gaat. Het van \'t begin tot \'s akkers end. Met onverdroten ijver voort, —

Zoo vaak de ploeger keert of wendt.

r

-ocr page 76-

DE PLOEGER.

Opnieuw een vore bij het tal;

Al weer een nieuwe, een nieuwe meer; Al hijgt het span, al gudst het zweet, Der rossen in de voren neer;

Mengt zich bij dat van \'sploegers hoofd; HÜ weet liet wel, hij weet het best, Hoe meer hij zweet, hoe meer hij slooft: Zijn gudzend zweet is \'sakkers mest.

Hij smacht naar \'t doel, naar \'t eenig wit; Zijn oog blijft voorwaarst steeds gericht: 11 ij ziet niet om, naar \'t geen er reeds. Ver achterwaarts van hem, wel ligt. — Vol goeden mueds, steeds voorwaarts meer Nog is het eind der dagtaak niet,

Al wenkt er Hauw en onbestemd,

Ook de eindpaal in het ver verschiet.

Zoo is des Christens levensreis.

Die naar liet hemelsch Eden leidt:

Zwaar als des Ploegers looden gans:

O O O

Maar als Een die de Rust verbeidt. — En duikt voor hem de laatste zon.

Op de aard in \'t eind voor altijd neer, Hem rijst na welvolbrachte taak.

De zon van \'t heerlijk Eden weer.

-ocr page 77-

EEN ZONNETJE.

tr^\'en zonnetje op den levensweg!

schijnt het ook maar tusschenbeide. Zoo nu en dan eens vriendlijk mild, Oase in leege barre heide;

01\' als \'t aldaagsche haverveld,

Waar men een veldviooltje ook telt!

Dat lonkt en lokt bij \'t ernstig groen, — \'tWeik op den luchtstroom is gaan hangen.

Om van liet Zuid den zonnegloed.

Tot \'s menschen nooddruft straks te erlangen Slechts ernstig ruischend, dat nooit lacht. Als \'t schoone bloemje in kleui\'enpracht.

Zoo\'n teeder bloemje is \'t sprekend oog. Van vreugde bij den ernst des levens, Dat troost en opheft altijd weer, En levenslust teruggeeft tevens:

Zoodat er wijss\'lijk tegenwicht,

In beider schaal voor ieder ligt.

-ocr page 78-

AAN ZEE.

----•;?

/Z^v-X)

heb de zee, de zee gezien!

In liare stille heerlijkheid; En \'t stralend prachtig zonnebeeld,

In gloed, in stille majesteit, —

Als gouden ster, aan quot;t blamv azuur;

Als kroon des hemels en de lust Der schoone Zee, — die lachend haar, Als gezellinne wand\'lend kust. —

Ik heb de zee i» rust gezien.

Toen niet een enkel huikje ot\' boot.

Of zeekasteel voer langs het vlak. —

Geen blanke meeuw langs \'t water schoot —

Geheel alleen van \'t «lorre duin.

Met hut noch woning in \'t gezicht, —

Zag ik bij zwaar bewolkte lucht.

De zee in doez\'lig neev\'lig licht. —

Rij herfststorm zag \'k de hooge zee: November\'s nacht viel haastig in,

Toen \'t stormde uit het Noord-westen weg; Wijl ze in de hagelbui haar kracht.

Beproefde op Frlesland\'s westerzoom; De bliksem ging de windbui voor;

De donder rolde \'t zeevlak langs.

Terwijl de storm het West schoot door.

T

-ocr page 79-

Hoog steigVend als \'t verwilderd paard, L)at zijne woede macht\'lüos uit.

Als \'t eind\'iijk weer den teugel voelt, Zoo toen de Zee; waai\' ze eensklaps stuit.

Voor gordingen aan \'s paalwerks voet; Waar zij met vreesselijk geweld,

Als in een vlaag van razernij. Des zeedijks glooiing opwaarts snelt;

Wier top zij soms bijna bestijgt: — Bij poozen \'t schuim er overslaat:

Diep landwaarts in als voortgezweept. Totdat de vloed terug weer gaat, —

Om met een aanloop straks, opnieuw. Met l\'rissche benden, als versterkt.

Zich kronkelend, ontzaglijk grootsch, In vorm en kracht, zich opwaarts werkt;

Totdat zij met de kruin gelijk Des dijks, eens zelf naar binnen zag,

Hoe vreedzaam stil in smaragdgroen, Daar wel een andre wereld lag. —

Bewond\'rend zag ik onder mij. Het eenig grootsche menschenwerk.

Die reuzendijk, wiens kluitjes grond, Den woesten oceaan stelt perk. —

Ik dacht: «dit is \'t getrouwe beeld. Van \'smenschen hart, op \'slevens zee:

Vandaag het onbewolkt geluk, Vol kalmte, rust en stilte en vree;

-ocr page 80-

AAN ZEE.

Maar onverwacht, als uit den droom, In quot;t raiddernachtuur opgeschrikt,

Als roerloos schip, bij wilden storm. Waar \'t havenlicht het nergens blikt.

Maar dat niet door de zware lucht. Waarin de duistre sneeuwstorm woont;

Maar dat niet door de dikke mist. Die langs liet strand hangt, zich vertoont, Wordt, als de nood op \'t hoogst dan i Hij, die liet wolkenheer regeert

Als de een\'ge heste Loods begeerd: — Hij merkt weldra hoe \'t onweer keert;

De mist tot zomerwolkjes wordt:

Zich oplost dra des massa\'s zwart;

De laatste bui verdwijnt, vervliegt, Wier wolkènheer gedund, ontward,

De winden breidelt, in hun vaart. — Een streelend koeltje plooit de zee;

Alom keert als met tooverslag.

Ook in het hart, en rust en vree.

-ocr page 81-

SCHIPBREUK.

iT\'.Tquot;quot;i*!. lion de stormwind raast, naar \'t strand! (|-1* Wat tafereel, wat grootsche luister!

Hour de afgrond dondert, kookt en hrandt,

Dat is de zee, vrij van haar kluister!

Ziet, toe! iioe hoog de breeJe golven.

Hier steigeren, daar ploffen neèr;

Kn onder vlokkig sclmim bedolven.

Weer rijzen, licht als eene veer. —-

Tot eene reuzengolf zich vormend.

Komt zij van ginder aangesneld;

Eensklaps het liooge duin bestormend. Met ongeëvenaard geweld.

De branding loeit; in breede vlokken. Vliegt landwaarts been, het kokend schuim;

Het is of «ie ingewanden schokken.

Van \'t aardrijk in zijn diepste ruim.

Steeds sneller jaagt het zwarte westen, Zijn benden wolken naar het oost;

\'t Is of \'t heelal dreunt op zijn vesten. Natuur haar laatsten angstkreet loost.

Het is een bulderen, een loeien :

Bazuinen dreunen; uit het diep

-ocr page 82-

SCHIPBREUK.

Des afgronds, schijnt liet aan te groeien, Waarin die stem, tot nog toe, sliep.

\'t Gaat over in een daav\'ren, huilen! Het is niet meer de storm; de orkaan

Voert thans uit zeevlak\'s diepste kuilen, Tot \'s hemelsboog, de wat\'ren aan. —

Ten spel der golven,

Danst woest en wild —

Dan eens bedolven,

Dan opgetild,

In- en op \'t koken —

\'t Schip, in \'t verschiet;

Masten gebroken,

Als teeder riet;

\'t Schip haast op zij;

\'t Kent\'ren nabij;

\'t Volk handenwringend.

Elkaar omringend —

Wijl ied\'re zee.

Van hen, één mee.

Sleurt in de baren —

Buiten de paren, —

Die ginds omhoog,

Vast in de stengen,

\'t Doodsuur verlengen,

Of \'t hun nog moog\',

Eind\'lijk gelukken,

Dat \'s orkaans nukken,

-ocr page 83-

SCIIIPBREL\'K.

Eind\'lijk ten lestquot;.

Uitgeput raken.

I^n linn nog rest,

\'t Strand te genaken. —

Kn eensklaps splijt een straal de wolken De bliksem licht liet zeevlak rond.

De donder antwoordt langs de kolken. Der wilde wolkenzee, terstond:

Nu is \'t alsof de laatste keten,

Die lucbt en zee nog hield in toorn. Als spinrag wordt vaneengereten:

De zee rijst op tot \'s wol kens zoom.

Zij komt, zij komt, zij ploft naar onder. Raast, loeit en schatert, davert, hrult;

Haar begeleiding is de donder.

Die \'t wolkenheer gestaag vervult;

En ginder: hoogten, duinen, dijken. Paleizen, stulpen, bosch en veld, —

Als op een tooverwoord, — zij wijken. Meteen voor storinwinds woest geweld.

En bleek als schimmen.

Staan langs de reè, —

Starend in zee,

Dalen en klimmen,

Af- en op \'t duin.

Angstige groepen;

Wuiven en roepen.

-ocr page 84-

■SCHIPBREUK.

Of men de zeilen, — Waar \'t maar een stip, —

Misschien kon peilen: \'t Bekende schip, —

Dat men uit duizend — Herkennen kon.

Als \'t ginder kruisend, De oop\'ne zee won.

Immers, zoo even. Hoorde men luid, — Ginder in \'t zuid.

Voelend het beven. Onder zich, klaar; — \'t Noodschot vandaar.

Weenende vrouwen, — De angst in het hart, Staam\'lend verward. Handen gevouwen. Tranen in \'t oog.

Blikkend\' omhoog —

Kind\'ren, die weenen, Smart op \'t gelaat —

Turen daarhenen.

Waar de wind staat.

Verweerde mannen — \'t Gelaat doorgroefd.

Staan, diep bedroefd.

Zich in te spannen.

76

-ocr page 85-

SCHIPBREIK.

Spraak\'!(jos, ot\' ook —

Door \'s brandirigs rook,

o \'

Zij in hun pogen.

Toch eindiijk mogen, Zien, naar hetgeen, Hen geldt alleen! —

Onafgebroken,

Blijft dondren, koken, — De Oceaan, —

Niet te weerstaan;

Van eengereten,

Scliijnt ginds de zee.

Als quot;t ware in twee. — ...

Ach! welke kreten.

Ginds uit die schaar!

Maar al te waar,

\'t Schip is bezweken .... Golven reeds breken. Op deze plek, —

Tegen \'t verdek. —

Dra is \'t verdwenen.

Alles is henen. —.....

Is het misschien?

Neen, «ik kon \'t zien. Dat zij het waren» . . . \'t Bloed stolt in de aren Want zelfs de naam,

Leest men te saam.

-ocr page 86-

SCHIPBREUK.

Van \'t schip, welks stukken — \'t Verongelukken,

Van man en van kind, — Bevestigd men vindt. —

Waarom te malen.

Weemoed en smart,

In aller hart ?

Waarom \'t herhalen, \'t Naamlooze wee,

Van \'t kind der zee?

ZEERAMP m PEASENSTER EN MODDERGAISTER ÏISSGHFRS.

« M A «KT 1883.

«i^^^el! maar een goed en kort besluit;

Het weer lijkt goed, het weer lijkt vast. Op morgen wis ter vischvangst uit. En daarom vroeg ook opgepast:»

«Zeg \'t alle visschers straks maar aan. Dat wij bij de eerste scheem\'ring gaan.»

Bij het neev\'lig morgenlichten.

Zag men tal van stevens richten.

Waar des Noordzee\'s deining bruist;

78

-ocr page 87-

ZEERAMP DER 79

l\'EASEXSTER EX MODDERGATSTER VISSCIIEHS.

Waar de wiegelende baren.

Niet doen denken aan gevaren, Nu geen biiesclije of windje rnischt. Kn wijl ile eerste stralen glimmen, Nergens aan de Westerkimmen, Ook een enkel ilampje rijst.

En hij \'t stijgen van den lichtend, — Alle neev\'len haastig vluchtend, — \'t Op geen ander weder wijst. —

Gimls met koninklijke glorie,

Straalt dr Zon reeds als victorie, Over kimmen\'s blauwe lijn.

Achter hare grens verborgen. — En daar is zij, roept «Goemorgen!» Met haar lach van zonneschijn.

Ziet de golfjes rekken.

Zich een weinig stram.

Van de slaap, en trekken, — Nu zij \'t licht ontdekken,

Oj) de hoogste kam, —

Hunne pronkgewaden, — Smaragd, — overladen.

Als met goud, eens aan: Want het laat zich raden.

Dat de zonnelach.

Stand houdt heel den dag.

-ocr page 88-

80 ZEERAMP DEU

l\'EASENSTER ENquot; MODDEUGATSTER VISSCM KI!S.

\\\'(il vroolijken moed en in \'t minst niet beangst: Met blijde verwachting op rijklijke vangst,

Deed uitgeleide als steeds, baar man nu de vrouw, Van meening dat hij weer gauw thuis komen zou. De lucht was zoo helder, de zee was zoo gla i,

Alsof nimmer lust zij tot woelen weer had:

Alsof nimmer brak zij een vrouwelijk bart;

Alsof nimmer kleedde een liruidje ze in \'t zwart; Alsof nooit ze een Vader den eenigen zoon. Den Grijze ooit ontrukte, zijn al, zijne kroon.

Zijn hoop en zijn sclmts in hoog\' ouderdom; Hij stram, afgeleefd en van arbeiden krom. Verweerd van gelaat en inwendig zoo zwak, Een wegstervende eik, haast een hulpeloos wrak. Daar ligt zij zoo vreedzaam, de sluimrende zee. Alsof uit haar schoot nooit eene angstkreet van wee Geen doodsnik der schipbreuk\'lings immer er rees. Wiens zinken ooit maakte zoo menige wees, — Nog hulploos in \'t wiegje door moederzorg teer, — Bewaakt maar wiens vader licht nimmer keert weer Wie denkt dat er \'t nimmer gedolvene graf. De hunnen de lijken niet eens weder gaf. — Zoo stil en zoo rustig, zoo kalm en vol vree. Lag onder \'t geflonker dei- starren de zee. —

Aan de scherp begrensde kimmen.

Duiken op: bij reuzenscbimmen,

Wel het beste vergeleken, —

-ocr page 89-

ZEERAMP DER PEASENSÏElt KN\' MODDERGATSTER VISSCHERS.

Zonder een waarschuwend teekeu, — Massa\'s, als met gouden kammen;

Waar verbeelding vuur en vlammen, — Die zich schijnen uit te breiden, —

Meent te kunnen underscheiden.

Ginds de visschersvioot!

Alle zeilen hijschend;

Elk naar \'t noorden wijzend, — Vanwaar nood en dood,

Aangrijnst, uit die wolken. —

Hunne vorm vertolken.

Wat zij in hun schoot.

Storm en onweer bergen;

Dit staat vast: zij vergen,

Moeil en plichtsbetrachting.

Kracht en doodsverachting.

Voor wat hen verbeidt.

Van wat menscben kunnen: — Muog\' God tijd hen gunnen! — Allen zijn bereid.

Allen handig, vaardig.

Ook de vloot zeewaardig? — Als het razend Noord,

Woeste zwarte buien,

Door elkaar doet kruien. — \'t Briesje drijft hen voort.

Heeds weer naar de kusten;

-ocr page 90-

ZEERAMP DER l\'EASENSTEK EN MODDERGATSTER VISSCHERS.

Moog quot;t Noonl zoolang rusten. Totdat alle boord —

Trouwe reede of baken,

Toch maar mocht genaken.

Want In \'t Noorden daar,

Spreekt elk in zijn eigen.

Blijft het vreess\'lijk dreigen, quot;t Ongedacht gevaar.

Gindsclie wolken vurinen.

Bergen hagelstormen, Zoo gevreesd van daar —

Eer men thuis is ? . . . uren. Zal liet moeten duren,

Met dit brieschje wind,

Dat op loorne vlerken.

Soms zich pas laat merken. En steeds ongezind

Door te breken willen;

quot;t Is of heeft het grillen. Nukken, dat liet vindt.

Thans volstrekt niet noodig. Heden \'t overbodig.

Dat eens voor den boeg,

\'t Flink ging op een schuimen. Dat men zeil moest ruimen. Opdat snel hen \'t droeg,

\'t Schip naar \'tdoel, hun hopen; \'t Pad staat hun wel open ...

-ocr page 91-

ZKERAM1\' DEK

PEASENSTER EN MODDERGATSÏER VISSCHERS.

Is er tijd genoeg,

Om de ree te krijgen? —■

Ziet! de wolken stijgen, Onrustbarend snel;

\'t Woelt daar ginds ontzettend; Als men maar oplettend,

Naar dat vreess\'lijk spel,

Een\'ge tijd blijft staren,

Zal men \'t dra ontwaren;

Ziet men \'t al te snel.

Wolken achter wolken.

Stijgen uit de kolken.

Van de zee omhoog;

Grijze wilde luchten.

Zoo op zee te duchten.

Dekken half den boog.

Zwaar en dik den hemel,

En hun woest gewemel.

Valt aanstonds in \'t oog.

En de ernst staat thans op elks gelaat, Der llinke mannen, forsch en stoer, Op uitkijk, van den man aan \'t roer, Tot aan den kleinsten jongen maat. Die meeging, al was hij nog jong: Omdat tot meegaan hij haast dwong.

83

-ocr page 92-

84 ZEEUAMP DER

PEASENSTER KN MODDERGATSTER VISSCHERS.

En de oudste, die het meest gezag.

Van de and\'ren heeft, die zijn aan boord,— Naar wien men \'t liefste en \'t eerste hoort, —

Zegt: «Kindren \'t wordt een zware dag.

Helpt heden onze lieve Heer Ons niet, wij zien niet de onzen weer.»

«]k voer op zee reeds vijftig jaar;

\'k Braveerde sturm en vreess\'lijk weer.

Maai- nimmer, nimmer eenen keer.

Zag \'k zulk een omveerslncht als daar;

Berust in \'t onvermijd\'lijk lot:

Beveel uw aller ziel aan God!»

« Wat zal ons vlootje in vuile zee,

Bij zulk een weer, als straks ons wacht. Als dra ile orkaan met volle kracht.

Ons overvalt, vei\' van de reé

En die te krijgen, voor hij raast,

Is mijn inziens, niet denkbaar haast.»

«Toch mannen! ieder doe zijn best:

Zet alle zeilen haastig bij;

Dat alle man op post steeds zij.

Aan onzen lieven Heer de rest!

Op mannén op! \'t gevaar is groot,

Het wordt een wedloop met den dood.»

-ocr page 93-

ZEERAMP DER 8;quot;)

PEASENSTKR EN MODDERGAÏSÏER VISSCHERS.

Forsche mannen trillen, beven,

Sterke mannen, voor wie quot;t zout. Levenslust en brood en goud,

Steeiis tot dezen had gegeven:

\'t Wordt de braven, thans in stee, Hen tot graf, die zelfde zee.

Grijze mannen, lange jaren.

Met die wilde zee vertrouwd,

Kn alzoo geworden oud.

Op die steigerende baren,

Iviest die woeste zee tot buit, Tot welkome prooi lien uit.

Jonge mannen, die lam leven.

Hebben aan do zee gewijd.

Hun bedrijf, hun vlijt, liun tijd.

Alles, alles wilden geven,

\'t Is of daarvoor zij tot straf.

Heentrekt, hen in \'t zoute graf.

Alle inannenoogen weeneu.

Om bun hart verse! leurend lot;

Wenden allen snikkend, tot Verre vert\' zich jamm\'rend benen;

Zenden hunnen laatsten groet. Hun geliefden tegemoet. —

-ocr page 94-

ZEERAMP DER PEASENSTER ENT MODDERGATSTER VISSCHERS.

Altijd nog die labberkoelte;

Altijd nog die zwakke bries.

Maar steeds dreigender quot;t Noordwesten; Altijd nog dat tijdverlies;

Maar nog zwarter dan zooeven,

Dreigt het uit den gindschen boek, Is naar \'t Zenith opgeklommen. — Hoor! daar valt de sturm in \'tdoek, Kene nik wind; alle scheepjes,

Eensklaps trekkend\' naar omlaag,

t Is ui \'t sein is voor de winden,

Want nn komt er vlaag u|» vlaag, Leggen zoo vaak weer de scheepjes Zich oprichten, hen weer neer,

\\ liegen voor de ontboeide baren.

Over \'t water als een veêr,

Nn de hagelbuien klettren.

En de orkaan door \'t touwwerk tl uit. Maai- \'t wordt duisterder allengskens, \\\\ ijl de bui naar boven kruit,

W aarvan slechts een enkle voorpost. Over \'tbreede zeevlak ging:

Straks ja, zal liet ernst eerst worden. Voor den armen schepeling.

Onheilspellend ruischt van verre \'t; Lucht en water wurden een;

Wolken dalen tot de golven.

-ocr page 95-

ZEERAMP DER 87

PEASENSTEB EN MODDERGATSTER VISSCHERS.

Wolken rijzen tot hen heen: \'t Is de stemme veler watren, Opgeschrikt door den orkaan! Ach wat menschenwerk en pogen Zal bij zulk een kracht bestaan !

Waar zijn thans de zeilen. Die straks bij elkaar,

Zoo statig nog dreven,

Waar zijn zij nu, waar ?

Haast allen verdwenen. —

Ginds tuimelt nog een,

Van golfkam tot afgrond, Een enkele alleen.

Kn onderste boven.

Drijft daar wrak bij wrak.

Waarvan mast en stengen.

Voor storinwinds druk brak.

En stervende klemmen,

Zich nog menigeen.

Aan kiel en aan zwaarden. En zinken meteen.

Daar roept men «o vader!»

Voor altijd vaarwel!».....

-ocr page 96-

88 ZEERAMP DER

PEASENSTER EN MODDERGAÏSTER VISSCHERS.

Hem pakte eene stortzee, Met zijn metgezel.

Ginds vatten twee broeders, —-

Gevlucht in het want.

Daar quot;t scheepje gaat zinken, — Voor \'t laatst eikaars liatid.

«Den groet van ons beiden:

Neem huiswaarts dien mee. Wie de onzen moog weerzien, Al de onzen ter reè!» ...

«Wie mag overleven,

Deez\' vreeslijke dag. Den groet vooral Moeder! Wie haar terugzag.»

Daar roept een: «Mijn Hruidje!

Wie ooit haar weerziet. Zeg: hij had vergeten, U stervende niet.»

Een grijze: «Wie \'t leven, Er afbrengt, hij zeg:

«Mijn oudje, «de groete!» — En toen zonk hij weg. —

-ocr page 97-

ZEERAMP DER 89

PEASENSÏER EN MODDERGATSTEU VISSCHERS.

«{iroet al mijne kind\'ren,

Die weesjes voortaan!» Zeg: «Vader was stervend\' Met hen zou begaan.»

Zuo jarnm\'rend, en t aak\'ligst\'

En \'t vaakste geuit,

Klinkt boven het buid\'ren Der golven weer uit:

«Wie luid kunnen denken.

Dat \'k u beste vrouw,

Aan \'t hart nooit weer drukken, Nooit wederzien zou!»

Dus roept het en snikt het,

Steeds van allen kant.

Voor zoover verstaanbaar.

Uit zee en van \'t want. —

De doodstrijd bij \'t loeien,

\'t Woèn van den orkaan, — Bij \'t buid\'ren der golven, Is welhaast gedaan.

Nog wat zwarte punten.

Een enkele stip,

Te midden der golven,

Van manschap en sehip.

-ocr page 98-

ZEERAMP DER

PEASENSTER EN MODDERGATSTER VISSOHERS.

Ten leste wat wrakhout;

Niets meer in \'t rondom;

De doodsklok langs \'t zeevlak; En ovrigens stom.

Voorbij is thans alles:

Het lijden en wee,

De doodstrijd (her mannen: Het treurspel op zee. —

En aan \'t strand, al zoovele uren, Klimmen onoplïpud\'lijk op,

Vrienden, magen en geburen,

Naar den hoogen zeedijks top;

Turen in die bange stonde,

Naar \'t geen \'t liefst hun is op aard,

\'t Gierend zeevlak steeds in \'t ronde, Vragend: «bleven zij gespaard?»

d\'Arme visschers huisgezinnen:

Want van \'t dorpje in ieders huis.

Liet toch de angst geen rust hen binnen, Daar geen visscher bleet\' tehuis.

Trots de wreede hagelvlagen.

Houden, houden allen stand;

Niets kan hen van de uitkijk jagen, \'t Oog gericht op zee en strand.

90

-ocr page 99-

ZEERAMP DEK 91

1\'EASEXSTEK EX .MODDEIUTAÏSTEI! VISSCHERS.

IJlend met Imn zuigelingen

Moeders; kindren: drie of vier.

Die zich aan haar kleed\'ren hingen, Nijgend, buiten adem schier;

Door de geeselende vlagen.

Die met vreesslijk geweld,

Fladdrend in hun kleed\'ren jagen.

Komen dijkwaarts ze opgesneld.

Oin met eigen oog te aanschouwen, —

Of er nog een hope blijft.

Voor hen, licht al weduwvrouwen, — Wat hen steeds naar boven drijft.

Strompelend gaan daar twee oudjes.

Op elkanders arm geleund:

Lisp\'leu bibberend: «hoe koudjes». Onderwijl de een de ander steunt.

Hoe zij naar des dijks top sloven!

Hijgend van vermoeienis.

Om ten laatste te gelooven:

Dat er geene hoop meer is.

Hen dreef de onrust, toen de mare.

Klonk, hoe \'t stond, door \'t zeedorp heen, Kn zij volgden ook de schare.

En zij dachten slechts aan één.

-ocr page 100-

92 ZEERAMP DER

PEASENSÏER EN MODDERGATSTER VISSCHERS.

Want één was hun slechts gebleven;

Hun liet hoog bedaagde paar, Aan den avond van hun leven,

Van hun gausche kinderschaar,

llij lag hen zoo na aan \'t harte;

Hij de Laatste van hun stam; Naar bem zoo gezocht niet smarte.. . O als bij niet weder kwam...—

Ja van al, van al diegenen,

Die daar lang reeds zijn of gaan, Gingen zij zoo goedmoeds henen. Zij, die hun zou nabestaan.

O als \'t ergste moest gebeuren.

Wat zal \'t zijn een smart en wee, Die voorbij aan geen der deuren

(jing, van \'t visschersdorpje aan zee.

Ach! het zal voortaan na dezen,

In het dorp, naar allen schijn. Enkel weduwen en weezen.

Ach! een oord van smarten zijn.

\\\\ ant het is niet te gelooven,

Dat een man behouden bleef; Dat in zulk een stormwind boven, \'t Beste schip nog uren dreef.

-ocr page 101-

ZEERAMP DEK 93

PEASKNSTKH KN JIODDERGATSTKH VISSC11KRS.

En laat alle Uoup gij varen.

Die tot lieden zeits nog hoopt;

Als gij aan liet wéér bedaren,

Nog een sprankje lioop licht knoopt.

Och! de zee zal u slechts geven, —

Legt van wat ze ontnam, slechts weer.

Hier of daar aan \'t strand gedreven, — \'t Lijk van een geliefde neer.

En gij zult de vraag n stellen:

Is hij liet, of is hij \'t niet ?

Als men n straks komt vertellen,

Dat de storm het stranden liet.

En zoo is van meer dan eenen

Armen Eriesclien visschersman, —

Eer een week nog is verschenen. — quot;t Overschot gevonden dan.

Van de meesten taal noch teeken.

Komt van hen terug, ooit geen;

Zelfs dat laatste zal ontbreken,

Zelfs die troost aan menigeen.

-ocr page 102-

Ar O 0 I) en HOOP.

Jrf au stormen op de levenszee,

Met wild verbolgen winden,

Aleer liet harte rust en vree,

Aan eene stille kalme reè,

Ten lange lest kan vinden. —

\'t Kan zijn zelfs, dat de hooge vloed,

Hij springtij tot de lippen. Met zilte water rijzen doet;

En zelfs Tiet allerstugst gemoed,

Een angstkreet doet ontglippen.

Er kan zooveel te torschen zijn.

Zooveel, op aard td dragen; Zooveel van smart, van nood en pijn. Van kommer, leed, alsof het schijn\'. Dat nooit weer hoop zal dagen.

Zooveel, dat in die zwarte nacht,

Geen licht dreigt weer te schijnen; Maar nooit vergeefs gehoopt, gewacht. Maar nooit vergeefs gebeèn, getracht, De Heer kent wel de Zijnen. —

-ocr page 103-

NOOD EN HOOP.

Hij richt door storm en onweer heen.

De levenshulk ter reede, Die nimmer te gewinnen scheen, — En Hij verhoorde, Hij alleen:

Hij hoorde zucht en bede.

0 lt;sr........—, .... —\'.waren !

Wat n moog wedervaren,

Bij smai\'t, bij leed, bij ongeluk! Hoe vreeslijk zwaar dat kruis ook drukk\'.

Neem up uw kruis!

liet moet gedragen worden: Uw lend\'nen dies te omgorden! En brandende steeds uwe lamp.

Bereid tut \'s levens zwaren kamp.

Neem op uw kruis!

Hoe zwaar het ook moog\' vallen; Gij zijt slechts één dier allen. Die onder \'t kruis gebogen gaat, Te dragen \'t nauwelijks in staat.

-ocr page 104-

NEEM OP UW KRUIS.

Neem op uw kruis!

Al kunt gij liet niet dragen — Vergeefs is \'t morren, klagen; De last wordt immers lichter niet, Door uwe klacht, door uw verdriet.

Neem op uw kruis!

Om met den strijd te aanbinden, Uw Kruisdrager te vinden; Die zegt: «Komt allen herwaarts gij! Gij, met uw drukkend kruis, tot Mij!»

Neem op uw kruis!

«Ik zal u ruste geven.»

\'k Richt op: «gij zult niet sneven, \'k Neem op, in uwen zwaren druk, Mijn kruis voor uwen last en juk.»

Neem op uw kruis! «Zachtmoedig, ned\'rig \'t harte, Leer van Mij,» in uw smarte. — Bij alles wat u ooit ontviel,\'

Geeft ruste zulks aan uwe ziel.

Neem op uw kruis!

Dan is het licht te dragen; Dan zal Ik zelf u schragen. Die zegt: «Komt allen herwaarts gij. Met uw te dragen kruis tot Mij!»

-ocr page 105-

Wij zijn op reis.

if ij zijn op reis. —

Hoe lang de tocht zal duren, — \'t Zij lange jaren, of slechts uren; — Is de eindpaal ver of in \'t verschiet? Wij weten, weten \'t niet!

Wij zijn op reis:

Op reis, naar \'t onbekende;

Waar onze voet, zich keere of wende: Wij reizen onze loopbaan at.

Toch regelrecht naar \'t graf.

Wij zijn op reis;

Alsof wij vreemden waren;

\'t Zij we onderwegs, of bloemen garen. Of doornen legge op \'t pad ons \'t lot: quot;t Wijst regelrecht naar God!

Wij zijn op reis.

Wel naar het onbekende;

Maar GoH, Hij is en blijft het ende: Want slechts bij Hem zijn wij eerst thuis, In \'t heerlijk Vaderhuis.

-ocr page 106-

BIJ T EINDK DES JAARS.

O fcr aarkrings allerlaatste!

MA1 zijn uw dagen kort,

Zie! hoe het te elfder ure,

Nog licht rondomme wordt.

Dat is het licht der wereld;

\'t Welk gloort uit Bethlehem:

Verkondigd van den Hoogen,

Door juichende Englenstem!

Hoe heerlijk! «Vrede op aarde! God in de Heern\'len, Eer!

In menschen Welbehagen!» God zelf, der menschen Heer! —

\'t Is niet het licht der aarde, Dat beurt\'lings stijgt en daalt,

Maar dat gestadig rijzend.

Het groot Heelal bestraalt.

Dat is het licht der wereld, Waarnaar zoo lang gesmacht;

Des menschdoms hoogste wenschen, Reeds eeuwen lang verwacht!

-ocr page 107-

rm \'ï EINDE DES JAARS.

O blijdste dag der dagen ! Hoe juicht het van rondom,

Van duizend menschentongen. Met heel der Englen drom.

De Vader gaf zijn\' Een\'gen, Zijn Eengeboren Zouu,

Der zondaarswereld over, Van Zijnen heil\'gen Truou.

Begaan met \'s menschen afval. Was \'t oifer uiet te groot.

Hem, Zoen voor alle zonde. Dat Hij liet menschdom bood.

Loof den algoeden Vader! Kniel bij de kribbe neer.

Van quot;t kindeken, uw Heiland, Uw Middelaar, uw Heer!

99

-ocr page 108-

BIJ T EINDE DUS JAARS.

O» varkrings allerlaatste!

Al zijn uw dagen kort,

Zie! hoe het te elfder ure.

Nog licht rondo mme wordt.

Dat is het licht der wereld;

\'t Welk gloort uit Bethlehem;

Verkondigd van den Hoogen,

Door juichende Englenstem!

Hoe heerlijk! «Vrede op aarde! God in de Heern\'len, Eer!

In menschen Welbehagen!» God zelf, der menschen Heer! —

\'t Is niet het licht der aarde, Dat beurt\'lings stijgt en daalt,

Maar dat gestadig rijzend.

Het groot Heelal bestraalt.

Dat is het licht der wereld, Waarnaar zoo lang gesmacht;

Des menschdoms hoogste wenschen. Reeds eeuwen lang verwacht!

-ocr page 109-

BIJ \'t einde des jaaus.

O bliji 1ste dag der dagen! Hoe juicht het van rondom,

Van duizend menschentongen. Met heel der Engien drom.

De Vader gal\' zijn\' Eeu\'gen, Zijn Eengeboren Zoon,

Dei* zondaars wereld over. Van Zijnen heil\'gen Troon.

Begaan met \'s menschen afval. Was quot;t oIIer niet te groot.

Hem, Zoen voor alle zonde. Dat Hij het menschdom hood.

Loof den algoeden Vader! Kniel bij de kribbe neer.

Van quot;t kindeken, uw Heiland, Uw Middelaar, uw Heer!

99

-ocr page 110-

In lichen.

f edenk te sterven, Te sterven mensch! Uw zwoegen, zwerven, edenk te sterven, Te sterven mensch! Uw zwoegen, zwerven,

Vindt daar zijn grens. Waar ge in de groeve. Ter nederdaalt. —

\'t Zij lang gij toeve.

Door vreugde omstraald \'t Zij korte dagen,

Gij \'s levens smart. Slechts hebt te dragen,

In \'t bange hart. — Gedenkt te sterven!

Is \'t wachtwoord steeds Dit leven derven.

Deels vreugd, deels leeds.

Zie! rozen bloeien,

In wit en rood; En lelies groeien.

Op graf en dood. — \'t Mos weeft zijn stengel.

Zoo donzig zacht, In \'t kleurgemengel.

Dier bloemenpracht,

-ocr page 111-

NA DEZEN.

De graven over,

De marmerzerk, Door hangend loover,

Van wilg of berk; -Cipressen treuren,

Tn altoos groen; En klimops kleuren, —

Als rijk festoen. Het praalgesteente:

Gepleisterd graf — W aar \'t doodsgebeente, \'t Verderf zich gaf.

Gedenk te sterven!

Ging \'t al vooraf; Vergaan, verderven. Als stof, als kaf. Wanneer tot aarde.

Tiet aardsche keert. Die het ook haarde.

En \'t weer begeert. Stof zult gij weder

Eens worden, gij. Als gij eens neder.

Daar zij, aan zij, U strekt ter ruste. —

\'t Zij arme of rijk\'. Of maag\' u kuste. Als liefdeblijk.

-ocr page 112-

NA DEZEN.

Ten afscheidsgroete;

Of vriend of buur,

Aan \'t graf u moette, —

Of vreemde om huur. —

Maar sterft het koren,

lu de aard niet, eer, — \'t Opnieuw geboren,

Verrezen weer, — Vol kracht herlevend —

De aard toevertrouwd — Zijn oogsten gevend.

Wel honderdvoud? En zweeft de vlinder. Ontslagen thans.

Van boei en hinder,

In kleur en glans, — Uit worm of made.

Verheerlijkt, — niet? Nu hij zijn wade,

Slechts achterliet. — Zal eens hier achter,

\'t Zoo ook niet zijn? Wanneer de Wachter,

Het zwart gordijn, — Dat dood en duister

Genoemd wordt, — scheidt. En \'s hemels luister.

De slapers beidt?

102

-ocr page 113-

E X C KL 8 I O R.

gt;

aar boven! naar boven! Wie kan ons ontrooven. De geestdrift, \'t verlangen, —

Waar \'t hart aan blijft liangen: — Wat men bleef gelooven.

Van de aarde opgeheven! — Als of ten nieuw leven. Als naar het volmaakte, —

Waar \'t hart zoo naar haakte. Gewend nu den steven!

Op vleugelenslagen.

Steeds hooger gedragen! Waar \'s horizons lijnen,

In de ether verdwijnen.

Steeds opwaarts zich wagen.

Steeds jubelend stijgen.

Waar \'t heilige zwijgen, Niets dreigt te verstoren,

Van wat nooit te voren.

Gehoopt werd te krijgen!

-ocr page 114-

EXCELSIOR.

01\' \'t slechts enkele uren, Of jaren moug duren; Wie vraagt meer naar tijden, Als men langs de zijden.

Van sterren kan sturen!

Wie zal, ais planeten. Als zonnen, kometen.

Bij \'t nog altijd rijzend.

Naar hooger ons wijzend.

Zich zeil\' niet vergeten?

Waar nog geene grenzen. Ons nietige menschen, Dooi\' cijferen wetten. De mijlpalen zetten: —

Nog hooger wij wenschen!

Vergeten \'t verleden. Van wat ligt beneden; — Nog slechts te behoeven. Een oogwenk te toeven,

In \'t vluchtige heden.

Nog hooger! naar boven! Neen, niet uit te duo ven. Wat over de zonnen Heen, aan \'t Onbegonnen\',

Blijft hopeu, gelooven!

-ocr page 115-

V FAIT HOU WEN.

nestje, Bouwt ge weder, — Half verholen.

Achter sprietjes, — In een holte,

Die een stortbui. Van de laatste Herfst, daar groefde!

Lenteluister,

Gloeit en schittert. Van den hemel, Op ii neder.

Achter gouden Wolkengroepen, Weg, van boven. — Licht en schoonheid. Rondom strooiend; Bloemen lukkend! Madeliefjes, — Heidie sterren, — In het donzig üroen der weide, — Blinken, lonken.

-ocr page 116-

VERTROUWEN.

Rondom \'t plekje, Dat ge u zeiven, — Hebt verkoren, — Leeuwerikje.

De bezieling, —

Die er uitgaat.

Van de stralen.

Die dat alles. Tot herleven.

Riepen, wekten, — Trekt verlangend\', U naar boven;

En ge ontplooit straks. Uwe vlerkjes,

Om te rijzen.

Om te stijgen.

Op naar \'t luchtruim! Waar de gouden Bron der stralen, — Onweerstaanbaar, U van de aarde, — Om te juichen.

Om te jub\'len,

En te loven\' — Opwaarts wenkte. —

Vreugde doet uw Boezem zwellen;

-ocr page 117-

VERTROUWEN.

En geeft uiting,

In een Hymne,

Die gij opzendt,

Naar de wolken — . , Terwijl de aarde, Ondertusschen,

Hoort en luistert.

Naar dien lofzang. Ongekunsteld,

Schoon en rein. —•

Zou verlangend.

En zoo blijde,

In mijn lot zijn — Mij van de aarde. Van ile wereld.

Los te maken, — Mocht mijn deel steeds, Hier beneden,

Immer wezen; — Dat \'k met vrije Vleugelslagen,

Van de moeite, Kommer, lijden.

Uit de boeien.

Die mij kluistren, Aan al \'t aardsche, — Was onttogen, — Opdat ik dan, —

107

-ocr page 118-

VERTROUWEN.

Aan de bron van Alle leven,

Licht en luister. Mij kon laven, — Your een eindlooz\' Eeuwigheid.

^BRAHAMS pFFERANDE.

«hKa \'t is uw wil o Vader!

^ Ofschoon me in hart en ader.

Bij die gedachte \'t bloed verstijft . . .

Mijn eenig kind zal \'k geven,

Hoe ook mijn hand moog\' beven,

Die \'t staal straks door zijne ad\'ren drijft.»

«Volg mij gij mijn geliefde,»

Spreekt Abraham. — Al kliefde,

Reeds \'t mes zijn eigen hart; —

Al moest dat hart ook breken,

Toch tracht hij kalm te spreken,

In de overmaat van smart.

408

-ocr page 119-

ABRAHAM\'S OFFERANDE.

«Maar wat zal \'t offer wezen?» Is eensklaps opgerezen, In \'t kinderlijk gemoed;

«God zelf zal \'t offer geven,» Spreekt Abraham met beven, «Het heden te olïren bloed.»

O! zwijgend gaat hij verder. Hij! de getrouwe herder. Met het geliefde schaap;

Tot, waar God, den getrouwe, Zegt, dat hij \'t altaar bouwe, Om quot;t offeren den knaap.

«\'t Is Vaders welbehagen,» Zoo moog zijn harte klagen, In mateiooze rouw:

«Zijn wil zal zegepralen. En mijn geloot\' niet falen; Ik weet op Wien ik bouw.»

Daar zal zijn band zieb heffen. Om \'t dierbre Kind te treffen; O God! slechts ééne slag . . . Kn dan o! hartverscheurend . . \'t Is God, hem waardig keurend Zijn vriend, Die \'t eischen mag.

109

-ocr page 120-

ABRAHAM\'S OFFERANDE,

Als met gebroken oogen,

Staat over \'t kind gebogen.

De Vader Abraham;

Nog Vader slechts een wijle . . .

«O God! en dan, dan ijle,

De wanhoop toe, om \'t schnld\'loos lam.»

Daar ligt het zoo aanvallig.

Door onschuld zoo lieftallig,

Des vaders eenig Kind;

Dat Kind zal hij vermoorden . . . , «Is \'t waarheid dan, die woorden.

Alsof in leed, Uod wellust vindt?»

«En toch \'t is waarheid, waarheid;

\'t Zijn woorden, zoo vol klaarheid; Zoo zal, zoo moge het dan zijn;»

Een laatste blik vóór \'t scheiden . . .

«Treedt God niet tusschenbeiden. Zoo zijt gij Dierb\'re niet meer mijn ...»

«Vaarwel!» met biddende oogen, —

Het slachtmes uitgetogen, —

Heft zich de hand omhoog!

Daar, daar, daar valt het neder....

«Terug! gij hand, keer weder,

Die zich tot slaan beuoog!» ....

110

-ocr page 121-

ABRAHAM\'S OFFERANDE,

«Terug!» dus roept almachtig.

Daar eensklaps ernstig, krachtig, Een stem van \'s Hemels trans,

«Terug, terug! Ik reken.

Uw groot geloof gebleken,

En uw vertrouwen thans!»

0! zalig treedt de Vader,

Zijn dierbren Liev\'ling nader.

Die nog op \'t altaar ligt .... Bedwelmd door diepe ontroering, Van dankbare vervoering,

Heeft hij zijn Izaak opgericht.

Verplet stort hij in de armen Van \'t Kind, «God! welk erbarmen,» Uit zijn verrukt gemoed , , , , Een betere offerande,

Toont hem de boschwarande,

Om te offeren dat bloed. —

Dat is geloofsvertrouwen!

Dat zonder ook te aanschouwen, God dienen naar \'t bevel. —

\'t Gebod moog\' duister schijnen: De Vader kent de Zijnen,

A 1 wat Hij eischt, is wel. —

111

-ocr page 122-

AANDENKEN AAN MIJNE DIERBARE MOEDER,

OVERLEDEN 28 JANUARI 1849.

heb een klein, mij dierbaar

plekje grond op aarde. Mijn diep betreurde Vader heeft

het dikwerf mij gezegd; Zoon! sprak hij dan: «hond steeds

dat graf in hooge waarde: \'t Is daar dat ik uw beste Moeder

heb ter rust gelegd.»

«Gij hebt Haar niet gekend, want

nog geen tweetal jaren, Fladt gij bereikt, mijn Kind, toen zij reeds

van ons scheiden ging; \'k Bleef op haar leège plaats, met droeve

erinn\'ring staren,

Alleen met U, een hulp\'loos weesje,

als teed\'re zuigeling.))

«Is \'t niet? hoe gaarne zoudt

gij hare lieve trekken. Aanschouwen mogen, ja! al was bet

slechts een enklen keer.

-ocr page 123-

AANDENKEN\' AAN M 1.1 NE DIERTSARE ifOEDER, 1 OVKHI.KItKN 28 JANUAHI 184U.

Maar acli de ei\'iinicring kan

ii iii(^ts doen ontdekken. Hoeveel daarop gepeinsd, daarover

nagedaclit, lioe zeer.»

Maar dierbre Moeder, ik, ik kan

gelooven, weten.

Dat ik heb aanschouwd eenmaal, van

aangezicht tot aangezicht, 1\' zoo vereerde Vrouw, die Moeder

ik mocht heeten.

Die mij heeft toegelacht, mij Imlpeloos,

mij teeiler wicht.

Wier Kng\'lenlach vol zoets ik

weder tegenlachte.

Waar de eerste lach van mij, haar

allergrootste vreugde was; Wier zoete kus mij bij \'t ontwaken

quot;s morgens wachtte.

En die in \'t wel van haar zoo dierbaar kind,

haar ganschen hemel las.

O Moeder! ik kan niet de moeite

en duizend zorgen. Die goddelijke liefde van uw hart,

die moedermin,

8

-ocr page 124-

Il l AAXDEXKEN AAN MIJNE DIEUBAllE MOEDER, OVERLEDEN 2S JANUAIU 184V).

Vergelden ooit, die, van af de avond,

tut den morgen.

Tot de avond van den morgen, van

het eind tot liet begin. —

Moog in quot;t gewest der Zaligen,

gij Moeder dragen. De kroon van reine levenswandel,

moederliefde en deugd! Daar Dierb\'re! vroeg voor u reeds de eeuw\'ge

dag mocht dagen,

Ben \'k onder tranen om uw welzijn

steeds verheugd.

\'k Vertrouw, Gij werd met Hem, uw

I lesten Man vereenigd. — Mijn diep betreurde Vader liet mij eiudlijk

hier alleen.

Uw beider heug\'lijk lot, is \'t wat

mijn smart hier lenigt: Gescheiden voor oen tijd, zijt gij voor de

eeuwigheid thans Eén. —

En eenmaal zal de dag voor mij wellicht

ook gloren.

Dat \'k U mijn Moeder dan van aangezicht

tot aangezicht.

-ocr page 125-

AANDENKEN AAN MIJNE DIERISAHE MOEDER, 11 OVERLEDEN \'28 JANUARI 1849.

Gestaag aanscliouwen mag; uw

li(!ve stem zal hoeren, Waarvoor dan \'t lang gedragen leed, van lang

verwachten, zwicht. —

Zacht ruste uw dierbaar stof Uier

iu den schoot der aarde! Uw graf blijft lieilig mij, als

eeu\'ge erinnering. Wat Moeder \'k van IJ heb, welk

graf mij die bewaarde. En enkel op deze aarde alleen

mij niet verloren ging.

-ocr page 126-

AANDENKEN AAN MIJN RN DIER BAREN VADER, OVKKLEUKN 2 OCTOÜKR 1871).

nst, shiiiner zacht! o stol*

van mijnen dierbren Doode!

Stol\' van mijn allHi-besten Vader,

rust eu sluimer zacht!

Sinds vele jaren dekt U reeds

de gruene zode;

Toch blijft gij steeds in liefde

dooi- uw eenig kind herdacht.

Erkentlijk voor al \'t goede,

blijf ik U herdenken:

Want in den besten zin des woords,

waart Gij een Vader mij. ü Vader! hoe gevoel \'k de waarde van uw wenken,

Uw wijze lessen; \'t Is of staat

gij nog steeds aan mijn zij. —

Rust van uw arbeid,

Gij Die werktet al uw dagen. Zoolang als \'t dag was Dierbre.

Ja de groote morgen slaat.

-ocr page 127-

AWDHNKKX AAN Mf.IXKN\' DIKIiliAISKX VADKIi, OVKliLKDKX OcTOüKli ISTH.

Als met U al de Ontwaakten

Sioiis wuclitei\'s vi\'agen: Wat ginder gloort van ver,

is dat niet \'s Hemels dageraad

01\' is dat licht voor 1 na.lr

\'tZetiith reeds geklommen? Is lang, zeer lang misscliien, voor U •

des Ilemels heerlijkheid. — In \'t T\'ai\'adijs, van Vader,

Zoon en heiTge Knglendrommen Der lleem\'h\'n heerlijklHiid,

1\' zoo hetrenrde, reeds bereid?

lün hebt gij Haar, die lang van

atquot; deez\' droevige aarde, l\'w dierbre Vrouw, mijn lieve Moeder,

treurend van ons ging, — Die onder \'t sclieiden nog

weemoedig op ons staan Ie — Haar aan de gindsche zijde

ontmoet als blijde llemelling.\' —

Hoe smartlijk was het leed,

dat bij uw dood mij griefde; Hoe treurig was het mij, uw laatsten levensdag en naeht:

-ocr page 128-

118 AANDKXKF.X AAN MI.INKN IJIEUnAUEN VADKI!, OVKIil.KltKN 2 ()(quot;!\'()1!K1! 1S7(.gt;.

Uw laatste woon lei i, woorden,

slechts van vrede en liefde: Ik hoor dat sprekiiu nog, die dierbre stem,

zoo goed, zoo zao.ht!

Ik voel de polsslag nog allengskens zwakker tikken.

Besluiteloos op \'t lest van al,

of van niet, of van weer; Een eeuwigheid lag in die

spannende oogenblikken. Tot eind\'lijk voor altijd, eindlijk voor

quot;t laatst, voor nimmer moei\'.

Met diepen weemoed bleef

\'k op den Geliefde staren. Ik arme, Wien niets bleef dan

slechts een zielloos overschot. En \'k bij het graf der Dierbre

\'k al mijn kracht moest garen. Om staande nog te blijven,

in mijn zwaar te dragen lot.

Mij is de weemoed zoet,

waarmee \'k aan U blijf denken. Nog over Uw gemis, zoo zeer,

zoo eind\'loos, diep bedroefd.

-ocr page 129-

AANDENKKX AAN MI.INKN DIEUliAKKN VADER, \'149 OVKÜLKDKN \'2 OCTOHKU iST\'.l.

Maar bij uw graf is \'t, of ik \'t voel,

naar hoven wenken.

Waar beste Vader liians, altijd,

voor eeuwig, (üj vertoeft!

25 NOVEMBER 1892

,0\'y

\\ o) i k ere Nove rn I )e.rd aquot;.

trf-r^ Vraag, al is het maar een lach. Van de steeds verscholen zon, ()1 liet op deez\' dag niet kon — Zeg: één Straaltje van uw glans.

lyr! jaag de wolken heen,

Deezquot; Novemberdag alleen. —

Laat al de aud\'reu aan den mist. De Atmospheer worde opgelVischt! Vraag \'t zoo met een schelm\'schen lach. Slechts voor dezen enk\'leu daquot;\'.

-ocr page 130-

•12.quot;) xovKMi\'.Kii 1892.

Dan, van hnitHii /.(iiiiicscliijii!

Kn van Itimicii muugquot; liet zijn! Want mijn rni\'go Lieveling, — Die ik v:in (lods hainl ontving — Zestien lente\'s Blueni. verjaart -— De Ken quot;ge liloein in inijiieii gaard.

Kn (iij Vader, Die mnlioog.

Voer liaar waaktet, sla 1 \'\\v oog. Steeds niet welgevallen neèr, ()jgt; mijn Dierh\'re, en Gij vermeer 11are jaren. Kn zij leer\', |i te kennen, tot Uwe eer!

Jf a n ii a r i.

\'.\'T^erstgel lorei ie dei- Twaalve, itr^Die in killen winternacht. Dij aanliondend vlokkendwarr\'len. In de smettelooste pracht,

\\ an het zachte dons van hoven. Koesterend n wollig warm. Aan Natnur, die thans vol hlijdschr Snst u, als in moedei\'s arm.

-ocr page 131-

■lAXrAUI.

I looi-! de lioojigetiiktc altcclcii.

Zingen met liet ileiineuhoscli, —

I hit zij quot;t ill ei- mee vervulden, — Lniile, Iniile er nn op los:

Wiiiit hel rijk is aaii de winden. Om den tijd vim \'t nieinve jaar; Daarom \'t wiegelied gezongen.

Luide, luide met elkaar!

!ii de wonden, langs de velden. Zoolang tot 11et kleine schaap, ■— Dat zooeven werd gehoren.

Valt in de eerste zoete slaap;

Laat hen dan liet rustend wiegje. Met iles sneeuwvals trouwe hulp, Diclit, zorgvuldig het omhullen. Tot een warm gevoerde seliulp.

Kn als straks de wolken hreken. Leg\' niet hen heel \'I windenheer, — Dat de jonggelioorne ontwake Niet te vroeg, zich weer ter neer. Kn wanneer hij wakker worde, In het jonge murgeniiur.

Zij eene eerste lieve groete.

Van de IVissche wuudiiatnur.

Met het helderst zonnelach je.

Dat het nieuwe jaar maar heel\'t: Wijl des winters een\'ge Zanger,

Luid zijn wiegezangen geelt.

121

-ocr page 132-

JANUARI.

In \'t ontliladcivl huscli ten licstc: \'t Winterkouinlcje ei- al!(^,ii.

Hij, de kleinste in \'t koor der Ziin^ers, Ach zou liet\', zoo teer, zou kleèn. —

Kn liceit ile aarde thans }gt;eeii.bioemevt.

Zou vol aangename geur,

Toch wil Winter bloemen geven.

Schildert der jmveelon kleur,

0]i zoo inecu\'gc vensterruiten.

Ku het zonliciit roert hen aan.

Met zijn gouden touverruede.

Langs zijn heele zniilerhaan,

Dat zij schitteren en lonken,

()|i de ruiten overal.

Grillig schoon in bloem en blaad\'ren,

In het prachtig zevental.

Kn op eenmaal : luid en luider Roept het hlij, van hier en daar:

«Heil en zegen, dihzendmalen,

In het nieuw geboren .laar!»

Jaarkrings Kerst\'ling, 1\' mijn gruete! U mijn heilwcnscli! meerder lief,

Krijg \'k u, als gij werk\'lijk bloemen. Schenkt in de eerste Madidief!

-ocr page 133-

OE E[NIJlt ZBÖB.

ij liiuhlen een Imisje met tjeiii}ieii groml: ^ Hun eigendom lag daar zoo mooi afgerond: IK; weg, dio door \'t dorp liep, ging gatisrli er langs lieen; \'t Zag netjes er uit steeds, al was het wat klcen.

\'t Verse!lilde van de andere Imizen niet veel; Een dubbele boomrij van wilg en abeel,

Bt \'schermde bij wintertij, tegen \'t Noord-West, Den scboorsteen en \'t stroodak van \'t buisje opperbest.

Geen sieraad of\' weelde wenl er aan ontwaard. Want de eigenaars waren van deeg\'lijken aard: En wat ze overhielden, werd stil opgetast,

In plaats van verbruikt ooit, in lade of in kast.

En niemand zou zeggen, als \'t hnisje men zag. Dat bijna een schat zelfs, verborgen daar lag:

Twee vensterk es klein maar, gordijntjes wat llets. Gaf \'t aanzien aan alles: «geheel onderwetscli.»

Eene eeuw wel ten achter, hij hunne overhunr: Wiens groote kozijnen in zijn gevelmuur,

Pas groen opgeschilderd, in schittrende kleur. Wedijverden met het licbtbniin zijner deur.

-ocr page 134-

DE KKNIGK ZOON\'.

Maar ondanks \'t vorgiiMsid van wenldo en pracht, Wenl zijn geld en goed todi :ds weinig geacht, lui klopte de geldnood soms eens hij hem aan.

Deed hem tot leenen naar hunrman wel gaan.

Zoo werd het ten leste, aliengskens aan \'t end.

Door quot;t dorp en omstreken voorgoed ook hekend. Dat onze onde hildjes van \'t huisjd, maar steeds. Voor den ouden dag goed gespaard hadden ree ls.—

Op \'t hun dierbaar klein stuk aarde,

Waar zich rust met eenvoud paarde.

Leefde \'t echtpaar met hun zoon,

\'t Kenigst kind, hun al, hun kroon :

Naast hem, was hun heste gave,

\'t Kleine goedje, en hunne have.

Anderhalve bunder grond,

hag om \'t boerderijtje in \'t rond; Akkerland en klaverweide.

Zoowat om de helft van beide —

En \'t met zorg bebouwde land, —

Onder \'s bouwheers nijvre hand, ■—

Dood hun nooddruft, meer dan noodig: \'t Zuivel werd haast overbodig.

Voor hun daag\'lijks onderhoud.

Aan de zorgen toevertrouw* 1,

Van de huisvrouw, die de koeien,

Tot een melkopbrengst deed groeien.

Deed verrneerd\'ren bij den dag.

Waarvan men geen weerga zag.

-ocr page 135-

r)E EENIGK zonx.

Kn Imn tmts, linn ^en\'gc jonden. Was reoils van quot;t hesel\'iloonlrongen: Wie vulmaakt i^un akkenuan.

Zijn wil, en het worden kan, — Moet ile spade en hark vroegtijdig, Reeds hauteeren, moet veelzijdig.

Zich ontwikk\'leu, opdat hij,

Kennnial knap en handig zij.

Daarom, uit de sciiool gekomen.

Fluks de hark ter hand genomen. Die hij op den akker ziet.

Waar zijn Va haar blijven liet. Kn slaat straks diens arbeid gade, Hoe hij werkt, met schop en spade. Zonder dat hij \'t nog behoeft. — Somtijds zijne kracht beproefd. Dij den oogst, met zeis of sikkel. En het wordt hem dan ten prikkel. Als zijn vader zegt, «\'t gaat goed,» — Dat hij \'t straks nog beter doet.

Maar liet knaapje wordt steeds ouder; En hij neemt van \'s vaders schouder,— Nu hij vijftien jaren telt, —

Een deel arbeids. En in \'t veld. Van des daag\'raads eerste glimmen, Tot iles avonds gouden kimmen.

Gunt hij zich slechts luttel rust: Want dat leven is zijn lust.

425

-ocr page 136-

T)E F.KMGE ZOOX.

Zijne wt\'i\'cld is zijne akkei\'.

Uit welks groen hein \'s morgens wakker Vink en Leeuwerikje zingt,

Dat liem weer tot arbeid dringt.

En tot nienwen lust herboren.

Ploegt ot\' wiedt hij, zaait de voren, 01\' néémt voor den ouden man,.

\'t Werk weg, wanneer hij \'t maar kan. Helpt soms de oude Vrouw bij \'t melken: Dreigt haar bloemtuin te verwelken. Merk! boe bij liet daad\'lijk ziet, Kn \'t gebloenit.\' niet vocbt begiet. — Ts eenmaal weer de oogst geborgen, — Kiscbt liet veld niet meer zijn zorgen. Dan bij stillen wintertijd, —

Steeds met onverdroten vlijt.

Altijd ijvrig, altijd kregel, —

Dorsclit hij \'t koren met den vlegel, \'t Graan waartoe met eigen band, Hij eens zaaide en bad geplant. En betaalt aldus de rente.

Reeds in zijne levenslente.

Daar hij voor de kinderschuld.

Zoo zijn nuderplicht vervult. —

En bij \'t vlammen op het haardje.

Zit hij bij liet oudrenpaartje,

quot;s Avonds vreedzaam bij het vuur. -— Komt er soms een goede buur.

Dan is alles in de nopjes:

-ocr page 137-

1)K KEN 1(4K ZOON.

Moe neemt dan eeu \\\'iertal kopjes.

Dito schoteltjes daarbij:

Uit het kastje van ter zij. —

Daag\'lijks heeft zij drie slechts noodig. Dan is \'t vierde er overbodig:

Twee voor \'t manvolk, één voor Moe: Ku kan zij met drie dan toe. —

Zoo bij \'t kouten met de buren,

lu de whiteravoiidnreii,

Wordt men eind\'lijk uitgepraat,

Nadat over vee en zaad.

Men ten eind raakt, dat in landen.

Waar de bergen, rooken, branden. Men van krijg, van oorlog, hoort. — Zachtkens drijft zoo quot;t leven voort. Tot de vrees elk slaat om \'t harte.

Door een zeek\'re Hiionaparte,

Waarvoor heel Kuropa beett, — Die naar niets dan krijgsroem streeft. Naar dat men alom vertelde:

En eerlang trekt hij te velde.

Naar \'t omneet\'lijk Rusland uit. Om weer meerder roem en bnit. — En tot voer voor zijn kanonnen,

Is een loting hij begonnen:

Zoodat ieder jongeling, —

\'t Zij hij rijk is of gering, —

Zal een nummer moeten trekken.

127

-ocr page 138-

DE EENIGE ZOON.

Wie te laag trekt, kan zich dekken, Door een duren rernplacant;

Kn men hoort van allen kant,

Dat zij, die eens heengaan, allen. Nimmer wederkeeren; vallen.

Door de scherpte van het zwaard: quot;t Is of de doodsengel waart,

Door de wereld, up dit lieden,

Door gehucht, door dorp en steden, Is \'t of eene kreet van smart,

Stijgt uit menig ouderhart.

quot;t Is of weer uit Bethl\'hems dreven, Rachel\'s kreet wordt aangeheven. Die haar kinderen beweent; —

Half de wereld schreit en steent: (linds een oude grijze Vader,

Met het Moedertje te gader;

Weer een arme wedmv\'naar Hier: een schaamde weduw\' daar: Om hun steun der oude dagen. Die hun ouderdom zou schragen. Hun ontrukt, en om misschien. Nimmer, nooit hen weer te zien.

\'t Kind der hoop, het kind met zorgen.

Opgevoed, zoo wel geborgen.

Nog zoo hulpbehoevend, zwak.

Onder \'t ouderlijke dak.

Steeds bewaard, en steeds gekoesterd. Steeds door moederzorg gevoedsterd,

-ocr page 139-

Ijk eenigk zoon\'.

Zij hnnne een\'ge lml|) en heul, — Zal Kurdpa\'s inensclieiil)eul, —

Hen, de oogappels luimicr Vaders,

Zal hij \'t liloeii uit hart en aders.

Van het u /nu dierbaar kroost,

In het barre en ijziji Oost:

Ol\' wel aan Itaalje\'s klisten, —

Tappen, als met duivels lusten !

Of dat S|ianje\'s dor gebergt,

\'t beven van die dierh\'ren vergt?

Hij, der oudren een\'ge Voeder! 01\' dei\' Zuster een\'ge Hroeder:

Ken\', des O root vaars naamgenoot.

Van den stam de laatste loot,

Ken, van heel \'t geslacht de l(*ste.

Die van allen, hen nog restte: —

Mij, in den liimiliekring.

Der verwanten lieveling:

De edelste van al zijn vrienden:

Kn wie liunner, lol\' verdienden:

Hij, in de allereerste plaats:

De gevierdste zijner maats:

Wiens verscbijnen, alle si-boonen.

DIosjes toov\'i\'en n|i de k{gt;onen. —

\'t I Sn ld eren van blt;jt kanon.

Van den benl Napoleon,

Overstemde \'t. schreien, snikken,

Tn de laatste oogenblikken.

Van zoo menig jongeling.

Die voor altijd henen ging. — 0

120

-ocr page 140-

DE EEXIGE ZOON.

«Jongenliet\',» sprak de uvide Vailer:

«Dèrikt ge er wel aan dat de tijd kumt nader. Deukt ge er wel aan. want de tijd maakt spoei Wat wij voor een tijd nog jaren waanden. Krimpt allengskens in, tot weinig maanden — Dat gij jongenlief, ook loten moet ? —

«Vader ja! inaar laat mij ook eens spreken: Mij is \'t ui\' het hart mij haast gaat hreken,» Zegt de Moeder, met een traan in \'t oog; «quot;k Heb van nacht veel moeten zien in droomc quot;k Zag en hoorde breede waat\'ren sti\'oomen, — Overspand door eeuen hi-iiggeid)oog; —

in de diepte hoorde ik \'t ijs in schotsen.

Tegen bruggen pij Iers bonzen, klotsen,

\'k Stond eensklaps verbijsterd in mijn droom. Op de brug zag ik toen der soldaten Helmen blinken, en ter neer gelaten.

Nu op eens, brug en \'t al in den stroom:

Kene dikke rookwalm steeg ten hemel!

Maar beneèu in \'t water, wat gewemel.

Welk een worst\'ling een;!r menschetiklom]). Waaruit hooiden, rompen, armen, voeten. Wriemelend te voorschijn kwamen wroeten: Of waar \'k man aan man, en romp aan romp Half bedekt door \'t vriezeml nat zag drijven Op een ijsschol, waar het langer blijven. Ook de dood hen zeker heeft verwacht;

Waar door zucht tot zelfbehoud gedreven.

Dooi- een duw van \'t glibbrig vlot deed sneven

-ocr page 141-

T)K KF.XKih; ZOON.

Vriend den vriend, in \'s waters killen nacht. —

Velen, daar, met uitgestoken armen,

Riepen om een helper, om eriiarmen ....

En eensklaps lieb \'k toen een stem gehoord!

quot;t Was een stem, die «Moeder! Moeder! Vader!

Vader!» riep, ach kom toch nog wat nader!» . . .

O met dolken werd mij \'t liart doorboord!

O doorpriemd tot ontelbare wonden ....

Wat heb ik dien nacht niet ondervonden!

O \'t was eene lange jammerkreet,

Die steeds riep «o luister naar mijn klachten!

Ziet gij niet van verre, hoe mijn krachten.

Mij hegeven, hoe mijn voet, mijn kleed.

Vast vriest reeds aan de ijsschots, die als razend.

Voortgejaagd door \'s stormwinds kracht, en blazend

In mijn mantel, des te sneller vliedt?

Ziet gij niet hoe mijne kameraden.

In de hooge golven ploll\'en, baden?

Ziet zij duiken onder, ziet gij \'t niet?

Zaagt gij \'t niet hoe de een na de ander, neder.

Tuimelde in het nat, om nimmer weder.

Naar omhoog te komen, nimmer, neen!

En ik zelf voel van mijn schots me ook glijden!

Va! Moê! wilt een laatsten blik mij wijden!

\'k Zie u immers dooi- den nevel heen!

Want ik zink, ik ben, ik ben verloren»....—

quot;k Meende \'t duidelijk te kunnen hooren.

Dat het was de zoo bekende stem.

Die mij \'t eerste «Moeder! Groeden morgen!»

-ocr page 142-

DE KKNIUE ZOON.

Vroolijk todi-ic]) die mijn werk, mijn zorgen.

Deelde, waarlijk \'t was de stem van Hem! Van Hem, van mijn een\'gen lieven Jongen. — O ik! ik ware up hem tuegesprongen:

Met mijn adem had \'k hem losgedooid;

quot;k Had van de ijsschots met hem willen zinken; In denzelfden golf, met hem verdrinken:

Mijn laatstquot; kleedingstnk, om hem geplooid. —

Maar eensklaps verborgen nevelwolken \'t Al, \'k zag nog hoe trechturvurm\'ge kolken,

Hern van de ijsschots zogen, dat hij viel,....

ïn de nevelmassa\'s zag \'k, hoe zwaarden.

Speren, dolken, door elkander waarden.

Hie hnn scherpte sneed door mijne ziel.» ....

Alles ging geregeld steeds zijn ouden gang: Was \'took iliit verbleekte merkbaar \'sMoeders wang: Was wat minder spraakzaam soms ook de onde man. Alsof een gedachte bij niet bannen kan.

Die maar altoos, altoos, niet wil zijn geweerd; Kn opnieuw, voortdurend, immer wederkeert! Nu vooral, mi weer de tijd van loten komt.

En hij op zijn vingers dikwijls samensomt,

(\'it zijn ganschen omtrek wie bet zijn: hoeveel, Weder aan de loting dit jaar nemen deel.

En dan is \'t, al krimpt hem \'t hart bijna ineen. Want met één jaar reeds moet ook zijn Ken\'ge heen; Nog ééns zaaien en dan nog éénmaal slechts de oogst. Binnenhalen: nog éen winter op zijn hoogst;

132

-ocr page 143-

1)K KKXIGK ZOON.

Tot den tijil des Leeuw\'riks eersten jubelzang, Zou kurt kan het duren nug, ach! slechts zoo lang Dan beslist ook voor hem, onzen jongen, \'t lot, Of naar Frankrijks keizers inachtwoords wreed gebod Hij wordt opgeroepen, tenzij met veel spoed.

Have en land een plaatsvervanger stellen doet. Zeg! hoe wilt gij dan, gij man met uwe vrouw? Vraagt hij zich soms af, wat men dan wel doen zon Als ongunstig \'t lot besliste voor den zoon.

Zouden wij voor onzen een\'gen, ouzeu kroon.

Onzen laatsten penning offren niet, als \'t moet, Onzen steun des ouderdoms, voor eigen bloed?»

«Stel uw bezwaren.

Die er ooit waren,

Vader ter zijde:

Want wat ik lijde.

Kan \'k niet beschrijven . . .

Och laat mij blijven! —

\'k Wil voor n zwoegen.

Spitten en ploegen.

Mesten en zaaien.

Graven en maaien.

Harken en hooien.

Snijden en rooien:

Lasten wil \'k torschen;

\'t Koren zal \'k dorschen,

\'t Vee steeds verzorgen.

Vroeg van den morgen.

-ocr page 144-

OR EENIGE ZOONquot;.

Tut aan den avond. Zweetend en dravend.

\'t Zal nooit te zwaar zijn,

Als \'t slechts moug waar zijn. Moeder en Vader!

Zegt het te gader,

Zegt het mij heiden:

Wij zullen \'t leiden.

Zoo, dat het zij mi.

Dat ik hlijv\' hij TI!» —

Maar helaas! de Vader draalde. Dat iiij zijnen een\'gen zoon, \\ rijkoclit voor \'t geëisehte loon.

Kn de winzucht zegepraalde.

Zwaarder wogen geld en goed. Dan het eenig Kind, zijn bloed.

Nu men ook dat eenig Kind,

Door het lot dienstplichtig vindt. —

«Man! mi zie ik,

Jn, wat mijn droom. Zeggen won toen:

Drug, ijs en stroom! O mijn lief Kind!

Ach! liet is waar. Gij moet dan heen.

Dat is mij klaar.

O gij mijn Zoon!

-ocr page 145-

DK EENICtE ZOON.

\'k Mis ii weldra. — Waar\' het te doen,

quot;k Vloog n dan na.

Opdat ik dau,

Daaglijks n zag,

En met u trok.

Van dag tot dag;

Terwijl ik zou —

Stondt gij op wacht. Trots koude en trots sneeuw.

Trots zwarte naelit — lT zijn tot li ui] i,

H zij nabij;

Stondt ge in \'t gelid —

Stondt ge in de rij — Ik stond er naast:

Bleef ii gewijd;

Kwam eerst, bleef laatst:

üleef heel den tijd. Opdat ik lang.

Met ii kon zijn. — O wat een smart!

O wat een pijn!

Als gij van hier,

Zijt weggegaan: En \'k urn ons heen.

Moet gadeslaan.

Dat \'k ii niet zie:

Dat gij er mist.

135

-ocr page 146-

nr. EENIGE ZOONquot;.

Waai\' ik ii stceiIs, Dagelijks wist:

Daar in den hol\',

(iriuds ojgt; liet veld. ()1\' in den tuin,

Van waar ge meldt. Mij het «Mooiweei\'.»

Of hij \'t onthijt, «Kond is \'t noij» zeul.

Of te etenstijd. Eensklaps vertelt :

Dat de Ooievaar, Gij voor liet eerst.

Zaagt in dit jaar. Dat wellicht weer.

lt; gt;nze akker vlas. Naar \'t lijkt, geeft,

Ken goed gewas; Dat reeds de Jut, —

Dat de Meinet. Pippeling, ook. —

(4oed knoppen zet. Iloodhonte weer.

Zooals quot;k wel dacht. Een goed maal geeft.

Gelijk zij placht. — Dat op de «Vier»,

Klaver door \'t gras. Weer genoeg staat.

-ocr page 147-

DE EENIGE ZOON.

Zooals \'t steei Is was. — Ach gij lief kind!

Gaat ilan niet weer.

Zooals wij soms.

Menige keer,

\'s Avonds na \'t werk

(iingeii, langs \'1 graan: — Zagen vol vreugd,

\'t nioemtniiitje eens aan: Naar \'t bloeiend bed.

Van I )iiizeudst*.lioon,

Naar \'t Gondsbloemperk,

Ik met u Zoon,

Ocli! ocli! zoo vaak, —

Mijn Lieveling! —

Niets blijft mij, dan De erinnering.»

«Nu blijft er o Vader, —

Nu \'k quot;t al beb gehoord: Nn blijft er o Moeder, —

Niets over: \'k rnoet voort! En waarom o Vader,

Niet dadelijk, toen,

Ketisklaps toegeslagen 1

Waarom \'t niet te doen? — Nu gaat uwe jongen.

Ja zeker bij gaat;

Hij moet weg, voor altijd.

187

-ocr page 148-

DE KENIfiE ZOON.

Maak vast ilaarop staat. — Nu leg ik ile spade,

Kii vlegel ter neer:

Die wissel quot;k met ransel,

Eu met het geweer.

Mijn werk op den akker.

De stilte van \'1 lm is.

Verruil quot;k vnur kazerne,

Kommaiido, gedrniscli!»

«,la zoon! liet breekt mij \'t hart; Tw Vader weent van smart:

Hel» met hem mededemgen:

lleh \'t niet zijn grijzenil hoofd. Dra van zijn kind heroot\'d, —

Den api»el zijnei- oogeu! ■— I\'\\v lieve Moeder schreit,

Staag in haar eenzaainheid,

Di^ diigen door en nachten. Zij spreekt nw naam nog slechts,. ,.. Zij ziet naar links, noch rechts:

Niets kan haar leed verzachten.»

«Maar Vader! dat doet zeer,

Dat gij zoo telkens weer.

Nooit kondel toch besluiten. Ter wille van wat duiten. Om, toen liet tijd nog was.

Gij toch, met een woord, ras.

138

-ocr page 149-

OF, EENIGE ZOON.

Niet dacht mij vrij te koupen. Maar o! \'t is zoo te liopen. Dat ii dit niet berouwt,

Kn wee en smart u brouwt.

Als eens na maaiulen, jaren, (iij van mijn wedervaren.

Noch taal noch teeken hoort;

Als ik in \'t verre oord,

Dien, tot kanonnen voeder. Kn Vader! lieve Moeder! Hoe zal \'t met u voortaan, O Moeder, Vader gaan .\'

Als steeds, na vrees en hopen. Als jaren zijn verloopen. Gij wanhoopt, om mij weer Te zien, slechts «\'énen keer !

«Ik mag er niet aan denken. Mijn allerliefste Zoon!

Dat Moeder n moet missen.

Mijn Kind, mijn Al. mijn Kroon!

Geen slaap bevangt mijn leden: Geloot\' het. van uw Moe.

Dat sedert vele nachten.

Geen oog sloot ze even toe.

Illt; voel, ik zal na dezen, U nimmer wederzien.

Al kwaamt na vele jaren, (iij ook terug misschien.

180

-ocr page 150-

DE EENIfiK ZOOX.

Mcvii Ztil II \'t graf dan wijzen.

Waai\' uwe Moeder rust,

Van leed en zorg en kommer,

Kn smart dan unbewust.

En ii er bij vertellen,

Hoeveel zij om n leed.

Dat niemand kan gevoelen.

Die niet een Moedei\' heet!»

«Vaarwel! al wat \'k liefhad, vaarwel wat illt; minde! Vaarwel! veel geliefd huisje in schaduw der Linde; Vaarwel mijne bloemtuin, mijn Muurbloem, mijn Roos! Mijn Klokjes, mijn Lelies en mijne Tijloos!

Mijn vroegrijpe Peervrucht, naar wier roode wangen. Ais kind ik in Juli begon te verlangen;

Vaarwel ook mijne akker, waai\' t zomerseizoen. Ik ploegde en ik spitte, waar \'k rustte in het groen: Vaarwel, mijiie makkers, mijn vrienden, mijn buren! Vaarwel duizend malen, gelukkige uren Die \'k doorbracht, met allen in schnldloozen kont! Vaarwel lieve plekjes, zoo graag steeds aanschouwd! Mij dierbaar geworden in negentien jaren:

Getuigen van \'t spelen, van mijn wedervaren! Getuigen van schnld\'loos genieten en vreugd.

Van \'t blijde verleden, de tijd mijner jeugd!

O zal \'k u dan weerzien, ook eemnaal, of nimmer? O wat \'k moog vergeten, n nooit, neen, o nimmer! Zal \'k toeven er in mijne erinnering nog,

\'t iUijft leven als droomen aan \'t vader!mis toch.

140

-ocr page 151-

HF. F.KNIGF. ZOON.

Wat zal van hen worden, van mijn lievelingen! Als Caro niet meer bij mij poogt op te springen, En hij nimmer weder zijns vriends handen lekt, Beliagelijk weer aan mijn voeten zich strekt.

Kn gij mijne vriendjes, mijn dierbaar paar duiven, Die op mijn geroep steeds door \'t liichtniim kwaamt Kn op mijne schouders in eens nedei\'zat, (stuiven, Fluks uit mijne handen de korretjes at,

Hoe zonder n liev\'lingen, zal ik het maken\'?

Wie zal als ik weg ben, getrouw voor u waken? Hoe zal liet u zijn toch, als gij mij niet meer. Na morgen vroeg weer ziet, mi nog slechts een keer! Wie zal voor u zorgen, als vader en moeder?

Voor til ol\' voor kooitje, voor drinken, voor voeder? De vriend uwer jonkheid is verre dan heen: Als weesjes blijft ge achter, als weesjes alleen!»

«Wel jongen! wij zorgen. —

Ik Vader en Moè,

Van af, als gij morgen

Weg zijt. Kn wat quot;k doe.

Dat doe \'k naar behooren;

De vogels, den hond, —

Dit zeg quot;k u te voren, —

Verzorg ik terstond.

Alsof gij het zelf deedt.

Met zaad en met brood.

Zoo ge ook wel van zelf weet:

Dus dat heeft geen nood. —

141

-ocr page 152-

TIE EENIfiK ZOON\'.

Kn als ^ij na weken.

Reeds weer bij ons zijt.

Zult gij er van spreken:

Van toen gij gingt lieiien, (\'k Denk gij staat verrast.

Ik zonde liet meenen, —) Of \'k heli i)|)ge])ast!

Och wilt tuch niet weenen: De tijd gaat zoo ving,

(laat vliegend daarhenen:

Dra zijt gij terug.» —

«Uw Moe ziet thans u trekken van hier: Tot naar \'s werelds uiterste einden schier: IJ inarcheeren, belast en hi |iakt. I\'itgepnt, moeileloos en verzwakt. Voorwaarts \'t gelaat, steeds onafgewend, Onder vreemden, wier taal gij niet kent. Met halve wilden opgeniarcheerd. Geblakerd, verkleumd en uitgeteerd. Niet tegen vorst of hitte beschut.

Onder \'t bereik van \'s vijands geschut.

Enkel tot doel van het kanonnen voer, -Naar u gericht, als staande n]t den loei Gij mijn Ken\'ge, die \'k op mijnen schoot. Koesterde, thans volwassen en groot, — Zie ik van mij voor altijd gescheurd, Meedoogenloos ter slachtbank gesleurd. Tranen, heb ik mijn Liev\'ling niet meer...

142

-ocr page 153-

UK KKNIUK ZOON.

Voor \'t laatst omhels mij, ach ! misschien nooit weer En nu mijn .Dierbre, vaarwel, ga met God! Hij lelde I\', bestier verder uw lot!»

«Hier Jongen, treed uw Vader,

Nu om zijn handdruk nader:

Hij wenscht u \'t beste en alles goeds, «Blijf opgeruimd en zijt goedsmoeds!»

«O vader \'t is te hopen,

igt;at geen berouw \'t n haart.

Daar uwe zilverlingen,

Meer dan mij, u zijn waard.

Vaarwel nu ook gij Vader!

Gij sloegt het in den wind,

Toen vriend en maag u zeiden;

Doe \'t om uw eenig kind. —

Gij hadt uw hundel schijven.

Veel liever dan uw bloed.....

Vaarwel dan miinen Vader,

De tijd is om, dat \'k moet.» —

En thans gaat hij henen; pas schemert de morgen

Op \'t haantje des torens, blinkt de eerste uchtendgloor

In scheem\'ring en nevel is \'t, al nog verborgen.

Wijl hij liet ontwakende dorp stil stapt door. —

Menig venster wordt geopend.

Door een vriend of vriendin, hopend,

Hem nog toe te kunnen knikken,

u:

-ocr page 154-

UK KEXKiK ZOON\'.

Hein nofi\' na te tnugen blikken,

Kei- hij u]) zijn vei-iTreu koers,

VVegdnikt in liet iicvcllliici\'s. —

En steeds gaat hij verder, dan sneller, dan zachter Keert (dnd\'lijk voor \'t laatst, zich nog eenmaal naai Groet over den gevel van zijn naasten hnni\', (achter Des daks nok in \'t halllicht, zijns Onderen schuur. «Vaarwel! Verleen \'s mijlpaal, vaarwel! allerlaatste quot;k Vergeet nooit ileez\' morgen, welks licht wederkaatste Op \'t glas van liet onderlijk sclmmtje mij toe! 0 wist gij hoe \'k lijde, o mijn Va, o mijn Moè!»

Spï\'akeluds in tranen hadend.

Radeloos, de dood in \'t hart. Zit terneêrgelmrkt een inoeder.

Als gebroken door de smart; —

Range klachten, diepe znchten.

Slaakt l)ij poozen slechts haar mond.

Want er kliefde een zwaard haar \'t harte;

Sloeg haar ziel de zwaarste wond: Ach! haar lieveling ging henen:

Ac.ii! haar een\'gen lieveling.

Die gescheurd van haaiquot;, voor immer.

Thans vour altijd henenging. —

«Is dit de weg naar Hnitenpost,

Kn zoo naar Uroningen?» —

«Kom binnen in mijn woning; en Neem plaats.»

144

-ocr page 155-

DE F.KXIOK ZOON1.

((\'Ilt; lgt;en afgelost;

A (Ij c! mi iIhii soldatenrok!

Marscli op nnar «Ie oude luiiljes;

Geen sabel meer: een wandelstok. De zak vol vreemde duitjes.»

In \'t jaar van achttien honderd dertien.

Sprak aldus eene snorrebaard. Tot zeker vrouwtje, bij haar buisje;

Zij noodde hem toen bij haar baard.

«Ivom vreemde man» zei zij, «rust nit!

Gij zult wel willen rusten: En misschien na een langen inarsch.

Wel \'t eene of andre lusten:

Het is bij ons thans rustenstijd;

En \'k ga mijn man nu wenken: Hij werkt daar ginder op bet land. En \'k wil dan koffie schenken.»

«Gij woont bier met uw drieën Vrouw?

Gij met uw Zoon en met uw Man? Of Dochter naar ik gissen zou.

Zooals ik half wel rnerken kan: Hoe of ik dat toch zoo maar weet.

Of hoe ik die opmerking deed? — Daar een drietal schoteltjes staan klaar. Met kopjes op de tafel daar!»

-ocr page 156-

HE EKXIGK ZOOX.

«Maar goede Vrouw, wat deert u toch?

Zoo even was het anders nog,

En thans zie \'k tranen iu uw oog,

Wat toch zuo zeer uw liart bewoog! —

Ach goede Vriend! sinds jaar en dag.

Als \'k der soldaten rok maar zag, r.en \'k niet meer die ik anders was,

Kn pakt mij zoo iets vreemds alras.»

«Dan Moeder, dan heb ik misschien.

Zoo dadelijk al goed gezien:

(Tij hebt een Zoon, een eigen Kind, Dat verre zich van u, bevindt ?»

«\'t Is vriend of gij er meer van weet: Dat \'k u dus nog eens welkom beet!»

«Ik hoorde ginder aan den weg.

Bij \'t buisje met zijn doornenheg:» «Die Krijgsman komt wis ver van hier, Tn uniform, versleten schier;

Is ver gereisd, heeft veel doorleefd: Wa arvan liet al getuig\'nis geeft.

\'t Is of bij ergens wezen moet:

Heeft hij een brief, heeft bij een groet?» — Men vroeg mij: «moet gij denk\'Iijk ook: Daar zijn, waar juist de schoorsteenrook. Zoo kronkelt uit de lage schouw.

-ocr page 157-

BK ERXIOE ZOON.

\\an \'t gindsch vervallen (j.ud gebouw?

Want zie, daar woont een oudrenpaar, Welks een\'ge Zoon, voor dag en jaar, \\an hier optrok, als jong soldaat;

Zijne ouders kregen \'t gauw te kwaad.

Nu hij voor goed niet wederkwam.

Hij, de Oude, werd allengskens stram, En mist hem in ziju boerderij:

Hij kocht zijn Zoon bijtijds niet vrij.

Ter wille van het lieve geld;

Te zeer was liij daarop gesteld.

Ofschoon hij het zoo ruimschoots heeft; — Zijn Vrouw, die als in droomen leeft.

Spreekt anders niet meer dan «mijn Kind», Komt men er, wis, dat men haar vindt. Alsof zij steeds haar Zoon verbeidt:

De koffie houdt zij steeds bereid;

Zijn schoteltje en zijn kopje zet.

Ze op tafel klaar zooals zij liet.

Na zijn vertrek steeds daaglijks deed. — Zeg! hebt gij iets, o! ik, ik weet:

(iij zijt er een welkome gast. —

O! als gij hen met iets verrast.

Al is het maar een enk\'le groet.

Vergeet liet niet: \'t doet hun zoo goed!» —

«Bedankt! dat gij den weg mij weest,

Maar voor de inlichting wel het meest.»

I 47

-ocr page 158-

TtF KEXIfiF ZOON.

«Dus vreenxle Man, dus weet gij wat? Hoe liij liet lieeft, mijn Zoo//, mijn Schatquot;?» «Och goede Moeder, vraagt \'t mij niet... Een brief, dien hij mij achterliet.

Vertelt hoe hij het zoo wat had; — Hoe gemarcheerd, van stad tot stad. Hij dacht, verlangde en ondervond, — Km dezen brief uit Moskau zond,

Met liet verzoek, dat als hij niet,

Weer thuiskwam, mij dien achterliet:

Opdat ik u hem overgaf,

Als ik eens mijnen wandelstaf.

Naar deze streken zetten mocht.

En u hier uit te vindon zocht.»

«Ontvang dit schrijven dan o Vrouw: Uit schrijven dat uw Kind u zond. O! ik bewaarde het getrouw,

En blij ben \'k dat ik u toch vond!»

«Ach vriend, lees gij den brief maar voor TTw komst bracht mij geheel van \'t spoor.

«Vader! Lieve moeder!

Thans schrijft u uw kind:

Dat, o lieve Ouders, —

Ik reeds ondervind,

Dat waar \'k al voor vreesde, In vervulling gaat. -—

148

-ocr page 159-

DE KENICtE ZOOX.

Er is niet eens sprake, — Wie thans is solilaat, —

Oin te mogen hopen: — \'t Ouderlijke luns,

Weer vooreerst te aanschouwen Want liet krijgsgedruisch,

Dreunt door alle landen; En van dag tot dag.

Gaat liet altijd verder: En wien \'k gister zag,

Van mijn kameraden.

Zie \'k vandaag niet meer.

En wie \'k heden samen — Wand\'len zie, nooit weer.

Want naar alle streken,

Is met hen \'t geval,

ijlings te vertrekken, — Dat zij sedert al.

Eensklaps andre koersen. Ingeslagen zijn, —-

Wijl zij \'t nauwelijks wisten: Of naar Weichsel, Rijn,

Of naar \'t Spaanse In.\' land. Of Itaalje\'s bergen;

Weet ik naar wat kant?» —

«\'k Zag den grooten Keizer!

Heni, Napoleon,

Ons eenmaal passeeren:

-ocr page 160-

ItK KKXIGK ZOON\'.

\'k Tuunle wat ik kon; quot;k Zag dat klein persoontje,

In de paleisdeur; —

Door het luchtruim trilde: \'t «Vive rKtnpereur.»

Maar ik dacht o Ouders!

Aan u Bel, veel meer. Dan, dat ik ook juichte,

Maar een enk\'le keer: \'t Heimwee perste tranen,

Uit mijn droornrig oog. Van het grootst verlangen . . .

Ach de hoop bedroog, Mij zoo vele malen;

Daar \'k zoo dikwijls dacht, Weer te keeren kunnen,

Waar ik zoo naar smacht. Maar dat ligt in \'t verre

Nevelig verschiet;

Toch, toch hlijt ik hopen! In mijn stil verdriet.»

«O vergeet mijn Vriendjes,

Mijne Caro niet!

Ook niet mijne Duiljes!

Die ik achterliet,

Als mijn lievelingen! —

En in uwe zorg,

Zoo heb aanbevolen:

inn

-ocr page 161-

T)E EKNIGE ZOON.

I w woord is mij bor^j.

Dat gij voor lieu zorgen,

Altijd zoi\'gen znlt;

\'k Weet dat ge uw beloften,

Trouw steeds hebt vervuld. — En ontvang bij dezen,

Ver van hier mijn groet.

Met mijn beste wenschen,

Kn blijv\' welgemoed!» —

«Maar beste Man, waarom kwam hij.

Met u niet hier, kwam hij niet vrij ?»

«Ach! \'t u te zeggen, valt mij zwaar,

O Moeder, maar \'t is al te waar . . .

Kort, nadat uwen Zoon mij gaf

Deez\' brief, vond hij mijn vriend, zijn graf,

In Beresina\'s killen vloed ....

Hij wuifde nog, ten laatsten groet ... —

«Waarom stierf uwe Moeder niet.

Met u mijn Kind, toen in den vliet!

Thans vat ik, wat mijn droom beduidt; Als wreede werk\'lijkheid kwam \'t uit . . . O Lieveling! stierf ik nu maar,

Mijn Eenige en was ik ook daar,

Bij u, waar gij mijn Zoon nu zijt. Me ontrukt toch slechts voor korten tijd. Met alles, wat mij lief op aard.

-ocr page 162-

T)K KKN\'ffiK \'/nox.

In \'t leven quot;t ilierbaarst en \'t meest waard, In mijnen undei\'doni nog was.

Uw Moeder volgt, ja volgt U ras!

En vindt U, waar voor eenwig vree,

Geen krijg meer is, noch smart, noch wee.»

Acli, de Anne voelt, dat zij gaat sterven. — Om niet haar laatsten wensch te derven.

Wijst zij naar \'t dierbaar Kopje heen.

Naar quot;t haar lief Schoteltje meteen;

Wil er voor \'t laatst nog eens nit drinken. Eer ze in den doodslaap weg gaat zinken; Als laatste erinn\'ring aan haar Zoon, —

«Mijn Vriend» lispt zij; «dit zij nw loon!» Waar ik nitdronk zal \'t uwe wezen, ....

Mijn Kind dronk er steeds nit voor dezen. Het mocht niet weer. Nn vader ond En grijs is, dat hij van u houd\',

Als tweeden Zoon, na mijn verscheiden; Gij blijv\' zijn kind, Eén word\' gij beiden. Hij deel\' zijn goederen n toe,

Zooals ik met al \'t mijne n doe ...» —

Vijl\' dagen hierna — liet was oogsttijd geworden; De stoppels bij de Oostersche droogte verdorden — Riep \'t klipklap der dorpsklok luide over het veld, «Dat men thans eene Arme ter aarde bestelt.» Een Vrouw die vergeefs haren Liev\'ling verwachtte; Wier leed was berusting: die nimmer een klachte

J

-ocr page 163-

DK EKXIGI\'! ZOON\'.

Geloosd heeft; die morde nooit tegen liaar lot, Maai\' leefde en ontsliep in vertrouwen op God.

Een Tweetal deed de Baar geleide. Wel voelde de Oudste dubbel zwaar, — Van de rouwdragenden dier Beide, — Den looden gang achter de baar. De wroeging van het niet te kunnen Herstellen, snoert hem mond en keel; Dat hij zijne Een\'ge niet wou gunnen. Een deel zijns schats, een luttel deel: Opdat hij steeds bij hem kon blijven; Dat enkel liefde tot zijn geld,

Zijn Kind naar Rusland heen deed drijven. De ellende heeft hem neergeveld;

\'t Lijk zijner vrouw, die stierf door \'t lijden, Volgt hij thans ter begrafenis;

En voelt, bij \'t naar het graf te schrijden, Zoo diep, zijn dubbel zwaar gemis. —

-ocr page 164-

G U l IJ K.

\'ijjjïv6 knaap ziet lioe zijn vlieger,

De lijn steeds strakker spant; —

Voldaan, nu hij na klimmen,

Bereikt den lioogsten stand.

De knaap tut man geworden. Op wetenschap belust.

Vindt om zulks na te .jagen,

In \'t woelig hart geen rust.

Hij wil het al doorgronden;

Schrijdt voorwaarts, stap voor stap

Van oorzaak en gevolgen.

Zich gevend rekenschap.

\'t Hoe en \'t waarom doorvorschend. Van werklijkheid en schijn;

Waarom \'t dus, en niet anders.

Naar zekre wet, kon zijn.

Hij wil \'t geheim des levens, Ontsluiren voor zijn blik;

In de eerste plaats ontleden Zijn raadsel: \'t eigen ik.

-ocr page 165-

Hij peinst daartoe zijn ila^on,

Zijn stille nachten door,

01\' hij ten lange lesten,

Daartoe toch vond het spoor.

01quot; hem ilcn steen der wijzen. Als zoo begeerd, gewerd!

Hon van de donkre toekomst. Een straal blonk nit de vert\'!

En van den loop der dingen. Het onderling verband.

En waar de groote Vadem,

Die liet Heelal omspant!

Hij die der eenwen wijsheid. Wat voor hem is geweest.

De vruchten der gedachte.

Toetst aan zijn eigen geest.

Van af des inenschdoms kindsheid. Der Denkers, tot nu toe,

De stoutste Hypothesen,

Volgt eind\'lijk, peinzens moe:

Er zich ten laatst\' bij neerlegt: Ik weet het niet; erkent. —

Ter zij! Papyrusrollen,

En mottig Perkament!

-ocr page 166-

GEI.CK.

Neen! niet als Diogenes,

Tut eene ton het Imis:

Dat kan gelnk niet heeten — 1 fct leven zij geen kruis! —•

Hij lirclt het iii( \'t g. avonden.

Wat tot gelnk hij zoclit;

Ten koste van veel jarens ücspie^tiling, gekocht. —

«\'t (xfluk bloeit sliH-hts den Hijkdom ! Is van zoo menig Leus!

De macht, ilie aarde en volken, Beheerscht, zij mijne keus!»

Wroet \'saardrijks ingewanden,

In \'t zweet zijns aanschijns door:

.Inicht bij zijn vondst, den goudklomp. 01\' tweeden Kohinooi\' !

En hij aanbiilt den Mammon,

Al werd het hem tot stral\'. —

\'t Om meer, naar grooter schatten, f.aat niet weer van hem al\'.

Al werd hij ook een Croesus; — Nog geen bevrediging,

In zijn gemoed, in \'t harte.

Waarnaar zijn wenschen lt;j,ing.

150

-ocr page 167-

GELUK.

Nu nog naar roern en eerzucht, \'t Verlangen wordt gewekt:

Naar naam en groote daden,

liet streven uitgestrekt!

Maar ach niets dan miskenning,

Zelfs voor verdienste en deugd;

Ontnuchterd door de ervaring,

Niets wat meer boeit, verheugt.

Ach ijdle klanken waren \'t. Ach bloemen, zonder geur.

Die nauwelijks opengingen. Met ziekelijke kleur.

Bij schatten geen voldoening.

Waarvan de glans niet streelt;

Bij grootheid, onverzadigd.

Waar \'t hart niet mede in deelt!

Was \'t zoo niet Alexander

De Groote, als veldheer groot ?

\'t Niet zoo den twaalfden Karei? Of eenen Czaar-Despoot?

Of wel een Buonaparte?

Of wien Historie meldt?

Vertrapt tot stof; verheerlijkt. Of Moordenaar of Held!

\\

-ocr page 168-

mane.

Heeft een dier veel beuijden. Van duizenden misschien, quot;t Geluk, dat levensbloempje, In waai\'heid bloeien zien

Zou na iedre Victorie,

Na iedi-e liMliIiyiiifi\',

Hun al, die eerbetuiging,

Geschenen niet gering?

\'k Gelooi\' dat liet geluk slechts.

Slechts in het kleine ligt;

Waar \'t liefst zich naar wil keeren. Zij, \'t vriemllijk aangezicht.

Hoe velen, rijken, grooten

Der aarde, erkenden niet. Dat onbevredigd immer,

Hun goud, bun scepter liet;

Bleek uit de vijfde Karei,

De Vorst, in wiens gebied. De Zon altijd bleef schijnen, — Te zwaar, zijn grootheid niet?

Ach! blijft dan in dit leven.

Geen waar geluk bereid. Dat boven \'t onvolmaakte.

Zijn breede wieken spreidt?

-ocr page 169-

GEI.l\'K.

O, \'t is liet hoogste streven,

liet vurigste begeerd.

Waarnaar door heel het leven,

quot;t. Hart zich steeds henen keert.

Het kan niet anders wezen:

\'t Ligt in de harten zeil\',

Niet dan daar juist te vinden.

Laag onder \'t stergewelf.

Uit vrede in eigen hoezetn, — Daarbij tevredenheid,

Gemoedsrust in zijn binnenst, — Wordt waar geluk bereid.

Gelukkig! die als \'t Knaapje,

Zijn vreugd bij weinig vindt;

Aan eene ahvijs Hestimrder,

Zich overgeeft als kind.

-ocr page 170-

Eenzaamheid.

on zul hein te hrklagen noemen.

Dit\' mensch en wereld vliedt;

Men zal \'t verkeer als «Leven» roemen De Wijze welliclit niet.

Die uil den maalstroom van liet leven.

Dat hem zoo luttel gal\', -—

Waarde eenzaamheid hem rust wil geven, Zicli gaarne zondert at\'.

Zijn leven als een hooge gave. Als heilige ernst beschouwt:

Te zijn: een Edele, eene Brave,

Schat hoven roem en gond. —

Hem is steeils de eenzaamheid de reeile

Tit \'s levens last en leed:

Waar hij als met herwonnen vrede. Zich wel geborgen weet.

-ocr page 171-

I K LAAT DE WERELD BUITEN.

T- k laat de wereld buiten.

p^De wereld met baar nijd en baat,

Haar laster en baar eigenbaat; —

\'k Zie liever door mijn ruiten,

Hoe het rondoinme,buiten staat: Of quot;t gras al door de kluiten Van mijne weide groenen gaat.

Ik laat de wereld buiten:

\'t Rumoer in slop en steeg en straat; Der buren zinn\'loos lasterpraat,

Waarvan mij de ooren tuiten.

Dat als een loopend vuurtje gaat;

\'k Zie liever hoe het spruiten,

Van knoppen in mijn boomgaard staat.

Ik laat de wereld buiten;

Want ik kreeg het daar gauw te kwaad. Te kwaad met menige onverlaat;

Ik kan mijn oor niet sluiten,

Voor wat mij bitter tegenstaat:

Laat wrok zich tegen mij uiten,

Als \'t binnen slechts met vreê mij laat.

11

-ocr page 172-

IK LAAT DE WERELD BUITEX.

Ik laat de wereld buiten:

Als regen up mijn ruiten slaat;

Het West met kracht op \'t venster staat; De vlagen luide fluiten;

En \'t soms tot loeien overgaat,

En tegen murenhoeken stuiten:

402

Dan voel \'k waarin de rust bestaat.

4 ,

\' /y »

| Agt;gt; \' ./

\'^/r ijn horizont is eng begrensd,

I^Hoe vaak ik \'t anders heb gewenscht; Want naar het gansche West en Noord, Is \'t al met kreupelhout omboord,

Zoodat ik voor de afwisseling,

\'t Vind zoo eentoonig, zoo gering;

Slechts naar het Oosten en naar \'t Zuid,

Ziet men alleen veel verder uit. —

-ocr page 173-

MIJN GEBOORTEPLAATS.

Wanneer men zich naar \'t Oosten keert, Is \'t veld met vee schoon gestoffeerd; Pronkt voorjaars \'t Boterbloempje in goud, Waartusschen Kievit \'t nest zich bouwt.

Golft van de rietpluim \'t zacht fluweel, Bij wilgenkatjes geurig geel;

Kweelt Kemphaan, Gruto, Tureluur,

Het luidst, bij zonnig morgenuur;

Zong Leeuwerikje al weken her. De hoogtijdstrillers vroolijk er. — De plassen van \'t gebroken land, — Met waterlelies bloemenrand —

Herbergen lang reeds \'t zwemmend heer, In keur van onderscheiden veêr,

Nabij der molenwieken vlucht.

Vrij drijvend door de blauwe lucht. —

En op den voorgrond, heel nabij.

Ligt Buitenpost; de toren vrij —

Met zijne schoone aloude kerk,

En in die richting \'t hoogste merk;

Wijl Haersma-State\'s heerlijk bosch.

Zich maakt uit \'t groen der Vennen los. —

Men kan nog zien een torenspits —

Een Hooge en eene Schoone, mits, —

Men kiest een klaren morgenstond;

En dan zeer verre als aan den grond, Ontdekt men een verheven punt —

Eene enkle maal is \'t slechts vergund.

163

-ocr page 174-

MIJN GEBOORTEPLAATS.

Het puntje is ook zoo uiterst klein;

En is de lucht niet zuiver, rein,

En zonder een\'ge wolken, dan —

Is er volstrekt geen sprake van.

Daar rijst Martini\'s torentop.

Van Gruno\'s stad, ten hemel op. — Bij Buitenpost trof reeds de gang.

Der Molens, den beschouwer lang;

Van Stroobos eene lange rij; —

(Een vijftal staan daar, zij aan zij) — Waar, door \'t Zuid-Oost, de Oldarnbster gerst. Tot gort uit hare hulzen berst.

En de olie klaar, na slag op slag. Der stampers, straks komt voor den dag.— Nu verder aan den horizont.

Ligt Doezums toren aan den grond;

Eu als \'k den blik meer zuidwaarts sla. Dan blauwt daar Augustinusga,

Met spitsen toren, hooge kerk.

Zich scherp afteek\'nend tegen \'t zwerk.

Meer op den voorgrond ligt Rohel. «Die polder krijgt wis last van kwel». Dacht men, toen men daar aren groef.

Daarom was \'t, dat men dubble schroef, In zijnen forschen Molen lei;

Eu maalt bij sterken wind met bei. —

Surhuizum rijst nu voor het oog,

Van over \'t hooge bosch omhoog.

-ocr page 175-

MIJN GEBOORTEPLAATS.

Tot waar een boomgroep, vlak in \'t Zuid, Waar Buweklooster stond, beduidt, Eer met zijn Brink \'t oud Drogeham, In \'t lommer van zijne Olmen kwam. En Kootstertille\'s molenpaar.

Tot meer zuid-westelijk, zich daar, Met llinke vlucht naar boven richt.

Wijl Kooten nu komt in \'t gezicht.

De nieuwe kerk met torentrans.

Verheft zich uit de rijen thans. Der huizings, langs den weg geschaard; De Kootster Molen wordt ontwaard.

Ten laat sten aan den noorderend;

Sinds jaar en eeuwen reeds bekend. Van verre verte en van nabij. —

Hij voerde er eeuwen heerschappij.

Als koning, uren in het rond.

Met Eolus in schoon verbond;

Want concurrentie had hij niet;

Heel de omtrek was zijn rijksgebied. — Nog voelt hij niet der jaren last,

Schoon menig jongre naast hem wast.

Dan voert do heerlijkste Eikenlaan, Op \'t lange, bloeiend Twijzel aan;

Welks Boerderijen, groot en klein. Wel dertig, — allen even rein, —

Zich legeren in dubble rij.

Van de eikenlaan, ter wederzij.

165

-ocr page 176-

if IJ N GEBOORTEPLAATS.

Niet als de Middaehter bekend; —-Niet minder schoone loovertent,

Als die van \'t graal!ijk Ruzendaal.

Wie schetst dit sclioon, met stift ot\' taal!

Het is der boomen schoonste sier; Hnn trots, wier pracht en schoonheid hier. Zich welft tot eene zuilengang,

Bijna een uur te wandlen lang. —

Pronkt ginds Middaehter beukenlaan, — En blijft men licht bewondrend staan.

Bij \'t schoon der Rozendaalsche Allóe,

En doet de T^oolaan toch ook mee, —

Hier spreidt zicli \'t koninklijke schoon. Der Eikenrijen fier ten toon:

En zoomen, samen rij naast rij.

Den schoonsten weg ter wederzij.

En rechts en links en links en rechts — En niet met enkle stammen slechts, — Een Dom van «ongekorven hout»!

In wijde spanning, hoog en stout.

Als levend lofwerk, vak aan vak, Dus vormend \'t heerlijkst koepeldak. Zoo hoog met ragfijn twijgje en tak. Als Twijzels aloud torendak. —

Niet schooner bij u Ellecom,

Is het. Milaan! uw marm\'ren Dom,

Haalt niet bij deze loovertent.

Zoo gaad\'loos schoon, als min bekend.

\'t Is of Gods adem er doorwaart.

-ocr page 177-

MIJN GEBOORTEPLAATS.

Als Zefier er door henenvaart,

Als \'t jubelt, Hem tot prijs en eer.

Van \'t vogellied, voor schepsels Heer! —

Hoe schoon is \'t, deze trotsche laan.

Bij r jen te en Zomer door te gaan!

Wanneer de Zefier er in ruischt, Veelvuldig zich in \'t takwerk kruist; Waar van de Eolusharp, een snaar,

Wordt aangeslagen, hier, nu daar!

Terwijl \'t veelstemmig, hoog en diep, \'t Registertal het Werk doorliep, Tot eindelijk, van tluistrend zacht. Des reuzenorgels volle kracht.

Een luchtmuziek, in Mol en Dur, Weerklinkt, als loflied der Natuur.

Spreid lang uw schaduw nog o Laan!

Blijf menschenlevens lang bestaan!

De roem van \'t dorp, waar \'s levens dag, Bij mijn geboorte ik blinken zag.

167

-ocr page 178-

■%. E Verdwaalde ^OURIST.

v y ^

\'TV/T eiiseh, wieu de zorg des levens kwelt, ^^Kom maak u op, ga lieeu naai\' quot;t veld Langs dreef, langs dennebosch en wei! Oji, op! door ile ongerepte liei! — Bij de allereersten morgengloor.

Nu lt;le ongebaande vlakten dour.

En altijd verder, heiwaartts heen; Met kudde en scheper, slechts alleen. Den raiddag in het koele bosch.

Gerust, gedroomd, op \'t donzige inos: En \'s avonds, nog een laatste tred. Naar \'t eerbiedwaardig Hunebed. En dan met opgewekten zin,

Üe landelijke herberg in. —

Een teuge biers, een land\'lijk brood, Genuttigd, bij het avondrood. Dat glijdend over \'t hangend dak. Op \'t groene ruit der herberg brak.

Dat als rnet goud de brink penseelt. Dat iedere eik met gloed bedeelt. En U, den matten wandelaar.

Die under \'t liudelominer daar,

In \'t koepeltje van spar en riet, Op \'t voorplein zich ter neder liet.

-ocr page 179-

t)Ë VERDWAALDE TOTRIST.

Beschijnt met rood fantastisch liclit; — En dat zich verder noordwaarts richt,

Eer \'t achter quot;t denneboschje trok, — De groen met mos begroeide nok. Van \'t laatste schuurtje, naar dien kant Vooruitgeschoven in het land, —

Begroette met zijn laatsten lonk,

Voor \'t in zijn gouden slaapstee zonk.

En nu te bed, nu wel gerust;

In slaap, door \'t lindegroen gesust.

Welks takken in de nacht\'lijke aêm. Zacht ruischen om het vensterraam. —

Met de eerste scheem\'ring opgestaan! Zoodra de nieuwe dag zijn baan.

Naar de Noord-oosterkimmen richt; En reeds hij \'t weiflend morgenlicht. Met lichte tascii en wandelstaf.

Door \'t slapend dorp den landweg af:

Zien, hoe de gouden dageraad, In rozegloed langs \'t Oosten staat; En hoe bij \'t eerste koeltje wind,

De molen reeds zijn werk begint. — Hoe geurt de hei en dennennaald, En thans eens diep geademhaald! Wat onbeperkte horizon!

Nu eerst voorgoed \'t verschiet begon. Nu \'t alles wijkt op de achtergrond.

169

-ocr page 180-

T)K VKRTiWAAT.HF TOTRIST.

In \'t wazig licht der morgenstond; En boven zicli, \'t eens opgemerkt,

Hoe \'t zicli tot wolkengroepen werkt.

Hoe eensklaps \'s waml\'laars oog ontwaart, Een statig wand\'lend berggevaart.

Dat als van de aarde losgeraakt, Een wandeltocht door de ether maakt. Dan met het stroompje weggedwaald. Terwijl het kabbelend verhaalt.

Zoo onder \'t ruischen, allerlei:

Van waar \'t ontsprong in brninc hei,

In stille dalkom ginds naast de Eng, Met borrelenden waterspreng.

Van onder knoest\'gen eikenstam,

\'t Uit wort\'lendoolhof zijp\'len kwam:

En zoo als klare frissche bron. Den langen tocht door \'t veld begon; Terwijl het West een wiegelied.

Zong in het suizend oeverriet;

Geluisterd, als het straks vertelt,

Hoe bij de oase in \'t heideveld, —

Waar eene hoeve uit groen verrijst, En \'t mulle zandspoor henenwijst, — Een klein en aardig klenterpaar. Den eersten lentedag van \'t jaar, — Hun scheepjes drijven doen op \'t nat,

Dat om de kiezelsteentjes spat.

170

-ocr page 181-

DE VERDWAALDE TOURIST.

Gevolgd nu \'s beekjes kronkelpad;

Gepoosd, waar \'t dreunend molenrad, Ons beekje eens aan den arbeid zet.

Eer \'t weer ontslagen, onverlet.

Door pnrp\'ren beide en gouden brem, \'t Klingklang der woll\'ge kuddestem,

Aan zijnen groenen Msschen boord. Als veldmuziek van vei- reeds boort.

Nu uitgerust in baaz\'laars sciianw.

Waar nog de parelende dauw —

Die op bet Westewindje er danst,

In beel de kleurengamma glanst. — Gelegerd op \'t veerkrachtig dons.

Van \'t zachte mos; naar \'t bijgegons Geduisterd, en den leeuwerik —

Die op bet eigen oogenblik.

Al zingend opvaart naar omboog, —

Gevolgd, door \'t luebtruim met bet oog. —

Hoe scboon die slagschaduw langs \'tboscb! Hoe maakt die enkle spar zicb los.

Uit \'s woudzooms groen; boe grootscb zijn lijn, In \'t volle goud van zonnescbijn! — Al keuvelend van jong en oud.

Sluipt eensklaps \'t beekje weg in \'t woud.

En de Anne van zijn gids beroofd —

Nog eer bij \'t werkelijk gelooft.

Staart, als verweesd, langs boscb en grond.

-ocr page 182-

DE VERDWAALDE TOURIST.

Daar hij noch pari noch richting vond. —-Drie zijden \'t woud; een zwarte nacht, Heerscht onder Dennen \'s naaldenvracht, Vanwaar liet zoo spookachtig ruischt, En \'t al zich als in doolhof kruist.

Neen lie veiquot; dan gezwind en vlug.

Naar de open Heide weer terug:

Récht af naar \'t doel; het torendak. Dat glinstrend straks door de eiken brak, In \'t schittrend licht der middagzon,

Laag aan den verren horizon.

Toch zie! daar dringt in rechte lijn.

Een Tra, hosch in; naai\' allen schijn

Een weg, alsof die \'t woud doorsneed: Zoo koel, vol schaduw, luchtig, breed! Daar langs te wand\'len, welk een lust!

«Maar wie zegt mij» «wel! neem gerust. Het pad, dwars door het geurig woud, In plaats dat gij \'t door \'t heiveld houdt? «Daar is \'t zuo zonnig, hier zoo koel. En \'t brengt 11 even goed aan \'t doel.» — «Maar wat duidt mij de richting aan. Die \'k dwars door \'t woud heb in te slaan Der boomen nameloos getal.

Herhaalt slechts de echo, in geval.

Ik pad en richting aan hen vraag;

En wat ik smeek, of stiltjes klaag.

172

-ocr page 183-

DE VERDWAALDE TOURIST.

Zij lisp\'len, fluistren: «niet verstaan» En zien mij onverschillig aan.»

«Hoor ginds de Koekkoek! is het niet? Alsof hij over mijn verdriet,

Reeds gekscheert en hij mij beduidt: «Kom eindlijk eens tot uw besluit! Of wilt ge ii hutten bouwen hier?

\'t lijkt niet zoo kwaad: bosch en rivier, Heel zuiv\'re lucht; een gratis bad, In \'t koele kristalheldre nat.

Geen Kommavrees, volstrekt niet Vrind! Geen Bacil, die gij er ooit vindt;

Ozon genoog, van Den en Eik, En Berken onder uw bereik.» —

«Kwakkak! komt uit de diepte; kwak!

Hier zag men nimmer een Barak; Ontsmettingsoven kennen wij, — (Wij zijn in \'t heetste jaargetij,

Hier immer en altijd geweest;

En altijd door gaat pret en feest —)

Zoo \'k zei: hier geen ontsmettingskuur. En geen gevaar van uwen Buur, — Dat die de ziektekiem of bron.

Door \'t gootsteengat u brengen kon.

Van de gevreesde Cholera. —

Gij zijt hier in Utopia. —

In heel de wereld is geen bad.

4

-ocr page 184-

BE VERDWAALDE TOURIST.

Dat ooit die levengeest bevat,

Die hier langs uwe voeten stroomt. — \'t Natuurpark ginds, vol hoog geboomt\'. Noodt u in \'t middagswandeluur,

Na de volbrachte waterkuur.

En bovendien, versta mij wel!

Speelt morgens reeds de Bad kapel U wakker in uw groen paleis.

Zooals \'t behoort naar \'s modes eisch. — Ontelbre Musici van naam —

Wier lof en roem vooruit, de Faam, Reeds bad verkondigd, kwamen hier.

Uit aller heeren landen schier.

En plompt ge in \'t kille nat uw lijf. Dan helfen zij tot tijdverdrijf —

Dat ii in \'t bad, niet al te lang, —

De tijd zou vallen, liedje en zang.

Op wijsjes aan, zoo schoon en vlug, Dat gij wel nimmermeer terug Zoudt willen, naar uw groote stad,

Waar gij \'t naar \'t zin toch niet recht hadt.»

«Gij waart hier dan in \'t Paradijs!

Alleen dat gij tot eiker: prijs,

Celibitair bleeft; want ik zeg,

(Merk goed op, luister! overleg!):

Waar gij thans zijt, is \'t vrij domein.

Van \'t woudkoor; allen, groot en klein, Ook alles, wat in \'t water leeft.

174

-ocr page 185-

DK VERDWAALDE TOURIST.

Den aad\'laar, tot de kleinste kreeft, Behoort dit alles in \'t rondom, Als onbetwistbaar eigendom.

Voor \'t leven echter afgestaan.

Kan elk zijn vrije gang hier gaan. — En luidt liet in Artikel Een,

Van onze grondwet: «Algemeen,

Geldt dit voor elk Individu;

Geen macht kan immer een van ü. Ontzetten van zijn wettig recht.

Dat hier voor elk is weggelegd:

Maar vreemden dulden wij niet hier: Steeds uitgezonderd ieder Dier.»

«Den mensch alleen gedoogt men niet; Omdat, waar hij zich nederliet.

Al \'t wee, ilat ooit op aarde kwam, In zijn gevolg, hij met zich nam.

Tiet middel heiligt hem het doel:

\'t Is alsof hij zich in eeti poel. Van ongerechtigheden baadt.

Hij volgt, als waar \'t naar \'s duivels raad Steeds tot bereiking van zijn wit, •—

(Heeft zijn begeert\' hem dat of dit,

Doen schijnen eene lieve wensch,) — Die drift. — \'t Gedrocht, alias «mensch». Heeft eigenmachtig reeds beslist;

En met geraffineerde list.

Of overmacht, gaat hij straks heen.

-ocr page 186-

PK VERDWAALDE TOURIST.

En neemt wat hem begeerlijk scheen. Vertreedt er de eerste en hoogste wet.

Door aller scheps\'len Heer gezet;

Door de eerste hunner zelf verkracht, Ten hoon en spot der hoogste Macht. — Niet dat lii.j niet gebruiken mag,

Wat tot zijn nut hij vond, of zag — Hij moordt en iiij verdelgt uit lust. Als ware iiij zich onbewust, —

Dat :il wat leeft, er met eeu doel üestaat. Dat rondom een gevoel,

Van vreugde, blijdschap, leed of smart. Geniet of lijdt, in \'t eigen hart.»

«Zoo kwam onlangs een vreemde snaak, -— Wij dachten, slechts tot zijn vermaak, — Een die Natuur genieten wil, — Behoedzaam, loerend, zwijgend, stil. Met haviksoogen, woest en leep — Nam soms een sprong, deed soms een greep» ..

«Wij wachten op dien avond lang; En \'t werd ons om het hart zoo bang; O menig zucht werd er geloosd, Om \'t lang wegblijvend kikkerkroost: Tot dat, na nameloos verdriet,

Tk \'s anderen morgeus, in \'t verschiet,

Bij \'t eerste gloren van den dag. Ik uwer gruw\'Ien werk reeds zag.

70

-ocr page 187-

de verdwaai.de tol\'rist.

Ik zag mijn kroost gevierendeeld.... Ons vleesch had eens uw tong gestreeld.. . Met mijner kindren vleesch en bloed, Hadt kannibalen ge u gevoed.» — «Koekkoek!» ei hebben wij u hier?

Wier maagschap zelfs \'t onschuldig dier — Het weerloost schepsel niet ontziet, — Dat als \'t uw weg kruist, graag ontvliedt Wier kleine duivels, reeds volleerd, In \'t kwaad, en steeds ongegeneerd.

Zich oefenen in roof en moord.

Zooals ik gister heb geboord;

Hoe zij onze ei\'ren, niet alleen Uithalen, maar het nest meteen

Vernielen, al is \'t nog zoo hoog.

Of hoe verborgen voor het oog.

Maar dit is \'t ergste er nog niet van Dat boevenrot! wanneer het dan

Ons kleintjes opmerkt, die zoo ver Gekomen zijn, dat zij nu er.

Uit de eitjes kwamen, — roepend: «wie! Van ons de stoutste thans is, die

Ze uithalen durft, hij is een man!

Die zoo iets koens volbrengen kan.» Eén maakt het rijke nestje buit,

En moordt ons huis met kinderen uit.»

«Wat zoudt gij zeggen menschenzoon! Wanneer men u ontrukte uw kroon:

-ocr page 188-

DE VERDWAALDE TOURIST.

Uw kinderzegen, van n\\v hart, En u alleen liet met uw smart?»

«En nog eene aanklacht heb \'k te doen: Ik vloog zoo even langs het groen,

\'k Zag op een bloem Vriendin «Kapel,» Zij vroeg mij toen: «heb ik het wel? Of weet ik niet het rechte er van ?

Waart gij niet met dien gindschen man, Straks in gesprek? \'t Is mij niet lief, Dat hij hier is. \'k Heb menig grief. Ja menig, tegen hem en zon,

\'t Hem zelf wel zeggen, maar ik won. Dat gij bet namens mij, maar deedt. Want gij zijt grooter, vlugger. Weet, Dat hij mij licht gevangen nam.

En \'k had geen hoop, dat ik \'t ontkwam; Wat lot, door mijner vleng\'len pracht. Wie weet, mij dan werd toegedacht!»

«Vraag, hoe \'t zijn zon, dien deugniet thans, Hem, als liet staal van pijl of lans.

Door \'t eigen vleesch eens henenging. En met heel zijn familiekring.

Gespietst, hij zich zag achter glas.

Zooals mijn maagschap \'t sinds lang was.»

Maar is \'t, dat \'k misschien mij vergis, Dat hij, die snoode, een ander is, —

178

-ocr page 189-

DE VE RIJ WA A 1,1) F. TOriUST.

Koos liij zicli hier een plek ter woon. Ter wille van het heerlijk schoon. Dat onze Schepper, groot en goed, — Ons schonk uit Zijnen overvloed —

En laat hij ons niet rnst en vree, — Wel hij geniet\' dan alles moê: De heerlijkheid van bloem en wond, — En maak\' zijn hart met ons vertrouwd.»

«Kwakkak! \'k zeg nogmaals, «kum alleen!» Wij dulden hier niet meer dan één;

Slechts als Celibitair, zijt gij, Ons welkom; vestig n dan vrij.»

«Niet anders» roept een Vinkjes stem, «Ontvangt de vogelwereld hein.

Want kwam hij slechts met ééne vrouw, Dan kwam te laat een vroeg berouw: Want \'k zag dit voorjaar op mijn tocht, In eene verre havenbocht.

Aan de oevers van den Senegal, Een grouten Schoener aan den wal. Met iets vreemdsoortigs in zijn huik. Ik merkte door \'t geopend luik,

Een schittering van kleurenpracht: Ik sloop onmerkbaar nader, zacht,

Orn te onderzoeken en ik zag.... Wat vogellijkjesstapel lag

-ocr page 190-

PE VERDWAALDE TOURIST.

Daar op een berg! en toen ik weer. Mij zette in \'t ver Enropa neer,

Zag \'k op ile 1 iel ft van \'smenschen kruin, Yeel vlerkjes er, in goud, in bruin,

In hemelblauw, in schittrend groen. Of in het prachtigst vermiljoen. — Soms een volledig vogellijk,

Stond op een vrouwenhoofd te kijk, Van eene dwaze ijdeltuit:

lgt;e slaafsche mode steeds ten buit.» —

«Na geineenschaplijk overleg,

Van ons, blijve al wat vrouw is weg! Uit ons gebied het allereerst.

Zoodat bier vrede en ruste heerscbt. De vogeltjes met bonte veer,

Eenstemmig \'t gansehe vogelheer,

Is \'t, dat thans vol welsprekendheid. Op goede gronden zulks bepleit. Om slechts te gunnen aan één Man, Dat hij bij ons, zich vest\'gen kan.

En met den Kikvorsch en Kapel,

Als uit één mond klinkt het: «\'t is wel.» Waar \'t anders, zie! wij zagen reeds. Vooruit een toekomst, zoo vol leeds; «\'t Momenti Mori», in \'t verschiet. Na enkel kommer en verdriet;

-ocr page 191-

I)K YKüDWAAI.nE TOURIST.

Dan werd door de toegeellijkheid. Ons zelf dat uaain\'luos wee bereid, Dat reeds aan de onzen is gebeurtI, Waarover nog zoo menig treurt.»

«\'t Is goed gezegd, quot;t is goed gedacht: Vermenigvuldigde \'t geslacht,

Bij ons zich van één menschenpaar, Dan zoude licht een menschenschaar. Onze arme dieren wereld dra, —

Roept heel liet woudlvoor, vroeg en spa -Doodinart\'len, pijnigen, alras,

Totdat niets meer te duoden was.»

«Maar wat geschuifel hoort men hier! Ja wel! daar is \'t bespraakste dier;» — «Gij kent van ouds mij wel, mij slan Wees voor tlie menigte niet bang! Neem gij gerust een Eva mee; Eén mensch is niets; dus zij er twéé. — Ik weet een mooie Pommadam. Als \'k er mee bij uwe Eva kwam. Dan naarnt ge ook weer een goede beet. En werkte voortaan u in \'t zweet. Gij deedt weer op dezelfde wijs. Als bij mij eens in \'t Paradijs: Dus hebt gij in een Eva lust:

Ik waag daaraan mijn levensrust.»

-ocr page 192-

DE VERDWAALDE TOURIST.

«Tluin! \'k lioor hiei- van het dierenrijk.

Waar men in veel heeft groot gelijk;

Men is hier ook bij lang niet bloó: Ik lioorda nouit de waarheid zoo,

Op die manier, bepaald, beslist,

Zooals ik \'t nimmer had gegist.

Men maakte \'t zich niet nood\'loos druk. Men iiield er immer voet bij stuk, En ieder voorgedragen feit,

Werd juist en duidelijk bepleit. —

Op kansel, voor de balie, zag. Men zelden het zoo bij den dag,

Ik vond liet alles zoo gepast.

Summa Summarum: ik, verrast.

Heb een en ander aanstonds toen.

Zelf genoteerd in \'t mollig groen.» —

«Kwakkak !» \'t wordt koeler naar ik merk. Hoe is \'t! betrekt niet wat het zwerk?

Mij dunkt, \'k word Imiv\'rig om het lijf: Ik ga wat naar mijn wachtend wijf; Ik voel wat in mijn heupgewricht:

Is er ook Onweer in \'t gezicht? — Wij wonen bij dat groepje riet.

Dat gij daar ginder wuiven ziet.

Daar ligt een drijftil op den stroom \\oor anker; en een\' holle boom, -— Een Lijsterbes, met roode vrucht.

Staat half, hangt half, er in de lucht. -—-

•182

-ocr page 193-

DK VERDWAALDE TOURIST.

Daar koos ik Domicielje en wij,

Bevinden ons er vrij en blij.

Kom, \'k rnoet nu gauw naar mijne vrouw. Want, wat zij wel niet zeggen zou.

Als \'k voor het onweer niet tehuis.

Was, hij haar, in lt;le droge kluis;

Ik vrees, ik heb mij al verpraat;

Maar zeker vrind! maak daarop staat. Dat, is het Omveer gepasseerd —

En lieci\'t het geen van ons gedeerd — \'k H weer gezelschap houden zal.

Mier op des beekjes koele wal.

*k Moet zien te komen ouder dak,

Eu nu vaarwel tot straks, «kwak, kwak!»

Wel! wat een taal die Kikvorscli praat Mij voor, waar het nu maar op staat! Die heeft een Eiland in bezit,

Een koninkrijk, met dat en dit.

\'t Was beter, had hij mij gezegd:

«\'k Wijs voor liet onweer U terecht.»

«Koekkoek! wel Man zijt gij nog hier?

Zwart is heel \'t West en Zuiden schier;

Lood lijkt tot boven toe het zwerk;

Ik zag het uit mijn hooge berk.

En hoor maar eens! het dondert al;

\'t Wordt met U! Vrind een naar geval:

183

-ocr page 194-

DE VERDWAALDE TOURIST.

Het weer lijkt dreigend; \'t wordt straks boos Een ellenlange waterhoos,

Daalt spiraalvonnig naar den grond.

En slingert vreeselijk in \'t rond.

Ik wou, eer \'k in mijn nestje ging, [I eenzame, arme zwerveling.

Nog zeggen, wat ik straks vergat:

Zijt gij het dralen nog niet zat?

Hebt ge u geen kluisje nog gebouwd ? Komaan! vlug dan maar mee in \'t woud. Hoor! hoe nu reeds de donder brult. De hagelstorm de lucht vervult! —

Ziezoo! nu zijn wij onder dak,

En volg mij: maar van tak tot tak».... «Koekkoek! waar dwaalt gij met mij been, Hier in de wildernis alleen .\'»

«Wel nn! merk op: waar ik thans sta; En huppel mij maar achterna.

Van twijg, tot tak, van twijg tot tak. Voorzichtig! opdat er geen brak.

Zie eerst goed voor u in het rond !

Wel man! gij staat nog op den grond! Wat blikt gij hulploos, goede Vriend! Nu het geluk n niet meer dient!

Gij staat met al uw wijsheid hier,

Hulp\'loozer als bet nietigst dier.

Gij weet niet eens of ge achteruit. Of voorwaarts moet; neem een besluit,

184

-ocr page 195-

r»K VÉRmVAALDË TOUUIST.

Hiel\' in der bosschen iliiistcmis,

Nu \'t vuui\' niet van den lieinel is,

En ver genoeg uw pad verlicht, Met bliksemstraal op bliksemschicht U hier, n daar, den donderslag Steeds roept, kom emdiijk voor den dag. En de echo van den storm n wenkt. Opdat aan uw vertrek gij denkt!»

«Gij wilt toch eindelijk eens naar huis? Het schijnt of gij den weg naar thuis, Gansch bijster zijt, sinds langen tijd; Gij hebt nu zeker deerlijk spijt.

Van al uw dwalen, ver van honk, Hoe heerlijk quot;t u ook tegenblonk.

Om een paai\' dagen, \'t allerlei, Het schoone in woud, in veld en hei. Te smaken Hink op uw gemak.

Uw lust daartoe kreeg thans een knak. Nu \'t water uit uw kleêren druipt, Kn als gejaagd, door \'t woud gij sluipt.

«Hier is mijn nest; ik kruip er in; Dit weer is juist een goed begin,

Voor eene stormige onweersnacht: Jk zit hier mollig, droog en zacht. — Was \'t nestje groot genoeg voor twee. Bepaald: ik nam u gaarne mee....

185

-ocr page 196-

I»!-: VKr.mVAALDE TOURIST.

Vaarwel! gij neemt uw riclitirig nu,

Vlak in den wind op; dat brengt n ■— Wanneer de kou der hagelvlaag,

U \'t niet belet, misschien vandaag,

Toch morgen, wis naar uwe stad, In onophomriijk waterbad.

Wijl ii de storm om de ooren blaast;

Vaarwel van liarte, voor het laatst!»

«Wat heeft zoon Koekkoek het toch best, (iedoken in zijn heerlijk nest;

Kn vierend zijne spotlust bot — In vergelijking met mijn lot!»

«Een dagreis ik van huis, zie \'k thans,

Hoe ik \'t verzin, maar geene kans.

Om eenigzins vóór \'t nachtelijke uur, Mij uit dit zeer vreemde avontuur Te redden. In mijn hachlijk lot.

Benijd \'k Robinson in zijn grot.

Ik, die van Darling, Marahon,

Den loop en bronnen zeggen kon, — Die onder \'sKeerkrings zonnegloed Den weg te weten meende, boet,

Mijn wandellust, thans wel beschouwd. Als een verdwaalde in \'t inheemsch woud.a

«Hoe quot;k ook het keer, \'t is met dat al. Een vreemd en netelig geval.

Ik ben hier eens en moet van hier. — Dat zelfgesprek met heekje en dier.

-ocr page 197-

I)K VEliDWAAl.DE TOUl!I.ST.

Had alles weinig om het lijf; —

Waar is \'t, van koude word ik stijl\'.

Vond ik maar \'sbeekje\'s zeek\'re gids, Opnieuw weer; daarmede aan de spits, Was \'k wis, dat ik en weg en pad,

01\' richting zonder mis, weer liail.» —

«Maar hoor ik goed, is \'t niet gesuis?

Of is liet nog het windgebruisch Het is des waters toon gelijk;

De Nimfen uit het dropplenrijk. Na geineenschapp\'lijk overleg.

Zijn, om te zoeken mij, op weg.

En aan hun trouwe hand geleid.

Wijkt reeds der hosschen donkerheid. Een golvend landschap maakt reeds plaats. Voor quot;t duister woud; van \'t West weerkaatst. Een zee van teeder avondlicht, Op \'t wolkgevaart\', dat zwart en dicht. Den hemel in liet oost bedekt —

Op eens wordt daar de pracht gewekt. De luister van den regenboog:

Van de aarde laag, ten hemel hoog, Oprijzend, alsof door die poort Van licht, des Hemels luister gloort.

Wijl zijwaarts aan den horizon Het avondgloeien van de zon. Op windvaan cn op torendak,

Mij \'t seinlicht tot mijn koers ontstak.

-ocr page 198-

-»SRISJ.

g\'OV- (eyï). ^./©j (gv (QyO-i (^)-Sv

^ieuwe Wereld, Laml der toekomst! J-\'l T.and van geestdrift, land van jeugd Bloeiend iu uw volste schoonheid.

Dat pas enkele eenwen hengt!

Land van pi\'aeht\'ge renzenstroomen;

T.and der grootste meren, die —

Groot als koningrijken, golven,

Langs het rollend land: \'(Prairie!» Millioenen, die nog hnnk\'ren.

Naar IJ, land van overvloed.

Naar nw Paradijs vol zegen,

Zenden u vooruit Inin groet. Ja, \'t beloofde land Europa!

Is voor n het verre West,

Waar de geest der vrijlieid zetelt!

\'t Eenig schoon Gemeenebest.

Waar voor ieder, die niet vadzig.

Onverschillig is, of slecht, —

Ai-men, handen maar wil roeren —

Voor diegene is weggelegd.

Wat hem toch in de onde wereld.

Op een menschwaardig hestaan.

-ocr page 199-

NOOHD-A MER1K A.

Nooit deed hopen, maai\' \'t hem wenkte,

Ginder over de oceaan.

Waar hem quot;t blokhuis, dat bij bouwt er.

Zij \'t ook nog zoo primitief —

Daar op eigen grond hij quot;t stichtte,

Hem weldra wordt dier en lief;

Waar hij met de tooverroede,

«Vlijt», de klei in tweëen splitst, En dra gouden tarwe wiegelt.

Neen! de zwartste Pessimist,

Moet tot andre meening komen.

Als hij weldra \'t rnischend goud. Topzwaar neigen ziet ter aarde.

Schoon, ais nergens ooit aanschouwd.

\'t Werd een «Nieuwe Wereld» werklijk,

In den volsten zin van \'t woord. Hem, den Emigrant van \'t Oosten,

Die hem weldra toebehoort,

Met zijn denken, met zijn hopen, Met zijn arbeid, met zijn vlijt.

En er weidra ingeburgerd.

Wordt daar Zoon van zijnen tijd.

Merkt gij dat Europa\'s akker,

Niet in \'t eind, verlangt naar braak? \'t Vruchtenmoede u luide predikt.

Maak u op van hier; ontwaak!

Want merk op! aan gindsche zijde,

-ocr page 200-

NOOUD-AMERIKA.

Bij des zonlichts ondergang,

Wacht de zegenrijke bodem, Op ontginning, sedert lang.

En met honderdvoudige oogsten,

Ziet ge uw noeste vlijt beloond. En rijk zijt ge nis eene koning.

Als ge er op uw «Eigen» troont. Ja «Nieuwleven» zal \'t u worden,

In liet nieuwe vaderland:

Loon voor arbeid, loon voor zorgen! Toekomst, die de zorgen bant!

Zeg, het afgeleefde Europa, —

Met zijn ziek\'lijk «als van ouds». Met zijn staatkunde er vermoordend. Volk en ras elkaar, om gouds, — Dat gij \'t eind\'lijk moede, moede. Moede werd, om have en goed. Kracht en arbeid, vlijt en zwoegen, langer te olïren, zelfs uw bloed! Scheur u los beklagenswaarden; —

Paria\'s der maatschappij.

Van het zoo doodkranke Europa, — Waar gij slechts in naam zijt vrij. Waar in andren vorm gegoten, —

Hoe \'t ook te betit\'len zij,

Het een nieuwe varialitie,

Is, op \'t Thema «Slavernij!»

Waar geen deel aan \'s Heeren tafel.

-ocr page 201-

NOOUD-AM KlilKA.

Ook voor ü door Hem gedekt, — U vergund wordt, aan te zitten.

Wijl de handen uitgestrekt —

Naar hetgeen u rechtens toekomt.

Krachtens menschelijke wet.

Men bij de algemeene 1\'eestdisch,

U eenvoudig hniten 7,et. —

Och! wat kan uw voet weêrlionden?

Wat ii hinden aan dien grond,

Waar, na jaren wroeten, zweeten,

Steencn slechts voor hrood gij vondt ?

lOn liet woord «Valt;lerlandsliefde,»

U van kindsbeen voorgelegd.

Bleef tot liier eene ijd\'le leuze:

Komt daar eind\'lijk tot zijn recht. Wrant waar nood of zorg of kommer.

Met den honger in \'t gevolg. Het laatste uitzicht op verbeet\'ring.

Met zijn veerkracht \'t al verzwolg, — Daar, daar zijn het holle klanken.

Waar men ooit van vaderland, — Als het hoogste en allerschoonste, —

Sprak, van \'t allerdierbaarst pand. — Zulks past in \'t verouderd stelsel. —

Naar Europa, levensmoe.

Wenkt, als \'t licht der Nieuwe Wereld, \'t Jong Amerika, U toe!

-ocr page 202-

Stud en Lnnd.

if il steed\'ling niet zoo rijk n wanen,

JrTA ^ij, op ile schoonheid uwer stad.

Op uwe prachtgebomven prat,

Als gij iloor mve steenen lanen Gaat, en bij winkelkastvertoon,

Zegt: «wat is mijne stad toch schoon!»

Vergeet daarbij de schrille kleuren. Van baksteenrood en portlandwit, Waartusschen ge als gekerkerd zit.

Geen horizont gij kunt bespeuren;

Geen op- of ondergang der zon.

Die u er ooit verrnkken kon!

Gij schijnt het ook voor weinig te achten, Hoe duf, bedompt, hoe weinig l\'risch, Het langs uw troeble wat\'ren i.s;

Wat er omhoog stijgt uit uw grachten, —

Als gij daartegenover stelt.

Wat wierook geurt, door bosch en veld!

-ocr page 203-

STAD EN LAND.

quot;t Wil bij u tocli nuoit liind\'lijk worden, Al zegt ge «\'t gaat wel uj) den dnur!» Het wordt niet meer dan iialf natuur, Al gaat ge uw stad met groen omgorden; Hoe ge ook uw best doet, graaft en plant, \'t Wordt nooit dat schoone in veld en land.

\'t Is ol\' Natuur zich niet aan handen Laat leggen ooit, maar altijd vrij, In onbeperkte heerschappij,

AVil blijven, noch zich aan laat randen: Gaslicht beneèn en boven stoom,

Is niet het rijk voor bloem en boom.

193

13*

-ocr page 204-

BUWEKLOOSTER.

Als l)i) lieflijke avondstonden, —

\'t West met zachter stralend goud, Op die plek zijn Schoon ontvouwt.

Over hoog gelegen gronden Strijkend, rakelings voorbij,

\'t Huisje in laagte en boompartij;

Eu langs Eiken en Kastanje,

Bij des avonds eenzaamheid Zich door \'t looverdak verspreidt.

Af, op \'t bloemhout, licht als franje.

Naar, van over pad en dreef — Wat van Buwe\'s klooster bleef:

Is \'t of ze aanstonds wederkomen.

Allen, van de Nonnenschaar,

Door de loofbooggangen daar,

Ruischend in hun wakend droornen.

Nu, \'t daar gloeit, als \'t kaarslicht, hel. Op \'t altaar, eens der Kapel.

\'t Is, of zij nog, als voor dezen.

Buigen, voor \'t Madonnabeeld;

Waar \'t Zuid juist het loof verdeelt, Uit hun graf nu opgerezen —

Als een plotsling visioen —

Vorm aannemend, van het groen.

194

-ocr page 205-

li UWE KLOOSTER.

\'t Is of de Echo van \'t verleden,

\'s Kerkholsk lokstem daar nog is,

Die de Nonnen en Abdis,

Ten gebed roept, op dit heden.

Van zijn eenzaam Kerkhof nit,

Nn \'t in Buweklooster luidt,

Wand\'lend naar de Kerk van \'t Klooster: — «Heilige Maria\'s Graf» —

\'t Uitgetreden voetpad af. —

Reeds eene andre schimme poost er:

Blijft, wat heenga, of verga,

Die, des Stichters Harkema.

\'t Avé Maria klinkt sedert Eeuwen, niet meer te avondstond.

Over Buwe\'s kloostergrond.

Toch is \'t mij, als klonk daar weder \'t, Nn er Zesuur\'s avondklok.

De aandacht, als het rustuur trok.

En liet vroom gezang der Nonnen,

In hun zoo eentonig grijs,

Op een Paiestrina\'s wijs Zwijgt. Maar sedert lang begonnen,

Liedren van de woudkoorschaar,

Hunne Lentehymnen daar.

195

-ocr page 206-

nrWEKLOOSTER.

\'t Is hier thans een woudidylle;

Eene wereld op zich zelf;

Slapende onder \'t bladgewell \'t Klooster, dat hier ging ter ziele;

Waar geen beeld der Moedermaagd, Der geloov\'gen groet meer vraagt.

Bleef zelfs van de kloostermuren. Den Mariadienst gewijd.

Niet een brokstuk tot deez\' tijd: Van meer nuchtere naturen Een, bij zijnen kleinen kring.

Leeft daar in bespiegeling.

Daar, waar eens de zusters samen, Preev\'lend bij hun roze krans.

In den matten kaarsenglans.

Reeds bij nacht ter vroegmis kwamen — Peilt den versten hemelzoom.

Thans de Landman—Astronoom. (\')

-ocr page 207-

HET LAAGLAND.

■k min de vrije horizon!

De witte duinen, groene dijken! Van waar ik eerst als kind begon,

Mijn groene wereld te bekijken: Van toen als vereenzelvigd reeds,

Met mijn bestaan en dat bleef steeds.

O ongeplante Bloemtuin, die,

Op groengrond mij een Eden toovert! Die door zijn eigen Poëzie,

Mijn hart en zinnen heeft veroverd. Mijn Gosen, rijk gezegend Land, Aan \'saardrijks uiterst noorderstrand!

Om mij heen moet de vlakte zich.

Haar stille heerlijkheid ontvouwen. Die, wijl ik uit mijn venster lig.

Nooit moede ik word van te beschouw Haar moet ik steeds weer gadeslaan. Zoo trekt haar majesteit mij aan.

1

-ocr page 208-

HET LAAGLAND.

De ruime vlakte is mij zoo lief!

Zijn Puszta mocht Petöfi prijzen,

Die in zijn zang hij hoog verhief;

En Long-fellow op een\'ge wijzen.

Zong \'t eigen schoon van zijn Prairie, De nooit volprezen Poëzie!

Bederf mijn klein geluk mij niet,

Daar ik dat stukje grond kan minnen! Dat wat zijn eigen schoon mij biedt,

Bij zooveel ligt het niet kan winnen. Als men Arkadië soms roemt,

\'t Naast Km mens dal niet wordt genoemd.

\'k Heb Landje u even lief er om!

Door Noord- en Zuiderzee omstrengeld. Waar grillig plas en kreek rondom,

Van land en eiland, ligt doormengeld ; En vormend zoo een schoon geheel. Een ongeëvenaard tafreeI.

Gij blijft mijn vreugde, gij mijn lust,

Diep Landje, ver en afgelegen;

Waar ge achter aan der Wadden kust. Uit meer en schor eens opgestegen. Door Molens wieken reuzenkracht. Tot weide werd omhoog gebracht.

198

-ocr page 209-

HET LAAGLAND.

Ik zie hen staan, als kostlijk merk.

Echt Vaderlandsch het landschap sieren Gedenkteekens dei- vadren werk!

In \'t hreede majestueuss zwieren Der wieken, met hun trotsche vlucht.

Zich wentlend door de noordsche lucht!

Het is eenig grootsch geziclit.

De wind, zich leenend, om de wat\'ren. Wier peil tot Meters dieper ligt,

In \'t vlakland te doen hruischen, klaat\' En zulks door \'t vaderlandsch genie. Ja daarin ligt ook poëzie!

Roem gij op woeste waterval.

Die Zwitsers dreigt van uwe hergen, 01\' op uw karig rotsendal.

Dat altijd door, uw vlijt blijft vergen: Hier hogen wij op vette wei,

Waar \'t water men aan banden lei!

Ik ken geen schooner veldgezicht.

Dan waar de trotsche Molens prijken! Waar de eetie rust, één draait, één zwicht.

Aan meerzoom, op de groene dijken: Rijkmakers der landbouwerstand. Die koningen van \'t Polderland!

-ocr page 210-

HET LAAGLAND.

Schoon Landschap! met een «Molenzicht»!

Waar «Veldlust» in zijn krans van boomen, Een «Waterblik» aan \'t ineertje ligt;

Waar langs de golfjes rimplend stroomen, Omgord door breeden zoom van riet,

Daar \'t zonlicht tinten overgiet!

Waar schilderacht\'ge groepen vee,

Zicii tusschen leeg\'ren in de weiden; En over dijk en duin, in zee.

Het Driemastscliip men \'t zeil ziet breiden. Door avondrood liet al getint:

\'k Heb Landje n niet om niets bemind!

Het Laagland is mijn Vaderland!

Het land der vlakte en dat der meren. Door eenen gordel dijk omspand:

\'k Blijf het als Vaders erf waardeeren; \'k Heb daar aan Moeders hart gerust!

Daar is mijn al, mijn vreugd! mijn Inst!

-ocr page 211-

E R R A T A.

Op bladz. 8 staat wiens jaren, lees: wier jaren.

„ „ 8 „ wiens hoofd, lees: welks hoofd.

„ 13 „ luid dreunende, lees: Al drenuemle.

„ „ 38 „ tooneii, lees: tonen.

r 65 „ Iets, lees: Is.

„ „ 71 „ wier top, lees: tviens top.

„ „ 78 „ welks takken, Ites: door welks takken.

„ „ 81 „ Hunne vorm vertolken, lees: Vormen, die vertolken.

„ „ 85 „ Hen tot graf, lees: Jmn tot graf.

., „ 87 „ Wolken rijzen, lees: Golven rijzen.

„ „126 „ ouderplicht, lees: kinderplicht.

„ „ 140 „ O wat \'k inoog1 vergeten u nooit, neen o niimiier, lees: 0 wat \'k tnoog vergeten, u nooit, neen o immer!

„ «154 „na klimmen, lees: na yt klimmen.

„ „ 167 „ \'t Registertal het werk, lees: V Register tal van\' t Werk.

„ „171 „ woll\'ge kuddestem, lees: wolVge kudde1» stem.

„ „181 „ werkte, lees: werktet.

„ „190 „ varialitie, lees: variatie.

„ „ 195 „ \'t Avé Maria, lees: Ave Maria.quot;quot;

Eenige verdere fouten van misschien geringere beteekenis, over \'t hoofd

gezien by de correctie, door den schrijver, bjj te weinig tijd, gelieve de

goedgunstige lezer, hein wel te willen verschoonen.

J. R. K.

-ocr page 212-
-ocr page 213-
-ocr page 214-
-ocr page 215-
-ocr page 216-